summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/34955-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '34955-0.txt')
-rw-r--r--34955-0.txt67537
1 files changed, 67537 insertions, 0 deletions
diff --git a/34955-0.txt b/34955-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..5f246ef
--- /dev/null
+++ b/34955-0.txt
@@ -0,0 +1,67537 @@
+The Project Gutenberg eBook of Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid, by Dr. J. G. Schlimmer and Dr. Z. C. de Boer
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
+whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
+of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
+www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
+will have to check the laws of the country where you are located before
+using this eBook.
+
+Title: Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid
+
+Author: Dr. J. G. Schlimmer
+ Dr. Z. C. de Boer
+
+Release Date: January 15, 2011 [eBook #34955]
+[Most recently updated: August 26, 2021]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: UTF-8
+
+Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK WOORDENBOEK DER GRIEKSCHE EN ROMEINSCHE OUDHEID ***
+
+
+
+
+ WOORDENBOEK DER GRIEKSCHE EN ROMEINSCHE OUDHEID
+
+ Door
+ Dr. J. G. Schlimmer en Dr. Z. C. de Boer.
+
+
+ Tweede Druk
+
+ Herzien door
+ Dr. Z. C. de Boer en Dr. C. G. Th. W. Koch.
+
+
+ Derde Druk
+
+ Herzien door
+ Dr. C. G. Th. W. Koch,
+ Conrector van het gymnasium te Tiel.
+
+
+ Met houtgravures tusschen den tekst.
+
+
+ Haarlem,
+ De Erven F. Bohn.
+ 1920.
+
+
+
+
+
+
+VOORBERICHT VOOR DEN EERSTEN DRUK.
+
+
+In den zomer van het jaar 1887 wendden De Erven F. Bohn zich tot mij
+met de vraag, of ik de bewerking op mij wilde nemen van een nieuw
+zoogenaamd klassisch woordenboek, meer in het bijzonder bestemd
+voor leerlingen aan de nederlandsche gymnasiën, van minderen
+omvang en lageren prijs dan het bekende werk van Lübker en ook
+dan de nederlandsche bewerking daarvan door wijlen Mr. J. D. van
+Hoëvell, omstreeks 30 jaar geleden bij den heer Braat te Dordrecht
+verschenen. Alleen durfde ik echter deze taak niet op mij te nemen
+en ik verzekerde mij dus van de hulp van mijn ambtgenoot Dr. Z. C. de
+Boer, die zich bereid verklaarde den arbeid met mij te deelen.
+
+
+ J. G. Schlimmer.
+
+
+Waaraan dit woordenboek zijn ontstaan verschuldigd is, is in
+bovenstaande regelen medegedeeld. Er blijft nog over, rekenschap te
+geven van de bewerking. Het boek was in de eerste plaats bestemd voor
+de gymnasiën, doch het belang van de uitgevers bracht mede, dat het
+debiet niet uitsluitend daartoe wordt beperkt, maar dat het boek ook
+geschikt zou wezen voor beoefenaars der klassieke letterkunde en der
+oude geschiedenis, ook buiten het gymnasiaal onderwijs staande. Met
+het oog op het hoofddoel kwam het ons voor, dat wij zooveel mogelijk
+lange monografieën moesten vermijden en wel in het oog moesten houden,
+met welk doel een gymnasiast een artikel zou opslaan. Wanneer hij
+b.v. den naam van een land opzocht--zoo meenden wij--dan zou dit niet
+wezen om er eene uitvoerige aardrijkskundige beschrijving in te vinden,
+met opgaaf van bergen, rivieren, steden, enz. Toen eenmaal het plan
+van bewerking was vastgesteld, moest de arbeid worden verdeeld. De
+eerste ondergeteekende nam datgene voor zijne rekening, wat tot Italië
+behoorde of zich daarbij aansloot, om het zoo eens uit te drukken,
+het rom. gedeelte, benevens de geheele geografie der oude wereld,
+terwijl de tweede ondergeteekende zich met het grieksche gedeelte en
+de geheele mythologie en godenleer belastte. De lijst der op te nemen
+artikels werd telkens door ons gemeenschappelijk opgemaakt en daarbij
+werd met zorg overwogen, of naar onze meening te verwachten was, dat de
+leerling dit of dat woord in ons woordenboek zou opzoeken. Wij meenden
+verder, ons te moeten beperken tot het gebied der oude geschiedenis
+en niet op dat der middeleeuwen te moeten treden.
+
+Een ander punt van ernstige overweging was de spelling der grieksche
+namen, wanneer zij met latijnsche letter worden geschreven. Al ras
+bleek het, dat een dubbel stelsel--n.l. voor latijnsche en grieksche
+woorden afzonderlijk--met het oog op de alphabetische volgorde niet
+houdbaar was, al ware het alleen reeds hierom, dat de volgorde van
+het alphabet in beide talen niet dezelfde is. Het gevolg zou slechts
+verwarring en last voor de gebruikers zijn geweest. Zoo kwamen wij
+tot het besluit, in alles de latijnsche spelling te volgen. Nu was
+het echter consequent, ook de latijnsche volgorde der letters in acht
+te nemen. Dientengevolge [1] staan ook de woorden, die met grieksche
+letters geschreven zijn, dáár waar zij naar het latijnsche alphabet
+behooren te staan. Zoo staat b.v. Autonomia tusschen Autonoë en
+Autonoüs, Eukleia tusschen Euïus en Eulaeus, doch nu moest, om geen
+verwarring te stichten, overal de y op ééne lijn gesteld worden met
+u, ten minste in de grieksche woorden, die geen eigennamen zijn en
+daarom in grieksche letters zijn gespeld. Zoo staat b.v. symmoriai
+na Summanus en niet na Symmachus. Woorden, die met een geaspireerden
+klinker beginnen, vindt men onder H. Een ander gevolg van deze regeling
+is geweest, dat wij zooveel mogelijk de latijnsche uitgangen hebben
+verkozen en men b.v. niet Delos moet opzoeken, maar Delus. Moge ook
+deze of gene hiertegen bezwaren koesteren, het gemak der gebruikers
+stond op den voorgrond.
+
+Thans nog enkele opmerkingen [2]. De romeinsche wetten, voorzoover
+zij zijn opgenomen, staan niet vermeld onder een algemeen artikel
+lex, maar naar haren naam. Zoo moet b.v. eene lex Aemilia onder
+Aemilia (lex) gezocht worden. De romeinsche familiën staan, althans
+wat den tijd der republiek betreft, zooveel mogelijk naar gentes
+gerangschikt. Voor den keizertijd was dit om zeer begrijpelijke
+redenen niet vol te houden. De keizers vindt men geboekt onder den
+naam, waaronder zij in de geschiedenis gewoonlijk voorkomen. Niet
+alle eigennamen, welke bij oude schrijvers voorkomen, worden in dit
+woordenboek aangetroffen. Namen, die slechts op eene enkele plaats
+voorkomen en waarvan niets anders te vermelden was dan wat op die
+plaats wordt gevonden, hebben wij in den regel als onnutten ballast
+beschouwd, tenzij vermelding noodig scheen om verwarring met anderen
+te voorkomen. Wat het geografische gedeelte aangaat, hebben wij ons
+tot het, in ons oog, noodzakelijke beperkt. Wie b.v. Sequana opzoekt,
+dien zal het wel voldoende zijn, te weten dat dit de Seine is,
+en hij zal niet vragen, waar deze ontspringt en welke rivieren zij
+opneemt. Als men vindt, dat Abnoba mons het tegenwoordig Schwarzwald,
+of dat Baetis de oude naam is van den Guadalquivir, dan zal zulks
+voor den gebruiker van dit woordenboek wel voldoende wezen. Bij de
+stedennamen is er naar gestreefd, zoodanige aanwijzing te geven,
+dat het opzoeken op de kaart gemakkelijk werd gemaakt. Ook moest er
+eenige rekening worden gehouden met hetgeen op de gymnasia al of niet
+gelezen wordt, en zoo wij b.v. Pausanias en Plinius veronachtzaamd
+hebben, dan zal men ons toch moeten toestemmen, dat hieraan weinig
+is gelegen, daar men bij het lezen van zulke schrijvers vanzelf weet
+in welken hoek der wereld men zich bevindt. Nu en dan is naast den
+ouden ook de tegenwoordige naam vermeld, wanneer b.v. deze laatste een
+algemeen bekende naam is of waar de naam van een volk nog voortleeft
+in dien van hunne vroegere hoofdstad.
+
+En hiermede--habeat sua fata libellus.
+
+
+Tiel, Juni 1890. J. G. S.
+ Z. C. de B.
+
+
+[1] Een voorbericht wordt zeer dikwijls niet gelezen. Toch zal het
+bij het opzoeken van een woord dikwerf moeite besparen, wanneer men
+althans van deze mededeeling nota neemt.
+
+[2] Ook van belang voor den gebruiker.
+
+
+
+
+
+
+VOORBERICHT VOOR DEN TWEEDEN DRUK.
+
+
+Hoewel wij in deze tweede uitgave, waarbij de tweede ondergeteekende
+dat deel voor zijne rekening heeft genomen, dat in den eersten druk
+door den heer Schlimmer is bewerkt, zooveel mogelijk getrouw zijn
+gebleven aan het hierboven uiteengezette werkplan, konden toch
+de resultaten van het wetenschappelijk werk van twintig jaren
+niet zonder invloed blijven op de behandeling van verscheiden
+artikelen. Gewijzigde opvattingen omtrent oude geschiedenis,
+rom. eeredienst, antiquiteiten, enz. moesten, voor zoover zij door
+ons gedeeld werden, ook hier uitdrukking vinden, zoude het boek op
+de hoogte van zijn tijd blijven, en ook onder de meeningen, die wij
+niet als met zekerheid juist durfden aannemen, waren er niet weinige
+die ons in ieder geval vermelding waard schenen. Bovendien is het
+geografisch gedeelte in vele gevallen uitgebreid door uitvoeriger
+aanwijzingen, om het zoeken op de kaart gemakkelijker te maken, en
+met hetzelfde doel is een aantal minder bekende plaatsen opgenomen,
+die in de eerste uitgave niet vermeld waren.
+
+Andere wijzigingen dienen tot het verbeteren van onjuistheden, bij het
+gebruik opgemerkt, of danken hun ontstaan aan opmerkingen van anderen,
+die wij ons dankbaar hebben trachten ten nutte te maken. Zoo is het
+art. acies, dat in den eersten druk weggelaten was, nu wèl opgenomen,
+de leges agrariae tot één art. vereenigd, enz. Het een en ander,
+waarbij nog komt de toevoeging van een aantal nieuwe afbeeldingen,
+heeft de uitbreiding van het werk met een viertal vellen druks ten
+gevolge gehad.
+
+Lange klinkers zijn alleen in de voorlaatste lettergreep van meer-
+dan tweelettergrepige woorden van een teeken voorzien, korte op enkele
+bizondere gevallen na in het geheel niet; dit scheen ons voldoende
+om de juiste uitspraak, vooral van eigennamen, aan te geven.
+
+Wat hierboven over het volgen van de latijnsche spelling gezegd is,
+bracht onzes inziens mede dat geen trema geplaatst werd op een klinker,
+die met den voorgaanden klinker in het Latijn geen tweeklank kan
+vormen, dus niet meer Nausicaä, Antinoüs e. dgl. Eu moet in grieksche
+eigennamen als een tweeklank gelezen worden, behalve natuurlijk
+wanneer het tegendeel blijkt, in latijnsche woorden niet; zoo zijn
+bijv. Erechtheus, Creusa en balneum, alle van drie lettergrepen.
+
+Mogen de aangebrachte veranderingen blijken verbeteringen te zijn!
+
+
+Tiel, September 1910. Z. C. de B.
+ C. G. Th. W. K.
+
+
+
+
+
+
+VOORBERICHT VOOR DEN DERDEN DRUK.
+
+
+Terwijl er tusschen het verschijnen van den eersten en den tweeden
+druk twintig jaren verloopen zijn, volgt deze derde druk reeds na ruim
+negen jaren. Het spreekt dan ook bijna van zelf, dat deze druk veel
+minder afwijkt van den vorigen, dan de tweede van den eersten, daar
+in de laatste vijf jaren het wetenschappelijk onderzoek vrij wel stil
+gestaan heeft. Wegens het overlijden van mijn betreurden ambtgenoot
+Dr. Z. C. de Boer, heb ik ook het Grieksche gedeelte van het werk
+op mij genomen. Zijn werk echter bleek bij nauwkeurig onderzoek zoo
+verdienstelijk in elkaar te zitten, dat in dat gedeelte slechts weinig
+veranderingen, voornamelijk op het gebied der literatuurgeschiedenis,
+behoefden aangebracht te worden. Waar dit niet het geval was,
+heb ik bij de belangrijkste Grieksche schrijvers de voornaamste
+werken opgesomd, met bijvoeging zoo mogelijk van het jaar van
+verschijning. Verder heb ik nieuw opgenomen al wat de praktijk van
+het lesgeven mij als leemte had doen gevoelen: het werk behoort in
+hoofdzaak voor schoolgebruik bestemd te blijven, al maken ook, naar
+mij gebleken is, vele studenten en jongere collega's er gebruik van.
+
+Van nieuwigheden noem ik behalve taxis, dat de vorige maal uitgevallen
+was, o. a. eranos, agones en ludi; verder woorden als koine,
+Hellenismus, proselytoi; ook een klein artikel over Paulus--de
+Romeinsch-Grieksche cultuur der 1ste eeuw n. C. is zonder hem
+niet te begrijpen--en in verband hiermede, eene bijvoeging onder
+Galatia.--Verder heb ik de voornaamste Attische vazenschilders en
+fabrikanten opgenomen; ze komen zoo vaak bij het onderwijs te pas, dat
+een aanwijzing van den tijd, waarin ze thuis hooren, niet ongewenscht
+leek. Van één dezer kunstenaars, Brygus, wist ik het accent niet--de
+naam schijnt later niet meer voor te komen, en in zijn dagen schreef
+men geen accenten; ik heb er dus maar wat van gemaakt.
+
+Nieuwe houtgravures zijn ditmaal niet opgenomen, ééne, afschuwelijke,
+Equuleus, die bovendien onjuist was, heb ik weggelaten.
+
+Ten slotte is het mij een behoefte dank te zeggen aan de Bestuurders
+der Buma- en der Leidsche Bibliotheek, zonder wier liberaliteit
+in het uitleenen een dergelijk werk moeilijk had kunnen tot stand
+gebracht worden.
+
+Moge het werk ook ditmaal zijn weg vinden.
+
+
+Tiel, Maart 1920. C. G. Th. W. K.
+
+
+
+
+
+
+VERKORTINGEN IN DEN TEKST.
+
+
+ v. s. = volgens sommigen.
+ v. a. = volgens anderen.
+ e. a. = en andere(n).
+ e. e. = en elders.
+ d. Gr. = de Groote.
+ rom., Rom. = romeinsch, Romeinen.
+
+
+Waar niet bepaald het tegendeel blijkt, zijn de jaren gerekend vóór C.
+
+
+
+
+
+
+A.
+
+
+Abacus, abax, abakion, 1) Soort van rekenbord of telraam.--2)
+Vierkant bord, met zand bestrooid, voor het teekenen van wiskunstige
+figuren.--3) Soort van speeltafel of speelbord.--4) Pronktafel of
+buffet, meest vierkant, zelden rond, meestal zeer kostbaar van blad
+en pooten. Men bezigde hiertoe marmer, soms ook zilver, of wel zeer
+kostbare houtsoorten.--5) Marmeren paneelplaat aan de muren, ook wel
+de bonte vakken in een vloer van mozaïekwerk.--6) Dekplaat eener zuil
+(zie Columna).
+
+Abae, Abai, zeer oude stad der Abanten in Phocis, op de grenzen van
+Boeotië, met een tempel en een orakel van Apollo.
+
+Abalus, een Noordzee-eiland, waar veel barnsteen gewonnen werd,
+waarschijnlijk Burchana (Borkum), zie verder Glaesariae insulae.
+
+Abantes, Abantes, oud-grieksche volksstam, de oudste bewoners van
+Euboea. Nog vroeger hadden zij in Phocis gewoond en daar de stad
+Abae gesticht.
+
+Abantiades, Abantiades, Acrisius, Perseus, e. a. afstammelingen
+van Abas.
+
+Abantias, Abantias, -tis, 1) vrouwelijke afstammeling van Abas,
+bijv. Danaë.--2) Euboea, oude woonplaats der Abanten.
+
+Abaris, Abaris, priester van Apollo bij de Hyperboreërs of Scythen,
+van wien vele wonderen verteld worden, bijv. dat hij van Apollo
+een gouden pijl had gekregen, waarop hij door de lucht reed, dat
+hij zonder voedsel leefde, de toekomst voorspelde, ziekten genas,
+enz. Hij leefde v. s. in de 8ste, v. a. in de 6de eeuw.
+
+Abas, Abas, 1) zoon van Lynceus en Hypermnestra, koning van Argos. Hij
+was in het bezit van het schild van zijn grootvader, Danaüs, waarvan
+het gezicht een oproerig volk tot bedaren kon brengen. V. s. is
+hij de stichter van Abae, v. a. is dit een naamgenoot van hem, zoon
+van Poseidon en Arethusa. Hij was de vader van Acrisius.--2) zoon
+van Metanira, die Demeter bespotte, toen zij met gretigheid dronk,
+en daarom door de godin in een hagedis werd veranderd.
+
+Abdalonymus, afstammeling van de oude koningen van Sidon, die in
+groote armoede leefde, totdat Alexander hem in de waardigheid zijner
+voorouders herstelde en zijn gebied zelfs vergrootte.
+
+Abdera, ta Abdera, stad op de thracische kust aan den mond van
+den Nestus, eene volkplanting van Clazomenae, doch vervolgens
+door de Thraciërs verwoest (653), en ruim een eeuw later (545)
+door inwoners van Teos, die zich niet aan Cyrus onderwerpen wilden,
+weder opgebouwd en bevolkt. Abdera had in de perzische oorlogen zware
+offers aan de legermacht van Xerxes te brengen, doch kwam daarna,
+als lid van den delisch-attischen bond, tot grooten bloei. In de 4de
+eeuw verloor de stad haar beteekenis tengevolge van een ongelukkigen
+strijd tegen de Triballers, een thracischen stam aan de Donau, die in
+376 plunderend het eigenlijke Thracië binnenviel, en de Abderieten
+versloeg. In den oorlog der Romeinen tegen Perseus werd Abdera door
+den praetor L. Hortensius stormenderhand ingenomen en geplunderd
+(170), en werden de inwoners omgebracht of als slaven verkocht, omdat
+zij aan de hebzucht van den romeinschen veldheer niet spoedig genoeg
+voldeden. De rom. senaat schonk hun de vrijheid terug en verklaarde
+Hortensius' handeling voor onbillijk. In den lateren tijd hadden de
+Abderieten den naam van stompzinnig te zijn en allerlei dwaasheden te
+doen. De wijsgeeren Democritus en Protagoras en de geschiedschrijver
+Hecataeus waren te Abdera geboren.
+
+Abderus, Abderos, een gunsteling van Heracles, die door de paarden
+van Diomedes (z. a. no. 1) verscheurd werd. Te zijner nagedachtenis
+bouwde Heracles de stad Abdera.
+
+Abella of Avella, stad in Campania in de bergen ten O. van Nola,
+met beroemde ooftteelt, vandaar malifera genoemd.
+
+Abellinum, stad op de grenzen van Campania en Samnium, t. O. van
+Abella.
+
+Abelux, Abilyx, een voorname Spanjaard, die de spaansche gijzelaars,
+door Hannibal te Saguntum opgesloten, aan de twee Scipio's in 217 in
+handen speelde. Zie Bostar.
+
+Abia, Abia, stad in Messenia aan de oostzijde van de messenische golf.
+
+Abii, Abioi, scythisch nomadenvolk, volgens Homerus een van de
+rechtvaardigste volken. Ook in den tijd van Alexander d. G. worden
+zij genoemd.
+
+Abila, ta Abila, stad in Coele-Syria, ten N. W. van Damascus.
+
+Abisares, Abisares, indisch vorst, die zich aanvankelijk vijandig
+tegen Alexander gedroeg, en zich later met Porus tegen hem wilde
+vereenigen. Hij onderwierp zich echter tijdig, waarvoor Alexander
+hem de regeering liet en zelfs zijn gebied vergrootte.
+
+Abnoba mons, later Marciana Silva, het tegenwoordige Schwarzwald.
+
+Abobrica, stad in Hispania Tarraconensis, in Gallaecia, aan de
+Westkust, ten N. van den Minius (Minho), tgw. Bayona.
+
+Abolla, een mantel van dubbel linnen, oorspronkelijk een
+soldatenmantel. In den keizertijd was deze dracht vrij algemeen. Dat
+de abolla destijds nauwsluitend was, bewijst een epigram van Martialis
+de abolla Crispini, waarin hij den dieven aanraadt, liever eene toga
+om te slaan. Abolla maior was een wijdere mantel, waarin de grieksche
+wijsgeeren, vooral de cynische, zich plachten te wikkelen.
+
+Abonitichos, Abonou teichos, stad in Paphlagonia, ten O. van Sinope,
+met het orakel van den door Lucianus gehekelden leugenprofeet
+Alexander.
+
+Aborigines, doch gr. aborigines, een oud-italische volksstam.
+
+Absis, hapsis, ion. apsis, -idos, halfrond uiteinde eener overigens
+rechthoekige zaal, vooral bij basilicae en aan romeinsche tempels
+van den keizertijd voorkomende.
+
+Absyrtides insulae, twee eilandjes aan de illyrische kust, waarvan
+het grootste later Apsorus, Apsoros, heette.
+
+Absyrtus = Apsyrtus.
+
+Abulites, Aboulites, satraap van Susiana onder Darius Codomannus. Hij
+onderwierp zich vrijwillig aan Alexander (331) en behield daarom
+zijn satrapie; maar daar hij zich gedurende Alexanders tocht naar
+Indië aan plichtverzuim schuldig maakte, werd hij met zijn zoon ter
+dood gebracht.
+
+Abus, Abos, 1) rivier aan de Oostkust van Britannia, misschien de
+Humber.--2) berg in Armenia, tgw. Ararat of Arghatagh, met de bronnen
+van den Euphraat.
+
+Abydus, Abydos, 1) stad aan den Hellespont op de aziatische kust,
+tegenover Sestus, kolonie van Miletus. Te Sestus woonde Hero, te
+Abydus Leander. Hier hield Xerxes zijne legertelling. Spreekwoord:
+ne temere Abydum (sc. eas), omdat de stad wegens hare zedeloosheid
+berucht was.--2) stad in Boven-Aegypte, ten noorden van Thebae, beroemd
+door het graf en een tempel van Osiris, alsmede door het nabijgelegen
+Memnonium. De tabula Abydena is eene onder de puinhoopen der stad
+gevonden geslachtslijst van de koningen der 18de dynastie. Later,
+in 1864, is er nog een tweede geslachtslijst gevonden, die veel
+belangrijker is.
+
+Abyla, Abile, kaap in Afrika aan den ingang der middellandsche zee
+(tgw. Ceuta), met den tegenoverliggenden berg Calpe de zuilen van
+Hercules genoemd.
+
+Academia, Akademeia, 1) wandelplaats en worstelperk aan den Cephisus
+bij Athene, waar door Plato en zijn opvolgers (Academici, Akademikoi,
+hoi apo tes Akademeias) onderwijs gegeven werd. Cimon had aan de
+verfraaiing der Ac. veel ten koste gelegd. De naam wordt afgeleid
+van den heros Academus.--2) villa van Cicero hij Puteoli, zoo genoemd
+naar de Academica, die hij daar schreef.
+
+Acamantis, Akamantis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van
+Attica door Clisthenes verdeeld werd.
+
+Acamas, Akamas, 1) zoon van Theseus en Phaedra, die met Diomedes als
+gezant naar Troje gezonden werd om Helena terug te vragen. Later
+nam hij deel aan den tocht tegen Troje en was hij een van hen,
+die met het houten paard in de stad kwamen. Bij de verovering vond
+hij zijne grootmoeder Aethra en bracht haar naar Athene terug, waar
+hij later de heerschappij in handen kreeg. Hij stierf op Cyprus,
+waarheen hij een atheensche kolonie geleid had.--2) zoon van Antenor,
+een van de dapperste Trojanen.--3) zoon van Eüssorus, aanvoerder van
+de thracische hulptroepen der Trojanen.--4) een Cycloop.
+
+Acanthus, akanthos, bereklauw, een plant die in het zuiden zeer veel
+in het wild voorkomt. Haar bladeren hebben tot voorbeeld gediend voor
+het kapiteel der Corinthische zuil, zie Columna.
+
+Acanthus, Akanthos, stad op Chalcidice, aan de noordzijde van de
+doorvaart, die Xerxes voor zijne vloot liet graven.
+
+Acarnan, Akarnan, zoon van Alcmaeon en Callirrhoë; hij en zijn broeder
+Amphoterus waren nog zeer jong toen hun vader vermoord werd, maar op
+het gebed van hun moeder liet Zeus hen buitengewoon snel tot mannen
+opgroeien. Daarop doodden zij de moordenaars van Alcmaeon (z. Phegeus)
+en vluchtten zij uit Arcadië naar Epirus, waarvan zij later een deel
+onder den naam van Acarnania beheerschten.
+
+Acarnania, Akarnania, het meest westelijke landschap van eigenlijk
+Hellas (zoogen. Midden-Griekenland), in den mythischen tijd bewoond
+door allerlei stammen: Taphiërs, Teleboeërs, Lelegers, Cureten,
+later aan de kusten door Corinthiërs bevolkt. Voor de geschiedenis
+heeft Ac. geen belang. De Acarnaniërs waren een ruw, kloek volk,
+berucht om hunne rooftochten te land en ter zee.
+
+Acastus, Akastos, 1) zoon van Pelias, nam deel aan de jacht op het
+calydonische zwijn en aan den tocht der Argonauten. Bij de spelen,
+die hij gaf ter gelegenheid van de begrafenis zijns vaders, zag zijne
+gemalin Hippolyte of Astydamea voor het eerst Peleus en werd op hem
+verliefd, doch daar hare liefde onbeantwoord bleef, beschuldigde zij
+hem bij haar echtgenoot, dat hij haar had willen verleiden. Hierover
+vertoornd nam Ac. Peleus mede naar een jachtpartij op den Pelion,
+en toen P. vermoeid was ingeslapen, liet hij dezen alleen achter,
+na hem zijn zwaard te hebben ontnomen, in de meening, dat hij dus
+moest omkomen. En inderdaad werd hij door de Centauren aangevallen;
+hij werd echter door Hermes (v. a. Hephaestus of Chiron) gered, trok
+naar Iolcus en doodde Ac. en zijne gemalin.--2) koning van Dulichium.
+
+Acatus, Acatium, akatos, akation, 1) klein en snelzeilend schip, als
+passagiers- en transportschip en vooral bij zeeroovers in gebruik; de
+achtersteven was binnenwaarts gekromd, de voorsteven van een snebbe
+voorzien. Ook de boot van Charon (z. a.) heette akatos.--2) de 2de
+mast op een schip.--3) een soort drinkschaal in den vorm van een boot.
+
+Acca Larentia of Larentina, volgens de sage de vrouw van den herder
+Faustulus en de voedster en pleegmoeder van Romulus en Remus;
+oorspronkelijk eene godin, aan wie op de Larentalia (z. a.) geofferd
+werd.
+
+Accensus. 1) Oorspronkelijk hadden niet beide consuls te Rome
+gelijktijdig lictores cum fascibus et securibus. Degene, die ze niet
+had, liet zich dan voorafgaan door een accensus of ordonnans. Later
+echter werd het gebruikelijk, dat de magistratus cum imperio behalve
+hun lictoren toch nog een accensus hadden. Tusschen de accensi en de
+overige apparitores of dienaren der magistraten is dit onderscheid,
+dat de accensus niet in vasten staatsdienst was, maar door den
+ambtenaar persoonlijk in dienst genomen werd, en bij diens aftreden
+ook ophield accensus te zijn. De accensi werden vooral gebruikt tot
+het doen van dagvaardingen. Meestal waren het vrijgelatenen.--2) Bij
+de legerorganisatie van Servius Tullius waren accensi eene reserve,
+die een afzonderlijke centuria vormde, en evenals de twee centuriae
+fabrum en de twee centuriae tubicinum et cornicinum, buiten de
+classes stond. Zij vochten als ongeregelde troepen, niet in linie,
+maar tirailleursgewijze, en deden dikwerf dienst als steenwerpers. Ook
+namen zij in den strijd de plaats der gesneuvelden in de slaglinie in
+en streden dan met de wapenen van hen, die zij vervingen. Velati heeten
+zij in tegenstelling met de eigenlijke soldaten, die sagati (= met
+een krijgsmantel bekleed) zijn. Ze hebben dus gewone burgerkleeding en
+zijn ongewapend. Uit deze accensi werden oorspronkelijk de burgerlijke
+accensi gekozen.
+
+Accius, romeinsch treurspeldichter, z. Attius no. 6.
+
+Ace, Ake, beroemde vesting in Phoenice, door Ptolemaeus I verfraaid
+en in Ptolemaïs verdoopt, in de geschiedenis der kruistochten bekend
+als St. Jean d'Acre.
+
+Acerra, 1) een doos of kistje tot het bewaren van wierook.--2) een
+klein, draagbaar altaar, waarop wierook gebrand werd bij een lijk.
+
+Acerrae, stad in Campania, door Hannibal verwoest, later herbouwd.
+
+Aceruntia, stadje op de grens van Apulia en Lucania, op den berg
+Vultur gelegen, tgw. Acerenza.
+
+Acesines, Akesines, 1) rivier op de oostkust van Sicilië, ten Noorden
+van den Aetna.--2) rivier in Pendschab, die den Hydaspes opneemt,
+en zelf in den Indus uitstroomt.
+
+Acestes, Aegestes, Egestes, Akestes, Aigestes, zoon van een Trojaan of
+van den riviergod Crimisus en Segesta of Egesta. Hij was op Sicilië
+geboren, waar hij zich na afloop van den trojaanschen oorlog ging
+vestigen. De stad Segesta of Egesta was door hem gesticht of naar
+hem genoemd. Aeneas werd bij zijn komst op Sicilië gastvrij door
+hem ontvangen.
+
+Acetabulum, kleine rom. inhoudsmaat = 0.067 liter. Eigenlijk beteekent
+het woord in de eerste plaats een azijnfleschje, ook wordt het gebezigd
+van een beker voor goocheltoeren.
+
+Achaei, Achivi, Achaioi, een van de hoofdstammen der Grieken
+(z. Hellenes). Uit Thessalia gekomen, vermeesterden zij de
+Peloponnesus, met uitzondering van Arcadia en Ionia en bovendien een
+deel van Creta. Bij Homerus en in navolging van hem ook bij latere
+gr. en rom. dichters worden de gezamenlijke Grieken voor Troje meestal
+Ach. genoemd. Toen de Doriërs de Peloponnesus binnendrongen, werden de
+Achaeërs voor een gedeelte onderworpen, een gedeelte echter verdreef
+de Ioniërs en gaf aan Ionia den haam Achaia.
+
+Achaeisch verbond. De twaalf democratisch bestuurde steden van
+Achaia vormden van oudsher een verbond, dat echter alleen bij
+gemeenschappelijke offers als zoodanig optrad. Dit verbond viel onder
+Alexander d. Gr. uiteen, doch omstreeks 280 sloten de ach. steden,
+in dien tijd tien in getal, zich opnieuw bij elkander aan. Van toen
+af werden geregeld jaarlijks minstens twee gewone bondsvergaderingen
+gehouden, terwijl in bizondere gevallen een algemeene vergadering
+bijeengeroepen werd, waaraan ieder burger boven 30 jaar kon deelnemen,
+terwijl het bestuur aan twee strategen (sedert 256 slechts één), een
+grammateus, en tien damiurgi was opgedragen. Door de bekwaamheid zijner
+strategen (Aratus, Philopoemen) kreeg het verbond weldra groote macht
+en kon het ook buiten Achaia verschillende peloponnesische staten tot
+bondgenooten maken of aan zich onderwerpen (Sicyon 249, Corinthe 242);
+zelfs Sparta werd in 188 veroverd. Doch dit streven naar de hegemonie
+in de Peloponnesus, vooral door het aetolisch verbond tegengewerkt,
+bracht het verbond soms in groote moeilijkheden en daardoor werd
+weldra het oorspronkelijke doel, handhaving der grieksche vrijheid
+tegenover Macedonië, uit het oog verloren; in 223 zag Aratus zich
+zelfs genoodzaakt de hulp van den macedonischen koning tegen Sparta
+in te roepen. Sedert dien tijd was het verbond steeds min of meer
+afhankelijk van Macedonië, en had het zijn behoud alleen te danken
+aan de twisten met Rome, waarin dit rijk weldra geraakte. Toen na
+den slag bij Cynoscephalae (197) het verbond tot de romeinsche zijde
+overging, steeg zijne macht weldra ten top; maar toen in 148 Macedonië
+een romeinsche provincie geworden was, bestond er voor de Romeinen geen
+reden meer het te sparen, en in het volgende jaar werd, naar aanleiding
+van een geschil met Sparta, de eisch gedaan, dat de voornaamste steden
+van het verbond losgemaakt en autonoom gelaten zouden worden. Dit deed
+het verbitterde volk naar de wapenen grijpen; maar in 146 werden zij
+eerst onder aanvoering van Critolaus door Metellus (z. Caecilii no. 6)
+bij Scarphe, en daarna onder aanvoering van Diaeus bij Leucopetra op
+den Isthmus door L. Mummius verslagen, waarop het verbond door den
+senaat opgeheven en Griekenland onder den naam Achaia een romeinsche
+provincie werd. Corinthe werd door Mummius gesloopt.
+
+Achaemenes, Achaimenes, 1) stamvader van het eerste perzische
+koningsgeslacht, de Achaemeniden.--2) vorst van Persis onder Phraortes
+(omstreeks 640).--3) broeder van Xerxes en stadhouder van Aegypte,
+werd bij den opstand van Inarus tegen Artaxerxes gedood (462).
+
+Achaeus, Achaios, 1) zoon van Xuthus en Creusa, mythisch stamvader
+der Achaeërs. In Aegialus geboren, keerde hij later naar Thessalië
+terug, van waar zijn vader verdreven was, en kwam daar na den
+dood van zijn oom Aeolus aan de regeering.--2) treurspeldichter,
+te Eretria geboren, jongere tijdgenoot van Sophocles, maker van 24
+(of 44) treurspelen, waarvan slechts één den prijs behaalde. Hij werd
+in den alexandrijnschen canon als eerste na de drie groote tragici
+opgenomen.--3) stadhouder van koning Antiochus III, heroverde de aan
+Attalus verloren deelen van het syrische rijk, doch toen hij zich
+in Kl.-Azië onafhankelijk wilde maken, werd hij te Sardes gevangen
+genomen en gedood (214).
+
+Achaia, Achaïa, 1) landschap langs de noordkust van de Peloponnesus,
+in ouden tijd Aigialos, kustland, geheeten. Voordat het land door
+de Achaeërs (z. a.) veroverd werd, was het door Ioniërs bewoond,
+die zich nu genoodzaakt zagen uit te wijken en deels naar Attica,
+deels naar de aziatische kust trokken. Het land was arm aan havens. In
+den omtrek van de stad Patrae bloeide de teelt van den byssusstruik,
+weshalve men er vele weverijen aantrof.--2) stamland der Achaeërs,
+in het zuiden van Thessalia, gewl. ter onderscheiding van no. 1 Achaïa
+Phthiotis genoemd.--3) naam van Griekenland (Peloponnesus en Hellas)
+als rom. provincie, sedert 146, na de verwoesting van Corinthus door
+den rom. veldheer L. Mummius.
+
+Acharnae, hai Acharnai, ook Acharne, Acharne, vlek in Attica, op drie
+uur afstands ten noorden van Athenae gelegen. De bevolking leefde
+van wijn- en olijventeelt en vooral van kolenbranderijen. Het was een
+krachtig, doch ruw slag van menschen. Een der stukken van Aristophanes
+is Acharnes getiteld.
+
+Achates, Achates, 1) de trouwe makker van Aeneas, fidus Achates.--2)
+riviertje op de zuidkust van Sicilia, waarnaar de achaatsteen
+genoemd is.
+
+Acheloïades, Acheloides, de Sirenen, dochters van Achelous;
+alg. riviernimfen.
+
+Achelous, Acheloos, 1) nu Aspropotamo, de grootste rivier van
+Griekenland, ontspringt op den Pindus, loopt met snellen stroom
+zuidwaarts, scheidt Acarnania en Aetolia, en stort zich tegenover
+de Echinadische eil. in zee.--2) de god van bovengenoemde rivier,
+de oudste der 3000 rivieren, zonen van Oceanus en Thetys, v. a. zoon
+van Helius en Gaea, en vorst aller rivieren; vandaar wordt de naam
+Ach. soms voor water, Acheloia pocula voor drinkwater gebruikt. Hij
+vocht met Heracles om het bezit van Deianira; bij dit gevecht maakte
+hij gebruik van zijn vermogen om zich in een slang of in een stier
+te veranderen, maar in alle drie gedaanten moest hij het onderspit
+delven; zelfs verloor hij als stier een horen, die, door de Najaden met
+bloemen en vruchten gevuld, de hoorn van overvloed werd. V. a. behield
+Heracles den horen, totdat Ach. dien van Amalthea er voor in ruil
+gaf. Hij was de vader der Sirenen en van Dirce.
+
+Acheron, Acheron, rivier in Epirus, die voor een gedeelte onder den
+grond en dan volgens de meening der ouden rondom de onderwereld stroomt
+en over welke Charon de zielen der afgestorvenen voerde. Hij stroomt
+door de Acherusia palus. Een zijrivier hiervan was de Cocytus (z. a.).
+
+Acheruntici libri, godsdienstige boeken, afkomstig van een etrurischen
+god of koning Tages, en handelende over de uitvaart en vereering
+der afgestorvenen.
+
+Acherusia, sc. palus, he Acherousia limne, meer in Epirus, waardoor de
+Acheron stroomde. Ook andere meren en diepten, welke men meende dat
+met de onderwereld gemeenschap hadden, komen onder dezen naam voor,
+zoo o.a. ten zuiden van Cumae in Campanië (tgw. Lago del Fusaro), wel
+te onderscheiden van het lacus Avernus, dat ten oosten van Cumae ligt.
+
+Achillas, Achillas, voogd van Ptolemaeus XII, de moordenaar van
+Pompeius. Bij de onlusten, die kort daarna ia Alexandrië ontstonden,
+streed hij niet zonder geluk tegen Caesar, maar spoedig ruimden zijne
+tegenstanders hem door sluipmoord uit den weg.
+
+Achilles, Achil(l)eus, zoon van Peleus en Thetis, de dapperste,
+schoonste, vlugste, in het algemeen de voortreffelijkste aller
+grieksche helden voor Troje. Door zijne moeder werd hij zorgvuldig
+opgevoed, zelfs poogde zij hem onsterfelijk te maken en tot dat
+einde zalfde zij hem bij dag met ambrosia, terwijl zij hem bij
+nacht in het vuur legde, maar toen eens zijn vader hem zoo vond en
+hem uit de vlammen wilde redden, moest zij hare pogingen opgeven;
+zij verliet haar echtgenoot en keerde naar de zee terug. Daarna werd
+hij door Phoenix in de welsprekendheid en krijgskunde, door Chiron
+in de geneeskunde onderwezen en was hij met Patroclus reeds als kind
+bevriend. Van zijne moeder wist Ach. dat hem een lang en roemloos
+of een kort en roemvol leven beschoren was; hij koos het laatste en
+nam dan ook gaarne deel aan den tocht tegen Troje, waartoe Nestor
+en Odysseus hem kwamen uitnoodigen. V. a. had zijne moeder hem van
+den tocht willen terughouden, daar zij voorzag dat hij daarbij zoude
+omkomen; toen dus voorspeld was dat Troje zonder hem niet kon worden
+ingenomen, en Odysseus uitgezonden werd om hem te halen, zond zij
+hem naar Scyrus, waar hij in vrouwenkleeren te midden van de dochters
+van koning Lycomedes verborgen gehouden werd. Maar Odysseus vond hem
+ook hier en herkende hem door list; hij kwam namelijk als koopman
+verkleed en liet voor de meisjes allerlei sieraden uitstallen,
+maar daarnevens ook wapenen; terwijl zij nu bezig waren dit alles
+te bezien, hoorde men plotseling schreeuwen en vechten, waarop de
+meisjes verschrikt vluchtten, maar Ach. de wapenen greep om zich te
+verdedigen. Voor Troje verrichtte hij onder bescherming van Hera
+en Athena groote heldendaden; hij verwoestte 12 steden ter zee en
+11 te land. In het tiende jaar van den oorlog echter trok hij zich,
+door Agamemnon beleedigd (z. Briseis), terug en Thetis wist van Zeus
+te verkrijgen dat de krijgskans den Trojanen gunstig zou zijn, totdat
+aan Ach. voldoening gegeven zou zijn. Deze wijst, hoe hoog de nood ook
+bij de Grieken stijgt, ieder aanbod tot verzoening af; eerst toen de
+Trojanen in het leger gedrongen waren en begonnen waren de schepen in
+brand te steken, gaf hij gehoor aan de beden van Patroclus en stond
+hij toe dat deze zich aan het hoofd van de Myrmidonen in het gevecht
+mengde. Om den Trojanen schrik aan te jagen bekleedt Patroclus zich
+met de wapenrusting van Ach., maar hij wordt door Hector gedood en
+de wapenrusting valt in de handen der vijanden. Verdriet over het
+verlies van zijn vriend en de zucht om daarover wraak te nemen,
+bewegen Ach. nu zich met Agamemnon te verzoenen, en van dezen tijd
+af neemt hij weer deel aan den strijd. Reeds den eersten dag daarna
+wordt een hevig gevecht geleverd, waaraan verscheiden goden deelnemen,
+en waarin Hector door Ach. gedood wordt. Niet lang daarna werd ook
+Ach. door Paris en Apollo gedood, hetzij in een gevecht, hetzij
+in een tempel van Apollo, waar hij gekomen was om met Polyxena, de
+dochter van Priamus, te trouwen; hij werd door het geheele leger,
+door zijne moeder, de muzen en de zeenimfen 17 dagen lang beweend;
+aan het strand van den Hellespont werd een grafteeken opgericht,
+waarin zijne beenderen met die van Patroclus en Antilochus begraven
+werden. Latere dichters verhaalden nog, dat Thetis, om Ach. onkwetsbaar
+te maken, hem in den Styx doopte en dat dit het gewenschte gevolg
+had voor het geheele lichaam met uitzondering van den hiel, waaraan
+zij hem had vastgehouden en waaraan hij ook later doodelijk gewond
+werd. Ach. werd op vele plaatsen van Griekenland als halfgod vereerd,
+het eiland Leuce was hem geheel gewijd, en naar men meende, was
+hij daar gehuwd met Helena en leidde hij er een gelukzalig leven in
+gezelschap van andere helden en heldinnen.
+
+Achilles Tatius, Achilleus Tatios, geb. te Alexandrië, schreef
+vóór het begin van de 4de eeuw n. C. den roman ta kata Leukippen
+kai Kleitophonta.
+
+Achilleum, Achilleion, 1) stadje bij kaap Sigeum in Troas, met den
+grafheuvel van Achilles.--2) stadje bij Smyrna.
+
+Achilleus dromos, Achilleios dromos, landtong aan den N-kant van de
+Zwarte zee, ten N.W. van
+
+Achillis insula of Leuce, eiland aan den mond van den Borysthenes. Men
+nam aan, dat hier de verblijfplaats van Achilles en andere helden na
+hun dood was.
+
+Achillides, Achilleides, Neoptolemus (Pyrrhus), zoon van Achilles.
+
+Achivi, Achaioi, z. Achaei.
+
+Achradina, Achradine, een der vijf deelen, waaruit de stad Syracusae
+bestond.
+
+Acidalia mater, Venus, zoo genoemd naar de bron Acidalia bij Orchomenus
+in Boeotië, waar zij en de Gratiën zich plachten te baden.
+
+Acies, Taxis, slagorde, opstelling van het leger voor den slag. 1)
+Bij de Grieken, zie Taxis.--2) Bij de Romeinen moet men voor de
+opstelling drie perioden onderscheiden; voor de oudste periode
+tot op den tijd van Camillus zie men Centuria. Het leger werd
+toen in ééne aaneengeschakelde (grieksche) phalanx opgesteld,
+waarvan de kern gevormd werd door de zwaargewapende burgers van de
+drie eerste klassen der serviaansche indeeling; achter hen waren
+de lichtgewapenden opgesteld, terwijl de ruiterij op de flanken
+stond. Deze slagorde was in de gevechten met de Galliërs ondoelmatig
+gebleken, en vervangen door een indeeling in manipels, waarvan
+de artikelen centuria, cohors, hastati en legio een voorstelling
+geven. Elk legioen werd in drie liniën in slagorde geschaard; vooraan
+stonden de manipels der hastati, dan die der principes, eindelijk die
+der triarii. Tusschen de verschillende manipels werd eenige ruimte
+gelaten, zoodat ieder manipel op zichzelf een geheel vormde, terwijl
+zij zich zoo noodig elk oogenblik konden aaneensluiten; hierdoor
+kreeg het leger een groote gemakkelijkheid van beweging. In den slag
+stonden meestal de beide legioenen in het centrum, de socii en de
+ruiters op de flanken. Oudtijds stond het leger in ééne lange lijn
+(fronte longa). Later vindt men o.a. de acies obliqua, waarbij een
+deel van het leger aanvalt en het andere voorloopig buiten gevecht
+blijft, de acies sinuata, wanneer de vleugels den aanval beginnen
+en het centrum achterblijft; zie ook cuneus en forceps. De oorlogen
+met de Cimbren en Teutonen gaven Marius aanleiding, deze indeeling
+te vervangen door eene in cohorten, waarbij telkens één manipel der
+hastati, principes en triarii tot eene cohors van 600 man vereenigd
+werd; tien cohorten vormden eene legio; zie verder cohors. De
+Romeinsche ruiterij werd nu afgeschaft; zij komt het laatst voor
+in den oorlog tegen Jugurtha.--Onder Caesar telde het legioen 3000
+à 3600 man, ingedeeld in 10 cohorten van 3 manipels, ieder van twee
+centuriae. Gewoonlijk was de slagorde de acies triplex. Vier cohorten
+van ieder legioen vormden de prima acies, drie de secunda acies, en
+drie de tertia acies. Vóór Camillus is dus de taktische eenheid de
+centuria, in den tijd van Polybius de manipulus, na Marius de cohors.
+
+Acilia (lex) de repetundis van 122, van den volkstribuun M'. Acilius
+Glabrio, den vader van den bij de gens Acilia onder no. 3 genoemden
+consul. Omtrent den inhoud dezer wet is weinig zekers bekend. Slechts
+weten we, dat bij de quaestiones perpetuae door deze wet de
+verplichting werd opgelegd tot ampliatio (z.a.), zoodra meer dan 1/3
+der rechters N. L. (non liquet) stemde, en dat hieruit langzamerhand
+de comperendinatio (z. a.) ontstaan is. Zie verder Servilia (lex).
+
+Acilia Calpurnia (rogatio), de ambitu van de consuls M'. Acilius
+Glabrio en C. Calpurnius Piso (67). Zie Calpurnia (lex) de ambitu. Daar
+M'. Acilius Glabrio zich vóór de aanneming der wet teruggetrokken had,
+wordt de wet alleen naar den tweeden voorsteller genoemd.
+
+Acilii, plebejisch geslacht, waartoe familia Glabrionum behoorde. Dit
+was de beroemdste familie dezer gens, waartoe ook nog de familiën
+der Aviolae en Balbi behoorden. 1) M'. Acilius Balbus, consul
+150.--2) M'. Acilius Glabrio, consul 191, versloeg den syrischen
+koning Antiochus III bij de Thermopylae en verdreef hem uit
+Griekenland. Vervolgens wendde hij zich tegen de Aetoliërs, die zich
+bij Antiochus hadden aangesloten, overwon hen en hield over hen te
+Rome een zegetocht. In den slag bij de Thermopylae had hij een tempel
+aan de Pietas beloofd, die in 181 door zijn zoon M'. Acilius Glabrio
+gewijd werd, waarbij deze voor zijn vader een standbeeld oprichtte, het
+eerste vergulde standbeeld in Italia.--3) M'. Acilius Glabrio was in 70
+als praetor repetundarum voorzitter van het gerechtshof in het proces
+van Cicero tegen Verres. In 67 was hij consul met C. Calpurnius Piso,
+met wien hij de lex Acilia Calpurnia de ambitu voorstelde (z. a.). Hij
+bestreed in dit jaar, doch vergeefs, het wetsvoorstel van Gabinius,
+om aan Pompeius de uitroeiing der zeerooverij op te dragen. Daarop
+ging hij naar de provincie Bithynia, met de bestemming Lucullus in het
+opperbevel in den mithradatischen oorlog op te volgen. Hij verrichtte
+echter niets en werd door de komst van Pompeius spoedig van zijne taak
+ontheven. Zijn zoon M'. Acilius Glabrio komt als legaat van Caesar
+voor, en werd tweemaal in eene res capitalis door Cicero verdedigd.--4)
+Livius maakt melding van een annalist C. Acilius die in het Grieksch
+annales schreef, welke althans tot het jaar 184 liepen.
+
+Acinaces, akinakes, korte, rechte dolk, die door Perzen e. a. barbaren
+aan de rechterzijde gedragen werd, dikwijls met goud en edelgesteenten
+bezet.
+
+Acis, Akis, zoon van Faunus en Symaethis. Hij beminde Galatea en
+werd door haar bemind; toen zijn medeminnaar Polyphemus hen eens
+met elkander verraste, vluchtte A.; maar Polyphemus wierp naar hem
+met een rotsblok, dat hij van den Aetna had afgebroken en waardoor
+A. verpletterd werd; zijn bloed veranderde in een rivier, Acis genaamd,
+die onder dit rotsblok ontspringt.
+
+Aclys (aclis), een korte werpspies, met uitstekende, scherpe punten,
+waaraan een riem bevestigd was om de spies na den worp weer naar zich
+toe te trekken, een zeer ouderwetsch wapen van de oude bewoners van
+Campania (de Osci).
+
+Acmonia, Akmonia, stad in Phrygia ten Z. van het gebergte Dindymus.
+
+Acmonides, Akmonides, naam van een Cycloop.
+
+Acoetes, Akoites, zoon van een maeonisch visscher. Toen eens de
+matrozen van het schip waarop hij stuurman was, op Chius aan land
+gegaan waren, brachten zij aan boord een schoonen knaap, dien zij
+slapend gevonden hadden en als slaaf wilden wegvoeren. Ac. die in den
+knaap een god herkende, verzette zich daartegen, maar te vergeefs,
+de matrozen ontnamen hem het bestuur van het schip en voeren
+weg. Plotseling werd schip, tuig, riemen, enz., door wijnranken
+omgeven, het bleef onbeweeglijk liggen, en in plaats van den knaap
+stond Dionysus, bekranst en den thyrsusstaf zwaaiend, te midden
+van tijgers, lynxen, enz., die zich aan zijne voeten neervlijden. De
+matrozen sprongen in zee en veranderden in dolfijnen. Ac. alleen bleef
+gespaard en werd op Naxus priester van Dionysus. Later door Pentheus
+gevangen genomen, werd hij op wonderdadige wijze gered.
+
+Acontius, Akontios, van Ceos. Eens reisde hij naar het feest van
+Artemis op Delus en zag daar de schoone Cydippe, de dochter van een
+zeer voornaam Athener. Hij werd op haar verliefd, maar daar hij zich
+niet aanzienlijk genoeg achtte om haar ten huwelijk te vragen, bedacht
+hij een list om haar tot vrouw te krijgen. Toen zij eens in den tempel
+zat, wierp hij haar een appel toe, waarop geschreven stond: Ik zweer
+bij het heiligdom van Artemis, dat ik met Acontius zal trouwen. Het
+meisje nam den appel op, las het geschrevene overluid, en wierp hem
+daarna weder weg, waarop Ac. naar Ceos terugkeerde om den loop der
+gebeurtenissen af te wachten. Later wilde Cydippe's vader haar aan een
+ander uithuwen, maar het meisje werd kort voor den voor het huwelijk
+bepaalden dag ziek, en daar zich ditzelfde driemaal herhaalde, vroeg
+haar vader het delphische orakel om raad. Tot antwoord werd hem gegeven
+dat de woorden, in den tempel gesproken, door Artemis gehoord waren,
+en dat zij geen ander huwelijk kon aangaan zonder zich aan meineed
+tegenover de godin schuldig te maken. Daarop gaf de vader zijne
+toestemming tot haar huwelijk met Ac.
+
+Acra, Acrae, Akra, Akrai, naam van een aantal op hoogten gelegen
+steden in Acarnamia, op Sicilia en elders. Ook een heuvel bij Jerusalem
+heette aldus.
+
+Acraephia, Akraiphia, of Acraephium, Akraiphion, stad in Boeotia,
+aan de oostzijde van het meer Copaïs; in de nabijheid de beroemde
+tempel van Apollo Ptoos, zie Ptoum.
+
+Acragas, Akragas, -antos, grieksche naam van Agrigentum op Sicilia
+z. a.
+
+Acrisione, Akrisione, Danaë, dochter van Acrisius.
+
+Acrisioniades, Akrisioniades, Perseus, kleinzoon van Acrisius.
+
+Acrisius, Akrisios, zoon van Abas en Ocalea of Aglaïa, koning van
+Argos. Hij verdreef zijn tweelingbroeder Proetus, maar werd later
+door diens schoonvader Iobates gedwongen zijn rijk met hem te deelen,
+zoodat hij Argos behield en Proetus Tiryns kreeg. Daar hem voorspeld
+was, dat de zoon zijner dochter Danaë hem zou dooden, hield hij haar
+in een onderaardsch vertrek of in een ijzeren toren opgesloten; maar
+Zeus wist toch als gouden regen toegang tot haar te krijgen, en Danaë
+werd bij hem moeder van Perseus. Eenige jaren werd het kind in den
+kerker verborgen gehouden; toen verried het zich door geschreeuw, en
+Acr. liet moeder en kind in een kist in zee werpen. De kist werd bij
+Seriphus door Dictys uit het water gehaald en later keerde Perseus
+met zijne moeder naar Argos terug. Zich het orakel herinnerende,
+vluchtte Acr. naar Larisa, maar Perseus trof hem daar aan en bij de
+lijkspelen des konings wierp hij toevallig zijn discus op den voet
+van zijn grootvader, die aan de gevolgen hiervan overleed.
+
+Acroama, virtuoos, die aan tafel de gasten onderhield, hetzij door
+voorlezingen, hetzij door muziek en zang of door grappen.
+
+Acroceraunia, ta Akrokeraunia, kaap der montes Ceraunii (Keraunia ore)
+aan de noordpunt der epirotische kust, berucht door de zich aldaar
+samenpakkende onweders en losbrekende stormen.
+
+Acrocorinthus, Akrokorinthos, de burcht van Corinthus.
+
+Acropolis, Akropolis, akra polis, burcht of citadel, altijd een steile
+of van nature sterke heuvel, in overeenstemming met de plaatselijke
+gesteldheid bebouwd en bevestigd. Op de atheensche acropolis vond
+men de heiligdommen der voornaamste beschermgoden van den staat. Zie
+verder Athenae.
+
+Acrorea, he Akroreia, bergachtige landstreek in Elis, in het
+noordoosten, rondom de bronnen van den Peneus en den Ladon.
+
+Acrotatus, Akrotatos, 1) zoon van Cleomenes II. Hij was de eenige die
+zich verzette tegen het volksbesluit, volgens hetwelk de gevluchte
+Spartanen uit den slag bij Megalopolis (331) van alle straffen
+zouden vrijgesteld worden. Daardoor maakte hij zich zeer gehaat, en
+toen in 314 Agrigentum om een spartaansch aanvoerder verzocht tegen
+Agathocles van Syracuse, nam hij vrijwillig die taak op zich. Wegens
+zijn gewelddadige handelwijze moest hij echter spoedig weder naar
+Sparta vluchten, waar hij kort daarna stierf.--2) kleinzoon van den
+bovengenoemde. Hij volgde op jeugdigen leeftijd, in 265 zijn vader
+Areus I als koning van Sparta op, maar sneuvelde reeds spoedig (±
+260) tegen Aristodemus van Megalopolis.
+
+Acrothoi, Akrothooi, stad op den berg Athos.
+
+Acta. Over het algemeen verstaat men onder acta de officieele
+aanteekeningen, notulen, protocollen omtrent hetgeen gebeurd of
+verhandeld is, b.v. acta fori, gerechtelijke protocollen, acta
+militaria, verslag van militaire zaken, acta triumphorum, relaas
+van zegetochten. Op twee soorten van acta echter moeten wij in het
+bijzonder de aandacht vestigen.
+
+Acta diurna urbis of populi, of ook wel kortweg diurna geheeten, eene
+soort van dagblad, allerlei dingen bevattende, die voor het publiek
+belangrijk konden zijn, als: geboorte-, huwelijks- en doodsberichten,
+marktprijzen, aankondigingen van feesten, verkoopingen, aanbestedingen,
+enz., en voorzeker ook belangrijke nieuwstijdingen. Deze diurna werden
+op openbare plaatsen tentoongesteld, waar men ze kon gaan lezen of
+laten afschrijven.
+
+Acta senatus, officieele notulen van het in den senaat verhandelde,
+eerst slechts kort, later ook met vermelding der discussiën. C. Julius
+Caesar gaf aan deze acta eene groote openbaarheid, die echter
+door Augustus weer afgeschaft werd. Ze werden echter geregeld door
+de geschiedschrijvers, vooral door Tacitus, geraadpleegd. In den
+lateren keizertijd verloren zij hoe langer hoe meer van hun belang,
+en ontstond uit de samensmelting met de diurna de officieele hof-
+en staatscourant, voor welker verbreiding tot in de verst afgelegen
+provinciën van het rom. rijk van regeeringswege gezorgd werd.
+
+Actaeon, Aktaion, zoon van Aristaeus en Autonoë, werd door Chiron in
+de jacht onderwezen, waarvan hij zulk een groot minnaar was, dat hij
+50 honden hield. Hij werd, omdat hij Artemis met hare nimfen bespied
+had, terwijl zij zich in het dal Gargaphia bij Plataeae baadden, door
+de vertoornde godin in een hert veranderd, waarop hij door zijn eigen
+honden verscheurd werd. V. a. trof deze straf Actaeon, omdat hij zich
+beroemd had een beter jager te zijn dan Artemis. Nog laat werd de rots
+getoond, van waar Act. de godin gezien zou hebben. Reeds de ouden zagen
+in de mythe van Act. een toespeling op de alles verterende hitte der
+hondsdagen; vandaar dat zijn beeld op rotsen en bergen geplaatst werd,
+om de nadeelige gevolgen daarvan af te wenden.
+
+Acte, Akte, in het algemeen kustland; meer in het bijzonder oude naam
+voor Attica (= Actica). Ook de landtong met den berg Athos.
+
+Actia, Aktia, spelen ter eere van Apollo Actius te Actium, door
+Augustus na den slag bij Actium uitgebreid en overgebracht naar
+Nicopolis. Het feest werd in den keizertijd om de 4 jaren gevierd,
+evenals de Olympische en andere spelen, ter eere van de overwinning
+door Augustus behaald. Ook te Rome zijn een tijd lang Actia gevierd.
+
+Actio, in juridischen zin de behandeling eener zaak voor den rechter,
+het proces, ook wel reeds alleen de aanklacht. Ook de pleitrede wordt
+actio genoemd. Zie Legis actio.
+
+Actium, Aktion, noordelijkste kaap van Acarnania aan den ingang der
+ambracische golf, Octavianus won hier in Sept. 31 den zeeslag op
+Antonius en Cleopatra. Ter herinnering hieraan stichtte hij later
+aan de overzijde, in Epirus, de stad Nicopolis.
+
+Actor of petitor, de eischer of klager in een iudicium privatum, ook de
+aanklager in een causa publica; daar de vormen van het privaatproces op
+het quaestionenproces worden overgebracht, neemt men ook verschillende
+woorden daarvan over.--Actor is ook de slaaf of vrijgelatene, die
+de zaken zijns meesters bestuurt, zooveel als rentmeester.--Actores
+publici waren onder de keizers de rentmeesters der staatsdomeinen.
+
+Actoriones of Actoridae, Aktoriones, Aktoridai, ook Moliones,
+Molionidae, Molione, Molionidai, en Aktorione Molione genoemd,
+Eurytus en Cteatus, tweelingzonen van Poseidon en Molione, die met
+Actor gehuwd was. Nog zeer jong namen zij deel aan den krijgstocht
+van de Epeërs tegen Pylus. Ook onder de deelnemers aan de calydonische
+jacht worden zij genoemd. Bij de lijkfeesten van Amarynceus overwonnen
+zij Nestor in den wedren, in een gevecht tegen Heracles vonden zij
+den dood; hun graf was te Cleonae in Argolis. Soms worden de twee
+broeders voorgesteld als aaneengegroeid (diphyeis, symphyeis) met
+twee hoofden, vier handen en vier voeten.--Ook Patroclus als kleinzoon
+van een anderen Actor wordt Actorides genoemd.
+
+Actuaria (navis), snel varend schip, snelzeiler, schip met laag boord,
+met slechts ééne rij roeibanken.
+
+Actuarius, snelschrijver, verslaggever van het gesprokene in
+eene vergadering; in het leger van den keizertijd ook: foerier of
+kwartiermeester.
+
+Aculeo, zie Furii no. 15.
+
+Acusilaus, Akousilaos, van Argos, logograaf uit de 5de eeuw.
+
+Acypha, Akyphas, zie Pindus no. 2.
+
+Ada, Ada, dochter van Hecatomnus, zuster van Maussolus en Artemisia en
+met haar broeder Idrieus gehuwd. Na zijn dood (343) bleef de regeering
+over Caria slechts vier jaar in handen van Ada; daarna werd zij door
+haar jongsten broeder Pixodarus met perzische hulp van den troon
+gestooten, en na diens dood werd zijn schoonzoon Orontobates door
+den koning van Perzië in de regeering bevestigd. Ada behield slechts
+de vesting Alinda, die zij vrijwillig aan Alexander d. G. overgaf,
+toen hij in 334 tegen Halicarnassus oprukte, terwijl zij hem tot zoon
+aannam; daarvoor gaf Alexander haar na de verovering dezer stad (333)
+de regeering over geheel Carië terug.
+
+Adamas, adamas, stof waarvan, naar men zich voorstelde, verschillende
+voorwerpen ten gebruike van goden en goddelijke wezens gemaakt waren;
+later ook diamant.
+
+Addicere, addictio, addictus. Addicere beteekent in de taal der augurs:
+toestemmen, een gunstig voorteeken geven. Het werd gebezigd van de
+auguria ex avibus. Waren de teekenen gunstig, dan sprak de augur:
+aves addicunt; zoo niet, dan zeide hij: alio die. Als rechtsterm wordt
+addicere gebezigd, wanneer de praetor het betwiste voorwerp aan een der
+twistende partijen toewijst. Deze handeling heet addictio. Addictus
+was oudtijds degene, die zijne schulden niet kon betalen en derhalve
+door den praetor ten gevolge van een vonnis (addictio) aan den
+schuldeischer werd toegewezen. Betaalde de addictus niet binnen 60
+dagen, dan kon de schuldeischer hem trans Tiberim verkoopen en zelfs
+dooden. Waren er meer schuldeischers, dan mochten zij het lichaam van
+den addictus verdeelen (corpus secare); zie ook nexum. Toen in 326 de
+lex Poetelia Papiria de persoonlijke inbeslagneming des schuldenaars
+had afgeschaft, werd de naam addictus gewoonlijk gebezigd van iemand,
+die veroordeeld was om te betalen.
+
+Addua, rivier in Gallia Cisalpina, thans Adda, die door den lacus
+Larius (meer van Como) stroomt, en in den Padus (Po) uitloopt.
+
+Adeia, waarborg tegen de nadeelige gevolgen, die men door het
+verrichten van eene of andere gevaarlijke of verboden handeling zou
+kunnen ondervinden; het is dus bijv. een vrijgeleide, verlof tot het
+doen van voorstellen die bij de wet verboden zijn, e. dgl. De adeia
+werd door het volk verleend. Adeia aan vreemdelingen verleend = asylia.
+
+Adherbal, Atarbas. 1) Deze naam droegen enkele carthaagsche veldheeren
+in den eersten en tweeden punischen oorlog.--2) Adherbal was de oudste
+zoon van den numidischen koning Micipsa. Hij en zijn broeder Hiëmpsal
+werden door hun neef Jugurtha omgebracht, hetgeen aanleiding gaf tot
+den Jurgurthijnschen oorlog (112-106).
+
+Adiabene, Adiabene, landschap in het N.O. van Assyria, ten oosten
+van den Tigris.
+
+Adimantus, Adeimantos, 1) Corinthiër, aanvoerder der corinthische
+schepen in den oorlog tegen Xerxes. Themistocles bewoog hem
+door geschenken, bij Artemisium te blijven, hoewel hij zich wilde
+terugtrekken. Later verzette hij zich dikwijls tegen de voorstellen
+van Themistocles, en, naar het zeggen der Atheners, dat echter door
+anderen tegengesproken werd, zouden de corinthische schepen aan den
+slag bij Salamis geen deel genomen hebben.--2) atheensch admiraal
+in den slag bij Aegospotami, waarin hij, naar men zeide, verraad
+gepleegd had; hij was de eenige der atheensche admiraals, die door
+Lysander in het leven gelaten werd.--3) broeder van Plato.
+
+Adlecti, 1) in het algemeen degenen, die in een collegie nog
+bij- of nagekozen worden, om het voltallig te maken.--2) =
+conscripti. Z. Patres.
+
+Admete, Admete, dochter van Eurystheus; voor haar haalde Heracles
+den gordel der Amazonenkoningin Hippolyte.
+
+Admetus, Admetos, 1) zoon van Pheres, koning van Pherae. In zijn jeugd
+nam hij deel aan de calydonische jacht en aan den Argonautentocht. Hij
+was een gastvriend van Heracles en een gunsteling van Apollo, die, uit
+den hemel verbannen, negen jaar als herder bij Admetus diende. Toen
+Adm. naar de hand van Alcestis dong, beloofde haar vader Pelias
+zijne toestemming te geven als hij haar kwam halen in een wagen
+met leeuwen en evers bespannen; door de hulp van Apollo gelukte hem
+dit. Onder andere weldaden die deze god hem bewees, was ook deze, dat
+hij van de Moerae de gunst verwierf dat, wanneer Adm.'s levensdraad
+afgesponnen was, een ander in zijne plaats zou mogen sterven. Toen nu
+het noodlottig uur gekomen was, begaf Alcestis zich vrijwillig voor hem
+in den dood; maar juist toen Adm. dit vernam en zich aan de grootste
+wanhoop overgaf, kwam Heracles toevallig bij hem en haalde haar
+terug. V. a. zou Persephone haar vrijwillig teruggezonden hebben.--2)
+koning der Molossers, bij wien Themistocles op zijne vlucht uit Athene
+eenigen tijd vertoefde (± 466). Hoewel Adm. rechtmatige grieven tegen
+hem had, weigerde hij hem aan de Atheners uit te leveren en zorgde hij,
+dat hij veilig naar Pydna kwam.
+
+Admissio, onder de rom. keizers de toelating tot den vorst, de
+audiëntie. Officium admissionis, het ambt van den ceremoniemeester, die
+de audientiën regelt. Prima, secunda admissio, eerste, tweede klasse
+van audiëntie, naarmate men een hoogeren of lageren rang bekleedde.
+
+Adonia, Adonia, feest ter eere van Adonis, dat in het oosten bij
+het begin der lente, maar in Griekenland en later ook te Rome bij
+het begin van den zomer gevierd werd. Het duurde twee dagen; op den
+eersten werd met veel klachten en gejammer het verdwijnen van Adonis
+naar de onderwereld, op den tweeden met buitensporige vreugde zijn
+terugkomst herdacht. Onder het zingen van klaagliederen, Adoniasmos,
+die Aphrodite's liefde voor Adonis en haar smart bij het vernemen
+van zijn dood en bij het vinden van den stervende bezongen, liepen
+vrouwen naar het beeld van Adonis te zoeken; nadat dit gevonden was,
+werd het met het beeld der godin op een pronkbed ten toon gesteld en
+eindelijk onder luide jammerklachten begraven of in zee geworpen. Ook
+plaatste men potten met kort bloeiende planten in de deuren der huizen
+en in de voorhoven der tempels (tuinen van Adonis, Adonidos kepoi).
+
+Adonis, Adonis, zoon van Cinyras en Myrrha of van Phoenix en
+Alphesiboea, van Cinyras en Metharme, van Theas en Myrrha. Om zijne
+buitengewone schoonheid werd hij door Aphrodite, die vandaar Adonias,
+Adonia heet, bemind. Toen hij op de jacht door een wild zwijn gedood
+was, verkreeg deze godin van Zeus, dat hij slechts de helft van het
+jaar bij Persephone behoefde te blijven, de andere helft brengt hij
+bij de andere goden op den Olympus door. Uit zijn bloed ontstond de
+teedere en kort bloeiende anemone. V. a. zou Aphrodite hem als knaap
+aan Persephone te bewaren gegeven hebben; doch deze, eveneens op hem
+verliefd geworden, weigerde hem terug te geven. Toen besliste Zeus dat
+Adonis een derde van het jaar bij Aphrodite en een derde van het jaar
+bij Persephone zou blijven, terwijl hij over een derde vrij zou kunnen
+beschikken. Ad. verkoos ook dien tijd met Aphrodite door te brengen.
+
+Adoptio, aanneming als kind van iemand, die nog niet sui iuris
+was. Het middel hiertoe was eene driemaal herhaalde mancipatio. De
+werkelijke vader stond door een driemaal herhaalden schijnverkoop
+zijn zoon af aan een tusschenpersoon, die hem de eerste twee keeren
+weder aan den vader teruggaf. De vader had namelijk het recht zijne
+kinderen te verkoopen; doch als hij een zoon driemaal verkocht had,
+was de patria potestas verbroken. Na den derden schijnverkoop werd
+de zoon door dengene, die hem nu in handen had, ten overstaan van den
+praetor afgestaan aan den adoptiefvader en aan dezen door den praetor
+toegewezen (addictio). Hij gold nu voor een wettigen zoon van zijn
+adoptiefvader en voerde voortaan diens familie- en geslachtsnaam. De
+aanneming als zoon van iemand, die sui iuris was, werd arrogatio
+geheeten (z. a.) en ging met andere vormen gepaard. Een bijzondere
+vorm van adoptio was deze, dat een erflater bij testament iemand
+tot erfgenaam en tevens tot zoon aannam. Onder welken vorm de pater
+naturalis dan zijne toestemming gaf, wordt niet gemeld.
+
+Adoratio, proskynesis, 1) Vereering der goden. Bij Grieken en Romeinen
+bestond de adoratio hierin, dat men de hand naar het beeld der godheid
+uitstrekte, ze vervolgens aan den mond bracht (ad os, vandaar adorare)
+en met halfgebogen knie het beeld een kushand toewierp. Ook werd het
+beeld vaak gekust.--2) Vereering der vorsten, z. adulatio.
+
+Adramyttium, Adramyttion, atheensche volkplanting aan de golf van
+dien naam, tegenover het eiland Lesbos.
+
+Adrana, rivier in Germania, thans de Eder, een zijtak van de Fulda.
+
+Adranum, Adranon, stad op Sicilia, aan den voet van den Aetna, in
+400 door Dionysius gesticht. In de nabijheid was een tempel voor
+den vuurgod Adranus, waar volgens het verhaal duizend tempelhonden
+gehouden werden, bestemd om beschonken lieden naar huis te brengen.
+
+Adrastea, Adrasteia, bijnaam van de phrygische godin Cybele en van
+Nemesis. Ook eene nimf, die met hare zuster Ida op Creta den jongen
+Zeus opvoedde.
+
+Adrastus, Adrastos, 1) zoon van Talaüs en Lysimache. Toen zijn vader
+gedood werd, werd hij door Amphiaraus uit Argos verjaagd en vluchtte
+hij naar zijn grootvader Polybus, dien hij in de regeering over Sicyon
+opvolgde. Later verzoende hij zich met Amphiaraus, kreeg aandeel aan de
+regeering over Argos, en gaf hem zijne zuster Eriphyle tot vrouw. Een
+orakel had hem gezegd, dat hij zijne dochters aan een leeuw en een wild
+zwijn moest uithuwen; toen nu Tydeus en Polynices, de een uit Calydon,
+de ander uit Thebe voortvluchtig, in een stormachtigen nacht voor zijn
+paleis kwamen en daar in twist geraakten, kwam Adr. op het geraas
+aanloopen, en daar ieder van hen met de huid van een der genoemde
+dieren bekleed was, of het afbeeldsel van een dier dieren óp zijn
+schild had, zag Adr. daarin de vervulling van het orakel en gaf hij hun
+zijne beide dochters, terwijl hij beloofde hen weder naar hun vaderland
+terug te brengen. Met zijne bondgenooten ondernam hij nu eerst een
+krijgstocht tegen Thebe (den tocht der zeven tegen Th.), die echter
+ongelukkig afliep: alle aanvoerders sneuvelden, behalve Adr., die het
+aan de snelheid van zijn paard te danken had dat hij naar Attica kon
+vluchten. Tien jaar later ondernam hij voornamelijk ondersteund door
+de zonen der gesneuvelden (epigonen), een tweeden tocht tegen Thebe,
+die een gunstiger uitslag had; in dezen oorlog verloor hij echter zijn
+zoon Aegialeus en uit verdriet hierover stierf hij op den terugtocht te
+Megara. Adr. werd te Athene, Sicyon en Megara als halfgod vereerd.--2)
+zoon van den phrygischen koning Gordias, die wegens een onvrijwilligen
+moord naar Lydië vluchtte, en daar door Croesus vriendelijk ontvangen
+werd; bij ongeluk doodde hij echter op de jacht ook diens zoon, en
+uit wanhoop hierover bracht hij zichzelf om het leven.--3) naam van
+verschillende trojaansche aanvoerders in de Ilias.
+
+Adria of Hadria, Adria, naam van twee steden: de eene, waaraan de
+adriatische zee haren naam ontleende, lag in het gebied der Veneters,
+nabij den Padus; het was oudtijds een belangrijke stad der Etruscers
+en de uitvoerhaven voor het van het Noorden komende barnsteen, zie
+Eridanus; de andere lag in Picenum. Ook de genoemde zee zelve komt
+onder den naam Adria, Adrias, voor. Ook de spelling Hatria wordt
+gevonden.
+
+Adrianus, zie Hadrianus.
+
+Adrumetum of Hadrumetum, Adrymeton of Adrymes, -etos, stad in het
+gebied van Carthago, en wel in het gewest Byzacene of Byzacium,
+waarvan het onder de keizers de hoofdstad werd. Het lag aan de kust.
+
+Aduatuca, eene sterkte in het gebied der Eburonen, z. Tungri. Het
+lag misschien bij Limburg in het dal van de Vesdre.
+
+Aduatuci, germaansche volksstam aan de linkerzijde van de Maas,
+afstammelingen van de Cimbern en Teutonen, later met andere stammen
+onder den naam van Tungri saamgesmolten.
+
+Adulatio, proskynesis, kruipende vereering der vorsten. Zij bestond
+hierin, dat men zich met het aangezicht ter aarde wierp en den grond
+kuste. Deze gewoonte, bij oostersche volken te huis behoorende en
+door lage vleiers ook tegenover de rom. keizers in praktijk gebracht,
+werd onder keizer Diocletianus voorschrift.
+
+Adula mons, een berggroep in Oostelijk Zwitserland, brongebied van
+den Rijn en den Addua.
+
+Adule, Adoulis, voorname handelsplaats in Aethiopia, aan een inham
+der arabische golf gelegen, bekend om het monumentum Adulinanum,
+brokstukken van twee opschriften, door Cosmas Indicopleustes, een
+grieksch zeevaarder uit den tijd van keizer Justinus, afgeschreven. Het
+eerste stuk heeft betrekking op een Ptolemeus Euergetes, het tweede
+op een later inheemsch vorst.
+
+Adynatoi zwakken of gebrekkigen, die niet in hun eigen onderhoud
+konden voorzien. Te Athene werd in den regel aan zulke menschen bij
+volksbesluit eene ondersteuning van 1 of 2 obolen per dag toegekend.
+
+Adversaria (scil. scripta), aanteekenboek of journaal, waarin men
+voorloopig ontvangsten en uitgaven opteekende, om ze later in het
+kasboek (tabulae of codex accepti et expensi) over te brengen.
+
+Advocatus, iemand, die bij een rechtsgeding ten behoeve van een der
+partijen tegenwoordig is, niet om te pleiten, maar om door zijne
+aanwezigheid eenigen invloed uit te oefenen en, zoo noodig, raad te
+geven. De pleiters werden causarum patroni geheeten, (z. Patronus
+no. 2). Onder de keizers verdween dit onderscheid.
+
+Adyrmachidae, Hadyrmachidai, een volk van Libya, dat ten westen van
+Aegypte langs de kust woonde.
+
+Adytum, adyton, penetrale, een geheim, voor de leeken verborgen vertrek
+achter in een tempel, somtijds gedeeltelijk onder den grond. Niet aan
+alle tempels was een adytum aangebracht, maar vooral aan die, waar
+godspraken werden gegeven. Het adytum had dikwijls een geheimen ingang,
+terwijl naar de tempelruimte verborgen spreekbuizen liepen, waardoor de
+woorden drongen, welke de geloovigen voor de stem der godheid hielden.
+
+Aea of Aeaea, Aia, Aiaia, het (verre) land. Men stelde zich voor dat
+zoowel aan het westelijk als aan het oostelijk einde der aarde een
+Aea lag; het eerste was het fabelachtige eiland van Circe, het laatste
+het land van waar de Argonauten het gouden vlies haalden. Volgens de
+meening der latere Grieken was het westelijke Aea = Circeii in Latium,
+het oostelijke = Colchis.
+
+Aeaces, Aiakes, 1) vader van Polycrates, Pantagnotus en Syloson.--2)
+zoon van Syloson, tyran van Samus. Door Aristagoras van Milete
+verjaagd, wist hij de Samiërs te overreden om in den slag bij Lade
+(497) de vloot der ionische Grieken te verlaten; daarvoor gaven de
+Perzen hem na het onderdrukken van den Ionischen opstand (494) de
+regeering over Samus weder.
+
+Aeacides, Aiakides, Peleus, Achilles, Neoptolemus e.a. als
+afstammelingen van Aeacus.
+
+Aeacus, Aiakos, zoon van Zeus en Aegina, koning van Aegina, stond
+om zijne vroomheid in hooge gunst bij de goden. Toen Aegina door de
+pest ontvolkt was, liet Zeus op het gebed van Ae. een hoop mieren
+in menschen veranderen, die vandaar Myrmidonen genoemd werden. Ook
+bewerkte hij eens door zijn gebed het ophouden van eene langdurige
+droogte, die geheel Griekenland teisterde. Hij hielp Apollo en Poseidon
+bij het opbouwen van de muren van Troje, en daardoor kon later de
+stad veroverd worden, wat niet het geval zou geweest zijn, indien
+het werk geheel door die goden verricht was; ook gaf reeds dadelijk
+bij het voleindigen van den bouw een wonderteeken te kennen dat het
+door Ae. gebouwde gedeelte door zijn zoon (z. Telamon) en door zijn
+achterkleinzoon (z. Neoptolemus) zou bestegen worden. Hij was de vader
+van Telamon en Peleus. Na zijn dood werd hij door Zeus als rechter in
+de onderwereld geplaatst en op Aegina en te Athene als halfgod vereerd.
+
+Aeaea, z. Aea.
+
+Aeantis, Aiantis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica
+door Clisthenes verdeeld werd.
+
+Aebutia (lex) de formulis, plebisciet, van ± 200, tot invoering van
+het formulierproces. Zie formula.
+
+Aebutia (lex), dat, wanneer bij eene opzettelijke wet aan iemand
+een last werd opgedragen, noch de ontwerper der wet noch een zijner
+bloedverwanten of ambtgenooten daarbij benoembaar was. Dit plebisciet
+is van onzekeren tijd.
+
+Aebutii, patricisch geslacht, dat in de eerste eeuw der republiek
+enkele consuls leverde. Het cognomen Elva of Helva is later in de
+fasti bijgevoegd.
+
+Aeculanum, stad der Hirpini in Samnium, niet ver van Beneventum.
+
+Aedepsus, Aidepsos, stad in het N. van Euboea, met warme baden.
+
+Aedes. Terwijl dit woord als plurale een woonhuis aanduidt, wordt het
+enkelvoud gebezigd in den zin van godshuis, tempel. In het meervoud
+zegt men voor tempels aedes sacrae. Evenmin als elk templum een aedes
+is, evenmin is elke aedes een templum. Daartoe moet de aedes met
+een bepaald formulier volgens vaste regels aan de godheid opgedragen
+(dedicatio) en door een augur gewijd worden (consecratio).
+
+Aediles, agoranomoi. De aediles zijn oorspronkelijk geweest opzichters,
+men zou kunnen zeggen kerkvoogden, van den in 493 door Sp. Cassius
+Viscellinus gestichten tempel (aedes) van Ceres (z. a.). Waarschijnlijk
+hebben ze sedert 471, toen de plebs haar vertegenwoordiging kreeg in
+de 4 tribuni plebis, naast de priesterlijke ook politieke functies
+vervuld, en zijn tot aediles plebis geworden. Ze waren helpers deels
+van de consuls, deels van de volkstribunen, en hadden het toezicht
+over het plebejisch archief in aede Cereris. Zij werden gekozen uit
+de plebs. Bij de reorganisatie van den staat, in 366, werden er naast
+de twee plebejische aedilen twee patricische aedilen (aediles curules)
+gekozen, die ongeveer denzelfden werkkring hadden als de plebejische,
+maar niet met hen één collegium vormden. Het verhaal van Livius,
+dat, toen in 366 de ludi Romani ter eere der verzoening tusschen de
+patriciërs en de plebs met een dag verlengd waren en de plebejische
+aedilen weigerden, zich de kosten te laten welgevallen, zich patriciërs
+daartoe aangeboden hadden, en zoo de curulische aediliteit is ontstaan,
+is onjuist. De aed. cur. hadden de toga praetexta, de sella curulis,
+en later het ius imaginum. Reeds vrij spoedig werd het ambt afwisselend
+door patriciërs en plebejers bekleed. De aedilen hebben steeds in
+rang boven de tribuni plebis gestaan.
+
+Werkkring der aedilen. In de eerste plaats behoorde hiertoe de cura
+urbis, waartoe te rekenen zijn het algemeen politietoezicht op de
+openbare veiligheid, het toezicht op gebouwen, op de reinheid en
+het onderhoud, van wegen en waterleidingen en dgl. Ten tweede ging
+hun de cura annonae aan, welke cura zich niet tot den graanhandel
+bepaalde, maar het geheele handelsverkeer en marktwezen omvatte. Het
+derde gedeelte was de cura ludorum, n.l. de zorg voor zekere spelen,
+waarvoor de senaat wel eene bijdrage uit de staatskas toestond, die
+echter niet toereikend was om aan de steeds klimmende eischen van
+het volk te voldoen, zoodat eerzuchtige mannen zich vaak te gronde
+richtten, om de volksgunst te verwerven. De aedilen kunnen voor sommige
+misdrijven van niet-politieken aard boeten opleggen; overschrijdt
+de boete de provocatiegrens, dan brengen de aediles curules de zaak
+voor de comitia tributa, de aed. plebis voor het concilium plebis. De
+aediles curules hebben ook rechtspraak in handelsgeschillen.
+
+De aediles plebis werden onder voorzitterschap der volkstribunen in
+de concilia plebis, de aediles curules in de comitia tributa onder
+voorzitterschap van een consul of praetor gekozen. Onder de keizers
+werd hun werkkring zeer beperkt, tot zij ten laatste ophielden
+te bestaan.
+
+Aediles Cereales. C. Julius Caesar droeg de cura annonae, meer bepaald
+de zorg voor den korenaanvoer, aan twee aedilen op en belastte hen
+tevens met het geven der Cerealische feesten.
+
+Aediles municipales. Ook in de municipia vindt men stedelijke overheden
+met den naam van aedilen.
+
+Aedituus, naophylax, hierophylax, neokoros (z. a.), tempelwachter,
+belast met de bewaking en het toezicht op het schoonhouden van
+het gebouw.
+
+Aedon, Aedon, dochter van Pandareüs, gehuwd met koning Zethus. Daar
+zij slechts één zoon had, was zij naijverig op Niobe, die rijk met
+kinderen gezegend was, en wilde zij den oudsten zoon van deze dooden,
+doch bij vergissing doodde zij haar eigen zoon. Zij werd daarop door
+Zeus in een nachtegaal veranderd, die steeds om haar zoon jammert.
+
+Aedui, Aidouioi, een machtige gallische volksstam, tusschen den Liger
+(Loire) en den Arar (Saône) gevestigd, het eerste volk in Gallia,
+dat met de Romeinen een vriendschapsbond sloot en hiervoor den titel
+van fratres et consanguinei populi Romani verwierf. Caesar bevrijdde
+hen van de overheersching van den Germaan Ariovistus. Later lieten de
+Aeduërs zich overhalen om deel te nemen aan den grooten gallischen
+opstand onder Vercingetorix, doch werden door Caesar niet daarvoor
+gestraft. In 21 n. C. stonden ze op onder Sacrovir (z. a.). In
+hun gebied lagen de steden Bibracte, de hoofdstad, later verdoopt
+in Augustodunum (Autun), Noviodunum (Nevers), Cabillonum (Châlons
+sur Saône).
+
+Aeetes, Aietes, zoon van Helius en Perseïs of Antiope, koning van
+Colchis. Onder zijne regeering kwam Phrixus het gulden vlies naar
+Colchis brengen en kwamen de Argonauten het weder halen.
+
+Aeëtias, Aietis, Medea, dochter van Aeetes.
+
+Aefula, hoog gelegen stadje ten Z. van Tibur.
+
+Aegae, Aigai, naam van onderscheidene steden, als: 1) in Achaia, met
+een beroemden Poseidontempel;--2) op de westkust van Euboea;--3) in
+het macedonische landschap Emathia, oude hoofdstad en begraafplaats
+der macedonische koningen, later Edessa geheeten, z. a.;--4) in
+Aeolis op de kust van Klein-Azië, ook Aegaeae, Aigaiai geheeten;--5)
+belangrijke havenstad in Cilicia, aan de golf van Issus.
+
+Aegaeisch tijdperk noemt men het oudste tijdperk der grieksche
+geschiedenis, waarvan wij slechts kennis hebben door overblijfselen,
+welke men langs de kusten en op de eilanden der Aegaeïsche zee
+vindt. Deze overblijfselen leeren ons dat reeds toen tusschen al deze
+landen verkeer bestond, zoodat de beschaving, hoewel nog op een lagen
+trap staande (er worden bijv. meest steenen gereedschappen gebruikt),
+overal ongeveer dezelfde was. Het aeg. tijdperk wordt geacht omstreeks
+1500 te eindigen.
+
+Aegaeon, Aigaion, door de goden Briareos genoemd, een van de
+Centimani. Toen Hera, Poseidon en Athena of Apollo eens Zeus wilden
+boeien, riep Thetis Aeg. te hulp, en door hem werden zij genoodzaakt
+van hun plan af te zien.
+
+Aegaeum mare, Aigaion pelagos, welke naam in de middeleeuwen door de
+Venetianen tot Archipelago is misvormd, vanwaar ons woord Archipel,
+de zee tusschen Griekenland en Klein-Azië, met tal van eilanden. De
+oorsprong van den naam is onzeker; de mythe brengt dien in verband
+met koning Aegeus, den vader van Theseus.
+
+Aegaleos, Aigaleos, berg op de kust tegenover Salamis, vanwaar Xerxes
+in 480 de nederlaag zijner vloot aanschouwde. De Aegaleos scheidt de
+Atheensche vlakte van de Thriasische, waarin Eleusis ligt.
+
+Aegates, hai Aigoussai, de geiteneilanden, eilandengroep ten westen
+van Sicilia. Bij een van deze eilanden, Aegusa, won de rom. consul
+C. Lutatius Catulus in 241 den laatsten beslissenden zeeslag in den
+eersten punischen oorlog.
+
+Aegeis, Aigeis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica
+door Clisthenes verdeeld werd.
+
+Aegestes, Aigestes = Acestes.
+
+Aegeus, Aigeus, zoon van Pandion no. 3. Na den dood van zijn vader
+heroverde hij Athene met de hulp van zijne broeders en kreeg hij daar
+de regeering. Later door de zonen van zijn broeder Pallas verjaagd,
+werd hij door zijn zoon Theseus weder op den troon gebracht. De
+Panathenaeën werden door hem ingesteld of uitgebreid. Toen eens bij
+deze feesten Androgeos, de zoon van Minos, alle prijzen behaalde,
+liet Aeg. hem uit afgunst dooden. Minos deed hem den oorlog aan en
+dwong hem op gezette tijden zeven jongelingen en zeven jonge meisjes
+naar Creta te zenden om aan den Minotaurus tot spijs gegeven te
+worden. Van dezen smaad werd Athene spoedig door Theseus bevrijd,
+maar daar hij bij zijne terugkomst van Creta verzuimde het zwarte
+zeil, waarmede het schip was uitgegaan, door een wit te vervangen, wat
+volgens afspraak voor zijn vader het teeken van den gunstigen afloop
+der onderneming zoude zijn, meende Aeg. dat ook zijn zoon het offer
+van den Minotaurus geworden was en stortte hij zich in de zee, die
+hiernaar de Aegaeïsche zee genoemd wordt.--Aegeus is ook een bijnaam
+van Poseidon en oorspronkelijk niemand anders dan deze god zelf.
+
+Aegiale, Aegialea, Aigiale, -aleia, dochter van Adrastus en Amphithea,
+gemalin van Diomedes (z. a.).
+
+Aegialos, Aigialos, het kustland, oude naam voor Achaia.
+
+Aegialeus, Aigialeus, zoon van Adrastus, sneuvelde bij de onderneming
+der epigonen.
+
+Aegides, Aigeides, 1) Theseus, zoon van Aegeus.--2) burger van de
+attische phyle Aegeis.
+
+Aegilia, Aigilia, 1) attische demos.--2) eilandje tusschen Creta en
+Cythera.--3) eilandje tusschen Attica en Euboea.
+
+Aegimius, Aigimios, de mythische stamvader der Doriërs, aan den Pindus
+woonachtig. In een oorlog tegen de Lapithen riep hij de hulp van
+Heracles in en beloofde hem daarvoor een derde van zijn land. Heracles
+versloeg de Lapithen, maar nam de toegezegde belooning niet aan. Uit
+dankbaarheid nam Aeg., die twee zonen had, Pamphylus en Dymas, ook
+den zoon van Heracles, Hyllus, tot zoon aan, en van deze drie personen
+hebben de dorische phylen hare namen: Pamphyli, Dymanes, Hylles.
+
+Aegina, Aigine, Aigina, dochter van den riviergod Asopus, die door Zeus
+naar het eiland Oenone gebracht werd en daar Aeacus (z. a.) ter wereld
+bracht. Naar haar werd het eil. sedert dien tijd Aegina genoemd. Dit
+kleine en vruchtbare eiland in de saronische golf werd daarna met
+Myrmidonen, die tot den achaeischen stam behooren, bevolkt en door
+Aeacus geregeerd; toen echter diens zonen het eiland verlaten hadden,
+werd de bevolking grootelijks vermeerderd door epidaurische kolonisten
+(Doriërs) en bleef Aeg. langen tijd in nauwe betrekking tot Epidaurus
+staan. In oude tijden bereikte Aeg. door handel, nijverheid en kunst
+een hoogen trap van bloei (bekend is de tempel van Aphaia, waarvan
+het beeldwerk (de zoogenaamde Aegineten) te München bewaard wordt);
+na 480 werd het echter door Athene overvleugeld en de langdurige
+vijandelijkheden eindigden hiermede, dat in 456 Aeg. schatplichtig
+werd, de muren der stad afbreken en de schepen uitleveren moest;
+in 429 werden zelfs de oude inwoners geheel verdreven en hoewel
+zij na den slag bij Aegospotami door Lysander teruggebracht werden,
+kwam de oude macht en welvaart toch nooit terug. Sedert 318 behoorde
+Aeg. tot Macedonië, sedert 229 wordt het genoemd als een lid van het
+achaeïsch verbond, sedert 196 als een deel van het gebied van Attalus
+van Pergamus; in 129 kwam het onder de Romeinen.
+
+Aegiplanctus, Aigiplankton oros, kaap in Megaris, aan de corinthische
+golf.
+
+Aegira, Aigeira, stad in het oostelijk gedeelte van Achaia, waarvan
+nog bouwvallen bestaan.
+
+Aegirusa, Aigiroussa, aeolische stad in Klein-Azië.
+
+Aegis, Aigis, schild van Zeus met honderd gouden kwasten versierd. Hij
+gebruikte dit schild om door eene beweging er mede den menschen
+schrik in te boezemen; men stelde zich voor dat het het Medusahoofd en
+schrikwekkend beeldwerk droeg. V. a. was de aeg. een mantel, gemaakt
+van het vel der geit, die Zeus gezoogd had. Bij Homerus staat Zeus de
+aeg. dikwijls aan Athena, eens ook aan Apollo ten gebruike af, later
+echter kende men aan Athena zelve een aeg. toe, nu eens als mantel, dan
+als harnas gedacht, altijd met het Medusahoofd, met slangen omkranst,
+enz. V. a. was deze aegis het vel van een vuurspuwend monster, dat
+door Athena gedood was.
+
+Aegisthus, Aigisthos, zoon van Thyestes en diens dochter Pelopea. Hij
+werd door zijne moeder te vondeling gelegd en door herders gevonden,
+die hem door een geit lieten zoogen. Hij werd verder door Atreus
+opgevoed, die hem, toen hij volwassen was, opdroeg Thyestes te
+vermoorden; maar Aeg., die nog tijdig vernam, dat Thyestes zijn vader
+was, doodde Atreus bij een offer en maakte zich met Thyestes van de
+regeering over Mycenae meester, waaruit hij evenwel na den dood van
+Thyestes door Agamemnon weder verdreven werd. Terwijl Agamemnon met
+het leger voor Troje was, wist Aeg. diens echtgenoote Clytaemnestra
+te verleiden, en toen Ag. terugkwam ging Aeg. hem te gemoet, noodigde
+hem tot een maaltijd, maar doodde hem met behulp van Clytaemnestra
+in het bad. Hij zelf werd zeven jaar later, zooals hem voorspeld was,
+door Agamemnons zoon Orestes gedood.
+
+Aegium, Aigion, stad in Achaia, na de vernieling van Helice door de
+zee (373) de hoofdplaats van het achaeïsch verbond. Aratus van Sicyon
+stierf hier, 213.
+
+Aegle, Aigle, 1) de schoonste der Naiaden, moeder der Gratiën.--2)
+gemalin van Theseus.
+
+Aegon, Aigon, koning van Argos, die na het uitsterven der Heracliden
+deze waardigheid kreeg.
+
+Aegospotamos, Aigos potamoi, geitenrivier, riviertje en stad in de
+Chersonesus Thracica, aan den Hellespont, tegenover Percote, waar in
+den peloponnesischen oorlog de laatste atheensche vloot in den herfst
+van 405 door Lysander genomen werd.
+
+Aegosthena, ta Aigosthena, vlek in Megaris, aan de NW.-kust gelegen.
+
+Aegusa, Aigoussa, een der Aegatische eil., ten westen van Sicilia,
+z. Aegates.
+
+Aegyptus, he Aigyptos, het bekende Nijlland. Van Syene en Philae op
+ongeveer 24° N.B. tot omstreeks 27 1/2° N.B. strekte zich Opper-Aegypte
+of Thebaïs, het land van Thebe, uit; vandaar tot even beneden Memphis
+Midden-Aegypte of Heptanomis, het land der zeven distrikten; dan volgde
+het naar zee breed uitloopende Delta-land. De geschiedenis van het
+land kan in vier hoofdtijdperken worden gesplitst: 1) Het aegyptische
+tijdperk, van de oudste tijden af tot aan de verovering van het rijk
+door den perzischen koning Cambyses in 525.--2) Het perzische tijdperk,
+tot aan de onderwerping des lands aan Alexander den Gr. in 332.--3)
+Het macedonische tijdperk, tot de inlijving bij het rom. rijk door
+Octavianus (Augustus) in 30. Dit is het tijdvak der Ptolemaeën,
+die grieksche beschaving, zeden, gewoonten en godsdienst zochten
+in te voeren en onder wie Aegypte een tijdperk van grooten bloei en
+welvaart beleefde.--4) Het rom. tijdperk, tot aan de verovering door
+de Arabieren, 638 na C. Als rom. provincie had Aegypte eene bijzondere
+organisatie. In de plaats der koningen trad een stadhouder, praefectus
+Aegypti, doch de vorm van bestuur, plechtigheden en ceremoniën,
+alles bleef, zooals het te voren onder de Ptolemaeën was geweest;
+zelfs bleef het Grieksch de officieele taal. De stadhouder had ook
+niet, zooals overal elders, lictoren met bijlbundels. Alexandrië
+bleef de residentie.
+
+Aegyptus, Aigyptos, zoon van Belus en Anchinoë. Hij onderwierp zich
+het land der Melampoden en noemde dit Aegyptus. Hij was de vader van
+vijftig zonen, waarvan 49 in één nacht door de Danaïden (z. Danaüs)
+gedood werden. Aeg. kwam daarop naar Argos om den dood zijner zonen
+te wreken, maar door zijn eenig overgebleven zoon Lynceus overreed,
+zag hij hiervan af. V. a. stierf hij van verdriet.
+
+Aeinautai, magistraten te Milete. De afleiding van den naam is onzeker.
+
+Aeisitoi, heetten te Athene de personen, die krachtens hun ambt of
+eene bijzondere vergunning dagelijks op kosten van den staat in het
+Prytaneum (later in den Tholus) hun maaltijd hielden. De prytanen
+(z. prytaneis) zijn niet onder dien naam begrepen.
+
+Aelana, ta Ailana, handelsstad in Arabia Petraea, aan den
+noordoostelijken inham der arabische golf (de Roode Zee), welke
+inham naar de stad sinus Aelanites of Aelaniticus werd geheeten. Hier
+werden onder koning Salomo de joodsche handelsvloten naar het land
+Ophir uitgerust.
+
+Aelia (leges) et Fufia, de auspiciis, twee wetten van de volkstribunen
+Q. Aelius Paetus en M. Fufius, omstreeks 156. Zie servare de caelo.
+
+Aelia Sentia (lex), van de consuls Sex. Aelius Catus en C. Sentius
+Saturninus, 4 n. C. Deze wet bepaalde, dat vrijgelatenen, die als
+slaven onteerende straffen hadden ondergaan, geen cives, maar dediticii
+zouden zijn. Ook onderwierp zij het burgerschap van vrijgelatenen
+beneden 30 jaar aan zekere voorwaarden.
+
+Aelia Capitolina, naam dien keizer P. Aelius Hadrianus aan Jerusalem
+gaf, waarheen hij eene rom. kolonie zond (130 n. C.). Een geweldige
+opstand was hiervan het gevolg (zie Hadrianus). Jerusalem werd door
+de keizerlijke troepen ingenomen en verwoest, doch op 's keizers
+last herbouwd.
+
+Aelianus, 1) Ailianos ho taktikos, leefde tijdens de regeering van
+keizer Hadrianus, en schreef een werk over taktiek.--2) Claudius
+Aelianus, geboren te Praeneste, leefde in het begin der derde eeuw
+na C. en schreef o. a. onder den titel Poikile hiotoria, Varia
+Historia, in 14 boeken een verzameling verhalen en anecdoten. Meer
+waarde heeft een ander werk van hem: Peri zoon in 17 boeken, eveneens
+eene verzameling verhalen, die alle betrekking hebben op het leven
+der dieren.
+
+Aelii, een aanzienlijk geslacht, waarvan de Paeti en de Tuberones de
+meest bekende familiën zijn. O. a. behoorden nog tot de Aelia gens de
+familiën Catus, Lamia, Ligur, Staienus. 1) P. en Sex. Aelius Paetus,
+twee broeders, beiden als rechtsgeleerden beroemd, vooral de laatste,
+die hierdoor den bijnaam Catus verkreeg. P. Aelius was consul in
+201, Sex. Aelius in 198. Sextus Aelius heeft een werk geschreven,
+Tripertita geheeten, waarvan nog fragmenten over zijn. Het bevatte
+1o den tekst der XII tafelen, 2o de verklaring daarvan, 3o de legis
+actiones, een uitbreiding van het ius Flavianum.--2) Q. Aelius
+Tubero, schoonzoon van L. Aemilius Paullus, nam onder dezen aan den
+oorlog tegen Perseus deel.--3) Q. Aelius Tubero, zoon van no. 2,
+zusterszoon van Scipio Africanus minor, rechtsgeleerde en aanhanger
+der stoïcijnsche wijsbegeerte, staatkundig tegenstander der Gracchen,
+is dezelfde, die in Cicero's geschrift de republica sprekende
+wordt ingevoerd.--4) L. Aelius Tubero, boezemvriend van Cicero,
+met wien hij samen onderricht had ontvangen, koos evenals Cicero
+de partij van Pompeius, doch verzoende zich later met Caesar.--5)
+Q. Aelius Tubero, zoon van no. 4, had aan den slag bij Pharsalus
+tegen Caesar deelgenomen, doch zich ook met dezen verzoend. Het
+was tegen zijne aanklacht dat Cicero de oratio pro Q. Ligario
+hield. Hij was redenaar, schrijver over rechtskundige onderwerpen en
+annalist. Zijn geschiedwerk reikte van de oudste tijden tot aan de
+oorlogen van Caesar en Pompeius.--6) L. Aelius Lamia, rom. ridder,
+werd in 58 verbannen, omdat hij Cicero durfde verdedigen; zijne
+beide zoons Q. en L. behoorden tot de vrienden van den dichter
+Horatius. Van dezen is L. (consul 3 n. C.) de meest bekende.--7)
+L. Aelius Stilo Praeconinus, uit Lanuvium, beroemd taalgeleerde en
+leermeester van Varro en ook van Cicero. Vooral maakte hij studie van
+het oud-Latijn.--8) L. Aelius Seianus, zoon van L. Seius Strabo, door
+adoptie in de gens Aelia opgenomen, was praefectus praetorio van 14 tot
+31 na C. onder Tiberius, eerst met zijn vader, na diens dood alleen. In
+23 n. C. legde hij voor de cohortes praetoriae, die tot nu toe in de
+stad verspreid waren, een vast kamp aan buiten de porta Viminalis,
+ten N.O. van de stad, de Castra praetoria (z. a). Toen Tiberius hem te
+Rome de vrije hand liet, heerschte Seianus als eigenmachtig tyran. Ten
+einde zichzelven den weg tot den troon te banen, liet hij 's keizers
+zoon Drusus Caesar door toedoen van diens vrouw Livia door vergif
+uit den weg ruimen (23). Ook Agrippina, de weduwe van Germanicus, en
+hare beide zonen vielen als offers zijner eerzucht (29). Ten slotte
+echter werden Tiberius door Antonia minor (Antonii no. 11) de oogen
+geopend; Seianus werd in hechtenis genomen, door den senaat gevonnisd
+en met zoon, dochter en een aantal vrienden ter dood gebracht.--9)
+Aelius Gallus, rom. ridder en onder Augustus praefectus van Aegypte;
+hij ondernam op bevel van Augustus een expeditie tegen Arabia Felix
+(25-24), die mislukte.--10) P. Aelius Aristides, beroemd grieksch
+redenaar, geb. te Hadriani in Mysia in 129 n. Chr. Van hem zijn 55
+veel bewonderde redevoeringen overgebleven, die echter voor een groot
+deel niet bestemd waren voorgedragen te worden. Hij volgt daarin met
+voorliefde Isocrates en Demosthenes na. Hij reisde veel en kwam ook
+te Rome, doch bij voorkeur hield hij zich te Smyrna op, waar hij ±
+189 stierf. Toen deze stad door een aardbeving verwoest was, wist hij
+keizer Marcus Aurelius te bewegen haar te laten herbouwen, daarom werd
+te Smyrna een standbeeld voor hem opgericht, dat nog bestaat.--11)
+P. Aelius Hadrianus, keizer, zie Hadrianus.--12) Aelius Donatus,
+zie Donatus (Aelius).
+
+Aëllo, Aëllopus, Aello, Aellopous, een van de Harpyiën.
+
+Aemilia (lex) de censura, van den dictator Mamercus Aemilius 434
+(Aemilii no. 6) beperkte den duur van het censorschap tot achttien
+maanden. Zie echter onder Censor.
+
+Aemilia (lex) sumptuaria, van den consul M. Aemilius Scaurus (Aemilii
+no. 11), van 115. Zij beperkte de tafelweelde, door het verbod van
+sommige als lekkernij beschouwde spijzen, o.a. veldmuizen, schelpdieren
+en vreemde vogels.
+
+Aemilia (lex) de libertinorum suffragiis, van denzelfden, eveneens
+van 115, bepaalde, dat de vrijgelatenen in de 4 tribus urbanae moesten
+ingeschreven worden.
+
+Aemilia (via). Deze weg, in 187 aangelegd door den consul M. Aemilius
+Lepidus (Aemilii no. 2), liep van Ariminum in rechte lijn naar
+Placentia aan de Po. Deze weg heeft zijn naam gegeven aan de VIII
+regio Italiae (tgw. Emilia). Een andere weg van gelijken naam, in
+109 aangelegd door den censor M. Aemilius Scaurus (Aemilii no. 11),
+liep van Pisa langs zee tot aan Vada, en van daar over de Apennijnen
+naar Dertona. Het eerste gedeelte van dezen weg wordt later, omdat
+het een voortzetting der via Aurelia is, ook Aurelia genoemd.
+
+Aemilianus (M. Aemilius), stadhouder van Pannonia en Moesia, werd in
+253 na C. door zijne legioenen tot keizer uitgeroepen. Hij overwon
+keizer Gallus, doch werd op zijn beurt verslagen door Valerianus en
+hierop door zijne eigene troepen om het leven gebracht.
+
+Aemilii, een oud, beroemd, patricisch geslacht, waartoe o. a. de
+familiën Lepidus, Mamercinus, Paullus, Scaurus, Barbula, Papus
+behoorden. 1) M. Aemilius Lepidus, zoon van no. 2, bracht door zijn
+moed veel bij tot het winnen van den slag bij Magnesia (190) tegen
+Antiochus III van Syrië.--2) M. Aemilius Lepidus, consul in 187 en
+175, censor in 179, streed gelukkig tegen de Liguriërs. Als consul
+legde hij de via Aemilia, van Ariminum naar Placentia, aan. Als censor
+bouwde hij met zijn ambtgenoot M. Fulvius Nobilior (Fulvii no. 11), de
+basilica Aemilia et Fulvia, die gewoonlijk Aemilia genoemd wordt. Zijne
+krachten wijdde hij aan den staat tot zijn dood toe. Twee zoons van
+hem bekleedden ook het consulaat, in 137 en 126. Een kleinzoon was--3)
+M. Aemilius Lepidus, consul in 78, het jaar van Sulla's dood. Uit
+gegronde vrees, dat hij zou pogen, zich van het gezag meester te
+maken, had de Senaat hem Gallia opgedragen, doch Lepidus verzamelde
+een leger in Etruria om tegen Rome op te trekken. Hij werd echter
+door Pompeius en den consul Q. Lutatius Catulus (Lutatii no. 5)
+verslagen en vluchtte naar Sardinia, waar hij in 77 stierf. Zijn
+onderbevelhebber M. Perperna week naar Hispania en sloot zich daar bij
+Sertorius aan.--4) M. Aemilius Lepidus, de bekende drieman, was een
+zoon van no. 3. Hij was een aanhanger van Caesar, door wiens toedoen
+hij in 49 praetor en in 46 Caesars medeconsul werd. Hij bezorgde in
+49 aan Caesar de dictatuur en werd zelf in 45 magister equitum. In
+44 droeg Caesar hem het kommando op in Hispania citerior en zuidelijk
+Gallia. Na Caesars vermoording vereenigde Lepidus zich met Antonius,
+werd pontifex maximus en in 43 met Antonius en Octavianus lid van het
+driemanschap, waarbij hij voor zijn deel Africa kreeg. Toen hij echter
+in 36 Sextus Pompeius uit Sicilia had helpen verdrijven, doch zelf
+de hand naar dit eiland uitstak, werd hij door zijn leger verlaten
+en door Octavianus genoodzaakt, zich geheel uit het staatsbestuur
+terug te trekken; alleen de waardigheid van pontifex maximus behield
+hij. Hij leefde nog tot 13 op een landgoed te Circeii, onder bewaking,
+in eene vermomde gevangenschap.--5) M. Aemilius Lepidus Porcina,
+consul in 137, wordt als redenaar geroemd. Als proconsul van Hispania
+citerior ondernam hij in 136 tegen den wil des senaats een hoogst
+onrechtvaardigen oorlog tegen de Vaccaeërs, doch leed een zware
+nederlaag. In 125 werd hij wegens geldverkwisting door de censoren
+tot eene boete veroordeeld.--6) Mamercus Aemilius, dictator in 437,
+434 en 426. Uit zijn tweede dictatorschap is de lex Aemilia de censura
+afkomstig, welke den duur van het censorschap tot achttien maanden
+beperkte. Zie echter onder Censor. Uit wraak brachten de eerstvolgende
+censoren hem onder de aerarii.--7) L. Aemilius Mamercinus Privernas,
+consul in 341 en 329, dictator 335 en 316. Zijn bijnaam Privernas
+had hij te danken aan de inneming der stad Privernum in het gebied
+der Volscen.--8) M. Aemilius Paullus, consul 302, versloeg bij
+Thurii den spartaanschen avonturier Cleonymus, die eene landing in
+Italië beproefde.--9) M. Aemilius Paullus, consul in 219 en 216,
+versloeg in 219 Demetrius van Pharus en onderwierp het illyrische
+kustland. In 216 verloor hij met zijn ambtgenoot C. Terentius Varro den
+noodlottigen slag tegen Hannibal bij Cannae, waarin hij sneuvelde. Hij
+had den slag ontraden, doch Varro, die op dien dag het opperbevel
+voerde, luisterde niet naar hem. Aemilius Paullus viel, omdat hij
+te hooghartig was om zich door de vlucht te redden. Hierom wordt
+hij door Horatius magnae animae prodigus genoemd.--10) L. Aemilius
+Paullus, zoon van no. 9, tuchtigde in 182 als consul de Liguriërs,
+en overwon in zijn tweede consulaat, 168, bij Pydna koning Perseus
+van Macedonië, dien hij gevangen naar Rome medevoerde. Deze oorlog,
+waarin hij ook Epirus op vreeselijke wijze verwoestte, verschafte hem
+den bijnaam Macedonicus. Hij stortte na den oorlog zooveel geld uit den
+buit in het aerarium, dat het tributum (z. a.) afgeschaft werd. Hij
+hield eene schitterende zegepraal te midden van grievend huiselijk
+leed, daar een zijner zoons vijf dagen vóór, en een ander drie dagen
+na den triumftocht overleed. Twee andere zoons waren door adoptie
+in andere geslachten overgegaan, n.l. Q. Fabius Maximus Aemilianus
+(Fabii no. 18) en P. Cornelius Scipio Aemilianus Africanus minor, de
+veroveraar van Carthago (Cornelii no. 18).--11) M. Aemilius Scaurus,
+consul in 115, streed gelukkig tegen volksstammen in de Alpen en werd
+in 112 als gezant naar Jugurtha, koning der Numidiërs gezonden. In
+111 was hij legaat van den consul L. Calpurnius Bestia in den
+jugurthijnschen oorlog. Beiden lieten zich door Jugurtha omkoopen;
+doch alleen L. Calpurnius werd aangeklaagd; Scaurus wist zich niet
+alleen aan eene vervolging te onttrekken, maar werd zelfs lid der
+commissie van onderzoek in deze zaak. Als censor liet hij in 109 de
+Milvische brug herstellen en eene via Aemilia over de Appennijnen
+naar Dertona aanleggen.--12) M. Aemilius Scaurus, zoon van no. 11,
+was quaestor van Pompeius in den laatsten mithradatischen oorlog
+(66). Later was hij (in 55) propraetor van Sardinia en werd in 54
+van afpersingen aangeklaagd. Cicero en Hortensius verdedigden hem
+en pleitten hem vrij; doch in 52 van omkooping aangeklaagd, werd hij
+overeenkomstig Pompeius wensch veroordeeld.--13) M. Aemilius Scaurus,
+zoon van no. 12, volgde zijn halfbroeder Sex. Pompeius naar Azië,
+doch leverde hem aan Antonius' legaten C. Furnius en M. Titius in
+handen.--14) Mam. Aemilius Scaurus, zoon van no. 13, een talentvol
+dichter en redenaar, doch zeer loszinnig, werd onder de regeering van
+keizer Tiberius wegens verschillende misdaden vervolgd, en benam zich
+met zijne vrouw Sextia op hare aansporing het leven.--15) Aemilius
+Macer, zie Macer.--16) Aemilia Lepida, echtgenoote van P. Sulpicius
+Quirinius (Sulpicii no. 21).
+
+Aenaria, Ainaria, ook Pithecusa, Pithekoussa, (aapjeseiland) en door
+Virgilius Inarime geheeten, vulkanisch eiland met warme bronnen,
+in den sinus Cumanus (golf van Napels), tgw. Ischia.
+
+Aenea, Aineia, stad in het westen van Chalcidice, aan de Thermaeische
+golf.
+
+Aeneadae, Aineadai, patronymicum voor de tochtgenooten van Aeneas,
+ook voor de Romeinen als afstammelingen daarvan.
+
+Aeneades, Aineades, patronymicum voor Aeneas' zoon Ascanius.
+
+
+ Zeus.
+ |
+ Dardanus.
+ |
+ Erichtonius.
+ |
+ Tros.
+ /-----^----\
+ Assaracus. Ilus.
+ | |
+ Capys. Laomedon.
+ | |
+ Anchises. Priamus.
+ |
+ Aeneas.
+
+ Genealogie van Aeneas.
+
+
+Aeneas, Aineias, 1) de bekende trojaansche held, zoon van Anchises en
+de godin Aphrodite (Venus), op den berg Ida geboren en te Dardanus,
+bij Alcathoüs, den man zijner zuster Hippodamea, opgevoed, nam
+eerst geen deel aan den strijd tusschen Trojanen en Grieken, totdat
+hij bij zijne kudden op den Ida door Achilles werd overvallen en
+beroofd. Sedert dezen tijd was hij met Hector de steun der Trojanen,
+onversaagd, door goden en menschen bemind en geëerd om zijn vroomheid
+en wijsheid. Evenals Achilles is Aeneas de zoon eener godin en heeft
+hij goddelijke paarden; hij wordt door Priamus gehaat, gelijk Achilles
+door Agamemnon. Homerus ziet in Aeneas den toekomstigen beheerscher
+van het herbouwde Troje, en de rom. sage, welke Aeneas na tal van
+omzwervingen en lotgevallen in Italië laat landen, is dus van lateren
+tijd dan de Ilias. De wijze, waarop Aeneas uit het brandende Troje
+ontkwam, wordt verschillend verhaald. Livius laat hem bij verdrag
+aftrekken. Virgilius laat hem vluchten met de Penaten van Troje in
+de eene en zijn jeugdigen zoon Ascanius of Iulus aan de andere hand,
+zijn ouden vader op de schouders dragende en gevolgd door zijne vrouw
+Creusa, die hij echter bij de nachtelijke vlucht verliest. Zijne
+lotgevallen zijn uitvoerig geschilderd in de Aeneïs. Het eerste
+boek van dit epos verplaatst ons in het zevende jaar van Aeneas'
+zwerftochten, op het oogenblik dat de wraakzuchtige Juno den god der
+winden, Aeolus, verzoekt, de vloot van Aeneas door een hevigen storm te
+doen vergaan. Doch Neptunus brengt golven en winden tot bedaren en met
+verlies van slechts één enkel schip landt Aeneas op de afrikaansche
+kust, waar hij bij Dido, de stichteres van Carthago, een gastvrij
+onthaal vindt. In boek 2 en 3 verhaalt Aeneas den ondergang van Troje
+en zijn eigene redding, hoe hij met 20 schepen het trojaansche gebied
+verliet, eerst in Thracia eene stad wilde stichten, doch door ijselijke
+wonderteekenen werd afgeschrikt, hoe het delische orakel hem beval,
+het oude moederland der Dardaniden op te zoeken, en hoe zij toen
+op Anchises' raad den steven naar Creta wendden, vanwaar Teucer, de
+schoonvader van Dardanus en dus een van de stamvaders der Trojanen,
+afkomstig was (volgens een andere mythe werd Teucer de schoonzoon
+van Dardanus). Eene pestziekte verdrijft de Trojanen weder van Creta,
+terwijl de Penaten in een droom aan Aeneas verkondigen, dat Italia het
+bedoelde moederland is, vanwaar Dardanus gekomen was. Het verhaal der
+verdere lotgevallen, tot het vertrek van Sicilia, waar Anchises stierf,
+en den storm, vullen verder het derde boek. Boek 4 behelst de door
+Venus opgewekte liefde van Dido voor Aeneas, diens overhaast vertrek op
+bevel van Jupiter, en Dido's zelfmoord. In boek 5 en 6 wordt de tocht
+naar Italië en de afdaling van Aeneas in de onderwereld beschreven,
+waar hij tal van oude trojaansche helden weerziet, die voorbeschikt
+zijn om later als Romeinen weder op de aarde te verschijnen. De
+volgende boeken behelzen de lotgevallen van Aeneas in Latium,
+zijn voorgenomen huwelijk met Lavinia, dochter van koning Latinus,
+den daarop gevolgden oorlog met zijn medeminnaar Turnus, koning der
+Rutuliërs, en eindelijk het tweegevecht, waarin Turnus door de hand van
+Aeneas valt. Hiermede eindigt de Aeneïs. De sage laat vervolgens Aeneas
+in den Numicus verdrinken of onder donder en bliksem ten hemel varen,
+waarna hij vereerd werd als Iupiter indiges.--2) Aen. Tacticus, Ain. ho
+Taktikos, tijdgenoot van Xenophon, schrijver van een werk over taktiek,
+waarvan een uittreksel bestaat onder den titel taktikon hypomnema.
+
+Aenesidemus, Ainesidemos, of Aines. 1) sceptisch philosoof uit
+Cnossus, tijdgenoot van Cicero. In zijne werken, logoi Pyrroneioi,
+verdedigde hij de leer van Pyrrho; hij vond echter, naar het schijnt,
+weinig aanhangers.--2) vader van Theron van Agrigentum.
+
+Aenianes, Ainianes, oude grieksche volksstam, die op verschillende
+plaatsen gewoond heeft in Thessalia, later in het dal van den Spercheus
+en op de hellingen van het Oetagebergte.
+
+Aenus, Ainos, 1) oude aeolische stad op de thracische kust, aan de
+monding van den Hebrus, waarvan de stichting door Virgilius aan
+Aeneas wordt toegeschreven. In de Ilias wordt zij reeds genoemd,
+en onder de Rom. was zij eene belangrijke handelsstad.--2) berg in
+het zuiden van het eiland Cephallenia.--3) rivier in Raetia, thans
+de Inn, met Aeni pons, bij Rosenheim in het Z. van Beieren gelegen.
+
+Aeoles of Aeolii, Aioles, heet de bevolking van Lesbus, Tenedus en
+Aeolis (z. a.); hun hoofdzetel schijnt oudtijds Thessalia geweest te
+zijn. Vandaar zijn ze gedeeltelijk naar Boeotia, en over Aulis naar
+Klein-Azië getrokken. De dialekten dezer drie streken zijn dan ook
+nauw verwant. Uit de omstandigheid, dat de stamheros Aeolus als vader
+van een talrijk kroost wordt voorgesteld, ontstond bij de Grieken het
+vermoeden, dat de Aeoliërs eene verzameling van verschillende kleine
+stammen waren, die oudtijds in verschillende deelen van Griekenland
+werden aangetroffen.
+
+Aeolia, bij Hom. Aiolie, het mythische eil., waar Aeolus, de god der
+winden, zijn zetel had.
+
+Aeoliae insulae, de Liparische of Vulcanische eilanden, ten noorden
+van Sicilia, tien in getal.
+
+Aeolis, Aiolis, 1) oude naam van Thessaliotis, waar de Aeoles
+oorspronkelijk woonden, hoofdplaats Arne.--2) kuststreek van
+Klein-Azië, van den Hellespont zuidwaarts tot aan de Hermaeische golf,
+bevolkt door Grieken van aeolischen stam. De voornaamste aeolische
+steden in Troas zijn: Ilium, Assus, Gargara, Antandrus, Cebren,
+Scepsis, Neandrea. Het aeolische bondgenootschap was beperkt tot
+een kring van 12 kleine steden, die dicht opeenlagen in de heuvels
+tusschen de mondingen van den Caïcus en den Hermus. Het waren de
+volgende: Cyme, Larisa, Neontichos, Temnus, Cilla, Notium, Aegirusa,
+Pitane, Aegae, Myrina, Grynea, Smyrna; doch de laatstgenoemde stad
+werd in 688 door de aangrenzende Ioniërs vermeesterd. Ook de eilanden
+Lesbus en Tenedus behoorden tot Aeolis. Nadat de aeolische steden
+achtereenvolgens door de koningen van Lydië waren onderworpen,
+deelden zij ook in de lotswisselingen van Voor-Azië.
+
+Aeolus, Aiolos, 1) oudste zoon van Hellen en de nimf Orseis,
+beheerscher van Magnesia in Thessalië, stamvader der Aeoliërs. Bij
+zijne gemalin Enarete had hij zeven zoons en vijf dochters. De zonen
+vestigden zich in verschillende plaatsen, vandaar dat de aeolische stam
+zich verder verbreidde dan een van de andere grieksche stammen.--2)
+Aeolus Hippotades (Hippotades), zoon van Hippotes, afstammeling van
+den bovengenoemden, koning van een der Aeolische eilanden. Hij was
+een vroom en menschlievend man, die den menschen het gebruik van
+zeilen leerde en het waaien van den wind voorspelde; daarom was hij
+een lieveling der goden en kreeg hij, vooral door voorspraak van
+Hera, het recht om deel te nemen aan hunne maaltijden en tevens het
+bestuur over de winden. Op zijn met hooge rotsen en metalen muren
+omgeven eiland leeft hij gelukkig met zijn vrouw, zes zonen en zes
+dochters, die met elkander gehuwd zijn; hij zit op een hooge rots,
+waarbinnen in een groot hol de winden opgesloten zijn. V. a. waren
+deze Aeolus en zijn tweelingbroeder Boeotus zonen van Poseidon en
+Arne, een achterkleindochter van den eerstgenoemden Aeolus. Haar
+vader, vertoornd over de geboorte van deze kinderen, gaf haar aan
+een vreemdeling, die haar medenam naar Metapontum en de kinderen
+op bevel van een orakel als de zijne opvoedde. Toen zij volwassen
+waren, maakten zij zich van de heerschappij over Metapontum meester,
+en later doodden zij Autolyce, hun pleegmoeder, die met Arne in twist
+leefde. Uit vrees voor de wraak van hun pleegvader vluchtte nu Aeolus
+naar de Aeolische eilanden, die van hem hun naam ontvingen. V. a. was
+de moeder van Aeolus en Boeotus Melanippe, de dochter van Desmontes
+of van een anderen Aeolus, en werden de kinderen te vondeling gelegd
+en door herders gevonden. Toen nu Metapontus, de koning van Icarië,
+zijne gemalin Theano wilde verstooten, omdat zij geen kinderen kreeg,
+nam zij de knaapjes van de herders over en gaf ze aan Metapontus als
+haar eigen kinderen. Maar dit berouwde haar, toen zij zelve twee zonen
+baarde, vooral daar Metapontus de vondelingen wegens hun schoonheid met
+voorliefde behandelde. Toen dus hare zonen volwassen waren, verhaalde
+zij hun wat er gebeurd was en spoorde hen aan Aeolus en Boeotus
+te dooden. Maar in het gevecht, dat nu volgde, vielen de zonen van
+Theano en zij doodde zichzelve. Aeolus en Boeotus vluchtten, maar nu
+ontdekte Poseidon hun ware afkomst en deelde hen mede, dat hun moeder
+door haar vader van het gezicht beroofd en in de gevangenis geworpen
+was. Daarop doodden zij ook hun grootvader, bevrijdden Melanippe,
+en keerden met haar naar Metapontus terug, die haar tot vrouw nam.
+
+Aepea, Aipeia, stad in Messenia, aan zee, op de plaats van het
+latere Corone.
+
+Aepytus, Aipytos, 1) zoon van Elatus, koning van Phaesana. Na
+den dood van Clitor regeerde hij over Arcadië; hij stierf aan een
+slangebeet.--2) zoon van Hippothoüs, koning van Arcadië; hij betrad den
+tempel van Poseidon te Mantinea, wat aan geen sterveling geoorloofd
+was, dientengevolge werd hij blind en stierf hij kort daarna.--3)
+zoon van Cresphontes en Merope. Zijn vader en broeders werden bij een
+opstand gedood, terwijl hij bij zijn grootvader in Arcadië was. Later
+veroverde hij echter met de hulp der Arcadiërs en Doriërs Messenië
+weder.--4) zoon van Neleus, stichter van Priene.
+
+Aequi, ook Aequicoli (Aequicolani) geheeten, een landbouwende, doch
+tevens krijgszuchtige stam ten N.-O. van Latium, in de dalen van
+den Boven-Anio, de Himella en den Tolenus, verwant met de Volsci,
+met wie ze samen in de 5de en 4de eeuw geregeld tegen de Romeinen en
+het Latijnsch verbond oorlog gevoerd hebben. In de 5de eeuw is een
+gedeelte van Latium o.a. de steden Bola en Labici en vooral de berg
+Algidus een tijdlang in hun bezit geweest. In 304 wordt de stam door
+den consul P. Sempronius Sophus (Sempronii no. 16) geheel onderworpen
+en het grootste gedeelte van het gebied aan de militaire kolonies
+(col. Latinae) Alba Fucens (Fucentia) en Carseoli toegewezen. Wat
+er overschiet van het volk, komt als civitas sine suffragio voortaan
+voor onder den naam Aequicoli (Aequiculani).
+
+Aequicoli (Aequiculani), zie Aequi.
+
+Aequimaelium. Een plein aan de zuidzijde van het Capitool, beneden den
+tempel van Jupiter Capitolinus, waar eenmaal het huis van Sp. Maelius
+had gestaan. Zie Maelii.
+
+Aequum Faliscum, zie Falerii.
+
+Aerarii waren zulke rom. burgers, die niet in eene tribus waren
+ingeschreven en wien dus het stemrecht ontzegd was. Om namelijk
+dit recht uit te oefenen, moest men tot eene tribus behooren. Zij
+betaalden geen tributum (z. a.), maar een hoofdgeld (aera, vandaar hun
+naam), en waren van den dienstplicht uitgesloten. Onder de aerariërs
+gebracht te worden, was eene straf, die dikwerf door de censoren werd
+toegepast. Dan werd men ook niet belast naar den gewonen maatstaf,
+maar willekeurig hoog in de belasting aangeslagen. Inter aerarios
+referri en in tabulas Caeritum referri zijn synonieme uitdrukkingen,
+omdat de inwoners der etruscische stad Caere (z. a.) de eersten waren,
+die als burgers zonder stemrecht onder bezwarende voorwaarden bij
+Rome werden ingelijfd.
+
+Aerarium was de schatkist van den rom. staat, ook de plaats waar de
+kas bewaard werd en waar tevens het staatsarchief was geborgen, tot
+dat hiervoor door Q. Lutatius Catulus het tabularium (z. a.) gebouwd
+werd. Tijdens de republiek was het aerarium in den tempel van
+Saturnus. Het stond onder beheer der quaestores urbani, die echter
+geene uitgaven mochten doen dan op last van de consuls of van den
+senaat. De keizers echter droegen het beheer ook aan anderen op,
+b.v. aan praetoren of aan praefecti aerario, terwijl het aerarium
+zelf meer en meer tegenover den door Augustus ingestelden fiscus
+(z. a.) of bijzondere kas des keizers aan beteekenis verloor. In de
+3de eeuw n. C. werd het de kas van de stad Rome.
+
+Aerarium sanctius, reserve-kas voor tijden van grooten nood, waarin
+o. a. de vicesima manumissionum (5% der waarde van vrijgelaten slaven)
+werd gestort.
+
+Aerarium militare, door Augustus ingesteld en gevoed door nieuwe
+belastingen, zooals de centesima rerum venalium, diende voor het
+onderhoud van het leger.
+
+Aërope, Aerope, dochter van Catreus, gehuwd met Atreus en v. s. ook
+met Plisthenes. Zij maakte zich schuldig aan overspel met Thyestes,
+en gaf hem zelfs het gouden lam, dat hem de heerschappij over Mycenae
+moest verschaffen. Toen Thyestes nu, eenmaal door Atreus verdreven,
+toch terugkeerde en met hulp van Aërope zijn broeder van den troon
+trachtte te stooten, werd zij door Atreus in zee geworpen.
+
+Aerugo, eene soort van roest van schitterend groene kleur (patina),
+welke zich door den tijd op het brons vormde en de waarde der
+beeldwerken zeer verhoogde. Om al te sterke oxydeering tegen te
+gaan, bestreek men de koperen voorwerpen met olie of vloeibaar pek
+of asphalt.
+
+Aes is oorspronkelijk koper en wat daarvan vervaardigd is; ook het uit
+koper en tin gemengde brons heet aes. Daar de oudste munt uit koper
+geslagen was, werd het woord ook voor munt gebezigd. Aes signatum =
+gemunt geld. Aes grave is de zware oude rom. munt, toen de as, zijnde
+de waarde van een pond koper, nog het volle gewicht had (as libratis),
+z. as. Aes alienum is schuld, het passief vermogen, in tegenstelling
+van aes suum, actief vermogen.
+
+Aes Corinthium, eene legeering van koper met verschillende andere
+metalen, zoo genoemd naar Corinthe, waar het bronsgieten op den
+hoogsten trap stond.
+
+Aes equestre, de toelage, die de equites equo publico uit de schatkist
+ontvingen tot aankoop van een paard.
+
+Aes hordearium, toelage aan de equites tot onderhoud van hun paard. Het
+aes equestre en het aes hordearium werden opgebracht door de orbi et
+orbae (z. a.). Zie ook tribuni aerarii.
+
+Aes militare, soldij. Aere dirutus is degene, wien tot straf soldij
+wordt onthouden.
+
+Aes uxorium, belasting op de ongehuwden.
+
+Aesacus, Aisakos, zoon van Priamus en Arisbe. Toen Hecabe droomde dat
+zij een brandend stuk hout ter wereld bracht, voorspelde Aes. dat zij
+een zoon zou baren, die den ondergang van Troje zou veroorzaken; op
+zijn raad werd het kind (Paris), zoodra het geboren was, te vondeling
+gelegd. Na den dood zijner echtgenoote Asterope was hij ontroostbaar en
+werd hij in een vogel veranderd. V. a. heet zijne moeder Alexirrhoë,
+en wordt hij verliefd op Hesperia, de dochter van een riviergod; toen
+zij voor hem vluchtte en hij haar vervolgde, werd haar door een adder
+een doodelijke wonde toegebracht. Uit smart wierp Aes. zich in zee,
+maar werd door Tethys in een duiker veranderd.
+
+Aeschines, Aischines, 1) Athener, een zoon van arme ouders, leefde
+zelf ook voortdurend in groote armoede, maar was een ijverig leerling
+van Socrates en voorstander van diens leer, die hij in zeven, bijna
+geheel verloren gegane, dialogen nader trachtte te ontwikkelen. Na
+Socrates' dood leefde hij eenigen tijd aan het hof van Dionysius van
+Syracuse, maar na diens val (356) keerde hij naar Athene terug, waar
+hij zich bezighield met het geven van onderwijs en het schrijven van
+pleitredenen.--2) Athener, geb. omstreeks 390. Zijne ouders Atrometus
+en Glaucothea waren menschen van geringen stand en Aesch. werd slechts
+met moeite onder de burgers opgenomen. Hij begon zijn loopbaan als
+klerk (grammateus) bij Aristophon en Eubulus, trad later zonder bijval
+te vinden als tooneelspeler (tritagonist) op, en nam deel aan de
+veldslagen bij Mantinea en Tamynae. Spoedig trad hij ook als redenaar
+op; door zijn groote welsprekendheid speelde hij sedert dien tijd in de
+politiek eene voorname rol als hoofd der vredespartij en tegenstander
+van Demosthenes. Toen hij namelijk in 347 met Demosthenes e.a. als
+gezant gezonden was om met Philippus over vrede te onderhandelen,
+wist deze hem door zijn innemend gedrag voor zich te winnen, en reeds
+dadelijk bij het tweede gezantschap, dat Philippus den vrede moest
+laten bezweren, was Aesch. door zijn talmen de oorzaak, dat Philippus,
+voordat de eeden afgelegd waren, zich verscheiden belangrijke
+voordeelen wist te verzekeren. Hierom door Demosthenes en Timarchus
+aangeklaagd, bracht hij eerst een tegenaanklacht tegen Timarchus in,
+die wegens onzedelijkheid veroordeeld werd en dus onbevoegd werd als
+aanklager op te treden, maar Demosthenes nam de aanklacht weder op
+en Aeschines' redevoering (peri parapresbeias), schijnt de rechters
+niet volkomen van zijn onschuld overtuigd te hebben; toch werd
+hij, mede door den invloed van Eubulus, vrijgesproken (343). Later
+(339) gaf Aesch. door zijn gedrag als afgezant bij de vergadering
+der Amphictyonen (pylagoras) aanleiding tot den tweeden heiligen
+oorlog, waarvan een gevolg was dat Philippus tot in het binnenste
+van Griekenland kon doordringen en door de overwinning bij Chaeronea
+(338) aan Athene de macht kon ontnemen, hem in zijne verdere plannen
+tegen te werken. Grievend was het voor Aesch. dat, in weerwil van zijn
+tegenstreven, aan Dem. het houden van de lijkrede over de in dien slag
+gevallenen werd opgedragen; nog iets ergers was hem vroeger gebeurd,
+toen het volk hem als vertegenwoordiger bij een geschil met Delus
+verkozen had, maar de Areopagus weigerde die keuze te bekrachtigen,
+omdat men aan zijne welgezindheid twijfelde. En toen in 336 zekere
+Ctesiphon het voorstel deed, dat Demosthenes wegens zijne verdiensten
+met een gouden krans vereerd zou worden, verzette Aesch. zich hiertegen
+als tegen een onwettig voorstel. Door omstandigheden bleef de zaak
+tot 330 hangende; toen had het geluk der Macedoniërs en daarmee ook
+de invloed der macedonische partij te Athene zijn toppunt bereikt,
+en achtte Aesch. het oogenblik gekomen om eene beslissing uit te
+lokken in dit proces, dat in naam tegen Ctesiphon gericht was, maar
+waarvan de uitslag inderdaad een van de twee groote tegenstanders
+voor goed uit het openbare leven moest doen wijken. En in weerwil van
+de voortreffelijke rede door Aesch. bij deze gelegenheid gehouden,
+behaalde Demosthenes, die als verdediger van Ctesiphon optrad, zulk
+eene schitterende overwinning, dat Aesch. een langer verblijf te
+Athene onmogelijk vond en zich naar Rhodus begaf, waar hij, naar men
+zegt, onderwijs in de welsprekendheid gaf en op 75-jarigen leeftijd
+stierf. Als redenaar wordt Aesch. door de ouden zeer hoog geschat,
+zijne drie redevoeringen werden de Gratiën, zijne negen brieven
+de Muzen genoemd. De brieven zijn onecht, de redevoeringen zijn:
+1º. kata Timarchou, 2º. peri parapresbeias, 3º. kata Ktesiphontos.--3)
+geb. te Neapolis, leefde omstreeks het einde der 2e eeuw als leeraar
+der academische wijsbegeerte te Athene.
+
+Aeschrion, Aischrion, van Samus, iambendichter omstreeks 322.
+
+Aeschylus, Aischylos, zoon van Euphorion, de eerste der drie groote
+atheensche treurspeldichters. Hij werd geb. 525, behoorde tot een
+adellijk geslacht en streed mede bij Marathon, Salamis en Plataeae. In
+477 ging hij, waarschijnlijk op uitnoodiging van Hiero, naar Syracuse,
+en sedert bracht hij een groot deel van zijn leven op Sicilië door;
+hij stierf in 456 te Gela. Men meent, dat hij zich niet ongaarne
+buiten Athene ophield, daar hij zich niet kon schikken in de nieuwe
+politieke en maatschappelijke toestanden, en zich niet kon vereenigen
+met de richting, door de bovendrijvende partij in de latere jaren
+van zijn leven ingeslagen; daarop zou dan ook het verhaal doelen,
+dat hij eens wegens ontheiliging van de mysteriën zou aangeklaagd
+zijn. Hoe dit zij, na zijn dood werd hij als kunstenaar hoog geëerd,
+zijn standbeeld werd in den schouwburg geplaatst en zijne stukken
+werden ook na zijn dood menigmaal opgevoerd, terwijl de staat, hoewel
+waarschijnlijk zonder gevolg, trachtte ze tegen vervalsching te
+bewaren. Inderdaad was het treurspel, sedert Aesch. niet veel ouder
+dan 25 jaar voor het eerst als dramatisch dichter was opgetreden,
+door zijn invloed zoozeer vooruitgegaan, dat men hem niet zonder
+reden vader en schepper van die dichtsoort genoemd heeft; in ieder
+geval heeft hij haar de eervolle plaats verschaft, die zij sedert in
+het openbare leven innam, en den overwegenden invloed, dien zij op
+de verstandelijke en aesthetische ontwikkeling der Atheners had. Door
+het invoeren van een tweeden tooneelspeler maakte hij een dialoog en
+ten minste een begin van handeling mogelijk, weldra trad de dialoog
+geheel op den voorgrond, en werden de koorliederen niet slechts in
+omvang beperkt, maar ook met de handeling in nauw verband gebracht
+en aan den voortgang er van dienstbaar gemaakt. Ook maakte hij
+het eerst gebruik van decoraties en machinerieën, terwijl hij door
+eigenaardige kleeding, schoeisel en maskers aan zijne tooneelspelers
+een indrukwekkend uiterlijk wist te geven. Volgens gewoonte trad hij
+in zijne stukken zelf als tooneelspeler op, bovendien oefende hij
+(als chorodidaskalos) zijne koren in zang en dans, en leidde hij de
+geheele voorbereiding voor de opvoering zijner stukken. Van zijne
+werken--meer dan 70 titels worden genoemd--zijn 7 bewaard gebleven;
+het zijn chronologisch gerangschikt de volgende: Supplices, Persae
+(opgevoerd in 472), Septem adversus Thebas, Prometheus vinctus, en de
+trilogie Agamemnon, Choephoroe, Eumenides, waarmede Aeschylus in 458
+den eersten prijs won; zij munten uit door ernst en verhevenheid, de
+karakters zijn edel en waardig, de taal is daarmede in overeenstemming,
+en de toestanden zijn zoo gekozen, dat ieders eigenschappen ten
+volle aan den dag komen; de inhoud wijst overal op de onverbiddelijke
+heerschappij der goddelijke macht over den mensch.
+
+Aesculapius = Asclepius. Toen in 293 te Rome de pest woedde, en op
+bevel der sybillijnsche boeken gezanten naar Epidaurus gezonden waren
+om Aesc. van daar te halen, kwam de god in de gedaante van een slang
+uit eigen beweging op hun schip, en ging eveneens uit eigen beweging
+op het Tibereiland aan land, waar hij sedert een tempel had.
+
+Aesepus, Aisepos, rivier in Mysia, die op den berg Ida ontspringt en
+zich bij Cyzicus in de Propontis stort. Hij vormt de oostgrens van
+het landschap Troas.
+
+Aesernia, stad in Samnium, dicht bij de bronnen van den Volturnus,
+sedert 263 rom. kolonie.
+
+Aeserninus, beroemd zwaardvechter evenals Pacideianus. Vandaar
+spreekwoordelijk: Aeserninus cum Pacideiano van twee even groote,
+met elkaar wedijverende mannen.
+
+Aesis, rivier en stad op de grenzen van Umbria en Picenum.
+
+Aeson, Aison, zoon van Cretheus en Tyro, vader van Iason. Pelias
+beroofde hem van zijn aandeel in de regeering van Iolcus, en doodde hem
+later, terwijl Iason op zijn tocht naar Colchis was, of Aes. voorkwam
+hem door zich zelf van het leven te berooven. V. a. leefde Aes. nog
+bij de terugkomst der Argonauten, en werd hij door de tooverkunsten
+van Medea verjongd.
+
+Aesonides, Aisonides, Iason, zoon van Aeson.
+
+Aesopus, Aisopos, grieksch fabeldichter, tijdgenoot van Solon,
+een mismaakte dwerg, in Thracië of Phrygië geboren. Hij diende als
+slaaf verschillende heeren, doch kreeg later de vrijheid en ging
+reizen. Zoo kwam hij o. a. ook bij Croesus, die hem met eene zending
+naar Delphi belastte, waar hij wegens godslastering van een rots
+geworpen werd. Wegens dezen moord werden de Delphiërs door allerlei
+rampen getroffen. De meeste berichten over Aes. komen echter eerst
+bij late schrijvers voor en verdienen weinig geloof, zelfs twijfelt
+men of hij inderdaad bestaan heeft; zeker zullen de fabels, die zijn
+naam dragen (mythoi of logoi Aisopeioi), en die wegens hunne lessen
+van praktische levenswijsheid zeer populair waren, niet alle van hem
+afkomstig zijn. Deze fabels waren oorspronkelijk in proza geschreven,
+maar werden later meermalen in verzen omgezet, o. a. hield Socrates
+zich in de gevangenis met zulk een omzetting bezig. Dientengevolge
+is het zeer onzeker, hoeveel van den oorspronkelijken vorm nog over
+is in de bewerkingen, die wij nu nog er van hebben. De voornaamste
+bewerkingen in dichtvorm zijn van Phaedrus (z. a.), Babrius (z. a.) en
+Avianus (z. a.).
+
+Aesopus (Claudius), beroemd tooneelspeler ten tijde van Cicero,
+die veel van hem leerde wat voordracht betreft. In 55 verloor hij,
+bij de inwijding van het theatrum Pompei, onder het spelen op eenmaal
+zijn stem. Hij liet een groot vermogen na, dat door zijn zoon spoedig
+werd doorgebracht.
+
+Aestii, een aan de Oostzee, van de monden van den Weichsel tot aan de
+Finsche Golf wonend volk, de stamvaders der latere Letten en Lithauers.
+
+Aesula, verschrijving voor Aefula (z. a.).
+
+Aesymnetes, Aisymnetes, iemand, die met onbeperkte macht, maar
+op wettige wijze, aan het hoofd van den staat gesteld wordt. Dit
+geschiedde vooral in tijden van burgertwisten, en het was dan de
+taak van den Aes. pogingen te doen om de partijen te verzoenen, de
+geschilpunten uit den weg te ruimen, de noodige veranderingen in de
+wetten te maken, enz.--In sommige staten werd daarna de naam voor
+een van de gewone overheden behouden.
+
+Aethalia, Aithalia, of Ilva, eiland in de tyrrheensche zee, thans
+Elba. Het hoorde tot de etruscische stad Populonia, die de rijke
+ijzermijnen van het eiland exploiteerde.
+
+Aethalides, Aithalides, zoon van Hermes en Eupolemea, heraut der
+Argonauten. Hij had een zeer sterk geheugen, dat hem ook in de
+onderwereld bijbleef, zoodat, toen zijne ziel na vele omzwervingen
+in het lichaam van Pythagoras terechtkwam, zij zich nog alles wist
+te herinneren, wat zij had ondervonden in de verschillende lichamen,
+waarin zij gehuisd had.
+
+Aether, Aither, de hoogere lucht, die de hemelruimte en de woning
+der goden vult, in tegenstelling van de lagere lucht (aër), die de
+aarde omgeeft. De aether werd beschouwd als een der grondstoffen
+van het heelal, in de orphische hymnen als de wereldziel, waaruit
+alle leven ontstaan is. Bij dichters is Aether de zoon van Erebus
+en Nyx of van Chaos en Caligo, en de vader van Aarde, Hemel, Zee,
+e. a. Als schenker van den vruchtbaren regen is soms Aether = Zeus.
+
+Aethiopes, Aithiopes, oorspronkelijk alle donkerkleurige menschen,
+zoowel in Azië als in Afrika; zij wonen aan het einde der aarde, en
+verheugen zich om hun vroomheid in de bizondere gunst der goden, die
+hen dikwijls bezoeken om plechtige offers in ontvangst te nemen. Later
+onderscheidde men de oostelijke Aeth. met sluike haren (in Gedrosia
+e. e.) van de westelijke met krullend haar, die in Aethiopië woonden
+en meer in het bijzonder met dien naam aangeduid werden.
+
+Aethiopia, Aithiopia, aan den Nijl. Het lag ten zuiden van Aegypte
+en was beroemd door zijne beschaving, die van Aegypte uit zich
+dáár verbreidde. In de oudheid wordt op verschillende tijden van
+verschillende rijken melding gemaakt. In het noorden lag Napata,
+tijdens keizer Augustus het rijk der oorlogzuchtige koningin
+Candace. Tusschen de Nijlarmen Astapus en Astaboras had men in
+overoude tijden den priesterstaat Meroë, die over talrijke negerstammen
+heerschte. Nog meer zuidelijk lag het rijk van Axoma of Auxume (z.a.),
+waarschijnlijk ontstaan door de 240,000 krijgslieden, die onder de
+regeering van koning Psammetichus of Psamtik uit Aegypte uittogen.
+
+Aethra, Aithre, dochter van Pittheus, gemalin van Aegeus, moeder
+van Theseus. Toen Theseus Helena geschaakt had, plaatste hij haar te
+Aphidnae onder de hoede van zijne moeder, maar toen Helena door de
+Dioscuren teruggehaald werd, namen zij ook Aethra mede. Sedert leefde
+zij als slavin van Helena, en zoo kwam zij later met haar te Troje;
+na de inneming van deze stad werd zij echter door haar kleinzonen
+Acamas en Demophon herkend en naar Attica teruggebracht.
+
+Aëtion, Aetion, beroemd schilder in den tijd van Alexander den Gr.;
+onder zijne werken muntte vooral uit de schilderij, voorstellende de
+bruiloft van Alexander en Roxane.
+
+Aëtius, rom. veldheer, die in 451 n. C., verbonden met Franken,
+Westgothen en Burgundiërs, in de Catalaunische velden (de vlakte van
+Châlons-sur-Marne) de Hunnen onder Attila versloeg. Hij werd later
+door keizer Valentinianus III uit achterdocht omgebracht (454).
+
+Aetna, Aitne, de bekende vulkaan op Sicilia, waaronder volgens de mythe
+de Gigant Typhon of Enceladus bedolven lag en waarbinnen Hephaestus
+of Vulcanus met zijne Cyclopen de bliksems voor Jupiter smeedde. In
+den Aetna wierp zich de wijsgeer Empedocles (z. a.). Aan den voet van
+den berg lag de stad Aetna, door de uit Catana verdreven Syracusanen
+en Peloponnesiërs gesticht op de plaats van het vroegere Inessa (461).
+
+Aetolia, Aitolia, landschap in Hellas, met ruwen bodem, rijk
+aan bergen en bosschen, met eene half barbaarsche, uit allerlei
+bestanddeelen saamgesmolten, roofzuchtige bevolking. Onder de oudste
+inwoners worden Cureten, Lelegers, Hyanten genoemd, waarbij zich
+Eleërs voegden. Er waren veel wilde dieren. De inwoners spraken een
+voor Grieken onverstaanbaar patois, en leefden meestal in dorpen
+verspreid. Onder den invloed van corinthische volksplantingen op de
+kust verspreidde zich de beschaving, hoewel eerst laat. Na Alexander
+den Gr. hebben de Aetoliërs nog eene rol in de geschiedenis gespeeld
+(zie Aetolisch verbond). In Aetolia behooren de mythen te huis van
+Meleager en het calydonische zwijn, den strijd tusschen Heracles en
+den riviergod Achelous, de straf der Echinaden. Men onderscheidde
+Oud-Aetolia (ten archaian Ait.), zijnde de grootste westelijke helft,
+en ten epikteton Ait., het later bijgevoegde.
+
+Aetolisch verbond. De steden van Aetolië waren tengevolge van
+hun afgesloten ligging wel altijd vreemd gebleven aan de grieksche
+beschaving, zoodat de inw. zelfs veelal barbaren genoemd werden, maar
+hadden zich door dezelfde oorzaak ook altijd van vreemde overheersching
+vrijgehouden. Na den dood van Alexander den Gr. sloten zij zich nauwer
+hij elkander aan en vormden zij een verbond (to koinon ton Aitolon)
+onder leiding van een strateeg en een grammateus, bijgestaan door
+een raad van synedroi, of apokletoi, terwijl minstens eenmaal in
+het jaar een algemeene vergadering werd gehouden. Hun hoofdstad was
+Thermum, Thermon (z. a.). Toen nu Antipater en Craterus tevergeefs
+getracht hadden hen voor hunne deelneming aan den lamischen oorlog te
+tuchtigen, begon het aet. verbond naar uitbreiding te streven. Dit
+gelukte: het maakte zich meester van Locris, Phocis, enz., en zelfs
+verscheiden peloponnesische staten behoorden tot het verbond; ook
+veroverden zij Delphi (290), wat aanleiding gaf tot den laatsten
+oorlog der Amphictyonen. Aanvankelijk met Macedonië verbonden,
+verbraken de Aet. dit bondgenootschap weldra en vooral sedert het
+achaeisch verbond zich aan Macedonië had aangesloten, hielden zij
+de zijde der Lacedaemoniërs. Toen de Romeinen begonnen te trachten
+invloed in Griekenland te krijgen, sloten ook zij zich aan bij den
+vrede van Naupactus (217 z. Philippus no. 5), doch door Philippus
+in hun verwachtingen teleurgesteld, zochten zij later nu en dan
+de vriendschap der Romeinen en in den slag bij Cynoscephalae (197)
+streden zij met dezen tegen Philippus. Door hen met ondank behandeld,
+riepen zij Antiochus d. G. ter bevrijding van Griekenland op, en
+na diens nederlaag moesten zij zich onvoorwaardelijk aan den consul
+M. Fulvius Nobilior (Fulvii no. 11) overgeven (189). Sedert 146 waren
+de aetolische steden een deel der provincie Achaia.
+
+Aetolus, Aitolos, 1) zoon van Endymion en Asterodia of Chromia of
+Hyperippe. Hij volgde zijn broeder Epeus in de regeering over Elis
+op, maar nadat hij door onvoorzichtigheid Apis gedood had, vluchtte
+hij naar de omstreken van den Achelous, die door de Cureten bewoond
+werden; sedert dien tijd heet dit land naar hem Aetolië.--2) zoon van
+Oxylus en Pieria, die jong stierf, en wien de gymnasiarch te Olympia
+jaarlijks een lijkoffer bracht.
+
+Afer (Domitius), uit Nemausus (Nîmes) in Gallia, een zeer beroemd
+redenaar ten tijde van Tiberius en Caligula. Hij trad meermalen als
+beschuldiger op. Hij behoorde niet tot de rom. gens Domitia.
+
+Afranii. Er zijn verschillende personen van dezen naam bekend. Eene
+gens Afrania wordt niet genoemd. 1) L. Afranius, blijspeldichter,
+omstreeks 150 geboren, wordt voor den voornaamsten dichter der comoedia
+togata gehouden. Er zijn slechts fragmenten van hem overgebleven.--2)
+L. Afranius, een man van geringe afkomst, had onder Pompeius in
+Spanje en Azië gediend, en werd door diens invloed in 60 tot consul
+verkozen. Later was hij Pompeius' legaat in Spanje, en streed aldaar
+in den burgeroorlog tegen Caesar. Toen hij genoodzaakt werd, den
+strijd in Spanje op te geven, begaf hij zich met zijn medelegaat
+Petreius tot Pompeius en woonde den slag bij Pharsalus bij, waar
+Pompeius door Caesar werd verslagen. Afranius vluchtte naar Africa,
+nam dáár in 46 deel aan den slag bij Thapsus, werd door P. Sittius
+(z. Sittii) gevangen genomen en door de soldaten van Caesar gedood.--3)
+Sex. Afranius Burrus, meest onder den naam Burrus bekend, was onder
+keizer Claudius, sedert 51 n. C. praefectus praetorio, en bewerkte na
+diens dood de verheffing van Nero. Met den wijsgeer L. Annaeus Seneca
+trachtte hij op Nero steeds een invloed ten goede uit te oefenen,
+en weigerde standvastig, aan den moord op Agrippina en Octavia deel
+te nemen. Naar men beweerde, heeft Nero hem door vergif uit den weg
+geruimd (62 n. C.). De Romeinen betreurden hem zeer.
+
+Africa. Het werelddeel Afrika was bij de ouden bekend als Libya, Libye,
+en eerst onder de rom. heerschappij ging de naam van de provincie
+Africa (het vroegere gebied van Carthago) op het geheele werelddeel
+over, althans voorzoover dit bekend was. Tot in de vijfde eeuw vóór
+Chr. werd Afrika niet als een afzonderlijk werelddeel beschouwd,
+maar nu eens tot Europa, dan weder tot Azië gerekend. Alleen het
+noordelijkste gedeelte was bekend. Hoewel de aegyptische koning Necho
+Afrika door phoenicische zeevaarders liet omzeilen, ging de hierdoor
+verworven kennis niet op de lateren over; men verbeeldde zich, dat
+Afrika naar het zuiden steeds breeder werd, en Claudius Ptolemaeus,
+de beroemde geograaf uit den tijd der Antonijnen, laat zelfs de
+afrikaansche kust bezuiden den indischen oceaan omloopen en zich,
+achter den indischen archipel om, met de kust van China vereenigen,
+waardoor de indische zee tot eene groote binnenzee wordt. De
+verschillende deelen der noordkust, van het W. naar het O. gaande,
+waren, volgens de indeeling van Ptolemaeus, de volgende: Mauretania,
+Numidia, Africa, Tripolis, Cyrenaïca, Marmarica, Aegyptus. Het
+Nijldal werd dikwijls nog tot Azië gerekend. Bij Herodotus wordt
+Afrika verdeeld in Aegyptus, Aethiopia en Libya, welk laatste weder
+onderscheiden wordt in het door menschen bevolkte (oikoumene), het
+door wilde dieren bewoonde (theriodes), en de woestijn (he psammos).
+
+Africa propria, of alleen Africa, dat na de verwoesting van Carthago
+rom. provincie werd (146), omvatte ongeveer het tegenwoordige
+Tunis. Het werd verdeeld in twee districten: Zeugitana, de noordelijke,
+en Byzacium, de zuidelijke helft. De Rom. trokken er veel koren uit.
+
+Africa nova = de Romeinsche provincie Numidia, zie Ampsaga en Numidia.
+
+Africanus, bijnaam zoowel van P. Cornelius Scipio, die in 202 Hannibal
+bij Zama versloeg en Carthago tot den vrede dwong, als van P. Cornelius
+Scipio Aemilianus, die in 146 Carthago innam en verwoestte. De eerste
+wordt Africanus maior, de andere minor geheeten.
+
+Africus, Lips, de Zuidwestenwind, is meestal stormachtig, zie
+Windstreken.
+
+Agamedes, Agamedes, zoon van den orchomenischen koning Erginus. Hij en
+zijn broeder Trophonius waren zeer bekwame bouwmeesters, o. a. bouwden
+zij voor Hyrieus, koning van Hyria of voor Augias, koning van Elis,
+een schatkamer, die zij zoo maakten, dat zij van buiten een steen uit
+den muur konden nemen, en dus binnen konden komen zonder de sloten
+te verbreken. Toen zij nu eenigen tijd van de daar bewaarde schatten
+gestolen hadden, werd Ag. in een strik gevangen en uit vrees voor
+ontdekking sneed Trophonius hem het hoofd af en nam het mede. Tot
+straf voor dezen moord werd hij in het bosch van Lebadea bij het
+graf van Ag. door de aarde verzwolgen. Hier was later het orakel van
+Trophonius (z. a.). V. a. waren Ag. en Trophonius de bouwmeesters van
+den delphischen tempel; toen zij dit werk voltooid hadden, vroegen zij
+Apollo om eene belooning, en de god antwoordde, dat zij zeven dagen in
+vroolijkheid moesten doorbrengen en daarna hun loon zouden ontvangen;
+op den achtsten dag werden de beide broeders dood gevonden.
+
+Agamemnon, Agamemnon, zoon van Atreus of Plisthenes en Aërope. Toen
+Thyestes Atreus vermoord en zich van de regeering over Mycenae meester
+gemaakt had, vluchtte Ag. met zijn broeder Menelaus naar Sparta
+bij Tyndareos, en huwden zij met de dochters van dezen: Ag. met
+Clytaemnestra, Menelaus met Helena. Later verdreef Ag. Thyestes
+weder of hij volgde hem na zijn dood op; door veroveringen breidde
+hij zijn rijk uit en werd hij de machtigste vorst van Griekenland. In
+den trojaanschen oorlog, waarvoor hij 100 schepen leverde, werd hij
+tot opperbevelhebber gekozen; in deze hoedanigheid betoonde hij zich
+zoowel een goed vorst, als een dapper strijder. Toch hadden zijne
+daden dikwijls voor het leger nadeelige gevolgen. Te Aulis doodde hij
+door onvoorzichtigheid een hinde van Artemis, waarover deze godin zich
+wreekte door windstilte te zenden, waaraan eerst een einde kwam, toen
+Ag. haar zijne dochter Iphigenia als offer had aangeboden. Voor Troje
+beleedigde hij den priester Chryses, waarvoor Apollo het leger met
+pest strafte. Bizonder noodlottig voor de Grieken was zijn twist met
+Achilles (z. Briseis). Na de verovering van Troje keerde hij, na lang
+op zee rondgezworven te hebben, naar zijn rijk terug, maar Aegisthus,
+die gedurende de afwezigheid van Ag. diens vrouw Clytaemnestra tot
+overspel verleid had, doodde hem terstond na zijne aankomst bij
+een maaltijd, of Clytaemnestra wierp een net over hem, toen hij in
+het bad was, waarop Aegisthus hem doodde. Hij werd op verscheiden
+plaatsen in Griekenland als halfgod vereerd. De kinderen van Ag. en
+Clytaemnestra zijn: Iphianassa (Iphigenia), Chrysothemis, Laodice
+(Electra) en Orestes.
+
+Agamemnonides, Agamemnonides, Orestes, zoon van Agamemnon.
+
+Agamiou graphe, aanklacht wegens het niet aangaan van een
+huwelijk. Straffen op het niet aangaan van een huwelijk komen,
+voorzoover wij na kunnen gaan, alleen voor in Sparta en Creta. Zij,
+die na een zekeren leeftijd ongehuwd bleven waren atimoi, waren
+uitgesloten van de Gymnopaediae (z. a.) en hadden ook overigens veel
+smaad te verduren.
+
+Aganippe, Aganippe, 1) dochter van den riviergod Termessus, nimf
+van de bron Aganippe bij Thespiae, die door den hoefslag van Pegasus
+ontstaan was, en waarvan het water dichterlijke bezieling gaf.--2)
+= Eurydice no. 2.
+
+Aganippides heeten de Muzen, naar de bron Aganippe.
+
+Agasias, Agasias, beeldhouwer uit Ephesus, die op het einde der
+2de eeuw te Rome werkte. Een van zijne werken, een zwaardvechter
+voorstellend, is nog bewaard gebleven.
+
+Agatharchides, Agatharchides, grieksch geschiedschrijver en geograaf
+uit de 2de eeuw. Van zijne historische werken is weinig over: van
+zijn werk over de Roode Zee is nog een uittreksel bewaard van het
+1ste en 5de boek.
+
+Agatharchus, Agatharchos, van Samus, zoon van Eudemus, leefde te
+Athene omstreeks het midden der 5de eeuw. Hij was een zeer gezocht
+schilder, hielp Aeschylus bij het inrichten van zijn tooneel, en was
+de eerste tooneelschilder. Over tooneelschilderwerk (skenographia)
+zou hij een werkje geschreven hebben.
+
+Agathemerus, Agathemeros, grieksch geograaf, die waarschijnlijk in
+de 4de eeuw na C. leefde; van zijn werk bestaan nog fragmenten.
+
+Agathocles, Agathokles, 1) zoon van Carcinus, een pottenbakker te
+Thermae op Sicilië, waar Ag. in 360 geboren werd. Daar deze stad toen
+aan de Carthagers behoorde, en een orakel verkondigd had, dat deze
+knaap eens groot onheil over Carthago brengen zou, vluchtte zijn
+vader, toen dit orakel bekend geworden was, met hem naar Syracuse,
+en werd daar burger. In den krijgsdienst getreden, onderscheidde
+Ag. zich reeds vroeg, hij werd de gunsteling van den rijken Damas,
+en na diens dood volgde hij hem als veldheer op en trouwde hij met
+diens weduwe. De oligarchische partij, die toen aan het roer was,
+wantrouwde hem echter en bewerkte zijne verbanning, daarop trad hij
+in tarentijnschen dienst, en daar hij alle ontevredenen uit Syracuse
+tot zich wist te trekken, was hij weldra sterk genoeg om aan de
+oligarchische heerschappij een einde te maken. Reeds toen verdacht
+men hem echter van het streven naar de alleenheerschappij, en spoedig
+werd hij weder verbannen; toen hij echter eenmaal door geweld verkregen
+had dat hij teruggeroepen werd, kreeg hij door zijn verstandig gedrag
+in korten tijd de macht om zijne plannen uit te voeren. Hij zocht de
+gunst van het leger te verwerven, en daarop steunende, liet hij een
+groot aantal oligarchen dooden, een nog grooter aantal verjoeg hij,
+en daarop liet hij zich het oppergezag opdragen (317). Door Tarentum
+ondersteund, kon hij het hoofd bieden aan de moeilijkheden, waarin
+de verbannenen hem wikkelden, en Agrigentum, dat hen hielp, werd
+tot vrede gedwongen (313). Twee jaar later geraakte hij in oorlog
+met Carthago; hij voerde dien oorlog in het begin niet zonder geluk,
+maar in 310 leed hij een groote nederlaag bij de Himera, waarna de
+carthaagsche veldheer Hamilcar hem in Syracuse kwam belegeren. In
+deze omstandigheden had Ag. nog de vermetelheid den oorlog naar Afrika
+over te brengen; met 60 schepen, voornamelijk met huurtroepen bemand,
+sloeg hij zich door de vijandelijke vloot heen en landde hij op de
+afrikaansche kust. Daarop drong hij met zijne troepen het land in,
+en versloeg hij een driemaal sterker leger der Carthagers, zoodat
+Hamilcar van Sicilië uit hulp moest zenden; door beleid, wreedheid
+en trouweloosheid wist hij zich bondgenooten te verschaffen en zich
+te gelegener tijd weder van hen te ontslaan (z. Ophellas), ook een
+gevaarlijken opstand in zijn leger onderdrukte hij, en eindelijk
+zou hij Carthago zelf aanvallen, toen berichten van de toestanden op
+Sicilië hem noopten terug te keeren. Maar de aristocratische partij,
+door Agrigentum gesteund, had zich gedurende zijne afwezigheid zoo
+versterkt, dat hij toen niets kon uitrichten, daarom keerde hij spoedig
+naar Afrika terug, waar zijn zoon intusschen ook groote verliezen
+geleden had, en waar hij het leger in den uitersten nood vond. Het
+gelukte hem niet het verlorene te herwinnen, en toen het gerucht
+zich in het leger verspreidde, dat hij van plan was te vluchten,
+werd hij door zijn eigen soldaten gevangen gehouden; weldra werd hij
+echter vrijgelaten, en toen vluchtte hij inderdaad naar Sicilië (306),
+waarop de verbitterde soldaten zijne zonen vermoordden en grootendeels
+tot de Carthagers overliepen. Nu vond Ag. het geraden vrede te sluiten
+met de Carthagers; voor een som geld liet hij hen de sicilische steden
+behouden, waarop zij aanspraak maakten, en ook met de aristocraten kwam
+het tot een verstandhouding. Daarna nam hij den titel van koning der
+Siciliërs aan en sedert schijnt hij minder hard geregeerd te hebben;
+hij bevestigde zijne macht door oorlogen in Italië, veroverde ook
+Corcyra (298) en dacht er altijd over, ook den strijd tegen Carthago
+te hernieuwen, maar voordat hij zijne plannen ten uitvoer kon brengen,
+stierf hij (289) na een regeering van 28 jaar. Men verhaalde, dat hij
+een door zijn kleinzoon vergiftigden tandenstoker gebruikt had, en dat
+hij, om zich te bevrijden van de daardoor veroorzaakte ondragelijke
+pijnen, zich levend had laten verbranden. Hij was een man van groote
+gaven, en een groot veldheer, en hoewel hij, om zijn doel te bereiken,
+voor geen wreedheid terugdeinsde, was hij toch bij het volk zeer
+geliefd.--2) zoon van Lysimachus, onderscheidde zich in de oorlogen
+door zijn vader gevoerd. Door zijne stiefmoeder belasterd, werd hij
+op last van zijn vader door Ptolemaeus Ceraunus vermoord (284).
+
+Agathon, Agathon, zoon van Tisamenus, atheensch treurspeldichter,
+geb. vóór 436. Hij was een schoon, rijk en fijnbeschaafd man, opgevoed
+in de school der sophisten, en bevriend met Plato en Euripides;
+een gedeelte van zijn leven (na 407) bracht hij aan het hof van
+Archelaus van Macedonië door. Van zijne werken bestaan nog slechts
+eenige fragmenten.
+
+Agathyrna of Agathyrnum, Agathyrna of -non, stad op de noordkust van
+Sicilia, tusschen Tyndaris en Calacte.
+
+Agathyrsi, Agathyrsoi, vreedzaam en rijk sarmatisch volk aan de rivier
+Maris, afstammelingen van Agathyrsus, zoon van Heracles. Het is een
+thracisch volk, dat in den Romeinschen tijd onder den naam Dakoi,
+Daci optreedt, z. Dacia. Zij plachten zich te tatoueeren (picti).
+
+Agave, Agaue, dochter van Cadmus, moeder van Pentheus.
+
+Agbatana, ta Agbatana = Ecbatana.
+
+Agdistis, Angdistis, een te gelijk mannelijk en vrouwelijk monster, uit
+Zeus gesproten. Later werden de twee helften van elkander gescheiden,
+en ontstond uit het mannelijk gedeelte een amandel- of granaatboom,
+die door een wonder de vader werd van Atys. De vrouwelijke helft
+werd Cybele.
+
+Agedincum, thans Sens, ten Z.O. van Parijs, hoofdstad der Senones.
+
+Ageladas, Ageladas, naam van twee beeldhouwers uit Argos; de eerste
+leefde omstreeks het einde der 6de, de andere omstreeks het midden
+der 5de eeuw.
+
+Agele, in dorische staten, vooral op Creta, vereenigingen, waarvan
+jongelingen boven 17 jaar tot hun huwelijk leden waren. De leden
+(agelastoi of agelatai) woonden bij dag, en gewoonlijk ook bij nacht,
+in een gemeenschappelijk gebouw, en hielden met elkander spelen,
+oefeningen, jachtpartijen, enz. Bij hun intreden in de ag. legden
+zij den eed af, dat zij de staatsregeling trouw zouden verdedigen;
+zij stonden onder de leiding van den vader van den oprichter der ag.,
+gewoonlijk een aanzienlijk man.
+
+Agema, Agema, koninklijke lijfwacht, keurbende der macedonische
+ruiterij, gevormd uit jongelieden van voorname familiën, die als
+pages (paides basilikoi) aan het hof opgevoed waren. Een ander agema
+(pezikon, basilikon) z. hypaspistes.
+
+Agennum = Aginnum.
+
+Agenor, Agenor, 1) zoon van Poseidon en Libye, vader van Cadmus en
+Europa, stamvader der Phoeniciërs en dus ook der Carthagers.--2)
+zoon van Antenor en Theano, een van de dapperste trojaansche helden,
+door Neoptolemus gedood.
+
+Agenorides, Agenorides, zoon of afstammeling van Agenor, bijv. Cadmus,
+Perseus, e.a.
+
+Agentes in rebus, in de 4de eeuw n. C. een corps bereden boodschappers
+van den keizer, staande onder den magister officiorum. Ze moesten
+de bevelen des keizers naar de provincies overbrengen, hadden het
+toezicht over de postdienst, en waren berucht als spionnen van de
+keizerlijke regeering en om hun afpersingen.
+
+Ager publicus. Wanneer de Romeinen eene landstreek onderworpen hadden,
+werd gewoonlijk een gedeelte, meestal een derde, van den veroverden
+bodem door den rom. staat in beslag genomen en tot staatsdomein,
+ager publicus, gemaakt. Met dezen grond werd zeer verschillend
+gehandeld. Een gedeelte werd door de quaestoren ten bate der schatkist
+verkocht, ager quaestorius. Andere stukken werden aan rom. burgers
+weggeschonken, soms in persoonlijken eigendom (ager assignatus of
+ager viritanus), soms in gemeenschap, b.v. aan eene kolonie (ager
+colonicus). Weder andere gedeelten, met name weiland, ager compascuus,
+werden tegen eene jaarlijksche vaste pacht, aan de oude bewoners
+in gebruik afgestaan of tegen een bepaald weidegeld (scriptura) aan
+publicani verpacht (ager scripturarius). Doch het belangrijkste deel
+werd afgestaan aan rom. burgers, tegen eene erfpacht. In den beginne
+waren het alleen patriciërs, die perceelen van het staatsdomein
+in bezit konden nemen, en later alleen de meervermogenden, daar de
+perceelen te groot waren en te veel bedrijfskapitaal vereischten, om
+door den kleinen man te kunnen worden aanvaard. Zulke gronden werden
+agri occupatorii of arcifinales geheeten. Het bezit er van was geen
+dominium, maar slechts possessio. In naam werden zij uitgegeven tot
+wederopzeggens toe; doch daar de staat van zijn recht van opzegging
+geen gebruik maakte, werd de possessio langzamerhand als eene soort
+van eigendom beschouwd, vooral wanneer zij eenige malen door erfenis
+in andere handen was overgegaan. In overeenstemming met dit begrip
+was op deze gronden veel ontgonnen en verbeterd, en wanneer nu door
+enkele wetten het bezit van groote perceelen er van verboden en de
+teruggave gelast werd van hetgeen men te veel bezat, ten einde den
+minderen man te gemoet te komen, dan lag in die plotselinge opzegging
+eene hardheid. Vandaar de tegenstand, dien zulke leges agrariae
+vonden. Zie verder agrariae leges.
+
+Ager Gallicus, het land, dat de Senonische Galliërs (zie Senones) in
+Umbrië bezeten hadden, en dat na hun vernietiging met Rom. kolonies
+bevolkt werd.
+
+Agesander, Agesandros, rhodisch beeldhouwer uit de 2de helft der 1ste
+eeuw, die medewerkte aan de beroemde Laocoöngroep.
+
+Agesilaus, Agesilaos, naam van eenige spartaansche koningen. Beroemd
+is: 1) de zoon van Archidamus II, geb. 444, die na den dood van Agis
+I, daar diens zoon Leotychides als onecht beschouwd werd, tot koning
+verheven werd (398). Op het gerucht van krijgstoerustingen van den
+kant der Perzen, ging hij met een leger naar Azië (396). De satraap
+Tissaphernes, die nog niet voor den oorlog gereed was, stelde een
+wapenstilstand van drie maanden voor, Ag. nam dit voorstel aan,
+en maakte zich dien tijd ten nutte om de verwarde toestanden in de
+aziatische steden te regelen, waarbij hij zich door zijn innemend,
+vastberaden en vooral streng eerlijk gedrag algemeen bemind maakte;
+zoowel toen als later gaf hij aan zijne soldaten een uitstekend
+voorbeeld van gehardheid tegen de ongemakken van het soldatenleven,
+wat te meer indruk maakte, daar hij klein van gestalte en mank
+was. Toen nu Tissaphernes, wien het slechts te doen was geweest om
+tijd te winnen, den wapenstilstand brak, trad Ag. aanvallend op,
+en versloeg hem na eenige kleinere gevechten in een grooten slag bij
+den Pactolus (395). Terwijl nu Ag. in Azië overwinnend verder trok,
+stelde Tithraustes, de opvolger van Tissaphernes, (v. a. Pharnabazus
+(z. Tithraustes)), de vele vijanden der Spartanen in Griekenland
+door aanzienlijke geldzendingen in staat den oorlog tegen hen
+te beginnen. Athene, Thebe, Corinthe en Argos vereenigden zich,
+en na den slag bij Haliartus zag men zich te Sparta genoodzaakt
+Ag. terug te roepen. Terstond na zijne terugkomst in Griekenland won
+hij den slag bij Coronea (394). Met roem streed hij in den hierop
+volgenden corinthischen oorlog, maar toen deze in 387 met den vrede
+van Antalcidas geëindigd was, en door dien vrede de vrijheid der
+aziatische Grieken was opgeofferd, bepaalde zich zijne werkzaamheid
+tot het behartigen van de belangen zijner vaderstad. Met gestrengheid
+handhaafde hij tegenover anderen de bepaling van den vrede, dat iedere
+staat autonoom moest zijn; daarentegen vond de partij, die kort daarna
+door de bezetting van de Cadmea meende Thebe aan Sparta te onderwerpen,
+in hem een steun. Zoo duidelijk toonde hij altijd zijn vijandige
+gezindheid tegen Thebe, dat hij, toen in 378 de oorlog tusschen beide
+staten uitbrak, niet terstond het opperbevel op zich wilde nemen,
+uit vrees dat men hem als de aanleiding van den geheelen oorlog zou
+beschouwen. Later echter, toen de loop van zaken Sparta niet gunstig
+was, liet hij zich overreden weder handelend op te treden, en ofschoon
+hij in het veld niet gelukkig was, had men toch aan zijne verstandige
+maatregelen te danken, dat de Thebanen tweemaal (369, 362) na een inval
+in Lacedaemon onverrichter zake moesten terugtrekken. Aan den slag
+bij Mantinea (362) nam hij geen deel en de vrede, die daarop volgde,
+werd zeer tegen zijn zin gesloten. Ontevreden over den toestand, waarin
+Sparta door al deze gebeurtenissen gebracht was, ging hij nog in het
+volgende jaar, in weerwil van zijn hoogen leeftijd, naar Aegypte,
+om Tachos en na dezen Nectanabis tegen Artaxerxes te helpen. Met
+rijke geschenken beladen verliet hij Aegypte, maar voordat hij Sparta
+bereikte, overleed hij, 84 jaar oud (360).--2) z. Agis no. 4.
+
+Agesipolis, Agesipolis, 1) Ag. I, zoon van Pausanias II, werd na de
+vlucht van zijn vader koning van Sparta (395). In 388 of 387 deed
+hij een inval in Argolis, in 385 werd hem opgedragen Mantinea te
+kastijden, en door het afdammen van de rivier Ophis, die door de
+stad stroomde, dwong hij de inwoners tot overgave. Nadat Teleutias
+bij het beleg van Olynthus gesneuveld was, werd Ag. gezonden om de
+stad tot onderwerping te dwingen, maar kort na zijne aankomst stierf
+hij (380).--2) Ag. II, kleinzoon van den vorigen, koning van Sparta
+(371-370).--3) Ag. III, volgde zijn oom Cleomenes III als koning van
+Sparta op, maar werd door zijn ambtgenoot Lycurgus van de regeering
+ontzet (219). In 195 was hij het hoofd der Spartaansche ballingen,
+die in den oorlog der Romeinen en Achaeërs tegen Nabis op terugkeer
+in het vaderland hoopten, hetgeen echter niet gelukte. In 183 werd
+hij op reis naar Rome door zeeroovers vermoord.
+
+Agger, Choma, is de naam van elke door menschenhanden opgeworpen
+hoogte, hetzij deze tot dam, wal of iets anders dient. In het bijzonder
+is de agger een oploopende dam tegen den muur eener belegerde stad,
+met het doel om daarop belegeringstorens (turres ambulatoriae) en
+geschut (ballistae, catapultae, enz.) te plaatsen. Ten einde het werk
+te bespoedigen, werd tot het opwerpen van zulk een agger niet enkel
+aarde, maar veel hout en takkenbossen gebezigd, zoodat de belegerden
+er soms in slaagden, het werk door brand te vernielen. Binnen in den
+agger kon men, zoo noodig, gangen uitsparen en trappen aanbrengen.
+
+Aginnum, thans Agen, voornaamste stad der Nitiobriges, aan de Garumna
+of Garonne.
+
+Agis, Agis, 1) zoon van Eurysthenes, stamvader van het spartaansche
+koningshuis der Agiden (Agidai, Agiadai).--2) Ag. I, zoon van
+Archidamus II, koning van Sparta (427-401), deed in het begin van
+den peloponnesischen oorlog eenige malen een inval in Attica. In den
+oorlog tegen Argos had hij eens, naar men meende, eene zeer voordeelige
+positie ingenomen, toen hij zich tot een wapenstilstand liet overreden;
+hierdoor haalde hij zich het misnoegen zijner medeburgers op den
+hals, maar in het volgende jaar (418) maakte hij de begane fout
+weder goed door de schitterende overwinning bij Mantinea. Gedurende
+het laatste gedeelte van den peloponnesischen oorlog (sedert 413)
+hield hij Decelea bezet tot groot nadeel van Athene, en toen Lysander
+Athene belegerde, vereenigde Ag. zich met hem. In 402 ondernam hij
+een veldtocht tegen Elis, dat zich in het volgend jaar, toen Agis
+wederom tegen Elis op wilde trekken onderwierp. Kort daarop stierf
+hij. Hij was een van de beste koningen van Sparta.--3) Ag. II,
+zoon van Archidamus III, werd in 338 koning van Sparta. Gedurende
+Alexanders tochten in Azië vatte hij het plan op de Macedoniërs uit
+de Peloponnesus te verdrijven; hij zocht daartoe steun bij eenige
+perzische satrapen, die hem ook met geld en schepen hielpen. Met een
+leger van 8000 huurlingen maakte hij zich eerst van Creta meester,
+daarna viel hij in de Peloponnesus en bemachtigde hij een groot
+deel daarvan. Eindelijk kwam Antipater, stadhouder van Macedonië,
+met een leger opdagen; bij Megalopolis, voor welke stad Ag. het beleg
+geslagen had, werd een bloedige slag geleverd, waarin de Macedoniërs
+overwonnen en Ag. na eene heldhaftige verdediging sneuvelde (331).--4)
+Ag. III volgde in 245 zijn vader Eudamidas als koning van Sparta op,
+en wijdde zich terstond aan het wegnemen der misbruiken, die te Sparta
+in den loop der tijden in staat en maatschappij waren ingeslopen. Het
+aantal burgers was tot 700 verminderd, die alle grondbezit in handen
+hadden; uit hen werden de ephoren gekozen, zoodat de staatsregeling
+geheel oligarchisch geworden was; bovendien waren de oude wetten en
+instellingen grootendeels vergeten. Door eenige weinige aanzienlijke
+mannen en vrouwen gesteund, trachtte Ag. met jeugdig vuur en groote
+zelfopoffering aan dien toestand een einde te maken; nadat eenige
+zijner aanhangers ephoren geworden waren, deed hij het voorstel het
+aantal burgers tot 4500 te vermeerderen en het land onder die burgers
+en 15000 perioeken te verdeelen, tevens zouden alle schuldbrieven
+vernietigd en de wetten van Lycurgus hersteld worden. Hijzelf bood
+om te beginnen zijn aanzienlijk vermogen ter verdeeling aan. Maar
+de tegenstand van zijn ambtgenoot Leonidas en de onwil van den raad
+deden het plan mislukken, en het onverstandig gedrag van zijn oom
+Agesilaus, die bekend stond als de eerste zijner partijgenooten, nam
+het volk zoozeer tegen hem in, dat de ephoren hem, toen hij van een
+ongelukkigen veldtocht tegen de Aetoliërs terugkeerde, ter dood konden
+veroordeelen, 240. Met hem werden ook zijne moeder en grootmoeder ter
+dood gebracht, die met geestdrift aan de beweging hadden deelgenomen.
+
+Aglaïa, Aglaïa, 1) eene van de drie Chariten.--2) dochter van
+Mantineus, moeder van Acrisius en Proetus.
+
+Aglaophon, Aglaophon, 1) beroemd schilder, vader van Polygnotus.--2)
+kleinzoon van den vorigen, eveneens schilder van naam.
+
+Aglaurus, Aglauros = Agraulus.
+
+Agmen is de naam van het leger in marschorde. De voorhoede wordt
+primum agmen, de achterhoede novissimum agmen genoemd. Agmen quadratum
+is eene marschorde, waarbij het leger zoo opgesteld was, dat het
+bij een aanval onmiddellijk front tegen den vijand maken kon, met
+den legertros, impedimenta, in het midden, òf wel de verschillende
+legerafdeelingen, elke met haren tros, zoo opgesteld waren.
+
+Agnati en cognati. Terwijl cognatio de natuurlijke bloedverwantschap
+is, beteekent agnatio de verwantschap, voor zoover zij in het
+romeinsche burgerlijk recht geldig is, en omvat de door mannen verwekte
+of geadopteerde leden der familie. Iemands agnati zijn degenen, met
+wie hij onder dezelfde patria potestas staat, dus moeders, broeders,
+zusters en in sommige gevallen nog neven en nichten. Treedt hij
+echter vóór 's vaders dood uit de patria potestas uit, dan gaat
+het agnaatschap verloren, terwijl de geadopteerde de leden zijner
+adoptieffamilie tot agnaten krijgt. Daar bij het ontbreken van nadere
+erfgenamen de agnaten tot de erfenis konden geroepen worden, is het
+agnaatschap in het romeinsch recht een belangrijk punt. Agnati zijn ook
+de later geboren kinderen, d. w. z. die kinderen, die geboren worden na
+den dood des vaders, of nadat hij reeds zijn testament gemaakt heeft.
+
+Agnomen, zie nomen.
+
+Agones, wedstrijden. Het houden van wedstrijden op elk denkbaar gebied
+is voor de Grieken een levensbehoefte; het is één van de meest in
+het oog vallende karaktertrekken van het Grieksche volk. De raad,
+dien Hippolochus zijn zoon Glaucus, en Peleus zijn zoon Achilles
+medegeeft, als ze ten oorlog trekken: aien aristeuein kai hypeirochon
+emmenai allon was elken Griek naar het hart gesproken. Zelfs de oorlog
+wordt door hen als een wedstrijd beschouwd, en de voordeelen van de
+overwinning zijn dan de altha, de kampprijzen. Wanneer Xenophon in
+de Anabasis de officieren van Proxenus aanvuurt, om den ongelijken
+strijd tegen de Perzen vol te houden, zegt hij, na al de rijkdommen
+en de overvloedige levensmiddelen in Perzië te hebben opgesomd: Al
+dat goede ligt nu als kampprijzen ten toon gesteld voor wie van ons
+beiden (Grieken en Perzen) het dapperst zich gedragen, en kamprechters
+zijn de Goden (agonothetai d' hoi theoi eisin). Bij alle feestelijke
+aangelegenheden worden wedstrijden georganiseerd, maar als oudsten vorm
+vindt men ze als spelen ter eere van een afgestorvene; de bekendste
+zijn die ter eere van Patroclus, door Achilles gehouden. Overigens
+vindt men ze overal in de mythologie vermeld, waarbij het soms ruw
+toeging. Ook in Etrurië, dat sterk onder Griekschen invloed staat,
+vindt men deze lijkfeesten, z. ook gladiatores.
+
+Verder vormen de spelen een hoofdbestanddeel der Grieksche
+godsdienstige feesten. De oude schrijvers onderscheiden hierbij:
+ag. gymnikoi, hippikoi en mousikoi. De vier groote nationale feesten
+zijn die te Olympia (z. a.), Delphi (z. Pythia), Corinthe (z. Isthmia),
+en Nemea (z. a.), waarbij dan in den Romeinschen tijd nog de Actia
+(z. a.) komen. Zie verder Ludi.
+
+Agonium of Agonale. Er zijn vier dagen in den kalender, die dezen
+naam dragen: 9 Januari, 17 Maart, 21 Mei en 11 December. De beteekenis
+van het woord is onbekend.
+
+Agora, markt, oorspronkelijk de plaats, waar volksvergaderingen
+gehouden werden, verder het middelpunt van het openbare leven en
+vooral van het handelsverkeer, lag in zeesteden meestal aan het
+strand, in andere steden aan den voet van de acropolis. Markten,
+die in lateren tijd aangelegd waren, waren gewoonlijk vierkant, door
+zuilengangen omgeven, en met tempels, standbeelden e. dgl. versierd.
+
+Agoracritus, Agorakritos, beeldhouwer van Parus, leerling van
+Phidias. Onder zijne werken was vooral beroemd een kolossaal beeld
+van Nemesis, te Rhamnus geplaatst en, naar men zeide, gehouwen uit
+een blok marmer, dat de Perzen naar Marathon hadden meegebracht,
+om een zegeteeken er van op te richten.
+
+Agoranomoi, tien beambten te Athene, van welke vijf in de stad en
+vijf in den Piraeüs met de marktpolitie belast waren; zij hielden het
+toezicht op de te koop geboden goederen en op maten en gewichten,
+ontvingen de marktgelden, enz. Voor kleinere overtredingen konden
+zij boeten opleggen. Ook de rom. aediles worden door gr. schrijvers
+ag. genoemd.
+
+Agraphiou graphe, aanklacht tegen iemand, die den staat geld schuldig
+is en, zonder zijne schuld betaald te hebben, zich van de lijst der
+staatsschuldenaars heeft laten schrappen. De aanklacht werd bij de
+thesmotheten ingediend, de straf is onbekend.
+
+Agrariae (leges). Deze wetten kunnen in twee rubrieken verdeeld
+worden; 1º. de talrijke wetten betreffende het uitvoeren van coloniae,
+aan wier bevolking dan in den omtrek hunner nieuwe woonplaats de
+noodige akkergrond ter bebouwing werd aangewezen, 2º. de eigenlijke
+akkerwetten, om het genot van den ager publicus (zie aldaar) meer
+algemeen te maken. De voornaamste dezer wetten volgen hier. De
+uitvoering evenwel werd vaak verijdeld, nu eens door geweld en moord,
+dan weder door de zaak op de lange baan te schuiven.
+
+Lex Cassia agraria, in 486 voorgesteld door Sp. Cassius Viscellinus,
+die toen ten derden male consul was. Zij beoogde de toewijzing van
+staatsgrond aan de plebejers; doch Sp. Cassius werd in het volgende
+jaar beschuldigd van perduellio, en ter dood gebracht. Het bericht
+omtrent dit wetsvoorstel is onhistorisch, zie Cassii no. 1. Slechts
+staat vast, dat Cassius wegens perduellio veroordeeld is.
+
+Lex Licinia Sextia agraria, 367, van de volkstribunen C. Licinius
+Stolo en L. Sextius, dat niemand meer dan 500 iugera staatsdomein
+in erfpacht mocht bezitten (één iugerum = omstreeks 1/4 hectare),
+of meer dan 100 stuks groot vee of 500 stuks klein vee op de gemeene
+weide mocht hebben; de grondbezitters zouden verder een aantal vrije
+daglooners in dienst moeten hebben, geëvenredigd aan het aantal
+hunner slaven. Deze wet, die slechts korten tijd toegepast is, is
+niet van Licinius en Sextius, maar dateert uit de 2de eeuw; ze wordt
+vermeld in het jaar 167, en is waarschijnlijk uit het jaar 196, toen
+C. Licinius Lucullus (Licinii no. 21) tribunus plebis was.--Sommige
+geleerden meenen, dat de wet wel uit 367 dateert; in dat geval moet
+men aannemen, dat de wet in het begin van de 2de eeuw hernieuwd is.
+
+Lex Flaminia de agro Gallico viritim dividendo, strekkende om grond
+in Picenum en Cisalpina onder het volk te verdeelen, in 232 door den
+volkstribuun C. Flaminius voorgesteld en in 228 tot uitvoering gekomen.
+
+Lex Sempronia agraria van den volkstribuun Ti. Gracchus van 133,
+tot uitvoering der lex Licinia Sextia, met deze verzachting evenwel,
+dat men voor een zoon in potestate patris nog 250, en voor een
+tweeden evenzoo nog 250 iugera zou mogen bezitten. Bovendien werd
+voor verbeteringen en voor gebouwen, op de ingetrokken landerijen
+aangebracht, aan de vroegere possessores een schadeloosstelling
+toegestaan. Een commissie van drie elk jaar opnieuw te kiezen leden
+(IIIviri agris iudicandis adsignandis) zou uitmaken, wat ager publicus
+en wat particulier eigendom was (ut triumviri iudicarent, qua publicus
+ager, qua privatus esset), en tevens de vrijgevallen gronden in
+stukken van 30 iugera tegen een kleine erfpacht toedeelen aan arme
+burgers, met de bepaling, dat de toegedeelde stukken onvervreemdbaar
+waren. Voor de eerste maal (in 133) werden gekozen: Tib. Gracchus,
+die spoedig vermoord werd, zijn broer C. Gracchus, en zijn schoonvader
+Appius Claudius Pulcher (zie Claudii no. 12). De wet werd werkelijk
+uitgevoerd, en werkte heilzaam. In 131 wilden de toenmalige IIIviri
+M. Fulvius Flaccus (zie Fulvii no. 7) en C. Papirius Carbo ook den
+ager publicus, die in handen der socii was, aan de bepalingen der wet
+onderwerpen (waarschijnlijk omdat het andere land reeds opraakte),
+hetgeen onaangenaamheden met de socii tot gevolg had. In 129 werd de
+rechtspraak (zie hierboven) van de IIIviri overgebracht op de consuls,
+waardoor de wet feitelijk buiten werking werd gesteld.
+
+Lex Sempronia agraria van C. Gracchus, volkstribuun in 123, een
+hernieuwing van de wet van zijn broer, waarbij de iurisdictio aan de
+commissie teruggegeven werd. Deze wet is meer voor den vorm ingediend
+en aangenomen, daar feitelijk alle ager occupatorius reeds verdeeld
+was. Daarnevens liet C. Gracchus een nieuwe wet op den ager publicus
+aannemen, waarbij het staatsland in Italië, dat tot nu toe verpacht
+werd (zie ager publicus), bestemd werd tot het stichten van koloniën
+(ager colonicus), en wel te Capua en te Tarentum; verder bracht hij
+6000 Italianen over naar Carthago, die daar eene colonia civium
+Romanorum, colonia Junonia geheeten, zouden vormen. Het verschil
+tusschen de boeren, volgens de akkerwet van Tiberius Gracchus op
+staatsland geplaatst, en deze kolonisten bestaat daarin, dat de eersten
+afzonderlijk stonden (men spreekt dan van assignationes viritanae),
+de tweeden daarentegen te zamen een gemeente vormden (zie colonia
+no. 2). Na Gracchus' dood werden Carthago en Capua weder opgeheven;
+het eigen gemeentebestuur verviel dus, maar de boeren mochten op hun
+land blijven; Tarente werd bij de oude Grieksche gemeente ingedeeld.
+
+Rogationes Liviae agrariae van den volkstribuun M. Livius Drusus 122
+v. C. ingediend om de macht van C. Gracchus te breken:
+
+1º een wetsvoorstel, waarbij aan de eigenaars van agri assignati
+(zie lex Sempronia agraria) de erfpacht werd kwijtgescholden,
+en de bepaling, dat de toegedeelde stukken onvervreemdbaar waren,
+werd opgeheven.
+
+2º een wetsvoorstel tot het stichten van 12 coloniae in Italië.
+
+Het tweede wetsvoorstel is òf niet aangenomen òf ingetrokken; van
+het eerste is de tweede bepaling al spoedig wet geworden, de eerste
+eerst bij de
+
+Lex Thoria agraria van 118 of 114 doorgevoerd, terwijl tegelijkertijd
+verdere assignatio van ager publicus verboden werd.
+
+Nu volgde eene
+
+Lex agraria van 111, waarbij zoowel de ager assignatus als de ager
+occupatus tot privaateigendom werd verklaard, zoodat de vroegere
+possessores nu niets meer te vreezen hadden.
+
+Lex Appuleia agraria van 103 en
+
+Lex Appuleia agraria van 100, van den volkstribuun L. Appuleius
+Saturninus. Van de eerste wet is niets bekend; de tweede bepaalde, dat
+het land, dat in Gallia Cisalpina door de Cimbern in bezit genomen,
+maar hun door den slag bij Vercellae weer ontnomen was, aan arme
+burgers, vooral aan de veteranen van Marius, en aan arme italiaansche
+bondgenooten zou uitgedeeld worden. De wet is aangenomen, maar na
+den dood van Appuleius ongeldig verklaard. Misschien is echter de
+stichting van Eporedia, in het land der Salassers in 100, een gevolg
+van deze wet. Zie ook Appuleiae (leges) no. 2.
+
+Lex Titia agraria van 99, van den volkstribuun Sex. Titius, een
+hernieuwing van de wet van Appuleius. Deze wet had geen gevolg;
+misschien werd ze niet eens aangenomen.
+
+Leges Liviae agraria et de coloniis deducendis van 91, van den
+volkstribuun M. Livius Drusus. Het land, dat men voor de kolonies in
+Italië noodig had, zouden de socii moeten afstaan, die als vergoeding
+het burgerrecht zouden krijgen. Na Livius' dood werden zijn wetten
+door den senaat ongeldig verklaard.
+
+Leges Corneliae agrariae van 81, van den dictator L. Cornelius
+Sulla, waarbij aan de inwoners van een aantal democratisch gezinde
+municipia hun land ontnomen werd, en aan de soldaten van Sulla werd
+toegewezen. De tengevolge van deze wetten gestichte kolonies worden
+gewoonlijk militaire kolonies genoemd.
+
+Rogatio Servilia agraria van 63, van den volkstribuun P. Servilius
+Rullus, tot aankoop van grond, om dien onder de arme burgers te
+verdeelen. Waarschijnlijk wilde men vooral de veteranen van Pompeius,
+die weldra terug verwacht werd, met land voorzien. Vooral de ager
+Campanus, tot nu toe gespaard, was hiervoor aangewezen. Cicero, die
+consul was, maakte in drie redevoeringen (de lege agraria contra
+P. Servilium Rullum) het wetsvoorstel zoozeer af, dat het niet in
+behandeling kwam, en door den voorsteller werd ingetrokken. Vooral
+viel Cicero het voorstel aan om het beginsel, dat een commissie van
+10 mannen voor vijf jaar met uitgebreide volmacht tot uitvoering
+der wet zou gekozen worden, decem reges.... orbis terrarum domini,
+zooals Cicero zich uitdrukt.
+
+Lex Plautia of Plotia agraria, van onbekenden datum, van dezelfde
+strekking als de volgende.
+
+Lex Flavia agraria van 60, van den volkstribuun L. Flavius, een
+herhaling in zachteren vorm van de lex Servilia van 63. L. Flavius
+stelde de wet voor in opdracht van Pompeius; de bedoeling was, de
+soldaten van Pompeius aan land te helpen. De wet werd niet aangenomen.
+
+Lex Julia agraria van 59, ook lex Campana geheeten, van den
+consul C. Julius Caesar, tot verdeeling van den Campus Stellas of
+Stellatis bij Cales, en van het gebied van Capua (den ager Campanus)
+onder arme burgers, die minstens drie kinderen hadden. Verder werd
+bepaald, dat ook elders in Italië de nog aanwezige ager publicus zou
+gebruikt worden, en men uit de staatskas land ter verdeeling moest
+aankoopen. Deze wet werd door Caesar doorgedreven, en tengevolge
+daarvan verhuisden 20.000 arme romeinsche burgers naar den ager
+Campanus. Capua werd nu wederom een municipium.
+
+Lex Antonia agraria van 44 van M. Antonius, waarvan de inhoud
+niet juist bekend is, maar die ten doel schijnt gehad te hebben,
+in Italia een aantal landbouwkolonies te stichten ten behoeve van
+arme burgers. Deze wet werd in het volgend jaar weer opgeheven.
+
+Dit is de laatste eigenlijke lex agraria, want de volgende hebben
+uitsluitend betrekking op militaire koloniën, waarbij het land van
+gezeten burgers aan oudgedienden werd gegeven.
+
+Agraulus, Aglaurus, Agraulos, Aglauros, 1) dochter van Actaeus,
+gemalin van Cecrops.--2) dochter van Cecrops, stortte zich, om Athene
+te bevrijden van een langdurigen oorlog, waardoor het geteisterd
+werd, vrijwillig van de acropolis, daar een orakel voorspeld had,
+dat zulk een offer een einde aan den oorlog zoude maken. V. a. was
+Hermes verliefd op hare zuster Herse, en toen Agr. hem eens uit
+jaloerschheid wilde beletten Herse te bezoeken, veranderde hij
+haar in een steen. V. a. had Athena aan haar en hare zusters een
+kistje toevertrouwd, waarin de jonge Erichthonius bewaard was; uit
+nieuwsgierigheid opende Agr. met Herse het kistje, maar nauwelijks
+was dit geschied, of beide zusters werden waanzinnig, en wierpen
+zich van de acropolis in de diepte. Agr. werd als een goddelijk
+wezen vereerd. Men bracht haar zoenoffers, en in haar tempel deden
+de achttienjarige Atheners bij het ontvangen hunner wapenen den eed
+van trouw aan het vaderland. Haar dienst hangt nauw samen met dien
+van Athena zelve, die ook den bijnaam Agr. heeft.
+
+Agri decumates. Onder dezen naam verstaat men de streek land, begrepen
+tusschen den Rijn, den Main en den Neckar, die door keizer Domitianus
+bij het rijk werd gevoegd, en aan gallische boeren tegen betaling van
+tienden ter bewoning werd overgelaten. Later komt dit gebied binnen
+den germaansch-raetischen limes (z. a.) te liggen.
+
+Agrianes, Agrianes, thracisch volk aan den Strymon. In het leger
+van Alexander d. G. bewezen zij als lichtgewapenden of boogschutters
+voortreffelijke diensten.
+
+Agricola (Cn. Iulius), te Forum Iulii (Fréjus) in 40 na C. geboren,
+was de zoon van Julius Graecinus, die op last van Caligula werd ter
+dood gebracht, en Julia Procilla. Onder de leiding zijner verstandige
+moeder genoot hij in Massilia eene zorgvuldige en wetenschappelijke
+opleiding. In 59 ging hij als jong soldaat onder Suetonius Paullinus
+naar Britannia, keerde in 61 naar Rome terug, waar hij met eene dame
+van aanzien huwde, werd in 63 quaestor in Asia, later (74-76) legaat
+in Aquitania, consul suffectus (77) en ten slotte in 77 stadhouder
+van Britannia. Daar streed hij met goed gevolg tegen de Caledoniërs,
+en veroverde Schotland tot aan de Tava (Tay). Door keizer Domitianus
+uit argwaan teruggeroepen, leefde hij van 85 tot aan zijn dood in
+93 in stille afzondering. Volgens sommiger meening zou hij op last
+van den keizer vergiftigd zijn. Zijne wapenfeiten en voortreffelijke
+eigenschappen zijn door zijn schoonzoon, den geschiedschrijver Tacitus,
+in eene meesterlijke beschrijving vereeuwigd.
+
+Agrigentum, Akragas, thans Girgenti, een der belangrijkste en fraaiste
+steden van Sicilia, met Syracusae de oogen des lands genoemd,
+werd door Doriërs uit Gela omstreeks 582 gesticht, in 405 door de
+Carthagers verwoest, doch later (338) door Timoleon herbouwd. De
+wijsgeer Empedocles was hier geboren. Te Agrigentum heerschte omstreeks
+500 de tyran Phalaris, en omstreeks 480 de om zijne rechtvaardigheid
+beroemde Theron. Het nieuwe Agrigentum heeft nimmer het oude in luister
+geëvenaard. In 261 viel de stad in handen der Romeinen en moest met
+hen een bondgenootschap aangaan. In 255 werd het weer ingenomen en
+geplunderd door de Carthagers onder Carthalo. Na den val van Syracusae
+in 212 werd Agr. in 210 veroverd en de burgers als slaven verkocht;
+in 207 werd de stad opnieuw van kolonisten uit andere steden voorzien.
+
+Agrionia, Agrionia, feest ter eere van Dionysus Agrionius, dat ieder
+jaar des winters te Thebe, Argos en vooral te Orchomenus in Boeotië
+gevierd werd, en zich door groote woestheid kenmerkte. In de oudste
+tijden moest de priester van den god een maagd uit het geslacht
+van koning Minyas naloopen en, als hij haar inhaalde, haar dooden;
+in lateren tijd vermeed men dit.
+
+Agrippa (Herodes), zie Herodes.
+
+Agrippa (Menenius), zie Menenii.
+
+Agrippa (Vipsanius), zie Vipsanii.
+
+Agrippina. In het huis van Augustus komen drie vrouwen van dezen naam
+voor (zie Iulii):
+
+1) Vipsania Agrippina, z. Vipsanii no. 5.
+
+2) Agrippina, de vrouw van Germanicus. Zij was de dochter
+van M. Vipsanius Agrippa en Julia, de dochter van Augustus. Zij
+vergezelde steeds haren echtgenoot op diens veldtochten. Na zijn dood
+(19 n. C.) uit Syria naar Rome teruggekeerd, werkte zij Tiberius
+voortdurend tegen. Eindelijk werd zij door den invloed van Seianus
+in 29 naar Pandataria verbannen, waar zij in 33 den hongerdood
+gestorven is.
+
+3) Agrippina, de moeder van keizer Nero, de zuster van Caligula. Zij
+was de dochter van Germanicus en Agrippina (no. 2) en geboren in het
+Oppidum Ubiorum, dat later te harer eer verdoopt werd in Colonia
+Agrippina (Keulen). Zij huwde driemaal, eerst met Cn. Domitius
+Ahenobarbus, bij wien zij een zoon kreeg, den beruchten Nero,
+vervolgens met zekeren Crispus Passienus en voor de derde maal
+met haar vaders broeder, keizer Claudius (50 n. C.). Dezen laatsten
+bracht zij door vergif om het leven (54), om haar zoon Nero in plaats
+van Claudius' eigen zoon Britannicus op den troon te brengen. Zij
+bedroog zich echter in hare verwachting, dat zij over Nero zou
+kunnen heerschen. Integendeel, de keizer, hare heerschzucht moede,
+liet zijne moeder ombrengen (in Maart 59).
+
+Agrippinenses = Ubii. Zie ook Agrippina no. 3.
+
+Agrius, Agrios, 1) zoon van Portheus of Porthaon en Eryte, broeder
+van Oeneus, die te Calydon regeerde. Zijn zonen ontnamen Oeneus de
+regeering en gaven die aan hun vader, doch later werden zij allen door
+Diomedes gedood.--2) zoon van Odysseus en Circe, broeder van Latinus,
+heerscher over de eilanden van de Tyrrheensche zee.
+
+Agron, Agron, 1) zoon van Eumelus, leefde met zijne zusters Byssa en
+Meropis op het eiland Cos. Zij vereerden Gaea, doch behandelden de
+overige goden met minachting, en werden daarom met hun vader door
+Hermes, Athena en Artemis, die gepoogd hadden hen te overreden aan
+een offerfeest deel te nemen, maar met scheldwoorden en bedreigingen
+beantwoord waren, in vogels veranderd.--2) koning van Illyrië,
+ondersteunde Demetrius II in den oorlog tegen de Aetoliërs; kort
+daarna stierf hij aan de gevolgen zijner onmatigheid (231). Hij werd
+opgevolgd door zijne gemalin Teuta (z. a.).
+
+Agrotera, Agrotera, bijnaam van Artemis als jachtgodin.
+
+Agyrtes, bedelaar of kwakzalver, in het bijzonder iemand die horoskopen
+en orakelspreuken verkoopt, of iemand die geld inzamelt voor den
+dienst van niet erkende godheden. Z. metragyrtes.
+
+Agyieus, Aguieus, bijnaam van Apollo als beschermer van straten en
+wegen; ook de naam van de fetisch, voor de Grieksche huizen opgesteld,
+soms in den vorm van een steen, soms als statue; verder het huisaltaar
+vóór het huis: Aguieus bomos.
+
+Agylla, Agylla, oude naam van de etrurische stad Caere (z. a.).
+
+Agyrium, Agyrion, zeer oude stad in het binnenland van Sicilië, in
+de buurt van Henna; geboorteplaats van den geschiedschrijver Diodorus
+Siculus, die ten tijde van Caesar leefde.
+
+Agyrrhius, Agyrrios, atheensch demagoog, die wegens oneerlijkheid
+gevangenisstraf onderging, maar later veel invloed kreeg, en na
+den dood van Thrasybulus (389) zelfs vlootvoogd werd, in welke
+hoedanigheid hij echter niets van belang verrichtte. Onder de door hem
+ingevoerde nieuwigheden wordt genoemd de invoering of verhooging van
+het ekklesiastikon en de vermindering van de belooning der dramatische
+dichters.
+
+Ahalae, zie Servilii.
+
+Aharna = Arna.
+
+Ahenobarbi, zie Domitii.
+
+Aiax, Aias, 1) de kleine, zoon van Oileus, koning van Locris, gedroeg
+zich bij de belegering van Troje als een van de dapperste helden,
+was een voortreffelijk boogschutter en werd in vlugheid alleen door
+Achilles overtroffen. Bij de verovering der stad drong hij in den
+tempel van Athena, en sleepte hij Cassandra, die bij het altaar
+bescherming had gezocht, met geweld mede; daarom liet Athena hem op
+de terugreis bij de rots Gyrae in het zuiden van Euboea schipbreuk
+lijden. Door de hulp van Poseidon redde hij zich op de rots, maar
+toen hij daarop in zijn overmoed uitriep: daar ben ik ontsnapt in
+weerwil van de goden, greep Poseidon zijn drietand en verbrijzelde
+de rots. Door de opuntische Locriërs werd hij als heros vereerd,
+en lang bleef het bij hen de gewoonte een plaats in de gelederen
+voor hem open te laten.--2) de groote, zoon van Telamon, koning van
+Salamis, en Eriboea, nam mede aan den tocht tegen Troje deel. Hij
+was de sterkste en meest geduchte der helden na Achilles, en toen
+deze zich aan den strijd had onttrokken, muntte hij in dapperheid
+boven allen uit; zelfs hield hij alleen de Trojanen tegen, toen zij
+in de grieksche legerplaats gedrongen waren en de schepen poogden
+in brand te steken. Toen dus na den dood van Achilles diens wapenen
+door Thetis werden uitgeloofd aan dengene die ze het meest waardig
+was, maakte Aiax er aanspraak op, en alleen Odysseus durfde ze hem
+betwisten. Door zijne welsprekendheid en door den steun van Athena
+was Odysseus overwinnaar, en dit ergerde Aiax zoozeer, dat hij zich
+in zijn zwaard stortte. V. a. werd hij van woede waanzinnig, en viel
+hij des nachts op het vee aan, waaronder hij een vreeselijke slachting
+aanrichtte in de meening dat hij met de Atriden, die bij den wedstrijd
+rechters geweest waren, en met Odysseus te doen had; tot bezinning
+gekomen, doodde hij zich van schaamte. Uit zijn bloed ontsproot de
+hyacinth. De Salaminiërs eerden hem als halfgod met een tempel en
+met een feest Aiantia, de Atheners noemden naar hem de phyle Aeantis.
+
+Aïdes, Aidoneas, Aides, Aidoneus, z. Hades.
+
+Aigikores, zij die tot de derde der vier oude attische phylae
+behoorden.
+
+Aigophagos. Onder dezen bijnaam werd Hera te Sparta en Corinthe met
+geitenoffers vereerd. Toen de altijd door Hera vervolgde Heracles bij
+eene van zijne ondernemingen geen tegenwerking van haar ondervond,
+wilde hij haar daarvoor zijne dankbaarheid betuigen, en daar hij
+niets anders had, offerde hij eene geit en stichtte hij den tempel
+van Hera Aigophagos.
+
+Aikias dike, aanklacht wegens het opzettelijk mishandelen van een
+vrije; de aanklager schatte het toegebrachte letsel in een geldsom,
+die hem bij veroordeeling door den aangeklaagde betaald moest worden.
+
+Aiora, z. Erigone.
+
+Aisa, z. Moera.
+
+Aius Locutius. Toen de Galliërs in 389 op Rome lostrokken, hoorde men
+in het holle van den nacht eene geheimzinnige stem, die de nadering
+der vijanden aankondigde. Na den aftocht der Galliërs bouwde men een
+tempel ter eere van den onbekenden god, die gewaarschuwd had en dien
+men Aius Locutius noemde (van aio en loquor).
+
+Ala. 1) Onder alae verstaat men afdeelingen krijgsvolk, die op de
+vleugels van het leger geplaatst waren en door de bondgenooten of de
+provinciën geleverd werden. Zij bestonden hoofdzakelijk uit ruiterij en
+stonden somtijds onder aanvoerders uit hun eigen volk.--2) Alae zijn
+kleine kabinetjes in de romeinsche huizen ter zijde van het atrium,
+waarvan zij niet door deuren, maar door voorhangsels of gordijnen
+gescheiden waren.
+
+Alabanda, genit. -ae en -orum, ta Alabanda, bloeiende stad in Caria,
+doch berucht om de weelde en de losse zeden die er heerschten.
+
+Alalcomenae, Alalkomenai, oude boeotische stad, dicht bij den zuidoever
+van het meer Copaïs, met een tempel van de godin Athena, die, naar
+men zeide, hier geboren was. Er waren nog meer steden van dezen naam.
+
+Alalia, zie Aleria.
+
+Alamanni, zie Alemanni.
+
+Alani, Alanoi, een nomadenvolk, dat sedert het begin van den
+keizertijd ten N. van de Caspische zee en den Caucasus de plaats
+der voormalige Scythen innam. Er hooren verschillende scythische
+stammen toe, o. a. de Aorsi. Uit de woestijn Gobi komend, hebben de
+Hunnen hen voor zich uitgedreven, en tegen het einde der 3de eeuw
+n. C. onderworpen. Gedeeltelijk smolten zij met de Hunnen samen,
+gedeeltelijk trokken zij met Vandalen en Sueven naar Hispania en
+later met de Vandalen naar Africa (429 n. C.).
+
+Alaricus, Alarik, bijgenaamd Baltha (de Stoute), aanvoerder (dux) der
+Westgothen, die eerst Macedonië, Thessalië en Griekenland verwoestte
+(395/98 n. C.) en vervolgens in 401 voor de eerste maal naar Italië
+trok, maar door Stilicho genoodzaakt werd naar Illyricum terug te
+keeren. Na de vermoording van Stilicho (408) kwam hij in Italië
+terug. Keizer Honorius sloot zich in het sterke Ravenna op; doch
+Alarik trok regelrecht op Rome aan en sloot de stad in, die zich
+ditmaal van plundering vrijkocht, doch in het volgende jaar, omdat
+Honorius niet naar Alariks voorstellen wilde luisteren, vermeesterd
+en drie dagen lang geplunderd werd. De christenkerken bleven echter
+gespaard. Kort daarna stierf Alarik te Consentia in Bruttium en werd
+in de bedding van den Busento begraven (410 n. C.).
+
+Alarii, troepen, tot de alae behoorende.
+
+Alastor, Alastor, wraakgeest in het leven geroepen door het plegen
+eener misdaad; door wraak te vorderen voor de bedreven misdaad drijft
+hij tot nieuwe misdaden, die op hare beurt gewroken moeten worden. Meer
+algemeen een booze geest, die tot zonde verleidt en daardoor onheil
+sticht. Ook bijnaam der Erinyen en van Zeus als wreker van onrecht.
+
+Alatrium of Aletrium, oude stad in Latium in het gebied der Hernici,
+later municipium.
+
+Alba, Albas, mythisch koning van Alba Longa.
+
+Alba, naam van verschillende steden, waarvan de volgende de
+belangrijkste zijn. 1) Alba Fucens, op eene rots aan het meer Fucinus
+gelegen, in het land der Aequi, latijnsche kolonie (in 303 aangelegd)
+en staatsgevangenis. Koning Perseus van Macedonia werd hierheen
+gebracht.--2) Alba Longa, in Latium, aan den voet van den mons Albanus,
+de hoofdstad van den ouden Latijnschen bond en de moederstad van
+Rome, volgens de overlevering door Aeneas' zoon Ascanius gesticht
+en door Tullus Hostilius verwoest.--3) Alba Pompeia, in Liguria,
+geboorteplaats van keizer Pertinax.
+
+Albani, 1) inwoners van Alba Longa.--2) inwoners van het caucasische
+landschap Albania.
+
+Albania, Albania, bergland van den Caucasus, aan de Caspische zee
+gelegen, met eene krijgszuchtige bevolking, die in den mithradatischen
+oorlog troepen tegen Pompeius leverde. Men houdt de bewoners van
+deze landstreek ten onrechte voor de latere Alanen. De hoofdstad
+heette Albana.
+
+Albaniae portae, bergpas, die toegang tot Albania verleende.
+
+Albanum, thans Albano. Aan den Z.W. kant van den Albanus lacus op
+de helling van het gebergte lagen een aantal buitenverblijven van
+aanzienlijke Romeinen, o.a. van Pompeius, Brutus, later ook van Nero,
+Domitianus. Naar romeinsche gewoonte werd zulk een buitenverblijf naar
+de plaats Albanum geheeten. Hieruit ontstond aldaar een municipium
+van dien naam.
+
+Albanus lacus, een klein, maar zeer diep; en bekoorlijk meer aan den
+voet van den albaanschen berg. Het uitwateringskanaal, indertijd door
+Camillus, v. a. in 97 aangelegd, bestaat nog.
+
+Albanus mons, berg in Latium, thans Monte Cavo, aan welks helling
+eenmaal Alba Longa lag. Op den top stond de tempel van Jupiter
+Latiaris. Op dezen berg werden jaarlijks de groote feriae Latinae
+gevierd.
+
+Albenses, de inwoners van alle steden, die Alba heetten, behalve
+van Alba Longa, die Albani genoemd werden. Populi Albenses zijn de
+30 gemeenten, die tot den oudsten Albaanschen bond gehoord hebben,
+en die ook in later tijd bij de feriae Latinae werden opgeroepen voor
+het in ontvangst nemen van het offervleesch. De meeste zijn onbekend,
+maar waarschijnlijk hebben alle in het binnenland rondom het Albaansch
+gebergte gelegen, en zijn later opgegaan in de steden: Rome, Tibur,
+Praeneste, Tusculum, Aricia en Gabii.
+
+Albici, Albioikoi, een ruw herdersvolk, in de bergstreken benoorden
+Massilia (Marseille).
+
+Albii. Tot dit geslacht behoorde de dichter Albius Tibullus, vriend
+en tijdgenoot van Ovidius. Hij werd omstreeks 54 uit eene rijke
+ridderfamilie geboren, maakte met zijn beschermer M. Valerius Messala
+Corvinus een veldtocht in Aquitania mede, doch leefde verder meestal
+stil op zijn landgoed. Zijne dichtsoort was de elegie, doch van de vier
+boeken, die op zijn naam staan, kunnen slechts de eerste twee geheel
+aan hem worden toegekend. Het 3de boek is van een onbekenden dichter
+Lygdamus, van het 4de is het 1ste gedicht een loflied op Messalla,
+van een onbekenden dichter, 4, 2-6 hebben tot onderwerp de liefde
+van Sulpicia, een jong meisje van goeden stand (z. Sulpicii no. 23)
+voor Cerinthus, 4, 7-12 zijn van Sulpicia zelf. De verzen van Tibullus
+zelf (de 2 eerste boeken) zijn aan twee minnaressen gewijd, Delia en
+Nemesis. Zijn stijl is natuurlijk en eenvoudig, meer liefelijk dan
+verheven. Hij stierf in 19.
+
+Albini, zie Postumii.
+
+Albinovanus, zie Celsus en Pedo.
+
+Albinus (Clodius) was bij den dood van keizer Commodus (192 na
+C.) stadhouder in Britannia. Dit bleef hij onder Pertinax. Na diens
+dood weigerde hij Didius Julianus als keizer te erkennen, doch wees
+zelf het keizerschap, hem door zijne legioenen aangeboden, van de
+hand. Septimius Severus, die eerst zijn mededinger Pescennius Niger
+wilde ten onder brengen, benoemde Clodius Albinus tot mederegent,
+doch zocht na Nigers dood ook Albinus uit den weg te ruimen. Hierop
+trok deze tegen Severus op. Bij Lugdunum (Lyon) kwam het tot een
+slag. Albinus werd verslagen en op de vlucht achterhaald en gedood
+(197.)
+
+Albion, Alouion, Albion, oude inheemsche naam voor Britannia =
+bergland.
+
+Albis, rivier, thans Elbe geheeten. De Rom. leerden haar (9) onder
+Drusus kennen en zagen ze voor het laatst onder Tiberius (5 n. C.).
+
+Albogalerus, wit bonten of vilten muts van den flamen Dialis en andere
+priesters, uit het vel van een offerdier vervaardigd. Bovenaan zat
+eene soort van pompoen, bestaande uit een olijftakje, met een witten
+draad omwonden.
+
+Albula, oude naam van den Tiber.
+
+Albulae Aquae, zwavelbronnen in de vlakte halverwege tusschen Rome
+en Tibur, als herstellingsoord veel bezocht; v. s. was de voornaamste
+gewijd aan Albunea of Albuna (z. a.).
+
+Album, wit gekalkt of geverfd bord, bestemd om beschreven en
+tentoongesteld te worden. De merkwaardigste zijn: 1) album pontificum,
+waarop de annales maximi of kroniek van Rome werd geschreven
+(z. annales),--2) het album praetoris, waarop de praetor zijn edictum
+schreef,--3) het album senatorum, de senatorenlijst,--4) het album
+iudicum, waarop de jaarlijksche lijst der iudices was vermeld.
+
+Album Ingaunum en Album Intimilium, twee steden aan de ligurische kust,
+beide in later tijd municipia; het eerste = Albenga, het tweede ten
+oosten van Ventimiglia.
+
+Albunea, nymph van een zwavelbron bij Tibur, in wier heilig bosch zich
+een droomorakel van Faunus bevond. De domus Albuneae van Horatius is
+waarschijnlijk de Grotta di Nettuno, onder aan de watervallen van Tibur
+(Tivoli); de hoofdstroom van den Anio liep hier vroeger door. Albunea
+werd ook tot de Sibyllae gerekend. V. a. is zij de nymph van een der
+zwavelbronnen van Aquae Albulae (z. a.).
+
+Alburnus mons, boschrijk, woest gebergte achter Paestum, in Lucania.
+
+Albus Notus, Leukonotos Phoinikias, de Zuid-Oostenwind, zie
+Windstreken.
+
+Alcaeus, Alkaios, 1) zoon van Perseus en Andromeda, vader van
+Amphitryo.--2) = Alcides.--3) van Mytilene, lyrisch dichter omstreeks
+het einde der 7e eeuw. Hij streed mede in den oorlog tegen Athene om
+het bezit van Sigeum, maar liet eens zijne wapenen op het slagveld
+achter. Met meer standvastigheid, maar met weinig geluk, voerde hij,
+als lid van een edel geslacht en van de aristocratische partij,
+oppositie tegen de toen in zijne vaderstad heerschende democratie,
+en tegen de tyrannen Melanchrus (z. a.) en Myrsilus (z. a.), en toen
+Pittacus tot aisymnetes (z. a.) was aangesteld, moest hij met vele
+partijgenooten jaren in ballingschap leven, van welken tijd hij
+een deel in vreemden krijgsdienst doorbracht. Eene poging om met
+geweld terug te keeren mislukte; zelfs viel hij daarbij in handen
+van Pittacus, die hem echter vergiffenis en de vrijheid schonk; de
+laatste jaren van zijn leven heeft hij in Mytilene doorgebracht. Zijne
+gedichten, meestal in de naar hem genoemde alcaeïsche strophe
+geschreven, zijn grootendeels verloren; zooals de overblijfsels toonen,
+gaven zij met groote bevalligheid getuigenis van het hartstochtelijk
+karakter en de welgevestigde staatkundige overtuiging van den dichter;
+zij worden verdeeld in politieke gedichten, drink- en minneliedjes
+(stasiotika, sympotika, erotika) en hymnen op de goden. Horatius
+volgt hem bij voorkeur na.
+
+Alcamenes, Alkamenes, van Athene of Lemnus, beroemd beeldhouwer en
+bronsgieter, naar veler meening slechts door zijn leermeester Phidias
+overtroffen. Bij de opgravingen aan den tempel van Zeus te Olympia
+zijn belangrijke fragmenten van standbeelden gevonden, die vroeger
+ten onrechte voor werk van Alc. gehouden werden.
+
+Alcathoë, Alkathoe, 1) dochter van Minyas, koning van Orchomenus,
+z. Minyades.--2) z. Alcathoüs.
+
+Alcathoüs, Alkathoos, zoon van Pelops en Hippodamea, doodde op den
+Cithaeron een leeuw, die den zoon van koning Megareus verscheurd
+had; tot belooning hiervoor gaf de koning hem zijne dochter Euaechme
+tot vrouw en benoemde hij hem tot zijn opvolger. Hij herbouwde de
+muren van Megara, die door de Cretensers geslecht waren, met behulp
+van Apollo, die bij dit werk eens zijn lier op een steen nederlegde,
+waaruit sedert dien tijd bij elke aanraking de klank van het goddelijk
+instrument gehoord werd. Naar hem wordt de burcht van Megara Alcathoë,
+moenia Alcathoi genoemd. Alc. doodde later door een misverstand zijn
+zoon Callipolis, dien hij ten onrechte van gebrek aan eerbied voor
+de goden beschuldigde. Te Megara werd hij als halfgod vereerd, en
+werden te zijner eer spelen gevierd, Alkathoia genoemd.--2) Trojaan,
+die met een dochter van Anchises getrouwd was en Aeneas opvoedde. Bij
+de bestorming van het grieksche kamp werd hij door Idomeneus gedood.
+
+Alcestis, Alkestis, dochter van Pelias, de eenige die zich verzette
+tegen het plan van Medea om Pelias te verjongen. Later werd zij de
+vrouw van Admetus (z. a.), voor wien zij vrijwillig stierf. Om hare
+kinderlijke liefde en huwelijkstrouw, wordt zij als voorbeeld voor
+alle vrouwen genoemd.
+
+Alcetas, Alketas, naam van verscheiden Macedoniërs, o.a. van: 1)
+veldheer van Alexander d. G., broeder van Perdiccas. Toen deze gedood
+was (321), wist Alc. de Pisidiërs te bewegen hem in den strijd tegen
+de vijanden van het koninklijk huis bij te staan; bij den eersten
+slag leed hij echter de nederlaag en werd hij door eenige burgers
+van Termessus aan zijne vijanden verraden; om niet in hunne handen
+te vallen doodde hij zich zelf.--2) koning van Epirus (313-307). Hij
+werd door Cassander gesteund, maar zijne woestheid en wreedheid,
+waarom zijn vader hem van de regeering had willen uitsluiten,
+verbitterden zijn volk zoozeer, dat men hem doodde, en zijn neef
+Pyrrhus tot koning uitriep.
+
+Alcibiades, Alkibiades, Athener, zoon van Clinias en Dinomache,
+geb. omstreeks 450; nadat hij op driejarigen leeftijd zijn vader
+verloren had (gesneuveld bij Coronea, 447), werd hij door zijn voogd,
+den beroemden Pericles, opgevoed. Hij was een man van buitengewone
+schoonheid en geestesgaven, uiterst beminnelijk in den omgang
+en welsprekend, bovendien zeer rijk; in deze omstandigheden gaf
+hij aan zijn zucht om altijd op den voorgrond te treden in zijn
+jeugd toe door allerlei buitensporige en moedwillige streken. Zijn
+omgang met Socrates kon evenmin als zijn huwelijk met Hipparete,
+de dochter van den rijken Hipponicus, aan zijn losbandig leven een
+einde maken. Gedurende het eerste gedeelte van den peloponnesischen
+oorlog diende hij als ruiter; men verhaalt dat Socrates hem bij het
+beleg van Potidaea (432), hij daarentegen Socrates in den slag bij
+Delium (424) het leven gered had. Na den vrede van Nicias was hij
+het vooral, die steeds tot het hervatten der vijandelijkheden dreef,
+hetzij omdat hij inderdaad het voortzetten van den oorlog voor Athene
+voordeelig achtte, hetzij omdat hij het voor zijn eigen belangen meer
+geraden vond zich bij de oorlogspartij aan te sluiten, die sedert den
+dood van Cleon zonder leider was, terwijl Nicias aan het hoofd van de
+vredespartij stond. Door zijn toedoen dan sloot Athene een verbond met
+Argos, Mantinea en Elis (420), maar nadat de troepen dier bondgenooten
+bij Mantinea door de Lacedaemoniërs verslagen waren (418), kwam de
+oligarchische partij in de peloponnesische staten weder aan het roer,
+en werd het bondgenootschap met Athene opgezegd; twee jaar later werd
+het echter door bemiddeling van Alc. hernieuwd. Intusschen was uit
+Segesta een verzoek tot Athene gericht om bijstand tegen Syracuse, en
+Alc. die van zulk eene onderneming veel roem en voordeel verwachtte
+en misschien nog van verdere veroveringen droomde, wist het volk
+tot een krijgstocht tegen Sicilië over te halen in weerwil van den
+tegenstand van Nicias; hijzelf, Nicias en Lamachus werden tot strategen
+benoemd. Maar kort voor den dag, waarop de vloot zoude vertrekken,
+werden in een nacht al de Hermesbeelden in Athene omvergeworpen en,
+te recht of ten onrechte, Alc. werd van medeplichtigheid aan die daad,
+later ook van ontwijding der eleusinische mysteriën, beschuldigd. Hij
+verlangde dringend dat de zaak (Hermocopidenproces) nog voor zijn
+vertrek zoude behandeld worden, maar zijne vijanden, die zijn invloed
+vreesden, dreven door dat het gerechtelijk onderzoek tot na zijn
+terugkomst zou uitgesteld worden; zoodra hij echter vertrokken was
+(415), werden opnieuw geruchten verspreid, die weldra zulk een onrust
+bij het volk te weeg brachten, dat tot een onmiddellijk onderzoek
+besloten werd, en een schip werd uitgezonden om Alc. terug te
+halen. Hij begaf zich eerst aan boord, maar te Thurii gekomen, wist
+hij te ontsnappen. Toen hij nu vernam, dat hij in zijne afwezigheid
+ter dood veroordeeld was en zijne goederen verbeurd verklaard waren,
+begaf hij zich naar Sparta, waar hij weldra grooten invloed kreeg. Hij
+bewerkte dat van daar uit een leger onder aanvoering van Gylippus aan
+de Syracusanen te hulp gezonden werd (414), dat Decelea versterkt
+en door een spartaansch leger bezet werd (413), en bovenal dat een
+vloot werd uitgerust, waarmede hij zelf naar Azië zeilde om een
+verbond tusschen de Spartanen en Tissaphernes tot stand te brengen
+en de ionische steden tot afval van Athene te bewegen. Het duurde
+echter niet lang of zijn overwicht wekte de afgunst der spartaansche
+veldheeren op, vooral van koning Agis, die bovendien vermoedde dat hij
+zijne echtgenoote Timaea tot overspel verleid had, en spoedig wist men
+hem zoo verdacht te maken, dat hij naar Tissaphernes moest vluchten om
+zijn leven te redden (412). Hier bracht hij het door zijne raadgevingen
+zoo ver, dat Tissaphernes niet slechts veel minder ijver voor zijne
+lacedaemonische bondgenooten aan den dag legde, maar zelfs geneigd
+scheen de zijde van Athene te kiezen, terwijl Alc. onderhandelingen
+aanknoopte met de atheensche vloot die bij Samus lag, en beloofde een
+verbond met Tissaphernes, ja zelfs met den koning van Perzië tot stand
+te brengen, indien de democratische regeeringsvorm te Athene door eene
+oligarchische vervangen werd. Deze omwenteling had inderdaad plaats
+(z. tetrakosioi), maar was zoo weinig naar den zin van het leger op
+Samus, dat het in opstand kwam, Alc. uit de ballingschap terug riep,
+en hem met Thrasyllus en Thrasybulus tot aanvoerder verkoos. Alc.,
+die intusschen had ingezien, dat hij weinig kans had zijne beloften
+te kunnen nakomen, was met dezen loop van zaken zeer tevreden, en
+maakte zich reeds dadelijk verdienstelijk door te beletten dat men
+naar Athene trok om de oligarchen te verdrijven, die trouwens spoedig
+genoeg weder voor de democratie moesten plaats maken. Met Alc. scheen
+het geluk bij de atheensche wapenen teruggekeerd te zijn; hij overwon
+de Spartanen in verscheidene kleinere gevechten en in twee groote
+slagen bij Abydus en Cyzicus (411, 410), ontnam hun 200 schepen,
+en veroverde Byzantium, Chalcedon e. a. steden. Tissaphernes koos
+nu spoedig weder beslist de zijde der Spartanen en liet Alc. zelfs
+gevankelijk naar Sardes voeren, vanwaar deze echter na korten tijd
+ontsnapte. Eindelijk keerde hij naar Athene terug (407), waar hij met
+gejuich ontvangen en, na vernietiging van het over hem gevelde vonnis,
+tot opperbevelhebber van leger en vloot benoemd werd. Na dien tijd
+was hij echter minder gelukkig. Niet alleen mislukte hem een poging
+om Andrus te onderwerpen, maar zelfs verloor in zijne afwezigheid
+zijn onderbevelhebber Antiochus een zeeslag tegen Lysander, en het
+volk, dit aan de nalatigheid van Alc. toeschrijvend, verkoos andere
+strategen in zijn plaats. Alc. verdedigde zich niet en trok zich terug
+naar zijne bezittingen in de thracische Chersonesus. Toch bleef hij den
+loop der gebeurtenissen met belangstelling gadeslaan, en toen eenige
+jaren later de Spartanen oppermachtig geworden waren, achtten zij hem
+nog zoo gevaarlijk, dat hij reden had voor zijn leven te vreezen;
+hij begaf zich dus naar Pharnabazus om dezen, en zoo mogelijk den
+koning van Perzië, voor Athene te winnen, maar Pharnabazus, die eerst
+veel vriendschap voor hem getoond, had, gaf eindelijk, bevreesd voor
+de bedreigingen van Lysander, bevel hem te vermoorden. Zijn huis werd
+in brand gestoken en omsingeld, en toen hij zich uit de vlammen wilde
+redden, werd hij van alle kanten met pijlen neergeschoten (404).
+
+Alcidamas, Alkidamas, van Elaea, in Aeolis, tijdgenoot van Isocrates,
+leerling van Gorgias en leeraar der welsprekendheid. Eene redevoering
+van hem en enkele fragmenten zijn bewaard.
+
+Alcides, Alkeides, oorspronkelijke naam van Heracles (z. a.).
+
+Alcimede, Alkimede, dochter van Phylacus en Clymene, moeder van Iason.
+
+Alcinous, Alkinoos, kleinzoon van Poseidon, koning der Phaeaciërs op
+het eiland Scheria of Drepane. Hij nam Odysseus gastvrij op en zond
+hem met vele geschenken naar zijn vaderland terug. Ook de Argonauten
+werden op hun terugtocht zeer goed door hem ontvangen, en hij weigerde
+Medea uit te leveren aan de Colchiërs, die haar uit naam van haar vader
+kwamen opeischen. Daar zij niet naar hun vaderland durfden terugkeeren,
+bleven de colchische afgezanten toen bij de Phaeaciërs wonen.
+
+Alciphron, Alkiphron, grieksch sophist, die in het laatste gedeelte
+der 2de eeuw n. C. leefde. In den vorm van brieven, die door taal
+en stijl uitmunten, heeft hij belangrijke schetsen van de toenmalige
+toestanden te Athene nagelaten.
+
+Alcmaeon, Alkmaion, Alkmeon, 1) zoon van Amphiaraus en
+Eriphyle. Evenals Eriphyle zich door het halssnoer van Harmonia
+had laten omkoopen om Amphiaraus te bewegen aan den tocht der zeven
+tegen Thebe deel te nemen, zoo was de peplos van Harmonia de prijs,
+waarvoor zij Alcm. overreedde met de Epigonen mede te trekken. Als een
+der aanvoerders verrichtte Alcm. vele dappere daden en Thebe moest
+dezen keer vallen. Zijn vader, die zijn eigen lot voorzien had, had
+echter voor hij ten strijde trok aan zijne zonen Alcm. en Amphilochus
+opgedragen hem op hun moeder te wreken, en nadat Alcm. zelf uit den
+oorlog teruggekomen was en een orakel hem bevolen had de opdracht zijns
+vaders uit te voeren, te meer daar zijne moeder ook hem aan hetzelfde
+gevaar had blootgesteld, doodde hij Eriphyle. Terstond maakten zich
+de wraakgodinnen van hem meester; door haar vervolgd, zwierf hij
+in waanzin rond, zonder ergens rust te vinden. Eindelijk kwam hij
+in Psophis bij koning Phegeus, die hem van zijne schuld trachtte
+te zuiveren en hem zijne dochter Alphesiboea of Arsinoë tot vrouw
+gaf. Doch de middelen door Phegeus aangewend, vermochten op den duur
+niet de wraakgodinnen van Alcm. af te houden, zijn waanzin keerde terug
+en weder zwierf hij rond, nu zonder hoop ooit rust te vinden, daar een
+orakel hem gezegd had, dat dit alleen zou kunnen geschieden wanneer
+hij een plek vond, die tijdens zijn misdaad nog niet door de zon
+beschenen was. Eindelijk echter vond hij die plek, het was de grond,
+die sedert den moord aan de monding van den Achelous aangeslibd was,
+de Echinades. Hier vestigde hij zich en trouwde hij met Callirrhoë,
+de dochter van den riviergod. Nadat hij eenigen tijd hier rustig
+geleefd had, verzocht zijne gemalin hem het halssnoer en den sluier
+voor haar te halen, die op zijn leven van zooveel invloed geweest
+waren. Hij gaf toe aan haar dringend verlangen en trok naar Psophis,
+waar hij die sieraden van zijn eerste vrouw terugnam, zeggende dat hij
+ze aan Apollo wilde wijden. Nauwelijks had Phegeus echter bemerkt dat
+dit slechts een voorwendsel was, of hij zond zijne zonen om Alcm. te
+vervolgen; zij haalden hem in en doodden hem. De zonen van Alcm. en
+Callirrhoë, Acarnan en Amphoterus, wreekten later den moord van hun
+vader. V. s. had Alcm. bij Manto, de dochter van Tiresias, een zoon
+en een dochter, die hij aan Creon, den koning van Corinthe, gaf om
+op te voeden. Uit jaloerschheid liet de vrouw van Creon het meisje,
+toen zij volwassen was, als slavin verkoopen en zoo kwam zij onbekend
+toevallig bij haar vader. Alcm. had te Thebe een tempel waar hij als
+halfgod vereerd werd.--2) achterkleinzoon van Nestor, die bij den
+inval der Doriërs in de Peloponnesus naar Athene uitweek; hij was de
+stamvader der Alcmaeoniden.--3) atheensch archont, de laatste die voor
+zijn leven tot deze betrekking verkozen werd (752).--4) van Croton,
+schrijver van geneeskundige werken in de 5de eeuw.
+
+Alcmaeonidae, Alkmaionidai, Alkmeonidai, een rijke en aanzienlijke
+familie in Athene, afstammend van Alcmaeon no. 2. Zij zijn vooral
+bekend door de oppositie, die zij voerden tegen de alleenheerschappij
+der Pisistratiden, waarbij Megacles hun aanvoerder was. Toen zij door
+Pisistratus verbannen waren, wisten zij de priesters van Delphi voor
+hunne belangen te winnen door den herbouw van den tempel, die kort
+te voren was afgebrand, aan te nemen, en hem, gedeeltelijk op hun
+eigen kosten, veel prachtiger te herstellen, dan hij te voren geweest
+was. Van Delphi ging dan ook sedert herhaaldelijk eene aansporing
+tot de Spartanen uit, om Athene van de tyrannen te bevrijden, waaraan
+eindelijk ook gehoor gegeven werd (z. Cleomenes en Hippias). Ook te
+voren hadden de Alcmaeoniden eenigen tijd in ballingschap doorgebracht,
+omdat zij, naar men beweerde, eenige aanhangers van Cylon bij de
+altaren der goden gedood hadden. Hoewel deze ballingschap niet van
+langen duur geweest kan zijn, werd de familie toch altijd door die
+heiligschennis bezoedeld geacht, en werd den Atheners meermalen hun
+verblijf in de stad verweten. Ook Clisthenes was een Alcmaeonide en
+Alcibiades en Pericles waren van moederszijde met hen verwant.
+
+Alcman, Alkman, een der oudste grieksche lierdichters, Ioniër uit
+Sardes, werd krijgsgevangene en kwam als slaaf naar Sparta, maar
+werd daar vrijgelaten en schijnt zelfs onder de burgers opgenomen te
+zijn. Hij leefde omstreeks 620. Van zijne gedichten, die in een met
+aeolische en epische vormen gemengd dorisch dialect geschreven waren,
+is slechts weinig over. Hij is vooral bekend om zijne Parthenia,
+liederen voor meisjeskoren, waarvan er één bewaard is.
+
+Alcmene, Alkmene, Alcumena, dochter van Electryon, koning van
+Mycenae. Zij was gehuwd met Amphitryo, en terwijl deze buitenslands
+oorlog voerde, werd zij door Zeus, die de gedaante van haar echtgenoot
+had aangenomen, bezocht en zoo werd zij moeder van Heracles; bij
+Amphitryo, die den volgenden dag terugkeerde, kreeg zij een zoon
+Iphicles. Bij de geboorte van Heracles, had zij veel van den haat van
+Hera te lijden. Na den dood van Amphitryo huwde zij met Rhadamanthys,
+met wien zij ook op de eilanden der gelukzaligen vereenigd gedacht
+wordt. Toen haar zoon gestorven was, moest zij voor Eurystheus
+vluchten, zij kwam naar Athene, maar ging later naar Thebe terug waar
+zij in hoogen ouderdom stierf. Te Thebe en ook te Athene genoot zij
+goddelijke eer.
+
+Alcyone, Alkyone, 1) dochter van Aeolus en Enarete, gehuwd met
+Ceyx. Dit huwelijk was zeer gelukkig, maar in hun trots noemden zij
+elkander Zeus en Hera; tot straf hiervoor werd hij in een zeemeeuw,
+zij in een ijsvogel veranderd.--V. a. kwam Ceyx bij een schipbreuk om,
+en stortte Alc. zich uit wanhoop in zee, waarop beiden in ijsvogels
+veranderd werden. Wanneer deze vogel broedt, omstreeks een week voor
+en een week na den kortsten dag, laat Aeolus alle winden rusten,
+vandaar heeten die dagen Alcyonii dies, Alkyonides hemerai, welke naam
+overdrachtelijk gegeven wordt aan een rustigen, gelukkigen tijd.--2)
+eene van de Pleiaden, bij Poseidon moeder van Hyrieus.
+
+Alcyoneus, Alkyoneus, 1) een van de Giganten, die Heracles op de
+landengte van Corinthe of op het schiereiland Pallene aanviel, toen
+hij met de runderen van Geryones daar langs kwam. Met een rotsblok
+verpletterde hij 24 van Heracles' makkers en 12 van zijne wagens,
+maar toen hij het rotsblok tegen hemzelf slingerde, sloeg Heracles het
+met zijn knots terug, en doodde hem met denzelfden slag.--2) zoon van
+Diomus en Meganira. Hij werd door het lot aangewezen om volgens een
+orakel ten offer gebracht te worden aan een monster, dat de omstreken
+van den Parnassus verwoestte, maar toen hij bekranst naar het hol van
+het monster gebracht werd, ontmoette hem Eurybatus, die, door zijne
+schoonheid getroffen, besloot zich in zijne plaats op te offeren. Hij
+ging in het hol, greep het monster en stortte het in de diepte.
+
+Alcyonium mare, Alkyonis thalatta, ook Alcyonius sinus genoemd,
+noordoostelijke inham der Corinthische golf.
+
+Alea, Alea, bijnaam der godin Athena, onder welken naam zij vooral
+in de stad Alea, in Arcadia, ten Z. van Stymphalus gelegen, maar ook
+elders vereerd werd.
+
+Alea. Het dobbelspel was bij de Romeinen zeer in zwang. Men speelde
+met tesserae en met tali. De tesserae waren gewone dobbelsteenen;
+men wierp met drie steenen tegelijk. De tali waren aan twee zijden
+afgerond, en vertoonden alleen de getallen 1, 3, 4, 6. Men wierp met
+vier zulke steenen. De beste worp was de iactus Venereus, wanneer al
+de steenen verschillende cijfers aanwezen. De slechtste worp was alle
+éénen en werd canis genoemd.
+
+Alecto, Alekto, eene der drie Erinyen.
+
+Alectryon, Alektryon, dienaar van Ares, die op den uitkijk stond als
+de god Aphrodite bezocht. Eens viel hij in slaap, zoodat de minnenden
+door Helius ontdekt konden worden. Tot straf hiervoor werd hij in
+een haan veranderd.
+
+Aleïus campus, Aleion pedion, waar Bellerophon in zijne zwaarmoedigheid
+ronddoolde. Homerus plaatst deze uitgestrekte vlakte in Lycia; zij ligt
+echter tusschen den Sarus en den Pyramus, twee rivieren van Cilicia.
+
+Alemanni, Alamanoi, groote volkerenbond, uit germaansche stammen
+van zuidwestelijk Duitschland bestaande, waarvan de Suevi (Zwaben)
+het hoofdvolk waren. In 213 na C. kwamen zij onder dezen bondsnaam
+voor het eerst met de Romeinen in botsing en liet keizer Caracalla
+zich v. s. den bijnaam Alemannicus geven naar de overwinning, die hij
+over hen behaald had. In werkelijkheid nam hij den bijnaam Germanicus
+aan. Sedert hadden de Romeinen veel last van hunne invallen in de agri
+decumates. In de tweede helft van de 3de eeuw bezetten zij de geheele
+streek binnen den limes (z.a.), en in de 4de eeuw ook den Elzas.
+
+Aleria, Aleria, vroeger Alalia, Alalie geheeten, volksplanting der
+Phocaeërs op Corsica (565), in den eersten punischen oorlog door de
+Romeinen veroverd (259), onder Sulla kolonie.
+
+Alesa, zie Halesa.
+
+Alesia, vesting in het kleine gebied der Mandubii, aan den zuidkant van
+het tegenwoordige plateau van Langres. Zij is bekend door het beroemde
+beleg in den strijd van Caesar tegen den grooten gallischen aanvoerder
+Vercingetorix (in 52). Na de inneming verwoestten de Romeinen de stad;
+zij werd echter later herbouwd (thans Alise-Ste-Reine).
+
+Alesus, zie Halesus.
+
+Aletes, Aletes, 1) zoon van Aegisthus. Op het bericht dat Orestes in
+het land der Tauri aan Artemis geofferd was, maakte hij zich van de
+regeering over Mycenae meester, maar bij de terugkomst van Orestes werd
+hij gedood.--2) zoon van Hippotas, die bij den inval der Heracliden
+de Sisyphiden uit Corinthe verdreef en daar zelf koning werd.
+
+Aletrium, zie Alatrium.
+
+Aleuadae, Aleuadai, afstammelingen van Aleuas, een Heraclide, die
+zich van de heerschappij over Larissa meester maakte en om zijne
+wreedheid door zijn eigen volk gedood werd. De Aleuaden waren lang het
+machtigste vorstengeslacht van Thessalië (tagoi, z. tagos), totdat
+de tyrannen van Pherae zich verhieven; in de twisten die tusschen
+de beide familiën ontstonden, werd nu eens de hulp der Macedoniërs,
+dan die der Thebanen ingeroepen, totdat Philippus in 356 Thessalië
+tot een macedonische provincie maakte, waarbij hij de Aleuaden door
+vele onderscheidingen voor zich won.
+
+Alexander, Alexandros, 1) = Paris.--2) neef van den tyran Polyphron
+van Pherae, dien hij doodde en wiens opvolger hij werd, 369. Zijne
+wreedheid en trouweloosheid noodzaakte de thessalische steden
+meermalen de hulp van Macedonië en Thebe in te roepen. Eerst werd hij
+door Pelopidas tot een meer gematigde regeering gedwongen; later,
+toen hij Pelopidas en andere Thebanen trouweloos gevangen genomen
+had, dwong Epaminondas hem de gevangenen los te laten; ten derden
+male trok Pelopidas tegen hem op en overwon hem in den slag bij
+Cynoscephalae (364). In 358 werd hij op aandrijven zijner gemalin
+Thebe door hare broeders vermoord.--3) Al. I, koning van Epirus. Met
+behulp van zijn zwager Philippus van Macedonië verdreef hij zijn oom
+en zijn neef (342) en maakte hij zich van de regeering meester. Toen
+zijne zuster Olympias door Philippus verstooten was, vluchtte zij tot
+hem en trachtte zij hem tot een oorlog aan te sporen, maar Philippus
+bevredigde hem door hem zijne dochter Cleopatra tot vrouw te geven. In
+332 werd hij door de Tarentijnen tegen de Bruttiërs en Lucaniërs te
+hulp geroepen, in 331/330 verloor hij een slag bij Pandosia en kwam
+hij in de rivier Acheron om.--4) Al. II, koning van Epirus, zoon
+en opvolger van Pyrrhus 272-ong. 250; hij maakte zich voor korten
+tijd van Macedonië meester, maar werd spoedig door Demetrius, een
+broeder van Antigonus Gonatas van daar en zelfs uit Epirus verdreven,
+totdat hij bij een opstand der Epiroten teruggeroepen werd. Hij
+stierf omstreeks 250.--5) Al. I, koning van Macedonië 498-454, zoon
+en opvolger van Amyntas I. Bij Xerxes' inval in Griekenland werd
+Al. gedwongen zich bij diens leger aan te sluiten; toch trachtte hij
+heimelijk de Grieken te helpen.--6) Al. II, koning van Macedonië, zoon
+en opvolger van Amyntas II. Na eene regeering van twee jaren werd hij
+door zijn stiefbroeder Ptolemaeus Alorites gedood (369).--7) Al. III
+de Groote, koning van Macedonië, geb. 356, volgde zijn vader Philippus
+in 336 op. Hij was opgevoed eerst door den ruwen krijgsman Leonidas,
+daarna door den hoveling Lysimachus, eindelijk sedert zijn 13de jaar
+door den beroemden wijsgeer Aristoteles. Reeds vroeg had Al. blijken
+gegeven van ontembare eerzucht, van streven naar het buitengewone en
+bovenal van grooten persoonlijken moed; Homerus was zijn geliefkoosde
+dichter en Achilles zijn ideaal. Geen wonder, dat de twintigjarige
+jongeling, die zich reeds bij het leven van Philippus o. a. in den
+slag bij Chaeronea onderscheiden had, zoodra hij den troon besteeg,
+besloot het plan van zijn vader, de verovering van het perzische
+rijk, tot uitvoering te brengen, al moest hij ook voorshands zijne
+krachten wijden aan de bevestiging zijner regeering tegen binnen- en
+buitenlandsche vijanden. Terwijl hij zijn oom Attalus en anderen, die
+hem de heerschappij konden betwisten, uit den weg liet ruimen, trok hij
+kort na den dood van zijn vader naar Griekenland, waar in verschillende
+steden anti-macedonische bewegingen hadden plaats gehad, en bewerkte
+hij door zijn krachtig optreden, dat hij door de Amphictyonen en later
+op een congres op de landengte van Corinthe door alle grieksche staten,
+behalve Sparta, erkend en tot opperbevelhebber in den oorlog tegen
+Perzië verkozen werd. Na zijn terugkomst in Macedonië hield Al. zich
+bezig met de onderwerping der ten noorden van zijn rijk wonende
+barbaren, Triballers, Geten, Illyriërs, enz., die op het bericht van
+den dood van Philippus opgestaan waren. Velen in Griekenland koesterden
+de hoop dat Al. nooit van deze moeielijke en gevaarlijke tochten naar
+ver verwijderde landen zou terugkeeren, en toen het gerucht van zijn
+dood verspreid werd, vond het dan ook gereedelijk geloof. Maar toen
+op dit gerucht in de meeste staten nieuwe bewegingen ontstonden,
+verscheen Al. plotseling, voordat iemand het mogelijk had geacht,
+in Griekenland, en rukte voor Thebe, van waar de macedonische
+bezetting verdreven was; na een kort beleg werd de stad bestormd,
+ingenomen en volgens besluit der boeotische steden verwoest, waarbij
+alleen de tempels en het huis van Pindarus gespaard werden. Daarop
+onderwierpen zich ook de andere grieksche staten (335). In Macedonië
+teruggekeerd, besteedde de koning den winter met ijverige toerustingen
+voor den tocht naar Azië, en in het voorjaar van 334 trok hij over
+den Hellespont met een klein, doch geoefend leger (± 40.000 man),
+aangevoerd door bekwame officieren, en met een vloot van 160 schepen,
+terwijl Antipater in Macedonië achtergelaten werd om Griekenland en
+de noordelijke barbaren in bedwang te houden. De eerste ontmoeting
+met de vijanden had plaats aan de rivier den Granicus, waarvan de
+overzijde door een aanzienlijke perzische macht bezet gehouden werd;
+niettemin trok Al. met geweld er over, versloeg de Perzen en ook hunne
+grieksche huurtroepen en won met dien slag geheel Klein-Azië tot het
+Taurusgebergte; wel verdedigde Miletus zich eenigen tijd en vorderde de
+inneming van Halicarnassus zelfs een vrij lang beleg, maar de overige
+grieksche steden ontvingen Al. vrijwillig of na korten tegenstand,
+toen hij langs de kust naar het Zuiden en terug door Lycië, Pamphylië
+en Pisidië naar Gordium, de oude hoofdstad van Phrygië, trok. In het
+voorjaar van 333 van daar opgebroken, ging hij door Paphlagonië en
+Cappadocië naar Cilicië, en toen Darius zelf hem daar trachtte tegen
+te houden, versloeg hij in November bij Issus diens leger van 600,000
+(?) man, nog versterkt door 30,000 grieksche huurlingen, in weerwil
+van hun dapperen tegenstand. Na deze overwinning, waarbij een rijke
+buit en ontelbare gevangenen, o.a. de moeder, vrouw en twee dochters
+van Darius in handen der Macedoniërs vielen, veroverde Al. Syrië en
+Phoenicië, waar Tyrus hem echter hardnekkig weerstand bood, zoodat hij
+die stad eerst na een merkwaardig beleg van zeven maanden kon innemen
+(332); evenzoo verdedigde zich Gaza geruimen tijd. In Aegypte werd
+Al. daarentegen met open armen ontvangen. Van hier ondernam hij een
+tocht door de libysche woestijn naar het orakel van Zeus Ammon, wiens
+priester hem als een zoon van dien god begroette, en trok daarna naar
+Azië terug. Zonder moeilijkheden ging hij over den Euphraat en den
+Tigris, maar in de vlakte van Babylon ontmoette hij weder Darius met
+zijn leger, dat nu uit 1,000,000 (?) man voetvolk en 40.000 ruiters
+bestond; hoewel Al.'s leger nog geen 50,000 man sterk was, waagde
+hij den aanval en behaalde hij in den slag bij Arbela en Gaugamela
+(30 Sept. 331) de beslissende overwinning, die hem tot heer van Azië
+maakte. Darius vluchtte naar Ecbatana, en toen verscheiden satrapen
+zich bij den overwinnaar aansloten, en Al., na de onderwerping van
+Susiana, de Uxiërs en Persis, ook naar Medië oprukte, trok hij zich
+terug naar Bactrië, maar werd op weg door een van zijne satrapen,
+Bessus, die den titel van koning en den naam van Artaxerxes IV
+aannam, gevangen genomen. Toen Al. dit vernam, vervolgde hij Bessus
+met versnelde marschen, en daar deze zich niet in staat zag met den
+gevangen koning snel genoeg weg te komen, liet hij Darius, na hem
+doodelijk verwond te hebben, op weg achter. De meeste perzische en
+medische satrapen onderwierpen zich nu, en nadat Al. nog een tocht naar
+Hyrcanië ondernomen en een opstand in Aria bedwongen had, vervolgde
+hij Bessus, die eerst naar Sogdiana, later over den Oxus gevlucht was,
+maar daar gevangen genomen en later aan een rechtbank ter veroordeeling
+gegeven werd. De verovering van Bactrië en Sogdiana, waar een groot
+aantal sterke vestingen één voor één genomen moesten worden, nam nog
+geruimen tijd in beslag, en eerst in 327 kon Al. den veldtocht naar
+Indië ondernemen. In weerwil van groote moeilijkheden trok hij met
+een leger van 120,000 man, waaronder vele Aziaten, over den Indus,
+Hydaspes, Acesines en Hydraotes, en ofschoon hij menigmaal hevig
+verzet moest overwinnen, onderwierp hij alles op zijn weg. Eindelijk
+bereikte hij den Hyphasis; hijzelf had gaarne zijne tochten nog verder
+uitgestrekt, maar nu bleek het onmogelijk den onwil van zijn leger
+tegen verdere ondernemingen te overwinnen; zelfs zijne bedreiging,
+dat hij alleen met de goedgezinden over de rivier zou gaan en de
+anderen aan hun lot overlaten zou, had geene uitwerking, en toen
+nu ook de offerteekenen ongunstig waren, gaf hij toe. Nadat hij tot
+den Hydaspes teruggetrokken was, ging hij verder met een vloot van
+2000 schepen, die onder het bevel van Nearchus stond, de rivier af,
+tot aan den mond van den Indus, terwijl het grootste gedeelte van
+het leger langs de beide oevers marcheerde. De aan de rivier wonende
+volken onderwierpen zich, alleen bij de Malli vond Al. tegenstand,
+die eerst door de bestorming hunner hoofdstad gebroken werd. Nadat in
+Augustus 325 de mond van den Indus bereikt was, zeilde de vloot naar
+de perzische golf, terwijl de koning met het leger door Gedrosia naar
+Carmania trok, waar hij na een tocht van zestig dagen door de gloeiende
+zandwoestijn, en nadat een niet gering deel van het leger ten gevolge
+van hitte, vermoeienissen en gebrek omgekomen was, behouden aankwam,
+en waar hij ook Nearchus met de vloot aantrof. Hier zoowel als in
+Persis, te Susa, Ecbatana en Babylon werden groote feesten gegeven,
+de soldaten rijk begiftigd, de satrapen bestraft, die zich veelal,
+daar niemand gedacht had, dat Al. ooit uit Indië terug zou komen,
+aan onderdrukking en afpersing schuldig gemaakt hadden, kortom alles
+gedaan wat Al. dienstig achtte tot de bevestiging der eenheid tusschen
+de door hem geregeerde volken. Maar terwijl hij zich te Babylon met
+groote plannen voor de toekomst bezig hield,--hij wilde Arabië en ook
+Italië veroveren, groote vloten bouwen, enz.--werd hij door een ziekte
+overvallen, die in weinige dagen (Juni 323) een einde aan zijn leven
+maakte. Hij was slechts 33 jaar oud geworden, en stierf zonder een
+rechtstreekschen opvolger na te laten. Zijn uitgestrekt rijk werd na
+zijn dood de twistappel tusschen zijn voornaamste veldheeren en werd
+eindelijk onder hen verdeeld, wat te gemakkelijker was, daar Al. zijn
+ideaal, de versmelting van Grieken en barbaren tot één volk, slechts
+voor een klein gedeelte bereikt had. Met dit oogmerk waren door hem
+in verschillende deelen van het rijk nieuwe steden gesticht, meest
+Alexandria genaamd, die, door Grieken en Macedoniërs bevolkt, zoowel
+moesten dienen om het overwonnen land in bedwang te houden, als om
+grieksche beschaving onder de onderworpen volken te verspreiden. De
+voornaamste van deze, Alexandrië in Aegypte, werd na den val van
+Tyrus spoedig, zooals de stichter ook bedoeld had, een middelpunt van
+den wereldhandel en bleef lang eene van de belangrijkste steden der
+oude wereld. Eveneens om de gelijkheid tusschen zijne onderdanen tot
+stand te brengen, liet Al. reeds kort na den dood van Darius Aziaten
+in zijne legers inlijven en op dezelfde wijze als de Macedoniërs
+wapenen en oefenen, een maatregel die, zooals te begrijpen is,
+bij Grieken en Macedoniërs hevige ontevredenheid verwekte, en toen
+kort voor Al.'s dood te Opis van alle kanten van deze nieuwe troepen
+aangebracht werden en de oude en onbruikbaar geworden soldaten naar
+huis teruggezonden zouden worden, kwam het tot openlijk verzet (324),
+waarbij de koning groote vastheid moest toonen om den weerspannigen tot
+onderwerping aan zijn wil te brengen. In weerwil van dit voorval en
+van de weigering der troepen om hun aanvoerder ook over den Hyphasis
+te volgen, kan men zeggen dat Al. bij zijne soldaten zeer bemind
+en hoog geëerd was. Niet in dezelfde mate was dit echter het geval
+bij de hoogere officieren, die meer persoonlijk met hem in aanraking
+kwamen, daardoor de minder aangename zijden van zijn karakter beter
+kenden, en zich bovendien door Al.'s streven meermalen in hun trots
+en in hunne belangen gekrenkt achtten. Inderdaad valt het niet te
+ontkennen, dat Al., in zijn ijver om zijne nieuwe onderdanen niet
+bij de oude achter te stellen, dikwijls meer aandacht aan de nieuwe
+dan aan de oude schonk; het kon Grieken en Macedoniërs niet anders
+dan onaangenaam aandoen, dat Al., die vroeger steeds de grieksche
+afkomst van het macedonische koningshuis op den voorgrond gesteld had,
+later de perzische teekenen der koninklijke waardigheid aannam; zijne
+beweerde afkomst van Zeus Ammon kon door hen niet worden aangenomen,
+zijne pogingen tot invoering der proskynesis konden bij hen geen
+gunstig onthaal vinden. Zoo ontstond er dikwijls ontevredenheid in de
+omgeving des konings, ja zelfs hoorde men nu en dan van samenzweringen,
+die dan met gestrengheid onderdrukt en met den dood der verdachten
+bestraft werden. Ten gevolge van zulke geruchten werden in 330 Philotas
+en zijn oude vader Parmenio, beiden zeer verdienstelijke officieren,
+in 327 verscheiden adellijke jongelieden en de wijsgeer Callisthenes
+gedood. Doch in het veld wist Al. door zijn persoonlijken moed en
+door zijn dikwijls grootmoedig gedrag tegenover overwonnen vijanden
+aller liefde en bewondering te winnen, en meer dan eens bleek het, dat
+zijne vrienden niet schroomden, wanneer hij zich al te zeer in gevaar
+begeven had, hun leven voor het zijne te wagen. Want het is licht te
+begrijpen, dat Al. bij zijne vele veldtochten dikwijls in levensgevaar
+kwam; reeds bij den Granicus redde Clitus, dezelfde dien hij later in
+dronkenschap doodde, hem het leven, door een perzisch ruiter den arm
+af te houwen, die reeds het zwaard boven Al.'s hoofd opgeheven had;
+bij het beleg van Gaza kreeg hij een vrij zware wond in den schouder,
+en bij de bestorming van de hoofdstad der Malli, toen hij bij het
+breken van een stormladder zich met slechts zeer enkelen boven op
+den muur der vijanden bevond en, van alle kanten beschoten, geen
+andere keus had, dan van den muur in de stad te springen, kreeg hij
+een zeer gevaarlijke wonde in de borst en werd hij door Peucestes en
+Leonnatus nauwelijks levend uit de handen der vijanden gered. Van zijn
+kant gaf Al. menigmaal aan zijne vrienden blijken van gehechtheid en
+waardeering; het is zelfs niet onmogelijk dat het wel wat overdreven
+verdriet, waarvan hij blijken gaf na den dood van Hephaestion,
+die kort voor hem overleed, zijn eigen dood verhaast heeft. Maar
+meer dan dit, en misschien meer dan de buitengewone vermoeienissen,
+waaronder Al. bijna zijn geheel leven had doorgebracht, hadden de
+zwelgpartijen, waaraan hij zich in zijne latere levensjaren meer en
+meer overgaf, zijne lichaamskracht ondermijnd, en zoo stierf hij in
+den bloei van zijn leven aan eene ziekte, die aanvankelijk blijkbaar
+niet van ernstigen aard was. Hij had drie aziatische vrouwen: Roxane,
+Barsine, de oudste dochter van Darius, en Parysatis; van deze bracht
+eerstgenoemde eenige maanden na zijn dood een zoon ter wereld, die naar
+zijn vader Alexander genoemd werd.--8) Al. Aegus, zoon van Alex. den
+G. en Roxane, eenige maanden na den dood van zijn vader geboren. Hij
+werd tot koning uitgeroepen, en onder voogdij van Perdiccas, daarna
+van Pithon, eindelijk van Antipater geplaatst. Antipater leverde in
+320 hem met zijne moeder aan Philippus Arrhidaeus uit. In het volgende
+jaar stierf Antipater en vluchtte Roxane met haar zoontje naar Epirus
+tot hare schoonmoeder Olympias, maar later vielen zij weder in handen
+van Cassander, die in 311 beiden in de gevangenis liet vermoorden.--9)
+Al. Lyncestes, schoonzoon van Antipater, de eenige der deelnemers
+aan de samenzwering tegen Philippus, die, door Alexander terstond
+als koning te huldigen, zijn leven redde. Toen Al. naar Azië trok,
+werd hij aanvoerder der thessalische ruiterij. Toch werd hij ook later
+betrapt op onderhandelingen met Darius en van 334 gevangen gehouden,
+totdat hij in 330, naar men zeide op aandringen van het leger,
+gedood werd.--10) zoon van Cassander en Thessalonica, vluchtte nadat
+zijne moeder door zijn broeder Antipater gedood was, naar Pyrrhus van
+Epirus; met diens hulp en met die van Demetrius Poliorcetes verjoeg
+hij Antipater. Toen Demetrius echter ook na Antipater's dood Macedonië
+niet wilde verlaten, trachtte Al. hem uit den weg te ruimen, maar
+Demetrius was vlugger en doodde hem in 294 bij een gastmaal.--11)
+Al. I Balas, een man van lage afkomst, gaf zich voor een zoon van
+Antiochus IV Epiphanes uit en nam, met goedvinden van den romeinschen
+senaat, in 150 den troon van Syrië in bezit, nadat hij Demetrius Soter,
+een neef van Antiochus, overwonnen had. In 145 werd hij echter door
+diens zoon, Demetrius Nicator, verdreven en kort daarna vermoord.--12)
+Alexander II Zabina (de slaaf), zoon van een aegyptisch koopman, gaf
+zich voor een aangenomen zoon van Antiochus Sidetes uit en maakte
+zich in 128 van den syrischen troon meester, maar werd in 122 door
+Antiochus Grypus verslagen, door zijn volk verlaten en op last van den
+overwinnaar gedood.--13) Al. Helius, zoon van M. Antonius en Cleopatra,
+met zijne zuster Cleopatra door Octavia, de verlaten gemalin van
+Antonius, opgevoed.--14) Al. Aetolus, treurspeldichter uit Pleuron,
+de eenige aetolische dichter (bloeitijd ongeveer 280); hij was onder
+Ptolemaeus Philadelphus aan de alexandrijnsche bibliotheek geplaatst
+en werd onder de tragische pleias opgenomen. Ook dichtte hij elegieën,
+waarvan nog eenige schoone fragmenten bestaan.--15) Al. Polyhistor,
+geb. te Myndus in Carië, onderwezen te Pergamus, kwam als
+krijgsgevangene naar Rome, doch werd door Cornelius Lentulus,
+v. a. door Sulla, vrijgelaten (82), later werd hij de leermeester van
+M. Crassus, dien hij op al zijne tochten vergezelde. Van zijne zeer
+talrijke geschriften, voornamelijk van geschied- en aardrijkskundigen
+inhoud, is niets behouden.--16) peripatetisch wijsgeer, geb. te Aegae,
+leermeester van Nero.--17) van Abonitichos (z. a.), de leugenprofeet
+door Lucianus gehekeld.--18) ho exegetes, zoo genoemd als verklaarder
+en verdediger der leer van Aristoteles. Hij was geboren te Aphrodisias
+in Carië en leefde onder Septimius Severus. Zijne werken zijn
+grootendeels in latijnsche vertaling bewaard gebleven.--19) Alexander
+Severus, Romeinsch keizer, z. Severi no. 2.
+
+Alexandra = Cassandra.
+
+Alexandria, Alexandreia. Er zijn niet minder dan tien steden van
+dezen naam bekend, die alle haar ontstaan aan Alexander den Grooten
+te danken hebben. De beroemdste is
+
+1) Alexandria in Aegypte, volgens het plan van den bouwmeester
+Dinocrates (v. a. Dinochares) in den winter van 332/1 op de smalle
+landtong tusschen het mareotische meer en de middellandsche zee
+gebouwd en dus uitstekend voor handel en verkeer gelegen. De stad had
+een langwerpigen vorm, met rechte straten, die elkander rechthoekig
+kruisten. De beide hoofdstraten, met vierdubbele zuilengangen
+versierd, waren 14 meter breed. Hoewel in Aegypte gelegen en onder
+de Ptolemaeën tot den zetel der regeering verheven, was Alexandrië
+volstrekt geene aegyptische stad, maar eene wereldstad, waar
+het grieksche en het joodsche element het meest vertegenwoordigd
+waren. In het zuidwestelijke gedeelte, Rhacotis geheeten, woonde
+de lagere volksklasse; daar vond men de acropolis en den beroemden
+Serapis-tempel. De joden woonden meest in het noordoostelijk gedeelte,
+terwijl het middengedeelte, Bruchium, het grieksche kwartier was,
+waar men het koninklijk paleis, het gymnasium, het stadium, het museum
+en andere openbare gebouwen vond. Een dam van zeven stadiën lengte,
+heptastadion, liep van de stad naar het eilandje Pharus, op welks
+ééne punt de beroemde vuurtoren stond, die in 283 door Ptolemaeus
+Philadelphus was gebouwd en voor een van de zeven wonderen der
+wereld gold. Ter weerszijden van het Heptastadium lagen twee havens:
+de westelijke werd Portus Eunostus (Eunostos, haven der behouden
+terugkomst) geheeten, en had nog eene binnenkom, kibotos (kast); een
+kanaal voerde naar het mareotische meer. De oostelijke haven heette de
+groote haven, portus maior. In het heptastadium waren twee overbrugde
+doorvaarten. Eene binnenkom der groote haven heette de kleine haven
+en diende tot ligplaats der koninklijke galeien. Alexandrië was ook
+een brandpunt van wetenschap en geleerdheid. De beroemde bibliotheek
+in Bruchium bevatte 90000 werken, met de dubbele exemplaren 400000
+rollen uitmakende. Eene tweede bibliotheek in het Serapeum telde 42800
+rollen. Bij den alexandrijnschen oorlog, dien Caesar na Pompeius' dood
+hier te voeren had, ging de bibliotheek in het Serapeum door brand te
+niet. Dit verlies werd later hersteld door de 200000 rollen uit de
+bibliotheek van Pergamus, die Antonius aan Cleopatra ten geschenke
+gaf. Doch ook deze verzameling ging met den tempel te gronde, toen
+in 389 de christenen, door den aartsbisschop Theophilus tegen de
+overblijfselen van het heidendom opgeruid, het Serapeum bestormden
+en in brand staken. De groote boekerij werd in een vleugel van het
+koninklijk paleis bewaard, en is waarschijnlijk in de troebelen der
+jaren 272 en vv. voor een groot gedeelte vernield. Het nabijgelegen
+Museum was een gebouw, waar beroemde geleerden in alle vakken van
+wetenschap kosteloos huisvesting en onderhoud vonden en zich bezig
+hielden met het ordenen, verklaren en verbeteren der handschriften
+en met het verwerken der rijke stof, die in de bibliotheken lag
+opgehoopt. Dit zijn de alexandrijnsche geleerden. Uit het streven naar
+classificatie ontstonden de zoogenaamde canones (kanones) of lijsten
+van de voortreffelijkste schrijvers en dichters op elk gebied, wier
+werken tot richtsnoer moesten strekken voor het nageslacht. Zoo omvatte
+b.v. de canon der tragische dichters de volgende namen: Aeschylus,
+Sophocles, Euripides, Ion en Achaeus, die der geschiedschrijvers:
+Herodotus, Thucydides, Xenophon, Theopompus, Ephorus, Anaximenes,
+Callisthenes; die der redenaars: Antiphon, Andocides, Lysias,
+Isocrates, Isaeus, Aeschines, Lycurgus, Demosthenes, Hyperides,
+Dinarchus.
+
+2) Alexandria in Arachosia, thans Kandahar.
+
+3) Alexandria in Aria, thans Herat.
+
+4) Alexandria aan den Caucasus d.w.z. aan den indischen Caucasus,
+thans het gebergte Hindoe-koh.
+
+5) Alexandria aan den Indus.
+
+6) Alexandria bij Issus, op de syrisch-cilicische grenzen.
+
+7) Alexandria aan den Oxus, in Bactria.
+
+8) Alexandria in Sogdiane, het noordelijkste, daarom eschate genoemd,
+aan den Iaxartes.
+
+9) Alexandria in Susiane, later verdoopt in Antiochia, ten slotte
+na een lateren herbouw Spasinu Charax geheeten, nabij de monding van
+den Tigris. Zie Charax no. 1.
+
+10) Alexandria Troas, op de kust van het vroegere trojaansche rijk,
+tegenover het eiland Tenedos. De stad was door Antigonus vergroot en
+heette toen een tijd lang Antigonia. Later werd zij eene bloeiende
+romeinsche kolonie, die om hare ligging in het vermeende stamland
+der Romeinen zeer begunstigd werd. Caesar en Constantijn de Groote
+moeten er zelfs aan gedacht hebben, den zetel van het rijk daarheen
+over te brengen.
+
+Alexikakos, onheil afwerend, bijnaam van Apollo, soms ook aan andere
+goden en heroën gegeven.
+
+Alexis, Alexis, geb. omstreeks 372 te Thurii, doch atheensch
+burger. Hij zou 106 jaar oud geworden zijn en 245 blijspelen geschreven
+hebben, die natuurlijk niet alle even hoog gesteld kunnen worden,
+maar over het algemeen, zooals de talrijk overgebleven fragmenten
+aantoonen, geestig en smaakvol zijn. De in de nieuwe comedie zoo
+belangrijke rol van den parasiet kwam, naar men zegt, het eerst in
+een van zijne stukken voor.
+
+Alfen(i)us Varus, uit Cremona, een rechtsgeleerde van grooten naam,
+die eerst in zijne geboorteplaats het bedrijf van schoenmaker had
+uitgeoefend. Waarschijnlijk is hij dezelfde, die, door Octavianus
+met de akkerverdeeling in Transpadana belast, Vergilius zijn landgoed
+liet behouden.
+
+Algidus mons, een ruw en boschrijk gebergte in Latium, tusschen
+Velletri en Tusculum, met eene bergvesting, Algidum, op een der
+toppen. Zie Aequi.
+
+Alimenti, zie Cincii.
+
+Alipes, met gevleugelde voeten, bijnaam van Mercurius.
+
+Aliphera, Alipheira of Aliphera, bergstad in het landschap Cynuria,
+in het Zuidwesten van Arcadia, bezuiden den Alpheus. De inw. namen
+deel aan den bouw van Megalopolis.
+
+Aliptes, aleiptes, badknecht. Zie balneum.
+
+Aliso, vesting, door Drusus aan de Luppia (Lippe) gesticht in het
+jaar 11; v. s. heeft het gelegen bij Haltern, v. a. bij Oberaden,
+ten W. van Hamm; in beide plaatsen is een Romeinsch kamp opgegraven.
+
+Allia of Alia, van links invallend zijriviertje van den Tiber,
+waarbij de Romeinen in 390, v. a. in 387, de beruchte nederlaag door
+de Galliërs leden. Waarschijnlijk moet men het slagveld tegenover de
+Allia, op den rechter Tiberoever zoeken. De dies Alliensis (18 Juli)
+bleef steeds een dies ater.
+
+Allifae, stad in Samnium aan den Volturnus, in eene vruchtbare
+streek gelegen. Door de Romeinen ingenomen in 310, werd het eene
+praefectura. Naar het schijnt was het bekend door de wijde bekers,
+die men er vervaardigde.
+
+Allobroges, oorlogzuchtig volk in Gallia Narbonensis, tusschen den
+Rhodanus (Rhône) en de Alpen. Hunne hoofdstad was Vienna (Vienne). Na
+harden tegenstand werden zij in 121 door Q. Fabius Maximus onderworpen,
+die den bijnaam Allobrogicus kreeg. Het kostte echter voortdurend
+moeite hen in onderwerping te houden.
+
+Almo, beek, die even beneden Rome van links in den Tiber vloeit, en
+waarin de priesters van Cybele jaarlijks het beeld der godin reinigden.
+
+Almopi, Almopoi, of -pes, volksstam in het Noorden van Macedonia.
+
+Aloadae, Aloidae, Aloadai, Aloeidai, Otus en Ephialtes, de zonen
+van Iphimedea en Poseidon of Aloeus. Zij waren geweldige reuzen,
+die op hun negende jaar 9 el dik en 27 el lang waren, en traden
+vijandig tegen de goden op. Ares hielden zij eens dertien maanden in
+ketenen, totdat Hermes, door hun stiefmoeder Eriboea gewaarschuwd,
+hem bevrijdde. Zij dreigden den Ossa op den Olympus en den Pelion op
+den Ossa te stapelen en zoo den hemel te bestormen; toen echter Otus
+de hand van Artemis en Ephialtes die van Hera eischte, werden zij
+door Apollo met pijlen doorboord.--V. a. bewerkte Artemis hun dood
+door in de gedaante eener hinde tusschen hen heen te springen, toen
+namelijk beiden te gelijk hunne speren naar dit dier wierpen, troffen
+zij elkander doodelijk. In de onderwereld stonden zij ruggelings met
+slangen aan een zuil gebonden, waarop een uil zit, die hen door zijn
+aanhoudend gekrijsch kwelt. In een ander verhaal komen zij voor als
+beschaving verbreidende heroën, die den muzendienst aan den Helicon
+ingevoerd, en Ascra e. a. steden gesticht zouden hebben.
+
+Alociae, Alokiai, eilanden aan de Sleeswijksche Westkust, de
+tegenwoordige Halligen.
+
+Aloeus, Aloeus, zoon van Poseidon en Canace, met Iphimedea gehuwd. De
+Aloadae zijn naar hem genoemd.
+
+Alogiou graphe, aanklacht tegen beambten, die geen rekening en
+verantwoording van hun beheer hadden afgelegd (z. Euthynai). De
+aanklacht werd waarschijnlijk bij de logisten ingediend, de straf
+is onbekend.
+
+Alope, Alope, dochter van Cercyon, werd bij Poseidon moeder van
+Hippothoon. Het kind werd te vondeling gelegd en door herders
+opgenomen; toen deze echter twist kregen over het kleed, waarin
+het kind gewikkeld was, riepen zij Cercyon als scheidsrechter
+in, die het kleed zijner dochter herkende en dus de geheele zaak
+ontdekte. Vertoornd liet hij zijn dochter levend begraven, maar
+Poseidon veranderde haar in de bron Alope in Eleusis.
+
+Alope, Alope, 1) stad in Locris tegenover Euboea.--2) stad in
+Thessalia, aan de Zuidkust van Achaia Phthiotis, tusschen Larisa
+Cremaste en Echinus.--3) bron bij Eleusis, genoemd naar de schoone
+Alope (z.a.).
+
+Alopece, Alopeke, Alopekai, demus van Attica ten oosten van Athene. Uit
+dezen demus stamde Socrates.
+
+Alopeconnesus, Alopekonnesos (vosseneil.), stad op de westzijde van
+de thracische Chersonesus.
+
+Alpenus, Alpenos, Alpenoi, stad in Locris ten oosten van de
+Thermopylae.
+
+Alpes, Alpeis, van het keltische alb = hoog, de bekende bergmassa,
+die nog dezen naam draagt. Toppen schijnen de ouden slechts zeer
+weinige bij naam gekend te hebben. De verschillende takken vindt men
+nu eens met het enkelvoud Alpis, dan weder met het meervoud Alpes
+aangewezen. De zuidelijke hellingen der Alpen werden eerst bij Italië
+ingelijfd onder Augustus, die tegen sommige bergvolken een zwaren
+strijd voerde.
+
+Alpes maritimae, parathalassidiai, de Zeealpen, tot aan den mons
+Vesulus (M. Viso).
+
+Alpes Cottiae, aldus genoemd naar koning Cottius, die daar een rijkje
+had en zich aan Augustus onderwierp. Zij liepen tot den mons Cenisius
+(M. Cenis). Alpis Cottia = Mont Genèvre.
+
+Alpes Graiae, waarover waarschijnlijk Hannibal trok. De naam hangt
+samen met dien der Graioceli, die aan de westzijde woonden. Alpis
+Graia = kleine St. Bernhard.
+
+Alpes Poeninae, aldus genoemd naar een keltischen god Poeninus, die op
+den mons Poeninus, ook Alpis Poenina geheeten (grooten St. Bernhard)
+een tempel had en door de Romeinen met Jupiter werd vereenzelvigd.
+
+Alpes Lepontiae, tot aan den mons Adula (z.a.), naar het volk der
+Lepontii genoemd.
+
+Alpes Tridentinae, de Tiroler en Tridentinische Alpen, naar de stad
+Tridentum (Trente of Trient).
+
+Alpes Raeticae en Noricae, naar de landschappen Raetia en Noricum.
+
+Alpes Carniae, naar het volk der Carni, ten O. van de Alpes
+Tridentinae.
+
+Alpes Venetae, waarover Caesar een weg baande, naar wien zij ook
+Alpes Iuliae geheeten worden.
+
+Alpes Dalmaticae, langs de Adriatische zee.
+
+De Romeinen hadden verscheidene wegen over de Alpen aangelegd; de
+meest bezochte was die, welke over de Cottische Alpen en de Alpis
+Cottia (mont Genèvre) naar Gallia Transalpina voerde.
+
+Alphesiboea, Alphesiboia, ook Arsinoë genaamd, dochter van Phegeus,
+gemalin van Alcmaeon. Toen Alcmaeon door hare broeders gedood
+was, en zij hun deze daad telkens verweet, werd zij door hen aan
+Agapenor van Tegea overgegeven met de beschuldiging, dat zij den
+moord gepleegd had. Hier vond zij den dood. V. a. doodde zij hare
+broeders uit wraak.--2) moeder van Adonis.--3) ook Anaxibia genoemd,
+dochter van Bias en Pero, gemalin van Pelias.--4) indische nimf,
+die door Dionysus bemind werd, maar hem weerstand bood tot hij zich
+in een tijger veranderde en haar zoo beangstigde, dat zij zich over
+de rivier, die daarnaar Tigris heet, liet dragen.
+
+Alpheus, Alpheios, de voornaamste rivier in de Peloponnesus,
+die in Arcadië ontspringt, door Elis en langs Olympia naar zee
+stroomt. Mythisch is Alph. een zoon van Oceanus en Tethys. De
+omstandigheid dat het water der rivier gedurende haar loop eenige
+malen onder de aarde verdwijnt en verderop weder te voorschijn komt,
+gaf aanleiding tot de meening, dat de god zich ook onder de zee een
+weg wist te banen naar Ortygia, om daar zijne wateren met die van de
+bron Arethusa te vereenigen. Deze bron zou namelijk vroeger een Nereïde
+geweest zijn, voor welke Alph. een vurige liefde opvatte, die echter
+onbeantwoord bleef; toen nu eens Alph. uit zijne wateren oprees en haar
+vervolgde, vluchtte zij zoolang zij kon, maar toen de krachten haar
+begaven, riep zij Artemis om hulp aan, die haar in een bron veranderde
+en naar Ortygia verplaatste.--V. a. vervolgde Alph. Artemis zelve tot
+Ortygia of tot Letrini in Elis, waar zij zich met slijk besmeerde om
+zich onkenbaar te maken; op beide plaatsen was een tempel van Artemis
+Alpheaea, te Letrini met een beeld van zwart marmer.
+
+Alsium, oude etrurische stad, haven van Caere, later rom. kolonie,
+met een landgoed van Pompeius, Alsiense.
+
+Altare, zie Ara.
+
+Althaea, Althaia, dochter van Thestius en Eurythemis, echtgenoote
+van Oeneus, moeder van Meleager (z.a.), na wiens dood zij zichzelve
+om het leven bracht.
+
+Althaemenes, Althaimenes, zoon van Catreus, koning van Creta; daar
+een orakel voorspeld had dat hij zijn vader zou dooden, verliet
+hij met zijn zuster Apemosyne zijn vaderland en begaf hij zich naar
+Rhodus. Daar leefde hij geruimen tijd rustig en door zijn medeburgers
+geacht. Intusschen kon zijn vader zijn gemis niet verdragen, en ging
+hij eindelijk zelf naar Rhodus om hem te halen en hem de regeering
+over te geven. Toen hij nu met zijn gevolg des nachts op Rhodus wilde
+landen, hielden de inwoners hen voor vijanden en trachtten zij hun het
+landen te beletten; er ontstond een gevecht, waaraan ook Alth. deelnam
+en waarbij hij zijn vader doodde zonder hem te kennen. Toen hij nu
+merkte dat het orakel vervuld was, zwierf hij op eenzame plaatsen
+rond, totdat hij van droefheid stierf.--V. a. zoude op zijn gebed de
+aarde zich geopend en hem verzwolgen hebben. De Rhodiërs vereerden
+hem later als heros.
+
+Altinum, welvarende koopstad in het land der Veneti, aan de adriatische
+zee. Het was de stapelplaats voor den handel tusschen Italië en het
+Noorden, en was omringd door tal van prachtige villa's, weshalve
+het het Baiae van het Noorden werd genoemd. Toen Attila in 452
+n. C. Altinum en Aquileia verwoestte, stichtten de vluchtelingen
+op de eilandjes aan den mond van den Medoacus (Brenta) de latere
+stad Venetië.
+
+Altis, Altis, het heilige bosch bij Olympia.
+
+Aluntium of Haluntium, stad aan de noordkust van Sicilia op een hoogte
+gelegen, met veel wijnteelt.
+
+Alveus. Dit woord geeft in het algemeen een uitgehold of buikvormig
+voorwerp te kennen: een bak, het hol eener boot of schuit, een bekken,
+een bijenkorf, enz. Het beteekent ook een speelbord of speeltafel met
+opstaanden rand, alsmede een badkuip. In de badhuizen vond men groote
+in den vloer gemetselde badkuipen voor warme baden met zitplaatsen
+aan het eene einde, zóó dat het water tot aan den hals kwam.
+
+Alyattes, Alyattes, zoon van Sadyattes, vader van Croesus, koning van
+Lydië (612-563). Evenals zijn vader beoorloogde hij Miletus, maar hij
+moest vrede sluiten om zich te kunnen verdedigen tegen de Mediërs,
+die onder koning Cyaxares uit het oosten voorwaarts drongen. De
+oorlog werd echter, voor het tot een slag kwam, ten gevolge eener
+zonsverduistering, die van 28 Mei 585, door Thales voorspeld, door
+een verdrag geëindigd. In de laatste jaren zijner regeering hervatte
+hij zijne aanvallen op de grieksche steden in Kl.-Azië en veroverde
+hij Smyrna en Colophon. Zijn kolossaal graf bij Sardes bestaat,
+naar men meent, nog.
+
+Alyzia, Alyzia, acarnanisch zeestadje.
+
+Amafinius (C.), epicureïsch wijsgeer vóór Cicero's tijd en een der
+eerste schrijvers bij de Romeinen over wijsbegeerte. Hij wordt door
+Cicero ongunstig beoordeeld wegens zijn slechten stijl.
+
+Amalthea, Amaltheia, 1) de geit die Zeus op Creta zoogde. Toen zij eens
+door tegen een boom te stooten een hoorn brak, nam een nimf dien op,
+vulde hem met vruchten, omwond hem met versche kruiden en gaf hem aan
+Zeus; deze gaf haar echter den horen terug met de belofte dat zij alles
+wat zij wenschte er uit zou kunnen krijgen.--V. a. is Amalthea de naam
+van deze nimf, die Zeus met de melk der geit zou opgevoed hebben. De
+horen werd zoo de beroemde horen van overvloed (cornu copiae). Later
+gaf Amalthea hem aan Achelous, die zijn eigen horen, in een gevecht
+met Heracles afgebroken, daartegen inruilde.--2) een Sibylle van Cumae.
+
+Amaltheum, ook Amalthea, landgoed van T. Pomponius Atticus in Epirus,
+aldus geheeten naar een vroeger daar aanwezig heiligdom der nimf
+Amalthea. Het was rijk aan plataanboomen. Naar het model van Atticus
+legde Cicero te Arpinum een dergelijk zomerverblijf aan.
+
+Amanicae portae, Amanikai pylai, naam van twee bergpassen in het
+Amanusgebergte, z. Amanus.
+
+Amantia, Amantia, stad in het Noorden van Epirus, nabij Oricum.
+
+Amanus, Amanos, een hoog en steil gebergte, dat zich in het noordoosten
+van Cilicia van den Taurus afscheidt en in twee takken het dal aan de
+golf van Issus insluit. De bergpas in den westelijken tak, waardoor
+Alexander de Groote uit de cilicische vlakte het dal van Issus
+binnentrok heet pylai Amanikai of Amanides. In den oostelijken tak
+lagen de pylai Kilikias kai Syrias, die Cyrus de jongere op zijn tocht
+tegen Artaxerxes Mnemon doortrok, en die van weerszijden versterkt
+waren, waarop, indien men als Alexander den weg naar Phoenice insloeg,
+nog een pas, portae Syriae, volgde. Noordelijker in den oostketen lag
+de pas, waardoor koning Darius in den rug van Alexanders leger kwam,
+zoodat deze terug moest trekken om den vijand te ontmoeten. Deze
+noordelijke pas wordt ook slechts aangewezen door den naam portae
+Amanicae. De Amanus was een waar rooversnest, waar zich in den
+romeinschen tijd de zoogenaamde Eleutherocilices of vrije Ciliciërs
+ophielden. Cicero voerde als stadhouder van Cilicia strijd tegen hen
+en verwierf zich den titel van imperator.
+
+Amardi of Mardi, Amardoi, Mardoi, een oorlogzuchtige en machtige stam
+in Media, ten Z. van de Caspische zee.
+
+Amarynceus, Amarynkeus, zoon van Onesimachus of Alector of Pyttius,
+koning der Epeërs. Hij stond Augias bij in zijn strijd tegen Heracles
+en werd daarvoor door hem tot mederegent aangenomen.
+
+Amarynthus, Amarynthos, vlek aan de W.-kust van Euboea, behoorende
+tot het gebied van Eretria, met een beroemden Artemistempel.
+
+Amasenus, riviertje in Latium, dat door de pontijnsche moerassen liep
+en zich in den Ufens (z.a.) ontlastte.
+
+Amasia, beter Amasea, Amaseia, versterkte stad in Pontus, residentie
+der pontische koningen, geboorteplaats van den geograaf Strabo. Door
+de stad stroomde de Iris. De hooggelegen burcht werd voor onneembaar
+gehouden.
+
+Amasis, 1) Amosis, eerste koning van de 18de aegyptische dynastie,
+die de Hyksos uit Aegypte verdreven heeft. Daar men de Hyksos als
+stamvaders der Israëlieten beschouwde, wordt Amasis (Amosis) vaak
+bij Joodsche en Christelijke schrijvers genoemd.--2) Amasis, een
+Aegyptenaar van lage afkomst, vertrouwde van koning Apriës. Toen hij
+eens door dezen was uitgezonden om een opstand in het leger te dempen,
+vereenigde hij zich met de opstandelingen; Apriës werd onttroond
+en Am. tot koning verheven (569). Hij bevorderde de vestiging der
+Grieken in Aegypte, gaf hun Naucratis, en trouwde zelfs met eene
+cyrenaeïsche vrouw. Onder hem bereikte Aegypte den hoogsten bloei,
+aan een oorlog met Nebucadnesar wist hij zonder verlies een einde te
+maken, maar daar hij zijn bondgenoot Croesus tegen Cyrus had geholpen
+of had willen helpen, haalde hij zich de vijandschap van dezen op den
+hals, en ook om deze reden viel Cambyses later Aegypte aan. Am. stierf
+echter nog voor dien tijd (526).--3) Schilder van zwartfigurige vazen,
+omstreeks het midden van de 6de eeuw, te Athene.
+
+Amastris, Amestris, Amestrine, Amastris, Amestris, Amastrine, 1)
+gemalin van Xerxes, moeder van Artaxerxes I, om haar wreedheid
+berucht.--2; dochter van een broeder van Darius Codomannus. Bij de
+groote bruiloft te Susa werd zij aan Craterus tot vrouw gegeven. In
+322 scheidde zij van hem en huwde zij met Dionysius, den tyran van
+Heraclea, en na diens dood (306) met Lysimachus van Thracië (302). Toen
+deze haar twee jaar later verstooten had, regeerde zij over Heraclea,
+totdat zij door haar eigen zoons vermoord werd (285). De groote schoone
+stad Sesamus, op eene landengte in Paphlagonië gelegen, werd door
+haar tot residentie gekozen, vergroot en naar haar Amastris genoemd.
+
+Amastris, Amastris, stad in Paphlagonië, vroeger Sesamus, door Amastris
+no. 2 (z. a.) tot residentie gekozen.
+
+Amata, echtgenoote van koning Latinus, had hare dochter Lavinia
+aan Turnus, koning der Rutuliërs, toegezegd en verzette zich tegen
+Lavinia's huwelijk met Aeneas. Na Turnus' dood hing Amata zich
+op. Zie Aeneas.
+
+Amathus, genit. -untis, Amathous, 1) overoude phoenicische stad op
+de zuidkust van Cyprus, met een beroemden tempel voor Aphrodite en
+Adonis, en met kopermijnen in de nabijheid.--2) plaats in Palaestina,
+van den stam Gad, in Peraea.
+
+Amatius, zie Marii no. 5.
+
+Amazones, Amazones, Amazonides, een mythisch volk van krijgshaftige
+vrouwen, in en om de stad Themiscyra gevestigd. Zij duldden geen
+mannen bij zich dan voorzoover dit voor de instandhouding van haar
+geslacht noodzakelijk was, de mannelijke kinderen werden gedood of
+aan hun vaders gezonden. Soms worden zij dochters van Ares genoemd;
+of zij zouden hare mannen deels gedood, deels verjaagd hebben, of zij
+worden beschouwd als de overgebleven vrouwen van een scythisch volk,
+waarvan de mannen allen in den oorlog omgekomen waren. Nevens Ares
+vereerden zij alleen Artemis Tauropolus. In zeer oude tijden deden de
+Amazonen groote veroveringstochten naar Thracië, Syrië en Klein-Azië,
+waar zij ook verscheiden steden stichtten, zooals Ephesus e. a. Het
+graf van een harer koninginnen, Myrina, was bij de stad Troje te
+vinden. Met de grieksche heroën kwamen zij dikwijls in aanraking. Bij
+een veldtocht naar Lycië werden zij door Bellerophon verslagen,
+en toen zij in Phrygië een inval gedaan hadden, streed Priamus,
+toen nog een jong man, als bondgenoot der Phrygiërs tegen haar. Een
+van de werken van Heracles was dat hij den gordel van Hippolyte,
+de koningin der Amazonen, haalde, waarbij hij met het geheele volk
+te strijden had. Ook Theseus beoorloogde de Amazonen, hetzij op eigen
+hand, hetzij als bondgenoot van Heracles; bij die gelegenheid won hij
+de liefde van Antiope, de zuster van Hippolyte, en voerde haar mede
+naar Athene. De andere Amazonen deden daarop een inval in Attica, maar
+werden teruggeslagen. Na den dood van Hector kwamen zij Priamus te hulp
+en streden zij dikwijls dapper tegen de Grieken, totdat de koningin
+Penthesilea door Achilles gedood werd.--Nog ten tijde van Alexander den
+G. wordt eene koningin der Amazonen, Thalestris, genoemd. Overigens
+komen zij in den historischen tijd niet voor; men verhaalde dat zij,
+niet bestand tegen de aanvallen der grieksche helden, naar Libye
+verhuisd waren, of dat zij eindelijk hun eigenaardige leefwijze
+hadden laten varen, zich met scythische jongelingen verbonden en
+met hen het volk der Sauromaten voortgebracht hadden. Zij worden
+dikwijls in oude beeldhouwwerken voorgesteld als sterke vrouwen met
+een krijgshaftig uiterlijk, gewapend met speer, strijdbijl, schild,
+pijl en boog, een gordel om de heupen en een zwaard aan een bandelier
+over de borst hangend, maar nergens vindt men het verhaal bevestigd dat
+zij de jonggeboren meisjes de rechterborst zouden afgebrand hebben,
+opdat zij later gemakkelijker den boog zouden kunnen spannen, zoodat
+dit verhaal slechts als een mislukte poging tot verklaring van den
+naam Amazonen (als = amazoi) kan beschouwd worden.
+
+Ambarri, volk in Gallia Transpadana ten W. van de Rhône, en aan beide
+zijden van den Arar (Saône). Lugdunum (Lyon) lag in hun gebied.
+
+Ambarvalia, een jaarlijksch landelijk feest, in Mei, waarbij de
+landlieden een offer aan Ceres (vroeger aan Mars) brachten voor het
+goed gedijen der veldvruchten. Het offerdier werd, alvorens geslacht te
+worden, de velden rondgeleid; vandaar de naam. Zie ook Arvales fratres.
+
+Ambiani, volk in Belgica. Hun naam is nog te herkennen in het
+tegenwoordig Amiens, vroeger Samarobriva, aan de Samara (Somme).
+
+Ambibarii, gallisch volk aan het Kanaal.
+
+Ambiorix, aanvoerder der Eburones, die langs de Mosa (Maas) woonden
+(van Namen tot Roermond). In den winter van 54/53 bewerkte Ambiorix
+een opstand der Eburonen tegen Caesar en sleepte ook de Nerviërs
+hierin mede.
+
+Ambilareti, zie Ambivareti.
+
+Ambitus. Oorspronkelijk beteekent dit woord alleen het rondgaan en het
+aanspreken der menschen, ten einde hen om hunne stem te verzoeken; doch
+allengs kreeg het de beteekenis van stemmenwerving door ongeoorloofde,
+strafbare middelen. Omkooping bij verkiezingen werd te Rome op
+groote schaal gedreven. Er waren geheime stemmenmakelaars, divisores,
+interpretes, die tegen betaling op zich namen een zeker aantal stemmen
+voor dezen of genen candidaat te leveren, en ook de politieke clubs,
+sodalicia, speelden in de omkoopingen eene groote rol. Strenge wetten
+hielpen niet; of de schuldigen bedreigd werden met zware boeten,
+met verbanning, met uitsluiting van alle ambten, het kwaad bleef
+voortwoekeren, totdat de monarchie aan de verkiezingen door het volk
+een einde maakte. Wel hadden er toen nog bij den senaat en later bij
+de keizerlijke ambtenaren en gunstelingen kuiperijen plaats om een
+of ander ambt te verkrijgen, doch deze ambitus was niet stelselmatig
+georganiseerd, zooals onder de republiek.
+
+Ambivareti, Ambilareti of Ambluareti, gallisch volk, cliënten der
+Aeduërs.
+
+Ambivariti, belgisch volk aan de Maas, in den omtrek van het
+tegenw. Namen.
+
+Ambivius Turpio (L.), beroemd tooneelspeler ten tijde van Terentius.
+
+Ambracia, Ambrakia, en Ambracius sinus. De ambracische golf, thans
+golf van Arta, is een inham der ionische zee, tusschen Acarnania en
+Epirus. Ten noorden daarvan, aan den Arachthus, lag de stad Ambracia
+(Arta), eene Corinthische volksplanting, ± 660 gesticht. De stad
+kwam spoedig tot bloei, en beheerschte den omtrek, maar in 426 leden
+de inwoners een zware nederlaag tegen de verbonden Acarnaniërs en
+Atheners. Koning Pyrrhus van Epirus verhief Ambracia tot residentie
+en versierde het met fraaie gebouwen. In 189 werd de stad door
+M. Fulvius Nobilior (zie Fulvii no. 11) veroverd, en werden de
+kunstwerken naar Athene vervoerd. Augustus bracht de bevolking van
+Ambracia gedeeltelijk over naar Nicopolis, dat door hem aan de kust
+gesticht werd ter gedachtenis aan den zeeslag bij Actium.
+
+Ambrones, Ambrones, waarschijnlijk een germaansche stam, die zich
+bij de Teutones aansloot en met dezen door C. Marius in 102 bij Aquae
+Sextiae verslagen werd.
+
+Ambrosia, Ambrosia. 1) Evenals ambrosios als bepaling wordt toegevoegd
+aan allerlei zelfstandigheden die ten gebruike der goden of van
+goddelijke wezens dienen, zoo worden sommige van die zelfstandigheden
+zelve ambrosia genoemd, bijv. zalfolie der goden, voeder voor hunne
+paarden, enz. Later was ambrosia in het bijzonder de spijs der goden,
+terwijl zij volgens oudere begrippen alleen den godendrank, nectar,
+gebruikten, die ook soms ambrosia genoemd wordt.--2) eene der Hyaden,
+die Dionysus te Dodona opvoedden.
+
+Ambrosus, Ambrysus, Ambrosos, Ambrysos, Amphrysos, stad in Phocis,
+ten zuiden van den Parnassus. Niet ver vandaar lag de driesprong,
+waar Oedipus zijn vader Laius doodde.
+
+Ambubaiae, vrouwelijke muzikanten, tevens danseressen, die in herbergen
+en publieke plaatsen optraden en niet in den besten reuk stonden. De
+naam schijnt uit het Syrisch te zijn afgeleid.
+
+Ambulatio, een wandelweg, hetzij overdekt (= porticus) in particuliere
+huizen, en in de stad, hetzij onoverdekt, op buitenplaatsen (=
+xystum, z. a.). In het krijgswezen beteekent het de oefening in
+het marcheeren. De gewone pas heet plenus gradus, de versnelde pas
+decursio.
+
+Amburbium, een reinigingsfeest, waarbij, evenals bij de Ambarvalia
+(z. a.) de akkers, de stad gereinigd werd door de offers er om heen te
+dragen, en dan te slachten. Het feest komt nog in den laten keizerstijd
+voor, en wordt gewoonlijk op den 2den Febr. gevierd.
+
+Ambusti, zie Fabii no. 8-13.
+
+Amenanus, Amenanos, riviertje op Sicilia, dat door Catana stroomde
+en nu en dan uitdroogde.
+
+Ameria, oude stad in Umbria, romeinsch municipium, met wijnbergen,
+de geboorteplaats van S. Roscius (z. Roscii no. 1).
+
+Amestratus, Amestratos, stad op de noordkust van Sicilia, dicht
+bij Calacte.
+
+Amida, thans Diarbekir, stad in Armenia in het landschap Sophene
+nabij de bronnen van den Tigris. Onder keizer Constantius werd het
+een belangrijke vesting. In 359 na Chr. werd de stad door Sapor,
+den koning van het Nieuw-Perzische rijk ingenomen.
+
+Aminias, Ameinias, Athener, die na den slag bij Salamis met den prijs
+der dapperheid bekroond werd. V. s. was hij een broeder van Aeschylus.
+
+Amipsias, Ameipsias, atheensch blijspeldichter; ofschoon Aristophanes,
+wiens tijdgenoot hij was, met minachting over hem spreekt, behaalde
+hij in 414 den eersten prijs.
+
+Amisia, thans de Eems. De Bructeri werden in 12 door Drusus in een
+scheepsgevecht op deze rivier verslagen.
+
+Amisus, Amisos, aanzienlijke pontische stad, aan den sinus Amisenus,
+eene golf der Zwarte zee. De stad was eene der residentiën van koning
+Mithradates VI.
+
+Amiternum, oude stad der Sabijnen, geboorteplaats van den
+geschiedschrijver Sallustius.
+
+Ammianus Marcellinus, een Griek uit Antiochia in Syria, die tot
+omstreeks 400 na C. leefde. Tijdens keizer Constantius diende hij
+in het aanzienlijke corps der protectores domestici, en maakte als
+adjudant van den magister equitum Ursicinus al diens veldtochten
+(353-360) mede; in 363 nam hij deel aan den Perzischen veldtocht van
+keizer Julianus. Daarna woonde hij langen tijd ambteloos te Antiochia,
+tot hij ten slotte na lange reizen zich te Rome vestigde. Daar schreef
+hij een zeer belangrijk en uitvoerig verhaal der gebeurtenissen van
+den dood van Domitianus tot op dien van Valens (96-378), rerum gestarum
+libri XXXI, waarvan echter de eerste 13 boeken verloren zijn. Hetgeen
+over is, omvat den tijd van 353 tot 378.
+
+Ammon, Ammon, een aegyptisch god, die later door Grieken en
+Romeinen als Zeus of Jupiter vereerd werd. Zijn voornaamste tempel
+met orakel, in de oase Ammonium in de woestijn Sahara gelegen, werd
+door Alex. d. G. bezocht. Hij werd voorgesteld als een ram, of met
+een ramskop op een mannelijk lichaam. Wanneer het orakel geraadpleegd
+werd, droegen de priesters het beeld van den god rond in een verguld
+scheepje, waarin aan beide kanten zilveren schalen hingen, terwijl
+vrouwen en meisjes het volgden en in een eenvoudig lied den god om
+een duidelijk antwoord smeekten.
+
+Ammonium, Ammoneion, de oase der libysche woestijn, waar de tempel
+van Jupiter Ammon stond.
+
+Ammonius, Ammonios, 1) academisch wijsgeer uit de 2de helft van de
+eerste eeuw na C., leeraar van Plutarchus.--2) gewoonlijk naar zijn
+vroeger beroep Sakkas, (zakkendrager), door anderen Theodidaktos
+genoemd, leefde tusschen 175 en 250 na C. te Alexandrië. Om
+het christendom, waartoe hij aanvankelijk zelf behoord had, te
+bestrijden, vereenigde hij de leerstellingen der oude wijsgeeren,
+vooral van Plato en Aristoteles, tot een nieuw stelsel, de zoogenaamde
+nieuw-platonische leer. Hij vormde vele leerlingen, die later naam
+verworven hebben, o.a. Plotinus en Longinus. Ook Origenes behoorde
+tot zijn leerlingen.--3) grammaticus, leefde omstreeks 400 na C. te
+Alexandrië; hij schreef een werk over synonymen, dat bewaard gebleven
+is. Waarschijnlijk is het werk oorspronkelijk van Herennius Philo
+(zie Philo no. 8), en heeft Ammonius het slechts overgewerkt.
+
+Amnestia, lex oblivionis, eene verklaring die soms na eene omwenteling
+door de overwinnende partij gegeven werd, waarbij zij beloofde
+het kwaad, haar door de tegenpartij aangedaan, niet te gedenken
+(me mnesikakesein), zoodat niemand voor hetgeen hij in dien tijd als
+staatsman gedaan had vervolgd konde worden. Vooral wordt dikwijls de
+amnestie genoemd die, op raad van Thrasybulus, na de verdrijving der
+dertig uit Athene (403) gegeven werd.
+
+Amnisus, Amnisos, havenstad van Cnossus, op Creta.
+
+Amompharetus, Amompharetos, een spartaansch lochaag, die in den
+slag bij Plataeae roemrijk sneuvelde, nadat hij door zijn onwil
+om tegenover de vijanden zijn plaats te verlaten de bewegingen der
+Spart. vertraagd had.
+
+Amor, z. Eros.
+
+Amorgus, Amorgos, een der Sporadische eilanden in de Aegaeische zee,
+geboorteplaats van den iambendichter Simonides (de lierdichter was
+van Ceos). Onder de Romeinsche keizers was Amorgus een verbanningsoord.
+
+Ampelius (L.), schrijver uit den keizertijd van een boek, getiteld
+liber memorialis, dat in het kort handelt over kosmographie,
+geographie, mythologie en geschiedenis.
+
+Ampelus, Ampelos, Satyr uit het gevolg van Dionysus, die in een
+wijnstok veranderd werd.
+
+Ampelus, Ampelos, naam van drie kapen, op Chalcidice, op Samus en op
+de oostkust van Creta.
+
+Ampelusia, kaap van Mauretania nabij het fretum Gaditanum (straat
+van Gibraltar).
+
+Amphea, Ampheia, grensstad van Messenia. De roof van laconische
+meisjes, in den nabijgelegen tempel van Artemis door messenische
+jongelingen gepleegd, deed den eersten messenischen oorlog uitbreken.
+
+Amphianax, Amphianax, koning van Lycië. Hij gaf aan Proetus, die door
+Acrisius uit Argolis verdreven was, zijne dochter tot vrouw en voerde
+hem naar zijn vaderland terug. Sedert bleef hij in Tiryns wonen,
+dat de Cyclopen voor hem met een muur omgaven.
+
+Amphiaraides, Amphiaraïdes, Alcmaeon, de zoon van Amphiaraus.
+
+Amphiaraus, Amphiaraos, zoon van Oïcles of Apollo en Hypermnestra,
+beroemd argivisch profeet en dapper held, zooals hij bij de
+calydonische jacht en bij den Argonautentocht toonde. Hij had eerst
+Adrastus uit Argos verdreven, maar later verzoenden zij zich en huwde
+Amph. met Eriphyle, de zuster van Adrastus, bij wie hij twee zoons,
+Alcmaeon en Amphilochus, en twee dochters, Eurydice en Demoanassa,
+had. Toen Adrastus den tocht tegen Thebe ging ondernemen, hield
+Amph. zich schuil, daar hij voorzag dat hij zou omkomen, indien hij aan
+dien tocht deel nam. Maar Eriphyle, omgekocht door het gouden halssnoer
+van Harmonia, verried hem en dus was hij genoodzaakt mede te gaan. Voor
+zijn vertrek droeg hij aan zijn zonen op hem te wreken. In weerwil van
+zijne heldendaden werd Amph. toch bij de vlucht van de belegeraars
+meegesleept en zou hij in de handen der vijanden gevallen zijn, zoo
+niet Zeus de aarde door een bliksemstraal had doen opensplijten,
+zoodat de vrome held door de opening verzwolgen werd. Bij Oropus,
+waar hij als god uit de aarde opgestegen zou zijn, was later een
+zeer rijke tempel, waarbij de bron van Amph. gelegen was, met een
+beroemd orakel. Zij die dit orakel kwamen raadplegen, offerden een
+zwarten ram en sliepen 's nachts in den tempel op de vacht daarvan;
+in hunne droomen ontvingen zij dan de mededeelingen van den god. Ook
+bij Thebe waar hij in de aarde verdwenen was, en op andere plaatsen
+waren tempels van Amph.
+
+Amphicaea, Amphiclea, Amphikaia, Amphikleia, stadje in Phocis, aan
+den noordelijken voet van den Parnassus gelegen.
+
+Amphictyon, Amphiktyon, 1) koning van Athene. Hij huwde met eene
+dochter van den attischen koning Cranaüs en verdreef zijn schoonvader
+om in zijne plaats te regeeren, maar na twaalf jaren werd hij op
+zijne beurt door Erichthonius verjaagd. Aan de gastvrije ontvangst die
+Dionysus bij hem ten deel viel, schreef men de verplaatsing van den
+Dionysusdienst van Eleutherae naar Athene toe.--2) zoon van Deucalion
+en Pyrrha, de stichter van het Amphictyonenverbond.
+
+Amphictyones, Amphiktyones, zooals gewoonlijk geschreven wordt,
+of Amphiktiones, zooals waarschijnlijk de juistere spelling is,
+heetten de volken, die rondom een voornamen tempel woonden, wanneer
+zij zich tot een verbond (Amphictyonie, Amphiktyonia) vereenigd
+hadden, waarvan het doel was dit heiligdom te beschermen. Uit
+zulk eene overeenkomst ontstonden licht weder andere betrekkingen,
+vooral verbonden zich de leden der Amphictyonie tegenover elkander
+zekere regels van het volkenrecht in acht te nemen. De beroemdste
+Amphictyonie is die van Delphi en Thermopylae, die dikwijls kortweg de
+Amphictyonie genoemd wordt. Zij bestond uit twaalf volken met hunne
+koloniën, (Thessaliërs, Boeotiërs, Doriërs, Ioniërs, Perrhaeben,
+Magneten, Locriërs, Oetaeërs of Aenianen, phthiotische Achaeërs,
+Maliërs, Phocensers, Dolopen). Dit zeer oude verbond belastte zich
+voornamelijk met het beheer en de verdediging van den delphischen
+tempel en later ook van de pythische spelen; ter bespreking van
+de gemeenschappelijke aangelegenheden hield het jaarlijks twee
+vergaderingen, in het voorjaar en in het najaar, te Delphi en te
+Anthela bij den tempel van Demeter Amphictyonis. Elk der twaalf leden
+van het verbond zond naar zulk eene vergadering (synedrion) zijne
+afgevaardigden, die deels hieromnemones, deels pylagorai genoemd
+worden, hoewel het niet bekend is, in welke betrekking die twee
+soorten van afgevaardigden tot elkander stonden. Misschien vormden de
+eerstgenoemden een soort permanent bestuur, terwijl de pylagorai alleen
+als afgevaardigden de vergaderingen bezochten. Gehoorzaamheid aan de
+besluiten der vergadering werd, zoo noodig, door de verbonden staten
+met geweld afgedwongen, en meer dan eens in den loop der geschiedenis
+werden zij tot den zoog. heiligen oorlog opgeroepen (z. Phocis en
+Amphissa). Sedert den macedonischen tijd schijnt het aanzien van het
+verbond gedaald te zijn, en Augustus voerde eene nieuwe organisatie in,
+waarbij de stemmen geheel willekeurig verdeeld werden.--Verder worden
+nog genoemd de Amphictyonieën van Calauria, van Onchestus en van Delus.
+
+Amphidamas, Amphidamas = Iphidamas no. 1.
+
+Amphidromia, een huiselijk feest, dat eenige dagen na de geboorte
+van een kind gevierd werd. Na verschillende reinigingsplechtigheden
+werd de jonggeborene door een van de vrouwen, gevolgd door de andere
+feestgenooten, in snellen pas rondom den haard gedragen, waarop een
+maaltijd volgde, waartoe vrienden en bloedverwanten bijdragen plachten
+te zenden. Bij deze gelegenheid verklaarde de vader of hij zich al
+of niet met de opvoeding van het kind wilde belasten.
+
+Amphilochia, Amphilochia, berglandschap ten Oosten der ambracische
+golf, eerst tot Acarnania, later tot Aetolia behoorende, en bewoond
+door een epirotischen stam. De hoofdstad heette Argus Amphilochicum.
+
+Amphilochus, Amphilochos, zoon van Amphiaraus en Eriphyle. Hij trok
+met de Epigonen tegen Thebe op, hielp Alcmaeon bij het dooden hunner
+moeder en nam ook deel aan den tocht tegen Troje. Hij was een beroemd
+waarzegger en deed na afloop van den trojaanschen oorlog met Calchas en
+Mopsus een reis door Klein-Azië, waar zij verscheiden orakels stichten,
+o.a. dat te Mallus in Cilicië, waar Amph. Mopsus achterliet, toen hij
+naar Argos terugkeerde. Doch toen hij later terugkwam en aandeel aan
+de regeering verlangde, ontstond er tusschen hen een strijd waarbij
+beiden vielen. Hij of een andere Amph., zoon van Alcmaeon, wordt de
+stichter van Argos Amphilochicum genoemd. Na zijn dood werd hij te
+Athene, Sparta, Oropus, Mallus en andere plaatsen als halfgod vereerd.
+
+Amphion, Amphion, zoon van Zeus en Antiope. Met zijn tweelingbroeder
+Zethus werd hij op den Cithaeron te vondeling gelegd en door herders
+opgevoed. Later, toen Antiope door haar oom Lycus gevangen gehouden en
+door Dirce, zijne gemalin, mishandeld werd, zocht zij hare zonen op,
+die haar wreekten door Dirce aan de horens van een woedenden stier
+te binden, een lot, dat zij Antiope had toegedacht; op bevel van
+Hermes spaarden zij Lycus echter, die nu de heerschappij over Thebe
+aan Amph. afstond. Deze regeerde sedert dien tijd gelukkig en huwde
+met Niobe (z. a.). V. a. moest hij echter na den dood van Dirce Thebe
+verlaten en zich naar Athene begeven. Amph. was een beroemd zanger,
+hij had van Apollo, Hermes of de Muzen een gouden lier gekregen,
+die hij zoo meesterlijk bespeelde, dat op het geluid de steenen zich
+van zelven tot een muur vormden, die de stad Thebe omgaf. Hij en
+Zethus liggen te Thebe in hetzelfde graf en worden daar op gelijke
+wijze vereerd als de Dioscuren te Sparta. Op verscheidene plaatsen
+in Boeotië zouden zij steden en orakels gesticht hebben.
+
+Amphipolis, Amphipolis, stad in dat deel van Macedonië, dat vroeger
+tot Thracië gerekend werd, op een heuvel in een bocht van de rivier
+den Strymon gelegen, waaraan de naam ontleend is. Aan den mond van den
+Strymon lag de haven Eïon. Oorspronkelijk heette het ennea hodoi, en
+schijnt toen reeds eene belangrijke plaats van het landschap Edonis
+te zijn geweest. Althans, zoowel van Miletus als van Athenae uit,
+werden herhaalde pogingen aangewend, om daar eene volksplanting te
+stichten; doch de krijgshaftige Edoniërs sloegen de aanvallen af,
+totdat het in 437 aan de Atheners gelukte, zich van de stad der negen
+wegen meester te maken. De band tusschen Amphipolis en Athene was
+echter nooit sterk, daar onder de volksplanters betrekkelijk weinig
+geboren Atheners waren. In 424 viel het in handen van den Spartaan
+Brasidas, die in 422 met den Athener Cleon hier sneuvelde. In 358 kwam
+Amphipolis in het bezit van Philippus van Macedonië, voor wien het
+door het bezit der rijke goud- en zilvermijnen in den nabijgelegen
+mons Pangaeus eene groote aanwinst was; onder de Romeinen werd de
+stad hoofdplaats van eene der vier republieken, waarin Macedonia na
+Perseus' nederlaag tijdelijk werd verdeeld.
+
+Amphiprostylus, amphiprostylos, tempel of ander gebouw met een open
+portaal vóór en achter zooals op nevenstaande teekening is aangegeven.
+
+Amphis, Amphis, blijspeldichter uit het middelste tijdperk der comedie,
+die in zijne 26 stukken meerendeels maatschappelijke toestanden tot
+onderwerpen koos.
+
+Amphissa, Amphissa, stad der ozolische Locriërs op eene door bosschen
+ingesloten hoogvlakte. Doordat de inwoners beschuldigd werden,
+landerijen in bezit genomen te hebben, die aan den delphischen
+tempel toebehoorden, ontstond de laatste heilige oorlog (340-339),
+waarin Philippus van Macedonië Amphissa verwoestte, doch zich tevens
+van de phocensische bergvesting Elatea meester maakte. Later werd
+Amphissa herbouwd en onder de romeinsche heerschappij was het eene
+civitas libera.
+
+Amphitheatrum, amphitheatron, rond of ovaalrond gebouw,
+met open binnenruimte, voornamelijk bestemd voor dieren- en
+gladiatorengevechten. De buitenmuur bestond uit twee of meer rijen
+bogen of arcaden boven elkander, meestal zóó, dat de verschillende
+verdiepingen door zuilen van verschillende bouworden gedragen
+werden. In het midden van de binnenruimte was de arena, het strijdperk,
+omgeven door de zitplaatsen voor de toeschouwers. Deze arena was
+door een muur omringd, waarin verschillende deuren, die toegang
+gaven tot de hokken der wilde dieren en tot het lijkenhok, waarheen
+de lijken der gedoode zwaardvechters werden gesleept. Deze laatste
+deur werd porta Libitina geheeten, naar Libitina, de oud-italische
+doodsgodin. Boven den ringmuur verhief zich veiligheidshalve nog
+een stevig traliewerk. Onmiddellijk achter dit traliewerk had men
+het podium (A), een balcon of loge voor overheden en senatoren en
+vreemdelingen van rang. Hierachter kwamen gewoonlijk in drie rangen,
+caveae, de overige zitplaatsen, trapsgewijze opklimmende. Deze rangen
+verhieven zich weder verdiepingsgewijze boven elkander en werden
+gescheiden door muren (baltei), die ze als gordels omgaven, zoo dat
+in elken balteus de poorten (B, C) waren, die toegang verleenden tot
+den daarvoor gelegen rang. Geheel in de hoogte achteraan was nog eene
+overdekte galerij (D) voor vrouwen. Overigens waren de zitplaatsen
+onder den blooten hemel; doch tot beschutting tegen zonneschijn en
+regen werden boven de hoofden zeilen (vela, velaria) uitgespannen,
+die door masten omhoog werden gehouden. De zitplaatsen werden door
+gangpaden in wigvormige afdeelingen, cunei, gesneden. Wij hebben
+hierboven voor de duidelijkheid gesproken van rangen; daarbij denke
+men slechts aan verschil van plaats, niet van stand of prijs; want de
+spelen waren geschenken, aan het volk aangeboden, en de toegang was
+derhalve kosteloos.--De amphitheaters dagteekenen uit de eerste eeuw
+v. Chr.; het eerste van steen werd eerst tijdens Augustus opgericht
+door Statilius Taurus. Het grootste is het amphitheatrum Flavium,
+door Vespasianus begonnen en in 80 na Chr. door Titus ingewijd,
+met 50000 zitplaatsen. Een gedeelte er van is nog te Rome in wezen
+en bekend als il Colosseo (onderste gravure).
+
+Amphitrite, Amphitrite, eene Nereïde. Poseidon dong naar hare hand,
+maar daar zij ongehuwd wilde blijven, vluchtte zij naar Atlas, die haar
+verborg. De dolfijn van Poseidon spoorde haar echter op en zoo werd
+zij de gemalin van den god, wien zij drie kinderen baarde, Triton,
+Rhode en Benthesicyme. Haar naam wordt dikwijls als personificatie
+van de zee gebruikt.
+
+Amphitryo, Amphitryon, zoon van koning Alcaeus van Tiryns. Toen de
+Taphiërs de kudde van zijn oom Electryon geroofd hadden en deze ten
+strijde trok om ze terug te halen, gaf hij zijn rijk aan Amph. met
+de belofte, dat hij hem, wanneer de roof gewroken zou zijn, zijne
+dochter Alcmene tot vrouw zoude geven. Door een noodlottig toeval
+doodde Amph. zijn oom voordat de oorlog beslist was, waarom hij
+door Sthenelus uit Tiryns verjaagd werd; hij ging naar Thebe en
+Alcmene volgde hem. Creon, zijn moeders broeder, reinigde hem van
+zijn bloedschuld en beloofde hem hulp tegen de Taphiërs, wanneer hij
+den wilden vos, die toen het land verwoestte, wist te vangen of te
+dooden. Hoewel de vos volgens een orakel niet ingehaald konde worden,
+nam Amph. die taak op zich en leende van een Athener, Cephalus, een
+hond, die alles konde inhalen. Zeus veranderde beide dieren in steenen,
+waarop Creon de toegezegde hulp verleende. Amph. veroverde Taphus en
+schonk het rijk aan Cephalus, terwijl hij naar Thebe terugkeerde en
+met Alcmene huwde, bij wie hij vader werd van Iphicles. Hij sneuvelde
+in een slag tegen de Minyers.
+
+Amphitryoniades, Amphitryoniades, Heracles, als zoon van Alcmene,
+de gemalin van Amphitryo.
+
+Amphora, amphoreus, amphiphoreus, soort van groote kruik met twee
+ooren, van onder in een punt uitloopende, zoodat zij niet kon
+blijven staan zonder steun. Wilde men eene kostbare amphora op
+een pronktafeltje zetten, dan moest er in het blad een gat of eene
+uitholling zijn. Voornamelijk dienden de amphorae tot bewaring van
+wijn. Ook werd amphora gebruikt als maat voor natte waren = ruim 1/4
+hectoliter, waaruit blijkt, dat men zich de amphora niet te klein
+moet voorstellen. Soms heeft zij een tuit.
+
+Amphoterus, Amphoteros, 1) z. Acarnan.--2) broeder van Craterus,
+bevelhebber op de vloot van Alexander.
+
+Amphrysus, Amphrysos, 1) riviertje in Z.O. Thessalia, dat in de
+Pagasaeische golf uitstroomt, en aan welks oevers Apollo de kudden
+van Admetus weidde. Daarom spreekt Vergilius van Amphrysia vates =
+Sibylla.--2) = Ambrosus.
+
+Ampia Labiena (lex) de Cn. Pompeio, 63, een plebisciet van de
+volkstribunen T. Ampius Balbus en T. Labienus, waarbij aan Pompeius
+werd toegestaan, bij de openbare spelen een lauwerkrans te dragen en
+zich bij de circensische spelen in liet gewaad van een zegepralend
+veldheer te vertoonen.
+
+Ampii, plebejisch geslacht.
+
+Ampliatio, verdaging van de verdere behandeling eener rechtzaak. Zie
+Acilia (lex) de repetundis.
+
+Ampsaga, kustrivier in Noord-Africa, waaraan Cirta lag. Sedert 25
+vormde ze de westgrens van de nieuwe provincie Numidia of Africa Nova.
+
+Ampsanctus lacus, meertje bij Aeculanum in Samnium. Er stegen
+verpestende dampen uit op; daarom hield men het voor een van de
+ingangen tot de onderwereld.
+
+Ampsivarii, volk aan de Beneden-Eems. Ten tijde van Nero werden
+ze door de Chauken uit hun land gejaagd, en wilden toen een strook
+lands aan den rechter oever van den Rijn in bezit nemen, dien eerst
+de Chamaven, daarna de Tubanten en Usipii en ten slotte de Friezen
+voor een korten tijd bezet hadden. Dit stonden de Romeinen niet toe,
+en na lang ronddolen werden nu de Ampsivarii door de omwonende stammen
+bijna geheel vernietigd. Wat er van over bleef, vormde later een
+onderdeel van de Franken.
+
+Ampulla, flesch of karaf. Men vond ze evenals nu in allerlei vormen
+of fatsoenen, tot de met leder omwonden jacht- of reisflesch toe. Ook
+het latijnsche woord voor lekythos (z.a.).
+
+Ampycides, Ampykides, Mopsus, zoon van den Lapithe Ampyx.
+
+Amulius, de broeder van Numitor, die dezen van de regeering over Alba
+Longa beroofde en Romulus en Remus in den Tiber liet werpen.
+
+Amyclae, Amyklai, 1) stad in Laconica, ten Z.O. van Sparta. Ook na de
+dorische verovering bleef te Amyclae nog bijna twee eeuwen lang een
+achaeïsch staatje gevestigd, tot eindelijk de Spartanen bij verrassing
+de stad bezetten. Hier behoort de mythe te huis van Leda en de zwaan;
+de Dioscuren worden ook wel Amyclaei fratres genoemd.--2) stad in
+Latium, ook Amunclae geheeten, in het gebied van Fundi, tusschen
+Tarracina en Caieta (Gaëta) aan de kust gelegen, in eene moerassige
+streek, doch door de inwoners verlaten wegens de menigte slangen of
+adders. Vandaar de woorden tacitae Amyclae.
+
+Amyclaeus, Amyklaios, bijnaam van Apollo, onder welken hij te Amyclae
+vereerd werd. Daar was een overoud, zeer hoog standbeeld van den god,
+bestaande uit een rechte metalen zuil, waaraan een met een helm bedekt
+hoofd, voeten en handen met een boog en lans gezet waren. Later werd
+het beeld met een kunstig gebouwde kapel omgeven.
+
+Amyclides, Amykleides, Hyacinthus, de zoon van Amyclas, koning in
+Laconië, den stichter van Amyclae.
+
+Amycus, Amykos, de zoon van Poseidon en de nimf Melië, koning
+der Bebrycen, dwong alle vreemdelingen, die in zijn gebied kwamen,
+zich in het vuistgevecht, dat hij had uitgevonden en waarin hij zeer
+ervaren was, met hem te meten. Door Polydeuces, die met de Argonauten
+in zijn rijk landde, werd hij overwonnen en gedood of aan een boom
+gebonden; v. a. kocht hij zijn leven door te zweren, dat hij een
+bron, die hij tot nu toe voor vreemdelingen gesloten had gehouden,
+voor ieders gebruik zou openstellen.
+
+Amymone, Amymone, dochter van Danaüs. Toen zij door haar vader, na
+zijne aankomst te Argos, werd uitgezonden om water te halen, werd
+zij door een Satyr aangevallen en door Poseidon gered. Zij vatte
+liefde voor haar redder op en werd bij hem moeder van Nauplius. De
+bron Amymone bij Argos was naar haar genoemd.
+
+Amynander, Amynandros, koning der Athamanen, bondgenoot van de
+Romeinen en Aetoliërs in de oorlogen tegen Philippus III, (208-205,
+200-197). Gedurende den oorlog der Romeinen tegen Antiochus d. G. werd
+hij door Philippus uit zijn rijk verjaagd (191); hij vluchtte
+naar de Aetoliërs, die hem eenige jaren later de regeering terug
+bezorgden. Hoewel hij de partij van Antiochus gekozen had en de consul
+M'. Acilius Glabrio zijne uitlevering van de Aetoliërs geëischt had,
+schijnt hij later met de Romeinen weder op vriendschappelijken voet
+gekomen te zijn.
+
+Amyntas, Amyntas, 1) naam van eenige macedonische koningen, o.a. van
+den vader van Philippus (Am. III), die in 393 den overweldiger
+Pausanias van den troon stiet. Hij stierf in 370.--2) bevelhebber
+eener taxis in het leger van Alexander d. G., die zich meermalen
+door dapperheid onderscheidde. Hij werd met zijne drie broeders
+verdacht van medeplichtigheid aan de samenzwering van Philotas, maar
+vrijgesproken; kort daarna sneuvelde hij (330).--3) een Macedoniër,
+die bij Darius Codomannus in dienst ging en na den slag bij Issus naar
+Aegypte vluchtte, waar hij spoedig met de Aegyptenaren twist kreeg
+en gedood werd.--4) schrijver, later veldheer van koning Deiotarus
+van Galatië. Na den dood van Cassius liep hij met zijne troepen
+tot Antonius over, die hem tot belooning koning over Galatië maakte
+(36), welke waardigheid ook Octavianus hem na den slag bij Actium
+liet behouden. Hij stierf in 25.
+
+Amyntiades, Amyntiades, Philippus van Macedonië, zoon van Amyntas.
+
+Amyntor, Amyntor, koning van Eleon in Thessalië, of van de
+Dolopen, vader van Phoenix, dien hij uit minnenijd vervloekte en
+verjoeg. Heracles, wien hij den toegang tot zijn gebied geweigerd had,
+doodde hem.
+
+Amyrtaeus, Amyrtaios, de moeraskoning, die zich, nadat de opstand
+van Aegypte tegen Artaxerxes (z. Inarus) bedwongen was, nog geruimen
+tijd in de moerassen staande hield. Zijn zoon Pausiris behield later
+de regeering onder perzische heerschappij.
+
+Amythaon, Amythaon, zoon van Cretheus en Tyro, stichter van Pylus in
+Messenië, vader van Bias en Melampus.
+
+Amythaonidae, Amythaonidai, zonen en afstammelingen van Amythaon.
+
+Anabathmoi, eene rij zitplaatsen, die bij wijze van een trap
+oploopen, ook eene zaal met zulke zitplaatsen, die voor voordrachten,
+muziekuitvoeringen en dgl. verhuurd werd.
+
+Anacea, Anakeia, feest, dat in de meeste achaeïsche en dorische
+staten en ook te Athene, ter eere der Dioscuren gevierd werd. De
+Lacedaemoniërs vierden het zelfs wanneer zij in het veld waren.
+
+Anaceum, Anakeion, tempel der Dioscuren, zooals men in zeer vele
+steden, ook te Athene, vond.
+
+Anacharsis, Anacharsis, een scythisch prins, die uit weetgierigheid
+groote reizen ondernam, ook in Griekenland kwam, en te Athene met Solon
+kennis maakte. Hij wijdde zich daar aan de studie der wijsbegeerte
+en trok de algemeene aandacht door zijn vernuft en zijne eenvoudige
+leefwijze. In zijn vaderland teruggekeerd, wilde hij griekschen
+godsdienst en zeden invoeren en werd hij daarom door zijn broeder,
+koning Saulius, gedood. De brieven en gedichten die zijn naam dragen
+zijn onecht.
+
+Anacreon, Anakreon, lyrisch dichter uit Teos. Nadat Ionië door
+Harpagus onderworpen was (545), begaf hij zich naar Abdera en later
+naar Samus, waar hij tot aan den dood van den tyran Polycrates (522)
+aan diens hof bleef. Vervolgens werd hij door Hipparchus naar Athene
+geroepen en bleef daar tot den val der Pisistratiden. Waarheen hij
+later gegaan is, is onzeker; hij stierf 85 jaar oud, te Teos of
+Abdera. Van zijne liederen, die door bevalligheid en eenvoudige taal
+uitmunten en door de ouden hoog geroemd en nog lang na zijn dood
+veel gezongen werden, bestaan nog slechts eenige overblijfselen;
+de zoogenaamde anacreontische liedjes (Anakreontika, -teia) zijn uit
+den alexandrijnschen tijd afkomstig.
+
+Anactorium, Anaktorion, kaap en havenstad in Acarnania, aan de invaart
+der ambracische golf. De stad was een corinthische kolonie. Evenals
+de bevolking van Ambracia, werd ook die van Anactorium door Augustus
+naar het door hem gestichte Nicopolis gelokt.
+
+Anadikia = palindikia.
+
+Anadyomene, Anadyomene, de "uit zee opstijgende," bijnaam der uit
+het schuim der zee geborene Aphrodite. Zoo werd zij voorgesteld op
+een schilderij, die voor het meesterstuk van Apelles gold en in den
+tempel van Asclepius op het eiland Cos hing, waar zij door Augustus
+voor 100 talenten gekocht en naar Rome medegenomen werd.
+
+Anaea, Anaia, stad in Ionia, ten Z. van Ephesus, tegenover Samus.
+
+Anagnia, Anagnia, hoofdstad der Hernici in Latium, op een berg gelegen
+met schoone omstreken. In 306 viel de stad van Rome af, en werd, na
+het bedwingen van den opstand door den consul Q. Marcius Tremulus
+(Marcii no. 18), tot een praefectura gemaakt. Cicero had hier een
+landgoed, Anagnium.
+
+Anagnostes, Anagnostes, een slaaf, die zijn heer aan tafel, in het bad
+en in ledige uren voorlas. Ook iemand die in het openbaar voordrachten
+houdt. In den christelijken tijd een kerkelijk ambt (= lector).
+
+Anagogia, Anagogia, een feest dat op den berg Eryx op Sicilië ter eere
+van Aphrodite gevierd werd bij gelegenheid van hare jaarlijksche reis
+naar Libye, vanwaar zij na negen dagen terugkeerde, vgl. Catagogia. Ook
+op Delus werd een dergelijk feest ter eere van Apollo gevierd.
+
+Anaitis, Anaiitis, eene godin, die in verscheiden aziatische landen
+vereerd werd. Hare priesters waren tot een afgesloten stand met
+eigen bezittingen verbonden. De Grieken zagen in haar een maangodin
+en identificeerden haar met Aphrodite of Artemis.
+
+Anakalypteria, de tweede of derde dag van het huwelijk, waarop
+de vrouw zich het eerst ongesluierd vertoonde. Ook de geschenken,
+die op dien dag aan de jonggehuwden gegeven en met een plechtigen
+optocht naar hunne woning gebracht werden. Ter eere van het huwelijk
+van Hades en Core werden op Sicilië en elders anakalypteria gevierd.
+
+Anakrisis, voorloopig onderzoek, in het bizonder de instructie in een
+proces, die aan de behandeling voor de rechtbank voorafging en door
+een magistraat geleid werd. Bij de anakrisis werden getuigen gehoord,
+bewijzen onderzocht enz. Wanneer de aanklager hierbij niet verscheen,
+verviel de aanklacht, terwijl hij, indien het eene graphe betrof,
+1000 drachmen verloor en het recht om later zulke aanklachten te doen;
+de aangeklaagde werd, wanneer hij wegbleef, in contumaciam veroordeeld.
+
+Anaphe, Anaphe, eilandje in de Aegaeische zee, tot de Sporaden
+behoorende, ten oosten van Thera gelegen.
+
+Anaphlystus, Anaphlystos, attische demus behoorende tot de phyle
+Antiochis, in het zuidoosten van Attica gelegen, met een versterkte
+haven.
+
+Anapus, Anapos, naam van twee rivieren, waarvan de eene in Acarnania
+lag, een zijtak van den Achelous, en de andere op Sicilia, die ten
+zuiden van Syracusae zich door moerassen in zee stort. Als riviergod
+komt laatstgenoemde stroom bij Ovidius o. a. voor als de minnaar der
+bronnimf Cyane.
+
+Anarrysis, de tweede dag der Apaturia.
+
+Anartes, volksstam in Dacia, aan beide oevers van den bovenloop van
+den Theiss.
+
+Anas, rivier in Hispania, thans Guadiana. Ze vormt de grens tusschen
+de provincies Baetica en Lusitania.
+
+Anathema, anathema, heet alles wat aan een god gewijd en in zijn
+tempel of heiligdom nedergezet wordt, dikwijls voorwerpen van groote
+kostbaarheid en kunstwaarde.
+
+Anatocismus, anatokismos, het berekenen van rente op rente. Had dit
+plaats telkens na afloop van een jaar, dan sprak men van anatocismus
+anniversarius.
+
+Anaumachiou graphe of dike, aanklacht wegens het niet deelnemen aan een
+zeeslag. De zaak werd voor de strategen behandeld, de straf was atimie.
+
+Anava, ta Anaua, stad in Phrygia, tusschen Celaenae en Colossae,
+aan het zoutmeer Ascania.
+
+Anax, Anax, vorst, heer; met dien bijnaam worden ook verschillende
+goden genoemd; de Dioscuren dragen dikwijls kortweg den naam Anactes,
+ook Anaces (Anaktes, Anakes).
+
+Anaxagoras, Anaxagoras, geb. te Clazomenae omstreeks 500, kwam, na
+vele landen bezocht te hebben, in 456 te Athene, waar hij als leeraar
+der wijsbegeerte optrad. Tot zijne leerlingen behoorden Euripides
+en Thucydides, terwijl hij met Pericles zeer bevriend werd. Volgens
+An. bestaat de stof, zelfs in hare kleinste deelen, uit een oneindig
+aantal soorten, de stofdeeltjes van elke soort zijn echter gelijk,
+zoowel aan elkander, als aan de lichamen die er uit bestaan. De
+stof lag oorspronkelijk onbewegelijk in eene verwarde massa,
+totdat de geest (nous) er op werkte en eene scheiding (diakrisis)
+van ongelijksoortige en vereeniging (synkrisis) van gelijksoortige
+stofdeeltjes veroorzaakte. De hierdoor ontstane lichamen kan men dus
+homoiomere noemen, hoewel nooit eene volkomen scheiding of vereeniging
+tot stand komt en dus ieder lichaam vreemde stofdeelen bevat; alleen de
+onstoffelijke nous is eenvoudig, onvermengd, zuiver. De stofdeeltjes
+zelve noemde An. spermata of chremata, lateren homoiomereiai. Wegens
+deze leer werd An. kort voor den peloponnesischen oorlog, naar men
+zegt door politieke tegenstanders van Pericles, van goddeloosheid
+aangeklaagd. V. s. werd hij ter dood veroordeeld, maar door Pericles
+in staat gesteld te vluchten, v. a. werd hij verbannen, of hij werd
+vrijgesproken, maar verliet uit ontevredenheid de stad. Zooveel is
+zeker dat hij zich na dit proces naar Lampsacus begaf, waar hij,
+72 jaar oud, stierf.
+
+Anaxander, Anaxandros, koning van Sparta, hij leefde tijdens den
+tweeden messenischen oorlog.
+
+Anaxandridas, Anaxandridas, 1) naam van eenige spartaansche koningen,
+o. a. van den vader van Leonidas.--2) geb. te Camirus, leefde omstreeks
+375 als blijspeldichter te Athene, waar hij in hoog aanzien stond
+als een aangenaam en verstandig mensch en fijn opmerker. Van zijne
+65 stukken, de eerste waarin liefdesavonturen voorkomen, is bijna
+niets over.
+
+Anaxarchus, Anaxarchos, van Abdera, leerling van Democritus,
+vergezelde Alex. d. G. op zijne veldtochten en werd eudaimonikos
+bijgenaamd. Volgens het verhaal zou hij door den tyran Nicocreon
+van Cyprus, wegens een hem aangedane beleediging, in een vijzel
+verpletterd zijn.
+
+Anaxarete, Anaxarete, een cyprisch meisje, dat door den herder Iphis
+bemind werd, maar hem zoo koel behandelde, dat hij zich voor hare
+deur ophing. Toen zij zelfs bij het zien van zijn lijk niet getroffen
+werd, veranderde Aphrodite haar in een steenen beeld. Hetzelfde wordt
+verhaald van Arsinoë en haar minnaar Arceophon.
+
+Anaxibia, Anaxibia, 1) dochter van Plisthenes, gemalin van Strophius,
+moeder van Pylades.--2) eene nimf die door Helius bemind en vervolgd
+werd, en naar den tempel van Artemis Orthia aan den Ganges vluchtte,
+waar zij verdween. Sedert dien tijd gaat de zon van die plaats,
+voortaan Anatole genaamd, op.--3) Zie Alphesiboea.
+
+Anaxibius, Anaxibios, bevelhebber der spartaansche vloot in Byzantium,
+toen Xenophon met de rest van de 10000 daar aankwam. Daar hij het
+leger door beloften misleidde, veroorzaakte hij groote verwarring, en
+kwam hij persoonlijk in groot gevaar. In 389 werd hij als harmost naar
+Abydus gezonden, maar het volgende jaar viel hij in een hinderlaag,
+hem door Iphicrates gelegd, en sneuvelde hij.
+
+Anaxilaus, Anaxilaos, 1) tyran van Rhegium (494-476), uit Messenië
+afkomstig, die omstreeks 480, met hulp van Samiërs en Milesiërs,
+Zancle op Sicilië veroverde, welke stad hij met Messeniërs bevolkte
+en Messana noemde. Hij stierf in 476 en liet twee zonen na, die
+gedurende hun minderjarigheid onder voogdij van een getrouwen slaaf,
+Micythus, bleven, in 467 aan de regeering kwamen, en na zes jaren
+verdreven werden.--2) dichter van achttien blijspelen, waarvan nog
+eenige fragmenten bestaan, die van het geheel geen zeer hoogen dunk
+geven.--3) pythagoreïsch wijsgeer uit Larisa, door Augustus in 28
+wegens tooverij uit Italië verbannen.
+
+Anaximander, Anaximandros, geb. te Miletus in 610, de eerste grieksche
+schrijver over wijsbegeerte, was een vriend en leerling van Thales,
+leefde aan het hof van Polycrates van Samus en stierf in of kort
+na 547. In zijn werk peri physeos neemt hij als grondstof van het
+heelal iets oneindigs (apeiron) aan, dat hij niet nader bepaalt,
+maar dat hij goddelijk, onsterfelijk en onvergankelijk noemt. Hij
+zoude het eerst een zonnewijzer, een hemelbol, enz. gemaakt hebben.
+
+Anaximenes, Anaximenes, 1) geb. te Miletus, waarschijnlijk tusschen
+560 en 550, door sommigen een leerling van Anaximander genoemd, nam
+als grondstof van het heelal de zich in het oneindige uitstrekkende
+lucht aan, waaruit door verdikking (pyknosis) en verdunning (manosis,
+araiosis) alles ontstaan zou zijn, en die de geheele wereld omgeeft
+en bijeenhoudt.--2) geschiedschrijver uit Lampsacus, vriend van
+Alexander d. G., schreef Hellenika, eene soort algemeene geschiedenis,
+en Philippika, de geschiedenis van Philippus, ta peri Alexandron,
+die van Alexander bevattende. Als rhetor was hij een tegenstander
+van Isocrates. De rhetorike pros Alexandron, die onder de werken van
+Aristoteles is opgenomen, wordt te recht aan hem toegeschreven. Van
+zijne andere werken is slechts weinig bewaard gebleven.
+
+Anaxo, Anaxo, dochter van Alcaeus en Hipponome, gemalin van Electryon,
+moeder van Alcmene.
+
+Anazarbus, Anazarbos, aanzienlijke stad hij een gelijknamigen berg
+in Cilicia, aan den Pyramus, door Augustus Caesarea (ad Anazarbum)
+genoemd. De beroemde arts Dioscorides Pedanius, die waarschijnlijk
+onder de regeering van Nero leefde, was hier geboren. Evenzoo Appianus.
+
+Ancaeus, Ankaios, 1) zoon van den arcadischen koning Lycurgus en
+Eurynome, een van de Argonauten en calydonische jagers. Hij werd door
+het Calydonische zwijn gedood.--2) zoon van Poseidon en Astypalaea,
+koning der Lelegers op Samus, na den dood van Tiphys stuurman der
+Argonauten. Eens werd hem door een waarzegger voorspeld, dat hij van
+druiven, die hij bezig was te planten, geen wijn zou drinken. Toen hij
+nu den beker met den wijn gevuld in de hand hield en den waarzegger
+bespotte, sprak deze het later tot een spreekwoord gewordene: polla
+metaxy pelei kylikos kai cheileos akrou. Op hetzelfde oogenblik werd
+de tijding gebracht dat een ever het land verwoestte, de koning zette
+den beker neder, snelde naar buiten, en werd door den ever gedood.--3)
+een Aetoliër, bij de begrafenis van Amarynceus door Nestor in een
+vuistgevecht overwonnen.
+
+Anchesmus, Anchesmos, berg ten N. O. van Athene, met een tempel
+van Zeus.
+
+Anchiale, Anchiale, naam van twee steden, in Thracia aan den Pontus
+Euxinus, en op de kust van Cilicia tusschen Tarsus en Soli. Ook de
+vorm Anchialus komt voor.
+
+Anchises, Anchises, was de zoon van Capys en van Themis, de dochter
+van koning Ilus. Bij Aphrodite, die hem om zijne schoonheid liefhad,
+verwekte hij den beroemden held Aeneas. Toen hij zich eenmaal op zijne
+verbintenis met Aphrodite verhoovaardigde, sloeg Zeus hem met blindheid
+of met verlamming. Bij Vergilius draagt Aeneas zijn verlamden vader
+op de schouders uit het brandende Troje weg. Anchises vergezelde zijn
+zoon op diens lange omzwervingen, tot hij eindelijk op Sicilia stierf
+en op den berg Eryx begraven werd.
+
+Anchisiades, Anchisiades, patron. = Aeneas.
+
+Ancile, heilig schild, volgens de sage uit den hemel gevallen tijdens
+het koningschap van Numa Pompilius. Daar de nimf Egeria den koning
+verkondigde, dat het lot en het voortbestaan van Rome aan het behoud
+van dit schild verbonden was, liet Numa door den bekwamen wapensmid
+Mamurius Veturius nog elf andere ancilia vervaardigen, die alle zoo
+nauwkeurig nagemaakt waren, dat men het echte niet van de overige kon
+onderscheiden. De bewaring was toevertrouwd aan het priestercollegie
+der Salii, die op bepaalde tijden een rondgang door Rome hielden,
+waarbij sommige de schilden aan stokken over den schouder droegen, en
+andere al dansende met metalen staafjes tegen de schilden sloegen. De
+ancilia waren langwerpig rond, in het midden aan weerszijden
+uitgesneden op de wijze eener viool, doch zonder hoeken of punten.
+
+Ancona, he Ankon, belangrijke havenstad in Picenum aan de adriatische
+zee. Het droeg zijn naam, omdat het in eene door twee kapen gevormde
+elleboogvormige bocht lag. Ancona was in 390 door syracusaansche
+uitgewekenen gesticht; onder de Romeinen werd het kolonie. Het had
+eene voortreffelijke haven, een beroemden Venustempel, een zegeboog
+van Traianus, purperververijen, wijn- en graanteelt in de omstreken.
+
+Ancora, ankyra. Voordat de ijzeren ankers in gebruik kwamen, gebruikte
+men groote steenen (eunai) als zoodanig. De oudste ijzeren ankers
+hadden slechts één tand (ankyra heterostomos); de latere waren, evenals
+de onze, tweetandig (amphistomoi). Het noodanker, dat voor het uiterste
+gevaar bewaard werd, werd het heilige geheeten; vandaar sacram ancoram
+solvere = tot het laatste redmiddel zijn toevlucht nemen.
+
+Ancus Marcius, vierde koning van Rome (641-617) van wien de romeinsche
+geschiedschrijvers het volgende vertellen: Hij was een zoon van Numa's
+dochter. In zijne oorlogen met de Latijnen lijfde hij een deel van
+hun gebied bij Rome in en bracht de bevolking van een viertal steden
+geheel of gedeeltelijk naar Rome over, waar hun de mons Aventinus
+ter bewoning werd ingeruimd. Uit deze ingelijfde Latijnen ontstond de
+plebs. Hij versterkte den mons Ianiculus, over den Tiber gelegen, en
+verbond dezen met de stad door een houten paalbrug, pons sublicius. Ook
+stichtte hij aan den mond van den Tiber de havenstad Ostia. Hoewel
+hij meermalen de wapenen tegen zijne naburen moest voeren, legde hij
+zich toch bij voorkeur op de werken des vredes toe.
+
+Ancyra, Ankyra, naam van eene stad in Phrygia en van eene in
+Galatia. De eerste ligt in Phygia Abbaitis, aan den Macestus, ten
+N. van het gebergte Temnus. De laatstgenoemde is nog tegenwoordig
+onder den naam Angora bekend. Zij was door een der Midassen gesticht;
+hare ligging aan den grooten karavanenweg door Galatia bracht haar tot
+groote bloei. Augustus verfraaide de stad, die uit erkentelijkheid een
+kostbaren tempel voor hem stichtte, onder welks overblijfselen men
+sedert 1553 het marmor Ancyranum ontdekt heeft, een in latijnschen
+en griekschen tekst in marmer gebeitelde opgaaf van 's keizers
+regeeringsdaden, zooals hij er eene aan de Vestaalsche maagden had ter
+hand gesteld, en zooals er eene in zijn mausoleum werd aangetroffen.
+
+Andabatae, een soort van zwaardvechters, die een gesloten helm zonder
+vizier droegen en dus in den blinde op elkaar lossloegen, hetgeen
+tot menig komisch tooneel aanleiding gaf.
+
+Andania, Andania, oude residentiestad der messenische koningen,
+in het N. van Messenië gelegen.
+
+Andecavi, gallisch volk aan den benedenloop van den Liger (Loire),
+in het latere Anjou. Hunne hoofdstad was Iuliomagus, thans Angers.
+
+Andes, 1) = Andecavi.--2) vlek bij Mantua, geboorteplaats van
+Vergilius.
+
+Andocides, Andokides, 1) zoon van Leogoras, geb. te Athene omstreeks
+440, de tweede in de rij der 10 attische redenaars. Hij behoorde
+tot de aristocratische partij en voerde het bevel over de vloot,
+die in het begin van den peloponnesischen oorlog door de Atheners
+uitgezonden werd om Corcyra te helpen. Van medeplichtigheid aan de
+verminking der Hermesbeelden verdacht en gevangen genomen (415),
+redde hij zich door de namen der ware of gewaande schuldigen,
+o.a. zijn vader en vier broeders op te geven. Hij werd echter met
+atimie gestraft en zag zich genoodzaakt, Athene te verlaten. Sedert
+woonde hij als koopman op Cyprus en in Elis; wel trachtte hij onder
+de regeering der 400 in Athene terug te keeren, maar toen moest hij
+terstond weder vluchten; beter werd hij ontvangen na den val der 30,
+en zelfs kreeg hij toen spoedig weder invloed op de staatszaken,
+maar in 391 werd hij op nieuw verbannen. Hij zou 44 redevoeringen
+geschreven hebben, waarvan 4 bewaard gebleven zijn. Hiervan zijn
+zeker echt: peri tes heautou kathodou (uit 407) en peri ton mysterion
+(uit 399); waarschijnlijk echt is ook peri tes pros Lakedaimonion
+eirenes (uit 392/391); onecht is de rede kat' Alkibiadou.--2) Attisch
+vazenschilder uit de 2de helft van de 6de eeuw. Hij heeft zoowel in
+den zwartfigurigen als in den roodfigurigen stijl geschilderd.
+
+Andraemon, Andraimon, 1) echtgenoot van Gorge, de dochter van Oeneus,
+dien hij in de regeering over Calydon opvolgde.--2) zoon van Oxylus,
+echtgenoot van Dryope.
+
+Andrapodismou graphe, aanklacht wegens het verkoopen van vrije
+menschen als slaven, eene misdaad waarop de doodstraf stond. De zaak
+werd behandeld door de elfmannen.
+
+Andreia = syssitia. Ook de groepen, waarin de tafelgenooten verdeeld
+waren, heetten andreia.
+
+Andriscus, Andriskos, gaf zich uit voor een natuurlijken zoon
+van koning Perseus, met name Philippus, en wordt daarom ook wel
+Pseudo-Philippus geheeten. Hij verwekte in 149 in Macedonia een
+opstand tegen de Romeinen en behaalde aanvankelijk vele voordeelen,
+doch werd overwonnen en gevangen genomen (148), en moest den zegetocht
+van Q. Caecilius Metellus (Caecilii no. 6) opluisteren.
+
+Androcles, Androkles, een demagoog, die na den val van Alcibiades
+leider der volkspartij te Athene werd; bij de omwenteling van 410
+werd hij door de oligarchische partij vermoord.
+
+Androclidas, Androkleidas, een Thebaan die, door Perzië met geld
+ondersteund, in 395 Thebe tot oorlog tegen Sparta aanzette, waardoor
+de terugkomst van Agesilaus uit Azië noodzakelijk werd.
+
+Androclus, Androklos, weggeloopen slaaf van een romeinsch proconsul
+in Africa, die door een leeuw, uit wiens poot hij een splinter had
+getrokken, van voedsel werd voorzien. Toen hij later gevangen was
+genomen en veroordeeld om voor de wilde dieren te worden geworpen,
+gebeurde het, dat hij toevallig in het amphitheater zijn ouden
+makker tegenover zich kreeg. De leeuw herkende hem, begroette hem
+kwispelstaartend en likte hem. Voor den keizer geroepen, verhaalde
+hij zijn wedervaren, waarop hij in vrijheid werd gesteld en den leeuw
+ten geschenke kreeg, die nu weder zijn trouwe metgezel werd.
+
+Androgeos, Androgeos, zoon van Minos en Pasiphaë. Hij was te Athene,
+toen voor het eerst de Panathenaea gevierd werden, en behaalde daarbij
+alle prijzen; uit afgunst hierover liet Aegeus hem verraderlijk
+vermoorden.
+
+Androlepsia. Wanneer een Athener in een vreemde staat vermoord was,
+en die staat weigerde daarvoor voldoening te geven, dan hadden de
+bloedverwanten van den vermoorde het recht zich van hoogstens drie
+personen uit dien staat meester te maken en hen te Athene voor de
+rechtbank te brengen. Dit recht heette androlepsia. Hoe het proces
+verder gevoerd werd, is onbekend.
+
+Andromache, Andromache, dochter van Eëtion, de edele en liefhebbende
+gemalin van Hector. Na het einde van den troj. oorlog werd zij door
+Neoptolemus naar Epirus medegenomen, waar zij bij hem drie zonen
+kreeg. Toen Neoptolemus gedood was, huwde zij volgens zijne beschikking
+met haar zwager Helenus, die tevens voogd over haar kinderen werd. Na
+den dood van Helenus ging zij met haar jongsten zoon Pergamus naar
+Azië; zij stierf in de door hem gestichte stad Pergamus, waar zij later
+een heiligdom had. V. a. had zij bij Neoptolemus slechts één zoon,
+Molossus, en wil Hermione met hulp van Menelaus haar uit jaloerschheid
+dooden; Peleus redt haar echter, waarna zij op bevel van Thetis met
+haar kind en Helenus naar Molossië vertrekt.
+
+Andromeda, Andromeda, dochter van Cepheus en Cassiopea. Daar hare
+moeder zich beroemd had schooner te zijn dan de Nereïden, zond Poseidon
+een zeemonster, dat het land verwoestte, en waarvan men zich, volgens
+een orakel, alleen kon bevrijden door Andr. op te offeren. Toen zij
+aan een rots gebonden was in afwachting dat het monster haar kwam
+verslinden, verscheen Perseus, die het monster doodde. Na een hevigen
+strijd met Phineus, wien zij vroeger tot vrouw beloofd was, voerde
+Perseus haar met toestemming van haar vader mede naar Griekenland,
+waar zij de moeder werd der beroemde Perseïden. Andr. werd later
+onder de sterrenbeelden geplaatst.
+
+Andron, Andronitis, dat gedeelte van het huis waar ook vreemde mannen,
+bij bezoeken, symposia, enz., toegelaten werden. De hiertoe behoorende
+vertrekken, meer in het bizonder andrones genoemd, lagen rondom een
+open plaats (aule), die aan alle vier zijden met overdekte zuilengangen
+omgeven was. Van de voordeur kwam men door een gang terstond in deze
+aule. De Romeinen noemen andron een gang, waarschijnlijk de gang,
+die naast het tablinum het atrium met het peristylium verbindt.
+
+Andronicus (Livius), rom. dichter. Zie Livii no. 11.
+
+Androsthenes, Androsthenes, admiraal van Alexander d. Gr., beschreef
+een tocht langs de arabische kust.
+
+Androtion, Androtion, leerling van Isocrates, schrijver eener
+geschiedenis van Athene, die door lateren veel gebruikt is.
+
+Andrus, he Andros, het noordelijkste eiland der Cycladen, met eene
+gelijknamige stad en eene voortreffelijke haven, om zijn wijnteelt aan
+den god Dionysus geheiligd. Reeds vroeg bezat het eene aanzienlijke
+zeemacht en zond het een aantal volkplantingen uit.
+
+Anemorea, Anemoreia, stad ten O. van Delphi.
+
+Anemurium, Anemourion, kaap en stad in West-Cilicia.
+
+Angitia of Anguitia, slangengodin of ook "wurgster," oud-italische
+godheid, in het bijzonder door de Marsen en Marruciners te Lucus
+Angitiae aan den Fucinus lacus vereerd. Vergilius maakte ze tot eene
+zuster van Medea.
+
+Anglii of Angili, Angeilai, germaansche volksstam, van de Elbe tot
+in de Chersonesus Cimbrica (Sleeswijk en Jutland), van waar zij in de
+vijfde eeuw na Chr., met Saksers en Jutten vereenigd, naar Britannia
+overstaken. De Anglii behoorden tot die volksstammen, die de godin
+Nerthus vereerden.
+
+Angrivarii (Engeren), germaansch volk aan den Visurgis (Weser),
+in den regel bevriend met de Romeinen.
+
+Anguis. De slang gold in Oud-Italia als zinnebeeld van den
+genius loci. Men vond dikwerf slangen op de muren geschilderd, als
+waarschuwing om die plaats niet te verontreinigen. Ook als zinnebeeld
+der geneeskunst en gezondheidsleer komt de slang voor, zoo kronkelt
+zich b.v. eene slang om den staf van Aesculapius. Ten tijde van keizer
+Traianus werd de anguis of draco bij de rom. legers als veldteeken
+der cohorte ingevoerd. Het bestond uit een nauwen langen zak, met
+een slangekop met open muil en zilveren tong, op een lansschacht
+bevestigd. Wanneer de wind nu in den geopenden muil blies, maakte
+het lichaam allerlei kronkelingen en wendingen. Dit veldteeken was,
+naar men zegt, overgenomen van de Parthen.
+
+Anguitia, zie Angitia.
+
+Anicii, plebejisch geslacht.
+
+Anigrus, Anigros, bij Hom. Minyeios geheeten, klein stinkend
+kustriviertje in Triphylia.
+
+Anio, g. enis, Anion, rivier in Latium, die bij Tibur de beroemde
+watervallen vormt en zich boven Rome bij Antemnae in den Tiber
+stort. Twee waterleidingen, de Anio vetus en de Anio novus voerden
+het water dezer rivier naar Rome. De eerste leiding was in 272 door
+de censoren M'. Curius Dentatus en L. Papirius Cursor gebouwd uit den
+op Pyrrhus behaalden buit; de andere was begonnen onder Caligula en
+onder Claudius voltooid.
+
+Anius, Anios, zoon van Apollo en Creusa of Rhoeo, op Delus geboren,
+waar Apollo hem tot zijn priester en tot koning over het eiland
+maakte. Aeneas werd op zijn tocht vriendschappelijk door hem
+ontvangen. Zie Lavinia.
+
+Anna, dochter van Belus, vluchtte met hare zuster Dido uit Tyrus naar
+Africa, waar Dido Carthago stichtte. Volgens een rom. verhaal zou
+Anna na Dido's dood door den numidischen koning Iarbas uit Carthago
+verdreven zijn, op hare vlucht op de kust van Latium schipbreuk
+hebben geleden en door Aeneas opgenomen en aan de vriendschap zijner
+echtgenoote Lavinia aanbevolen zijn. Door Dido echter in den droom
+gewaarschuwd tegen Lavinia's ijverzucht, stortte Anna zich in het
+riviertje Numicius en verdronk, waarna zij als stroomnimf onder den
+naam Anna Perenna werd vereerd. Perenna zou dan uit per en amnis
+moeten gevormd zijn.
+
+Anna Perenna, oud-romeinsche godin van het jaar, wier feest de Romeinen
+op de idus van Maart vierden, met de bede, ut annare perennareque
+commode liceret, d.w.z. dat men het jaar goed mocht beginnen en ten
+einde brengen. Anna heet de godin dus met betrekking tot het begin,
+Perenna met het oog op het einde van het jaar. Zie ook Anna.
+
+Annaei, 1) L. Annaeus Seneca, ter onderscheiding van zijn gelijknamigen
+zoon gewoonlijk pater of rhetor genoemd, te Corduba in Hispania (±
+54) geboren, had te Rome het onderwijs der beroemdste redenaars van
+zijn tijd genoten en had zelf grooten naam als rhetor. Hij stierf ±
+39 n. C. Van hem bestaan nog Controversiae (5 boeken) en Suasoriae
+(1 boek), declamaties in den vorm van verdichte pleidooien en
+verhandelingen over verdichte gevallen.--2) L. Annaeus Seneca,
+zoon van den vorigen, aanhanger der stoicijnsche wijsbegeerte,
+geboren te Corduba in 4; kwam vroeg naar Rome en wijdde zich aan
+den staatsdienst. Onder keizer Claudius moest hij een achttal jaren
+(41-49 n. C.) als balling op Corsica doorbrengen. Teruggeroepen
+zijnde, werd hij door Agrippina tot leermeester van haar zoon Nero
+aangesteld. In den beginne had hij op Nero grooten invloed; zoodoende
+heeft Seneca met den praef. praet. Burrus eenige jaren lang den
+staat voortreffelijk kunnen besturen; doch allengs werd de keizer ook
+jegens Seneca wantrouwend, deze werd in eene samenzwering betrokken
+en ter dood veroordeeld, waarbij hem de keuze van zijn dood werd
+gelaten. Hij liet zich de aderen openen (65 n. C.) Een aantal werken
+zijn nog van hem overig: 124 epistolae ad Lucilium, de ira (3 b.), de
+clementia (2 b.), de beneficiis (7 b.), naturalium quaestionum l. VII,
+ad Helviam matrem de consolatione, enz. Ook zijn er acht treurspelen
+van hem bewaard gebleven: Hercules furens, Thyestes, Phaedra, Oedipus,
+Troades, Medea, Agamemno, Hercules Oetaeus, en een paar fragmenten. Ze
+hebben grooten invloed uitgeoefend op het moderne tooneel, vooral
+op Vondel. Niet van Seneca is de praetexta Octavia. Verder heeft
+Seneca een bijtende satyre op keizer Claudius kort na diens dood
+uitgegeven, de apokolokyntosis. Door zijn geschriften, waarin hij de
+denkbeelden der Stoa verdedigt, heeft Seneca grooten invloed geoefend,
+ook op volgende geslachten.--3) M. Annaeus Lucanus, kleinzoon van
+den rhetor Seneca, ook van Corduba geboortig (39 n. C.), was eerst
+als episch dichter bij Nero in aanzien, totdat diens naijver werd
+opgewekt. Lucanus nam toen deel aan eene samenzwering en werd met
+anderen gedwongen de hand aan zichzelf te slaan (65). Van hem is
+niets overgebleven dan het epos Pharsalia (10 b.), eene beschrijving
+van den tweeden burgeroorlog tot aan den alexandrijnschen oorlog.--4)
+L. Annaeus Cornutus, geb. te Leptis in Africa, stoicijn onder Nero,
+die hem haatte en verbande (65 n. C). Er zijn van hem geschriften
+over in het Grieksch en in het Latijn. Cornutus was een vriend van
+den satirendichter Persius.--5) Annaeus (Anneus) Florus, zie Florus.
+
+Annales, chronika. Oudtijds werden ook te Rome de namen der
+overheidspersonen en enkele gedenkwaardige gebeurtenissen door de
+pontifices kroniekmatig opgeteekend. Deze opteekeningen gingen bij
+de verwoesting van Rome door de Galliërs verloren, zoodat de latere
+annales maximi, ook wel annales of commentarii pontificum geheeten, die
+aan het einde van de 2de eeuw waarschijnlijk door den pontifex maximus
+P. Mucius Scaevola in 80 boeken zijn uitgegeven, slechts weinig omtrent
+den oudsten tijd van Rome vermeld kunnen hebben. Later legden zich een
+groot aantal schrijvers op het schrijven van jaarboeken toe en worden
+hiernaar annalisten geheeten. De oudsten, Q. Fabius Pictor, L. Cincius
+Alimentus, C. Acilius, A. Postumius Albinus, schrijven hun jaarboeken
+nog in het Grieksch. Eerst met M. Porcius Cato (234-149) en diens
+Origines begint de romeinsche historiografie. Op hem volgen L. Cassius
+Hemina, Q. Fabius Maximus Servilianus (consul 142), L. Calpurnius Piso
+(c. 133), C. Sempronius Tuditanus (c. 129), S. Fannius (c. 122),
+Cn. Gellius, Vennonius, allen tijdgenooten. In eenigszins anderen
+geest schrijft Sempronius Asellio, en dan komen de annalisten uit den
+tijd van Sulla, die allen de oudere geschiedenis vervalschen in een
+bepaalde richting, en hun werken opsmukken door invoeging van tallooze
+redevoeringen. Het zijn Q. Claudius Quadrigarius, Valerius Antias,
+C. Licinius Macer, Aelius Tubero. Op hun werken berust grootendeels
+onze kennis der oudste romeinsche geschiedenis.
+
+Annalis (lex), zie Villia lex (annalis).
+
+Anniceris, Annikeris, cyrenaeïsch wijsgeer, ongeveer gelijktijdig met
+Epicurus; hij trachtte de leer van Aristippus te veredelen en zocht het
+hoogste geluk in het genoegen, dat men vindt in vriendschap, gezellig
+verkeer, streven naar eer en dgl. Zijn aanhangers heetten Annikereioi.
+
+Annii, waartoe o.a. de. Aselli, de Bellieni, de Lusci, de Milones
+behoorden. 1) T. Annius Luscus, consul 153, als redenaar bekend. Hij
+trad in 133 heftig op tegen Ti. Gracchus.--2) T. Annius Luscus Rufus,
+consul 128.--3) T. Annius Milo Papianus, zoon van C. Papius Celsus
+uit Lanuvium, doch door zijn grootvader van moederszijde tot zoon
+aangenomen. Hij was in 57 volkstribuun, en geraakte met P. Clodius
+(z. Claudii no. 17) in hevigen strijd, omdat hij diens vijandschap
+tegen Cicero niet deelde. Daar beiden zich met benden zwaardvechters
+omgaven, kwam het tot openbare gewelddadigheden. Intusschen begunstigde
+Milo Cicero's terugroeping uit de ballingschap. In 52 ontmoette Milo,
+die op reis naar Lanuvium was, bij Bovillae aan de via Appia Clodius,
+die van zijn landgoed naar Rome terugkeerde. Tusschen beider gewapend
+gevolg ontspon zich een strijd, waarbij Clodius, die toesnelde, door
+een van Milo's slaven gewond en vervolgens op last van Milo zelf gedood
+werd. Groote opgewondenheid te Rome en oproerige tooneelen volgden,
+waarbij zelfs de curia Hostilia afbrandde. Milo, de vi aangeklaagd,
+werd veroordeeld en ging in ballingschap naar Massilia. Cicero was door
+de buitengewone maatregelen van den consul Pompeius tot handhaving
+der orde zoo in verwarring gebracht, dat hij Milo slechts zwak
+verdedigde. De oratio pro Milone, welke wij bezitten, is niet die,
+welke in werkelijkheid door Cicero is uitgesproken.--4) A. Annius
+Gallus, veldheer van keizer Otho, streed in den slag bij Bedriacum
+tegen Vitellius. Later komt hij voor in den oorlog tegen Claudius
+Civilis en de Batavieren.--5) P. Annius Florus, zie Florus.--6)
+L. Annius Verus, praetor in Hispania, werd door keizer Hadrianus tot
+zoon aangenomen en heette toen L. Aelius Verus, doch stierf nog vóór
+Hadrianus. Hij had twee zoons, die beiden door keizer Antoninus Pius
+werden aangenomen, en dus tot de Aureliussen overgingen, z. Marcus
+Aurelius en Verus.
+
+Annona, de jaarlijksche opbrengst der akkers, als godin afgebeeld
+met den hoorn des overvloeds in de eene en korenaren in de
+andere hand. In het bizonder werd aldus het koren genoemd, dat
+de senaat in Sicilia en Africa op staatskosten liet opkoopen,
+om aan minvermogende burgers om niet of tegen lage prijzen uit
+te deelen. De cura annonae was aan de aedilen opgedragen; Caesar
+stelde zelfs eene nieuwe aediliteit in door twee aediles Cereales
+te doen benoemen, terwijl Augustus de administratie van aanvoer
+en uitdeeling van koren opdroeg aan een praefectus annonae. In den
+beginne verkochten de aedilen het koren slechts tot zulk een prijs,
+dat de graanhandelaars er door verhinderd werden woekerwinst te maken
+en dat in tijden van schaarschte hongersnood werd geweerd. Doch in 123
+riep C. Sempronius Gracchus de eerste lex frumentaria in het leven,
+volgens welke een paterfamilias uit de korenmagazijnen van den staat
+eene bepaalde hoeveelheid koren per maand zou kunnen koopen tegen 6
+1/3 as den modius, ongeveer den halven marktprijs. Eene lex Appuleia
+van den volkstribuun L. Appuleius Saturninus verlaagde den prijs tot
+5/6 as, doch werd weder opgeheven, daar de schatkist dit niet kon
+dragen. Eene lex Octavia van onbekenden datum bracht den prijs meer in
+overeenstemming met de marktwaarde. Sulla hief de korenuitdeelingen op,
+maar in 73 riep de lex Terentia et Cassia ze weder in het leven en
+stelde den prijs per modius opnieuw op 6 1/3 as. De lex Clodia, 58,
+beval de uitdeelingen om niet. Wanneer men nagaat, dat het aantal
+bedeelden, hoewel door Pompeius beperkt, in den burgeroorlog tot
+minstens 300000 aangroeide, door Caesar tot 150000 werd teruggebracht
+en sedert op dit cijfer bleef, dan kan men begrijpen, hoe drukkend
+deze uitdeelingen voor de schatkist waren. De gerechtigden ontvingen
+eene tessera frumentaria, een abonnementsplankje. Zoodanige tessera
+was alleen te verkrijgen, wanneer men als burger in eene tribus was
+ingeschreven. Toen het volk alle staatkundige rechten had prijsgegeven
+en de kans om, zoo er eene plaats openviel, eene tessera te bekomen,
+het eenige voorrecht der tribus was, werden in den mond van het volk
+beide woorden van gelijke beteekenis en zeide men zoowel tribum emere
+als tesseram frumentariam emere.
+
+Annulus, beter anulus, daktylios, sphragis. Aan den ringvinger
+der linkerhand droeg de Romein een zegelring; senatoren, ridders
+en overheden droegen hem van goud. Onder de keizers werd met het
+ius anuli (aurei) zeer lichtvaardig omgesprongen, en werd het zelfs
+aan vrijgelatenen toegestaan, die hierdoor met vrijgeborenen werden
+gelijkgesteld. Ten laatste droeg elk fatsoenlijk man een of meer gouden
+ringen, dikwijls met kostbare edelgesteenten.--Ook voor huishoudelijke
+zaken had men allerlei ringen, evenals bij ons, b.v. gordijnringen,
+anuli velares, enz.
+
+Annus, to etos. Het grieksche jaar was verdeeld in 12 maanmaanden,
+gerekend van de eene nieuwe maan tot de andere, en telde dus 354
+dagen, terwijl de maanden afwisselend 29 en 30 telden. Die van 30
+heetten menes plereis, de andere koiloi. Om de 3 jaren schoof men eene
+schrikkelmaand in (men embolimaios); het schrikkeljaar heette daarom
+trieteris. De namen der maanden en de indeeling van het jaar zijn in
+de meeste Grieksche staten verschillend. Het attische jaar telde de
+volgende 12 maanden: 1) Hekatombaion (van midden Juli-midden Aug.),
+genoemd naar het feest der hecatomben.--2) Metageitnion (Aug.-Sept.),
+de verhuismaand (waarin men van geitones, buren, verwisselde).--3)
+Boedromion (Sept.-Oct.), naar het feest der Boedromia, ingesteld
+ter gedachtenis aan de overwinning van Theseus op de Amazonen.--4)
+Pyanepsion (Oct.-Nov.), naar het feest der Pyanepsia, het boonenfeest,
+ter eere van Apollo, waarop men een gerecht van boonen of peulvruchten
+at.--5) Maimakterion (Nov.-Dec), naar het feest der Maimaktreria,
+ter eere van Zeus Maimaktes (= de razende, de god der stormen).--6)
+Poseideon (Dec.-Jan.), naar Poseidon.--6*) In een schrikkeljaar
+werd een tweede Poseideon ingeschoven.--7) Gamelion (Jan.-Febr.),
+huwelijksmaand.--8) Anthesterion (Febr.-Mrt.), naar de Anthesteria,
+een driedaagsch bloemenfeest ter eere van Dionysus.--9) Elaphebolion
+(Mrt.-Apr.), naar de Elaphebolia, het hertenjachtfeest, ter eere van
+Artemis.--10) Mounychion (Apr.-Mei), naar het feest der munychische
+Artemis.--11) Thargelion (Mei-Juni), naar de Thargelia, een feest
+ter eere van Apollo en Artemis.--12) Skirophorion (Juni-Juli),
+naar de Skirophoria, een feest ter eere van Athena Sciras (skiron
+is een witte parasol, dien de priesteressen van Athena bij dit feest
+droegen). De maand werd verdeeld in drie dekaden, waarvan de laatste
+naar omstandigheden 10 of 9 dagen telde. De eerste dekade heette men
+histamenos of archomenos, de tweede men meson, de derde men phthinon,
+apion, legon of pauomenos. De dagen der beide eerste dekaden werden
+van 1 tot 10 geteld, die der laatste echter omgekeerd. Hoe men
+dan bij maanden van 29 dagen deed, of dan de 21ste dag enate of
+dekate phthinontos heette, is niet zeker. In het laatste geval
+moest de deutera phthinontos worden uitgelaten; want de laatste
+dag der maand heet altijd hene kai nea, als zijnde de dag, waarop
+oud en nieuw elkander raakten, omdat eigenlijk op het oogenblik,
+waarop de nieuwe maan inviel, ook de nieuwe maand begon. Hene kai
+nea is dus de dag, die voor een deel de laatste dag der maand is
+(de eerste van achteren af gerekend) en tevens voor een deel reeds
+tot de nieuwe maand behoort.--Het romeinsche jaar was evenzeer
+een maanjaar van 354 dagen. Het telde sedert Numa twaalf maanden,
+waarvan oorspronkelijk Maart de eerste was, later Januari. De
+namen zijn adiectiva. 1) mensis Ianuarius, naar den god Janus.--2)
+m. Februarius, van de februa of doodenoffers, waarmede oudtijds het
+jaar werd besloten.--3) m. Martius, aan Mars gewijd.--4) m. Aprilis,
+van aperire, het openen der bloemknoppen.--5) m. Maius, naar Maia.--6)
+m. Iunius, aan Juno geheiligd.--7) m. Quinctilis, oorspronkelijk de
+vijfde maand, later ter eere van Caesar verdoopt tot m. Iulius.--8)
+m. Sextilis, ter eere van Augustus tot m. Augustus verdoopt.--9-12)
+m. September, October, November, December. Om de twee jaar schoof
+men een schrikkelmaand in, mensis mercedonius of intercalarius, die
+echter niet in het midden van het jaar, maar midden in de tweede helft
+van Februari werd ingevoegd. Door onachtzaamheid van de pontifices,
+die voor de tijdrekening moesten zorgen, en ook wel doordat men om
+politieke bijoogmerken het invoegen van een schrikkelmaand achterwege
+liet, waren ten tijde van Caesar de maanden niet minder dan 80 dagen
+verschoven, weshalve hij als pontifex maximus het jaar 46 op 445
+dagen stelde en verder het jaar op 365 dagen met één schrikkeldag
+om de vier jaren. Eene groote verwarring in de rom. chronologie is
+ook hierdoor ontstaan, dat eerst sedert 153 het burgerlijk jaar op
+1 Jan. begint. Vóór dien tijd begon het met de ambtsaanvaarding der
+consuls, en wanneer nu door eene of andere stoornis deze aanvaarding
+werd vertraagd of ook wel door omstandigheden vervroegd, dan versprong
+het begin van het burgerlijk jaar, totdat eene nieuwe storing het
+weder op een anderen datum bracht.
+
+In elke maand had men drie dagen, die een bijzonderen naam droegen:
+Kalendae, Idus, Nonae. De Kalendae waren de eerste dag, aldus geheeten,
+omdat op dien dag een der pontifices van de curia Calabra de nieuwe
+maand afkondigde, die oorspronkelijk met de nieuwe maan samenviel. De
+Idus (van iduare = dividere) vielen in Maart, Mei, Juli en October op
+den 15den, anders op den 13den der maand en deelden dus de maand in
+tweeën. De Nonae vielen negen (volgens onze telling acht) dagen vóór de
+Idus, dus op den 5den of 7den. Men telde nu bij de vermelding van een
+datum terug van de eerstvolgende Kalendae, Nonae, Idus. Zoo was b.v. 24
+Febr. volgens rom. telling de zesde dag vóór 1 Maart, en dus ante diem
+sextum Kalendas Martias. Deze zesde dag werd in een schrikkeljaar
+verdubbeld en telde dan 2 maal 24 uren, die onderscheiden werden in
+bissextilis prior en posterior. De laatste was dus de schrikkeldag.
+
+Anquisitio, de aanklacht met opgaaf der geëischte straf, wanneer een
+der overheden een beschuldigde voor de comitiën daagde.
+
+Anser, romeinsch dichter ten tijde van Augustus, die bij Antonius in
+gunst stond en van hem een landgoed ten geschenke kreeg. Hij was een
+bediller van Vergilius en wordt door Ovidius procax genoemd.
+
+Antae, parastades, vierkante pilasters, waarin de zijmuren van een
+gebouw uitloopen, wanneer deze met het dak vooruitspringen, zoodat
+zij vóór den ingang een open voorportaal vormen. Een tempel met zulke
+antae werd een templum in antis (en parastasi) genoemd.
+
+Antaeus, Antaios, zoon van Poseidon en Gaea, een geweldige reus,
+die over Libye regeerde en alle vreemdelingen dwong met hem te
+worstelen. Daar hij bij iedere aanraking met zijne moeder (de aarde)
+nieuwe kracht kreeg, was hij onoverwinnelijk en versloeg hij zooveel
+tegenstanders, dat hij van hun schedels een tempel voor Poseidon konde
+bouwen. Ook Heracles weerstond hij lang, maar toen deze zijn geheim
+ontdekte, hief hij hem van den grond op en worgde hem zoo. Als men
+aarde van zijn graf, dat bij Tingis was, afnam, begon het terstond
+te regenen.
+
+Antalcidas, Antalkidas, een Spartaan, die in 393 naar den
+perzischen generaal Tiribazus gezonden werd, om te trachten door
+zijn tusschenkomst den perzischen koning te bewegen zijne hulp aan
+de Atheners te onttrekken. Dit gelukte echter eerst toen de Atheners
+den koning vertoornden door Euagoras van Cyprus te ondersteunen;
+toen bewerkte Ant. dat Artaxerxes den Spartanen hulp beloofde,
+indien de Atheners en hunne bondgenooten hunne vredesvoorstellen niet
+aannamen. Zoo werd in 387/386 de Koningsvrede of vrede van Antalcidas
+aan de oorlogvoerende staten voorgeschreven, waarbij bepaald werd,
+dat iedere staat in Griekenland autonoom zoude zijn, de grieksche
+steden in Azië aan de Perzen overgelaten werden, en ieder die zich
+niet aan deze voorwaarden onderwierp, voor algemeen vijand verklaard
+werd. Ant. zou later, geërgerd door de smadelijke bejegening hem door
+Artaxerxes aangedaan, vrijwillig den hongerdood gestorven zijn.
+
+Antandrus, Antandros, stad in Troas of in Mysia, aan de golf van
+Adramyttium. Aeneas zou hier scheep zijn gegaan. Hier werd na den
+slag bij Cyzicus (410) met perzisch geld een nieuwe vloot voor
+Sparta gebouwd.
+
+Antaradus, Antarados, havenstad van Aradus, in het Noorden van
+Phoenicië. Aradus zelf lag op een eilandje in zee, Antaradus er
+tegenover op de kust.
+
+Anteambulones, cliënten (in de latere beteekenis van het woord),
+die voor aanzienlijke personen uitgingen, om in het straatgewoel ruim
+baan voor hen te maken.
+
+Antea, Anteia, dochter van Iobates, z. Bellerophon. Na het vertrek van
+Bellerophon bracht zij zichzelve van verdriet om het leven. V.a. komt
+Bellerophon later weder bij haar, beweegt haar met hem te vluchten,
+en werpt haar bij het eiland Melos in zee.
+
+Antecessores of antecursores, lichte troepen, vooral ruiterij,
+die de spits van het leger op marsch uitmaakten en op verkenning
+vooruitgingen.--Ook overdrachtelijk: baanbrekers, wegwijzers in eenig
+vak van wetenschap, vooral in de rechtsgeleerdheid, exegetai.
+
+Anteius (P), gunsteling van Agrippina, doch om deze reden door Nero
+gehaat. Beschuldigd zijnde, dat hij de sterren had geraadpleegd
+aangaande Nero's dood, en eene veroordeeling voorziende, nam hij
+eerst vergif in; toen dit echter te langzaam werkte, opende hij zich
+de aderen (66 n. C.).
+
+Antemnae, oude latijnsche stad, dáár gelegen, waar de Anio zich in
+den Tiber stort. De stad is reeds spoedig bij Rome ingelijfd.
+
+Antenor, Antenor, zoon van Aesyetes en Cleomestra, zwager van Priamus,
+die gedurende den trojaanschen oorlog altijd op inwilliging van de
+billijke eischen der Grieken aandrong. Daarom werd later verhaald,
+dat hij de stad aan de Grieken verraden zou hebben en daarvoor zijn
+leven en zijne bezittingen bij de plundering gespaard zouden zijn. Over
+zijne verdere lotgevallen vindt men verschillende berichten. Hij zou
+de helft van Priamus' bezittingen gekregen en op den Ida een nieuw
+rijk gesticht hebben, of met Menelaus scheep gegaan en te Cyrene
+gebleven zijn, waar de Antenoriden als halfgoden vereerd werden,
+of met de Heneti, een paphlagonisch volk, naar Thracië en vervolgens
+naar Italië gegaan zijn en daar de stad Patavium gesticht hebben.
+
+Antepilani. Voordat door Marius de verdeeling van het legioen in
+tien cohorten werd ingevoerd, vormde het drie slagliniën, zóó, dat
+in de eerste de hastati, in de tweede de principes, in de derde de
+triarii of pilani stonden. Hierom werden de beide eerste liniën ook
+antepilani genoemd. Zie voor het geheel onder Acies.
+
+Anteros, Anteros, de god der wederliefde, broeder van Eros. Daar
+Eros niet groeien wilde, gaf Aphrodite hem op raad van Themis dezen
+broeder tot speelmakker, en nu werd Eros krachtig en gezond; miste
+hij hem echter, dan was hij weder treurig als vroeger. Ant. treedt
+ook op als wrekend god, die het versmaden van liefde straft.
+
+Antesignani, 1) = antepilani, omdat de standaard van het legioen, de
+adelaar, bij de triariërs was.--2) In Caesars tijd was antesignani
+de naam eener vaste keurbende bij ieder legioen, zonder bagage en
+dus altijd slagvaardig.
+
+Antestatio. Wanneer een Romein zijne tegenpartij op straat ontmoette
+en hem uitnoodigde naar den praetor te gaan (in ius venire, in ius
+ambulare), en de tegenpartij dan onwillig was, dan kon de eischer
+hem met geweld voor den praetor brengen, mits hij den betoonden
+onwil door de verklaring van een getuige kon staven. Daarom nam men
+den een of anderen voorbijganger tot getuige, met de vraag: licetne
+antestari? Stemde de gevraagde toe, dan raakte de vrager even diens
+oorlel (auricula) aan, omdat men dáár den zetel van het geheugen zocht.
+
+Anthedon, Anthedon, stad aan de noordkust van Boeotia. De bewoners
+leefden vooral van vischvangst en purperschelpvisscherij. Anthedon,
+de vader van den onder de zeegoden opgenomen Glaucus, zou hier
+geleefd hebben.
+
+Anthele, Anthele, plaatsje aan den ingang der Thermopylae, met een
+tempel van Demeter, waar de vergaderingen der Amphictyonen werden
+gehouden.
+
+Anthemus, he Anthemous, stad op Chalcidice, door Philippus van
+Macedonië aan de Olynthiërs afgestaan.
+
+Anthemusia, Anthemousia, stad en landschap in het mesopotamische
+gewest Osroene, ten Z.W. van Edessa.
+
+Anthene, Anthene, vlek in Thyreatis of Cynuria.
+
+Anthesteria, Anthesteria, een van de groote feesten ter eere
+van Dionysus, te Athene den 11-13 Anthesterion (Februari-Maart)
+gevierd. Den eersten dag (Pithoigia, opening der vaten) vierde men
+het aftappen van den jongen wijn; op den tweeden dag, het kannenfeest
+(Choes), werd een openbare maaltijd gehouden, waarbij men om het
+hardst van den nieuwen wijn dronk; wie het eerst zijn kan geledigd
+had, kreeg een prijs. Dit was de voornaamste dag van het feest, waarop
+zelfs jonge kinderen zich met bloemen bekransten, en waarop de vrouw
+van den archon basileus onder geheime plechtigheden en offers in het
+Lenaeum aan den god uitgehuwd werd. De derde dag heette Chytroi,
+pottenfeest, omdat men dan potten met peulvruchten als offer voor
+den chthonischen Hermes en de zielen der afgestorvenen gereed zette.
+
+Anthesterion, Anthesterion, 8ste maand van het Attische jaar
+(Febr.-Maart), z. Annus.
+
+Anthylla, Anthylla, stad in de Nijldelta tusschen Canopus en Naucratis.
+
+Antias, zie Valerii no. 36.
+
+Anticlea, Antikleia, dochter van Autolycus, gemalin van Laërtes,
+moeder van Odysseus; zij stierf van smart over de lange afwezigheid
+van haar zoon, die, volgens een later verhaal, niet Laërtes, maar
+Sisyphus tot vader had.
+
+Anticirrha of -cyra, Antikirra, -kyra, naam van twee steden, de eene
+in Phocis, de andere in het landschap Malis, aan den Spercheus. Beide
+steden, doch vooral die in Phocis, waren in de oudheid bekend om de
+teelt van nieskruid, dat als geneesmiddel tegen zwaarmoedigheid en
+krankzinnigheid werd aangewend.
+
+Antidosis, ruiling. Te Athene kon iemand, wien naar zijne meening
+ten onrechte een kostbare liturgie opgedragen was, eischen dat een
+ander, die eerder daarvoor in aanmerking moest komen, de liturgie
+van hem overnam, of dat hij anders zijn geheel vermogen met hem zou
+ruilen. Wanneer deze eisch gedaan was, werden terstond de bezittingen
+van beide partijen verzegeld, en binnen drie dagen werd een beëedigde
+inventaris (apophasis) overgelegd, waarnaar de rechters te beslissen
+hadden, ofschoon niet uitsluitend het verschil in vermogen in
+aanmerking kwam, maar ook o.a. de vraag wie van beide partijen reeds
+vroeger liturgieën bekostigd had, hoeveel geld daaraan besteed was,
+enz. Indien de eisch werd toegewezen, nam de verliezende partij de
+liturgie op zich; voor zoover ons bekend is, heeft eene werkelijke
+ruiling nooit plaats gehad.
+
+Antigone, Antigone, 1) dochter van Oedipus en Iocaste
+of Euryganea. Toen haar blinde vader in ballingschap ging,
+vergezelde zij hem bij al zijne omzwervingen en deelde geduldig zijn
+ongelukkig lot, totdat hij in Attica stierf. Naar Thebe teruggekeerd
+gedurende de twisten tusschen hare broeders Eteocles en Polynices,
+waagde zij het, in weerwil van Creon's verbod, den gesneuvelden
+Polynices te begraven. In het grafgewelf der Labdaciden, waar zij
+wegens die daad werd opgesloten, hing Ant. zich op, waarna haar
+bruidegom Haemon, Creon's zoon, zich aan haar zijde van het leven
+beroofde.--V. a. ontkwam zij door de hulp van Haemon en leefde
+zij nog jaren lang op het land in geheimen echt met hem, totdat
+Creon haar ontdekte en Haemon haar en zichzelf doodde. Haar edel
+gedrag tegenover vader en broeder wordt dikwijls door attische
+treurspeldichters vermeld.--2) dochter van Eurytion, gemalin van
+Peleus. Toen Peleus de liefde van Astydamea onbeantwoord liet, zond
+deze aan Ant. het onware bericht, dat hij op het punt was met Sterope
+in het huwelijk te treden. Hierdoor misleid, hing Ant. zich op.--3)
+dochter van Laomedon. Zij was zoo trotsch op haar schoone lokken,
+dat Hera haar strafte door ze in slangen te veranderen, waarop de
+goden medelijden met haar kregen en haar in een ooievaar veranderden.
+
+Antigonea, -nia, Antigoneia, -nia, naam van onderscheidene steden,
+als: 1) in Syria aan den Orontes, residentie van Antigonus, den
+gewezen veldheer van Alexander den Grooten. Later bracht Seleucus
+Nicator het grootste gedeelte der inwoners naar het door hem in de
+nabijheid gestichte Antiochia over.--2) in Macedonia aan den Axius.--3)
+in Chalcidice.--4) in Epirus aan den Aous. Ook Alexandria Troas en
+Nicaea in Bithynia hebben een tijd lang dezen naam gedragen.
+
+Antigonus, Antigonos, 1) Kyklops of Monophthalmos, afstammend van
+de vorsten van Elymiotis, een man van een heerschzuchtig, maar vast
+karakter, een van de voortreffelijkste veldheeren van Alex. d. G.,
+die hem in 333 tot satraap van Phrygië aanstelde. Bij de verdeeling
+van het rijk na den dood van Alex. (323), kreeg Ant. Groot-Phrygië,
+Lycië en Pamphylië, maar daar hij zich tegen de bevelen van Perdiccas
+verzette, was hij genoodzaakt naar Antipater te vluchten. Toen deze
+na den dood van Perdiccas rijksbestuurder werd, kreeg Ant. zijne
+landen terug (321) en werd hem tevens het opperbevel opgedragen
+tegen Eumenes, den standvastigen verdediger der rechten van het huis
+van Alex. Na den dood van Antipater (319) vereenigde Ant. zich met
+Cassander, Ptolemaeus en Seleucus tegen Polyperchon, en toen Eumenes
+door verraad in de handen van zijn vijand gevallen was, was Ant. heer
+over geheel Voor-Azië en Syrië (316). Maar deze groote macht wekte
+bij zijne bondgenooten wantrouwen op, en toen Ant. nu ook Seleucus van
+het stadhouderschap over Babylonië beroofde, vereenigden zij zich met
+Lysimachus tegen hem (315). Nu ontstond een lange oorlog, die in Azië,
+Griekenland en Aegypte met afwisselend geluk gevoerd werd, en waarin
+Ant. door zijn dapperen zoon Demetrius Poliorcetes bijgestaan werd. De
+nederlaag door dezen in 312 bij Gaza geleden, dwong Ant. wel vrede
+te sluiten, doch spoedig werd de oorlog hervat, en in 306 behaalde
+Demetrius in den zeeslag bij Salamis op Cyprus eene groote overwinning
+op Ptolemaeus, waarna Ant. den titel van koning aannam, welk voorbeeld
+weldra door zijn tegenstanders gevolgd werd. Eindelijk werd in den
+grooten slag bij Ipsus (301), waarin Ant. sneuvelde en Demetrius op
+de vlucht gejaagd werd, het lot van Azië ten gunste der verbondenen
+beslist.--2) Gonatas (zoo genoemd naar zijn geboorteplaats Goni of
+Gonnus of naar een ijzeren band, dien hij om de knie droeg), zoon van
+Demetrius Poliorcetes, wist zich in de Peloponnesus te handhaven,
+toen zijn vader uit Macedonië verdreven werd (287). Na diens dood
+(283) werd hij koning van Macedonië, ofschoon hij tot 276 eerst door
+Seleucus, later door Ptolemaeus Ceraunus verhinderd werd de regeering
+te aanvaarden. Later werd hij nog tweemaal uit zijn rijk verjaagd,
+eerst door Pyrrhus, vervolgens door Alexander van Epirus, maar telkens
+keerde hij terug en eindelijk onderwierp hij zich ook Epirus. In
+277 overwon hij de Galliërs in een grooten slag bij Lysimachia,
+later bestreed hij het achaeïsch verbond, maar zonder gevolg. Hij
+stierf in 240.--3) Doson (die altijd geven zal, maar nooit geeft) of
+Epitropos, kleinzoon van Demetrius Poliorcetes, bestuurde Macedonië na
+den dood van Demetrius II (229), met wiens weduwe hij later trouwde,
+als voogd van Philippus III en later als koning. In het begin van zijn
+regeering was hij genoodzaakt een oorlog tegen verschillende grieksche
+staten te beëindigen door een vrede, waarbij de onafhankelijkheid
+van bijna geheel Griekenland erkend werd. In 224 werd zijn hulp
+ingeroepen door Aratus, die het achaeïsch verbond onder macedonische
+bescherming stelde. Ant. trok naar de Peloponnesus, overwon Cleomenes
+(z. a. no. 4) in den slag bij Sellasia (221), dwong Sparta tot het
+achaeïsch verbond toe te treden en vestigde door zijne overwinningen
+opnieuw den macedonischen invloed in Griekenland. Spoedig na zijn
+terugkomst in Macedonië overleed hij.--4) van Carystus, leefde
+aan het hof van Attalus I en was schrijver van een aantal werken
+over geschiedenis, biografie, kunst, enz. Bewaard gebleven is een
+verzameling van merkwaardigheden op natuurhistorisch gebied.
+
+Antigrapheus, controleur over het geldelijk beheer van den raad
+(ant. tes boules) of van den schatmeester (ant. tes dioikeseos),
+in beide gevallen door het volk verkozen.
+
+Antigraphe, verweerschrift, eigenlijk antwoord op eene graphe;
+de antigraphe bevatte echter niet altijd eene verdediging tegen de
+aanklacht, maar konde ook de bevoegdheid van rechtbank of aanklager
+betwisten, enz. Aanklacht en verweerschrift worden soms te zamen
+antigraphai genoemd.
+
+Antilibanus, Antilibanos, bergketen ten Oosten van en evenwijdig met
+den Libanon of Libanus.
+
+Antilochus, Antilochos, zoon van Nestor en Eurydice of Anaxibia, een
+van de dapperste helden voor Troje, en na Patroclus de dierbaarste
+vriend van Achilles. Hij werd door Memnon verslagen, terwijl hij
+zijn vader uit een groot gevaar redde, daarom wordt hij Philopator
+genoemd. Zijn asch werd bij die van Achilles en Patroclus bijgezet.
+
+Antimachus, Antimachos, 1) atheensch volksredenaar, tijdgenoot van
+Aristophanes.--2) dichter en grammaticus uit Colophon, omstreeks 400,
+door Plato hoog geschat. Zijne voornaamste werken waren een epos
+Thebaïs, waarin hij de thebaansche oorlogen, en een elegisch gedicht
+Aude, waarin hij eene reeks heldengeschiedenissen behandelde. De
+Alexandrijnen noemden hem den grootsten epischen dichter na Homerus.
+
+Antinoöpolis, Antinoou polis, prachtige stad aan den Nijl, in het
+Zuiden van Midden-Aegyptus, door keizer Hadrianus gesticht ter
+gedachtenis aan zijn lieveling Antinoüs, die hier verdronk.
+
+Antinoüs, Antinoos, 1) zoon van Eupithes, de overmoedigste en
+onbeschaamdste onder Penelope's vrijers, ook de eerste, die door
+Odysseus' pijlen werd getroffen.--2) een beeldschoon jongeling,
+de lieveling van keizer Hadrianus, dien hij op diens reizen
+vergezelde. Hij verdronk in den Nijl. De keizer stichtte op de plaats
+van het ongeluk de stad Antinoöpolis, liet te Mantinea voor hem een
+tempel bouwen en hem nog andere eer bewijzen. Hij werd door tal van
+stand- en borstbeelden vereeuwigd; ook een sterrenbeeld werd naar
+hem genoemd.
+
+Antiochia, -ea, Antiocheia, naam van een aantal steden. 1)
+Ant. Epidaphnes (he epi Daphnes), aldus naar een naburig laurierbosch
+genoemd, de prachtige hoofdstad van het syrische rijk, omstreeks
+300 door Seleucus Nicator gesticht en naar zijn vader Antiochus
+genoemd. Door zijne opvolgers nog verfraaid en uitgebreid, bestond
+het ten laatste uit vier afzonderlijk ommuurde steden. Prachtige
+zuilengangen, ter lengte van een uur gaans, doorsneden de stad in
+rechte lijn. Handel en wetenschappen bloeiden er. De stad lag aan den
+Orontes. Hier kwam voor het eerst de naam van Christenen in gebruik,
+later werd het de zetel van een patriarch. In 260 na C. werd A. door
+den nieuw-perzischen koning Sapores I gedeeltelijk verwoest, en in 538
+door Chosroës. Keizer Justinianus liet het op kleiner schaal herbouwen
+en zóó komt het nog voor in de geschiedenis der kruistochten.--2)
+Ant. ad Maeandrum, in Caria, met eene beroemde brug over de rivier,
+door Antiochus I Soter (281-261) gesticht.--3) Ant. ad Pisidas, in
+Phrygia nabij de pisidische grens, later Caesarea (z. a. no. 7).--4)
+Ant. Margiana, thans Merw, in Margiane.--Ook andere steden, zooals
+Adana aan den Sarus, in Cilicia, Nisibis in Mesopotamia, Edessa,
+hebben tijdelijk den naam Antiochia gedragen.
+
+Antiochis, Antiochis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van
+Attica door Clisthenes verdeeld werd. De meeste van de demen, die er
+toe behoorden, lagen in het oosten van Attica.
+
+Antiochus, Antiochos, 1) veldheer van Philippus van Macedonië,
+vader van Seleucus Nicator.--2) Ant. I, Soter bijgenaamd na eene
+overwinning op de Galliërs behaald, zoon en opvolger van Seleucus
+Nicator, geb. 324, regeerde van 281-261, maar voor dien tijd was hij
+reeds sedert 293 mederegent zijns vaders geweest, en had toen het
+oostelijk gedeelte van het groote Seleucidenrijk bestuurd. Verliefd op
+zijne stiefmoeder Stratonice en die liefde voor hopeloos houdende,
+werd hij ernstig ziek, maar toen zijn vader de oorzaak zijner
+ziekte vernomen had, stemde hij in het huwelijk met Stratonice toe
+(293). Gedurende zijne regeering had hij dikwijls met de Galliërs
+te kampen, die hij meermalen overwon, maar eindelijk sneuvelde hij
+in een slag tegen hen bij Ephesus, 261. Ook tegen Eumenes I van
+Pergamus voerde hij oorlog, maar zonder gevolg.--3) Ant. II, na de
+verdrijving van den milesischen tyran Timarchus Theos bijgenaamd,
+zoon en opvolger van Ant. I. Een ongelukkige oorlog, dien hij
+tegen Aegypte voerde, eindigde daarmede, dat hij zijne gemalin
+Laodice verstiet, Berenice, de dochter van Ptolemaeus Philadelphus,
+tot vrouw nam (250), en beloofde dat, wanneer uit dit huwelijk een
+zoon geboren werd, deze hem zou opvolgen. Toen echter na den dood
+van Ptolemaeus Laodice teruggeroepen werd, vergiftigde zij hem,
+Berenice en hun kind (246). Onder zijn regeering begonnen één voor
+één de oostelijke provinciën van het Seleucidenrijk af te vallen en
+maakten zich onafhankelijk. Zie Arsaces.--4) Ant. Hierax, jongere
+zoon van Ant. II, betwistte zijn broeder Seleucus II de regeering;
+na verscheidene nederlagen moest hij vluchten en werd hij na vele
+omzwervingen door roovers gedood (227).--5) Ant. III de Groote,
+geb. 242, zoon van Seleucus II Callinicus, kwam, na de korte regeering
+van zijn broeder Seleucus III Ceraunus, in 223 aan de regeering
+(223-187). In 219 begon hij een oorlog tegen Ptolemaeus Philopator,
+die hem Phoenicië en Coele-Syrië ontnomen had, maar opstanden
+van verschillende stadhouders in het Oosten, die gedeeltelijk door
+Ptolemaeus ondersteund werden, beletten hem den oorlog met kracht te
+voeren. Eerst in 217 had hij alle binnenlandsche vijanden overwonnen en
+konde hij zich weder tegen Aegypte wenden, hij verloor echter den slag
+bij Raphia en werd genoodzaakt vrede te sluiten. In 209 ondernam hij
+een oorlog tegen de Parthen en Bactriërs, dien hij met geluk voerde,
+ofschoon hij hen niet konde onderwerpen; sedert dien oorlog werd hij
+"de Groote" bijgenaamd. Na den dood van Ptolemaeus IV Philopator
+(z. Ptolemaeus no. 8) (205), die door een zoon van nog geen 5 jaar
+opgevolgd werd, meende Ant. dat de kans schoon was om zijn verloren
+gebied te hernemen, en verbonden met Philippus III van Macedonië
+slaagde hij inderdaad hierin door de overwinning bij Panion aan den
+Jordaan (200). waarop een vrede volgde, die later door het huwelijk
+van zijne dochter Cleopatra met Ptolemaeus Epiphanes bevestigd
+werd. Door de Romeinen misleid, die hem van een krijgstocht tegen
+Eumenes van Pergamus hadden teruggehouden, besloot hij Philippus in
+den oorlog tegen hen te ondersteunen; hij stak naar Europa over (196),
+maar vond den oorlog reeds ten gunste der Romeinen beslist, die nu
+van hem eischten, dat hij de reeds bezette steden aan den Hellespont
+en in de Chersonesus zoude ontruimen en aan Ptolemaeus het veroverde
+land zoude teruggeven. Door deze eischen verbitterd en door Hannibal,
+die uit Carthago tot hem gevlucht was, tegen de Romeinen opgezet,
+bereidde hij zich tot den oorlog voor, en toen eindelijk zijne hulp
+door de Aetoliërs ingeroepen werd, trok hij met een groot leger naar
+Griekenland (192); hier vond hij echter weinig steun, terwijl hij de
+raadgevingen van Hannibal niet opvolgde, Philippus door zijn overmoedig
+gedrag beleedigde en geruimen tijd werkeloos op Euboea bleef. In 191
+werd hij door M'. Acilius Glabrio bij de Thermopylae verslagen en
+zag hij zich genoodzaakt naar Azië terug te keeren. Met zijn vloot
+was hij niet gelukkiger, zoodat L. Cornelius Scipio, na een groote
+overwinning ter zee bij Myonnesus, in Azië kon landen en Ant. in den
+slag bij Magnesia aan den Sipylus zulk een nederlaag toebracht, dat hij
+om vrede moest vragen (190); deze werd hem gegeven, maar ten koste van
+al het land aan deze zijde van den Taurus, al zijne oorlogsschepen en
+olifanten en eene oorlogsbelasting van 15000 talenten. Toen Ant. nu
+in zijne geldverlegenheid een inval in het land der Elymaeërs deed
+en daar een tempel van Zeus plunderde, werd hij door het volk gedood
+(187).--6) Ant. IV Epiphanes (spottend noemden velen hem epimanes,
+zoon van Ant. III, volgde in 175 zijn broeder Seleucus Philopator
+op, nadat hij 14 jaar te Rome als gijzelaar had doorgebracht. Ook
+hij begon spoedig een oorlog tegen Aegypte, en bemachtigde ook weder
+Phoenicië, Palaestina en Coele Syrië; ook in Aegypte zelf, waar twee
+broeders elkander de regeering betwistten (z. Ptolemaeus no. 10),
+drong hij door, eerst om een van hen te helpen, en toen zij zich later
+verzoend hadden, als vijand van beiden. Reeds was hij met zijn leger
+Alexandrië genaderd, toen de rom. gezant C. Popillius Laenas hem het
+bevel van den senaat kwam brengen den oorlog te staken en Aegypte
+te verlaten, aan welk bevel Ant., verschrikt door het ruwe optreden
+van den gezant, (z. Popilii no. 3) gehoorzaamde (168). Den Joden
+trachtte hij tevergeefs den griekschen godsdienst op te dringen,
+zijne wreede vervolgingen dreven hen integendeel tot openlijken
+opstand, en aangevoerd door de heldhaftige Maccabaeërs, wisten zij
+zich zelfs tegen het leger van Ant. staande te houden. In 165 stierf
+Ant. te. Tabae in Perzië.--7) Ant. V Eupator, zoon van den vorigen,
+was bij den dood van zijn vader nog zeer jong. De veldheer Lysias
+en de gunsteling van Ant. IV, Philippus, betwistten elkander met de
+wapenen de voogdij over den knaap, maar nauwelijks had Lysias zijn
+tegenstander overwonnen, toen Demetrius, zoon van Seleucus Philopator,
+die tot nu toe als gijzelaar te Rome geweest was, de regeering kwam
+opeischen, Ant. en Lysias gevangen nam en hen ter dood liet brengen
+(162).--8) Ant. VI Theos, zoon van Alexander Balas, wierp zich in
+144 tegen Demetrius Nicator als koning op en maakte zich bijna van
+het geheele rijk meester; hij werd echter in 142 vermoord door
+Tryphon, die toen zelf den troon besteeg.--9) Ant. VII Sidetes
+(te Side opgevoed) verdreef Tryphon (137), dwong den joodschen
+vorst Johannes Hyrcanus tot onderwerping (132) en sneuvelde in een
+slag tegen de Parthen (129).--10) Ant. VIII Philometor of Grypos
+(haviksneus) moest na den dood van zijn vader, Demetrius Nicator,
+eenige jaren met diens tegenstander, Alexander Zabina (z. Alexander
+no. 12), om de regeering strijd voeren; eindelijk verjoeg hij hem door
+de hulp van Aegypte. Later (sinds 117) betwistte zijn halfbroeder,
+Ant. Cyzicenus, hem de regeering; eer deze langdurige twist beslecht
+was, werd Ant. vermoord (97). Deze broedertwisten en die der volgende
+vorsten zijn grootendeels de oorzaak van het verval en den ondergang
+van het rijk der Seleuciden geworden.--11) Ant. IX Kyzikenos (hij
+had te Cyzicus gewoond) moest na den dood van Ant. VIII den oorlog
+tegen diens zoon, Seleucus Epiphanes voortzetten en sneuvelde reeds in
+95.--12) Ant. X Heusebes, zoon van Ant. IX, overwon Seleucus Epiphanes,
+versloeg bij den Orontes (94) Antiochus Philadelphus en Philippus,
+twee andere zonen van Ant. Grypus, die een opstand tegen hem verwekt
+hadden, en sneuvelde in een slag tegen de Parthen (na 83).--13)
+Ant. XI Philadelphos, z. no. 12. Na den ongelukkigen slag aan den
+Orontes verdronk hij op de vlucht in die rivier (94).--14) Ant. XII
+Lionysos vatte de wapenen op tegen zijn broeder Philippus (86), maar
+sneuvelde spoedig in den strijd tegen een arabischen volksstam.--15)
+Ant. XIII Asiaticus, zoon van Ant. X, de laatste der Seleuciden. Nadat
+het syrische rijk sedert den dood van Ant. XII bij Armenië ingelijfd
+was geweest, werd het door Lucullus hersteld en Ant. XIII op den troon
+geplaatst (68). Pompeius ontnam hem echter weldra de regeering weder
+en maakte Syrië tot een rom. provincie (64). Deze Antiochus is het,
+die als prins op zijn reis van Rome naar Antiochia door Verres te
+Syracuse beroofd werd.--15a) Antiochus I, koning van Commagene, zoon
+van Mithradates I van Commagene, regeerde 69-34. Hij hielp Pompeius
+met troepen tegen Caesar; hij stierf kort voor 31.--16) Ant. II,
+koning van Commagene, die wegens een moord door Augustus met den dood
+gestraft werd (29).--17) Ant. III, koning van Commagene, die in 17
+na C. stierf, waarop zijn rijk tot 38 een rom. provincie werd.--18)
+Ant. IV Epiphanes, kreeg in 38 n. C. van Caligula weder de regeering
+over Commagene; hij hielp Nero tegen de Parthen en Vespasianus tegen
+de Joden, in 72 rezen er echter vermoedens tegen hem en werd hem
+de regeering ontnomen. Commagene werd weder ingelijfd en met Syria
+vereenigd.--19) stuurman onder Alcibiades, die hem tijdelijk het bevel
+over de vloot opdroeg. In strijd met zijne bevelen, gaf Ant. door
+zijne roekeloosheid aanleiding tot het ongelukkige zeegevecht bij
+Notium, waarin Lysander de atheensche vloot op de vlucht joeg en 15
+schepen buit maakte (407).--20) Ant. van Syracuse, ouder tijdgenoot
+van Thucydides, schreef eene geschiedenis van Italië en Sicilië,
+die met lof genoemd wordt.--21) Ant. van Ascalon, leerling van Philo
+no. 6, stichter der zoogen. vijfde academie, die de leer der academie
+met die der stoa tracht in overeenstemming te brengen. Hij erkent,
+dat de deugd voldoende is voor een gelukkig leven, maar beweert dat
+voor eene vita beatissima nog andere dingen noodig zijn. Cicero en
+Varro behoorden tot zijne leerlingen.
+
+Antiope, Antiope, 1) dochter van Asopus of van Nycteus, om hare
+schoonheid door Zeus bemind, wien zij Amphion en Zethus baarde. Toen
+zij gevoelde dat zij moeder worden zoude, vluchtte zij uit vrees voor
+den toorn van haar vader naar Sicyon. Nycteus doodde zich uit verdriet
+hierover, en droeg aan zijn broeder Lycus op hem te wreken. Deze
+haalde Ant. terug, die intusschen met Epopeus, koning van Sicyon,
+gehuwd was, en gaf haar als slavin aan zijne gemalin Dirce, die haar
+twintig jaren lang de wreedste behandeling liet ondergaan. Eindelijk
+vluchtte zij naar hare zonen, die op Dirce wraak namen (z. Amphion),
+maar daardoor het misnoegen van Dionysus opwekten; deze liet Ant. in
+waanzin rondzwerven, totdat Phocus, een kleinzoon van Sisyphus, haar
+genas en tot vrouw nam.--2) z. Amazones. Zij werd bij Theseus moeder
+van Hippolytus. In den strijd dien de Amazonen tegen Athene voerden,
+werd Ant. gedood, of v. a. wist zij een vrede te bewerken.
+
+Antipater, Antipatros, 1) een van de veldheeren van Philippus
+van Macedonië. In die hoedanigheid had hij zooveel bewijzen van
+bekwaamheid en trouw gegeven, dat Alexander hem gedurende zijne
+buitenlandsche veldtochten als stadhouder van Macedonië en Griekenland
+achterliet. Ook deze betrekking bekleedde hij met roem, hij dempte een
+opstand der Thraciërs en versloeg de Lacedaemoniërs, die onder Agis II
+Griekenland van de macedonische heerschappij trachtten te bevrijden,
+in den slag bij Megalopolis (330). In 324 riep Alexander, ongeduldig
+geworden door de herhaalde klachten van zijne moeder, die steeds
+met Ant. in onmin was, hem naar Azië, maar door zijn spoedig daarop
+gevolgden dood bleef dit bevel onuitgevoerd, vandaar het verhaal dat
+Ant. Alex. door vergif zou hebben laten dooden. Terstond na den dood
+van Alexander vereenigden de Grieken zich weder om zich van Macedonië
+los te maken; Ant. werd in Lamia ingesloten (323), maar de komst van
+Leonnatus noodzaakte de belegeraars hem uit de stad te laten trekken,
+en door Craterus geholpen, versloeg hij het grieksche leger bij Crannon
+en maakte daarmede aan den oorlog een einde (322). Tegen het streven
+van Perdiccas om zich van de regeering over het geheele rijk meester
+te maken, vereenigde zich Ant. met Antigonus, Craterus en Ptolemaeus,
+en toen Perdiccas vermoord was, werd hij tot rijksbestuurder benoemd
+(320). In het volgende jaar stierf hij, nadat hij Polyperchon als
+zijn opvolger had aangewezen.--2) kleinzoon van den vorigen, zoon
+van Cassander, werd in 296 koning van Macedonië. Hij doodde zijne
+moeder Thessalonica, omdat hij meende dat zij zijn broeder Alexander
+begunstigde; deze verjoeg hem daarop met de hulp van Demetrius
+Poliorcetes; hij vluchtte naar zijn schoonvader Lysimachus, die hem in
+287 liet ter dood brengen.--3) Ant. van Tarsus, opvolger van Diogenes
+den Babyloniër als hoofd der stoicijnsche school. Hij leefde in het
+midden van de 2de eeuw. Hij was de leermeester van Panaetius.--4)
+Ant. van Tyrus, hoofd der stoicijnsche school, leermeester en vriend
+van den jongen Cato, stierf te Athene omstreeks 45.--5) Caelius
+Ant. z. Caelii no. 1.
+
+Antiphanes, Antiphanes, geb. op Rhodus, een geestig en bekwaam attisch
+blijspeldichter, wien 260 stukken worden toegeschreven. Zijne eerste
+werken verschenen omstreeks 387.
+
+Antiphates, Antiphates, de wreede vorst der Laestrygonen, die een van
+de gezellen van Odysseus verslond, en elf van diens schepen door zijn
+volk liet verbrijzelen, zoodat slechts één schip konde ontkomen. Zijn
+naam wordt soms spreekwoordelijk voor een wreedaard gebruikt.
+
+Antiphilus, Antiphilos, 1) schilder, tijdgenoot van Apelles.--2)
+na den dood van Leosthenes (323) aanvoerder van het grieksche leger
+in den lamischen oorlog.
+
+Antiphon, Antiphon, 1) geb. te Athene omstreeks 480. Hij ontving
+van zijn vader Sophilus, een sophist, het eerste onderwijs in de
+welsprekendheid, waarin hij later uitmuntte, zoodat hem in den
+alexandrijnschen canon der attische redenaars de eerste plaats
+gegeven werd. Slechts eenmaal trad hij zelf als redenaar op, en
+wel om zichzelven te verdedigen. Daar hij n.l. ijverig deelgenomen
+had aan de invoering van de regeering der 400, werd hij, nadat de
+democratie hersteld was, door Theramenes van hoogverraad aangeklaagd
+en in weerwil van zijn meesterlijke verdediging ter dood veroordeeld
+(411). Hoewel wegens zijn aristocratische gezindheid niet populair,
+was hij zeer gezocht als schrijver van pleitredenen (logographos). Van
+deze zijn drie bewaard gebleven; bovendien hebben wij nog van hem
+twaalf ontwerpen van redevoeringen, verdeeld in drie tetralogieën,
+ieder bevattend aanklacht, verdediging en beiderzijdsche replieken in
+een gefingeerde moordzaak. Hij gaf ook onderwijs in de redekunst en
+schreef eene techne rhetorike, die verloren is.--2) treurspeldichter,
+die eerst te Athene en later aan het hof van den tyran Dionysius
+leefde; hij hielp dezen bij het maken zijner treurspelen, maar werd
+wegens zijne vrijmoedigheid gedood.
+
+Antipolis, Antipolis, stad op de Zuidkust van Gallia Narbonensis,
+nabij de grenzen van Italië, thans Antibes.
+
+Antiquo. Bij het stemmen in de volksvergadering over wetsvoorstellen
+beteekende de letter A: antiquo = ik ben voor het oude, dus: ik ben
+tegen het voorstel.
+
+Antirrhium en Rhium, Antirrion en Rhion, twee kapen tegenover elkander,
+de eerste ten N., de andere ten Z., aan de invaart der corinthische
+golf.
+
+Antissa, Antissa, havenstad aan den N. W. kant van Lesbus.
+
+Antisthenes, Antisthenes, Athener, geb. omstreeks 444 en gestorven op
+den leeftijd van 70 jaar. Nadat hij in zijne jeugd van den sophist
+Gorgias onderwijs had gehad en later zelf sophistisch onderwijs had
+gegeven, leerde hij Socrates kennen en bleef hij tot diens dood zijn
+leerling. Na dien tijd trad hij weder als leeraar op en stichtte hij
+eene nieuwe school, die de cynische genoemd wordt naar het gymnasium
+Cynosarges, waar hij onderwijs gaf. Zijne vrij eenzijdige opvatting van
+de leer van Socrates was, dat de deugd voldoende is voor een gelukkig
+leven, dat zij bestaat in het onafhankelijk zijn van behoeften en
+in het vermijden van het kwaad, dat genot op zichzelf een kwaad is,
+omdat het ongeschikt maakt te streven naar het bereiken van deugd. Door
+zijne leefwijze, waarin hij deze leer streng in praktijk bracht, en
+door zijne overredingskracht verwierf hij zich vele aanhangers. Van
+zijne talrijke geschriften zijn twee onbeduidende werkjes bewaard
+gebleven, aan welker echtheid door velen getwijfeld wordt.
+
+Antistii, een plebejisch geslacht. 1) P. Antistius, op last van den
+jongen Marius omgebracht (82), was een goed redenaar en pleiter.--2)
+Pacuvius Antistius Labeo, een van Caesars moordenaars, bracht na
+den slag bij Philippi zich zelf om.--3) M. Antistius Labeo, zoon van
+no. 2, vurig republikein, weigerde het consulaat, hem door Augustus
+aangeboden. Hij was een groot rechtsgeleerde en stichtte eene beroemde
+school, die den geest der wetten van het oude Rome huldigde. (Zie
+Proculi no. 2.) Tegenover zijne philosophische richting stond de
+historische richting van den niet minder beroemden Ateius Capito.
+
+Antitaurus, Antitauros, bergketen, die zich van den Taurus afscheidt
+en zich midden door Armenia minor in N. O. richting uitstrekt.
+
+Antitimasthai z. timema no. 3.
+
+Antium, Antion, oude stad in Latium, op eene ver vooruitspringende
+landtong gesticht en door zeeroof zeer berucht. Toen na den koningstijd
+de Volsci de vlakte ten W. van hun bergen veroverden, kwam Antium
+in hun bezit, en werd nu hoofdstad van het Volscische land, en
+handelsconcurrent van Ostia. In 340 sloot het zich bij de afgevallen
+latijnsche steden aan, en moest in 338 zich overgeven en zijne vloot
+uitleveren, terwijl eene nieuwe kolonie er heen gezonden werd. De
+snebben der zes overgeleverde schepen werden als zegeteeken aan het
+spreekgestoelte op het romeinsche forum bevestigd (rostra). Sedert
+werd Antium volkomen machteloos gehouden; doch tegen het einde der
+republiek was het een geliefkoosd verblijf der romeinsche grooten, die
+hier paleizen en buitenverblijven hadden. Onder de tempels was vooral
+de Fortuna-tempel beroemd door een orakel (sortes Antiatinae). Antium
+was de geboorteplaats van de keizers Caligula en Nero.
+
+Antomosia, de eed, waarmede de aanklager en de aangeklaagde in een
+proces hunne verklaringen bekrachtigen.
+
+Antoniae (leges), van den drieman M. Antonius, 44. Het eerste tweetal
+der hieronder genoemde wetten werd nog bij Caesars leven aangenomen,
+de overige na zijn dood. 1) lex de Quinctili mense Iulio appellando,
+ter eere van Caesar (zie annus).--2) dat aan de circensische spelen
+ter eere van Caesar een vijfde dag zou worden toegevoegd.--3) de
+dictatura in perpetuum tollenda, tot afschaffing der dictatuur.--4)
+lex agraria zie agrariae (leges).--5) lex iudiciaria tot wederinvoering
+eener derde decuria van rechters, zonder census (zie iudex).--6) lex
+de provocatione, dat zij, die de vi en de maiestate veroordeeld waren,
+in hooger beroep bij het volk konden komen (zie provocatio).--7) lex de
+provinciis, waardoor het stadhouderschap over de consulaire provinciën
+op 6 jaar werd vastgesteld.--8) lex de provinciarum permutatione, dat
+o.a. Antonius in plaats van Macedonia Gallia Cisalpina zou krijgen,
+dat aan D. Brutus ontnomen werd, terwijl C. Antonius (z. Antonii no. 5)
+Macedonia kreeg.--9) lex de actis Caesaris confirmandis, waarbij alle
+verordeningen van Caesar rechtsgeldig werden verklaard.
+
+Antonii. 1) M. Antonius orator, een der beste redenaars van
+zijn tijd, die in Cicero's werk de oratore een der hoofdpersonen
+van het gesprek is. In 143 geboren, was hij in 99 consul, in 97
+censor. In den burgeroorlog koos hij de partij van Sulla en werd in
+87 op last van Marius en China omgebracht, waarna zijn hoofd op de
+rostra werd tentoongesteld. Hij was de grootvader van den lateren
+triumvir.--2) M. Antonius Creticus, zoon van no. 1, voerde, althans
+in naam, in 74 als propraetor oorlog tegen de zeeroovers. Hoewel met
+buitengewone macht bekleed, voerde hij weinig meer uit, dan dat hij
+Sicilia plunderde. Een aanval op Creta mislukte; Antonius leed eene
+schandelijke nederlaag, die hem den spotnaam Creticus bezorgde, en
+stierf van hartzeer in 71.--3) O. Antonius, bijgenaamd Hybrida, ook
+een zoon van no. 1, was in 63 Cicero's ambtgenoot in het consulaat. Hij
+was sinds 87 met Sulla in Asia, pleegde op den terugweg rooverijen in
+Griekenland, wist met Sulla's vogelvrijverklaringen zijn voordeel te
+doen, doch werd in 70 om zijne roofzucht uit den senaat gezet door de
+censoren L. Gellius Poplicola en Cn. Cornelius Lentulus Clodianus. Hij
+was in het geheim deelgenoot van Catilina's samenzwering, doch
+Cicero wist hem door eene ruiling van provinciën daarvan af te
+trekken. Antonius trok echter niet zelf tegen Catilina op, maar
+zond, onder voorwendsel van voeteuvel, zijn legaat A. Petreius. Als
+proconsul van Macedonia leed hij eene nederlaag tegen de bergvolken,
+en werd in 59 aangeklaagd en niettegenstaande de verdediging van
+Cicero veroordeeld. De punten van aanklacht, en de quaestio, waarbij
+de aanklacht in behandeling kwam, staan niet vast. Hij ging naar het
+eiland Cephallenia, eene civitas libera, in ballingschap, maar werd in
+44 door Caesar teruggeroepen.--4) M. Antonius, zoon van no. 2, werd
+in 82 geb., diende onder A. Gabinius in 58-55 in Syria en sloot zich
+in 54 bij Caesar aan, door wiens toedoen hij in 52 quaestor en in 50
+augur en volkstribuun werd. Bij de toenemende spanning tusschen Caesar
+en Pompeius was hij een ijverig kampioen voor Caesar en trotseerde
+de woede van diens vijanden in den senaat, zoo zelfs, dat hij en zijn
+medetribuun Cassius vermomd uit Rome moesten vluchten (Jan. 49). Dit
+was voor Caesar een voorwendsel om den oorlog te beginnen. Toen Caesar
+bezit van Rome had genomen en naar Hispania vertrok, liet hij Antonius
+als legatus pro praetore in Italia achter. In den slag bij Pharsalus
+(48) voerde Antonius het bevel over den linkervleugel van Caesars
+leger. Later geraakte hij echter met Caesar in onmin, doch verzoende
+zich in 45 met hem en werd in 44 consul. Hij was het ook, die aan
+Caesar (15 Febr. bij het feest der Lupercalia) den koningsdiadeem
+aanbood. Zijn eigenlijke rol begon hij na Caesars dood te spelen. Hij
+wilde de erfgenaam worden van Caesars macht, maakte zich meester
+van Caesars papieren, wond door eene hartstochtelijke lijkrede het
+volk op, en wist van den senaat de wettigverklaring te verkrijgen
+van alle besluiten en verordeningen, die nog onder Caesars nagelaten
+papieren gevonden werden. Antonius bracht nu allerlei beschikkingen
+voor den dag, waarmede hij zelfs handel dreef. In plaats van de
+provincie Macedonia, die aan M. Brutus ontnomen, en hem toegewezen
+was, verlangde hij van den senaat Gallia Cisalpina, doch deze, meer
+en meer verbitterd en aangevuurd door Cicero's zoogen. philippische
+redevoeringen, weigerde, waarop Antonius eene wet uitlokte, waarbij
+D. Junius Brutus als stadhouder van Cisalpina door hem vervangen
+werd. Intusschen was, zeer te onpas voor Antonius, Caesars neef
+en aangenomen zoon Octavianus op het tooneel verschenen. Een derde
+persoon was M. Aemilius Lepidus, die als Caesars magister equitum
+op den dag van diens moord aan het hoofd van een leger stond, dat
+naar Hispania zou uittrekken. Toen nu Antonius tegen D. Brutus was
+opgetrokken en dezen in Mutina (Modena) belegerde, zond de senaat
+een leger uit onder de beide consuls C. Vibius Pansa en A. Hirtius
+en den negentienjarigen Octavianus. Antonius werd verslagen (43);
+Hirtius en Pansa kwamen in den strijd om. Antonius, inziende dat hij
+Octavianus te licht had geteld, verbond zich met Lepidus en verzoende
+zich vervolgens met Octavianus. Toen kwam het driemanschap tot stand;
+onder den naam van triumviri reipublicae constituendae lieten zich
+de drie bondgenooten voor den tijd van vijf jaren met alle gezag
+bekleeden. Hun eerste zorg was de uitroeiing der republikeinsche
+partij. Meer dan 2000 ridders en senatoren werden vogelvrij en hunne
+goederen verbeurd verklaard. Onder de slachtoffers was ook Cicero,
+tegen wien Antonius een doodelijken haat koesterde, zoowel om diens
+hevige bestrijding, alsook omdat Antonius' stiefvader, P. Cornelius
+Lentulus Sura, als eedgenoot van Catilina, op Cicero's last ter dood
+was gebracht. Na vervolgens met Octavianus het republikeinsche leger
+onder Brutus en Cassius bij Philippi in Macedonia te hebben verslagen
+(Nov. 42), begaf Antonius zich naar Azië en leerde te Tarsus in Cilicia
+de schoone Cleopatra kennen, die hij weldra naar Aegypte volgde (herfst
+van 41). Inmiddels zocht zijne gemalin Fulvia in Italië het gezag
+van Octavianus te ondermijnen en zette haren zwager L. Antonius tot
+een oorlog aan (bellum Perusinum 41), terwijl Sex. Pompeius met eene
+vloot den korenaanvoer naar Rome onderschepte en vasten voet in Italië
+en op de nabijgelegen eilanden zocht te verkrijgen. Antonius, hoewel
+bedreigd door een inval van de Parthen, begaf zich naar Italië, doch
+weifelde, of hij zich bij Sex. Pompeius zou aansluiten of niet. Onder
+den drang der verschillende legers kwam toen te Brundisium (Sept. 40)
+en later met Pompeius te Misenum (39) de vrede tot stand. Antonius
+kreeg het Oosten, Octavianus het Westen, Lepidus Africa, Pompeius
+Sicilia, Sardinia, Corsica en de Peloponnesus. Daar Fulvia inmiddels
+overleden was, sloot Antonius een tweede huwelijk met Octavianus'
+zuster Octavia. Het triumviraat werd in den herfst van 37 te
+Brundisium voor vijf jaren (tot einde 33) hernieuwd. Toen echter
+S. Pompeius vermoord (36) en Lepidus op zijde gezet was, kon de
+band tusschen Octavianus en Antonius niet lang meer bestaan. In de
+armen van Cleopatra vergat Antonius zijne vrouw, de edele Octavia,
+en zijne waardigheid. Steeds tot genot en uitspattingen geneigd,
+werd hij nu een schandvlek voor den romeinschen naam. Aan Cleopatra
+en hare kinderen schonk hij provinciën, de pergameensche bibliotheek
+werd naar Alexandrië overgebracht; hij gaf het ongehoorde feit te
+aanschouwen, dat hij binnen deze stad een triomftocht hield over den
+onttroonden koning Artavasdes van Armenia (34); hij bedreigde ook
+rechtstreeks de belangen van Octavianus, door Caesarion, den zoon van
+Cleopatra en Caesar, tot erfgenaam zijns vaders te verklaren. Toen
+werd de breuk onvermijdelijk (begin 32). Bij Actium ontmoetten de
+mededingers elkander (2 Sept 31). De vloot van Antonius had bijna de
+dubbele sterkte van die zijner tegenpartij, die door M. Vipsanius
+Agrippa werd aangevoerd; doch reeds in het begin van den strijd
+ging Cleopatra met de aegyptische schepen op de vlucht. Antonius,
+die niet buiten zijn geliefde kon, volgde haar. Ten laatste,
+door bijna allen verlaten en misleid door een valsch bericht van
+Cleopatra's dood, stortte hij zich in zijn zwaard (1 Aug. 30).--5)
+C. Antonius, broeder van no. 4, diende als legaat onder Caesar
+(49) en kreeg vervolgens het stadhouderschap over Macedonia (44),
+dat eerst aan zijn broeder Marcus was gegeven. Macedonia was echter
+reeds in handen van Brutus. C. Antonius werd (begin 43) te Apollonia
+ingesloten en moest zich overgeven. Hij werd gevangen gehouden, maar
+na de vermoording van Cicero in het begin van 42 op last van Brutus
+gedood.--6) L. Antonius, ook een broeder van no. 4, liet zich in 41,
+tijdens zijn consulaat, door zijne schoonzuster Fulvia overhalen,
+den oorlog met Octavianus te beginnen (bellum Perusinum). Diens
+veldheeren M. Vipsanius Agrippa en Q. Salvidienus Rufus sloten hem
+echter binnen Perusia op. Door honger gedwongen moest de stad zich
+overgeven (winter van 41/40). Octavianus schonk aan L. Antonius
+genade en benoemde hem zelfs tot praetor in Hispania. Zijn verdere
+levensloop is niet bekend.--7) M. Antonius, zoon van no. 4 uit diens
+huwelijk met Fulvia, werd in 30, na den dood van zijn vader, door
+Octavianus ter dood veroordeeld. Bij de Grieksche schrijvers heet
+hij gewoonlijk Antyllos.--8) Iulus Antonius, jongere zoon van no. 4
+en Octavia, werd door Augustus vriendelijk behandeld en zelfs tot
+consul verheven (10). Later werd hij in eene liefdesgeschiedenis
+verwikkeld met Julia, de zedelooze dochter van Augustus, en ter
+dood gebracht (2); v. s. voorkwam hij zijn terechtstelling door
+zelfmoord te plegen.--9) L. Antonius, zoon van no. 8, stierf als
+balling te Massilia (Marseille) in 25 na C.--10) Antonia maior,
+oudste dochter van no. 4 en Octavia, huwde L. Domitius Ahenobarbus en
+was de grootmoeder van Nero.--11) Antonia minor, zuster van no. 10,
+beroemd door deugd en schoonheid, huwde met Drusus en was de moeder
+van Germanicus en keizer Claudius.--12) Antonia, dochter van keizer
+Claudius, werd door Nero ter dood gebracht (tusschen 66 en 68 n. C.).
+
+Niet tot de familie der Antonii behooren:--13) M. Antonius Felix,
+vrijgelatene van Antonia minor, gehuwd met eene kleindochter van
+M. Antonius en Cleopatra. Onder Claudius en Nero was hij procurator van
+Iudaea (52-60 n. C.), dat veel van zijne hebzucht te lijden had. In
+58 liet hij den Apostel Paulus gevangen nemen, en hij hield hem
+gevangen. Pallas, de invloedrijke vrijgelatene onder keizer Claudius,
+was zijn broeder.--14) Antonius Musa, lijfarts van Augustus, dien
+hij (23) door eene koudwaterkuur van een zware ziekte genas.--15)
+M. Antonius Primus, uit Gallia, diende onder Galba en koos daarna de
+partij van Vespasianus en versloeg de troepen van Vitellius tweemaal
+bij Cremona (einde Oct. 69 n. C.). Hierop (20 Dec.) nam hij Rome
+in en liet Vitellius smadelijk ombrengen.--16) Antonius Polemo, uit
+Laodicea, beroemd rhetor onder Traianus en later, stichtte te Smyrna
+eene rhetorenschool. Toen de jicht hem het leven ondragelijk maakte,
+liet hij zich doodhongeren.
+
+Antoninus Pius, keizer van het rom. rijk werd in 86 n. C. te
+Lanuvium in Latium geboren uit eene familie, die uit het Zuiden van
+Gallia afstamde. Zijn volledige naam was T. Aurelius Fulvus Boionius
+Arrius Antoninus, naar zijn vader T. Aurelius Fulvus en zijne beide
+grootouders van moederszijde, Boionia Procilla en Arrius Antoninus. Hij
+werd door keizer Hadrianus tot zoon en opvolger aangenomen (begin
+138) zonder dat hij evenwel diens geslachtsnaam Aelius aannam. Hij
+had Hadrianus innig lief en hield dezen in zijne laatste levensjaren
+van meer dan ééne wreede daad terug. Na 's keizers dood (10 Juli 138)
+verdedigde hij diens nagedachtenis in den verbitterden senaat en eerde
+hem ook door het stichten van tempels, hetgeen hem den bijnaam Pius
+bezorgde. Hij was een der beste keizers, zachtmoedig, rechtvaardig,
+mild, eenvoudig en huiselijk. Zijne regeering (138-161) wordt als een
+tijdperk van vrede en welvaart geroemd, toch zijn er ook duidelijke
+teekenen waar te nemen van verarming, vooral van Italië, en van
+verval van het rijk. Slechts een paar maal moest hij oorlog voeren,
+in Britannia (142), waar hij de grenzen van het rijk uitbreidde,
+door een nieuwen grenswal in Schotland aan te leggen (z. Vallum
+Antonini), en tegen de Mauren in Afrika; een oproer in Iudaea werd
+met weinig moeite onderdrukt. Overeenkomstig Hadrianus' verlangen nam
+hij M. Aelius Verus (keizer M. Aurelius) en diens broeder L. Verus
+tot zoons en opvolgers aan, zie Annii no. 6.
+
+Antron, Antron, stad in Phthiotis (Thessalia), aan den mond der
+malische golf.
+
+Antyllos z. Antonii no. 7.
+
+Anubis, Anoubis, aegyptische godheid, als een jakhals of als een
+mensch met den kop van een jakhals voorgesteld. De Grieken maakten
+daarvan een hondekop, en daar hij de zielen der afgestorvenen naar
+de onderwereld geleidde, stelden zij hem gelijk met Hermes. Bij de
+Romeinen werd hij als helhond vereerd.
+
+Anulus = Annulus.
+
+Anxur, later Tarracina geheeten, oude stad der Volscen, aan zee en aan
+de via Appia gelegen, nabij de pomptijnsche moerassen, in 406 door de
+Romeinen veroverd, maar in 402 weer verloren gegaan, 400 weer heroverd,
+sedert 329 romeinsche kolonie. Op eene steile kalkrots lag het kasteel,
+en nabij de stad een tempel der godin Feronia.
+
+Anytus, Anytos, rijk leerkooper te Athene, een van de leiders der
+democratische partij bij de verdrijving der 30, die hem verbannen
+hadden. Hoewel lang met Socrates bevriend, trad hij later als een van
+zijne aanklagers op. Waarschijnlijk werd hij later weder verbannen,
+hij stierf te Heraclea in Pontus.
+
+Aoede, Aoide, z. Musae.
+
+Aones, Aones, oude volksstam in Boeotia, in de streek Aonia, aan den
+Helicon. De Muzen, aan wie de Helicon geheiligd was, worden meermalen
+Aoniae sorores of Aonides genoemd, en de wateren der bron Aganippe
+Aoniae aquae. Als stamvader der Aoniërs wordt Aon, Aon, een zoon van
+Poseidon, genoemd.
+
+Aornus, Aornos, naam van eenige hooggelegen plaatsen, als: 1o. stad
+in Bactria, 2o. bergvesting aan den Indus, ten N. van de uitmonding
+van den Cophen in den Indus. Zie ook Avernus lacus.
+
+Aorsi, Aorsoi, machtig handelsvolk ten Noorden en Westen der Caspische
+zee.
+
+Aous, Aoos, Aoos, rivier in het Zuiden van Illyria, die zich ten
+Z. van Apollonia in de ionische zee stort.
+
+Apagoge. Te Athene had in sommige gevallen ieder, die als aanklager
+wilde optreden van een misdadiger, die op heeterdaad betrapt was
+of aan wiens schuld geen twijfel bestond, het recht den misdadiger
+zelf te vatten en voor den magistraat te brengen, die het proces
+moest leiden, meestal de elfmannen. Deze handeling heette apagoge,
+evenals de schriftelijke aanklacht die tegelijkertijd ingediend moest
+worden. Werd de aanklacht door den magistraat aangenomen, dan moest de
+beschuldigde drie borgen stellen of hij werd gedurende de behandeling
+der zaak gevangen gehouden.
+
+Apame, Apama, Apame, 1) eerste echtgenoote van Seleucus I Nicator,
+moeder van Antiochus I.--2) v. s. Arsinoe geheeten, dochter van
+Antiochus I, echtgenoote van Magas, stadhouder van Cyrene. Na diens
+dood (258) ontbood zij den zoon van Demetrius Poliorcetes, om met hare
+dochter Berenice (z. a. no. 3) te trouwen, die reeds met Ptolemaeus
+III verloofd was. Zij werd echter zelve op Demetrius' zoon verliefd,
+en verwekte daardoor zooveel misnoegen bij het volk, dat het hem in
+hare armen doodde, en haar alle macht ontnam.
+
+Apamea, Apameia, naam van onderscheiden steden, meest aldus geheeten
+naar Apama, de echtgenoote van Seleucus Nicator, den stichter van
+het Seleucidenrijk.--1) Apamea ad Orontem, vroeger Pella geheeten,
+door Seleucus vergroot en verfraaid, waarnaar het omliggende
+landschap Apamene werd geheeten.--2) Apamea Cibotus (he Kibotos =
+kast, stapelplaats), de belangrijkste stad van Groot-Phrygia, in de
+onmiddellijke nabijheid van Celaenae gelegen.--3) Ap. in Bithynia
+vroeger Myrlea aan de Propontis, door Prusias I vergroot en naar zijne
+gemalin Apama genoemd.--Verder had men nog steden van dezen naam aan
+den Boven Euphraat, in Osroene, aan de samenvloeiing van Euphraat en
+Tigris, en in Media.
+
+Apaturia, Apatouria, een feest dat in alle ionische staten gevierd
+werd. Te Athene viel het in de maand Pyanepsion (Oct.-Nov.) en duurde
+het drie dagen, die dorpia, anarrysis en koureotis heetten. Op den
+derden dag werden de jonge kinderen op de lijsten der phratriën
+ingeschreven, na aan de leden der phratrie te zijn voorgesteld; voor
+ieder kind werd door den vader een schaap of bok geofferd. Gestemd
+werd over de opneming alleen wanneer iemand er tegen protesteerde,
+wat men doen kon door het offerdier van het altaar weg te leiden. Op
+den derden dag gaven ook jongens, die de school bezochten, proeven
+van hunne vorderingen, vooral in het declameeren; zij die daarin
+uitmuntten kregen prijzen.
+
+Apeleutheros, vrijgelaten slaaf. Slaven, die aan den staat een
+of anderen gewichtigen dienst bewezen hadden, werden dikwijls van
+staatswege tegen vergoeding aan hun heer vrijgelaten. Had een slaaf
+geld om zich zelf vrij te koopen, waartoe de toestemming van den heer
+noodig was, dan was daarbij de medewerking van een burger noodig;
+meestal trad een priester als tusschenpersoon op. Natuurlijk stond
+het den heer vrij zijne slaven ook zonder losprijs de vrijheid te
+geven. Aan de vrijlating waren dikwijls zekere voorwaarden verbonden,
+z. apostasiou dike.
+
+Apeliotes, Apeliotes, de Oostenwind. Zie Windstreken.
+
+Apella, naar het schijnt, een te Rome veelvuldig voorkomende of
+althans zeer bekende jodennaam.
+
+Apelles, Apelles, de beroemdste schilder der oudheid (356-308), geb. te
+Colophon of te Ephesus, leerling van Pamphilus. Zijne werken muntten
+uit door waarheid en bevalligheid, vooral in de laatste eigenschap
+was hij onovertroffen. Alex. d. G. schatte hem zeer hoog; onder de
+vele portretten die hij van dien vorst schilderde, was vooral beroemd
+de "bliksemslingerende Alexander", die in den tempel van Artemis te
+Ephesus hing. Als het meesterstuk van Ap. gold de Aphrodite Anadyomene
+(z. Anadyomene).
+
+Apellicon, Apellikon, van Teos, vond omstreeks 100 een aantal
+onuitgegeven handschriften van Aristoteles en bezorgde een uitgave
+daarvan. Bij de inneming van Athene (87) viel zijn kostbare bibliotheek
+in handen van Sulla, die haar naar Rome overbracht.
+
+Apenninus mons, Apenninos, de Apennijnen, de bekende bergketen,
+die Italië doorsnijdt. V. s. beter Appenninus.
+
+Apex, een met wol omwonden olijftakje, dat op de punt der vilten
+priestermuts was bevestigd (zie albogalerus). Ook wordt het woord
+wel voor het geheele hoofddeksel gebezigd. Soms wordt apex gebruikt
+voor de spits toeloopende tiara der perzische koningen en beteekent
+in figuurlijken zin de kroon, het teeken der hoogste waardigheid.
+
+Aphaca, ta Aphaka, stad in Phoenice, op de helling van den Libanon,
+met een tempel en een orakel van Aphrodite.
+
+Aphaea, Aphaia, eene aan de Cretensische Dictynna verwante godin, die
+op Aegina vereerd werd. Aan haar was de beroemde tempel gewijd, waarvan
+het beeldhouwwerk in München bewaard wordt. De naam wordt afgeleid
+van het verdwijnen der godin, toen Andromedes, een visscher die
+haar van Creta overgebracht had, haar met zijn liefde vervolgde. Zie
+Britomartis.
+
+Aphaireseos dike. Wanneer een slaaf weggeloopen was, dan konde zijn
+heer of ieder ander belanghebbende hem vatten waar hij hem vond, en
+naar zijn huis medenemen. Tegen dengene, die zich daartegen verzette,
+konde de aphair. d. ingebracht worden, en wanneer hij in het ongelijk
+gesteld werd, moest hij den aanklager eene schadevergoeding en den
+staat eene boete betalen.
+
+Aphamiotai = klarotai.
+
+Apharetidae, Apharetidai, Idas en Lynceus, de zonen van Aphareus,
+koning van Messenië, namen deel aan de calydonische jacht en aan
+den tocht der Argonauten. Zij waren met de Dioscuren opgegroeid,
+maar kregen eens twist met hen over de verdeeling eener kudde, of om
+de dochters van Leucippus, die met de Apharetiden verloofd waren en
+door de Dioscuren ontvoerd werden. Het kwam tot een gevecht, waarbij
+Castor door Idas, Lynceus door Polydeuces verslagen werd. Idas werd
+daarop echter door Zeus met den bliksem gedood. Hun graf werd later
+te Sparta getoond.
+
+Aphareus, Aphareus, 1) zoon van Perieres, vader der Apharetidae.--2)
+zoon van den sophist Hippias, door Isocrates als zoon aangenomen,
+redenaar en treurspeldichter. Hij schreef 37 treurspelen, waarvan 4
+den eersten prijs behaalden. Zijne werken vallen tusschen 369 en 342.
+
+Aphetae, Aphetai, stad in Zuid-Thessalia, ten O. van de invaart in
+de Pagasaeische golf.
+
+Aphetoi hemerai heetten te Athene dagen, waarop geene
+raadsvergaderingen of rechtszittingen gehouden werden, zooals
+feestdagen en aopophrades hemerai.
+
+Aphidna, Aphidnae, Aphidna, Aphidnai, versterkte stad in Attica,
+ten N. van Marathon gelegen. Toen Theseus met Pirithous naar de
+onderwereld ging, gaf hij Helena en Aethra aan zijn vriend Aphidnus,
+die te Aphidna woonde, ter bewaring. De Dioscuren namen de stad in
+en voerden de beide vrouwen weg.
+
+Aphrodisia, ta Aphrodisia, feesten ter eere van Aphrodite door geheel
+Griekenland en het plechtigst te Paphus op Cyprus gevierd.
+
+Aphrodisias, Aphrodisias, naam van steden, aan Aphrodite geheiligd. 1)
+In Caria, met een prachtigen tempel, waarvan nog overblijfselen
+aanwezig zijn. In den burgeroorlog omhelsde de stad de zaak van Caesar
+en werd eene civitas libera.--2) In Cilicia tracheia, met een ruime
+haven.--Ook een eiland op de kust van Cyrenaïca heette zoo.
+
+Aphrodite, Aphrodite, Venus, dochter van Zeus en Dione, of van Uranus
+en Hemera of, volgens het meest bekende verhaal, uit het schuim der zee
+geboren en bij Cyprus geland (Aphrogeneia, Anadyomene, Kyprogeneia),
+oorspronkelijk godin der lente, der vruchtbaarheid en der algemeene
+voortplantingskracht in de natuur (Ourania), vandaar ook godin van het
+huwelijk, van het huisgezin en dus van de grondvesten van den staat
+(Pandemos), eindelijk en voornamelijk van liefde en schoonheid; deze
+laatste hoedanigheden traden mettertijd zoozeer op den voorgrond, dat
+men ook de namen Ourania en Pandemos daarmede in betrekking bracht,
+en haar den eersten gaf als beschermster der reine, kuische liefde en
+van het huwelijk, den anderen als godin van zinnelijk liefdegenot. Zij
+is het, die de lente met bloemen tooit en haar bekoorlijkheid verleent,
+die den menschen schoonheid geeft en die hun al of niet liefde voor
+elkaar inboezemt Epistrophia, Apostrophia. Zij wordt door de dichtkunst
+en de beeldende kunsten voorgesteld als een ideaal van schoonheid
+en lieftalligheid, Chryseie, Philomeides; zij draagt den gordel,
+die alle toovermiddelen der liefde bevat en die goden en menschen aan
+hare macht onderwerpt; steeds vergezellen haar de Horen en Chariten,
+Peitho, Eros, Pothus en Himerus. Haar eeredienst, hoezeer door de
+Grieken veredeld, bleef altijd toch nog vele sporen van oostersche
+afkomst vertoonen, en kenmerkte zich veelal aan den eenen kant door
+uitgelaten vroolijkheid, aan den anderen door buitensporige smart (zie
+Adonia). De duif, de haas, de dolfijn, de roos, de papaver, de myrte,
+de appel waren haar gewijd. In vele tempels van Aphrodite mochten geene
+bloedige offers gebracht worden. Hoewel gemalin van Hephaestus, maakte
+zij toch vele andere goden en menschen door hare liefde gelukkig;
+Ares, Hermes, Adonis, Anchises, e.a. Door hare verhouding tot Ares
+wordt zij ook in zekeren zin eene oorlogsgodin Areia, ofschoon de
+werken van den oorlog haar vreemd zijn en zij eenmaal, toen zij ter
+verdediging van Troje zelve op het slagveld verscheen, door Diomedes
+gewond werd. Vooral in zeeplaatsen werd zij hoog vereerd en daar men
+gewoon was haar om een gelukkige vaart te bidden, kreeg zij den naam
+van Euploia. Eindelijk had zij nog vele bijnamen naar de plaatsen waar
+hare heiligdommen stonden: Kypris, Paphia, Kythereia, Erykine, e.a.
+
+Aphroditopolis, Aphrodites polis, naam van verschillende steden in
+Boven-, Midden- en Neder-Aegypte.
+
+Aphthonius, Aphthonios, een sophist, die in de vierde eeuw n. C. te
+Antiochië leefde; hij was een leerling van Libanius en schreef een
+handboek der redekunst, Progymnasmata, dat nog tot de 17e eeuw bij
+het onderwijs gebruikt werd.
+
+Aphytis, Aphytis, stad op het macedonische schiereiland Pallene,
+met een tempel van Zeus Ammon.
+
+Apia, Apie, Apia ge, oude naam voor de Peloponnesus, afgeleid van
+een oud-argivisch koning Apis.
+
+Apicius, naam van een drietal groote lekkerbekken, tijdens Sulla,
+Tiberius en Traianus. De tijdgenoot van Tiberius, M. Gabius Apicius,
+nam, toen hij het grootste deel van zijn vermogen door de keel had
+gejaagd, vergif in, uit vrees te moeten verhongeren, wanneer hij niet
+meer naar hartelust kon smullen. Op naam van Caelius Apicius bestaat
+nog een kookboek, uit de derde eeuw na C., de re culinaria.
+
+Apidanus, Apidanos, rivier in Thessalia, zijtak van den Enipeus,
+die in den Peneus uitstroomt.
+
+Apion, Apion, alexandrijnsch grammaticus, die onder Tiberius, Caligula
+en Claudius te Alexandria en Rome onderwijs gaf, een pronkerige
+en ijdele zwetser, vandaar Mochthos geheeten. Als hoofd van de
+anti-semitische partij te Alexandria, voerde hij het woord als afgezant
+van deze partij bij keizer Caligula (40 n. C.) (zie ook Flavius
+Josephus). Hoofd van de tegenpartij was Philo (z. a. no. 7). Van zijne
+talrijke werken is bijna niets overgebleven, want de Glossai Homerikai,
+die zijn naam dragen, zijn slechts een uittreksel uit een werk van hem.
+
+Apis, Apis, 1) zoon van Phoroneus en Teledice of Laodice: hij
+was koning van Argos en trachtte zich van de heerschappij over de
+Peloponnesus meester te maken. Naar hem zou de Peloponnesus Apia
+(Apia ge) heeten.--2) zoon van Azan, werd bij de lijkfeesten voor
+zijn vader bij ongeluk door Aetolus gedood.--3) de heilige stier
+der Aegyptenaren, die vooral te Memphis een prachtigen tempel had,
+waar hij door zijne priesters op koninklijke wijze verzorgd werd en
+uit gouden vaatwerk at en dronk. Elk jaar was er ongeveer een maand
+lang te zijner eere een feest, dat met zijn verjaardag eindigde. Als
+hij 25 jaar oud werd, werd hij op een geheime plaats verdronken,
+gebalsemd en in een gouden kist bijgezet; stierf hij vroeger, dan
+was geheel Aegypte in rouw, totdat eene nieuwe stier gevonden was,
+die de vereischte eigenaardigheden van kleur enz., had; deze werd
+dan met groote feesten en plechtigheden naar Memphis gebracht. De
+Aegyptenaren meenden dat de Apis door een lichtstraal voortgebracht
+was en dat hij de drager was van de ziel van Osiris.
+
+Apocleti, apokletoi, z. Aetolisch verbond.
+
+Apodektai, ontvangers, te Athene tien ambtenaars, die de
+meeste staatsinkomsten moesten innen en aan de verschillende
+bestuursdepartementen overdragen.
+
+Apodoti, Apodotoi, een half barbaarsche volksstam in Aetolia op de
+grenzen van Locris.
+
+Apodyterium, apodyterion, ontkleedkamer in de openbare badhuizen,
+waar men zijne kleederen in bewaring gaf en zich na het baden weder
+aankleedde. In de badvertrekken begaf men zich slechts ongekleed.
+
+Apographe, iedere officiëele opgave van personen, gelden, goederen,
+enz., in het bizonder: 1) kadaster ten behoeve van den census en
+de verdeeling in klassen aangelegd. Dit kadaster werd jaarlijks of
+om de twee of vier jaar naar eene nieuwe schatting vernieuwd; het
+was bij de demarchen in bewaring.--2) inventaris van aan den staat
+behoorende goederen en aanklacht tegen hen, die zulke goederen aan
+den staat trachtten te onthouden.
+
+Apoikia, eene nederzetting van Grieken in een vreemd land, colonia,
+die een zelfstandigen staat vormt, onafhankelijk van de moederstad, in
+tegenstelling met emporion, handelsfactorij, die geen eigen gemeente
+vormde, en met klerouchia, een kolonie, waarin de burgers hun oude
+burgerrecht behielden. Worden de kolonisten opgenomen in een reeds
+bestaande stad, dan spreekt men van epoikia (z. epoikoi).
+
+Apollinares (ludi), in den tweeden punischen oorlog ingesteld (212),
+om van Apollo de afwering van verdere oorlogsrampen, v. a. van ziekten
+te verkrijgen. Zij werden onder leiding van den praetor urbanus in
+den circus maximus gevierd, in Juli.
+
+Apollinis promunturium, Apollonos akron, ook prom. pulchrum genoemd,
+op de kust van Africa, ten Noorden van Carthago.
+
+Apollinopolis, Apollonos polis, naam van twee steden aan den Nijl,
+waar de aegyptische god Horus = Apollo bijzonder vereerd werd. De eene,
+maior bijgenaamd, lag boven Thebae, aan den linker oever der rivier;
+de andere, minor, aan den rechteroever stroomafwaarts van Thebae.
+
+Apollo, Apollon, zoon van Zeus en Leto, geboren op Delus (Delios)
+aan den voet van den berg Cynthus (Kynthios), te gelijk met
+Artemis. Oorspronkelijk was hij een zonnegod (Phoibos, de lichte,
+reine); later ging deze beteekenis van Apollo nagenoeg verloren en
+werd hij beschouwd als de beschermer van het goede en schoone, de
+handhaver van wet en orde. Als zoodanig straft hij, de vertreffende
+boogschutter, met de pijlen van zijn zilveren boog (Hek(at)ebolos,
+Hekaergos, Argyrotoxos, Klytotoxos, Arcipotens, Arcitenens) de slechten
+en overmoedigen, maar brengt aan den anderen kant heil aan en weert
+het verderf af (Alexikakos, Soter). De geneeskunde, later aan zijn
+zoon Asclepius toegeschreven, behoorde oorspronkelijk tot zijn wezen
+(Akesios, Paion, Paian, Medicus). Zijne zorg strekt zich ook over het
+vee en de veldvruchten uit; hij beschermt niet slechts de kudden tegen
+de aanvallen van den wolf (Lykoktonos), maar dient ook zelf als herder
+(Nomios) bij Laomedon en Admetus; ook de jagers bidden hem om geluk
+op de jacht (Agreus). Hij voltrekt niet alleen de besluiten van Zeus,
+maar verkondigt den menschen ook diens wil als orakelgevend god, hoewel
+zijne uitspraken dikwijls voor het beperkte menschenverstand duister
+zijn (Loxias). Door zijn orakels heeft hij den grootsten invloed
+op het openbare leven der Grieken, en heeft hij vooral dikwijls
+den eersten stoot gegeven tot de stichting van volksplantingen
+(Archegetes, Ktistes); hij beschermt de openbare orde in de steden
+(Aguieus, Agoraios) en over het algemeen het geordende stadsleven;
+hijzelf heeft de muren van Troja en Megara gebouwd en tal van steden,
+waarvan vele naar hem Apollonia genoemd werden, beschouwden hem als
+haar stichter. Ook de zedelijke wereldorde staat in zekeren zin onder
+zijn hoede: reinigingsoffers aan Apollo gebracht ontlasten den mensch
+van de schuld der zonde, vooral bloedschuld, en bevrijden hem van de
+onvermijdelijk daaropvolgende straf; hijzelf boette het dooden van
+den draak Python (Pythios) of den moord der Cyclopen door geruimen
+tijd als herder te dienen, voordat hij zich van zijn schuld reinigen
+konde. Vandaar het gebruik zich op gezette tijden en in het bizonder
+na zware misdaden en algemeene rampen, die het bestaan van schuld
+doen vermoeden, door reinigingsoffers met den god te verzoenen,
+wat zoowel door enkele personen als door vereenigingen, ja door
+geheele staten gedaan werd.--Nadat Hermes de lier had uitgevonden,
+gaf hij die aan Ap. in ruil voor kudden, die hij hem ontvreemd had;
+sedert dien tijd bespeelt Ap. dit instrument in de vergaderingen der
+goden en daardoor wordt hij de god der muziek, later van gezang en
+dichtkunst, eindelijk stelt hij zich als beschermer van alle schoone
+kunsten aan het hoofd van de Muzen (Mousagetes). De dienst van Apollo
+was door geheel Griekenland verbreid; naar de verschillende plaatsen,
+waar hij heiligdommen en orakels had, en waarvan Delphi de voornaamste
+was, heet hij Amyklaios, Abaios, Ismenios, Klarios, enz. In Attica
+werd hij als Ap. Patroos nevens Zeus Herkeios als beschermer van het
+familieleven vereerd. De zwaan, de dolfijn, de wolf, de olijfboom,
+de palmboom en de laurier waren hem gewijd.--Door de Romeinen werd het
+delphische orakel reeds vroeg geraadpleegd, en onder den invloed der
+sibyllijnsche boeken werd de dienst van Ap. ook bij hen ingevoerd. Na
+de pest van 433 werd de eerste tempel voor Ap. Medicus te Rome gewijd;
+in 399 werden, mede bij gelegenheid van eene pest, voor het eerst
+lectisternia ter eere van Ap., Latona en Diana gehouden. Augustus
+beschouwde zich als een beschermeling van den god en geloofde dat hij
+door zijne gunst den slag bij Actium had gewonnen, daarom vergrootte en
+verrijkte hij zijn tempel op dat voorgebergte, verhoogde den luister
+waarmede zijne feesten daar gevierd werden en bracht die feesten ook
+naar Rome over; bovendien stichtte hij ook op den Palatijnschen berg
+een prachtigen tempel voor Ap. Palatinus.--De beelden van Ap. stellen
+hem gewoonlijk voor als jeugdig, hoog van gestalte, met edele trekken
+en schoone, golvende lokken (Akersekomes).
+
+Apollodorus, Apollodoros, 1) Athener, wiens bloeitijd omstreeks
+144 valt, stoicijnsch wijsgeer en geleerde, een zeer vruchtbaar
+schrijver. Zijne werken, die van wijsgeerigen en geschiedkundigen
+inhoud waren en waaronder eene wereldgeschiedenis in verzen, waaruit
+latere schrijvers veel geput hebben, zijn verloren gegaan. Een
+mythologisch werk onder den titel Bibliotheke, dat zijn naam draagt,
+is òf een uittreksel uit een werk van Ap. òf het heeft een lateren
+naamgenoot tot schrijver. Het is uit de 2e eeuw n. C.--2) van
+Pergamus, als rhetor te Apollonia onderwijzer van Octavianus, met
+wien hij naar Rome kwam, waar hij een eigen school stichtte.--3) twee
+blijspeldichters, de oudste, een tijdgenoot van Menander, van Gela,
+de andere geb. te Carystus; twee stukken van een van hen zijn door
+Terentius in het Latijn bewerkt.--4) van Tarsus, treurspeldichter.--5)
+van Tarsus, grammaticus.--6) beroemd atheensch schilder, omstreeks
+400, een van de eersten die perspectief in hun werk brachten.--7)
+van Damascus, beroemd bouwmeester, die de meeste groote bouwwerken
+van Traianus uitvoerde; later viel hij bij Hadrianus in ongenade. Hij
+was ook schrijver van een werk over belegeringskunst.--8) Ephillus,
+stoicijn, omstreeks 100.--9) Epicurist, die meer dan 400 boeken
+schreef, omstreeks 140-100.
+
+Apollonia, Apollonia, naam van verschillende steden, als 1)
+in het land der ozolische Locriërs;--2) op Chalcidice;--3) niet
+ver vandaar in Macedonia;--4) de havenstad van Cyrene, eene van
+de vijf steden der pentapolis Cyrenaïca;--5) op de Noordkust van
+Sicilia, onzeker waar;--6) op de Zuidkust van Creta;--7) in Mysia,
+aan het meer Apolloniatis, waardoor de Rhyndacus stroomt;--8) in
+Zuid-Phrygia;--9) op de kust van Palaestina;--10) in Lycia;--11) in
+Lydia, halverwege tusschen Sardes en Pergamum;--12) en 13) op de kust
+van Thracia, waarvan een aan de Strymongolf en een aan den Pontus
+Euxinus (Zwarte zee), de laatste met een beroemden tempel en een
+reuzenbeeld van Apollo.--14) Het meest beroemd echter was Apollonia
+op de illyrische kust, aan den Aous, he kat' Epidamnon, kolonie van
+Corinthus en Corcyra, eene bloeiende handelsstad, uitmuntende door
+voortreffelijke wetten en nauwgezette handhaving van het recht en
+liefde voor wetenschap.
+
+Apollonis, Apollonis = Apollonia no. 11.
+
+Apollonius, Apollonios, 1) van Alexandrië, tijdgenoot, v.s. leerling
+van Callimachus, met wien hij later wegens verschil van richting in
+ernstigen twist geraakte. Ap. streefde n.l. er naar, den eenvoud
+van Homerus in zijne werken te doen herleven, terwijl de werken
+van Callimachus meer door geleerdheid dan door dichterlijke waarde
+uitmuntten. De invloed van Callimachus was echter zoo groot, dat
+Ap., toen hij zijn groot epos Argonautika voordroeg, geen bijval
+vond. Hij begaf zich daarop naar Rhodus, waar hij na lezing van zijn
+gedicht het burgerrecht kreeg (vandaar wordt hij Rhodius genoemd)
+en waar hij geruimen tijd als rhetor onderwijs gaf. Later keerde hij
+echter naar Alexandrië terug, en nu viel zijn werk, dat hij op Rhodus
+omgewerkt had, zoo in den smaak, dat hij op zeer hoogen leeftijd (±
+200) tot bibliothecaris benoemd werd, welke betrekking hij tot zijn
+dood behield. Een ander groot werk van Ap., Ktiseis, benevens zijne
+kleinere gedichten zijn verloren gegaan. Zijne Argonautica werd door
+romeinsche dichters dikwijls nagevolgd. Bewaard gebleven is die van
+C. Valerius Flaccus, zie Valerii no. 41.--2) van Alabanda, omstreeks
+120 leeraar der welsprekendheid op Rhodus.--3) Ap. Molon, eveneens
+geb. te Alabanda, gaf op Rhodus onderwijs in de welsprekendheid. In 87
+en 81 kwam hij als gezant der Rhodiërs te Rome, waar Cicero toen reeds
+van zijn onderwijs genoot. In 78 heeft Cicero op Rhodus zijn lessen
+gevolgd; ook andere Romeinen, o.a. Caesar, hebben hem bezocht.--4)
+Ap. Sophista, alexandrijnsch grammaticus, tijdgenoot van Augustus. Het
+Lexikon met verklaringen van woorden uit Homerus, dat op zijn naam
+staat, is uit later tijd.--5) Ap. ho dyskolos, van Alexandrië, een
+zeer geleerd en scherpzinnig grammaticus, de eerste die taalstudie
+wetenschappelijk behandelde. Hij leefde eenigen tijd te Rome onder
+Marcus Aurelius, later keerde hij naar Alexandrië terug. Vier van
+zijne werken over verschillende hoofdstukken van vormleer en syntaxis
+zijn bewaard gebleven.--6) van Perga, reeds door de ouden "de groote
+wiskundige" genoemd, was 250-220 leeraar te Alexandrië en Pergamus,
+en schreef o.a. een werk over kegelsneden, dat nu nog wetenschappelijke
+waarde heeft. Ook uit taalkundig oogpunt is zijn werk van belang, omdat
+het het eerste werk is, dat in de Koine (z.a.) geschreven is. Hij was
+een leerling van Archimedes.--7) van Tyana, leefde in de 1ste eeuw
+n. C. Nadat hij zijn vermogen aan de armen gegeven had, trok hij
+als leeraar der wijsbegeerte de geheele wereld door en kwam zoowel
+in Indië als in Spanje en Aethiopië, tweemaal kwam hij naar Rome,
+eindelijk vestigde hij zich als leeraar te Ephesus, waar hij in hoogen
+ouderdom stierf. Zijn leer, grootendeels aan Pythagoras ontleend,
+maar sterk doortrokken met nieuwplatonische en oostersche begrippen,
+zijne vele avonturen, zijne buitengewoon strenge levenswijze en de
+wonderen die hij, naar men zeide, verrichtte, baarden veel opzien,
+zoo zelfs, dat hij in den strijd tusschen den ouden godsdienst en het
+Christendom menigmaal als een tegenhanger van Christus voorgesteld
+is. Zijne levensbeschrijving door Philostratus schijnt meer romantisch
+dan historisch te zijn.--8) z. Tauriscus.
+
+Apomagdalia, broodkruimels, tot deeg gekneed, die de Grieken bij gebrek
+aan servetten gebruikten om zich bij het eten de vingers af te vegen.
+
+Aponi fons of Aponus fons, badplaats met zwavelbronnen bij Patavium
+(Padua), ook aquae Pativinae geheeten. Er was een orakel.
+
+Apopempein. Wanneer te Athene een man echtscheiding verlangde,
+behoefde hij slechts zijne vrouw met hare huwelijksgift naar het
+huis van haar vader of voogd terug te zenden. Dit heette apopempein,
+apopompe, apopempsis. Eene vrouw, die echtscheiding wenschte, verliet
+het huis van haar man, (apoleipein, apoleipsis), doch moest bij den
+archont een met redenen omkleedde schriftelijke verklaring daarvan
+geven (apoleipsin graphesthai). Daar ook processen apopempseos en
+apoleipseos vermeld worden, schijnt het dat, in weerwil van deze
+eenvoudige vormen, de echtscheiding niet geheel van den wil van eene
+der beide partijen afhing; misschien betroffen deze processen echter
+alleen geldzaken. Het onderscheid tusschen apopempein en apoleipein,
+enz., wordt niet altijd streng in het oog gehouden.
+
+Apophasis, aangifte, aanwijzing; de aangifte van gevaarlijke personen
+bij den Areopagus; inventaris (z. Antidosis); ook rechterlijk vonnis.
+
+Apophora, 1) de bijdrage, die iedere staat aan Sparta gaf, zoolang deze
+staat in den perzischen oorlog de hegemonie had.--2) de belasting,
+die de heloot aan zijn heer geven moest, bestaande in eene bij de
+wet bepaalde hoeveelheid gerst, wijn en olie.--3) de huur, die te
+Athene de slaven dagelijks aan hunne heeren betaalden, wanneer zij
+voor eigen rekening mochten werken.
+
+Apophoreta, Apophoreta, lekkernijen, die de gasten van een maaltijd
+mede naar huis kregen, verder ook andere geschenken. Het veertiende
+boek epigrammen van Martialis, waarmede hij geschenken aan zijne
+vrienden begeleidde, draagt tot titel Apophoreta.
+
+Apophrades hemerai, dagen die om een of andere reden voor ongeluksdagen
+gehouden werden, waarop geen rechtszittingen waren, en waarop men
+geen zaak van eenig gewicht begon. In het bizonder de dagen waarop
+men aan de dooden offerde.
+
+Aporreta, verboden dingen; 1) handelsartikelen, die niet van Athene
+uitgevoerd mochten worden.--2) sommige scheldwoorden, waarvan men
+zich op boete van 500 drachmen onthouden moest.--3) godsdienstige
+mysteriën, die niet verraden mochten worden.
+
+Apostasiou dike, aanklacht tegen een vrijgelatene, die zijne plichten
+tegenover zijn vroegeren heer niet vervulde; zulke aanklachten werden
+bij den polemarch ingediend. Bij veroordeeling verviel de aangeklaagde
+weder in slavernij, bij vrijspraak werd hij van alle verplichtingen
+tegenover zijn vroegeren meester ontslagen.
+
+Apostoles, tien ambtenaren te Athene, die te zorgen hadden dat de
+triërarchen hunne verplichtingen als zoodanig nakwamen; zij hadden
+zelfs het recht hen, die daarin te kort schoten, gevangen te nemen.
+
+Apostropeia, z. Aphrodite.
+
+Apotheca, apotheke, magazijn of bergplaats, vooral voor fijne
+wijnsoorten, die reeds afgetapt waren. De apotheca was bij de
+Rom. meestal op de bovenverdieping van het huis, veeltijds boven
+de badkamer, zoo dat de rook van het vuur er in kon doordringen,
+waardoor de wijn en de kruiken of flesschen spoediger het merk van
+ouderdom kregen.
+
+Apotheosis, apotheosis, vergoding van menschen. Het eigenlijk
+latijnsche woord is consecratio. Reeds vroeg geloofde men, dat helden
+onder de goden konden worden opgenomen en dacht men eenvoudig aan eene
+verplaatsing, waardoor het sterfelijk lichaam onsterfelijk werd. Later
+evenwel meende men, dat het stoffelijk overschot door het vuur van
+den brandstapel zoo werd gelouterd, dat het onsterfelijk gedeelte van
+het sterfelijke werd afgescheiden en opwaarts steeg naar de goden. In
+het historisch tijdperk nam de apotheose dezen vorm aan, dat door eene
+godspraak of door de uitspraak van eenig bevoegd priestercollegie aan
+den afgestorvene goddelijke eerbewijzen werden toegekend en altaren
+voor hem werden opgericht, zooals b.v. na Lycurgus' dood te zijner eer
+geschiedde. Eén stap verder en men deed hetzelfde voor den levende;
+Lysander was de eerste Griek, voor wien nog bij zijn leven altaren
+werden opgericht. Alexander de Groote en de Diadochen, vooral de
+Ptolemaeën, lieten zich als god vereeren; voor hen werden eerediensten
+ingesteld. In Aegypte heet de koning reeds bij zijn leven Theos, in
+Azië eerst na zijn dood.--De consecratio van romeinsche keizers en
+soms van keizerinnen had op de volgende wijze plaats, en geschiedde
+volgens het besluit van den senaat of van den troonsopvolger. Een
+wassen borstbeeld van den overledene werd plechtig zeven dagen lang
+in het paleis tentoongesteld. Dan werd op den campus Martius een
+brandstapel opgericht in den vorm van een altaar met drie of vier
+verdiepingen (rogus). Te midden van reukwerk werd het borstbeeld op den
+brandstapel geplaatst, die door den nieuwen keizer werd aangestoken. Te
+gelijker tijd werd van den top van den toestel een adelaar losgelaten,
+die de ziel des overledenen hemelwaarts moest voeren. Van nu af was
+hij divus. Doch de kruipende vleierij van den romeinschen senaat
+tegenover dwingelanden was oorzaak, dat aan sommige keizers reeds
+bij hun leven goddelijke vereering ten deel viel.
+
+Apotropaios, afwerende; bijnaam dien men iederen god gaf, wanneer
+men hem aanriep met de bede ramp of gevaar af te wenden.
+
+Apparitores. Onder dezen naam verstaat men de bezoldigde dienaren
+der rom. magistraten, als scribae, lictores, viatores, praecones en
+accensi. De eerstgenoemde vier soorten waren voortdurend in dienst van
+den staat; over de accensi z. accensus no. 1. Voor apparitores boden
+zich slechts mingegoede burgers of vrijgelatenen aan. De scribae of
+bureauschrijvers waren het meest in aanzien. Cicero noemt hen een
+ordo honestus.
+
+Appellatio is het beroep op de hulp van een overheidspersoon, om
+door zijne tusschenkomst (intercessio) beveiligd te worden tegen een
+dreigend onrecht. De intercessio kon aangewend worden tegen alle
+overheden van gelijken of minderen rang, en door de volkstribunen
+tegen alle andere overheden behalve den dictator. De appellatio
+moet wel onderscheiden worden van de provocatio of het beroep op de
+volksvergadering als hoogsten rechter. Onder de keizers ontstond eene
+reeks van lagere en hoogere rechtbanken en dus ook van appellen in
+verschillende instanties, terwijl ten slotte de keizer zelf de hoogste
+rechtsmacht vormde, die alle vonnissen kon wijzigen of vernietigen. Dit
+geldt evengoed voor civiele zaken als voor strafzaken.
+
+Appianus, Appianos, van Alexandrië, leefde omstreeks het midden der
+2e eeuw n. C. te Rome, en werd later procurator van den fiscus in
+Aegypte. Onder den titel Rhomaïka schreef hij eene geschiedenis,
+waarin ieder volk afzonderlijk behandeld wordt tot zijn opgaan
+in het rom. rijk, en waarin bovendien de geschiedenis van de
+rom. burgertwisten beschreven wordt. Van de 24 boeken, waaruit dit
+werk bestaan heeft, zijn nog bewaard gebleven: Iberike (l. 6),
+Annibaïke (l. 7), Libyke (l. 8), Syriake (l. 11), Mithridateios
+(l. 12), Illyrike (2de deel van l. 9), en de 5 boeken Emphylia,
+de burgeroorlogen (l. 13-17), benevens fragmenten van eenige andere.
+
+Appia (via). Deze weg liep van Rome over Aricia, Anxur of Tarracina,
+Minturnae en Formiae naar Capua, en was de eerste heerbaan, die van
+Rome uit werd aangelegd (312). Hij was zóó breed, dat twee wagens
+elkander zonder moeite konden voorbijrijden, en was geplaveid
+met groote vierhoekige steenen, zóó zorgvuldig zonder gapingen
+aaneengevoegd, dat hij in de zesde eeuw na Chr. nog in goeden toestand
+was. Met recht werd deze weg, door den censor Appius Claudius Caecus
+gebouwd, de regina viarum geheeten. Eene latere verlenging van Capua
+over Caudium, Beneventum, Aquilonia, Canusium, Barium naar Brundisium
+heette via Appia Nova.
+
+Appias, de nimf der Appische fontein te Rome.
+
+Appii, zie Claudii no. 1, 2, 4, 5, 6, 8, 9, 12, 14, 15, 21.
+
+Appuleiae (leges) van den volkstribuun L. Appuleius Saturninus, 100. 1)
+lex agraria, zie onder agrariae leges.--2) lex de coloniis deducendis,
+hangt nauw samen met de lex agraria en maakt er misschien een deel
+van uit. Er zouden koloniën gesticht worden in Sicilia, Africa,
+Achaia en Macedonia. De wet is niet uitgevoerd. Deze wet (van 100)
+is met de lex agraria eene uitbreiding van eene lex agraria van
+denzelfden Saturninus uit het jaar 103.--3) lex frumentaria, waarbij
+de prijs van het door den staat verkochte koren (zie annona) op 5/6
+as werd gesteld. Op het betoog van den quaestor Q. Servilius Caepio,
+dat dit de kracht der schatkist te boven ging, besloot de senaat,
+dat Saturninus, ingeval hij de wet in stemming bracht, tegen den staat
+handelde. De overige volkstribunen intercedeerden nu, doch Saturninus
+ging zijn gang. Hierop kwam Caepio met eenige vastberaden mannen,
+wierp de stembussen om en belette den voortgang der stemming.--4)
+lex de maiestate minuta, tegen degenen, die de onschendbaarheid der
+volkstribunen aantastten.
+
+Appuleii. Behalve een consul Q. Appuleius Pansa in 300, behooren de
+leden van dit geslacht, die in de geschiedenis van Rome voorkomen,
+tot de familie der Saturnini of hebben geen cognomen. 1) L. Appuleius
+Saturninus was de beruchte volksmenner te Rome ten tijde van
+Marius. Hij was tweemaal volkstribuun (103 en 100). Langs allerlei
+wegen trachtte hij de optimates te krenken en te vernederen en zich
+aanhang te verwerven bij den grooten hoop (zie Appuleiae leges). Na
+zijn eerste tribunaat wilde de censor Q. Caecilius Metellus Numidicus
+hem uit den senaat stooten, hetgeen zijn ambtgenoot C. Caecilius
+Caprarius belette. Toen hij in het jaar 100 zijne lex agraria met
+geweld had doorgedreven, en bij deze (of bij eene andere) wet de
+bepaling had gevoegd, dat alle senatoren binnen vijf dagen de wet
+moesten bezweren, was de genoemde Metellus het eenige senaatslid,
+dat weigerde, waarvoor hij dan ook in ballingschap moest gaan. Toen
+Saturninus, die voor geen geweld terugdeinsde, ter wille van zijn
+medestander, den praetor C. Servilius Glaucia, diens mededinger
+naar het consulaat, C. Memmius, in de volle volksvergadering liet
+overhoop steken, werd zelfs het volk verbitterd. Door den senaat tot
+vijand des vaderlands verklaard, door Marius (toen ten zesden male
+consul) verlaten, week hij naar het Capitool, terwijl de senaat met
+de gewone formule videant consules (z. senatus consultum ultimum) den
+staat aan de bijzondere hoede der consuls aanbeval. Daar de consuls
+nu de buizen der waterleiding lieten afsnijden, kon Saturninus
+zich op het Capitool niet staande houden; hij wist nog naar de
+curia Hostilia aan het forum te wijken, waar hij echter met zijne
+trawanten bestormd en door het woedende volk onder de dakpannen van
+het gebouw bedolven werd (10 Dec. 100).--2) L. Appuleius Saturninus,
+uit Atina, was in 58 praetor in Macedonia. Diens zoon Cn. Saturninus
+diende in 68/67 onder Q. Caecilius Metellus (zie Caecilii no. 19) op
+Creta.--3) Sex. Appuleius, consul in 29, hield in 26 een zegetocht
+over de Hispaniërs.--4) C. Appuleius Decianus, volkstribuun in 99,
+aanhanger van Saturninus, bekend door zijne aanklacht tegen den
+aedilis L. Valerius Flaccus (zie Valerii no. 24).--5) Appuleius
+Decianus, zoon van no. 4, aanklager van den jongen Valerius Flaccus
+(z. Valerii no. 25), die door Cicero verdedigd werd (59).
+
+Buiten dit geslacht staat--6) de schrijver L. Appuleius, te Madaura
+in Africa geboren onder de regeering van keizer Hadrianus. Hij
+had te Carthago en te Athene zijne opleiding genoten en later veel
+gereisd. Met voorliefde beoefende hij wijsbegeerte en letteren. Hij
+schreef eenige wijsgeerige werken, doch het meest bekend is zijn
+romantisch verhaal Metamorphoseon sive de asino aureo libri XI,
+waarin zekere Lucius tot straf voor zijne ondeugden in een ezel
+wordt veranderd, doch door de mysteriën (waarvan App. een warm
+voorstander was) in een beter mensch wordt herschapen. Onder de vele
+episoden in dit werk is die van Amor en Psyche de meest bekende. Eene
+nederlandsche bewerking van deze ezelsgeschiedenis vindt men in de
+geschriften van Mr. P. van Limburg Brouwer. Van de andere werken
+is van belang: Apologia sive de magia, waarin hij zich verdedigt
+tegen de beschuldiging van tooverij, en veel aangaande zijn leven
+vertelt. Het werkje de herbarum virtutibus, dat op zijn naam staat,
+is uit de 5de eeuw n. C.
+
+Apriës, Apries, in het O. T. Hophra, koning van Aegypte. Hij ondernam
+een krijgstocht tegen Cyrene, en toen deze ongelukkig afliep,
+beschuldigde men hem dat hij de kaste der krijgslieden had willen
+vernietigen, en werd hij door Amasis onttroond. Hij regeerde 588-569.
+
+Apronii. 1) Q. Apronius, handlanger en medeplichtige van C. Verres bij
+zijne afpersingen op Sicilia.--2) L. Apronius, een romeinsch ridder,
+legatus van Germanicus in 15 n. C., in Germania, in welke betrekking
+hij de signa triumphalia verwierf, en proconsul van Africa 18-21
+n. C. Onder zijn bewind versloeg zijn zoon L. Apronius Caesianus in
+20 den Numidiër Tacfarinas. In 28 werd de vader als stadhouder van
+Germania inferior door de Friezen verslagen.
+
+Aprostasiou graphe, aanklacht die men bij den polemarch kon indienen
+tegen een metoikos, die zich geen burger tot patroon gekozen had,
+of zijn metoikion niet betaalde.
+
+Apsis = Absis.
+
+Apsorus, Apsoros, z. Absyrtides insulae.
+
+Apsus, Apsos, rivier en stad in Illyria ten N. v. Apollonia.
+
+Apsyrtus of Absyrtus, Apsyrtos, zoontje van Aeetes. Toen Iason met
+Medea vluchtte sneed Medea het lichaam van het kind in stukken,
+opdat Aeetes, die hen vervolgde, door het opzoeken van de stukken
+tijd zou verliezen. De bijeengeraapte leden werden te Tomi begraven,
+dat daaraan, naar men zegt, zijn naam (van temnein) ontleend heeft.
+
+Apteros, ongevleugeld, naam van een beeld van de godin der overwinning
+(eigenlijk van Athena Nike), dat in haar tempel op de acropolis te
+Athene stond. V. s. had de kunstenaar haar tegen de gewoonte zonder
+vleugels voorgesteld, om aan te duiden dat zij de stad nooit zou
+verlaten.
+
+Apuani, volksstam in zuidoostelijk Liguria, op de grens van
+Midden-Italië, door de Romeinen na dapperen tegenstand overwonnen en
+in 180 gedeeltelijk naar Samnium overgebracht. Hunne stad heette Apua.
+
+Apuleii, zie Appuleii.
+
+Apulia, Apoulia, omvatte in ruimeren zin het zuidoostelijke gedeelte
+van Italia, met inbegrip van Calabria, in engeren zin alleen de
+landstreken Daunia en Peucetia. De oude bevolking, Apuli, bij de
+Grieken Iapyges genoemd, waren van illyrischen stam, terwijl grieksche
+kolonisten zich aan de kust vestigden en er reeds vroeg de grieksche
+taal en grieksche kunst en kunstnijverheid inheemsch maakten. Het
+klimaat was heet, en in sommige tijden van het jaar had men last van
+den Sirocco, hier Atabulus genoemd. Over het algemeen is het land
+niet onvruchtbaar, de vlakten zijn echter arm aan water. De bewoners
+stonden als niet bizonder schrander bekend. In de samnitische oorlogen
+werd Apulia door de Romeinen onderworpen (317). Ten gevolge van den
+tweeden Punischen en den bondgenootenoorlog werd het land, dat vroeger
+door handel en industrie gebloeid had, ontvolkt. Augustus vereenigde
+Apulia met Calabria en Zuid-Samnium tot de tweede regio Italiae.
+
+Apulum, belangrijke stad in Dacia, sinds 107 n. C. standplaats van
+de legio XIII gemina, onder M. Aurelius municipium en colonia.
+
+Aquae, naam van een aantal geneeskrachtige bronnen en badplaatsen. Vele
+dezer gezondheidsoorden zijn genoemd naar eene nabijgelegen stad,
+zooals de aquae Cumanae (later Baiae) bij Cumae in Campania, de
+aquae Patavinae (Aponi fons) bij Patavium in Cisalpina, de aquae
+Vetuloniae bij Vetulonia in Etruria, de aquae Pisanae in Etruria,
+de aquae Segestanae op Sicilia e. a. Andere hebben hun naam naar
+het volk, b.v. aquae Statiellae bij de Statielli in Liguria, aquae
+Mattiacae (thans Wiesbaden) bij de Mattiaci. Merkwaardig waren de
+aquae Cutiliae, nabij de reeds vroeg verwoeste stad Cutilia (z. a.) in
+het sabijnsche land.--Geschiedkundig bekend door de nederlaag der
+Teutonen zijn de aquae Sextiae (thans Aix in Provence), in Gallia
+Narbonensis, gesticht door C. Sextius Calvinus. Onder de tegenwoordig
+meest bekende badplaatsen zijn er verscheidene, die ook onder de
+Romeinen bezocht waren, zooals Baden-Baden, aquae Aureliae, Vichy,
+aquae calidae Arvernorum, Bagnères de Bigorre, aquae Convenarum,
+Bath, aquae Sulis, Aken, Aquae Grani, enz.
+
+Aqua et igni interdictio. Het doodvonnis, te Rome over een burger
+uitgesproken, had den vorm van een ban. Binnen Rome was de veroordeelde
+vogelvrij; niemand mocht hem huisvesting of voedsel verstrekken,
+ieder mocht hem straffeloos dooden, de overheden waren er zelfs toe
+verplicht. De ban kon nog verzwaard worden, door hem tot geheel Italië
+uit te strekken, of zelfs wel tot het geheele romeinsche rijk, zooals
+bij de proscripties tijdens de burgeroorlogen het geval was. Daar de
+ban inging op hetzelfde oogenblik, waarop het vonnis werd uitgesproken,
+moest men, om zijn leven te redden, vooraf Rome verlaten en in
+vrijwillige ballingschap gaan (in liberum exsilium ire). Aanzienlijke
+en rijke Romeinen vonden dan licht een toevluchtsoord in eene of andere
+civitas foederata; doch minder gegoeden hadden een ondragelijk leven;
+iedereen kon zich aan hen vergrijpen, terwijl zij tegen niemand eene
+aanklacht konden inbrengen.
+
+Aquaeductus, hydragogeion. De oudste Grieksche waterleidingen zijn die
+van Pisistratus te Athene, en uit denzelfden tijd die door Polycrates
+op Samos was aangelegd; de architekt van deze laatste leiding was
+Eupalinus. Ten einde Rome van goed en overvloedig water te voorzien,
+werden in verschillende tijden een aantal waterleidingen aangelegd. De
+oudste was de aqua Appia, in 312 aangelegd door denzelfden censor
+Appius Claudius, die de via Appia liet bouwen. Deze waterleiding liep
+grootendeels door onderaardsche buizen, evenals de Anio vetus, die
+het water uit den Anio aanvoerde, en de Virgo, die het koudste water
+had en onder de regeering van Augustus door Agrippa was aangelegd,
+om de door hem gebouwde badinrichtingen van water te voorzien. De
+langste leiding was de Anio novus, die omstreeks 16 uren gaans lang
+was en over de dalen gedragen werd door bogen, soms ter hoogte
+van meer dan 100 voet. Soms liepen twee aanvoerkanalen een eind
+verdiepingsgewijze boven elkander, b.v. de Anio novus boven de aqua
+Claudia; zelfs komt eene vereeniging van drie leidingen voor: de Marcia
+beneden, de Tepula in het midden, de Iulia boven. De Marcia was om
+haar heerlijk water beroemd: het slechtste water voerde de Alsietina
+aan. Ook vele aanzienlijke steden van Italia en de provinciën werden op
+gelijke wijze van water voorzien. Van den trotschen bogenbouw kunnen
+o.a. nog de overblijfselen bij Nîmes (Pont du Gard), bij Tarragona
+en Segovia getuigen. Bij sommige leidingen was aan het boveneind een
+groot bekken aangebracht, waar men het water liet bezinken, alvorens
+het naar de stad te voeren. In de stad werd het water in reservoirs
+(castella aquae) verzameld, vanwaar het door buizen (fistulae, tubi)
+naar de lacus of groote waterkommen, fontes salientes of fonteinen,
+piscinae of vijvers, badhuizen en bijzondere woningen werd geleid. Ook
+op verscheidene plaatsen in Griekenland zijn overblijfselen van oude
+waterleidingen gevonden.
+
+Aquaeductus en aquaehaustus, erfdienstbaarheid, waarbij de
+rechthebbende over eens anders grond water mocht leiden of uit eens
+anders bron water mocht putten.
+
+Aquarii, werklieden bij den dienst der waterleidingen, meest servi
+publici. Ook slaven in de openbare badhuizen, die water aandroegen
+om de baders af te spoelen en de waschbekkens te vullen.
+
+Aquarius, Hydrochoos, het sterrenbeeld de Waterman, waarin men
+Ganymedes, Deucalion of Cecrops meende terug te vinden. Hij maakt,
+naar het heet, het jaargetijde somber, want als de zon in dit teeken
+komt, begint de regentijd.
+
+Aquila, aetos. Oudtijds hadden de verschillende afdeelingen voetvolk en
+de ruiterij in de Romeinsche legers verschillende standaarden, als: een
+wolf, een everzwijn, een minotaurus, een paard, een hond, e. a. Deze
+voorwerpen waren boven op een stok bevestigd. Sedert Marius was de
+legioenstandaard een adelaar met uitgespreide vlerken, uit zilver of
+brons, onder de keizers ook wel uit goud vervaardigd. Hij stond onder
+de bijzondere hoede van den primipilus of eersten centurio van het
+legioen. In de legerplaats stond de standaard naast de veldheerstent in
+den grond geplant. Ging het leger op marsch of in den slag, dan trok
+de primipilus den adelaar uit den grond en overhandigde hem aan den
+aquilifer of standaarddrager. Ging dit uittrekken met moeite gepaard,
+dan was dat een slecht voorteeken.
+
+Aquila. 1) Iulius Aquila, romeinsch jurist, van wien brokstukken in
+de Pandecten voorkomen.--2) Aquila Romanus, rhetor en taalgeleerde uit
+de derde eeuw na C., schrijver van een boek de figuris sententiarum et
+elocutionis.--3) Aquila, een Griek uit Pontus uit de tweede eeuw na C.,
+die eene zeer geroemde vertaling van het O. T. in het Grieksch schreef.
+
+Aquilaria, stad op de Oostkust van Zeugitana, nabij de golf van
+Carthago.
+
+Aquileia, Akyleia, romeinsche kolonie aan het noordelijkste gedeelte
+der Adriatische zee, op de grenzen van het land der Veneters en
+van Histria, in 181 als bolwerk tegen invallen uit het Noordoosten
+gesticht. Het was eene sterke vesting en ontwikkelde zich door zijne
+ligging spoedig tot eene bloeiende handelsplaats. Als sleutel van
+Italië vervulde het eene belangrijke rol tegen de barbaren, die
+Italië zochten binnen te dringen, tot het in 452 na C. door Attila
+werd ingenomen en verwoest. De vluchtelingen uit Aquileia en Altinum
+legden den grondslag tot de tegenwoordige stad Venetië.
+
+Aquillia (lex), plebiscitum van onbekenden datum, misschien tusschen
+289 en 286, wijzigde de bepalingen omtrent damnum iniuria datum,
+die reeds in de leges XII tabularum voorkomen.
+
+Aquillii. 1) M'. Aquillius, consul in 129, maakte een einde
+aan den opstand van Aristonicus in Pergamus, door de bronnen te
+vergiftigen. Door de Romeinen zelven werd deze handelwijze als
+een nefas beschouwd. Daartoe omgekocht, had hij Groot-Phrygië aan
+Mithradates Euergetes afgestaan, maar deze afstand werd door den Senaat
+niet bekrachtigd.--2) M'. Aquillius, zoon van no. 1, consul in 101,
+bedwong in 100 den slavenopstand op Sicilia onder Athenio. In 98 werd
+hij wegens afpersingen aangeklaagd; toen zijn verdediger M. Antonius
+(orator) te midden zijner pleitreden op eenmaal hem de tunica
+openscheurde en de litteekenen op de borst van Aquillius toonde,
+werd deze om zijne dapperheid vrijgesproken. In 88, bij den inval
+van Mithradates VI in de romeinsche provincie Asia, viel Aquillius,
+die destijds legaat van den proconsul Q. Oppius was, in handen van
+den pontischen koning. Deze liet hem eerst, op een ezel gebonden,
+onder zweepslagen in de voornaamste steden rondleiden en vervolgens
+gesmolten goud in den mond gieten.--3) C. Aquillius Gallus, een vriend
+van Cicero, redenaar en beroemd rechtsgeleerde.
+
+Aquilo, de Noordoostenwind, soms ook = de Noordenwind, zie Windstreken.
+
+Aquilonia, stad in het N. van Samnium, in 293 door de Romeinen onder
+L. Papirius Cursor verwoest. De stad lag niet ver van Cominium,
+en dicht bij het dal van den Sagrus. Een ander Aquilonia ligt in
+Zuid-Samnium in het land van de Hirpini.
+
+Aquinum, stad in het land der Volscen in Latium, rom. municipium,
+geboorteplaats van den dichter Juvenalis, met purperververijen.
+
+Aquitania, gewest in Gallia. Tijdens Caesars komst in Gallia verstond
+men onder dezen naam slechts het zuidwestelijk gedeelte, tusschen de
+Pyrenaeën en den Garumna (Garonne). De bewoners waren van iberischen
+stam, verwant met de Vascones (Basken), die zich later onder hen
+mengden en naar wie de landstreek later ook Vasconia (Gascogne) werd
+geheeten. Volgens Plinius heette deze streek vroeger Aremorica.--Onder
+Augustus (tusschen 16 en 13) onderging de indeeling van Gallia eene
+geheele verandering, en strekte Aquitania zich uit tot aan den Liger
+(Loire) en den mons Cebenna (Cevennes). Na Constantijn vindt men deze
+streek tot drie provinciën verknipt. Het zuidwestelijke deel, van de
+Pyrenaeën tot nabij den Garumna vormde de provincie Novempopulana,
+met de hoofdstad Elimberris (Auch) (v. a. Elusatium civitas,
+tgw. Eauze). De streek tusschen den Garumna en den Liger was verdeeld
+in een oostelijk en westelijk deel: Aquitanica I, met de hoofdstad
+civitas Biturigum, vroeger Avaricum (Bourges), en Aquitanica II,
+hoofdstad Burdigala (Bordeaux). Deze twee noordelijke deelen behouden
+nog lang den naam Aquitania, die dan later in Guyenne overgaat.
+
+Ara, bomos. Een altaar was van aarde, zoden of steen, vaak van
+marmer gemaakt, hetzij in ronden, hetzij in vierhoekigen vorm, van
+boven eenigszins hol en met eene opening op zijde of aan den voet,
+om het vocht der plengoffers of het bloed der offerdieren te laten
+wegvloeien. Altaria is eigenlijk het bovenste gedeelte van het altaar,
+doch gewoonlijk worden de woorden dooréén gebruikt, waarbij de naam
+altaria meer in verheven stijl en bij dichters voorkomt.--Ook een
+sterrebeeld in het zuiderhalfrond.
+
+Ara Ubiorum, oorspronkelijk een altaar in het land der Ubii, ter
+eere van Augustus opgericht = oppidum Ubiorum; zie Ubii en Colonia
+Agrippina.
+
+Arabia, Arabia, het thans nog onder dien naam bekende schiereiland. De
+ouden verdeelden het in drie deelen: 1) Arabia Petraea, he kata
+Petran (niet vertalen door: steenachtig Arabië), de streek ten O. van
+Palaestina zuidwaarts tot aan de beide inhammen, die de Arabische golf
+(thans Roode zee) in het Noorden vormt. Daar lag, aan den Oostkant,
+halverwege tusschen de Doodezee (Asphaltites lacus) en den Aelaniticus
+sinus, de stad Sela (= rots), door de Grieken Petra genoemd, de
+hoofdstad van Idumaea of Edom, en aan dit Petra is de naam ontleend. In
+het Zuiden vond men het granietgebergte Sinaï.--2) Arabia deserta, he
+eremos Arabia, omvatte de noordelijke zandwoestijnen, tusschen Syria en
+Babylonia.--3) het overige, verreweg grootste gedeelte, het eigenlijke
+schiereiland, was alleen aan de kusten bekend, en daar de Westkust zeer
+vruchtbaar was, werd dit geheele land Arabia felix, he eudaimon Arabia,
+geheeten, hoewel het binnenland slechts eene dorre zandzee is. De
+bewoners, Arabes, Arabes, waren van semietischen stam en dreven reeds
+vroeg een levendigen handel met Indië. Talrijke karavanen met wierook,
+goud, edelgesteenten, ivoor, oostersche specerijen, trokken uit Arabië
+door de woestijnen noord- en noordwestwaarts. Arabia Petraea is voor
+een gedeelte in 105 na C. door Traianus in bezit genomen en vormde
+toen de provincie Arabia, later Palaestina III; doch overigens bleef
+Arabia vrij van vreemde overheersching. Eene expeditie, door Augustus
+in 25 onder Aelius Gallus uitgezonden, mislukte (z. Saba).--Onder
+de stammen, die Arabia bewoonden, verdienen vermeld te worden:
+de Minaei met de steden Macoraba (Mekka) en Jathrippa (Medina),
+de Sabaei, in het tegenw. Yemen, met de steden Mariana en Saba,
+van waar veel wierook werd aangevoerd, de Nabataei in Petraea, die
+de vroegere Edomieten, Midianieten, Amalekieten, enz., vervingen,
+en de Saraceni in de nabijheid van Syria.
+
+Arabicus sinus, kolpos Arabikos, thans Roode zee geheeten, terwijl
+de Roode zee der ouden, mare Erythraeum, thans den naam van Indische
+zee draagt. In het Noorden verdeelt de Arabische golf zich in twee
+kleine inhammen, den sinus Heroöpolites of Heroöpoliticus ten W.,
+den sinus Aelanites of Aelaniticus ten O., aldus geheeten naar de
+steden Heroöpolis (op de landengte van Suez) en Aïla of Aelana.
+
+Arabis of Arabius, Arabis, Arabios potamos, rivier in Gedrosia, ten
+W. van den Indus. In hare nabijheid woonden de Arabitae, Arabitai,
+Arbies.
+
+Arachnaeum, Arachnaion, berg in oostelijk Argolis, tusschen Argos
+en Epidaurus.
+
+Arachne, Arachne, een lydisch meisje, dochter van een purperverver te
+Colophon. Zij had van Athena weven geleerd en bereikte in die kunst
+zulk eene hoogte, dat zij haar leermeesteres zelve tot een wedstrijd
+durfde uitdagen. Toen die uitdaging aangenomen was, vervaardigde
+zij een weefsel, waarin zij de liefdesavonturen der goden voorstelde
+en dat Athena niet kon overtreffen; uit spijt hierover en uit toorn
+over het onderwerp, dat Ar. had gekozen, verbrak de godin haar werk,
+waarop Ar. zich van verdriet ophing. Athene riep haar in het leven
+terug en veranderde haar in een spin.
+
+Arachosia, Arachosia, eene der oostelijke provinciën van het perzische
+rijk, ten Oosten door den Indus begrensd. Zij ontleende haren naam aan
+de rivier Arachotus. In het tijdperk der Seleuciden was de hoofdstad
+Alexandria Arachoton, Al. Arachoton, thans Kandahar.
+
+Arachthus, Arachthos, rivier in Epirus, die zich in de golf van
+Ambracia stort, thans de Arta.
+
+Aracynthus, Arakynthos, gebergte in het Z.W. van Aetolia.
+
+Aradus, Arados, door ballingen uit Sidon op een klein, rotsachtig
+eiland nabij de phoenicische kust gesticht. De naam (phoen. Arvad)
+beteekent toevluchtsoord. De stad dreef een bloeienden handel en
+wedijverde met Sidon en Tyrus. Haar grootsten bloei bereikte ze in
+den tijd van het verval van het rijk der Seleuciden. Daar het kleine
+eilandje op den duur te klein was, ontstond op het vaste land eene
+voorstad, Antaradus, die later op hare beurt weder het oude Aradus
+in de schaduw stelde.
+
+Arae Philaenorum, hoi Philainon bomoi, de grens tusschen Cyrene en
+Carthago. Tot regeling van een grensgeschil tusschen de republiek
+Cyrene en Carthago waren beide staten overeengekomen, dat uit beide
+steden een gezantschap op denzelfden tijd zou vertrekken, en dat
+de plaats der ontmoeting als grenspunt zou worden aangenomen. De
+carthaagsche gezanten echter, de beide gebroeders Philaeni, werden door
+die van Cyrene beschuldigd, dat zij vroeger van huis waren gegaan,
+dan de afspraak was. Om het daardoor verkregen voordeel echter te
+behouden, lieten zij zich levend begraven op de plaats der ontmoeting,
+aan de kleine Syrte, waar ter gedachtenis aan hunne vaderlandslievende
+zelfopoffering twee altaren werden opgericht. Ook later is dit de
+grens tusschen Cyrenaïca en Tripolis.
+
+Arai, wrekende godinnen, opgeroepen door den vloek van het slachtoffer
+eener misdaad = Erinyes.
+
+Arar, Arar, rivier in Gallia, later Sauconna, thans de Saône, die
+bij Lugdunum (Lyon) in den Rhodanus (Rhône) valt.
+
+Aratus, Aratos, 1) zoon van Clinias, geboren 271 te Sicyon en te Argos
+opgevoed. 20 jaar oud stelde hij zich aan het hoofd der ballingen
+uit zijn vaderstad en verdreef hij met hunne hulp den tyran Nicocles;
+daarop bewerkte hij dat de stad tot het achaeïsch verbond toetrad. Door
+Antigonus Gonatas tegengewerkt, zocht hij hulp bij Ptolemaeus
+Philadelphus, die hem inderdaad met aanzienlijke geldsommen steunde. In
+245 werd hij tot strateeg van het verbond gekozen, dat onder zijne
+leiding tot hoogen bloei geraakte, terwijl vele peloponnesische
+steden vrijwillig of gedwongen zich als leden lieten opnemen. Toch
+was Ar., hoewel kleingeestig en voor iedere mededinging bevreesd,
+meer staatsman dan veldheer. Toen dus Sparta door het krachtig streven
+van Cleomenes III de hegemonie in de Peloponnesus scheen te zullen
+herwinnen, schroomde hij niet, in strijd met de beginselen van het
+verbond, de hulp van den macedonischen koning Antigonus Doson in te
+roepen (224). De nederlaag, die deze aan Sparta toebracht, deed den
+invloed van Ar. ten top stijgen; niet alleen werd hij herhaaldelijk
+als strateeg herkozen,--in het geheel heeft hij deze betrekking 17 maal
+waargenomen--, maar ook liet de opvolger van Antigonus, Philippus III,
+zich langen tijd geheel door zijne raadgevingen leiden, totdat hij
+bevond dat Ar. aan zijne verdere plannen in den weg stond, waarop
+hij hem door vergift liet uit den weg ruimen (213). Te Corinthe werd
+een standbeeld voor hem opgericht en te Sicyon werd jaarlijks op zijn
+sterfdag een lijkfeest gevierd. Zijne gedenkschriften (Hypomnemata),
+door Polybius e. a. dikwijls als bronnen gebruikt, zijn verloren
+gegaan.--2) van Soli, leefde langen tijd aan het hof van Antigonus
+Gonatas en schreef (tusschen 276 en 274) een leerdicht in hexameters,
+Phainomena kai Liosemeiai, dat nog bewaard is gebleven en door de
+ouden hoog geprezen werd. Cicero, Germanicus e. a. vertaalden het in
+het latijn.
+
+Arausio, stad der Cavares, aan den Rhodanus (Rhône), thans Orange. Bij
+deze stad verloren de Romeinen in 105 een bloedigen slag tegen de
+Cimbren. Twee legers werden vernietigd. Uit den romeinschen tijd
+zijn nog belangrijke bouwwerken over, o.a. een theater. NB. Hiernaar
+wordt de titel prins van Oranje in het Latijn vertaald door princeps
+Arausiacus.
+
+Aravisci, keltische volksstam in Neder-Pannonië, verwant met de Osi.
+
+Araxenus campus, Araxenon pedion, de vruchtbare vlakte, waardoor de
+armenische Araxes stroomde.
+
+Araxes, Araxes, 1) rivier in Armenia, die zich in de Caspische zee
+stort. In zijn benedenloop is hij door een zijarm met den Cyrus
+verbonden. Hij vormt de noordelijke grens van Medië. Herodotus
+verwart hem met den Oxus (z. a.), die vroeger ook Araxes heette.--2)
+riv. in Persis, nabij Persepolis.--3) zijtak van den Euphraat, ook
+wel Chaboras of Aborrhas genoemd, in Mesopotamia.
+
+Arbaces, Arbakes, z. Sardanapalus. Hij wordt de stichter der medische
+dynastie genoemd, die met Astyages eindigt.
+
+Arbela, ta Arbela, stad in Assyria, waarbij de laatste en beslissende
+veldslag tusschen Alex. d. G. en Darius Codomannus plaats vond (331).
+
+Arbiter, een scheidsrechter. Terwijl de iudex in zijne beslissing
+aan het strenge recht gebonden was, kon de arbiter uitspraak doen
+volgens de aequitas. Zie ook het art. iudex op het einde.
+
+Arbiter bibendi, ook wel magister bibendi, rex convivii, de door
+het lot gekozen voorzitter bij een feestmaal, die de tafelwetten
+vaststelde en zijne voorschriften gaf omtrent het aanmengen van den
+wijn en het getal schepjes, dat in de bekers moest worden gedaan,
+omdat men niet, als bij ons, inschonk, maar met een lepel of schepje,
+cyathus, de bekers uit het mengvat vulde.
+
+Arca, Arka, oude stad in Phoenice aan den voet van den Libanon, ten
+N. van Tripolis, geboorteplaats van keizer Alex. Severus; ter eere
+van hem werd de stad Caesarea ad Libanum genoemd.
+
+Arca, kibotos, in het algemeen kist of koffer, meer in het bijzonder
+de geldkist, hetzij van metaal, hetzij met ijzer of brons beslagen. Ook
+doodkist, alsmede strafcel voor slaven.
+
+Arcadia, Arkadia, landschap in het midden der Peloponnesus gelegen,
+door bergen omgeven en doorsneden, het grieksche Zwitserland. De
+inwoners, Arcades, Arkades, beschouwden zichzelven als het oudste volk
+der aarde, ja zelfs als ouder dan de maan (proselenoi). De afgesloten
+ligging van hun land behoedde hen voor vreemde overheersching, daar
+vooral in het Noorden en Oosten slechts weinige hoofdwegen naar de
+naburige landschappen voerden. Het land stond eerst onder koningen,
+doch loste zich in de zevende eeuw in een aantal kleine republieken op,
+waarvan Mantinea, Tegea, Orchomenus de voornaamste zijn. De Arcadiërs
+waren een vroolijk, krachtig bergvolk, liefhebbers van muziek, doch
+stonden, wat hunne verstandelijke ontwikkeling betreft, niet hoog
+aangeschreven, zoodat de uitdrukkingen iuvenis Arcadius, Arkadikon
+blastema, gebezigd worden voor een onnoozelen hals. Onderlinge naijver
+en veeten verdeelen hen; vandaar dat de poging van Epaminondas tot
+stichting eener groote bondsstad Megalopolis op den duur mislukte. Na
+den dood van Alex. d. G. voegden zij zich bij het achaeïsch verbond,
+waarbij zelfs hun landgenoot Philopoemen van 208 tot 183 achtmaal de
+hoogste waardigheid, die van strateeg, bekleedde.--Arcadia is rijk
+aan mythen. Het sneeuwgebergte Cyllene in het N. O. is bekend als de
+geboortegrond van Hermes; dicht daarbij vond men het Stymphalische
+meer, de verblijfplaats der vogels, die Heracles verjoeg, alsmede
+de Styx. Op den berg Erymanthus in het N. ving Heracles het groote
+everzwijn; op den berg Maenalus zetelde Pan. Verder behooren in Arcadia
+de mythen te huis van Lycaon en van Callisto en haar zoon Arcas.
+
+Arcadius, Arkadios, 1) taalgeleerde uit de vijfde eeuw na C., schrijver
+van een werk over de accenten, peri tonon.--2) de oudste zoon van
+Theodosius den Grooten, kreeg bij de deeling van het rom. rijk in 395
+n. C. de oostelijke helft. Hij was geheel en al het werktuig zijner
+gunstelingen (Rufinus, Eutropius, Gainas), en later zijner frankische
+gemalin Eudoxia. Hij stierf, 30 jaar oud, in 408.
+
+Arcanum, landgoed van Q. Cicero, halverwege tusschen Aquinum en
+Arpinum in Latium gelegen.
+
+Arcas, Arkas, zoon van Zeus en Callisto. Toen Zeus eens bij Lycaon
+gast was, wilde deze beproeven of de god werkelijk alwetend was;
+hij slachtte daarom Arcas en zette zijn vleesch aan Zeus voor. Maar
+deze veranderde Lycaon in een wolf, doodde al zijne zonen en riep
+Arcas in het leven terug. Later ontmoette Arcas op de jacht zijne
+moeder, die in een beer veranderd was, en wilde haar dooden, maar zij
+ontvluchtte hem tot in den tempel van den Lycaeischen Zeus, die beiden
+van de aarde wegnam en onder de sterren plaatste; Callisto werd de
+groote beer, Arcas de kleine. V. a. werd Arcas koning der Arcadiërs,
+wien hij het gebruik van wol en het bakken van brood leerde; aan hem
+ontleenden het volk en het land hun naam.
+
+Arceophon, Arkeophon, Arkeophron, z. Anaxarete.
+
+Arcera, overdekte wagen, waarin men rechtuit op eene matras kon liggen,
+tot vervoer van zieken en ouden van dagen.
+
+Arcesiades, Arkeisiades, Laërtes, de zoon van Arcesius.
+
+Arcesilaus, Arkesilaos, 1) naam van vier koningen van Cyrene uit het
+geslacht der Battiaden: Arc. I 591-575; Arc. II Chalepos 570-550, die
+zijne broeders verdreef en later zelf gedood werd; Arc. III 530-514,
+die wegens zijne pogingen om de koninklijke macht weder uit te breiden
+(z. Battus no. 3) verdreven werd; Arc. IV gestorven omstreeks 450;
+na zijn dood werd Cyrene een republiek.--2) van Pitane, geb. 315,
+kwam na den dood van zijn vader naar Athene en woonde de lessen van
+Theophrastus en Polemo bij. Hij volgde Crates als hoofd der academie
+op en werd de stichter der tweede academie. Hij bestreed vooral
+het dogmatische der stoicijnsche leer en ging daarbij zoo ver, dat
+hij eindelijk alle zeker weten ontkende en alleen zekeren graad van
+waarschijnlijkheid aannam, zoodat hij door de ouden somtijds tot de
+sceptici gerekend wordt. Hij stierf in 241.
+
+Archagathus, Archagathos, de eerste grieksche geneeskundige die zich
+te Rome kwam vestigen (219).
+
+Archairesiai, te Athene verkiezing der magistraten, ook de vergadering
+waarin zij gekozen werden, z. Cheirotonia. Behalve de ambtenaren,
+die met de defensie en de financiën belast waren, werden de meeste
+overheden door loting aangewezen.
+
+Archandropolis, Archandrou polis, stad in Beneden-Aegyptus, aan den
+canobischen Nijlarm.
+
+Arche, algemeene naam der overheden in een republikeinschen staat. Te
+Athene werden zij door het volk gekozen, later in vele gevallen
+door het lot aangewezen. Voordat zij hun ambt aanvaardden, werd een
+onderzoek (dokimasia) ingesteld, waaruit blijken moest dat zij waren
+van echt atheensche geboorte, zonder lichaamsgebreken en in het volle
+genot hunner burgerrechten. Ook mocht niemand twee overheidsambten te
+gelijk of tweemaal hetzelfde ambt bekleeden. De overheden werden in
+den regel niet bezoldigd, waren gedurende hun ambtsjaar onschendbaar,
+maar moesten na afloop daarvan rekenschap (euthynai) van hun beheer
+afleggen.
+
+Archegetes, z. Apollo.
+
+Archeion heet ieder gebouw waar overheden zitting hielden, in het
+bijzonder het archief.
+
+Archelaus, Archelaos, 1) Heraclide, zoon van Temenus, die voor zijne
+broeders naar Macedonia vluchtte en daar de stad Aegae stichtte.--2)
+koning van Sparta, tijdgenoot van Lycurgus.--3) koning van Macedonia
+(413-399), zoon van Perdiccas II. Hoewel hij door broedermoord zich den
+weg tot den troon had gebaand, regeerde hij verdienstelijk, zocht het
+land te beschaven, liet wegen aanleggen en steden stichten, en lokte
+grieksche letterkundigen en kunstenaars aan zijn hof, o.a. Euripides
+en Zeuxis. Ook was hij de eerste, die een soort legerorganisatie
+inrichtte.--4) een Cappadociër, veldheer van den pontischen koning
+Mithradates VI. In 87 viel hij met een groot leger in Griekenland,
+doch werd in 86 door Sulla verslagen, eerst bij Chaeronea en daarna
+bij Orchomenus in Boeotia. Hij was het, die den vrede tusschen den
+koning en Sulla tot stand bracht, doch daar Mithradates meende dat
+hij daarbij te veel aan Sulla had toegegeven, viel hij in ongenade
+en ging hij (83) tot de Romeinen over.--5) zoon van no. 4. Pompeius
+stelde hem in 63 tot opperpriester van Comana in Pontus aan; doch in
+56 ging hij, terwijl hij zich voor een zoon van Mithradates uitgaf,
+naar Aegypte, huwde de aegyptische prinses Berenice, die haren vader,
+den algemeen gehaten Ptolemaeus XI Auletes, had verdreven, en werd zóó
+koning van Aegypte, doch sneuvelde in den strijd tegen den romeinschen
+proconsul A. Gabinius, die Auletes op den troon kwam herstellen
+(55).--6) zoon van no. 5, volgde zijn vader als opperpriester van
+Comana op, doch werd door Caesar in 47 afgezet.--7) zoon van no. 6,
+werd door M. Antonius, om der wille zijner schoone moeder Glaphyra,
+tot vorst van Cappadocia verheven (41) en later (36) door Octavianus
+in de regeering bevestigd, doch na een regeering van 50 jaar door
+Tiberius afgezet en naar Rome ontboden, waar hij weldra stierf (14
+n. C.). Aan zijn zoon, die eveneens Arch. heette, werd slechts een
+klein deel van het rijk zijns vaders gelaten.--8) zoon van Herodes
+den Grooten (z. a.). Van zijns vaders rijk kreeg hij (4 v. C.) met
+den titel van ethnarch de landschappen Samaria, Judaea en Idumaea;
+doch om zijne wreedheid werd hij door Augustus afgezet en naar Vienna
+in Gallia verbannen (6 n. C.).--9) leerling van Anaxagoras, volgens
+sommigen leermeester van Socrates.
+
+Archemorus, Archemoros, eigenlijk Opheltes, het zoontje van Lycurgus,
+koning van Nemea, en Eurydice. Toen de zeven vorsten tegen Thebe
+optrokken en in de nabijheid van Nemea water zochten, lieten zij zich
+door Hypsipyle, die op het kind passen moest, den weg wijzen. In hare
+afwezigheid werd Opheltes door een draak gedood. Daar Amphiaraus deze
+gebeurtenis als een slecht voorteeken beschouwde, noemde men den knaap
+Archemorus (voorganger in den dood); de zeven vorsten begroeven hem
+plechtig en stelden tot zijne nagedachtenis de nemeïsche spelen in.
+
+Archermus, Archermos, van Chius, beeldhouwer uit 600-550. Men vertelt,
+dat hij het eerst de Nike gevleugeld voorgesteld heeft; of echter
+de gevleugelde godin, die bij de opgravingen op Delus gevonden is,
+van hem is, wordt tegenwoordig betwijfeld.
+
+Archestratus, Archestratos, 1) atheensch veldheer in den
+peloponnesischen oorlog, sneuvelde in 406 bij Mytilene.--2) van Gela,
+tijdgenoot van den jongen Dionysius. Zijn leerdicht in hexameters,
+Hedypatheia, over kookkunst en gastronomie, werd wegens zijne
+wetenschappelijke waarde door Aristoteles als bron voor zijne
+natuurlijke historie der visschen gebruikt.
+
+Archias, Archias, 1) een Heraclide uit Corinthe, stichter van Syracusae
+(734).--2) een Thebaan, die mede de Cadmea aan de Spartanen overgaf
+(382) en door hun invloed polemarch werd. Bij de terugkomst der
+verbannenen werd hij met de zijnen aan tafel gedood (379).--3)
+A. Licinius Archias z. Licinii no. 37.
+
+Archidamus, Archidamos, naam van vijf spartaansche koningen: 1)
+Arch. I regeerde tijdens den tweeden messenischen oorlog.--2)
+Arch. II, zoon van Zeuxidamus (468-427). Na langen strijd bedwong
+hij den opstand der Messeniërs en Heloten, die op de aardbeving van
+465 volgde. Bij het begin van den peloponnesischen oorlog, dien hij
+tevergeefs ontraden had, voerde hij jaarlijks het spartaansche leger
+naar Attica. Naar hem wordt dikwijls het eerste tijdperk van dien
+oorlog (431-421) archidamische oorlog genoemd.--3) Arch. III, kleinzoon
+van den vorigen, voerde nog voordat hij aan de regeering kwam (361)
+dikwijls het leger der Spartanen aan, in 368 versloeg hij de Arcadiërs
+en Argiven bij Midea; daarentegen leed hij in 364, toen hij trachtte de
+Arcadiërs het beleg van Cromnus te doen opbreken, eene nederlaag; ook
+verdedigde hij in 362 Sparta tegen den aanval van Epaminondas. In 338
+sneuvelde hij in een bloedig gevecht tegen de Lucaniërs, tegen welke
+de Tarentijnen zijne hulp hadden ingeroepen.--4) Arch. IV, kleinzoon
+van den vorigen, werd in 294 door Demetrius Poliorcetes verslagen.--5)
+Arch. V, kleinzoon van den vorigen, broeder en opvolger van Agis III,
+trachtte Cleomenes III in zijn strijd tegen de ephoren te steunen,
+maar werd reeds bij het begin zijner regeering (227) gedood.
+
+Archilochus, Archilochos, van Parus, bloeide omstreeks 650. In zijn
+jeugd leefde hij grootendeels op Thasus, waarheen zijn voorvader
+Telesicles eene kolonie gebracht had. Zijn later leven bracht hij
+meestal in armoede onder allerlei avonturen en onaangenaamheden in
+vreemden krijgsdienst door. Later keerde hij echter naar zijn vaderland
+terug en sneuvelde hij in een gevecht tegen de Naxiërs. Arch. kan als
+de eigenlijke schepper der iambische poëzie beschouwd worden, hij was
+de uitvinder van den iambischen trimeter en van verscheiden andere
+metra, en voerde ook een nieuwe wijze van voordragen in. Onrustig en
+prikkelbaar van aard, leefde hij met zijne tijdgenooten op gespannen
+voet, en zeide hij hun in zijne hekeldichten, menigmaal met groote
+bitterheid, harde waarheden. Vooral de familie van Lycambes, die zijne
+dochter Neobule aan Arch. tot vrouw beloofd, maar later zijn woord
+gebroken had, werd zoo zonder genade door hem bespot en gehoond, dat
+zij, naar men zegt, zich allen uit schaamte en wanhoop ophingen. Van
+de gedichten van Arch., die door de ouden zeer hoog geschat werden
+en die Horatius meermalen nagevolgd heeft, zijn slechts weinige
+fragmenten bewaard gebleven.
+
+Archimedes, Archimedes in 287 te Syracusae geboren, een van de meest
+beroemde wis- en werktuigkundigen der oudheid, heeft zijn naam door
+tal van ontdekkingen vereeuwigd. Hij was een leerling van den beroemden
+alexandrijnschen wiskundige Euclides. Op wiskundig gebied vond hij de
+verhouding van de middellijn tot den cirkelomtrek, de inhoudsformules
+voor den bol en den cylinder, enz., en schreef verschillende werken,
+die ten deele bewaard gebleven zijn. Op het gebied van waterweegkunde
+ontdekte hij de naar hem genoemde wet, dat een lichaam, in eene
+vloeistof gedompeld, zooveel aan zwaarte verliest, als het gewicht
+der verplaatste vloeistof bedraagt. In de werktuigkunde vond hij de
+katrol uit, de naar hem genoemde archimedische schroef of schroef
+zonder einde en de waterschroef tot het uitmalen van water. Tijdens
+het beleg van Syracusae door de Romeinen wendde hij zijne bekwaamheden
+aan om door vernuftig uitgedachte werktuigen den Romeinen afbreuk te
+doen. Toen eindelijk in 212 de stad door Marcellus werd ingenomen,
+had deze wel uitdrukkelijk last gegeven, Archimedes te sparen, doch
+een soldaat, die den beroemden man niet kende en in diens woning
+doordrong, vond hem verdiept in meetkundige berekeningen, terwijl
+hij een aantal figuren op den grond getrokken had. Verstoord over
+de waarschuwing om niet door zijne figuren heen te loopen, doorstak
+de soldaat hem. Op zijn graf werd, overeenkomstig zijn verlangen,
+een cylinder met een bol geplaatst, doch in Cicero's tijd lag het
+vergeten in een wildernis van struiken.
+
+Archimimus, directeur of hoofdacteur van een gezelschap mimi of
+kluchtspelers.
+
+Archinus, Archinos, een Athener, die Thrasybulus hielp bij het
+bestrijden van de dertig en bij de wederinvoering der democratie. Hij
+stelde voor, het ionische alphabet in Athene in te voeren, en schreef
+daarover ook een brochure.
+
+Archippus, Archippos, atheensch blijspeldichter, omstreeks 410. Hij
+is een navolger van Aristophanes.
+
+Architheoria, Architheoria, een liturgie, bestaande in het dragen van
+een deel der onkosten van de feestgezantschappen, die naar Olympia,
+Delus e. e. gezonden werden.
+
+Archontes eigl. de naam van alle overheden en officieren,
+in het biz. die van de hoogste overheid der atheensche
+republiek. Oorspronkelijk was waarschijnlijk de archon een ambtenaar,
+die evenals de polemarchos onder den koning stond, langzamerhand gingen
+rechten en bevoegdheden van laatstgenoemden op de beide anderen over,
+zoodat ten slotte alle drie in rang en macht gelijk stonden. Onder
+het koningschap van de Medontiden werden deze ambten voor het geheele
+leven gegeven, sedert 752 voor tien jaar, omstreeks 682 werd de duur
+ervan tot een jaar beperkt, en tegelijk werd het aantal archonten
+door toevoeging van zes thesmothetai op negen gebracht, zooals het
+sedert dien tijd gebleven is. Aanvankelijk waren alleen eupatriden
+verkiesbaar, sedert Solon pentakosiomedimnen, in verloop van tijd
+werd het archontaat toegankelijk voor alle burgers, misschien
+met uitzondering van de theten. De archonten werden oudtijds door
+den Areopagus benoemd en werden na afloop van hun ambtsjaar leden
+daarvan, sedert Solon werden zij bij loting aangewezen uit candidaten
+(ek prokriton), van welke iedere phyle 10 verkoos, en tot deze
+methode keerde men, nadat een proef met directe verkiezing door
+de volksvergadering genomen was, na korten tijd terug; sedert 487
+werden de candidaten aangewezen uit de demen, en het geheele aantal
+candidaten tot 500 uitgebreid; in lateren tijd, waarschijnlijk in de
+4de eeuw, toen het aantal candidaten weer tot 100 teruggebracht was,
+wees zelfs het lot in iedere phyle de candidaten aan, die om het
+archontaat moesten loten. De loting was zoo ingericht dat uit iedere
+phyle een persoon uitkwam; de laatst uitgekomene was grammateus.--De
+macht en bevoegdheid dezer overheden zijn in den loop der tijden
+zeer verminderd en in den tijd der onbeperkte democratie is hun niet
+veel meer opgedragen dan het bezorgen van offers en feesten en het
+voorzitterschap van sommige rechtbanken. Toch worden de archonten
+altijd als de eerste overheden beschouwd, en werden zij, voordat
+zij de gewone dokimasia mochten ondergaan, aan een onderzoek door
+den raad onderworpen. De eerste archont, gewoonlijk alleen archon,
+ook wel, omdat het jaar met zijn naam aangeduid werd, archon eponymos
+genoemd, leidde processen over familie- en erfrecht, benoemde voogden,
+enz. De tweede, op wien de priesterlijke waardigheid van den koning
+was overgegaan, en die daarom den naam basileus behouden had,
+had in overeenstemming daarmede toezicht en leiding bij al wat den
+godsdienst betreft, en had ook kennis te nemen van alle aanklachten
+die op godsdienstige aangelegenheden betrekking hadden. De derde,
+polemarchos genoemd, wien oudtijds zonder twijfel de zorg voor het
+krijgswezen was opgedragen, komt na den slag bij Marathon niet meer in
+die betrekking voor; als rechter is hij voor vreemdelingen en metoiken,
+wat de eerste archont voor burgers is. De overige zes archonten dragen
+gezamenlijk den naam van thesmothetai; zij zijn voorzitters bij alle
+rechtzaken, die niet voor andere magistraten behooren.--Nog in den
+rom. tijd vindt men ath. archonten vermeld.
+
+Archytas, Archytas, van Tarente, pythagoreïsch wijsgeer, waarschijnlijk
+leerling van Philolaus. Als staatsman zeer verdienstelijk, als
+veldheer onoverwonnen, als wis- en werktuigkundige beroemd, werd hij
+bovendien om zijn edel karakter door zijne medeburgers hoog geëerd,
+zoodat hij in strijd met de wet telkens weder tot strateeg benoemd
+werd. Zijn invloed redde Plato, toen deze door het wantrouwen van
+Dionysius van Syracuse in levensgevaar verkeerde. Naar men verhaalde,
+zou hij bij een schipbreuk nabij het voorgebergte Matinus het leven
+verloren hebben. Zijn bloeitijd was 400-365.
+
+Arcitenens, bijnaam van Apollo en Diana.
+
+Arconnesus, Arkonnesos, 1) eiland op de kust van Ionia, westwaarts
+van Colophon.--2) eilandje voor de haven van Halicarnassus.
+
+Arctinus, Arktinos, van Miletus, cyclisch dichter omstreeks 776,
+behandelde in een episch gedicht, Aithiopis, de heldendaden van
+Penthesileia en Memnon, den dood van Achilles en Aiax, enz.
+
+Arcturus, Arctophylax, Arktouros, Arktophylax. Zie Bootes.
+
+Arctus, Ursa, Plaustrum, Currus, Septentrio, Arktos, Hamaxa,
+naam van twee sterrenbeelden, door de toevoegsels maior en minor,
+megale en mikra onderscheiden: de Groote en de Kleine Beer, beide
+van groot belang voor de scheepvaart, daar zij nooit ondergaan. In
+den grooten beer herkende men gewoonlijk Callisto, in den kleinen
+haar zoon Arcas. V. a. waren het twee berinnen, die Zeus op Creta
+een jaar lang verborgen en gevoed hadden, en tot belooning onder de
+sterren verplaatst waren.
+
+Arculas of -lum, een rondgevouwen doek of draagkussen op het hoofd,
+ten einde met meer gemak een mand er op te kunnen dragen. Ook een tak
+van den granaatappelboom, om het hoofd gebogen bij wijze van krans,
+waarvan de einden door een wit wollen band waren saamgebonden; deze
+werd door de flaminica Dialis gedragen bij alle offerplechtigheden,
+soms ook door de vrouw van den rex sacrificulus.
+
+Arcus, 1) het bekende schietwapen, toxon, waarvan hier geene verdere
+verklaring noodig is. Wij geven hierboven twee afbeeldingen van bogen;
+de onderste wordt arcus sinuatus geheeten.--2) in de bouwkunde elke
+uit bouwstoffen vervaardigde boog, meer in het bijzonder eerepoorten en
+eerebogen. Onder de republiek waren zij meestal slechts tijdelijk, of
+van gewonen gehouwen of gebakken steen opgetrokken, en werden fornices
+genoemd; doch onder de keizers werden zij met de meest mogelijke
+pracht van marmer en beeldhouwwerk als blijvende gedenkteekenen
+opgericht. Vijf zulke triumfbogen zijn te Rome bewaard gebleven: de
+arcus Drusi, de a. Titi (zie bovenstaande afbeelding) de a. Septimii
+Severi. de a. Gallieni en de a. Constantini.
+
+Ardea, Ardea, in Latium, oude hoofdstad der Rutuliërs, sedert 442
+romeinsche kolonie, later vervallen.
+
+Ardeas, zoon van Odysseus en Circe, stichter van Ardea in Italië;
+v. a. echter was deze stad door Danaë gesticht.
+
+Ardericca, Arderikka, plaats aan den Euphraat, ook eene plaats nabij
+Susa, waarheen Darius de gevangene Eretriërs overbracht.
+
+Ardescus, Ardeskos, onbekende zijrivier van den Ister in europeesch
+Sarmatië, mythologisch een zoon van Oceanus en Tethys.
+
+Ardettus, Ardettos, heuvel ten Z. O. van Athene, bij het Stadion,
+waar de heliasten jaarlijks hun eed aflegden.
+
+Arduenna silva, in Belgica, thans de Ardennen en de Eifel.
+
+Ardys, Ardys, zoon en opvolger van Gyges, koning van Lydië,
+654-617. In het begin van zijn regeering valt de inval der Cimmerii
+(z. a.). Gedurende de laatste jaren van zijn leven veroverde hij
+Priene en voerde hij met kracht oorlog tegen Miletus, zonder dat het
+hem gelukte die stad in te nemen.
+
+Area, in het algemeen eene open ruimte, vooral eene opzettelijk
+vrijgelaten ruimte, zooals het voorplein vóór een tempel, waar
+het altaar stond, de voorhof van een huis, en dgl.--Vooral werd
+de uit leem vastgestampte, soms ook geplaveide dorschvloer, halos,
+aloe, aldus geheeten. Hij lag nabij de boerderij, in de open lucht,
+eenigszins hoog ten behoeve eener goede afwatering. Het koren werd
+uitgetreden door vee of door zware blokken (tribula), waarvoor een
+trekdier was gespannen, of met knuppels en dorschvlegels uitgedorscht.
+
+Area, Areia, 1) z. Aphrodite. De dienst van Aphrodite Area was te
+Sparta inheemsch, waar zij een tempel met een gewapend beeld had,
+en werd later naar Corinthe, Cythera en Cyprus overgebracht.--2)
+bijnaam van Athene. Onder dien naam had zij een gewapend beeld in
+den tempel van Ares. Orestes zou na zijne vrijspraak voor het eerst
+een altaar voor haar hebben opgericht.
+
+Areïthous, Areithoos, koning van Arne, geducht strijder, om zijn
+ijzeren knots korynetes bijgenaamd. De arcadische koning Lycurgus
+doodde hem en ontnam hem zijne wapenen.
+
+Arelas, Arelate of -tum, Arelate, thans Arles, stad in Narbonensis,
+ter weerszijden van den Rhodanus (Rhône) gelegen, met belangrijke
+overblijfselen uit den rom. tijd, sedert 46 rom. kolonie. Arelas was
+eene bloeiende koopstad.
+
+Aremorica, de kuststreek van Gallia ten N. van den Liger (Loire) en
+langs den Oceanus Britannicus (het kanaal). De naam wordt afgeleid
+van het keltische ar = aan, bij, en môr = zee. Bij Plinius is het de
+oude naam voor Aquitania in engeren zin (z. a.).
+
+Arena, het met zand bestrooide strijdperk in het amphitheater, waar de
+gevechten van dieren en van zwaardvechters plaats vonden. Bloedvlekken
+werden telkens onzichtbaar gemaakt door er nieuw zand over te
+strooien. Overdrachtelijk wordt arena ook gebruikt voor het geheele
+amphitheater, voor den strijd zelf en ook voor elke soort van wedstrijd
+en van oefenplaats.
+
+Arenacum, Arenatium, Arenatio, stad in het gebied der Batavieren,
+aan den weg tusschen Castra Vetera (Xanten) en Noviomagus (Nijmegen),
+misschien het dorp Rindern bij Kleef.
+
+Areopagus, Areios pagos, heuvel in Athene, waar de oudste en beroemdste
+rechtbank (he en Areio pago of ex Ar. p. boule) zitting hield. Deze
+rechtbank, volgens het meest bekende verhaal samengesteld bij het
+proces van Orestes en volgens beschikking van de godin Athena
+ook voor het vervolg behouden, behandelde onder indrukwekkende
+formaliteiten de zwaarste misdaden, zooals opzettelijken moord,
+brandstichting en dgl., waarop doodstraf of verbanning stond. De
+aangeklaagde had gedurende de vier maanden, die tusschen de aanklacht
+en het vonnis moesten verloopen, geen toegang tot publieke plaatsen;
+hij kon zich echter, behalve in geval van vadermoord, vrijwillig in
+ballingschap begeven. Wanneer over het vonnis de stemmen staakten,
+volgde vrijspraak, daar Athena dan verondersteld werd, evenals bij
+het proces van Orestes, voor vrijspraak gestemd te hebben (calculus
+Minervae).--Sedert 683 wordt de Areop. jaarlijks aangevuld uit de
+gewezen archonten, die voldoende verantwoording van hun beheer gegeven
+hadden en voor hun leven zitting hadden; hij had het toezicht over de
+geheele staatsregeling en over de wetten, zeden en tucht. Solon maakte
+hem tot een politiek gerechtshof, waarbij men klachten kon indienen
+tegen de ambtenaren. Welke bevoegdheden met het toezicht op de wetten
+verbonden waren, vindt men nergens nauwkeuriger omschreven; ook zijn de
+gevallen waarin de Areop., hetzij uit eigen beweging, hetzij volgens
+opdracht van het volk, optrad, van zeer verscheiden aard; overal ziet
+men echter dat hij, wanneer hij optrad, door het groote vertrouwen,
+dat hij genoot, grooten invloed kon uitoefenen. Doch met zijne uit den
+aard der zaak conservatieve gezindheid schijnt dit lichaam de volkomen
+ontwikkeling der democratie in den weg te hebben gestaan, en omstreeks
+462 werd het door Themistocles en Ephialtes, later nog door Pericles,
+van zijne politieke macht beroofd. Sedert dien tijd is de Areopagus
+bijna uitsluitend gerechtshof in gevallen van moord en doodslag. In
+den rom. tijd is het weder het voornaamste regeeringslichaam.
+
+Ares, Ares, Mars, zoon van Zeus en Hera, god van het krijgsgewoel
+en van bloedige gevechten. In gezelschap van zijne kinderen Deimos
+en Phobos, van zijne zuster Eris en van de moordgodin Enyo, begeeft
+hij zich in den strijd, waar hij zich evenmin bekommert om orde
+en regelmaat, als om het recht der strijdende partijen. Om zijn
+onstuimigheid en zijn bloeddorstigen aard is hij zelfs bij Zeus meer
+dan eenig ander god gehaat. Telkens geraakt hij in strijd met Athena,
+de godin van het krijgsbeleid, en telkens moet hij het onderspit
+delven; zelfs aan stervelingen gelukt het door hare hulp den god
+te wonden.--De eeredienst van Ares was waarschijnlijk uit Thracië
+ingevoerd en werd in Griekenland nooit algemeen. De wolf, het paard
+en de haan waren hem heilig. Zijne beelden vertoonen gewoonlijk eene
+jeugdige, gespierde gestalte, donkere gelaatstrekken, kleine oogen,
+wijd geopende neusgaten en kort haar.
+
+Arestorides, Arestorides, Argos, de zoon van Arestor.
+
+Aretaeus, Aretaios, uit Cappadocia, beroemd geneesheer te Rome uit
+de 2de helft van de 2de eeuw na C.
+
+Aretalogus, een persoon, die den kost verdiende door bij feestmalen
+de dischgenooten te vermaken, vermoedelijk door, als een soort van
+nar, te zwetsen en te bluffen. Oorspronkelijk is het echter iemand,
+die op eentonige wijs de deugden en de macht van de een of andere
+oostersche godheid verkondigt, of van allerlei wonderen opsnijdt.
+
+Aretas, naam van eenige vorsten der Nabataeërs in Arabia Petraea. Een
+hunner, die zich in de joodsche zaken mengde, werd op bevel van
+Pompeius door diens quaestor M. Aemilius Scaurus verdreven en in
+de stad Petra belegerd (64). Een andere Aretas, wiens dochter met
+Herodes II Antipas gehuwd, doch ter wille van Herodias verstooten
+was, viel in Judaea ten tijde van Tiberius. Diens overlijden (37
+n. C.) verhinderde het uitbarsten van een oorlog. Toen Paulus uit
+Damascus ontsnapte, stond de stad onder het bevel van den stadhouder
+(ethnarches) van Aretas.
+
+Arete, Arete, 1) gemalin van Alcinoüs. Zoowel Odysseus als Medea
+werden door haar gastvrij ontvangen en in bescherming genomen.--2)
+dochter van Aristippus, den stichter der cyrenaïsche school; zij
+beoefende zelve ijverig de wijsbegeerte en onderrichtte haar zoon
+daarin.--3) dochter van Dionysius I van Syracuse, gehuwd met Dio,
+en gedurende zijne afwezigheid aan Democrates tot vrouw gegeven. Na
+zijne terugkomst nam Dio haar weder tot zich, en nadat hij vermoord
+was, werd zij eerst gevangen gehouden en toen in zee geworpen.
+
+Aretho, Araithos, Aratthos = Arachthus, rivier in Epirus.
+
+Arethusa, Arethousa, 1) bron op Ortygia (z. Alpheus).--2) bron in
+Elis.--3) bron op Ithaca.--4) bron op Euboea.--5) bron bij Thebae.--6)
+stad in Syrië aan den Orontes.
+
+Areus, Areus, koning van Sparta (310-265). Met Ptolemaeus II verbonden,
+voerde hij oorlog tegen de Aetoliërs, maar leed bij Cirrha een volkomen
+nederlaag. In 272 sloeg hij den aanval van Pyrrhus op Sparta af,
+ook verleende hij hulp aan Argos tegen hem. Hij sneuvelde in den
+Chremonideïschen oorlog in een gevecht bij Corinthe.
+
+Arevaci en -cae, machtige en dappere volksstam in Hispania
+Tarraconensis, tot wier gebied de stad Numantia aan den Boven-Durius
+(Douro) behoorde.
+
+Argadeis, naam van de laatste der vier oude attische phylae, naar
+Argades, een zoon van Ion.
+
+Argaeus, Argaios, 1) koning van Macedonië, zoon van Perdiccas I.--2)
+koning van Macedonië, die in 393 aan Amyntas III de regeering ontnam
+en deze twee jaar behield.--3) zoon van Ptolemaeus Lagi, werd door
+zijn broeder Ptolemaeus Philadelphus gedood.
+
+Argaeus mons, Argaion oros, sneeuwgebergte in het midden van
+Cappadocia.
+
+Arganthonius, Arganthonios, koning van Tartessus in Hispania, die
+120 jaar leefde, waarvan hij 80 jaar regeerde. Zeelieden uit Phocaea,
+die omstreeks 550 bij hem kwamen, werden zeer goed door hem ontvangen,
+zelfs trachtte hij hen te overreden met al hunne landgenooten in zijn
+rijk te komen wonen.
+
+Arganthonius mons, Arganthonion oros, berg in Bithynia, op eene
+landtong, die tusschen twee golven in de Propontis (zee van Marmara)
+vooruitspringt. In de nabijheid zou Hylas door de nimfen geroofd zijn.
+
+Argea, Argeia, 1) dochter van Adrastus, gehuwd met Polynices.--2)
+zuster van Theras, gehuwd met Aristodemus no. 1.
+
+Argei, naam van 27 offerplaatsen te Rome, volgens de overlevering door
+Numa gewijd, waar, naar het schijnt, door of vanwege de pontifices
+op zekere tijden offers werden gebracht. Ook verstaat men onder
+Argei aangekleede poppen, opgevuld met stroo of met biezen, die
+ten getale van 27 op 15 Mei van de houten paalbrug (pons sublicius)
+in den Tiber werden geworpen, ten overstaan van de pontifices, de
+vestaalsche maagden en den praetor urbanus. Men gelooft vrij algemeen
+hier te doen te hebben met een zoenoffer aan de rivier, oorspronkelijk
+waarschijnlijk een menschenoffer. Argei zijn namelijk oorspronkelijk
+Grieken, die als landsvijanden jaarlijks sedert de 2de helft der 3de
+eeuw volgens de aanwijzing der Sibyllijnsche boeken Graeco ritu gedood
+werden; men vergelijke het herhaaldelijk dooden van een Gallus en eene
+Galla, eveneens volgens aanwijzing dier boeken. Spoedig echter zijn
+deze bloedige offers door het afwerpen van stroopoppen (simulacra
+hominum scirpea) vervangen. Bij senaatsbesluit van het jaar 97 werd
+elk menschenoffer verboden.
+
+Argentarius. De werkkring der argentarii was tamelijk veelzijdig. Zij
+bezorgden geld- en handelszaken voor anderen, belastten zich met koop
+en verkoop en vervulden alzoo de rol van makelaars, van wisselaars
+en van bankiers. In deze laatste hoedanigheid gaven zij ook wissels
+af op andere plaatsen, namen geld voor anderen in ontvangst en deden
+op last hunner lastgevers uitbetalingen. De uitdrukking per mensam
+solvere beteekent dus: eene aanwijzing op zijn bankier geven. Hunne
+zaken deden zij meest in de tabernae argentariae veteres en novae
+aan het forum, die door den staat gebouwd en aan hen verhuurd werden.
+
+Argentoratum, rom. municipium aan den Rijn in het land der Triboci,
+met groote wapenfabrieken, thans Straatsburg. In de nabijheid van
+deze stad versloeg Julianus als Caesar (onderkeizer) in 357 n. C. de
+Alamannen, die in den Elzas gevallen waren, en een groot gedeelte
+van Gallië plunderden.
+
+Arges, Arges, een cycloop.
+
+Argi, oorspronkelijke latijnsche naam voor de stad Argos.
+
+Argias graphe, aanklacht, die men oorspronkelijk bij den Areopagus,
+later bij den archon eponymos kon indienen tegen iemand, die geen
+beroep uitoefende en daardoor zijn nabestaanden tot last was. Dit
+werd eerst met eene boete, bij herhaling met atimie gestraft.
+
+Argiletum, eene buurt in Rome, tusschen den mons Quirinalis en
+het forum. In deze buurt waren vooral boekwinkels en winkels van
+handwerksnijverheid. De naam wordt zoowel afgeleid van argilla (dus
+zooveel als kleibuurt), als verklaard door den dood van Evander,
+die hier zou vermoord zijn.
+
+Argilus, stad op de macedonische kust aan de golf van den Strymon,
+kolonie van Andrus.
+
+Arginusae, Arginoussai, groep van drie eilandjes tusschen Lesbus
+en de kust van Aeolis. Hier behaalde de atheensche vloot in den
+peloponnesischen oorlog hare laatste overwinning op de Spartanen (406);
+doch niettemin werden de atheensche veldheeren te Athene ter dood
+gebracht, omdat zij verzuimd hadden de drenkelingen op te visschen.
+
+Argiphontes, Argeiphontes, Argusdooder, bijnaam van Hermes.
+
+Argippaei, Argippaioi, stompneuzige en kaalhoofdige nomadenstam in
+Sarmatia. Het is waarschijnlijk een turksch volk, dat ten Z. van het
+Altaïgebergte woonde. De oost-aziatische handelsweg naar den Pontus
+liep door hun land.
+
+Argissa, Argissa, stad in Pelasgiotis in Thessalia, later Argura
+genaamd.
+
+Argiva, Argeia, bijnaam van Hera.
+
+Argivi, Argeioi, zie Argos.
+
+Argo, Argo, het schip, waarmede Iason en zijne metgezellen
+(de Argonauten) naar Aea voeren. Het was gebouwd van hout dat op
+den Pelion gegroeid was, en werd door vijftig roeiers in beweging
+gebracht. Athena zelve hielp bij het bouwen en voegde er een stuk van
+den sprekenden eik van Dodona in. Bij zijne terugkomst wijdde Iason
+het schip op de landengte van Corinthe aan Poseidon, later werd het
+onder de sterren geplaatst.
+
+Argolis, Argolis, oude en door de Romeinen op nieuw in zwang gebrachte
+naam van het landschap Argos in de Peloponnesus (zie Argos).
+
+Argonautae, Argonautai, Iason en zijne metgezellen, die met het
+schip Argo naar Aea voeren, om het gouden vlies terug te halen,
+dat daar door Phrixus in een woud van Ares was opgehangen. Ofschoon
+de sage van den Argonautentocht bij de Minyers ontstaan is, was hare
+groote vermaardheid oorzaak, dat in verloop van tijd de meeste helden
+die in dien tijd geleefd konden hebben, ook uit andere grieksche
+stammen, onder de vijftig deelnemers aan den tocht geteld werden,
+o.a. Heracles, Castor en Polydeuces, Peleus, Theseus, Tydeus, Meleager,
+Orpheus. De Argonauten stonden onder de bizondere bescherming van
+Hera en Athena; zij bereikten dan ook hun doel, in weerwil van vele
+gevaren en avonturen. De heenreis gaat van Iolcus over Lemnus, door
+den Hellespont, langs Cyzicus, door de Symplegadische rotsen en verder
+langs de kust van de Zwarte zee; op de terugreis werd v. s. dezelfde
+weg genomen; doch volgens de meeste verhalen werd het schip door storm
+op een verkeerden weg gedreven en kwamen de reizigers eerst na lange
+omzwervingen in Iolcus terug. Er is dan ook bijna geen land, of de
+Argonauten zijn er volgens een of ander verhaal geweest, zelfs zouden
+zij in twaalf dagen door de libysche woestijn getrokken zijn, terwijl
+zij het schip Argo op hunne schouders droegen; ook bezochten zij Circe,
+voeren voorbij de Sirenen, Scylla en Charybdis, enz.--Men gelooft dat
+de sage van den Argonautentocht, die zeer oud is, herinneringen bevat
+aan de vroegste zeetochten, die door de Minyers, een zeevarend volk,
+ten behoeve van handel en kolonisatie werden ondernomen.
+
+Argos, to Argos. De naam beteekent volgens Strabo vlakte en wordt dus
+bij meer dan ééne plaats gevonden. Het homerische pelasgikon Argos
+is de vlakte bij Larissa aan den Peneus in Thessalia, en in ruimeren
+zin ook wel het geheele thessalische vlakland. To Achaiikon Argos bij
+Homerus is òf de stad Argos in de Peloponnesus, de woonplaats van
+Diomedes, òf het landschap Argos, ook wel Argolis geheeten, òf ook
+wel de geheele Peloponnesus, evenals de naam Argivi bij de dichters
+nu eens voor de Argoliërs, dan weder voor de gezamenlijke Grieken
+wordt gebezigd, omdat hun aanvoerder in den trojaanschen krijg,
+Agamemnon, koning te Mycenae in Argos was. Het landschap Argos was
+het oostelijkste van de Peloponnesus. Het was bergachtig en niet
+zeer vruchtbaar, omdat het arm was aan water. De vlakte, waarin de
+steden Argos, Mycenae en Tiryns lagen, was vruchtbaarder en geschikt
+voor paardenfokkerij, hippoboton Argos bij Homerus. Ook Argos werd,
+evenals Messene en Laconica, door de Doriërs veroverd, doch dezen
+waren hier minder sterk, zoodat de oud-achaeische elementen minder
+onderdrukt werden en de regeering minder aristocratisch werd dan
+te Sparta. In Argos behooren de mythen te huis van de Danaïden, van
+Danaë en Perseus, van Heracles, van de gruwelen der Atridenfamilie. De
+stad Argos lag aan het riviertje den Inachus, op een steilen heuvel
+lag de burg Larissa. Na den trojaanschen oorlog was nu eens Argos,
+dan weder Mycenae de zetel van het bestuur, de Doriërs maakten Argos
+voor goed tot hoofdstad. Aan den perzischen oorlog kon Argos geen deel
+nemen, ten gevolge eener vreeselijke nederlaag, die het kort te voren
+van de Spartanen had ondergaan bij Tiryns. De beroemde beeldhouwer
+Polycletus was te Argos (of te Sicyon) geboren. In den tempel van
+Hera, tusschen Argos en Mycenae gelegen, stond het beroemde, door
+hem gemaakte beeld der godin.--Ook in het landschap Amphilochia
+tusschen Aetolia en Epirus lag eene stad Argos, ter onderscheiding
+Amphilochicum geheeten.--Nog een ander Argos, Hippium bijgenaamd,
+zou na den trojaanschen oorlog in Apulia gesticht zijn en uit Argos
+hippion zou dan de naam Arpi zijn ontstaan.
+
+Argura, Argoura = Argissa.
+
+Argus, Argos, 1) zoon van Zeus en Niobe, volgde zijn grootvader
+Phoroneus als koning van Argos op.--2) zoon van Agenor, Arestor of
+Inachus, wiens geheele lichaam met oogen bezaaid was (panoptes). Toen
+Io in eene koe veranderd was, plaatste Hera hem als wachter bij
+haar, maar Hermes deed hem door zijn fluitspel inslapen en doodde
+hem daarna. Zijne oogen plaatste Hera daarna in den staart van den
+pauw.--3) zoon van Phrixus en Chalciope. Hij keerde uit Aea naar
+Orchomenus terug en bouwde voor Iason de Argo. V. a. leed hij met
+zijne broeders schipbreuk bij het eiland Aretias, waar de Argonauten
+hen later vonden en medenamen naar Aea.
+
+Argyraspides, Argyraspides, eene keurbende van zware infanterie in
+het macedonische leger, zoo genoemd naar hunne met zilver beslagen
+schilden. Na Alexanders tocht door Indië werd dit corps opgericht of
+v. a. werden alle overblijfsels zijner oude grieksche troepen toen
+erin opgenomen. Later werden zij door Polyperchon onder bevel van
+Eumenes geplaatst, zij kwamen in opstand en verrieden hun veldheer
+aan Antigonus, die weldra het corps wegens zijne aanmatigingen
+ontbond.--Ook de lijfwacht der Syrische koningen bestond uit
+Argyraspides.
+
+Argyripa, oude naam voor de stad Arpi in Apulia.
+
+Aria, Areia, eene der oostelijke provinciën van het perzische rijk,
+een vruchtbaar bergland, waardoor de Arius, die bij Herodotus Aces,
+Akes, heet, stroomde. De bewoners heetten Arii, Areioi, welke naam
+niets te maken heeft met den naam Ariërs, waarmede de Indo-Germanen
+worden aangeduid. De hoofdstad was Artacoana. Op hare plaats of in de
+nabijheid er van werd later een Alexandria gesticht, Areion bijgenaamd,
+thans Herât.
+
+Ariadne, Ariadne, dochter van Minos en Pasiphaë. Zij vluchtte
+met Theseus uit Creta, nadat zij hem door een kluwen touw in staat
+gesteld had zijn weg in het labyrinth te vinden en den Minotaurus te
+dooden. Terwijl zij op het eiland Naxus ingeslapen was, liet Theseus
+haar achter en vervolgde alleen de reis naar Athene. Toen zij ontwaakte
+en zag wat er gebeurd was, wilde zij zich in zee storten, maar juist op
+dat oogenblik landde Dionysus, van zijn tocht naar Indië terugkeerend,
+op Naxus en, door hare schoonheid getroffen, nam hij haar tot zijne
+bruid. Sedert dien tijd vergezelde zij den god altijd, en nam zij, op
+een panther of een olifant zittende, de eerste plaats onder zijn gevolg
+in. Haar bruidskrans werd onder de sterren opgenomen en v. s. kreeg
+zij zelve een plaats op den Olympus.--V. a. was zij op Naxus door
+Artemis gedood, of had Dionysus Theseus bewogen haar te verlaten. Bij
+vele feesten van Dionysus werd ook Ariadne vereerd. Z. afbeelding.
+
+Ariaeus, Ariaios, voerde in den slag bij Cunaxa het bevel over den
+linkervleugel van Cyrus' leger. Na diens dood ging hij tot Artaxerxes
+over, en gedeeltelijk door zijn toedoen vielen de grieksche strategen,
+die onder Cyrus gediend hadden, in de handen van Tissaphernes.
+
+Ariana. Deze naam, waaronder men het oostelijk gedeelte van het
+perzische rijk verstaat, was aan de oude Grieken onbekend. Door
+bergranden van Armenia en van de Euphraat-Tigrislanden gescheiden,
+strekt Ariana zich uit tot aan den Indus, en omvat dus ongeveer het
+tegenw. Irân, Afghanistân en Beludchistân. De scherpe afwisseling van
+gloeiende zomerhitte met felle winterkoude en het gebrek aan water
+maakten, dat het land schaars bevolkt was. Behalve nomadenstammen van
+elders, was de bevolking arisch. Behalve Media en Persis, die niet
+altijd onder Ariana begrepen worden, maar toch door hunne ligging er
+toe behooren, omvat Ar. de landstreken Carmania, Gedrosia, Arachosia,
+Drangiane, Aria, het Paropanisadenland, Bactriane, Sogdiane, Parthyaea,
+Hyrcania.
+
+Ariarathes, Ariarathes, cappadocische koningsnaam. Ariarathes I werd
+in 322 door Perdiccas, den rijksbestuurder na Alexander den Grooten,
+verslagen en ter dood gebracht. Zijn zoon, Ar. II, herwon het vaderlijk
+gebied (302). Ar. IV hielp zijn schoonvader Antiochus III van Syria in
+den oorlog tegen de Romeinen, doch sloot later met hen een verbond van
+vriendschap (188). Ar. V had zijne opvoeding te Rome ontvangen. Bij den
+dood zijns vaders (162) betwistte een ondergeschoven zoon van dezen,
+Holophernes, hem met syrische hulp het rijk, zoodat hij naar Rome moest
+vluchten, waar men eene verdeeling tot stand bracht. Later hielp hij
+de Romeinen in den oorlog tegen Aristonicus van Pergamus, waarbij hij
+sneuvelde (130). Onder de volgende Ariarathessen maakte Mithradates
+van Pontus zich van Cappadocia meester en zette er zijn eigen zoon
+Ariarathes op den troon, terwijl de Romeinen Ariobarzanes I tot koning
+aanstelden (95). Een latere Ariarathes, zoon van Ariobarzanes III,
+werd door den drieman M. Antonius afgezet (zie Archelaüs no. 7).
+
+Ariaspae, Ariaspai, ruitervolk in Drangiane. Zij zijn ook bekend om
+hun korenbouw, en hadden hun land vruchtbaar gemaakt door talrijke
+bevloeiïngen.
+
+Aricia, Arikia, zeer oude stad van Latium aan den appischen weg,
+ten Z. van den Albanus lacus, sedert 338 civitas sine suffragio,
+vervolgens een bloeiend municipium. In de buurt vond men den lacus
+Nemorensis (tgw. Lago di Nemi), aan welks oever een Diana-tempel
+stond. Hiernaar werd het meer ook speculum Dianae genoemd. De priester
+van dezen tempel, met den titel rex Nemorensis, was in later tijd
+een weggeloopen slaaf, die zijn ambt zoolang bekleedde, tot er een
+sterkere kwam, die hem in een gevecht overwon. De Diana Aricina is
+eene in Latium inheemsche godin, die de vrouwen in verschillende
+omstandigheden haars levens steunt.
+
+Aries, stormram of muurbreker, bestaande uit een zwaren balk, van
+voren met een zwaren metalen ramskop voorzien. Hij hing op de wijze
+van een schommel aan touwen of kettingen, werd dan achteruitgetrokken
+en losgelaten, zoodat hij met kracht tegen den vijandelijken muur
+beukte. Om de kracht te vermeerderen, waren de arietes geweldig zwaar
+en soms aan het achtereinde nog van zware gewichten voorzien, zoodat
+er dikwijls 1500 manschappen noodig waren om ze te bedienen. Bij het
+beleg van Carthago gebruikte Scipio twee rammen voor welks bediening
+hij 6000 man noodig had. De gewone lengte van den balk was 80 tot
+100 voet. Flavius Josephus beschrijft een stormram, waarvan de kop
+eene dikte van tien mannen en elk der beide horens eene mansdikte
+had. De aries stond, ter beveiliging der manschappen onder een sterk
+schutdak, testudo arietaria. Wilde de belegerde stad voorwaarden van
+overgave bedingen, dan moest zij dit doen, voordat de stormram de
+muren had aangeraakt.
+
+Arima, ta Arima, een berg ergens in Klein-Azië, waaronder de reus
+Typhoëus bedolven lag. De bewoners heetten Arimi. De woorden ein
+Arimois als één woord gelezen, hebben aanleiding gegeven tot de
+meening, dat het eiland Inarime of Aenaria in de golf van Napels
+was bedoeld.
+
+Arimaspi, Arimaspoi, fabelachtig volk in het verre Noordoosten van
+Europa of in Libye. De Grieken stellen hen voor als eenoogige menschen,
+die om het goud in hun bergen een eeuwigen strijd met de griffioenen
+voeren. Sommigen zien hierin een dichterlijke inkleeding van geruchten
+aangaande den mijnbouw in den Oeral.
+
+Ariminum, Ariminon, bloeiende zeestad in Umbria, door de via Flaminia
+met Rome, en door de via Aemilia met Cisalpina verbonden. Een
+tijd lang was het in bezit der senonische Galliërs, doch na hunne
+verdrijving keerde de umbrische bevolking terug en werd de plaats in
+268 rom. kolonie. Thans Rimini.
+
+Ariobarzanes, Ariobarzanes, veldheer van den perzischen koning Darius
+III Codomannus, die nog eene laatste vruchtelooze poging deed om den
+voortgang der Macedoniërs te stuiten; hij werd, nadat hij zich had
+overgegeven, door Alexander eervol behandeld.--Ook werd deze naam
+gedragen door een drietal koningen van Cappadocia. Ar. I werd in 95
+door de Romeinen als koning aangesteld, doch meermalen door Mithradates
+van Pontus verdreven. Als spotnaam noemde men hem Philoromaeus of
+Romeinenvriend. Hij werd in 63 opgevolgd door zijn zoon Ar. II,
+en deze in 51 door Ar. III, die in den burgeroorlog eerst de partij
+van Pompeius, maar later die van Caesar koos, en in 43 door Cassius
+werd omgebracht.
+
+Arion, 1) Arion, van Methymna, beroemd dichter, zanger en citherspeler,
+die het eerst bij de Dionysusfeesten den dithyrambus door koren liet
+voordragen. Hij leefde langen tijd aan het hof van Periander van
+Corinthe, bij wien hij in hooge gunst stond. Toen hij van eene reis
+door Italië en Sicilië naar Corinthe terugvoer, besloten de matrozen,
+begeerig naar de schatten die hij bij zich had, hem te dooden. Op
+zijn verzoek werd hem toegestaan voor zijn dood een lied te zingen;
+hij trad naar den voorsteven, van waar hij zich bij het einde van zijn
+gezang in zee stortte. Maar een van de dolfijnen, die door de heerlijke
+muziek aangelokt waren, nam hem op den rug en bracht hem behouden
+naar Taenarum, van waar hij zijne reis naar Corinthe voortzette. Kort
+daarna kwam ook het schip te Corinthe aan en Periander, reeds van
+het gebeurde op de hoogte, liet de matrozen gevangen nemen en voor
+zich brengen. Eerst loochenden zij alle schuld en beweerden dat Arion
+te Tarente gebleven was, maar toen deze plotseling zelf verscheen,
+bekenden zij alles, waarop Periander hen liet ter dood brengen. Op kaap
+Taenarum stond eeuwen lang een bronzen beeld van Arion, op een dolfijn
+zittende. De lier en de dolfijn werden onder de sterren geplaatst.--2)
+Areion, het bliksemsnelle, met spraak begaafde paard van Adrastus,
+door Poseidon bij Demeter verwekt.
+
+Ariovistus, germaansch aanvoerder, die in 71 met 15000 Germanen den
+Rijn overtrok, om in Gallia de Arverners en Sequaners tegen de Aeduers
+te ondersteunen. Hij versloeg eerst zijne vijanden en onderwierp toen
+zijne bondgenooten. De rom. senaat verleende hem den titel van vriend
+en bondgenoot. Toen echter in 58 de onderdrukte gallische volken
+Caesars hulp hadden ingeroepen en Ariovistus Caesars eischen afwees,
+bracht Caesar hem in den Boven-Elzass eene zóó afdoende nederlaag toe,
+dat Ariovistus over den Rijn naar Germania terugvluchtte.
+
+Ariphron, Ariphron, van Sicyon, dithyrambendichter uit de vierde eeuw.
+
+Arisbe, Arisbe, 1) dochter van Merops, echtgenoote van Priamus, moeder
+van Aesacus.--2) trojaansche stad nabij Abydus, waarbij Alexander
+na den overtocht van den Hellespont zijn leger opsloeg.--3) stad op
+Lesbus, ten Z. van Methymna, die door eene aardbeving verwoest werd.
+
+Aristaenetus, Aristainetos, van Nicaea in Bithynië, grammaticus en
+rhetor, verloor het leven bij eene aardbeving te Nicomedea (358 na
+C.). De vijftig brieven vol avontuurlijke liefdesgeschiedenissen,
+die zijn naam dragen, zijn van veel lateren tijd.
+
+Aristaeus, Aristaios, zoon van Uranus en Ge of van Apollo en Cyrene,
+een god der oudste Grieken, wiens wezen later met dat van Zeus en
+Apollo samensmolt. Hij was de beschermer van den landbouw, van de
+kudden (Nomios), de jacht (Agreus), de bijen (Melisseus), enz. Hij
+werd vooral in Thessalië, in Cyrene en op het eiland Ceos vereerd.
+
+Aristagoras, Aristagoras, volgde zijn schoonvader Histiaeus als
+tyran van Miletus op, toen deze naar Susa aan het hof van Darius
+geroepen was. Op verzoek van eenige ballingen uit Naxus, bewoog hij
+Artaphernes, en door diens tusschenkomst Darius, eene vloot uit te
+zenden om dat eiland te veroveren en de ballingen terug te brengen;
+de onderneming mislukte echter, daar de perzische admiraal met
+Aristagoras twist kreeg en de Naxiërs waarschuwde. Uit vrees voor
+de ontevredenheid van Darius en aangespoord door een bode van zijn
+schoonvader, bewerkte Arist. nu een opstand van de ionische steden,
+die omstreeks 500 uitbrak en waarbij de Ioniërs door de Atheners
+en Eretriërs met schepen ondersteund werden. Hoewel aanvankelijk
+voorspoedig, werden de Grieken weldra weder door de Perzen bedwongen
+en Arist., het ergste vreezende, verliet met anderen Miletus om te
+Myrcinus in Thracië eene volksplanting te stichten; reeds het volgende
+jaar sneuvelde hij echter in een gevecht tegen de thracische Edoni.
+
+Aristarchus, Aristarchos, 1) van Athene, een van de hevigste oligarchen
+ten tijde van de regeering der vierhonderd (411), die met anderen van
+pogingen tot verraad verdacht werd. Toen de democratie hersteld werd,
+vluchtte hij en maakte hij op de vlucht van zijne betrekking als
+strateeg gebruik om Oenoë aan de Boeotiërs over te geven.--2) van
+Tegea, treurspeldichter, tijdgenoot van Euripides.--3) van Samus,
+alexandrijnsch wis- en sterrenkundige omstreeks 280. Hij leerde
+dat de aarde zich om de zon en om haar eigen as beweegt. Een werk
+van hem over de grootte en de afstanden van zon en maan is bewaard
+gebleven.--4) van Samothrace, de beroemdste taalkundige der oudheid,
+onderwijzer van een zoon van Ptolemaeus Philometor (Ptolemaeus
+no. 10). Door Ptolemaeus Physcon (z. Ptolemaeus no. 11) vervolgd,
+ging hij naar Cyprus, waar hij, 72 jaar oud, stierf (± 144). Van
+de vele oudere grieksche dichters, die hij grammatisch en critisch
+behandelde, besteedde hij de meeste zorg aan Homerus, wiens werken hij
+met verbeterden tekst en met voortreffelijke verklaringen uitgaf. In
+de scholiën op Homerus vindt men eenige overblijfsels van zijn werk.
+
+Aristeas, Aristeas, 1) van Proconnesus, schreef een gedicht over
+de Arimaspen, vol fabelen. Men verhaalde van hem, dat hij van tijd
+tot tijd van de aarde verdween en na een lang tijdsverloop weder
+verscheen. Te Metapontum had hij den dienst van Apollo ingevoerd.--2)
+een andere Ar. werd door Ptolemaeus Philadelphus naar Jeruzalem
+gezonden, om de zeventig vertalers van het Oude Testament te halen. Dit
+verhaal staat te lezen in een brief, die uit de eerste helft der 1ste
+eeuw v. C. dateert.
+
+Aristides, Aristeides, 1) Athener, zoon van Lysimachus, geb. omstreeks
+540, bijgenaamd de Rechtvaardige. Hij werkte mede aan de hervormingen
+van Clisthenes, en streed bij Marathon. Na de daar behaalde overwinning
+was hij archont. Als voorstander eener meer behoudende politiek
+verzette hij zich tegen de voorstellen van Themistocles, vooral
+tegen die betreffende de uitbreiding der zeemacht, en zoo scherp
+stonden de beide tegenstanders tegenover elkander, dat in 482 het
+ostracismus toegepast moest worden, en Ar. voor tien jaar verbannen
+werd. In den slag bij Salamis vervoegde hij zich echter weder bij de
+atheensche vloot en na de overwinning werd hij uit zijne ballingschap
+teruggeroepen. Bij Plataeae voerde hij de Atheners aan en later voerde
+hij het bevel over de vloot. Zijn gedrag was mede oorzaak, dat de
+hegemonie door de Grieken aan de Atheners aangeboden werd. Zoo algemeen
+was het vertrouwen dat hij genoot, dat hem de inrichting van de nieuwe
+symmachie werd opgedragen; hij bepaalde hoeveel ieder voor de vloot
+moest bijdragen en maakte Delus tot bewaarplaats van de bondskas. De
+groote gebeurtenissen van zijn tijd hadden hem ook in de binnenlandsche
+politiek van inzicht doen veranderen, en ook onder zijne medewerking
+werden de burgerlijke rechten, benoembaarheid tot verschillende ambten,
+enz., aan een grooter deel der bevolking gegeven. Hij stierf in 467
+zeer arm; de staat bekostigde zijne begrafenis, zorgde voor zijn
+zoon en gaf aan zijne dochters een huwelijksgift.--2) van Thebae,
+beroemd schilder uit den tijd van Alexander d. G.; hij muntte vooral
+uit in groote en uitvoerige stukken, die veldslagen of veroveringen
+voorstelden.--3) van Miletus, in de voorlaatste en laatste eeuw v. C.,
+schrijver van Milesiaka, fabulae Milesiae, romantische verhalen uit het
+leven te Miletus. Het werk was bij de Romeinen zeer gezocht, Sisenna
+(Cornelii no. 56) leverde eene latijnsche vertaling ervan. Slechts
+weinige fragmenten zijn overgebleven.--3) grieksch redenaar, zie
+Aelius Aristides (Aelii no. 10).
+
+Aristion, Aristion, een epicureïsch wijsgeer, die zich met behulp
+van Archelaus no. 4 tot tyran van Athene opwierp; toen Sulla de stad
+veroverd had, liet deze hem ter dood brengen (86).
+
+Aristippus, Aristippos, 1) van Cyrene, geb. omstreeks 435, werd
+in 416 door zijn vader naar Athene gezonden om het onderwijs van
+Socrates te genieten; na diens dood trad hij eerst te Aegina, later
+aan het hof van den jongeren Dionysius, vervolgens ook in verscheiden
+andere steden, o. a. in zijn vaderstad en te Athene als leeraar op. Hij
+stierf op hoogen leeftijd, misschien op het eiland Lipara. De leer van
+Aristippus, die de cyrenaeïsche of hedonische genoemd wordt, noemde
+als hoogste goed het genot, mits men zich niet erdoor liet beheerschen
+(to kratein kai me hettasthai hedones). Verstand en geestbeschaving
+stellen den mensch daartoe in staat. Genot is eene zachte beweging,
+die men met bewustheid ondergaat.--Aristippus was de eenige onder de
+leerlingen van Socrates, die zich voor zijn onderwijs liet betalen,
+vandaar dat hij soms sophist genoemd wordt.--2) kleinzoon van den
+vorigen, door zijne moeder Arete in de wijsbegeerte van zijn grootvader
+onderwezen (metrodidaktos).
+
+Aristius Fuscus, rom. tooneeldichter en taalgeleerde, vriend van den
+dichter Horatius.
+
+Aristobulus, Aristoboulos, 1) tochtgenoot van Alexander d. Gr.,
+stelde diens daden te boek; zijn werk was een van de voornaamste
+bronnen waaruit Arrianus geput heeft.--2) joodsch peripatetisch
+wijsgeer (± 150), die in verscheiden werken trachtte aan te toonen,
+dat de grieksche philosophie aan joodsche e. a. oostersche bronnen
+ontleend was.--3) zoon van den joodschen vorst-hoogepriester Alexander
+Jannaeus, leefde sedert den dood zijner moeder (69) in oorlog met
+zijn broeder Hyrcanus, die door Aretas, koning der Nabataeërs, werd
+ondersteund. Aristobulus riep de hulp in van Pompeius (64); doch
+toen hij dezen zocht te misleiden, werd hij zelf gevangen genomen en
+Hyrcanus op den troon geplaatst. Later ontkwam Aristobulus wel, doch
+hij werd opnieuw gevangen, en toen eindelijk Caesar hem in vrijheid
+had gesteld en hem troepen had gegeven om Judaea te vermeesteren
+(49), werd Ar. door zijne vijanden door vergif uit den weg geruimd.
+
+Aristocrates, Aristokrates, 1) koning van Arcadië, die in den tweeden
+messenischen oorlog de Messeniërs helpen zoude, maar zich door de
+Spartanen liet omkoopen om hen te verraden. Als verrader werd hij
+door de Arcadiërs gesteenigd, waarna zij de koninklijke waardigheid
+afschaften (668).--2) Athener, een van de admiraals die den slag bij
+de Arginusen wonnen en ter dood veroordeeld werden (406). Vroeger
+had hij tot de 400 behoord.--3) Spartaan, schrijver van Lakonika,
+phantastische verhalen. Hij leefde waarschijnlijk in de 1ste eeuw v. C.
+
+Aristodemus, Aristodemos, 1) een Heraclide, vader van Eurysthenes en
+Procles, die bij den terugtocht naar de Peloponnesus te Naupactus door
+den bliksem gedood werd. De Lacedaemoniërs verhaalden echter dat hij
+nog in Lacedaemon geregeerd had en dat zijne beide zonen in Lacedaemon
+geboren waren.--2) de held van den eersten messenischen oorlog, die
+ingevolge een orakel zijne dochter voor het vaderland opofferde. Later
+werd hij tot koning verkozen en voerde hij den oorlog langen tijd met
+groote dapperheid; toen echter de verdere verdediging hopeloos was,
+beroofde hij zich bij het graf zijner dochter van het leven (724).--3)
+tyran van Cumae in Campanië, erfgenaam van Tarquinius Superbus, die
+zijne laatste levensjaren bij hem doorbracht.--4) de eenige Spartaan
+die bij de Thermopylae niet sneuvelde; in Sparta werd hij daarom als
+een lafaard geschuwd, later sneuvelde hij echter roemrijk bij Plataeae.
+
+Aristogiton, Aristogeiton, 1) z. Harmodius.--2) atheensch redenaar,
+bijgenaamd kyon, tegenstander van Demosthenes, Dinarchus, Lycurgus
+en Hyperides.
+
+Aristoi, een van de namen, waarmede de edele geslachten in
+aristocratische republieken zich noemden. De naam berust op
+vooronderstelde voortreffelijkheid in deugd, beschaving, krijgskunst,
+enz.
+
+Aristomachus, Aristomachos, zoon van Cleodaeus, achterkleinzoon
+van Heracles. Steunende op een orakel, deed hij eene poging om
+de Peloponnesus te heroveren, maar daar hij het orakel verkeerd
+uitgelegd had, mislukte de onderneming en hijzelf sneuvelde door de
+hand van Tisamenus.
+
+Aristomenes, Aristomenes, 1) Messeniër, die zijne landgenooten tot een
+opstand tegen Sparta aanspoorde (684), waarvan de tweede messenische
+oorlog het gevolg was. De koninklijke waardigheid, die hem wegens
+zijne uitmuntende dapperheid werd aangeboden, wees hij af; toch was
+hij de ziel van den oorlog en bracht hij de vijanden meer dan eens
+in het nauw. Meermalen geraakte hij in het grootste levensgevaar,
+driemaal viel hij in handen der Spartanen, maar telkens ontkwam hij
+den dood op wonderdadige wijze, zelfs toen hij reeds te Sparta in den
+Caeadas geworpen was. Toen met den val der vesting dra de oorlog ten
+nadeele der Messeniërs eindigde, ging Arist. naar Ialysus, waar hij
+na zijn dood als heros vereerd werd.--2) atheensch blijspeldichter,
+tijdgenoot van Aristophanes.--3) Acarnaniër, die onder Ptolemaeus
+Epiphanes minister was en Aegypte verstandig bestuurde (202-192);
+aanvankelijk zeer door den koning bemind, werd hij, toen zijne
+vrijmoedigheid dezen lastig begon te worden, vergiftigd.
+
+Ariston, ontbijt, werd in de oudste tijden vroeg in den morgen,
+later tegen den middag gebruikt (= prandium). Wat men 's morgens
+vroeg nuttigde, heette akratisma of ariston proinon of ook wel
+alleen ariston.
+
+Ariston, Ariston, 1) van Chius, stoicijnsch wijsgeer omstreeks
+275. Ofschoon hij een leerling van Zeno was, liet hij een groot deel
+van diens leer als nutteloos vallen; volgens hem bestaat er niets
+tusschen deugd en ondeugd; de deugd is het hoogste goed, al het
+andere is den wijze onverschillig. Om hem van zijn naamgenoot te
+onderscheiden wordt hij soms Seiren of Phalanthos bijgenaamd.--2)
+van Ceus, volgde omstreeks 226 zijn leermeester Lyco als hoofd der
+peripatetische school op.
+
+Aristonicus, Aristonikos, 1) atheensch redenaar, aanhanger van
+Demosthenes, werd in 322 door Antipatrus gedood.--2) tyran van
+Methymna op Lesbus, door Alexander den Gr. gevangen genomen en aan
+de verbitterde Methymnaeërs uitgeleverd, die hem den marteldood deden
+ondergaan.--3) natuurlijke zoon van Eumenes II van Pergamus. Toen zijn
+broeder Attalus III in 133 zijn rijk aan de Romeinen naliet, beproefde
+Aristonicus zich met de wapenen tegen de uitvoering van het testament
+te verzetten, doch hij werd ten slotte door M. Perperna overwonnen, in
+zegepraal door Rome gevoerd en vervolgens in de gevangenis gewurgd.--4)
+alexandrijnsch taalgeleerde, tijdgenoot van Cicero, die zich vooral
+met de studie van Homerus bezig hield.
+
+Aristophanes, Aristophanes, 1) de grootste der atheensche
+blijspeldichters, waarschijnlijk geb. in 444, gest. in 385. Over
+zijn leven is weinig bekend. In zijne stukken, die zich bijna alle
+op politiek gebied bewegen, kiest hij zeer beslist partij tegen het
+rustelooze drijven van de oorlogspartij en tegen de demagogen en de
+door hen meer en meer ontaardende democratie. Misschien beoordeelt
+hij in zijne bewondering voor het voorgeslacht zijn eigen tijd wel
+wat al te streng, in ieder geval spreekt uit zijne werken oprechte
+vaderlandsliefde, en kan het niet verwonderen dat hij vurig verlangde
+naar rustiger en gelukkiger tijden dan die, waarin hij werkzaam
+was. Hij werkte voor het tooneel van 427-388, in dien tijd schreef hij
+40 (v. a. 50) stukken, terwijl nog vier door sommigen aan hem, door
+anderen aan Archippus toegeschreven werden. Hiervan bestaan, behalve
+een groot aantal fragmenten, nog elf, de eenige overblijfsels der oude
+attische comedie die in hun geheel bewaard zijn. Het zijn de Acharnes,
+opgevoerd bij de Lenaia (Jan.-Febr.) van het jaar 425, Hippes (Lenaea
+424), Nephelai, (oorspronkelijk opgevoerd bij de Dionysia van het jaar
+423, toen het stuk gevallen is; over is slechts de omwerking), Sphekes
+(opgevoerd Lenaea 422), Eirene (Dionysia 421), Ornithes (Dionysia 414),
+Lysistrate (Lenaea 411), Thesmophoriazousai (Dionysia 411), Batrachoi
+(Lenaea 405), Ekklesiazousai (389, v. s. 392), Ploutos (388). Zij
+munten uit door taal en versbouw, vinding en geest, al moge de scherts
+ons dikwijls wat ruw toeschijnen.--2) van Byzantium, geb. omstreeks
+260, studeerde te Alexandrië onder Zenodotus en Callimachus en werd
+een uitstekend taalgeleerde. Hij bezorgde uitgaven van Homerus en
+andere dichters en voerde het gebruik van accenten in. Hij stierf,
+77 jaar oud, als bibliothecaris te Alexandrië.
+
+Aristophon, Aristophon, 1) atheensch redenaar en staatsman na de
+verdrijving van de dertig.--2) ho Azenieus, invloedrijk redenaar en
+staatsman, bij wien Aeschines schrijver was.
+
+Aristoteles, Aristoteles van Stagirus, zoon van den arts Nicomachus,
+geb. 384, ging in 367 naar Athene, waar hij tot den dood van Plato
+diens leerling bleef. Toen deze in 347 gestorven was, begaf hij zich
+naar zijn vriend Hermeas, vorst van Atarneus, en na diens val (345)
+naar Mytilene, van waar hij echter spoedig (342) naar Macedonië
+geroepen werd om de opvoeding van Alexander op zich te nemen. Deze
+toonde ook in later jaren steeds de hoogste achting voor zijn
+leermeester; Stagirus, dat door Philippus verwoest was, werd weder
+opgebouwd en ontving eene staatsregeling, die Ar. ontworpen had; ook
+bij zijne natuurkundige studiën ontving de wijsgeer veel steun van den
+koning, die hem met groote kosten het noodige materiaal verschafte. In
+335 kwam hij weder te Athene en trad hij als leeraar der wijsbegeerte
+op; reeds bij zijn eerste verblijf aldaar had hij onderwijs gegeven
+in de welsprekendheid en had hij zich als een tegenstander van
+Isocrates doen kennen. Na den dood van Alex. werd hij door de
+antimacedonische partij van godslastering aangeklaagd en vluchtte
+hij naar Chalcis op Euboea, waar hij spoedig stierf (322).--Zijne
+voordrachten hield Arist. al wandelend in de schaduwrijke dreven
+(peripatoi, vandaar de peripatetische school) van het Lyceum voor eene
+talrijke schare toehoorders, en wel des morgens voor zijne eigenlijke
+leerlingen over meer bepaald wijsgeerige vraagpunten (akroamatika
+of esoterika), des avonds voor een groot publiek over populaire
+onderwerpen (exoterika). Zoo waren ook zijne buitengewoon talrijke
+werken (minstens 146 titels zijn bekend) deels populair, deels streng
+wetenschappelijk. Van de laatste soort zijn er genoeg bewaard gebleven
+om ons zijn veelomvattende kennis zoowel als zijne wetenschappelijke
+methode te doen bewonderen. Volgens Ar. is de wijsbegeerte het
+onderzoek naar de eerste oorzaken van het bestaande, en om met vrucht
+aan zulk een onderzoek te kunnen beginnen is eene uitgebreide kennis
+van het bestaande, berustend op nauwkeurige waarneming, noodig; tot
+het opbouwen van een wijsgeerig stelsel moeten dus alle wetenschappen
+te hulp geroepen worden, en inderdaad behandelen zijne werken zoowel
+logica, rhetorica, poëzie en kunst in het algemeen, als wiskunde,
+botanie, zoölogie, physiologie en psychologie, om eindelijk te komen
+tot ethica, staatswetenschap en, wat hij de eerste philosophie noemt,
+methaphysica. Al wat bestaat heeft stof en vorm, in de stof ligt
+de mogelijkheid, kiem, aanleg (potentieel bestaan, dynamis), van de
+individuen, maar eerst de vorm geeft hun individueel wezen (actueel
+bestaan, energeia, entelecheia), daarom staat vorm hooger dan stof,
+en is het volmaakste dat men zich kan voorstellen, d. i. de godheid,
+volstrekt onstoffelijke vorm of geest. Voor den mensch ligt het
+grootste geluk in verstandige en deugdzame werkzaamheid, die uit den
+aard der zaak door genot bekroond wordt.--Ar. heeft bij zijn leven
+slechts weinige wetenschappelijke werken uitgegeven; de meeste van
+zijne handschriften met zijn geheele bibliotheek liet hij aan zijn
+leerling Theophrastus na; eerst door Apellicon van Teos werden zij
+gevonden en uitgegeven. Een van zijne werken is eerst 1890 in Egypte
+gevonden. De leer van Ar. schijnt bij de Romeinen niet veel beoefenaars
+gevonden te hebben, in de middeleeuwen echter en nog tot het midden der
+17e eeuw werd zij aan alle hoogescholen als de eenige ware onderwezen,
+totdat zij door nieuwere stelsels verdrongen werd.
+
+Aristoxenus, Aristoxenos, van Tarente, een van de beste leerlingen
+van Aristoteles; van zijne werken is eene verhandeling over de muziek
+bewaard gebleven. Bovendien beschreef hij de levens van wijsgeeren,
+dichters enz.
+
+Aristus, Aristos, 1) van Salamis op Cyprus, beschreef, in de eerste
+helft der 2de eeuw, de geschiedenis van Alexander d. G.--2) van
+Ascalon, omstreeks het midden der eerste eeuw hoofd der academie te
+Athene, vriend van Cicero en onderwijzer van M. Brutus.
+
+Arius, omstreeks 260 n. C. in Cyrenaïca geboren, was onder de regeering
+van Constantijn den Grooten presbyter te Alexandrië en begon in die
+hoedanigheid een strijd, welke de christelijke kerk in twee vijandige
+kampen verdeelde. Volgens hem was Christus door den goddelijken wil
+uit niets geschapen en had alzoo niet van eeuwigheid af bestaan,
+en was dus niet gelijk aan (homoios), maar eenswezend (homoiousios)
+met God. Tegenover hem hielden Alexander, bisschop van Alexandrië,
+en diens opvolger Athanasius staande, dat Vader en Zoon gelijk waren
+en beiden van alle eeuwigheid af hadden bestaan. Op het concilie van
+Nicaea (325 n. C.) werd de leer van Arius veroordeeld en hijzelf uit
+de kerk gestooten. De keizer evenwel, gebelgd dat men een vonnis had
+geveld buiten hem om, en willende toonen, dat hij heer was ook over
+de kerk, verleende Arius gratie, riep hem later naar Constantinopel en
+verbande daarentegen Athanasius. Bij eene processie in Constantinopel
+kwam Arius plotseling op raadselachtige manier om het leven (336
+n. C.). De strijd in de kerk tusschen het Arianisme en de orthodoxe
+leer werd omstreeks twee eeuwen lang met groote heftigheid gevoerd. De
+Gothen waren Arianen.
+
+Ariusia, Ariousia chora, kuststreek aan den N. W. kant van het eiland
+Chius, waar de beste wijn groeide.
+
+Armene, Armene, stad aan de kust van Paphlagonia, ten W. van Sinope.
+
+Armenia, Armenia, uitgestrekt bergland ten Z. en Z. W. van de
+Caucasusgewesten, met de bronnen van den Euphraat en den Tigris,
+terwijl de Araxes en de Cyrus naar de Caspische zee stroomen. Ten
+W. van dit land, door den noordelijken Euphraat-arm er van gescheiden,
+lag Armenia minor, dat somtijds tot Cappadocia werd gerekend, ook
+een tijd lang met Pontus was vereenigd, en later ook als zelfstandige
+staat voorkomt. De bevolking van Armenia bestond uit twee standen, den
+armenischen adel, die van arischen stam was, en lijfeigene boeren,
+afstammelingen eener vroegere bevolking. Het land was een soort
+van feudaalstaat en omvatte een aantal gouwen en vorstendommen, als
+Chorzianene, Sophene, Arzanene, Moxoene, Gordyene, enz., die ten deele
+slechts middellijk onder den koning stonden. Buiten de vorstelijke
+residentiën, als Armauria, Artaxata, Tigranocerta, bevatte het land
+weinig belangrijke steden. Armenia maakte achtereenvolgens deel uit
+van het assyrische, het babylonische, het perzische, het macedonische,
+het syrische rijk, tot het, omstreeks twee eeuwen v. C. zich van dit
+laatste losscheurde. De eerste koning van Armenia maior was Artaxias,
+een gewezen veldheer van Antiochus III, terwijl een ander generaal,
+Zariadres, Klein-Armenië in bezit nam. De armenische koning Tigranes
+(97-56) breidde zijne heerschappij zelfs over Syria uit, dat hem echter
+door de Romeinen weder werd ontrukt. Sedert werd Armenia van Rome
+afhankelijk, doch werd nu en dan overheerd door de Parthen. Traianus
+maakte er, 114 na C., eene rom. provincie van, doch Hadrianus liet
+het weder los. Marcus Aurelius heroverde het in 163, doch slechts
+voor korten tijd. Wanneer in lateren tijd van eene provincie Armenia
+sprake is, moet hieronder Armenia minor worden verstaan.
+
+Armilla, armband. Vooral bij de oostersche volken werden zij door
+personen van rang en aanzien gedragen, ook bij de Galliërs. In
+Griekenland waren de armillae hoofdzakelijk een sieraad voor
+vrouwen; bij de Romeinen komen zij ook voor als eereblijken voor
+krijgslieden. Men vond ze in verschillende fatsoenen, zoowel in
+spiraalvorm, als in den gewonen ringvorm. Als sieraad droeg men ze
+zoowel om den pols en den benedenarm (psellion, perikarpion), als om
+den bovenarm, en ook wel om de enkels (perisphyrion).
+
+Armillum, eene soort van wijnkruik. Het spreekwoord anus ad armillum
+wordt gebezigd voor personen, die gedurig weder tot hunne oude gebreken
+of gewoonten vervallen.
+
+Armilustrium, een jaarlijksch wapenfeest, op 19 Oct. door de Romeinen
+gevierd op het Armilustrum, aan den voet van den mons Aventinus.
+
+Arminius, zoon van Segimer, opperhoofd der Cheruscers, had in de
+rom. legers gediend en was door Augustus met het burgerrecht en het
+ridderschap vereerd. Hij was het, die in 9 n. C. de drie legioenen
+van den rom. veldheer Quinctilius Varus in het Teutoburgerwoud
+in eene hinderlaag lokte en vernietigde. Door Germanicus werd hij
+bij herhaling verslagen (15 en 16 n. C.); zijne vrouw Thusnelda en
+zijn zoon Thumelicus vielen den Romeinen in handen en moesten den
+zegetocht des overwinnaars opluisteren. Thumelicus stierf later
+als zwaardvechter. Arminius zelf streed daarna met geluk tegen de
+Marcomannen onder Maroboduus, maar viel in 19 (v. a. in 21) door
+sluipmoord, door zijn eigen bloedverwanten beschuldigd dat hij naar
+de heerschappij stond.
+
+Armorica = Aremorica.
+
+Arna, Arna, stad in Umbria ten O. van Perusia.
+
+Arnae, Arnai, stad op Chalcidice.
+
+Arne, Arne, z. Aeolus.
+
+Arne, Arne, 1) stad in Thessaliotis, later Cierium geheeten.--2)
+stad in Boeotia, in het Copaïsche meer verzonken.
+
+Arnissa, Arnissa, stad in het macedonische landschap Eordaea.
+
+Arnobius, te Sicca in Numidia geboren en hierom Afer bijgenaamd,
+was een geacht rhetor ten tijde van Diocletianus. Hij omhelsde het
+christendom en is bekend als schrijver van een werk in zeven boeken,
+adversus gentes (ethne = heidenen).
+
+Arnon, Arnon, rivier in Palaestina ten O. van den Jordaan, die zich
+in de Doode zee stort.
+
+Arnus, voornaamste rivier van Etruria, thans Arno.
+
+Aromata, ta Aromata, kaap en stad aan de invaart der Arabische golf,
+de oostelijke punt van Afrika, thans kaap Guardafui.
+
+Arpi, stad in Apulia, volgens de sage gesticht door Diomedes, toen
+deze op zijn terugtocht uit Troje door storm op de daunische kust
+was geworpen. De plaats zou toen eerst Argos hippion hebben geheeten,
+welke naam verbasterd zou zijn tot Argyripa en vervolgens tot Arpi. Het
+was eene bloeiende handelsstad tot in den tweeden punischen oorlog. Na
+den slag bij Cannae namelijk koos Arpi de zijde van Hannibal (216),
+doch werd drie jaar later door de Romeinen heroverd en met het verlies
+zijner vrijheid gestraft, waarna het spoedig in verval kwam.
+
+Arpinum, volscische stad in Latium ten N. van Fregellae, sedert 303
+met de civitas sine suffragio, in 188 ook met het stemrecht begiftigd,
+geboorteplaats van Marius en van Cicero, wiens vaderlijke woning en
+landhuis dáár lag, waar de bergbeek Fibrenus in den Liris stroomt.
+
+Arretium, thans Arezzo, eene der oude 12 hoofdsteden van Etruria, aan
+den voet der Apennijnen gelegen, nabij de bronnen van den Tiberis en
+den Arnus, in eene vruchtbare streek. De stad bloeide door industrie en
+was beroemd door hare wapenfabrieken en vooral sedert de eerste eeuw
+v. Chr. door hare vazen, uit fijne, roode porceleinaarde gebakken en
+smaakvol met figuren en relief versierd. Deze vazen werden niet op
+de schijf gedraaid, maar in vormen geperst.
+
+Arrha of arrhabo, arrabon, ook arra en arrabo geschreven, handgift,
+godspenning, bij het sluiten eener overeenkomst gegeven, ook wel bij
+contracten van koop en verkoop. Ook bruidsgeschenk bij eene verloving.
+
+Arrhephoria, Arrephoria, feest dat jaarlijks in de maand Scirophorion
+(Juni-Juli) te Athene ter eere van Athena gevierd werd. Twee meisjes
+van 7 tot 11 jaar, die een jaar te voren door den Archon Basileus
+benoemd waren, en het geheele jaar op de Acropolis vertoefd hadden en
+aan den dienst van Athena Polias verbonden waren geweest (arrephoroi),
+brachten des nachts uit den tempel der godin een korf, waarvan de
+inhoud aan niemand bekend was, naar een naburige grot en brachten
+van daar een pak terug, waarvan men evenmin den inhoud wist. Daarop
+werden zij ontslagen.
+
+Arrhidaeus, Arridaios, zoon van Philippus van Macedonië en de danseres
+Philine. Na den dood van Alexander d. G. werd hij onder den naam van
+Philippus tot koning uitgeroepen, hij was echter wegens zijne zwakke
+geestvermogens niet in staat zelf te regeeren, zoodat in werkelijkheid
+de veldheeren van Alexander alle macht in handen hielden. In 317 werd
+hij met zijne gemalin Eurydice door Olympias vermoord.
+
+Arria, echtgenoote van Caecina Paetus. Toen deze onder de regeering
+van keizer Claudius wegens samenzwering ter dood was veroordeeld
+(42 n. C.), en aarzelde zichzelf om het leven te brengen, stiet Arria
+zich eerst den dolk in de borst en reikte hem toen haren echtgenoot
+toe met de woorden: "Paetus, het doet geen pijn." Hare dochter Arria
+was gehuwd met Paetus Thrasea, die op last van Nero moest sterven,
+omdat hij te onverholen zijn afkeer van diens daden te kennen gaf.
+
+Arrianus (Flavius), Arrianos, van Nicomedië, stoicijnsch wijsgeer
+en geschiedschrijver, leerling van Epictetus. Door de gunst van
+keizer Hadrianus werd hij, hoewel Griek, senator en tusschen 121
+en 124 n. C. consul suffectus, daarna (131-137 n. C.) stadhouder van
+Cappadocië, in welke betrekking hij met roem tegen de Alanen streed. Na
+147 woonde hij te Athene, waar hij het burgerrecht, archontaat
+e. a. eerambten kreeg. Van zijne geschiedkundige, krijgskundige
+en wijsgeerige geschriften zijn eenige bewaard gebleven, daaronder
+zijn voornaamste werk, de geschiedenis der veldtochten van Alexander,
+Anabasis Alexandrou, in stijl en bewerking een navolging van Xenophon,
+dat reeds bij de ouden voor het beste boek over dit onderwerp gehouden
+werd. Zie ook Epictetus.
+
+Arrius (Q.), een man van geringe afkomst, die het echter tot praetor
+had weten te brengen, is bekend door het prachtige feestmaal, dat
+hij bij zijns vaders uitvaart gaf, in 59, om daardoor stemmen te
+werven voor zijne verkiezing tot consul. Hiervan onderscheiden is een
+andere Q. Arrius, die als rom. veldheer in den zwaardvechtersoorlog
+voorkomt, in 72, toen hij Crixus versloeg, en die eigenlijk Verres
+als pro-praetor van Sicilië had moeten opvolgen, hetgeen door de
+moeilijkheden van den zwaardvechtersoorlog verhinderd werd.
+
+Arrogatio heette de aanneming tot zoon van iemand, die sui iuris
+was. Dit was voor hem, die zich liet arrogeeren, eene capitis deminutio
+(z. a.). Hij verloor den status familiae; er ging dus eene familia
+verloren. Uit dien hoofde werd hiertoe telkens eene wet vereischt,
+die door de curiën moest worden goedgekeurd. Daar elke familia hare
+sacra had, zoo moest aan de stemming eene verklaring der pontifices
+voorafgaan, dat uit het oogpunt van godsdienst geen bezwaar tegen de
+arrogatio was. Hoewel nu de aangenomen zoon den geslachts- en den
+familienaam van zijn adoptiefvader aannam, zoo werden toch mannen,
+die reeds op rijperen leeftijd zich tot zoon lieten aannemen, dikwijls
+nog bij hun ouden naam genoemd. Zie ook adoptio.
+
+Arruns = Aruns.
+
+Arruntii, plebejisch geslacht.
+
+Arsaces, Arsakes. In het midden der derde eeuw kwam zekere Arsaces,
+volgens sommigen van scythische, volgens anderen van perzische
+afkomst, in opstand tegen den syrischen koning Antiochus II. Het
+gelukte hem, rondom de stad Hecatompylos een klein rijk te stichten,
+dat onder zijne opvolgers door veroveringen zich uitbreidde tot
+het later zoo machtige parthische rijk. De door Arsaces I gestichte
+dynastie wordt die der Arsaciden genoemd. De eigenlijke grondlegger
+van de macht der Parthen was de broeder en opvolger van Arsaces I,
+Arsaces II Tiridates (248-211), die na eene schitterende overwinning
+op de Syriërs (238) zijne regeering over Hyrcania, Aria, Drangiana
+en Sogdiana uitbreidde. Na hem regeerden nog acht of negen en twintig
+koningen, die allen, behalve hun anderen naam, ook den naam of titel
+Arsaces hebben gevoerd. De laatste, Artabanus IV, kwam in 227 na C. om,
+toen, in plaats van het parthische, een nieuw-perzisch rijk verrees,
+onder de dynastie der Sassaniden.
+
+Arsacia, Arsakia, stad in Media, door Arsaces, den stichter van het
+parthische rijk, gebouwd, hetzij op de plaats, waar de door eene
+aardbeving verwoeste stad Rhagae of Europus had gestaan, hetzij op
+weinige uren afstands van daar.
+
+Arsamosata, sterke vesting in het armenische landschap Sophene.
+
+Arsanias, naam van den zuidelijksten der beide rivierarmen, die te
+zamen den Euphraat vormen.
+
+Arses, Arses, jongste zoon van Artaxerxes Ochus, werd door Bagoas
+na het vergiftigen van zijn vader op den troon gezet (338), doch
+werd op zijne beurt na eene regeering van drie jaar door denzelfden
+Bagoas vermoord.
+
+Arsia, grensrivier tusschen Histria en Liburnia, sedert Augustus,
+die Histria bij Italië gevoegd heeft, grensrivier tusschen Italië
+en Liburnia.
+
+Arsia silva, woudstreek op de grenzen van Etruria en Latium, waar
+L. Junius Brutus in den slag tegen de Tarquiniussen sneuvelde (509).
+
+Arsinoe, Arsinoe, 1) voedster van Orestes, die hem uit de handen
+van Clytaemnestra redde.--2) z. Anaxarete.--3) z. Alphesiboea.--4)
+z. Asclepius.--5) z. Barsine.--6) moeder van Ptolemaeus I.--7) dochter
+van Ptolemaeus I en Berenice, huwde met Lysimachus (z. a.). Na diens
+dood leefde zij eerst te Ephesus, daarna te Cassandrea in Macedonië,
+van waar zij door haar stiefbroeder Ptolemaeus Ceraunus verjaagd
+werd. Later (tusschen 278 en 274), nadat zij Arsinoe no. 8 had
+laten verbannen, huwde zij met haar broeder Ptolemaeus II, die haar
+naam aan vele steden en aan een district in Aegypte gaf en na haar
+dood groote gedenkteekenen te harer eere liet oprichten. Zij was
+een buitengewoon heerschzuchtige vrouw.--8) dochter van Lysimachus,
+gehuwd met Ptolemaeus II, smeedde een aanslag tegen hem uit haat tegen
+zijne zuster Arsinoë, en werd daarom naar Coptus in Boven-Aegypte
+verbannen.--9) ook, maar ten onrechte, Eurydice of Cleopatra genoemd,
+dochter van Ptolemaeus III, gehuwd met haar broeder Ptolemaeus IV. Zij
+nam deel aan den slag bij Raphia (217). Later (tusschen 210 en 205)
+liet haar echtgenoot haar om onbekende redenen vermoorden.--10)
+dochter van Ptolemaeus XI Auletes, gedurende de gevangenschap van
+haar broeder koningin van Aegypte, werd later door Caesar in triomf
+naar Rome gevoerd; zij werd daarna vrijgelaten, maar op aanstoken
+van Cleopatra liet Antonius haar te Ephesus (41) vermoorden.--11)
+echtgenoote van Magas, verschrijving voor Apama (z. a. no. 2).
+
+Arsinoe, Arsinoe, naam van verschillende steden, waaronder ééne op
+Cyprus (z. Marium), ééne in Cilicia, ééne in Cyrenaica, die vroeger
+Tauchira heette, en twee in Aegyptus. Van deze laatste lag de eene,
+te voren Crocodilopolis geheeten, aan het meer Moeris, ten W. van den
+Nijl; de andere lag aan den noordwestelijken inham der Arabische golf.
+
+Artabanus, Artabanos, broeder van den perzischen koning Darius
+Hystaspis, en dus oom van Xerxes, ontried vruchteloos aan beide vorsten
+den tocht tegen Griekenland.--Een andere Artabanus, een Hyrcaniër,
+bevelhebber van Xerxes' lijfwacht, wilde het koningshuis uitroeien
+en bracht in 465 den koning en diens oudsten zoon om het leven; de
+tweede zoon evenwel, Artaxerxes I, voorkwam den moordenaar, die nu
+zelf ter dood werd gebracht.--Onder de parthische Arsaciden vindt
+men een viertal koningen, die den naam Artabanus dragen.
+
+Artabazanes, Artabazanes, oudste zoon van Darius Hystaspis, die voor
+zijn halfbroeder Xerxes van zijne aanspraken op de troonopvolging
+moest afzien, omdat hij geboren was voordat Darius aan de regeering
+kwam. Hij sneuvelde in den slag bij Salamis.
+
+Artabazes, Artabazes = Artavasdes.
+
+Artabazus, Artabazos, 1) perzisch veldheer, die Xerxes naar Griekenland
+volgde, Olynthus veroverde en na den slag bij Plataeae onder de
+grootste moeilijkheden met 40000 man over land naar Byzantium
+terugtrok. Hij diende als tusschenpersoon bij de onderhandelingen
+tusschen Xerxes en Pausanias.--2) veldheer onder Artaxerxes II en
+satraap van Lydië en Phrygië onder Artaxerxes III. Tegen laatstgenoemde
+kwam hij in 356 in opstand, maar hoewel hij gevangen genomen werd,
+schonk de koning hem genade. De buitengewone getrouwheid, waarmede hij
+Darius Codomannus diende, bewoog Alexander, hem satraap van Bactrië
+te maken, welke waardigheid hij om zijn hoogen leeftijd echter slechts
+kort behield.
+
+Artace, Artake, stad en haven ten W. van Cyzicus. Ook een eilandje
+daar vlak bij.
+
+Artaphernes of Artaphrenes, Artaphernes, -phrenes, 1) broeder van
+Darius Hystaspis, satraap van Lydië, z. Aristagoras.--2) zoon van den
+vorigen, een van de aanvoerders der Perzen in den slag bij Marathon,
+en van de lydische en mysische troepen in den slag bij Salamis.
+
+Artaunum, vesting, door Drusus aangelegd en door Germanicus versterkt,
+vermoedelijk ergens in het Taunusgebergte.
+
+Artavasdes of Artabazes, Artabazes, Artabasdes, 1) koning van Armenia,
+zoon van Tigranes I, koos in de oorlogen der Romeinen tegen de Parthen
+tijdens Crassus en later tijdens Antonius (36) de zijde der Romeinen,
+doch verliet hen weder. Antonius maakte zich van zijn persoon meester
+en liet hem geboeid te Alexandrië voor zijn triumfwagen uitgaan. Na
+den slag bij Actium werd hij op last van Cleopatra omgebracht
+(30).--2) zoon van no. 1, gewoonlijk Artaxes geheeten, moest voor
+de Romeinen vluchten en week naar de Parthen, die hem op den troon
+herstelden. Later riepen de Armeniërs zelven de hulp der Romeinen tegen
+hem in; doch voordat nog het rom. leger het armenische gebied had
+bereikt, was de koning reeds door samenzweerders vermoord (20).--3)
+koning van Media Atropatene, was een bondgenoot van Antonius tegen
+zijn armenischen naamgenoot, doch werd later zelf door de verbonden
+Parthen en Armeniërs uit zijn eigen rijk verjaagd.
+
+Artaxata, ta Artaxata, sterke vesting en hoofdstad van Armenia, door
+den eersten armenischen koning Artaxias aan den Araxes gebouwd (189)
+volgens een ontwerp van Hannibal, die een poos bij hem verblijf
+hield. De stad werd in 58 n. C. door de Romeinen onder Corbulo
+veroverd en verbrand, maar kort daarop door koning Tiridates onder
+den naam Neronia herbouwd. Ook in later tijd heet de stad echter
+gewoonlijk Artaxata.
+
+Artaxerxes, Artaxerxes, naam van perzische koningen: 1)
+Art. I Makrocheir (Longimanus), zoon van Xerxes (z. Artabanus),
+reg. 465-425, gedurende welken tijd hij met vele opstanden te kampen
+had. Vooral gevaarlijk en moeilijk te onderdrukken was de opstand der
+Aegyptenaren onder Inaros, die door de Atheners met schepen ondersteund
+werd. Omtrent den Cimonischen vrede z. Cimon a. h. e.--2) Art. II
+Mnemon, zoon en opvolger van Darius II, reg. 404-358. Reeds dadelijk
+bij het begin zijner regeering trachtte zijn jongere broeder Cyrus,
+satraap van Lydië, Phrygië en Cappadocië hem van den troon te stooten,
+hij sneuvelde echter in den slag bij Cunaxa (401). In 400 zonden de
+Spartanen, die door de aziatische Grieken te hulp geroepen waren,
+een leger naar Azië, dat, vooral onder Agesilaus, aanmerkelijke
+voordeelen behaalde op de satrapen Tissaphernes en Pharnabazus,
+zoodat Agesilaus reeds hoop voedde op de verovering van het geheele
+perzische rijk, welks inwendige zwakheid in dezen oorlog duidelijk
+gebleken was. Het gelukte Art. echter in Griekenland zelf een oorlog
+tegen de Spartanen te verwekken, waardoor zij genoodzaakt waren
+Agesilaus terug te roepen. Ook tegen Aegypte, dat onder Nectanebis
+weder opgestaan was, tegen Euagoras van Cyprus en tegen vele afvallige
+satrapen moest Art. langdurige en moeilijke oorlogen voeren. Even
+ongelukkig was hij in zijn familieleven. Bij de vele hofintriges,
+die dikwijls een bloedig einde hadden, kwam nog het slechte gedrag
+zijner zonen, waarvan de oudste, Darius, tot troonopvolger bestemd,
+een zamenzwering smeedde om zijn vader te laten vermoorden, en daarom
+op diens bevel ter dood gebracht werd.--3) Art. III Ochos, zoon van
+Art. II, reg. 358-338, een wreed tiran, die bijna zijne geheele familie
+liet vermoorden. Met de hulp van grieksche huurtroepen onderwierp hij
+Aegypte en Phoenicië en bedwong hij den opstand van Artabazus. Hij
+regeerde geheel onder den invloed van zijn gunsteling, den Aegyptenaar
+Bagoas, die hem eindelijk vergiftigde.--4) Artaxerxes I, stichter van
+het nieuw-perzische rijk 227 n. C. (v. s. 224 n. C.) en van de dynastie
+der Sassaniden. Hij regeerde in Perzië sedert 211, maar versloeg den
+laatsten koning der Parthen, Artabanus, in 227, en noemde zich sedert
+dien tijd "koning der koningen van Iran." Hij stierf in 241 of 242
+en werd opgevolgd door zijn zoon Sapores I. In 223 voerde hij oorlog
+met den romeinschen keizer Severus Alexander. Zie verder Sassanidae.
+
+Artaxes = Artavasdes no. 2.
+
+Artaxias, Artaxias, generaal van den syrischen koning Antiochus III,
+en stadhouder van Armenia, maakte zich omstreeks 188 onafhankelijk
+en stichtte het armenische rijk. Antiochus IV Epiphanes versloeg hem
+wel en nam hem zelfs gevangen, doch kon Armenia niet heroveren. Ook
+de volgende koningen van Armenia maior komen, behalve onder hun eigen
+naam, ook onder den naam of titel Artaxias voor.
+
+Artemidorus, Artemidoros, 1) alexandrijnsch taalgeleerde uit de 1ste
+eeuw v. C., leerling van Aristophanes. Hij schreef over het dorisch
+dialect en gaf de bucolici uit.--2) van Ephesus, beschreef omstreeks
+100 zijne reizen in een geographisch werk, dat door latere schrijvers
+veel gebruikt werd en waarvan nog een uittreksel bestaat.--3) van
+Ephesus, leefde te Rome onder Hadrianus en schreef een Droomboek
+(Oneirokritika), dat zoowel over de mythologie als over de zeden van
+zijn tijd belangrijke bizonderheden bevat.
+
+Artemis, Artemis, Diana, dochter van Zeus en Leto, tweelingzuster van
+Apollo, met wien zij vele punten van overeenkomst heeft. Evenals hij,
+brengt ook zij met hare pijlen een plotselingen dood, vooral aan
+vrouwen, en straft zij hen, die de wetten en het recht overtreden,
+maar ook eveneens is zij eene ongelukafwerende, heilaanbrengende
+godin (Soteira). Vooral vrouwen neemt zij onder hare bescherming,
+geeft schoonheid en gezondheid aan jonge meisjes en staat de vrouwen
+bij in barensnood (Eileithuia); ook doet zij jonge kinderen opgroeien
+(Kourotrophos), zooals zij hare zorgen uitstrekt over alles wat in de
+natuur jong en zwak is. Hier en daar komt zij voor als verzoenende
+en orakelgevende godin, of als godin der schoone kunsten; zelve
+vermaakt zij zich met hare nimfen gaarne met den dans, en ook op
+den Olympus voert zij den reidans aan. Bijzonder treedt zij op den
+voorgrond als godin der jacht (Agrotera), zij begunstigt de jagers
+en geeft hun goede vangst, en zelve maakt zij van hare nimfen
+vergezeld, op het wild jacht, vooral in de wouden en op de bergen
+van Arcadië en Lacedaemon. Voor liefde is zij ontoegankelijk, zij
+is en blijft de maagdelijke godin (Earthenos), die alle aanslagen
+op hare eerbaarheid streng bestraft en ook bij sterfelijke vrouwen
+de kuischheid beschermt. Oorspronkelijk was Artemis eene maangodin
+en ook later wordt zij dikwijls voor dezelfde gehouden als Hecate en
+Bendis. In de oudste tijden werden haar menschenoffers gebracht, die
+later wel afgeschaft werden, maar waarvan op enkele plaatsen altijd
+sporen overbleven. Te Sparta bijv. werden jaarlijks voor het altaar
+van Artemis Orthia knapen gegeeseld, tot hun bloed op het altaar
+spatte. De Grieken zelf beweerden dat de Artemis, die zulke bloedige
+offers eischte, de taurische was (Tauropolos), in wier dienst Iphigenia
+in Tauris priesteres geweest was en wier beeld en eeredienst Orestes
+vandaar naar Griekenland had medegebracht. De ephesische Artemis was
+eene aziatische godin, een verpersoonlijking van de voortbrengende
+en voedende kracht der natuur. De dienst van Artemis was, evenals die
+van Apollo, door geheel Griekenland verbreid. De hond, het hert, het
+zwijn, de beer en de kwartel zijn haar gewijd. Zij wordt gewoonlijk
+voorgesteld als eene slanke en vlugge jageres, met hoog opgeschorte
+kleederen, hooge schoenen, pijl en boog; in hare tempels stonden echter
+ook beelden met lange kleederen, die behalve den boog nog een fakkel
+droegen. Bij de beelden der ephesische Artemis daarentegen was het
+geheele lichaam ingewikkeld als eene mummie en geheel met borsten
+bezet, zinnebeeld van de voedende kracht der godin.
+
+Artemisia, Artemisia, feesten van Artemis.
+
+Artemisia, Artemisia, 1) dochter van Lygdamis, koningin van
+Halicarnassus, nam met vijf schepen deel aan den tocht van Xerxes
+tegen Griekenland, en toonde in den slag bij Salamis veel moed en
+beleid.--2) dochter van Hecatomnus, zuster en gemalin van Mausolus,
+wiens nagedachtenis zij eerde door de oprichting van een grafmonument,
+het Mausoleum, dat onder de zeven wonderwerken der oudheid gerekend
+werd. Zij volgde hem in de regeering over Carië op en stierf in 351.
+
+Artemisium, Artemision, kaap en kuststreek in het Noorden van het
+eiland Euboea, bekend door den zeeslag tusschen Perzen en Grieken
+in 480.
+
+Artolaganum, artolaganon, broodkoek, een gebak, dat bereid werd uit
+meel, wijn, melk, olie en peper, en als lekkernij geprezen wordt.
+
+Aruns, Arrouns, etruscisch woord = jongere zoon, bij de Romeinen
+eenigszins tot eigennaam geworden. Aldus worden genoemd: een broeder
+van Tarquinius Priscus, een broeder en een zoon van Tarquinius
+Superbus, een zoon van Porsenna.
+
+Arvales fratres, een romeinsch priestercollegie van twaalf priesters,
+wier ambt levenslang was en zelfs door gevangenis of verbanning
+niet kon verloren worden. Aan hun hoofd stond een magister collegii,
+die voor den tijd van een jaar uit hun midden werd gekozen. In Mei
+hielden zij ter eere der Dea Dia (waarschijnlijk Ceres of Tellus),
+een plechtig offerfeest, de Ambarvalia (z. a.) waarbij een oud lied in
+saturnische versmaat werd gezongen, en dat met een kostbaren maaltijd
+werd besloten. Daarbij had een plechtige omgang plaats. Hunne taak
+was, zooals Varro zegt: sacra facere propterea ut fruges ferant
+arva. Volgens de sage zou Romulus' pleegmoeder, Acca Larentia, twaalf
+zonen hebben gehad, en zou Romulus, na den dood van een hunner,
+diens plaats hebben ingenomen en de broederschap gesticht hebben. In
+het laatst van de republiek hield het college op te bestaan, maar
+nadat de dienst een tijdlang door de pontifices was waargenomen,
+werd het door Augustus in 21 hersteld. Sinds dien tijd bepaalde de
+plechtigheid zich tot een heilig terrein om een tempeltje van Dea Dia,
+5 mijlen ten Z. van Rome aan de via Campana gelegen. Hier zijn in
+1570 n. C. en later de verslagen van 96 jaarfeesten op marmer gegrift
+gevonden, de z.g. acta fratrum arvalium. De fratres droegen bij hun
+feest kransen van korenaren.
+
+Arverni, welke naam nog voortleeft in Auvergne, waren een der
+hoofdvolken van Gallia. Ze woonden aan den Elaver (Allier) en in
+de omliggende bergen, en beheerschten ten tijde van Caesar geheel
+westelijk Gallia tusschen Liger en Garumna. Hunne hoofdstad was
+Nemossus, later in Augustonemetum herdoopt (z. a.). Het sterke
+Gergovia, door Caesar in den strijd tegen Vercingetorix tevergeefs
+belegerd, lag ook in hun gebied. Vercingetorix zelf was ook een
+Arverner. Bij de reorganisatie onder Augustus werd hun land bij
+Aquitania (z. a.) gevoegd.
+
+Arx, akropolis. In ouden tijd had elke aanzienlijke stad eene arx of
+acropolis, binnen de muren op eene hoogte gelegen, ten einde bij eene
+overrompeling den inwoners een toevluchtsoord te verschaffen. Over
+de meeste dezer akropoleis valt niets bizonders te zeggen. Waar iets
+bizonders er van te vermelden is, zooals bij die van Athene en Rome,
+zie men de plaatsbeschrijving dezer steden.
+
+Arybas of Arybbas, Arybas, vorst der Molossiërs, oom van Olympias,
+werd in 342 door zijn neef Alexander van Epirus met de hulp van
+Philippus verjaagd. De Atheners beloofden hem hulp, maar konden
+die niet verschaffen. Hij heeft lang in Athene geleefd en stierf in
+ballingschap. V. a. is hij later naar Epirus teruggekeerd.
+
+Arzanene, Arzanene, landschap van Armenia maior, ten zuiden door den
+Tigris begrensd.
+
+As, afgeleid van heis, rom. munt, de waarde van een rom. pond (=
+ongeveer 1/3 kilo) koper voorstellende. Oorspronkelijk gebruikte men
+vee (pecus) als ruilmiddel. Later kwam het koper in gebruik, eerst in
+den vorm van gewichten. Een pond koper (pondo aeris) noemde men as
+(één); dit was verdeeld in 12 unciae. Zoo kon het koper, vooral in
+kleinere bedragen, het daarvoor minder geschikte vee als ruilmiddel
+vervangen. Men noemde het daarom pecunia. De overlevering wil, dat
+men reeds in den koningstijd een in een vorm gegoten hoeveelheid
+koper van staatswege met een teeken kon laten voorzien, als het
+gewicht juist was (aes signatum), zoodat het dan niet meer telkens
+behoefde te worden nagewogen. In 430 bepaalde de lex Julia Papiria
+(z. a.), dat bij betalingen aan den staat een schaap door tien as
+(d. i. 10 pond koper) en een koe door 100 as zou worden vervangen;
+vroeger hing de waardebepaling (aestimatio) van het goedvinden der
+ambtenaren af. Omstreeks 375 werd de eerste munt te Rome gemaakt,
+bestaande in groote koperen schijven, nagenoeg een Romeinsch
+pond zwaar, as libralis geheeten. Ze vertoonden op de eene zijde
+den voorsteven van een schip, op de andere den kop eener godheid
+(Janus). De halve as was meest met een Jupiterskop en aan de keerzijde
+weder met een voorsteven gestempeld, en droeg de letter S (semissis)
+tot onderscheidingsteeken, terwijl op den geheelen as het merk I was
+aangebracht. De overige onderdeelen van den as droegen verschillende
+stempels en zooveel ronde knopjes, als zij unciae waard waren. Het
+waren de triens = 4 unciae, de quadrans of teruncius = 3 unciae,
+de sextans = 2 unciae en de uncia. Omstreeks 268 begon men zilveren
+munten te slaan en wel in drie waarden, den denarius (10 as), den
+quinarius (5 as), den sestertius (2 1/2 as) z. a.; tot voorbeeld
+diende de Attische drachme, waarmede de denarius altijd is gelijk
+gesteld. Tevens muntte men een nieuwen as, die slechts een derde
+(triens) woog van den oude, den z.g. as trientalis. In 250 werd de as
+sextantarius ingevoerd, die een zesde (sextans) van het oude gewicht
+bedroeg = 2 unciae, maar den as trientalis moest vervangen, zoodat er
+ook van dezen as tien in een denarius gingen. De as werd dus sinds
+dezen tijd teekenmunt. In 217 werd het gewicht van den as op 1 ons
+gebracht (as uncialis) en gelijk gesteld met 1/16 van een denarius en
+1/4 van een sestertius. Inmiddels werden de oude stukken (aes grave),
+zoolang ze bestonden, voor een hoogeren prijs verhandeld. Waar in
+oude wetten, dus ook in boeten, het woord as voorkwam, werd die niet
+gelijkgesteld met den as uncialis, maar als een sestertius (4 as)
+berekend. Later werd de as tot op een half ons verkleind, maar de
+waarde bleef dezelfde = 1/4 sestertius. Hij diende voortaan als
+pasmunt.--Hoewel de as de oorspronkelijke munteenheid was, werden
+geldsommen berekend met sestertii. De sestertius (= semistertius,
+derdehalf) was eerst, overeenkomstig zijn naam, gelijk aan 2 1/2 as,
+doch werd later (in 217) aan 4 as gelijkgesteld. Z. sestertius.
+
+Asander, Asandros, zoon van Philotas, veldheer van Alexander d. G. Hij
+werd in 334 stadhouder van Lydië en voltooide de verovering van
+Halicarnassus door een grooten slag, waarin hij met Ptolemaeus aan
+Orontobates de nederlaag toebracht.--2) zoon van Agathon. Na den dood
+van Alex. werd hij stadhouder van Carië, en daar Perdiccas hem die
+provincie wilde afnemen, ging hij tot de partij van Antigonus over
+(321). Later sloot hij zich weder bij de vijanden van Antigonus aan,
+maar moest zich in 313 aan hem onderwerpen.--3) veldheer van Pharnaces
+II, koning van Bosporus, dien hij bij de nadering van Caesar liet
+dooden om in zijne plaats te regeeren (47). Caesar liet hem afzetten,
+doch Augustus gaf hem later de regeering terug.
+
+Asarotum, asaroton, vloer van mozaiekwerk voor een eetzaal, zóó
+ingelegd, dat het den schijn had, alsof er allerlei overblijfselen van
+een maaltijd op lagen en hij niet was aangeveegd (sairo). Wanneer dan
+een der dischgenooten werkelijk iets morste, viel dit niet in het oog.
+
+Asbestus, asbestos (onbrandbaar), asbest of amiant, eene delfstof,
+waarvan de vezels zich als vlas laten verwerken en waarvan men in
+de oudheid het asbestinum linum vervaardigde, om er de dooden in te
+wikkelen, alvorens zij op den brandstapel werden gelegd, opdat hunne
+asch niet zou verontreinigd worden door die van het hout. Daar zulke
+lijkwaden zeer kostbaar waren, konden slechts de gegoeden zich deze
+weelde veroorloven.
+
+Asbolus, Asbolos, een Centaur, die op de bruiloft van Pirithoüs met
+de Lapithen vocht en later door Heracles gekruisigd werd.
+
+Ascalaphus, Askalaphos, 1) zoon van Ares en Astyoche, koning der
+Orchomeniërs, nam deel aan den Argonautentocht en sneuvelde voor
+Troje. V. a. werd hij na de verovering van Troje koning van het
+eiland Aretias in de Zwarte zee.--2) zoon van Acheron en Gorgyra of
+Orphne. Toen Persephone uit de onderwereld zou vrijgelaten worden,
+indien zij er nog niets genuttigd had, verried hij dat zij van een
+granaatappel geproefd had. Tot straf begroef Demeter hem onder een
+zwaren steen, en toen Heracles hem later daarvan bevrijdde, veranderde
+zij hem in een nachtuil.
+
+Ascalon, Askalon, voorname vesting der Philistijnen, later een
+belangrijke hellenistische stad, op de kust van Palaestina.
+
+Ascania, Askania, 1) meer en omgeving in Bithynia, bij de stad
+Nicaea.--2) zoutmeer in zuidelijk Phrygia tusschen Colossae en
+Celaenae.
+
+Ascanius, Askanios, zoon van Aeneas en Creusa, door Vergilius
+en anderen ook Ilus of Iulus genoemd, ten einde de afstamming van
+Augustus en de gens Iulia uit Aeneas aan te wijzen, werd door zijn
+vader uit Trojes ondergang gered en kwam met hem in Latium aan,
+waar hij Alba Longa stichtte.
+
+Asciburgium, stad aan den linkeroever van den Rijn, in het gebied
+der Gugerni in Belgica. Het ligt tusschen Vetera en Gelduba.
+
+Asciburgius mons, thans het Reuzengebergte.
+
+Asclepiadae, Asklepiadai, priesters en, naar men meende, afstammelingen
+van Asclepius. Op Cos, te Cnidus e.e. vormden zij vereenigingen voor
+de bestudeering en uitoefening der geneeskunde. Te Rome was het de
+algemeene naam voor geneeskundigen.
+
+Asclepiades, Asklepiades, 1) naam van verscheiden
+geneeskundigen. Beroemd is de geleerde Ascl. van Prusa in Bithynië,
+die omstreeks 50 te Rome zijne kunst uitoefende.--2) van Myrlea,
+beroemd grieksch rhetor te Alexandria, en later te Rome (150-50). Hij
+heeft een theorie der geschiedbeschrijving samengesteld, waarvan de
+grondslag is een soortgelijke indeeling in drieën, als men bij de
+rhetorica vindt, en b.v. door Cicero is uitgewerkt en toegepast. Ook
+in den keizertijd blijft dit systeem in gebruik.
+
+Asclepiodorus, Asklepiodoros, beroemd schilder, tijdgenoot van Apelles.
+
+Asclepius, Asklepios, Aesculapius, zoon van Apollo en Coronis, dochter
+van Phlegyas, of Arsinoë, dochter van Leucippus, geb. in Thessalië,
+te Epidaurus of in Messenië. In de oudste gedichten wordt hij
+voorgesteld als een heros, die, door Apollo aan Chiron toevertrouwd,
+door dezen opgevoed werd en van hem o. a. de geneeskunde leerde,
+waarin hij het zoover bracht dat hij niet alleen vele zieken genas,
+maar zelfs dooden deed herleven. Toen echter werd hij door Zeus,
+die niet wilde dat de menschen geheel van de vrees voor den dood
+bevrijd zouden worden, met den bliksem getroffen en, op verzoek
+van Apollo, als sterrenbeeld aan den hemel geplaatst. Later werd
+Ascl. algemeen vereerd als de genezende god, eene hoedanigheid die
+eigenlijk tot het wezen van Apollo behoort, en had hij heiligdommen
+in verscheiden plaatsen, vooral zulke die wegens schoone en gezonde
+ligging, bronnen e. dgl. veel bezocht werden door hen die genezing
+van ziekten zochten. Daartoe legde men zich, na het vervullen van
+nauwkeurig omschreven plechtigheden, in of bij den tempel neer, waarop
+men in den slaap de gewenschte voorschriften van den god ontving, die
+echter meestal door de priesters verduidelijkt moesten worden. Vooral
+beroemd was zijn tempel te Epidaurus, rijk begiftigd met de geschenken
+van herstelde zieken, waar om de vijf jaar te zijner eer een groot
+feest, Asklepieia, gevierd werd; later was Pergamum de hoofdzetel
+van zijn eeredienst. De haan, de hond en de geit waren hem gewijd,
+maar bovenal de slang, waarmede hij steeds afgebeeld wordt en onder
+welker gedaante de god zelf zich soms vertoont. Z. Aesculapius.
+
+Asconius Pedianus (Q.), geboren te Patavium weinige jaren v. C.,
+overleden 88 na C., v. a. 76 n. C., schrijver van belangrijke
+aanteekeningen op Cicero's redevoeringen. In 1416 heeft men te
+St. Gallen een (thans verloren) handschrift gevonden met een gedeelte
+zijner aanteekeningen, waaronder echter ook van jonger hand.
+
+Ascra, Askra, stadje in Boeotia, aan den voet van den Helicon,
+geboorte- of verblijfplaats van Hesiodus.
+
+Asculum, naam van twee steden in Italia. 1) Asculum (Ausculum)
+Apulum, op de grenzen van Apulia en Samnium, waar de Romeinen in
+279 door Pyrrhus, koning van Epirus, werden verslagen. (Zie Decii
+no. 3). Horatius duidt het plaatsje aan door de woorden: oppidulum
+quod versu dicere non est.--2) Asculum Picenum, hoofdstad van Picenum
+en romeinsch municipium, in den bondgenootenoorlog verwoest, doch
+weder opgebouwd.
+
+Asebeias graphe, aanklacht wegens beleediging en bespotting van door
+den staat erkende goden of wegens heiligschennis. Zulke zaken werden
+door den archon basileus voor den Areopagus, soms voor de Heliaea
+gebracht. De straf was niet bij de wet bepaald.
+
+Asia, Asia, Oceanide, moeder van Prometheus.
+
+Asia, Asia. Deze naam heeft verschillende beteekenissen. Vooreerst
+verstaat men er het werelddeel onder, dat van Europa door den Tanaïs
+(Don), de Palus Maeotis (zee van Azow) en verder door zeeën was
+gescheiden, en slechts voor een klein gedeelte bekend was. Als
+scheiding tusschen de werelddeelen Azië en Afrika werd eerst het
+Nijldal, later de Arabische golf beschouwd. De ouden spraken van
+Beneden- en Boven-Azië, en namen dan als scheiding den stroomloop van
+den Halys of wel het Taurusgebergte met den Antitaurus aan (ta kato en
+ta ano Asias, Asia he entos en ektos tou Halyos of tou Taurou). Het
+oudst bekende gedeelte omvatte niet veel meer dan het oude perzische
+rijk; de tochten van Alexander den Grooten brachten eenige meerdere
+kennis omtrent India aan. In de vierde eeuw na C. sprak men van Asia
+minor en maior. Asia minor, thans Anatolië of Natolië, omvatte het
+groote vooruitspringende schiereiland, dat ten N. door den Pontus
+Euxinus, ten W. door de Aegaeïsche zee, ten Z. door de Middellandsche
+zee tot aan de golf van Issus werd omspoeld. Al wat daarachter lag,
+was Asia maior.
+
+De romeinsche provincie Asia was ontstaan door het testament van den
+laatsten koning van Pergamus, Attalus III, die in 133 zijn rijk en
+zijne schatten aan het romeinsche volk naliet. Zij omvatte in het eerst
+de volgende landschappen: Mysia met Aeolis, Lydia met Ionia, Caria met
+Doris (129). Eenige jaren later (116) werd Phrygia er aan toegevoegd,
+dat wel tot Pergamus had behoord, doch eerst aan Mithradates V van
+Pontus was afgestaan. Onder keizer Vespasianus werden ook Rhodus en
+Lycia ingelijfd. Asia werd eerst door propraetors bestuurd, doch werd
+later eene proconsulaire provincie. Ephesus was de hoofdstad.
+
+Tijdens keizer Traianus omvatte het romeinsche gebied in Azië de
+volgende gewesten: 1 de bovengenoemde provincie Asia, 2 Bithynia, 3
+Paphlagonia, 4 Galatia, 5 Lycaonia, 6 Pisidia, 7 Lycia, 8 Pamphylia,
+9 Cilicia, 10 Cyprus, 11 Cappadocia, 12 Pontus, 13 Armenia minor,
+14 Armenia, 15 Mesopotamia (noordwestelijk gedeelte), 16 Commagene,
+17 Syria met inbegrip van Phoenice en Judaea, 18 Arabia Petraea,
+die echter niet alle afzonderlijke provinciën vormden. Bij de latere
+indeeling van het rom. rijk in 116 provinciën werd de oude provincie
+Asia in zeven deelen gesplitst, waarvan Asia proconsularis de westkust
+bevatte van de golf van Adramyttium af tot aan den Maeander.
+
+Asia prata, Asios leimon, ook wel Asia palus geheeten, de vruchtbare
+vlakte in Lydia, die door den Cayster doorsneden wordt, ten Zuiden
+van den berg Tmolus.
+
+Asinarus, Asinaros, rivier op Sicilia, een eind bezuiden Syracusae,
+bij welke de Atheners in 413 door de Syracusanen en den Spartaan
+Gylippus verslagen werden en Nicias zich moest overgeven.
+
+Asine, Asine, 1) stad aan de Argolische golf.--2) stad aan de
+Messenische golf, gesticht door de dryopische bewoners van no. 1,
+die uit hunne woonplaats waren verdreven.--3) kustplaats in Laconia,
+bij Gytheum.
+
+Asinii, 1) C. Asinius Pollio, uit Teate Marrucinorum afkomstig,
+geboren 75 v. en gestorven 5 n. C., was als geschiedschrijver,
+als treurspeldichter, als redenaar en als criticus een der meest
+gevierde mannen van zijn tijd. Het meest bekende en belangrijkste
+was zijn werk over de burgeroorlogen, waarin hij nu en dan belangrijk
+schijnt afgeweken te zijn van de officieele lezing. In den burgeroorlog
+tusschen Pompeius en Caesar had hij de partij van den laatste omhelsd,
+en bij Pharsalus, in Africa en Hispania gestreden. Na Caesars dood
+behoorde hij tot de republikeinsche partij en sloot hij zich noch
+rechtstreeks bij Antonius, noch bij Octavianus aan, maar poogde door
+zijne bemiddeling botsingen te voorkomen. In Gallia Cisalpina belast
+met de landverdeeling onder de veteranen van Octavianus, bezorgde
+hij aan zijn vriend Vergilius tijdelijk diens landgoed terug. In 39
+behaalde hij als proconsul eene overwinning op de Parthini in Illyria,
+doch onttrok zich na zijn zegetocht aan het staatkundig leven, hoewel
+hij als lid van den senaat aan diens werkzaamheden ijverig deel bleef
+nemen. Pollio stichtte te Rome de eerste openbare bibliotheek, en
+evenals Maecenas trad hij op als beschermer van jeugdige talenten. Van
+zijne vele werken is niets tot ons gekomen.--2) C. Asinius Gallus,
+zoon van den vorigen, huwde met Vipsania Agrippina, de gescheiden
+echtgenoote van Tiberius. Door zijne vrijmoedigheid beleedigde hij
+den keizer, werd gevangen genomen en stierf in 33 n. C., vrijwillig
+of gedwongen, den hongerdood. Hoewel hij niet zijns vaders talenten
+schijnt te hebben bezeten, had hij toch eene groote voorliefde voor
+de beoefening der wetenschappen.
+
+Asisium, tgw. Assisi, klein plaatsje in Umbria, ten O. van Perusia,
+geboorteplaats van Propertius.
+
+Asius, Asios, van Samus, een van de oudste grieksche elegische
+dichters.
+
+Askolia, een spel dat op den tweeden dag der kleine Dionysusfeesten
+in Attica gespeeld werd; het bestond daarin, dat men op een opgeblazen
+en met olie glibberig gemaakten zak hinkte (askolizein, askoliazein),
+die van het vel van een aan Dionysus geofferden bok gemaakt was.
+
+Asopiades, Aeacus, de kleinz. van Asopus.
+
+Asopis, Asopis, Aegma, de dochter van Asopus.
+
+Asopus, Asopos, 1) rivier die bij Phlius ontspringt, door de vlakte
+van Sicyon loopt en in de Corinthische golf valt.--2) rivier die bij
+Plataeae ontspringt, door Boeotië loopt en op attisch gebied in de
+Euboeïsche zee valt, de grens tusschen het gebied van Plataeae en
+van Thebae.--3) riviertje bij de Thermopylae.--4) stad in Laconica,
+aan den oostkant van de Laconische golf, met een beroemden tempel
+van Asclepius.--5) de stroomgod van een der beide eerstgenoemde
+rivieren. Hij was de zoon van Oceanus en Tethys en bij Metope de vader
+van twee zoons en twaalf of twintig dochters, die bijna allen namen
+dragen van steden, in de nabijheid dier rivieren gelegen. Vele zijner
+dochters werden door goden ontvoerd, bijv. Aegina door Zeus. Toen
+Asopus deze dochter zocht en van Sisyphus vernomen had, wie haar
+geroofd had, vervolgde hij Zeus en wilde hij met hem strijden, maar
+Zeus verjoeg hem met den bliksem, waardoor hij in zijn bedding werd
+teruggedreven.
+
+Asparagium, stad in Illyria, nabij Dyrrhachium,
+
+Aspasia, Aspasia, 1) van Miletus, dochter van Axiochus, kwam naar
+Athene en wist daar door hare schoonheid, verstand, geestigheid en
+bekwaamheden ieders aandacht te trekken. De voornaamste mannen, ook
+Socrates, zochten haar omgang, en Pericles verstiet om harentwille
+zijne gemalin. Door hem oefende zij, naar men zeide, ook op de
+staatszaken grooten invloed uit, het is echter slechts scherts
+wanneer Aristophanes beweert dat zij den oorlog met Samus en den
+peloponnesischen oorlog veroorzaakt zou hebben. De vijanden van
+Pericles klaagden haar aan van asebeia, maar zijne welsprekendheid,
+die zich bij deze gelegenheid in al hare kracht vertoonde, bewerkte
+dat zij vrijgesproken werd. Na zijn dood huwde zij met den demagoog
+Lysicles, die door haar grooten invloed kreeg.--2) van Phocaea,
+dochter van Hermotimus, eigenlijk Milto geheeten, minnares van den
+jongeren Cyrus, die haar om hare schoonheid en verstand den naam
+Aspasia gaf. Na den slag bij Cunaxa viel zij in handen van Artaxerxes,
+en toen zijn zoon Darius haar aan hem betwistte, maakte hij haar
+priesteres van Anaitis. V. s. was dit de reden waarom Darius tegen
+zijn vader opstond, wat hij met zijn leven boette.
+
+Aspasii, Aspasioi, indisch volk ten N. van den Cophen, daar, waar de
+Choaspes er in uitstroomt.
+
+Aspendus, Aspendos, welvarende stad in Pamphylia, aan den Eurymedon,
+oorspronkelijk eene argivische volksplanting.
+
+Asphaltites lacus, de Doode zee in het zuiden van Palaestina, waarin
+zich de Jordaan stort.
+
+Asphodelus, asphodelos, een plant met kleine knollen aan den wortel,
+die in de oudste tijden, en later nog door de armen, gegeten
+werden. Men plantte ze op de graven en meende dat zich door de
+onderwereld een groot stuk land uitstrekte dat daarmede beplant was.
+
+Aspis, z. Clipeus.
+
+Aspis, Aspis, kaap en stad, oostelijk van Carthago, gesticht door
+Agathocles, den tyran van Syracuse, in den eersten punischen oorlog
+tijdelijk door de Romeinen bezet (256) en sedert Clupea genoemd. In
+46 werd het tegelijk met Carthago Romeinsche kolonie.
+
+Aspledon, Aspledon, oude stad der Minyers in Boeotia, ten Noorden
+van het meer Copaïs.
+
+Asprenas (L. Nonius), schoonzoon van Varus en een der weinigen, die
+uit den slag in het Teutoburgerwoud ontkwamen. Later (in 14 n. C.) was
+hij proconsul van Africa. Hij was een groot vriend van Augustus.
+
+Assa, Assera, Assa, Assera, stad op Chalcidice, aan de Singitische
+golf.
+
+Assaceni, Assakenoi, indische stam in het Indus-gebied, aan de
+Westzijde, ten N. van den Cophen, verwant met de Astaceni.
+
+Assaracus, Assarakos, zoon van Tros, overgrootvader van Aeneas.
+
+Asser, in het algemeen een balk of boom of dikke lat, b.v. de
+draagboomen van een draagstoel, doch altijd een bewerkt en geen ruw
+stuk hout. De asser in den zeestrijd was een aries in het klein,
+een balk, die aan touwen in het want hing en door zijn beuken het
+want of den romp van het vijandelijk schip moest vernielen.
+
+Assertor. In eene causa liberalis, d.i. een geding over de vraag,
+of iemand vrij of slaaf was, kon de persoon, wiens vrijheid betwist
+werd, niet als zijn eigen verdediger optreden. Hiertoe was een assertor
+noodig, iemand, die rechtspersoonlijkheid bezat en staande hield, dat
+de betwiste persoon een vrije was, bij welke verklaring hij zijne hand
+of een staf (festuca of vindicta geheeten) op diens hoofd legde. Dit
+komt voor bij de manumissio vindicta; voor assertor fungeerde vaak een
+lictor (zie manumissio no. 1). Vanhier de uitdrukking aliquem manu
+asserere in libertatem = iemands vrijheid verdedigen. Ook asserere
+in servitutem, een als vrij beschouwd man als zijn slaaf opeischen.
+
+Assessor. Wanneer te Rome aan iemand werd opgedragen, als iudex in
+eene rechtzaak uitspraak te doen, eischte de gewoonte, dat hij eenige
+vrienden uitnoodigde, de zitting bij te wonen en hem als consilium met
+hun raad bij te staan. Evenzoo vormden de stadhouders in de provinciën
+bij hunne rechtspraak een consilium uit hunne officieren. Onder de
+keizers evenwel kwam meer en meer de geheele rechtspraak in handen der
+overheden, die geregeld een vasten bijzitter kozen, assessor geheeten,
+gewoonlijk een rechtskundige, die de geheele zaak instrueerde, en
+het vonnis opstelde.
+
+Assesus, Assesos, stad in Ionia, bij Miletus, met een Athena-tempel.
+
+Assidui, gezeten burgers, werden te Rome die burgers geheeten,
+die in eene der vijf classes waren ingeschreven, in tegenstelling
+der proletarii.
+
+Assignationes viritanae, zie Colonia no. 2.
+
+Assorus, Assoros, stad op Sicilia, ten N.O. van Henna.
+
+Assus, Assos, aeolische stad aan de Zuidkust van Troas, beroemd door
+voortreffelijke tarwe en door eene steensoort, lapis Assius, die de
+voorwerpen deed versteenen en daarom sarkophagos genoemd werd. Men
+maakte er o. a. lijkkisten van.
+
+Assyria, Assyria. Onder dezen naam kan men vooreerst het groote
+oud-assyrische rijk verstaan, dat eenmaal zich over Armenia, Media,
+Persis, Babylonia, Mesopotamia, Syria, Phoenice en Palaestina
+uitstrekte en 672-656 zelfs over Aegypte heerschte, doch vervolgens
+uiteenspatte en omstreeks 606 met de verwoesting der hoofdstad
+Niniveh te gronde ging. Zie Ninus.--Het landschap Assyria in engeren
+zin omvatte ongeveer de streek tusschen den Tigris en het Zagrus-
+of Choatrasgebergte ten W. en ten O., en Babylonia en Armenia
+ten Z. en ten N. Na den val van het oud-assyrische rijk maakte het
+achtereenvolgens een deel uit der medische, perzische, macedonische,
+syrische, parthische en nieuw-perzische rijken.
+
+Asta, 1) stad in Liguria, rom. kolonie, aan den Tanarus, een zijtak
+van den Padus (Po). Tegenwoordig Asti.--2) rom. kolonie in Baetica,
+nabij Gades (Cadix).
+
+Astaboras, Astaboras, thans Atbara, zijtak van den Nijl, in Aethiopia.
+
+Astaceni, Astakenoi, indisch volk, aan den benedenloop van den Cophen,
+verwant met de Assaceni.
+
+Astacus, Astakos, 1) stad in Acarnania aan de Ionische zee.--2)
+megarensische kolonie in Bithynia, aan een inham der Propontis; zij
+werd door de Atheners versterkt en Olbia genoemd, door Lysimachus
+verwoest, doch door Nicomedes I herbouwd en onder den naam van
+Nicomedea tot de prachtige hoofdstad van Bithynia gemaakt.
+
+Astapa, Astapa = Ostippo.
+
+Astapus, Astapous, zijtak van den Nijl in Aethiopia. Tusschen dezen
+en den Astaboras ligt het schiereiland Meroe.
+
+Astarte, Syria dea, Astarte, Syria theos, phoenicische godin, die
+in het Oosten hoog vereerd werd; vooral bekend is haar tempel te
+Tyrus. De Grieken vergeleken haar met Aphrodite.
+
+Asteria, Asteria, dochter van Coeüs en Phoebe. Om aan de liefkoozingen
+van Zeus te ontkomen, stortte zij zich, in de gedaante van een kwartel,
+in zee en veranderde in een eiland, dat eerst haar naam droeg, later
+Ortygia, en eindelijk Delus genoemd werd.
+
+Asterion, Asterion, zoon van Teutamus, koning van Creta, die met
+Europa huwde en hare kinderen, Minos, Radamanthys en Sarpedon, als
+de zijne opvoedde.
+
+Asterope, Asterope, z. Aesacus.
+
+Astrabacus, Astrabakos, een oud-laconisch heros. De spartaansche
+koning Demaratus was, volgens het verhaal zijner moeder, een zoon
+van Astrabacus of van Aristo.
+
+Astraea, Astraia, dochter van Zeus en Themis of van Astraeus en Eos,
+godin der gerechtigheid, die in de gouden eeuw op aarde onder de
+menschen leefde. In de zilveren eeuw verscheen zij nog nu en dan,
+maar toen de verdorvenheid der menschen toenam, verliet zij, hoewel
+later dan alle andere goden, eindelijk ook de aarde en bleef sedert,
+als het sterrenbeeld de Maagd, aan den hemel.
+
+Astraeus, Astraios, zoon van Crius en Eurybia, echtgenoot van Eos,
+vader der winden en sterren.
+
+Astragaloi, dobbelsteenen met vier vlakke zijden en aan twee kanten
+rond. De vlakke zijden waren met oogen gemerkt, zoodat 1 en 6, 3 en 4
+tegenover elkander stonden. Men wierp met vier steenen; de beste worp,
+wanneer 1, 3, 4 en 6 boven lagen, heette Aphrodite, Midas, Herakles, de
+slechtste, wanneer alle vier éénen boven lagen, heette kyon. Zie Alea.
+
+Astynomoi, overheidspersonen die te zorgen hadden voor politie,
+straatreiniging, handhaving der bouwverordeningen, enz. Te Athene
+waren er tien, vijf voor de stad en vijf voor den Piraeus. Ze komen
+sinds de 4de eeuw voor.--Ook bijnaam van verschillende goden als
+beschermers der steden.
+
+Astura, riviertje in Latium, met eene gelijknamige stad aan den mond
+er van.
+
+Asturia, Astouria, landstreek in het Noorden van Tarraconensis, met
+de hoofdstad Asturica Augusta (Astorga). De Astures waren een woest
+bergvolk, in het tegenw. Asturië en noordelijk Leon.
+
+Astyages, Astyages, zoon van Cyaxares, laatste koning der Mediërs
+(585-550), grootvader van Cyrus, die hem van den troon stiet en het
+perzische rijk stichtte, z. Alyattes.
+
+Astyanax, Astyanax, zoon van Hector en Andromache. Zijn eigenlijke
+naam was Scamandrius, maar ter eere van zijn vader noemde het volk
+hem Astyanax (heer der stad). Na de verovering van Troje werd hij,
+hoewel nog een kind, van den muur geworpen.
+
+Astydamas, Astydamas, 1) zoon van Morsimus. Hij zou 240 treurspelen
+gedicht hebben, waarvan 15 den eersten prijs behaalden. In zijn
+jeugd was hij een leerling van Isocrates.--2) zoon van den vorigen,
+treurspeldichter.
+
+Astydamea, Astydameia, gemalin van Acastus.
+
+Astyoche, Astyoche, dochter van Actor, moeder van Ascalaphus en
+Ialmenus.--2) dochter van Laomedon, gehuwd met Telephus. Omgekocht
+door een gouden wijnstok, overreedde zij haar zoon Eurypylus, aan de
+verdediging van Troje deel te nemen.
+
+Astypalaea, Astypalaia, stad en eiland der Sporaden, in de Aegeïsche
+zee ten O. der Cycladen.
+
+Astyra (gen. ae), ta Astyra, stad in Mysia bij Antandrus, aan de golf
+van Adramyttium met een tempel van Artemis Astyrene. Ook een plaatsje
+bij Abydus.
+
+Asylia, door de wet gewaarborgde veiligheid voor slaven en misdadigers,
+gewl. verbonden aan het verblijf in zekere tempels of heiligdommen. In
+den keizertijd werd dit recht, dat aan vele tempels toekwam, omdat het
+tot misbruiken aanleiding gaf, beperkt en gedeeltelijk opgeheven. Ook
+werd soms van staatswege aan vreemdelingen asylia verzekerd, waardoor
+zij evenzeer als de burgers tegen aanvallen op hun persoon en eigendom
+beschermd waren.
+
+Atabulus, naam in Apulia voor den uit Afrika overwaaienden verzengenden
+Sirocco (Zuidenwind).
+
+Atabyris, Atabyrius, Atabyris, Atabyrion oros, hooge berg op het
+eiland Rhodus, met een beroemden tempel van Zeus Atabyrius.
+
+Atagis, zie Athesis.
+
+Atalante, Atalante, uit Arcadië, dochter van Iasus en Clymene. Haar
+vader, die liever een zoon gehad had, liet haar terstond bij hare
+geboorte te vondeling leggen; zij werd door eene berin gezoogd,
+groeide op te midden van jagers en werd zelve eene buitengewoon vlugge,
+sterke en moedige jageres. Zij nam deel aan de calydonische jacht
+en bracht aan het zwijn de eerste wond toe; op grond daarvan kende
+Meleager, die door hare schoonheid getroffen was, haar den prijs der
+overwinning toe, en Atalante, hierdoor gestreeld, stemde er in toe
+zijne vrouw te worden, terwijl zij vroeger tal van huwelijksaanzoeken
+had van de hand gewezen. Ook aan den Argonautentocht zou zij hebben
+deelgenomen of willen deelnemen.--V. a. was het niet Meleager, maar
+Milanion, die door zijn trouwe liefde haar hart wist te winnen, hoewel
+zij ook voor hem lang koud bleef.--V. a. was Atalante de dochter van
+den boeotischen koning Schoeneus, en had zij verklaard alleen hem te
+zullen huwen, die haar in den wedloop zou overwinnen. Reeds velen
+hadden den strijd gewaagd, maar waren overwonnen en gedood, totdat
+Milanion of Hippomenes door de hulp van Aphrodite de overwinning
+behaalde. De godin had hem namelijk drie gouden appels gegeven,
+waarvan hij onder het loopen telkens een voor de voeten van Atalante
+wierp; deze bukte om de prachtige kleinoden op te rapen, maar verloor
+daardoor zooveel tijd, dat haar minnaar, voor wien zij intusschen
+zelve ook liefde had opgevat, het eerst het doel bereikte.--Atalante
+en haar echtgenoot werden later in leeuwen veranderd, omdat zij een
+aan Cybele gewijd bosch ontheiligd hadden. Hun zoon was Parthenopaeus.
+
+Atalante, Atalante, 1) eilandje op de kust van Locris, nabij de stad
+Opus.--2) rotseilandje ten Oosten van Salamis.--3) stad in Macedonia
+aan den Axius.
+
+Atanagrum, stad der Ilergetes in Tarraconensis, door Scipio in 218
+verwoest.
+
+Atarantes, Atarantes, volksstam in het midden van Africa, tusschen
+de Garamantes en de Atlantes.
+
+Atarbechis, Atarbechis, stad in Beneden-Aegyptus, in de landstreek
+Prosopitis, met een beroemden tempel der aegyptische Aphrodite
+(Hathor).
+
+Atargatis, z. Dercetis.
+
+Atarneus, Atarneus, stad op de kust van Aeolis tegenover Lesbus,
+op den berg Cane. Aristoteles vertoefde hier eenigen tijd (348-345)
+bij den tyran Hermeas.
+
+Atax, Atax, thans Aude, een kustriviertje, dat zich in den sinus
+Gallicus (golf v. Lyon) stort. Aan den Atax lagen de steden Carcaso
+(Carcassonne) en Narbo Martius (Narbonne). De bewoners, die tot
+de Volcae Tectosages behoorden, werden naar de rivier ook Atacini
+genoemd, zooals de letterkundige P. Terentius Varro Atacinus, die in
+82 te Narbo geboren werd.
+
+Ate, Ate, dochter van Zeus of van Eris, godin der blinde drift, die
+eens zelfs Zeus tot een onberaden eed verleidde. Tot straf werd zij
+van den Olympus op aarde geslingerd, waar zij met lichten tred over
+de hoofden der menschen zweeft, terwijl zij hen tot kwaad verleidt,
+maar hen straft wanneer zij het bedreven hebben.
+
+Ateii. 1) C. Ateius Capito, naam van een volkstribuun, die het den
+consuls C. Pompeius en M. Licinius Crassus in hun tweede consulaat
+(55) zeer lastig maakte en later door den censor App. Claudius Pulcher
+(zie Claudii no. 15) berispt werd wegens leugenachtige auspicia.--2)
+C. Ateius Capito, beroemd rechtsgeleerde te Rome ten tijde van Augustus
+en Tiberius. Hij stichtte eene rechtsgeleerde school, die niet minder
+vermaard werd dan die van zijn tegenstander Q. Antistius Labeo. Terwijl
+Labeo aan de rechtsstudie eene meer philosophische richting gaf en den
+strengen geest der oud-rom. wetgeving huldigde, was Capito's richting
+meer historisch en nam hij meer het gewoonterecht tot grondslag, zooals
+het zich in den loop der tijden had ontwikkeld. Zie Sabiniani.--3)
+Ateius, bijgenaamd Praetextatus, een atheensch letterkundige van naam,
+een vriend van Asinius Pollio en van Sallustius.
+
+Ateleia, vrijstelling van alle of van bepaald aangewezen diensten of
+betalingen ten behoeve van den staat, vooral van liturgieën.
+
+Atella, oud-oscische stad in Campania tusschen Capua en Neapolis,
+later romeinsch municipium, vooral bekend door de Atellanae fabulae.
+
+Atellanae fabulae, ook wel Osci ludi genoemd, eene soort van landelijke
+kluchtspelen, waarin boert en spot den boventoon voerden. Zij werden
+meestal opgevoerd in de volkstaal of in een plattelandsdialect, dikwerf
+grof en plomp; het doel was dan ook niet fijn of geestig te wezen,
+maar de toeschouwers te laten lachen. Zij kunnen vergeleken worden met
+Jan Klaassen- of Harlekijnskluchten. Er kwamen eenige vaste rollen
+in voor, zooals Maccus, een domme, vraatzieke hansworst of Pierrot,
+Pappus, een soort van vader Pantalon, enz. In den beginne waren het
+slechts schetsen, die op het tooneel door improvisatie verder werden
+uitgewerkt; later werden ook uitgewerkte stukjes geschreven. Soms
+werden zij ook als nastukjes (exodia) na een drama gegeven. In de
+Atellanae als speler op te treden, werd den rom. burger niet onwaardig
+geacht; zij werden opgevoerd door vrijgeboren rom. jongelieden.
+
+Aternia Tarpeia (lex) de multis, 454, van de consuls M. Aternius Varus
+Fontinalis en Sp. Tarpeius Montanus Capitolinus, dat het aan alle
+magistraten zou vrijstaan, boeten tot een zeker bedrag in vee op te
+leggen, terwijl hoogere boeten alleen door de comitia tributa konden
+worden opgelegd. De multa suprema was 2 schapen en 30 ossen. Voor
+de boete in vee werd in 430 door de lex Iulia Papiria (z. a.) eene
+evenredige geldboete in de plaats gesteld.
+
+Aternum (ook Ostia Aterni geheeten) aan de Adriatische zee, havenstad
+der Marrucini, Vestini en Peligni, drie kleine stammen tusschen
+Picenum en Samnium.
+
+Aternus, riviertje, dat bij Aternum in zee valt.
+
+Atesis = Athesis.
+
+Ateste, rom. kolonie in het land der Veneti, aan de Athesis (Etsch)
+gelegen. Thans Este.
+
+Athamania, Athamania, landstreek in Epirus op de grenzen van Thessalia,
+met de hoofdstad Argithea. De Athamanes, Athamanes, stonden op een
+zeer lagen trap van beschaving.
+
+Athamantiades, Athamantiades, Palaemon, zoon van Athamas.
+
+Athamantis, Athamantis, Helle, dochter van Athamas.
+
+Athamas, Athamas, zoon van den thessalischen Aeolus, koning van
+Orchomenus in Boeotië. Hij was gehuwd met de godin Nephele en had bij
+haar twee kinderen, Phrixus en Helle; hij nam echter nog eene andere
+vrouw, Ino, de dochter van Cadmus, waarom Nephele hem verliet. Ook Ino
+kreeg bij Ath. twee kinderen, Learchus en Melicertes, voor de kinderen
+van Nephele was zij echter eene slechte stiefmoeder en zelfs bewoog
+zij Ath. hen aan Zeus Laphystius te offeren, maar Nephele zond hun
+een ram met gouden vacht, waarmede zij uit het land vluchtten. Toen
+dit offer alzoo mislukt was, zoude Ath. zelf geofferd worden, maar ook
+dit werd door Heracles belet (z. Cytissorus). Later werd hij door Hera,
+die vertoornd was op Ino, omdat zij Dionysus had opgevoed, zoo razend
+gemaakt, dat hij Learchus doodsloeg en Ino voor hem moest vluchten
+en zich met Melicertes in zee stortte. Met bloedschuld beladen moest
+Ath. vluchten, hij vestigde zich in Phthiotis, huwde met Themisto,
+die hem vier kinderen schonk, en stichtte de stad Halus.
+
+Athanagia = Atanagrum.
+
+Athanasius, geb. te Alexandrië in 295 n. C., nam aan het concilie van
+Nicaea (325 na C.) een zóó werkzaam aandeel, dat hij in 326 benoemd
+werd tot opvolger van Alexander als bisschop van Alexandrië. Toen hij
+tegen het bevel van keizer Constantijn den tot ketter verklaarden
+Arius uit de kerk weerde, werd hij verbannen. Na 's keizers dood
+keerde hij naar Alexandrië terug, doch werd door den nieuwen keizer
+Constantius andermaal in ballingschap gezonden. Door bemiddeling van
+den bisschop van Rome, Julius I, werd hij in zijn ambt hersteld, doch
+later voor de derde maal gebannen, tot hij eindelijk, onder Jovianus,
+voor goed terugkwam (366 n. C.). Hij stierf te Alexandrië in 373. Hij
+heeft vele geschriften nagelaten, waarvan sommige voor de geschiedenis
+van zijn tijd belangrijk zijn.
+
+Athanatoi, eene keurbende van 10,000 man in het perzische leger,
+zoo genoemd omdat zij, wanneer er iemand aan ontviel, terstond weder
+voltallig gemaakt werd door anderen, die te voren daarvoor waren
+aangewezen.
+
+Athena, Athenaia, Athena, Pallas Athene, Minerva, oorspronkelijk
+waarschijnlijk eene godin van den aether, wier dienst in verband
+stond met dien van Poseidon, en die uit het meer of de rivier Triton
+ontstaan was (Tritogeneia). Volgens de gewone voorstelling was zij
+de dochter van Zeus, uit wiens hoofd zij volwassen en gewapend te
+voorschijn kwam, nadat hij zijne eerste gemalin, Metis, verslonden
+had. Als een van de machtigste wezens der godenwereld, oefent zij op
+velerlei wijze een heilrijken invloed op het menschdom uit. Vooreerst
+is zij de onoverwinnelijke godin van den oorlog (Atrytone), die
+staten en individuen in den rechtvaardigen strijd helpt; zij geeft
+haren beschermelingen den moed en het beleid, die hun de overwinning
+verzekeren, en betreedt in het heetste van het gevecht dikwijls
+zelve het slagveld, waar dan alles voor haar moet wijken, en zelfs
+andere godheden, die het wagen haar te weerstreven, het veld voor haar
+moeten ruimen. De grootste helden staan onder hare bescherming en de
+steden verdedigt zij tegen de aanvallen der vijanden (Rhysiptolis,
+Promachos, Polias, Akraia). De krijgstrompet, de fluit en de wapendans
+Pyrriche zijn door haar uitgevonden. Vervolgens is zij de godin van
+alle wetenschappen, kunsten en handwerken (Ergane), en bevordert zij
+landbouw en nijverheid door allerlei vindingen. Zoo is de ploeg en de
+hark door haar uitgevonden, zoo heeft zij den menschen geleerd hoe zij
+het vuur moeten gebruiken, hoe zij paarden kunnen temmen en voor den
+wagen spannen (Hippia), zoo bouwt zij voor Danaus het schip waarmede
+hij naar Griekenland vlucht en is zij behulpzaam in het bouwen van
+de Argo; ook het spinnen en weven behoort tot hare werken, en het
+grootste geschenk, dat de Atheners haar jaarlijks brengen, is een
+kunstig bewerkt kleed (peplos). Alles wat eene beschaafde maatschappij
+kenmerkt staat onder hare hoede; den staat, zijne onderdeelen en
+grondslagen, recht en wet, beschermt zij, en vandaar ook rechtbanken
+en volksvergaderingen (Boulaia, Agoraia, Phratria); zij zelve heeft te
+Athene de rechtbank van den Areopagus ingesteld.--Over het algemeen is
+zij de beschermgodin van hen die door verstand, bekwaamheid en overleg
+uitmunten; zij zelve bezit die eigenschappen in de hoogste mate, daar
+zij als het ware de gepersonifiëerde wijsheid van Zeus is.--Eindelijk
+geeft zij, als godin van den zuiveren aether, gezondheid en weert
+zij ziekten af (Hygieia, Paionia).--De dienst van Athena was door
+geheel Griekenland verbreid, maar nergens werd zij hooger vereerd
+dan te Athene, de naar haar genoemde stad, waar alle instellingen of
+van haar afkomstig waren, of tenminste door haar in stand gehouden
+werden. Zelfs wordt het geheele land Attica als het eigendom der godin
+beschouwd. Wel had aanvankelijk ook Poseidon erop aanspraak gemaakt,
+maar toen Zeus beslist had dat het land gegeven zou worden aan dengene,
+die het met het nuttigste geschenk zou begiftigen, schiep Poseidon het
+paard, Athena den olijfboom, en de goden kenden haar de overwinning
+toe. Sedert dien tijd is de olijfboom haar boven alles geheiligd,
+van de dieren zijn de uil, de haan en de slang aan haar gewijd.--Zij
+wordt meestal afgebeeld met eene eenigszins mannelijke gestalte,
+met heldere en ernstige gelaatstrekken, dikwijls draagt zij schild,
+helm en lans en is zij met de Aegis bekleed.
+
+Athenae, Athenai, hoofdstad van Attica, door de Atheners to asty
+geheeten, tegenover he polis (akropolis), de burcht. De oudste
+nederzetting is waarschijnlijk op de acropolis geweest. Daar
+zijn nog de overblijfselen gevonden van een koningspaleis uit den
+Myceenschen tijd. De burcht zelf was versterkt met een muur, uit
+onbewerkte rotsblokken opgetrokken. De stad breidde zich eerst uit
+ten Zuiden (Kydathenaion), en ten Westen (z. Pelasgikon, Pelargikon,
+(teichos)), en sedert den tijd der Pisistratiden ten Noorden van de
+Acropolis, in den Kerameikos, waar door Pisistratus de nieuwe markt
+ten Noorden van den Areopagus werd aangelegd (de oude markt lag ten
+Z. daarvan). Hoe de stad er overigens vóór de perzische oorlogen
+uitzag, is ons onbekend; doch zelfs in zijn bloeitijd was Athene
+niet, wat wij eene fraaie stad zouden noemen. De straten waren niet
+breed, niet regelmatig, en de huizen muntten niet uit door prachtige
+gevels. Er was echter te Athene aan openbare gebouwen meer schoons te
+zien, dan in eenige andere stad van Griekenland. De stad zelve was in
+onregelmatig ronden vorm gebouwd. In het midden lag de akropolis,
+de oude burcht, oudtijds Kranae, de ruwe rots, later Kekropia,
+vervolgens eenvoudig acropolis geheeten. Deze rots, ongeveer 150 voet
+hoog, was slechts aan de Westzijde toegankelijk, overigens steil
+en nog bovendien aan den Noordkant door de zoogenaamde pelasgische
+muren, aan de Zuidzijde door den muur van Cimon versterkt. Om op
+de acropolis te komen, moest men eerst twee poorten doorgaan, dan
+stond men voor de prachtige Propylaea, ta Propylaia, op voorstel van
+Pericles door den bouwmeester Mnesicles gebouwd. In het midden liep
+een rijweg opwaarts, aan weerszijden daarvan een marmeren trap van 64
+treden. Zóó kwam men in het voorportaal van den burcht. De voorgevel
+van dit portaalgebouw werd gedragen door zes reusachtige dorische
+zuilen, die vijf doorgangen vormden, terwijl ter weerszijden van den
+middenweg drie ionische zuilen de zoldering schraagden. Vijf deuren
+scheidden dit eerste portaal van een tweede, dat iets hooger lag en
+kleiner was en weder in eene rij van zes dorische zuilen eindigde en
+zóó tot het vlak van den heuvel toegang gaf. Dit prachtwerk, geheel
+van marmer, kostte meer dan 2000 talenten en vijf jaren tijds. Op
+het heuvelvlak had men dan aan de rechterhand het Parthenon, den
+tempel der maagdelijke Pallas Athena, onder opzicht van Pericles
+door Callicrates en Ictinus gebouwd, ruim 200 voet lang en 100 voet
+breed, met acht dorische zuilen in het front en zeventien in de lange
+zijden (z. fig. vorige pag.). Gevelveld en friezen waren met heerlijk
+beeldhouwwerk versierd, dat tafereelen uit het leven der godin en den
+grooten optocht bij de feesten der Panathenaeën voorstelde. De hier
+bijgevoegde plattegrond geeft eene voorstelling van de inrichting des
+tempels. (A) is de omringende zuilengang, het peristylium, peristasis,
+(B) de pronaos, tusschen welks zes zuilen ijzeren hekken aangebracht
+waren, waarachter wellicht tempelgeschenken werden tentoongesteld,
+(C) is de 100 voet lange cella, hekatompedos neos waar in (a) het
+beeld der godin stond, terwijl men niet alleen aan de twee lange
+zijden, maar ook aan de achterzijde (op de teekening niet aangegeven)
+ionische zuilen vond in twee stellingen boven elkaar. Het beeld der
+godin, 12 meter hoog, uit goud en ivoor bewerkt, was het meesterwerk
+van Phidias. Op de uitgestrekte rechterhand droeg zij het zes voet
+hooge gevleugelde beeld der Overwinning. De gouden mantel der godin
+werd omstreeks 300 door zekeren Lachares, volksmenner en vervolgens
+tyran te Athene, geroofd. Afgesloten van de cella (de twee deuren,
+op de teekening aangegeven, zijn uit het christelijk tijdperk)
+was het opisthodomos, dat verdeeld was in het eigenlijke Parthenon
+(D), ook Megaron genoemd, waarin de schatten van de godin en van
+de andere goden bewaard werden, en het eigenlijke opisthodomos
+(E), waarin zich de staatsschat bevond. Het Parthenon werd in het
+christelijk tijdperk in een kerk der maagd Maria en door de Turken
+in eene moskee herschapen. In 1687, in den oorlog tusschen de
+Turken en de republiek Venetië, vloog een gedeelte van den tempel,
+door de Turken als kruitmagazijn gebruikt, door eene bom uit de
+venetiaansche batterijen in de lucht. In 1799 liet de britsche gezant
+bij de Porte, lord Elgin, met goedvinden der turksche regeering,
+het nog overgebleven beeldhouwwerk uitbreken en met tal van andere
+kunstwerken naar Engeland overvoeren. Door het vergaan van een der
+schepen bij Cerigo ging een deel dezer kunstschatten verloren; het
+overige ging in 1816 voor 35000 L.st. aan het Britsch Museum over,
+waar het nog onder den naam van Elgin marbles prijkt. Tegenover het
+Parthenon ligt het Erechtheum, aan Poseidon Erechtheus geheiligd,
+met den daartegenaan gebouwden tempel van Athena Polias, waarin het
+oude houten beeld der godin stond, dat éénmaal 's jaars gereinigd
+werd. Deze tempel werd in 407 voleindigd. (A) is de pronaos van Athena
+Polias, (B) de cella; aan de andere zijde kwam men langs een trap in
+het voorportaal (F) van den Erechtheustempel; het is een open hal,
+waarvan het dak door caryatiden (Korai) werd gedragen; (D) is de
+pronaos, (C) de cella van den tempel, terwijl (E) de noordelijke
+uitbouw is, waarin zich het drietandteeken van Poseidon bevindt;
+(G), (H) en (I) zijn doorgangen. Onder den pronaos was de zoutbron,
+en ter zijde daarvan de heilige olijf, door Athena geplant. Een derde
+standbeeld van Athena was nog de Athena Promachos, een door Phidias
+gegoten metalen reuzenbeeld. Reeds bij het omvaren van kaap Sunium
+kon men de gouden punt harer speer in de zon zien schitteren. Het
+tempeltje der Nike apteros lag wel op de acropolis, doch buiten de
+Propylaeën. Ten slotte vermelden wij, dat er voor de Perzische oorlogen
+dichtbij het Erechtheum een andere tempel van Athena gestaan heeft,
+die gewoonlijk Hecatompedon of archaios neos genoemd wordt. Wanneer
+men van de acropolis in noordwestelijke richting ging, kwam men op
+de markt, agora, vanwaar een weg naar den Pnyx voerde, een heuvel,
+die tot plaats voor de volksvergadering diende. Langs de markt liepen
+zuilengangen, waarvan de stoa poikile of beschilderde galerij de
+meest beroemde was. Op hare wanden prijkten tafereelen uit den slag
+bij Marathon en andere veld- en zeeslagen, waarin de Atheners roem
+hadden ingeoogst. Aan de markt lag het bouleuterion, waar de raad,
+de boule, zitting hield, benevens de tholos of rotonde, waar de
+prytanen hun maaltijden gebruikten. Niet ver van de markt verhief
+zich de vrij steile Aresheuvel of Areopagus, Areios pagos. Onder
+de openbare gebouwen en monumenten in de stad verdienen vermelding:
+het Prytaneum, het theater van Dionysus, dat tegen de Zuidzijde van
+de Acropolis aangebouwd was, het Museum, het Theseum, het Odeum van
+Pericles voor muzikale wedstrijden. Een ander Odeum van later tijd
+was dat van Herodes Atticus. Het choragisch monument van Lysicrates,
+van omstreeks 330, ook wel met den naam van lantaarn van Diogenes
+bestempeld, is een sierlijk gebouwtje met zes corinthische zuiltjes,
+die op een vierkanten onderbouw rusten en een marmeren dekstuk dragen,
+met beeldwerk versierd en waaruit eene acanthusplant oprijst. Het
+gebouwtje, 34 voet hoog, diende om den drievoet (choregikos tripsys)
+te dragen, dien Lysicrates als prijs in den choragischen wedstrijd
+had gewonnen. Eene straat in de stad heette de straat der drievoeten,
+omdat daar een aantal zulke gedenkteekenen stonden. De toren der
+winden was een fraai achthoekig gebouw, waarin een wateruurwerk was
+aangebracht en waarop een windwijzer stond. Hij dagteekent uit de
+1ste eeuw. Vele aanzienlijke mannen, zelfs vorsten lieten te Athenae
+praalgebouwen oprichten, om hun eigen naam te verheerlijken.
+
+Buiten de stadsmuren vond men nog beroemde plaatsen, als: de Academia,
+Akademeia of -mia, een wandelpark met gymnasium, waar Plato zijn
+onderwijs gaf, het Lyceum, ook een park met een tempel van Apollo
+Lycius, waar Aristoteles zijne peripatetische lessen gaf, den heuvel
+Cynosarges, met een gymnasium, in een van welks zalen Antisthenes,
+de stichter der cynische school, als leeraar optrad.
+
+Ten Westen van de stad stroomde de Cephisus, in het Z.O. de
+Ilisus. Van de stad liepen de lange muren, ta makra teiche, ook wel
+de beenen van Athenae genoemd, ta skele ton Athenon, ter lengte van
+omstreeks anderhalf uur gaans naar de havens. De havens Phalerus
+en Munychia waren klein; maar de Piraeus (Peiraieus) vormde eene
+kleine stad op zichzelve, met scheepswerven, tuighuis, magazijnen,
+handelshaven, oorlogshaven, ja zelfs met een theater. De muren
+waren in zee vooruitgebouwd; de invaart, die met kettingen kon
+worden afgesloten, liep met eene sterke kromming tusschen twee
+muren door. Voor de geschiedenis van Athenae moeten wij naar de
+geschiedboeken verwijzen. Ook onder rom. heerschappij bleef Athenae
+nog lang eene civitas libera met een betrekkelijk uitgebreid gebied,
+waartoe, behalve Attica, ook een deel der cycladische eilanden
+behoorde. Het bleef ook lang een zetel van kunst en wetenschap, en
+tal van jonge aanzienlijke Romeinen gingen erheen, om hunne opleiding
+te voltooien. De stad leed in 86 veel door Sulla's belegering; bij
+die gelegenheid ging de Piraeus te gronde; keizer Hadrianus zocht in
+later tijd de stad te doen herleven door aan de verfraaiing ervan veel
+ten koste te leggen. Het aantal inwoners van Athenae wordt tegen het
+einde van de regeering der Pisistratiden op 20,000 à 25,000 geschat;
+bij het uitbreken van den Peloponnesischen oorlog bedroeg de bevolking
+van stad en havens ruim 100,000; een eeuw later evenveel, maar toen
+was de Piraeus meer bewoond, en begon de stad reeds verlaten te worden.
+
+Behalve de talrijke tempels, waarvan wij slechts zeer enkele konden
+vermelden, was de stad zeer rijk aan standbeelden.
+
+Athenaeum, Athenaion, in het algemeen elke aan Athena gewijde
+plaats. In het bizonder verstond men hieronder de door keizer
+Hadrianus te Rome opgerichte school voor hoogere vorming. Hoewel
+enkele uitstekende onderwijzers reeds onder Augustus en Vespasianus
+eene toelage uit de schatkist genoten, was er te Rome toch alleen
+bizonder onderwijs; Hadrianus voerde het openbaar onderwijs in met
+onderwijzers, die door den staat werden bezoldigd, teneinde invloed
+op den geest van het onderwijs te kunnen uitoefenen en eene niet
+gewenschte republikeinsche richting te keeren.
+
+Athenaeus, Athenaios, 1) sicilisch werktuigkundige, tijdgenoot van
+Archimedes.--2) taalgeleerde uit Naucratis, omstreeks 230 na C.,
+die eerst te Alexandrië, later te Rome leefde. Zijn uitvoerig werk
+Deipnosophistai, dat bijna geheel bewaard gebleven is, behandelt in
+den vorm van gesprekken allerlei bizonderheden uit het dagelijksch
+leven der ouden, en heeft vooral groote waarde door de talrijke
+aanhalingen uit oudere schrijvers, wier werken verloren gegaan zijn.
+
+Athenagoras, Athenagoras, van Athene, leeraar der academische
+wijsbegeerte te Alexandrië in de 2e eeuw n. C.; later ging hij tot het
+Christendom over, dat hij ijverig en op wijsgeerige gronden verdedigde.
+
+Athenais, Athenais, 1) bijgenaamd Philostorgos, gemalin van den
+cappadocischen koning Ariobarzanes II.--2) dochter van den sophist
+Leontius, de schoone en bekwame gemalin van keizer Theodosius II;
+na hare bekeering tot het Christendom noemde zij zich Eudocia. Zij
+heeft verschillende epische gedichten gemaakt, die oud-testamentische
+en christelijke onderwerpen behandelen.
+
+Athenio, een herder, aanvoerder der opgestane slaven op Sicilia in
+102 en 101. De consul M.' Aquillius versloeg hem in 100 met eigen
+hand. Cicero gaf aan Sext. Clodius, den vrijgelatene van P. Clodius
+(Claudii no. 17) den schimpnaam Athenio, omdat laatstgenoemde aan
+het hoofd van een troep slaven te Rome onlusten verwekte.
+
+Athenis, z. Bupalus.
+
+Athenodorus, Athenodoros, 1) een Griek, die door Alexander d. G. met
+eene kolonie naar Bactra gezonden werd en zich den titel van koning
+wilde aanmatigen, maar door Bito vermoord werd.--2) bijgenaamd
+Kordylion, van Tarsus, stoicijnsch wijsgeer, opzichter der bibliotheek
+te Pergamus. Hij zou getracht hebben de werken der oudere stoicijnen
+te zuiveren van alles wat hem minder goed voorkwam, maar zijn toeleg
+werd ontdekt. De jongere Cato nam hem in 70 mede naar Rome, waar
+hij stierf.--3) van Tarsus, zoon van Sandon, waarschijnlijk leerling
+van Posidonius van Rhodus, leeraar der stoicijnsche wijsbegeerte te
+Apollonia in Epirus, waar Octavianus hem leerde kennen. Deze nam hem
+mede naar Rome, echter keerde hij later naar Tarsus terug, waar hij
+de gedurende zijne afwezigheid uitgebroken burgertwisten bijlegde
+en de wetten verbeterde.--4) een van de drie beeldhouwers van de
+Laocoongroep z. Laocoon.
+
+Athesis, Atesinos, thans de Adige of Etsch, die op de Rhaetische Alpen
+ontspringt en zich in de Adriatische zee stort. In zijn bovenloop neemt
+hij (bij Bozen) den Atagis Atagis, of Isarcus (Eisach) op. V. s. is
+Atagis een andere naam voor den Athesis.
+
+Athletae, athletai, athleteres, werden bij de Grieken diegenen
+genoemd, die bij de nationale spelen te Olympia of elders in den
+wedstrijd voor lichaamsoefening en spierkracht naar de overwinning
+dongen. Langzamerhand werd hiervan een beroep gemaakt en kreeg men
+athleten, die op hunne kunst reisden en voorstellingen gaven. Zulke
+worstelaars werden van jongs af geoefend en volgden een bepaalden
+leefregel. Ook bij de Romeinen vonden nu en dan bij de openbare
+spelen dergelijke voorstellingen plaats, waarvoor men dan tegen hoog
+loon (auctoramentum) grieksche athleten huurde. Bij het worstelen,
+dat geheel naakt geschiedde, smeerde men zich met olie in, om aan de
+tegenpartij minder vat te geven, wat deze dan weder nutteloos trachtte
+te maken, door zijn tegenstander met zand te werpen.
+
+Athlothetai, oorspronkelijk zij, die bij de wedstrijden prijzen
+uitloofden, later bij de groote nationale feesten kamprechters
+en commissarissen. Zij werden tien maanden vóór het feest benoemd,
+ontvingen de aangiften van de mededingers in de wedstrijden en zorgden
+voor alles wat voor eene waardige feestviering noodig was. Door een
+plechtigen eed verbonden zij zich tot onpartijdigheid. Gedurende
+het feest droegen zij een purperen kleed, lauwerkrans en staf, ook
+werden zij begeleid door dienaars die staven droegen (rhabdouchoi). Te
+Athene werden om de vier jaar 10 athlothetae door het lot aangewezen,
+die bij de feesten, vooral de Panathenaea, het oppertoezicht hielden
+en uitspraak deden over de wedstrijden.
+
+Athos, Athos, naam van een der Giganten, die den hemel wilden
+bestormen. Hij nam een berg uit Thracia op en slingerde dezen naar
+de goden. De bliksem van Zeus weerde echter het gevaar af en deed
+den bergklomp aan de macedonische kust neerstorten, waar hij zich nog
+als mons Athos (thans Monte Santo of Hagion Oros) op de chalcidische
+landtong Acte tot eene hoogte van 6350 voet verheft. Xerxes liet den
+hals der landtong bij Sane doorgraven. Oudtijds lagen tegen den berg
+een vijftal bloeiende steden; thans vindt men er slechts een aantal
+grieksch-katholieke kloosters, die in het bezit van belangrijke oude
+handschriften zijn.
+
+Atii, zie Attii.
+
+Atilia (lex) de dando tutore, onzeker van welk jaar, doch vóór
+188. Waar een voogd noodig was en bij ontstentenis van nabestaanden
+geen voogd was en door den overledene ook geen voogd bij testament
+was aangewezen, werd volgens de lex Atilia een voogd benoemd door
+den praetor urbanus onder medewerking der volkstribunen.
+
+Atilia Marcia (lex), 311, van de volkstribunen L. Atilius en
+C. Marcius, dat van de 24 krijgstribunen, die jaarlijks voor vier
+legioenen noodig waren, 16 door het volk zouden worden gekozen.
+
+Atilii. Tot de gens Atilia behooren o. a. de familiën Bulbus,
+Calatinus, Longus, Regulus, Serranus.--1) A. Atilius Calatinus,
+consul in 258 en in 254, streed op Sicilia tegen de Carthagers en
+veroverde Panormus (Palermo). In het jaar 249 was hij als dictator op
+Sicilia, en was als zoodanig de eerste dictator, die buiten Italia eene
+rom. legermacht aanvoerde.--2) M. Atilius Regulus werd als consul in
+294 door de Samnieten bij Luceria verslagen. Toch heeft hij een triumf
+gevierd.--3) M. Atilius Regulus, geen zoon van den vorigen, was consul
+in 267 en 256. In zijn eerste consulaat overwon hij de Sallentini in
+Calabria, hij veroverde Brundisium, en genoot de eer eener zegepraal;
+in zijn tweede, waarin hij consul suffectus was in plaats van den
+overleden Q. Caedicius, ondernam hij den voor hem noodlottigen tocht
+naar Carthago. Met zijn ambtgenoot L. Manlius Vulso met eene vloot
+van 330 schepen in zee gestoken, versloeg hij eerst de carthaagsche
+vloot bij Ecnomus aan de Zuidkust van Sicilia, landde toen in Africa,
+en veroverde de stad Aspis, die door de Romeinen in Clypea of Clupea
+werd verdoopt. Manlius keerde naar Rome terug; Regulus bleef in Africa
+en bracht Carthago zoo in het nauw, dat het om vrede vroeg. De hardheid
+zijner voorwaarden echter drong de Carthagers nog eenmaal het uiterste
+te beproeven, en onder aanvoering van den Spartaan Xanthippus behaalden
+zij de overwinning. Regulus werd gevangen genomen; 30000 der zijnen
+sneuvelden (255). In 250 zonden de Carthagers gezanten met Regulus naar
+Rome, in de verwachting, dat hij voor een vrede zou pleiten; in den
+senaat toegelaten, ontried hij den vrede ten sterkste. Overeenkomstig
+een door hem gezworen eed, keerde hij als gevangene naar Carthago
+terug, waar hij onder folteringen zou ter dood gebracht zijn. Het
+geheele verhaal van Regulus' zending naar Rome en zijn marteldood is
+onhistorisch.--4) C. Atilius Regulus, dikwijls ten onrechte Serranus
+(Saranus) bijgenaamd, versloeg als consul in 257 de carthaagsche vloot
+bij de Liparische eilanden en hield een zegetocht. In 250 was hij ten
+tweede male consul en sloeg hij het beleg voor Lilybaeum, maar kon de
+stad niet innemen.--5) M. Atilius Regulus, zoon van no. 3, was consul
+in 227, en consul suffectus in 217 in plaats van C. Flaminius, die bij
+het Trasimeensche meer gesneuveld was. Als censor in 214 was hij zeer
+streng tegen hen, die na den slag bij Cannae het plan hadden gehad,
+Italië te verlaten, verder die door woordbreuk zich aan Hannibal's
+gevangenschap hadden onttrokken, en ten slotte tegen hen, die in de
+laatste 4 jaren zich zonder voldoenden grond aan den krijgsdienst
+hadden onttrokken.--6) C. Atilius Regulus, misschien een broeder van
+no. 5, was consul in 225.--7) C. Atilius Serranus streed in 218 als
+praetor tegen de opgestane Bojers in Gallia Cisalpina en vereenigde
+zich vóór den slag aan den Ticinus met den consul P. Cornelius
+Scipio, die hem daarop naar Rome terugzond.--8) A. Atilius Serranus,
+praetor in 192, komt in den oorlog tegen Antiochus III van Syria
+voor. In 172 maakten hij en Q. Marcius Philippus (zie Marcii no. 15)
+het gezantschap uit, dat de Grieken moest weerhouden, gemeene zaak
+met Perseus te maken.--9) C. Atilius Serranus Gavianus, uit de gens
+Gavia geadopteerd, quaestor in 63, trachtte als volkstribuun in 57
+Cicero's terugroeping te verhinderen.--10) M. Atilius, middelmatig
+tooneeldichter uit de tweede eeuw, schrijver van eene Electra.
+
+Atimia, gemis van enkele (at. kata prostaxeis) of van alle (at. tou
+somatos) burgerlijke rechten. Deze rechten konden een burger bij
+rechterlijk vonnis ontnomen worden, of zij konden wegens het niet
+vervullen van zekere verplichtingen tegenover den staat verloren
+gaan. Hij die alle burgerlijke rechten mist (atimos), mag bijv. niet
+in rechten optreden, de volksvergadering of de markt niet bezoeken,
+enz. Hiermede ging soms nog verbeurdverklaring van goederen gepaard
+(at. tou somatos kai ton chrematon), vooral tegenover hen, die aan
+den staat verschuldigde gelden niet betaalden. Deze toestand van
+atimia hield op, zoodra de schuld betaald werd, maar ging anders bij
+den dood van den schuldenaar ook op zijne kinderen en kleinkinderen
+over. Te Sparta werden de burgerlijke rechten o.a. aan hen ontnomen,
+die zich uit lafheid aan een gevecht onttrokken hadden (tresantes).
+
+Atina, volscische stad hoog in de bergen, ten N. van Casinum, in
+Latium, later rom. municipium.
+
+Atinia (lex), van 197, een plebisciet van den volkstribuun C. Atinius
+Labeo, ut quinque coloniae in oram maritimam deducerentur, n.l. naar
+Puteoli, Vulturnum, Liternum, Salernum, en naar Buxentum.
+
+Atinia (lex), een plebisciet (± 102), waardoor de volkstribunen
+zitting kregen in den senaat.
+
+Atinia (lex), de rebus furtivis, onzeker van wanneer, bepaalde,
+dat verjaring geen eigendomsrecht opleverde van gestolen zaken.
+
+Atintanes, Atintanes, volksstam in het N.-W. van Epirus.
+
+Atlantes, Atlantes, volksstam in Africa bij het Atlasgebergte, het
+verst af wonende volk, dat bij Herodotus bekend was. Zij hadden in
+hun gebied zoutgroeven, en bouwden volgens het verhaal zelfs hutten
+van zout, daar in hun gebied nooit regen viel.
+
+Atlantiades, Hermes en Hermaphroditus, kleinzoon en achterkleinzoon
+van Atlas.
+
+Atlantides, Atlantiades, Atlantides, de Pleiaden en Hyaden, dochters
+van Atlas.
+
+Atlantis, Atlantis. De overlevering bij de ouden gewaagde van een groot
+en heerlijk eiland ten Westen van de zuilen van Heracles, waarnaar de
+Atlantische oceaan zijn naam droeg. De vorsten van dit eiland zouden
+eenmaal zegevierend tot bij Griekenland zijn doorgedrongen. Om het
+zedenbederf der inwoners echter was het eiland door eene hevige
+aardbeving geteisterd en in één etmaal door de zee verzwolgen.
+
+Atlas, Atlas, een Titan, zoon van Iapetus en Clymene of Asia, die
+met de andere Titanen de goden beoorloogde en tot straf daarvoor
+veroordeeld werd met hoofd en handen den hemel te steunen of de zuilen
+te dragen waarop de hemel rust.--V. a. een afrikaansch koning, die
+weigerde Perseus te ontvangen en wegens zijn gebrek aan gastvrijheid
+versteend en in den berg Atlas veranderd werd. V. a. een zeer oud
+arcadisch sterrenkundige die de eerste hemelglobe maakte.
+
+Atlas, Atlas, (Adtla = sneeuwgebergte), het nog aldus genoemde
+noordafrikaansche hooggebergte.
+
+Atossa, Atossa, dochter van den ouden Cyrus, eerst met Cambyses,
+later met Darius Hystaspis gehuwd.
+
+Atrae, Hatra, Atrai, ta Atra, sterke vesting in een oase van
+Zuid-Mesopotamië door Traianus (117 n. C.) en Alexander Severus (198
+n. C.) tevergeefs belegerd. De stad lag in eene woestijn; de inwoners,
+van arabischen stam, heetten Atreni.
+
+Atratini, familienaam in de gens Sempronia z. Sempronii no. 1-5.
+
+Atrax, Atrax, thessalische stad aan den Peneus, nabij Larissa. Atracius
+= thessalisch; atracia ars = tooverkunst.
+
+Atrebates, Atrebatioi, belgische volksstam in het latere Artois. Hunne
+hoofdstad was Nemetacum of Nemetocenna, thans Arras.
+
+Atreus, Atreus, zoon van Pelops en Hippodamea. Hij en zijn broeder
+Thyestes vermoordden hun stiefbroeder Chrysippus en werden daarom door
+Pelops weggejaagd. Zij werden opgenomen door hun zwager Sthenelus,
+koning van Mycenae, en nadat diens zoon Eurystheus in den strijd tegen
+de Heracliden gevallen was, volgde Atreus hem op. Hierop naijverig,
+verleidde Thyestes de vrouw van Atreus, Aërope, ten einde in het
+bezit te komen van het gouden lam, met welks bezit de heerschappij
+over Mycenae verbonden was. Hij werd uit het land verjaagd, maar om
+zich te wreken zond hij Plisthenes, een zoon van Atreus, die door
+Thyestes opgevoed was, naar Mycenae terug om Atreus te vermoorden,
+deze verijdelde echter dien aanslag door Plisthenes, dien hij niet
+herkende, te dooden. Thyestes werd nu teruggeroepen en schijnbaar
+weder in vriendschap opgenomen, maar bij een gastmaal liet Atreus
+diens beide zonen slachten en zette hij hun vader het vleesch en bloed
+als spijs en drank voor. Toen Thyestes deze gruwelijke daad vernam,
+vervloekte hij zijn broeder en verliet hij het land, dat na dien tijd
+door pest en hongersnood bezocht werd. Op bevel van een orakel gaat
+Atreus op reis om Thyestes terug te halen, en bij koning Thesprotus
+vindt hij Pelopea, de dochter van Thyestes, en neemt haar zonder haar
+te kennen tot vrouw. De zoon van Thyestes en Pelopea, Aegisthus, werd
+door Atreus als zijn eigen zoon opgevoed en later overgehaald Thyestes,
+die door Agamemnon en Menelaus teruggehaald en in de gevangenis gezet
+was, te vermoorden, maar vader en zoon herkenden elkander nog bij
+tijds en doodden nu te zamen Atreus, terwijl hij aan het offeren was.
+
+Atria, zie Adria.
+
+Atrides, Atreides, Agamemnon en Menelaus, zonen van Atreus.
+
+Atriensis, slaaf, wien de zorg voor het atrium was opgedragen, en die,
+omdat het eene betrekking van vertrouwen was, tot de bevoorrechte
+slaven van het huis behoorde.
+
+Atrium, eene der onmisbare deelen van een romeinsch huis, het
+woonvertrek, oudtijds het middelpunt van het huiselijk leven, waar
+het huwelijksbed, de huiselijke haard en de geldkist zich bevonden,
+alsmede de weefstoelen, waaraan de huisvrouw en hare slavinnen
+arbeidden. Met het toenemen der weelde evenwel werden deze voorwerpen
+naar andere gedeelten van het huis verbannen en werd het atrium meer
+eene receptiezaal. Het atrium was het eerste vertrek, als men den gang
+doorkwam (z. domus). Rondom waren kleine vertrekken of kabinetjes
+aangebracht, die licht en lucht alleen uit het atrium ontvingen,
+en cubicula heetten, wanneer zij door deuren, en alae, wanneer zij
+alleen door gordijnen waren afgesloten. Een dezer vertrekjes was het
+lararium, de huiskapel, waar het altaar der huisgoden stond en bij
+de nobiles de imagines maiorum bewaard werden. In het midden der
+zoldering was eene vierkante opening gelaten, waardoor het licht
+naar binnen viel en de rook van den haard naar buiten trok, en die
+compluvium werd geheeten, omdat zij ook den regen doorliet. Daaronder
+was in den vloer een soort regenbak, impluvium. Soms was het atrium
+met bloemen en beelden versierd. Op de eerste teekening ziet men
+achter het atrium een vertrek, dat aan de voorzijde open is, het
+tablinum, de werkkamer of het bureau van den heer des huizes, en
+daarachter een met eene gaanderij omgeven binnenplaats of cavaedium,
+ook peristylium geheeten. De tweede teekening stelt het atrium voor
+van een oud-italisch huis zonder peristylium; door het tablinum en de
+aansluitende porticus ziet men in den tuin. Oorspronkelijk behoorde het
+atrium geene zuilen te hebben, doch toen de afmetingen grooter werden,
+werd het dak aan de hoeken van het impluvium door kolommen gedragen.
+
+Atropatene, Atropatene, het noord-westelijke deel van Media, dat
+door Alexander den Grooten in handen van den satraap Atropates werd
+gelaten. Hoofdstad Gazaca, nabij een groot zoutwatermeer.
+
+Atropates, Atropates, satraap van Medië onder Darius Codomannus
+en later ook onder Alexander d. G. Zijne nakomelingen regeerden
+onafhankelijk in het N.W. van het land (Atropatene).
+
+Atropus, Atropos, de onafwendbare, eene der drie Moerae.
+
+Attalia, Attaleia, stad aan de kust van Pamphylia, door Attalus II
+gesticht, tgw. Adalia.
+
+Attalus, Attalos, 1) veldheer van Philippus van Macedonië. Bij diens
+dood stond hij met een leger aan den Hellespont om den veldtocht
+tegen Perzië te beginnen. Maar Alexander, die hem niet vertrouwde,
+liet hem, terstond na het aanvaarden der regeering vermoorden.--2)
+zoon van Andromenes, veldheer van Alexander den G., werd verdacht
+van medeplichtigheid aan de samenzwering van Philotas (330), maar
+vrijgesproken. Na Alex. dood sloot hij zich bij Perdiccas aan, en
+toen deze vermoord was, ging hij met de vloot naar Tyrus om troepen
+te werven; hij werd echter door Antigonus verslagen (320) en sedert
+dien tijd gevangen gehouden, drie jaar later werd hij gedood.--3)
+Attalus I, regeerde 241-197 over Pergamus en nam na eene overwinning
+op de Galliërs den koningstitel aan. Hij vergrootte zijn rijk ten
+koste van Syrië, doch moest weldra de gemaakte veroveringen weder
+afstaan. Om zich tegen dit machtige rijk te kunnen verdedigen,
+verbond hij zich met de Romeinen en ondersteunde hen vooral met
+zijne vloot in den oorlog tegen Philippus van Macedonië. Hij stierf
+72 jaar oud aan eene beroerte. Hij was een beschermer van kunsten en
+wetenschappen en stichtte met groote kosten de beroemde bibliotheek
+van Pergamus.--4) Attalus II, Philadelphos, zoon van den vorigen,
+nam na den dood van zijn broeder Eumenes II (159), dien hij sedert
+167 te Rome vertegenwoordigd had, als voogd over diens kinderen
+de regeering in handen en behield die tot zijn dood (138). Hij
+ondersteunde de Romeinen in hunne oorlogen tegen Macedonië en het
+achaeïsch verbond en trachtte Alexander Balas te helpen in zijn
+streven naar de regeering over Syrië. Van de Romeinen ontving hij
+hulp in zijne oorlogen tegen Bithynië. Ook hij was een beschermer
+van kunsten en wetenschappen.--5) Attalus III, Philometor, zoon van
+Eumenes II en Stratonice, opvolger van den vorigen, was te zwak van
+geestvermogens om zelf te regeeren; hij leefde in afzondering en bracht
+zijn tijd met tuinbouw en beeldhouwen door. Hij stierf in 133 en liet
+bij testament zijn rijk en zijne bezittingen aan de Romeinen na.--6)
+romeinsch praefect, die tweemaal (409, 414 na C.) door de Westgothen
+tegenover Honorius tot keizer uitgeroepen werd. Hij werd beide keeren
+echter spoedig door zijne aanhangers verlaten en viel eindelijk in de
+handen van zijne vijanden, waarop hij naar Lipara verbannen werd.--7)
+stoicijnsch wijsgeer, leermeester van Seneca.
+
+Atthis, geschied- en aardrijkskundige beschrijving van Attica, zooals
+in de vierde en derde eeuw in groot aantal geschreven werden. Van de
+meeste schrijvers zijn slechts fragmenten over. De bekendste zijn:
+Philochorus, Hellanicus, Clitodemus, Androtion, Phanodemus en Demon.
+
+Attia (lex) of lex Labiena van den volkstribuun T. (Attius) Labienus,
+63, tot wederinvoering der lex Domitia de sacerdotiis, die door eene
+lex Cornelia van L. Cornelius Sulla was opgeheven.
+
+Attica, Attike, het oostelijkste landschap van Midden-Griekenland
+of Hellas, werd oudtijds Acte of Actica (Akte, Aktike) geheeten,
+omdat het zulke uitgebreide kusten bezit. Volgens Strabo is de naam
+Attica uit Actica ontstaan. Ook werd het vroeger wel Ionia genoemd. De
+natuur verdeelde het in drieën: 1) Diacria, het hoog- of bergland, het
+noordoostelijk gedeelte, waarin men den mons Pentelicus of Brilessus
+en den Parnes vond,--2) Pedias, het noordwestelijk vlakland,--3)
+Paralia, het westelijk en zuidelijk kustland. De Pentelicus leverde
+eene beroemde, witte marmersoort (pentelesios lithos), de Hymettus,
+meer naar het Zuiden, ten O. van Athenae, was met geurigen tijm
+begroeid en vermaard om zijn voortreffelijken honig. Ten Oosten van den
+Hymettus lag nog eene kleine binnenvlakte, Mesogaea en ten N. daarvan,
+in de Diacria, de vlakte van Marathon. De berg Laurium, geheel in het
+Zuiden, leverde zilvererts. Ook het attisch zout was beroemd, zoowel
+in letterlijken, als in overdrachtelijken zin. Over het algemeen was
+het land berg- en heuvelachtig; de vlakten, zooals die van Eleusis
+en van Athenae, waren niet groot. Koren werd er weinig verbouwd;
+de olijfboom en de vijg tierden er echter welig. Er werd veel aan
+schapen- en geitenfokkerij gedaan; voor de teelt van rundvee was de
+steenachtige bodem minder geschikt.
+
+De bevolking van Attica was ionisch, doch vermengd met een oudere
+bevolking, die gewoonlijk als "pelasgisch" aangeduid wordt; maar
+tot welken stam die behoort, weten we niet. In elk geval heeft ook
+hier de "myceensche" beschaving geheerscht. De Atheners beschouwden
+zich als autochthonen wegens hun pelasgische afkomst, terwijl de
+Ioniërs ongeveer in 1000 over zee, waarschijnlijk uit het Noorden
+het land binnengetrokken zijn, en hun taal en eerediensten aan de
+oorspronkelijke bevolking hebben opgedrongen. Als stichter van den
+atheenschen staat geldt Theseus, die de twaalf verschillende gemeenten
+of demoi tot één geheel vereenigde, met Athenae als hoofdstad, ter
+gedachtenis waarvan het feest der Panathenaeën werd ingesteld. Athenae
+was to asty; twee andere plaatsen, Eleusis en Brauron, maakten
+aanspraak op den naam van polis. De bevolking was eerst verdeeld
+in 4 phylae (Geleontes, Argadeis, Aigikores, Hopletes) totdat door
+Clisthenes eene verdeeling in 10 phylae en meer dan 100 (later 174)
+demi werd ingevoerd (± 508). Na Theseus heerschten in Attica koningen,
+van welke Codrus de laatste was. Toen volgden er archonten, eerst één
+voor zijn leven, daarna één voor tien jaar, sedert 683 jaarlijks
+negen archonten (zie Archontes). Door Solon werden de burgers
+naar hunne inkomsten in vier klassen verdeeld: pentakosiomedimnoi,
+triakosiomedimnoi of hippes, zeugitai, en thetes. De volksvergadering
+bestond uit de burgers boven 20 jaar. De senaat, boule, bestond eerst
+uit 400 leden, 100 uit elke phyle, doch sedert Clisthenes uit 500
+leden, n.l. uit elke der nieuwe phylae 50. De areopagus, he boule
+he en Areio pago, was door Solon ingesteld als wachter der wetten
+en als hoogste gerechtshof, doch werd later teruggebracht tot een
+gerechtshof in zaken van moord. De heliaea, heliaia, was een rechtbank
+van gezworenen, uit 6000 door het lot gekozen burgers bestaande. Meer
+bizonderheden zal men in de afzonderlijke artikels vinden.
+
+In Attica behooren de mythen te huis van Cecrops en diens dochters
+Pandrosus, Herse en Aglaurus, van Erechtheus en vooral de sagen van
+Theseus. Ook Pandion, de vader van Philomele en Procne, wordt een
+Athener genoemd.
+
+Atticistae, Attikistai, heeten de latere grieksche schrijvers, die
+niet in het toen gebruikelijke dialect (koine dialektos) schreven,
+maar zooveel mogelijk de oude attische schrijvers navolgden,
+bijv. Lucianus. Deze richting in de Grieksche literatuur begint
+ongeveer 200, als reactie tegen de willekeur der Aziatisch-Grieksche
+schrijvers, en bereikt haar hoogtepunt in den tijd van Cicero; men
+legt zich nu toe op de mimesis ton archaion. Ook worden zoo genoemd
+taalkundigen, die lijsten van echt attische woorden en uitdrukkingen
+gemaakt hebben.
+
+Atticus, Cicero's vriend. Zie Pomponii no. 5.
+
+Atticus Herodes (Tiberius Claudius), een schatrijk Marathoniër,
+leermeester van keizer Marcus Aurelius, een hooggeprezen redenaar,
+die veel heeft bijgedragen tot verfraaiing van Athene en o.a. een
+Odeum stichtte.
+
+Attii, 1) Attius (of Attus) Navius, augur tijdens koning Tarquinius
+Priscus, verzette zich tegen de verdubbeling van het getal
+riddercenturiën en sneed, om zijne onfeilbaarheid te bewijzen,
+een slijpsteen met een scheermes door. Er stond een standbeeld van
+hem met omhuld hoofd (capite velato) op het Comitium, en daarbij
+de ficus Navia of Ruminalis, z. Rumina.--2) T. (Attius) Labienus
+zie Labieni no. 1).--3) Q. (Attius) Labienus, zoon van no. 2, zie
+Labieni no. 2).--4) P. Attius Varus, propraetor van Africa in ± 51,
+koos de partij van Pompeius, voor wien hij vruchteloos het landschap
+Picenum zocht te behouden, stak vervolgens naar Africa over, waar hij
+echter door Caesars legaat Curio (z. Scribonii no. 6) verslagen werd,
+en sneuvelde later bij Munda.--5) M. Attius Balbus, praetor vóór het
+jaar 59, gehuwd met Julia, de zuster van C. Julius Caesar, gaf zijne
+dochter Attia tot vrouw aan Cn. Octavius, den vader van den lateren
+keizer Augustus.--6) L. Attius (Accius), zoon van een vrijgelatene,
+beroemd rom. treurspeldichter, schrijver van talrijke stukken, ook
+nationale (als Decius, Brutus), naar grieksch model gevormd. Er zijn
+slechts fragmenten van overgebleven. Hij leefde van 170 tot ongeveer
+94.--7) Attia, moeder van Octavianus, zie no. 5.
+
+Attila, koning der Hunnen, bijgenaamd de geesel Gods, regeerde eerst
+(434 na C.) met zijn broeder Bleda, dien hij echter liet ombrengen
+(444). In 441 en 442 en later in 447 en 448 verwoestte hij het
+oost-romeinsche rijk en noodzaakte hij keizer Theodosius II hem om
+vrede te verzoeken en schatting te betalen. Vervolgens richtte hij
+zich naar het Westen, drong met een leger van 500000 man in Gallia
+door, doch werd in de Catalaunische velden (bij Châlons-sur-Marne,
+v.a. bij Troyes) verslagen door de vereenigde legers van den
+romeinschen veldheer Aëtius, den frankischen koning Meroveüs en den
+westgothischen koning Theodorik (451). Attila verloor in dezen slag
+een vierde van zijn leger. Met het overschot viel hij in Italië,
+veroverde en verwoestte o.a. het sterke Aquileia, doch spaarde Rome
+op de bede van paus Leo I (452). Naar Pannonia teruggekeerd, stierf
+hij in 453, waarop het rijk der Hunnen te niet ging.
+
+Attuarii, germaansch volk aan den Rijn. Zie Chasuarii.
+
+Attus Navius, z. Attii, no. 1.
+
+Aturus, riv. in Aquitania, thans de Adour.
+
+Atys, Atis, Attys, Attis, Attes, Attin, Atys, Attys, Attis, Attes,
+1) een schoon jongeling, die door Rhea bemind werd, en toen hij
+eene sterfelijke vrouw wilde huwen, door haar razend gemaakt werd,
+zoodat hij zichzelven gruwelijk verminkte en aan zijne wonden stierf;
+na zijn dood werd hij onder de goden opgenomen. De dienst van Atys,
+die meer aziatisch dan grieksch was en altijd met dien van Rhea nauw
+verbonden bleef, geleek door buitensporige vertooning van droefheid
+en vreugde veel op dien van Adonis; de pijnboom was het zinnebeeld
+van zijn sterven, het viooltje dat van zijn herleven.--2) stamvader
+van de lydische dynastie der Atyaden.--3) zoon van Croesus, die door
+Adrastus (no. 2) bij ongeluk op de wilde zwijnenjacht gedood werd.
+
+Auctio, in algemeenen zin elke openbare verkoop bij opbod;
+vandaar de naam, afgeleid van augere, omdat elke volgende
+bieder het bod verhoogt. In engeren zin is auctio eene private
+verkooping, in tegenstelling van sectio, verkooping bij executie
+van staatswege. Aanslagbilletten en catalogussen (album, tabula,
+libellus auctionis) had men oudtijds evengoed als thans. Men had ook
+venduhuizen, atria auctionaria. Een omroeper, praeco, vervulde de rol
+van afslager. Bieden was liceri, supra adicere. Het toeslaan van den
+koop heette addictio. De betaling geschiedde contant.
+
+Auctor is zoowel degene, die eene zaak in het leven roept, als hij,
+die ze steunt en bevordert. Auctor legis kan dus synoniem zijn met
+lator legis, maar ook met suasor legis. Ook het bekrachtigen eener wet,
+b.v. door de patres is auctorem esse. In het ius civile is auctor de
+lastgever, de raadsman, de uitvoerder en dgl.
+
+Auctoritas (patrum), zie Patres.
+
+Aufidena, 1) stad in Noord-Samnium nabij de bronnen van den Sagrus.--2)
+stad in Apulia aan den mond van den Aufidus.
+
+Aufidia (lex) de ambitu, plebisciet van Aufidius Lurco, 61, eene der
+vele wetten tot bestrijding van dit euvel, waarbij het beloven van
+geld niet strafbaar werd gesteld, doch het geven van geld met zware
+levenslange jaarlijksche geldboete werd gestraft. Dit wetsvoorstel
+is niet aangenomen.
+
+Aufidia (lex) de feris Africanis, onzeker van welk jaar, waarbij
+de invoer van wilde dieren uit Africa voor de openbare spelen werd
+toegestaan.
+
+Aufidii, 1) Cn. Aufidius, praetor in 104, schreef eene
+rom. geschiedenis in het grieksch. In zijn ouderdom was hij
+blind, doch bleef zich toch met staatszaken bemoeien.--2) Aufidius
+Lurco, volkstribuun in 61, bracht de gewoonte in zwang, pauwen te
+mesten.--3) Aufidius Bassus, onder Augustus en Tiberius, beschreef
+de burgeroorlogen en de oorlogen in Germania. Zijne werken zijn
+verloren.--4) Aufidius Luscus, hoogste magistraat te Fundi, door
+Horatius bespot.
+
+Aufidum = Aufidena no. 2.
+
+Aufidus, snelstroomende rivier van Apulia, waaraan Horatius'
+geboorteplaats Venusia lag. Ten Zuiden v. a. ten N. van deze rivier
+is de slag bij Cannae (z. a.) geleverd.
+
+Auge, Auge, Augeia, dochter van Aleüs, koning van Tegea, en Neaera,
+werd bij Heracles moeder van Telephus. Daar een orakel voorspeld
+had dat haar kind de zonen van Aleüs zoude dooden, gaf deze haar,
+toen hij hare zwangerschap bemerkte, aan Nauplius over, met last om
+haar in zee te werpen; deze echter, getroffen door hare schoonheid,
+vluchtte met haar en bracht haar naar Teuthras, koning van Mysië,
+die haar tot vrouw nam. V. a. werd zij door Teuthras als dochter
+aangenomen en later door Telephus naar haar vaderland teruggebracht.
+
+Augias, Augeias, zoon van Phorbas of van Helius, koning der Epeërs
+in Elis, had in een stal 3000 runderen staan, en daar deze stal in
+30 jaren niet gereinigd was, scheen het onmogelijk den mest er uit
+te verwijderen. Daarom droeg Eurystheus aan Heracles op, die taak
+in één dag te volbrengen, en deze kweet zich van die opdracht door
+het water van de rivieren Alpheus en Peneus door den stal te leiden,
+zoodat de mest van zelf weggespoeld werd. Augias, die niet gedacht had
+dat de onderneming zoude gelukken, had eerst aan Heracles het tiende
+gedeelte zijner kudde beloofd, indien hij zoude slagen, maar toen hij
+later vernomen had dat de held op last van Eurystheus gehandeld had,
+weigerde hij zijne belofte te vervullen. Daarom deed Heracles hem
+later den oorlog aan, en ofschoon zijn leger eerst, terwijl hijzelf
+ziek was, door de Molioniden werd verslagen, verwoestte hij later,
+toen hij hersteld was, het land en doodde hij Augias met al zijne
+zonen, behalve Phyleus, die zijn goed recht erkend had en tot loon
+daarvoor met de regeering begiftigd werd.--Bij deze gelegenheid
+stichtte Heracles de olympische spelen.
+
+Augila, ta Augila, oase in de libysche woestijn ten W. van Aegypte,
+met veel dadelpalmen, door een stam der Nasamones bewoond.
+
+Augures, oionoskopoi, romeinsch priestercollegie, welks taak het
+was, volgens vaste regelen den wil der godheid op te sporen en als
+deskundigen voorteekenen te verklaren. Wanneer een der magistraten
+eene gewichtige handeling wilde verrichten, b. v. wanneer een consul
+de centuriaatcomitiën wilde bijeenroepen, dan moest hij zich vooraf
+vergewissen, of de goden zijn plan goedkeurden. Het recht om dit
+onderzoek te gelasten, heette spectio en kwam den overheidspersoon
+toe; het onderzoek zelf en de mededeeling van den uitslag heette
+nuntiatio en kwam den augur toe. Daar het den augurs niet verboden
+was, overheidsambten te bekleeden, kon zich het geval voordoen, dat
+spectio en nuntiatio in ééne hand waren, zonder eenige contrôle. De
+augurs konden aan vele zaken godsdienstige belemmeringen in den weg
+leggen, ja zelfs konden zij gehouden verkiezingen vernietigen door
+de verklaring, dat er bij de waarneming der teekenen een vitium, een
+verzuim of eene fout, had plaats gehad en dat dus de gekozenen vitio
+creati waren, hetgeen ten gevolge had, dat zij hun ambt weder moesten
+neerleggen en anderen gekozen moesten worden. De eenige waarborg tegen
+misbruik was, dat alle uitspraken door het geheele collegie éénstemmig
+moesten geschieden. Het augursambt was oorspronkelijk patricisch,
+eerst waren er drie, later vijf (v. a. zes). De keuze had plaats door
+coöptatie. In 300 evenwel bracht het plebisciet van de volkstribunen
+Q. en Cn. Ogulnius het getal op negen, en wel vier uit de patriciërs en
+vijf uit de plebejers. Het plebisciet van den volkstribuun Cn. Domitius
+Ahenobarbus van 104 bracht de keus aan het volk, en wel zoo, dat het
+lot de kleinste helft (17 van de 35) tribus zou aanwijzen, en dat hij,
+die door deze bij meerderheid van stemmen zou worden voorgedragen,
+door het collegie zou worden gecoöpteerd. Deze coöptatie was voor het
+leven. Al de priesters, die tot de sacerdotes populi Romani gerekend
+werden, en dus ook de augurs, moesten vóór de aanvaarding van hun ambt
+geïnaugureerd, d. i. door een augurium gewijd worden; doch hoe deze
+inauguratio plaats had, wordt niet in bizonderheden vermeld. Bij elke
+wijding, zoowel van personen als van plaatsen, was de hulp der augurs
+noodig. Tot de insignia der augurs behoorden de trabea, en de lituus.
+
+Auguria. Wat de Grieken betreft, verwijzen wij naar het artikel
+manteia. Bij de Romeinen heeft zich de leer der voorteekenen op
+een geheel andere wijze, veel kunstmatiger, ontwikkeld dan bij
+de Grieken. Er zijn ongezochte voorteekenen, die zich van zelf
+voordoen, auguria of auspicia oblativa, en andere, die men van de
+goden afsmeekt, impetrativa. Tot de eerste soort behooren de ostenta,
+prodigia, monstra, portenta, omina. Hoewel het verschil niet altijd
+in acht wordt genomen, beteekenen prodigium en monstrum buitengewone
+verschijnselen in de menschen- en dierenwereld, portentum en ostentum
+in hetgeen daarbuiten ligt. Een monstrum is een verschijnsel, dat met
+de wetten der natuur in strijd is. Staan prodigia en omina tegenover
+elkander, dan is een prodigium een zichtbaar, omen een hoorbaar
+teeken. Doch de algemeene naam voor alle teekenen is signa. Hadden
+er nu buitengewone verschijnselen plaats, die de gemoederen
+verontrustten, dan bepaalde de senaat, wat behoorde te gebeuren;
+hij liet door de decemviri sacris faciundis (z. decemviri no. 4) de
+heilige orakelboeken raadplegen; hij ontbood uit Etruria buitengewone
+haruspices (z. a.) om de ingewanden der offerdieren te onderzoeken,
+enz. Doch zulke buitengewone voorvallen en verschijnselen worden niet
+tot de eigenlijke auguria gerekend. Hieronder verstaat men de teekenen,
+die niet buiten den gewonen kring der gebeurtenissen vallen.--1)
+Signa ex avibus. Wanneer een magistraat spectio wilde houden, begaf
+hij zich omstreeks middernacht met een der augurs naar het auguraculum
+of waarnemingspunt op den burg. Dáár gekomen trok de augur met zijn
+kromstaf of lituus op den grond een streep van het Noorden naar het
+Zuiden, cardo genoemd en een anderen van het Oosten naar het Westen,
+decumanus geheeten. Om het kruispunt heen beschreef hij een kwadraat
+en maakte door een formulier de ruimte daarbinnen tot eene gewijde
+plaats, een templum. Op dit templum nu sloeg hij een linnen tent op
+(tabernaculum capere) met de opening naar het zuiden. Dan ging hij
+in de opening staan, teekende met zijn staf vier denkbeeldige lijnen
+aan den hemel af, als het templum, waarbinnen hij zijne waarnemingen
+zou doen. Intusschen zat de overheidspersoon binnen in de tent, met
+een doek om de ooren gebonden, capite velato. Ook de augur omwond zich
+het hoofd, want het minste geraas--altijd, als men het hoorde--stoorde
+de waarneming. Zoo was de stoel, waarop de overheidspersoon zat, uit
+één stuk, opdat hij niet zou kraken. Wat nu de waarneming zelve der
+vogels betreft, die zich binnen het aan den hemel afgebakende templum
+vertoonden, had de augur te letten op de soort van vogels, de hoogte
+waarop, de richting waarin, en de wijze waarop zij vlogen. Vogels,
+die door hun geschreeuw of gezang den wil der goden uitdrukten, werden
+oscines genoemd; die het door hunne vlucht deden, alites. In den
+regel was wat van het Oosten, d.i. van de lichtzijde, dus van links,
+kwam, gunstig, wat van de Westzijde kwam, ongunstig. Niet voor alle
+vogels evenwel golden dezelfde regels; de kraai b.v. moest van de
+linkerzijde, de raaf van den rechterkant krassen. Sommige vogels
+waren bepaald ongeluksvogels; andere golden alleen voor bepaalde
+gevallen. Men kan hieruit zien, dat de leer der vogelwichelarij vrij
+ingewikkeld was. Waren nu de teekenen gunstig, dan zei de augur: aves
+addicunt; zoo niet, dan bezigde hij de woorden: alio die.--2) Signa
+ex caelo. Dit waren bliksem, fulmina--weerlicht, fulgura--donder,
+tonitrua. In de taal der augurs werden deze natuurverschijnselen
+manubiae geheeten. Zij werkten storend op volksvergaderingen,
+zóó zelfs, dat reeds de aankondiging van een overheidspersoon, se
+servaturum de caelo esse, d. i. dat hij zou zoeken, of niet ergens
+een bliksemstraal of weerlicht te zien was, voldoende werd om de
+volksvergadering te storen. De leer van den bliksem was vooral in
+Etruria sterk ontwikkeld, waar men zelfs twaalf verschillende soorten
+er van onderscheidde.--3) Signa ex tripudiis. Bij de romeinsche legers
+voerde men in den regel een mand of hok heilige hoenders mede. Werden
+deze losgelaten en aten zij het toegeworpen voeder gretig op, zoo
+was dit een gunstig voorteeken; vielen zij er zóó gulzig op aan, dat
+de brokken hun uit den bek vielen, dan was het teeken zeer gunstig
+(tripudium sollistimum). Wilden zij echter niet vreten, dan was het
+voorteeken slecht.--4) Signa ex quadrupedibus. Deze behoorden tot de
+oblativa, de ongezochte voorteekenen, en konden slechts in zooverre
+tot de auguria behooren, als de augurs ze volgens vaste regels
+verklaarden. Wanneer men b.v. met eenig plan uitging en een hond,
+een vos of eenig ander viervoetig dier over den weg zag loopen, dan
+kon men dit als een voorteeken beschouwen.--5) Signa ex diris. Deze
+bestonden in het breken van een schoenriem, het stooten van den voet,
+het gekras van een uil en dergelijke toevalligheden. De augurs hadden
+er dan slechts mede te maken, wanneer ze hun ter verklaring werden
+medegedeeld.--6) Hoewel elk toevallig voorteeken een omen kan genoemd
+worden, verstond men onder omina toch vooral de hoorbare voorteekenen,
+en daarom vermeed men zooveel mogelijk onheilspellende woorden,
+vooral bij gewichtige gelegenheden, bij feesten, plechtigheden,
+enz. De eerst uitgebrachte stem bij eene verkiezing, het gevoelen
+van den eersten spreker in den senaat gold voor een omen. Men offerde
+met omwonden hoofd (capite velato), om niet toevallig een ongunstig
+woord, door een der omstanders onvoorzichtig uitgesproken, te moeten
+hooren. Hoewel ongezochte voorteekenen slechts waarde hadden voorzoover
+men ze zelf aannam, en men ze kon afwenden door woorden als: omen non
+accipio, non pertinet ad me, waren de Romeinen veel te angstvallig
+en bijgeloovig om dit middel dikwijls toe te passen. Dit bijgeloof
+heeft ook tot naamsveranderingen aanleiding gegeven. Evenals de
+Grieken pontos Axeinos in Euxeinos veranderden, hebben de Romeinen
+Maleventum in Beneventum veranderd en aan Epidamnus zijn ouden naam
+Dyrrhachium teruggegeven.
+
+Augurinus, familienaam in de gens Genucia en de gens Minucia.
+
+Augusta, naam van een aantal steden, hetzij op last van Augustus
+gesticht, hetzij door hem verfraaid of uitgebreid, o. a.:
+
+Augusta Emerita, in Lusitania, aan den Anas (Guadiana), thans Merida.
+
+Augusta Iulia Gaditana, vroeger Gades, in Baetica, thans Cadix.
+
+Augusta Nemetum, vroeger Noviomagus, aan den Rhenus (Rijn), thans
+Spiers.
+
+Augusta Praetoria, gesticht door de praetoriaansche bezetting in het
+land der Salassiërs, aan de Poenische Alpen, thans Aosta.
+
+Augusta Rauracorum (Rauricorum), in Belgica, thans Augst bij Basel.
+
+Augusta Suessionum, in Belgica, thans Soissons.
+
+Augusta Taurinorum, vroeger Taurasia, aan den Padus (Po), thans Turijn.
+
+Augusta Trevirorum, aan de Mosella, thans Trier.
+
+Augusta Vindelicorum, aan den Licus (Lech), thans Augsburg.
+
+Augusta Viromanduorum, in Belgica, thans St. Quentin.
+
+Augustales, zie municipium.
+
+Augustamnica. Verschillende beheerschers van Aegypte--Ramses II of
+Sesostris, Necho, Darius Hystaspis, Ptolemaeus I en II--hebben
+pogingen aangewend om de Arabische golf met de Nijldelta te
+verbinden. Telkens echter werd het kanaal aan zijn lot overgelaten
+en verzandde het weder. Onder Traianus werd het op nieuw uitgegraven
+en amnis Augustus genoemd, waarnaar de landstreek onder Diocletianus
+den naam Augustamnica kreeg.
+
+Augustinus (Aurelius), de grootste kerkvader van het Westen, geboren
+te Tagaste (Thagaste) in Numidia in 354 n. C., zoon van Patricius
+en Monica, ontving zijne opvoeding te Madaura en te Carthago, was
+eerst leeraar te Tagaste, daarop leeraar in de welsprekendheid te
+Carthago, daarna te Rome (383) en te Milaan (384), waar hij onder
+invloed van Ambrosius tot het Katholicisme overging en zich in 387 liet
+doopen. Daarop keerde hij naar Africa terug, werd in 391 presbyter te
+Hippo Regius, en was van 396 tot zijn dood (430) bisschop van Hippo
+Regius. Van zijne theologische geschriften zijn de meest bekende:
+Confessionum libri XIII en de civitate Dei libri XXII.
+
+Augustobona, stad der Tricassers in Gallia, aan de Sequana (Seine),
+thans Troyes.
+
+Augustodunum, vroeger Bibracte, groote, volkrijke stad der Aeduers
+in Gallia, thans Autun.
+
+Augustonemetum, vroeger Nemetum, Nemossus, hoofdstad der Arverners
+in Gallia, thans Clermont, naar een nabijgelegen berg, clarus mons.
+
+Augustoeuphratensis of Euphratensis, naam van de onder Diocletianus
+en Constantijn tot ééne provincie vereenigde gewesten Commagene
+en Cyrrhestice.
+
+Augustoritum, stad der Lemovicers in Gallia, thans Limoges.
+
+Augustus, Augoustos, Sebastos, "de gewijde", ons "Majesteit", door
+de Romeinen afgeleid van augur, doch tevens in verband gebracht met
+augere, evenals de oud-duitsche keizers ook den titel van "Mehrer des
+Reiches" voerden. Deze titel werd aan C. Julius Caesar Octavianus,
+nadat het volk hem reeds als Augustus had begroet, in het begin
+van het jaar 27 door den senaat plechtig toegekend, op voorstel
+van L. Munatius Plancus, terwijl de keizer later bij testament zijne
+gemalin Livia tot Augusta verhief. De titel Augustus maakte den keizer
+tot een gewijd persoon en plaatste hem als het ware boven het overige
+menschdom. De titel ging daarna op de volgende keizers over, eerst
+bij senaatsbesluit, later vanzelf als iets wat bij de keizerlijke
+waardigheid behoorde. Hij werd evenwel alleen door regeerende keizers
+gedragen, nooit door den vermoedelijken troonopvolger.--Over het
+leven van keizer Augustus zie men Julii no. 14.
+
+Aula, Aule, z. andron en gynaikeion.
+
+Aulaeum, he aulaia, voorscherm van een tooneel. Wanneer de voorstelling
+begon, werd het scherm niet, zooals bij ons, opgehaald, doch men liet
+het omlaag zakken in eene sleuf, waaronder het dan tegelijkertijd
+op eene rol werd opgerold. Was de voorstelling ten einde, dan werd
+het scherm omhooggehaald.--Ook verstaat men onder aulaea tapijten,
+die als tochtschermen tusschen de zuilen eener galerij of van het
+atrium werden opgehangen, of dienden om in plaats van een deur een
+vertrek af te sluiten, en bij dichters ook wel de dekkleeden, die
+over de aanligsofa's bij den maaltijd werden uitgespreid.
+
+Aulerci, voorname gallische volksstam, in vier takken verdeeld,
+waarvan drie tusschen Sequana (Seine) en Liger (Loire) woonden, n.l. de
+Aulerci Eburovices, z. Eburovices;--de Aul. Cenomani, met de hoofdstad
+Suindinum of Subdinum, thans Mans,--de Aul. Diablintes. Een vierde tak,
+de Aul. Brannovices, cliënten der Aeduers, woonde zuidelijk van deze
+laatsten, tusschen den Boven-Liger en den Arar (Saône). De Cenomani
+(z. a.) komen ook in Gallia Cisalpina voor.
+
+Aulis, Aulis, havenstad in Boeotia aan den Euripus, verzamelplaats
+der grieksche vloot voor den trojaanschen oorlog.
+
+Aulon, Aulon, 1) landstreek en stad in Messenia, n.m. het dal van
+de Neda, die Messenia van Triphylia scheidt, met een tempel van
+Asclepius.--2) vruchtbare, druivenrijke streek nabij Tarentum.--3)
+stad en dal in Macedonia, aan de strymonische golf.--4) havenstad in
+Illyria ten N. van Acroceraunia.
+
+Aurelia (lex), iudiciaria van den praetor L. Aurelius Cotta (Aurelii
+no. 7), 70. Volgens deze wet moesten de gerechtshoven, die sedert Sulla
+alleen uit senatoren bestonden, samengesteld worden uit senatoren,
+ridders en tribuni aerarii (z. a.).
+
+Aurelia (lex), tribunicia van den consul C. Aurelius Cotta (Aurelii
+no. 5), 75. Deze wet veroorloofde aan gewezen volkstribunen wederom
+naar hoogere ambten te dingen, wat hun door Sulla verboden was.
+
+Aurelia (via). Deze weg liep van Rome uit langs de etruscische
+kust. Hare voortzetting vormt de via Aemilia Scauri.
+
+Aureliani (civitas), latere naam voor Genabum, thans Orleans.
+
+Aurelianus (L. Domitius), uit geringen stand geboren, werd in 270
+n. C. door de legioenen aan den Donau tot keizer uitgeroepen, in een
+tijdperk, toen het romeinsche rijk door legeroproeren tot ontbinding
+dreigde over te gaan. Reeds had M. Aurelius Claudius Gothicus (268-270)
+de Gothen en Alemannen teruggeslagen; na zijn dood zette Aurelianus
+het werk voort, verdreef de Alemannen, Iuthungen en Marcomannen uit
+Italië, waarin zij een inval hadden gedaan, omringde Rome met een
+nieuwen vestingmuur, heroverde vervolgens de oostelijke gewesten,
+die door Zenobia, koningin van Palmyra, van het rom. rijk waren
+losgescheurd (272 n. C.), versloeg daarna den tegenkeizer Tetricus
+in Gallia en voerde hem en Zenobia als gevangenen mede naar Rome,
+waar zijn zegewagen door vier olifanten werd getrokken. Hij herstelde
+de krijgstucht in het leger, strafte nog eenige oproeren en werd met
+recht restitutor imperii genoemd. Hij was hard en ruw, doch met hart
+en ziel soldaat, en daardoor juist een geschikt keizer voor zijn
+tijd. Dacia, dat door Traianus veroverd was, werd door Aurelianus
+prijsgegeven, daar hij het veiliger achtte, den Donau als grensrivier
+te behouden. De rom. bevolking uit Dacia verplaatste hij naar een deel
+van Moesia, dat hiernaar den naam kreeg van Dacia Aureliani. In 275
+werd Aurelianus, terwijl hij tegen de Perzen optrok, vermoord door
+een zijner vrijgelatenen.
+
+Aurelii. De gens Aurelia was een plebejisch geslacht, waartoe
+o.a. de familiën der Scauri en der Cottae behoorden.--1) C. Aurelius
+Cotta, consul in 252 en 248, streed voorspoedig op Sicilia tegen de
+Carthagers.--2) C. Aurelius Cotta, consul in 200.--3) L. Aurelius
+Cotta, volkstribuun in 154, consul in 144, twistte met zijn ambtgenoot
+Ser. Sulpicius Galba (Sulpicii no. 11) heftig over de vraag, wie als
+veldheer tegen Viriathus naar Lusitania zou gezonden worden. Scipio
+Africanus minor (Aemilianus) bewerkte toen, dat geen van beiden werd
+gezonden, maar zijn eigen broeder Q. Fabius Maximus Aemilianus (Fabii
+no. 18), die reeds in Spanje was, het commando behield.--4) L. Aurelius
+Cotta, consul in 119, verzette zich te vergeefs tegen de lex Maria
+de suffragiis ferendis (z.a.).--5) C. Aurelius Cotta, consul in 75,
+maker van de lex Aurelia tribunicia, door Cicero als redenaar geprezen,
+wordt door dezen sprekende ingevoerd in zijne boeken de oratore en de
+natura deorum. In 91 was hij na den moord van zijn vriend M. Livius
+Drusus in ballingschap gegaan, tengevolge der lex Varia de maiestate,
+die den bondgenooten-oorlog deed uitbarsten.--6) M. Aurelius Cotta,
+broeder van no. 5, consul in 74, voerde met L. Licinius Lucullus
+den oorlog tegen koning Mithradates VI van Pontus, door wien hij
+echter bij Chalcedon te land en ter zee verslagen werd. Cotta had het
+bestuur over Bithynië en het opperbevel ter zee, terwijl Lucullus
+met Asia en Cilicië het opperbevel te land had.--7) L. Aurelius
+Cotta, broeder van no. 5 en 6, opende als praetor in 70 door zijne
+lex iudiciaria voor de ridders weder den toegang tot de iudicia en
+nam ook de tribuni aerarii onder de rechters op. In 65 werd hij
+met L. Manlius Torquatus consul, daar de eerst gekozenen wegens
+ambitus veroordeeld werden.--8) M. Aurelius Cotta Maximus Messalinus,
+een sterk aanhanger van keizer Tiberius. Hij was een zoon van den
+redenaar M. Valerius Messala Corvinus (z. Valerii no. 28 en 29),
+doch door de familie Cotta geadopteerd. Hij was een doorbrenger, die
+de rol van verklikker speelde. Ovidius heeft uit Tomi minstens drie
+gedichten tot hem gericht.--9) L. Aurelius Orestes, consul 126, ook
+als redenaar niet zonder naam, ging als consul naar Sardinia, en hield
+in 122 een zegetocht over de Sarden.--10) M. Aurelius Scaurus, consul
+in 108, streed in 105 als legatus van den consul Cn. Mallius Maximus
+ongelukkig tegen de Cimbren en viel door de hand van hun aanvoerder
+Boiorix.--11) L. Aurelius Verus, z. Verus.--12) S. Aurelius Victor,
+geschiedschrijver uit de vierde eeuw n. C., onder keizer Julianus
+stadhouder van Pannonia. Van hem bestaat nog een beknopt en zaakrijk
+werkje de Caesaribus, dat tot op Constantius loopt. Een paar andere
+werkjes (epitome de Caesaribus, origo gentis Romanae, en de viris
+illustribus) staan ten onrechte op zijn naam.--13) Aurelia, uit de
+familie Cotta, moeder van C. Julius Caesar.
+
+Aurelius (Marcus), meer volledig M. Aurelius Antoninus, bijgenaamd
+Philosophus, was de zoon van den praetor L. Annius Verus (Annii no. 6),
+doch werd door keizer Antoninus Pius als zoon aangenomen, wiens dochter
+Faustina hij ook huwde. Hij was in 121 na C. te Rome geboren, had eene
+zeer zorgvuldige opvoeding genoten en kwam in 161 aan de regeering,
+waarop hij zijn jongeren broeder L. Aurelius Verus tot mederegent
+aannam. Terwijl Verus door zijne legaten de Parthen liet beoorlogen,
+waarbij Seleucia en Ctesiphon den Romeinen in handen vielen (164),
+had M. Aurelius te kampen met invallen der Marcomannen, Quaden
+en Sarmaten (Iazygen), die nu en dan ook nog door andere stammen,
+zooals de Hermunduren, Vandalen en Langobarden ondersteund werden. De
+barbaren drongen zelfs tot Aquileia door, terwijl nog daarenboven
+het leger van den keizer door pest werd geteisterd. Onderwijl stierf
+Verus in 169. In 175 trok M. Aurelius naar Azië, om den opstand te
+bedwingen van zijn stadhouder Avidius Cassius, die echter door zijn
+eigen officieren werd vermoord. In 179 en 180 streed hij wederom
+met geluk aan den Donau tegen de Marcomannen, toen hij onverwachts
+te Vindobona (Weenen) stierf. Zijne zedekundige geschriften, ta eis
+heauton, ademen een stoicijnschen geest, doch zijne zachtmoedigheid
+van karakter drong hem, de strengheid dezer leer tegenover anderen
+te verzachten. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Commodus.
+
+Aureus, nummus aureus of solidus, rom. gouden munt van 25 denariën of
+100 sestertiën. Onder Augustus, toen de munt nog onvervalscht was,
+had de aureus eene innerlijke waarde van ruim f12,50 van onze munt;
+men moet echter in het oog houden, dat destijds de waarde van het
+goud tegenover het zilver geringer was dan thans, hetgeen ook uit de
+gelijkstelling met 100 sestertiën = f10.--zilver blijkt. Sedert de
+derde eeuw na C. nam de vervalsching sterk toe.
+
+Auriga, heniochos. Bij de Perzen, Aegyptenaren, Trojanen, Grieken,
+komen in den oorlog strijdwagens voor, waarop de eigenaar van
+het span als krijgsman staat, terwijl een mindere de paarden
+bestuurt. Natuurlijk moest dan de andere zijn wagenmenner met zijn
+schild dekken. Daarom trof het de Romeinen bij de verovering van
+Britannia, dat bij de Britten de hoofdpersoon zijn span mende en
+een dienaar voor zich liet vechten.--Bij wedrennen droeg elke wagen
+slechts één persoon. Bij de nationale spelen in Griekenland treden
+niet de eigenaars der paarden als menners op; zij lieten hunne
+twee- of vierspannen besturen door vrienden of door geoefende
+jongelingen, en niemand behoefde het zich tot oneer te rekenen,
+als wagenmenner dienst te doen. Anders was het bij de Romeinen. De
+aurigae of agitatores waren menschen, die van hunne kunst een beroep
+maakten. In den beginne waren het slaven of vrijgelatenen of menschen
+uit lageren stand; eerst toen een keizer als Nero het niet beneden
+zich achtte zelf als menner in het strijdperk te verschijnen, ging
+de slaafschheid zóóver, dat ook aanzienlijken als menners van hun
+eigen paarden optraden. De aurigae vormden vier clubs of factiones:
+alba, wit--russata, roodachtig,--veneta, blauw--prasina, zeegroen. Zij
+droegen eene tunica zonder mouwen en hadden het bovenlijf met riemen
+omsnoerd. Hun uniform, hun wagen, het tuig der paarden droeg de
+kleur hunner factio. Om de handen vrij te hebben tot het aanzetten
+der paarden, bonden de menners zich de teugels om het lichaam
+vast; om te vieren of strak te houden, hadden zij zich dus slechts
+vóór of achterover te buigen. Om ingeval van een ongeluk zich te
+kunnen vrijmaken, droegen zij een kort mes tot het doorsnijden der
+teugels. Bij elken wedren reed één wagen van elke factio mede. Keizer
+Domitianus voegde aan de vier bestaande factiones twee nieuwe toe:
+eene aurata en eene purpurea, die echter na zijn dood weder werden
+opgeheven. Over de wedrennen zelve zie men het artikel circus.
+
+Aurora, z. Eos.
+
+Aurunci, een der oude volken van Latium en Campania. In de laatste
+helft der vierde eeuw waren zij beperkt tot het zuidelijk deel
+van Latium, en in 314 werden zij door de Romeinen zoo goed als
+uitgeroeid. In hun land werden door de Romeinen aangelegd de
+Latijnsche coloniae: Cales, Suessa Aurunca en Pontia, en de coloniae
+civium Romanorum: Sinnessa en Minturnae. In hun gebied lagen de mons
+Massicus en de ager Caecubus, beide beroemd om den wijn, die er werd
+geteeld. Zie ook Ausones.
+
+Ausci, Auskioi, volksstam in Aquitania, met de hoofdstad Elimberris,
+later Augusta, thans Auch.
+
+Ausculum = Asculum Apulum.
+
+Ausenses, Auseis, libysche stam, ten Zuiden van Numidia bij het
+meer Tritonis.
+
+Ausetani, volksstam in het Noordoosten van Hispania Tarraconensis,
+met de stad Gerunda (Gerona).
+
+Ausones, Ausonia, Ausones, Ausonia. De Ausoniërs vormden de oude,
+voor-rom. bevolking van Midden-Italië, van Apulia, Campania en het
+zuidelijk gedeelte van Latium. Zij worden ook Opici, Opikoi, en Osci,
+Oskoi, genoemd. De naam Ausones is dezelfde als Aurunci. Waarschijnlijk
+was de ausonische stam verwant met den umbrischen. Dichterlijk wordt
+Ausonia ook voor Italia gebezigd.
+
+Ausonius (Decimus Magnus), romeinsch dichter uit Burdigala (Bordeaux)
+en leeraar in de welsprekendheid. Zijn vader was lijfarts van keizer
+Valentinianus I (364-375 n. C.), hij zelf werd de opvoeder van diens
+zoon Gratianus. Achtereenvolgens werd Ausonius quaestor, praefectus
+praetorio en consul (379) in Gallia; doch na Gratianus' dood (383)
+trok hij zich uit het staatsleven terug. Hij overleed in 392, ruim 80
+jaar oud. Onder de gedichten van Ausonius is zijn stroomdicht Mosella,
+dat hij te Augusta Trevirorum schreef, het meest beroemde.
+
+Auspicia. Oorspronkelijk duidt dit woord de vogelwichelarij aan, doch
+werd later ook toegepast op alle andere middelen om te zien of de goden
+hunne goedkeuring hechtten aan een beraamd plan. De wijze, waarop dit
+geschiedde, is onder het artikel auguria medegedeeld. Auspicia privata
+kon ieder voor zich nemen; doch auspicia publica ten behoeve van den
+staat konden slechts genomen worden door magistratus populi Romani. De
+volkstribunen, tribuni plebis, als zijnde slechts overheden van de
+plebs, en niet van den populus, hadden dus geen ius auspiciorum,
+en de door hen in het leven geroepen concilia plebis, waren niet
+aan voorafgaande auspiciën gebonden, wat met de centuriaatcomitiën
+wel het geval was. Toen echter de macht van het volkstribunaat
+overwegend werd en plebiscita met leges waren gelijkgesteld, achtte
+men het wenschelijk ook aan de volkstribunen auspiciën toe te kennen,
+minder als voorrecht, dan wel als middel tot beteugeling. Niet alle
+auspicia waren van gelijken rang; zoo stonden die der consuls en
+praetoren hooger dan die van andere overheden. Auspicium nu beteekent
+zoowel het waarnemen als het waargenomen teeken, doch bovendien ook
+het recht om den goden hun ja of neen af te vragen. Dit recht nam de
+overheidspersoon van zijn voorganger of van de patres (de patricische
+leden van den senaat) over, wanneer hij bij de aanvaarding van zijn
+ambt de voorgeschreven godsdienstige plechtigheden vervulde. Had hij
+geen onmiddellijken opvolger, was hij vitio creatus, of kwam hij
+in zijn ambt te overlijden, dan keerden de auspicia tot de patres
+terug. Ook de veldheer, die met een leger uittrok, moest vooraf
+auspicia nemen en zich hierdoor het recht verschaffen, ook in het
+veld den wil der godheid uit te vorschen. Door het veronachtzamen
+van zekere vormen, b.v. bij het overtrekken eener rivier--want een
+water verbrak de auspicia, tenzij men een formulier uitsprak--kon hij
+zijne auspicia verliezen. Was hij nu in den strijd bij voortduring
+ongelukkig, dan ontstond het vermoeden, dat zijne auspicia door eenig
+verzuim vitiata waren, in welk geval hem niets anders restte, dan
+naar Rome terug te keeren om nieuwe auspicia te halen. Daar alleen de
+veldheer auspicia had, beteekent de uitdrukking sub auspiciis alicuius:
+onder iemands opperbevel.
+
+Auster, de Zuidenwind, tgw. Scirocco genoemd, zie Windstreken.
+
+Autariatae, Autariatai, volksstam in Dalmatia.
+
+Autochthones, Aborigines, heetten de grieksche volken, die beweerden
+dat hunne voorouders niet uit den vreemde waren gekomen, maar in het
+land zelf, als het ware uit den grond (vandaar de spotnaam gegeneis)
+waren ontstaan. De Atheners en de Arcadiërs beroemden zich van zulke
+autochthonen af te stammen.
+
+Autololes, Autololai, gaetulische volksstam op de Westkust van Afrika,
+buiten de zuilen van Heracles en ten Zuiden van den Atlas.
+
+Autolycus, Autolykos, zoon van Hermes en Chione, van moederszijde
+grootvader van Odysseus, de sluwste dief en bedrieger der oudheid. Hij
+woonde op den Parnassus en ondernam van daar uit verscheiden
+rooftochten, van welke hij altijd rijken buit medebracht, terwijl
+hij nooit ontdekt werd, daar hij het vermogen bezat zichzelven en
+de gestolen goederen onzichtbaar te maken of van gedaante te doen
+veranderen. Maar de runderen van Sisyphus, die hij ook gestolen had,
+moest hij teruggeven, daar deze aan den hoef gemerkt waren en dus
+gemakkelijk herkend werden.--Autol. was ook zeer bekwaam in het
+worstelen en leerde Heracles deze kunst.
+
+Automedon, Automedon, zoon van Diores, wagenmenner en strijdmakker
+van Achilles; de naam wordt soms spreekwoordelijk voor een wagenmenner
+gebruikt.
+
+Autonoe, Autonoe, dochter van Cadmus en Harmonia, moeder van Actaeon.
+
+Autonomia, het recht van een staat om zichzelf wetten te geven,
+voornaamste kenmerk van politieke onafhankelijkheid; onder de Romeinen
+was hiermede verbonden het recht om eigen munten te slaan.
+
+Autonous, Autonoos, een heros, die te Delphi vereerd werd en den
+delphischen tempel tegen de troepen van Xerxes verdedigde.
+
+Autrigones, volksstam in Hispania Tarraconensis tusschen den Iberus
+(Ebro) en het mare Cantabricum (golf v. Biskaye).
+
+Autronii.--P. Autronius Paetus, in 65 met P. Cornelius Sulla wegens
+ambitus veroordeeld, redenaar met sterke stem. Hij nam deel aan de
+Catilinarische samenzwering en werd in 62 volgens de lex Plautia de
+vi veroordeeld, en ging in ballingschap naar Epirus. Dit geslacht
+heeft bovendien een paar consuls opgeleverd.
+
+Auxesia, Auxesia, godin van den wasdom, waarschijnlijk een bijnaam
+van Demeter. Z. Damia.
+
+Auxilia, troepen, die door de Romeinen uit de provinciën werden
+getrokken of door verbonden volken en vorsten geleverd werden. De
+italische volken leverden geene auxilia; zij waren socii, omdat Italia
+geen provincie was. Toen Italia het burgerrecht kreeg, waren er geene
+socii meer in het leger.
+
+Auximum, aanzienlijke stad, sedert 157 rom. kolonie, in Picenum,
+ten zuiden van Ancona.
+
+Auxo, Auxo, eene van de Gratiën.
+
+Auxume, Auxoume of Axome, Axome, thans Axoem, in Aethopia, nabij
+de bronnen van den Astaboras (Atbara), in den keizertijd hoofdstad
+van een machtigen handelsstaat. Volgens het geschiedverhaal zou
+onder de regeering van koning Psamtik of Psammeticus een deel van de
+kaste der krijgslieden, ten getale van 240000 man, Aegypte verlaten
+hebben en zich zóóver van Meroë gevestigd hebben, als Meroë van Syene
+ligt. Vermoedelijk is hierdoor het rijk van Auxume ontstaan. De bloei
+dateert eerst uit den tijd na den val van Meroë.
+
+Avaricum, thans Bourges, ten Z. van den Liger (Loire) in Gallia,
+hoofdstad der Bituriges, in den grooten gallischen opstand (52) door
+Caesar veroverd, waarbij van de 40000 menschen, die er een toevlucht
+hadden gezocht, slechts 800 aan het bloedbad ontkwamen. Later was
+het de hoofdstad van Aquitania I.
+
+Avella = Abella.
+
+Avenio, aanzienlijke stad in Gallia Narbonensis, in het gebied der
+Cavari, thans Avignon, aan den Rhodanus (Rhone).
+
+Avens (t.g.w. Velino), riviertje in het Sabijnsche land, zijtak
+van den Nar. In de nabijheid van Reate vormde het groote moerassen,
+paludes Reatinae, die de consul M.' Curius Dentatus in 290 grootendeels
+drooglegde door het dóórsteken van een berg (zie Reate), zoodat slechts
+een meertje, lacus Velinus, overbleef. Even beneden dien doorsteek
+stort de Avens zich langs den beroemden waterval van Terni (oudtijds
+Interamna), in het italiaansch le Cadute of le Cascate delle Marmore
+geheeten, in den Nar (t.g.w. Nera) uit.
+
+Aventicum, hoofdstad der Helvetiërs, in de 4de eeuw n. Chr. reeds
+verlaten. Thans Avenches aan het meer v. Neufchâtel.
+
+Aventinus (mons), een der zeven heuvels van het oude Rome, die, evenals
+de mons Capitolinus, wel binnen den stadsmuur, doch buiten het pomerium
+lag. Op dezen heuvel lag een tempel van Diana, door Tarquinius Priscus
+als gemeenschappelijk rom.-latijnsch heiligdom gesticht.
+
+Avernus (lacus), Aornos limne, aan den sinus Cumanus (golf v. Napels),
+een uitgebrande krater, waarin zich een meer gevormd had, omgeven door
+een donker cypressenwoud. Zwaveldampen verpestten de lucht boven dit
+meer, waar geen visch in leefde en geen vogel over heen vloog (vandaar
+de naam). Bij Vergilius woont hier de sibylle van Cumae in eene grot,
+waardoor Aeneas in het schimmenrijk afdaalt. Onder de regeering van
+Augustus legde Agrippa hier in 37 de oorlogshaven portus Julius aan,
+die later vervangen werd door den portus Misenus. Sinds dien tijd
+behoort de lacus Avernus met den lacus Lucrinus tot de luxebadplaats
+Baiae. Aardbevingen hebben aan deze streek een ander voorkomen gegeven.
+
+Averruncus, Apotropaios, bijnaam van iederen god, die onheil of gevaar
+afwendt, bijv. Apollo.
+
+Avianus Flavius, rom. fabeldichter uit den tijd van Theodosius den
+Grooten.
+
+Avidius (Cassius), z. Cassii no. 18.
+
+Avienus (Rufus Festus), rom. dichter uit den tijd van Theodosius den
+Grooten, heeft vertalingen in dichtmaat geleverd van oude grieksche
+leerdichten. Vooral belangrijk om den inhoud is zijn ora maritima,
+een bewerking van een griekschen periplous uit de 4de eeuw v. C.,
+waarvan echter slechts de grootste helft van het eerste boek over is.
+
+Aviones, volk in Noord-Germania over den Albis (Elbe), een van de
+volkeren, die de godin Nerthus vereerden.
+
+Axamenta, oude liederen in saturnische maat, die door de Salii bij
+hunne optochten werden gezongen. Zie ook ancile.
+
+Axia, kasteel in Etruria, in het gebied van Tarquinii.
+
+Axierus, Axiocersa en Axiocersus, Axieros, Axiokersa en Axiokersos,
+samothracische Cabiren, geïdentificeerd met Demeter, Persephone
+en Hades.
+
+Axius, Axios, thans Vardar, voorname rivier van Macedonia, die zich
+in de Thermaeische golf ontlast.
+
+Axona, rivier in Gallia, thans Aisne, zijtak van den Isara (Oise). Aan
+den Axona lag Augusta Suessionum (Soissons).
+
+Axones, ook kyrbeis genoemd, witgemaakte houten borden, die om een as
+kunnen draaien, waarop de wetten van Solon geschreven waren. Zij waren
+opgesteld in het Prytaneum te Athene, v.s. hadden zij oudtijds op den
+burcht gestaan en waren zij eerst door Ephialtes verplaatst. V.a. zijn
+de kyrbeis te onderscheiden van de axones en zijn kyrbeis van boven
+afgestompte pyramiden van steen in de stoa basilike, waarop de
+voornaamste wetten ingebeiteld waren.
+
+Axume of Axome = Auxume.
+
+Axus, Axos, z. Oaxus.
+
+Azan, Azan, zoon van Arcas en Erato; naar hem was Azania, een deel
+van Arcadië, genoemd.
+
+Azania, Azania, 1) kustland van Afrika, bezuiden kaap Aromata
+(Guardafui), thans de kust der Somali.--2) zie Azan.
+
+Aziris, Aziris, stad op de libysche kust, ten O. van Cyrene.
+
+Azotus, Azotos, eene der vijf hoofdsteden van de Philistijnen, dicht
+bij de kust, tusschen Ascalon en Iamnia, in het O.T. Asdod.
+
+
+
+
+
+
+B.
+
+
+Babrius, Babrios, grieksch dichter, die de fabels van Aesopus in verzen
+bracht. Hij leefde onder Domitianus of later, in elk geval vóór het
+einde van de 2de eeuw n. C. Van de 224 fabels, die overgebleven zijn,
+wordt een groot gedeelte door sommigen niet als het werk van Babrius
+beschouwd.
+
+Babylon, Babylon, 1) stad in Aegypte, stroomafwaarts van Memphis.--2)
+hoofdst. van Babylonia, zeer oude stad; in de 23ste eeuw maakt
+Chammurabi (Hammurabi), de beroemde wetgever, haar tot de hoofdstad
+van het nu geheel semietische Babylonia. Van de latere, lotgevallen
+weten we weinig, totdat Nebukadnesar I (omstreeks 1150) het wederom
+tot bloei bracht. In 728 nam Tiglathpilesar III van Assyria er
+bezit van, en in 689 werd het door Sanherib gesloopt, maar door
+zijn zoon Asarhaddon, die zijne residentie hierheen wilde verleggen,
+weer opgebouwd. In 648 werd de stad weer ingenomen en gedeeltelijk
+verwoest, doch herrees na den ondergang van het assyrische rijk
+door de zorg van den eersten koning van het nieuw-babylonische rijk,
+Nabopalassar, en vooral van zijn grooten opvolger Nebukadnesar II,
+die in 604 aan de regeering kwam, als eene stad, die hare wedergade
+niet had. Zij vormde een kwadraat, waarvan elke zijde 120 stadiën
+of 4 uren gaans lang was, en was omringd door een muur van gebakken
+steen van 100 koninklijke elleboogslengten (± 45 meter) boven den
+beganen grond en half zoo breed. Daaromheen liep eene gracht met
+gemetselde wanden, even zoo diep als de muur hoog was, en waarvan
+de uitgegraven klei de steenen had geleverd voor den muur. In den
+muur, die met 200 torens versterkt was, waren 100 poorten, waarvan
+de deuren, stijlen en bovendorpels van koper waren. De Euphraat, die
+de stad doorsneed, was ook ter weerszijden ingesloten door muren,
+waarin de zoogenaamde waterpoorten waren. In de stad vond men het
+koninklijk paleis, met drie muren omgeven, die een omtrek van 20,
+40 en 60 stadiën hadden, alles in kwadraatvorm. Dáár waren ook de
+oploopende, op gewelven rustende terrassen, die onder den naam van
+hangende tuinen bekend zijn en die zoo dik met aarde bedekt waren,
+dat boomen er in konden wortelen. De beroemde tempel van Belus was
+een vierkante toren op een grondvlak van twee stadiën lang en even
+breed. Daarboven verhief zich een tweede kleinere toren, en zoo verder
+tot acht torens toe. In den bovensten toren was het slaapvertrek
+van den god met een gouden legerstede en een gouden tafel. De groote
+ruimte binnen de muren was natuurlijk niet geheel met huizen bebouwd,
+maar bevatte ook de noodige akkers en weidegronden, zoodat de bijna
+onneembare stad niet kon worden uitgehongerd. In 538 viel de stad in
+handen der Perzen. Darius Hystaspis liet na een opstand (519 of 516)
+een gedeelte der muren sloopen; toch bleef Babylon groot en schoon tot
+het uiteenspatten van het macedonische rijk, toen de nieuw gestichte
+steden Seleucia en Ctesiphon de bewoners tot zich trokken.
+
+Babylonia, Babylonia, het land van Babylon, was de landstreek
+tusschen den Tigris ten O., de woestijnen van Arabië ten W. en den
+zoogenaamden medischen muur ten N. De bodem bestond uit aangeslibden
+kleigrond en was uiterst geschikt voor graanbouw. Het land was
+doorsneden door bevaarbare kanalen, die den Euphraat met den Tigris
+verbonden, en onderling weder verbonden waren door smallere vaarten,
+die weder door sloten met elkander gemeenschap hadden. Boomen vond
+men er bijna niet. De oudste bewoners zijn de Sumeriërs, op wie
+reeds kort na 4000 de Accadiërs, een semietische stam, volgen,
+die zich met de oorspronkelijke bevolking na veel strijd gemengd
+hebben. De bloeitijd van dit volk valt tusschen 3800 en 3700 en
+de meest bekende koning is Sargon. Later valt het rijk uiteen in
+verschillende stadstaten, die elk een afzonderlijke godheid vereeren,
+tot ± 2300 de stad Babylon (z.a.) op den voorgrond treedt. De
+babylonische nijverheid had een hoogen trap bereikt en bestond vooral
+in tapijtweverijen, lijnwaadweverijen, goudsmidswerk en het snijden
+in edelgesteenten. De godsdienst was het sabaeïsme, de vereering van
+zon, maan en sterren. Vooral de stam der Chaldaeërs, die zich in het
+zuid-oostelijk deel, Akkad, gevestigd hadden, had het ver gebracht in
+sterrenkunde en tijdrekenkunde en wiskunde, en verhief zich daardoor
+tot priesterkaste. Sterrenwichelarij ging daarmede hand aan hand. De
+Chaldaeërs waren oorspronkelijk een herdersvolk, dat bij den helderen
+babylonischen sterrenhemel, terwijl zij 's nachts wacht hielden bij
+hunne kudden, ruime gelegenheid had gehad den loop der sterren gade te
+slaan. Nadat het babylonische rijk in de 13de eeuw eene assyrische
+provincie was geworden, stond het meermalen op, doch werd weder
+onderworpen, totdat in 606 Nabopolassar het weder vrij maakte en
+Assyria eene provincie van Babylonia werd. In 538 veroverde Cyrus
+de stad Babylon, en het gewest werd nu perzisch, later macedonisch
+en daarna syrisch. Het babylonische stelsel van munten, maten en
+gewichten werd door verscheidene andere volken der oudheid overgenomen.
+
+Babylonii numeri of Chaldaïcae rationes. Tegen en in den
+rom. keizerstijd kwamen dikwerf oosterlingen naar Rome als
+sterrenwichelaars en horoscooptrekkers. Bij hunne voorspellingen
+speelden kaarten met cijfers en getallen eene hoofdrol. Men heeft dus
+te denken aan iets als het kaartleggen in lateren tijd. Wel trachtte
+men dit soort menschen te weren, doch het bijgeloof te Rome was zóó
+sterk, dat men in weerwil van de verbodsbepalingen gretig van hunne
+zoogenaamde kunst gebruik maakte.
+
+Bacchae, Bakchai, Bacchanten, vrouwen, die bij sommige feesten van
+Dionysus met geschreeuw en gegil, onder begeleiding van muziek, in de
+grootste opgewondenheid heinde en ver rondliepen om, zoo het heette,
+den god te zoeken. Zij waren in dierenhuiden gehuld en zwaaiden
+een thyrsusstaf; zij stelden het geleide voor, dat Dionysus op zijn
+veroveringstochten vergezeld had.
+
+Bacchanalia heeten in Italië geheime feesten ter eere van Bacchus,
+die uit de grieksche steden ingevoerd waren. Zij werden met de
+luidruchtigheid der Dionysusfeesten gevierd, maar gingen hier met
+zulke schandalen, ja zelfs misdaden, gepaard, dat de senaat in 186
+meende hieraan te moeten paal en perk stellen en elken nieuwen dienst
+van Bacchus verbood.
+
+Bacchiadae, Bakchiadai, een adellijk geslacht, dat langen tijd te
+Corinthe regeerde en in 657 door Cypselus verdreven werd.
+
+Bacchium, Bakchion, eiland tegenover de aziatisch-ionische kuststad
+Phocaea, welks prachtige tempels in den syrischen oorlog door de
+Romeinen en hunne bondgenooten in 190 geplunderd werden.
+
+Bacchus, Bakchos, andere naam voor Dionysus, waarschijnlijk betrekking
+hebbend op het luidruchtige van zijn eeredienst. Door de Romeinen
+werd deze naam aan den god Liber gegeven.
+
+Bacchylides, Bakchylides, lyrisch dichter van Ceos, neef van Simonides,
+met wien hij geruimen tijd te Syracuse aan het hof van Hiero leefde;
+later begaf hij zich naar de Peloponnesus. Van zijne gedichten
+zijn sedert 1897 ongeveer twintig min of meer in hun geheel bekend;
+overigens zijn ervan slechts eenige fragmenten over.
+
+Bacenis silva, waarschijnlijk de Hohe Rhön met zijn uitloopers,
+grensscheiding tusschen de Cherusci en de Suebi.
+
+Bacis, Bakis, was de naam voor profeten van wie verzamelingen orakels
+afkomstig waren, die in de 7de eeuw in omloop gebracht werden en bij
+velen groot gezag hadden, zoodat zelfs de verschillende staten van
+Griekenland zich soms bij hunne besluiten er door lieten leiden. Er
+was een Attische, Boeotische en een Arkadische Bacis.
+
+Bactra, ta Baktra, vroeger Zariaspa, thans Balkh, hoofdstad van Bactria
+(Bactriane) en belangrijke handelsstad.
+
+Bactria, Bactriane, Baktriane, gewest in het N.O. van het perzische
+rijk, door den Oxus (Amu-Daria) doorsneden. In overouden tijd bestond
+hier een bactrisch rijk, dat door de Mediërs werd veroverd, waarna de
+godsdienst van Zarathustra, die in Bactrië heerschte, staatsgodsdienst
+werd in Medië. Na Alexander d. Gr. kwam het onder Seleucus, den
+stichter van het Syrische rijk; doch in 250 scheurde Bactria zich
+van Syrië los onder zekeren Diodotus, een Griek. Onder hem en zijn
+opvolger breidde Bactria zich uit tot een grooten, bloeienden staat,
+die een duizendtal steden telde. Doch tweespalt werd de oorzaak, dat
+omstreeks 150 de Parthen samen met de Hunnen (Phaunoi) zich vóór en
+na van de bactrische provinciën meester maakten, en Bactria zelf in
+140 door de scythische Sacers vermeesterd werd.
+
+Baduhennae lucus, woudstreek in het land der Frisii, misschien de
+tegenw. streek Zevenwolden.
+
+Baebia (lex), een plebisciet van 181 of 180. Het behelsde, dat niet
+jaarlijks zes praetoren zouden gekozen worden, zooals sedert 197
+geschiedde, doch om het andere jaar slechts vier. De wet is spoedig
+weer afgeschaft.
+
+Baebii, 1) M. Baebius Tamphilus, trok als propraetor, met Philippus
+van Macedonia verbonden, het eerst den syrischen koning Antiochus
+III in Griekenland tegemoet, in 191. In 181 was hij consul, toen de
+zoogenaamde 14 boeken van Numa gevonden werden, die echter onecht
+bevonden en openlijk verbrand werden. In 180 beoorloogde hij als
+proconsul met zijn ambtgenoot P. Cornelius Cethegus een ligurisch
+volk (de Apuani) dat zich vrijwillig overgaf en naar Samnium werd
+overgebracht.--2) C. Baebius, volkstribuun in 111, belette, toen
+Jugurtha onder vrijgeleide naar Rome was gekomen om getuigenis af
+te leggen tegen hen, die zich hadden laten omkoopen, den koning
+te spreken.
+
+Baecula of Baecyla, Baikoula, Baikyla, stad in Hispania Baetica, ten
+N. van den Baetis, bekend door de wapenfeiten van P. Cornelius Scipio
+(den lateren Africanus maior) in den tweeden punischen oorlog. In
+het gebied der stad lagen rijke zilvermijnen. Ook schijnt er nog een
+stadje Baecula in het N.O. van Spanje te hebben gelegen, in het land
+der Ausetani.
+
+Baenis, Bainis, z. Minius.
+
+Baetasii = Betasii.
+
+Baeterrae, thans Béziers, in het gebied der Volcae Arecomici, in
+Gallia Narbonensis, dicht bij de kust.
+
+Baetica, Baitike, het zuidelijke en zuidwestelijke gedeelte van
+Hispania, aldus genoemd naar den Baetis (Guadalquivir), die er door
+stroomde. Het was het welvarendste deel van Hispania, met veel handel
+en nijverheid, waarin de vervaardiging van wollen stoffen en wapenen
+een hoofdrol speelde.
+
+Baetis, Baitis, rivier in Baetica, thans Guadalquivir.
+
+Baeturia, Baitouria, het gedeelte van Baetica, dat aan Lusitania
+grenst, tusschen den Baetis en den Anas (Guadiana).
+
+Bagaudae, gallische boeren, die in 285 na C. wegens onderdrukking in
+opstand kwamen en een bloedigen boerenoorlog voerden.
+
+Bagienni = Vagienni.
+
+Bagistanus mons, Bagistanon oros (Baghastân = godenoord), beroemd om de
+verrukkelijke natuur, aan den heerweg van Ecbatana naar Babylon. Op
+de afgehakte en gladgeschuurde rotswanden waren in beeldwerk en
+spijkerschrift de wapenfeiten van Darius Hystaspis vermeld.
+
+Bagoas, Bagoas, een Aegyptenaar, gunsteling van Artaxerxes Ochus, dien
+hij ten slotte vergiftigde. Daarna zette hij diens jongsten zoon Arses
+op den troon, doch ook dezen vermoordde hij na eenige jaren. Darius
+Codomannus, die eveneens door hem de regeering verkregen had, liet
+hem dooden (330).
+
+Bagradas, Bagradas, 1) rivier in Africa, die tusschen Carthago en
+Utica in zee valt.--2) rivier aan de Zuidkust van Persis, dicht bij
+de grens van Carmania.
+
+Baiae, Baiai, Baïai, beroemde rom. badplaats met warme zwavelbronnen,
+aan een inham van den sinus Cumanus (golf v. Napels) gelegen, een waar
+lustoord. De kust was als bezaaid met prachtige villa's en lusthuizen
+van aanzienlijke Romeinen. Zie ook Avernus (lacus) en Lucrinus
+(lacus). Er heerschte ontzaggelijke weelde en tevens eene groote
+losheid van zeden. Keizer Hadrianus is te Baiae gestorven. Thans is
+de plek door aardbevingen geheel verwoest, zoodat er slechts weinig
+sporen van de oudheid over zijn.
+
+Baitylos, Baitylion, ook met den phoenicischen naam Abadir genoemd,
+uit den hemel gevallen steenen, die op vele plaatsen het voorwerp
+van bijgeloovige vereering waren. Bij den tempel van Delphi stond
+zulk een steen, die dagelijks met olie gezalfd en op feestdagen met
+wol omwonden werd. Men geloofde dat dit de steen was, dien Cronus
+(z. a.) in plaats van Zeus verslonden had.
+
+Baius, Baios, de stuurman van Odysseus. De stad Baiae, waar hij
+begraven is, is naar hem genoemd.
+
+Balbinus (D. Caelius Calvinus), romeinsch keizer in 238 n. C. samen met
+M. Clodius Pupien(i)us Maximus. Zij benoemden den jongen Gordianus
+(III) tot Caesar. Na drie maanden werden zij vermoord, en werd
+Gordianus keizer.
+
+Balbus (= stotteraar), een rom. familienaam, die in de gentes Ampia,
+Attia, Cornelia, Lucilia, Octavia en Thoria voorkomt. De voornaamste
+Balbi zijn: 1) T. Ampius Balbus, een der makers van de lex Ampia
+Labiena.--2) M. Attius Balbus, grootvader van Augustus. Zie Attii
+no. 5.--3) L. Cornelius Balbus, z. Cornelii no. 28.--4) L. Cornelius
+Balbus minor, z. Cornelii no. 29.
+
+Baleares insulae, Balearides nesoi, de bekende Balearische
+eilanden nabij de spaansche kust, maior en minor, thans Majorca en
+Minorca. De inwoners, ook Baleares geheeten, Baleares, waren bekend
+als uitstekende slingeraars. De hoofdplaatsen waren Palma en Mago
+(Port-Mahon). De naam Baleares beteekent volgens Grieksche schrijvers
+slingeraarseilanden; de Grieken noemden ze vroeger ook wel Gymnesiai,
+of naaktlooperseilanden. Wegens hun heulen met de zeeroovers werden
+zij in 123 door de Rom. onderworpen onder Q. Caecilius Metellus,
+die hiernaar den bijnaam Balearicus kreeg, z. Caecilii no. 8.
+
+Balesium = Valentia no. 3.
+
+Balius, Balios, en Xanthus, de onsterfelijke paarden van Achilles, die
+door Poseidon aan Peleus bij zijn huwelijk ten geschenke gegeven waren
+en die hij na den dood van Achilles terugnam. Zij waren gesproten uit
+de verbintenis van Zephyrus en Podarge. V. s. waren het oorspronkelijk
+Titanen geweest, die Zeus in den strijd tegen de andere Titanen
+hadden geholpen, en verzocht hadden in paarden veranderd te worden,
+om door hunne verwanten niet herkend te worden.
+
+Ballista, lithobolos, een werptuig, waarmede zware steenen binnen
+eene belegerde stad werden geslingerd. De ballistae wierpen in
+boogvormige richting. Juiste duidelijke beschrijvingen van dit
+werpgeschut ontbreken.
+
+Balneum, saamgetrokken uit balineum, badkamer. Om een badhuis aan
+te duiden gebruikte men oudtijds het plurale balneae, doch daar dit
+woord in de dactylische maat niet paste, ontstond in het augusteïsche
+tijdperk het plurale balnea. In zulk eene openbare badinrichting
+onderscheidde men: het apodyterium of (ont)kleedkamer, het frigidarium
+of vertrek voor koude baden, soms met kuipen, soms met een zwembassin
+of natatio,--het tepidarium, eene verwarmde ruimte, die tot overgang
+diende,--de ruimte voor het warme bad, caldarium. Deze laatste had een
+verwarmden bodem, terwijl later ook de zijwanden verwarmd werden door
+het inrichten van spouwmuren, die men vormde door het aanbrengen van
+tegulae mammatae, of het aanleggen van buizen, tubuli. Het verwarmen
+van den vloer bracht men tot stand door die op gemetselde porren of
+stutten te plaatsen, waaronder dan de heete lucht kon circuleeren. Men
+kan dit nog goed zien aan de overblijfselen van de Romeinsche baden
+te Trier (suspensura). Eene groote kuip voor warm water (alveus),
+vlak boven of dicht bij den haard, was in den vloer gemetseld. Aan
+de overzijde had men dan het labrum, een kuip met lauw water, om
+na te spoelen. Somwijlen komt ook nog een aparte zweetkamer voor,
+sudatorium of laconicum geheeten, voor het zweetbad, assa sudatio. Na
+een zweetbad werd men door de badslaven (aliptae), die men gewoonlijk
+zelf medebracht, met eene soort krabbers (strigiles) van zweet
+gereinigd, afgewreven, gezalfd. Dit laatste schijnt in het tepidarium
+verricht te zijn. Een goed voorbeeld van een eenvoudige badinrichting
+in den eersten keizertijd levert bijgaande plattegrond van de Thermae
+Stabianae te Pompeii. A hoofdingang van de afdeeling voor mannen,
+B zuilengangen, C palaestra met rechts een soort kegelbaan voor een
+spel met steenen ballen, F natatio. I-VIII afdeeling voor warme baden,
+waarvan IV doorgang, V frigidarium, VI apodyterium, VII tepidarium,
+VIII caldarium, IX stookplaats (praefurnium), die zoowel de mannen-
+als de vrouwenafdeeling van heet, lauw en koud water voorzag. 1-6
+afdeeling van vrouwen, 1 en 5 ingangen, 2 apodyterium, 3 tepidarium,
+4 caldarium; een frigidarium ontbreekt hier. De ruimten E en G,
+die aan de natatio aansluiten, dienden voor douchebad. D diende voor
+apodyterium of destrictarium. Nadat men zich uitgekleed had, hield men
+zich bezig met gymnastische oefeningen, dan keerde men naar D terug,
+waar olie en stof afgewreven werden, vervolgens reinigde men zich in
+E of G, en gebruikte dan de natatio. Onder de rom. keizers verrezen
+prachtige badhuizen, met wandelgalerijen, gymnastiekzaal, kaatsbaan,
+conversatiezalen, bibliotheken en derg. Zie thermae. De inrichting
+van een grieksch badhuis (balaneion) was over het geheel aan dat van
+het rom. gelijk.
+
+Balteus of Balteum (in het meerv. bij voorkeur baltea), gordel of
+bandelier, hetzij om het lijf of over den schouder gedragen, om zwaard
+of schild of pijlkoker of wat dan ook te dragen. Ook wordt het woord
+gebezigd voor de ringmuren, die in een theatrum of amphitheatrum
+de drie rangen van elkander scheidden. Bijgaande teekening stelt
+een stuk voor van een theater in Pompeji. Men denke zich de muren
+met den overdekten gang onafgebroken doorloopende zoover als de
+zitplaatsen gaan.
+
+Bambyce, Bambyke, oude naam van Hierapolis in Syria (Cyrrhestice),
+nabij den Euphraat, een van de fraaiste steden van Syrië.
+
+Bandusia, bron in Apulia, nabij Venusia, de geboortestad van
+Horatius. Op diens landgoed Sabinum bevond zich ook eene bron, door
+den dichter Bandusia gedoopt.
+
+Bantia, stadje in Apulia, nabij Venusia, in een boschrijke streek aan
+den mons Vultur. In de nabijheid zijn in 1793 fragmenten gevonden
+van een bronzen plaat, die aan beide zijden een opschrift heeft,
+de tabula Bantina. Het ééne opschrift is in het oscisch, het andere
+in het latijn.
+
+Baphyras of -rus, Baphyras, riviertje in Pieria, dat op den Olympus
+ontspringt en langs Dium (z. Dium no. 3) stroomend, in de golf van
+Thermae valt.
+
+Baptai heetten zij die deelnamen aan de feesten van Cotytto.
+
+Barathrum, Barathron, een afgrond bij Athene, waarin sommige
+misdadigers geworpen werden.
+
+Barbari, barbaroi, bij de Grieken alle volken die een vreemde taal
+spraken, en daar de Grieken zich als het voortreffelijkste volk
+beschouwden, dat geschikt was over alle andere te heerschen, hechtte
+men aan dit woord licht de beteekenis van laag, slaafsch. Toen de
+Romeinen het overnamen, zonderden zij zichzelf van de barbaren uit;
+bij hen beteekent het woord die volken, die de grieksche en romeinsche
+beschaving missen, het komt dus meer overeen met ons barbaarsch. Later
+werd het vooral van de Germanen en van de volken over den Euphraat
+gebruikt.
+
+Barbaria (Barbarica), de noordelijke kust van Somali-land.
+
+Barbitos, Barbiton, barbitos, barbiton, een muziekinstrument met
+zeven snaren, in vorm gelijk aan de lier, maar grooter; het werd met
+de vingers of met een plectrum bespeeld.
+
+Barca, Barke, stad in Cyrenaïca, omstreeks 550 als mededingster van
+Cyrene gesticht door broeders van den cyrenaeïschen koning Arcesilas
+II, die zich aan het hoofd der opgestane Barcaeërs hadden gesteld. Na
+de verovering door de Perzen in 512 kwam Barca in verval. De Perzen
+brachten een gedeelte der inwoners naar Bactria over en de latere
+Ptolemaeën verhieven Barca's havenplaats tot eene zelfstandige stad
+Ptolemaïs.
+
+Barcaei, Barkaioi, paardenfokkende nomadenstam, die het land van
+Barca bewoonde.
+
+Barcani(i), parthische stam op de grenzen van Hyrcania, waarover
+Cyrus zijn grootvader Astyages, dien hij onttroond had, tot landvoogd
+aanstelde.
+
+Barcas = de bliksem, bijnaam van Hannibals vader Hamilcar.
+
+Barcino, aanzienlijke stad der Lacetani in het N.O. van Tarraconensis,
+later rom. kolonie, thans Barcelona.
+
+Barcini, aanzienlijk karthaagsch geslacht, waartoe o.a. Hasdrubal en
+Hannibal behoorden. Ook de partij, waarvan deze familie het hoofd was,
+wordt zoo genoemd.
+
+Bardi, Bardoi, dichters en zangers bij de Galliërs.
+
+Bardiaei, Vardaei, Bardyaioi, illyrische slaven, berucht om hun
+bloeddorst, waarvan Marius zich bediende om de vogelvrijverklaarden
+uit den weg te ruimen. Toen zij in hun overmoed niets meer ontzagen,
+liet Sertorius na Marius' dood 4000 van hen neersabelen.
+
+Bardylis, Bardylis, Illyrisch koning, die in 359 een groot deel
+van Macedonië veroverde, maar het volgende jaar in een slag tegen
+Philippus sneuvelde.
+
+Barea Soranus, proconsul in Asia onder Nero. Door zijne
+rechtvaardigheid maakte hij zich zeer bemind, doch hij werd van
+eerzuchtige bedoelingen beschuldigd en met zijne dochter Servilia
+ter dood veroordeeld, 66 na C. Aanklager was zijn cliënt en vroegere
+leermeester, de stoicus P. Egnatius Celer uit Berytus.
+
+Bargusii, volk in Tarraconensis tusschen den Iberus (Ebro) en de
+Pyrenaeën.
+
+Bargylia, ta Bargylia, stad in Caria ten N. van Halicarnassus. In
+de nabijheid vond men een beroemd beeld van Artemis, dat nooit door
+regen nat werd, hoewel het onder den blooten hemel stond.
+
+Barium, Barion, stad der Peucetii in Apulia aan de Adriatische zee,
+met veel vischvangst, thans Bari.
+
+Barsine, Barsine, 1) ook Statira of Arsinoë genoemd, dochter van
+Darius Codomannus, huwde in 324 met Alexander d. Gr. en werd na diens
+dood door Roxane vermoord. Haar juiste naam was Statira; Barsine heet
+ze slechts door een vergissing van een der schrijvers, die haar met
+Barsine no. 2 verward heeft.--2) dochter van Artabazus, gehuwd met
+Memnon den Rhodiër. Bij Alexander d. Gr. werd zij moeder van Heracles.
+
+Basanistes, een ambtenaar te Athene, ten overstaan van wien slaven als
+aangeklaagden of getuigen verhoord werden. De verklaringen van slaven
+waren alleen dan geldig, wanneer zij op de pijnbank (basanos) afgelegd
+waren. In vele gevallen lieten de partijen, na afloop van het verhoor,
+de beslissing over de zaak aan den basanist als scheidsrechter over.
+
+Basileus, koning, in oude tijden de algemeene naam voor het hoofd
+van een griekschen staat; bij het toenemen van de macht van den
+adel werden ook de hoofden der adellijke geslachten zoo genoemd. In
+de historische tijden vindt men dien titel alleen nog te Sparta,
+waar twee koningen regeerden, een uit het geslacht der Procliden of
+Eurypontiden, een uit dat der Agiden. Zij waren voorzitters van den
+raad, opperpriesters, aanvoerders in den oorlog en in enkele zaken
+ook rechters; hun macht was echter zeer beperkt.--Te Athene, waar de
+koninklijke waardigheid sedert den dood van Codrus afgeschaft was,
+bleef de tweede archont den titel van basileus behouden (z. Archontes).
+
+Basilicae waren ruime gebouwen voor het handelsverkeer, overdekte
+markten of beursgebouwen, groote rechthoekige zalen met of zonder
+halfrond aan de einden. Soms werd het dak door twee rijen zuilen
+gesteund, en vormden deze dus een middenschip en twee zijschepen. Ook
+werden de basilicae veel gebruikt voor rechtszittingen. Onder
+Constantijn den Grooten werden eenige basilieken aan de Christenen
+ingeruimd voor hunne godsdienstige bijeenkomsten. Vandaar dat de
+oudste christenkerken dezen vorm hadden.
+
+Basilius de Groote, 329 na C. te Caesarea in Cappadocia geb., was
+eerst pleitbezorger, ging toen tot den geestelijken stand over en werd
+in 370 bisschop van Caesarea. Hij was een groot weldoener der armen,
+stichtte een groot hospitaal en besteedde zijn geheel vermogen tot
+weldadige doeleinden, terwijl hij zelf in armoede leefde. Hij was een
+groot voorstander der grieksche letterkunde. Behalve andere geschriften
+heeft hij ook brieven nagelaten, uitmuntende door stijl en logica. Hij
+bestreed het Arianisme. Het door hem gestichte klooster aan den Iris
+in Pontus werd een model voor latere inrichtingen van deze soort.
+
+Baskania, fascinatio, betoovering door woord of blik. In
+overeenstemming met de bekende meening der ouden, dat de goden geen
+al te groot of al te langdurig geluk duldden, geloofde men ook dat
+hun aandacht op zulk een gelukkig persoon door een overmoedig woord of
+afgunstigen blik gevestigd konden worden, of dat zij daardoor bewogen
+konden worden aan den gelukkigen toestand een einde te maken. Daarom
+placht men, wanneer men zichzelf of zijn geluk prees, door bepaalde
+formules het vermoeden van overmoed van zich af te werpen, of driemaal
+te spuwen; tegen het "kwaadoog" vond men bescherming door het dragen
+van een talisman (probaskanion, fascinum).
+
+Bassae, Bassai, een vlek in het Z. van Arcadia, in het gebied der stad
+Phigalia, met een tempel van Apollo Epicurius (den helper tegen de
+pest), door den beroemden Ictinus gebouwd. Met den Athena-tempel
+te Tegea gold deze Apollo-tempel voor den schoonsten van de
+Peloponnesus. Zie verder Phigalia.
+
+Bassania, stad in Illyria in de nabijheid van Lissus.
+
+Bassareus, Bassareus, bijnaam van Dionysus, naar het vossevel
+(bassara), waarmede hij omhuld was.
+
+Bassaris, Bassaris, Bacchante.
+
+Bassus, familienaam in de gentes Caecilia (Caecilii no. 28), Caesia,
+Pomponia (Pomponii no. 8), Ventidia.
+
+Bastarnae, Bastarnai, een machtig, roofziek volk van Germaanschen stam
+tusschen den Vistula (Weichsel), den Tyras of Danastris (Dniester) en
+den Ister (Beneden-Donau), dat Perseus met 7000 strijdbare mannen had
+willen helpen, zoo hij niet te karig ware geweest (168). Herhaaldelijk
+deden zij strooptochten in Thracia. Een onderafdeeling van hen vormen
+de Peucini.
+
+Basterna, gesloten draagstoel, door muilezels gedragen, voornamelijk
+ten gebruike van vrouwen.
+
+Bastetani, iberische volksstam in het zuiden van Hispania
+Tarraconensis, verwant met de
+
+Bastuli, een in het Oosten van Baetica aan zee wonende sterk met
+Phoeniciërs gemengde iberische stam. Bij oudere gr. schrijvers heeten
+ze met de Bastetani Mastiani (Mastianoi).
+
+Batava castra, in Vindelicia op de grenzen van Rhaetia, thans Passau.
+
+Batavi, de ons bekende Batavieren, omstreeks 40 uit Germania den Rijn
+afgezakt. Ze stammen af van de Chatten. De insula Batavorum strekte
+zich uit tusschen den Rhenus (Rijn) ten N., den Vahalis (Waal) en de
+monden van de Mosa (Maas) ten Z. en de zee ten W. Ze wonen ook ten
+Z. van den Rijn en de Waal. Batavodurum (z. a.), later vervangen door
+Ulpia Noviomagus, z. Noviomagus, en Forum Hadriani zijn de voornaamste
+plaatsen in hun gebied. De Romeinen sloten met hen een bondgenootschap,
+en in de germaansche oorlogen bewees vooral de uitstekende bataafsche
+ruiterij voortreffelijke diensten. Keizer Augustus nam de Batavieren
+onder zijne lijfwacht op. Zie Corporis Custodes. In 69 na C. echter
+barstte een opstand der Batavieren onder Claudius Civilis uit, daar de
+Romeinen hen meer als overwonnenen dan als bondgenooten behandelden. De
+opstand breidde zich ook buiten het eiland uit in zulk eene mate,
+dat hij voor de rom. heerschappij in het Noorden gevaarlijk dreigde
+te worden. De Romeinen wisten echter tusschen de Batavieren en hunne
+bondgenooten tweespalt te verwekken, zoodat de laatsten Civilis
+in den steek lieten, waarop deze met den rom. veldheer Cerealis
+vrede sloot. Het oude bondgenootschap werd hernieuwd. In de 3de eeuw
+n. C. dienen ze veel onder de equites singulares. In 300 n. C. wordt
+hun land overstroomd door de (Salische) Franken, en wat er van hen
+overschiet, zal zich wel bij de Franken hebben aangesloten.
+
+Batavodurum of Oppidum Batavorum, stad der Batavi op het plateau boven
+Ubbergen, ten O. van Nijmegen gelegen, door Civilis in 70 n. C.,
+vóór hij zich naar de Betuwe terugtrok, in brand gestoken. De stad
+is niet herbouwd. Zie Noviomagus no. 4.
+
+Bathycles, Bathykles, van Magnesia, beeldhouwer omstreeks 550; van
+hem was de troon van Apollo te Amyclae, waarop in 42 vakken in relief
+verschillende mythen waren voorgesteld.
+
+Bathyllus, Bathyllos, 1) schoon samisch jongeling, door Anacreon
+bemind.--2) van Alexandrië, vrijgelatene van Maecenas, beroemd als
+kluchtig balletdanser (pantomimus); zijne bekwaamheid in het nabootsen
+van teedere en vrouwelijke standen en gebaren gaf hem den bijnaam
+mollis. Hij is de eigenlijke stichter van den pantomimus.
+
+Bato, naam van twee aanvoerders, een Pannoniër en een Dalmatiër,
+in den opstand dezer beide volken tegen Rome, 6-10 n. C.
+
+Battiadae, Battiadai, afstammelingen van Battus, die 631-450 te
+Cyrene regeerden.
+
+Battiades, Battiades, de dichter Callimachus, afstammende van het
+geslacht der Battiaden.
+
+Battus, Battos, 1) van Thera, zoon van Polymnestus, uit een oud
+adellijk geslacht. Toen hij eens het orakel van Delphi om raad kwam
+vragen tegen het stotteren, kreeg hij bevel eene volksplanting naar
+Libye te voeren, waar hij genezing zou vinden; en inderdaad zoodra
+hij geland was, zag hij een grooten leeuw, van schrik begon hij te
+schreeuwen, en zijn gebrek was genezen. Hij vestigde zich toen met
+de zijnen op het eiland Platea, waar het hun echter niet goed ging,
+zoodat zij na twee jaar naar Griekenland terugkeerden; het delphische
+orakel beval hun echter opnieuw naar Libye te gaan. Zij bezetten nu de
+kust tegenover het eiland en zes jaar later stichtten zij, bij de aan
+Apollo gewijde bron Cyre of Cyrene, de stad Cyrene, waarover Battus
+(631-591) als een rechtvaardig en bemind vorst regeerde.--Volgens
+Herodotus is Battus het libysche woord voor koning.--2) Battus II
+Eudaimon, kleinzoon van den vorigen. Onder zijne regeering (575-570)
+werd het aantal inwoners door eene menigte Peloponnesiërs, Cretensers,
+e. a. vermeerderd, zoodat zij met goed gevolg weerstand konden bieden
+aan het groote leger, dat de aegyptische koning Apriës den Libyers
+tegen hen te hulp gezonden had.--3) Battus III Cholos, onder wiens
+regeering (550-530) de koninklijke macht aanmerkelijk beperkt werd.--4)
+herder van Neleus; hij had Hermes de runderen van Apollo zien stelen,
+maar beloofd dit te verzwijgen, toen echter Hermes zelf in eene
+andere gedaante tot hem kwam en naar de runderen vroeg, vertelde hij
+het gebeurde, waarop hij tot straf voor zijne trouweloosheid in een
+steen veranderd werd.
+
+Batulum, stad in Campania, ligging onbekend.
+
+Baucis, Baukis, z. Philemon.
+
+Bauli, liefelijk oord tusschen Baiae en Misenum, met tal van
+buitenplaatsen. De redenaar Q. Hortensius had hier een landgoed,
+dat later in het bezit van de keizerlijke familie gekomen is. Hier
+werd Agrippina, de moeder van Nero, door haar zoon vermoord (Maart
+59 n. C.).
+
+Bavius en Maevius, twee rom. pruldichters, benijders en bedillers
+van Horatius en Vergilius.
+
+Baxea of Baxa, meestal plur. baxeae, soort van schoeisel, soms als een
+sandaal, soms als een schoen, doch van zeer lichte stof vervaardigd,
+b.v. van papyrus of van palmbladeren.
+
+Bazira, Bazira, vesting op den Paropamisus ten W. van de bergvesting
+Aornus.
+
+Bebriacum = Bedriacum.
+
+Bebryces, Bebrykes, mythisch volk in Bithynië, door de Argonauten
+bezocht. Het volk is ongeveer in de 8ste eeuw door de Bithyniërs
+uitgeroeid. Naar hen heette Bithynia vroeger Bebrycia.
+
+Bedriacum, Betriakon, vlek in Gallia Cisalpina tusschen Verona en
+Cremona, waar in 69 n. C. eerst keizer Otho door de troepen van
+Vitellius verslagen werd, terwijl weinige maanden later tusschen
+Bedriacum en Cremona in een dubbelen slag het leger van Vitellius
+door Antonius Primus, veldheer van Vespasianus verslagen werd.
+
+Belbina, Belbina, eilandje tusschen Attica en Argolis.
+
+Belesys, Belesys, chaldeeuwsch priester, satraap van Babylon;
+z. Arbaces.
+
+Belgae, Belgai, gezamenlijke naam voor de volksstammen, die ten tijde
+van Caesar het noordelijk gedeelte van Gallia Transalpina bewoonden,
+ten N. van den Matrona (Marne) en de Sequana (Seine). Ook in Britannia
+vindt men een volksstam van dien naam, die van de vastelandsche
+Belgae afstamt. Gedeeltelijk waren zij van germaanschen oorsprong. De
+Belgen waren krijgshaftiger dan de meer zuidelijk wonende gallische
+stammen, omdat zij in gedurigen strijd met de Germanen van over den
+Rijn leefden en door het weren van vreemde handelaars zich zochten te
+vrijwaren tegen den ontzenuwenden invloed der rom. weelde. Na zeven
+jaren strijds slaagde Caesar er in ze te onderwerpen.
+
+Belgica, het land der Belgae, door den Rhenus van Germania, door
+Matrona en Sequana van eigenlijk Gallia gescheiden. Als provincie onder
+Augustus strekte Belgica (hoofdstad Durocortorum, thans Rheims) zich
+in zuidoostelijke richting over het gebied der Sequani en Helvetii
+heen tot aan de Alpen uit. Na de terugroeping van Germanicus (17
+n. C.) werden de streken langs den Rijn, waar de legioenen lagen, van
+Belgica gescheiden, en in Germania Superior en Inferior ingedeeld. Toen
+in het tijdperk van Constantijn Gallia Transalpina in 17 kleinere
+provinciën was verdeeld, had men Belgica I met de civitas Trevirorum
+(Trier) en Belgica II met de civitas Remorum (Rheims) tot hoofdstad.
+
+Belgium, het land der Belgae = Gallia Belgica.
+
+Belias = Bilechas.
+
+Belides, Beleides, Aegyptus en Danaüs, zonen van Belus; Lynceus,
+zijn kleinzoon; Palamedes, een van zijne afstammelingen.
+
+Belides, Belides, de Danaïden, kleindochters van Belus.
+
+Bellerophon, Bellerophontes, Bellerophon, Bellerophontes, zoon
+van Glaucus, koning van Corinthe, of van Poseidon. Zijn naam was
+oorspronkelijk Hipponoüs, en werd veranderd toen hij bij ongeluk
+zekeren Bellerus in een wedstrijd gedood had. Wegens dezen moord
+vluchtte hij naar Argos, waar hij door koning Proetus gastvrij
+ontvangen werd, maar diens gemalin Antea (of Stheneboea) vatte een
+hevige liefde voor hem op, en daar die liefde niet beantwoord werd,
+belasterde zij hem bij Proetus, als had hij haar tot ontrouw willen
+verleiden. Deze zond hem naar zijn schoonvader Iobates, koning van
+Lycië, met een brief, waarin de opdracht stond Bell. te dooden. Voordat
+Iobates echter den brief las, had Bell. zich reeds zoo bemind gemaakt,
+dat de koning hem niet zelf dooden wilde; hij gaf hem daarom last de
+Chimaera te gaan bestrijden, denkende dat hij bij die onderneming den
+dood wel vinden zou. Maar Athena stond Bell. bij, en zond hem uit den
+hemel het gevleugelde paard Pegasus, terwijl zij hem in den droom
+leerde hoe het te beteugelen. Op zijn paard gezeten doodde hij het
+monster uit de hoogte met zijne pijlen. Nog was Iobates niet tevreden,
+maar toen Bell. op zijn opdracht nog de Solymers en de Amazonen had
+overwonnen, en eindelijk bij zijn terugkomst de beste soldaten van
+Lycië verslagen had, die in hinderlaag gelegd waren om hem te dooden,
+erkende de koning in hem een gunsteling der goden; hij gaf hem zijne
+dochter tot vrouw en deelde zijn rijk met hem. Maar door zijn geluk
+overmoedig geworden en steunende op zijn wonderbaar paard, waagde
+Bell. nu ook eene poging om den Olympus te bestijgen, en dit was zijn
+ongeluk. Want Zeus maakte zijn paard door een bliksemstraal of door
+een paardenvlieg schichtig, zoodat het zijn ruiter afwierp, die nu
+blind en kreupel op de aarde neerviel, terwijl Pegasus naar den Olympus
+terugkeerde. Sedert dien tijd dwaalde Bell. somber en menschenschuw in
+de Aleïsche vlakte rond. Te Corinthe werd hij als halfgod hoog vereerd.
+
+Bellocasses, z. Vell(i)ocasses.
+
+Bellona, 1) eene oorlogsgodin, tot de Di Indigetes behoorende,
+later vereenzelvigd met de Grieksche Enyo. Zij vergezelt Mars, wiens
+zuster, dochter, vrouw, voedster, of wagenmenster zij genoemd wordt,
+in den strijd. In 296 werd haar door Ap. Claudius Caecus een tempel
+op het Marsveld gewijd. Hier werd vaak senaatszitting gehouden voor
+het ontvangen van gezanten van volken, die met Rome geen verbond
+hadden gesloten, en voor de onderhandelingen omtrent het toestaan
+van een triumphus aan overwinnende veldheeren (zie triumphus). Zij
+wordt beschreven als een godin die een speer, een fakkel of een
+geesel zwaait en op de trompet blaast.--2) eene aziatische godin,
+wier dienst tijdens de oorlogen met Mithradates uit Comana te Rome
+ingevoerd werd, en die daar sedert dien tijd op oostersche wijze
+vereerd werd. Op hare feesten trokken hare priesters (Bellonarii)
+in zwarte kleederen door de stad en brachten zichzelven in heiligen
+waanzin wonden aan armen en lendenen toe, waarbij zij onder het geraas
+van pauken en trompetten allerlei voorspellingen deden.
+
+Bellovaci, krijgszuchtig volk in Belgica, met de aanzienlijke hoofdstad
+Bratuspantium, later Caesaromagus (Beauvais). Zij waren vrienden en
+cliënten der Aeduers, op wier bede Caesar hen spaarde.
+
+Bellum sociale, z. Marsicum bellum.
+
+Belus, Belos, 1) zoon van Poseidon en Libye, koning van Aegypte,
+vader van Aegyptus en Danaüs.--2) eerste koning van Babylon.--3)
+vader van Dido.
+
+Belus, Belos, kustriviertje in Phoenice, op den Carmel ontspringende,
+welks fijn zand aanleiding zou gegeven hebben tot de vervaardiging
+van glas.
+
+Benacus lacus, het grootste meer in Gallia Cisalpina, thans
+Garda-meer. De Mincius (Mincio) stroomt er door.
+
+Bendis, Bendis of Bendis, thracische godin der maan, ook te
+Athene en elders in Griekenland vereerd, waar men haar met Artemis
+identificeerde. Haar tempel heette Bendideion, haar feest (19 en 20
+Thargelion, begin Juni) Bendideia.
+
+Beneficiarius (miles), een soldaat, die, door het beneficium zijner
+superieuren, tot belooning of onderscheiding de vacatio munerum
+castrensium gekregen had en dus vrijgesteld was van corveediensten,
+werken aan de wallen der legerplaats, het betrekken der gewone
+wachtposten en derg. De beneficiarii zijn toegevoegd aan de
+opperofficieren, en worden voor bureauwerk gebruikt. Onder de keizers
+ontaardde deze vrijstelling in misbruik, daar de centuriones door
+allerlei plagerij de soldaten zochten te dwingen, zulk een beneficium
+van hen te koopen, waardoor de dienst voor hen, die het niet konden
+betalen, des te zwaarder werd. Verslapping der tucht en oproeren
+waren hiervan het onvermijdelijk gevolg.
+
+Beneventum, vroeger Maleventum geheeten, stad der Hirpini in Samnium,
+door Diomedes gesticht. V. s. werd hier Pyrrhus door M'. Curius
+Dentatus in 275 verslagen, v. a. werd die slag ergens in Lucanië
+geleverd. In 268 werd het latijnsche kolonie, waarop de naam boni
+ominis gratia in Beneventum veranderd werd. Onder de keizers werd het
+zeer begunstigd. Onder andere oudheden vindt men er nog een zegeboog
+van Traianus.
+
+Berecyntus, Berekyntos, naam van een landstreek in Phrygia, op
+de grenzen van Caria en Lydia. De Berecyntes waren een phrygische
+stam. Bij de dichters is berecyntisch = phrygisch. De mater Berecyntia
+was Cybele, de heros Berecyntius was haar zoon Midas, de Berecyntia
+tibia is de dwarsfluit.--Ook op Creta wordt een berg Berecyntus
+vermeld.
+
+Berenice, Berenike, 1) dochter van Lagus, gemalin van haar stiefbroeder
+Ptolemaeus Lagi.--2) dochter van Ptolemaeus II, gehuwd met Antiochus
+II (z. a.)--3) dochter van Magas van Cyrene, verloofd met Demetrius,
+huwde na diens dood (z. Apama no. 2) met Ptolemaeus III, met wien
+zij vroeger verloofd was geweest. Toen Ptolemaeus behouden van den
+veldtocht naar Syrië teruggekeerd was, wijdde zij uit dankbaarheid
+aan Aphrodite haar om zijn schoonheid beroemd haar; den volgenden dag
+was het echter reeds uit den tempel verdwenen, en de sterrenkundige
+Conon verklaarde, dat het door de goden als sterrenbeeld aan den hemel
+geplaatst was. Haar zoon Ptolemaeus IV liet haar ter wille van zijn
+gunsteling Sosibius dooden (220).--4) z. Ptolemaeus no. 15.--5) werd
+door het volk van Aegypte tot koningin verheven, toen haar vader,
+Ptolemaeus XI verjaagd werd (58). Drie jaar later kwam Ptolemaeus
+echter met de hulp der Romeinen terug, en nu werd Berenice gedood
+(z. Archelaus no. 5).--6) zuster van Herodes den Grooten, moeder van
+Agrippa I.--7) dochter van Agrippa I, werd verdacht van bloedschande
+met haar broeder Agrippa II. Later werd Titus op haar verliefd;
+zijn plan om haar tot vrouw te nemen moest hij echter wegens de
+ontevredenheid der Romeinen opgeven.
+
+Berenice, Berenike, naam van eenige steden uit het tijdperk der
+Ptolemaeën, als: 1) in het Zuiden van Aegypte aan de Arabische golf,
+eene belangrijke stapelplaats voor den handel tusschen Aegypte en het
+Oosten. Ptolemaeus II liet een karavaanweg aanleggen van daar naar
+Coptus aan den Nijl. Ter onderscheiding werd dit Berenice Troglodytice
+bijgenaamd, naar de half wilde Troglodyten of grotbewoners in den
+omtrek.--2) stad in Cyrenaïca, aan de groote Syrte, vroeger Hesperis
+of Hesperides; men plaatste hier de tuinen der Hesperiden.--3) stad
+in Aethiopia, aan de Arabische golf.
+
+Begistani, een tak van het volk der Ilergetes, tusschen de Pyrenaeën
+en den Iberus (Ebro).
+
+Bergomum, in het gebied der Orobii, municipium in Cisalpina, tusschen
+Comum (Como) en Brixia (Brescia). Thans Bergamo.
+
+Bermius mons, Bermion oros, in zuidwestelijk Macedonia.
+
+Beroea, Beroia, 1) stad in Syria, tusschen Antiochia en Hierapolis,
+door Seleucus vergroot, thans Aleppo.--2) stad in Macedonia, aan den
+Mons Bermius.
+
+Berosus, Berossus, Berosos, Berossos, babylonisch priester, geboren
+ten tijde van Alexander den Grooten. Zijne babylonische geschiedenis,
+in het Grieksch geschreven (Babylonika e Chaldaïka), waarvan nog
+enkele fragmenten bewaard gebleven zijn, stond bij de Grieken hoog
+aangeschreven.
+
+Berytus, Berytos, ten Z. van het tegenwoordige Beiroet, overoude
+havenstad aan de phoenicische kust, tusschen Byblus en Sydon. Het wordt
+eerst belangrijk in den Romeinschen tijd. Sedert het midden van de
+3de eeuw n. C. was hier een beroemde hoogeschool voor Romeinsch recht.
+
+Bes, 2/3 deel van den as. Een muntstuk van deze waarde was er niet.
+
+Bessi, Bessoi, machtig thracisch volk langs de geheele uitgestrektheid
+van den Haemus. Door M. Terentius Varro Lucullus (zie Licinii no. 25)
+werden zij in 72 en 71 aan de Rom. onderworpen. Ze stonden echter
+herhaaldelijk op, en werden eerst definitief door L. Piso in 11
+onderworpen.
+
+Bessus, Bessos, satraap van Bactrië onder Darius Codomannus. Toen
+deze na den slag bij Gaugamela voor Alexander vluchtte, werd hij
+door Bessus en eenige anderen, die den oorlog wilden voortzetten,
+gevangen genomen, en daar zij aan de snelle vervolging van Alexander
+niet konden ontkomen, brachten zij den koning een doodelijke wonde
+toe en lieten zij hem op weg achter. Bessus vluchtte nu verder naar
+de noordelijke provinciën en liet zich als Artaxerxes IV tot koning
+uitroepen, maar eindelijk werd hij door Alexander ingehaald, in
+Sogdiana door Ptolemaeus Lagi gevangen genomen, door eene rechtbank
+van Perzen en Meden ter dood veroordeeld en gevierendeeld (329).
+
+Bestia, familienaam in de gens Calpurnia (Calpurnii no. 14-16).
+
+Bestiarii werden zij genoemd, die zich verhuurden om in het
+amphitheater met wilde dieren te vechten. In het eerst bestonden
+hunne wapenen uit zwaard en schild, doch onder keizer Claudius
+werd het gebruikelijk, dat de bestiarii slechts met een jachtspriet
+gewapend waren en een hooggekleurden doek in de hand hadden, zooals
+in Spanje bij de stierengevechten het geval is. Zij, die tot straf
+aan de wilde beesten voorgeworpen werden, ad bestias damnati,
+waren in den regel ongewapend. Voor vrijen was deze straf in het
+republikeinsche tijdperk onbekend, doch onder de keizers werd zij
+vooral op de Christenen toegepast.
+
+Betasii, germaansch volk in Belgica, in den omtrek van het
+tegenw. zuid-brabantsche dorp Beetz.
+
+Betriacum = Bedriacum.
+
+Bianor, zoon van Heracles of van Tiberis en Manto, de mythische
+stichter van Mantua.
+
+Bias, Bias, 1) z. Melampus.--2) van Priene, en van de zeven wijzen. Hij
+hield Croesus terug van een zeeoorlog tegen de ionische steden;
+zijn raad, aan de Ioniërs bij de aanvallen der Perzen gegeven, om
+hunne steden in Azië te verlaten en een groot rijk op Sardinië te
+stichten, werd niet opgevolgd. Zijn spreuk was: hoi pleious kakoi,
+de meeste menschen deugen niet.
+
+Bibaculus, familienaam in de gens Furia (Furii no. 15).
+
+Bibracte, later Augustodunum, thans Autun, groote volkrijke hoofdstad
+der Aeduers in Gallia Transalpina.
+
+Bibrax, stad der Remi in Gallia Transalpina, waarschijnlijk Vieux-Laon
+bij Laon.
+
+Bibulus, familienaam in de gens Calpurnia (Calpurnii no. 17 en 18).
+
+Bidental. Wanneer bij de Romeinen de bliksem ergens in den grond
+was geslagen, dan moest de daar als het ware gestorven bliksemstraal
+plechtig ter aarde worden besteld. De aarde der getroffen plek werd
+dan begraven met een stuk vuursteen, als zinnebeeld van den bliksem,
+er bij. De getroffen plek was door den bliksemstraal tot een templum
+gewijd en werd met een muurtje omringd, doch van boven opengelaten,
+zoodat het geheel op een put geleek en ook puteal genoemd werd met
+het opschrift: fulgur conditum. Dan werd er een tweejarig offerdier,
+bidens, geofferd, en hiernaar heette de plek een bidental. Een bidens
+is een rund of zwijn, doch meestal een schaap, dat beide rijen tanden
+vol heeft, wat het geval is, als het twee jaar oud is.
+
+Bideoi, Bidyoi, Bidiaioi, een collegie van vijf mannen te Sparta,
+die den paidonomos ter zijde stonden.
+
+Bigati, de gewone benaming voor de Romeinsche zilverstukken (denarii)
+uit den tijd der Romeinsche republiek. Ze ontleenen hun naam aan het
+tweespan (bigae) van den beeldenaar; de godheid op het tweespan is
+eerst Luna (Diana), later gewoonlijk Victoria (Victoriati), maar men
+vindt ook andere goden. Sommige van deze munten hadden een kartelrand
+(serrati), om het snoeien tegen te gaan. Soms komt op de denarii een
+vierspan voor (quadrigati).
+
+Bigerra, stad der Oretani in Hispania Tarraconensis.
+
+Bigerriones, volk in Aquitania, welks naam nog voortleeft in de
+pyreneesche badplaats Bagnères de Bigorre.
+
+Bilbilis, Bilbilis, in Hispania Tarraconensis, geboortestad van den
+dichter Martialis, in het gebied der Celtiberiërs aan een zijtak van
+den Iberus (Ebro). De stad lag op eene rots en had eene belangrijke
+nijverheid van wapenfabrieken en goudsmidswerk.
+
+Bilechas, zijrivier van den Scirtus.
+
+Bingium, stad in Belgica, thans Bingen aan den Rijn.
+
+Bion, Bion, 1) van Smyrna, navolger van Theocritus als bucolisch
+dichter, dien hij echter niet kon evenaren. Hij stierf omstreeks het
+einde van de 2de eeuw te Syracuse door vergift. Er zijn nog enkele
+gedichten in dorisch dialect van hem over.--2) van Borysthenes,
+beoefende in het laatst der derde eeuw te Athene de cyrenaeische
+wijsbegeerte en bracht langen tijd aan het hof van Antigonus Gonatas
+door. Hij is een leerling van Theophrastus. Hij was bekend om zijn
+vinnige uitvallen; den godsdienst verklaarde hij op dezelfde wijze
+als Euhemerus (z.a.).
+
+Bisaltae, Bisaltai, thracisch herdersvolk in het macedonische landschap
+Bisaltia, ten W. van den Beneden-Strymon.
+
+Bisanthe, Bisanthe, volkplanting van Samus aan de Noordkust der
+Propontis.
+
+Bistones, Bistones, thracische volksstam tusschen den berg
+Rhodope en de zee, in den omtrek der stad Abdera, aan het meer
+Bistonis. Dichterlijk bistonisch = thracisch, Bistonides = Bacchanten,
+omdat de Bacchusdienst in Thracia te huis behoorde.
+
+Bithynia, Bithynia, land aan de Zuidwestzijde van den Pontus Euxinus
+en de Oostzijde der Propontis, begrensd door Paphlagonia, Galatia
+en Phrygia. Het draagt zijn naam naar een der beide thracische
+stammen, die het bewoonden, de Bithyni ten O. en de Thyni ten W.,
+wier gebied door de rivier Sangarius gescheiden was. V.s. zijn
+beide namen identisch. Noch aan de Perzen, noch aan Alexander
+d. G. gelukte het, Bithynia geheel of duurzaam te onderwerpen. Na
+den dood van Alex. behoorde Bithynia tot het gebied van Lysimachus,
+doch een der mindere legerhoofden, Nicomedes, slaagde er in, met
+behulp van keltische huurtroepen hier een koninkrijk te stichten
+(281-246). De zesde koning dezer dynastie, Nicomedes III, liet in 75
+zijn land bij testament aan de Romeinen na. In 63 werd eene strook
+van Paphlagonia en van Pontus aan de provincie Bithynia toegevoegd,
+en in 7 na C. nog een stuk. Sedert 63 na C. komt de provincie voor
+onder den naam Bithynia-Pontus. Plinius de jongere, bekend door zijne
+Epistulae, werd in 111 door keizer Traianus tot stadhouder van Bithynia
+benoemd. Zijne ambtsbrieven aan den keizer en diens antwoorden zijn
+leerzaam om ons het destijds heerschende centralisatiestelsel te
+doen kennen. Ook geeft één van deze brieven een verrassenden kijk
+op de uitbreiding, die het Christendom toen reeds verkregen had. De
+oude hoofdstad was Bithynium; onder de grieksche vorsten had men drie
+residenties: Nicomedea, door Nicomedes I gesticht, Nicaea en Prusa.
+
+Bithynium, Bithynion, de oudste hoofdstad der Bithyniërs, in het
+binnenland gelegen, later Claudiopolis geheeten.
+
+Biton, Biton, z. Cleobis.
+
+Bituriges, aanzienlijk volk in Gallia Transalpina. Zij werden
+onderscheiden in Bituriges Vibisci met de hoofdstad Burdigala
+(Bordeaux) aan den Garumna, en Bituriges Cubi met de hoofdstad Avaricum
+(Bourges).
+
+Blandusia = Bandusia.
+
+Blautai, Blautia, halve schoenen, die met riemen om de beenen
+vastgemaakt werden. Het was een voorname dracht.
+
+Blemmyes, Blemmyes, een rooversvolk ten zuiden van Aegypte.
+
+Blosius of Blossius (C.), stoicijnsch wijsgeer uit Cumae, een vriend
+van Tib. Gracchus en deelgenoot van diens plannen. Na Gracchus'
+dood vluchtte hij naar Asia, waar hij later zichzelf het leven benam.
+
+Boadicca of juister Boudicca, koningin der Iceners in Britannia,
+die door de schandelijke hebzucht en handelingen der Romeinen tot
+opstand gedreven werd (62 v. a. 60 n. C.). Deze opstand breidde
+zich met groote snelheid uit, het belangrijke Londinium (Londen) en
+andere plaatsen werden door de woedende Britten veroverd, en meer dan
+70000 romeinsche soldaten en burgers kwamen om het leven. Boadicca's
+tallooze benden werden echter in hetzelfde jaar door Nero's dapperen
+veldheer C. Suetonius Paulinus geheel verslagen, waarop de koningin
+zich door vergif het leven benam.
+
+Bocchus, 1) koning in Mauretania, schoonvader van Jugurtha. Eerst
+was hij op de hand der Romeinen, tot Jugurtha hem door afstand
+van grondgebied voor zich won. Toen zijne troepen evenwel door
+Marius bij herhaling verslagen waren, liet hij zich bewegen zijn
+schoonzoon aan de Romeinen uit te leveren.--2) Bocchus II regeerde
+met zijn broeder Bogudes gezamenlijk over Mauretania. In den oorlog
+van Caesar tegen de partij van Pompeius kozen zij Caesars zijde en
+kregen tot belooning den titel van koningen. Bogudes droeg er later
+veel toe bij, om Caesar den slag bij Munda te doen winnen. In den
+strijd tusschen Antonius en Octavianus koos Bocchus de zijde van
+dezen, Bogudes die van Antonius. Bocchus kreeg nu geheel Mauretania,
+terwijl Bogudes kort na den slag bij Actium sneuvelde. Na Bocchus'
+dood (33) werd zijn land eene rom. provincie, maar in 25 werd het
+aan den jongen Juba afgestaan. (Zie Juba).
+
+Bodotria of Boderia, Boderia eischysis, inham van de Noordzee tusschen
+Caledonia (Schotland) en Britannia, thans Firth of Forth. Vanhier liep
+het vallum Antonini tot aan het Clotae aestuarium aan de Iersche zee.
+
+Boebe, Boibe, en Boebeis lacus, Boibeis limne, stad en meer tusschen
+de thessalische landschappen Pelasgiotis en Magnesia.
+
+Boëdromia, Boedromia, feest ter eere van Apollo te Athene en Thebe
+in de maand Boëdromion gevierd. De Atheners herdachten daarbij de
+overwinning van Theseus op de Amazonen, of de hulp, die Ion of Xuthus
+hun tegen de Eleusiniërs verleend had, en sedert 490 ook den slag
+bij Marathon. In Thebe vierde men het feest ter gedachtenis aan den
+oorlog met Erginus, koning van Orchomenus.
+
+Boëdromion, Boedromion, 3de maand van het Attische jaar (Sept.-Oct.),
+z. Annus.
+
+Boeotia, Boiotia, landschap van Hellas, voor een groot gedeelte
+door bergen ingesloten, rijk aan bronnen en vruchtbare valleien,
+en met een aantal meertjes, die zich in den regentijd tot één
+groot meer (het meer Copaïs) vereenigden. De bewoners stonden bij
+de Atheners niet in den reuk van snuggerheid; men hield het er
+voor, dat de vochtige en dompige lucht benevelend op het verstand
+der Boeotiërs werkte. De bevolking was uit allerlei oude stammen
+dooreengemengd. Tot de oudste steden behooren: Orchomenus, dat reeds
+in den myceenschen en vóór myceenschen tijd bestaan heeft, Arne,
+dat met een paar andere steden in het meer Copaïs verdronken is,
+en Thebae. In historischen tijd bestond Boeotia uit een statenbond
+eerst van 7 steden: Acraephium, Coronea, Haliartus, Mycalessus,
+Plataeae (dat zich echter reeds vroeg bij Athenae aansloot),
+Tanagra, en Thebae, later van 14, na den peloponnesischen oorlog
+van 10 staatjes, meest met een aristocratisch bestuur. De jaarlijks
+aftredende overheidspersonen heetten Boeotarchen. Als hoofd van den
+bond gold Thebae; maar de tweespalt en de somtijds doodelijke haat,
+die tusschen de boeotische steden heerschte, verlamden de kracht van
+het volk. In Boeotia behooren de mythen te huis van Antiope en Dirce,
+van Amphion en Niobe, van Cadmus en diens dochters Ino en Semele en
+zijne kleinzonen Actaeon, Melicertes en Pentheus, van Dionysus of
+Bacchus, van Oedipus en diens geslacht, van de gebroeders Trophonius
+en Agamedes. Aan de Muzen was de berg Helicon gewijd, die met zijne
+rijkbegroeide hellingen scherp afstak bij den naakten Cithaeron,
+den ongeluksberg in de boeotische mythen.
+
+Boeotus, Boiotos, z. Aeolus no. 2. Naar hem zouden de Boeotiërs
+genoemd zijn.
+
+Boethus, Boethos, van Chalcedon, bekwaam beeldhouwer uit het begin van
+de 2e eeuw. Beroemd was onder zijne werken het beeld van een knaap,
+die een gans den hals omdraait.
+
+Boeum, Boion, stad in het landschapje Doris, tot de dorische tetrapolis
+behoorende.
+
+Bogudes, koning in Mauretania. Zie Bocchus II, wiens jongere broeder
+hij was.
+
+Boii, Boioi, een groot keltisch volk uit meer dan 100 tribus bestaande,
+dat veel gezworven heeft en waarvan verschillende gedeelten in de Po-
+en Donaulanden voorkomen, ten N. en ten Z. der Alpen. De Bojers in de
+Po-vlakte verdreven de Etrusci en de Umbri uit de streek ten Z. van
+de Po, en namen de Etruscische stad Felsina in, die later als hun
+hoofdstad Bononia genoemd werd. Na hevigen strijd werden zij in 224
+door de Romeinen ten onder gebracht, doch de inval van Hannibal in
+Italië bracht hen weder in opstand, en eerst in 191 werden zij door
+P. Cornelius Scipio Nasica (Cornelii no. 19) voor goed onderworpen. De
+Bojers aan den Donau sloegen een aanval der Cimbren en Teutonen af;
+in Caesars tijd sloot zich een gedeelte, dat zijne woonplaatsen in
+Boiohaemum (Boheme) verlaten had (± 60) en naar Noricum was getrokken,
+bij de Helvetiërs aan.
+
+Boiohaemum, Boheme, het land (die Heimath) der Boii.
+
+Boiorix, 1) misschien slechts een titel = Boiorum of Boius rex, koning
+der Bojers, die volgens het niet geheel betrouwbare verhaal in 194
+met de Romeinen gestreden heeft.--2) koning der Cimbren, versloeg en
+doodde in 105 M. Aurelius Scaurus (z. Aurelii no. 10), maar sneuvelde
+in 101 in den slag op de Raudische velden bij Vercellae tegen Marius.
+
+Boiotarchai, de magistraten van het boeotisch verbond, die de
+uitvoerende macht hadden, in den oorlog het opperbevel voerden,
+en de besluiten der vier boeotische raden ten uitvoer brachten.
+
+Bola, Bola, oude stad in Latium, die langen tijd in het bezit der
+Aequi geweest is, en reeds vroeg te gronde is gegaan.
+
+Bolbe, Bolbe, meer in Macedonia, dat in de golf van den Strymon
+uitwatert.
+
+Bolbitine, Bolbitine, thans Rosette, stad in de Nijldelta, waarnaar
+de westelijke hoofdmonding der rivier ostium Bolbitinum werd genoemd.
+
+Bolissus, Bolissos, stad in het N.W. van Chius.
+
+Bomienses, Bomies, volk in het O. van Aetolia, in het brongebied van
+den Euenus.
+
+Bomilcar, Bomilkas, naam van twee carthaagsche veldheeren. De eerste
+komt voor in den strijd van Carthago tegen Syracusae, toen Agathocles
+omstreeks 310 eene landing in Africa deed en de carthaagsche generaals
+Hanno en Bomilcar versloeg. Later deed Bomilcar eene poging om zich te
+Carthago van het bewind meester te maken; doch zijn toeleg mislukte en
+hij stierf aan het kruis.--De andere komt voor in den tweeden punischen
+oorlog. Hij bracht in 215 versche troepen aan Hannibal en ondersteunde
+in 214 en 212 Syracusae tegen de Romeinen.--Ook de vertrouwde dienaar
+van Jugurtha, die voor dezen te Rome den moord op Massiva pleegde,
+heette Bomilcar. Toen hij later zijn meester poogde te verraden,
+werd hij door dezen met den dood gestraft (107).
+
+Bomonikai, heetten de spartaansche knapen, die de geeseling voor
+het altaar van Artemis Orthia (z. a.) het langst en standvastigst
+verdroegen.
+
+Bona Dea, eene godin wier eigenlijke aard reeds den Romeinen
+onduidelijk was, en die daarom soms voor dezelfde als Fauna, Maia,
+Ops, e. a. gehouden wordt; oorspronkelijk was de naam een attribuut
+van Fauna, maar daar deze godin uitsluitend door vrouwen vereerd werd,
+werd de Grieksche godin Damia, wier dienst reeds vroeg, waarschijnlijk
+272, na de inneming van Tarente, in Rome werd ingevoerd, met haar
+vereenzelvigd. De 1e Mei was haar feestdag, maar het voornaamste feest
+te harer eer werd in het begin van December des nachts ten huize van
+den hoogsten overheidspersoon door voorname vrouwen en vestaalsche
+maagden gevierd. Tot beide feesten was de toegang aan mannen ten
+strengste verboden.
+
+Bondgenootenoorlog, zie Marsicum bellum.
+
+Bona (fide), te goeder trouw, komt als rechtsterm dikwijls voor. Bonae
+fidei possessio is het bezit te goeder trouw van eene zaak, waarvan
+men meent de rechtmatige bezitter te zijn.
+
+Bonna, stad in het gebied der Ubii aan den Rhenus, thans Bonn. Drusus
+maakte er eene vesting van.
+
+Bononia, Bononia, 1) thans Bologna, zeer oude Stad in Gallia
+Cisalpina. Eerst was Bononia de hoofdstad der aan den Po gevestigde
+Etruscers, en heette toen Felsina. Toen de Etruscers door de Galliërs
+verjaagd waren, werd Bononia de hoofdstad der Bojers. In 189 werd het
+lat. kolonie. Onder de keizers werd het eene aanzienlijke stad.--2)
+stad der Morini, aan het Kanaal, vroeger Gesoriacus portus, thans
+Boulogne.
+
+Bonorum cessio, vrijwillige afstand van zijn vermogen door een
+insolventen schuldenaar aan zijne schuldeischers. Zie bonorum emptio.
+
+Bonorum emptio. Wanneer een schuldenaar onwillig bleek zijne schuld
+te betalen, of wanneer iemand zich schuil hield om eene dagvaarding te
+ontgaan, konden de belanghebbenden van den praetor eene missio in bona,
+d. i. eene inbeslagneming van goederen vragen. Werd deze toegewezen,
+dan liet men nog een termijn voorbijgaan, om den onwillige in de
+gelegenheid te stellen aan zijne verplichtingen of aan het verlangen
+der eischers te voldoen; bleef hij in gebreke, dan had ten laatste
+de executie plaats. Werden iemands bezittingen voor schuld verkocht,
+dan werden zij in haar geheel bij opbod aan hem toegewezen, die aan
+de schuldeischers het grootste getal percenten bood. Deze executie
+had eerloosheid (infamia) tengevolge, die men kon ontgaan door eene
+bonorum cessio. Het oude recht kende echter deze cessie niet; zij werd
+eerst wettig ingevoerd onder Caesar, hoewel zij zeker onderhands ook
+vroeger zal hebben plaats gehad.
+
+Bonorum possessio. Het oude strenge erfrecht bij de Romeinen sloot de
+cognati en de geëmancipeerde kinderen uit; doch het praetorische recht,
+dat meer op de aequitas was gegrond, nam deze op. Door dit nieuwe recht
+konden op grond van bloedverwantschap ook zij tot de erfenis geroepen
+worden, die door uittreding uit de patria potestas hun erfrecht
+volgens de lex XII tabularum hadden verloren. Men onderscheidt hierbij
+verschillende gevallen. Bonorum possessio contra tabulas (testamenti)
+kon door den praetor verleend worden, wanneer b. v. geëmancipeerde
+kinderen in het testament waren voorbijgegaan. Bon. poss. secundum
+tabulas kon toegewezen worden, wanneer b.v. het testament niet aan
+alle wettelijke vormen voldeed en dus strikt genomen niet geldig zou
+wezen,--tenzij zich erfgenamen opdeden, die een beter recht konden
+doen gelden dan de testamentaire erven. Bon. poss. intestati kon
+plaats grijpen, wanneer er geen testament was. De praetor maakte dan
+verschillende klassen van erfgenamen. In den eersten graad erfden de
+kinderen, ontbraken deze, dan kwamen in de tweede plaats de legitimi
+heredes, bij ontstentenis van deze, de naaste cognaten, enz., tot
+zeven graden toe.--Zij, die door het praetorische edict aldus tot
+de erfenis geroepen werden, werden nochtans eigenlijk geene heredes,
+want de praetor kon geene erfgenamen maken; zij werden loco heredum en
+hadden slechts de possessio, daar zij geen wettigen titel van eigendom
+konden doen gelden, tenzij later het recht van verjaring (usucapio).
+
+Bonorum sectio, z. Sectio bonorum.
+
+Bonus Eventus, z. Eventus.
+
+Boonai, te Athene door het volk gekozen personen, die te zorgen hadden,
+dat het voor de offers en feesten noodige vee in voorraad was.
+
+Bootes, Bootes, sterrenbeeld in de nabijheid van den Grooten Beer,
+daarom ook Arcturus of Arctophylax genoemd. Men zag in dit beeld
+Icarius of Arcas. V. a. was Bootes een zoon van Demeter en Iasion,
+die den ploeg had uitgevonden.
+
+Borbetomagus, stad der Vangiones, aan den Rhenus, thans Worms.
+
+Boreadae, Boreadai, Boreades, Zetes, Calaïs, Chione en Cleopatra,
+kinderen van Boreas en Orithyia.
+
+Boreas, Boreas, Borras, N. O. of N. wind (zie Windstreken),
+mythologisch de zoon van Astraeus en Eos, die een hol van den
+thracischen Haemus bewoont. Hij schaakte behalve vele andere vrouwen
+Orithyia, de dochter van Erechtheus, daarom baden de Atheners tot
+hem, toen een orakel hun bij het naderen der Perzen bevolen had hun
+schoonzoon te hulp te roepen, en inderdaad werd een deel van Xerxes'
+vloot bij kaap Sepias door storm vernield. Uit dankbaarheid wijdde
+men hem een tempel aan den Ilissus.
+
+Boreasmoi, feest ter eere van Boreas te Athene gevierd.
+
+Borsippa, stad aan het Naärsareskanaal, even bezuiden Babylon, met
+beroemde linnenfabrieken.
+
+Borysthenes, Borysthenes, rivier in Sarmatia, later Danapris, thans
+Dniepr. Aan zijn mond, waar hij zich met den Hypanis (Bug) vereenigt,
+lag de milesische kolonie Borysthenis of Olbia.
+
+Bosporanum regnum, zie Bosporus.
+
+Bosporus, Bosporos, naam van twee zeeëngten. De Bosporus Thracius
+heet de straat van Constantinopel; de Bosporus Cimmerius is de
+straat van Kaffa of Jenikale, de invaart der Palus Maeotis of zee
+van Azow. Met de palus Maeotis en den Tanaïs (Don) vormt ze in de
+oudheid de grensscheiding tusschen Europa en Asia. Uit de milesische
+kolonie Panticapaeum, ook Bosporus geheeten, thans Kertsch, aan de
+laatste zeeëngte gelegen, ontwikkelde zich een bosporaansch rijk,
+dat door Mithradates VI van Pontus met zijn rijk werd vereenigd en
+later door Pompeius aan diens zoon Pharnaces werd afgestaan. Als
+rom. vasalstaat bleef het bestaan tot aan de groote volksverhuizing.
+
+Bostar, Bostar, naam van twee carthaagsche bevelhebbers. De eerste,
+door Regulus in 256 gevangen genomen, werd later als zoenoffer aan
+diens familie overgegeven en zou tengevolge van mishandelingen
+gestorven zijn. De andere, die onder Hasdrubal in den tweeden
+punischen oorlog in Spanje diende, liet zich door zekeren Spanjaard
+Abelux verleiden, om de Spaansche gijzelaar, hem door Hannibal ter
+bewaking toevertrouwd, vrij te laten. Een derde Carthager van dien
+naam, werd in 215 door Hannibal met een paar anderen als gezant naar
+Macedonia afgevaardigd; doch het schip, dat hen vervoerde, werd door
+de rom. vloot buit gemaakt.
+
+Bostra, ta en he Bostra, stad ten Zuiden van Damascus, in eene
+oase der syrische woestijn. Het was oudtijds de hoofdstad van de
+landstreek Auranitis, in het N. O. van Palaestina, later hoofdstad van
+het koninkrijk der Nabataeërs, en werd ten slotte, bij de inlijving
+(105 of 106 n. C.) door Traianus tot hoofdstad der provincie Arabia
+verheven. Zie Arabia.
+
+Bottia of Bottiaea, Bottia, -iaia, -iaiis, landstreek van Macedonia
+aan den Axius, (Vardar) en de Thermaeïsche golf. De oorspronkelijke
+bewoners, in de 7de of 6de eeuw door de Macedoniërs verdreven,
+verhuisden naar het noordelijk gedeelte van het schiereiland
+Chalcidice, dat zij Bottice noemden, terwijl de vroegere woonplaats
+den ouden naam Bottia of Bottiaea behield.
+
+Bouai, afdeelingen, waarin de spartaansche jongelingschap gedurende
+de jaren hunner opvoeding verdeeld was. Aan het hoofd van zulk eene
+afdeeling stond een Bouagos of Bouagor.
+
+Boudicca = Boadicca.
+
+Boule, raad, een lichaam dat in democratische staten in de eerste
+plaats de staatsaangelegenheden aan eene voorafgaande behandeling heeft
+te onderwerpen, alvorens ze in de volksvergadering te brengen. Te
+Athene had de raad volgens de instellingen van Draco 401 leden, zij
+werden bij loting aangewezen uit de burgers, die ouder dan 30 jaar en
+in het volle bezit hunner burgerrechten waren. Niemand mocht voor de
+tweede maal lid van den raad zijn, voordat allen die ertoe gerechtigd
+waren een beurt gehad hadden. Onder de wet van Solon waren er 400,
+100 per phyle, door loting aangewezen uit candidaten die door de
+phylen gekozen waren. Clisthenes vermeerderde het aantal leden tot 500
+(vandaar de gewone naam he boule hoi pentakosioi), nl. 50 uit elke van
+de nieuwe 10 phylen; waarschijnlijk liet hij ook de verkiezing door
+loting (apo kyamou lachein) bestaan. De loting had ook toen plaats
+uit hen, die door de phylen als candidaten waren aangewezen. Bij de
+ontwikkeling der democratie werd ook aan de theten het recht toegekend
+om tot den raad te behooren. Met de vermeerdering van het aantal phylen
+in den macedonischen tijd vermeerderde ook het aantal raadsleden;
+Hadrianus verminderde het echter weder tot 500.--Tot de bevoegdheden
+van den raad behoorde o. a. dat de veldheeren hem verslag gaven van
+hunne verrichtingen, dat hij vreemde gezanten ontving en ze bij de
+volksvergadering inleidde, enz. Voorts had de raad het oppertoezicht
+over het beheer der financiën en beheerde ze gedeeltelijk zelf,
+leidde hij het onderzoek naar de bevoegdheid der archonten en van
+andere verkozen ambtenaars (dokimasia), en had hij in sommige minder
+belangrijke gevallen rechtspraak. De raad kon geldboeten opleggen en
+had het toezicht op alles wat tot de marine behoorde en op de openbare
+gebouwen. Dikwijls werd hem bovendien door het volk het afdoen van
+eene of andere aangelegenheid opgedragen; de besluiten, die hij
+zonder zulk een opdracht neemt, zijn slechts gedurende het loopende
+ambtsjaar geldig. Z. ook probouleuma en ekklesia.--De raad vergaderde
+dagelijks, behalve op feestdagen, in het raadhuis (bouleuterion),
+zijne vergaderingen waren gewoonlijk openbaar. Met het dagelijksch
+bestuur was echter altijd slechts eene bij loting aangewezen afdeeling
+van 50 raadsleden belast (z. Prytanis).--De leden van den raad waren
+vrijgesteld van den krijgsdienst, hadden een afzonderlijke plaats
+in den schouwburg en ontvingen, waarschijnlijk sedert de tijden van
+Pericles, een drachme of vijf obolen voor iedere vergadering (misthos
+bouleutikos). Wanneer de raad bij zijn aftreden voldoende rekenschap
+van zijne verrichtingen gegeven had, vereerde het volk hem met een
+gouden krans, die in een of anderen tempel bewaard werd. Ook in vele
+andere staten en statenbonden wordt eene boule vermeld, over welker
+samenstelling en bevoegdheden echter weinig of niets bekend is.
+
+Bouphonia, z. Diipolia.
+
+Bovianum, Boïanon, hoofdstad der Pentri in Samnium.
+
+Bovillae, Boïllai, stadje in Latium aan de via Appia, bekend door
+de ontmoeting tusschen Milo en Clodius Pulcher, die Clodius het
+leven kostte.
+
+Braccae. De Romeinen en Grieken omwonden wel de beenen met lange
+strooken lijnwaad (fasciae), en ook kousen waren in de oudheid niet
+onbekend, doch broeken waren eene kleederdracht der barbaren, o. a. van
+de oostersche volken en van de transalpijnsche Galliërs. Naar deze
+kleederdracht werd Gallia Transalpina dikwerf in de wandeling Gallia
+braccata genoemd. Hoewel in het tijdperk der keizers deze dracht
+ook tot Rome doordrong, is zij er nimmer nationaal geworden. Bij
+de Grieken heette het kleedingstuk anaxyrides, terwijl meer in het
+bizonder voor wijde broeken de naam thylakoi in gebruik was.
+
+Brachmanae, Brachmanes, de priesterkaste bij de Indiërs, ook de
+stammen die den godsdienst van Brahma beleden. De Grieken hebben van
+deze zaken kennis gekregen door de expeditie van Alexander naar Indië;
+de Grieksche schrijvers uit dien tijd geven zeer betrouwbare berichten.
+
+Bradanus, grensrivier tusschen Lucania en Apulia, die dicht bij
+Metapontum in de golf van Tarente uitloopt.
+
+Branchidae, Branchidai, 1) afstammelingen van Branchus, een zoon van
+Smicrus of van Apollo, die uit Delphi naar Miletus verhuisde en te
+Didyma een tempel van Apollo stichtte. De Branchidae beheerden dezen
+later zeer rijken tempel, waarvan niet lang geleden belangrijke
+overblijfselen zijn opgegraven, en het daarmede verbonden orakel;
+daar zij echter aan Xerxes bij zijn tocht naar Griekenland de groote
+schatten van den tempel uitgeleverd hadden, verzochten zij hem na
+afloop van den veldtocht, uit vrees voor de wraak der Grieken, hun
+een andere woonplaats aan te wijzen. Sedert dien tijd woonden zij
+in Bactriana, waar Alexander hen vond, die hen, tot straf voor de
+misdaad hunner voorouders, allen liet dooden en hun stad met tempels
+en heiligdommen geheel liet verwoesten.--2) = Didyma.
+
+Brannovices Aulerci, z. Aulerci.
+
+Brasidas, Brasidas, zoon van Tellis, de dapperste en bekwaamste
+veldheer der Spartanen in den peloponnesischen oorlog. Nadat hij in
+het eerste jaar van den oorlog een aanval der Atheners op Methone
+had afgeslagen en zich sedert meermalen had onderscheiden, wist hij,
+gesteund door gezantschappen van Perdiccas en van eenige steden op
+Chalcidice, de ephoren te overreden dat men de Ath. in hun kolonies
+en bondgenooten moest aanvallen; in 424 trok hij aan het hoofd van
+een klein leger door Griekenland, en maakte hij, meer door overreding
+dan door geweld, vele belangrijke steden in Macedonië en Thracië,
+o. a. Amphipolis, van de Atheners afvallig. Wel heroverden zij, nadat
+onderhandelingen over een wapenstilstand mislukt waren, verscheiden
+steden, maar toen Cleon in 422 bij Amphipolis een slag waagde, behaalde
+Brasidas een schitterende overwinning, waarbij hijzelf echter doodelijk
+gewond werd. Hij werd na zijn dood te Amphipolis als heros vereerd.
+
+Bratuspantium, hoofdst. der Bellovaci, tusschen de Sequana (Seine)
+en de Samara (Somme).
+
+Brauron, Brauron, aanzienlijke plaats op de Oostkust van Attica,
+met een tempel van Artemis. Brauron en Eleusis maakten aanspraak op
+den naam van polis.
+
+Brauronia, Brauronia, feest ter eere van Artemis Brauronia, dat om
+de vijf jaren gevierd werd en waarbij alle meisjes van vijf tot tien
+jaar aan de godin gewijd werden; waarschijnlijk een overblijfsel van
+vroegere menschenoffers.
+
+Brenni of Breuni, Breunoi, volksstam in de Raetische Alpen, nabij
+den tegenw. Brenner.
+
+Brennus, Brennos, naam van verschillende Gallische vorsten: 1) het
+opperhoofd der senonische Galliërs, die in 389 de Romeinen bij den
+Allia versloegen, Rome innamen en het Capitool belegerden. Volgens het
+verhaal was hij het, die bij het afwegen van het goud zijn zwaard in
+de weegschaal wierp, en het beroemde vae victis sprak. Het geheele
+verhaal omtrent hem is onhistorisch, en zijn naam ontleend aan den
+onder no. 2 genoemden.--2), die in 279 met 65000 of 40000 Galliërs
+in Macedonia viel, verwoestend tot in Griekenland doordrong, maar,
+toen hij op Delphi lostrok, door een grieksch legertje van 4000 man
+verslagen werd en zichzelf om het leven bracht. Een hevig onweder,
+met aardbeving gepaard, waardoor geheele rotsblokken op de Galliërs
+neerstortten, deed het verhaal ontstaan, dat de delphische god zelf
+voor zijn heiligdom gestreden had.
+
+Bretones of Britones. Zie Britannia.
+
+Briareos, Briareos, z. Aegaeon.
+
+Brigantes, Brigantes, het machtigste volk van Britannia, ten oosten van
+den Abus (Humber), met de hoofdstad Eburacum of Eboracum (York). Zij
+werden door Cerealis onderworpen.
+
+Brigantinus lacus, thans Bodensee of meer van Konstanz, door den Rijn
+gevormd. Het werd ook lacus Rheni, l. Venetus, l. Aeronius genoemd. In
+een scheepsgevecht op dit meer versloeg Tiberius de Vindeliciërs. De
+naam l. Brigantinus is ontleend aan de stad Brigantia (Bregenz).
+
+Brilessus, Brilessos, berg in Attica = Pentelicus.
+
+Briniates of Friniates, ligurische volksstam aan de N.-zijde van
+de Apennijnen, ten Z. van Mutina. Ze werden in 187 door de Romeinen
+onderworpen.
+
+Brinio of Brinno, aanvoerder der Canninefaten bij den opstand van
+(Claudius) Civilis tegen Rome in 69 n. C.
+
+Briseis, Briseis, dochter van Briseus, een priester in Lyrnessus;
+haar eigenlijke naam was Hippodamea. Zij was gehuwd geweest met
+koning Mynes, maar bij de verovering van Lyrnessus werd zij door
+Achilles gevankelijk medegevoerd. Zij was de oorzaak van zijn twist
+met Agamemnon, die in de Ilias beschreven wordt, want toen Agam.,
+op aandringen van Achilles, genoodzaakt werd zijne slavin Chryseis
+(z. a.) vrij te laten, ten einde het leger van de pest te bevrijden,
+liet hij Briseis met geweld uit de tent van Achilles halen, en gaf
+haar eerst terug toen deze na den dood van Patroclus besloot weder
+aan den oorlog deel te nemen.
+
+Britannia, Bretannia, het tegenw. Engeland en Schotland, met Hibernia
+(Ierland) en de kleinere bijliggende eilanden samen onder den naam
+insulae Brittannicae begrepen. Vóór Caesar kenden de Romeinen deze
+eilanden slechts bij geruchte, en deze geheimzinnigheid prikkelde
+hem om naar Britannia over te steken; doch zijne beide tochten (55
+en 54) hadden weinig gevolg. Eerst ten tijde van keizer Claudius
+(sedert (43 n. C.) kregen de Romeinen vasten voet in het Zuiden van
+Engeland; doch er moest nog veel strijd gevoerd en meer dan één opstand
+gedempt worden (zie o. a. Boadicca), eer Iulius Agricola (78-85) er
+in slaagde, Engeland geheel tot een wingewest te maken. Daarnaar werd
+Engeland Britannia Romana, Schotland of Caledonia Britannia barbara
+geheeten. De naam Albion beteekent bergland. Ten einde de invallen der
+woeste bergstammen uit Caledonia te keeren, werden er in verschillende
+tijden twee versterkingsliniën dwars over het eil. aangelegd van den
+Oceanus Hibernicus (Iersche zee) naar den Oc. Germanicus (Noordzee). De
+oudste linie, meestal vallum Hadriani geheeten, liep van de Solway
+Firth in het W. naar de Tyne in het O., en werd aangelegd 122 n. C.;
+de latere linie, vallum Antonini genaamd, was veel kleiner, liep van
+Firth of Clyde (Clotae aestuarium) naar de Firth of Forth (Bodotriae of
+Boderiae aestuarium). Deze had keizer Antoninus Pius door zijn legaat
+Lollius Urbicus in 142 n. C. laten aanleggen. Onder keizer Septimius
+Severus werd het land tusschen de beide liniën weder prijs gegeven
+en trok men zich op de zuiderlijn terug, die nu versterkt werd door
+eene buitenlinie, uit een gemetselden muur bestaande, met poorten,
+torens en forten. De Romeinen hadden omtrent de ware ligging van
+Britannia geene juiste voorstelling en meenden, dat de Oostkust vrij
+wel evenwijdig aan de belgisch-nederlandsche kust liep. De bevolking
+was van keltischen oorsprong en werd Bretones of Britanni genoemd,
+doch was op sommige punten door belgische nederzettingen naar het
+binnenland teruggedrongen. De Britten waren gewoon lang hoofdhaar
+en knevels, doch geen baard te dragen en zich blauw te verven. Onder
+Constantijn vormde Britannia Romana vier provinciën: Britannia I en II
+in het Noorden, Maxima Caesariensis in het midden, Flavia Caesariensis
+in het Zuiden. Theodosius de Groote veroverde nogmaals Zuid-Schotland
+en maakte daarvan de provincie Valentia. Toen in den tijd der groote
+volksverhuizing de rom. legers uit Britannia teruggetrokken werden,
+waren de Britten niet meer tegen de Schotten opgewassen en riepen
+zij in 447 n. C. de hulp der Saksers en Angelen in, die het land wel
+van de Schotten verlosten, maar het tevens vermeesterden. In de 5de
+eeuw n. Chr. gaat de naam Britannia over op Bretagne, waar de door
+de Angelsaksen verdreven Britanni hun toevlucht zochten.
+
+Britannica (arx), de Brittenburg, thans door de zee verzwolgen, een
+kasteel in het land der Batavieren, aan den middelsten Rijnmond (ten
+W. van Katwijk). Misschien heette de sterkte zoo, omdat men gewoon
+was van dáár naar Britannia over te steken.
+
+Britannicus, eigenlijk Claudius Tiberius Britannicus Caesar,
+stiefbroeder van Nero. Zie Claudius (keizer) en Iulii aan het slot
+onder f 3.
+
+Britomaris, opperhoofd der senonische Galliërs, liet, uit verbittering
+over zijns vaders dood, in 283 de rom. gezanten ombrengen en hunne
+ledematen verstrooien. Toen hij in handen van den consul P. Cornelius
+Dolabella (Cornelii no. 35) was gevallen, liet deze hem ter dood
+martelen. De Senones werden uit hun land verdreven, en op den ager
+Gallicus werd de kolonie Sena (Gallica) gesticht. Het verhaal zelf
+omtrent Britomaris (Brittomaris) is misschien verzonnen.
+
+Britomartis, Britomartis, cretensische nimf, dochter van Zeus en
+Carme, gunstelinge van Artemis. Minos vervolgde haar negen maanden
+lang met zijn liefde, zij stortte zich eindelijk in zee, maar werd in
+visschersnetten gered. Daarop werd zij onder de godinnen opgenomen en
+onder den naam Dictynna vereerd.--V. a. vluchtte zij voor Minos naar
+Aegina, maar toen de visscher, die haar had overgezet, haar zelf wilde
+geweld aandoen, verdween zij in het heilige bosch van Artemis; hier
+kreeg zij den naam Aphaea.--Evenals Aphaea (z. a.) zijn waarschijnlijk
+ook Britom. en Dictynna andere namen voor Artemis.
+
+Brixellum, stad aan den Padus (Po) dicht bij Parma, waar keizer Otho
+zich om het leven bracht.
+
+Brixia, thans Brescia, hoofdstad der Cenomani, in Gallia Transpadana,
+later rom. municipium.
+
+Brizo, Brizo, godin die op Delus, vooral door vrouwen, vereerd
+werd. Zij beschermde de schippers en gaf orakels.
+
+Brogitarus, schoonzoon van den galatischen tetrarch Deiotarus,
+kocht van den volkstribuun P. Clodius (58) den koningstitel en het
+priesterschap van de Magna Mater te Pessinus voor geld.
+
+Bromius, Bromios, bijnaam van Dionysus.
+
+Bronteion, eene machine, waarmede men achter het tooneel het gerommel
+van den donder nabootste.
+
+Brontes, Brontes, een der Cyclopen.
+
+Brucheum of -ium, deel van Alexandrië in Aegypte. Z. a.
+
+Bructeri, Broukteroi, machtig germaansch volk aan de Amisia (Eems)
+en de Luppia (Lippe). Tot dit volk behoorde de profetes Velleda. De
+Bructeren sloten zich in 69 n. C. bij den opstand der Batavieren aan.
+
+Brundisium, minder juist Brundusium, Brentesion, thans Brindisi,
+belangrijke havenplaats aan de Adriatische zee, vanwaar men gewoonlijk
+naar Griekenland overstak. De stad, op de kust van Calabria gelegen,
+had eene voortreffelijke, altijd toegankelijke haven, door twee
+landtongen beschermd; vandaar waarschijnlijk de naam, die oud-italisch
+hertekop beteekent. Sedert 245 was het lat. kolonie.
+
+Bruttii, ager Bruttius, Brettia, Z.W. uithoek van Italia, een
+bergachtig en ten deele boschrijk gewest, van de riviertjes Laüs en
+Sybaris tot aan het fretum Siculum (straat v. Messina). Alleen deze
+streek werd oorspronkelijk Italia geheeten (z. a.). Tegenwoordig heet
+het Calabrië. Het was sterk bezet met grieksche volksplantingen. In den
+tweeden punischen oorlog sloten de inwoners zich (in 214) meerendeels
+bij Hannibal aan. Later moesten zij dit ontgelden en het land geraakte
+in verval.
+
+Brutus, familienaam in de gentes Iuniae, z. Iunii no. 2 en Iunii
+no. 1-9.
+
+Bryges, Bryges, Brygoi, thracische volksstam in Emathia (Macedonië),
+verwant met de Phrygiërs. Ze komen ook in andere deelen van het
+Balkan-schiereiland, vooral in Epirus en Illyria voor.
+
+Brygus, Brygos, beroemd Atheensch vazenschilder uit het begin van
+de 5de eeuw. Hij schildert in strengen roodfigurigen stijl. Zijn
+schoonste vazen heeft hij met zijn naam geteekend.
+
+Bubassus, Bybassos, oude kustst. in Caria ten O. van Cnidus, op de
+Cnidische Chersonesus.
+
+Bubastis, Boubastis, aegyptische godin, misschien zinnebeeld van het
+vuur, dochter van Osiris en Isis, door de Grieken voor dezelfde als
+Artemis gehouden. Hare beelden hadden een kattekop. Haar voornaamste
+tempel was te Bubastis, waar jaarlijks een feest gevierd werd, dat
+soms door 700000 vreemdelingen bezocht werd.
+
+Bubastis of -tus, Boubastos, distrikt en hoofdstad in de Nijldelta,
+aan den oostelijken Nijlarm, de hoofdzetel van den dienst der
+godin Bubastis. Beneden deze stad woonden de karische en ionische
+huurtroepen, die door koning Psammetichus in dienst genomen waren.
+
+Buccina, gebogen hoorn, door herders gebezigd en ook in gebruik bij
+het romeinsche leger tot het geven van signalen.
+
+Bucephala, Boukephala, -lia, stad aan den Hydaspes, een der takken van
+den Indus, door Alexander gesticht ter gedachtenis aan zijn beroemd
+strijdros Bucephalus. In den slag tegen Porus (326) had dit paard,
+schoon zwaar gewond, Alexander, die zich te ver had gewaagd, behouden
+bij de zijnen teruggebracht, en was toen neergestort.
+
+Bucolici, z. Theocritus.
+
+Budini, Boudinoi, scythisch nomadenvolk, ten O. van den Tanaïs,
+volgens Herodotus met blauwe oogen en vuurroode kleur en in eene
+houten stad wonende.
+
+Budorum, Boudoron, N.W.-kaap en kasteel op het eiland Salamis.
+
+Bulgari, een onderafdeeling der Hunnen, die in de 5de eeuw n. C. voor
+het eerst optreedt.
+
+Bulis, Boulis. Toen de Spartanen door het vermoorden van perzische
+gezanten den toorn van den heros Talthybius op zich geladen hadden en
+bij het offeren geen gunstige voorteekenen konden krijgen, boden Bulis
+en Sperthias zich aan om aan Xerxes uitgeleverd te worden, ten einde
+Talthybius te bevredigen. Xerxes zond hen echter terug en nu bleef de
+toorn van Talthybius op de geslachten van Bulis en Sperthias rusten,
+wier zonen Nicolaus en Anaristus in den peloponnesischen oorlog in
+handen der Atheners vielen en gedood werden.
+
+Bulla, medaillon, dat door de kinderen aan een snoer om den hals werd
+gedragen en een amulet tegen betoovering bevatte. Bij de rijken was
+de bulla van goud, bij de armeren van leder.
+
+Bulla regia, vesting in Numidia, in het dal van den Bagradas, later
+tot Africa proconsularis behoorend.
+
+Bupalus, Boupalos, zoon van Archermus, beroemd beeldhouwer van
+Chius. Hij en zijn broeder Athenis stelden een beeld ten toon van
+Hipponax, waarin de kleine en leelijke man bespottelijk gemaakt werd;
+uit wraak hekelde Hipponax hen in zijne iamben zoo onbarmhartig,
+dat zij zich ophingen.
+
+Buprasium, Bouprasion, eene stad uit het homerische tijdperk,
+later verdwenen. Zij lag in Elis aan den Larisus, en werd bewoond
+door Epeërs.
+
+Bura, Boura, eene der twaalf oude achaeïsche steden, in 373 door
+aardbeving verwoest, maar later op een andere plaats herbouwd. De
+nieuwe stad, waarvan nog belangrijke stukken van den vestingmuur over
+zijn, lag ten Z. van Helice.
+
+Burchana, Bourchanis, oudtijds het voornaamste der Noordzee-eilanden,
+tgw. Borkum. Het wordt reeds in de 4de eeuw als barnsteeneiland
+vermeld, onder den naam Abalus; het komt ook voor onder den naam
+Baunonia of Fabaria, boonen-eiland; zie verder Glaesariae insulae.
+
+Burdigala, thans Bordeaux, aan den Garumna, in het gebied der Bituriges
+Vibisci, later hoofdstad der provincie Aquitania II. Het was eene
+aanzienlijke handelsplaats en een zetel der wetenschappen. Ausonius,
+de dichter der Mosella, was hier geboren.
+
+Burgundi of Burgundiones, vandaalsche of gothische stam, die
+oorspronkelijk tusschen de Vistula (Weichsel) en de Viadus (Oder)
+woonde, later westelijk trok, in de 4de eeuw n. Chr. ten oosten van
+de Alamannen, buiten den vroegeren limes woonde, en zich omstreeks
+465 tusschen den Rhodanus (Rhône) en Italië vestigde, waar Lugdunum
+(Lyon) en Genava (Genève) hunne hoofdsteden werden.
+
+Burgus is de naam van een klein kasteel, dat tusschen de
+grootere Castra en Castella gelegen, met deze dient voor de
+grensverdediging. Het is een oud-germaansch woord, dat in de 2de eeuw
+n. C. in de latijnsche taal is opgenomen.
+
+Burii, Bouroi, germaansch volk, waarschijnlijk in het tegenw. Moravië
+en Silezië gevestigd. Zij komen als bondgenooten van Traianus, Marcus
+Aurelius en Commodus voor, doch later met de Marcomannen en Quaden
+als vijanden der Romeinen.
+
+Burrus (Afranius). Zie Afranii no. 3.
+
+Bursa (T. Munatius Plancus), zie Munatii no. 3.
+
+Busiris, Bousiris, zoon van Aegyptus of van Poseidon en Libye; hij
+was koning van Aegypte, en zooals de Grieken verhaalden, placht hij
+de vreemdelingen, die in zijn land kwamen, te offeren, totdat hij
+door Heracles gedood werd.
+
+Bustum, bustuarii. Bustum is eigenlijk de uitgebrande brandstapel, doch
+beteekent ook de plaats, waar hij is opgericht, alsmede het graf of de
+begraafplaats. Wanneer het lijk op den brandstapel was neergelegd, werd
+deze door een der bloedverwanten met afgekeerd gelaat aangestoken. Was
+het lijk verteerd, dan werd het vuur met wijn en melk gebluscht en
+de beenderen werden in eene urn verzameld. Rijken wikkelden vaak de
+lijken hunner afgestorvenen in een kleed van asbest, opdat de asch
+zich niet met die van het hout zou vermengen. Evenals men bij vele
+oude en nog heden bij sommige wilde volken de gewoonte aantreft, op
+het graf menschen te offeren, hadden bij de Rom. dikwijls rondom den
+brandstapel gladiatorengevechten plaats. Zulke zwaardvechters die dáár
+op leven en dood met elkander streden werden bustuarii genoemd. Ten
+slotte zij opgemerkt, dat in de oudheid zoo wel begraven als verbranden
+gebruikelijk was.
+
+Buteo, familienaam in de gens Fabia, z. Fabii no. 27.
+
+Butes, Boutes, Boutas, 1) zoon van Pandion of Teleon en Zeuxippe,
+landman en stierenherder, priester van Athena en Poseidon, na zijn
+dood door de Atheners als heros vereerd. Hij was de stamvader van
+het geslacht der Butaden of Eteobutaden. Hij nam ook deel aan den
+tocht der Argonauten.--2) koning op Sicilië, die door Aphrodite
+bemind werd en bij haar een zoon, Eryx, had. Dikwijls wordt hij met
+den atheenschen Butes verward, en uit deze verwarring ontstond het
+verhaal, dat hij bij de terugreis der Argonauten, bekoord door het
+gezang der Sirenen, in zee gesprongen was, maar dat Aphrodite hem gered
+en naar Lilybaeum gebracht had.--3) zoon van Boreas, een Thraciër,
+die, door zijn broeder Lycurgus verbannen, het eiland Strongyle (oude
+naam voor Naxus) bezette. Bij een inval in Thessalië tijdens een feest
+van Dionysus roofde hij eene van de feestvierende vrouwen, Coronis,
+en dwong haar hem te huwen. Op Coronis' gebed strafte Dionysus hem
+met waanzin, zoodat hij zich in een put verdronk.
+
+Buthrotum, Bouthroton, bloeiende zeestad in Epirus, tegenover Corcyra,
+volgens de sage gesticht door den Trojaan Helenus.
+
+Buto, Bouto, stad in de Nijldelta aan den sebennytischen Nijlarm en
+aan eene lagune, Buto lacus genoemd. De stad had een tempel der godin
+Buto, met een orakel, dat zeer in eere stond. Buto was de voedster
+der beide kinderen van Isis en verborg hen op een drijvend eiland
+voor de vervolgingen van Typhon. De Grieken vereenzelvigden haar met
+Leto of Latona.
+
+Buxentum, Pyxous, thans Pilocastro, kolonie der Messaners op de kust
+van Lucania aan de rivier Buxentius (Busento), gesticht 467, sedert
+194 rom. kolonie.
+
+Buzyges, Bouzyges, oud-attisch heros, die het eerst stieren voor den
+ploeg spande, v. a. bijnaam van Epimenides of van Triptolemus. Van
+hem leidde het geslacht der Buzygae, dat de heilige ploegfeesten te
+Athene bestuurde, zijn oorsprong af.
+
+Byblis, Byblis, een meisje uit Miletus, die vurige liefde voor haar
+broeder Caunus had opgevat. Toen deze daarom het land verliet, stierf
+Byblis van verdriet; uit hare tranen ontstond een bron.
+
+Bybassus = Bubassus.
+
+Byblos, een aegyptische moerasplant, waaruit in de oudheid het papier
+vervaardigd werd (z. charta). Het grieksche woord voor boek is hiervan
+afgeleid. Een andere naam voor byblos is papyros, waarvan ons woord
+papier afgeleid is.
+
+Byblus, Byblos, oude phoenicische zeestad ten N. van Berytus, bekend
+als zetel der Adonisvereering. De stad had eigen vorsten, waarvan de
+laatste op last van Pompeius werd ter dood gebracht.
+
+Byrsa, waarschijnlijk = burg, Byrsa (vandaar de legende der ossenhuid),
+de burg van Carthago, op eene steile rots van omstreeks 60 meter
+hoog gebouwd.
+
+Byssa, Byssa, z. Agron.
+
+Byzacium of Byzacena, Byzakion, de zuidelijke helft der provincie
+Africa, onder Constantijn eene afzonderlijke provincie, met Hadrumetum
+tot hoofdstad.
+
+Byzantium, Byzantion, later Constantinopolis. Volgens de sage
+zou Byzas, een zoon van Poseidon, van het delphische orakel den
+last hebben gekregen, eene stad te stichten tegenover de stad der
+blinden. Tegenover Chalcedon gekomen, stichtte hij toen Byzantium,
+omdat de stichters van Chalcedon blind waren geweest, toen zij
+voor hunne stad den aziatischen oever kozen. Byzantium was dan ook
+overheerlijk gelegen aan de zee en aan den inham die nog den naam van
+gouden hoorn draagt (chrysoun keras). Het was een dorische kolonie;
+gewoonlijk neemt men aan, dat de stad door Megarensers gesticht is. De
+stad was in de macht der Perzen sedert Darius' tocht naar het land
+der Scythen, en nam deel aan den Ionischen opstand, maar niet aan
+den slag bij Lade. Na de onderdrukking van den opstand, legden de
+inwoners van Byzantium samen met de Chalcedoniërs de stad Mesambria
+(Mesembria) aan (z. a.). Byzantium werd door de Perzen verwoest, maar
+later herbouwd. In 478 viel de plaats in handen van Pausanias, die haar
+7 jaar in zijn macht hield. Nadat deze door de Atheners verdreven was,
+sloot B. zich aan bij den delisch-attischen bond, en kwam tot grooten
+bloei. In 411 viel de stad van Athene af, en werd in den winter
+van 409/408 door Alcibiades hernomen. Na den slag bij Aegospotamos
+werd ze door Lysander bezet, en bleef in de macht der Spartanen tot ±
+390. In de 4de eeuw is Byz. vaak met Athene verbonden, vaak ook Athene
+vijandig gezind, tot het, door Philippus van Macedonia aangevallen,
+in den zomer van 341 zich in de armen der Atheners wierp, die de stad
+en het nabijgelegen Perinthus krachtdadig bijstonden. De stad dreef een
+uitgebreiden handel, vooral in koren. Onder de rom. heerschappij bleef
+B. eene civitas libera en nam nog in bloei toe; maar in den strijd
+tusschen keizer Septimius Severus en zijn tegenstander Pescennius
+Niger werd het na een belegering van 3 jaren (193-196 n. C.) door
+den eersten grootendeels verwoest. Onder Constantijn den Grooten
+herrees het met nieuwen luister. Het was op twee heuvels gebouwd;
+door er nieuwe heuvels aan toe te voegen, wilde de keizer het tot eene
+tweede stad der zeven heuvelen maken. Hij bracht er zijne residentie
+over en noemde het nova Roma (330), welke naam evenwel spoedig in
+Constantinopolis, Konstantinou polis, veranderd werd. De stad had
+toen een omvang gekregen van twee uren gaans, en werd met hooge muren
+versterkt en evenals Rome in 14 regiones verdeeld.
+
+Byzas, Byzes, Byzas, zie Byzantium.
+
+
+
+
+
+
+C.
+
+
+C, aanwijzing in den rom. kalender van een dies comitialis.
+
+Cabalia, Kabalia, klein gewest in Asia minor, ingesloten tusschen
+Caria, Lycia, Phrygia en Pisidia, en onder de perzische heerschappij
+ingedeeld bij de lydische satrapie. De Romeinen deelden het noordelijke
+deel bij Phrygia, het zuidelijke bij Lycia in. De voornaamste der vier
+steden was Cibyra, waarnaar het landschap ook Cibyratis werd genoemd.
+
+Cabillonum, Kabyllinon, handelsstad der Aeduers in Gallia aan den Arar
+(Saône), thans Chalons-sur-Saône.
+
+Cabira, ta Kabeira, later Diospolis of Sebaste, stad in oostelijk
+Pontus. Mithradates werd hier in 71 door Lucullus verslagen en redde
+ter nauwernood zijn leven door de vlucht.
+
+Cabiri, Kabeiroi, "machtigen", goddelijke wezens, wier eeredienst in
+zeer oude tijden uit het Oosten is ingevoerd, doch die later op den
+achtergrond geraakt zijn en over wier aard en beteekenis dus weinig
+met zekerheid te zeggen is. Zij werden voornamelijk vereerd op Lemnus,
+Imbrus en Samothrace, waar hun dienst met dien van Hephaestus verbonden
+was, en ook in Boeotië; verder vindt men hen te Pergamus, in Phoenicië
+en in Aegypte. Later werden de drie Cabiri voor dezelfden gehouden
+als Demeter, Persephone en Hades, waarschijnlijk omdat zij eveneens
+met geheime plechtigheden (mysteriën) vereerd werden. Ook met de
+Corybanten, de Cureten en de Dioscuren worden zij in verband gebracht,
+en bij de Romeinen met de Penaten. Op hunne afbeeldingen hebben zij
+gewoonlijk een hamer in de hand. Zie Axierus. Met hen verbonden komt
+als vierde godheid voor Cadmilus of Casmilus, Kadmilos, Kasmilos.
+
+Caca, zuster van Cacus. Wegens den dienst, dien zij Hercules
+bewezen had, genoot zij goddelijke eer (z. Cacus). In haar heiligdom
+brandde een eeuwig vuur. In werkelijkheid is Caca (evenals Cacus)
+een oud-italische godheid, van denzelfden aard als Vesta, maar ze is
+vroeg in vergetelheid geraakt.
+
+Caci scalae, een oude steenen trap, die van uit het dal van den
+Circus Maximus naar één van de poorten van Roma quadrata op den
+Palatinus voerde.
+
+Cacus, zoon van Vulcanus, een vuurspuwende reus, die in een hol
+van den Aventijnschen berg woonde en de omstreken door roof en
+moord teisterde. Toen Hercules met de runderen van Geryon daar
+aangekomen en van vermoeidheid in slaap gevallen was, ontstal Cacus
+hem eenige runderen, die hij, om den eigenaar het spoor bijster te
+maken, achterwaarts in zijn hol dreef. Toch ontdekte Hercules hun
+verblijfplaats, hetzij doordat hij ze in het voorbijgaan binnen
+hoorde loeien, hetzij door verraad van Caca, de zuster van Cacus,
+die liefde voor den vreemdeling had opgevat. Na een verschrikkelijk
+gevecht versloeg hij den roover. Uit dankbaarheid richtte koning
+Euander van Pallantium, die veel van Cacus te lijden had gehad, een
+altaar voor den held op, en zoo ontstond de dienst van Hercules,
+die later door de Romeinen overgenomen werd en aan de zorg van de
+Potitii en Pinarii toevertrouwd was. Z. Caca.
+
+Cadi, Kadoi, stad in westelijk Phrygia, dicht bij den berg Dindymus.
+
+Cadmea, Kadmeia, burcht van Thebae.
+
+Cadmus, Kadmos, 1) zoon van den phoenicischen koning Agenor en
+Telephassa. Toen zijn zuster Europa door Zeus geschaakt was, zond
+zijn vader hem uit om haar te zoeken, met uitdrukkelijk bevel, niet
+zonder haar terug te komen. Na lang zwerven kwam hij te Delphi en
+kreeg daar een orakel, dat hij zijne zuster niet verder zoude zoeken,
+maar dat hij een koe moest volgen en op de plaats, waar zij zich zoude
+neerleggen, een stad moest stichten. In Phocis vond hij de bedoelde
+koe, hij volgde haar tot in Boeotië en stichtte op de aangewezen
+plaats de stad Thebae. Nu wilde hij de koe offeren en zond eenige van
+zijne tochtgenooten om water te halen uit eene naburige bron, die aan
+Ares gewijd was; zij werden echter gedood door een draak, die de bron
+bewaakte. Toen zij niet terugkwamen, ging Cadmus zelf naar de bron,
+hij vond den draak en doodde hem met de hulp van Athena. Op bevel der
+godin zaaide hij de tanden van het monster in den grond, uit dit zaad
+kwamen gewapende mannen te voorschijn, die elkander doodsloegen op vijf
+na, die Sparten (Spartoi) genoemd werden en de stamvaders der Thebanen
+werden. Wegens het dooden van den draak moest Cadmus acht jaar lang
+Ares dienen, daarna was de god bevredigd en gaf hij hem zijn dochter
+Harmonia (z. a.) ten huwelijk. Cadmus regeerde daarna vele jaren over
+Thebae; later trok hij met Harmonia naar Illyrië, waar hij koning der
+Encheleers werd; op hoogen leeftijd werden beide echtgenooten in draken
+veranderd en naar het Elysium overgebracht. De latere Grieken geloofden
+dat Cadmus de eerste was die vreemde beschaving in Griekenland had
+overgebracht; hij zou het phoenicisch letterschrift ingevoerd hebben,
+het bewerken van metaal geleerd en de eerste waterleiding aangelegd
+hebben.--2) van Miletus, een der oudste logografen; of hij werkelijk
+bestaan heeft, wordt echter betwijfeld.
+
+Caduceus of caduceum, uit het aeolische karykeion = kerykeion ontstaan,
+in het algemeen de herautenstaf, een olijftak met een witten band
+omwonden. In het bizonder wordt daarmede de staf bedoeld, dien
+Hermes of Mercurius als bode der goden droeg. Deze staf was met twee
+slangen omstrengeld en wordt somtijds van boven met een paar vleugels
+voorzien. Mercurius wordt bij de dichters vaak caducifer genoemd.
+
+Caducifer, bijnaam van Mercurius, als drager van den vredestaf
+(caduceus).
+
+Cadurci, volk in Gallia Transalpina, met de hoofdstad Divona (Cahors)
+aan den Oltis (Lot), een zijtak van den Garumna.
+
+Cadusii, Kadousioi, krijgszuchtig bergvolk in Media, ten Z.W. der
+Caspische zee.
+
+Cadytis, Kadytis, de zuidelijkste van de vijf bondsteden van Syria
+Palaestina (het land der Philistijnen) = Gaza.
+
+Caeadas = Ceadas.
+
+Caecilia (lex), van den volkstribuun L. Caecilius Rufus (Caecilii
+no. 29) einde 64 voorgesteld, doch vóór de stemming weder ingetrokken,
+om aan P. Cornelius Sulla en P. Autronius Paetus, die in 65 wegens
+ambitus veroordeeld waren, amnestie te verleenen en hen weder in den
+senatorenstand te herstellen.
+
+Caecilia (lex), van den consul Caecilius Metellus Pius Scipio (Caecilii
+no. 18) van 52, tot opheffing der lex Clodia de censoria notione,
+z. Clodiae (leges) no. 4.
+
+Caeciliae (leges), van den volkstribuun Q. Caecilius Metellus Nepos,
+62 (Caecilii no. 16). De wetsvoorstellen gingen echter niet door. Het
+waren de volgende: 1) dat Pompeius, die toen in Azië was, in zijne
+afwezigheid tot consul mocht verkozen worden;--2) dat Pompeius zou
+teruggeroepen worden om de beweging van Catilina te onderdrukken.
+
+Caecilia Cornelia (lex) van de consuls Q. Caecilius Metellus Nepos
+(Caecilii no. 16) en P. Cornelius Lentulus Spinther (Cornelii no. 50),
+57, waarbij aan Pompeius voor een tijdperk van vijf jaar de cura
+annonae werd opgedragen.
+
+Caecilia Didia (lex) de modo legum promulgandarum van de consuls
+Q. Caecilius Metellus Nepos en T. Didius (98), dat 1º een wetsvoorstel
+ten minste drie nundina (24 dagen) vóór de stemming moest worden bekend
+gemaakt, 2º men geen twee verschillende zaken in één wetsvoorstel
+mocht vereenigen (de duabus rebus non una lege coniungendis), hetgeen
+gewoonlijk heet: per saturam ferre. V. a. zijn dit twee wetten.
+
+Caecilii. De gens Caecilia, waarvan de familie Metellus de voornaamste
+is, was plebejisch. 1) Caecilius Metellus Denter, consul in 284.--2)
+L. Caecilius Metellus, zoon van no. 1, consul in 251 en 247, was
+in 251 op Sicilia aan het hoofd van het rom. leger, doch durfde
+tegen Hasdrubal geen slag wagen uit vrees voor diens olifanten,
+maar Hasdrubal viel hem het volgend jaar bij Panormus aan, en werd
+verslagen, waarbij zijn olifanten in handen des overwinnaars vielen,
+en bij den triumf aan het volk getoond werden. In 249 was hij magister
+equitum van den dictator A. Atilius Calatinus. In 247 was hij voor
+de tweede maal consul, wederom op Sicilië. In 243 werd hij pontifex
+maximus; toen hij in 241 bij het afbranden van den Vesta-tempel Rome's
+penaten had gered en daarbij volgens de overlevering het gezicht had
+verloren, werd hem de onderscheiding toegekend, zich in een draagstoel
+naar den senaat te mogen begeven.--3) Q. Caecilius Metellus, oudste
+zoon van no. 2, was consul in 206, dictator comitiorum habendorum
+causa in 205, vervulde later (186-184) gezantschappen bij Philippus
+van Macedonia en bij de Achaeërs, en wordt door Cicero als redenaar
+geprezen. Hij is het, die zich op den dichter Naevius (z. a.) om
+diens vrijmoedigheid gewroken heeft.--4) L. Caecilius Metellus,
+tweede zoon van no. 2, deed in 216 na den slag bij Cannae het
+voorstel, Italië te verlaten, waarvoor hij door de censoren van het
+jaar 214 onder de aerarii werd gebracht.--5) M. Caecilius Metellus,
+derde zoon van no. 2, werd in 205 naar Azië gezonden om het beeld der
+Magna Mater uit Phrygia naar Rome over te brengen.--6) Q. Caecilius
+Metellus Macedonicus wordt gewoonlijk beschouwd als de oudste zoon,
+maar is misschien de kleinzoon van no. 3, consul in 143, overwon
+in 148 als propraetor den macedonischen kroon pretendent Andriscus,
+richtte Macedonia tot provincie in (147) en versloeg vervolgens in
+146 de Achaeërs bij Scarphe (Scarphea) in Locris, en streed als
+consul en proconsul tegen de Celtiberiërs. Over Andriscus hield
+hij een zegetocht. In 131 werd hij de eerste plebejische censor,
+doch maakte zich door zijne gestrengheid vele vijanden, zoodat zelfs
+de volkstribuun C. Atinius Labeo, dien hij van de senaatslijst had
+geschrapt, hem van de tarpejische rots wilde laten werpen. Hij was ook
+in onmin met Scipio Africanus minor. Hij bestreed Tib. Gracchus in een
+heftige redevoering, en nam de wapenen op tegen C. Gracchus (121). Hij
+stierf in 115.--7) L. Caecilius Metellus Calvus, broeder van no. 6,
+consul in 142.--8) Q. Caecilius Metellus Balearicus, consul in 123,
+oudste zoon van no. 6, overwon de zeeroovers der Balearische eilanden,
+waar hij een groot bloedbad aanrichtte, en bracht rom. kolonisten
+daarheen. In 121 hield hij zijn zegetocht; in 120 was hij censor.--9)
+L. Caecilius Metellus Diadematus, aldus genaamd naar den haarband,
+dien hij droeg om een gezwel aan het hoofd te verbergen, tweede zoon
+van no. 6, was consul in 117.--10) M. Caecilius Metellus, derde zoon
+van no. 6, consul in 115, zegepraalde in 111 over de Sardiniërs.--11)
+C. Caecilius Metellus Caprarius, vierde zoon van no. 6, consul in 113,
+censor in 102, zegepraalde in 111 over de Thraciërs.--12) L. Caecilius
+Metellus Calvus Dalmaticus, oudste zoon van no. 7, consul in 119,
+hield in 117 een zegetocht over de Dalmatiërs en was in 115 censor
+met Cn. Domitius Ahenobarbus (Domitii no. 4).--13) Q. Caecilius
+Metellus Numidicus, tweede zoon van no. 7, consul in 109, voerde den
+oorlog tegen Jugurtha en zou dezen vermoedelijk tot de overgaaf hebben
+genoodzaakt, zoo niet Marius uit Rome ware gekomen om het bevel over te
+nemen. De senaat kende Metellus de eer van een zegetocht toe. In 102
+was hij censor, tegelijk met no. 11. Toen in het jaar 100 Appuleius
+Saturninus de bezwering zijner wetten door de senaatsleden eischte
+(zie Appuleiae leges), weigerde Numidicus en ging in ballingschap,
+waaruit hij evenwel een jaar later werd teruggeroepen door de lex
+Calidia. Hij stierf in 90, naar vermoed werd door vergif.--14)
+Q. Caecilius Metellus Nepos, zoon van no. 8, was consul in 98. Zie
+Caecilia Didia (lex).--15) Q. Caecilius Metellus Celer, zoon van
+no. 14, was in 66 legaat van Pompeius in den mithradatischen oorlog,
+in 63 praetor, in 60 consul. Als praetor redde hij Rabirius (zie
+Rabirii no. 1) van eene veroordeeling en vervolgde hij Catilina. Hij
+behoorde tot de tegenstanders van Pompeius en verzette zich tegen
+de akkerwetten van dezen, door L. Flavius voorgesteld (zie Agrariae
+leges), en van Caesar. Ook kantte hij zich tegen de adoptie van zijn
+zwager P. Clodius Pulcher door een plebejer. Hij stierf plotseling
+in 59, naar men vermoedde vergeven door zijne vrouw Claudia maior,
+zie Claudii no. 18.--16) Q. Caecilius Metellus Nepos, jongere broeder
+van no. 15, was in 67 legaat van Pompeius in den zeerooversoorlog. Hij
+was een vinnig vijand van Cicero en dwarsboomde dezen zooveel mogelijk,
+o. a. door als volkstribuun (10 Dec. 63-10 Dec. 62), hem te beletten,
+op den laatsten dag van zijn consulaat, de gebruikelijke redevoering te
+houden; Cicero mocht alleen den gewonen eed afleggen, waarop hij zwoer,
+dat hij de republiek van den ondergang gered had. Zie verder Caeciliae
+(leges). Toen hij zijn voorgestelde wetten door den tegenstand van
+Cato (Porcii no. 8), die ook volkstribuun was, niet doorvoeren kon,
+begaf hij zich naar Azië tot Pompeius, waarop hij van zijn ambt
+ontzet werd. Als consul stemde hij in 57 er in toe, dat Cicero
+uit zijne ballingschap zou worden teruggeroepen. Zie ook Caecilia
+Cornelia (lex).--17) Q. Caecilius Metellus Pius, zoon van no. 13, aldus
+bijgenaamd om zijne ouderliefde, daar hij door zijne dringende beden de
+terugroeping van zijn vader uit de ballingschap bewerkte, versloeg in
+den bondgenootenoorlog den aanvoerder der Marsi, Q. Pompaedius Silo
+(88). Tijdens den burgeroorlog behoorde hij tot de senaatspartij;
+hij voegde zich bij Sulla, toen die uit het Oosten terugkeerde,
+en was met hem consul in 80; daarna werd hij naar Spanje tegen
+Sertorius gezonden, waar hij tot 72 bleef, sedert 76 door Pompeius
+ondersteund.--18) Caecilius Metellus Pius Scipio, aangenomen
+zoon van no. 17 (zie Cornelii no. 25), bij de schrijvers nu eens
+P. Scipio Nasica, dan weer Q. Metellus Scipio, ook wel P. Scipio
+Metellus genoemd. Zijn werkelijke vader was P. Cornelius Scipio
+Nasica, praetor in 94. Metellus Scipio was volkstribuun in 59. Zijne
+poging om zich voor 52 tot consul te doen verkiezen, mislukte, daar
+Pompeius consul zonder ambtgenoot werd. Toen echter Metellus aan
+Pompeius zijne dochter tot vrouw gaf, werd hij gedurende nog vijf
+maanden diens medeconsul. Later streed hij bij Pharsalus (48) en
+bij Thapsus (46) tegen Caesar. Bij Thapsus was hij opperbevelhebber,
+maar hoogst onbekwaam. Op de vlucht gevangen genomen, doodde hij zich
+zelf. Hij was roofzuchtig van karakter, zelfs tempels waren voor hem
+niet veilig.--19) Q. Caecilius Metellus Creticus, zoon van no. 11,
+was een van de drie gebroeders Metellus, die in het proces van Cicero
+tegen Verres den beklaagde steunden. Hij was het, die voor het jaar
+69 met den redenaar Q. Hortensius tot consul werd gekozen. In 68 werd
+hij uitgezonden om Creta te onderwerpen, dat een broeinest was van
+de zeeroovers. Hij versloeg de Cretensers bij Cydonia, en nam daarop
+Cydonia, Cnossus, Lyctus en andere vestingen in en streed met veel
+geluk en volharding; hij legde hierbij echter zooveel wreedheid en
+ruwheid aan den dag, dat de inwoners hunne onderwerping aan Pompeius
+aanboden, die destijds, als opperbevelhebber in den zeerooveroorlog,
+in Azië was. Metellus ging koelbloedig zijn gang, behandelde de
+door Pompeius gezonden troepen als vijanden, onder wierp het eiland
+na vijf jaren strijds, en richtte het in als provincie (64). Door
+de catilinarische woelingen te Rome kon hij echter eerst in 62 zijn
+zegetocht houden.--20) L. Caecilius Metellus, broeder van no. 19, was
+Verres in 70 als stadhouder van Sicilia opgevolgd en trachtte wel,
+zooveel hij kon, den Siciliërs het doorgestane leed te vergoeden,
+maar bemoeielijkte toch Cicero's onderzoek op Sicilia. Hij was consul
+in 68.--21) M. Caecilius Metellus, broeder van no. 19 en 20, was
+voor het jaar 69 tot praetor gekozen. Daarom was er Verres zooveel
+aan gelegen, dat zijn proces op de lange baan geschoven werd tot in
+69.--22) L. Caecilius Metellus, zoon van no. 20, wilde als volkstribuun
+in 49 Caesar beletten het aerarium open te breken. Caesar liet hem
+later uit Rome verwijderen.--23) Caecilia Metella, dochter van no. 8,
+huwde met App. Claudius Pulcher (Claudii no. 14), en werd de moeder
+van den beruchten volkstribuun P. Clodius Pulcher.--24) Caecilia
+Metella, dochter van no. 12, huwde eerst met M. Aemilius Scaurus en
+hertrouwde als weduwe met L. Cornelius Sulla, die echter, toen zij ziek
+werd, van haar scheidde.--25) Caecilia Metella, dochter van no. 6,
+huwde met P. Cornelius Scipio Nasica Serapio (Cornelii no. 22).--26)
+Caecilia Metella, ook Cornelia Metella genaamd, dochter van no. 18,
+werd de vijfde vrouw van Cn. Pompeius.--27) Caecilia Metella,
+dochter van no. 19, echtgenoote van M. Crassus (Licinii no. 16). Van
+haar is het beroemde grafmonument aan de Via Appia, nu Capo di bove
+geheeten.--28) Q. Caecilius Bassus, vurig aanhanger van Pompeius,
+die na den slag bij Pharsalus naar Asia vlood en daar jaren lang te
+Apamea den strijd tegen de troepen van Caesar volhield. Na Caesar's
+dood sloten zijne troepen zich bij Cassius aan.--29) L. Caecilius
+Rufus, halfbroeder van P. Cornelius Sulla (Cornelii no. 54),
+trachtte dezen in zijne vorige rechten te herstellen; zie Caecilia
+(lex). Hij ondersteunde Cicero in diens verzet tegen de akkerwet van
+P. Servilius Rullus en werkte mede tot Cicero's terugroeping uit de
+ballingschap.--30) Q. Caecilius Niger, uit Sicilia, quaestor onder
+Verres. Tegen hem sprak Cicero zijne bekende divinatio uit.--31)
+Statius Caecilius, een Insubriër van groot talent, als slaaf naar
+Rome gekomen, was een beroemd blijspeldichter (180). Hij bewerkte
+Grieksche stukken (palliatae) vooral van Menander. Cicero, Horatius
+en Quinctilianus prijzen hem zeer. Wij hebben van zijne blijspelen
+slechts fragmenten.--32) Caecilius uit Calacte op Sicilia, beroemd
+grieksch rhetor en criticus ten tijde van Augustus.
+
+Caecinae, eene gens, uit de etruscische stad Volaterrae afkomstig. 1)
+A. Caecina, door Cicero in 69 in een proces over de erfenis van
+een landgoed verdedigd.--2) A. Caecina, een zoon van no. 1, was
+bevriend met Pompeius en Cicero. Een beleedigend geschrift tegen
+Caesar was oorzaak van zijne verbanning, doch later verzoende hij
+zich met Caesar.--3) Caecina Volaterranus een vriend van Octavianus,
+werd door dezen gebruikt als onderhandelaar met Antonius (44).--4)
+A. Caecina Severus, een beproefd en dapper veldoverste, die met goed
+gevolg tegen de Bato's in den pannonisch-dalmatischen opstand streed
+(6 en 7 na C.). In 14 n. C. was hij legatus van Germania Inferior
+onder het opperbevel van Germanicus, en wist hij het oproer van
+het leger niet te beteugelen; eerst aan Germanicus gelukte dit door
+toegevendheid. Hij neemt deel aan alle veldtochten van Germanicus
+(14-16), en verwerft in 16 de triumphalia insignia.--5) A. Caecina
+Alienus, quaestor in Baetica (68 n. C.), sloot zich bij Galba aan, maar
+weldra wegens een veroordeeling op hem verbitterd, wist hij (Jan. 69)
+met Fabius Valens te bewerken, dat Vitellius door de soldaten aan
+den Rijn tot keizer werd uitgeroepen. Hij trekt daarop met 30.000 man
+naar Italia, terwijl hij onderweg de Helvetiërs tuchtigt. Bij Cremona
+wordt hij eerst door de Othoniani onder Suetonius Paulinus verslagen;
+toen later Fabius Valens met een ander leger zich bij hem gevoegd had,
+versloegen ze samen de Othoniani bij Bedriacum. Van Vitellius liep
+hij tot Vespasianus over, doch werd later, wegens samenzwering tegen
+dezen in 75 op last van Titus ter dood gebracht.--6) Caecina Paetus,
+zie Arria.
+
+Caecubus ager, streek aan de zuidelijke grenzen van Latium, tusschen
+den lacus Fundanus en de zee, wel moerassig, doch beroemd om den
+voortreffelijken wijn, die er geteeld werd.
+
+Caeculus, italiaansch heros, zoon van Vulcanus, stichter van Praeneste.
+
+Caeles Vibenna, een etruscisch hoofd, die onder de regeering van
+Romulus (of later) naar Rome verhuisde en zich op den caelischen
+berg nederzette.
+
+Caelia (lex), tabellaria van den volkstribuun L. Caelius, 107,
+z. Tabellariae (leges).
+
+Caelii, plebejisch geslacht. 1) L. Caelius Antipater, tijdgenoot der
+Gracchen, rom. annalist, beschreef den tweeden punischen oorlog.--2)
+C. Caelius Caldus, volkstribuun in 107, was de maker der lex Caelia
+tabellaria. In 94 was hij consul. Later streed hij in Hispania
+tegen Sulla en Pompeius, die hem versloeg.--3) C. Caelius Caldus,
+kleinzoon van no. 2, volgde Cicero op als stadhouder van Cilicia.--4)
+M. Caelius Rufus, leerling van Cicero in de welsprekendheid, werd
+door dezen tegen eene aanklacht van ambitus met goed gevolg verdedigd
+(56). In 52 was hij volkstribuun en verzette zich krachtig tegen de
+democratische woelingen; zelfs bewerkte hij de verbanning van den
+woelzieken Q. Pompeius Rufus (zie Pompeii no. 5). Toen de burgeroorlog
+losbarstte, koos C. de zijde van Caesar; doch toen hij als praetor in
+48 zich door dezen verongelijkt achtte, poogde hij in Zuid-Italië een
+oproer te verwekken, bij welke poging hij bij Thurii gedood werd. Hij
+was iemand van losse zeden (bekend is zijn liaison met Clodia), die
+wel eene aangevatte zaak met kracht kon doorzetten, maar verre van
+beginselvast was. Zijne briefwisseling met Cicero is zeer belangrijk
+voor de kennis van dit tijdperk. Als redenaar was hij niet zonder
+naam. Catullus valt hem heftig aan in zijn gedichten.--5) Caelius
+Aurelianus, geleerd rom. geneeskundige uit de 5de eeuw na C. te Sicca
+in Numidia geboren, van wien nog geschriften bestaan.--6) Caelius
+Apicius, zie Apicii.--7) D. Caelius Calvinus Balbinus, z. Balbinus.
+
+Caelius mons, een der bergen, waarop Rome was gebouwd. Het was een der
+zeven bergen uit den tijd van het Septimontium, zie Roma. De tweede der
+veertien wijken of regiones, waarin Rome door Augustus werd verdeeld,
+heette naar dezen berg Caelimontium.
+
+Caena = coena.
+
+Caeneus, Caenis, Kaineus, Kainis, dochter van Elatus en Hippea; zij
+werd door Poseidon bemind, en op haar wensch, waarvan de god haar
+de vervulling vooraf had toegezegd, werd zij in een man veranderd en
+bovendien onkwetsbaar gemaakt. Caeneus was een van de Argonauten en
+van de calydonische jagers; in het gevecht tusschen de Centauren en
+Lapithen op de bruiloft van Pirithoüs werd hij door de Centauren,
+daar zij hem niet konden wonden, onder boomstammen bedolven en zoo
+gedood, v. a. vloog hij als een vogel van onder den houtstapel op.
+
+Caeni, Kainoi, thracische volksstam aan de Propontis (zee v. Marmara).
+
+Caenina, oude stad van Latium, tusschen Rome en Tibur, in ouden tijd
+bij Rome ingelijfd.
+
+Caeparius (M.), deelgenoot aan de samenzwering van Catilina, werd 5
+Dec. 63 in den kerker ter dood gebracht.
+
+Caepio, familienaam in de gens Servilia (Servilii no. 12-18). Aangaande
+Q. Caepio Brutus z. Junii no. 9.
+
+Caere, door de Grieken Agylla genoemd, oude stad in het Z. van
+Etruria, eene der 12 etruscische bondssteden, reeds vroeg machtig en
+bloeiend. Toen de Galliërs in 390 op Rome lostrokken, verleende Caere
+een wijkplaats aan de vestaalsche maagden en de romeinsche priesters
+en verkreeg daarvoor het rom. gastrecht. In 353 evenwel met Rome in
+onmin geraakt, verloor het de helft van zijn gebied, terwijl aan de
+inwoners het mindere burgerrecht, zonder het ius suffragii en het ius
+honorum, opgedrongen werd. Zie ook het volgend artikel. Onder Sulla
+werd Caere eene soldatenkolonie.
+
+Caerites, inwoners van Caere. Toen hun het mindere burgerrecht
+gegeven werd (zie Caere), werden zij in den toestand van aerarii
+gebracht. Vandaar zijn de uitdrukkingen in tabulas Caeritum referri, op
+de lijst der Caeriten gebracht worden, en aerarium fieri synoniem. De
+Caerites behoorden tot de minste klasse der municipes (zie Municipium),
+daar ze geen eigen bestuur en eigen ambtenaren hadden.
+
+Caerosi, germaansche volksstam aan de Maas in Belgica.
+
+Caesar, Kaisar, familienaam in de gens Iulia, zie Iulii. Na Augustus
+evenwel wordt deze naam een titel van de prinsen der keizerlijke
+familie, hetzij zij er door geboorte of adoptie toe behoorden. Hoewel
+de eerste keizers tot en met Nero door adoptie tot de gens Iulia kunnen
+gerekend worden, werd toch de gentielnaam Iulius slechts zelden door
+hen gebruikt. Tiberius begon er mede, den naam Caesar als titel te
+dragen en weigerde alle andere titels. Na Vitellius, die den titel
+Caesar weigerde, werd Caesar de vaste keizerstitel, die dan vóór den
+eigennaam werd geplaatst, terwijl de vermoedelijke erfgenaam van den
+troon sedert Hadrianus den titel achter zijn eigennaam voerde. Sedert
+de staatsregeling van Diocletianus (z. a.) is Caesar de naam van den
+onderkeizer (hulpkeizer).
+
+Caesaraugusta, vroeger Salduba, thans Saragossa, stad der Edetani,
+aan den Iberus (Ebro), sedert Augustus rom. kolonie.
+
+Caesarea, Kaisareia, naam van een aantal steden, ter eere van dezen
+of genen romeinschen keizer aldus genoemd. De voornaamste zijn: 1)
+Caesarea ad Argaeum, vroeger Mazaca, oude residentie der cappadocische
+koningen en door Tiberius tot hoofdstad der rom. provincie Cappadocia
+verklaard. Het lag aan den mons Argaeus.--2) Caesarea Palaestinae,
+op de kust gelegen, vroeger Stratonis turris, door Herodes vergroot
+en verfraaid en ter eere van Augustus Caesarea genoemd (10 of 9). Het
+was de zetel der romeinsche stadhouders en sedert de verwoesting
+van Jerusalem hoofdstad der provincie Judaea.--3) Caesarea Paneas
+of Philippi, door den viervorst Philippus, zoon van Herodes, nabij
+de bron van den Jordaan uitgebreid en vergroot, en sedert naar hem
+genoemd.--4) Caesarea ad Libanum, zie Arca.--5) Caesarea Mauretaniae,
+vroeger Iol, door koning Juba herdoopt ter eere van Augustus, later
+rom. kolonie en hoofdstad der provincie Mauretania Caesariensis.--6)
+Caesarea in Phrygia, vroeger Antiochia ad Pisidas (z. Antiochia no. 3).
+
+Caesarion, Kaisarion, zoon van C. Julius Caesar en Cleopatra, in 47
+geb. Toen Antonius hem tot zoon en erfgenaam van Caesar had verklaard
+en tot mederegent van Aegypte had benoemd, liet Octavianus na den
+slag bij Actium den jongen Caesarion ombrengen (30).
+
+Caesarodunum, thans Tours, hoofdst. der Turones aan den Liger (Loire).
+
+Caesennius Paetus (L.), veldheer van Nero, streed ongelukkig tegen
+de Parthen (62 n. C.).
+
+Caesetius Flavus (L.), volkstribuun in 44. Hij was een tegenstander
+van Caesar, die hem hierom met zijn ambtgenoot L. Epidius Marullus
+uit den senaat stiet en uit zijn ambt ontzette.
+
+Caesia silva, een bergachtige streek in Germania tusschen de Luppia
+(Lippe) en de Isala (Geld. IJsel).
+
+Caesii. Uit de gens Caesia zijn geen beroemde mannen bekend. De
+lierdichter Caesius Bassus was een vriend van den satirendichter
+A. Persius Flaccus.
+
+Caestus, lederen riemen met looden knoppen er in, waarmede men zich
+de handen omwond voor het vuistgevecht.
+
+Caetra, zie Cetra.
+
+Caicus, Kaikos, rivier in Mysia, ontspringt op den Temnus, stroomt
+op niet grooten afstand voorbij de stad Pergamus en valt in de
+Aegaeïsche zee.
+
+Caieta, thans Gaëta, kaap en zeestad van Latium in het land der
+Aurunci, genaamd naar Caieta, Aeneas' voedster, die daar begraven
+werd. Hier had Cicero een villa.
+
+Calabra (curia), z. Curia Calabra.
+
+Calabria, Kalabria, niet het thans onder dezen naam bekende gewest,
+maar het zuidoostelijke schiereiland van Italia, tegenwoordig Terra d'
+Otrante genoemd. Iapygia Messapia, Sallentina zijn oude namen voor
+deze streek. De naam Calabria komt eerst op na de verovering door
+de Romeinen. Brundisium en Tarente zijn de noordelijkste steden. In
+ouden tijd was deze thans zoo verwaarloosde uithoek niet onvruchtbaar,
+hoewel men dikwijls met gebrek aan water had te kampen. Sedert de
+verovering door de Romeinen neemt de bevolking af. Augustus vereenigde
+Calabria met Apulia tot de tweede regio Italiae.
+
+Calacte, Kale akte, stad op de Noordkust van Sicilia.
+
+Calagurris Nasica, thans Calahorra, stad in Tarraconensis aan
+den Iberus (Ebro) in het land der Vascones, geboorteplaats van
+Quinctilianus.
+
+Calais, Kalaïs, en Zetes, de gevleugelde zonen van Boreas en
+Orithyia (Boreadae, Boreadai). Op den Argonautentocht kwamen zij
+te Salmydessus en bevrijdden daar hunne zuster Cleopatra, die met
+hare kinderen door haar gemaal, koning Phineus, gevangen gehouden
+werd. V. a. bevrijdden zij Phineus van de Harpyiën en kwamen zij
+om terwijl zij deze vervolgden. Of zij werden door Heracles gedood,
+omdat zij voornamelijk bewerkt hadden, dat hij op den Argonautentocht
+in Mysië werd achtergelaten.
+
+Calamis, Kalamis, beroemd atheensch beeldhouwer omstreeks 460; zijne
+beelden stelden zoowel goden als menschen en dieren voor, en muntten
+uit door kracht en tevens bevalligheid.
+
+Calantica, calautica of calvatica, kredemnon, vrouwenmuts, voornamelijk
+gedragen door oude dames, die niet veel haar meer hadden.
+
+Calanus, Kalanos, een gymnosophist, dien Alexander uit Indië medenam;
+toen hij te Susa ziek werd, maakte hij vrijwillig op den brandstapel
+een einde aan zijn leven. Zooals hij voorspeld had, stierf Alex. kort
+daarna.
+
+Calaris = Caralis.
+
+Calatia, stad in Campania tusschen Capua en Beneventum.
+
+Calatores, eigenlijk roepers om iemand te ontbieden, in het bizonder
+dienaren der pontifices, die bij de godsdienstige plechtigheden de orde
+moesten handhaven en bij de comitia calata het volk opriepen. Later
+werden ze pontifices minores.
+
+Calauria, -rea, Kalauria, -reia, eiland op de kust van Argolis,
+tegenover Troezen, met een beroemden Poseidon-tempel, waar de redenaar
+Demosthenes in 322 zich door vergif van het leven beroofde.
+
+Calautica = Calantica.
+
+Calchas, Kalchas, zoon van Thestor uit Mycenae of Megara, beroemd
+vogelwichelaar die de Grieken naar Troje vergezelde. Ingevolge
+zijne uitspraken werd Iphigenia aan Artemis geofferd en Chryseis aan
+haar vader teruggegeven, ook had hij den langen duur van den oorlog
+voorspeld. Na den oorlog ontmoette hij te Colophon Mopsus, die hem
+als wichelaar overtrof, waarom hij van verdriet stierf of zich uit
+spijt doodde. In Apulië had hij een heiligdom met een orakel.
+
+Calchedon = Chalcedon.
+
+Calceus. De ouden kenden sandalen, pantoffels, schoenen en laarzen. De
+calceus is een schoen, die vastgestrikt of geregen wordt. De calceus
+senatorius had kruisbanden, die om den voet en de kuit werden
+gebonden. Men vindt de uitdrukking calceos mutare wel gebruikt voor:
+senator worden. Vóór op den senatorsschoen was een halfmaantje van
+ivoor, lunula, aangebracht. De calceus behoorde bij de toga; wanneer
+men deze laatste aflegde en tegen huiskleeding verwisselde, trok men
+ook de schoenen uit en deed sandalen of pantoffels aan.
+
+Calculus Minervae, de stem waarmede Athena, toen Orestes voor den
+Areopagus terechtstond en de stemmen staakten, zich ten gunste van
+den aangeklaagde verklaard had. Vandaar werd de uitdrukking gebruikt,
+wanneer een aangeklaagde bij staking van stemmen werd vrijgesproken.
+
+Calda, warm water, dat, evenals frigida, koud water, steeds gereed
+gehouden werd, om onder den wijn te mengen.
+
+Caldarium, de zweetkamer in eene badinrichting. Zie Balneum.
+
+Cale, stad der Gallaeci aan den mond van den Durius (Duero), thans
+Oporto.
+
+Caledonia, oude naam voor Schotland. Alleen het zuidelijke deel is
+eenigen tijd in het bezit der Romeinen geweest. Zie Britannia.
+
+Calendae, meer gewoon Kalendae, de eerste dag der maand. Zie annus.
+
+Calendarium, het renteboek, waarin de bankiers en geldschieters de
+renterekeningen met hunne klanten boekten. Hoewel de Romeinen ook
+kalenders of almanakken hadden, is het woord calendarium in deze
+laatste beteekenis niet klassiek.
+
+Calenus, familienaam in de gens Fufia.
+
+Cales, oude stad in het N. van Campania, latijnsche kolonie sedert
+334. De wijn, vinum Calenum, die in de omstreken der stad, den ager
+Calenus, geteeld werd, behoorde tot de voortreffelijkste van Italië.
+
+Caletes of Caleti, een volk aan de kust van Belgica, aan den mond
+der Sequana (Seine), met de steden Carocotinum (Hâvre de Grace)
+en Juliobona (Lillebonne).
+
+Calidia (lex), 99, van den volkstribuun Q. Calidius (z. Calidii no. 1).
+
+Calidii, plebejisch geslacht. 1) Q. Calidius bewerkte in 99 als
+volkstribuun de terugroeping van Q. Caecilius Metellus Numidicus
+(Caecilii no. 13) uit de ballingschap. Uit dankbaarheid steunde de
+zoon van Numidicus, Metellus Pius, met alle kracht later (in 80) de
+candidatuur van Calidius voor het praetorschap.--2) M. Calidius, zoon
+van no. 1, ijverde als praetor in 57 voor de terugroeping van Cicero
+uit de verbanning. Later (begin 49) werd hij door Caesar aangesteld
+tot stadhouder in Gallia Cisalpina, waar hij weldra gestorven is. Hij
+was een zeer bekwaam redenaar.
+
+Caligae, soldatenlaarzen, met dikke zolen met spijkers. Zij waren op
+den voet geheel gesloten.
+
+Caligula, romeinsch keizer, 37-41 na C. Zijn eigenlijke naam was
+Gaius Caesar, maar van jongs af werd hij Caligula genoemd, omdat hij
+als kind in de legerplaats zijns vaders soldatenlaarsjes droeg. Zijn
+vader was de beroemde Germanicus, de zoon van Drusus; zijne moeder
+Agrippina was de dochter van M. Vipsanius Agrippa, die met Augustus'
+dochter Julia was gehuwd. Caligula regeerde gedurende de eerste acht
+maanden zacht en rechtvaardig, doch vervolgens als een waanzinnige
+wreedaard. Hij omgaf zijn lievelingspaard met een hofstoet en wilde
+het tot consul doen verkiezen, hij beschouwde zichzelf als een god,
+gaf zich aan dierlijken wellust over, moordde en plunderde rechts en
+links, tot hij eindelijk met zijne booze gemalin Caesonia en zijne
+dochter door Cassius Chaerea werd omgebracht (24 Jan. 41).
+
+Callaïci = Gallaeci.
+
+Callatis, Kallatis, grieksche volkplanting in Moesia aan den Pontus
+Euxinus (Zwarte zee).
+
+Callias, Kallias, naam van verscheiden leden van een adellijk atheensch
+geslacht, dat van Triptolemus heette af te stammen en waarin de
+waardigheid van fakkeldrager (dadouchos) bij de eleusinische mysteriën
+erfelijk was. Hiertoe behooren o. a. 1) Callias, zoon van Hipponicus
+no. 2, de rijkste Athener van zijn tijd; hij streed bij Marathon en
+onderhandelde in 449 met Perzië over den zgn. cimonischen vrede.--2)
+zijn kleinzoon Callias, zoon van Hipponicus no. 3, een lichtzinnig
+mensch, berucht door zijne zedelooze leefwijze, waardoor hij zijn
+groot vermogen verkwistte en in zijne laatste jaren gebrek leed. Ook
+aan het huisvesten en gastvrij onthalen van de sophisten, die Athene
+bezochten, moet hij veel geld besteed hebben. Hij diende in 391 onder
+Iphicrates en werd later (371) als gezant naar Sparta gezonden.--Niet
+tot dit geslacht behooren: 3) Callias, zoon van Calliades, die in 432
+als veldheer voor Potidaea sneuvelde.--4) tyran van Chalcis omstreeks
+350. Om zich van geheel Euboea meester te maken, wendde hij zich eerst
+om hulp tot Philippus van Macedonië, later tot Thebe, eindelijk tot
+Athene, waarmede hij vroeger in oorlog was geweest. Hier vond hij
+steun bij Demosthenes en inderdaad werd hem hulp gezonden, doch het
+plan gelukte niet. Later leefde hij te Athene, waar hij het burgerrecht
+kreeg.--5) atheensch blijspeldichter, jonger tijdgenoot van Cratinus,
+schrijver van zes blijspelen, waarvan enkele fragmenten bewaard
+zijn. Dezen Callias of een naamgenoot wordt een werk toegeschreven,
+grammatike tragodia genoemd, over welks inhoud niets bekend is.--6)
+van Syracusae, schrijver van een werk over het leven van Agathocles.
+
+Callibius, Kallibios, bevelhebber der Spartanen, die tijdens de
+regeering der dertig te Athene in bezetting lagen.
+
+Callicles, Kallikles, beroemd atheensch beeldgieter, tijdgenoot
+van Pericles.
+
+Callicrates, Kallikrates, 1) een der bouwmeesters van het
+Parthenon. Ook de lange muren naar den Piraeus zijn door hem
+gebouwd.--2) syracusaansch veldheer, die in 415 in den oorlog tegen
+Athene sneuvelde.--3) van Tyrus, beschreef omstreeks 280 na C. het
+leven van keizer Aurelianus.
+
+Callicratidas, Kallikratidas, volgde in 406 Lysander als
+opperbevelhebber der spartaansche vloot op. In karakter en in zijne
+opvatting van de wijze, waarop de oorlog behoorde gevoerd te worden,
+verschilde hij van zijn voorganger, daarom vond hij bij diens vrienden,
+ook bij Cyrus, in het begin veel tegenwerking. Toch wist hij spoedig
+de algemeene achting te verwerven en middelen te vinden om zijn
+vloot uit te breiden. Het gelukte hem, Conon met veertig schepen in
+de haven van Mytilene in te sluiten, nadat hij hem dertig ontnomen
+had. De Atheners zonden daarop honderd vijftig schepen om Conon te
+ontzetten, en in den beroemden slag bij de Arginusische eilanden viel
+Callicr. van zijn schip en verdronk.
+
+Callicula, niet hooge berg in Campania, bij Casilinum, ten Z. of
+Z. O. van Cales.
+
+Callidromus, Kallidromos, oostelijke tak van het Oeta-gebergte,
+met den bergpas Thermopylae.
+
+Callifae, stad der Hirpini in Samnium, tegelijk met Rufrae en Allifae
+door Livius vermeld, maar verder niet bekend.
+
+Callimachus, Kallimachos, 1) van Aphidnae, sneuvelde als polemarch
+bij Marathon.--2) van Corinthe, beroemd beeldhouwer, bouwmeester
+en schilder (omstreeks 400 of vroeger). Hem wordt de uitvinding van
+het corinthisch kapiteel toegeschreven.--3) van Cyrene (± 310-235),
+afstammeling der Battiaden, studeerde te Athene en leefde daarna
+te Alexandrië, waar hij waarschijnlijk gedurende eenigen tijd
+hoofd der koninklijke bibliotheek was. Door zijne veelomvattende
+geleerdheid en groote werkzaamheid heeft hij grooten invloed op de
+studiën zijner tijdgenooten en navolgers uitgeoefend; de voornaamste
+taalkundigen, Eratosthenes, Aristophanes van Byzantium, e. a.,
+waren zijne leerlingen en het aantal zijner werken in proza en
+poëzie wordt op 800 geschat. Hoewel zijne gedichten vooral door de
+Romeinen ten zeerste bewonderd en dikwijls nagevolgd werden, toonen
+de weinige die overgebleven zijn meer geleerdheid dan kunst. Tot de
+meest bekende gedichten behoorden de Atia, waarin o. a. de beroemde
+roman van Acontius (z.a.) en Cydippe, nu gedeeltelijk teruggevonden,
+de Hecale, waarvan ook fragmenten gevonden zijn, en de coma Berenices,
+dat door Catullus vertaald is; geheel bewaard gebleven zijn 6 hymnen
+en vele epigrammen, opgenomen in de Anthologia Palatina. Onder
+zijn prozawerken is van beteekenis een beredeneerde catalogus der
+alexandrijnsche bibliotheek (Pinakes), waardoor de grondslag gelegd
+werd voor de beoefening van de geschiedenis der letterkunde.
+
+Callimedon, Kallimedon, Athener, om zijne leelijkheid en zwelgerij
+dikwijls bespot. Hij behoorde tot de macedonische partij en vluchtte
+daarom na den dood van Alexander uit Athene, maar werd na afloop
+van den lamischen oorlog door Antipater teruggebracht. Toen Phocion
+veroordeeld werd, vond hij het echter geraden de stad voor goed
+te verlaten.
+
+Callinicus, Kallinikos, bijnaam van Heracles, hem door Telamon gegeven
+toen zij te zamen Troje veroverd hadden.
+
+Callinus, Kallinos, van Ephesus, de oudste elegische dichter
+der Grieken uit de eerste helft der zevende eeuw. Hij dichtte
+krijgsliederen.
+
+Calliope, Kalliope, oudste der Muzen, godin der epische poëzie. Zij
+wordt afgebeeld met wastafeltjes in de eene en een schrijfstift in
+de andere hand.
+
+Calliphon, Kalliphon, grieksch wijsgeer, die als het doel van het leven
+beschouwde, de vereeniging van genot en zedelijkheid. Hij leefde in
+de tweede eeuw en behoorde waarschijnlijk tot de peripatetische school.
+
+Callipolis, Kallipolis, 1) stad op de Oostkust van Sicilia, nabij den
+Aetna, ten N. van Tauromenium.--2) stad op de thracische Chersonesus
+tegenover Lampsacus, thans Gallipoli. Nog meer steden droegen dezen
+naam. Zie ook Callium.
+
+Callippus, Kallippos, Athener, vriend van Plato, was aanvankelijk
+een van de partijgenooten van Dio; later liet hij hem, steunend op de
+algemeene ontevredenheid met zijne regeering, verraderlijk vermoorden
+(353). Daarna nam hij zelf de regeering in handen, die hij echter
+slechts een jaar behield. Z. Dio.
+
+Callipygus, Kallipygos, "met schoone billen", bijnaam van Aphrodite. De
+beelden van deze godin hadden de kleederen tot boven de heupen
+opgeschort.
+
+Callirrhoë, Kallirroe, 1) dochter van Oceanus, moeder van Echidna
+en Geryon.--2) dochter van Achelous, z. Alcmaeon.--3) dochter
+van Scamandrus, moeder van Ilus. Assaracus en Ganymedes.--4) een
+calydonisch meisje; daar zij de liefde van Coresus, een priester van
+Dionysus, versmaadde, strafte deze god alle calydonische vrouwen met
+waanzin. Om deze ramp af te wenden moest Call. volgens een orakel door
+Coresus geofferd worden, doch deze doodde zichzelf in hare plaats,
+waarop Call. zich in eene bron stortte, die sedert haar naam droeg.--5)
+bron te Athene, in de nabijheid van het Olympieum, aan de overzijde van
+den Ilisus, die, sedert Pisistratus hier een brongebouw stichtte met
+9 afzonderlijke waterkranen, ook Enneakrounos genoemd wordt. Anderen
+nemen aan, dat de Enneakrounos onderscheiden moet worden van de
+Callirrhoë, en aan de W.-zijde van de Acropolis gelegen heeft. Uit
+de Callirrhoë werd het water voor het bruidsbad gehaald.
+
+Calliste, Kalliste, oude naam van het eiland Thera.
+
+Callisthenes, Kallisthenes, 1) van Olynthus, bloedverwant van
+Aristoteles, die hem tegelijk met Alexander onderwijs gaf; later
+leefde hij te Athene, waar hij geschiedenis en natuurlijke historie
+beoefende. Hij voegde zich later bij Alexander op diens tocht
+door Azië, maar nam hem door zijne vrijmoedigheid zoo tegen zich
+in, dat deze hem zelfs van medeplichtigheid aan eene samenzwering
+betichtte en gevangen liet zetten (327) en hem v. s. liet ter dood
+brengen. Hij beschreef in verscheiden werken, waarvan de bekendste
+waren de Hellenika, de geschiedenis van zijn tijd en werd door latere
+schrijvers dikwijls geraadpleegd. Het eenige overgebleven werk dat
+zijn naam draagt, de bekende Alexanderroman, is zeker onecht.--2)
+atheensch redenaar van de anti-macedonische partij, die bij het
+einde van den heiligen oorlog (z. Phocis) maatregelen nam om de
+stad te verdedigen; hij was een van de redenaars, wier uitlevering
+door Alexander geëischt werd. Later werd hij genoemd als een van de
+personen, die zich door Harpalus hadden laten omkoopen.
+
+Callisto, Kallisto, dochter van den arcadischen koning Lycaon, trouwe
+jachtgezellin van Artemis. Bij Zeus, die haar onder de gedaante van
+Artemis bezocht, werd zij moeder van Arcas, waarop zij in een berin
+veranderd werd, hetzij door Hera uit wraak, hetzij door Zeus om haar
+voor Hera te verbergen. Zie Arcas.--Ook Artemis zelve had in Arcadië
+den bijnaam van Callisto.
+
+Callistratus, Kallistratos, 1) een tooneelspeler, die in de stukken van
+Aristophanes optrad. Onder zijn naam liet Arist. twee van zijn eerste
+stukken opvoeren. Vgl. Philonides.--2) van Aphidnae, een redenaar, die
+bij de Atheners in hoog aanzien stond en wiens roem Demosthenes bewoog
+zich op de studie der welsprekendheid toe te leggen. Hij was vooral
+werkzaam bij de organisatie van den tweeden attischen zeebond; zijne
+bekwaamheid als staatsman toonde hij ook in de tijden van de opkomst
+der thebaansche hegemonie. Als strateeg was hij in 377 de ambtgenoot
+van Timotheüs en Chabrias, in 373 van Chabrias en Iphicrates, ook
+was hij de voornaamste bewerker van den vrede, die in 371 tusschen
+de Atheners en Lacedaemoniërs gesloten werd. Later is hij door de
+Atheners ter dood veroordeeld, in ballingschap gegaan en bij zijne
+terugkomst ter dood gebracht (± 355).--3) leerling van Aristophanes
+van Byzantium, schrijver van eenige met roem genoemde werken over
+Homerus, Euripides, e. a. oude dichters. Hij leefde omstreeks 150.--4)
+sophist uit de derde eeuw na C., die in een smakeloos geschreven werk,
+ekphraseis, beschrijvingen gaf van eenige standbeelden.
+
+Callistus (C. Julius), vrijgelatene van keizer Caligula, nam deel aan
+de samenzwering tegen hem, en was onder keizer Claudius een van de
+invloedrijke vrijgelatenen (a libellis). Hij was een tegenstander van
+Messalina. Een vermakelijk verhaal vertelt Seneca, hoe de vroegere
+eigenaar van Callistus, een aanzienlijk Romein, bij den nieuwen
+minister op audientie ging, maar aan de deur afgewezen werd.
+
+Callium, Kallion, ook Callipolis geheeten, stad in het N. O. van
+Aetolia.
+
+Calor, rivier in Samnium, waaraan Beneventum lag, zijtak van den
+Vulturnus.
+
+Calpe, Kalpe, tgw. Gibraltar, kaap aan het fretum Gaditanum (straat
+van Gibraltar), met den tegenoverliggenden berg Abyla, de zuilen van
+Hercules genoemd. Beide zijn oud-phoenicische nederzettingen.
+
+Calpurnia (lex) van 121, van den volkstribuun L. Calpurnius Bestia
+(Calpurnii no. 14) tot terugroeping van P. Popillius Laenas uit
+zijne ballingschap.
+
+Calpurnia (lex) de repetundis van 149, van den volkstribuun
+L. Calpurnius Piso Frugi (Calpurnii no. 2), de eerste wet tegen
+afpersingen, door rom. overheden in de provinciën gepleegd. Tevens
+werd door deze wet de eerste quaestio perpetua ingesteld.
+
+Calpurnia (lex) de ambitu, van den consul C. Calpurnius Piso (67),
+bedreigt ambitus met boete en levenslange uitsluiting van ambten. Zie
+ook Acilia Calpurnia (rogatio).
+
+Calpurnii, een plebejisch geslacht, waartoe o. a. de familiën
+Piso, Bestia, en Bibulus behoorden. 1) C. Calpurnius Piso overwon
+als propraetor (185) in Hispania de Lusitaniërs en Celtiberiërs
+en hield in 184 een triumftocht.--2) L. Calpurnius Piso, om zijne
+onkreukbare rechtschapenheid Frugi bijgenaamd, volkstribuun in 149,
+z. Calpurnia (lex) de repetundis. In 136 streed hij als praetor,
+in 133 als consul zonder veel gevolg tegen de opgestane slaven op
+Sicilia. Hij schreef annales, die Livius nog gekend heeft, en die
+de rom. geschiedenis van Aeneas' aankomst in Italia tot op zijn
+eigen tijd behelsden.--3) L. Calpurnius Piso Frugi, zoon van no. 2,
+diende met eer onder zijn vader in den slavenoorlog (133), en stierf
+als stadhouder van Hispania (112).--4) Cn. Calpurnius Piso, aanhanger
+van Catilina, in 65 als quaestor pro praetore naar Hispania gezonden,
+werd door spaansche ruiters, die in zijn leger dienden, omgebracht
+(64).--5) M. Calpurnius Piso streed onder Pompeius tegen Mithradates
+en was in 61 consul. Hij was door zekeren Pupius geadopteerd en heette
+toen M. Pupius Piso Calpurnianus of M. Pupius Piso Frugi. Hij was een
+goed redenaar.--6) Cn. Calpurnius Piso, zoon van no. 5, was een echt
+republikein en streed na Caesars dood onder Brutus en Cassius. In 23
+was hij consul.--7) Cn. Calpurnius Piso, zoon van no. 6, had met groote
+hardheid het stadhouderschap over Hispania gevoerd, en werd later
+(18 n. C.) door keizer Tiberius naar Syria gezonden, waar de dood
+van Germanicus (10 Oct. 19) op zijne rekening werd gesteld. Piso,
+die het bericht van Germanicus' dood te Cos ontving, keerde naar
+Syria terug, en wilde met geweld zich weder van de provincie meester
+maken. De beschuldiging, dat hij G. zou vergiftigd hebben, kon hij,
+voor den senaat ter verantwoording geroepen, gemakkelijk weerleggen,
+niet echter het feit, dat hij met geweld zich van de prov. Syria had
+willen meester maken. Derhalve vond men hem met afgesneden hals in zijn
+bed.--8) L. Calpurnius Piso Caesoninus, consul in 112, sneuvelde in
+107 als legaat samen met den consul L. Cassius Longinus (Cassii no. 3)
+tegen de Tiguriners, een deel der Helvetiërs.--9) L. Calpurnius Piso
+Caesoninus, kleinzoon van no. 8, werd de schoonvader van Caesar, met
+wiens hulp hij in 58 consul werd. Hij was een tegenstander van Cicero,
+van wien nog eene redevoering in L. Pisonem bestaat.--10) L. Calpurnius
+Piso Frugi, een zeer rechtschapen man, praetor tegelijk met Verres,
+wiens tegenstander hij was. Hij was een vriend van Cicero.--11)
+C. Calpurnius Piso Frugi, zoon van no. 10, verloofde zich in
+66 met Cicero's dochter Tullia, en ijverde in 57 voor Cicero's
+terugroeping. Hij stierf nog voordat Cicero uit de ballingschap
+teruggekeerd was.--12) C. Calpurnius Piso, smeedde eene samenzwering
+tegen Nero en bracht zich zelf om, toen zij ontdekt was (65 n. C.)--13)
+C. Calpurnius Piso Licinianus, door keizer Galba tot zijn opvolger
+bestemd, werd door de lijfwacht vermoord.--14) L. Calpurnius Bestia,
+volkstribuun in 121, z. Calpurnia (lex). In 111 was hij consul;
+hij voerde in Africa oorlog tegen Jugurtha, maar liet zich weldra
+omkoopen, en sloot een onvoordeeligen vrede met hem. Hij werd hiervoor
+later veroordeeld.--15) L. Calpurnius Bestia, aanhanger van Catilina
+en Cicero's vijand.--16) Een andere L. Calpurnius Bestia werd in 56
+door Cicero verdedigd tegen eene aanklacht wegens ambitus. De oratio
+pro Bestia is verloren.--17) M. Calpurnius Bibulus was tegelijk met
+Caesar aedilis in 65, praetor in 62, consul in 59. Hij was een van de
+voorvechters der aristocratie, doch tegen Caesar niet opgewassen. In
+51 verwierf hij zich als stadhouder van Syria grooten naam door zijn
+uitstekend bestuur. In den burgeroorlog voerde hij het bevel over
+Pompeius' vloot.--18) M. Calpurnius Bibulus, jongste zoon van no. 17,
+streed bij Philippi onder Brutus, was later legaat van Antonius in
+Syria, waar hij stierf (32).
+
+Calumnia, het opzettelijk doen eener valsche aanklacht tegen een
+onschuldige. Actio calumniae is de actie, die de vrijgesproken
+beklaagde tegen den valschen aanklager kan instellen, iusiurandum
+calumniae de eed van den aanklager, dat hij werkelijk zijne tegenpartij
+schuldig acht en de aanklacht te goeder trouw doet. Wie van calumnia
+overtuigd werd, kreeg een letter (waarschijnlijk K) op het voorhoofd
+ingebrand, volgens eene lex Remmia, onzeker van wien en van welk jaar.
+
+Calva, bijnaam van Venus; onder dezen naam werd haar een tempel gewijd,
+toen in den gallischen oorlog de rom. vrouwen zich de haren afsneden om
+pezen voor de bogen te laten maken. V. a. beteekent Calva de grillige
+of bedriegelijke.
+
+Calvatica = Calantica.
+
+Calvinus, familienaam in meer dan ééne gens: 1) Cn. Domitius Calvinus,
+tijdgenoot van Caesar, zie Domitii no. 15.--2) C. Sextius Calvinus,
+zie Sextii no. 3.--3) T. Veturius Calvinus, zie Veturii no. 6.--4)
+D. Caelius Calvinus Balbinus, zie Balbinus.
+
+Calvisii. 1) C. Calvisius Sabinus was in den burgeroorlog legaat
+van Caesar en bestuurde vervolgens Africa (45). Na Caesars dood zond
+Antonius hem naar zijn stadhouderschap terug, doch de senaat droeg
+Africa op aan Q. Cornificius, zoodat Calvisius van de provincie
+geen bezit kon nemen. In 39 was hij consul, in 38 admiraal van de
+vloot van Octavianus in den oorlog tegen S. Pompeius, maar werd in
+37 afgezet.--2) een andere C. Calvisius Sabinus, oud-consul, komt
+onder de slachtoffers van Caligula voor (39 n. C.).
+
+Calvus, familienaam in de gens Licinia. Voor den dichter Calvus
+z. Licinii no. 6. Ook komt Calvus (= kaal) als agnomen nog elders voor,
+b.v. in de familie der Metelli (Caecilii no. 7 en 12).
+
+Calx, de witte streep in de renbaan, die het einde van den te
+doorloopen afstand aanwees. Dit woord wordt veel in figuurlijke
+uitdrukkingen gebezigd, b.v. ad calcem pervenire = zijn doel bereiken,
+extra calcem excurrere = zijn doel voorbijstreven, a calce ad carceres
+revocari = opnieuw van voren af moeten beginnen.
+
+Calycadnus, Kalykadnos, rivier in Cilicia bij Corycus uitmondend.
+
+Calydnae, Kalydnai, twee eilandjes op de kust van Troas. Ook eene
+groep eilanden aan de kust van Caria, waarvan het grootste, Calydna,
+later Calymna werd geheeten en om zijn geurigen honig bekend was.
+
+Calydnus = Calycadnus.
+
+Calydon, Kalydon, oude stad in Aetolia aan den Euenus, het meest
+bekend door de mythe van het calydonische everzwijn en Meleager. Bij
+de rom. dichters is Calydonis = Deïanira, de dochter van koning
+Oeneus, Calydonius heros = Oeneus' zoon Meleager, Calydonius amnis
+= de Achelous, Calydonia regna = Apulia in Italia, omdat Oeneus'
+kleinzoon Diomedes daar een rijk stichtte.
+
+Calydonische jacht. Bij gelegenheid van een oogstfeest had Oeneus,
+koning van Calydon, aan alle goden en godinnen offers gebracht,
+maar Artemis vergeten. Deze zond daarop een reusachtig everzwijn,
+dat het land verwoestte en ook voor menschen onveilig maakte. Ten
+einde dit monster met vereende krachten te bestrijden, riep Meleager
+nu de helden van Griekenland op tot eene gemeenschappelijke jacht,
+en onder de velen, die aan zijne uitnoodiging gehoor gaven, waren de
+Dioscuren, Theseus met Pirithoüs, Telamon en Peleus, Iason, Atalante,
+enz. De eerste wonde werd het dier toegebracht door Atalante, daarna
+vielen echter verscheiden helden, totdat Meleager het zwijn door
+een speerworp doodelijk trof, waarna de overigen het afmaakten. Aan
+Meleager werden als eereprijs de kop en huid toegewezen.
+
+Calymna, zie Calydnae.
+
+Calynda, Kalynda, stad in Caria, dicht bij Lycia.
+
+Calypso, Kalypso, dochter van Atlas of van Oceanus of van Nereus,
+eene nimf die ver van goden en menschen op het eiland Ogygia in een
+prachtige grot woonde. Aan Odysseus, die na een schipbreuk op haar
+eiland landde, beloofde zij de onsterfelijkheid en eeuwige jeugd,
+indien hij altijd bij haar wilde blijven, en inderdaad gelukte het
+haar hem zeven jaar lang bij zich te houden. Maar eindelijk kregen
+de goden medelijden met den held, die door heimwee verteerd werd, en
+Hermes bracht aan Calypso het bevel hem te laten gaan. Bij Odysseus
+had zij twee zonen: Nausithoüs en Nausinoüs.
+
+Camalodunum (ook Camulod. en Camald.), hoofdstad der Trinobanten en
+eerste rom. kolonie in Britannia, thans Colchester.
+
+Camarina, Kamarina, stad op de Zuidkust van Sicilia, kolonie van
+Syracusae, gesticht in 599. Aan de eene zijde was de stad gedekt
+door een moeras, dat denzelfden naam droeg als de stad. Uithoofde
+van de ongezonde uitwasemingen wilden de inwoners dit moeras
+droog leggen. Zij raadpleegden echter vooraf het orakel, dat het
+volgende antwoord gaf: me kinei Kamarinan, akinetos gar ameinon. De
+raad werd in den wind geslagen, en de stad werd spoedig daarna,
+juist van den kant waar vroeger het moeras gelegen had, door den
+vijand veroverd. Vandaar het spreekwoord me kinei Kamarinan, van
+zaken, waaraan men niet moet roeren. De stad is verscheidene malen
+vernietigd, maar weder opgebouwd. In 552 door de Syracusanen, omdat
+de stad zich onafhankelijk wilde maken; in 492 door Hippocrates van
+Gela herbouwd, in 484 door Gelo opgeheven; in 461 werden de verdreven
+burgers teruggebracht. Tijdens den Peloponnesischen oorlog verhuisde
+het grootste deel van de bevolking naar Leontini. In 399 herbouwd
+door Timoleon, werd C. in 258 voor goed vernietigd door de Romeinen.
+
+Cambunii montes, Kambounia ore, bergketen op de grenzen van Macedonia
+en Thessalia.
+
+Cambyses, Kambyses, zoon en opvolger van Cyrus, koning van Perzië,
+529-522. Terstond na het aanvaarden der regeering trok hij naar
+Aegypte, dat hij in 527 onderwierp; op een tocht naar Aethiopië,
+dien hij van hier uit ondernam, werd wel Meroë onderworpen, de
+eigenlijke onderneming mislukte echter door gebrek aan levensmiddelen,
+terwijl een groot deel van zijn leger in de libysche woestijn door
+watergebrek omkwam of door zandstormen bedolven werd. Hoewel hij de
+Aegyptenaren aanvankelijk zachtmoedig behandeld en hun godsdienst
+geëerbiedigd had, kwam na het mislukken van zijne onderneming tegen
+Aethiopië zijn achterdochtige en wreede aard boven, en maakte hem
+tot een dwingeland, die in Aegypte een waar schrikbewind uitoefende,
+in dronkenschap aanzienlijke mannen en vooral priesters liet dooden,
+en den godsdienst van het volk voortdurend bespotte. Op het bericht
+van een opstand in Perzië, waar een magiër, zich uitgevend voor
+Smerdis, den broeder van Camb., dien deze bij het begin zijner
+regeering heimelijk had laten dooden, zich van de regeering had
+meester gemaakt, nam hij den terugtocht aan, maar te Hamath in Syrië
+had hij het ongeluk zich bij het bestijgen van zijn paard met zijn
+eigen zwaard een doodelijke wonde toe te brengen. V. a. had hij, bij
+het hooren dat de omwenteling in Perzië gelukt was, zichzelven gedood.
+
+Camenae, Casmenae, Carmenae, waarzeggende bronnimfen in Italië, later
+geïdentificeerd met de Muzen. Oorspronkelijk schijnen het godinnen
+geweest te zijn, die door het zingen van tooverformulieren het baren
+der vrouwen gemakkelijk maakten. De dienst der Camenae, die te Rome
+samen met Egeria een heilig bosch voor de Porta Capena hadden, was,
+naar men meende, door Euander ingevoerd.
+
+Cameria of -rium, oude, verdwenen stad in Latium.
+
+Camerinum, vroeger Camers, Kamarinon, machtige umbrische bergstad op
+de grenzen van Picenum. De inwoners heetten Camertes.
+
+Camerinus, rom. dichter, tijdgenoot van Ovidius. Ook komt Camerinus als
+familienaam voor o. a. in de gens Sulpicia, klaarblijkelijk ontleend
+aan Cameria als plaats van afkomst.
+
+Camers = Clusium.
+
+Camicus, Kamikos, stad op Sicilia dicht bij Agrigentum.
+
+Camilla, dochter van koning Metabus uit de volscische stad Privernum,
+door haar vader opgeleid als oorlogsheldin en jageres. Zij stond
+Turnus bij in den oorlog tegen Aeneas en kwam in den strijd om.
+
+Camilli en -lae, knapen en meisjes van aanzienlijken huize, die bij
+godsdienstige plechtigheden den flamen Dialis en misschien ook anderen
+priesters ter zijde stonden.
+
+Camillus, familienaam, zie Furii no. 9-14.
+
+Camirus, Kameiros, dorische stad op het eiland Rhodus. Zie ook Ialysus.
+
+Campania, Kampania, landschap van Midden-Italia, aan de Tyrrheensche
+zee. De naam Campania beteekent vlakte, evenals in het Fransch de naam
+Champagne, en de tegenwoordige Campagna di Roma. Oorspronkelijk was de
+naam ager Campanus. Met uitzondering van het moerassige noordwestelijke
+kustland was het klimaat zacht en de bodem vruchtbaar. Als oudste
+bewoners worden de Osci, Opikoi, genoemd, tot hen hoorden ook de
+Aurunci (Ausones) en de Sidicini. Dan zetten Grieken zich neer in
+Cumae, Dicaearchia (later Puteoli), Neapolis en Pompeii. In de zesde
+eeuw (± 520) werd het land vermeesterd door de Etruscers, die daar een
+bond van steden stichtten, waarvan Capua en Nola de voornaamste waren;
+doch het heerlijke klimaat en de rijke bodem maakte de veroveraars
+verwijfd, en zij moesten zwichten voor de Samnieten, die in het midden
+van de vijfde eeuw Campania veroverden (Capua viel in 443, Cumae in 421
+in hun handen), en zich met de oorspronkelijke bewoners vermengden. In
+de vijfde en vierde eeuw dienen deze Kampanoi als huursoldaten in de
+grieksche legers. Aan het hoofd van iedere bondsstad staat een meddix,
+aan het hoofd van den bond een meddix tuticus. De voornaamste stad was
+Capua. Ook deze veroveraars ondergingen den invloed van het klimaat
+en waren op hunne beurt niet meer opgewassen tegen een aanval van
+andere samnietische volken, zoodat Capua zich in 338 in de armen
+van Rome wierp. Zóó ontstonden de rom.-samnietische oorlogen, die
+in 272 met de onderwerping van Samnium eindigden. Vóór dien tijd was
+Campania reeds geheel ingelijfd; in 318 werd de ager Falernus onder
+rom. burgers verdeeld; verder werden er kolonisten gebracht naar
+Cales (334), Suessa (313), Sinuessa (296). Als bondgenoot van Rome
+genoot Capua met zijne omstreken, den ager Campanus (ten Zuiden van
+de rivier Volturnus), groote voorrechten, doch daar het met andere
+campaansche steden in den tweeden punischen oorlog de partij van
+Hannibal had gekozen (216), werd het na de herovering (211) uiterst
+zwaar gestraft en van alle zelfstandigheid beroofd. Campania telde
+een aantal van de fraaiste en schoonst gelegen steden van Italia en
+was als bezaaid met lustverblijven van aanzienlijke Romeinen, vooral
+aan de golf van Napels, waar men o. a. de steden Baiae, Neapolis,
+Herculaneum, Pompeii had, te midden van een lusthof van wijnbergen,
+olijfboschjes en korenvelden.
+
+Campanus morbus, hoornachtige uitwassen of groote wratten, vooral aan
+het voorhoofd, die, naar het schijnt, in Campania veel voorkwamen en
+nog voorkomen.
+
+Campe, Kampe, een monster, dat op bevel van Uranus de Cyclopen in de
+onderwereld bewaakte, en later door Zeus gedood werd, toen hij die
+gevangenen bevrijdde.
+
+Campi Diomedis, vlakte in Apulia tusschen Arpi en Cannae.
+
+Campi lapidei, vlakte in den omtrek van Massilia (Marseille), met
+keisteenen bedekt ter grootte van een vuist. Daartusschen wies gras.
+
+Campi macri, Makroi Kampoi, vlakte in Cisalpina tusschen Parma en
+Mutina (Modena).
+
+Campi Phlegraei, vulkanische vlakte in Campania tusschen Capua
+en Cumae.
+
+Campi Raudii, vlakte in Transpadana, aan den Padus (Po), bij
+Vercellae. Hier versloeg Marius de Cimbren, in 101.
+
+Campus Martius, ook wel kortweg Campus, het veld, genoemd, een groot
+veld buiten het oude Rome tusschen den collis Quirinalis, den mons
+Palatinus en den Tiber. Het was aan Mars geheiligd en werd gebruikt
+voor openbare spelen, monstering van troepen, lichaamsoefeningen,
+paardrijden, volksvergaderingen (de comitia centuriata werden hier
+gehouden) en dgl. Het lag eerst buiten de stad, doch werd allengs
+met prachtige gebouwen en uitspanningsplaatsen versierd, vooral
+onder de regeering van Augustus, die er de 9de stadswijk of regio
+van maakte. Aurelianus trok het Marsveld binnen den stadsmuur.
+
+Campus Spartarius, de vlakte bij Carthago nova (Carthagena), aldus
+genoemd naar het daar groeiende esparto-gras, dat de Carthagers tot
+scheepstouw verwerkten.
+
+Camulodunum, zie Camalodunum.
+
+Canabae, de burgerlijke nederzetting die zich bij elk vast Romeinsch
+kamp bevindt, en dikwijls, vooral aan den Rijn, tot een stad uitgroeit.
+
+Canace, Kanake, dochter van Aeolus en Enarete, werd door Poseidon
+bemind en baarde hem verscheiden zonen. Toen zij echter verliefd
+werd op haar eigen broeder Macareus, verliet Poseidon haar en werd
+zij door haar vader gedood of tot zelfmoord gedwongen.
+
+Canachus, Kanachos, van Sicyon, beroemd beeldhouwer uit de 6de eeuw,
+vooral zijn standbeeld van Apollo te Didyma wordt geprezen.
+
+Canastraeum, Kanastron, kaap op Pallene, de westelijke landtong
+van Chalcidice.
+
+Cancer, Karkinos, het sterrenbeeld de Kreeft; deze kreeft was door
+Hera onder de sterren verplaatst, omdat zij de hydra van Lerna tegen
+Heracles had geholpen, door dezen in den voet te bijten.
+
+Candace, Kandake, koningin van Napata, die in 24 een inval in Aegypte
+deed, maar door den romeinschen stadhouder Petronius teruggeslagen
+werd. Zie verder Napata.
+
+Candaules, Kandaules, de laatste lydische koning uit het geslacht
+der Heracliden, zie Gyges.
+
+Candavia mons, bergstreek op de oostelijke grenzen van Illyria. De
+via Egnatia liep er door.
+
+Candela, candelabrum. Voordat olielampen bekend waren, gebruikten de
+Romeinen kaarsen, candelae, waarvan de pit uit een bies bestond. De
+kandelaar heette candelabrum. Toen echter, althans in de huizen
+der gegoeden, de kaarsen door de lampen werden verdrongen, werden
+de candelabra ingericht om lampen op te zetten of aan kettinkjes
+op te hangen. Zij werden toen zóó hoog, dat men ze niet op tafel,
+maar op den grond plaatste. Deze lampenstandaards zijn in groote
+verscheidenheid van vorm en versiering bij opgravingen gevonden.
+
+Candidatus. Wie te Rome naar eenig openbaar ambt wilde dingen,
+waarvan de begeving aan de volksvergadering stond, begaf zich naar
+den overheidspersoon, die de comitiën zou leiden en verzocht dezen,
+zijn naam op de lijst der mededingers te brengen. Deze aangifte heette
+nomen profiteri. De magistraat behoorde dan te onderzoeken, of de
+persoon, die zich aanmeldde, op dat oogenblik verkiesbaar was. Zoo
+ja, dan behoorde hij aan diens verzoek te voldoen, rationem eius
+habere. Het volk namelijk kon alleen geldige stemmen uitbrengen op hen,
+die op de lijst waren opgenomen. Dezen kleedden zich nu in eene toga,
+die in krijtwater gewasschen en dus helder wit was, toga candida, en
+werden hiernaar candidati genoemd, en bezochten van nu af dagelijks
+het forum, om zich bij de kiezers aan te bevelen. Zie ook nomenclator.
+
+Candidatus principis. Evenals vroeger sommige ambtenaren door
+aanzienlijke personen werden aanbevolen, zoo placht Augustus sommige
+candidaten persoonlijk bij het volk aan te bevelen. Deze gewoonte
+werd ook door de volgende keizers in acht genomen; zij wezen dan
+onder de candidati enkelen aan, die moesten gekozen worden. De
+verkiezingen hadden sedert Tiberius in den senaat plaats. Van de
+quaestores wijst de keizer er twee aan, de quaestores Augusti, die
+geregeld candidati principis geheeten worden. Deze quaestoren waren
+zoo ongeveer secretarissen en adjudanten van den keizer en moesten
+o. a. de keizerlijke boodschappen en brieven in den senaat voorlezen.
+
+Canephori, Kanephoroi, jonge meisjes uit de edelste familiën, die te
+Athene bij sommige processiën korfjes met heilige offergereedschappen,
+enz. op het hoofd droegen.
+
+Canicula, zie Canis Maior.
+
+Canidia, een tooverkol en giftmengster, die door Horatius in zijne
+gedichten (vooral de Epoden) bespot en aan de kaak gesteld wordt. Haar
+eigenlijke naam is Gratidia.
+
+Canidius Crassus (P.), legaat van Lepidus, wist in 43 na Caesars dood
+het leger van Lepidus op de hand van Antonius te brengen. Later diende
+hij onder Antonius in Azië en in den slag bij Actium. Octavianus liet
+hem in Aegypte, waarheen hij gevlucht was, ter dood brengen.
+
+Caninefates, een stam, die tot de Batavieren behoorde en aan de kust
+der tegenw. provincie Noord-Holland woonde, in het tegenwoordige
+Kennemerland. Zij namen ook deel aan den opstand onder Civilis. Zij
+werden niet tegelijk met de Batavieren in het rijk opgenomen, maar
+eerst onder keizer Tiberius onderworpen.
+
+Caninii, plebejisch geslacht. 1) M. Caninius Rebilus was in 170
+rom. gezant bij Perseus van Macedonia.--2) C. Caninius Rebilus diende
+onder Caesar in Gallia, in Africa, in Hispania. In 45 werd hij tot
+consul suffectus gekozen, juist tegen het einde van het jaar, zoodat
+hij nog één dag consul kon wezen. Cicero prijst daarom schertsend de
+waakzaamheid van Rebilus, die in zijn geheele consulaat niet geslapen
+had.--3) L. Caninius Gallus, volkstribuun in 56, komt als aanhanger
+van Pompeius voor.--4) Caninius Satrius, huisvriend van Cicero.
+
+Canis, de vier éénen, de slechtste worp in het dobbelspel. Zie alea.
+
+Canis Maior, Canicula, Sirius, Seirios, Kyon, het sterrenbeeld de
+Groote Hond, de voorbode der grootste zomerhitte; oorspronkelijk was
+deze hond een van de bewakers van Europa geweest, later kwam hij in
+handen van Cephalus en van Amphitryo (z. a.).--V. a. een hond van
+Orion of van Icarius.
+
+Canis Minor, Antecanis, Prokyon, het sterrenbeeld de Kleine Hond,
+oorspronkelijk een van de honden van Orion, na diens dood onder de
+sterren geplaatst.
+
+Cannae, Kannai, vlek in Apulia, aan den Aufidus, bekend door de
+vreeselijke nederlaag, die de rom. consuls C. Terentius Varro en
+L. Aemilius Paullus er in 216 leden. Of de slag op den noordelijken
+(rechter) oever of op den zuidelijken (linker) oever van den Aufidus
+heeft plaats gehad, daarover is men het niet eens. De rechtervleugel
+der Romeinen, en de linkervleugel der Carthagers sloot aan de rivier
+de Aufidus aan. Neemt men nu aan, dat de slag op den zuidelijken oever
+geleverd is, dan waren de Romeinen benedenstrooms van de Carthagers
+opgesteld. Plaatst men den slag op den noordelijken oever, zooals
+gewoonlijk geschiedt, dan komt voor het slagveld in aanmerking een
+veld, dat nu nog "Pezzo del Sangue" heet; de Romeinen hadden dan
+hun kleine legerplaats en verder de rivier in den rug. Een bezwaar
+tegen deze opvatting is, dat dan de Romeinen met het gezicht naar
+het N. staan, hetgeen met sommige berichten in strijd is.
+
+Canobus, Kanobos, aanzienlijke, weelderige stad in de Nijldelta,
+aan den westelijken of canobischen hoofdmond der rivier. Vóór de
+stichting van Alexandria was Canobus de grootste koopstad van het
+westelijke deltagebied. Er was een beroemde Serapis-tempel.
+
+Canon, Kanon, z. Alexandria no. 1 aan het slot.
+
+Cantabri, Kantabroi, woest, oorlogzuchtig volk in Hispania, in het
+tegenw. Biscaye, eerst door Augustus (26-19) tot onderwerping gebracht.
+
+Cantharus, Kantharos, drinkbeker met ooren; de beelden van Dionysus
+hebben meestal zulk een beker in de hand.
+
+Cantium, gewest in het Z. O. van Britannia, thans Kent. De Cantii
+waren van de Britten het meest beschaafde volk.
+
+Cantium promunturium, het zuidoostelijkste punt van Britannia, thans
+kaap Paperness in Kent.
+
+Canuleia (lex), plebisciet van den volkstribuun C. Canuleius,
+445. Het bepaalde, dat er conubium zou zijn tusschen patriciërs en
+plebejers. Een ander voorstel van denzelfden, dat één der consuls een
+plebejer zou kunnen zijn, werd ter zijde geschoven door de instelling
+van tribuni militum consulari potestate. Dit tweede wetsvoorstel is
+waarschijnlijk verzonnen, om de instelling van het krijgstribunaat
+te verklaren. Zie tribuni militum consulari potestate.
+
+Canuleii, plebejisch geslacht. 1) C. Canuleius, volkstribuun in 445,
+de vader der lex Canuleia de conubio.--2) L. Canuleius Dives, praetor
+in Hispania in 171, vervolgde op last van den senaat eenige vorige
+stadhouders van dit gewest wegens afpersingen.
+
+Canusium, Kanousion, stad in Apulia aan de via Appia nova, nabij den
+Aufidus, bekend door den driedaagschen strijd tusschen M. Marcellus
+en Hannibal (209), waaromtrent de berichten echter geen vertrouwen
+verdienen. De roode wol en de muilezels van C. waren beroemd. Horatius
+noemt de Canusiners bilingues, omdat in de stad een sterk grieksch
+element aanwezig was en men er dus zoowel Grieksch als Latijn sprak.
+
+Capaneus, Kapaneus, zoon van Hipponoüs, een van de zeven vorsten die
+met Adrastus tegen Thebae ten strijde trokken. Om hem te straffen
+voor zijne overmoedige bewering, dat hij zelfs tegen den wil der
+goden den muur zou bestijgen, doodde Zeus hem, toen hij reeds op den
+stormladder stond, met den bliksem.
+
+Capella, Capra, Aix, het sterrenbeeld de Geit, dat in het najaar met
+storm en onweder opkomt; oorspronkelijk de geit Amalthea, door Zeus
+onder de sterren geplaatst, omdat hare huid hem in den strijd tegen
+de Titanen tot schild gediend had.
+
+Capena, oude stad in het Z.O. van Etruria, later rom. municipium,
+met een tempel en een grot van Feronia. De porta Capena te Rome
+voerde niet naar deze stad; ze was waarschijnlijk genoemd naar Capua,
+en heeft dus haar naam gekregen, toen de via Appia aangelegd is,
+die langs deze poort de stad verlaat. De overeenkomstige poort van
+Capua heet porta Romana.
+
+Caphareus, Kaphereus, noordelijkste kaap aan de Zuidoostkust
+van Euboea, waar de grieksche vloot op haren terugkeer van Troje
+schipbreuk leed, en in 480 eene perzische vloot van 200 schepen,
+die Euboea wilde omvaren om de Grieken in den rug aan te vallen.
+
+Capita aut navia, een spel, gelijk aan ons "kruis of munt", waarbij
+een geldstuk omhoog werd geworpen. De naam is hieraan ontleend,
+dat de oudste stempel van den as aan de eene zijde een Januskop,
+aan de andere de voorsteven van een schip was.
+
+Capite censi. Zóó werden bij de indeeling van het rom. volk in klassen
+en centuriën diegenen genoemd, die òf niets bezaten òf te weinig
+om het bij den census in rekening te brengen en die dus alleen hun
+caput konden aangeven. Ze waren vrijgesteld van krijgsdienst. Zie
+ook proletarii.
+
+Capitis deminutio is een vermindering van rechtspersoonlijkheid. Er
+waren drie graden. De cap. dem. minima had plaats, wanneer een
+romeinsch burger, die sui iuris was, zich tot zoon liet aannemen
+(arrogatio) en dus alieni iuris werd. Hij verloor dan den status
+familiae, daar hij ophield pater familias te zijn en als filius
+familias in de patria potestas van een ander trad.--De cap. dem. media
+sloot het verlies van het burgerrecht in zich. Zij had plaats
+door vrijwilligen afstand, reiectio civitatis of door aqua et igni
+interdictio. Een gewoon exsilium hief den status civitatis niet op,
+maar schorste dezen slechts. Hij die door deze deminutio getroffen
+was, kon door eene wet in zijne vorige rechten hersteld worden,
+restitutio in integrum.--De cap. dem. maxima was het verlies van den
+status libertatis; men werd dan slaaf. Zij werd o. a. toegepast op de
+incensi, d.w.z. op hen, die verzuimden zich bij de censoren aan te
+geven, met het doel, krijgsdienst en belasting te ontduiken, op den
+fur manifestus, den op heeterdaad betrapten dief, tenzij deze zich
+vrijkocht, op den schuldenaar (den addictus, niet den nexus, z. a.),
+die door zijne schuldeischers werd verkocht, in den tijd toen men nog
+met zijn lijf voor zijne schulden aansprakelijk was, wat in 326 door
+de lex Poetelia Papiria werd afgeschaft, op den veroordeelden burger,
+die gegrepen en ter dood gebracht werd, enz.
+
+Capito, familienaam, zie Ateii en Fonteii.
+
+Capitolinus, familienaam, zie Manlii no. 2, 6-10.
+
+Capitolinus mons, een der bergen van het oude Rome. In het midden was
+deze berg lager dan aan de beide uiteinden. Op den Z.W. top was het
+Capitolium, op den N. top de arx met den tempel van Juno Moneta. Bij de
+derde uitbreiding der stad (zie Roma), toen de latijnsche gemeente van
+den Palatinus zich met de sabijnsche van den Quirinalis vereenigde,
+werd met het Forum ook de mons Capitolinus bij de stad getrokken en
+versterkt. Hij lag echter buiten het pomoerium. Op het Capitolium
+stond de groote driedubbele tempel van Jupiter Capitolinus, Juno en
+Minerva. Het was een tempel met drie cellae; die van den god was in
+het midden. Deze tempel werd door Tarquinius Priscus begonnen, door
+Tarquinius Superbus voltooid en in 509 door den consul M. Horatius
+Pulvillus ingewijd. Hij brandde driemaal af, in 83, 69 na C. en 80
+na C., doch werd telkenmale herbouwd, de laatste maal door keizer
+Domitianus, die er 12000 talenten aan besteedde; z. Templum. Het
+Capitool was het heilige middelpunt van het rom. gebied; dáár
+brachten de nieuwe consuls hun eerste offer en deden geloften voor het
+welzijn van den staat; dáár offerde de zegepralende imperator, dáár
+waren de orakelboeken, de wettafels, de veroverde vaandels geborgen,
+enz. Behalve den reeds genoemden tempel worden op de daaromheen gelegen
+ruimte, area Capitolina, nog een aantal andere heiligdommen vermeld:
+de curia Calabra, vanwaar de pontifices maandelijks op de Kalendae
+den feestkalender afkondigden, de tempels of tempeltjes van Jupiter
+Feretrius, van Fides, Mens, Venus Erycina, Ops en andere, terwijl het
+aantal beelden en gedenkteekenen zóó groot was, dat het heette: in
+Capitolio deorum omnium simulacra colebantur. De inzinking tusschen
+de beide toppen wordt een asylum genoemd. Sedert 192 was hier een
+heiligdom van Veiovis, en aan de zijde van het forum vond men hier
+later het Tabularium (z. a.). Naar het Capitool voerde een oploopende
+weg, clivus Capitolinus, van het forum uit; doch men kon er ook van
+den zuidwestkant komen langs een trap, in den berg uitgehouwen en
+de centum gradus geheeten. Deze trap voerde naar een uitspringend
+gedeelte, saxum Tarpeium, of rupes Tarpeia genoemd, waar oudtijds de
+plebejische doodstraf werd voltrokken door de veroordeelden van de
+rots in eene daaronder liggende diepte te werpen.
+
+Capitolium. Zie Capitolinus mons.
+
+Cappadocia, Kappadokia, gewest van Asia minor. Het oudste Cappadocia
+strekte zich uit van den Halys tot aan Armenia langs den Pontus
+Euxinus. Onder het perzisch bestuur werden de landstreken Garsauritis
+en Cataonia er aan toegevoegd, zoodat het zich ten Z. tot aan het
+Taurusgebergte uitstrekte; doch daarentegen werd het noordelijke deel
+als afzonderlijke satrapie er af genomen, onder den naam Cappadocia
+ad Pontum, waaruit later het koninkrijk Pontus is ontstaan. Het
+binnenlandsche Cappadocia wist tijdens Alexander d. G. eene zekere
+onafhankelijkheid te handhaven en bleef als koninkrijk bestaan, tot
+het door Mithradates den Grooten, koning van Pontus, veroverd werd;
+doch Pompeius gaf het in 65 aan Ariobarzanes terug. Het werd nu een
+vasalstaat van Rome, tot Tiberius in 17 na C. er eene rom. provincie
+van maakte. Tot welken stam de Cappadociërs behooren, is nog niet
+uitgemaakt. Slechts weten we, dat reeds omstreeks 1800 de Cheta
+(Chatti), de Hittiten van het Oude Testament, in Cappadocië, in het
+tegenwoordige Boghazköi, ten O. van den Halys, het middelpunt van
+hun rijk hebben gehad. Het noordelijkste distrikt van C., aan de
+oevers van de rivieren Thermodon, Iris en Lycus, is door Assyriërs
+gekoloniseerd, bij de Grieksche schrijvers Syrioi of Syroi, of ook
+wel Leucosyriërs, Leukosyroi, genoemd, wegens hunne blanke kleur,
+terwijl de eigenlijke Syriërs bruin van tint waren. Aan de kust lagen
+vele grieksche volkplantingen, nederzettingen van Milete of faktorijen
+van Sinope; de voornaamste zijn van W. naar O.: Amisus, Themiscyra,
+Side (later Polemonium geheeten), Cotyora, twee steden Cerasus,
+Tripolis en Trapezus. Zie verder Pontus. Het eigenlijke Cappadocië
+was, evenals Armenia, een feudaalstaat. De hoofdstad was Mazaca aan
+den berg Argaeus; ter eere van Tiberius werd de naam veranderd in
+Caesarea (ad Argaeum).
+
+Caprae of Capreae palus, de plaats op het Campus Martius, waar Romulus,
+terwijl hij bezig was een contio te houden, onder storm en onweer
+van de aarde was weggenomen (z. Quirinus). Ook later werden hier
+contiones gehouden.
+
+Capraria, het geiteneiland, nabij de etruscische kust, thans Capraja.
+
+Capreae, Kapreai, thans Capri, eil. ten Z. van den sinus Cumanus
+(golf v. Napels), het verblijf van keizer Tiberius in zijne laatste
+levensjaren. Volgens de sage is het oudtijds bewoond geweest
+door Teleboërs, onder koning Telon. Grieken uit Cumae hebben het
+gekoloniseerd, en tot diep in den keizertijd sprak de bevolking
+Grieksch.
+
+Capricornus, Caper, Aigokeros, Pan, het sterrenbeeld de Steenbok,
+voorbode van storm, oorspronkelijk een afstammeling van Aegipan met
+horens, bokkepooten en een vischstaart, die met Zeus opgevoed was en
+hem later in den strijd tegen de Titanen hielp door in een schelp
+te blazen en zulk een vreeselijk geraas te maken, dat de vijanden
+verschrikt op de vlucht gingen.
+
+Caprotina, Capratina, bijnaam van Juno, waaronder zij te Falerii
+e.e. vereerd werd. Te harer eere vierden de vrouwen op den 7den
+Juli (Nonae Caprotinae, ancillarum feriae) een feest, waaraan ook de
+slavinnen deelnamen, die zich daarbij vele vrijheden veroorloofden. Ter
+verklaring van dit feest dient het volgende verhaal, dat aan een
+fabula praetexta ontleend is: Kort na den gallischen oorlog trokken
+de Latijnen tegen de Romeinen op en eischten van hen vrouwen ten
+huwelijk. De Romeinen zonden hun slavinnen als vrije vrouwen gekleed,
+die nu de vijanden bij een feestmaal dronken maakten en daarna van
+den top van een wilden vijgeboom (Caprificus) een teeken gaven,
+waarop de Romeinen de legerplaats overvielen en de vijanden doodden.
+
+Capsa, stad in Numidia midden in eene zandwoestijn. Hier waren
+Jugurtha's schatten geborgen. De plaats werd door Marius verwoest,
+doch later herbouwd en behoorde sedert tot Byzacium.
+
+Capua, Kapye, vroeger Vulturnum geheeten, voornaamste stad van
+Campania. Door de Samnieten bedreigd, onderwierp het zich aan Rome
+(zie Campania). De burgers kregen toen de civitas sine suffragio,
+terwijl een gedeelte der rechtspraak in handen kwam van de praefecti
+Capuam Cumas (sedert 318). Na den slag bij Cannae (216) verbond het
+zich met Hannibal, doch werd na de inname (211) door de Romeinen
+bloedig gestraft. Zeventig der aanzienlijkste burgers werden ter dood
+gebracht, honderden in de gevangenis geworpen of als slaven verkocht,
+een deel der bevolking werd over andere steden verdeeld, en alle
+rechten en vrijheden aan de stad ontnomen. Het gemeentebestuur
+werd opgeheven, het grondgebied verbeurd verklaard; op het land
+langs zee werden twee col. civium Romanorum, Volturnum en Liternum,
+gesticht, het andere land, de ager Campanus (zie Agrariae leges)
+tot 59 geregeld verpacht. Door haar gunstige ligging bleef de stad
+een van de bloeiendste en grootste steden van Italië. Sedert 58 had
+zij weer een gemeentebestuur.
+
+Caput is de rechtspersoonlijkheid van den rom. burger (zie capitis
+deminutio). Deze beteekenis heeft dit woord ook in de uitdrukking
+capite of capitis damnari.
+
+Capys, 1) grootvader van Aeneas (z. Aeneas).--2) tochtgenoot van
+Aeneas, volgens de sage stichter van Capua.
+
+Caracalla (M. Aurelius Antoninus Bassianus), sedert zijn benoeming tot
+Caesar in 196 n. C. ook M. Aurelius Antoninus geheeten, zoon van keizer
+Septimius Severus en Julia Domna, volgde met zijn broeder P. Septimius
+Antoninus Geta zijn vader in 211 op. Het leger had beide broeders
+slechts te zamen als keizers willen erkennen, hoewel reeds bij huns
+vaders leven een doodelijke haat tusschen hen heerschte. In 212 stak
+Caracalla zijn broeder in de armen hunner moeder dood, en veroordeelde
+den beroemden rechtsgeleerde Papinianus, die zijne afkeuring te
+kennen gaf, ook ter dood. Vervolgens trok hij op dolzinnige wijze het
+rijk door, hier oorlogende (z. Alemanni), daar zijn eigen onderdanen
+uitplunderende, tot hij eindelijk in 217 door zijn praefectus praetorio
+Macrinus te Edessa in Mesopotamia werd omgebracht. Caracalla gaf
+in 212 aan het geheele rijk het burgerrecht, ten einde ook in de
+provinciën de vicesima hereditatum, een successierecht van 5 pct.,
+te kunnen innen en aldus de ontvangsten der keizerlijke schatkist
+te verhoogen. De bijnaam Caracalla is ontleend aan het kleedingstuk
+van dien naam, een gallischen mantel, dien de keizer droeg. Door
+Caracalla zijn de beroemde Thermae Antoninianae aangelegd, waarvan
+nog belangrijke ruïnen over zijn (zie Thermae).
+
+Caractacus, een dapper vorst der Silures in Britannia, zoon van
+koning Cunobelinus, voerde oorlog met de Romeinen, en werd door
+de met hen bevriende Cartismandua, koningin der Brigantes, aan hen
+uitgeleverd. Keizer Claudius liet hem naar Rome voeren, doch schonk
+hem toen de vrijheid terug, 51 na C.
+
+Caralis, Karalis, thans Cagliari, hoofdstad van het eiland Sardinia,
+aan den Zuidkant gelegen.
+
+Carambis, Karambis, stad en kaap in Paphlagonia.
+
+Caranus, Karanos, 1) Heraclide uit Argos, die omstreeks 750
+met eene argivische kolonie Edessa innam en de stichter van het
+macedonische rijk werd; de latere koningen van dit rijk noemden hem
+hun stamvader.--2) zoon van Philippus en Cleopatra, die door Olympias
+gedood werd.--3) veldheer van Alexander in den oorlog tegen Perzië.
+
+Caratacus = Caractacus.
+
+Carausius, door Diocletianus belast met eene vloot de gallische kust
+tegen frankische en saksische zeeroovers te verdedigen, voer naar
+Britannia en liet zich daar tot Augustus uitroepen, 286 na C. Hij
+handhaafde zich, tot hij in 293 vermoord werd.
+
+Carbatinae of Carpatinae, Karbatinai, Karpatinai, grove schoenen, uit
+één stuk leder vervaardigd en met kruisbanden om het been bevestigd.
+
+Carbo, familienaam in de gens Papiria. Zie Papirii no. 11-14.
+
+Carcaso, stad van de Volcae Tectosages in Gallia Narbonensis, thans
+Carcassonne.
+
+Carcer. De carcer Mamertinus, te Rome aan het forum gelegen, bestond
+uit drie verdiepingen, waarvan slechts ééne boven den beganen grond
+was. Hier werden de licht gestrafte gevangenen in hechtenis gehouden
+(custodia communis). De middelste verdieping was een onderaardsch
+gewelf, waartoe slechts eene opening in de zoldering toegang verleende
+en waarin men geketend de zware gevangenisstraf onderging (custodia
+arcta). Daaronder lag een nog afgrijselijker kerkerhol, evenzeer alleen
+met eene opening van boven, waarin de doodstraf werd voltrokken. Dit
+gedeelte, dat het oudste was, werd ook Tullianum geheeten, omdat het
+vroeger gediend had als vergaarbak voor het water, dat daar uit de
+rotsen zijpelde. Dáár stierf Jugurtha den hongerdood. Daar werden ook
+Lentulus (Cornelii no. 48) en de 4 andere Catilinarii gewurgd. Ook in
+andere plaatsen schijnen de kerkers op deze wijze ingericht geweest
+te zijn; althans in dien van Herculaneum heeft men de sporen van twee
+ondergrondsche verdiepingen ontdekt.
+
+Carceres, de stallen aan den ingang van den circus, waarin de
+wagenmenners, op de bespannen wagens staande, het sein tot den wedren
+afwachtten. Figuurlijk beteekent carceres ook het begin van iemands
+loopbaan: a carceribus = van den beginne af. Zie ook calx.
+
+Carcinus, Karkinos, van Agrigentum, vestigde zich te Athene als
+treurspeldichter; zijne werken vonden echter evenmin bijval als die
+van zijne vier zonen. Zijn kleinzoon, de jongere Carcinus, leefde
+langen tijd aan het hof van Dionysius van Syracusae; met zijne 160
+stukken behaalde hij elf maal een prijs.
+
+Cardamyle, Kardamyle, 1º. stad aan de Oostzijde van de golf van
+Messene.--2º. stad in het N. van Chius.
+
+Cardea, Carda, eene nimf die door Janus bemind werd, en door hem
+tot godin der deurhengsels, dus ook van huis en huisgezin, verheven
+werd. Ook beschermde zij kleine kinderen tegen den invloed van booze
+geesten.
+
+Cardia, Kardia, stad van de thracische Chersonesus, aan den sinus
+Melas, kolonie van de Milesiërs, geboorteplaats van koning Eumenes. De
+bewoners werden met die van Pactye in 309/308 door Lysimachus naar
+zijn nieuwe hoofdstad Lysimachia (z. a.) overgebracht.
+
+Cardo. De deuren der rom. huizen hingen niet in scharnieren, maar
+draaiden op uitstekende pennen, die in bussen sloten, welke in den
+boven- en den onderdorpel van het deurkozijn waren ingelaten. Deze
+pennen heetten cardines.--Cardo heet ook de lijn, die de augur bij
+het nemen der auspiciën van het N. naar het Z. trok. Zie auguria. De
+Rom. hadden ook eene godin der deurhengsels, Cardea.
+
+Carduchi, Kardouchoi, thans Koerden, een machtig en krijgshaftig
+armenisch bergvolk, in welks bergen de Perzen zich niet waagden,
+toen de 10000 Grieken er binnentrokken.
+
+Carfulenus (D.), rom. senator, aanhanger van Caesar en tegenstander
+van Antonius; hij streed samen met Pansa in den mutinensischen oorlog
+bij Forum Gallorum tegen Antonius; of hij, zooals het eerste bericht
+luidde, daar gesneuveld is, is niet zeker.
+
+Caria, het zuidwestelijkste landschap van Klein-Azië, aan de kust
+bezet met grieksche volkplantingen, waarvan Halicarnassus en Cnidus
+de voornaamste waren. De Cariërs hadden oudtijds een groot gedeelte
+der eilanden van de Aegaeïsche zee in bezit en dreven zeeroof,
+totdat zij door de Grieken en vooral door koning Minos van Creta uit
+de eilandzee verdreven werden. Zij bleven echter een ruw, roofziek
+volk, wel geschikt voor huursoldaten, doch omkoopbaar. De Kares,
+Kretes, en Kappadokes werden door de Grieken ta tria Kappa kakista
+genoemd. De Westkust van Caria is bezet met ionische koloniën, waarvan
+Priene en Miletus de voornaamste zijn en Iassus de zuidelijkste is:
+de Zuidwestkust en de vóórliggende eilanden hebben een dorische
+bevolking. In de 4de eeuw maakte Mausolus, de vorst van Carië, zich
+onafhankelijk van Perzië, en verlegde zijne residentie van Mylasa
+naar Halicarnassus (z.a.).
+
+Carinae, voorname wijk te Rome, tusschen den mons Esquilinus en den
+mons Caelius.
+
+Carinus (M. Aurelius), keizer van Rome, 283-285 na C., zoon en opvolger
+van Carus. Hij was om zijne buitensporigheden en wreedheid gehaat
+en werd vermoord, na de nederlaag, die hij Diocletianus in Moesia
+toegebracht had.
+
+Caristia (Charistia) of Cara Cognatio. Op den 22sten Februari, den dag
+na de feesten der Feralia (z. a.) of Parentalia, vierde men te Rome
+dit familiefeest, waarbij de bloedverwanten voor een feestmaaltijd
+bijeenkwamen.
+
+Carmania, Karmania, thans Kerman, perzisch gewest aan de Perzische
+golf. Herodotus noemt de bewoners Germanioi.
+
+Carmelus, Karmelos, thans Carmel = wijnberg, gebergte en kaap op de
+kust van Palaestina ten Z. van Ace (Ptolemaïs). Ook de hoogste top
+van den Antilibanus droeg dezen naam.
+
+Carmenta, eene van de Camenae, moeder van Euander, wien zij de
+toekomstige grootheid van Rome voorspelde. Zij had een heiligdom
+aan de Porta Carmentalis, bloedige offers werden haar niet gebracht,
+en het was verboden iets van leder in den tempel te brengen. Op haar
+feest, de Carmentalia (11 en 15 Januari), werd zij als beschermster
+van barende vrouwen onder de namen Postvorta en Antevorta, Porrima
+of Prorsa aangeroepen.
+
+Carmentalis (porta), poort te Rome aan den voet van den mons
+Capitolinus. Door den rechter doorgang (dexter Janus) van deze poort
+zijn de Fabii uitgetrokken naar de Cremera. Daarom gebruikte men
+dezen doorgang niet, en heet de poort scelerata.
+
+Carmo of Carmona, stad in Baetica tusschen Hispalis (Sevilla)
+en Astigi.
+
+Carna, eene godin, aan wie als doodenoffer boonenmeel geofferd werd op
+den 1sten Juni, die daarnaar Kalendae Fabariae genoemd wordt. Het feest
+heette Carnaria. Zie omtrent de andere doodenfeesten onder Lemures.
+
+Carnabon, koning der Geten. Toen Triptolemus in zijn rijk kwam om er
+den landbouw in te voeren, behandelde C. hem vijandig en doodde hij
+een van zijne draken. Daarom veranderde Demeter hem in een slang.
+
+Carneades, Karneades, van Cyrene, 213-129, stichter der derde of
+nieuwe academie en hevig bestrijder der stoicijnsche leer, waarvan
+hij vroeger een aanhanger was geweest. Volgens hem kan men door
+zinnelijke waarneming slechts waarschijnlijkheid, nooit waarheid,
+bereiken, en moesten dus de kenmerken der waarheid elders gezocht
+worden. In 155 werd hij met Critolaus en Diogenes door de Atheners
+naar Rome gezonden, om vrijstelling van eene opgelegde boete te vragen,
+en zijne scherpzinnigheid en welsprekendheid vond ook bij de Romeinen
+grooten bijval.
+
+Carneus, Karneios, bijnaam van Apollo, onder welken hij bij verscheiden
+dorische stammen vereerd werd. De Spartanen geloofden, dat zij door
+dezen god naar de Peloponnesus teruggebracht waren en vierden ter
+herinnering daaraan jaarlijks in de maand Carneus (Aug.-Sept.) een
+groot feest (Karneia), waarbij zij steeds gewapend waren en over het
+geheel het leven in den oorlog nagebootst werd.
+
+Carni, Karnoi, keltisch bergvolk in den N. O. hoek van Cisalpina,
+aan de Carnische Alpen. In hun gebied lagen de steden Julium Carnicum,
+Tergeste en Aquileia.
+
+Carnifex of carnufex, de scherprechter, een servus publicus, die de
+doodstraf aan vreemdelingen en slaven voltrok. Aan rom. burgers werd
+deze straf voltrokken door een lictor.
+
+Carnuntum, Karnous, Karnouton, aan den Donau, in Pannonia, belangrijk
+als vesting, garnizoensplaats en ligplaats der Donau-vloot.
+
+Carnutes of Carnuti, machtige stam in het hart van Gallia, met
+de hoofdstad Genabum of Cenabum, het tgw. Orléans, z. Aureliani
+civitas. In het gebied der Carnuten hielden de Druïden jaarlijks
+hunne plechtige rechtszitting.
+
+Carocotinum, z. Caletes.
+
+Carpates of Alpes Bastarnicae, thans Karpathen.
+
+Carpathus, Karpathos, eiland in de daarnaar genoemde Carpathische
+zee tusschen Creta en Rhodus. De zeegod Proteus hield daar verblijf
+en wordt bij dichters wel Carpathius vates genoemd.
+
+Carpentum, een tweewielig rijtuig met een kap of huif voorzien. Een
+carpentum funebre was een tweewielige, rondom gesloten lijkwagen.
+
+Carpesii of Carpetani, Karpetanoi, machtig volk in Hispania
+Tarraconensis, met de hoofdstad Toletum (Toledo).
+
+Carpi, dacische volksstam tusschen den Donau en het westelijke
+gedeelte der Karpathen, die naar dit volk genoemd zijn. In de 3de
+eeuw n. C. treden ze meestal op aan den Beneden-Donau, en verwoesten
+vaak in vereeniging met de Gothen Moesia en Thracië.
+
+Carrae of Carrhae, Karrai, in het O. T. Charan of Haran, stad in
+Mesopotamia, waar Crassus tegen de Parthen sneuvelde (53).
+
+Carrinas, plebejische familie. 1) C. Carrinas komt in den eersten
+burgeroorlog 83/82 als een van de aanvoerders der Mariani voor. Na
+den slag bij de porta Collina (Nov.82) werd hij gevangen genomen en op
+last van Sulla ter dood gebracht.--2) C. Carrinas, consul in 43, zoon
+van no. 1, komt in den tweeden burgeroorlog als aanhanger van Caesar
+voor; later is hij een aanhanger van Octavianus, en voert o. a. oorlog
+tegen S. Pompeius (36); als proconsul van Gallië onderwerpt hij in
+30 de Morini.--3) Carrinas Secundus, rhetor door Caligula in 39
+n. C. verbannen, pleegde zelfmoord in de ballingschap te Athene,
+omdat hij niet in zijn levensonderhoud kon voorzien.--4) C. Carrinas
+Secundus, zoon van no. 3, werd in 64 n. C. door Nero uitgezonden,
+om in Griekenland geld in te zamelen.
+
+Carroballista, ballista of blijde op twee wielen en door paarden
+getrokken.
+
+Carruca, vierwielig staatsierijtuig, ook wel als reisrijtuig gebruikt
+(fr. carrosse).
+
+Carseoli of Carsioli, stad in het land der Aequi, sedert 298 latijnsche
+kolonie.
+
+Carsulae, stad in het Zuiden van Umbria bij Ameria.
+
+Carsus, Karsos, riviertje in het O. van Cilicië, bij de Syrische
+poorten, tusschen Issi (Issus) en Myriandus.
+
+Carteia, Karteia, belangrijke phoenicische volksplanting nabij het
+fretum Gaditanum of Herculis (straat van Gibraltar), sedert 171
+lat. kolonie. Bij Carteia versloeg Caesar in 45 de broeders Sextus
+en Cn. Pompeius.
+
+Carthaea, Karthaia, stad aan de Z.-zijde van het eiland Ceos.
+
+Carthago, Karchedon = Nieuwstad, 1) de beroemde stad in Africa,
+die met Rome de punische oorlogen (z. a.) heeft gevoerd. De stad
+was ± 800 door tyrische uitgewekenen gesticht, volgens de sage
+onder aanvoering van Dido of Elissa, zuster van den dwingeland
+Pygmalion. De stad lag op een schiereiland, door eene niet breede
+landengte met het vasteland verbonden. Zij had twee havens; de grootste
+diende voor de handelsvloot, de andere, Kothon (= beker) geheeten,
+was de oorlogshaven, door 220 scheepskappen omringd. De acropolis
+der stad heette Byrsa, Byrsa (= burcht), en lag op een heuvel van
+60 meter hoog. Op den top stond de prachtige tempel van Esmûn of
+Aesculapius. Aan den burg sloten zich de muren der zoogenaamde
+oude stad aan, 50 voet hoog en 30 voet breed, verdiepingsgewijze
+gebouwd, zoodat beneden stalling voor 300 olifanten, daar boven voor
+4000 paarden was, en wederom hierboven ruimte voor de soldaten. De
+hoofdstraten liepen recht op den burg aan en hadden hooge huizen, tot
+zelfs van zes verdiepingen. Later werd ook de meer noordelijk gelegen
+voorstad, Megara, Magalia (= hoogte) of Neapolis geheeten, binnen de
+muren getrokken, en dit gedeelte werd het fraaiste en rijkste der stad,
+met tempels en prachtige lustverblijven voorzien. Eene waterleiding,
+13 uur gaans lang, voorzag Carthago van water. Tot aan de 5de eeuw
+was het vastelandsgebied van Carthago zeer klein. Eerst in de 5de
+eeuw onderwerpt en onderdrukt het de omliggende libysche stammen, en
+verkrijgt het de heerschappij over alle phoenicische nederzettingen
+en faktorijen in het Westen. Het heeft verscheidene malen getracht
+Sicilië te veroveren; de eerste poging mislukte in 480 (slag bij de
+Himera); dan volgen de veldtochten van 409-404, waarbij Selinus en
+Himera te gronde gegaan zijn. Dan volgen de oorlogen met Dionysius en
+de andere tyrannen van Syracusae, en eindelijk de oorlogen met Rome,
+die aan haar bestaan een einde hebben gemaakt.--Na de verwoesting
+in 146 bleef de stad in puin liggen, tot C. Sempronius Gracchus
+er in 121 de colonia Junonia stichtte; deze werd het volgend jaar
+weer opgeheven, maar de coloni mochten blijven wonen. Daarop heeft
+Caesar in 44 er eene nieuwe kolonie Carthago gesticht, die in 29 door
+Augustus versterkt is. Daarnaast bestond een punische stad Carthago,
+met een afzonderlijk gemeentebestuur, tot nog onder Augustus beide
+steden samengroeiden. Dit nieuwe Carthago, Colonia Iulia Carthago,
+ontwikkelde zich snel en werd nog grooter dan het oude, zoodat het na
+Rome en Constantinopel de meest bevolkte stad van het rijk werd. In
+439 na C. werd het de hoofdstad der Vandalen, en na den val van het
+vandaalsche rijk weder de residentie der oost-rom. stadhouders. De
+regeeringsvorm van het oude punische Carthago, dat eenmaal 700000
+inwoners telde, was oligarchisch. Aan het hoofd der zaken stond een
+senaat, terwijl de uitvoerende macht aan twee suffeten of rechters
+was opgedragen. Volksvergaderingen werden alleen in hoogen nood
+bijeengeroepen.--2) Carthago in Hispania, tot onderscheiding dikwijls
+Carthago nova genoemd, thans Carthagena, was ± 228 gesticht door
+Hasdrubal en werd in 209 door Scipio, den lateren Africanus maior,
+veroverd en tot rom. kolonie gemaakt. In de nabijheid lag de Campus
+Spartarius.
+
+Cartismandua, koningin der Brigantes in Britannia, die Caractacus
+aan de Romeinen overleverde.
+
+Carus (M. Aurelius), bevelhebber der praetorianen onder keizer
+Probus, werd na diens dood in 282 na C. door de troepen tot keizer
+uitgeroepen en verhief toen zijne beide zoons Carinus en Numerianus
+tot Caesars. Hij was een bekwaam veldheer. Op een tocht tegen de
+Perzen in 283 werd hij òf door den bliksem getroffen òf door Aper,
+den bevelhebber zijner lijfwacht, vermoord.
+
+Carventum, oude stad in Latium, met een sterk kasteel. De stad was
+oorspronkelijk één van de 30 gemeenten van den albaanschen bond (zie
+Albenses), en later één van de leden van den ouden latijnschen bond,
+waarvan Aricia en Tusculum de leiding hadden.
+
+Carvilii, 1) Sp. Carvilius Maximus, consul in 293 en 272, overwon de
+Samnieten in 293, de Lucaniërs en Tarentijnen in 272 en hield twee
+triumftochten. Van den op de Samnieten behaalden buit bouwde hij een
+tempel voor de godin Fortuna.--2) Sp. Carvilius Maximus was consul in
+234 en 228 en zegevierde over de Corsen en Sarden. Hij was ook augur.
+
+Caryae, Karyai, stad in Laconica, door de Spartanen aan de Arcadiërs
+ontnomen en bekend door een tempel van Artemis Caryatis, wier
+priesteressen, Caryatides genaamd, eigenaardige dansen uitvoerden.
+
+Caryanda, Karyanda, kuststad van Caria.
+
+Caryatides, Karyatides, 1) zie Caryae.--2) zuilen in den vorm van
+vrouwenbeelden, die op het hoofd een kapiteel droegen, waarop de
+balken rustten. De Caryatiden van het Erechtheion op de Acropolis te
+Athenae worden gewoonlijk Korai genoemd.
+
+Carystus, Karystos, stad der Dryopes in het Z. van Euboea, beroemd
+door haar voortreffelijken wijn en door eene groene marmersoort.
+
+Casca, familie in de gens Servilia. Z. Servilii no. 22.
+
+Cascellius (A.), uitstekend jurist in den eersten tijd van Augustus'
+regeering en voorstander der republiek.
+
+Casilinum, stad van Campania op beide oevers van den Volturnus gelegen,
+verdedigde zich met heldenmoed tegen Hannibal, totdat de honger zóó
+nijpend werd, dat de verdedigers zelfs het leder hunner schilden als
+voedsel trachtten te gebruiken. Eindelijk (215) viel het Hannibal in
+handen. Later rom. kolonie.
+
+Casinum, volscische stad in Latium, aan de via Latina; op den berg
+daarboven ligt het beroemde klooster Monte Cassino.
+
+Casiotis, Kasiotis, streek tusschen Arabia en Aegyptus, nabij Pelusium,
+met het graf van Pompeius.
+
+Casius, Kasion oros, 1) berg in Casiotis.--2) gebergte aan de kust
+van Syria, ten Z. van Antiochia.
+
+Casmena, Kasmene, stad op Sicilia, kolonie van Syracusae, ligging
+onzeker.
+
+Casperia, oud stadje der Sabijnen.
+
+Caspiae portae, Kaspiai pylai, bergpas ten Z. der Caspische zee, ten
+O. der stad Rhagae, in het N. van Media. De pas, die 8000 schreden lang
+en niet breed was, was door de Perzen met ijzeren poorten gesloten en
+werd door wachtposten bewaakt. Deze pas was van groot belang, omdat
+de verbindingsweg tusschen het N.W. en het N.O. van het perzische
+rijk er door liep.
+
+Caspii, Kaspioi, volksstam aan de Westkust der Caspische zee, ten
+N. van den Cyrus. Ook meer in het algemeen de kustbewoners dezer zee.
+
+Caspii montes, Kaspia ore, een deel van den Caucasus, tusschen Colchis
+en de Caspische zee.
+
+Caspium mare, he Kaspia thalatta, de Caspische zee. Het zuidelijk
+deel heet Hyrcanum mare. Omtrent de ware ligging en de grootte dezer
+zee heerschten bij de ouden zeer uiteenloopende meeningen. Enkelen
+hielden haar zelfs voor een golf van den Oceaan.
+
+Cassander, Kassandros, oudste zoon van Antipater, geb. omstreeks
+350. Kort voor den dood van Alexander werd hij door zijn vader naar
+Azië gezonden, waar hij tot 319 bleef; toen keerde hij naar Europa
+terug om zich van het regentschap meester te maken, dat Antipater bij
+zijn sterven aan den ouden Polyperchon had opgedragen. Door de hulp
+van Ptolemaeus en Antigonus gelukte het hem vasten voet in Griekenland
+te krijgen; daarop deed hij een inval in Macedonië, wist het leger van
+Polyperchon afvallig te maken, liet Olympias, die met dezen verbonden
+was, dooden, hield Roxane met haar zoontje gevangen en huwde met
+Thessalonice, de zuster van Alexander. Na dien tijd voerde hij, met
+Ptolemaeus e. a. veldheeren van Alexander verbonden, bijna voortdurend
+oorlog tegen Antigonus, die hem belette zich van Griekenland meester
+te maken; hij had in dien oorlog echter weinig geluk en werd zelfs
+in Macedonië door Demetrius aangevallen, totdat de slag bij Ipsus
+(301) hem van dezen lastigen vijand bevrijdde. De vrouw en kinderen
+van Alexander had hij reeds vroeger laten vermoorden, en toen hem nu
+bij de nieuwe verdeeling der provinciën Macedonië toegewezen werd,
+kon hij zich tot aan zijn dood (296) ongestoord in het bezit ervan
+handhaven. In 306 had hij in navolging van Antigonus den titel van
+koning aangenomen.
+
+Cassandra, Kassandra, of Alexandra, de schoonste van Priamus'
+dochters. Apollo verleende haar uit liefde het vermogen de toekomst
+te voorspellen, maar daar zijne liefde onbeantwoord bleef, wreekte hij
+zich door te veroorzaken, dat men haar algemeen voor krankzinnig hield
+en niemand hare voorspellingen geloofde. Bij de verovering van Troje
+zocht zij bescherming in den tempel van Athena, maar Aiax, de zoon
+van Oileus, die haar daar vond, onteerde en mishandelde haar. Bij de
+verdeeling van den buit werd zij aan Agamemnon toegewezen, die haar
+naar Mycenae medenam; na zijn dood werd zij met hare beide kinderen
+ook vermoord. Cass. had te Leuctra in Laconica een tempel, haar graf
+was te Mycenae of te Amyclae.
+
+Cassandrea, Kassandreia, het vroegere Potidaea, door Philippus van
+Macedonia verwoest, door Cassander herbouwd.
+
+Cassia (lex) agraria, van den consul Sp. Cassius Viscellinus, 468,
+zie Agrariae leges.
+
+Cassia (lex) de senatu, van den volkstribuun L. Cassius Longinus,
+104, dat zij, die door het volk veroordeeld of van hun imperium ontzet
+waren, geen zitting mochten hebben in den senaat.
+
+Cassia (lex) tabellaria, van den volkstribuun L. Cassius Longinus,
+137. Door deze wet werd de geheime stemming ingevoerd bij de iudicia
+populi, behalve in zaken van perduellio. Zie Tabellariae leges.
+
+Cassia Terentia (lex) frumentaria van de consuls C. Cassius Longinus
+(Cassii no. 7) en M. Terentius Varro Lucullus, 73, tot herstel der
+korenuitdeelingen, die door Sulla waren opgeheven. Zie annona.
+
+Cassia (via), van Rome over Clusium en Arretium naar Florentia. Van
+hier gaat een andere weg over de Apennijnen naar Bononia.
+
+Cassii, 1) Sp. Cassius Viscellinus, voor zoover bekend de éénige
+patriciër onder de Cassii, was in 502 consul en hield als zoodanig
+een triumftocht over de Sabijnen. In 501 (v.a. 498) was hij magister
+equitum onder den eersten dictator, T. Larcius Flavus. Toen hij in
+493 ten tweeden male consul was, hielp hij, volgens de traditie, de
+verzoening tot stand brengen tusschen de patriciërs en de uitgeweken
+plebejers. Hij heeft in dat jaar ook den tempel van Ceres, Liber
+en Libera in Aventino (z. Ceres) gewijd. Hij heeft toen ook het
+bondsverdrag met de Latijnen tot stand gebracht. In 486 was hij
+ten derden male consul en stelde toen de lex Cassia agraria voor,
+volgens welke de tot ager publicus gemaakte grond der Hernici zou
+verdeeld worden onder de behoeftige plebejers en de latijnsche
+bondgenooten. Deze laatste bijvoeging ontstemde de plebs, en het
+viel den adel niet moeielijk, Cassius verdacht te maken van naar
+het koningschap te streven; hij werd ter dood veroordeeld en van de
+Tarpejische rots geworpen, of volgens eene andere overlevering door
+zijn eigen vader ter dood gebracht. Het verhaal omtrent de akkerwet
+is onhistorisch, en is afkomstig uit den tijd na C. Gracchus
+(123-121) en M. Drusus (91). Vast staat alleen het feit, dat
+Cassius wegens het streven naar de heerschappij ter dood gebracht,
+en zijn huis afgebroken werd. De latere plebejische Cassii zijn als
+cliënten te beschouwen van de vroegere patricische gens Cassia.--2)
+Q. Cassius Longinus bracht als praetor in 167 koning Perseus als
+gevangene naar de bergvesting Alba Fucentia. Hij stierf als consul
+in 164.--3) L. Cassius Longinus, kleinzoon van no. 2, bracht in 111
+als praetor koning Jugurtha onder vrijgeleide naar Rome als getuige
+in zake de gepleegde omkoopingen. Als consul sneuvelde hij in 107
+in Aquitanië tegen de Cimbren en de Helvetiërs (de Tigurini).--4)
+L. Cassius Longinus Ravilla (= grijsoog), volkstribuun in 137,
+was de vader der lex Cassia tabellaria. Hij was censor in 125. Als
+rechter was hij zeer gevreesd, en bekend om zijn: "Cui bono?"--5)
+L. Cassius Longinus, zoon van no. 4, kenmerkte zich als tegenstander
+der optimaten en bracht o. a. in 104 als volkstribuun de lex Cassia
+de senatu tot stand.--6) C. Cassius Longinus was consul in 171 en
+censor in 155/4, en wilde een vast theater bouwen; doch P. Scipio
+Nasica, die in 155 consul was, belette dit, en een senaatsbesluit
+van 154 verbood zelfs, de tooneelstukken anders dan staande te
+aanschouwen.--7) C. Cassius Longinus, consul in 73, hernieuwde de door
+Sulla gestaakte korenuitdeelingen (lex Cassia Terentia frumentaria). In
+den zwaardvechtersoorlog werd hij in 72 door Spartacus verslagen.--8)
+C. Cassius Longinus was quaestor van Crassus, toen deze in 53 tegen
+de Parthen omkwam, en redde door zijn beleid het overschot van het
+leger. Hij verdedigde Syria tegen de Parthen en bracht hun in 51 eene
+groote nederlaag toe. In den strijd tusschen Caesar en Pompeius koos
+hij de partij van den laatsten en versloeg zelfs Caesars vloot bij
+Sicilia; doch na den slag bij Pharsalus verzoende hij zich met Caesar,
+die hem tot zijn legaat aanstelde, zonder hem echter een commando te
+geven, en hem in 44 de praetuur verschafte. Niettemin stelde Cassius
+zich met M. Junius Brutus aan het hoofd der samenzwering, die aan
+Caesar het leven kostte. Uit de briefwisseling tusschen Cicero en
+Cassius maakt men op, dat Cicero op de stemming van Cassius, en dus
+indirekt ook op het moordplan invloed heeft geoefend. Hierop vertrok
+hij naar de provincie Syria, hem door Caesar voor het volgende jaar
+toegezegd, verdreef den stadhouder Dolabella, aan wien de senaat
+Syria had toegewezen, nam bloedige wraak op de aanhangers van Caesar
+in Asia en trok, met Brutus vereenigd, naar Macedonia, waar beiden,
+na de nederlaag van Philippi (herfst van 42), zich om het leven lieten
+brengen. Juist zijn samengaan met den onbeduidenden Brutus schijnt zijn
+verderf geworden te zijn. Zie Junii no. 9.--9) Q. Cassius Longinus,
+berucht door zijne afpersingen in Hispania als legaat van Pompeius
+(54), was een der beide volkstribunen (de andere was Antonius),
+die 7 Jan. 49 uit Rome naar Caesar vluchtten. Caesar nam hem mede
+naar Hispania en liet hem daar achter als propraetor van H. ulterior,
+waar echter zijne willekeur een oproer onder het leger verwekte. Toen
+hij nu met zijne geroofde schatten naar Italië wilde oversteken, leed
+hij aan den mond van den Iberus schipbreuk en kwam om (begin 47). Hij
+heeft door zijn optreden Caesar's zaak zeer benadeeld, en den grond
+gelegd voor den opstand der Pompeiani, die in den slag bij Munda
+onderdrukt werd (45).--10) L. Cassius Longinus, broeder van no. 8,
+was legatus van Caesar in den oorlog tegen Pompeius, doch als broeder
+van den moordenaar van Caesar was hij bij Antonius verdacht. Deze
+belette hem dus het bezoek van de senaatszitting van 28 Nov. 44,
+waarin A. tegen Octavianus wilde optreden. Hij ging in 43 naar Azië,
+maar nam geen deel aan den oorlog, zoodat A. hem in 41 toestond in het
+vaderland terug te keeren.--11) L. Cassius Longinus, zoon van no. 10,
+sneuvelde bij Philippi in het leger van zijn oom.--12) L. Cassius
+Longinus, Cicero's mededinger naar het consulaat en deelgenoot van
+Catilina's samenzwering.--13) C. Cassius Parmensis (van Parma), een der
+deelnemers aan Caesars moord, vervolgens legaat van no. 8, vereenigde
+zich na den slag bij Philippi met Sex. Pompeius, ging na diens dood tot
+Antonius over en werd na den slag bij Actium op last van Octavianus ter
+dood gebracht. Hij schreef treurspelen en epigrammen.--14) C. Cassius
+Longinus, proconsul van Asia 40-41 n. C., stadhouder van Syria onder
+keizer Claudius tusschen 44 en 49, werd in 65 door Nero verbannen,
+omdat hij in zijn huis de beeltenis van no. 8 had. Vespasianus riep
+hem terug. Hij had grooten naam als rechtsgeleerde.--15) C. Cassius
+Chaerea, krijgstribuun bij de praetorianen onder Caligula en door
+dezen beleedigd, was het hoofd der saamgezworenen, die in 41 na
+C. den keizer om het leven brachten. De nieuwe keizer Claudius
+liet Chaerea terstond ter dood brengen.--16) L. Cassius Hemina,
+annalenschrijver omstreeks 150, schreef, naar het voorbeeld van Cato,
+in het Latijn.--17) T. Cassius Severus, redenaar van grooten naam
+onder de eerste twee keizers.--18) Cassius Avidius of Avidius Cassius,
+waarschijnlijk uit Syria afkomstig, streed onder Marcus Aurelius en
+L. Verus met veel beleid en geluk tegen de Parthen en elders. Hij
+veroverde in 163 n. C. Edessa, en joeg de Parthen over den Tigris
+terug, en zuidelijk trekkende veroverde en verwoestte hij Seleucia
+en Ctesiphon (164), maar moest later, door honger en pest gedwongen,
+terugkeeren. In 175 wierp hij zich zelf tot keizer op, doch werd
+drie maanden later door een zijner onderbevelhebbers vermoord.--19)
+Cassius Dio, geschiedschrijver, zie Dio Cassius.
+
+Cassiope, -opea, -epea, Kassiepeia, -opeia, -ope, 1) moeder van
+Andromeda (z.a.). Zij werd met haar echtgenoot en dochter onder de
+sterren opgenomen.--2) stad en kaap aan de N. O. punt van Corcyra.
+
+Cassis, 1) oorspronkelijk de helm van metaal in tegenstelling van
+den lederen helm, galea. Later evenwel werd de naam galea voor alle
+soorten van helmen gebezigd. Nevenvorm is cassida.--2) een jachtnet.
+
+Cassiterides insulae, Kassiterides nesoi, de Scilly-eilanden
+ten Z. W. van Britannia. Hierheen brachten de inboorlingen van
+Cornwallis in met leer overtrokken booten het engelsche tin en lood,
+dat ze tegen aarde- en koperwerk en zout vooral aan de inwoners van
+Tartessus verkochten.
+
+Cassivelaunus, aanvoerder der Britten tijdens de tweede landing van
+Caesar in Britannia.
+
+Cassotis, Kassotis, bron in den delphischen tempel, zie Delphi. Ook
+de nimf van die bron.
+
+Castalia, Kastalia, bron op den Parnassus, aan Apollo en de Muzen
+gewijd; wie van het water uit deze bron dronk, werd met dichterlijke
+geestdrift vervuld; ook werd het voor reinigingen, enz. in den
+delphischen tempel gebruikt.--Den naam Castalia had deze bron naar
+eene nimf, die er in gesprongen was, daar zij de liefde van Apollo
+niet beantwoordde en aan zijne vervolgingen niet konde ontkomen.
+
+Castalides, Kastalides, de Muzen, zoo genoemd naar de bron Castalia.
+
+Castellum, fort of kleine vesting. In den keizertijd zijn het de
+kleine wachtposten aan de grenzen, waarover sedert de 3de eeuw
+de grenssoldaten (de latere milites limitanei) verdeeld werden. Zie
+verder vicus no. 3. Castellum aquae, reservoir bij eene waterleiding,
+dikwijls een sierlijk gebouwde en met beeldwerk en zuilen versierde
+soort van watertoren, vanwaar het water dan naar verschillende
+fonteinen en gebouwen werd geleid.
+
+Castolus, Kastolos, vermoedelijk eene stad in Lydia, in de nabijheid
+van Sardes, met eene vlakte, die tot verzamelplaats der troepen diende.
+
+Castor, Kastor, 1) z. Dioscuri.--2) schoonzoon van Deiotarus, schreef
+een vervolg op de Chronika van Apollodorus (no. 1), dat tot het jaar
+61 liep.
+
+Castra. Als regel gold bij de Romeinen, dat een leger in den oorlog
+des nachts altijd door een wal en een droge gracht moest beschermd
+zijn. Wanneer voor de legerplaats eene geschikte plaats was uitgekozen,
+werd door een metator het kamp met vaantjes uitgebakend en hierop
+togen de soldaten aan den arbeid, om eene gracht te graven, waarvan de
+aarde naar binnen werd opgeworpen tot een wal. Volgens de beschrijving,
+die wij ervan hebben, bood een kamp in de dagen der republiek plaats
+aan voor twee legioenen met de daarbij behoorende socii. Het vormde
+een vierkant, zooals de teekening op de vorige pagina te aanschouwen
+geeft. De wal had vier poorten: 1 porta praetoria, waardoor het
+leger uittrok, in de naar den vijand toegekeerde zijde, 2 porta
+decumana aan de achterzijde der legerplaats, 3 porta principalis
+sinistra, 4 porta principalis dextra. De weg a a, die deze beide
+uitgangen verbond, heette via principalis, waarschijnlijk omdat
+ze liep langs het principium, het achterste gedeelte van het kamp,
+waar het praetorium enz. stond, terwijl de weg b b, die achter de
+vijfde manipels heen liep, den naam van via quintana droeg. Dit
+wordt duidelijker door bijgaande schets, waarin een gedeelte der
+legerplaats grooter is voorgesteld, en waarin tevens de rangschikking
+der verschillende wapens is aangegeven. Van het praetorium (P), het
+kwartier van den veldheer, liep de via decumana of praetoria (c c)
+naar de porta praetoria. Naast het praetorium had men aan de eene
+zijde het quaestorium (Q) met de tent van den quaestor en, voorzoover
+noodig, de bergplaatsen van proviand enz., en aan den anderen kant het
+forum (F). Om het praetorium, quaestorium en forum heen stonden de
+tenten van de tribuni militum en de praefecti sociorum (5), die der
+uitgelezen infanterie (6) en cavalerie (7) en vrijwilligers, evocati
+et selecti pedites et equites, en de keurbenden, onder den naam van
+extraordinarii pedites et equites uit de contingenten der bondgenooten
+uitgekozen (8), alsmede de auxilia van vreemde volken, wanneer deze
+aanwezig waren. Binnen den wal bleef een weg open van 200 voet breedte
+(intervallum) ten einde den vijand te beletten, door het werpen van
+brandbare stoffen het kamp in brand te steken. De wal was dikwijls
+met palissaden voorzien. In de winterkwartieren, hiberna (sc. castra)
+werden de tenten door houten barakken vervangen.--Het legerkamp van den
+keizerstijd was bestemd voor drie legioenen met de daarbij behoorende
+auxilia en de keizerlijke garde (cohortes praetoriae). Het praetorium
+bevindt zich nu in het midden van het kamp, met het front naar de
+via principalis, die nu dichter bij de porta praetoria ligt. De
+via quintana loopt nu achter het praetorium, evenwijdig met de
+via principalis. Rechts en links van de veldheerstent, op de latera
+praetorii, kampeeren de staf en de staftroepen (cohortes praetoriae);
+het voorgedeelte van het kamp, door de via praetoria in tweeën gedeeld,
+heet praetentura, het achtergedeelte retentura.
+
+Castra, naam van onderscheidene plaatsen, die uit legerkampen zijn
+ontstaan, doordat zich in de nabijheid van het vaste kamp eene
+stad of een dorp vormde. Castra Cornelia (Corneliana) in het oude
+carthaagsche gebied, de landingsplaats van Scipio Africanus maior,
+waar hij in den winter van 204-203 zijn kamp had, nabij Utica. Castra
+Batava, aan de samenvloeiing van den Danubius en den Aenus (Inn),
+thans Passau. Castra Hannibalis, stad in het land der Bruttii
+aan de O.-kust, nabij Scyllaceum. Castra Herculis, in de Betuwe,
+Kesteren. Castra Pyrrhi, aan den Aous, in het landschap Triphylia, in
+het N. van Epirus. Castra Regina, in Raetia, tgw. Regensburg. Castra
+Vetera, in Belgica, nabij den Rijn; de naam leeft voort in den naam
+van het dorp Birten tegenover Wesel. Uit de nederzetting bij Castra
+Vetera (de Canabae z. a.) ontstond een stad, die door Traianus onder
+de koloniën werd opgenomen, Col. Ulpia Traiana, hoofdplaats van
+het land der Cugerni, die daarnaar vaak Traianenses heeten. In de
+4de eeuw n. C. heet de plaats Tricesima of Tricesimae, tegenwoordig
+Xanten a/Rhein. De uitgangen -cester, -chester bij vele plaatsen in
+Engeland zijn verbasteringen van castra of van castrum.
+
+Castra praetoria, vaste legerplaats der praetoriaansche garde, in
+23 n. C., onder de regeering van Tiberius, buiten de porta Viminalis
+gebouwd door den praefectus praetorio Aelius Seianus.
+
+Castrum, sterkte, kasteel. Zie vicus no. 3. Ook een aantal steden
+droegen dezen naam. Castrum Inui, zie Inui castrum. Castrum novum,
+naam van twee rom. koloniën, de eene op de kust van Etruria, tusschen
+Centumcellae en Pyrgi, de andere op die van Picenum, in het land der
+Praetutii. Castrum Verginum (Bergium), in het land der Bergistani
+(z. a.).
+
+Castulo, Kastalon, bloeiende stad der Oretani in Hispania, aan
+den bovenloop van den Baetis (Guadalquivir). In den omtrek waren
+zilvermijnen. De saltus Castulonensis maakte een deel uit der
+tegenw. Sierra Morena.
+
+Casystes, Kasystes, haven van Erythrae in Ionia.
+
+Catabathmus, Katabathmos, bergstreek en dal aan de kust van Afrika,
+de grens vormende tusschen Cyrenaïca en Aegyptus.
+
+Catabothra, ta Katabothra, onderaardsche afwateringskanalen van
+een meer, zooals bij het meer Copaïs in Boeotia, waar men bij lagen
+waterstand zich zelfs een eind ver in de afvoerwegen kon begeven.
+
+Catadromus, katadromos, schuin gespannen koord, waarlangs koorddansers
+op- en afliepen.
+
+Catadupa, ta Katadoupa, de watervallen van den Nijl aan de aethiopische
+grenzen.
+
+Catagogia, Katagogia, feest ter eere van Aphrodite op den berg Eryx
+gevierd, wanneer de godin met hare gewijde duiven van haar jaarlijksche
+reis naar Libye terugkeerde. Vgl. anagogia.
+
+Catalauni, thans Châlons-sur-Marne, in Gallia, bekend door de nederlaag
+van Attila in 451 na C.
+
+Catamitus = Ganymedes.
+
+Catana, Katane, thans Catania, kolonie van Chalcis, omstreeks 725
+aan den voet van den Aetna gesticht. Door de vruchtbaarheid van den
+bodem steeg de stad spoedig tot een hoogen trap van bloei, totdat
+Hiero van Syracuse ze in 476 veroverde en de bewoners naar Leontini
+overbracht, terwijl hij daarentegen Catana weder bevolkte met 5000
+Syracusanen en 5000 Peloponnesiërs, en den naam der stad in Aetna
+veranderde. Na Hiero's dood (461) hernamen de Cataniërs hunne stad; de
+door hen verjaagde bewoners verhuisden naar Inessa, dat voortaan Aetna
+heet. De Cataniërs moesten echter opnieuw zwichten voor Dionysius (403)
+en later nogmaals voor Agathocles. In den eersten punischen oorlog
+viel de stad in handen der Rom. Sedert Augustus, die er kolonisten
+heenvoerde, is het naast Messana de belangrijkste stad van Sicilië.
+
+Cataonia, Kataonia, Z.O. gedeelte van Cappadocia, met verscheidene
+bergvestingen, zeer vruchtbaar.
+
+Cataphractus, kataphraktos, ruiter, wiens lichaam en paard met een
+schubbenpantser bedekt waren.
+
+Catapulta, katapeltes, soort van geschut waarmede men zware werpspiezen
+en steenen slingerde.
+
+Catarractes of -ta, Katarraktes, ook met één r geschreven, rivier in
+Pamphylia, die met donderend geraas zich boven van de rotsen in zee
+stort. Ook wordt het woord gebezigd van watervallen in een stroom,
+vooral van de watervallen in den Nijl. Het woord kan ook een stuw in
+een rivier of een valdeur in eene vestingpoort beteekenen.
+
+Catasta, verbastering van katastasis, schavot of planken verhevenheid
+tot tepronkstelling van misdadigers of tentoonstelling van slaven
+ten verkoop.
+
+Cateia, een lange, dunne keltische werpspies, waaraan een riem
+bevestigd was, waarmede men de spies na den worp weer naar zich toe
+kon trekken.
+
+Catervarii, zwaardvechters, die niet twee aan twee, maar bij
+afdeelingen tegen elkander streden.
+
+Cathaei, Kathaioi, indisch volk, waartegen Alexander de Groote streed,
+ten O. van den Acesines.
+
+Catharsius, Katharsios, de reinigende, bijnaam van Zeus.
+
+Cathedra, kathedra, stoel met rugleuning, doch zonder armleuningen,
+voornamelijk in gebruik bij de vrouwen en bij de leeraars in
+philosophie, rhetorica en dgl. Vandaar ons woord katheder.
+
+Catilina, familienaam in de gens Sergia. Zie Sergii no. 5.
+
+Catilius Severus (L.), staatsman onder keizer Hadrianus, viel in
+ongenade, omdat hij zich tegen de adoptio van Antoninus Pius verklaarde
+(138 n. C.). Hij was toen praefectus urbi.
+
+Catillum of -lus, soort van korenmolen. Het graan werd bovenin gestort
+en viel dan tusschen het binnenste en den mantel. Door nu den mantel
+rond te draaien, wreef men de korrels fijn tot meel.
+
+Catil(l)us, zie Tiburtus.
+
+Catina = Catana.
+
+Catius, een Insubriër uit Ticinum, epicureïsch wijsgeer uit Cicero's
+tijd.
+
+Cato, familienaam in de gens Porcia. Zie ook Valerii no. 37.
+
+Catreus, Creteus, Katreus, Kreteus, zoon van Minos en Pasiphaë,
+vader van Althaemenes (z.a.), Aërope, Clymene en Apemosyne.
+
+Catti of Chatti, Chattoi, germaansche stam, Hatten of Hessen, tot
+de groep der Herminonen behoorende. Hunne hoofdstad was Mattium. Zij
+wisten tegen de Romeinen hunne vrijheid te handhaven en wonnen zeer
+in macht na den val der Cheruscers. Een afdeeling van hen vormden de
+aan de Romeinen onderworpen Mattiaci (z. a.).
+
+Catullus, rom. dichter. Zie Valerii no. 38.
+
+Catulus, familienaam in de gens Lutatia.
+
+Caturiges, volk in Narbonensis in het bovendal van de Druentia
+(Durance). Hoofdst. Eburodunum, thans Embrun.
+
+Caucasa, ta Kaukasa, stad in het Z. van Chius.
+
+Caucasus, Kaukasos, thans het kaukasisch gebergte, bij de ouden
+slechts zeer onvolkomen bekend. De Caucasiae portae, Kaukasiai pylai,
+waren een bergpas tusschen ontzaggelijke rotsen, door eene onneembare
+vesting gedekt. Het is waarschijnlijk dezelfde pas als de Sarmaticae
+portae (z.a.). De mythe laat hier, op bevel van Zeus, Prometheus
+door Hephaestus aan een rots vastklinken, daar bij de oudste Grieken
+de Caucasus voor een van de eindpalen der wereld gold. Zijn toppen
+reikten tot aan den hemel.
+
+Caucasus Indicus, thans Hindoe-koh, uit den latijnschen of griekschen
+naam verbasterd. Door een misverstand gaf het leger van Alexander
+dezen naam aan den Paropanisus.
+
+Cauchi = Chauci.
+
+Caucones, Kaukones, oud pelasgisch volk, later verdwenen,
+in Griekenland (Triphylia en Elis) en Klein-Azië (Bithynië). De
+aziatische komen bij Homerus als bondgenooten der Trojanen voor.
+
+Caudex = Codex.
+
+Caudicaria navis, platboomd vaartuig, zolderschuit, lichter, uit ruwe
+planken getimmerd, die o. a. gebezigd werden om koren van Ostia naar
+Rome te vervoeren.
+
+Caudium, oude stad in Samnium aan de via Appia nova. In de nabijheid,
+tusschen Calatia en Caudium, lag de bergpas, furculae Caudinae, waar
+in 321 de consuls T. Veturius Calvinus en Sp. Postumius Albinus door
+de Samnieten werden ingesloten.
+
+Caulon of Caulonia, Kaulonia, stad aan de Oostkust van het land der
+Bruttii gelegen, zuidelijkste der achaeische koloniën, òf van uit
+het moederland, òf door Croton gekoloniseerd. Het was reeds vroeg
+een bloeiende stad en één van de steunpunten der Pythagoreërs. In
+389 werd het door Dionysius den Grooten gesloopt, en de bewoners naar
+Syracusae overgebracht. Weldra werd het weer opgebouwd, en later in den
+oorlog met Pyrrhus door campaansche troepen ingenomen. De stad is vroeg
+vervallen. De meening van sommige grieksche geleerden, dat het oudtijds
+Aulon of Aulonia geheeten heeft, wordt door de munten weerlegd.
+
+Caunus, Kaunos, ongezond gelegen stad in het Z. van Caria,
+geboorteplaats van den schilder Protogenes (± 315). De stad dreef
+grooten handel in gedroogde vijgen, cauneae.
+
+Caupona, kapeleion. In de steden en langs de groote wegen vond men
+oudtijds wel herbergen en logementen, ook deversoria genoemd, doch
+deze waren meestal slecht en vuil, dikwijls vol ongedierte, en voor
+lieden van aanzien niet geschikt. Tegen het einde van de republiek
+werden ze echter ook door rijkere menschen bezocht. Ook wordt caupona
+gebruikt voor herbergen en kroegen, waar men wijn en dranken en soms
+ook eetwaren verkocht; in dat geval heeten ze vaak popinae.
+
+Caurus = Corus.
+
+Causia, kausia, breedgerande hoed van macedonischen oorsprong.
+
+Cautio, elke handeling, hetzij borgstelling, pandgeving,
+schuldbekentenis, kwitantie of belofte, waardoor men iemand een
+waarborg geeft tegen mogelijke schade. Cautio de dolo, de gewaarborgde
+verzekering dat men geen kwaad in den zin heeft.
+
+Cayster of -trus, Kaystros, rivier van Klein-Azië, die voorbij
+Ephesus in de Aegaeische zee valt, en beroemd was door de talrijke
+zwanenvluchten, die er zich ophielden.
+
+Cavari (Cavares), volksstam in Gallia Narbonensis, aan den linkeroever
+van de Rhône, tusschen de Druentia (Durance) en Isara (Isère).
+
+Cavarinus, senonisch Galliër, door Caesar tot koning over de Senones
+aangesteld, maar door zijne landslieden weder verdreven (54).
+
+Cavaedium, cavum aedium, het holle van het huis, nl. de binnenplaats
+van een rom. heerenhuis, waarop verschillende vertrekken uitkwamen. Met
+de toeneming der weelde evenwel werd het cavaedium allengs herschapen
+in eene binnenzaal op de wijze van het atrium, met dakopening en
+regenvanger, maar ruimer dan het atrium, en in het midden met bloemen
+en beelden versierd.
+
+Cavea, in het algemeen een kooi (kevie), traliewerk, afrastering,
+meer in het bizonder de ruimte, die in amphitheater, circus of theater
+voor de toeschouwers was bestemd. Zij was in drie rangen verdeeld:
+ima, media en summa cavea. Zie ook balteus.
+
+Cea, latijnsche naam voor het eiland Ceos.
+
+Ceadas, Keadas, Kaiadas, een afgrond te Sparta, waarin misdadigers
+(later hunne lijken) geworpen werden.
+
+Cebenna mons, to Kemmenon oros, het woeste gebergte der Cévennes,
+in Gallia.
+
+Cebes, Kebes, van Thebe, leerling van Socrates. Denzelfden naam
+draagt de schrijver van een wijsgeerig gesprek, Pinax, bevattende een
+allegorisch tafereel van het menschelijk leven, dat uit de 1ste eeuw
+na C. dateert.
+
+Cebren, Kebren, riviertje en stad in Troas aan den Ida, tusschen
+Scepsis en Neandria.
+
+Cebrenis, Kebrenis, Oenone, dochter van den riviergod Cebren.
+
+Cebriones, Kebriones, zoon van Priamus en eene slavin, wagenmenner
+van Hector, viel door de hand van Patroclus.
+
+Cecides, Kekeides, van Hermione, dithyrambendichter uit de eerste
+helft van de vijfde eeuw.
+
+Cecropia, Kekropia, oude naam der acropolis van Athenae, bij dichters
+ook de stad zelve.
+
+Cecropides, Kekropides, Theseus, afstammeling van Cecrops. Ook in
+het algemeen, vooral in het meervoud, = Athener.
+
+Cecropis, Kekropis, 1) Agraulus, de dochter, en Procne en Philomela,
+de kleindochters van Cecrops.--2) = Attica.--3) een van de 10 phylae,
+waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.
+
+Cecrops, Kekrops, een attisch autochthoon of pelasgisch koning van
+Attica, stichter der atheensche acropolis, die, evenals het geheele
+land, naar hem Cecropia genoemd wordt. Hij verdeelde het volk in twaalf
+gemeenten, en was de grondlegger van beschaving en zachtere zeden door
+het afschaffen van menschenoffers, het instellen van verschillende
+godsdienstplechtigheden, enz. In den wedstrijd tusschen Poseidon en
+Athena (z. a.) werd hij v. s. tot rechter verkozen. Hij was de vader
+van Erisychthon, Agraulus, Herse en Pandrosus. Als mythisch wezen
+wordt hij soms voorgesteld als half mensch, half draak (geminus,
+diphyes), lateren daarentegen maakten van hem een Aegyptenaar, die
+uit Sais eene volkplanting naar Attica gebracht zou hebben.
+
+Cecryphalea, Kekryphaleia, eilandje in de Saronische golf, tot
+Argolis behoorende.
+
+Cedalio, Kedalion, dienaar van Hephaestus.
+
+Cedides, Kedeides = Cecides.
+
+Cedreae, Kedreai, of Kedreiai, stad in Caria aan de Ceramische golf.
+
+Cedrus, kedros, 1) de cederboom.--2) de olie of harst, die uit
+cederhout werd getrokken door het bij het vuur te leggen. Met deze
+cederolie wreef men de buitenbladen der boekrollen in, om ze te
+vrijwaren tegen mot.
+
+Celaenae, Kelainai, bloeiende stad in het Z. van Groot Phrygia,
+aan de bronnen van den Maeander en den Marsyas. In Xenophons tijd
+was er een paleis van den perzischen koning, een van den satraap en
+een jachtpark. Hier behoort de mythe van Marsyas te huis.
+
+Celaeno, Kelaino, eene van de Harpyiën.
+
+Celeia, aanzienlijke rom. kolonie in Noricum, tusschen den Dravus
+(Drau) en den Savus (Sau).
+
+Celelates, ligurisch volk ten Z. van den Padus (Po).
+
+Celeres, oudste naam der ruiterij bij het rom. leger, volgens het
+verhaal ten getale van 300 door Romulus ingesteld. Ze werden aangevoerd
+door 3 tribuni celerum. Z. verder equites.
+
+Celetrum, Keletron, stad in het macedonische landschap Orestis.
+
+Celeüs, Keleos, koning van Eleusis, die Demeter gastvrij ontving toen
+zij hare dochter daar kwam zoeken; hij was haar eerste priester te
+Eleusis en genoot zelf na zijn dood goddelijke eer. Hij was de vader
+van Demophon en Triptolemus.
+
+Cella. Onder dezen naam verstaat men vooreerst allerlei soorten van
+kelders en bergplaatsen (cella frumentaria, olearia, vinaria). In de
+tweede plaats zijn cellae kleine, meest gewelfde, kamertjes of cellen,
+die tot slaapvertrekjes dienden voor de slaven, in herbergen ook voor
+reizigers, enz.; zij hadden geen andere opening dan den ingang. Ten
+derde komen de badkamers in de huizen enkele malen onder den naam cella
+voor, b.v. cella caldaria = caldarium, enz. Ten vierde is cella het
+inwendige van een tempel, het tempelruim, waar het beeld der godheid
+stond.--Onder frumentum in cellam verstaat men het koren, dat de
+stadhouder voor zich en zijn gevolg noodig had en dat de landbouwers
+hem tegen een vastgestelden prijs in magazijn moesten leveren.
+
+Celox, keles, keletion, snelvarend schip met eene sterke bemanning
+roeiers en daarom ook zeer geschikt voor zeeroof.
+
+Celsus, 1) Celsus Albinovanus, lierdichter en vriend van Horatius.--2)
+A. Cornelius Celsus, geneesheer onder de eerste keizers, was de
+schrijver van eene encyclopaedie de artibus in 20 boeken, waarvan
+nog 8 de medicina bestaan.--3) P. Iuventius Celsus, vader en zoon,
+waren beroemde rechtsgeleerden onder Vespasianus en Hadrianus.--4)
+Celsus, schrijver van den alethes logos (± 180 n. C.) de eerste,
+zeer belangrijke, bestrijding in het Grieksch van het Christendom. De
+tekst is grootendeels bewaard gebleven door het geschrift van Origenes,
+waarin hij Celsus wederlegt (248 n. C.).
+
+Celtae, Keltoi, machtige volksstam, die in ouden tijd het grootste
+gedeelte van Midden-Europa bewoonde. Vooral woonden zij onder den naam
+van Galli, Galatai, in Gallia. De Kelten of Galliërs schijnen echter
+zeer treklustig geweest te zijn; er worden verscheidene zwerftochten
+van hen vermeld. Men vond er in Hispania, in Britannia, in Cisalpina,
+in Macedonia, in Asia (waar zij genoodzaakt werden in het naar hen
+genoemde landschap Galatia vaste woonplaatsen te kiezen). De groote
+volksverhuizing drong hen naar de kuststreken. Zij waren forsche en
+gespierde menschen, blond of rossig van haar. De tegenw. bevolking van
+Wales, de Hooglanden van Schotland, Ierland, Bretagne en de baskische
+gewesten is nog grootendeels van keltischen oorsprong. Bij grieksche
+schrijvers staat Keltoi vaak voor Germani, tegenover Galatai = Galli.
+
+Celtiberi, Keltiberes, dapper en vrijheidslievend volk, half van
+keltischen, half van iberischen stam, in Hispania, op de waterscheiding
+tusschen den Oceaan en de Middellandsche zee. Eerst steunden zij de
+Romeinen in den strijd tegen de Carthagers; vervolgens verweerden
+zij zich dapper tegen Rome, tot met den dood van Sertorius in 72
+hunne kracht gebroken was. Numantia (bellum Numantinum 143-133)
+was een hunner steden.
+
+Cena, zie Coena.
+
+Cenabum of Genabum, het tgw. Orléans, z. Aureliani civitas.
+
+Cenaculum, de bovenverdieping van het huis, oorspronkelijk voor den
+maaltijd gebruikt, zie Coena.
+
+Cenaeum, Kenaion akron, kaap op Euboea tegenover de Thermopylae,
+met een tempel van Zeus.
+
+Cenchreae, Kenchreai, een der drie havens van Corinthus, aan de
+Saronische golf.
+
+Cenomani, Kenomanoi, keltische volksstam, die zich in de vijfde eeuw
+in Cisalpina vestigde in de omstreken van Mantua en Verona. Een ander
+gedeelte van den stam woonde in Gallia Lugdunensis, ten Noorden van
+de Loire, zie Aulerci.
+
+Cenotaphium, Kenotaphion, ook wel tumulus honorarius of inanis,
+grafheuvel of graftombe zonder lijk, ter eere van iemand, wiens lijk
+men niet had kunnen vinden of die elders was begraven.
+
+Censor. Vóór 445 werd de census te Rome door de consuls gehouden,
+waarbij dan het lot besliste, wie van beiden na afloop daarvan het
+plechtige reinigingsoffer of lustrum houden zou. Toen nu evenwel
+in 445 ten gevolge van het canuleïsche wetsontwerp (zie Canuleia
+(lex)) besloten werd, aan den drang der plebejers om aandeel in
+het consulaat tijdelijk te gemoet te komen door de verkiezing van
+tribuni militum consulari potestate, zonder onderscheid van stand
+promiscue e patribus et plebe, wierpen de patriciërs het bezwaar op,
+dat wellicht het lot een plebejer tot het houden van het lustrum
+zou aanwijzen, en wisten hierdoor de instelling van een nieuw
+patricisch ambt, dat der censoren, te verkrijgen. Waarschijnlijker
+is het dat de instelling der censuur noodzakelijk was geworden
+wegens de steeds vermeerderende ambtsbezigheden der consuls, die
+dit werk in één jaar niet konden voltooien, en dus het lustrum
+condere aan hun opvolgers moesten overlaten. Misschien ook is de
+censuur eerst toen ingesteld, en dateert de klassenindeeling van
+Servius Tullius eerst van dezen tijd. De eerste censoren (443) waren
+L. Papirius Mugillanus en L. Sempronius Atratinus. Eerst in 351
+komt C. Marcius Rutilus als de eerste plebejische censor voor. In
+339 bepaalde de lex Publilia van den dictator Q. Publilius Philo,
+dat één der censoren uit de plebs moest worden gekozen, waarna
+in 131 voor de eerste maal twee plebejische censoren voorkomen,
+Q. Caecilius Metellus Macedonicus en Q. Pompeius. Oorspronkelijk was
+de duur van het censorsambt vijf jaar; doch reeds in 434 werd het
+door de lex Aemilia van den dictator Mam. Aemilius Mamercinus tot
+1 1/2 jaar beperkt, zoodat de staat dan 3 1/2 jaar zonder censoren
+was. Waarschijnlijker is het echter dat deze wet den oorspronkelijk
+éénjarigen ambtstijd, wegens de vele werkzaamheden aan den census
+verbonden, tot anderhalf jaar verlengde. Meestal koos men tot deze
+waardigheid oud-consuls. Onmiddellijk na de verkiezing, die plaats had
+in comitiis centuriatis, aanvaardden de censoren hun ambt, maar hadden
+voor het uitoefenen daarvan behalve de gewone rechten der potestas
+nog een bijzondere bevoegdheid noodig, de censoria potestas, die hun
+door een lex centuriata de censoria potestate werd verleend. Tot de
+werkzaamheden der censoren behoorde in de eerste plaats het houden
+van den census (z. a.) met het daaraan verbonden lustrum (z. a.),
+vervolgens het opmaken der senatorenlijst voor de eerstvolgende vijf
+jaar, waarbij zij degenen, die door hen onwaardig werden geacht,
+uit den senaat konden verwijderen. In de derde plaats behoorde er toe
+de verpachting van tollen en andere indirecte belastingen (vectigalia
+publica fruenda locare of vendere), de aanbesteding van openbare werken
+(opera locare), en de regeling der door elken burger te betalen
+belasting. Het meest gevreesd waren de censoren om hun toezicht
+op de zeden, regimen morum. Dikwijls trokken zij streng te velde
+tegen al wat naar weelde of overdaad zweemde. Zij konden den burgers
+hun stemrecht ontnemen (zie aerarii), ridders van de ridderlijsten
+schrappen (zie equites). Zulk eene vernedering en openbare berisping
+heette nota of animadversio censoria en de daaruit voortvloeiende
+schande was ignominia. Sulla, die den senaat onafhankelijk van
+alle ander gezag wilde maken, hief de censuur op, doch toen kwam de
+schandelijke omkoopbaarheid van tal van senatoren zóó sterk aan het
+licht, dat men de censuur terug verlangde. In 70 werd zij hersteld,
+doch de tijden waren er niet meer naar, om het zedenmeesterschap uit te
+oefenen. De volkstribuun P. Clodius Pulcher bewerkte in 58 door eene
+wet, dat de censoren niemand meer uit den senaat mochten stooten,
+die niet formeel door hen was aangeklaagd en door beiden schuldig
+bevonden was. Onder Augustus werden nog éénmaal censoren gekozen en
+vervolgens ging de censoria potestas op den princeps over.
+
+Censorinus, familienaam in de gens Marcia, z. Marcii no. 8-10.
+
+Censorinus, rom. taalgeleerde van omstreeks 240 na C., van wien nog
+een werk de die natali bestaat, waarin hij vooral over den invloed van
+sterren en geesten op 's menschen geboorte en levenslot handelt. Het
+werk berust op goede bronnen.
+
+Census. Bij den census moest ieder burger zich bij de censoren
+aangeven, die hiertoe in de villa publica op den Campus Martius zitting
+hielden. Bij deze aangifte gaf men onder eede (ex animi sententia) zijn
+eigen naam, dien van zijn vader, zijn vrouw en kinderen, zijn ouderdom
+en vermogen op, en hiernaar werd men in de classis ingeschreven,
+waartoe men behoorde. Ten opzichte van het vermogen moeten wij hier
+aanstippen, dat de censoren alleen datgene belastbaar achtten, wat men
+ex iure Quiritium bezat; de ager publicus die slechts in possessione
+was, en het grondbezit in de provinciën werd niet ingeschreven. Wie
+verzuimde zich als burger aan te geven, was incensus; de straf was
+verlies der vrijheid, dus capitis deminutio maxima. Nadat de aangiften
+waren afgeloopen, moesten de scribae der censoren de verschillende
+burgerlijsten opmaken: 1º. de lijsten van de leden der tribus, met een
+lijst der aerarii (z. a.) als aanhangsel. 2º. de lijsten van de leden
+der centuriae. 3º. de lijsten der belastingplichtigen, z. hieromtrent
+tributum, orbi et orbae en tribuni aerarii en verder: aerarii. 4º. de
+lijsten der dienstplichtigen uit de klassen, mannen van 17 tot 46 jaar,
+tabulae iuniorum, die elk jaar werden bijgewerkt. Wegens verwaarloozing
+van huiselijke en zedelijke plichten konden de censoren de burgers
+straffen door hen uit eene tribus rustica in eene tribus urbana over te
+brengen of wel hen tot aerarii (z. a.) te maken. Met den census ging
+ook de lectio senatus voor het volgend vijfjarig tijdperk gepaard, en
+de herziening der ridderlijsten, recognitio equitum, zie equites. Een
+plechtig offer (zie lustrum) besloot den census.
+
+Centauri, Kentauroi, een woest ruitervolk, dat in de bergen van
+Thessalië woonde, en door de Lapithen deels uitgeroeid, deels naar
+de grenzen van Epirus verjaagd werd. Later stelde men zich voor dat
+zij half menschen, half paarden waren (Hippocentauri), en dat zij
+afstamden van Centaurus, den zoon van Ixion (z. a.) en eene wolk. Hun
+strijd met de Lapithen, die met de volkomen nederlaag der Centauren
+eindigde, was ontstaan doordat zij, als gasten op de bruiloft van
+Pirithoüs, zich aan de bruid durfden vergrijpen.--Ook in Arcadië
+woonden Centauren, die door Heracles gedood of verjaagd werden,
+omdat zij hem een vat wijn wilden ontnemen, dat Bacchus voor hem
+bestemd had. Zie ook Pholus en Chiron.
+
+Centimani, Ekatoncheires, drie reuzen met honderd armen, Aegaeon,
+Cottus en Gyes, zonen van Uranus en Gaea. Door hun vader in den
+Tartarus opgesloten, werden zij door Zeus verlost om hem in den
+strijd tegen de Titanen te helpen, en brachten zij veel bij tot zijne
+overwinning. De overwonnen Titanen werden nu in hun plaats naar den
+Tartarus verbannen en onder hunne bewaking gesteld.
+
+Centrites, Kentrites, zijtak van den Tigris en grensrivier tusschen
+Armenia en het land der Carduchen.
+
+Centrones, min juiste lezing voor Ceutrones.
+
+Centumcellae, thans Cività Vecchia, havenstad in Zuid-Etruria, waar
+Traianus eene villa had.
+
+Centum gradus, een van de opgangen naar het Capitolium, aan de
+Zuidwestzijde, dicht bij de Tarpejische rots.
+
+Centumviri, een rechterlijk collegie, dat ongeveer in het midden
+van de 2de eeuw te Rome is ingesteld, dat uit vaste leden bestond
+en recht sprak in processen over quiritarischen eigendom, vooral
+in erfeniskwestiën. De leden, 105 in getal, 3 uit elke tribus,
+werden waarschijnlijk oudtijds door den praetor urbanus gekozen,
+later, toen het getal tot 180 steeg, uit een album door loting
+aangewezen, en spraken recht in naam van het volk. Zij waren in
+decuriën verdeeld. Voorzitters waren de praetor urbanus, later
+oud-quaestoren en sedert Augustus de decemviri stlitibus iudicandis.
+
+Centuria. In de eerste plaats zijn centuriae de onderafdeelingen,
+waarin de verschillende klassen der burgers, met het oog op de
+legerindeeling, verdeeld waren volgens de regeling, die op naam
+van koning Servius Tullius staat. Uit de rijksten der eerste of
+hoogste klasse werden 18 centuriën ridders gekozen, elke van 100
+man. Hiertoe werd sedert de censuur van App. Claudius (312) een in
+den census aangegeven vermogen van 400000 as gevorderd. De overige
+burgers der eerste klasse met een vermogen van ten minste 100000
+as, waren in 80 centuriën verdeeld en wel 40 centuriae iuniorum
+(onder 45 jaar) en 40 centuriae seniorum (boven 45 jaar). De tweede
+klasse (75000-100000 as) telde 10 centuriae iuniorum en 10 centuriae
+seniorum, evenzoo de derde klasse (minimum 50000 as) en de vierde
+(25000 as). De vijfde klasse daarentegen (12500 as) telde 2 × 15
+centuriën. Vroeger werd de census naar den grondeigendom bepaald, en
+werd men bij een eigendom van minstens 20 iugera in de eerste klasse
+geplaatst, bij een van 15 iugera in de tweede, bij 10 in de derde,
+bij 5 in de vierde en bij 2 in de vijfde klasse. Verder waren er
+twee centuriën van werklieden, n.l. ééne uit timmerlieden en ééne
+uit smeden bestaande (fabri tignarii et aerarii), alsmede ééne van
+hoornblazers, cornicines, en ééne van bazuinblazers, tubicines,
+en ten slotte ééne C. accensi velati (zie accensus no. 2). Omtrent
+de toepassing dezer indeeling van het volk op de uitoefening van het
+stemrecht zie Comitia. Men denke zich elke centurie als eene compagnie
+onder aanvoering van een centurio. De tweede klasse was minder volledig
+gewapend dan de eerste, de derde minder dan de tweede, enz. De capite
+censi waren vrij van belasting en van krijgsdienst, daar men meende,
+dat de verdediging van den staat moest rusten op hen, die werkelijk
+iets te verliezen hadden en dus het meeste belang hadden bij rust
+en veiligheid. De rijksten droegen de zwaarste lasten, doch hadden
+ook de meeste rechten. De eerste klasse telde, met de ridders mede,
+98 van de 193 centuriën en bracht dus 98 van de 193 stemmen uit. De
+iuniores waren beschikbaar voor den dienst te velde, de seniores voor
+de verdediging der stad. Zie verder comitia centuriata.
+
+Allengs evenwel liet men voor het leger deze indeeling varen, en werden
+de soldaten onderscheiden in hastati, principes en triarii. Ten tijde
+van Polybius was de normale sterkte van een legioen als volgt:
+
+
+1200 hastati, flos iuvenum pubescentium,
+1200 principes, robustior aetas,
+600 triarii, veteranus miles spectatae virtutis,
+
+
+terwijl 1200 velites of lichtgewapenden bij de verschillende
+afdeelingen waren ingedeeld en dienst deden als plaatsvervangers
+der gevallenen of als ongeregelde troepen. In hen was minus roboris
+aetate factisque. Eene centurie hastati of principes bestond uit zes
+gelederen, elk van tien man, en daarachter twee gelederen velites. Eene
+centurie triarii bestond uit drie gelederen triarii, dus 30 man,
+met twee gelederen velites. Aan het hoofd van elke centurie stond
+een centurio.
+
+Centurio, hoofdman eener centurie. Twee centuriae in het leger vormden
+één manipulus: de aanvoerder der eerste centurie van elken manipel
+was centurio prior, die der tweede centurio posterior. De prior stond
+boven den posterior. De rangorde der centuriones van het legioen was de
+volgende. Eerst kwamen de 20 centuriones der triarii of pilani, en wel
+zóó, dat de beide centuriones van den eersten manipel hooger in rang
+waren dan die van den tweeden, deze weer hooger dan die van den derden,
+enz. Op dezelfde wijze volgden dan de 20 aanvoerders der principes en
+daarna de 20 der hastati. De laagste in rang was derhalve de centurio
+posterior van den tienden manipel der hastati; de hoogste was de
+centurio prior van den eersten manipel der pilani. Deze werd primus
+pilus of primipilus genoemd. Tijdens Caesar echter was het legioen in
+10 cohorten verdeeld, elk uit één manipel van elke soort bestaande. In
+iedere cohorte was de rangorde deze: pilanus prior, p. posterior,
+princeps prior, pr. posterior, hastatus prior, h. posterior. De zes
+centuriones der eerste cohorte stonden boven die der tweede, enz. Als
+teeken van zijn rang had de centurio een wijngaardstok (vitis), dien
+hij soms zeer onzacht wist te gebruiken. Het zwaard droeg hij links,
+terwijl de soldaten het rechts droegen.
+
+Centuripae, ta Kentoripa, oude stad op Sicilia aan den Symaethus nabij
+den Aetna. De burgers van Centuripae waren onder de rom. heerschappij
+de eenige Sicilianen, die recht van grondbezit over het geheele
+eiland hadden.
+
+Ceos, Keos, eiland der Cycladen, niet ver van de Z.O.-punt van Attia,
+geboorteplaats der lierdichters Bacchylides en Simonides. Zelfmoord
+op zestigjarigen leeftijd was, naar men vertelt, oudtijds hier in
+zwang. Van de vier steden was Iulis de voornaamste.
+
+Cephallenia, Kephallenia, bij Hom. ook Same of Samus genoemd
+en destijds afhankelijk van Ithaca, het grootste der Ionische
+eilanden. Van de vier steden was Same de voornaamste. In het begin
+van den peloponnesischen oorlog sloot het zich bij Athene aan.
+
+Cephaloedis of -dium, Kephaloidis, -oidion, stad op de N.-kust van
+Sicilia, tusschen Himera en Halaesa.
+
+Cephalus, Kephalos, 1) zoon van Hermes en Herse of van Deïon
+en Diomede, gehuwd met Procris, dochter van Erechtheus. Hij werd,
+toen hij op jacht was, door Eos geschaakt, maar zijn onweerstaanbaar
+verlangen naar zijne echtgenoote maakte, dat hij zich met de liefde
+der godin niet gelukkig gevoelde. Zij liet hem dan ook gaan, maar
+eerst nadat zij hem wantrouwen tegen Procris had ingeboezemd. Daarom
+besloot hij vermomd naar zijne woning terug te keeren en zijne gemalin
+te beproeven, en ofschoon hij haar eerst nauwelijks konde naderen en
+zij zeer lang aan zijne verleidelijke aanbiedingen weerstand bood, was
+zij op het punt toe te geven, toen hij zich bekend maakte. Beschaamd
+vluchtte zij naar Creta, waar zij van Artemis of Minos een onfeilbare
+werpspies ten geschenke kreeg en een jachthond, wien niets ontloopen
+konde. Als jong meisje kwam zij nu bij Ceph. terug, die haar uit
+begeerte naar de genoemde geschenken zijne liefde beloofde, waarop zij
+zich op haar beurt bekend maakte. Hierop volgde een verzoening. Maar
+door jaloerschheid gedreven, volgde Procris eens haar echtgenoot
+heimelijk toen hij ter jacht ging, en bij deze gelegenheid werd zij
+door Ceph. zelf, die tusschen het geboomte een wild dier meende te
+hooren, met de onfeilbare werpspies gedood. Hij werd daarom door
+den Areopagus verbannen en hielp later Amphitryo in zijn oorlog
+tegen de Taphiërs, waarvoor hij het eiland Cephallenia tot belooning
+ontving.--2) van Syracuse, een rijk en beschaafd man, die zich in 447
+op raad van Pericles, zijn gastvriend, te Athene vestigde, vader van
+den redenaar Lysias.
+
+Cepheis, Kepheis, Andromeda, dochter van Cepheus.
+
+Cepheus, Kepheus, 1) zoon van Belus en Anchinoë, koning van Aethiopië,
+vader van Andromeda, werd met zijne vrouw en dochter onder de
+sterren verplaatst.--2) Arcadiër, zoon van Lycurgus, nam deel aan de
+calydonische jacht.--3) van Tegea, zoon van Aleüs en Neaera, een van
+de Argonauten.
+
+Cephisodotus, Kephisodotos, 1) Athener, werd in 359 met eene vloot
+naar Thracië gezonden, waar hij zich door Charidemus liet overhalen
+tot het sluiten van een zoo schandelijken vrede, dat hij bijna ter
+dood veroordeeld werd; hij werd echter afgezet en voor vijf talenten
+beboet.--2) atheensch beeldhouwer, vader van Praxiteles, van wien
+nog een beeld, Vrede en Rijkdom, bestaat.
+
+Cephis(s)us, Kephisos, ook wel Kephissos, naam van verscheidene
+rivieren, o. a. 1) in Phocis en Boeotia. Naar deze rivier, die in het
+meer Copaïs uitloopt, heet dit laatste bij Homerus ook Kephisis. De
+riviergod van dit stroompje was de vader van Narcissus.--2) riv. in
+Attica, die aan de Westzijde langs Athenae vloeide.--3) rivier in
+Argolis, die van links in den Inachus uitstroomt.
+
+Cephren, = Chephren.
+
+Cera, keros, was, werd door de ouden tot verschillende doeleinden
+gebruikt. Men bestreek er de houten schrijfplankjes mede, waarop
+men dan met een stalen schrijfstift of stilus schreef (tabulae
+ceratae). Soms waren eenige van zulke plankjes tot een boekje
+vereenigd, zooals bij ons wel met leitjes het geval is; zulk een
+boekje heette cerae; cera prima, secunda, enz. beteekende dan de
+eerste, tweede bladzijde. Voor geschriften, die bewaard moesten
+worden, om zoo noodig in rechten tot bewijsstuk te kunnen dienen,
+had men tafeltjes, welker inrichting uit nevenstaande afbeelding
+blijkt. Het eigenlijke stuk staat op de binnenzijde van het eerste
+en tweede tafeltje, deze twee zijn dichtgebonden met een touw, dat
+door een opzettelijk daarvoor gemaakte gleuf loopt, en dat bevestigd
+is door de zegels van getuigen, wier namen naast hun zegel geschreven
+zijn. Z. de afb. op blz. 162. Op de binnenzijde van het derde tafeltje
+staat een korte opgave van den inhoud van het document.--Ook werd het
+was gebezigd tot boetseeren, vooral voor de borstbeelden (of liever
+maskers) van beroemde voorzaten, imagines maiorum.--Ook schilderde
+men met wasverven, die vervolgens werden ingebrand, welke bewerking
+encaustiek heet, enkaustike, (z. encaustica).
+
+Ceramicus, Kerameikos = pottenbakkersmarkt, plein en fraaie voorstad
+van Athenae, gedeeltelijk buiten, gedeeltelijk binnen den muur
+gelegen. In het buitengedeelte werden zij, die in den strijd gevallen
+waren, van staatswege begraven.
+
+Ceramus, Keramos, stad in Caria, aan de golf, die naar haar sinus
+Ceramicus wordt genoemd.
+
+Cerasus, Kerasous = het kersenrijke, de kersenstad, op de kust van
+Pontus, een kolonie van Sinope, vanwaar L. Licinius Lucullus in 74 de
+eerste kersen naar Rome overbracht. Een ander Cerasus, meer westelijk
+gelegen, is later verdoopt in Pharnacia (z. a.).
+
+Ceraunii montes, Keraunia ore, gebergte op de kust van Epirus,
+berucht door de vele onweders (keraunos). Zie ook Acroceraunia.
+
+Cerberus, Kerberos, zoon van Typhon en Echidna, een hond met drie,
+vijftig of honderd koppen, slangen in plaats van haren, en een staart
+met een drakekop. Hij hield verblijf in een hol aan gene zijde van
+de Styx en zorgde dat niemand de onderwereld verlaten konde; daarom
+moesten zij, die levend in de onderwereld afdaalden, dit monster
+bedwingen om zich den terugtocht te verzekeren. Orpheus deed hem door
+de tonen zijner lier in slaap vallen. Het laatste der twaalf werken
+van Heracles was dat hij den Cerberus naar de bovenwereld bracht,
+wat des te moeilijker was, daar hij van Pluto slechts verlof er toe
+gekregen had op die voorwaarde, dat hij hem ongewapend zoude vangen.
+
+Cercasorum, Kerkasoron, stad aan den Nijl, juist waar deze zich in
+verschillende armen begint te splitsen.
+
+Cercina, Kerkina of Kerkinna, twee door eene brug verbonden eilandjes
+met gelijknamige havenstad op de kust van Africa, in de kleine
+Syrte. Het kleinste eilandje wordt ook Cercinitis genoemd.
+
+Cercine, Kerkine, gebergte in Macedonia tusschen den Axius (Vardar)
+en den Strymon (Karasu). Ook een meer, waardoor de Strymon loopt.
+
+Cercinium, Kerkinion, sterkte in Thessalia aan het meer Boebeis.
+
+Cercius = Circius.
+
+Cercopes, Kerkopes, een soort kabouters, die bij de Thermopylae,
+op Euboea of in Lydië woonden. Zij ontstalen Heracles zijne wapenen
+en werden tot straf door hem aan een balk gebonden, maar hun berouw
+vermaakte den held zoo, dat hij hen weder losliet.--V.a. een volk
+dat het eiland Pithecusa bewoonde. Zij beloofden Zeus hun bijstand
+tegen de Titanen, maar toen zij het daarvoor bedongen loon ontvangen
+hadden, hielden zij hun woord niet. Tot straf werden zij in apen
+veranderd.--Een plaats te Athene, waar veelal gestolen goed verkocht
+werd, heette Kerkopon agora. Cercyon, Kerkyon, zoon van Poseidon
+of Hephaestus, vader van Alope. Hij woonde bij Eleusis en dwong
+alle vreemdelingen zich met hem in het vuistgevecht te meten; de
+overwonnenen bracht hij ter dood. Eerst Theseus gelukte het hem te
+overwinnen en te dooden.
+
+Cerdiciates, volk in Liguria, ten Z. van den Padus.
+
+Cerealia, feesten den 19den April te Rome ter eere van Ceres gevierd,
+met wedrennen en tooneelvertooningen. Sedert 202 begon het feest reeds
+den 12den April en duurde tot en met den 19den. Men ging in het wit
+gekleed, zond elkander bloemkransen en noodigde elkander ten maaltijd.
+
+Cerealis, familienaam in de gens Petillia.
+
+Ceres, eene italiaansche godin van den landbouw, die samen met Tellus
+(z. a.) vereerd werd, maar later door de Romeinen geïdentificeerd
+werd met Demeter. De eeredienst van de grieksche Ceres werd te Rome
+ingevoerd en haar eerste tempel gebouwd in 493 gedurende een door
+misgewas ontstanen hongersnood, en ingewijd door den consul Sp. Cassius
+Viscellinus. In dezen tempel, waarin zij te zamen met Liber (Dionysus)
+en Libera (Core) vereerd werd (men noemde den tempel aedes Cereris
+Liberi Liberaeque) en die de aandacht trok als eerste voorbeeld van
+griekschen bouwstijl, deden grieksche vrouwen, vooral uit Neapolis,
+dienst, en alle mythen, die op Demeter betrekking hebben, werden op
+Ceres overgedragen. Vooral den roof en het terugvinden van Proserpina
+herdachten de romeinsche vrouwen met groote plechtigheid in de
+maand Augustus en keizer Claudius trachtte zelfs de eleusinische
+mysteriën naar Rome over te brengen. Haar voornaamste feest bleef
+echter de Cerealia (z. a.). Ceres werd vooral als eene godin der
+plebejers beschouwd; haar tempel, waarin het plebejisch archief en
+afschriften van wetten en senaatsbesluiten bewaard werden, stond in
+een geheel plebejisch gedeelte van de stad (bij den Circus Maximus
+aan den kant van den Aventinus), haar dienst stond onder toezicht
+der aediles plebeii.
+
+Cerinthus, Kerinthos, stad aan de O.-kust van Euboea, van Chalcis
+afhankelijk.
+
+Cermalus, het N.W. gedeelte van den Palatinus. Het was een onderdeel
+van het Septimontium, zie Roma.
+
+Cerretani, Kerretanoi, iberisch herdersvolk in de zuidelijke dalen
+der Pyrenaeën, in het tegenw. Cerdagne.
+
+Cersobleptes, Kersobleptes, zoon van Cotys, werd in 358 koning der
+odrysische Thraciërs. De thracische Chersonesus, die door zijn vader
+veroverd was, moest hij aan de Atheners teruggeven; in 347 ontnam
+Philippus van Macedonië hem een deel van zijn rijk, en in 342 verloor
+hij het geheel en moest hij zich aan Philippus onderwerpen.
+
+Cersus, Kersos = Carsus, Karsos.
+
+Cervi, soort van palissaden of van zoogenaamde spaansche ruiters,
+uit boomstammen of zware takken bestaande, waaraan men andere takken
+had laten zitten als het gewei van een hert.
+
+Cerynia, Keryneia, stad op de N.-kust van Cyprus.
+
+Ceryx, Keryx, zoon van Hermes en Pandrosus, stamvader van het
+atheensche priestergeslacht der Ceryces (Kerykes of Kerykidai).
+
+Cessio, overdracht van eene zaak of van een recht. Eene in iure cessio
+is eene formeele overdracht ten overstaan van den praetor. Zie ook
+bonorum cessio.
+
+Cestius, naam van een rom. geslacht. 1) de bouwer van de brug,
+pons Cestius, die de insula Tiberina met de regio Transtiberina
+verbindt.--2) C. Cestius, rom. ridder, volkstribuun en praetor,
+tegenstander van Antonius, waarschijnlijk bij de proscriptiën van 43
+omgekomen.--3) C. Cestius Epulo, de man tot wiens gedachtenis door
+eenige zijner erfgenamen de "pyramide van Cestius" werd opgericht,
+37 meter hoog, op een grondvlak van 30 meter lang en breed. Het
+gevaarte, dat in 330 dagen voltooid werd, bevat slechts eene
+kleine lijkenkamer.--4) Cestius Gallus, onder Nero stadhouder van
+Syria, had in 66 na C. met een opstand der Joden te kampen, die de
+rom. onderdrukking moede waren.
+
+Cestrine, Kestrine, landschap in Epirus tegenover Corcyra.
+
+Cestus, kestos, de geborduurde gordel van Aphrodite, die
+onwederstaanbare bekoorlijkheid gaf.
+
+Cetei, Keteioi, oude stam in Mysia aan de rivier Ceteus, die bij
+Pergamum in den Caïcus valt.
+
+Cethegus, zeer oude familie in de gens Cornelia, z. Cornelii no. 30-34.
+
+Ceto, Keto, dochter van Pontus en Gaea, gehuwd met haar broeder
+Phorcys, en bij hem moeder van de Gorgonen, de Sirenen e. a. monsters.
+
+Cetra, klein rond schild, met leder overtrokken, van spaanschen
+oorsprong, ten tijde van Caesar ook door lichtgewapende rom. troepen
+gebruikt.
+
+Ceutrones, alpenvolk in de provincia Alpes Poeninae. De weg van Italia
+naar Lugdunum liep door hun gebied.
+
+Cevenna, = Cebenna.
+
+Ceyx, Keyx, 1) koning van Trachis, bij wien Heracles gastvrij opgenomen
+werd.--2) zoon van Hesperus en Philonis, gemaal van Alcyone (z. a.).
+
+Chaboras, Chaboras, ook Aborras, rivier in Mesopotamia, ontspringt
+bij Resaïna, stroomt door Gauzanitis, neemt den Mygdonius en den
+Saocoras op, en valt bij Circesium in den Euphraat.
+
+Chabrias, Chabrias, atheensch veldheer, die het bevel voerde over
+de troepen, welke de Atheners aan Euagoras van Cyprus te hulp zonden
+(388), en later (385) aan het hoofd stond van de grieksche huurlingen
+in dienst eerst van Acoris en daarna van Nectanebis van Aegypte. Op
+verlangen der Perzen door de Atheners teruggeroepen, verijdelde
+hij (378) een inval van Agesilaus in Boeotië door goed bedachte
+en geheel nieuwe manoeuvres, waardoor hij zich vooral grooten
+roem verwierf. Nadat hij in den zeeslag bij Naxus de Spartanen
+had overwonnen (376), werd hij naar Thracië gezonden, waar hij
+vele bondgenooten voor Athene won, en beschermde hij Abdera tegen
+de aanvallen van Charidemus. Na afloop van den thebaanschen oorlog
+voerde hij nog het bevel over de vloot van Tachos van Aegypte in diens
+oorlog tegen de Perzen. Hij sneuvelde in den bondgenootenoorlog bij
+het beleg van Chius (357), toen zijn schip in de haven van de vloot
+afgesneden en bijna reeds gezonken was.
+
+Chaerea, hoofd der saamgezworenen tegen Caligula. Zie Cassii no. 15.
+
+Chaeremon, Chairemon, 1) atheensch treurspeldichter, wiens werken,
+in weerwil van hunne letterkundige waarde, wegens hunne moeilijkheid
+meer geschikt werden geacht om gelezen, dan om opgevoerd te worden. Hij
+leefde omstreeks 375.--2) stoicijnsch wijsgeer van Alexandrië, hoofd
+der bibliotheek aldaar, kwam naar Rome en werd een der opvoeders
+van Nero. Van zijne geschied- en oudheidkundige werken is slechts
+weinig over.
+
+Chaerephon, Chairephon, Athener, een van de vurigste vereerders van
+Socrates. Aan hem werd het bekende orakel gegeven, dat Socrates den
+wijsten aller menschen noemde. Ook als dichter van een treurspel
+wordt hij genoemd.
+
+Chaeronea, Chaironeia, stad in Boeotia, geboorteplaats van Plutarchus,
+bekend door een drietal overwinningen: 1) van de Boeotiërs op de
+Atheners in 447;--2) van Philippus van Macedonia op de vereenigde
+Atheners en Thebanen in 338;--3) van Sulla op Mithradates' veldheer
+Archelaus, in 86. In de 5de eeuw behoorde het tot Orchomenos, later
+werd het een zelfstandig lid van den boeotischen bond (zie Boeotia).
+
+Chalaeum, Chalaion, havenstad der Locri Ozolae aan de noordpunt van
+de Crisaeïsche golf.
+
+Chalastra, Chalastra, stad in Macedonia aan den mond van den Axius
+(Vardar).
+
+Chalce, Chalke, eilandje ten W. van Rhodus.
+
+Chalcedon, Chalkedon, megarensische kolonie op de kust van Bithynia
+tegenover het jongere Byzantium, meermalen belegerd en veroverd. In
+haar gebied lag de havenstad Chrysopolis. Het was de geboortestad
+van den wijsgeer Xenocrates en had een beroemden Apollo-tempel. Eene
+andere schrijfwijze is Calchedon, Kalchedon.
+
+Chalcidice, Chalkidike, groot schiereiland aan de macedonische kust,
+bezet met grieksche volksplantingen, vooral van de euboeïsche stad
+Chalcis (8ste eeuw). Het splitst zich in drie landtongen: Acte met
+den berg Athos, Sithonia en Pallene.
+
+Chalcidicum, chalkidikon, overdekt, van voren open voorportaal of
+portiek, waarvan het dak door zuilen werd gedragen.
+
+Chalcioecus, Chalkioikos, bijnaam van Athena te Sparta, naar haar met
+koper versierden tempel, waarin een koperen beeld van de godin stond
+en waar op de Chalcioecia (Chalkioikia) gewapende jongelingen offerden.
+
+Chalcis, Chalkis, oude hoofdstad van Euboea, aan het smalste gedeelte
+van den Euripus gelegen, en sedert 411 door eene brug met het vasteland
+van Attica verbonden. Chalcis was eenmaal een bloeiende stad, die een
+groot aantal koloniën uitzond, o.a. naar Chalcidice, Cumae in Italia,
+Naxus op Sicilia, enz. Met Eretria, dat 3 uur ten Z. van Chalcis
+ligt, heeft het gedurende een halve eeuw (± 700-± 650) strijd gevoerd
+om de oppermacht op Euboea en het bezit van de Lelantische vlakte
+(zie Lelantius Campus), die met de nederlaag van Eretria eindigde. In
+dezen strijd werd Chalcis door Samus en Corinthe, Eretria door Milete
+en Megara geholpen. In 506 leed de adel van Chalcis, de hippobotai,
+een zware nederlaag tegen het democratische Athene, en Chalcis moest
+de Lelantische vlakte aan Athene afstaan, dat er 4000 kolonisten,
+klerouchoi, heenzond, die echter in 490, bij den aanval der Perzen
+op Eretria, naar hun land terugtrokken. Sedert 506 is de bloei van
+Chalcis voorbij, zie Euboea. In den tijd der Diadochen was Chalcis
+een der sterkste plaatsen van Griekenland, meestal in de macht
+van Macedonië. De Romeinen konden het in 207 niet innemen. Bij den
+vrede in 194 werd de stad vrij. In 146 werd ze na den opstand door
+de rom. troepen geplunderd en de muren gesloopt. Chalcis was de
+geboortestad van de dichters Lycophron en Euphorion en den redenaar
+Isaeus.--Ook in Aetolia en in Syria (Ch. ad Belum ten Z. van Beroea),
+vond men eene stad Chalcis.
+
+Chaldaea, Chaldaia, het zuidelijke deel van Babylonia, later ook
+wel als algemeene naam voor het geheele land gebezigd. Zie overigens
+Babylonia en Chalybes.
+
+Chaldaïcae rationes. Zie Babylonii numeri.
+
+Chaleium, Chaleion = Chalaeum.
+
+Chalus, Chalos, riviertje in N. Syria, waaraan Beroea en Chalcis
+lagen en dat in de woestijn wegsterft.
+
+Chalybes, Chalybes, een volk van mijnwerkers in het O. van Pontus,
+onderdanen der Mossynoeci. Het Grieksche woord voor staal, chalyps,
+is aan hen ontleend. Hiervan moeten die Chalybes onderscheiden worden,
+die als een strijdhaftig en dapper volk geschilderd worden, en ook
+wel Chaldaei genoemd worden. Met de babylonische Chaldaei hebben ze
+niets te maken.
+
+Chalybon, Chalybon, stad ten N. van Damascus in Syria, tgw. Helbun. De
+stad was beroemd om haar wijn.
+
+Chamavi, Chamauoi, Chamaboi, germaansche stam, eerst aan den
+Rijn gevestigd en later aan den Visurgis (Weser). In de 4de eeuw
+n. Chr. wonen ze wederom aan den Rijn in het latere Hamaland, tusschen
+Ouden Yssel en Rijn, en behooren zij tot de Salische Franken.
+
+Chaones, Chaones, ruwe volksstam in Epirus, wier land, Chaonia,
+zich langs de kust uitstrekte, van Acroceraunia tot aan de rivier de
+Thyamis. Bij romeinsche dichters is Chaonius pater = Zeus van Dodona,
+en columbae Chaoniae = de duiven van Dodona.
+
+Chaos, Chaos, oorspronkelijk de onmetelijke ledige ruimte, die bestond
+voordat iets geschapen was; volgens lateren de vormlooze massa,
+waarin alles, wat later een afzonderlijk bestaan kreeg, verward
+dooreen lag. Chaos bracht Gaea, Tartarus en Eros, later nog Erebus
+en Nyx voort.
+
+Characene, dat gedeelte van Susiana, dat boven Spasinu (Pasinu) Charax
+(zie Charax no. 1) ligt.
+
+Charadra, Charadra, stad in het N.W. van Phocis, ten O. van Lilaea,
+aan het riviertje Charadrus, op een rots gelegen. Ook in Messenia en
+in Zuid-Epirus vond men eene stad van dezen naam.
+
+Charax, Charax (= palissade, legerkamp), naam van onderscheiden
+steden. 1) stad in Susiane aan de monding van den Tigris, door
+Alexander den Gr. gesticht en Alexandria geheeten, vervolgens verdoopt
+in Antiochia naar den syrischen koning Antiochus IV Epiphanes, en
+ten slotte Charax Spasinu (Pasinu) genoemd naar den arabischen vorst
+Spasines (Pasines), die de plaats door dammen tegen overstrooming
+beveiligde.--2) stad op Corsica.--3) stad in Media, nabij de Caspiae
+portae.
+
+Chares, Chares, 1) atheensch veldheer, die door zijne hebzucht en
+onrechtvaardigheid zoowel als door zijn gebrek aan beleid in den
+oorlog dikwijls reden tot ontevredenheid gaf, maar zich toch door
+kunstgrepen en zelfs door omkooping wist staande te houden. Toen
+hij in den bondgenootenoorlog gedurende een hevigen storm bij een
+aanval op Samus de nederlaag geleden had (356), bewerkte hij door
+valsche berichten dat zijne ambtgenooten, Iphicrates en Timotheüs,
+die den aanval afgeraden hadden, teruggeroepen en beboet werden. Toen
+hij zich echter door geldgebrek tot een grooten rooftocht tegen
+eenige perzische steden genoodzaakt zag en bovendien den oproerigen
+satraap Artabazus tegen den koning van Perzië steunde, werd hij op
+verzoek van dezen teruggeroepen. Vruchteloos trachtte hij eenige
+malen Olynthus tegen Philippus te beschermen, en Byzantium, dat
+hij eveneens tegen Philippus verdedigen zoude, weigerde zelfs hem te
+ontvangen. Waarschijnlijk sneuvelde hij in den slag bij Chaeronea.--2)
+bronsgieter uit Lindus, maker van het beroemde kolossale beeld van
+den zonnegod op Rhodus, omstreeks 290. Reeds in 222 is het beeld,
+dat ± 30 Meter hoog was, tengevolge van een aardbeving ingestort, en
+zijn de overblijfselen blijven liggen, totdat ze in den byzantijnschen
+tijd door een arabisch generaal aan een Jood verkocht zijn, die voor
+het vervoer de beschikking noodig had over 900 kameellasten.
+
+Charicles, Charikles, 1) admiraal in den peloponnesischen oorlog,
+later een van de dertig.--2) schoonzoon van Phocion, liet zich door
+Harpalus omkoopen en werd ter dood veroordeeld, doch vluchtte (319).
+
+Charidemus, Charidemos, van Oreüs op Euboea, aanvoerder van huurlingen
+in atheenschen, perzischen en thracischen dienst. Door zijne
+verraderlijke handelingen kwam hij dikwijls in moeilijkheden, toch
+werd hij in Thracië onder de regeering van zijn schoonvader Cotys en
+van Cersobleptes een man van veel invloed. Hoewel hem door de Atheners
+het burgerrecht geschonken was, was zijn politiek hun in den regel
+vijandig; niettemin wist hij sommigen zoo omtrent zijne bedoelingen
+te misleiden, dat men zelfs voorstelde hem bij eene afzonderlijke
+wet buitengewone bescherming tegen zijne vijanden toe te zeggen,
+welk voorstel echter door den tegenstand van Demosthenes en anderen
+waarschijnlijk verworpen werd (352). Tegen Philippus strijdt hij in
+351 in de Chersonesus, in 349 in Chalcidice, in 338 bij Chaeronea. Hij
+was een van de mannen wier uitlevering door Alexander na het bedwingen
+van den thebaanschen opstand geëischt werd. Toen Alexander zich op
+verzoek van het volk met zijne verbanning tevreden stelde, vluchtte
+hij naar Perzië, waar hij, wegens al te vrijmoedige afkeuring van de
+maatregelen van Darius, door dezen ter dood gebracht werd (333).
+
+Charietto, Charietton, bandiet, die eerst op eigen houtje van Trier
+uit den strijd begon tegen de in het rijk ingevallen Franken, en daarna
+door den onderkeizer (Caesar) Julianus aangeworven, door hem gebruikt
+werd in een guerilla tegen de in de Betuwe en Noord-Braband ingevallen
+Chamaven, waarbij hij den zoon van hun koning gevangen nam (358
+n. C.). Ook gebruikte Julianus hem als gids tegen de Alamannen. Als
+comes Germaniae utriusque sneuvelde hij in 365 n. C. tegen Alamannen,
+die wederom in Gallië waren ingevallen.
+
+Charilaus, Charillus, Charilaos, -leos, Charillos, nageboren zoon
+van Polydectes, neef en pupil van den wetgever Lycurgus, koning van
+Sparta. Hij voerde oorlog tegen de Argiven en Tegeaten maar werd door
+laatstgenoemden gevangen genomen en niet vrijgelaten, voor hij hun
+beloofd had hen niet weder te bestrijden.
+
+Charis, Charites, Charis, Charites, Gratiae, dochters van Zeus en
+Hera of de Oceanide Eurynome of van Helius en Aegle of van Dionysus
+en Aphrodite. Zij zijn de godinnen der bevalligheid, zonder wier
+medewerking ieder feest, ieder kunstwerk, alles wat vreugde en genot
+schenken kan, zijn rechte waarde mist. Daarom zijn zij de vriendinnen
+der Muzen, de gezellinnen van Aphrodite, Peitho, Hermes, Apollo en
+Dionysus, en worden zij dikwijls gemeenschappelijk met deze godheden in
+dezelfde tempels vereerd, hoewel zij ook op vele plaatsen eigen tempels
+hadden. Bij Homerus is Charis de gemalin van Hephaestus, de Atheners
+vereerden twee Chariten, Auxo en Hegemone, de Spartanen eveneens twee,
+Cleta en Phaënna, gewoonlijk vindt men echter drie genoemd, Euphrosyne,
+Aglaïa en Thalia. De dienst der Charites verbreidde zich uit het
+boeotische Orchomenus over geheel Griekenland; aldaar vierde men te
+harer eer een feest, de Charisia of Charitesia.--Te Athene werden
+zij met de Horen in verband gebracht en werd haar ook invloed op het
+weder toegeschreven.--In lateren tijd golden zij ook voor godinnen
+van dankbaarheid en weldoen.--Gewoonlijk worden de drie Charites met
+elkander afgebeeld, als schoone, slanke, jonge vrouwen, somtijds met
+muziekinstrumenten, dobbelsteenen, rozen en mirten als attributen.
+
+Charisius (Flavius Sosipater), taalgeleerde uit Campania, schrijver
+van een werk, getiteld ars grammatica in vijf boeken, waarvan nog
+gedeelten van het 1ste, 4de en 5de boek overig zijn. Hij leefde
+waarschijnlijk in het midden van de vierde eeuw na C.
+
+Charistia, z. Caristia.
+
+Charito, Chariton, van Aphrodisias in Phrygië, schrijver van een
+griekschen roman in acht boeken: Chaereas en Callirrhoë (waarschijnlijk
+uit de 2de eeuw n. C.).
+
+Charmadas, Charmadas, een academisch wijsgeer, leerling van Carneades,
+omstreeks 110 leeraar der wijsbegeerte en redekunst te Athene,
+v. s. stichter der vierde academie. Cicero roemt zijne welsprekendheid
+en zijn merkwaardig geheugen.
+
+Charmande, Charmande, aanzienlijke stad in Mesopotamia aan den
+rechteroever van den Euphraat.
+
+Charmides, Charmides, oom van Plato, sneuvelde in het voorjaar van
+403 in een gevecht tegen Thrasybulus.
+
+Charminus, Charminos, atheensch vlootvoogd in den peloponnesischen
+oorlog, leed in 411 de nederlaag in een zeegevecht tegen Astyochus
+en steunde later de oligarchische bewegingen op Samus.
+
+Charoeades, Charoiades, atheensch veldheer, ondersteunde Leontini
+met eene vloot in den oorlog tegen Syracusae, maar sneuvelde (427).
+
+Charon, Charon, 1) zoon van Erebus en Nyx, de veerman der onderwereld,
+die de schimmen der afgestorvenen van Hermes in ontvangst nam en ze
+over Styx, Cocytus en Acheron naar het rijk der dooden bracht. Tot
+betaling van het veergeld legde men den dooden een obool in den
+mond. Slechts zij werden overgezet, wier lichamen behoorlijk begraven
+of verbrand waren, zoolang dit niet geschied was, bleven zij aan de
+oevers van de Styx zwerven. Levenden moesten, indien zij overgezet
+wilden worden, een gouden tak toonen, tot bewijs dat de goden het
+veroorloofden.--Charon wordt afgebeeld als een oud, vuil en armoedig
+gekleed man.--2) van Lampsacus, logograaf in de 5de eeuw.
+
+Charondas, Charondas, beroemd wetgever te Catana op Sicilia (± 550),
+wiens veelgeprezen wetten in vele chalcidische volkplantingen van
+Sicilië en Beneden-Italië in zwang waren. Zij waren wel streng,
+doch rechtvaardig, kort en ondubbelzinnig. Niemand mocht daarin
+eene verandering voorstellen, tenzij met een strop om den hals, om
+terstond gewurgd te worden, indien het voorstel werd verworpen. Eens
+van de jacht komende, kwam hij in de volksvergadering, zonder er aan
+te denken, dat hij nog gewapend was, en toen een der burgers hem op
+de overtreding zijner eigene wetten opmerkzaam maakte, bezegelde hij
+zijne voorschriften met zijn bloed, door zich op staanden voet het
+zwaard in de borst te stooten.
+
+Charta, chartes, papier. De ouden vervaardigden dit uit het merg der
+papyrusplant. Dit merg werd met een scherp voorwerp in zeer dunne
+lagen verdeeld, die zoo breed mogelijk genomen werden. De strooken,
+die men daardoor kreeg, werden op een vochtige plaat naast elkaar
+uitgespreid, en daarover dwarsstrooken met lijm vastgeplakt. Dan
+werd het geheel geperst, en in de zon gedroogd; daarop werden de
+verschillende bladen die men zoodoende kreeg, aan elkaar verbonden
+tot een rol, en wel zóó, dat de betere bladen aan den buitenkant,
+die het meest te lijden had, kwamen te liggen. Plinius onderscheidt
+acht soorten; de fijnste heette Augustea, de daaropvolgende Liviana,
+de minste soort was charta emporeutica of pakpapier. Bovendien vindt
+men nog vermeld: charta dentata, dat met een tand (misschien een stuk
+olifantstand of ivoor) was gladgewreven en gepolijst, en charta bibula,
+een doorschijnend soort vloeipapier. Naast papyrusrollen gebruikte men
+ook perkament, en in de 3de en 4de eeuw n. C. werd in het Westen de
+papyrusrol geheel door het perkament vervangen, terwijl in het Oosten
+eerst in de 8ste eeuw het katoen- en linnenpapier (charta bombycina)
+er voor in de plaats komt.
+
+Charudes, Charoudes = Harudes.
+
+Charybdis, Charybdis, z. Scylla.
+
+Chasuarii of -ri, Chattouarioi, vermoedelijk dezelfden als
+de Chattuarii of Attuarii, een germaansch volk, eerst aan
+het Teutoburgerwoud, later aan den Beneden-Rijn en den IJsel
+woonachtig. Zij maakten later deel uit van het verbond der Franken.
+
+Chatti = Catti.
+
+Chauci, Chaukoi, onderscheiden in maiores en minores, een machtige
+germaansche stam aan de Noordzeekust tusschen de Amisia (Eems) en den
+Albis (Elbe). Drusus onderwierp ze; in 70 n. C. verbonden zij zich met
+de Batavieren onder Claudius Civilis. Later gaan ze op in de Saxones
+(z. a.).
+
+Cheironomia, de beweging der handen, in het algemeen de mimische
+beweging van het lichaam volgens vaste regels bij het dansen; ook
+een soort spiegelgevecht.
+
+Cheirotonia, het opsteken der handen, de meest gebruikelijke wijze
+van stemmen in de grieksche volksvergaderingen. De op deze wijze
+gekozen magistraten werden cheirotonetoi (ook hairetoi) genoemd.
+
+Chelidoniae insulae, Chelidoniai nesoi = zwaluweilanden, vijf eilandjes
+tegenover kaap Chelidonium.
+
+Chelidonium promunturium, Chelidonia akra ook Promunturium Sacrum
+genoemd, kaap in Lycia, ten Z. van Phaselis, uitlooper van den Taurus.
+
+Chelonatas, Chelonatas, kaap in Elis, westelijkste punt der
+Peloponnesus, de eerste kaap ten Z. van Cyllene.
+
+Cheops, Cheops, aegyptisch koning der 4de dynastie, omstreeks 2500,
+liet de grootste pyramide bouwen.
+
+Chephren, Chephren, broeder of zoon en opvolger van Cheops, die eene
+pyramide liet bouwen, welke alleen door die van Cheops in grootte
+werd overtroffen.
+
+Chersonesus, Chersonesos, schiereiland, van chersos of cherros, vast,
+en nesos, eiland. De meest bekende zijn de volgende: 1) Ch. Thracica,
+dikwerf kortweg Chersonesus geheeten, het smalle schiereiland
+tusschen den Hellespont ten O. en den sinus Melas ten W. De hals van
+het schiereiland was door een muur van 36 stadiën lengte verdedigd
+tegen invallen van thracische stammen. Er waren vele grieksche,
+vooral atheensche koloniën, die eerst onder de Perzen, daarna onder
+de Macedoniërs, ten laatste onder de Romeinen kwamen. Onder Augustus
+was de geheele Chersonesus in het bezit van M. Vipsanius Agrippa, en
+na diens dood van Augustus.--Ook een atheensche stad op de Chersonesus
+heet Chersonesus (of Agora).--2) Ch. Taurica, thans de Krim, waaruit
+Griekenland veel koren trok. Dit schiereil. werd ook wel Ch. Scythica
+of Cimmerica geheeten. In het Z.W. in de bergen woonden de Tauri;
+in het vlakke Noorden woonden Scythen. Op kaap Parthenium lag de
+tempel van Artemis Tauropolos, waar ook menschenoffers plaats vonden
+(mythe van Iphigenia en Orestes). Ook een stad aan de Zuidwestkust
+der Chersonesus heet Chersonesus, en werd door de inwoners van
+Heraclea Taurica gesticht.--3) Ch. Caria, waarvan het westelijk deel
+Ch. Cnidia of apo Knidou, het oostelijk X. tes Bybassies heet.--4)
+Ch. Thrachea of Rhodia tegenover Rhodus.--5) Ch. magna, op de kust van
+Cyrenaïca.--6) Ch. aurea, chryse, thans Malakka, in Achter-Indië.--7)
+Ch. Cimbrica, thans Jutland.--8) landtongen: in Argolis naar het
+N. gekeerd, tegenover Aegina (hierop lag Methana); verder: van Athos,
+bij Sinope, bij Carthago, enz.
+
+Cherusci, Cherouskoi, machtig germaansch volk in den omtrek van
+het tegenw. Brunswijk, van den Albis (Elbe) tot over den Visurgis
+(Weser). Drusus sloot in 9 met hen een verbond, doch in 9 na C. vielen
+zij weder af en versloegen in het Teutoburgerwoud de legioenen van
+Quinctilius Varus. Inwendige verdeeldheden, vooral tusschen Arminius
+en diens schoonvader Segestes, verzwakten hen, evenwel hielden zij met
+de hulp van Longobarden en Semnonen den strijd vol tegen Maroboduus en
+de Marcomannen. In Tacitus' tijd (± 100 n. C.) waren ze door inwendige
+twisten zeer verzwakt.
+
+Chiliarchus, Chiliarchos, Chiliarches, aanvoerder eener chiliarchia,
+eene afdeeling van 1000 of waarschijnlijk 1024 man, 64 man breed en 16
+diep. Men vindt deze regeling bij het Macedonische leger en later bij
+de Ptolemaeën. Bij de Perzen de aanvoerder der koninklijke lijfwacht,
+de voornaamste persoon in het rijk na den koning. Het woord wordt
+ook gebruikt als vertaling van het latijnsche tribunus militum.
+
+Chilo, Cheilon, spartaansch ephoor, als type van een spartaansch
+staatsman geroemd. Hij was ephoor in 560 of 556, en is misschien
+de eerste geweest, die dit ambt bekleed heeft. Als een van de zeven
+wijzen wordt hem de spreuk gnothi sauton of telos horan makrou biou
+toegeschreven.
+
+Chimaera, Chimaira, een vuurspuwend monster, dochter van Typhon en
+Echidna, door den lycischen koning Amisodarus opgevoed, dat in Lycië
+groote verwoestingen aanrichtte en door Bellerophon met de hulp van
+Athena gedood werd. Haar lichaam was van voren dat van een leeuw,
+in het midden van een geit, van achteren van een draak; v. a. had
+zij drie koppen, namelijk die van de genoemde dieren.
+
+Chione, Chione, 1) dochter van Boreas en Orithyia, moeder van
+Eumolpus.--2) dochter van Daedalion, werd door Hermes en Apollo bemind
+en, omdat zij op hare schoonheid trotsch was, door Artemis gedood.
+
+Chionides, Chionides, 1) Eumolpus, zoon van Chione.--2) dichter der
+oude comedie, omstreeks 450.
+
+Chiridota, cheiridotos, sc. chiton, tunica met lange mouwen, eene
+dracht, welke bij de Romeinen wel goed voor vrouwen, doch ongepast
+voor mannen werd geacht. Bij barbaren komen kleederen met lange mouwen
+zeer veel voor.
+
+Chirisophus, Cheirisophos, Spartaan, streed in den slag bij Cunaxa
+onder Cyrus en was met Xenophon aanvoerder der Grieken op hun
+terugtocht.
+
+Chiron, Cheiron, zoon van Cronus en Philyra, de voortreffelijkste
+der Centauren, uitmuntend door wijsheid, rechtvaardigheid en
+kennis. Hij was door Apollo en Artemis onderwezen en werd op zijne
+beurt de leermeester en opvoeder van vele jonge helden, zooals Iason,
+Theseus, Castor en Pollux, Achilles, e. a.; zelfs Asclepius had van
+hem de geneeskunst geleerd. Toen Heracles hem bij ongeluk met een
+zijner pijlen eene ongeneeslijke wonde had toegebracht, stond hij,
+opdat de dood een einde aan de ondragelijke pijn zou kunnen maken,
+zijne onsterfelijkheid aan Prometheus af, zoodat deze tevens, volgens
+eene vroegere belofte van Zeus, van zijn lijden bevrijd werd. Chiron
+werd als boogschutter onder de sterren geplaatst.
+
+Chiton, het voornaamste kleedingstuk der Grieken, dat zoowel door
+mannen als vrouwen gedragen werd. De dorische ch. voor mannen was
+van wol, kort en zonder mouwen; de ionische van linnen, langer en met
+mouwen. Slaven en arbeiders droegen een ch. waaraan alleen voor den
+linkerarm een mouw was, (heteromaschalos, daarentegen wordt de gewone
+ch. amphimaschalos genoemd), of soms ontbrak ook deze en werden de
+twee losse slippen over den linkerschouder vastgeknoopt (exomis). De
+dorische ch. voor vrouwen was eveneens van wol, en niet zeer lang;
+de voorste en achterste helft waren eerst van onder de armen aan
+elkander vastgenaaid, terwijl de losse einden op de schouders met haken
+(peronai) werden vastgehouden; de ionische was van linnen, zeer lang,
+wijd en met wijde mouwen. De ch. werd door mannen op het bloote lichaam
+gedragen; vrouwen droegen gewoonlijk nog een onderhemd (chitonion).
+
+Chius, Chios, Chios, thans Scio, groot en machtig eiland op de
+ionisch-aziatische kust. Als oorspronkelijke bewoners worden Lelegers
+en Pelasgen genoemd; later is het gekoloniseerd van uit Boeotië
+en Euboea. In den opstand der Ioniërs tegen de Perzen leverde het
+honderd schepen. In 494 door de Perzen onderworpen, bleef het 15 jaar
+schatplichtig, viel na den slag bij Lade (479) van Perzië af, en werd
+(477) als zelfstandig lid in het atheensche zeeverbond opgenomen. In
+413 valt Chios van Athene af, en nu volgt voor het eiland een periode
+van oorlog, binnenlandschen strijd en verwoesting. Van 377-357 is het
+lid van den tweeden attischen zeebond; toen het van dezen bond was
+afgevallen, werd het weldra afhankelijk van den Cariër Mausolus. Het
+eiland leverde voortreffelijken wijn, mastik, marmer, vijgen en fijne
+porceleinaarde op. Het was de geboorteplaats van den treurspeldichter
+Ion, den geschiedschrijver Theopompus en beweerde ook het vaderland
+van Homerus te zijn. De hoofdstad aan de O.-zijde gelegen, heette
+ook Chius of Chios.
+
+Chlamys, Chlamys, een mantel, dien men vooral bij het rijden droeg,
+oorspronkelijk aan Thessaliërs en Macedoniërs eigen. De atheensche
+jongelingen kregen zulk een mantel als zij epheben werden. Hij kon
+los omgeslagen of nauwer aan het lichaam aangesloten worden, en werd
+voor aan den hals of op den rechterschouder vastgemaakt.
+
+Chloe, Chloe, bijnaam van Demeter.
+
+Chloris, Chloris, 1) godin der bloemen, gemalin van Zephyrus, door
+de Romeinen voor dezelfde godin gehouden als Flora.--2) dochter van
+Amphion en Niobe; zij en haar broeder Amyclas werden alleen door
+Apollo en Artemis gespaard (z. Niobe), maar de dood van hare broeders
+en zusters had haar zulk een schrik aangejaagd, dat men haar naam
+Meliboea in Chloris (bleeke) veranderde.--3) dochter van een anderen
+Amphion, gehuwd met Neleus.--4) dochter van Tiresias.
+
+Choaspes, Choaspes, 1) rivier in Susiane, die langs Susa stroomt,
+beroemd om haar kristalhelder water, dat de perzische koningen op hunne
+reizen in zilveren kruiken medenamen.--2) stroom in het Indusgebied,
+zijrivier van den Cophes of Cophen, die in den Indus valt, ook Choës
+genoemd.
+
+Choerades, Choirades, sc. nesoi, rotseilandjes voor de haven van
+Tarentum.
+
+Choerilus, Choirilos, 1) een der oudste atheensche treurspeldichters
+(omstreeks 524); vooral zijne satyrspelen worden geroemd.--2) van
+Samus, dichter van een historisch epos, Perseis (omstreeks 400).--3)
+van Iasus, tijdgenoot van Alexander den Gr. wiens daden hij in een
+episch gedicht verheerlijkte.
+
+Choes, de tweede dag der Anthesteria (z.a.).
+
+Chones, Chones, volk aan de kust van Zuid-Italië, tot de Oenotri
+behoorend, in de buurt van Metapontum en Siris. Daarnaar heette de
+kuststreek om de golf van Tarentum Chonia.
+
+Choragus, choregos, iemand die bij het opvoeren van tooneelstukken,
+muziek- en dansuitvoeringen, met het bezorgen en bekostigen van het
+koor belast was. De choregie was een van de kostbaarste liturgieën
+(z. Liturgia), en bij den wedijver, waarmede de choragen elkander
+trachtten te overtreffen, stegen de kosten ervan wel eens tot 5000
+drachmen. Deze kosten bestonden in de betaling en het onderhoud der
+choreuten en van den chorodidaskalos, iemand die het koor oefende en
+de repetities leidde, verder in prachtige kleederen, gouden kransen,
+enz., waarmede het koor optrad. De choragus, die den prijs won,
+richtte ter gedachtenis daaraan een klein marmeren gedenkteeken op,
+dat door een metalen drievoet gekroond werd. Zie de afbeelding bl. 103.
+
+Chorasmii, Chorasmioi, een arische volksstam, die de oase van Chiwa
+reeds vroeg in cultuur heeft gebracht, en kanalen heeft aangelegd,
+gevoed door het water van den Araxes of Oxus, om het land te
+irrigeeren, zooals we dat in Mesopotamië vinden. Het is het stamland
+van Zarathustra. Zij leverden hulptroepen aan Alexander d. G.
+
+Choraules, choraules, iemand die den zang en dans van een koor op
+de fluit begeleidt. De benaming zelf komt eerst in den romeinschen
+tijd voor.
+
+Choregia, z. Choragus.
+
+Chorizontes werden in den alexandrijnschen tijd de grammatici genoemd,
+die beweerden dat de Ilias en de Odyssee niet van denzelfden dichter
+waren.
+
+Chorus, choros, een zeker aantal personen, die bij godsdienstige
+feesten reidansen uitvoerden, welke zij door gezang afwisselden. Later
+werd dit gezang hier en daar afgebroken door alleenspraken en dialogen,
+en zoo ontstond het drama. In het eigenlijke drama neemt het koor,
+zonder zelf handelend op te treden, toch aan de handeling deel, en
+begeleidt de daden der hoofdpersonen met opmerkingen, vermaningen,
+aansporingen, troostredenen, enz., terwijl het bij zekere rustpunten
+in de handeling liederen zingt, die daarmede min of meer in verband
+staan, en dansen uitvoert. Daarmede geeft het uiting aan de gevoelens,
+die volgens den dichter het stuk bij den toeschouwer moet opwekken. Het
+koor bestond in het treurspel uit 12, later uit 15, in het blijspel uit
+24 personen. Soms zongen allen met elkander, soms bij beurten grootere
+of kleinere afdeelingen; gesproken werd slechts door den leider van
+het koor (choryphaios), of in enkele gevallen door de leiders der beide
+koorhelften (parastatai). De plaats van het koor was in de orchestra.
+
+Chremonideïsche oorlog (± 265-263), zoo genoemd naar Chremonides,
+die in dien tijd te Athene aan het hoofd van den staat stond, werd
+door Athene, Sparta, het achaeisch verbond e. a. grieksche staten
+gevoerd om de Macedoniërs uit Griekenland te verjagen. De oorlog
+eindigde, toen Athene zich na een lang beleg aan Antigonus Gonatas
+had moeten overgeven.
+
+Chrysa of -e, Chrysa, -e, stadje aan de Zuidkust van Troas, aan de
+Adramyttische golf met een tempel van Apollo Smintheus. Het plaatsje
+is vroeg verwoest.
+
+Chrysaor, Chrysaor, 1) zoon van Poseidon en Medusa, die te voorschijn
+kwam toen zijne moeder door Perseus het hoofd werd afgehouwen.--2)
+"met een gouden zwaard", bijnaam van Zeus, Apollo e. a. goden.
+
+Chrysas, Chrysas, rivier op Sicilia nabij Assorus, een zijrivier van
+den Symaethus.
+
+Chryse promunturium, Chryse cherronesos, het schiereiland Malakka.
+
+Chryseis, Chryseis dochter van Chryses, den priester van Apollo te
+Chryse. Op een strooptocht werd zij door Achilles gevangen genomen en
+bij de verdeeling van den buit aan Agamemnon gegeven. Toen haar vader
+haar wilde loskoopen, maar door Agamemnon beleedigd en weggejaagd was,
+zond Apollo tot straf de pest in het grieksche leger, die niet ophield
+voordat Chr. aan haar vader teruggegeven was (z. Briseis).
+
+Chrysippus, Chrysippos, 1) zoon van Pelops en Axioche, werd door zijne
+stiefbroeders Atreus en Thyestes vermoord.--2) van Soli of Tarsus
+(282-206), zoon van Apollonius, leerling van Cleanthes en na diens
+dood hoofd der stoicijnsche school. Hij verdedigde en bevestigde de
+leer van Zeno in een groot aantal werken, naar men wil 705, waarin
+hij echter dikwijls zichzelf herhaalde of tegensprak. Hij gold als
+het ware voor den tweeden stichter der school, getuige het woord:
+ei me gar en Chrysippos, ouk an en Stoa.
+
+Chrysogonus (C. Cornelius), vrijgelatene van Sulla, als valsche
+aanklager bekend uit Cicero's oratio pro S. Roscio Amerino.
+
+Chrysopolis, Chrysopolis, versterkte havenstad in het gebied van
+Chalcedon in Bithynia, tegenover Byzantium, thans Scutari.
+
+Chrysothemis, Chrysothemis, dochter van Agamemnon en Clytaemnestra.
+
+Chthonius, Chthonios, 1) een van de vijf Sparten, die in leven bleven
+bij het gevecht, dat zij onder elkander leverden (z. Cadmus).--2)
+Chthonios, Chthonia, is een bijnaam van godheden, die met de
+onderwereld in betrekking staan, als Hades, Demeter, Persephone
+e. a. Zeus Chthonios = Hades.
+
+Chytroi, de derde dag der Anthesteria (z. a.).
+
+Chytri, Chytroi, stad op Cyprus, dicht bij de N.-kust.
+
+Cia = Ceos.
+
+Cibalis, Cibalae, stad in Pannonia dicht bij den Donau, tusschen
+Sirmium en Mursa, waarbij Constantijn de Gr. in 314 na C. zijn zwager
+Licinius versloeg.
+
+Cibyra, Kibyra, hoofdstad van Cabalia (z. a.) of Cibyratis, 2 1/2
+uur gaans in omtrek, bloeiend door hare ijzerfabrikage. Dit Cibyra
+werd maior bijgenaamd ter onderscheiding van Cibyra minor in Pamphylia.
+
+Cicereius (C.), rom. praetor in 173, overwon de Corsen en was
+stadhouder van Sardinia en Corsica. Daar de senaat hem de eer van
+een zegetocht binnen Rome weigerde, hield hij een zegepraal op den
+Albaanschen berg.
+
+Cicero, familienaam in de gens Tullia, z. Tullii no. 3-9.
+
+Cicones, Kikones, thracische volksstam aan de kust tusschen Abdera
+en de monding van den Hebrus. Hun stad heette Ismarus. De streek is
+vroeg beroemd om den wijn, die er groeit. In hun gebied lag later de
+ionische stad Maronea, ook Orthagorea geheeten.
+
+Cidaris, kidaris, kitaris, het hooge en stijve hoofddeksel der
+perzische koningen, waaromheen een blauw met witte band liep.
+
+Cierium, Kierion, stad in Thessaliotis, vroeger Arne geheeten.
+
+Cilicia, Kilikia, landschap in het Z.O. van Asia minor, ten Z. begrensd
+door de zee en verder ingesloten door den Taurus en den Amanus. Het
+westelijke deel, bergachtig en boschrijk, werd Cil. aspera, tracheia,
+geheeten, het oostelijke vlakkere gedeelte Cil. campestris, pedias,
+ook propria. De bevolking, van syrische afkomst, week voor de
+grieksche kolonisatie naar de bergen en vormde na den val van het
+rijk der Seleuciden nog een afzonderlijk staatje in de bergstreken
+van den Amanus, onder den naam Eleutherokilikes. In de westelijke
+bergstreken woonden pisidische en isaurische stammen, als stoute
+zeeroovers berucht, totdat Pompeius in 67 en 66 den zeeroof fnuikte. De
+hoofdstad van eigenlijk Cilicië was Tarsus. Cilicia was, ook onder de
+perzische opperheerschappij, een koninkrijk, waarvan de vorsten den
+naam of titel Syennesis (misschien = edel vorst) voerden. Alexanders
+verovering maakte hieraan een einde. In 75 werd een klein hoekje in
+het W. door P. Servilius Vatia tot rom. provincie gemaakt, terwijl
+het overige later door Pompeius werd veroverd. Als rom. provincie
+heeft Cilicia in verschillende tijden zeer verschillende grenzen en
+verschillende indeelingen gehad.
+
+Ciliciae portae, bergpas in den Taurus ten N. van Tarsus, door eene
+rivier doorsneden en door kasteelen versterkt. Door dezen pas kwam
+men uit het N. Cilicia binnen. De portae Ciliciae et Syriae en de
+portae Amanides verleenden toegang uit het O.
+
+Cilix, Kilix, zoon van Agenor, die door zijn vader uitgezonden werd
+om zijne zuster Europa te zoeken; daar hij haar niet konde vinden,
+keerde hij niet naar huis terug. Het land, waar hij zich vestigde,
+werd Cilicia genoemd.
+
+Cilla, Killa, stadje in Troas met een Apollo-tempel, in de buurt
+van Antandros.
+
+Cilnii, een oud etruscisch geslacht van koninklijken bloede. Hiertoe
+behoorde C. Cilnius Maecenas (v. a. heet hij alleen C. Maecenas, en
+is Maecenas het nomen gentilicium), de vertrouwde vriend en raadsman
+van Octavianus, een voorstander van letteren en kunst en beschermer
+van dichters, vooral van Vergilius en Horatius. Tweemaal, in 36 en 31,
+droeg Octavianus gedurende zijne afwezigheid van Rome de zorg voor Rome
+en Italia aan Maecenas op. Deze was dus stadhouder, maar geheel als
+privatus, als gelastigde, daar hij nooit eenig openbaar ambt bekleed
+heeft. In deze betrekking en ook bij verschillende gelegenheden als
+onderhandelaar bewees Maecenas aan Augustus gewichtige diensten. Hij
+was het ook, die met Agrippa na den ondergang van Antonius aan
+Octavianus den raad gaf, de alleenheerschappij te behouden, en hij deed
+zulks uit volle overtuiging. Terwijl hij als schrijver of staatsman
+nooit heeft uitgeblonken, is zijn naam Maecenas als kunstbeschermer
+in wezen gebleven. Hij stierf in het jaar 8, omstreeks 60 jaar oud.
+
+Cimber, familienaam in de gens Tillia.
+
+Cimbri, Kimbroi, een volksstam van germaansche afkomst, die langs den
+Oceanus Germanicus (Noordzee) en wel grootendeels op de Chersonesus
+Cimbrica in Sleeswijk woonde. Ze behooren tot den stam der Ingaevones
+of Noordzee-Germanen. Toen door het onderloopen van een gedeelte hunner
+landerijen, hetzij ten gevolge van hooge zeevloeden, hetzij door een
+langzame daling van den bodem, het de sterk aangroeiende bevolking aan
+voedsel begon te ontbreken, trokken zij, met de germaansche Teutonen
+en de gallische Ambronen en Tiguriners verbonden, zuidwaarts en
+eischten grond in het rom. gebied, dien zij niet verkregen. In 113
+versloegen zij bij Noreia in Noricum den consul Cn. Papirius Carbo
+(Papirii no. 12), wendden zich toen naar Gallia, waar zij vreeselijke
+verwoestingen aanrichtten, doch werden door de Belgen verslagen. Hierop
+trokken zij weder zuidwaarts naar de rom. provincie, eischten opnieuw
+grondbezit en versloegen, toen de rom. senaat weigerachtig bleef,
+eerst in 109 den consul M. Junius Silanus (Junii no. 16), en in 107
+den legaat M. Aemilius Scaurus, en vernietigden in 105 bij Arausio
+(Orange) een leger van 80000 man onder den consul Cn. Mallius Maximus
+en den proconsul Q. Servilius Caepio (Servilii no. 15) bijna tot den
+laatsten man. Nu richtten zij hun tocht naar Hispania, doch werden door
+de Celtiberiërs teruggedreven. In 102 keerden zij naar Gallia terug,
+en verdeelden zich in twee groepen. De Ambronen en Teutonen wilden hun
+weg over de Zeealpen nemen, maar werden in 102 door C. Marius bij Aquae
+Sextiae (Aix in Provence) geheel verslagen. De Cimbren trokken naar
+Noricum en drongen door het dal van den Athesis (Etsch) de Po-vlakte
+binnen, doch werden in 101 op de Raudische velden bij Vercellae door
+C. Marius en Q. Lutatius Catulus vernietigd. Een gedeelte van den stam
+was in het vaderland achtergebleven, en in de 2de eeuw na Chr. woont
+er nog een afdeeling van hen in het noordelijkste gedeelte van
+Jutland. Het schiereiland en de noordpunt daarvan is naar hen benoemd.
+
+Ciminius mons en lacus, boschrijke bergrug en meer in Etruria, ten
+Z.O. van het Volsinische meer.
+
+Cimmerii, Kimmerioi, mythisch volk aan den rand van den oceaan, in het
+uiterste Westen der aarde, waar geen zonnestraal doordringt en alles
+in eeuwige nevelen is gehuld. Bij de dichters wordt de uitdrukking
+Cimmerii lacus voor de onderwereld gebezigd. De historische Cimmeriërs
+woonden in de taurische Chersonesus (de Krim) en verder langs de Palus
+Maeotis (zee v. Azow). Voor de Scythen wijkende, trokken zij naar Azië,
+drongen plunderende tot in Lydia door, vermeesterden omstreeks 650
+Sardes, maar werden toen door den lydischen koning Ardys teruggedreven.
+
+Cimolus, Kimolos, klein eiland der Cycladen, ten N. van Melos,
+met zilvererts en fijne kalkaarde, die door de vollers als creta
+fullonica gebruikt werd tot het wasschen van fijn lijnwaad (zooals
+bij ons de zeep).
+
+Cimon, Kimon, 1) zoon van Stesagoras, vader van Miltiades. Hij werd
+door Pisistratus uit Athene verjaagd, maar keerde later terug. Toen
+hij met zijne renpaarden ten derden male den eersten prijs te Olympia
+behaald had, lieten de zonen van Pisistratus hem vermoorden.--2)
+zoon van Miltiades en Hegesipyle, geb. 504. Daar zijn vader als
+schuldenaar van den staat gestorven was, miste hij eenigen tijd het
+burgerrecht, totdat de rijke Callias de schuld voor hem betaalde;
+daarvoor stond C. hem de schoone Elpinice af, die zijne halfzuster en
+tevens zijne vrouw was. Na dien tijd streed hij met veel roem tegen de
+Perzen, veroverde Eïon in Thracië en het eiland Scyrus, voegde door
+zijne dapperheid en innemend gedrag vele steden, waaronder sommige
+niet-grieksche, aan den atheenschen bond toe, versloeg de Perzen bij
+de rivier Eurymedon in Pamphylië op denzelfden dag te land en ter zee
+(468), bedwong Naxus, dat getracht had zich van den atheenschen bond
+los te maken, en bracht eindelijk de geheele Chersonesus in het bezit
+der Atheners (476-468). Door deze overwinningen had hij ook in het
+staatkundige grooten invloed gekregen, en toen Themistocles verbannen
+en Aristides gestorven was, was hij de eerste man van Athene. Hij
+wist het door te drijven, dat de bondgenooten hunne verplichting om
+schepen te leveren konden afkoopen, en dwong vele wederspannige staten
+met geweld in de atheensche symmachie te blijven. Ten gevolge van
+zijne aristocratische neigingen en van zijne vriendschap voor Sparta
+stond hij echter voortdurend bloot aan de aanvallen der volkspartij,
+en hoewel eene eerste aanklacht tegen hem zonder gevolg bleef, werd
+hij in 460, nadat een leger, dat op zijn raad in den oorlog tegen de
+Messeniërs aan de Spartanen ter hulp gezonden was, uit wantrouwen was
+teruggezonden, door het ostracismus verbannen. Hoewel zijn verzoek
+om in den slag bij Tanagra (457) mede te strijden, werd afgewezen,
+werd hij niet lang daarna uit zijne ballingschap teruggeroepen en
+in 451 bewerkte hij een vijfjarigen wapenstilstand tusschen Athene
+en Sparta. In 449 opnieuw met eene vloot van 200 schepen tegen de
+Perzen gezonden, stierf hij gedurende het beleg van Citium. De
+zoogenaamde vrede van Cimon, waarbij de koning van Perzië alle
+grieksche steden in Klein-Azië onafhankelijk verklaarde en zich
+verbond geene oorlogsschepen in de Aegaeische zee te zenden, wordt
+alleen door latere schrijvers vermeld. Deze vrede is in werkelijkheid
+door Callias gesloten (z. Callias no. 1).--Behalve Cimon's groote
+talenten als veldheer, worden ook zijne liefdadigheid en minzaamheid
+tegenover arme burgers geroemd en de mildheid, waarmede hij groote
+sommen aan de verfraaiing zijner vaderstad besteedde.
+
+Cinado, Kinadon, een Spartaan, die in het begin der regeering van
+Agesilaus eene samenzwering smeedde om de staatsregeling omver te
+werpen. Het plan werd echter verraden en de saamgezworenen werden
+ter dood gebracht.
+
+Cinara, Kinara, eilandje in de Aegaeische zee, oostwaarts van Naxos,
+beroemd om zijne artisjokken, kinarai.
+
+Cincia (lex) de donis et muneribus. Deze wet verbood aan advocaten
+geschenken aan te nemen van de rechtzoekenden. Zij was een plebisciet,
+204.
+
+Cincii. Van dit plebejische geslacht zijn slechts de Alimenti
+bekend. 1) L. Cincius Alimentus was in 210 en 209 praetor op
+Sicilia. In 208 deed hij een vruchteloozen aanval op Locri Epizephyrii
+in Bruttium. Hij werd door Hannibal krijgsgevangen gemaakt. Hij is
+de schrijver van annales in het Grieksch.--2) M. Cincius Alimentus,
+volkstribuun in 204, was de vader der lex Cincia.
+
+Cincinnatus, familienaam in de gens Quinctia, z. Quinctii no. 2-5.
+
+Cinctus Gabinus = Gabinus cinctus.
+
+Cineas, Kineas, 1) thessalisch vorst, die met 1000 ruiters de
+Pisistratiden kwam helpen, toen de Lacedaemoniërs hen uit Athene
+wilden verjagen.--2) Thessaliër, vriend en dienaar van Pyrrhus, den
+koning van Epirus, wien hij door zijn verstand en zijne welsprekendheid
+groote diensten bewees. Tevergeefs ontried hij Pyrrhus den tocht naar
+Italië, wel werd op zijn raad den Romeinen na de eerste overwinning
+van Pyrrhus vrede aangeboden. Hij ging zelf tweemaal naar Rome om te
+onderhandelen, de eerste maal na Pyrrhus' overwinning bij Ausculum
+(279), maar in weerwil van zijne welsprekendheid wees de senaat,
+die op hem den indruk maakte van eene vergadering van koningen,
+zijne voorstellen standvastig af. Hij stierf, naar het schijnt,
+gedurende den tocht van Pyrrhus naar Sicilië. Ook als schrijver van
+werken over taktiek en geschiedenis wordt hij genoemd.
+
+Cinesias, Kinesias, atheensch dithyrambendichter, omstreeks 415,
+dikwijls bespot om zijne ultra-moderne muziek.
+
+Cinga, zijrivier van den Sicoris (Segre) in Tarraconensis.
+
+Cingetorix, Galliër uit het volk der Treviri ten tijde van Caesar,
+vriend der Romeinen, die hem het bestuur over zijne onderworpen
+stamgenooten lieten. Ook naam van een vorst der Britten in denzelfden
+tijd.
+
+Cingulum, bergvesting in Picenum, in 63 door Labienus aangelegd.
+
+Cinna, familienaam in de gens Cornelia (z. Cornelii no. 39-42) en de
+gens Helvia.
+
+Cinxia, bijnaam van Juno, als godin van het huwelijk.
+
+Cinyps, gen. -phis, Kinyps, rivier op de kust van Africa tusschen
+de groote en de kleine Syrte, bij Leptis magna. De streek, waardoor
+zij stroomde, bracht zeer schoonharige geiten voort. Dichterlijk is
+cinyphius = afrikaansch.
+
+Cinyras, Kinyras, zoon van Apollo, koning van Cyprus, priester van
+Aphrodite. Bij zijne dochter Myrrha verwekte hij, zonder haar te
+kennen, den schoonen Adonis; toen hij dit ontdekte, stortte hij zich
+in zijn zwaard.
+
+Cios = Cius.
+
+Cippus, oorspronkelijk = paal. Deze naam kreeg ook een palissadeering
+onder water, door Caesar aangelegd in de grachten zijner legerplaats
+vóór Alesia. Deze versterking bestond in stukken van boomstammen,
+van boven scherp gepunt en met gekapte takken, die op den bodem
+der gracht werden neergelaten. Verder wordt het meestal gebruikt
+voor grenspaal van hout of steen, om den Tiberloop, het pomoerium,
+de waterleidingen, en de area van een graf aan te wijzen.
+
+Circe, Kirke, dochter van Helius en Perse. Zij woonde op het eiland
+Aeaea, dat zij door hare tooverkunsten in een heerlijk oord herschapen
+had, waar zij den tijd doorbracht met weven en zingen en door schoone
+nimfen bediend werd. Toen Odysseus op haar eiland landde, veranderde
+zij zijne makkers in zwijnen, hijzelf was echter door een kruid,
+dat hem door Hermes gegeven was, tegen hare toovermiddelen bestand;
+zelfs dwong hij haar, aan zijne makkers hunne oorspronkelijke gedaante
+terug te geven. Hij bleef een geheel jaar bij haar en verwekte bij
+haar drie zonen: Telegonus, den mythischen stichter van Tusculum,
+Agrius en Latinus. Toen hij eindelijk op aandringen zijner makkers
+wenschte te vertrekken, liet zij hem gaan, na hem eerst zijn verdere
+lotgevallen voorspeld te hebben. Zie Telemachus.
+
+Circeii, oude havenstad in Latium, wegens de overeenkomst van naam door
+de mythe met Circe in verband gebracht. De nabijgelegen kaap heette
+promunturium Circeium of Circeius mons. In de 5de eeuw was Circeii in
+de macht der Volscen, maar in 393 werd het heroverd, en als latijnsche
+kolonie ingericht, wat het gebleven is tot 90. Onder Circaea moenia
+bij Horatius moet men niet Circeii, maar Tusculum verstaan (z. Circe).
+
+Circesium, Kirkesion, rom. grensvesting in Mesopotamia aan de
+samenvloeiing van den Chaboras en den Euphraat. Hier was in 604 koning
+Necho van Aegypte door Nebukadnezar verslagen.
+
+Circius, Thraskias, de noordwestenwind, zie Windstreken. Circius
+of Cercius ventus, ook ventus Gallicus geheeten, is de naam van een
+wind, die met groote heftigheid in het Zuiden van Gallia Narbonensis,
+en Zuidwaarts tot aan Ostia optreedt. Het is de bekende Mistral. In
+andere streken heet hij Corus of Caurus.
+
+Circumcelliones worden sedert de helft van de 4de eeuw n. C. die
+Donatisten genoemd, die in Afrika, door den nood gedrongen, monniken
+en zwervers werden; ze zijn hevig gekant tegen andersdenkenden en
+tegen de bezittende klassen.
+
+Circus. Wedrennen behoorden tot de meest geliefde schouwspelen der
+Rom. Het renperk was eene langwerpige ruimte, aan wier begin de
+stallen (carceres) zich bevonden. Deze carceres waren in een flauwen
+boog gebouwd, zoodat de afstand tot aan het eigenlijke aanvangspunt
+van den rit voor allen gelijk was. Aan het andere eind was de circus
+afgerond. Langs de renbaan waren de zitplaatsen voor de toeschouwers,
+op dezelfde wijze als in het amphitheatrum. In de as der baan was eene
+verhevenheid, de spina, waarop dikwerf altaren, zuilen en dergelijke
+versierselen stonden. Vóór de beide uiteinden der spina stonden de
+metae of eindpalen, waarom de wagens moesten heenzwenken. Zulk eene
+meta bestond uit een steenen voetstuk met drie kegelvormige zuilen. Op
+de spina, nabij de einden, stonden twee verhevenheden; op de eene
+lagen zeven groote marmeren eieren, op de andere stonden zeven groote
+marmeren dolfijnen. Bij elken omrit (curriculum of spatium) werden een
+ei en een dolfijn afgenomen. Zeven omritten vormden een missus. Wie
+bij den zevenden omrit het eerst de krijtstreep (zie calx) bereikte,
+was overwinnaar. Bij elken wedren of missus liepen in den regel vier
+wagens (zie auriga), terwijl verscheidene missus elkander opvolgden.
+
+De circus maximus te Rome, gelegen tusschen den Palatinus en den
+Aventinus, herhaaldelijk vergroot, was ten laatste 600 Meter lang en
+150 M. breed. Hij kon toen 180,000 toeschouwers bevatten. Behalve
+dezen telde Rome binnen zijne muren nog een kleineren, den circus
+Flaminius, door C. Flaminius in 220 gesticht op den Campus Martius
+ten N.O. van den Capitolinus. De circus max. en de circus Flam. hebben
+hun naam gegeven aan de 11de en 9de der 14 regiones, waarin Augustus
+Rome verdeelde.
+
+Cirphis, Kirphis, zie Parnassus.
+
+Cirrha, zie Crissa.
+
+Cirta, Kirta, uiterst sterke stad in Numidia (Africa Nova), koninklijke
+residentie, later naar Constantijn den Gr. Constantina genaamd;
+tgw. Constantine.
+
+Cisalpina (Gallia), het noordelijk gedeelte van Italië, van de
+Alpen tot aan de riviertjes Macra en Rubico. Het was gedeeltelijk
+bevolkt door gallische stammen, die er de Etruscers en Umbriërs uit
+verdrongen. Het omvatte de landstreken Liguria, Gallia Cispadana,
+Gallia Transpadana, Venetia, Histria.
+
+Cispadana (Gallia), de oostelijke helft van Noord-Italië bezuiden
+den Padus (Po).
+
+Cispius (mons), een van de bergen van het Septimontium, zie Roma;
+hij behoorde tot de wijk Esquiliae, en was gelegen tusschen den Mons
+Oppius en den Collis Viminalis.
+
+Cisseis, Kisseis, 1) Theano, dochter van den thracischen koning
+Cisses.--2) Hecabe, dochter van Cisseus.
+
+Cissia, Kissia, oude naam voor de landstreek Susiane aan den Choaspes,
+met eene zeer heldhaftige bevolking.
+
+Cisterna, van boven gesloten vergaarbak, vooral voor regenwater;
+open vergaarbakken heeten lacus.
+
+Cistophorus, kistophoros, 1) degene, die bij sommige godsdienstige
+plechtigheden, vooral bij de mysteriën, de heilige kist droeg, waarin
+zich offergereedschappen, enz. bevonden.--2) aziatische munt ter
+waarde van 4 drachmen, die tot stempel had een half geopende kist,
+waaruit een slang te voorschijn kwam.
+
+Cithaeron, Kithairon, woest gebergte tusschen Attica, Boeotia en
+Megaris, rijk aan ongeluksmythen (Actaeon, Pentheus, Niobe's kinderen,
+Oedipus te vondeling gelegd).
+
+Cithara, kithara, kitharis, een muziekinstrument, door Amphion of
+Linus uitgevonden; het was in vorm nagenoeg gelijk aan onze gitaar
+en had oorspronkelijk 3 of 4, gewoonlijk 7, later nog meer, eindelijk
+15 snaren. Men bespeelde het met de hand of met een plectrum, terwijl
+men het op den linkerarm liet rusten.
+
+Citium, Kition, een der negen hoofdsteden van Cyprus, op de Zuidkust
+gelegen. Cimon stierf hier (449).
+
+Cius of Cios, Kios, oude koopstad aan de Z. kust van de Propontis aan
+den Cianus Sinus, kolonie van Miletus, door de Macedoniërs verwoest,
+maar door Prusias van Bithynia herbouwd en Prusias geheeten, niet te
+verwarren met het zuidelijker gelegen Prusa.
+
+Civilis (Iulius, niet Claudius), Batavier van edele afkomst, die in
+de jaren 69-70 na C. het hoofd was van den bataafschen opstand tegen
+Rome. Een oogenblik nam de opstand onrustwekkende afmetingen aan. Met
+andere germaansche stammen vereenigd, behaalden de Batavieren meer
+dan ééne overwinning en belegerden Castra Vetera (Xanten), dat zij
+ten laatste ook vermeesterden. Ook in Gallië brak een opstand uit,
+maar gebrek aan samenwerking en aan de noodige eenheid was oorzaak,
+dat de Galliër Julius Tutor en later ook Civilis door den rom. veldheer
+Cerealis verslagen werden. Het gelukte den Romeinen, de Batavieren van
+hunne bondgenooten te scheiden en naar hun eiland terug te dringen
+(z. ook Batavodurum), waarop Civilis met Cerealis een eervollen
+vrede sloot en het oude bondgenootschap der Batavieren met Rome
+werd hersteld.
+
+Civitas, burgerrecht (eigenlijk ius civitatis of ius
+Quiritium). Volgens de begrippen der oudheid had alleen de burger
+van den staat vanzelf aanspraak op de bescherming der wetten. Door
+verdragen met andere staten kon wederzijdsche bescherming worden
+verleend, doch in het algemeen beschermden de wetten den vreemdeling
+niet, tenzij een burger zich zijner aantrok en voor hem optrad. Vandaar
+de groote beteekenis van het burgerrecht in de oude tijden. Men was
+burger door geboorte of door schenking van het burgerrecht. De rechten,
+die het Rom. burgerrecht verleende, kunnen onderscheiden worden in
+iura privata en iura publica. Tot de iura privata behoorden vooral het
+conubium en het commercium; tot de iura publica in de eerste plaats het
+ius provocationis, het recht om zich van een vonnis der overheden op de
+volksvergadering te beroepen. De rom. burger was tijdens de republiek
+vrij van onteerende straffen; alleen door de volksvergadering kon hij
+tot geeseling en doodstraf worden veroordeeld. Het ius suffragii en het
+ius honorum et sacerdotiorum maakten geen noodzakelijk bestanddeel van
+het rom. burgerrecht uit. Die het hadden, waren cives optimo iure; die
+het niet hadden, heetten aerarii (z. a.). Keizer Caracalla schonk in
+212 na C. het burgerrecht aan alle vrije inwoners van het rom. rijk,
+ten einde de successierechten op rom. erfenissen door het geheele
+rijk te kunnen heffen. Zie ook capitis deminutio en politeia.
+
+Civitates. In de oudheid vindt men in hetzelfde land verschillende
+volken en stammen, soms wel door een verbond vereenigd, maar toch elk
+met hun eigen gebied en als zelfstandig geheel. Zoo vormden ook de
+grieksche volksplantingen aan de Middellandsche zee en hare bijzeeën
+afzonderlijke staatjes. De Rom. lieten dezen toestand bestaan,
+en waar zij hem niet vonden, riepen zij hem in het leven, door het
+land in civitates te versnipperen. Hoever deze versnippering ging,
+blijkt o.a. hieruit, dat op Sicilia 63 civitates bestonden, ieder
+door een verdrag aan Rome geketend, doch onderling zonder band, zonder
+conubium of commercium. (Alleen de burgers van Centuripae hadden recht
+van grondbezit over het geheele eiland). Zoo stond Rome tegenover een
+aantal kleine gebiedjes of staatjes en bleef het gemakkelijk meester,
+en dit is het, wat men onder dividere et imperare te verstaan heeft.
+
+Civitates foederatae, liberae, immunes. In het rom. gebied had men ook
+vrije steden, civitates liberae, met eigen wetten en eigen rechtspraak,
+waaraan ook de inwonende Romeinen onderworpen waren. De stadhouder der
+provincie had dáár geen gezag uit te oefenen en geen recht, zich in de
+iurisdictio dezer staatjes te mengen. Deze vrije gemeenten waren òf
+civitates liberae et foederatae, die indertijd vrijwillig een foedus
+met Rome hadden gesloten op den voet van wederzijdsche gelijkheid van
+rechten,--òf wel alleen civitates liberae, waaraan de vrijheid door
+eene wet of een senaatsbesluit was geschonken, hetzij voor betoonde
+trouw of voor vrijwillige onderwerping. Deze laatste soort was aan
+geldelijke lasten ten bate der rom. schatkist onderworpen, tenzij zij
+civitates liberae et immunes waren, waaraan alleen in buitengewone
+gevallen verplichtingen konden worden opgelegd. De uitdrukking civitas
+foederata zonder bijvoeging van libera sluit geene vrijheid in. Wanneer
+men civitates foederatae naast socii gebezigd vindt, moeten onder de
+eerste de civitates in de provinciën, onder de laatste die in Italia
+verstaan worden. Zie echter socii.
+
+Cladeus, Kladeos, beek die langs Olympia stroomend in den Alpheus valt.
+
+Clanis, riv. in Etruria, stroomt langs Clusium en valt in den Tiber.
+
+Clanius, rivier in Campania, ten Z. van den Volturnus, aan zijn
+monding ook Liternus geheeten.
+
+Clarissimi, titel der derde klasse van ambtenaren onder Constantijn.
+
+Clarus, Klaros, stadje in Ionia nabij Colophon, met een tempel en
+een orakel van Apollo Clarius.
+
+Classiarii. De zeedienst was bij de Rom. veel minder in aanzien dan
+de krijgsdienst te land. De bemanning der vloot, classiarii, socii
+navales, werd dan ook uit de armere burgers en uit de vrijgelatenen
+genomen. In later tijd wordt ook de naam classici gebruikt.
+
+Classici, de burgers, die tot de eerste klasse behoorden. Vanhier de
+uitdrukking scriptores classici, schrijvers van den eersten rang. Ook
+= classiarii.
+
+Classicum, trompet- of hoornsignaal, ook gebruikt voor het bijeenroepen
+der comitia centuriata.
+
+Classis. De rom. burgers waren naar hun vermogen in 5 classes ingedeeld
+(zie centuria). De eerste klasse werd dikwerf bij uitnemendheid classis
+geheeten; vandaar de uitdrukking infra classem voor hen, die lager
+stonden. In het oudere Latijn is classis de onder de wapenen geroepen
+manschap; vandaar classis procincta, het slagvaardige leger. Ook =
+vloot. Omtrent de geschiedenis der romeinsche marine valt het volgende
+te melden. In 426 wordt voor het eerst een zeegevecht vermeld, in
+394 gaat een oorlogsschip naar Delphi. In 338 behalen de Romeinen
+een overwinning ter zee op de Antiaten, in 311 worden de duoviri
+navales classi ornandae et reficiendae voor het eerst vermeld. In den
+eersten Punischen oorlog is de vloot zeer belangrijk. Later liet men
+ze vervallen, of liet men de bondgenooten voor schepen zorgen. Eerst
+door de troebelen van den zeerooveroorlog komt men er toe weer een
+voldoende vloot te bouwen (67), en sedert speelt die een groote
+rol in de burgeroorlogen. Augustus en de latere keizers onderhouden
+een blijvende vloot, die twee stations heeft, één te Misenum, één
+te Ravenna. Ook in de provincies had men vloten, o.a. in Egypte,
+en op den Donau en den Rijn.
+
+Clastidium, stad der Anares (Anamari) in Gallia Cispadana, nabij
+den Padus (Po) op de grens van Liguria. M. Claudius Marcellus (zie
+Marcelli no. 29) behaalde hier in 222 eene overwinning op de Galliërs
+en versloeg eigenhandig hun aanvoerder Virdomarus.
+
+Claternae, stad in Gallia Cispadana aan de Via Aemilia ten O. van
+Bononia (Bologna).
+
+Claudia (lex) van den volkstribuun Q. Claudius in 218, dat geen
+senator of senatorszoon een zeeschip mocht hebben van meer dan 300
+amphorae (76 hectoliter) inhoud. Hierdoor werd het aan de senatoren
+onmogelijk gemaakt handel te drijven. Deze maatregel heeft indirekt
+het grootgrondbezit in Italië in de hand gewerkt, daar de senatoren
+voortaan hun geld in land belegden.
+
+Claudia (lex) van den consul C. Claudius Pulcher in 177, dat de
+Latijnen, die zich te Rome ophielden, deze stad moesten verlaten en
+naar hunne eigene steden terugkeeren. De bedoeling was, de ontvolking
+der latijnsche steden te voorkomen.
+
+Claudia (lex) van keizer Claudius, een verbod om aan minderjarigen
+geld te leenen.
+
+Claudianus (Claudius), een der laatste dichters van het west-rom. rijk,
+± 400 na C., geb. te Alexandria, bezong in latijnsche verzen den lof
+en de daden van keizer Honorius en van Stilicho. Epische fragmenten,
+brieven en kleine gedichten zijn nog van hem overig. Hij schreef niet
+zonder talent en kracht.
+
+Claudii, een oorspronkelijk sabijnsch geslacht. 1) Atta Clausus
+verhuisde in 504 uit de stad Regillum, waar hij vele vijanden had,
+met zijne cliënten naar Rome, waar hij bereidwillig onder de patriciërs
+werd opgenomen en met de zijnen eene eigene tribus Claudia vormde. Te
+Rome werd zijn naam veranderd in Appius Claudius met den bijnaam
+Sabinus Inregillensis. In 495 was hij consul. Hij maakte zich gehaat
+door zijne trotschheid en hardheid jegens de plebejers en zijne
+schuldenaars. Alles wat van hem verteld wordt, is verzonnen.--2)
+App. Claudius Crassus Inregillensis Sabinus, zoon van no. 1, was
+consul in 471 en in 451, maar trad toen af, om decemvir legibus
+scribundis te worden. De verhalen omtrent zijn consulaat in 471,
+en zijn tegenwerking van de volkstribunen en de lex Publilia, zijn
+verzonnen. Ook alle verhalen omtrent het decemviraat gedurende 451-449
+zijn onhistorisch. Volgens deze verhalen zou hij na het gebeurde
+met Verginia (zie Verginii no. 6) in de gevangenis ter dood gebracht
+zijn of zich zelven het leven benomen hebben.--3) C. Claudius Sabinus,
+ook een zoon van no. 1, toonde zich bij verschillende gelegenheden den
+plebejers zeer vijandig. Alles is ook hier verzonnen.--4) App. Claudius
+Crassus of Crassinus, heftig bestrijder van de toelating der plebejers
+tot het consulaat, was in 362 dictator en stierf als consul in
+349.--5) App. Claudius Caecus, censor in 312 (v. a. 310), legde als
+zoodanig de beroemde via Appia en eene waterleiding, aqua Claudia,
+aan. Hij bleef langer dan zijn ambtgenoot in functie (zie Plautii
+no. 4) om deze bouwwerken te voltooien. Omtrent zijn verandering in
+den Herculesdienst zie men Pinarii. Overigens is deze censuur bekend
+geworden door ingrijpende wijzigingen, vooral hierdoor, dat Cl. niet
+meer uitsluitend het grondbezit, maar ook het overige vermogen als
+grondslag voor den census aannam en aan alle burgers, ook aan de
+vrijgelatenen, toestond, zich in alle tribus te laten inschrijven,
+alsmede door de willekeurige, tegen de gewoonte indruischende lectio
+senatus, waarbij zonen van vrijgelatenen, o. a. Cn. Flavius in den
+senaat werden opgenomen. Zijn geheele werkzaamheid als censor was in
+democratischen geest en gekant tegen de belangen zijner standgenooten,
+de patricii. Claudius was consul in 307 en in 296, in welk laatste jaar
+hij de Etruscers versloeg. Later werd hij blind, doch hield in 279 of
+280 in den senaat niettemin de beroemde rede, waardoor hij bewerkte
+dat de vredesvoorslagen van Pyrrhus van de hand werden gewezen.--6)
+App. Claudius Caudex streed als consul in 264 tegen de Carthagers op
+Sicilia.--7) P. Claudius Pulcher, zoon van no. 5, verloor als consul in
+249 bij Drepana een zeeslag tegen de Carthagers. De heilige hoenders,
+die ongunstige voorteekenen gaven, had hij in zee laten werpen. Hij
+werd later wegens hoogverraad aangeklaagd, en waarschijnlijk
+veroordeeld. Hij hoorde tot de radicalen, evenals zijn vader.--8)
+App. Claudius Pulcher, zoon van no. 7, nam deel aan den slag bij
+Cannae in 216 en het beleg van Syracusae in 213 en stierf aan zijne
+wonden kort na de inneming van Capua in 211, waaraan hij als consul en
+proconsul een werkzaam aandeel had. Z. Fulvii no. 4.--9) App. Claudius
+Pulcher, een zoon van no. 8, streed in 198 en 197 onder T. Quinctius
+Flamininus in den macedonischen oorlog, in 195 tegen Nabis van Sparta,
+in 191 onder M'. Acilius Glabrio in den syrischen oorlog, versloeg in
+185 als consul de ligurische Ingauni en nam later nog verschillende
+gezantschappen waar.--10) C. Claudius Pulcher, ook een zoon van no. 8,
+consul in 177, versloeg de Istriërs en Liguriërs, streed in 171 in den
+oorlog tegen Perseus en werd in 169 censor. Als zoodanig maakte hij
+zich door zijne gestrengheid gehaat. Hij werd tijdens zijn censuur
+door den tribunus plebis P. Rutilius van perduellio aangeklaagd,
+en zou veroordeeld zijn, als niet zijn ambtgenoot Tib. Sempronius
+Gracchus voor hem in de bres was gesprongen. Van hem is de lex Claudia
+de sociis Latinis.--11) Claudia Quinta, waarschijnlijk een kleindochter
+van no. 5. Toen in 204 het schip met het beeld van Cybele (zie Rhea)
+uit Pessinus te Ostia gekomen was, kon het door de droogte niet naar
+Rome opgesleept worden. De sage vertelt, dat daarop Claudia Quinta
+door aan het touw te trekken, beweging heeft gebracht in het schip,
+en zóó hare kuischheid heeft bewezen. Haar beeltenis stond later in
+den voorhof van den tempel van Cybele, en bleef bij brand tweemaal
+ongeschonden.--12) App. Claudius Pulcher, consul in 143, werd eerst
+door de Salassiërs, een alpenvolk, verslagen, doch behaalde later eene
+overwinning op hen en hield toen, trots de weigering van den senaat,
+een zegetocht binnen Rome onder bescherming zijner dochter Claudia,
+vestaalsche maagd, die op den zegewagen was gesprongen en den arm om
+haar vader sloeg. Hij was censor in 137. De als volkstribuun bekende
+Tib. Sempronius Gracchus was zijn schoonzoon. Hij was III vir agris
+iudicandis adsignandis (zie Agrariae leges), en wordt als zoodanig
+ook genoemd III vir agris dividendis colonisque deducendis. Hij
+was princeps senatus. Als redenaar wordt hij door Cicero met
+lof genoemd.--13) C. Claudius Pulcher, ook als redenaar bekend,
+tegenstander van den volkstribuun L. Appuleius Saturninus in het jaar
+100, vertoonde als aediel het eerst olifanten bij de openbare spelen
+in 99. In 95 kreeg hij als praetor de opdracht van den senaat, een
+nieuwe staatsregeling op te stellen voor de inwoners van Halaesa op
+Sicilië.--14) App. Claudius Pulcher, praetor in 89, zag in 87 in den
+burgeroorlog zijn leger tot L. Cornelius Cinna overloopen; hij werd
+in 86 verbannen, maar keerde met Sulla terug en werd consul in 79;
+later streed hij voorspoedig als pro-consul van Macedonië tegen de
+Scordisci. Hij liet zijn kinderen (no. 15-19) in armoede achter.--15)
+App. Claudius Pulcher, zoon van no. 14, diende onder zijn zwager
+L. Licinius Lucullus in den oorlog tegen Mithradates in 74-72, en
+eischte in 72 van Tigranes in Antiochia op hoogen toon de uitlevering
+van Mithradates. Griekenland (in 61) en Sardinia (56) hadden veel te
+lijden van zijne roofzucht, evenals Cilicia, waar hij in 53 proconsul
+was en in 51 door Cicero werd opgevolgd. In 54 was hij consul geweest,
+in 50 was hij censor en vervolgde in anderen de ondeugden, die hem
+zelven aankleefden, hebzucht en omkoopbaarheid. Hij was een vijand van
+Cicero, wiens terugroeping uit de ballingschap hij bestreed. Later
+haalde hij zich Caesars haat op den hals, moest in 49 Rome verlaten
+en voegde zich bij Pompeius, die hem tot stadhouder over Griekenland
+aanstelde. Hij was een goed redenaar. Hij stierf op Euboea kort na den
+slag bij Pharsalus.--16) C. Claudius Pulcher, ook een zoon van no. 14,
+propraetor van Asia in 55, werd veroordeeld wegens afpersingen, hoewel
+hij zijn aanklager omgekocht had.--17) P. Clodius (= Claudius) Pulcher,
+derde zoon van no. 14, was de bekende volkstribuun en doodsvijand van
+Cicero. Hij was een rustelooze onruststoker, die voor geene daden van
+geweld terugdeinsde. In den oorlog tegen Mithradates ruide hij ten
+bate van Pompeius de troepen van zijn zwager Lucullus op, zoodat zij
+weigerden verder te trekken. In Dec. 62 sloop hij bij gelegenheid van
+het feest der Bona Dea, dat in het huis van den pontifex maximus Caesar
+gevierd werd, en waarbij alleen vrouwen tegenwoordig mochten zijn,
+in vrouwenkleederen Caesar's woning binnen, maar werd ontdekt. Hij
+werd in 61 wegens incestus aangeklaagd, maar tengevolge van omkooping
+der rechters vrijgesproken. Van dezen tijd dateert de vijandschap
+met Cicero, die tegen hem getuigd had. In 59 bewerkte Caesar,
+die hem als werktuig tegen Cicero en de senaatspartij noodig had,
+door een lex curiata, waarbij Clodius door een plebejer als zoon
+werd aangenomen, diens overgang tot de plebs (transitio ad plebem,
+zie Comitia Curiata Calata), zoodat hij zich voor 58 tot tribunus
+plebis kon laten kiezen. Toen hij in 58 als volkstribuun Cicero in
+ballingschap had gedreven en Cato door een eervolle opdracht uit
+Rome had verwijderd (zie Clodiae leges no. 7), ontzag hij niets of
+niemand meer en oefende aan het hoofd zijner gewapende benden van
+slaven en huurlingen te Rome een waar schrikbewind uit. Hij kwam in
+52 om bij eene schermutseling tusschen zijne bende en het gevolg van
+zijn vijand T. Annius Milo op den heerweg bij Bovillae. Zie verder
+Clodiae leges.--18) Clodia maior, dochter van no. 14, was gehuwd met
+Q. Caecilius Metelles Celer, wiens dood (59) haar werd geweten. Cicero,
+dien zij haatte, wreekte zich op haar in zijne oratio pro Coelio, die
+door haar van giftmengerij was beschuldigd. Zij was de minnares van
+Q. Valerius Catullus (zie Valerii no. 38) en daarna van M. Caelius
+Rufus (Caelii no. 4).--19) Clodia minor, dochter van no. 14, was
+gehuwd met L. Licinius Lucullus.--20) C. Claudius Centho, komt in
+200 in den oorlog tegen Philippus van Macedonia als legaat voor.--21)
+App. Claudius Centho, zoon van no. 20, streed in 174 voorspoedig tegen
+de Celtiberiërs, in 170 en 169 met afwisselend geluk in Illyria.--22)
+C. Claudius Nero streed in 214 onder M. Claudius Marcellus op Sicilia,
+veroverde in 211 als pro-praetor Capua en versloeg in 207 als consul
+met zijn ambtgenoot M. Livius Salinator bij den Metaurus Hannibals
+broeder Hasdrubal, die aldaar sneuvelde. In 204 waren beide consuls
+censors. Hierbij deed zich het ergerlijke tooneel voor, dat beide
+censoren elkander van de ridderlijsten schrapten, en ook op andere
+wijze kibbelden.--23) Tib. Claudius Nero was in 202 consul met Scipio
+Africanus maior. Zijn tocht naar Africa mislukte door storm.--24)
+Tib. Claudius Nero, dien Cicero gaarne tot schoonzoon had gehad, hield
+het na Caesars dood eerst met Antonius, later met Sextus Pompeius,
+en stond vervolgens (38) aan Octavianus zijne vrouw Livia Drusilla
+af, bij wie hij twee zonen had, den lateren keizer Tiberius en den
+bekenden veldheer Drusus (zie no. 26).--25) Tib. Claudius Nero, zoon
+van no. 24, rom. keizer 14-37 na C. Zie Tiberius.--26) Nero Claudius
+Drusus, gewoonlijk Drusus genoemd, jongere zoon van no. 24 en dus
+broeder van keizer Tiberius, geb. 38, toen Livia reeds met Octavianus
+getrouwd was, werd door zijn stiefvader Augustus, wiens vertrouwen hij
+in volle mate bezat, in 15 uitgezonden om de Alpenvolken, vooral de
+Raetiers, te onderwerpen, hetgeen hij met zijn broeder Tiberius tot
+stand bracht. Uit de onderworpen streken werd een nieuwe provincie
+Raetia et Vindelicia gevormd, waarbij de reeds onderworpen Vallis
+Poenina gevoegd werd. Daarop werd Drusus in 13 legatus Augusti van de
+Tres Galliae, met de opdracht, den oorlog tegen de Germanen te voeren
+(12-9). Eerst versloeg hij de Sugambren, die onder koning Maelo over
+den Rijn waren gevallen, en voer langs de door hem gegraven fossa
+Drusiana (z.a.) naar het land der Friezen en Chauken. Hij onderwierp
+de Friezen (12), de Usipii (11), trok door het land der Sugambri,
+en legde twee castella aan, n.l. Aliso en één in den Taunus (11). In
+9 trok hij door het land der Chatten en Cherusci tot aan de Albis
+(Elbe), doch overleed toen door een val van zijn paard. Door zijn
+veldtochten werd Germania tot aan de Elbe bij het Romeinsche rijk
+gevoegd, en werd eerst weer vrij door de vernietiging van het leger
+van Varus (9 n. C.). Drusus' dood werd algemeen betreurd. Daar
+hij evenals zijn broeder Tiberius door Augustus geadopteerd was,
+behoort zijn zoon Germanicus onder de Caesares, zie Iulii en
+Germanicus.--27) Claudius Nero, zoon van no. 26 en broeder van
+Germanicus, rom. keizer, 41-54 na C. Zie Claudius (keizer).--28)
+Ti. Claudius Caesar Britannicus, zoon van keizer Claudius (no. 27),
+geboren 41 n. C. Zijne moeder was de zedelooze Valeria Messalina. Hij
+werd door keizer Nero in 55 vergiftigd, zie Claudius (keizer).--29)
+Nero Claudius, aangenomen zoon en opvolger van no. 27, rom. keizer,
+55-68 na C. Zie Nero (keizer).--30) M. Claudius Marcellus, een der
+uitstekendste mannen van zijn tijd, onderwierp als consul, 222, Gallia
+Cisalpina, waarbij hij in den slag bij Clastidium op den gallischen
+aanvoerder Virdumarus de spolia opima behaalde. Na den slag bij
+Cannae in 216 redde hij als praetor het overschot van het rom. leger
+en wist tijdig Nola te bezetten, zoodat de afval verhinderd werd. Een
+eigenlijke veldslag is toen niet geleverd, maar de moreele uitwerking
+was er niet minder om. In 215 als consul gekozen, legde hij vitio
+creatus zijn ambt neder, maar bleef pro consule in de nabijheid van
+Nola, dat hij wist te behouden. In 214 was hij weder consul, en nam
+met zijn ambtgenoot Q. Fabius Maximus Cunctator Casilinum in, waarbij
+hij zich aan trouwbreuk schuldig maakte. Hij ging daarop naar Sicilië,
+nam Leontini in, en veroorzaakte door zijn gestrengheid den afval van
+Syracuse. In 213 volgt nu het beroemde beleg van deze stad, die in 211
+door hem stormenderhand werd veroverd, waarbij Archimedes omkwam. De
+stad werd uitgeplunderd. In 210 was hij ten vierden male consul en
+streed hij tegen Hannibal in Italië, maar richtte niet veel uit. In 208
+was hij nogmaals consul, doch viel in eene hinderlaag en sneuvelde. De
+Rom. noemden hem "het zwaard van den staat" wegens zijne onversaagde
+dapperheid.--De Marcelli waren de eenige plebejische tak der gens
+Claudia; zij worden onder de patroni van Sicilia gerekend.--31)
+M. Claudius Marcellus, zoon van no. 30, ontkwam zwaar gewond aan
+de hinderlaag, waarin zijn vader sneuvelde. In 196 versloeg hij als
+consul de Insubriërs, in 189 was hij censor, waarbij hij zich door
+eene groote mate van zachtmoedigheid onderscheidde.--32) M. Claudius
+Marcellus, consul in 183.--33) M. Claudius Marcellus, kleinzoon van
+no. 30, een braaf en edel krijgsman, was consul in 166, 155 en 152,
+en behaalde lauweren in Gallia Cisalpina, Liguria en Hispania.--34)
+M. Claudius Marcellus, ten wiens behoeve Cicero in 46 in den senaat
+zijne oratio pro Marcello hield, was een aanhanger van Pompeius,
+minder om diens persoon dan om het beginsel. Hij wilde Caesar niet om
+vergiffenis vragen, en eerst toen deze hem op aandrang van den senaat
+ongevraagd amnestie verleend had, maakte hij zich op, om naar Rome
+terug te keeren, doch onderweg werd hij te Athene omgebracht.--35)
+C. Claudius Marcellus, broeder van no. 34, consul in 49, was een
+tegenstander van Caesar en volgde Pompeius, maar stierf spoedig.--36)
+C. Claudius Marcellus, neef van no. 34 en 35, consul in 50, bood
+aan Pompeius het opperbevel tegen Caesar aan, en week met hem uit,
+doch verzoende zich later met Caesar. Hij was gehuwd met Octavia, de
+zuster van Octavianus.--37) M. Claudius Marcellus, zoon van no. 36,
+werd door Augustus tot zoon aangenomen en huwde diens dochter
+Julia. Hij was iemand van uitstekende begaafdheden, van wien men
+algemeen groote verwachtingen koesterde; doch hij stierf plotseling,
+in het jaar 23, 20 jaar oud te Baiae. Dat hij door Livia zou zijn
+vergiftigd, is lasterpraat. Hij is het, die door Vergilius (Aen. VI
+861-887) verheerlijkt wordt: "Tu Marcellus eris".--38) Marcella,
+dochter van no. 36, was eerst gehuwd met M. Vipsanius Agrippa en
+na hare scheiding van dezen (21), met Julus Antonius, zoon van den
+drieman.--39) Q. Claudius Quadrigarius, rom. annalist, tijdgenoot van
+Sisenna (Cornelii no. 56), schreef eene kroniek, vermoedelijk van
+den gallischen brand tot aan Sulla's dood.--40) Claudius Didymus,
+grammaticus in de 1ste eeuw n. C., schreef een werk, waarin hij de
+verwantschap van het Latijn en het Grieksch trachtte aan te toonen.
+
+Claudiopolis, zie Bithynium.
+
+Claudius, voluit Tib. Claudius Nero Germanicus, rom. keizer,
+41-54 n. C. Hij was de jongere zoon van Drusus (Claudii no. 26) en
+Antonia minor, en was in het jaar 10 te Lugdunum (Lyon) geboren. Na
+de vermoording van Caligula, 25 Jan. 41, vonden de praetorianen hem
+toevallig in het paleis verscholen en plaatsten hem op den troon. Na
+reeds van twee vrouwen gescheiden te zijn, had hij in 39 de zedelooze
+Messalina gehuwd, die hem geheel beheerschte. Nadat hij eindelijk
+tot straf voor hare euveldaden haar had laten ombrengen (48), huwde
+hij zijne nicht Agrippina, de dochter van zijn broeder Germanicus,
+wier derde man hij werd. Om haar te believen sloot hij zijn eigen
+zoon Britannicus Caesar van de regeering uit en nam Agrippina's zoon
+uit haar eerste huwelijk met Cn. Domitius Ahenobarbus tot zoon en
+opvolger aan (50). Dit was de latere keizer Nero. Toen Claudius nu ook
+den onzedelijken levenswandel en de overheersching van Agrippina moede
+begon te worden, ruimde deze hem door vergif uit den weg. Britannicus
+was toen nog een knaap van 13 jaar; in het volgende jaar (55) ruimde
+Nero, door achterdocht en naijver gedreven, ook hem uit den weg
+door middel van vergif. Claudius was zwak en vreesachtig van aard,
+en meer geschikt voor de studeerkamer dan voor den troon. Voor hem
+voerden vooral de vrijgelatenen de regeering: de voornaamste hiervan
+zijn: Narcissus, ab epistulis, M. Antonius Pallas, a rationibus,
+C. Julius Callistus, a libellis, en Polybius, a studiis. Cl. ondernam
+een krijgstocht naar Britannia, doch liet spoedig de verovering
+daarvan aan zijne generaals over. Onder zijn bestuur werd Mauretania
+(z. a.) ingelijfd (42). Hij legde een groote zeehaven te Ostia aan,
+en bouwde twee waterleidingen, de Anio novus en de aqua Claudia. Ook
+trachtte hij den Fucinus lacus (z. a.) een uitloop te geven. Hij
+beoefende o. a. de taalkunde en verrijkte het alphabet met drie nieuwe
+letters, die echter na zijn dood weder in onbruik geraakten. Ook hield
+hij gaarne redevoeringen. Zie ook Iulii aan het slot, onder d en f.
+
+Claudius II--M. Aurelius Claudius Gothicus--rom. keizer 268-270 na C.,
+opvolger van Gallienus, een Illyriër, die zich reeds onder de keizers
+Decius en Valerianus als voortreffelijk krijgsman had doen kennen,
+dreef als keizer de Alemannen en Gothen, die hij bij Naissus in 269
+versloeg, naar hun land terug, doch overleed spoedig te Sirmium aan
+de pest.
+
+Clausus (Atta). Zie Claudii no. 1.
+
+Clavus, spijker. In den muur van den Jupitertempel op het Capitool
+te Rome werd elk jaar een gouden spijker geslagen volgens overoud
+gebruik uit den tijd, dat het schrift nog niet algemeen bekend
+was. Dit geschiedde door een der consuls, of, wanneer deze afwezig
+waren, door een dictator clavi figendi causa, en wel op de Iden van
+Sept. (13 Sept.).
+
+Clavus, purperstreep, die van den hals der tunica over de borst
+tot beneden aan den zoom liep en voor de senatoren breed was (latus
+clavus, tunica laticlavia), voor de ridders smal (angustus clavus,
+tunica angusticlavia).
+
+Clazomenae, Klazomenai, eene der 12 ionische steden op de kust van
+Voor-Azië, ten W. van Smyrna, aan den Sinus Hermaeus, geboorteplaats
+van den wijsgeer Anaxagoras, den vriend van Pericles. Uit vrees voor
+de Perzen verhuisde de bevolking voor een groot gedeelte naar een
+naburig eiland, dat door Alexander later met den vasten wal verbonden
+werd. De stad bezat fraaie tempels.
+
+Cleander, Kleandros, volksleider te Gela, die zich later tot tyran
+opwierp, na eene regeering van zeven jaren werd gedood en door zijn
+broeder Hippocrates opgevolgd (498).
+
+Cleandridas, Kleandridas, Spartaan, werd in 445 door de ephoren met
+koning Plistoanax als raadsman naar Attica gezonden; later werd hij
+beschuldigd, dat hij zich door Pericles had laten omkoopen om werkeloos
+te blijven, en ter dood veroordeeld; hij vluchtte echter naar Thurii,
+waar hij zich in den oorlog tegen de Lucaniërs onderscheidde. Zijn
+zoon was de beroemde Gylippus.
+
+Cleanthes, Kleanthes, 1) van Corinthe, een van de oudste grieksche
+schilders.--2) van Assus, oorspronkelijk vuistvechter, werd later
+een leerling van Zeno en voorzag des nachts in zijn levensonderhoud
+door water dragen en deeg kneden. Hij bleef gedurende 19 jaren de
+lessen van Zeno hooren en volgde hem na zijn dood (264) als hoofd
+der stoicijnsche school op; op 99-jarigen leeftijd stierf hij, naar
+men zegt, vrijwillig van honger. Het kwaad is volgens hem niet het
+werk der goden, maar een gevolg van het onverstand der menschen,
+en wordt door de goden zelfs weder ten goede geleid. Een lofzang op
+Zeus van hem is bewaard gebleven.
+
+Clearchus, Klearchos, 1) spartaansch vlootvoogd in de laatste jaren van
+den peloponnesischen oorlog. Toen hij later (403) Byzantium tegen de
+Thraciërs zoude verdedigen, maakte hij zich van de alleenheerschappij
+meester en regeerde hij met geweld en in strijd met de bevelen der
+ephoren. Om deze reden ter dood veroordeeld, keerde hij niet naar
+Sparta terug; hij werd aanvoerder van het grieksche leger van den
+jongen Cyrus, streed in den slag bij Cunaxa en werd na den dood
+van Cyrus stilzwijgend als leider der grieksche troepen erkend. Hij
+werd echter kort daarna door Tissaphernes verraderlijk gevangen en
+gedood.--2) leerling van Plato en Isocrates, later tyran van Heraclea,
+werd na eene wreede regeering van elf jaar vermoord (364). Hij vestigde
+te Heraclea eene bibliotheek.--3) van Soli op Cyprus, een van de beste
+leerlingen van Aristoteles. Hij schreef verscheiden philosophische
+en historische werken, waarvan nog enkele fragmenten bestaan.
+
+Clearidas, Klearidas, streed in Macedonië onder Brasidas tegen de
+Atheners en trachtte den vrede van Nicias tegen te werken.
+
+Cleides, Kleides, Kleides, oostkaap van het eiland Cyprus, met
+voorgelegen eilandjes.
+
+Clemens (T. Flavius) Alexandrinus, presbyter van Alexandrië, waar hij
+± 215 n. C. op hoogen leeftijd stierf. In zijne talrijke grieksche
+geschriften tot verdediging van het Christendom, waarvan drie bewaard
+gebleven zijn, tracht hij te bewijzen dat het beste van de grieksche
+philosophie aan de Joden ontleend is. Hij was de leermeester van
+Origenes.
+
+Cleobis en Biton, Kleobis, Biton, zonen van Cydippe, priesteres van
+Hera te Argos, trokken op een feestdag den wagen hunner moeder naar
+den 45 stadiën verwijderden tempel, toen de daarvoor bestemde stieren
+te laat kwamen. Toen de moeder de godin om haar besten zegen voor
+hare kinderen gebeden had, sliepen zij in en ontwaakten niet weder.
+
+Cleobulus, Kleoboulos, tyran van Lindus, een van de zeven wijzen
+(omstreeks 580); zijn spreuk was: metron ariston.
+
+Cleombrotus, Kleombrotos, 1) Spartaan, jongste zoon van koning
+Anaxandridas en voogd van Plistarchus, den zoon van zijn broeder
+Leonidas I. Bij den inval van Xerxes in Griekenland, voerde hij het
+bevel over het grieksche landleger op den Isthmus, vanwaar hij, door
+een zonsverduistering verschrikt, overhaast terugkeerde; kort daarna
+stierf hij.--2) Cl. I, koning van Sparta, opvolger van zijn broeder
+Agesipolis I. Nadat de Spartanen uit de Cadmea verdreven waren, deed
+hij een inval in Boeotië (378), doch spoedig trok hij terug zonder
+iets uitgericht te hebben; hij sneuvelde in den slag bij Leuctra,
+371.--3) Cl. II werd in plaats van zijn schoonvader Leonidas II
+koning van Sparta, toen deze wegens zijn verzet tegen de plannen van
+Agis III was afgezet (242). Toen echter twee jaar later de partij van
+Leonidas de overhand kreeg, stond Cl. aan hevige vervolgingen bloot,
+zijn leven werd echter gespaard op de smeekingen van zijne gemalin
+Chilonis, die met hem in ballingschap ging.
+
+Cleomedes, Kleomedes, 1) beroemd worstelaar uit Astypalaea. Eens
+had hij bij de olympische spelen de overwinning behaald, maar geen
+prijs gekregen, omdat hij zijn tegenpartij gedood had; waanzinnig van
+spijt rukte hij de zuilen van een gymnasium uit den grond, waardoor
+zestig jongelingen onder de puinhoopen begraven werden. Toen men hem
+vervolgde, vluchtte hij in den tempel van Athena en werd van daar als
+de laatste der heroën in den hemel opgenomen.--2) zoon van Lycomedes,
+atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog.--3) schrijver over
+sterrenkunde (1ste eeuw n. C.), van wien nog eenige werken bestaan.
+
+Cleomenes, Kleomenes, 1) Cl. I, zoon van Anaxandridas, koning
+van Sparta (520-491), een moedig en ondernemend, maar trotsch en
+stijfhoofdig man. Zijn eerste onderneming was tegen de Argiven, wien
+hij door list een gevoeligen slag toebracht; zelfs werd hij aangeklaagd
+omdat hij de stad Argos niet genomen had, en hij erkende dat hij
+het had kunnen doen, maar door godsdienstige bezwaren weerhouden
+was. Later (510) was hij aanvoerder van het leger, dat op bevel van
+het delphische orakel de Pisistratiden uit Athene verjoeg, en ter
+wille van zijn gastvriend Isagoras deed hij nog tweemaal een inval
+in Attica, beide keeren met ongelukkigen afloop, want eerst werd
+hij op de acropolis ingesloten, en toen hij met een grooter leger
+terugkwam om hierover wraak te nemen, moest hij door den tegenstand
+van de Corinthiërs en van zijn ambtgenoot Demaratus onverrichter zake
+aftrekken. De voorstellen tot een bondgenootschap tegen de Perzen,
+zoowel van Aristagoras als van de Scythen, vonden bij hem meer gehoor
+dan bij eenig ander Spartaan. Door Demaratus in zijne plannen tegen
+Aegina gedwarsboomd, wist hij door omkooping van het delphische
+orakel een uitspraak te verkrijgen, volgens welke Demaratus niet de
+zoon van koning Aristo was, zoodat deze van de regeering ontzet werd
+en zich in ballingschap begaf. Spoedig werd echter het bedrog bekend
+en Cl. vluchtte naar Thessalië en later naar Arcadië; eindelijk in
+Sparta teruggekeerd, werd hij waanzinnig, naar men zeide ten gevolge
+van dronkenschap, en maakte hij op gruwelijke wijze een einde aan
+zijn leven (489).--2) broeder van den spartaanschen koning Plistoanax
+en voogd van diens zoon Pausanias, voerde het bevel over het leger
+dat in 427 in Attica viel.--3) Cl. II, koning van Sparta, zoon en
+opvolger van Cleombrotus I, regeerde bijna 61 jaar (371-310) zonder
+dat er van zijne regeering iets te vermelden valt.--4) Cl. III, koning
+van Sparta, zoon van Leonidas II, dien hij op ongeveer twintigjarigen
+leeftijd opvolgde, (236), een verstandig, moedig en doortastend man,
+vol geestdrift voor de plannen van Agis III, waarin hij gesterkt werd
+door zijne moeder Cratesiclea en zijne gemalin Agiatis, de weduwe van
+Agis. Daar hij inzag dat hij den steun van het leger noodig had, zoo
+hij de gewenschte hervormingen tot stand wilde brengen, trachtte hij
+dit voor zich te winnen door een oorlog tegen het achaeisch verbond,
+en inderdaad gelukte het hem na eenige kleine ondernemingen, de
+Achaeërs bij den berg Lycaeus en spoedig daarna (226) bij Leuctrum
+te verslaan. Nu openbaarde hij zijne plannen aan eenige vertrouwden;
+door list verwijderde hij zijne tegenstanders, doodde vier ephoren,
+verbande tijdelijk 80 van de voornaamste oligarchen, maakte zijn
+broeder Euclidas tot mederegent, schafte het ephoraat af, kondigde
+schulddelging en nieuwe verdeeling van grondbezit af, vermeerderde het
+aantal burgers door het opnemen van perioeken, hervormde den raad,
+en voerde de oude wetten en instellingen weder in. Den oorlog zette
+hij intusschen met geluk voort, zelfs Argos en Corinthe kozen zijne
+zijde; toch bood hij vrede aan op voorwaarde, dat de hegemonie van
+Sparta in de Peloponnesus erkend werd, maar Aratus, vreezend dat het
+achaeisch verbond daardoor alle macht zou verliezen, vond het beter de
+hulp van Antigonus Doson in te roepen. Nu ging Argos weder verloren en
+over het geheel kon Cl., die in dien tijd ook zijne gemalin verloor,
+zich niet tegen Antigonus staande houden; nadat de oorlog nog eenigen
+tijd met afwisselend geluk gevoerd was, en Cl. vergeefsche pogingen
+gedaan had om bij Ptolemaeus Euergetes ondersteuning te vinden, waagde
+hij bij Sellasia een grooten slag, maar leed een volkomen nederlaag en
+ontkwam met weinige ruiters (221). Terstond ging hij naar Aegypte om
+hulp te vragen, maar Ptolemaeus stierf kort daarna, en zijn opvolger
+Ptolemaeus Philopator liet zich door zijne gunstelingen overreden
+Cl. gevangen te nemen. Wel ontsnapte hij uit de gevangenis, maar
+wanhopende aan het bereiken van zijn doel, trachtte hij een opstand
+onder het volk te verwekken, en toen hij ook hierin geen steun vond,
+doodde hij zichzelf, 35 jaar oud (219). Zijn lijk werd opgehangen
+en ook zijn moeder en kinderen werden ter dood gebracht.--5) van
+Naucratis, werd door Alexander belast met het toezicht op den bouw
+van Alexandrië en met het innen der belastingen. Wegens zijn hebzucht
+en afpersingen liet Ptolemaeus hem na den dood van Alexander ter dood
+brengen, terwijl hij zijne groote schatten verbeurd verklaarde.--6)
+atheensch beeldhouwer uit de 1e eeuw n. C., van wien een werk, de
+Germanicus in het Louvre, bewaard gebleven is; de zgn. Venus van
+Medicis, die hem toegeschreven wordt, is niet van hem.
+
+Cleon, Kleon, zoon van Cleaenetus, leerlooier te Athene, reeds bij
+het leven van Pericles een van de leiders der radicale partij, werd
+na diens dood de eerste man van de volkspartij. Hij was het die in
+427, na de herovering van Lesbus, dat van de Atheners afgevallen was,
+doordreef, dat alle weerbare mannen van Mytilene zouden gedood worden,
+een besluit, dat den volgenden dag in dien zin gewijzigd werd, dat
+alleen de hoofdschuldigen, volgens waarschijnlijk sterk overdreven
+berichten ruim duizend in getal, ter dood gebracht werden. Toen in
+425 de Atheners 420 Spartanen op het eiland Sphacteria ingesloten
+hadden, en de Lacedaemoniërs vrede aanboden, drong Cl. erop aan, dat
+het eiland eerst overgegeven zou worden, zoodat de onderhandelingen
+afsprongen. Daar echter de inneming van het eiland niet zoo spoedig
+volgde als men verwacht had, begonnen de Atheners zich over den loop
+der zaken ongerust te maken, en verweet men Cl. reeds dat door hem de
+vrede niet was tot stand gekomen. Bij zijne verdediging liet deze zich
+ontvallen dat, indien de strategen (Nicias en Demosthenes) hun plicht
+deden, Sphacteria reeds lang in hunne macht moest zijn, waarop Nicias,
+die in de vergadering tegenwoordig was, terstond aanbood hem zijne
+betrekking tijdelijk af te staan. In het eerst sloeg Cl. dit aanbod
+van de hand, maar door het volk gedwongen het aan te nemen, beloofde
+hij zich binnen twintig dagen van het eiland te zullen meester maken,
+en met de hulp van Demosthenes vervulde hij zijne belofte. Daardoor
+kwam hij in groot aanzien, waarvan hij o. a. gebruik maakte om door
+verschillende financiëele maatregelen middelen te verschaffen om den
+oorlog krachtiger te voeren. In 422 werd hij met een leger naar Thracië
+gezonden, waar hij aanvankelijk eenig voordeel behaalde, maar den slag
+bij Amphipolis tegen Brasidas verloor, bij welke gelegenheid hij op de
+vlucht gedood werd. Zie ook dikastikon. Cl. wordt beschreven als een
+onopgevoed, baatzuchtig en overmoedig man, die de laagste hartstochten
+van het volk vleide en zijne meening meer door woorden, soms zelfs
+meer door schreeuwen, dan door argumenten deed zegevieren. Men
+heeft opgemerkt dat zijne tijdgenooten, die melding van hem maken,
+in de politiek zijne tegenstanders waren, en dat dus vermoedelijk hun
+oordeel aan overdrijving, misschien zelfs aan partijdigheid, lijdt;
+toch schijnt uit de feiten, die omtrent hem bekend zijn, te mogen
+worden opgemaakt, dat hij een man was van niet geringen aanleg en
+vol vaderlandsliefde, doch van weinig beschaving, in zijne geheele
+politieke richting en bij iedere bizondere gelegenheid door zijn haat
+tegen de Spartanen en de aristocratie tot uitersten geneigd, en dat
+hij in ieder geval de groote gaven miste, waardoor zijn voorganger
+Pericles het volk op den rechten weg had weten te houden.
+
+Cleonae, Kleonai, stad in Argolis; ten W. lag Nemea; vandaar Cleonaeus
+leo dichterlijk = nemeïsche leeuw. Ook eene stad aan den berg Athos
+op Chalcidice, met een gemengde bevolking.
+
+Cleonymus, Kleonymos, 1) Athener, die om zijne lafheid dikwijls door
+Aristophanes bespot wordt.--2) zoon van Cleomenes II, werd bij den
+dood van zijn vader (310) wegens zijne vijandschap met den anderen
+koning Areus van de regeering uitgesloten en aan het hoofd van een
+troep huurlingen naar Italië gezonden, om de Tarentijnen tegen de
+Lucaniërs bij te staan. Hij voerde den oorlog over het geheel met
+geluk, maar toen de Tarentijnen vrede sloten, nam hij Corcyra en viel
+hij Thurii en andere steden in Beneden-Italië aan, totdat hij door
+de Romeinen verdreven werd. Bij zijne avontuurlijke tochten naar de
+kusten der Adriatische zee verloor hij leger en vloot. In 293 streed
+hij ongelukkig tegen Demetrius Poliorcetes en in 272 trachtte hij
+met Pyrrhus van Epirus zich te vergeefs van Sparta meester te maken.
+
+Cleopatra, Kleopatra, 1) dochter van Boreas en Orithyia, z. Calaïs.--2)
+dochter van Idas en Marpessa, gehuwd met Meleager, na wiens dood zij
+zich van verdriet ophing.--3) tweede vrouw van Philippus van Macedonië,
+na wiens dood Olympias haar met hare kinderen liet vermoorden.--4)
+dochter van Philippus en Olympias, gehuwd met Alexander van Epirus,
+na diens dood met Perdiccas. Toen ook deze gestorven was, koos zij
+onder de macedonische veldheeren, die haar ten huwelijk vroegen,
+Ptolemaeus tot echtgenoot, maar Antigonus hield haar gevangen en liet
+haar waarschijnlijk vermoorden (308).--5) dochter van Antiochus III,
+z. Ptolemaeus no. 9 en 10.--6) dochter van Ptolemaeus V, gehuwd met
+haar broeder Ptolemaeus VI, later met haar anderen broeder Ptolemaeus
+VII, z. Ptolemaeus no. 10 en 11.--7) dochter van Ptolemaeus VI
+Philometor, gehuwd met Alexander Balas, daarna, toen deze van den
+troon gestooten was, met Demetrius Nicator, en nadat deze door de
+Parthen gevangen genomen was, met Antiochus Sidetes. Toen Demetrius
+terugkwam, liet zij hem en hun zoon Seleucus vermoorden, maar niet
+lang daarna werd zij door haar anderen zoon gedwongen den gifbeker te
+drinken.--8) jongere dochter van Ptolemaeus VI en Cleopatra no. 6,
+gemalin van Ptolemaeus VII, z. Ptolemaeus no. 11, 12 en 13.--9)
+dochter van Ptolemaeus VII, gehuwd met Antiochus IX.--10) dochter
+van Ptolemaeus Auletes, geb. 69, gehuwd met haar broeder Ptolemaeus
+XII. Spoedig werd zij door de voogden van Ptolemaeus, Achillas en
+Pothinus, wegens hare eerzuchtige plannen verdreven en reeds trachtte
+zij zich met geweld recht te verschaffen, toen Caesar te Alexandrië
+kwam en besliste, dat de beide echtgenooten gezamenlijk zouden
+regeeren. Wel veroorzaakte deze beslissing groote ontevredenheid en
+kwam Caesar zelfs in vrij groot gevaar, daar Ptolemaeus echter in
+een gevecht sneuvelde, bereikte Cl. haar doel. Op bevel van Caesar,
+die door hare buitengewone schoonheid geheel betooverd was, huwde zij
+met haar jongsten broeder Ptolemaeus XIII, ook kwam zij naar Rome,
+waar Caesar's liefde voor haar zoo groote ontevredenheid verwekte,
+dat zij na zijn dood moest vluchten. Na den slag bij Philippi ontmoette
+zij Antonius te Tarsus, en nam hem door hare bekoorlijkheden zoo voor
+zich in, dat hij haar naar Alexandrië volgde, haar op zijne tochten
+door Azië medenam en toeliet dat zij, na het vermoorden van haar
+broeder en zuster, alleen over Aegypte heerschte. Zoo groot was haar
+invloed op hem dat, toen zij in den slag bij Actium in het heetste
+van het gevecht de vlucht nam, Antonius haar volgde en daardoor de
+oorzaak was van de nederlaag der zijnen. Toen hij zich daarna gedood
+had en Cl. zag, dat Octavianus ongevoelig was voor hare schoonheid,
+en vreesde, dat hij haar in triumf naar Rome wilde voeren, doodde zij
+zich, naar men beweerde door den beet eener vergiftige slang (30).--11)
+bijgenaamd Selene, dochter van Antonius en Cleopatra, door haar vader
+met Cyrenaica begiftigd en door Octavianus aan Juba uitgehuwd.--12)
+dochter van Mithradates, gehuwd met Tigranes van Armenië.
+
+Cleophantus, Kleophantos, een van de oudste grieksche schilders,
+de eerste die verf op zijne teekeningen aanbracht.
+
+Cleophon, Kleophon, 1) invloedrijk volksleider te Athene in de laatste
+jaren van den peloponnesischen oorlog, verzette zich hardnekkig tegen
+den vrede en werd daarom door de oligarchische partij van het een of
+ander aangeklaagd en door een onder hun invloed staande rechtbank ter
+dood veroordeeld (404).--2) atheensch treurspeldichter, v. s. dezelfde
+als de vorige.
+
+Clepsydra, klepsydra, 1) een wateruurwerk, in inrichting gelijk aan
+onze zandloopers, doch met water gevuld. Oorspronkelijk dienden
+zij om den tijd te meten, gedurende welken een redenaar voor het
+gerecht mocht spreken, men had echter ook grootere (horologia),
+die natuurlijk langer liepen en door eene indeeling of schaal den
+verloopen tijd aanwezen.--2) bron op de acropolis te Athene.--3)
+bron op den berg Ithome.
+
+Cleruchia, klerouchia, eigenlijk een land, waar volgens het
+oorlogsrecht veroveraars de oorspronkelijke bevolking onderworpen
+en het grondbezit onder elkander verdeeld hadden; in het bizonder
+atheensche volkplantingen, waarvan de grondeigenaars atheensche
+burgers bleven, desverkiezende te Athene konden blijven wonen en hunne
+burgerrechten uitoefenen, maar ook tot den krijgsdienst en andere
+lasten verplicht waren en geen eigen rechtspraak hadden. Terwijl
+volkplantingen anders nieuwe staten vormen, blijven de cleruchiën,
+waarvan sedert 506 vele gesticht werden, deelen van den atheenschen
+staat. Ook in het rijk der Ptolemaeën vindt men klerouchoi; dit zijn
+actief dienende soldaten, die een stuk staatsland in bezit hebben, welk
+bezit dikwijls in eigendom overgaat. Deze worden ook katoikoi genoemd.
+
+Cleta, Kleta, bij de Spartanen eene van de Chariten.
+
+Clidemus, Clitodemus, Kleidemos, (Kleitodemos), schreef in de 4e eeuw
+eene attische geschiedenis (Atthis) e. a. geschiedkundige werken.
+
+Clientes. Vóór het ontstaan der plebs vond men te Rome een stand van
+hoorigen of halfvrijen, die, naar het schijnt, volgens oud-italisch
+gebruik, onder de bescherming of het patronaat der burgers stonden en
+daarentegen ook zekere bepaalde verplichtingen tegenover hunne patroni
+hadden. Over de wederzijdsche verhouding dezer beide standen zie men
+het artikel patronus. Ook vreemden, die zich te Rome wilden vestigen,
+moesten in den oudsten tijd, daar zij geene rechtspersoonlijkheid
+bezaten, zich onder de rechtspersoonlijkheid van een burger stellen
+(applicatio), en derhalve zich in clientela begeven, indien zij
+de bescherming der wetten wilden genieten. In verloop van tijd
+loste het cliëntschap zich op in de plebs. Men neemt gewoonlijk
+aan, dat de cliënten van het platteland in 457, toen het aantal
+volkstribunen van 4 op 10 gebracht werd (zie tribuni plebis), vrij
+verklaard zijn. Anderen dateeren die vrijwording reeds van koning
+Servius Tullius. De cliënten moeten scherp onderscheiden worden
+zoowel van slaven als van plebejers.--In lateren tijd komt de naam
+cliënten terug voor de bezoldigde visitemakers bij de rom. grooten,
+bij wie zij ook wel als anteambulones dienst deden. Zij werden voor
+hunne bezoeken en diensten beloond, hetzij met een mandje eetwaren
+(sportula), hetzij met geld. De aanzienlijke Romein, wiens receptiën
+zij dus hielpen opluisteren, wordt dan tegenover hen rex geheeten.
+
+Climax, Klimax, "trap", een berg in het O. van Lycia, het begin van
+den Taurus. Hij komt ook onder den semietischen naam Solyma voor
+(ook = trap). In de Ilias komen de Solymers als vijanden der Lyciërs
+voor. De naam van den berg komt van een trap, die in den bergpas is
+uitgehouwen. Ook een gebergte in Coelesyria heette Climax.
+
+Climberris = Elimberris.
+
+Clinias, Kleinias, 1) vader van Alcibiades, een zeer rijk man,
+sneuvelde bij Coronea (447); ook een jongere broeder en een neef van
+Alcibiades droegen dien naam.--2) pythagoreïsch wijsgeer, tijdgenoot
+van Plato.--3) verdienstelijk staatsman te Sicyon, omstreeks 264
+vermoord. Hij was de vader van Aratus no. 1.
+
+Clio, Kleio, de Muze der geschiedenis, wordt afgebeeld met een rol
+papier in de hand.
+
+Clipeus, aspis, rond, dekselvormig schild, in den regel van op elkander
+gelegde lagen leder gemaakt en niet metaal bekleed, of wel uit teenen
+gevlochten en dan met leder en metaal bedekt.--Ook noemt men in de
+badhuizen aldus het deksel van den oven, waaruit de heete lucht uit
+de stookplaats in de heete badkamer stroomde.
+
+Clisthenes, Kleisthenes, 1) tyran van Sicyon (596-565), uit het huis
+der Orthagoriden, trachtte den oud-ionischen stam, waartoe hij zelf
+behoorde, boven de Doriërs, die Sicyon vroeger van Argos uit veroverd
+hadden, te verheffen en over het geheel alle banden los te maken,
+die Sicyon met Argos verbonden. Daartoe trachtte hij in de eerste
+plaats den eeredienst van den argivischen heros Adrastus door dien van
+Dionysus te verdringen, hij verbood de voordrachten der rhapsoden,
+omdat zij Argos en argivische sagen bezongen en veranderde ook de
+namen der dorische stammen, die hij Hyaten, Oneaten en Choereaten
+noemde (met toespeling op hys, onos, choiros), terwijl zijn eigen stam
+den naam Archelai kreeg. Hij stond aan het hoofd van het leger der
+Amphictyonen, toen de inwoners van Crissa wegens hun heiligschennis
+gestraft werden. Zijn rijkdom toonde hij door de schitterende wijze,
+waarop hij allen, die zijne dochter Agariste tot vrouw begeerden,
+een jaar lang onthaalde.--2) Athener, kleinzoon van den vorigen,
+zoon van den Alcmaeonide Megacles en Agariste, stelde zich na den
+val der Pisistratiden aan het hoofd der volkspartij en hervormde de
+staatsregeling van Solon in democratischen geest. Wel gelukte het zijn
+aristocratischen tegenstander Isagoras door de hulp van Cleomenes I
+hem voor korten tijd te verdrijven, maar de gewelddadige handelingen
+van Cleomenes verwekten zoo groote verbittering, dat Cl. spoedig
+terugkeeren kon. Over zijne hervormingen z. Boule, Demoi, Ostracismus,
+Phyle. Later zoude hij, misschien met het oog op de vijandige houding
+van Sparta, getracht hebben met den perzischen satraap van Sardes
+betrekkingen aan te knoopen, en zou het volk hem daarom uit wantrouwen
+verjaagd hebben (505).
+
+Clitarchus, Kleitarchos, 1) zoon van Dinon, beschreef de geschiedenis
+van Alexander d. G. in gezwollen stijl en met allerlei fabelachtige
+berichten doormengd; toch werd hij door latere schrijvers als Diodorus,
+Curtius e. a. veel gebruikt, daar men, waarschijnlijk ten onrechte,
+meende dat hij Alexander op zijn tochten vergezeld had.--2) tyran van
+Eretria onder bescherming van Philippus van Macedonië, werd door de
+Atheners onder Phocion verdreven.
+
+Clitodemus = Clidemus.
+
+Clitomachus, Kleitomachos, 1) beroemd om zijne vele overwinningen
+in de isthmische en pythische spelen, behaalde eens drie prijzen op
+één dag.--2) Carthager, eigenlijk Hasdrubal genaamd, leerling van
+Carneades, na wiens dood (129) hij ongeveer twintig jaar hoofd der
+academie was; zijne talrijke geschriften, v. s. 400, zijn verloren;
+Cicero heeft ze echter gebruikt o. a. in zijn werk: de divinatione.
+
+Clitor, Kleitor, sterke stad en riviertje in het N. van Arcadia.
+
+Clitumnus, riviertje in Umbria, met een tempel van den god Clitumnus.
+
+Clitus, Kleitos, 1) zoon van Mantius, werd door Eos geschaakt.--2)
+bijgenaamd de Zwarte, veldheer van Alexander d. G., redde hem het
+leven in den slag bij den Granicus en was sedert een van zijne
+gunstelingen; hij werd bevelhebber van de lijfwacht en satraap van
+Bactrië. Alex. doodde hem in dronkenschap bij een drinkgelag, toen
+Cl. hem ergerde door zijne al te vrijmoedige taal.--3) bijgenaamd
+de Witte, voerde na Alex.'s dood de veteranen terug, overwon in
+den lamischen oorlog de Atheners ter zee, werd landvoogd van Lydië,
+van waar Antigonus hem na twee jaar verdreef, overwon, als admiraal
+van Polyperchon, Antigonus en Cassander bij Byzantium ter zee, maar
+sneuvelde den dag daarna (318).
+
+Clivus Capitolinus, de weg, die van het Forum te Rome naar boven
+leidde naar den Mons Capitolinus.
+
+Cloaca Maxima, het groote afvoerkanaal in Rome, dat oorspronkelijk
+diende om de lage gronden in den omtrek van het latere Forum droog
+te leggen, en later uitgebreid en overdekt, tevens het huiswater van
+een gedeelte van de stad naar den Tiber afvoerde. Het oudste gedeelte
+dateert nog uit den koningstijd. Het werk bestaat nog, en is weer in
+gebruik genomen. Het begint bij de laagte tusschen Oppius en Cispius,
+loopt dan onder het Argiletum door naar het Forum, en vervolgens door
+het Velabrum en het Forum Boarium, tot het tusschen den Pons Aemilius
+en den kleinen rondtempel in den Tiber mondt. Het woord is afgeleid
+van cloare = reinigen.
+
+Cloacina, volgens de gewone opvatting een bijnaam van Venus, zij had
+een heiligdom bij het Comitium te Rome, dat naar men meende, reeds
+bestond sedert de vereeniging van Rom. en Sabijnen. In werkelijkheid
+is het de godin der Cloaca Maxima (z. a.) en heeft zij met Venus
+niets te maken.
+
+Clodia (via). Deze weg liep van Rome door Etruria ten W. van den Lacus
+Sabatinus over Saturnia en Rusellae en sloot zich vervolgens aan de via
+Aurelia aan. V. a. vereenigt hij zich voorbij Blesa wederom met de via
+Cassia (z. a.) en loopt dan van Florentia naar Luca en Forum Clodii.
+
+Clodiae (leges) van den volkstribuun P. Clodius Pulcher, in 58. 1) lex
+frumentaria, dat de korenuitdeelingen om niet zouden plaats hebben.--2)
+lex de auspiciis, dat op de dagen, waarop wetgevende comitia gehouden
+werden, geene andere auspicia mochten genomen worden en dus geene
+obnuntiatio zou kunnen plaats grijpen. Bovendien werden de leges Aelia
+et Fufia opgeheven, zie servare de caelo.--3) lex de collegiis, tot
+herstel der in 64 bij senaatsbesluit opgeheven gilden en demagogische
+genootschappen, collegia compitalicia.--4) lex de censoria notione,
+dat de censoren niemand mochten bestraffen, die niet formeel bij hen
+was aangeklaagd en door beiden schuldig was bevonden.--5) lex de capite
+civis Romani, dat wie een rom. burger zonder rechterlijk vonnis had ter
+dood gebracht (gelijk Cicero met Catilina's eedgenooten had gedaan),
+zou verbannen worden. Deze wet werd nader uitgewerkt door een tweede,
+waarbij aan Cicero, nu met name genoemd, het verblijf binnen 400
+mijlen van Rome werd ontzegd (aqua et igni interdictio).--6) lex de
+provinciis consularibus, waarbij aan den consul L. Calpurnius Piso
+Caesoninus Macedonia en Achaia, aan den consul A. Gabinius Syria werd
+opgedragen. Het doel was, hen gunstig te stemmen, opdat zij zich niet
+tegen Cicero's verbanning zouden verzetten.--7) lex de rege Ptolemaeo,
+dat koning Ptolemaeus van Cyprus zou onttroond worden en zijn land en
+bezittingen tot eigendom van het rom. volk zouden worden verklaard,
+en dat M. Porcius Cato (minor) deze wet zou ten uitvoer leggen. Het
+doel der wet was eigenlijk, Cato op eene fatsoenlijke manier uit
+Rome te verwijderen.--8) lex de suffragiis libertinorum, dat de
+vrijgelatenen ook in de tribus rusticae zouden kunnen stemmen. Deze
+wet kwam echter niet tot stand.
+
+Clodii = Claudii. Eenige leden der gens Claudia schreven hun naam
+met o in plaats van au, zie Claudii no. 17-19.
+
+Clodius Albinus. Zie Albinus.
+
+Clodius Macer (L.), generaal van Nero in Africa, had zich bij
+den opstand van Vindex en Galba tegen Nero (voorjaar van 68) half
+onafhankelijk gemaakt, maar werd na Nero's dood wegens zijne roofzucht
+door Galba gevonnisd.
+
+Cloelii of Cluilii, patricische gens, afkomstig uit Alba Longa. 1)
+C. Cloelius, volgens de overlevering koning van Alba Longa, voerde
+oorlog tegen Rome tijdens Tullus Hostilius en stierf gedurende
+den veldtocht, waarop Mettius Fuffetius dictator van Alba werd.--2)
+Cloelia, rom. maagd, die, onder de gijzelaars aan Porsena uitgeleverd,
+ontsnapte en over den Tiber naar Rome terugzwom. De senaat zond haar
+naar Porsena terug, doch deze stelde haar in vrijheid en schonk haar
+een fraai opgetuigd paard, terwijl hij ook nog een aantal andere
+gijzelaars te harer keuze losliet. De Rom. richtten voor haar een
+standbeeld te paard op.--3) Q. Cloelius Siculus, consul in 498,
+benoemde zijn ambtgenoot T. Larcius Flavus tot eersten dictator.
+
+Clotae aestuarium, golf op de Westkust van Caledonia (Schotland),
+thans Firth of Clyde.
+
+Clotho, Klotho, de spinster, eene van de Moerae, wordt voorgesteld
+met een haspel, waarmede zij 's menschen levensdraad spint.
+
+Cluentii. 1) L. (v. a.) A. Cluentius, italiaansch generaal in den
+marsischen oorlog, bij Nola gesneuveld, in 89.--2) A. Cluentius
+Habitus, vader en zoon, bekend door de schitterende oratio pro Cluentio
+van Cicero in 66.
+
+Cluilii = Cloelii.
+
+Clupea, rom. naam voor de stad Aspis in Africa, z. a.
+
+Clusium, Klousion, vroeger Camers geheeten, de voornaamste der 12
+etrurische hoofdsteden, residentie van Porsena, wiens praalgraf in
+de nabijheid was. De stad was zeer sterk. De belegering van Clusium
+door de Galliërs gaf aanleiding tot hun tocht naar Rome in 390. Het
+speltmeel van Clusium (far Clusinum) was om zijne fijnheid zeer
+gezocht.
+
+Clusius, bijnaam van Janus (z. a.).
+
+Cluvii, een campaansch geslacht, dat zich te Rome vestigde.--1)
+Pacula Cluvia voorzag de Romeinen, die te Capua door Hannibal werden
+gevangen gehouden, van levensmiddelen.--2) M. Cluvius bestuurde
+Cicero's geldzaken.--3) Cluvius Rufus, geschiedschrijver, bekleedde
+onder Claudius en Galba verschillende ambten. In zijne geschiedenis
+beschreef hij den tijd van Caligula tot Vitellius. Tacitus heeft hem
+als bron gebruikt.
+
+Clymene, Klymene, 1) Oceanide, gehuwd met Iapetus, moeder van Atlas,
+Menoetius, Prometheus, Epimetheus.--2) bij Prometheus moeder van
+Deucalion.--3) bij Helius moeder van Phaëthon, later gehuwd met
+den aethiopischen koning Merops.--4) dochter van Minyas, bij den
+arcadischen koning Iasius moeder van Atalante.--5) dochter van Catreus,
+werd op bevel van een orakel door haar vader verstooten en aan een
+zeeman Nauplius (no. 3) gegeven om haar te verwijderen, bij wien
+zij moeder werd van Palamedes en Oeax.--6) v. s. een bloedverwante
+van Menelaus, dienares van Helena, met wie zij naar Troje ging;
+na de inneming der stad werd zij aan Acamas gegeven.--7) bijnaam
+van Persephone.
+
+Clymenus, Klymenos, 1) zoon van Cardys, stelde vijftig jaar na den
+zondvloed van Deucalion de olympische spelen weder in.--2) zoon van
+Presbon, koning van Orchomenus in Boeotië, schoonvader van Nestor,
+stierf aan eene wonde, die hem bij een wedren door een thebaanschen
+wagenmenner werd toegebracht.--3) bijnaam van Hades.
+
+Clypea = Clupea.
+
+Clypeus = clipeus.
+
+Clysonymus, Klysonymos, zoon van Amphidamas, speelmakker van Patroclus,
+die eens bij het dobbelspel twist met hem kreeg en hem doodsloeg.
+
+Clytaemnestra, Klytaimnestra, (waarschijnlijk beter Clytaemestra,
+Klytaimestra, dochter van Tyndareos en Leda, gemalin van Agamemnon
+(z. a.). Zij regeerde na diens dood met Aegisthus over Mycenae en
+Argos totdat Orestes, volwassen geworden, zijn vader wreekte en
+beiden doodde.
+
+Clytia, Klytia, Oceanide, door Apollo bemind. Toen de god ook voor
+Leucothoë liefde had opgevat, verried Cl. dit uit jaloerschheid, waarop
+Leucothoë door haar vader levend begraven werd. Daarom kreeg Apollo
+een afkeer van haar, en uit verdriet onthield zij zich van spijs en
+drank en verkwijnde zij, totdat zij in een zonnebloem veranderd werd.
+
+Clytius, Klytios, 1) een van de Giganten.--2) zoon van Alcmaeon en
+de dochter van Phegeus, die na den dood van zijn vader naar Elis
+vluchtte; hij was de vader van Piraeus en de stamvader der Clytiaden,
+een beroemd waarzeggersgeslacht in Elis.--3) naam van eenige Trojanen.
+
+Cnemides, Knemides, versterkte stad aan den Cnemis in het gebied
+der Locriërs.
+
+Cnemis, Knemis, berg op de Zuidgrens der Epicnemidische Locriërs.
+
+Cnidia, Knidia, bijnaam van Aphrodite naar de stad Cnidus, waar een
+beeld van die godin stond, dat door Praxiteles gemaakt was en voor
+een van de belangrijkste kunstwerken der oudheid gold.
+
+Cnidus, Knidos, dorische stad tot de Hexapolis Dorica behoorende,
+op de uiterste punt van de Chersonesus Cnidia; de stad lag tusschen
+twee havens, die door een kanaal verbonden waren. Op de uiterste
+punt, het voorgebergte Triopium, lag de tempel van Apollo, waar
+de bondsvergaderingen der aziatische Doriërs plaats vonden, en hun
+gemeenschappelijke feesten gevierd werden. Cnidus zelf is in de heele
+oudheid beroemd om den tempel van Aphrodite Euploia, met het door
+Praxiteles vervaardigde beeld der godin.
+
+Cnosus, later Cnossus, ook met Gn. geschreven, Knosos, stad op
+de Noordkust van Creta, in voorhistorische tijden (2400-1200) de
+koningszetel van een machtig volk met een zeer interessante, hoog
+ontwikkelde beschaving; wie de dragers waren dezer beschaving, weten
+we nog niet; we kunnen echter twee tijdperken onderscheiden, die van
+de vóór-grieksche, en die van de achaeische heerschappij. Omstreeks
+1000 vervalt deze cretensisch-myceensche beschaving, en in den
+historischen tijd is de stad dorisch, met de havensteden Amnisus en
+Heracleum. Een herinnering aan den vroegeren glans en de vroegere
+heerlijkheid is bij het grieksche volk levendig gebleven door de sagen
+van Minos, den Minotaurus en het Labyrinth, van Daedalus en Icarus
+en van Ariadne. Cnosia tellus = Creta, Cnosia, Cnosis, Cnosias =
+Ariadne, Cnosia stella = het sterrenbeeld de kroon van Ariadne. De
+opgravingen der laatste jaren hebben het oude paleis der vorsten van
+Cnosus blootgelegd.
+
+Coactores. Coactores agminis, soldaten van de achterhoede, die tegen
+desertie uit de gelederen moesten waken,--Coactores exactionum,
+of coactores argentarii, personen, wier werk het was, verschuldigde
+gelden te innen. De vader van Horatius was coactor.
+
+Cocalus, Kokalos, koning op Sicilië, die Daedalus gastvrij opnam
+toen hij van Creta vluchtte, en Minos doodde toen hij hem kwam
+opeischen. Uit dankbaarheid versierde Daedalus zijn rijk met vele
+kunstwerken. V. a. had hij Daedalus willen uitleveren, waarop deze
+'s konings badkamer zoo overmatig liet verwarmen, dat deze stikte.
+
+Cocceii, aanzienlijk geslacht, waarschijnlijk uit Umbria. 1)
+L. Cocceius Nerva, vriend van Octavianus, voerde de onderhandelingen
+tusschen dezen en Antonius. Later stelde hij met Maecenas en Asinius
+Pollio te Brundisium de voorwaarden op van de overeenkomst tusschen
+Antonius en Octavianus (herfst 40). In 37 werd hij wederom naar
+Brundisium gezonden met Maecenas en Fonteius Capito; Horatius en
+Vergilius maakten de reis mede. Tengevolge daarvan kwam het verdrag van
+Tarente tot stand.--2) M. Cocceius Nerva, bekwaam jurist, was een der
+weinigen, die het vertrouwen van Tiberius bezaten. Uit verdriet over
+diens handelingen liet hij zich doodhongeren (33).--3) M. Cocceius
+Nerva, rom. keizer, een kleinzoon van no. 2. Zie Nerva.
+
+Coche, Koche, stad aan den Tigris nabij Ctesiphon.
+
+Cocles, zie Horatii.
+
+Cocosates, volksstam in Aquitania, aan den Aturus (Adour).
+
+Cochlear, een soort eierlepel, waarvan de steel spits uitliep, om
+b. v. schelpdieren en slakken te eten. Een groot soort lepel heet
+ligula (z. a.).
+
+Cocylium, Kokylion, aeolische stad in Mysia.
+
+Cocytus, Kokytos, rivier in Epirus, tak van den Acheron. In de
+voorstellingen één van de rivieren in de onderwereld, evenals de
+Acheron, de Pyriphlegethon en de Styx. In de onderwereld is de Cocytus
+een arm van de Styx.
+
+Codanus Sinus, het Kattegat. Soms ook wordt de geheele Oostzee zoo
+genoemd.
+
+Codex, een blok hout, een strafblok aan het been. Ook eene verzameling
+wastafeltjes om op te schrijven, van achteren aaneengehecht, evenals
+onze leitjes. Vervolgens ook een boek van papier of perkament,
+ingenaaid. Ten slotte ook een wetboek, b.v. codex Iustinianeus. Codex
+accepti et expensi = kasboek.
+
+Codicilli (zie codex), kleine wastafeltjes tot een notitieboekje
+vereenigd, om aanteekeningen te maken, ook om als brief verzonden te
+worden, toevoegsels tot een testament te maken, en dgl. Zie Cera.
+
+Codrus, Kodros, zoon van Melanthus, laatste koning van Attica. Bij
+een inval van de Doriërs had een orakel den Atheners de overwinning
+voorspeld als hun koning sneuvelde, waarop C. zich verkleed in het
+kamp van de vijanden begaf, twist zocht en gedood werd. De Doriërs
+trokken toen ontmoedigd af, en de eupatriden schaften het koningschap
+af, onder voorwendsel dat niemand na C. de regeering waardig was.
+
+Coela (plur.), ta Koila tes Euboias, het vlakke gedeelte van Euboea
+langs de Oostkust tusschen de kapen Caphareus en Chersonesus.
+
+Coele, he Koile, zuidwestelijke voorstad van Athene, tusschen de
+lange muren.
+
+Coelesyria, he koile Syria, sedert de macedonische verovering de
+dalstreek tusschen den Libanon en den Antilibanon, met de bronnen van
+den Orontes en de stad Heliopolis (Baälbek). In het rom. tijdperk
+breidde de naam Coelesyria zich uit over het land ten O. van den
+Antilibanon, waar Damascus lag, zelfs tot Palmyra.
+
+Coelii = Caelii no. 1-3.
+
+Coelius mons = Caelius mons.
+
+Coelossa, Koilossa, berg in Sicyonia.
+
+Coëmptio, eene der vormen, waaronder een rom. huwelijk kon worden
+gesloten. Zij berustte op het recht van den pater familias, om
+zijne kinderen te verkoopen. Ten overstaan van vijf getuigen en een
+libripens, die de weegschaal hield, stond de vader zijne dochter aan
+den bruidegom af. Deze laatste tikte daarbij met een geldstuk tegen
+de schaal, eene zinnebeeldige voorstelling van het betalen van den
+koopprijs. Door zulk een huwelijk kwam de vrouw in de manus van haar
+echtgenoot (zie manus). Vóór de eigenlijke handeling der coemptio
+plaats had, gaf de bruid op de vraag van haar aanstaanden echtgenoot
+haar toestemming tot het huwelijk, zoodat zij door den verkoop geen
+slavin werd, maar naast haar man eene vrije positie innam. Over de
+coëmptio cum extraneo fiduciae causa zie men het artikel tutela.
+
+Coena, de hoofdmaaltijd der Rom., die gehouden werd na afloop der
+hoofdbezigheden van den dag, tusschen 2 en 4 uur volgens onze wijze
+van tijdverdeeling. In den oudsten tijd was de coena echter om 12 uur;
+het avondeten heette toen vesperna. Men gebruikte den maaltijd in den
+ouden tijd in het atrium, daarop een tijd lang op de bovenverdieping,
+die cenaculum heet, vervolgens in het triclinium. Oudtijds zat men
+aan tafel, daarop volgde een tijd, waarin de mannen op grieksche wijze
+aan tafel lagen, terwijl vrouwen en kinderen zaten. Tegen het eind van
+de republiek was het aanliggen (accubare), behalve voor de kinderen,
+algemeen in gebruik. In den ouden tijd bestond de maaltijd uit twee
+gangen; de tweede (mensae secundae) bestond uit vruchten: una carnis
+fuerat, altera pomorum; bij den tweeden gang werd gedronken: una
+epularum, altera poculorum. In den keizertijd bestond de coena van
+den gegoeden burger uit drie gangen (fercula): 1) een voorgerecht,
+gutus, gustatio, promulsis, uit eieren, schelpdieren, visch, radijs,
+olijven, of salade bestaande, alles eenigszins pikant toebereid om den
+eetlust op te wekken;--2) het caput coenae, gewoonlijk uit twee of drie
+gangen bestaande;--3) de mensae secundae, nagerecht of dessert, dat
+uit versche en gedroogde vruchten en gebak bestond. Ook bij den gewonen
+burgerstand had men drie fercula, maar eenvoudiger; er werd veel kool
+en varkensvleesch gegeten, ook jonge geiten en verder kippen. Tusschen
+de verschillende gerechten hield men gewoonlijk een kleine pauze, die
+besteed werd aan gezellig onderhoud of voorlezen of het uitvoeren van
+muziek of vertooningen door de slaven. Voor en na den maaltijd en ook
+tusschen de gangen wiesch men zich de handen, wat des te meer noodig
+was, omdat men geen vorken kende, en dus met de vingers at. Vóór de
+mensae secundae bad men tot en offerde men aan de Lares en den Genius
+van den pater familias, later ook aan den Genius van den keizer. Wat
+in later tijd de maaltijden der rijken zoo kostbaar maakte, was niet
+zoozeer de wijze van toebereiding als wel het opdisschen van spijzen,
+die zeldzaam of moeielijk te verkrijgen waren. Z. deipnon.
+
+Coenus, Koinos, een van de dapperste generaals van Alexander d. G.,
+schoonzoon van Parmenio, stierf op den terugtocht uit Indië (326).
+
+Coërcitio is het recht, dat de ambtenaren behalve de quaestoren hebben,
+om de burgers tot eerbied en gehoorzaamheid aan hun verordeningen te
+dwingen. De dwangmiddelen waren: doodstraf, geeseling, boete (multae
+dictio), hechtenis en pignoris capio; alleen de magistratus cum
+imperio en de tribuni plebis konden, voor zoover de provocatie-wetten
+hierop geen inbreuk maakten, al deze straffen aanwenden; de censoren
+en aedilen hadden alleen de multae dictio en de pignoris capio. De
+magistratus cum imperio hadden de coërcitio tegen de magistraten, wier
+imperium geringer was dan het hunne, en tegen de mag. sine imperio. De
+tribunen hadden dit recht tegen alle magistraten, later zelfs tegen
+den dictator, terwijl zij aan niemands coërcitio onderworpen waren.
+
+Uit de coërcitio, die ook in den keizertijd blijft bestaan, heeft zich
+door de provocatiewetten de eigenlijke strafrechtpleging (iudicatio)
+ontwikkeld, en de strafrechtpleging der stadhouders van de provinciën
+berust op het ius coërcitionis.
+
+Coës, Koes, aanvoerder der Mitylenaeërs, die Darius op zijn tocht tegen
+de Scythen volgden. Hij was het die aanried de brug over den Donau
+niet af te breken, waarvoor hij later beloond werd met de tyrannie
+over Mytilene. Bij het uitbreken van den opstand der Ioniërs werd
+hij gedood.
+
+Coetae, Koitai, volksstam in oostelijk Pontus, verkeerde lezing
+voor Taochoi.
+
+Coeüs, Koios, een van de Titanen.
+
+Cognatio, natuurlijke bloedverwantschap door gemeenschappelijke
+afstamming. Zie agnati.
+
+Cognitio, gerechtelijk onderzoek door de overheid in eene rechtszaak,
+ook wel de beslissing.
+
+Cognitor, 1o identiteitsgetuige, d.i. een Romeinsch burger, die in een
+vreemd land gerechtelijk van een ander verklaart, dat hij insgelijks
+een Rom. burger is, en de persoon is, voor wien hij zich uitgeeft.--2o
+zaakwaarnemer in privaatzaken.--3o in later tijd degene, aan wien de
+cognitio (z. a.) toekomt, rechter van instructie.
+
+Cognomen. Zie nomen.
+
+Cohors als krijgsterm beteekent in de eerste plaats eene vereeniging
+van troepen als afdeeling van een legioen. Twee centuriae van hetzelfde
+wapen vormden een manipulus. Sedert den tweeden punischen oorlog
+vereenigde men twee manipels tot eene cohorte. Omtrent de normale
+sterkte van een legioen z. Centuria. Was het noodig het legioen te
+versterken, dan werd het getal hastati en principes in elke centurie
+vermeerderd, niet echter dat der triarii of pilani. Ten gevolge van
+verschillende hervormingen deels van Marius afkomstig, deels van
+Caesar, bestond in Caesars tijd het legioen uit 10 cohorten, en elke
+cohorte uit 6 centuriën of 3 manipels, zooals de figuur aanwijst. Bij
+de opgaaf van de getalsterkte der cohorten worden de velites niet
+medegerekend, en wanneer men b.v. van cohortes quingenariae leest, moet
+men dit getal aldus verdeelen, dat elke cohorte uit het vaste getal
+van 60 triarii of pilani en verder uit 220 principes en 220 hastati
+bestaat. Onder Augustus werd de eerste cohorte van ieder legioen op
+de dubbele sterkte der overige gebracht: zij telde 1000 soldaten, 100
+onderofficieren of decani en 5 centuriones, en werd cohors milliaria
+genoemd, terwijl de andere cohorten 555 man voetvolk hadden, n.l. 500
+soldaten, 50 decani en ook 5 centuriones. Aan de eerste cohorte waren
+132, aan elke der andere 66 geharnaste ruiters toegevoegd.--In lateren
+tijd wordt cohors ook van eene afdeeling ruiterij gebezigd.--Ook van
+de hulptroepen, door de bondgenooten geleverd, wordt meermalen het
+woord cohortes gebruikt.
+
+Cohors praetoria, de garde of lijfwacht van den veldheer of stadhouder,
+ook wel met inbegrip van zijn staf en zijn geheele gevolg van
+officieren, ambtenaren, vrienden en dienaren. Het eerst heeft Scipio
+Africanus minor in den numantijnschen oorlog zoo'n lijfwacht opgericht.
+
+Cohortes praetoriae. Augustus richtte een gardecorps op van 9 cohorten,
+elk 1000 man sterk, waarvan er echter niet meer dan 3 te Rome in
+garnizoen lagen, die bij de burgers ingekwartierd werden en buiten
+dienst de toga mochten dragen, weshalve zij ook wel cohortes togatae
+worden genoemd. Deze garde had hooger soldij en korter diensttijd dan
+de overige troepen. Hiervan onderscheiden is de bataafsche lijfwacht,
+de corporis custodes (z. a.). Op aansporing van Seianus liet keizer
+Tiberius voor de praetorische cohorten eene vaste legerplaats, castra
+praetoria, bouwen in den N.O. hoek van Rome. Vitellius ontbond de
+praetoriaansche garde, omdat zij voor Otho tegen hem had gestreden,
+en richtte eene nieuwe van 16 cohorten op. In de geschiedenis van
+Rome speelden de praetorianen eene groote rol: keizers werden door
+hen op den troon geplaatst en vermoord, éénmaal zelfs, in 193 na C.,
+verkochten zij de keizerlijke waardigheid aan den meestbiedende. Keizer
+L. Septimius Severus ontbond de garde in 194 en verving ze door een
+andere. Onder Constantijn werd zij afgeschaft en hare legerplaats
+afgebroken. In het eerst stond de garde onder twee praefecti praetorio,
+tijdens Tiberius onder één, later weder onder één of twee of drie.
+
+Cohortes urbanae, eene soort van gendarmerie, door Augustus opgericht,
+om voor de openbare veiligheid te Rome te zorgen. Eerst waren er 3;
+Vitellius bracht het getal op 4. Zij stonden onder den praefectus
+urbi. Later smolten zij met de praetorianen samen.
+
+Cohortes vigilum, zeven in getal, voor elk tweetal wijken één, eene
+soort van brandweer en politie, door Augustus ingesteld. Zij stonden
+onder een praefectus vigilum.
+
+Colchis, Kolchis, landschap aan den O.-hoek van den Pontus Euxinus
+(Zwarte zee), ten Z. van den Caucasus, ten N. van Armenia, door den
+Phasis doorsneden. Het land was moerassig, zoodat de woningen voor een
+deel op palen moesten gebouwd worden, doch het was zeer vruchtbaar
+en leverde o.a. timmerhout, hennep, pek, honig, was, vooral vlas en
+linnen, en ook goud op. Van de boorden van den Phasis zijn de fazanten,
+aves Phasianae, afkomstig. De bewoners van de vlakte hadden een donkere
+huidkleur en kroeshaar, en leken op de Aethiopiërs, zoodat Herodotus
+vermoedt, dat ze uit Aegypte hierheen verplaatst zijn. Aan de kust
+lagen de milesische koloniën Phasis en Dioscurias. Mithradates VI
+maakte het gewest tot eene pontische provincie; daarna werd het aan
+Rome cijnsbaar. De mythe noemt het Aeaea of Aea en plaatst er de gouden
+ramsvacht, bekend uit de sagen van den Argonautentocht en van Iason
+en Medea. Bij dichters is Colchis meermalen = de Colchische vrouw,
+d. i. Medea.
+
+Colias, Kolias, kaap op de Westkust van Attica dicht bij Phalerum, waar
+fijne porceleinaarde werd gevonden. Er stond een tempel van Aphrodite.
+
+Collatia, latijnsche stad aan den Anio, door Tarquinius Priscus
+veroverd, de woonplaats van L. Tarquinius Collatinus en Lucretia.
+
+Collatinus, zie Tarquinii no. 3.
+
+Collegae zijn niet slechts ambtgenooten, maar ook overheden, die onder
+gelijke auspiciën gekozen zijn. Zoo zijn de praetoren collegae minores
+der consuls, de magister equitum een collega minor van den dictator. Op
+de par potestas der collegae berust het ius intercessionis, dat ze
+tegenover elkaar kunnen uitoefenen.
+
+Collegium, 1) collegie van ambtgenooten, b.v. collegium pontificum.--2)
+corporatie tot eenig bepaald doel, b.v. collegia tenuiorum,
+begrafenisfondsen.--3) gilden van ambachtslieden, collegia opificum.
+
+Collina, eene der vier regiones, waarin Servius Tullius de stad Rome
+verdeelde. Deze regio omvatte den collis Quirinalis en den collis
+Viminalis.
+
+Collina (porta), noordoostelijkste poort van Rome in den muur van
+Servius Tullius.
+
+Collybus, kollybos, agio bij de geldwisselaars.
+
+Collytus, Kollytos, demus in Attica tot de phyle Aegeis behoorende.
+
+Colonae, Kolonai, naam van twee steden, eene in Troas ten Z.W. van
+Neandria, en eene in Mysia.
+
+Colonatus. Colonus beteekent oorspronkelijk boer, maar wordt later
+gewoonlijk in de beteekenis van pachtboer gebruikt. De boerderijtjes
+zijn klein; de pachttermijn is gewoonlijk 5 jaar, maar wordt dikwijls
+stilzwijgend vernieuwd; en daar de colonus gewoonlijk geen geld heeft,
+wordt de pacht in natura betaald. De groote landgoederen, die zich
+sinds den 2den Punischen oorlog in Italië vormden (z. Latifundia),
+lieten de eigenaars of bezitters liefst door slaven bewerken
+(z. Agrariae leges); de wet, die hen dwong een zeker aantal vrije
+daglooners in dienst te hebben, werd niet uitgevoerd of ontdoken. Toen
+echter door de slavenopstanden (z. Spartacus) de slaven in aantal
+ontzettend afnamen of onbetrouwbaar werden, namen de eigenaars weer
+een tijd lang hun toevlucht tot het pachtsysteem. In den keizertijd nam
+echter in Italië het gebruik van slaven, de uitbreiding der latifundia
+en de ontvolking, die daarmede gepaard pleegt te gaan, weer hand over
+hand toe. In de provinciën, vooral in Africa, waaromtrent wij het
+best zijn ingelicht, is het grootgrondbezit ook schrikbarend. Op de
+groote landgoederen (saltus) hetzij van particulieren, hetzij van den
+keizer, vindt men daar naast het huis en het bedrijf van den landheer
+uitsluitend kleine pachters, coloni, die tengevolge van de slechte
+ekonomische toestanden, daar anders het bedrijf niet meer loonend is,
+langzamerhand gedwongen worden op hun grond te blijven wonen (glaebae
+adstricti). Deze saltus of praedia worden tot groote distrikten
+(tractus) bijeengevoegd, en aan het verband met het municipium waartoe
+ze oorspronkelijk behoorden, onttrokken. Verschillende contracten,
+waaraan die coloni gebonden waren, zijn in de laatste twintig jaar in
+Africa teruggevonden. Het oudste contrakt, lex colonis fundi villae
+Magnae data ad exemplum legis Mancianae dateert van het jaar 116 of
+117 n. C. In de 4de eeuw n. C. worden de verplichtingen van hoorigheid
+ook in de wetgeving opgenomen, en strenge strafbepalingen vastgesteld
+op het verlaten van de hofstede. Men werd colonus of door geboorte,
+of door vrijwillig zich aan te melden. Ook zwervers en landloopers
+werden aan een eigenaar uitgeleverd. Men werd slechts vrij door
+dienst te nemen, of, later, door priester of monnik te worden. Hun
+toestand wordt in den loop der eeuwen hoe langer slechter. Omtrent den
+oorsprong van het kolonaat tast men nog vrijwel in het duister. Sommige
+geleerden meenen, dat, al zijn de vormen, waaronder deze hoorigheid
+zich voordoet, ook niet oostersch, toch de oorsprong er van in de
+hellenistische wereld gezocht moet worden.
+
+Colonia, 1) Grieksche koloniën. Wanneer eene grieksche stad overbevolkt
+dreigde te worden, werd eene commissie uitgezonden, om op eene nog
+niet door Grieken in bezit genomen kust eene geschikte plaats te
+vinden voor den bouw eener nieuwe stad. Was zulk een punt gevonden,
+dan werd een deel der bevolking als vrijwillige landverhuizers daarheen
+overgebracht en van de noodige hulpmiddelen voorzien, en er verrees
+eene zelfstandige stad, die wel in den beginne de bescherming der
+moederstad genoot, maar toch niet afhankelijk van haar was. Het geval
+van Potidaea, dat jaarlijks zijn eersten magistraat uit Corinthus
+kreeg, is uitzondering, geen regel. Wel bleef er een band van piëteit
+tusschen de metropolis en de kolonie bestaan, als tusschen moeder
+en dochter, en de afgezanten der moederstad hadden bij de openbare
+feesten eene eereplaats, doch de burgers der eene hadden daarom nog
+geen aanspraak op het burgerrecht der andere. Zie ook Cleruchia. De
+uitzending eener kolonie had onder zekere plechtigheden plaats, zooals
+het medenemen van vuur uit het prytaneum der moederstad, en ook werd
+geene grieksche kolonie gesticht zonder dat eerst een of ander orakel
+was geraadpleegd. Natuurlijk waren er behalve de bovengenoemde reden
+nog andere redenen tot stichting van volkplantingen. Bij inwendige
+verdeeldheid kon het gebeuren, dat de onderliggende partij besloot
+uit te wijken. Ook de verovering van een staat door machtiger vijanden
+kon aanleiding tot landverhuizing geven. Ook handelsbelangen speelden
+eene rol, en menige kolonie is gesticht om in afgelegen zeeën aan de
+koopvaarders der moederstad een veilig station te verschaffen. Met
+de inboorlingen van hun nieuw vaderland hadden de kolonisten vaak een
+hardnekkigen strijd te voeren. Overwonnen de Grieken, dan ontwikkelde
+zich in den regel een betrekking van perioeci, doch menigmaal ook
+bezweken zij, zooals b.v. de grieksche steden op de kust van Voor-Azië
+zich aan de lydische koningen moesten onderwerpen.--2) Romeinsche
+koloniën. De Romeinen zonden met een geheel ander doel koloniën uit,
+en wel niet naar onbewoonde plaatsen, maar naar bestaande steden in
+pas veroverd gebied, om daar als voorposten wacht te houden. Het waren
+militaire posten, propugnacula imperii. De nieuwe kolonisten kregen
+voor zich en hunne gezinnen woningen en landerijen, die door de oude
+bezitters moesten worden ingeruimd. Ze vormden een afzonderlijke
+gemeente. Voor een klein deel waren het coloniae civium Romanorum,
+d. w. z. de uitgezonden kolonisten waren rom. burgers, die ook in
+hunne nieuwe woonplaats het volle burgerrecht behielden. Hiertoe
+behooren o. a. de coloniae maritimae. Deze hebben, omdat zij met de
+verdediging der kust belast zijn, militiae vacationem sacrosanctam,
+waarmede echter in den tweeden punischen oorlog geen rekening gehouden
+werd. De meeste coloniae waren col. latinae (zie hieronder); vaak
+werden ook Romeinsche burgers naar veroverde streken gezonden,
+zonder een bepaalde colonia, d.w.z. een stad met gemeentebestuur,
+te vormen; men spreekt dan van assignationes viritanae. Zie ook onder
+het artikel Agrariae leges: Lex Sempronia agraria van C. Gracchus. De
+oude inwoners, inquilini, werden als dediticii, overwonnelingen,
+beschouwd. Evenwel werd hun nu en dan toegestaan, zich als coloni te
+laten inschrijven. Toen geheel Italia het burgerrecht bezat, hadden
+de coloniae geen militaire beteekenis meer.--Deze gewoonte, koloniën
+als militaire bezetting uit te zenden, was in Italia algemeen. Het
+latijnsche stedenverbond deed het ook, en tusschen 493 en 340,
+d. i. van de stichting van het romeinsch-latijnsch-hernicisch
+bondgenootschap tot aan den laatsten latijnschen oorlog, werden
+door de bondgenooten bondskoloniën uitgezonden. Na de onderwerping
+van Latium bevolkten de Romeinen sommige koloniën met Latijnen. In
+tegenstelling der vroegere coloniae latinae werden deze coloniae
+latinae populi romani geheeten; zij waren 39 in getal, o. a. Ariminum,
+Brundisium, Cremona, Placentia, en hadden het ius Latii.--Een andere
+soort van coloniae waren die, welke nu en dan werden uitgezonden om
+Rome te ontlasten van behoeftige, dikwerf oproerige burgers. Dit
+waren landbouwkoloniën. De vestiging dezer laatste dagteekent van
+den tijd der Gracchen. In de burgeroorlogen werd het gewoonte, dat de
+overwinnaar zijne soldaten met grondbezit beloonde. Zoo wees Sulla niet
+slechts vele landerijen, waarvan de eigenaars omgekomen of gevlucht
+waren, aan zijne soldaten ter verdeeling toe, maar ook den grond van
+verschillende mariaanschgezinde steden, waarvan de inwoners eenvoudig
+uit huis en hof verdreven werden. Evenzoo wees Octavianus in 41 en 40
+acht steden in Gallia Transpadana, tot straf voor hunne gehechtheid
+aan de zaak van Brutus en Cassius, aan zijne legioenen toe, bij welke
+gelegenheid ook Vergilius uit zijn eigendom verdreven werd. Dit zijn
+coloniae veteranorum.--De uitzending van koloniën had volgens eene
+speciale wet plaats en werd geregeld door opzettelijk hiertoe gekozen
+commissarissen, meestal drie, III viri coloniae deducendae.
+
+Colonia Agrippina, stad der Ubii of Agrippinenses, aldus in 50
+n. Chr. genoemd ter eere van Germanicus' dochter Agrippina. Het was
+de hoofdstad van Germania Inferior. In den lateren keizertijd is de
+stad zeer belangrijk als grensvesting, en nu en dan zetel van den
+keizer. Thans Keulen aan den Rijn.
+
+Colonus, Kolonos, demus in Attica, ten N. van Athenae, geboorteplaats
+van Sophocles, met een tempel van Poseidon, eene grot der Eumeniden
+en het graf van Oedipus.
+
+Colophon, Kolophon, aziatisch-ionische stad met de havenstad Notium
+door muren verbonden, beroemd door zijne vloot en zijne voortreffelijke
+ruiterij. Vandaar het spreekwoord Kolophona epitithenai = eene zaak
+haar beslag geven. Toch werd de stad meer dan eens ingenomen. In het
+nabijgelegen Clarus was een beroemd orakel van Apollo. Colophon was
+de geboorteplaats van den elegieëndichter Mimnermus en maakte ook
+aanspraak op Homerus.
+
+Colossae, Kolossai, vroeger eene aanzienlijke stad in het Z. van
+Groot-Phrygia, doch allengs door naburige plaatsen overschaduwd,
+in Strabo's tijd nog slechts een stadje. Hier was een van de eerste
+christelijke gemeenten.
+
+Colosseum, zie Amphitheatrum.
+
+Colotes, Kolotes, leerling van Epicurus, verdedigde in verscheiden
+werken de leer van zijn meester, en viel daarbij de oudere wijsgeeren
+soms hevig aan.
+
+Columbar, als strafwerktuig vermoedelijk een houten bord, waarin
+men zóó gesloten werd, dat hoofd en handen er door staken. Het werd
+slechts voor slaven gebezigd.
+
+Columbarium, duiventil; ook een grafkelder met een aantal rijen van
+nissen boven elkander om lijkbussen in te plaatsen. Zie de teekening op
+bldz. 187. Onder elke nis was op een plaatje de naam van den overledene
+vermeld. Er waren algemeene columbaria, waarin men eene plaats kon
+koopen.--Ook de roeigaten van een schip worden aldus genoemd.
+
+Columella (L. Iunius Moderatus) geboren te Gades, leefde in het midden
+der eerste eeuw na C. en leverde een smaakvol en vloeiend geschreven
+werk de re rustica in 12 boeken; hiervan is het 10de boek, over den
+tuinbouw, in navolging van Vergilius, in hexameters geschreven.
+
+Columna. Hoewel bij verschillende volken der oudheid verschillende
+vormen van zuilen in gebruik waren, kunnen hier slechts de grieksche
+en rom. worden besproken, en wel in hoofdtrekken de dorische,
+ionische en corinthische zuilen. Bij de grieksch-dorische orde
+rijst de schacht der zuil zonder voetstuk als het ware uit den bodem
+op; deze schacht is voorzien van ondiepe, aaneensluitende groeven,
+cannelures geheeten, en bereikt eene hoogte van ongeveer 4,5 à 5 maal
+hare benedenmiddellijn. Op de schacht rust het bovenstuk of kapiteel,
+capitulum, kephalaion. Het onderste deel van dit kapiteel is de hals,
+hypotrachelion, een voortzetting der schacht door eene insnijding
+of een lijstje er van gescheiden, en soms met ringvormige lijnen
+versierd. Daarop rust de eierlijst, echinus, echinos, en op deze
+weder de vierkante dekplaat of abacus, abax. Op de dekplaten rust dan
+de draagbalk of architraaf van den bovenbouw. Bij de rom.-dorische
+zuil is de schacht meestal glad, en wanneer zij soms gecanneleerd
+is, zoo strekken de groeven zich toch slechts over het bovenste
+tweederde deel uit, terwijl het ondereinde glad blijft. Soms rust
+de zuil op een voetstuk of basement, eene cirkelvormige schijf met
+bolronde kanten, torus.--De grieksch-ionische zuil bereikt gemiddeld
+eene hoogte van 8 maal de middellijn der beneden-doorsnede; de
+schacht rust op een voet van kussens, door holle randen, trochiloi,
+gescheiden. De cannelures zijn dieper dan bij de dorische zuil, en
+niet aaneensluitend, maar door smalle, gladde bandjes gescheiden. Het
+kapiteel is minder eenvoudig dan het dorische. De hals is met
+figuren versierd, evenzoo de eierlijst. Daarop rust een dekstuk als
+een veerkrachtig kussen, aan weerszijden in spiraalvormige krullen,
+zoogenaamde voluten, uitloopende. Dit dekstuk draagt den abacus en
+deze wederom den architraaf. De rom.-ionische krul mist de welving
+in het midden en maakt hierdoor niet den indruk van veerkracht,
+dien de grieksche maakt. Ter verklaring van de grootere slankheid
+der ionische zuil vergeleken met de dorische diene het volgende:
+De ionische zuil is oorspronkelijk een binnenzuil geweest, aan de
+binnenzijde van een gebouw aangebracht, tot schoring van het dak. Ze
+was dus oorspronkelijk van hout, maar tegen de vochtigheid van den
+bodem geplaatst op een steenen onderstel, hetgeen de basis dezer
+zuil verklaart. Later werd de zuil in steen gecopieerd, en ook aan
+de buitenzijde aangebracht. De dorische zuil is in den regel van
+steen geweest, slechts bij het Heraeum te Olympia en bij den ouden
+tempel te Delphi waren de zuilen van hout. De zuilen worden om het
+gebouw aangebracht, en hullen het als het ware in een mantel in;
+men noemt dit de peristasis.--De corinthische zuil onderscheidt zich
+van de ionische door den rijkdom van haar kapiteel, dat in tal van
+variatiën met bladvormen en vlechtwerken is versierd. Zie de teekening
+op blz. 190. Oorspronkelijk waren het acanthusbladeren. Vooral de
+Rom. hebben dit kapiteel met allerlei versieringen aangewend. Bij de
+Grieken is de corinthische zuil op de wijze der ionische gegroefd,
+bij de Rom. dikwerf glad. Echt rom. is onder al de drie zuilenorden
+de vierkante voet of plint, die soms vrij hoog is.
+
+Columna M. Aurelii, op de Piazza Colonna te Rome, naar het model van de
+Columna Traiani, door Keizer M. Aurelius opgericht ter verheerlijking
+zijner krijgsdaden. De zuil is 100 rom. voet (29,6 M.) hoog en omgeven
+door reliefs in 23 windingen; de onderste helft verheerlijkt het bellum
+Germanicum, den oorlog tegen de Marcomannen en Quaden (172-173 n. C.),
+de bovenste helft het bellum Sarmaticum, den oorlog tegen de Sarmaten,
+Iazygen en Quaden (174-175). Bovenop staat tegenwoordig een standbeeld
+van den apostel Paulus.
+
+Columna bellica, kleine zuil voor den Bellona-tempel te Rome,
+ten N.W. van den mons Capitolinus. Bij deze zuil werd oudtijds het
+formulier der oorlogsverklaring uitgesproken.
+
+Columna Maeniana, zuil op het Comitium te Rome, met een balkon er op,
+genoemd naar haren bouwmeester C. Maenius. Bij deze zuil werden slaven,
+dieven en gemeene misdadigers gestraft.
+
+Columna rostrata, zuil met scheepssnebben versierd, opgericht ter
+eere der overwinning van C. Duillius op de Carthagers in 260.
+
+Columna Traiani. Onder de verschillende zuilen te Rome is vooral
+die van Traianus merkwaardig. Zij is van wit marmer, 117 voet hoog
+en van binnen met een wenteltrap van 180 treden voorzien. Bovenop
+stond het standbeeld des keizers; thans staat er dat van den apostel
+Petrus. Buitenom zijn spiraalsgewijze en relief tafereelen uit den
+dacischen veldtocht aangebracht, uit meer dan 2500 figuren bestaande.
+
+Columnae Herculis, twee bergen aan het fretum Gaditanum (straat
+v. Gibraltar), n.l. Calpe in Europa en Abyla in Afrika, volgens
+de mythe door Heracles vaneengescheiden, om de beide zeeën te
+vereenigen. Romeinsche zeelieden gaven bovendien dien naam aan het
+toen uit twee afzonderlijke rotsen bestaande Helgoland.
+
+Colyttus, Kolyttos = Collytus.
+
+Comaetho, Komaitho, dochter van Pterelaus, koning der Taphiërs. Uit
+liefde voor Amphitryo, die de Taphiërs beoorloogde, sneed zij haar
+vader het gouden haar af, waarvan het behoud van zijn leven afhing;
+Amphitryo liet haar wegens haar verraderlijk gedrag dooden. Vgl. Nisus.
+
+Comana, ta Komana, naam van twee steden, de eene in Cappadocia aan den
+Sarus gelegen, de andere in Pontus aan den Iris. Beide steden hadden
+een tempel, aan de gewapende godin Mâ gewijd, waar tempelslavinnen
+wapendansen uitvoerden. Vooral de pontische tempel met zijne 6000
+hierodulen had een uitgestrekt landbezit, en de opperpriester er
+van genoot een koninklijk aanzien. Misschien hebben die gewapende
+vrouwenscharen aanleiding gegeven, om in die streek aan den Thermodon
+de woonplaats der Amazonen te stellen.
+
+Comes, sedert Constantijn den Grooten een titel voor hooge staats-
+en hofbeambten, als: comes stabuli, keizerlijk opperstalmeester,
+comes sacrarum largitionum, minister van finantiën, e. a. Zie ook
+Illustres. Er waren comites in actu, in dienst, vacantes, buiten
+dienst, en ook honorarii.
+
+Cominii, plebejisch geslacht.
+
+Cominium, stad in Latium aan de grenzen van Samnium, ten N. van Atina,
+door de Romeinen verwoest (293).
+
+Comissatio, een drinkgelag als voortzetting der coena, meestal tot
+diep in den nacht.
+
+Comitia zijn vergaderingen, waar het romeinsche volk, na het waarnemen
+der auspicia, volgens een zijner politieke indeelingen bijeenkwam
+en waar een stemming plaats had. Het recht zulke vergaderingen samen
+te roepen en te leiden (ius agendi cum populo) kwam, behalve bij de
+com. curiata calata, alleen toe aan de hoogere overheidspersonen.
+
+Comitia curiata calata zijn volksvergaderingen, die vroeger door den
+koning, later door den pontifex maximus werden bijeengeroepen (calare)
+tot zekere sacrale handelingen, waarbij de tegenwoordigheid van het
+volk voldoende was en geene stemming plaats had. Ze kwamen bijeen
+voor de Curia Calabra op het Capitool, en werden in de oudste tijden
+gehouden tot inauguratie van den koning, de flamines en later van den
+rex sacrificus, tot het maken van testamenten (testamentum comitiis
+calatis factum), bij arrogatio uithoofde der detestatio sacrorum,
+tot afkondiging van den feestkalender, bij de transitio in plebem, enz.
+
+Comitia curiata waren de oudste soort van volksvergadering op
+het gebied van wetgeving en verkiezing. Men stemde er naar curiën,
+zoodat er 30 stemmen werden uitgebracht. Toen de wetgevende macht op
+de centuriaatcomitiën was overgegaan, werd toch aan de magistraten,
+die het noodig hadden, het imperium door eene curiaatvergadering
+verleend (lex curiata de imperio).
+
+Comitia centuriata waren die, waarin het volk naar classes en
+centuriae stemde. Zie centuria. Het kwam dus op den census aan,
+niet op geboorte. Elke centurie bracht ééne stem uit, er waren
+derhalve 193 stemmen. Waren de 80 centuriën der eerste klasse en de 18
+riddercenturiën eenstemmig, dan behoefde reeds de tweede klasse niet
+meer ter stemming te worden opgeroepen. De centuriaatcomitiën worden
+bijeengeroepen in de eerste plaats voor de verkiezing der hoogere
+ambtenaren, in de tweede plaats voor de wetgeving; deze ging echter in
+den loop der tijden gedeeltelijk op de comitia tributa, gedeeltelijk
+op het concilium plebis over. Consuls brachten hun wetsvoorstellen
+steeds (behalve als ze in de oppositie waren) ex auctoritate senatus
+voor de com. cent. Twee bevoegdheden van wetgevenden aard bleven
+uitsluitend aan de c. centuriata voorbehouden: 1º. het recht om
+oorlog te verklaren (lex de bello indicendo), 2º. het recht om aan de
+censores na hun benoeming de potestas te verleenen (lex de censoria
+potestate). Ook hadden zij de rechtspraak in lijfstraffelijke zaken,
+die haar echter sedert 149 door de quaestiones perpetuae meer en meer
+werd onttrokken.--Op een niet juist bekend tijdstip, vermoedelijk
+tusschen 241 en 218, had er eene samensmelting der centuriën en der
+tribus plaats. Volgens de meest aangenomen gissing werden de burgers
+van elke tribus naar hunnen census en hun leeftijd in 10 centuriën
+gesplitst, van elke klasse een cent. seniores boven 45 jaar, en
+een cent. iuniores van 17-45 jaar. Dit gaf voor de 35 tribus 350
+centuriën, 70 in elke klasse. Wanneer men daarbij 18 c. ridders,
+2 c. werklieden, 2 c. muzikanten en 1 c. proletariërs voegt, krijgt
+men een totaal van 373 centuriën en even zooveel stemmen. Zelfs bij
+volkomen eenstemmigheid moest dan na de stemming der eerste klasse
+en der ridders niet slechts de tweede klasse, maar na deze ook nog de
+derde ter stemming worden opgeroepen, om eene volstrekte meerderheid
+te verkrijgen. Anderen geven weer andere oplossingen aan de hand, die
+allen hierop gebaseerd zijn, dat volgens Cicero het aantal stemmen
+steeds 193 gebleven was. Alleen zeker is dat de eerste classis in
+elke tribus in een centuria seniorum en een c. iuniorum gesplitst was.
+
+Comitia tributa. Zuivere tribuutcomitiën zijn die, waarin alle
+stemgerechtigde burgers tributim kunnen stemmen en elke tribus
+ééne stem uitbrengt. Over de tribuutvergaderingen der plebs onder
+voorzitterschap harer tribunen, zie men het artikel concilia plebis. Op
+het voetspoor der volkstribunen maakten ook andere overheden van
+de gelegenheid gebruik, het volk tributim op te roepen, omdat de
+tribuutvergaderingen, althans in den beginne, aan geene auspiciën
+gebonden waren en dus minder omslag vereischten. De lex Aternia
+Tarpeia droeg in 454 aan deze comitia de rechtspraak op in boetezaken
+boven een zeker bedrag. In 447 werd hun de verkiezing der magistratus
+minores opgedragen. De eerste wet in comitiis tributis aangenomen was
+de lex de vicesima manumissionum, waarover de consul Cn. Manlius,
+in het kamp voor Sutrium, het leger tribusgewijze liet stemmen
+(Zie lex Manlia). Wetten van politieken aard zijn er overigens in
+de com. trib. slechts weinig voorgesteld en aangenomen. Het meest
+bekend zijn de leges tributae praetoriae, wetten tot regeling van
+het privaatrecht, die ex auctoritate senatus door den praetor urbanus
+werden ingediend. De lex Domitia, 104, bracht ook de verkiezing der
+priester-collegiën aan de tribus, doch op dezen voet, dat door het
+lot 17 (minor pars) van de 35 tribus zouden worden aangewezen voor
+de stemming, en dat de door haar gekozenen door het collegie moesten
+worden gecoöpteerd. Dit zijn de comitia sacerdotum.
+
+Comitiales dies, de dagen, waarop comitia mochten gehouden worden
+(quibus cum populo agi licet). Er zijn er tegen het einde van de
+republiek ongeveer 190. Uitgesloten waren de dies nefasti, de dies
+fasti, en de nundinae. In den kalender worden ze aangeduid met een
+C. Op de nundinae mochten wel vergaderingen van de plebs (concilium
+plebis) gehouden worden.
+
+Comitium, een vierhoekig plein, dat ten N. aan het forum grensde,
+waar oudtijds de comitia curiata plaats hadden en, voor het Forum
+ingericht was, ook als marktplein diende. Het lag veel hooger dan
+het Forum. Aan de Noordzijde lag de Curia Hostilia, ook stonden er
+de ambtszetels van de tribuni plebis. Later werd een groot gedeelte
+van het plein ingenomen door de nieuwe Curia Julia.
+
+Commagene, Kommagene, het noordelijk gedeelte van Syria met de
+hoofdstad Samosata aan den Euphraat, die hier nog niet bevaarbaar
+was. Aan den anderen kant werd het gewest door den Taurus en den
+Amanus ingesloten. Na Alexander d. Gr. was het onder een zijtak der
+Seleuciden geruimen tijd een zelfstandig rijk. Tiberius veroverde het
+in 17 na C.; Caligula gaf het terug; Vespasianus maakte het weder
+tot rom. provincie. Onder Diocletianus en Constantijn droeg het,
+met Cyrrhestice vereenigd, den naam Euphratensis of Augustophratensis.
+
+Commeatus. Onder dit woord verstaat men niet slechts toevoer van
+levensmiddelen, maar ook het verlof aan de soldaten. Hoewel het
+recht om commeatus te verleenen eigenlijk alleen aan den veldheer
+toekomt, schijnen de centuriones, evenals bij het verleenen van
+vacationes munerum (zie Beneficiarius miles), hierin handel gedreven
+te hebben. Keizer Otho maakte hieraan een einde door aan de centurio's
+eene jaarlijksche toelage te geven.
+
+Commentarii, apomnemoneumata of hypomn., fr. mémoires,
+gedenkschriften, dagboek. Ook de aanteekeningen der pontifices,
+die in den gallischen brand verloren gingen, worden zóó geheeten,
+commentarii pontificum. Het woord wordt verder ook van letterkundige
+geschriften gebruikt. Caesar geeft dien naam aan zijn verslag van
+den Gallischen en den burgeroorlog.
+
+Commercium is de bevoegdheid om volgens, streng rom. recht eigendom
+te verkrijgen en te vervreemden. Het zwaartepunt er van lag in het
+testament- en erfrecht. Wie toch het commercium niet bezat, kon van
+een burger niet erven, noch hem iets bij testament vermaken. Hij kon
+ook geen grondbezit hebben. Zoo zorgden de Romeinen er in den regel
+voor, dat de civitates (z. a.) in de onderworpen gewesten onderling
+geen commercium hadden.
+
+Commius, vorst der Atrebaten, door Caesar aangesteld (57), bewees hem
+diensten bij den tocht naar Britannia, doch sloot zich in 52 bij den
+grooten gallischen opstand onder Vercingetorix aan.
+
+Commodus (L. Aelius Aurelius), rom. keizer 180-192 n. C., zoon van
+Marcus Aurelius en diens gemalin Faustina, hoewel sommigen hem voor
+een zoon van F. en een gladiator hielden. Hij was een der ellendigste
+vorsten, die op den rom. keizerstroon zetelden, verkwistte schatten
+aan wedrennen, zwaardvechtersspelen en dierengevechten, waarbij hij
+zelf optrad, en stelde er zijn roem in, de eerste gladiator van het
+rijk te zijn en zich als een tweeden Hercules te doen vereeren. Op
+aansporing zijner gunstelingen Perennis en Cleander liet hij met
+groote wreedheid de beste burgers om het leven brengen, tot hij
+eindelijk zelf vermoord werd.
+
+Commodus (L. Ceionius), zie Verus.
+
+Comoedia, komodia. De uitgelaten vroolijkheid, die bij de
+Dionysusfeesten placht te heerschen, uitte zich o. a. ook in
+kunstelooze liederen, waarin zij, die aan het feest deelnamen,
+elkander en anderen vrijmoedig, dikwijls op zeer ruwe wijze, plaagden
+en bespotten. Uit deze liederen ontwikkelde zich mettertijd, onder
+de handen van eenige verdienstelijke dichters, de comedie. Nadat
+in Megara en op Sicilië de eerste stappen in deze richting gedaan
+waren, kwam deze dichtsoort tot hoogen bloei te Athene, waar het
+afwisselend en veelbewogen leven den dichters rijke stof opleverde,
+waarvan zij met de aloude vrijheid gebruik maakten. Geen onderwerp
+is van zoo teederen aard, of de comediedichters durven het op hunne
+wijze behandelen, geen persoon is zoo machtig of hoog geplaatst,
+of zij stellen hem, ook in zijn huiselijk leven, voor het volk ten
+toon en geven zijne feilen en tekortkomingen, natuurlijk veelal zeer
+overdreven, aan de openbare bespotting prijs; zoo werd de comedie een
+middel, waardoor de openbare meening met onbeperkte vrijheid over
+personen en toestanden kritiek uitoefende. Aan handeling ontbreekt
+het in de comedie niet, maar eenheid zou men er tevergeefs in zoeken;
+met onbeteugelde phantasie laat de dichter op de meest onverwachte
+wijze het eene tooneel op het andere volgen, mits hij de gelegenheid
+vindt zijne toeschouwers te doen lachen. Schijnt dus scherts en spot
+het eenige doel der comedie te zijn, als geheel beschouwd hebben
+de stukken, ten minste voor zoover wij ze kennen, eene ernstige
+strekking; wel beschouwd bestaat immers alles wat afgekeurd en bespot
+wordt, door toedoen of ten minste met goedvinden van het publiek,
+het oppermachtige volk; de dichter schroomt dan soms ook niet zelf,
+door middel van het koor, het woord tot de toeschouwers te richten en
+hun met ernst en aandrang mede te deelen wat hem op het hart ligt. In
+het bizonder dient daartoe de parabasis (parabasis), een intermezzo,
+dat met de handeling niet in het minste verband staat. De voornaamste
+aantrekkelijkheid der oude comedie (archaia kom.) ging verloren, toen
+omstreeks het einde van den peloponnesischen oorlog hare vrijheid door
+wettelijke bepalingen beperkt en het verboden werd bestaande personen
+te noemen (onomasti komodein), tevens werden de stukken met veel minder
+luister opgevoerd en langzamerhand vervielen ook de koren. Daarentegen
+leggen de dichters der nieuwe komedie (nea kom.) zich meer op de
+eigenlijk gezegde dramatische kunst toe: in hunne stukken verloopt de
+handeling meer natuurlijk en voert geleidelijk tot de ontknooping,
+in plaats van bepaalde personen worden typen uit het dagelijksche
+leven ten tooneele gevoerd, de karakters worden beter volgehouden,
+enz. Het overgangstijdperk tusschen de oude en nieuwe comedie noemt
+men den tijd der mese kom.--De rom. comedie is eene navolging van de
+nieuwe grieksche; een enkel stuk dat, naar het voorbeeld der oude
+attische comedie, tegen verscheiden aanzienlijke Rom. gericht was,
+bezorgde den schrijver, Naevius, gevangenisstraf. De stukken zijn
+meestal uit het Grieksch vertaald of bewerkt; in de fabulae palliatae
+komen zelfs grieksche, in de veel minder talrijke fabulae togatae
+romeinsche toestanden en kleederdrachten voor.
+
+Comperendinatio. Wanneer eene rechtszaak niet op één dag kon worden
+afgehandeld, werd zij verdaagd tot den derden (volgens onze rekening
+den tweeden) dag daarna, in diem perendinum. Vandaar wordt de tweede
+termijn van een proces comperendinatio genoemd, ook al viel deze niet
+op den derden dag.
+
+Compitalia, feesten 3-5 Januari ter eere der Lares compitales,
+beschermgoden der compita. Dit is oorspronkelijk vooral een feestdag
+voor de familia, de slaven, en op dien dag mag de vilicus offeren. Een
+compitum is een punt, waar twee of meer straten of wegen zich
+vereenigen of elkander kruisen. Gewoonlijk vond men daar een Larenkapel
+of een altaar. De landelijke dienst der Lares compitales ging ook op
+de stad over, waar zich uit de wijken collegia compitalicia voor de
+viering van de wijkfeesten vormden; meestal bestaan deze uit slaven
+en vrijgelatenen. Later is de keizersvereering hierop overgegaan,
+en werd de Genius Augusti tusschen de twee Lares compitales vereerd.
+
+Compluvium, vierkante opening in het dak van het atrium, waardoor het
+licht naar binnen viel. De naam is hieraan ontleend, dat het dak naar
+de opening toe eenigszins afliep, om het regenwater te verzamelen, dat
+dan beneden in het impluvium of den regenbak werd opgevangen. Zie de
+afbeelding van een oud pompeiaansch huis, dat hiervan een voorstelling
+geeft, onder domus.
+
+Compromissum, plechtige wederzijdsche belofte van geschilvoerende
+partijen, om hunne zaak aan de beslissing van een arbiter te
+onderwerpen.
+
+Compsa, stad der Hirpini in Zuid-Samnium nabij de bronnen van den
+Aufidus.
+
+Comum, Komon, stad in Gallia Transpadana aan den lacus Larius (meer
+v. Como), een zeer bloeiende rom. kolonie en een voorpost tegen
+de Alpenvolken. Plinius Secundus minor was hier geboren. Comum had
+beroemde ijzerfabrieken.
+
+Concilia plebis. Een concilium is eene vergadering, niet van het
+geheele volk, maar van een gedeelte, van een enkelen stand, b.v. alleen
+van de patriciërs of alleen van de plebejers. De volkstribunen nu,
+die alleen overheden der plebs, maar geene magistratus populi Romani
+waren, konden alleen de plebejers oproepen; de lex Publilia Voleronis
+van 471 bepaalde, dat de volkstribunen het recht zouden hebben,
+de plebs tributim op te roepen tot het verkiezen van hun opvolgers
+(zie hieromtrent onder tribuni plebis), eerst slechts de stedelijke
+bevolking, later sedert de vrijmaking van het platteland (457),
+ook de landelijke; er zijn dan 21 tribus. De besluiten van zulk
+een concilium plebis waren geene leges, maar plebiscita, en alleen
+verbindend voor de plebejers, niet voor het geheele volk. Doch de
+tribunen, steunende op hunne onschendbaarheid en op de getalsterkte
+der plebs, brachten het zóó ver, dat de plebiscita ook voor de
+patriciërs verbindend werden. Drie wetten brachten de gelijkstelling
+van plebiscita met leges tot stand: de lex Horatia Valeria in 449, ut
+quod tributim plebs iussisset, populum teneret, de lex Publilia in 339,
+ut plebiscita omnes Quirites tenerent, de lex Hortensia, in 287, ut eo
+iure, quod plebs statuisset, omnes Quirites tenerentur. V. s. zijn de
+twee eerste wetten een anticipatie van de lex Hortensia. Zie Horatiae
+Valeriae (leges). Sedert dezen tijd worden de concilia plebis ook
+veelvuldig met den naam comitia tributa bestempeld, en worden de
+plebiscita ook leges genoemd. Het eenige verschil tusschen comitia
+tributa en concilium plebis is sedert de lex Hortensia gelegen in
+den voorzitter; is de voorzitter een magistratus populi, dan spreekt
+men van com. trib., is deze een mag. plebis, dan heet de vergadering
+concilium plebis. Concilia heeten in den keizertijd ook de provinciale
+landdagen, die vooral bijeenkomen voor de vereering des keizers,
+den cultus Augusti.
+
+Conciliabulum, eigenlijk verzamelplaats. Onder dezen naam werden
+marktvlekken en gerechtsplaatsen verstaan, die echter niet de rechten
+van een municipium hadden. Zie vicus no. 3.
+
+Concio = Contio.
+
+Concordia, godin der eendracht, voornamelijk van de eendracht tusschen
+de burgers en in den keizerstijd tusschen de leden van het keizerlijke
+huis. Wanneer burgertwisten bijgelegd waren, bouwde men een tempel
+voor Concordia. De voornaamste van die tempels lag aan het Forum en
+was door Camillus gesticht na aanneming der licinische wetten. De
+godin werd afgebeeld als eene deftige matrone met een horen van
+overvloed en een olijftak of een schaal in de handen.
+
+Concubinatus, het samenleven van twee wettelijk ongehuwden, tusschen
+wie geen wettig huwelijk mogelijk is bij gebreke van conubium. Ook
+wordt het woord gebezigd voor de samenleving van een ongehuwd man
+met eene vrouw, die in stand ver beneden hem stond, b.v. met eene
+liberta van hem. Trouwbreuk der concubina was volgens de zienswijze
+der rom. juristen als echtbreuk strafbaar. De kinderen waren liberi
+naturales. Soms wordt concubina ook wel in den zin van pellex gebezigd.
+
+Condate, keltische stedennaam = het latijnsche Confluentes. Er
+waren in Gallia Transalpina een aantal steden van dezen naam,
+aan de samenvloeiing van twee rivieren gelegen, als: in het gebied
+der Aeduërs, thans Cosne,--bij de Allobrogers, thans Seyssel,--bij
+de Redoners, thans Rennes,--bij de Santonen, thans Cognac,--bij de
+Senonen, thans Montereau. Eéne heeft den ouden naam vrij wel behouden,
+nl. Condate Aulercorum, thans Condé.
+
+Condictio, eigenlijk eene afspraak. In rechten beteekent eene actio per
+condictionem de inleiding van een proces door eene dagvaarding om over
+30 dagen voor den praetor te verschijnen ad iudicem capiendum. Later
+heette elke persoonlijke aanklacht aldus, terwijl de dagvaarding
+achterwege bleef. Eene condictio had altijd een certum tot onderwerp,
+b.v. eene certa pecunia, eene bepaalde som gelds.
+
+Condrusi, germaansche volksstam in Belgica, aan de Mosa (Maas). Hun
+naam leeft nog voort in Condroz, tusschen Luik en Namen. Zij waren
+onderhoorig aan de Treviri.
+
+Condylium, sterkte in het land der Perrhaebi (Thessalia).
+
+Confarreatio was de oudste vorm van een rom. huwelijk en ontleende
+den naam aan den speltkoek, panis farreus, dien het bruidspaar samen
+nuttigde. Het huwelijk werd voltrokken in tegenwoordigheid van den
+pontifex maximus, den flamen Dialis en tien getuigen en van de pronuba
+(z.a.). Na afloop van de plechtigheid zeide de echtgenoote: "ubi
+tu Caius (meester), ego Caia (meesteres)". Door deze huwelijksvorm
+ontstond tevens de manus (z.a.). Zie ook nuptiae. Het kon alleen
+ontbonden worden door diffarreatio (z.a.). Voor de priesterwaardigheid
+van flamen Dialis, Martialis en Quirinalis en rex sacrificulus moest
+men uit een huwelijk per confarreationem gesproten, en wanneer de vrouw
+ook als priesteres moest optreden, ook op deze wijze gehuwd zijn. Daar
+de confarreatio langzamerhand in plaats van regel uitzondering werd,
+werd het dikwijls moeielijk, voor deze priesterschappen geschikte
+personen te vinden.
+
+Confluentes, thans Coblenz, aldus genoemd omdat het aan de
+samenvloeiing van Mosella en Rhenus lag.
+
+Congiarium, uitdeeling van een zeker aantal congii wijn, olie en
+dgl. onder het volk door de overheden op eigen kosten bij plechtige
+gelegenheden. Vervolgens werd dit woord ook gebruikt voor andere
+bedeelingen, zelfs in geld. De uitdeeling had plaats in tesserae of
+bons, op vertoon waarvan men op aangewezen plaatsen de waarde kon
+ontvangen. In enkele gevallen werden deze tesserae onder de menigte
+te grabbelen geworpen.
+
+Congius, rom. maat voor natte waren, iets meer dan 3 liter. Er gingen
+8 congii op eene amphora.
+
+Conisterium, konisterion, konistra, in het gymnasium de plaats, waar
+worstelaars en vuistvechters zich oefenden; in het theater de plaats,
+waar de orchestra opgeslagen was, vandaar ook de orchestra zelve.
+
+Connubium, minder goed voor conubium.
+
+Conon, Konon, 1) atheensch vlootvoogd in den peloponnesischen
+oorlog. Na het ontslag van Alcibiades werd hem met anderen het
+opperbevel opgedragen, hij werd echter door Callicratidas op zee
+verslagen en in de haven van Mytilene ingesloten; de overwinning
+der Atheners bij de Arginusen (406) bevrijdde hem. Bij Lysander's
+overwinning bij Aegospotami was hij de eenige admiraal, die waakzaam
+genoeg was om met eenige schepen behouden te ontkomen. Hij ging
+naar Cyprus, van waar hij betrekkingen aanknoopte met het perzische
+hof, en toen Agesilaus in Azië kwam, kreeg Conon het bevel over eene
+perzische vloot, waarmede hij de spartaansche vloot onder Pisander bij
+Cnidus volkomen versloeg (394). Door Pharnabazus geholpen, verjoeg
+hij de Spartanen uit de eilanden en steden van Klein-Azië, landde
+hier en daar op de peloponnesische kusten, en liet voor perzisch
+geld de muren van Athene herstellen. Kort daarna door de Atheners
+naar den spartaanschgezinden perzischen veldheer Tiribazus gezonden,
+werd hij door dezen te Sardes gevangen genomen, doch waarschijnlijk
+wist hij te ontsnappen en eindigde hij zijn leven op Cyprus.--2)
+van Samus, beroemd wis- en sterrenkundige, vriend van Archimedes,
+gestorven ± 240.--3) taalkundige, die onder Caesar te Rome leefde,
+schreef vijftig verhalen van geschiedkundigen en mythologischen inhoud.
+
+Conopeum, konopeion, een gordijn of deken van lichte stof, waarmede men
+zich bedekte om in den slaap niet door insecten gehinderd te worden.
+
+Conquisitores, werfofficieren, buitengewone commissarissen, die in
+hachelijke tijden zooals na den slag bij Cannae, uitgezonden werden
+om allen, die voor den krijgsdienst geschikt waren, te pressen.
+
+Conscripti, zie Patres Conscripti.
+
+Consecratio, zie apotheosis.
+
+Consentes dii zijn de twaalf goden, aan wie ingevolge de bepalingen
+der libri Sibyllini volgens Grieksch gebruik voor het eerst in
+217 een lectisternium aangeboden is; het waren 6 paren van goden:
+Jupiter en Juno, Neptunus en Minerva, Mars en Venus, Apollo en Diana,
+Volcanus en Vesta, Mercurius en Ceres, naar analogie van de 12 groote
+goden der Grieken. Er werden van hen statuae auratae op het forum
+opgesteld. In de 4de eeuw (367) n. C. zijn deze voor het laatst
+hernieuwd, en opgesteld in de porticus deorum Consentium aan den
+Clivus Capitolinus, die nog bestaat.
+
+Consentia, thans Cosenza, sterke vesting in het N. van het land der
+Bruttii, in het binnenland, aan den bovenloop van de Crathis. Hier
+stierf Alarik.
+
+Considii, plebejisch geslacht, waarvan wij hier alleen vermelden
+C. Considius Longus die in 50 zijne provincie Africa verliet en
+aan zijn legaat Q. Ligarius overdroeg, om zich te Rome candidaat te
+stellen voor het consulaat. Later naar Africa teruggekeerd, vond hij
+wel zijne plaats ingenomen, doch bezette Hadrumetum en verzette zich
+tegen Caesar, tot hij na den slag bij Thapsus (46) door zijn eigen
+soldaten vermoord werd.
+
+Consilium. Wanneer iemand door den praetor als iudex was aangesteld
+om in een proces vonnis te wijzen, eischte de gewoonte gebiedend, dat
+hij zich met een consilium van rechtskundige vrienden als adviseurs
+omgaf. Zoo behoorde ook de paterfamilias, wanneer hij als huisrechter
+in familiezaken optrad, een consilium van bloedverwanten en buren
+bijeen te roepen. Consilium principis is de kabinetsraad des keizers.
+
+Consistorium principis is de naam, dien de keizerlijke staats- of
+kabinetsraad sedert Diocletianus droeg.
+
+Constans. Na den dood van Constantijn den Gr. (337 n. C.) en na
+de vermoording van Dalmatius, verdeelden de zonen op het congres
+te Viminacium het rijk, en kreeg de oudste zijner drie zonen,
+Constantinus II, het bestuur over Gallia, Britannia, Hispania en
+Mauretania Tingitana. De tweede zoon Constantius kreeg het Oosten;
+de derde, Constans, bestuurde Italia, Illyricum, Macedonia, Achaia,
+Thracia en Africa. Constantinus II deed zijn broeder Constans den
+oorlog aan, doch werd in 340 bij Aquileia verslagen en verdronk op de
+vlucht. Constans voegde nu zijns broeders gebied bij het zijne, terwijl
+hij Thracia aan zijn broeder Constantius afstond. In 341 en 342 vocht
+hij voorspoedig tegen de Franken. Hij was een flink krijgsman. In
+den kerkelijken strijd was hij op de hand van Athanasius. Om zijne
+losbandige levenswijze algemeen veracht, werd hij in 350 bij een
+legeropstand onder Magnentius te Illiberis (Helena), door de soldaten
+vermoord.
+
+Constantia, zuster van Constantijn den Gr. en sedert 312
+n. C. echtgenoote van Licinius.
+
+Constantia, latere naam van Salamis op Cyprus, zie Salamis.
+
+Constantina, naam van eenige steden, ter eere van Constantijn den
+Gr. aldus verdoopt, o.a. Cirta in Numidia, thans nog Constantine,
+en Tomi aan de Zwarte zee, het ballingsoord van Ovidius.
+
+Constantinopolis, zie Byzantium.
+
+Constantinus Magnus (Flavius Valerius), rom. keizer 306-337 na C.,
+was de oudste zoon van Constantius Chlorus en Helena, geboren te
+Naïssus 285 of later. Hij diende eerst onder Diocletianus en Galerius
+in het Oosten. Toen zijn vader tot Caesar werd verheven (292), zocht
+Galerius hem uit wantrouwen onder zijn bereik te houden, doch moest
+eindelijk toegeven, dat de zoon zich naar Britannia tot zijn vader
+begaf. In 306 stierf Constantius Chlorus, die sedert een jaar den rang
+van Augustus bezat, te Eboracum (York) op een tocht tegen de Picten,
+waarop Constantinus door de troepen tot Augustus werd uitgeroepen,
+hoewel Galerius hem slechts als Caesar erkende. In den strijd van
+Galerius tegen den ouden keizer Maximianus en diens zoon Maxentius
+mengde Constantinus zich in den beginne niet, hoewel hij Maximianus'
+dochter Fausta huwde; doch na den dood van Galerius aanvaardde hij den
+strijd tegen alle medekeizers en pretendenten en bleef hij eindelijk
+als alleenheerscher over. Reeds in 310 had hij zijn schoonvader
+laten dooden, toen deze hem naar het leven stond. In 312 trok hij
+op tegen zijn zwager Maxentius, dien hij bij den pons Milvius,
+ten N. van Rome, versloeg. Zijn leger was in dezen slag 98000 man
+sterk, dat van Maxentius 170000; C. gebruikte daarin de kruisvaan
+(het Labarum) en zijne soldaten droegen het teeken des kruises op
+hun schilden. Hij was nu alleenheerscher van het Westen, terwijl
+zijn zwager Licinius sedert den dood van Maximinus Daia (313) het
+Oosten in handen had. Reeds in 314 ontstond een oorlog tusschen hen,
+waarin L. in verschillende gevechten, o. a. in den slag bij Cibalae,
+verslagen werd, en Illyricum aan C. moest afstaan. In 323 brak de
+oorlog op nieuw uit; C. overwon in twee groote slagen, bij Adrianopel
+en bij Chrysopolis, waarop L. gevangen genomen en afgezet werd. Van
+nu af aan is C. alleenheerscher over het geheele rijk.
+
+Van den beginne af had hij het Christendom begunstigd; na zijn
+overwinning op Maxentius besluit hij te Rome de christelijke
+priesters uit de staatskas te bezoldigen, en hen te bevrijden van de
+gemeentelasten, waardoor de christelijke eeredienst een door den staat
+erkende eeredienst wordt, en de Christenen gelijke rechten krijgen als
+de belijders der oude leer; hij ruimde hun ook openbare gebouwen in als
+kerken en liet nieuwe kerken voor hen bouwen; later verbood hij ook
+de heidensche offers. In 325, na den val van Licinius werd te Nicaea
+in Kl.-Azië onder zijn voorzitterschap het beroemde concilie gehouden,
+en in 327 nogmaals bijeengeroepen. In het bestuur van het rijk bracht
+hij ingrijpende veranderingen, o. a. door het burgerlijk bestuur der
+provinciën streng van het militaire te scheiden. De hoogste burgerlijke
+ambtenaren zijn de 4 praefecti praetorio (z. a.), de praefectus urbi te
+Rome en die te Constantinopel; de hoogste militairen waren de magistri
+equitum en peditum of utriusque militiae, oorspronkelijk twee, later
+meer. De keizerlijke garde (de palatini van keizer Diocletianus) werd
+tot een veldleger uitgebreid, de comitatenses, terwijl de grenstroepen,
+de limitanei, tot soldaten van den tweeden rang verlaagd werden. Hij
+voerde een oostersche keizervereering in, omgaf zich met een vasten
+hofstoet van paleisbeambten, verdeelde de hooge ambtenaren in vier
+klassen met de titels van illustres, spectabiles, clarissimi en
+perfectissimi, en verplaatste de residentie en den zetel der regeering
+naar Byzantium (Constantinopel) in 330 n. C. Van zijne hardvochtigheid
+en wreedheid getuigen o. a. het ombrengen zijner gemalin Faustina en
+van zijn zoon Crispus. Hij stierf 22 Mei 337 te Nicomedea.
+
+Constantinus II (Flavius Claudius), keizer 337-340 na C., oudste
+zoon van Constantijn den Gr., streed voorspoedig tegen de Sarmaten,
+doch kwam in den strijd tegen zijn broeder Constans om. Zie Constans.
+
+Constantinus III, een soldaat, die ten tijde van Honorius van 407 tot
+411 n. C. in Britannia en Gallia voor keizer speelde, doch gevangen
+genomen en ter dood gebracht werd.
+
+Constantius Chlorus (Flavius Valerius), romeinsch keizer van 293-306
+n. C., vader van Constantinus Magnus. Hij was van geringe afkomst, maar
+leidde later zijn geslacht af van Claudius Gothicus. In 293 werd hij
+Caesar voor het Westen. Hij streed gedurende zijn geheele regeering
+tegen de Franken, en voegde Britannia, waar Allectus, opvolger van
+Carausius (z. a.) heerschte, weer bij het rijk (296). Hij woonde te
+Trier, waar van zijn paleis de ruïne nog te zien is. Toen Diocletianus
+en Maximianus 1 Mei 305 het bewind neerlegden, werd C. Augustus. In
+306 stierf hij te Eboracum (York). Zie Constantinus Magnus.
+
+Constantius II, tweede zoon van Constantijn den Gr., zie Constans.--Na
+den dood zijns vaders ruimde hij, schijnbaar onder den aandrang van
+zijn leger, een aantal bloedverwanten uit den weg. Twee neven bleven
+gespaard, Gallus, dien hij later, in 354 na C., toch liet ombrengen,
+en Julianus, die hem in 361 opvolgde. Door den dood zijner beide
+broeders werd Constantius in 350 alleenheerscher. Een tegenkeizer,
+Magnentius, werd verslagen en doodde zichzelf, door allen verlaten,
+in 353 te Lugdunum (Lyon). Constantius bracht zijn leven door in
+oorlogen met de Perzen en met verschillende kroonpretendenten, en
+stierf in Cilicia in 361, terwijl hij op marsch was tegen zijn neef
+Caesar Julianus, die in 360 in opstand was gekomen.
+
+Constantius (Flavius), veldheer van keizer Honorius, versloeg o.a. den
+overweldiger Constantinus III, huwde in 417 na C. 's keizers zuster
+Placidia en werd in 421 door Honorius tot Aug. en medekeizer benoemd,
+doch stierf nog in datzelfde jaar.
+
+Consualia, z. Consus.
+
+Consulairtribunen = tribuni militum consulari potestate.
+
+Consules, hypatoi. Na de verdrijving der laatste koningsfamilie uit
+Rome werd het consulaat ingesteld. Dit ambt werd telkens door twee
+mannen gedurende een jaar waargenomen. Stierf er een, dan werd in zijne
+plaats een ander gekozen, consul suffectus. Zij werden gekozen in de
+centuriaatcomitiën. Hun titel, uit con en sul saamgesteld (op de wijze
+van ex-sul), beteekent zooveel als samengaanden, ambtgenooten. Als
+erfgenamen der koninklijke macht hadden zij de insignia daarvan:
+toga praetexta, sella curulis, lictores. Zij vervulden ook den
+werkkring des konings, totdat door de instelling der censuur en der
+praetuur een deel hunner werkzaamheden op afzonderlijke magistraten
+overging. Te Rome riepen zij den senaat bijeen, zaten daarin voor en
+voerden de genomen besluiten uit. Hunne rechtsmacht was beperkt door
+de provocatio, doch in oogenblikken van gevaar werd hun somtijds door
+den senaat buitengewone, dictatoriale macht verleend door de formule:
+videant consules, ne quid respublica detrimenti capiat. In het leger
+was hunne macht nagenoeg onbeperkt; de krijgseed werd door de soldaten
+aan hen gedaan (iurare in verba consulis). De aanvaarding van hun ambt
+moest met bepaalde plechtigheden geschieden: auspiciën, een offer
+op het Capitool, eene plechtige senaatszitting, viering der feriae
+Latinae. Wie deze formaliteiten verzuimde, zooals in 217 Flaminius,
+werd door velen gerekend eigenlijk geen consul te zijn. Tweemaal is
+het consulaat geschorst, de eerste maal in 451 door de instelling der
+decemviri legibus scribundis, de tweede keer in 445 door de instelling
+van tribuni militum consulari potestate. Door een der leges Liciniae
+Sextiae (z. echter aldaar) in 367, werd bevolen, dat één der consuls
+uit de plebejers zou gekozen worden. In 172 werd het consulaat
+voor de eerste maal door twee plebejers bekleed. De dag, waarop de
+consuls hun ambt aanvaardden, is in verschillende tijden verschillend
+geweest, sinds 222 echter was het geregeld de 15de Maart, sinds 153
+(z. Fulvii no. 13) geregeld de 1ste Januari. Sulla bepaalde, dat de
+consuls gedurende hun ambtsjaar in Rome moesten blijven, en eerst na
+afloop daarvan pro consule naar eene provincie mochten gaan. In de
+laatste halve eeuw der republiek komen enkele afwijkingen voor. Zoo
+werd in 52 Pompeius tot consul sine collega gekozen. Onder de keizers
+werd het consulaat eene schijnvertooning. De benoeming geschiedde in
+den regel voor twee maanden; de eerste van elk jaar heetten consules
+ordinarii, de volgende suffecti. Macht was er niet meer aan verbonden;
+het was alleen om de eer te doen en om later den titel van consularis
+te kunnen voeren. Om de eerzucht te bevredigen, benoemden de keizers
+soms wel oud-consuls titulair, consulares honorarii.--Consul designatus
+was hij, die tot consul gekozen was, maar zijn ambt nog niet aanvaard
+had. Met opzet liet men de verkiezing eenigen tijd aan de aanvaarding
+voorafgaan, opdat de benoemden tijd zouden hebben zich op de hoogte
+der zaken te stellen.
+
+Consus, oud-italisch god van den landbouw, eigenlijk van het in
+de schuren geborgen graan (van condere). Hij had een tempel op den
+Aventinus, en een onderaardsch altaar in den Circus. Zijn voornaamste
+feestdag, de Consualia (21 Augustus) is een oogstfeest; aan Consus
+worden de eerstelingen van den oogst geofferd, en verder wordt het
+feest gevierd met ludi circenses, bestaande oorspronkelijk in wedrennen
+van muildieren, die onder de bescherming van Consus staan. Hij raakte
+spoedig in vergetelheid, en nu werd hij door de Romeinsche geleerden
+geïdentificeerd met Neptunus Equester, Poseidon Hippios. Ook nam men
+aan, dat op zijn feest de sabijnsche maagdenroof zou gepleegd zijn,
+en dat ter herinnering hieraan die dag luisterrijk met groote wedrennen
+gevierd werd.
+
+Contestatio litis = Litis contestatio.
+
+Contio, saamgetrokken uit conventio, volksvergadering, door een
+overheidspersoon bijeengeroepen, om een of andere mededeeling te doen,
+in het algemeen voor alle openbare staatkundige en godsdienstige
+handelingen van ambtenaren en priesters, voor het afkondigen van
+edicten, of om eenig onderwerp in debat te brengen. Stemming kon in
+eene contio niet plaats hebben. De voorzittende magistraat opende
+de contio met een gebed, sollemne precationis carmen. Het debat
+was niet vrij. De voorzittende magistraat kon naar goedvinden het
+woord verleenen, contionem dare, of weigeren. Hij kon ook iemand
+ongevraagd oproepen om het woord te voeren, hij kon ook het debat
+sluiten, contionem summovere. In eene contio staat het volk niet
+gerangschikt naar curiën, centuriën of tribus. Bij de wetgevende
+comitia werd de stemming door een contio voorafgegaan. Ook het
+strafproces werd in eerste instantie viermaal in een contio
+behandeld. Voor de eerste (prima accusatio) riep de magistraat
+(quaestor of duoviri perduellionis) den reus op, om zich op een
+bepaalden dag te verantwoorden (diei dictio). In een tweede en derde
+contio, telkens door minstens één dag gescheiden (z. comperendinatio)
+volgde nu getuigenverhoor en verdediging. Bij de quarta accusatio
+werd nu, indien de magistraat den aangeklaagde schuldig bevond, het
+vonnis geveld. Kwam dan de veroordeelde in hooger beroep bij het volk,
+dan volgde na minstens 24 dagen (in trinundinum) de bijeenkomst der
+comitia centuriata, die het vonnis bekrachtigde of vernietigde.
+
+Contractus, contract, overeenkomst, van dien aard, dat overtreding
+of niet-naleving ervan grond oplevert tot eene rechtsvordering,
+wat bij een pactum of afspraak in den regel niet het geval is.
+
+Contrebia, sterke stad der Celtiberiërs in Hispania Tarraconensis
+Z.Z.W.waarts van Caesaraugusta (Saragossa).
+
+Contubernales, de krijgsmakkers, die in dezelfde tent kampeerden. Ook
+verstaat men er jonge Romeinen van aanzienlijken huize onder, die
+zich vrijwillig als comites bij den veldheer aansloten, om zich in de
+krijgskunde te oefenen, en die in de veldheerstent, het praetorium,
+met den veldheer het middagmaal gebruikten.
+
+Contubernium, de toestand van contubernales. Ook het huwelijk van of
+met slaven of slavinnen, dat geene rechtsgeldigheid had, daar slaven
+geen conubium hadden.
+
+Contumacia, van contemnere, niet voldoen aan de oproeping van
+den praetor, om voor den rechter te verschijnen. De partij, die
+niet verscheen, verloor bij verstek onherroepelijk zijn proces. In
+strafzaken stond op het niet verschijnen van den beklaagde de aqua
+et igni interdictio.
+
+Conubium, de bevoegdheid volgens de wet om een rechtsgeldig huwelijk,
+matrimonium iustum of legitimum, te sluiten. Dit bestond in de
+oudheid niet tusschen burgers van verschillende staten, indien het
+niet uitdrukkelijk bij verdrag bepaald was. Vóór 445 bestond te Rome
+ook geen conubium tusschen patriciërs en plebejers; eerst de lex
+Canuleia stond dit toe. Was er conubium, dan volgden de kinderen den
+stand des vaders, anders dien der moeder. Zie verder matrimonium.
+
+Convenae, gemengde bevolking in Aquitania langs den Garumna (Garonne)
+aan den voet der Pyrenaeën, gedeeltelijk door Pompeius uit Hispania
+daarheen overgebracht. De hoofdplaats was Lugdunum Convenarum.
+
+Conventio in manum. Manus was de macht van den man over de vrouw,
+waarmede gepaard ging het beheer van haar vermogen. De vrouw kwam
+door huwelijk in manum mariti. Bij een huwelijk per confarreationem
+of per coëmptionem was de conventio in manum een onmiddellijk gevolg,
+bij usus echter volgde zij eerst na een onafgebroken bezit van een vol
+jaar en kon zij verhinderd worden, wanneer de vrouw vóór den afloop
+van het jaar een trinoctium buitenshuis doorbracht. In den loop des
+tijds werd de conventio in manum door coëmptio ook in zwang gebracht,
+niet om te huwen, maar om agnatenvoogdij te ontgaan, coëmptio cum
+extraneo fiduciae causa. Zie hierover het artikel tutela.
+
+Conventus. Een rom. provincie was voor de rechtspleging in
+arrondissementen of distrikten ingedeeld, conventus genaamd, en in de
+hoofdplaatsen daarvan hield de stadhouder zijne rechtsdagen (conventum
+of forum agere). Conventus beteekent ook wel de saamgekomen menigte,
+de vergadering.--Onder conventus civium Romanorum verstaat men eene
+corporatie van in zulk een distrikt woonachtige cives Romani, de
+romeinsche gemeente aldaar.
+
+Convivium, symposion, drinkgelag na den maaltijd, iets, waarvan de
+Rom. bij een gastmaal hartstochtelijke liefhebbers waren. Door het
+lot (het werpen met dobbelsteenen) werd een der dischgenooten tot
+president aangewezen, arbiter of magister bibendi, rex vini, die
+omtrent de menging van den wijn, het aantal schepjes (cyathi) voor
+elken beker, zijne bevelen gaf en de tafelwetten vaststelde. Onder
+de aardigheden bij zoodanig convivium behoorde ook het ad numerum
+bibere, het drinken op iemands gezondheid met zooveel bekers (hoewel
+niet in eens), als diens naam letters bevatte. Ook de cottabus was
+een geliefd spel daarbij. Terwijl bij de Grieken een symposion nog
+wel eens met verstandige gesprekken kon gepaard gaan, was het bij de
+Rom. vaak alleen aan het drinken gewijd. Zie deipnon.
+
+Coos = Cos.
+
+Copa, ook caupa en cupa, waardin, meisje uit een herberg, vooral eene,
+die door een dans met begeleiding van castagnetten bezoekers trachtte
+te lokken. Cupa is ook de titel van een klein gedicht, aan Vergilius
+toegeschreven.
+
+Copae, Kopai, oude bondsstad van Boeotia, aan het meer Copais.
+
+Copaïs, Kopais, het meer van Copae, in Boeotia, bekend door zijn
+fluitenriet en zijne alen. Het riviertje Cephissus stroomde er door,
+terwijl onderaardsche kanalen, catabothra, het water afvoerden. In
+den zomer droogde het meer grootendeels uit en vormde dan een aantal
+kleine meertjes.
+
+Cophen, Kophen, zijtak van den Indus, waaraan Cabura (Kabul) en
+Nagara liggen.
+
+Copia, sedert 193 lat. kolonie in het gebied van het oude Thurii, z. a.
+
+Copis, kopis, een licht gekromde sabel, vooral bij oostersche volken
+in gebruik.
+
+Coponii, plebejisch geslacht uit Tibur afkomstig. Een hunner,
+C. Coponius, redde bij Carrhae het rom. leger na den dood van Crassus
+(53).
+
+Copreus, Kopreus, zoon van Pelops, vluchtte wegens den moord van
+Iphitus uit Elis naar Eurystheus, die hem als heraut gebruikte om
+zijne bevelen aan Heracles over te brengen, daar hijzelf zich niet
+in diens tegenwoordigheid durfde wagen.
+
+Coptus, Koptos, stad in Boven-Aegypte, door handel bloeiende, niet
+ver stroomafwaarts van Thebae.
+
+Cora, Kore = Persephone.
+
+Cora, Kora, oude latijnsche stad op den rand van het Volscisch
+gebergte, met cyclopische muren.
+
+Coracesium, Korakesion, vesting en zeerooversnest in W. Cilicia.
+
+Coras, zie Tiburtus.
+
+Corassiae, Korassiai, eilandjes op de aziatisch-ionische kust, niet
+ver van Samus. Zie ook Corsiae.
+
+Corax, Korax, een Siciliër, die na den dood van Hiero (467) over
+Syracuse regeerde, maar zich later van het staatsbestuur terugtrok. Hij
+beoefende vlijtig de wetenschap en was de eerste, die de leer der
+welsprekendheid theoretisch behandelde.
+
+Corax, Korax, berg in het oosten van Aetolia.
+
+Corbio, 1) vesting der Aequers in Latium op den berg Algidus,
+oorspronkelijk latijnsch.--2) stad der Suessetanen in Tarraconensis,
+nabij den Iberus (Ebro), thans Berga.
+
+Corbulo, familienaam in de gens Domitia, z. Domitii no. 16.
+
+Corcyra, Kerkyra, later Korkyra, waarschijnlijk het Scheria der
+Phaeaciërs bij Homerus, aanzienlijk eiland tegenover de epirotische
+kust in de ionische zee gelegen, sedert ongeveer 700 volkplanting
+van Corinthus. De toenemende bloei van Corcyra wekte den naijver van
+Corinthus op, en reeds in 660 waren de twee staten in oorlog; in dezen
+oorlog wordt het eerst van een geregelden zeeslag melding gemaakt. Toen
+in 436 de gebeurtenissen in Epidamnus eene botsing tusschen de
+beide staten hadden uitgelokt, zocht Corcyra, dat eene machtige
+vloot had, hulp bij Athene en verhaastte hierdoor de uitbarsting van
+den peloponnesischen oorlog. Na Alexander d. Gr. geraakte Corcyra
+door inwendige verdeeldheid in verval en stelde zich in 228 onder
+romeinsche bescherming. De hoofdstad heette ook Corcyra en had eene
+hooggelegen acropolis. De eilanders stonden in geen goeden reuk,
+en hadden den naam, brutaal en bedriegelijk te zijn.
+
+Corcyra nigra, eiland aan de dalmatische kust, tusschen de eilanden
+Melite en Pharus tgw. Cursola.
+
+Cordax, kordax, de dans van het koor in de oude attische comedie,
+over het algemeen een ontuchtige, onbetamelijke dans.
+
+Corduba, Kordyba, thans Cordova, de eerste rom. kolonie in Baetica
+en hoofdplaats van dit gewest, geboorteplaats van M. en L. Annaeus
+Seneca en van M. Annaeus Lucanus.
+
+Cordyene of Gordyene, Gordyene, het land der Carduchen in het Z.O. van
+Armenia, thans Kurdistan.
+
+Coressus, Koresos, ook wel Koressos geschreven, berg in Ionia, nabij
+Ephesus en ook een voorstad van Ephesus, aan den voet van dien berg
+gelegen.
+
+Coresus, Koresos, z. Callirrhoë no. 4.
+
+Corfinium, stad der Paeligni in Samnium, in den marsischen oorlog
+(90) onder den naam Italia tot hoofdstad der tegen Rome opgestane
+bondgenooten gekozen.
+
+Corinna, Korinna, beroemde lyrische dichteres van Tanagra, die zich
+echter gewoonlijk te Thebe ophield. Zij zou Pindarus de dichtkunst
+geleerd en hem vijfmaal in wedstrijden den prijs afgewonnen
+hebben. Haar bloeitijd valt omstreeks 500.
+
+Corinthia, Korinthia, landschap van de Peloponnesus, gedeeltelijk op
+den Isthmus gelegen, aan de eene zijde door den sinus Corinthiacus,
+aan de andere door den sinus Saronicus bespoeld.--Als oudste bewoners
+werden Aeoliërs genoemd; de stad heette toen Ephyra. Bij de dorische
+verovering viel C. aan zekeren Aletes ten deel; omstreeks 950 verhief
+zich het geslacht der Bacchiaden, dat in 657 door zekeren Cypselus
+verdreven werd. Deze veranderde de oligarchie in eene tyrannis. Hij
+heerschte gematigd en verfraaide de stad (657-628). Zijn zoon Periander
+(628-585) wordt onder de zeven wijzen van Griekenland gerekend; hij
+regeerde echter willekeurig en zocht den adel uit te roeien. Zijn
+zoon Psammetichus werd verdreven en de republikeinsche staatsvorm
+hersteld. Corinthe had een aanzienlijke vloot en dreef een zeer
+uitgebreiden zeehandel, die echter geweldig achteruit ging sedert
+Athene als zeemogendheid optrad; na den peloponnesischen oorlog begon
+het aanzien van den staat te tanen; het sloot zich vervolgens aan
+bij de Macedoniërs en later bij het achaeïsch verbond, ten gevolge
+waarvan het in 146 door den rom. consul L. Mummius veroverd en de stad
+Corinthus ingenomen en verwoest werd. In Corinthia behooren de mythen
+te huis van Sisyphus en Bellerophon. Zie verder Isthmus en Isthmia.
+
+Corinthische oorlog wordt de oorlog genoemd, dien de verbonden
+Atheners, Thebanen, Corinthiërs en Argiven van 395 tot 387 tegen Sparta
+voerden, waarbij zij van Perzië uit met geld ondersteund werden. De
+oorlog begon met den aanval der Spartanen op Haliartus, die echter
+mislukte en waarbij Lysander sneuvelde; deze ongelukkige uitslag
+noodzaakte de Spartanen Agesilaus uit Azië terug te roepen. Nog voor
+zijne terugkomst wonnen zij den slag bij Nemea, en ook de bloedige slag
+bij Coronea, waarin Agesilaus vele wonden kreeg, liep in hun voordeel
+af; daarentegen werd hun vloot bij Cnidus door Conon geheel vernietigd
+(394). De Corinthische oorlog, zoo genoemd omdat de legers van beide
+partijen zich meestal bij Corinthe bevonden, levert na deze slagen
+weinig belangrijke gebeurtenissen op, maar is merkwaardig wegens
+het optreden van Pharnabazus als bondgenoot van Sparta's vijanden,
+en omdat toen voor het eerst door Iphicrates uit huurtroepen een goed
+georganiseerd corps peltasten gevormd werd. De oorlog eindigde met
+den vrede van Antalcidas (z. a.).
+
+Corinthus, Korinthos, in zijn bloeitijd de prachtigste stad
+van Griekenland, aan den voet van een berg, waarop ter hoogte
+van 1900 voet de burcht Akrokorinthos stond. Het had drie
+havens: Schoenus en Cenchreae aan de saronische golf, Lechaeum
+(waarmede het door een dubbelen muur verbonden was) aan de golf
+van Corinthe. Nabij de stad lag het cypressenbosch Craneum, waar
+de wijsgeer Diogenes zijn zomerverblijf hield. De ligging der stad
+was overheerlijk; in tal van prachtige gebouwen overtrof zij Athene,
+doch tevens was Corinthus de meest weelderige en zedelooze stad van
+Griekenland. Vooral voor vreemdelingen was het verblijf er kostbaar
+en vol verleiding; vandaar het spreekwoord: ou pantos andros es
+Korinthon esth' ho plous. Beroemd was de Aphrodite-tempel met zijne
+1000 hierodouloi.--Door L. Mummius werd de stad in 146 veroverd en
+verwoest. Caesar liet ze herbouwen (46), en dank zij hare ligging,
+begon zij opnieuw te bloeien. Z. Corinthia.
+
+Coriolanus (C. of Cn. Marcius), zie Marcii no. 3.
+
+Corioli, latijnsche stad, die van den latijnschen bond naar de Volscen
+overging, in 493 heroverd door C. Marcius, die hiernaar den bijnaam
+Coriolanus kreeg. De stad is in den strijd tusschen Romeinen en
+Volscen vroeg te gronde gegaan; ze lag dicht bij Lanuvium.
+
+Cormasa, stad in Pisidia.
+
+Cornelia (lex) de senatu cooptando Agrigentinorum van P. Cornelius
+Scipio Africanus maior, die in 205 praetor van Sicilia was.
+
+Cornelia (lex) van den consul Cn. Cornelius Lentulus Clodianus
+(Cornelii no. 49) in 72, tot invordering der gelden, die Sulla aan
+de koopers van verbeurdverklaarde goederen had kwijtgescholden.
+
+Cornelia (lex) de restituendo Cicerone, tot terugroeping van Cicero
+uit zijne ballingschap, van den consul P. Cornelius Lentulus Spinther
+in 57 (Cornelii no. 50).
+
+Corneliae (leges) van L. Cornelius Cinna (zie Cornelii no. 39) van
+87. 1) de novorum civium et libertinorum suffragiis, waarbij de nieuwe
+burgers en de vrijgelatenen over alle tribus werden verdeeld.--2)
+de exsulibus revocandis. Tot deze ballingen behoorde in de eerste
+plaats Marius. Deze wetten werden voorgesteld, nadat Sulla naar het
+Oosten was vertrokken.
+
+Corneliae (leges) van L. Cornelius Sulla, van 88, die hij liet
+aannemen, nadat hij zich met geweld van de stad had meester gemaakt. 1)
+tot afschaffing van de leges Sulpiciae van P. Sulpicius Rufus.--2)
+dat geen wetsvoorstel door een volkstribuun aan het volk mocht
+voorgesteld worden zonder voorafgaande goedkeuring van den senaat,
+z. lex Hortensia. Deze wet is hernieuwd in 81.--3) dat het volk bij
+de verkiezingen niet meer tributim, zooals sedert 241 gebruikelijk
+was (zie Comitia Centuriata), maar volgens de ouderwetsche
+centuriënindeeling van Servius Tullius moest stemmen.--4) dat het
+aantal senatoren met 300 leden uit de nobilitas moest versterkt
+worden.--5) een lex de coloniis deducendis.--6) eene lex unciaria,
+waarbij de wettelijke rente op eene uncia per 10 maanden, dus op 10%
+per jaar werd vastgesteld, zie Fenus.
+
+Corneliae (leges) van L. Corn. Sulla, van 81. 1) lex de proscriptione,
+dat de goederen der vogelvrijverklaarden zouden worden verbeurd
+verklaard, evenals van hen, die in den strijd voor de partij van Marius
+en Cinna gevallen waren; bovendien werden de zonen en kleinzonen van
+het recht om eerambten te bekleeden uitgesloten.--2) lex tribunicia,
+die aan de volkstribunen het recht ontnam wetten voor te stellen,
+zonder voorafgaande goedkeuring van den senaat (zie ook Corneliae
+(leges) van 88), zoodat het eenige recht, dat ze behielden, het ius
+auxilii ferendi was, en hen onbevoegd verklaarde verder eenig ambt
+te bekleeden.--3) lex de magistratibus, dat men eerst aediel moest
+geweest zijn om praetor, en praetor om consul te kunnen worden, en
+niet tweemaal binnen tien jaar hetzelfde ambt mocht bekleeden, eene
+hernieuwing van de lex Villia annalis.--4) lex iudiciaria, die de
+iudicia aan den ridderstand ontnam en aan de senatoren teruggaf.--5)
+lex de sacerdotiis, waarbij het getal der pontifices en der augurs op
+15 werd gebracht; tevens werd de lex Domitia de sacerdotiis afgeschaft
+(zie Attia (lex)), en ook de verkiezing van den pontifex maximus en
+den curio maximus door cooptatio vervangen.--6) leges agrariae en lex
+de civitate, om aan de inwoners van een aantal democratischgezinde
+municipia het burgerrecht te ontnemen en hun grond onder de soldaten
+van Sulla te verdeelen, zie ook onder Agrariae (leges).--7) lex de
+provinciis ordinandis, dat de stadhouders in de provinciën ook zonder
+lex curiata het imperium zouden hebben en de aftredende stadhouder
+binnen 30 dagen na de aankomst van zijn opvolger de provincie moest
+verlaten.--8) lex sumptuaria, waarbij de som bepaald werd, die
+op gewone dagen en op feestdagen voor het middagmaal besteed mocht
+worden.--Verder gaf Sulla nog eenige wetten betreffende de quaestiones
+perpetuae, waarbij niet zoozeer nieuwigheden werden ingevoerd, als
+wel eene nauwkeuriger omschrijving van de verschillende misdrijven,
+en hier en daar wellicht eenige verscherping van straf. Vermeld
+worden de volgende wetten: lex de repetundis, lex de maiestate,
+lex de sicariis et veneficiis, lex nummaria (tegen valsche munters),
+lex testamentaria (tegen testamentvervalsching) sive de falsis, lex
+de iniuriis e.a. Zie verder iudex. Sulla's lex iudiciaria werd in 70
+afgeschaft door de lex Aurelia van den praetor L. Aurelius Cotta,
+de lex tribunicia in hetzelfde jaar door de lex Pompeia, de lex
+de civitate geraakte nog veel eerder in vergetelheid. Tot de lex
+de magistratibus behoorde misschien ook de afschaffing der censuur
+en de jaarlijksche verkiezing van 20 quaestoren, die in den senaat
+zitting namen, waardoor deze vanzelf voltallig werd gehouden. Vooraf
+had Sulla het aantal senatoren op 600 gebracht, door de ontbrekende
+bij volkskeuze te laten benoemen.
+
+Corneliae (leges) van den volkstribuun C. Cornelius (Cornelii no. 55),
+in 67. 1) dat aan niemand in eene senaatszitting dispensatie van eenige
+wet zou verleend worden, tenzij 200 leden aanwezig waren, en dat geene
+intercessio zou gelden, wanneer daartoe een wetsvoorstel aan het volk
+werd gedaan.--2) ut praetores ex edictis suis perpetuis ius dicerent.
+
+Cornelia Baebia (lex) de ambitu van de consuls P. Cornelius Cethegus
+en M. Baebius Tamphilus, 181. Omtrent den inhoud van deze wet is
+niets bekend.
+
+Cornelia Caecilia (lex) de Cn. Pompeio, van de consuls P. Cornelius
+Lentulus Spinther en Q. Caecilius Metellus Nepos, 57, strekkende
+om Pompeius gedurende vijf jaar met de cura annonae in het geheele
+rom. rijk te belasten.
+
+Cornelia Gellia (lex) van de consuls Cn. Cornelius Lentulus Clodianus
+en L. Gellius Poplicola, in 72, tot bekrachtiging der schenkingen
+van het burgerrecht door Pompeius.
+
+Cornelii. De gens Cornelia was de beroemdste der
+rom. gentes. O. a. behoorden tot haar de patricische familiën Cethegus,
+Cinna, Cossus, Dolabella, Lentulus, Scipio, Sulla, en de plebejische
+familiën Balbus, Gallus, Merula. 1) Ser. Cornelius Maluginensis, de
+eerste consul uit de gens Cornelia, 485.--2) L. Corn. Maluginensis
+Uritinus, consul in 459, veroverde v. s. de zeestad Antium op
+de Volscen; v. a. streed hij met zijn ambtgenoot Fabius tegen de
+Aequi.--3) A. Corn. Cossus, consul in 428, behaalde de tweede spolia
+opima op den vejentischen koning Lars Tolumnius. In 426 was hij
+consulairtribuun en magister equitum van den dictator Mam. Aemilius
+Marmercinus.--4) A. Corn. Cossus, dictator in 385, bedwong zoowel den
+buitenlandschen vijand, de Volscen, als de binnenlandsche onlusten,
+door M. Manlius Capitolinus verwekt.--5) A. Corn. Cossus Arvina,
+consul in 343, werd bij het begin der samnietische oorlogen door den
+vijand hij den berg Gaurus ingesloten, doch behaalde door het beleid
+van zijn krijgstribuun P. Decius Mus toch nog eene schitterende
+overwinning. Dit verhaal is geheel verzonnen, evenals de geheele
+zoogenaamde eerste samnietische oorlog. In 332 was hij andermaal
+consul, in 322 dictator (ludorum Rom. causa).--6) P. Corn. Scipio
+komt in 395 onder de consulairtribunen voor. Hij was de eerste, die
+het cognomen Scipio had.--7) L. Corn. Scipio Barbatus, consul in 298,
+streed tegen de Etruscen in Etrurië, en vooral tegen de Samnieten in
+Lucania; zijn sarcophaag met een opschrift in verzen uit ± 200 is nog
+bewaard gebleven.--8) Cn. Corn. Scipio Asina, zoon van no. 7, consul
+in 260, stak met zijn ambtgenoot C. Duillius in zee, doch geraakte te
+Lipara in carthaagsche gevangenschap, waaruit hij later vrijgekocht
+werd. In 254 was hij andermaal consul en veroverde toen Panormus
+(Palermo). Den spotnaam Asina kreeg hij, naar men zegt, omdat hij
+als landrot, om zijn watervrees bespot werd; watervrees werd door de
+Romeinen als een kenmerkende eigenschap van de ezelin beschouwd.--9)
+L. Corn. Scipio, ook een zoon van no. 7, consul in 259, nam Aleria op
+Corsica in, en onderwierp het eiland. Zijn grafschrift is nog bewaard
+gebleven.--10) P. Corn. Scipio Asina, zoon van no. 8, consul in 221,
+streed voorspoedig tegen de istrische zeeroovers.--11) P. Corn. Scipio,
+zoon van no. 9, verloor als consul in 218 tegen Hannibal den slag aan
+den Ticinus bij Victumalae, waarin hij zwaar gewond door zijn zoon
+gered werd. Vervolgens terugtrekkend over de Po, leed hij met zijn
+ambtgenoot Tib. Sempronius Longus de nederlaag aan de Trebia. In 216
+stak hij naar Hispania over, waar zijn broeder (no. 12) reeds vasten
+voet had verkregen. Na herhaalde overwinningen behaald te hebben op
+Hasdrubal en Mago, sneuvelde Publius in 212 met zijn geheele leger,
+waarop ook Cnaeus, die terugtrok, door de Carthagers achterhaald,
+omsingeld en afgemaakt werd.--12) Cn. Corn. Scipio Calvus, ook een zoon
+van no. 9, consul in 222, voerde met M. Claudius Marcellus (zie Claudii
+no. 29), oorlog tegen de Insubriërs, en veroverde Mediolanium (Milaan),
+ging in 218 als legaat van zijn broeder naar Hispania, waar hij Hanno
+versloeg en in 217 aan den mond van den Iberus (Ebro) eene carthaagsche
+vloot vernielde. Zie verder bij no. 11.--13) P. Corn. Scipio Africanus
+maior, zoon van no. 11, redde zijn vader bij den Ticinus het leven,
+streed, schoon eerst 19 jaar oud, in 216 met den rang van krijgstribuun
+bij Cannae en onderscheidde zich ook na den slag door zijn onwrikbaren
+moed. In 211 na den ondergang van zijn vader en zijn oom werd de jonge
+Scipio door het volk pro consule naar Spanje gezonden, waar hij in
+210 den Carthagers een zwaren slag toebracht door de verovering van
+Carthago Nova; in 209 kon hij Hasdrubal niet verhinderen, Spanje te
+verlaten en zijn broeder Hannibal te hulp te komen; of hij Hasdrubal
+werkelijk bij Baecula verslagen heeft, staat niet vast. Hij veroverde
+na Hasdrubals vertrek geheel Hispania, zoodat hij in 206 naar Rome kon
+terugkeeren, waar hij in 205 het consulaat bekleedde. In 204 stak hij
+naar Africa over, waar Masinissa zich onmiddellijk bij hem aansloot;
+Scipio bracht nu de Carthagers zóó in het nauw, dat zij einde 203
+Hannibal uit Italia terugriepen. Door den slag bij Zama in den herfst
+van 202 dwong hij Carthago tot een smadelijken vrede. Hij hield in
+201 een luisterrijken intocht binnen Rome en verwierf den eernaam
+Africanus. In 199 was hij censor en in 194 andermaal consul. In
+190 ging hij als legaat met zijn broeder (no. 14) naar Asia; aan
+den slag bij Magnesia (190), waarin Lucius Scipio Antiochus III van
+Syria versloeg, nam hij echter geen deel, daar hij toen ziek was. Na
+hun terugkeer in 188 werden de beide broeders in de volgende jaren
+meermalen door partijgenooten van M. Cato en Flamininus voor de
+volksvergadering gedaagd wegens omkoopbaarheid en verduistering van
+gelden. Eens trof het zóó, dat het juist de verjaardag van den slag
+bij Zama was, waarop P. Scipio, in plaats van zich te verdedigen,
+in wegslepende taal het volk naar het Capitool opriep, om den goden
+voor die overwinning dank te brengen. Toch werden beide broeders
+veroordeeld, en Publius verliet Rome, ging naar Liternum om niet meer
+terug te keeren, en stierf vermoedelijk in 183.--14) L. Corn. Scipio
+Asiaticus (v. a. Asiagenus), ook een zoon van no. 11, diende onder
+zijn broeder (no. 13) in Hispania, was in 193 praetor in Sicilia, en
+in 190 consul. In deze hoedanigheid voerde hij den syrischen oorlog
+en verwierf zich den bijnaam Asiaticus, doch werd na zijn terugkeer
+wegens verduistering van gelden veroordeeld (zie bij no. 13). Hij
+bezat op verre na niet de veldheerstalenten van zijn broeder.--15)
+P. Corn. Scipio, zoon van no. 13, een man van edel karakter, onttrok
+zich om redenen van gezondheid aan de staatszaken. Hij was het, die
+no. 18 tot zoon aannam.--16) L. Corn. Scipio, broeder van no. 15,
+een onwaardige zoon zijns vaders, kwam in den oorlog met Antiochus
+in handen van den vijand, maar werd later zonder losgeld vrijgelaten;
+hij werd in 174 uit den senaat gestooten.--17) Cornelia, de edele
+dochter van no. 13, moeder van Tib. en C. Sempronius Gracchus,
+beroemd om hare deugden.--18) P. Corn. Scipio Aemilianus Africanus
+minor, zoon van L. Aemilius Paullus, den overwinnaar van Perseus,
+door no. 15 geadopteerd. Hij verwierf zijne eerste lauweren onder
+zijn vader Paullus in den slag bij Pydna (168), diende later (151)
+in Hispania onder L. Licinius Lucullus (Licinii no. 22) en in Africa
+onder M'. Manilius (149). Hij verwierf zich zóóveel roem, dat hij,
+schoon eerst 37 jaar oud, in 148 tot consul werd gekozen, om den
+derden punischen oorlog ten einde te brengen. Na een zwaar beleg
+vermeesterde hij in 146 het uitgeputte Carthago, vernietigde de stad,
+en verkocht de inwoners als slaven, doch beweende op de puinhoopen het
+jammerlijk lot der stad. Met groote eer werd hij te Rome ontvangen,
+en hem de overgeërfde naam Africanus als loon voor eigen verdiensten
+toegekend. In 142 was hij censor, en trachtte als zoodanig het
+toenemend zedenbederf en de binnendringende oostersche weelde met klem
+te keer te gaan. De rampspoedige numantijnsche oorlog verschafte hem in
+134 zijn tweede consulaat. Na eerst de verslapte krijgstucht hersteld
+te hebben, veroverde hij (herfst 132) het hardnekkig verdedigde
+Numantia en kreeg den eernaam Numantinus. Zijne tegenkanting tegen
+de hervormingsplannen van zijn zwager Tib. Gracchus, wiens zuster
+Sempronia hij gehuwd had, deed hem de volksgunst verbeuren. In eene
+stormachtige senaatszitting in 131 betuigde Scipio, dat z.i. Gracchus
+terecht was omgebracht, waarop de volkstribuun C. Papirius Carbo
+hem een landverrader noemde en het volk hem onder scheldwoorden en
+verwenschingen naar huis begeleidde. Later, in April of Mei 129, wist
+hij te bewerken, dat aan de III viri, gekozen ter uitvoering van de
+lex Sempronia agraria van Tib. Gracchus, de rechtspraak onttrokken werd
+(zie Agrariae leges), en na een senaatszitting door senatoren, volk en
+bondgenooten naar huis begeleid, werd hij den volgenden morgen in zijn
+bed dood gevonden. Scipio was een zeer geletterd man, die met Lucilius,
+Terentius, en vooral met Polybius vertrouwelijken omgang had. De
+innige vriendschapsband tusschen hem en C. Laelius Sapiens vormt de
+inleiding van Cicero's geschrift de amicitia.--19) P. Corn. Scipio
+Nasica, zoon van no. 12, had den naam de rechtschapenste burger van
+Rome te zijn. Reeds als jongeling werd hem in 204 de eervolle zending
+opgedragen, het beeld der mater Idaea, dat uit Pessinus in Galatia
+te Ostia was aangebracht, van daar naar Rome over te brengen. In
+194 streed hij als praetor in Hispania, in 191 als consul tegen
+de Boiers, die zich onderwierpen. Hij stond bekend als een groot
+rechtsgeleerde. De bijnaam Nasica, die in de familie bleef, beteekent
+kromneus.--20) P. Corn. Scipio Nasica Corculum, zoon van no. 19 en
+schoonzoon van no. 13, diende onder Aemilius Paullus in Macedonia. Hij
+was consul in 162, maar moest toen, evenals zijn ambtgenoot C. Marcius
+Figulus (zie Marcii no. 12), als vitio factus aftreden; in 155 was
+hij wederom consul en versloeg en onderwierp toen de Dalmatiërs. In
+159 was hij censor, in 150 werd hij pontifex maximus. Hij verzette
+zich in het belang van Rome tegen de verwoesting van Carthago. Zijn
+bijnaam Corculum had hij aan zijne rechtskennis en scherpzinnigheid
+te danken; hij beteekent zooveel als: een man van geest en hart. Deze
+Scipio stelde het eerste wateruurwerk te Rome op.--21) P. Corn. Scipio,
+bijgenaamd Serapio wegens zijne gelijkenis op een veekooper van dien
+naam, consul in 138, voerde in 133 de senaatspartij tot den gewapenden
+aanval op Tib. Gracchus aan. Om hem voor de volkswoede te beveiligen,
+droeg de senaat hem eene zending op naar Asia, waar hij overleed. Hij
+was een zoon van no. 20.--22) P. Corn. Scipio Nasica Serapio, zoon van
+no. 21, stierf in 111 tijdens zijn consulaat.--23) P. Corn. Scipio
+Nasica, praetor in 93, zoon van no. 22, gehuwd met de dochter van
+den redenaar L. Licinius Crassus.--24) L. Corn. Scipio Nasica, zoon
+van no. 23, geadopteerd door zijn grootvader, den redenaar L. Crassus
+(Licinii no. 12), en daarom L. Licinius Crassus Scipio genoemd.--25)
+P. Corn. Scipio Nasica, ook een zoon van no. 23, gewoonlijk Metellus
+Scipio genoemd, schoonvader van Pompeius. Zie Caecilii no. 18.--26)
+L. Corn. Scipio Asiaticus (Asiagenus), consul in 83, een afstammeling
+van no. 14, streed tegen Sulla, werd door dezen gevangen genomen, doch
+weder vrijgelaten. Hij hernieuwde echter den oorlog tegen Sulla, moest
+vluchten en stierf te Massilia. Hij was de schoonvader van P. Sestius,
+dien Cicero verdedigd heeft (Sextii no. 5).--27) Cn. Corn. Blasio,
+consul in 270 en 257, censor in 265.--28) L. Corn. Balbus, afkomstig
+uit Gades (Cadix), diende in den strijd tegen Sertorius, eerst
+onder Q. Metellus Pius, daarna onder Pompeius, van wien hij het
+burgerrecht verkreeg (72). Later vergezelde hij Caesar, toen deze
+propraetor in Spanje was. Tijdens het driemanschap werd hem het
+burgerrecht betwist, maar Cicero, die tijdens zijn ongeluk den steun
+van Balbus had genoten, verdedigde hem (56) met goed gevolg. Hoewel
+Balbus vervolgens te Rome in het belang van Caesar werkzaam was en
+ook pogingen aanwendde om Cicero voor dezen te winnen, was hij toch
+niet ondankbaar tegen Pompeius, maar deed moeite om door bemiddeling
+van invloedrijke personen eene schikking tot stand te brengen. Later
+werkte hij mede om Caesar met Cicero te verzoenen. Ook met Octavianus
+stond hij op goeden voet; in 40 was hij consul.--29) L. Corn. Balbus
+minor, neef van no. 28, kreeg ook in 72 het burgerrecht, nam aan
+Caesars veldtochten in Aegypte en Hispania deel. Als quaestor
+(43) vergrootte hij de haven van Gades, maar maakte zich door
+strengheid zeer gehaat. Als proconsul van Africa, 21-20, overwon hij
+de Garamantes; hij was de laatste privaatman, die triumfeerde (19),
+en de eerste, die geen Romein was van geboorte. Het theatrum Balbi is
+door hem gebouwd (13).--30) M. Corn. Cethegus, consul 204, pontifex
+maximus en begaafd redenaar, versloeg in 203 Hannibals broeder Mago
+in het land der Insubriërs (in Cisalpina).--31) C. Corn. Cethegus,
+consul 197, versloeg de Insubriërs en Cenomanen in Cisalpina. Later
+werd hij naar Africa gezonden om de geschillen tusschen Masinissa en
+Carthago te vereffenen.--32) P. Corn. Cethegus, consul 181, bracht
+als proconsul in 180 met zijn ambtgenoot M. Baebius Tamphilus 40000
+Liguriërs met hun vrouwen en kinderen naar Samnium over (z. Apuani),
+en triumfeerde zonder oorlog gevoerd te hebben.--33) P. Corn. Cethegus,
+door Sulla vogelvrij verklaard, maar later weder in genade aangenomen,
+werd na Sulla's dood, niettegenstaande zijn verdorven karakter,
+een man van grooten invloed.--34) C. Corn. Cethegus, deelgenoot aan
+de samenzwering van Catilina, behoorde onder hen, die door Cicero
+werden ter dood gebracht.--35) P. Corn. Dolabella, consul in 283,
+overwon bij het Vadimonische meer de Boiers en de Etruriërs.--36)
+Cn. Corn. Dolabella, aanhanger van Sulla, consul in 81, overwon
+de Thraciërs als proconsul in Macedonia (79). In 77 werd hij door
+Caesar aangeklaagd wegens afpersingen, doch vrijgesproken.--37)
+Cn. Corn. Dolabella, praetor in 81, propraetor in 80 en 79 in Cilicia,
+zoog de provincie uit. Zijn legaat C. Verres hielp hem hierbij,
+doch verschafte later de bewijzen om hem te doen veroordeelen. Hij
+ging in ballingschap.--38) P. Corn. Dolabella, berucht om zijne
+uitspattingen, was met Cicero's dochter Tullia gehuwd tegen diens
+zin. In den burgeroorlog liep hij van Pompeius tot Caesar over, streed
+onder hem bij Pharsalus (48), liet zich vervolgens, om volkstribuun
+te kunnen worden, door een plebejer Lentulus tot zoon aannemen, was in
+47 een zeer woelig volkstribuun, vergezelde hierna Caesar naar Africa
+en Hispania en werd door diens toedoen tot consul voor het jaar 44
+verkozen. Na Caesars dood sloot Dolabella zich bij diens moordenaars
+aan, tot Antonius hem met de provincie Syria tevreden stelde, waardoor
+hij met Cassius weder in onmin geraakte. Op reis naar Syria beging
+hij in Griekenland en Klein-Azië verschillende buitensporigheden,
+zoodat de senaat hem vogelvrij verklaarde. Door Cassius aangevallen
+en geen uitweg ziende, bracht hij zichzelf in 43 te Laodicea ad mare
+om het leven.--39) L. Corn. Cinna, de bekende aanhanger van Marius,
+was consul in 87, toen Sulla naar Asia vertrok. Hoewel hij aan Sulla
+onder eede beloofd had de bestaande instellingen te zullen handhaven,
+trad hij op met een aantal daarmede strijdige wetsvoorstellen, doch
+werd door zijn medeconsul Cn. Octavius uit Rome verdreven. Met Marius
+aan het hoofd eener aanzienlijke strijdmacht teruggekeerd, richtte
+hij met hem een bloedbad aan onder de aanhangers van Sulla; doch toen
+de door Marius in dienst genomen slaven niets meer ontzagen, lieten
+Q. Sertorius en Cinna een groot aantal van hen neersabelen. Cinna
+was nog driemaal consul, in 86, 85 en 84. In dit laatste jaar keerde
+Sulla naar Italia terug, en werd Cinna door zijne eigene soldaten
+te Ancona gedood.--40) L. Corn. Cinna, zoon van no. 39, sloot zich
+na Sulla's dood bij den oproerigen consul M. Aemilius Lepidus aan,
+streed vervolgens onder Q. Sertorius, mocht in 73 ten gevolge van
+de lex Plautia terugkeeren, en werd onder Caesar praetor (44). Na
+Caesars dood hield hij eene lofspraak op diens moordenaars, doch werd
+bijna gesteenigd, terwijl zekere C. Helvius Cinna, dien men voor hem
+aanzag, door het volk vermoord werd.--41) Cn. Corn. Cinna Magnus nam
+deel aan eene samenzwering tegen Augustus, toen deze in Gallia was
+(16-13), maar kreeg vergiffenis en werd later zelfs consul (5 na
+C.).--42) Cornelia, dochter van no. 39, was gehuwd met Caesar, die
+in weerwil van Sulla's aandrang weigerde haar te verstooten.--43)
+L. Corn. Merula, consul in 193, leverde een bloedigen slag tegen
+de Boiers, waarvan 17000 sneuvelden, terwijl 212 veldteekens in
+zijne handen vielen. Daar hij echter ook 5000 man verloren had,
+werd hem geen zegetocht toegestaan.--44) L. Corn. Merula werd in 87
+consul in plaats van den verdreven Cinna (no. 39). Toen deze evenwel
+terugkeerde, liet Merula zich de aderen openen en doodbloeden. Hij
+was flamen Dialis, welk ambt na zijn dood 75 jaar onbezet bleef.--45)
+L. Corn. Lentulus, consul in 327, gaf bij Caudium in 321 den raad,
+door vrijwillige overgaaf het rom. leger voor geheelen ondergang
+te behoeden. Deze raad legde te meer gewicht in de schaal, daar
+Lentulus een der dappersten was. Ten onrechte wordt hem de bijnaam
+Caudinus gegeven. De naam Lentulus is ontleend aan het verbouwen van
+linzen.--46) Cn. Corn. Lentulus, consul in 201, had zeer verlangd,
+in Africa tegen Carthago oorlog te voeren, maar voor hij uit Sicilië
+naar Africa kon oversteken, was de vrede geteekend (201).--47)
+P. Corn. Lentulus onthaalde in 169 het eerst het rom. volk op
+gevechten van wilde dieren. In 162 was hij consul suffectus. Hij
+was princeps senatus. Hij was een tegenstander van de Gracchen,
+en streed op hoogen leeftijd nog in 121 in de rijen der optimaten
+tegen C. Gracchus.--48) P. Corn. Lentulus Sura, een man van laag
+karakter, algemeen geminacht. Niettemin was hij in 75 praetor,
+in 71 consul, en hoewel hij in 64 uit den senaat werd gestooten,
+in 63 andermaal praetor. In dit jaar werd hij wegens deelneming
+aan de samenzwering van Catilina door Cicero ter dood gebracht.--49)
+Cn. Corn. Lentulus Clodianus, consul in 72, streed met zijn ambtgenoot
+L. Gellius Poplicola ongelukkig tegen de zwaardvechters onder
+Spartacus. Beiden waren censors in 70, toen de censuur, door Sulla
+afgeschaft, weder hersteld werd. Zie ook lex Cornelia Gellia. Hij
+was een goed redenaar. Hij was ook een der legaten van Pompeius
+in den zeerooversoorlog.--50) P. Corn. Lentulus Spinther, consul
+in 57, een warm vriend van Cicero, voor wiens terugroeping uit de
+ballingschap hij sterk ijverde. (Zie Cornelia (lex) de restituendo
+Cicerone). Zie verder omtrent hem Caecilia Cornelia (lex). In den
+burgeroorlog was hij op de zijde van Pompeius; hij werd door Caesar
+gevangen genomen en gedood.--51) L. Corn. Lentulus Crus, tegenstander
+van Clodius en van Caesar, consul in 49, volgde Pompeius en werd in
+Aegypte vermoord.--52) L. Corn. Sulla Felix, geb. in 138, stamde uit
+eene arme familie, en legde zich met ijver op de wetenschappen toe,
+vooral op de grieksche taal- en letterkunde. Hij was een man van fijne
+beschaving, doch losbandig en zedeloos. In 107 vergezelde hij Marius
+als quaestor en leidde als zoodanig met veel takt de onderhandelingen
+met koning Bocchus over de uitlevering van Jugurtha. Vervolgens
+diende hij als legaat in de oorlogen tegen de Cimbren en Teutonen
+(104-101). In 93 was hij praetor, in 92 propraetor in Cilicia. Hij
+slaagde er in, Ariobarzanes, die door Mithradates verdreven was, op
+den troon van Cappadocia te herstellen. Bij deze gelegenheid kwam hij
+in het Cappadocische Comana, waar zijne soldaten den eeredienst van
+Mâ-Bellona leerden kennen. In den bondgenootenoorlog diende Sulla
+als legaat in 90 onder den consul L. Julius Caesar, in 89 onder
+den consul L. Porcius Cato. In 90 had hij geen succes, maar in 89
+veroverde hij Stabiae en Pompeii, verdreef de Samnieten uit Campania,
+onderwierp de Hirpini, drong daarop in Samnium door, en veroverde
+de hoofdstad Bovianum. Met onmenschelijke wreedheid woedde Sulla
+tegen de gevangenen. Hierop werd hij consul (88) en kreeg Asia tot
+provincie met het opperbevel in den mithradatischen oorlog. Sulla
+verzette zich te vergeefs tegen de wetgeving van P. Sulpicius Rufus
+(z. Sulpiciae leges), en vluchtte toen uit Rome naar zijn leger
+in Campania. Daarop werd op voorstel van P. Sulpicius het bevel
+aan Marius opgedragen. Op het bericht hiervan trok Sulla met zijn
+leger naar Rome terug; Sulpicius werd gedood, Marius en anderen
+vogelvrij verklaard. Na eenige wetten te hebben gegeven, stak Sulla
+naar Griekenland over, waar hij eerst Athene na een hardnekkige
+verdediging van vele maanden in Maart 87 bijna geheel uitmoordde,
+en den Piraeus slechtte; daarna versloeg hij den mithradatischen
+veldheer Archelaus bij Chaeronea, en een tweede leger bij Orchomenos
+(86), en trok vervolgens naar Azië, waar hij in het voorjaar van 85 met
+den koning vrede sloot, om de handen tegen Fimbria (zie Flavii no. 4)
+en de democraten in Italië vrij te krijgen. Voordat hij naar Italië
+vertrok, strafte hij Asia vreeselijk voor haar afval. Intusschen
+was Marius naar Rome teruggekeerd en woedde met L. Corn. Cinna
+(no. 39) tegen de aristocratische partij. In 83 kwam Sulla terug en
+nu ontbrandde de vreeselijke burgeroorlog, die geheele streken van
+Italië ontvolkte en met Sulla's zegepraal eindigde. De belangrijkste
+slag in dezen oorlog is die bij de Porta Collina (1 Nov. 82), waarbij
+de Samnieten, die op Rome losgetrokken waren, onder Pontius Telesinus
+en den jongen Marius door Sulla verslagen werden; de krijgsgevangenen
+liet hij daarna afmaken. Door den interrex L. Valerius Flaccus liet
+hij eene wet voorstellen, waarbij hem de levenslange dictatuur werd
+opgedragen, z. Valeria (lex) de Sulla dictatore. Het regende nu
+vogelvrij- en verbeurdverklaringen; duizende landerijen werden aan
+zijne soldaten toegewezen, hij omringde zich met eene lijfwacht van
+10000 vrijgelatenen, en door een geheel stel wetten trachtte hij de
+heerschappij van den senaat blijvend te bevestigen. Hij had echter
+zelf het voorbeeld gegeven, hoe een veldheer alles vermocht omver te
+werpen, als hij slechts zich van de genegenheid van zijn leger wist
+te verzekeren, eene kunst, die Sulla in hooge mate verstond. Zie
+verder Corneliae (leges) van L. Corn. Sulla van 81. Na twee jaar
+(79) legde Sulla de dictatuur neder en trok zich terug op zijn
+landgoed bij Puteoli, waar hij gedenkschriften begon op te stellen,
+die echter niet door hem voltooid werden. Hij stierf reeds in 78 aan
+de gevolgen van zijn losbandig leven. Hij was de eerste uit de gens
+Cornelia, wiens lijk niet begraven, maar verbrand werd.--53) Faustus
+Corn. Sulla, zoon van no. 52, diende onder Pompeius in het Oosten,
+o.a. in 63 voor Jerusalem, welks muur hij het eerst beklom. Later
+streed hij ook bij Pharsalus en bij Thapsus, en werd op de vlucht door
+P. Sittius gevangen genomen en door Caesars soldaten omgebracht. Hij
+was de schoonzoon van Pompeius.--54) P. Corn. Sulla, was voor 65 tot
+consul gekozen, doch werd met zijn ambtgenoot P. Autronius Paetus
+wegens ambitus veroordeeld. In 62 werd hij door den jongen L. Manlius
+Torquatus (Manlii no. 14) beschuldigd van deelgenootschap aan de
+tweede samenzwering van Catilina, waartegen Cicero hem verdedigde,
+nadat Q. Hortensius Hortalus hem reeds verdedigd had tegen
+eene aanklacht van Torquatus wegens deelneming aan de eerste
+samenzwering. Hij streed ook bij Pharsalus, doch voor Caesar. In 45
+werd hij waarschijnlijk door roovers vermoord.--55) C. Cornelius,
+volkstribuun in 76. Zie Corneliae (leges).--56) L. Cornelius Sisenna,
+praetor in 78, stierf in 67 als legaat van Pompeius op Creta. Hij
+was een geleerd man, en schreef annales van zijn tijd, en gaf eene
+vertaling uit der milesische vertellingen van Aristides.--56 b)
+Cornelia Metella = Caecilia Metella, z. Caecilii no. 26.--57) Verder
+vindt men nog de familienamen Merenda, Rufinus, Scapula. Onder de
+Rufini verdient genoemd te worden: P. Cornelius Rufinus, consul
+290 met M' Curius Dentatus; zij maakten samen een einde aan den
+Samnietischen oorlog. In 277 was hij weder consul en streed toen tegen
+Pyrrhus. In 275 werd hij door den censor C. Fabricius uit den senaat
+gestooten, omdat hij meer dan 10 pond aan tafelzilver bezat. Hij was
+berucht om zijn hebzucht.--58) Cornelius Nepos, geschiedschrijver, in
+Gallia Transpadana geboren, bevriend met Catullus en Atticus en door
+dezen ook met Cicero. Hij heeft verschillende werken geschreven van
+historischen en geographischen aard, maar zeer oppervlakkig. 1º. 3
+boeken Chronica. 2º. een werk Exempla getiteld, waaruit Valerius
+Maximus (z. a.) geput heeft. 3º. een Chorographia. 4º. zijn hoofdwerk
+is echter de viris illustribus libri XVI, waarin op oppervlakkige wijze
+naast grieksche beroemdheden romeinsche behandeld waren, en waarvan nog
+enkele stukken, het boek over de buitenlandsche veldheeren (Cornelii
+Nepotis vitae excellentium imperatorum), het bekende schoolboek, en
+verder twee biographieën uit het boek de latinis historicis, n.m. een
+kleine van Cato en een uitgebreide van Atticus, over zijn.--59)
+C. Cornelius Gallus, te Forum Julii (Fréjus) uit een nederigen stand
+geboren, dichter en bevriend met Ovidius, Vergilius, e.a. Hij werd
+door Augustus in 30 tot praefectus van Aegypte aangesteld. Later in
+ongenade gevallen, benam hij zichzelf het leven (26). Zijne gedichten
+zijn verloren.--60) A. Cornelius Celsus, zie Celsus.--61) C. Cornelius
+Chrysogonus, zie Chrysogonus.--62) M. Cornelius Fronto, zie Fronto
+(M. Cornelius).--63) Cornelius Severus, zie Severi no. 1.--64)
+P. Cornelius Tacitus, zie Tacitus (P. Cornelius).
+
+Corniculum, latijnsche stad ten N. van den Anio; ze is vroeg verdwenen.
+
+Cornificii, plebejisch geslacht. 1) Q. Cornificius, onder wiens
+bewaking de Catilinariër C. Cornelius Cethegus werd gesteld. Hij was
+het, die het eerst in den senaat de heiligschennis van P. Clodius
+Pulcher ter sprake bracht. Met Cicero dong hij, maar te vergeefs,
+naar het consulaat.--2) Q. Cornificius, zoon van no. 1, aanhanger van
+Caesar, na diens dood stadhouder van Africa vetus, en aanhanger van
+den senaat en van Sextus Pompeius, sneuvelde in 41 in een slag tegen
+het driemanschap bij Hadrumetum. Evenals zijn vader had hij met Cicero
+omgang. Hij was redenaar en dichter.--3) L. Cornificius, aanhanger
+van Octavianus.--4) Cornificius, een rhetor, wordt ten onrechte voor
+den schrijver gehouden van de Rhetorica ad C. Herennium, een werk uit
+den tijd van Sulla, dat in 4 boeken uitvoerig de rhetorica behandelt.
+
+Cornu copiae, horen van overvloed, zie Amalthea.
+
+Cornus, versterkte hoofdplaats der Sarden aan de Westkust van Sardinia.
+
+Cornuti, plebejisch geslacht. 1) C. Caecilius Cornutus, een man van
+strenge zeden en hierom Pseudo-Cato genoemd, volkstribuun in 61 en
+praetor in 57, ijverde voor de terugroeping van Cicero uit diens
+ballingschap.--2) M. Caecilius Cornutus, praetor urbanus in 43,
+werd na den dood der beide consuls A. Hirtius en C. Vibius Pansa door
+zijne troepen verlaten en sloeg de hand aan zich zelven.--3) Cornutus
+(L. Annaeus). Zie Annaei.
+
+Coroebus, Koroibos, 1) zoon van Mygdon, koning van Phrygië, die
+uit liefde voor Cassandra Priamus te hulp kwam. Hij muntte uit door
+dapperheid en was een van de weinige strijders, die onder Aeneas nog
+een laatsten uitval waagden, terwijl de stad reeds brandde; bij deze
+gelegenheid sneuvelde hij.--2) overwinnaar in de olympische spelen
+in 776, het jaar waarmede de telling der Olympiaden begint.
+
+Corollarium, krans met bladeren van goud, zilver of ander metaal,
+die men aan geliefde tooneelspelers placht toe te werpen, vandaar =
+toegift, fooi.
+
+Corona. De Rom. maakten veel werk van bloemkransen, bij feestmalen
+hadden zij dikwerf lange kransen om den hals, die op de borst afhingen,
+en wel liefst van geurende rozen. Ook als militaire eerbewijzen
+waren coronae in gebruik, doch alsdan van anderen aard. De corona
+triumphalis, een laurierkrans, soms ook van goud vervaardigd, werd
+door den zegepralenden veldheer en later door de keizers gedragen. De
+corona ovalis, bij eene ovatio gedragen, was een myrtenkrans. De
+corona obsidionalis of graminea, de eenvoudigste doch eervolste van
+alle, viel den generaal ten deel, die een ingesloten rom. leger had
+ontzet. Zij werd gevlochten uit gras, op de plaats zelve geplukt. De
+corona civica, van eikenloof, zoo mogelijk met de eikels er aan en
+met het devies ob civem servatum, werd gegeven voor het redden van een
+kameraad in den slag. De corona muralis, in den vorm van een wal, was
+voor hem, die het eerst de muren eener belegerde stad beklom. Evenzoo
+werd degene, die het eerst in een vijandelijk kamp doordrong, beloond
+met de corona vallaris of castrensis, die met kleine gouden palissaden
+was versierd. De corona navalis of rostrata was versierd met gouden
+scheepssnebjes. Goden en heroën en later ook wel de keizers vindt
+men dikwerf met eene corona radiata, waarin reeds meer het begin
+eener kroon is te zien. Ook is er een sterrenbeeld corona = de krans
+van Ariadne.
+
+Corone, Korone, stad in Messina aan de Messenische golf, in 371 door
+de Messeniërs met behulp van Boeotiërs uit Coronea, op de plaats van
+het vroegere Aepea gesticht, thans Coron.
+
+Coronea, Koroneia, stad in Boeotia, bekend door de overwinning der
+Boeotiërs op de Atheners in 447, en door die der Spartanen onder
+Agesilaus in 394 in den corinthischen oorlog.
+
+Coronides, Koronides, Asclepius, zoon van Coronis.
+
+Coronis, Koronis, 1) dochter van Phlegyas, koning van Thessalië, bij
+Apollo moeder van Asclepius. Nog voordat deze geboren was, schonk
+zij hare liefde aan een gast van haar vader, den Arcadiër Ischys;
+tot straf doodde Apollo haar, doch haar nog niet geboren kind werd
+door hem gered.--2) dochter van Coroneus, koning van Phocis, werd,
+terwijl zij den verliefden Poseidon ontvluchtte, door Athena in een
+kraai veranderd.
+
+Coronta, ta Koronta, stad in het Z. van Acarnania.
+
+Coronus, Koronos, 1) zoon van Caeneus, koning der Lapithen, een van de
+Argonauten, werd in den oorlog tegen Aegimius door Heracles gedood.--2)
+zoon van Thersander, mythisch stichter van Coronea.
+
+Corporis Custodes of Corpore Custodes, naam van de door
+Augustus ingerichte, door Galba ontbonden, germaansche lijfwacht
+der Julisch-Claudische Keizers. Onder hen vormen de Batavi de
+meerderheid. Het zijn geen eigenlijke soldaten, toch zijn het allen
+vrijen of vrijgelatenen, geen slaven. Men moet ze scherp onderscheiden
+van de praetoriani, die steeds romeinsche burgers zijn (zie cohortes
+praetoriae).
+
+Corsiae, Korsiai, eilandjes bij Samos, waarschijnlijk = Corassiae.
+
+Corsica, Korsike, doch bij de ouderen gewoonlijk Kyrnos geheeten, het
+bekende eiland; de bewoners heeten Corsi. De bodem was onvruchtbaar,
+de bevolking ruw en roofzuchtig. Na den eersten punischen oorlog
+kwam het onder Rome met Sardinia, waarmede het ook verder als ééne
+provincie vereenigd bleef.
+
+Corsote, Korsote, stad in Mesopotamia, op een eilandje in den Euphraat,
+in Xenophon's tijd reeds verlaten.
+
+Cortona, Kortona, eene der twaalf hoofdsteden van Etruria, even ten
+N. van het Trasimeensche meer, met pelasgische muren.
+
+Coru pedion, Korou pedion, vlakte in Lydia bij Sardes.
+
+Coruncanii, plebejisch geslacht. 1) Tib. Coruncanius, consul 280, was
+de eerste plebejische pontifex maximus, een man van groote rechtskennis
+en vroomheid. Hij was de eerste jurist, die bij zijn adviezen auditores
+toeliet.--2) C. en L. Coruncanius, rom. gezanten, in 230 tot koningin
+Teuta naar Scodra in Illyria gezonden, verbitterden haar zoozeer door
+hunne vrijmoedige taal, dat zij één hunner liet ombrengen.
+
+Corus, de Noordwestenwind, zie Windstreken.
+
+Corvinus, bijnaam in de gens Valeria (Valerii no. 28).
+
+Corvus, familienaam in de gens Valeria (Valerii no. 13). Ook de naam
+van een belegeringswerktuig, enterhaak op de schepen.
+
+Corvus, een raaf, die door Apollo gezonden werd om water uit een
+bron te halen; bij de bron gekomen, zag hij een vijgeboom en bleef
+nu eenige dagen wachten tot de vijgen rijp waren. Om zijn lang
+uitblijven te verontschuldigen, nam hij een waterslang mede en
+beweerde, dat deze iederen dag de bron had leeggedronken. Tot straf
+voor dit bedrog verbood Apollo hem gedurende eenigen tijd te drinken,
+en ter herinnering hieraan staat aan den hemel het sterrenbeeld Corvus
+tusschen Hydra en Crater.
+
+Corybantes, Korybantes, z. Rhea (Cybele).
+
+Corycides nymphae, de Muzen, zoo genoemd naar de corycische grot
+in Phocis.
+
+Corycium antrum, Korykion antron, grot aan de zuidelijke helling van
+den Parnassus, in Phocis. Zie ook Corycus no. 1.
+
+Corycus, Korykos, 1) kaap en stad in Cilicia, dicht bij de monding
+van den Calycadnus. In den omtrek groeide de beste saffraan. In de
+nabijheid vond men de corycische grot (mythe van Typhon en Zeus).--2)
+kaap in Ionia tusschen Teos en Erythrae.--3) kaap en stad in Pamphylia.
+
+Corymbus, korymbos, ouderwetsch kapsel der atheensche vrouwen of der
+Atheners in het algemeen, waarbij het haar op de kruin van het hoofd
+saamgebonden werd; ook naam voor iemand, die het haar zoo draagt.
+
+Corynetes, Korynetes, "knotsdrager", bijnaam van Periphetes en
+Areïthoüs.
+
+Coryphaeus, koryphaios, in het bizonder de leider van den koorzang
+en dans in de tragedie en comedie, die ook uit naam van het koor het
+woord voert, wanneer het niet zingt, maar spreekt.
+
+Coryphasium, Koryphasion, kaap en stad op de Westkust van Messenia.
+
+Corythus, Korythos, 1) zoon van Zeus, gehuwd met de Pleiade Electra,
+stichter van Corythus, later Cortona.--2) zoon van Paris en Oenone,
+werd door zijne moeder naar Helena gezonden, om de jaloerschheid
+van Paris op te wekken; toen deze hem bij Helena aantrof, doodde hij
+hem zonder hem te herkennen.--3) een van de Lapithen.--4) een van de
+gasten op de bruiloft van Perseus.
+
+Cos, Kos, ook Coos, Cous, Koos, grieksch eiland op de aziatische
+kust, met eene gelijknamige hoofdstad, die een heerlijk panorama
+opleverde, wanneer men uit zee kwam. De bevolking was dorisch. Het
+eiland leverde voortreffelijken wijn, aardewerk, zalven en beroemd
+lijnwaad op (Coae vestes). Asclepios of Aesculapius, aan wien het
+geheiligd was, had hier een schoonen tempel, waarmede een beroemde
+medische school verbonden was; Hippocrates en Apelles waren op Cos
+geboren. Van den laatste was op het eiland eene Venus anadyomene,
+die later door Augustus voor 100 talenten werd gekocht.
+
+Cosa, ook Cossa, kuststad van Etruria, in 273 als latijnsche
+kolonie aangelegd in het gebied van Volci (z.a.). Het was een sterke
+vesting, waarvan de muren nog bestaan. In 199 kreeg de stad nieuwe
+kolonisten. De haven heette portus Herculis of portus Cosanus.
+
+Cosconii, plebejisch geslacht, waarvan enkele leden in verschillende
+oorlogen en betrekkingen voorkomen.--1) C. Cosconius, praetor in 89,
+versloeg in den bondgenooten-oorlog de Samnieten.--2) C. Cosconius,
+bevriend met Cicero, tribunus plebis in 59, in 56 rechter in het
+proces van P. Sestius.
+
+Cossaea, Kossaia, landstreek op de grenzen van Susiana en Media,
+door eene roofzieke en woeste bevolking bewoond.
+
+Cossus, familienaam in de gens Cornelia. Z. Cornelii no. 3-5.
+
+Cossyra, Kossyra, eil. tusschen Sicilia en Africa.
+
+Cothon, Kothon, eene haven van Carthago.
+
+Cothurnus, kothornos, een tot het midden van het been reikende laars,
+van voren met riemen vastgemaakt. Deze laarzen werden vooral door
+jagers gebruikt; later werden zij ook op het tooneel gedragen, waar
+zij, van dikke zolen voorzien, den tooneelspelers in het treurspel
+een hoogere gestalte gaven; vandaar wordt het woord ook metonymisch
+gebruikt voor treurspel. Daar iedere laars zoowel aan den linker-
+als aan den rechtervoet paste, wordt de naam ook gegeven aan iemand
+die alle politieke partijen bevredigen wil.
+
+Cotini, een keltisch volk in Germania, ten N. van de Donau, aan den
+bovenloop van de rivier de Gran wonende.
+
+Cotiso, koning der Geten in Dacia, die tijdens den burgeroorlog
+tusschen Octavianus en Antonius over den Donau was gevallen, maar
+later overwonnen werd.
+
+Cotta, familienaam in de gens Aurelia, z. Aurelii no. 1-8.--In
+den gallischen oorlog komt ook nog als legaat van Caesar zekere
+L. Aurunculeius Cotta voor, die in den opstand der Eburones onder
+Ambiorix (winter van 54/53) sneuvelde.
+
+Cottabus, kottabos, een waarschijnlijk oorspronkelijk sicilisch
+spel, dat door de Atheners dikwijls na den eten gespeeld werd. Het
+bestond daarin, dat men op een bepaalden afstand een weinig wijn
+uit een beker in kleine schaaltjes moest werpen, die in evenwicht
+ophingen en door het gewicht zakkend op een of ander metalen voorwerp
+stieten en daardoor geluid gaven, of die op water dreven en door het
+gewicht zonken; in het al of niet gelukken van den worp of in den
+meer of minder helderen klank van het metaal zag men dikwijls ook
+een liefdeorakel.
+
+Cottiae Alpes, zie Alpes. Dit berglandje werd onder keizer Nero met
+Liguria tot eene provincie Alpes Cottiae vereenigd. Hoofdstad: Segusio
+(Susa).
+
+Cottius, opperhoofd van ligurische stammen om en bij het naar hem
+genoemde Cottische Alpenland. Octavianus stelde hem als vorst aan
+met den titel praefectus. Zijn zoon, ook Cottius geheeten, kreeg van
+keizer Claudius den koningstitel. Onder Nero werd het vasalstaatje
+als provincie ingelijfd.
+
+Cottus, Kottos, een van de Centimani.
+
+Cotyla, kotyle, inhoudsmaat, de helft van een sextarius, vooral voor
+het meten van geneesmiddelen gebruikt.
+
+Cotyora, Kotyora, kolonie van Sinope op de kust van Pontus, vanwaar
+Xenophon en de 10000 Grieken zich inscheepten naar Sinope.
+
+Cotys, Kotys, 1) koning van Thracië (383-359), om zijne wreedheid
+berucht, schoonvader van Iphicrates. Ofschoon hij atheensch burger
+was, was zijne politiek altijd den Atheners vijandig, en toen hij door
+sluipmoord uit den weg geruimd was, werden zijne moordenaars door de
+Atheners met het burgerrecht en gouden kransen begiftigd.--2) koning
+der Odrysen, ondersteunde Perseus van Macedonië tegen de Rom.--3)
+regeerde onder Augustus (12 n. C.-± 18 n. C.) over de helft van
+Thracië, doch werd door zijn broeder Rhescuporis, die de andere helft
+beheerschte, gevangen genomen en gedood.--4) zoon van den vorigen,
+kreeg van Caligula Klein-Armenië, daar Thracië gedurende zijne
+minderjarigheid rom. provincie geworden was. Tusschen 37/38 en 46
+n. C. was Thracië weer zelfstandig onder de drie broers Rhoemetalces,
+Cotys en Polemo.
+
+Cotys, Cotytto, Kotys, Kotytto, thracische of phrygische godin, die ook
+door Grieken en Rom. vereerd werd. Hare feesten, Cotyttia, Kotyttia,
+die des nachts gevierd werden, kenmerkten zich door luidruchtigheid
+en buitensporigheid. De dienaren van Cotys heetten Baptai.
+
+Cous = Cos.
+
+Cragus, Kragos, vulkanisch gebergte in Lycia, waar de mythe der
+Chimaera tehuis behoort. Evenwijdig met den Cragus liep de Anticragus.
+
+Cranaë, Kranae, eil. op de laconische kust bij Gytheum of bij Attica,
+waar Paris en Helena op hunne vlucht overnachtten.
+
+Cranaea, Kranaia, bijnaam van Athena te Elatea in Phocis.
+
+Cranaüs, Kranaos, koning van Attica na Cecrops, ten tijde van Deucalion
+en den zondvloed. Hij werd door zijn schoonzoon Amphictyon van den
+troon gestooten. Naar hem heeten de oude Atheners Cranaï (Kranaoi)
+en Athene Cranaa (Kranaa, Kranaai); zijne dochter Atthis gaf haar
+naam aan Attica.
+
+Craneum, Kraneion, cypressenbosch en uitspanningsoord bij Corinthe,
+waar ook de cynische wijsgeer Diogenes des zomers placht te vertoeven.
+
+Cranii, -ium, Kranioi, -ion, stadje aan de Westkust van het
+eil. Cephallenia.
+
+Cranon, Crannon, Kranon, Krannon, vroeger Ephyra, stad in Thessalia in
+het gewest Pelasgiotis. Bij Crannon behaalde Antipater in den lamischen
+oorlog de beslissende overwinning op de Grieken en Thessaliërs (322).
+
+Crantor, Krantor, van Soli in Cilicië, academisch wijsgeer, leerling
+van Xenocrates en Polemo; zijne werken worden door Cicero met lof
+vermeld. Hij was de eerste, die commentaren op de werken van Plato
+schreef, en bestreed de stoicijnsche leer.
+
+Crassus, familienaam, vooral in de gens Licinia (Licinii no. 7-17). Hij
+komt ook voor bij de Canidii, Otacilii, Papirii (Papirii no. 1-4).
+
+Crater, krater, een groote vaas, die in de eetzaal stond, waarin wijn
+met water vermengd werd en waaruit dit mengsel in de bekers der gasten
+geschept werd.
+
+Craterus, Krateros, 1) veldheer onder Alexander d. G., aanvoerder
+van het landleger op den terugtocht uit Indië, voerde de veteranen
+uit Azië naar hun vaderland terug (324), en zou Antipater als regent
+van Macedonië vervangen, toen Alex. stierf. In den lamischen oorlog
+besliste zijne komst den slag bij Crannon ten gunste van Antipater,
+met wien hij daarna Perdiccas en Eumenes bestreed; in een slag tegen
+laatstgenoemde sneuvelde hij (321).--2) Macedoniër, v. s. zoon van den
+vorigen, schrijver eener Psephismaton Synagoge, verzameld uit de te
+Athene bewaarde origineelen, van welk werk nog enkele overblijfsels
+bestaan.--3) beroemd geneesheer, tijdgenoot van Cicero.
+
+Crates, Krates, 1) atheensch blijspeldichter omstreeks 450, een van
+de grondleggers der oude attische comedie; men schreef hem 14 stukken
+toe.--2) Athener, leerling van Polemo en na diens dood gedurende korten
+tijd hoofd der academie.--3) Thebaan, de voornaamste leerling van den
+cynicus Diogenes en gedurende eenigen tijd leeraar van Zeno.--4) van
+Mallus, te Tarsus opgevoed, werd aan het hof van Attalus de stichter
+der pergameensche school van taalgeleerden; in zijne werken over
+Homerus bestreed hij Aristarchus. In 167 begeleidde hij Attalus II
+naar Rome en bleef daar wegens ziekte langen tijd. Hij is de eerste
+van de Stoici, die Homerus vooral op het gebied van de geographie voor
+onfeilbaar verklaart, en door allegorische uitlegging alles wat men
+weet, bij Homerus meent terug te vinden. Zoodoende is hij de schepper
+geweest van een nieuwe denkrichting, die ook op latere geslachten
+grooten invloed heeft geoefend en nog oefent. Zie o. a. Philo Judaeus.
+
+Crates, Cratis, vlechtwerk, horde, schanskorf en dgl. Enkele malen
+komt de uitdrukking voor: sub crate necari. De veroordeelde werd op
+den grond uitgestrekt onder eene teenen horde, die zóólang met steenen
+werd bezwaard, tot de ongelukkige onder het gewicht den geest gaf.
+
+Crathis, Krathis, rivier in het land der Bruttii, die bij Thurii in den
+sinus Tarentinus uitstroomt. De Sybaris is een zijriviertje hiervan,
+maar stroomde oorspronkelijk ten N. van de Crathis in zee. Ook een
+kuststroompje in Achaia.
+
+Cratinus, Kratinos, 1) Athener (520-423), de eigenlijke schepper
+der oude attische comedie. Hij was de eerste die in zijne stukken
+een politieke strekking legde en drie acteurs liet optreden. Hij
+trad tamelijk laat als dichter op en behaalde met 21 stukken
+negenmaal de overwinning, o. a. met zijn laatste stuk Pytine (de
+wijnflesch), kort voor zijn dood opgevoerd, waarin hij zijn eigen
+gebrek, dronkenschap, aan de bespotting van het publiek prijsgaf.--2)
+atheensch blijspeldichter, die ongeveer eene eeuw later leefde dan
+de vorige; van hem worden 8 stukken genoemd.
+
+Cratippus, Kratippos, 1) schreef een vervolg op de geschiedenis van
+Thucydides, tot welk werk, naar men meent, een onlangs in Egypte
+gevonden fragment behoort. Zie Theopompus.--2) van Mytilene,
+peripatetisch wijsgeer te Athene, leermeester van Cicero's zoon.
+
+Cratis = Crates.
+
+Cratylus, Kratylos, leerling van Heraclitus en van Protagoras,
+leermeester van Plato, die een zijner werken naar hem noemde.
+
+Cremaste, Kremaste, goudhoudende streek in Troas nabij Abydus.--Zie
+ook Larissa no. 2.
+
+Cremera, zijtak van den Tiber in Etruria, die langs Veii stroomt,
+en bij wiens uitmonding in den Tiber in 479 de 306 Fabii sneuvelden.
+
+Cremni, Kremnoi, scythische koopstad aan den mond van den Tanaïs
+(Don) in de Maeotis.
+
+Cremona, Kremone, romeinsche kolonie met latijnsch recht, in 219
+aan den linkeroever van den Padus (Po) aangelegd, in 190 versterkt
+met 6000 nieuwe kolonisten, een van de rijkste steden van Gallia
+Cisalpina. Behalve tal van prachtige gebouwen had Cr. het grootste
+amphitheater van Italië. In 41 leed het door de soldaten van Antonius,
+in 69 na C. werd het door die van Vespasianus verwoest. Hoewel
+Vespasianus de stad herbouwde, keerde de oude welstand niet terug.
+
+Cremonis iugum, een berg der Alpen, thans Cramont of Grammont, tusschen
+den Mont Blanc en den kleinen St. Bernard, ten Z. van Courmayeur.
+
+Cremutius Cordus, geschiedschrijver ten tijde van Augustus en
+Tiberius, die zijne vrijmoedige taal met den dood moest boeten,
+en wiens geschiedwerken verbrand werden (25 n. C.).
+
+Crenides, Krenides, zie Philippi.
+
+Creon, Kreon, 1) koning van Corinthe, vader van Creusa.--2) zoon van
+Menoeceus, regeerde over Thebe van den dood van zijn zwager Laius tot
+de troonsbestijging van Oedipus en wederom na den dood van Eteocles en
+Polynices; z. Antigone.--3) koning van Thebe, schoonvader van Heracles,
+z. Amphitryo.
+
+Creophylus, Kreophylos, cyclisch dichter van Samus of Chius, wordt
+de vriend, leermeester of schoonzoon van Homerus genoemd. Een van
+zijne nakomelingen zou de gedichten van Homerus naar Sparta gebracht
+en aan Lycurgus gegeven hebben.
+
+Crepida, een zool met of zonder hakleder, die op den voet werd
+vastgeregen. Ne sutor ultra crepidam = schoenmaker, houd u bij
+uw leest.
+
+Crepundia (plur.), kleine stukjes kinderspeelgoed, die soms den
+kinderen om den hals werden gehangen, hetzij als talisman, hetzij
+als herkenningsteeken.
+
+Cresilas, Kresilas, uit Cydonia op Creta, een van de beroemdste
+bronsgieters van de 5de eeuw. Tot zijn beroemdste werken behoorden een
+stervende gewonde, een gewonde Amazone (wedstrijd tusschen Phidias,
+Polycletus en Cresilas) en een portretstatue van Pericles. Van de
+laatste zijn nog een paar replieken over.
+
+Cresphontes, Kresphontes, een van de drie zonen van Aristomachus,
+den achterkleinzoon van Heracles, die de Peloponnesus heroverden;
+bij de verdeeling kreeg hij Messenia, waar hij later bij een opstand
+met twee van zijne zonen gedood werd.
+
+Cressa, Kressa, cretensische vrouw, bijnaam van Ariadne en Aërope;
+Cressa bos = Pasiphaë.
+
+Crestonia, Krestonia, met de hoofdstad Crestone of Creston, Krestone,
+Kreston, streek in Macedonia tusschen den Strymon en den Axius.
+
+Creta, Krete, thans Candia of Creta, het grootste der grieksche
+eilanden, van havens ruim voorzien, vruchtbaar, gezond van klimaat,
+was reeds vroeg (zie Cnossus en Phaestus) het middelpunt van een zeer
+hoog ontwikkelde beschaving, die men tegenwoordig in een vóórgrieksch
+en een achaeisch tijdperk pleegt te onderscheiden. Na het verval
+der myceensche beschaving dringen de Doriërs het eiland binnen. Bij
+Homerus heet Creta nog hekatompolis en vooral in de Odyssea vindt
+men nog vele herinneringen aan de vroegere macht en rijkdom van het
+eiland. De bevolking was zeer gemengd, doch de dorische stam had
+het overwicht. De dorische bevolking vormde de heerschende kaste, de
+burgers. De hypekooi, eene vrije, doch onderworpen bevolking, kwamen
+overeen met de perioikoi in Laconica. Dan volgden twee klassen van
+lijfeigenen: de mnoitai, lijfeigenen van den staat, en de klarotai of
+aphamiotai, lijfeigenen op de goederen van particulieren. Opvoeding
+der jeugd vanwege den staat en gemeenschappelijke maaltijden waren
+ook op Creta wet. Na de afschaffing van het koningschap had men 10
+archonten met een senaat en een collegie van ephoren. Allengs splitste
+Creta zich in verschillende republieken (de belangrijkste steden zijn
+dan: Cnosus, Gortyn, Lyttus of Lyctus, Praesus, later Hierapytna,
+en in het W. Cydonia), totdat Q. Caecilius Metellus Creticus 68-64
+het eiland onderwierp en als provincie inrichtte. Sedert kwam Creta,
+ook zedelijk, in diep verval, zoodat de bewoners met de Capadociërs,
+Ciliciërs of Cariërs onder de kappa kaka gerekend werden: Kretes aei
+pseustai, kaka theria, gasteres argai. Op Creta behooren de mythen
+te huis van Minos, Daedalus, den Minotaurus, den cretensischen Zeus,
+wiens graf men er liet zien, e. a. Naar Creta is het krijt creta
+genoemd; de cretische aarde is echter niet krijt, maar porseleinaarde.
+
+Creteus = Catreus.
+
+Cretheus, Kretheus, 1) zoon van Aeolus en Enarete, stichter van Iolcus,
+vader van Aeson, Pheres, Amythaon en Hippolyte.--2) een zanger, die
+Aeneas op zijne tochten vergezelde en door Turnus gedood werd.--3)
+vader van Neleus.
+
+Cretio. Cretio hereditatis is de uitdrukkelijke verklaring, dat men
+eene erfenis aanvaardt.
+
+Creusa, Kreousa, 1) dochter van Oceanus en Gaea, bij Peneus moeder van
+Hypseus.--2) dochter van Erechtheus, echtgenoote van Xuthus, moeder van
+Achaeus en Ion.--3) dochter van Priamus, gemalin van Aeneas, moeder
+van Ascanius; zij zoude in den nacht, waarin Troje genomen werd, met
+Aeneas vluchten, maar zij raakte in de verwarring verloren en werd door
+de moeder der goden op wonderbare wijze van de aarde weggenomen.--4)
+dochter van Creon, onder wiens regeering Iason en Medea te Corinthe
+kwamen. Om met Creusa te trouwen erstiet Iason Medea, die zich wreekte
+door aan hare mededingster een vergiftigd kleed te zenden, dat zich aan
+het lichaam vasthechtte en haar onder vreeselijke pijnen deed omkomen.
+
+Crimissus of Crimisus, Krimissos, Krimisos, rivier in het W. van
+Sicilia, zijrivier van den Hypsus, bekend door de overwinning van
+Timoleon op de Carthagers in 339.
+
+Criobolia, zie Rhea (Cybele).
+
+Crisa, Krisa = Crissa.
+
+Crispus, (= kroeskop), rom. familienaam in verscheidene geslachten. Zie
+Marcii (no. 11), Salustii, Vibii (no. 6).--Flavius Julius Crispus,
+oudste zoon van Constantijn den Gr., een rijk begaafd jongeling,
+zoowel in vrede als in den oorlog uitstekend, werd in 326 na C. te
+Pola in Istria, op bevel zijns vaders vermoord.
+
+Crissa, Krissa, oude handelsstad in Phocis, met de haven Cirrha,
+werd in 590 op last der Amphictyonen verwoest, daar het van de
+bedevaartgangers naar Delphi tollen hief. Cirrha werd later als
+havenstad van Delphi herbouwd.
+
+Crithote, Krithote, stad in het N. van de thracische Chersonesus,
+aan den Hellespont gelegen.
+
+Critias, Kritias, 1) zoon van Dropides, vriend van Solon,
+overgrootvader van Plato.--2) achterkleinzoon van den vorigen,
+leerling van Gorgias en Socrates, verdienstelijk dichter en redenaar,
+dikwijls in de werken van Plato vermeld, die een van zijne gesprekken
+naar hem noemde. Aanvankelijk aanhanger der democratie, werd hij
+later om onbekende redenen verbannen en kwam hij eerst na afloop
+van den peloponnesischen oorlog naar Athene terug, waar hij zich als
+hoofd van de dertigmannen zeer gehaat maakte door zijne gewelddadige
+handelingen. Hij sneuvelde in 403 in een gevecht tegen Thrasybulus.
+
+Crito, Kriton, 1) leerling en vriend van Socrates, naar wien Plato
+een van zijne werken noemde.--2) dichter der nieuwe comedie; één
+zijner stukken is in 168/7 opgevoerd.
+
+Critolaus, Kritolaos, 1) van Phaselis, opvolger van Ariston als hoofd
+der peripatetische school, een van de drie wijsgeeren, die in 155 door
+de Atheners als gezanten naar Rome gezonden werden en die het eerst de
+Rom. met grieksche welsprekendheid en wijsbegeerte bekend maakten. Hij
+bleef te Rome, waar hij in hoogen ouderdom stierf.--2) strateeg van
+het achaeisch verbond, heftig tegenstander der Romeinen, werd in 146
+door Metellus bij Scarphe verslagen en verdween daarna spoorloos.
+
+Crius, Krios, Kreios, zoon van Uranus en Gaea, een van de Titanen.
+
+Crobylus, krobylos, ouderwetsch kapsel der Atheners, in het bizonder
+der atheensche mannen, en van eenige barbaarsche volken, overigens
+= Corymbus.
+
+Crocodilopolis, Krokodeilon polis, stad in Midden-Aegypte aan het
+meer Moeris, later Arsinoë geheeten.
+
+Croesus, Kroisos, zoon van Alyattes, laatste koning der Lydiërs,
+regeerde 560-546. Hij maakte de aziatische Grieken schatplichtig,
+sloot een verbond met de grieksche eilandbewoners, en strekte zijn
+rijk oostwaarts tot den Halys uit. Toen zijn zwager Astyages door
+Cyrus onttroond was, verbond hij zich met de koningen van Aegypte en
+Babylon tot een oorlog tegen het jonge perzische rijk, doch voordat
+zijne bondgenooten hem hulp hadden kunnen zenden, trok Croesus, door
+dubbelzinnige orakels misleid, over den Halys; na een onbeslisten slag
+evenwel trok hij terug naar Sardes om zich beter tot den oorlog voor
+te bereiden, maar Cyrus volgde hem, belegerde de stad en nam haar na
+veertien dagen in. Croesus verloor zijn rijk, maar behield het leven,
+naar het heette door goddelijke tusschenkomst; Cyrus behandelde hem
+altijd met achting, hield hem steeds als een vriend en raadsman bij
+zich en beval hem bij zijn dood ook aan Cambyses aan. De rijkdom
+van Croesus is spreekwoordelijk geworden en zijne geschiedenis werd
+beschouwd als een treffend voorbeeld van de onbestendigheid van het
+geluk, waarop Solon hem reeds zou gewezen hebben, toen hij hem in
+zijne gelukkigste dagen te Sardes bezocht.
+
+Crommyon, Krommyon, stad op de Corinthische landengte, aan de
+Saronische golf. Hier doodde Theseus het beruchte everzwijn.
+
+Cromnus, Kromnos, stadje in het Z. van Arcadia, bij Megalopolis.
+
+Cronides, Cronion, Kronides, Kronion, Zeus, de zoon van Cronus.
+
+Cronium mare, het noordelijkste gedeelte van de Noordzee, ook
+wel de zee ten Noorden van Schotland. De oude schrijvers bevatten
+allerlei phantastische verhalen hieromtrent; volgens sommigen is ze
+gestold, volgens anderen zoo drabbig, dat men er met de roeispanen
+nauwelijks door kan komen. Al deze verhalen zijn een gevolg van de
+ontdekkingsvaart van Pytheas van Massilia.
+
+Cronus, Kronos, Saturnus (z. a.), de jongste der Titanen, zonen
+van Uranus en Gaea. Op aansporing zijner moeder, die verbitterd was
+omdat Uranus zijne jongere zonen, de Cyclopen en Hecatonchiren, in
+den Tartarus geworpen had, overviel hij zijn vader, verminkte hem met
+een sikkel op gruwelijke wijze, en dwong hem van de wereldheerschappij
+afstand te doen. Sedert dien tijd regeerde Cr. met de Titanen gedurende
+de gouden eeuw, hij huwde zijne zuster Rhea, maar daar zijn vader hem
+voorspeld had, dat ook hij eens door een zijner kinderen onttroond zou
+worden, verslond hij hen terstond na hunne geboorte; alleen Zeus werd
+door zijne moeder gered, terwijl Cr. in plaats van hem een grooten
+in doeken gewikkelden steen verslond. Toen Zeus opgegroeid was, kwam
+hij in opstand tegen zijn vader; door Gaea en Metis ondersteund,
+dwong hij hem eerst de verslonden kinderen uit te braken en daarop
+begon hij den oorlog, waarvan de uitslag was dat Cr. met de Titanen,
+die zijne partij gekozen hadden, in den Tartarus geworpen werd. Later
+kwam echter eene verzoening tusschen vader en zoon tot stand, en sedert
+dien tijd heerscht Cr. op de eilanden der gelukzaligen. Te Athene
+vierde men zijn feest, de Kronia, onder gebruiken, die aan den gouden
+tijd moesten doen denken, z. Saturnalia.--Cr. wordt algemeen beschouwd
+als een oogstgod, door sommigen als een god van den tijd. Hij wordt
+afgebeeld als een oud man, met langen baard, gezeten op een troon,
+met het kleed over het hoofd getrokken en een sikkel in de hand.
+
+Crossaea, Krossaia, streek op de grens van Chalcidice aan de golf
+van Thermae.
+
+Croton, Kroton, thans Crotone, welvarende en machtige stad in het
+land der Bruttii, tusschen 700 en 650 door Achaeërs gesticht. De
+stad was beroemd door hare wetgeving, door reinheid van zeden,
+door de school van Pythagoras, en door voorliefde der inwoners voor
+lichaamsoefeningen. Zij was de geboorteplaats van den kampvechter
+Milo. Wel leden omstreeks 550 de Crotoniaten eene zware nederlaag
+door de bewoners van Locri Epizephyrii, doch Croton herstelde zich en
+kon nog in 510 het verwijfde Sybaris ten val brengen. Verdeeldheid
+was evenwel oorzaak, dat de grieksche steden in Zuid-Italië zich op
+den duur niet konden handhaven tegen de Syracusanen aan den éénen en
+de Lucaniërs aan den anderen kant.--In den tweeden punischen oorlog
+maakte Hannibal Croton tot een steunpunt zijner krijgsoperatiën,
+waarop de Romeinen er in 194 eene rom. kolonie van maakten.
+
+Crotona = Cortona.
+
+Crustae, 1) goud- of zilverbeslag (ciseleerwerk), dat op zilveren
+of bronzen vaatwerk werd opgelegd, in tegenstelling van emblemata,
+inlegwerk.--2) marmeren platen, waarmede de wanden bekleed werden.
+
+Crustumerium, oude latijnsche stad, reeds vroeg door de Romeinen
+veroverd. Op het veroverde land werd de tribus Crustumina ingericht.
+
+Crux, het kruis, een paal met een dwarshout er aan. De veroordeelde
+werd eerst gegeeseld, vervolgens aan touwen omhoog geheschen en dan
+aan handen en voeten aan het kruis vastgenageld, waarna men hem liet
+hangen tot hij gestorven was. Deze straf werd alleen toegepast op
+slaven, vreemdelingen en burgers van lagen stand.
+
+Crypta, krypte. Hieronder moet men niet een ondergrondsche ruimte van
+eenig gebouw verstaan, zooals wij onder eene crypte doen; maar een
+lange gang met lichtopeningen of vensters in de muren, bij groote
+hitte of slecht weder tot wandelplaats dienende. Meestal liep zulk
+eene crypta om eenig groot gebouw of om eene binnenplaats heen. Zie
+ook cryptoporticus.
+
+Cryptoporticus, overdekte gaanderij, aan ééne zijde gesloten, aan de
+andere zijde open in den vorm eener kolonnade, terwijl eene crypta
+ter weerszijden muren had.
+
+Cteatus, Kteatos, z. Actoriones.
+
+Ctesias, Ktesias, van Cnidus, uit het geslacht der Asclepiaden, van
+404/401 tot 387/4 lijfarts aan het perzische hof, waarna hij naar zijne
+vaderstad terugkeerde. Ook in 397 had hij een tijd in zijn vaderstad
+vertoefd. Hij is de schrijver van verscheiden werken; zijne perzische
+geschiedenis, Persika, in 23 boeken, wordt veel door oude schrijvers
+gebruikt, ofschoon hem dikwijls gebrek aan waarheidsliefde verweten
+wordt. Van dit werk zijn, evenals van een ander, Indika, slechts
+eenige fragmenten bewaard gebleven. Ctesias is meer een op sensatie
+belust romanschrijver (vandaar zijn populariteit) dan een ernstig
+historicus. Zijn Indika zijn belangrijker, omdat daarin de eerste
+berichten omtrent Indië, vooral de dieren- en plantenwereld, voorkomen.
+
+Ctesibius, Ktesibios, beroemd werktuigkundige te Alexandrië
+onder Ptolemaeus Euergetes, leermeester van Hero, met wien hij
+o. a. verscheiden toepassingen van luchtdruk uitvond. Hij of een
+naamgenoot, die omstreeks 125 leefde, was de uitvinder van het orgel.
+
+Ctesiphon, Ktesiphon, z. Demosthenes.
+
+Ctesiphon, Ktesiphon, stad aan den Tigris, na den dood van
+Alexander d. Gr. gesticht, tegenover Seleucia. Ctesiphon was lang het
+winterverblijf der parthische koningen en eene sterke grensvesting. In
+den keizertijd werd het bij herhaling door de Rom. veroverd, n.m. in
+116 door keizer Traianus, in 165 door de legaten van Lucius Verus,
+in 198 door Septimius Severus.
+
+Cuberni = Gugerni.
+
+Cubi, zie Bituriges.
+
+Cubiculum, klein vertrek, van een rustbed of eene slaapstede
+voorzien. Men onderscheidde de cubicula in diurna en nocturna. Lezen,
+studeeren, zelfs schrijven geschiedde bij de Rom. veeltijds in liggende
+houding.--De latere keizers namen ook de gewoonte aan, bij de openbare
+spelen niet op een podium of balkon te zitten, maar in eene soort
+loge of cubiculum op een rustbed liggende de spelen gade te slaan.
+
+Cubitus, rom. lengtemaat = 1 1/2 rom. voet = bijna 45 centimeter.
+
+Cucullus, kap aan een mantel, om bij slecht weder over het hoofd
+te trekken.
+
+Cugerni = Gugerni.
+
+Cularo, zie Gratianopolis.
+
+Culex, titel van een klein gedicht, dat op naam van Vergilius staat
+en waarin de schim eener gedoode mug om eene begrafenis vraagt.
+
+Culleus, 1) lederen zak, waarin de parricidae genaaid en in het water
+geworpen werden.--2) rom. maat voor vloeistoffen = ruim 500 liter.
+
+Cumae, Kyme, stad in Campania, de oudste grieksche volkplanting
+in Italia, in de 8ste eeuw (737?) door de Chalcidiërs van Euboea,
+met medewerking van kolonisten uit Eretria en uit Cyme (aan de
+Oostkust van Euboea), waaraan de naam ontleend is, en van de Grai
+(z. a.) uit Boeotië, gesticht. Vooral door toedoen van Cumae is de
+grieksche beschaving in Italië doorgedrongen. Dáár hield volgens de
+sage de beroemde Sibylle haar verblijf; dáár landde Aeneas en stierf
+Tarquinius Superbus. Dicaearchia, later Puteoli geheeten, was de
+havenstad van Cumae. In 474/3 kwam Hiero van Syracusae de stad tegen
+de Etruscers te hulp, en versloeg hen in een bloedigen zeeslag. Toen
+tusschen 443 en 415 de Samnieten Campania veroverden, viel ook Cumae
+in hunne handen (421). De inwoners werden grootendeels als slaven
+verkocht. In 338 werd de stad met Capua en andere Campaansche steden
+civitas sine suffragio. Z. Praefecti Capuam Cumas.
+
+Cunaxa, Kounaxa, stadje in Babylonia aan den Euphraat, waarbij Cyrus
+de jongere sneuvelde in den slag tegen zijn broeder Artaxerxes Mnemon
+(401).
+
+Cuneus, wig. In den circus, het amphitheater en het theater zijn cunei
+de wigvormige afdeelingen, waarin de zitplaatsen der toeschouwers
+door de gangpaden verdeeld worden. In den oorlog is de cuneus eene
+wigvormige slagorde, om door de gelederen van den vijand heen te
+breken. De soldaten noemden ze ook wel caput porcinum, zwijnskop. Zie
+verder: forceps (forfex). Later beteekent cuneus dikwijls slechts eene
+kolonne, zonder dat men daarbij aan den wigvorm behoeft te denken,
+ook wel een dichtgesloten vierkant.
+
+Cuneus, de Zuidkust van Lusitania.
+
+Cunobelinus, ten tijde van keizer Caligula, koning van de Trinobantes,
+vader van Caratacus.
+
+Cupido, z. Eros.
+
+Cupra maritima, belangrijke zeestad in Picenum, tusschen Castrum
+Firmanorum en Truentum, met een tempel van de in Picenum vereerde
+godin Cupra mater = Juno.
+
+Cupressus. De cipres, uit Creta afkomstig, was aan Pluto geheiligd. Een
+cipres, vóór een huis in den grond geplaatst, gaf te kennen, dat er
+een doode was. Evenzoo plaatste men hem bij brandstapels en plantte
+men hem op graven. In de tuinen werden zij dikwijls, evenals palmen,
+in allerlei vormen gesnoeid.
+
+Cura of curatio, curateele. Deze werd uitgeoefend over krankzinnigen en
+verkwisters. De curator had dan het beheer over het vermogen. Volgens
+eene lex Plaetoria (z. a.) werd er ook een cura minorum ingesteld, om
+jongelieden, die sui iuris geworden en de voogdij reeds ontwassen, maar
+nog geen 25 jaar oud waren, in bescherming te nemen tegen aanslagen op
+hunne onervarenheid. Voor zekere rechtsgeldige verrichtingen, b.v. het
+voeren van een proces, was de medewerking van den curator noodig.
+
+Curator is in het algemeen hij, die eene cura uitoefent. Curatores
+noemde men ook zekere ondergeschikte beambten, opzieners,
+b.v. curatores aquarum, cloacarum, viarum, monumentorum publicorum
+tuendorum, enz. Zoo was o.a. Q. Catulus curator restituendi Capitolii.
+
+Cures, Kyreis, oude hoofdstad der Sabijnen in het zuidelijkste gedeelte
+van het Sabijnsche land, dat reeds vroeg bij Rome is ingelijfd,
+geboorteplaats van Titus Tatius en Numa Pompilius. De inwoners heeten
+Curenses of Curenses Sabini. De naam Quirites is dus niet van Cures
+afgeleid, zooals men wel eens vermoed heeft.
+
+Curetes, Kouretes, 1) de oudste inwoners van Acarnanië en Aetolië,
+werden in een oorlog tegen Calydon door Meleager overwonnen.--2)
+z. Rhea (Cybele).
+
+Curia, vergaderzaal, in het bijzonder voor de vergaderingen van den
+rom. senaat. De oudste was de curia Hostilia, waarvan de eerste
+bouw aan Tullus Hostilius werd toegeschreven. Ze had een hooge
+vooruitspringende stoep. Ze werd vergroot door Sulla, maar brandde
+in 52 af bij de begrafenis van Clodius. De nieuwe Curia, door Caesar
+begonnen, door Augustus voltooid en gewijd, Curia Julia geheeten, nam
+een groot gedeelte van het vroegere Comitium in beslag. Verder had men
+de curia Pompeia. De curia Calabra op het Capitolium (z. Capitolinus
+(mons)) diende tot priesterlijk gebruik. Vóór dit gebouw hadden de
+comitia curiata calata plaats.
+
+Curiae. Elke der drie oude rom. stamtribus, Tities, Ramnes en Luceres,
+was in 10 afdeelingen verdeeld, die elk haar eigen vergaderlokaal,
+curia, haar eigen sacra, en haar eigen priester, curio, hadden. Bij
+de comitia curiata bracht elke curie ééne stem uit. Acht der curiae
+zijn ons met name bekend: Foriensis, Rapta, Veliensis, Velitia, Titia,
+Faucia, Acculeia en Tifata. De leden eener curia waren curiales. Ze
+vierden twee feesten: de Fornacalia (z. a.) en de Fordicidia.
+
+Curiata (lex), zie Comitia Curiata.
+
+Curiatii, de drie albaansche gebroeders, die, volgens het bekende
+poëtische verhaal, in den oorlog tusschen Alba Longa en Rome met
+de drie rom. Horatii streden. In het Albaansch gebergte, aan den
+weg van Albano naar Aricia, vindt men een etruscisch grafmonument,
+dat langen tijd voor het graf der Horatii en Curiatii gehouden
+is. Later komt deze naam ook te Rome voor. In 453 vindt men in een
+overigens geheel ongeloofwaardig verhaal een consul P. Curiatius
+Fistus Trigeminus vermeld, die in 451 een der tienmannen was, en in
+188 een volkstribuun C. Curiatius, die de beide consuls van dat jaar
+in hechtenis liet nemen.
+
+Curiatius Maternus, redenaar en dichter tijdens Domitianus, van wiens
+geschriften echter niets meer overig is. Hij is de hoofdpersoon
+in Tacitus' Dialogus de Oratoribus, in 77 n. C. ten zijnen huize
+gehouden.
+
+Curii, een plebejisch geslacht. 1) M'. Curius Dentatus trad als
+volkstribuun in 296 tegen den consul App. Claudius (later Caecus) op,
+toen deze de verkiezing van een plebejer zocht tegen te gaan. Dit
+verhaal is onhistorisch. In 290 was hij zelf consul, versloeg met
+zijn ambtgenoot P. Cornelius Rufinus de Samnieten, en onderwierp
+de Sabijnen. In 275 ten tweede male consul zijnde, bracht hij aan
+koning Pyrrhus een nederlaag toe, hetzij bij Beneventum, dat toen nog
+Maluentum heette, hetzij ergens in Lucania in Arusinis campis. Het
+dankbare volk verkoos hem terstond ten derden male, waarop Curius de
+verbonden volken van Zuid-Italië overwon. In 272 stierf hij, terwijl
+hij censor was. Uit den buit, op Pyrrhus behaald, liet hij de tweede
+waterleiding van Rome, de Anio vetus (zie Anio) bouwen, welk werk
+eerst eenige jaren na zijn dood voltooid werd. In 290 had hij, na de
+onderwerping der Sabijnen, aan het water van den lacus Velinus een
+uitloop gegeven, zie Avens. Bekend is zijne eenvoudige levenswijze en
+zijne weigering, van de gezanten der Samnieten geschenken aan te nemen,
+onder bijvoeging, dat hij liever over rijken wilde heerschen, dan zelf
+rijk zijn.--2) Q. Curius, deelgenoot van Catilina's samenzwering,
+verklapte de geheimen er van aan zijne minnares Fulvia, die ze op
+hare beurt aan Cicero overbracht.
+
+Curio, familienaam in de gens Scribonia, z. Scribonii no. 2 en 4-6.
+
+Curio, priester eener curia. Aan het hoofd der 30 curiones stond
+een curio maximus. Deze werd reeds in de 3de eeuw in de comitia
+sacerdotum gekozen.
+
+Curiosolites, gallisch volk in Aremorica.
+
+Curium, Kourion, stad aan de Zuidkust van Cyprus, bij Kaap Curias,
+he Kourias akra, naar men zeide, een volkplanting der Argivers.
+
+Cursor, familienaam in de gens Papiria, z. Papirii no. 5-7.
+
+Cursus, wedrennen met twee- of vierspannen. Bij een vierspan liepen
+de vier paarden naast elkander; de twee middelste waren op de gewone
+wijze aangespannen; de twee buitenste trokken aan touwen, die ter
+zijde van den wagen waren vastgehaakt, en werden daarom equi funales
+geheeten. Zie verder de artikels auriga en circus.
+
+Cursus publicus, de staatspost, door keizer Augustus ingesteld. Daar
+de kosten hiervan door de provinciales werden gedragen, werd dit in
+latere eeuwen een drukkende finantiëele last voor de bevolking.
+
+Curtii. 1) Mettus of Mettius Curtius, een Sabijn, die na den
+maagdenroof tegen Rome streed en op de vlucht bijna in een moeras
+omkwam. Later vestigde hij zich te Rome.--2) M. Curtius, een moedig
+jongeling, sprong in 362 gewapend en te paard in een kloof, die
+zich te Rome op het forum had gevormd en niet te dempen was. De
+godspraak had verklaard, dat het kostbaarste, wat Rome bezat, er in
+moest worden geworpen. Na Curtius' zelfopoffering sloot de kloof
+zich weder. De plek werd ommuurd en behield den naam van lacus
+Curtius.--3) C. Curtius Philo of Chilo, consul 445, bestreed de
+wetsvoorstellen van den volkstribuun C. Canuleius. Het verhaal, en de
+geheele persoon is waarschijnlijk onhistorisch.--4) Q. Curtius Rufus,
+rom. geschiedschrijver ten tijde van keizer Claudius. Hij schreef een
+werk de rebus gestis Alexandri Magni in 10 boeken, waarvan de eerste
+twee en stukken van de andere boeken verloren zijn.
+
+Curtius (lacus), zie Curtii no. 2 en Mundus.
+
+Curubis, stad aan de Oostkust van Africa (Zeugitana), ten Z. van Clupea
+(Aspis).
+
+Curulis (magistratus en sella). Curulische overheden te Rome waren
+zij, die het recht hadden in het openbaar een sella curulis als
+zetel te bezigen, n.l. een tabouret met ivoren onderstel en over
+elkaar gekruiste pooten, zooals onder het koningschap de koning
+bezigde. Zulk een curulischen zetel hadden de consuls, de praetoren,
+de censoren, omdat deze, ieder voor zijn deel, de erfgenamen waren der
+koninklijke macht; verder de interrex, de dictator en zijn magister
+equitum, terwijl ook aan de curulische aedilen deze onderscheiding was
+verleend. Ook de tijdelijk ingestelde decemviri legibus scribundis
+en tribuni militum consulari potestate waren curulische overheden,
+derhalve alle magistratus maiores en de aediles curules. Bij de sella
+curulis behoorde ook de purpergerande toga, toga praetexta.
+
+Custodia libera, vrijwillige hechtenis in het huis van een of anderen
+aanzienlijken burger, als waarborg, dat de beschuldigde niet zou
+trachten te ontvluchten. Onder de keizers vindt men de custodia
+militaris, waarbij de beschuldigde onder de bewaking van één of twee
+soldaten staat, doch zich overigens met dezen vrij mocht bewegen. In
+custodia militari bevond zich o.a. de apostel Paulus, toen hij te
+Rome gevangen zat.
+
+Cutiliae, oude sabijnsche stad, aan een meertje gelegen. De eigenlijke
+stad was reeds vroeg verdwenen, doch dicht bij het meer, aan welks
+water geneeskracht werd toegeschreven, vormde zich eene badplaats
+Cutiliae of aquae Cutiliae. In het meer lag een drijvend eilandje,
+dat men voor den umbilicus Italiae hield. In de nabijheid lag de villa,
+waar Vespasianus stierf.
+
+Cyaneae insulae, Kyaneia nesoi, twee drijvende rotsen in zee aan den
+thracischen Bosporus (straat v. Constantinopel). Door de felle branding
+sloegen deze rotsen voortdurend tegen elkander en verbrijzelden alles
+wat er tusschen kwam. De Argonauten lieten eene duif er tusschen
+door vliegen, en toen deze het er levend had afgebracht, stonden
+de rotsen plotseling voorgoed stil. Zij werden ook Symplegades,
+Symplegades, genoemd.
+
+Cyathus, kyathos, 1) een lepel, waarmede wijn uit het mengvat in de
+bekers geschept werd.--2) als maat bij Grieken en Rom. het 72ste deel
+van een chous of congius, het 192ste van een hekteus of modius.
+
+Cyaxares, Kyaxares, zoon en opvolger van Phraortes, koning van Medië
+(625-585). Den oorlog tegen Assyrië, dien hij als bondgenoot van
+Nabopolassar voerde, moest hij ten gevolge van een inval der Scythen
+staken; toen hij hen na een verblijf van 15 (v. a. 28) jaar uit Azië
+verdreven had, werd Niniveh omstreeks 606 veroverd en het assyrische
+rijk vernietigd, z. Alyattes.
+
+Cybebe, Cybele, Kybebe, Kybele, z. Rhea.
+
+Cybistra, ta Kybistra, oude stad in Cataonia aan den noordelijken
+voet van den Taurus, aan de zijde van Lycaonia; in den keizertijd
+behoort de stad tot Cappadocia.
+
+Cychreus, Kychreus, zoon van Poseidon en Salamis, dochter van
+Asopus. Hij bevrijdde het eiland Salamis van een draak, die het
+onbewoonbaar maakte, stichtte er een volkplanting, en regeerde er
+tot zijn dood; daar hij geene kinderen had, liet hij de regeering
+aan Telamon na.
+
+Cyclades, Kyklades, de eilandengroep, die het heilige eilandje Delus
+omringde voor zoover de eilanden door Ioniërs bewoond waren. Het
+waren: Andrus, Tenus, Myconus, Syrus, Ceos, Cythnus, Siphnus, Naxus,
+Parus. De ouden namen er 12 aan, doch omtrent de hier ontbrekende is
+men het niet eens.
+
+Cyclici, Kyklikoi, een groep epische dichters, navolgers van Homerus,
+die echter meer dan deze een mythus of kring van mythen in zijn
+geheel ter behandeling namen; bij voorkeur sloten zij zich, ook wat
+den inhoud hunner werken betreft, bij Homerus aan. De eerste cyclici
+leefden omstreeks het begin der 8ste eeuw.
+
+Cyclopes, Kyklopes, drie zonen van Uranus en Gaea, die door hun
+vader en later weder door Cronus in den Tartarus werden geworpen,
+maar door Zeus bevrijd werden, hem hielpen in den strijd tegen de
+Titanen en den bliksem voor hem smeedden; Apollo doodde hen in zijn
+toorn, toen Asclepius door Zeus met den bliksem gedood was. Als smeden
+noemde men hen later dienaren van Hephaestus, waarvan echter meer
+dan drie waren; hun werkplaats was in den Aetna of op het eiland
+Lipara, waar zij niet alleen den bliksem, maar ook wapenen voor
+goden en helden vervaardigden. Ook sommige zeer oude bouwwerken,
+samengesteld uit reusachtige steenklompen, waarvan de bewerking meer
+dan menschelijke kracht scheen vereischt te hebben (cyclopische muren),
+worden aan Cyclopen toegeschreven, die met Proetus uit Lycië naar
+Argolis gekomen zouden zijn.--Bij Homerus zijn de Cyclopen een volk
+van wilden en menscheneters, zij kennen recht, wet, noch godsdienst en
+houden zich alleen met veeteelt bezig, terwijl zij zelfs met elkander
+geen verkeer hebben; hun vruchtbaar land brengt zonder handenarbeid
+alles voort wat zij noodig hebben.--De Cyclopen worden voorgesteld
+als geweldige reuzen met één oog in het midden van het voorhoofd.
+
+Cycnus, Kyknos, 1) zoon van Apollo en Thyria of Hyria, leefde als
+jager tusschen Pleuron en Calydon. In weerwil van zijne buitengewone
+schoonheid, verlieten hem al zijne vrienden om zijne terugstootende
+manieren; alleen Phylius bleef hem getrouw en bewees hem allerlei
+diensten. Eindelijk verloor echter ook deze het geduld en weigerde
+een stier over te geven, dien hij op last van Cycnus gevangen had,
+waarop deze zich in drift van een rots stortte; Apollo veranderde hem
+echter gedurende den val in een zwaan. Zijne moeder weende zoo om zijn
+verlies, dat zij wegkwijnde en in het meer Hyria veranderde.--2) zoon
+van Poseidon en Calyce, door zijne moeder te vondeling gelegd, maar
+door visschers gevonden en opgevoed; toen hij volwassen was, maakte
+Poseidon hem koning van Colonae in Troas. Zijne beide kinderen, Tenes
+en Hemithea, liet hij, op valsche aanklachten van hun stiefmoeder,
+in een kist in zee werpen; zij landden op Tenedus, waar Tenes
+koning werd. Later zag Cycnus zijn ongelijk in en kwam hij zijn zoon
+terughalen; beiden kwamen den Trojanen te hulp toen de Grieken landden,
+en reeds dadelijk geraakten zij in strijd met Achilles, die aan Cycnus,
+daar hij onkwetsbaar was, een hevigen slag op het hoofd gaf, die hem
+in onmacht deed vallen, waarop hij hem met den riem van zijn eigen
+helm wurgde. Poseidon veranderde hem in een zwaan.--3) zoon van Ares
+en Pelopea, een wreede reus, die bij Iton in Thessalië woonde en alle
+reizigers aanviel om van hunne schedels een tempel voor zijn vader te
+bouwen. Hij werd door Heracles gedood.--4) zoon van Ares en Pyrene,
+eveneens een geweldige reus, die door Heracles gedood werd, ofschoon
+Ares zelf hem bijstond; ook van hem zeide men dat hij in een zwaan
+veranderd was. De strijd tusschen Ares en Heracles was zoo hevig,
+dat Zeus hen door den bliksem scheiden moest.--5) zoon van Sthenelus,
+koning der Liguriërs, die den dood van zijn vriend Phaëthon zoo hevig
+betreurde, dat Apollo hem uit medelijden in een zwaan veranderde en
+onder de sterren plaatste.
+
+Cydippe, Kydippe, z. Acontius.
+
+Cydnus, Kydnos, ijskoude rivier in Cilicia, die door de stad Tarsus
+stroomt en waar Alexander de Groote zich eene ernstige ziekte op den
+hals haalde.
+
+Cydonia, Kydonia, thans Canea, oude, machtige stad op de N.W. kust
+van Creta, het middelpunt van den voor-griekschen stam der Cydones,
+Kydones. De inwoners waren uitstekende boogschutters. Cydonia mala
+= kweeperen.
+
+Cylipenus, bij vroege schrijvers de naam van de Oostzee.
+
+Cyllene, Kyllene, ook mons Cyllenius, op de grenzen van Achaia en
+Arcadia, de hoogste berg der Peloponnesus, geboorteplek van Hermes
+of Mercurius, die er een tempel had en dikwijls door de dichters
+Cyllenius wordt genoemd.--Ook eene havenstad in het N. van Elis.
+
+Cyllenius, Kyllenios, bijnaam van Hermes, z. Cyllene.
+
+Cylon, Kylon, 1) atheensch eupatride, overwinnaar in de olympische
+spelen (640), schoonzoon van Theagenes, den tyran van Megara. Hij
+trachtte zich van de alleenheerschappij meester te maken en bezette,
+door een dubbelzinnig orakel misleid, de acropolis (612), doch kon zich
+niet staande houden en werd door gebrek aan levensmiddelen gedwongen te
+vluchten. Zijne aanhangers werden, hoewel hun lijfsbehoud toegezegd
+was, verraderlijk vermoord, z. Alcmaeonidae.--2) van Croton, een
+aanzienlijk man, die aan het hoofd der volkspartij de aristocratische
+regeering en de aanhangers van Pythagoras (z. a.) verdreef.
+
+Cymbalum, kymbalon, muziekinstrument ongeveer gelijk aan onze bekkens,
+in gebruik bij de feesten van Bacchus en Cybele.
+
+Cyme, Kyme, 1) bijgenaamd he Aiolike (in onderscheiding van het
+Italiaansche Cumae) of he Phrikonis, beroemde aeolische havenstad op
+de aziatische kust, geboorteplaats van Ephorus. Hier overwinterde de
+vloot van Xerxes na diens terugkeer uit Griekenland. In 17 na C. leed
+het zwaar door eene aardbeving. Van de Cymaeërs deden in Griekenland
+allerlei dwaasheden de ronde.--2) stad aan de Oostkust van Euboea,
+z. Cumae.
+
+Cynegirus, Kynegeiros, v. s. een broeder van Aeschylus. Toen hij na
+den slag bij Marathon een van de vertrekkende perzische schepen met
+de handen wilde terughouden, werd hem de arm afgehouwen, ten gevolge
+waarvan hij stierf.
+
+Cynaetha, Kynaitha, stad in het N. van Arcadia, met een ruw slag
+van inwoners.
+
+Cynaethus, Kynaithos, beroemd rhapsode van Chius, zoude omstreeks 500
+de gedichten van Homerus op Sicilië bekend gemaakt hebben; v. s. was
+hij de dichter van een der zoogenaamde homerische hymnen.
+
+Cynesii, Kynesioi, Kynetes, een volk in het W., bij Herodotus vermeld,
+waarschijnlijk Iberiërs.
+
+Cynici, Kynes, Kynikoi, heetten de wijsgeeren uit de school van
+Antisthenes; waarschijnlijk is de naam afgeleid van het gymnasium
+Cynosarges, waar Antisthenes, als niet volbloed Athener, onderwijs
+geven moest; tevens vond men echter er in eene toespeling op het leven
+der Cynici, dat door hun overdreven onthouding van genot en beperking
+van behoeften naar veler oordeel iets dierlijks had. In later tijd
+treden ze vooral op als boetpredikers. Ze hebben samen met de Stoici,
+die meer voor de hoogere standen werkten, een enormen invloed geoefend
+op het moderne denken.
+
+Cynosarges, Kynosarges, een worstelperk voor onechte kinderen,
+buiten Athene gelegen, aan de Zuidkant, en aan Heracles gewijd. Hier
+onderwees Antisthenes (± 400) zijne wijsbegeerte, welke naar deze
+plaats de cynische is genoemd.
+
+Cynoscephalae, Kynos kephalai, naam van twee heuvels in het
+Z.O. van Thessalia, bij Scotussa, die van verre gezien op hondskoppen
+gelijken. Hier behaalde T. Quinctius Flamininus in 197 de overwinning
+op Philippus van Macedonia.
+
+Cynossema, Kynos sema, kaap van de thracische Chersonesus, daar waar
+de Hellespont het nauwst is, ten Z. van Madytus, met het graf der in
+een hond veranderde Hecuba.
+
+Cynosura, Kynosoura, 1) voorgebergte in Attica, dat de baai van
+Marathon in het O. afsluit.--2) smalle landtong aan de Oostkust van
+Salamis, waar het zegeteeken van den grooten zeeslag van 480 opgericht
+werd.--3) het zuidwestelijke deel van de stad Sparta.--4) eene nimf van
+het gebergte Ida, voedster van Zeus, die onder de sterren verplaatst
+werd, v. s. de Kleine Beer.
+
+Cynthia, de pseudonym voor de geliefde van Propertius (z. a.); in
+werkelijkheid heette ze Hostia.
+
+Cynthius, -a, Kynthios, -thia, Apollo en Artemis, naar den berg
+Cynthus, hun geboorteplaats.
+
+Cynthus, Kynthos, kale berg op het eil. Delus, z. a.
+
+Cynuria, Kynouria, distrikt ten O. van den Parnon, tusschen Argolis
+en Laconica, een twistappel tusschen beide staten, tot het eindelijk
+omstreeks 540 door de Spartanen voor goed aan de Argoliërs ontrukt
+werd. Onder Philippus van Macedonia werd het weder met Argos vereenigd
+(338). Naar de stad Thyrea wordt het landschap ook Thyreatis geheeten.
+
+Cynus, Kynos, stad der opuntische Locriërs aan de Euboeïsche zeeëngte.
+
+Cyparissia, Kyparissia, de cipressenstad, op de W.-kust van Messenia
+aan de Cyparissische golf.
+
+Cyparissus, Kyparissos, 1) zoon van Telephus, die van verdriet
+verkwijnde omdat hij bij ongeluk een geliefkoosd hert had gedood, dat
+hem door Apollo geschonken was; hij werd in een cipres veranderd.--2)
+stadje in Phocis bij Delphi.
+
+Cypria, Cypris, Kypria, Kypris, Aphrodite, zoo genoemd naar het eiland
+Cyprus, den hoofdzetel van haar eeredienst.
+
+Cyprianus (Thascius Caecilius), vroeger heidensch rhetor, later
+christen en bisschop van Carthago, onderging in 258 na C. onder de
+regeering van keizer Valerianus met grooten moed den marteldood. Hij
+heeft verscheidene godsdienstige geschriften nagelaten. Vele
+werken echter, die op zijn naam staan, zijn van oudere of jongere
+tijdgenooten.
+
+Cyprus, Kypros, voornaam grieksch eiland in den oosthoek der
+Middellandsche zee. Reeds vroeg zijn de oudste bewoners door
+Phoeniciërs teruggedrongen; na den trojaanschen oorlog kwamen
+er grieksche volkplanters, en sedert dien tijd vindt men de oude
+bevolking slechts in Amathus aan de Z. kust, de Phoeniciërs in het
+nabij gelegen Cition; de andere steden zijn grieksch. Omstreeks 560
+werd Cyprus door Aegypte onderworpen en werd vervolgens met Aegypte
+perzisch. Het heeft toen verscheidene malen gepoogd, zich zelfstandig
+te maken. In 499 sloot het zich bij den ionischen opstand aan, maar
+werd spoedig weer onderworpen. Onder atheensche hegemonie was het
+eiland vrij van 478-449. Ook koning Euagoras van Salamis (z. a.) wist
+het eiland een tijdlang vrij te houden van de Perzen. In de 4e eeuw
+is het geheel vergriekscht. Na den val van het perzische rijk werd
+het macedonisch, kwam toen onder een zijtak der Ptolemaeën en werd
+in 58 rom. provincie. Het eiland was rijk aan koper (aes Cyprium)
+en aan timmerhout. De scheepsbouw werd er zoo veelvuldig uitgeoefend,
+dat dichterlijk trabs Cypria voor schip gebezigd wordt. Het eiland was
+zeer vruchtbaar. De ouden vergeleken den vorm van het eiland met dien
+eener ossenhuid en noemden de N.O.-punt boos oura, ossestaart. Cyprus
+was de hoofdzetel der Aphrodite- of Venusvereering; vandaar dat Venus
+dikwerf Cypria wordt geheeten. De voornaamste steden zijn: Salamis,
+Paphus, Soli, en de hierboven genoemde: Amathus en Cition.
+
+Cypsela, ta Kypsela, 1) versterkte stad in Thracia aan den Hebrus
+(Maritza) en aan de via Egnatia.--2) vesting in Parrhasia, in het
+Z. van Arcadia.
+
+Cypselus, Kypselos, 1) koning van Arcadië ten tijde van de terugkomst
+der Heracliden; hij behield zijn rijk door zijne dochter Merope aan
+Cresphontes tot vrouw te geven.--2) zoon van Eëtion en Labda, van
+moederszijde verwant met de Bacchiaden. Daar dezen hem reeds als kind
+trachtten te dooden, omdat hij hun volgens een orakel de heerschappij
+over Corinthe zoude ontnemen, verborg zijne moeder hem in een kist
+(kypsele), die later te Delphi gewijd werd en nog in de 2e eeuw na
+C. daar te zien was. Toen hij volwassen was, werd het orakel vervuld;
+hij stelde zich aan het hoofd der volkspartij, verjoeg de Bacchiaden,
+en regeerde sedert gelukkig en zacht (657-627), bevorderde handel en
+verkeer, en liet de stad met vele kunstwerken verfraaien. Zijn zoon
+Periander volgde hem op.
+
+Cyrenaica, Kyrenaïke, klein, maar bloeiend landschap op de N.-kust
+van Afrika (thans plateau van Barca). Naar de vijf grieksche steden:
+Cyrene en de bijbehoorende havenstad Apollonia, Barca, later haar
+havenstad Ptolemaïs, Tauchira of Arsinoë, en Hesperis of Berenice
+werd het staatje ook Pentapolis Cyrenaïca genoemd. Het land was
+rijk aan water en hierdoor zeer vruchtbaar. In 322 kwam het onder de
+Ptolemaeën. De laatste heerscher uit dit vorstenhuis, Ptolemaeus Apion,
+vermaakte in 95 zijn land aan de Rom., die het later met Creta tot ééne
+provincie vereenigden. Onder Traianus kwamen de in Cyr. gevestigde
+Joden in opstand, waardoor het land grootendeels ontvolkt werd,
+daar er op de Rom. en Cyrenaïkers een algemeene moord werd gepleegd.
+
+Cyrene, Kyrene, dochter van Hypseus of Peneus, beminde van Apollo,
+die haar uit Thessalië naar Libye wegvoerde, waar hij haar naam aan
+de stad Cyrene gaf; zij was de moeder van Aristaeus.
+
+Cyrene, Kyrene, hoofdstad van Cyrenaïca, in een heerlijk oord gelegen,
+gesticht door Battus van het eiland Thera (631), wiens afstammelingen,
+de Battiaden, tot 450 over de stad heerschten, zie Battus. Cyrene was
+beroemd door zijne artsen. Het was de uitvoerhaven van het kostbare
+silphium (silphion), dat als kruiderij en als geneesmiddel gebruikt
+werd. Cyrene was de geboorteplaats o.a. van den wijsgeer Aristippus,
+den aardrijkskundige Eratosthenes, den dichter Callimachus.
+
+Cyrenius, Kyrenios = P. Sulpicius Quirinius (z. Sulpicii no. 21).
+
+Cyreschata, ta Kyreschata, in Sogdiana, de uiterste grensvesting van
+Cyrus' gebied aan den Jaxartes, door Alexander d. G. verwoest.
+
+Cyrnus, Kyrnos = Corsica.
+
+Cyropolis, Kyroupolis = Cyreschata.
+
+Cyrrhestice, Kyrrestike, landschap in het N. van Syria, tusschen het
+Amanusgebergte en den Euphraat, ten Z. van Commagene. Het droeg zijn
+naam naar de stad Cyrrhus.
+
+Cyrrhus, Kyrros, 1) stad in Cyrrhestice.--2) stad in het macedonische
+gewest Emathia tusschen den Axius (Vardar) en den Haliacmon
+(Vistritza), ten N. van Pella.
+
+Cyrus, Kyros, 1) de stichter van het perzische rijk, zoon van Cambyses,
+die als aan Medië onderhoorig vorst over Perzië regeerde, en Mandane,
+de dochter van Astyages. Naar aanleiding van onheilspellende droomen
+gaf zijn grootvader bij zijne geboorte aan Harpagus bevel het kind
+te dooden; door toeval werd hij echter gespaard, op lateren leeftijd
+herkend en aan zijne ouders teruggegeven. Maar Harpagus, die door
+Astyages op wreede wijze voor zijne ongehoorzaamheid gestraft was,
+spoorde Cyrus, nadat deze zijn vader was opgevolgd, tot opstand aan,
+en door een enkelen slag, waarin Harpagus met een groot deel van het
+leger tot hem overliep, bracht hij de heerschappij van de Mediërs op
+de Perzen over (550). Hij breidde zijn rijk uit door de verovering van
+Lydië (z. Croesus) en liet de grieksche steden van Klein-Azië door zijn
+veldheeren Mazares en Harpagus onderwerpen, hij voerde ook oorlog tegen
+Babylonië en nam de hoofdstad in door den Euphraat uit zijne bedding
+af te leiden (538); den Joden gaf hij verlof naar hun land terug te
+keeren. Hij sneuvelde in een slag tegen de Massageten (z. Oxus), die
+hij aanvankelijk door list overwonnen had (529). Niet minder groot dan
+als veroveraar was C. als koning; ook de veroverde landen behandelde
+hij met zachtheid en met zorg voor hunne afzonderlijke belangen; door
+verstandige maatregelen wist hij de eenheid van zijn uitgestrekt rijk
+te bewerken.--V. a. was Cyrus niet met Astyages verwant, maar nam hij
+als overwinnaar diens dochter Amytis tot vrouw; ook zou hij in den
+oorlog tegen de Derbices (evenals de Massageten een scythisch volk)
+gestorven zijn aan de gevolgen van een val van zijn olifant.--Verdicht
+is het verhaal dat Cyrus zonder omwenteling, als opvolger van zijn oom
+Cyaxares, den zoon en opvolger van Astyages, de regeering verkregen
+zou hebben.--2) de jongere, tweede zoon van Darius Nothus, satraap
+van Lydië, Phrygië en Cappadocië, ondersteunde Lysander krachtig
+met geld in den oorlog tegen de Atheners, waarvoor hij later door
+de Spartanen in zijne onderneming geholpen werd. Zijne moeder had
+getracht hem, met voorbijgaan van zijn ouderen broeder Artaxerxes,
+tot troonopvolger te doen benoemen, op grond dat hij geboren was
+nadat zijn vader de regeering aanvaard had; dit mislukte echter, en
+Artaxerxes, die hem niet vertrouwde en bovendien gehoor gaf aan de
+inblazingen van Tissaphernes, nam hem spoedig na den dood van Darius
+gevangen en veroordeelde hem ter dood, doch liet hem op voorspraak
+zijner moeder weder vrij. Verbitterd door deze behandeling, vormde
+Cyrus het plan zijn broeder te onttronen. Hij trachtte zich overal
+vrienden en bondgenooten te verwerven, versterkte zijne krijgsmacht,
+terwijl hij voor den schijn Tissaphernes beoorloogde, en nam troepen
+grieksche huurlingen, te zamen ongeveer 13000, in dienst, die hij
+hier en daar liet bezig houden totdat hij hen zoude noodig hebben. In
+401 verzamelde hij zijn leger te Sardes en trok hij, de Grieken over
+het doel van zijn tocht misleidende, eerst naar Cilicië, vervolgens
+over den Euphraat tot Cunaxa, waar hij het veel sterkere leger van
+zijn broeder ontmoette. Door de overwinning der Grieken, die op den
+rechtervleugel stonden, scheen de slag reeds ten voordeele van Cyrus
+beslist te zijn, toen hij, in drift op Artaxerxes toesnellende, door
+een van de begeleiders des konings gedood werd.--De Grieken volbrachten
+hun terugtocht, eerst onder Clearchus, later onder Xenophon, te midden
+van moeilijkheden van allerlei aard.
+
+Cyrus, Kyros, rivier, die op den mons Moschicus op de N. grenzen
+van Armenia ontspringt, door de caucasische landschappen Iberia en
+Albania stroomt en, door een zijarm met den Araxes vereenigd, zich
+in de Caspische zee ontlast.
+
+Cyssus, Kyssous, haven van Erythrae op de ionisch-aziatische kust.
+
+Cytaeïs, Kytaïke, Medea, naar de stad Cytaea in Colchis.
+
+Cytaea, Kytaia, stad in Colchis aan den Phasis.
+
+Cythera, Cytherea, Cythereis, Cytheria, Kythere, Kythereia, Kythereis,
+Kytheria, Aphrodite, zoo genoemd naar het eiland Cythera, waar zij
+hoog vereerd werd.
+
+Cythera, ta Kythera, thans Cerigo, eiland ten Z. van Laconica met de
+gelijknamige stad en de haven Scandea, en met een beroemden tempel van
+Aphrodite of Venus, die dan ook dikwijls Cytherea genoemd wordt. Het
+eiland was eerst in het bezit van Phoeniciërs, vervolgens kwam het
+achtereenvolgens in handen der Argiven, Spartanen en Atheners. Door
+zijne ligging was het tegenover Sparta een strategisch punt van
+groot gewicht.
+
+Cynthus, Kythnos, eiland van de Cycladengroep, met warme bronnen,
+ten Z. van Ceos gelegen. Het was bewoond door Dryopes.
+
+Cytinium, Kytinion, een van de vier steden der dorische tetrapolis
+(Cytinium, Boeum, Erineus, Acypha of Pindus).
+
+Cytissorus, Kytissoros, zoon van Phrixus en Chalciope. Toen Athamas
+na de vlucht van Phrixus geofferd zou worden, waarschijnlijk ter
+verzoening van de bloedschuld, die hij door den dood van dezen op
+zich meende geladen te hebben, kwam Cyt. met het bericht dat Phrixus
+nog leefde en belette daardoor dat het offer plaats had. Daardoor
+rustte op hem de toorn van Zeus Laphystius, en werd bepaald dat de
+oudste van zijn geslacht altijd aan dien god geofferd zoude worden,
+welke straf later alleen toegepast werd op hen, die betrapt werden op
+de poging om het prytaneum te betreden. Deden zij geene poging hiertoe
+of gelukte het hun onbemerkt binnen te komen, dan waren zij behouden.
+
+Cytorus, Kytoros, oude stad aan de kust van Paphlagonia, stapelplaats
+van Sinope. Het lag op of aan een berg van denzelfden naam, die rijk
+aan buks- of palmboomen was.
+
+Cyzicus, Kyzikos, bloeiende milesische kolonie op de zuidkust der
+Propontis (zee van Marmara), op den hals van het schiereiland
+Arctonnesus (= bereneiland), gesticht 756. Aan weerszijden der
+landengte had de stad uitstekende havens, door eene doorgraving met
+elkander verbonden. Tot het gebied der stad behoorde ook het versterkte
+eiland Proconnesus (= reeëneiland), dat een gezocht, zwart en wit
+gevlamd, marmer opleverde, waarnaar het in de middeleeuwen Marmara werd
+genoemd. Hier versloeg Alcibiades in 410 de Spartanen te land en ter
+zee, waarbij Mindarus sneuvelde. De groote bloei van Cyzicus dagteekent
+van het verval van Miletus en Athene. Toen de vrede van Antalcidas
+(387) de aziatische Grieken aan Perzië had prijsgegeven, gelukte het
+den Cyziceners in 365, de perzische bezetting te verdrijven. Later
+kwam de stad onder Macedonia, vervolgens bij Pergamus en ten slotte
+onder Rome. Uit trouw aan de Rom. doorstond zij in 75 een zwaar beleg
+van den pontischen koning Mithradates, en werd zij tot belooning door
+L. Lucullus tot eene civitas libera verheven. Onder keizer Nero ging
+deze vrijheid te loor, wegens mishandeling van rom. burgers. De gouden
+munten der stad, kyzikenoi, waren alom in de handelswereld bekend
+en gangbaar. Ook de cyziceensche balsem, uit het sap der irisplant
+bereid, unguentum Cyzicenum of irinum, myron kyzikenon, was beroemd.
+
+
+
+
+
+
+D.
+
+
+Daae of Dahae, Daai, scythisch volk ten O. der Caspische zee. Zij
+deden als ruiters dienst in de legers der Perzen, van Alexander
+d. G. en van Antiochus III van Syria.
+
+Dacia, Dakia, thans Zevenbergen en Rumenië, rijk aan granen, hout en
+metalen, werd bewoond door een krijgshaftig thracisch volk (de Daci),
+dat voortdurend de rom. grenzen bestookte. Zie ook Getae. Domitianus
+kocht van hun koning Decebalus den vrede voor eene jaarlijksche
+schatting; Traianus echter onderwierp het land in twee oorlogen
+101-102 en 105-107 n. C. De verschillende gebeurtenissen uit deze
+oorlogen zijn op de Columna Traiani in beeld gebracht. Traianus
+bracht vele kolonisten naar Dacia over, vooral om de goudmijnen te
+bewerken. Aurelianus liet het weder varen (270), terwijl de Gothen er
+bezit van namen. De rom. bewoners werden toen naar den zuidelijken
+oever van den Donau overgebracht, waar uit een stuk van Moesia eene
+nieuwe provincie Dacia Aureliani werd gevormd; later komt deze voor
+onder den naam Dacia ripensis, terwijl in het binnenland een nieuwe
+provincie Dacia mediterranea werd ingericht, hoofdstad Serdica
+(tgw. Sophia).
+
+Dactyli Idaei, Daktyloi Idaioi, zeer oude daemonen, die op den berg
+Ida in Phrygië of op Creta woonden en de eerste bewerkers van metalen
+waren; in Griekenland gelden zij als priesters van Rhea Cybele en
+worden zij steeds met de Curetes en Corybantes te zamen genoemd,
+dikwijls niet van hen onderscheiden. Een van hen zou de stichter der
+olympische spelen zijn.
+
+Dadicae, Dadikai, volksstam op de grenzen van Sogdiane.
+
+Daduchus, Dadouchos, fakkeldrager, vooral eene voorname betrekking
+bij de eleusinische mysteriën, erfelijk in het geslacht van Callias
+en Hipponicus, het geslacht der Kerykes.
+
+Daedala, ta Daidala, stad en berg op de grenzen van Lycia en Caria. Ook
+eene stad ergens in India.
+
+Daedala, Daidala, feest ter eere van Zeus en Hera, in Boeotië
+gevierd. Bij de kleine Daedala, die waarschijnlijk eens om de vier
+jaar te Plataeae plaats hadden, werd een eik omgehouwen en daaruit
+een beeld van Hera vervaardigd; bij de groote, die slechts eens om de
+zestig jaar gevierd werden, waren dus veertien van die beelden gereed,
+die door vertegenwoordigers van de veertien bondssteden naar den
+Cithaeron gebracht werden; daar werd een stier en een koe geofferd,
+en de beelden verbrand op een houten altaar, dat mede verbrandde.
+
+Daedalion, Daidalion, zoon van Hesperus en Philonis, stortte zich
+van verdriet over den dood zijner dochter Chione van den Parnassus
+en werd in een havik veranderd.
+
+Daedalus, Daidalos, 1) zoon van Metion of Palamaon, achterkleinzoon
+van Erechtheus, beroemd beeldhouwer en bouwmeester en uitvinder van
+een groot aantal werktuigen; hij was de eerste die beelden maakte,
+waarvan de oogen open waren en de beenen van elkander stonden,
+zoodat men zeide dat hij zelfs wandelende beelden maken konde. Uit
+naijver doodde hij zijn neef en bekwamen leerling Talos, waarvoor hij
+door den Areopagus ter dood veroordeeld werd ; hij redde zich echter
+door de vlucht en ging naar Creta, waar hij door Minos goed ontvangen
+werd. Onder de kunstwerken, die hij hier maakte, behoort het beroemde
+labyrinth, dat tot gevangenis van den Minotaurus diende. Daar Minos
+echter vermoedde, dat hij aan Ariadne den draad gegeven had, waarmede
+Theseus zich uit het labyrinth gered had, liet hij Daedalus zelf met
+zijn zoon Icarus in dien doolhof opsluiten; beiden ontsnapten echter
+door middel van vleugels, welke Daedalus gemaakt had uit veeren met
+was aan elkander verbonden. Icarus vloog te hoog op en kwam zoo dicht
+bij de zon, dat het was smolt en hij in de naar hem genoemde Icarische
+zee stortte; Daedalus kwam echter behouden bij Cumae in Italië aan,
+waar hij een tempel voor Apollo stichtte. Daarop begaf hij zich naar
+Sicilië, waar Cocalus (z.a.) hem gastvrij ontving en waar hij o.a. eene
+onneembare vesting bij Agrigentum en een tempel voor Aphrodite op den
+Eryx bouwde.--Ook in andere landen zag men later in merkwaardige oude
+kunstwerken sporen van een bezoek van D.--2) sicyonisch beeldhouwer
+omstreeks 400.
+
+Daemon, Daimon, oorspronkelijk de naam dien men aan de goden gaf,
+wanneer men dacht aan den goeden of slechten invloed dien zij op het
+menschelijk leven uitoefenden. Later beschouwde men hen als wezens,
+die tusschen heroën en goden in stonden, afgestorvenen uit de gouden
+eeuw, die over het welzijn der menschen waakten, hun de gaven der
+goden brachten en omgekeerd hunne gebeden ten hemel droegen. Maar
+tegenover deze beschermgeesten (agathodaimones) stonden ook kwelgeesten
+(alastores), die de menschen tot kwaad verleiden en in het ongeluk
+storten. Door Socrates vond het geloof ingang, dat ieder mensch zijn
+eigen daemon heeft, die hem gedurende zijn geheele leven beschermt,
+en eindelijk kende men aan ieder mensch een goeden en een kwaden
+daemon toe.--De Joden en Christenen gaven den naam daemon weder als
+in de oudste tijden aan alle heidensche goden, maar verklaarden hen
+allen voor booze daemonen of duivels.
+
+Dahae = Daae.
+
+Daia, romeinsch keizer 305-313 n. C., zie Maximinus (Galerius
+Valerius).
+
+Dalmatae, zie Dalmatia.
+
+Dalmatia, Dalmatia, in ruimen zin, omvatte het kustland ten O. der
+Adriatische zee, van Histria af tot aan den Drilon, de grens van
+Illyris Graeca. De naam is door de Romeinen aan dit gewest gegeven
+naar de hieronder genoemde Dalmaten, met wie ze lang oorlog gevoerd
+hebben. Het werd ook Illyria Barbara genoemd, en nog in twee kustlanden
+onderscheiden: Liburnia, het noordelijk deel, van Histria tot aan den
+Titius, en Dalmatia in engeren zin, tusschen de rivieren Titius en
+Drilon. De bevolking van dit kustland leefde van jacht, visscherij,
+veeteelt en ook van zeeroof. Dientengevolge kwamen zij bij herhaling
+met de Rom. in botsing. De eerste illyrische oorlog had plaats 229-228
+tegen koningin Teuta, de tweede in 219 tegen Demetrius van Pharus. In
+168 werd koning Gentius, omdat hij met Perseus van Macedonia een
+bondgenootschap had gesloten, door den praetor L. Anicius in een
+dertigdaagschen veldtocht verslagen en gevangen genomen, en zijn
+rijk in drie cijnsplichtige distrikten verdeeld. Doch reeds vóór
+Gentius hadden zich een aantal stammen losgerukt van het illyrische
+rijk en onder den naam Dalmaten, Dalmatae, eene republiek gesticht
+met Delminium tot hoofdstad. In 156 versloegen deze Dalmaten den
+rom. consul C. Marcius Figulus (Marcii no. 12), doch zij werden in 155
+onderworpen door P. Cornelius Scipio Nasica (Cornelii no. 20), doordat
+hij hun hoofdstad innam. In 117 werden zij andermaal onderworpen door
+L. Caecilius Metellus, die den naam Dalmaticus verwierf (Caecilii
+no. 12). Bij herhaling stonden de Dalmatiërs weder op, in 78, 50-47,
+16 en 11, en 6-9 na C. (opstand van Bato).
+
+Dalmatius, stiefbroeder van Constantijn den Gr. Ook zijn zoon droeg
+denzelfden naam. Na Constantijns dood verloor deze laatste, aan wien
+Constantijn de Groote een deel van het rijk toegedacht had, in een
+soldatenoproer het leven, zie Constantius II.
+
+Dalminium of Delminium, hoofdstad van de dalmatische republiek.
+
+Damalis, Damalis of he Bous, kaap en vlek in Bithynia aan den
+thracischen Bosporus, op de plaats waar Io, in een koe veranderd,
+de zeeëngte overzwom. Vandaar voer men, van Chalcedon komend, over
+naar Byzantium.
+
+Damarete, Damarete, gemalin van Gelon; naar haar heet een sicilische
+munt = 10 att. drachmen, damareteion.
+
+Damaratus = Demaratus no. 1.
+
+Damascus, Damaskos, overoude stad in Coelesyria, aan de rivier
+Bardines of Chrysorrhoas, in eene zeer vruchtbare streek onder een
+heerlijk klimaat gelegen. Door verschillende besproeiingskanalen,
+uit de rivier afgeleid, was dáár in de woestijn eene groote oase
+ontstaan, waar verschillende karavaanwegen als in één middelpunt
+samenliepen. Damascus was tot aan de verovering door de Assyriërs
+(± 750) de hoofdstad van het machtigste der syrische (aramaeische)
+staten, en geregeld met Israël in oorlog. De Assyriërs verwoestten stad
+en omgeving, maar in den tijd der Perzen is het weer een belangrijke
+handelsstad. In den tijd der Diadochen hoorde het nu eens tot het rijk
+der Seleuciden, dan weder tot dat der Ptolemaeën. In 85 ontstond er
+een onafhankelijk staatje onder een arabisch vorstenhuis, dat echter
+reeds sedert Pompeius (66) onder Rome kwam te staan. De rom. keizers,
+vooral Diocletianus, begunstigden de stad zeer, die beroemd werd door
+hare wapenfabrieken (damascener klingen) en lijnwaadweverijen (damast).
+
+Damasias werd in 582 archont te Athene, en gebruik makend van de
+burgertwisten die sedert Solons vertrek woedden, bleef hij deze
+waardigheid gedurende 26 maanden bekleeden; toen verbonden zich echter
+alle partijen tegen hem en werd hij verjaagd.
+
+Damasippus, naam in de gens Licinia (Licinii no. 19 en 20).
+
+Damasithymus, Damasithymos, vorst van Calynda, ging met Xerxes naar
+Griekenland en sneuvelde bij Salamis, door de goedgeslaagde list
+van Artemisia.
+
+Damastes, Damastes, 1) = Procrustes.--2) van Sigeum, geschiedschrijver,
+omstreeks 400.
+
+Damia, Damia, 1) godin van den wasdom, op verschillende plaatsen te
+zamen met Auxesia vereerd, misschien bijnaam van Persephone. Op Aegina
+vond men beelden van hen in knieënde houding, van olijvenhout.--2)
+bijnaam der Bona Dea, v. s. dezelfde als no. 1.
+
+Damocles, Damokles, gunsteling van Dionysius I, die steeds het geluk
+van den tyran roemde. Daarom liet Dionysius hem op zekeren dag alles
+genieten, wat hem zoozeer bekoorde, maar liet ondertusschen boven
+zijn hoofd een scherp zwaard aan een paardenhaar ophangen als beeld
+van de gevaren die een alleenheerscher bedreigen. Het zwaard van
+Dam. is tot een spreekwoord geworden.
+
+Damon, Damon, 1) atheensch toonkunstenaar en sophist, leermeester en
+vriend van Pericles, wegens ongeloof verbannen.--2) van Syracusae,
+die voor zijn vriend Phintias gijzelaar bleef, toen deze wegens
+een waarschijnlijk verdichten moordaanslag op Dionysius II ter dood
+veroordeeld was en eenigen tijd uitstel van straf gevraagd had. Tegen
+de verwachting der hovelingen keerde Phintias nog juist bijtijds terug,
+waardoor de tyran zoo getroffen was, dat hij beiden het leven schonk
+en verzocht in hun vriendschapsbond opgenomen te worden, wat hem
+echter geweigerd werd.
+
+Damosia, de tent der spartaansche koningen, wanneer zij in het veld
+waren; hoi peri damosian, hoi apo damosias, zij die met hen die
+tent bewoonden.
+
+Dana, Dana, of Thoana, Thoana, groote stad in Cappadocia,
+waarschijnlijk dezelfde als Tyana (z. a.).
+
+Danaë, Danae, z. Acrisius. Volgens eene italiaansche legende zou
+zij met haar zoon in Italië gekomen zijn en de stad Ardea gesticht
+hebben; daarna zou zij bij Pilumnus moeder geworden zijn van Daunus,
+van wien Turnus afstamde.
+
+Danai, Danaoi, heeten de Grieken in de gedichten van Homerus,
+oorspronkelijk een volk in Argos.
+
+Danaides, Danaïdes, Perseus, zoon van Danaë; Danaïdai, Argiven,
+ook algemeen Grieken.
+
+Danaides, Danaïdes, de vijftig dochters van Danaüs (z. a.).
+
+Danapris, thans Dniëpr = Borysthenes.
+
+Danastris, thans Dniëstr, oudtijds Tyras geheeten, rivier in Sarmatia.
+
+Danaus, Danaos, zoon van Belus en Anchinoë, kreeg na den dood van
+zijn vader de regeering over Libye, maar door zijn tweelingbroeder
+Aegyptus en diens zonen bedreigd, vluchtte hij met zijne vijftig
+dochters naar Argos, waar hij koning werd; hij bouwde den burcht van
+Argos en leerde hoe men in tijden van droogte het land van water kon
+voorzien. De vijftig zonen van Aegyptus volgden hem echter en vroegen
+zijne dochters ten huwelijk; Danaüs gaf toe, maar overreedde zijne
+dochters, hunne echtgenooten in den huwelijksnacht te vermoorden,
+waaraan alle gevolg gaven, behalve Hypermnestra. De echtgenoot van
+deze, Lynceus, doodde nu Danaüs zelf en al zijne schoonzusters, die
+tot straf voor hare misdaad in de onderwereld eeuwig water moeten
+scheppen in een bodemloos vat.
+
+Dandaridae of Dandarii, Dandarioi, scythisch volk aan de Oostkust
+van de Palus Maeotis (zee van Azow) ten N. van den Caucasus.
+
+Danuvius, Danoubios, vroeger Ister (Hister), welke naam voor den
+benedenloop ook in later tijd nog dikwerf voorkomt. Deze stroom,
+thans Donau, was onder de keizers langen tijd de grensrivier van het
+rom. rijk.
+
+Daorsi, Daorizoi, kleine volksstam in Zuid-Dalmatia.
+
+Daphnae Pelusiae, Daphnai hai Pelousiai, aegyptische grensvesting
+tegen Arabia, nabij Pelusium.
+
+Daphne, Daphne, 1) dochter van Peneus, werd door Apollo bemind; toen
+zij, door hem vervolgd, de goden om hulp smeekte, werd zij in een
+laurier veranderd.--2) nimf van den Parnassus, in de oudste tijden
+priesteres bij het delphische orakel, toen dit nog aan Gaea behoorde.
+
+Daphne, Daphne, voorstad der syrische stad Antiochia, een waar
+lustoord, rijk aan laurierboomen en cypressen, met een beroemden
+Apollo-tempel. Daphne was een lievelingsverblijf der Seleuciden,
+later ook van Pompeius en andere Romeinen. In zedelijk opzicht stond
+het slecht aangeschreven, men spreekt van Daphnici mores.
+
+Daphnephoria, Daphnephoria, feest om de acht jaar ter eere van Apollo
+te Delphi en in Boeotië gevierd, ter herinnering aan zijne reiniging
+na het dooden van den Python.
+
+Daphnis, Daphnis, zoon van Hermes en eene nimf, herder en jager op
+Sicilië, bekwaam fluitspeler en de uitvinder der bucolische poëzie. Hij
+zwoer trouw aan eene nimf, die hem beminde, en toen hij zijn eed
+brak, strafte zij hem met blindheid of veranderde hem in een steen;
+Hermes verplaatste hem echter onder de sterren.--V.a. stierf hij van
+liefdesmart, daar hij zich tegen den wil van Aphrodite verzet had.
+
+Daradax, Daradax, zijrivier van den Euphraat in Syria (Cyrrhestica).
+
+Darapsa = Drepsa.
+
+Dardanarii, opkoopers en speculanten in koren, die de prijzen zochten
+op te drijven. Dit was onder de keizers strafbaar gesteld en behoorde
+tot de delicta extraordinaria.
+
+Dardania, Dardania, 1) gewest en stad van het trojaansche land, aan
+den Hellespont, de zetel van Aeneas. Hiernaar worden de Trojanen ook
+wel Dardani genoemd. De stad Dardania moet niet verward worden met
+Dardanus.--2) het land der Dardani, Dardanoi, in Moesia Superior, het
+tegenw. Servië. De Dardaniërs waren een morsig, doch muzikaal volk,
+van illyrischen stam.
+
+Dardanides, Dardanides, Dardanion, Priamus, Anchises
+e.a. afstammelingen van Dardanus; Dardanidae, Dardanidai, Dardanioi,
+Dardaniones, Dardanoi, Trojanen.
+
+Dardanis, Dardanis, trojaansche vrouw, in het bijzonder Creusa (no. 3).
+
+Dardanus, Dardanos, zoon van Zeus en Electra, de mythische stamvader
+der Trojanen en dus ook der Romeinen. Hij stichtte in Phrygië de stad
+Dardania en erfde later van zijn schoonvader Teucer de regeering;
+sedert dien tijd werd het land naar hem Dardania genoemd, totdat
+zijn kleinzoon Tros het den naam Troia gaf. Zijne vrouw Chryse had
+van Athena als huwelijksgift het Palladium en de beelden der groote
+goden gekregen, wier dienst hij eerst op Samothrace instelde en later
+naar zijn rijk overbracht. Dardanus was v. s. in het trojaansche land
+geboren, v. a. was zijn vaderland Samothrace, Arcadië, Creta of Italië.
+
+Dardanus, Dardanos, stad aan den Hellespont op den aziatischen oever,
+ten Z. van Abydus. De naam Dardanellen is hiervan afgeleid.
+
+Dares, Dares, trojaansch priester van Hephaestus, zou nog voor
+Homerus eene Ilias op palmbladen geschreven hebben. Het latijnsche
+prozawerk, dat nog bestaat en eene vertaling van de Ilias van Dares
+Phrygius heet te zijn, is een werk van weinig beteekenis, dat echter
+door middeleeuwsche dichters veel gebruikt en nagevolgd is. Het is
+waarschijnlijk uit de 5de eeuw na C., het Grieksche origineel, dat
+verloren gegaan is, is misschien uit de 1ste of 2de eeuw n. C. Zie
+Dictys.
+
+Daricus, dareikos, perzische gouden munt, ook in Griekenland gangbaar,
+ongeveer ter waarde van 22 att. drachmen. Het gewicht van den dariek
+bedraagt gemiddeld 8.41 gram.
+
+Darius, Dareios, 1) D. I. Hystaspis, zoon van Hystaspes, behoorde
+tot het geslacht der Achaemeniden, diende onder Cambyses, was een
+van de zeven perzische edellieden die tegen den valschen Smerdis
+samenzwoeren, en werd, nadat deze vermoord was, ten gevolge van een
+orakel tot koning verheven (521). In het begin van zijne regeering had
+hij met een algemeenen opstand van de onderworpen landen te kampen,
+toen echter Babylon na een lang beleg weder ingenomen was, gaven
+de andere provinciën zich na elkander over. Daarop wijdde D. het
+eerst zijn zorg aan het binnenlandsch bestuur: hij hervormde het
+belastingstelsel, legde goede wegen aan, met vaste halten voor de
+posterijen, en verdeelde het rijk in satrapieën. In 513 ondernam hij
+met een leger van 700,000 (?) man een veldtocht tegen de Scythen;
+door middel van een schipbrug trok hij over den Ister en deed een
+inval in hun land, maar de Scythen trokken zich in hunne steppen terug
+en vermeden een open gevecht, zoodat D. na vele verliezen door gebrek
+genoodzaakt was onverrichter zake terug te keeren en verloren geweest
+ware, indien de aziatische Grieken aan het verlangen der Scythen
+voldaan hadden en de brug hadden afgebroken. Terwijl nu zijn veldheer
+Megabazus de landen aan den Bosporus onderwierp, breidde hij zijn rijk
+tot aan den Indus uit en veroverde hij ook Barca (510). Nadat de door
+Aristagoras (z. a.) verwekte opstand der ionische Grieken bedwongen
+was, wenschte D. de Atheners en Eretriërs, die de opstandelingen
+geholpen hadden, te straffen. Hij zond daarom zijn schoonzoon Mardonius
+met een groote vloot naar Griekenland (493), doch de meeste schepen
+verongelukten bij het voorgebergte Athos; drie jaar later gingen
+Datis en Artaphernes met een nog talrijker leger, die wel Eretria
+verwoestten en de inwoners naar Azië overbrachten, maar bij Marathon
+tegen de Atheners een volkomen nederlaag leden. Verdere plannen van
+Darius tegen Athene en tegen het inmiddels afgevallen Aegypte werden
+door zijn dood verijdeld (486).--2) D. II Ochus (Ochos), bastaardzoon
+van Artaxerxes I, en daarom door de Grieken Nothus (Nothos) genoemd,
+maakte zich door het vermoorden van zijn broeder van de regeering
+meester (424). Hij liet zich geheel door zijne vrouw, Parysatis, en
+door gunstelingen beheerschen en lokte door zijne zwakheid allerlei
+onlusten en opstanden uit, die hij meest door list wist te dempen;
+Aegypte konde hij echter niet onderwerpen. Hij stierf in 405.--3)
+D. III Codomannus, kleinzoon van Artaxerxes II, werd na de vermoording
+van Arses door Bagoas op den troon gebracht (336). Hij trachtte het
+inwendig zeer verzwakte rijk te herstellen, en maakte een einde aan
+het schrikbewind van Bagoas; in den oorlog tegen Alexander d. G. toonde
+hij zich echter zwak; hij verloor de gevechten bij Issus en Gaugamela,
+trachtte naar de oostelijke provinciën van zijn rijk te vluchten,
+maar werd op weg door zijn satraap Bessus vermoord (331).
+
+Dascon, Daskon, vesting en inham op Sicilia, ten Z. van Syracusae.
+
+Dascylium, Daskylion, stad in Bithynia, aan de Propontis. Onder de
+perzische heerschappij was het de residentie van de satrapen van
+Phrygia minor, dat daarnaar ook he Daskylitis satrapeia of ho en
+Daskyleio nomos heette.
+
+Dassaretae, Dassaretai, stam in het Z.O. van Illyris Graeca. Hoofdstad
+Lychnidus aan den lacus Lychnitis.
+
+Datames, Datames, een Cariër, die onder Artaxerxes II tegen de
+Cadusiërs streed en tot belooning voor zijn beleid en dapperheid
+satraap van Cappadocië werd. Hij bewees den koning vele diensten en
+werd zeer door hem onderscheiden, maar uit vrees dat Artaxerxes aan
+zijne invloedrijke vijanden het oor zou leenen, kwam hij in opstand
+(± 370). Langen tijd hield hij zich staande, maar eindelijk werd hij
+verraderlijk vermoord (360).
+
+Dataphernes, Dataphernes, was een van hen die Bessus aan Alexander
+verrieden; niettemin bleef hij met Spitamenes den oorlog voortzetten,
+totdat hij door de Dahae aan Alexander overgeleverd werd.
+
+Datis, Datis, veldheer van Darius Hystaspis, die met Artaphernes de
+nederlaag bij Marathon leed.
+
+Datum, Daton, stad en streek in oostelijk Macedonia ten O. van den
+Pangaeus mons, tegenover Thasus, met rijke goudmijnen.
+
+Daulis, Daulis, sterke stad in Phocis ten O. van den Parnassus,
+aan den weg van Chaeronea naar Delphi. Hier behoort de mythe van
+Philomela en Procne te huis.
+
+Daunia, het noordelijk gedeelte van Apulia, het land van Daunus, den
+vader van den rutulischen koning Turnus (zie Aeneas) en schoonvader
+van Diomedes. Daunius heros = Turnus; Daunia gens = Rutuliërs; dea
+Daunia = Iuturna, Turnus' zuster; Daunias (bij Horatius) = Apulia.
+
+Daunus, Daunos, zoon van Pilumnus en Danaë, of een Arcadiër, zoon
+van Lycaon, koning van Daunia. Diomedes stond hem bij in den oorlog
+tegen de Messapiërs en nam zijne dochter tot vrouw.
+
+Dea Dia, waarschijnlijk de godin der voortbrengende kracht in de
+natuur, een andere naam voor Ceres of Tellus, wier dienst te Rome
+door de fratres arvales (z. Arvales fratres) waargenomen werd; te
+harer eere werd jaarlijks gedurende drie dagen in Mei in de stad en
+in een nabijgelegen heilig woud een feest gevierd.
+
+Decanus, in den keizertijd een hoofdman van tien soldaten, die in
+dezelfde tent gelegerd waren.
+
+Decebalus, Dekebalos, koning van Dacia, van wien Domitianus den vrede
+kocht (89 n. C.), maar die door Traianus geheel verslagen werd en
+zichzelf het leven benam (106 n. C.). Zie Dacia.
+
+Decelea, Dekeleia, attische gemeente ten N.W. van Athenae, bekend
+door den deceleïschen oorlog (413-404), toen de Spartanen op raad
+van Alcibiades de plaats bezetten.
+
+Decemprimi, 1) eene commissie van 10 leden, die in de municipia aan
+het hoofd van den senaat stond. In navolging van dezen vindt men in
+den keizertijd, in het Oosten van het rijk decaproti, hoi deka protoi,
+die echter een anderen werkkring hebben. De decaproti behoeven niet
+tot de senaatsleden te behooren. Zij innen de belastingen en zijn
+aansprakelijk voor het binnenkomen daarvan.--2) decemprimi heeten ook
+de bestuursleden van den in decuriae ingedeelden ordo der scribae
+(z. apparitores).
+
+Decemviri, een collegie van 10 mannen. 1) Decemviri agris dividundis,
+commissie van landverdeeling uit den ager publicus onder het volk. Zie
+Agrariae (leges), en wel Rogatio Servilia agraria van 63.--2) Decemviri
+legibus scribundis, het uit de rom. geschiedenis bekende collegie der
+tienmannen in 451-449, tengevolge der lex Terentilia in het leven
+geroepen en waartoe App. Claudius behoorde. Zie Claudii no. 2 en
+Tabularum (leges XII).--3) Decemviri (st)litibus iudicandis, een oud
+rechterlijk collegie, dat in processen over vrijheid en burgerrecht
+recht sprak, en dat reeds in de 5de eeuw bestond (z. Horatiae Valeriae
+(leges)), als we ten minste aan mogen nemen, dat de woorden iudices
+decemviri op hen betrekking hebben; v. s. is het college eerst in
+de 3de eeuw, tusschen 242 en 227, ingesteld. De leden werden in de
+tribuutcomitiën gekozen. Onder Augustus veranderde hun werkkring en
+werden zij voorzitters der centumviri. Zij vormen een onderdeel van
+de vigintiviri.--4) Decemviri sacrorum of sacris faciundis, belast
+met het toezicht op de sibyllijnsche boeken, die op het Capitool
+bewaard werden en die zij op last van den senaat raadpleegden
+(zie Sibylla). Zij hebben het toezicht op de offers, die Graeco
+ritu gebracht worden, oorspronkelijk ook op de supplicationes en
+lectisternia, waartoe ex libris besloten was. In den beginne waren
+er 2, later 10 (5 patricische en 5 plebejische), sedert Sulla 15.
+
+Decentius, Caesar (onderkeizer) 350-353 n. C. Hij was een neef van
+Magnentius, die hem aangesteld had om de aanvallen der Germanen af
+te weren; tijdens zijn bestuur werd echter Gallia door de Germanen
+verwoest. Hij doodde zichzelf, toen hij den dood van Magnentius vernam.
+
+Decetia, stad der Aeduërs in Gallia Transalpina aan den Liger (Loire).
+
+Decianus, naam in de gens Appuleia (Appuleii no. 4 en 5).
+
+Decidius Saxa, naam van twee broeders, die in den burgeroorlog voor
+Caesar en later voor Antonius streden. De een sneuvelde als propraetor
+van Syria in 40 tegen de Parthen, die onder aanvoering van Q. Labienus
+in de provincie gevallen waren.
+
+Decimatio. Wanneer eene geheele troepenafdeeling van een rom. leger
+zich had schuldig gemaakt aan iets, wat in een enkele met den dood
+zou worden gestraft, b.v. muiterij, lafhartigheid in den strijd,
+dan werd die afdeeling in het gelid geschaard, het lot wees aan,
+waar men zou beginnen te tellen, en elke tiende man werd onmiddellijk
+ter dood gebracht. Onder de keizers werd deze straf dikwijls verzacht
+tot vicesimatio of centesimatio.
+
+Decii, een plebejisch geslacht. 1) P. Decius Mus, krijgstribuun in
+343, redde toen door zijn kloekmoedigheid het rom. leger, dat door de
+Samnieten bij den berg Gaurus was ingesloten, en deed een bijna wissen
+ondergang in eene luisterrijke zegepraal verkeeren. In 340 offerde
+hij als consul zich in den strijd tegen de Latijnen op, en bezorgde
+hierdoor den zijnen eene schitterende overwinning. Evenals de geheele
+eerste samnietische oorlog, is ook het verhaal omtrent de opoffering
+van Decius in den oorlog tegen de Latijnen verzonnen. Slechts staat
+vast, dat Decius als consul gesneuveld is.--2) P. Decius Mus, zoon
+van no. 1, consul in 312, 308, 297 en 295, censor in 304, streed
+voorspoedig tegen de Etruscers, Samnieten en Umbriërs, en bezorgde
+in 295 bij Sentinum, het voorbeeld zijns vaders volgende, door een
+vrijwilligen dood zijn leger de overwinning op de Samnieten en de
+Kelten.--3) P. Decius Mus, zoon van no. 2, consul in 279, viel in
+den slag bij Asculum (Ausculum) tegen Pyrrhus. V. s. is het verhaal
+omtrent het heldhaftig gedrag der Decii, n. m. dat ze zich aan de
+onderaardsche goden wijdden en daarna den dood zochten, op dezen Decius
+Mus toepasselijk.--4) P. Decius klaagde in 120 als volkstribuun den
+gewezen consul L. Opimius aan, dat hij burgers onveroordeeld in den
+kerker had geworpen. Cicero noemt hem als redenaar.--5) P. Decius (Mus)
+sloot zich, om zijne schulden te kunnen betalen, aan Antonius aan en
+nam deel aan den mutinensischen oorlog. Cicero zegt daarom spottend,
+dat hij op het voorbeeld zijner voorvaderen zich voor zijne schulden
+had opgeofferd.
+
+Decimii, aanzienlijk geslacht uit Samnium.
+
+Decius (C. Messius Quintus Traianus), uit Pannonia afkomstig,
+rom. keizer 249-251 na C., opvolger van Philippus Arabs, regeerde goed,
+doch vervolgde de Christenen. Op een tocht tegen de Gothen kwam hij
+met zijn zoon in een moeras om.
+
+Decumana porta, de poort aan de achterzijde der legerplaats. Zie
+castra.
+
+Decumanus, tiendpachter. Ager decumanus, tiendplichtig land. Miles
+decumanus, soldaat van het tiende legioen. Zie ook auguria.
+
+Decumates agri, zie agri decumates.
+
+Decuria, afdeeling van 10 personen, later eene kleine afdeeling in
+het algemeen, zonder dat men zich streng aan het getal 10 hield. Bij
+de ruiterij was elke turma (30 man) in drie decuriae afgedeeld.
+
+Decurio, de eerste van eene decuria ruiterij en als zoodanig de
+hoofdman er van.--Decuriones worden in de municipia de leden van den
+senatus municipalis genoemd, die ook ordo decurionum heet.
+
+Decursio of decursus, 1) militaire oefening met pak en zak door
+het geheele leger, waarbij verschillende krijgsbewegingen werden
+uitgevoerd en waarbij de soldaten vooral geoefend werden, hunne
+liniën en gelederen te bewaren.--2) een militaire optocht of parade
+rondom een grafheuvel of een altaar, ter eere van een in den strijd
+gevallene opgericht.
+
+Dedicatio, plechtige inwijding van eenig openbaar gebouw, b.v. van
+een tempel. Hij die den tempel wijdde, sloeg daarbij de hand aan de
+deurpost en moest een wijdingsformulier nazeggen, dat de pontifex
+maximus hem voorzeide. Daarbij te haperen gold als een slecht
+voorteeken.
+
+Dediticii waren zij, die zich onvoorwaardelijk aan de genade der
+Rom. hadden moeten overgeven.--Zie ook Aelia Sentia (lex). Dediticii
+konden noch cives noch Latini worden.
+
+Deïanira, Deianeira, dochter van Oeneus, gemalin van Heracles
+(z. Achelous) en de onschuldige bewerkster van zijn dood (z. Heracles),
+waarom zij zich van het leven beroofde.
+
+Deïdamea, Deidameia, 1) dochter van Lycomedes, werd bij Achilles,
+die in meisjeskleederen aan het hof van haar vader leefde, moeder
+van Neoptolemus.--2) vrouw van Pirithoüs.--3) zuster van Pyrrhus van
+Epirus, gehuwd met Demetrius Poliorcetes.--4) dochter van Pyrrhus
+van Epirus.
+
+Deigma, gebouw in den Piraeus, waar monsters van koopwaren ter
+bezichtiging uitgestald werden.
+
+Deimos, zoon of dienaar van Ares.
+
+Deïoces, Deiokes, een Mediër, die, nadat het volk zich van de Assyriërs
+onafhankelijk gemaakt had, door zijne wijsheid en rechtvaardigheid
+grooten roem verwierf en daarom tot koning verheven werd (709 of 700),
+stichter van Ecbatana.
+
+Deïoneus, Deioneus, 1) of Deïon, Deion, een van de zeven zonen van
+Aeolus, werd koning van Phocis.--2) schoonvader van Ixion, werd door
+dezen, toen hij de bruidsgeschenken van hem vorderde, verraderlijk
+in een vuurpoel geworpen.--3) zoon van Eurytus.
+
+Deïonides, Miletus, zoon van Apollo en Deïone.
+
+Deiotarus, Deiotaros, tetrarch van Galatia in Azië, ondersteunde
+de Rom. in den mithradatischen oorlog en ontving daarvoor van den
+rom. senaat den titel van rex met een vergrooting van grondgebied. In
+den burgeroorlog streed hij voor Pompeius; Caesar vergaf het hem
+echter en liet hem het grootste gedeelte van zijn rijk. In 45
+werd Deiotarus door zijn kleinzoon Castor en zijn arts Phidippus
+aangeklaagd van een aanslag tegen Caesars leven, toen deze indertijd
+bij hem had vertoefd. Cicero verdedigde den koning, en hoewel er geene
+vrijspraak schijnt gevolgd te zijn, werd de zaak toch niet verder
+vervolgd. Antonius bevestigde voor eene groote som gelds Deiotarus
+weder in zijn vroeger gebied, maar later streed hij onder Brutus bij
+Phillippi tegen de triumviri, met wie hij zich echter verzoende.
+
+Deïphobe heette de sibylle van Cumae, dochter van den zeegod Glaucus.
+
+Deïphobus, Deiphobos, zoon van Priamus en Hecabe, een van de
+voornaamste trojaansche helden. Hij was steeds tegen de uitlevering
+van Helena en trouwde haar na den dood van Paris. Bij de verovering
+van Troje werd zijn huis verwoest en hij door Menelaus op wreedaardige
+wijze gedood. Met Paris zou hij Achilles gedood hebben.
+
+Deïphontes, Deiphontes, zoon van Antimachus, schoonzoon en opvolger
+van Temenus (z.a.); v.a. vluchtte hij na den dood van zijn schoonvader
+uit vrees voor zijne zwagers naar Epidaurus.
+
+Deipnon, de hoofdmaaltijd der Grieken, in de oudste tijden omstreeks
+den middag, later tegen den avond gebruikt, waarbij men dikwijls
+gasten ontving, of die ook wel met bijdragen (apo symbolon) der
+gezamenlijke deelnemers betaald werd. Bij aankomst der gasten werden
+hun door slaven de zolen afgenomen en de voeten gewasschen, daarop
+wiesch men de handen en nam men plaats op de rustbank, waarop men
+liggende het maal gebruikte. Als spijzen worden genoemd gerstebrei
+(bij armere lieden het voornaamste gerecht), groenten, vleeschspijzen
+en visch; vorken of messen gebruikte men niet, wel lepels; onder het
+eten hield men de handen schoon met fijngewreven broodkruimels. Na het
+eten werden de schotels weggenomen, waschwater met een soort zeep,
+soms ook bloemen en reukwerken rondgediend en begon het nagerecht
+(deuterai trapezai) of drinkgelag (symposion) met een drankoffer
+(spondai) waarbij men de woorden agathou daimonos uitsprak. Nadat
+door het lot een tafelpresident (symposiarchos, basileus, archon)
+was aangewezen, bleef men onder het genot van wijn, vruchten, kaas,
+koek, enz., dan dikwijls nog lang bij elkander, terwijl men zich den
+tijd verdreef met gesprekken, gezelschapsspelen, dikwijls ook met
+voordrachten van fluitspeelsters of vertooningen van danseressen.
+
+Deïpyle, Deipyle, dochter van Adrastus, gehuwd met Tydeus.
+
+Dekaprotoi, z. Decemprimi no. 1.
+
+Dekarchiai, dekadarchiai, colleges van tien personen, na den
+peloponnesischen oorlog door Lysander met de regeering belast in de
+meeste steden, die zich bij Sparta hadden aangesloten. De willekeur,
+waarmede deze colleges, gesteund door spartaansche bezettingen en
+harmosten, regeerden, maakte in korten tijd de spartaansche hegemonie
+algemeen gehaat.
+
+Delatio nominis, heet in den tijd der quaestiones perpetuae het
+indienen eener aanklacht bij den praetor quaestionis.
+
+Delatores, aanbrengers van misdrijven, waartegen straf bedreigd
+was. Onder sommige keizers, toen majesteitsprocessen aan de
+orde van den dag waren, maakten sommigen van dit aanbrengen eene
+broodwinning, daar hun een vierde van de opgelegde boete of van het
+verbeurdverklaarde vermogen des veroordeelden ten deel viel. Ook
+persten zij dikwerf aanzienlijke sommen af door de bedreiging,
+in geval van weigering eene aanklacht in te dienen. Ze worden ook
+quadruplatores genoemd.
+
+Delia, geliefde van Tibullus (z.a.); pseudonym voor Plania.
+
+Delium, Delion, boeotisch stadje in het gebied van Tanagra, waar de
+Boeotiërs in 424 de Atheners versloegen.
+
+Delius, -ia, Delios, -ia, bijnamen van Apollo en Artemis, naar het
+eiland Delus, waar zij geboren waren en waar Apollo hoog vereerd werd.
+
+Dellius (Q.), dezelfde, aan wien Horatius een ode heeft gericht,
+werd door Antonius in 41 naar Aegypte gezonden, om Cleopatra ter
+verantwoording naar Tarsus te ontbieden. Later ging hij tot Octavianus
+over. Hij heeft den oorlog tegen de Parthen beschreven, dien hij in
+het gevolg van Antonius medemaakte.
+
+Delmatia oude schrijfwijze voor Dalmatia.
+
+Delmatius = Dalmatius.
+
+Delminium = Dalminium.
+
+Delphi, Delphoi, kleine maar beroemde stad van Phocis, langs den
+Z.rand van den tweetoppigen Parnassus tegen den berg aan gebouwd,
+met verscheidene tempels, waaronder die van den Pythischen Apollo de
+voornaamste was. Delphi werd oudtijds als het middelpunt der aarde
+beschouwd. De oudste tempel, die volgens de sage door Trophonius
+en Agamedes gebouwd was, verbrandde in 548. Hij werd (530-514)
+door de uit Athene verdreven Alcmaeoniden prachtig in dorischen
+stijl herbouwd, waarbij de oostgevel, in plaats van in porus of
+tufsteen, in parisch marmer werd opgetrokken. In 373 werd hij door
+een aardbeving en een brand vernietigd, maar door de Amphictyonen
+met het geld van den tempel in nieuweren stijl herbouwd. Ook
+later is hij nog herhaaldelijk hersteld, tot hij ten laatste door
+een aardbeving vernietigd werd. Hij bevatte een ontzaggelijken
+tempelschat, een gouden beeld van den god en een heiligen steen,
+die als de navel der aarde, omphalos tes ges, beschouwd werd, terwijl
+nog vele andere standbeelden op den voorhof stonden. In den pronaos
+las men de spreuken gnothi seauton en meden agan. Achter de cella
+was een afzonderlijke ruimte, het adyton, waaronder of waarbij de
+aardkloof zich bevond, waaruit zwaveldampen opstegen, die de Pythia
+(zie hieronder) in geestvervoering brachten. (Het bericht omtrent
+die zwaveldampen wordt tegenwoordig voor een fabeltje gehouden). In
+den phocensischen oorlog (357-346) werd de tempel uitgeplunderd door
+de huurtroepen der Phocensen, in 278 door de Galliërs, die ten getale
+van 200000 Griekenland trachtten binnen te dringen, later door Sulla,
+vervolgens door Nero, die honderden standbeelden uit Delphi naar Rome
+liet voeren, terwijl het overschot later door Constantijn den Gr. naar
+Constantinopel werd overgebracht. De stad verviel, en verschillende
+aardbevingen vernielden ze en verdreven de bevolking. Op de plaats
+lag later het dorp Kastri; nu heeft de fransche regeering dit doen
+verplaatsen, en daarop is tusschen 1892 en 1901 opgegraven, wat er
+nog over is. De tempel zelf lag in het midden van den temenos, een met
+hooge muren omgeven sterk hellend terrein; in het zuidelijke gedeelte,
+dat het laagst lag, vindt men voornamelijk thesauroi en geschenken, ten
+N. van den tempel links het theater, rechts de lesche van de Cnidiërs,
+een gebouw, waar de vreemdelingen plachten samen te komen. Het orakel
+van Delphi was het meest beroemde der oudheid; eerst behoorde het aan
+Gaea, Ge; deze schonk het aan Themis, Themis aan Phoebe, Phoebe aan
+Phoebus Apollo, z. Pytho. Wanneer het orakel zou geraadpleegd worden,
+plaatste zich eene der priesteressen of Pythiai, na zich gebaad en uit
+de bron Cassotis gedronken en laurierbladeren in den mond genomen te
+hebben, op een zetel, die op een drievoet rustte, en uit de geluiden,
+die zij uitstiet, maakten de priesters het antwoord gereed. Door zijn
+groot aanzien heeft het orakel meermalen op den gang der historische
+gebeurtenissen invloed uitgeoefend. De pythische spelen hadden in de
+vlakte van Crissa plaats, telkens in het derde jaar eener olympiade. De
+eereprijs bestond in een lauwerkrans.
+
+Delphinia, feest ter eere van Apollo als beschermer der zeevaart,
+te Athene den 6en of 7den Munychion gevierd.
+
+Delphinium, Delphinion, 1) stad aan de Oostkust van het eil. Chius.--2)
+haven van Oropus in Attica, overvaartplaats naar Euboea.--3)
+gerechtshof te Athene in den tempel van Apollo Delphinius, dat over
+phonos dikaios recht sprak (zie Ephetae).
+
+Delphinus, Delphin, Delphis, Delphin, 1) sterrenbeeld, waarin men
+den dolfijn van Arion of van Amphitrite meende te zien.--2) een
+werktuig waarvan men zich in den zeeoorlog bediende; het was een
+groote klomp lood of ijzer, die aan den mast hing en met kracht tegen
+het vijandelijke schip geslingerd werd.
+
+Delta, het noordelijke deel van Aegypte, tusschen de verschillende
+armen, waarin de Nijl zich splitst, door aanslibbing gevormd en uiterst
+vruchtbaar, en met een groot getal steden. De naam is ontleend aan
+den driehoekigen vorm.
+
+Delubrum, de plaats van reiniging en verzoening, de tempel, vooral
+dat gedeelte er van, waar het beeld der godheid stond.
+
+Delus, Delos, Delos, het heilige Cycladeneiland, waar Apollo en Artemis
+door Latona ter wereld waren gebracht. Apollo had er een wit marmeren
+tempel met een altaar uit hoornen in elkaar gewerkt. Tot de viering
+van Apollo's geboortefeest (Apollonia) zonden de grieksche staten
+jaarlijks in de maand Thargelion plechtige gezandschappen. Om de vier
+jaar werd dit feest vervangen door de Delia, een van de luisterrijkste
+feesten van geheel Griekenland. Geen begrafenis mocht op Delus plaats
+hebben; lijken werden naar het nabijgelegen Rhenea overgebracht. De
+oudste bewoners waren Cariërs, daarna vestigden er zich Ioniërs. Na
+den perzischen oorlog werd te Delus de bondskas van het atheensche
+zeeverbond bewaard, totdat Pericles deze naar Athene overbracht
+(454). Delus was in de 2de eeuw, toen het door de Romeinen aan Athene
+werd toegewezen, en een vrijhaven werd, beroemd om zijne slavenmarkten,
+die van heinde en verre werden bezocht. In den eersten mithradatischen
+oorlog werd het (88) door den pontischen veldheer Menophanes of door
+Archelaus geplunderd en verwoest, de mannelijke bevolking omgebracht,
+vrouwen en kinderen in slavernij weggevoerd. In 69 werd het eiland
+wederom geplunderd, nu door de zeeroovers, en sedert dien tijd is
+het vervallen. Thans is Delus woest en verlaten. Naar het eiland en
+den berg Cynthus wordt Apollo dikwerf Delius en Cynthius genoemd. Zie
+Asteria.
+
+Demades, Demades, atheensch redenaar van geringen stand, die in
+het belang van Macedonië werkte en een geducht tegenstander van
+Demosthenes was; bij Alexander d. G. stond hij in hooge gunst,
+zoodat hij met Phocion tot hem gezonden werd, toen de Atheners na het
+bedwingen van den thebaanschen opstand de wraak des konings vreesden
+(z. Demosthenes). Antipater liet hem ter dood brengen, daar hij in
+onderschepte brieven de bewijzen van een aanslag van Demades tegen
+hem gevonden had (319). Zijn karakter wordt uiterst bedorven genoemd,
+daarentegen roemen de ouden zijne onweerstaanbare welsprekendheid,
+zijne geestigheid en gevatheid; niettemin waren zijne werken reeds
+vroeg verloren.
+
+Demagogos, leider der volkspartij in eene republiek (ook prostates
+tou demou); gewoonlijk menschen die, niet door de ambten die zij
+bekleedden, maar door persoonlijke eigenschappen, vooral door
+welsprekendheid, grooten invloed hadden verworven. Terwijl een
+bekwaam en braaf man, zooals Pericles, als demagoog veel kon doen om
+het volk ten goede te leiden, gebruikten latere atheensche demagogen
+hun invloed veelal om het volk tegen de rijken en aanzienlijken op
+te hitsen, waardoor partijschappen ontstonden, die voor den staat
+een werkelijk gevaar opleverden; vandaar dat het woord meestal eene
+ongunstige bijbeteekenis heeft.
+
+Demaratus, Demaratos, 1) koning van Sparta, zoon van Aristo,
+tegenstander van zijn ambtgenoot Cleomenes I (z.a.). Toen hij van
+de regeering ontzet was, ging hij naar Perzië, waar hij door Darius
+met achting behandeld werd en een eigen grondgebied kreeg. Later
+begeleidde hij Xerxes op zijn tocht naar Griekenland, doch zijne
+raadgevingen en waarschuwingen vonden weinig gehoor.--2) corinthisch
+koopman, die voor den tyran Cypselus vluchtte en naar Tarquinii ging;
+hij was de vader van Tarquinius Priscus.
+
+Demarchus, demarchos, bestuurder van een attischen demus; hij
+werd voor een jaar door de leden van den demus gekozen, riep hun
+vergaderingen bijeen en leidde ze, hield een register van de leden,
+enz. Grieksche schrijvers over rom. geschiedenis geven denzelfden
+naam aan de volkstribunen.
+
+Demeter, Demeter, Ceres, dochter van Cronus en Rhea, godin van den
+akkerbouw, van de geheele plantenwereld en vooral van het koren,
+die de goede gaven der aarde doet opkomen (Anesidora). Zijzelve had
+op vele plaatsen de menschen leeren zaaien en ploegen en had later
+door Triptolemus (z.a.) de kennis daarvan over de geheele aarde doen
+verbreiden. Daardoor was zij de oorzaak geworden, dat de menschen
+hun vroeger zwervend leven vaarwel zeiden en zich tot staten en eene
+geordende maatschappij vereenigden; zij is daarom ook de godin van wet
+en orde (Thesmia, Thesmophoros) en van het huwelijk. Dikwijls wordt
+zij als de vruchtbare aarde zelve beschouwd en daarom somtijds voor
+dezelfde gehouden als Gaea of Rhea; ook haar naam werd door sommigen
+als Ge meter verklaard. Zij is een van de oudste grieksche godheden en
+werd reeds door de Pelasgen vereerd (Pelasgis), in lateren tijd raakte
+haar dienst bij de dorische volken meer op den achtergrond. Zij was
+bij Zeus moeder van Persephone, bij Poseidon van het paard Arion,
+en bij Iasion van Plutus. De voornaamste mythus van Demeter heeft
+betrekking op het zoeken en vinden van hare door Hades geroofde
+dochter Persephone (z.a.), bij verscheiden groote feesten te harer
+eere gevierd, vooral bij de eleusinische mysteriën, werd deze mythus
+in herinnering gebracht, waarbij men, naar het schijnt, symbolisch
+zeker verband zocht aan te toonen tusschen het jaarlijks afsterven
+en herleven der natuur en het herleven van 's menschen ziel na den
+dood.--Men offerde aan Dem. runderen, zwijnen, vruchten en honig; de
+korenaar, de papaver, alle vruchtboomen, de pijnboom en de olm zijn
+aan haar gewijd. Hare afbeeldingen gelijken veel op die van Hera,
+echter heeft haar gelaat eene zachtere, minder strenge uitdrukking;
+gewoonlijk heeft zij een krans van korenaren om het hoofd en een korf
+met vruchten of de mystische fakkel in de handen.
+
+Demetrias, Demetrias, sterke vesting in het thessalische landschap
+Magnesia, aan de Pagasaeïsche golf, door Demetrius Poliorcetes gesticht
+en langen tijd een sleutel van Griekenland.
+
+Demetrius, Demetrios, 1) Poliorcetes, Poliorketes, zoon van Antigonus
+I, geb. 337, onderscheidde zich reeds vroeg in de oorlogen, die
+zijn vader tegen de andere veldheeren van Alexander te voeren
+had. Hij streed met afwisselend geluk tegen Ptolemaeus en Seleucus
+(z. Antigonus no. 1), en verwierf zijn bijnaam door de uitvinding
+van merkwaardige belegeringswerktuigen, waardoor hij de stad Salamis
+op Cyprus tot de overgave dwong, nadat hij de vloot van Ptolemaeus,
+die aan de belegerden hulp kwam brengen, geheel verslagen had. Na
+deze dubbele overwinning nam hij, evenals zijn vader, den titel van
+koning aan (306). Na een mislukt beleg van Rhodus (304) trok hij
+naar Athene, vanwaar hij vroeger (307) de macedonische bezetting
+verjaagd had, maar dat thans weder door Cassander bedreigd werd;
+bij zijne komst trok Cassander zich terug, en D. bleef te Athene,
+waar hij, door het volk met overdreven eerbewijzen overladen, zich
+aan allerlei uitspattingen overgaf, totdat Antigonus, door het
+bondgenootschap van Cassander, Ptolemaeus, Lysimachus en Seleucus
+bedreigd, hem naar Azië terugriep. Met den slag bij Ipsus (301),
+waarbij Antigonus sneuvelde en D. slechts met een klein gedeelte
+van het leger kon vluchten, scheen alles voor hem verloren te zijn,
+vooral daar de Atheners weigerden hem in hunne stad te ontvangen,
+maar snel besloten deed hij een aanval op de kustlanden van Thracië,
+en verbond hij zich, zoodra er onder zijne vijanden oneenigheid begon
+te ontstaan, met Seleucus, wien hij zijne dochter tot vrouw gaf. In
+Syrië kwam spoedig daarop eene verzoening tusschen D. en Seleucus
+en hunne tegenpartij tot stand. D. verzamelde opnieuw een leger en
+eene vloot en trok naar Griekenland (296), waar hij Salamis, Aegina
+en Athene innam en de Spartanen overwon. Vervolgens door Alexander,
+den jongeren broeder van koning Antipater van Macedonië, te hulp
+geroepen, verjoeg hij Antipater, maar ook Alexander liet hij dooden,
+waarna hij tot koning van Macedonië uitgeroepen werd (293). Met geluk
+streed hij tegen de oproerige Boeotiërs en tegen Pyrrhus van Epirus,
+maar de groote toebereidselen, die hij maakte om de aziatische landen
+van zijn vader te heroveren, riepen een nieuw bondgenootschap van
+Seleucus, Lysimachus en Ptolemaeus tegen hem in het leven, en voor het
+tot een gevecht kwam, werd D., die om zijn hoogmoed en heerschzucht
+bij de Macedoniërs gehaat was, door zijn leger verlaten, zoodat hij
+moest vluchten (288). Van Griekenland uit zette hij aanvankelijk
+met geluk den oorlog voort, maar in het volgende jaar werd hij in
+het land van Seleucus door eene zware ziekte overvallen en was hij
+genoodzaakt zich over te geven. Seleucus hield hem tot zijn dood
+(283) te Apamea gevangen. D. was een man van buitengewone bekwaamheid
+in den oorlog, vol geestkracht in tegenspoed en gevaar, daarbij was
+hij fijn beschaafd en kon hij in den omgang zeer aangenaam zijn, maar
+door overmoed, onbezonnenheid en zekere neiging tot het avontuurlijke
+en buitengewone kon hij van zijne voortreffelijke eigenschappen geen
+partij trekken en stierf hij als gevangene, betrekkelijk jong, deels
+van hartzeer, deels ten gevolge zijner uitspattingen.--2) D. II, koning
+van Macedonië, zoon en opvolger van Antigonus Gonatas, regeerde 239-229
+onder voortdurende oorlogen met de naburige volken.--3) D. Soter,
+Soter, zoon van Seleucus Philopator, leefde tot zijn 23ste jaar als
+gijzelaar te Rome. Na den dood van Antiochus IV (165) ging hij, zonder
+toestemming, maar misschien niet tegen den wensch van den senaat,
+naar Syrië, waar hij zijn neef Antiochus V dwong hem de regeering af
+te staan. Wegens zijne wreedheid en dronkenschap gehaat, sneuvelde hij
+in een gevecht tegen Alexander Balas (150).--4) D. Nicator, Nikator,
+zoon van no. 3, die een tijd lang als gijzelaar te Rome geleefd
+had, stiet Alexander Balas door de hulp van Ptolemaeus Philometor
+van den troon (145), maar kon zich nauwelijks tegen de voortdurende
+opstanden zijner onderdanen en tegen Antiochus VI staande houden. In
+een oorlog tegen de Parthen, dien hij aanvankelijk met geluk voerde,
+werd hij krijgsgevangen gemaakt en eerst een krijgstocht, dien zijn
+broeder Antiochus tegen de Parthen ondernam, gaf hem de vrijheid
+en de regeering weder (130); toen hij echter in zijn rijk terugkwam
+moest hij spoedig weder voor Alexander Zabina vluchten en werd hij
+door handlangers van dezen of door zijne vrouw Cleopatra (no. 7)
+vermoord (126).--5) D. Eukairos, vierde zoon van Antiochus Grypus,
+streed met Antiochus X om de regeering van Syrië; in een strijd tegen
+zijn broeder Philippus werd hij door diens bondgenooten, de Parthen,
+gevangen genomen; hij stierf als gevangene (94).--6) D. Phalereus,
+Phalereus, leerling van Theophrastus. Door Cassander werd hem het
+bestuur van Athene opgedragen, dat hij van 317-307 zoo verdienstelijk
+waarnam, dat het dankbare volk hem 360 standbeelden oprichtte. Toen
+echter Demetrius Poliorcetes de Macedoniërs verjoeg, moest hij als
+een misdadiger vluchten. Hij begaf zich naar Thebe en van daar naar
+Aegypte, waar hij bij Ptolemaeus Lagi groote achting genoot; Ptolemaeus
+Philadelphus verbande hem echter naar Boven-Aegypte, waar hij in
+283 aan de gevolgen van een slangebeet stierf. Hij was niet alleen
+als staatsman, maar ook als wijsgeer, redenaar en dichter beroemd;
+van zijne talrijke geschriften is echter niets overgebleven.--7)
+van Pharus, stadhouder van koningin Teuta (z. a.) op Corcyra. Door
+verraad won hij de gunst der Rom. en kreeg hij, na afloop van den
+illyrischen oorlog, het geheele gebied dat vroeger door de Illyriërs
+veroverd was (228). Later tegen de Rom. in opstand gekomen, werd
+hij verjaagd en moest hij naar Philippus van Macedonië vluchten
+(219).--8) D. Bellienus, vrijgelatene van een anderen D., verwekte
+onlusten bij de Intimilii, die door Caelius op last van Caesar met
+geweld onderdrukt moesten worden.--9) van Scepsis (± 150), schrijver
+van een werk over de antiquiteiten uit den tijd van den trojaanschen
+oorlog (Troikos diakosmos) in 30 boeken. Zijn mededeelingen omtrent
+de ligging van het homerische Troje zijn eerst door de opgravingen
+op het einde der vorige eeuw wederlegd.--10) D. Syrus, leeraar der
+welsprekendheid, wiens lessen Cicero te Athene bijwoonde.--11) van
+Magnesia, tijdgenoot van Cicero, schreef o.a. een boek over dichters
+en schrijvers, die door gelijkheid van naam dikwijls met elkaar verward
+werden.--12) van Gadara, vrijgelatene en gunsteling van Pompeius.--13)
+gunsteling van Caesar, na wiens dood hij door Antonius tot stadhouder
+van Cyprus benoemd werd.--14) van Sunium, leefde 40-90 na C. te Rome,
+waar hij als cynisch wijsgeer in hoog aanzien stond.
+
+Deminutio capitis = Capitis deminutio.
+
+Demioi, demosioi, demokoinoi heetten te Athene de ondergeschikten
+der elfmannen; het waren staatsslaven, die als gevangenbewaarders,
+beulen e. dgl. dienst deden.
+
+Demiourgoi, 1) de laatste van de drie phylen, waarin de bevolking
+van Attica door Theseus verdeeld werd.--2) in sommige staten van
+de Peloponnesus de hoogste overheidspersonen (z. bijv. Achaeisch
+verbond).--3) eig. zij die voor het publiek werken; zoo noemde
+men allen, die door hun eigen werk in hun levensonderhoud moesten
+voorzien. Daar zulke personen uit den aard der zaak niet zooveel
+tijd als anderen op de markt, in de gymnasia en dergelijke openbare
+plaatsen konden doorbrengen, werden zij in vele staten als minder
+bij de algemeene belangen betrokken beschouwd, en genoten zij over
+het geheel weinig aanzien.
+
+Democedes, Demokedes, van Croton, beroemd geneesheer, die op Aegina
+(528), te Athene en op Samus met roem werkzaam was. Toen Samus
+door Darius veroverd was (522), kwam hij als gevangene naar Susa,
+waar hij Darius van een wond aan den voet en Atossa van een gezwel
+aan de borst genas, maar toen de koning hem als zijn lijfarts wilde
+behouden, wist hij te bewerken dat hij tot eene verkenningsreis naar
+de grieksche kusten gezonden werd (520); bij Tarentum ontsnapte hij,
+waarna hij naar zijne vaderstad terugkeerde en met de dochter van
+den worstelaar Milo trouwde. Als aanhanger van Pythagoras verbond hij
+zich met de aristocratische partij tegen de heerschende democratie;
+toen echter (in 500) de Pythagoraeërs ten offer vielen aan de woede
+van het volk, vluchtte hij naar Plataeae.
+
+Demochares, Demochares, zoon van Laches en de zuster van Demosthenes,
+die zijne opvoeding leidde en hem van zijne beginselen doordrong. Als
+bestrijder van de macedonische partij had hij den grootsten invloed
+onder Demetrius Poliorcetes, maar werd hij verdreven toen de macht
+van Macedonië weder toenam. Als gezant naar Macedonië en Aegypte,
+als financier en in meer andere betrekkingen heeft hij zich zeer
+verdienstelijk gemaakt. Zijn werk over de geschiedenis van zijn tijd
+is verloren gegaan. Zie ook Demosthenes.
+
+Democritus, Demokritos, van Abdera, geb. 460 en op zeer hoogen
+ouderdom gestorven. Hij erfde van zijn vader een zeer groot vermogen
+en deed reizen naar Aegypte en het verre Oosten; in zijne vaderstad
+teruggekeerd, wijdde hij zich geheel aan de studie der wijsbegeerte en
+der natuurwetenschap. De atomistische leer, waarvan zijn leermeester
+Leucippus de grondslagen gelegd had, werd door D. nader uitgewerkt
+en tot een stelsel gemaakt. Volgens hem bestaat alles uit ondeelbare
+stofdeeltjes (atoma), die soortelijk aan elkander gelijk zijn, maar in
+grootte en gewicht verschillen; deze zijn eeuwig en in voortdurende
+beweging, en uit hunne vereeniging, die onder den invloed van een
+onberekenbaar toeval tot stand komt, ontstaan niet slechts werelden
+en andere lichamen, maar ook de zielen en goden. Tusschen de atomen
+is ledige ruimte, een niets (meden), dat evengoed bestaat als het
+iets (den). De kennis, die alleen op zinnelijke waarneming berust,
+is onvolledig en duister (skotie), de echte (gnesie) wordt door
+onderzoek en studie verworven. Het hoogste goed is gemoedsrust
+(euesto, euthymia, ataraxia), die men verkrijgt door in alle dingen
+de juiste maat te houden; van daar misschien zijn bijnaam van lacher
+(gelasinos). Van zijne talrijke werken, ook op taal- en letterkundig
+gebied, waarvan de belangrijke inhoud en de stijl geroemd wordt,
+is zeer weinig bewaard gebleven.
+
+Demodocus, Demodokos, de blinde zanger aan het hof van Alcinous,
+koning der Phaeaken.
+
+Demoi, onderafdeelingen der attische phylen. Van ouds was Attica voor
+administratieve doeleinden in demen of districten verdeeld; door de
+nieuwe indeeling van Clisthenes werd hun aantal 100, zoodat 10 eene
+phyle vormden. Later vindt men 174 vermeld, er worden zelfs 199 namen
+van demen genoemd, waarvan echter vele waarschijnlijk op verkeerde
+lezing berusten. Zij, die tot denzelfden demus behooren (demotai),
+brengen gemeenschappelijk zekere offers (hiera demotika) en deelen
+in de inkomsten en uitgaven van den demus. Het bestuur berustte bij
+een demarchos, het beheer der financiën bij een tamias. Ieder burger
+moest tot een demus behooren en zich op zijn 18de jaar in het register
+(lexiarchikon grammateion), dat door den demarch gehouden werd,
+laten inschrijven.
+
+Demokoinoi, z. demioi.
+
+Demonax, Demonax, van Cyprus, die ten tijde van Hadrianus te Athene
+leefde. Ofschoon hij tot de richting der cynici behoorde, wijdde
+hij zich ook aan de staatszaken en genoot hij algemeene achting. Hij
+stierf op zeer hoogen leeftijd vrijwillig van honger, om de lasten
+van den ouderdom te ontgaan.
+
+Demophanes, Demophanes, z. Ecdemus.
+
+Demophilus, Demophilos, 1) dichter der nieuwe attische comedie.--2)
+geschiedschrijver, zoon van Ephorus (z. a.).
+
+Demophoon, -phon, Demophoon, -phon, 1) zoon van Celeüs. Toen
+Demeter bij Celeüs gastvrij ontvangen was, werd haar de zorg voor den
+kleinen Demophon opgedragen; uit dankbaarheid wilde de godin het kind
+onsterfelijk maken, waartoe zij hem bij dag met ambrosia zalfde en
+des nachts in het vuur reinigde. Toen echter Metanira haar eens des
+nachts verraste en van schrik luid gilde, zag Demeter in toorn van
+haar plan af.--2) zoon van Theseus en Phaedra, ging met de Grieken
+naar Troja, waar hij zijne grootmoeder Aethra (z. a.) bevrijdde. Op de
+terugreis verloofde hij zich met Phyllis, dochter van den thracischen
+koning Sithon; hij ging echter voor het huwelijk naar zijn vaderland,
+en daar hij over den bepaalden tijd uitbleef hing Phyllis zich op;
+zij werd in een amandelboom veranderd. Aan Diomedes, die bij zijne
+terugkomst van Troja een inval in Attica deed zonder te weten in welk
+land hij was, ontnam D. het palladium. Hij verdedigde de Heracliden
+tegen Eurystheus, en regeerde ook nog, toen Orestes in Attica kwam.
+
+Demopoietoi, vreemdelingen wien het burgerrecht geschonken was. Dit
+geschiedde, ten minste in vroegere tijden, te Athene hoogst zelden
+en alleen wegens bizondere verdiensten jegens het volk. Een voorstel
+om iemand het burgerrecht te verleenen moest in twee opeenvolgende
+volksvergaderingen aangenomen worden, en in de tweede moesten zich
+minstens 6000 stemmen bij geheime stemming voor den voorgestelde
+verklaren. Ook dan nog misten de nieuwe burgers sommige rechten; eerst
+hunne kinderen, soms hunne kleinkinderen, genoten het burgerrecht in
+zijn vollen omvang.
+
+Demosioi, z. demioi.
+
+Demosthenes, Demosthenes, 1) zoon van Alcisthenes, atheensch strateeg
+in den peloponnesischen oorlog, ondernemend, omzichtig en bekwaam. In
+426, toen hij met 30 schepen de kusten van de Peloponnesus plunderde,
+vormde hij het plan door Aetolië, Doris en Phocis te dringen en een
+inval in Boeotië te doen; door onbekendheid met land en volk mislukte
+deze onderneming en leed D. zulke verliezen, dat hij uit vrees voor den
+toorn der Atheners te Naupactus bleef. Toen hij echter den Spartanen
+bij die stad en bij het amphilochische Argos gevoelige verliezen
+had toegebracht, keerde hij naar Athene terug. In het volgende jaar
+bezette hij Pylus in Messenië en sloot hij de spartaansche hoplieten,
+die gekomen waren om hem te verjagen, op het eiland Sphacteria in;
+na een lang beleg dwong hij, door Cleon (z. a.) geholpen, hen tot de
+overgave. Toen in 413 de berichten, die Nicias van Syracusae zond,
+steeds ongunstiger werden, werd D. met eene aanzienlijke vloot hem
+te hulp gezonden; de geleden verliezen waren echter reeds te groot,
+en D. vond bij zijn ambtgenoot te veel tegenstand, dan dat hij eenig
+voordeel kon behalen of het leger en de vloot kon redden; na de
+beslissende nederlaag werd hij, evenals Nicias, gevangen genomen en
+door de verbitterde Syracusanen ter dood gebracht.--2) Athener, zoon
+van Demosthenes, geb. 383, verloor op zijn zevende jaar zijn vader,
+die hem een vrij aanzienlijk vermogen naliet, waarvan echter, toen
+hij meerderjarig werd, bijna alles door zijne voogden verduisterd
+of verkwist was. In het proces, dat hij hun deswege aandeed (364),
+trad hij dus reeds zeer vroeg als redenaar op, zoodat sommigen ook
+vermoedden dat de bij die gelegenheid door hem gehouden redevoeringen
+niet door hem alleen, maar door of ten minste met de hulp van
+Isaeus gemaakt waren. Deze was reeds vroeger zijn leermeester in de
+welsprekendheid geweest, ofschoon hij natuurlijk ook andere redenaars
+hoorde, en de natuurlijke nadeelen, waarmede D. te kampen had,
+lichamelijke zwakte en een spraakgebrek, waren bij het onderwijs
+zoovele moeielijkheden, die hij alleen door bewonderenswaardige
+volharding kon te boven komen. Ofschoon D. het eerste proces tegen
+een van zijne voogden won, gelukte het hem niet zich in het bezit
+te stellen van het hem toekomende, en moest hij zich ten slotte
+met de betaling eener betrekkelijk kleine som tevreden stellen;
+dientengevolge vond hij het ook raadzaam met de twee andere voogden
+eene schikking te maken. Daarna hield hij zich als logographos bezig
+met het schrijven van pleidooien, waarmede hij naar het schijnt veel
+succes had, doch deze werkzaamheid liet hij varen toen hij zich op de
+staatszaken ging toeleggen. Op ongeveer dertigjarigen leeftijd begon
+hij ook in de volksvergadering op te treden, v. s. nadat hij bij eene
+vroegere poging uitgefloten, maar door een beroemd tooneelspeler tot
+volharding aangemoedigd was. Voorshands hield hij zich met onderwerpen
+van ondergeschikt belang bezig, maar weldra zag hij dat van buiten een
+gevaar dreigde, dat den ondergang van Athene en geheel Griekenland ten
+gevolge moest hebben: de toenemende macht van Macedonië. Sedert 351,
+het jaar waarin hij zijn eerste Philippica hield, houdt D. niet op,
+de Atheners tegen Philippus te waarschuwen, en hen te wijzen op hunne
+verkeerdheden, waardoor het dezen mogelijk werd zich steeds grooter
+gebied te verwerven en meer en meer invloed op de aangelegenheden der
+Grieken te krijgen. Grievend moet het voor D. geweest zijn te zien,
+hoe weinig zijne vermaningen vermochten, hoe zelden de door hem
+voorgestelde maatregelen ten uitvoer gebracht werden, deels door
+de onverschilligheid van het volk, deels door gebrek aan bekwame
+veldheeren, maar vooral door het drijven van eene invloedrijke partij,
+die in het belang van Macedonië werkte en waarvan Aeschines (z. a.) de
+woordvoerder was. Het kon D. niet ontgaan, waartoe dit alles leiden
+moest; toen dan ook Philippus na den tweeden heiligen oorlog eensklaps
+het masker afnam en zelfs Athene bedreigde, was hij de eenige die
+niet verrast werd, die kalm genoeg bleef om ook nu nog verstandige
+maatregelen te nemen en oogenblikkelijk een bondgenootschap tusschen
+Thebe en Athene tot stand te brengen, dat aanvankelijk Philippus met
+goed gevolg scheen weerstand te bieden; de slag bij Chaeronea besliste
+echter in het nadeel der Grieken. Vruchteloos waren ook de pogingen van
+D. om na den dood van Philippus een algemeen grieksch bondgenootschap
+tegen Macedonië in het leven te roepen; de snelheid en gestrengheid,
+waarmede Alexander op Thebe wraak nam, boezemde ieder schrik in,
+en alleen op voorspraak van Demades zag Al. af van zijn eisch, dat
+met andere redenaars ook D. aan hem zoude uitgeleverd worden. Maar
+hoe weinig gevolg de bemoeiingen van D. ook hadden, het volk erkende
+steeds zijne edele bedoelingen en zijn vaderlandslievend streven;
+zoolang men zich nog konde bedriegen omtrent Philippus' plannen, mocht
+het al lachen, wanneer D. door zijne vijanden een overdreven pessimist
+en "waterdrinker" genoemd werd, telkens wanneer zij een beslissenden
+slag tegen hem meenden te slaan, toonde het volk hoezeer het hem
+achtte. Toen D. Aeschines wegens hoogverraad aanklaagde, ontsnapte
+deze, in weerwil van zijne invloedrijke vrienden, ternauwernood aan
+eene veroordeeling; toen daarentegen Aeschines zich verzette tegen een
+volksbesluit, waarbij aan D. wegens zijne verdiensten een gouden krans
+werd toegekend, leed hij zulk een verpletterende nederlaag, dat hij een
+langer verblijf te Athene onmogelijk achtte (z. Aeschines). Ook werden
+aan D. verscheiden eerambten opgedragen, die hij alle met bekwaamheid
+en dikwijls met groote kosten waarnam, en de hardnekkige tegenstand
+der macedonischgezinden kon niet beletten, dat hem werd opgedragen de
+lijkrede over de gesneuvelden bij Chaeronea uit te spreken. Ongelukkige
+gevolgen had voor hem echter de komst van Harpalus (z. a.); ofschoon
+hij eerst afgeraden had dezen in de stad te ontvangen, beweerde men
+later dat hij zich had laten omkoopen om in het belang van Harpalus
+te werken; hij werd tot eene boete van 50 talenten veroordeeld, en
+daar hij die som niet kon betalen, werd hij gevangen gezet (324);
+hij ontvluchtte echter na weinige dagen en bracht eenigen tijd op
+Aegina en te Troezen door, totdat hij bij de algemeene beweging,
+die door den dood van Alexander in geheel Griekenland ontstond,
+teruggeroepen werd. Hij werd in triumf te Athene ingehaald en leidde
+weder voor eenigen tijd met hart en ziel de toebereidselen voor den
+oorlog tegen Macedonië; na de nederlaag bij Crannon vluchtte hij naar
+den tempel van Poseidon te Calauria, waar hij, toen de troepen van
+Antipater naderden om hem gevangen te nemen, zich door vergif van het
+leven beroofde (October 322). Ruim 40 jaar later richtte het volk,
+op voorstel van Demochares, een standbeeld voor hem op, als voor
+een man die zijn vermogen voor het algemeen belang had opgeofferd,
+den staat vele diensten bewezen en vele bondgenooten verworven had,
+het volk steeds ten goede geraden had, en eindelijk in het gevaar
+den dood boven het verzaken zijner beginselen had gekozen. Zijne
+redevoeringen zijn voor een deel verloren gegaan, van de 61, die
+zijn naam dragen, worden 16 voor onecht gehouden; de echte gelden als
+modellen van welsprekendheid en dienen tot schitterende bewijzen van
+zijne bekwaamheid en zijn ijver, zoowel als van zijne vaderlandsliefde
+en zijn edel karakter. De belangrijkste en meest gelezen redevoeringen
+zijn: kata Philippou a´ (begin 351), de 3 Olynthische (351-349), peri
+tes eirenes (346), kata Philippou b´ (344), peri tes parapresbeias
+(343, zie Aeschines), peri ton en Cherroneso (341), kata Philippou g´
+(341), hyper Ktesiphontos peri tou stephanou (330, zie Aeschines).
+
+Denarius, zilveren rom. munt = 10 as, (zie as), later, toen
+de as in gewicht beperkt was = 16 as. De denarius is altijd in
+waarde gelijkgesteld met de Attische drachme. De stempels waren
+verschillend. Denarius aureus, bij verkorting alleen aureus geheeten =
+25 zilveren denarii of 100 sestertiën. Zie aureus.
+
+Denseletae of Dentheleti, Dentheletai, Dantheletai, thracisch volk
+aan den Haemus, tusschen de rivieren Strymon en Nestus.
+
+Dentatus, bijnaam in het geslacht der Curii.
+
+Denuntiatio, de inleiding tot een proces, de mededeeling daarvan door
+den eischer aan den gedaagde en de afspraak der partijen om voor den
+praetor te verschijnen. Sedert M. Aurelius wordt denuntiatio vaak
+gebezigd voor de gerechtelijke dagvaarding.
+
+Deo, Deo, verkorte naam, die aan Demeter vooral bij de dichters
+gegeven werd.
+
+Depontani werden wel eens de burgers boven 60 jaar genoemd. Den
+Romeinen zelf was de oorsprong van dezen naam duister. Misschien is de
+uitdrukking hieruit te verklaren, dat toen de pontes ingevoerd werden
+bij het stemmen, iuniores, hetzij in ernst of in scherts, geroepen
+hebben: sexagenarios de ponte, met deze beteekenis, dat de oude heeren,
+die door hun leeftijd geen diensten meer aan den staat verschuldigd
+waren, ook maar van de stembus moesten wegblijven. Dat de zestigjarigen
+echter het stemrecht gemist zouden hebben, is beslist onjuist.
+
+Deportatio, verbanning naar eenige afgelegen strafkolonie,
+zooals de cycladische eilanden, Donusa, Amorgos, Seriphus,
+Gyarus, onder militaire bewaking en met verlies van burgerrecht en
+bezittingen. Relegatio was slechts eenvoudige verbanning naar eene
+bepaald aangewezen plaats, waar de balling overigens als vrij man
+leefde, en zonder verdere rechtsgevolgen. Onder de republiek waren
+deze straffen voor rom. burgers onbekend; zij dagteekenen uit den
+tijd van Augustus. Bij Tacitus e. a. worden deportatio en relegatio
+somtijds dooreen gebezigd.
+
+Derbe, belangrijke stad in Lycaonia, aan de grenzen van Isauria, het
+eerst genoemd als de woonplaats van den tyran Antipater, den vriend
+van Cicero.
+
+Derbices, Derbikkai, scythisch volk aan de noordelijke grenzen
+van Perzië, in de steppen ten O. van de Caspische zee. Het zijn de
+afstammelingen van de Massageten, waartegen Cyrus te velde trekt.
+
+Dercetis, -to, Derketis, -keto, een syrisch meisje, moeder van
+Semiramis; zij liet den vader van haar kind dooden en het kind
+in een woestijn brengen, waar het door duiven gevoed werd; daarna
+stortte zij zich in een meer bij Ascalon en werd zij in een visch
+veranderd. De Syriërs vereerden haar onder den naam Atargatis als godin
+te Hierapolis; zij wordt afgebeeld met het bovenlijf van eene vrouw,
+dat in een vischstaart uitloopt.
+
+Dercyl(l)idas, Derkyl(l)idas, Spartaan, die in den peloponnesischen
+oorlog met roem diende. In 399 werd hem het bevel over het spartaansche
+leger in Klein-Azië opgedragen; hij herstelde de onder zijn voorganger
+Thibron verslapte krijgstucht, voerde met kracht den oorlog tegen
+de Perzen, en wist vooral door zijn groote slimheid, om welke hij
+Sisyphus bijgenaamd werd, groote voordeelen te behalen. Reeds hadden
+de satrapen Tissaphernes en Pharnabazus een wapenstilstand met hem
+gesloten om de vredesvoorwaarden op te stellen; toen echter de koning
+van Perzië intusschen groote krijgstoerustingen maakte, kwam Agesilaus
+in Azië en nam het opperbevel van D. over. Deze bleef nog eenigen
+tijd bij het leger, en toen na den zeeslag bij Cnidus de Spartanen
+overal verjaagd werden, handhaafde hij zich in Abydus en Sestus.
+
+Dertona, Derthon, stad in Liguria, ten Z. van den Padus (Po),
+rom. kolonie met den bijnaam Julia, thans Tortona.
+
+Dertosa, Dertosa, thans Tortosa, stad der Ilercavones in Tarraconensis
+nabij de monding van den Iberus (Ebro).
+
+Designator, 1) bediende in het theatrum, die aan de toeschouwers hunne
+plaatsen moest aanwijzen. De entréekaartjes, tesserae theatrales,
+wezen den rang, de afdeeling (cuneus) en het nummer der plaats aan,
+benevens den titel van het stuk.--2) aannemer van begrafenissen
+en lijkstaatsies.--3) in de 3de eeuw n. C. een scheidsrechter bij
+de wedrennen.
+
+Destrictarium, vertrek waar men zich van stof, zweet en olie liet
+reinigen, zie Strigilis en Balneum.
+
+Dèsultores, 1) paardrijders, voltigeurs, die in vollen ren van het
+paard sprongen, het bijhielden en er weder opsprongen, of ook wel
+met twee paarden of meer hunne kunsten vertoonden en van het eene op
+het andere oversprongen.--2) numidische en ook wel andere ruiters,
+die twee paarden bestuurden, en wanneer het eene vermoeid was, in
+vollen ren en volle wapenrusting op het andere oversprongen.
+
+Detestatio sacrorum, plechtige afstand van de sacra zijner gens bij
+arrogatio in eene andere, of verzaking van de sacra der familie bij
+een testamentum comitiis calatis factum.
+
+Deucalion, Deukalion, 1) zoon van Prometheus en Clymene, koning van
+Phthia, was met zijne vrouw Pyrrha de eenige die behouden bleven,
+toen Zeus het overige menschdom door eene overstrooming en een
+plasregen van negen dagen verdelgde. Het schip, dat hij op raad van
+Prometheus gebouwd had, landde bij het vallen van het water op den
+Parnassus (v. a. Athos of Aetna). Verschrikt door de eenzaamheid
+die hen omringde, raadpleegden zij het orakel van Themis, dat hun
+beval de beenderen hunner moeder achter zich te werpen. D. begreep
+dat hiermede steenen, als het ware de beenderen der moederaarde,
+bedoeld werden; zij gehoorzaamden aan het orakel en de steenen van
+D. werden mannen, die van Pyrrha vrouwen. Het graf van D. vond men
+te Athene bij den tempel van den olympischen Zeus, dat van Pyrrha te
+Cynus in Locris. Hunne kinderen waren Hellen, Amphictyon, Protogenea
+e. a.--2) zoon van Minos en Pasiphaë, vader van Idomeneus, nam deel
+aan den tocht der Argonauten en aan de calydonische jacht.
+
+Deunx = 11 unciae. Als muntstuk bestond de deunx niet. De as had
+12 unciae.
+
+Deva, Deoua, thans Chester (afgeleid van Castrum), in de buurt van
+Liverpool, stad in Britannia Romana. Ook de aanliggende baai of breede
+riviermond, thans Dee, heette zoo.
+
+Deverra, eene godin, die met Pilumnus en Intercidona aangeroepen werd
+om eene kraamvrouw met haar kind tegen den invloed van Silvanus te
+beschermen. Om zich de hulp van die godheden te verzekeren, liet men
+des nachts drie mannen met bijl, stamper en bezem, de zinnebeelden
+der beschaving, om het huis loopen.
+
+Deversorium, zie Caupona.
+
+Dexippus, Dexippos, 1) grieksch geschiedschrijver in de 3de eeuw n. C.,
+wiens voornaamste werk de gebeurtenissen na den dood van Alexander
+behandelde.--2) nieuw-platonisch wijsgeer in de 4de eeuw n. C.,
+schrijver van commentaren op Aristoteles.
+
+Dextans = 10 unciae of 5/6 as. Een muntstuk van dit bedrag bestaat
+niet.
+
+Di indigetes, enz., zie Dii indigetes, enz.
+
+Dia, z. Dea Dia.
+
+Dia, Dia, 1) oude naam van het eiland Naxus.--2) eilandje ten N. van
+Midden-Creta.--3) eilandje in de arabische golf (Roode Zee), voor de
+monding van de Aelanitische golf (Aelaniticus sinus).
+
+Diablintes, een van de vier takken der Aulerci. Hoofdstad: Noviodunum,
+tgw. Jublains.
+
+Diacria, Diakria, het N.O. bergland van Attica. De Diacriërs waren het
+armste en meest democratisch gezinde gedeelte der attische bevolking.
+
+Diadikasia, in het algemeen de beslissing in een proces, in het
+bizonder in eene rechtszaak, waarin verschillende personen dezelfde
+aanspraken (bijv. op een voogdij, ambt e. dgl.) willen doen gelden;
+ook in een proces tegen de staatskas, wanneer iemand beweerde recht
+te hebben op verbeurdverklaarde goederen.
+
+Diadochos, opvolger; in het bizonder wordt die naam gegeven aan hen,
+die na den dood van Alexander d. G. over de deelen van zijn rijk
+regeerden.
+
+Diaeta, een complex van verschillende kamers in een Romeinsch huis,
+die samen een woning op zich zelf vormen. In Pompeii heeft men
+verscheidene zulke diaetae meenen te herkennen.
+
+Diaeus, Diaios, van Megalopolis, sedert 149 strateeg van het achaeisch
+verbond en aanvoerder in den oorlog tegen de Romeinen, die vooral door
+zijn toedoen ontstaan was; nadat hij door Mummius bij Leucopetra op
+den Isthmus verslagen was, maakte hij door vergif een einde aan zijn
+leven (146).
+
+Diagoras, Diagoras, 1) van Rhodus, een der beroemdste athleten van
+Griekenland, vader en grootvader van athleten. Een van de gedichten van
+Pindarus is aan hem gewijd.--2) van Melus, zoon van Teleclides, hield
+zich in zijne jeugd met poëzie bezig, later werd hij een aanhanger van
+Democritus. Hij leefde meestal te Athene, waar hij door het loochenen
+der goden (vandaar zijn bijnaam atheos) en het bespotten der mysteriën
+zooveel aanstoot gaf, dat de Atheners een prijs op zijn hoofd stelden
+(411); hij vluchtte echter tijdig naar Corinthe. Deze verhalen zijn
+echter niet geheel betrouwbaar.
+
+Diagraphes, beambten te Athene, die ieders aanslag in buitengewone
+belastingen (bijv. de eisphora) bepaalden en nalatige betalers
+vervolgden.
+
+Diaitetes, scheidsrechter. Te Athene werden civiele zaken, ter
+besparing van onkosten, meestal in de eerste instantie door een
+scheidsman behandeld. Op verzoek van den eischer wees de magistraat,
+die met de leiding van het proces belast was, door het lot een van de
+openbare scheidslieden aan, waarvan er meer dan honderd waren; van de
+beslissing van den scheidsman kon men bij de Heliaea appelleeren. De
+scheidsrechter kreeg bij elke zitting van beide partijen een drachme;
+wegens misbruiken in het waarnemen zijner betrekking kon hij bij
+de logisten aangeklaagd worden.--Bovendien kon men elk geschil bij
+overeenkomst door een of meer scheidsrechters laten beslissen, die
+men zelf koos; van hun uitspraak was echter geen appèl geoorloofd.
+
+Diaktoros, bijnaam van Hermes, als uitvoerder van de bevelen van Zeus.
+
+Diamartyria, het bewijs door getuigen, dat eene aanklacht al of niet
+behoort in behandeling genomen te worden. De aangeklaagde kon eischen,
+dat de aanklager door getuigen bewees, dat er geen beletsel (verjaring
+e. dgl.) bestond om de zaak te behandelen, of anders zelf door getuigen
+bewijzen dat zulk een beletsel wel bestond. Wie bij de diamartyria
+geen vijfde deel van de stemmen voor zich had, verviel in de epobelia.
+
+Diana, oorspronkelijk eene italiaansche maangodin, wier wezen in
+nauw verband staat met dat van Janus, en wier dienst door latijnsche
+plebejers in Rome was ingevoerd; later werd zij geïdentificeerd
+met Artemis en werden alle attributen en mythen van deze op haar
+overgebracht. Zij was voornamelijk de godin van het mindere volk,
+ook slaven en slavinnen stonden onder hare bescherming. Haar feestdag
+viel op den 13den Augustus, en de ludi saeculares waren aan haar en
+Apollo gewijd.--Beroemd was de tempel, dien zij als beschermgodin
+van het latijnsche stedenverbond op den Aventinus had. Ook te Aricia
+(z. a.) had zij een beroemd heiligdom. Haar eeredienst in den tempel
+op den Aventinus is ingericht naar dien van de Aricische Diana.
+
+Dianium, kaap en stad van Tarraconensis, tegenover de Pityusen-eil. De
+stad, oudtijds eene kolonie van Massilia en toen Hemeroscopium
+geheeten, had een beroemden Diana-tempel. Sertorius gebruikte de
+haven als marinestation.
+
+Diapsephisis. Wanneer er vermoeden bestond, dat iemand zich
+wederrechtelijk als atheensch burger had laten inschrijven, werd bij
+volksbesluit bevolen, dat de demos, waartoe zulk een persoon behoorde,
+zijn ledenregister zoude herzien. In eene vergadering der demotai
+werd dan dit register voorgelezen, en over iedereen, wiens recht
+men betwijfelde, werd gestemd; deze stemming heette diapsephisis. De
+persoon, te wiens nadeele de stemming was uitgevallen, verloor zijn
+burgerrecht zonder verdere straf te beloopen; indien hij echter
+appelleerde en ook dan in het ongelijk gesteld werd, konden zijne
+goederen verbeurd verklaard en hijzelf als slaaf verkocht worden.--Ten
+tijde van Demosthenes gebeurde het eens, dat aan alle demen tegelijk
+het herzien hunner ledenlijsten werd opgedragen.
+
+Diasia, Diasia, een groot feest ter eere van Zeus Meilichios den 23sten
+Anthesterion door de Atheners bij den Ilissus gevierd; het was een
+verzoeningsfeest, waarbij ieder burger een offer bracht; wie geen stuk
+vee kon betalen, gaf een gebak in den vorm van een schaap of varken.
+
+Diaulos dromos, of alleen diaulos, een wedloop, waarin de dubbele
+lengte van de renbaan afgeloopen werd.
+
+Dicaea, thracische stad bij het meer Bistonis.
+
+Dicaearchia, Dikaiarchia, havenstad van Cumae, later Puteoli.
+
+Dicaearchus, Dikaiarchos, van Messana, leerling van Aristoteles,
+beroemd als schrijver van wijsgeerige, geschied- en aardrijkskundige
+werken, die echter alle bijna geheel verloren gegaan zijn. Zijn Bios
+Hellados in 3 boeken was het oudste werk over beschavingsgeschiedenis.
+
+Dichalkon, grieksch koperen muntstukje, een vierde van een obolus.
+
+Dictator. De dictatuur, omstreeks 500 te Rome ingesteld, was in
+den grond een herstel der koninklijke macht, doch slechts voor zes
+maanden op zijn langst. Was de taak, waarvoor hij benoemd was,
+vroeger afgeloopen, dan behoorde de dictator zijn ambt neer te
+leggen. De dictator, oudtijds ook magister populi geheeten, als
+aanvoerder van het voetvolk, werd benoemd door een der consuls,
+natuurlijk krachtens een senaatsbesluit; op zijne beurt benoemde hij
+zijn magister equitum, die zijn collega minor en, zoo noodig, zijn
+plaatsvervanger was en met hem aftrad. Daar de onbeperkte volmacht
+van den dictator ouder was dan de instelling van het volkstribunaat,
+vermochten de volkstribunen niets tegen den dictator, die van zijnen
+kant ook niets tegen hen vermocht uithoofde hunner onschendbaarheid,
+zij konden elkander dus niet hinderen. De dictator was niet aan de
+provocatio onderworpen, zie echter Valeriae (leges) de provocatione,
+no. 3. In 217, na den slag bij het trasumeensche meer, was er geen
+consul te Rome om een dictator te benoemen; hierom werd Fabius Maximus
+(Cunctator) door het volk gekozen en niet tot dictator benoemd, maar
+met dictatoriale macht bekleed, pro dictatore. Na afloop van den 2den
+Punischen oorlog zijn geen dictatoren meer benoemd. In plaats van
+een dictator te benoemen, behielp men zich met het senatus consultum
+ultimum (z. a.). De benoeming van L. Cornelius Sulla door eene lex
+Valeria (z. a.) tot levenslang (perpetuus) dictator was eene dier
+onwettigheden, waaraan de laatste tijd der rom. republiek zoo rijk
+is. De rom. geschiedenis kent dictators, vooral rei gerundae causa,
+d. i. tot het voeren van een oorlog, maar ook seditionis causa,
+comitiorum habendorum c., senatus legendi c., delectus habendi c.,
+feriarum Latinarum c., clavi figendi c., d. i. voor het inslaan van
+den gouden jaarspijker op het Capitool, quaestionis exercendae c.,
+d. i. tot het leiden van een buitengewoon rechtsgeding. De officieele
+term voor de benoeming is: dictatorem dicere. De grieksche vertaling is
+autokrator, ook diktator. Tot de insigniën van den dictator behoorden
+de sella curulis, de toga praetexta en 24 lictoren met roedenbundels
+en bijlen. De eerste dictator was T. Lartius Flavus, de eerste uit
+de plebs C. Marcius Rutilus, in 356. Ook bij het latijnsch verbond
+komen dictators voor.
+
+Dictator municipalis. In de municipia stonden meestal twee personen
+aan het hoofd van het gemeentebestuur met den titel van duumviri iuri
+dicundo. Evenwel komen enkele afwijkingen voor. Zoo stond b.v. te
+Lanuvium, Aricia, Caere, Nomentum, Fidenae, Tusculum één persoon aan
+het hoofd met den titel van dictator.
+
+Dicte, Dikte, berg op Creta, waar Zeus geboren was. Bij rom. dichters
+Dictaeus = cretensisch.
+
+Dictynna, Diktynna, z. Britomartis.
+
+Dictys, Diktys, 1) broeder van koning Polydectes van Seriphus, die
+de kist aan land trok, waarin zich Danaë met haar kind bevond.--2)
+D. Cretensis, van Cnossus, had naar men meende, Idomeneus in den
+trojaanschen oorlog begeleid en op palmbladen een dagboek (Ephemeris)
+geschreven, dat ten tijde van Nero bij gelegenheid van eene aardbeving
+in zijn graf gevonden werd. Van dit werk bestaat eene latijnsche
+vertaling van zekeren L. Septimius, die in de 4de eeuw n. C. leefde;
+van het oorspronkelijk grieksche werk is onlangs een klein gedeelte
+gevonden. Z. Dares.
+
+Didaskalia, een gedenkschrift betreffende de opvoering van een
+tooneelstuk, bevattende den titel van het stuk, den naam van
+den schrijver, den tijd en de plaats der opvoering, enz. Van
+deze documenten maakten latere schrijvers over geschiedenis der
+letterkunde of van het tooneel, v. s. Aristoteles het eerst, veel
+gebruik, en bij de meeste grieksche en latijnsche tooneelstukken,
+die bewaard gebleven zijn, bestaat ook nog de didaskalia geheel of
+gedeeltelijk.--D. beteekent in de eerste plaats het instudeeren
+door den dichter van een koor, vooral voor tragedie en comedie,
+dan ook het opvoeren zelf der tooneelstukken; ook de stukken, die
+bij dezelfde gelegenheid ten tooneele kwamen, noemde men soms met
+een gemeenschappelijken naam didaskalia.
+
+Didia (lex) sumptuaria, tot beperking der uitgaven voor maaltijden,
+niet slechts te Rome, maar in geheel Italia, 143, een uitbreiding
+van de lex Fannia van 161.
+
+Didii, aanzienlijk plebejisch geslacht. 1) T. Didius, consul in 98,
+overwon als praetor de Scordiscers. Als proconsul versloeg hij de
+Celtiberiërs in Hispania. Hij sneuvelde in den marsischen oorlog.--2)
+C. Didius, legaat van Caesar, sneuvelde in Hispania in den strijd
+tegen S. Pompeius.--3) M. Didius (Severus) Julianus, zie Juliani no. 3.
+
+Dido, Dido, ook Elissa, Elissa, geheeten, was de zuster van den
+tyrischen koning Pygmalion, en de echtgenoote van haren oom Acerbas
+of Sichaeus. Toen Pygmalion haar man had doen vermoorden, vluchtte
+Dido ± 870 met een aantal Tyriërs, en landde op de kust van Africa,
+waar zij van zekeren koning Iarbas een stuk grond kocht en aldaar
+de stad Carthago stichtte. Toen later Iarbas haar met geweld en
+onder bedreiging met een oorlog tot vrouw begeerde, richtte Dido een
+brandstapel voor zich op en doorstak zich daarop met een zwaard. Zij
+werd door de Carthagers als godin vereerd. Vergilius brengt in zijne
+Aeneis Aeneas en Dido samen, en laat Dido sterven tengevolge van
+hopelooze liefde voor Aeneas. Dezen vorm van de sage heeft hij aan
+Naevius en misschien ook aan Ennius ontleend.
+
+Didrachma, -mum, didrachmon, grieksch zilveren muntstuk ter waarde
+van twee drachmen.
+
+Didyma, ta Didyma, stad in het gebied van Miletus, ook Branchidae
+geheeten, met een beroemden tempel en een orakel van Apollo, waarvan
+het geslacht der Branchiden de priesterlijke waardigheid vervulde. Door
+Darius of door Xerxes werd de stad verwoest, doch later werd zij door
+de Milesiërs herbouwd. De bouw werd echter nooit geheel voltooid. Zie
+ook Branchidae.
+
+Didymus, Didymos, 1) bijgenaamd Chalkenteros, beroemd alexandrijnsch
+grammaticus, geb. in 63, wien door de ouden een fabelachtig aantal
+werken, v. s. 3500, worden toegeschreven. Voornamelijk hield hij
+zich bezig met commentaren en woordenboeken op Homerus, Sophocles,
+Aristophanes e. a. dichters en de attische redenaars.--2) Claudius
+Didymus, z. Claudii no. 40.
+
+Dies Comitiales, z. Comitiales dies.
+
+Dies Endotercisi, z. Festi dies.
+
+Dies Fasti, z. Fasti.
+
+Dies Festi, z. Festi dies.
+
+Dies Nefasti, z. Nefasti dies.
+
+Dies Profesti, z. Festi dies.
+
+Diespiter, oude naam van Jupiter (Diovis pater).
+
+Diffarreatio, eene in bizonderheden onbekende vorm van echtscheiding,
+wanneer het huwelijk per confarreationem gesloten was. Deze
+echtscheiding komt eerst sedert den keizertijd voor.
+
+Digentia, een koel en helder beekje in het sabijnsche land, dat langs
+het landgoed van Horatius stroomde en zich in den Anio stortte.
+
+Digesta, een verzameling van juridische geschriften; vooral wordt met
+dien titel, (gr. Pandektai) een gedeelte aangeduid van het wetboek
+van Justinianus.
+
+Digiti, door Cicero gebruikte latijnsche naam van de Dactyli Idaei.
+
+Digitius (S.) werd door Scipio Africanus maior bij de inneming van
+Carthago nova (210) met een muurkrans begiftigd. Zijn zoon was in
+194 praetor en stadhouder van Hispania citerior.
+
+Dii indigetes, de inheemsche, oorspronkelijk rom. goden, in
+tegenstelling van de peregrini of novensides.
+
+Dii manes, zie Manes.
+
+Dii novensides (novensiles) of peregrini, goden wier dienst niet
+oorspronkelijk rom., maar van elders ingevoerd was, in tegenstelling
+met de di(i) indigetes.
+
+Dii penates, zie Penates.
+
+Dii selecti: hieronder verstaat Varro de voornaamste Romeinsche goden.
+
+Di(i)polia of Bouphonia, feest te Athene den 14den Skirophorion ter
+eere van Zeus Polieus gevierd. Men liet een stier van het heilige
+koren, dat op het altaar lag, eten en offerde hem daarop als het ware
+tot straf. De priester, die hem doodde, moest echter terstond na den
+doodelijken slag vluchten, en de bijl, waarmede het offer voltrokken
+was, werd in zijn plaats voor het gerecht gebracht, vervloekt en in
+zee geworpen. De huid van het offerdier werd opgevuld en daarna voor
+een ploeg gespannen. Sommigen zien in dit gebruik een overblijfsel
+van een oude dierenvereering.
+
+Dikastai kata demous, rechters, die over minder belangrijke zaken
+en waarschijnlijk alleen in de demen buiten de stad oordeelden. Zij
+waren door Pisistratus ingesteld, om de landlieden buiten de stad te
+houden. Na zijn val werden ze afgeschaft, maar in 453 weder ingesteld
+ten getale van 30. Na Euclides (403) werd het getal op 40 gebracht,
+vanwaar zij gewoonlijk hoi tettarakonta genoemd worden.
+
+Dikasterion, lokaal waar eene rechtbank zitting houdt, ook de
+rechtbank zelve.
+
+Dikastikon, de belooning der rechters te Athene, misthos
+dikastikos. Door Pericles werd aan de rechters eene betaling van
+een obolus voor iedere zitting toegekend, door Cleon werd deze
+verdrievoudigd (triobolon heliastikon). De rechters ontvingen bij
+hunne komst in het gerechtshof een bewijsje (symbolon), waarop zij na
+afloop der zitting bij de kolakretai betaling kregen. Overdreven is
+ongetwijfeld het bericht, dat jaarlijks 150 talenten als dikastikon
+door den staat uitgegeven werden.
+
+Dike, godin der gerechtigheid, dochter van Zeus en Themis, dikwijls als
+straffende godin met de Erinyen vereenigd. Zij is dezelfde als Astraea.
+
+Dike, proces, meer in het bizonder, in tegenstelling van graphe, ook
+agon idios, dike idia genoemd, proces wegens persoonlijke beleediging,
+mishandeling, toegebrachte schade, enz. De behandeling der dikai is
+vooral daardoor van die der graphai verschillend, dat de aanklager
+moet zijn de betrokken persoon of zijn kyrios, en dat beide partijen
+tot dekking van de kosten zekere geldsom (prytaneia) moesten storten,
+die de verliezende partij aan de winnende moest terugbetalen. De straf
+bestond meestal in boete of schadeloosstelling, aan den aanklager
+te betalen, echter konden de rechters in sommige ernstige gevallen
+nog eene verhooging van straf (prostimema) bijv. gevangenisstraf,
+erbij voegen, en volgde op herhaalde veroordeelingen somtijds
+atimie. Vgl. graphe.
+
+Dimachaeri, dimachairoi, een soort van zwaardvechters. Uit den naam
+maakt men op, dat zij ieder met twee zwaarden gewapend waren.
+
+Dimallum, Dimalos, ook -le, stad der Parthini in Illyris graeca,
+aan de kust gelegen.
+
+Dimensuratio provinciarum is de titel van een klein geschrift over
+geographie uit de 4e eeuw n. C., zie Divisio orbis terrarum.
+
+Dinarchus, Deinarchos, van Corinthe, geb. omstreeks 361, kwam jong naar
+Athene en werd een leerling en vriend van Theophrastus en Demetrius
+Phalereus. Als aanhanger van Cassander werd hij in 307 verbannen en
+ging hij naar Chalcis op Euboea, van waar hij eerst in 292 terugkwam;
+na den dood van Cassander liet Polyperchon hem ter dood brengen. Hij
+leefde van het schrijven van pleitredenen, waarin hij Demosthenes
+trachtte na te volgen; een van de drie redevoeringen, die zijn naam
+dragen, wordt door velen voor onecht gehouden.
+
+Dindymene, Dindymene, bijnaam van Rhea Cybele, naar haar tempel op
+den berg Dindymum, volgens de overlevering door de Argonauten gesticht.
+
+Dindymum, -mus, -ma (plur.), Dindymon, -mos, -ma, naam van twee bergen,
+beide aan Cybele geheiligd, die hiernaar Dindymene heet. De eene lag
+op de grenzen van Phrygia en Galatia, nabij de stad Pessinus, waar een
+tempel was met het uit den hemel gevallen beeld der godin, dat in 204
+naar Rome werd overgebracht. De andere berg lag op het schiereiland
+van Cyzicus en had een tempel, die reeds door de Argonauten zou
+gesticht zijn.
+
+Dino, Deino, dochter van Phorcys, eene van de Graeae.
+
+Dinochares, Deinochares, beroemd macedonisch bouwmeester, was
+belast met den aanleg van Alexandrië en richtte den brandstapel voor
+Hephaestion op. Van hem was het zonderlinge plan, uit den berg Athos
+een beeld van Alexander te houwen, dat in de rechterhand eene stad
+zoude dragen, en in de linker een schaal, waaruit eene rivier zou
+stroomen. V. a. is zijn naam Dinocrates, Timochares, Chirocrates
+of Stasicrates.
+
+Dinocrates, Deinokrates, 1) z. Dinochares.--2) z. Philopoemen.
+
+Dio, Dion, van Syracuse, zoon van Hipparinus, zwager van den jongen
+Dionysius, geb. 409. Van nature met vele voortreffelijke eigenschappen
+begaafd en sedert zijne jeugd beoefenaar der wijsbegeerte, genoot
+hij algemeen hoog aanzien en oefende hij zelfs zoowel op den ouderen
+als op den jongeren Dionysius een gunstigen invloed uit. Maar zijne
+vijanden, vooral Philistus, wisten hem bij laatstgenoemden verdacht
+te maken, zoodat hij in 366 verbannen werd; hij ging naar Athene
+en leefde daar eenigen tijd, terwijl hij vooral met zijn vriend
+Plato omging, die vroeger op zijn verzoek tweemaal Syracuse bezocht
+had, en nu herhaaldelijk vergeefsche pogingen aanwendde om eene
+verzoening tusschen hem en den tyran te bewerken. Toen eindelijk de
+heerschappij van Dionysius steeds drukkender werd en zich vooral tegen
+de betrekkingen van Dio richtte, besloot hij een poging te wagen, om
+zijn vaderland te bevrijden. Met eene uiterst geringe macht landde hij
+in het W. van Sicilië (357), terwijl Dionysius hem met een vloot aan de
+kust van Italië afwachtte, en werd hij met vreugde door de Syracusanen
+ontvangen; daar echter de burcht in handen van Dionysius gebleven was,
+volgden nog langdurige gevechten en onderhandelingen, gedurende welke,
+vooral door de tegenwerking van zijn vroegeren aanhanger Heraclides,
+die nu bevelhebber van de vloot was, reeds oneenigheden tusschen
+Dio en zijne partijgenooten uitbraken, die eenmaal zoo hoog liepen,
+dat hij zich met de zijnen naar Leontini begaf; spoedig echter werd
+hij teruggeroepen en eindelijk moest Dionysius zijne aanspraken
+laten varen. Toen Dio nu echter zelf aan de regeering gekomen
+was, verminderde spoedig de ingenomenheid met hem, en kreeg hij
+door zijne overdreven gestrengheid en willekeurige handelingen vele
+vijanden. Vooral Heraclides bleef zich tegen hem verzetten, en toen hij
+dezen had laten ter dood brengen, steeg de ontevredenheid zoo hoog,
+dat weldra bij sommigen het plan opkwam zich van den geweldenaar te
+ontdoen. Zoo werd Dio, na eene regeering van ruim drie jaar, op een
+feestdag in zijn eigen kamer vermoord (354). Zijn aandenken werd
+echter hoog in eere gehouden en de Syracusanen richtten te zijner
+gedachtenis een gedenkteeken op.
+
+Dio Cassius (beter Cassius Dio) Cocceianus, Dion ho Kassios,
+kleinzoon van Dio Chrysostomus, geb. te Nicaea 155 n. C., trad in
+186 als redenaar te Rome op, werd senator, praetor, tweemaal consul
+en stadhouder van Pergamus, Africa, Dalmatië en Pannonië. Na eenigen
+tijd in Campania gewoond te hebben, ging hij naar Nicaea terug, waar
+hij zijn leven eindigde. Van zijn groot grieksch werk, bevattende
+in 80 boeken de romeinsche geschiedenis van de vroegste tijden tot
+Alexander Severus, een werk dat hij op aansporing van een droomgezicht
+onder handen nam en waaraan hij 22 jaren werkte, zijn 25 boeken (36-60)
+volledig bewaard gebleven, van de andere bestaan grootere of kleinere
+fragmenten en uittreksels. Het bevat belangrijke bijdragen voor de
+geschiedenis van het keizerrijk, ofschoon ook veel, dat ons weinig
+belang inboezemt, bijv. verhalen van wonderen, hofgeschiedenissen,
+enz.; in taal en stijl tracht hij de oude grieksche schrijvers na
+te volgen.
+
+Dio Chrysostomus Cocceianus, Dion ho Chrysostomos, geb. te Prusa
+omstreeks 50 n. C., hield zich aanvankelijk met rhetorische, later
+met philosophische studiën bezig. Onder Nerva en Traianus leefde
+hij, door beide keizers hoog geëerd, te Rome, van waar hij vroeger
+onder Domitianus verbannen was. Van hem bestaan 80 in den vorm van
+redevoeringen geschreven verhandelingen over wijsbegeerte en zedekunde,
+uitmuntend door sierlijkheid en zuiverheid van taal, en zeer belangrijk
+voor de kennis der toestanden in zijn tijd.
+
+Diobelia, z. theorikon.
+
+Diocaesarea, Diokaisareia, vroeger Sepphoris, aanzienlijke stad
+in Galilaea; den nieuwen naam krijgt de stad na de verwoesting van
+Jerusalem.
+
+Diocles, Diokles, 1) zoon van Orsilochus, koning van Pherae.--2)
+van Megara, om zijne dapperheid na zijn dood als heros vereerd; te
+zijner eere vierde men te Megara jaarlijks het feest Diokleia.--3)
+een van de vorsten te Eleusis, die door Demeter in de mysteriën
+onderwezen werden.--4) van Phlius, dichter der oude attische
+comedie.--5) demagoog te Syracuse tijdens den peloponnesischen
+oorlog, aan wien vooral de barbaarsche behandeling der atheensche
+krijgsgevangenen geweten wordt. Na afloop van den oorlog tegen de
+Atheners bewerkte hij de wetten in democratischen geest, en men
+verhaalde, dat hij zichzelf van het leven beroofd zou hebben, omdat
+hij in strijd met zijn eigen wet gewapend in de volksvergadering
+gekomen was (vgl. Charondas). Na een ongelukkig gevecht tegen de
+Carthagers (409) werd hij verbannen, doch spoedig teruggeroepen.--6)
+van Carystus, beroemd geneesheer vóór den tijd van Aristoteles.--7)
+van Peparethus, grieksch geschiedschrijver uit de 3e eeuw, die over
+de oudste geschiedenis van Rome schreef. Zijn werk heeft Fabius Pictor
+(Fabii no. 25) als bron gebruikt.--8) rhetor uit den tijd van Augustus.
+
+Diocletianus (C. Aurelius Valerius), van geringe afkomst, in Dalmatia
+geboren, klom van gemeen soldaat onder keizer Probus tot stadhouder
+van Moesia op, en werd in Nov. 284 na C. door zijn leger tot keizer
+uitgeroepen. Daar hij inzag, dat bij de toenemende invallen der
+barbaren het rom. rijk te uitgebreid was voor één regent, nam hij in
+285 Maximianus tot Caesar, en in 286 tot Augustus en mederegent aan,
+wien hij het W. des rijks toevertrouwde, terwijl hij zelf de zorg
+voor het O. behield. In 293 namen zij nog twee hulpkeizers aan,
+met den titel Caesar, als het ware kroonprinsen, om hen later als
+Augusti op te volgen, n.l. Galerius voor het O., Constantius Chlorus
+voor het W. Tevens werd elke helft van het rijk nog weer in tweeën
+gesplitst (zie praefecturae). Als onderverdeeling van de praefecturae
+had men nu 12 dioeceses (z. a.), die weer onderverdeeld waren in 101
+provincies. Italië werd met de overige provincies gelijk gesteld,
+en ook aan de grondbelasting onderworpen. Verder worden burgerlijk en
+militair gezag gescheiden. Het burgerlijk gezag is in handen van de
+4 praefecti praetorio, de legers worden gecommandeerd door duces. In
+305 legde Diocletianus, die naar rust verlangde, zijne waardigheid
+neder, om bij Salona stil te leven. Van zijn paleis aldaar zijn
+nog overblijfselen. Hij stierf in 313. Diocletianus behoort tot
+de keizers, die de Christenen streng vervolgden. Met hem begint de
+(absolute) monarchie. De senaat wordt ter zijde geschoven. Alle gezag
+gaat uit van den keizer, die zich Dominus laat noemen, en een streng
+hofceremonieel, aan het Oosten ontleend, invoert. De keizers wonen nu
+niet meer in Rome, maar meer aan de grenzen van het rijk, Maximianus
+te Milaan, Diocletianus te Nicomedea. Toch heeft Diocl. nog veel in
+Rome gebouwd, zie Thermae.
+
+Diodorus, Diodoros, 1) van Iasus, bijgenaamd Cronus, megarisch wijsgeer
+aan het hof van Ptolemaeus Lagi.--2) van Tyrus, te Athene leerling van
+Critolaus en zijn opvolger als hoofd der peripatetische school.--3)
+D. Siculus van Agyrium, leefde onder Augustus te Rome. Na dertig
+jaar in Europa en Azië gereisd en met ernst zijne bronnen bestudeerd
+te hebben, zette hij zich tot het schrijven van eene algemeene
+geschiedenis (Bibliotheke historike) van de vroegste tijden tot Caesar
+in 40 boeken, waarvan 15 (1-5, 11-20) geheel bewaard gebleven zijn,
+terwijl van de overige fragmenten en uittreksels bestaan. Hoewel hij
+zijne bronnen gewoonlijk zonder kritiek eenvoudig naschrijft en ten
+gevolge van zijne streng synchronistische indeeling aan zijn werk geene
+eenheid wist te geven, is het toch belangrijk door vele van elders
+onbekende berichten, vooral betreffende de geschiedenis van Sicilië.
+
+Diodotus, Diodotos, 1) Athener, op wiens voorstel de Atheners
+het besluit introkken om de afvallige Mytilenaeërs te dooden
+(z. Cleon).--2) van Erythrae, schrijver van Ephemerides Alexandrou,
+een werk, dat verloren gegaan is, maar waarvan Plutarchus en Diodorus
+gebruik gemaakt hebben.--3) geleerd stoicijnsch wijsgeer, leermeester
+en vriend van Cicero, in wiens huis hij woonde en stierf (49/48),
+en wien hij zijn vermogen naliet.
+
+Dioecesis, dioikesis, onderafdeeling van het keizerrijk sedert
+Diocletianus (z. a.).
+
+Diogenes, Diogenes, 1) van Apollonia op Creta, ionisch wijsgeer uit
+het einde van de 5e eeuw, die, evenals Anaximenes, de lucht als de
+grondstof van alles aannam. Van zijn werk peri physeos zijn enkele
+fragmenten bewaard.--2) de cynicus, ho Kyon, geb. 404 te Sinope. Met
+zijn vader Hicesias, die als valsche munter veroordeeld was, vluchtte
+hij als knaap naar Athene, waar hij leerling werd van Antisthenes. In
+de praktijk dreef hij de leer van dezen, dat het geluk bestaat in het
+gemis van behoeften, tot zulk een uiterste, dat hij bij de Atheners
+tot een voorwerp van spot werd. Hij gebruikte het slechtste voedsel,
+kleedde zich als een bedelaar, en nam inderdaad ook wel aalmoezen
+aan; hij woonde in een klein, armoedig huisje, dat men spottend een
+ton noemde, ofschoon hij meestal onder den blooten hemel of in eene
+stoa sliep. Van geleerdheid of wijsgeerige bespiegelingen had hij
+een afkeer; onbekommerd om den spot zijner tijdgenooten, hekelde
+hij op zijn beurt de dwaasheden, maar evenzeer de beschaving van
+zijn tijd. Plato noemde hem Sokrates mainomenos. Op eene reis naar
+Aegina werd hij door zeeroovers gevangen genomen en op Creta als
+slaaf verkocht; Xeniades van Corinthe kocht hem en vertrouwde hem de
+opvoeding zijner kinderen toe, van welke taak hij zich tot genoegen
+van zijne leerlingen en hun vader kweet. (V. s. is dit verhaal, zooals
+zoovele omtrent hem, verzonnen). Daarna vrijgelaten, leefde hij des
+winters te Athene, des zomers te Corinthe, waar hij in 323, naar men
+verhaalde op straat, stierf.--3) van Seleucia in Babylon, leerling
+van Chrysippus en eenigen tijd hoofd der stoicijnsche school, werd
+met Carneades en Critolaus in 155 als gezant naar Rome gezonden. Van
+zijne talrijke werken is niets overgebleven.--4) D. Laërtius, leefde
+te Athene waarschijnlijk in het begin van de 3de eeuw n. C., schreef
+een werk in 10 boeken over het leven en de leerstellingen van beroemde
+wijsgeeren, dat een hoofdbron is voor de geschiedenis der wijsbegeerte,
+ofschoon de tekst waarschijnlijk in hooge mate vervalscht is.
+
+Dioikismos, de gewelddadige ontbinding eener aanzienlijke stad en
+verdeeling van de inwoners in kleine landelijke gemeenten; een van
+de middelen tot invoering eener aristocratische staatsregeling.
+
+Diolkos, zie Isthmus.
+
+Diomedeae insulae, nesoi Diomedeiai, vijftal eilandjes aan de Oostkust
+van Italia, ten N. van den mons Garganus. Zij waren genoemd naar
+Diomedes, die na den val van Troje, op de apulische kust zou geland
+zijn. Op het grootste van deze eilanden, Trimerus (Trimetus), heeft
+Julia, de kleindochter van Augustus, twintig jaar in ballingschap
+geleefd.
+
+Diomedes, Diomedes, 1) koning der Bistonen in Thracië, die de
+vreemdelingen, welke in zijn rijk kwamen, aan zijne paarden tot
+voedsel gaf. Heracles liet hem zelf dit lot ondergaan en bracht de
+paarden aan Eurystheus.--2) zoon van Tydeus en Deipyle, nam deel aan
+den oorlog der epigonen. Na afloop daarvan volgde hij zijn grootvader
+Adrastus als koning van Argos op, en trok hij met 80 schepen met
+de Grieken naar Troja, waar hij zich een van de dapperste helden
+betoont, onder bescherming van Athena altijd in de voorste rijen
+strijdt, en zelfs Aphrodite en Ares wondt. Met Odysseus dringt hij
+door een onderaardschen gang in de stad en rooft het palladium,
+dat hij later naar Argos medeneemt (z. echter Demophon). In Argos
+teruggekeerd, vindt hij dat Aphrodite, uit wraak voor de haar bij
+Troje toegebrachte wond, zijne vrouw Aegialea tot overspel verleid
+heeft; daarom vertrekt hij, hetzij vrijwillig, hetzij uit vrees
+voor hare lagen, naar Aetolië, en geeft zijn grootvader Oeneus de
+regeering weder, die hem door zijn broeder Agrius ontnomen was. Op
+de terugreis wordt hij door storm naar de kust van Italië gedreven en
+landt hij in Daunia, hij ondersteunt koning Daunus tegen de Messapiërs,
+neemt diens dochter Euippe tot vrouw, sticht vele steden (Beneventum,
+Brundisium e. a.) en sterft op hoogen leeftijd. V. a. zoude hij op
+het laatst van zijn leven naar Argos teruggekeerd en daar gestorven
+zijn, of zoude hij op reis daarheen op een van de Insulae Diomedeae
+verdwenen zijn, terwijl zijne tochtgenooten van verdriet over zijn
+verlies in reigers (aves Diomedeae) veranderden. In verscheiden steden
+van Italië en Griekenland werd hij als heros vereerd, te Argos stond
+zijn dienst in nauw verband met dien van Athena. Behalve bovengenoemde
+eilandjes zijn ook de Diomedei Campi in Apulia naar hem genoemd.--3)
+latijnsch grammaticus uit de 4de eeuw na C., schreef 3 boeken de arte
+grammatica, in hoofdzaak een uittreksel uit oudere dergelijke werken
+en vol citaten uit oude schrijvers.
+
+Diomedis Campi = Campi Diomedis.
+
+Diomedon, Diomedon, atheensch admiraal uit den laatsten tijd van den
+peloponnesischen oorlog, behaalde eenige voordeelen op de afvallige
+bondgenooten, was een van de admiraals die den slag bij de Arginusae
+wonnen en later door de Atheners ter dood veroordeeld werden, z. Leo
+no. 4.
+
+Diomeia, vroolijk feest ter eere van Heracles door de Atheners gevierd,
+zoo genoemd naar den Athener Diomus, den eersten die hem als god,
+en niet als heros, een offer bracht.
+
+Diomosia, de eed, waarmede beide partijen in een rechtsgeding hunne
+verklaringen bekrachtigen, z. antomosia.
+
+Dion = Dio.
+
+Dione, Dione, dochter van Oceanus en Tethys of van Uranus en Gaea,
+bij Zeus moeder van Aphrodite. Oorspronkelijk was zij het vrouwelijk
+evenbeeld van Zeus, en werd zij vooral te Dodona als zijne gemalin
+vereerd; later werd zij als zoodanig door Hera verdrongen. Ook
+Aphrodite heet soms Dione of meer Dionaia.
+
+Dionysia, Dionysia, feesten ter eere van Dionysus, in het bijzonder
+twee die in Attica gevierd werden: 1) de kleine of landelijke (D. ta
+kat' agrous, en agrois, ta mikra), in de maand Poseideon (Dec. Jan.,
+zie Annus) buiten de stad gevierd, dagen van uitgelaten vroolijkheid,
+zang, dans, scherts en plagerij. In de verhalen van de lotgevallen
+van Dionysus, die bij dit feest door op een wagen staande personen
+voorgedragen werden, ligt de oorsprong van het attische drama. Eene
+eigenaardige vermakelijkheid waren de askolia, waarbij men op een
+gevulden en van buiten glad gemaakten zak moest springen en zich
+staande houden.--2) de groote of stedelijke (D. ta megala, ta kat'
+asty, astika, ook alleen D.), eerst ten tijde van Pisistratus
+ingesteld, van 8 tot 13 Elaphebolion (Maart-April, z. Annus) met
+groote pracht in de stad gevierd. Het oudste beeld van den god werd
+door een schitterenden optocht rondgeleid, terwijl door talrijke koren
+dithyramben gezongen werden, dikwijls door de beroemdste dichters voor
+die gelegenheid vervaardigd; de hoofdzaak was echter het opvoeren
+van nieuwe tragedies en comedies. In den tijd van den att. zeebond
+kwamen bij dit feest ook de bondgenooten hunne bijdragen storten;
+bovendien trokken de feestelijkheden zulk eene menigte landvolk en
+vreemdelingen, dat men die dagen ook voor de geschiktste hield om
+bekend te maken, welke onderscheidingen de staat aan verdienstelijke
+burgers had toegekend.--Tusschen beide feesten en als het ware daarmede
+tot een geheel vereenigd, vielen de Lenaea en de Anthesteria.
+
+Dionysi(a)des, Dionysiades, -sides, treurspeldichter uit Tarsus,
+tijdgenoot van Alexander d. G.
+
+Dionysius, Dionysios, 1) van Phocaea, aanvoerder der Ioniërs in den
+opstand tegen Perzië; na den slag bij Lade ging hij naar Sicilië, van
+waar hij als vrijbuiter tegen Tyrrheners en Carthagers streed.--2) de
+oude, geb. 431, van geringe afkomst, onderscheidde zich in den oorlog
+tegen Carthago; nadat de strategen, die Agrigentum verloren hadden,
+op zijne aanklacht van hun ambt ontzet waren, werd hij met anderen
+in hun plaats benoemd; in deze betrekking wist hij het leger voor
+zich te winnen, waarop hij zijne ambtgenooten afzette, met eene wacht
+naar Syracuse trok en zich van de alleenheerschappij meester maakte
+(405). Daar hij in den oorlog met Carthago niet gelukkig was, maakte
+hij gebruik van de omstandigheid, dat hun leger door pest geteisterd
+werd, om vrede te sluiten, waarbij echter een groot deel van Sicilië
+in hun macht bleef. Nu versterkte hij Ortygia, nam een groot aantal
+huursoldaten in dienst en maakte zich meester van alle grieksche steden
+op Sicilië. Hij vergrootte de stad Syracuse, en bracht een groot deel
+der bevolking van Naxus, Catana, Leontini enz., daarheen over. Den
+oorlog tegen de Carthagers hervatte hij driemaal en voerde hij over
+het geheel met geluk, hoewel hij geen blijvend voordeel kon behalen;
+zelfs werd hij in 396 door Himilco in Syracuse belegerd, totdat de
+pest in het carthaagsche leger weder zulke verwoestingen aanrichtte,
+dat D. het na eene gemakkelijke, doch beslissende overwinning tot
+het koopen van vrijen aftocht dwong. Ondertusschen had D. ook Croton
+en Rhegium veroverd en andere grieksche steden in Beneden-Italië
+aangevallen. Bij zijne onderdanen was hij algemeen gehaat wegens
+zijne wreedheid, roekeloosheid en verregaanden achterdocht. Hij
+liet zich veel voorstaan op zijne liefde voor kunst en wetenschap,
+noodigde dichters en wijsgeeren aan zijn hof, maar wilde daarvoor
+ook bewonderd worden om zijne eigene treurspelen; te Olympia werden
+zijne werken bespot, maar te Athene won hij in 367 een prijs. Hij
+stierf kort daarna, v.s. van vreugde over die overwinning, v.a. aan
+de gevolgen zijner onmatigheid of door vergif, dat zijn zoon hem had
+laten geven.--3) de jonge, zoon van den vorigen, in zijne opvoeding uit
+wantrouwen door zijn vader verwaarloosd, kwam in 367 aan de regeering
+en maakte spoedig vrede met de Carthagers. Daar hij van nature niet
+wreed of onbekwaam scheen, meende Dio (z.a.) hem door de leeringen
+van Plato, die naar Syracuse genoodigd werd, tot een ideaal vorst te
+kunnen vormen, en inderdaad scheen dit korten tijd te gelukken, maar
+weldra leende D. het oor aan vleiers en verkeerde raadgevers. Dio werd
+verbannen, en hoewel Plato later nogmaals naar Syracuse geroepen werd,
+bleek het dat hij allen invloed verloren had. Na het vertrek van Dio
+ontaardde de regeering van D. in eene tyrannie, nog drukkender dan die
+van zijn vader, en toen Dio in 357 terugkeerde, werd hij met open armen
+ontvangen. D. ging naar Locri in Beneden-Italië, waar hij zich van de
+heerschappij meester maakte en de burgerij wreed onderdrukte, totdat
+hij zich in 346 den strijd der partijen te Syracuse ten nutte wist
+te maken om daarheen terug te keeren en de regeering weder in handen
+te nemen. Weldra riepen echter de Syracusanen, zijne onderdrukking
+moede en bovendien door de Carthagers in het nauw gebracht, hulp
+van Corinthe in; Timoleon kwam en dwong D. zich over te geven en de
+regeering neder te leggen. Hij vertrok naar Corinthe (344), waar hij,
+naar men verhaalde, als schoolmeester het overige van zijn leven
+in armoede sleet.--4) van Miletus, logograaf, jonger tijdgenoot
+van Hellanicus.--5) van Samus, leefde in den alexandrijnschen tijd
+en schreef mythologische en historische werken, die door Diodorus
+als bronnen gebruikt werden.--6) D. Thrax, (ho Thrax), grammaticus
+te Alexandrië, leerling van Aristarchus, schrijver van de eerste
+wetenschappelijke grieksche spraakkunst en van andere werken op het
+gebied der philologie.--7) van Halicarnassus, leefde sedert 30,
+waarschijnlijk als rhetor, te Rome, en schreef, behalve kleinere
+werken, eene rom. geschiedenis (Rhomaïke archaiologia) van de oudste
+tijden tot den eersten punischen oorlog; het is uitgekomen in 7;
+hij had er 22 jaar aan gewerkt; van de 20 boeken, waaruit dit werk
+bestond, zijn de eerste elf volledig, de overige in uittreksels
+en fragmenten bewaard. Zijn streven is, de beschikking der goden
+in de geschiedenis duidelijk te maken, en de Grieken met hunne
+onderwerping aan Rome te verzoenen; zijn stijl is veelal opgesmukt,
+vooral in de lange redevoeringen, die hij zijn hoofdpersonen in
+den mond legt. Van zijne rhetorische en critische verhandelingen
+zijn de meeste bewaard gebleven, zij zijn van groot belang voor
+de geschiedenis der grieksche letterkunde.--8) van Halicarnassus,
+bijgenaamd ho Mousikos, naar zijne Mousike historia, een groot werk
+over de geschiedenis van kunsten en wetenschappen, waarvan slechts
+enkele fragmenten bewaard zijn. Hij leefde ten tijde van Hadrianus.--9)
+de reisbeschrijver (ho periegetes), uit den tijd van Keizer Hadrianus,
+schreef in grieksche hexameters een overzicht van de aardrijkskunde,
+waarin hij vooral Posidonius volgde, en dat door lateren veel gebruikt
+en eenige malen in het Latijn vertaald werd, o. a. door Avienus.
+
+Dionysus, Dionysos, Bacchus, zoon van Zeus en Semele, werd bij den
+dood zijner moeder, daar de tijd zijner geboorte toen nog niet gekomen
+was, door Zeus gedurende eenige maanden in zijn dij bewaard. Toen
+het kind voor de tweede maal ter wereld kwam, gaf Zeus het aan de
+nimfen van Nysa om op te voeden en te verzorgen. Nadat D. volwassen
+was, plantte hij den wijnstok en gaf hij van den daaruit bereiden
+drank aan de nimfen en andere bewoners van het woud te drinken;
+terstond gaven allen zich aan hem over en vereenigden zij zich in
+opgewonden geestvervoering om hem te begeleiden op den tocht, dien
+hij ging ondernemen om zijne nieuwe gave over de geheele wereld te
+verspreiden. Bijna overal, vooral bij Oeneus in Aetolië en in Attica
+(z. Icarius), werd zijn geschenk dankbaar aangenomen en hijzelf als god
+gehuldigd, tegenstanders bracht hij door indrukwekkende bewijzen zijner
+macht tot zwijgen (z. Acoetes, Lycurgus, Pentheus). Toen eindelijk
+zijne overwinning volkomen was, erkenden dan ook de olympische goden
+zijne macht en zijn weldadigen invloed op de menschen en gaven hem
+een plaats in hun midden. De god, in wiens hoede over het algemeen
+boomen en boomvruchten staan (Antheus, Anthios, Dendrites, Hyes,
+Phloios), is in het bizonder een god van den wijn, en daar het
+kweeken van vruchten, evenals iedere tak van landbouw, den overgang
+van een lageren tot een hoogeren trap van beschaving vooronderstelt
+of ten gevolge heeft, geldt hij evenals Demeter voor den brenger van
+zachtere zeden, wet en orde (Thesmophoros), veelal wordt hij ook
+met deze godin in verband gebracht, zelfs wordt hij mede vereerd
+in de eleusinische mysteriën, waar hij den naam Iacchus (Iakchos)
+draagt, of als broeder of bruidegom van Core Koros heet. En terwijl
+de wijn de menschen verkwikt en versterkt, hen van zorg en leed
+bevrijdt (Lyaios), brengt hij ook het gemoed in hoogere stemming,
+verhoogt zijne ontvankelijkheid voor indrukken en is de bewerker
+van de geestdrift (enthousiasmos). Daarom is D. ook een bevorderaar
+der schoone kunsten (Melpomenos) en een vriend der Muzen, en wordt
+hij dikwijls in vereeniging met Apollo vereerd, met wien hij ook als
+orakelgevend god overeenkomst heeft; de dithyrambus en het drama hebben
+hun ontstaan aan zijn eeredienst te danken. Maar aan den anderen kant
+wordt die hoogere stemming dikwijls tot luidruchtige uitgelatenheid,
+waardoor zich verscheiden Dionysusfeesten kenmerkten, of tot mystieke
+opgewondenheid (Bakchos, Bromios, Euios). Dit laatste vond men vooral
+bij de nachtelijke feesten (Nyktelia), die in den herfst op den
+Parnassus gevierd werden, waarbij vrouwen in dierenhuiden gekleed en
+met den thyrsus in de hand als razend (Maenaden, Bacchanten, Thyaden,
+enz.) over de toppen der bergen rondzwierven, terwijl zij onder een
+oorverdoovend uitgillen van den kreet euoi, begeleid door de muziek
+van fluiten en pauken, zelfs de dieren verscheurden die onder hare
+handen kwamen, en het bloedige vleesch opaten. Deze luidruchtige,
+zoogen. orgiastische, wijze van vereering, die van Thracië naar
+Beotië en verder naar het overige Griekenland overgebracht was, was
+de oorzaak dat men verband zocht tusschen D. en Rhea Cybele, Atys,
+Sabazius e. a. aziatische godheden, wier dienst een dergelijk karakter
+droeg.--De afbeeldingen van D. stellen hem nu eens voor als een man
+met weelderige lokken en vollen baard, koninklijk van gestalte en in
+een lang, golvend gewaad, dan eens als een jongeling met smachtende
+trekken, bijna vrouwelijk van gelaat en lichaamsbouw; gewoonlijk
+worden zijne haarlokken samengebonden door een haarband (mitra) of
+door een krans van wijnloof en klimop en heeft hij een thyrsusstaf
+in de hand. Vooral stelde men hem gaarne voor te midden van den stoet
+(thiasos), bestaande uit nimfen, maenaden, Silenen, satyrs en dgl., die
+hem op zijne verre tochten, welke zich v. s. tot Indië uitstrekten,
+begeleid zouden hebben; te midden van dit woeste gezelschap ligt
+de god, soms nevens zijn bruid Ariadne (z. a.), in zalige rust. Ook
+vindt men hem in het gezelschap van de Chariten, Eros en Aphrodite. De
+wijnstok en het klimop, en onder de dieren de panter, los, tijger,
+ezel, dolfijn en bok zijn hem gewijd.--De Rom. identificeerden hem
+met Liber en bij de orphische mysteriën droeg hij den naam Zagreus.
+
+Diophanes, Diophanes, grieksch redenaar van Mytilene, leermeester
+van Ti. Gracchus en als diens aanhanger met hem ter dood gebracht.
+
+Diophantus, Diophantos, 1) atheensch redenaar, vriend en partijgenoot
+van Demosthenes.--2) alexandrijnsch wiskundige uit het einde van de
+3de of het begin van de 4de eeuw n. C., de eerste schrijver over
+algebra. Van zijn werk Arithmetika is ongeveer de helft bewaard
+gebleven.
+
+Diopithes, Diopeithes, van Sunium, atheensch strateeg in den oorlog
+tegen Philippus. Toen deze zich in vredestijd van de grieksche
+steden in de Chersonesus wilde meester maken en D. dit trachtte te
+verhinderen, beschuldigde Philippus hem te Athene als verbreker van
+den vrede (343); hij werd echter door Demosthenes in de redevoering
+peri ton en Cherroneso en zelfs door Phocion verdedigd (341). Hij
+sneuvelde kort daarna.
+
+Diores, Diores, 1) zoon van Amarynceus, sneuvelde als aanvoerder der
+Epeërs bij het beleg van Troje.--2) vader van Automedon.--3) zoon
+van Priamus, ging met Aeneas naar Italië en werd door Turnus gedood.
+
+Dioscorides, Dioskorides, 1) epigrammendichter, van wien verscheiden
+gedichtjes in de grieksche anthologie zijn opgenomen, leefde omstreeks
+200.--2) grieksch steensnijder ten tijde van Augustus.--3) Pedanius
+D., beroemd grieksch geneesheer uit Anazarbus, tijdgenoot van Nero,
+schrijver van een werk over geneeskrachtige planten, dat nog tot in
+de 15de eeuw als het voornaamste op dit gebied gold.
+
+Dioscuri, Dioskouroi, Castor (Kastor) en Pollux (Polydeukes),
+tweelingbroeders, door Zeus in de gedaante van een zwaan bij Leda
+verwekt, of zonen van Tyndareos en Leda (Tyndaridae, Tyndaridai),
+terwijl v. s. Castor de zoon van Tyndareos en Pollux die van Zeus
+is. Zij waren heldhaftige jongelingen, Castor uitmuntend als ruiter,
+Pollux als vuistvechter. Nog op jeugdigen leeftijd namen zij Aphidna
+(z. a.) in, later verwierven zij grooten roem bij de calydonische
+jacht en den tocht der Argonauten (z. Amycus). In den strijd tegen
+de Apharetidae (z. a.) vond Castor, die als zoon van Tyndareos
+sterfelijk was, den dood, en Pollux kreeg op zijne smeekingen van
+Zeus vergunning de onsterfelijkheid met zijn broeder te deelen,
+zoodat beiden telkens een dag in de onderwereld, den volgenden op
+den Olympus doorbrengen. Te Sparta, waar hun dienst inheemsch is,
+worden zij beschouwd als beschermers van den staat, later werden zij
+meer algemeen vereerd als verdedigers van het gastrecht en gidsen
+der zeevarenden, wien zij zich als St. Elmsvuur vertoonen. Dikwijls
+verschijnen zij aan de menschen en verschaffen zij hun de overwinning
+in een ongelijken strijd. Zoo hadden zij eens de Locriërs in Italië
+tegen de achtmaal sterkere Crotoniaten bijgestaan en denzelfden dag
+hunne overwinning bij de olympische spelen bekend gemaakt. Eveneens
+streden zij in de gelederen der Romeinen bij het meer Regillus,
+tengevolge waarvan hun een tempel op het forum gewijd werd, die elk
+jaar den 15den Juli in plechtigen optocht door de romeinsche ridders
+bezocht werd. Zij worden gewoonlijk als ruiters afgebeeld, met een
+eivormigen helm op het hoofd en een speer in de hand, dikwijls ook
+met een ster boven het hoofd. Te Athene werden zij Anakes, te Rome
+ook wel Castores genoemd.
+
+Dioscurias, Dioskourias, milesische volkplanting, bloeiende marktplaats
+en koopstad in Colchis, sedert Traianus Sebastopolis bijgenaamd.
+
+Diospolis, Diospolis, grieksche naam voor het aegyptische Thebae, ook
+magna, he megale, bijgenaamd. Een eind stroomafwaarts lag Diospolis
+minor, he mikra. Een derde lag in het Delta-gebied, in de nabijheid
+van Mendes. Ook in Palestina (zie Lydda) en Phrygia vond men dezen
+naam. Zie ook Cabira.
+
+Diota, wijnkruik met twee ooren.
+
+Diotimus, Diotimos, 1) Athener, aanvoerder van de vloot die aan de
+Corcyraeërs tegen Corinthe te hulp gezonden werd (433).--2) atheensch
+vlootvoogd in den corinthischen oorlog.--3) zoon van Diopithes,
+atheensch vlootvoogd en aanhanger van Demosthenes.
+
+Diotrephes, Diotrephes, Athener, die in 413 thracische hulptroepen
+naar hun vaderland terugbracht en op weg Mycalessus verwoestte. In 411
+werd hij door de 400 naar Thasus gezonden om er eene aristocratische
+staatsregeling in te voeren, wat den afval van dat eiland ten
+gevolge had.
+
+Dioxippus, Dioxippos, 1) blijspeldichter der nieuwe attische
+comedie.--2) atheensch vuistvechter, overwinnaar bij de olympische
+spelen. Hij behoorde tot het geleide van Alexander den G., en overwon
+eens ongewapend een gewapenden Macedoniër.
+
+Dipaea, Dipaia, stadje in Arcadië, ten Z.O. van Mantinea, waar de
+Lacedaemoniërs in 471 de Arcadiërs overwonnen, die zich van den
+peloponnesischen bond hadden willen afscheiden.
+
+Diphilus, Diphilos, 1) grieksch episch dichter uit de 5de eeuw.--2)
+van Sinope, dichter der nieuwe attische comedie, tijdgenoot van
+Alexander d. Gr. en Philemon, leefde gewoonlijk te Athene en stierf
+te Smyrna. Sommige van zijne talrijke werken, waarvan slechts
+enkele fragmenten bewaard gebleven zijn, werden door romeinsche
+blijspeldichters, vooral Plautus, nagevolgd.--3) stoicijn, wegens
+zijne omslachtige redeneeringen Labyrinth bijgenaamd; hij wordt door
+Lucianus vermeld.--4) tooneelspeler, tijdgenoot van Pompeius.--5)
+schrijver en voorlezer van L. Licinius Crassus (Licinii no. 12).--6)
+beroemd geneesheer van Siphnus, leefde kort na Alexander d. G.,
+schreef een groot werk over voedingsmiddelen.--7) schrijver van een
+werk over de constructie en het gebruik van verschillende machines.
+
+Diphridas, Diphridas, spartaansch ephoor (394), waarschijnlijk dezelfde
+die in 391 door de Spartanen als bevelhebber over het leger naar Azië
+gezonden werd, om Thibron op te volgen.
+
+Diphthera, een lederen chiton, voornamelijk door landlieden en
+herders gedragen.
+
+Diploma, diploma, een dubbel gevouwen papier, eene soort van paspoort
+voor hen, die in dienst of op kosten van den staat reisden, opdat zij
+het onderweg noodige spoedig zouden kunnen krijgen. Onder de keizers
+verstond men onder diploma een giftbrief van de hooge overheid,
+waarbij gunsten of voorrechten werden uitgereikt.
+
+Dipylon, to Dipylon, vroeger hai Thriasiai pylai geheeten, de
+hoofdpoort van Athene, aan den N.W.-kant van de stad; van hier
+gaan twee wegen, ééne naar Eleusis, ééne naar de Academia. Vóór de
+poort lag ho exo Kerameikos, waar veel graven ontdekt zijn, aan de
+binnenkant ho entos K. (z. Athenae aan het begin). De poort heeft
+den naam gegeven aan de oud-Attische vazen van geometrischen stijl,
+in de graven vóór de poort gevonden, de Dipylon-vazen.
+
+Dirae = Furiae.
+
+Dirce, Dirke, dochter van Helius, gemalin van Lycus, z. Antiope. Ook
+naam van een bron bij Thebae.
+
+Diribitores (diribere = dishibere) bij de comitiën waren zij, die de
+uitgebrachte stemmen sorteerden en telden. Aug. liet hiertoe op den
+Campus Martius een afzonderlijk gebouw, diribitorium, oprichten.
+
+Dis = Pluto.
+
+Discessio, meest gewone wijze van stemmen in den senaat, waarbij de
+voorstemmers en tegenstemmers zich naar twee verschillende kanten
+der zaal begaven.
+
+Discordia, z. Eris.
+
+Diskobolia, een bij de Grieken zeer geliefd spel, onderdeel van het
+pentathlon, waarbij men met een steenen of ijzeren schijf (diskos),
+die in het midden iets dikker was dan aan den rand, naar een bepaald
+doel of om het verst wierp. De eigenaardige houding, die de speler
+(diskobolos) op het oogenblik van den worp aannam, is dikwijls door
+beeldhouwers voorgesteld.
+
+Dispensator, in aanzienlijke huizen de slaaf, die de kas hield en de
+boeken bijhield, op landgoederen de intendant of rentmeester.
+
+Dithyrambus, dithyrambos, lied bij de feesten van Dionysus gezongen,
+waarvan het onderwerp oorspronkelijk de avonturen van dien god, weldra
+echter ook die van andere goden en helden waren. Aanvankelijk een ruw,
+kunsteloos lied, dat door de feestvierenden naar willekeur gezongen
+werd, kreeg het zijn eigenaardigen vorm door Arion, die het in strophen
+en antistrophen verdeelde en door koren liet voordragen. Sedert dien
+tijd bereikte de dithyrambische poëzie een hoogen trap van bloei, en te
+Athene dongen bij de Dionysusfeesten de beroemdste lyrische dichters
+in den dithyramben-wedstrijd mede naar den prijs. Het tijdperk van
+haar verval begint op het einde der 5de eeuw; eerst kreeg de muziek
+de overhand over de poëzie, daarna verwaarloosde men meer en meer
+alle regelen der kunst, totdat men zich geheel liet leiden door
+een teugellooze fantasie, die, zoowel dichterlijk als muzikaal,
+niets anders voortbracht dan gezwollen bombast. In overeenstemming
+hiermede werd de antistrophische vorm van de liederen opgegeven,
+en werd de voordracht het werk van enkele virtuozen.
+
+Dium, Dion, 1) stad op de landtong Acte in Chalcidice, met een
+gemengde bevolking.--2) stad in het N. van Euboea.--3) stad aan den
+voet van den Olympus en aan de Thermaeische golf, in het macedonische
+landschap Piëria, met een beroemden tempel van Zeus. Hier waren
+de ruiterstandbeelden opgericht, die de beeldhouwer Lysippus had
+gegoten ter eere van de gesneuvelden aan den Granicus. Later werden
+deze beelden naar Rome overgebracht.--4) kaap op de N. kust van Creta.
+
+Dius Fidius, god der trouw, ook Semo Sancus geheeten, als eedformule
+me Dius Fidius sc. iuvet. Dius Fidius = Jupiter Fidius, grieksch
+Zeus Pistios. Hij had al in de 5de eeuw (sedert 466) een tempel op
+den Quirinalis, en later ook een op het Tiber-eiland. Zie ook Fides.
+
+Divico, aanvoerder der Helvetiërs in den oorlog van 107, toen het
+rom. leger onder L. Cassius Longinus verslagen werd en onder het
+juk moest doorgaan. Hij werd in 58 als gezant tot Caesar gezonden,
+en sloeg toen een hoogen toon aan.
+
+Divinatio, de kunst of gaaf, om uit gezochte of ongezochte teekenen
+den wil der goden uit te vorschen of door goddelijke ingeving
+de toekomst te voorspellen. Zie voor de Rom. de artikels auguria,
+haruspices en extispicium, voor de Grieken manteia. Divinatio is ook
+bij een strafproces dat gedeelte van het proces, waarbij door gissing,
+d.w.z. zonder getuigenverhoor door de rechters bepaald moet worden,
+wie aanklager zal zijn. Ook de redevoeringen van de advocaten heeten
+divinatio. Zie Caecilii no. 30.
+
+Divisio orbis terrarum, is de titel van een klein boekje over
+geographie aan het einde van de 4de eeuw n. C., evenals de Dimensuratio
+imperii uitgegeven naar oudere bronnen, waarschijnlijk de wereldkaart
+van Agrippa.
+
+Divisor, iemand, die zich belastte met het uitdeelen van geld en het
+koopen van stemmen voor dezen of genen candidaat bij de verkiezingen;
+men zou kunnen zeggen: een makelaar in stemmen.
+
+Divitiacus, een van de hoofdpersonen bij de Aeduërs, bevriend met
+Caesar. Zijn jongere broeder Dumnorix, die den Rom. vijandig was, had
+hem in macht en aanzien een tijdlang overvleugeld; Caesar herstelde
+hem weder in zijne macht. Uit naam van verschillende gallische staten
+verzocht hij Caesar, hen te verlossen van de drukkende overheersching
+van den Germaan Ariovistus.--Ook wordt nog een Divitiacus, koning der
+Suessionen, bij Caesar als een machtig vorst vermeld, evenwel zonder
+nadere bijzonderheden.
+
+Divodurum, stad der Mediomatrici, aan de Mosella (Moezel), thans Metz.
+
+Divona, stad der Cadurci in Aquitania, thans Cahors.
+
+Divortium, echtscheiding. Bij de Rom. moest de ontbinding van het
+huwelijk plaats grijpen overeenkomstig den vorm, waaronder het
+gesloten was. Een huwelijk per confarreationem, oorspronkelijk
+misschien onontbindbaar, werd ontbonden door diffarreatio (eerst
+sedert den keizertijd); een huwelijk per aes et libram (coëmptio)
+werd door remancipatio per aes et libram te niet gedaan; een huwelijk
+zonder eenigen omslag gesloten, kon door eene eenvoudige mondelinge
+of schriftelijke opzegging verbroken worden. De man zeide: tu tuas
+res tibi habeto, foras exi; de vrouw: tu tuas res tibi habeto, redde
+meas. Naarmate de laatstgenoemde soort van huwelijken meer in zwang
+kwam, hadden ook de echtscheidingen menigvuldiger en lichtvaardiger
+plaats. Zie repudium.
+
+Divus, de titel van gestorven keizers na de consecratio. Zie
+Apotheosis.
+
+Diyllus, Diyllos, Athener, schreef een vervolg op de geschiedenis
+van Ephorus tot 298. Hij leefde in de 3de eeuw.
+
+Doberus, Doberos, aanzienlijke stad in het macedonische gewest Paeonia.
+
+Dobreta (Dobretae), stad in Dacia, aan den linker-oever van de Donau,
+ten O. van de IJzeren Poort, tgw. Turn Severin. De stad bestond reeds
+tijdens de Flavische Keizers.
+
+Dodecaschoenus, Dodekaschoinos, landstreek langs den Nijl, ter lengte
+van 12 schoeni = 133 kilometer. Waarschijnlijk is dit het gebied in
+den omtrek van de laatste katarrakt van den Nijl, tusschen Syene en
+Philae. De veronderstelling, dat hiermede Nubia Inferior bedoeld wordt
+(z. Napata), schijnt onjuist te zijn.
+
+Dodona, Dodone, oude stad in Epirus in het landschap Thesprotia,
+met een orakel van Zeus, het oudste van Griekenland. De tempel stond
+aan den voet van den berg Tomarus; de uitspraken van het orakel
+werden opgemaakt uit het ruischen der bladeren van heilige eiken in
+een aangrenzend bosch en uit het gekletter van bekkens, die in de
+boomen hingen. Dit geschiedde door priesters, Selloi of Helloi, die
+met ongewasschen voeten den tempel betraden, en door priesteressen,
+Peleiades, genoemd.
+
+Dodrans = 9 unciae = 3/4 as.
+
+Dokimasia, in het algemeen onderzoek, in het bizonder het onderzoek
+naar iemands bevoegdheid om eene bepaalde plaats in den staat in te
+nemen, waarop hij aanspraak maakt, bijv. om als burger ingeschreven te
+worden, als redenaar in de volksvergadering op te treden, enz. Vooral
+belangrijk was te Athene het onderzoek naar hen, die als overheden
+of leden van den raad verkozen waren, waarbij gevraagd werd of de
+verkozene aan alle door de wet gestelde voorwaarden voldeed, en of
+hij door zijn vroeger leven de hem toegekende eer waardig was.
+
+Dolabella, familienaam in de gens Cornelia, z. Cornelii no. 35-38.
+
+Doliche, Doliche, 1) stad in Commagene ten W. van Zeugma, met warme
+baden en een tempel van Zeus Dolichenos, Jupiter Dolichenus, een
+aziatische godheid, waarvan de dienst vooral sedert de inlijving
+van Commagene (71 n. C.), over het geheele Westen, en voornamelijk,
+evenals die van Mithras, onder de soldaten sterk verbreid was. De
+dienst werd zeer door de keizers begunstigd.--2) stad in het
+thessalische gewest Perrhaebia ten N. van Oloösson.--3) = Dulichium,
+een der Echinadische eilanden aan den mond van den Achelous.--4)
+oude naam voor het eiland Icarus.
+
+Dolichos, de wedloop in de lange renbaan, eene uitgestrektheid van
+7, 12, 20 of 24 stadiën. Hij die aan zulk een wedloop deelneemt,
+heet dolichodromos.
+
+Dolon, Dolon, Trojaan, zoon van Eumedes, die als verspieder naar
+het leger der Grieken ging, maar op weg door Diomedes en Odysseus
+aangehouden werd; nadat hij medegedeeld had, welke toerustingen de
+Trojanen gemaakt hadden, werd hij door de beide Grieken gedood.
+
+Dolonci, Dolonkoi, een thracisch volk, naam van de niet-Grieksche
+bevolking van de thracische Chersonesus.
+
+Dolopes, Dolopes, machtige volksstam, waarvan het gebied tusschen
+Thessalia, Epirus en Aetolia lag ingesloten en die deel nam aan den
+oorlog tegen Troje. Een tak van hen bewoonde het eiland Scyrus.
+
+Dolus, als rechtsterm, onrecht, wederrechtelijke handeling, dolus malus
+geheeten, wanneer er opzettelijk bedrog wordt gepleegd. Daar dit in
+den regel het geval is, staat dolus alleen meestal in de beteekenis
+dolus malus. Beroemd is de omschrijving, die de praetor C. Aquillius
+Gallus, tijdgenoot van Cicero er van gaf: si aliud simulatum esset,
+aliud actum. Dolum praestare beteekent: schadevergoeding geven wegens
+gepleegd bedrog. In crimineele zaken is dolus malus minder de handeling
+zelve, dan wel het voorbedacht opzet daartoe.
+
+Dominium, eigendom en eigendomsrecht. Volgens streng rom. recht kon
+alleen hij zijn eigendomsrecht doen gelden, die het commercium had en
+op eene door de wetten erkende wijze den eigendom had verkregen. Het
+ius gentium, of, beter gezegd, het peregrinenrecht, dat te Rome
+aldus werd genoemd, erkende echter voor niet-burgers ook andere,
+niet streng civielrechtelijke wijzen om iets te verwerven. Nu ging
+het echter niet aan, den civis achter te stellen bij den peregrinus
+en zoo ontwikkelde zich uit het praetorische recht de leer van
+quiritarischen en bonitarischen eigendom. Tot de res mancipi b.v.,
+dat is tot zulke zaken, die formeel ten overstaan van getuigen per
+aes et libram moesten worden overgedragen, behoorden niet slechts
+grondbezittingen op italischen bodem, maar o.a. ook slaven en last- en
+trekdieren. Wanneer nu zulke een res eenvoudig door overgave, traditio,
+in andere handen was overgegaan, dan gaf dit voor den verkrijger geen
+dominium ex iure Quiritium; doch de praetor kon toch het bezit als
+geldig erkennen; dan noemde men zulk een bezit: in bonis habere.
+
+Domitia (lex) de sacerdotiis, 104, van den volkstribuun Cn. Domitius
+Ahenobarbus (zie Domitii no. 5). Deze wet bepaalde dat voor de
+verkiezing van leden der priestercollegiën 17 van de 35 tribus (minor
+pars) door het lot zouden worden aangewezen, en dat hij, die door
+deze 17 tribus was gekozen, door het college zou gecoöpteerd worden.
+
+Domitia (via), van Massilia langs de kust naar Spanje, in 120 door
+Cn. Domitius Ahenobarbus (zie Domitii no. 4) aangelegd.
+
+Domitianus (T. Flavius), jongste zoon van Vespasianus, volgde in 81
+na C. zijn broeder Titus als keizer op. Stelselmatig was hij buiten
+de regeeringszaken gehouden; toch regeerde hij de eerste twee jaren
+beter, dan men kon verwachten, toen echter werd zijne regeering, naar
+de gewone opvatting, een schrikbewind, een toonbeeld van wreedheid
+en onzinnigheid. Hij vond genot in vervolging en bloedvergieten en
+in den doodsangst zijner slachtoffers. Hij streed voorspoedig tegen
+de Chatten (82-83), en met afwisselend geluk tegen de Daci (85-86
+en 87-89), die hij uit Moesia verdreef. Den ongelukkigen afloop van
+zijne oorlogen tegen de Marcomannen en Quaden, van wie hij zelfs den
+vrede moest koopen, bemantelde hij door schitterende triomftochten,
+terwijl hij zichzelf den titel van "Heer en God" toelegde. Toen hij
+in 96 ook zijne gemalin Domitia ter dood wilde laten brengen, werd
+hij met haar medeweten door eene samenzwering vermoord.
+
+Domitii, een aanzienlijk plebejisch geslacht, waarin twee hoofdtakken
+voorkomen, de Ahenobarbi en de Calvani. 1) L. Domitius zou den naam
+Ahenobarbus (koperbaard, roodbaard) gekregen hebben, omdat in 496 de
+Dioscuren (Castor en Pollux) hem de overwinning bij het meer Regillus
+hadden bericht, en tot staving hunner geloofwaardigheid zijn zwarten
+baard aangeraakt en in een rooden zouden veranderd hebben. Andere
+schrijvers vermelden dit voorval, zonder aanwijzing welke overwinning
+behaald was. De eerste Ahenobarbi komen eerst veel later voor.--2)
+Cn. Dom. Ahenobarbus, consul in 192, overwon de Bojers. In 190 streed
+hij in Asia, en had hij een groot aandeel aan den slag bij Magnesia,
+waarin L. Scipio Antiochus versloeg. Als praetor urbanus wijdde hij
+in 194 den tempel van Faunus, in 196 begonnen, zie hieromtrent ook
+Scribonii no. 2.--3) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 2 was in
+167 een der tien gezanten tot regeling der macedonische zaken.--4)
+Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 3, consul in 122, versloeg
+de Allobrogers en Averners, wien hij door zijne olifanten grooten
+schrik aanjoeg. Als censor in 115 verwijderde hij met zijn ambtgenoot
+L. Caecilius Metellus Dalmaticus 32 leden uit den senaat. Hij liet
+de via Domitia in Gallia Narbonensis, van Massilia langs de kust
+naar Spanje, aanleggen.--5) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 4,
+was als volkstribuun in 104 de maker der lex Domitia de sacerdotiis;
+uit dankbaarheid koos het volk hem tot pontifex maximus. In 96 was
+hij consul, in 92 censor met den vermaarden redenaar L. Licinius
+Crassus (Licinii no. 12). Zij vaardigden een edict uit tegen de pas
+opgerichte latijnsche rhetorenscholen.--6) L. Dom. Ahenobarbus,
+ook een zoon van no. 4, in 100 tegenstander van den volkstribuun
+L. Appuleius Saturninus, trad als praetor (98 of 97) in Sicilia
+zeer streng op tegen de slaven, consul in 94, werd later op last
+van den jongen Marius vermoord (82).--7) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon
+van no. 6, schoonzoon van L. Cornelius Cinna, vluchtte voor Sulla
+naar Africa (82) en sneuvelde daar in den strijd tegen Pompeius.--8)
+L. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 5, gehuwd met Porcia, dochter van
+Cato van Utica, onverzoenlijk tegenstander van Caesar, aediel in
+61, praetor in 58, consul in 54, trachtte Corfinium tegen Caesar
+te verdedigen, viel in diens handen, doch werd vrijgelaten en
+sneuvelde bij Pharsalus.--9) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 8,
+was bij zijn vader te Corfinium en Pharsalus. Het staat niet vast,
+of hij tot de moordenaars van Caesar behoort heeft. Wel hoorde
+hij tot hun partij. Als vlootvoogd van Brutus vernielde hij in 42
+de vloot der driemannen (z. Domitii no. 15), doch hij verzoende
+zich na den slag bij Philippi door tusschenkomst van C. Asinius
+Pollio met Antonius. Daar hij echter diens betrekking tot Cleopatra
+afkeurde, ging hij kort vóór den slag bij Actium tot Octavianus over,
+maar stierf reeds eenige dagen daarna.--10) L. Dom. Ahenobarbus,
+zoon van no. 9, schoonzoon van den drieman M. Antonius, consul in
+16, drong met een leger van Illyricum uit (7) tot over den Albis
+(Elbe). Later commandeerde hij aan den Rijn en in het N. van Germania,
+waar hij pontes longi aanlegde. Hij was een goed veldheer, doch ruw en
+gevoelloos en haatdragend.--11) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 10,
+consul in 32 na C., gehuwd met Germanicus' dochter Agrippina, was de
+vader van keizer Nero, die oorspronkelijk L. Domitius Ahenobarbus
+heette, zie Nero.--12) Domitia, dochter van no. 10, gehuwd met
+Passienus Crispus, werd door Nero, toen zij reeds hoogbejaard was,
+vergiftigd, opdat hij zich haar vermogen zou kunnen toeëigenen.--13)
+Domitia Lepida, ook eene dochter van no. 10, moeder van de beruchte
+keizerin Valeria Messalina, werd op aanstoken van Agrippina omgebracht
+(54).--14) Cn. Dom. Calvinus Maximus, consul in 283, streed met zijn
+ambtgenoot P. Cornelius Dolabella tegen de Senonen. In 280 was hij
+de eerste censor uit de plebs.--15) Cn. Dom. Calvinus, als tribunus
+plebis in 59 tegenstander van Caesar; na vele knoeierijen werd hij,
+na een interregnum van een half jaar, in 53 consul, daarna was hij
+aanhanger van Caesar en voerde in den slag bij Pharsalus het centrum
+van diens leger aan. Later (42) zag hij als admiraal der driemannen
+zijne vloot in de ionische zee door die van Cn. Dom. Ahenob. (no. 9)
+vernielen. Later (van 39-36) streed hij als stadhouder in Hispania. Na
+zijn terugkeer triumfeerde hij, en herstelde de door brand vernielde
+regia, aan wier muren hij in marmer lijsten liet aanbrengen van alle
+consuls en van alle triumfen, de zoogenaamde Fasti Capitolini. Zie
+Fasti no. 2.--16) Cn. Dom. Corbulo, uitstekend veldheer onder Claudius
+en Nero, beroemd door zijne overwinningen op de Friezen en Chauken
+(47 n. C.), de Armeniërs en de Parthen (55-66), door zijne zeldzame
+rechtschapenheid en zijne ongehoorde reuzenkracht. Uit ijverzucht
+zond Nero hem zijn doodvonnis toe in Griekenland, waar hij zich
+vrijwillig het leven benam. De fossa Corbulonis op het eiland der
+Batavieren, waarschijnlijk de Vliet, verbond Maas en Rijn. Corbulo
+heeft ook gedenkschriften nagelaten, die echter verloren zijn.--17)
+Domitia Longina, dochter van no. 16, gemalin van keizer Domitianus,
+was eene schoone vrouw, doch niet van onberispelijke levenswijze. Zij
+had verboden omgang met den tooneelspeler Paris. Toen dit uitkwam,
+werd Paris gedood (± 82 n. C.), en zij verbannen, maar in 89 op
+verzoek van het volk teruggeroepen. Later nam zij aan de samenzwering
+tegen den keizer deel. Zij heeft haar man zeer lang overleefd. Zij
+wordt ook Domitilla geheeten.--Niet tot de gens Domitia behooren:
+18) Domitius Afer, redenaar; zie Afer.--19) Domitius Marsus, gevierd
+dichter, vriend en tijdgenoot van Vergilius en Tibullus.--20) Domitius
+Ulpianus, beroemd jurist; zie Ulpianus.--21) L. Domitius Aurelianus,
+rom. keizer; zie Aurelianus.--22) Flavia Domitia, vrijgelatene, vrouw
+van Vespasianus, doch gestorven voordat hij keizer werd, moeder van
+Titus en Domitianus.
+
+Domus. Hoewel er bij de romeinsche huizen evengoed verschil van
+inrichting bestond als in andere landen en tijden het geval is,
+komen er toch enkele vertrekken in zekere volgorde in voor, die
+in geen rom. huis van eenig aanzien ontbreken. Als type van een
+huis van matigen omvang geven wij hier den plattegrond van het
+zoogenaamde huis van Pansa te Pompeji. Met het tuintje er achter,
+dat op de teekening slechts gedeeltelijk is aangegeven, vormt het
+erf een langwerpigen vierhoek, aan alle zijden door straten omgeven
+en is dus eene insula. Aan drie zijden zijn tegen het huis kleinere
+woningen en winkeltjes gebouwd (8 en 9), waaronder een betrekkelijk
+groot huisje (9) waarin eene bakkerij werd uitgeoefend. Aan den
+ingang van het eigenlijke heerenhuis vindt men eene inspringende
+ruimte (V) vestibulum genoemd. Door de deur ianua, ostium (O) komt
+men in den gang en vervolgens in het atrium (A), in welks midden men
+het compluvium vindt (6). Ter weêrszijden van het atrium zijn eenige
+cubicula (2) en aan het einde twee zoogenaamde alae (3), alcoves,
+niet met deuren, maar met gordijnen afgesloten. In den tijd, dat
+het italiaansche huis nog een vrijstaand boerenhuis was, hadden deze
+alae vensteropeningen, waardoor het licht binnen kwam. Toen het huis
+als stadshuis werd ingebouwd, vervielen deze vensters, en was men
+verplicht de kleine dakopening van het atrium, het latere compluvium,
+die oorspronkelijk vooral voor het uitlaten van den rook gediend had,
+grooter te maken, waardoor het vertrek ten minste in den winter voor
+bewoning minder doelmatig werd. Zie ook atrium. Achter het atrium is
+het tablinum (T), en daarnaast een vertrek (1), dat hier vermoedelijk
+tot bibliotheek diende. Een gang (5) leidt van het atrium naar de
+binnenplaats (cavaedium) of peristylium (C of P), waarvan de 4 zijden
+overdekt waren, terwijl het dak, om het regenwaterbekken, door zestien
+zuilen wordt geschraagd. Rechts is eene eetzaal, triclinium (Tr.),
+achteraan eene pronkzaal, oecus, door een gang (5) van de keuken,
+culina, gescheiden, en geheel achteraan eene galerij of verandah (7),
+die toegang gaf tot het viridarium of tuintje. Het rom. huis was als
+het ware in zich zelf gekeerd, zonder vensters aan de straatzijde,
+althans voor zoover de benedenverdieping betreft. Bij een groot getal
+vertrekken had men dus meer dan één binnenhof noodig, hetzij dan
+eene eenvoudige binnenplaats (cavaedium) of eene zuilengaanderij
+(peristylium, porticus). De tweede afbeelding hierbij toont een
+oud pompejaansch huis van buiten; waarbij vooral de inrichting
+van het compluvium duidelijk zichtbaar is. De huizen hadden ook
+bovenverdiepingen, waarvan de vertrekken evenwel slechts klein konden
+zijn, daar boven het atrium geen vertrek kon zijn. Over het grieksche
+huis zie men het artikel oikia, over de tegenstelling tusschen insula
+en domus het artikel insula.
+
+Donatistae, een sekte van Christenen, die zich in de vierde eeuw in
+Afrika heeft afgescheiden, en genoemd is naar een zekeren bisschop
+Donatus, zie ook Circumcelliones.
+
+Donatus (Aelius), rom. taalgeleerde (± 350 na C.), wiens latijnsche
+spraakleer in de middeleeuwen nagenoeg de eenige grondslag
+der latijnsche taalstudie was. Wij bezitten van hem ook nog een
+belangrijken commentaar op de blijspelen van Terentius, behalve op
+den Heautontimorumenos, en talrijke aanhalingen (bij Servius) op de
+Georgica en de Aeneis van Virgilius.
+
+Donatus (Tib. Claudius), rom. taalgeleerde (± 400 na C.), moet niet
+met den vorigen verward worden. Hij leverde eene levensbeschrijving
+van Vergilius. Bovendien zijn er eenige fragmenten over van een
+commentaar op Vergilius.
+
+Donusa, -sia, Donousia, eilandje in de Aegaeische zee, nabij en
+ten O. van Naxos, viridis genoemd om de groene marmersoort, die er
+gevonden werd. Onder de keizers diende Donusa tot strafkolonie voor
+gedeporteerden.
+
+Dora, ta Dora, Doros, havenstad en vesting op de kust van Palaestina,
+nabij den berg Carmel.
+
+Dores, Dories, een van de vier hoofdstammen der Grieken. In zeer oude
+tijden in Thessalië woonachtig, trokken zij omstreeks 1000 uit hun
+zoogenaamd stamland Doris naar de Peloponnesus, die zij grootendeels
+veroverden en van waar zij de bevolking verdreven. Van daar zonden zij
+koloniën uit naar Creta, Azië (z. Doris no. 2), Italië en Sicilië. De
+Doriërs onderscheiden zich door vele eigenaardige gebruiken van de
+overige Grieken.
+
+Dorieus, Dorieus, 1) zoon van Anaxandridas. Toen zijn broeder
+Cleomenes, dien hij voor de regeering ongeschikt achtte, zijn vader
+opvolgde (520), ging D. naar Libye om daar eene volkplanting te
+stichten; hij werd echter van daar verdreven, ging naar het westen van
+Sicilië (de streek bij den Eryx) en sneuvelde in een gevecht tegen de
+Carthagers (500). Uit den tijd, waarin deze gebeurtenissen voorvallen,
+blijkt reeds, dat Dorieus niet onmiddellijk na de troonsbestijging
+van zijn broeder de expedities ondernomen heeft. V. s. had Dorieus de
+inwoners van Croton bij de verwoesting van Sybaris (510) geholpen; deze
+meening is onjuist.--2) zoon van Diagoras van Rhodus, overwinnaar bij
+alle groote grieksche spelen. In den peloponnesischen oorlog streed hij
+in spartaanschen dienst; hij werd door de Atheners gevangen genomen,
+maar wegens zijn groote beroemdheid vrijgelaten (407).
+
+Doris, Doris, dochter van Oceanus en Tethys, gemalin van Nereus,
+moeder der Nereïden of Doriden; ook eene van de Nereïden.
+
+Doris, Doris, 1) klein, onbeduidend landje in Midden-Griekenland,
+alleen belangrijk, omdat de peloponnesische Doriërs het als hun
+stamland beschouwden. Oorspronkelijk hadden hier Dryopes gewoond, maar
+dezen waren door de Doriërs op hun tocht naar het Zuiden verdreven. Het
+land had 4 stadjes, Pindus, Erineüs, Cytinium en Boeum, de dorische
+tetrapolis genoemd.--2) kustland van Caria, in het Z.W. van Voor-Azië,
+waartoe ook de eilanden Cos en Rhodus en enkele kleinere behoorden. De
+steden Halicarnassus en Cnidus op het vasteland, Cos op het eiland
+Cos en de drie rhodische steden Lindus, Ialysus en Camirus maakten
+de dorische hexapolis uit. De bondsvergaderingen werden gehouden
+bij het triopische heiligdom van Apollo en Demeter, op kaap Triopium
+bij Cnidus.
+
+Doriscus, Doriskos, stad op de thracische kust aan den mond van den
+Hebrus (Maritza), in eene vlakte van gelijken naam gelegen.
+
+Dorpia, de eerste dag der Apaturia.
+
+Dorpon, avondmaal, oudtijds laat in den namiddag gebruikt. Toen
+in lateren tijd het middagmaal (deipnon) later en later gebruikt
+werd, werd ook de tijd van het avondmaal meer en meer verschoven,
+en eindelijk verviel het geheel en al.
+
+Dorus, Doros, zoon van Hellen en Orseis, of van Apollo en Phthia,
+of van Poseidon, mythisch stamvader der Doriërs.
+
+Dorylaeum, Dorylaion, stad met warme bronnen in Phrygia, belangrijk
+kruispunt van verschillende groote wegen, aan de rivier Thymbris.
+
+Dos, bruidschat. Bij Grieken en Romeinen was het gebruikelijk, dat
+de vader of de familie der bruid haar naar stand en vermogen eene
+passende huwelijksgift medegaven. Hoewel de man het beheer had over
+en het vruchtgebruik van het vermogen zijner vrouw, mocht hij dit
+toch niet vervreemden. Er konden toch bij overlijden of echtscheiding
+gevallen voorkomen, dat de dos geheel of gedeeltelijk moest worden
+teruggegeven aan de vrouw of hare familie. In grieksche staten was
+dit regel. Retentio propter liberos werd gezegd, wanneer de man bij
+scheiding een gedeelte van den bruidschat voor de kinderen behield,
+propter mores, wanneer de vrouw door een minder passend gedrag
+aanleiding tot scheiding had gegeven. Processen over de teruggave
+van een bruidschat waren actiones rei uxoriae of de dote. Daar ieder
+geval op zich zelf moest beoordeeld worden, behoorden zij tot de
+actiones bonae fidei. Wat de vrouw uit het familiegoed medebracht,
+was dos profecticia, wat er verder bijkwam, adventicia.
+
+Dositheus Magister, schrijver eener latijnsche grammatica met
+latijnsch-grieksche woordenlijst en vertaaloefeningen, leefde in de
+vierde eeuw na C.
+
+Dossennus, een soort harlekijn in de fabulae Atellanae.
+
+Dotium, Dotion, stad en vlakte in Thessalia aan het meer Boebeis.
+
+Douleia, slavernij, de toestand waarin iemand verkeert, die,
+hetzij door geboorte uit ouders, die slaven zijn, hetzij door
+krijgsgevangenschap, hetzij door verkoop, zijne persoonlijke vrijheid
+en dus ook alle burgerlijke rechten miste. De slaven der Grieken waren
+oorspronkelijk allen barbaren, terwijl men zich omgekeerd verplicht
+rekende, Grieken vrij te koopen, die in slavernij geraakt waren. Hoewel
+de slaaf volstrekt als het eigendom van zijn heer beschouwd werd,
+stelden toch wet en gebruik, ten minste te Athene, aan de willekeur
+van den heer eenige grenzen; wie een slaaf doodde, moest zich voor het
+gerecht verantwoorden. Het groote aantal slaven (in sommige staten
+veel grooter dan dat der vrijen) maakte het misschien raadzaam hen
+niet door harde behandeling tot tegenweer te noodzaken. Particulieren
+gebruikten hunne slaven niet alleen voor persoonlijke diensten, maar
+lieten hen dikwijls ook min of meer zelfstandig als landbouwers,
+handwerkslieden of fabrieksarbeiders werken, en lieten hen soms
+tegen eene vooraf vastgestelde vaste betaling (apophora) hun loon
+of winsten behouden. Ook de staat had slaven (demosioi), die deels
+politiediensten verrichtten, deels bij sommige magistraten als
+dienaars geplaatst werden. Als aanklager kon een slaaf niet optreden,
+ook mochten zij geen getuigen zijn, hoewel aan hunne verklaringen,
+op de pijnbank afgelegd, groote waarde gehecht werd. Aangeklaagd
+konden zij waarschijnlijk niet worden wegens handelingen, die zij
+op bevel van hunne heeren verricht hadden. De vrijheid konden zij
+terug krijgen door zich los te koopen, of door beschikking van hunne
+heeren, dikwijls bij testament, soms ook van staatswege, wanneer
+zij vrijwillig in den oorlog medegestreden en zich onderscheiden,
+of wanneer zij zware misdaden aangebracht hadden. De vrijgelatene
+(apeleutheros) was echter niet van alle verplichtingen tegenover zijn
+vroegeren heer (prostates) ontslagen, z. apostasiou graphe.
+
+Drabescus, Drabeskos, stad in het macedonische gewest Edonis, aan
+een oostelijken zijtak van den Strymon.
+
+Drachma, drachme, de meest gebruikelijke zilveren munt der Grieken,
+het 6000ste deel van een talent, ongeveer f 0,45.
+
+Draco, Drakon, 1) archont en eerste wetgever der Atheners (621). Hoewel
+zijne staatsregeling de bevoorrechte positie van den adel veel
+verminderde, door het recht op het bekleeden van vele ambten aan
+grondeigendom te verbinden, was dit, bij de algemeene verarming en
+het drukkende schuldrecht, niet voldoende om een einde te maken aan de
+heerschende ontevredenheid en de daardoor ontstane burgertwisten. Van
+zijne wetten werden in de wetgeving van Solon alleen de strafbepalingen
+tegen moord overgenomen.--2) van Stratonicea, schrijver van vele
+grieksche werken over grammatica en metriek, waarvan slechts een
+uittreksel bewaard is; hij leefde in de 2e eeuw n. C.
+
+Draco, Drakon, Anguis, Serpens, het sterrenbeeld de draak, v. s. de
+draak, die de appelen der Hesperiden bewaakt had, v. a. de Python,
+of de door Cadmus gedoode draak. Zie ook Anguis als veldteeken.
+
+Draconarius, soldaat, die den draco draagt.
+
+Drangiane, Drangiane, gewest van het perzische rijk, in het midden van
+Ariana. De bewoners heeten Zarangai (bij Herodotus Sarangeis), waarvan
+de Grieken Drangai hebben gemaakt. Bij Herod. komen de Sarangers in
+het perzische leger voor met eene soort van waterlaarzen. Hun land was
+laag en moerassig. In het zuidelijk deel woonden de Ariaspae (z. a.).
+
+Draudacum, sterkte van de Penesten in Illyris graeca.
+
+Dravus, Drabos, zijtak van den Donau in Noricum en Pannonia, thans
+Drave of Drau.
+
+Drepanum, -a, Drepanon, ta Drepana, naam van meer dan ééne stad en
+kaap, wegens de sikkelvormige ligging. O. a.: kaap op de N. kust van
+Creta, kaap van de Peloponnesus nabij de invaart der corinthische
+golf; stad en kaap op de N.W. kust van Sicilia, door den Carthager
+Hamilcar gesticht als ligplaats der vloot, thans Trapani. Vergilius
+laat Anchises hier sterven.
+
+Drepsa, Drepsa, ta Drapsaka, sterke stad in Bactriana, aan de N.-zijde
+van den Paropanisus.
+
+Drilae, Drilai, colchisch bergvolk in N.O. Pontus, nabij de stad
+Trapezus.
+
+Drilon, Drilon, of Drinius, thans Drin, in zijn benedenloop grensrivier
+tusschen Illyris graeca en Illyris barbara (Dalmatia).
+
+Dromos, ook stadion, de renbaan in een grieksch gymnasium, een stadium
+lang.--Op Creta werden de jongelingen, wanneer zij den leeftijd
+bereikt hadden, waarop het hun geoorloofd was aan de oefeningen in
+de gymnasia deel te nemen, dromoi of dromes genoemd.
+
+Dropici, Dropikoi, perzische nomadenstam.
+
+Druentia, rivier in Gallia Narbonensis, valt bij Avenio (Avignon)
+in den Rhodanus (Rhône); thans Durance.
+
+Druidae, Druides, Druidai, priesterschap bij de keltische bevolking
+van Britannia en Gallia. Zij maakten den voornaamsten stand uit en
+waren vrij van staatslasten; vandaar dat vele jongelingen, ook uit
+den adel, onder de Druïden zochten te worden opgenomen. Hunne leer,
+die godsdienst, rechtsgeleerdheid, genees-, natuur- en sterrenkunde
+omvatte, alles in een mystiek gewaad gehuld, mocht niet in schrift
+gebracht worden, zoodat het onderricht alleen mondeling was en
+nieuwelingen soms een twintigtal jaren noodig hadden om in alles te
+worden ingewijd. Éénmaal 's jaars hielden de gallische Druïden eene
+plechtige samenkomst in het gebied der Carnuten, dat voor het midden
+van Gallia werd gehouden. Dáár spraken zij recht tusschen twistende
+partijen en zelfs tusschen staten en volken. Zij, die door hen in den
+ban waren gedaan, waren overal van alle gemeenschap uitgesloten. Toen
+de rom. beschaving den ouden keltischen eeredienst verdrong, ging
+ook het aanzien der Druïden verloren. Door Keizer Claudius werd hun
+eeredienst geheel verboden. Later werd die ook in Britannia uitgeroeid
+door de verovering van het eiland Mona (Anglesey), waar die eeredienst
+gevestigd was.
+
+Drusiana fossa, zie Fossa.
+
+Drusilla, 1) Livia Drusilla, derde vrouw van Augustus en moeder
+van Tiberius. Zie Livii no. 8.--2) Drusilla, dochter van Germanicus
+en Agrippina (zie Julii onder e) en dus eene zuster van Caligula,
+gehuwd met zekeren Aemilius Lepidus, leidde een ontuchtig leven met
+haren broeder en werd door dezen na haar dood (38 n. C.) onder den
+naam Panthea onder de godinnen opgenomen.--3) Drusilla, dochter van
+den joodschen koning Herodes Agrippa, gehuwd met Antonius Felix,
+procurator van Judaea.
+
+Drusus, familienaam in de gens Claudia (Claudii no. 26) en de gens
+Livia (Livii no. 2-5, 8, 9).
+
+Dryades, Hamadryades, Dryades, Hamadryades, boomnimfen; men meende
+dat iedere boom zijn eigen nimf had, goddelijke wezens, die echter
+stierven met den boom, dien zij onder hunne bescherming hadden.
+
+Dryantides, Lycurgus, koning van Thracië, zoon van Dryas.
+
+Dryas, Dryas, 1) een van hen, die naar de hand dongen van Pallene,
+en dus, volgens besluit van haar vader, met zijne mededingers om
+haar bezit moest worstelen. Toen hij alleen met Clitus overbleef,
+liet zijn wagenmenner zich door Pallene, die Clitus beminde, omkoopen
+om zijn wagen gedurende den strijd te laten omvallen, zoodat D. door
+zijn tegenstander gedood werd.--2) zoon van den thracischen koning
+Lycurgus, werd door zijn vader, die door Dionysus met waanzin geslagen
+was, gedood.
+
+Drymaea, Drymaia, stad in Phocis ten N. van den Cephisus, met een
+tempel van Demeter Thesmophoros.
+
+Drymus, Drymos of Drymos, sterkte in Attica op de grenzen van Boeotia.
+
+Drymussa, Drymoussa, eiland in de Hermaeische golf, op de kust
+van Ionia.
+
+Dryope, Dryope, dochter van Dryops of van Eurytus, werd bij Apollo
+moeder van Amphissus, en huwde later met Andraemon. Eens plukte zij
+een lotusbloem, die oorspronkelijk de nimf Lotis geweest was, waarop
+zij zelve in zulk een plant veranderd werd.
+
+Dryopes, Dryopes, een oude grieksche volksstam, die oorspronkelijk
+aan den Oeta bij Malis woonde. Later verspreiden zij zich, en vindt
+men hen in Zuid-Euboea (steden: Carystus en Styra), op het eiland
+Cythnus ten Z. van Attica, verder in Argolis (Hermione, Eion, Asine,
+Nemea), later te Asine in Messenia, en elders.
+
+Dryops, Dryops, zoon van Spercheus en Polydora of van Apollo en
+Dia, stamvader der Dryopes. Ook de inwoners van Asine in Messenië
+beschouwden hem als hun stamvader en vierden hem ter eere om het
+andere jaar een feest.
+
+Dubis, thans Doubs, zijtak van den Arar (Saône), stroomt langs Vesontio
+(Besançon).
+
+Dubius Avitus, legatus van Germania Inferior, overwon in 50 n. C. de
+Friezen.
+
+Dubris portus, thans Dover, havenstad der Cantii op de Zuidoostkust
+van Britannia.
+
+Ducenarius. Dit woord komt in verschillende beteekenissen voor, die
+alle met het getal 200 samenhangen, als: een hoofdman over 200 man;
+een rechter uit hen gekozen, wier vermogen slechts 200000 sestertiën
+bedroeg; zij vormden sedert Augustus de 4de decuria van rechters (zie
+iudex aan het slot); een keizerlijke procurator in de provinciën met
+eene jaarwedde van 200000 sestertiën.
+
+Ducetius, Douketios, een Siciliër, die in 461 zich aan het hoofd der
+inboorlingen van het eiland stelde om hen van de heerschappij der
+grieksche steden te bevrijden. Hij werd door de Syracusanen in 450
+verslagen en naar Corinthe verbannen. Later keerde hij met kolonisten
+naar Sicilia terug, en woonde te Cale Acte, tot hij in 440 stierf.
+
+Duilia (lex) van den volkstribuun M. Duillius, 449, dat al wie voortaan
+de plebs zonder tribunen zou laten, of een overheidsambt zonder
+beroep op het volk zou in het leven roepen, gegeeseld en ter dood
+gebracht zou worden. Aan het bestaan van deze wet wordt getwijfeld,
+zie Duilii no. 1.
+
+Duilia Maenia (Menenia) (lex), 357. Zie fenus.
+
+Duilii, ook Duellii en Duillii geschreven, plebejisch geslacht. 1)
+M. Duillius, een van de 4 volkstribunen, die in 471 volgens de lex
+Publilia Voleronis door de plebs tributim gekozen werden. Het verhaal,
+dat hij ook in 449 volkstribuun geweest is, en toen, als een wakker
+en verstandig voorvechter voor de rechten der plebejers, toen de
+tienmannen hunne macht misbruikten, de plebs tot eene secessio zou
+bewogen hebben, is geheel verzonnen. Ook het bericht, dat op zijn
+voorstel, na den zelfmoord van App. Claudius Crassus Inregillensis
+Sabinus en Sp. Oppius Cornicen, aan de overige tienmannen, onder wie
+ook een K. Duillius Longus voorkomt, amnestie verleend zou zijn,
+verdient geen vertrouwen. Zie ook Duilia (lex). Volgens een ander
+bericht zijn de overgebleven tienmannen verbannen, en hun goederen
+verbeurd verklaard.--2) C. Duillius, consul 260, de bekende Romein, die
+door middel van enterbruggen (corvi) bij Mylae de eerste overwinning
+ter zee op de Carthagers behaalde, welk feit door de oprichting der
+columna rostrata vereeuwigd werd. In 258 was hij censor, terwijl hij
+levenslang het eerbewijs verkreeg, om, wanneer hij van een feestmaal
+huiswaarts keerde, zich door een fakkeldrager en een fluitspeler te
+doen vergezellen.
+
+Dulgubini, een germaansche stam, ten W. van den Visurgis (Weser).
+
+Dulichium, Doulichion, het grootste der Echinadische eilanden aan
+den mond van den Achelous. Het behoorde tot het gebied van Odysseus,
+die daarom dichterlijk ook wel Dulichius wordt genoemd.
+
+Dymanes, een van de drie dorische phylae, zoo genoemd naar Dymas.
+
+Dumnorix, hoofdman der Aeduërs, broeder van Divitiacus (zie
+aldaar). Toen Caesar op het punt stond voor de tweede maal naar
+Britannia over te steken, en Dumnorix, dien hij wantrouwde, wilde
+medenemen, trachtte deze te ontvluchten, doch werd door Caesars
+ruiterij, die hem achterhaalde, gedood.
+
+Duoviri = Duumviri.
+
+Dupondius, eene munt ter waarde van 2 as.
+
+Dura, ta Doura, stad in Mesopotamia, aan den Euphraat, ten Z. van
+Circesium.
+
+Duris, Douris, 1) beroemd Attisch schilder van vazen in streng
+roodfigurigen stijl, uit het begin van de 5 eeuw.--2) van Samus,
+grieksch geschiedschrijver omstreeks 250, die door latere schrijvers
+dikwijls aangehaald wordt, ofschoon men hem niet algemeen voor
+geloofwaardig hield.
+
+Durius, Dourios, rivier in Hispania, grensscheiding tusschen Lusitania
+en Gallaecia (Tarraconensis), thans Douro.
+
+Durocortorum, hoofdstad der Remers in Gallia, thans Reims.
+
+Duronia, stad in Samnium, nabij de bergengte van Caudium.
+
+Durostorum, vesting aan den Donau in Moesia Inferior, t.g.w. Silistria.
+
+Duumviri. 1) Duumviri perduellioni iudicandae waren in den
+rom. koningstijd rechters, die in 's koningsnaam recht spraken in
+zaken van perduellio of hoogverraad. In het republikeinsche tijdperk
+vinden wij deze duumviri nog eene enkele maal, o. a. in het proces
+van Rabirius, door den praetor bij het lot aangewezen.--2) Duumviri
+sacris faciundis, belast met het toezicht en het raadplegen der
+sibyllijnsche boeken. Hun getal werd later op 10 en vervolgens op 15
+gebracht. Zie decemviri s. f.--3) Duumviri iuri (iure) dicundo. In de
+muncipiën en koloniën stonden veeltijds twee mannen aan het hoofd,
+die, evenals te Rome de consuls, voor een jaar gekozen werden. Zij
+hadden ook lictoren, doch met staven gewapend. Naast hen vindt men
+in verschillende municipia duoviri aedilicia potestate.--4) Duumviri
+viis purgandis. Het toezicht op het schoonhouden van en het onbelemmerd
+verkeer in de straten van Rome buiten de muur van Servius Tullius tot
+aan den eersten mijlpaal was opgedragen aan duumviri. Zij worden het
+eerst genoemd in de lex Julia municipalis van 45. Augustus schafte
+dit ambt af, waarschijnlijk vóór 12, en stelde toen curatores viarum
+aan. Zij behoorden tot de zoogenaamde vigintisexviri (z.a.).--5)
+Duumviri navales classi ornandae et reficiendae, buitengewone
+commissarissen, in 311 voor het eerst vermeld, tot het uitrusten
+eener vloot.--6) Duumviri aedi faciundae, reficiundae, dedicandae,
+buitengewone commissarissen voor den bouw, de herstelling of de
+wijding van een tempel.
+
+Dymae of Dyme, Dymai, Dyme, eene der 12 bondssteden van Achaia, aan de
+golf van Patras, bij de grens van Elis, later rom. kolonie. Ook eene
+stad in Thracia aan de via Egnatia, aan den benedenloop van den Hebrus.
+
+Dymantis, Hecabe, dochter van Dymas.
+
+Dymas, Dymas, 1) Phrygiër, vader van Hecabe.--2) zoon van Aegimius,
+stamvader der dorische Dymanes.
+
+Dynamene, Dynamene, eene van de Nereïden.
+
+Dyras, Dyras, riviertje in Malis, ten Z. van den Spercheus, dat
+oudtijds in de Malische golf uitliep. Nu is het een zijriviertje van
+den Spercheus.
+
+Dyrr(h)achium, Dyrrachion, thans Durazzo, bloeiende koopstad
+aan de Oostkust der Adriatische zee, door Catullus taberna Adriae
+genoemd. De overtocht dezer zee had meestal plaats tusschen Brundisium
+en Dyrrachium, vanwaar dan de via Egnatia over Thermae of Thessalonice
+naar Byzantium voerde. In de grieksche geschiedenis heet D. Epidamnus,
+doch de Rom., voor wie de laatste naam een ongunstigen klank had,
+gaven aan de stad haar oudsten naam terug. De stad was eene kolonie
+van Corcyra en Corinthe (gesticht 627); de burgeroorlog, waarin de
+aristocratie hulp van Corcyra, de volkspartij hulp van Corinthus kreeg,
+was het voorspel van den peloponnesischen oorlog.
+
+Dysaules, Dysaules, broeder van Celeüs, werd door Ion uit Eleusis
+verjaagd, en voerde te Phlius de eleusinische mysteriën in.
+
+Dysorum, Dysoron oros, gebergte, met goudmijnen, ten W. van den
+Beneden-Strymon, in Macedonia.
+
+Dyspontium, Dyspontion, stad in Pisatis, na de onderwerping van het
+landschap door de Eleërs verlaten.
+
+
+
+
+
+
+E.
+
+
+Ebora, rom. muncipium in Lusitania, ook Liberalitas Iulia genaamd,
+thans Evora.
+
+Eboracum, Eborakon, thans York, hoofdstad der Brigantes in
+Britannia. De keizers Septimius Severus en Constantius Chlorus stierven
+te York, Constantijn de Gr. werd er tot keizer uitgeroepen.
+
+Ebudae insulae, Eboudai nesoi, ten N.W. van Caledonia (Schotland),
+thans de Hebriden.
+
+Eburodunum, hoofdstad der Caturiges (z.a.).
+
+Eburones, Ebourones, germaansch volk in Belgica, dat langs de Maas
+woonde, van Namen tot Roermond, door Caesar zoo goed als uitgeroeid,
+omdat ze het romeinsche leger, dat in hun land overwinterde, bij den
+opstand van 54/53 hadden afgemaakt.
+
+Eburovices, keltisch volk in Normandië met de hoofdstad Mediolanum
+(Evreux aan de Eure), een van de vier stammen der Aulerci.
+
+Ebusus, Ebysos, thans Iviza, het grootste der Pityusen-eilanden bij
+Hispania. Ook de stad heette Ebusus. Zij werd in den tweeden punischen
+oorlog (217) door de Rom. tevergeefs bestormd.
+
+Ecbatana, ta Ekbatana, ook Agbatana, hoofdstad van Media, zomerverblijf
+der perzische en later der parthische koningen. Het was terrasgewijze
+gebouwd tegen de helling van den boschrijken Orontesberg, en door
+zeven verschillend gekleurde muren omgeven. Als stichter wordt
+Deioces genoemd.
+
+Ecdemus, Ekdemos, en Demophanes (v. a. Megalophanes), twee burgers
+van Megalopolis, leerlingen van Arcesilaus, verdreven den tyran
+Aristodemus uit hunne vaderstad, en hielpen Aratus in het verdrijven
+van Nicocles uit Sicyon. Daarna gingen zij naar Cyrene, waar zij zich
+door het geven van wijze wetten verdienstelijk maakten. Later keerden
+zij terug en wijdden zij zich aan de opvoeding van Philopoemen.
+
+Ecdicus, ekdikos, iemand, die, wanneer eene civitas in eene provincie
+in rechten optrad, die civitas voor de rechtbank vertegenwoordigde. De
+latijnsche benaming is cognitor civitatis.
+
+Ecetra, Echetra, sterke volscische stad in Latium, vermoedelijk door
+de Rom. verwoest.
+
+Echecrates, Echekrates, van Phlius, leerling van Archytas, vriend en
+misschien leermeester van Plato.
+
+Echedorus, Echeidoros, macedonische riv., die ten O. van den Axius
+in de golf van Thermae uitloopt.
+
+Echemus, Echemos, koning van Arcadië, trok als bondgenoot van Atreus
+den Doriërs bij hun inval in de Peloponnesus tegemoet, en doodde
+Hyllus.
+
+Echepolus, Echepolos, 1) Sicyoniër, die aan Agamemnon eene schoone
+merrie gaf, om zich los te koopen van de verplichting om mede naar
+Troja te gaan.--2) Trojaan, door Antilochus gedood.
+
+Echetlus, Echetlos, een heros, op bevel van een orakel door de
+Atheners vereerd sedert den slag bij Marathon, waar hij als landman
+verschenen was, met een ploegschaar vele vijanden gedood had, en na
+de overwinning verdwenen was.
+
+Echetus, Echetos, wordt in de Odyssea genoemd als een wreed koning
+van Epirus, die alle vreemdelingen mishandelde en zijn eigen dochter
+de oogen uitstak.
+
+Echidna, Echidna, dochter van Tartarus en Gaea, of van Chrysaor en
+Callirhoë, een monster, half vrouw, half slang, woonde in Cilicië,
+was bij Typhon moeder van de Chimaera, den Cerberus (Echidneus canis),
+de lernaeische hydra e. a. monsters. Zij werd door den alzienden
+Argus in den slaap gedood.--V. s. woonde zij in het land der Scythen,
+en verwekte Heracles bij haar drie zonen, van welke een de stamvader
+der scythische koningen werd.
+
+Echinades, Echinades, zeeëgel-eilanden, aan den mond van den
+Achelous vóór de kust van Acarnania gelegen, en gevormd door de sterke
+aanslibbing van den stroom. Volgens de mythe waren het nimfen geweest,
+die bij het offeren den riviergod hadden vergeten en toen met den
+grond, waarop zij stonden, waren losgescheurd en door den stroom een
+eind ver meegesleurd.
+
+Echinos, doos waarin te Athene bij een proces de bewijsstukken enz.,
+bewaard werden.
+
+Echinus, Echinos, 1) stad in Acarnania aan de Ambracische golf.--2)
+stad in het thessalische landschap Phthiotis aan de Malische golf.
+
+Echinus, echinos, de eierlijst aan het kapiteel eener zuil. Zie
+columna.
+
+Echion, Echion, 1) een der mannen, gesproten uit de door Cadmus
+gezaaide draketanden, huwde diens dochter Agave, en hielp zijn
+schoonvader bij het bouwen van Thebae.--2) zoon van Hermes en
+Antianira, beroemd om zijne snelheid in het loopen, nam deel aan
+de calydonische jacht en den tocht der Argonauten.--3) een van de
+Giganten, die den hemel bestormden; Athena veranderde hem door het
+Medusahoofd in een steen.--4) verkeerde lezing voor Aetion, z. a.
+
+Echionides, Pentheus, zoon van Echion no. 1.
+
+Echo, Echo, boeotische Oreade, die Hera met haar gesnap bezig hield,
+wanneer Zeus de nimfen bezocht. Toen deze list ontdekt werd, ontnam
+Hera haar het gebruik harer tong, zoodat zij alleen de laatste woorden
+herhalen kan van vragen, die men tot haar richt. Zij werd verliefd
+op Narcissus, en daar deze haar niet beminde, kwijnde zij weg, en
+bleef alleen hare stem over. Bij Pan was zij moeder van Iynx.
+
+Ecnomus mons, Eknomos lophos, kaap aan de Z. kust van Sicilia tusschen
+Agrigentum en Gela, waar L. Manlius Vulso in 256 de Carthagers
+verslagen heeft.
+
+Ecphantides, Ekphantides, een van de oudste dichters der oude attische
+comedie, door zijn jongeren tijdgenoot Cratinus bespot.
+
+Eculeus = equuleus.
+
+Edessa, Edessa, 1) stad in het macedonische landschap Emathia, vroeger
+Aegae, waarvan het eerst de vóórstad was.--2) stad in Osroene,
+tusschen den Euphraat en den Chaboras, ook wel Osroë of Orrhoë
+geheeten, onder de Seleuciden Antiochia Callirrhoë genoemd naar de
+talrijke nabijgelegen bronnen van den Scirtus, in den keizertijd en
+in de kruistochten weder bekend als Edessa.
+
+Edetani, Edetanoi, volk in Tarraconensis aan de tegenw. golf van
+Valencia. In hun gebied lagen de steden Valentia en Saguntum.
+
+Edictum. Elke overheid te Rome kon binnen den kring harer
+ambtsbevoegdheid verordeningen maken en afkondigen, zoowel voor
+enkele op zichzelf staande gevallen als in het algemeen geldig
+voor het geheele ambtsjaar. Zoo bevatten b.v. de edicta der aedilen
+voorschriften omtrent markt- en handelsverkeer, openbare veiligheid
+en dgl. Bepalingen, die nuttig bleken te werken, werden uit den aard
+der zaak door de opvolgers van hunne ambtsvoorgangers overgenomen. Het
+belangrijkste dezer edicten is het jaarlijksch edict van den praetor
+urbanus en in de tweede plaats van den praetor qui inter peregrinos
+ius dicebat. Zulk een edictum praetoris stond voor 's praetors woning
+op een wit houten bord of album met zwarte letters te lezen. De
+strenge bepalingen van het oud-rom. ius privatum moesten mettertijd
+in milderen geest gewijzigd en uitgebreid worden. Wat nu de eene
+praetor van den anderen overnam, werd edictum perpetuum of tralaticium
+genoemd. Bijzondere bepalingen, in den loop van het ambtsjaar door
+den praetor uitgevaardigd, heetten edicta repentina. Zoo ontstond
+naast het oude ius civile (niet in strijd daarmede, doch daarop
+gegrond) het ius praetorium of honorarium, z. a. Hiernaast wordt
+ook vermeld het edictum aedilium curulium, aan wie de beslissing
+in handelsgeschillen, en dus ook het vaststellen van de bepalingen,
+daarop betrekking hebbende, was opgedragen.
+
+Edoni, Edones, Edonoi, thracisch volk, door Philippus van Macedonia
+onderworpen. Zij woonden ten O. van den Beneden-Strymon en waren
+berucht door hun woesten Bacchusdienst; zie Myrcinus. Dichterlijk is
+Edonus = thracisch, Edonis = Bacchante.
+
+Eetion, Eetion, 1) koning van Thebe in Mysië, vader van Andromache,
+met zijne zeven zonen door Achilles gedood.--2) koning van Imbrus,
+kocht een zoon van Priamus uit de krijgsgevangenschap vrij.--3)
+vader van Cypselus.
+
+Effatum in het algemeen uitspraak, verkondiging, formulier in
+godsdienstzaken, o.a. het formulier, dat de augur uitsprak bij de
+wijding eener ruimte op aarde of aan den hemel tot templum. Vandaar
+de uitdrukking effari templum.
+
+Egeria, Aeg., Egeria, Aig., orakelgevende bronnimf, die gehuwd was met
+Numa Pompilius, en volgens wier voorschriften Numa de godsdienstige
+aangelegenheden regelde; na zijn dood vluchtte zij naar Aricia, waar
+zij van droefheid in een bron veranderde. Zij was eene beschermgodin
+van Rome en werd vooral door zwangere vrouwen aangeroepen. Zij had
+een heiligdom voor de Porta Capena en een te Aricia.
+
+Egesta, Egesta, bij de Rom. gewoonlijk Segesta, bij Vergilius Acesta
+geheeten, een oude, niet-grieksche stad op de N.W.-kust van Sicilia,
+volgens de latere sage door Trojanen gesticht. In de nabijheid vond men
+twee riviertjes, die de namen Simoïs en Scamander droegen. De strijd
+tusschen deze stad en Selinus gaf aanleiding tot den tocht der Atheners
+naar Syracusae. Egesta had de hulp der Atheners ingeroepen. Sedert
+263 was het met Rome verbonden.
+
+Egestes = Acestes.
+
+Enkaustike, zie Encaustica.
+
+Enkoimesis, incubatio, het slapen in den tempel van een droomorakel,
+waar men in den slaap door een droomgezicht antwoord meende te
+ontvangen op vragen aan het orakel gedaan.
+
+Enktesis, het bij verdrag aan de burgers van twee staten toegestane
+recht, om in elkanders grondgebied vaste goederen te hebben; ook het
+goed dat men volgens dit recht in eigendom heeft.
+
+Enkyklios paideia, agoge, het onderwijs, dat men voor beschaafden
+noodig achtte. Het omvatte in latere tijden grammatica, rhetorica,
+philosophie, rekenkunde, muziek, geometrie en astronomie.
+
+Egnatia of Gnathia, drukke havenstad in Apulia aan de via Appia nova,
+ten N. van Brundisium, met slecht water.
+
+Egnatia (via), de groote heerweg, die van Dyrrachium door Illyria,
+Macedonia en Thracia naar Byzantium liep. Van Rome reisde men langs
+den Appischen weg tot Capua, verder langs den nieuwen App. weg naar
+Brundisium, stak dan de Adriatische zee over naar Dyrrachium en
+zette den tocht langs den Egnatischen weg voort over Apollonia en
+Thessalonica. De weg is aangelegd na de onderwerping van Macedonia
+(146).
+
+Egnatii, uit Samnium. 1) Gellius Egnatius was een der aanvoerders van
+de Samnieten in de samnietische oorlogen. Hij sneuvelde in 295 in den
+slag bij Sentinum.--2) Marius Egnatius, aanvoerder der Samnieten in den
+bondgenooten-oorlog. In 90 lokte hij den rom. consul L. Julius Caesar
+in eene hinderlaag en vernietigde bijna diens geheele leger, bij den
+mons Massicus. In 89 sneuvelde hij. Na den oorlog vindt men Egnatii
+in den rom. senaat.--3) C. Egnatius Rufus, rom. ridder, door Cicero
+om zijne hulpvaardigheid geprezen.--4) M. Egnatius Rufus, zeer bemind
+bij het volk, werd op last van Octavianus als samenzweerder ter dood
+gebracht (19).--5) P. Egnatius Celer, stoisch wijsgeer uit Berytus. In
+69 n. C. werd hij door Musonius Rufus wegens zijne handelswijze jegens
+Barea Soranus (z. a.) aangeklaagd, en door den senaat veroordeeld.
+
+Egnatuleius (C.), op wiens aansporing in 44 het vierde legioen van
+Antonius tot Octavianus was overgegaan, kreeg op Cicero's voorstel
+verlof om beneden den wettigen leeftijd naar de hooge staatsambten
+te mogen dingen, maar wordt later niet meer genoemd.
+
+Eion, Eïon, havenstad van Amphipolis.--2) = Eiones.
+
+Eiones, Eïones, stadje der Dryopes in Argolis aan den Sinus Argolicus,
+vroeg verwoest.
+
+Eira = Ira.
+
+Eirenes, te Sparta jongelieden van 20 tot 30 jaar; bij spelen en
+gymnastische oefeningen hadden zij het opzicht over de agelai.
+
+Eiresione, een met wol omwonden krans van olijftakken, die, met
+bloemen en vruchten beladen, bij de Pyanepsia rondgedragen en aan den
+tempel van Apollo en ook aan particuliere huizen opgehangen werd. Ook
+het lied, dat daarbij gezongen werd en waarbij men giften verzocht,
+en in het algemeen een lied van dien inhoud.
+
+Eisangelia, een bizondere vorm van proces te Athene, die aangewend
+werd bij zware misdaden en bij zulke, die voor den staat zelf gevaar
+schenen op te leveren. De aanklager diende een klachtbrief (eisangelia)
+bij den raad of de volksvergadering in, en wanneer deze aangenomen
+werd, werd de aangeklaagde in hechtenis genomen, hoewel hij zich in
+de meeste gevallen door het stellen van drie borgen daaraan onttrekken
+kon. Wanneer de raad den aangeklaagde schuldig bevonden had, en meende
+dat de hoogste boete, die hij kon opleggen (500 drachmen), als straf
+niet toereikend was voor de misdaad, verwees hij de zaak naar de
+thesmotheten of naar het volk. Aanklachten die bij de volksvergadering
+ingekomen waren, konde zij zelve behandelen of naar de thesmotheten
+verwijzen; bij misdaden, waarvoor geen straf bij de wet bepaald
+was, werd vóór het onderzoek vastgesteld, welke straf ingeval van
+veroordeeling zoude opgelegd worden. Sedert het begin der vierde eeuw
+bepaalde de wet, op welke misdaden de eisang. kon worden toegepast;
+kort daarna werd op die misdaden de doodstraf gesteld met verbod
+van begrafenis in Attica.--De eisangelia had in sommige gevallen,
+ook indien de aangeklaagde vrijgesproken werd, geen geldelijk nadeel
+voor den aanklager ten gevolge, zooals andere processen.
+
+Eisagoges, een collegie van vijf rechters, die uitspraak deden in de
+meeste emmenoi dikai; ook worden zoo alle overheden genoemd, wanneer
+zij eene bij hen ingediende aanklacht na voorloopige instructie voor
+de rechtbank brengen.
+
+Eisiteria, offer door de leden van den raad bij het aanvaarden hunner
+betrekking gebracht. Z. exiteria.
+
+Eisphora, buitengewone belasting op het vermogen, te Athene voor het
+eerst door Pisistratus geheven, later vervangen door de phoroi, der
+bondgenooten; in den Peloponnesischen oorlog voor het eerst in 428,
+later in oorlogstijd dikwijls geheven. Wie die belasting niet betaalde,
+werd gestraft met verbeurdverklaring zijner goederen, niet met atimie,
+zooals andere schuldenaars van den staat. Zie ook symmoria.
+
+Ekecheiria, zie Olympia, ta Olympia.
+
+Ekklesia, volksvergadering. Te Athene besliste de volksvergadering over
+alle aangelegenheden van den staat, wanneer de wet daarover niet anders
+beschikt had, bijv. bij wetgeving, verkiezingen, het verklaren van
+oorlog en sluiten van vrede, enz. In elke prytanie werden vier gewone
+(tetagmenai) vergaderingen gehouden, in dringende gevallen werden
+ook buitengewone (synkletoi, proskletoi, katakletoi) vergaderingen
+beroepen. De onderwerpen, in de vergadering te behandelen, moesten door
+den voorzitter vooraf bekend gemaakt worden (prographein ekklesian);
+voor een van de gewone vergaderingen (de kyria ekkl.) waren zij bij de
+wet vastgesteld. De vergaderplaats was in de oudste tijden de markt,
+later gewoonlijk de Pnyx, nog later de schouwburg. Toegang tot de
+vergaderingen, recht om aan de discussies deel te nemen en stemrecht
+hadden alle burgers boven de 20 jaar oud, voor zoover zij niet door
+atimie dat recht verloren hadden. De voorzitter, oudtijds de epistates
+der prytanen, later die van de proedroi (z.a.), opende de vergadering
+met een offer en gebed en legde daarna de punten ter behandeling aan
+het volk voor (protithenai), die gewoonlijk begeleid werden door een
+praeadvies van den raad (probouleuma), waarover dan eerst gestemd
+werd (procheirotonia); vereenigde de vergadering zich niet daarmede,
+dan kon iedereen een voorstel doen, dat de voorzitter echter niet
+in stemming mocht brengen, wanneer het in strijd met de wet was, en
+waarvan iedereen de behandeling kon verhinderen door de verklaring,
+dat hij den voorsteller wegens de onwettigheid van het voorstel
+(paranomon) zoude aanklagen. De stemming geschiedde door het opsteken
+der handen (cheirotonein), of wanneer zij personen betrof met steentjes
+(psephizesthai, dikwijls ook algemeen voor stemmen gebruikt).--Tot de
+spartaansche volksvergadering (halia), hadden toegang alle Spartanen
+boven de 30 jaar oud en in het volle bezit van hunne burgerlijke
+rechten; in latere tijden wordt nog eene afzonderlijke vergadering
+van homoioi vermeld, ofschoon het niet blijkt in welke verhouding
+zulk eene vergadering tot de algemeene volksvergadering stond. De
+meeste staatszaken worden door de gerousia behandeld; wanneer het
+volk ter vergadering geroepen werd, had het alleen de bevoegdheid
+de voorstellen van de gerousia of van den koning aan te nemen of te
+verwerpen; veranderingen daarin te brengen of nieuwe voorstellen
+te doen was niet geoorloofd, zelfs had men om het woord te voeren
+de bizondere vergunning van den voorzitter noodig. De stemming had
+plaats door geschreeuw, en, ingeval de uitslag twijfelachtig was,
+door afzondering van voor- en tegenstemmers.
+
+Ekklesiastikon, betaling voor het bijwonen der volksvergadering te
+Athene, eerst één, later drie obolen, waarschijnlijk eerst na den
+peloponnesischen oorlog ingevoerd. Ten tijde van Aristoteles was het
+ekkl. tot een drachme verhoogd, en voor de kyria ekklesia tot 9 obolen.
+
+Ekkletos polis, een staat, waaraan twee strijdende staten met onderling
+goedvinden de beslechting van hun geschil opdragen.--Bij de verdragen
+tusschen verschillende staten was soms bepaald, dat wanneer een
+burger van den eenen staat in den anderen staat een proces verloor,
+hij bij zijn eigen staat van dit vonnis in appèl kon komen; de staat,
+waarbij men appelleert, wordt dan ook ekkletos polis, het proces
+ekkletos dike genoemd.
+
+Ekkyklema, een machine, waardoor de achtergrond van een tooneel
+geopend wordt, om een huis of paleis van binnen te laten zien;
+v. s. een kleine houten stelling, die door de groote achterdeuren
+op het tooneel gerold werd, en waarop zich de personen bevonden,
+die voorondersteld werden in het huis te zijn.
+
+Ekloges, te Athene buitengewone beambten, belast met het invorderen van
+aan den staat verschuldigde gelden, vooral die van de schatplichtige
+bondgenooten.
+
+Elaea, Elaia, oude stad in aziatisch Aeolis, aan de Elaïtische golf,
+later haven van Pergamus.
+
+Elaeus, g. -untis, Elaious, olijvenstad, kolonie van Teos op de punt
+van de thracische Chersonesus, met het grafteeken van Protesilaus,
+den eersten Griek, die op het trojaansch gebied aan wal sprong en
+tevens sneuvelde.
+
+Elagabalus = Heliogabalus.
+
+Elana = Aelana.
+
+Elaphebolia, Elaphebolia, feest ter eere van Artemis in de maand
+Elaphebolion gevierd, waarbij haar een koek in den vorm van een hert
+geofferd werd.
+
+Elaphebolion, Elaphebolion, 9de maand van het Attische jaar
+(Maart-April), zie annus.
+
+Elatea, Elateia, stad en sterke burcht in Phocis, de sleutel van een
+bergpas naar Thessalia. Philippus van Macedonia bezette dit punt in
+338, waarvan de slag bij Chaeronea het gevolg was.
+
+Elaver, ook Elaris, Elauris, thans Allier, zijtak van den Liger
+(Loire), ontspringt op den mons Cebenna.
+
+Elbo, Elbo, eiland tusschen den phatnitischen en den tanitischen
+Nijlmond, waar de aegyptische koning Anysis zich schuil hield voor
+den aethiopischen overweldiger Sabaco en later Amyrtaeus tegen den
+perzischen koning Artaxerxes I.
+
+Elea, later Velia, stad in Lucania aan de Tyrrheensche zee, door
+vluchtelingen uit Phocaea gesticht ± 550, toen Cyrus de perzische
+heerschappij over de Westkust van Klein-Azië uitbreidde. Hier
+woonden de wijsgeeren Xenophanes, Parmenides en Zeno, de stichters
+der eleatische school; zie Xenophanes.
+
+Eleatische wijsbegeerte, z. Xenophanes.
+
+Electra, Elektra, 1) dochter van Ocanus en Tethys, moeder van Iris en
+de Harpyieën.--2) Pleiade, bij Zeus moeder van Dardanus en Iason.--3)
+zuster van Cadmus, gaf haar naam aan een van de poorten van Thebe.--4)
+dochter van Agamemnon en Clytaemnestra, zorgde bij den moord van haar
+vader, dat Orestes in veiligheid gebracht werd; toen hij terugkeerde,
+hielp zij hem op Clytaemnestra en Aegisthus wraak te nemen. Zij was
+door haar moeder aan een armen daglooner uitgehuwd, die haar echter
+met allen eerbied behandelde; later huwde zij met Pylades.--5)
+dochter van Latinus; v. s. was Remus de zoon van Italus en Electra.
+
+Electrides insulae, Elektrides nesoi, barnsteeneilanden, zie Glaesariae
+insulae.
+
+Electryon, Elektryon, zoon van Perseus en Andromeda, koning van
+Mycenae, gehuwd met Anaxo, vader van Alcmene. Zie Amphitryo.
+
+Elegia, elegeia (ta), ook elegeia, een soort lyrisch gedicht, de
+eerste overgang van epische tot lyrische poëzie. In inhoud, wijze
+van behandeling, dialect en versmaat (hexameters met pentameters
+afwisselend, disticha) verwijdert zich de elegie oorspronkelijk niet
+ver van het epos. De oudste (ionische) elegieën waren krijgsliederen
+of behandelden de politiek, later bij de Atheners werden het meer
+liederen uit het dagelijksch leven, tafel-, liefde- en klaagliederen,
+de Alexandrijnen eindelijk kozen dezen dichtvorm bij voorkeur voor
+geleerde onderwerpen. Bij de Romeinen werd sedert het einde der
+republiek tot zeer laat van de elegie veel werk gemaakt.
+
+Eleleides = Bacchae.
+
+Eleon, Eleon, oude stad in Boeotia, ten O. van Tanagra.
+
+Elephantine, Elephantine, eilandje met stad in den Nijl, op de
+aethiopische grenzen dicht bij Syene, onder de Perzen en Rom. een
+sterk bezette grenspost.
+
+Elephenor, Elephenor, zoon van Chalcodon, vorst der Abanten, werd
+voor Troje door Agenor gedood.
+
+Eleus = Elaeus.
+
+Eleusinia, Eleusinia, eleusinische mysteriën, groote feesten en
+plechtigheden ter eere van Demeter en Persephone, die hier Cora heette,
+waarbij reeds vroeg Dionysus onder den naam Iacchus werd opgenomen. De
+mysteriën dienden ter herinnering aan den zwerftocht van Demeter na
+den roof harer dochter en zouden door die godin zelve ingesteld zijn,
+toen zij op dien tocht te Eleusis gastvrij ontvangen werd. Evenals
+men in het verdwijnen en herrijzen van Persephone eene mythische
+voorstelling zag van het schijnbaar sterven en herleven der natuur,
+zoo werden ook de eleusinische plechtigheden op twee tijden van het
+jaar gevierd, de groote ter herinnering aan Persephone's afdalen naar
+de onderwereld in den herfst, de kleine ter viering van hare terugkomst
+op aarde in de lente. De groote mysteriën begonnen den 15den Boëdromion
+en duurden verscheiden dagen. De eerste vijf waren gewijd aan offers,
+reiniging, enz.; de voornaamste dag was echter de zesde, Hiakchos
+genaamd, wanneer een optocht van Athene naar Eleusis gehouden werd,
+waaraan soms meer dan 30.000 menschen, allen bekranst, deel namen;
+daar men dikwijls halt maakte en de reis meermalen gestoord werd door
+allerlei scherts en plagerij, was het nacht, voordat men aan de plaats
+zijner bestemming gekomen was. Daar werden dan fakkeldansen uitgevoerd
+en heilige liederen gezongen, alles ter herinnering aan Demeter, haar
+smart bij het missen en haar vreugde bij het vinden harer dochter. De
+eigenlijke geheime feestviering had in een tempel (mystikos sekos)
+plaats. Wat daar gebeurde, is niet in bizonderheden bekend; slechts
+zooveel kan men uit de uitdrukkingen van oude schrijvers daaromtrent
+opmaken, dat het lot van Persephone op zeer indrukwekkende wijze
+dramatisch werd voorgesteld (deze voorstellingen heeten dromena);
+zonder dat er eenig bepaald dogma verkondigd werd, moest bij de
+ingewijden, door wat zij zagen en mede ondervonden, de hoop opgewekt
+worden, dat ook zij eens, evenals de godin, uit het rijk van dood,
+duisternis en verschrikking verlost zouden worden. Na afloop van het
+sombere gedeelte der plechtigheid werd het daarmede verbonden vasten
+gebroken door het gebruik van een drank kykeon, bereid uit water, meel
+en prij, terwijl het geheele feest besloten werd door de plemochon,
+waarbij men uit bijzondere schalen naar oost en west water plengde. Om
+de vijf jaar werden de mysteriën met meer dan gewonen luister gevierd,
+en naar het schijnt waren er soms ook feestspelen mede verbonden.--De
+kleine mysteriën werden in de maand Anthesterion in de voorstad Agrae
+gevierd en stelden het mystisch huwelijk tusschen Persephone en Iacchus
+voor.--De mysteriën waren oorspronkelijk alleen voor Eleusiniërs,
+later ook voor Atheners, vervolgens voor alle Grieken toegankelijk,
+eindelijk werden ook barbaren ingewijd, mits een atheensch burger
+(mystagogos) hen inleidde. Gewoonlijk ontving men de eerste wijding bij
+de kleine mysteriën; alsdan mocht men de groote nog in hetzelfde jaar
+als mystes bijwonen, eerst het volgende jaar werd men echter epoptes,
+en mocht men als zoodanig ook bij de geheime plechtigheden tegenwoordig
+zijn.--De feesten stonden onder het toezicht van den archon basileus,
+en werden geleid door verschillende priesters, waarvan de voornaamste
+de hierophantes was; op hem volgden de dadouchos, hierokeryx en
+epibomios.--Lang stonden de eleusinische mysteriën bij de Grieken in
+hoog aanzien. Zij werden opgeheven bij besluit van Theodosius den Gr.,
+nadat reeds kort te voren de tempels en andere heilige gebouwen door
+dweepzieke monniken in het gevolg van Alarik verwoest waren.
+
+Eleusis, g. -inis, Eleusis, 1) stad in Attica nabij de grenzen
+van Megaris. De stad was beroemd door hare mysteriën ter eere van
+Demeter en Persephone, zie Eleusinia. De weg van Athenae naar Eleusis
+heette hiera hodos. Eleusis had met Brauron den naam van polis.--2)
+oude stad in Boeotia, aan den zuidelijken oever van het meer Copaïs,
+vroeg te gronde gegaan door de overstroomingen van het meer.
+
+Eleutherae, Eleutherai, demus van Attica op de boeotische grenzen.
+
+Eleutheria, 1) feest ter eere van Zeus Eleutherius om de vijf jaar
+te Plataeae gevierd, ter herinnering aan den gelukkigen afloop van
+de perzische oorlogen.--2) feest op Samus.--3) huiselijk feest door
+vrijgelaten slaven gevierd.
+
+Eleutherocilices, Eleutherokilikes, rooversstam op den Amanus en
+den Taurus, die zich den naam van vrije Ciliciërs gaven. Hoofdstad:
+Pindenissus, bergvesting.
+
+Eleutho, Eleutho = Ilithyia.
+
+Elfmannen, zie Hendeka.
+
+Elicius, bijnaam aan Jupiter gegeven als regengod; men trachtte in
+tijden van droogte door een processie (het aquaelicium) van blootvoets
+gaande matronae met loshangende haren, en van de ambtenaren zonder
+teekenen hunner waardigheid, van Jupiter Elicius regen af te smeeken;
+hierbij werd ook de regensteen, lapis manalis door de priesters onder
+gebeden medegevoerd. Later heeft men J. El. vereenzelvigd met den
+bliksemgod, en meende men, hem door zekere formules te kunnen dwingen
+den bliksem uit den hemel naar beneden te zenden; hij had een tempel
+op den Aventinus, door Numa gebouwd.
+
+Elimea, Elimia, -iotis, Elimeia, Elimia, -iotis, landschap
+van Macedonia, in het zuiden, op de thessalisch-epirotische
+grenzen. Hoofdstad: Elima.
+
+Elimberris (Climberris), hoofdstad der Ausci, in Aquitania, zie Ausci.
+
+Elis, Elis, Eleia, het meest westelijke gewest der Peloponnesus, in
+vier deelen verdeeld: Elis propria in het N.W., Acrorea in het N.O.,
+Pisatis met de hoofdplaats Pisa, in het midden, en Triphylia, het land
+der drie stammen: Caucones, Paroreatae, en Minyae, in het Z.--De stad
+Pylus Triphyliacus was v. s. de woonplaats van den grijzen Nestor. In
+Pisatis lag Olympia, aan den Alpheus, de beroemde schouwplaats
+der olympische spelen. Uithoofde dezer spelen was Elis aan Zeus
+Olympius geheiligd en onschendbaar en mocht door geene vijandelijke
+legers betreden worden; tot op den peloponnesischen oorlog werd deze
+onschendbaarheid geëerbiedigd. Om dezelfde reden had ook de stad
+Elis, aan den Peneus gelegen, geene muren. Oudtijds was Elis door
+Epeërs bevolkt; bij de dorische verhuizing viel het ten deel aan
+den Aetoliër Oxylus en uit de samensmelting van Epeërs, Aetoliërs
+en Doriërs ontstonden de Eleërs. De dorische naam van het land is
+Alis. In Elis behooren de mythen te huis van Pelops en de schoone
+koningsdochter Hippodamia en van den Augiasstal en den stroom Alpheus.
+
+Elisa, Elissa = Dido.
+
+Elison, Elisson, Elisa, beek, grens tusschen Elis propria en Pisatis.
+
+Elische school, z. Phaedo.
+
+Ellopia, Ellopia, 1) stad en kustland in het N. van Euboea, daarom
+ook = Euboea.--2) oude naam der omstreken van Dodona in Epirus.
+
+Elmantica = Salmantica.
+
+Elone, Elone, stad in het thessalische landschap Perrhaebia, later
+Limone, Leimone.
+
+Elorus, Eloros, Heloros, zie Helorus.
+
+Elpenor, Elpenor, een van de tochtgenooten van Odysseus, viel in
+dronkenschap van het dak van Circe's paleis en brak den nek. Odysseus
+ontmoette hem later in de onderwereld.
+
+Elymais, Elymaïs (Elâm), landstreek in Susiane, bewoond door de
+krijgshaftige Elymaeërs, die als boogschutters in het O. grooten
+naam hadden.
+
+Elymi, Elymoi, sicilische volksstam, die rondom den berg Eryx woonde,
+verbonden met de Carthagers.
+
+Elymia, Elymia, stad in Arcadia, ten Z. van Orchomenus.
+
+Elymiotis = Elimea.
+
+Elimus, Elymos, zoon van Priamus of Anchises, vluchtte uit Troje naar
+Sicilië en werd de stamvader van de Elymi (z. a.).
+
+Elysii of Elisii, germaansche volksstam tot de Lugii behoorend,
+in het N.O. van Germania, vermoedelijk aan den bovenloop van de Oder.
+
+Elysium, Elysion pedion, een veld aan het uiterste einde der aarde,
+waarheen lievelingen der goden zonder te sterven verplaatst worden
+om er een zalig leven te leiden. Volgens lateren is het een deel van
+de onderwereld, waar de braven na hun dood verblijf houden.
+
+Emancipatio. Hoewel volgens het rom. recht een vader krachtens zijne
+patria potestas zijne kinderen kon verkoopen, zoo had dit recht toch
+zijne grenzen. Hij kon zijn zoon niet vaker verkoopen dan driemaal,
+overeenkomstig de wet der 12 tafelen. Hiervan maakten de Rom. gebruik
+om een zoon van de patria potestas te ontslaan. De vader verkocht zijn
+zoon per aes et libram ten overstaan van een libripens en vijf getuigen
+door een schijnkoop aan een pater fiduciarius (zie fiducia). Deze liet
+echter den zoon weder vrij, zoodat deze weder onder de vaderlijke
+macht terugkeerde. Wanneer deze handeling nu driemaal herhaald was,
+was de vaderlijke macht verbroken. De pater fiduciarius gaf den zoon
+ten derde male aan den pater naturalis terug, doch deze had hem nu
+niet meer in potestate, doch slechts in mancipio en kon hem hiervan
+vrij verklaren, manumittere, waardoor hij sui iuris werd.
+
+Emathia, Emathia, landschap van Macedonia ten W. van den Axius
+(Vardar), de bakermat van het macedonisch koningshuis. Dichterlijk
+is Emathia zoowel = Macedonia als = Thessalia.
+
+Emathides, Emathides, negen dochters van Pierus, koning van Emathia,
+die met de Muzen een wedstrijd durfden aangaan en in eksters veranderd
+werden.
+
+Emathion, Emathion, zoon van Tithonus en Eos, koning van Arabië,
+werd door Heracles gedood.
+
+Embades, schoenen, meestal door mannen uit de lagere standen gedragen.
+
+Embaterion, 1) bij de Spartanen de muziek, die bij het marcheeren
+geblazen werd, ook een anapaestisch lied, dat men op marsch zong.--2)
+offer, voordat men zich inscheepte.
+
+Emblemata, 1) inlegwerk, (in tegenstelling met crustae z. a.) goud in
+zilver, of zilver in brons, waarvan de figuren "en relief" zijn.--2)
+mozaiek.
+
+Emerita Augusta = Augusta Emerita.
+
+Emesa, Emesa, stad in Syria, aan den Orontes, met een prachtigen
+zonnetempel, waar Heliogabalus opperpriester was, voordat hij romeinsch
+keizer werd. Alexander Severus was te Emesa geboren. In de nabijheid
+werd Zenobia van Palmyra in 272 na C. door Aurelianus verslagen.
+
+Emmeleia, dans in het grieksche treurspel, waarschijnlijk meer
+een gebarenspel, waardoor de inhoud der koorzangen aanschouwelijk
+voorgesteld werd.
+
+Emmenidae, Emmenidai, een adellijk geslacht te Gela en Agrigentum; na
+den dood van den tyran Phalaris hadden zij te Agrigentum de regeering
+in handen. De beroemdste van hen was Theron, wiens zoon Thrasydaeus
+om zijne wreedheid verdreven werd (470). Hun stamvader was, naar zij
+beweerden, Polynices.
+
+Emmenoi dikai, te Athene processen, waarin binnen dertig dagen na de
+aanklacht uitspraak gedaan moest worden.
+
+Emodi montes, Emodon oros. De Emodi montes en de Imaus, Imaos, der
+ouden grensden aan elkander, zonder dat men echter een juist begrip
+van de ligging had. Vermoedelijk vormen de Emodi montes het westelijk,
+de Imaus het oostelijk gedeelte van het Himalaya-gebergte.
+
+Emona, stad in Pannonië aan den Nauportus (zijtak van den Savus),
+tgw. Laibach. Bij latere schrijvers wordt de stad gerekend tot Italië
+te behooren.
+
+Empedocles, Empedokles, van Agrigentum (492-432), uit een aanzienlijk
+en rijk geslacht, wierp als een van de leiders der volkspartij de
+aristocratische regeering in zijne vaderstad omver (444), weigerde
+de hem aangeboden koninklijke waardigheid en voerde eene zuivere
+democratie in. Als staatsman, natuur- en geneeskundige, wijsgeer en
+redenaar uitmuntend, werd hij als een gunsteling der goden beschouwd
+en na zijn dood als heros vereerd. Op het einde van zijn leven ging
+hij naar de Peloponnesus, en het schijnt dat hij buiten zijn vaderland
+gestorven is; ook verhaalde men dat hij, om door zijne plotselinge
+verdwijning indruk te maken, in den Aetna sprong, en dat dit later
+verraden werd, doordat de berg een van zijne sandalen uitbraakte.--In
+zijne leerdichten, peri physeos en katharmoi, waarvan nog verscheiden
+fragmenten bestaan, verkondigt hij de eeuwigheid en onvergankelijkheid
+der stof; hij neemt vier stoffelijke elementen (rhizomata) aan: vuur,
+lucht, aarde en water, waarop twee ideale elementen, liefde en haat,
+inwerken; onder de heerschappij der liefde is alle stof vereenigd tot
+ééne massa of chaos (sphairos), heeft de haat alle macht, dan bestaan
+alle stofdeeltjes afzonderlijk, tusschen deze beide uitersten ligt het
+leven van individuën. Ontstaan en vergaan zijn dus ijdele woorden,
+er is slechts vereeniging (mixis) en scheiding (diallaxis). De ziel
+is een mengsel van alle elementen en is daardoor in staat alle te
+kennen. Ook de leer van de zielsverhuizing schijnt Empedocles van
+Pythagoras of de Orphici te hebben overgenomen.
+
+Emporia, ta Emporia, landstreek in Africa aan de kleine Syrte, zeer
+vruchtbaar en reeds vroeg met phoenicische koloniën bezet.
+
+Emporium, Emporiae, Emporion, Emporiai, kolonie van Massilia in het
+gebied der Indigetes, aan den O. uithoek der Pyrenaeën, tegenwoordig
+Ampurias.
+
+Emptio venditio (zonder et), koop en verkoop. Emptio bonorum, zie
+bonorum emptio. Emptor familiae, de schijnkooper, zie fiducia.
+
+Empulum, stadje in Latium, bij Tibur.
+
+Empyromanteia, de kunst van waarzeggen uit het branden van het
+offervuur, het eerst, naar het heette, onderwezen door Amphiaraus.
+
+Empusa, Empousa, een spook of menschenetend monster met ezelspooten,
+waarmede men kinderen bang maakte.
+
+EN = Dies endotercisus, z. Festi (dies).
+
+Enagonios, bijnaam van verscheiden goden als beschermers van
+wedstrijden, vooral van Hermes.
+
+Enarete, Enarete, dochter van Deïmachus, gemalin van Aeolus no. 1.
+
+Encaustica, n.l. ars, enkaustike (techne), de kunst om met kleuren
+te schilderen, welke met was waren aangemengd en vervolgens op het
+beschilderde voorwerp voorzichtig werden ingebrand. Op die wijze
+werden marmeren beeldwerken en ook architectuurstukken beschilderd. Men
+kreeg op deze wijze levendige, schitterende kleuren, doch men schijnt
+nog niet achter de bizonderheden der bewerking te zijn. Ook het
+inbranden van figuren in ivoor met eene heet gemaakte graveerstift
+wordt encaustiek genoemd. Voorbeelden van encaustiek op hout zijn de
+portretten, die men in late aegyptische graven gevonden heeft.
+
+Enceladus, Enkelados, een der Giganten, die met de goden streden;
+hij werd overwonnen en ligt sedert onder den Aetna.
+
+Encheleis, Encheleis, een volksstam in zuidelijk Illyrië.
+
+Endeis, Endeis, dochter van Chiron, gemalin van Aeacus, moeder van
+Peleus en Telamon.
+
+Endeixis, in het attisch recht een vorm van aanklacht, ten gevolge
+waarvan de aangeklaagde terstond in hechtenis genomen werd, tenzij
+hij borgen stelde. Dit geschiedde bijv. wanneer een onbevoegde zich
+burgerlijke rechten aangematigd had en in sommige gevallen bij moord.
+
+Endotercisi (intercisi) dies, zie Festi (dies).
+
+Endromis, endromis. Bij de Rom. beteekent dit woord een grof wollen
+deken, die men na lichaamsoefeningen omsloeg, ten einde geen koude
+te vatten. De endromis Tyria was van fijnere stof. Bij de Grieken
+echter is endromis eene sterke, van voren dichtgeregen jachtlaars,
+waarmede Artemis dikwijls werd afgebeeld, en die kuit en voet omsloot,
+maar de teenen bloot liet.
+
+Endymion, Endymion, zoon van Zeus of Aëthlius en Calyce, koning
+van Elis, had bij Selene vijftig dochters; zijn graf was te
+Olympia.--V. a. was hij een Cariër of van Elis naar Carië gegaan
+en leefde hij daar op den berg Latmus. Selene beminde hem en steeg
+elken nacht van haar wagen af om hem in zijn slaap te beschouwen en
+te kussen, waarom hij tot Zeus bad dat hij eeuwig slapen en eeuwig
+jong blijven mocht, wat hem werd toegestaan.--Andere verhalen noemen
+Artemis in plaats van Selene en maken van End. een jager of herder.
+
+Enechyrasia of enechyrasmos, het beslag leggen op goederen van iemand,
+die na veroordeeling verzuimde op den bepaalden termijn te betalen.
+
+Engyum of Engyïum, Engyon, Engyion, stad in het binnenland van
+Sicilia, ten Z. van Apollonia, met een tempel der Magna Mater of,
+volgens andere schrijvers, van de theai meteres.
+
+Enipeus, Enipeus, rivier in Thessalia, zijtak van den Apidanus. De
+riviergod werd bemind door Tyro, dochter van Salmoneus; Poseidon nu nam
+de gedaante aan van Enipeus en verwekte bij Tyro twee zoons, Pelias
+en Neleus. De mythe wordt ook verplaatst naar den Enipeus in Elis,
+een zijtak van den Alpheus. Een derde rivier van denzelfden naam in
+Macedonië ontspringt op den Olympus en stroomt bij Dium (no. 3) in zee.
+
+Enispe, Enispe, oude stad in Arcadia, vroeg verdwenen.
+
+Enna of Henna, Enna, oude stad der Siculi in het binnenland van
+Sicilia, ho omphalos Sikelias geheeten, afhankelijk van Syracusae,
+op een steile hoogte in eene zeer vruchtbare landouw gelegen, waar
+veel tarwe verbouwd werd. Daarom was de stad met haren omtrek aan
+Demeter geheiligd. In den sicilischen slavenopstand onder Eunus, die
+in 132 onderdrukt werd, was Enna het brandpunt. Hier laat de mythe
+Proserpina door Pluto schaken. Tegenwoordig is de streek dor en woest.
+
+Ennaëteris, Ennaeteris, astronomische cyclus van acht jaar, met 96
+maanden en 3 schrikkelmaanden = 2922 dagen, ingevoerd door Cleostratus
+van Tenedus.--Ook feesten, die om de acht jaar gevierd worden,
+heeten enneaterides.
+
+Enneakrounos, zie Callirrhoë no. 5.
+
+Ennea hodoi, naam der streek, waar later Amphipolis werd gesticht.
+
+Ennius (Q.), rom. dichter, in 239 te Rudiae in Calabria geboren,
+Griek door opvoeding en reeds vroeg met de grieksche letterkunde
+bekend. M. Porcius Cato Maior vond hem in 204 als rom. soldaat op
+Sardinia, merkte zijn talent op en nam hem naar Rome mede. Dáár
+verwierf Ennius zich de vriendschap van verschillende aanzienlijke
+Rom., o.a. van de Scipiones en de Fulvii Nobiliores, door wier
+toedoen hij in 184 onder de rom. burgers werd opgenomen. Hij stierf
+in 169. De Rom. zagen in Ennius den schepper hunner nationale
+poëzie. Zijn voornaamste werk zijn zijne Annales, in 18 boeken, eene
+doorloopende rom. geschiedenis in verzen, en wel niet in de oude,
+harde saturnische, maar in epische versmaat. Hij was de eerste, die
+den dactylischen hexameter op het Latijn toepaste. Vooral Vergilius
+heeft voor zijne Aeneis aan Ennius zeer veel ontleend. Ook schreef
+E. naar grieksche voorbeelden een aantal treurspelen, benevens andere
+gedichten van gemengden inhoud, vooral Saturae (4 boeken), en in proza
+een vertaling van de hiera anagraphe (sacra historia) van Euhemerus
+(z. a.). Ten onrechte hebben sommige schrijvers verteld, dat hij in
+het familiegraf der Scipio's begraven is.
+
+Ennomus, Ennomos, 1) Mysiër, bondgenoot der Trojanen, beroemd als
+vogelwichelaar.--2) Trojaan, door Odysseus gedood.
+
+Ennosigaios, aardschudder, bijnaam van Poseidon.
+
+Enodios, Enodia, op de wegen vertoevend, bijnaam van Hermes, Artemis,
+Hecate en Persephone.
+
+Enomotia, afdeeling van het spartaansche leger, het zestiende deel
+van eene mora, bestaande uit 25, 32 of 36 man.
+
+Enope, Enope, oude stad in Messenia, later Gerenia genoemd.
+
+Enosichthon = Ennosigaios.
+
+Entasis is de zwelling of verdikking, die men in het midden van de
+dorische zuil opmerkt, en die het denkbeeld moet wekken, dat de zuil
+iets zwaars te dragen heeft, zie columna.
+
+Entella, Entella, stad aan den Crimisus in het W. van Sicilia, in
+het gebied der Elymi.
+
+Entimus, Entimos, Cretenser, die eene kolonie naar Gela op Sicilië
+bracht.
+
+Entoria, dochter van een rom. landman, werd bij Saturnus, die bij
+haar vader zijn intrek genomen had, moeder van vier zonen. Saturnus
+leerde haar vader wijn bereiden, en toen deze zijn buren van den
+nieuwen drank gegeven had, en zij daardoor bedwelmd werden, meende
+men dat hij hen vergiftigd had en steenigde men hem. Daarom hingen
+zijne kleinzonen zich op. Een latere hongersnood werd als een straf
+van den god beschouwd, en om hem en zijne zonen te verzoenen, bouwde
+Lutatius Catulus aan de tarpeïsche rots een tempel voor Saturnus met
+een altaar met vier aangezichten. Dit verhaal is een late nabootsing
+van de sage van Erigone, zie Icarius.
+
+Enyalius, Enyalios, bijnaam van Ares, v. a. een krijgsgod, zoon van
+Ares en Enyo.
+
+Enyo, Enyo, 1) eene oorlogsgodin, die Ares in den oorlog vergezelde; te
+Athene stond haar beeld in den tempel van dien god. De Rom. hielden
+haar voor dezelfde als Bellona.--2) een van de Graeae.--3)
+cappadocische godin, = Rhea Cybele of Artemis.
+
+Eora, z. Erigone.
+
+Eordaea, Eordaia, stad en landschap in het hart van Macedonia, ten
+W. van den mons Bermius, bewoond door de Eordi, Eordoi.
+
+Eos, Eos, dochter van Hyperion en Thea, de rozenvingerige
+(rhododaktylos), in saffraankleurige kleederen gehulde (krokopeplos)
+godin van het morgenrood, stijgt des morgens vroeg uit den Oceaan
+op en brengt aan goden en menschen het daglicht, terwijl zij voor
+haar broeder Helius uit rijdt; later wordt zij godin van den dag
+genoemd. Zij was gehuwd met Astraeus, bij wien zij moeder werd van de
+winden en sterren; nadat hij in den Tartarus geworpen was, schaakte zij
+achtereenvolgens Orion, Tithonus, Clitus en Cephalus. Een eeredienst
+had zij niet. Bij de Rom. is zij dezelfde als Aurora, die echter eene
+dochter van den zonnegod genoemd wordt.
+
+Epacria, Epakria = Diacria.
+
+Epangelia dokimasias, de verklaring, in de atheensche volksvergadering,
+soms onder eede, afgelegd, dat men van plan was dengene, die zich
+gereed maakte tot het volk te gaan spreken, wegens eene crimineele
+handeling aan te klagen; zulk eene verklaring schokte natuurlijk
+het vertrouwen van het volk in den spreker, maar moest ook door de
+aangekondigde aanklacht gevolgd worden.
+
+Epaminondas, Epameinondas, Thebaan, zoon van Polymnis, uit een arm
+maar edel geslacht, geb. omstreeks 418. Met den grootsten ijver
+legde hij zich toe op alles, wat tot de ontwikkeling van lichaam en
+geest konde dienen; vooral schepte hij behagen in het onderwijs van
+den pythagoreïschen wijsgeer Lysis, die, uit Tarente gevlucht, in het
+huis van Ep. eene schuilplaats vond. Bescheiden en zelfverloochenend,
+in het staatkundige vervuld van een ideaal, dat hoog boven het streven
+der twistende partijen in zijne vaderstad stond, vervulde hij lang
+eene betrekkelijk onbeduidende rol; afkeerig van burgertwisten, nam
+hij ook geen deel aan de samenzwering van zijn vriend Pelopidas,
+die in 379 een einde maakte aan de spartaansche overheersching en
+de oligarchische regeering; toen echter de vrijheid heroverd was,
+trad Ep. op den voorgrond. Hij bewerkte, dat de omwenteling bij
+de burgerij krachtigen steun vond, dat de gevallen partij niet
+te veel van de wraak der overwinnaars te lijden had, en dat de
+meeste boeotische steden zich bij Thebe aansloten. Als gezant
+bij de vredesonderhandelingen te Sparta (371) weigerde hij toe te
+stemmen in de oplossing van den boeotischen bond; toen de oorlog
+hervat werd, behaalde hij als boeotarch de schitterende overwinning
+bij Leuctra (371), die men grootendeels te danken had aan de door
+Ep. uitgevonden scheeve slagorde (loxe phalanx), waarin de linker
+vleugel veel diepere opstelling had dan de rechter en het centrum
+en, tegen de in gr. legers heerschende gewoonte, met den eigenlijken
+aanval belast was (z. Taxis). Een gevolg van deze overwinning was,
+dat de meeste peloponnesische staten van Sparta afvielen, en in het
+volgende jaar trok Ep. zelf met een groot leger naar de Peloponnesus,
+ten einde eenheid tusschen die staten tot stand te brengen; hij dringt
+tot Sparta zelf voorwaarts en bewerkt het herstel van Messenië en de
+stichting van Megalopolis door de Arcadiërs. In 368 werd Pelopidas
+verraderlijk door Alexander van Pherae gevangen genomen en de Thebanen
+zonden een leger om hem te bevrijden; toen dit leger door onbekwaamheid
+van den aanvoerder in gevaar geraakt was, verlangde het dat Ep.,
+die als gewoon soldaat aan den tocht deelnam, het opperbevel zou in
+handen nemen; hij leidde den terugtocht en bij een tweede expeditie
+dwong hij Alexander zich aan de eischen van Thebe te onderwerpen. Ook
+wendde Ep. pogingen aan om zijne vaderstad tot eene zeemogendheid
+te verheffen, die echter zonder gevolg bleven. Besluiteloosheid
+bij de peloponnesische bondgenooten en de moeielijkheid hen op den
+duur tot eendrachtige samenwerking te bewegen, noodzaakten Ep. nog
+herhaaldelijk tot tochten naar de Peloponnesus, het laatst in 362,
+toen hij weder zeer nabij Sparta kwam; daar hij echter zag, dat men
+daar op zijne komst voorbereid was, trok hij terug tot Mantinea,
+waar het tot een slag kwam. Ep. behaalde weder de overwinning en
+joeg het geheele vijandelijke leger op de vlucht, maar werd doodelijk
+gewond. Met hem eindigde de kortstondige grootheid van Thebe.
+
+Epaphroditus, Epaphroditos, 1) geleerd grammaticus, zeer bevriend
+met Flavius Josephus, kwam onder Nero naar Rome en leefde er tot
+de regeering van Nerva; hij schreef commentaren op oude grieksche
+dichters.--2) geheimschrijver van Nero, wien hij bij zijn zelfmoord
+behulpzaam was, daarom werd hij (in 95) door Domitianus ter dood
+veroordeeld.
+
+Epaphus, Epaphos, zoon van Zeus en Io, werd koning van Aegypte en
+stichter van Memphis.
+
+Eparitoi, heette het gemeenschappelijk leger der Arcadiërs, toen de
+arcadische steden na den slag bij Leuctra tot een bond vereenigd waren.
+
+Epei, Epeioi, oude volksstam uit Thessalia, die lang vóór den
+trojaanschen oorlog naar Aetolia was getrokken en zich later in het
+N. van Elis had gevestigd. Zie Elis.
+
+Eperatus, Eperatos, van Pharae, opvolger van Aratus als strateeg van
+het achaeisch verbond.
+
+Epetium, stad in Dalmatia, ten Z. van Salona.
+
+Epeus, Epeios, 1) zoon van Endymion, was overwinnaar in den wedloop,
+dien hij op bevel van zijn vader te Olympia met zijne broeders hield,
+en kreeg daardoor de regeering over Elis.--2) zoon van Panopeus,
+van een van de Cycladen, een van de strijders tegen Troje, beteekende
+weinig als krijgsman, maar was beroemd als vuistvechter en als maker
+van het houten paard van Troje. In latere verhalen wordt hij als
+verachtelijk laf voorgesteld; v. s. zou hij naar Italië gekomen zijn
+en Pisa en Metapontum gesticht hebben.
+
+Ephebos, jong mensch die den huwbaren leeftijd bereikt heeft, tusschen
+knaap en man. Te Athene werden de knapen op hun 18de jaar epheboi,
+na twee jaar (epi dietes hebesantes) dienstplicht als grenswacht
+(peripoloi), werden zij op hun 20ste jaar meerderjarig, kregen zij
+toegang tot de volksvergadering en traden zij in den geregelden
+krijgsdienst. Het kenteeken der epheboi is kort geschoren haar,
+terwijl kinderen en mannen het haar lang dragen.
+
+Ephedros, degene die, bij een wedstrijd waarvoor zich een oneven aantal
+mededingers hebben aangegeven, bij de loting geen tegenpartij gekregen
+heeft, en dus afwacht totdat hij, door het afvallen der overwonnenen,
+gelegenheid krijgt aan den strijd deel te nemen.
+
+Ephesia, Ephesia, feest ter eere van Artemis te Ephesus in de maand
+Artemision gevierd. Hieraan namen alle Ioniërs van Klein-Azië deel. Er
+werden agones hippikoi, gymnikoi en moosikoi gehouden. In later tijd
+was hieraan een nachtelijk feest verbonden, dat berucht was wegens
+zijne onzedelijkheid en niet toegankelijk was voor getrouwde vrouwen.
+
+Ephesiae literae, Ephesia grammata, onverstaanbare woorden, ingegrift
+op het beeld der ephesische Artemis; deze woorden werden op metalen
+plaatjes of steenen gegraveerd, die dan als amuletten groote waarde
+hadden.
+
+Ephesis, hooger beroep, van een vonnis der heliastenrechtbank was
+alleen in geval van veroordeeling bij verstek geoorloofd; van een
+scheidsrechterlijk vonnis (zie diaitetes) kon men bij de Helaea
+apelleeren tegen storting van zekere som als parabolon.
+
+Ephestris, omslagdoek of mantel, bij koud weder door mannen en
+vrouwen gedragen.
+
+Ephesus, Ephesos, na de tuchtiging van Miletus de voornaamste der
+12 ionische bondssteden op de aziatische kust, aan den mond van
+den Cayster. Volgens de mythe was de stad oorspronkelijk gesticht
+door Amazonen. Het was in elk geval een vóór-Grieksche stad (met
+de opgravingen zijn vele myceensche vondsten voor den dag gekomen),
+door de Cariërs gesticht. In ongeveer 1100 hebben de Ioniërs onder
+Androclus er bezit van genomen. De stad was beroemd door haren
+Artemis-tempel, die voor een van de zeven wonderen doorging. Omtrent
+den dienst van deze Artemis zie men Artemis aan het einde. In 356,
+juist in den nacht van Alexanders geboorte, stak Herostratus, om
+zijn naam te vereeuwigen, den tempel in brand; doch deze herrees
+nog prachtiger dan te voren. Lysimachus vergrootte de stad in 268 en
+legde een nieuwe haven aan, daar de oude dicht geslibd was door de
+aanslibbingen van den Cayster; maar haar toppunt van bloei bereikte
+zij onder de rom. keizers als hoofdstad der provincie. Ephesus dreef
+voortdurend een levendigen handel en was de voornaamste stapelplaats
+van Klein-Azië. De wijsgeer Heraclitus (± 510) was hier geboren.
+
+Ephetai, een rechterlijk collegie te Athene, v. s. door Draco
+ingesteld, v. a. veel ouder. De 51 epheten moeten meer dan 50 jaar oud
+zijn; zij waren in 3 gerechtshoven verdeeld, en spraken recht over
+moord in alle gevallen, die niet volgens de wet voor den Areopagus
+moesten gebracht worden.
+
+Ephialtes, Ephialtes, 1) een van de Aloaden, z. Aloadae. V. a. een
+van de Giganten, door Heracles en Apollo van zijne oogen beroofd.--2)
+een daemon, die als nachtmerrie de menschen kwelt.--3) een Thessaliër,
+die bij de Thermopylae aan Xerxes een bergpas verried, waardoor hij
+Leonidas in den rug konde vallen. Door de Amphictyonen vogelvrij
+verklaard, werd hij later gedood.--4) Athener, vooral bekend door
+zijne maatregelen tot inkrimping van de macht van den Areopagus. Bij de
+voorbereiding van die maatregelen werd hij door Pericles ondersteund;
+korten tijd nadat zijne voorstellen waren aangenomen (462), werd
+hij vermoord. Zijne braafheid en belangeloosheid worden dikwijls
+hoog geroemd.--5) atheensch demagoog, bestrijder der macedonische
+partij. Toen Alex. na de verwoesting van Thebe zijne uitlevering
+eischte (335), vluchtte hij naar Azië, en bij het beleg van
+Halicarnassus sneuvelde hij.
+
+Ephori, ephoroi, 1) vijf spartaansche overheden, wier bevoegdheden,
+oorspronkelijk waarschijnlijk tot een of ander onderdeel van het
+staatsbestuur beperkt, zich in den loop der tijden zoo uitbreidden,
+dat zij de overige magistraten, ook de koningen, ter verantwoording
+konden roepen en hun zelfs geldboeten konden opleggen; zijzelf
+waren eerst bij het neerleggen van hun ambt aan hunne opvolgers
+rekening en verantwoording schuldig. Zoo kregen zij van zelf ook
+eene groote politieke macht, die eindelijk zoo ver ging, dat zij
+het toezicht hadden op het naleven der wetten, op zeden en tucht,
+dat zij volksvergaderingen bijeenriepen en er voorstellen deden,
+dat zij beslisten over het al of niet toelaten van vreemde gezanten,
+enz.--De ephoren bekleedden hun ambt een jaar; zij werden oudtijds
+door de koningen benoemd, later door het volk verkozen. Het ephoraat
+is v. s. reeds door Lycurgus, v. a. eerst door Theopompus ingesteld;
+misschien heeft laatstgenoemde den ephoren bij de wet de groote macht
+toegekend, die zij later bezaten, en waardoor zij als de aangewezen
+vertegenwoordigers der volksvergadering een tegenwicht vormden tegen
+koningen en gerusia, zooals bij de wetgeving van Lycurgus bezwaarlijk
+bedoeld kan zijn. Daarom verzetten zij zich tegen den door Agis III
+bedoelden terugkeer tot de instellingen van Lycurgus; daarom begon ook
+Cleomenes III zijne hervormingen met de afschaffing van het ephoraat,
+dat na zijne nederlaag bij Sellasia echter hersteld werd.--2) een
+geheim comité van vijf personen, door de oligarchische clubs te
+Athene na den slag bij Aegospotami aangewezen om voor hunne belangen
+te waken en de verdediging der stad tegen Lysander te belemmeren.
+
+Ephorus, Ephoros van Cumae in Aeolis, leerling van Isocrates, de eerste
+schrijver eener algemeene geschiedenis. Deze liep van de terugkomst
+der Heracliden tot het jaar 356; zij werd door zijn zoon Demophilus
+voortgezet tot 340, en uitgegeven in 30 boeken, waarvan slechts weinige
+fragmenten bewaard gebleven zijn. Wegens de wijze, waarop hij zijn
+stof behandelt, wordt hij soms de voorlooper van Polybius genoemd. Zijn
+werk werd door de ouden zeer verschillend beoordeeld en door Diodorus
+Siculus veel gebruikt; Diyllus e. a. schreven vervolgen erop.
+
+Ephyra, Ephyra, oude naam van het latere Corinthus (z. a.), van eene
+stad in Thessalia (later Crannon), in Epirus (later Cichyrus geheeten,
+dicht bij de kust, hoofdstad van de thesprotische vorsten), in Aetolia,
+in Elis (later Oenoë).
+
+Epibomius, Epibomios, titel van een der priesters bij de eleusinische
+mysteriën.
+
+Epialtes, z. Ephialtes no. 2.
+
+Epicaste, Epikaste, 1) = Iocaste.--2) dochter van Calydon, echtgenoote
+van Augias.--3) dochter van Augias, moeder van Thessalus.
+
+Epicharis, Epicharis, vrijgelaten slavin, die in de samenzwering van
+Piso tegen keizer Nero betrokken was, doch zelfs door de pijnbank niet
+tot bekentenis kon gedwongen worden, en toen zij ten tweede male zou
+gepijnigd worden, zich met haar gordel wurgde.
+
+Epicharmus, Epicharmos, van Cos, geb. 540, kwam reeds jong naar
+Sicilië, leefde te Megara en, toen deze stad verwoest was, te Syracuse
+aan het hof van Hiero, waar hij in 460 stierf. In zijn jeugd hield
+hij zich veel bezig met wijsbegeerte, later wijdde hij zich echter
+uitsluitend aan de poëzie en werd hij de eigenlijke schepper der
+dorisch-sicilische comedie. Hij schreef 35 stukken, waarvan slechts
+enkele fragmenten nog bestaan. Zijn fort is de mythologische travestie,
+zooals blijkt uit de namen zijner stukken, zooals Bouseiris, Hebas
+gamos, Komastai e Haphaistos. Andere stukken zijn meer verwant met
+de Mimoi (z. Mimus). Hij heeft veel invloed gehad op de oud-attische
+comedie, en vooral op de middel- en nieuwe comedie. Waarschijnlijk
+ook op de Atellanae.
+
+Epicheirotonia, 1) ep. ton nomon, de jaarlijksche herziening
+der wetten, die te Athene in de eerste volksvergadering van het
+jaar plaats had. Iedereen kon voorstellen, eene oude wet door eene
+nieuwe te vervangen; alsdan werden uit de heliasten een zeker aantal
+nomothetai gekozen, voor wie een formeel proces tusschen de oude en
+de nieuwe wet gevoerd werd, waarbij door het volk aangewezen personen
+als verdedigers (synegoroi, syndikoi) der oude wet optraden.--2)
+ep. ton archon, bevestiging der overheden in de eerste vergadering
+van iedere prytanie. Wanneer iemand bij die gelegenheid bezwaren
+tegen een magistraat inbracht, werd deze geschorst, totdat de zaak
+door de rechtbank der heliasten onderzocht was.
+
+Epicnemidii (Locri), dat gedeelte der Locriërs, dat op en aan den
+berg Cnemis woonde.
+
+Epicrates, Epikrates, hielp Thrasybulus bij het verdrijven van de 30;
+later werd hij ter dood veroordeeld wegens verraderlijke handelingen,
+door hem als gezant gepleegd.
+
+Epictetus, Epiktetos, 1) beroemd Attisch vazenschilder uit het laatste
+deel van de zesde eeuw; hij werkte in de fabrieken van Nicosthenes en
+anderen. Sommige van zijn vazen zijn nog in zwart-figurigen stijl,
+anderen in rood-figurigen stijl.--2) geb. te Hierapolis in Phrygië,
+leefde lang te Rome als slaaf van Epaphroditus no. 2; toen deze
+hem vrijgelaten had, woonde hij de lessen van Musonius Rufus bij
+en trachtte hij, hoewel met weinig gevolg, zijne opvatting van de
+stoicijnsche leer te Rome ingang te doen vinden. Nadat Domitianus
+alle philosophen uit Rome verbannen had (89 n. C.), ging hij naar
+Nicopolis in Epirus, waar hij tot den tijd van Hadrianus leefde. Ver
+verwijderd van de aanmatiging der toenmalige stoïcijnen, onthoudt
+hij zich meestal van bespiegelingen en legt hij zich alleen toe op
+de zedenleer. Evenals Socrates gaf hij zijn onderricht in voor ieder
+toegankelijke gesprekken op openbare plaatsen en vereenigde hij een
+aantal leerlingen rondom zich, waartoe ook Arrianus behoorde, die na
+den dood van den meester zijne leer in een uitvoeriger (diatribai)
+en in een meer beknopt (encheiridion) werk te boek stelde. Ep. zelf
+heeft niets geschreven.
+
+Epicurus, Epikouros, Athener, geb. 342 of 341, werd zeer jong door zijn
+vader medegenomen naar Samus, waar deze als klerouchos eigendommen
+had. Reeds zeer vroeg beoefende hij de wijsbegeerte en maakte hij
+met verschillende stelsels kennis; 32 jaar oud trad hij eerst te
+Mytilene, kort daarna te Lampsacus, met een eigen stelsel op, in
+306 kwam hij naar Athene, waar hij reeds in 323 voor korten tijd
+geweest was en waar hij tot zijn dood (270) talrijke leerlingen
+rondom zich verzamelde.--Ep. vereenigt in zijne philosophie de
+natuurkundige theorieën van Democritus met de leer van Aristippus
+tot één geheel. Alles bestaat uit atomen, die door hunne neiging tot
+vereeniging lichamen vormen; de ziel bestaat uit zeer fijne atomen,
+die door het geheele lichaam verspreid zijn, en sterft met het lichaam;
+de eenige bron van kennis is waarneming; het hoogste goed is genot,
+dat echter niet alleen in beweging (chara, euphrosyne), maar ook
+in rust (ataraxia, aponia) bestaat; geestelijk genot staat hooger
+dan lichamelijk; de wijze onthoudt zich echter van die genietingen,
+waardoor hij later grootere zou moeten derven of die later smart
+ten gevolge hebben; de goden zijn gelukzalige wezens, die in de
+ruimte tusschen de verschillende werelden wonen, zonder zich om de
+menschelijke zaken te bekommeren.--Ep. wordt door de ouden geroemd
+als een braaf, eenvoudig en matig levend man; zijne leerlingen, met
+wie hij vertrouwelijk en gezellig omging, bleven hem met liefde en
+eerbied gedenken, en slechts een enkele trachtte zijn stelsel verder
+te ontwikkelen. Van zijne zeer talrijke geschriften--men spreekt van
+bijna 300--is slechts zeer weinig bewaard gebleven.
+
+Epicydes, Epikydes, 1) atheensch demagoog, tijdgenoot van
+Themistocles.--2) Syracusaan, te Carthago geboren, nam langen tijd
+te Syracuse aan het hof van Hieronymus en ook na diens dood de
+carthaagsche belangen waar. Hij leidde voor een deel de verdediging
+van Syracuse tegen de Romeinen, ging na de verovering van die stad
+(212) naar Agrigentum, en toen ook dit gevallen was, keerde hij naar
+Africa terug.
+
+Epidamnus = Dyrr(h)achium.
+
+Epidaurus, Epidauros, oud-ionische stad in Argolis, aan de Saronische
+golf, met een beroemden tempel van den god Asclepius, die hier geboren
+was. Het heiligdom is door het Grieksche archaeologische genootschap
+opgegraven. Ook eene aanzienlijke stad in Dalmatia, aan de kust,
+ook Epidaurum geheeten.
+
+Epidaurus Limera, Epidauros he Limera, stad op de Oostkust van
+Laconica, met een goede haven.
+
+Epidemia, Epidemia, familiefeest, gevierd wanneer iemand behouden
+van eene reis teruggekeerd was.
+
+Epidius Marullus (L.), z. Caesetius Flavus.
+
+Epidosis, te Athene vrijwillige gift aan de staatskas, vooral dat,
+wat men bij de eisphora meer betaalt dan men verplicht is; ook het
+onverplicht op zich nemen van liturgieën e. dgl.
+
+Epigamia = Conubium.
+
+Epigenes, Epigenes, 1) van Sicyon, een van de oudste grieksche
+treurspeldichters, v. s. de eerste die onderwerpen behandelde, welke
+niet in betrekking stonden met de mythen van Dionysus. Hij behoort
+geheel tot de sage.--2) blijspeldichter in het begin der vierde
+eeuw.--3) twee leerlingen van Socrates, de een zoon van Criton, de
+andere van Antiphon.--4) van Rhodus, schrijver van een werk over den
+landbouw.--5) ten onrechte bijg. Gnomonikos, van Byzantium, wiens
+astronomische werken door Plinius en Seneca aangehaald worden.--6)
+vazenfabrikant uit den tijd van Pericles.
+
+Epigoni, Epigonoi, 1) z. Adrastus.--2) titel van een cyclisch gedicht,
+door sommigen aan Homerus toegeschreven.
+
+Epigraphes, Epignomones = Diagraphes.
+
+Epikleros, heette te Athene eene vrouw, die het vermogen van haar
+vader erft, wat alleen kon geschieden wanneer deze geene mannelijke
+afstammelingen naliet. Zij was verplicht den naasten mannelijken
+bloedverwant te huwen, ook wanneer zij reeds met een ander gehuwd
+was. Daarentegen konden arme erfdochters (thettai) eischen, dat de
+naaste mannelijke bloedverwant haar huwen of haar een behoorlijken
+bruidschat geven zoude.
+
+Epilachon, door het lot aangewezen plaatsvervanger van een bij het
+lot aangewezen overheidspersoon of raadslid, om bij diens dood of
+afzetting terstond zijne plaats in te nemen.
+
+Epilenaia, z. Lenaea.
+
+Epimenides, Epimenides, van Creta, waarzegger, priester en dichter,
+over wiens leven allerlei verhalen vol wonderen in omloop waren. Zoo
+verhaalde men dat hij in zijne jeugd in een grot in slaap gevallen
+was, en daar 56 jaar geslapen had, dat hij een leeftijd van 150 of 300
+jaar bereikt had, e. dgl. In 596 werd hij naar Athene geroepen om de
+stad te reinigen van de heiligschennis der Alcmaeonidae (z.a.). Hij
+wordt soms tot de zeven wijzen gerekend, en verscheiden werken van
+hem worden genoemd, zooals orakels, reinigingsliederen, enz.
+
+Epimetheus, Epimetheus, zoon van Iapetus en Clymene, broeder van
+Prometheus (z.a.), bij Pandora vader van Pyrrha.
+
+Epimethis, Pyrrha, dochter van Epimetheus.
+
+Epiphanea, Epiphaneia, 1) stad in O. Cilicia, nabij de bergpassen
+van den Amanus, vroeger Oeniandus geheeten. Pompeius verplaatste een
+gedeelte der zeeroovers hierheen.--2) stad in Syria aan den Orontes,
+vroeger Hamath geheeten, door Antiochus Epiphanes vergroot en naar
+hem genoemd.
+
+Epipolae, Epipolai, het N.W. en hoogst gelegen gedeelte der stad
+Syracusae.
+
+Epirus, Epeiros, land tusschen den Pindus en de Adriatische zee,
+en tusschen Hellas en Illyria. Het land werd door illyrische stammen
+bewoond, waarvan de Chaones, de Thesproti en de Molossi de voornaamste
+waren. Deze Illyriërs hadden de oudere grieksche stammen, waartoe de
+Graïci en de Helli of Selli (in Hellopia) behoorden, verjaagd. De
+vorsten der Molossers breidden allengs sedert de 4de eeuw hunne
+heerschappij over het geheele land uit. Onder hunne koningen, die
+van Achilles beweerden af te stammen, is Pyrrhus (295-272), die
+tegen de Romeinen oorlog voerde, de merkwaardigste. Later (234/3)
+werd Epirus republikeinsch; het vormde toen een bondsstaat, waarvan
+Phoenice de hoofdstad was, kwam vervolgens onder Macedonia en ten
+slotte met dit rijk onder Rome (167). Van de vreeselijke verwoesting
+door Aemilius Paulus heeft het land zich nooit kunnen herstellen. De
+bewoners heetten Epirotae, Epeirotai.
+
+Epirus nova = Illyris graeca.
+
+Episemainesthai, z. Euthynai en Logistai.
+
+Epistatai, 1) z. Prytaneis.--2) ep. ton demosion ergon, te Athene
+commissies belast met het toezicht op openbare werken en vooral op
+het gebruik der daartoe beschikbaar gestelde gelden.
+
+Epistrophia, bijnaam van Aphrodite (z.a.).
+
+Epitadeus, Epitadeus, spartaansch ephoor in het begin der vierde eeuw,
+maakte, zooals men later aannam, veranderingen in het eigendomsrecht,
+waarbij schenkingen bij het leven of bij testament wettig verklaard
+werden; ten gevolge daarvan verminderde sedert dien tijd het aantal
+grondeigenaars aanmerkelijk.
+
+Epitrope, te Athene het vergelijk tusschen strijdende partijen, waarbij
+zij hun geschil aan de beslissing van door hen gekozen scheidsrechters
+onderwerpen. Van zulk een beslissing was geen hooger beroep.
+
+Epitropes dike, aanklacht tegen iemand, die als voogd over minderjarige
+kinderen, hunne belangen niet behoorlijk had waargenomen of zich aan
+bedriegelijke handelingen had schuldig gemaakt; zulk eene aanklacht
+moest door den pupil binnen vijf jaar na afloop der voogdij bij den
+archont ingediend worden. Gedurende de voogdij kon een voogd wegens
+zulke handelingen door ieder burger door middel van de epitropes
+graphe bij den archont aangeklaagd worden.
+
+Epobelia, een boete, die in sommige processen de aanklager beliep,
+wanneer minder dan een vijfde van de rechters voor veroordeeling
+gestemd hadden. De boete bedroeg een zesde van de som in kwestie.
+
+Epodus, Epodos, 1) slotzang, het gedeelte van een lyrisch gedicht,
+dat na de strophe en antistrophe gezongen werd.--2) versus intercalaris
+of epiphthegmaticus, refrein.--3) in het algemeen lyrische gedichten,
+waarin op een langer vers een korter volgt, met uitzondering van het
+elegische distichon. Daarom hebben de grammatici den naam Epodon liber
+aan het bundeltje gedichten van Horatius gegeven, die door hem zelf
+om hun bijtenden inhoud iambi genoemd zijn.
+
+Epoikoi, zij die van staatswege naar eene reeds bewoonde stad of
+volkplanting gezonden worden, om zich daar te vestigen.
+
+Epona, gallische godin van paarden, lastdieren, stallen, voerlieden,
+enz., die sedert de 1ste eeuw n. C. ook in Rome vereerd werd.
+
+Eponymus, eponymos, in het algemeen degene, naar wien iets genoemd
+wordt, bijv. de oude heroën, van wie de attische phylen en demen hun
+naam hebben, de eerste archont, die zijn naam aan het jaar geeft, enz.
+
+Epoptes, ingewijde van den hoogsten graad bij de mysteriën, zie
+Eleusinia.
+
+Eporedia, thans Ivrea, stad van Gallia Cisalpina, nabij Augusta
+Praetoria in het gebied der Salassers. Volgens eene uitspraak der
+sibyllijnsche boeken zonden de Rom. er in 100 eene rom. kolonie
+heen. Zie onder Agrariae leges: Lex Appuleia agraria van 100. Later
+municipium.
+
+Eporedorix, naam van twee aanzienlijke Aeduërs. De een viel in Caesars
+handen in een veldslag tegen Vercingetorix (52); de ander was als
+aanvoerder der aeduïsche ruiterij in Caesars leger, doch liep ten
+slotte ook tot Vercingetorix over.
+
+Epos, epe, epische of objectief-verhalende poëzie, behandelde
+waarschijnlijk oorspronkelijk enkele gebeurtenissen uit de legenden
+betreffende goden, heroën of edele geslachten, doch werd later
+ontwikkeld tot het samenhangend verhaal van geschiedenissen uit het
+heldentijdperk, zooals wij het bij Homerus vinden. Taal en metrum
+van Homerus werden door alle latere epische dichters behouden,
+zijne wijze van behandeling der stof werd door allen als model
+beschouwd. Wat de behandelde onderwerpen betreft sloten zich de cyclici
+(z. a.) het meest bij Homerus aan, lateren kozen ook soms geschiedenis,
+terwijl alexandrijnsche dichters onderwerpen van verschillenden aard,
+meest van geringen omvang, met meer geleerdheid dan kunst op epische
+wijze behandelden. In de 5de eeuw na C. herleefde het epos nog voor
+korten tijd, zonder echter iets van belang voort te brengen.--Tot de
+epische poëzie rekent men ook de didactische, het leerdicht, waarvan
+de werken van Hesiodus het oudste voortbrengsel zijn en waarvan de
+oudste wijsgeeren zich bedienden om hunne theoriën bekend te maken,
+terwijl in den alexandrijnschen tijd en later alle wetenschappen in
+dezen vorm behandeld werden.--Ook in de rom. letterkunde komt het
+epos reeds zeer vroeg voor; bij voorkeur behandelde men aanvankelijk
+deelen der rom. geschiedenis; eerst door de studie der alexandrijnsche
+poëzie kwam men ook tot beoefening van het grieksche heldenepos;
+Vergilius verbindt beide richtingen door in zijne Aeneis inheemsche
+sagen tot onderwerp te kiezen. Het leerdicht werd door de Rom. steeds
+met voorliefde beoefend.
+
+Eppius (M.), aanhanger van Pompeius, door Caesar na den slag bij
+Thapsus begenadigd.
+
+Eprius Marcellus (T. Clodius), een man van lage inborst, was onder
+Claudius en Nero praetor, en daarna legatus pro praetore van Lycia en
+Pamphylia, waar hij zich door zijne inhaligheid zeer gehaat maakte. Hij
+was consul in 61 n. C. Vervolgens speelde hij bij Nero de rol van
+verklikker. Hij wist Thrasea Paetus te doen veroordeelen (66). Ook in
+de gunst van Vespasianus wist hij zich in te dringen; hij was (Juli
+70-Juli 73) proconsul van Asia; toen hij echter eene samenzwering
+tegen den keizer trachtte te bewerken, werd dit ontdekt en toen hij
+in den senaat veroordeeld was, maakte hij zichzelven van kant (79).
+
+Epulones. Vóór 196 was de zorg voor de maaltijden, waarmede sommige
+godsdienstige feesten behoorden gepaard te gaan, aan de pontifices
+opgedragen. De lex Licinia van den volkstribuun C. Licinius Lucullus
+van 196 droeg deze taak op aan een bijzonder collegie van drie mannen,
+triumviri epulones, welk getal later op zeven werd gebracht en door
+Caesar, doch met behoud van den naam septemviri, op tien.
+
+Epyaxa, Epyaxa, echtgenoote van den vorst (Syennesis) van Cilicië.
+
+Equirria, een Marsfeest op 27 Februari en 14 Maart, waarbij een wedren
+te paard op den campus Martius plaats had.
+
+Equites (over de atheensche hippes z. a.). Eene lijfwacht van
+ruiterij, celeres genaamd naar het gr. woord keletes, wordt reeds
+onder de regeering van Romulus vermeld. Ze stonden onder een
+tribunus celerum, v. s. onder 3 tribuni celerum. Onder de koningen
+klom het getal equites tot 1800, in 18 centuriae verdeeld. Zes dezer
+centuriën droegen den naam van sex suffragia. Vermoedelijk zijn dit
+de drie dubbelcenturiën van Tarquinius Priscus: Ramnes, Tities,
+Luceres priores en posteriores. De overige heeten XII centuriae
+equitum. Na de verdrijving der koningen bleef het getal op 1800,
+zij werden genomen uit rijke burgers der eerste klasse. Wanneer een
+bepaalde census voor de equites is vastgesteld, weten we niet, maar
+later bedraagt die 400.000 sestertiën van 2 1/2 as = f 40.000. Bij
+de lex Roscia theatralis van 67 werd deze census hernieuwd, en
+ook in den keizertijd is dit zoo gebleven. De ruiters ontvingen
+van den staat geld (aes equestre z. a.) voor het aankoopen van een
+paard, equus publicus, en tot onderhoud een zeker havergeld, aes
+hordearium (z. a.). Wanneer de census gehouden werd, werden ook de
+equites gemonsterd, recognitio. Hun paard aan den teugel leidende,
+traden zij ieder op hunne beurt voor de censoren, en hoorden daar
+de woorden traduc equum of vende equum. Het laatste was een teeken,
+dat men van de lijsten der equites was geschrapt, hetzij wegens niet
+voldoende onderhoud van zijn paard, hetzij de censors om eene andere
+reden eene openbare bestraffing wilden toepassen. In 403 tijdens den
+laatsten oorlog met Veii meldden zich een aantal jongelieden aan om
+als vrijwillige equites op eigen kosten te dienen. Zóó had men toen
+equites equo publico en equo privato. De laatsten stemden echter niet
+in de riddercenturiën mede. Het geheele aantal equites bedroeg in 225:
+22100. Oorspronkelijk waren de equites bestemd voor den ruiterdienst
+te velde en hiervoor werden bij elk legioen 300 ruiters gevoegd, doch
+deze dienst geraakte allengs in minachting, omdat het zwaartepunt der
+rom. krijgsmacht in het voetvolk gelegen was. De Rom. bezigden liever
+als ruiterij troepen van de bondgenooten in de provinciën, die veel
+beter waren, en de equites Romani, niet langer als ruiterkorps dienst
+doende, werden meer een bevoorrechte klasse van burgers, waaruit men
+bij voorkeur hoofdofficieren, ordonnansen en den staf des veldheers
+koos. De hoogere officiersrangen, die van tribuni militum en praefecti,
+worden uitsluitend door equites bekleed, terwijl de hoogste rang,
+die een pedes bereiken kan, die van primipilus is. Van ruiterbende
+werden zij ridderkorps. In 123 stelde C. Gracchus als volkstribuun door
+zijne lex Sempronia iudiciaria vast, dat de indices niet langer uit den
+senaat zouden genomen worden, maar uit hen, die den riddercensus hadden
+(zie iudex), en daar deze nu allen op ééne lijst moesten gebracht
+worden, ook al behoorden zij niet tot de 1800, ontstond toen een
+ridderstand, ordo equester. Kreeg een ridder toegang tot den senaat,
+dan kon hij van den ridderstand niet langer deel uitmaken. Onder de
+ridders vond men de eigenaars der groote handelshuizen (een senator of
+senatorszoon mocht geen handel drijven, zie lex Claudia), de bankiers,
+de belastingpachters of publicani. Zij vormden de geldaristocratie, die
+dikwerf vijandig tegenover den senatorenstand stond. Met de senatoren
+hadden de ridders den gouden ring gemeen (ius anuli); zij droegen de
+tunica angusticlavia, met smallen purperstreep (zie clavus), en in
+dienst of bij plechtige optochten de trabea, een mantel met purperen
+strepen. Ook hadden zij bevoorrechte plaatsen in het theatrum, zie
+Roscia (lex) theatralis. Omtrent het stemrecht der equites in de
+com. centuriata zie men praerogativa. In den keizertijd worden vele
+keizerlijke ambten, o. a. de praefectura Aegypti, en het bestuur van
+vele kleine provincies en van de finantiën uitsluitend aan equites
+opgedragen, met de titels praefecti en procuratores.
+
+Equites illustres. Augustus schiep in den ridderstand een bepaalde
+klasse van ridders, de eq. equo publico of eq. illustres, ook wel
+eq. dignitate senatoria geheeten, die den senatorencensus van 1.000.000
+sestertiën hadden, en waaruit de keizer de meeste zijner officieren
+en hooge ambtenaren koos.
+
+Equites singulares, in de 2de en 3de eeuw n. C. een regiment garde
+kavallerie van de romeinsche keizers, meest bestaande uit vreemdelingen
+(Germanen, vooral Batavi).
+
+Equuleus, het folterpaard, een martelwerktuig, waarvan wij den
+vorm niet kennen. De persoon, die gefolterd moest worden, werd er
+op vastgebonden en dan uiteengerekt. Het werd niet voor burgers,
+maar voor slaven gebezigd. Ook in de acta martyrum wordt het vaak
+vermeld. Ook bij gerechtelijke verhooren werden slaven, die getuigenis
+moesten afleggen, op een dergelijk folterwerktuig geplaatst.
+
+Equus Tuticus of Aequum Tuticum, een stadje der Hirpini in Samnium
+ten O. van Beneventum.
+
+Er, Er, Pamphyliër, die in een slag gedood werd, tien dagen liggen
+bleef en daarna op den brandstapel herleefde en verhaalde, wat hij
+in de onderwereld gezien had.
+
+Erae, Erai, kleine sterke havenstad op de aziatisch-ionische kust,
+ten Z.O. van Erythrae, in het gebied van Teos.
+
+Erana, Erana, hoofdvesting der Eleutherocilices op den berg Amanus. Ook
+eene stad in Messenia, aan de W.-kust even ten N. van het eilandje
+Prote.
+
+Eranos, een in het grieksche recht veel voorkomend gebruik tot het
+gezamenlijk uitleenen van gelden, zonder daarvoor rente te vorderen. Om
+iemand geldelijk te steunen voor het doen van zaken of voor het
+loskoopen van een krijgsgevangene, of ook alleen om gelden te beleggen,
+geven een zeker aantal personen, ieder voor zich een zelfde geldsom
+aan den voorzitter, archeranos of eranarches, handen, die deze geheele
+som den vrager van den eranos ter hand stelt, onder de conditie, dat
+deze de som in termijnen afbetaalt. De er. wordt genoemd òf naar de
+grootte van ieders bijdrage, b.v. er. pentakosiodrachmos, òf naar de
+grootte van de heele som b.v. er. eikosimnaios, tettarakontamnaios. De
+rechten van de deelnemers, en de verplichting tot terugbetaling
+van den ontvanger zijn voor overdraging vatbaar, en kunnen ook in
+rechte gehandhaafd worden. Andere er., vooral in lateren tijd,
+dienden om voor ééns, of geregeld op gemeenschappelijke kosten
+feestvergaderingen te houden, of vereenigingen in stand te houden,
+zooals er in de hellenistische wereld onder allerlei vormen voorkomen.
+
+Erasinides, Erasinides, 1) atheensch veldheer, een van de overwinnaars
+bij de Arginusen, die later ter dood veroordeeld werden.--2)
+corinthisch veldheer, die den Syracusanen te hulp kwam, toen zij in
+den peloponnesischen oorlog door de Atheners aangevallen waren (414).
+
+Erasinus, Erasinos, 1) de eenige rivier van Argolis, die in den
+zomer niet droog is; hij mondt na een zeer korten loop dicht bij de
+plaats, waar de Inachus in het zand verloopt.--2) beek in Attica,
+bij Brauron mondend.
+
+Erasistratus, Erasistratos, 1) van Iulis, kleinzoon van Aristoteles,
+beroemd heel- en ontleedkundige in de 3de eeuw, stichter eener
+geneeskundige school. Hij woonde te Alexandria.--2) Athener, een van
+de zoog. 30 tyrannen.
+
+Erato, Erato, muze van het minnedicht en de mimiek, wordt afgebeeld
+met eene lier in de hand, soms in gezelschap van Eros.
+
+Eratosthenes, Eratosthenes, 1) een van de zoog. 30 tyrannen te Athene,
+voorstander van de meer gematigde politiek van Theramenes, later door
+Lysias aangeklaagd wegens den moord van diens broeder Polemarchus.--2)
+van Cyrene, geb. 275, in Alexandrië onderwezen, leefde eenigen tijd
+te Athene, en werd in 235 hoofd der alexandrijnsche bibliotheek,
+welke betrekking hij bekleedde totdat hij, ruim 80 jaar oud, zich van
+het leven beroofde, daar hij vreesde blind te worden (194). Behalve
+zijne gedichten liet hij een groot aantal werken na over wiskunde,
+wijsbegeerte, geschiedenis en chronologie, taal- en letterkunde,
+alsmede zijn voornaamste werk: Geographika of Geographoumena in
+drie boeken, welk werk de grondslag werd van eene wetenschappelijke
+behandeling der aardrijkskunde, en door lateren zeer dikwijls gebruikt
+werd. Van al deze werken is bijna niets bewaard gebleven.
+
+Erchomenus, Erchomenos, oude naam voor: Orchomenus, z. a.
+
+Ercte, Eirkte of Heirkte, bergvesting in N.W. Sicilia. Hai Heirktai,
+vlek in Argolis dicht bij Nauplia.
+
+Erechtheis, Erechtheis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking
+van Attica door Clisthenes verdeeld werd.
+
+Erechtheum, Erechtheion, de plaats op de atheensche acropolis, waar
+de tempels van Poseidon Erechtheus en van Athena Polias stonden, met
+de zoutbron en den heiligen olijfboom, die uit den strijd tusschen
+Poseidon en Athena over de naamgeving der stad was ontstaan. Zie
+Athenae.
+
+Erechtheus, Erechtheus, 1) zoon van Hephaestus en Gaea of Atthis,
+opgevoed door Athena (z. Agraulus). Hij verdreef Amphictyon en werd
+koning van Attica, stelde den eeredienst van Athena en de Panathenaea
+in, en was rechter in den twist tusschen Athena en Poseidon over het
+bezit van Attica; hij was de eerste die een vierspan gebruikte en werd
+daarom als Voerman onder de sterren geplaatst. Er. was een zeer oud
+attisch heros, die in het Erechtheum gemeenschappelijk met Athena
+en Poseidon vereerd werd.--2) kleinzoon van den vorigen, zoon van
+Pandion, koning van Athene. In den oorlog tegen de Eleusiniërs werd
+hem de overwinning voorspeld, mits hij eene van zijne vier dochters
+doodde; toen hij nu de jongste opofferde, beroofden zich ook hare drie
+zusters van het leven, daar zij gezworen hadden met elkander te zullen
+sterven. Er. versloeg in den strijd Eumolpus, die de Eleusiniërs hielp,
+maar werd op verzoek van diens vader Poseidon door Zeus met den bliksem
+gedood.--V. s. is deze Er. oorspronkelijk dezelfde als de vorige.
+
+Erembi, Eremboi, onbekende volksstam, ergens in het oostelijk gedeelte
+van het gebied der middellandsche zee wonende, v. s. verwant met de
+Arabieren, v. a. = Aramaei.
+
+Eremos dike, proces, waarin wegens het wegblijven van een der
+partijen bij verstek vonnis wordt uitgesproken. De veroordeelde kon
+vernietiging van zulk een vonnis vragen (antilachein ten eremon),
+wanneer hij meende te kunnen bewijzen, dat er redenen geweest waren
+om de behandeling der zaak uit te stellen.
+
+Eresus, Eresos, stad op de Z.-W. kust van het eiland Lesbus,
+geboorteplaats van de dichteres Sappho en van den wijsgeer Theophrastus
+(± 300).
+
+Eretria, Eretria, voorname havenstad op Euboea aan den Euripus,
+waarschijnlijk gesticht door de Abantes, later een atheensche
+kolonie, die zelve verscheidene volkplantingen naar de macedonische
+kust uitzond en in de 7de eeuw een groot gebied (Andrus, Tenus,
+Ceüs, Oropus) beheerschte. Omtrent haar strijd met Chalcis, zie
+Chalcis. Met Athenae had het den opstand der Ioniërs in Azië tegen
+Darius I ondersteund. Daarom werd het in 490 door Datis en Artaphernes
+verwoest, terwijl de bewoners geboeid naar Perzië (Ardericca nabij
+Susa) werden gezonden. De stad werd terstond weder bevolkt en neemt
+deel aan den Perzischen oorlog.--Ook een stadje in het N. van het
+thessalische landschap Phthiotis.
+
+Eretri(a)ci, Eretriakoi, wijsgeeren uit de school van Menedemus, wiens
+leerstellingen waarschijnlijk grootendeels met die der megarische
+school overeenkwamen.
+
+Eretum, Ereton, oude sabijnsche stad aan den Tiber.
+
+Ereuthalion, Ereuthalion, erfde van zijn vriend Lycurgus de knots
+van Areïthoüs (z. a.). Daarop vertrouwende, daagde hij alle helden
+ten strijde uit, tot hij door Nestor gedood werd.
+
+Ergades = Argades.
+
+Ergane, Ergane, bijnaam van Athena (z. a.).
+
+Ergastulum, slavengevangenis op de uitgestrekte landgoederen der
+rom. grondeigenaars.
+
+Erginus, Erginos, 1) zoon van Clymenus no. 2, koning van Orchomenus in
+Boeotië. Om den dood van zijn vader te wreken, deed hij den Thebanen
+den oorlog aan, overwon hen en legde hun een jaarlijksche schatting
+op. Twintig jaar later vond Heracles te Thebe de gezanten van Erg.,
+die gekomen waren om de verschuldigde schatting te halen; hij sneed
+hun neus en ooren af en zond hen zoo terug. In den oorlog, die hierop
+volgde, werd Erg. door Heracles gedood.--V. a. werd hij gedwongen
+de reeds betaalde schatting dubbel terug te geven, waardoor zijn
+land tot groote armoede verviel, en hij er eerst op hoogen leeftijd
+de vroegere welvaart hersteld zag. Hij was de vader van Agamedes en
+Trophonius.--2) zoon van Poseidon, helper en opvolger van Tiphys als
+stuurman der Argonauten, beroemd door zijn snelheid in het loopen.
+
+Erianthus, -thes, Erianthos, -anthes, vertegenwoordiger van Thebe
+bij de vergadering, waarin na afloop van den peloponnesischen oorlog
+over de vredesvoorwaarden beraadslaagd werd; op zijn voorstel stemden
+Thebanen, Corinthiërs e. a. voor de geheele vernietiging van Athene.
+
+E(e)riboea, 1) Eeriboia, stiefmoeder der Aloaden (z. a.).--2) Eriboia,
+z. Periboea no. 5.
+
+Erichthonius, Erichthonios, 1) = Erechtheus.--2) zoon en opvolger van
+Dardanus, vader van Tros, beroemd om zijn rijkdom, vooral om zijne
+drieduizend buitengewoon schoone merries.
+
+Ericinium, stad in Thessalia bij Gomphi.
+
+Eridanus, Eridanos, 1) mythische stroom, zoon van Oceanus en
+Tethys. Herodotus vermeldt hem als eene rivier, die zich in
+de noordelijke zee ontlast, en aan wier oevers barnsteen wordt
+gevonden. Daar nu over Hadria (Adria), dat bij de monden van den Po
+ligt, het uit het Noorden komende barnsteen werd uitgevoerd, hebben
+latere schrijvers den Eridanus vereenzelvigd met den Padus.--2) beek
+die ten O. van Athenae aan den voet van den Lycabettus ontspringt,
+en door het N. van Athenae stroomend, in den Ilisus valt.
+
+Erigon, Erigon, rivier in Macedonia, zijtak van den Axius.
+
+Erigone, Erigone, 1) dochter van Icarius (z. a.), bij Dionysus, die
+door haar vader gastvrij ontvangen werd, moeder van Staphylus. Ter
+herinnering aan haar dood vierde men jaarlijks het feest Aiora of
+Eora, waarbij men poppen aan boomen hing en ze zoo liet heen en
+weer schommelen.--2) dochter van Aegisthus en Clytaemnestra, door
+Orestes te gelijk met haar moeder gedood. V. a. hing zij zich op,
+toen zij de vrijspraak van Orestes vernam, of werd zij zijne slavin,
+of nam Artemis haar tot priesteres.
+
+Erineüs, Erineos, eene der vier steden van Doris.
+
+Erinna, Erinna, beroemde grieksche lyrische dichteres uit de 4de eeuw,
+van wier leven niets zekers bekend is. Er zijn nog een paar epigrammen
+van haar over.
+
+Erin(n)yes, Erin(n)yes, wraakgodinnen, die bij ieder vergrijp tegen de
+heilige plichten tegenover bloedverwanten, gastvrienden, smeekelingen,
+enz., uit hunne woning in den Erebus naar de aarde oprijzen en den
+misdadiger met haar verschrikkelijk gezang vervolgen en tot waanzin
+drijven, zoodat hij nergens rust kan vinden. Zelfs de dood kan hare
+vervolgingen niet doen eindigen; heeft de misdadiger zich echter
+van zijne schuld gereinigd, dan worden zij welwillende godheden,
+Eumenides, onder welken naam zij sedert de vrijspraak van Orestes op
+sommige plaatsen vereerd werden.--Homerus spreekt soms slechts van ééne
+Erinnys, gewoonlijk werden zij echter als drie zusters voorgesteld:
+Alecto, Tisiphone en Megaera, dochters van Gaea, ontstaan uit het
+bloed, vergoten bij de verminking van Uranus; in een treurspel van
+Aeschylus vormen zij het koor en zijn zij dus in grooter aantal
+aanwezig, zij worden daar voorgesteld als afgrijselijke oude vrouwen
+in het zwart gekleed en met bloedrooden gordel, de beeldende kunst
+maakte echter van haar gevleugelde jonkvrouwen met slangen en fakkels
+in de handen. Men offerde aan de Er. zwarte schapen en plengoffers
+zonder wijn.--De Rom. noemden deze godinnen Furiae of Dirae deae.
+
+Eriphyle, Eriphyle, z. Amphiaraus en Alcmaeon.
+
+Eris, Eris, godin der tweedracht, zuster van Ares en zijne gezellin
+in den strijd, maar ook godin van den heilzamen wedijver.--Bij de
+Romeinen heet zij Discordia en behoort zij in het gevolg van Bellona.
+
+Eristici, Eristikoi, wijsgeeren uit de school van Euclides no. 3
+(z. a.).
+
+Eros, Eros, de god der liefde, volgens sommige dichters de oudste
+der goden, die de stof bezielt met eene neiging tot vereeniging
+en daardoor eigenlijk voor den schepper der wereld gehouden moet
+worden. Gewoonlijk wordt hij echter meer beschouwd als de god der
+liefde tusschen menschen, in die hoedanigheid geeft men hem tot vader
+Zeus, Ares, Hermes, Hephaestus e. a., tot moeder Artemis, Iris, maar
+meestal Aphrodite. Hij komt dan ook het meest voor in gezelschap
+van deze en is het werktuig, waardoor zij den menschen hare macht
+laat gevoelen; dikwijls volgt hij echter ook zijn eigen luimen en
+verschoont dan zelfs zijn eigen moeder niet. Dartel en niets ontziende
+treft hij goden en menschen met zijne pijlen, van welke de scherpe
+liefde verwekken, de stompe juist voor liefde ongevoelig maken. Ook
+de liefde en vriendschap tusschen mannen en jongelingen wordt door
+hem beschermd, daarom is hem bijv. de heilige schaar der Thebanen
+gewijd, en vereerden de Atheners hem als den god, die door Harmodius
+en Aristogiton de bevrijding hunner stad bewerkt had. De roos en de
+duif zijn hem gewijd.--Hij wordt afgebeeld als een schoone knaap,
+later als een bevallig, meest gevleugeld kind, met boog, pijlen en
+fakkel. Dikwijls wordt hij vergezeld door de Chariten, Muzen e. dgl.,
+soms ook door met hem gelijksoortige wezens, die men Erotes noemt en
+waarvan sommige een afzonderlijken naam dragen, als Pothos, Himeros,
+enz.--De Romeinen geven hem den naam Amor of Cupido.--Zie ook Psyche.
+
+Erotia, Erotia, Erotidia, feest om de vier jaar door de Thespiërs ter
+eere van Eros als scheppend god gevierd; er bevond zich daar een ruwe
+steen, die voor het oudste beeld van den god gehouden werd.
+
+Erotianus, Erotianos, grieksch geneeskundige en taalgeleerde ten
+tijde van Nero, schrijver van een woordenboek op Hippocrates.
+
+Errhephoria = Arrhephoria.
+
+Erucii, een plebejische familie.
+
+Eruli = Heruli.
+
+Erulus = Herilus.
+
+Erycina, Erykine, bijnaam van Aphrodite naar den berg Eryx.
+
+Erymanthus, Erymanthos, berg en rivier in Arcadia. De berg lag in het
+N., de rivier, die er op ontsprong, stortte zich in den Alpheus. Op
+den berg behooren de mythen te huis van Heracles en het erymanthische
+zwijn en van Callisto, welke laatste dichterlijk ook Erymanthis ursa
+wordt genoemd.
+
+Erysichthon, Erysichthon, 1) zoon van Cecrops, die, van eene reis
+naar Delus terugkeerend, nog bij het leven van zijn vader stierf.--2)
+zoon van Triopas, koning in Thessalië, die boomen in een aan Demeter
+gewijd bosch velde, en door de godin met een onverzadelijken honger
+gestraft werd, zoodat hij ten slotte zijn eigen handen en voeten opat
+en van honger stierf.
+
+Erythea, -ia, Erytheia, het land van het avondrood; later dacht
+men zich dit als een eilandje in de golf van Gades (Cadix), van waar
+Heracles de runderen van den reus Geryones wegvoerde; in werkelijkheid
+ligt hier geen eiland van dien naam.
+
+Erythrae, Erythrai, 1) stad in Boeotia, ten O. van Plataeae.--2)
+belangrijke stad in aziatisch Ionia, waarschijnlijk oorspronkelijk
+door Cretensers gesticht; later komen hier Ioniërs bij; de stad bleef
+belangrijk tot in den keizertijd.--3) havenplaats van de ozolische
+Locriërs, ten Z. van Eupalium.
+
+Erythraeum mare, Erythra thalatta, mare rubrum, thans de Indische
+Oceaan. In ruimeren zin werd er soms de Arabische en sedert den tocht
+van Nearchus (z. a.) de Perzische golf bij gerekend.
+
+Erytus, Erytos = Eurytus no. 1.
+
+Eryx, Eryx, zoon van Poseidon of Butes no. 2 en Aphrodite Erycina. Hij
+werd koning der Elymi en was een geducht vuistvechter. Toen Heracles
+met de kudde van Geryones op Sicilië kwam, daagde Er. hem tot een
+tweegevecht uit, waarin hij gedood werd.
+
+Eryx, Eryx, berg en stad op de Westkust van Sicilia hij kaap
+Drepanum. Op den berg lag een beroemde tempel van Aphrodite Erykine,
+Venus Erycina. Hier heeft Hamilcar Barcas zich in den eersten punischen
+oorlog drie jaar lang verschanst (244-241).
+
+Eryximachus, Eryximachos, zoon van Acumenus, atheensch geneesheer
+van naam, een van de woordvoerders bij het Symposium van Plato.
+
+Esquiliae, de 5de regio van Rome onder de verdeeling van Augustus. Zij
+omvatte de noordelijke helft van den mons Esquilinus, met het park
+van Maecenas enz.
+
+Esquilina, eene der vier plaatselijke tribus, waarin Servius Tullius
+Rome verdeelde. De porta Esquilina voerde naar Tibur en Praeneste.
+
+Esquilinus (mons), een der heuvels, waarop Rome was gebouwd, in het
+O. der stad.
+
+Essedarii, zwaardvechters, die op de wijze der Britten en Galliërs
+op strijdwagens streden. Zulk een wagen, esseda of essedum, was
+tweewielig en van voren open.
+
+Esubii of Sesubii, gallisch volk in het tegenw. Normandië.
+
+Eteobutadae, Eteoboutadai, familie te Athene, waaruit de priesters
+van Athena gekozen werden, zij stamden af van Butus no. 1.
+
+Eteocles, Eteokles, 1) zoon van Oedipus en Iocaste. Nadat hun vader
+Thebe verlaten had, kwam hij met zijn broeder Polynices overeen
+dat zij beurtelings zouden regeeren, maar toen de tijd gekomen was
+om de regeering aan Polynices over te geven, weigerde hij dit te
+doen. Polynices ging daarop naar Adrastus, die den zoog. tocht der
+zeven vorsten ondernam om hem op den troon te herstellen; beide
+broeders vielen in een tweegevecht.--2) koning van Orchomenus in
+Boeotië, die den dienst der Charites invoerde.
+
+Eteoclus, Eteoklos, zoon van den argivischen koning Iphis, een van
+de zeven vorsten, die met Adrastus tegen Thebe optrokken.
+
+Eteocretes, Eteokretes, oudste bewoners van Creta, door de grieksche
+veroveraars teruggedrongen naar het oostelijk gedeelte van het eiland;
+hun stad is Praesus.
+
+Etesiai, sc. anemoi, de Grieksche passaatwinden, die in de maanden
+Juni tot September uit het Noorden of Noordwesten waaien.
+
+Etovissa, Etybesa, stad der Edetanen in het O. van Tarraconensis,
+nabij de kust.
+
+Etruria, ook wel Hetruria, later Tuscia, bij de Grieken Tyrrhenia,
+Tyrrenia, Tyrsenia genoemd, thans Toscane, het N.W. landschap van
+Midden-Italië, een zeer vruchtbare landstreek. Waarschijnlijk
+was het oudtijds door Umbriërs bewoond, terwijl de Tyrsenoi
+(Tyrrenoi), Tusci, Etrusci, die hun naam aan het landschap en aan
+de Tyrrheensche Zee gegeven hebben, van over zee uit het grieksche
+oosten gekomen, waarschijnlijk in de 9de of 8ste eeuw v. Chr. zich aan
+de Westkust hebben neergezet, en het land langzamerhand veroverend,
+de oorspronkelijke bevolking onderdrukt hebben. V.a. zijn ze uit het
+Noorden gekomen. Zij zijn van niet-indogermaanschen stam, en hun taal
+is nog niet ontcijferd. Zij noemen zich zelf Rasenna, Zij hebben zich
+reeds vroeg zeer ontvankelijk getoond voor de grieksche beschaving, en
+Etruria was in de 7-5de eeuw het beste afzetgebied voor de produkten
+van grieksche kunst en kunstnijverheid. In de etrurische graven van
+Caere, Volci en andere steden heeft men duizenden grieksche vazen,
+soms van hooge kunstwaarde, gevonden. Hun eigen kunst, nabootsing
+deels van grieksche, deels van phoenicische waren, steekt bij
+de grieksche zeer af. Slechts hun metalen spiegels en het zwarte
+aardewerk (bucchero nero), na de onderwerping onder Rome verdrongen
+door het roode arretijnsche werk (vasa Arretina), en hun tempel-
+en huizenbouw verdient genoemd te worden. De Etruscers waren in de
+7de en 6de eeuw het machtigste en het meest ontwikkelde volk van
+Italië. Als zeevaarders en zeeschuimers beheerschten zij de naar hen
+genoemde zee, en hielden de Grieken er uit (zie Alalia en Caere). Ze
+veroverden een gedeelte van de Po-vlakte, waar Felsina, het latere
+Bononia (thans Bologna) hunne hoofdstad was, onderwierpen Latium
+(de drie laatste koningen van Rome zijn waarschijnlijk etruscische
+vorsten) en vestigden zich zelfs een tijdlang in Campania, waar ze
+Capua gesticht en een stedenbond gevormd hebben. Het land zelf is
+verdeeld in vele staten, die slechts los met elkaar verbonden zijn,
+en elkaar nu en dan onderling beoorlogen. De voornaamste steden zijn:
+Arretium, Caere (= Agylla), Clusium, Cortona, Faesulae, Perusia,
+Populonia, Rusellae, Tarquinii, Veii, Vetulonia, Volaterrae, Vulci
+en Volsinii. Falerii, dat in Zuid-Etrurië ligt, behoort er niet
+toe, want de inwoners, de Falisci, zijn van latijnschen stam. De met
+sterke muren omgeven steden der Etruscers beheerschen en onderdrukken
+het uitgestrekte grondgebied, dat er om heen ligt. Het bestuur is
+aristocratisch ingericht, terwijl aan het hoofd van elken stadstaat
+een priesterlijke koning staat met den titel Lucumo of Lar, welke
+waardigheid erfelijk schijnt te zijn. De Etruscen waren krijgshaftig,
+maar toen ze door handel, scheepvaart en industrie rijk waren geworden,
+verslapten zij. De Grieksche schrijvers hebben vele verhalen omtrent
+hun weelde en weelderigheid ons overgeleverd. In de 5de eeuw gaat
+hun macht langzamerhand achteruit. In 474/3 leden zij bij een aanval
+van de zeezijde op het campaansche Cumae een gevoelige nederlaag door
+de Syracusanen onder Hiero, die Cumae te hulp gekomen waren. In het
+laatst van de 5de eeuw moeten ze hun heerschappij over de Po-vlakte
+afstaan aan de Kelten, en ongeveer in denzelfden tijd (396) wordt
+Veii door de Romeinen vernietigd. In de 4de eeuw neemt nu de macht
+van Etrurië sterk af, totdat het, in ongeveer 280, geheel van Rome
+afhankelijk wordt. De bevolking, die zoo lang door de regeerende
+aristocratie onder het juk schijnt gehouden te zijn, leverde onder
+rom. bestuur sterke democratische elementen; vandaar dat Sulla en
+later Octavianus er verscheidene soldatenkoloniën heenzonden.
+
+Euadne, Euadne, 1) dochter van Poseidon en Pitane, bij Apollo moeder
+van Iamus.--2) dochter van Iphis, gemalin van Capaneus, die zich te
+gelijk met het lijk van haar echtgenoot liet verbranden.
+
+Euagoras, Euagoras, een van de Teucriden, eene familie die vroeger
+te Salamis op Cyprus geregeerd had, maar later door phoenicische
+tyrannen vervangen was. Daar de toen regeerende tyran hem wegens
+zijne afkomst en nog meer wegens zijne buitengewone begaafdheid
+wantrouwde en uit den weg trachtte te ruimen, ging hij naar Cilicië,
+van waar hij in 410 met eene zeer kleine legermacht terugkeerde,
+zijn vaderland bevrijdde en koning werd. Hij bracht zijn rijk en het
+geheele eiland tot een hoogen trap van welvaart en streefde er vooral
+naar, betrekkingen met grieksche staten aan te knoopen en grieksche
+beschaving in te voeren. In Conon, die na den slag bij Aegospotami bij
+hem een toevlucht gevonden had, vond hij een voortreffelijk helper;
+hij ondersteunde hem van zijn kant krachtig bij zijne pogingen om de
+overmacht der Lacedaemoniërs te breken. Uit dankbaarheid hielpen de
+Atheners hem met schepen, toen hij door de Perzen werd aangevallen,
+zoodat hij, ook gesteund door een verbond met Aegypte, aanvankelijk
+aanzienlijke voordeelen behaalde, en ofschoon Artaxerxes na den
+vrede van Antalcidas met meer geluk den oorlog tegen hem voerde,
+verkreeg hij toch na langen strijd in 380 een eervollen vrede. In
+374/3 werd hij door een sluipmoordenaar gedood.--2) zoon van Nicocles,
+kleinzoon van den vorigen (368-351), werd na eene korte regeering door
+Pnytagoras van den troon gestooten, kwam met perzische hulp terug,
+doch kon zich op den duur niet staande houden. Hij werd toen satraap
+eener provincie in Klein-Azië, doch moest wegens knevelarij vluchten
+en werd eindelijk op Cyprus vermoord (351).
+
+Euander, Euandros, 1) zoon van Hermes en Themis, Carmenta of
+Nicostrate, of van Echemus en Timandra, kwam 60 jaar voor den
+trojaanschen oorlog met eene volkplanting uit Pallantium in Arcadië
+naar Latium, en stichtte op de plaats, waar later Rome stond, eene
+stad, die hij Pallantium of Palatium noemde en waarnaar de Palatinus
+genoemd is. Hij leerde den bewoners van die streken schrijven, muziek
+en andere kunsten, en voerde den dienst van verscheiden grieksche goden
+in; ook hielp hij Heracles in zijn strijd tegen de omwonende volken
+en gaf hij Aeneas hulptroepen onder bevel van zijn zoon Pallas. Hij
+werd te Rome als inheemsch heros vereerd.--2) leerling van Lacydes
+en diens opvolger als hoofd der academische school (sinds 215).
+
+Euangelus, Euangelos, 1) schrijver van een werk over krijgskunde.--2)
+dichter der nieuwe attische comedie.
+
+Euarchus, Euarchos, 1) van Chalcis, voerde eene kolonie naar Catana
+(± 725).--2) tyran van Astacus in Acarnanië bij het begin van den
+peloponnesischen oorlog.
+
+Euboea, Euboia, thans Negroponte, eiland, door den Euripus van
+Hellas gescheiden. Hoewel het in de volle lengte door een woest
+kalksteengebergte wordt doorsneden, had het, vooral aan de Westkust
+en in het Noorden zeer vruchtbare vlakten. In het N. woonden Ellopes
+en Perrhaebi, in het midden Curetes en Abantes, die vroeg door de
+Ioniërs onderworpen zijn, in het Z. Dryopes. Het midden, waar Chalcis
+en Eretria lagen, is het belangrijkste. Sedert de perzische oorlogen
+kwam Euboea onder atheenschen invloed. Na den afval van 446 werd het
+geheel door Athene onderworpen. In 411 viel het af, maar is later
+toch meest op de hand van Athene. Na den slag bij Chaeronea hoort
+het onder Macedonia. In 194 wordt het onafhankelijk, in 146 wordt het
+bij het rom. rijk ingelijfd, en hoort soms tot de provincie Achaia,
+meestal echter bij Macedonia.
+
+Eubulides, Euboulides, 1) van Miletus, wijsgeer uit de school
+van Euclides no. 3. Hij wordt ook genoemd als de leermeester van
+Demosthenes, dien hij geholpen zou hebben zijn spraakgebrek te
+overwinnen.--2) beroemd atheensch beeldhouwer uit het midden van de
+2de eeuw.
+
+Eubulus, Euboulos, 1) een van de beroemdste dichters der attische
+comedie uit het overgangstijdperk; hij leefde omstreeks het midden
+der 4de eeuw en schreef 104 stukken. Hij parodiëerde gaarne oudere
+treurspeldichters, vooral Euripides.--2) atheensch redenaar en demagoog
+(sedert 354), in hoog aanzien bij het volk; hij trachtte vooral de
+financiën van den staat te versterken, die hij waarschijnlijk tot
+het jaar 339 beheerd heeft, en was dus een voorstander van den vrede
+tot elken prijs en een hevig tegenstander van Demosthenes; door zijn
+invloed werd Aeschines (z. a.) vrijgesproken, toen Demosthenes hem
+van verraderlijke handelingen had aangeklaagd. Van hem is de wet,
+dat alle beschikbare staatsgelden voor het theorikon besteed moesten
+worden, en dat ieder met den dood gestraft zou worden, die hierin
+eene verandering voorstelde; eerst kort voor den slag bij Chaeronea
+werd deze wet ingetrokken. Hij stierf in 330.--3) van Alexandria,
+een philosoof uit de school der Sceptici, z. Pyrrho.
+
+Euclides, Eukleides, 1) van Zancle, stichter van Himera.--2) eerste
+archont te Athene in 403, het jaar van de amnestie, de wederinvoering
+der wetten van Solon en de invoering van het ionische alphabet.--3)
+van Megara, kwam dikwijls des avonds in vrouwenkleederen naar Athene
+om Socrates te bezoeken, omdat de Atheners in dien tijd den Megarensers
+op doodstraf het verblijf in hun stad verboden hadden. Na den dood van
+Socrates vonden verscheidene van zijne leerlingen, die zich te Athene
+niet veilig achtten, o.a. Plato, bij Eucl. eene schuilplaats. Hij
+verbond de eenheidsleer der Eleaten met stellingen van Socrates en
+werd de stichter der megarische school, die leerde, dat alleen het
+goede, hoewel onder zeer verschillende namen, bestond. De verdediging
+van deze leer vereischte vele dialectische spitsvondigheden, waarin
+vooral zijne navolgers Eubulides no. 1 en Diodorus no. 1 uitmuntten
+en waarom de wijsgeeren van zijne richting dikwijls eristikoi of
+dialektikoi genoemd worden. Z. ook Stilpo.--4) beroemd wiskundige
+te Alexandrië omstreeks 300, schrijver van verscheiden werken over
+meetkunde, sterrenkunde en muziek. Zijn hoofdwerk, Stoicheia, wordt
+nog tegenwoordig soms als leerboek der meetkunde gebruikt.
+
+Eucrates, Eukrates, atheensch demagoog, uit den eersten tijd na den
+val van Pericles.
+
+Euctemon, Euktemon, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen
+oorlog, eerste archont 408/7.--2) astronoom en geograaf uit de 2de
+helft der 5de eeuw.
+
+Eudamidas, Eudamidas, aanvoerder van een spartaansch leger, dat in
+382 gezonden werd om Olynthus te belegeren, bij welke onderneming
+hij sneuvelde.
+
+Eudemus, Eudemos, 1) van Parus, logograaf in de zesde of vijfde
+eeuw.--2) van Rhodus, een der beste leerlingen van Aristoteles,
+zette als geneesheer vooral de wis- en natuurkundige navorschingen
+van zijn meester voort. V. s. is hij de schrijver der Ethika Eudemeia,
+naar voordrachten van Aristoteles opgesteld.
+
+Eudocia, Eudokia, z. Athenais no. 2.
+
+Eudorus, Eudoros, van Alexandrië, schrijver van verschillende werken
+over de leer van Plato, Aristoteles en Pythagoras; hij was een
+tijdgenoot van Augustus.
+
+Eudoxia, eene Frankin, door den minister Eutropius aan den
+nietsbeteekenenden keizer Arcadius tot gemalin gegeven. Van 399
+tot 405 na C. voerde zij voor den keizer de teugels van het bewind,
+en maakte zich door strengheid gehaat.
+
+Eudoxus, Eudoxos, 1) van Cnidus, bestudeerde eenigen tijd in
+Aegypte astronomie, was een verdienstelijk geneesheer, maar vooral
+beroemd als wis-, sterren- en aardrijkskundige. Hij had te Cnidus
+een observatorium en was de eerste, die de bolvormige gedaante der
+aarde bewees. Omstreeks 370 voerde hij in zijne vaderstad verscheiden
+veranderingen in de staatsregeling in. Ofschoon hij een leerling
+van Plato was, verwierp hij vele van diens physische en ethische
+leerstellingen.--2) van Cyzicus, omstreeks 120, schrijver van een
+werk bevattende zijne waarnemingen op reizen naar Indië, Hispanië en
+Africa. Van zijne aanteekeningen heeft Posidonius gebruik gemaakt.
+
+Euenus, Euenos, 1) z. Idas.--2) koning van Lyrnessus, vader van
+Briseis.--3) naam van twee elegische dichters, van welke één
+leermeester van Socrates genoemd wordt. De sophist, die op eenige
+plaatsen bij Plato vermeld wordt, is waarschijnlijk dezelfde persoon
+als een van deze beide dichters.
+
+Euenus, Euenos, vroeger Lycormas geheeten, een woeste bergstroom in
+Aetolia. Ook eene rivier in Mysia.
+
+Eueteria, Eueteria, bijnaam van Demeter te Corinthe.
+
+Eugammon, Eugammon, van Cyrene, een van de cyclici, dichtte omstreeks
+570 eene Telegonie, een vervolg op de Odyssee tot den dood van
+Odysseus.
+
+Euganei, bergvolk op de Raetische Alpen, voornamelijk naar de zijde
+van Italië.
+
+Euhemerus, Euemeros, van Messana, leefde aan het hof van Cassander
+(311-297), en was de schrijver van de hiera anagraphe, naar den
+vorm eene samenhangende geschiedenis van den mythischen tijd (hij
+vertelt o.a. van een fabelachtig eiland Panchaea, z. a.), maar
+eigenlijk meer eene verdediging van de stelling, dat alle goden en
+heroën oorspronkelijk menschen geweest waren, wien men wegens hunne
+uitmuntende eigenschappen na hun dood goddelijke eer was gaan bewijzen,
+en wel het eerst op de plaatsen waar zij begraven waren. Deze leer,
+naar hem Euhemerismus genoemd, vond vele aanhangers, maar ook ernstige
+bestrijders; Ennius vertaalde het werk van Euh. in het Latijn, en de
+kerkvaders beroepen zich dikwijls erop.
+
+Euius, Euios, bijnaam van Dionysus, naar den kreet der Bacchanten:
+euoi.
+
+Eukleia, feest te Corinthe ter eere van Artemis gevierd, die daar en
+te Thebe den bijnaam Eukleia had.
+
+Eulaeus, Eulaios, rivier in Susiane, vereenigt zich met den Choaspes
+en valt met dezen in den Tigris.
+
+Eumaeus, Eumaios, zoon van koning Ctesius van het eiland Syria, die
+als kind door zijn voedster ontvoerd en aan Laërtes verkocht werd. Hij
+werd zwijnenhoeder bij dezen en later bij Odysseus. Toen zijn heer
+onbekend in zijn vaderland terugkeerde, ontving Eum. hem vriendelijk;
+Odysseus maakte zich dan ook het eerst aan hem bekend en bediende
+zich van zijne hulp in den strijd tegen de vrijers van Penelope.
+
+Eumelus, Eumelos, 1) z. Agron.--2) zoon van Admetus en Alcestis,
+aanvoerder der Thessaliërs in den trojaanschen oorlog.--3) van
+Corinthe, een Bacchiade, in het midden der 8ste of v. a. der 7de eeuw.
+
+Eumenes, Eumenes, 1) van Cardia, geb. 362, geheimschrijver van
+Philippus en later van Alexander d. G., die hem hoog schatte en hem
+dikwijls tegen den haat en de afgunst der macedonische edelen moest
+beschermen. Toen hij na den dood van Alex. zag, dat zijne pogingen om
+de verschillende veldheeren tot overeenstemming te brengen vruchteloos
+waren, sloot hij zich bij Perdiccas aan en bleef hij met trouw, moed
+en bekwaamheid voor de rechten van het koninklijke huis strijden. Bij
+de verdeeling van het rijk kreeg hij Cappadocië en omliggende landen,
+en terwijl Perdiccas in Aegypte oorlog voerde, verdedigde hij Azië met
+goed gevolg tegen Antipater en Craterus. Na den dood van Perdiccas werd
+hij door Antigonus beoorloogd, tegen wien hij zich met een betrekkelijk
+geringe macht vier jaar staande hield, totdat hij in 316 door het
+verraad der Macedoniërs, die onder hem dienden, in de handen van
+zijn vijand viel, die hem liet dooden. Zijn dagboek over de tochten
+van Alex. (Ephemerides Alexandrou) wordt door oude schrijvers hoog
+geprezen.--2) Eum. I, regeerde als opvolger van zijn oom Philetaerus
+over Pergamus (263-241), vergrootte zijn rijk ten koste van Syrië,
+overwon Antiochus Soter in een slag bij Sardes en was een beschermer
+van kunsten en wetenschappen.--3) Eum. II, koning van Pergamus
+(197-159), langen tijd een getrouw vriend der Rom., ondersteunde hen
+tegen Nabis en Antiochus d. G., en werd wederkeerig door hen beschermd
+in zijne oorlogen tegen Prusias van Bithynië en Pharnaces van Pontus;
+bovendien werd zijn gebied met het grootste deel van het door Antiochus
+afgestane land vergroot en werd hij eenige malen te Rome met groote
+eer ontvangen. Door dit alles geraakte hij echter in een toestand
+van afhankelijkheid, waaruit hij zich gaarne bevrijd zoude hebben,
+daarom knoopte hij met Perseus van Macedonië onderhandelingen aan,
+terwijl deze met Rome in oorlog was, wat door de Rom. zoo kwalijk
+genomen werd, dat zij hem op alle wijzen in verlegenheid brachten,
+en zelfs zijn broeder Attalus tegen hem trachtten op te zetten. Hij
+was een beschermer van kunsten en wetenschappen, verbond geleerden
+en dichters aan zijn hof, en breidde de door zijn vader gestichte
+bibliotheek uit. Hij is ook de stichter van het groote altaar te
+Pergamum, waarvan het beeldwerk nu te Berlijn is (z. Pergamum).
+
+Eumenides, Eumenides, z. Erinnyes.
+
+Eumenius, Eumenios, latijnsch rhetor en panegyricus in Gallia in de
+3de eeuw en het begin der 4de eeuw n. C. Van hem, hoewel niet onder
+zijn naam, zijn 7 lofredenen en ééne suasoria bewaard gebleven. Hij
+is een tijdlang magister memoriae van Maximianus geweest, maar later
+weder rhetor geworden in zijn vaderstad Augustodunum (Autun).
+
+Eumolpidae, Eumolpidai, atheensche familie, waarin de waardigheid
+van hierophant (z. Eleusinia) erfelijk was. Zij spraken ook recht in
+processen wegens schending der mysteriën. Hun stamvader was Eumolpus.
+
+Eumolpus, Eumolpos, zoon van Poseidon en Chione, ook zoon van Musaeus
+genoemd, een Thraciër, priester van Demeter en dichter. Hij vestigde
+zich te Eleusis, voerde er de mysteriën van Demeter en Dionysus in en
+vierde ze het eerst met de dochters van Celeüs. Als bondgenoot der
+Eleusiniërs sneuvelde hij in den oorlog, dien zij tegen Erechtheus
+(z. a.) voerden. Verscheiden liederen, die op de mysteriën betrekking
+hebben (teletai), ook de uitvinding van wijnbouw en boomkweekerij
+worden hem toegeschreven.--Gewoonlijk neemt men aan, dat er drie of
+vier personen van dien naam geweest zijn, en dat de mysteriën niet door
+denzelfden Eumolpus zijn ingevoerd, die tegen Erechtheus sneuvelde.
+
+Eunapius, Eunapios, van Sardes, grieksch rhetor op het einde der 4de
+eeuw na C., vijand van het Christendom, schreef 23 levensbeschrijvingen
+van wijsgeeren uit zijn tijd. Van zijn kroniek die van 270 tot 404
+na C. liep, zijn eenige vrij aanzienlijke fragmenten over.
+
+Euneus, Euneos, ook Euneus of Euneos, zoon van Iason en Hypsipyle,
+koning van Lemnus, stond in handelsbetrekking met de Grieken voor
+Troje.
+
+Eunomia, Eunomia, eene van de Horae.
+
+Eunomus, Eunomos, koning van Sparta, vader van Lycurgus, werd bij
+een opstand gedood.
+
+Eunus, Eunous, van geboorte een Syriër, slaaf te Enna op Sicilia,
+aanvoerder van den grooten slavenopstand, die het eiland van
+141 tot 132 teisterde en eerst door den consul P. Rupilius werd
+onderdrukt. Eunus werd op de vlucht in eene spelonk ontdekt en gevat,
+doch stierf vóór zijne terechtstelling.
+
+Eupalium, Eupalion, stad bij de ozolische Locriërs, met de haven
+Erythrae.
+
+Eupatridai, 1) zij die behooren tot de eerste van de drie phylen,
+waarin Theseus het volk van Attica verdeelde.--2) alg. menschen van
+adellijke geboorte, ook vertaling van het lat. patriciï.
+
+Euphemus, Euphemos, 1) zoon van Poseidon en Europa, onderstuurman
+der Argonauten. Hij kreeg van Triton een kluit aarde, die, volgens
+de voorspelling van Medea, aan zijne nakomelingen in het vierde
+geslacht de heerschappij over Libye zoude bezorgen. De kluit werd
+echter bij Thera verloren, en nu werd de voorspelling eerst in het
+zeventiende geslacht vervuld, toen zijn afstammeling Battus van
+Thera naar Libye kwam en Cyrene stichtte.--2) zoon van Troezenus,
+aanvoerder der Ciconen en bondgenoot der Trojanen.
+
+Euphorbus, Euphorbos, een van de dapperste Trojanen, de eerste die aan
+Patroclus een wond toebracht, later door Menelaus gedood. Pythagoras
+beweerde, dat hij vroeger als Euphorbus op aarde geleefd had.
+
+Euphorion, Euphorion, 1) zoon van Achilles, bij Helena verwekt,
+toen zij op de eilanden der zaligen leefden. Daar hij de liefde van
+Zeus niet beantwoordde, werd hij door den bliksem gedood.--2) vader
+van Aeschylus.--3) zoon van Aeschylus, bracht na den dood van zijn
+vader eenige van diens stukken ten tooneele, en behaalde viermaal den
+prijs; eenmaal ook met eene tetralogie van hemzelf tegen Sophocles
+en Euripides.--4) van Chalcis op Euboea, geb. 276, schrijver van
+vele geleerde werken en van gedichten in den alexandrijnschen trant;
+hij stierf als bibliothecaris van Antiochus d. Gr. Vooral bij de
+Rom. werd zijne poëzie hoog geschat. Cicero drijft den spot met hem
+en zijn Romeinsche navolgers.
+
+Euphranor, Euphranor, van Corinthe, beroemd beeldhouwer en schilder
+omstreeks 380. Vooral zijne schilderijen in den zuilengang van Zeus
+eleutherios aan de agora te Athene worden hoog geprezen.
+
+Euphrates, Euphrates, belangrijke rivier, die met twee hoofdtakken
+in Armenia ontspringt, door den Taurus heenbreekt en, met den Tigris
+vereenigd, zich in de Perzische golf ontlast. De Perzische golf is
+eerst door den tocht van Nearchus (no. 2) bekend geworden; de vroegere
+schrijvers laten dus den Euphraat en den Tigris in de Roode Zee,
+d. w. z. den Indischen Oceaan uitmonden. In Babylonia werd uit den
+Euphraat veel water afgeleid door zijkanalen.
+
+Euphratensis = Augustophratensis.
+
+Euphron, Euphron, 1) van Sicyon, maakte van de onrustige tijden van
+den spartaansch-thebaanschen oorlog gebruik om zich met behulp van
+de arme burgers van het oppergezag meester te maken. Hij onderdrukte
+zijne tegenpartij, doch werd weder verdreven, vluchtte naar Thebe en
+werd daar vermoord (± 365).--2) dichter der nieuwe attische comedie
+omstreeks 280, van wiens werken slechts weinige fragmenten bewaard
+zijn.
+
+Euphronius, Euphronios, een van de beroemdste attische vazenschilders
+uit ± 500. Hij schildert in den streng roodfigurigen stijl.
+
+Euphrosyne, Euphrosyne, eene van de Charites.
+
+Eupithes, Eupeithes, 1) vader van Antinoüs, die, om den dood van zijn
+zoon te wreken, het volk van Ithaca tegen Odysseus opruide. Het kwam
+tot een gevecht, waarbij hij door Laërtes gedood werd.
+
+Euploia, bijnaam van Aphrodite.
+
+Eupolis, Eupolis, van Athene, een van de beste blijspeldichters
+der oude attische comedie. Hij trad reeds op zijn zeventiende jaar
+als dichter op en schreef 20 stukken, van welke 7 den eersten prijs
+behaalden, en waarin de ouden dezelfde eigenschappen roemen als in die
+van zijn tijdgenoot Aristophanes. Hij stierf nog voor het einde van
+den peloponnesischen oorlog. Van zijne werken zijn alleen fragmenten
+bewaard gebleven.
+
+Eupompus, Eupompos, van Sicyon, leefde kort na den peloponnesischen
+oorlog; hij was de stichter eener schilderschool, die zich vooral
+op juistheid van teekening en groote nauwkeurigheid in de details
+toelegde.
+
+Euripides, Euripides, zoon van den Athener Mnesarchides, op den dag van
+den slag bij Salamis op dat eiland geb., de derde der groote attische
+treurspeldichters. Zijne ouders waren, naar men beweerde, van zeer
+geringen stand; dit wordt echter tegenwoordig tegengesproken; zijne
+moeder, Clito, Kleito, was zelfs van adel; hij genoot dan ook eene
+zeer goede opvoeding. In zijne jeugd legde hij zich op de gymnastiek
+en schilderkunst toe, later werd hij een leerling van Anaxagoras, een
+toehoorder van Prodicus en Protagoras en een vriend van Socrates. Zijne
+werken toonen den invloed van zijne philosophische studiën: zij
+munten uit door groote kennis en juiste schildering van karakters en
+hartstochten en bevatten vele treffende tooneelen; daarentegen missen
+zij den verheven eenvoud van de stukken van Aeschylus en Sophocles;
+zij zijn niet meer ontleend aan de algemeen bekende mythen, maar
+geven dikwijls een oorspronkelijke, soms zeer romantische, bewerking
+van een of andere bizonderheid daaruit, zoodat meestal een proloog
+de toeschouwers moet inlichten over den inhoud van het stuk en de
+betrekkingen tusschen de handelende personen. Zijn helden toonen in
+hun denken en handelen meer de eigenschappen van gewone menschen; ook
+wordt de handeling telkens afgebroken door wijsgeerige bespiegelingen,
+terwijl ook de koorgezangen niet meer met het stuk zelf samenhangen,
+maar geheel als bijzaak behandeld zijn; de ontknooping is dikwijls
+niet op eene natuurlijke wijze te vinden, zoodat de tusschenkomst
+van een god--deus ex machina--noodig wordt. Op godsdienstig gebied
+verkondigt hij soms stellingen, die met het volksgeloof in strijd
+zijn; op lateren leeftijd schijnt hij echter tot de algemeen gangbare
+meeningen daaromtrent teruggekeerd te zijn, of ingezien te hebben,
+dat het nutteloos was den strijd er tegen voort te zetten. Om al deze
+redenen, ook naar aanleiding van allerlei nieuwigheden in metriek en
+muziek, die hij op het tooneel bracht, werd hij door Aristophanes en
+andere blijspeldichters meedoogenloos gehekeld als de vertegenwoordiger
+van alles, wat zij in den geest van hun tijd afkeuren; over het
+geheel kon hij zich niet beroemen grooten bijval gevonden te hebben:
+slechts vijfmaal verkreeg bij den eersten prijs (het eerst in 441),
+terwijl hij 92 (v. a. 98) stukken geschreven heeft, waarvan het
+eerste reeds in 465 is opgevoerd. Na zijn dood vonden zij echter de
+grootste bewondering en vielen juist zijne eigenaardigheden, die hem
+van de andere groote treurspeldichters onderscheiden, in den smaak
+van het publiek.--Ook zijn huiselijk leven gaf hem weinig stof tot
+tevredenheid: zoowel in zijn eerste als zijn tweede huwelijk was hij
+ongelukkig; zijne eerste vrouw verstiet hij wegens ontrouw, zijne
+tweede vrouw verliet hem. Met staatszaken bemoeide hij zich niet;
+toch schijnt hij weinig ingenomen te zijn geweest met de richting,
+die men te Athene na den dood van Pericles had ingeslagen, en dikwijls
+liet hij zijne ontevredenheid door een van de personen zijner stukken
+uitspreken. Op het einde van zijn leven gaf hij gehoor aan eene
+uitnoodiging van koning Archelaus van Macedonië, aan wiens hof hij
+groote eer genoot; in 406 of 405 stierf hij er.--Van zijne werken
+bestaan nog 18 treurspelen en 1 satyrdrama. De meest bekende hiervan
+zijn: Alcestis (opgevoerd 438), Medeia (431), Hippolytus (428),
+Iphigeneia en Taurois, Ion, Phoinissai, Iphigeneia he en Aulidi en
+het satyrdrama Kyklops.--Ook een neef van den grooten dichter, die
+denzelfden naam droeg, trad als treurspeldichter op, naar het schijnt
+met weinig geluk. Zijn zoon, die ook Euripides heette, heeft enkele
+stukken van zijn vader na diens dood doen opvoeren.
+
+Euripus, Euripos, zeeëngte met eb en vloed, in het bijzonder de
+zeeëngte bij Chalcis tusschen Euboea en het vasteland. Dat gedeelte
+van de zeestraat, dat ten N. van Chalcis is, heet Euboeische zee.
+
+Eurome of -mus, Eurome, Euromos, stadje in Caria, tusschen Mylasa en
+Heraclea Latmi.
+
+Europa, Europe, 1) dochter van Tityus, moeder van Euphemus.--2)
+dochter van Phoenix en Perimede of van Agenor en Telephassa. Toen
+zij eens aan het strand der zee wandelde, kwam Zeus tot haar in de
+gedaante van een schoonen stier; het meisje streelde hem en waagde het
+eindelijk zich op zijn rug te zetten, waarop hij in zee sprong en met
+haar naar Creta zwom. Hier legde hij zijne aangenomen gedaante af en
+bracht haar naar den berg Dicte. Zij werd bij hem moeder van Minos,
+Rhadamanthys en Sarpedon en huwde later met Asterion (z. a.). Op
+Creta genoot zij onder den naam Hellotis goddelijke eer.--3) Oceanide.
+
+Europa, Europe, het werelddeel. Oorspronkelijk is de naam beperkt tot
+Griekenland, behalve de Peloponnesus, en tot Macedonië; bij Herodotus
+omvat het behalve het tegenwoordig Europa, ook het N. van Azië;
+later is de Tanaïs (Don) en de Palus Maeotis de oostelijke grens;
+bij sommigen echter de Phasis, bij anderen de Caucasische landengte
+tusschen de Zwarte zee en de Caspische zee.
+
+Europus, Europos, 1) stad aan den Axius (Vardar) in het
+maced. landschap Emathia.--2) stad in Caria = Idrias (Stratonicea).--3)
+stad in Syria.--4) zie Rhagae.
+
+Eurotas, Eurotas, hoofdriv. van Laconica, waaraan Sparta lag. In zijn
+bovenloop stroomt de Eurotas onder den grond door. De oevers waren
+dicht bezet met riet en biezen, waaruit de spartaansche jongens zich
+hun legerstede bereidden.
+
+Eurus, Euros, oorspronkelijk de Oostenwind, later de Zuidoostenwind,
+zie Windstreken.
+
+Euryale, Euryale, 1) eene van de Gorgonen.--2) dochter van Minos,
+moeder van Orion.--3) koningin der Amazonen, die Aeetes tegen de
+Argonauten te hulp kwam.
+
+Euryalus, Euryalos, 1) zoon van Mecisteus, een der Epigonen, Argonaut
+en makker van Diomedes voor Troje.--2) een van de tochtgenooten van
+Aeneas, beroemd door zijne vriendschap voor zijn makker Nisus, z.a.
+
+Euryanax, Euryanax, zoon van Dorieus, een van de aanvoerders der
+Spartanen bij Plataeae.
+
+Eurybates, Eurybates, 1) heraut van Agamemnon.--2) heraut van Odysseus.
+
+Eurybatus, Eurybatos, 1) van Ephesus, werd door Croesus naar de
+Peloponnesus gezonden om troepen te werven, maar liep tot Cyrus over
+en verried hem het plan van Croesus. Zijn naam werd spreekwoordelijk
+voor een verrader gebruikt.--2) Lacedaemoniër, de eerste overwinnaar in
+den worstelstrijd te Olympia (708).--3) bevelhebber der corcyraeische
+vloot in den slag tegen de Corinthiërs bij Sybota (432).
+
+Eurybiades, Eurybiades, Spartaan, opperbevelhebber der grieksche vloot
+in den oorlog tegen Xerxes. Hoewel hij weinig uitrichtte, kenden de
+Spartanen hem na den slag bij Salamis den prijs der dapperheid toe.
+
+Euryclea, Eurykleia, dochter van Ops, slavin van Laërtes, voedster
+van Odysseus, de eerste die hem bij zijne terugkomst herkende.
+
+Eurydice, Eurydike, 1) Dryade, gehuwd met Orpheus (z. a.). Voor
+Aristaeus, die haar met zijne liefde vervolgde, vluchtend, trapte
+zij bij ongeluk op een vergiftige slang, die haar een doodelijke wond
+toebracht.--2) of Aganippe, dochter van Lacedaemon, bij Acrisius moeder
+van Danaë.--3) dochter van Adrastus, bij Ilus moeder van Laomedon.--4)
+of Henioche, gemalin van Creon no. 2, hing zich op bij het vernemen van
+den zelfmoord van haar zoon Haemon.--5) gemalin van Lycurgus, moeder
+van Archemorus.--6) dochter van Clymenus, gemalin van Nestor.--7)
+z. Arrhidaeus.
+
+Euryganea, Euryganeia, z. Oedipus.
+
+Eurylochus, Eurylochos, tochtgenoot van Odysseus, die door zijne
+voorzichtigheid aan de tooverkunsten van Circe ontsnapte. Op het
+eiland Thrinacia gaf hij den raad de runderen van den zonnegod te
+dooden, daarvoor werd hij door Zeus met den bliksem getroffen.
+
+Eurymachus, Eurymachos, 1) een van de minnaars van Hippodamea, door
+Oenomaüs gedood.--2) een van de minnaars van Penelope, door Odysseus
+gedood.--3) aanzienlijk Thebaan, werd bij de overrompeling van Plataeae
+in het begin van den peloponnesischen oorlog gedood.
+
+Eurymedon, Eurymedon, 1) koning der Giganten.--2) wagenmenner van
+Agamemnon, te gelijk met zijn heer door Aegisthus gedood.--3) atheensch
+veldheer, ging in 427 en 425 naar Corcyra om de democratische partij
+te ondersteunen, en werd in 425 en wederom in 415 met eene vloot naar
+Sicilië gezonden; in 413 sneuvelde hij voor Syracuse.
+
+Eurymedon, Eurymedon, riv. in Pamphylia, waarbij de Athener Cimon in
+466 de Perzen te land en ter zee versloeg.
+
+Eurynome, Eurynome, 1) Oceanide, bij Zeus moeder der Chariten.--2)
+huishoudster bij Odysseus.--3) moeder van Adrastus.--4) moeder van
+Agenor.--5) bijnaam van Artemis in Arcadië.
+
+Euryphron, Euryphron, van Cnidus, beroemd geneesheer, oudere tijdgenoot
+van Hippocrates.
+
+Eurypon, Eurypon, kleinzoon van Procles, derde koning van Sparta
+uit het geslacht der Procliden, die naar hem dikwijls Eurypontiden
+(Eurypontidai) genoemd worden.
+
+Eurypylus, Eurypylos, 1) zoon van Euaemon, koning in Thessalië, een
+der voornaamste helden voor Troje. Bij het verdeelen van den buit na
+de inneming der stad viel hem eene kist ten deel, waarin een beeld
+van Dionysus was, door Hephaestus gemaakt en aan Dardanus geschonken,
+maar toen hij de kist opende, werd hij plotseling waanzinnig. Het
+delphische orakel beval, dat hij, om genezing te vinden, de kist ergens
+moest wijden waar ongewone offers gebracht werden; deze plaats vond
+hij te Aroë in Achaia, waar men aan Artemis jaarlijks twee menschen
+offerde. Na de komst van Eur. werden de menschenoffers afgeschaft,
+en de dienst van Dionysus-Aesymnetes ingesteld.--2) zoon van Poseidon
+en Celaeno, ging van Thessalië naar Libye, en regeerde in de omstreken
+van Cyrene.--3) zoon van Poseidon en Astypalaea, koning van Cos.--4)
+zoon van Telephus en Astyoche, bondgenoot der Trojanen, werd na vele
+dappere daden door Neoptolemus gedood.--5) zoon van Thestius, werd
+met zijne broeders door hun neef Meleager op de calydonische jacht
+gedood, wegens eene beleediging, aan Atalante aangedaan.
+
+Eurysaces, Eurysakes, zoon van Aiax no. 2 en Tecmessa, werd met zijn
+vader te Athene als heros vereerd.
+
+Eurysthenes, Eurysthenes, zoon van Aristodemus no. 1, regeerde met
+zijn broeder Procles over Lacedaemon, hij was de stamvader van het
+koninklijke geslacht der Eurystheniden Eurysthenidai.
+
+Eurystheus, Eurystheus, zoon van Sthenelus en Nicippe, koning van
+Mycenae, z. Heracles en Heracliden.
+
+Eurytion, Eurytion, 1) Centaur, die naar de hand van de dochter
+van Dexamenus, koning van Olenus, dong, en door Heracles, die haar
+eveneens beminde, gedood werd. Hij wordt ook genoemd als degene, die
+Hippodamea wilde schaken, en aanleiding gaf tot den strijd tusschen
+Centauren en Lapithen.--2) zoon of kleinzoon van Actor, een van de
+Argonauten, z. Peleus.--3) zoon van Ares en Erythia, bewaker der
+kudden van Geryones.--5) zoon van Lycaon, bekwaam boogschutter,
+tochtgenoot van Aeneas.
+
+Eurytis, Iole, dochter van Eurytus.
+
+Eurytus, Eurytos, 1) of Erytus, zoon van Hennes en Antianira,
+Argonaut.--2) zoon van Melaneus, koning van Oechalia. Hij had zijne
+dochter Iole beloofd aan hem, die zijne zonen in het schieten met
+den boog zou overtreffen. Toen Heracles den prijs echter gewonnen
+had, hield hij zijn woord niet, daarom doodde Heracles hem en zijne
+zonen.--3) een van de Molioniden.--4) = Eurytion no. 2.--5) een van
+de Giganten, bij de gigantomachie door Dionysus verslagen.
+
+Eusebia of -bea, Eusebeia = Caesarea ad Argaeum.
+
+Eusebius, Eusebios, van 313 tot 340 n. C. bisschop van Caesarea in
+Palestina, niet te verwarren met zijn naam- en tijdgenoot, den bisschop
+van Emesa in Phoenice. Eusebius van Caesarea, waar hij tusschen
+260 en 264 geboren was, kan de vader der kerkgeschiedenis worden
+genoemd. Onder zijne werken zijn beroemd de ekklesiastike historia en
+het zoogenaamde Chronicon Eusebii, eene latijnsche omgewerkte vertaling
+zijner pantodape historia, eene synchronistische geschiedenis tot
+324 n. C., door Hieronymus (331-420), een der kerkvaders, bewerkt en
+voortgezet tot 378.
+
+Eustathius, Eustathios, Cappadociër, wijsgeer der nieuw-platonische
+school, leerling van Iamblichus, in 358 n. C. gezant van keizer
+Constantius bij den perzischen koning Sapores.
+
+Euterpe, Euterpe, Muze der lyrische poëzie, afgebeeld met de dubbele
+fluit in de handen.
+
+Euthycrates, Euthykrates, Olynthiër, die zich liet omkoopen om zijne
+vaderstad aan Philippus van Macedonië te verraden (348).
+
+Euthydemus, Euthydemos, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen
+oorlog met Nicias eenigen tijd aanvoerder der Atheners voor
+Syracuse.--2) van Chius, leerde als sophist te Thurii en Athene;
+naar hem is een van de werken van Plato genoemd.--3) broeder van
+Lysias.--4) zoon van Diocles, leerling van Socrates.
+
+Euthymus, Euthymos, beroemd vuistvechter van Locri in Italië ten
+tijde van de perzische oorlogen; men verhaalde, dat hij zonder te
+sterven van de aarde verdwenen was.
+
+Euthynai, rekening en verantwoording, die ieder atheensch
+overheidspersoon binnen een bepaalden tijd na zijn aftreden bij
+de logisten moest afleggen; bij deze gelegenheid konde ieder burger
+klachten tegen den afgetredene inbrengen over de wijze, waarop hij zijn
+ambt had waargenomen. Bevonden de logisten, dat hij zich aan misbruik
+van macht, verraad, verduistering of dgl. had schuldig gemaakt,
+dan brachten zij hem na voorloopig onderzoek voor den rechtbank der
+heliasten, ook in het tegenovergestelde geval werden zij voor de
+rechtbank gebracht om van alle verdere verantwoordelijkheid ontslagen
+te woorden (episemainesthai).
+
+Euthynoi, te Athene 10 personen, een uit elke phyle, die den logisten
+ter zijde stonden bij het nazien van de euthynai.
+
+Eutropius, 1) geheimschrijver van keizer Valens en schrijver van een
+Breviarium of beknopt overzicht der geschiedenis van het rom. rijk
+van de stichting van Rome tot op den dood van keizer Jovianus 369
+n. C. Het laatste gedeelte is het belangrijkste, omdat de schrijver
+daar zijn eigen tijd beschrijft. In 380 is het door Paeanius in het
+Grieksch vertaald. Het is zeer spoedig een schoolboek geworden en in
+de M. E. geregeld als zoodanig gebruikt.--2) gesnedene, gunsteling
+van keizer Arcadius, die zich in de plaats van den minister Rufinus
+wist te dringen (395 n. C.) en de belangen van het rijk aan zijne
+hartstochten opofferde. In 399 viel hij zelf in ongenade bij de
+keizerin Eudoxia. Hij werd verbannen, doch weder door Arcadius
+teruggeroepen, maar te Chalcedon door zijne vijanden vermoord.
+
+Eventus, Bonus Eventus, god van het gedijen der veldvruchten, over
+het algemeen een god die eene begonnen onderneming tot een goed
+einde leidt. Zijn beeld stond op het Capitolium, zijn tempel op den
+Campus Martius.
+
+Evictio, eisch tot ontruiming van een eigendom, dat buiten weten van
+den eigenaar in vreemde handen is.
+
+Evocati zijn soldaten, die uit den dienst ontslagen en dikwijls met
+landerijen begiftigd werden onder voorwaarde, dat zij, opgeroepen
+wordende (nominatim evocare), zich op nieuw onder de vanen van hun
+vorigen veldheer zouden scharen. Zij kwamen dan weder in dienst
+met den rang van centurio. Ook een corps uitgelezen jongelui uit
+den ridderstand, die door keizer Galba voor eigen bewaking waren
+aangeworven.
+
+Exangelos, op het grieksche tooneel een bode, die eene gebeurtenis
+mededeelt, welke binnenshuis heeft plaats gehad.
+
+Exaireseos dike = aphaireseos dike.
+
+Exampaeus, Exampaios, zijtakje van den Hypanis (Bug), dat het water van
+den Hypanis bitter of zout maakte. In werkelijkheid is het zoutgehalte
+van het water van den Hypanis een gevolg van het indringen van het
+zeewater in den mond der rivier.--Ook een plaats ten O. van den
+Hypanis, ook Hirai hodoi geheeten.
+
+Excubiae, wachtposten bij dag; (vigiliae, bij nacht). Onder de keizers
+de wacht bij het paleis.
+
+Execias, Exekias, beroemd Attisch schilder van zwart-figurige vazen
+uit het midden van de 6de eeuw.
+
+Exedra, exedra, receptie- en conversatiezaal in aanzienlijke huizen,
+dikwijls met een halfrond uitgebouwd. Ook in de gymnasia der Grieken
+en de badhuizen der Romeinen vond men dikwijls dergelijke zalen. De
+grieksche wijsgeeren gaven er somtijds hunne lessen; de hoorders
+plaatsten zich langs den kant van het halfrond, de spreker in het
+midden.
+
+Exiteria, offer, door de leden van den raad bij het nederleggen hunner
+betrekking gebracht. Z. eisiteria.
+
+Exodium, exodion, kluchtig tooneelstukje, bij de Rom. na ernstige
+stukken opgevoerd; gewoonlijk werd daarvoor eene fabula Atellana
+gebruikt. Zie ook Mimus.
+
+Exomis, exomis, grieksche tunica, hetzij geheel zonder mouwen, hetzij
+alleen met een linkermouw. Misschien bleef hierdoor ook een gedeelte
+van de borst onbedekt.
+
+Exomossia, 1) beëedigde opgave van redenen, waarom men een ambt of
+eene liturgie niet kan op zich nemen.--2) beëedigde verklaring dat
+men niets weet van eene zaak, waarin men als getuige is opgeroepen.
+
+Exostra, exostra, 1) eene machine, op het tooneel gebruikt tot
+hetzelfde doel als het ekkyklema, v.s. een soort balcon aan het huis
+of paleis, dat zich op den achtergrond bevond.--2) een brug, die uit
+een belegeringstoren naar buiten geschoven werd om op den muur der
+belegerde stad te komen.
+
+Exoules dike, aanklacht tegen iemand, die een ander met geweld uit
+zijne bezittingen verdrijft, of hem verhindert iets in bezit te nemen,
+dat hem bij rechterlijk vonnis is toegewezen. Werd de aangeklaagde
+veroordeeld, dan moest hij den staat eene boete betalen, gelijk aan
+dat wat hij den aanklager schuldig was.
+
+Extispicium. Bij het offeren van eenig dier was het voor de divinatio
+van groot belang, hoe de ingewanden lagen en er uitzagen. Vooral
+de lever speelde hierbij een belangrijke rol. De lever had eene
+pars familiaris, waaruit de offeraar de toekomst opmaakte voor
+zich en zijn volk, en eene pars hostilis. Na het eerste onderzoek
+werden de ingewanden in een pot gekookt en ook onder het koken
+nauwlettend gadegeslagen. Deze kunst verstonden de rom. priesters in
+het algemeen ook wel, doch in zeer ernstige gevallen worden extispices
+of haruspices ontboden uit Etruria, waar de leer der ingewandzienerij
+tot den hoogsten trap was opgevoerd, evenals de bliksemleer. Keizer
+Claudius stelde een collegie van romeinsche haruspices in, dat echter
+nooit tot aanzien kwam.
+
+
+
+
+
+
+F.
+
+
+F, zie fasti (dies).
+
+Fabaria, zie Burchana.
+
+Fabariae (Kalendae), z. Carna.
+
+Fabaris = Farfar (Farfarus).
+
+Fabianus Fornix, een boog over de Sacra via te Rome, op de plaats waar
+die op het Forum uitkwam, opgericht door Q. Fabius Maximus Allobrogicus
+(Fabii no. 20), en hersteld door zijn kleinzoon (Fabii no. 22).
+
+Fabianus Papyrius, rom. wijsgeer ten tijde van Augustus en Tiberius,
+een man van groote welsprekendheid en reinen levenswandel. Zijne
+geschriften over wijsbegeerte en natuurlijke historie zijn verloren.
+
+Fabii, eene der oudste patricische gentes te Rome, misschien van
+sabijnschen oorsprong. 1) Q. Fabius Vibulanus, consul in 485 en 482,
+een warm voorvechter der aristocratie. Onder zijn eerste consulaat
+had de veroordeeling van Sp. Cassius Viscellinus plaats. Hij streed
+in 485 tegen de Aequers en Volscers en maakte zich gehaat door
+aan de soldaten niets van den buit te gunnen, doch alles te laten
+verkoopen. In 480 sneuvelde hij in den strijd tegen Veii.--2)
+K. Fabius Vibulanus, broeder van no. 1, consul in 484, 481 en
+479, de eerste maal met grooten tegenstand der plebs door toedoen
+der patriciërs verkozen, was eerst voortdurend in strijd met de
+volkstribunen, die eene lex agraria wilden doordrijven. In zijn
+derde consulaat echter deed hij zelf, maar vergeefs, den voorslag,
+dat de senaat verdere pogingen in dien geest zou voorkomen door uit
+eigen beweging veroverden grond onder de plebejers te verdeelen. Zie
+echter Agrariae (leges) en Tribuni plebis. Op zijn voorstel trok in
+479--volgens het niet al te betrouwbare geschiedverhaal--de geheele
+gens Fabia, uitgezonderd een nog te jonge knaap, 306 man sterk, met
+hare cliënten naar het riviertje de Cremera, om de grenzen tegen de
+Vejers te beschermen. In 477 vonden zij, in eene hinderlaag gelokt,
+allen den dood.--3) M. Fabius Vibulanus, broeder van no. 1 en 2, was
+consul in 483 en 480, zoodat het consulaat zeven jaren achtereen in
+de gens Fabia was. Hij voerde evenals zijne broeders oorlog tegen de
+naburige volken en sneuvelde bij de Cremera.--4) Q. Fabius Vibulanus,
+zoon van no. 3, de eenige overgeblevene van het geslacht, consul
+in 467, 465 en 459, streed tegen Aequers en Volscen, en bewerkte de
+uitzending eener rom. kolonie naar Antium (467). In 462 verzette hij
+zich als praefectus urbi ten sterkste tegen het voorstel van den
+tribuun Terentilius de legibus scribendis. In 450 was hij een der
+tienmannen.--5) M. Fabius Vibulanus, zoon van no. 4, consul in 442,
+consulairtribuun in 433, bewerkte de uitzending eener kolonie naar
+Ardea (442), streed bij herhaling tegen Aequers en Vejenten en werd
+pontifex maximus. Hij kwam vermoedelijk om bij den inval der Galliërs
+in 390, daar hij Rome niet wilde verlaten.--6) Num. Fabius Vibulanus,
+ook een zoon van no. 4, consul in 421, consulairtribuun in 415 en
+407, streed als consul tegen de Aequers.--7) Q. Fabius Vibulanus,
+evenals de beide vorigen een zoon van no. 4, was consul in 523 en
+consulairtribuun in 416 en 414.--8) Num. Fabius Ambustus, zoon van
+no. 5, veroverde als consulairtribuun in 406 Anxur. Hij was één der
+drie gebroeders Fabii, die in 391 naar Clusium tot de Galliërs werden
+gezonden. In 390 was hij weder consulairtribuun. Zie no. 10.--9)
+K. Fabius Ambustus, broeder van no. 8, was consulairtribuun in 404,
+401, 395 en 390. Ook hij behoorde tot het gezantschap naar Clusium
+(zie no. 8 en 10).--10) Q. Fabius Ambustus, broeder van no. 8 en 9,
+behoorde ook tot het gezantschap naar Clusium, en werd in 390 met
+zijne broeders tot consulairtribuun gekozen. Na den aftocht der
+Galliërs werd hij ter verantwoording geroepen wegens zijne schennis
+van het volkenrecht. De dood, misschien zelfmoord, deed hem een vonnis
+ontgaan. Het verhaal omtrent deze drie broeders is op allerlei wijzen
+opgesmukt. In het oorspronkelijke verhaal treden slechts twee Fabii op
+(no. 8 en 9), waarvan men niet zeker weet, of het broers zijn. No. 10
+is tamelijk legendarisch.--11) M. Fabius Ambustus, zoon van no. 8,
+consul in 360, 356 en 354, overwon achtereenvolgens de Hernicers
+(360), de Faliscers en Tarquiniërs (356) en de Tiburtijnen (354). In
+351 was hij dictator.--12) M. Fabius Ambustus, zoon van no. 9,
+consulairtribuun in 381 en 369, ondersteunde de plannen van zijn
+schoonzoon, den volkstribuun C. Licinius Stolo. Vermoedelijk echter was
+hij het, die in 355 als interrex de verkiezing van twee patricische
+consuls, hoewel tegen de lex Licinia Sextia geschied, voor geldig
+verklaarde. Hier is alles onzeker. Z. ook Liciniae Sextiae (leges)
+no. 1.--13) C. Fabius Ambustus streed als consul in 358 ongelukkig
+tegen de Tarquiniërs, die 307 rom. krijgsgevangenen ombrachten.--14)
+Q. Fabius Maximus Rullianus, zoon van no. 11, leverde als magister
+equitum in 325 tegen het bevel van zijn dictator L. Papirius Cursor
+een schitterenden slag tegen de Samnieten, doch ontging de straf voor
+zijne ongehoorzaamheid slechts door de eenparige voorbede van senaat
+en volk. Zijn ambt moest hij echter nederleggen. Dit verhaal is niet
+geheel betrouwbaar. In 322 was hij consul, in 315 dictator, in 310 en
+308 weder consul, in 304 censor, in 301 andermaal dictator, in 297
+en 295 nogmaals consul. Hij was een van Rome's grootste veldheeren,
+schoon niet altijd overwinnaar. O.a. werd hij in 315 als dictator
+door de Samnieten bij Lautulae verslagen. In 310 ontzette hij het
+door de Etruscers belegerde Sutrium, door in Noord-Etrurië in te
+vallen. In 308 streed hij tegen de Samnieten. In 297 versloeg hij,
+volgens een ongeloofwaardig bericht, met P. Decius Mus hen bij den
+berg Tifernus, in 295 versloegen Fabius en Decius (z. Decii no. 2)
+de verbonden Samnieten, Galliërs en Etruriërs bij Sentinum. Onder
+zijne tijdgenooten komen ook nog Ambusti voor: Q. Fabius Ambustus
+als dictator comit. habend. causa in 321, C. Fabius Ambustus als
+mag. eq. in 315.--15) Q. Fabius Maximus, bijgenaamd Gurges (= vraat,
+slokop) om zijne losbandigheid in zijne jeugd, zoon van no. 14
+(waarschijnlijk is het verhaal omtrent zijn losbandigheid verzonnen
+om den naam Gurges te kunnen verklaren). Op rijperen leeftijd begon
+hij evenwel een ander gedrag te leiden. Als consul werd hij in 292
+door de Samnieten verslagen, maar overwon daarna met hulp van zijn
+vader den samnietischen veldheer Pontius (z. a.), in 276 versloeg
+hij wederom als consul de Samnieten, Lucaners en Bruttiërs; in zijn
+derde consulaat, 265, dempte hij een slavenopstand te Volsinii, doch
+sneuvelde daarbij.--16) Q. Fabius Maximus Verrucosus (wegens eene wrat,
+verruca, aan de lip aldus genoemd), consul in 233, 228, 215, 214 en
+209, censor in 230, de bekende dictator in 217 na de nederlaag en den
+dood van C. Flaminius bij het Trasumeensche meer. (Eigenlijk was hij
+pro dictatore zie het artikel dictator.) In 233 zegepraalde hij over
+de Liguriërs; in 219 was hij aan het hoofd van het gezantschap, dat
+na de inname van Saguntum naar Carthago werd gezonden, waarbij hij,
+volgens het bekende verhaal, den Carthagers de keuze liet tusschen
+oorlog en vrede, waarop zij tot den oorlog besloten. Als dictator
+volgde hij de taktiek, een slag in het open veld te vermijden, en
+liever Hannibal af te matten, daar hij de overtuiging koesterde,
+dat diens strijdkrachten en hulpmiddelen op vijandelijken bodem op
+den duur uitgeput moesten raken. Spoedig echter begon dit stelsel bij
+het rom. volk afkeuring te vinden, daar Hannibal zooveel mogelijk het
+platte land verwoestte en de dorpen en hoeven in brand stak. Door
+eene lex Metilia werd toen de magister equitum M. Minucius Rufus
+ook met dictatoriale macht bekleed. Deze waagde een veldslag, en
+zou geheel verslagen zijn, zoo niet Fabius ware toegeschoten en
+hem gered had, waarop Minucius zich vrijwillig weder onder Fabius'
+bevelen stelde. Naar deze wijze van oorlogvoeren heeft Fabius den
+bijnaam van Cunctator gekregen; om zijn zacht karakter werd hij
+ook Ovicula genoemd. Ook later voerde hij herhaaldelijk legers aan,
+hetzij als consul, hetzij als proconsul, onder het commando van zijn
+zoon. Bij vele geschiedschrijvers ook bij Livius, die hem legaat noemt,
+vinden wij het verhaal hoe de vader den zoon, als hoogere in rang,
+eer moet bewijzen. Het verhaal is vereeuwigd in het oud Amsterdamsche
+stadhuis (het Paleis op den Dam). In 209 veroverde hij Tarentum. Hij
+was een heftig tegenstander van Scipio's plan, om den oorlog naar
+Afrika over te brengen. Fabius stierf in 203. Cicero roemt hem als
+redenaar.--17) Q. Fabius Maximus, zoon van no. 16 (z. a.), consul in
+213, stierf nog vóór zijn vader.--18) Q. Fabius Maximus Aemilianus,
+zoon van L. Aemilius Paullus en broeder van P. Cornelius Scipio
+Aemilianus, in 180 door een der Fabii Maximi geadopteerd, was een
+vriend van den geschiedschrijver Polybius. In 145 en 144 voerde hij
+als consul en proconsul oorlog in Lusitania tegen Viriathus.--19)
+Q. Fabius Maximus Servilianus, ook wel onder zijn oorspronkelijken naam
+Cn. Servilius Caepio voorkomende, door adoptie een broeder van no. 18,
+streed ook als proconsul in 141 en 140 tegen Viriathus en sloot met
+dezen een verdrag, dat echter door zijn broeder Q. Servilius Caepio
+verbroken werd. Hij heeft annales geschreven.--20) Q. Fabius Maximus
+Allobrogicus, zoon van no. 18, leidde als jongeling een losbandig
+leven. Onder zijn oom P. Cornelius Scipio Aemilianus diende hij
+als quaestor in den numantijnschen oorlog. In 121 behaalde hij een
+groote overwinning op de Allobrogen in Gallia. Uit den buit richtte
+hij te Rome een triumfboog, den fornix Fabianus, op. Cicero prijst
+hem als redenaar.--21) Q. Fabius Maximus Eburnus, consul in 116, werd
+later verbannen, omdat hij zijn zoon met den dood gestraft had.--22)
+Q. Fabius Maximus kleinzoon van no. 20, diende in Hispania als legaat
+onder Caesar (46), en werd in 45 consul. Hij stierf nog in ditzelfde
+jaar. Tot suffectus werd toen gekozen voor den laatsten dag van het
+jaar C. Caninius Rebilus (Caninii no. 2), met wiens waakzaamheid
+Cicero den spot drijft.--23) Paulus Fabius Maximus, een bloedverwant
+van Ovidius en bevriend met Augustus, vergezelde dezen op zijne reis
+naar Posthumus Agrippa, doch werd toen verdacht aan Livia geheimen
+verklapt te hebben. Kort daarna stierf hij.--24) C. Fabius Pictor,
+de eerste beoefenaar der schilderkunst onder de aanzienlijke Rom.,
+beschilderde in 302 (v. a. in 304) de wanden van den tempel van Salus,
+door C. Junius Bubulcus Brutus (Junii no. 3) gewijd. Zijn talent vond
+echter zoo weinig bijval, dat hij geene navolgers heeft gevonden.--25)
+Q. Fabius Pictor, kleinzoon van no. 24, omstreeks 220, schreef in het
+Grieksch zeer belangrijke annalen, van de komst van Aeneas in Italia
+tot op zijn eigen tijd. Er bestond ook een Latijnsche vertaling
+van.--26) Ser. Fabius Pictor, redenaar en geschiedkenner, was een
+tijdgenoot van Cato maior en schreef een werk de iure pontificio.--27)
+Verder komen onder de consuls, censoren, dictators nog de namen voor:
+Fabius Buteo, Fabius Dorso, Fabius Licinus, Fabius Labeo, ook Fabius
+Pictor. Iets bijzonders is van hen hier niet te vermelden. Ook wordt
+nog een Q. Fabius Sanga, een vriend van Cicero, vermeld alsmede zekere
+Q. Fabius Virgilianus, in 51 legaat in Cilicia, later aanhanger van
+Pompeius.--28) Fabius Rusticus, een vriend van Seneca, door Tacitus
+als redenaar geprezen, schreef eene geschiedenis van Nero, die verloren
+is gegaan.--29) C. Fabius Valens, bewerkte als legatus legionis samen
+met A. Caecina Alienus, dat Vitellius (Jan. 69 n. C.) tot keizer
+werd uitgeroepen. Aan het hoofd van een legercorps versloeg hij met
+Caecina de Othoniani bij Bedriacum. Later beheerde hij met Caecina
+de staatszaken voor Vitellius. In den oorlog tegen Vespasianus werd
+hij gevangen genomen en gedood.
+
+Fabrateria vetus, volscische stad in Latium. Ten Zuiden hiervan is na
+de verwoesting van Fregellae in 124 Fabrateria nova als rom. colonie
+gesticht.
+
+Fabricii, hernicisch geslacht uit Aletrium. 1) C. Fabricius Luscinus
+verhuisde omstreeks 300 naar Rome. Als consul streed hij in 282
+zegevierend tegen de Samnieten, Lucaniërs en Bruttiërs. Daarna werd
+hij als gezant naar Tarentum afgevaardigd, doch daar wederrechtelijk
+gevangen gehouden. In 280 streed hij onder den consul P. Valerius
+Laevinus in den slag bij Heraclea tegen Pyrrhus. In 279 was Fabricius
+als legaat in den slag bij Asculum (Ausculum). Daarna werd hij als
+gezant tot Pyrrhus gezonden, met wien hij tot overeenstemming schijnt
+gekomen te zijn; de vrede kwam echter niet tot stand, (zie Claudii
+no. 5). In 278 was hij opnieuw consul. Hij ontving toen van 's konings
+lijfarts een aanbod om den koning te vergiftigen, doch in plaats van
+dit aan te nemen, gaf hij er den koning bericht van. In 275 was hij
+censor en ging met gestrengheid alle noodelooze weelde tegen. Hij
+stierf arm; de staat gaf aan zijne dochters een bruidschat.--2)
+L. Fabricius bouwde in 62 den pons Fabricius van Rome naar de insula
+Tiberina.--3) Q. Fabricius, volkstribuun in 57, deed een wetsvoorstel
+tot terugroeping van Cicero, doch Clodius verhinderde de aanneming
+er van.--4) A. Fabricius Veiento, z. Veiento (A. Fabricius).
+
+Fabula (palliata), z. Palliata.
+
+Fabula (praetexta), zie Praetexta (fabula).
+
+Fabula (togata), zie Togata no. 2.
+
+Fadii, plebejisch geslacht. 1) M. Fadius Gallus, een zeer geleerd
+man en vriend van Cicero. Hij heeft een lofrede geschreven op Cato
+Uticensis (45).--2) T. Fadius Gallus, volkstribuun in 57, deed
+vruchtelooze pogingen om Cicero te doen terugroepen. Onder Cicero's
+consulaat, 63, was hij quaestor te Rome geweest.
+
+Faenius Rufus (L.), praefectus annonae sedert 55 n. C., werd na den
+dood van Burrus met Tigellinus praefectus praetorio (62). Hij was een
+onbaatzuchtig man. In 65 nam hij deel aan de samenzwering van Piso,
+en hoewel hij zijn medeplichtigen verried, werd hij toch omgebracht.
+
+Faesulae, ta Phaisyla, thans Fiesole, stad in het N. van Etruria,
+nabij den Arnus (Arno). Hier hadden Catillina's benden hun kamp
+opgeslagen. Onder Sulla werd er eene kolonie van gemaakt.
+
+Fagutal, een van de bergen van het Septimontium, zie Roma.
+
+Falacrinum, stad in het sabijnsche land, geboorteplaats van
+Vespasianus.
+
+Falarica = Phalarica.
+
+Falces. Onder dezen naam verstaat men alle soorten van zeisen,
+sikkels en snoeimessen. Falx supina is een groot gekromd mes, aan de
+buitenzijde scherp (en dus als het ware achteroverliggend), waarmede
+eene soort van zwaardvechters vochten, Thraces genoemd. Ensis falcatus
+of ook hamatus is een kort zwaard, aan de punt sikkel- of eenigszins
+haakvormig gekromd. Falces murales of asseres falcati waren lange
+stelen of balken met sikkelvormige haken om de door den stormram
+gebeukte muren te doen afbrokkelen. In den zeestrijd gebruikte men
+gelijksoortige falces navales om het tuig der vijandelijke schepen
+door te snijden. Currus falcati, zeisenwagens, zijn door Grieken en
+Rom. nooit gebezigd.
+
+Falcidia (lex) testamentaria van den volkstribuun C. Falcidius,
+40. Deze wet bepaalde dat de legaten bij testament nooit meer dan
+3/4 van het vermogen mochten bedragen.
+
+Falerii, Phalerion, stad in het Z.O. van Etruria, wier inwoners,
+de Falisci, waarschijnlijk verwant zijn met de Latijnen. Na den
+val van Veii beginnen de oorlogen met Rome. Later sloten zij zich
+bij Rome aan, tot ze in 293, toen het te laat was, tegen Rome partij
+kozen. In 241, na den vrede met Carthago, stond de stad op, en werd in
+6 dagen ingenomen en verwoest. De bewoners werden gedwongen, de hoogte
+te verlaten en in de vlakte eene nieuwe nederzetting te stichten,
+Aequum Faliscum, terwijl in de oude stad slechts de tempels bleven
+staan. Iets verder af ligt Falerii Novi, dat later een colonie wordt,
+en in den keizertijd gebloeid heeft. Als stichter van Falerii werd
+Halesus (Falesus) aangenomen (z. a.).
+
+Falernus (ager), in het N. van Campania tusschen den mons Massicus en
+de rivier Volturnus, zie ook Campania. De falernische wijn was beroemd;
+hij was hooggeel van kleur, en moest noch te oud, noch te jong zijn;
+op 15 jaar was hij het best.
+
+Falisci, zie Falerii.
+
+Falsum. Valschheid en vervalsching waren volgens het oudste rom. recht
+slechts in enkele gevallen strafrechterlijk vervolgbaar, b.v. valsch
+getuigenis; zij konden evenwel tot een civiele rechtsvordering
+aanleiding geven. Sulla's lex Cornelia de falso stelde de aquae et
+ignis interdictio op testament- en muntvervalsching. Later, vooral
+onder de keizers, werden er veel meer valsche handelingen onder
+strafwetten gebracht.
+
+Fama, eene godin, die losse en onzekere geruchten onder de menschen
+verspreidt, personificatie van het loopend gerucht, waarvan geen
+zegsman aan te wijzen is. Zij heeft vleugels, duizend oogen en duizend
+monden, en heeft op hare afbeeldingen een spreektrompet voor den mond.
+
+Fannia (lex) sumptuaria van den consul C. Fannius Strabo, 161. Deze
+wet bepaalde de sommen, die op gewone dagen en op feestdagen voor
+een gastmaal mochten worden besteed.
+
+Fannii, plebejisch geslacht. 1) C. Fannius, volkstribuun 187,
+werkte mede tot de veroordeeling van L. Corn. Scipio Asiaticus.--2)
+C. Fannius Strabo, zoon van no. 1, consul in 161, was de ontwerper
+der lex Fannia sumptuaria. Ook werden tijdens zijn consulaat de
+grieksche philosophen en rhetoren uit Rome verbannen.--3) C. Fannius,
+zoon van no. 2, was in 146 een der eersten, die de muren van Carthago
+beklom; hij was volkstribuun in 142, consul in 122 door de hulp van
+C. Gracchus, behoorde nochtans tot diens tegenstanders. Hij was een
+schoonzoon van C. Laelius Sapiens. Hij was voorstander der stoicijnsche
+wijsbegeerte en schreef annales, waarin hij vooral zijn eigen tijd
+behandelde; verder stond hij bekend als redenaar.--4) M. Fannius was
+in 80 praetor in het proces van Sex. Roscius Amerinus.--5) L. Fannius,
+aanhanger van Sertorius, had de hand in het verbond tusschen dezen en
+Mithradates.--6) C. Fannius, aanklager van P. Clodius Pulcher in 61,
+tijdens het tweede driemanschap op de hand van Sex. Pompeius, later
+aan de zijde van Antonius.--7) C. Fannius, in 59 als volkstribuun
+ernstig tegenstander van Caesar's lex agraria.--8) Fannius Caepio,
+wegens samenzwering tegen Augustus ter dood gebracht (22).--9) Fannius,
+tafelschuimer en pruldichter, bediller van Horatius.--10) C. Fannius,
+ten tijde van Traianus, schreef een werk over de terechtstellingen
+onder Nero.--11) Fannia, eene vrouw te Minturnae, die Marius op zijne
+vlucht herbergde.--12) Fannia, de dochter van P. Clodius Thrasea
+Paetus en Arria minor, en de tweede vrouw van Helvidius Priseus
+(z. Helvidii no. 3). Zij deelde tweemaal de ballingschap van haar
+man. Onder Domitianus werd zij verbannen, en haar goederen verbeurd
+verklaard. Na diens dood keerde zij naar Rome terug.
+
+Fanum (van fari), een door een formulier gewijde en met muren omgeven
+plaats, heiligdom, tempel.
+
+Fanum Fortunae, aanzienlijke stad aan den Metaurus in Umbria in den
+ager Gallicus, met een beroemden Fortuna-tempel.
+
+Farfar (Farfarus), zijtakje van den Tiber, in den ager Sabinus.
+
+Fasces, bundel roeden van olmen- of berkentakken, met een lederen
+riem omsnoerd. In den bundel was ook de steel van een bijl gebonden,
+doch zoo, dat het staal naar buiten stak. Dit zijn de fasces et
+secures, die de lictoren der magistratus cum imperio droegen. Binnen
+Rome echter lieten de consuls en praetoren de bijlen uit de bundels
+weg. Bij strafoefeningen dienden de roeden tot geeseling, de bijl tot
+onthoofding der veroordeelden. De lictoren droegen de bundels over den
+linkerschouder. Ontmoette de overheidspersoon iemand van hoogeren rang
+(bv. een praetor een consul of wel eene vestaalsche maagd), dan namen
+de lictoren van den eersten hunne roeden van den schouder en lieten
+ze zakken als teeken van eerbied (fasces submittere).
+
+Fascinus, -num, z. Baskania.
+
+Fasti, 1) f. dies, rechtsdagen, waarop de praetor de woorden do,
+dico, addico, mocht uitspreken (zie praetor). In den rom. kalender
+waren zij aangeduid met de letter F. Op een dies nefastus (N) mocht
+dit niet. Een dies nefastus principio (NP) was vóór den middag N.,
+na den middag F. Zie ook Nefasti dies.--2) de romeinsche kalender,
+d. w. z. de opteekening der dies fasti, nefasti, intercisi, comitiales,
+met vermelding der op iederen dag vallende feesten, spelen en offers,
+waarbij nog aanteekeningen gevoegd waren omtrent geschiedkundige
+gebeurtenissen, en omtrent den op- en ondergang van verschillende
+sterrenbeelden. Deze kalender werd opgemaakt door de pontifices; een
+gedeelte daarvan, de dies fasti, is voor het eerst door Cn. Flavius
+(zie Flavii no. 2) in 304 uitgegeven. Een dichterlijke bewerking heeft
+Ovidius gegeven in zijn Fasti, die de eerste 6 maanden van het jaar
+behandelen. Verder verdienen vermeld te worden de fasti Praenestini van
+M. Verrius Flaccus (zie Verrius).--Een aanwijzing van de voornaamste
+romeinsche vaste feest- en gedenkdagen ten tijde van Augustus vindt men
+achter in dit werk.--3) de lijsten van jaarlijks wisselende ambtenaren
+(fasti consulares, praetorii), van de priesters (fasti sacerdotales,
+fasti fratrum arvalium), en van de in ieder jaar gevierde triumfen
+(fasti triumphales). Van hetgeen nog uit de oudheid over is, zijn wel
+het meest bekend de zoogenaamde Fasti Capitolini, een chronologische
+lijst van de consuls, censoren, dictatoren en magistri equitum, die
+in 34 aan den buitenmuur van de regia werd aangebracht. Later (in
+12) werd een relaas van zegetochten (fasti triumphales of beter acta
+triumphorum (zie acta)) op afzonderlijke pijlers hieraan toegevoegd.
+
+Fatui, Fatuae, misvormde en soms onnoozele menschen, die in de
+huishouding der rom. grooten als huisnarren gebruikt werden. Dwergen,
+nani, nanae, waren tot dit doel ook zeer in trek.
+
+Fatum, de uitdrukkelijk uitgesproken en onherroepelijke wil der goden
+ten opzichte van den mensch, dus zijn geheel levenslot, gelukkig
+of ongelukkig, in het bijzonder de dood. Het meervoud beteekent de
+afzonderlijke beschikkingen van het noodlot betreffende een persoon
+of zaak; ook = Parcae. Vgl. moira.
+
+Fatuus, naam van Faunus als orakelgevend god. De heiligdommen, waar
+zijne orakels (droomorakels) gegeven werden, waren gewoonlijk in
+boschrijke streken.--Volgens een verhaal zou hij zich eens door Numa
+hebben laten dronken maken, en toen gedwongen zijn hem de geheimen
+der godenwereld te openbaren.
+
+Fauna, zie Faunus en Bona Dea.
+
+Faunus, zoon van Picus, een oud-italisch veld- en boschgod, beschermer
+van landbouw en veeteelt, en dus den menschen welgezind, hoewel hij
+er vermaak in vindt hen in stille bosschen of in hun slaap (Incubus)
+te plagen en te verschrikken. Als orakelgevend god wordt hij Fatuus
+genoemd.--V. s. was hij een koning van Latium geweest, en door
+Heracles gedood, toen hij dezen aan Mercurius wilde offeren, zooals
+hij met vreemdelingen placht te doen.--Zijn voornaamste feest zijn de
+Lupercalia (z. a.); een ander landelijk feest zijn de Faunalia, die
+den 5den December werden gevierd; het was een dag van vroolijkheid,
+waarop zelfs slaven en vee vrijheid genoten; men offerde bokken,
+wijn, melk en wierook. F. had een tempel op de Insula Tiberina,
+z. Domitii no. 2. Zijn dienst werd in den keizertijd verdrongen
+door dien van Silvanus.--Nevens hem staat Fauna (Fatua), eene godin,
+die dezelfde eigenschappen heeft als hij, en zijne vrouw of dochter
+genoemd wordt. Faunus werd reeds vroeg voor denzelfden gehouden en
+eveneens afgebeeld als Pan, en onder den invloed van deze meening
+sprak men ook van Fauni, soms kinderen van hem en Fauna genoemd,
+en ongeveer gelijk aan de grieksche satyrs.
+
+Fausta, 1) dochter van L. Cornelius Sulla. Zij is driemaal gehuwd
+geweest, de tweede maal met T. Annius Milo.--2) de gemalin van
+Constantijn den Gr., die door hem in 326 n. C. gedood werd.
+
+Faustina, naam der gemalin van Antoninus Pius en van hare dochter, de
+gemalin van Marcus Aurelius. Beiden waren vrouwen van een losbandig
+karakter. Ter eere van de eerste Faustina wijdde Antoninus Pius in
+141 een tempel aan de Via Sacra te Rome, die na zijn dood ook aan
+hem werd gewijd. Een deel van den tempel bestaat nog.
+
+Faustulus, de herder, die de kinderen Romulus (z. a.) en Remus vond,
+en aan zijn vrouw Acca Larentia (z. a.) bracht.
+
+Faventia, thans Faënza, stad in Gallia Cisalpina, aan de via Aemilia
+gelegen.
+
+Favonius (M.), bewonderaar en naäper van Cato van Utica, tegenstander
+van het eerste driemanschap, vooral van Pompeius toen deze machtig
+was, hoewel hij na diens vlucht toch zijne zijde koos. Na Pompeius'
+dood schonk Caesar aan Favonius vergiffenis; doch deze sloot zich
+later bij Caesars moordenaars aan, werd in den slag bij Philippi (42)
+gevangen genomen en op last van Octavianus omgebracht.
+
+Favonius, de Westenwind, later de Noordwestenwind. Met het waaien
+van dezen zachten wind begint in Italië de lente (1ste helft van
+Februari). In Zwitserland Föhn geheeten. Zie Windstreken.
+
+Favorinus, Phaborinos, rhetor onder keizer Hadrianus, uit Arelate in
+Gallië, leerling van Dio Chrysostomus en bevriend met Plutarchus en
+Fronto, schrijver van verschillende grieksche werken over allerlei
+onderwerpen.
+
+Febris, koortsafwerende godin, die te Rome drie tempels had, waar
+genees- en toovermiddelen tegen de ziekte te verkrijgen waren.
+
+Februus, oud-italisch god der lijkoffers, die aangeroepen werd om de
+Larvae of spoken van de menschen af te houden. Naar hem was de maand
+Februarius genoemd, waarin men na de Lupercalia geen vroolijk feest
+vierde en niets van belang begon. V. a. was die maand genoemd naar
+de februa, zie Lupercalia.
+
+Feciales = Fetiales.
+
+Felix, agnomen van L. Cornelius Sulla (Cornelii no. 52).--Felix
+(Antonius), zie Antonius Felix.
+
+Felsina, oude naam van Bononia (Bologna), toen de Etruscers nog in
+het Po-dal woonden.
+
+Fenestella (C.), ten tijde van Augustus en Tiberius, geschiedkenner
+en annalist.
+
+Fenni, de Finnen. Ze worden door Tacitus geschilderd als een wild
+volk, dat uitsluitend van de jacht leeft, en slechts hutten kent
+van rijshout.
+
+Fennius Rufus, zie Faenius Rufus.
+
+Fenus (van den stam fe- = phyo, evenals tokoi van tikto). De
+rentevoet was oudtijds zeer hoog, wat in verband stond met het
+gevaar, uitgeleende geldsommen te verliezen. Bij de Grieken is ons
+niets bekend van wettelijke regeling dezer zaak; bij de Rom. vindt
+men de eerste bepaling aangaande rente in de wetten der twaalf
+tafelen. Deze wetten stelden een fenus unciarium als wettig maximum
+vast. Waarschijnlijk beteekent dit, dat de rente 1 uncia van de as
+= 1/12 (= 8 1/3 %) bedroeg voor het jaar van 10 maanden, zoodat de
+rente per 12 maanden 10 % is. Doch hetzij de wet niet streng genoeg
+was, hetzij men ze wist te ontduiken, men hield zich er niet aan,
+althans in 357 achtten de volkstribunen M. Duillius en L. Maenius
+(Menenius) het noodig, nogmaals het fenus unciarium door eene wet
+vast te stellen, en de plebs nam de lex Duillia Maenia (Menenia)
+gretig aan. Tien jaar later werd de wettelijke rente met de helft
+verminderd, fenus semiunciarium. Het doel schijnt te zijn geweest,
+door lagen rentevoet de menschen af te schrikken, geld tegen rente
+uit te leenen; althans de lex Genucia ne fenerare liceret, van den
+volkstribuun L. Genucius, in 342, verbood dit geheel en al. Maar men
+kon het schulden maken niet voorkomen, het handelsverkeer werd door de
+wet bemoeilijkt, zij was niet te handhaven, en de woeker herleefde,
+in weerwil van nog verschillende wetten. Sulla hernieuwde de wet van
+357, zie Corneliae (leges) van L. Cornelius Sulla, 88, no. 6. Het
+handelsverkeer met Griekenland en het Oosten bracht eene nieuwe
+renteberekening in zwang, n.l. met maandelijksche centesimae. De
+usura centesima was 1 % 's maands, usurae semisses 1/2 %, trientes
+1/3 %, quadrantes 1/4 %, sextantes 1/6 %, unciae 1/12 %. Interest op
+interest heette anatocismus, anatokismos. Bankinstellingen waren den
+Rom. niet onbekend; in 352 werd tijdelijk eene staatsbank opgericht
+onder beheer van quinqueviri mensarii.
+
+Feralia of parentalia, een feest te Rome ter eere der afgestorvenen,
+wier geesten, naar men geloofde, in die dagen hunne oude woonplaatsen
+mochten bezoeken. Het feest begon 13 Februari en duurde negen
+dagen. Men bracht offers aan de schimmen van bloedverwanten en
+versierde de graven. Zie ook Caristia.
+
+Ferentarii, lichte, ongeregelde troepen, die met werpschichten en
+steenen gewapend waren en op de vleugels dienst deden en den strijd
+openden.
+
+Ferentina, godin van het latijnsche verbond, dat zijne vergaderingen
+placht te houden bij een aan haar gewijd bosch aan den voet van den
+Albaanschen berg.
+
+Ferentinum, stad der Hernici, in Latium, een tijdlang in de macht
+der Volscen.
+
+Ferentum, Ferentium, Ferentinum, stad in Zuid-Etrurië, geboorteplaats
+van keizer Otho.
+
+Feretrius, bijnaam van Jupiter, wien de spolia opima gewijd
+werden. Zijn tempel was door Romulus gebouwd en door Augustus
+vernieuwd.
+
+Feriae werden vooral die godsdienstige feesten genoemd, die meer
+dan één dag duurden. Feriae statae (stativae) waren feesten, die
+jaarlijks op vaste dagen terugkeerden, conceptivae die, waarvan de
+dagen ieder jaar door de pontifices worden vastgesteld en afgekondigd
+(indicere). Dit zijn de landbouwfeesten, waarvan de viering van
+den stand van het gewas afhankelijk is, o.a. de Sementivae, en de
+Ambarvalia. Feriae imperativae zijn feesten, die ten gevolge van
+buitengewone gebeurtenissen (overwinningen of prodigia) door den
+senaat worden uitgeschreven, b.v. de supplicationes.
+
+Feriae Latinae, groote feesten op den Albaanschen berg ter eere
+van Jupiter Latiaris. De viering behoorde plaats te vinden onder
+voorzitterschap der consuls, zoodra mogelijk na de aanvaarding van
+hun ambt. Waren zij verhinderd, dan werd er meestal een dictator voor
+aangewezen. Rome was in die dagen bijna verlaten (zie ook praefectus
+urbi).
+
+Feronia, italische godin, vooral vereerd aan den voet van den berg
+Soracte, waar haar de eerstelingen der veldvruchten geofferd werden
+en druk bezochte markten gehouden werden. Zij was eene godin der
+vrijheid, en slaven, die zich in haar tempel te Anxur (Tarracina)
+het hoofdhaar lieten afscheren, werden vrij. Ook een bron bij Anxur
+was haar gewijd.--V. s. is zij dezelfde als Persephone.
+
+Feroniae lucus, heilig woud met drukke marktplaats bij de etruscische
+stad Capena aan den voet van den berg Soracte. Ook bij Anxur in Latium
+lag een bosch aan Feronia gewijd.
+
+Fescennium, oude stad der Falisci, in Zuid-Etrurië, juiste ligging
+onbekend; hiernaar hebben de versus Fescennini, boertige, niet altijd
+kiesche bruiloftsliederen, hun naam.
+
+Festi (dies) waren dagen, die aan eene godheid gewijd en dus feestdagen
+waren. Gewone dagen waren dies profesti. Van een dies intercisus of
+naar een oudere schrijfwijze endotercisus, in den rom. kalender door
+EN aangeduid, was het middelste gedeelte feestdag.
+
+Festuca, roedje, stokje, zie manumissio.
+
+Festus. 1) Porcius Festus, procurator van Judaea, opvolger van
+Antonius Felix, 59-61 na C.--2) Sex. Pompeius Festus, taalkundige
+waarschijnlijk uit de 3de eeuw n. C., schreef een werk in 20 boeken
+de significatione verborum, ontleend aan een ouder en nog uitgebreider
+woordenboek van Verrius Flaccus. Van het werk van Festus zijn slechts
+groote brokstukken over; van het geheel bezitten wij een uittreksel,
+door zekeren monnik Paulus Diaconus onder de regeering van Karel den
+Gr. vervaardigd.--3) Rufus Festus, z. Rufus no. 3.--4) Rufus Festus
+Avienus, z. Avienus.
+
+Fetiales, priestercollegie te Rome, welks taak het was, bij
+oorlogsverklaringen, vredesverdragen en verbonden de voorgeschreven
+godsdienstige plechtigheden te vervullen. Zoolang het rom. gebied
+nog klein was, werden zij ook als herauten uitgezonden, om van de
+naburen herstel van grieven te vorderen (clarigatio) of den oorlog
+te verklaren, waartoe zij naar de grenzen gingen en een werpspies
+in het vijandelijke land slingerden. Toen het Rom. gebied hiertoe te
+groot werd, werd de vijandelijke grond voorgesteld door eene mand met
+aarde, bij den tempel van Bellona geplaatst (zie columna bellica). De
+woordvoerder der fetiales werd pater patratus genoemd. Zij waren als
+gezanten onschendbaar, en droegen, wanneer zij eene zending vervulden,
+takken van heilig loof (verbena) of heilige kruiden (sagmina), op
+het Capitool geplukt.
+
+Fibrenus, riviertje in Latium, bij Arpinum. Juist daar, waar het in
+den Liris uitstroomt, lag het ouderlijk huis van Cicero.
+
+Fibula, perone, porpe, gesp, nestel. Terwijl in het Myceensche
+tijdperk de kleederdracht meer overeenstemt met de tegenwoordige,
+vindt men reeds in het Homerische tijdperk en verder gedurende de
+geheele oudheid een wijze van kleeding, die van de onze geheel afwijkt;
+de meeste kleeren worden eenvoudig omgeslagen om het lichaam, en dan
+op één of beide schouders of op de borst met een gesp of nestel, het
+best te vergelijken met onze veiligheidsspeld, vastgestoken. Alleen
+bij de toga is de fibula niet in gebruik. Ook als ceintuurgesp en
+als haarnaald komt de fibula voor.
+
+Ficana, stadje in Latium aan de via Ostiensis, door Ancus Marcius
+verwoest.
+
+Ficul(n)ea, latijnsch stadje, verwoest door Tarquinius Priscus.
+
+Ficus Ruminalis, zie Rumina.
+
+Fidenae, Phidenai, stad in Latium, 8 kilometer ten Noorden van Rome,
+op een rots aan den Tiber, tegenover de Cremera-beek gelegen. De stad
+hoorde oorspronkelijk tot het bondgenootschap van Alba (de populi
+Albenses), maar sloot zich meestal bij Veii aan, tot ze in 426 (door
+den dictator Mam. Aemilius Mamercinus) veroverd en vernietigd werd.
+
+Fidentia, rom. kol. in Gallia Cispadana aan de via Aemilia, tusschen
+Parma en Placentia.
+
+Fides, godin der goede trouw, afgebeeld als eene ernstige vrouw, in
+het wit gekleed, gekroond met olijf- en laurierbladeren, met een korf
+met vruchten of korenaren in de hand. Zij had verscheiden tempels
+te Rome; in den oudsten, die bij het Capitolium lag en volgens de
+sage door Numa gewijd was, werd zij als F. publica populi Romani
+vereerd. In werkelijkheid is de tempel eerst gebouwd in 254 of 250,
+maar de dienst was ouder. Haar wezen was verwant met Dius Fidius
+(z. a.). Het zinnebeeld der trouw waren twee in elkaar gelegde handen.
+
+Fidius, z. Dius Fidius.
+
+Fiducia is eene zaak van vertrouwen, een nevencontract bij de
+vrijwillige overgaaf van iets, waarbij de ontvanger beloofde, het
+ontvangene terug te zullen geven. Zoo verkoopt een vader, die zijn
+zoon wil emancipeeren, dezen driemaal aan een pater fiduciarius,
+onder belofte, dat deze hem telkens weder zal vrijlaten. Ook gebeurde
+het wel, dat een erflater zijne nalatenschap geheel of ten deele
+door een schijnkoop aan een ander verkocht, onder belofte, dat de
+emptor fiduciarius over de erfenis volgens den wensch des erflaters
+zou beschikken. Dit middel werd te baat genomen om zekere gedeelten
+eener erfenis te doen uitkeeren aan personen, die naar de wet geen of
+slechts een beperkt erfrecht hadden, b.v. vreemdelingen en vrouwen. Het
+nakomen van zulk eene belofte was wel een heilige plicht, doch het
+strenge oude recht gaf geene dwangmiddelen aan. Ook bij het geven van
+onderpand kwam fiducia te pas, n.l. dat de pandnemer bij aflossing
+der schuld het pand zou teruggeven. Hier echter was, bij weigering,
+eene actio fiduciae mogelijk. Als rechtsterm komt fiducia ook wel in
+de beteekenis van pand voor.
+
+Figulus, familienaam in de gens Marcia, z. Marcii no. 12 en 13.
+
+Figulus (P. Nigidius), zie Nigidius.
+
+Fimbria, familienaam in de gens Flavia, z. Flavii no. 3-5.
+
+Firmicus Maternus (Julius), schreef eerst als Neo-Platonicus een werk
+over astrologie (matheseos libri) in 337 n. C. verschenen. Later ging
+hij tot het Christendom over en schreef een werk de errore profanarum
+religionum, dat aan de keizers Constantius en Constans was opgedragen,
+en waarin hij hen aanspoorde de heidenen te vervolgen.
+
+Firmum, zeestad en lat. kolonie (sedert 264) in Picenum.
+
+Firmus (Claudius), papyrusfabrikant in Alexandrië, maakte oproer onder
+de regeering van keizer Aurelianus (273 n. C.); het oproer werd echter
+spoedig gedempt en Firmus gedood.
+
+Fiscus, eigenlijk een uit biezen of teenen gevlochten mand tot
+verschillend gebruik. Het schijnt, dat de Rom. geldmanden gebruikten
+in plaats van geldkisten; althans wij vinden fisci ook gebezigd
+tot verzending van geld, evengoed als tot bewaring er van. Vandaar
+beteekent fiscus ook wel de schatkist van den staat = aerarium. Onder
+de keizers krijgt fiscus, in tegenstelling van aerarium, de beteekenis
+van private kas des keizers, waarin ten laatste de meeste belastingen
+gestort werden. Eindelijk neemt het woord ook de beteekenis aan van
+opbrengsten aan den fiscus, dus van belasting.
+
+Flaccus, familienaam in de gentes Fulvia (z. Fulvii no. 4-9) en Valeria
+(z. Valerii no. 19, 20, 22-25, 41). Ook de dichter Horatius droeg
+dezen naam.
+
+Flagellum, flagrum. Een flagellum was een geeselwerktuig, bestaande
+uit touwen met knoopen er in, die aan een steel bevestigd waren; een
+flagrum had kettingen met ijzeren knoppen er aan. Flagellum caedit,
+secat, scindit; flagrum pinsit, rumpit.
+
+Flamen. De flamines te Rome waren 15 in getal, priesters van even
+zooveel godheden. Er waren drie flamines maiores, priesters van
+Jupiter, Mars en Quirinus, flamen Dialis, Martialis, Quirinalis. De
+overige waren minores, zooals de fl. Volcanalis, Carmentalis,
+Floralis, Pomonalis, enz. De voornaamste was de fl. Dialis, die de
+toga praetexta, de sella curulis en een lictor had en ook zitting had
+in den senaat. In zijn openbaar en huiselijk leven was hij aan een
+groot aantal dikwerf lastige voorschriften gebonden. Hij mocht geen
+leger onder de wapenen zien, geen knoop of ongebroken ring hebben,
+daar dit zinnebeelden van slavernij waren. Elke dag was voor hem een
+feestdag; hij mocht dus geen menschen aan den arbeid zien, en wanneer
+hij over de straat ging, liepen praeclamitatores voor hem uit en
+riepen den menschen toe, hun werk te staken tot de priester voorbij
+was. Zijne vrouw, flaminica Dialis, was priesteres van Juno. Zijn
+huwelijk moest per confarreationem gesloten zijn; echtscheiding was
+hem verboden; stierf zijne vrouw, dan moest hij zijne waardigheid
+nederleggen. Sedert den dood van L. Cornelius Merula in 87 (Cornelii
+no. 44) is dit ambt 75 jaar lang onbezet gebleven. Na Caesars dood
+werd een flamen Caesaris gekozen; de vergode keizers kregen ook
+ieder hun flamen. De naam werd door de ouden afgeleid van filum,
+draad, omdat de flamines nooit zich geheel blootshoofds aan het volk
+mochten vertoonen, en derhalve, wanneer zij niet de priestermuts
+(apex, albogalerus) droegen, zich een wollen draad om het hoofd
+wonden. Tegenwoordig leidt men het woord af van flare = aanblazen
+van het offervuur. De keus was in de hand van den pontifex maximus;
+de voorgedragene werd comitiis calatis aangenomen en gewijd. Weigering
+baatte niet veel. De benoeming was voor het leven, doch zoo men tegen
+de voorschriften zondigde, moest men het ambt nederleggen.
+
+Flaminia (lex) van den volkstribuun C. Flaminius in 232, ter verdeeling
+van gronden in Picenum en Gallia onder arme rom. burgers. Zie
+Agrariae leges.
+
+Flaminia (via), van Rome naar Ariminum (Rimini) (z. Flaminii no. 1
+en 2).
+
+Flaminica, echtgenoote van een flamen.
+
+Flaminii, plebejisch geslacht. 1) C. Flaminius, volkstribuun in 232,
+dreef onder hevigen tegenstand van den senaat zijn akkerwet door
+(zie lex Flaminia). Als praetor van Sicilia (227) maakte hij zich
+daar zeer bemind. In 223 was hij consul en versloeg de insubrische
+Galliërs aan den Addua (Adda), en bracht den oorlog ten einde, zonder
+zich aan het senaatsbesluit, dat hem terugriep, te storen. In 220 was
+hij censor, legde de via Flaminia aan (zie echter no. 2) en bouwde
+in den campus Martius te Rome den circus Flaminius. In 217 was hij
+andermaal consul, doch verliet Rome om het bevel tegen Hannibal op zich
+te nemen, alvorens aan al de voorgeschreven vormen en plechtigheden
+te hebben voldaan. Bij het meer Trasimenus door Hannibal in eene
+bergengte gelokt en ingesloten, sneuvelde hij met het grootste deel
+van zijn leger.--2) C. Flaminius, zoon van no. 1, streed in Hispania
+(210) onder P. Cornelius Scipio (den lateren Africanus maior), en
+later als praetor in 193. In 187 was hij consul. V. s. was hij de
+aanlegger van de via Flaminia.--3) C. Flaminius was in 67 aedilis
+curulis, in 66 index quaestionis inter sicarios.--4) C. Flaminius,
+een van de deelnemers aan de samenzwering van Catilina. Bij hem hield
+Catilina zich na zijn vlucht uit Rome eenigen tijd op in agro Arretino.
+
+Flamininus, familienaam in de gens Quinctia, z. Quinctii no. 8 en 9.
+
+Flammeum,--eigenlijk een adjectief, waarbij het subst. velum moet
+gedacht worden--bruidssluier, rood of hooggeel van kleur en van groote
+afmetingen, zoodat hij tot op de voeten hing. Aldus gesluierd, werd
+de bruid naar de woning van den bruidegom geleid, waar deze haar van
+het flammeum ontdeed. Schertsend bij dichters: flammea conterere,
+bruidssluiers verslijten = hertrouwen. Ook de flaminica droeg, als
+ze in functie was, een flammeum.
+
+Flavia (lex), z. Flavii no. 6 en Agrariae leges.
+
+Flavii, een plebejisch geslacht, afkomstig uit Etruria. Echter
+komen onder dezen naam ook familiën voor uit andere streken van
+Italia. 1) M. Flavius, volkstribuun in 327 en 323, stelde in 323
+voor, de bevolking van Tusculum voor haar ontrouw voorbeeldig te
+straffen. Tusculum had zich namelijk bij de Samnieten aangesloten. Door
+smeekbeden bij het volk slaagden de Tusculaners er in, het onweder
+af te wenden.--2) Cn. Flavius, zoon van een vrijgelatene, scriba
+of klerk bij den aedilis App. Claudius Caecus, werd door hem in den
+senaat opgenomen en wist zich voor het jaar 304 tot aedilis curulis
+te doen verkiezen. In deze hoedanigheid maakte hij een rechtskalender
+openbaar, waarin zoowel de rechtsdagen (dies fasti) waren aangewezen,
+als ook een aantal vormen en formules (legis actiones), die men in
+acht moest nemen bij het aanbrengen en behandelen van verschillende
+zaken. Deze verzameling, die door hem op houten borden (alba) op het
+forum werd openbaar gemaakt, draagt den naam van ius Flavianum.--3)
+C. Flavius Fimbria, een homo novus, consul in 104. Hij werd later
+wegens afpersingen aangeklaagd, maar vrijgesproken.--4) C. Flavius
+Fimbria, aanhanger van Marius en Cinna, zoon van no. 3, liet in
+86 in Asia, als legaat van den consul L. Valerius Flaccus, dezen
+vermoorden om zelf het bevel te kunnen voeren. Vervolgens voerde hij
+niet zonder geluk en beleid den oorlog tegen Mithradates, totdat in
+85 Sulla in Asia kwam. Na vergeefsche pogingen om Sulla uit den weg
+te ruimen door zijn eigen troepen verlaten, liet hij zich door een
+slaaf dooden (84).--5) Flavius Fimbria, broeder van no. 4, streed
+onder den consul C. Norbanus in 83 tegen Sulla. Hij stierf door
+sluipmoord.--6) In Cicero's tijd komen nog een aantal Flavii voor,
+als L. Fl., rom. ridder, getuige tegen Verres,--L. Fl., praetor in 59,
+een vriend van Cicero, in 60 als volkstribuun voorsteller eener lex
+agraria ten gunste van Pompeius' veteranen, welke wet echter niet tot
+stand kwam,--C. Fl., een vriend van Cicero's schoonzoon Piso,--C. Fl.,
+een vriend van Brutus, bij Philippi gesneuveld.--7) Flavius Scaevinus,
+senator tijdens keizer Nero, nam aan de samenzwering van Piso deel
+(65).--8) Uit de gens Flavia waren ook de drie achtereenvolgende
+keizers Vespasianus, Titus en Domitianus; de laatste wordt dichterlijk
+Flavius ultimus geheeten.--9) Flavius Clemens, z. Vespasianus aan
+het slot.--10) Flavius Sabinus, z. Sabinus no. 3.
+
+Flavius Josephus, Iosephos, in 37 na C. uit een joodsch
+priestergeslacht te Jerusalem geboren. Hij genoot eene geleerde
+opvoeding, ging vervolgens naar Rome, waar hij de gunst verwierf van
+Nero's gemalin Poppaea Sabina; na zijn terugkeer brak weldra de opstand
+zijner landgenooten uit, waarbij hij zich aansloot. Hij organiseerde
+den opstand in Galilaea, maar werd na de inname van de vesting Iotapata
+gevangen genomen. Later door Vespasianus in vrijheid gesteld, woonde
+hij het beleg van Jerusalem door Titus bij, en wijdde zijne verdere
+dagen te Rome aan de wetenschap. Hij heeft o. a. eene geschiedenis
+van den joodschen oorlog geschreven, en eene joodsche geschiedenis
+van de schepping tot 66 na C. Van belang is ook zijn geschrift contra
+Apionem (z. Apion) of: Peri tes ton Ioudaion archaiotetos, waarin
+hij de aanvallen van verschillende schrijvers tegen het Jodendom
+tracht te weerleggen, en de oude en hooge beschaving van het oude
+volk tracht te bewijzen.
+
+Flavus, broeder van den vorst der Cheruscen Arminius, diende in het
+rom. leger.
+
+Flevo lacus, het meer Flevo, waaruit later de Zuiderzee is
+ontstaan. Door dit meer liep de noordelijke Rijnarm, die zich door
+het Flevum ostium (het Vlie) in zee stortte.
+
+Flora, godin der bloemen en der lente, wier dienst door Titus Tatius
+ingevoerd was, had een tempel bij den Circus Maximus. Men hield haar
+voor dezelfde als Chloris.
+
+Floralia, Flora-feesten van 28 April tot 1 Mei. Zij komen het eerst
+voor in 238, bij de inwijding van den tempel van Flora. Sedert 173
+worden zij jaarlijks gevierd, z. Ludi. Alles werd op dit feest met
+bloemen versierd, terwijl men zich aan dartele, uitgelaten vroolijkheid
+overgaf. De vrouwen droegen op die dagen bonte kleeren.
+
+Florentia, thans Florence, ital. Firenza, stad en rom. kolonie in
+Etruria, aan den Arnus (Arno).
+
+Florus, schrijver van een Epitome rerum Romanarum, een beknopt
+overzicht der rom. geschiedenis van den koningstijd tot Augustus. Hij
+leefde ten tijde van Hadrianus en is dus waarschijnlijk identisch
+met P. Annius Florus, een dichter, die met keizer Hadrianus bevriend
+was. In dat geval is de naam Julius Florus van het beste handschrift
+verschreven voor Publius, en Anneus (Annaeus) van de andere voor
+Annius.--Onder de vrienden van den dichter Horatius komt een
+Julius Florus voor, die Tiberius tweemaal op zijne krijgstochten
+vergezelde. Quinctilianus spreekt van een beroemd redenaar Julius
+Florus uit Gallia, terwijl in den gallischen opstand tijdens de
+regeering van Tiberius een derde Julius Florus als een der heftigste
+opstandelingen wordt genoemd bij de Treviren (21 n. C.). Toen de
+opstandelingen verslagen waren, maakte hij zich van kant.
+
+Focus, hestia, de haardstede, eenvoudig bestaande uit eene ijzeren
+plaat of een steenen vloertje, waarop het vuur brandde, was eene
+heilige plaats. De vluchteling, die zich daar nederzette, was
+onschendbaar. Als de algemeene focus der stad Rome gold de tempel
+van Vesta, Hestia.
+
+Foedus, z. Civitates foederatae.
+
+Foedus ferire, icere. Deze uitdrukkingen komen hier vandaan, dat bij
+het bezweren van een verdrag, de woordvoerder der fetiales (z. a.),
+de pater patratus, met een steenen hamer een big doodsloeg, met de
+bede, dat het rom. volk, zoo het willens en wetens valschelijk tegen
+het verdrag handelde, door Jupiter evenzoo mocht getroffen worden.
+
+Foenus = Fenus.
+
+Fonteii, plebejisch geslacht uit Tusculum. 1) Ti. Fonteius (Crassus)
+was in 212, toen P. en Cn. Cornelius Scipio in Hispania sneuvelden,
+legaat van den eerstgenoemden en voerde met L. Marcius Septimus
+(Marcii no. 17) het bevel over het leger tot aan de komst van P. Scipio
+(Africanus maior).--2) Fonteius werd in 91 als legaat met den proconsul
+Servilius door eene bende uit Asculum vermoord. Dit was het signaal
+voor het uitbreken van den bondgenootenoorlog.--3) M. Fonteius,
+zoon van no. 2, was legaat in Hispania, en later propraetor in Gallia
+Narbonensis geweest, toen hij door M. Plaetorius van afpersingen werd
+beschuldigd (69). Cicero verdedigde hem, waarschijnlijk tevergeefs.--4)
+P. Fonteius adopteerde P. Clodius Pulcher, opdat deze volkstribuun
+zou kunnen worden.--5) C. Fonteius Capito herstelde te Brundisium met
+Maecenas de verstandhouding tusschen Octavianus en Antonius (37). De
+dichter Horatius maakte de reis daartoe mede.--6) C. Fonteius Capito,
+consul 12 na C., vervolgens (23/24) proconsul in Asia.--7) Fonteius
+Agrippa, onder Vespasianus proconsul in Asia (68 n. C.), vervolgens
+in Moesia (69), sneuvelde tegen de Sarmaten.
+
+Forceps, tang of Forfex, schaar. In de krijgskunst verstond men
+hieronder eene slagorde in den vorm eener V, die men aan den cuneus
+of wigvormige slagorde van den vijand tegenoverstelde. In den slag
+bij Cannae voerde Hannibal deze manoeuvre uit tegen den cuneus der
+Romeinen, maar hij misleidde den vijand door in den beginne zijn
+centrum te laten vooruitrukken, en eerst in de hitte van den strijd
+zijn flanken zoodanig te laten zwenken, dat de forfex tot stand kwam.
+
+Fordicidia, feest op 15 April gevierd. Op het Capitolium en in iedere
+curia werd eene drachtige koe, vacca forda, aan Tellus geofferd. Het
+ongeboren kalf werd tot asch verbrand, die door de Vestaalsche maagden
+bewaard werd om bij de Palilia tot reinigingsmiddel te dienen.
+
+Forentum, liefelijk gelegen stadje aan den berg Vultur, op de grens
+van Apulia en Lucania, ten Z. van Venusia.
+
+Forfex, z. forceps.
+
+Formiae, Phormiai, stad in het land der Aurunci in zuidelijk Latium
+aan de via Appia en aan zee gelegen, in 188 door het plebiscitum
+Valerium met het volledig burgerrecht begiftigd. De omstreken leverden
+uitstekenden wijn en waren zeer gezocht voor buitenplaatsen. Ook
+Cicero had er eene, zijn Formianum.
+
+Formio, kustriviertje t. Z. van Tergeste (Triest), ten tijde van
+Varro de oostelijke grens van Italië. Augustus heeft Istria bij Italië
+gevoegd, en de grens verschoven tot aan de Arsia.
+
+Formula, ingevoerd door de lex Aebutia van ± 200 en de leges Juliae
+van Augustus, ter vervanging der oude legis actiones. De praetor
+gaf aan den iudex een formulier, eene soort van instructie, waarin
+hij aanwees, wat recht was en hoe de rechter uitspraak moest doen,
+zoowel voor het geval, dat deze den klager in het gelijk, als dat
+hij hem in het ongelijk stelde. Het definitief vaststellen van de
+formula noemde men litis contestatio (z. a.), een naam ontleend aan
+het oude legis actio-proces. De gevallen, waarvoor de praetor eene
+formula gaf, stonden in diens edict vermeld. Voor de in iure cessio
+en de processen der XViri en Centumviri bleven de vormen van het
+legis actio-proces bestaan.
+
+Fornacalia, een feest, dat oudtijds te Rome gevierd werd door hen, die
+gezamenlijk een oven (fornax) hadden voor het roosteren van de spelt,
+farris torrendi feriae, hetgeen aan het stampen (pinsere) voorafging;
+ook later, toen ieder een molen had, bleef het feest bestaan en
+sprak men van een dea Fornax. Het feest werd in de afzonderlijke
+curiae op verschillende dagen in Februari gevierd. Zij, die op dit
+feest verzuimd hadden te offeren, of niet wisten tot welke curia zij
+behoorden, konden dit verzuim herstellen op de Quirinalia, 17 Februari,
+welke dag hierom feriae stultorum heette.
+
+Fornix, z. Arcus no. 2.
+
+Fornix Fabianus = Fabianus Fornix.
+
+Fortuna, ook Fors Fortuna, godin van het toeval, dat zoowel gelukkig
+als ongelukkig zijn kan. Haar dienst was, naar men zeide, door Servius
+Tullius ingesteld, die haar twee tempels gewijd had. Zij was oudtijds
+vooral een landelijke godheid, en werd overigens het meest door vrouwen
+vereerd, tegelijk met Mater Matuta en Pudicitia. Daar het lot van
+den mensch voor een groot deel van het toeval afhangt, werd zij later
+zeer algemeen vereerd, en had zij een groot aantal bijnamen, naar de
+personen die, de plaatsen waar en de omstandigheden waaronder zij om
+hare gunst baden, of naar de eigenschappen, die men haar toekende:
+Publica, Privata, Patricia, Equestris, Virilis, Muliebris, Primigenia
+(z. a.), Redux, Blanda, Dubia, Brevis, enz.--Later hield men haar
+voor dezelfde als Tyche en werden haar ook dezelfde attributen gegeven.
+
+Fortunatae insulae, hai makaron nesoi, de plaatsen, waar volgens
+grieksche opvatting de zielen der afgestorvenen, vooral der helden
+en groote mannen, verblijf hielden, later geïdentificeerd met de
+Canarische eilanden ten W. van Afrika.
+
+Forum, agora. Het forum bij uitnemendheid te Rome was het forum
+Romanum, aan den voet van den Capitolijnschen berg gelegen en zich
+uitstrekkende in Z. O. richting. Dit forum was het middelpunt van
+het verkeer; dáár werden de rechtszaken behandeld, dáár waren de
+wisselkantoren, dáár kon men op gezette tijden van den dag elkander
+spreken. Tijdens den bloei der stad was dit forum omgeven met groote
+gebouwen, als: het Vulcanal, den tempel der Concordia, de curia
+Hostilia, de regia, waar de pontifex maximus woonde, den tempel van
+Vesta, enz. Men vond er de rostra, de columna rostrata, den gulden
+mijlpaal, milliarium aureum, standbeelden. Ten N. hiervan lag het
+comitium, de plaats, waar oudtijds de curiaatcomitiën werden gehouden
+(z. a.). Daar het plein op den duur voor het handelsverkeer te klein
+werd, kwamen er van lieverlede andere marktpleinen (fora venalia) bij:
+forum boaaium, suarium, piscarium, (h)olitorium (groenmarkt). Bovendien
+legde Caesar ten N. van het forum Romanum een nieuw plein aan,
+het f. Iulium of Caesaris, met een tempel van Venus Genetrix en
+een beeld van Caesars paard. In aansluiting hieraan werden door
+sommige keizers nog andere fora aangelegd, als: het forum Augusti,
+het f. Vespasiani met den Vredestempel, het f. Nervae, en vooral
+het prachtige f. Traiani, met het paard van Traianus, de grootsche
+basilica Ulpia er aan grenzende en daarachter de Traianuszuil en de
+tempel van Traianus.--In de rom. legerplaatsen had men ook een forum
+naast (later vóór) de veldheerstent, bij de tenten der legaten.--In
+de provinciën, en ook in Italia, hadden enkele plaatsen, die in het
+bijzonder als marktplaatsen waren aangelegd (zie hieromtrent vicus
+no. 3) den naam forum, o. a. Forum Appii, aan de via Appia in de
+pontijnsche moerassen (Pomptinae paludes), Forum Clodii, in Liguria,
+aan de kust, ten N. W. van Luca, Forum Iulii (Fréjus) op de kust van
+Narbonensis, Forum Hadriani op het eiland der Batavieren.
+
+Fosi, germaansch volkje, verwant met de Cheruscers.
+
+Fossa, elke gracht of kanaal. Fossa Corbulonis, door Corbulo op
+het eiland der Batavieren aangelegd ter verbinding van Rijn en
+Maas waarschijnlijk de Vliet van Leiden naar Delft; Fossa Drusiana,
+waarschijnlijk de Vecht, die bij Fectio (Vechten onder Bunnik) van
+den (Krommen) Rijn afboog, en in den Flevo lacus, de latere Zuiderzee
+uitmondde. Fossa Mariana, eigenlijk een nieuwe Rhônemond, door Marius
+gegraven, ten O. der oude monden, die verzand waren.
+
+Framea, de lange, dunne lans, met smalle, scherpe ijzeren punt,
+der Germanen. Ze gebruikten die zoowel om te werpen als om te stooten.
+
+Franci, het bekende germaansche volkenverbond der Franken, voor het
+eerst vermeld omstreeks 240 na C. Het ontstond aan den Beneden-Rijn en
+op onze grenzen uit de Sygambren, Bructeren, Chamaven, Chasuariërs of
+Chattuariërs, Amsivariërs; hierin zijn later de Batavieren opgegaan. In
+de 5de eeuw worden ze onderscheiden in de Salische Franken (zie Salii),
+en de Ripuarische Franken (zie Ripuarii).
+
+Fregellae, volscische stad in Latium aan den Liris, door de Samnieten
+± 330 verwoest, waarop de Romeinen in 328 op eenigen afstand bij den
+overgang van den Liris een latijnsche colonie Fregellae stichtten,
+hetgeen een van de oorzaken was van het uitbreken van den tweeden
+samnietischen oorlog. Na den Caudijnschen vrede verwoest, wordt het
+later weer opgebouwd, en een machtige stad, die Rome trouw terzijde
+staat, tot de stad in 125 opstond en door den Praetor L. Opimius
+verwoest werd.
+
+Fregenae, etruscische zeestad, op de grens van Latium, sedert 245
+rom. kolonie.
+
+Frentani, Phrentanoi, samnietisch volk aan de Adriatische zee. Hun
+gebied grensde aan Apulia.
+
+Frento, grensriv. tusschen het land der Frentani en Apulia.
+
+Fretum Gaditanum, straat van Gibraltar.
+
+Fretum Siculum, straat van Messina.
+
+Frigidarium, de zaal voor koude baden in een rom. badhuis. Zie balneum.
+
+Friniates, zie Briniates.
+
+Frisiavones of kleine Friezen, de tegenwoordige Westfriezen; ze
+behoorden tot het romeinsche rijk, en dienden in de rom. legers.
+
+Frisii, het bekende volk der Friezen, sedert Drusus schatplichtige
+bondgenooten der Rom. In 28 n. C. stonden zij op, wegens de
+afpersingen van den primipilus Olennius, die de schatting van
+ossenhuiden moest invorderen. Zij versloegen den stadhouder van
+Germania inferior, L. Apronius, doch werden in 47 door Cn. Domitius
+Corbulo onderworpen. Later namen zij deel aan den bataafschen opstand
+onder Civilis.
+
+Frontinus (Sex. Iulius), consul in 75, 98 en 100 na C., 76-77 proconsul
+in Britannia, waar hij de Silures onderwierp. In 97 onder Nerva was
+hij curator aquarum, eene aanzienlijke betrekking. Wij bezitten twee
+geschriften van hem: Strategematon libri III (een vierde boek, dat
+er bij gevoegd is, is niet van hem) en de aquis urbis Romae.
+
+Fronto (M. Cornelius), uit Cirta in Africa, beroemd redenaar en
+advocaat onder Hadrianus en Antoninus Pius, leermeester van Marcus
+Aurelius en L. Verus. De brieven en vertoogen, die nog van hem overig
+zijn en die in 1815 door den kardinaal Angelo Mai te Milaan ontdekt
+zijn, hebben door hunne droogheid en gebrek aan smaak 's mans roem
+niet verhoogd.
+
+Frumentariae (leges), zie annona.
+
+Frusino, hernicische stad in Latium, een tijd lang in het bezit der
+Volscen; na den opstand van 306 is het een praefectura (z.a.); het
+lag aan de via Latina.
+
+Fucentia (Alba), zie Alba Fucentia.
+
+Fucinus lacus, een vrij groot meer zonder zichtbare uitwatering, in
+het gebied der Marsen, een vergaderbak van bergriviertjes. Daar het
+door zijne overstroomingen dikwijls groote schade aanrichtte, liet
+keizer Claudius een afwateringskanaal (emissarius) door de bergen
+boren. Dit werk gelukte niet, en spoedig raakte het kanaal weder
+verstopt. In 1855-1875 heeft de italiaansche bankier prins Torlonia
+een dieperen afvoertunnel doen boren, zoodat thans de bodem van het
+meer grootendeels is drooggelegd en in bouwland herschapen.
+
+Fucus, blanketsel, was in de oudheid zeer in gebruik. De wenkbrauwen
+werden zwart geverfd, met eene zwavelverbinding van antimonium,
+de wangen rood met menie of met het sap eener zekere korstmosplant,
+de huid werd wit gemaakt met cerussa of loodwit, psimythos, terwijl
+de aderen aan de slapen blauw werden gekleurd.
+
+Fufia (lex) de auspiciis, zie servare de caelo.
+
+Fufia (lex) de religione. Toen P. Clodius Pulcher in 61 van
+heiligschennis beschuldigd was, omdat hij in vrouwenkleederen de
+aan mannen ontzegde sacra der Bona Dea had bijgewoond, en toen de
+consuls hadden voorgesteld, de rechters door den praetor te doen
+kiezen, stelde Clodius' vriend, de volkstribuun Q. Fufius Calenus,
+voor, de rechters op een andere wijze te doen aanwijzen, in de hoop
+dat er dan meer gelegenheid tot omkooping zou zijn, hetgeen gelukt is.
+
+Fufia (lex) iudiciaria, van denzelfden, doch als praetor, 59. Deze
+wet bepaalde o.a., dat de drie decuriën van rechters (zie lex Aurelia
+iudiciaria) in afzonderlijke bussen zouden stemmen. Ook stelde zij
+vast, hoeveel helpers iemand mocht medenemen, die in eenige provincie
+een onderzoek naar gepleegde afpersingen ging instellen.
+
+Fufidii, plebejisch geslacht, waarvan bij Cicero e. a. enkele leden
+vermeld worden.
+
+Fufii, plebejisch geslacht, waarschijnlijk uit Cales. 1) Q. Fufius
+Calenus, tegenstander van Tib. Sempronius Gracchus.--2) Q. Fufius
+Calenus (zie de beide leges Fufiae) bewerkte de vrijspraak van
+Clodius. Later bewees hij diensten aan Caesar, en was in Gallia en
+Hispania diens legaat. In 47 was hij consul. Na Caesars dood sloot
+hij zich bij Antonius aan. Hij stierf in 40.--3) Fufius Geminus, in
+34 stadhouder van Pannonia onder Augustus.--4) Q. Fufius Geminus,
+gunsteling van Livia, op bevel van Tiberius omgebracht (30 of 31
+n. C.).
+
+Fulcinii, plebejisch geslacht. C. Fulcinius, rom. gezant, werd in 438
+door de Fidenaten omgebracht. Onder keizer Tiberius komt een zekere
+Fulcinius Trio als delator voor; o.a. klaagde hij in 16 n. C. Libo
+(Scribonii no. 9), in 20 Piso (Calpurnii no. 7) aan; als vriend van
+Seianus was zijn positie na diens val geschokt, en toen hem een proces
+dreigde, benam hij zich het leven (35 n. C.).
+
+Fulgur condere, zie bidental.
+
+Fullo, voller, die kleederen wiesch en opmaakte. De stoffen werden
+in groote kuipen met water, loog en urine gewasschen, waarbij het
+stampen vervangen werd door treden met de bloote voeten. Dan werden
+zij ingewreven met vollersaarde, creta fullonica, vervolgens gedroogd,
+gezwaveld, gekaard, geborsteld en geperst.
+
+Fulvia (rogatio), de civitate sociis Italicis danda, wetsvoorstel
+van M. Fulvius Flaccus (125), om het burgerrecht aan de italiaansche
+bondgenooten te geven. Het werd niet aangenomen.
+
+Fulvii, plebejisch geslacht, waarschijnlijk uit Tusculum. 1)
+M. Fulvius Paetinus, consul 299, versloeg de Umbriërs en veroverde
+Nequinum (z. Narnia)--2) Cn. Fulvius Maximus Centumalus, versloeg
+in 298 als consul de Samnieten bij Bovianum, en streed later als
+propraetor tegen de Etruscers.--3) Cn. Fulvius Centumalus, overwon
+als consul in 229 met een groote vloot de Illyriërs onder koningin
+Teuta. Zijn zoon, die den zelfden naam draagt, sneuvelde in den
+tweeden punischen oorlog te Herdonia tegen Hannibal (210).--4)
+Q. Fulvius Flaccus, consul in 237, 224, 212, en 209, streed in zijne
+eerste twee consulaten tegen de Galliërs en Liguriërs, in zijn derde
+tegen den Carthager Hanno. In 211 veroverde hij met Appius Claudius
+Pulcher (zie Claudii no. 8). Capua. Hij was pontifex maximus en in
+210 dictator.--5) Cn. Fulvius Flaccus, broeder van no. 4, werd als
+praetor door Hannibal te Herdonia in Apulië verslagen (212) en in het
+volgend jaar veroordeeld tot ballingschap; hij ging naar Tarquinii.--6)
+Q. Fulvius Flaccus, zoon van no. 4, in 182 praetor, in 181 propraetor
+van Hispania Tarraconensis, beoorloogde de Celtiberiërs. In 179 was hij
+consul en behaalde hij een overwinning op de Liguriërs. Later sloeg
+hij in een vlaag van krankzinnigheid de hand aan zichzelf. Hij was
+pontifex maximus en in 174 censor. Een neef van hem, ook Q. Fulvius
+Flaccus geheeten, was consul suffectus in 180, en bracht 7000 Apuani
+(z. a.) naar Samnium over.--7) M. Fulvius Flaccus, door Cicero een
+middelmatig redenaar genoemd, consul in 125, aanhanger van C. Gracchus,
+kwam met zijne beide zoons in 121 met Gracchus om. Van hem is de
+rogatio Fulvia de civitate sociis Italicis danda, die echter niet
+in stemming kwam (125).--8) Ser. Fulvius Flaccus, consul in 135,
+versloeg de Illyriërs. Hij behoorde onder de redenaars.--9) C. Fulvius
+Flaccus, consul in 134, streed tegen de opgestane slaven in Sicilia,
+doch bracht den oorlog niet ten einde.--10) Ser. Fulvius Paetinus
+Nobilior, consul in 225, versloeg met zijn ambtgenoot M. Aemilius
+Paullus de Carthagers ter zee op hunne eigen kust bij het Hermaeische
+voorgebergte, promunturium Mercurii 254, zij verloren echter daarna
+hun vloot in een storm.--11) M. Fulvius Nobilior, streed als praetor
+in 193 en volgende jaren in Hispania en overwon als consul in 189
+de Aetoliërs. In 179 was hij censor. Hij heeft fasti geschreven. Hij
+was een vriend en beschermer van Q. Ennius, die hem in zijne annales
+verheerlijkt heeft.--12) M. Fulvius Nobilior, zoon van no. 11,
+consul in 159.--13) Q. Fulvius Nobilior, ook een zoon van no. 11,
+consul in 153, verschafte aan Ennius het rom. burgerrecht in 184,
+toen hij triumvir coloniae deducendae was. Hij was de eerste, die het
+consulaat op den 1sten Januari aanvaardde.--14) Fulvia, dochter van
+M. Fulvius Bambalio, was eerst gehuwd met P. Clodius Pulcher, later
+met C. Curio en ten derden male met M. Antonius. Zij was eene hevige
+vijandin van Cicero. Zij haalde in 41 haar zwager L. Antonius over,
+oorlog met Octavianus te beginnen, bellum Perusinum, (zie Antonii
+no. 4 en 6).--15) Fulvia, minnares van Q. Curius, zie Curii no. 2.
+
+Fundanii, plebejisch geslacht. 1) C. Fundanius Fundulus klaagde als
+volkstribuun in 249 den consul P. Claudius Pulcher (Claudii no. 7)
+aan, die tegen de auspicia met de Carthagers bij Drepana ter zee had
+gestreden en verslagen was, en in 246 als aedilis plebis diens zuster,
+omdat ze het volk hevig beleedigd had. In 243 streed hij als consul
+tegen Hamilcar Barcas, en weigerde hem na den slag een wapenstilstand
+voor het begraven der lijken.--2) C. Fundanius, eerst aanhanger
+van Pompeius, ging tot de partij van Caesar over.--3) M. Fundanius,
+in 66 door Cicero verdedigd.
+
+Fundi, municipium in Latium aan de via Appia, met cyclopische muren. In
+188 kreeg het, met Formiae en Arpinum volledig burgerrecht. De omtrek,
+ager Caecubus (z. a.), was beroemd om zijn voortreffelijken wijn. Nabij
+Fundi lag een diep meer, lacus Fundanus genoemd.
+
+Furca, gaffel of gavel, groote tweetandige vork, als hooivorken,
+enz.--Als strafwerktuig voor slaven is de furca een houten blok
+in den vorm eener <, dat om den hals werd gelegd, terwijl de armen
+aan de beide einden van den vork werden vastgebonden. Slaven, die
+gekruisigd of gehangen moesten worden, werden zóó ter strafplaats
+geleid; vandaar is furcifer als scheldwoord = galgebrok.
+
+Furia (lex) testamentaria, uit de eerste helft der 2de eeuw, dat
+niemand een grooter legaat dan van 1000 as mocht aanvaarden, op straffe
+van het meerdere vierdubbel te moeten teruggeven. Uitgezonderd zijn
+de naaste bloedverwanten.
+
+Furia Atilia (lex) van de consuls L. Furius Philus en Sex. Atilius
+Serranus in 136, dat de consul C. Hostilius Mancinus, die den
+vernederenden vrede met de Numantijnen had gesloten, aan de vijanden
+zou worden uitgeleverd.
+
+Furia Caninia (lex) de manumissionibus, onder Augustus, beperkte de
+overdreven vrijlatingen van slaven bij testament.
+
+Furiae, z. Erinnyes.
+
+Furii, patricisch geslacht, uit Tusculum. 1) P. Furius Philus,
+overwon als consul in 223 de Galliërs. Hij was in 214 censor,
+doch stierf gedurende zijn ambt, waarop zijn ambtgenoot de censuur
+nederlegde.--2) L. Furius Philus, consul 136. Zie lex Furia Atilia.--3)
+Sp. Furius Medullinus Fusus, consul 481, streed gelukkig tegen de
+Aequers.--4) Sp. Fur. Medullinus Fusus, consul 464, streed tegen de
+Aequers met afwisselend geluk.--5) Agrippa Fur. Medullinus Fusus,
+consul 446, versloeg de Volscers.--6) L. Fur. Medullinus, consul
+413 en 409 en zevenmaal consulairtribuun, overwon de Volscers.--7)
+L. Fur. Medullinus, leverde als legaat van M. Furius Camillus
+tegen diens wil slag aan de Volscen en werd door Camillus nog
+van den ondergang gered. In 381 waren beiden ambtgenooten als
+consulairtribuun.--8) Sp. Fur. Medullinus, consulairtribuun in 378,
+verwoestte het volscische land.--9) M. Furius Camillus, in 403 censor,
+daarna bij herhaling consulairtribuun, in 396 dictator, behaalde
+grooten roem in den strijd tegen de Faliscers en vooral in 396 door
+de verovering van Veii. Van verduistering van buit beschuldigd,
+ging hij in 391 in ballingschap. Toen echter Rome door de Galliërs
+was ingenomen, riepen de belegerden op het Capitool zijne hulp in,
+en benoemden hem, schoon afwezig, tot dictator. Den aftrekkenden
+Galliërs bracht hij, volgens het latere verhaal, eene gevoelige
+nederlaag toe, waarvoor hij den naam van pater patriae ontving. Hij
+hield de verhuizing van het volk naar Veii tegen, liet Rome met
+spoed herbouwen en legde zijn ambt toen neder. Later was hij nog bij
+herhaling consulairtribuun en nog driemaal dictator. Hij versloeg de
+Volscers, Aequers, Etruscers en in 367 nogmaals de Galliërs. In 365
+stierf hij aan de pest, 82 jaar oud. Veel van deze verhalen omtrent
+Camillus worden door sommige geleerden voor verdicht gehouden. Aan
+Camillus wordt een verandering in het krijgswezen toegeschreven,
+zie Acies.--10) Sp. Furius Camillus, zoon van no. 9, was in 365 de
+tweede praetor.--11) L. Furius Camillus, ook een zoon van no. 9,
+was in 350 dictator, en weigerde toen hardnekkig, een plebejer tot
+consul te laten kiezen, waarop hij zelf tot consul voor 349 gekozen
+werd, met App. Claudius Crassinus (Claudii no. 4).--12) L. Furius
+Camillus en C. Maenius, consuls in 338, genoten de zeldzame eer, dat
+hun triumftocht over de onderworpen Latijnen door ruiterstandbeelden op
+het forum vereeuwigd werd.--13) Een nazaat van deze Furii Camilli is:
+M. Furius Camillus, consul 8 n. C., versloeg als proconsul van Africa
+(17 n. C.) de Numidiërs, die onder leiding van Tacfarinas opgestaan
+waren, en verwierf de insignia triumphalia.--14) Furius Camillus
+Scribonianus, of L. Arruntius Camillus Scribonianus, consul 32 n. C.,
+liet zich als legatus Illyrici bij het begin van de regeering van
+keizer Claudius door zijn troepen tot keizer uitroepen, maar werd
+reeds binnen vijf dagen vermoord. In zijn val werd o.a. Caecina Paetus
+meegesleept.--15) Verder vindt men onder de Furii nog de Aculeones,--de
+Bibaculi, waaronder een zekere M. Fur. Bib., een dichter ten tijde
+van Caesar, dien Horatius in zijn verzen bespotte; hij was te Cremona
+geboren, hij was, evenals Catullus, een tegenstander van Caesar,
+en ook van Augustus; beiden heeft hij in zijn epigrammen bespot,--de
+Purpureones, waaronder L. Fur. Purpureo, die in 200 als praetor de
+Galliërs overwon en in 196 consul was,--de Pacili, die ook nog een paar
+consuls hebben opgeleverd, en de Crassipedes. Een dezer laatsten is
+na den dood van C. Piso Frugi een tijd lang met diens weduwe Tullia,
+Cicero's dochter, verloofd geweest.--16) A. Furius Antias, uit Antium,
+vriend van Q. Lutatius Catulus (consul in 102), dichtte Annales.
+
+Furnii, plebejisch geslacht. 1) C. Furnius, volkstribuun in 50,
+een vriend van Cicero, aanhanger van Caesar en later van Antonius,
+vergezelde dezen in den parthischen oorlog en was in 35 stadhouder van
+Asia. Hij verzoende zich later met Octavianus en was in 29 consul. Hij
+had naam als redenaar.--2) C. Furnius, zoon van no. 1, onderwierp in
+dienst van Augustus de Cantabriërs (25-23).
+
+Furrina, romeinsche godin, wier beteekenis reeds aan de ouden onbekend
+was. Haar feest, de Furrinalia, werd den 25en Juli gevierd.
+
+Fustuarium, zware lijfstraf in het rom. leger. Wanneer door den
+krijgsraad deze straf over een soldaat was uitgesproken, raakte zijn
+centurio hem met een stok aan, waarop de andere soldaten met knuppels
+en steenen zoo op den schuldige aanvielen, dat deze er meestal onder
+bezweek.
+
+
+
+
+
+
+G.
+
+
+Gabali, Gabaleis, volksstam in Gallia Aquitanica, in de bergstreek,
+waar de Oltis (Lot) en de Elaver (Allier) ontspringen. Zij waren aan
+de Arverners onderhoorig.
+
+Gabii, Gabioi, oude en eenmaal machtige stad van Latium, volkplanting
+van Alba Longa. Zij werd volgens de overlevering door Tarquinius
+Superbus op verraderlijke wijze veroverd. Later heeft Rome met
+Gabii een verbond gesloten, waarbij de burgers onder de cives Romani
+werden opgenomen, maar Gabii zijn eigen gemeentebestuur behield. In
+Cicero's tijd was het stadje geheel vervallen. De steengroeven
+van Gabii leverden de bouwstof (tufsteen, bij de Rom. soms tophus,
+tgw. peperino geheeten) tot den herbouw van Rome na den grooten brand
+onder keizer Nero.
+
+Gabinia (lex) tabellaria van den volkstribuun A. Gabinius (139),
+waarbij voor verkiezingen in de comitiën de geheime stemming door
+middel van tabellae of tesserae werd ingevoerd. Zie Tabellariae
+(leges).
+
+Gabiniae (leges) van A. Gabinius, volkstribuun in 67: 1) de uno
+imperatore etc., om aan Pompeius het opperbevel op te dragen tegen de
+zeeroovers;--2) de versura, misschien uit den tijd van zijn consulaat
+(58), een verbod om te Rome aan civitates in de provinciën geld te
+leenen. Deze wet is een doode letter gebleven. Men denke slechts aan
+de woekerrente, die M. Brutus (Junii no. 9) te Salamis op Cyprus wist
+te bedingen.
+
+Gabinii, plebejisch geslacht. De belangrijkste leden hiervan zijn:
+1) A. Gabinius, volkstribuun in 139, de voorsteller der eerste
+lex tabellaria.--2) A. Gabinius, aanhanger van Pompeius, en als
+volkstribuun in 67 voorsteller der wet, om aan P. het opperbevel op
+te dragen tegen de zeeroovers. In 66 was hij diens legaat in den
+mithradatischen oorlog. In 58 was hij consul, in 57 ging hij als
+proconsul naar Syria, dat hij schandelijk bestuurde, terwijl hij in
+strijd met een senaatsbesluit Ptolemaeus Auletes op den troon van
+Aegypte herstelde. Te Rome teruggekeerd, werd hij van verschillende
+zijden aangeklaagd, maar met behulp van Pompeius ontkwam hij aan eene
+veroordeeling wegens hoogverraad, doch niet wegens afpersingen. Na
+Pompeius' dood kreeg hij van Caesar verlof uit zijne ballingschap
+terug te keeren; hij diende Caesar vervolgens in Illyricum en stierf,
+terwijl hij te Salonae door de Pompeiani belegerd werd (47), Cicero,
+tot wiens verbanning hij had medegewerkt, was een verbitterd vijand
+van hem, hoewel hij hem éénmaal verdedigd heeft.
+
+Gabinus cinctus, een bijzondere wijze om de toga op te schorten, zonder
+van een gordel gebruik te maken. Hierbij werd de slip van de toga,
+die anders over den linker schouder naar achteren werd geslagen,
+strak om het middel getrokken, zoodat daardoor een gordel werd
+gevormd, waardoor de plooien der toga omhoog konden worden gehaald
+en dus opgeschort. Bij deze dracht bleven ook de armen vrij. Men
+gebruikte ze bij bijzondere godsdienstige handelingen; waarschijnlijk
+is ze uit Gabii overgenomen in den tijd, toen die stad nauw met Rome
+verbonden was. Een oorlogskleed, waarvoor het vaak gehouden wordt,
+is het nooit geweest.
+
+Gabreta silva, Gabreta hyle, in Germania, thans het Bohemerwoud.
+
+Gadara, ta Gadara, groote sterke stad in Palaestina ten Z. O. van
+het meer Gennesareth.
+
+Gadera of Gades, ta Gadeira, oude volkplanting der Carthagers in
+Baetica, thans Cadix. De Puniërs noemden het Gadir. In 206 sloot het
+zich bij Rome aan, en werd het civitas foederata. Door Caesar werd
+Gades met het burgerrecht begiftigd; het werd nu een municipium onder
+den naam Augusta Iulia urbs Gaditana.
+
+Gadrosia, Gadrosia = Gedrosia.
+
+Gaea, Ge, Gaia, Ge de Aarde als godin. Zij is de oudste der goden,
+daar zij onmiddellijk uit den Chaos ontstaan is, en heeft een zeer
+talrijk kroost. Terstond na hare geboorte bracht zij Uranus, Pontus
+en de bergen voort, daarna werd zij bij Uranus moeder van de Titanen,
+Cyclopen en Hecatonchiren, bij Pontus van Nereus, Thaumas, Phorcys,
+Ceto en Eurybia, uit het bloed van Uranus' (z. a.) wonden bracht zij
+de Erinyen en Giganten ter wereld, terwijl ook de autochthonen als
+hare kinderen beschouwd worden. Zij is de godin die alle leven doet
+ontstaan, de menschen voedt en hen in hunne jeugd doet opgroeien
+(Kourotrophos), maar die ook alles wat geleefd heeft weder in haar
+schoot opneemt. Ook is zij eene orakelgevende godin en had zij het
+eerst het orakel van Delphi bezeten. Later werden hare eigenschappen
+grootendeels overgebracht op Rhea Cybele, Demeter, Hestia, e.a.--Bij
+de rom. werd eveneens Tellus als godin vereerd.
+
+Gaesati, Gaisatai, keltische huursoldaten, die in 222 door den consul
+M. Claudius Marcellus bij Clastidium (ten Z. van den Padus of Po)
+verslagen werden. Zij droegen hun naam vermoedelijk naar eene soort
+werpspies, gaesum, waarvan de Rom. zich ook wel bediend hebben. Het
+waren Kelten van over de Alpen, die door de Galliërs uit de Po-vlakte,
+vooral door de Bojers en Insubriërs, in dienst werden genomen.
+
+Gaesum, gaison, zie Gaesati.
+
+Gaesus of Gaeson, Gaison, rivier in Ionia, die bij kaap Mycale in
+zee valt.
+
+Gaetuli, Gaitouloi, halfwilde inwoners van Gaetulia, een uitgestrekt
+binnenland van Afrika, ten Z. van Numidia en Mauretania.
+
+Gaius, beroemd rom. jurist, uit den tijd van Hadrianus en de
+Antonijnen, schrijver der bekende Institutionum libri IV, uitgegeven
+in 161 n. C. en in 1816 door Niebuhr in de bibliotheek te Verona
+ontdekt. Andere werken van hem zijn verloren gegaan.
+
+Gaius Caesar, zie Caligula.
+
+Galaesus, Galaisos, riviertje bij Tarentum. De schapen, die in de
+weiden aan zijne oevers graasden, waren bekend om de fijnheid en
+witheid hunner wol.
+
+Galanthis = Galinthias.
+
+Galatae, Galatai, zie Celtae.
+
+Galatea, Galateia, dochter van Nereus en Doris, z. Acis.
+
+Galatia, Galatia, ook Gallograecia geheeten, Galatia he Hellenis
+(onder Galatia alleen kan ook Gallia worden verstaan), landschap in het
+binnenland van Asia minor. Omstreeks 278 had Nicomedes I van Bithynia,
+om zich tegen Pergamus en Syria staande te houden, drie kleine
+rondzwervende gallische stammen in dienst genomen: de Tolistoboii,
+de Tectosages en de Trocmi. Toen Nicomedes hen niet meer noodig had,
+trokken zij een tijd lang al plunderend in Azië rond, tot het ± 235
+aan de naburen gelukte, hen in het naar hen genoemde Galatia bijeen
+te drijven en daartoe te beperken. Tot Galatia behoorde destijds nog
+een gedeelte van N.W.-Phrygia, van den mons Dindymus af, dat den
+Galaten echter in 180 door de Rom. werd afgenomen. De hoofdsteden
+waren: Pessinus, Ancyra (thans Angora) en Tavia. Zie Deiotarus. In 25
+werden Isauria en Lycaonia met Galatia tot ééne rom. provincie Galatia
+vereenigd. Wanneer de apostel Paulus zijn brief richt tais ekklesiais
+tes Galatias, dan zijn daarmede de gemeenten in dat deel van Lycaonia
+bedoeld, dat in zijn tijd bij Galatia hoorde, n.m. Antiochia Pisidiae
+of ad Pisidas (z. Antiochia no. 3), Iconium, Lystra en Derbe, waar
+hij het Evangelie verkondigd had (46/47 n. C.). In het eigenlijke
+Galatia vond men geen of weinig Joden, bij wie Paulus steeds het
+eerst aanklopte, en eerst heel laat Christelijke gemeenten. Deze
+meening wordt echter niet algemeen gedeeld.
+
+Galba, familienaam in de gens Sulpicia (Sulpicii no. 9, 11-17).
+
+Galba (Ser. Sulpicius), rom. keizer van Juni 68 tot Januari 69 na
+C. Hij was van aanzienlijke geboorte en achtereenvolgens veldheer en
+stadhouder aan den Rijn, in Africa, in Hispania. Toen de voornaamste
+generaals besloten hadden aan Nero's gruwelen een eind te maken,
+werd Galba tot keizer uitgeroepen. Door strengheid en door aan de
+soldaten het gewone geschenk bij zijne troonsbeklimming te onthouden,
+wekte hij verbittering. Salvius Otho maakte hij tot zijn vijand, door
+C. Calpurnius Piso Licinianus (Calpurnii no. 13) als troonopvolger
+aan te nemen. Galba's troepen werden door die van Otho verslagen en
+hijzelf in een soldatenoproer vermoord (15 Jan.).
+
+Galea, helm. De rom. galea was van leder vervaardigd en voorzien van
+stormbanden (bucculae) met metalen schubben. De centuriones droegen
+er een vederbos (crista) op van roode of zwarte pluimen.
+
+Galenus (Claudius), Galenos, geb. 129 n. C. te Pergamus, studeerde in
+zijne vaderstad, te Smyrna, Corinthe en Alexandrië in de geneeskunde,
+en werd een van de beroemdste geneesheeren der oudheid. Sedert
+162 leefde hij bijna voortdurend te Rome als lijfarts van Marcus
+Aurelius, Lucius Verus en Commodus. Hij stierf omstreeks 200, en liet
+een buitengewoon groot aantal (ongeveer 250) grootere en kleinere
+geschriften na, waarvan vele nog bewaard gebleven zijn. Deze werken,
+die voornamelijk de geneeskunde met hare hulpwetenschappen in alle
+onderdeelen behandelen, hadden nog in de 16de eeuw groot gezag; van
+vele bestaan latijnsche, arabische en hebreeuwsche vertalingen. Zijne
+werken op wijsgeerig en grammatisch gebied, waarvan het meeste
+verloren gegaan is, bevatten vele wetenswaardige bizonderheden over
+de geschiedenis van die wetenschappen.
+
+Galepsus, Galepsos, stad op de chalcidische landtong Sithonia.
+
+Galerius, voluit C. Galerius Valerius Maximianus, uit Illyria,
+schoonzoon van Diocletianus en door dezen 1 Maart 293 tot Caesar of
+kroonprins aangenomen. Na den afstand van Diocletianus volgde hij dezen
+in de waardigheid van Augustus op over de oostelijke helft van het rijk
+(305 na C.). Hij stierf in 311 na C., na eerst een tolerantie-edikt
+voor de Christenen te hebben uitgevaardigd.
+
+Galerius Trachalus, consul in 68 na C., een uitstekend redenaar. Men
+zeide, dat hij de steller was der redevoeringen, die keizer Otho
+uitsprak.
+
+Galerus, muts van bont of vilt, ook wel valsche haartooi van
+vrouwen. Zie ook albogalerus.
+
+Galesus = Galaesus.
+
+Galilaea, Galilaia, het noordelijke gedeelte van Palaestina, ten
+W. van den Jordaan en het meer Gennesareth. Dit gewest, dat door
+de Israëlieten meer in naam dan in werkelijkheid veroverd werd,
+en waar de kanaänietische stammen niet werden uitgeroeid, kreeg den
+naam Gelil-hag-gojim, distrikt der heidenen, welke naam tot Galilaea
+verbasterd is. Steden: Capharnaum, Magdala, Tiberias en Taricheae aan
+het meer van Gennesareth, verder Sepphoris (Diocaesarea), Bethlehem,
+Nazareth, Megiddo. Galilaioi noemt keizer Julianus de Christenen.
+
+Galinthias, Galinthias, dochter van Proetus, vriendin van Alcmene. Toen
+Ilithyia op bevel van Hera de geboorte van Heracles belette, kwam
+Gal. met uitgelaten vreugde verhalen, dat Alcmene reeds een zoon ter
+wereld gebracht had, zoodat Ilithyia misleid werd en haar tegenstand
+opgaf. Tot straf werd Gal. in een wezel veranderd, doch door de
+Thebanen werden haar te gelijk met Heracles offers gebracht.
+
+Gallaecia, vroeger Callaecia, thans de spaansche provincie Galicia, in
+het N.W. van Hispania, met eene ruwe bevolking. De Gallaeci, Kallaikoi,
+stonden bij de Romeinen in slechten reuk. De stad Brigantium, thans
+Coruña, had een grooten vuurtoren.
+
+Galli, z. Rhea (Cybele).
+
+Gallia, Galatia of Keltike, het land der Galliërs. 1) Gallia
+Cisalpina, dat gedeelte van N. Italia, dat gedeeltelijk door
+keltische of gallische stammen bewoond werd, die omstreeks 400
+door de vruchtbaarheid en het klimaat van Italië waren aangelokt
+om over de Alpen te trekken en zich in de vlakte van den Po neer te
+zetten. Het werd onderscheiden in G. Transpadana en G. Cispadana. Na
+eene worsteling van een halve eeuw (240-191) moesten de cisalpijnsche
+Galliërs, waaronder de Bojers, Insubriërs en Cenomanen de voornaamste
+stammen waren, zich aan Rome onderwerpen. In 89 kreeg Cispadana, omdat
+het in den bondgenootenoorlog trouw gebleven was, het rom. burgerrecht
+door de lex Pompeia van den consul Cn. Pompeius Strabo en werden de
+steden dus municipia. In 49 viel door eene lex Iulia van C. Julius
+Caesar hetzelfde aan Transpadana te beurt. Niettemin bleef Cisalpina
+tot in 43 provincie en had men dus het vreemde verschijnsel van
+eene provincie, bevolkt met rom. burgers. Augustus voegde Cisalpina
+met Liguria, het land der Veneters, Histria en de italiaansche
+Alpenhellingen bij Italia en vormde er de 8ste, 9de, 10de en 11de
+regio uit.--2) Gallia Transalpina, tusschen de Alpen, den Rijn,
+den Oceaan en de Pyrenaeën. Het Z.O. gedeelte, ten N. van den sinus
+Gallicus, werd reeds in 122 tot provincie gemaakt onder den naam Gallia
+Narbonensis, naar de hoofdstad Narbo Martius, thans Narbonne, de eerste
+rom. kolonie buiten Italië. Dit gedeelte wordt ook wel kortweg Gallia
+provincia geheeten, waaruit de naam Provence is ontstaan. Het overige
+gedeelte van Transalpina, door Caesar onderworpen, werd onderscheiden
+in: Aquitania in het Z.W., Gallia propria, ook wel Gallia Celtica
+geheeten en Belgica. Onder Augustus werd eene nieuwe indeeling in
+4 provinciën tot stand gebracht: 1 Narbonensis, 2 Aquitania (z.a.),
+dat aanmerkelijk werd uitgebreid, 3 Lugdunensis, naar de hoofdstad
+Lugdunum, thans Lyon, 4 Belgica, dat ook naar het Z.O. werd vergroot,
+met Durocortorum, thans Rheims, tot hoofdplaats. Verder werd, na
+de terugroeping van Germanicus in 17 n. Chr., eene strook lands op
+den linker Rijnoever van een eind boven Argentoratum (Straatsburg)
+tot aan zee als militaire grens van Gallia gescheiden en tot twee
+provinciën gevormd: Germania superior, met Mogontiacum (Mainz), en
+Germ. inferior, met Colonia Agrippina (Keulen) tot hoofdstad. De naam
+Germania werd gegeven, omdat deze strook bijna geheel met germaansche
+stammen bevolkt was, die in verschillende tijdperken over den Rijn
+waren gestoken en zich in Gallia hadden genesteld. Na Constantijn
+vindt men eene geheel andere verdeeling in 17 provinciën.--Het aantal
+volkjes en stammen in Gallia was zeer groot; tot de hoofdvolken
+behoorden de Volcae, de Arverni, de Aedui, de Sequani, de Helvetii,
+de Bituriges, de Aulerci.--3) Gallia braccata is een bijnaam voor
+G. Narbonensis, omdat de inwoners daar lange broeken droegen, welke
+dracht den Rom. vreemd was.--4) Gallia comata = Transalpina, omdat
+de bewoners de haren lang droegen.--5) Gallia togata = Cisalpina,
+sedert de inwoners als rom. burgers de toga mochten dragen.
+
+Gallienus (P. Licinius Egnatius), rom. keizer 260-268 na C. In 253
+was hij door zijn vader Valerianus tot Caesar benoemd, en toen V. door
+de Perzen was gevangen genomen, volgde Gallienus hem op, zonder zich
+verder veel om zijns vaders lot te bekommeren. Hoewel het hem aan
+bekwaamheden niet ontbrak, regeerde hij slecht en gaf hij zich aan
+allerlei onmatigheid over. Van verschillende zijden drongen de barbaren
+over de grenzen, alom stonden tegenkeizers op (het zoogenaamde tijdperk
+der 30 tyrannen), en eindelijk viel Gallienus zelf door sluipmoord.
+
+Gallinaria, eil. bij de ligurische kust, rijk aan hoenders. Gallinaria
+silva, een bosch op de kust van Campania, aan de grens van Latium,
+tijdens de burgeroorlogen en in den keizertijd berucht om zijne
+onveiligheid.
+
+Gallio, naam van twee rhetoren, ten tijde van Nero. De oudste,
+L. Iunius Gallio, was een vriend van Ovidius en van Seneca rhetor,
+en adopteerde den broeder van den wijsgeer Seneca. Deze broeder,
+die nu Iunius Annaeus Gallio heette, werd onder Nero ter dood gebracht.
+
+Gallograecia = Galatia.
+
+Gallonii, plebejisch geslacht. 1) P. Gallonius, een befaamde lekkerbek
+te Rome, tijdgenoot van Laelius, ± 140.--2) C. Gallonius, aanhanger van
+Pompeius en door dezen in 49 tot praefectus van Gades (Cadix) benoemd.
+
+Gallus, Gallos, rivier in Galatia, zijtak van den Sangarius.
+
+Gallus, familienaam in een aantal gentes, o.a. bij de Aquillii,
+Asinii, Caninii, Sulpicii (Sulpicii no. 10). Er komen onder dezen
+naam twee stadhouders van Aegypte voor: Aelius Gallus (zie Aelii)
+en C. Cornelius Gallus (zie Cornelii no. 59). Het was deze laatste,
+die zich om het leven bracht, toen hij door Augustus tot ballingschap
+was veroordeeld.
+
+Gallus (C. Vibius Trebonianus), rom. keizer 251-253 na C., vroeger
+generaal van keizer Decius en medeplichtig aan diens vermoording, kocht
+van de Gothen op smadelijke wijze den vrede. Onder zijn bewind werd
+het rijk geteisterd door invallen van Perzen en Gothen, door oproeren
+en pest. Hij nam zijn zoon C. Vibius Afinius Gallus Veldumnianus
+Volusianus als Caesar tot mederegent aan, doch beiden sneuvelden op
+een tocht tegen Aemilianus, opgestaan veldheer in Pannonia.
+
+Gallus (Constantius), oudere broeder van keizer Julianus, Caesar van
+351-354 n. C., toen keizer Constantius II hem liet ombrengen.
+
+Gamala, vesting in Palaestina aan het meer Gennesareth.
+
+Gambrium, Gambreion, stad in Aeolis, aan den Caïcus.
+
+Gamelion, Gamelion, 7de maand van het Attische jaar (Jan.-Febr.),
+z. Annus.
+
+Gandarae, Gandaridae, Gandarai, Gandaridai, twee indische volksstammen
+in het Indusgebied. De Gandarae wonen in de landstreek Gandaritis
+in de vallei van den Cophen, de Gandaridae in Pendschab, tusschen de
+rivieren Acesines en Hydraotes.
+
+Gangra, hoofdstad van Paphlagonia; later Germanopolis genoemd.
+
+Ganus, Ganos, sterkte in Thracia aan de Propontis, door koning Seuthes
+aan de 10000 Grieken overgegeven.
+
+Ganymedes, Ganymedes, ook Catamitus, zoon van Tros en Callirrhoë,
+de schoonste aller stervelingen, die door de goden in den hemel werd
+opgenomen om schenker van Zeus te zijn; tot vergoeding kreeg zijn
+vader van Zeus een span goddelijke paarden. Volgens latere verhalen
+werd hij door Zeus bemind en door diens arend of door hemzelf onder
+de gedaante van een arend ontvoerd. Hij werd als Waterman onder de
+sterren opgenomen.
+
+Garamantes, Garamantes, zachtaardige volksstam in de oase Phazania,
+thans Fezzan, in Libya (Afrika). Hunne bloeiende hoofdstad heette
+Garama. Zij leefden van landbouw, veeteelt en handel. Garamantis
+dichterlijk = afrikaansch.
+
+Gargaphia, Gargaphia, dal en bron ten N.O. van Plataeae.
+
+Garganus mons, Garganon oros, thans monte Gargano, boschrijk, in zee
+vooruitspringend gebergte op de kust van Apulia.
+
+Gargara of -rus of -rum, ta Gargara, to Gargaron, de zuidelijke top
+van den berg Ida in Troas, met de stad Gargara, aan de Adramyttische
+golf gelegen, aan den voet.
+
+Gargarenses, Gargareis, mythisch volk aan den Caucasus, alleen uit
+mannen bestaande. Ten einde kinderen ter wereld te brengen, leefden
+de Amazonen een paar maanden 's jaars met hen, zonden dan de jongens
+naar de vaders en behielden de meisjes.
+
+Gargettus, Gargettos, demus in Attica ten N. van den Hymettus,
+geboorteplaats van Epicurus, die hierom wel Gargettius wordt genoemd.
+
+Garites, Gates, volk in het O. van Aquitania, in het tegenwoordige
+dép. Gers.
+
+Garsauritis, landstreek van Cappodocia (z.a.).
+
+Garum, eene marinadesaus, uit het bloed en de ingewanden van zekeren
+zeevisch bereid. O. a. gebruikte men ze bij oesters.
+
+Garumna, Garounas, rivier in zuidelijk Gallia, thans de Garonne.
+
+Garumni, volksstam aan de Garumna.
+
+Gauda, numidische prins, die in het rom. leger tegen Jugurtha diende,
+en later waarschijnlijk het rijk Numidia kreeg.
+
+Gaudus = Gaulus.
+
+Gaugamela, Gaugamela, vlek in Assyria. Tusschen deze plaats en Arbela
+had de derde en beslissende slag plaats tusschen Alexander d. Gr. en
+Darius Codomannus (331).
+
+Gaulus, Gaulos, thans Gozzo, eilandje bij Melite (Malta), aldus
+geheeten naar zijn ronden vorm.
+
+Gaurus (mons), ook Gaurani montes, vulkanisch gebergte in Campania, ten
+N. van Cumae, met uitgebrande, in meren herschapen kraters, waaronder
+het Avernus-meer. Bij dezen berg behaalden de Rom. in 343, in den
+zoogenaamden eersten samnietischen oorlog eene groote overwinning op
+de Samnieten. Deze geheele oorlog is echter verzonnen. Zie Cornelii
+no. 5. Langs de hellingen werd een heerlijke wijn geteeld.
+
+Gauzanitis, Gauzanitis, landstreek in N.O. Mesopotamia, aan den
+Chaboras.
+
+Gaza, Gaza, zuidelijke grensvesting in het land der Philistijnen, eene
+der vijf steden van dit volk, en een der sleutels van Palaestina. Zie
+ook Cadytis. Alexander de Gr. belegerde de stad vijf maanden lang. In
+96, in het tijdperk der Maccabaeën, werd zij door Alexander Jannaeus
+een jaar lang belegerd en na de inneming verwoest. Zij werd herbouwd,
+in 66 n. C. door de Joden verwoest, doch later opnieuw opgebouwd.--Ook
+in Sogdiane lag eene stad, met name Gaza.
+
+Gazaca of Gaza, Gazaka, hoofdstad van Media Atropatene.
+
+Ge, Ge = Gaea.
+
+Gebenna = Cebenna.
+
+Gedrosia, Gedrosia, het zuidoostelijkst gewest van het perzische
+rijk, aan de zeezijde. Op zijn tocht door Gedrosia verloor Alexander,
+vooral door gebrek aan water, een groot gedeelte van zijn leger.
+
+Geganii, patricisch geslacht te Rome, waarschijnlijk afkomstig uit
+Alba Longa. In de eerste helft der republiek komen eenige hooge
+overheidspersonen uit deze gens voor, met den familienaam Macerinus.
+
+Geisericus, Gezerichos, Gizerichos, Geiserik, koning der Vandalen,
+en stichter van het Vandaalsche rijk in N.-Afrika in 429 n. C. Zie
+Vandali.
+
+Geison is de vooruitspringende daklijst aan den dorischen tempel. Aan
+den voorkant en de achterzijde vindt men een horizontaal en twee
+opstaande geisa, die samen het bekende gevelveld vormen, dat bij
+rijk versierde tempels met beeldwerk gevuld was. Door het sterk
+vooruitspringen van de daklijsten was dit beeldwerk voor den regen
+beschut. Aan de lange zijden heeft men een overhangend geison, als
+voortzetting van het schuins afloopende dak.
+
+Gela, Gela, bloeiende, machtige stad op de Zuidkust van Sicilia,
+rhodisch-cretensische kolonie, in 689 gesticht aan een riviertje
+van gelijken naam. De omstreken, campi Geloi, brachten veel koren
+voort, vooral tarwe, vandaar wordt Gela pyrophoros genoemd. Het werd
+spoedig overschaduwd door zijne eigene volkplanting Agrigentum, in 581
+gesticht. Nadat de tyran Gelo omstreeks 485 de helft der bevolking
+naar Syracusae had overgebracht, kwijnde Gela; van 466 af was het
+zelfstandig. In 405 werd het door de Carthagers verwoest. Timoleon
+bracht er nieuwe bewoners uit Ceos; in 280 werd de stad voor de tweede
+maal en nu voor goed vernietigd door Phintias, tyran van Agrigentum.
+
+Gelanor, Gelanor, zoon van Sthenelus, was koning van Argos toen
+Danaüs in het land kwam, die evenals G. van Inachus afstamde en
+op dien grond aanspraak op de regeering maakte. Terwijl het volk
+vergaderd was om in deze zaak een besluit te nemen, kwam een wolf
+de kudde van G. aanvallen en verscheurde den stier, waarop het volk,
+hierin een voorteeken ziende, ten gunste van Danaüs besliste.
+
+Gelduba, sterkte in het land der Ubiërs of Agrippinensers, tusschen
+Vetera en Novaesium, thans Gelb.
+
+Geleontes, zij die tot de eerste der vier oude attische phylen
+behoorden.
+
+Gellias, Gellias, v.a. Tellias, Tellias, rijk inwoner van Agrigentum,
+bekend om zijne geestigheid en mildheid. Toen zijne vaderstad in 405
+door de Carthagers werd ingenomen, stak hij den tempel van Pallas in
+brand om hem voor ontwijding te behoeden, en kwam zelf daarbij om.
+
+Gellii, een geslacht, uit Samnium afkomstig. 1) Gellius Statius,
+veldheer der Samnieten, in 305 door de Romeinen gevangen genomen.--2)
+Gellius Egnatius, zie Egnatii no. 1.--3) L. Gellius Poplicola,
+consul in 72, niet zonder talent als redenaar, overwon eerst in den
+slavenoorlog den aanvoerder Crixus, doch werd vervolgens met zijn
+ambtgenoot Cn. Cornelius Lentulus Clodianus (Cornelii no. 49) door
+Spartacus verslagen. In 70 trad hij met denzelfden Lentulus als censor
+zeer streng op. Er werden toen 64 senatoren van de lijst geschrapt. In
+67 was hij legaat van Pompeius in den zeerooversoorlog. Cicero
+stond bij hem in hooge achting. Een broeder van hem, ook Gellius
+Poplicola geheeten, was een hevig tegenstander van Cicero en een
+vriend van P. Clodius.--4) L. Gellius Poplicola, zoon van no. 3,
+werd beschuldigd zijn vader naar het leven te hebben gestaan,
+doch vrijgesproken. Later komt hij onder de vijanden van Brutus
+en Cassius en onder de aanhangers van Antonius voor. Hij was in 36
+consul.--5) Cn. Gellius, annalist omstreeks 130.--6) Aulus Gellius,
+rom. taalgeleerde, geb. omstreeks 130 n. C., een man van veelzijdige
+studie en ontwikkeling. Zijne Noctes Atticae, een werk, gedurende
+zijn verblijf te Athene in de winternachten begonnen, bevatten veel
+wetenswaardigs op allerlei gebied.
+
+Gelo, Gelon, van Gela, zoon van Dinomenes, bevelhebber der ruiterij
+onder Hippocrates, regeerde sedert diens dood (491) over zijne
+vaderstad. Toen de aristocraten van Syracuse, door het volk verdreven,
+zijne hulp inriepen, bracht hij hen terug en maakte hij zich van de
+regeering over die stad meester (485), terwijl hij Gela aan zijn
+broeder overliet. Hij verplaatste inwoners van Camarina, Gela en
+Megara naar Syracuse, breidde zijne heerschappij binnen korten tijd
+over bijna geheel Sicilië uit, en kreeg zulk een groote macht, dat hij
+in den perzischen oorlog op het opperbevel over de Grieken aanspraak
+maakte. Hijzelf werd echter in dienzelfden tijd door de Carthagers
+aangevallen, doch behaalde met zijn bondgenoot Theron van Agrigentum
+in 480 bij de Himera een schitterende overwinning op het carthaagsche
+leger onder Hamilcar. Hij stierf in 478 na eene gematigde, gelukkige
+en vreedzame regeering, en werd na zijn dood als heros vereerd.
+
+Geloni, Gelonoi, scythische of sarmatische volksstam tusschen Don en
+Wolga, getatoueerd en daarom door Vergilius picti genoemd.
+
+Gemelli colles, bergketen in het binnenland van W. Sicilia.
+
+Geminii, geslacht uit Tusculum afkomstig.
+
+Gemoniae (scalae) of Gradus gemitorii, een natuurlijke of in de
+rots uitgehouwen trap, die naar den Tiber leidde. Hierheen werden de
+lijken gebracht van hen die in de gevangenis terecht gesteld waren,
+waarna ze later met haken in den Tiber werden gesleept.
+
+Genabum, later Aureliani civitas, z. a.
+
+Genauni, raetische volksstam in het dal van den Beneden-Inn, die
+gewoon waren alle mannelijke krijgsgevangenen, jong en oud, om te
+brengen. Drusus overwon hen (15 en 14).
+
+Genava of Geneva, thans Genève, stad der Allobrogen, gelegen aan het
+punt, waar de Rhodanus (Rhône) uit den lacus Lemannus stroomt.
+
+Genesia, gedenkdag van een gestorvene, samenvallend met diens
+verjaardag; verjaardag van een sterfgeval, de afgestorvene werd dan
+door zijne bloedverwanten herdacht. Ook een algemeene gedenkdag der
+dooden, te Athene de 5de Boëdromion. Z. Nekysia.
+
+Genetrix, bijnaam van Venus te Rome, als stammoeder van de gens Iulia.
+
+Genii, goddelijke wezens, die den mensch gedurende zijn geheel leven
+begeleiden, beschermen en van het kwade terughouden. Ieder mensch had
+zijn Genius, die grooteren invloed op zijn leven uitoefende dan de
+andere goden, wier werkkring zooveel uitgebreider is. Men offerde hem
+op verjaardagen en over het algemeen bij gewichtige gebeurtenissen
+wijn, wierook en bloemen, en meende hem te dienen door het leven
+vroolijk te genieten (Genio indulgere) en te beleedigen door het
+tegenovergestelde (Genium defraudare). Aan booze Genii of aan Genii,
+die den mensch zoowel ten kwade als ten goede leiden, schijnt men
+niet algemeen geloofd te hebben. Zij werden gewoonlijk voorgesteld
+als schoone jongelingen met vleugels. De Genii der vrouwen heeten
+Iunones.--Ook aan volken, geslachten, steden en plaatsen kende men
+soms een Genius toe; laatstgenoemde werden dikwijls afgebeeld als
+slangen, die van een altaar vruchten eten. Vgl. Daemon.
+
+Gennesara, limne Gennesaritis, het meer Gennesareth of Kinnereth of
+meer van Tiberias, in Galilaea. Het wordt door den Jordaan gevormd.
+
+Gens, to genos, in den rom. staat geslacht, op gemeenschappelijke
+afstamming berustende. De leden van eene gens waren gentiles, en het
+recht, dat men aan dit lidmaatschap ontleende, heette ius gentilicium
+of gentilitatis. Oorspronkelijk werden alleen de patriciërs geacht tot
+een geslacht te behooren; deze geslachten waren reeds sinds Tarquinius
+Priscus onderscheiden in gentes maiores en g. minores (de later in
+het patriciaat opgenomene). Later had men ook plebejische gentes,
+en zelfs meermalen in dezelfde gens plebejische en patricische takken
+of familiae.
+
+Gentius, Gentios, Genthios, koning der Illyriërs, een woest vorst,
+aan dronkenschap verslaafd. Door zijne zeerooverijen en zijn verbond
+met Perseus van Macedonia wikkelde hij zich in een oorlog met Rome,
+die met zijne eigene gevangenneming en die zijner familie en den
+ondergang van zijn rijk eindigde, in 168.
+
+Genua, Genoua, thans nog Genua, voorname stad aan de ligurische golf
+(sinus Ligusticus), vóór den tweeden punischen oorlog door de Romeinen
+bezet, in 205 door de Carthagers verwoest, later rom. municipium.
+
+Genuciae (leges), van den volkstribuun L. Genucius, 342, 1) dat beide
+consuls plebejers zouden mogen zijn; 2) ne foeneraere liceret, een
+verbod, om geld tegen rente uit te leenen (z. Fenus); 3) een lex de
+magistratibus: ne quis eundem magistratum intra decem annos caperet,
+neu duos magistratus uno anno gereret.
+
+Genucii, patricisch geslacht met plebejische takken, waarvan
+verschillende leden als volkstribunen en krijgstribunen en consuls
+voorkomen. De volkstribunen T. of P. Genucius in 476 en Cn. Genucius
+in 473 waren warme voorvechters eener akkerwet; de laatste werd trots
+zijne onschendbaarheid door sluipmoord omgebracht. In 445 komen de
+Genucii voor als tegenstanders der wetsvoorstellen van Canuleius. De
+verhalen omtrent deze personen zijn geheel verzonnen. De familiën dezer
+gens zijn voornamelijk: de Augurini, de Aventinenses en de Clepsinae.
+
+Genusus, rivier in Illyria, ten Z. van Dyrrachium.
+
+Geomoroi, zij die tot de tweede van de drie phylen behoorden, waarin
+Attica door Theseus verdeeld werd. In lateren tijd worden in vele
+staten met dien naam adellijke grondbezitters aangeduid.
+
+Gepidae, volk van gothischen stam, dat, toen de andere Gothen naar
+de Zwarte Zee trokken, aan de Weichsel achter bleef. Het maakte in
+450 na Chr. deel uit van Attila's scharen, vestigde zich in 454 in
+Dacië en werd in 565 door de Longobarden onder Alboïn vernietigd.
+
+Geraestus, Geraistos, kaap en stad op de Zuidpunt van Euboea, met
+een Poseidontempel. Geraesticus portus echter was niet op Euboea,
+maar de haven der aziatisch-ionische stad Teos.
+
+Geranea, Geraneia, kraanvogelberg, bergketen op de corinthische
+landengte. Over dit gebergte liep de scironische weg, een vrij
+gevaarlijk pad van Megaris naar Corinthus, naar den roover Sciro
+genoemd, die de reizigers uitplunderde en in zee wierp, totdat Theseus
+hem met gelijke munt betaalde.
+
+Gerastus, Gerastos = Geraestus.
+
+Gerenia, Gerenia, oude stad van Messenia, waar Nestor werd opgevoed,
+die hiernaar Gerenios genoemd werd. Zie ook Enope.
+
+Gereonium (Gerunium), stad in het land der Frentani, ten zuiden van
+Larinum. Ligging onzeker. Voor de muren van G. heeft Hannibal den
+winter van 217/216 doorgebracht.
+
+Gergis, Gergithus, Gergis, Gergithos, stad der Teucri in Troas, na
+den ondergang van Troje gebouwd. Het lag waarschijnlijk ten O. van
+Ilium, v. a. echter ten Z. daarvan. Een tweede Gergis of Gergithium
+vond men in het gebied van Lampsacus.
+
+Gergovia, sterke vesting der Arverni, in het tegenw. Auvergne,
+waarvoor Caesar het hoofd stiet. Het lag in de nabijheid van hunne
+hoofdstad Augustonemetum (Clermont).
+
+Germalus = Cermalus.
+
+Germani, Germanoi, bewoners van Germania, niet te verwarren met
+Germanii.
+
+Germania, Germania, het land tusschen den Rijn en de Weichsel of
+Vistula, en tusschen den Donau en de Noord- en Oostzee, ook wel magna,
+barbara, transrhenana bijgenaamd in tegenstelling der rom. provinciën
+Germ. superior en inferior op den linkeroever van den Rijn. Deze
+laatste provincies behoorden oorspronkelijk tot de tres Galliae, en
+waren dus ingedeeld bij Belgica, maar werden na de terugroeping van
+Germanicus (17 n. C.) daarvan afgescheiden. Zie Gallia. Ofschoon de
+rom. legioenen onder Caesar, Drusus, Tiberius, Varus, Germanicus in
+Germania trachtten door te dringen, gelukte het niet er vasten voet
+te houden. De naam Germani, Germanoi, was door de Galliërs aan de
+overrijnsche volken gegeven.
+
+Germanicus Caesar was de zoon van Drusus en Antonia minor en
+een broeder van den lateren keizer Claudius. Keizer Tiberius was
+zijn oom van vaderszijde en nam hem tot zoon aan. Hij werd in 15
+geboren. Nog bij het leven van Augustus maakte hij onder Tiberius de
+veldtochten mede tegen de opgestane Pannoniërs en Dalmatiërs en tegen
+de Germanen. Bij den dood van Augustus had hij het opperbevel over de
+rom. legioenen aan den Rijn, dempte een soldatenoproer en streed nu
+eens meer, dan eens minder gelukkig tegen de Chatten en Marsen. In 15
+en 16 na C. drong Germanicus bij herhaling in Germania door, versloeg
+Arminius en begroef in het Teutoburgerwoud het gebeente van Varus'
+legioenen. In 17 riep Tiberius hem terug en zond hem naar het O.,
+waar hij in 19 stierf, volgens gerucht aan vergif, hem vanwege den
+syrischen stadhouder Cn. Piso toegediend. Germanicus werd om zijne
+edele hoedanigheden diep betreurd en Tiberius zag zich genoodzaakt,
+Piso aan de algemeene verbittering op te offeren, zie hieromtrent
+Calpurnii no. 7. Bij zijne gemalin Agrippina had Germanicus negen
+kinderen, waaronder den lateren keizer Caligula en Agrippina, de
+moeder van Nero. Germanicus was ook redenaar en dichter. De naam
+Germanicus was hem bij senaatsbesluit gegeven. Zie ook Iulii onder e.
+
+Germanii, Germanioi, perzische volksstam. Zie Carmania.
+
+Germanopolis, zie Gangra.
+
+Gerousia, raad der ouden in aristocratische staten. Te Sparta bestond
+die raad uit 28 leden en de beide koningen; de leden moesten ouder
+dan 60 jaar zijn en bekleedden hun ambt levenslang. De raad sprak
+recht over sommige zware misdaden, en besliste omtrent wetten en
+besluiten, of zij aan de goedkeuring van het volk zouden onderworpen
+worden. Oorspronkelijk de hoogste macht in den staat, werd de raad
+echter in latere tijden door de ephoren overvleugeld.
+
+Gerrha, Gerra, stad der Gerrhaei, Gerraioi, op de N.O. kust van
+Arabia aan de Perzische golf. De Gerrhaeërs waren een handelsvolk,
+uit Chaldaea afkomstig.
+
+Geryon, -ones, Geryon, -yones, -yoneus, zoon van Chrysaor en
+Calirrhoë, een monster met drie hoofden of drie lichamen, die over
+het eil. Erythea in het verre Westen regeerde. Hij hield daar groote
+kudden, die om hare schoonheid beroemd waren, en die Heracles op last
+van Eurystheus roofde, nadat hij den reus Eurytion en den tweekoppigen
+hond Orthrus, die ze bewaakten, gedood had. G. snelde hem na, maar
+werd eveneens verslagen.
+
+Gesoriacus portus, later Bononia, thans Boulogne aan het Kanaal,
+stad der Morinen in Gallia Belgica, het gewone punt van overvaart
+naar Britannia.
+
+Geta (P. Septimius Antoninus) volgde in 211 na C. met zijn broeder
+Caracalla hun vader Septimius Severus als keizer op, doch werd reeds
+in 212 in de armen zijner moeder door Caracalla vermoord.
+
+Getae, Getai, een thracisch volk, dat met de Daci verwant is, en
+ten O. van hen woonde. Door de grieksche schrijvers worden de Daci
+ook gewoonlijk Getae genoemd. Volgens Strabo onthielden zij zich
+van dierlijk voedsel. Latere schrijvers verwarren hen met de Gothen,
+die nadat de Romeinen het land verlaten hadden, een tijdlang in Dacië
+gewoond hebben (zie Gothi en Dacia).
+
+Gigantes, Gigantes, zonen van Gaea, geweldige reuzen met lange haren
+en baard en draken in plaats van voeten. Nauwelijks geboren, begonnen
+zij een strijd tegen de olympische goden; zij vereenigden zich op de
+phlegraeische vlakte, stapelden bergen op elkander en trachtten, door
+brandende boomstammen naar den Olympus te werpen, de goden van daar te
+verjagen. Zeus, die door een orakel wist dat deze vijanden niet door
+goden alleen konden overwonnen worden, riep Heracles te hulp en nu
+werden alle Giganten gedood of werden eilanden en vuurspuwende bergen
+op hen geworpen.--V. s. had ook Dionysus tot de nederlaag der Giganten
+medegewerkt, door met zijne Satyrs op de kampplaats te verschijnen,
+allen op ezels rijdende, die zoo vreeselijk begonnen te balken, dat
+de vijanden de vlucht namen.--Bij Homerus zijn de Giganten een aan de
+goden verwant volk, dat wegens zijne boosheid door Zeus verdelgd werd.
+
+Gigonus, Gigonos, kaap en stad op Chalcidice aan de Thermaeïsche golf.
+
+Giligammae, Giligammai, volksstam op de kust van Libye, in Marmarica
+en Cyrenaïca.
+
+Gisco, Giskon, naam van eenige carthaagsche veldheeren. Een was de
+zoon van Hamilcar, die in 480 bij de Himera op Sicilia sneuvelde
+tegen Gelo van Syracusae. Een andere Gisco, zoon van Hanno, streed
+in 340 tegen Timoleon. Een derde, bevelhebber van Lilybaeum in 241,
+werd na den eersten punischen oorlog door de muitende huurtroepen
+gevangen genomen en ter dood gemarteld.
+
+Glabrio, familienaam in de gens Acilia.
+
+Gladiatores, zwaardvechters, in den regel krijgsgevangenen, die in
+zwaardvechtersscholen door vecht- of schermmeesters geoefend werden
+en dan door hunne eigenaars verhuurd werden om bij lijkstaties,
+feesten, openbare spelen ten genoegen der toeschouwers op leven en
+dood met elkander te vechten. Het gebruik om gladiatoren te laten
+vechten is van Etruscischen oorsprong, en het eerst in Rome ingevoerd
+in 264, als lijkspelen; als openbare spelen voor het eerst in 105,
+zie Ludi aan het einde. De Rom. waren tuk op bloedige spelen en deze
+waren een krachtig middel voor eerzuchtigen om zich de gunst van
+den grooten hoop te verwerven. Uit een opvoedkundig oogpunt werden
+deze spelen aanbevolen, om een krijgshaftigen zin op te wekken en in
+den strijd de gevoelszenuwen te stalen. In de oefenscholen gaf men
+voorzichtigheidshalve den zwaardvechters slechts houten wapenen ten
+gebruike, terwijl deze verblijven als gevangenissen waren ingericht,
+met de noodige voorzorgen tegen ontvluchting. Er waren verschillende
+soorten van zwaardvechters, op verschillende wijze gewapend, ten einde
+aan de spelen de noodige verscheidenheid bij te zetten. Hierbij eene
+afbeelding van de gladiatorenkazerne te Pompeii. Oorspronkelijk was
+het een zuilengang geweest, die bij het aangrenzende theater hoorde;
+later, waarschijnlijk in den tijd van Nero, werd het gebouw voor het
+aangegeven doel geschikt gemaakt, door de zuilengangen met kleine
+slaapkamers, twee rijen boven elkaar, te omgeven. Het middenterrein
+diende voor oefeningen. Een van de cellen diende als gevangenis.
+
+Glaesariae insulae, ook wel Electrides insulae geheeten =
+Barnsteen-eilanden, de voor onze en de duitsche kust liggende
+Noordzee-eilanden, waarvan het meest bekende was Burchana (Borkum).
+
+Glaesum (glas), het germaansche woord voor barnsteen (sucinum,
+elektron), dat deels op de Noordzee-eilanden aanspoelde (zie vorig
+artikel), deels aan de kusten der Oostzee gewonnen werd, in het land
+der Aestii.
+
+Glanis = Clanis.
+
+Glauce, Glauke, 1) eene van de Nereïden.--2) = Creusa no. 4.--3)
+haven bij het voorgebergte Mycale.
+
+Glaucia, familienaam in de gens Servilia.
+
+Glaucias, Glaukias, 1) beroemd geneesheer, schreef commentaren op
+Hippocrates.--2) van Aegina, beroemd beeldhouwer omstreeks 500.
+
+Glaucus, Glaukos, 1) Pontios, een visscher van Anthedon, die eens
+na het proeven van tooverkruiden zich gedrongen gevoelde in zee te
+springen en onder de zeegoden werd opgenomen.--V. a. had hij tot de
+Argonauten behoord, en was hij bij een gevecht tegen de Tyrrheniërs
+in zee gevallen en in een zeegod veranderd; hij wordt ook bouwmeester
+of stuurman van de Argo genoemd. Hij is vooral de god van schippers
+en visschers, wien hij in gevaren gaarne hulp verleent, en werd aan
+de kusten vereerd als een orakelgevend god; zelfs Apollo zou hij in
+de kunst van voorspellen onderwezen hebben. Hij wordt gewoonlijk
+voorgesteld als een grijsaard, wiens lichaam in een vischstaart
+eindigt.--2) zoon van Sisyphus en Merope, koning van Corinthe of van
+Potniae. Hij versmaadde de macht van Aphrodite, die zich wreekte door
+zijne paarden razend te maken, toen hij aan de lijkfeesten van Pelias
+deel nam, zoodat zij hem van den wagen afwierpen en verscheurden. Hij
+gold na zijn dood voor een daemon (Taraxippos), die bij de isthmische
+spelen de paarden schuw maakte.--3) achterkleinzoon van den vorigen,
+zoon van Hippolochus, als aanvoerder der Lyciërs een van de dapperste
+bondgenooten der Trojanen, gastvriend van Diomedes.--4) zoon van
+Minos en Pasiphaë, viel als kind bij het spelen in een vat met honig,
+zoodat niemand wist waar hij gebleven was. Polyidus, een waarzegger
+uit Corinthe of Argos, werd door Minos gedwongen te openbaren waar het
+kind te vinden was, en toen hij niet voldoen kon aan den tweeden eisch
+van den koning, dat hij den doode het leven zou teruggeven, werd hij
+met het lijk in een gewelf opgesloten. Plotseling naderde eene slang,
+Polyidus doodde haar, waarop een tweede slang aankwam met een kruid in
+den bek, waardoor zij de eerste slang deed herleven. Polyidus legde
+nu het kruid ook op den dooden knaap met hetzelfde gevolg. Eindelijk
+werd hij nog door Minos gedwongen, Glaucus de kunst van waarzeggen te
+leeren, maar vóór zijn vertrek bewerkte hij dat Gl. die kunst weder
+vergat. Zooals hij voorspeld had, sneuvelde Gl. later voor Troje.--5)
+van Chius, beroemd beeldhouwer uit de 7de eeuw, uitvinder van het
+soldeeren en van verscheiden verbeteringen in het bewerken van metaal.
+
+Gnathia = Egnatia.
+
+Gnidus = Cnidus.
+
+Gnomische poëzie, gedichtjes, die in korten en bondigen vorm
+een zedelijk beginsel, eene uit de ondervinding geputte les en
+dgl. verkondigen. Zulke uitspraken (gnomai) komen bij alle dichters
+voor, maar werden door sommige grieksche dichters als een afzonderlijke
+dichtsoort behandeld; de voornaamste dichters zijn Solon, Phocylides
+en Theognis; de Rom. hielden zich weinig er mede bezig.
+
+Gnossus, Gnosus = Cnosus.
+
+Gnostici, gnostikoi worden de schrijvers genoemd, die in de 1ste
+en 2de eeuw de waarheid der christelijke leerstellingen, behalve
+door het gezag der openbaring, ook door wijsgeerige bewijsgronden
+trachtten te betoogen. De kerk heeft een harden strijd moeten voeren
+met deze afwijking van de christelijke leer. De geschriften der
+Gn. zijn grootendeels te loor gegaan; alleen vindt men vele citaten
+bij de kerkvaders.
+
+Gobryas, Gobryas, 1) een van de zeven Perzen, die den valschen
+Smerdis onttroonden, later schoonzoon van Darius Hystaspis, maakte den
+veldtocht tegen de Scythen mede. Hij was de vader van Mardonius.--2)
+veldheer van Artaxerxes Mnemon.
+
+Golgi, Golgoi, stad in het binnenland van Cyprus, ten O. van Idalium,
+sicyonische kolonie.
+
+Gomphi, Gomphoi, vesting in Thessalia op de grens van Epirus, ten
+Z.W. van Tricca, door Caesar verwoest, later herbouwd.
+
+Gon(n)us of -i, Gon(n)os, -oi, stad der Perrhaebiërs aan den ingang
+van het dal Tempe, nabij den Peneus, in Thessalia. Het was eene
+belangrijke vesting.
+
+Gordianus, naam van drie rom. keizers, vader, zoon en kleinzoon. 1)
+en 2) M. Antonius Gordianus Africanus, vader en zoon. In 235 na
+C. was keizer Alexander Severus gedood in een opstand onder den ruwen
+krijgsman Maximinus, die zich van het gezag meester maakte. Tegen hem
+riep het leger in 238 in Africa den ouden, tachtigjarigen Gordianus als
+keizer uit, een rijk, beschaafd man, verwant met de Antonijnen, en niet
+alleen als proconsul in Africa, maar ook in Italia en te Rome algemeen
+geacht. Hij nam zijn zoon tot mederegent aan; doch deze sneuvelde reeds
+na twee maanden in een slag tegen den stadhouder van Numidia, waarop
+ook de vader zich het leven benam.--3) M. Antonius Gordianus Pius Felix
+was van moederszijde een kleinzoon van no. 1. Na den dood van zijn oom
+en zijn grootvader, waren door den senaat M. Clodius Pupienus Maximus
+en D. Caelius Calvinus Balbinus tot keizers uitgeroepen, terwijl de
+jonge Gordianus, 13 jaren oud, op verlangen des volks den titel van
+Caesar kreeg. In dezen tijd beginnen de invallen der Gothen met de
+verwoesting van de stad Istrus in Maesia Inferior. Nog in het zelfde
+jaar 238 werden Pupienus en Balbinus door de praetorianen omgebracht
+en Gordianus tot Augustus uitgeroepen. Door de wijze raadgevingen van
+zijn minister Timesitheus, die ook zijn schoonvader werd, regeerde
+hij 6 jaren niet zonder geluk, tot hij in het begin van 244 op een
+veldtocht tegen Sapores van Perzië aan den Euphraat dicht bij Circesium
+door zijn praefectus praetorio, M. Julius Philippus, vermoord werd,
+die daarop tot Augustus werd uitgeroepen.
+
+Gordium, Gordieum, Gordion, Gordieion, oude hoofdstad der phrygische
+koningen, ten tijde van Augustus in Iuliopolis verdoopt, aan den
+Sangarius. Zie Gordius.
+
+Gordius, -ias, Gordios, Gordias, een phrygisch landbouwer, op wiens
+ploeg zich eens een arend zette, wat verklaard werd als een teeken
+dat hij eenmaal de koninklijke waardigheid zou verkrijgen. Toen
+kort daarna de Phrygiërs bij binnenlandsche onlusten het orakel om
+raad vroegen, werd hun bevolen hem tot koning te kiezen, dien zij
+zouden ontmoeten, terwijl hij op een wagen naar den tempel van Zeus
+reed. G. was de eerste, die aan deze voorwaarde voldeed, hij werd tot
+koning uitgeroepen en werd de stamvader van een nieuw vorstenhuis. Hij
+bouwde de stad Gordium, die residentiestad bleef, en wijdde daar den
+wagen, waarop hij gezeten was toen hij tot koning werd uitgeroepen,
+en waaraan de kunstig gelegde gordiaansche knoop was, die volgens
+een orakel door een toekomstig beheerscher der wereld zou losgemaakt
+worden, en dien Alexander de G. doorhakte.
+
+Gordyaei, Gordyaioi, krijgshaftige bevolking van Gordyene. De oude
+naam leeft nog voort in Koerden. Gordyaei montes, geb. van Gordyene,
+in het Z. van Armenia.
+
+Gordyene = Corduene.
+
+Gordys, Gordys, zoon van Triptolemus, die zijn vaderland verliet en
+zich in het naar hem genoemde landschap Gordyene nederzette.
+
+Gorgias, Gorgias, 1) van Leontini, kwam reeds tamelijk bejaard (hij
+was ± 483 geboren) in 427 als gezant naar Athene, en trok daar zeer
+de aandacht door zijne kunstige en sierlijke redevoeringen. Kort
+daarna deed hij een reis door Griekenland, en verwierf overal door
+zijne openbare redevoeringen (epideixeis) en door zijn onderwijs
+in de redekunst, roem en geld. Hij stierf te Larissa in Thessalië,
+geruimen tijd na Socrates, misschien eerst 375. Hij was een der
+eerste sophisten en hield zich ook met wijsbegeerte bezig; in zijn
+werk peri tou me ontos e peri physeos komt hij tot het besluit dat
+niets in werkelijkheid bestaat, dat men, al bestond er iets, het toch
+niet zou kunnen leeren kennen, en dat men, al ware ook dit zoo, zijne
+kennis toch niet aan anderen zou kunnen mededeelen. De welsprekendheid
+kan dus volgens hem niet dienen tot het verkondigen van een waarheid,
+die niet bestaat of althans niet te vinden is, maar is het werktuig om
+persoonlijke meeningen, juist of onjuist, ingang te doen vinden. Hij
+is de schepper van de Grieksche woordkunst, en van de verschillende
+redefiguren (Gorgieia schemata); er zijn nog twee redevoeringen van
+hem over, Helenes enkomion en Palamedes, die lang voor onecht zijn
+gehouden.--2) atheensch rhetor, gedurende eenigen tijd leermeester
+van Cicero's zoon, schrijver van een werk over rhetorische figuren,
+waarvan een latijnsch uittreksel van Rutilius Lupus bestaat.
+
+Gorgidas, Gorgidas, Thebaan, boeotarch in 378. Rondom hem en zijn
+vriend Epaminondas vereenigden zich onder de oligarchische regeering
+een aantal jongelieden, die na het herstel der democratie in den
+oorlog tegen Sparta uitmuntten, en uit welke Pelopidas later de
+zoog. heilige schare vormde.
+
+Gorgobina, stad der Bojers, ergens tusschen den Liger (Loire) en den
+Elaver (Allier), naar welke streek dit volk met Caesars goedvinden
+verhuisd was.
+
+Gorgones, Gorgous, Gorgones, drie dochters van Phorcys en Ceto,
+wier namen zijn Stheno, Euryale en Medusa (z. a.). Zij wonen nabij
+de Hesperiden en worden voorgesteld als vreeselijke wezens met
+slangen in plaats van haar op het hoofd, een gordel van slangen,
+groote slagtanden, vleugels en koperen klauwen; wie haar aanzag
+werd versteend. Later werden zij echter als schoone jonkvrouwen
+afgebeeld, vooral Medusa. Bij Homerus komt slechts ééne Gorgo voor,
+wier schrikverwekkend hoofd op de Aegis staat.
+
+Gorgopis, Gorgopis, meertje bij Corinthus.
+
+Gortyn of -tyna, Gortyn, -tyna, eene der hoofdsteden van Creta, in het
+Z. van het eiland. In 1884 is hier een belangrijk opschrift ontdekt,
+dat een gedeelte bevat van het stadrecht van Gortyn uit ± 400, voor
+de geschiedenis van het grieksche recht van het hoogste belang.
+
+Gortynia, Gortynia, stad in het macedonische gewest Emathia.
+
+Gothi, Gothones, Gotthoi, Skythai, een van de Oost-Germaansche
+volkeren; zij woonden in de eerste eeuw na Chr. aan den rechter oever
+van de Beneden-Weichsel (Vistula), maar waren daarheen gekomen uit
+Scandinavië (Gothland); ze werden--in tegenstelling met de meeste
+Germanen--door koningen geregeerd. Tusschen 150 en 230 na Chr. zijn ze
+in vele afdeelingen langzamerhand naar de Noordkust van de Zwarte Zee
+verhuisd, en hebben door die verhuizing waarschijnlijk de aanleiding
+gegeven tot den Markomannenoorlog (166-180), daar de stammen die
+daaraan hebben deelgenomen, door de Gothen voor zich uitgedreven
+zijn. In de 2de helft der 3de eeuw splitsen ze zich in Oost-Gothen
+(Austrogoti, Ostrogothi) of Grutungi, en in West-Gothen (Visigothi)
+of Tervingi. Een 3de gedeelte van den stam, de latere Gepiden, was
+aan de Weichsel achter gebleven. Sedert ongeveer 257 zijn Oost- en
+West-Gothen meester van Dacië, en blijven daar wonen tot ongeveer 376.
+
+De eigenlijke Gothentochten, eerst te land, later ter zee, beginnen
+in 238, en duren tot 269, toen keizer Claudius Gothicus hen bij
+Naissus (Nisch) versloeg. Omstreeks 376 na C. dwongen de Hunnen de
+Oostgothen, zich met hen te vereenigen; doch de Westgothen vroegen
+aan keizer Valens eene woonplaats in het rom. rijk, en trokken,
+200000 strijdbare mannen sterk, met hunne gezinnen den Donau over,
+om zich in Moesia en Thracia te vestigen, waarheen nog eene schaar
+Oostgothen hen volgde. De hebzucht en het bedrog der rom. ambtenaren
+was oorzaak van een oorlog, waarin Valens (z. a.) omkwam. De Gothen
+plunderden en verwoestten nu het Balkan-schiereiland, totdat in
+382 keizer Theodosius de Groote hen tot onderwerping dwong. Onder
+de regeering van Arcadius begonnen de geschillen en plunderingen
+opnieuw; zie Alaricus. Alariks opvolger Ataulf voerde de Westgothen
+naar Gallia, waar in 415 Wallia een westgothisch rijk stichtte met
+Tolosa (Toulouse) tot hoofdstad.--Toen in 453 met Attila's dood het
+Hunnenrijk uiteenspatte, trokken ook de Oostgothen over den Donau
+en bleven zich in de Donaugewesten ophouden, tot zij in 495 onder
+hunnen koning Theodorik Italië veroverden. Als oudste overblijfsel
+van germaansche taal bezitten wij nog eene gothische bijbelvertaling
+van bisschop Ulfilas uit de vierde eeuw. De Gothen behoorden als
+Christenen tot de Arianen.
+
+Gothini = Cotini.
+
+Gracchus, familienaam in de gens Sempronia (Sempronii no. 7-13).
+
+Gradivus, bijnaam van Mars, als god die in den strijd vooraan gaat. Hij
+had een tempel voor de Porta Capena te Rome.
+
+Graeae, Graiai, drie dochters van Phorcys en Ceto, die alleen den
+weg naar de Gorgonen, hare zusters, kenden; hare namen zijn Dino,
+Pephredo en Enyo. Zij hebben een schoon, blozend gelaat, maar grijze
+haren, en met elkander slechts één oog en één tand. Soms worden zij
+als zwanen voorgesteld. Zij wonen aan den westelijken rand der aarde,
+waar noch zon, noch maan schijnt. Z. Perseus.
+
+Graecia. De oude Grieken noemden hun land Hellas (z. a.), de Rom. gaven
+er als provincie den naam Achaia aan. Den algemeenen naam Graeci
+(Graïci) ontleenden de Rom. aan de Graï, een volksstam uit Boeotia,
+(uit het gebied van Tanagra en Oropus), die samen met kolonisten
+uit Chalcis, Eretria en Cyme (aan de O.-kust van Euboea), Cumae in
+Campania gesticht hebben. Graïci is ook de naam van een griekschen stam
+in Epirus. V. a. hebben de Rom. de naam Graeci aan dezen stam ontleend.
+
+Graecia magna, he megale Hellas, naam voor Beneden-Italië, wegens het
+groote aantal grieksche volkplantingen aldaar, die nagenoeg de geheele
+kust in bezit genomen hadden. Onderlinge veeten ondermijnden de macht
+dezer staatjes, die bovendien aan den eenen kant door Syracusae,
+aan den anderen door de lucanische Samnieten werden bedreigd. Op
+het laatste oogenblik verbonden de grieksche steden zich nog onder
+hegemonie der stad Thurii, doch de slag bij Laüs in 390 leverde het
+land in handen der Samnieten, en, voor zoover de grootere steden nog
+vrij bleven, werd hun gebied toch beperkt tot den bodem der stad. In
+272 was geheel Zuid-Italië aan de Rom. onderworpen.
+
+Graecostasis, een eenigszins verhoogd, open terras, locus substructus,
+aan de Z. zijde van het Comitium, grenzende aan het Forum, tegenover
+de Curia Hortilia. De gezanten van Grieken en andere volken wachtten
+er het oogenblik af, dat de rom. senaat hun audiëntie zou verleenen.
+
+Graecus, Graikos, zoon van Thessalus, koning van Phthia, aan wien de
+Grieken hun naam (Graeci) ontleenen.
+
+Graii, dichterlijk = Graeci. Zie echter ook Graecia.
+
+Graioceli, volksstam in Gallia Transalpina, aan de Grajische Alpen,
+nabij den M. Cénis.
+
+Grammateus, schrijver, klerk. De schrijvers der magistraten, deels
+door hen zelf gekozen, deels hun door het volk toegevoegd, waren
+meestal lieden van geringen stand, soms zelfs staatsslaven. Dit
+was echter niet het geval met den gr. tes boules, die door den raad
+verkozen werd, den gr. kata prytaneian, die voor iedere prytanie door
+het lot werd aangewezen, en den gr. tes poleos, die door het volk
+werd verkozen.--Bij het achaeïsch en aetolisch verbond behoorden de
+grammates tot de hooggeplaatste ambtenaars.
+
+Gramme, linea alba, een met krijt besmeerd touw, dat over de renbaan
+gespannen was, totdat alle paarden in eene rij ervoor stonden; als de
+wedren begon, werd het touw snel weggetrokken. De inrichting diende
+om te beletten dat een paard vroeger afging dan de andere.
+
+Grampius mons, beter Graupius mons, gebergte in Britannia Barbara,
+waar Agricola zijne laatste, zoo schitterende overwinning behaalde,
+alvorens keizer Domitianus hem terugriep. Dit is het eenige
+gebergte in Britannia waarvan de naam bij een rom. schrijver vermeld
+wordt. Aardrijkskundigen uit de 18de eeuw hebben ten onrechte op een
+gedeelte der Highlands dezen naam overgebracht (Grampian mountains),
+die in het land zelf niet gehoord wordt.
+
+Granicus, Granikos, rivier in Mysia, uitstroomende in de Propontis
+(zee v. Marmara). Aan deze rivier behaalde Alexander d. Gr. zijne
+eerste overwinning op de Perzen, in 334, en L. Licinius Lucullus in
+73 de zege op Mithradates.
+
+Granii, een plebejisch geslacht. 1) Granius Flaccus, oudheidkundige
+ten tijde van Caesar of Augustus, schreef de indigitamentis en de iure
+Papiriano.--2) M. Granius Marcellus, proconsul van Bithynia, werd
+in 15 n. C. door zijn quaestor Caepio Crispinus aangeklaagd wegens
+majesteitsschennis, maar vrijgesproken. Of hij ook vrijgesproken is
+van afpersing, waarvan hij ook aangeklaagd was, staat niet vast.--3)
+Granius Licinianus, romeinsch geschiedschrijver, waarschijnlijk uit
+den tijd der Antonijnen, van wiens annales eenige fragmenten over zijn.
+
+Graphe, schriftelijke aanklacht, in het bizonder, in tegenstelling
+met dike, aanklacht wegens een vergrijp tegen de maatschappelijke
+orde of tegen den staat. Ieder burger, die in het volle bezit zijner
+rechten was, niet alleen de betrokken persoon, konde als aanklager
+optreden, hij werd echter, indien niet een vijfde van de rechters
+voor veroordeeling stemde, met 1000 drachmen beboet, en verloor het
+recht iemand wegens eene soortgelijke zaak aan te klagen (z. ook
+Anakrisis). Op eene veroordeeling volgde geldboete, atimie of
+doodstraf.--Vgl. dike.
+
+Gratiae, z. Charis.
+
+Gratianopolis, vroeger Cularo, thans Grenoble, stad der Allobrogen
+in Gallia Transalpina.
+
+Gratianus (Fl.), geb. te Sirmium in 359 n. C., oudste zoon van
+keizer Valentianus I, sedert 367 mederegent en in 375 opvolger zijns
+vaders in het W. des rijks, terwijl zijns vaders broeder Valens het
+O. bestuurde (364-378 n. C.). Gratianus was een veelbelovend jongeling,
+om zijne zachtheid en reinheid van zeden algemeen bemind. Ausonius,
+de dichter der Mosella, was zijn leermeester geweest. Afwisselend
+hield Gratianus zich in Italia en Gallia op, waar hij dan meestal in
+de civitas Trevirorum (Trier) verblijf hield. Hij was een ijverig
+Christen, en hij onttrok aan den ouden godsdienst en de priesters
+daarvan den steun van den staat. Hij stond sterk onder den invloed
+der geestelijkheid, vooral van bisschop Ambrosius van Milaan. Hij
+had te kampen met de Lentienses, een afdeeling der Alemannen, die
+hij in 378 bij Argentovaria (Argentaria, ten Z. van Straatsburg)
+versloeg. In 383 brak in Britannia een opstand in het leger onder
+Maximus uit en toen deze laatste in Gallië geland was, werd Gratianus
+door zijn troepen bij Parijs verlaten en op de vlucht te Lyon vermoord.
+
+Gratidii, plebejisch geslacht uit Arpinum. 1) M. Gratidius, een bekwaam
+redenaar en een man van fijne beschaving, sneuvelde in den oorlog
+van M. Antonius (den redenaar) tegen de cilicische zeeroovers, in
+102. Zijne zuster Gratidia was Cicero's grootmoeder.--2) M. Gratidius
+was onder Q. Cicero legaat in Asia, 61-59.--3) M. Marius Gratidianus,
+zoon van no. 1 en door zekeren Marius (niet den bekenden) als zoon
+aangenomen, werd door Sulla vogelvrij verklaard en door Catilina
+vermoord.
+
+Gration, Gration, een van de Giganten, door Artemis gedood.
+
+Gratius (Grattius), afkomstig uit Falerii en daarom Faliscus
+bijgenaamd, rom. dichter, tijdgenoot en vriend van Ovidius. Van hem is
+nog een leergedicht over de jacht, getiteld Cynegetica, grootendeels
+bewaard gebleven.
+
+Graupius mons, zie Grampius mons.
+
+Graviscae, oude stad in Etruria, tot het gebied van Tarquinii
+behoorende, sedert 181 rom. kolonie, bekend door goeden wijn, doch
+ook door haar vochtig en koortsig klimaat (gravis aër), tengevolge
+van de verpestende uitwasemingen der Maremmen.
+
+Gregorius, Gregorios, 1) uit Neocaesarea, bijgenaamd Thaumatourgos,
+geb. omstreeks 213 n. C., was een leerling van Origenes, en werd door
+zijn invloed tot het Christendom bekeerd; hij heeft als bisschop zeer
+veel gedaan voor de uitbreiding van het Christendom in Pontus. Van
+hem zijn nog verscheidene geschriften over.--2) van Nazianzus,
+bijgenaamd ho Theologos, studeerde te gelijk met Basilius, die daar
+zijn vriend werd, en met Julianus te Athene, ongeveer 354 n. C. Hij
+heeft vele geschriften van theologischen inhoud, maar ook gedichten en
+brieven nagelaten. Bij hem komt sterk tot uiting de innige vermenging
+van Christendom en het beste deel der antieke beschaving. Voor
+de geschiedenis van belang zijn zijne Invectivae in Julianum. Hij
+is gestorven omstreeks 390.--3) van Nyssa, broeder van Basilius,
+bisschop van Nyssa. Ook van hem zijn vele geschriften over.
+
+Groma, een woord uit de taal der augurs, misschien verbasterd uit het
+grieksche gnomon. 1) een werktuig om den grond op te meten, Gromatici
+zijn landmeters. De voornaamste schrijvers over landmeetkunde,
+agrimensores of gromatici, zijn: Frontinus, Balbus, Hyginus (misschien
+twee verschillende schrijvers), en Siculus Flaccus.--2) het punt,
+vanwaar men bij het afbakenen eener ruimte voor eene legerplaats,
+eene stad, enz. de opmetingen begon.
+
+Grudii, een volk in Belgium, ergens aan den Scaldis (Schelde),
+misschien bij het tegenwoordige dorp Groede in Staats-Vlaanderen.
+
+Grumentum, aanzienlijke stad in het hart van Lucania aan de via
+Popilia.
+
+Gruthungi (Greuthungi), naam der Oost-Gothen tijdens hun verblijf in
+Dacië (± 257-± 376 n. C.).
+
+Gryllus, Gryllos, 1) vader van Xenophon.--2) zoon van Xenophon,
+sneuvelde in den slag bij Mantinea; de Atheners beweerden, dat hij
+het was, die Epaminondas doodelijk gewond had.
+
+Gryneus, bijnaam van Apollo, naar de aeolische stad Grynia, waar hij
+een tempel had.
+
+Grynia, Grynium, Gryneia, Gryneion, oude havenstad in aziatisch Aeolis,
+met een tempel en een orakel van Apollo Gryneus.
+
+Gryps, Gryphus, Gryps, griffioen, een fabelachtig dier met het lichaam
+van een leeuw, den kop en de vleugels van een arend. Zij bewaken
+het goud van het verre Oosten of Noorden en voeren om dat goud een
+eeuwigen strijd tegen de Arimaspen (z. a.).
+
+Gugerni of Guberni, germaansch volk aan den linkeroever van den Rijn
+tusschen Keulen en het eiland der Batavieren. Ze dienden veel in de
+romeinsche legers, vooral onder den naam Traianenses (naar Colonia
+Traiana, Xanten). Men neemt veelal aan, dat ze afstammen van de door
+Tiberius naar den linkeroever van den Rijn verplaatste Sygambren
+(z. a.).
+
+Gulussa, Golosses, tweede zoon van den numidischen vorst Masinissa,
+broeder van Micipsa en vader van Massiva.
+
+Gymnetes, eigenlijk lichtgewapenden, in Argos een gedeelte van de
+onderworpen oude inwoners, die ongeveer in denzelfden toestand waren
+als de heloten in Sparta en als lichtgewapenden dienden.
+
+Gynaikeion, z. Gynaeceum.
+
+Gynaikonomoi, Gynaikokosmoi, ambtenaars, door Demetrius Phalereus
+aangesteld, om te zorgen voor de handhaving van de wetten op de
+weelde. Deze wetten bevatten bepalingen over feestmaaltijden, de
+inrichting van woningen, den opschik van vrouwen, e. dgl.
+
+Gustatio, het gebruiken van eenige spijs tusschen de eigenlijke
+maaltijden in; zie verder Coena.
+
+Guttones = Gothi.
+
+Gyara (plur.) of Gyarus, Gyaros, een arm eiland uit de groep der
+Cycladen, ten Z. van Andrus gelegen, onder de rom. keizers als
+verbanningsoord gebruikt.
+
+Gyas, Gyes, een van de Centimani.
+
+Gygaeus lacus, Gygaia limne, meertje in Lydia ten N. van Sardes,
+aan de overzijde van den Hermus, later Coloë, Koloe, geheeten. Aan
+de oevers van dit meer waren de graven der oude lydische koningen.
+
+Gyges, Gyges, gunsteling van den lydischen koning Candaules. Door de
+hulp van diens gemalin, en volgens een verhaal onder bescherming van
+een tooverring, die hem onzichtbaar maakte, doodde hij Candaules,
+en maakte hij zich omstreeks 685 van de regeering meester. Hij was
+de stamvader van het geslacht der Mermnaden. Hij breidde zijn rijk
+uit en trachtte vriendschappelijke betrekkingen met Griekenland aan
+te knoopen, hoewel hij later de aziatische Grieken aan zich zocht
+te onderwerpen. Hoewel hij zich in het begin van zijne regeering
+genoodzaakt had gezien den koning van Assyrië te huldigen, hielp
+hij Psammetichus zich van het assyrische rijk onafhankelijk te
+maken. Waarschijnlijk sneuvelde hij in een oorlog tegen de Cimmeriërs.
+
+Gylippus, Gylippos, spartaansch veldheer, werd in 414 met een leger en
+eene vloot naar Sicilië gezonden, om de Syracusanen tegen de Atheners
+te ondersteunen. Vooral zijn beleid veroorzaakte de vernietiging der
+atheensche legermacht, hij verzette zich echter tegen het ter dood
+brengen van Nicias en Demosthenes. Later maakte hij zich schuldig aan
+diefstal van buitgemaakte goederen en moest hij uit Sparta vluchten.
+
+Gymnasiarchia, Gymnasiarchia, eene liturgie, die de verplichting
+medebracht om hen, die zich voor den fakkelwedloop oefenden, te
+onderhouden en waarschijnlijk ook gedurende den tijd van oefening te
+bezoldigen. Er waren te Athene tien gymnasiarchen, één uit iedere
+phyle.--In den keizerstijd was de gymnasiarch iemand die toezicht
+hield op de gymnasia en de daar gehouden oefeningen.
+
+Gymnasium, Gymnasion, plaats voor oefeningen in de gymnastiek. Een
+gymnasium vond men in elke grieksche stad, en groote steden hadden er
+gewoonlijk meer dan één. Oorspronkelijk waarschijnlijk zeer eenvoudige
+inrichtingen in de open lucht, trokken de gymnasia, bij de groote
+belangstelling die de Grieken voor de gymnastiek gevoelden, een groot
+aantal bezoekers, die er kwamen hetzij om zich te oefenen, hetzij
+om naar de oefeningen van anderen te zien. Zoo werd het gymnasium
+een middelpunt van het publiek leven, en werd het ook door velen
+bezocht, die alleen tijdverdrijf of gezellig verkeer wenschten, en
+zoo was dit ook de plaats, waar wijsgeeren, rhetoren, enz., zich bij
+voorkeur ophielden, daar zij wisten hier altijd talrijke toehoorders
+te vinden. Bij den aanleg van een gymnasium moest dus met dit drukke
+bezoek rekening gehouden worden, en dientengevolge werd een groot
+deel van de ruimte bestemd voor doeleinden, die niet onmiddellijk met
+gymnastische oefeningen in verband staan. Op vorenstaande schets,
+waarvan het donkergetinte de overblijfsels van het gymnasium te
+Ephesus voorstelt, waaruit men door beschrijvingen der ouden zich
+gemakkelijk eene voorstelling van het geheel kan maken, is C het
+Ephebeum, een groote zaal, bestemd voor de oefeningen der jongelieden,
+R R R waarschijnlijk speelzalen, en wel de langwerpige ruimte het
+sphaeristerium, ingericht voor het balspel, T T oefenplaatsen in de
+open lucht, rondom met verhoogde voetpaden voor de toeschouwers,
+W de renbaan met een groot aantal verhoogde zitplaatsen voor de
+toeschouwers, X X X, A en S open zuilengangen met plaatsen voor
+openbare voordrachten (exedrae), B een overdekte zuilengang, V V V
+beplante wandelplaatsen; de overige vertrekken zijn kleed-, bad- en
+stookkamers, bewaarplaatsen, enz. De door zuilen ingesloten ruimte
+A A A A (peristylium) heeft een omtrek van twee stadiën.
+
+Gymnesiae insulae = Baleares.
+
+Gymnopaediae, Gymnopaidiai, een groot feest, gedurende verscheiden
+dagen in de maand Juli te Sparta met muziek, dans en gymnastiek
+gevierd. De oorspronkelijk godsdienstige beteekenis van dit feest
+raakte reeds vroeg op den achtergrond; sedert den slag bij Thyrea
+(omstreeks 540) herdacht men op die dagen de 300 in dien slag
+gesneuvelde Spartanen. Het waren de eenige dagen, waarop de burgers
+vreemdelingen ontvingen, die gewoonlijk in groote menigte kwamen
+toestroomen.
+
+Gymnosophistae, Gymnosophistai, eene secte van indische wijsgeeren,
+die naakt in de bosschen leefden; wanneer zij oud of ziekelijk werden,
+lieten zij zich levend verbranden.
+
+Gynaeceum, Gynaikeion, Gynaikonitis, het gedeelte van het huis, dat
+meer bizonder door de vrouwen bewoond werd, en waar vreemde mannen
+niet werden toegelaten; het lag gewoonlijk in het achterste gedeelte
+van het huis of op een bovenverdieping. In het eerste geval lagen de
+verschillende vertrekken, evenals in het mannenverblijf, rondom eene
+aule. Zie Oikia.
+
+Gyndes, Gyndes, een zijtak van den Tigris, die boven Ctesiphon in
+den Tigris valt. Cyrus leidde, volgens het naieve verhaal, op zijn
+tocht naar Babylon het water van den Gyndes in 360 kanalen af.
+
+Gyrtone, Gyrton, -one, oude stad in het thessalische landschap
+Pelasgiotis, aan den Peneus. De bewoners heetten oudtijds Phlegyae,
+Phlegyai.
+
+Gytheum of -ium, Gytheion, -ion, aan de Laconische golf, belangrijke
+zeestad en oorlogshaven der Spartanen. In 455 werd hier de spartaansche
+vloot door den Athener Tolmidas vernield, en in 371 werden de
+vruchtbare en wijnrijke omstreken door Epaminondas verwoest.
+
+
+
+
+
+
+H.
+
+
+Hades, Haides, Aides, Aidoneus, Plouton, Pluto, Dis, zoon van Cronus
+en Rhea, kreeg na de overwinning op de Titanen bij de verdeeling
+der heerschappij de onderwereld voor zijn deel, waar hij als een
+onderaardsche Zeus (Zeus katachthonios) met Persephone heerscht. In
+de oudste tijden stelde men zich voor dat hijzelf met zijne beroemde
+zwarte paarden (klytopolos) de schimmen der afgestorvenen van de aarde
+kwam halen, later werd Hermes de geleider der zielen (psychopompos),
+terwijl Hades ze in zijn rijk opneemt en goed opgesloten houdt, opdat
+zij niet uit hun somber verblijf ontsnappen. Als onderaardsch god
+is hij de schenker van den rijkdom, die hetzij als metaal, hetzij in
+den vorm van gewassen uit de aarde voortkomt, vandaar de naam Pluto,
+dien hij in het dagelijksch leven en in de mysteriën draagt. Zijn
+helm maakte den drager onzichtbaar. Er zijn van H. weinige mythen,
+ook neemt hij in den eeredienst geen belangrijke plaats in, vandaar dat
+hij ook door de kunst zelden afgebeeld werd; men stelde zich hem voor
+gelijkend op Zeus en Poseidon, maar met donkere trekken en over het
+voorhoofd hangende haren, hij draagt den sleutel der onderwereld en
+wordt door Cerberus vergezeld. De cipres en narcis waren hem gewijd,
+men offerde hem zwarte schapen, terwijl men het hoofd afwendde;
+als men tot hem bad, sloeg men met de handen op den grond.
+
+Hadranum = Adranum.
+
+Hadria = Adria.
+
+Hadrianopolis, Adrianou polis, thans Adrianopel, bloeiende stad in
+Thracia aan den Hebrus (Maritza), door keizer Hadrianus gesticht,
+en beroemd om hare wapenfabrieken. Ook in Phrygia en in Cyrenaïca
+vond men steden van dezen naam.
+
+Hadrianus (P. Aelius), in 76 na C. te Italica in Spanje geboren, was
+na zijns vaders dood onder opzicht van Traianus opgevoed. Tijdens de
+troonsbeklimming van Traianus diende Hadrianus in Moesia. Zelf was
+hij een bloedverwant van den keizer en huwde eene bloedverwante van
+dezen. Hij vergezelde hem op zijne krijgstochten in Dacia en Pannonia
+en maakte zich bij Traianus zóó onmisbaar, dat deze besloot hem tot
+zijn opvolger te bestemmen. Volgens het gewone verhaal overleed
+Traianus echter, voordat de noodige schikkingen gemaakt waren,
+zonder een testament na te laten, doch wist de keizerin Plotina te
+bewerken, dat Hadrianus als opvolger werd erkend (117). V. a. heeft
+Traianus hem nog op zijn doodsbed geadopteerd. Hadrianus begon met
+drie provinciën in het O., Armenia, Assyria en Mesopotamia, die over
+den Euphraat lagen, prijs te geven, en dezen stroom als grensrivier
+aan te nemen. Hij zocht geen oorlog, maar streefde er naar, in vrede
+te regeeren, de schatkist te stijven, de belastingen te verminderen,
+en een goed regent te zijn. Hij doorreisde, grootendeels te voet,
+zijn gebied van het eene einde tot het andere. In 122 n. C. legde hij
+in Britannia ter bescherming tegen de invallen der Caledoniërs het
+Vallum Hadriani aan (z. a.). Onbekrompen bevorderde hij wetenschap
+en kunst, stelde bezoldigde onderwijzers aan, en legde veel ten
+koste aan openbare werken en prachtige gebouwen. Zoo stichtte
+hij te Rome den grooten tempel van Roma en Venus, het Athenaeum
+(z. a.), het Mausoleum Hadriani (thans, uitgebreid, de Engelsburg)
+over den Tiber; hij stichtte bij Tibur (Tivoli) eene villa, die
+eene afspiegeling van zijn geheele rijk moest worden en waar niet
+slechts kunstvoorwerpen werden aangebracht, maar ook natuurtooneelen
+uit de provinciën werden nagebootst; in het onmetelijke park vond
+men bouwwerken uit allerlei landen. Athene, zijne lievelingsstad,
+had veel verfraaiingen aan hem te danken, evenals ook nog andere
+steden in meerdere of mindere mate. Hij stichtte ook nieuwe steden,
+en liet Jerusalem herbouwen, waarheen hij eene rom. kolonie zond en
+waaraan hij den naam gaf van Aelia Capitolina. Toen hij echter op de
+plaats, waar Salomo's tempel had gestaan, een tempel voor Jupiter
+Capitolinus liet bouwen (130 n. C.), brak een vreeselijke opstand
+los, die eerst na een driejarigen oorlog (132-134) door 's keizers
+veldheer Julius Severus werd bedwongen en die aan bijna 600000 Joden
+het leven kostte. Ondanks zijne goede eigenschappen kan men Hadrianus
+toch menige zwakheid tegenover gunstelingen, en, waar zijne ijdelheid
+gekrenkt werd, meer dan ééne daad van willekeur en wreedheid ten
+laste leggen. Geene kinderen hebbende, nam hij L. Ceionius Commodus
+(die na zijn adoptie L. Aelius Caesar heette) tot zoon en opvolger
+aan en na diens dood T. Aurelius Fulvus Boionius Arrius Antoninus,
+die na zijn adoptie Imp. T. Aelius Caesar Antoninus heette en hem
+als Antoninus (Pius) opvolgde. Hadrianus stierf te Baiae in 138.
+
+Hadrumetum = Adrumetum.
+
+Haedi, twee sterren uit het sterrebeeld van den Voerman (Auriga),
+wier op- en ondergang storm en regen aankondigden.
+
+Haedilia, heuvel bij het landgoed van Horatius.
+
+Haedui = Aedui.
+
+Haemodes = Emodi montes.
+
+Haemon, Haimon, 1) zoon van Pelasgus, naar wien Haemonia, het latere
+Thessalië, heette.--2) zoon van Lycaon, stichter van Haemonia in
+Arcadië.--3) zoon van Creon, z. Antigone. V. s. werd hij door de
+sphinx gedood.
+
+Haemonia, Haimonia, mythische en dichterlijke naam voor Thessalia
+(zie Haemon). Haemonius = thessalisch; Haemonia puppis = de Argo,
+het schip der Argonauten; Haemonius iuvenis = Iason; Haemonius heros =
+Achilles; Haemoniae artes = tooverkunsten.
+
+Haemonides, priester van Apollo en Diana, die onder Turnus streed en
+door Aeneas gedood werd. Van zijne prachtige wapenrusting werd een
+zegeteeken ter eere van Mars opgericht.
+
+Haemus, Haimos, zoon van Boreas, koning van Thracië, die zich en
+zijne gemalin Rhodope in zijn overmoed Zeus en Hera noemde. Daarom
+werden zij in bergen veranderd, die hunne namen behouden hebben.
+
+Haemus, Haimos, thans Balkan, gebergte tusschen Moesia en Thracia. Een
+der passen, de westelijke, droeg den naam van porta Traiani.
+
+Hageladas = Ageladas.
+
+Halae, naam van twee demen in Attica. De eene, Halai Araphenides,
+met een tempel van Artemis, lag aan de Oostkust; de andere, Halai
+Aixonides, lag in het Z.
+
+Halcyone = Alcyone.
+
+Halcyonium mare = Alcyonium mare.
+
+Hales, Haleis, gen. -entos, riv. in Lucania, die bij Velia in zee
+stroomt; ook een riviertje op het eiland Cos. Eene derde, Hales,
+bekend om haar ijskoud water, liep langs Colophon, in Ionia, in de
+Icarische zee uit.
+
+Halesa, Alaisa, rivier en handelsstad, later rom. municipium op de
+N. kust van Sicilia.
+
+Halesus, Halaesus, bloedverwant van Agamemnon, die naar Italië kwam
+en een dapper bondgenoot van Turnus werd in den strijd tegen Aeneas;
+hij werd door Pallas gedood. V. s. was hij de stichter van Falerii.
+
+Halex, gen. -ecis, Halex, riv. in het land der Bruttii, grens tusschen
+het gebied van Rhegium en dat van Locri Epizephyrii.
+
+Halia, z. Ekklesia.
+
+Haliacmon, Haliakmon, rivier in Macedonia, die eerst naar het Z. en
+dan naar het N.O. stroomt en zich in de Thermaeische golf ontlast.
+
+Haliartus, Haliartos, oude stad in Boeotia aan den zuidelijken rand
+van een meertje, dat bij hoogen waterstand met het Copaïsche meer
+ineenvloeide. Xerxes verwoestte de stad, die herbouwd werd, en voor
+welker muren Lysander in 394 sneuvelde. In den oorlog tegen Perseus
+verwoestten de Rom. haar andermaal (171). Sedert dien tijd is het
+met haar bloei voor goed gedaan.
+
+Halias, gen. -ados, Halias, zuidelijke punt van Argolis, met eene
+visschersbevolking. Halies en een stadje Halice, Halike, ten Z. van
+Hermione.
+
+Halicarnassus, Halikarnassos, beroemde stad in Caria, oorspronkelijk
+lid der aziatisch-dorische hexapolis; het dialekt is echter deels
+dorisch, deels ionisch; de moederstad Troezen was ionisch, vóór de
+oude bevolking door de Doriërs verdrongen werd; geboorteplaats der
+geschiedschrijvers Herodotus en Dionysius. Onder de latere perzische
+koningen werd het in plaats van Mylasa de residentie der satrapen
+van Caria. Hier was één van de zeven wonderen der wereld, n.l. het
+praalgraf van Mausolus (zie Mausoleum). De stad kreeg een gevoeligen
+knak door de verwoesting door Alexander den Gr.
+
+Halicyae, Halikyai, Al., rom. municipium op Sicilia, ten O. van
+Lilybaeum, tusschen Selinus en Segesta.
+
+Halirrhothius, Halirrothios, zoon van Poseidon en Euryte, vervolgde
+Alcippe, de dochter van Ares en Agraulus, met zijne liefde en werd
+daarom door Ares gedood. Poseidon klaagde Ares bij de rechtbank der
+twaalf goden aan, die op den Areopagus eene zitting hielden en den
+aangeklaagde vrij spraken.
+
+Halitherses, Halitherses, zoon van Mastor, waarzegger op Ithaca,
+die Telemachus tegen de vrijers van Penelope steunde.
+
+Halizones, Halizones, volk in Bithynië, bondgenooten der Trojanen. In
+hun land waren de bijen tam en leefden in gemeenschap met de menschen.
+
+Halmydessus = Salmydessus.
+
+Halmyris, Halmyris limne, zoutmeer ten Z. der Donaumonden.
+
+Haloa, Haloa, feest ter eere van Dionysus, Demeter en Persephone,
+op denzelfden tijd als de kleine Dionysia te Athene en Eleusis gevierd.
+
+Halonesus, Halonesos, ook met -nn geschreven, eilandje in de Aegaeische
+zee tusschen Peparethus en Scirus, om welks bezit een heete strijd
+ontstond tusschen de Atheners en Philippus van Macedonia.
+
+Halteres, halteres, springstokken en springgewichten, halters, die men
+hij het springen en andere gymnastische oefeningen in de handen hield.
+
+Haluntium = Aluntium.
+
+Halus, Halos, stad in Phthiotis, tot het gebied van Achilles
+behoorende.
+
+Halycus, Halykos, rivier op Sicilia, die op de zuidkust bij Heraclea
+Minoa in zee valt.
+
+Halys, Halys, thans Kisil-Irmak = roode rivier, de grootste stroom
+van Asia minor, die op den Antitaurus ontspringt, achtereenvolgens
+naar het Z.W., N.W., N. en N.O. stroomt en ten laatste in den Pontus
+Euxinus valt. Deze rivier is geschiedkundig bekend als de grens
+tusschen de rijken van Croesus en van Cyrus; later vormde hij met
+den mons Taurus een tijd lang de grens van Asia minor.
+
+Hamadryades, Hamadryades = Dryades.
+
+Hamaxitus, Hamaxitos, stadje aan de Z.W.-kust van Troas, waarvan de
+inwoners door Lysimachus gedwongen werden, naar Alexandria Troas te
+verhuizen. In den omtrek werden zoutgroeven gevonden.
+
+Hamaxobii, Hamaxobioi, nomadisch volk nabij de Palus Maeotis (zee
+van Azow).
+
+Hamilcar, Amilkas, naam van verschillende carthaagsche veldheeren. 1)
+zoon van Mago en vader van Gisgo. Hij sneuvelde in 480 aan de
+Himera bij de zware nederlaag, die Gelo van Syracusae den Carthagers
+toebracht.--2) Ham., die in 309 bij het beleg van Syracusae sneuvelde,
+terwijl Agathocles de Carthagers in hun eigen gebied bestookte.--3)
+veldheer op Sicilia in den eersten punischen oorlog, door de Rom. in
+Afrika (258) krijgsgevangen gemaakt. Later strijdt hij weer tegen
+de Numidiërs en Mauretaniërs, die opgestaan waren.--4) Hamilcar,
+bijgenaamd Barcas = bliksem, de vader van Hannibal. In 247 naar Sicilia
+gezonden, hield hij zich zes jaar tegen de Rom. staande, terwijl zijne
+vloot bij herhaling op de italiaansche kusten stroopte. Na den vrede
+dempte hij met Hanno den opstand der carthaagsche huurtroepen in
+Africa (241-238) en stak kort daarna naar Hispania over, waarheen
+hij zijn negenjarigen zoon Hannibal medenam. In acht jaar tijds
+(237-229) onderwierp hij het grootste gedeelte des lands aan
+Carthago, totdat hij in den winter van 229/8 in een gevecht tegen
+de Vettonen sneuvelde. Hij liet drie zoons na: Hannibal, Hasdrubal
+en Mago.--5) carthaagsche generaal, die in 218 op Melite (Malta)
+door de Rom. gevangen werd genomen.--6) carth. veldheer, die in 200
+in Gallia Cisalpina het bevel voerde en den oorlog, ook na den vrede,
+op eigen hand voortzette, totdat hij in 197 sneuvelde.
+
+Hamippoi, bij de Boeotiërs een troep voetknechten, waarvan iedere man
+aan een ruiter toegevoegd was, met dezen in en uit het gevecht ging,
+en naast hem te voet streed. In de eerste helft der vierde eeuw werd
+ook bij het atheensche leger zulk een corps ingevoerd.
+
+Hammon = Ammon.
+
+Hannibal, Annibas, naam van verschillende carthaagsche veldheeren. 1)
+zoon van Gisco, stierf in 406 op Sicilia aan de pest.--2) veldheer in
+den eersten punischen oorlog, die Agrigentum zeven maanden tegen de
+Rom. verdedigde (261), en later als vlootvoogd bij Mylae in 260 door
+den consul Duillius verslagen werd.--3) een zoon van Hamilcar no. 3,
+die in 250 het ingesloten Lilybaeum te hulp kwam, en later in den
+oorlog met de carthaagsche huurtroepen omkwam.--4) oudste zoon van
+Hamilcar Barcas, in 237, negen jaar oud, met zijn vader naar Hispania
+gegaan, nadat deze hem den Rom. eeuwigen haat had laten zweren. Eerst
+diende Hannibal onder zijn vader, na diens dood (229/8) onder zijn
+zwager Hasdrubal; toen deze in 221 was vermoord, werd Hannibal door het
+leger tot aanvoerder uitgeroepen. De carthaagsche senaat bekrachtigde
+deze keus, ofschoon niet zonder heftige tegenkanting der partij van
+Hanno. Hannibal, die het veldheerstalent van zijn vader met het
+staatsmansbeleid van zijn zwager vereenigde, onderwierp spoedig
+geheel Hispania, en volvoerde toen, door het met Rome verbonden
+Saguntum te belegeren, zijn plan om Rome tot eene oorlogsverklaring
+te drijven. Ten einde den vijand op diens eigen bodem aan te tasten,
+trok H. met een groot leger, en een aantal olifanten, langs onbekende
+en dikwerf ongebaande wegen over de Alpen en kwam na ontzaggelijke
+verliezen met nog geen 30000 man in Italië (herfst van 218). Bijna
+onmiddellijk hierop versloeg hij aan den Ticinus den consul
+P. Cornelius Scipio (Cornelii no. 11), bij de Trebia den anderen
+consul Tib. Sempronius Longus (Sempronii no. 14), en in 217 bij het
+Trasimeensche meer den consul C. Flaminius. Tegenover den dictator
+Q. Fabius Maximus, die den slag ontweek, richtte H. niet veel uit,
+doch des te verschrikkelijker was de nederlaag der Rom. bij Cannae,
+in 216, onder de consuls L. Aemilius Paullus en C. Terentius Varro. Nu
+ging Zuid-Italië en ook Capua voor de Romeinen verloren. Toch kwam
+H. niet verder, daar hij niet voldoende door Carthago gesteund werd,
+en de Romeinen juist nu alle krachten inspanden. Eindelijk ontbood
+hij in 208 zijn broeder Hasdrubal uit Spanje, die echter in 207 door
+de beide consuls C. Claudius Nero en M. Livius Salinator bij den
+Metaurus verslagen werd en sneuvelde. Meer en meer moest Hannibal
+zuidwaarts trekken, totdat hij in 203 geroepen werd om Carthago zelf
+te verdedigen tegen P. Cornelius Scipio. De slag bij Zama (202) viel
+ten voordeele der Rom. uit. Nog eenige jaren bestuurde H. na den vrede
+Carthago, zoodat het weer tot bloei kwam, maar werd in 195 (v. a. 196),
+genoodzaakt te vluchten, en begaf zich toen tot koning Antiochus van
+Syria, dien hij tot een oorlog met Rome overhaalde, zie Antiochus
+no. 5. H. ried den koning te vergeefs aan, de Romeinen in hun eigen
+land aan te vallen. Toen ook Antiochus het onderspit had gedolven,
+week H. naar Bithynia tot koning Prusias (190). Ook hier vervolgden hem
+de Rom. met onverzoenlijken haat, en uit vrees, dat Prusias voor hun
+herhaalden aandrang zou zwichten en hem in hunne handen zou leveren,
+maakte H. in 183 door vergif een einde aan zijn leven.
+
+Hanno, Annon, carthaagsche naam. 1) Hanno de zeevaarder, die tusschen
+466 en 450 een ontdekkingstocht langs de Westkust van Afrika deed,
+waarvan de beschrijving, in het Grieksch vertaald, onder den titel
+periplous nog bestaat.--2) veldheer in den strijd tegen Agathocles van
+Syracusae, sneuvelde in 310.--2a) veldheer op Sicilia in het begin
+van den eersten punischen oorlog, die te Messana voor de Rom. moest
+wijken en daarom te Carthago ter dood werd gebracht. Een andere Hanno
+werd in 262 bij Agrigentum verslagen, toen hij met een groot leger
+tot ontzet van die stad was opgedaagd.--3) Hanno de Groote, stadhouder
+van Libya, kon in 241 den opstand der huurtroepen niet onderdrukken,
+en zag toen Hamilcar Barcas boven zich gesteld. Hierom vatte hij een
+doodelijke haat op tegen het geslacht der Barcini. Tegen Hamilcar en
+Hannibal was Hanno het hoofd der vredespartij. Na den slag bij Zama was
+Hanno onder de gezanten, die te Rome om vrede kwamen verzoeken.--4)
+Bovendien komen onder de generaals van Hannibal nog Hanno's voor,
+en ook een op Sicilia in 211.
+
+Harii, germaansche stam, tot de Lugii, de latere Vandalen, behoorend,
+aan den bovenloop van de Viadua (Oder).
+
+Harma, Harma, vlek in Boeotia ten N.W. van Tanagra.
+
+Harmatus, Harmatous, kaap en stad in aziatisch Aeolis, aan de Zuidkust
+van Troas, tegenover Methymna.
+
+Harmodius, Harmodios en Aristogiton, twee jonge Atheners, verbitterd
+door eene beleediging, welke Hipparchus de zuster van Harmodius had
+aangedaan, vormden het plan de Pisistratiden te vermoorden. Het gelukte
+hun op de Panathenaea in 514 Hipparchus te dooden, maar Harmodius werd
+op de plaats zelve door de lijfwacht afgemaakt, en Aristogiton werd
+gevat en door Hippias ter dood gebracht, nadat hij op de pijnbank
+de vrienden van den tyran als deelgenooten van de samenzwering had
+aangegeven. Zij werden, hoewel ten onrechte, als martelaars voor
+de vrijheid beschouwd; henzelf werd bijna goddelijke eer bewezen,
+terwijl hunne afstammelingen verscheiden voorrechten genoten.
+
+Harmonia, Harmonia, dochter van Ares en Aphrodite. Toen zij met
+Cadmus trouwde, kwamen alle goden op hare bruiloft, en kreeg zij
+o.a. geschenken van Aphrodite een kleed en een halssnoer, die later
+vele ongelukken te weeg brachten. Z. Amphiaraus en Alcmaeon.
+
+Harmostai, 1) twintig magistraten te Sparta, belast met het toezicht
+over de perioeci.--2) bevelhebbers der bezettingen, die de Spartanen
+na den peloponnesischen oorlog naar de afhankelijke staten zonden,
+om tot steun voor de oligarchische partijen te dienen, z. dekarchiai.
+
+Harmozea, Harmozeia, stad en omstreken in Carmania aan de invaart
+der perzische golf.
+
+Harpagium, -gea, Harpagion, ta Harpageia, stadje in Mysia aan den
+Propontis, vanwaar Ganymedes door den adelaar van Zeus werd weggevoerd.
+
+Harpago als belegeringswerktuig is een lange houten staak of steel,
+aan welks uiteinde verscheidene ijzeren haken zaten en waarmede men de
+tinnen of de borstwering van den stadsmuur trachtte los te rukken. In
+een scheepsgevecht is het een enterhaak, manus ferrea.
+
+Harpagus, Harpagos, 1) z. Cyrus. Wegens zijne ongehoorzaamheid liet
+Astyages zijn zoon dooden en hem bij een feestmaal het vleesch van
+het kind voorzetten.--2) veldheer van Darius Hystaspis.
+
+Harpalus, Harpalos, 1) Macedoniër, leefde langen tijd aan het
+hof van Philippus, werd om onbekende redenen verbannen, doch door
+Alexander d. G. teruggeroepen en tot schatmeester aangesteld. In die
+hoedanigheid volgde hij Alex. naar Azië, doch moest in 332 wegens een
+of ander vergrijp vluchten; hij keerde echter terug, toen de koning
+hem volledige vergiffenis geschonken had. Te Babylon, waar hij het
+beheer over onmetelijke schatten had, gaf hij zich gedurende Alex.'s
+tocht naar Indië aan buitensporige weelde over, zoodat hij bij diens
+terugkomst het raadzaam achtte te vluchten; met 5000 talenten en 6000
+huurlingen ging hij naar Athene, om zijn geld en zijne troepen voor
+een oorlog tegen Alex. aan te bieden. De Atheners wezen hem eerst af,
+later ontvingen zij hem echter (z. Demosthenes), maar toen Antipater
+hem opeischte, nam hij de vlucht naar Taenarum en van daar naar Creta,
+waar hij vermoord werd.--2) grieksch sterrenkundige, die reeds vóór
+Meton pogingen deed den griekschen kalender te regelen.
+
+Harpalyce, Harpalyke, dochter van den thracischen koning Harpalycus,
+die door haar vader van jongs af als man werd opgevoed; zij muntte uit
+in alle kunsten van den oorlog en was zoo vlug, dat zij de snelste
+paarden kon inhalen en zelfs over water loopen kon. Na den dood van
+haar vader leefde zij met eenige makkers in de wouden van roof, totdat
+zij door herders omsingeld, gevangen genomen en gedood werd. Bij het
+verdeelen van den buit, dien men bij haar vond, ontstond zulk een
+twist tusschen de herders, dat verscheidene van hen gedood werden;
+daarom meende men dat de goden vertoornd waren over den dood van Harp.,
+men beschouwde haar als een goddelijk wezen en trachtte door offers
+en feesten haar schim te verzoenen.
+
+Harpasus, Harpasos, riv. in Caria, die langs de stad Harpasa stroomde
+en zich in den Maeander stortte. Eene andere rivier van denzelfden
+naam, ook Acampsis geheeten, liep op de oostelijke grens van Armenia
+in den Pontus Euxinus uit.
+
+Harpocrates, Harpokrates, een aegyptisch god, die met den vinger op
+den mond wordt afgebeeld en daarom voor den god der stilzwijgendheid
+gehouden wordt. Hij schijnt dezelfde te zijn als Horos.
+
+Harpocration (Valerius), Harpokration, grieksch taalkundige van
+Mendes, wiens leeftijd onbekend is, schrijver van een Lexikon ton
+deka rhetoron, een taal-, oudheid- en geschiedkundig woordenboek op
+de werken der attische redenaars.
+
+Harpyiae, Harpuiai, godinnen van den stormwind, Aëllo en Ocypete,
+dochters van Thaumas en Electra; men stelde zich voor dat menschen,
+die spoorloos verdwenen waren, door haar waren weggeroofd. Later komen
+zij in grooter aantal voor (Celaeno, Thyella, e. a.) als kwelgeesten,
+die bijv. den blinden Phineus zijne spijzen ontrooven of ze door hare
+aanraking verontreinigen, totdat Zetes en Calaïs haar verjagen en
+vervolgen tot de Strophadische eilanden, waar zij beloven Phineus niet
+meer lastig te zullen vallen. V. a. werden zij bij die gelegenheid
+gedood. Zij worden afgebeeld half als vrouw, half als roofvogel,
+soms met uitgehongerd gelaat en met klauwen aan handen en voeten.
+
+Harudes of Charudes, Charoudes, germ. volk in het leger van Ariovistus
+(58). Hun eigenlijke woonplaats is op de Chersonesus Cimbrica
+(Jutland), waar ze naast de Cimbren wonen.
+
+Haruspices. In kritieke gevallen werden door den rom. senaat haruspices
+uit Etruria ontboden, waar de leer der divinatio het meest tot een
+volledig stelsel ontwikkeld was. Hunne taak was het dan, uit de
+ingewanden der offerdieren uit te vorschen, of de goden al dan niet
+gunstig gezind waren. Zie extispicium. In gewone gevallen deden de
+rom. priesters zelf hunne waarnemingen. Deze haruspices behoorden tot
+den Etruscischen adel. Van hen te onderscheiden zijn de particuliere
+haruspices, die zich sinds de 2de eeuw te Rome vestigden en voor
+geld waren te raadplegen of als mercennarii in dienst traden van
+ambtenaren. Hun gezag werd door den senaat niet erkend.
+
+Hasdrubal, Asdroubas, carthaagsche naam. 1) zoon van Hanno, in den
+eersten punischen oorlog met ruim 30000 man en 130 olifanten naar
+Sicilia overgestoken (251), doch in 250 bij Panormus (Palermo) door
+L. Caecilius Metellus (Caecilii no. 2) verslagen.--2) schoonzoon van
+Hamilcar Barcas, dien hij in 228 als carthaagsch opperbevelhebber
+in Hispania opvolgde. Hij stichtte Carthago nova (thans Carthagena),
+en sloot met de Rom. een verdrag, waarbij de Iberus als grensrivier
+tusschen beide staten werd aangewezen en tevens de onzijdigheid van
+Saguntum werd erkend. In 221 werd hij uit persoonlijke wraakzucht door
+een Hispaniër vermoord.--3) zoon van Hamilcar Barcas en broeder van
+Hannibal. Toen Hannibal naar Italië trok, nam Hasdrubal het bevel in
+Hispania op zich (218) en handhaafde zich met roem tegen de gebroeders
+P. en Cn. Cornelius Scipio, die in 211 sneuvelden. In 211 echter
+verscheen een jongere Scipio, de latere Africanus maior, in Hispania;
+Carthago nova ging voor Hasdrubal verloren; zie verder Cornelii
+no. 13. Op de roepstem zijns broeders trok hij in 208 naar Italia,
+waar hij echter door de beide consuls M. Livius Salinator (Livii no. 7)
+en Claudius Nero (Claudii no. 22), die zich ongemerkt vereenigd hadden,
+werd aangevallen bij Sena Gallica aan den Metaurus. Hasdrubal sneuvelde
+(207). Het afgehouwen hoofd werd over den wal van Hannibals legerplaats
+geworpen, om hem aldus bericht te geven van zijns broeders dood.--4)
+zoon van Gisco, onderbevelhebber van no. 3, die tot 206 in Hispania
+streed, vervolgens in Africa oorlog voerde, eerst tegen Masinissa,
+daarna tegen de Rom. Hij was niet gelukkig in den oorlog; men weet aan
+hem de nederlaag van Hannibal bij Zama en hij moest door vergif een
+einde aan zijn leven maken. Door zijne dochter Sophonisbe aan koning
+Syphax ten huwelijk te geven, haalde hij dezen tot een bondgenootschap
+met Carthago over.--5) behalve de reeds genoemde komen er in den
+tweeden punischen oorlog nog meer Hasdrubals voor, o. a. in 215
+op Sardinia.--6) veldheer in 151 tegen Masinissa en in den derden
+punischen oorlog tegen de Rom. Hij zegevierde over den rom. consul
+M'. Manilius, doch moest later voor Scipio de wijk nemen naar den
+burg. Hijzelf gaf zich ten laatste over en werd als gevangene naar
+Italia gevoerd, waar hij stierf. Zijne vrouw en kinderen stortten
+zich in de vlammen.--7) Zie Clitomachus no. 2.
+
+Hasta, lans. Hasta pura, lansschacht zonder punt (cuspis), een
+eereteeken voor soldaten wegens betoonden moed. Bij verkooping van
+buit werd eene hasta in den grond gestoken; evenzoo had de praetor
+eene hasta naast zich staan bij gerechtelijke verkoopingen; vanhier
+de uitdrukkingen sub hasta venire, bona hastae subicere en dgl. Ook
+het gerechtshof der centumviri had eene hasta in den grond geplant.
+
+Hasta = Asta.
+
+Hastati, oorspronkelijk soldaten, die met eene lans gewapend
+waren. Toen echter het rom. voetvolk voor het grootste gedeelte
+gewapend werd met de kortere, doch zwaardere werpspeer, die den naam
+van pilum droeg, (sedert den tijd van Camillus, zie acies) ging de
+naam hastati over op de jongere manschap; uit de soldaten van rijperen
+leeftijd werden de principes gevormd en uit de oudgedienden de pilani
+of triarii. De hastati en principes droegen, behalve zwaard en schild,
+ook het pilum, terwijl de pilani in plaats daarvan de hasta kregen. Zie
+centuria.
+
+Hatra, zie Atrae.
+
+Hatria, zie Adria.
+
+Hattuarii (Attuarii), zie Chasuarii.
+
+Hebe, Hebe, dochter van Zeus en Hera, godin der jeugd. Toen Heracles
+onder de goden was opgenomen, kreeg hij haar tot gemalin en werd zij in
+hare betrekking als schenkster der goden door Ganymedes vervangen. Zij
+werd op vele plaatsen vereerd, meestal in vereeniging met Hera of
+Heracles; soms wordt zij Ganymeda of Dia genoemd.
+
+Hebraei = Iudaei.
+
+Hebron, Hebron, oude stad in Palaestina, ongeveer ten Z. van Jerusalem.
+
+Hebrus, Hebros, thans Maritza, voorname rivier van Thracia, met breede
+zijstroomen en een uitgebreid stroomgebied. Hij ontspringt op den
+mons Rhodope (Despoto-dagh) en den Scomius en valt met twee armen
+bij Aenus in zee. Aan den Hebrus werd Orpheus door de thracische
+Bacchanten vermoord.
+
+Hebudae = Ebudae.
+
+Hecabe, Hekabe, dochter van Dymas of Cisseus of Sangarius, tweede
+vrouw van Priamus, moeder van Hector, Paris (z. Aesacus), Cassandra
+en vele andere kinderen, die zij allen tengevolge van den trojaanschen
+oorlog zag omkomen of in slavernij wegvoeren. Zij zelve werd als slavin
+aan Odysseus gegeven. Den dood van haar zoon Polydorus wreekte zij
+door de zonen van Polymnestor te dooden en hemzelf de oogen uit te
+krabben. Het voorgebergte Cynossema werd als haar graf beschouwd, en
+ter verklaring van dien naam verhaalde men, dat zij na hare wraakneming
+op Polymnestor in een hond veranderd en in zee gesprongen was, of
+dat de Grieken, daar zij hen met scheldwoorden placht te overladen,
+haar den naam van teef gegeven hadden, of dat zij haar om diezelfde
+reden gesteenigd, maar onder den steenhoop inplaats van haar lijk
+dat van een hond gevonden hadden.
+
+Hecaërgus, -ge, Hekaergos, -erge, vèrtreffende, bijnaam van Apollo
+en Artemis.
+
+Hecamede, Hekamede, van Tenedus, dochter van Arsinoüs; toen Achilles
+het eiland veroverde, werd zij aan Nestor tot slavin gegeven.
+
+Hecataeus, Hekataios, 1) van Miletus, zoon van Hegesander, de
+eerste geschiedschrijver genoemd, daar hij de eerste was, die verder
+ging dan eene omschrijving in proza van mythen en legenden, en in
+zijne werken, Periodos ges en Geneelogiai, de resultaten van zijne
+onderzoekingsreizen in verre landen neerlegde. Herodotus heeft geregeld
+van zijn werk gebruik gemaakt, maar hem ook dikwijls bestreden. Bij den
+opstand van de Ioniërs tegen de Perzen trad hij als een der leiders op,
+maar zijn wijze raadgevingen werden niet opgevolgd.--2) van Abdera,
+geschiedschrijver, die geruimen tijd bij Ptolemaeus in Alexandrië
+gewoond heeft. Hij was een leerling van Pyrrho; hij heeft geschreven
+over de poëzie van Homerus en Hesiodus, en verder een romantische
+geschiedenis van Aegypte, en een werk over de Hyperboraei. Hij schrijft
+in denzelfden geest als zijn jongere tijdgenoot Euhemerus. Excepten
+uit zijne werken vinden we bij Diodorus Siculus. Op zijn naam is ook
+nog een joodsch werk over de Joden overgeleverd dat van veel later
+tijd is.--3) tyran van Cardia ten tijde van Alexander d. G.
+
+Hecate, Hekate, dochter van Zeus en Hera of Demeter of Pheraea, de
+dochter van Aeolus, of van Perses en Asteria. Zij was de eenige van het
+geslacht der Titanen, die aan Zeus trouw bleef, daarom schonk hij haar
+na zijne overwinning macht in den hemel, op aarde en op zee. In haar
+drievoudig gebied werkt zij heilrijk, en geeft zij haren vereerders
+wijsheid en geluk. Maar tevens is zij ook godin der onderwereld en als
+zoodanig wordt zij het meest vereerd en heeft zij ook aandeel aan de
+mysteriën; zij was het die de schaking van Persephone had gezien, aan
+Demeter bericht er van gegeven had en haar bij het zoeken naar hare
+dochter had geholpen. Zij is vooral de godin der spoken, die zij des
+nachts uit de onderwereld doet opstijgen om de menschen te kwellen
+en angstig te maken; zij zelve zwerft 's nachts, door de schimmen
+der afgestorvenen en door zwarte honden begeleid, over de graven en
+beschermt de tooverheksen bij hare bezweringen en bij het bereiden
+van hare toovermiddelen.--Hec. was waarschijnlijk oorspronkelijk
+de godin der nieuwe maan, daarom wordt zij soms geïdentificeerd met
+Artemis, die zelve ook Hecate genoemd wordt.--Zij had slechts weinige
+tempels, maar talrijke beelden (hekataia, hekatesia) en altaren op
+marktpleinen, voor de poorten en de deuren der huizen; vooral op
+driesprongen plaatste men beelden van haar met drie hoofden of drie
+lichamen (Enodia, Trioditis, Trivia, Trikephalos, Trimorphos, Triceps,
+Triformis). Men offerde haar honden, zwarte lammeren en honig en op den
+laatsten dag der maand plaatste men bij hare beelden allerlei spijzen,
+die door arme lieden werden weggehaald. Zij wordt beschreven als
+eene vreeselijke gestalte met slangen inplaats van haren en voeten,
+een paarde-, een honde- en een leeuwekop, enz.; afgebeeld wordt zij
+echter soms onder eene eenvoudige menschelijke gedaante, meestal met
+drie hoofden of drie lichamen; hare attributen zijn honden, slangen,
+touwen, sleutels, fakkels, dolken, appels, enz.--Bij de Romeinen
+werd zij vooral in den keizertijd vereerd. Diocletianus stichtte te
+Antiochië een heiligdom voor haar, waarin men met 365 trappen afdaalde.
+
+Hecato, Hekaton, van Rhodus, stoicijnsch wijsgeer in de 2de eeuw,
+leerling van Panaetius, stond bij zijne tijdgenooten en bij lateren
+in hoog aanzien. Van zijne talrijke werken is weinig bewaard gebleven.
+
+Hecatombaeon, Hekatombaion, 1ste maand van het Attische jaar (midden
+Juli-midden Augustus), z. Annus.
+
+Hecatompylus, Hekatompylos, hoofdstad van Parthyaea of Parthyene,
+later residentiestad der parthische koningen, totdat zij hun residentie
+naar Ctesiphon overbrachten.
+
+Hecatonnesi, Hekatonnesoi, de 100 eil., eene eilandengroep aan de
+Adramyttische golf, tusschen Lesbus en de aziatische kust.
+
+Hector, Hektor, oudste zoon van Priamus en Hecabe, echtgenoot van
+Andromache, vader van Astyanax, een man die aan teedere liefde voor
+vrouw en kind, voor ouders en medeburgers, buitengewonen heldenmoed
+paarde, waarvan hij, als leider der verdediging van Troje tegen
+de Grieken, onder bescherming van Apollo schitterende bewijzen
+gaf. Gedurende den tijd dat Achilles uit wrok tegen Agamemnon zich
+van den strijd onthoudt, brengt H. de Grieken geducht in het nauw,
+zelfs dringt hij tot hunne schepen door en begint hij die in brand te
+steken. Wel gelukte het Patroclus in de wapenrusting van Achilles de
+Trojanen op de vlucht te jagen, maar hijzelf werd door H. gedood. Toen
+H. kort daarna door Achilles (z. a.) verslagen was, beschermden Apollo
+en Aphrodite zijn lijk tegen de smadelijke behandeling van zijn vijand,
+totdat het op bevel van Zeus zelf aan Priamus teruggegeven en plechtig
+begraven werd.
+
+Hecuba = Hecabe.
+
+Hegelochus, Hegelochos, 1) een tooneelspeler, die eens bij de opvoering
+van een treurspel de woorden galen' horo uitsprak als galen horo, wat
+groot gelach verwekte en niet spoedig vergeten werd.--2) bevelhebber
+der vloot van Alexander d. G. gedurende de eerste jaren van zijne
+veldtochten, onderwierp Tenedus, Chius e. a. eilanden.
+
+Hegemon, Hegemon, 1) van Thasus, dichter van de oude attische comedie,
+ook bekend door zijne parodieën op de gedichten van Homerus.--2)
+atheensch staatsman ten tijde van Demosthenes, behoorde tot de
+macedonische partij.
+
+Hegemone, Hegemone, 1) bijnaam te Sparta en in Arcadië aan Artemis
+gegeven.--2) eene van de Charites.
+
+Hegemonia, in het algemeen leiding, voorzitterschap, in het bizonder de
+eerste rang onder staten, die gemeenschappelijke belangen te verdedigen
+hebben. De staat, die de hegemonie had, leidde de beraadslagingen over
+die belangen, voerde in den oorlog de verbonden troepen aan, bepaalde
+hoeveel iedere staat aan geld en manschappen moest bijdragen, enz.
+
+Hegesias, Hegesias, 1) cyrenaeisch wijsgeer, leefde in de 3de eeuw
+te Alexandrië. In zijn werk, Apokarteron, leert hij dat genot het
+doel van het leven is, dat de mensch echter niet hopen kan dit doel
+ooit te bereiken, en dat het dus beter is te sterven dan het leven te
+verdragen. Vele van zijne leerlingen (Hegesiakoi) pleegden inderdaad
+zelfmoord, vandaar dat hij den bijnaam Peisithanatos kreeg.--2)
+redenaar en sophist van Magnesia, omstreeks 300, wordt, hoewel hij
+tal van navolgers had, wegens zijn gezwollen en gemaakten stijl door
+de ouden streng gelaakt. Hij is de schepper van den Aziatischen
+stijl (Asianismus). Als geschiedschrijver wordt hem gebrek aan
+waarheidsliefde verweten.
+
+Hegesilochus, Hegesilochos, 1) leider eener oligarchische partij op
+Rhodus, die in 356 met de hulp van Mausolus van Carië de democratie
+omverwierp en de regeering in handen nam; hij maakte zich berucht door
+zijne losbandigheid. Na den dood van Mausolus werd de democratie
+hersteld.--2) rhodisch staatsman, in 171 voorstander van een
+bondgenootschap met de Rom. tegen Macedonië.
+
+Hegesinus, Hegesinous, van Pergamus, leerling van Euander en zijn
+opvolger als hoofd der academische school, leeraar van Carneades.
+
+Hegesippus, Hegesippos, 1) atheensch redenaar, vriend en partijgenoot
+van Demosthenes; van hem is waarschijnlijk de redevoering peri
+Halonnesou, die onder de werken van Demosthenes tot ons gekomen is.--2)
+oudste schrijver over kerkgeschiedenis, tijdens Marcus Aurelius. Zijn
+werk, 5 boeken Hypomnemata, is verloren, maar wordt vaak geciteerd door
+Eusebius.--3) of Egesippus, naam, waaronder in de ME. de latijnsche
+vertaling van Flavius Josephus (z.a.) geciteerd wordt, die uit de
+4de eeuw n. C. dateert, en aan Ambrosius wordt toegeschreven.
+
+Hegesistratus, Hegesistratos, 1) zoon van Pisistratus, regeerde na
+het verdrijven der Mytilenaeërs over Sigeum.--2) Samiër, zoon van
+Aristagoras, kwam uit naam der Samiërs de hulp der grieksche vloot
+inroepen en bewoog Leotychides naar Samus te zeilen, wat aanleiding
+gaf tot den beroemden slag bij Mycale (479).
+
+Hekatoncheires = Centimani.
+
+Hektemoroi, waren oudtijds in Attica boeren, die gepachten grond
+bebouwden, en vijf zesden van de opbrengst aan den grondeigenaar
+moesten afstaan. Bij niet-vervulling van deze verplichting werden
+zij met hun zoons diens lijfeigenen.
+
+Helena, Helene, 1) dochter van Zeus of Tyndareos en Leda, beroemd
+door hare weergalooze schoonheid. Reeds op zeer jongen leeftijd werd
+zij door Theseus geschaakt en naar Aphidnae gebracht, maar spoedig
+door hare broeders, de Dioscuren, bevrijd. Later dongen zooveel
+jongelingen naar hare hand, dat Tyndareos haar aan niemand durfde
+geven, uit vrees dat onder de mededingers een geweldige strijd zoude
+ontstaan; op raad van Odysseus nam hij eindelijk allen den eed af,
+dat zij den uitverkorene niet zouden bestrijden, maar integendeel tegen
+aanvallen en beleedigingen zouden verdedigen. Helena koos nu Menelaus
+tot echtgenoot en kreeg bij hem eene dochter, Hermione. In zijne
+afwezigheid liet zij zich schaken door Paris, den zoon van Priamus,
+en nam zij vele schatten naar Troje mede. Dit was de aanleiding
+tot den trojaanschen oorlog, waaraan de meeste grieksche vorsten,
+gedeeltelijk door hun eed gebonden, deel namen. Wegens hare schoonheid
+wordt zij ook te Troje, in weerwil van de rampen van den oorlog,
+algemeen geëerd en bewonderd; niettemin had zij berouw over haar
+misstap en verlangde zij naar haar vaderland terug. Na den dood
+van Paris huwde zij met Deïphobus, een anderen zoon van Priamus,
+dien zij v. s. bij de inneming van de stad aan de Grieken in handen
+leverde. Toen Menelaus haar terugvond, wilde hij haar eerst dooden,
+maar hare schoonheid redde haar, hij nam haar mede naar Sparta,
+waar zij nog lang met hem in vrede en geluk leefde, en na haar dood
+in hetzelfde graf met hem bijgezet werd.--V. a. was zij met Paris in
+Aegypte gekomen, waar Proteus haar en de geroofde schatten terughield
+en na den oorlog aan Menelaus teruggaf. Een schijngestalte vergezelde
+Paris naar Troje, daar de oorlog volgens beschikking van het noodlot
+gevoerd moest worden.--V. a. was zij na den dood van Menelaus door hare
+stiefzonen verjaagd en naar Rhodus gevlucht, waar zij, als oorzaak van
+den grooten oorlog, aan een boom werd opgehangen; na haar dood werd
+zij daar vereerd als Helena Dendritis.--Nog werd verhaald dat zij in
+het leven teruggeroepen werd en naar het eiland Leuce verplaatst, waar
+zij met Achilles huwde en hem een zoon Euphorion baarde.--2) dochter
+van Paris en Helena.--3) dochter van Aegisthus en Clytaemnestra.--4)
+(Flavia Iulia), moeder van Constantijn d. G., Christin.--5) dochter
+van Constantijn d. G., gemalin van keizer Julianus.
+
+Helena, Helene, vroeger Cranaë, rotseilandje bij de Zuidspits van
+Attica. Zie ook Illiberis.
+
+Helenus, Helenos, zoon van Priamus en Hecabe, beroemd waarzegger. Hij
+werd door de Grieken gevangen genomen of liep tot hen over, en
+openbaarde hun op welke wijze Troje genomen kon worden. Na het
+eindigen van den oorlog ging hij met Neoptolemus naar Epirus; toen
+deze gestorven was, huwde hij Andromache en kreeg hij een deel van
+het rijk, waarin hij een vesting bouwde, geheel naar het model van
+Troje. Hij liet de regeering aan Molossus, den zoon van Neoptolemus
+en Andromache, na.--V. a. vluchtte hij, toen Neoptolemus Hermione
+tot vrouw nam, met Andromache en Molossus naar Molossië.
+
+Helepolis, helepolis, een door Demetrius Poliorcetes uitgevonden
+belegeringswerktuig; het was een verplaatsbare toren met negen of
+minder verdiepingen, beneden van een stormram voorzien en op de hoogere
+verdiepingen ingericht tot het werpen van lichtere projectielen. Iedere
+verdieping had van buiten een galerij met borstweringen voorzien en
+het geheel was met ijzer beslagen.
+
+Helia = Velia.
+
+Heliadae, Heliadai, zeven zonen van Helius en Rhode. Zij hadden van hun
+vader vernomen dat de godin Athena de plaats, waar men haar het eerst
+zou offeren, tot haar woonplaats zou kiezen, daarom haastten zij zich
+haar een offer te brengen, doch vergaten het te verbranden, zoodat
+zij hun doel niet bereikten. Zij waren zeer bekwaam in sterrenkunde
+en scheepvaart en boven allen muntte Tenages uit, waarom zijne
+broeders hem uit afgunst doodden en, toen hun misdaad ontdekt werd,
+naar verschillende landen vluchtten. Zij werden als heroën vereerd
+door de Rhodiërs, die ook Heliaden genoemd worden, en tot aandenken
+aan hen de gewoonte behielden het offer niet te verbranden.
+
+Heliades, Heliades, zusters van Phaëton, die zijn dood onophoudelijk
+beweenden. Hare tranen veranderden in barnsteen, en zijzelve werden in
+boomen veranderd, waaruit een vocht vloeit, dat, wanneer het gestold
+is, tot barnsteen wordt.
+
+Heliaia, de rechtbank der gezworenen (heliastai) te Athene. Jaarlijks
+werden door het lot 6000 burgers boven de 30 jaar, die in het
+bezit hunner burgerrechten waren, 600 uit elke phyle, als heliasten
+aangewezen, die in 10 sectiën van 500 verdeeld werden, terwijl 1000
+als plaatsvervangers overbleven. Voor ieder proces wordt een zeker
+aantal rechters bepaald, men vindt rechtbanken vermeld van 200, 300,
+400, soms van 1000 of 1500 leden, zeer zelden kwamen alle 6000 bij
+elkander. Voor het bijwonen der zittingen werden de rechters sedert
+Pericles betaald, z. Dikastikon.
+
+Helice, Helike, oude hoofdstad van Achaia, met een beroemden
+Poseidon-tempel. Bij eene vreeselijke aardbeving in 373 werd de stad
+door de zee verzwolgen. In hare plaats werd Aegium hoofdstad van den
+achaeischen bond.
+
+Helicon, Helikon, berg in het Z. van Boeotia, aan de Muzen geheiligd,
+rijk aan bosch, dat door grasrijke weiden wordt afgewisseld, met
+vruchtbaren bodem en vele bronnen. Onder de bronnen zijn beroemd:
+Aganippe en Hippocrene, de paardebron, door den hoefslag van Pegasus
+te voorschijn geroepen. Heliconiades = de Muzen.
+
+Heliodorus, Heliodoros, 1) ho periegetes, omstreeks 150, Athener,
+die de acropolis in 15 boeken beschreef, een werk, dat bijna geheel
+verloren gegaan is.--2) rhetor te Rome, vriend van Horatius.--3)
+Syriër, rhetor te Rome en secretaris van Hadrianus, later praefect
+van Aegypte.--4) schrijver van een werk over metriek.--5) van Emesa,
+v. s. bisschop van Tricca, schreef omstreeks 400 na C. een griekschen
+roman Aithiopika, bevattende de liefdesavonturen van een Thessaliër
+Theagenes en eene aethiopische prinses Chariclea.
+
+Heliogabalus of Elagabalus, Heliogabalos. De eigenlijke naam was Varius
+Avitus Bassianus. Hij was verwant met de Severi op de volgende wijze:
+
+
+ L. Septimius Iulia, Iulia Maesa
+ Severus, geh. met | |
+ rom. keizer Sept. zusters |
+ 193-211 Severus |
+ \ / \ | /
+ \----------\ /----------/ \----------\ /----------/
+ V V
+ Caracalla, Geta, Soaemis, Mammaea,
+ 211-217. 211-212. geh. m. geh. m.
+ Varius Gessius
+ Marcellus. Marcianus
+ | |
+ Heliogabalus |
+ Alex. Severus.
+
+ Verwantschap van Heliogabalus met de Severi.
+
+
+Heliogabalus was priester van den zonnetempel te Emesa in Syria. Door
+zijne groote gelijkenis op (M. Aurelius Antoninus) Caracalla, kwam
+Iulia Maesa op het denkbeeld, den schoonen, doch onbeteekenenden
+knaap, die slechts 14 jaar oud was, voor een zoon van Caracalla te doen
+doorgaan. Zóó werd hij onder den naam M. Aurelius Antoninus tot keizer
+uitgeroepen (218-222). Hij beging als keizer allerlei laffe dwaasheden,
+stelde o. a. een senaat voor vrouwen in, onder wiens bestuur de modes
+zouden geregeld worden, en gaf zich onbeteugeld aan uitspattingen
+en wellust over, terwijl hij zich overigens geheel door zijne moeder
+Soaemis liet beheerschen. Hij had zijn neef, den edelen Alex. Severus,
+tot mederegent aangenomen (221); toen hij echter dezen naar het leven
+stond, werd hijzelf met zijne moeder door de soldaten omgebracht.
+
+Heliopolis, Heliou polis, stad in Coelesyria tusschen den Libanon
+en den Antilibanon, ook Baälbek = Baälsstad genoemd, eene prachtige
+stad, de hoofdzetel van den Baälsdienst. Antoninus Pius liet hier
+een schoonen tempel voor Jupiter bouwen.--2) stad in Aegypte, aan het
+begin der Nijldelta, hoofdzetel van den aegyptischen zonnedienst. De
+stad leed veel door den veldtocht van Cambyses. In den griekschen
+tijd is de stad vervallen.
+
+Helius, Helios, Sol, zoon van Hyperion en Thea of Euryphaëssa,
+broeder van Selene en Eos, de zonnegod. Iederen morgen komt hij in het
+uiterste Oosten uit den Oceaan op en voert zijn schitterenden wagen,
+bespannen met vier paarden, die zoo vurig zijn, dat zelfs Zeus ze niet
+kan besturen, langs den hemel, om 's avonds in het Westen weder in den
+Oceaan neder te dalen, van waar hij v. s. des nachts in een gouden boot
+slapend naar het O. terugkeert. Hij is, daar hij met zijne stralen
+overal doordringt, alziend (panderkes) en dus alwetend, daarom werd
+hij bij plechtige verzekeringen en eeden als getuige aangeroepen. Op
+het eiland Thrinacia weidden zijne dochters, Phaethusa en Lampetie,
+voor hem 7 kudden runderen en 7 kudden schapen, elke van 50 stuks,
+een getal dat nooit grooter of kleiner werd, en op vele plaatsen,
+waar hij vereerd werd, vond men aan hem gewijde kudden. Zijne kinderen
+waren o.a. Aeetes, Circe en Phaëthon.--Hel. werd vrij algemeen in
+Griekenland vereerd, vooral op Rhodus, waar zijn 100 voet hoog beeld
+stond, de zoogenaamde colossus van Rhodus, het werk van Chares. Men
+offerde hem witte paarden, verder rammen, stieren en geiten; de haan
+en de arend waren hem gewijd. Op zijne afbeeldingen draagt hij een
+stralenkrans en een wijden mantel en heeft hij een wereldbol in de
+hand, soms staat hij op zijn wagen. Vgl. Apollo.
+
+Helium ostium, de zuidelijke mond van den Rijn, de oude Maasmond,
+die toen veel breeder was dan tegenwoordig.
+
+Hellanicus, Hellanikos, van Mytilene, jongere tijdgenoot van Herodotus,
+logograaf, wiens vrij talrijke werken verloren gegaan zijn. Hoewel
+hij veel gereisd en veel gestudeerd had, wordt hem door sommige oude
+schrijvers gemis aan oordeel en onnauwkeurigheid verweten.
+
+Hellanodikai, een commissie van burgers uit Elis, belast met de
+regeling van en het toezicht op de olympische spelen, zij fungeerden
+tevens als kamprechters. Aanvankelijk was dit aan één persoon
+opgedragen, later vindt men 2, nog later 9, 10 of 12 rechters vermeld.
+
+Hellas, Hellas. In Homerus' tijd was Hellas alleen de naam eener stad
+in het zuid-thessalische landschap Phthiotis of Phthia, het gebied van
+Achilles. In het historische tijdperk is Hellas = Graecia, n. l. 1)
+Midden-Griekenland, thans Livadia,--2) de Peloponnesus,--3) de door
+ligging en beschaving tot Griekenland behoorende eilanden. Epirus en
+Thessalia, samen ook wel Noord-Griekenland genoemd, werden door de
+oude Grieken niet tot Hellas gerekend. Daar de Grieken hun land niet
+als één geheel beschouwden, maar als een complex van verschillende
+staatjes en volken, hadden zij voor Hellas geene bepaald aangegeven
+aardrijkskundige grens, en daar ook buiten Hellas Grieken woonden,
+is de uitdrukking he pasa Hellas niet altijd juist te bepalen,
+en meermalen = al wat Grieksch is. In engeren zin is Hellas alleen
+Midden-Griekenland, met de landschappen Attica, Megaris, Boeotia,
+Locris, Doris, Phocis, Aetolia en Acarnania. Als rom. provincie heette
+Griekenland Achaia.
+
+Helle, Helle, dochter van Athamas (z. a.) en Nephele. Door hare
+moeder van den dood gered, vluchtte zij met haar broeder Phrixus
+uit hun vaderland en verdronk in de zee, die naar haar Hellespont
+genoemd wordt.
+
+Hellen, Hellen, zoon van Deucalion en Pyrrha, of van Zeus en Dorippe,
+vader van Dorus, Aeolus en Xuthus, stamvader der Hellenen.
+
+Hellenes, Hellenes. Vóór Homerus bestaat er geen gemeenschappelijke
+volksnaam voor de bevolking van Griekenland. In verschillende
+streken komen verschillende stammen voor: Abantes, Curetes, Caucones,
+Leleges, Epei, Dryopes, Danaï, Dolopes, Myrmidones, welke laatsten bij
+Homerus ook Hellenen worden genoemd naar hunne stad Hellas. Mettertijd
+verdwijnen deze stammen door samensmelting, verhuizing, enz., en komen
+twee andere namen, Pelasgi en Hellenes, er voor in de plaats. Beide
+stammen kwamen uit Thessalia, de Pelasgen het eerst. De Hellenen
+drongen de Pelasgen weder op den achtergrond en de naam Hellenen
+werd de algemeene volksnaam.--Als gemeenschappelijke naam der Grieken
+bezigt Homerus wel den naam Achaei, waarschijnlijk waren deze in zijn
+tijd de voornaamste stam. De grieksche schrijvers evenwel splitsen de
+Hellenen weder in vier stammen: Aeoles, Achaei, Iones, Dores. Het is
+hier de plaats niet, over de afkomst en onderlinge verhouding dezer
+stammen gissingen te maken. De Ioniërs en Doriërs werden allengs
+de hoofdstammen.
+
+Hellenismus, de algemeen gebruikelijke naam voor de Grieksche
+beschaving na Alexander den Groote. De oostersche volkeren hebben
+de Grieksche beschaving overgenomen en vervormd, en wederom invloed
+uitgeoefend op de eigenlijk Grieksche beschaving. Hellenistisch wordt
+de kunst, de poëzie, de geschiedbeschrijving, de philosophie en de
+godsdienst zoowel van de Grieken als van de oostersche volkeren.
+
+Hellenotamiai een college van 10 door de volksvergadering gekozen
+atheensche ambtenaars, die de bijdragen der bondgenooten moesten
+innen en de bondskas beheerden. Deze bijdragen beliepen in
+den peloponnesischen oorlog ongeveer 1300 talenten; de kas werd
+aanvankelijk op Delus, sedert 454 op voorstel van Pericles te Athene
+bewaard. Zie Pericles.
+
+Hellespontus, Hellespontos, zee van Helle, die volgens de mythe
+daar zou verdronken zijn, thans de straat der Dardanellen. Ook het
+aziatische kustland langs de zeeëngte en zelfs nog verder oostwaarts
+wordt somtijds Hellespontus genoemd. In den lateren keizerstijd
+was dit ook de naam der rom. provincie, die uit Troas en een deel
+van Mysia gevormd was en Cyzicus tot hoofdstad had.--Hellespontias,
+een van den Hellespont komende wind.
+
+Helli, Helloi = Selli.
+
+Hellomenum, Hellomenon, havenstad aan de O.-zijde van het eiland
+Leucas.
+
+Hellopia, Hellopia = Ellopia.
+
+Hellotia, Hellotia, 1) feest te Corinthe ter eere van Athena, die
+hier den bijnaam Hellotis had.--2) feest op Creta ter eere van Europa,
+die hier onder den naam Hellotis goddelijke eer genoot.
+
+Helmantica = Salmantica.
+
+Helorus of -um, Heloros, -on, stad aan de Oostkust van Sicilia ten
+Z.Z.W. van Syracusae, aan den mond van de rivier Helorus.
+
+Helos, Helos, stadje aan de Laconische golf, te midden van moerassen
+gelegen; vandaar de naam. De ouden leidden, op den klank af, den
+naam Heloten van deze stad af. Ook eene lage streek in Elis aan den
+Alpheus droeg dezen naam.
+
+Helotes, Heilotes, Heilotai, de afstammelingen der vroegere bewoners
+van Lacedaemon, die door de dorische veroveraars van vrijheid en
+goederen beroofd waren en als staatsslaven aan particulieren ten
+gebruike gegeven werden, voor wie zij als lijfeigenen het land
+bebouwden. Van de opbrengst van het land hadden zij een bij de wet
+bepaalde hoeveelheid aan hunne heeren af te staan, het overige was
+voor hen, zoodat zij onder gunstige omstandigheden eenig vermogen
+konden verwerven. Het was den heeren niet geoorloofd hen te dooden of
+buitenslands te verkoopen, ook mochten zij niet zonder toestemming
+van den staat vrijgelaten worden. Daarentegen kregen zij somtijds
+van staatswege de vrijheid voor dapperheid, in den oorlog betoond,
+waarin zij als lichtgewapenden, zeer zelden als hoplieten, later
+ook als matrozen dienden. Z. Neodamodeis. Het burgerrecht kregen
+zij hoogst zelden. Z. echter Mothakes. In 464 stonden zij na eene
+groote aardbeving op en trokken zij zich in de vesting Ithome terug,
+vanwaar zij 10 jaar lang een oorlog voerden, die eindigde met hun
+vrijen aftocht uit de Peloponnesus. Hun groot aantal boezemde den
+Spartanen voortdurend vrees voor dergelijke voorvallen in, die zich
+in strenge, soms gewelddadige maatregelen uitte. Z. krypteia.
+
+Helvaeones of Helvecones, germaansche stam tot de Lugii, de latere
+Vandalen, behoorend, tusschen Viadua (Oder) en Vistula (Weichsel).
+
+Helvetii, Helouetioi, een machtig keltisch volk tusschen den mons Iura
+(Jurageb.), den Rhodanus (Rhône) en den Rhenus (Rijn), verdeeld in vier
+pagi of kantons, waarvan twee, de pagus Tigurinus en de p. Verbigenus
+nader bekend zijn. Z. ook Toygeni. De Helvetiërs sloten zich aan bij
+de Cimbren; de Tiguriners brachten in 107 onder Divico den rom. consul
+L. Cassius Longinus (Cassii no. 3) eene beslissende nederlaag toe;
+Cassius sneuvelde en zijn leger moest onder het juk doorgaan. Een
+ander gedeelte der Helvetiërs keerde na de nederlaag der Cimbren in
+101 weder naar hun land terug. In 58, bij Caesars komst in Gallia,
+ondernamen de Helvetiërs weder een groote volksverhuizing, doch
+werden door Caesar met ontzaggelijk verlies teruggeslagen; van de
+263000 menschen bleven slechts 110000 over. Sedert dien tijd begon
+men den ager Helvetiorum met rom. sterkten te bezetten. Na den dood
+van keizer Otho, toen de Helvetiërs Vitellius niet wilden erkennen,
+werden zij als wilde dieren opgejaagd en vervolgd. De ager Helvetiorum
+behoorde tot Belgica, en strekte zich oorspronkelijk tot aan de
+Bodensee uit. Sedert de indeeling van het rijk door Diocletianus
+behoorde het oostelijke gedeelte en de geheele Bodensee tot Raetia.
+
+Helvidii, rom. geslacht, uit Samnium afkomstig. 1) P. Helvidius
+Rufus, bij Cicero vermeld, een vriend van Cluentius.--2) Helvidius
+Priscus dempte met veel beleid in 51 na C. de onlusten in Cappadocia;
+v. s. is dit dezelfde als no. 3.--3) C. Helvidius Priscus, schoonzoon
+van Thrasea Paetus, was een man van republikeinsche gezindheid en
+een beoefenaar van wetenschap en wijsbegeerte, vooral van die der
+Stoicijnen. Onder Nero bekleedde hij de quaestuur, de praetuur
+en het volkstribunaat, doch werd om zijn staatkundige gevoelens
+verbannen. Hij werd door Galba teruggeroepen; Vespasianus verbande
+hem nog eens, en liet hem later, omdat hij niet ophield zich tegen den
+keizer vijandig te betoonen, ter dood brengen.--4) Helvidius Priscus,
+zoon van no. 3, stierf onder Domitianus in den kerker, wegens een
+spotdicht op den keizer.
+
+Helvii, plebejisch geslacht. Een uit dit geslacht, C. Helvius Cinna,
+werd bij Caesars begrafenis bij vergissing vermoord door het volk,
+dat het op L. Cornelius Cinna (zie Cornelii no. 40) had gemunt. Ook
+een dichter van dezen naam wordt genoemd als maker van een gedicht
+Smyrna, vriend van Catullus. Waarschijnlijk is het dezelfde. De moeder
+van Cicero was eene Helvia, evenals de moeder van Seneca (den zoon).
+
+Helvii, gallisch volk tusschen den mons Cebenna en den
+Rhodanus. Hoofdstad: Alba Augusta.
+
+Hemeroscopium, Hemeroskopeion, zie Dianium.
+
+Hemesa = Emesa.
+
+Hendeka, een college van 10 magistraten met een schrijver, die te
+zorgen hadden voor het toezicht op en de bewaking van gevangenen,
+voor het voltrekken van doodvonnissen, enz. Zij die op heeterdaad
+betrapt waren bij eene misdaad, waarop dood- of gevangenisstraf stond,
+werden voor de elfmannen gebracht, die in geval van bekentenis konden
+vonnissen, en anders de zaak voor eene rechtbank brachten, waarbij
+zij de instructie leidden.
+
+Heneti, Enetoi, volksstam aan den Parthenius in Paphlagonia,
+bondgenooten van Priamus, koning van Troje. Dit volk verdween; de
+ouden meenden het teruggevonden te hebben in de Veneti, in Gallia
+Cisalpina. Zie Veneti.
+
+Heniochi, Heniochoi, zeerooversvolk op de N.O. kust van den Pontus
+Euxinus, aan den Caucasus, ten N. van Dioscurias.
+
+Heniochos, z. Auriga.
+
+Henna = Enna.
+
+Hephaestia, Hephaistia, stad op Lemnus, aan den N.O. kant.
+
+Hephaestion, Hephaistion, 1) zoon van Amyntor, boezemvriend van
+Alexander d. Gr. en officier in zijn leger; hij stierf te Ecbatana
+en werd door Alex. met buitensporig rouwbetoon betreurd en als een
+heros vereerd.--2) grammaticus te Alexandrië, schrijver van een
+zeer uitgebreid werk over metriek waarvan een door hemzelf bewerkt
+uittreksel bewaard gebleven is; hij leefde omstreeks 150 na C.
+
+Hephaestus, Hephaistos, Vulcanus, zoon van Zeus en Hera, god van
+het vuur. Daar hij kreupel en leelijk was, wierp Hera hem kort na
+zijne geboorte van den Olympus, hij viel in zee, waar hij 9 jaar
+door Thetis en Eurynome verzorgd werd. Daarna keerde hij naar den
+Olympus terug, maar toen hij eens bij een twist tusschen zijne
+ouders te ijverig voor zijne moeder partij trok, greep Zeus hem bij
+een been en wierp hem weder uit den hemel. Het duurde een geheelen
+dag eer hij bijna levenloos op Lemnus neerkwam, waar hij vriendelijk
+opgenomen en verpleegd werd. Later werd hij onder de olympische goden
+opgenomen en werd hem Charis, Aglaia of Aphrodite tot echtgenoote
+gegeven, maar daarmede verliest hij zijne beteekenis als god eener
+natuurkracht en wordt hij de kunstvaardige werkman (Klytotechnes,
+Klytoergos), die door de kracht van het vuur metalen bearbeidt
+en de merkwaardigste kunstwerken ten dienste van goden en helden
+vervaardigt. Zijne werkplaats wordt oorspronkelijk op den Olympus,
+later onder verschillende vuurspuwende bergen gedacht, vooral op
+Lemnus en Sicilië. Als kunstenaar staat hij in nauwe betrekking
+tot Athena, te Athene werd voor hen beiden een feest gevierd, de
+Chalkeia. De voornaamste plaats van zijn eeredienst, die overigens niet
+algemeen was, was Lemnus, waar de Cabiri als zijne helpers beschouwd
+werden. Afbeeldingen zijn zeldzaam, gewoonlijk wordt hij voorgesteld
+als een krachtig man, in werkmanskleederen en met een hamer in de hand.
+
+Heptanomis, Heptanomis, het land der zeven nomoi of distrikten,
+grieksche naam voor Midden-Aegypte, hoofdstad Memphis.
+
+Hera, Hera, Juno, oudste dochter van Cronus en Rhea, opgevoed
+door Oceanus en Tethys, zuster en gemalin van Zeus, met wien zij
+300 jaar heimelijk gehuwd was, voordat hij de heerschappij over de
+goden verwierf en haar openlijk als zijne gemalin deed erkennen. Als
+zoodanig wordt zij door goden en menschen zeer hoog geëerd, ook Zeus
+zelf bewijst haar eerbied en laat haar soms over donder, bliksem
+en storm beschikken. Maar haar trotsch en onbuigzaam karakter maakt
+het dikwijls noodig, dat hij ook haar zijn oppermacht laat gevoelen,
+en aan den anderen kant geven zijn talrijke liefdesavonturen en de
+onverzoenlijke haat, waarmede zij de door hem beminde vrouwen en
+hare kinderen vervolgt, dikwijls aanleiding tot de hevigste twisten,
+zelfs smeedde zij eens met Poseidon en Athena eene samenzwering
+tegen haar gemaal, die slechts door de tusschenkomst van Aegaeon
+hunne plannen kon verijdelen. Met geweld vermag zij echter niets
+tegen hem, en wanneer het haar al eens gelukte door list haar wil
+tegen den zijnen door te drijven, moet zij daarvoor meestal boeten;
+zoo werd zij eens, toen zij Heracles op zee bijna had doen omkomen,
+door Zeus met gouden boeien aan den aether opgehangen met een zwaar
+aambeeld aan iederen voet. Haar huwelijk met Zeus is ook de grondslag
+van de vereering, die zij bij de menschen geniet, en treedt bij hare
+feesten en plechtigheden steeds op den voorgrond; daarom is zij ook
+de godin van het huwelijk (Gamelia, Zygia, Teleia) en der geboorten
+(Eileithuia). Haar dienst is door geheel Griekenland verbreid, Samus
+is geheel aan haar gewijd, hare lievelingssteden zijn Argos (Argeia),
+Mycenae en Sparta; daarom evenzeer als uit toorn wegens het oordeel
+van Paris, ondersteunt zij de Grieken krachtig in hun oorlog tegen
+de Trojanen. De koekoek, de pauw, de kraai en de granaatappel waren
+haar gewijd. Op hare afbeeldingen wordt zij voorgesteld met eene volle
+krachtige gestalte, waardige en ernstige gelaatstrekken, groote oogen
+(boopis) en zware lokken, zij zit soms op een troon, draagt een ruim
+en lang gewaad, kroon of sluier, en heeft in de hand een schepter,
+granaatappel, offerschaal e. dgl.
+
+Heraclea, Herakleia, naam van een aantal steden, waaronder de
+voornaamste zijn: 1) Heraclea in Acarnania, aan de Ambracische
+golf.--2) H. in het elische gewest Pisatis.--3) H. in Lucania, aan
+de Tarentijnsche golf, geboorteplaats van den schilder Zeuxis, thans
+Policoro. Hier behaalde Pyrrhus in 280 zijn eerste overwinning op de
+Rom.--4) H. in Syria, aan de kust, ten N. van Laodicea no. 1.--5) H. in
+Thracia, aan de Propontis, nabij de invaart van den Hellespont, ten
+O. van Pactye.--6) Heraclea Perinthus, meer oostwaarts dan het vorige,
+aan de Noordkust der Propontis gelegen, vroeger Perinthus geheeten,
+eene zeer aanzienlijke stad.--7) Heraclea Pontica, op de bithynische
+kust aan den Pontus Euxinus gelegen, belangrijke handelsstad, doch
+welker bloei in den grooten mithradatischen oorlog geknakt werd. De
+wijsgeer Heraclides (no. 5) was hier geboren.--8) Heraclea Chersonesi,
+thans Sebastopol, in de Chersonesus Taurica (Krim).--9) Heraclea
+Latmi, aan den voet van den berg Latmus aan de latmische golf, bij
+Miletus.--10) Her. Sintice, in het macedonische gewest Sintice,
+aan den Strymon.--11) Her. Lyncestis, in het maced. landschap
+Lyncestis, aan de via Egnatia.--12) Her. Trachinia, in Trachis,
+even ten W. van de Thermopylae, zie Trachis.--13) Her. Caccabaria,
+ten O. van Massilia (Marseille). Tgw. Cavalaire.--14) Her. Minoa,
+op de Zuidkust van Sicilia, ten W. van Agrigentum, misschien door
+cretensische kolonisten Minoa genoemd naar Minos, overigens kolonie van
+Selinus, ± 500 door Spartanen veroverd en Heraclea geheeten. Omstreeks
+460 werd het carthaagsch; in 133 zonden de Rom. er een kolonie heen.
+
+Heracleopolis, Herakleous polis, naam van twee aegyptische
+steden. Her. maior lag in Midden-Aegypte tusschen het meer Arsinoë
+en den Nijl; Her. minor lag in de Nijldelta aan den pelusischen mond
+en is later door de lagune Menzaleh verzwolgen.
+
+Heracleoticum ostium of Canobicum ostium, Herakleotikon, Kanobikon
+stoma, meest westelijke Nijlmonding.
+
+Heracles, Herakles, Hercules, zoon van Zeus en Alcmene, de gemalin
+van Amphitryo. Op den dag, die voor zijne geboorte bestemd was
+liet Zeus zich in de vergadering der goden het woord ontvallen,
+dat heden een man zou geboren worden, die over alle mannen van
+zijn geslacht (de Persiden) zoude heerschen. Hera, die den zoon van
+Alcmene reeds vóór zijne geboorte haatte, liet dit woord met een eed
+bevestigen, en bewerkte toen als godin der geboorte dat op dien dag
+niet Heracles, maar Eurystheus, de zoon van Sthenelus, geboren werd
+(z. Galinthias). Tegelijk met Her. werd ook Iphicles, de zoon van
+Amphitryo, geboren, en reeds toen zij nog in de de wieg lagen, zond
+Hera twee monsterachtige slangen om de kinderen te dooden, Her. greep
+ze echter en drukte ze dood. Hij werd verder door de beste leermeesters
+opgevoed, o.a. door Linus, den toonkunstenaar, die hem eens voor zijn
+weinige vorderingen in de muziek berispte en daarvoor een slag met de
+luit kreeg, zoodat hij op de plaats dood bleef. Verschrikt door zijne
+woeste kracht, zond Amphitryo hem als herder naar den Cithaeron, waar
+hij tot zijn achttiende jaar bleef, en waar hij zich verdienstelijk
+maakte door het dooden van een leeuw, die het gebied van Thespiae
+onveilig maakte. De huid van dezen (of van den nemeïschen) leeuw
+diende hem in het vervolg tot kleeding. Naar Thebae teruggekeerd,
+bevrijdde hij de Thebanen van de schatting, die zij aan Erginus
+(z. a.) hadden te betalen; uit dankbaarheid gaf koning Creon hem
+zijne dochter Megara tot vrouw. Kort daarna eischte Eurystheus dat
+hij zich, volgens het bij hunne geboorte door Zeus bezworen woord,
+onder zijne bevelen zoude stellen, een eisch, die Her. zoo woedend
+maakte, dat hij tot waanzin verviel, zijn eigen drie kinderen en twee
+van Iphicles doodde, en voor zijn geheele omgeving gevaarlijk werd;
+tot bezinning gekomen, vroeg hij vol berouw het orakel van Delphi,
+door welk middel hij zijn schuld zou kunnen verzoenen; het antwoord
+luidde, dat hij Eurystheus moest gehoorzamen, dat deze hem twaalf
+werken zoude opdragen, en dat hij door de vervulling van die taak de
+onsterfelijkheid deelachtig zou worden. Bij deze gelegenheid werd hij
+door het orakel voor het eerst Heracles genoemd, terwijl hij tot dien
+tijd den naam Alcides of Alcaeus gedragen had. Het eerste werk, dat
+Eurystheus hem opdroeg, was het dooden van den nemeïschen leeuw. Daar
+dit monster, een voortbrengsel van Typhon en Echidna, niet met wapenen
+gedood of gewond konde worden, dreef hij het met knotsslagen in zijn
+hol, greep het daar met beide handen aan en verstikte het. Toen hij
+het gedoode dier naar Mycenae bracht, boezemde dit bewijs van zijne
+wonderbare kracht Eurystheus zulk een schrik in, dat hij hem gebood
+voortaan niet meer in zijne nabijheid te komen, maar buiten de poort
+te blijven, waar Copreus hem nieuwe bevelen zoude brengen.--Vervolgens
+moest hij de hydra dooden, die in de moerassen van Lerna bij Argos
+huisde en den geheelen omtrek onveilig maakte. Dit was een reusachtige
+slang, door Typhon en Echidna voortgebracht, met 7, 9, 50 of 100
+koppen, waarvan één onsterfelijk was. Door vurige pijlen joeg hij het
+monster op, en terwijl het trachtte zich om zijn lichaam te slingeren,
+hieuw hij de koppen af; maar voor elken afgeslagen kop verschenen
+twee nieuwe; bovendien werd hij voortdurend in de voeten gebeten
+door een grooten kreeft, die door Hera naar de kampplaats gezonden
+was. Met groote moeite gelukte het hem den kreeft te vertrappen,
+vervolgens schroeide hij met gloeiende boomstammen de wonden dicht,
+die hij aan de hydra toebracht, zoodat geen nieuwe koppen konden
+aangroeien, eindelijk begroef hij den onsterfelijken kop onder een
+zwaar rotsblok. In het vergiftige bloed der hydra doopte hij zijne
+pijlen.--Zijne derde onderneming was tegen het wilde zwijn, dat de
+landen rondom den berg Erymanthus verwoestte. Op zijn tocht daarheen
+nam hij zijn intrek bij den Centaur Pholus, die hem gastvrij ontving
+en ter eere van hem een vat wijn opende, waaruit zulk een zoete geur
+opsteeg, dat alle andere Centauren er door aangelokt werden. Toen
+zij hem het vat wilden ontnemen, ontstond een woedend gevecht, de
+Centauren werden gedood of verjaagd, en zelfs Pholus en Chiron kregen
+in de verwarring tegen den wil van Her. doodelijke wonden. Het zwijn
+wist hij uit het woud naar een dik besneeuwd veld te jagen, waar hij
+het zoolang vervolgde, tot het uitgeput nederzonk. Daarop nam hij het
+op zijne schouders en droeg het levend naar Mycenae.--Daarna eischte
+Eurystheus dat hij de hinde van Cerynea, een berg tusschen Arcadië en
+Achaia, levend vangen zoude. Hij vervolgde dit dier, dat aan Artemis
+gewijd was, gouden horens en koperen pooten had, een jaar lang,
+eer het hem gelukte het met een pijlschot in een poot te treffen en
+zich er van meester te maken.--Vervolgens werd hij uitgezonden tegen
+de stymphalische vogels, die zich in menigte bij de stad Stymphalus
+hadden nedergezet, ijzeren klauwen, snavels en vleugels hadden, en
+hunne vederen evenals pijlen afschoten. Met een koperen ratel joeg hij
+ze op, daarna doodde hij sommige en verjoeg hij de overige, die naar
+het eiland Aretias vluchtten, waar de Argonauten ze later vonden.--Ten
+zesde haalde hij voor Admete, de dochter van Eurystheus, den gordel van
+Hippolyte (z. a.), de koningin der Amazonen. V. s. zou hij op den tocht
+daarheen het rijk van Amycus veroverd en aan Lycus, koning van Mysië,
+die hem gastvrij ontving, gegeven hebben. Op de terugreis landde hij
+op de kust van Troje en doodde er een zeemonster, waardoor hij Hesione
+het leven redde (z. Laomedon).--Zijn zevende werk was het reinigen
+van de stallen van Augias (z. a.).--Daarna haalde hij den stier van
+Creta (z. Minos) en bracht hij hem levend naar Mycenae. Daar werd het
+dier weder losgelaten en nu liep het in Attica rond, tot Theseus het
+in de vlakte van Marathon ving en doodde.--Vervolgens ging hij naar
+Thracië, vanwaar hij de paarden van Diomedes (z. a. no. 1) medebracht;
+bij deze gelegenheid zoude hij Abdera gesticht hebben.--Het rooven van
+de runderen van Geryones (z. a.), zijn tiende werk, was een van de
+moeielijkste en gevaarlijkste. In voortdurenden strijd met allerlei
+onbekende en woeste volken, trok hij door Europa en Libye naar het
+meest westelijke punt der aarde, waar hij, ter herinnering aan dien
+verren tocht, de zuilen van Heracles oprichtte. Toen hem hier de
+zonnestralen te hevig kwelden, durfde hij zelfs tegen Helius zijn
+boog spannen, eene vermetelheid, die de god zoo weinig kwalijk nam,
+dat hij hem zijn gouden vaartuig leende, om naar Erythea over te varen,
+waar hij zijne taak te vervullen had. Met zijn buit trok hij nu door
+Hispanië, Gallië, Italië en Sicilië naar Griekenland terug. Ook
+op deze reis moest hij zich en zijne runderen meer dan eens tegen
+vijandelijke aanvallen verdedigen (z. Cacus, Eryx, Alcyoneus), allerlei
+moeielijkheden werden hem door Hera in den weg gelegd, toch kwam hij
+eindelijk behouden te Mycenae aan. V. s. waren hem oorspronkelijk door
+het orakel slechts tien werken opgelegd, zoodat nu zijne dienstbaarheid
+ten einde zoude zijn, maar Eurystheus verklaarde zich niet voldaan met
+de uitvoering van het tweede en zevende werk. Want de slang van Lerna
+had hij niet kunnen dooden zonder de hulp van zijn wagenmenner Iolaus
+(z. a.), en Augias had hij niet kunnen dwingen hem het beloofde loon
+te betalen. Daarom droeg hij hem nog twee nieuwe werken op, en wel
+vooreerst drie gouden appelen uit den tuin der Hesperiden (z.a.) te
+halen. Waar die tuin was, wist niemand hem te zeggen, zoodat hij lang
+op goed geluk ronddwaalde, totdat hij Nereus met geweld dwong hem het
+geheim te openbaren, dat hij in het verste Westen zoude vinden wat hij
+zocht. De tocht daarheen was weder rijk aan gevaarlijke ontmoetingen
+(z. Antaeus, Busiris, Emathion), eindelijk kwam hij aan den Caucasus,
+waar hij den gier van Prometheus (z. a.) doodde en van dezen den raad
+ontving de appelen niet zelf te halen, maar Atlas te verzoeken het
+voor hem te doen. Atlas voldeed aan dit verzoek, terwijl Her. inmiddels
+het hemelgewelf voor hem droeg, maar nu wilde hij ook zelf de appelen
+aan Eurystheus brengen en zijn last intusschen op de schouders van
+zijn plaatsvervanger laten rusten. Her. verklaarde zich bereid dien
+wensch in te willigen, wanneer hij slechts even een kussen op zijn
+schouder mocht leggen. Atlas liet zich misleiden en nam den hemel
+voor een oogenblik weder op, waarna Her. zich van de appelen meester
+maakte en hem liet staan.--Als laatste en moeielijkste werk werd hem
+opgedragen den hond Cerberus (z.a.) uit de onderwereld te halen. Nadat
+hij zich in de eleusinische mysteriën had laten inwijden, daalde hij
+bij Taenarum in de onderwereld af, waar hij een algemeenen schrik
+verspreidde en van Hades verlof kreeg zijne taak te vervullen.--Nu was
+hij van zijne dienstbaarheid bevrijd, hij gaat naar Thebae, geeft zijne
+vrouw aan zijn vriend Iolaus, en gaat daarop naar Eurytus (no. 2)
+om de hand van diens dochter Iole te verwerven. Toevallig werden
+omstreeks dienzelfden tijd paarden of runderen van Eurytus gestolen,
+en deze zendt zijn zoon Iphitus uit om bij Her., dien hij van den
+diefstal verdenkt, een onderzoek in te stellen; hierover vertoornd,
+neemt Her. Iphitus mede naar den burcht van Tiryns, waar hij hem van
+boven naar beneden werpt. Tot straf voor deze misdaad laat hij zich
+op bevel van het delphische orakel voor drie jaar als slaaf verkoopen,
+en komt hij in handen van Omphale, koningin van Lydië. In haar dienst
+bevrijdde hij haar land van roovers, ook nam hij in dien tijd deel aan
+de calydonische jacht en aan den tocht der Argonauten, die hem echter
+in Mysië achterlieten, omdat hij niet tijdig aan boord kwam. Op zijn
+terugtocht naar Lydië ontmoette hij de Cercopen (z. a.). Bij Omphale
+teruggekeerd, verviel hij door zijne liefde voor haar tot zulk een
+verwijfdheid, dat hij haar zijn leeuwenhuid en knots afstond en zelf
+haar spinnewiel ter hand nam.--Na het verstrijken van den tijd zijner
+slavernij trok hij met 18 schepen naar Troje en vervolgens naar Elis,
+om zich op Laomedon (z. a.) en Augias (z. a.) te wreken; daarop ging
+hij naar Pylus en doodde Neleus met al zijne zonen, behalve Nestor,
+die toevallig afwezig was; Neleus had namelijk geweigerd hem na den
+moord van Iphitus te reinigen. Zelfs Hades, die aan de zijde der
+Pyliërs streed, werd door den held zwaar gewond. Van hier trok hij
+naar Sparta en doodde hij Hippocoön (z. a.) en zijne twaalf zonen; de
+regeering gaf hij aan Tyndareos terug, op voorwaarde dat zij eens op
+zijne eigene nakomelingen zou overgaan. Te Calydon aangekomen, vatte
+hij liefde op voor Deïanira, de schoone dochter van koning Oeneus,
+die echter ook bemind werd door Achelous (z. a.); toen deze gedwongen
+was van zijne aanspraken afstand te doen, huwde Her. met Deïanira en
+bleef hij geruimen tijd bij zijn schoonvader wonen, totdat hij eens bij
+ongeluk aan een jongen bloedverwant van dezen een doodelijken slag gaf,
+waarna hij besloot zich te verwijderen. Op zijne reis naar Trachis
+trok hij over de rivier Euenus, die hij doorwaadde, maar om Deïanira
+er over te brengen, had hij de hulp van den Centaur Nessus noodig;
+deze nam haar op zijn rug, maar toen hij haar midden op den overtocht
+geweld wilde aandoen, doorschoot Her. hem met een van zijne vergiftigde
+pijlen. Te Trachis werd hij gastvrij ontvangen door koning Ceyx,
+voor wien hij de Dryopen onderwierp. Gedurende zijn verblijf aldaar
+ondernam hij op bevel van Apollo den strijd tegen Cycnus (no. 3), en
+ondersteunde hij Aegimius (z. a.) in zijn oorlog tegen de Lapithen,
+bij welke gelegenheid hij Amyntor (z. a.) doodde. Eindelijk begaf
+hij zich weder naar Oechalia om zich op Eurytus te wreken, hij nam
+den burcht in, doodde hem en zijne zonen, en voerde rijken buit mede,
+waaronder ook de schoone Iole. Toen Deianira dit vernam, herinnerde
+zij zich dat Nessus haar bij zijn dood een zalf gegeven had, die haar,
+naar hij beweerde, de liefde van haar gemaal zou doen herwinnen, indien
+hij haar soms mocht willen ontrouw worden. Vreezende dat Iole haar
+mededingster zoude worden, bestreek zij een prachtgewaad met die zalf,
+en zond het aan Her. om het te dragen bij het offer, dat hij aan Zeus
+wilde brengen. Her. had echter nauwelijks dit kleed aangetrokken, of
+hij werd door de hevigste pijnen overvallen, zoodat hij in waanzin den
+brenger er van in zee werpt; de zalf was namelijk niets anders dan het
+gestolde bloed van Nessus, gevloeid uit de wond, die Her. zelf hem had
+toegebracht met een zijner pijlen, en dus vergiftigd met het bloed van
+de slang van Lerna. Toen hij vernam wat er gebeurd was en inzag dat
+zijn einde nabij was, liet hij zich op den top van het Oetagebergte
+brengen, en besteeg daar den brandstapel. Terwijl de vlam opstijgt,
+daalt Athena onder donder en bliksem met een vierspan van den hemel en
+voert den held naar den Olympus, waar zij met Apollo hem in den kring
+der goden leidt, Hera zich met hem verzoent en Hebe hem tot gemalin
+gegeven wordt.--Her., oorspronkelijk de heros der Doriërs in Thessalië,
+werd in den loop der tijden de voornaamste held van geheel Griekenland;
+men neemt aan dat, tengevolge daarvan, een aantal verhalen van groote
+daden, aanvankelijk aan anderen toegeschreven, zich aan zijn naam
+hebben vastgeknoopt, en dat ook buitenlandsche, vooral oostersche,
+legenden met zijne geschiedenis verbonden zijn. Latere navorschers
+hebben getracht dit te bewijzen en hebben zijne daden zelfs over
+24 verschillende personen verdeeld. Men vereerde hem algemeen
+in Griekenland, hetzij als heros, in navolging van hen, die zijn
+hemelvaart hadden bijgewoond, hetzij als god, naar het voorbeeld van
+den Athener Diomus, in zijne hoedanigheden als roemrijk overwinnaar
+in al zijne ondernemingen (Kallinikos, Victor), als verdelger van
+monsters en weldoener der menschheid (Alexikakos, Soter, Pacifer), als
+waarzeggend god (Mantis), als beschermer van gymnasia en wedstrijden,
+de oefenscholen van mannelijke kracht (Enagonios), enz. Te Athene,
+Thebe e. e. werden te zijner eere bizondere feesten (Herakleia)
+gevierd. De beeldende kunst stelde hem soms als kind of jongeling voor,
+maar meestal als een krachtig gebouwd man, met korten hals en breede
+borst, betrekkelijk klein hoofd, zwaar kort haar, gewapend met boog,
+knots en leeuwenhuid.
+
+Heracleum, Herakleion, 1) zuidelijkste kaap van Italia, ook Herculis
+promunturium geheeten, thans Spartivento.--2) kaap in Pontus,
+ten O. van Amisus.--3) stad in Macedonia, nabij de thessalische
+grenzen en het dal Tempe.--4) stadje in het noord-syrische gewest
+Cyrrhestica, waar P. Ventidius in 38 de Parthen versloeg.--5) stad in
+de Nijldelta, waarnaar de canobische Nijlmond ook de heracleotische
+wordt genoemd.--6) = Herculaneum.--7) haven van Cnosus.
+
+Heraclidae, Herakleidai, zonen en afstammelingen van Heracles. De
+kinderen, die bij den dood van den held in de Peloponnesus
+achterbleven, werden reeds spoedig door Eurystheus vervolgd en
+genoodzaakt in Attica een toevluchtsoord te zoeken. Theseus of
+Demophon nam hen welwillend op, en toen Eurystheus met geweld hunne
+uitlevering wilde afdwingen, werd zijn leger verslagen en hij door
+Hyllus, den oudsten zoon van Heracles, gedood. Steunende op een
+orakel, dat hun geluk op hunne onderneming beloofde, indien zij de
+derde vrucht afwachtten, beproefden Hyllus en zijne afstammelingen
+nog meermalen de regeering over de Peloponnesus te verwerven, totdat
+Temenus, Cresphontes en Aristodemus, achterkleinzonen van Hyllus, er
+in slaagden, het schiereiland te veroveren, dat zij onder elkander
+verdeelden: Temenus kreeg Argos, Cresphontes Messenië, en de zonen
+van Aristodemus (z. a.) Lacedaemon. Dit verhaal van de terugkomst
+der Heracliden strekt om de rechten der Doriërs, die de Peloponnesus
+veroverd en de oude bevolking onderworpen hadden, te steunen op de
+vroeger door Heracles verworven aanspraken.--Ook de koningen van
+Macedonië noemden zich Heracliden en beweerden van Temenus af te
+stammen.--In Lydië regeerde gedurende meer dan vijf eeuwen een dynastie
+van Heracliden, waarvan Candaules de laatste was; de stamvader van deze
+dynastie zou door Heracles bij eene slavin van Jardanus verwekt zijn.
+
+Heraclides, Herakleides, 1) bevelhebber der ruiterij onder den
+jongen Dionysius; later verbannen, nam hij deel aan de onderneming
+van Dio, doch spoedig verwekte hij onrust en werd hij op last van
+Dio gedood.--2) beroemd geneesheer, vader van Hippocrates.--3)
+van Tarentum, zeer geleerd geneesheer in de eerste eeuw, men zegt
+dat hij in zijne talrijke werken niets schreef, wat hij niet zelf
+onderzocht had.--4) van Erythrae, een geneesheer die over de werken
+van Hippocrates schreef. Hij leefde ten tijde van Strabo.--5)
+Her. Ponticus, een rijk en aanzienlijk man van Heraclea Pontica,
+woonde te Athene de lessen van Plato en Speusippus bij, en hielp zijne
+vaderstad zich van den tyran Clearchus te bevrijden. Hij stierf aan
+eene beroerte. Bij voorkeur beoefende hij de sterrenkunde, en hij zoude
+reeds de beweging van de aarde om haar as gevonden hebben. Overigens
+getuigden zijne talrijke wijsgeerige, taal- en geschiedkundige
+werken van groote geleerdheid, maar weinig oordeel.--6) van Cyme,
+ouder tijdgenoot van Alexander d. G., schrijver van een perzische
+geschiedenis.--7) z. Heraclitus no. 3.
+
+Heraclitus, Herakleitos, 1) van Ephesus, omstreeks 500. Hij leefde
+geheel en al voor de studie en sloeg zoowel het verzoek van zijne
+medeburgers af om aan het staatsbestuur deel te nemen, als eene
+uitnoodiging om aan het hof van Darius Hystaspis te komen. De
+resultaten zijner studie heeft hij neergelegd in een werk (peri
+physeos), dat hem bij de ouden den naam skoteinos bezorgde; de taal
+er van is moeielijk te verstaan, en de daarin ontwikkelde stellingen
+moeielijk te begrijpen. De grondstof van het heelal, tevens de
+alwetende en albesturende goddelijke geest, is volgens Her. het vuur,
+waaruit langs den weg naar beneden (hodos kato) alles ontstaat, en
+waarin zich langs den weg naar boven (hodos ano) alles oplost. Maar
+de stof beweegt zich in ieder voorwerp langs beide wegen te gelijk,
+of eigenlijk zijn de twee wegen slechts een (hodos ano kato mie),
+daarom kan men evenmin zeggen dat iets is als dat het niet is; zoowel
+het eene als het andere is waar, ontstaan en vergaan zijn in alles ten
+nauwste verbonden, alles is in onophoudelijke beweging en verandering
+(panta rhei). De stoffelijke voorwerpen ontstaan door tweespalt in
+den boezem der godheid, de geheele wereld is to hen diapheromenon
+auton hauto, maar onder den invloed van liefde en vrede gaat zij
+van tijd tot tijd weder in de godheid op, om daarna zich evenals
+te voren er van af te scheiden. Verscheiden fragmenten van dit
+werk zijn bewaard gebleven. De leer van Her. is later de grondslag
+geworden van het stelsel der Stoicijnen.--2) van Tyrus, leerling van
+Philo van Larisa, academisch wijsgeer.--3) ook Heraclides genoemd,
+schrijver van Allegoriai Homerikai, waarin de mythen van Homerus in
+den geest der stoicijnsche wijsbegeerte verklaard worden. Hij leefde
+waarschijnlijk onder de eerste rom. keizers.
+
+Heraea, Heraia, feesten ter eere van Hera, op verschillende plaatsen
+in Griekenland gevierd, vooral op Samus, Mycenae, Corinthe, en zijne
+koloniën, en met bizonderen luister te Argos.
+
+Heraea, Heraia, 1) stad in Arcadia aan den Alpheus.--2) zie Hybla.
+
+Heraei montes, Heraia ore, bergketen op Sicilia, loopt van het midden
+naar de Z.O. punt.
+
+Heraeum, Heraion, 1) de westelijkste punt der Corinthische
+landengte.--2) stad aan de Propontis (zee van Marmara), ten W. van
+Perinthus.--3) Her. promunturium, z. Iunonis promunturium.
+
+Herbessus, Herbessos, ook Erb. 1) stad der Siculi ergens bij
+Syracusae.--2) stadje in het gebied van Agrigentum, op Sicilia.
+
+Herbita, Herbita, stad in het hart van Sicilia, ongeveer N.waarts
+van Enna.
+
+Herculaneum of -num, Herakleion, oude oscische, later tyrrheensche,
+vervolgens grieksche stad in Campania, aan den voet van den Vesuvius
+aan zee gelegen, sedert 88 rom. kolonie. In 63 na C. werd het door eene
+aardbeving zwaar geteisterd en zestien jaar later bij de uitbarsting
+van den Vesuvius onder een lavastroom bedolven. Bij het graven van
+een put in 1721 werd het ontdekt; doch eene opgraving op groote schaal
+als te Pompeii is niet mogelijk, omdat op den heuvel, die zich boven
+H. gevormd heeft, nu Resina ligt. Toch heeft men een schat van kostbare
+voorwerpen aan het licht gebracht; in belangrijkheid en omvang kon
+de stad zich echter met Pompeii niet meten, daar ze hoogstens 2500
+à 3000 inwoners kan geteld hebben.
+
+Hercules = Heracles. De sagen betreffende Heracles verbreidden zich
+reeds vroeg over Sicilië en Zuid-Italië, en kwamen zoo ook naar Rome,
+waar zijn dienst van uit Tibur is ingevoerd. Oorspronkelijk was die
+dienst bij de Ara Maxima een sacrum gentilicium van de Pinarii en
+Potitii (zie Pinarii); App. Claudius heeft ze tot staatsgodsdienst
+gemaakt, en sedert dien tijd offert de praetor urbanus jaarlijks Graeco
+ritu. Hercules werd bij de Ara Maxima vooral door de kooplieden
+vereerd, die hem de decuma, het tiende van de winst beloofden;
+de opbrengst werd gebruikt voor een volksmaaltijd, hetgeen ook een
+grieksch gebruik is. Bij Hercules zwoeren de mannen: me hercule. Men
+zocht daarom overeenkomst tusschen hem en inheemsche godheden, Semo
+Sancus, Dius Fidius, enz., later werd hij meer de beschermende genius
+der stad Rome (Custos, Defensor, Salutaris), ook had hij een tempel
+met de Muzen gemeen. Ook offerde men bij voorkeur aan hem na gelukkig
+te boven gekomen gevaren; zie verder Cacus.
+
+Herculis (fretum), ook fretum Herculeum, fretum Gaditanum, thans
+straat van Gibraltar. Zie Columnae Herculis.
+
+Herculis Monoeci portus, massilische kolonie op de ligurische kust,
+thans Monaco, met een tempel van Hercules Monoecus, Monoikos.
+
+Herculis portus, zie Cosa.
+
+Herculis promunturium = Heracleum no. 1, thans kaap Spartivento.
+
+Herculis silva, in Germania, ten O. van den Visurgis (Weser), misschien
+het Süntelgebergte.
+
+Hercynia silva, Herkynia hyle, Herkynios drymos, algemeene naam
+voor het boschrijke gebergte, dat zich, volgens Caesar 60 dagreizen
+lang en 9 breed, van den Rijn tot aan de Carpathen uitstrekte
+(Taunus, Spessart, Rhön, Thüringer- en Frankenwald met de noordelijke
+vertakkingen naar den Harz, Fichtel, Ertsgeb., Sudeten, Reuzengeb.). In
+lateren tijd, toen de verschillende gedeelten afzonderlijk genoemd
+werden, bleef de naam Herc. silva nog in gebruik voor het oostelijke
+gedeelte van het Reuzengebergte, een enkele maal ook voor de streken
+aan den Rijn.
+
+Herdonia, Herdonia, stadje in Apulia ten Z. van Arpi, dat zich in
+216 bij Hannibal aansloot. Het werd in 212 en 210 te vergeefs door
+de Romeinen belegerd; ten slotte sloopte Hannibal de stad en voerde
+de inwoners over naar Metapontum.
+
+Herdonii. Turnus Herdonius uit Aricia werd op last van Tarquinius
+Superbus ter dood gebracht wegens opruiing der Latijnen tegen den
+koning.--Appius Herdonius, een Sabijn, overrompelde in 460 met behulp
+van eene schaar cliënten en vluchtelingen het Capitool, doch moest
+weder zwichten en boette zijn aanslag met den dood.
+
+Hereditas, heredes. Om volgens het strenge rom. recht eene erfenis te
+kunnen aanvaarden, moest men het commercium hebben. Bij dit erfrecht
+komen een aantal uitdrukkingen voor, die hier eene korte verklaring
+mogen vinden. Heredes sui zijn de erfgenamen, die bij het overlijden
+in de manus of in de potestas van den afgestorvene stonden, dus
+zijne echtgenoote en zijne kinderen (en somtijds kleinkinderen),
+voor zoover deze niet door emancipatie of huwelijk of adoptie uit
+zijne potestas waren geraakt. De vestaalsche maagden, als sui iuris
+zijnde, konden nooit heredes sui zijn. De heredes sui waren de wettige
+erfgenamen in den eersten graad. Ontbraken deze, dan kwamen in de
+tweede plaats de agnaten van den overledene, d.w.z. zij, die vroeger
+met hem onder dezelfde patria potestas hadden gestaan, zijne moeder,
+broeders, zusters. Ontbraken ook deze, dan kwamen in de derde plaats
+de gentiles in aanmerking. Cognaten waren dus uitgesloten, evenals
+geëmancipeerde kinderen; doch het praetorische recht (z. a.) kwam hier
+aan de billijkheid te gemoet door hunne rechten toch te erkennen,
+en, voor zoover het dan ook geen eigendomsrecht kon geven, hun toch
+het bezitrecht, bonorum possessio, toe te kennen. Overigens traden
+de wettige erfgenamen slechts op voor zoover niet door wettige
+testamentaire bepalingen anders was beschikt.--Hereditatis cretio
+heet de uitdrukkelijke verklaring, dat men de erfenis aanvaardt.--Pro
+herede gestio wordt gebezigd, wanneer men eenvoudig als erfgenaam
+handelend optreedt.--Heres ex asse is de universeele erfgenaam;
+ex semisse, de erfgenaam voor de helft; ex triente, die voor een
+derde, enz.--De erfgenaam, die eene erfenis aanvaardde (hereditatem
+adire), moest zoowel het passief, als het actief van den boedel
+overnemen, ook de sacra, iets wat lastig kon wezen. Vandaar wordt de
+uitdrukking heriditas sine sacris spreekwoordelijk gebezigd voor een
+buitenkansje.--Vrouwen hadden slechts een beperkt erfrecht, zie lex
+Voconia.--Onder de keizers verdween het agnatenrecht meer en meer,
+om plaats te maken voor dat der cognaten.
+
+Heredium, rom. vlaktemaat = 2 iugera = ongeveer 1/2 hectare.
+
+Herennia (lex) van den volkstribuun C. Herennius in 60, om door
+de tribuutcomitiën den bekenden P. Clodius tot de plebs te doen
+overgaan. Het plebisciet ging niet door; Clodius werd eerst in 59
+plebejer door adoptie.
+
+Herennii, samnietisch geslacht, dat ook in Campania vertakkingen
+had en ook te Rome leden telde. Sommigen worden vermeld als groote
+kooplieden. Onder de juristen, van wie uittreksels in de Pandecten
+zijn opgenomen, behoort Herennius Modestinus, uit de eerste helft
+der derde eeuw na C., een leerling van Ulpianus.--Zekere Herennius
+Senecio, ten tijde van keizer Domitianus, werd door dezen ter dood
+veroordeeld, omdat hij het leven van Helvidius Priscus op vrijmoedige
+wijze beschreven had.--Herennius Philo, zie Philo no. 8.
+
+Herillus, Herillos, van Carthago, leerling van Zeno, maakte een
+onderscheid tusschen het levensdoel (telos) van den wijze, nl. kennis,
+en dat van de groote menigte, hetwelk hij hypotelis noemde, en dat
+in rijkdom en dgl. bestaat.
+
+Herilus, zoon van Feronia, koning van Praeneste, die van zijne moeder
+drie lichamen gekregen had en door Euander gedood werd.
+
+Hermae, Hermai, vierhoekige zuilen met een kop, v. s. zoo genoemd
+omdat de Pelasgen Hermes zonder handen en voeten afbeeldden. Te Athene
+stonden op verschillende plaatsen in het midden van de stad en voor
+de huizen zulke hermen; binnenshuis vond men ze veelal als versiering
+aangebracht; in Italië werden zij vooral als grenspalen gebruikt. De
+kop stelde gewoonlijk Hermes voor, een dergelijke zuil met een kop
+van Athena, Heracles e. a. noemde men Hermathena, Hermeracles, enz.
+
+Hermaeum promunturium, Hermaia akra, naam van eenige kapen. 1)
+N.O. punt van het carthaagsche gebied, door de Rom. Mercurii
+prom. geheeten, thans kaap Bon.--2) N.O. punt van het eiland
+Lemnus.--3) kaap aan de europeesche zijde van den thracischen Bosporus
+(straat v. Constantinopel), waar Darius een brug sloeg.--4) Hermaios
+lophos, heuvel op Ithaca, het eiland van Ulysses.
+
+Hermagoras, Hermagoras, 1) grieksch rhetor uit de 2de eeuw, die
+door zijne stelselmatige behandeling der redekunst groot aanzien
+verwierf. Zijne leerlingen noemden zich Hermagorei.--2) grieksch
+rhetor onder Augustus en Tiberius, leerling van Theodorus van Gadara.
+
+Hermaphroditus, Hermaphroditos, zoon van Hermes en Aphrodite. Als knaap
+baadde hij zich eens in een bron, en bekoorde door zijn schoonheid de
+bronnimf Salmacis zoozeer, dat zij hem om zijne liefde smeekte. Toen
+zij geen gehoor vond, bad zij dat hunne lichamen altijd tot één
+verbonden mochten worden, hare bede werd verhoord, en uit hunne
+vereeniging ontstond een tweeslachtig wezen half man, half vrouw.
+
+Hermarchus, Hermarchos, van Mytilene, leerling van Epicurus en diens
+opvolger als hoofd der school.
+
+Hermeas, Hermeias, vriend van Aristoteles, had eenigen tijd de
+regeering over Atarneus, die hem in 345 door de Perzen ontnomen werd.
+
+Hermes, Hermes, Hermeias, Mercurius, zoon van Zeus en Maia, geboren op
+den berg Cyllene (Kyllenios), een god van alles, waarbij behendigheid,
+gevatheid en list te pas komen, en beschermer van allen, die in deze
+eigenschappen uitmunten. Reeds op den dag zijner geboorte stal hij
+50 runderen van Apollo, en wist hij ze zoo behendig weg te leiden en
+te verbergen, dat Apollo ze nauwelijks vinden kon en de tusschenkomst
+van Zeus moest inroepen om ze terug te krijgen. Hij liet ze hem echter
+behouden in ruil voor de lier, die Hermes gemaakt had van de schaal
+eener schildpad, die hij op zijn eersten tocht had gevonden. Wegens
+zijne schranderheid maakte Zeus hem heraut der goden en zendt hij hem
+in menig geval uit om zijn wil ten uitvoer te brengen (Diaktoros); in
+deze hoedanigheid geleidt hij ook de schimmen der afgestorvenen naar de
+onderwereld (Psychopompos, Psychagogos). Voor de menschen is hij een
+welwillend en zegenend god (Eriounios, Akaketa), gids bij moeielijke
+en gevaarlijke ondernemingen (Hegemonios), vooral voor herauten en
+gezanten, god van den koophandel, waarbij men door verstand en overleg
+winst behaalt, om dezelfde reden trouwens ook van diefstal en bedrog;
+ieder onverwacht voordeel, bijv. als men op weg iets vindt, is een
+geschenk van hem (hermaion). Vele dingen, die het leven veraangenamen,
+hebben de menschen hem te danken (Charidotes), hij geeft rijkdom
+(Ploutodotes), vooral van vee (Nomios), en welbespraaktheid (Logios,
+Facundus), hij is de uitvinder van de lier, veldfluit, letters,
+getallen, maten, gewichten, gymnastiek (Enagonios), enz. Eindelijk
+zorgt hij, evenals Apollo, voor de veiligheid op straten en wegen
+(Enodios); van geen god vond men zooveel beelden op den openbaren
+weg als van hem (z. Hermae).--Zijn eeredienst heeft zich van Arcadië
+uit reeds vroeg over geheel Griekenland verbreid. Men offerde hem
+den 4den van elke maand zwijnen, lammeren, rammen, honig, wierook,
+enz. Hij wordt afgebeeld als een schoon en welgemaakt jong man met
+verstandige en vriendelijke gelaatstrekken; als bode van Zeus heeft hij
+soms vleugels aan de voeten (Alipes) en aan zijn breedgeranden reishoed
+(petasos), in de hand heeft hij den caduceus, een tooverstaf, die hem
+door Apollo geschonken was en waarvan men later een herautsstaf maakte
+(Caducifer), of een geldbeurs, schildpad, harp, zwaard, enz.
+
+Hermesianax, Hermesianax, van Colophon, elegisch dichter ten tijde
+van Alexander d. G. Van een zijner werken is een moeilijk verstaanbaar
+fragment bewaard gebleven.
+
+Herminii, een geslacht, waarschijnlijk van etruscische afkomst. 1)
+T. Herminius Aquilinus, was met Horatius Cocles een der verdedigers
+van de Tiberbrug tegen de benden van Porsena (508). In 506 was hij
+consul. Hij sneuvelde in 496 bij het meer Regillus.--2) Lar Herminius,
+consul in 448.
+
+Herminius mons, Herminion oros, gebergte in Lusitania (Portugal), thans
+Sierra de la Estrella, tusschen den Durius (Duero) en den Tagus (Taag).
+
+Hermi(n)ones, algemeene naam voor de volksstammen van Midden-Germania,
+als: Cheruscers, Chatten, Hermunduren, Marcomannen, Quaden.
+
+Hermione, Hermione, dochter van Menelaus en Helena, was vóór den
+trojaanschen oorlog door haar vader, of gedurende dien oorlog door
+haar grootvader, aan Orestes verloofd; toen Menelaus echter terugkwam,
+huwde hij haar aan Neoptolemus uit, volgens eene belofte, die hij dezen
+voor Troje gedaan had. Daardoor ontstond een twist tusschen Orestes
+en Neoptolemus, waarbij deze door Orestes, of op diens aandrijven
+door de Delphiërs, gedood werd. Bij Orestes werd zij daarna moeder
+van Tisamenus.
+
+Hermione, Hermione, stad der Dryopes aan de Z. O. kust van Argolis.
+
+Hermippus, Hermippos, 1) dichter der oude comedie, die in zijne stukken
+vooral Pericles, Aspasia en Hyperbolus aanviel. Ook parodieën en iamben
+van hem worden vermeld.--2) van Smyrna, leerling van Callimachus no. 3,
+beschreef de levens van de zeven wijzen en latere wijsgeeren.--3)
+van Berytus, grammaticus ten tijde van Traianus en Hadrianus.
+
+Hermocopidae, Hermokopidai, personen, beschuldigd van het verminken
+der Hermen te Athene. Z. Alcibiades.
+
+Hermocrates, Hermokrates, staatsman en veldheer te Syracuse, leidde
+onder groote tegenwerking van de democratische partij de verdediging
+van de stad tegen de Atheners (414). Later onderscheidde hij zich
+als aanvoerder van de sicilische vloot, die de Spartanen in den
+peloponnesischen oorlog ondersteunde. In 410 werd hij als aristocraat
+verbannen; daarop wist hij door ondernemingen tegen de Carthagers
+de gunst van het volk te winnen en eene omwenteling te bewerken. Hij
+werd echter niet teruggeroepen, en toen hij nu beproefde met geweld
+terug te keeren, werd hij in een gevecht gedood (407). Hij was de
+schoonvader van den ouden Dionysius, wiens vader eveneens Herm. heette.
+
+Hermodorus, Hermodoros, 1) van Ephesus, door zijne medeburgers
+verbannen, hielp te Rome, naar men verhaalde, de tienmannen bij het
+samenstellen der twaalf tafelen.--2) van Salamis, bouwmeester te Rome
+omstreeks 140.
+
+Hermogenes, Hermogenes, 1) Tigellius Herm., toonkunstenaar ten
+tijde van Augustus, naar het schijnt een vijand van Horatius.--2)
+van Tarsus, trad reeds op zijn 15de jaar (omstreeks 170 na C.) als
+rhetor te Rome op en werd algemeen bewonderd, na 10 jaar verloor
+hij zijne geestvermogens; hij stierf op hoogen leeftijd. Van zijne
+geschriften over de redekunst, die bij lateren veel gezag hadden,
+zijn eenige bewaard gebleven.
+
+Hermolaus, Hermolaos, page van Alexander d. G., aanhanger van
+Callisthenes no. 1. Door Alex. beleedigd, smeedde hij een aanslag
+tegen diens leven, die echter ontdekt werd, waarna hij met zijne
+medeplichtigen gesteenigd werd.
+
+Hermon, Hermon, gebergte aan de N.-grens van Palaestina, een
+zuidwestelijke uitlooper van den Antilibanon.
+
+Hermopolis, Hermou polis, naam van twee aegyptische steden: 1)
+H. maior, in Midden-Aegypte, aan den Nijl, waar de tol geheven werd
+van de uit Thebaïs afkomende schepen.--2) H. minor, in de Delta aan
+den Canobischen Nijlarm.
+
+Hermotimus, Hermotimos, van Clazomenae, had het vermogen met zijn geest
+in verre landen rond te zwerven, terwijl zijn lichaam in diepen slaap
+achterbleef. Bij zulk eene gelegenheid werd zijn lichaam door zijne
+vijanden verbrand, zoodat de ziel niet er in terug kon keeren. Zijne
+stadgenooten richtten hem een tempel op.
+
+Hermunduri, Hermoundouroi, suevische volksstam in Midden-Germania,
+waarvan de naam nog voortleeft in den naam Thuringen. In den tijd
+van Tacitus waren ze met de Romeinen bevriend. Tot aan den raetischen
+limes wonende (ten Westen van de Marcomannen), mochten ze vrij de grens
+passeeren, en in Augusta Vindelicorum (Augsburg) handeldrijven. Sedert
+den Marcomannenoorlog worden ze niet meer genoemd, en verdwijnen zij
+onder den algemeenen naam Suevi.
+
+Hermus, Hermos, rivier, die op den mons Dindymus in Phrygia ontspringt,
+in allerlei bochten door de phrygische vlakte en vervolgens door
+Lydia loopt en zich ten laatste ten N. van Smyrna in de Hermaeische
+golf stort. Een zijriviertje hiervan is de Pactolus.
+
+Hernici, Hernikoi, klein sabijnsch volk met de hoofdstad Anagnia,
+dat zich in 486 bij de Latijnen aansloot en sedert dezen tijd tot
+Latium werd gerekend. V. a. dateert dit verbond eerst uit de 4de
+eeuw. Zij traden toen tevens tot het rom.-latijnsche verbond toe. Toen
+dit verbond uiteenspatte, werden de Hernici na herhaalde oorlogen
+eindelijk in 306 geheel tot onderwerping gebracht. Zie Anagnia.
+
+Hero, Hero, z. Leander.
+
+Hero, Heron, van Alexandrië, uit de 2de helft der 2de eeuw, beroemd
+wiskundige, de grootste natuurkundige der oudheid, leerling van
+Ctesibius; van zijne werken zijn sommige bewaard gebleven, andere
+alleen in een arabische vertaling.
+
+Herodes, Herodes, bijgenaamd de Groote, een Idumaeër van geboorte,
+werd in 37 door M. Antonius tot koning van Judaea aangesteld. Om zijne
+macht te bevestigen, huwde hij eene afstammeling der Makkabaeën,
+Mariamne, die om hare schoonheid bekend was. Met rom. hulp weerde
+hij de Syriërs af, nam Jerusalem in, dat hij verfraaide, en waar
+hij den tempel liet afbreken en veel schooner en grooter herbouwen,
+maar bleef toch bij de Joden als Edomiet en overweldiger gehaat. Hij
+beging ongehoorde wreedheden, zooals den bethlehemschen kindermoord,
+de uitroeiing der Makkabaeën; ook zijne vrouw en twee zijner zonen
+liet hij ombrengen. Hij stierf in het jaar na Christus' geboorte
+(v. a. echter 4 v. C.) en liet drie zoons na, die ieder van Augustus
+een stuk van huns vaders gebied kregen. De oudste, Archelaus, werd
+ethnarch van Judaea, Samaria en Idumaea; doch reeds 6 na C. werd hij
+door den keizer afgezet en verbannen, en zijn land onder een procurator
+bij de provincie Syria ingedeeld. De tweede zoon, Herodes Antipas,
+kreeg Galilaea en Peraea als tetrarch, en werd in 39 na C. door
+Caligula verbannen. Hij was het, die Johannes den Dooper aan de wraak
+zijner gemalin opofferde. Om zijn slimheid wordt hij door Jezus
+de vos genoemd (Lucas 13, 32). De derde, Philippus, werd tetrarch
+van de overjordaansche gewesten Trachonitis, Auranitis, Batanaea,
+Graulonitis en Ituraea, en bleef dit tot aan zijn dood, 34 na C.
+
+Herodes Agrippa I, kleinzoon van Herodes den Gr., was te Rome opgevoed
+en behoorde tot de vrienden van Caligula. In 38 n. C. werd hij door
+dezen over een gedeelte van Palaestina aangesteld. Keizer Claudius
+voegde er in 41 het overige bij. Agrippa stierf in 44 te Caesarea,
+door zijne onderdanen zeer betreurd.--Zijn zoon, Herodes Agrippa
+II, werd later tetrarch van een gedeelte van Palaestina. De Joden
+verdreven hem; hij nam deel aan het beleg van Jerusalem door Titus,
+en hield zich vervolgens te Rome op, waar hij in 100 stierf.
+
+Herodes Atticus (Tib. Claudius). Zie Atticus Herodes.
+
+Herodianus, Herodianos, 1) Aelius Her., van Alexandrië, zoon van
+Apollonius Dyscolus, kwam onder M. Aurelius naar Rome en werd
+rom. burger. Van zijne talrijke werken over grieksche taalstudie,
+die langen tijd zeer groot gezag hadden, is slechts een enkel
+weinig belangrijk fragment over; bizonder uitvoerig behandelde hij
+de prosodie, de accentenleer, enz.--2) grieksch geschiedschrijver
+in de 3de eeuw na C., die een niet onbelangrijke geschiedenis van
+zijn tijd, van den dood van M. Aurelius tot het begin der regeering
+van Gordianus III, heeft nagelaten. Hij leefde meestal te Rome in
+ondergeschikte betrekkingen.
+
+Herodicus, Herodikos, 1) van Selymbria, leerling van Hippocrates,
+omstreeks 420, schreef als geneeskundige over gezondheidsleer en
+heilgymnastiek.--2) van Leontini, broeder van Gorgias.--3) Babyloniër,
+grammaticus van de pergameensche school, leerling van Crates.
+
+Herodorus, Herodoros, van Heraclea, logograaf omstreeks 400, verzamelde
+de mythen betreffende Heracles, de Argonauten, e.a.
+
+Herodotus, Herodotos, 1) geb. omstreeks 484 te Halicarnassus, zoon
+van Lyxes, werd reeds vroeg door den tyran Lygdamis genoodzaakt zijn
+vaderstad te verlaten; hij begaf zich naar Samus, van waar hij eerst
+terugkeerde om bij het verdrijven van den tyran behulpzaam te zijn;
+hij was echter bij zijne medeburgers niet bemind, en ging na eenigen
+tijd te Athene verblijf gehouden te hebben, waar hij veel met Pericles
+en Sophocles omging, zich in 444 te Thurii vestigen, dat toen juist
+door de Atheners op de plaats van het oude Sybaris gesticht was;
+hier stierf hij omstreeks 424. De door Her. nagelaten geschiedenis
+in 9 boeken, waaraan de alexandrijnsche geleerden de namen der Muzen
+gegeven hebben, munt zoozeer uit boven de werken zijner voorgangers op
+dit gebied, dat men hem niet zonder reden den vader der geschiedenis
+genoemd heeft. Hij is de eerste, die zich niet tevreden stelt met
+het bijeenzoeken en te boek stellen der overlevering, maar ook de
+geloofwaardigheid er van onderzoekt en kritiek uitoefent, wanneer hem
+dit althans niet onmogelijk wordt gemaakt door zijne onbekendheid met
+de talen van de volken, die hij bezocht, of door zijn blind geloof aan
+de mededeelingen van priesters, door wie hij zich bij voorkeur laat
+inlichten. Hij onderscheidt zich vooral daardoor van de logografen, dat
+hij zich van het begin af schijnt voorgesteld te hebben een omvangrijk
+werk te schrijven, waarin wel bij gelegenheid het wetenswaardige
+uit de geschiedenis van vele landen en volken wordt ingevlochten,
+maar dat ten slotte toch één hoofdonderwerp heeft: den eeuwenouden
+strijd tusschen Grieken en barbaren, die in de perzische oorlogen
+tot eene beslissing komt. Naar dit plan loopt zijn verhaal geregeld
+voort van de troonsbestijging van Gyges tot de inneming van Sestus na
+den slag bij Mycale, en, hoe talrijke en soms omvangrijke episoden en
+uitweidingen ook den draad er van schijnen af te breken, altijd keert
+hij weder tot zijn onderwerp terug en overal blijft hij belangrijk en
+onderhoudend. Als bronnen voor zijn werk heeft hij ongetwijfeld oudere
+epische dichters en logografen geraadpleegd, voornamelijk echter
+bevat zijn werk dat, wat hij op zijne verre reizen zelf gezien en
+vernomen heeft, want Her. heeft bijna alle in zijn tijd voor Grieken
+toegankelijke landen bezocht: Klein-Azië, het O. tot Babylon, de
+kusten der Zwarte zee, Aegypte, Griekenland, Beneden-Italië en vele
+eilanden, overal nasporingen gedaan, gedenkteekenen van oude tijden
+onderzocht, enz. Aan zijn werk arbeidde hij met lange tusschenpoozen
+gedurende zijn geheele leven, waarschijnlijk heeft hij er niet de
+laatste hand aan gelegd en is het niet bij zijn leven uitgegeven;
+wel hield hij nu en dan, bij feestelijke vergaderingen, te Olympia,
+Athene, Thebe en Corinthe, onder grooten bijval voorlezingen van
+enkele gedeelten. Hoewel in eene dorische stad geboren, schreef
+Her., in navolging van epici en logografen, in het ionisch dialect,
+dat trouwens te Halicarnassus ook gesproken werd; zijn eenvoudige,
+verhalende stijl weerspiegelt als het ware zijn waarheidsliefde en
+onpartijdigheid, die soms in twijfel getrokken zijn, maar bij ieder
+nieuw onderzoek meer boven bedenking verheven blijken.--2) van Thebe,
+overwinnaar in de isthmische spelen.--3) beeldhouwer, tijdgenoot van
+Praxiteles.--4) van Tarsus, leermeester van Sextus Empiricus.--5)
+beroemd geneesheer, die ten tijde van Hadrianus te Rome leefde.
+
+Heroöpolis, Heroon polis, stad in Aegypte aan het kanaal van Traianus
+(zie Augustamnica), eene voorname stapelplaats voor den karavaanhandel
+en de zetel van den Typhondienst. Naar deze stad droeg de N.W. inham
+der Arabische golf den naam van sinus Heroöpoliticus.
+
+Herophilus, Herophilos, van Chalcedon, beroemd geneesheer te
+Alexandrië ten tijde van en na Alexander d. G., groot ontleedkundige,
+de grondlegger der empirische school, die door eenige van zijne zeer
+talrijke leerlingen gesticht werd.
+
+Heros, Heros, was de naam, dien de Grieken gaven aan personen uit
+oude tijden, die door hun moed, deugd en verstand als grondleggers
+en verbreiders der beschaving beschouwd kunnen worden en wier groote
+daden tot zegen der menschheid hadden gestrekt. Zij worden kinderen der
+goden (diogeneis) genoemd, maar zijn evenals de menschen sterfelijk,
+hoewel zij door hunne buitengewone eigenschappen ver boven gewone
+menschen verheven zijn. Van lateren oorsprong is het geloof, dat zij
+na hun dood niet naar de onderwereld afdalen, maar als halfgoden op de
+eilanden der gelukzaligen een beter leven blijven leiden. Daarbij kwam
+dan de voorstelling, dat zij belang bleven stellen in dat, waaraan zij
+hun leven gewijd hadden, en dat zij door hun voorspraak bij de goden
+trachtten te bewerken, dat hun werk ook na hun dood vruchten bleef
+dragen. Daarom was het raadzaam, zich van hunne welwillendheid te
+verzekeren, en daarom genoten zeer vele heroën op bepaalde plaatsen
+of van wege bepaalde personen goddelijke eer; zoo vereerde bijna
+iedere stad haar stichter als heros; zelden gebeurde het echter dat de
+vereering van een heros algemeen werd. Men bouwde hun ter eere tempels
+en altaren; de offers, die men hun bracht, verschilden echter veel
+van de offers voor de goden en waren in hoofdzaak niets anders dan
+doodenoffers. Het woord wordt ook als eerenaam gebruikt voor personen,
+die in een of ander opzicht uitmunten.
+
+Herostratus, Herostratos, van Ephesus, stak den tempel van Artemis
+te Ephesus in brand, ten einde zijn naam onsterfelijk te maken. Hij
+werd met den dood gestraft, maar het besluit der ionische steden,
+dat zijn naam niet genoemd zou mogen worden, bleef natuurlijk zonder
+gevolg. Denzelfden nacht, waarin Her. zijne misdaad pleegde, werd
+Alexander d. G. geboren.
+
+Herse, Herse, dochter van Cecrops, bij Hermes moeder van Cephalus,
+z. Agraulus.
+
+Hersilia, gemalin van Romulus, na haar dood onder den naam Hora
+Quirini als godin vereerd.
+
+Heruli of Eruli, Herouloi, of Er., een germaansche nomadenstam. Zij
+waren uitmuntende krijgslieden en leverden huurtroepen, nu eens
+aan andere Germanen, dan weder aan de Rom. Zoo vindt men ze bij
+de Gothen in de derde eeuw na C.; ze woonden toen, en ook in de
+vierde eeuw aan de Zuidkust van de Maeotis, in het N. van de Krim,
+waar vroeger Scythen gewoond hadden, en later in Italië, waar hun
+aanvoerder Odoacer in 476 het westrom. rijk vernietigde.
+
+Hesiodus, Hesiodos, geb. te Ascra, waarheen zijn vader uit het
+aeolische Cyme verhuisd was, werd door zijn broeder Perses met behulp
+van omgekochte rechters van zijn erfdeel beroofd, waarom hij zijn
+vaderland verliet en zich waarschijnlijk te Naupactus vestigde;
+v.s. werd hij vermoord en werd zijn lichaam naar Orchomenus
+in Boeotië overgebracht. Door zijne Erga kai Hemerai, een werk,
+waarvan het begin tegen zijn broeder gericht is, en dat verder lessen
+bevat over landbouw, scheepvaart, enz., werd hij de schepper van het
+didactische epos. Onder de andere werken, die te recht of ten onrechte
+aan Hes. worden toegeschreven, is het voornaamste de Theogonia, eene
+eerste poging om eenigen samenhang te brengen in de verwarde verhalen
+omtrent de familiebetrekkingen der goden. Hes. leefde in de 8ste eeuw.
+
+Hesione, Hesione, z. Laomedon en Telamon.
+
+Hesperia, Hesperia, het avondland, het Westland, bij de Grieken een
+naam voor Italia, bij de Rom. voor Hispania. Ter onderscheiding wordt
+dit laatste ook wel Hesperia ultima geheeten.
+
+Hesperides, Hesperides, 3, 4 of 7 dochters van Nyx en Erebus of
+van Atlas en Hesperis, bewaakten met behulp van den draak Ladon in
+een tuin in het verre Westen de gouden appelen, die Gaea aan Hera
+als bruiloftsgeschenk gegeven had. De drie appelen, die Heracles
+op bevel van Eurystheus gehaald had, werden door Athena bij de
+Hesp. teruggebracht.
+
+Hesperides of Hesperis, stad in Cyrenaïca, zie Berenice no. 2.
+
+Hesperidum insulae aan de kust van Afrika, buiten de straat van
+Gibraltar. Sommige schrijvers bedoelen hiermede de Fortunatorum insulae
+(de Canarische eilanden), anderen de Kaap-Verdische eilanden.
+
+Hesperium promunturium, Hesperion keras, voorgebergte aan de Westkust
+van Afrika, tgw. kaap Verde, zie Hesperidum insulae.
+
+Hesperus, Hesperos, Vesper, zoon van Astraeus of Cephalus en
+Eos, of van Atlas, werd, toen hij op den berg Atlas astronomische
+waarnemingen deed, van de aarde weggenomen en als avondster aan den
+hemel geplaatst. Hij was de vader van Hesperis en dus de grootvader
+der Hesperiden.
+
+Hestia, Hestia, Histie, Vesta, dochter van Cronus en Rhea, godin van
+den huiselijken haard. Poseidon en Apollo hadden om hare hand gedongen,
+maar zij had gezworen eeuwig maagd te blijven, en had daarvoor van
+Zeus de gunst verworven, dat zij aan ieder offer aandeel zou hebben,
+in ieder huis als beschermende godin vereerd zou worden. De haard,
+het middelpunt van het huiselijk leven, en volgens oud gebruik het
+altaar der familie, was haar heiligdom, waar de huisvader haar bij
+iedere gewichtige gebeurtenis offers bracht. Voor zoo heilig werd
+deze plaats gehouden, dat smeekelingen en vervolgden daar een veilige
+wijkplaats vonden, en dat men zwoer bij Zeus, de gastvrije tafel
+en den huiselijken haard; vandaar dat smeekelingen en de heiligheid
+van den eed onder bescherming van Zeus en Hestia stonden. De staat,
+als een groot huisgezin beschouwd, had ook zijn gemeenschappelijken
+haard in het prytaneum waar ter eere der godin (Prytanitis) een
+eeuwig vuur onderhouden werd; bij het uitzenden van volkplantingen
+wordt van dit vuur medegegeven, om daarmede het vuur op haar altaar
+in de nieuwe stad te ontsteken.--Eigen tempels had zij weinig, maar
+in vele tempels van andere goden had zij een afzonderlijk altaar,
+bovendien werden haar bij het begin en het einde van ieder bizonder
+plechtig offermaal plengoffers gebracht. Men offerde haar eerstelingen
+der vruchten, jonge koeien, enz. Zij wordt afgebeeld met ernstige en
+waardige gelaatstrekken, in een eenvoudig sluitend kleed.
+
+Hestiaea, Hestiaia, later Oreüs, z. a.
+
+Hestiaeotis, Hestiaiotis, 1) het gebied der euboeïsche stad
+Hestiaea.--2) landschap in het N.W. van Thessalia.
+
+Hesychius, Hesychios, van Alexandrië, schrijver van een belangrijk
+grieksch woordenboek, leefde waarschijnlijk op het einde der 6de eeuw
+n. C.
+
+Hetairai, eigl. vriendinnen, in het bizonder publieke vrouwen. Door
+haar vrijeren omgang met mannen bereikten zij dikwijls een trap van
+geestbeschaving, waarop andere vrouwen zich op verre na niet plaatsen
+konden; te Athene wisten zij dikwijls ook de voortreffelijkste
+mannen te boeien. In sommige steden, bijv. te Corinthe, waren zij
+als hierodouloi, aan den tempel van Aphrodite verbonden, en kwam de
+opbrengst van haar bedrijf ten bate van dien tempel. Aphrodite zelve
+had te Athene, Ephesus, enz., den bijnaam van Hetaira.
+
+Hetairiai, politieke clubs, te Athene en ook wel in andere
+democratische staten vereenigingen van oligarchen, waarvan de leden
+elkander onderling beschermden tegen onderdrukking van de regeerende
+partij en in processen en bij verkiezingen bijstonden, en die,
+wanneer de kans schoon scheen, ook medewerkten tot omverwerping
+der democratie. In aristocratisch geregeerde staten bestonden
+waarschijnlijk ook dergelijke clubs van vijanden der bestaande
+staatsinrichting.
+
+Hetairoi, naam van de zware ruiterij in het macedonische leger. Zij
+stonden op den rechtervleugel, en bij de veldslagen van Alexander
+d. G. beginnen zij in den regel het gevecht.
+
+Hetruria = Etruria.
+
+Hiarbas of Iarbas, Iarbas, 1) zoon van Jupiter Ammon en eene
+garamantische (= libysche) nymf, koning der Gaetuliërs, van wien Dido
+een stuk land kocht tot den bouw van Carthago, en die vruchteloos
+naar hare hand dong.--2) koning van Numidia. In den burgeroorlog van
+Marius en Sulla koos hij de partij van Marius, doch werd door Pompeius
+tot de overgave genoodzaakt en ter dood gebracht (81).
+
+Hibernia, ook Iuverna, Iverna, Ivernia, Iërna genoemd, Iouernia,
+Ierne, thans Ierland. De Romeinen kenden het bij name, doch hebben
+er nimmer vasten voet trachten te krijgen.
+
+Hiberus, zie Iberus.
+
+Hicetas, Hiketas, 1) tyran van Leontini, door de Syracusanen te hulp
+geroepen tegen den jongen Dionysius; toen men echter merkte dat hij
+zich van de stad trachtte meester te maken, vroeg men de Corinthiërs
+om hulp; hij werd door Timoleon tweemaal verslagen, eindelijk gevangen
+genomen en ter dood gebracht (339).--2) tyran van Syracuse, opvolger
+van Agathocles, na eene regeering van negen jaar verdreven (278).--3)
+van Syracuse, pythagoreïsch wijsgeer, leerde v.s. het eerst de beweging
+der aarde om hare as.
+
+Hiëmpsal, Iampsas, 1) zoon van den numidischen koning Micipsa en neef
+van Jugurtha. Terstond na zijns vaders dood (118) geraakte hij met
+Jugurtha in twist en werd door dezen uit den weg geruimd, in 116.--2)
+numidische prins, door Hiarbas verdreven, maar door Pompeius hersteld.
+
+Hiera, Hiera, 1) een der Liparische eilanden, ook Thermessa genaamd,
+ten N. van Sicilia.--2) een der Aegatische eilanden, ten W. van
+Sicilia.--3) eilandje in de zee tusschen Thera en Therasia, door een
+uitbarsting ontstaan, in 197 of in 66.
+
+Hierapolis, Hierapolis, stad in Phrygia nabij de grenzen van Caria,
+niet ver van den Maeander, met een tempel van Cybele. Ook eene stad
+in Syria, W.-waarts van den Euphraat, vroeger Bambyce geheeten,
+zetel van den eeredienst der godin Atargatis (Derceto, z. a.).
+
+Hierapytna, Hierapytna, grieksche stad aan de Z.-kust van Creta,
+in 140 gesticht in het gebied der Eteocretes.
+
+Hiericus, Hierichous, Jericho = palmstad, sterke stad van Palaestina,
+ten N.O. van Jerusalem. In den omtrek groeide de beroemde balsemstruik,
+uit welks bast door insnijdingen de balsem werd verkregen. De weg
+van Jericho naar Jerusalem liep door eene wildernis, die om haar
+onveiligheid berucht was.
+
+Hiero, Hieron, 1) oudste broeder van Gelo, regeerde tijdens diens
+leven over Gela en volgde hem, hoewel hij volgens G.'s testament
+gedurende de minderjarigheid van diens zoon het regentschap zou
+bekleeden, als tyran van Syracuse op (478). In het begin had hij met
+veel tegenstand, zelfs van den kant van zijn broeder Polyzelus, te
+kampen, en kwam het zelfs tot een oorlog met Agrigentum; de twisten
+werden echter door het verstandig gedrag van H. weldra bijgelegd en
+hij wist zich in de regeering te handhaven. Hij onderwierp Naxus
+en Catana, versloeg als bondgenoot der Cumaeërs de Etruriërs ter
+zee (474), en verjoeg den wreeden tyran Thrasydaeus uit Agrigentum
+(473). Hij wordt hoog geroemd als beschermer van kunsten en letteren,
+Aeschylus, Simonides, Bacchylides leefden langen tijd aan zijn hof. Hij
+stierf in 467 in de door hem gestichte stad Aetna.--2) Syracusaan van
+koninklijke afkomst, dapper en bekwaam legeraanvoerder, werd in 270,
+toen te Syracusae een democratische opstand uitbrak, door het leger
+tot veldheer gekozen, kwam door de hulp der aristocratische partij in
+de stad, dempte den opstand, wist zich van de muitende huurtroepen te
+ontslaan en een nieuw leger te vormen, waarmede hij de Mamertijnen
+bij Mylae versloeg. Daarop werd hij tot koning uitgeroepen (264) en
+poogde hij de macht van Syracusae te herstellen; inderdaad bereikte
+de stad door zijne wijze regeering zekere mate van welvaart, maar in
+de oorlogen tusschen de Romeinen en Carthagers kon hij niet onzijdig
+blijven. Aanvankelijk koos hij de partij der Carthagers, maar reeds na
+een jaar ging hij na de overwinning van App. Claudius tot de Rom. over,
+verplichtte zich schatting te betalen, stond een deel van zijn gebied
+af en regeerde over het overige onder romeinsche bescherming; hij
+bleef de getrouwe bondgenoot der Romeinen tot zijn dood (215).--3)
+beroemd vazenfabrikant in Athene, uit het begin van de 5de eeuw.
+
+Hierocles, Hierokles, beroemd rhetor van Alabanda, wiens voordrachten
+Cicero hoorde.
+
+Hierodouloi, andres (gynaikes, parthenoi) hieroi (-rai), tempeldienaars
+van minderen rang, die bij het brengen van offers, den priester
+bijstonden, den tempel onderhielden, enz. Z. ook Hetairai.
+
+Hierokeryx, z. Eleusinia.
+
+Hieromenia, heilige maand, schorsing van alle openbare bezigheden
+wegens een godsdienstig feest. In weerwil van den naam duurde de
+hieromenia, gewoonlijk slechts eenige dagen, een maand alleen bij
+de groote nationale feesten; in het laatste geval was er ook een
+algemeene schorsing van vijandelijkheden (ekecheiria) mede verbonden.
+
+Hieromnemones, z. Amphictyones.
+
+Hieron oros, Mons Sacer, berg in Thracië, aan de Propontis, dicht
+bij de Chersonesus Thracica. Hierop lag een versterking.
+
+Hieronica (lex) frumentaria, de door Hiero II van Syracusae
+vastgestelde verordening voor de verpachting der korentienden, enz.,
+die door de Rom. was in stand gehouden.
+
+Hieronymus, Hieronymos, 1) treurspel- en dithyrambendichter, tijdgenoot
+van Aristophanes, die hem om zijn hoogdravenden stijl bespot.--2) van
+Rhodus, peripatetisch wijsgeer, leerling van Aristoteles, schrijver
+van verscheiden philosophische en geschiedkundige werken.--3) van
+Cardia, diende onder Alexander d. G., werd na diens dood in de oorlogen
+tusschen zijne opvolgers door Antigonus gevangen genomen, en bekleedde
+sedert onder dezen en onder zijn opvolgers tot in hoogen ouderdom
+burgerlijke en militaire betrekkingen. Hij schreef eene belangrijke
+geschiedenis van zijn tijd.--4) van Syracuse, kleinzoon en opvolger
+van Hiero (no. 2), koos in den tweeden punischen oorlog de zijde der
+Carthagers. Wegens zijne wreedheid en verkwisting gehaat, werd hij na
+13 maanden geregeerd te hebben vermoord.--5) van Stridon, de kerkvader
+(348-420 n. C.), leefde sedert 386 in een klooster te Bethlehem,
+vertaalde den bijbel en de kroniek van Eusebius (z.a.), en schreef
+een werk De viris illustribus, dat uitsluitend Christenen behandelt.
+
+Hierophantes, de voornaamste priester bij de eleusinische mysteriën;
+de waardigheid was erfelijk in het geslacht der Eumolpiden.
+
+Hierosolyma (plur.), ta Hierosolyma, Jerusalem, hebr. Jerûsjalajim,
+vroeger Jebus, door David op de Jebusieten veroverd en tot hoofdstad
+verheven. Na Salomo bleef J. de hoofdstad van het rijk van Juda tot
+aan de verovering en verwoesting door Nebukadnezar (586). Na den
+terugkeer der Joden uit de babylonische ballingschap (537) werd de
+stad herbouwd. In 70 na C. werd zij door Titus geheel verwoest. In
+130 legde Hadrianus er eene rom. kolonie aan, Aelia Capitolina. De
+stad van David bepaalde zich tot den heuvel Sion (burg) en den berg
+Moryah, waarop Salomo zijn tempel bouwde. Omstreeks 700 werd de heuvel
+Ophel met het Kaasmakersdal of Tyropoëon binnen den muur getrokken,
+benevens de N.-waarts van Sion gelegen stadswijk Acra. Herodes Agrippa
+ommuurde ook de zoogenaamde nieuwe stad, Bezetha. Ten N. en O. lag het
+dal van Josaphat met de beek Kedron, en aan de overzijde de Olijfberg
+(mons Oliveti).
+
+Hilaira, Hilaeira, eene van de dochters van Leucippus, z. Apharetidae.
+
+Hilarotragoedia, z. Rhinthon.
+
+Hilleviones, naam, dien de ouden aan de bewoners van Scandia of
+Scandinavië gaven. Het zijn Germanen. Zie Scandia.
+
+Himation, z. Pallium.
+
+Himella, beek in het sabijnsche land, in den Avens uitloopende.
+
+Himera, Himera, naam van eene stad op de N.-Kust van Sicilia en
+van twee rivieren, waarvan de eene noordwaarts stroomt en bij de
+gelijknamige stad in zee valt, en de andere, zuidwaarts stroomende,
+de grensscheiding vormde tusschen het gebied van Gela en dat van
+Agrigentum. Dat zij denzelfden naam dragen, komt hiervandaan,
+dat men oudtijds in de dwaling verkeerde, dat beide rivieren uit
+dezelfde bron ontsprongen.--De stad Himera was eene volkplanting van
+Zancle (Messina). In het begin der vijfde eeuw heerschte in H. zekere
+Terillus. Door Thero, tyran van Agrigentum verdreven, wendde hij zich
+om hulp tot de Carthagers, die een leger onder Hamilcar zonden. Toen
+had in 480 de verschrikkelijke slag aan de Himera plaats, waarin
+Hamilcar sneuvelde en Thero, met Gelo van Syracusae vereenigd, het
+carthaagsche leger vernietigde. Later gelukte het den Himeraeërs,
+met behulp van Hiero van Syracusae, zich van Agrigentum vrij te
+maken. In 409 evenwel landde een carthaagsch leger van 100.000 man
+onder Hamilcars kleinzonen Hannibal en Himilco op Sicilia. Selinus
+viel, vervolgens Himera, daarna Agrigentum. Op de plek, waar Hamilcar
+gesneuveld was, werden 3000 gevangenen als zoenoffer geslacht. Himera
+werd met den grond gelijk gemaakt en aan de overzijde der rivier
+eene nieuwe stad Thermae, ta Therma, gesticht. De badplaats zelf heet
+gewoonlijk Thermai hai Himeraiai, de inwoners Thermitai, Thermitani. Te
+Himera was de lierdichter Stesichorus (± 600) geboren; Thermae was
+de geboortestad van den tyran Agathocles.
+
+Himerius, Himerios, van Prusa (315-386 n. C.), Grieksch rhetor en
+sophist, deed verscheiden reizen en vestigde zich te Athene, vanwaar
+Iulianus hem naar Antiochië liet komen en hem tot zijn secretaris
+aanstelde. 24 redevoeringen van hem zijn bewaard gebleven.
+
+Himilco, Himilkon, naam van een carthaagsch zeevaarder, die (±
+550) een tocht langs de Westkust van Europa, tot aan de tineilanden
+(Cassiterides insulae) ondernam. Hij wordt als bron vermeld bij Avienus
+(z.a.). Ook werd deze naam door verschillende carthaagsche veldheeren
+in de sicilische en punische oorlogen gedragen.
+
+Hipparchos, bevelhebber der ruiterij. Te Athene was de ruiterij
+over de beide vleugels van het leger verdeeld, en waren er dus twee
+hipparchen, die jaarlijks bij stemming verkozen werden; bovendien was
+er een hipparch voor Lemnus. In het achaeisch en aetolisch verbond
+waren zij na de strategen de voornaamste ambtenaars.
+
+Hipparchus, Hipparchos, 1) zoon van Pisistratus, had onder de regeering
+van zijn broeder Hippias veel invloed, dien hij vooral ten gunste
+van dichters en letterkundigen aanwendde; hij werd in 514 vermoord
+(z. Harmodius).--2) dichter der nieuwe attische comedie.--3) van
+Nicaea in Bithynië, werkte 160-120 te Rhodus en Alexandrië, maar ook
+in zijn vaderstad als wis- en sterrenkundige, en verwierf zeer grooten
+roem door de nauwkeurigheid zijner waarnemingen en berekeningen en
+door zijne ongeloofelijke werkzaamheid. Hij is de eerste Griek,
+die de trigonometrie beoefend heeft. Van zijne geschriften is er
+nog één op sterrenkundig gebied over. Zijne aardrijkskundige werken
+(pros Eratosthenen) worden vaak door Strabo geciteerd.
+
+Hipparinus, Hipparinos, 1) vader van Dio.--2) zoon van den ouden
+Dionysius, na Dio's dood tyran van Syracuse (353-350).
+
+Hipparis, Hipparis, rivier die door het moeras van Camarina, op de
+Z.kust van Sicilia, stroomde.
+
+Hippemolgi, Hippemolgoi, een scythische nomadenstam in het N., wier
+voedsel hoofdzakelijk uit paardenmelk bestond.
+
+Hippes, atheensche burgers uit de tweede der vier door Solon
+ingestelde phylen, met een eigendom, dat 300-500 medimnen of metreten
+kon opleveren; zij waren verplicht een strijdros te onderhouden en
+voornamelijk deze klasse leverde ruiters voor het leger; daar de
+ruiterij ten tijde van Solon echter niet meer dan 100, en nooit meer
+dan 1200 man sterk was, dienden de meeste burgers ook uit deze klasse
+als hoplieten. Ook de spartaansche hippes, eene koninklijke lijfwacht
+van 300 man, streden te voet, eerst in den peloponnesischen oorlog
+werd een werkelijk ruitercorps opgericht. Bij de Grieksche wijze van
+oorlogvoeren, was de beteekenis der ruiterij gering. Antieke ruiterij
+is niet in staat een charge uit te voeren. De ruiterij rijdt dus op
+den vijand in, en, dichtbij gekomen, tracht ieder ruiter afzonderlijk
+den vijand schade toe te brengen. Daar echter de stijgbeugel nog niet
+uitgevonden was, was de ruiter niet in staat, met zijn lans krachtige
+stooten toe te brengen; de lans werd dus meestal gebruikt om te werpen.
+
+Hippias, Hippias, 1) zoon en opvolger van Pisistratus (528). Hij
+regeerde verstandig en gematigd, verminderde de belastingen,
+en begunstigde dichtkunst en letterkundige studiën. Na den dood
+van Hipparchus begon hij, niet gerust over de toekomst, strenger
+te regeeren en maakte hij zich soms aan gewelddadige handelingen
+schuldig. Inderdaad kregen kort daarna, terwijl hij bezig was
+Munychia te versterken, de Spartanen van het delphische orakel het
+bevel, Athene te bevrijden (z. Alcmaeonidae). Een eersten aanval
+sloeg H. met behulp van thessalische ruiterij af, maar toen bij een
+tweeden tocht zijne kinderen in handen vielen van Cleomenes I, die
+het spartaansche leger aanvoerde, zag hij zich genoodzaakt Attica te
+verlaten (510). Hij begaf zich naar Sigeum. Hij gaf echter de hoop
+niet op eens terug te keeren, en knoopte daartoe betrekkingen aan met
+de Lacedaemoniërs en later met Darius Hystaspis; hij volgde de Perzen
+naar Attica en stierf in of kort na den slag bij Marathon.--2) van
+Elis, tijdgenoot van Socrates, sophist van zeer uitgebreide kennis,
+die te Athene en in andere grieksche steden openbare voordrachten
+hield, waarin hij de geldigheid van conventie en geschreven recht
+betwistte, en aandrong op zoo sterk mogelijke ontwikkeling van ieders
+individualiteit. In de twee werken van Plato, die zijn naam dragen,
+wordt hij als ijdel en oppervlakkig ten toon gesteld.
+
+Hippius, Hippia, Hippios, Hippia, bijnaam van Poseidon, Athena,
+Hera e. a. goden en godinnen.
+
+Hippo, Hippon, 1) Hippo Regius, basilikos, thans Bona, op de numidische
+kust aan de golf van Hippo, later rom. kolonie, met ijzermijnen in
+den omtrek. In 430 n. C. werd de stad door de Vandalen verwoest.--2)
+Hippo Diarrhytus, diarrytos, in dat gedeelte van het carthaagsche
+gebied, dat Zeugitana heette.--3) stad der Carpetani in Tarraconensis,
+ten O. van Toletum.--4) Hippo of Hipponium, als rom. kolonie Vibo
+Valentia geheeten, z.a.
+
+Hippocentauri, Hippokentauroi, z. Centauri.
+
+Hippocles, Hippokles, zoon van Menippus, atheensch strateeg, trachtte
+in 412 te vergeefs de peloponnesische schepen te nemen, die van Sicilië
+terug kwamen. Een van de tien mannen, die tusschen de afzetting van
+de 30 en het herstel der democratie te Athene de regeering in handen
+hadden, draagt denzelfden naam; of het dezelfde persoon is, is onzeker.
+
+Hippocoon, Hippokoon, 1) zoon van Oebalus en Batea, verdreef met de
+hulp zijner 12 zonen zijn broeder Tyndareos en maakte zich meester
+van de regeering over Sparta; hij werd met zijne zonen door Heracles
+gedood.--2) Thraciër, vergezelde Rhesus naar Troje.--3) tochtgenoot
+van Aeneas, bekwaam boogschutter.
+
+Hippocrates, Hippokrates, 1) vader van Pisistratus.--2) Alcmaeonide,
+grootvader van Pericles.--3) broeder en opvolger van Cleander als
+tyran van Gela. Door de inwoners van Zancle, zijne bondgenooten, tegen
+de Samiërs te hulp geroepen, breidde hij, steunend op zijn talrijk
+huurleger, zijne macht door schandelijk verraad uit, onderwierp ook
+Naxus, Callipolis en Leontini, noodzaakte de Syracusanen door zijne
+overwinning bij de rivier Helorus (492) hem Camarina af te staan,
+en sneuvelde bij een aanslag op Hybla (491).--4) zoon van Ariphron,
+atheensch strateeg, sneuvelde in den slag bij Delium (424).--5) van
+Chius, schrijver van het oudste leerboek der meetkunde. Hij leefde
+in de 2de helft van de 5de eeuw.--6) van Cos, de beroemde grieksche
+geneesheer, geb. 460. Hij behoorde tot het geslacht der Asclepiaden
+en ontving het eerste onderwijs in de geneeskunde van zijn vader
+Heraclides en van andere artsen in zijn vaderland; ook de sophisten
+Prodicus en Gorgias worden zijne leermeesters genoemd, door sommigen
+ook Democritus. Van zijn leven is weinig bekend; in zijn jeugd deed
+hij groote reizen, tijdens de pest in den peloponnesischen oorlog hield
+hij zich te Athene op, hij stierf in zeer hoogen ouderdom te Larisa in
+Thessalië. Door nauwkeurige waarnemingen en grondig onderzoek verhief
+hij de geneeskunde tot wetenschap, zijne werken werden dan ook door
+Grieken, Romeinen en Arabieren ijverig bestudeerd en dikwijls van
+commentaren voorzien. Vele daarvan werden echter reeds door de ouden
+voor onecht gehouden, van de 72, die nu nog zijn naam dragen, worden
+gewoonlijk slechts 6 als echt beschouwd; het meest bekende draagt
+den naam Aphorismoi.--Ook zijne beide zonen, Thessalus en Draco,
+zijn schoonzoon, Polybus, en zijne twee naar hem genoemde kleinzonen
+waren artsen van naam en schrijvers van geneeskundige werken.
+
+Hippocrene, Hippou krene, Hippokrene, Fons Caballinus, bron op den
+Helicon, ontstaan door den hoefslag van Pegasus, waarvan het water
+ieder, die er van dronk, in dichterlijke geestvervoering bracht.
+
+Hippodamea, Hippodameia, 1) dochter van Oenomaüs (z.a.), koning van
+Elis, en Asterope. Bij Pelops werd zij moeder van Atreus, Thyestes en
+nog 4 of 11 zonen en 2 dochters. Zij spoorde hare zonen aan tot den
+moord van Chrysippus, zoon van Pelops en Axioche, en werd daarom door
+haar gemaal verstooten; zij stierf in Argolis.--2) echtgenoote van
+Pirithous; op hun bruiloft ontstond de strijd tusschen de Centauren
+en Lapithen.--3) = Briseis.--4) echtgenoote van Amyntor, moeder van
+Phoenix.--5) dochter van Anchises, gemalin van Alcathous.
+
+Hippodamus, Hippodamos, van Miletus, beroemd bouwmeester ten tijde van
+Pericles, de eerste die in Griekenland regelmatig gebouwde straten
+aanlegde. Hij werd vooral beroemd door zijn werk aan den Piraeus,
+te Thurii en te Rhodus. Ook wordt hij genoemd als de schrijver van
+een ontwerp eener ideale staatsinrichting.
+
+Hippodromus, hippodromos, renbaan voor paarden en wagens. De
+bovenstaande teekening stelt zulk een baan voor: een driehoekige
+ruimte K, waarin de toebereidselen voor den wedloop gemaakt worden
+en waar een altaar voor Poseidon Hippius staat, wordt aan eene zijde
+afgesloten door een zuilengalerij D, aan de twee andere zijden door
+eenigszins gebogen lijnen (abcd), gevormd door de stallen (oikemata)
+voor de paarden en wagens; alle deelnemers plaatsten zich in een rij
+voor een touw (kalodion, hysplex), dat van den top van den driehoek,
+het uitgangspunt (aphesis), naar de beide zijden van de baan gespannen
+was; op een gegeven teeken (een metalen arend verhief zich in de lucht)
+werd dit touw weggetrokken en de wedloop begon; de baan was in twee
+deelen verdeeld door een lagen aarden wal (choma) van F naar G, aan
+welks verste einde een altaar van Taraxippus F stond; hier moesten
+de rijders keeren en langs den anderen kant van den wal terugrijden
+tot het einddoel G. De baan werd ingesloten door zitplaatsen voor
+de toeschouwers AEB, die men liefst tegen een heuvel plaatste; waar
+geen heuvel was, maakte men eene kunstmatige verhooging; bij E was
+een uitgang.
+
+Hippolochus, Hippolochos, 1) zoon van Bellerophon, koning van Lycië,
+vader van Glaucus.--2) zoon van Antimachus, Trojaan, door Menelaus
+gedood.
+
+Hippolyte, Hippolyte, koningin der Amazonen; zij bezat een kostbaren
+gordel, haar door Ares geschonken, dien Heracles voor Admete, de
+dochter van Eurystheus, halen moest. Hipp. ontving den held goed
+en was bereid den gordel te geven, maar Hera spoorde haar en haar
+volk tot tegenstand aan; in den strijd, die hierdoor ontstond, viel
+Hipp. V. a. werd zij, niet Antiope (z. a.), door Theseus mede naar
+Athene genomen.
+
+Hippolytus, Hippolytos, 1) een van de Giganten.--2) zoon van Theseus
+en Hippolyte of Antiope. Zijne stiefmoeder Phaedra beminde hem, en
+daar hij haar geen wederliefde schonk, belasterde zij hem bij Theseus
+alsof hij haar tot ontrouw had willen verleiden. In overijling bad
+Theseus, dat Poseidon zijn zoon zou straffen, en deze liet, toen
+Hipp. langs het strand reed, een monster uit zee opkomen, waardoor
+de paarden schuw werden, op hol gingen, en hun meester voortsleepten
+tot hij stierf. Artemis openbaarde echter zijne onschuld aan Theseus,
+liet hem door Asclepius in het leven terugroepen, en bracht hem naar
+haar heilig woud bij Aricia, waar hij onder den naam Virbius vereerd
+werd.--3) Christelijk schrijver uit de eerste helft der derde eeuw,
+leerling van Irenaeus, v. s. wegens kerkelijke twisten (hij was
+tegelijk met Callistus bisschop van Rome) uit Rome verbannen en bij
+de Christenvervolging van keizer Decius als martelaar gestorven. In
+dat deel van zijne werken, dat bewaard gebleven is, vindt men vele
+bizonderheden over wijsbegeerte, godsdienst en bijgeloof der ouden.
+
+Hippomedon, Hippomedon, een van de zeven vorsten, die met Adrastus
+tegen Thebe optrokken; bij de belegering van die stad sneuvelde hij.
+
+Hippomenes, Hippomenes, zoon van Megareus, echtgenoot van Atalante
+(z. a.).
+
+Hipponax, Hipponax, van Ephesus, iambograaf omstreeks 540; van zijn
+leven is alleen bekend dat hij om politieke redenen naar Clazomenae
+vluchtte, zie ook Bupalus.
+
+Hipponicus, Hipponikos, naam van verscheiden leden van een adellijk
+atheensch geslacht. Hiertoe behooren: 1) iemand die zich verrijkte
+door gebruik te maken van een vertrouwelijke mededeeling betreffende
+de seisachtheia van Solon; men houdt dit verhaal en de persoon zelve
+tegenwoordig voor verzonnen.--2) zijn kleinzoon, bijgenaamd Ammon,
+behield de schatten, die hem toevertrouwd waren door een Eretriënser,
+die na de verovering van zijn vaderstad naar Perzië medegevoerd werd
+(490). Ook dit verhaal is verzonnen.--3) zoon van Callias no. 1 en
+Elpinice (z. Cimon no. 2), sneuvelde in den slag bij Delium (424). De
+vrouw van Pericles was vroeger met hem gehuwd geweest, zijne dochter
+Hipparete werd de vrouw van Alcibiades.--4) zoon van Callias no. 2,
+schoonzoon van Alcibiades.
+
+Hipponium, zie Hippo no. 4.
+
+Hipponous, Hipponoos, z. Bellerophon.
+
+Hippophagi, Hippophagoi, 1) scythisch volk in Persis.--2) volk in
+aziatisch Sarmatia, de tegenwoordige Kalmukken.
+
+Hippotes, Hippotes, vader van Arne of van Aeolus no. 2 (z. a.).
+
+Hippothoon, Hippothoon, zoon van Poseidon en Alope (z. a.). Na den dood
+van zijn grootvader Cercyon gaf Theseus hem de regeering over Eleusis.
+
+Hippothoontis, Hippothontis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking
+van Attica door Clisthenes verdeeld werd.
+
+Hippothous, Hippothoos, 1) vader van Aepytus no. 2.--2) zoon van
+Priamus.--3) van Larisa, bondgenoot der Trojanen, door Ajax no. 2
+gedood.
+
+Hippotoxotai, een politiemacht van bereden boogschutters te Athene; men
+gebruikte hiervoor staatsslaven. In het begin van den peloponnesischen
+oorlog was hun aantal 200.
+
+Hirpini, Hirpinoi, volk in het Z. van Samnium. Hoofdstad: Aeculanum.
+
+Hirrus (C. Lucceius of C. Lucilius), z. Lucilii no. 4.
+
+Hirtia (lex) van A. Hirtius (46). Zij sloot de aanhangers van Pompeius
+van alle ambten uit.
+
+Hirtius (A.), uit een plebejisch geslacht, diende onder Caesar in
+Gallia, en vergezelde hem later naar Aegypte. Als praetor stelde
+Hirtius in 46 de hierboven vermelde wet voor. In 45 ging hij met Caesar
+naar Hispania. Overigens was hij meer schrijver dan krijgsman en bracht
+hij bij voorkeur zijn tijd door op zijn landgoed bij Praeneste. In 43
+was hij consul met C. Vibius Pansa. Hoewel Hirtius na Caesars dood
+tot Antonius had overgeheld, gevoelde hij zich spoedig door diens
+aanmatigingen afgestooten, waartoe misschien de vertrouwde omgang
+met Cicero bijdroeg. Met Pansa en den jeugdigen Octavianus trok hij
+tegen Antonius op, doch sneuvelde in den slag hij Mutina (Modena),
+terwijl Pansa daags daarna aan zijne wonden bezweek. Het achtste
+boek der Commentarii de bello Gallico is van Hirtius afkomstig;
+waarschijnlijk heeft hij ook het bellum Alexandrinum geschreven.
+
+Hirtuleius (L.), onderbevelhebber van Q. Sertorius in Hispania,
+die den rom. veldheeren in de jaren 79-76 verschillende nederlagen
+toebracht, doch in 75 sneuvelde.
+
+Hispalis, Hispalis, thans Sevilla, aanzienlijke koopstad der
+Turdetani in Baetica, aan den Baetis (Guadalquivir). Caesar maakte
+er eene rom. kolonie van, Iulia Romula of Romulensis. Hispalis was
+door Phoeniciërs gesticht. De Baetis was tot hier voor zeeschepen
+bevaarbaar.
+
+Hispania, Hispania, door de Grieken Iberia genoemd, tegenw. Spanje
+en Portugal, was tot in de derde eeuw den Rom. bijna onbekend. Na den
+eersten punischen oorlog zochten de Carthagers zich in H. schadeloos
+te stellen voor het verlies der italiaansche eilanden. In den tweeden
+oorlog ging ook H. voor hen verloren. De Romeinen verdeelden het
+land, voor zoover hunne heerschappij zich binnenwaarts uitstrekte,
+in twee provinciën: H. citerior en H. ulterior of Baetica, naar
+den Baetis (Guadalquivir). Oorspronkelijk strekte het eerste zich
+slechts uit langs de kust, maar langzamerhand werd ook het binnenland
+veroverd. In 180-178 werden de Celtiberiërs door Tib. Sempronius
+Gracchus, den vader der beide Gracchen, onderworpen en hun land,
+een groot gedeelte van het binnenland bij H. Citerior gevoegd. In
+138 werd Lusitania, een landstreek in het Z.W., onderworpen, en
+aan Baetica toegevoegd. De volledige onderwerping van het geheele
+schiereiland had eerst in 19 plaats, toen Agrippa de Cantabriërs en
+Asturiërs onderwierp. Nu werd H. in 3 provincies verdeeld: Citerior,
+Ulterior Baetica en Ulterior Lusitania, waaronder ook Gallaecia en
+Asturia hoorden. Nog vóór den dood van Augustus werden Gallaecia en
+Asturia bij H. Citerior gevoegd, dat voortaan gewoonlijk Tarraconensis
+heet, naar de hoofdstad Tarraco; de andere twee provincies heeten nu
+Baetica en Lusitania. De bevolking bestond uit keltische en iberische
+stammen; de Iberiërs waren donker van tint. Vooral in Baetica troffen
+de Romeinen reeds een ver gevorderden trap van beschaving aan; vandaar
+dat geen andere provincie in gelijke mate als Hispania rom. zeden en
+gewoonten overnam. Seneca, Lucanus, Martialis, Quintilianus, Traianus,
+Hadrianus waren uit Hispania geboortig. Alleen stond de bevolking
+ook reeds toen bekend om hare luiheid en morsigheid. De bodem was
+in het Z. uiterst vruchtbaar en leverde ook verschillende metalen en
+edelgesteenten op. In het tijdperk der volksverhuizing werd Hispania
+afwisselend overstroomd door Vandalen, Sueven, Alanen en Westgothen.
+
+Hispellum, voornaamste stad in Umbria, thans Spello.
+
+Hister, zie Danuvius.
+
+Histiaea, Histiaeotis = Hestiaea, Hestiaeotis.
+
+Histiaeus, Histiaios, tyran van Miletus onder perzische
+opperheerschappij. Toen Darius Hystaspis in het land der Scythen
+ingevallen was, verzette Hist. zich tegen het plan om de brug over den
+Ister af te breken, waarvan de ondergang van het perzische leger het
+onvermijdelijk gevolg zou geweest zijn. Daarvoor werd hij met land in
+Thracië begiftigd, later begon Darius hem echter te wantrouwen en riep
+hij hem, naar het heette uit vriendschap, tot zich naar Susa. Later
+werd hij naar de kust gezonden, om den opstand van Aristagoras
+(z. a.) te dempen, waartoe hij hem heimelijk zelf had aangemoedigd;
+daar hij echter zag dat de satraap Artaphernes hem niet vertrouwde,
+vluchtte hij. Hij werd door de Chiërs gevangen genomen, maar weder
+vrijgelaten, en daar de Milesiërs weigerden hem te ontvangen, ging
+hij naar Byzantium, leefde daar eenigen tijd als zeeroover en werd
+eindelijk door Harpagus gevangen genomen en te Sardes door Artaphernes
+ter dood gebracht (498).
+
+Historiae Augustae scriptores = Scriptores historiae Augustae.
+
+Histria, Istria, schiereiland in het N. der Adriatische zee, door de
+ruwe Istri bewoond en in 177 onderworpen. Ten tijde van Varro, die
+een aardrijkskundig werk geschreven heeft, behoorde het westelijk
+gedeelte tot aan de Formio, bij Italië; Augustus heeft het gewest
+geheel bij Italië ingelijfd. Steden: Tergeste (Triest) en Pola.
+
+Homeridae, Homeridai, familie of genootschap op Chius, van Homerus
+afstammend of naar hem genoemd; zij hadden zich tot taak gesteld de
+gedichten van Homerus ongeschonden te bewaren en de kennis er van
+algemeen te maken. In lateren tijd werden ook rhapsoden zoo genoemd,
+en over het algemeen zij, die zich met de gedichten van Homerus
+bezig hielden.
+
+Homerus, Homeros, is volgens de overlevering de dichter van de Ilias
+en Odyssee, de twee beroemde heldendichten, die van den grootsten
+invloed waren op de beschaving der Grieken, gedurende hun volksbestaan
+den grondslag van alle verdere studiën vormden, en nog tot heden als
+modellen van epische poëzie beschouwd worden. Hij zou een zoon van
+Maeon, arm en blind geweest zijn; van zijn leeftijd wisten de ouden
+reeds niets, zoodat sommigen beweerden dat hij in de 12de eeuw, anderen
+dat hij later, sommigen zelfs dat hij niet vóór de 7de eeuw geleefd
+zou hebben; zeven steden beroemden zich de vaderstad van Hom. geweest
+te zijn, hoewel men erkende dat in dien strijd Smyrna en Chius de beste
+aanspraken konden doen gelden. De meest gezaghebbende meening was, dat
+de gedichten van Homerus in het midden der 9de eeuw in Ionië ontstaan
+waren.--Hoe dit zij, deze gedichten leefden gedurende vele eeuwen,
+waarin de schrijfkunst slechts weinig in gebruik was, in den mond van
+het volk, en hadden hunne verbreiding voornamelijk te danken aan de
+rhapsoden (z. a.) die bij feestelijke gelegenheden gedeelten er van
+voordroegen. Het ligt voor de hand dat sommige gedeelten meer in den
+smaak vielen dan andere, en dus meer gehoord werden, dat sommige, te
+lang voor eene voordracht, bekort moesten worden, dat andere, wat hun
+omvang betreft juist voor de voordracht geschikt, van een passend begin
+of slot moesten worden voorzien, kortom, onder deze omstandigheden
+waren de gedichten lang niet in al hunne deelen even algemeen bekend,
+en stonden zij op velerlei wijze aan vervalsching en verminking
+bloot, totdat, naar men meent onder Pisistratus en zijne zonen,
+de verspreide deelen door deskundigen verzameld en tot één geheel
+verwerkt werden. Deze maatregel bevorderde de studie der gedichten van
+Hom. zeer, in den bloeitijd van Athene was dan ook de kennis er van
+zeer algemeen, en personen, die de geheele Ilias en Odyssee van buiten
+konden opzeggen, waren niet zoo zeldzaam als men zou denken. Toen
+later te Alexandria de studie der taal- en letterkunde een hooge
+vlucht nam, kozen de beste alexandrijnsche geleerden, o. a. Zenodotus
+en Aristarchus, de werken van Hom. ter behandeling, trachtten met veel
+moeite den tekst te verbeteren, of schreven geleerde verklaringen er
+bij. Reeds onder hen werd door sommigen, die daarom chorizontes genoemd
+werden, de meening verdedigd, dat de Odyssee niet in denzelfden tijd
+ontstaan kon zijn als de Ilias, dat tusschen beide gedichten misschien
+wel eene tusschenruimte van 100 jaar lag, en dat zij dus niet van
+denzelfden dichter konden zijn. Nieuwere geleerden beweren echter,
+dat ook de afzonderlijke deelen van elk der beide werken te veel van
+elkander verschillen, om ze aan denzelfden maker toe te schrijven, dat
+bovendien zulke groote werken in een tijd, waarin de schrijfkunst zoo
+weinig algemeen was, niet hadden kunnen ontstaan, of ten minste weder
+spoedig hadden moeten vergeten zijn, en dat men dus moet aannemen,
+dat zoowel Ilias als Odyssee vóór Pisistratus niet anders bestaan
+hebben dan als afzonderlijke liederen, waarin eerst toen eenige
+samenhang gebracht zou zijn. Deze meening vindt bij sommigen zooveel
+bijval, dat men zelfs getracht heeft die oorspronkelijke liederen
+aan te wijzen, anderen verwerpen haar geheel, terwijl nog anderen
+toegeven dat beide gedichten uit de vereeniging van zulke kleinere
+liederen bestaan, maar aannemen dat die vereeniging veel vroeger,
+waarschijnlijk omstreeks het midden der 9de eeuw, tot stand gebracht
+zou zijn door iemand die Homerus heette, of misschien juist door dat
+werk den naam Homerus (samenvoeger) gekregen heeft. Tegenwoordig is
+de meest algemeene meening, dat elk van beide gedichten in hoofdzaak
+van denzelfden dichter is, doch dat daaraan op verschillende tijden,
+deels door hemzelven, deels door anderen, grootere en kleinere stukken
+zijn toegevoegd.--Behalve Ilias en Odyssee zijn nog eenige kleinere
+gedichten bewaard gebleven, die werken van Homerus heeten te zijn;
+deze zijn echter alle van lateren tijd en van zeer ongelijke waarde.
+
+Homerus latinus, z. Silii no. 7.
+
+Homoioi, gelijken. De wet van Epitadeus (z. a.) had tengevolge dat,
+in strijd met de instellingen van Lycurgus, het grondbezit te Sparta
+zich weldra in weinige handen bevond, terwijl de meerderheid der
+burgers tot armoede verviel. Deze ongelijkheid van vermogen bracht
+ook ongelijkheid in burgerlijke rechten mede, en nu noemden zich de
+rijke grondeigenaars homoioi, in tegenstelling van de armere burgers,
+hypomeiones.
+
+Homole, Homole, berg, aan Pan gewijd, in Thessalia, nabij het
+dal Tempe.--Homole of Homolium, Homolion, stad in het N. van het
+thessalische landschap Magnesia.
+
+Homona, Homonadenses, Homonades of Omana, Omanades, stad en roofzuchtig
+bergvolk in Pisidia, in het Taurusgebergte.
+
+Honorius (Flavius), zoon van keizer Theodosius den Gr., die bij
+de deeling des rijks het Westen kreeg, terwijl aan zijn ouderen
+broeder Arcadius het Oosten werd toegewezen, 395 na C. Honorius was
+een nietsbeteekenende knaap. Zijn minister en voogd Stilicho, een
+voortreffelijk veldheer, wist wel de invallen van germaansche volkeren
+af te weren, maar deed niets tot ontwikkeling van den jongen vorst,
+hoewel deze zijne dochter had gehuwd. In 408 liet H., aan valsche
+inblazingen gehoor gevende, zijn schoonvader ombrengen en nu drongen
+de barbaren van alle zijden het rijk binnen en namen de eene provincie
+na de andere weg. De Westgothen onder Alarik veroverden zelfs Rome. Zie
+Alaricus. Eindelijk zag H. zich genoodzaakt, zijn veldheer Constantius
+tot mederegent aan te nemen en hem zijne zuster Placidia, weduwe van
+den westgothischen koning Athaulf, tot vrouw te geven. H. stierf zes
+jaar later, in 423.
+
+Hopletes, burgers die tot de tweede der vier oude attische phylen
+behoorden.
+
+Hoplitai, zwaargewapende infanteristen, het voornaamste deel van een
+grieksch leger. Zij droegen een harnas, helm en beenplaten van metaal,
+en waren gewapend met een kort zwaard, een langwerpig schild (aspis),
+en een werpspies van ongeveer 8 voet. De taak der zwaargewapenden was
+in gesloten gelederen op den vijand aan te rukken en diens slagorde
+te verbreken. Zij kregen, wanneer zij in dienst waren, betaling voor
+soldij en onderhoud voor zichzelven en een bediende; deze betaling
+was echter in verschillende tijden en omstandigheden hooger of lager.
+
+Horae Quirini, zie Hersilia.
+
+Horae, Horai, dochters van Zeus en Themis, godinnen der orde
+in de natuur en der afwisselende jaargetijden, verder ook van
+maatschappelijke orde, wet en recht. Zij zijn dienaressen van
+Zeus en zijn belast met het openen en sluiten van de poorten des
+hemels. Gewoonlijk worden drie Horen genoemd: Eunomia, Dice en Irene,
+te Athene vereerde men slechts twee: Thallo en Carpo, later nam men
+vier aan in overeenstemming met het aantal jaargetijden. Tempels
+hadden zij te Athene, Corinthe e. a. plaatsen.--Zij worden afgebeeld
+als schoone jonge vrouwen, luchtig gekleed en met bloemen en vruchten
+versierd.
+
+Horatiae Valeriae (leges) van de consuls M. Horatius Barbatus
+en L. Valerius Poplicola Potitus, 449: 1) ut, quod tributim plebs
+iussisset, populum teneret;--2) dat de volkstribunen, de plebejische
+aedilen en de iudices decemviri sacrosancti zouden zijn;--3) dat geen
+nieuw overheidsambt zonder provocatio in het leven zou worden geroepen,
+op straffe des doods. Dit zijn geen eigenlijke wetten (leges) geweest,
+maar de voorwaarden, waarop de eendracht tusschen patres en plebs
+hersteld werd. Bovendien is de eerste wet, evenals de lex Publilia
+Philonis van 339 v. s. een anticipatie van de lex Hortensia van
+287. Aan het bestaan van de derde wet wordt door sommige geleerden
+getwijfeld. Zie Valeriae leges de provocatione. Met iudices decemviri,
+in de 2de wet genoemd, worden volgens de gewone opvatting de decemviri
+stlitibus iudicandis bedoeld; z. echter aldaar.
+
+Horatii, een patricisch geslacht. 1) De drie gebroeders, die,
+volgens het verhaal, onder de regeering van Tullus Hostilius
+den oorlog met Alba Longa beslechtten door een strijd met de drie
+Curiatii, en waarvan de eenig overgeblevene zijne zuster zou hebben
+neergestooten, omdat zij haren bruidegom, een der gesneuvelde Curiatii,
+beweende. V. s. is dit hoog poëtische verhaal aan een fabula praetexta
+van Ennius ontleend.--2) M. Horatius Pulvillus, een der consuls uit
+het eerste jaar der rom. republiek; hij wijdde den tempel van Jupiter
+Capitolinus.--3) P. Horatius Cocles (de éénoogige) verdedigde de houten
+paalbrug over den Tiber tegen de aandringende soldaten van Porsena,
+totdat zijne medeburgers de brug achter hem hadden afgebroken. Toen
+sprong hij in de rivier en kwam behouden in de stad terug, in weerwil
+eener hagelbui van pijlen. Zijne medeburgers richtten voor hem een
+standbeeld op en schonken hem zooveel land, als hij in een dag kon
+omploegen.--4) C. Horatius Pulvillus, consul in 477, sloeg de aanvallen
+der Volscen en Etruscers af, die Rome bijna hadden vermeesterd. In 457
+was hij andermaal consul en overwon toen de Aequers.--5) M. Horatius
+Barbatus, consul in 449, herstelde met zijn ambtgenoot L. Valerius
+Poplicola wat de tienmannen bedorven hadden, verzoende de beide standen
+te Rome, bracht de beroemde leges Horatiae Valeriae (z.a.) tot stand,
+en behaalde eene groote overwinning op de Sabijnen.--6) Niet tot deze
+gens behoorde de beroemde dichter Q. Horatius Flaccus, de zoon van
+een vrijgelatene, geboren te Venusia in het jaar 65. Zijn vader zorgde
+met den meesten ijver voor zijne opvoeding en ging te Rome wonen, om
+zijn zoon de beste meesters te kunnen geven. Op zijn negentiende jaar
+ging H. te Athene zijne studiën voltooien. In 44 was hij krijgstribuun
+in het leger van Brutus en deelde in de nederlaag bij Philippi. In
+dezen burgeroorlog verloor hij zijn vaderlijk erfgoed, zoodat hij
+als scriba zijn brood moest verdienen. Doch de dichters Varius en
+Vergilius bevalen hem bij Maecenas aan, die hem bij zich ontbood
+(38), en hem wel eerst na 9 maanden opnieuw tot zich riep, maar hem
+toen ook in den kring zijner vrienden opnam, waarvan hij spoedig een
+onmisbaar lid werd. Van Maecenas kreeg hij (33) een klein landgoed,
+het Sabinum bij Tibur, ten geschenke, dat zijn geliefkoosd verblijf
+werd. Hij stierf, kort na Maecenas, in het jaar 8, ongehuwd. Horatius
+bracht als lierdichter het eerst grieksche maten van de oude Grieksche
+dichters op latijnschen bodem over. Zijne levensrichting was over het
+algemeen de epicureïsche; gaarne genoot hij het goede; toch kon hij ook
+sober en eenvoudig leven en zich naar de omstandigheden schikken als
+de beste stoicijn. In het staatkundige was de slag hij Philippi het
+graf zijner idealen geweest, in Octavianus zag hij voortaan den man,
+die den lang gehoopten vrede aan de wereld zou schenken. Wij bezitten
+van hem: Carmina of Odae (4 boeken), Epodon liber (z. Epodus no. 3),
+het Carmen saeculare, Satirae (2 boeken), Epistulae (2 boeken),
+waarvan de beroemdste de Epistula ad Pisones of Ars poetica.
+
+Horta, eene Romeinsche godin wier tempel steeds open staat. Overigens
+is van haar niets bekend.
+
+Horta, Hortanum, stad in Etruria, waar de Nar in den Tiber stroomt.
+
+Hortator of pausarius, de man, die op het schip de maat aangaf bij
+het roeien, hetzij met een hamer, hetzij met de stem, soms ook met
+de fluit.
+
+Hortensia (lex) van 287 van den dictator Q. Hortensius, ut eo
+iure, quod plebs statuisset, omnes Quirites tenerentur. Hiermede
+werden de plebiscita voor goed gelijk gesteld met leges, en de
+voorafgaande goedkeuring der tribunicische rogationes door den
+senaat afgeschaft. Eene andere lex Hortensia verklaarde de nundinae
+of marktdagen tot dies fasti.
+
+Hortensii, een plebejisch geslacht. 1) L. Hortensius, volkstribuun in
+422, een warm ijveraar voor de belangen der plebs.--2) Q. Hortensius,
+in 287 tot dictator gekozen om eene secessio plebis te bezweren, de
+auctor der lex Hortensia de plebiscitis.--3) Q. Hortensius Hortalus,
+(geb. 114), een van Rome's grootste redenaars, de evenknie van Cicero,
+en een handig en geslepen verdediger, niet altijd keurig in de keus
+zijner middelen. In 69 bekleedde hij het consulaat. In den burgeroorlog
+had hij onder Sulla gediend en verder bleef hij de aristocratische
+partij toegedaan. Hij stierf in 50. Hij was zeer vermogend en had zijn
+huis weelderig en met fijnen smaak ingericht; zijne keuken, wijnkelder
+en vischvijvers waren beroemd en zijne overdreven zorg daarvoor maakte
+hem wel eens tot een mikpunt van spotternij. Wij hebben geen enkel
+geschrift van hem; hij dichtte ook, doch zijne verzen konden den
+toets van zedelijkheid niet doorstaan. Ook schreef hij annales. Hij
+was een vertegenwoordiger van den asiatischen stijl (Asianismus),
+z. Hegesias no. 2.--4) Hortensia, dochter van no. 3, wordt genoemd
+als een voorbeeld van vrouwelijke welsprekendheid. Zij heeft in 42 de
+rechten der gehuwde vrouwen, die door een zware belasting getroffen
+werden, met succes ten overstaan van de triumviri verdedigd.
+
+Horus, Horos, een aegyptisch god, zoon van Isis en Osiris,
+waarschijnlijk de god der opgaande zon, door de Grieken voor denzelfden
+gehouden als Apollo. Meer bekend bij Grieken en Rom. was echter een
+jongere Horus, een zwakke zoon van Osiris en in diens ouderdom geboren,
+naar men meent de god der ondergaande zon of winterzon. Onder den naam
+Harpocrates (z. a.) wordt hij vooral vereerd als god van het zwijgen.
+
+Hospitium. Tusschen aanzienlijke familiën in verschillende steden en
+gewesten bestonden vaak banden van gastvriendschap. Bij het sluiten
+van zulk een band (foedus) werden de namen van beide familiën op eene
+zoogenaamde tessera hospitalis geschreven, eene soort van liniaal,
+zóó dat aan weerszijden een naam stond. Zulk eene tessera wordt dan
+doorgebroken en elke familie ontving eene helft. Op vertoon daarvan
+had men niet slechts aanspraak op herberging, maar ook, zoo noodig,
+op hulp en bescherming. De band ging op de erfgenamen over en werd als
+heilig beschouwd. De rom. grooten hadden zulke hospitia de geheele
+wereld door. Niet slechts echter bijzondere personen sloten zulke
+banden van gastvriendschap, zij komen ook voor tusschen staten,
+in welk geval van weerszijden vorstelijke personen en gezanten
+op staatskosten werden gehuisvest en onthaald. Dit heet hospitium
+publicum. Ook bestonden er hospitia tusschen tal van civitates in
+den vreemde en aanzienlijke familiën te Rome, waarmede dan tevens
+aan deze familie het patronaat werd opgedragen, d. w. z. de taak om
+de vreemde civitas in rechten als anderszins te vertegenwoordigen,
+hare burgers te Rome te beschermen en hare belangen voor te staan,
+ongeveer zooals in onze nieuwere maatschappij de consuls doen.
+
+Hostilia, nu nog Ostiglia geheeten, stadje aan den Padus (Po),
+met een druk veer over de rivier, aan den weg van Bononia (Bologna)
+naar Mantua en Verona.
+
+Hostilia curia, zie Curia.
+
+Hostilianus (Gaius Valens), Caesar onder zijn vader Decius, 249 n. C.,
+na diens dood (251) keizer, sterft weldra aan de pest.
+
+Hostilii, een oud, patricisch geslacht, waarvan enkele leden in den
+tweeden en derden punischen oorlog en de oorlogen tegen Perseus en
+Antiochus III voorkomen. C. Hostilius Mancinus, consul in 137, werd
+door de Numantijners tot den vrede gedwongen, dien de rom. senaat
+evenwel verwierp. Mancinus werd toen uitgeleverd (z. Furia Atilia
+(lex)), doch de N. weigerden dit offer te aanvaarden. Later werd
+M. uit den senaat gestooten.
+
+Hostis was oudtijds = peregrinus, terwijl in het oude fetiaalrecht
+perduellis voor vijand werd gebruikt. Later beteekende hostis een
+buitenlandschen vijand, perduellis een binnenlandschen, terwijl diens
+handeling, hoogverraad, door perduellio wordt uitgedrukt. Wanneer
+een onderworpen vijand opstaat, is hij een rebellis; wanneer burgers
+oproer maken, is het eene seditio.
+
+Hostis iudicatio is een senaatsbesluit, waarbij van bepaalde personen
+verklaard werd, dat zij zich door hun daden tot vijanden van den staat
+gemaakt hadden, en dat zij dientengevolge van burgerrecht vervallen,
+vogelvrij en, zoo ze ambtenaren waren, ambteloos geworden waren. Dit
+besluit was vaak een toevoeging aan het senatus consultum ultimum
+(z. a.), en werd door de senaatspartij gebruikt als middel om
+woelingen te onderdrukken; het eerst is het toegepast tegen Ti.,
+daarna tegen C. Gracchus, in 100 tegen Saturninus en Glaucia. De
+aan de senaatsregeering vijandige partij heeft altijd terecht de
+bevoegdheid der magistraten ontkend, om aan deze onwettige verklaring
+van den senaat gehoor te geven; vele van de consuls, die er zich door
+hadden laten bewegen om gevangenen terecht te stellen, zijn later met
+eenigen tijd van ballingschap gestraft, zooals o. a. Cicero wegens
+het dooden der Catilinarii in 63 (z. Clodiae (leges) no. 5).
+
+Hybreos graphe, aanklacht wegens mishandeling. Het proces werd voor
+de heliasten (z. Heliaia) gevoerd en de straf werd naar omstandigheden
+door de rechters bepaald.
+
+Hylles, een van de drie dorische phylae (z. a.), naar Hyllus genoemd.
+
+Hunni, Hounnoi, aziatisch volk, dat oorspronkelijk in Mongolië woonde,
+en ± 375 n. C. over den Rha (Wolga) drong, de Alanen en Oostgothen
+onderwierp, andere volken voor zich uit dreef en vooral onder Attila,
+den "geesel Gods" (zie Attila) het romeinsche rijk teisterde. Na
+Attila's dood (453) viel het groote Hunnenrijk uiteen en ± 500 was
+de naam van Hunnen weder verdwenen. Omtrent een vroeger optreden van
+de Hunnen zie men Bactria.
+
+Hypaithros heette de ruimte in het midden van een tempel, wanneer
+zij, zooals bij groote gebouwen soms het geval was, niet van een dak
+voorzien was. Men verkeert omtrent deze quaestie nog geheel in het
+duister; behalve het Pantheon te Rome zijn ons dergelijke tempels
+niet bekend. Z. verder onder Templum.
+
+Hypaspistes, 1) schildknaap, een slaaf, die op marsch voor zijn heer
+schild, helm, enz. droeg.--2) in het macedonische leger lichtgewapende
+infanteristen, meer voor aanval dan voor verdediging bestemd, van een
+korte lans en een lang zwaard voorzien. Uit hen werd de koninklijke
+lijfwacht (agema) gekozen.
+
+Hypekooi, op Creta = perioikoi.
+
+Hypogrammateus = grammateus (z. a.) tes poleos, ook gr. tou demou of
+gr. tes boules kai tou demou genoemd.
+
+Hypomeiones, z. Homoioi.
+
+Hyacinthus, Hyakinthos, 1) zoon van Amyclas en Diomede, een
+buitengewoon schoon jongeling, die door Apollo en Zephyrus bemind
+werd. Toen Apollo eens met hem aan de oevers van den Eurotas met
+den discus speelde, dreef Zephyrus uit jaloerschheid de werpschijf
+van Apollo naar het hoofd van Hyac., zoodat deze doodelijk gewond
+werd. Apollo veranderde hem in de bloem, die zijn naam draagt. Te
+zijner eere vierden de Spartanen jaarlijks te Amyclae een groot feest,
+de Hyacinthia, dat drie dagen duurde; de eerste dag was een treurdag,
+waarop men aan Hyac. in stilte offers bracht, de beide volgende dagen
+hield men feestelijke optochten en wedspelen.--2) Lacedaemoniër,
+die ten tijde van Aegeus te Athene woonde. Toen Minos Athene met
+oorlog bedreigde (z. Aegeus), kregen de Atheners van het orakel den
+raad de kinderen van een vreemdeling te offeren; zij kozen daarvoor
+de dochters van Hyac. Niettemin werden zij door Minos overwonnen.
+
+Hyades, Hyades, Suculae, sterrenbeeld aan den kop van den Stier,
+dat bij het begin van den regentijd opgaat (pluviae, tristes). Zij
+worden dochters van Atlas en Aethra of Pleione, of van Oceanus of van
+Melisseus genoemd, en waren de voedsters van Dionysus (nysaeische
+nimfen) of van Zeus (dodonaeïsche nimfen) geweest en ter belooning
+onder de sterren geplaatst. V. a. hadden zij zich dood getreurd om
+het verlies van hun broeder Hyas, die op de jacht omgekomen was.
+
+Hyaea, Hyaia, vlek in het gebied der ozolische Locriërs.
+
+Hyampea, Hyampeia, een van de toppen van den Parnassus = Lycoreus.
+
+Hyampolis, Hyampolis, stad in Phocis bij Elatea, door Hyanten
+gesticht. De stad werd eerst verwoest door Xerxes, later door Philippus
+van Macedonia.
+
+Hyantes, Hyantes, oude bewoners van Boeotia, door de Cadmeërs naar
+Phocis verdreven, waar zij Hyampolis stichtten. Een groot gedeelte
+vestigde zich in Aetolia. Hyantius, Hyanteus bij dichters = boeotisch,
+hyantis = aetolisch.
+
+Hyarotes, Hyarotes = Hydraotes.
+
+Hybla, Hybla, naam van drie steden op Sicilia, H. maior, he meizon
+of megale, v. s. ook Hybla Geleatis (Gereatis), Hybla he Geleatis,
+he Gereatis geheeten, lag aan den Aetna; H. minor, he mikra of Hybla
+ta Megara, ook wel Megara Hyblaea, v.s. ook Hybla Geleatis geheeten,
+lag ten N. van Syracusae, en werd Megara genoemd naar dorische
+kolonisten uit Megaris. De inwoners heetten Megares Hyblaioi. In den
+tweeden punischen oorlog werd het door de Rom. verwoest. Het derde,
+H. Heraea, Heraia of he elatton, lag aan den weg van Syracusae naar
+Gela. Uit een der drie Hybla's kwam de beroemde honig, Hyblaeum mel.
+
+Hyccara, (plur.), ta Hykkara, stad der Sicani op de N.kust van Sicilia,
+in 415 door de Atheners veroverd en geplunderd en toen aan Segesta
+afgestaan.
+
+Hydaspes, Hydaspes, zijtak van den Acesines, waarbij Alexander de
+Gr. zijne overwinning op koning Porus behaalde. Vergilius noemt hem
+minder juist Medus Hydaspes, daar het perzische rijk zich niet tot
+aan dezen stroom uitstrekte. Horatius noemt hem fabulosus = alleen
+bekend van hooren zeggen, n.l. bij de Rom.
+
+Hydraotes, Hydraotes, een zijtak van den Acesines, evenals de Hydaspes.
+
+Hydrea, Hydrea, thans Hydra, eilandje bij Argolis. De bevolking is
+van dryopischen stam.
+
+Hydrochous, Hydrochoos = Aquarius.
+
+Hydrophoria, Hydrophoria, reinigings- en verzoeningsfeest ter eere van
+Apollo of de onderaardsche goden of ter herinnering aan de slachtoffers
+van den zondvloed van Deucalion, op vele plaatsen van Griekenland in
+het voorjaar gevierd.
+
+Hydruntum of Hydrus, Hydrous, thans Otranto, stad op de kust van
+Calabria, met eene uitstekende haven.
+
+Hygiea, Hygieia, dochter van Asclepius, godin der gezondheid. Zij wordt
+gewoonlijk gemeenschappelijk met haar vader vereerd, maar staat ook
+in nauwe betrekking tot Athena, die ook den bijnaam Hygiea heeft. Op
+hare afbeeldingen heeft zij een slang in de hand, die zij uit een
+schaal laat drinken.
+
+Hyginus (C. Iulius), een vrijgelatene van Augustus, geboortig uit
+Hispania, opzichter der palatijnsche bibliotheek. Hij was een vlijtig
+beoefenaar van taal- en oudheidkunde. Men veronderstelt, dat hetgeen
+wij op naam van Hyginus bezitten, een fabularum liber en een poëticon
+astronomicon niet van dezen Hyginus afkomstig is. Onder Traianus,
+v.a. ± 300, komt nog een Hyginus gromaticus voor (z. Groma).
+
+Hylas, Hylas, zoon van Theodamas en Menodice, lieveling van Heracles,
+met wien hij deelnam aan den tocht der Argonauten. Toen Hylas
+in Mysië aan land gegaan was om water te scheppen, werd hij door
+bronnimfen geroofd, Heracles ging hem zoeken en bleef zoo lang uit,
+dat de Argonauten zonder hem vertrokken.--Ter eere van Hylas vierden
+de inwoners van Prusias een feest, waarbij geofferd werd bij de bron,
+waarin hij verdwenen was, en men in de bergen het zoeken van Heracles
+nabootste.
+
+Hyle, Hyle, oud boeotisch stadje, aan het Hylische meertje.
+
+Hylias, Hylias, grensrivier tusschen het gebied van Croton en dat
+van Sybaris in het land der Bruttii.
+
+Hylice, Hylike (sc. limne), meer. Zie Hyle.
+
+Hyllus, Hyllos, zoon van Heracles en Deïanira, de stamvader der
+Heracliden (z.a.), die in de Peloponnesus regeerden. Na een eersten
+inval in de Peloponnesus ging hij naar Thessalië, waar Aegimius hem
+een derde gedeelte van zijn land afstond, bij een tweeden inval werd
+hij door Echemus gedood.
+
+Hyllus, Hyllos, zijtak van den Hermus, in aziatisch Ionia.
+
+Hymen, Hymenaeus, Hymen, Hymenaios, zoon van Apollo en Calliope of
+Urania of van Dionysus en Aphrodite, bevrijdde eens een aantal jonge
+meisjes, die door zeeroovers gevangen genomen waren; daarom gedachten
+deze hem, toen zij trouwden, in het bruiloftslied, en sedert dien
+tijd wordt hij als een god van het huwelijk beschouwd, die in het
+bruiloftslied wordt aangeroepen. Hij komt voor in gezelschap van
+Aphrodite en Eros, zijne afbeeldingen gelijken op die van Eros,
+ofschoon hij grooter en ernstiger voorgesteld wordt; gewoonlijk is
+hij met rozen bekranst en draagt hij een fakkel en sluier in de hand.
+
+Hymettus, Hymettos, berg in Attica ten O. van Athenae, voor een
+gedeelte met geurigen thym begroeid en hierom bekend door zijn
+voortreffelijken honig. De berg is ook bekend om zijn marmergroeven.
+
+Hypacyris, Hypakyris, ook wel -caris, rivier in europeesch Sarmatia,
+onzeker welke.
+
+Hypaepa, ta Hypaipa, stadje in Lydia aan de Z. helling van den
+Tmolus. Het was bekend om zijne schoone vrouwen.
+
+Hypanis, Hypanis, naam van twee rivieren in Sarmatia, die van
+tegenovergestelde zijden in den Pontus Euxinus (Zwarte zee)
+stroomen. De eene heet thans de Bug, de andere, die op den Caucasus
+ontspringt, de Kuban. Ook = Hyphasis.
+
+Hypata, Hypata of ta Hypata, bergstadje in het gebied der Aenianen
+tusschen Thessalia en Hellas. In de nabijheid was de vergaderplaats
+der heksen en toovenaars, de grieksche Blocksberg. De Hypataeërs
+hadden den naam, bekwame toovenaars te zijn.
+
+Hypatia, Hypatia, de begaafde dochter van Theon (no. 3), beoefende
+evenals haar vader wis- en sterrenkunde en ook wijsbegeerte; zij werd
+bij een opstand van de Christenen in 415 n. C. gedood.
+
+Hyperbolus, Hyperbolos, atheensch demagoog van geringe afkomst,
+die na den dood van Cleon als medestander van Alcibiades optrad en
+veel invloed verwierf. Door de blijspeldichters wordt hij voortdurend
+bitter bespot. In 417 werd hij door het ostracisme (z. a.) verbannen,
+hij vestigde zich op Samus, waar hij in 411 door de oligarchische
+partij vermoord werd.
+
+Hyperborei, Hyperboreioi, een fabelachtig volk, meer noordelijk wonende
+dan de Noordewind (Boreas), en over wie deze dus nooit zijn kouden
+adem liet gaan. In hun land ging de zon slechts éénmaal 's jaars op
+en onder; hun land was een heerlijk land, waar alles spoedig rijpte,
+hun leven was een leven van geluk, zonder ooit eenigen twist of
+tweedracht. Zij konden 1000 jaar oud worden, doch meestal stortten
+zij zich vóór dien tijd, des levens zat, in zee. Zij waren aan den
+dienst van Apollo gewijd. Hyperboreus dichterlijk = noordsch.
+
+Hyperborei montes, een gebergte in het gebied of naar den kant der
+Hyperborei, misschien eene duistere voorstelling van de Carpathen of
+van het Oeralgebergte.
+
+Hyperenor, Hyperenor, een van de Sparten, zie Cadmus.
+
+Hyperides, Hypereides, -rides, zoon van Glaucippus, een van de tien
+attische redenaars, leerling van Plato en Isocrates, in de politiek
+aanhanger van Demosthenes, hoewel hij zich in de zaak van Harpalus
+(z.a.) tegen hem keerde en zelfs als zijn beschuldiger optrad. Evenals
+Dem. en om dezelfde redenen werd hij door Alexander na de verovering
+van Thebe opgeëischt, maar niet uitgeleverd; ook aan den lamischen
+oorlog nam hij deel, en na den ongelukkigen afloop er van vluchtte
+hij naar Aegina, waar hij gevat en op bevel van Antipater ter dood
+gebracht werd (322). Van zijne redevoeringen zijn er in de vorige
+eeuw zes in Egypte teruggevonden.
+
+Hyperion, Hyperion, een van de Titanen, vader van Helius, Selene en
+Eos. Ook Helius wordt dikwijls Hyperion genoemd.
+
+Hyperm(n)estra, Hyperm(n)estra, zie Danaüs.
+
+Hyphasis, Hyphasis, een zijtak van den Acesines.
+
+Hypocaustum, vertrek, waarvan de vloer verwarmd werd door buizen of
+kanalen met heete lucht; vooral bij badkamers en in badhuizen werd
+deze wijze van verwarming toegepast.
+
+Hyporchema, hyporchema, vroolijk lied ter eere van Apollo, met mimiek
+en dans voorgedragen.
+
+Hypothebae, Hypothebai, oude stad in Boeotia, waaronder men of Potniae
+of wel de benedenstad van Thebae, rondom de Cadmea of burcht verstond.
+
+Hypotheca, hypotheke, onderpand voor geleend geld, dat in het bezit
+van den schuldenaar blijft, en wanneer hij zijne schuld niet betaalt,
+ter voldoening van den schuldeischer verkocht wordt.
+
+Hypsipyle, -pylea, Hypsipyle, -pyleia, dochter van Thoas, koningin
+van Lemnus toen de Argonauten op dat eiland landden. Zij bleven er
+een jaar, en Hyps. werd bij Iason moeder van twee zonen, Thoas en
+Euneus. Kort te voren hadden de vrouwen van Lemnus alle mannen in
+één nacht gedood, daar deze ontrouw geworden waren en thracische
+meisjes op het eiland gehaald hadden. Later ontdekte men echter, dat
+Hyps. haar vader gered had, zij moest vluchten, werd door zeeroovers
+gevangen genomen en aan Lycurgus, koning van Nemea, verkocht. Wegens
+den dood van Opheltes (z. a.) werd zij in de gevangenis geworpen,
+doch door hare beide zonen bevrijd.
+
+Hypsus, rivier in het W. van Sicilië, die aan de Z.-kust, dicht hij
+Selinus uitmondt.
+
+Hyrcania, Hyrkania, smalle, onvruchtbare landstreek en perzische
+provincie ten Z. en Z.O. der Caspische zee, ten Z. door bergketenen
+begrensd, waar tal van wilde, verscheurende dieren werden
+aangetroffen. De Hyrcaniërs hadden evenals andere volken van Iran
+de gewoonte, de lijken door honden te laten verslinden. De rijken
+hielden tot dit doel zelfs honden van edel ras.
+
+Hyrcanum mare, z. Caspium mare.
+
+Hyrcanus, zoon van den joodschen koning Alexander Jannaeus, uit
+het geslacht der Maccabaeën, leefde in hevigen strijd met zijn
+broeder Aristobulus. Deze laatste riep in 64 de tusschenkomst van
+Pompeius in, doch werd, daar hij dezen trachtte te misleiden, door
+P. gevangen genomen. Hyrcanus werd nu als leenvorst met den titel
+van hoogepriester-ethnarch, archiereus kai ethnarches, op den troon
+geplaatst, in welke waardigheid hij door Caesar in 47 bevestigd
+werd. In 37 liet Antonius hem onthoofden.
+
+Hyrgis, Hyrgis, thans de Donetz, zijtak van den Tanaïs (Don)
+in Sarmatia.
+
+Hyria, Hyria, 1) meer in Aetolia, ten W. van het meer Trichonis.--2)
+stad in Boeotia, nabij den Euripus, vlak bij Aulis, en tot het gebied
+van Tanagra behoorend.--3) stad in Italia aan den weg van Tarentum
+naar Brundisium, ook Uria geheeten.
+
+Hyrmine, Hyrmine, ook Horminae, stad in het N. van Elis, nabij de kust.
+
+Hyrtacides, zoon van Hyrtacus = Nisus no. 2.
+
+Hysiae, Hysiai, 1) stad in het Z. van Argolis, bij de landstreek
+Thyreatis of Cynuria. Zij werd in den peloponnesischen oorlog door
+de Spartanen verwoest.--2) vlek in Boeotia, niet ver van het slagveld
+van Plataeae.
+
+Hystaspes, Hystaspes, aanzienlijke Pers, vader van Darius I. Op zijne
+reizen naar Indië maakte hij kennis met de leer der Brahmanen, die
+hij later aan de Magiërs mededeelde. Dit verhaal heeft misschien
+betrekking op een anderen Hystaspes, die de leer van Zarathustra
+(Zoroaster, z.a.) ingevoerd heeft.
+
+
+
+
+
+
+I.
+
+
+Iacchus, Iakchos, naam van Dionysus in de eleusinische mysteriën;
+hij had een tempel te Athene, en bij den feestelijken optocht naar
+Eleusis ter gelegenheid van de mysteriën werd zijn beeld voor den
+stoet uitgedragen.
+
+Iacetani, volksstam in Hispania tusschen de Pyrenaeën en den mond
+van den Iberus (Ebro). Z. ook Lacetani.
+
+Iadera, Iadera, stad op de kust van Illyricum, in Liburnia.
+
+Ialmenus, Ialmenos, zoon van Ares en Astyoche, regeerde nevens zijn
+broeder Ascalaphus in Orchomenus en streed voor Troje. V.s. was hij
+na den trojaanschen oorlog koning van het eiland Aretias.
+
+Ialysus, Ialysos of Ialysos, eene der drie oudste steden van het eiland
+Rhodus. Het lag in het Noorden, dicht bij het latere Rhodus. Lindus en
+Camirus waren de beide andere steden. Volgens de overlevering waren
+zij gesticht door Ialysus, Lindus en Camirus, drie broeders. Zie
+verder Rhodus.
+
+Iambe, Iambe, dochter van Pan en Echo, dienstmaagd van Celeüs. Door
+hare vroolijkheid wist zij het eerst de over het verlies harer dochter
+treurende Demeter tot lachen te bewegen; tot belooning werd zij de
+eerste priesteres van die godin en ter herinnering hieraan werden de
+feesten van Demeter met scherts en spotternij gevierd.
+
+Iambische poëzie, een dichtsoort, voornamelijk gebruikt voor spot-
+en hekeldichten (carmen maledicum). Zij heeft waarschijnlijk haar
+oorsprong te danken aan het plagen en schertsen bij de feesten van
+Demeter (z. Iambe) en werd door Archilochus tot een bepaalden kunstvorm
+ontwikkeld. Van de epische poëzie, die tot dien tijd alleen beoefend
+was, onderscheidt zij zich door eenvoudiger taal en vluggere versmaat,
+daar in iederen voet de arsis tweemaal zoo lang is als de thesis.--Na
+Archilochus waren de meest bekende iambografen Simonides, Hipponax,
+Solon, en onder de Romeinen Catullus, Horatius, Martialis.
+
+Iamblichus, Iamblichos, 1) van Babylon, grieksch romanschrijver in de
+2de eeuw na C. Van zijn groote roman Babyloniaka is nog een uittreksel
+over.--2) van Chalcis in Coelesyria, neo-platonisch wijsgeer onder
+Constantijn d. G., leerling van Porphyrius. In zijne werken tracht
+hij de stelsels van Plato en Pythagoras te vereenigen, hij verdedigt
+alle godsdienstige begrippen, zoowel van Grieken en Romeinen als
+van verscheiden oostersche volken, tegen het Christendom en leert
+dat waarzeggerij en tooverij noodzakelijk zijn om de betrekking
+tusschen goden en menschen in stand te houden. Hijzelf werd door
+zijne leerlingen voor een heilig wonderdoener gehouden. Hij heeft
+vooral invloed gehad op keizer Julianus.
+
+Iamnia, Iamneia, aanzienlijke stad in het Z.W. van Palaestina, niet
+ver van de zee.
+
+Iamus, Iamos, zoon van Apollo en Euadne. Hij werd door Aepytus
+opgevoed, en toen hij volwassen was, ging hij op bevel van Apollo
+naar Olympia, waar hij als waarzegger beroemd werd, en de stamvader
+werd der Iamiden (Iamidai), een geslacht van priesters en waarzeggers
+te Olympia.
+
+Iana, echtgenoote van Janus, oud-italische maangodin, waarschijnlijk
+dezelfde als Diana.
+
+Ianiculus (mons), een der bergen van Rome, aan de overzijde
+van den Tiber. Op den top lag eene versterking, arx, waar bij
+volksvergaderingen eene roode vaan opgesteld en door eene wacht
+bewaakt werd. Deze gewoonte dagteekende uit den tijd, toen men nog
+op zijne hoede moest zijn tegen een onverwachten overval der naburige
+volken. Werd de vlag weggenomen, dan moest de vergadering uiteengaan.
+
+Ianus, de god van deuren en poorten; vandaar heet hij Clusius
+(Clusivius), sluiter, en Patulcius, opener. Daar iedere deur, om zoo
+te zeggen, naar binnen en naar buiten ziet, wordt Janus afgebeeld met
+twee gezichten (Janus Geminus, Biceps, Bifrons); zoo komt hij het eerst
+op de munten voor, en wel op den ouden koperen as, terwijl men voor de
+kleinere stukken koppen van grieksche goden nam. Verder is Janus de god
+van alle begin, en de eerste maand des jaars (Januarius), en de eerste
+dag van elke maand (Kalendae) is aan hem gewijd; ook het eerste uur van
+den dag; vandaar heet hij Pater Matutinus. Hij waakt ook over het begin
+van het leven van ieder mensch, en heet als zoodanig Consevius. Zijn
+priester is de rex sacrorum, die hem o.a. op den 9 Jan. (Agonium)
+een ram offert in de regia. Een tempel had Janus oorspronkelijk niet,
+slechts een doorgang (Janus Geminus) aan den N.O.hoek van het forum
+was hem gewijd, ook Janus Quirinus geheeten, omdat hij toegang geeft
+tot de staatsmarkt, het forum Romanum. Deze doorgang moest steeds
+openstaan, tenzij er nergens oorlog was. Volgens de sage heeft Numa
+dezen Janus gesticht en ééns gesloten; in historischen tijd is hij
+viermaal gesloten geweest, ééns in 235, na het einde van de oorlogen
+op Sardinië en in Ligurië, en drie maal tijdens Augustus. Na den
+zeeslag bij Mylae (260) heeft C. Duilius, de overwinnaar in dien
+slag, Janus een tempel gewijd vóór de Porta Carmentalis, aan het
+forum holitorium. Zijne beelden hebben gewoonlijk een sleutel in
+de linkerhand, in de andere een staf zooals de portiers; bij deuren
+en poorten plaatste men gewoonlijk een borstbeeld van hem met twee
+aangezichten, die naar binnen en naar buiten gericht waren. Deze
+aangezichten waren meestal gelijk, soms echter was het eene jong,
+het andere oud, of het eene mannelijk, het andere vrouwelijk.
+
+Iapetus, Iapetos, zoon van Uranus en Gaea, een van de Titanen,
+die deel nam aan den oorlog tegen Zeus en daarom in den Tartarus
+is opgesloten. Hij was de vader van Atlas, Menoetius, Prometheus en
+Epimetheus. V. a. een van de Giganten, zoon van Tartarus en Gaea.
+
+Iapis = Iapyx no. 2.
+
+Iapodes of Iapydes, Iapodes, illyrisch-keltisch bergvolk in
+Illyricum, op de grenzen van Liburnia en Histria. Hun land werd
+Iapydia genoemd. Zij tatouëerden zich. Onder Augustus werden zij voor
+goed onderworpen.
+
+Iapygia, Iapygia, oude naam voor de Z.O. punt van Italia, thans Terra
+d'Otranto. Bij dichters = Calabria of ook wel Apulia.
+
+Iapygium promunturium, Iapygia akra, ook wel prom. Sallentinum,
+Z.O. kaap van Italia, thans Capo di Leuca.
+
+Iapyx, Iapyx, 1) zoon van Lycaon of van Daedalus, voerde eene kolonie
+van Cretensers naar Iapygië, dat naar hem genoemd is.--2) geneesheer
+van Aeneas.--3) de Noordwestenwind, die gunstig is voor hen, die van
+Brundisium naar Griekenland varen; bij de Romeinen heet hij gewoonlijk
+Favonius. Zie Windstreken.
+
+Iarbas, zie Hiarbas.
+
+Iardanus of -us, Iardanes, -os, naam van twee riviertjes, het eene
+op Creta nabij de stad Cydonia, het andere in Elis ten N. van Phea.
+
+Iardanis, Iardanis, Omphale, dochter van den lydischen koning Iardanus.
+
+Iasides, Iasides, zoon of afstammeling van Iasus of Iasion,
+bijv. Amphion, Palinurus, e. a.
+
+Iasion, Iasius, Iasion, Iasios, zoon van Zeus of Corythus en Electra,
+geliefde van Demeter, die hem een zoon baarde, Plutus. Hij werd
+door Zeus uit minnenijd met den bliksem gedood. Met zijn broeder
+Dardanus werd hij op Samothrace in de mysteriën ingewijd, die hij
+ook op Sicilië ingevoerd zoude hebben.
+
+Iasis, Atalante, dochter van Iasus.
+
+Iaso, Iaso, dochter van Asclepius, godin der geneeskunde.
+
+Iason, Iason, 1) zoon van Aeson, koning van Iolcus. Toen deze door
+zijn broeder Pelias van de regeering beroofd was, liet hij Iason
+naar Chiron brengen, die hem opvoedde. Op zijn twintigste jaar kwam
+Ias. naar Iolcus terug en eischte dat Pelias de regeering aan Aeson zou
+teruggeven; deze beloofde aan dien eisch te zullen voldoen, wanneer
+Ias. voor hem het gouden vlies (z. Phrixus) uit Aea wilde halen; hij
+gaf voor dat hem dit werk door een orakel was opgedragen, maar dat hij
+zich te oud gevoelde om het ten uitvoer te brengen. V. a. had Ias. bij
+zijne eerste ontmoeting met Pelias toevallig een schoen verloren, en
+had deze hem de onderneming opgedragen om hem te verwijderen, daar een
+orakel hem gewaarschuwd had voor iemand met één schoen. Ias. ondernam
+nu aan het hoofd der Argonauten (z. a.) den hem opgedragen tocht. Toen
+hij in Aea aangekomen was en aan koning Aeetes zijn verlangen had
+kenbaar gemaakt, verklaarde deze zich bereid de gouden vacht te
+geven, indien hij twee vuurspuwende stieren met metalen hoeven voor
+den ploeg spande, daarmede een stuk gronds omploegde, in de voren
+draketanden zaaide en de daaruit opgekomen mannen doodde; verder
+moest hij nog een reusachtigen draak dooden, die de vacht bewaakte
+en nooit sliep. Door de toovermiddelen van Medea (z. a.) was Ias. in
+staat deze moeilijke taak te vervullen, en toen Aeetes uitvluchten
+zocht, roofde hij met hare hulp de vacht en vluchtte hij met zijne
+reisgezellen en met Medea. Aeetes vervolgde hen, doch te vergeefs
+(z. Apsyrtus en Alcinous). Te Iolcus teruggekeerd, vonden zij dat
+Aeson en zijn geheel geslacht door Pelias vermoord waren; door een
+list van Medea werd Pelias (z. a.) gedood en Ias. gaf de regeering
+vrijwillig of gedwongen aan Acastus over. Hij trok daarop met zijne
+echtgenoote naar Corinthe, vatte liefde op voor Creusa (no. 4) en
+huwde haar; toen zij door de wraak van Medea gedood was, bracht ook
+hij zich om het leven. V. a. had hij zich eens op de landengte van
+Corinthe onder de Argo te slapen gelegd, en was hij door het instorten
+van het oude schip gedood.--2) tyran van Pherae, kwam omstreeks 378
+aan de regeering en maakte zich in weinige jaren van de heerschappij
+over een groot deel van Thessalië meester. Hij was de bondgenoot van
+de Thebanen tegen de Spartanen, ofschoon hij na den slag bij Leuctra
+beide partijen tot matiging aanspoorde. Terwijl hij, naar men algemeen
+geloofde, met groote plannen omging, nl. om geheel Griekenland onder
+zijne heerschappij te brengen en den oorlog tegen Perzië te hervatten,
+werd hij in 370 vermoord.
+
+Iasus, Iasos of Iassos, stad op de kust van Caria, met veel
+vischvangst, aan den sinus Iassicus. In de nabijheid stond onder den
+blooten hemel een standbeeld van Hestia, dat zelfs bij regen nimmer nat
+werd. De stad was gesticht door Argiven, later bevolkt door Milesiërs.
+
+Iaxartes, Iaxartes, rivier in aziatisch Scythia, thans Syr-Daria,
+uitloopende in het Aral-meer; in de oudheid nam men echter aan,
+dat ze evenals de Oxus in de Caspische zee mondde; wel kende men
+een Oxia palus van hooren zeggen, maar dat de Oxus en Iaxartes
+hierin uitliepen, wist men niet. Z. ook Oxus. De Oxeiane limne,
+door Ptolemaeus vermeld, is niet het Aral-meer, maar de lacus Oaxus,
+een bronmeer in het Pamir-gebergte, waarschijnlijk het Victoriameer.
+
+Iazyges, Iazyges, machtig sarmatisch volk aan de palus Maeotis (zee
+van Azow). Later trokken zij westwaarts en vestigden zich tusschen
+de Tisia (Theiss) en den Danubius. In de 4de eeuw na Chr. komen ze
+steeds als bondgenooten van de Quaden voor.
+
+Iberia, Iberia, 1) grieksche naam voor Hispania.--2) landschap ten
+Z. van den Caucasus en ten O. van Colchis, thans Georgië, waarmede
+de Rom. onder Pompeius kennis maakten. Dit zeer vruchtbare gewest
+was geheel door bergen ingesloten en slechts door enkele passen
+toegankelijk. De bevolking was niet oorlogzuchtig, woonde in goed
+gebouwde huizen en was in kasten verdeeld.
+
+Iberus, Iber, rivier in Hispania, thans Ebro, een tijd lang
+grensscheiding tusschen rom. en carthaagsch Hispania.
+
+Ibycus, Ibykos, van Rhegium, grieksch lierdichter, die eenigen tijd
+aan het hof van Polycrates op Samus leefde en overigens een zwervend
+leven leidde. Op eene reis naar Corinthe werd hij door struikroovers
+gedood, terwijl een zwerm kraanvogels over zijn hoofd heenvloog,
+die hij aanriep om zijn dood te wreken. Toen nu kort daarna weder
+een zwerm van dezelfde vogels gedurende een feest over den schouwburg
+van Corinthe vloog, riep een der moordenaars onwillekeurig uit: "de
+kraanvogels van Ibycus!" waardoor de schuldigen ontdekt en gestraft
+werden. Vandaar het spreekwoord: hoi Ibykou geranoi. Zijne gedichten
+behandelden voor een deel mythische onderwerpen, beroemder echter
+waren bij de ouden zijne minnedichten.
+
+Icaria of Icarus, Ikaria, Ikaros, vroeger Doliche geheeten, eiland in
+de Aegaeïsche zee, ten W. van Samus, volgens de mythe genoemd naar
+Icarus, wiens lijk hier aan land spoelde. De omliggende zee werd
+Icarium mare geheeten.
+
+Icaris, Icariotis, Penelope, dochter van Icarius no. 2.
+
+Icarius, Ikarios, 1) ook Icarus of Icarion, atheensch landbouwer,
+die van Dionysus den wijnbouw leerde. Toen hij eenige herders wijn
+had laten proeven en zij daardoor bedwelmd geworden waren, doodden zij
+hem, in de meening, dat hij hen vergiftigd had. Zijne dochter Erigone
+(z. a.) zocht hem langen tijd, geholpen door haar trouwen hond Maera;
+toen zij zijn lijk vond, hing zij zich aan een boom op. De goden
+plaatsten Ic. als Bootes of Arcturus, Erigone als de Maagd, Maera als
+Procyon (Icarius canis) aan den sterrenhemel. Vgl. Entoria.--2) zoon
+van Oebalus, werd met zijn broeder Tyndareos door hun halfbroeder
+Hippocoon uit Lacedaemon verdreven, maar later door Heracles
+teruggebracht. Hij had de hand zijner dochter Penelope beloofd aan
+dengene, die in den wedloop de overwinning zoude behalen. Odysseus
+was de overwinnaar en voerde haar als zijne gade mede naar zijn rijk,
+hoewel Ic. hem smeekte in Lacedaemon te blijven.
+
+Icarus, Ikaros, 1) zoon van Daedalus (z. a.).--2) koning van Carië,
+z. Thestor.
+
+Iccius, een vriend van Horatius, die in 24 aan den krijgstocht van
+Aelius Gallus tegen de Arabieren deelnam en later op Sicilia leefde,
+waar hij misschien de landgoederen van Agrippa beheerde. Hij was een
+beoefenaar der wijsbegeerte.
+
+Icelus, Eikelos, z. Morpheus.
+
+Iceni of Simeni, Simenoi, machtig volk in Britannia, in het
+tegenw. Norfolk en Suffolk, het volk van koningin Boadicca (z. a.).
+
+Ichnae, Ichnai, 1) stad in het macedonische landschap Bottiaea,
+dicht bij den Axius (Vardar).--2) stad in de thessalische landstreek
+Phthiotis.--3) stad in het N. van Mesopotamia, ten N. van Nicephorium,
+waar Crassus eene overwinning op de Parthen behaalde.
+
+Ichthyophagi, Ichthyophagoi, naam van onderscheidene van vischvangst
+levende volksstammen aan de kusten der Indische zee en hare inhammen
+en op de Westkust van Afrika.
+
+Icilia (lex) sacrata, van den volkstribuun Sp. Icilius in 492 of 471,
+dat alwie een volkstribuun, die tot het volk sprak, zou belemmeren
+of in de rede vallen, door een concilium plebis tot elke straf kon
+veroordeeld worden.
+
+Iciliae (leges) van den volkstribuun L. Icilius, 1) dat de secessio
+bij de dwingelandij der tienmannen niemand tot vergrijp zou worden
+aangerekend (449).--2) dat de mons Aventinus, die nog ager publicus
+was, aan de patricische erfpachters ontnomen en onder de plebejers
+verdeeld zou worden (456). Zie Icilii.
+
+Icilii, plebejisch geslacht, dat tusschen 493 en 408 verscheidene
+volkstribunen heeft opgeleverd en bij de secessiones in 494 en 449
+eene belangrijke rol speelde. O. a. is Sp. Icilius (v. a. Acilius) één
+van de 4 volkstribunen geweest, die ten gevolge van de lex Publilia
+Voleronis voor het eerst tributim in 471 zijn gekozen. De berichten
+omtrent de secessiones van 494 en 449 zijn tamelijk waardeloos, en dus
+ook de namen der daarbij optredende personen. Zie ook onder Duilii
+no. 1. Volgens sommigen is het feit dat Sp. Icilius in 471 tribunus
+plebis was, het eenige historisch betrouwbare bericht omtrent deze
+familie en de op hun naam staande wetten.
+
+Iconium, Ikonion, volkrijke en welvarende hoofdstad van Lycaonia in
+Asia minor.
+
+Ictinus, Iktinos, beroemd bouwmeester te Athene ten tijde van
+Pericles. Tot zijne belangrijkste werken behooren het Parthenon en
+de tempel van Demeter en Persephone te Eleusis.
+
+Icus, Ikos, een van de noordelijke Cycladen, in de nabijheid van
+Peparethus.
+
+Ida, Ide, dochter van Melisseus, een van de beide nimfen, die Zeus
+opvoedden.
+
+Ida, Ide, Ide, boschrijk gebergte in Troas en het achterliggende
+Phrygia. Het was ook rijk aan bronnen. Idaea mater = Cybele, die
+hier vereerd werd; Idaeus puer = Ganymedes. Ook op Creta was een
+Ida-gebergte, met de grot, waarin Zeus was groot gebracht.
+
+Idaea mater, Idaia, bijnaam van Rhea Cybele, naar den berg Ida,
+den hoofdzetel van haar eeredienst.
+
+Idaei Dactyli = Dactyli Idaei.
+
+Idaeus, Idaios, 1) zoon van Dardanus en Chryse, die met zijn vader
+in Phrygië kwam, en op den berg Ida den dienst van Rhea Cybele
+instelde.--2) trojaansch heraut.--3) zoon van Dares.
+
+Idalia, Idalia, bijnaam van Aphrodite, naar den berg Idalium, waar
+zij een beroemden tempel had.
+
+Idalium, Idalion oros, phoenicische stad in het binnenland van Cyprus,
+met een Aphrodite-tempel.
+
+Idas, Idas, een van de Apharetiden (z. a.), ontvoerde Marpessa, de
+dochter van Euenus, koning van Aetolië, op een gevleugelden wagen, die
+hem door Poseidon geschonken was. Euenus vervolgde hem, vergezeld door
+Apollo, die eveneens het meisje begeerde, maar daar hij hem niet konde
+inhalen, stortte hij zich in de rivier Lycormas, die sedert dien tijd
+Euenus heet. Door Apollo in Messene gevonden, waagde Idas een gevecht
+met den god, maar Zeus scheidde hen en besliste dat Marpessa moest
+kiezen. Daar zij vreesde dat Apollo haar niet trouw zoude blijven,
+gaf zij aan Idas de voorkeur.
+
+Idistavisus, vlakte aan den Visurgis (Weser), nabij de Porta
+Westphalica, waar Germanicus op de Cheruscers de nederlaag van Varus
+wreekte (16 n. C.).
+
+Idmon, Idmon, een waarzegger, die de Argonauten vergezelde, ofschoon
+hij wist, dat hij onderweg zou omkomen. Hij stierf in Bithynië aan
+eene ziekte of aan den beet van een slang of een wild zwijn. De stad
+Heraclea was, naar het heette, rondom zijn graf gebouwd.
+
+Idomene, Eidomene, stad in het macedonische gewest Mygdonia, aan den
+Axius (Vardar).
+
+Idomeneus, Idomeneus, zoon van Deucalion no. 2, koning van Creta. Als
+een van hen, die naar de hand van Helena (z. a.) gedongen hadden,
+trok hij later mede tegen Troje op, waar hij zich door dapperheid
+onderscheidde. Op de terugreis door een geweldigen storm overvallen,
+deed hij de gelofte, dat hij aan Poseidon zou offeren wat hem in zijn
+vaderland het eerst zoude ontmoeten, en hij volbracht die gelofte,
+ofschoon zijn eigen zoon het slachtoffer er van werd. Toen ten
+gevolge hiervan door den toorn der goden een pest op Creta uitbrak,
+werd Id. verjaagd; hij ging naar de kust van Calabrië, vanwaar hij
+later naar Colophon ging of naar Creta terugkeerde. Zijn graf meende
+men te Cnosus te vinden, waar hij met Meriones als heros vereerd werd.
+
+Idothea, Eidothea, dochter van Proteus.
+
+Idrias, Idrias, stad en landstreek in Carìa, zie Stratonicea.
+
+Idubeda, gebergte in Hispania, ten Z. van en ongeveer evenwijdig met
+den Iberus (Ebro), een deel van het tegenw. Cantabrisch gebergte.
+
+Idumaea, Idymaia, Edôm, het land ten Z. van Palaestina.
+
+Idus, de 15de dag der maanden Maart, Mei, Juli en October, in de
+overige maanden de 13de. Oorspronkelijk vielen de Idus samen met de
+volle maan, daarom zijn zij in het bijzonder gewijd aan Jupiter. Zie
+verder annus.
+
+Idylle, eidyllion, een klein gedicht, bevattende schetsen uit het
+dagelijksch leven van herders en andere op het land levende personen
+van lageren stand.
+
+Ientaculum, een licht ontbijt 's morgens vroeg voor degenen, die
+niet konden wachten tot het prandium, dat later in den voormiddag
+werd genomen en het karakter van een lunch droeg.
+
+Iërne = Hibernia.
+
+Ietae, Ietai, stad en berg op Sicilia, ten Z.W. van Panormus (Palermo).
+
+Igilium, eilandje nabij de kust van Etruria, tegenover den mons
+Argentarius.
+
+Ignominia, het verlies van goeden naam, eene oneer of openbare
+vernedering, welke men zich op den hals haalde door verkeerde
+handelingen of eene minder voegzame leefwijze, die wel niet onder het
+bereik der strafwetten vielen, maar toch van den kant der censoren
+eene openlijke berisping of terugzetting ten gevolge konden hebben. Zie
+ook infamia.
+
+Iguvium, Igouion, aanzienlijk municipium in het hart van Umbria,
+aan de Z.W. helling van den Apenninus met een beroemden tempel van
+Jupiter, thans Eugubbio (Gubbio). Onder de puinhoopen van den tempel
+werden in de 15de eeuw na C. door een boer zeven koperen platen met
+opschriften in het Umbrisch gevonden, die meer dan duizend umbrische
+woorden bevatten en onder den naam van tabulae Eugubinae nog op het
+raadhuis te Eugubbio (Gubbio) bewaard worden.
+
+Ilaira = Hilaira.
+
+Ile, troep, schaar, in het bizonder afdeeling ruiterij. De macedonische
+lichte ruiterij (sarissophoroi) bestond uit 8 ilai van 128 man,
+de zware uit 15 van 200 man, waarbij nog eene zestiende kwam als
+koninklijke eerewacht (agema, ile basilike).
+
+Ilercavones, Ilergavonenses, volk in Hispania aan den mond van den
+Iberus (Ebro). Hoofdstad: Dertosa (Tortosa).
+
+Ilerda, thans Lerida, hoofdstad der Ilergetes in Hispania. Caesar
+versloeg hier Afranius en Petreius, legaten van Pompeius, in 49.
+
+Ilergetes, aanzienlijk volk in Hispania tusschen den Iberus (Ebro)
+en de Pyrenaeën, met de steden Ilerda (Lerida) en Osca (Huesca).
+
+Ilia = Rea Sylvia.
+
+Iliades, Iliades, 1) Ganymedes, zoon van Ilus.--2) Romulus of Remus,
+zoon van Ilia.--3) soms algemeen voor Trojaan.
+
+Ilienses, 1) inwoners van Ilium.--2) volksstam op Sardinia.
+
+Ilion, -um, Ilion, Ilios = Troia.
+
+Ilione, Ilione, dochter van Priamus en Hecabe, gehuwd met
+Polymestor. Zie Polydorus no. 2.
+
+Ilipa, stad aan den Baetis (Guadalquivir) in Baetica, ten N. van
+Hispalis (Sevilla).
+
+Ilis(s)us, Ilis(s)os, riv. in Attica, die op den Hymettus ontspringt
+en langs Athenae stroomt.
+
+Ilithyia, Eileithuia, Eleutho, dochter van Zeus en Hera, godin
+die de vrouwen bij het baren helpt. Soms wordt van meer dan eene
+Il. gesproken; Hera en Artemis worden ook dikwijls Il. genoemd. Zij
+komt overeen met de rom. Juno Lucina.
+
+Ilium, -on, Ilion, Ilios = Troia.
+
+Illiberis, Illiberis, 1) stad in Baetica, nabij de bronnen van den
+Singulis (Xenil), thans Elvira.--2) stad in Gallia tusschen Narbo
+Martius en de grens van Hispania, eerst aanzienlijk, later vervallen,
+door Constantijn den Gr. herbouwd en naar zijne moeder Helena genoemd,
+thans Elne.
+
+Illiturgis, Ilourgeia, belangrijke bergstad der Turduli, geheel in het
+Oosten van Baetica, aan den Baetis (Guadalquivir), in 210 door Scipio
+(Africanus) veroverd en verwoest, later herbouwd als Forum Iulium.
+
+Illurgavonenses = Ilercavones.
+
+Illustres, titel der hoogste klasse van ambtenaren onder Constantijn
+den Gr. Hiertoe behoorden de praefecti der vier praefecturae,
+waarin het rijk verdeeld was, en de zeven hoogste hofbeambten:
+de quaestor sacri palatii, minister van justitie en wetgeving, de
+magister officiorum of hofmaarschalk, de comes sacrarum largitionum,
+minister van financiën, de comes rerum privatarum, administrateur
+van 's keizers bijzonder vermogen, de praepositus sacri cubiculi of
+opperkamerheer, de beide comites domesticorum (equitum en peditum)
+of bevelhebbers der lijfwacht.
+
+Illyricum, Illyris, to Illyrikon, Illyris. Het bergland tusschen
+Epirus en Histria, langs de Oostkust der Adriatische zee werd bij
+de Grieken Illyris of Illyria, bij de Rom. Illyricum genoemd. Het
+zuidelijke gedeelte tot aan den Drilon heette Illyris Graeca, met
+de steden Dyrrhachium (Epidamnus) en Apollonia, en hoorde in den
+romeinschen tijd tot Macedonia; het noordelijke heette Illyris
+Barbara of Romana. Van dit laatste werd wederom het Z.O.deel
+Dalmatia, het N.W. Liburnia genoemd. De rom. provincie Illyricum
+omvatte het tegenw. Dalmatië met Bosnië en Herzegowina. In het jaar
+8 na C. kreeg de geheele provincie den naam Dalmatia (z. a.). Onder
+Diocletianus werd het geheele rom. rijk in vier praefecturen verdeeld;
+de praefectura Illyrici strekte zich toen uit van den Donau tot over
+geheel Griekenland; het oude rom. Illyricum behoorde er echter niet
+meer toe, zoodat de residentie Sirmium juist aan een uithoek lag,
+terwijl ten O. de mons Rhodope (Despotodagh) de grens vormde.
+
+Ilus, Ilos, 1) zoon van Dardanus en Batea, volgde zijn vader in de
+regeering over Dardania op; daar hij kinderloos stierf, was zijn
+broeder Erichthonius zijn opvolger.--2) zoon van Tros en Callirrhoë,
+behaalde eens in Phrygië bij een wedstrijd in het worstelen de
+overwinning, en kreeg als prijs 50 jongelingen en 50 meisjes benevens
+een koe, met de opdracht van het orakel, om eene stad te stichten
+waar de koe zich zou nederleggen. Dientengevolge bouwde hij op een
+heuvel de stad Ilium, en toen hij Zeus om een teeken bad, dat hij
+het orakel goed begrepen had, vond hij den volgenden morgen voor zijn
+tent het Palladium.--V. s. had hij Tantalus en Pelops uit Paphlagonië
+verdreven.--3) zoon van Mermerus van Ephyre, bij wien Odysseus een
+middel ging halen om zijne pijlen te vergiftigen, wat hem echter
+geweigerd werd.--4) = Ascanius (z. a.). Zie ook Iulus.
+
+Ilva, z. Aethalia.
+
+Ilvates, ligurisch volk, dat aan de Noordzijde van den Apenninus ten
+N.O. van Genua woonde.
+
+Imachara, stad in het binnenland van Sicilia ten N.O. van Henna.
+
+Imagines, zie ius imaginum.
+
+Imaus, Imaon oros, zie Emodi montes.
+
+Imbrasia, Imbrasia, bijnaam van Hera, naar haar tempel aan de rivier
+Imbrasus; ook bijnaam van Artemis.
+
+Imbrasus, Imbrasos, 1) rivier op het eiland Samus.--2) riviertje op
+Euboea, bij Taminae uitmondend.
+
+Imbrus, -os, Imbros, eiland in het noordelijk gedeelte van de
+Aegaeïsche zee, bergachtig en boschrijk, een zetel van den dienst
+der Cabiren. Miltiades (z. a.) veroverde van uit de Chersonesus het
+eiland, dat voortaan in het bezit bleef van Athene.
+
+Immaradus, Immarados, zoon van Eumolpus, sneuvelde met zijn vader in
+den oorlog tegen Erechtheus.
+
+Imperator. Wanneer een veldheer eene luisterrijke overwinning had
+behaald, begroetten zijne soldaten hem met den titel imperator. Zijne
+lictoren doorvlochten alsdan hunne bijlbundels met lauriertakken,
+terwijl hij in een omlauwerden brief (litterae laureatae) den
+senaat bericht van zijne overwinning zond en achter zijn naam den
+imperatorstitel voegde. Wanneer hij dan in Italia teruggekeerd was,
+bleef hij met zijn leger buiten Rome gekampeerd, en verzocht den
+senaat een zegetocht binnen Rome te mogen houden. Kwam hij evenwel
+vóór dien tijd binnen de stad, dan verspeelde hij zijne aanspraken
+en zijn titel. Niet altijd werd de triumftocht toegestaan. In dit
+geval gebeurde het somtijds, dat de imperator een zegetocht op
+den albaanschen berg hield, ook wel eens, dat hij tegen den wil
+van den senaat onder de bescherming van één of meer volkstribunen
+zijn feestelijken intocht in de stad hield. In 143 werd den consul
+App. Claudius Pulcher (Claudii no. 12) de eer eener zegepraal geweigerd
+en een der volkstribunen dreigde hem van zijn wagen af te rukken,
+zoo hij toch den triumftocht ondernam. Toen sprong zijne dochter
+Claudia, eene Vestaalsche maagd, op den zegewagen, sloeg haar arm om
+haar vader heen, en niemand waagde verder eenig verzet. Zie verder
+triumphus. Augustus en de volgende keizers kregen het imperatorschap
+voor hun leven, dus als blijvenden titel, waarmede het veldheerschap
+over al de legers van het rijk gepaard ging. Zij voeren den titel
+vóór hun naam.
+
+Imperium, was een bestanddeel van de macht van overheidspersonen,
+die geroepen konden worden om een leger aan te voeren of recht te
+spreken. Verder was daaraan verbonden het ius cum populo agendi,
+d.w.z. het recht om de comitia bijeen te roepen, het ius cum
+patribus agendi, het recht om den senaat bijeen te roepen, en het ius
+coërcitionis, het recht van bestraffing. Dit recht hadden de consuls,
+de praetoren, de dictator, de magister equitum, de interrex. Ook
+behoorde het bij de tijdelijk ingestelde ambten der decemviri legibus
+scribundis en der tribuni militum consulari potestate. Het imperium
+werd na de aanvaarding van het ambt verleend door eene lex curiata,
+die den wettig gekozen ambtenaar niet mocht geweigerd worden.
+
+Impluvium, zie compluvium en atrium.
+
+Inachides, Inachides, Epaphus, kleinzoon van Inachus. Soms in het
+algemeen voor een argivisch man, bijv. Perseus.
+
+Inachis, Inachis, Io, dochter van Inachus, ook Isis, wanneer zij met
+Io vereenzelvigd wordt. Soms in het algemeen voor eene argivische of
+grieksche vrouw.
+
+Inachus, Inachos, 1) zoon van Oceanus en Tethys, die na den watervloed
+van Deucalion de vlakte van Argos bewoonbaar maakte door al het water
+te vereenigen tot eene rivier, die vandaar zijn naam draagt. Hij
+vestigde het argivische rijk, waarvan hij de eerste koning was. Toen
+Poseidon en Hera over het bezit van Argos twistten, besliste hij ten
+gunste van Hera; door den toorn van Poseidon is Argos arm aan water. De
+dochter van Inachus was Io (Inachia iuvenca).--2) rivier van Argolis,
+die, voor zij de kust bereiken kan, in het zand verloopt. Zij is in
+den zomer droog.
+
+Inarime = Aenaria.
+
+Inaros, Inaros, lybisch koning, die onder Artaxerxes I een grooten
+opstand van Aegypte tegen de Perzen verwekte, waarbij hij door de
+Atheners ondersteund werd (459-454). Wel werd een perzische vloot
+op den Nijl vernietigd, Memphis ingenomen en nog andere voordeelen
+behaald, doch toen de atheensche vloot door Megabyzus vernietigd was
+(454), kon In. zich niet lang meer staande houden, hij gaf zich over,
+en werd vijf jaar later gekruisigd.
+
+Inauguratio, zie Augures.
+
+Incensus werd de burger genoemd, die zich bij den census verzuimde aan
+te geven, ten einde den krijgsdienst te ontduiken. Het was volkomen
+logisch dat men hem als slaaf verkocht en wellicht in den oudsten
+tijd ter dood bracht, daar hij zichzelf het burgerrecht niet waardig
+had gekeurd.
+
+Incubatio = enkoimesis.
+
+Incubus, z. Faunus.
+
+India, India. Dit land was den Grieken weinig meer dan bij naam
+bekend, totdat Alexander de Gr. tot aan den Hyphasis, een der takken
+van den Indus, doordrong. Seleucus Nicator, de stichter van het
+Seleucidenrijk, kwam in India tot aan den Ganges en sloot met den
+indischen vorst Sandracotta een verbond. Toen evenwel onder zijne
+opvolgers Ariana weder verloren ging, werden de betrekkingen met
+India weder verbroken. Omtrent grootte en vorm hadden de ouden zeer
+onvolledige begrippen. Bij naam echter kenden en onderscheidden zij
+eenige gedeelten, als India intra en extra of trans Gangem, entos
+kai ektos tou Gangou, waaronder zij Voor- en Achter-Indië verstonden,
+de Aurea Chersonesus (Malakka), het eiland Taprobane (Ceylon), dat zij
+zich reusachtig groot voorstelden, de insula Agathodaemonis (Sumatra),
+Jaba (Java), enz.
+
+Indibilis, vorst der Ilergeten in Hispania Tarraconensis. In den
+tweeden punischen oorlog wist Scipio (Africanus) hem door eene
+edelmoedige behandeling voor de rom. belangen te winnen. Indibilis
+betoonde zich evenwel trouweloos, doch werd door Scipio weder in genade
+aangenomen. Na diens vertrek viel hij opnieuw af, en sneuvelde toen.
+
+Indicetae of Indigetes, Indiketai, volk in den N.O. uithoek van
+Tarraconensis. Hoofdstad: Emporium of Emporiae.
+
+Indigetes dii = Dii indigetes.
+
+Indigitamenta zijn gebedsformulieren, die door de pontifices in hun
+archief bewaard werden, en waarin steeds meerdere godheden aangeroepen
+werden, of ook wel ééne godheid onder meerdere namen, uit vrees de
+goddelijke hulp, die men inriep, anders niet deelachtig te zullen
+worden. Hierdoor werd het aantal goden van den oudsten Romeinschen
+eeredienst door splitsing van de eigenschappen tot in het oneindige
+vermeerderd. Zoo was Terminus (z. a.) oorspronkelijk een bijnaam van
+Jupiter. Vooral bij geboorte en huwelijk, in de eerste levensjaren
+van het kind en bij den landbouw werden dergelijke goden aangeroepen;
+bij het zaaien o.a. 12 verschillende goden. Bovendien drukte men zich
+met opzet, om geen godheid uit te sluiten, erg algemeen uit, en voegde
+aan de formule nog toe: sive deus sive dea, of sive mas sive femina,
+of ook wel sive quo alio numine fas est nominare.
+
+Induciomarus, 1) een aanvoerder der Treviri in Gallia ten tijde van
+Caesar, door diens legaat Labienus verslagen en gedood (54).--2)
+een hoofd bij het gezantschap der Allobroges te Rome onder Cicero's
+consulaat (63).
+
+Indus, Indos, 1) rivier, die door Cabalia of Cibyratis stroomt en
+tegenover het eiland Rhodus in zee valt.--2) rivier, thans nog Indus
+geheeten, ook Sindh, ten W. van Voor-Indië, eens de grens van het
+groote rijk der Perzen. Een zijtak is de Acesines, die wederom den
+Hydaspes, den Hydraotes, den Zadadrus en den Hyphasis opneemt. Tot
+aan den Hyphasis drong Alexander d. Gr. door. De genoemde bijrivieren
+vormen den Pendsjâb, het land der vijf stroomen.
+
+Inessa of Inesa, oude naam der stad Aetna, aan den voet van den berg
+Aetna (z. a.).
+
+Infamia, sterker dan ignominia, eerloosverklaring, waarmede het
+verlies van enkele rechten gepaard ging als: ius suffragii, ius
+honorum, de bevoegdheid om in rechten op te treden of getuigenis af
+te leggen. De infamie kon een gevolg zijn van eene veroordeeling;
+zij kon ook ex edicto praetoris toegepast worden wegens onteerende
+handelingen of het uitoefenen van een verachtelijk bedrijf.
+
+Infelix arbor. Sommige boomen werden bij de Romeinen infelices arbores
+geheeten, zooals bijv. de oleaster of wilde olijf. Daar zulke boomen
+aan de onderaardsche goden gewijd waren, werden zij ook wel gebezigd,
+om er misdadigers aan op te hangen of te kruisigen.
+
+Inferum, s. Tyrrhenum mare, de Tyrrheensche of Toscaansche zee,
+ten W. van Italië.
+
+Infula, stemma, een breede, meestal wollen haarband of doek, die
+om het hoofd gewonden en door een vitta (lint) vastgehouden werd,
+zoodat de einden aan weerszijden afhingen. Zij was een zinnebeeld
+van onschendbaarheid, en werd o. a. door de vestaalsche maagden en
+later ook door de keizers gedragen.
+
+Ingaevones, gemeenschappelijke naam der germaansche volken, die
+langs de kusten der Noordzee woonden; tot hen behoorden de Cimbren
+en Teutonen, de Chauken en de Friezen.
+
+Ingauni, Ingaunoi, volk op de ligurische kust, met de stad Album
+Ingaunum, ten Z.W. van Genua. Tgw. Albenga.
+
+Ingenuus, de eerste van de zoogenaamde dertig tyrannen (zie triginta
+tyranni no. 2), die zich na de gevangenneming van keizer Valerianus, in
+Pannonië tot Augustus liet uitroepen. Keizer Gallienus trok van Gallië
+uit hem tegemoet, en versloeg hem in 258 n. C. bij Mursa in Pannonië.
+
+Iniuria, eerroof en persoonlijke beleediging. De wetten der XII tafelen
+vermeldden twee soorten: lichamelijke beleediging (o.a. membrum ruptum,
+os fractum) en spotliederen (occentatio), v. s. ook het uitspreken van
+betooveringsformulieren (malum carmen incantare). Het ius praetorium
+breidde echter het begrip iniuria aanmerkelijk uit en stond ook voor
+andere gevallen eene actio iniuriarum toe.
+
+Ino, Ino, dochter van Cadmus en Harmonia, echtgenoote van Athamas
+(z.a.). Na haar dood werd zij door Poseidon onder de godheden der zee
+opgenomen, en onder den naam Leucothea op vele zeeplaatsen vereerd. Op
+Rhodus droeg zij den naam Italia, en verhaalde men, dat zij bij
+Poseidon moeder geworden was van zes zonen en eene dochter.--V.a. was
+zij door de Nereïden naar de monden van den Tiber gebracht, en toen
+Juno haar ook daar vervolgde, naar Rome gevlucht, waar Carmentis haar
+gastvrij opnam. Op raad van deze nam zij een inheemschen naam aan,
+en sedert wordt zij als Matuta (z. a.) vereerd.
+
+Inous, Inoos, Melicertes, zoon van Ino.
+
+Inquilinus, 1) de huurder van een huis, tegenover colonus, de pachter
+van een stuk land. In den lateren keizertijd worden beide uitdrukkingen
+dooréén-gebruikt voor den colonus.--2) de inwoner van een municipium,
+die naar Rome verhuist. Zoo noemde Catilina Cicero, die uit Arpinum
+stamde, hetgeen de verontwaardiging van den senaat opwekte.
+
+Inscriptio als rechtsterm, het opmaken van het procesverbaal eener
+aanklacht en de onderteekening daarvan door den aanklager. Zie
+subscriptio.
+
+Instaurativi (ludi), z. Ludi.
+
+Instita, geplooide strook of aanzetsel, onder aan het romeinsch
+vrouwengewaad, waardoor dit laatste slepend werd. Vermoedelijk kon
+de instita aan- en afgehaakt worden.
+
+Institutiones, z. Gaius.
+
+Insubres, Insoubroi, machtige gallische stam in Gallia Transpadana,
+waarmede de Romeinen lang oorlog hebben moeten voeren. Hunne hoofdstad
+was Mediolanium (Milaan).
+
+Insula, groot alleenstaand huis of wel een blok huizen, aan alle
+zijden door straten ingesloten. Daar de huurwoningen te Rome in
+groote blokken werden gebouwd, kreeg insula allengs de gewijzigde
+beteekenis van huurwoning, in tegenoverstelling van domus als eigen
+huis. De slaaf of vrijgelatene, wien het opzicht over het blok en het
+ophalen der huur was opgedragen, werd insularius genoemd. Een enkele
+maal wordt dit woord ook gebezigd voor den huurder eener woning.
+
+Insula Allobrogum, de vlakte tusschen de Isara (Isère) en den Rhodanus
+(Rhône).
+
+Intemilii, volk op de ligurische kust met de stad Album Intemilium,
+aan den voet der Alpes maritimae (Zee-Alpen).
+
+Interamna, 1) stad in het Z. van Umbria, thans Terni, aan de rivier den
+Nar en aan de via Flaminia gelegen, lat. kolonie, geboorteplaats van
+keizer Tacitus. De inwoners werden Interamnates Nahartes genoemd. Niet
+ver boven de stad de beroemde watervallen (zie Avens).--2) stad in
+Latium aan den Liris, sedert 312 lat. kolonie.
+
+Interamnia Praetuttiorum, stad in het land der Praetuttii in Picenum.
+
+Intercatia, stad der Vaccaei in Hispania, ten N. van den Durius
+(Douro).
+
+Intercessio, tusschenkomst of verzet van een overheidspersoon te
+Rome tegenover een ambtgenoot of tegenover lagere overheden en
+der volkstribunen tegenover alle andere magistraten (den dictator
+uitgezonderd). Zie appellatio. Hierbij deed zich het merkwaardige
+verschijnsel voor, dat de praetoren, hoewel ondergeschikt aan de
+consuls, toch, omdat zij onder gelijke auspiciën werden gekozen,
+collegae van de consuls waren. Al waren zij nu ook collegae minores,
+toch konden zij dus de comitiën, door consuls gehouden, storen. Als
+rechtsterm wordt intercessio gebruikt, wanneer de eene burger ten
+behoeve van den ander tusschen dezen en het gerecht treedt, bijv. door
+zich borg te stellen.
+
+Intercidona, zie Deverra.
+
+Intercisi (dies), zie Festi (dies).
+
+Interdictum, een procesvorm, waarbij de praetor een tusschenuitspraak
+deed, hetzij in den vorm van een bevel (decretum) of van een verbod
+(interdictum). De naam interdictum is echter voor beide gevallen
+de heerschende geworden. Het diende dikwijls tot tijdelijke
+bevestiging van een bestaande toestand, bijv. tot aanwijzing, wie
+in het bezit der betwiste zaak zou blijven, totdat de rechter het
+vonnis had uitgesproken. Dikwijls ook diende het tot inleiding van
+een proces, waarbij dan de praetor voor beide partijen een interdict
+uitvaardigde, bijv. een verbod den rechtmatigen bezitter overlast aan
+te doen. Hieruit ontstond dan eene actie, waarbij de eene partij de
+andere beschuldigde tegen het bevel des praetors te hebben gehandeld,
+en die dan door dezen naar een iudex of naar recuperatores werd
+verwezen. Er zijn verschillende gevallen van interdicta.
+
+Internum mare, he eso of entos thalatta, door de Rom. ook dikwijls
+nostrum mare genoemd, de tegenw. Middellandsche zee.
+
+Interpres, algemeene naam voor tusschenpersonen, onderhandelaars,
+tolken, ook voor makelaars in stemmen bij verkiezingen.
+
+Interrex, mesobasileus. Wanneer de koning te Rome gestorven was
+en geen opvolger terstond de regeering overnam, nam de senaat het
+bestuur op zich en wees door het lot uit zijn midden een interrex
+voor den tijd van vijf dagen aan, waarop dan een tweede, derde enz.,
+volgden, ieder voor vijf dagen. Elke interrex benoemde zelf zijn
+opvolger. Ook onder de republiek kwam dit meermalen voor. Wanneer
+b.v. beide consuls gesneuveld waren of als vitio creati hun ambt
+hadden moeten neerleggen, dan keerden de auspiciën, zooals de term
+luidt, tot de patres (d. w. z. de patricische leden van den senaat)
+terug, en moesten er zoolang interreges optreden, totdat er een nieuwe
+consulsverkiezing had plaats gehad. Daar de comitiën eenigen tijd te
+voren moesten worden aangekondigd, konden de eerste interreges deze
+nooit houden. Deze waardigheid is nimmer anders dan door patriciërs
+bekleed.
+
+Intestabilis is hij, die wegens infamia niet waardig is als getuige
+in rechten op te treden en ook geen ander als getuige kan oproepen. In
+ruimeren zin is een homo intestabilis een gemeen, eerloos mensch.
+
+Inui castrum, vervallen zeestadje bij Ardea in Latium.
+
+Inuus, bijnaam van Faunus.
+
+Io, Io, dochter van Inachus, priesteres van Hera te Argos. Zeus beminde
+haar, en om haar aan de jaloersche vervolgingen van Hera te onttrekken,
+veranderde hij haar in een koe. Hera wist echter te verkrijgen dat
+die koe aan haar werd afgestaan en liet haar bewaken door Argus
+Panoptes (z. a.); toen deze door Hermes gedood was, kwelde zij haar
+door een horzel, die haar voortdurend stak en razend maakte. Om aan
+deze pijniging te ontkomen, zwierf Io lang door de meest verwijderde
+landen der aarde, totdat zij in Aegypte hare vroegere gedaante terug
+kreeg en moeder werd van Epaphus.
+
+Iobates, Iobates, koning van Lycië, z. Bellerophon.
+
+Iocaste, Iokaste, moeder en later echtgenoot van Oedipus (z. a.). Toen
+zij vernam dat zij met haar zoon gehuwd was, hing zij zich op.
+
+Iol, zie Caesarea no. 6.
+
+Iolaus, Iolaos, zoon van Iphicles, wagenmenner en vriend van
+Heracles. Hij was den held behulpzaam bij het bestrijden van de slang
+van Lerna, door een naburig woud in brand te steken en de gloeiende
+boomstammen aan te geven, waarmede de wonden van het monster
+dichtgeschroeid moesten worden. Bij de eerste olympische spelen
+behaalde hij de overwinning. Later trok hij met veertig zonen van
+Heracles naar Sardinië, waar hij een volkplanting stichtte en bij de
+woeste inwoners meer beschaafde zeden invoerde; van deze onderneming
+teruggekeerd, vond hij zijn vriend nog juist tijdig genoeg om den
+brandstapel voor hem op te richten, ook was hij de eerste die hem een
+offer bracht.--Toen de Heracliden door Eurystheus vervolgd werden,
+kwam hij uit de onderwereld terug om hen te helpen, v. s. was hij
+het die Eurystheus doodde of gevangen nam.
+
+Iolcus, Iolkos, Iolkos, oude stad in het thessalische gewest
+Pelasgiotis, aan de Pagasaeïsche golf, de plaats van vertrek der
+Argonauten.
+
+Iole, Iole, dochter van Eurytus, koning van Oechalia, door Heracles
+(z. a.) bemind; na zijn dood werd zij volgens zijn bevel de vrouw
+van Hyllus.
+
+Ion, Ion, 1) de stamvader der Ioniërs, zoon van Xuthus en Creusa,
+huwde met Helice, de dochter van den koning van Aegialus, volgde zijn
+schoonvader in de regeering op, en noemde het volk Ioniërs. Door
+de Atheners in hun oorlog tegen de Eleusiniërs te hulp geroepen,
+wordt hij hun aanvoerder en na de overwinning hun koning; zijne
+zonen waren Hoples, Geleon, Aegicores en Argades, naar wie de vier
+ionische phylae genoemd zijn.--V. a. zoon van Apollo en Creusa, door
+zijne moeder te vondeling gelegd, en door Hermes naar Delphi gebracht,
+waar hij opgroeit en dienaar van den tempel wordt. Volgens een orakel
+nam Xuthus, die Creusa tot vrouw gekregen had, maar kinderloos
+gebleven was, hem tot zoon aan; Creusa, die vermoedt dat hij een
+onechte zoon van Xuthus is, wil hem vergiftigen, maar Apollo redt
+hem door een wonder en laat door de Pythia de verhouding tusschen
+moeder en zoon openbaren.--2) van Chius, tijdgenoot van Pericles,
+leefde in zijn jeugd geruimen tijd te Athene. Hij was de schrijver
+van verscheiden treurspelen en andere gedichten, tevens wijsgeer en
+geschiedschrijver, een man van smaak en fijne beschaving, zooals hij
+in zijn dagelijkschen omgang zoowel als in zijne werken toonde. Er
+zijn nog fragmenten van zijn werken over.--3) rhapsode van Ephesus,
+naar wien een van Plato's werken genoemd is.
+
+Iones, Iones, een van de vier hoofdstammen der Grieken, die Attica,
+vele eilanden in de Aegaeïsche zee en een groot deel der Westkust
+van Kl. Azië bevolkt hebben. De ionische stam staat bovenaan, wat
+zeevaart en handel betreft. Zie ook Ionia en Achaia.
+
+Ionia, Ionia, 1) oude naam voor het landschap Achaia in
+de Peloponnesus, voordat de Achaeërs de Ioniërs van daar
+verdreven hadden.--2) kustland met de voorliggende eilanden in
+Klein-Azië. Volgens de overlevering dagteekent de eerste ionische
+nederzetting aldaar, op de lydische kust, van ± 1044, toen onder
+aanvoering van Codrus' zonen Neleus en Androclus eene groote
+schaar naar Lydia overstak. Hier vormde zich allengs het ionisch
+stedenverbond: Phocaea, Clazomenae, Erythrae, Teos, Lebedus, Colophon,
+Ephesus, Priene, Myus, Miletus en de eilanden Samus en Chius. Ook de
+aeolische stad Smyrna voegde zich, vrijwillig of gedwongen, hierbij. Op
+kaap Mycale stond het Panionium, het gemeenschappelijk heiligdom van
+Poseidon, den ionischen stamgod. Croesus dwong de ionisch-aziatische
+Grieken de opperheerschappij van Lydia te erkennen; met Lydia kwamen
+zij in 545 onder Perzië. In 500 stonden zij vruchteloos tegen koning
+Darius I op, doch de perzische oorlogen maakten hen vrij, totdat de
+vrede van Antalcidas in 387 hen opnieuw aan Perzië prijs gaf. Verder
+deelden zij de lotgevallen van Klein-Azië. Ionia was het vaderland
+van de dichters Homerus, Mimnermus, Anacreon, van de schilders Zeuxis,
+Apelles, Parrhasius, van de wijsgeeren Thales, Anaximander, Anaxagoras,
+Xenophanes, van de geschiedschrijvers Hecataeus, Dionysius Milesius,
+e. a.
+
+Ionium mare, Ionios pontos, de zee ten W. van Griekenland en
+Epirus. Het spreekt van zelf dat de uitgebreidheid eener open zee
+niet binnen grenzen te bepalen is. Sommigen breiden de ionische zee
+dan ook uit tot Sicilia; zelfs wordt de Adriatische zee wel Ionios
+mychos genoemd.
+
+Iophon, Iophon, zoon van Sophocles en Nicostrate,
+treurspeldichter. Hoewel zijne werken soms flauw en langdradig
+genoemd worden, schijnen zij toch aanleiding gegeven te hebben tot
+het vermoeden, dat zijn vader hem er bij hielp. Het verhaal dat hij
+zijn vader op hoogen leeftijd voor de phratrie geroepen zou hebben, om
+hem wegens zwakte van geestvermogens het beheer van zijne bezittingen
+te doen ontnemen, en dat deze het onware van die bewering zou hebben
+aangetoond door den rechters zijn laatste werk, den Oedipus op Colonus,
+voor te lezen, is waarschijnlijk niets dan een verzinsel.
+
+Joppe, Ioppe, thans Jaffa, oude havenstad op de kust van Judaea
+in Palaestina.
+
+Jordanes, Iordanes, hoofdrivier van Palaestina, de Jordaan, ontspringt
+op den Hermon, vormt in zijn bovenloop het meer Merôm en verderop het
+meer Gennesareth, waaruit hij met een sterk verval naar de doode Zee
+(lacus Asphaltites) stroomt.
+
+Ios, Ios, een der cycladische eilanden, ten Z. van Naxus, met eene
+stad van denzelfden naam, thans Nio. Men beweerde, dat er het graf
+van Homerus te zien was. Het eiland werd door Ioniërs bewoond.
+
+Josephus (Flavius), zie Flavius Josephus.
+
+Iovianus (Flavius Claudius), uit Moesia, werd, na den dood van
+Julianus in 363 na C., door de troepen tot keizer uitgeroepen, doch
+stierf binnen acht maanden, op zijn terugtocht naar Constantinopel.
+
+Iphianassa, Iphianassa, 1) dochter van Agamemnon, waarschijnlijk
+dezelfde als Iphigenia.--2) dochter van Proetus.
+
+Iphias, Euadne, dochter van Iphis.
+
+Iphicles, -clus, Iphikles, Iphiklos, 1) zoon van Amphitryo en
+Alcmene, halfbroeder van Heracles en zijn metgezel bij verscheiden
+ondernemingen, ook nam hij deel aan de calydonische jacht. In den
+oorlog tegen Erginus gedroeg hij zich zoo dapper, dat Creon hem zijne
+jongste dochter tot vrouw gaf. Hij sneuvelde in den strijd tegen
+de Molioniden (z. Augias) of tegen Hippocoön (z. a.).--2) zoon van
+Thestius, een van de Argonauten, nam ook deel aan de calydonische
+jacht, en werd na afloop daarvan door Meleager gedood.--3) zoon van
+Phylacus of Cephalus, Argonaut, beroemd door zijne snelheid in het
+loopen, z. Melampus.
+
+Iphicrates, Iphikrates, atheensch veldheer van geringe afkomst,
+werd op twintigjarigen leeftijd (393) aanvoerder der huurtroepen in
+den corinthischen oorlog. Eene nederlaag, die hem door de Spartanen
+toegebracht werd, leerde hem inzien, hoe weinig bruikbaar deze
+troepen tegen een geregeld grieksch leger waren, en van dien tijd
+besteedde hij de grootste moeite om ze behoorlijk te organiseeren,
+aan krijgstucht te gewennen, geregeld te laten oefenen, enz.; ook
+gaf hij hun wapenen, die meer overeenkwamen met de bestemming van
+dit krijgsvolk, o. a. het kleine, ronde schild (pelte, vanwaar de
+naam peltasten). Algemeen was de verwondering in Griekenland, toen
+Iph. met deze peltasten eene spartaansche afdeeling (mora) hoplieten
+geheel vernietigde (390). Wegens zijn verzet tegen de aanmatiging
+der Argiven werd hij uit de Peloponnesus teruggeroepen, daarop ging
+hij naar Thracië, waar hij den oorlog tegen de Spartanen voortzette;
+de vrede van Antalcidas ontnam hem echter de voordeelen, die hij hier
+behaald had. In de volgende jaren ondernam hij verscheiden tochten
+naar Thracië, hij herstelde Seuthes in de regeering en beoorloogde
+Cotys, later sloot hij echter een verbond met dezen en trouwde hij met
+diens dochter. Hij stond aan het hoofd van een grieksch huurleger,
+dat de Perzen zou helpen bij de herovering van Aegypte (374), maar
+ten gevolge van een twist met Pharnabazus keerde hij onverrichter
+zake terug. Daarna werd hij met eene vloot naar Corcyra gezonden, dat
+door de Spartanen belegerd werd, en ofschoon deze reeds teruggeslagen
+waren, toen hij aankwam, behaalde hij toch bij deze gelegenheid eenige
+voordeelen. Het bevel over deze vloot was oorspronkelijk aan Timotheüs
+opgedragen, en de ergernis der voornamen over diens afzetting gaf
+zich lucht in eene aanklacht tegen Iph., waartegen deze zich echter
+met glans verdedigde. Als bevelhebber in den thebaanschen oorlog, in
+Thracië en Macedonië, richtte hij niet veel uit, en de voordeelen, die
+hij door zijne politiek behaalde, waren niet duurzaam. Ten slotte werd
+hem in den bondgenootenoorlog met Chares en Timotheüs het opperbevel
+gegeven (356), en toen hij op aanklacht van Chares (z. a.) beboet was,
+verliet hij Athene. Hij schijnt in 353 in Thracië gestorven te zijn.
+
+Iphidamas, Iphidamas, 1) zoon van Busiris, werd met zijn vader door
+Heracles gedood.--2) zoon van Antenor.
+
+Iphigenia, Iphigeneia, dochter van Agamemnon en Clytaemnestra, of van
+Theseus en Helena, door Clytaemnestra als kind aangenomen. Toen de
+Grieken op weg naar Troje in de haven van Aulis werden teruggehouden
+door een windstilte, die Artemis uit toorn tegen Agamemnon of
+Menelaus gezonden had, verklaarde Calchas, dat Iph. aan Artemis
+geofferd moest worden. Onder voorwendsel dat zij met Achilles zoude
+trouwen, werd zij in het leger gehaald, maar toen zij reeds op het
+altaar lag, stelde Artemis eene hinde in haar plaats en ontvoerde
+haar naar Tauris. Daar deed zij vele jaren dienst als priesteres bij
+de menschenoffers aan Artemis (z. a.) Tauropolos, totdat Orestes er
+landde, zijne zuster herkende, en haar met het beeld der godin naar
+Griekenland ontvoerde. Te Brauron en te Megara meende men haar graf te
+vinden en werden haar offers gebracht.--V. a. was zij niet gestorven,
+maar onder den naam Hecate tot godin verheven, of werd zij na haar dood
+naar het eiland Leuce verplaatst, waar zij als Orsilochia met Achilles
+huwde. Artemis zelve draagt op sommige plaatsen den bijnaam Iph.
+
+Iphimedea, Iphimedeia, -mede, dochter van Triops, echtgenoote van
+Aloeus, bij Poseidon moeder van de Aloaden.
+
+Iphinoë, Iphinoe, eene van de Proetiden.
+
+Iphis, Iphis, 1) koning van Argos, zoon van Alector, vader van
+Eteoclus en Euadne. Toen zijne beide kinderen dood waren, gaf hij de
+regeering over aan Sthenelus, den zoon van Capaneus.--2) zoon van
+Sthenelus, verloor het leven bij den tocht der Argonauten in een
+gevecht tegen Aeetes.--3) z. Anaxarete.--4) dochter van Ligdus en
+Telethusa. Daar haar vader voor hare geboorte gezegd had, dat hij
+zijn kind zou moeten dooden, indien het eene dochter was, daar hij
+geen geld had om een meisje op te voeden, gaf haar moeder voor, dat
+zij van een jongen bevallen was. Iphis werd nu als jongeling opgevoed,
+en toen zij volwassen was en haar vader wilde dat zij zoude trouwen,
+veranderde Isis haar in een man, zoodat het bedrog niet ontdekt werd.
+
+Iphitus, Iphitos, 1) zoon van Eurytus, Argonaut, door Heracles
+(z. a.) verraderlijk gedood.--2) zoon van Naubolus, koning van
+Phocis.--3) koning van Elis, herstelde met Lycurgus de olympische
+spelen.
+
+Ipsus, Ipsos, Ipsos, stadje in Phrygia, ten N. van Synnada, waar
+Antigonus in 301 in den slag tegen Seleucus en Lysimachus sneuvelde.
+
+Ira, Eira, bergvesting in het N. van Messenia, die in den tweeden
+messenischen oorlog elf jaar (679-668) door Aristomenes tegen de
+Spartanen werd verdedigd.
+
+Irassa, Irasa, Irassa, vruchtbare streek en stad in Cyrenaïca.
+
+Iris, Iris, dochter van Thaumas en Electra, die met de snelheid
+van den wind (Podenemos, Aellopous) de bevelen der goden, vooral
+die van Hera, aan de menschen overbrengt. V. s. was zij bij Zephyrus
+moeder van Eros. Bij latere dichters is zij de personificatie van den
+regenboog. Op hare afbeeldingen heeft zij de gestalte van eene vlugge
+jonkvrouw en draagt zij een schitterend kleed, gouden vleugels aan
+de schouders en een staf in de hand; soms wordt zij afgebeeld met
+een kan, waarmede zij aan de wolken water toevoert.
+
+Iris, Iris, rivier in Pontus, die langs Comana en Amasea stroomt en
+zich na een bochtigen loop ten O. van Amisus in den Pontus Euxinus
+(Zwarte zee) stort.
+
+Irus, Iros, 1) zoon van Actor, vader van Eurytion. Toen deze door
+Peleus gedood was, wilde Irus het als zoenoffer aangeboden vee niet
+aannemen, daar hij van geen verzoening wilde weten. Peleus liet het
+daarop in vrijheid rondloopen, het werd door een wolf verscheurd,
+die in een steen veranderd werd en lang op de grens van Locris en
+Phocis staan bleef.--2) onbeschaamd bedelaar op Ithaca, door Odysseus
+bij zijne terugkomst weggejaagd. Spreekwoord: Iro pauperior.
+
+Is, Is, rivier en stad in Mesopotamia, aan den Euphraat. In den omtrek
+werd asphalt gevonden, waarmede de muren van Babylon waren opgemetseld.
+
+Isaeus, Isaios, 1) van Chalcis, een van de tien attische redenaars,
+leerling van Lysias en Isocrates, leermeester van Demosthenes; zijn
+onderwijs in de welsprekendheid wordt hoog geroemd. Van de talrijke
+redevoeringen, die hij als pleitbezorger voor anderen schreef, zijn elf
+bewaard gebleven, die alle over erfeniskwesties handelen.--2) sophist,
+die onder Traianus reeds op hoogen leeftijd uit Assyrië naar Rome kwam.
+
+Isagoras, Isagoras, atheensch aristocraat, na de verdrijving der
+Pisistratiden tegenstander van Clisthenes, dien hij door de hulp
+van Cleomenes I voor korten tijd verdreef. Daarna werd hij tot
+eersten archont gekozen (508) en begon hij de staatsinstellingen in
+aristocratischen geest te hervormen. Weldra werd hij echter op zijne
+beurt verjaagd, en de pogingen van Cleomenes om hem met geweld terug
+te brengen mislukten.
+
+Isara, naam van twee rivieren in Gallia Transalpina, 1) een zijtak van
+den Rhodanus (Rhône), thans de Isère.--2) een bijstroom der Sequana
+(Seine), thans de Oise geheeten.
+
+Isauria, Isauria, in het Z. van Lycaonia, op de grenzen van Pisidia
+en Cilicia. Het land was bergachtig en werd door een woest rooversvolk
+bewoond. Wel behaalde P. Servilius Vatia (Isauricus) in 76 eene groote
+overwinning op hen, en vernietigde Pompeius hunne roofschepen en
+lijfde hun gebied in (65), doch geheel ten onder gebracht werden zij
+niet. Zie Galatia aan het slot. Sedert de 3de eeuw na C. ondernemen
+ze, verbonden met de bewoners van westelijk Cilicië, die nu ook Isauri
+heeten, geregeld groote strooptochten.
+
+Ischolaus, Ischolaos, spartaansch veldheer, sneuvelde bij den eersten
+tocht van Epaminondas tegen Sparta in een gevecht tegen Arcadiërs
+(370).
+
+Ischys, Ischys, Arcadiër, zoon van Elatus, z. Coronis no. 1.
+
+Isionda, Isionda, Isinda, oude stad in het Z.W. van Pisidia.
+
+Isis, Isis, aegyptische hemelgodin, moeder der opgaande zon (Horus) en
+gemalin der middagzon (Osiris). Zij was een van de weinige godheden,
+die in geheel Aegypte vereerd werden, vandaar dat, toen men eene
+verklaring poogde te vinden van de geheimzinnige mythen, die op
+hare verhouding tot de zon betrekking hebben, die mythen op zeer
+verschillende wijzen uitgelegd werden, waarbij aan het wezen van Isis
+tal van beteekenissen werden toegeschreven, die haar oorspronkelijk
+geheel vreemd waren. Zoo werd zij godin van het Nijldal, maangodin,
+godin van leven en vruchtbaarheid, helpster bij geboorten, godin
+van ziekte en gezondheid, koningin der onderwereld, waarvan zij de
+sleutels bewaart en waar zij recht spreekt over de dooden, godin van
+zee en stormen, wetgeefster, beschermster van het huwelijk en den
+staat, enz. Door de Grieken werd zij daarom vereenzelvigd met Demeter,
+Persephone, Hecate, Hera, Artemis, Io en vele andere godinnen, en haar
+voor een groot deel geheime, dikwijls met onzedelijkheid gepaarde,
+eeredienst vond bij hen vrij algemeen ingang. Ook bij de Rom. werd de
+dienst van Isis tegen het einde der republiek ingevoerd en, hoewel
+herhaaldelijk verboden, was hij in den keizertijd door het geheele
+rijk verbreid. Een offerplechtigheid ter eere van Isis is op blz. 338
+voorgesteld.--Latere wijsgeeren zagen in Isis, wegens haar uitgebreiden
+werkkring, de personificatie der grondstof van het heelal of de alles
+beheerschende godheid.--Hare afbeeldingen gelijken op die van Hera,
+hare attributen zijn slangen, korenaren, lotus, de halve maan, het
+sistrum, e. a.
+
+Ismarus, Ismaros, berg en stad in het gebied der Ciconen op de
+thracische kust. Bij dichters Ismarius = thracisch.
+
+Ismene, Ismene, dochter van Oedipus en Iocaste. Zij bleef haar vader
+in zijn ongelukken getrouw en kwam hem in zijne verbanning inlichten
+omtrent thebaansche toestanden. Hoewel zij haar zuster Antigone
+(z. a.) had afgeraden tegen het bevel van Creon te handelen, was zij
+bereid de gevolgen van hare daad mede te dragen.
+
+Ismenias, Ismenias, 1) rijk Thebaan, hoofd van de partij, die Sparta
+vijandig gezind was, geen democraat, zooals sommige schrijvers
+melden. In den corinthischen oorlog, waartoe hij, van Perzië uit
+met geld ondersteund, door zijn politiek aanleiding gegeven had,
+onderscheidde hij zich als veldheer. In 383 was hij polemarch, toen
+echter de Spartanen, door zijn ambtgenoot Leontiades geholpen, de
+Cadmea bezet hadden, werd hij gevangen genomen en als onruststoker
+ter dood veroordeeld.--2) zoon van den vorigen, vluchtte bij den
+dood van zijn vader naar Athene en bleef er tot 379. Hij werd met
+Pelopidas te Pherae gevangen gehouden (368) en vergezelde hem bij
+zijn gezantschap naar Perzië.
+
+Ismenus, Ismenos, riviertje in Boeotia, dat door Thebae stroomt,
+het water der bron Dirce opneemt en in het meer Hylice valt. Hierna
+heeten de Thebaansche vrouwen bij Ovidius: Ismenides.
+
+Isocrates, Isokrates, een van de tien attische redenaars. Hij was
+de zoon van een rijk Athener, geb. 436, en genoot het onderwijs
+van de beroemdste sophisten van zijn tijd en ook van Socrates. Zijn
+vader verloor in den peloponnesischen oorlog zijn vermogen, hijzelf
+verwierf zich echter grooten rijkdom, vooral door zijn onderwijs in de
+welsprekendheid, dat zeer gezocht was; v.s. had hij 100 leerlingen,
+die hem ieder 1000 drachmen betaalden; voor eene redevoering zou
+hij eens van Nicocles 20 talenten gekregen hebben. Zijn aanzien was
+groot, niet alleen bij zijne leerlingen, maar ook in wijderen kring,
+zelfs met vreemde vorsten (Philippus, Euagoras, Nicocles) stond hij
+in betrekking. Zelf trad hij uit bedeesdheid en wegens zijn zwakke
+stem nooit in het openbaar als redenaar op, hij schreef echter voor
+anderen pleitredenen, totdat hij in 388, na een kort verblijf op Chius,
+te gelijk met het openen zijner school, zich in een nieuwe richting
+ging bewegen als schrijver van verhandelingen, die den vorm van
+redevoeringen (feestredenen, leerredenen) behouden hebben, ofschoon
+zij niet bestemd zijn om voorgedragen, maar om gelezen te worden
+(logoi epideiktikoi kai symbouleutikoi). De voornaamste hiervan zijn:
+Panegyrikos (380), Plataïkos (373), Archidamos (365), Symmachikos e
+peri eirenes (357), Areopagitikos (354), Philippos (346), Panathenaïkos
+(342-339). Zijn taal is zuiver en eenvoudig, zijne perioden kunstig
+samengesteld; ook worden zijne werken, waarvan 21 bewaard gebleven
+zijn, als modellen van welsprekendheid geroemd, terwijl zij tevens
+getuigen van zijne vaderlandsliefde en vele juiste beschouwingen
+bevatten over de verwarde toestanden van zijn tijd. Over de waarde
+zijner kunst, die hij voor het praktische leven zeer hoog schat en
+waaraan hij, in tegenstelling met andere rhetoren, ook een zedelijke
+beteekenis toekende, is hij soms in polemiek met Plato. Uit verdriet
+over den afloop van den slag bij Chaeronea maakte hij, 98 jaar oud,
+een einde aan zijn leven.
+
+Isoteles. Een metoikos, die zich op een of andere wijze jegens
+den staat verdienstelijk had gemaakt, werd beloond met de
+isoteleia. Daardoor werd hij, wat zijn geldelijke verplichtingen
+tegenover den staat betreft, en soms ook in andere opzichten, met de
+burgers gelijkgesteld.
+
+Issa, Issa, eilandje op de dalmatische kust, thans Lissa. De inwoners
+waren flinke zeelieden; hunne booten werden lembi Issaei genoemd.
+
+Issedones, Issedones, groot scythisch volk in Azië, aan de grenzen
+van Serica (China).
+
+Issus, Issos, Issoi, stad in het O. van Cilicia, aan de Issische golf,
+waarbij Alexander de Gr. in 333 zijne tweede groote overwinning op
+de Perzen behaalde.
+
+Istaevones = Istuaevones.
+
+Ister, Istros, leerling van Callimachus, schrijver eener Atthis,
+en van vele andere werken. Er zijn alleen fragmenten over.
+
+Ister, Istros, zie Danuvius.
+
+Isthmia, Isthmia, de isthmische spelen, na de olympische en de
+pythische het voornaamste feest der Grieken. Zij werden om de twee
+jaar onder voorzitterschap der Corinthiërs, en na de verwoesting van
+Corinthe onder dat der Sicyoniërs, op de landengte van Corinthus
+ter eere van Poseidon Isthmius gehouden, en bestonden uit de
+gewone wedstrijden in loopen, vechten, rijden, enz., waarbij later
+voordrachten van gedichten of muziek kwamen. De overwinnaar kreeg
+een palmtak en een krans van eppe. De isthmische spelen werden tot
+laat in den rom. keizertijd gevierd en druk bezocht, daarom werden
+hier dikwijls afkondigingen van algemeen belang gedaan; hier werden
+de Grieken door T. Quinctius Flamininus en later door Nero vrij en
+autonoom verklaard.
+
+Isthmius, Isthmios, bijnaam van Poseidon als den god, wien de
+isthmische spelen gewijd zijn.
+
+Isthmus, Isthmos, landengte, bij uitnemendheid die van Corinthus. Op
+deze landengte stond de tempel van den isthmischen Poseidon en werden
+te zijner eer de isthmische spelen, ta Isthmia, gevierd. Dwars over
+de landengte, tusschen de Saronische golf en de Corinthische, liep
+eene soort van overtoom of rolbaan, diolkos (z. a.). Op deze wijze
+werd de gevaarlijke omvaart van kaap Malea vermeden.
+
+Istria = Histria.
+
+Istropolis, Istropolis, Istros, stad op de kust van Moesia, ten Z. der
+Donaumonden, kolonie van Miletus.
+
+Istrus, Istros = Istropolis. Zie ook Danuvius.
+
+Istuaevones, oude naam voor één der onderafdeelingen der Germanen,
+de Rijn-Germanen, waarvan de Sicambri den voornaamsten stam vormden.
+
+Italia, Italia. Voordat Augustus de Alpenlanden onder Rome's
+heerschappij bracht, begon Italia in het N. eerst aan den voet
+der Alpen, en zelfs kon het noordelijk gedeelte, het dal van den
+Po en zijne bijrivieren, geschiedkundig eerst tot Italia gerekend
+worden, sedert Augustus het in zijne verdeeling van Italia in elf
+regiones opnam. Wel had Gallia Cispadana in 89, Transpadana in 49 het
+rom. burgerrecht gekregen, doch niettemin bleef Gallia Cisalpina nog
+provincie. Ethnografisch behoorde het ook niet tot Italia, daar het
+geheel door ligurische en gallische stammen was bezet. Zie Gallia
+Cisalpina.--Het eigenlijke oude Italia begon eerst dáár, waar het
+land zich op eenmaal versmalt, en waar zich de Rubico, vóór Sulla de
+Aesis, in de Adriatische, de Macra in de Tyrrheensche zee stort. De
+naam Italia wordt afgeleid van een oud umbrisch woord vitlu, rund
+(vitulus), en wordt oorspronkelijk alleen gebezigd van de uiterste
+Zuidpunt, de streek van het Sila-gebergte, dan van het heele Zuiden
+tot aan de rivieren de Laüs en de Siris (in Lucania), en ten slotte
+door de siciliaansche Grieken, de Sikeliotai, op geheel eigenlijk
+Italia toegepast. In den oudsten tijd komen verschillende deelen
+onder verschillende namen voor, die ook wel, vooral bij dichters, voor
+het geheel worden gebezigd, als: Ausonia of Opica, oorspronkelijk de
+Z.W. kust, Daunia en Iapygia aan de Z.O. kust, Oenotria, het wijnland,
+Tyrrhenia of Etruria, Saturnia of Latium, terwijl de Grieken het ook
+Hesperia, het avond- of Westland noemden. Onder de oudste bewoners
+worden de Umbri in Midden-Italia vermeld, die ook Etruria bewoonden,
+doch door de Etrusei in Umbria werden teruggedrongen. De Ausones,
+Aurunci of Osci woonden in Apulia, Campania (waaruit zij door Samnieten
+verdrongen werden) en in een deel van Latium. De Aborigines waren
+de stamvaders der Latijnen. Dan had men den sabellischen stam,
+waartoe de Sabini, Peligni, Marsi, Marrucini, Frentani, Hernici
+en anderen behoorden en die zich onder den algemeenen naam van
+Saunitae of Samnites over Samnium, Campania en Lucania uitbreidden. De
+kustbewoners van Apulia en Calabria waren misschien van illyrischen,
+de Bruttii van siculischen oorsprong. De kusten der zuidelijke helft
+(Beneden-Italië, Italia inferior, Magna Graecia) waren met grieksche,
+meest achaeïsche en dorische, koloniën bezet. In één woord, Italia
+vertoonde het bontste mengelmoes van verschillende bevolkingen en
+stammen, die elkander den bodem betwistten. Midden-Italia omvatte
+de landschappen Etruria, Umbria, Picenum, Samnium, Latium, Campania;
+Beneden-Italia bevatte Lucania, Bruttii, Apulia, Calabria. De namen
+der XI regiones, waarin Augustus Italia verdeelde, zijn de volgende:
+1o. Latium et Campania, 2o. Apulia et Calabria, 3o. Lucania et Bruttii,
+4o. Samnium, 5o. Picenum, 6o. Umbria, 7o. Etruria, 8o. Aemilia,
+9o. Liguria, 10o. Venetia, 11o. Transpadana.
+
+Italica, 1) rom. municipium in Baetica aan den Baetis (Guadalquivir),
+nabij Hispalis (Sevilla), door Scipio (Africanus maior) gesticht.--2)
+zie Corfinium.
+
+Italicum bellum, zie Marsicum bellum.
+
+Italus, Italos, aloud koning der Oenotriërs of der Siculi, zoon van
+Telegonus en Penelope. Hij was gehuwd met Electra, dochter van Latinus,
+en werd de vader van Remus of Romus.
+
+Itanus, Itanos, stad op de Oostkust van Creta, met purperververijen.
+
+Ithaca, Ithake, thans Thiaki, een der tegenw. Ionische eilanden,
+het kleine, maar beroemde eiland van Ulysses, tusschen Cephallenia
+en het vasteland gelegen. Tegenwoordig meenen echter vele geleerden
+het Homerische Ithaca in Leucas teruggevonden te hebben.
+
+Ithome, Ithome, berg in het midden van Messenia, slechts van ééne
+zijde toegankelijk, waarvan de Messeniërs in hun eersten oorlog
+tegen Sparta (743-724) eene bergvesting maakten, die zij 10 jaar lang
+verdedigden. Aan den voet van den berg legde Epaminondas in 369 de stad
+Messene aan, waarvan Ithome de citadel werd. Ithome en de acropolis van
+Corinthus werden de beide horens, kerata, van de Peloponnesus genoemd.
+
+Itius portus, to Ition, havenstad der Morini in Gallia, van waar Caesar
+naar Britannia overstak, thans Calais of Wissant; v. a. identisch
+met Gesoriacus portus (Boulogne s. m.).
+
+Iton of Itonus, Iton, Itonos, oude stad in het midden van het
+thessalische landschap Phthiotis, met een beroemden tempel van Athena.
+
+Ituraea, Itouraia, bergl. ten N.O. van Palaestina, tusschen Batanaea
+of Basan en de woestijn gelegen, ten O. van Bostra. De Ituraei waren
+woeste roovers, en beroemde boogschutters. Augustus voegde Ituraea
+aan het gebied van Herodes den Gr. toe; keizer Claudius deelde het
+bij Syria in.
+
+Ityca, Ityke = Utica.
+
+Itylus, Itylos, zoon van Zethus en Aedon (z. a.), die door zijne
+moeder bij vergissing gedood werd.
+
+Itys, Itys, zoon van Tereus en Procne (z. a.), die door zijne moeder
+en tante gedood werd.
+
+Iuba, Iobas, koning van Numidia, zoon van Hiëmpsal II, welke laatste
+een zoon was van Gauda. Indertijd had Hiëmpsal de party van Sulla
+gekozen, was daarop door de mariaansche partij verdreven, doch door
+Pompeius in zijn rijk hersteld. In 63/62, nog tijdens het leven van
+zijn vader, haalde Juba zich de vijandschap van Caesar op den hals;
+toen dus de burgeroorlog uitbrak, koos hij partij tegen Caesar; hij
+versloeg Caesars legaat C. Curio met diens geheele leger, doch de
+nederlaag der pompejaansche partij bij Thapsus in 46 noodzaakte hem
+tot de vlucht, en toen nu ook de zijnen hem begonnen in den steek te
+laten, bracht hij in wanhoop zichzelf om het leven. Zijn zoon Juba,
+nog een kind, werd door Caesar naar Rome gebracht en ontving daar eene
+zorgvuldige rom. opvoeding, zoodat hij later als geleerde grooten naam
+had. Hij schreef vooral over geschiedenis en aardrijkskunde. Augustus
+gaf hem in 25 het westelijk gedeelte van zijn vaderlijk rijk, het
+latere Mauretania Caesariensis, en bovendien het eigenlijke Mauretania
+(M. Tingitana) tot koninkrijk. Juba was gehuwd met Cleopatra Selene
+(zie Cleopatra no. 11). Hij overleed in 23 n. C., en werd opgevolgd
+door zijn zoon Ptolemaeus. Hij vestigde zijn residentie te Iol,
+dat hij verdoopte in Caesarea (z. a. no. 6).
+
+Iudaea, Ioudaia, het Z. gedeelte van Palaestina, ten W. door de zee,
+ten O. door den Jordaan begrensd. In later tijd werd onder dezen
+naam ook wel geheel Palaestina als rom. provincie verstaan. Zie
+verder Palaestina.
+
+Iudex. In civiele processen was het regel, dat de twistende partijen
+voor den praetor verschenen. De praetor nam kennis van de zaak,
+onderzocht of er eene actie in zat, d.w.z. of een der op zijn album
+vermelde gevallen van rechtsvordering op het geval van toepassing
+was; hij besliste echter zelf niet, of de eischende partij gelijk had
+(zie echter iudicium extra ordinem). Hij stelde alleen het ius vast,
+d. i. hij omschreef, wat recht was in geval de klager in zijn recht
+bleek te zijn, en wat er geschieden moest ingeval dit niet bleek. De
+vaststelling van den procesdag, de oproeping der getuigen geschiedden
+door den praetor, doch de beslissing, de uitspraak, het iudicium,
+werd door hem opgedragen òf aan een enkelen rechter, iudex, arbiter,
+òf in sommige gevallen aan een college van drie of vijf rechters,
+iudices recuperatores. Zulk een iudex kreeg van den praetor eene
+bepaalde instructie, waarin hem voor elk geval de uitspraak was
+voorgeschreven; hij had dus alleen te onderzoeken, of de eischer
+zijn recht bewijzen kon. De pleidooien en het getuigenverhoor hadden
+dus voor den rechter plaats. Wanneer iemand door den praetor werd
+opgeroepen, om als alleenstaand rechter op te treden, nam hij een
+consilium amicorum mede, ten einde hem als adviseurs ter zijde te
+staan. Het gewoonterecht eischte dit. Doch zijne uitspraak was de
+beslissende sententia iudicis, die geen hooger beroep toeliet.
+
+De iudices bij de quaestiones perpetuae speelden eene andere rol. Deze
+quaestiones waren processen in strafzaken, waarbij de straf eens en
+voor goed door eene wet was vastgesteld. Het kwam er dus slechts op
+aan, of de schuld van den beklaagde bewezen kon worden of niet. Hier
+vormden derhalve de iudices een hof van gezworenen, waar meerderheid
+van stemmen gold. De wet bepaalde het aantal gezworenen, alsmede
+hoeveel er door aanklager en aangeklaagde mochten gewraakt worden
+(reiectio iudicum).
+
+Jaarlijks werd door den praetor urbanus eene lijst opgemaakt van hen,
+die voor het rechtersambt in aanmerking kwamen (album iudicum). Eerst
+bestond de lijst alleen uit leden van den senatorenstand; de lex
+Sempronia van C. Gracchus (123) bracht hierin verandering door de
+senatoren uit te sluiten en het rechtersalbum samen te stellen uit
+hen, die den riddercensus hadden (zie equites). Sulla's lex Cornelia
+iudiciaria (81) gaf het rechtersambt aan den senaat terug. Ten
+gevolge van de reorganisatie van het strafrecht door Sulla ingevoerd,
+waren er voortaan 8 quaestiones, waarbij de meeste strafdelicten
+waren ingedeeld; daar er slechts zes praetoren beschikbaar waren, en
+sommige quaestiones, vooral die inter sicarios, gewoonlijk gesplitst
+moesten worden, wezen de praetoren voor elk van de overige een iudex
+quaestionis (z. a.) aan. De lex Aurelia van L. Aurelius Cotta (70)
+verdeelde de iudicia tusschen den senaat, den ridderstand en de
+tribuni aerarii, zoodat bij elke quaestio perpetua het gerechtshof
+uit drie afdeelingen of decuriae bestond. Caesars lex Iulia sloot de
+aeraartribunen wederom uit; M. Antonius voerde wederom eene derde
+decurie zonder census in, voornamelijk uit centuriones en veterani
+samengesteld; Augustus nam vier decuriën aan; de leden der vierde
+decurie werden ducenarii geheeten naar hun census van slechts 200000
+sestertiën. Uit de rechterslijsten werd door den praetor, wien het
+aanging, voor iedere zaak het voorgeschreven aantal rechters door
+loting aangewezen, sortitio iudicum. Ingeval de wet bepaalde, dat in
+plaats der gewraakte rechters andere zouden geloot worden, heette dit
+subsortitio. Een arbiter behoefde niet uit het album iudicum te worden
+gekozen. Dikwijls gaven de twistende partijen zelf aan den praetor op,
+wien zij liefst als arbiter wenschten aangewezen te zien.
+
+Iudex pedaneus, chamaidikastes. In het keizerstijdperk kwam de
+rechtspraak meer en meer in hand der overheden, en werd het iudicium
+extra ordinem de heerschende vorm. Soms evenwel werd in civiele zaken
+een onderzoek opgedragen aan een hulp- of onderrechter, die pedaneus
+wordt genoemd.
+
+Iudex quaestionis. Daar er voor de quaestiones perpetuae niet zooveel
+praetoren beschikbaar waren als het getal quaestiones bedroeg,
+moesten wel enkele praetoren twee rubrieken van misdaden voor hunne
+rekening nemen. Zij konden zich dan wel met de instructie van twee
+quaestiones belasten, maar niet altijd bij beide als voorzitter van
+het gerechtshof optreden. In dit geval belastten zij een iudex met
+het voorzitterschap, die dan iudex quaestionis was. Dit was sedert
+Sulla geregeld een oud-aediel.
+
+Iudicio (in), in iure. Bij civiele gedingen moeten streng gescheiden
+worden de handelingen in iure en in iudicio. In iure is al datgene,
+wat voor den praetor plaats vindt; in ius ambulare, ire, venire = tot
+den praetor gaan. In iudicio is alles, wat voor den rechter geschiedt.
+
+Iudicium domesticum. De rom. vader was rechter over zijn gezin en kon
+krachtens zijn ius vitae et necis zware misdaden zijner kinderen,
+ja, zijner vrouw, zelfs met den dood straffen. Wanneer hij echter
+als huisrechter optrad, moest hij evengoed als elke alleen uitspraak
+doende rechter (zie iudex) zich eenige buren en bloedverwanten als
+consilium toevoegen.
+
+Iudicium extra ordinem. Aldus wordt een iudicium geheeten, wanneer
+dezelfde overheid de zaak in iure en in iudicio behandelt, b.v. wanneer
+de praetor zelf uitspraak doet (zie iudex). Er konden zich gevallen
+voordoen, die niet naar een iudex konden verwezen worden, omdat zij
+naar het strenge rom. recht niet vervolgbaar waren, b.v. van een
+pupil, die nog te jong was om als rechtspersoon te kunnen optreden,
+tegen zijn voogd, en waarin toch eene tusschenkomst van hoogerhand
+wenschelijk was. Doch de uitspraak van eene overheid was geen vonnis,
+geene sententia iudicis, maar slechts een decretum, dat herroepen
+kon worden door dengene, die het had uitgevaardigd en dat ook niet
+verbindend was voor diens opvolger. Onder de republiek was het iudicium
+extra ordinem zeldzaam; onder de keizers werd het de heerschende vorm,
+en kon men zelfs van eene overheid op eene hoogere en in het hoogste
+ressort op den keizer zelven appelleeren, iets wat onder de republiek
+onbekend was.
+
+Iudicium privatum. Dit komt, wat den aard betreft, overeen met hetgeen
+bij ons een civiel rechtsgeding heet, met dien verstande, dat bij de
+Rom. minder strafzaken waren dan bij ons, en dus vele zaken, die bij
+ons tot strafvervolging zouden leiden, bij hen slechts tot een civiel
+proces aanleiding gaven. Zie verder het begin van het artikel iudex.
+
+Iudicium publicum. De strafrechtpleging was in Rome oorspronkelijk
+in handen van de ambtenaren (zie coercitio), maar ging voor zoover
+het burgers betrof door de verschillende leges de provocatione
+over op de volksvergadering. Bij res capitales werd nu de zaak
+geïnstrueerd door een quaestor, en bij veroordeeling en appel op het
+volk werden dan de comitia centuriata door een magistratus cum imperio
+bijeengeroepen, die dan het vonnis bekrachtigden of vernietigden (zie
+Contio). Bij boetezaken werden de opgelegde boeten bij overschrijding
+der provocatie-grens door de tribuni en aediles plebis voor het
+concilium plebis, door de magistratus populi voor de comitia tributa
+gerechtvaardigd. Daar echter het volk niet tegenover alle personen
+en in alle zaken een onpartijdig rechter was en het bijeenroepen der
+comitiën dikwerf op groote bezwaren stuitte, riep de volkstribuun
+L. Calpurnius Piso in 149 voor processen over afpersingen in de
+provinciën (repetundae) de eerste zoogenaamde quaestio perpetua in het
+leven. Bij zulk eene quaestio was de straf door de wet aangewezen;
+het proces werd nu gevoerd voor een hof van gezworen rechters, die
+nu alleen over schuld of onschuld uitspraak hadden te doen en die
+voor elke zaak in het door de wet bepaalde getal door het lot werden
+aangewezen (zie iudex). Allengs werd het aantal quaestiones perpetuae
+uitgebreid, evenals het aantal praetoren. Ieder burger kon thans als
+klager optreden. De praetor, wien de quaestio aanging, instrueerde de
+zaak en was in den regel voorzitter van het hof; zoo niet, dan werd
+hij als zoodanig vervangen door een iudex quaestionis (z. a.). Met
+de invoering der quaestiones perpetuae ging echter niet noodzakelijk
+de opheffing van het iudicium populi gepaard; de overheidspersonen,
+die het ius agendi cum populo hadden, konden altijd nog eene wet tot
+veroordeeling van dezen of genen voorstellen, doch uit den aard der
+zaak werd deze vorm van strafgeding zeldzamer.
+
+Iugarius vicus, straat in Rome, die aan den zuidelijken voet van het
+Capitool van de porta Carmentalis naar het forum liep.
+
+Iugerum, rom. vlaktemaat, 240 voet lang en 120 voet breed = omstreeks
+1/4 hectare.
+
+Iugum, zygos. Bij de ouden liep een tweespan van paarden of andere
+trekdieren onder een juk of dwarshout, dat op den nek der dieren lag
+en met riemen aan het tuig werd bevestigd, terwijl het uiteinde van den
+disselboom op dit juk rustte en er met een zwaren riem aan vastgebonden
+was. Soms was dit juk golvend om het beter aan den nek der dieren te
+doen sluiten, somtijds ook recht. Bij een vierspan liepen alleen de
+beide middelste onder het juk.--Het juk, waaronder nu en dan overwonnen
+legers moesten doorgaan, bestond uit twee speren, die in den grond
+waren gestoken en waaraan eene derde horizontaal was vastgebonden.
+
+Iugurtha. Masinissa, koning van Numidia, had, voorzoover bekend is,
+drie zoons: Micipsa, Gulussa en Mastanabal. Micipsa volgde zijn
+vader op en regeerde van 148 tot 118. Hij had twee zoons, Hiëmpsal
+en Adherbal, bovendien had hij een onechten zoon van Mastanabal,
+Jugurtha, tot zoon aangenomen en tot medeërfgenaam van zijn rijk
+benoemd. Aan het hoofd der numidische hulptroepen diende Jugurtha onder
+P. Cornelius Scipio in 134 voor Numantia, waar hij grooten lof verwierf
+om zijn moed en zijn beleid. Na Micipsa's dood ontstond er spoedig
+twist tusschen de prinsen; Jugurtha, die naar de alleenheerschappij
+streefde, ruimde zijne beide neven uit den weg, terwijl hij door
+omkooping op groote schaal den rom. senaat de oogen deed sluiten voor
+hetgeen er in Numidia gebeurde. Doch eindelijk, toen het rom. volk
+over de omkoopbaarheid van den senaat oproerig begon te worden, werd
+aan Jugurtha de oorlog verklaard. De eerste veldheer, die tegen hem
+werd afgezonden, de consul L. Calpurnius Bestia (111), bezweek zelf
+voor het numidisch goud; daarop kwam in 110 de consul Sp. Postumius
+Albinus (Postumii no. 14), die al spoedig het bevel aan zijn broeder
+Aulus overliet, om te Rome de comitiën te houden. Door list wist
+Jugurtha zijn tegenstander te verschalken; het rom. leger moest zich
+overgeven en onder het juk doorgaan. Q. Caecilius Metellus (Caecilii
+no. 13), consul in 109, bestreed Jugurtha gedeeltelijk met diens eigen
+wapens en noodzaakte hem, naar zijn schoonvader Bocchus, koning van
+Mauretania, te vluchten. Beiden leden in 107 eene gevoelige nederlaag
+door C. Marius, die Metellus in het opperbevel was opgevolgd. Bocchus,
+voor zijn eigen troon bevreesd, leverde zijn schoonzoon uit aan
+L. Sulla, die als quaestor in Marius' leger diende (105). Jugurtha
+moest den zegetocht van Marius opluisteren, waarna men hem zes dagen
+lang in den kerker met den hongerdood liet worstelen en toen worgde.
+
+Iulia (lex) van den consul L. Iulius Caesar (90), waarbij aan de
+italiaansche bondgenooten, die bij den algemeenen opstand aan Rome
+trouw gebleven waren, en evenzoo aan de Latijnen het burgerrecht
+werd toegekend.
+
+Iuliae (leges) van C. Iulius Caesar.--1) lex de publicanis (door Caesar
+in het leven geroepen in zijn eerste consulaat, in 59), dat aan de
+belastingpachters in Asia het derde deel der pachtsommen zou worden
+terugbetaald wegens de verliezen, die zij in den mithradatischen oorlog
+hadden geleden.--2) lex agraria, zoogenaamd lex Campana, zie onder
+Agrariae (leges). Deze wet, evenals de vorige, van het jaar 59, werd
+door Caesar doorgedreven, niet zonder hevigen tegenstand van den senaat
+en van Caesars ambtgenoot M. Calpurnius Bibulus.--3) lex de repetundis
+(59), eene uitvoerige wet van meer dan 100 artikelen. O.a. beval
+zij, dat de verschuldigde gelden ook op hen zouden verhaald worden,
+die van den veroordeelde geld hadden ontvangen. Deze wet diende
+tot grondslag voor alle latere verordeningen op dit punt.--4)
+tot bekrachtiging der schikkingen, door Pompeius in Asia gemaakt
+(59).--5) lex de exsulibus, van het jaar 49 gedurende Caesars eerste
+dictatuur comitiorum habendorum causa. Door deze wet werden zij,
+die in de laatste jaren van misdrijven waren aangeklaagd en volgens
+rom. gewoonte vóór de uitspraak van het vonnis in ballingschap waren
+gegaan, in hun vroegeren staat hersteld (restitutio in integrum). Het
+was dus eene amnestie, waarvan echter T. Annius Milo met name was
+uitgesloten. Het bestaan van deze wet wordt met recht betwist; wel
+werden eenige personen, vooral eenigen, die volgens de lex Pompeia
+de ambitu veroordeeld waren, teruggeroepen, maar een bepaalde wet
+de reditu damnatorum is niet aan te nemen. Wel heeft M. Antonius na
+Caesar's dood uit de acta Caesaris eene lex Julia de exulibus, die
+natuurlijk apocryph was, gepubliceerd.--6) lex de pecuniis mutuis
+s. de aere alieno. In den burgeroorlog hadden velen geleden en was
+het crediet geschokt. Hierom beval de wet de benoeming van arbitri,
+die de geleden verliezen zouden taxeeren, waarna dan in verhouding
+daarvan een gedeelte der schulden zou worden geroyeerd. Ook deze wet
+dagteekent van het jaar 49. Hiermede ging, om het oppotten van geld
+te voorkomen, een bepaling gepaard, waarbij o.a. verboden werd, meer
+dan 15000 denarii aan contant geld te bezitten. Een aanvulling hiervan
+was de lex Julia de modo credendi et possidendi intra Italiam van 47,
+waarbij de kapitalisten verplicht werden een gedeelte van hun vermogen
+in grondbezit aan te leggen, en de schulden op het grondbezit drukkend,
+tot een bepaald bedrag beperkt werden.--7) lex de civitate Transpadanis
+danda, evenzeer van 49.--8) lex iudiciaria, tot opheffing der derde,
+uit tribuni aerarii bestaande decurie rechters (zie iudex). Deze wet
+is van het jaar 46, toen Caesar, na de pompejaansche partij overal
+verslagen te hebben, te Rome was teruggekeerd. Hij was in dit jaar ten
+derden male consul.--9) leges de vi et de maiestate, waardoor zij,
+die voor deze misdaden veroordeeld werden, niet slechts met aquae
+et ignis interdictio, maar bovendien met geheele of gedeeltelijke
+verbeurdverklaring van hun vermogen werden gestraft. Ook van 46.--10)
+lex de collegiis (46), tot opheffing der collegia, die niet van
+oudsher en wettig bestonden. Er hadden zich te Rome verschillende
+politieke clubs gevormd, die vooral bij verkiezingen ijverig in de weer
+waren. Tegen deze vereenigingen was Caesars wet gericht. V. s. zijn
+deze bepalingen bij edict vastgesteld.--11) lex de sacerdotiis (46),
+waarbij enkele priestercollegiën uitgebreid werden en o. a. bekrachtigd
+werd, wat toch reeds gebeurde, dat ook afwezigen tot priesters konden
+gekozen worden.--12) lex sumptuaria (46), waarbij o.a. het gebruik
+van draagstoelen, edelgesteenten, enz., beperkt werd, en op de markt
+wachters aangesteld werden, om wat boven het verbod gekocht werd,
+in beslag te nemen, ja zelfs in sommige gevallen aan lictoren en
+soldaten werd gelast, in de huizen binnen te gaan en wat buiten de
+perken der wet was, van tafel weg te nemen.--13) lex de provinciis
+(46), dat geen stadhouder in een praetorische provincie langer
+dan één, in eene consulaire langer dan twee jaar zou blijven.--14)
+lex de liberis legationibus (46), onzeker van welken inhoud. Door
+Cicero's lex Tullia was dit gezantschap-titulair tot den duur van één
+jaar beperkt. Caesar schijnt het weder te hebben uitgebreid. Deze
+wet is waarschijnlijk een onderdeel van de lex de provinciis.--15)
+lex municipalis (45), eene wet op het bestuur, de inrichting, het
+politiewezen, enz., der rom. municipiën.
+
+Iuliae (leges) van C. Iulius Caesar Octavianus, 18. 1) lex sumptuaria,
+ter beperking vooral van de buitensporige uitgaven voor maaltijden
+en huiselijke feesten.--2) lex de adulteriis et de pudicitia,
+met strenge strafbepalingen.--3) leges de ambitu, de annona (tegen
+korenwoeker), de peculatu, enz., lex de iudiciis privatis van 17.--4)
+lex de maritandis ordinibus, zie lex Iulia et Papia Poppaea.
+
+Iulia et Papia Poppaea (lex) de maritandis ordinibus, eigenlijk de lex
+Iulia van Octavianus (18), gewijzigd en uitgebreid in 9 na C. door
+de consuls M. Papius Mutilus en Q. Poppaeus Secundus. Zij had tot
+doel de bevordering der huwelijken, door aan het hebben van wettige
+kinderen voorrechten te verbinden. Zie ius liberorum.
+
+Iulia Papiria (lex) de multarum aestimatione van de consuls L. Iulius
+Iulus en C. Papirius Crassus (430), verving de veeboete door een boete
+in geld. Ze bepaalde de waarde van een schaap op 10, van een os op
+100 asses librales, zoodat de multa suprema (zie lex Aternia Tarpeia)
+voortaan bedroeg 3020 a. l. Bovendien werd bepaald, dat de boete de
+helft van het vermogen van den burger niet mocht overtreffen.
+
+Iulia Plautia (lex), dat van gestolen goed geene usucapio geldig
+was. Van deze wet is niets zekers bekend; misschien zijn het bepalingen
+ontleend aan twee leges de vi, de lex Julia en de lex Plautia.
+
+Iulia Titia (lex) de dando tutore bepaalde, dat in de provinciën door
+den stadhouder de voogd zou benoemd worden voor het geval, waarin te
+Rome de lex Atilia (z. a.) voorzag.
+
+Iuliani. 1) Salvius Iulianus, beroemd jurist te Rome, in Africa
+geboren, stelde onder keizer Hadrianus op diens last het edictum
+perpetuum op. In de Pandecten komt zijn naam meermalen voor.--2)
+P. Salvius Iulianus, zoon van no. 1, een voortreffelijk en algemeen
+bemind generaal van Antoninus Pius, werd op last van Commodus ter
+dood gebracht.--3) M. Didius Severus Iulianus, had onder Antoninus
+Pius en diens opvolger hooge ambten bekleed, had in Belgica met succes
+tegen de Chauken en Chatten gestreden; was daarna stadhouder geweest
+van Dalmatia, van Germania Inferior (± 181 n. C.) en van Bithynia en
+Pontus. Toen na den dood van Pertinax de praetorianen den keizerstroon
+aan den meestbiedende verkochten, werd Didius Iulianus keizer voor de
+som van ongeveer 300 millioen sestertiën. Na eene regeering van 66
+dagen werd hij door den senaat afgezet en door de soldaten vermoord
+(193 na C.). Zijn opvolger was Septimius Severus.
+
+Iulianus (Flavius Claudius), neef van Constantijn den Gr., zoon van
+diens broeder Julius Constantius, geboren in 332 n. C., om zijn afval
+van het Christendom gewoonlijk Apostata genoemd, was te Constantinopel,
+te Nicomedea en te Athene in de letteren en wijsbegeerte onderwezen en
+gevoelde reeds vroeg een afkeer van het Christendom, waarin hij was
+opgevoed. Toen na den dood van Constantijn den Gr. diens drie zoons,
+Constantinus, Constantius en Constans de heerschappij verdeelden,
+lieten zij hunne bloedverwanten ombrengen; slechts twee neven, Gallus
+en Iulianus bleven gespaard (338). Een tijdlang werd Iulianus met
+zijn broeder Gallus naar een eenzaam landgoed, Macellum bij Caesarea
+in Cappadocië, verbannen. In 351 werd Gallus door keizer Constantius
+tot Caesar benoemd, en sedert dien tijd genoot Iulianus meer vrijheid;
+in 352 is hij onder den invloed zijner neoplatonische leermeesters
+heimelijk tot het Heidendom overgegaan. Constantius liet in 354 Gallus
+ombrengen en zond in 355 Iulianus met den titel van Caesar naar Gallia
+om de invallen der Germanen tegen te gaan. Daar voerde Iul. gelukkig
+oorlog, o.a. versloeg hij in 357 de Alemannen bij Argentoratum
+(Straatsburg), doch moest alle voorzichtigheid in acht blijven nemen
+om niet Constantius' argwaan op te wekken. In 360 echter wierp hij
+het masker af, zijn leger riep hem tot keizer uit, Constantius rukte
+wel tegen hem op, doch stierf op marsch (Nov. 361), en Iulianus werd
+algemeen als keizer erkend. Hij kwam er nu openlijk voor uit, dat hij
+een aanhanger was van den ouden godsdienst, begunstigde de heidenen,
+en zette de Christenen achteraf. Vooral zijn edikt, waarbij hij de
+christelijke rhetoren en sophisten verbood, de heidensche boeken
+bij hun onderwijs te gebruiken, zette kwaad bloed. Zijn plan was,
+een heidensche kerk te stichten, naar het model van de Christelijke,
+maar zijn theologie ontleende hij aan de leer der Neo-platonici,
+terwijl zijn moraal die der Neo-cynici was. Zijne plannen vonden
+zeer weinig instemming. In 363 trok hij uit op een veldtocht tegen
+de Perzen, en drong door tot onder de muren van Ctesiphon, maar
+moest toen langs een anderen weg terugkeeren. Bij een plotselingen
+overval snelde hij, uithoofde der hitte ongeharnast ten strijde en
+werd door een lanssteek doodelijk gewond. Zoo stierf hij (Juni 363)
+slechts 31 jaar oud, volgens zijne vijanden met de woorden: tandem
+vicisti Galilaee! Met zijn dood viel ook deze laatste poging om het
+Heidendom te herstellen. Er zijn nog een aantal brieven en vele zeer
+belangrijke geschriften van Iulianus overig. Hij schreef Grieksch,
+en beschouwde Griekenland als zijn tweede vaderland.
+
+Iulii, een oud patricisch geslacht, dat onder Tullus Hostilius van
+Alba Longa naar Rome verhuisde en waarvan twee familiën naam verworven
+hebben, eerst de Iuli en later de Caesares. Zij leidden, althans in
+lateren tijd, hun oorsprong af van Aeneas' zoon Ascanius of Iulus. 1)
+C. Iulius Iulus, consul in 489.--2) C. Iulius Iulus, consul in 447,
+legde met veel takt de geschillen bij tusschen de beide standen.--3)
+Onder de krijgstribunen met consulaire macht komen nog eenige Iulii
+Iuli voor; in 352 is een C. Iulius Iulus dictator, in 473 komt een
+consul voor met den ongewonen voornaam Vopiscus, wiens kleinzoon in
+393 censor was. Verder komen een enkele maal de familienamen Libo
+en Mento voor.--4) L. Iulius Caesar, consul in 90 bij het uitbreken
+van den bondgenootenoorlog, bezorgde door zijn lex de civitate het
+rom. burgerrecht aan de trouw gebleven socii in Italia. In den oorlog
+was hij niet gelukkig, zie Egnatii no. 2. In 89 was hij censor. In 87
+werd hij als aristocraat door de mariaansche partij omgebracht.--5)
+C. Iulius Caesar Strabo Vopiscus, broeder van no. 4, wordt als
+redenaar en dichter geprezen. Hij heeft o.a. tragedies geschreven,
+maar niets van zijn werken is bewaard gebleven. Ook hij kwam in 87
+om, daar een vriend zijn schuilplaats verried.--6) L. Iulius Caesar,
+consul in 64, stemde in 63 voor den dood van P. Cornelius Lentulis
+Sura, zijn zwager, omdat deze tot de samenzwering van Catilina
+behoorde. In 52 diende hij onder C. Iulius Caesar in Gallia. Na
+diens dood behoorde hij tot de hevige tegenstanders van zijn neef
+M. Antonius, die hem daarop vogelvrij verklaarde, doch later ongemoeid
+liet, op voorbede van Iulia (no. 7).--7) Iulia, zuster van no. 6 en
+moeder van M. Antonius, den drieman.--8) L. Iulius Caesar, zoon van
+no. 6, behoorde tot de aanhangers van Pompeius, en streed ook nog in
+Africa tegen Caesar, die hem echter, toen hij na Cato's dood Utica aan
+Caesar had overgegeven, genade schonk. Kort hierna overleed hij.--9)
+C. Iulius Caesar, grootvader van no. 11. Hij stierf plotseling, terwijl
+hij bezig was zich te kleeden.--10) C. Iulius Caesar, zoon van no. 9 en
+vader van no. 11, stierf ook plotseling, in 85.--11) C. Iulius Caesar,
+zoon van no. 10, geb. 13 Juli 100, de bekende veldheer en dictator,
+de grootste man zijner eeuw. Zijne moeder was eene Aurelia. Zijne
+verwantschap met C. Marius, die met Iulia, Caesars tante, gehuwd was,
+en met Cinna, wiens dochter Cornelia hij zelf had gehuwd, maakten hem
+bij Sulla verdacht, vooral toen hij weigerde, zijne vrouw te verstooten
+(82). Caesar achtte het derhalve geraden, zich uit Rome te verwijderen
+en zich in het sabijnsche land eenigen tijd schuil te houden. Toen
+Sulla's toorn eenigszins bedaard was, stak Caesar naar Asia over,
+waar hij onder den praetor M. Minucius Thermus zijn eersten veldtocht
+medemaakte (80). In 78 keerde Caesar naar Rome terug, op het bericht
+van Sulla's dood. In 77 klaagde hij den gewetenloozen Cn. Cornelius
+Dolabella (Cornelii no. 36) van afpersingen aan, en hoewel de
+rechters (weder uit den senaat gekozen) Dolabella vrijspraken,
+bereikte Caesar toch in zooverre zijn doel dat hij de opmerkzaamheid
+op zich vestigde en de hoop der volkspartij deed herleven. Doch de
+aristocratie was nog te machtig, en voorzichtigheidshalve verliet
+C. andermaal Rome en ging naar Rhodus, waar hij de lessen van den
+rhetor Molo in de welsprekendheid bijwoonde. Na zijn terugkeer
+wendde hij alle krachten aan, om de gunst van het volk deelachtig
+te worden door minzaamheid, dienstvaardigheid en mildheid. Nog
+als knaap was hij door toedoen van Marius reeds tot flamen Dialis
+gekozen, welke verkiezing Sulla echter in 82 ongeldig verklaarde;
+achtereenvolgens werd hij nu in 73 pontifex, in 68 quaestor, in 65
+aedilis curulis, in 63 pontifex maximus, in 62 praetor urbanus. Men
+verdacht er Caesar, evenals Crassus van, deel te hebben gehad aan de
+Catilinarische samenzwering. Als aediel had hij schitterende spelen
+gegeven en prachtige bouwwerken laten oprichten, maar ook de door
+Sulla omvergeworpen zegeteekenen van Marius en Cinna hersteld; als
+voorzitter van de quaestio de sicariis veroordeelde hij in 64 twee
+vroegere aanhangers van Sulla, die een aantal vogelvrijverklaarden
+hadden omgebracht. In 61 was hij propraetor in Lusitania en Baetica,
+van waar hij met roem en rijken buit terugkeerde. In 60 sloot
+hij het geheim verbond, het zoogenaamde eerste driemanschap, met
+Pompeius en Crassus, en bekleedde in 59 het consulaat (zie Iuliae
+(leges)). Om den band hechter te maken, gaf hij zijne dochter Iulia
+aan Pompeius tot vrouw. Door de lex Vatinia van den volkstribuun
+P. Vatinius werden aan Caesar Gallia Cisalpina en Illyricum als
+provinciën toegewezen, waarbij de senaat nog Gallia Transalpina
+voegde. Tevens werden hem 4 legioenen toegewezen. Negen jaar bracht
+Caesar in Gallia door (58-49). Wel was hem het stadhouderschap slechts
+voor 5 jaar opgedragen, maar de lex Trebonia van den volkstribuun
+C. Trebonius in 55 had het met 5 jaar verlengd (het triumviraat was
+reeds in April 56 te Luca hernieuwd). In die negen jaar onderwierp
+hij geheel Gallia en Belgica en breidde in overeenstemming daarmede
+zijn leger uit. De commentarii de bello Gallico leeren ons, hoe
+meesterlijk hij van alle oneenigheden der Galliërs wist partij te
+trekken om zegevierend voorwaarts te dringen. Iulia echter stierf
+in 54 en Crassus in 53, en hiermede was de band tusschen Caesar en
+Pompeius verbroken. Pompeius begon Caesars wassende macht bedenkelijk
+te achten en toen de senaat aan C. beval, zijn leger af te danken
+en zijn ambt neder te leggen, terwijl Pompeius weigerde hetzelfde
+te doen, trok C. den 10den Januari 49 de Rubico over, het begin
+van den burgeroorlog, en veroverde binnen 2 maanden geheel Italia,
+terwijl Pompeius en de zijnen naar het Oosten gingen. Daarop begaf
+C. zich naar Hispania, waar hij de onderbevelhebbers van Pompeius,
+C. Afranius en M. Petreius bij Ilerda versloeg; vervolgens, na eerst
+het consulaat aanvaard te hebben, ijlde hij in het begin van 48 naar
+Epirus en Thessalia, leed wel bij Dyrrachium eene nederlaag, doch
+behaalde bij Pharsalus op het sterke, door Pompeius bijeengebrachte
+leger eene volkomene overwinning (6 Juni 48). Pompeius vluchtte
+naar Aegypte, doch werd vermoord nog voor hij te Alexandrië aan land
+stapte. Caesar regelde nu in Aegypte de troonsopvolging ten gunste
+der schoone Cleopatra, en had toen nog een oorlog door te staan
+met haar broeder Ptolemaeus XII, die in den Nijl verdronk (bellum
+Alexandrinum, zie Cleopatra no. 10). Na vervolgens in Azië Pharnaces
+van Pontus en Deiotarus van Galatia voor hunne aanhankelijkheid aan
+Pompeius gestraft te hebben, kwam C. in 47 te Rome terug, doch stak
+weldra naar Africa over, waar hij de pompejaansche partij vernietigde
+(slag bij Thapsus 46) en het oostelijk gedeelte van Numidia, tot
+aan de Ampsaga, inlijfde. In 46 hield hij te Rome een vierdubbelen
+triomftocht over Gallia, Aegypte, Pontus en Africa. In dit jaar valt
+ook de regeling van den rom. kalender met behulp van den sterrenkundige
+Sosigenes. Nog eenmaal moest hij te velde trekken tegen Pompeius'
+zonen, die in Hispania een leger op de been hadden gebracht (slag bij
+Munda, 45). Hij werd met eerbewijzen overladen, en onder verschillende
+titels bezat hij eene onbeperkte macht. In 49 was hij dictator, in
+48 was hij consul, in 46 dictator en consul tegelijk, in 45 was hij
+tot dictator voor zijn leven en consul voor tien jaar benoemd, met den
+titel van imperator; als praefectus morum bezat hij censorische macht;
+de keuze der overheden werd hem overgelaten; hij mocht zijne beeltenis
+op de munt laten slaan, enz. Doch bij de aristocratische partij bleef
+een geheime wrok bestaan, en deels uit persoonlijke eerzucht, deels uit
+ijdelen waan, dat met Caesars dood de oude republiek zou herleven en de
+aanzienlijke familiën weder in het bezit harer vroegere macht zouden
+komen, vereenigden zich een zestigtal samenzweerders en overvielen
+C. den 15den Maart 44 in den senaat, waar hij, door 23 dolksteken
+doorboord, voor het standbeeld van Pompeius nederviel. Zijne begrafenis
+gaf tot hevige tooneelen aanleiding, vooral toen zijne testamentaire
+beschikkingen ten gunste van het volk bekend werden.--Behalve de
+eerste 7 boeken de bello Gallico hebben wij van hem nog 3 boeken de
+bello civili. Zijne redevoeringen en brieven, door de ouden bewonderd,
+zijn verloren gegaan, evenals zijne taalkundige werken. Als veldheer,
+staatsman, redenaar, kortom op welk gebied hij zich bewoog, overal
+muntte hij uit. Hij had een vriendelijk en openhartig karakter, een
+grenzenlooze eerzucht en ijzeren volharding.--12) Iulia, zuster van
+no. 11, gehuwd met M. Attius Balbus. Eene dochter uit dit huwelijk,
+Attia, huwde C. Octavius, en werd moeder van Augustus.--13) Iulia,
+dochter van no. 11 en van Cornelia (Cornelii no. 42), in 59 gehuwd
+met Pompeius, eene verstandige vrouw, die, zoolang zij leefde, eene
+breuk tusschen haar vader en haar man wist te voorkomen. Het was eene
+eenigszins vreemde verhouding, dat haar man zes jaar ouder dan haar
+vader was. Zij stierf in 54 bij eene bevalling.--14) C. Octavius, later
+C. Iulius Caesar Octavianus genoemd en in de geschiedenis onder den
+titel van Augustus bekend, was de zoon van C. Octavius (zie hierboven
+no. 12) en door zijn oudoom Caesar tot zoon aangenomen. Hij was in 63
+geboren en verloor reeds in 59 zijn vader, waarna zijne moeder Attia
+met L. Marcius Philippus hertrouwde. Terwijl hij zich te Apollonia met
+zijne letterkundige studiën bezig hield, ontving hij het bericht van
+Caesars dood. Hij spoedde zich naar Italia, en was zoo voorzichtig,
+zich van Brundisium uit door een paar rom. legioenen, die hij daar
+aantrof, naar Rome te doen vergezellen. Over de gebeurtenissen,
+die toen volgden, zie men Antonii no. 4 en 6, Pompeii no. 13.--Na
+den slag bij Actium in 31 en den daarop volgenden dood van Antonius
+en Cleopatra regelde Octavianus de zaken in het Oosten en keerde als
+alleenheerscher te Rome terug. Hier werd hij met eerbewijzen overladen;
+hij legde echter 13 Jan. 27 de onbeperkte macht, die hij sinds Nov. 43
+als triumvir bezat (zie Tresviri no. 9), vrijwillig neder, en gaf aan
+senaat en volk de republikeinsche vrijheid terug. Drie dagen later
+verleende de senaat hem den titel Augustus, en gaf hem tevens het
+grootste deel der pas afgestane macht terug. Van dezen dag dateert het
+Romeinsche keizerrijk of principaat. Augustus wilde slechts de eerste
+der burgers, princeps civium zijn. Hij behield het consulaat, dat
+hij tot 23 geregeld bekleedde, verder de tribunicia potestas, die hem
+in 36 voor onbepaalden tijd, in 30 levenslang was verleend. Hierdoor
+had de princeps de bevoegdheid van het tribunaat, was onschendbaar en
+kon alle rechten van het ambt uitoefenen zonder beperking van tijd of
+plaats. Verder verleende de senaat hem het imperium proconsulare over
+alle provincies, waar legers stonden, die hij door legati pro praetore
+liet besturen, en het oppertoezicht over de andere provinciën, die
+onder het beheer van den senaat bleven. Verder had hij het recht een
+lijfwacht te hebben, de cohortes praetoriae. Hij deelde zijn macht
+met den senaat, die nu o. a. ook voor zijne leden hooggerechtshof
+werd. Voor Rome brak nu een tijd van rust en vrede aan, dubbel welkom
+na het eindelooze bloedvergieten der laatste 18 jaren. Onder zijne
+voornaamste regeeringsdaden behooren de verdeeling van Italië in 11
+en van Rome in 14 regiones, de oprichting van cohortes vigilum en
+cohortes praetoriae, de verdeeling der provinciën in keizerlijke en
+senatorische (zie hierboven), de aanstelling van een praefectus urbi
+en twee praefecti praetorio. De oorlogen, die hij nu voerde, hadden
+geene nieuwe veroveringen ten doel, maar òf behoud van het bestaande
+òf meer volledige onderwerping der volken in het rom. gebied. Zoo
+brachten zijne stiefzoons Drusus en Tiberius de Alpenvolken ten
+onder tot aan den Donau, om de grenzen van het rijk te bevestigen;
+vervolgens trachtten zij de rom. heerschappij tussen Rijn en Elbe op
+vaste grondslagen te vestigen, welk plan later door de nederlaag van
+Varus in duigen viel; Agrippa onderwierp de Cantabriërs en Asturiërs in
+Hispania. Zelf trok Augustus in 20 naar het Oosten en ontving van den
+parthischen koning de op Crassus en Antonius veroverde veldteekenen
+terug. Hij stierf te Nola in 14 na C. Zijne weduwe Livia hield zijn
+dood geheim, totdat Tiberius de noodige maatregelen had kunnen treffen,
+om zich in het bezit der heerschappij te stellen.--15) Voor de min
+of meer verwarde familiebetrekkingen van het huis van Augustus mogen
+de volgende opgaven dienen.
+
+Augustus is driemaal gehuwd geweest: 1) met Claudia, dochter van
+den beruchten P. Clodius Pulcher, uit welk huwelijk geene kinderen
+waren;--2) met Scribonia, zuster van L. Scribonius Libo, in 40, een
+huwelijk uit staatkunde gesloten, dat in 39 weder ontbonden werd,
+juist op den dag harer bevalling van eene dochter Iulia;--3) met
+Livia Drusilla, wier vader Livius Drusus in den slag bij Philippi was
+gesneuveld. Zij was gehuwd met Tib. Claudius Nero en had twee zoons,
+in de geschiedenis bekend als Tiberius en Drusus. Augustus overreedde
+haar man, haar aan hem af te staan en nam toen Tiberius en Drusus
+als zoons aan.
+
+a) Augustus en Scribonia.
+
+Iulia, driemaal gehuwd, 1) met M. Claudius Marcellus, jong gestorven
+(zie Claudii no. 37),--2) met M. Vipsanius Agrippa, gest. 12,--3)
+met den lateren keizer Tiberius.
+
+Wegens haar ergerlijken levenswandel werd zij in 2 door haar vader
+naar het eiland Pandataria en later naar Rhegium verbannen, waar zij
+in 14 na C. stierf.
+
+Kinderen uit Iulia's tweede huwelijk.
+
+* C. Caesar, † 4 na C., gehuwd met Drusus' dochter Livilla.
+* L. Caesar, † 2 na C.
+* Agrippa Postumus, 14 na C., na Augustus' dood door Tiberius uit den
+ weg geruimd.
+* Iulia, om haar zedeloos gedrag in 9 na C. verbannen, † 28 na C.
+* Agrippina, gehuwd met Germanicus.
+
+De verbanning der beide Iulia's (de dochter naar het eiland Trimerus
+(Trimetus) was eene deportatio.
+
+b) Livia en Tib. Claudius Nero.
+
+* Tiberius (keizer), geh. met Vipsania Agrippina, van wie hij tegen
+ zijn zin moest scheiden, daar Augustus hem Iulia opdrong.
+* Drusus (zie Claudii, no. 26) geh. met Antonia minor, dochter v. den
+ drieman M. Antonius (Antonii no. 11).
+
+c. Tiberius en Vipsania Agrippina.
+
+Drusus Caesar, gehuwd met Drusus' dochter Livilla, weduwe van
+C. Caesar. In overeenstemming met haar minnaar Seianus, praefectus
+praetorio onder Tiberius, ruimde zij haren echtgenoot uit den weg
+(23 n. C.). Zij werd met Seianus ter dood gebracht (31).
+
+* Germanicus, gest. 4 jaar oud.
+* Tiberius, door keizer Caligula omgebracht.
+* Iulia, geh. met Nero, den zoon v. Germanicus, later met C. Rubellius
+ Blandus (Rubellii no. 1), Op aanstoken v. Messalina werd zij
+ omgebracht.
+
+d) Drusus en Antonia minor.
+
+* Germanicus (z. a.), geh. met Agrippina dochter van Iulia (zie boven).
+* Claudius (keizer), (zie onder).
+* Livilla, geh. 1) met C. Caesar,--2) met Drusus Caesar, (zie boven).
+
+e) Germanicus en Agrippina
+
+verloren van hunne 9 kinderen drie door den dood en lieten 6 kinderen
+na, n.l.: 3 dochters, Agrippina, Drusilla en Livilla, 3 zoons, Nero,
+Drusus en C. Caesar.
+
+Van de zoons werden Nero en Drusus op last van Tiberius ter dood
+gebracht; C. Caesar is de latere keizer Caligula. Nero was gehuwd met
+Iulia, de kleindochter van Tiberius (zie boven). Agrippina (z. a.) is
+de moeder van keizer Nero geweest. Drusilla, eigenlijk Iulia Drusilla,
+werd de bijzit van haren broeder Caligula (zie Drusilla no. 2). De
+jongste zuster, Iulia Livilla, werd onder Claudius op aansporing van
+Messalina omgebracht.
+
+f) Kinderen van keizer Claudius.
+
+1) Uit zijn huwelijk met Plautia Urgulanilla werd een zoon Drusus
+geboren, die als knaap stikte doordat eene peer hem in de keel
+schoot. Eene dochter Claudia, na de echtscheiding geboren, erkende
+hij niet als de zijne.--2) Uit het huwelijk met Aelia Petina had
+hij eene dochter Antonia, die tweemaal gehuwd is.--3) Bij Valeria
+Messalina had hij eene dochter Octavia, gehuwd met keizer Nero, en
+een zoon, eerst Germanicus, doch vervolgens Britannicus geheeten, die
+door Nero vergiftigd is (55).--4) Van zijne vierde vrouw, Agrippina,
+de dochter van Germanicus, kreeg hijzelf geene kinderen. Haar zoon
+uit een vroeger huwelijk, de latere keizer Nero, werd echter door
+Claudius als zoon aangenomen.
+
+N.B. De afstammelingen van Tiberius en Drusus, de aangenomen zonen van
+Augustus, voerden, voor zoover zij van het mannelijk geslacht waren,
+allen den familienaam Caesar. De vrouwelijke leden moeten allen ook
+Iulia geheeten hebben, zooals van sommige vermeld wordt.
+
+Iulius Tutor, aanvoerder van de Galliërs in den bataafschen opstand,
+zie Civilis.
+
+Iuliobona, zie Caletes.
+
+Iulis, Ioulis, hoofdstad op het eiland Ceos.
+
+Iulus, Ioulos = Ascanius, zoon van Aeneas. Hij had twee zoons,
+waarvan de oudste ook Iulus, de jongste Silvius heette.
+
+Iunia (lex), de peregrinis van den volkstribuun M. Iunius Pennus,
+126. Door deze wet werd aan de peregrini het verblijf te Rome
+ontzegd. Eene wet van gelijke strekking was de lex Papia, in 65. Beide
+wetten worden door Cicero sterk veroordeeld.
+
+Iunia Licinia (lex) van de consuls D. Iunius Silanus en L. Licinius
+Murena, 62. Zij verbood, wetten heimelijk in het aerarium te brengen,
+hetgeen vermoedelijk beteekent, dat de nieuwe wetten voortaan onder
+getuigen in het archief moesten worden gedeponeerd.
+
+Iunia Norbana (lex), onder keizer Tiberius, 19 na C. Deze wet bepaalde,
+dat slaven, die modis minus iustis waren vrijgelaten (dus niet per
+vindictam, per censum of per testamentum), niet het burgerrecht
+zouden erlangen, maar een rechtstoestand zouden hebben in den trant
+der vroegere latijnsche koloniën. Zulke vrijgelatenen worden Latini
+Iuniani geheeten. Zie ius Latii.
+
+Iunii, een oud patricisch geslacht, dat, evenals de Iulii, van
+trojaanschen bloede heette te zijn. Het eerst wordt genoemd--1)
+M. Iunius, gehuwd met Tarquinia, eene zuster van Tarquinius
+Superbus. Hij werd met zijn oudsten zoon door den koning
+omgebracht.--2) L. Iunius Brutus (= de stompzinnige), zoon van
+no. 1. Hij ontsnapte den dood door zich als half onwijs voor te
+doen. Hij begeleidde de zonen van Tarquinius op een reis naar Delphi,
+en was de éénige, die de orakelspreuk begreep, die de god hun op
+hun vraag meegegeven had: wie het eerst te Rome zijn moeder kuste,
+zou te Rome regeeren; hij nu kuste den grond, en werd zóó doende
+later de eerste consul van Rome. Toen de verbittering des volks tegen
+Tarquinius Superbus en diens zonen door de onteering van Lucretia tot
+eene uitbarsting was gekomen, bewoog Brutus het leger tot den afval
+en werd een van de eerste consuls. Hem trof het harde lot, dat hij
+zijne beide zoons ter dood moest veroordeelen wegens samenzwering ten
+gunste van den verdreven koning. In hetzelfde jaar (509) sneuvelde hij,
+daar hij en 's konings zoon Aruns in den slag elkander gelijktijdig
+doorstaken. Er werd een standbeeld voor hem opgericht. Deze Iunii
+behooren tot het gebied der legende.
+
+Iunii, een plebejisch geslacht, waarvan geene verwantschap met het
+vorige te ontdekken is. 1) L. Iunius Brutus, een der voorvechters der
+eerste secessio plebis en in 493 een der eerste volkstribunen. Zie
+echter tribuni plebis en secessio.--2) Dec. Iunius Brutus Scaeva,
+consul in 325, streed voorspoedig tegen de Vestini in Samnium. De
+berichten omtrent dezen veldtocht zijn niet geheel betrouwbaar.--3)
+C. Iunius Bubulcus Brutus, consul in 317, 313 en 311, in 312
+magister equitum van den dictator C. Sulpicius Longus, en in 309
+van L. Papirius Cursor, in 302 zelf dictator, streed roemrijk tegen
+Samnieten en Aequers, wijdde in 302 (v.a. 304) den tempel van Salus
+(z. Fabii no. 24).--4) D. Iunius Brutus, bijgenaamd Callaïcus, consul
+138, overwon de Callaeci (Galliciërs) in Hispania en de Lusitaniërs
+(in Portugal) (138-137). Hij heeft Olysipo (Lissabon) aan den mond van
+de Taag versterkt, en Valentia no. 1 gesticht. Hij wordt een vrij goed
+redenaar genoemd, en was een man van fijne beschaving.--5) D. Iunius
+Brutus, consul in 77, gehuwd met Catilina's vriendin Sempronia.--6)
+D. Iunius Brutus, zoon van no. 5, diende onder Caesar in Gallia,
+waar hij de Veneti versloeg (56) en tegen Vercingetorix streed. In
+den burgeroorlog was hij admiraal van Caesar en werd door hem tot
+stadhouder van Gallia Cisalpina benoemd. Toch sloot hij zich bij de
+samenzweerders aan, vermoedelijk uit oprechte overtuiging. Na Caesars
+dood had hij met Antonius, die hem zijne provincie betwistte, een
+oorlog te voeren (bellum Mutinense, zie Antonii no. 4). Toen Octavianus
+ook de moordenaars van Caesar begon te vervolgen, en het meerendeel van
+Brutus' troepen afvallig werd, vluchtte hij naar M. Brutus, doch werd
+onderweg door een vriend, een gallisch opperhoofd, Camillus, gevangen
+genomen en op last van Antonius omgebracht.--7) M. Iunius Brutus,
+rechtsgeleerde (± 136), schrijver van een werk de iure civili.--8)
+M. Iunius Brutus, ook een groot rechtsgeleerde en geleerd man, stelde
+als volkstribuun in 83 voor, eene sterke rom. kolonie naar Capua te
+zenden, wat door Cicero zeer wordt afgekeurd. In den burgeroorlog
+was hij bij de mariaansche partij. Hij verdedigde Mutina tegen
+Pompeius. Na Sulla's dood sloot hij zich bij den oproerigen consul
+M. Aemilius Lepidus aan, doch werd op last van Pompeius vermoord,
+77.--9) M. Iunius Brutus, ook wel eens Q. Caepio Brutus geheeten, daar
+hij door Q. Servilius Caepio (Servilii no. 18 z. a.) geadopteerd was,
+zoon van no. 8 en van Servilia, de beroemde stiefzuster van Cato van
+Utica (Servilii no. 19), ontving onder de leiding van zijne moeder en
+van zijn oom eene zorgvuldige opvoeding. Bij het uitbarsten van den
+burgeroorlog volgde hij eerst de vanen van Pompeius, na den slag bij
+Pharsalus evenwel werd hij de gunsteling van Caesar, die om der moeder
+wille den zoon van Servilia genegen was en spoedig Brutus zelven lief
+kreeg om zijne voortreffelijke eigenschappen. In 45 gaf Caesar hem
+het stadhouderschap over Gallia Cisalpina, waarvan Brutus zich met
+onbaatzuchtigheid kweet. Ook Cicero achtte hem hoog, droeg hem zijne
+geschriften Orator, de finibus bonorum et malorum en de Tusculanae
+disputationes op en liet hem de hoofdrol vervullen in het werk de
+claris oratoribus. In 44 droeg Caesar aan Brutus de praetura urbana op,
+waardoor hij C. Cassius teleurstelde en hevig verbitterde. Door dezen
+liet Brutus zich medesleepen in de samenzwering tegen zijn weldoener,
+niet uit persoonlijke eerzucht, maar in den waan dat Caesars dood
+de wedergeboorte der republiek zou zijn. Na den moord begaf Brutus
+zich niet terstond naar zijne provincie Macedonia, maar toefde nog
+in Italia, in de hoop, dat de openbare meening te Rome zich tegen
+M. Antonius en Octavianus zou keeren. Eerst in Sept. ging Brutus
+naar Macedonia, dat onderwijl door den senaat aan M. Antonius was
+toegewezen, die deze provincie weer voor Gallia Cisalpina verruilde
+(zie Antoniae leges no. 8, en Antonii no. 4 en 5), en aan zijn broeder
+C. afstond. Ook later verloren Brutus en Cassius een kostbaren
+tijd met niets doen, en lieten den driemannen den tijd zich te
+versterken. Bij Philippi in Macedonia had de beslissende slag plaats
+(herfst van 42). Brutus en Cassius hadden omstreeks 90000 man. In
+den eersten slag zegevierde Brutus op Octavianus, doch Antonius op
+Cassius, die zich in wanhoop liet dooden. In den tweeden slag werd
+ook Brutus verslagen, waarop hij zich zelf in zijn zwaard stortte. Zie
+ook Cassii no. 8. Zijne echtgenoote Porcia, Cato's dochter, liet zich
+op het bericht van zijn dood door kolendamp verstikken. De grootste
+fout van Brutus was zwakheid van karakter. Hij heeft boeken over
+wijsbegeerte en redekunst geschreven.--10) M. Iunius Gracchanus,
+vriend van C. Gracchus, aan welke vriendschap hij zijn bijnaam te
+danken had, schrijver van een boek de potestatibus.--11) M. Iunius
+Pennus, volkstribuun in 126, de auctor der lex Iunia de peregrinis,
+tegenstander der Gracchen.--12) L. Iunius Pullus, consul 249, verloor
+zijn geheele vloot door schipbreuk bij Phintias aan de Zuidkust van
+Sicilia.--13) M. Iunius Brutus Pera, dictator in 216 na den slag bij
+Cannae.--14) M. Iunius Silanus ging in 211 met Scipio (later Africanus
+maior) naar Hispania en behaalde als onderbevelhebber overwinningen
+op Mago en Hanno. Zijn zoon sneuvelde in 196 in den oorlog tegen
+de Bojers.--15) D. Iunius Silanus Manlianus, een geboren Manlius
+Torquatus, had zich als propraetor van Macedonia aan afpersingen
+schuldig gemaakt. Toen er nu klachten bij den senaat inkwamen,
+verzocht de vader T. Manlius Torquatus (Manlii no. 12) dat hem het
+onderzoek zou worden opgedragen. Hij bevond den zoon schuldig en
+verbande hem uit zijne oogen, waarop Silanus zich ophing (141).--16)
+M. Junius Silanus, werd als consul in 109 door de Cimbren in Gallia
+geheel verslagen.--17) D. Iunius Silanus, stiefvader van no. 9,
+consul in 62, stemde in 63 als consul designatus het eerst voor
+veroordeeling der 4 Catilinarii. Hij was een goed redenaar. Zie
+Iunia Licinia (lex).--18) M. Iunius Silanus koos na Caesars dood
+de partij van Antonius en werd in 25 met Octavianus consul. Hij
+was een zwager van Lepidus. Hij moet niet verward worden met zijn
+naamgenoot, die legaat was van Caesar in Gallia.--19) M. Iunius
+Silanus, onder Caligula stadhouder van Africa en een van 's keizers
+slachtoffers.--20) L. Iunius Silanus, een man van zeer braaf karakter,
+werd als afstammeling van Augustus het slachtoffer van Nero's
+achterdocht (65).--21) Iunius Blaesus, vader en zoon. De eerste was
+onder Augustus en Tiberius bevelhebber in Pannonia. Tiberius gaf hem
+den titel van imperator, welk eerbewijs na hem aan geen onderdaan
+meer ten deel viel. Hij was een oom van Seianus en verloor na diens
+val zijn invloed. De zoon, die onder zijn vader gediend had, maakte
+zich in 36 van kant, omdat hij bij Tiberius in ongenade gevallen
+was. Een kleinzoon, die zich in 69 bij Vitellius had aangesloten,
+werd door dezen uit wantrouwen uit den weg geruimd.--22) L. Iunius
+Arulenus Rusticus werd door Domitianus ter dood veroordeeld, omdat hij
+in geschrifte den lof had verkondigd van Paetus Thrasea en Helvidius
+Priscus.--23) C. Iunius (familie-naam onbekend), tijdgenoot van
+Cicero, werd veroordeeld omdat hij als iudex quaestionis zich had
+laten omkoopen (74).--24) L. Iunius Brutus Damasippus, gewoonlijk
+verkeerdelijk L. Licinius Damasippus genoemd, z. Licinii no. 19.--25)
+Q. Iunius Rusticus, z. Rusticus no. 2.
+
+Iuno, koningin van den hemel en de goden (Regina), later zuster en
+gemalin van Jupiter, als beschermster van den romeinschen staat
+(Quiritis) met Jupiter en Minerva op het Capitolium vereerd
+(Capitolina). Bovenal is zij de godin der vrouwen, wien zij in
+alle levensomstandigheden, in ongehuwden en gehuwden staat, bij
+het huwelijk zelf en alle daarmede verbonden plechtigheden, bij
+het baren van kinderen, enz., helpend ter zijde staat; vandaar hare
+talrijke bijnamen, als: Virginalis, Matronalis, Iugalis, Pronuba,
+Lucina e. a. Zelfs heeft iedere vrouw hare Juno, evenals ieder man
+zijn Genius. Hare voornaamste feesten waren de Matronalia op 1 Maart
+(Calendae feminarum) en de Nonae Caprotinae op 7 Juli (z. Caprotina);
+de geheele maand Juni was haar gewijd en verder alle Kalendae. Als
+Juno Moneta had zij een tempel op de arx, waar de munt geslagen werd,
+die daarnaar benoemd is. Men offerde haar lammeren, witte koeien,
+enz., de gans werd als een haar geheiligd dier beschouwd. Als koningin
+des hemels wordt zij vereenzelvigd met de grieksche Hera en dochter
+van Saturnus en Ops genoemd, ofschoon zij meer macht en een meer
+uitgebreiden eigen werkkring heeft dan deze.
+
+Iunonis promunturium, to tes Heras akroterion, naam van twee kapen,
+de eene aan de Zuidpunt van Hispania, thans kaap Trafalgar, de andere
+aan de westkant der corinthische landengte, ook Heraeum prom. genaamd.
+
+Iupiter, de god van den hemel, de hoogste god der Romeinen, de
+goede en machtige god (Optimus Maximus), die in den hemel beschikt
+over licht en duisternis, storm, onweder, regen, enz. (Diespiter,
+Serenus, Fulgur, later Fulminator, Tonitrualis, Pluvius), en op aarde
+het lot van individuen en staten beheerscht, in hunne wederzijdsche
+betrekkingen wetten, recht en goede trouw beschermt, en zijn wil door
+wonderteekenen (Prodigialis) en orakels openbaart. Voornamelijk is
+hij de beschermgod van den romeinschen staat (Conservator, Custos),
+dien hij voor de wereldheerschappij bestemd heeft, en welks legers
+hij tegenover de vijanden van de vlucht terughoudt (Stator) en
+tot de overwinning leidt (Victor). Als zoodanig heeft hij met Juno
+en Minerva zijn tempel op het Capitolium (Capitolinus), waar hij
+door overheden en particulieren in alle gewichtige omstandigheden
+aangebeden wordt, waar de consul hem offers bracht als hij ten
+strijde trok en de uit den oorlog teruggekeerde overwinnaar hem
+zijn fasces en lauwerkrans aanbood (Triumphalis) of hem de behaalde
+spolia opima wijdde (Feretrius). Evenzoo was hij in ouden tijd de
+god van het latijnsch verbond geweest (Latiaris), en werd hij later
+in het bijzonder de god der romeinsche keizers. Bij het huwelijk per
+confarreationem (z. a.) werd hij aangeroepen als Jupiter farreus. Ter
+eere van J. Capitolinus vierde men de Ludi Romani, Capitolini, Magni
+en Plebei, ter eere van J. Latiaris de Feriae Latinae. Ook de Vinalia
+(z. a.) worden hem ter eere gevierd. De Idus van elke maand zijn
+hem gewijd. Ook wordt hij geëerd door twee epulae Iovis op de 1sten
+van September en November. Zijn bode en zinnebeeld is de arend.--Als
+hoogste god werd hij vereenzelvigd met Zeus en de zoon van Saturnus
+en Ops genoemd, en toen Sulla zijn tempel op het Capitolium na den
+brand liet herbouwen, werd zijn beeld geheel eene navolging van dat
+van Zeus te Olympia.
+
+Iura (mons), Ioras, Iourassos, Iourasios, thans Jura, tusschen de
+Sequani en de Helvetii.
+
+Iurisconsulti, ook iure consulti, iurisprudentes genoemd, waren,
+zooals de naam aanwijst, rom. rechtskundigen. In den oudsten tijd der
+republiek was het ius civile nauw verwant met het ius sacrum. Alles
+hing aaneen met vaste vormen en formulieren, die nauwkeurig moesten
+worden in acht genomen, wilde men zijn proces niet verliezen. Deze
+vormen waren te vinden in de libri pontificum. en werden voor de
+plebs zooveel mogelijk geheim gehouden. De iurisconsulti nu gaven
+inlichtingen aan hunne vrienden en cliënten omtrent de rechtsdagen en
+hetgeen men had in acht te nemen. Het ius Flavianum (z. a.) maakte
+aan deze geheimzinnigheid een einde en het geven van adviezen
+hield op het werk van priesters en enkele bevoorrechten te zijn,
+terwijl bovendien de invoering der formulae door de lex Aebutia de
+rechtspraak los maakte van den vroegeren omhaal. De iurisconsulti waren
+nu aanzienlijke mannen, die wetten en rechtsgeleerde boeken hadden
+bestudeerd en, hetzij te huis, hetzij op het forum, op bepaalde uren
+te spreken waren om adviezen te geven (respondere), als men hen kwam
+raadplegen (consulere), en die ook allerlei documenten opstelden,
+als testamenten, borgstellingen, contracten, aanklachten, enz. Ook
+gaven zij uitlegging van wetten. Jongelingen, die als rechtsgeleerden
+of pleiters wilden opgeleid worden, gingen bij zulke iurisconsulti
+in de leer en woonden hunne adviezen bij. Pleiten deden deze
+rechtskundigen niet. Het kon niet anders, of langzamerhand ontstond
+op deze wijze eene rechtswetenschap en de studie van het recht nam
+in omvang en diepte toe, naarmate de aequitas meer veld won op het
+strenge ius (zie ius honorarium). Die aequitas noopte de juristen,
+meer stelselmatige eenheid in het recht te brengen. Augustus kende
+aan de responsa prudentium kracht van wet toe bij rechtsvragen, die
+betwistbaar schenen. Er verrezen nu ook rechtsgeleerde scholen met
+bepaalde leeraars (professores iuris) en studenten (studiosi), die
+een leergeld of honorarium betaalden, wat bij de oude iurisconsulti
+niet het geval was.
+
+Iüs, zie Ios.
+
+Ius. Over de tegenstelling van in iure en in iudicio zie men iudicio
+(in).
+
+Ius Aelianum, een werk van S. Aelius Paetus, bijgenaamd Catus (± 200),
+over de wetten der XII tafelen, met eene verklaring van duistere en
+verouderde woorden en eene bijvoeging der vormen, waaraan men zich
+te houden had. Z. Aelii no. 1.
+
+Ius civile is het positieve recht, dat de rechtsbetrekkingen tusschen
+burgers onderling regelt. De volledige uitdrukking was ius civile
+Romanorum, te onderscheiden van ius Quiritium. Dit laatste sluit het
+rom. burgerrecht in, terwijl het eerste het specifiek rom. burgerlijk
+recht omvat.
+
+Ius Flavianum, de door Cn. Flavius in 304 openbaar gemaakte verzameling
+van formulieren en bijzonderheden, waarvan de stipte inachtneming in
+rechten gevorderd werd. Zie Flavii no. 2.
+
+Ius gentilicium of gentilitatis, het recht om als lid eener gens
+erfrechten en voogdijrechten te doen gelden, wanneer een overledene
+geene heredes sui en geene agnaten had.
+
+Ius gentium, in theorie het bij alle volken geldende internationale
+recht, ius commune omnium hominum, ius quod apud omnes populos peraeque
+custoditur, quod apud omnes gentes sanctum est. In de praktijk
+evenwel is het ius gentium het recht, dat de Rom. in toepassing
+brachten in het verkeer met vreemde volken, een peregrinenrecht. Het
+onderscheidde zich van het ius civile vooral in twee opzichten,
+dat het minder gebonden was aan de wettelijk voorgeschreven vormen,
+en ook niet aan het gebruik der latijnsche taal. Over de wijzigingen,
+die hieruit voor het ius civile voortvloeiden, zie men het artikel
+ius honorarium. Wat wij onder volkenrecht verstaan, wordt in het
+Latijn beter uitgedrukt door ius belli et pacis.
+
+Ius honorum, verkiesbaarheid tot de onbezoldigde rom. staats- en
+priesterambten, die als eerbewijzen en geschenken van de zijde des
+volks werden beschouwd. Gewoonlijk verstaat men onder honores meer
+uitsluitend de hooge ambten, te beginnen met de quaestuur.
+
+Ius honorarium of praetorium, het praetorenrecht, ontstaan uit de
+edicta praetorum. Wij zullen hier met een paar voorbeelden ter
+opheldering volstaan. Volgens de wetten der XII tafelen werd de
+fur manifestus als slaaf het eigendom van den bestolene, tenzij hij
+zich vrijkocht. De afkoopsom was echter aan willekeur overgelaten,
+totdat een praetorisch edict ze op het vierdubbel van het gestolene
+stelde. Of wel, het ius civile schreef nauwkeurig voor, op welke
+wijzen de eigendom van verschillende zaken moest overgaan. Voor res
+mancipi b.v. was eene formeele overdracht, eene mancipatio per aes et
+libram, voorgeschreven, ten overstaan van libripens en getuigen. Het
+ius gentium, het rom. peregrinenrecht, was echter niet zoo streng aan
+vormen gebonden. Wanneer nu een rom. burger door onwetendheid eene
+res mancipi had gekocht of verkregen, b.v. een paard of een ezel,
+doch niet onder den wettigen vorm, maar door eenvoudige traditio,
+dan kon hij strikt genomen hieraan geen recht ontleenen en stond dus
+achter bij een peregrinus. Om deze onbillijkheid weg te nemen, erkende
+het praetorische recht op grond der aequitas in sommige gevallen ook
+onvolledige vormen als geldig. Ook onder het artikel hereditas is een
+voorbeeld opgenoemd. Zóó werd het strenge ius civile met het mildere
+ius gentium in overeenstemming gebracht. Het aldus verkregen goed kon
+dan wel niet als dominium gerekend worden, maar het edict stond toe,
+het in bonis te hebben, het feitelijk te bezitten, terwijl het dan
+door verjaring (usus, usucapio) mettertijd eigendom ex iure Quiritium
+kon worden.
+
+Ius imaginum. Van hen, die een curulisch ambt bekleed hadden, mochten
+hunne gezinnen en nakomelingen wassen borstbeelden of, beter gezegd,
+maskers (cerae) laten vervaardigen, die imagines genoemd werden en
+in het atrium in kasten werden bewaard, terwijl naam en rang onder
+elke beeltenis op een ivoren of metalen plaatje (titulus) vermeld
+waren. Op huiselijke feestdagen werden deze imagines te voorschijn
+gehaald en bekranst. Bij lijkstaatsies werden zij door huurlingen voor
+het gelaat gedragen, alsof de voorvaderen mede ter begrafenis gingen.
+
+Ius italicum. De italische bodem was vrij van grondlasten en kon in
+quiritischen eigendom worden bezeten. Onder de keizers werd meermalen
+aan steden in de provinciën dit recht toegekend, d. w. z. de bodem
+werd gelijkgesteld met italischen grond, alsof hij in Italia gelegen
+ware. Natuurlijk moesten de inwoners rom. burgers zijn, daar zij
+anders bij gebreke van commercium toch niets aan het ius italicum
+zouden gehad hebben. De stelling mag echter niet omgekeerd worden:
+als eene provinciestad de civitas heeft, dan volgt hieruit nog niet
+het ius italicum. Tevens vloeit uit dit recht voort, dat de stad,
+daar zij niet langer als provinciestad beschouwd wordt, aan het
+rechtstreeksch bestuur van den stadhouder onttrokken wordt, en de
+vrijheid eener italische stad verkrijgt. Dit recht werd alleen aan
+koloniën geschonken; vandaar dat somtijds provinciesteden om het ius
+coloniae verzochten, in de hoop, later het ius italicum te verwerven.
+
+Ius Latii. De coloniae latinae populi Romani werden als socii Latini
+beschouwd. Zij hadden met Rome conubium en commercium, en hare
+inwoners konden onder zekere omstandigheden het rom. burgerrecht
+erlangen. Ten opzichte van dit laatste onderscheidde men een Latium
+maius en minus. In de steden, welke het L. minus hadden, werd het
+rom. burgerrecht verkregen door het bekleeden van een overheidsambt, in
+die met het L. maius reeds door het lidmaatschap van den stedelijken
+senaat, den ordo decurionum. Toen in 90 en 89 geheel Italia door
+de lex Iulia en de lex Plautia Papiria het burgerrecht verkreeg,
+en in 89 Gallia Cispadana door de lex Pompeia, en Transpadana in
+49 door eene andere lex Iulia, verdween het ius Latii in Italië,
+doch werd vervolgens aan een aantal provinciesteden toegekend als
+een tusschentoestand tusschen den staat van peregrinus en dien van
+civis. Zie ook lex Iunia Norbana.
+
+Ius liberorum. De lex Iulia et Papia Poppaea (z.a.), in het jaar
+8 na C., schonk, tot aanmoediging van het huwelijk, voorrechten
+aan ouders van drie of meer wettige kinderen. O.a. ontsloeg zij
+vrijgeboren vrouwen na den dood harer echtgenooten van voogdij,
+indien zij vier kinderen hadden. Aan mannen schonk het ius liberorum
+een voorrang bij het dingen naar een ambt, een zekeren vrijdom van
+lasten, enz. Meermalen echter komt het voor, dat de keizers het ius
+liberorum uit gunst verleenen, zelfs aan personen zonder kinderen.
+
+Ius naturae, bij de Rom. synoniem met ius gentium.
+
+Ius Papisianum (Papirianum), eene verzameling wetten, zoogenaamd
+uit den koningstijd (leges regiae), voornamelijk op den eeredienst
+betrekking hebbende. Zij draagt haar naam naar zekeren Sextus
+v. a. Gaius Papisius (Papirius), omtrent wien overigens niets bekend
+is. Een uittreksel hiervan maakte Granius Flaccus, z. Granii no. 1.
+
+Ius pontificium of sacrum, het sacrale recht, in zaken, die
+den godsdienst raakten, zooals het was opgeteekend in de libri
+pontificum. Zie ook iurisconsulti in het begin.
+
+Ius postliminii. Volgens dit recht trad de rom. burger, die door
+krijgsgevangenschap tijdelijk zijn burgerrecht had verloren, bij
+zijn terugkeer op rom. bodem onmiddellijk weder in het bezit zijner
+vroegere rechten.
+
+Ius praetorium = ius honorarium.
+
+Ius Quiritium of Quiritarium. Terwijl het ius civitatis de
+staatsburgerlijke rechten van den rom. burger omvatte, heeft ius
+Quiritium meer eene privaatrechtelijke beteekenis, ofschoon men dit
+niet hebben kan zonder civis te zijn. Onder de keizers, toen door
+de alleenheerschappij de staatsburgerlijke rechten vrij wel gelijk
+nul waren geworden, krijgt civitas de beteekenis van burgerrecht
+als ondeelbaar geheel, en zegt men dus van een peregrinus, die
+rom. burger wordt, dat hij het ius civitatis krijgt, terwijl dan
+een Latinus (zie ius Latii), die reeds een deel van het burgerrecht,
+conubium en commercium, heeft en dus slechts eene aanvulling krijgt,
+gezegd wordt het ius Quiritium te erlangen.
+
+Ius sacrum, zie ius pontificium.
+
+Iustina, de schoone en verstandige gemalin van keizer Valentinianus I
+(364-375 na C.). Na zijn dood nam zij als regentes voor hun vierjarig
+zoontje Valentinianus II, die samen met zijn halfbroeder Gratianus
+tot Augustus was uitgeroepen, de regeering waar.
+
+Iustinus, 1) de schrijver der Historiae Philippicae (waarschijnlijk uit
+de derde eeuw n. C.), die behalve een algemeen historisch overzicht,
+meer in het bijzonder de geschiedenis van Macedonia bevatten. Het werk
+is een uittreksel van een veel grooter werk onder denzelfden titel
+geschreven door Trogus Pompeius, ten tijde van Augustus.--2) Justinus
+Martyr uit Flavia Neapolis in Palaestina, was eerst heiden, maar ging
+later tot het Christendom over, en onderging den martelaarsdood in
+165 n. C. Hij is de schrijver van een apologie in twee deelen en
+andere werken. Vele werken die hem vroeger toegeschreven werden,
+zijn niet van hem.
+
+Iustitium, stilstand van rechtszaken en tevens van alle openbare
+aangelegenheden. In tijden van nood en gevaar en algemeene
+verslagenheid werd somtijds bij senaatsbesluit zulk een algemeene
+stilstand van zaken afgekondigd. Onder de keizers komt zulk een
+iustitium (van ius en sistere) alleen voor bij gewichtige sterfgevallen
+in de keizerlijke familie.
+
+Iuthungi, een germaansche stam, tot de Sueven behoorend, en verwant
+met de Alemannen, waarin ze later opgaan. Ze komen voor het eerst in
+de 3de eeuw n. C. voor; ze woonden ten N. van Vindelicia en Raetia.
+
+Iuturna, oudtijds ook Diuturna geheeten, nimf van eene bron in Latium
+bij de rivier de Numicus, waarvan het water genezende kracht had en
+te Rome bij vele offers gebruikt werd. Jupiter beminde haar en schonk
+haar tot loon voor hare wederliefde de onsterfelijkheid. Bij Janus werd
+zij moeder van Fontus. Zij was de zuster van Turnus, dien zij in den
+strijd tegen Aeneas bijstond, totdat Jupiter haar door de Dirae liet
+verjagen. Te Rome had zij een tempel, en vierde men te harer eer den
+11den Januari een feest, de Iuturnalia; bovendien werd zij in tijden
+van droogte aangeroepen. De aan haar gewijde lacus Iuturnae bij den
+tempel van Castor en Pollux aan den voet van den Palatinus is bij de
+opgravingen van 1900-1902 weer te voorschijn gekomen.
+
+Iuvavum, thans Salzburg, aan den Iuvavus (Salzach), eene belangrijke
+stad in Noricum.
+
+Iuvenalis (D. Iunius), geboren te Aquinum in Latium, genoot eene
+rhetorische opleiding, doch is vooral bekend als hekeldichter onder de
+regeering van Traianus. In zijne 16 satiren geeselt hij met bitteren
+spot en verontwaardiging het zedenbederf van zijn tijd, doch niet
+zonder zich aan rhetorische overdrijving schuldig te maken. Volgens een
+verhaal, dat door sommigen betwijfeld wordt, zou hij onder Traianus
+in Aegypte, waar hij een militaire betrekking bekleedde, op hoogen
+leeftijd gestorven zijn.
+
+Iuvencus (C. Vettius Aquilius), een Spaansch presbyter, gaf in 329 of
+330 n. Chr. in epische versmaat in den trant van Vergilius in 4 boeken
+een bewerking der Evangeliën uit, waarbij hij vooral Matthaeus volgt.
+
+Iuventii, een geslacht, uit Tusculum afkomstig. 1) M. Iuventius Thalna,
+in 170 volkstribuun, de eerste uit dit geslacht die het consulaat
+bekleedde (163), onderwierp Corsica en bleef plotseling dood, op
+het oogenblik dat hij de dankbetuiging van den senaat ontving.--2)
+P. Juventius, werd als praetor door Andriscus in Macedonia verslagen,
+en sneuvelde (149).--3) M. Iuventius Laterensis leed bij zijne
+candidatuur voor de aediliteit in 55 eene nederlaag, en klaagde
+hierop zijn gelukkiger mededinger Cn. Plancius aan van het oprichten
+van onwettige kiesvereenigingen (sodalitia) tot het omkoopen van
+stemmen. Cicero, schoon met Juventius bevriend, verdedigde Plancius,
+aan wien hij verplichting had. Na Caesars dood werd Juventius legaat
+van Lepidus, doch zag zijne troepen tot M. Antonius overloopen, en
+bracht toen zichzelf om het leven.--4) schrijver van fabulae palliatae
+(2de eeuw).--5) P. Iuventius Celsus, twee beroemde rechtsgeleerden,
+vader en zoon, de eerste ten tijde van Vespasianus, de tweede onder
+Domitianus, Nerva, Traianus en Hadrianus.
+
+Iuvernia, Ivernia = Hibernia (Ierland).
+
+Ixion, Ixion, zoon van Ares of Phlegyas, koning der Lapithen. Hij
+was gehuwd met de dochter van Deïoneus, en toen deze de gewone
+bruidsgeschenken van hem vorderde, noodigde Ix. hem bij zich en stortte
+hij hem in een vuurpoel. Niemand wilde hem van die schuld reinigen,
+maar Zeus, die hem genegen was, deed het en liet hem tot de tafel der
+goden toe. Zelfs toen hij Hera met zijne liefde vervolgde, vergaf Zeus
+hem, en om hem tevreden te stellen, schiep hij een wolk (Nephele) in
+de gedaante van Hera, die bij Ix. moeder werd van de Centauren. Toen
+hij zich echter op de gunst van Hera begon te beroemen, wierp Zeus
+hem in den Tartarus, waar hij aan een vurig rad gebonden werd, dat
+altijd ronddraait.
+
+Ixionides, Ixionides, Pirithoüs en de Centauren, zonen van Ixion.
+
+Iynx, Iynx, dochter van Peitho of Echo, die door toovermiddelen Zeus
+had doen ontbranden in liefde voor Io. Daarom veranderde Hera haar
+in een vogel, die als toovermiddel gebruikt wordt om liefde op te
+wekken. Men bond hem daartoe op een rad met vier spaken, dat men onder
+het uitspreken van tooverwoorden ronddraaide. Iason zou dit middel
+van Aphrodite geleerd en daarmede het hart van Medea gewonnen hebben.
+
+
+
+
+
+
+K.
+
+
+Kakosis goneon, orphanon, etc., slechte behandeling van ouders,
+familieleden, echtgenooten, pupillen, enz., mishandeling, onthouding
+van onderstand en dgl. Wie zich hieraan schuldig maakte, konde door
+eisangelia of apagoge voor den archont gebracht worden; de straf werd
+naar omstandigheden bepaald, op k. goneon stond atimie.
+
+Kakotechnion dike, aanklacht wegens bedrog of valschheid, vooral in
+rechtszaken, in het bijzonder knoeierij met getuigen.
+
+Kalendae = Calendae.
+
+Karchedon = Carthago.
+
+Karthago = Carthago.
+
+Katakekaumene (sc. chora), het O. deel van Lydia, aldus genoemd,
+omdat de bodem van vulkanischen aard was, asphalt en lava bevatte en
+hierdoor zwart van kleur was, alsof de grond verbrand was.
+
+Kataklesia = katakletos ekklesia, zie ekklesia.
+
+Katalogos, lijst van burgers, die met uitsluiting van anderen een
+of ander recht of verplichting hebben. In het bizonder de lijst,
+waarop aangeteekend was in hoever zij tot den krijgsdienst verplicht
+waren, welke verplichting verschillend was naar verhouding van het
+vermogen. Het vervullen van den dienstplicht door hen, die op deze
+lijst stonden, heet ek katalogou strateuein; armere burgers, die er
+niet op stonden, werden alleen in buitengewone gevallen opgeroepen.
+
+Katalysis tou demou, omverwerping der democratie of de poging daartoe,
+werd langs den weg der eisangelia voor de rechtbank der thesmotheten
+gebracht en naar goedvinden der rechters bestraft, waarschijnlijk
+meestal met den dood.
+
+Katoikoi, z. Cleruchia, aan het slot.
+
+Keadas of kaiadas, afgrond in den Taygetus, ten W. van Sparta, met
+bijna loodrechte wanden. Ter dood veroordeelden werden hierin geworpen,
+o. a. Aristomenes, de held van den tweeden messenischen oorlog.
+
+Keres, (ook in het enkelvoud), godinnen van den gewelddadigen dood,
+vooral op het slagveld, waar zij tot het gevolg van Ares behooren. Zij
+worden dochters van Nyx, zusters van Morus en Thanatus genoemd. Later
+kregen zij de beteekenis van straffende en wrekende godinnen en meer
+algemeen van eene personificatie van al wat het leven vernietigt,
+ziekte, kommer, enz.
+
+Kerkyra, Kerkyra = Corcyra.
+
+Keryx, heraut, iemand die een koning, ambtenaar of priester bij
+zijne ambtsverrichtingen ter zijde staat, officiëele bekendmakingen
+en aankondigingen heeft te doen, enz. De herauten werden als heilig
+en onschendbaar beschouwd en genoten groot aanzien. In de familie
+der Kerykes te Athene (z. Ceryx) waren verscheiden priesterlijke
+waardigheden erfelijk, o. a. die van den keryx of hierokeryx bij de
+eleusinische mysteriën.
+
+Klarotai, aphamiotai, lijfeigenen op Creta, waren in denzelfden
+toestand als de spartaansche heloten.
+
+Klerouchia, z. Cleruchia, z. ook apoikia.
+
+Kleter, kletor, in een proces de getuige, die bij de dagvaarding
+(prosklesis) van den aangeklaagde tegenwoordig geweest is, en bevestigt
+dat die dagvaarding in den behoorlijken vorm heeft plaats gehad.
+
+Koine, he koine dialektos, gemeen grieksch, de taal, die sedert
+Alexander algemeen in Griekenland en het Oosten gesproken werd, en
+waarin ook de meeste boeken van het Nieuwe Testament en de Septuaginta
+(z. a.) geschreven zijn.
+
+Kolakretai, oorspronkelijk zij, die bij groote offerfeesten van
+het vleesch der offerdieren een openbaren maaltijd bezorgden, later
+ambtenaars bij het financiewezen. Clisthenes beperkte hun werkkring,
+en in 410 zijn zij afgeschaft; in hun plaats traden de apodektai.
+
+Korynephoroi, eigenlijk knotsdragers; te Sicyon lijfeigenen van
+denzelfden oorsprong en in denzelfden toestand als de spartaansche
+heloten.
+
+Kosmoi, tien magistraten op Creta, wier bevoegdheden overeenkwamen
+met die der spartaansche ephoren. Een van hen, de protokosmos, gaf
+zijn naam aan het jaar.
+
+Koureotis, de derde dag der Apaturia.
+
+Kriou metopon, 1) Z.W.-kaap van Creta.--2) Z. kaap der Chersonesus
+Taurica (Krim).
+
+Krypteia, soms beschouwd als eene jacht op heloten, die van staatswege
+aan de spartaansche jongelingen werd opgedragen; inderdaad eene
+oefening als voorbereiding tot den krijgsdienst, waarbij de jonge
+burgers het land in alle richtingen doorkruisten, vooral op de
+bewegingen der heloten acht gaven, en hen bij ieder vergrijp of bij
+de minste verdachte handeling terstond doodden.
+
+Kyrbeis, z. Axones.
+
+Kyria ekklesia, z. ekklesia.
+
+Kyrios, degene, die over iemand of iets te beschikken heeft, in het
+bizonder degene, die een ander in rechten of in zijne betrekkingen
+tot vreemden vertegenwoordigt, zooals de vader of voogd voor onmondige
+kinderen, de man voor zijne vrouw, enz.
+
+
+
+
+
+
+L.
+
+
+Labarum, de keizerlijke standaard, door Constantijn den
+Gr. ingevoerd. Hij bestond uit een rijk geborduurd zijden vaandel
+met het monogram van J. C., hangende aan een stok in den vorm van
+een kruis.
+
+Labda, Labda, dochter van Amphion, moeder van Cypselus.
+
+Labdacidae, Labdakidai, de zoon en verdere afstammelingen van Labdacus:
+Laïus, Oedipus, Eteocles en Polynices.
+
+Labdacus, Labdakos, zoon van Polydorus en Nycteis, koning van
+Thebe. Gedurende zijne minderjarigheid stond hij onder de voogdij
+van zijn grootvader Nycteus, later onder die van zijn oudoom Lycus.
+
+Labeates, dapper volk in Dalmatia met de hoofdstad Scodra (Scutari).
+
+Labeo, familienaam in de gens Antistia en de gens Fabia (Fabii no. 27).
+
+Laberii, een plebejisch geslacht, waarvan het meest bekende lid
+Dec. Laberius is (105-43), rom. ridder en beroemd mimendichter. In
+weerwil van zijn rang dwong Caesar hem in 45 zelf als acteur op
+te treden en zich te meten met Publilius Syrus, tooneelspeler van
+beroep. Over deze diepe vernedering wreekte Laberius zich met bijtenden
+spot in een proloog, die nog bestaat.
+
+Labicum, Labici, Labikon, oude stad van Latium, die zich met de Aequi
+verbonden had en daarom door de Rom. veroverd werd. Zij lag niet ver
+van Tusculum aan de via Labicana.
+
+Labiena (lex), zie Attia (lex).
+
+Labieni. 1) T. (Attius) Labienus, volkstribuun in 63 (z. Attia
+(lex)), klaagde Rabirius (z. a.) aan, en was later Caesars voornaamste
+legaat in Gallia, waar hij door beleid en onversaagdheid uitmuntte,
+ging uit eerzucht in 49 tot de partij van Pompeius over. Na den slag
+bij Pharsalus vluchtte hij naar Africa, en later na de nederlaag
+van Thapsus naar Hispania, waar hij in 45 bij Munda sneuvelde.--2)
+Q. (Attius) Labienus, zoon van no. 1, werd door Brutus en Cassius
+naar den parthischen koning Orodes gezonden om hulp te vragen. Op het
+bericht dat beiden bij Philippi waren omgekomen (42), bleef hij aan
+het parthische hof, en viel met Orodes' zoon Pacorus aan het hoofd
+van een parthisch leger in Syria, drong zelfs tot Caria door, doch
+werd in 39 door P. Ventidius, legaat van Antonius, verslagen. Door
+de Parthen verlaten, week hij naar Cilicia, waar hij op last van
+Ventidius werd omgebracht.--3) Labienus, die tijdens Sulla een
+werkzaam aandeel nam aan het ombrengen van vogelvrijverklaarden,
+werd na Caesars dood zelf op de lijst der proscripti gebracht en
+bezat moed genoeg om niet te vluchten, maar vóór zijne woning den
+dood af te wachten. Daar van dezen Labienus overigens niets bekend is,
+vermoedt men, dat de naam in den Griekschen tekst verschreven is.--4)
+T. Labienus, geschiedschrijver en redenaar, behoorde als republikein
+tot de hevigste tegenstanders van Augustus, zóó zelfs, dat sommigen
+hem spottend Rabienus noemden. Toen de senaat de verbranding zijner
+geschriften had bevolen, trok hij zich dit zóózeer aan, dat hij stierf.
+
+Labotas, Labotas, 1) koning van Sparta, vierde Agide, reg. 995-958; in
+zijn tijd begonnen de twisten met Argos over Cynuria.--2) spartaansch
+harmost in het thessalische Heraclea, 409.
+
+Labranda, ta Labranda, Labraunda, vlek in Caria ten N. van de stad
+Mylasa, met een tempel van Zeus.
+
+Labrum, een groote steenen of metalen kuip tot allerlei gebruik,
+vooral het koudwaterbekken in de heete badzaal der badhuizen.
+
+Labynetus, Labynetos, 1) koning van Babylon, die den vrede tusschen
+Cyaxares en Alyattes (z. a.) bewerkte, waarschijnlijk dezelfde als
+Nebucadnezar.--2) = Belsazar, laatste koning van Babylon, die in 538
+door Cyrus van zijn rijk beroofd werd.
+
+Labyrinthus, labyrinthos, gebouw, bestaande uit een ingewikkeld
+stelsel van vertrekken en gangen, zoodat het moeilijk is zijn weg
+er in te vinden. De naam is v.s. ontleend aan het gebouw, dat de
+aegyptische koning Amenehma III aan het meer Moeris bij Arsinoë
+liet bouwen (Loperohunt = paleis aan den ingang van het meer),
+v. a. afgeleid van labrys, de dubbele bijl, een heilig symbool,
+dat men op vele monumenten van Cnosus vindt. Waarschijnlijk was het
+aegyptische lab. eene vereeniging van 12 paleizen onder één dak voor de
+12 nomen of distrikten van Aegypte; het bevatte 3000 kamers, waarvan de
+helft onder den grond lag en voor vreemden niet toegankelijk was. Op
+Samus had Polycrates door verscheiden bouwkundigen een lab. laten
+aanleggen. Ook het grafteeken van koning Porsena van Clusium wordt
+een lab. genoemd. Het lab. van Creta, door Daedalus aangelegd en tot
+verblijf voor den Minotaurus dienend, wordt eerst door schrijvers van
+lateren tijd vermeld, vandaar de meening, dat de verhalen omtrent dit
+bouwwerk mythisch zijn, en dat de uitgebreide steengroeven van Creta
+er toe aanleiding gegeven hebben. Anderen meenen, dat het bij Cnosus
+door Evans opgegraven paleis van Minos aanleiding gegeven heeft tot
+het ontstaan van de sage.
+
+Lacedaemon, Lakedaimon = Sparta.
+
+Lacerna, ruime mantel, voor aan den hals met een gesp of haak gesloten
+en vaak van een kap (cucullus) voorzien, dien men bij regen over het
+hoofd trok.
+
+Lacetani, volk in het N.O. van Hispania Tarraconensis, in een
+bergachtige streek, misschien dezelfden als de Iacetani.
+
+Lachares, Lachares, atheensch demagoog, kreeg na den slag bij Ipsus
+als aanhanger van Cassander grooten invloed, en wierp zich na diens
+dood als tyran op (297). Hij roofde, om aan geld te komen, o.a. de
+gouden mantel der godin, z. Athenae p. 102. Toen Athene zich aan
+Demetrius Poliorcetes overgaf, vluchtte hij naar Boeotië en werd hij
+te Coronea vermoord.
+
+Laches, Laches, Athener, zoon van Melanopus, bevelvoerder van de vloot,
+die in 427 naar Leontini gezonden werd. In 425 werd hij teruggeroepen
+en door Cleon aangeklaagd, in den slag bij Delium diende hij als
+hopliet. Hij was werkzaam bij de onderhandelingen over den vrede van
+Nicias, en sneuvelde in den slag bij Mantinea (418). Een gesprek van
+Plato over de dapperheid is naar hem genoemd.
+
+Lachesis, Lachesis, zij die het lot uitdeelt, eene van de Moerae,
+in lateren tijd afgebeeld met een aardbol, waarop zij 's menschen
+lot aanwijst.
+
+Laciadae, Lakiadai, demus in Attica, ten W. van Athene.
+
+Lacinia, bijnaam van Juno, naar haar beroemden tempel bij het
+voorgebergte Lacinium.
+
+Lacinium promunturium, Lakinion akron, kaap in Z. Italia, bij Croton,
+met een beroemden tempel van Iuno Lacinia; thans kaap Nao.
+
+Lacmon of Lacmus, Lakmon, noordelijkst gedeelte van het Pindusgebergte.
+
+Laconica, Lakonike, Z.O. gewest der Peloponnesus, het land der
+Spartanen, vóór de dorische verovering door Achaeërs bewoond. De
+bevolking bestond uit drie klassen: de Spartiatae of Spartani,
+de afstammelingen der dorische veroveraars, die alleen het
+volledige burgerrecht bezaten,--de Lacedaemonii of Perioeci, die
+van de oude achaeïsche bevolking afstamden en vrij waren en in wier
+handen nijverheid en handel waren,--de Helotes, die servi publici
+waren. Het bestuur bestond uit twee koningen, één uit het stamhuis
+der Agiden of Agiaden en één uit dat der Procliden of Eurypontiden,
+uit den senaat van 28 leden en uit eene volksvergadering zonder
+recht van discussie. Het hoogste gezag was echter in handen van de
+5 ephori, een collegie, dat slechts voor een jaar gekozen werd, doch
+waaraan zelfs de koningen gehoorzaamden. Beroemd waren de laconische
+wapenen, schoeisel en mantels. Laconica was de militaire grieksche
+staat bij uitnemendheid; de zoog. wetten van Lycurgus waren er
+bij uitstek op aangelegd, soldaten te vormen. Onder de bijzondere
+eigenaardigheden behooren: de opvoeding der knapen vanwege den
+staat, de gemeenschappelijke maaltijden of syssitia, de wetten tegen
+weelde. In Laconica behooren de mythen te huis van Leda en van Castor
+en Pollux.
+
+Laconicum, z. balneum.
+
+Lactantius Cae(ci)lius Firmianus, uit Africa, leerling van
+Arnobius, kwam tegen het einde der 3de eeuw na C. als rhetor naar
+Nicomedea. Later, ± 312, werd hij door Constantijn (den Gr.), toen nog
+te Trier, tot leeraar van diens zoon Crispus aangesteld. Lactantius
+werd Christen, toen hij reeds op eenigsins gevorderden leeftijd was;
+zijn voornaamste werk is de institutiones divinae. Om de klassieke
+kleur van zijn stijl wordt hij wel eens de Cicero Christianus
+genoemd. Aan hem wordt ook toegeschreven het kleine, maar belangrijke
+geschrift: De mortibus persecutorum (einde 313 of begin 314), dat in
+het eenige H. S. op naam staat van L. Caecilius.
+
+Lacunar of laquear, zoldering, waarvan de balken ruiten vormden,
+zoogenaamd caissonwerk. Eigenlijk beteekent lacunar slechts de dieper
+liggende vakken tusschen de balken.
+
+Lacus, elk groot open waterbekken; in de huishouding ook open kuipen
+om olie, wijn en dgl. in op te vangen en te bewaren. Het woord wordt
+ook wel gebezigd voor eene ommuurde, van boven opengelaten plek, die
+met een put slechts den vorm gemeen heeft, zooals de lacus Curtius
+op het forum te Rome (zie Curtii no. 2).
+
+Lacydes, Lakydes, van Cyrene, opvolger van Arcesilaus als hoofd der
+platonische school (241-215).
+
+Lade, Lade, eilandje bij Miletus, dat den ingang der haven
+dekte. Tegenwoordig is het door aanslibbing met den vasten wal
+verbonden. Toen in 494 de Perzen Lade vermeesterd hadden, kon de stad
+het niet uithouden.
+
+Ladon, Ladon, de draak, die de appels der Hesperiden bewaakte.
+
+Ladon, Ladon, naam van twee rivieren in de Peloponnesus. De grootste
+ontspringt in Arcadia en stort zich dicht bij de grens van Elis in
+den Alpheus; de andere, in Elis, is een zijtak van den Peneus.
+
+Laeëtani, Leetanoi, volk in liet N.O. van Hispania aan de kust,
+met de hoofdst. Barcino (Barcelona).
+
+Laelaps, Lailaps, de jachthond van Cephalus, z. Cephalus en Amphitryo.
+
+Laelii, plebejisch geslacht, waarschijnlijk uit Tibur afkomstig. 1)
+C. Laelius, de boezemvriend van Scipio Africanus maior, vergezelde
+dezen op zijne veldtochten in Hispania en Africa en nam zelf een
+werkzaam aandeel aan de inneming van Carthago nova (209), den slag bij
+Baecula (208), de gevangenneming van Syphax (203). Hij was even goed
+vlootvoogd als generaal, een man van groote kennis en geleerdheid en
+groote welsprekendheid en daarbij iemand van een zeer beminnelijk
+karakter. Scipio liet door hem de berichten der verovering van
+Carthago nova en van den slag bij Zama naar Rome overbrengen. In 190
+was Laelius consul.--2) C. Laelius, zoon van no. 1, de boezemvriend
+van Scipio Africanus minor, door Cicero als spreker ingevoerd in zijne
+geschriften de amicitia, de senectute en de republica. Hij vergezelde
+Scipio in 147 op diens tocht tegen Carthago en had het hoofdaandeel in
+de verovering der carthaagsche binnenhaven Cothon. Als praetor streed
+hij in 145 voorspoedig tegen Viriathus in Lusitania. Als consul wilde
+hij in 140 de zoogenaamde licinisch-sextische akkerwet vernieuwen,
+maar zag er wegens den tegenstand der aanzienlijken van af, hetgeen
+hem den bijnaam Sapiens verschafte. Hij deed zijn best om grieksche
+beschaving te Rome ingang te doen vinden. Hij was een geleerd man,
+dichter en schrijver, en bovenal uitstekend redenaar.--3) Laelia,
+twee dochters van no. 2, ook beroemd om hare welsprekendheid.--4)
+D. Laelius Balbus, volkstribuun in 54, trad in 59 op als aanklager
+van L. Valerius Flaccus (Valerii no. 25), die door Hortensius en
+Cicero verdedigd werd. Later koos Laelius de partij van Pompeius
+en voerde het bevel over diens vloot (48). Later streed hij onder
+Q. Cornificius in Africa en doodde zich, toen deze gesneuveld was (42).
+
+Laena, chlaina, wollige of harige stof, ook een mantel, die hiervan
+vervaardigd was en o. a. bij sommige offers door de flamines gedragen
+werd.
+
+Laenas, familienaam in de gens Popilia.
+
+Laenii, plebejisch geslacht. Een zijner leden, M. Laenius Flaccus,
+rom. ridder, te Brundisium, nam Cicero, toen hij verbannen was,
+gastvrij op. Hij was ook een vriend van T. Pomponius Atticus.
+
+Laërtes, Laertes, zoon van Arcisius en Chalcomedusa, vader van
+Odysseus, wordt genoemd als een van de deelnemers aan de calydonische
+jacht en den tocht der Argonauten. Hij leefde nog toen zijn zoon na
+zijne lange omzwervingen terugkwam, en werd door Athena verjongd,
+zoodat hij kon medestrijden tegen de oproerige bewoners van Ithaca.
+
+Laërtiades, Laertiades, Odysseus, zoon van Laërtes.
+
+Laespodias, Laispodias, atheensch veldheer in den peloponnesischen
+oorlog, werkzaam bij de oligarchische omwenteling van 411.
+
+Laestrygones, Laistrygones, mythisch volk van menscheneters, in het
+verre Westen; later meende men hun woonplaats terug te vinden bij
+Leontini op Silicië of bij Formiae. Toen Odysseus in hun land kwam,
+regeerde er Antiphates (z.a.).
+
+Laetorii, plebejisch geslacht, waarvan verschillende leden bij Livius
+voorkomen.
+
+Laevi, ligurische stam in Gallia Transpadana, aan den Ticinus, met
+de stad Ticinum (Pavia). V. a. zijn het Kelten.
+
+Laevinus, familienaam in de gens Valeria.
+
+Lagus, Lagos, vader van Ptolemaeus I, naar wien de dynastie der
+Lagiden genoemd is.
+
+Laïades, Laïades, Oedipus, zoon van Laïus.
+
+Lais, Laïs, 1) corinthische hetaere, de schoonste vrouw van haar tijd;
+Diogenes en Aristippus behoorden tot hare aanbidders.--2) van Hyccara,
+dochter van Timandra, leefde als hetaere te Corinthe, waar Apelles en
+Hyperides haar bezochten. In Thessalië werd zij, naar men verhaalde,
+vermoord door vrouwen, die haar hare buitengewone schoonheid benijdden.
+
+Laïus, Laios, zoon van Labdacus, koning van Thebe, leefde in zijn
+jeugd eenigen tijd als balling in de Peloponnesus en kon eerst na
+den dood van Amphion en Zethus in zijn vaderland terugkeeren. Hij was
+gehuwd met Iocaste, die hem een zoon baarde, Oedipus; daar een orakel
+voorspeld had, dat hij door zijn zoon gedood zou worden, en dat deze
+daarna met Iocaste zou trouwen, gaf hij het kind aan een herder om het
+op den Cithaeron te dooden. De herder volbracht zijn last echter niet,
+het kind groeide op, ontmoette vele jaren later zijn vader, geraakte
+met hem in twist en doodde hem zonder hem te kennen; z. Oedipus.
+
+Laletani = Laeëtani.
+
+Lamachus, Lamachos, zoon van Xenophanes, atheensch veldheer in den
+peloponnesischen oorlog, een man van grooten persoonlijken moed,
+ook in zijn uiterlijk en manieren geheel en al soldaat. In 437
+verdreef hij den tyran Timasilaus uit Sinope. Hij was een van de
+onderteekenaars van den vrede van Nicias, en had met dezen en met
+Alcibiades het opperbevel bij den tocht naar Sicilië; zijn raad om
+onmiddellijk Syracusae aan te vallen werd echter niet opgevolgd. Hij
+sneuvelde in een gevecht tegen de Syracusanen, 414.
+
+Lamia, Lamia, lybische koningin, die door Zeus bemind werd. Uit
+jaloerschheid beroofde Hera haar van al hare kinderen, en sedert dien
+tijd rooft zij de kinderen van anderen om ze te dooden. Daarom werd
+haar naam gebruikt om kinderen bang te maken.--De naam komt ook in
+het meervoud voor en beteekent dan spookachtige wezens, die kinderen
+en schoone jongelingen tot zich lokken, hun bloed uitzuigen en hun
+vleesch opeten.
+
+Lamia, familienaam in de gens Aelia, z. Aelii no. 6.
+
+Lamia, Lamia, thans Zeitoun, stad in het gebied der Maliërs, bekend
+door den lamischen oorlog (323).
+
+Lamische oorlog heet de oorlog, dien de Grieken na den dood van
+Alexander voerden om zich van de macedonische heerschappij te
+ontslaan. De beweging ging van Athene uit, en het leger, dat voor
+een deel uit huurlingen bestond en waarvoor een aantal grieksche
+staten manschappen geleverd hadden, werd aangevoerd door Leosthenes,
+een Athener. In het begin kon Antipater geen voldoend leger tegen hem
+in het veld brengen, hij verloor een slag bij Heraclea en werd in de
+vesting Lamia ingesloten. Toen echter Leosthenes gesneuveld was en
+Antipater groote versterking uit Azië gekregen had, besliste de slag
+bij Crannon (322) den oorlog ten nadeele van de Grieken. Daar Antipater
+slechts met iederen staat afzonderlijk in onderhandeling wilde treden,
+werden de Atheners en Aetoliërs door hunne bondgenooten verlaten;
+Athene moest macedonische bezetting innemen, de anti-macedonische
+redenaars uitleveren, eene beperkte democratie invoeren, enz. De
+Aetoliërs bedongen gunstiger voorwaarden, daar Antipater spoedig
+wegens den loop der zaken in Azië Griekenland verlaten moest.
+
+Lampadedromia, lampadephoria, lampas, lampados agon, fakkelwedloop,
+te Athene en elders bij eenige feesten gehouden; de mededingers, die
+soms te paard zaten, kregen elk een fakkel in de hand, overwinnaar
+was hij die het eerst het doel bereikte, zonder zijn fakkel te laten
+uitgaan. Het dragen van de onkosten hiervan behoorde tot de liturgieën.
+
+Lampetia, Lampetie, dochter van Helius en Neaera. Zij bracht aan haar
+vader het bericht, dat zijne runderen op het eiland Thrinacia door
+de tochtgenooten van Odysseus geslacht waren.
+
+Lampon, Lampon, waarzegger te Athene, door de blijspeldichters
+dikwijls als huichelaar bespot, aanvoerder der atheensche kolonie,
+die Thurii stichtte (444).
+
+Lamponium, Lamponion, aeolische stad in het Z.W. van Troas, ook
+Lamponia genoemd.
+
+Lamponius (M.), een Lucaniër, een van de aanvoerders der italische
+bondgenooten in den marsischen oorlog. Later sloot hij zich aan bij
+den jongen Marius en sneuvelde in 82 bij Porta Collina.
+
+Lampridius (Aelius), rom. geschiedschrijver uit de 3de eeuw na C.,
+een van de scriptores historiae Augustae, de levensbeschrijver der
+keizers Commodus, Diadumenianus (het zoontje van Opellius Macrinus),
+Heliogabalus en Alexander Severus.
+
+Lamprus, Lampros, beroemd toonkunstenaar, v. s. leermeester van
+Sophocles en Socrates.
+
+Lampsacus, Lampsakos, in Troas aan den Hellespont, vroeger Pityussa
+geheeten, phocensische kolonie, eene der drie steden, waarvan
+Artaxerxes I de inkomsten aan Themistocles schonk. Hier was de
+eeredienst gevestigd van Priapus, den god der tuinen, die door
+Aphrodite te Lampsacus ter wereld was gebracht.
+
+Lamptrae, Lamptrai, twee attische demen, de ééne aan de Z.W. kust van
+Attica, niet ver ten Z.O. van kaap Zoster, de andere ten N. daarvan.
+
+Lamus, Lamos, zoon van Poseidon, koning der Laestrygonen, mythisch
+stichter van Formiae (Lami urbs, Laestrygonia).
+
+Lamus, Lamos, riv. en stad in Cilicia.
+
+Lancia, Lankia, sterke vesting der Astures in Tarraconensis.
+
+Langobardi, zie Longobardi.
+
+Lanista, schermmeester, die gladiatores oefende en verhuurde.
+
+Lanuvium, Lanouion, stad in Latium, aan de via Appia en den albaanschen
+berg, één van de steden van den latijnschen bond, waarmede Rome na
+den slag bij den lacus Regillus het eeuwig verbond gesloten heeft,
+geboorteplaats van Antoninus Pius, met een beroemden tempel van
+Juno Sospita.
+
+Laocoon, Laokoon, zoon van Antenor of broeder van Anchises, priester
+van Apollo te Troje. Hij zou na het vertrek der Grieken aan Poseidon
+een dankoffer brengen, toen plotseling twee reusachtige slangen
+verschenen, die hem met zijne beide zonen doodden. Dit lot was de straf
+voor eene beleediging, aan Apollo aangedaan, v. s. doordat hij tegen
+den wil van dien god getrouwd was, of Athena wreekte zich op deze
+wijze, omdat hij aangeraden had het door de Grieken achtergelaten
+houten paard te verbranden, en zelfs zijn lans er tegen geworpen
+had.--De hierbij afgebeelde groep, waarvan het oorspronkelijke zich
+in het museum van het Vaticaan bevindt, is het werk van drie rhodische
+beeldhouwers, Agesander, Polydorus en Athenodorus, die waarschijnlijk
+niet, zooals men vroeger aannam, in de laatste helft der derde,
+maar in de 2de helft der eerste eeuw v. C. leefden.
+
+Laodamas, Laodamas, 1) zoon van Eteocles, koning van Thebe; in den
+oorlog der Epigonen doodde hij Aegialeus, den zoon van Adrastus; hij
+leed echter de nederlaag en sneuvelde of vluchtte met het overschot
+van zijn leger naar Illyrië.--2) zoon van Antenor, door Aiax no. 2
+gedood.--3) zoon van Alcinous.
+
+Laodamia, Laodameia, 1) dochter van Bellerophon, bij Zeus moeder van
+Sarpedon, door Artemis gedood.--2) dochter van Acastus, gehuwd met
+Protesilaus. Toen zij den dood van haar echtgenoot vernam, smeekte zij
+de goden zoo dringend hem slechts voor weinige uren tot haar te laten
+terugkeeren, dat zij hare bede niet konden weigeren; toen de tijd,
+die hem was toegestaan, verstreken was, volgde zij hem in den dood.
+
+Laodice, Laodike, 1) eene nimf, bij Phoroneus moeder van Niobe en
+Apis.--2) dochter van Priamus en Hecabe, gehuwd met Helicaon, zoon
+van Antenor.--V. a. was zij bij Acamas no. 1, moeder van Munitus,
+en toen deze aan een slangebeet stierf, stortte zij zich van een
+rots of werd zij door de aarde verzwolgen.--3) = Electra no. 4.--4)
+moeder van Seleucus I, die haar naam aan verscheiden steden gaf. Vele
+vrouwen in het geslacht der Seleuciden droegen dezen naam, o. a. de
+gemalin van Antiochus II (z. a.).
+
+Laodicea, Laodikeia, naam van verschillende steden, door Seleucus I
+naar zijne moeder Laodice genoemd. 1) L. ad mare, he epi te thalatte,
+bloeiende stad op de syrische kust ten Z. van Antiochia, onder
+de rom. keizers kolonie met het ius italicum.--2) L. ad Libanum,
+he pros Libano, in het Z. van Coelesyria, wegens de veelvuldig
+voorkomende schurftziekte Scabiosa bijgenaamd.--3) L. ad Lycum,
+he pros to Lyko, aanzienlijke handelsstad in Phrygia, dicht bij
+Colossae, hoofdplaats van een rom. rechtsgebied.--4) L. combusta,
+he katakekaumene, in Lycaonia.
+
+Laomedon, Laomedon, 1) zoon van Ilus en Eurydice, koning van Troje. Hij
+omgaf de stad met een muur, en bij dit werk hielpen hem Apollo en
+Poseidon, hetzij vrijwillig, hetzij tot straf voor verzet tegen Zeus;
+z. Aeacus. Toen het werk voltooid was, weigerde Laom. echter den goden
+het bedongen loon te betalen, daarom zond Poseidon een zeemonster
+dat het land verwoestte. Om den toorn der goden te bevredigen,
+zou Hesione, de dochter van Laom., aan dit monster geofferd worden,
+toen juist Heracles, van zijn tocht naar de Amazonen terugkeerend,
+in Troje aankwam en op zich nam de jonkvrouw te redden, waarvoor
+Laom. hem de goddelijke paarden van Tros (z. Ganymedes) zoude
+geven. Toen het monster echter gedood was, weigerde Laom. ook
+thans zijne belofte te vervullen. Heracles vertrok, maar kwam
+later met schepen terug, verwoestte de stad, en doodde Laom. met al
+zijne zonen, behalve Podarces.--2) van Mytilene, door Philippus van
+Macedonië verbannen, maar na diens dood door Alex. teruggeroepen. Hij
+vergezelde Alex. als tolk op zijne tochten en had het opzicht over
+de krijgsgevangenen. Later werd hij satraap van Syrië, van waar hij
+echter in 320 door Nicanor verjaagd werd.
+
+Laomedontiades, Laomedontiades, Priamus, zoon van Laomedon. Soms worden
+ook de Trojanen of de Romeinen, als hunne afstammelingen, zoo genoemd.
+
+Lapathus, Lapathos, aanzienlijke stad aan de N.-kust van Cyprus. Een
+ander Lapathus (gen. -untis) was een vlek aan den Noordkant van het
+dal Tempe.
+
+Laphystius, Laphystios, bijnaam van Zeus, naar den gelijknamigen berg
+in Boeotië, waar hem in ouden tijd menschenoffers gebracht werden,
+z. Athamas.
+
+Laphystius, Laphystios, berg in Boeotia, tusschen Lebadea en Coronea,
+met een tempel van Zeus Laphystius.
+
+Lapidei campi, zie campi lapidei.
+
+Lapis quadratus = Opus quadratum.
+
+Lapithae, Lapithai, een thessalisch volk, afstammend van Lapithes,
+zoon van Apollo en Stilbe. Op de bruiloft van hun koning Pirithoüs
+beproefden de Centauren, die als gasten tegenwoordig waren, de bruid
+en andere vrouwen te ontvoeren, waardoor een strijd ontstond, die met
+de volkomen vernietiging der Centauren eindigde. In den oorlog tegen
+Aegimius werden de Lapithen op hun beurt door Heracles, bondgenoot
+van Aegimius, verslagen.
+
+Laquear = lacunar.
+
+Lara = Larunda.
+
+Laranda, ta Laranda, aanzienlijke stad in het Z. van Lycaonia, in
+het Taurusgeb., een isaurisch zeerooversnest.
+
+Lararium, zie Lares.
+
+T. Larcius Flavus, zie Lartii no. 2.
+
+Larentia, zie Acca Larentia.
+
+Larentalia, een lijkofferfeest te Rome op 23 Dec. ter eere van Acca
+Larentia.
+
+Lares, zijn oorspronkelijk beschermgeesten van de velden, en werden
+aan de compita (zie compitalia) vereerd; de Larenkapel staat daar,
+waar meerdere grondstukken aan elkaar grenzen, en heeft zooveel
+ingangen als er grondstukken zijn; ieder eigenaar offert op een
+altaar op eigen grond. Naast de Lares compitales vindt men in elk
+huis een Lar familiaris, die aan den huiselijken haard vereerd wordt,
+en de beschermgeest is van het huis. Later spreekt men van Lares
+(domestici). Oudtijds vond men hunne beelden in het atrium, later
+bewaarde men ze in een afzonderlijke kast, lararium, die bij den ingang
+van het huis of bij de slaapkamer stond. In den keizertijd worden
+gewoonlijk twee Lares afgebeeld, als dansende jongelingen, en tusschen
+hen in de Genius van den huisheer. Hun altaar was de huiselijke haard,
+waarin men bij iederen maaltijd een deel van de spijzen als offer
+voor de Lares wierp; bovendien bracht men hun offers op de Kalendae,
+Nonae en Idus van iedere maand, bij alle familiefeesten, in sommige
+gezinnen zelfs elken dag.--Maar niet alleen ieder huis en ieder
+compitum, ook vele andere plaatsen staan onder de hoede der Lares,
+die met een gemeenschappelijken naam L. publici genoemd worden. Onder
+deze staan vooraan de L. urbani of praestites, beschermgoden van den
+geheelen staat, Romulus, Remus, Acca Larentia e. a., verder L. viales,
+militares, enz.
+
+Largitio, elke uitdeeling of geschenk aan het volk, o.a. spelen,
+gastmalen, uitdeeling van geld, enz. Over de geregelde uitdeelingen
+van koren van staatswege beneden den kostenden prijs zie men
+annona. Over de buitengewone uitdeelingen op kosten der gevers zie
+men congiarium. Somtijds heeft largitio de slechte beteekenis van
+omkooping, vooral wanneer zij wordt aangewend tegenover de iudices
+in een gerechtshof, wat slechts al te dikwijls gebeurde.
+
+Larinum, Larinon, stad der Frentani in Samnium, rom. municipium. De
+inwoners heeten Frentani Larinates.
+
+Lari(s)sa, Larissa, 1) stad der Pelasgen, in het thessalische landschap
+Pelasgiotis, aan den Peneus. Hier behoorde het vorstengeslacht der
+Aleuaden te huis.--2) stad in het thessalische landschap Phthiotis,
+tegen een berg gebouwd en vandaar kremaste, het hangende, genoemd.--3)
+naam van den burg der stad Argos.--4) zeestad aan de W.-kust van Troas,
+in de perzische oorlogen verwoest.--5) stad in aziatisch Aeolis, met
+den bijnaam Phriconis, Phrikonis of Aigyptia.--6) stad in Lydia,
+aan den Cayster, ook Ephesia bijgenaamd.--7) stad in Assyria,
+ten N. van de uitmonding van den Lycus of Zapatas in den Tigris,
+met muren van 100 voet hoog, ten tijde van Xenophon verlaten, de
+onlangs opgegraven stad Kalach, ten Z. van Niniveh, tgw. Nimroed;
+z. Ninus.--Dichterlijk Larissaeus = thessalisch.
+
+Larisus, Larisos, grensriviertje tusschen Achaia en Elis.
+
+Larius lacus, limne he Larios, vischrijk Alpenmeer, door den Addua
+(Adda) gevormd, thans meer van Como.
+
+Lars Tolumnius, zie Tolumnius no. 2.
+
+Lartii, patricisch geslacht, uit Etruria afkomstig. 1) Sp. Lartius
+Flavus wordt reeds in 506 als consul genoemd. In 490 komt hij andermaal
+voor.--2) T. Lartius Flavus, broeder van no. 1, consul in 498, werd
+door zijn ambtgenoot Q. Cloelius Siculus tot dictator benoemd. Hij was,
+volgens de traditie de eerste dictator. (V. a. was hij dit reeds in
+501). In de verwikkelingen tusschen patriciërs en plebejers was hij
+steeds voor zachte maatregelen en kwijtschelding der schulden.
+
+Larunda, Lara, bronnimf, die aan Juno de minnarijen van Jupiter en
+Juturna verried. Tot straf ontnam Jupiter haar de spraak en verwees
+hij haar naar de onderwereld. Bij Mercurius, die haar daarheen
+geleid had, werd zij moeder van de Lares Compitales.--Zij schijnt
+eene oud-italische godin des doods geweest te zijn, dezelfde die op
+de Feralia als Dea muta of tacita wordt aangeroepen.
+
+Larvae, bij de Romeinen booze geesten van afgestorvenen, die tot straf
+voor een misdadig leven of wegens een verzuim bij hunne begrafenis
+in de onderwereld geen rust kunnen vinden, als schrikwekkende
+spookgestalten of skeletten ronddwalen, levenden door hunne
+verschijning soms waanzinnig maken, en zelfs de dooden verontrusten;
+z. Lemures.
+
+Larymna, Larymna, twee plaatsjes, boven- en beneden-L. op de kust
+der opuntische Locriërs aan de Euboeische golf.
+
+Las, Las, oude zeestad van Laconica, aan de Laconische golf. De naam
+Lapersai, bijnaam der Dioscuren, wordt door sommigen, waarschijnlijk
+ten onrechte, hiermede in verband gebracht, en vertaald als verwoesters
+van de stad Las.
+
+Lasaea, Lasaia, stad aan de Z.-kust van Creta, nabij Gortyn.
+
+Lasio, Lasion, grensvesting van Elis tegen Arcadia, aan den Ladon
+gelegen.
+
+Lasthenes, Lasthenes, Olynthiër, die zich liet omkoopen om zijne
+vaderstad aan Philippus van Macedonië te verraden (348).
+
+Lasus, Lasos, van Hermione, beroemd lyrisch dichter, die langen
+tijd te Athene aan het hof van Hipparchus leefde. Vooral zijne
+dithyramben werden geprezen, hoewel van hem gezegd wordt dat hij het
+eerst den tekst ondergeschikt maakte aan de muzikale begeleiding. Hij
+schreef ook over de theorie van muziek en poëzie, en onderrichtte
+v. s. Pindarus daarin.
+
+Latericium (opus), z. Opus.
+
+Latiaris, Latialis, bijnaam van Jupiter als beschermgod van het
+latijnsche stedenverbond.
+
+Latifundium, een landgoed van groote uitgestrektheid. Daar de ager
+publicus, voor zoover de rom. staat zelf den bodem niet gebruikte,
+slechts in zeer groote perceelen in erfpacht werd gegeven, kon de
+kleine man, bij gebrek aan bedrijfskapitaal, zulke stukken niet in
+bezit nemen. Hierbij kwam, dat de middelstand in Italia verdween. Geld
+en grondbezit hoopten zich op onder een betrekkelijk gering aantal
+familiën. Hierdoor ontstonden er landgoederen, zooals men er nog
+in Oostenrijk-Hongarije en Schotland aantreft, zoo groot als en soms
+grooter dan eene nederlandsche provincie. Vandaar de spreuk: latifundia
+perdidere Italiam, het groot grondbezit heeft Italië te gronde gericht.
+
+Latina (via). Deze liep van Rome langs Tusculum over den mons Algidus,
+verder langs Ferentinum, Fregellae en Casinum naar Campania, waar
+hij zich even vóór Capua met de via Appia vereenigt. Het is één
+van de oudste wegen die door de Romeinen zijn aangelegd; hij diende
+oorspronkelijk om de Latijnsche bondgenooten tegen de aanvallen der
+Aequi en Volsci te beschermen.
+
+Latini, inwoners van Latium (z. a.).
+
+Latini, inwoners der coloniae Latinae, zie ius Latii en coloniae no. 2.
+
+Latini Iuniani, zie lex Iunia Norbana.
+
+Latinum (nomen), zie Latium.
+
+Latinus, zoon van Faunus en Marica of van Odysseus en Circe, van
+Telemachus en Circe, van Heracles en eene vrouw der Hyperboreërs,
+koning van Latium, die Aeneas gastvrij ontving, hem land afstond om
+eene stad te bouwen, en hem zijne dochter Lavinia ten huwelijk gaf.
+
+Latium, he Latine, landschap van Midden-Italia. Men onderscheidt Latium
+vetus, het oude gebied der Latijnen, en Latium novum of adiectum, het
+gebied der Aurunci, Volsci en Hernici. Oud-Latium strekt zich in oude
+tijden van even benoorden den Tibermond naar het Zuiden uit tot aan
+Tarracina, en wordt in het Westen begrensd door Zuid-Etrurië, in het
+N. door den ager Sabinus, en verder in het N.O., O. en Z.O. door de
+Aequi, Hernici en Volsci. De voornaamste steden van dit gebied waren,
+behalve Rome en Alba, dat vroeg aan Rome over ging, Tibur, Praeneste,
+Tusculum, Aricia, Laurentum, Antium, Ardea en Circeii. Deze steden
+vormden met vele andere kleinere steden een bond, waarvan Rome het
+hoofd was. Rome had sedert 493 gelijke rechten als de 30 steden van
+Latium samen, zoodat er een tweeledig isopolitisch verbond bestond
+met wederkeerig burgerrecht en conubium. Dit was het gevolg van den
+oorlog, dien Latium na de verdrijving van Tarquinius Superbus met
+Rome had gevoerd. In 486 voegden zich de Hernicers als derde lid bij
+den bond. V. s. dateert dit laatste verbond eerst uit de 4de eeuw
+(zie Hernici). In de 5de eeuw verliezen de Latijnen veel terrein aan
+de Aequi (z.a.) en de Volsci. Aan de laatsten ging o. a. het geheele
+Zuiden tijdelijk te loor, z. de artikelen Antium en Circeii. In den
+loop van de 4de eeuw worden de Volsci, en verder ook de Hernici
+en Aurunci onderworpen, en nu reikt Latium in het Zuiden tot aan
+Campania (z.a.). Wat het Latijnsch-Hernicisch verbond betreft: in
+den gallischen oorlog schijnen de bondgenooten Rome in den steek te
+hebben gelaten. Het verbond werd wel hernieuwd, doch in 340 barstte
+de beslissende strijd uit, die in 338 met de nederlaag der Latijnen
+eindigde. Het latijnsche verbond werd ontbonden, en Rome sloot met
+elke stad een afzonderlijk verdrag op verschillenden voet, naar
+gelang van omstandigheden. Eenige steden werden als municipia bij
+Rome ingelijfd en kregen dus het romeinsche burgerrecht, doch sine
+suffragio. De overige, o. a. Tibur en Praeneste, werden afhankelijke
+socii. Rome behandelde hen echter op eenigszins anderen voet dan de
+bondgenooten in het overige Italia. De socii Latini, ook onder den
+naam van nomen Latinum bekend, konden in zekere gevallen rom. burgers
+worden, b.v. door het bekleeden van posten in hunne stad, welk
+recht ook aan de latijnsche koloniën buiten Latium werd toegekend
+(zie ius Latii), of wanneer zij naar Rome metterwoon verhuisden,
+mits met achterlating van een stamhouder in hunne oude woonplaats.
+
+Latmus, Latmos, gebergte in Caria, waar de mythe te huis behoort van
+Selene en den schoonen slaper Endymion. Aan den voet strekte zich de
+sinus Latmicus, ho Latmikos kolpos, uit, aan welks ingang Miletus lag,
+doch die thans door de aanslibbing van den Maeander grootendeels is
+verdwenen. Latmius venator = Endymion.
+
+Latobrigi, (Latovici), keltisch volk, naburen der Helvetii, met wie
+zij in 58 den verhuizingstocht ondernamen, die door Caesar belet werd.
+
+Latoides, Letoïdes, Apollo, zoon van Leto.
+
+Latois, Letois, Artemis, dochter van Leto.
+
+Latona = Leto.
+
+Latris, een groot eiland in de Oostzee, waarschijnlijk Seeland.
+
+Latrunculorum (ludus), een rom. spel, dat met schijven op een bord
+werd gespeeld en eenige overeenkomst moet gehad hebben met een damspel
+of met ons belegeringsspel.
+
+Laurentum, oud-latijnsche stad, aan zee, reeds in het rom.-carthaagsche
+handelsverdrag van 509 genoemd, waar de sage den zetel van koning
+Latinus plaatst, die tijdens Aeneas' komst in Latium heerschte. Niet
+ver van daar werd toen Lavinium gesticht en genoemd naar Lavinia,
+dochter van Latinus en echtgenoote van Aeneas. De Antonijnen
+vereenigden beide plaatsen tot één gemeente Laurentolavinium.
+
+Lauretanus sinus, haven op de etruscische kust tusschen Populonia
+en Cosa.
+
+Lauriacum, vesting aan den Donau, in Noricum, station van de
+Donauvloot.
+
+Laurium, Laurion, -reion, berg op de Zuidpunt van Attica, met rijke
+zilvermijnen, waarvan de opbrengst jaarlijks onder de burgers van
+Attica werd verdeeld, totdat op voorstel van Themistocles besloten
+werd ze tot aanbouw van oorlogsschepen te bestemmen.
+
+Lauron, Lauron, zeestad in het O. van Hispania, waarschijnlijk ten
+Z. van Valencia, ten W. van den Sucro, bekend om de belegering door
+Q. Sertorius en de vruchtelooze poging van Pompeius om de stad te
+ontzetten. In de nabijheid kwam ook de jonge Cn. Pompeius om, na den
+slag bij Munda.
+
+Laus, Laos, grensrivier tusschen Lucania en Bruttii, met eene
+gelijknamige stad, door de Sybarieten gesticht. In ± 400 viel de stad
+in handen van de Lucaniërs, en in 389 werden de inwoners van Thurii
+daar door hen in een grooten veldslag verslagen, zie Graecia Magna.
+
+Laus Pompeii, thans Lodi Vecchio, stad der Boii in Gallia Transalpina,
+ten Z.O. van Mediolanium (Milaan). Cn. Pompeius Strabo verhief ze in
+89 tot een lat. kolonie, vandaar de naam; sedert 49 municipium.
+
+Lausus, zoon van Mezentius, koning van Caere. Vader en zoon kwamen
+in den strijd tegen Aeneas om.--Een andere Lausus wordt genoemd als
+zoon van den albaanschen koning Numitor.
+
+Lautulae, vlek in het land der Volsci tusschen Anxur of Tarracina en
+Fundi. In de nabijheid werd keizer Galba geboren.
+
+Lautumiae, Latomiai, 1) de steengroeven, van Syracusae (z. a.),
+waarvan de steenen gebruikt waren voor het bouwen van de stad. Hierin
+werden in den herfst van 413 de krijgsgevangenen van het leger van
+Nicias neergelaten, op elkaar gedrongen, en aan honger en dorst, en
+alle onguurheid van het weer blootgesteld. Later maakte Dionysius er
+een staatsgevangenis van, die in de dagen van Verres nog in gebruik
+was.--2) De staatsgevangenis te Rome, naar die van Syracusae benoemd,
+wel te onderscheiden van den Carcer Mamertinus (z. Carcer); ze lag
+aan de Oostzijde van de Arx; misschien heeft men hier oorspronkelijk
+ook steenen gebroken voor den bouw der huizen; ook de buurt in de
+nabijheid heet Lautumiae, tusschen de Arx en het forum piscatorium
+(macellum).--3) Ook particuliere steengroeven worden wel eens
+latomiae (lapidariae) genoemd; het latijnsche woord is echter
+lapicidinae. Daarin te werken komt voor als tuchtstraf voor slaven.
+
+Laverna, oorspronkelijk eene godin, die tot den kring der onderaardsche
+goden behoort, later beschermgodin der dieven (laverniones); zij had
+een altaar bij de Porta Lavernalis.
+
+Lavicana (via). Deze liep van Rome langs Labicum en sloot zich verderop
+aan de via Latina aan.
+
+Lavicum = Labicum.
+
+Lavinia, dochter van Latinus en Amata. Ofschoon zij verloofd was met
+Turnus, werd zij aan Aeneas tot vrouw gegeven, toen deze in Italië
+aankwam. Dit was de voornaamste oorzaak van den oorlog tusschen Turnus
+en Aeneas, die met den dood van eerstgenoemde eindigde.--V. a. was
+zij de dochter van Anius en had Apollo haar de gave der voorspelling
+geschonken. Aeneas bewoog haar hem te volgen, zij baarde hem een zoon,
+Anius, maar stierf kort na hunne aankomst in Italië. De stad Lavinium
+is naar haar genoemd.
+
+Lavinium, zie Laurentum.
+
+Lavinius, Labinios, zijriviertje van den Padus (Po), even ten W. van
+den Rhenus (Rhenus no. 2), tgw. Lavino. V.s. had op een eilandje in
+deze beek de bekende bijeenkomst plaats tusschen Octavianus, Antonius
+en Lepidus. Zie echter Rhenus no. 2.
+
+Lazae, Lazi, Lazai, Lazoi, roofzieke volksstam in Colchis.
+
+Leaena, Leaina, atheensche hetaere, betrokken in de samenzwering van
+Harmodius en Aristogiton. Zij werd gevangen genomen en op de pijnbank
+gelegd, maar weigerde hardnekkig iets te verraden. Te harer gedachtenis
+richtte men een beeld op, dat eene leeuwin zonder tong voorstelde.
+
+Leager, Leagros, Athener, zoon van Glaucon, ging met Sophanes aan het
+hoofd van 10000 Atheners naar Thracië, om er op de plaats, waar later
+Amphipolis stond, eene volkplanting te stichten. Toen zij echter te
+ver in het binnenland doordrongen, werden zij bij Drabescus door de
+Thraciërs overvallen en gedood (465).
+
+Leander, Leandros, een jongeling van Abydus, die iederen nacht
+over den Hellespont zwom, om zijne geliefde Hero te ontmoeten, die
+priesteres van Aphrodite te Sestus was. Om hem den weg te wijzen,
+ontstak zij elken avond een licht op den toren van Sestus, maar in
+een stormachtigen nacht woei dit licht uit en L. vond zijn dood in
+de golven. Toen Hero den volgenden morgen van den toren zijn lijk
+zag aanspoelen, wierp zij zich naar beneden.
+
+Learchus, Learchos, zoon van Athamas (z.a.) en Ino, werd door zijn
+vader gedood.
+
+Lebadea, Lebadeia, thans Livadia, stad in Boeotia nabij de grens van
+Phocis. In de nabijheid was in eene grot binnen een bosch een orakel
+van Trophonius.
+
+Lebaea, Lebaia, oude stad ergens in het N. van Macedonia.
+
+Lebecii, Lebekisi, volksstam in Gallia Transpadana, met de hoofdstad
+Vercellae.
+
+Lebedus, Lebedos, stad in aziatisch-Ionia in de nabijheid van Colophon,
+eenmaal zeer bloeiend, totdat Lysimachus een gedeelte der inwoners
+naar Ephesus overbracht.
+
+Leben, Leben, haven van Gortyn op Creta, met een tempel van Asclepius.
+
+Lebethrum, -thra, Leibethron, = Libethra.
+
+Lebinthus, Lebinthos, klein eiland in de Aegaeische zee ten O. der
+Cycladen.
+
+Lechaeum, Lechaion, haven van Corinthus, aan de Corinthische golf,
+door een dubbelen muur met de stad verbonden.
+
+Lectio senatus, zie Senatus.
+
+Lectisternium, een feestmaal, aan goden en godinnen aangeboden,
+wier beelden dan op rustbedden aan tafel werden neergelegd of,
+wat de godinnen betreft, op stoelen werden neergezet. Een maaltijd,
+uitsluitend voor godinnen aangericht, heette sellisternium.
+
+Lectum, Lekton, kaap aan de Z.W.-spits van Troas, een uitlooper van
+het Idageb.
+
+Lecythus, Lekythos, kleine vesting op het chalcidische schiereiland
+Sithonia, door Brasidas in den peloponnesischen oorlog op de Atheners
+vermeesterd.
+
+Leda, Leda, dochter van Thestius, gemalin van Tyndareos. Zeus beminde
+haar om hare buitengewone schoonheid, in de gedaante van een zwaan wist
+hij zich toegang tot haar te verschaffen, en zij bracht twee eieren ter
+wereld; uit het eene daarvan kwam Helena, uit het andere de Dioscuren
+te voorschijn. V.a. baarde zij tegelijk Helena, Clytaemnestra en de
+Dioscuren, en waren Helena en Polydeuces kinderen van Zeus, de andere
+twee van Tyndareos, of Helena is de dochter van Zeus en de Dioscuren
+zijn kinderen van Tyndareos, of omgekeerd.
+
+Ledon, Ledon, plaats in Phocis, aan den Cephisus.
+
+Legatio libera, titulair gezant- of legaatschap. Senatoren, die
+om persoonlijke redenen eene reis wilden doen, ontvingen dikwijls
+van den rom. senaat den titel van legatus, die hun al de voordelen
+en eerbewijzen bezorgde, waarop een werkelijk gezant van den senaat
+aanspraak had, o.a. vrij vervoer en huisvesting. Om het misbruik, dat
+hiervan gemaakt werd, deed Cicero als consul in 63 een wetsvoorstel tot
+opheffing der liberae legationes, doch hij werd door de intercessio van
+een der volkstribunen in zijn plan verhinderd. Toch slaagde hij er in,
+den duur er van, die vroeger onbepaald was, tot een jaar te beperken.
+
+Legatus beteekent in de eerste plaats gezant, in de tweede plaats
+onderbevelhebber. De veldheeren en stadhouders der provinciën kregen
+3 of meer legaten mede, mannen van senatorischen rang en door den
+senaat benoemd, waarbij evenwel uit den aard der zaak op den wensch
+van den stadhouder of veldheer werd gelet. Zij stonden hem ter zijde
+in het bestuur der provincie en werden ook dikwijls aan het hoofd van
+afzonderlijke legerafdeelingen door hem uitgezonden. Moest een der
+legaten als plaatsvervangend stadhouder optreden (hetgeen in den regel
+echter den quaestor toekwam), dan was hij legatus pro praetore. Toen
+met Augustus sommige provinciën (later alle) keizerlijk werden, en
+dus de keizer de algemeene gouverneur daarvan werd, zond hij naar
+de provinciën zijne stadhouders met den titel van legati Caesaris of
+Augusti pro praetore, en wel naar de belangrijke provinciën met den
+rang van consulares, naar de andere met dien van praetorii. Verder
+kreeg toen elk legioen een legaat aan het hoofd, met den titel van
+legatus legionis. Dit was een praetorius.
+
+Legio, legioen, in den beginne de gezamenlijke romeinsche
+krijgsmacht, 3000 man voetvolk en 300 ruiters. Toen Rome grooter
+werd en meer troepen te velde zond, werd legio de naam eener bepaalde
+troepenafdeeling. Tijdens den tweeden punischen oorlog was de gewone
+sterkte van een legioen 4200 man voetvolk en 300 man ruiterij. Het
+voetvolk bestond uit vier soorten en was verdeeld in manipuli, die
+ieder weder uit twee centuriae bestonden. Er waren in een legioen
+10 manipels hastati en 10 manipels principes, elk van 120 man, en 10
+manipels triarii, elk van 60 man, terwijl aan elke centurie 20 velites
+waren toegevoegd (zie overigens de artikelen centuria en centurio).
+
+
+ front
+ +==============+
+ / | centuria | \
+ / | prior | \
+ / | 6 × 10 hast. | \
+ / | 2 × 10 vel. | \
+ manipulus +==============+ rechtervleugel
+ \ | centuria | /
+ \ | posterior | /
+ \ | 6 × 10 hast. | /
+ \ | 6 × 10 vel. | /
+ +==============+
+
+ Opstelling van een legioen.
+
+
+De drie soorten van wapens waren in den slag in drie liniën opgesteld,
+op deze wijze:
+
+
+ de 10 manipels hastati | | | | | | | | | |
+ de 10 manipels principes | | | | | | | | |
+ de 10 manipels triarii | | | | | | | | | |
+
+
+Werd het legioen versterkt, dan geschiedde dit door het aantal hastati
+en principes in elke centurie te versterken. Scipio had in den slag
+bij Zama legioenen van 6200 man. In Caesars tijd was het legioen in
+10 cohorten verdeeld; zie hierover cohors. De plaatsing dezer cohorten
+in den slag was deze:
+
+
+ front
+
+ +======+ +======+ +======+ +======+
+ | | | | | | | | 1e linie,
+ +======+ +======+ +======+ +======+
+
+ +======+ +======+ +======+
+ | | | | | | 2e linie,
+ +======+ +======+ +======+
+
+ +======+ +======+ +======+
+ | | | | | | reserve.
+ +======+ +======+ +======+
+
+ Opstelling van cohorten.
+
+
+De ruiterij was verdeeld in alae en elke ala weder in drie turmae;
+doch allengs verdween
+
+de rom. ruiterij en werd vervangen door ruiterij der bondgenooten. Zie
+ook castra.
+
+Het getal legioenen was vóór Augustus afhankelijk geweest van
+de omstandigheden. In den laatsten oorlog had Octavianus er 45,
+Antonius omstreeks 30 gehad, Augustus bracht dit getal gaandeweg
+terug op 28. Van deze sneuvelden nog drie in het Teutoburgerwoud
+onder Varus en werden niet vervangen. Elk legioen had, reeds vóór
+Augustus, een nummer en dikwijls ook een bijnaam, zooals uit de
+geschiedenis der burgeroorlogen blijkt. Wij laten hier de nummers en
+namen volgen, waarbij men in het oog moet houden dat sommige nummers
+dubbel voorkomen, een gevolg hiervan dat in de burgeroorlogen dubbele
+cijfers voorkwamen en onder de monarchie de legioenen hunne oude
+nummers behielden. I Germanica, II Augusta, III Augusta, III Cyrenaïca,
+III Gallica, IV Macedonica, IV Scythica, V Alaudae, V Macedonica,
+VI Victrix, VI Ferrata, VII zonder naam, VIII Augusta, IX Hispana,
+X Fretensis, X Gemina, XI zonder naam, XII Fulminata, XIII Gemina, XIV
+Gemina Martia Victrix, XV Apollinaris, XVI zonder naam, (XVII, XVIII en
+XIX vielen met Varus), XX Valeria Victrix, XXI Rapax, XXII Deiotariana,
+samen 28. Onder Vespasianus waren er 30, onder Septimius Severus 33,
+onder Diocletianus 175. In dien tijd was echter de getalsterkte veel
+geringer; in de 4de eeuw bedroeg die slechts 1000 man.
+
+Legis actio, de inleiding tot een proces met de daarbij voorgeschreven
+formulieren en zinnebeeldige handelingen, waardoor men zijn vermeend
+recht deed gelden en waaraan men zich streng had te houden. Er
+waren er vijf: per sacramentum, per iudicis arbitrive postulationem,
+per condictionem, per manus iniectionem, per pignoris capionem. De
+geringste afwijking van de aan de wet ontleende of door de bevoegde
+macht als geldig erkende formule, b.v. wanneer men in plaats van
+het woord arbor te gebruiken, dat de wet aangaf, van vitis sprak
+bij een klacht over beschadiging van een wijngaard, deed het proces
+verliezen. De klager kon dus zijn klaagformule niet zelf opstellen,
+maar moest ze telkens aan een deskundige (een pontifex) vragen;
+later zijn de legis actiones in boekvorm uitgegeven, zie Flavii no. 2.
+
+Zie omtrent de vervanging en gedeeltelijke afschaffing van deze oude
+vormen onder formula.
+
+Leitourgia, letourgia, z. Liturgia.
+
+Leïtus, Leitos, zoon van Alector, een van de Argonauten, aanvoerder
+der Boeotiërs voor Troje.
+
+Lelantius campus, Lelanton pedion, 1) vlakte in W. Euboea, tusschen
+Chalcis en Eretria, met ijzer- en kopermijnen en om die reden een
+twistappel tusschen de beide steden, zie onder Chalcis. De vlakte
+heet naar de rivier, die er doorstroomt.--2) vlakte aan den mond van
+den Euenus in Aetolia, door aanslibbing ontstaan.
+
+Leleges, Leleges, een oude, waarschijnlijk aziatische volksstam,
+verwant met de Cariërs, met wie ze steeds te samen genoemd worden. Ze
+treden ook in Griekenland op, maar schijnen zich later opgelost te
+hebben in de Hellenen. Zij waren voortreffelijke zeevaarders en tevens
+zeeroovers, en waren over Z. en W. Griekenland, en over de eilanden
+der Aegaeïsche zee verbreid en komen ook op Creta en in Caria voor. In
+historischen tijd vindt men ze nog in Troas, namelijk in Antandrus,
+Gargara en Pedasus (aan den Satnioïs gelegen).
+
+Lelex, Lelex, koning van Megara (Lelegeia moenia), Lacedaemon of
+Leucadia, mythisch stamvader der Leleges.
+
+Lemannus (lacus), Lemanos limne, thans meer van Genève, door den
+Rhodanus (Rhône) gevormd. In den keizertijd komt het ook voor als
+lacus Losonnensis, naar de stad Losonna of Lousonna (Lausanne).
+
+Lemnius, Lemnios, bijnaam van Hephaestus naar het hem gewijde eiland
+Lemnus.
+
+Lemnus, Lemnos, thans Stalimene, vroeger ook Aethalia, vrij
+groot eiland der Aegaeïsche zee, tusschen Chalcidice en Asia. Toen
+Hephaestus door Zeus uit den hemel was geworpen, viel hij op Lemnus
+neder. Als oudste bewoners worden Sintiërs uit Thracia genoemd. Vóór
+den Argonautentocht hadden de lemnische vrouwen hare mannen vermoord
+(vandaar Lemnia erga); de Argonauten landden er en verwekten bij de
+genoemde vrouwen de Minyers, Minyai, die later door de Pelasgen werden
+verdreven. Naar dit eiland werd Philoctetes gebracht, toen hij door
+zijne wond het kamp der Grieken vóór Troje verpestte. Onder Darius I
+werd het aan de Perzen onderworpen, doch later door Miltiades (no. 2)
+bevrijd. Het wordt dipolis geheeten naar zijne twee steden Myrina
+en Hephaestia(s). De zoogenaamde lemnische aarde was eene delfstof,
+die als verfstof en als geneesmiddel werd gebezigd. Bij den uitvoer
+werd er tot bewijs van echtheid een merk, sigillum, ingedrukt.
+
+Lemonum, stad der Pictavi of Pictones in Gallia Transpadana, ten
+Z. van den Liger (Loire), thans Poitiers.
+
+Lemovices, stam in Gallia Transpadana in Aquitania, ten N. van de
+Garumna. De naam leeft nog voort in Limousin. Hoofdstad: Augustoritum
+(Limoges).
+
+Lemovii, een germaansche stam, alleen bij Tacitus vermeld; zij woonden
+aan de tegenw. Oostzee, ten Westen van de Rugii.
+
+Lemures, bij de Rom. de geesten der afgestorvenen. Men geloofde dat
+zij den 9den, 11den en 13den Mei des nachts de plaatsen bezochten,
+die zij op aarde bewoond hadden, en vierde op die dagen omstreeks
+middernacht de Lemuria of Lemuralia, waarbij men door eigenaardige
+plechtigheden de geesten trachtte te verzoenen en van zich af te
+houden. Men offerde hen vooral boonen. Zie ook Larvae. Andere dagen,
+waarop doodenoffers verricht worden, zijn de Parentalia of Feralia
+(z. a.) en de Carnaria (zie Carna). Ovidius verklaart het ontstaan
+van het feest uit de begrafenis van Remus, en spreekt daarom ook
+van Remuria.
+
+Lenaea, Lenaia, eig. Dionysia tapi Lenaio, feest ter eere van Dionysus
+te Athene bij het Lenaeum in de maand Gamelion (7de maand van het
+Attische jaar (Jan.-Febr.)) gevierd. Het drinken en offeren van den
+jongen wijn was hierbij hoofdzaak. Met klimop bekranst hield men een
+grooten optocht, waarbij men, op wagens gezeten (ex hamaxon), ieder
+dien men ontmoette plaagde en soms op zeer ruwe wijze bespotte. Tot de
+feestelijkheden behoorde een openbare maaltijd, waartoe van staatswege
+het vleesch verschaft werd. Ten slotte werden tooneelvoorstellingen
+gegeven.
+
+Lenaeus, Lenaios, bijnaam van Dionysus, naar het Lenaeum, zijn oudsten
+tempel te Athene. Vandaar Lenaeus latex = wijn.
+
+Lentulus, familienaam in de gens Cornelia, z. Cornelii no. 45-51.
+
+Leo, Leon, 1) zoon van Eurycratidas, 14de koning van Sparta uit
+het geslacht der Agiden.--2) Spartaan, die eene volkplanting naar
+Heraclea in Trachinië aanvoerde (426).--3) spartaansch bevelhebber
+op Chius in de laatste tijden van den peloponnesischen oorlog.--4)
+bevelhebber der atheensche vloot bij Samus, die zich met Diomedon tegen
+de instelling van de regeering der 400 verzette (411); hij was een van
+de 10 strategen, die na het ontslag van Alcibiades aangesteld werden,
+en werd waarschijnlijk voor den slag bij de Arginusen krijgsgevangen
+gemaakt; onder de regeering van de 30 werd hij ter dood gebracht.--5)
+van Byzantium, leerling van Plato; hij was in zijne vaderstad aan de
+regeering, toen zij door Philippus belegerd werd (340). Door zijn
+toedoen weigerde men te Byzantium Chares te ontvangen, de hulp van
+Phocion nam hij echter gaarne aan. Later wist Philippus hem bij zijne
+medeburgers verdacht te maken, wat hij zich zoozeer aantrok, dat hij
+zich van het leven beroofde.--Zijn werk over den oorlog tusschen zijn
+vaderstad en Philippus is verloren gegaan.
+
+Leobotes, Leobotes = Labotas.
+
+Leochares, Leochares, atheensch beeldhouwer, die met Scopas aan het
+mausoleum van Halicarnassus werkte.
+
+Leocorium, Leokorion, tempel te Athene, gewijd aan de drie dochters
+van Leos, die zich vrijwillig door haar vader lieten offeren om het
+land van de pest te bevrijden.
+
+Leocrates, Leokrates, zoon van Stroebus, atheensch veldheer in den
+slag bij Plataea; na een gewonnen zeeslag en beleg onderwierp hij
+Aegina aan de Atheners (457).
+
+Leodamas, Leodamas, atheensch redenaar van naam, leerling van
+Isocrates.
+
+Leon, Leon, vlek ten N. van Syracusae, waar de Atheners in 415 en de
+Rom. in 214 hun eerste kamp opsloegen.
+
+Leonidas, Leonidas, -des, 1) zoon van Anaxandridas, koning van Sparta,
+opvolger van zijn broeder Cleomenes I. Met een leger van ruim 6000
+man, waaronder 300 Spartanen waren, verdedigde hij den doortocht der
+Thermopylae tegen het onmetelijke leger van Xerxes. Toen Xerxes, na
+vier dagen gewacht te hebben, eindelijk een aanval beproefde, werd hij
+op twee achtereenvolgende dagen met groot verlies teruggeslagen, en
+zelfs toen hij door het verraad van Ephialtes het leger der Grieken
+in den rug viel, wilde Leonidas niet terugtrekken; hij zond de
+ontmoedigde bondgenooten weg, en bleef de verdediging volhouden met
+zijne 300 Spartanen, 700 Thespiërs, die vrijwillig gebleven waren,
+en 400 verdachte Thebanen, die hij gedwongen had te blijven. De
+Thebanen liepen zoo spoedig mogelijk over, de Spartanen en Thespiërs
+sneuvelden tot den laatsten man (Juli 480). Xerxes liet het lijk van
+L. onthoofden en kruisigen, bij de Grieken bleef de nagedachtenis aan
+hem en de zijnen in liederen en gedenkteekenen bewaard.--2) L. II,
+koning van Sparta, ambtgenoot van Agis III (z.a.).--3) twee grieksche
+epigrammendichters, van wie gedichten in de grieksche anthologie zijn
+opgenomen, de eene, uit Tarentum, was een tijdgenoot van koning Pyrrhus
+van Epirus, de andere, uit Alexandrië, was een tijdgenoot van keizer
+Nero.--4) leermeester van Cicero's zoon te Athene.--5) van Anthedon,
+schilder uit de vierde eeuw, leerling van Euphranor.
+
+Leonnatus, Leonnatos, van Pella, diende in de lijfwacht van Philippus
+van Macedonië. Als veldheer van Alexander onderscheidde hij zich
+vooral in den indischen veldtocht; bij de bestorming van de hoofdstad
+der Malli redde hij met Peucestas den koning het leven en werd hij
+zwaar gewond. Na Alex.'s dood werd hij satraap van Klein-Phrygië,
+toen hij echter op het gerucht van een opstand der Grieken Antipater
+te hulp snelde, sneuvelde hij in den slag bij Lamia (322).
+
+Leonteus, Leonteus, 1) zoon van Coronus, vorst van Gyrtone, een
+van de belegeraars van Troje. Na den oorlog zou hij met zijn vriend
+Polypoetes Aspendus gesticht hebben.--2) leerling en, evenals zijne
+echtgenoote Themista, ijverig aanhanger van Epicurus.
+
+Leontiades, Leontiades, 1) aanvoerder der Thebanen in den slag bij
+de Thermopylae.--2) hoofd der oligarchische partij te Thebe, die als
+polemarch de Cadmea den Spartanen in handen speelde (382). Toen Thebe
+door Pelopidas bevrijd werd, werd L. gedood.
+
+Leontini, hoi Leontinoi, stad op Sicilia nabij de Oostkust, kol. van
+het noordelijker gelegen Naxus, gelegen in eene vruchtbare streek
+(Leontini campi). Burgertwisten brachten de stad in de afhankelijkheid
+van Syracusae. Later werd Leontini een bondgenoot van Carthago en
+werd het als zoodanig door de Rom. in den tweeden punischen oorlog
+vermeesterd en geplunderd.
+
+Leontis, Leontis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica
+door Clisthenes verdeeld werd.
+
+Leontium, Leontion, stad in Achaia, in het binnenland.
+
+Leoprepides, Leoprepides, Simonides van Ceos, zoon van Leoprepes.
+
+Leosthenes, Leosthenes, Athener, aanvoerder der Grieken in den
+lamischen oorlog, overwon Antipater hij Heraclea en sneuvelde bij
+het beleg van Lamia.
+
+Leotrophides, Leotrophides, lyrisch dichter te Athene, tijdgenoot
+van Aristophanes.
+
+Leotychides, Leotychides, Leut-, 1) uit het geslacht der Eurypontiden,
+ondersteunde Cleomenes I (z. a.) bij zijne kuiperijen tegen Demaratus,
+en werd, nadat deze afgezet was, koning van Sparta (491). Hij was de
+aanvoerder der grieksche vloot in den zeeslag bij Mycale, maar later
+van verraad in een oorlog tegen de Aleuaden beschuldigd, vluchtte
+hij naar Tegea (469), waar hij stierf.--2) zoon van Agis I of, naar
+men beweerde, van Alcibiades; wegens dezen twijfel aan zijne echte
+geboorte werd hij van de regeering over Sparta uitgesloten (398).
+
+Lepidus, familienaam in de gens Aemilia, z. Aemilii no. 1-5.
+
+Lepontii, Lepontioi, Alpenvolk in het Z. van Raetia, waarnaar een
+gedeelte der Alpen nog de lepontische heet. Zij zijn met de andere
+Alpenvolken in 15 onderworpen.
+
+Lepreum, Lepreon, oude stad in het elische gewest Triphylia.
+
+Leptines, Leptines, 1) broeder van den ouden Dionysius, aanvoerder der
+vloot in den oorlog tegen de Carthagers. In 390 werd hij verbannen,
+later werd hij echter op de meest eervolle wijze teruggeroepen; hij
+sneuvelde in den slag bij Cronium (383).--2) tyran van Apollonia en
+Engyum op Sicilië, werd door Timoleon gedwongen de regeering neder
+te leggen en ging naar Corinthe.--3) een aanzienlijk Athener, wiens
+voorstel tot intrekking van alle vrijstellingen van belastingen en
+liturgieën door Demosthenes met gunstig gevolg bestreden werd.
+
+Leptis, Leptis, naam van twee steden. L. magna lag op de lybische
+kust tusschen de beide Syrten en was eene aanzienlijke koopstad. Het
+was eene phoenicische kolonie. Later werd het rom. kolonie. Keizer
+Septimius Severus was er geboren. L. minor, ook door Phoeniciërs
+gesticht, lag in Byzacium, in de provincie Africa. Vroeger was het
+aan de Carthagers cijnsbaar, de schatting bedroeg een talent daags.
+
+Lerna, Lerne, moeras en meer ten Z. van Argos, waar Heracles de
+lernaeïsche slang doodde.
+
+Lerus, Leros, klein eiland bij de carische kust, met een tempel
+van Artemis.
+
+Lesbonax, Lesbonax, 1) grieksch rhetor onder Augustus, van wien drie
+verdichte redevoeringen (declamationes) bewaard gebleven zijn.--2)
+grieksch taalkundige van lateren tijd, schrijver van een werkje
+peri schematon.
+
+Lesbus, Lesbos, eiland op de aeolisch-aziatische kust, met aeolische
+bevolking, het vaderland van de dichters Alcaeus (± 600), Arion (±
+625), Terpander (± 670) en de dichteres Sappho (± 600), van Pittacus,
+een der zeven wijzen (± 600), van den logograaf Hellanicus (± 450),
+den wijsgeer Theophrastus (± 310) e.a. Horatius noemt de lesbische lier
+voor het lierdicht in het algemeen. Libri Lesbiaci heeten bij Cicero de
+thans verloren gesprekken van den peripatetischen wijsgeer Dicaearchus,
+die als op Lesbus gevoerd werden voorgesteld. De inwoners van Lesbus
+hadden den naam, op een hoogen trap van beschaving te staan, waarmede
+echter sterke weelde en zedeloosheid gepaard ging. Het eiland bracht
+beroemden wijn voort. Sedert Cyrus behoorde Lesbus tot het perzische
+rijk, sedert 478 tot den attischen bond. De voornaamste steden zijn:
+Mytilene en Methymna, verder Antissa, Eresus, Pyrrha en Arisbe.
+
+Lesches, Lesches, van Mytilene, een van de cyclici omstreeks het
+midden der 7de eeuw, dichter der Ilias mikra.
+
+Lethe, Lethe, rivier in de onderwereld, waaruit de schimmen der
+afgestorvenen dronken om het verledene te vergeten.
+
+Leto, Leto, Latona, dochter van Coeüs en Phoebe, dus van het geslacht
+der Titanen, vóór Hera gemalin van Zeus, bij wien zij moeder werd van
+Artemis en Apollo.--V.a. werd zij door Zeus bemind, toen hij reeds
+met Hera gehuwd was, daarom wordt zij over de geheele aarde door de
+jaloersche Hera vervolgd, totdat Zeus het eiland Delus uit de zee
+laat opkomen, waar zij eindelijk rust vindt, en aan den voet van
+den berg Cynthus Artemis en Apollo ter wereld bracht.--Zij is eene
+zachtmoedige, vriendelijke godin in donker gewaad, haar eeredienst
+is gewoonlijk met die van hare kinderen vereenigd.
+
+Letrini, Letrinoi, vlek in Elis, tusschen de stad Elis en
+Olympia. Z. Alpheus.
+
+Leuaci, volk in Belgica, onderhoorig aan de Nerviërs, misschien bij
+het tegenw. Leuven.
+
+Leuca, ta Leuka, stadje aan de Z.O. spits van Calabria, bij het
+promunturium Iapygium.
+
+Leucadia = Leucas.
+
+Leucae, Leukai, stadje op de aziatische kust, tusschen Smyrna en
+Phocaea. Hier werd in 131 de consul P. Licinius Crassus Mucianus
+(Licinii no. 11) door den pergameenschen kroon-pretendent Aristonicus
+verslagen. Ook een stad in Laconica, ten Z.O. van Helos, door de
+Spartanen verwoest.
+
+Leucas of Leucadia, Leukas, Leukadia, eiland in de Ionische zee,
+thans Santa Maura, dicht aan de acarnanische kust. Oorspronkelijk hing
+het door eene smalle landtong aan Acarnania vast, doch de Leucadiërs
+groeven deze door. In het Z. stak kaap Leucate in zee uit. Op den
+top stond een Apollo-tempel. De mythe laat hier Sappho zich in zee
+storten. Op het jaarlijksche feest van den god werd een misdadiger van
+boven afgeworpen, doch als hij het er levend afbracht, opgevischt en
+vrijgelaten. De oude hoofdstad was Nericus, later trad de jongere stad
+Leucas hiervoor in de plaats, die in de 3de eeuw zelfs als hoofdstad
+van geheel Acarnania gold. Tegenwoordig houden vele geleerden Leucas
+voor het Homerische Ithaca.
+
+Leucasia = Leucosia.
+
+Leuce, Leuke akte, 1) vlek en reede in Thracia aan de Propontis (zee
+v. Marmara).--2) = Achillis insula.--3) voorgebergte in het Z. van
+Euboea, ten W. van Geraestus.
+
+Leuci, volk in Belgica, ten N. van de Lingones, in het Z. van het
+latere Lotharingen. Hoofdstad Tullum (Toul).
+
+Leucimma, Leukimme, een der beide zuidkapen van het eiland Corcyra
+(Corfu).
+
+Leuci montes, Leuka ore, bergketen in het W. van Creta.
+
+Leucippe, Leukippe, 1) Oceanide, behoorde tot het gezelschap van
+Persephone, toen deze door Hades geroofd werd.--2) eene van de Minyades
+(z. a.).--3) dochter van Thestor (z. a.).--4) v. s. gemalin van Ilus,
+moeder van Laomedon.
+
+Leucippides, Leukippides, Phoebe en Hilaira, dochters van Leucippus,
+z. Apharetidae.
+
+Leucippus, Leukippos, 1) zoon van Oenomaüs, minnaar van de nimf
+Daphne. Toen hij zich in vrouwenkleederen in haar gezelschap indrong,
+werd hij door hare gezellinnen gedood.--2) zoon van Perieres, koning
+van Messenië, vader van Phoebe, Hilaira en Arsinoë.--3) van Abdera,
+Miletus of Elea, grieksch wijsgeer in de 5de eeuw, grondlegger
+der atomenleer, die door zijn leerling en vriend Democritus verder
+ontwikkeld werd. Bizonderheden omtrent zijn leven of leerstellingen
+zijn niet bekend.
+
+Leuconium, Leukonion, stad in het Z. van Chios.
+
+Leucopetra, Leukopetra, Z.W. kaap van het land der Bruttii, ten
+Z. van Rhegium.
+
+Leucophrys, Leukophrys, stad in Caria aan den Maeander, nabij Magnesia,
+met een tempel van Artemis en een meer van steeds borrelend heet,
+doch drinkbaar water.
+
+Leucosia, Leukosia, eiland in het Z. der golf van Paestum, aan de
+Westkust van Lucania.
+
+Leucosyri, Leukosyroi, blanke Syriërs, naam dien de Grieken aan de
+Cappadociërs gaven. In den tijd van het groot-assyrische rijk, vóór
+de 15de eeuw, vestigden zich een aantal assyrische volkplantingen
+aan den Pontus Euxinus (Zwarte zee). Toen nu later de Grieken deze
+kust bezetten, noemden zij de bevolking Assyrioi, verkort Syrioi of
+Syroi, en breidden dezen naam uit tot het nog onbekende binnenland. De
+eigenlijke Syriërs in Syria waren bruinachtig van tint; vandaar tot
+onderscheiding de naam van blanke Syriërs.
+
+Leucothea, Leukothea = Ino.
+
+Leucothoë, Leukothoe, dochter van den babylonischen koning
+Orchamus. Apollo, die haar beminde, wist in de gedaante van hare moeder
+toegang tot haar te krijgen, en toen haar vader dit vernam, liet hij
+haar levend begraven. Apollo veranderde haar in een wierookplant.
+
+Leuctra, ta Leuktra, 1) stad in Boeotia, in het Z. bij Thespiae. Hier
+versloeg Epaminondas in 371 de Spartanen.--2) stad aan de W. kust
+van Laconia tusschen Cardamyle en Thalamae.--3) stad in Arcadia op
+de laconische grenzen, in het gebied van Megalopolis.
+
+Leuctrum = Leuctra no. 3.
+
+Levaci = Leuaci.
+
+Levana, eene godin, die door de Rom. aangeroepen werd, wanneer de vader
+zijn pasgeboren kind van den grond opnam, en daarmede te kennen gaf,
+dat hij het als het zijne erkende.
+
+Lexiarchikon grammateion, z. Demos.
+
+Lexiarchoi, zes beambten te Athene, die toezagen dat geen onbevoegde
+zich in de volksvergadering indrong, en dat niemand te laat kwam of
+te vroeg wegging.
+
+Lexovii, Lexobioi, volksstam in Gallia in het
+tegenw. Normandië. Hoofdstad Noviomagus, thans Lisieux.
+
+Libanius, Libanios, van Antiochië, geb. 314 n. C., studeerde te Athene
+en hield daarna eenigen tijd te Constantinopel zijn verblijf, waar
+hij als rhetor werkzaam was en een school stichtte, die zeer veel
+leerlingen trok. Ten gevolge van de kuiperijen zijner tegenstanders
+kon hij echter op den duur niet te C. blijven; in 344 vestigde
+hij zich te Nicomedië, waar hij vijf jaar bleef, daarna wederom te
+Constantinopel; in 354 keerde hij naar zijne geboortestad terug, waar
+hij op ongeveer tachtigjarigen leeftijd stierf. Onder Iulianus, die
+zeer met hem ingenomen was, en dien hij van zijn kant hoog vereerde,
+was hij quaestorius. Onder zijne talrijke werken, alle in het grieksch
+geschreven, zijn vele redevoeringen en brieven belangrijk voor de
+geschiedenis van zijn tijd.
+
+Libanus, Libanos, de Libanon, een hoog, bijna ontoegankelijk gebergte
+langs de phoenicische kust. De toppen zijn met eeuwige sneeuw
+bedekt, vandaar de naam = witte berg. Op de hellingen vond men de
+beroemde cederbosschen, aan den voet groeide de wijnstok, doch door
+het roekeloos vellen der boomen is het gebergte kaal geworden. Ten
+O. loopt, ongeveer evenwijdig, de nog hoogere Antilibanus.
+
+Libella, rom. zilveren muntstukje ter waarde van een as. De as was
+van koper.
+
+Libentina, bijnaam van Venus, als godin van zinnelijk genot.
+
+Liber, oud-italisch god, oorspronkelijk een nevenvorm van Jupiter,
+evenals Terminus (z. a.), vandaar Jupiter Liber geheeten; hij wordt
+ook dikwijls Liber Pater genoemd en eene godin Libera staat hem ter
+zijde. Reeds vroeg, sedert de invoering van den dienst van Demeter in
+493 (z. Ceres), is hij met Dionysus geïdentificeerd, en tot een god
+van de voortbrengende kracht der natuur geworden. Meer in het bijzonder
+is hij god van den wijnbouw, en in de tijden van den wijnoogst worden
+te zijner eer allerwege in de steden en op het land vroolijke feesten
+gevierd. Zijne attributen en zijn eeredienst hebben veel overeenkomst
+met die van Dionysus, maar bovendien maakten de Romeinen hem naar
+aanleiding van zijn naam (vgl. Lyaeus) tot een god van burgerlijke
+en staatkundige vrijheid; zie Liberalia.
+
+Libera, 1) z. Liber.--2) latijnsche naam van Ariadne, de bruid van
+Dionysus of Liber.
+
+Liberalia, feesten ter eere van den oud-italischen god Liber (z. a.) en
+zijne echtgenoote Libera. Uit den aard der zaak kenmerkten zich deze
+feesten, die op het platteland gevierd werden, vooral in streken,
+waar men wijn teelde, door vroolijke opgewondenheid en door eene
+groote mate van vrijheid, waartoe ook de naam aanleiding gaf. Te
+Rome werd op 17 Maart een lentefeest gehouden, dat denzelfden naam
+droeg en waarop de jongelingen, die aan de kinderschoenen ontwassen
+waren (op omstreeks 17-jarigen leeftijd) de toga virilis of libera
+aannamen. Dan werden zij door hun vader en verwanten naar het forum
+begeleid en aan bekenden en invloedrijke personen voorgesteld en
+deden zóó hunne intrede in de wereld der volwassenen.
+
+Libertas, de godin der persoonlijke vrijheid; Tib. Sempronius Gracchus
+(Sempronii no. 7) stichtte voor haar een tempel op den Aventinus
+(238). Later werd zij ook de godin der republikeinsche vrijheid,
+de libertas publica populi Romani; aan haar wijdde P. Clodius een
+heiligdom op de area van Cicero's huis (58).
+
+Libertinus, libertus. Een vrijgelaten slaaf of slavin, libertinus,
+-na, blijft tegenover den gewezen eigenaar, die nu hun patronus
+is, een libertus, -ta, evenals pueri tegenover hunne ouders liberi
+heeten. Deden vrijgelatenen te kort aan den eerbied, dien zij hun
+patroon verschuldigd waren, dan kon de vrijlating herroepen worden. Zie
+over de vrijlating zelve manumissio.
+
+Libethra, ta L(e)ibethra, stad in het macedonische gewest Piëria, aan
+den Olympus. De stad schijnt reeds vroeg door overstrooming verwoest
+te zijn. De streek was aan de Muzen geheiligd, doch de inwoners golden
+voor zeer prozaïsch, vandaar het gezegde: amousoteros ton Libethrion.
+
+Libethrides, L(e)ibethrides, de Muzen, zoo genoemd naar den berg
+Libethrius, waar haar een grot en twee bronnen gewijd waren.
+
+Libethrius mons, L(e)ibethrion oros, berg in Boeotia, een gedeelte
+van den Helicon, bij Coronea, met een grot en bronnen, aan de Muzen
+en de libethrische nymfen gewijd.
+
+Libicii = Lebecii.
+
+Libitina, oud-italiaansche godin van tuinen en wijngaarden. Servius
+Tullius verordende, dat bij ieder sterfgeval in haar tempel een
+geldstuk neergelegd moest worden, ten einde het aantal gestorvenen te
+kunnen bepalen. Daaruit ontstond het gebruik, om in dien tempel alle
+benoodigdheden voor eene begrafenis te huur of te koop aan te bieden,
+en ook de personen, wier diensten daarbij vereischt werden, kon men
+er vinden. Vandaar dat zij voor eene godin der begrafenissen gehouden
+werd en haar naam door dichters gebruikt wordt voor begrafenis of
+dood.--Later verwarde men haar met Lubentia of Libentina, een bijnaam
+van Venus, die in haar lucus een aedes had.
+
+Libo, 1) uit Elis, bouwmeester van den tempel van Zeus te Olympia
+(ongeveer 468-456).--2) rom. familienaam, o. a. in de gens Iulia
+(z. Julii no. 3), de gens Livia, de gens Marcia, de gens Poetelia,
+de gens Scribonia (Scribonii no. 1, 3, 7, 9).
+
+Libripens, de man, die bij coëmptio en mancipatio per aes et libram
+de weegschaal hield.
+
+Liburnae of Liburnicae, sc. naves, scherpgebouwde snelvaarders,
+waarmede de Liburniërs den zeeroof plachten uit te oefenen. Zij waren
+uit lichte houtsoorten gebouwd. De Romeinen namen dit model over voor
+een gedeelte hunner oorlogsvloot.
+
+Liburnia, Libournia, het N.W. gedeelte van Illyricum, het kustland
+tusschen eigenlijk Dalmatia en Histria, met de hoofdstad Scardona. De
+bewoners, uitstekende zeelieden, dreven met hunne snelle, lichte
+schepen een uitgebreiden handel, maar ook zeeroof. Omstreeks 176
+zochten zij tegen hunne naburen bescherming bij de Rom., wien hunne
+vloot zeer te stade kwam.
+
+Libya, Libye, dochter van Epaphus en Memphis, bij Poseidon moeder
+van Agenor. Het werelddeel Libya is naar haar genoemd.
+
+Libya, Libye, oude naam voor het werelddeel Afrika, voor zoover het
+aan de oude Grieken bekend was. Zie Africa. In engeren zin het land
+ten W. van de Nijldelta en ten Z. van Cyrenaïca, waar de stam der
+Libyes woonde.
+
+Libyci montes, to Libykon oros, het westelijke grensgebergte van
+Aegypte.
+
+Libycum mare, Libykon pelagos, de zee langs de afrikaansche kust van
+de Nijldelta tot aan Carthago.
+
+Libyphoenices, Libyphoinikes, de gemengde libysch-phoenicische
+bevolking op de kust van het carthaagsche gebied.
+
+Libyssa, Libyssa, stad in Bithynia nabij de Propontis (zee v. Marmara),
+met het grafmonument van Hannibal.
+
+Lichas, Lichas, 1) bode van Heracles, die hem uit naam van Deïanira het
+vergiftigde kleed bracht, dat met het bloed van Nessus besmeerd was;
+waanzinnig van pijn, verpletterde Heracles hem tegen een rots.--2)
+zoon van Arcesilaus, aanzienlijk Spartaan, beroemd door zijne
+gastvrijheid. Hij werd in den peloponnesischen oorlog dikwijls als
+gezant gebruikt, en verzette zich tegen de al te groote toegevendheid
+van de Spartanen tegenover de Perzen.
+
+Licinia (lex) van den praetor P. Licinius Varus (208), dat de ludi
+Apollinares, in 212 ingesteld, jaarlijks op een vasten dag gevierd
+zouden worden.
+
+Licinia (lex) tot instelling van het priestercollege der triumviri
+epulones, van den volkstribuun C. Licinius Lucullus (196) (Licinii
+no. 21); z. epulones.
+
+Licinia (lex) de sacerdotiis, eigenlijk slechts eene rogatio, daar
+zij door het volk werd verworpen. De volkstribuun C. Licinius Crassus
+(145) had voorgesteld, voor de priesters de coöptatio af te schaffen
+en ze rechtstreeks door het volk te laten verkiezen.
+
+Licinia (lex) de sodaliciis van den consul M. Licinius Crassus (55),
+waarbij de collegia sodalicia, kiesvereenigingen, die bij de lex
+Clodia van 58 weer toegelaten waren, werden opgeheven en verboden.
+
+Licinia Cassia (lex) van de consuls P. Licinius Crassus en C. Cassius
+Longinus (171), dat voor dit jaar, wegens den op handen zijnden oorlog
+tegen Perseus geene tribuni militum door het volk mochten gekozen
+worden, maar de consuls en praetoren ze zouden kiezen en aanstellen.
+
+Licinia Mucia (lex) de civibus redigundis van de consuls L. Licinius
+Crassus (Licinii no. 12) en Q. Mucius Scaevola (95). Deze wet
+verwees al de te Rome verblijf houdende socii uit Rome. Het schijnt,
+dat er toen vele Italiërs te Rome aanwezig waren, die den schijn
+aannamen, rom. burgers te zijn. Cicero noemt het eene lex inutilis et
+perniciosa. Zij wekte groote verbittering en heeft veel bijgedragen
+tot de uitbarsting van den bondgenootenoorlog.
+
+Liciniae Sextiae (leges) van de volkstribunen C. Licinius Stolo
+en L. Sextius (367). 1) de consulatu, dat één der consuls uit
+de plebs zou gekozen worden. Aan het bestaan van deze wet wordt
+getwijfeld; vast staat slechts, dat L. Sextius Lateranus in 366 de
+eerste plebejische consul geweest is. Herhaaldelijk komen nog twee
+patricische consuls voor, zoo o.a. in 349 (zie Furii no. 11), voor
+het laatst in 343.--2) agraria, dat niemand meer dan 500 iugera (agri
+publici) zou bezitten. Zie Agrariae leges.--3) de X viris sacrorum,
+dat in plaats van IIviri tienmannen, en deze voor de helft uit de
+plebejers zouden gekozen worden. Ook aan het bestaan van deze wet wordt
+getwijfeld. Zie Decemviri no. 4.--4) de aere alieno, dat het geleende
+kapitaal met de genoten rente zou worden verminderd en het restant in
+drie jaarlijksche termijnen zou worden afbetaald. Sommige geleerden
+houden ook deze wet voor verzonnen, en wel naar den geest van den
+Sullaanschen tijd, toen zulke wetsvoorstellen herhaaldelijk opdoken.
+
+Licinii, plebejisch geslacht, waartoe o. a. de familiën Calvus,
+Crassus, Damasippus, Lucullus, Murena, Nerva, Sacerdos, Varus
+behoorden. Het was afkomstig uit Etruria, de Murenae echter
+uit Lanuvium. 1) C. Licinius, een der eerste twee volkstribunen
+(493). V. a. heetten de twee eerste tribuni: L. Sicinius L. f. Velutus
+en L. Albinius C. f. Paterculus. Zie echter ook tribuni plebis.--2)
+P. Licinius Calvus Esquilinus, de eerste plebejische tribunus
+militum consulari potestate (400).--3) C. Licinius Calvus Stolo,
+in 376 consulairtribuun en in 368 de eerste plebejische magister
+equitum.--4) C. Licinius Calvus Stolo, volkstribuun 377-367,
+verschafte na tienjarigen strijd, met zijn ambtgenoot L. Sextius
+den plebejers toegang tot het consulaat. Dit verhaal is niet geheel
+betrouwbaar, zie leges Liciniae Sextiae. In 361 was hij zelf consul. De
+patriciërs klaagden hem aan, omdat hij in strijd met zijne eigene
+akkerwet, 1000 iugera staatsdomein in erfpacht bezat en hij werd tot
+eene zware geldboete veroordeeld. Ook dit verhaal is niet geheel
+betrouwbaar, zie Agrariae leges.--5) C. Licinius Macer, redenaar
+en annalist, volkstribuun in 73. In 66, toen Cicero praetor was,
+van afpersingen aangeklaagd, pleegde hij zelfmoord. Hij heeft annales
+geschreven.--6) C. Licinius Macer Calvus, zoon van no. 5, als redenaar
+en elegieëndichter bekend. (82-48). Hij was een vriend van Catullus
+en een tegenstander van Cicero.--7) P. Licinius Crassus Dives werd
+reeds jong pontifex maximus (212). In 210 was hij censor, nog voordat
+hij consul was geweest. In 205 bekleedde hij het consulaat. Hij was
+zeer ervaren in het ius pontificium.--8) P. Licinius Crassus, consul
+in 171, werd door Perseus van Macedonia bij Sycurium in Thessalia
+verslagen.--9) C. Licinius Crassus, broeder van no. 8 en diens
+legaat in 171, was zelf consul in 168.--10) C. Licinius Crassus,
+volkstribuun in 145, wiens rogatio de sacerdotiis verworpen werd,
+nam de gewoonte aan, wanneer hij in het openbaar het woord voerde,
+zich naar het volk te keeren en niet naar het senaatsgebouw, zooals
+tot nog toe gebruikelijk was.--11) P. Licinius Crassus Dives Mucianus,
+een geboren Mucius Scaevola, goed redenaar en jurist en kenner der
+grieksche taal, vriend van Tib. Gracchus, consul in 131, vond den dood
+op de vlucht na de nederlaag, hem bij Leucae door den pergameenschen
+kroonpretendent Aristonicus toegebracht. Hij was pontifex maximus.--12)
+L. Licinius Crassus, de beste redenaar van zijn tijd. Nog slechts
+21 jaar oud, trad hij in 119 als beschuldiger van C. Papirius Carbo
+op, die hierop zichzelf ombracht (Papirii no. 11). In 95 was hij
+consul met Q. Mucius Scaevola (zie lex Licinia Mucia). Later was
+hij propraetor in Gallia Cisalpina. Hij stierf in 91, na nog in
+het vorige jaar de censuur bekleed te hebben. In Cicero's werk de
+oratore komt hij als een der hoofdpersonen voor.--12a) L. Licinius
+Crassus Scipio, aangenomen zoon van no. 12, z. Cornelii no. 24.--13)
+Licinia, dochter van no. 12, echtgenoote van den jongen Marius, eene
+zeer welsprekende vrouw. Ook eene oudere zuster bezat de gave der
+redekunst.--14) P. Licinius Crassus Dives, consul in 97, censor in 89,
+bracht verscheidene jaren als stadhouder in Hispania door en hield
+in 93 een triumphus over de Lusitaniërs. In den bondgenootenoorlog
+werd hij door M. Lamponius verslagen. Door de partij van Marius in 87
+vogelvrij verklaard, sloeg hij de hand aan zichzelf.--15) M. Licinius
+Crassus Dives, zoon van no. 14, streed in den burgeroorlog onder Sulla
+en verwierf door het opkoopen van verbeurdverklaarde bezittingen een
+ontzaggelijk vermogen, dat hij nog langs verschillende wegen zocht
+te vermeerderen en dat hij tevens aanwendde om door het leenen van
+geld anderen van zich afhankelijk te maken. Als praetor verloste
+hij Rome in 71 van den slavenoorlog, waarop hij tegen het volgende
+jaar met Pompeius tot consul werd verkozen. Beide ambtgenooten waren
+allesbehalve eensgezind; Pompeius zocht de volksgunst door het herstel
+der tribunicische macht, Crassus door het volk aan 10000 tafels, op
+den openbaren weg aangericht, op een feestmaal te onthalen. Caesar
+trad verzoenend tusschen hen op, en in 60 kwam het zoogenaamde eerste
+driemanschap tot stand, dat in April 56 te Luca hernieuwd werd. In
+55 werden Crassus en Pompeius ten tweeden male consuls; aan Crassus
+viel Syria als provincie ten deel. Uit hoop op roem trok hij tegen
+de Parthen te velde (54). Hij trok den Euphraat over, maar werd het
+volgend jaar in Mesopotamia, ten Z. van Carrhae, verslagen, waarbij
+zijn jongste zoon sneuvelde. Bij Carrhae andermaal aangevallen,
+werd hij bij een onderhoud met den parthischen veldheer verraderlijk
+afgemaakt (53).--16) M. Licinius Crassus Dives, zoon van no. 15,
+was quaestor van Caesar in Gallia; hij was waarschijnlijk gehuwd met
+Caecilia Metella, van wie het bekende grafmonument aan de Via Appia is
+(zie Caecilii no. 27).--17) P. Licinius Crassus Dives, zoon van no. 15,
+een bekwaam generaal, was onder Caesar legaat in Gallia geweest. Hij
+sneuvelde in 53 tegen de Parthen. Cicero roemt zijne kundigheden en
+zijne rechtschapenheid.--18) C. Licinius Mucianus, was onder Nero
+en Galba stadhouder van Syria, en ijverde voor de verheffing van
+Vespasianus op den troon. Deze zond hem naar Italia, waar hij met
+Domitianus het bestuur waarnam tot aan de komst des keizers. Sedert
+wijdde hij zich aan de wetenschap. Hij heeft o. a. een werk uitgegeven
+over hetgeen hij in het Oosten gezien had.--19) L. Licinius Damasippus,
+onjuiste naam voor L. Junius Brutus Damasippus (Junii no. 24). Hij
+was in 82 praetor, en liet toen op bevel van den jongen Marius,
+vóór hij Rome ontruimde, de voornaamste overgebleven leden van de
+optimatenpartij ombrengen. Na den slag bij Porta Collina (1 Nov. 82)
+liet Sulla hem met de overige krijgsgevangenen afmaken.--20) Licinius
+Damasippus, bij Cicero vermeld als liefhebber van standbeelden en
+tuinen. Bij Horatius komt een Damasippus voor, die zijn vermogen heeft
+doorgebracht en daarna stoicijn is geworden. Dit is waarschijnlijk
+dezelfde.--21) L. Licinius Lucullus, volkstribuun in 196 en een
+der eerste IIIviri epulones (zie lex Licinia).--22) L. Licinius
+Lucullus, consul in 151, overviel verraderlijk in Spanje de Vaccaei,
+die met de Romeinen verbonden waren; na vele moordtooneelen werd hij
+genoodzaakt het beleg voor hun hoofdstad Pallantia op te geven en terug
+te trekken. Het volgende jaar behaalde hij samen met Ser. Sulpicius
+Galba (z. Sulpicii no. 11) eenige voordeelen op de Lusitaniërs.--23)
+L. Licinius Lucullus, propraetor op Sicilia in 103, trachtte
+vruchteloos den slavenopstand aldaar te onderdrukken. Later werd
+hij wegens bedriegelijke handelingen veroordeeld en verbannen.--24)
+L. Licinius Lucullus, zoon van no. 23, was Sulla's quaestor in diens
+veldtocht tegen Mithradates en commandant van de vloot in de Aegaeische
+zee. Een verzoek van Fimbria (zie Flavii no. 4) den koning in de haven
+van Pitane in te sluiten, wees hij van de hand, waardoor Mithradates
+ontsnappen kon. In 76 was hij propraetor in Africa. In 74 was hij
+consul en kreeg als zoodanig de provincies Asia en en Cilicia, en
+werd belast met het opperbevel in den nieuwen mithradatischen oorlog,
+terwijl zijn ambtgenoot M. Aurelius Cotta met Bithynia het opperbevel
+kreeg over de vloot. In 73 versloeg hij den koning bij Cyzicus,
+verdreef hem uit de rom. provincie, veroverde vervolgens Pontus, trok
+hierop (69) tegen Tigranes van Armenia, den schoonzoon en bondgenoot
+van Mithradates, op en versloeg bij Tigranocerta eene aanzienlijke
+overmacht. Doch Lucullus had zich vijanden gemaakt onder de societates
+publicanorum, tegen wier afpersingen hij de Asiaten in bescherming had
+genomen; daarbij waren er, die de leiding van den oorlog aan Pompeius
+in handen wilden spelen. Het leger van Lucullus werd opgeruid en de
+soldaten weigerden eenparig den winterveldtocht in het onherbergzame
+Armenia voort te zetten. Lucullus moest de gemaakte veroveringen prijs
+geven en werd teruggeroepen (67). Hij zeide hierop het staatsleven
+vaarwel. Hij was ontzaggelijk rijk, doch in tegenstelling van zoovele
+anderen streng eerlijk en niet hebzuchtig. Hij was een der beschermers
+van den dichter Archias en zelf een kenner der grieksche literatuur. In
+zijne jongere jaren had hij in het Grieksch den bondgenootenoorlog
+beschreven. Zijne woning, landhuizen, boek- en kunstverzamelingen,
+alles was even rijk en prachtig. Hij stierf krankzinnig in 56.--25)
+M. Licinius Lucullus, broeder van no. 24, doch door M. Terentius Varro
+tot zoon aangenomen en dus M. Terentius Licinianus Varro, ook wel
+M. Terentius Varro Lucullus genoemd, was consul in 73 (z. Terentii
+no. 6 en Cassia Terentia (lex)), en bestuurde vervolgens Macedonia
+en onderwierp toen de Bessi, een thracische volksstam. Hij was een
+vriend van Cicero en stond hem in zijn ballingschap bij. Hij had niet
+de groote talenten van zijn broeder, en leefde op minder vorstelijken
+voet.--26) M. Licinius Lucullus, zoon van no. 24, opgegroeid onder
+de voogdij van Cato (minor) en Cicero, sneuvelde bij Philippi als
+aanhanger van Brutus en Cassius.--27) L. Licinius Murena, praetor in
+156 (?), kreeg den naam Murena of Muraena (= makreel) naar de door
+hem aangelegde vischvijvers. Hij was één van de Xviri, die in 146
+Griekenland als provincie Achaia ingericht hebben.--28) P. Licinius
+Murena, zoon van no. 27, groot oudheidkenner, sneuvelde in den strijd
+tegen de partij van Marius.--29) L. Licinius Murena, ook een zoon van
+no. 27, streed in 86 onder Sulla tegen den mithradatischen veldheer
+Archelaus. In 84 door Sulla als stadhouder in Asia achtergelaten,
+hervatte hij in 83 op eigen gezag den oorlog tegen Mithradates, doch
+werd verslagen (82) en daarna door Sulla teruggeroepen. Er werd hem
+echter een triumftocht toegestaan.--30) L. Licinius Murena streed
+eerst onder zijn vader (no. 29), daarna onder Lucullus (no. 24) tegen
+Mithradates. Als propraetor van Gallia (64) betoonde hij zich een
+eerlijk en rechtvaardig bewindsman. In 63 werd hij tot consul voor het
+volgende jaar gekozen, doch van ambitus beschuldigd. Cicero, Crassus
+en Hortensius traden als zijne verdedigers op en hij werd glansrijk
+vrijgesproken. Hij ondersteunde in 63 de veroordeeling van Catilina's
+saamgezworenen.--31) C. Licinius Murena, ook een zoon van no. 29, was
+in 63 legatus pro praetore van Gallia Cisalpina en liet de boden van
+Catilina gevangen nemen.--32) A. Terentius Varro Murena, een geboren
+Licinius, roeide in 25 het Alpenvolk der Salassers bijna uit. In
+hun gebied werd toen Augusta Praetoria (tgw. Aosta) aangelegd. In 23
+liet Augustus hem, ofschoon hij een zwager van Maecenas was, wegens
+samenzwering ter dood brengen.--33) Een andere tak der Licinii waren de
+Nervae. Een hunner, P. Licinius Nerva, in 104 propraetor van Sicilia,
+gaf aanleiding tot den tweeden slavenoorlog aldaar.--34) C. Licinius
+Sacerdos, werd in 142 door den censor Scipio (Africanus minor)
+van meineed beticht, doch de zaak werd niet verder doorgezet.--35)
+C. Licinius Sacerdos, de voorganger van C. Verres, had zich als
+propraetor van Sicilia (74) door eerlijkheid en rechtschapenheid
+onderscheiden.--36) Nog een tak zijn de Vari. De voornaamste is
+C. Licinius Varus, consul in 236, die de Corsen onderwierp.--37)
+A. Licinius Archias, grieksch dichter uit Antiochia in Syria, zeer
+bevriend met L. Licinius Lucullus, van wien hij den gentielnaam
+Licinius aannam. Hij had door toedoen van Lucullus het burgerrecht
+van Heraclea (in Lucania) gekregen, en toen na den marsischen oorlog
+ook de Heracleoten het rom. burgerrecht erlangden, werd Archias
+rom. burger. In 62 echter werd hij beschuldigd, dat hij onwettig zich
+het burgerrecht zou hebben aangematigd. Cicero verdedigde hem.
+
+Licinius (C. Valerius), uit Dacia geboortig, rom. keizer 308-324
+n. C. Na den dood van Maximinus II Daia waren hij en zijn zwager
+Constantinus (later de Groote) de eenige overgebleven keizers. Toen ook
+tusschen hen de strijd ontbrandde, dolf Licinius het onderspit. Zie
+Constantinus. Een jaar na zijn afzetting werd Licinius, toen hij
+hoogverraad wilde plegen, te Thessalonice omgebracht (324).
+
+Licinus, familienaam in de gens Porcia.
+
+Lictores. De magistraten, die het imperium hadden, hadden lictoren in
+dienst, die de fasces of roedenbundels voor hen uit droegen. Een consul
+had er 12, een praetor binnen Rome 2, buiten de stad 6. De dictator
+had er 24, de magister equitum 6. Wanneer er een dictator benoemd was,
+hadden de consuls, althans binnen Rome, geene lictoren. De lictoren
+van deze soort vormden 3 decuriae, elk van 24 man. Een andere soort
+waren de lictores curiati, de 30 boden der 30 curiën. Zij maakten
+ééne decurie uit. De flamen Dialis en de vestaalsche maagden hadden
+ook ieder een lictor, die echter evenmin als de curiaatlictoren een
+roedenbundel droeg. De lictoren van een overheidspersoon gingen één
+voor één; hij, die het meeste vertrouwen genoot, was de achterste in
+de rij en dus het dichtst bij den magistraat (lictor proximus). Het
+was een vast gebruik, dat, wanneer de magistraat in het openbaar met
+iemand sprak, deze lictor altijd tusschen beiden in bleef staan.
+
+Licus, zijrivier van den Donau in Vindelicia, thans Lech.
+
+Licymnius, Likymnios, zoon van Electryon, ging met zijn zwager
+Amphitryo naar Thebae en huwde diens zuster Perimede. Hij vergezelde
+Heracles dikwijls op zijne tochten, en werd door diens zoon Tlepolemus,
+met opzet of bij ongeluk, gedood.
+
+Lide, Lide, berg in Caria, bij Pedasa.
+
+Ligarii, een geslacht van sabijnsche afkomst, waarvan in de
+burgeroorlogen drie broeders voorkomen. Een er van is Q. Ligarius,
+voor wien Cicero eene verdedigingsrede heeft gehouden. Hij was in 50
+legaat in Africa geweest en wel legatus pro praetore bij ontstentenis
+van den stadhouder. Hij had echter de provincie overgedragen aan
+P. Attius Varus, aanhanger van Pompeius, en had L. Aelius Tubero, die
+door den senaat tot propraetor van Africa benoemd was, belet aan land
+te komen. Hij streed ook nog tegen Caesars veldheer C. Scribonius
+Curio, later tegen Caesar zelf, doch werd gevangen genomen en
+verbannen. Cicero wist echter in eene fijn doorwrochte rede Caesar tot
+genade te bewegen. Later vindt men Ligarius onder Caesars moordenaars.
+
+Liger, rivier in Gallia, thans de Loire.
+
+Ligii, Lugii, Lygii, een groote germaansche volksstam tusschen den
+bovenloop van Viadus (Oder) en Vistula (Weichsel). Uit hen zijn later
+de Vandalen en Burgundi voortgekomen.
+
+Ligula, een soort eierlepel, grooter dan de cochlear (z. a.); ook
+als maat het 1/4 deel van een cyathus.
+
+Liguria, Ligystike, het land in Boven-Italië, tusschen den sinus
+Ligusticus (golf v. Genua) en den Padus (Po). De inwoners, Ligures,
+Ligyes, waren een krijgshaftig volk; het land was boschrijk en in het
+Z. doorsneden door den Apenninus. Van omstreeks 240 tot op den tijd
+van Augustus poogden de Rom. het land te onderwerpen; eerst in 14
+werd Liguria tot provincie gemaakt. De Liguriërs waren sterk gebruind.
+
+Lilaea, Lilaia, oude stad in het N.W. van Phocis, nabij de bronnen
+van den Cephisus.
+
+Lilybaeum, Lilybaion, westelijke kaap van Sicilia, met eene
+gelijknamige, uiterst sterke stad, in 390 door de Carthagers onder
+Himilco gesticht, die de inwoners van het nabijgelegen Motye hierheen
+overbracht, en de stad met een sterke bezetting voorzag. De Romeinen
+stieten in 250 voor Lilybaeum het hoofd. Onder de rom. heerschappij
+bleef Lilybaeum de zetel van een der beide quaestoren. De andere
+hield te Syracusae verblijf. Thans Marsala.
+
+Limes imperii, in het algemeen de grens van het rom. rijk, meer in
+het bijzonder de Limes Germaniae Superioris en de Limes Raetiae. Deze
+grensversterking, die door de Flavische keizers begonnen en door latere
+keizers afgewerkt is, begint bij Rheinbrohl, loopt zuidoostelijk naar
+den Taunus, buigt dan noordelijk om, zoodat Friedberg en Wetterau
+ingesloten worden, en bereikt dan naar het Zuiden ombuigend, de
+Main bij Gross-Krotzenburg, die dan tot Miltenberg de grens vormt;
+dan loopt de limes in een rechte lijn bijna zuidelijk tot Lorch. Tot
+zoover reikt de limes Germaniae Superioris. Hier sluit zich bijna onder
+een rechten hoek de limes Raetiae aan, die in een boog ten Noorden van
+de Donau zich naar het Oosten richt, en boven Regensburg bij de Donau
+eindigt. Men heeft in de laatste jaren tal van castella opgegraven,
+waarvan het voornaamste, de Saalburg benoorden Homburg v. d. H.,
+weer opgebouwd is.
+
+Limnae, Limnai, (= moeras), stad in Messenia, op de grens van Laconia,
+met een tempel van Artemis Limnatis. Hier greep de aanleiding tot
+den eersten messenischen oorlog plaats, toen messenische meisjes door
+spartaansche jongelingen onteerd werden.--Eene wijk in Athene en in
+Sparta heette ook Limnae.--Ook een ionische stad op de W. kust van
+de thracische Chersonesus.
+
+Limnaea, Limnaia, welvarend vlek in het N. van Acarnania, met eene
+haven aan de Ambracische golf.
+
+Limone = Elone.
+
+Limonum, stad der Pictones in Gallia, thans Poitiers.
+
+Limus, een schort met schuine strepen, door den offerdienaar gedragen.
+
+Limyra, ta Limyra, stad in het Z.O. van Lycia, aan de rivier Limyrus.
+
+Lindus, Lindos, stad aan de O.-kust van Rhodus. Zie Ialysus.
+
+Lingones, Lingones, aanzienlijk gallisch volk in Gallia op het
+tegenw. plateau van Langres, aan de bronnen der Mosa (Maas) en van
+den Matrona (Marne). Steden: Divio (Dijon), dat door sommigen tot
+het gebied der Sequani gerekend wordt, en Andematunum (Langres).
+
+Linternum = Liternum.
+
+Linus, Linos, een schoon jongeling, wiens vroege dood in zeer oude
+klaagliederen (linoi) betreurd werd, waarin dikwijls de uitroep ailinos
+herhaald werd. Te Argos heette hij de zoon van Apollo en Psamathe;
+hij was door zijne moeder te vondeling gelegd, bij een herder opgevoed,
+en toen hij opgegroeid was, door honden verscheurd. Psamathe werd, toen
+de geboorte van haar kind ontdekt was, door haar vader gedood. Om de
+schimmen der beide dooden te verzoenen, vierden de Argiven jaarlijks
+omstreeks de hondsdagen het feest arneis of kynophontis, waarbij
+lammeren geofferd en honden gedood werden, terwijl vrouwen onder het
+zingen van het Linuslied een optocht hielden. De Thebanen brachten
+hem jaarlijks een lijkoffer op den Helicon. Bij hen heette hij de zoon
+van Hermes en de Muze Urania, en was hij een beroemd zanger, die met
+Apollo een wedstrijd aanging en door hem gedood werd.--V. a. was hij
+gedood door zijn leerling Heracles (z. a.).
+
+Lipara, Lipara, het grootste der Aeolische, Vulcanische of Liparische
+eilanden, ten N. van Sicilia, waartoe het in den keizertijd behoorde.
+
+Lipaxus, Lipaxos, kuststad in het macedonische gewest Crossaea.
+
+Lipomartyriou dike, aanklacht tegen iemand, die, in strijd met eene
+gedane belofte, niet als getuige verschenen is.
+
+Lipsydrium, Leipsydrion, vesting aan den voet van het gebergte Parnes
+in Attica, ten Z.W. van Decelea, door de Pisistratiden onder leiding
+van Clisthenes bezet (± 512); zij werden echter door Hippius gedwongen
+het Attische land te verlaten.
+
+Liquentia, rivier in het noordelijk gedeelte van het gebied der Veneti,
+die zich in de Adriatische zee stort.
+
+Liris, Leiris, grensrivier tusschen Latium en Campania, die zich
+met weinig stroom bij Minturnae in zee stort; vandaar bij Horatius
+taciturnus amnis. In zijn bovenloop stroomt hij langs Sora en
+Fregellae, waar hij den Tolerus (Trerus) opneemt.
+
+Lissus, Lissos, 1) rivier op Sicilia, een zijtak van den Terias,
+bij Leontini.--2) rivier in Thracia, die bij Maronea in zee valt.--3)
+stad aan de zuid-dalmatische kust, in 385 door Dionysius van Syracusae
+gesticht, met eene onneembare acropolis.
+
+Litae, Litai, godinnen van berouw en gebed. Zij volgen Ate met langzame
+schreden, om het door deze bedreven kwaad weder goed te maken.
+
+Litana silva, bergwoud op den Apenninus in Gallia Cispadana, ten
+Z.O. van Mutina (Modena). Ligging onzeker. Hier sneuvelde de consul
+L. Postumius Albinus in 216 tegen de Galliërs.
+
+Literatus servus, een geletterde slaaf, zooals de aanzienlijken
+als secretaris, voorlezer, bibliothecaris, enz., gebruikten; doch
+ook gebrandmerkte slaaf, wien wegens ontvluchting of diefstal een F
+(fugitivus, fur) op het voorhoofd was gebrand.
+
+Liternum, Liternon, ook Linternum, stad op de campaansche kust, ten
+Zuiden van de rivier de Clanius, naar de stad ook wel Liternus of
+Linternus genoemd. Tusschen de rivier en de stad lag langs de kust
+de Literna palus. In 196 werd de stad als rom. kolonie aangelegd op
+het grondgebied van Capua. Scipio Africanus maior is hier in 183 als
+balling gestorven en begraven.
+
+Litis aestimatio, taxatie door den iudex van het voorwerp,
+waarover het geding loopt, voor zoover niet op eene bepaalde som was
+geprocedeerd. Bij een iudicium publicum komt een dergelijke taxatie
+ook wel voor. Wanneer b.v. iemand wegens afpersingen veroordeeld
+was, moest het bedrag daarvan nog getaxeerd worden, om hiernaar
+de schadevergoeding vast te stellen. Dit geschiedde door dezelfde
+rechters, die het vonnis hadden geveld.
+
+Litis contestatio, plechtige oproeping van getuigen en vaststelling
+in hunne tegenwoordigheid van het punt, waarover het geding
+loopt. Hiermede werden de handelingen in iure besloten. Zie ook
+formula.
+
+Litis denuntiatio, de door keizer M. Aurelius ingevoerde inleiding
+van een proces door het indienen eener schriftelijke klacht, ter
+vervanging der vroegere in ius vocatio.
+
+Liturgia, letourgia, leit., eene uitgave ten bate van het algemeen
+door een enkel persoon gedragen. Te Athene behoorden tot de gewone
+(enkyklioi) liturgieën: choregie, gymnasiarchie, enz., tot de
+buitengewone: de triërarchie, proeisphora en architheorie. Van
+staatswege werd de persoon aangewezen, die met eene liturgie belast
+werd, uitgesloten waren archonten, erfdochters, minderjarigen, en
+zij wier vermogen minder dan 3 talenten bedroeg; ook bestonden er
+bepalingen om te voorkomen, dat hetzelfde vermogen te dikwijls door
+eene liturgie gedrukt werd, vgl. Antidosis. De liturgieën waren zeer
+kostbaar, vooral daar men, tenminste in den goeden tijd, uit mildheid
+of eerzucht of een streven naar de volksgunst, veel meer deed dan
+eigenlijk vereischt werd; de choregie kostte soms 5000 drachmen,
+de kosten van de triërarchie stegen soms tot een talent.
+
+Lituus, de korte van boven spiraalvormig gekromde staf der augurs, die
+vrij van knoesten moest zijn. Ook de kromhoorn, die als blaasinstrument
+bij de rom. ruiterij diende.
+
+Lityerses, Lityerses, Phrygiër, zoon van Midas, ontving de
+vreemdelingen gastvrij, doch dwong hen later hem bij den oogst
+te helpen en een wedstrijd in het maaien met hem aan te gaan; den
+overwonnenen sneed hij het hoofd af. Heracles doodde hem en wierp
+zijn lijk in de rivier de Maeander.
+
+Liviae (leges) van den volkstribuun M. Livius Drusus, 122, die echter
+niet tot uitvoering kwamen, daar zij niet ernstig gemeend waren,
+doch slechts de strekking hadden, den invloed van C. Gracchus te
+ondermijnen. Zie hieromtrent verder onder Agrariae (leges).
+
+Liviae (leges) van den volkstribuun M. Livius Drusus in 91: 1) lex
+iudiciaria, dat 1o. de senaat met 300 leden uit den ridderstand
+zou aangevuld worden, en dat uit dezen verdubbelden senaat de
+rechters zouden gekozen worden; 2o. er een onderzoek zou ingesteld
+worden naar die rechters, die zich hadden laten omkoopen.--2) leges
+agraria et de coloniis deducendis, in denzelfden trant als die van
+C. Gracchus. Zie verder onder Agrariae (leges).--3) lex frumentaria,
+waarbij de prijs van het koren verlaagd werd, overigens niet nader
+bekend.--4) lex nummaria, dat de zilveren munt voor 1/8 met koper zou
+vermengd worden.--5) lex de civitate, om aan de italiaansche socii
+het rom. burgerrecht toe te kennen. De laatstgenoemde wet kwam niet
+in behandeling; de overige werden door den senaat ongeldig verklaard,
+omdat ze gezamenlijk in stemming waren gebracht, hetgeen verboden was,
+zie Caecilia Didia (lex).
+
+Livii, oud plebejisch geslacht, waarin de familie Drusus de voornaamste
+is. 1) M. Livius Denter, consul in 302, en na de lex Ogulnia (300) een
+der eerste plebejische pontifices.--2) C. Livius Drusus, broeder van
+no. 3, een uitstekend redenaar, hield, toen hij blind was geworden,
+zich bezig met het geven van rechtsgeleerde adviezen.--3) M. Livius
+Drusus, volkstribuun in 122, broeder van no. 2, was een tegenstander
+van C. Gracchus (zie leges Liviae). In 112 was hij consul en bestreed
+met goed gevolg de thracische Scordisci.--4) M. Livius Drusus,
+volkstribuun in 91, zoon van no. 3, was een goed redenaar en een man
+van edel karakter en onbesproken zeden. Door te groot zelfvertrouwen
+gedreven, meende hij, door aan alle partijen iets te geven, ze met
+elkander te kunnen verzoenen. Aan den senaat wilde hij een deel der
+rechtspraak teruggeven, aan het volk landerijen en uitdeelingen van
+koren, aan de bondgenooten het rom. burgerrecht verleenen (zie leges
+Liviae). Vooral dit laatste wetsvoorstel stiet overal op tegenstand
+(zie vooral Marcii no. 16), en Livius werd in zijn huis door een
+dweper vermoord.--5) Livia, zuster van no. 4, was bij M. Porcius
+Cato de moeder van Cato van Utica. Als weduwe hertrouwde zij met
+Q. Servilius Caepio (Servilii no. 17). Omtrent haar dochter Servilia
+z. Servilii no. 19.--6) M. Livius Macatus verdedigde in 214 Tarentum
+tegen Hannibal en hield zich in den burg staande, totdat Q. Fabius
+Maximus in 209 de stad heroverde.--7) M. Livius Salinator overwon als
+consul in 219 met zijn ambtgenoot L. Aemilius Paullus de Illyriërs;
+beiden werden wegens onregelmatigheden bij het verdeelen van den buit
+(de peculatu) veroordeeld. In 207 was hij andermaal consul en versloeg
+toen met zijn ambtgenoot C. Claudius Nero bij den Metaurus in Umbria
+Hannibals broeder Hasdrubal. In 204 was hij censor, wederom met Nero,
+bij welke gelegenheid de beide mannen, die elkander sedert vele jaren
+een diepen haat toedroegen, elkander onder de aerarii brachten. Door
+eene belasting op het zout te leggen, kreeg Livius in zijne censuur
+den spotnaam van Salinator.--8) Livia Drusilla, dochter van zekeren
+Appius Claudius Pulcher, die na zijn adoptie door een zekeren Livius
+M. Livius Drusus Claudianus heette, en die in den slag bij Philippi
+gesneuveld was, huwde met Tib. Claudius Nero, die haar echter aan
+Octavianus op diens aandrang afstond (38). Door hare schoonheid en
+haar verstand wist zij Octavianus geheel aan zich te boeien, zoodat
+hij de beide zoons, die Livia van haren eersten man had, Tiberius
+en Drusus, als de zijne aannam. Door Augustus werd zij bij testament
+met de namen Julia Augusta in de gens Julia opgenomen. Op haar zoon
+Tiberius had zij minder invloed, hoewel zij door hare maatregelen na
+Augustus' dood hem de regeering had verschaft. Zij overleed in 22 na
+C.--9) Over Livilla, dochter van Drusus en Antonia minor, en Livilla,
+dochter van Germanicus en Agrippina, zie men Iulii op het einde.--10)
+T. Livius Patavinus, niet met de gens Livia verwant, maar uit eene
+aanzienlijke familie te Patavium geboren, schreef eene uitvoerige
+geschiedenis van Rome van de stichting der stad af tot op den dood
+van Drusus (9), in 142 boeken. Hij werkte hieraan van 27 tot aan zijn
+dood. Hiervan bestaan nog I-X (tot 293), XXI-XLV (218-167) en nog zeer
+enkele fragmenten. Er zijn nog inhoudsopgaven (periochae) van bijna
+alle boeken over. Hij leefde 59-17 na C.--11) Livius Andronicus,
+een geboren Griek, uit Tarentum, bij de verovering dezer stad door
+de Rom. gevangen genomen (272) en te Rome als slaaf verkocht. Hij
+kwam als zoodanig in het huis van een der Livii en nam daarom als
+vrijgelatene den naam Livius aan. Hij was de eerste tooneeldichter der
+Romeinen, ± 240. Ook heeft hij de Odyssee in het Latijn overgebracht,
+in saturnische versmaat. Op enkele fragmenten na is alles verloren.
+
+Lixus, oud-phoenicische nederzetting op de atlantische kust van
+Mauretanië.
+
+Lochos, eene afdeeling soldaten in het spartaansche leger van
+onbepaalde sterkte, die echter in den regel omstreeks 100 man geweest
+zal zijn. In slagorde stond de lochos gewoonlijk acht man diep, op
+marsch vormde men dikwijls lochoi orthioi met smal front en groote
+diepte. De hieros lochos der Thebanen bestond uit 300 man. Toen later
+groote huurlegers gevormd werden, werd de indeeling in lochoi daarbij
+overgenomen. Aan het hoofd van den lochos stond een lochagos.
+
+Locri Epizephyrii, Lokroi Epizephyrioi, eene oude stad op de kust van
+Bruttium, bij kaap Zephyrium, door Ozolische Locriërs gesticht. Zelf
+meenden zij, en men vindt die meening ook bij de dichters, dat zij
+afstamden uit Naryx of Narycus (z. a.), een klein plaatsje in het
+gebied der Opuntische Locriërs, en dat de stad gesticht was door de
+volgelingen van Aiax, den zoon van Oileus, nadat deze in den storm
+bij kaap Caphereus was omgekomen. Te Locri leefde in de 7de eeuw de
+beroemde wetgever Zaleucus. De stad bloeide door handel en vertier
+tot den tweeden punischen oorlog, toen ging zij achteruit en geraakte
+allengs in verval.
+
+Locris, Lokris. De Locri, Lokroi, misschien van lelegischen stam,
+waren door de Phocensers, die als eene wig in hun gebied indrongen, in
+drie deelen versnipperd en geraakten nooit tot macht of aanzien. Aan
+de Euboeïsche golf woonden de Locri Opuntii, aldus genaamd naar
+de stad Opus (gen. -ntis) en de Locri Epicnemidii, naar den berg
+Cnemis. Deze twee vormden echter één staat, met Opus tot hoofdstad,
+en werden gezamenlijk ook wel de oostelijke Locriërs (eoioi) of hoi
+pros Euboian Lokroi genoemd. Aan de Corinthische golf woonden de Locri
+Ozolae, of westelijke (hesperioi) Locriërs, die meer dan de anderen
+een roofzieken aard behouden hadden. Tot hun gebied behoorden de
+steden Amphissa, bekend in den laatsten heiligen oorlog, en Naupactus
+(Lepanto), vanwaar de Doriërs naar de Peloponnesus waren overgestoken.
+
+Locusta, beruchte giftmengster, die het vergif bereidde, waaraan
+keizer Claudius en Britannicus stierven. Onder Galba werd zij ter
+dood gebracht.
+
+Logeion, het tooneel in engeren zin = proskenion.
+
+Logistai, een collegie van 30, later 10 beambten, vroeger bij
+stemming verkozen, later door het lot aangewezen, die met de euthynoi
+de rekening en verantwoording der afgetreden overheidspersonen
+nazagen. Zie Euthynai.
+
+Logographos, in het algemeen een prozaschrijver, meer in het bizonder
+een schrijver van geschiedenis of van redevoeringen. Vooral geeft men
+dien naam aan attische redenaars, die voor anderen pleidooien schreven;
+verder aan de oudste geschiedschrijvers, die het eerst sagen en mythen,
+welke tot hun tijd alleen in den mond van het volk geleefd hebben,
+in eenvoudig proza te boek stelden, en dus den eersten stap deden
+op het gebied der historiographie. De voornaamste zijn: Hecataeus,
+Acusilaus, Charon, Xanthus, Pherecydes, Hellanicus, Damastes.
+
+Lollii, plebejisch geslacht uit Samnium. 1) M. Lollius Paullinus,
+consul in 21, werd in 16 door de germaansche volkeren aan den Rijn
+verslagen. Augustus vertrouwde hem zijn kleinzoon Gaius Caesar toe,
+toen deze in het jaar 1 naar het O. ging. Hij was een vriend van
+Horatius, die aan hem Carm. IV. 9 en aan zijne zoons Epist. I. 2 en 18
+richtte.--2) Zijne kleindochter Lollia Paullina werd de echtgenoote
+van keizer Caligula, die haar echter weder verstiet. Later werd zij
+vermoord door toedoen van Agrippina (49 n. C.).--3) Q. Lollius Urbicus,
+legaat van keizer Antoninus Pius in Britannia, z. a.
+
+Londinium, thans Londen, reeds in het rom. tijdperk eene aanzienlijke
+koopstad der Trinobantes.
+
+Longinus, familienaam in de gens Cassia (Cassii no. 2-12).
+
+Longinus, Longinos, Cassius L., geb. te Athene in het begin der 3de
+eeuw na C., verwierf groot aanzien als letterkundige en wijsgeer en
+gaf te Athene onderwijs in die vakken. Hij reisde veel, en leerde op
+een van zijne reizen koningin Zenobia kennen, die hem tot raadsman nam
+en zich op zijn aandrijven tegen de Rom. verzette; toen dus Zenobia
+overwonnen was, werd L. op last van Aurelianus ter dood gebracht
+(272). Van zijne talrijke werken is alleen eene verhandeling peri
+hypsous bewaard gebleven, en ook deze dateert naar veler meening uit
+een veel vroegeren tijd.
+
+Longobardi, een dappere germaansche stam aan den linkeroever van de
+Beneden-Elbe; de naam is nog over in Bardewik bij Lüneburg. Tijdens
+de volksverhuizing trekt een groot gedeelte van het volk zuidoostelijk
+naar Donau en Theiss. In 568 n. Chr. vallen ze onder hun koning Alboin
+Italië binnen, en stichten daar het Longobardische rijk. Naar hen
+heet een gedeelte van Noord-Italië Lombardije.
+
+Longula, albaansche gemeente, onderhoorig aan Antium, vroeg door de
+Romeinen verwoest.
+
+Longus, Longos, waarschijnlijk einde van de 2de eeuw n. C., schrijver
+van een herdersroman (Poimenika ta kata Daphnin kai Chloen), die
+als de beste der oude romans geprezen wordt en ook meermalen door
+nieuwere schrijvers nagevolgd is. Over het leven van den schrijver
+is niets bekend.
+
+Loretanus (portus) = Lauretanus Sinus.
+
+Lorica, thorax, harnas, onverschillig of het slechts uit eene
+borstplaat bestond, of wel ook den rug bedekte. De harnassen
+waren dikwijls van lederen riemen vervaardigd, dikwijls ook van
+strooken metaal, die door middel van scharnieren over elkander konden
+schuiven. Wie het echter betalen kon, nam liefst een schubbenpantser
+(lorica squamata). Ook de borstweringen op muren heeten loricae.
+
+Lorium, dorp aan de via Aurelia in Etruria, tusschen Rome en Alsium,
+sterfplaats van Antoninus Pius, die er ook was groot gebracht.
+
+Loryma, ta Loryma, haven op de Zuidkust van Caria, tegenover Rhodus.
+
+Lotis, nimf, die door Priapus met zijne liefde vervolgd werd; toen
+zij hem niet meer ontvluchten konde, veranderden de goden haar op
+hare bede in een lotus.
+
+Lotophagi, Lotophagoi, volksstam in Africa aan de kleine Syrte, een
+goedaardig volk, dat van den lotusboom leefde. Door hun gebied liep
+een karavaanweg. Naar hen wordt het eiland Meninx in de kleine Syrte
+ook Lotophagitis genoemd.
+
+Loxias, Loxias, bijnaam van Apollo, naar de duistere taal, waarin
+zijne orakels gegeven werden.
+
+Lua, Lua Mater, dochter of vrouw van Saturnus, eene godin te wier eere
+de Romeinen na den slag buitgemaakte wapenen verbrandden, een offer dat
+strekte tot verzoening van het vergoten bloed. Het is waarschijnlijk
+een godheid, die een ongunstigen invloed uitoefent op het gezaaide.
+
+Luca, Louka, thans Lucca, stad aan de grenzen van Liguria en Etruria,
+sedert 177 rom. kolonie.
+
+Lucania, Leukania, gewest van Zuid-Italia ten Z. van Samnium en
+Apulia, ten N. van het land der Bruttii. Het bracht veel rundvee
+voort van de zwaarste en grootste soort, zoodat de Rom. in het eerst
+aan de olifanten, die Pyrrhus medebracht, den naam van lucanische
+ossen gaven. De Lucaniërs, die de oude Oenotriërs verdrongen hadden,
+waren van samnietischen stam. Zie Graecia magna. De kust was bezet met
+grieksche volkplantingen. Na den tarentijnschen oorlog kwam Lucania
+onder rom. heerschappij. Sedert den tweeden punischen oorlog is het
+land vervallen. Later is het nog meer ontvolkt door den slavenoorlog
+van 73-71.
+
+Lucanus, familienaam in de gens Annaea.
+
+Lucceii, plebejisch geslacht. 1) L. Lucceius geschiedschrijver van
+den bondgenooten-oorlog en den eersten burgeroorlog, bevriend met
+Cicero. Hij dong in 61 vergeefs naar het consulaat.--2) C. Lucceius
+Hirrus, z. Lucilii no. 4.--3) Q. Lucceius, geldwisselaar te Rhegium,
+getuige in het proces tegen Verres.--4) Lucceius Albinus, onder Nero
+procurator van Judaea (62-65 n. C.), vervolgens om zijne afpersingen
+overgeplaatst naar Mauretania, later onder Vitellius ter dood gebracht.
+
+Luceres of Lucerenses, een van de drie oude stamtribus van den
+rom. staat. Zie Tities.
+
+Luceria, Loukeria, of Nuceria, stad op de apulisch-samnietische
+grenzen, sedert 321 bondgenoot van Rome, herhaaldelijk door de
+Samnieten ingenomen en door de Romeinen heroverd, doch in 314 of 315
+herbouwd en rom. kolonie.
+
+Lucetius, bijnaam van Jupiter als god van het daglicht.
+
+Lucianus, Loukianos, van Samosata, werd geboren omstreeks 125 n. C. Hij
+was een zoon van arme ouders en leerde aanvankelijk een handwerk,
+maar spoedig wijdde hij zich aan de studie der welsprekendheid, trad
+toen als pleitbezorger op, en reisde door Kl. Azië, Griekenland,
+Italië en Gallië, waar hij veel roem en geld verwierf door zijne
+voordrachten, waarvan verscheidene bewaard gebleven zijn. Eindelijk
+vestigde hij zich te Athene, waar hij zich ijverig bezig hield met de
+studie der wijsbegeerte, en een aantal werken schreef, die in den vorm
+van samenspraken in zuivere, eenvoudige taal en beschaafden stijl een
+duidelijk beeld geven van het leven van zijn veelbewogen tijd in al
+zijne uitingen. Met geestigen spot en satire hekelt de schrijver het
+verval der redekunst en literatuur, de ontaarding van beschaving en
+zeden, het volksgeloof en den ouden eeredienst, maar vooral het van
+overal indringende bijgeloof, en hen die daarin een middel vinden om de
+menigte te bedriegen, de gemaaktheid en het vertoon der stoicijnen en
+cynici--hoewel hij met Demonax bevriend was--terwijl hij daarentegen,
+hoewel hij persoonlijk tot de leer van Epicurus overhelt, met eerbied
+spreekt over de oude wijsgeeren van elke richting. Het laatste deel
+van zijn leven bracht bij in Aegypte door, waar hij een rechterlijk
+ambt bekleedde.
+
+Lucifer, 1) = Hesperus en Phosphorus.--2) = Daduchus.
+
+Lucifera, 1) bijnaam van eenige godinnen van het licht: Diana, Aurora,
+e. a.--2) vrouw van den Daduchus.
+
+Lucilii, plebejisch geslacht. 1) C. Lucilius uit Suessa Aurunca, in het
+Z. van Latium (180-102), een vertrouwd vriend van Scipio Africanus
+minor en van C. Laelius. Hij was de eerste rom. hekeldichter,
+voorganger van Horatius, en hekelde zonder aanzien des persoons
+de gebreken van zijn tijd. Hoewel zijn versbouw stroef was, werd
+hij toch met graagte gelezen. Er zijn nog fragmenten van zijn
+werken over.--2) Lucilius Iunior, stoicijn, vriend van Seneca
+Philosophus, aan wien S. (Annaei no. 2) zijne Epistulae schreef en
+meerdere werken opdroeg, beoefende met ijver de wetenschappen en
+de dichtkunst. Hij is waarschijnlijk de schrijver van Aetna, een
+didactisch gedicht in hexameters.--3) Q. Lucilius Balbus, ook een
+aanhanger der stoische wijsbegeerte, door Cicero sprekend ingevoerd
+in zijn geschrift de natura deorum.--4) C. Lucilius Hirrus, ook wel,
+maar verkeerd C. Lucceius Hirrus genoemd, volkstribuun in 53, wierf
+in den burgeroorlog troepen voor Pompeius en werd door dezen naar
+den parthischen koning Orodes gezonden om diens hulp te winnen, maar
+werd door hem een tijdlang gevangen gehouden. Na Pompeius' dood werd
+L. door Caesar begenadigd, maar bij de vogelvrijverklaringen van 43
+vluchtte hij naar S. Pompeius.
+
+Lucina, bijnaam van Juno en Diana als godinnen, die bij de geboorte
+behulpzaam zijn.
+
+Lucretii, oorspronkelijk patricisch geslacht, doch later met
+plebejische takken.--1) Sp. Lucretius Tricipitinus was senator
+en praefectus urbi onder Tarquinius Superbus. In 509 werd hij
+na het sneuvelen van Brutus in diens plaats consul, doch stierf
+kort daarop.--2) Lucretia, dochter van no. 1 en echtgenoote van
+L. Tarquinius Collatinus, eene vrouw van buitengewone schoonheid,
+werd door S. Tarquinius in hare woning overvallen en met geweld
+onteerd. Na het gebeurde aan haren man en aan haar vader te hebben
+medegedeeld, doorstak zij zich met een dolk. Het gevolg was de
+verdrijving der koninklijke familie. Het verhaal is dichterlijk en
+misschien gedeeltelijk aan een Romeinsche praetexta ontleend.--3)
+Bij Livius komen onder de hooge ambtenaren in de eerste twee
+eeuwen der republiek verschillende Lucretii Tricipitini voor,
+ook een C. Lucretius Gallus als rom. vlootvoogd tegen Perseus
+(171). Later werd hij, wegens afpersingen in grieksche steden,
+tot een groote geldboete veroordeeld.--4) Q. Lucretius Ofella had
+eerst tot de partij van Marius behoord, maar sloot zich bij Sulla's
+komst in Italia bij hem aan, en belegerde in den burgeroorlog in 82
+den jongen Marius in Praeneste. Later liet Sulla hem op het forum
+vermoorden, omdat hij consul wilde worden zonder nog daartoe bevoegd
+te wezen.--5) Q. Lucretius, aanhanger van Pompeius, bracht zichzelf
+om, daar hij bij de inneming van Sulmo (49) niet in Caesars handen
+wilde vallen.--6) Q. Lucretius Vespillo, tijdgenoot van Sulla,
+redenaar en rechtsgeleerde.--7) Q. Lucretius Vespillo, werd in 43
+op de proscriptielijst gezet, maar ontkwam, doordat zijne vrouw hem
+in zijn eigen huis verborgen hield; later werd door bemiddeling
+zijner vrienden zijn naam van de lijst geschrapt; in 19 werd hij
+door Augustus tot consul benoemd.--8) T. Lucretius Carus (98-55),
+schrijver van een rom. leerdicht de rerum natura in 6 boeken, waarin
+de leer van Epicurus ontwikkeld en verdedigd wordt. Met groote kunst
+heeft hij dit onderwerp op dichterlijke wijze weten te behandelen en
+door fraaie tafereelen en schilderingen afgewisseld.
+
+Lucretilis, schilderachtige berg in het sabijnsche land, op de grenzen
+van Latium en niet ver van het buitenverblijf van Horatius.
+
+Lucrinus (lacus), Lokrinos kolpos, N.W. inham der golf van Cumae op
+de kust van Campania, door afdamming in een meer herschapen. Het was
+beroemd om zijne heerlijke oesters. Augustus liet eene verbinding
+van het Avernische met het Lucrinische meer tot stand brengen, en in
+den dam eene doorvaart maken. Thans is er van den dam niets meer te
+vinden. Daar de naam Lucrinus aan lucrum (winst) deed denken, begonnen
+de censoren te Rome de publieke verpachting der staatsdomeinen met
+dien der oesterbanken in het genoemde meer. Voor de badgasten te
+Baiae leverde het meer een groot genot op.
+
+Lucullus, familienaam in de gens Licinia (Licinii no. 21-26).
+
+Lucumo, vorstentitel in de 12 etruscische bondsteden, etruscisch
+Lauchme.
+
+Lucus, een heilig woud, doch ook een dikwijls voorkomende naam van
+steden, evenals bij ons verschillende plaatsnamen op -bosch uitgaan. 1)
+Lucus Asturum in Tarraconensis, heel in het N. van Asturia, ten N. van
+Ovetum, het tegenw. Oviedo.--2) Lucus Augusti, in Callaecia, thans
+Lugo.--3) Lucus Augusti, stad der Vocontii, ten O. van den Rhodanus
+(Rhône), in Gallia Narbonensis.--4) Lucus Angitiae, aan den Fucinus
+Lacus, tegenw. Luco. Zie Angitia.
+
+Lucusta = Locusta.
+
+Ludi. De oudste spelen der Romeinen stonden onder leiding van priesters
+of priesterschappen, zóó de Consualia (z. a.) en de Equirria (z. a.);
+ook de ludus Troiae (z. a.) behoort hiertoe; ze hangen samen met
+oude godsdienstige gebruiken. Van geheel anderen aard zijn de door
+magistraten gegeven veel belangrijker ludi votivi, zoo genoemd,
+omdat de senaat zich voor het geval van den gunstigen afloop van
+een oorlog door een gelofte (votum) tot het geven daarvan verplicht
+had. Zij vormden oorspronkelijk een onderdeel van den triumphus,
+hetgeen daaruit blijkt, dat ze beginnen met de pompa circensis, een
+plechtige optocht onder leiding van den consul in triumphaal gewaad,
+die van het Capitool uitging en eindigde in den circus maximus, waarop
+dan de wedrennen (z. circus) begonnen. Daar er geregeld oorlogen
+waren, werden de spelen al spoedig van votivi annui, waarbij het
+verband met den triumphus verloren ging. Ze werden nu Romani genoemd,
+terwijl buitengewone volgens gelofte gevierde feesten voortaan magni
+heeten. Ze begonnen met het epulum Jovis op de Iden van September,
+dan volgde den 14den Sept. de keuring der paarden (equorum probatio)
+en van 15-18 Sept. de eigenlijke circusspelen. Sinds 364 werden
+er tooneelvoorstellingen (ludi scenici) naar Etruscisch voorbeeld
+aan toegevoegd. Deze vielen op de dagen aan de Iden van September
+voorafgaande. In den aanvang waren dit pantomimische dansen onder
+begeleiding van fluitspel; het eerste tooneelstuk, een werk van Livius
+Andronicus werd in 240 opgevoerd. Eerst in 55 werd het eerste steenen
+theater door Pompeius gebouwd. Vóór dien tijd werd telkens een houten
+scena met oploopende zitbanken (spectacula, cavea) opgeslagen. De
+ludi Romani stonden onder de opperleiding van den consul, maar reeds
+sinds 366 hadden de aediles curules (z. aediles) de geheele regeling
+in handen.
+
+Wanneer de ludi plebei het eerst zijn gehouden, weet men niet;
+v. s. dateeren ze uit den oudsten tijd der republiek. Tot geregelde
+spelen zijn ze waarschijnlijk geworden in 220, na de stichting van
+den circus Flaminius, waar de wedrennen, er mede verbonden, plaats
+hadden. Ook hieraan werden spoedig ludi scenici toegevoegd. Ze vallen
+in de maand November. Voorzitters zijn de aediles plebis. Verder
+vindt men ludi Cereales in April, ter eere van Ceres, Liber en
+Libera, v. s. ontstaan tegelijk met de wijding van den Cerestempel
+in 493, sinds 202 jaarlijks gevierd; slechts één dag was gewijd aan
+circusspelen, de andere dagen hadden ludi scenici plaats. Ze staan
+onder leiding van de aediles plebis. Evenzoo is de regeling bij de
+ludi Apollinares, ingesteld in 212, die onder leiding staan van den
+praetor urbanus. De ludi Megalenses (z. Megalesia), als jaarlijksche
+feesten ingesteld in 191, en de l. Florales, sinds 173, zijn in
+hoofdzaak l. scenici. Al deze spelen werden uit naam en op kosten
+van den staat gegeven.
+
+De ambtenaren voegden uit eigen middelen aanzienlijke sommen hierbij,
+om zoodoende de volksgunst te winnen.
+
+Behalve deze spelen vindt men in later tijd nog spelen ingesteld
+ter herinnering aan overwinningen, zooals de ludi victoriae Sullanae
+(ingesteld in 82) en de l. victoriae Caesaris (ing. in 46); dit zijn
+uitsluitend l. circenses.
+
+In tegenstelling met de ludi staan de munera gladiatoria
+(z. gladiatores). Ze gaan oorspronkelijk uit van particulieren,
+gewoonlijk ter vervulling van een plicht van eerbied (munus) jegens
+een afgestorvene bij diens begrafenis. Zij zijn uit Etrurië ingevoerd
+en voor het eerst op het forum gegeven in 264. Eerst in 105 hebben
+de consuls P. Rutilius Rufus (Rutilii no. 2) en C. Mallius Maximus ze
+als buitengewone ludi van staatswege gegeven. Hetzelfde geldt van de
+venationes bestiarum (z. venatio) die voor het eerst in 186 voorkomen.
+
+Ludi instaurativi. Dikwijls gebeurde het dat de spelen die van
+staatswege gegeven werden, wegens een fout in den vorm of een
+storing gestaakt werden, en dan opnieuw moesten gegeven worden. Deze
+instauratio is echter alleen van toepassing op de ludi Romani en de
+l. plebei.
+
+Ludus Troiae, een soort van wapendans te paard, die te Rome in overoude
+tijden op 19 Maart (Quinquatrus) en 19 October (Armilustrium) door
+knapen van aanzienlijken stand onder leiding der tribuni celerum
+(z. a.) werd uitgevoerd. Vroeg in vergetelheid geraakt, werd het
+spel waarschijnlijk in den tijd van Sulla opnieuw ingesteld, en
+sedert wordt er nu en dan melding van gemaakt, vooral in den vroegen
+keizertijd. Vergilius (Aen. V 545-603) laat op bevel van Aeneas
+Ascanius met andere Trojaansche knapen op Sicilië dit spel als een
+soort carousselrijden opvoeren ter eere van zijn gestorven grootvader
+Anchises: "Troiaque nunc, pueri Troianum dicitur agmen" (v. 602).
+
+Met Troje had het spel echter oorspronkelijk niets te maken.
+
+Lugdunum, 1) zeer belangrijke stad van Gallia, aan de vereeniging
+van den Arar (Saône) met den Rhodanus (Rhône), sedert 43 rom. kol. en
+als zoodanig later Copia Claudia Augusta geheeten, thans Lyon. Onder
+de keizers was L. beroemd als residentie- en akademiestad; het
+had prachtige gebouwen, o. a. het paleis, waarin keizer Claudius
+geboren werd (10), eene grootsche waterleiding, enz. Bij de nieuwe
+indeeling van Gallia door Augustus werd Lugdunum hoofdst. van het
+uitgestrekte Gallia Lugdunensis. Hier had men ook sedert 12 de ara
+Romae et Augusti, waar vertegenwoordigers der 64 civitates van de
+3 Galliae (Aquitania, Lugdunensis, Belgica) jaarlijks voor offers
+en feesten bijeenkwamen.--2) Lugdunum Convenarum, in Aquitania,
+hoofdst. der Convenae.--3) Lugdunum Batavorum, welke naam nu eenmaal
+als latijnsche naam voor Leiden in zwang is gekomen, hoewel het
+waarschijnlijk v. s. meer westelijk v. a. zuidwestelijk, in de duinen
+bij den Haag, lag.
+
+Lugii = Ligii.
+
+Luna, noordelijkste stad van Etruria met eene prachtige haven (thans
+de golf van Spezzia), sedert 177 rom. kolonie. In den omtrek waren
+beroemde marmergroeven, Lunense marmor, het tegenw. cararisch marmer.
+
+Luna silva, in Germania, het zuidelijke gedeelte van het
+tegenw. Moravische gebergte, ten N. van Vindobona (Weenen).
+
+Lupercal, de wolfsgrot, eene grot aan de N.W. helling van den
+Palatinus, aan Faunus gewijd.
+
+Lupercalia, reinigings- en verzoeningsfeest ter eere van Faunus den
+15den Februari gevierd. Het feest begon met het offeren van bokken
+in het Lupercal, een grot aan den voet van den Palatijnschen berg;
+bij dit offer raakte men twee jongelingen met het bebloede offermes op
+het voorhoofd aan, waarop een ander onmiddellijk het bloed met in melk
+gedoopte wol afwischte. Na het offermaal liepen de Luperci, alleen
+met de huiden der geofferde bokken bekleed, door de geheele stad,
+en sloegen ieder, die hen ontmoette, met riemen, die uit die huiden
+gesneden waren; deze riemen heetten februa; gehuwde vrouwen plaatsten
+zich gaarne op hun weg om zulk een slag te krijgen, in de hoop daardoor
+haar huwelijk met kinderen gezegend te zien. Om de uitgelatenheid,
+die hierbij heerschte, eenigszins tegen te gaan, bepaalde Augustus,
+dat baardelooze jongelingen niet aan den tocht door de stad mochten
+deelnemen.--De Luperc. werden tot het einde der 5de eeuw gevierd.
+
+Luperci, priesters van Faunus. Zij waren verdeeld in twee collegia van
+12 leden, de L. Fabiani en de L. Quintiliani of Quinctiales, waaraan
+sedert 45 ter eere van Caesar nog de L. Iulii werden toegevoegd.
+
+Lupiae, Loupiai, stad van Calabria, tusschen Brundisium en Hydruntum
+(Otranto).
+
+Luppia, thans de Lippe, die bij het tegenw. Wesel in den Rijn valt.
+
+Lurius Agrippa (M.) werd door Octavianus tot praefectus van Sardinia
+aangesteld, doch door Menas (Menodorus), legaat van S. Pompeius,
+verjaagd (40). Bij Actium kommandeerde hij den rechtervleugel van de
+vloot van Octavianus.
+
+Luscius Lavinius of Lanuvinus, blijspeldichter, tijdgenoot van
+Terentius (± 175) en meermalen diens mededinger.
+
+Lusitania, Lousitania, ongeveer het tegenw. koninkrijk Portugal. Hier
+hield de Lusitaniër Viriathus 10 jaar lang (150-140) een hardnekkigen
+kamp tegen de Romeinen vol. Na zijn dood werd Lusitania onderworpen
+(138); zie verder Hispania.
+
+Lustratio, in het algemeen eene zuivering of reiniging,
+katharmos. Sommige handelingen vorderden, dat men zich, al was
+het dan ook slechts door besprenkeling, reinigde, b. v. wie in
+een sterfhuis was geweest, besprenkelde zich bij het heengaan met
+water uit een vat, dat tot dit doel aan de deur was geplaatst. Soms
+werden geheele steden, volken, enz., gezuiverd, zooals het geval
+was, toen Athene na den moord van Cylon en de daarop gevolgde pest
+door Epimenides van bloedschuld gereinigd werd. Dat bij zulk eene
+lustratio van zware schuld ook dieren geofferd werden, spreekt van
+zelf. Vóór de tempels der goden stond ook een vat met wijwater,
+aqua lustralis. Men besprenkelde zich niet met de handen, maar met
+een olijf-, laurier-, myrten- of rosmarijntak, dien men in het water
+doopte.--Eene lustratio liberorum had kort na de geboorte plaats, bij
+de meisjes op den achtsten, bij de jongens op den negenden dag. Deze
+handeling, waarmede wij onzen doop eenigszins kunnen vergelijken,
+gold ook als beveiligingsmiddel tegen betoovering. De dag, waarop zij
+plaats had, heette dies lustricus. Bij de Romeinen werden ook vloten
+door offers voor het uitzeilen gereinigd; ook komen reinigingen van
+legers voor. Bij zware ziekten wendde men ook wel berookingen aan.
+
+Lustrum, in het bijzonder het reinigingsoffer voor het rom. volk,
+dat telkens na afloop der volkstelling werd gehouden. Hierbij werden
+een zwijn, een schaap en een stier geofferd en het bloed in een groot
+bekken opgevangen. Dit offer droeg den naam van suovetaurilia. De
+censor die de plechtigheid bestuurde, bad daarbij, ut dii immortales
+res populi Romani meliores amplioresque facerent. De geijkte
+uitdrukking voor het houden van het lustrum is lustrum condere. Daar
+de census elke vijf jaar behoorde gehouden te worden, heeft lustrum,
+de beteekenis van vijfjarig tijdperk gekregen.
+
+Lutatii, plebejisch geslacht. 1) C. Lutatius Catulus, consul 242,
+versloeg in het begin van 241 de carthaagsche vloot bij de Aegatische
+eil., en noodzaakte de Carthagers, om vrede te vragen.--2) Q. Lutatius
+Cerco, broeder van no. 1, nam als consul in 241 Falerii in, en
+was censor in 236, toen hij stierf. Hij genoot den roem van groote
+rechtschapenheid.--3) C. Lutatius Catulus, consul 220, werd door
+de Galliërs in Cisalpina in 219 met C. Servilius (Servilii no. 10)
+krijgsgevangen gemaakt en 16 jaar in gevangenschap gehouden.--4)
+Q. Lutatius Catulus, consul 102, versloeg als proconsul met C. Marius
+in 101 de Cimbren in Gallia Cisalpina. In den burgeroorlog werd
+hij als aanhanger der optimatenpartij door Marius, die hem haatte,
+vogelvrij verklaard, waarop hij zich door kolendamp liet stikken
+(87). Hij bezat in hooge mate de gave der welsprekendheid en daarbij
+een zeer fraaie stem. Hij schreef memoires, die verloren gegaan
+zijn.--5) Q. Lutatius Catulus, zoon van no. 4, gold na Sulla's dood
+als hoofd der aristocratische partij te Rome; hij was echter zeer
+gematigd en boezemde door zijn rechtschapen en edel karakter vriend en
+vijand eerbied in. Hij was consul in het jaar van Sulla's dood (78),
+(z. Plautia of Plotia (lex) de vi), en bedwong toen, met Pompeius
+vereenigd, den oproerigen consul Lepidus. Later bestreed hij de lex
+Manilia de imperio Cn. Pompei (66). Aan hem was het toezicht op den
+bouw van den nieuwen tempel voor Jupiter Capitolinus opgedragen, en aan
+de wijding daarvan in 69 ontleent hij den bijnaam van Capitolinus. Ook
+heeft hij het Tabularium gebouwd. Hij was de laatste princeps senatus
+tijdens de republiek. Hij overleed in 60.
+
+Lutetia (Parisiorum), Loukotokia, -tekia, Louketia, hoofdstad der
+Parisii, thans Parijs, op een eiland in de Sequana (Seine), eene
+belangrijke handelsstad. Later residentie van verschillende keizers,
+o. a. van Iulianus, die hier een paleis liet bouwen.
+
+Lutorius Priscus, rom. ridder, die een lijkzang op Germanicus had
+gedicht. Bij eene ziekte van Tiberius' zoon Drusus, had hij bij
+voorbaat ook een lijkzang op dezen vervaardigd, waarvoor hij door
+den senaat ter dood werd veroordeeld (21 n. C.).
+
+Lyaeus, Lyaios, bevrijder (van zorgen), bijnaam van Dionysus; latex
+Lyaeus = wijn.
+
+Lybas, Lybas, de schim van Polites, no. 1 of 2, die als plaaggeest
+de omstreken van Temesa door gruweldaden onveilig maakte, totdat hij
+door Euthynus verdreven werd.
+
+Lycabettus, Lykabettos, een rotsheuvel dicht bij de muren van Athene,
+ten N.O. van de stad, links van den weg naar Marathon.
+
+Lycaea, Lykaia, vlek in Arcadia, waarvan de inwoners door Epaminondas
+werden genoodzaakt, Megalopolis te helpen bevolken. Nabij het plaatsje
+lag de mons Lycaeus, Lykaion oros.
+
+Lycaeus, Lykaios, bijnaam van Zeus en Pan, naar den hun gewijden
+berg Lycaeus.
+
+Lycambes, Lykambes, z. Archilochus.
+
+Lycaon, Lykaon, 1) zoon van Pelasgus en Meliboea of Cyllene, koning
+van Arcadië. Hij en zijne 50 zonen waren berucht wegens hun snoodheid
+en overmoed. Toen Zeus de aarde bezocht om zich van de boosheid der
+menschen te overtuigen, noodigden zij hem aan hunne tafel en zetten
+hem de ingewanden van een knaap voor, dien zij geslacht hadden. Zeus
+wierp echter de tafel omver en doodde L. met al zijne zonen door den
+bliksem of veranderde hen in wolven, alleen de jongste, Nyctimus, werd
+door Gaea gered, vgl. Arcas.--V. s. was het deze gruweldaad, die Zeus
+bewoog tot het zenden van den grooten vloed van Deucalion.--2) soms =
+Arcas, kleinzoon van den vorigen.--3) zoon van Priamus en Laothoë,
+door Achilles gedood.--4) koning van Lycië, vader van Pandarus.
+
+Lycaonia, Lykaonia, landschap in het binnenland van Asia minor,
+een bijna boomloos gewest, doch door zijn weidegrond geschikt voor
+schapenteelt. In het N.O. lag het groote zoutmeer Tatta. De inwoners
+waren ervaren boogschutters. Z. Galatia aan het slot.
+
+Lycaonis, Lykaonis, Lycaonia Arctus, Callisto, dochter van Lycaon.
+
+Lyceum, Lykeion, oudste gymnasium van Athene, even buiten de muren
+ten O. der stad en nabij den Ilisus, met fraaie wandelingen, waar
+Aristoteles al wandelende zijne (peripatetische) lessen gaf. Het Lyceum
+droeg zijn naam naar den nabijgelegen tempel van Apollo Lyceus. Het
+werd, evenals de Academia, bij het beleg van Athene door Sulla in
+86 verwoest.
+
+Lyceus, Lykeios, bijnaam van Apollo, als den god, die de wolven van
+het vee afhoudt, of als lichtgod; v. s. = Lycius.
+
+Lychnidus, Lychnidos, Lychnis, stad in Illyris barbara nabij de
+macedonische grenzen, hoofdstad der Dassaretae, aan de via Egnatia
+gelegen en aan het meer Lychnitis, Lychnitis (meer van Ochrida).
+
+Lycia, Lykia, vruchtbaar landschap op de Zuidkust van Asia minor,
+waarvan de bewoners bij Homerus als bondgenooten der Trojanen
+voorkomen. Als bewoners komen nog voor: de Milyers, wier naam nog
+in het N.O. deel, Milyas, is blijven voortleven, en de Solymers,
+aan den berg Climax (z. a.) of Solyma (= trap), die als vijanden der
+Lyciërs voorkomen. De eigenlijke Lyciërs, Lykioi, die in het dal
+van den Xanthus wonen, noemden zich oudtijds Termilers, Termilai,
+Termiles. Zij zijn van indo-germaanschen stam, met een eigenaardige
+beschaving. Beroemd zijn de lycische rotsgraven. De grieksche
+taal is er vroeg doorgedrongen. Lycia wist zijne vrijheid tegen
+de Lydiërs te verdedigen, doch moest voor de Perzen bukken. Later
+maakte het deel uit van het attische zeeverbond. Het was toen eene
+republiek, uit 23 bondsgemeenten bestaande (Lykion to koinon of to
+koinon Lykion ethnos). De zetel van het bestuur was Xanthus, aan de
+gelijknamige rivier. Deze staatsvorm bleef, ook onder macedonische
+en syrische opperheerschappij bestaan tot in 188, toen de Rom. het
+gewest aan Rhodus wegschonken. In 167 werd Lycia weder vrij verklaard
+(z. Rhodus); in 43 na C. werd het met Pamphylia tot ééne romeinsche
+provincie gemaakt, waarvan Myra de hoofdstad werd. In Lycia behoort
+het monster Chimaera te huis, welke mythe ontleend is aan den vulkaan
+Chimaera aan de Oostkust.
+
+Lycides, Lykides, Athener, die voor den slag bij Plataeae tot vrede
+met de Perzen aanried, en daarom met vrouw en kinderen gesteenigd werd.
+
+Lycis, -cus, Lykis, -kos, atheensch blijspeldichter, tijdgenoot van
+Aristophanes.
+
+Lycius, Lykios, bijnaam van Apollo, naar zijn orakel te Patara in Lycië
+(Lyciae sortes).
+
+Lycius, Lykios, Athener, zoon van Myron no. 2, beeldhouwer en
+bronsgieter uit ± 440.
+
+Lycoleon, Lykoleon, atheensch redenaar, leerling van Isocrates.
+
+Lycomedes, Lykomedes, 1) koning der Dolopers op Scyrus, aan wiens
+hof Achilles (z.a.) voor den trojaanschen oorlog eenigen tijd
+leefde. Hij doodde Theseus door hem verraderlijk van een rots
+in zee te werpen, daarom werd zijn eiland later door de Atheners
+verwoest.--2) Athener, die in den slag bij Artemisium het eerste
+perzische schip veroverde.--3) van Mantinea, een rijk, ondernemend
+en vaderlandslievend man, die na den slag bij Leuctra de vereeniging
+der Arcadiërs en de stichting van Megalopolis bewerkte. Om Arcadië
+evenzeer van thebaanschen als van spartaanschen invloed vrij te houden,
+trachtte hij een bondgenootschap met Athene tot stand te brengen,
+maar van een reis daarheen terugkeerend, werd hij door arcadische
+ballingen gedood (366).
+
+Lycomidae, Lykomidai, -medai, z. Lycus no. 4.
+
+Lycon, Lykon, 1) zoon van Hippocoön, door Heracles gedood.--2)
+Trojaan, door Peneleüs gedood.--3) Athener, een van de aanklagers
+van Socrates.--4) Achaeër, die in het leger van Cyrus den jongeren
+diende; op den terugtocht spoorde hij zijne landgenooten tot verzet
+tegen Xenophon aan, en veroorzaakte hij verdeeldheid in het leger
+der Grieken.--5) van Troas, leerling van Strato en gedurende 43 jaar
+(269-226) hoofd der peripatetische school. Om zijne welsprekendheid
+werd hij Glykon, dulciloquus, genoemd, en stond hij in hooge gunst
+hij Antigonus, Attalus en Eumenes. Zijne philosophische werken zijn
+verloren gegaan.
+
+Lycophron, Lykophron, 1) van Cythera, vriend van Aias no. 2, door
+Hector gedood.--2) zoon van Periander. Hij was bij zijn grootvader
+Procles opgevoed, en van dezen vernam hij, toen hij naar zijn
+vaderland zou terugkeeren, dat zijne moeder door Periander vermoord
+was. Te huis gekomen, gaf hij aan zijn toorn hierover in bittere
+woorden lucht, zoodat zijn vader hem uit zijn huis joeg, en later,
+toen hij alle pogingen tot verzoening afsloeg, naar Corcyra liet
+brengen. Toen Periander echter oud werd, en L. doof bleef voor alle
+beden om terug te keeren, bood P. hem eindelijk de regeering aan, en
+beloofde hij zelf op Corcyra te gaan wonen. Dit voorstel nam L. aan,
+maar voordat het tot uitvoering kwam, werd hij door de Corcyraeërs,
+die vreesden den dwingeland bij zich te ontvangen, gedood.--3) tyran
+van Pherae omstreeks het einde van den peloponnesischen oorlog,
+die onder begunstiging der Lacedaemoniërs naar de heerschappij over
+geheel Thessalië streefde.--4) zwager en een van de moordenaars van
+Alexander van Pherae; na diens dood regeerde hij totdat Philippus
+van Macedonië hem verjoeg.--5) van Chalcis op Euboea, grammaticus
+en dichter te Alexandrië, waar hij onder Ptolemaeus Philadelphus aan
+de bibliotheek werkzaam was. Behalve een boek over de comoedie en een
+aantal treurspelen, schreef hij een nog bewaard gebleven groot iambisch
+gedicht, Kassandra of Alexandra, waarin hij door deze profetes een
+groot aantal gebeurtenissen tot den tijd van Alexander d. G. laat
+voorspellen. Het werk is daardoor voor mythologie en geschiedenis
+belangrijk, dichterlijke waarde heeft het echter niet, bovendien is
+het zoo moeilijk te verstaan, dat aan L. deswege, de bijnaam skoteinos
+gegeven werd.
+
+Lycopolis, 1) Lykon polis, stad aan den Nijl in Thebaïs, waar eens
+eene aethiopische legerschaar door wolven op de vlucht zou gedreven
+zijn, thans Syoet, in Opper-Aegypte, ten Z. van Hermopolis magna.--2)
+Lykou polis, stad in de Delta.
+
+Lycorea, Lykoreia, stad aan den Lycoreus, den naar Delphi toegekeerden
+top van den Parnassus.
+
+Lycoris, eigenlijk Cytheris geheeten, danseres, minnares van den
+rom. dichter Cornelius Gallus, later van M. Antonius.
+
+Lycormas, Lykormas, rivier in Aetolia = Euenus.
+
+Lycortas, Lykortas, van Megalopolis, na den dood van Philopoemen (183)
+strateeg van het achaeisch verbond. Hoe verdienstelijk hij zich ook
+in deze betrekking maakte, konde hij toch zijn gezag niet handhaven
+tegen het drijven der partijen, waarvan de val van het verbond het
+gevolg was.--De geschiedschrijver Polybius was zijn zoon.
+
+Lyctus, Lyktos, eene der oudste steden van Creta, ten Z.O. van
+Cnossus. Lyctius = cretensisch.
+
+Lycurgus, Lykourgos, 1) zoon van Dryas, koning der thracische Edoniërs,
+die zich tegen de invoering van den dienst van Dionysus verzette,
+daarom door Zeus blind gemaakt werd en vroeg stierf.--V. a. werd
+hij met waanzin gestraft, zoodat hij zijn eigen zoon doodde, en
+daarna naar een eenzame vlakte werd gebracht, waar hij door paarden
+verscheurd werd.--2) zoon van Aleüs en Neaera, koning van Arcadië,
+die Areïthous doodde.--3) zwager van Adrastus, die met de zeven
+vorsten tegen Thebe optrok. Hij werd na zijn dood door Asclepius
+in het leven teruggeroepen.--4) zoon van Pheres, koning van Nemea,
+vader van Opheltes.--5) de beroemde wetgever van Sparta. Hij leefde,
+naar men aanneemt, in de 9de eeuw, en wordt niet zonder beteekenis de
+zoon van Eunomus en de vader van Eucosmus genoemd. Hij behoorde tot
+het geslacht der Procliden en regeerde als voogd over zijn onmondigen
+neef Charilaus of Leobotas, maar door verschillende partijen verdacht
+gemaakt, vond hij het raadzaam het land te verlaten. Na 10 jaar
+op Creta, in Klein-Azië en Aegypte gereisd te hebben, keerde hij
+naar zijn vaderland terug, waar onder de zwakke regeering van zijn
+neef de burgertwisten eene gevaarlijke hoogte bereikt hadden. Met
+goedkeuring van het delphische orakel voerde hij eene geheel nieuwe
+staatsregeling in, geheel gegrond op de eigenaardigheden van het
+dorische volkskarakter, en waarvan dan ook de voornaamste trekken in
+andere dorische staten teruggevonden worden. Hij verdeelde de politieke
+macht onder de koningen, den raad (gerousia) en de volksvergadering,
+schreef gelijkheid van grondeigendom, gemeenschappelijke maaltijden
+(syssitia) voor de burgers, strenge leefregels en eene harde,
+wezenlijk militaire tucht voor, en trachtte iedere verandering te
+beletten of te bemoeielijken door een aantal bepalingen, als het weren
+van vreemdelingen, het verbod om te reizen, de beperking van handel
+en nijverheid, enz. V. s. was de geheele wetgeving, om gemakkelijker
+in het geheugen geprent te kunnen worden, in korte verzen (rhetrai)
+vervat. Toen hij gereed was, liet hij zijne medeburgers zweren niets
+aan zijne wetten te veranderen, voordat hij van een reis naar het
+delphische orakel teruggekeerd zou zijn, en toen dit zijn werk had
+goedgekeurd, eindigde hij in ballingschap zijn leven. De Spartanen
+vereerden hem eeuwen lang als een god en als den grondlegger hunner
+grootheid en hunner voortreffelijkheid in den oorlog. De wetgeving
+van Lyc. bleef in hoofdzaak eeuwen lang in stand, en eerst na den
+peloponnesischen oorlog wordt de eerste gewichtige verandering er in
+vermeld. Z. Epitadeus. Het is echter niet aan te nemen dat de geheele
+maatschappelijke en staatkundige inrichting van Sparta haar ontstaan
+aan één persoon te danken zoude hebben, en van vele instellingen kan
+men met zekerheid aantoonen, dat zij van veel lateren tijd zijn dan
+dien, waarin Lyc. zou geleefd hebben. Door velen wordt betwijfeld,
+dat er iemand bestaan zou hebben, die met recht de wetgever van Sparta
+genoemd zou kunnen worden.--6) Athener, aanvoerder der aristocratische
+partij in de burgertwisten na de wetgeving van Solon.--7) Athener,
+zoon van Lycophron, geb. 390, trad bij het dreigende gevaar van
+den kant van Macedonië als een krachtig verdediger der politiek van
+Demosthenes en Hyperides op; vooral verwierf hij roem door zijn beheer
+der financiën (338-327) en door zijne bemoeiingen tot versterking der
+vloot. Ofschoon de eenige redevoering, die van hem overgebleven is,
+hem niet als een van de eerste redenaars doet kennen, werd hij onder
+de 10 attische redenaars opgenomen. Hij stierf in 325/4 en werd op
+staatskosten begraven, nadat hem reeds bij zijn leven menig eerbewijs
+van het dankbare volk was ten deel gevallen.
+
+Lycus, Lykos, 1) zoon van Poseidon en Celaeno, die door zijn vader een
+plaats op de eilanden der gelukzaligen verkreeg.--2) zoon van Hyrieus,
+vluchtte met zijn broeder Nycteus wegens een moord naar Thebe, waar
+zij gastvrij ontvangen werden. Na den dood van Nycteus regeerde hij als
+voogd over Labdacus, en toen deze gestorven was, over Laïus. Z. Amphion
+en Antiope.--3) zoon van den vorigen of van Poseidon, vermoordde
+gedurende eene afwezigheid van Heracles diens schoonvader Creon,
+en bedreigde ook Megara en hare kinderen, toen Heracles terugkeerde
+en hem doodde.--4) zoon van Pandion, vluchtte voor zijn broeder Aegeus
+naar het land der Termilae, dat naar hem Lycië genoemd werd. Hij was de
+stamvader der Lycomidae of Lycomedae, een geslacht van priesters bij
+de eleusinische mysteriën.--5) zoon van Dascylus, koning van Mysië,
+die de Argonauten en Heracles gastvrij opnam. Heracles veroverde voor
+hem het land der Bebryces, dat naar hem Heraclea genoemd werd.--6)
+uit Rhegium, leefde onder Ptolemaeus I en II, schreef een werk over
+de geschiedenis van Libyë, verder over Sicilië en over Thebe.
+
+Lycus, Lykos, 1) rivier in Assyria, zijtak van den Tigris, ook Zabatas
+genoemd.--2) rivier in Pontus, zijtak van den Iris.--3) rivier in
+Phrygia, die tusschen Colossae en Laodicea een eind onder den grond
+voortstroomt en in den Maeander valt.--4) riviertje in Bithynia,
+bij Heraclea.
+
+Lydda, ta Lydda, stad in Palaestina, later Diospolis, tusschen Joppe
+en Jerusalem.
+
+Lydia, Lydia, land in het W. van Asia minor, oudtijds Maeonia
+geheeten; later heet nog het oostelijk gedeelte, aan den Boven-Hermus,
+Maeonia. Lydia wordt begrensd ten N. door Mysia, ten O. door Phrygia,
+ten Z. door Caria, terwijl de kust met grieksche steden bezet is. Het
+was een zeer oude staat. Van ± 1600 tot ± 1300 heerschte, volgens
+de latere grieksche overlevering, de dynastie der Atyaden, daarna
+die der Heracliden tot ± 687, toen met Gyges, de eerste historische
+persoonlijkheid, de Mermnaden op den troon kwamen. Onder dit huis
+werden de grieksche steden op de kust onderworpen. De grootste macht
+en uitgebreidheid bereikte het lydische rijk onder Croesus, doch toen
+werd het ook in eens door Cyrus ten val gebracht en tot eene perzische
+provincie gemaakt. Onafhankelijk is het daarna niet meer geweest. De
+Lydiërs, Lydoi, vroeger Maeones, Meones, vóór de perzische verovering
+een krijgshaftig volk, werden kunstmatig verwijfd gemaakt. Ze hebben
+reeds vroeg grieksche zeden en grieksche goden overgenomen en de
+grieksche taal is spoedig in hun land doorgedrongen. De Grieken
+meenden, dat de Etruscers van lydische afkomst waren; vandaar bij
+Vergilius Lydi = Etruscers, Lydius Thybris = de Tiber. In Lydia
+behooren de mythen te huis van Tantalus en van Midas, den koning met
+de ezelsooren. De hoofdstad is Sardes.
+
+Lydiadas, Lydiadas, tyran van Megalopolis, een dapper en heerschzuchtig
+man, legde de alleenheerschappij neder, toen hij zag dat alle tyrannen
+in de Peloponnesus voor het achaeisch verbond wijken moesten. Later
+(233) werd hij strateeg van het verbond, maar Aratus verdrong hem. Toen
+Cleomenes in het gebied van Megalopolis een inval deed (226), verjoeg
+L. hem aan het hoofd zijner ruiterij, hij waagde zich echter te ver
+bij het vervolgen der vijanden, werd omsingeld en gedood.
+
+Lydias, Lydias, ook Ludias, Loudias, rivier in Macedonia, die in
+zijn loop het meer Borborus vormt en zich vroeger in den Haliacmon
+uitstortte; tegenwoordig hebben deze twee stroomen ieder een eigen
+monding.
+
+Lygdamis, Lygdamis, 1) hoofd der volkspartij op Naxus, moest voor
+de aristocratische partij het veld ruimen. Hij hielp Pisistratus bij
+diens pogingen om naar Athene terug te keeren, deze ondersteunde hem
+later wederkeerig, en zoo gelukte het hem, zich de alleenheerschappij
+over Naxus te verschaffen. Na eene regeering van 15 jaar echter werd
+hij door de Spartanen verjaagd (525).--2) tyran van Halicarnassus,
+vader van Artemisia (no. 1).
+
+Lygdamus, dichter uit den kring van Messalla, waarschijnlijk een
+pseudonym, z. Albii.
+
+Lyncestis, Lynkestis, een der westelijke landschappen van Macedonia,
+met eene illyrische bevolking, die oudtijds eigen vorsten had uit
+het geslacht der Bacchiaden. De inwoners heetten Lyncestae, Lynkestai.
+
+Lynceus, Lynkeus, 1) zoon van Aegyptus, z. Danaüs.--2) een van de
+Apharetidae (z.a.); hij had zulk een scherp gezicht, dat hij in het
+binnenste der aarde kon zien.
+
+Lyncus, Lynkos, koning van Scythië of van Sicilië, die van Triptolemus
+den akkerbouw leerde. Om zich de eer van de nieuwe uitvinding toe
+te eigenen, wilde hij Triptolemus dooden, maar Demeter voorkwam hem,
+en veranderde hem in een los.
+
+Lyra, Lyra, 1) zeer oud muziekinstrument, met 3-9 snaren bespannen,
+dat men met de vingers van beide handen bespeelde, of met een plectrum
+in de eene hand en de vingers van de andere. De uitvinding er van
+wordt aan Hermes toegeschreven.--2) sterrenbeeld, naar men meende de
+lier van Orpheus.
+
+Lyrische poëzie, omvat in het algemeen alle gedichten, die niet tot de
+epische of dramatische poëzie behooren, in het bijzonder echter die
+gedichten, die bestemd waren onder begeleiding van muziek en dans
+gezongen te worden. Hiertoe behooren de melische en de chorische
+poëzie, waarvan de eerstgenoemde liederen bevat, die door een
+enkel persoon onder begeleiding van muziek voorgedragen werden, en
+waarin de dichter, geheel anders dan in het epos of drama, aan zijne
+persoonlijke gevoelens en gedachten uiting geeft, terwijl tot de andere
+hymnen en gezangen behooren, die bij godsdienstige plechtigheden,
+feesten, enz., door een koor onder het uitvoeren van reidansen werden
+gezongen. De melische (aeolische) poëzie bloeide in de 7de en 6e eeuw,
+en werd vooral door dichters van den aeolischen stam (Alcaeus, Sappho)
+beoefend, de chorische (dorische) was reeds in zeer ouden tijd een deel
+van den eeredienst en bleef lang in handen der Doriërs, totdat zij
+in de 7de eeuw door Stesichorus, Arion e. a. tot een hoogen trap van
+volmaaktheid gebracht werd en sedert overal in Griekenland beoefenaars
+vond (Ibycus, Simonides, Pindarus, Bacchylides).--De Rom. hebben
+eerst tegen het einde der republiek op dit gebied iets geleverd,
+hun eerste lyrische dichter is Catullus, hun voornaamste Horatius.
+
+Lyrnessus, Lyrnessos, stad in Mysia, ten Z.O. van Adramyttium. Hier
+hadden de Grieken Hippodamia, de dochter van Briseus (Briseis) buit
+gemaakt. Zie Briseis.
+
+Lysander, Lysandros, 1) Lacedaemoniër, werd in 407 aan het hoofd van
+de vloot geplaatst. Daar hij zijne macht niet tegen die der Atheners
+opgewassen achtte, vermeed hij een open gevecht en trachtte hij zich
+ten eerste in alle staten met de oligarchische partijen in betrekking
+te stellen. Van de goede gezindheid van Cyrus, die kort te voren als
+satraap aan de kust gekomen was, maakte hij gebruik om zich ruime
+middelen voor het onderhoud van zijn vloot te verschaffen. Daar echter
+na afloop van zijn ambtsjaar de toestand niet merkbaar veranderd was,
+en hij vreesde dat zijn opvolger Callicratidas, een man van een geheel
+ander karakter dan hij, zijn werk ongedaan zoude maken, liet hij dezen
+door zijne vrienden en bondgenooten allerlei moeielijkheden in den
+weg leggen. Toen Callicratidas in den slag bij de Arginusen het leven
+verloren had, kreeg L. weder het opperbevel, ofschoon hij volgens de
+wet niet voor de tweede maal den titel van opperbevelhebber (nauarchos)
+voeren mocht. Door Cyrus weder ruim met geld ondersteund, zoodat hij
+na afloop van den oorlog nog 470 talenten naar Sparta medebracht,
+wist hij de Atheners in den waan te brengen, dat hij het weder niet
+tot een slag zou laten komen; ondertusschen wachtte hij het gunstige
+oogenblik af, totdat hij bij Aegospotami bij verrassing de geheele
+atheensche vloot van 180 schepen konde nemen; 3000 gevangenen werden
+ter dood gebracht. Alle aziatische en thracische bondgenooten van
+Athene vielen nu af, overal stelde L. eene regeering van 10 mannen
+in, waarvoor overal personen gekozen werden, bereid om alles te doen
+wat hij wilde. Daarop belegerde en nam hij Athene, liet hij de muren
+afbreken en stelde hij de regeering der 30 in, eindelijk dwong hij ook
+Samus, den eenigen staat die zich nog verzette, tot overgave. L. was
+toen de meest gevierde man in Griekenland, zijn roem werd door dichters
+bezongen, en menige stad richtte voor hem een altaar op als voor een
+god; hij had zijn doel bereikt, en Sparta tot den eersten staat in
+Griekenland, zichzelf tot den eersten man in Sparta gemaakt. Maar niet
+alleen dat zijn geluk veel afgunst verwekte, de middelen, die hij te
+baat nam om zijne macht te handhaven, maakten hem algemeen gehaat; met
+dobbelsteenen, zeide hij, bedriegt men kinderen, met eeden mannen. Toen
+de 30 mannen te Athene door de atheensche ballingen bedreigd werden,
+en L. hen met zijn leger kwam verdedigen, bewerkte koning Pausanias een
+vergelijk tusschen de partijen, waarvan het herstel der democratie
+het gevolg was. Ook in de andere staten moesten de ephoren, ten
+gevolge van de luide klachten der bevolking, een einde maken aan
+de regeering der 10 mannen. En toen L. later de verloren macht
+poogde te herwinnen, terwijl hij Agesilaus, die door zijn toedoen
+de regeering gekregen had, op zijn veldtocht in Azië vergezelde,
+trad deze zoo vastberaden tegen hem op, dat L. spoedig naar Europa
+terugkeerde. Door Pausanias tegengewerkt en door Agesilaus gekrenkt,
+beraamde hij nu het plan tot eene omwenteling, ten einde het erfelijk
+koningschap omver te werpen en de regeering voor alle Heracliden,
+waartoe ook hij behoorde, toegankelijk te maken. Om zich hiervoor
+steun te verschaffen, deed hij reizen naar de orakels van Delphi,
+Dodona en Ammon, maar hij vond, naar het schijnt, nergens wat hij
+wenschte. Zijne plannen kwamen ook niet tot uitvoering, want inmiddels
+brak de corinthische oorlog uit. L. werd naar Boeotië gezonden om
+zich bij Haliartus met Pausanias te vereenigen, het plan mislukte,
+hetzij Pausanias te laat kwam, hetzij L. met overijling te werk ging,
+en bij een aanval op Haliartus sneuvelde hij (395).--2) ephoor ten
+tijde van Agis III en begunstiger van diens hervormingsplannen.
+
+Lysanoridas, Lysanoridas, een van de spartaansche harmosten, die in
+379 de Cadmea aan de Thebanen overgaven; om zich aan de zware boete
+te onttrekken, waartoe hij hiervoor veroordeeld werd, ging hij in
+ballingschap.
+
+Lysias, Lysias, zoon van Cephalus no. 2, geb. ± 445, ging, nadat hij
+eene voortreffelijke opvoeding genoten had, op den leeftijd van 15
+jaar naar de atheensche volkplanting te Thurii. Daar beoefende hij
+onder leiding van Tisias welsprekendheid en wijsbegeerte, en stond hij,
+gedeeltelijk ook wegens zijn aanzienlijk vermogen, in hoog aanzien. Ten
+gevolge van de Athene vijandige stemming, die na den ongelukkigen
+afloop van de expeditie naar Sicilië in Thurii opkwam, moest hij echter
+met zijn broeder Polemarchus en 300 anderen, allen erkende aanhangers
+der democratie, van daar vluchten, en keerde hij in 412 naar Athene
+terug. Ook daar genoot hij, evenals zijn broeder, aller achting en
+vermeerderden zij hun vermogen door eene fabriek van schilden, waarin
+120 slaven werkten. Door de 30 werden zij echter hiervan beroofd,
+Polemarchus werd gedood en L. moest naar Megara vluchten, van waar hij,
+zooveel als zijn verminderd vermogen het toeliet, krachtig medewerkte
+tot herstel der democratie. Zoodra hij teruggekeerd was, klaagde hij
+Eratosthenes, een van de 30, aan wegens den moord van Polemarchus,
+en de redevoering, die hij bij deze gelegenheid hield, verwierf zoo
+grooten lof, dat hij besloot voortaan zijn beroep te maken van het
+schrijven van pleitredenen. Zijne tijdgenooten waren zoo ingenomen
+met zijn werk, dat hij 233 redevoeringen geschreven heeft, waarvan
+hij alleen de genoemde zelf hield; de nog bestaande, 34 in aantal,
+die echter waarschijnlijk niet alle echt zijn, munten uit door zuivere
+taal, duidelijkheid, en vooral door een afwisselenden stijl, die met
+zeldzame bekwaamheid steeds in overeenstemming gebracht is met het
+karakter en de omstandigheden der verschillende sprekers. Door de
+alexandrijnsche geleerden werd hij onder de 10 attische redenaars
+opgenomen. Hij bereikte den leeftijd van 80 jaar.
+
+Lysicles, Lysikles, 1) atheensch demagoog, na den dood van Pericles
+met Aspasia gehuwd.--2) atheensch veldheer in den slag bij Chaeronea,
+op eene aanklacht van Lycurgus (no. 7) ter dood veroordeeld.
+
+Lysicrates, Lysikrates, Athener, die als choreeg in 334 den prijs won;
+het door hem volgens gewoonte opgerichte gedenkteeken (choregikos
+tripous, z. Choragus) bestaat nog; zie de afbeelding bij Athenae,
+blz. 103.
+
+Lysimachea, Lysimacheia, bij de Rom. Lysimachia, vesting door
+Lysimachus na de verwoesting van Cardia op de thracische Chersonesus
+gesticht op de plaats, waar de Hellespont in de Propontis overgaat
+(309). De inwoners van Cardia en Pactye en andere plaatsen in de
+buurt gelegen, werden hierheen overgebracht. De plaats diende als
+hoofdstad van zijn nieuw gesticht rijk.
+
+Lysimachus, Lysimachos, van Pella, zoon van Agathocles, geb. omstreeks
+355, generaal en later vertrouwd vriend van Alexander d. G.,
+onderscheidde zich vooral bij den indischen veldtocht en werd bij
+Sangala gewond. Na den dood van Alexander kreeg hij Thracië (323), en
+had daar zooveel te doen met het bestrijden zijner barbaarsche buren,
+dat hij zich lang buiten de twisten tusschen de andere veldheeren
+van Alex. hield. In 316 vereenigde hij zich echter met Ptolemaeus en
+Seleucus tegen Antigonus, doch deze wist hem nog lang in zijn eigen
+land bezig te houden. In 309 stichtte hij Lysimachea (z. a.). In 306
+nam hij, evenals Antigonus, Ptolemaeus e. a., den titel van koning
+aan. In 302 begon hij den oorlog in Azië tegen Antigonus, en hoewel hij
+eerst voor de overmacht van zijn vijand moest wijken, behaalde hij in
+het volgende jaar met Seleucus de groote overwinning bij Ipsus. Hij
+verstiet toen zijne eerste gemalin, Amastris (no. 2), en huwde met
+Arsinoë (no. 7). In 297 begon Demetrius Poliorcetes de vijandelijkheden
+op nieuw en in 294 moest L. hem als koning van Macedonië erkennen,
+doch na eene mislukte poging om de Geten te onderwerpen, waarbij
+hij overwonnen en gevangen genomen, maar weldra weder vrij gelaten
+werd, verdreef hij hem met de hulp van Ptolemaeus en Seleucus (287),
+gaf de regeering aan Pyrrhus van Epirus, doch ontnam hem die weder
+na een jaar. Toen hij nu zijn zoon Agathocles op aandrijven van
+Arsinoë en van Ptolemaeus Ceraunus had laten vermoorden, vielen vele
+bloedverwanten en getrouwen van hem af, zijn achterdocht en wreedheid
+verwekte allerwege ontevredenheid, en weldra was geheel Klein-Azië
+tegen hem in opstand. Haastig trok hij over den Hellespont om de
+afvalligen te onderwerpen, maar in de vlakte van Corus, Korou pedion,
+ontmoette hij Seleucus, tot wien de weduwe van Agathocles gevlucht was;
+het kwam tot een gevecht, waarin L. overwonnen werd en sneuvelde (281).
+
+Lysimelea palus, Lysimeleia limne, meer bij Syracusae, vroeger Syraco
+genoemd, waarvan dan de naam der stad zou afgeleid zijn.
+
+Lysippe, Lysippe, eene van de Proetides.
+
+Lysippus, Lysippos, van Sicyon, eerst smidsleerling, later beroemd
+beeldhouwer, die vooral voor Alexander d. G. en diens omgeving
+werkte. Alex. wilde zich door geen ander kunstenaar laten afbeelden. De
+op blz. 81 afgebeelde Ares wordt voor een copie van een werk van hem
+gehouden. Zijn meest bekende werk is de Apoxyomenus, waarvan het
+Vaticaansche Museum een voortreffelijke copie bezit. Hij beeldde
+de menschen niet af zooals ze zijn, maar zooals ze zich voordoen,
+quales esse videntur.
+
+Lysis, Lysis, 1) Athener, leerling van Socrates; een van de gesprekken
+van Plato is naar hem genoemd.--2) van Tarentum, pythagoreïsch
+wijsgeer, ging na het vernietigen van het pythagoreïsch verbond naar
+Thebe, en werd de leermeester van Epaminondas.
+
+Lysistratus, Lysistratos, 1) arm Athener, betrokken in het proces
+der Hermocopiden, hij werd ter dood veroordeeld, maar vluchtte.--2)
+beroemd beeldhouwer, broeder van Lysippus.
+
+Lysius, Lysios = Lyaeus.
+
+Lystra, Lystra, stad in Isauria, ten Z. van Iconium.
+
+Lyttus = Lyctus.
+
+
+
+
+
+
+M.
+
+
+Macae, Makai, naam van twee volksstammen: op de arabische kust der
+Perzische golf en op de libysche kust tusschen de Syrten.
+
+Macar, Macareus, Makar, Makareus, 1) een van de Heliadae (z. a.),
+vluchtte na den moord van Tenages naar Lesbus.--2) broeder van Canace
+(z. a.).--3) een van de tochtgenooten van Odysseus.--4) een van de
+Lapithen op de bruiloft van Pirithous.
+
+Macareis, Issa, dochter van Macar no. 1, beminde van Apollo.
+
+Macaria, Makaria, dochter van Heracles en Deïanira, vluchtte met hare
+broeders uit de Peloponnesus naar Attica, en beroofde zich vrijwillig
+van het leven, toen Eurystheus hen vervolgde, omdat een orakel op
+die voorwaarde aan de Heracliden de overwinning beloofd had.
+
+Macaria, Makaria, oude naam van zeer vruchtbare eilanden, als
+Lesbus, Rhodus, Cyprus. Ook elders dragen vruchtbare streken dezen
+naam, o. a. de vlakte van Messenia, die door de rivier de Pamisus
+doorstroomd wordt.
+
+Maccabaei, een joodsch geslacht, onder welks leiding de Joden zich
+ten tijde van Antiochus IV van de syrische heerschappij bevrijdden,
+en dat gedurende meer dan eene eeuw de regeering in handen had
+(167-40). De laatste der M. werd door Herodes gedood.
+
+Maccus, een soort van domme Pierrot in de fabulae Atellanae.
+
+Macedonia, Makedonia. De bakermat van het macedonische rijk
+is te zoeken in het landschap Emathia, ten W. van den Axius
+(Vardar). Hierdoor vindt men den naam Emathia ook voor Macedonia
+gebruikt. Hoewel de macedonische koningen de omliggende volken aan
+hun heerschappij trachtten te onderwerpen, bleef Macedonia toch een
+onbeteekenende staat tot aan de troonsbeklimming van Philippus II
+in 360. Deze vergrootte zijn rijk met Paeonia, een deel van Thracia
+en met het gebied der grieksche volkplantingen langs de kust en op
+Chalcidice, en maakte van Maced. in de 24 jaren zijner regeering
+eene machtige zee- en landmogendheid, die den Grieken de hegemonie
+afdwong. Zijn zoon Alexander de Gr. zette de veroveringen op nog
+grooter schaal voort. In het tijdperk der diadochen werd Maced. wel
+tot het europeesche gedeelte van het groote rijk beperkt, doch bleef
+toch een machtige staat, totdat de oorlog, door Philippus III tegen de
+Rom. gevoerd (200-197) het in eens van Rome afhankelijk maakte. Onder
+zijn zoon Perseus (179-168) werd het geheel een buit der Rom., die het
+voorloopig in vier republieken splitsten (Amphipolis, Thessalonica,
+Pella, Pelagonia), totdat het in 146 formeel tot rom. provincie
+werd gemaakt. De eigenlijke Macedones waren Grieken, die echter in
+hun ontwikkeling teruggebleven waren, daar ze door niet-grieksche,
+thracische en illyrische, stammen omgeven waren. Ze werden derhalve
+door de overige Grieken met minachting als barbaren beschouwd.
+
+Macella, kleine vesting in het W. van Sicilia, in het binnenland ten
+N. van Entella gelegen.
+
+Macellum (van makellon, omheining), overdekte marktplaats voor eetwaren
+te Rome. Er waren er twee: macellum Liviae op den Esquilijnschen,
+macellum magnum op den Caelischen berg. Ook in Pompeii heeft men een
+macellum opgegraven, waarvan de afbeelding op pg. 382 een voorstelling
+geeft.
+
+Macer, naam van twee rom. dichters. De een, Aemilius Macer, uit Verona,
+gest. 16, een vriend van Vergilius en Ovidius, vertaalde in latijnsche
+verzen de dichtwerken van den arts Nicander (2de eeuw) van Colophon. De
+ander, C. Licinius Macer Calvus (82-48), was lierdichter en een
+vriend van Catullus. Zie verder Licinii no. 6. Verder maakt Ovidius
+nog melding van een vriend Macer, vervaardiger van epische gedichten.
+
+Macestus, Makestos, rivier in Mysia, die zich met den Rhyndacus
+vereenigt.
+
+Machaerus, Machairous, sterke grensvesting van Palaestina, in het
+Z. van Peraea, ten O. der Doode Zee. Hier heeft Johannes de Dooper
+gevangen gezeten.
+
+Machanidas, Machanidas, Spartaan, die zich in 210 van de
+alleenheerschappij meester maakte en wreed regeerde; na drie jaar
+viel hij in een strijd tegen het achaeïsch verbond (207).
+
+Machaon, Machaon, zoon van Asclepius en Epione, met zijn broeder
+Podalirius aanvoerder van eenige thessalische volken in den oorlog
+tegen Troje, waarin hij den dood vond. Zijne beenderen werden door
+Nestor naar Griekenland medegenomen, en bij Gerenia vond men zijn
+graf met een heiligdom.--Beide broeders waren vooral beroemd als
+geneesheeren, en de naam van M. wordt soms spreekwoordelijk voor een
+bekwaam geneesheer gebruikt.
+
+Machlyes, Machlyes, 1) een libysche stam aan de kleine Syrte, ten
+Z. van de Tritonzee.--2) een scythische stam aan de palus Maeotis
+(zee van Azow).
+
+Macistus, Makistos, stad in het elische landschap Triphylia. Ook een
+gebergte op Euboea.
+
+Macra, Makres, grensriviertje tusschen Liguria en Etruria, valt
+bij Luna in de Ligurische zee. Oudtijds was het met den Rubico de
+Noordgrens van het eigenlijk Italië.
+
+Macri campi, vlakte tusschen Parma en Mutina (Modena) in Gallia
+Cisalpina.
+
+Macrinus (M. Opellius), eerst jurist, later praefectus praetorio onder
+Caracalla, vernam bij toeval, dat de keizer hem uit den weg wilde
+ruimen en liet toen heimelijk Caracalla ombrengen (217 n. C.). Het
+leger keurde de verheffing van Macrinus op den troon goed. Deze nam
+zijn jeugdig zoontje Diadumenianus tot medekeizer aan. Na eene niet
+zeer roemrijke regeering van 14 maanden (217-218) werden vader en
+zoon door de oproerige troepen vermoord.
+
+Macro (Naevius Sertorius), praefectus praetorio onder Tiberius,
+opvolger van Seianus, bracht in 37 na C. Tiberius om, doch werd met
+zijne vrouw Ennia door Caligula uit den weg geruimd (38).
+
+Macrobii, Makrobioi, aethiopische volksstam langs den Z. oceaan.
+
+Macrobius (Ambrosius Theodosius), rom. taalgeleerde (± 400 na C.),
+van wien nog twee werken aanwezig zijn: Saturnalia convivia, in 7
+boeken, en Commentarii in Somnium Scipionis, in 2 boeken.
+
+Macrones, Makrones, machtige stam aan de Z. kust van de Zwarte Zee,
+in het O. van Pontus, tusschen de Mosynoeci en de Moschi.
+
+Mactorium, Maktorion, stad in het Z. van Sicilia, ten N. van Gela.
+
+Madaura of -rus, Madouros, stad in Numidia, ten Z.O. van Tipasa,
+geboorteplaats van den schrijver L. Appuleius.
+
+Madena, distrikt van Armenia Minor.
+
+Maduateni, thracische stam aan den Haemus.
+
+Madytus, Madytos, havenstad van de thracische Chersonesus, aan den
+Hellespontus.
+
+Maeander, Maiandros, rivier in Asia minor, ontspringt in het Z. van
+Phrygia bij Celaenae, loopt met tallooze kronkelingen door Caria en
+Ionia en valt tegenover Miletus in zee. De stroomgod is de grootvader
+van Caeneus, die dan ook Maeandrius iuvenis wordt geheeten.
+
+Maeandrius, Maiandrios, regeerde na den dood van Polycrates (522),
+wiens geheimschrijver hij geweest was, eenigen tijd over Samus,
+toen echter na korten tijd Syloson door de Perzen teruggebracht werd
+(omstreeks 516), vluchtte M. naar Sparta, waar men hem wegens de
+schatten, die hij had medegebracht, gevaarlijk achtte en hem het
+verblijf in de stad verbood.
+
+Maecenas, zie Cilnii.
+
+Maecius Tarpa (Sp.), kunstcriticus van grooten naam, wien door
+Augustus de beoordeeling en keus der op te voeren tooneelstukken
+werd opgedragen.
+
+Maedi, Maidoi, thracische volksstam aan den Strymon.
+
+Maelii, plebejisch geslacht te Rome. 1) Sp. Maelius, rom. ridder,
+had in den hongersnood van 440 op groote schaal uitdeelingen van
+koren onder de onvermogenden gehouden. De patriciërs, naijverig
+op de genegenheid van het volk, beschuldigden hem van opruiing en
+eerzuchtige bedoelingen. Op zijne weigering, om voor het gerecht
+te verschijnen, werd hij door C. Servilius Ahala, mag. equitum van
+L. Quinctius Cincinnatus, die tot dictator seditionis sedandae causa
+benoemd was, op het forum doodgestoken (439). Het vermogen van Maelius
+werd verbeurd verklaard en zijn huis met den grond gelijk gemaakt; de
+open plek hierdoor ontstaan, kreeg den naam van Aequimaelium. Volgens
+een oudere lezing van het verhaal stak C. Servilius Ahala als
+ambteloos burger op straat Sp. Maelius dood, omdat deze naar de
+alleenheerschappij streefde. Het verhaal, waarvan alleen historisch
+is de terechtstelling van Maelius en het neerhalen van zijn huis,
+heeft, door het sanctionneeren van den tyrannenmoord, op de latere
+geschiedenis (men denke aan de vermoording van Caesar) ingewerkt.--2)
+Sp. Maelius, volkstribuun in 436, vervolgde den bovengenoemden
+Servilius Ahala, die den gepleegden moord met ballingschap moest
+boeten.--3) Q. Maelius, was een der twee volkstribunen, die in 321 in
+de bergengte van Caudium den vrede met de Samnieten hielpen sluiten
+en hierom met de beide consuls werden uitgeleverd.
+
+Maelo, vorst der Sygambri, deed in 12 een inval in Gallia, maar werd
+door Drusus teruggedreven. Zie Claudii no. 26.
+
+Maemacterion, Maimakterion, 5de maand van het Attische jaar
+(Nov.-Dec.), z. Annus.
+
+Maemactes, Maimaktes, bijnaam van Zeus als god der stormen; te zijner
+eer werden in de maand Maemacterion de Maemacteria gevierd.
+
+Maenades, Mainades, = Bacchae.
+
+Maenalia, Mainalia, landstreek in Arcadië, ten W. van den berg
+Maenalus.
+
+Maenalius, Mainalios, bijnaam van Pan, naar het gebergte Maenalus,
+waar hij zich bij voorkeur ophield.
+
+Maenalus, Mainalon oros, berg en stad in het binnenland van Arcadia,
+ten ZW. van Mantinea, geliefkoosd verblijf van den god Pan. Bij
+dichters: Maenalius deus = Pan, Maenalius = arcadisch, Maenalis ursa =
+Callisto, Maenalii versus = herderszangen.
+
+Maenia (columna), zie columna Maenia.
+
+Maenia (lex), waarschijnlijk ± 287, v.a. van ± 300, ut in
+incertum comitiorum eventum patres auctores fierent, d.w.z. dat
+de patricische leden van den senaat (zie patres) vooraf de keuzen
+van de volksvergadering, hoe die ook mochten uitvallen, moesten
+bekrachtigen. Hierdoor werd de patrum auctoritas niet afgeschaft,
+maar tot een formaliteit gemaakt. Zie ook Publiliae (leges) no. 2.
+
+Maenia (Menenia) (lex) agraria van den volkstribuun M. Maenius
+(Menenius), ging niet door, daar zijne ambtgenooten er tegen waren
+(410). Daar leges agrariae in werkelijkheid zoo vroeg niet voorkomen,
+is hoogst waarschijnlijk ook deze wet, evenals de lex Cassia (zie
+agrariae leges), verzonnen.
+
+Maenia (of Menenia) Duilia (lex), zie Fenus.
+
+Maenianum, balkon aan de voorzijde van een huis, genoemd naar
+C. Maenius, die als censor in 318 de gebouwen aan het forum van balkons
+voorzag, om bij openbare feesten meer toeschouwers te kunnen bergen.
+
+Maenii, plebejisch geslacht. In 482 en 410 komen Maenii onder de
+volkstribunen voor met pogingen om ook de plebs aandeel aan den
+ager publicus te verschaffen. De eerste historische persoonlijkheid
+is C. Maenius, die in 338, als consul met L. Furius Camillus (Furii
+no. 12), voorspoedig streed tegen de opgestane Latijnen, vooral tegen
+Antium. In 320 was hij dictator; in 314 werd hij weder tot dictator
+gekozen om eene samenspanning te Capua te onderzoeken. Toen hij echter
+zijn onderzoek ook tot Rome wilde uitbreiden, verzette zich de adel,
+waarop hij zijn ambt neerlegde en zich aan een rechterlijk onderzoek
+onderwierp, dat glansrijk voor hem afliep. Men vertelt, dat ter eere
+zijner overwinning op de Antiaten de columna Maeniana (z. a.) op het
+forum is opgericht. Zie ook maenianum. In de eerste helft der 2de eeuw
+moet er te Rome een gek en verkwister geleefd hebben met name Maenius,
+over wien Horatius spreekt.
+
+Maeon, Maion, de aanvoerder der 50 Thebanen, die Tydeus een hinderlaag
+legden en allen door dezen verslagen werden. M. liet hij echter op
+bevel van een orakel in leven.
+
+Maeonia, Maionia, oude naam van Lydia (z. a.) en dientengevolge ook
+dichterlijk = Etruria.
+
+Maeonides, Maionides, wordt Homerus soms genoemd als zoon van Maeon
+of als Lydiër (Maeoniër).
+
+Maeonis, lydische (maeonische) vrouw, bijv. Omphale, Arachne.
+
+Maeotis palus, Maiotis limne, thans zee van Azow. De omwonende
+scythische stammen werden met den algemeenen naam Maeotae aangeduid.
+
+Maera, Maira, 1) de hond van Erigone, z. Icarius.--2) dochter van
+Proetus, jachtgezellin van Artemis; zij werd bij Zeus moeder van
+Locrus en werd daarom door Artemis gedood.--3) dochter van Atlas,
+gehuwd met Tegeates, den zoon van Lycaon.
+
+Maesesses = Melesses.
+
+Maevius, zie Bavius.
+
+Magaba, berg in Galatia, tusschen Ancyra en den Halys, waar Cn. Manlius
+Vulso in 189 de Tectosages versloeg.
+
+Magas, Magas, stiefzoon van Ptolemaeus I, werd door dezen tot
+stadhouder over Cyrene aangesteld, doch maakte zich onafhankelijk
+(280), en wist zich ook tegen Ptolemaeus II te handhaven. Hij stierf
+in 258. Zie ook Apama no. 2.
+
+Magdolum, Magdolon, Magdolon, stad in Beneden-Aegypte, ten Z.Z.W. van
+Pelusium.
+
+Mageddo = Megiddo.
+
+Magetobriga, stad der Sequani in Gallia Transalpina.
+
+Magi, Magoi, een medisch geslacht van priesters, droomuitleggers
+en orakelduiders, die ook in het staatkundige grooten invloed
+uitoefenden. Toen de heerschappij van de Mediërs op de Perzen overging,
+bleven de Magi hunne waardigheden behouden.
+
+Magii, plebejisch geslacht uit Campania.
+
+Magister admissionum, onder de latere keizers de opperkamerheer, die
+belast was met de toelating en ontvangst ter audiëntie bij den keizer.
+
+Magister equitum, zie dictator.
+
+Magister officiorum, hofmaarschalk van de keizerlijke hofhouding. Deze
+post behoorde tot de hooge hofambten, door Constantijn den
+Gr. ingesteld.
+
+Magister populi, oude titel voor den dictator, als aanvoerder van
+het voetvolk.
+
+Magister scriniorum, hoofd der keizerlijke kanselarij. Zie Scrinium.
+
+Magna Mater, z. Rhea Cybele.
+
+Magnentius (Flavius Magnus), rom. tegenkeizer in het W. des rijks,
+ontrukte den troon aan Constans, die in 350 na C. vermoord werd,
+doch werd door Constantius II bij Sirmium in 352 verslagen en benam
+zichzelf in 353 na C. te Lugdunum (Lyon) het leven.
+
+Magnes, Magnes, een van de attische blijspeldichters vóór Aristophanes,
+wiens werken dikwijls den eersten prijs behaalden.
+
+Magnesia, Magnesia, 1) oostelijk gedeelte van Thessalia, eene
+betrekkelijk smalle strook lands; uitloopende in een landtong, die de
+golf van Pagasae als het ware omarmt. De inwoners heetten Magnetes,
+Magnetes.--2) stad in Lydia, aan den voet van den berg Sipylus
+gelegen en daarom Magnesia ad Sipylum genoemd. Hier werd Antiochus
+III van Syria door L. Cornelius Scipio Asiaticus (Cornelii no. 14)
+in 190 verslagen.--3) stad in het lydisch-carische grensdistrikt,
+nabij den Maeander, ten Z.O. van Ephesus, met een beroemden tempel
+van Artemis. Dit Magnesia was eene der drie steden, waarvan Artaxerxes
+de inkomsten aan Themistocles toewees.
+
+Magnum promunturium, kaap aan den mond van den Tagus, thans kaap
+Espichel, ook een kaap in Mauretania Caesariensis, dicht bij Siga.
+
+Magnus portus, 1) haven in Gallaecia, thans baai van Corunha.--2)
+haven in Mauretania, thans Oran.
+
+Mago, Magon, naam van verschillende carthaagsche staatslieden en
+veldheeren, waaronder vooral drie merkwaardig zijn: 1) Mago de Groote,
+± 550-500, beroemd staatsman, die de grondslagen legde tot Carthago's
+grootheid en ook als generaal lauweren verwierf.--2) schrijver van een
+groot werk over den landbouw, dat later op last van den rom. senaat
+in het Latijn werd vertaald.--3) jongere broeder van Hannibal, die
+met dezen naar Italia toog en na den slag bij Cannae naar Carthago
+werd gezonden om het bericht over te brengen en versche troepen
+te halen. Hij werd echter naar Hispania gezonden ter ondersteuning
+van zijn broeder Hasdrubal. In 205 stak hij onverwachts van Gades in
+Spanje, dat hij moest ontruimen, naar Liguria over en veroverde Genua,
+doch werd in 203 in het gebied der Insubres verslagen, en toen hij
+in Genua terugkwam, kreeg hij daar het bevel, naar Carthago terug te
+keeren. V. s. stierf hij onderweg aan zijn wonden of door schipbreuk,
+v. a. leefde hij in 193 nog.
+
+Magontiacum = Mogontiacum.
+
+Maharbal, veldheer van Hannibal, die hem na den slag bij Cannae
+trachtte te overreden om rechtstreeks naar Rome op te trekken.
+
+Maia, Maia, Maias, 1) dochter van Atlas en Pleione, de oudste der
+Pleiaden, bij Zeus moeder van Hermes.--2) italiaansche godin, soms
+ook Maiesta genoemd. Zij is de gemalin van Vulcanus, maar wordt
+later dikwijls met de grieksche Maia verward. De maand Mei was naar
+haar genoemd, en op den 1sten van die maand bracht de priester van
+Vulcanus haar een offer.
+
+Maiesta = Maia no. 2.
+
+Maiorianus (Flavius Iulianus), een der laatste keizers van het
+west.-rom. rijk, 457-461 na C. Hij roeide vele misbruiken uit, waardoor
+hij zich onder de ambtenaren vele vijanden maakte. Toen nu een oorlog
+tegen den vandaalschen koning Geiserik ongelukkig afliep, werd het
+leger onder den Sueef Ricimer tot opstand overgehaald en Maiorianus tot
+afstand gedwongen. Hij stierf weinige dagen later aan eene plotselinge
+ziekte. Het rijk verloor in hem een edel en doortastend vorst.
+
+Makaron nesoi, ver afgelegen eilanden, waar de heroën, evenals in
+het Elysium, na driemaal op aarde zonder zonde geleefd te hebben,
+onder de regeering van Cronus een gelukzalig leven leiden. Zie ook
+Fortunatae insulae.
+
+Makednoi, dorische stam, eerst tijdens Deucalion in Phthiotis, later
+aan den Pindus.
+
+Malaca, Malaka, phoenicische kol., later rom. municipium in Hispania
+Baetica, thans Malaga.
+
+Malchus, Malchos, 1) carthaagsch veldheer, ± 600-550, had eerst op
+Sicilië en Sardinië groote veroveringen gemaakt, en is daardoor de
+eigenlijke grondlegger geworden van de macht van Carthago, maar toen
+hij later op Sardinia eene groote nederlaag geleden had, werd hij uit
+Carthago verbannen. Hij trok toen tegen Carthago te velde, nam het in,
+en liet een aantal senatoren ter dood brengen. Later werd hij zelf ter
+dood veroordeeld, omdat hij naar de monarchie streefde. Het verhaal is
+eenigszins verward, maar toont in elk geval aan, dat het leger toen
+nog uit Carthagers bestond, en geen huurleger was.--2) koning der
+Nabataeërs, bondgenoot van Caesar in den alexandrijnschen oorlog.--3)
+uit Philadelphia no. 2, geschiedschrijver uit de 5de eeuw n. C.,
+die het werk van Priscus no. 2 (z. a.) tot 480 n. C. voortzette.--4)
+= Porphyrius (z. a.).
+
+Malea, Malea, 1) kaap aan de Zuidoostkust van het eil. Lesbus.--2)
+Z.O. punt van de Peloponnesus, thans kaap S. Angelo, die moeielijk
+was om te varen wegens de stroomingen en riffen.
+
+Maleventum, vroegere naam van Beneventum.
+
+Maliades, Malides, Maliades, Malides, nimfen, die kudden en
+vruchtboomen beschermen.
+
+Malis, Malis, een klein landschap aan de Malische golf, sinus Maliacus,
+een N.W. inham der Euboeïsche golf. De inwoners heetten Malienses,
+Malies.
+
+Malli, Malloi, indisch volk aan den Hydraotes, een der zijrivieren
+van den Indus.
+
+Mallii, rom. geslacht, dat geene beroemde personen heeft
+opgeleverd. Bekend is slechts geworden de onbekwame consul Cn. Mallius
+Maximus, die in 105 met den proc. Q. Servilius Caepio (Servilii no. 15)
+den slag bij Arausio tegen de Cimbren verloor. Zie ook Manlii no. 15.
+
+Malloea, Malloia, vesting in het thessalische landschap Perrhaebia.
+
+Mallus, Mallos, oude stad van Cilicia nabij den Pyramus.
+
+Maluginensis, familien. in de gens Cornelia.
+
+Mamercinus, familien. in de gens Aemilia.
+
+Mamercus, een oscische voornaam, dien wij alleen nog in de gens
+Aemilia aantreffen.
+
+Mamertini, zonen van Mamers of Mars, campaansche huurtroepen
+(zie Campania) in dienst van Agathocles, na diens dood (289) uit
+Syracusae verdreven, nestelden zich toen in Messana, van waar zij
+strooptochten deden. Door de Syracusanen in het nauw gebracht, riepen
+de Mam. Carthagers en Rom. te hulp, hetgeen de aanleiding werd tot
+den eersten punischen oorlog. Messana komt vervolgens officieel voor
+onder den naam civitas Mamertinorum. Onder het stadhouderschap van
+Verres speelde de stad de rol van handlangster.
+
+Mamertinus (Claudius), de schrijver van een dankrede aan keizer
+Iulianus (gratiarum actio de consulatu suo Iuliano Imp.), gehouden in
+362 n. C. Hij was door Iulianus benoemd tot comes sacrarum largitionum,
+minister van finantiën, en later tot praefectus praetorio Illyrici
+et Italiae.
+
+Mamilia (lex) van den volkstribuun C. Mamilius Limetanus, tot
+instelling van een gerechtelijk onderzoek tegen hen, die zich door
+Jugurtha hadden laten omkoopen (109).
+
+Mamilii, rom. geslacht, uit Tusculum afkomstig. 1) Octavius Mamilius,
+te Tusculum, schoonzoon van Tarquinius Superbus, verleende hem na
+diens verdrijving hulp en sneuvelde bij het meer Regillus, evenals
+zijn zoon.--2) L. Mamilius Tusculanus, dictator van Tusculum, had
+den Romeinen hulp verleend, toen de Sabijn Herdonius in 460 bij een
+nachtelijken overval het Capitool vermeesterd had. Hiervoor kreeg
+L. Mamilius het rom. burgerrecht.--3) Q. Mamilius Vitulus, consul in
+262, veroverde Agrigentum op de Puniërs.--4) C. Mamilius Limetanus,
+zie Mamilia (lex).
+
+Mammaea (Iulia), moeder van keizer Alex. Severus (Severi no. 2),
+voor wien zij wegens zijne jeugd in den beginne als regentes optrad
+en met beleid het bewind voerde.
+
+Mamurius Veturius, metaalwerker uit Etruria. Zie ancile.
+
+Mamurra, rom. ridder van geringe afkomst, maar die onder Caesar
+in Gallia zijn fortuin had gemaakt en vervolgens te Rome door zijne
+houding en buitensporige levenswijze aanstoot gaf. Hij was uit Formiae,
+dat hierom door Horatius spottend urbs Mamurrarum wordt genoemd.
+
+Mancinus, familienaam in de gens Hostilia.
+
+Mancipatio, is de plechtige overdracht per aes et libram van eene
+zaak in tegenwoordigheid van 5 getuigen en een libripens. De kooper
+nam met een zeker formulier de zaak over en sloeg met een muntstuk
+(raudusculum) tegen de weegschaal. Zulk een mancipatio werd wettelijk
+gevorderd bij den verkoop van res mancipi. De geheele vorm was eene
+nabootsing van een verkoop uit den ouden tijd, toen het geld nog werd
+afgewogen. Deze handeling per aes et libram had ook plaats bij den
+huwelijksvorm door coëmptio en bij de emancipatio.
+
+Mancipi (res). Tot de res mancipi behoorden volgens Ulpianus: praedia
+in Italico solo, tam rustica, qualis est fundus, quam urbana, qualis
+domus; item iura praediorum rusticorum, velut via, iter, actus,
+aquaeductus; item servi et quadrupedes, quae collo dorsove domantur,
+velut boves, muli, equi, asini. Van de genoemde iura of servituten
+beteekent iter het recht te voet of op een rijdier over eens anders
+grond te gaan, via, er met een voertuig over te rijden, actus,
+er vee over te drijven, aquaeductus, er water over te leiden. Zie
+verder servitus no. 1. Ulpianus voegt er nog bij, dat olifanten en
+kameelen, quamvis collo dorsove domentur, geene res mancipi zijn, daar
+zij tot de bestiae behooren. Res mancipi nu konden in rom. eigendom
+overgaan door in iure cessio, afstand ten overstaan van den praetor,
+door gerechtelijke toewijzing of adiudicatio of door eene wet,
+door erfenis en door mancipatio (z. a.). Was er in plaats van de
+vormelijke mancipatie eene eenvoudige traditio of overgave van hand
+in hand gebezigd, dan gaf dit geen wettigen rom. eigendomstitel of
+dominium. Zooals echter bij het artikel ius honorarium is aangewezen,
+kon de praetor toestaan, res mancipi te bezitten, in bonis habere. Door
+verjaring, usucapio, d. i. door ongestoord bezit van roerende goederen
+gedurende één jaar, van onroerende gedurende twee jaren, kon men dan
+toch het dominium verwerven.
+
+Mancipium, 1) = mancipatio.--2) het voorwerp der mancipatie, vooral
+slaven, ook lasten trekdieren.--3) de betrekking van afhankelijkheid,
+waarin vrijen gebracht waren door mancipatie, zooals b.v. de pater
+fiduciarius verkreeg bij de emancipatio (z. a.) en zooals de pater
+naturalis nog slechts over zijn zoon behield, wanneer deze na den
+derden schijnverkoop weder aan hem werd teruggegeven. Of wel, wanneer
+volgens het oudste schuldrecht iemand in de macht van den schuldeischer
+was overgegaan. Een vrije, die in mancipio was, was wel servi loco,
+maar daarom nog geen servus.
+
+Mandane, Mandane, dochter van Astyages, moeder van den ouden Cyrus.
+
+Mandela, sabijnsch dorpje nabij het landgoed van den dichter Horatius.
+
+Mandonius, een Hispaniër, broeder van Indibilis. Hij speelde dezelfde
+rol van herhaalde onderwerping en afval, tot hij gedood werd (206).
+
+Mandrocles, Mandrokles, van Samus, beroemd bouwmeester, die voor
+Darius Hystaspis, toen deze tegen de Scythen optrok, een brug over
+den Bosporus legde; ter gedachtenis hieraan liet hij in den tempel
+van Hera op Samus een schilderij ophangen, die den tocht van het
+leger over de brug voorstelde.
+
+Mandropolis, Mandropolis, stad in het Z. van Phrygia.
+
+Mandubii, Mandoubioi, volk in Gallia ten W. van de Lingones. Tot hun
+gebied behoorde Alesia (Alise-Ste-Reine), waar Vercingetorix door
+Caesar belegerd werd.
+
+Manduria, Mandyrion, stad der Sallentini in Calabria, aan den weg van
+Tarentum naar Hydruntum (Otranto). Hier sneuvelde de spartaansche
+koning Archidamus III in 338 tegen de Lucaniërs en Messapiërs,
+toen hij Tarentum te hulp kwam. In 209 werd de stad door den consul
+Q. Fabius Maximus Verrucosus (Fabii no. 16) veroverd.
+
+Maneros, Maneros, zoon van den eersten koning van Aegypte, die jong
+stierf en, evenals Adonis, Linus e. a. in klaagliederen herdacht werd.
+
+Manes, bij de Rom. de geesten der afgestorvenen, als goden gedacht (dii
+Manes). Zij wonen in de onderwereld en komen, behalve op bepaalde
+tijden, alleen dan op aarde, wanneer de levenden hen vergeten
+of verzuimen hun de verschuldigde offers te brengen. Deze offers
+bestonden uit koren, zout, wijn, melk, enz.--Te hunner eer vierde
+men den 21sten Februari het algemeene doodenfeest Feralia, waarbij
+de tempels van alle goden, die niet tot de onderwereld in betrekking
+stonden, gesloten waren.
+
+Manetho, -thos, Manethon, -nethos, aegyptisch priester te Heliopolis,
+leefde onder Ptolemaeus Philadelphus. Onder zijne talrijke geschied-,
+natuur- en sterrenkundige werken behoorde ook eene geschiedenis van
+Aegypte (Aigyptiaka) van de oudste tijden tot Alexander d. G., waaruit
+o. a. eene volledige chronologische lijst van aegyptische koningen
+bewaard gebleven is. Zijne overige geschriften zijn alle verloren.
+
+Mania, volgens de Romeinsche geleerden de moeder der Lares; ze heeft
+echter nooit vereering genoten. Haar naam is waarschijnlijk afgeleid
+van de maniae, poppen, die op de Compitalia aan de compita en voor
+de huisdeuren werden opgehangen.
+
+Maniai heetten de Erinyes in sommige deelen van Griekenland, als
+godinnen, die door hare vervolgingen tot razernij drijven.
+
+Maniliae (leges), van den volkstribuun C. Manilius in 66. 1) de
+libertinorum suffragiis, dat de vrijgelatenen in de tribus van hunne
+patroni, en dus in alle tribus zouden mogen stemmen, in plaats van in
+4. Deze wet werd door den senaat ongeldig verklaard. Z. Manlia (lex)
+de libertinorum suffragiis.--2) de imperio Cn. Pompei, dat het voeren
+van den mithradatischen oorlog aan Pompeius zou worden opgedragen.
+
+Manilianae (leges) venalium vendendorum, geene wetten, maar formulieren
+voor koop en verkoop, opgesteld door den kundigen jurist M'. Manilius,
+consul in 149.
+
+Manilii, plebejisch geslacht, waarvan de meest bekende leden zijn:
+1) M'. Manilius, consul in 149, ontving het bevel over het leger, dat
+tegen Carthago werd afgezonden, doch kon niets uitrichten, evenmin als
+zijn ambtgenoot L. Marcius Censorinus. Hij was met Laelius en Scipio
+bevriend en een scherpzinnig rechtsgeleerde, die gaarne adviezen gaf
+en ook rechtsgeleerde boeken schreef. Zie ook leges Manilianae.--2)
+C. Manilius, volkstribuun in 66 (zie leges Maniliae) is het meest
+bekend door Cicero's verdediging van het wetsontwerp de imperio
+Cn. Pompei. In het volgend jaar verdedigde Cicero hem zelf in een
+proces.--3) Manilius, rom. dichter ten tijde van Augustus, dichter
+eener Astronomica, die nog over is.--4) L. Manilius, z. Manlii no. 15.
+
+Manimi, een stam der Ligii in O. Germania, tusschen Viadua (Oder)
+en Vistula (Weichsel).
+
+Manipulus, eene afdeeling van twee centuriën soldaten, zie
+cohors. Volgens de afleiding der ouden zou de standaard van den manipel
+(zie vexillum) in den beginne bestaan hebben uit een handvol hooi
+aan een staak gebonden. De latere vexilla der manipels hebben boven
+op den stok een uitgestrekte hand.
+
+Manlia (lex) de vicesima manumissionum, tot invoering eener belasting
+van 5%, door slaven, die vrijgelaten werden, van hunne marktwaarde te
+betalen. De voorsteller dezer wet, de consul Cn. Manlius Capitolinus
+Imperiosus (357) (Manlii no. 9), riep hiertoe de tribuutcomitiën
+bijeen, niet te Rome, maar in zijne legerplaats bij Sutrium. De
+volkstribunen echter namen maatregelen, dat dit niet ten tweede male
+gebeuren kon.
+
+Manlia (lex) de libertinorum suffragiis, van een volkstribuun
+Cn. Manlius in 58. Misschien is dit wel de lex Manilia van
+66. Cn. Manlius wordt ook wel C. Manlius of Manilius genoemd.
+
+Manlii, rom. geslacht met patricische en plebejische takken. Voor
+Manlius vindt men ook wel Mallius geschreven. 1) A. Manlius Vulso,
+consul in 474, dwong de Vejenten tot het sluiten van een veertigjarig
+bestand.--2) A. Manlius Vulso Capitolinus, consulairtribuun in
+405 en 402, beproefde in het laatste jaar te vergeefs Veji te
+vermeesteren.--3) L. Manlius Vulso Longus, consul in 256, trok
+met zijn ambtgenoot M. Atilius Regulus naar Africa. Na eerst de
+Carthagers bij Ecnomus te hebben verslagen, en Clupea te hebben bezet,
+keerde Vulso naar Rome terug, terwijl Regulus in Africa bleef. In
+zijn tweede consulaat (250) belegerde hij met zijn ambtgenoot
+C. Atilius Regulus tevergeefs de stad Lilybaeum op Sicilia.--4)
+Cn. Manlius Vulso, consul in 189, overwon de Galatiërs en sloot
+den vrede met Antiochus III van Syria.--5) A. Manlius Vulso, consul
+in 178, oorloogde minder gelukkig. De Histri maakten zich van zijn
+legerkamp aan den mond van den Timavus meester, maar werden daarna
+verslagen.--6) M. Manlius Capitolinus, consul in 392, redde in 389
+het Capitool van eene nachtelijke overrompeling door de Galliërs. Het
+cognomen Capitolinus heeft hij echter niet om deze daad, zooals men
+wel eens aanneemt, maar omdat hij op het Capitool (de arx) woonde. In
+385, toen de schulden der plebejers weder zeer hoog gestegen waren,
+offerde Manlius een groot deel van zijn vermogen op om plebejers uit
+de schuldgevangenschap vrij te koopen. De adel beschuldigde hem van
+verkeerde bedoelingen, doch de houding van het volk boezemde vrees in,
+en Manlius werd vrijgesproken. Of hij hierna werkelijk plannen tot
+oproer heeft voorbereid, is niet duidelijk. In eene volksvergadering te
+Rome werd hij wederom vrijgesproken, doch in eene tweede buiten Rome
+in een bosch gehouden, wegens hoogverraad veroordeeld. Hij werd van
+de tarpejische rots geworpen, zijn huis verwoest en de voornaam Marcus
+in de gens Manlia afgeschaft (384). Van dit geheele verhaal is alleen
+historisch het feit van Manlius' veroordeeling wegens het streven naar
+de koninklijke macht, de verwoesting van zijn huis, waarvan de grond
+later aan Iuno Moneta gewijd werd, en het afschaffen van den voornaam
+Marcus in de gens Manlia. Het verhaal van de ondragelijke schulden der
+plebejers is eerst in den bondgenootenoorlog ontstaan, toen dergelijke
+toestanden werkelijk bestonden. Zijn broeder A. Manlius Capit. was
+bij herhaling consulairtribuun.--7) P. Manlius Capitolinus, in 367
+te midden der twisten over de licinisch-sextische wetsvoorstellen tot
+dictator benoemd, toonde zich tegen verwachting jegens deze voorstellen
+niet vijandig.--8) L. Manlius Capitolinus Imperiosus, aldus bijgenaamd
+om zijne gestrengheid, dictator in 363 clavi figendi causa, wilde
+ook eene lichting houden, waarvoor hij niet benoemd was, en ontging
+met moeite eene veroordeeling.--9) Cn. Manlius Capit. Imper., zoon
+van no. 8, consul in 359 en 357, censor in 351; z. Manlia (lex) de
+vicesima manumissionum.--10) T. Manlius Imper. Torquatus, ook een
+zoon van no. 8, was een uitstekend veldheer, doch een man van een
+woest en streng karakter. In een tweegevecht met een reusachtigen
+Galliër in den oorlog van 361 maakte hij diens gouden halsketen
+buit en werd sedert Torquatus genoemd. Hij was consul in 347, 344 en
+340. In zijn derde consulaat behaalde hij door de zelfopoffering van
+P. Decius Mus eene schitterende overwinning op de Latijnen bij den
+Vesuvius, doch liet zijn zoon, die tegen zijns vaders bevel met een
+uittartenden vijand een strijd had aangevangen en hem verslagen had,
+ter dood brengen. Vandaar de bekende uitdrukking Manliana imperia. Het
+verhaal omtrent den slag bij de Vesuvius schijnt verzonnen, daarentegen
+heeft T. Manlius de Latijnen in 340 bij Trifanum, tusschen Sinuessa en
+Minturnae verslagen.--Het verhaal omtrent het ter dood brengen van zijn
+zoon wordt door andere schrijvers op naam van den dictator Postumius
+(431) gezet. Zie Postumii no. 4.--11) T. Manlius Torquatus, consul in
+235 en 224, dictator in 208, sloot in 235, na een opstand der Sarden
+onderdrukt te hebben, den Ianustempel en streed later tegen de Galliërs
+(224) en de Carthagers (215). Hij was in het laatste jaar praetor, en
+versloeg de verbonden Carthagers en Sarden. De Carthagers werden uit
+Sardinië verdreven. Hij verloochende de onbuigzaamheid van karakter,
+aan zijne familie eigen, niet.--12) T. Manlius Torquatus verstiet
+zijn zoon D. Iunius Silanus (z. Iunii no. 15) uit zijne oogen wegens
+afpersingen, in Macedonia gepleegd, waarop de zoon zich ophing. De
+vader woonde de begrafenis niet bij (141).--13) L. Manlius Torquatus,
+consul in 65, was een groot vriend van den redenaar Hortensius en
+een zeer vaderlandslievend man. Hij had Catilina in 65 bijgestaan,
+toen deze van knevelarij beschuldigd was, doch keerde zich van hem
+af na de ontdekking der samenzwering.--14) L. Manlius Torquatus,
+zoon van no. 13, was een vriend van Cicero, die hem in zijn werk de
+finibus bonorum et malorum sprekend invoert. Hij was meer politiek man
+dan redenaar. In 62 klaagde hij P. Cornelius Sulla aan (zie Cornelii
+no. 54). In den burgeroorlog sloot hij zich aan bij de partij van
+Pompeius, werd door Caesar gevangen genomen, doch weder vrijgelaten, en
+sneuvelde later in Africa (47).--15) Verder komt er nog eene familie
+van Manlii Acidini voor. Onder de Manlii, die zonder familienaam
+(cognomen) voorkomen, behoort ook C. Manlius (of Mallius), die voor
+Catilina troepen bij Faesulae verzamelde en bij Pistoria sneuvelde
+(62). Verder L. Manlius (Mallius) v. a. L. Manilius, propraetor van
+Gallia Narbonensis, die in 78 tegen de Sertoriani te velde getrokken
+was, maar door den quaestor L. Hirtuleius, onderbevelhebber van
+Sertorius in Hispania geheel verslagen was; op zijn terugkeer naar de
+provincie werd de rest van zijn leger door de opgestane Aquitaniërs
+vernietigd en sneuvelde zijn onderbevelhebber L. Valerius Praeconinus
+(Valerii no. 25a).
+
+Manteia, Mantike, de kunst van het verklaren der teekens, waardoor de
+godheid haar wil openbaart. Ook bij de Grieken wordt een onderscheid
+gemaakt tusschen signa oblativa en impetrativa (zie Auguria). Tot de
+eerste soort (semata, terata) behooren verschijnselen aan den hemel,
+het vliegen of roepen van een grooten vogel (oionos) en dgl. Het zijn
+in den regel alledaagsche verschijnselen, die alleen door den tijd,
+de plaats of de omstandigheden, waaronder men ze waarneemt, eene
+bizondere beteekenis verkrijgen, en dus gewoonlijk gemakkelijk te
+verklaren zijn als voorboden van geluk of ongeluk; lag de verklaring
+niet zoo voor de hand, dan riep men de hulp van een deskundige (mantis,
+theopropos, oionopolos) in. Altijd was die hulp noodig bij de andere
+soort van voorteekenen, waarom men de goden vroeg als een bepaald
+teeken van goed- of afkeuring van een voorgenomen handeling. De meest
+gebruikelijke wijze, waarop men zulk een teeken meende te vinden, was
+door de (bij Homerus nog niet genoemde) beschouwing der ingewanden van
+een geofferd dier (hieromanteia), waartoe men zich van de tusschenkomst
+van een hieroskopos bediende. Andere middelen om den wil der goden te
+vragen, zooals het waarnemen van de lijnen in de hand (cheiromanteia),
+van de kringen, veroorzaakt door een in het water geworpen voorwerp
+(hydromanteia), het gebruikmaken van loten (kleromanteia, sortilegium,
+z. sortes), en dgl. genoten geen algemeen vertrouwen en het geloof
+hieraan werd door velen min of meer als bijgeloof beschouwd. Zie
+ook enkoimesis.
+
+Mantinea, Mantineia, eene der oudste steden van Arcadia, nabij de
+argolische grenzen in eene moerassige streek aan het riviertje Ophis
+gelegen, waar het des zomers drukkend heet en 's winters streng koud
+was. Tot aan de perzische oorlogen bestond het uit vijf dorpen,
+maar korten tijd daarna (464-459) werd de bevolking in de stad
+bijeengebracht, en werd het bestuur democratisch. In 385 werd Mantinea
+door de Spartanen verwoest, doch in 370 iets zuidelijker herbouwd. Door
+deze verwoesting verloor M. de hegemonie over Arcadia. In 362 behaalde
+Epaminondas, doch ten koste van zijn leven, bij het naburige bosch
+Pelagos eene schitterende overwinning op de Spartanen. Later behoorde
+M. tot het achaeïsch verbond. Toen het echter, bij de groote worsteling
+met Cleomenes III van Sparta, van het verbond afviel (229) werd het
+door Aratus, den strateeg der Achaeërs, zwaar gestraft. Ter eere
+van den macedonischen koning Antigonus Doson werd het in Antigonea
+herdoopt. Keizer Hadrianus, die er een prachtigen tempel voor zijn
+lieveling Antinoüs liet bouwen, gaf aan de stad haar ouden naam terug.
+
+Mantius, Mantios, zoon van Melampus, vader van Clitus (no. 1)
+en Polyphides.
+
+Manto, Manto, dochter van Tiresias. Toen Thebe door de Epigonen was
+ingenomen, werd zij met een deel van den buit aan den delphischen
+Apollo gebracht. Op bevel van het orakel werd zij naar Colophon
+gezonden, om er den tempel en het orakel van Apollo Klarios te
+stichten. Zij huwde daar met een Cretenser, Rhacius, die den tempel op
+zijne kosten liet bouwen, en werd bij hem moeder van Mopsus.--V. a. was
+zij ook in Italië gekomen, en had zij bij Tiberis een zoon gekregen,
+Ocnus, die de naar haar genoemde stad Mantua stichtte. V. a. is echter
+deze stad naar een andere Manto, dochter van Heracles, genoemd.
+
+Mantua, Mantoua, oude stad op een eil. in den Mincius (Mincio),
+reeds door de Etruscers bewoond, toen zij nog als Rasennae in het
+Po-dal woonden. Sedert 89 lat. kolonie, sedert 49 municipium. In het
+nabijgelegen dorpje Andes was Vergilius geboren.
+
+Mantus, de god der onderwereld bij de Etruriërs, gewoonlijk afgebeeld
+als een zeer groot gevleugeld wezen met woeste trekken, gewapend met
+een zwaard of hamer.
+
+Manubiae (van manu habere), in het algemeen buit, in het bijzonder
+echter dat gedeelte, dat de overwinnende veldheer te zijner beschikking
+kreeg en dat meestal door hem werd aangewend tot stichting van een
+tempel, een zuilengang of eenig ander openbaar werk. In ongunstigen
+zin wordt het woord ook gebezigd van den buit, dien een stadhouder
+zich door afpersingen verwerft.--In het enkelvoud beteekent manubia
+in de taal der augurs een bliksemstraal. Zie Auguria no. 2.
+
+Manumissio, vrijlating van slaven. Deze kon op verschillende wijze
+plaats vinden;--1) vindicta of festuca. De heer bracht zijn slaaf
+voor den praetor; diens lictor of een ander trad dan als assertor
+(z. a.) op, raakte het hoofd van den slaaf met een roedje (festuca,
+vindicta) aan, en zeide: hunc hominem liberum esse aio ex iure
+Quiritium. Daar nu de eigenaar niet tegensprak, verklaarde de praetor
+den man voor vrij.--2) censu. De meester liet zijn slaaf bij den census
+in de burgerlijsten inschrijven.--3) testamento. Door deze drie wijzen
+van vrijlating werd de slaaf niet alleen vrij man, maar ook burger. Als
+vierde wijze voegde Constantijn de Gr. er de vrijlating in de kerk
+(in ecclesia) bij. Een feitelijke toestand van vrijheid, doch zonder
+burgerrecht, was het gevolg van de manumissio inter amicos, binnenshuis
+in tegenwoordigheid van een vijftal vrienden als getuigen,--per
+mensam, doordat de eigenaar den slaaf als een vrij man aan tafel
+noodigde,--per epistulam of onderhandsche schriftelijke verklaring,
+zie lex Iunia Norbana. De lex Aelia Sentia (4 na C.) en de lex Furia
+Caninia beperkten het recht van vrijlating. De libertini werden alleen
+in de vier tribus urbanae ingeschreven (zie echter lex Manilia).
+
+Manus is eigenlijk de macht van den echtgenoot over zijne vrouw,
+waardoor zij hem als eene dochter, filiae loco, toebehoort, en waardoor
+al wat zij bij het huwelijk medebrengt of later verwerft, het zijne
+wordt. De manus was het gevolg van een huwelijk, dat gesloten was door
+confarreatio of door coëmptio, van een huwelijk door usus alleen dan,
+wanneer er verjaring (usucapio) had plaats gehad, doordat de vrouw
+gedurende een vol jaar geen trinoctium buiten de echtelijke woning
+doorgebracht had. Terloops zij hier opgemerkt, dat de coëmptio op
+zich zelve wel manus, maar nog geen huwelijk tot stand brengt; zij
+moet met het huwelijk gepaard gaan. De beteekenis van manus wordt
+ook wel uitgebreid tot anderen, die in iemands potestas en vooral,
+die in iemands mancipium zijn.
+
+Manus iniectio. Wanneer een gedaagde onwillig bevonden werd om met
+den eischer voor den praetor te verschijnen, dan kon de eischer in
+tegenwoordigheid van getuigen de hand aan hem slaan en hem met geweld
+medevoeren. Ook kon zulk eene manus iniectio in sommige andere gevallen
+plaats grijpen, b. v. wanneer de verliezende partij weigerachtig of
+onmachtig was aan het vonnis te voldoen, of wanneer men op heeterdaad
+betrapt werd, b. v. een fur manifestus. De legis actio per manus
+iniectionem is eene aanvullingsactie waarbij de eischer den praetor
+vergunning vraagt, om zonder verdere in ius vocatio den onwillige
+te grijpen.
+
+Maracanda, ta Marakanda, groote hoofdstad van Sogdiana. Thans
+Samarkand.
+
+Maraces, Marakoi, volksstam in Aetolia.
+
+Marathon, Marathon, vlek op de O.kust van Attica, aan eene vlakte, die
+de marathonische werd genoemd. Dáár joeg Theseus den marathonischen
+stier. In de nabijheid, in een niet te breede vallei, behaalde
+Miltiades in 490 de beroemde overwinning op de Perzen.
+
+Marathus, Marathos, oude bloeiende koopstad in het N. van Phoenice
+tegenover Aradus.
+
+Marathusa, Marathousa, eilandje op de kust van aziatisch Ionia,
+nabij Clazomenae.
+
+Marcellus, familienaam in de gens Claudia (Claudii no. 30-38).
+
+Marcellus Empiricus, een Galliër van geboorte, lijfarts van keizer
+Theodosius den Grooten, schrijver van een nog bestaand werk,
+medicamentorum liber.
+
+Marcia (aqua), waterleiding te Rome, die om haar heerlijk water
+geroemd werd. Zij was in 144 aangelegd door den praetor Q. Marcius Rex.
+
+Marcia (lex) de censura, dat niemand ten tweeden male censor zou kunnen
+worden. Deze wet is aangenomen op verzoek van C. Marcius Rutilus,
+die in 265 ten tweede male censor was en dit voor het vervolg wilde
+voorkomen. De voorsteller van de wet is onbekend.
+
+Marcia (lex) de Liguribus deditis. M. Popilius Laenas, consul in 173,
+had een onrechtvaardigen oorlog begonnen tegen den ligurischen stam der
+Statielli, die geen aanleiding hadden gegeven. Hij had verscheidene
+duizenden gedood of als slaven verkocht. De volkstribunen M. Marcius
+Sermo en Q. Marcius Scylla (172) deden met goedvinden van den senaat
+een wetsvoorstel om Laenas in staat van beschuldiging te stellen. De
+wet werd aangenomen, en Popilius ontsnapte alleen aan een veroordeeling
+door de partijdigheid van den praetor.
+
+Marcia (lex) agraria, van L. Marcius Philippus, volkstribuun in 104
+(zie Marcii no. 15), tot verdeeling van land onder arme burgers. De
+wet werd niet aangenomen.
+
+Marcia Atinia (lex). De vrede met Philippus van Macedonia was in 197
+gesloten. M. Claudius Marcellus (Claudii no. 31) echter, voor het
+volgende jaar tot consul benoemd en begeerig den oorlog te heropenen,
+trachtte den senaat voor te spiegelen, dat de vrede van de zijde van
+Philippus slechts bedrog was. Daarom lieten de volkstribunen Q. Marcius
+Rex en C. Antinius Labeo den vrede door een plebisciet bekrachtigen.
+
+Marcia Porcia (lex), z. Maria (Marcia) Porcia (lex).
+
+Marciana carmina, een boek met voorspellingen van zekeren beroemden
+waarzegger Marcius, dat in 213 ontdekt was en waarin de noodlottige
+afloop van den slag bij Cannae was voorspeld. De voorschriften van
+het tweede carmen werden door den senaat opgevolgd.
+
+Marciana Silva, vroeger Abnoba mons geheeten, het tegenw. Schwarzwald,
+in het Z.W. van Germania.
+
+Marcianopolis, Markianopolis, stad in Moesia inferior, even ten Z. van
+Odessus dicht bij de kust. Traianus had ze naar zijne zuster Marcia
+aldus genoemd.
+
+Marcianus, Markianos, 1) aardrijkskundige uit Heraclea in Pontus,
+± 400 na C., ontwerper van een periplous der bekende wereld, met
+afstandswijzer.--2) Aelius Marcianus, rom. jurist, wiens werken zijn
+uitgekomen na 217 n. C. (dood van keizer Caracalla).--3) Felix Capella
+Marcianus, ± 470 na C. uit Madaura in Africa, schrijver eener soort
+van encyclopaedie der zeven vrije kunsten, onder den titel Satira of
+Satiricon.--4) Zie Theodosius no. 3.
+
+Marcii, een geslacht met verschillende takken, als Rex, Rutilus
+(later Censorinus), Crispus, Figulus, Philippus, Tremulus e. a. De
+eerste drie zijn patriciërs, de andere plebejers. 1) Numa Marcius
+volgde koning Numa Pompilius naar Rome en was diens raadsman bij
+de regeling van den eeredienst.--2) Ancus Marcius, vierde koning
+van Rome, kleinzoon van no. 1. Zie Ancus Marcius.--3) Cn. Marcius,
+bijgenaamd Coriolanus naar de verovering van Corioli in het gebied
+der Volscen. Volgens de overlevering zou hij bij gelegenheid van
+een hongersnood de plebejers door honger hebben willen dwingen tot
+afschaffing van het volkstribunaat (491). Dientengevolge verbannen,
+zocht hij hulp bij de Volscen, bracht aan het hoofd van een volscisch
+leger Rome tot op het uiterste in het nauw en liet zich slechts door
+de smeekbeden zijner moeder Veturia en zijner vrouw Volumnia bewegen
+om af te trekken. Volgens sommigen zou hij niet lang daarna door de
+Volscen vermoord zijn, volgens anderen op hoogen leeftijd als balling
+gestorven zijn.--4) Q. Marcius Rex, consul in 118, oorloogde tegen
+de Stoeni, een Alpenvolk in Liguria. Onder zijn consulaat werd Narbo
+(Narbonne) in Gallia Transalpina gekoloniseerd als Narbo Martius.--5)
+Q. Marcius Rex, consul in 68, zwager van P. Clodius. Daar zijn
+ambtgenoot L. Caecilius Metellus in zijn ambtsjaar stierf en diens
+benoemde opvolger nog voor de aanvaarding van zijn ambt overleed,
+liet men Rex verder alleen regeeren. Na afloop van het consulaat werd
+hij als proconsul naar Cilicië gezonden. Toen hij na zijn terugkeer
+zich ad urbem bevond, wachtende op den triumphus, werd hij in 63
+door den senaat naar Etruria gezonden, om den Catilinariër Manlius
+te keer te gaan.--6) C. Marcius Rutilus overwon in 357 als consul de
+Privernaten (in Latium). In 356 was hij de eerste dictator uit de plebs
+en zegepraalde over de Etruscers. In 352 was hij andermaal consul, met
+P. Valerius Poplicola. Dit consulaat is merkwaardig doordat er toen, om
+aan den algemeenen schuldnood te gemoet te komen, eene soort staatsbank
+werd opgericht (zie quinqueviri mensarii). In 351 was Rutilus de
+eerste plebejische censor. In 344 en 342 bekleedde hij nogmaals het
+consulaat.--7) C. Marcius Rutilus, zoon van no. 6, werd als consul
+in 310 door de Samnieten verslagen en was censor in 294. In 265 was
+hij wederom censor, wat hem den bijnaam Censorinus verschafte. Hij
+berispte het volk, dat het ten tweeden male het censorschap aan
+denzelfden persoon had opgedragen, en verzocht het volk eene wet
+hiertegen te maken (zie lex Marcia).--8) L. Marcius Censorinus,
+belegerde als consul in 149 met zijn ambtgenoot M.' Manilius te
+vergeefs Carthago. Hij wordt als een wetenschappelijk man geroemd.--9)
+C. Marcius Censorinus, redenaar, koos in den burgeroorlog partij
+voor Marius. Hij werd echter eerst door Pompeius verslagen bij Sena,
+en vervolgens bij Praeneste door Sulla, in wiens handen hij viel
+en die hem ter dood liet brengen (82).--10) L. Marcius Censorinus,
+aanhanger van Antonius, nam deel aan den mutinensischen oorlog. Later
+was hij propraetor van Achaia.--11) Q. Marcius Crispus, een dapper
+krijgsman, met Cicero bevriend, belegerde met L. Staius Murcus op
+bevel van Caesar Q. Caecilius Bassus (Caecilii no. 28) te Apamea,
+maar stond in 43 de legioenen, waarover hij in Syria het bevel voerde,
+aan Cassius af.--12) C. Marcius Figulus was in den oorlog tegen Perseus
+(169) rom. vlootvoogd. Voor het jaar 162 werd hij tot consul verkozen,
+doch moest evenals zijn ambtgenoot P. Cornelius Scipio Nasica Corculum
+(Cornelii no. 20) als vitio creatus, zijn ambt nederleggen. In 156
+bekleedde hij werkelijk het consulaat en werd hij door de Dalmatae
+verslagen.--13) C. Marcius Figulus, consul in 64.--14) Q. Marcius
+Philippus, consul in 186. Hem en zijn ambtgenoot Sp. Postumius
+Albinus werd opgedragen een onderzoek in te stellen naar de geheime
+vereenigingen, tengevolge waarvan de Bacchanaliën bij Senaatsbesluit
+in geheel Italia verboden werden. In een oorlog tegen de ligurische
+Apuani werd hij in een bosch in een hinderlaag gelokt en leed hij
+een zware nederlaag, waarnaar de plek Marcius saltus is genoemd. In
+171 werd hij met A. Atilius Serranus (Atilii no. 8) als gezant naar
+Griekenland en Macedonia gezonden. Hij wist Perseus om den tuin
+te leiden en tot een wapenstilstand te bewegen, waardoor de Rom.,
+die met hunne toebereidselen voor den oorlog niet gereed waren, tijd
+wonnen, terwijl Philippus de Grieken op Rome's hand bracht. Openlijk
+beroemde Philippus zich in den senaat op zijn sluwe handelwijze, en de
+groote meerderheid juichte hem toe. In 169 was hij andermaal consul
+en bracht Perseus eenige gevoelige verliezen toe. Het einde van den
+oorlog moest hij echter in 168 aan den nieuwen consul L. Aemilius
+Paullus overlaten.--15) L. Marcius Philippus, volkstribuun in 104,
+consul in 91, was in het eerst een van de mannen der volkspartij
+(zie Marcia (lex) agraria); uit den tijd van zijn tribunaat is zijn
+gezegde, dat er in den staat geen tweeduizend welgestelden waren, wat
+Cicero een capitalis oratio et ad aequationem bonorum pertinens noemt;
+later verzoende hij zich met de optimaten en werkte als consul mede om
+de wetten van M. Livius Drusus te doen opheffen. Later was hij aan de
+zijde van Sulla en vervolgens een voorstander van Pompeius, die bij hem
+in hoog aanzien stond. Hij was een zeer kundig man en een uitstekend
+redenaar, die vooral de gave bezat, onvoorbereid het woord te kunnen
+voeren.--16) L. Marcius Phillippus, zoon van no. 15, huwde met Attia,
+de moeder van Octavianus, wiens stiefvader hij dus werd. Hij was zoowel
+met Caesar als met Cicero bevriend en koos in den burgeroorlog niet
+openlijk partij.--17) L. Marcius Septimus, rom. ridder, redde in 212,
+toen P. en Cn. Cornelius Scipio in Hispania sneuvelden, het rom. leger
+van den ondergang. Hij hield met T. Fonteius Crassus het bevel tot
+aan de komst van P. Scipio (Africanus maior) en streed ook onder
+hem nog met roem.--18) Q. Marcius Tremulus, consul in 306, streed
+zegevierend tegen de Samnieten en de Hernicers.--19) Marcius Macer,
+veldheer van keizer Otho.--20) Q. Marcius Turbo Fronto Publicius
+Severus, onder Hadrianus stadhouder van Judaea, van Mauretania en
+later bevelhebber der lijfwacht.--21) Marcius, waarzegger ten tijde
+van den tweeden punischen oorlog, z. Marciana carmina.
+
+Marcodurum, vlek der Ubii, ten W. van Colonia Agrippina (Keulen),
+thans Duren.
+
+Marcomanni = grensbewoners, een suevische stam, schijnen eerst
+aan den Moenus (Main) te hebben gewoond. Omstreeks het begin onzer
+jaartelling veroverden zij onder aanvoering van Maroboduus Boiohaemum
+(Boheme). Marbod, een man van doorzicht en van groote heerschzucht,
+die te Rome aan het hof van Augustus was opgevoed, wist bij zijn
+volk een éénhoofdig bestuur en rom. krijgstucht in te voeren, en
+bracht een groot volkenverbond tot stand. Zijne heerschzucht bracht
+hem echter in een oorlog met de Cheruscers onder Arminius, later
+(18 n. C.) werd hij zelf door zijn eigen volk verdreven en week naar
+Ravenna uit, waar Tiberius hem liet wonen en waar hij ook gestorven
+is. Zijn werk bleef echter in stand, en de bond van Marcomannen
+werd later een van de geduchtste vijanden van het rom. rijk. Vooral
+tijdens de regeering van Domitianus en van Marcus Aurelius (166-172
+en 178-181) werden er bloedige oorlogen gevoerd, totdat Commodus in
+181 den vrede kocht. Ook in lateren tijd hadden de Donaulanden van
+hunne strooptochten te lijden, doch door zware verliezen tegen de
+Gothen werd hunne macht gebroken en wordt hun naam alleen nog onder
+de legerscharen van den Hunnenvorst Attila gevonden.
+
+Mardi = Amardi.
+
+Mardonius, Mardonios, zoon van Gobryas, schoonzoon van Darius
+Hystaspis, werd in 493 door Darius met een leger naar Griekenland
+gezonden, maar moest onverrichter zake terugkeeren, daar zijn vloot
+schipbreuk leed en zijn leger in Macedonië teruggeslagen werd. Hij
+was het, die later Xerxes tot den veldtocht tegen Griekenland dreef,
+en toen deze na den slag bij Salamis naar Azië terugkeerde, bleef
+M. op zijn verzoek met een groot leger achter. Nadat hij vergeefs
+getracht had met Athene onderhandelingen aan te knoopen rukte hij
+in het voorjaar van 479 van Thessalië uit weder voorwaarts en nam
+hij Athene in; vervolgens legerde hij zich in Boeotië en leverde
+hij bij Plataeae den beroemden veldslag, waarin hij na een dappere
+verdediging sneuvelde.
+
+Marea, Marea, stad in het W. der Nijldelta, ten ZZW. van Alexandria,
+beroemd door den krachtigen wijn, die in den omtrek werd geteeld,
+vinum Mareoticum. Zij lag aan een groot meer, Mareotis lacus, dat door
+Nijlarmen en kanalen werd gevoed en van de zee slechts gescheiden was
+door de landtong, waarop Alexandria gebouwd was, zoodat deze stad er
+een reusachtigen binnenhaven aan had.
+
+Mareotis, Mareotis, zie Marea.
+
+Maresa, Maresa, Marissa, sterkte in Z. Palaestina aan den weg van
+Jerusalem naar Ascalon, dicht bij Eleutheropolis.
+
+Margala (Margana), stad in Triphylia, in Elis. De inwoners heeten
+Marganes.
+
+Margiana, Margiane, gewest in het O. gedeelte van het Perzische rijk,
+tusschen Parthyaea en Bactriane, doorsneden door de rivier Margus
+(Murghâb).
+
+Margites, Margites, personificatie van verwaande domheid, die in
+grieksche sprookjes voorkomt, de held van een klein komisch epos, dat
+ten onrechte aan Homerus, door anderen aan Pigres, werd toegeschreven.
+
+Margus, Margos, 1) rivier in Moesia Superior die dicht bij Viminacium
+in den Hister (Donau) valt, tgw. Morava.--2) z. Margiana.
+
+Maria (lex) de suffragiis ferendis van C. Marius, toen hij in
+119 volkstribuun was. Deze wet strekte om, door het vernauwen der
+bruggetjes in de volksvergadering, te voorkomen, dat personen zich
+er op plaatsten om de stemmenden lastig te vallen of te controleeren,
+hoe zij stemden.
+
+Maria (Marcia) Porcia (lex) de triumphis, van de volkstribunen
+L. Marius (Marcius) en M. Porcius Cato in 62, dat de imperatores,
+die een zegetocht wenschten te houden, de waarheid der door hen
+verstrekte opgaven bij den praetor moesten bezweren.
+
+Mariaba, zie Saba.
+
+Mariamme, Mariamme, stad in Coelesyria ten W. van Emesa.
+
+Mariana fossa, zie fossa.
+
+Mariandyni, Mariandynoi, niet-thracische volksstam in het O. van
+Bithynia, bij Heraclea.
+
+Marica, nimf, echtgenoote van Faunus en moeder van Latinus, of moeder
+van Faunus; zij had een tempel en heilig bosch bij Minturnae; wat
+eenmaal in dat bosch gebracht was, mocht er niet weder uitgehaald
+worden.
+
+Marii, plebejisch geslacht. 1) C. Marius, in 156 in het dorp Cereate
+bij Arpinum uit ouders, die tot den boerenstand behoorden, geboren,
+gaf reeds vroeg bewijzen van groote krijgsmanstalenten. In 134
+diende hij onder Scipio in den numantijnschen oorlog. In 119 ging
+hij als volkstribuun door zijne lex de suffragiis de kuiperijen
+der aanzienlijken bij de verkiezingen te keer. Zijn huwelijk met de
+adellijke Julia, de tante van Caesar, verschafte hem de praetuur, en
+in 114 was hij propraetor in Hispania, waar hij door rechtvaardigheid
+en handhaving van tucht en veiligheid zich de algemeene achting
+verwierf. In den jugurthijnschen oorlog bewees hij als legaat groote
+diensten aan Metellus (109 en 108) en werd voor 107 tot consul gekozen,
+vooral omdat hij tot de volkspartij behoorde en de optimaten door hunne
+omkoopbaarheid hun eigen aanzien hadden ondermijnd. In 105 bracht hij
+den oorlog ten einde en voerde Jugurtha gevankelijk mede naar Rome. Hij
+triumpheerde 1 Jan. 104. Hierna werd hij, daar Italië door de Cimbren
+en Teutonen bedreigd werd, vier jaar achtereen (104-101) tot consul
+gekozen. De Teutonen en Ambronen versloeg hij in 102 bij Aquae Sextiae
+(Aix in Provence), de Cimbren in 101 bij Vercellae. Hierna werd hij
+ten zesden male consul (100). In dit consulaat verbond hij zich met
+den woelzieken volkstribuun L. Appuleius Saturninus en den praetor
+C. Servilius Glaucia en werkte mede om zijn tegenstander Metellus
+Numidicus te doen verbannen, die de akkerwet van Saturninus weigerde
+te bezweren. Vervolgens verloochende hij in het oogenblik van gevaar
+ook Saturninus en Glaucia. Daar hij begreep, slechts in oorlogstijd
+de man van beteekenis te zijn, vertrok hij vervolgens naar Azië om
+met Mithradates van Pontus onderhandelingen aan te knoopen. In den
+bondgenootenoorlog verwierf hij zich nieuwe lauweren (90-89). In 88
+barstte de mithradatische oorlog uit, doch tot groote teleurstelling
+van Marius ontging hem zoowel het opperbevel als het consulaat; beiden
+werden aan Sulla opgedragen. Dit was Marius te veel; door eene wet van
+den volkstribuun P. Sulpicius Rufus liet hij zich door het volk met het
+veldheerschap bekleeden, doch Sulla, die Italië nog niet verlaten had,
+keerde met zijn leger naar Rome terug, Sulpicius werd gedood, Marius
+en een aantal anderen werden vogelvrij verklaard. Met zijn zoon zwierf
+hij als gejaagd wild rond; bij Minturnae werd hij gevangen genomen
+en ontsnapte ter nauwernood aan den dood. Hij stak naar Africa over,
+waar hij op de puinhoopen van Carthago rondzwierf. Inmiddels keerden
+de zaken te Rome; Cinna, hoewel eerst verdreven en als consul afgezet,
+keerde met Marius terug en beiden werden voor het jaar 86 tot consul
+verkozen. Doch reeds op den 13den dag van zijn consulaat bezweek
+Marius, evenwel niet zonder eerst nog zijne wraakzucht op de optimaten
+te hebben botgevierd. Zijne asch werd later op Sulla's last opgegraven
+en in het water van den Anio geworpen.--2) C. Marius, aangenomen zoon
+van no. 1, woest en wreed als zijn vader in diens laatste levensjaren,
+deelde diens vlucht en kwam met hem terug. In 82 was hij consul. Sulla
+versloeg hem bij Sacriportus, en Ofella (Lucretii no. 4) belegerde
+hem in Praeneste. Toen hij de stad niet houden kon en zijne vlucht
+mislukte, bracht hij zich zelf om.--3) M. Marius Gratidianus, zie
+Gratidii.--4) M. Marius, een groot vriend van Cicero; hunne villa's
+te Pompeii lagen dicht bij elkander.--5) C. Amatius, Pseudo-Marius
+geheeten, een bedrieger, die zich voor een zoon of neef of kleinzoon
+van no. 1 uitgaf, door Caesar als bedrieger weggejaagd en later
+door M. Antonius ter dood gebracht werd.--6) Marius Celsus, veldheer
+onder Galba en Otho.--7) L. Marius Maximus, bekleedde in het begin
+der derde eeuw na C. vele hooge ambten, hij was o. a. proconsul van
+Africa en later van Asia, en in 223 voor de tweede maal consul. Hij
+schreef onder Alexander Severus biografiën van de keizers, van Nerva
+tot Elagabalus, in den trant van Suetonius. Excerpten hiervan zijn
+over in het werk der Scriptores historiae Augustae.
+
+Marinus, Marinos, 1) beroemd ontleedkundige aan het einde der
+eerste eeuw n. C., wiens werken verloren zijn.--2) van Tyrus, een
+aardrijkskundige in de 2de eeuw na C., de eerste die de ligging van
+plaatsen naar lengte- en breedtegraden bepaalde. Ptolemaeus heeft
+van zijne werken dikwijls gebruik gemaakt.
+
+Maris, Marisus, Maris, Marisos, thans Marosj, riv. in Dacia, zijtak
+der Tisia (Theiss). Herodotus en Strabo meenden, dat het een zijtak
+was van den Donau.
+
+Marium, Marion, stad op de NW. kust van Cyprus, waarschijnlijk het
+latere Arsinoe.
+
+Marmarica, Marmarike, thans Barca, landstreek op de Noordkust
+van Afrika tusschen Aegypte en Cyrenaïca. Hierin ligt het
+Ammonium. Gewoonlijk wordt Marmarica tot Cyrenaïca gerekend.
+
+Marmessus, Marmyssus, Mermessos = Marpessus no. 1.
+
+Maro, zie Vergilii.
+
+Maroboduus, zie Marcomanni.
+
+Marobudum, Maroboudon, eens de hoofdstad der Marcomanni, thans Budweis.
+
+Maron, Maron, 1) zoon van Euanthes, Oenopion, Silenus of Dionysus,
+priester van Apollo te Ismarus, waar hij later zelf een heiligdom
+had.--2) zoon van Orsiphantus, een van de dapperste Spartanen, die
+in den slag bij de Thermopylae sneuvelde.
+
+Maronea, Maroneia, ionische volkplanting in het gebied der Cicones
+op de thracische kust, beroemd om zijn heerlijken wijn. De stad wordt
+ook Orthagorea genoemd.
+
+Marpessa, Marpessa, gemalin van Idas (z. a.), moeder van Cleopatra
+no. 2.
+
+Marpessa, -sus, Marpesos, -ssos, 1) dorp in het gebied van Gergis
+in Troas, geboorteplaats van ééne der Sibyllen.--2) berg op
+Parus. Marpesia cautes = parisch marmer.
+
+Marrubium of -vium, stad der Marsi aan den lacus Fucinus. Marruvia
+gens = Marsi.
+
+Marrucini, Marroukinoi, klein, doch dapper volk in Samnium aan de
+Adriatische zee, ten O. der Vestini. Hoofdstad: Teate.
+
+Marruvium = Marrubium.
+
+Mars, italiaansche god vooral van den oorlog, wien de maand Maart
+gewijd is, dien men als Mars Silvanus en Averruncus aanriep, te wiens
+eere het feest der Ambarvalia in Mei door de landlieden met offers en
+vroolijke optochten gevierd werd, en die ook in het lied der fratres
+arvales bezongen werd. Bij het houden van het lustrum werd het bekende
+offer van zwijn, ram en stier, de suovetaurilia, aan hem gebracht, en
+de romeinsche burgers zijn daarvoor op het Marsveld (campus Martius)
+als exercitus opgesteld. Wanneer de grieksche godenleer in Italië
+doordringt, wordt Mars vereenzelvigd met den griekschen Ares, en
+bij het lectisternium (zie aldaar) van 217 werd het beeld van Venus
+(Aphrodite) naast het zijne geplaatst. Hij gaat de rom. legers voor
+in den strijd (Gradivus), zegent hunne wapenen (Quirinus), voert
+hen tot de overwinning (Victor) en brengt op die wijze ook den vrede
+terug (Pacifer); als vader van Romulus en Remus is hij als het ware
+de vader van het rom. volk (Pater, Marspiter), dat hij voortdurend
+blijft bewaken (Custos, Conservator). Wanneer een leger ten oorlog zou
+trekken, ging de aanvoerder in den ouden tempel van Mars in de regia en
+riep daar zijne bescherming in, terwijl hij tegen de heilige lans, het
+symbool van den god, en tegen de ancilia sloeg. Ook de oefeningen in
+den wapenhandel, de gladiatorengevechten en ruiterlijke spelen stonden
+onder zijne bescherming, en de oudtijds daarvoor bestemde plaats was
+naar hem genoemd (Campus Martius). De wolf, de specht, de stier en het
+paard waren hem geheiligd. Zijn dienst wordt waargenomen door een eigen
+priester, den flamen Martialis.--Hij wordt gewoonlijk afgebeeld als
+een jong strijder met helm en lans, soms op een strijdwagen zittend.
+
+Marsacii, een volksstam aan of bij een der monden van den Rijn,
+misschien in Zeeland, wonend.
+
+Marsi, Marsoi, 1) samnietisch volk op de grenzen van Latium, rondom
+het meer Fucinus, in eene streek, geheel door bergen ingesloten. In
+304 tot een bondgenootschap met Rome gedwongen, bewaarden zij een
+diepen haat tegen de Rom., die in den bondgenootenoorlog, in 90,
+tot uitbarsting kwam. Hunne hoofdstad was Marruvium. Zij bezaten
+veel kennis van geneeskrachtige kruiden en stonden bekend als goede
+wondheelers, als slangenbezweerders en ook als toovenaars; vandaar
+Marsa naenia = tooverspreuk. De mythe laat hen dan ook afstammen
+van een zoon van Circe.--2) germaansch volk aan de tegenw. Ruhr,
+bondgenooten der Cherusci tegen Varus. Germanicus dreef hen terug,
+en sedert verdwijnt hun naam.
+
+Marsicum bellum, aldus genaamd omdat de Marsi er het hoofdvolk
+van waren, ook wel bellum Italicum of bellum sociorum genoemd. De
+trotschheid, waarmede Rome na Carthago's val de italische bondgenooten
+bejegende, had diepen wrok opgewekt, die nog werd aangevuurd, toen
+de pogingen van M. Livius Drusus en anderen, om hun het burgerrecht
+te verschaffen, verijdeld werden. Een aantal volken van samnietischen
+stam, Marsen, Paeligners, Lucaniërs, Campaniërs, vereenigde zich tot
+een bond, zij maakten Corfinium tot hunne bondshoofdstad onder den
+naam Italica, en kozen een senaat, twee consuls en 12 praetoren. Twee
+jaar lang werd er met verbittering gestreden. Slag op slag werd
+geleverd. De voornaamste aanvoerders der bondgenooten waren Pompaedius
+Silo, C. Papius Mutilus, Vettius Cato, Pontius Telesinus, Marius
+Egnatius. Onder de rom. veldheeren onderscheidden zich Cn. Pompeius
+Strabo (consul in 89) en L. Cornelius Sulla, eerst als praetor, in
+88 als consul. Reeds in den winter van 90 waren de Romeinen door den
+dreigenden afval van Umbria en Etruria genoodzaakt, door de lex Julia
+van den consul L. Julius Caesar aan de trouwgebleven bondgenooten,
+die het wenschten, het burgerrecht te geven. In het begin van 89 volgde
+daarop de lex Plautia Papiria van de volkstribunen M. Plautius Silvanus
+en C. Papirius Carbo, die het burgerrecht schonk aan alle Italianen
+ten zuiden van de Po, die zich binnen 60 dagen bij den praetor urbanus
+opgaven. Verder de lex Pompeia van Cn. Pompeius Strabo, waarbij het
+ius Latii aan de Transpadani gegeven werd. Deze maatregelen braken
+het verzet. Toch duurde de strijd ook nog in 88 voort. Midden-Italië
+was een toonbeeld van verwoesting; honderdduizenden waren omgekomen,
+Samnium was bijna ontvolkt, vooral Sulla had er op onmenschelijke
+wijze huis gehouden.
+
+Marsigni, suevische volksstam in het O. van Germania, ten noorden
+van den Mons Asciburgius (het Reuzengebergte).
+
+Marsus (Domitius), zie Domitii no. 19.
+
+Marsyas, Marsyas, 1) zoon van Olympus, een Phrygiër, die de fluit
+vond, welke Athena had weggeworpen. Hij waagde het met Apollo, die de
+cither bespeelde, een wedstrijd aan te gaan, en toen hij de nederlaag
+leed, werd hij levend gevild. De huid werd in een hol bij Celaenae
+opgehangen en bewoog zich, naar men zeide, vroolijk, wanneer zij op
+de fluit hoorde spelen.--V. s. had hij ook tot het gevolg van Dionysus
+behoord.--2) van Pella, stiefbroeder van Antigonus, met Alexander den
+G. opgevoed, later veldheer onder Demetrius Poliorcetes, schrijver
+eener macedonische geschiedenis (Makedonika).--3) van Philippi, zoon
+van Critophemus, geschiedschrijver van lateren tijd dan de vorige,
+ofschoon zij dikwijls met elkander verward worden.
+
+Marsyas, Marsyas naam van twee rivieren die beide in den Maeander
+vallen. De eene ontsprong volgens Xenophon op de markt van Celaenae
+in Phrygia, de andere stroomde door Caria.
+
+Martialis (M. Valerius), epigrammendichter, te Bilbilis in Hispania
+geboren ± 40 na C., begaf zich, toen hij 24 jaar oud was, naar Rome en
+kwam bij Nero en diens opvolgers in gunst, vooral bij Domitianus, die
+hem het ius trium liberorum schonk en nog andere gunsten verleende. Na
+Nerva's dood keerde hij naar Bilbilis terug; eene rijke dame, Marcella,
+schonk hem daar een landgoed, waar hij ± 100 na C. overleed. Zijne 14
+boeken met Epigrammata waren bij zijne tijdgenooten zeer in trek. Zie
+apophoreta. Aan de 14 boeken gaat een liber spectaculorum vooraf,
+in de handschriften epigrammaton liber geheeten.
+
+Martianus (Aelius), zie Marcianus no. 2.
+
+Martianus (Felix Capella), zie Marcianus no. 3.
+
+Marus, noordelijke zijrivier van den Donau, die tegenover Carnuntum
+daarin valt, tgw. March.
+
+Maruvium = Marrubium.
+
+Mascas, Maskas, zijtak van den Euphraat, in Mesopotamia.
+
+Masinissa, Mas(s)anasses, koning der Massylii in O. Numidia,
+zoon van koning Gala, was te Carthago opgevoed en met de grieksche
+en rom. letterkunde bekend geworden. In het begin van den tweeden
+punischen oorlog was hij met hart en ziel aan de zijde van Carthago,
+waartoe zijne verloving met Sophonisbe, dochter van Hasdrubal, den
+zoon van Gisco, veel bijdroeg. Daarentegen was Syphax, koning der
+Massaesylii in W. Numidia, met de Rom. verbonden. Masinissa streed
+onder Hasdrubal, Hamilcars zoon, in Hispania tegen den rom. veldheer
+Scipio. De Carthagers zochten ook Syphax voor zich te winnen, hetgeen
+hun ook gelukte door hem de schoone Sophonisbe, Masinissa's verloofde,
+tot vrouw te geven. Inmiddels had Scipio na zijne overwinning bij
+Baecula (210) onderhandelingen met M. aangeknoopt, en had deze met de
+hem eigene schranderheid den staat van zaken doorzien, en begrepen
+dat de vriendschap van Rome voor hem voordeeliger zou wezen dan
+de overheersching door Carthago, welks zaken hij ook achteruit zag
+gaan. Het verlies zijner hartstochtelijk beminde Sophonisbe vervulde
+hem met bitteren haat jegens Carthago. Ondertusschen was zijn vader
+gestorven, diens opvolger en neef Capusa door een overweldiger
+Mezetulus vermoord, en toen M. naar zijn vaderland terugkeerde, had
+hij met Mezetulus, Syphax en de Carthagers te kampen en moest zich
+als gejaagd wild in eene grot in het gebergte schuil houden. Evenwel,
+de kans keerde; hij herwon een gedeelte van zijn erfland, en toen
+Scipio in 204 in Africa landde, verbond hij zich met hem. Syphax werd
+tweemaal verslagen en moest zich gevangen geven; in M's handen viel
+ook Sophonisbe. Om deze voor rom. gevangenschap te behoeden, wilde
+M. haar tot vrouw nemen, doch toen Scipio haar zonder genade opeischte,
+liet M. haar den gifbeker drinken. Na den slag bij Zama kreeg M. het
+grootste gedeelte van Syphax' rijk en regeerde nog ruim eene halve
+eeuw, tot 149. Daar de grenzen tusschen zijn gebied en dat van Carthago
+niet nauwkeurig bepaald waren, vond hij gelegenheid de Carthagers
+bij herhaling met allerlei eischen en strooptochten lastig te vallen,
+wat door de Rom., niettegenstaande Carthago's billijke klachten, niet
+werd tegengegaan. Eindelijk greep de verbitterde stad zelve naar de
+wapenen (149), waardoor de derde punische oorlog ontbrandde.
+
+
+ Masinissa.
+ |
+ --------------------------------------
+ | | |
+ Micipsa Gulussa Mastanabal
+ | | |
+ ------------------ | |
+ | | |
+ Adherbal Hiëmpsal Massiva Jugurtha
+ |
+ afstammeling:
+ Juba.
+
+ Afstammelingen van Masinissa.
+
+
+Masistius, Masistios, aanvoerder der perzische ruiterij onder Xerxes,
+sneuvelde kort voor den slag bij Plataeae.
+
+Masias mons, Masion oros, grensgebergte van Armenia en Mesopotamia.
+
+Massaesylii, Massaisylioi, volk in W. Numidia.
+
+Massagetae, Massagetai, ruw en woest nomadenvolk tot de Iraniërs
+behoorend; in de tijden van Cyrus woonden ze in de steppen tusschen de
+Caspische zee en het Aralmeer; in de dagen van Alexander den Groote
+woonden ze ten W. en N.W. van Sogdiane, aan den rechteroever van
+den Oxus.
+
+Massicus (mons), berg in het N.W. van Campania, die de grens vormt
+tusschen Campania en Latium, beroemd door zijn heerlijken wijn.
+
+Massilia, Massalia, thans Marseille, eene volkplanting der Phocensers,
+ongeveer 600 gesticht, reeds vroeg vrijwillig en dus door een foedus
+aequum met Rome verbonden. Massilia was een belangrijke koopstad,
+waar letteren en wetenschappen in hooge mate bloeiden, zoodat Cicero
+ze het gallische Athene noemde. Daarom was M. een geliefkoosd verblijf
+van rijke rom. ballingen. In den strijd tusschen Caesar en Pompeius
+koos de stad, die aan beiden verplichting had, in het eerst geen
+partij. Toen echter de aristocratie de onzijdigheid verbroken had door
+eene vloot van Pompeius op te nemen, werd M. door Caesar belegerd en na
+hardnekkige tegenweer en twee zeegevechten ingenomen. Het moest zware
+oorlogslasten dragen, doch bleef eene civitas libera et foederata en
+door handel bloeiende.
+
+Massiva, 1) numidische prins, neef van Masinissa.--2) kleinzoon van
+Masinissa, te Rome door toedoen van Jugurtha vermoord.
+
+Massylii, Massylioi, volk in het O. van Numidia.
+
+Mastanabal, Mastanabas, jongste zoon van Masinissa en vader van
+Jugurtha.
+
+Mastarna, z. Servius Tullius.
+
+Mastiani, zie Bastetani en Bastuli.
+
+Mastusia, Mastousia akra, 1) berg in Ionia, aan welks helling de
+stad Smyrna was gebouwd.--2) de zuidelijkste punt van de thracische
+Chersonesus.
+
+Masurius Sabinus, beroemd jurist onder Tiberius en volgende keizers,
+overleden onder Nero. Naar hem heet de school van C. Ateius Capito
+de sabiniaansche.
+
+Matiana, Matiane, Matiene, het N.W. gedeelte van Media, het latere
+Atropatene (z.a.).
+
+Matieni, plebejisch geslacht.
+
+Matinus, uitspringend gedeelte van den mons Garganus in Apulia,
+nabij Horatius' geboorteplaats Venusia.
+
+Matisco, stad der Aedui in het O. van Gallia Transalpina, aan den Arar
+(Saône), thans Mâcon.
+
+Matius, 1) C. Matius, rom. ridder uit den tijd van Caesar en Cicero,
+die hem beiden oprecht liefhadden en hoogachtten. Hij was een der
+edelste en oprechtste figuren van zijn tijd en dikwijls de raadsman
+van Caesar, bij wien hij ook Cicero's voorspraak was.--2) Cn. Matius,
+dichter van mimi, uit de 1ste eeuw. Er zijn nog fragmenten van over.
+
+Matralia, z. Matuta.
+
+Matrimonium. Een wettig huwelijk kon slechts gesloten worden,
+wanneer beide partijen het conubium hadden. De oudste vorm voor een
+rom. huwelijk was de confarreatio, daarna kwam de coëmptio in zwang;
+van beide huwelijksvormen was de conventio in manum het gevolg. De
+coëmptio echter op zich zelve constitueerde het huwelijk niet; dit
+geschiedde door de nuptiae, waarbij men openlijk ten overstaan van
+familie en bruiloftsgasten elkander tot man en vrouw aannam, wat bij
+de confarreatio ten overstaan van priesters geschiedde. Nuptiae zonder
+coëmptio waren dus ook geldig, er volgde geene manus uit. Zulk een
+huwelijksvorm werd usus genoemd. De manus kon dan wel verworven worden
+door een onafgebroken samenleving van een jaar. Een echtverbintenis
+kan verbroken worden door een handeling, overeenstemmende met den vorm,
+waaronder zij gesloten was, zie divortium. Uit een matrimonium iustum
+of legitimum volgde de patria potestas over de kinderen.
+
+Matrona, thans Marne, zijtak der Sequana (Seine). Matrona mons,
+zie Alpes.
+
+Matronalia, feest ter eere van Juno Lacina den 1sten Maart (Calendae
+feminarum) gevierd, waarbij getrouwde vrouwen in haar tempel op den
+Esquilinus om huwelijksgeluk baden en haar bloemen wijdden.
+
+Mattiacae (aquae), thans Wiesbaden.
+
+Mattiaci, germaansche volksstam, in het tegenw. Nassau, binnen
+den limes Germaniae Superioris wonende. In hun gebied hadden de
+Rom. sterkten aangelegd. De naam van één dezer castella is nog over
+in Castel tegenover Maintz. De Mattiaci behoorden tot de Catti.
+
+Mattium, thans Maden, hoofdstad der Catten, aan de Adrana (Eder).
+
+Matuta, Mater Matuta, godin van den dageraad en geïdentificeerd met
+Ino Leucothea. Bij haar feest op 11 Juli, Matralia genoemd, droegen
+de vrouwen de kinderen van hare zusters, en baden eerst voor deze,
+en daarna voor haar eigene, daar Ino het kind van hare zuster Semele
+had opgevoed. In werkelijkheid zal dit wel een overblijfsel zijn uit
+den tijd, dat men een andere opvatting had omtrent bloedverwantschap.
+
+Matutinus (Pater), z. Ianus.
+
+Mauretania of Mauritania, Mauritania, he Maurousion ge, het tegenw. Fez
+en Marokko met een stuk van Algerië, tot aan de rivier de Muluccha
+(z.a.). Het was rijk aan wild en tam gedierte, bosschen en in de
+oudheid ook aan koren. Het werd bewoond door een krijgshaftige
+bevolking, de Mauri of Maurusii, die niet zwart van kleur was,
+niet donkerder van tint dan de bewoners van zuidelijk Europa
+zijn. Eerst in den jugurthijnschen oorlog kwamen de Rom. met hen
+in aanraking. Tijdens Caesar heerschten over Mauretania Bocchus
+(z.a.) en Bogudes. In 25 werd het samen met West-Numidia aan Juba
+II (z.a.) als koninkrijk geschonken. Onder keizer Claudius werd het
+(in 42 n. C.) ingelijfd. Het eigenlijke Mauretania, met de hoofdstad
+Tingis (Tanger) werd M. Tingitana genoemd, het vroegere West-Numidia
+heette M. Caesariensis naar de hoofdstad Caesarea, vroeger Iol.
+
+Mauri, Maurusii, Mauroi, Maurousioi, bewoners van Mauretania. De naam
+Mauri is afkomstig van de Romeinen.
+
+Mausoleum, Mausoleion, het prachtige praalgraf, dat bij Halicarnassus
+voor Mausolus gesticht was door zijne weduwe Artemisia (z. a.). Op
+een eenigszins langwerpig voetstuk of onderbouw van ± 37 voet hoog
+verrees een tempel, omgeven door 36 corinthische zuilen. Op deze
+rustte een pyramidaal dak, van boven afgeknot en gekroond door een
+marmeren vierspan. Het geheel was rijk met beeldwerk versierd. Het
+werd door de ouden onder de zeven wonderen der wereld gerangschikt
+en kostte drie jaren tijds, terwijl de uitstekendste kunstenaars er
+aan arbeidden.--De Rom. gebruikten den naam mausoleum ook voor andere
+prachtige grafgebouwen, als: het mausoleum Augusti en het mausoleum
+Hadriani, welk laatste, schoon ontdaan van zijne versieringen en in een
+kasteel veranderd, nog te Rome bestaat onder den naam van Engelsburg.
+
+Mausolus, Mausolos, -sollos, vorst van Carië (377-353), ondersteunde
+Rhodus, Chius, enz., in den bondgenootenoorlog tegen Athene. Naar
+hem is het Mausoleum (z.a.) genaamd.
+
+Mavors = Mars.
+
+Maxentius (M. Aurelius Valerius), rom. keizer 306-312 na C., zoon van
+Maximianus. Toen Diocletianus en Maximianus in 305 hunne keizerlijke
+waardigheid neerlegden, werden Constantius Chlorus en Galerius, die
+Caesars waren, tot den rang van Augustus verheven en Valerius Severus
+en Maximinus Daia tot Caesars benoemd. Constantius Chlorus stierf
+in 306, zijn zoon Constantinus werd Caesar in plaats van Severus,
+die Augustus werd. Maxentius, over zijne uitsluiting verbitterd,
+maakte zich te Rome van de regeering meester. Zijn vader kwam hem te
+hulp, doch daar dezen nu ook weder de lust tot heerschen bekroop en
+hij evenals de zoon weder den titel van Augustus aannam, ontstond er
+twist en Maximianus werd door Maxentius verdreven. Maxentius maakte
+zich spoedig veracht en gehaat, en Constantinus trok tegen hem op
+en versloeg hem in 312 bij den pons Milvius, ten N. van Rome. Op de
+vlucht verdronk Maxentius in den Tiber.
+
+Maximianus (M. Aurelius Valerius), bijgenaamd Herculius, een ruw maar
+bekwaam soldaat, van geringe afkomst, klom door zijne wapenfeiten op en
+werd door Diocletianus in 285 na C. tot Caesar en in 286 tot Augustus
+benoemd. Hij streed in Gallia tegen de Bagauden, die hij onderwierp
+(285), aan den Rijn tegen Franken, Alamannen en Burgundi, en in
+Afrika. In 305 na C. legde hij, schoon niet vrijwillig, doch onder
+den drang van Diocletianus, met dezen zijne waardigheid neder. Zie
+verder Maxentius. Toen Maximianus door zijn zoon verdreven was, nam
+hij de wijk naar zijn schoonzoon Constantinus; doch toen hij dezen
+naar het leven stond, liet C. hem in 310 na C. ter dood brengen.
+
+Maximinus (Iulius Verus), een Thraciër van reusachtigen lichaamsbouw
+en een dapper krijgsman, bij het leger zeer bemind, stond aan het
+hoofd van den opstand der Rijntroepen tegen Alexander Severus (235 na
+C.) en werd tot keizer uitgeroepen. Hij vocht flink tegen Germanen,
+Daciërs en Sarmaten, maar zijn woestheid en wreedheid, waaraan hij nu
+vrijen teugel vierde, verbitterde volk, senaat en zelfs de troepen. De
+senaat verklaarde hem in 238 vogelvrij en hij werd met zijn zoon en
+mederegent L. Julius Verus Maximinus door zijne eigene troepen in
+zijn legerkamp vóór Aquileia vermoord.
+
+Maximinus (Galerius Valerius), heette oorspronkelijk Daia, maar
+kreeg zijn lateren naam van zijn oom, keizer Galerius, die hem
+adopteerde. Hij werd in 305 n. C. door Diocletianus tot Caesar benoemd
+en kreeg het bestuur over het Oosten. Hij was een nietswaardig vorst,
+zeer bijgeloovig, en een verbitterd vervolger van de Christenen. Bij
+de verwarring, door Maxentius teweeggebracht, nam ook hij den titel
+van Augustus aan, in 310. In 313 werd hij te Adrianopel door Licinius
+verslagen en stierf te Tarsus in Cilicia.
+
+Maximus, familienaam in een aantal gentes, vooral in de gens Fabia
+(Fabii no. 14-23) voorkomende. Zie ook gens Valeria (Valerii no. 14
+en 16).
+
+Maximus (Magnus Clemens), een Hispaniër, wierp zich in 383 na C. in
+Britannia als tegenkeizer tegen Gratianus op. Na de vermoording
+van Gratianus werd hij door Theodosius als keizer in het W. erkend,
+onder voorwaarde dat de 12-jarige Valentinianus II, het zoontje van
+Gratianus, Italia en Africa zou behouden. Toen Maximus in 387 deze
+voorwaarde wilde schenden, zond Theodosius zijn veldheer Arbogastes,
+een Frank, tegen hem af, die hem versloeg en ter dood bracht (388)
+en Val. II in de heerschappij herstelde.
+
+Maximus (Petronius), rom. senator, bracht in 455 na C. Valentinianus
+III om en dwong diens weduwe Eudoxia, hem te huwen. Toen Eudoxia
+vernam, dat Maximus de moordenaar van V. was, riep zij den vandaalschen
+koning Geiserik uit Africa te hulp (dit bericht is onjuist). Geiserik
+kwam, plunderde Rome uit en sleepte duizenden gevangenen, ook Eudoxia
+met twee dochters, naar zijne hoofdstad Carthago mede. Vóór zijne
+aankomst in Rome echter was Maximus reeds door het verbitterde volk
+vermoord.
+
+Maximus Ephesius, nieuw platonisch wijsgeer, die te Ephesus en te
+Constantinopel leerde. Men zeide dat hij Iulianus van het Christendom
+afvallig gemaakt had, en op grond hiervan werd hij door den proconsul
+Festus ter dood veroordeeld.
+
+Maximus Tyrius, een van de voorloopers der nieuw-platonische
+school, leefde onder de Antonijnen als leeraar der wijsbegeerte en
+welsprekendheid in Griekenland en te Rome. 41 verhandelingen van hem
+zijn bewaard gebleven.
+
+Maxyes, Maxyes, een volksstam in Africa aan het Triton-meer; zij
+beweerden, volgens het verhaal van Herodotus, van de Trojanen af te
+stammen, verfden zich met menie, en lieten het haar alleen aan de
+rechterzijde groeien.
+
+Mazaca, ta Mazaka = Caesarea ad Argaeum.
+
+Mazaetullus, zie Mezetulus.
+
+Mazaeus, Mazaios, perzisch veldheer onder Darius Codomannus; hij
+liet de Macedoniërs ongehinderd over den Euphraat trekken, maar
+streed dapper bij Arbela; toen de slag echter in het voordeel der
+Macedoniërs beslist was, trok hij zich naar Babylon terug en gaf
+hij die stad zonder tegenstand over; daarvoor maakte Alexander hem
+satraap van Babylonië. Hij stierf kort daarna (328).
+
+Mecone, Mekone, oude naam van Sicyon.
+
+Mecyberna, Mekyberna, havenstad van Olynthus op Chalcidice, ten
+O. van Olynthus.
+
+Medaura = Madaura.
+
+Medea, Medeia, dochter van Aeetes en Idyia, berucht door hare
+tooverkunsten. Uit liefde voor Iason (z. a.) gaf zij hem de middelen
+aan de hand om de gouden vacht meester te worden en daarna vluchtte
+zij met hem uit haar vaderland en werd zij zijne gemalin. Toen Iason
+Iolcus belegerde, wist zij in de stad te komen en bewerkte zij op
+listige wijze den dood van Pelias (z. a.). Daardoor werd Iolcus
+genomen, Iason moest echter spoedig weder het land verlaten en ging
+met haar naar Corinthe, waar zij geruimen tijd gelukkig leefden en
+drie kinderen kregen. Toen Iason haar echter verstiet om met Creusa
+(no. 4) te huwen, ruimde zij deze door hare toovermiddelen uit den
+weg en doodde zij hare eigen kinderen om zich op Iason te wreken;
+daarna vluchtte zij naar Athene, waar zij bij Aegeus een zoon kreeg,
+dien zij Medus noemde, maar weldra moest zij ook van hier vluchten
+daar zij Theseus belaagde; zij ging met haar zoon naar Aria, waarvan
+de bewoners sedert Mediërs genoemd werden. Na haar dood werd zij in
+het Elysium geplaatst en huwde zij met Achilles.
+
+Medeon, Medeon, naam van verschillende steden. 1) in Acarnania bij de
+Ambracische golf.--2) op de kust van Phocis, in den heiligen oorlog
+verwoest.--3) in Boeotia aan het Copaïsche meer.--4) in Dalmatia bij
+Scodra (Scutari).
+
+Media, Media, hoogst belangrijk en volkrijk land van Azië, in het
+N.W. van Ariana. Deioces (709) wordt als de stichter van het medische
+rijk genoemd en van de hoofdstad Ecbatana. De oude hoofdstad was
+Rhagae. Dit rijk breidde zich ook buiten Media uit, o. a. over het
+stamverwante Persis. Met Cyrus ging de heerschappij van het medische
+vorstenhuis in het perzische over (560). Alexander d. G. splitste Media
+in twee gewesten: Groot-Medië en Atropatene. Bij dichters is dikwijls
+Medoi, Medi = Perzen, Medi ook wel = Parthen, Medum flumen = Euphraat.
+
+Mediae murus, to Medias teichos. Deze muur, 20 parasangen lang,
+100 voet hoog, 20 voet dik, uit gebakken steen opgetrokken en van
+poorten voorzien, liep van den Euphraat tot den Tigris, van boven
+Sipphara naar Sittace, en boven het kanalengebied van Babylonia en
+vormde de scheiding tusschen Mesopotamia en Babylonia, om dit laatste
+tegen invallen van die zijde te dekken. Volgens de overlevering heeft
+Semiramis, in werkelijkheid Nebucadnezar den muur gebouwd, om Babylon
+tegen aanvallen der Meden te beveiligen.
+
+Medimnus, medimnos, grieksche inhoudsmaat voor droge waren = 52.5 L.
+
+Mediolanum, Mediolanion (de lat. uitgang -ium komt slechts voor bij
+het tegenw. Milaan), naam van verschillende gallische steden. 1)
+in Gallia Transpadana, thans Milaan, dat in opschriften steeds
+Mediolanium heet. Sedert 89 lat. kolonie, sedert 49 municipium. In
+den keizertijd is het zeer belangrijk; in de 4de eeuw n. Chr. is het
+een der residentiesteden, en woonplaats van den praefectus praetorio
+Italiae.--2) in Gallia Transalpina bij de Santones, thans Saintes;
+bij de Eburovices, thans Evreux; bij de Bituriges.--3) ook bij de
+Ordovices, in Britannia.
+
+Mediomatrici, volksstam in Belgica, aan de Mosella (Moezel). Hoofdstad
+Divodurum (Metz).
+
+Medion = Medeon no. 1.
+
+Medius Fidius, zie Dius Fidius.
+
+Medma, grieksche kolonie aan de Westkust van het land der Bruttii,
+aan een gelijknamig riviertje.
+
+Medoacus, Medoakos, rivier in Gallia Transpadana, die langs Patavium
+(Padua) stroomt en zich in de lagunen der Adriatische zee stort,
+thans Brenta.
+
+Medobriga, Mundobriga, stad in Lusitania, dicht bij den mons Herminius,
+ten N. van den Tagus (Taag).
+
+Medocus, Medokos, vorst der Odrysen, vriend van Alcibiades, in 389
+door Thrasybulus tot een bondgenootschap met de Atheners overgehaald.
+
+Medon, Medon, 1) zoon van Oileus, vluchtte wegens een moord naar
+Phylace; voor Troje werd hij door Aeneas gedood.--2) zoon van Codrus,
+wordt de eerste der atheensche archonten genoemd, waarschijnlijker is
+het echter dat hij de koninklijke waardigheid van zijn vader erfde,
+en dat onder zijne regeering het archontaat als een afzonderlijk ambt
+is ingesteld. Hij was de stamvader der Medontiden, in welk geslacht
+de waardigheid van archont tot 714 erfelijk bleef.--3) lacedaemonisch
+beeldhouwer omstreeks 600.
+
+Meduli, volkje in Aquitania, aan den mond der Garumna aan den linker
+oever, omstreeks het tegenw. Medoc.
+
+Medulli, volkje aan de Alpenhellingen in Gallia Narbonensis, aan de
+bronnen der Druentia (Durance), ten N. der Caturiges.
+
+Medullia, oude latijnsche stad tusschen den Tiber en den Anio.
+
+Medullinus, familienaam in de gens Furia.
+
+Medus, Medos, rivier in Persis, stroomt langs Persepolis.
+
+Medusa, Medousa, eene van de Gorgonen, de eenige die sterfelijk was,
+door Perseus (z.a.) onthoofd. Uit haar romp kwamen Chrysaor en het
+paard Pegasus (Medusaeus equus) te voorschijn, die Poseidon bij haar
+verwekt had. Haar hoofd werd door Athena op de aegis geplaatst.
+
+Mefitis = Mephitis.
+
+Megabates, Megabates, perzisch veldheer, die op raad van Aristagoras
+(z.a.) door Darius Hystaspis uitgezonden werd om Naxus te veroveren;
+om Aristagoras tegen te werken verried hij het plan aan de Naxiërs,
+zoodat de onderneming mislukte.
+
+Megabazus, Megabazos, 1) veldheer van Darius Hystaspis, die den
+tocht naar Scythië medemaakte en na den terugkeer van Darius Thracië
+onderwierp.--2) zoon van Megabates, aanvoerder van de vloot van
+Xerxes.--3) werd door Artaxerxes I naar Griekenland gezonden om de
+Spartanen tot een inval in Attica te bewegen, toen de Atheners den
+opstand van Inaros ondersteunden; hij moest echter onverrichter
+zake terugkeeren.
+
+Megabyzus, Megabyzos, 1) een van de saamgezworenen tegen den gewaanden
+Smerdis.--2) zoon van Zopyrus, een van de veldheeren van Xerxes,
+onder Artaxerxes I satraap van Syrië, overwon Inaros en de met hem
+verbonden Atheners, en maakte een einde aan den opstand van Aegypte
+(454). Ontevreden over de handelwijze van den koning tegenover de
+overwonnenen, stond hij op en, hoewel hij zich spoedig met Artaxerxes
+verzoende, bleef hij altijd verdacht; hij werd verbannen, ging naar
+Creta, doch kwam heimelijk naar Susa terug, waar hij eindelijk weder
+in genade aangenomen werd.
+
+Megacles, Megakles, 1) Alcmaeonide, atheensch archont tijdens den
+opstand van Cylon, wiens aanhangers hij in strijd met zijne belofte
+liet dooden.--2) kleinzoon van den vorigen, aanvoerder der gematigde
+partij in de burgertwisten na Solon's vertrek uit Athene, moest voor
+Pisistratus vluchten (560), kwam daarna terug, en dwong op zijn beurt
+Pisistratus tweemaal Athene te verlaten, doch moest eindelijk voor goed
+voor zijn vijand het veld ruimen (537).--3) kleinzoon van den vorigen,
+zoon van Clisthenes no. 2, grootvader van Alcibiades, overwinnaar in
+de pythische spelen, tweemaal door het ostracismus verbannen.--4)
+kleinzoon van no. 2, oom van Pericles.--5) vriend van Pyrrhus van
+Epirus, sneuvelde in den slag bij Heraclea.
+
+Megaera, Megaira, eene van de Erinyen.
+
+Megalesia, of ludi Megalenses, feesten, in April gevierd ter eere der
+magna mater, Cybele. Zij gingen vergezeld van tooneelvoorstellingen,
+en wedrennen, en duurden zes dagen, gedurende welke men elkander
+wederkeerig ter maaltijd noodigde. De patricische vrouwen verrichtten
+daarbij nagenoeg dezelfde plechtigheden als de plebejische bij de kort
+daarop volgende Cerealia (z.a.). De priesters van Cybele, de Galli,
+hielden dan optochten door Rome. De Ludi Megalenses zijn ingesteld
+in 204, en met de inwijding van den tempel der Magna Mater op den
+Palatinus in 191 annui geworden (z. Ludi).
+
+Megalopolis, Megale polis, Megalopolis, stad in het Z. van Arcadia,
+in 371 door Epaminondas gesticht als grensvesting tegen Sparta en
+kunstmatig bevolkt met de inwoners van bijna veertig naburige plaatsen,
+zoodat het tusschen 60- en 70000 inwoners telde. Later trad de stad
+tot het achaeïsch verbond toe (zie Lydiadas), doch werd in 226 door
+Cleomenes van Sparta ingenomen en verwoest. Ofschoon zij binnen
+weinige jaren herbouwd werd, kwam zij toch niet meer tot bloei,
+maar verviel meer en meer. Megalopolis was de geboorteplaats van
+Philopoemen en Polybius.
+
+Megalophanes, Megalophanes, z. Ecdemus.
+
+Megapenthes, Megapenthes, 1) zoon van Proetus, regeerde over Tiryns,
+maar ruilde zijn rijk met Perseus en werd zoo koning van Argos.--2)
+zoon van Menelaus, verdreef na den dood van zijn vader zijne
+stiefmoeder Helena uit Sparta.
+
+Megara, Megara, dochter van Creon no. 3, gehuwd met Heracles en later
+met Iolaus.
+
+Megara (gen. Megarae en -orum), ta Megara, hoofdstad van het staatje
+Megaris, op den Isthmus, met de havenstad Nisaea en den burcht
+Alcathoë. Megara was de geboorteplaats van den dichter Theognis en den
+wijsgeer Euclides, den leerling van Socrates.--Over Megara op Sicilia,
+zie Hybla.
+
+Megareus, Megareus, gewoonlijk Menoeceus, zoon van Creon no. 2, benam
+zich vrijwillig het leven, toen Thebe door de zeven vorsten belegerd
+werd, dewijl Tiresias voorspeld had, dat slechts door het offer van
+een der Sparti de Thebanen in den oorlog overwinnaars konden zijn.
+
+Megareïus, Hippomenes, zoon van Megareus.
+
+Megarici, wijsgeeren uit de megarische school, z. Euclides no. 3.
+
+Megaris, Megaris, klein gewest van Griekenland, aan en op den Isthmus,
+eerst door Ioniërs bevolkt, doch door de Doriërs veroverd. Het staatje
+lag dikwijls met Athene overhoop en had het dan meestal zwaar te
+verantwoorden, wanneer de Atheners door afsluiting der grenzen den
+invoer en het verkeer stremden. Dit was te gemakkelijker, omdat Megaris
+van Attica door een bergrij gescheiden was, waardoor een pas liep,
+in de rotsen uitgehouden, terwijl de bergpas, die over den Cithaeron
+naar Boeotia voerde, niet zonder gevaar was.
+
+Megasthenes, Megasthenes, 1) van Chalcis, stichter van Cumae in
+Campanië.--2) vriend en raadsman van Seleucus Nicator, door dezen
+veelal voor zendingen naar het buitenland gebruikt. Zoo kwam hij
+dikwijls in Indië, waar hij de bouwstoffen verzamelde voor een werk
+over Indië (Indika), waarvan nog enkele fragmenten bestaan. Aan hem
+danken wij de berichten over de Indische kasten, over Boeddhisten
+en Brahmanen.
+
+Meges, Meges, zoon van Phyleus, voor Troje aanvoerder der Epeërs of
+van de troepen uit Dulichium en de Echinaden.
+
+Megiddo, Mageddo, oude stad in Palestina, in het Z.W. van Galilaea. In
+de nabijheid ontstond later uit eene rom. legerplaats de stad Legio.
+
+Megista, Megiste, eilandje en havenstad op de kust van Lycia.
+
+Megistias, Megistias, waarzegger uit Acarnanië, behoorde tot het
+leger van Leonidas en sneuvelde bij de Thermopylae.
+
+Megistus, Megistos = Macestus.
+
+Mela (M. Pomponius), uit Hispania, schrijver van een aardrijkskundig
+werk de chorographia of de situ orbis in 3 boeken. Hij leefde in den
+tijd der keizers Caligula en Claudius. Zijn werk is waarschijnlijk
+eerst na 46 n. Chr. uitgekomen.
+
+Melae of Meles (gen. -ium), vlek in Samnium.
+
+Melaena, Melaina, kaap aan de Noordpunt van den berg Mimas, in Ionia,
+ook Promonturium Atrum geheeten.
+
+Melampus, Melampous, zoon van Amythaon en Idomene. Toen hij eens
+als kind in slaap gevallen was, kropen slangen over zijn lichaam en
+likten zijne ooren; sedert dien tijd verstond hij de taal der vogels
+en kon hij de toekomst voorspellen. Zijn broeder Bias dong naar de
+hand van Pero, de dochter van Neleus, die door haar vader beloofd was
+aan dengene, die hem de runderen van Iphiclus uit Thessalië zoude
+brengen. Nadat Bias hiertoe vergeefsche pogingen had aangewend,
+ondernam Mel. het, ze voor hem te halen, maar voorspelde dat hij
+ze eerst zou krijgen, na een jaar in de gevangenis doorgebracht
+te hebben. Inderdaad werd hij door Iphiclus gevangen genomen, maar
+toen hij na eenigen tijd verzocht naar een ander huis verplaatst te
+worden, omdat hij van houtwormen gehoord had dat de balken van dat,
+waarin hij zich bevond, geheel doorgeknaagd waren, zoodat het spoedig
+zoude instorten, en toen deze voorspelling inderdaad bewaarheid werd,
+erkende Iphiclus zijne voortreffelijkheid als ziener, en nadat Mel. hem
+de middelen had aan de hand gedaan, waardoor zijn huwelijk met kinderen
+gezegend zou worden, gaf hij hem de runderen vrijwillig mede. Eenigen
+tijd woonde Mel. nu in Messene, later genas hij de vrouwen van Argos
+van waanzin (z. Proetides); tot belooning kreeg hij, evenals Bias,
+een derde van het rijk, en huwde hij met Iphianassa, de dochter van
+koning Proetus.--V. s. had Mel. den dienst van Dionysus in Griekenland
+ingevoerd.
+
+Melanchlaeni, Melanchlainoi, (zwartmantels), nomadenvolk in aziatisch
+Sarmatia.
+
+Melanchrus, Melanchros, tyran van Mytilene, door Pittacus, Alcaeus
+en twee broeders van dezen gedood.
+
+Melanippe, Melanippe, 1) dochter van Chiron, die aan Aeolus hare liefde
+schonk. Toen zij moeder worden zou, vluchtte zij uit vrees voor haar
+vader; op haar gebed werd zij door Artemis in een paard veranderd.--2)
+moeder van Aeolus (z. a.) en Boeotus.--3) eene Amazone, zuster van
+Hippolyte. Heracles nam haar gevangen, en liet haar niet vrij, voordat
+de koningin hem haar gordel gegeven had.--4) eene van de Meleagrides.
+
+Melanippides, Melanippides, twee dithyrambendichters van Melus,
+grootvader en kleinzoon; met den laatsten, die op het einde der 5de
+eeuw leefde, begint het verval van deze dichtsoort.
+
+Melanippus, Melanippos, 1) Thebaan, zoon van Astacus, gedroeg
+zich dapper bij de verdediging van Thebe tegen de zeven vorsten;
+hij versloeg Tydeus (z. a.), maar werd door Amphiaraus gedood.--2)
+een van de zonen van Agrius, die Oeneus van de regeering beroofden,
+waarvoor hij door Diomedes gedood werd.--3) zoon van Theseus en
+Periguna, de dochter van Sinis, overwinnaar in de nemeïsche spelen.
+
+Melanthius, Melanthios, 1) geitenhoeder van Odysseus, maakte zich
+gedurende de afwezigheid van zijn heer aan ontrouw schuldig, en
+werd hij diens terugkomst op wreede wijze gedood.--2) aanvoerder der
+atheensche troepen, die aan Aristagoras van Miletus te hulp gezonden
+werden.--3) atheensch treurspeldichter, zoon van Philocles no. 1,
+vriend van Cimon.--4) van Rhodus, leerling van Carneades, bekend om
+zijn aangename wijze van voordragen.--5) schilder van de sicyonische
+school, leerling van Pamphilus. Hij leefde in de 4de eeuw.
+
+Melantho, Melantho, 1) dochter van Deucalion, bij Poseidon moeder
+van Delphus.--2) een van de dienstmaagden in het huis van Odysseus,
+zij werd bij zijn terugkomst wegens haar ontrouw gedood.
+
+Melanthus, Melanthos, zoon van Andropompus, koning van Messene, werd
+door de Heracliden verdreven en ging naar Attica. Toen Xanthus, de
+koning der Boeotiërs, een inval in Attica had gedaan, waagde Mel. een
+tweegevecht met hem, wat de atheensche koning Thymoetes geweigerd
+had te ondernemen. Gedurende het gevecht verscheen Dionysus achter
+Xanthus, en toen Mel. hem verweet dat hij niet alleen was, keerde
+X. zich om, en van dit oogenblik maakte zijn tegenstander gebruik om
+hem te doorsteken. Mel. werd koning van Attica, en ter herinnering
+aan de door bedrog behaalde overwinning werd, naar men zegt, het
+feest der Apaturia ingesteld.
+
+Melas, Melas, naam van verschillende rivieren, die donker van kleur
+waren. 1) in Thracia, die ten W. der thracische Chersonesus in den
+sinus Melas, Melas kolpos, valt.--2) in het thessalische landschap
+Phthiotis, zijtak van den Apidanus.--3) in Malis, stroomde langs
+Heraclea in de malische golf uit.--4) in Boeotia, tusschen Orchomenus
+en Aspledon, ontlast zich in het Copaïsche meer.--5) op Sicilia bij
+Mylae.--6) op de grenzen van Pamphylia en Cilicia.
+
+Melcarth, Melikarthos, phoenicisch zonnegod, door de Grieken met
+Heracles geïdentificeerd; hij werd vooral te Tyrus vereerd. Zie
+Melicertes.
+
+Meldae of Meldi, Meldai, -doi, gallisch volk bij de Sequana en den
+Matrona, met de hoofdstad Iatinum (Meaux).
+
+Meleager, Meleagros, 1) zoon van Oeneus en Althaea, geducht
+speerwerper, nam deel aan den Argonautentocht en was de aanvoerder van
+de calydonische jacht. Toen deze jacht was afgeloopen, ontstond over
+den kop en de huid van het gedoode dier, den prijs der overwinning,
+een bloedigen strijd tusschen de Aetoliërs en de Cureten; zoolang
+Mel. medestreed, behielden de Aetoliërs de overhand, maar toen
+zijne moeder hem vervloekte, omdat hij een van hare broeders in
+het gevecht verslagen had, trok hij zich terug, en de nood was
+hoog bij de Aetoliërs gestegen, eer hij zich door de beden zijner
+gemalin liet bewegen zich weder bij de strijdenden te voegen. Hij
+redde zijne landgenooten, maar werd zelf door Apollo met een pijl
+gedood.--V. a. waren op den zevenden dag na zijne geboorte de Moerae
+in de kamer zijner moeder gekomen en hadden gezegd, dat hij sterven
+zoude, zoodra een op den haard liggend stuk hout verbrand zoude
+zijn. Daarop nam Althaea het blok haastig uit het vuur en bewaarde
+het zorgvuldig. Na afloop van de calydonische jacht vereerde Mel. de
+schoone Atalante, die het zwijn de eerste wond had toegebracht, met de
+huid van het dier, maar de broeders van Althaea ontnamen haar die met
+geweld, waarop Mel. hen doodde. Hierover vertoornd, wierp zijne moeder
+het stuk hout op het vuur, waarop Mel. spoedig stierf.--2) veldheer
+van Alexander den Gr., bewerkte dat na diens dood Philippus Arrhidaeus
+tot koning uitgeroepen werd, door wien hij hoopte nevens Perdiccas de
+grootste macht in handen te krijgen. Deze doorzag echter zijn plan en
+liet hem met zijne aanhangers bij eene wapenschouwing dooden.--3) zoon
+van Ptolemaeus Lagi, regeerde na den dood van Ptolemaus Ceraunus twee
+maanden over Macedonië; daarna werd hij wegens zijne onbekwaamheid
+weggejaagd.--4) van Gadara, geestig epigrammendichter, maakte ook
+eene bloemlezing van oudere epigrammen; hij leefde omstreeks 80.
+
+Meleagrides, Meleagrides, vier zusters van Meleager, waarvan twee
+aanhoudend den dood van haar broeder beweenden, totdat zij door
+Artemis in parelhoenders veranderd werden.
+
+Meles, gen. -etis, Meles, kustriviertje bij Smyrna; in eene bij de
+bron gelegen grot zou Homerus zijne werken hebben gedicht. Vandaar
+Melesigenes = Homerus, en bij Tibultus Meleteae chartae = de gedichten
+van H.
+
+Melesses (Maesesses), een afdeeling der Bastetani, in het Z. van
+Tarraconensis, met de hoofdstad Oringis (Orongis), en met zilvermijnen
+in zijn gebied.
+
+Melete, Melete, eene van de boeotische Muzen.
+
+Meletus, Meletos, 1) Athener, verdacht van oligarchische gezindheid
+en betrokken in het Hermocopidenproces.--2) een van de aanklagers van
+Socrates. V. s. werd hij kort na Socrates ter dood veroordeeld.--3)
+tragisch dichter, einde van de vijfde eeuw, misschien de vader van
+no. 2.
+
+Melia, Melia, 1) nimf, dochter van Oceanus, bij Inachus moeder van
+Phoroneus en Aegialeus of Phegeus.--2) nimf, bij Poseidon moeder van
+Amycus.--3) dochter van Oceanus, door Apollo geschaakt en bij hem
+moeder van Ismenius en Tenerus.
+
+Meliades, Meliades, Meliai, nimfen, ontstaan uit de bloeddruppels
+van den verminkten Uranus; zij worden ook voedsters van Zeus genoemd.
+
+Melibocus mons, het Harz-gebergte.
+
+Meliboea, Meliboia, 1) Oceanide, bij Pelasgus moeder van Lycaon.--2)
+dochter van Niobe, de eenige die niet door Artemis gedood werd. Zie
+Chloris no. 2.
+
+Meliboea, Meliboia, zeestad van het thessalische landschap Magnesia,
+aan den voet van den Ossa gelegen, woonplaats van Philoctetes,
+Meliboeus dux.
+
+Melicertes, Melikertes, zoon van Athamas (z. a.) en Ino, na zijn dood
+onder den naam Palaemon onder de godheden der zee opgenomen, door de
+Romeinen met Portunus geïdentificeerd. Velen meenen dat hij dezelfde
+is als de phoenicische god Melcarth. V. s. waren de isthmische spelen
+oorspronkelijk als lijkfeesten voor Mel. ingesteld, maar later door
+Theseus aan Poseidon gewijd.
+
+Melinno, Melinno, lyrische dichteres uit Locri Epizephyrii, die
+misschien tegen het einde der eerste eeuw leefde. Van haar bestaat
+nog een kort gedicht, dat soms aan Erinna wordt toegeschreven.
+
+Melische poëzie, z. Lyrische poëzie.
+
+Melissa, Melissa, eene nimf, die den menschen het gebruik van honig
+leerde. Soms worden nimfen in het algemeen melissai genoemd, en ook
+de priesteressen van Demeter en van de ephesische Artemis dragen
+denzelfden naam.
+
+Melisseus, Melisseus, koning van Creta, vader van Adrastea en Ida,
+de opvoedsters van Zeus.
+
+Melissus, Melissos, 1) Thebaan, zoon van Telesiades, overwinnaar in
+de nemeïsche spelen.--2) van Samus, admiraal in den oorlog tegen
+Athene; Pericles leed eenmaal door hem eene nederlaag (441). Als
+wijsgeer behoorde hij tot de eleatische school; hij was een leerling
+van Parmenides, en trachtte in zijne geschriften de eenheid,
+eeuwigheid, onveranderlijkheid en onbewegelijkheid van het bestaande
+te bewijzen.--3) C. Mel., van Spoletium, vrijgelatene van Maecenas,
+schrijver van kluchten (ineptiarum libellus).--4) Aelius Mel.,
+romeinsch grammaticus, schrijver van een werk de loquendi proprietate,
+leefde in de 2de eeuw na C.
+
+Melita, Melite, thans Malta, eil. tusschen Sicilia en Africa,
+beroemd door het melitensisch lijnwaad en bekend door de catuli
+Melitaei of maltezer schoothondjes. Het eil. was eerst phoenicisch,
+toen carthaagsch, daarna rom.--Ook een eilandje op de dalmatische kust.
+
+Melitaea, Melitaia, -iteia, oude stad in het thessalische gewest
+Phthiotis; aan den Enipeus.
+
+Melitene, Melitene, stad en landschap in het O. van Cappadocia.
+
+Mellaria, naam van twee steden in Baetica, de ééne ten N. van Corduba,
+in Baeturia, de andere aan het fretum Gaditanum (straat van Gibraltar).
+
+Melleirenes, aanstaande eirenes, spartaansche jongelingen van 18 tot
+20 jaar.
+
+Mellepheboi, aanstaande epheboi, atheensche jongelingen van 15 tot
+16 jaar.
+
+Mel(l)on, Mel(l)on, rijk Thebaan, moest vluchten toen de Cadmea door
+de Spartanen bezet werd (382). Later beijverde hij zich zeer voor de
+bevrijding van Thebe en was hij tegelijk met Pelopidas boeotarch.
+
+Melodunum, stad in Gallia op een eiland, door de Sequana (Seine)
+omspoeld, in het gebied der Senones, thans Melun.
+
+Melpomene, Melpomene. Muze van muziek en zang, in het bizonder van
+het treurspel. Zij wordt afgebeeld met een tragisch masker in de hand
+en een krans op het hoofd.
+
+Melus, Melos, thans Milo, eiland in de Aegaeische zee, tot de Sporaden
+gerekend, doch zeer W. en nabij de Cycladen gelegen. Door de ouden
+werd het rond of appelvormig genoemd, en de naam afgeleid van melon,
+appel; dezen vorm heeft het schijnbaar, wanneer men van het W. het
+eiland nadert, in werkelijkheid is het alles behalve rond. Het heeft
+een diepen inham, waaraan de gelijknamige stad lag. De bevolking
+was dorisch. In den peloponnesischen oorlog werd het eil. door de
+Atheners geblokkeerd en uitgehongerd (416), vandaar spreekwoordelijk
+limos Melios. Na de overgaaf werden de mannen omgebracht, en vrouwen
+en kinderen als slaven verkocht, en atheensche kolonisten er heen
+gezonden. De bodem van het eiland was warm door vulkanische werking,
+doch de opstijgende zwaveldampen waren zeer hinderlijk.
+
+Memmia (lex) van den volkstribuun C. Memmius in 111, dat Jugurtha
+onder vrijgeleide naar Rome moest ontboden worden, om te verklaren,
+wie geld van hem hadden aangenomen.
+
+Memmii, plebejisch geslacht, dat van Aeneas' tochtgenoot Mnestheus
+beweerde af te stammen. 1) C. Memmius, volkstribuun in 111, zette
+het volk op tegen de optimaten, die de eer van Rome veil hadden voor
+het goud van Jugurtha, en bewerkte dat de senaat een leger tegen hem
+afzond. Toen hij in 100 met den woesten C. Servilius Glaucia naar het
+consulaat dong, werd hij door dezen en diens medestander Saturninus
+in de volle volksvergadering om het leven gebracht.--2. C. Memmius,
+ten onrechte Gemellus genoemd, volkstribuun in 66, praetor in 58
+en vervolgens propraetor in Bithynia, werd later wegens omkooping
+veroordeeld en ging in ballingschap naar Griekenland, waar hij in
+47 stierf. Hij was een goed redenaar. Aan hem droeg Lucretius zijn
+gedicht de rerum natura op. Hij stond in geregelde briefwisseling met
+Cicero.--3) C. Memmius, stiefzoon van Sulla en volkstribuun in 54,
+klaagde A. Gabinius en C. Rabirius Postumus aan, die door Cicero werden
+verdedigd.--4) P. Memmius Regulus steunde Macro bij zijn pogingen
+om Seianus ten val te brengen. Later was hij proconsul van Achaia,
+Macedonia en Moesia (sedert 36 n. C.). Caligula dwong hem zijne vrouw
+Lollia Paullina aan hem af te staan. Hij stierf in 61.
+
+Memnon, Memnon, 1) zoon van Tithonus en Eos, kwam met de Aethiopiërs
+van het Oosten (z. Aethiopes) Priamus te hulp en verrichtte
+vele heldendaden, o. a. doodde hij Antilochus; eindelijk werd
+hij door Achilles verslagen. Om Eos te troosten, gaf Zeus hem de
+onsterfelijkheid. Uit zijn brandstapel stegen vogels op (Memnonides),
+die ieder jaar zijn graf bezoeken en daar te zijner eere een wedstrijd
+houden.--Door eene verwarring tusschen de oostelijke en westelijke
+Aethiopiërs zijn vele verhalen omtrent M. ontstaan, die moeielijk
+met elkander zijn overeen te brengen; zijn graf toonde men aan den
+Hellespont, in Phoenicië en in Aethiopië, en verscheiden kolossale
+gebouwen werden naar hem genoemd, o. a. de koningsburcht van Susa
+Memnonia, en vooral een reusachtig beeld bij Thebe in Aegypte,
+waarvan door een aardbeving het bovenste gedeelte afgebroken was,
+en dat sedert dien tijd, wanneer het door de opgaande zon beschenen
+werd, een geluid gaf als een springende snaar. Uit het onderzoek van
+de nog bestaande overblijfsels van dit beeld is gebleken, dat het den
+oud-aegyptischen koning Amenophis III (omstreeks 1500) voorstelde.--2)
+van Rhodus, bekwaam aanvoerder der grieksche huurtroepen van Darius
+Codomannus. Bij den inval van Alexander den G. stelde hij voor
+Klein-Azië prijs te geven, met de vloot Alexander van Europa af te
+snijden, en in Griekenland en Macedonië bewegingen tegen hem in het
+leven te roepen; zijn raad werd echter niet opgevolgd. Na den slag
+bij den Granicus verdedigde hij Miletus en Halicarnassus, veroverde
+hij als bevelhebber der vloot Chius, Lesbus, enz., en stelde hij zich
+in betrekking met Agis; reeds was hij op het punt naar Europa over
+te steken, toen hij bij het beleg van Mytilene ziek werd en stierf
+(334).--3) schrijver van eene geschiedenis van het pontische Heraclea,
+waarvan enkele fragmenten bestaan. Hij leefde in de tweede eeuw na C.
+
+Memphis, Memphis, oude belangrijke stad van Aegypte, even boven het
+begin der Nijldelta, 5 uren gaans in omtrek, met prachtige tempels en
+paleizen. Vooral de god Phtha en de stier Apis werden hier vereerd. In
+den omtrek vond men een aantal pyramiden.
+
+Men, Men, 1) maangod bij de Phrygiërs.--2) = Menes.
+
+Menae, Menai, bergstad der Siculi, aan den weg van Catana naar Gela,
+geboorteplaats van Ducetius. In de nabijheid lag de bron Menaïs,
+waarbij de inwoners zwoeren.
+
+Menaechmus, Menaichmos, 1) van Naupactus, beeldhouwer omstreeks
+500.--2) van Sicyon, tijdgenoot van Alexander den G., beeldhouwer
+en geschiedschrijver.--3) wiskundige, van wiens werken een fragment
+bewaard is. Van zijn leven is niets bekend.
+
+Menaenum, Menainon, stad der Siculi, ten W. van Syracusae, stichting
+van Ducetius.
+
+Menalippe = Melanippe.
+
+Menander, Menandros, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen
+oorlog, nam deel aan den tocht naar Sicilië en aan den slag bij
+Aegospotami.--2) zoon van Diopithes, geb. 342, vriend van Theophrastus,
+Epicurus en Demetrius Phalereus. Hij is de voornaamste dichter
+der nieuwe attische comedie en schreef, naar men meent, meer dan
+100 stukken, waarvan de juiste karakterteekening, de goed gevonden
+toestanden en de beschaafde toon geroemd worden. Slechts achtmaal
+werd hem een prijs toegekend, toch waren zijne werken zoo bekend,
+dat Ptolemaeus Lagi hem trachtte over te halen naar Alexandrië te
+komen; hij bleef echter te Athene, waar hij, 52 jaar oud, in het bad
+verongelukte. Van zijne comedies zijn sommige door Terentius e. a. in
+het Latijn bewerkt. Tal van verzen uit zijne werken worden door
+lateren geciteerd; ook zijn nog zeer onlangs belangrijke fragmenten
+van sommige stukken van hem gevonden.--3) van Ephesus, schrijver
+eener geschiedenis van Phoenicië.--4) leerling van Diogenes no. 2.
+
+Menapii, Menapioi, belgisch volk, dat door de Usipetes en Tencteri van
+den Rijn tot over de Mosa (Maas) werd gedrongen, te midden van bosschen
+en moerassen. Het castellum Menapiorum is òf het tegenw. Kessel op
+den linker Maasoever tusschen Roermond en Venlo, òf, daar de Menapii
+later meer westelijk wonen, Cassel in het Departement du Nord, dat
+ook wel voor een Castellum Morinorum aangezien wordt. Verder ligt in
+hun land Turnacum, tgw. Doornik.
+
+Menas, Menas = Menodorus.
+
+Mende of Mendae, Mende, Mendai, kolonie van Eretria, op het
+chalcidische schiereiland Pallene, aan de golf van Thermae.
+
+Mendes, gen. -etis, Mendes, stad in de Nijldelta aan den mendesischen
+rivierarm, zetel van den eeredienst van den God Mendes, die als
+zinnebeeld der voortbrengende natuurkracht onder de gedaante van een
+bok werd voorgesteld en door de Grieken met Pan werd vereenzelvigd.
+
+Mendesium ostium, Mendesion stoma, een van de Nijlmonden, ten O. van
+den Phatnitischen mond gelegen.
+
+Mene, Mene = Selene.
+
+Menecles, Menekles, beroemd rhetor van Alabanda, wiens voordrachten
+Cicero hoorde.
+
+Meneclidas, Menekleidas, thebaansch volksredenaar, vijand van
+Epaminondas en Pelopidas, wegens zijn kuiperijen tot geldboete
+veroordeeld.
+
+Menecrates, Menekrates, 1) wijsgeer der eleatische school, leerling van
+Xenophanes, schrijver van aardrijkskundige werken.--2) van Syracuse,
+geneesheer ten tijde van Philippus van Macedonië, die zich door zijne
+ijdelheid belachelijk maakte.--3) verdienstelijk geneesheer onder
+Tiberius.--4) vrijgelatene van Pompeius, aanvoerder van de vloot van
+Sextus Pompeius; in een zeeslag bij Cumae werd zijn schip genomen en
+hij stortte zich in zee.--5) citharoede, in groot aanzien bij Nero.
+
+Menedemus, Menedemos, 1) veldheer van Alexander d. G.--2) van Eretria,
+zoon van Clisthenes, leerling van Plato en Stilpo, daarna leeraar
+der wijsbegeerte te Eretria, en stichter der eretrische school. Hij
+bekleedde er aanzienlijke staatsambten, maar werd van verraad
+beschuldigd en vluchtte naar Antigonus Gonatas. Zijne leefwijze was
+eenvoudig en zijn omgang aangenaam, bij voorkeur hield hij zich bezig
+met de studie van oude dichters.--3) van Lampsacus, cynisch wijsgeer
+van de uiterste richting.--4) rhetor te Athene omstreeks 94.--5)
+Macedoniër; die door zijn gastvriend Iulius Caesar het romeinsche
+burgerrecht kreeg.
+
+Menelai portus, Menelaios limen, havenstad in het O. van Cyrenaica,
+in het gebied der Gilligammae, volgens de mythe door Menelaus
+gesticht. Hier stierf Agesilaus van Sparta in 358 op den terugweg
+uit Aegypte.
+
+Menelaium, Menelaion, berg in Laconica ten Z.O. van Sparta, bij
+Therapne, met een heiligdom voor Menelaus.
+
+Menelaus, Menelaos, 1) zoon van Atreus of Plisthenes, broeder
+van Agamemnon (z. a.), gehuwd met Helena (z. a.), de dochter van
+Tyndareos, van wien hij de regeering over Sparta erft. Aan den
+trojaanschen oorlog neemt hij met 60 schepen deel, hij gaat met
+Odysseus naar Troje om Helena terug te vorderen, maar deze eisch wordt
+afgewezen. In den oorlog verricht hij onder bescherming van Athena
+en Hera vele heldendaden, hij overwint Paris in een tweegevecht,
+ofschoon Aphrodite zijn vijand uit zijne handen redt, strijdt met
+Hector en Aeneas, verdedigt het lijk van Patroclus en begeeft zich
+met het houten paard in de stad. Op zijn terugreis wordt hij bij
+kaap Malea door een storm overvallen, die hem naar Aegypte drijft,
+en eerst nadat hij 8 jaar rondgezworven had, keerde hij in zijn rijk
+terug. Hier leefde hij nog lang met Helena in vrede, rijkdom en geluk,
+eindelijk werd hij met haar naar het Elysium verplaatst. Niettemin
+werd hun graf bij Therapne getoond, waar te hunner eer een tempel
+was en spelen gevierd werden.--2) onechte zoon van Amyntas II; daar
+Phillippus hem niet vertrouwde en zijn leven bedreigde, ging hij bij
+de Atheners in dienst.--3) broeder van Ptolemaeus Lagi, verdedigde
+Salamis op Cyprus tegen Demetrius Poliorcetes, doch moest zich na eene
+langdurige en dappere verdediging overgeven (306).--4) van Marathus,
+onderwees Ti. Gracchus in de welsprekendheid.--5) beeldhouwer uit
+den tijd van keizer Tiberius. Van hem is de bekende groep Orestes en
+Electra, vroeger in Villa Ludovisi, tgw. in het Museo Nazionale te
+Rome.--6) van Alexandria, beroemd wis- en sterrenkundige, omstreeks
+100 n.C. Hij heeft zich vooral bezig gehouden met trigonometrie en
+sphaerische astronomie.
+
+Menenia (lex) agraria, z. Maenia (Menenia) (lex) agraria.
+
+Menenia of Maenia Duilia (lex), zie Fenus.
+
+Menenia Sestia (lex) van de consuls T. Menenius Lanatus en P. Sestius
+Capitolinus in 452, eene wet omtrent de multa suprema, zie Aternia
+Tarpeia (lex); omtrent den inhoud is verder niets zekers bekend.
+
+Menenii, patricisch geslacht, doch met een plebejischen tak. 1) Agrippa
+Menenius, consul in 503, behaalde eene overwinning op de Sabijnen
+en wist volgens de overlevering in 494 door zijne toespraak (fabel
+van de maag en ledematen) de uitgeweken plebejers tot den terugkeer
+naar Rome te bewegen. Het geheele verhaal omtrent de uitwijking is
+onhistorisch, zie hieromtrent secessio plebis. Hij stierf arm en werd
+op staatskosten begraven. Dikwijls wordt hij Menenius Agrippa genoemd,
+doch Agrippa is hier vóórnaam.--2) T. Menenius Lanatus was consul in
+477, in welk jaar de Fabii bij de Cremera werden verslagen. Ook hij
+zelf streed niet voorspoedig tegen de Etruscers. Na zijn consulaat
+klaagden twee volkstribunen hem aan wegens gebrek aan voorzorg, en
+het volk veroordeelde hem tot eene geldboete. Menenius kon dit niet
+verkroppen en liet zich doodhongeren.--3) T. Menenius Lanatus (ook
+C. of L.), consul in 452, trok zich, naar men zegt, het veldwinnen
+der plebejers tegenover de patriciërs zóó sterk aan, dat hij ernstig
+ziek werd. Het was juist in het jaar, dat de lex Terentilla de legibus
+scribendis werd uitgevoerd.
+
+Menes, Menes, van Pella, onder Alexander d. G. satraap van Syrië,
+Phoenicië en Cilicië.
+
+Menes, Men, Menes, eerste koning van Aegypte, stichter van Memphis.
+
+Menesaechmus, Menesaichmos, atheensch redenaar, tegenstander van
+Demosthenes en Lycurgus.
+
+Menestheus, 1) zoon van Peteos, stiet met de hulp der Tyndariden
+Theseus van den troon en voerde de Atheners voor Troje aan, waar
+hij sneuvelde.--2) zoon van Clytius, tochtgenoot van Aeneas.--3)
+zoon van Iphicrates, atheensch veldheer.
+
+Menesthius, Menesthios, twee strijders in het leger der Grieken voor
+Troje; de eene was een zoon van Areïthous en Philomedusa, de andere
+van den riviergod Spercheus en Polydora, zuster van Achilles.
+
+Menestratus, Menestratos, 1) Athener, aangeklaagd van een samenzwering
+tegen de oligarchische partij (404). Hij noemde zijne medeplichtigen
+en werd daarom vrijgesproken, doch na de wederinvoering der democratie
+werd hij met den dood gestraft.--2) beeldhouwer, van wien beroemde
+standbeelden in den tempel van Artemis te Ephesus stonden.
+
+Menexenus, Menexenos, 1) leerling van Socrates, naar wien een der
+werken van Plato genoemd is.--2) vriend van Socrates, leerling van
+den sophist Ctesippus.--3) zoon van Socrates.
+
+Meninx, MEeninx = Lotophagitis, z. Lotophagi.
+
+Menippe, Menippe, en Metioche, dochters van Orion, door Aphrodite met
+schoonheid begaafd, door Athena in de kunst van weven onderwezen. Toen
+haar vaderland Aonië door de pest ontvolkt werd, offerden zij
+zich vrijwillig aan de onderaardsche goden om hen te verzoenen, en
+doorstaken zij zich de keel met een weverspoel. Persephone en Hades
+veranderden haar in kometen.
+
+Menippus, Menippos, 1) tyran van Oreüs, werkte in het belang
+van Philippus van Macedonië tegen de Atheners.--2) veldheer van
+Philippus III (V) in zijn oorlog tegen de Rom.--3) dienaar van
+Antiochus d. G., die als gezant te Rome kwam en de Aetoliërs tegen de
+Rom. ophitste.--4) van Gadara, vroeger slaaf, later cynisch wijsgeer,
+een befaamd woekeraar, die zich na een belangrijk geldverlies van
+het leven beroofde (± 270). Zijne eigenaardige hekelschriften, in
+proza met verzen doormengd, vonden veel bijval en werden door Varro
+in het Latijn nagevolgd (Satyrae Menippeae, z. Terentii no. 1).--5)
+van Stratonicea, volgens het oordeel van zijn vriend Cicero de beste
+aziatische redenaar van zijn tijd.--6) van Pergamus, schrijver van
+een grieksch werk over aardrijkskunde, onder Augustus.
+
+Menodorus, Menodoros, ook Menas, Menas, genoemd, vrijgelatene van
+Cn. of diens zoon S. Pompeius en admiraal van den laatste. Hij
+liep in 38 tot Octavianus over, aan wien hij zijne schepen
+uitleverde. Octavianus verhief hem tot den ridderstand en stelde
+hem tot legaat op zijne vloot aan. Inmiddels verhief S. Pompeius
+een ander vrijgelatene, Menecrates, tot vlootvoogd en zond dezen op
+Menodorus af. Bij Cumae raakten de beide vloten slaags, het schip van
+Menecrates werd genomen en deze sprong in zee en verdronk. Later ging
+Menodorus weder tot Pompeius over en vervolgens opnieuw tot Octavianus.
+
+Menoeceus, 1) Menoikeus, vader van Creon, Iocaste en Hipponome.--2)
+z. Megareus.
+
+Menoetiades, Menoitiades, Patroclus, zoon van Menoetius no. 2.
+
+Menoetius, Menoitios, 1) zoon van Iapetus en Asia, om zijn overmoed
+door Zeus met den bliksem gedood en in den Tartarus geworpen.--2)
+zoon van Actor en Aegina, vader van Patroclus, Argonaut, vriend van
+Heracles, wien hij v. s. het eerst een offer bracht.--3) weidde de
+kudden van Hades op het eiland Erythea en verried aan Geryones, dat
+Heracles zijne runderen geroofd had. Daarom viel Heracles hem aan,
+toen hij hem in de onderwereld ontmoette; Persephone kwam echter
+tusschenbeide, zoodat M. er met een wond afkwam.
+
+Menon, Menon, 1) vorst van Pharsalus, in den peloponnesischen oorlog
+bondgenoot der Atheners.--2) Thessaliër, een van de veldheeren van
+den jongeren Cyrus. Op den terugtocht na den slag bij Cunaxa, werd
+hij door Tissaphernes verraderlijk gevangen genomen en gedood. Hij
+wordt door Xenophon als heerschzuchtig en gewetenloos beschreven. Een
+der gesprekken van Plato is naar hem genoemd.--3) bevelhebber
+der thessalische ruiterij in den lamischen oorlog, grootvader van
+Pyrrhus.--4) geneesheer, leerling van Aristoteles.
+
+Menophanes, Menophanes, veldheer van Mithradates, die in den eersten
+mithradatischen oorlog Delus plunderde en verwoestte.
+
+Mentes, Mentes, 1) aanvoerder der Ciconen in den trojaanschen
+oorlog.--2) aanvoerder der Taphiërs, gastvriend van Odysseus. Onder
+zijne gedaante kwam Athena Telemachus bezoeken.
+
+Mentor, Mentor, 1) van Ithaca, zoon van Alcimus, vertrouwd vriend
+van Odysseus, die hem bij zijn vertrek naar Troje de zorg voor zijn
+huis opdroeg. Athene nam dikwijls zijne gedaante aan, wanneer zij
+als beschermster van het huis van Odysseus optrad.--2) van Rhodus,
+broeder van Memnon no. 2, bevelhebber der grieksche troepen bij
+den opstand van Sidon tegen Perzië; door zijn verraad moest de stad
+zich aan Artaxerxes Ochus overgeven (351). Daarna was hij satraap in
+Klein-Azië en droeg hij veel bij tot de herovering van Aegypte. Hij
+stierf kort voor den inval van Alexander d. G.
+
+Menyllus, Menyllos, bevelhebber der macedonische bezetting in Munychia
+na den lamischen oorlog, vriend van Phocion.
+
+Mephitis of Mefitis, godin, die in Italië vereerd werd op verscheidene
+plaatsen, waar onzuivere dampen uit den grond opstegen.
+
+Mercurii promunturium = Hermaeum pr.
+
+Mercurius, god van handel en winst, oorspronkelijk misschien in het
+bijzonder van den graanhandel, in alle opzichten geïdentificeerd met
+Hermes. Zijn voornaamste feestdag viel op den 15den Mei, die tevens
+de feestdag was van het koopmansgild, dat tegelijk met de invoering
+van zijn eeredienst uit Zuid-Italië (in 495) was opgericht.
+
+Merenda, een lichte maaltijd, waarvan de gewone tijd zeer verschillend
+wordt opgegeven. Misschien aten de boeren vroeger dan de stedelingen
+en gebruikten zij dit maal tegen den avond; in de stad gebruikte men
+het dan waarschijnlijk in den voormiddag, en valt het wellicht samen
+met het prandium.
+
+Meriones, Meriones, vriend en wapenbroeder van Idomeneus (z. a.),
+uitmuntend als boogschutter en speerwerper.
+
+Mermnadae, Mermnadai, de laatste dynastie der lydische koningen,
+van Gyges tot Croesus.
+
+Meroë, Meroe, een priesterstaat met gelijknamige hoofdstad in
+Aethiopia tusschen de beide Nijltakken Astaboras (Atbara) en Astapus
+(Bahr-el-Azrek of blauwen Nijl). De ouden meenden, dat het rijk op
+een eiland lag; vandaar vindt men Insula Meroë nog op middeleeuwsche
+kaarten geteekend. In de eerste eeuw werd de hier heerschende
+priesterkaste door de onderhoorige negerstammen uitgemoord en ging
+de stad te gronde.
+
+Merope, Merope, 1) Oceanide, bij Helius of Clymenus moeder van
+Phaëthon.--2) eene van de Heliades.--3) dochter van Atlas, gemalin
+van Sisyphus. In het sterrenbeeld der Plejaden is zij de ster, die den
+minsten glans heeft, omdat zij zich uit schaamte over hare liefde voor
+een sterveling het gezicht bedekt.--4) gemalin van Polybus, pleegmoeder
+van Oedipus.--5) dochter van Cypselus, gemalin van Cresphontes. Toen
+deze door Polyphontes gedood was, werd zij gedwongen den moordenaar
+te huwen.
+
+Meropis, Meropis, oude naam van het eil. Cos.
+
+Merops, Merops, 1) koning van Cos. Uit verdriet over den plotselingen
+dood zijner gemalin wilde hij zich van het leven berooven, maar Hera
+plaatste hem als adelaar onder de sterren.--2) koning van Aethiopië,
+gehuwd met Clymene no. 3.--3) koning van Percote, beroemd waarzegger,
+wiens zonen voor Troje door Diomedes gedood werden.
+
+Merula, familienaam in de gens Cornelia.
+
+Mesambria, Mesambrie, 1) stad der Cicones in Thracia, aan de Aegaeïsche
+zee.--2) = Mesembria.
+
+Mesaulos, gang tusschen het mannen- en het vrouwenverblijf, die in
+het midden met een deur afgesloten kan worden.
+
+Mesembria, Mesembria, belangrijke koopstad, kolonie van Byzantium
+en Chalcedon, gesticht na den ionischen opstand, in Thracia, aan den
+Pontus Euxinus (Zwarte zee) tusschen Apollonia en Odessus.
+
+Mesogaea, Mesogaia, streek in het binnenland van Attica, vooral ten
+N. en O. van Athene.
+
+Mesogis, Mesogis = Messogis.
+
+Mesomedes, Mesomedes, vrijgelatene en gunsteling van keizer Hadrianus,
+dichter van eenige epigrammen en van een hymnus, die met de oude
+muzieknoten bewaard gebleven is.
+
+Mesopotamia, Mesopotamia, een louter geografische naam, in het
+Seleucidentijdperk gegeven aan de landstreek tusschen den Euphraat
+en den Tigris van de armenische grenzen tot aan den medischen muur,
+dus tot aan Babylonia. Vóór dien tijd werd dit land eenvoudig als
+een deel van Assyria of van Syria beschouwd, zonder eigen naam. Het
+noordelijk gedeelte werd door de rivier Chaboras in twee deelen
+gesplitst, Osroene ten W., Mygdonia ten O.
+
+Mespila, eene groote, doch verlaten stad, zes uren gaans in omtrek;
+waarschijnlijk de overblijfselen van het voormalige Niniveh,
+z. Ninus. Uit een bericht bij Xenophon, de eenige plaats, waar de
+naam Mesp. voorkomt, blijkt, dat de inwoners van die streek in X.'s
+tijd niets meer wisten van het vroegere assyrische rijk.
+
+Messa, Messa, oude laconische havenstad, op de middelste Zuidspits
+der Peloponnesus, aan den Westkant gelegen.
+
+Messala of Messalla, familienaam in de gens Valeria (Valerii no. 16,
+26-29). Vipstanus Messala, zie Vipstani.
+
+Messalina, 1) Valeria Messalina, gemalin van keizer Claudius, zie
+Valerii no. 33.--2) Statilia Messalina, derde gemalin van Nero,
+z. Statilii no. 6.
+
+Messana, Messana, doch gewoonlijk Messene, op Sicilia, thans Messina,
+allereerst Zancle geheeten, daar de haven door eene sikkelvormige
+landtong gevormd werd. Het was gesticht door Siciliërs, en werd in de
+achtste eeuw gekoloniseerd door euboeïsche Chalcidiërs en Cumaeërs. Na
+de verwoesting van Miletus in 494 door de Perzen, vonden scharen
+Milesiërs en Samiërs hier een toevluchtsoord. Kort daarop maakte
+Anaxilaus, tyran van Rhegium, zich van Zancle meester en noemde het
+Messana, naar de Messeniërs, die hij in de stad opnam. In 396 werd de
+toenmaals bloeiende stad door de Carthagers verwoest. Dionysius de
+oude, tyran van Syracusae, liet ze spoedig herbouwen. Na den dood
+van Agathocles maakten diens huurbenden, de Mamertini, zich van
+haar meester (vóór 283) en vermoordden grootendeels de mannelijke
+bevolking. Zie verder Mamertini. Messana bleef eene aanzienlijke stad;
+de ruime haven kon 600 schepen bevatten.
+
+Messapia, Messapia, oude grieksche naam voor Calabria.
+
+Messapium, Messapion, berg aan de O. kust van Boeotia bij de stad
+Anthedon.
+
+Messapus, 1) Boeotiër, die naar Italië ging, en naar wien Calabria den
+naam Messapia heeft.--2) een Latijn, zoon van Neptunus, paardentemmer,
+onkwetsbaar door vuur of staal.
+
+Messene, Messene, stad, door Epaminondas in 369 aan den voet van den
+berg Ithome als hoofdstad van het bevrijde Messenia gesticht.
+
+Messenia, Messenia, Z.W. gewest der Peloponnesus, in de oudheid
+bekend om zijn heerlijk klimaat, daar het in M. reeds zomer was,
+wanneer het in Laconica nog lente, in Arcadia nog winter was. Door
+de dichtbegroeide grensgebergten lag het tegen de koude winden
+beschut. Als oudste bewoners komen Leleges voor, waarbij later Argivi
+en Aeoles kwamen. In den Z.W. hoek woonden Dryopes. Bij de dorische
+volksverhuizing werd ook M. een dorische staat, met Stenyclarus tot
+hoofdstad. In de beide messenische oorlogen echter werd M. door de
+Spartanen veroverd, en de Messeniërs, die niet uitweken, werden tot
+Heloten gemaakt. In 464 stonden de Messeniërs op, bij gelegenheid
+dat Sparta door eene aardbeving zwaar geteisterd was. De strijd
+duurde jaren lang, tot eindelijk de opstandelingen onder beding van
+vrijen aftocht de wapens neerlegden. Grootendeels trokken zij naar
+Naupactus (Lepanto), dat hun door de Atheners werd ingeruimd. Na den
+peloponnesischen oorlog van daar verdreven, verstrooiden zij zich in
+verschillende richtingen. In 369 werd Messenia tot aan den Pamisus
+door Epaminondas vrij gemaakt; de ballingen, door hem uitgenoodigd,
+bevolkten de nieuwe hoofdstad Messene, en sedert dien tijd bleef het
+gewest onafhankelijk tot aan de rom. overheersching in 146.
+
+Messenische oorlogen heeten drie oorlogen, waarvan de eerste de
+onderwerping van Messenië aan Sparta ten gevolge had, de andere
+twee voortkwamen uit mislukte pogingen der Messeniërs om zich
+te bevrijden. De eerste mess. oorlog (743-724, v. a. 730-710)
+ontstond naar aanleiding van geschillen over grenzen, roof van
+menschen en vee, enz., en begon met een nachtelijken aanval der
+Spartanen op Amphea, waarvan de meeste inwoners gedood werden. Daar
+de krijgskans den Messeniërs over het algemeen niet gunstig was,
+trokken zij zich in het sterke Ithome terug, en onder de leiding van
+Aristodemus (z. a.) brachten zij van hier uit den Spartanen dikwijls
+gevoelige slagen toe; na zijn dood werd echter Ithome genomen, vele
+Messeniërs verlieten het land, de overige kwamen in den toestand van
+heloten.--Het duurde echter niet lang voordat zij nog eene poging
+waagden om zich uit dien toestand te bevrijden. Te Andania begon
+de heldhaftige Aristomenes (z. a.) een opstand, waarbij zich in een
+oogenblik het geheele messenische volk aansloot, en die eerst na een
+langdurigen en moeielijken oorlog, den tweeden mess. oorlog (685-668,
+v. a. 660-643 of 645-630), bedwongen kon worden. Niet alleen werden
+de Messeniërs nu bijgestaan door Achaeërs, Argiven en Arcadiërs,
+maar bovendien heerschte onder de Spartanen verdeeldheid en bestond
+er gevaar voor een algemeenen opstand der perioeken en heloten. Toen
+zij zich echter onder den invloed der bezielde gedichten van Tyrtaeus
+(z. a.) weder tot eendrachtige samenwerking verbonden hadden, toen
+de arcadische koning Aristocrates de zaak der Messeniërs verried,
+en over het geheel de bondgenooten van dezen den langdurigen oorlog
+begonnen moede te worden, hadden de zaken weder denzelfden loop
+als vroeger: de Messeniërs trokken zich terug in de vesting Ira,
+en toen deze eindelijk ingenomen was, was de oorlog tot hun nadeel
+beslist. Ook nu verlieten weder velen het land. In hoeverre de gang
+van zaken in deze beide oorlogen werkelijk geweest is, zooals hier
+is beschreven, is wegens den aard der bronnen waardoor wij kennis
+ervan hebben, moeielijk te beoordeelen.--Toen in 464 Sparta door eene
+verschrikkelijke aardbeving tot den uitersten nood gebracht was,
+stonden de afstammelingen der oude Messeniërs op en begonnen zij
+den derden mess. oorlog. In de oude stad Ithome verschanst, boden
+zij den Spartanen lang weerstand, zelfs de Atheners, die onder Cimon
+den belegeraars te hulp gekomen waren, konden hen niet tot overgave
+dwingen. Eindelijk bedongen zij vrijen aftocht uit de Peloponnesus,
+en gaven de Atheners hun de stad Naupactus tot woonplaats (455).
+
+Messiae (leges), van den volkstribuun C. Messius in 57: 1) tot
+terugroeping van Cicero;--2) om de cura annonae aan Pompeius op te
+dragen. Geen van beide wetten kwam echter in behandeling. De eerste
+werd noodeloos door de lex Cornelia de restituendo Cicerone (z. a.),
+de andere werd voorkomen door de lex Cornelia Caecilia (z. a.);
+zie verder Messii no. 1.
+
+Messii, plebejisch geslacht. 1) C. Messius volkstribuun in 57,
+bevorderde de terugroeping van Cicero uit diens ballingschap en
+deed eene mislukte poging om Pompeius als praefectus annonae met
+bijna onbeperkte macht over leger, vloot, schatkist en provinciën te
+bekleeden. Later sloot hij zich aan bij Caesar.--2) Messius Maximus,
+vriend van den jongen Plinius.
+
+Messogis, Messogis, grensgebergte tusschen Lydia en Caria.
+
+Mestra, Mestra, dochter van Erysichthon no. 2. Door honger gekweld,
+verkocht haar vader haar als slavin, zij had echter van Poseidon
+het vermogen gekregen, zich in allerlei gedaanten te veranderen, en
+hiervan maakte zij gebruik om telkens tot haar vader terug te keeren
+en zich opnieuw te laten verkoopen.
+
+Meta, eindpaal in den circus (z. a.).
+
+Metabus, vader van Camilla (z. a.).
+
+Metagenes, Metagenes, 1) dichter der oude comoedie, tijdgenoot van
+Aristophanes.--2) van Cnosus, uitvinder van den ionischen bouwstijl
+en medewerker bij den bouw van den tempel van Artemis te Ephesus,
+waarvan het plan door zijn vader Chersiphron gemaakt was.--3) Athener,
+onder Pericles bouwmeester van den tempel te Eleusis.
+
+Metagitnion, Metageitnion, 2de maand van het Attische jaar
+(Aug.-Sept.), z. Annus.
+
+Metanira, Metaneira, gemalin van Celeüs, moeder van Demophoön (z. a.).
+
+Metapa, ta Metapa, stad in Aetolia aan het meer Trichonis.
+
+Metapontum of -tium, Metapontion, meest oostelijke stad in Lucania
+aan de golf van Tarentum, volgens sommigen door Nestor, volgens
+anderen door Epeus gesticht. In werkelijkheid is de stad in de 7de
+eeuw door Achaeërs gesticht. Hier is Pythagoras gestorven; Cicero
+heeft zijn graf nog gezien. De Lucaniërs verwoestten de stad, die
+echter herbouwd werd. Door den tarentijnschen oorlog viel zij in
+handen der Rom., in 212 in die van Hannibal. Toen deze naar het land
+der Bruttii moest terugtrekken, nam hij de inwoners mede. Sedert kwam
+de stad in vergetelheid.
+
+Metapontus, Metapontos, koning van Icaria, pleegvader van Aeolus
+(z. a.) en Boeotus.
+
+Metaurus, Metauros, 1) rivier van Umbria, waarbij Hannibal's broeder
+Hasdrubal in 207 verslagen werd en sneuvelde.--2) rivier op de W.-kust
+van het land der Bruttii.
+
+Metellus, familienaam in de gens Caecilia.
+
+Methana, Methana, landtong en stad in Argolis, tusschen Troezen en
+Epidaurus, tegenover het eiland Aegina.
+
+Methone, Methone, 1) stad op de Z.W.-spits van Messenia, thans
+Modon.--2) stad in Macedonia, in het landschap Pieria, aan de golf
+van Therma, bij welker beleg aan Philippus het rechteroog werd
+uitgeschoten.--3) in ouden tijd eene stad in het thessalische gewest
+Magnesia, aan de Pagasaeische golf.--4) = Methana.
+
+Methydrium, Methydrion, stad in het hart van Arcadia, op een steile
+rots.
+
+Methymna, Methymna, tweede stad van Lesbus, op de N.-kust gelegen,
+om haar wijn beroemd, geboorteplaats van den zanger Arion en den
+logograaf Hellanicus. Om hare trouw aan Athene werd zij in 406 door
+de Spartanen voor een gedeelte verwoest.
+
+Metii = Mettii.
+
+Metilia (lex) van den volkstribuun Metilius in 217, waarbij de
+magister equitum M. Minucius Rufus in macht gelijk werd gesteld met
+den (pro)dictator Q. Fabius Maximus Verrucosus, over wiens wijze van
+oorlogvoeren tegen Hannibal men ontevreden was.
+
+Metilii, plebejisch geslacht. M. Metilius, volkstribuun in 217,
+z. Metilia (lex).
+
+Metioche, Metioche, dochter van Orion, zuster van Menippe (z. a.).
+
+Metionidae, Metionidai, Daedalus, Eupalamus en v. s. ook Sicyon,
+zonen van Metion, een zoon van Erechtheus, beroofden Pandion van de
+regeering, doch werden later door diens zonen verdreven.
+
+Metiosedum = Melodunum.
+
+Metis, Metis, dochter van Oceanus en Tethys. Zij bezorgde het
+braakmiddel, waardoor Cronus gedwongen werd zijne kinderen, die hij
+verslonden had, uit te braken. Zeus nam haar tot gemalin, maar daar
+hij door een orakel vernam, dat haar kind hem in wijsheid en macht
+zoude overtreffen, verslond hij haar, waarna uit zijn hoofd Pallas
+Athena geboren werd.
+
+Metoikos, iemand, die metterwoon in een vreemden staat gevestigd
+is. Te Athene was hun aantal te allen tijde groot, in 309 bedroeg
+het 10000 volwassen mannen. Zij waren verplicht een burger tot
+patroon (prostates) te nemen, die hen in hunne betrekkingen tot den
+staat of de burgers, bijv. bij processen, vertegenwoordigde, en een
+jaarlijksche belasting (metoikion) van 12 drachmen te betalen. Wie deze
+verplichtingen niet nakwam, stond bloot aan eene graphe aprostasiou
+of eene apagoge metoikiou. Zij waren verder dienstplichtig, hoewel zij
+slechts bij uitzondering voor den dienst te velde schijnen opgeroepen
+te zijn, werden met liturgieën belast, en moesten bij sommige feesten
+bepaalde diensten doen. Grondeigendom konden zij niet verkrijgen,
+de handel was echter bijna geheel in hunne handen.--Een metoikos en
+iedere vreemdeling, die zich de rechten van een burger aanmatigde,
+konde deswege met de graphe xenias aangeklaagd en na veroordeeling
+als slaaf verkocht worden. Daarentegen werd dikwijls een met., die
+zich jegens den staat verdienstelijk had gemaakt, van alle of sommige
+van bovengenoemde verplichtingen vrijgesteld; z. isoteleis.
+
+Meton, Meton, bouwmeester en sterrenkundige te Athene. Door een
+cyclus van 19 jaren, waarin 235 maanden of 6940 dagen zouden zijn,
+trachtte hij de verschillen tusschen het zonnejaar en het maanjaar te
+vereffenen. Deze tijdrekening zoude beginnen met den 13den Scirophorion
+432, het schijnt echter, dat zij nooit algemeen in gebruik geweest is.
+
+Metreta, metretes, amphoreus metretes, grootste grieksche maat voor
+natte waren, ongeveer = 39,4 L.
+
+Metrodorus, Metrodoros, 1) beroemd rhapsode.--2) van Lampsacus,
+leerling of aanhanger van Anaxagoras.--3) van Chius, aanhanger van de
+leer van Democritus en leermeester van Anaxarchus.--4) van Lampsacus,
+de voornaamste leerling van Epicurus, schrijver van vele wijsgeerige
+werken, die verloren gegaan zijn. Hij stierf nog vóór Epicurus
+(277).--5) van Stratonicea, leerling van Carneades, behoorde eerst
+tot de epicureïsche, later tot de academische school.--6) van Scepsis,
+academisch wijsgeer, staatsman in dienst van Mithradates Eupator, wiens
+levensgeschiedenis hij beschreef. Hij had den bijnaam Misoromaios en
+was beroemd om zijn buitengewoon sterk geheugen.--7) vrijgelatene van
+Cicero, verdienstelijk geneesheer.--8) grieksch epigrammendichter,
+schrijver van aardrijks- en sterrenkundige werken, waarschijnlijk
+onder Constantijn den Gr.
+
+Metronomoi, te Athene 10 door het lot aangewezen beambten, die toezicht
+hadden op maten en gewichten.
+
+Metroon, te Athene de tempel van Rhea Cybele, waarin het archief
+(ta demosia grammata) bewaard werd.
+
+Metropolis, Metropolis, naam van verschillende steden. 1) in Acarnania,
+ten O. der Ambracische golf.--2) in Thessalia, tusschen de rivieren
+Peneus en Europus.--3) in Lydia, tusschen Smyrna en Ephesus.--4)
+in Phrygia Maior, tusschen Apamea Cibotus en Synnada.
+
+Mettii of Metii, oud latijnsch geslacht. 1) Mettius (Mettus) Fuffetius,
+dictator van Alba Longa, nam den voorslag van Tullus Hostilius aan,
+om den strijd tusschen Alba en Rome te doen beslissen door het bekende
+gevecht tusschen de Curiatiussen en Horatiussen. Ten gevolge hiervan
+moest Alba zich onderwerpen. In den strijd tusschen Rome en Veii hield
+Mettius zich echter op trouwelooze wijze buiten den strijd, waarop
+Tullus Hostilius hem door paarden vaneen liet scheuren.--2) Mettius
+Curtius, z. Curtius.--3) M. Mettius werd door Caesar tot Ariovistus
+gezonden, doch door dezen verraderlijk gevangen gehouden, en kreeg
+eerst na Ariovistus nederlaag zijne vrijheid terug (58).--4) Mettius
+Pompusianus, onder keizer Domitianus, had hij zich door waarzeggers
+laten diets maken, dat hij tot groote dingen was bestemd. Op den
+wand zijner kamer had hij een wereldkaart laten schilderen en hij
+bestudeerde ijverig Livius. Uit argwaan hierover liet de keizer hem
+ter dood brengen.
+
+Metragyrtes, bedelpriester van de Meter ton theon, vgl. agyrtes.
+
+Mettus Fuffetius, z. Mettii.
+
+Metulum, Metoulon, hoofdstad der Iapydes in Liburnia.
+
+Mevania, oude sterke stad in Umbria aan den weg van Rome naar Ancona,
+beroemd om het schoone rundvee, dat daar werd aangefokt.
+
+Mezentius, koning van Caere. Turnus kwam tot hem om hulp, toen hij
+door Aeneas overwonnen was, of Mez. vluchtte naar Turnus, toen zijn
+volk hem om zijn wreedheid verdreven had. Te zamen zetten zij den
+oorlog voort, en in een gevecht werd Mez. door Aeneas of Ascanius
+gedood. Hij had van Turnus den wijnoogst van een jaar tot loon voor
+zijne hulp gevorderd, Aeneas wijdde echter dien oogst aan Jupiter en
+overwint door de hulp van dezen. Zie ook Vinalia no. 1.
+
+Mezetulus of -tolus, of Mazaetullus, voornaam Numidiër, die zich
+van de regeering meester maakte, doch door Masinissa weder verdreven
+werd. Op bevel van dezen keerde hij later weder naar zijne woonsteden
+terug. Zie ook Masinissa.
+
+Micare, een spel, nog in Italië bekend onder den naam van Morra. Het
+wordt door twee personen gespeeld. Beide spelers houden de rechterhand
+gesloten, openen ze plotseling tegelijk onder het opsteken van een of
+meer vingers en noemen tevens elk een cijfer. Heeft b.v. de een twee,
+de andere drie vingers omhoog gestoken en een der spelers het getal 5
+genoemd, zoo heeft hij gewonnen. Heeft geen van beiden het juiste getal
+geraden, dan sluit men de hand weder en beproeft het opnieuw. Een man,
+in wien geen bedrog is, wordt spreekwoordelijk gekarakteriseerd met
+de woorden: dignus est, quicum in tenebris mices.
+
+Micipsa, Mikipsas, zoon van Masinissa, volgde dezen in 148 als koning
+van Numidia op, en nam overeenkomstig zijns vaders wil zijne jongere
+broeders Gulussa en Mastanabal als mederegenten aan. De drie broeders
+regeerden samen eendrachtig en getrouw aan het bondgenootschap met
+Rome, hoewel zij in den derden punischen oorlog met het zenden van
+hulptroepen aan de Rom. eenigszins omzichtig te werk gingen. Toen
+echter Gulussa en Mastanabal overleden waren, sloot Micipsa zich enger
+bij Rome aan en zond hun bij herhaling hulpbenden naar Hispania. Hij
+overleed in 118 en liet de regeering na aan zijne twee zoons Adherbal
+en Hiëmpsal en zijn neef Jugurtha.
+
+Micon, Mikon, 1) van Aegina, beeldgieter en schilder, tijdgenoot van
+Polygnotus.--2) van Syracuse, beeldgieter onder Hiero II.
+
+Micythus, Mikythos, 1) z. Anaxilaus.--2) Thebaan, die zich liet
+omkoopen om te beproeven Epaminondas voor de belangen van Perzië
+te winnen.
+
+Midas, Midas, zoon van Gordius en Cybele, koning van Phrygië. Toen
+Dionysus op zijn tochten ook in dat land kwam, verdwaalde Silenus in
+de tuinen van M. of werd hij gevangen, doordat hij uit een bron dronk,
+waarvan het water met wijn gemengd was, totdat hij bedwelmd in slaap
+viel. M. onderhield zich 10 dagen lang met hem en bracht hem daarna
+bij Dionysus terug. De god, verheugd dat hij zijn getrouwen makker
+terugzag, stond M. toe een gunst te vragen, en deze wenschte, dat
+alles in goud zoude veranderen, wat hij aanraakte. Zijn verlangen werd
+bevredigd, maar daar ook de spijzen, die hij wilde nuttigen, zoodra hij
+ze aanraakte in goud veranderden, zou hij van honger gestorven zijn,
+indien Dionysus hem niet op zijn verzoek het middel had gegeven om
+zich van die noodlottige eigenschap te bevrijden; daartoe baadde hij
+zich in de rivier Pactolus, die sedert rijk aan goudzand werd. M. was
+ook scheidsrechter in een muzikalen wedstrijd tusschen Apollo en
+Pan, en daar hij het fluitspel van Pan boven de tonen van Apollo's
+lier verkoos, kreeg hij tot straf van Apollo ezelsooren. Om deze
+te verbergen, vond hij de groote phrygische muts uit, alleen zijn
+barbier kende het geheim, maar deze had zich onder eede verbonden
+het aan niemand mede te deelen. Toch konde hij er niet geheel van
+zwijgen, daarom groef hij een gat in de aarde en fluisterde daarin:
+koning Midas heeft ezelsooren! Later groeide op die plaats een riet,
+dat dezelfde woorden fluisterde, telkens wanneer het door den wind
+bewogen werd. Uit wanhoop hierover bracht M. zich om het leven.
+
+Midea, Midea, stad in het binnenland van Argos, ten O. van Mycenae.
+
+Milanion, Meilanion, z. Atalanta.
+
+Miletis, Byblis, dochter van Miletus. Miletis urbs, Tomi, volkplanting
+van de stad Miletus.
+
+Miletus, Miletos, Cretenser, zoon van Apollo en Area of Deïone. Om
+aan den achterdochtigen Minos te ontsnappen, vluchtte hij met Sarpedon
+naar Caria, waar hij de stad Miletus stichtte.
+
+Miletus, Miletos, eene der aanzienlijkste en schoonste steden
+van aziatisch Ionia, geboorteplaats van de wijsgeeren Thales,
+Anaximander en Anaximenes, van de logografen Cadmus en Hecataeus,
+van Aspasia. Miletus bestond uit een buiten- en een binnenstad,
+het had vier havens, door eilanden gedekt, van welke laatste Lade
+het voornaamste was. Het was oorspronkelijk een carische stad,
+die door de Ioniërs gekoloniseerd werd. Reeds vroeg heeft het door
+zeehandel gebloeid. Van hier uit zijn in de 7de eeuw 90 koloniën of
+handelsneerzettingen gesticht, vooral in de Propontis en den Pontus
+Euxinus; de voornaamste zijn: Abydus, Cyzicus, Sinope, Istrus en
+Olbia. Miletus was de ziel van den ionischen opstand in 500 en werd tot
+straf in 494 door de Perzen verwoest. Dit lot trof de stad ten tweede
+male, toen Alexander d. Gr. het op de Perzen veroverde (334). Beroemd
+was de milesische wol (vellera Milesia bij Vergilius).--Ook op de
+N-kust van Creta lag in ouden tijd eene stad van den zelfden naam.
+
+Milichius, Meilichios, vergevingsgezinde, bijnaam van Zeus.
+
+Milo, familienaam in de gens Annia (Annii no. 3).
+
+Milo, Milon, van Croto, beroemd worstelaar, die 32 maal bij de groote
+feesten den prijs won. Hij droeg eens te Olympia een vierjarig rund
+door de renbaan en at het op één dag geheel op. In den oorlog tegen de
+Sybarieten stond hij aan het hoofd van zijne medeburgers. Op hoogen
+leeftijd vond hij in een bosch een halverwege gespleten boom, waarin
+een wig stak, hij trachtte den boom met zijne handen geheel in tweeën
+te trekken, maar de wig ging los, zijn handen raakten vastgeklemd,
+en hij werd door wilde dieren verscheurd.
+
+Miltiades, Miltiades, 1) zoon van Cypselus, voornaam Athener,
+tegenstander van Pisistratus, ging in 559 op verzoek van de Dolonci
+naar de Chersonesus en werd hun vorst. Van uit de Chersonesus veroverde
+hij Lemnus en Imbrus.--2) zoon van Cimon, den broeder van den vorigen,
+werd in 518 door de Pisistratiden naar de Chersonesus gezonden om de
+regeering over het rijk van zijn oom te aanvaarden. Hij huwde met de
+dochter van een thracischen vorst, en volgde Darius I bij zijn tocht
+tegen de Scythen. Zijn voorstel om, door het afbreken van de brug
+over den Ister, Darius den terugtocht af te snijden, stuitte af op den
+tegenstand van Histiaeus. Na den ongelukkigen afloop van den ionischen
+opstand keerde hij naar Athene terug (494), hij werd aangeklaagd,
+omdat hij in de Chersonesus tyran geweest was, maar vrijgesproken,
+en in 490 werd hij als een van de strategen gekozen. Bij de landing
+der Perzen lieten zijne ambtgenooten het bevel geheel aan hem over, en
+door gebruik te maken van de plaatselijke gesteldheid en spoedig aan
+te vallen won hij den beroemden slag bij Marathon. Daarna ondernam
+hij een tocht om de eilanden te straffen, die zich bij de Perzen
+hadden aangesloten; hierin was hij echter niet gelukkig, en bij het
+beleg van Parus werd hij gekwetst en moest hij onverrichter zake
+terugkeeren. Zijne vijanden, vooral de Alcmaeoniden, klaagden hem
+nu aan wegens misbruik van het in hem gestelde vertrouwen, hij werd
+tot een boete van 50 talenten veroordeeld, en daar hij deze niet
+konde betalen, werd hij in de gevangenis gezet, waar hij na korten
+tijd stierf.
+
+Milto, Milto, zie Aspasia no. 2.
+
+Milvius pons, brug over den Tiber, een eind boven Rome, op het punt,
+waar de via Flaminia de rivier kruiste en de via Clodia zich van de
+via Fl. afscheidde. Ten Noorden van deze brug versloeg Constantijn
+de Groote in 312 n. Chr. keizer Maxentius.
+
+Milyas, Milyas, het N. O. bergland van Lycia, oorspronkelijk de naam
+van het geheele land. De inwoners heetten Milyae, Milyai.
+
+Mimallones, -lonides, Mimallones = Bacchae.
+
+Mimas, Mimas, berg in Ionia op een schiereiland tegenover het eiland
+Chius.
+
+Mimnermus, Mimnermos, van Colophon, elegisch dichter en musicus
+(eerste helft van de 6de eeuw), van wiens minnezangen sommige schoone
+fragmenten over zijn; hij is echter zwaarmoedig en sentimenteel,
+en naar aanleiding van een op rijperen leeftijd opgevatte maar
+onbeantwoorde liefde, bejammert hij vooral de kortheid van de jeugd
+en de lasten van den ouderdom.
+
+Mimus, mimos, eene soort van comoedia, doch niet bestemd om op
+het tooneel te worden opgevoerd. Sophron van Syracusae, ± 430, was
+er de schepper van. Zijne stukjes, die hoog geroemd werden, gaven
+maatschappelijke toestanden, zeden en karakters weer, en waren geheel
+uit het leven gegrepen. Bij de vroolijke Siciliërs waren zulke losse
+opvoeringen bij landelijke feesten zeer in zwang. De mimen van Sophron
+geraakten door Plato ook te Athene bekend, en het genre werd hierdoor
+meer en meer verbreid. Ook Italia had zijn mimus, die oorspronkelijk
+bestond in een dialoog, dikwijls voor de vuist voorgedragen en
+met toepasselijke aardigheden gekruid, en die in dezen vorm nog
+lang dienst deed bij begrafenissen van rom. grooten, als wanneer
+eenige mimen-acteurs (ook mimi genoemd), in den begrafenisstoet
+losse voorvallen uit het leven van den overledene opvoerden. Toen
+keizer Vespasianus begraven werd, wiens zuinigheid door het volk
+voor gierigheid werd uitgekreten, vroeg opeens de archimimus, die
+'s keizers persoon voorstelde, hardop, hoeveel de begrafenis wel
+kostte. "Tien millioen sestertiën", was het antwoord. "Ge hadt er
+mij liever honderdduizend moeten geven en mijn lijk in den Tiber
+werpen."--In den laatsten tijd der republiek werd het schrijven van
+mimen een bepaalde tak van letterkunde en werden zij op het tooneel
+als nastukjes, exodia, opgevoerd. Het waren echter in hoofdzaak slechts
+schetsen, waarvan de uitwerking aan de vertooners was overgelaten. De
+naam is ontleend aan het werkwoord mimeisthai; een mimos is eigenlijk
+een nabootser.
+
+Mina, mna, het 60ste deel van een talent = 100 drachmen.
+
+Minatii, een plebejisch geslacht.
+
+Mincii = Minicii.
+
+Mincius, thans Mincio, komt uit Raetia, vormt in zijn loop den lacus
+Benacus (Gardameer), stroomt langs Mantua en valt dan in den Padus
+(Po).
+
+Mindarus, Mindaros, werd in 411 opperbevelhebber der peloponnesische
+vloot. Hij leed eerst eene nederlaag tegen Thrasyllus en Thrasybulus
+bij Abydus, en toen Alcibiades weder aan het hoofd van het leger stond,
+versloeg deze hem in het begin van het volgende jaar te land en ter
+zee in den grooten slag bij Cyzicus, waarin M. zelf sneuvelde.
+
+Mindii, plebejisch geslacht.
+
+Minerva, romeinsche godin van wijsheid en kennis, geïdentificeerd met
+de grieksche Athena, en waarschijnlijk daardoor ook als oorlogsgodin
+beschouwd, maar in de eerste plaats beschermster van kunsten,
+wetenschappen en handwerken. Onder hare tempels was de voornaamste
+die op het Capitolium, waarin zij gemeenschappelijk met Jupiter en
+Juno vereerd werd. Bovendien had ze een tempel op den Aventinus,
+waarvan de stichtingsdag samenviel met haar voornaamste feest, de
+Quinquatrus (z. a.). Pingui Minerva of crassa M., op boersche wijze;
+sus Minervam, een zwijn, dat M. wil onderrichten, een domme betweter.
+
+Minervae promunturium, Athenas akron, steil en scherp vooruitspringend
+voorgebergte op de kust van Campania tegenover het eil. Capreae,
+eene van de plaatsen, die de mythe als verblijf der Sirenen aanwees.
+
+Minicii, rom. geslacht, dat eerst in den keizertijd wordt genoemd en
+waarvan enkele leden met het cognomen Fundanus voorkomen.
+
+Minio, riviertje van Etruria, dat ten Z. van de stad Graviscae in
+zee valt.
+
+Minius, Minios, rivier in het N.W. van Hispania, thans Minho,
+aldus genoemd, omdat men beweerde, dat hij minium of menie met zich
+voerde. Een andere naam is Baenis.
+
+Minoa, 1) zie Heraclea Minoa.--2) eil. in de Saronische golf bij de
+havenstad Nisaea (zie Megara), waarmede het door eene brug verbonden
+was.--3) kaap en stad bij Epidaurus Limera in het Z.O. van Laconica.
+
+Minois, Minois, Ariadne, dochter van Minos.
+
+Minoïus, -nous, Minoios, -noos, van Minos afstammend, in het algemeen
+cretensisch.
+
+Minos, Minos, 1) zoon van Zeus en Europa, later door Asterion
+(z.a.) aangenomen, dien hij als koning van Creta opvolgde. Hij geldt
+voor den grondlegger der vroege zeemacht van Creta en van de beroemde,
+oude cretensische staatsregeling. Na zijn dood werd hij rechter in
+de onderwereld.--2) kleinzoon van den vorigen, eveneens koning en
+wetgever van Creta. Hij beweerde dat hij door de goden tot de regeering
+geroepen was; om dit te bewijzen, nam hij aan te toonen, dat ieder
+gebed van hem verhoord zou worden. Hij bad nu, dat Poseidon een stier
+uit de golven zoude doen opkomen, dien hij hem dan offeren zou; de
+stier verscheen inderdaad en M. werd koning. Hij offerde echter niet
+den beloofden stier, maar een minder schoonen, en hierover vertoornd
+boezemde Poseidon aan Pasiphaë, de gemalin van M., eene onnatuurlijke
+liefde voor het dier in, waarvan de Minotaurus de vrucht was; daarna
+maakte hij het razend, zoodat het groote verwoestingen aanrichtte,
+totdat het door Heracles gevangen werd. M. voerde oorlog tegen Athene
+(z. Aegeus) en maakte het voor korten tijd schatplichtig. Toen Daedalus
+(z.a.), die voor hem het labyrinth gebouwd had, uit Creta gevlucht
+was en bij Cocalus op Sicilië een schuilplaats gevonden had, kwam
+M. hem daar opeischen; Cocalus deed alsof hij aan zijn eisch wilde
+voldoen en ontving hem vriendelijk, maar liet hem in een al te warm
+gemaakt bad stikken.--In de oudste mythen schijnt slechts van één
+persoon van den naam Minos sprake te zijn. De verhalen omtrent den
+grooten bloei en macht van het rijk van M., worden door opgravingen
+van den laatsten tijd te Cnosus en Phaestus (z.a.) bevestigd.
+
+Minotaurus, Minotauros, een monster met een stierekop, voortgebracht
+door Pasiphaë en een stier (z. Minos), dat in het labyrinth van
+Creta opgesloten gehouden en met menschenvleesch gevoed werd. Theseus
+doodde het.
+
+Minthe, Menthe, Minthe, eene door Hades beminde nimf, door Demeter
+of Persephone in een kruizemunt veranderd. De berg Minthe bij Pylus
+was naar haar genoemd.
+
+Minturnae, Mintournai, stad in het Z. van Latium aan den mond van
+den Liris, in het oude gebied der Aurunci, in 296 rom. kol. De via
+Appia liep er langs. De slechte uitwatering der rivier vormde hier
+de beruchte moerassen aan de kust, paludes Minturnenses. Dáár hield
+Marius zich eenige dagen schuil, tot hij ontdekt werd, en slechts
+door een gelukkig toeval (een Cimbrische slaaf zou tot beul dienen,
+en schrikte daarvoor terug) den dood ontkwam. Bij de stad was een
+bosch en grot, aan de nimf Marica gewijd.
+
+Minucia (lex) van den volkstribuun M. Minucius, in 216 na den slag
+bij Cannae, toen er eene groote geldcrisis te Rome heerschte. De wet
+strekte tot tijdelijke instelling eener mensa publica of staatsbank,
+onder beheer van triumviri mensarii.
+
+Minucia (lex), van een volkstribuun Minucius Rufus, van 121, tot
+opheffing van de colonia Iunonia, in 122 door C. Gracchus op de
+plaats van het oude Carthago gesticht. Zie onder Agrariae leges:
+Lex Sempronia agraria van C. Gracchus.
+
+Minucii, rom. geslacht, patricisch en plebejisch. 1) M. Minucius
+Augurinus, consul in 497 en 491.--2) L. Minucius Esquilinus Augurinus,
+consul in 458, werd door de Aequi ingesloten en door den dictator
+L. Quinctius Cincinnatus ontzet. Hij werd vervolgens door den dictator
+in zijn consulaat geschorst òf genoodzaakt het neer te leggen. In
+450 was hij een der decemviri legibus scribundis. In 439 was hij het,
+die Sp. Maelius aanklaagde.--3) M. Minucius Rufus, consul in 221, in
+217 magister equitum van den dictator Q. Fabius Maximus Verrucosus,
+werd door de lex Metilia (z. a.) met den dictator in gezag gelijk
+gesteld. In onberaden drift liet hij zich door Hannibal tot een slag
+verleiden en zou verloren zijn geweest, zoo Fabius niet tijdig te hulp
+ware geschoten. Toen echter zag Minucius zijn ongelijk in en stelde
+zich vrijwillig weder onder het opperbevel van Fabius. Hij sneuvelde
+in 216 bij Cannae.--4) Q. Minucius Rufus, consul in 197, zegevierde
+over de Liguriërs en Bojers, maar niet te Rome, maar op den mons
+Albanus.--5) M. Minucius Rufus, consul in 110, overwon als proconsul
+in 109 de thracische Scordisci en bouwde de porticus Minucia.--6)
+Q. Minucius Thermus, consul in 193, streed tegen de Liguriërs. In 189
+sneuvelde hij onder den consul Cn. Manlius Vulso tegen de Galaten.--7)
+Onder den praetor Minucius Thermus, die Mytilene belegerde en innam
+(81-80), verrichtte Caesar zijn eersten krijgsdienst.--8) Minucius
+Thermus, in 62 volkstribuun, later (51 en 50) propraetor van Asia,
+behoorde onder de vrienden, met wie Cicero briefwisseling hield. In
+den burgeroorlog was hij aan de zijde van Pompeius.--9) L. Minucius
+Basilus was legaat van Caesar in Gallia; later was hij een van Caesars
+moordenaars; in 43 werd hij door zijn eigen slaven vermoord.--10)
+Minucius Felix, een beroemd advocaat te Rome, die in het einde der
+2de (v.s. in het begin der 3de) eeuw n. Chr. een dialogus Octavius
+geschreven heeft, waarin op zeer scherpzinnige wijze de vooroordeelen
+tegen het Christendom worden te berde gebracht en weerlegd.
+
+Minyades, Minyades, Leucippe, Arsippe en Alcathoë, dochters van Minyas,
+weigerden aan den dienst van Dionysus deel te nemen. Tot straf maakte
+de god haar waanzinnig, zoodat Leucippe haar eigen zoon doodde; daarna
+bleven zij in razernij door de bergen zwerven, totdat zij door Hermes
+in vleermuizen veranderd werden.
+
+Minyae, Minyai, oud-grieksch volk, uit Thessalia onder aanvoering van
+Minyas naar Boeotia verhuisd, waar Orchomenus hunne hoofdstad was. Zij
+leverden het grootste aantal deelnemers aan den Argonautentocht. Ook
+zonden zij eene kolonie naar Lemnus, die echter later weder naar het
+eiland Thera en naar het Z. van Elis verhuisde.
+
+Minyas, Minyas, koning van Orchomenus in Boeotië, mythisch stamvader
+der Minyers. Hij was de eerste, die een schatkamer liet bouwen,
+waarvan men nog overblijfsels meent te vinden.
+
+Mirmillones, rom. zwaardvechters, die een gallischen helm droegen,
+waarvan de kam met een visch van metaal was versierd.
+
+Misenum, Misenon, kaap van Campania bij Cumae. Augustus liet hier
+eene haven aanleggen als station voor de vloot der Tyrrheensche
+zee. Hierdoor ontstond aan de kust een stadje, dat thans verdwenen
+is. Zie Misenus.
+
+Misenus, Misenos, 1) tochtgenoot van Odysseus.--2) vriend van Hector,
+bekwaam trompetter, later tochtgenoot van Aeneas; hij daagde de
+Tritonen tot een wedstrijd uit, en werd door een van hen gedood. Naar
+hem is kaap Misenum genoemd.
+
+Missio, ontslag, b.v. uit den krijgsdienst, honesta, eervol, wegens
+volbrachten diensttijd, causaria, wegens ziekte of lichaamsgebreken,
+ignominiosa, wanneer men werd weggejaagd. Ook van zwaardvechters,
+die door de gunst van het volk of door de keizerlijke genade ontslagen
+en in vrijheid gesteld werden, wordt missio gebruikt, vandaar in het
+latere Latijn sine missione pugnare = op leven en dood vechten, geen
+kwartier geven.--In bona missio, lastgeving van den praetor om zich
+in het bezit te stellen van eens anders goed, dus inbeslagneming,
+executie.
+
+Missus, zie Circus.
+
+Mithradates (aldus volgens de pontische munten, bij de oude
+schrijvers Mithridates, Mithridates, een dikwijls voorkomende naam
+in het O. Vooral in het pontische koningshuis is deze naam beroemd
+geworden. Als stichter van het groote pontische rijk wordt Mithradates
+I genoemd, 337-302. Hij onderwierp zich aan Alexander d. G., doch
+werd door Antigonus gedood. Zijn zoon en opvolger, M. II, Ktistes
+bijgenaamd, hield zich tegen Alexanders opvolgers staande en vergrootte
+zijn gebied (282-266). M. V (IV) Euergetes (150-120) was bondgenoot der
+Rom. en ondersteunde hen in den oorlog tegen Aristonicus van Pergamum
+en kreeg daarvoor Groot-Phrygia. Zie echter Aquillii no. 1. Hij
+sneuvelde bij Sinope. Op hem volgde in 120 zijn zoon Mithradates
+VI (V) Eupator, de verbitterde vijand van Rome. Uit vrees voor de
+aanslagen zijner moeder brachten trouwe vrienden den 10-jarigen knaap
+na zijns vaders dood in het gebergte in veiligheid. Toen hij 20 jaar
+oud was, stelde hij zich aan het hoofd van het rijk, strafte zijne
+moeder en allen, die tegen hem hadden saamgespannen, en begon toen
+zijne veelomvattende plannen voor te bereiden. Hij was een man van
+ongemeene geestkracht, van een ijzersterk gestel, onvermoeibaar,
+bestand tegen ontberingen en uitspattingen, een goed redenaar, die
+22 talen sprak, geslepen van aard, een man, die geen middelen en geen
+menschenlevens ontzag. Hij schiep zich een machtig leger en eene vloot,
+maakte rondom veroveringen en vermeesterde Cappadocia en Bithynia. Den
+Rom., die gedurende zijne minderjarigheid hem Groot-Phrygia hadden
+afgenomen, droeg hij een doodelijken haat toe. Toch waagde hij niet
+terstond den strijd, doch gaf bij herhaling toe aan de eischen van
+Rome, om Capp. en Bith. te ontruimen. Terwijl echter de proconsul
+M'. Aquillius (Aquillii no. 2) op trotschen toon het verzoek van
+Mithradates om zich tegen Bithynia te mogen verdedigen, afsloeg,
+stookte de rom. staatkunde Nicomedes III van Bith. heimelijk op,
+invallen in Pontus te doen. Eindelijk, in 88, barstte de bom. Met een
+ontzaglijk leger, versterkt door de hulptroepen van zijn schoonzoon
+Tigranes van Armenia, veroverde hij in korten tijd de rom. provincie
+Asia. Op een bevel des konings, van Ephesus uit gegeven, werden op
+één dag 80000 Rom. en Italianen, mannen, vrouwen en kinderen, door de
+verbitterde Aziaten gedood. Slechts Magnesia, Cos en Rhodus bleven aan
+Rome getrouw, terwijl daarentegen Athene en andere grieksche steden in
+Europa de zijde van M. kozen. De veldheer Archelaus scheepte zich naar
+Griekenland in, waar hij echter door Sulla bij Chaeronea en daarna bij
+Orchomenus in Boeotia werd verslagen (86), terwijl C. Flavius Fimbria
+den koning uit Asia grootendeels verdreef. De tijdsomstandigheden
+beletten Sulla zijn verblijf in Asia te rekken, hij sloot dus vrede
+met M. op deze voorwaarden: het gebied des konings werd tot Pontus
+beperkt, de krijgsgevangenen werden door hem vrijgelaten, de vloot
+uitgeleverd en 3000 talenten betaald (voorjaar van 85). Daar M. echter
+niet rustig bleef, hernieuwde de proconsul L. Licinius Murena in 83
+den oorlog, dien hij echter op Sulla's bevel moest staken (81). In
+74 achtte M. zich weder strijdvaardig en de oorlog ontbrandde ten
+derden male. M. knoopte betrekkingen aan met Sertorius in Hispania
+en met de zeeroovers, doch te vergeefs; Sertorius werd vermoord,
+en M. door L. Licinius Lucullus niet slechts uit de prov. Asia, maar
+zelfs uit Pontus verdreven, zoodat hij naar Armenia vluchtte. Daar
+Tigranes zijne uitlevering weigerde, rukte Lucullus Armenia binnen,
+doch moest door een oproer van zijn leger alle veroveringen prijs geven
+(zie Licinii no. 24). De lex Manilia (z. a.) droeg het voleindigen
+van den oorlog aan Pompeius op en deze bracht aan Mithradates den
+genadeslag toe, zoodat de koning, toen vergif niet werken wilde,
+waaraan hij zijn lichaam uit voorzorg van jongs af had gewend, zich
+door een slaaf liet doodsteken (voorjaar van 63). Zijne grenzenlooze
+wreedheid, die met zijne tegenspoeden nog toenam, had zijn eigen volk,
+zelfs zijn eigen zoon Pharnaces, van hem vervreemd.
+
+Mithras, Mithras, perzische god van de zon en van het goede, die
+sedert het einde der romeinsche republiek ook in het Westen vereerd
+werd. Zijn dienst werd door Domitianus en Traianus officieel te Rome
+ingevoerd en was later zeer algemeen. Hij wordt gewoonlijk afgebeeld
+als een jongeling in oostersche kleederdracht, geknield op een stier,
+wien hij een mes in de keel stoot.
+
+Mithridates = Mithradates.
+
+Mithrines, -renes, Mithrines, -renes bevelhebber van Sardes, die
+deze stad na den slag bij den Granicus aan Alexander d. G. overgaf
+en daarvoor satraap van Armenië werd.
+
+Mitra, een vrouwenkap van dichte stof, in eene punt uitloopende,
+die dan als een zak naar achteren hing.
+
+Mitylene, Mitylene = Mytilene.
+
+Mnasalcas, Mnasalkas, van Sicyon, een van de epigrammendichters der
+grieksche anthologie; hij leefde omstreeks het midden der 3de eeuw.
+
+Mnaseas, Mnaseas, van Patrae, leerling van Eratosthenes, schrijver
+van een geschied- en aardrijkskundig werk.
+
+Mnasippus, Mnasippos, werd in 373 met een spartaansche vloot naar
+Corcyra gezonden om er de aristocratische partij te ondersteunen. Hij
+had de stad reeds bijna door honger tot de overgave gedwongen,
+maar zijn hebzucht veroorzaakte ontevredenheid in zijn eigen leger,
+en toen de Coryraeërs dit bemerkten, deden zij een uitval, waarbij
+Mn. sneuvelde.
+
+Mneme, Mneme, geheugen, eene van de boeotische Muzen, dikwijls voor
+dezelfde gehouden als Mnemosyne.
+
+Mnemonides, de Muzen, dochters van Mnemosyne.
+
+Mnemosyne, Mnemosyne, dochter van Uranus, godin van het geheugen,
+bij Zeus moeder van de Muzen.
+
+Mnesarchus, Mnesarchos, leerling van Panaetius, hoofd der stoicijnsche
+school (110-90).
+
+Mnesicles, Mnesikles, bouwmeester van de propylaeën op de acropolis
+van Athene.
+
+Mnesilochus, Mnesilochos, 1) een van de 30 te Athene.--2) zoon van
+Euripides, tooneelspeler.
+
+Mnesimachus, Mnesimachos, geestig blijspeldichter uit het middelste
+tijdperk der attische comoedie.
+
+Mnestheus, tochtgenoot van Aeneas, de mythische stamvader van de
+Memmii.
+
+Mnevis, Mneuis, een heilige stier der Aegyptenaars, te Heliopolis op
+dezelfde wijze vereerd als Apis te Memphis.
+
+Mnoitai, Mnotai, lijfeigenen van den staat op Creta.
+
+Moabitis, Moabitis, het land van Moab, ten O. der Doode zee.
+
+Modius, rom. maat, ongeveer = 1/12 hectol.
+
+Moenus, rivier in Germania, thans Main.
+
+Moera, Moira, het den mensch beschoren deel of levenslot. Soms blijft
+de Moera volkomen een afgetrokken begrip en is dit levenslot eenvoudig
+door den wil der goden bepaald, dikwijls wordt zij echter als persoon
+gedacht, bekleed met eene geheimzinnige macht, waaraan ook de goden
+onderworpen zijn; hare beschikkingen zijn in hoofdzaak onherroepelijk,
+toch kunnen zij door goden en menschen, die met de uitvoering er
+van belast zijn, in sommige opzichten gewijzigd worden of kan men de
+vervulling er van eenigen tijd tegenhouden. In lateren tijd nam men
+aan dat er drie Moerae waren: Clotho, Lachesis en Atropus, dochters
+van Nyx of van Zeus en Themis, soms met een gemeenschappelijken
+naam Kataklothes, spinsters, genoemd, omdat zij den levensdraad van
+den mensch afspinnen, den tijd van zijne geboorte en van zijn dood
+bepalen en hem zijn lot toedeelen, waarbij zij dikwijls schijnbaar
+met wreedheid te werk gaan, maar ten slotte toch altijd de eeuwige
+wereldorde handhaven en beschermen. Zij worden meestal beschreven
+als leelijke oude vrouwen, maar afgebeeld als eerwaardige jonkvrouwen
+met ernstige gelaatstrekken. Eene soortgelijke personificatie van het
+noodlot is Aisa, die echter meer dan de Moerae altijd een afgetrokken
+begrip gebleven is.
+
+Moeris, Moiris, gwl. Atticista genoemd, grieksch grammaticus onder
+Hadrianus, schrijver van een woordenboek, waarin atticismen (Lexeis
+Attikai) door later gebruikelijke uitdrukkingen verklaard worden.
+
+Moeris, Moirios limne, meer in Aegypte, eigenlijk een laagliggend dal,
+tgw. Fajûm geheeten, dat met behulp van een kanaal en zware dijken
+in een ontzaggelijk waterbekken herschapen werd door koning Amenemha
+III. In het midden stonden twee reuzenbeelden van den koning en diens
+gemalin, en aan den ingang het reusachtige paleis Lo-pe-ro-hunt (zie
+Labyrinthus). Onder Ptolemaeus Philadelphus werd het meer grootendeels
+drooggelegd en met Grieksche kolonisten bevolkt. Hier zijn in den
+laatsten tijd tallooze papyri gevonden. In de middeleeuwen zijn de
+dammen bezweken en heeft het water een nieuw bekken gevormd.
+
+Moero, Moiro, dichteres uit Byzantium op het einde der 4de eeuw;
+van hare talrijke werken zijn twee epigrammen bewaard gebleven.
+
+Moesia, het land tusschen den Ister (Donau) en den Haemus (Balkan),
+sedert Tiberius rom. provincie. De inwoners heetten Moesi, Mysoi. Het
+gewest werd verdeeld in Moesia superior en inferior. Onder Aurelianus
+werd er eene nieuwe prov. tusschen gevoegd, Dacia Aureliani (z. a.).
+
+Mogontiacum, thans Mainz, reeds onder de Rom. eene belangrijke vesting,
+hoofdstad van Germania Superior.
+
+Moliones, -onidae, z. Actoriones.
+
+Molo, Molon, z. Apollonius no. 3.
+
+Molois, gen. -entis, Moloeis, beekje nabij Plataeae in Boeotia,
+dat in den Asopus valt. Daaraan stond een tempel van Demeter.
+
+Molorchus, Molorchos, tuinier bij Nemea, die Heracles vriendelijk
+ontving en hem goeden raad gaf, toen hij den nemeïschen leeuw ging
+bestrijden.
+
+Molossi, Molossoi, aanzienlijk volk in Epirus; eerst alleen in het
+O., aan de bronnen van den Arachthus, ten N. O. van Dodona gevestigd,
+breidden zij onder het huis der Aeaciden hun gezag over geheel Epirus
+uit. De naamheros van dit volk was Molossus, door Pyrrhus, den zoon
+van Achilles, bij Andromache verwekt (zie Helenus). De hoofdstad
+was eerst Passaron; later, onder Pyrrhus, sedert 294, Ambracia
+(z. a.). Bekend waren de groote molossische doggen.
+
+Molossus, Molossos, zie Molossi.
+
+Molus, Molos, zoon van Deucalion, vader van Meriones.
+
+Molycreum, -cria, Molykreion, -kria, stad in Aetolia aan de invaart
+der Corinthische golf, kolonie van Corinthus.
+
+Momus, Momos, zoon van Nyx, personificatie van spotternij en
+vitzucht. Toen hij in Aphrodite eene schoonheid vond, waarop hij geen
+aanmerking konde maken, barstte hij van spijt.
+
+Mona, naam van twee eilanden tusschen Ivernia (Ierland) en
+Britannia. 1) Anglesey, dat eerst door Suetonius Paulinus, en later
+wederom door Agricola veroverd werd; het was de hoofdzetel van den
+Druidendienst.--2) het tegenwoordige Man, dat bij latere schrijvers
+Monapia heet.
+
+Moneta, 1) latijnsche naam voor Mnemosyne.--2) de waarschuwende,
+bijnaam van Juno. In den oorlog tegen Pyrrhus had zij namelijk de
+Romeinen, die geldgebrek hadden, gewaarschuwd den strijd rechtvaardig
+te voeren, in welk geval het hun aan geld niet ontbreken zou. Naar
+aanleiding hiervan werd een tempel voor Juno M. gesticht, waar sedert
+dien tijd het geld gemunt werd. In werkelijkheid is de tempel reeds
+in 344 gewijd, op de plaats waar vroeger het huis van M. Manlius
+Capitolinus gestaan had. Het verhaal is dan later ontstaan, ter
+verklaring van het feit, dat de tempel van Juno Moneta voor het slaan
+van munt gebruikt werd.
+
+Monoeci portus, zie Herculis mon. p.
+
+Monoecus, Monoikos, bijnaam van Heracles op de kust van Ligurië,
+in het tegenwoordige Monaco.
+
+Monopterus, monopteros, tempeltje in den vorm van een open koepel,
+dus zonder cella.
+
+Mons Sacer = Sacer Mons.
+
+Monstrum, zie Auguria.
+
+Mopsium, Mopsion, heuvel en stad in Thessalia tusschen Tempe en
+Larissa.
+
+Mopsopia, Mopsopia, oude naam voor Attica naar een overouden koning
+Mopsopus of Mopsops. Bij dichters mopsopius = atheensch, attisch.
+
+Mopsucrene, Mopsou krene, stad in Cilicia, ten N. van Tarsus.
+
+Mopsuestia, Mopsou hestia, stad in Cilicia aan den Pyramus, in de
+aleïsche vlakte, aleion pedion.
+
+Mopsus, Mopsos, 1) zoon van Ampyx of Apollo en Chloris, Lapithe,
+nam deel aan de calydonische jacht en vergezelde de Argonauten als
+waarzegger; op dezen tocht stierf hij in Lybië aan een slangebeet. Hij
+werd als heros vereerd.--2) zoon van Rhacius of Apollo en Manto,
+beroemd waarzegger (z. Calchas en Amphilochus). Hij had te Colophon
+en te Mallus tempels, waar orakels gegeven werden.
+
+Mora, bij de Spartanen sedert den derden messenischen oorlog eene
+afdeeling zware infanterie, waarschijnlijk in den regel 600 man
+tellend, doch niet altijd van dezelfde getalsterkte. Zes morai vormden
+het hoplietenleger.
+
+Morbus comitialis, vallende ziekte, aldus genoemd, omdat, wanneer
+iemand staande de comitiën een toeval kreeg, deze gestaakt moesten
+worden.
+
+Morgantium, Morgantia, Morgantion of -tine, oude stad in het binnenland
+van Sicilia, ten Z. W. van Centuripae, gesticht door een uit Italia
+verdreven stam der Morgetes, Morgetes.
+
+Morgetes, Morgetes, een afdeeling der Oenotri in Zuid-Italia. Zie
+Morgantium.
+
+Morini, Morinoi, volk in Belgica, aan het tegenw. nauw van Calais. Uit
+hunne haven Itius portus was de overvaart naar Britannia het kortst.
+
+Moriones, misvormde dwergen, dikwijls kunstmatig mismaakt en verwrongen
+en verstompt, halve idioten, die bij aanzienlijke Rom. als narren
+werden gehouden.
+
+Mormo, Mormo, Mormolyke, spook in vrouwengestalte, waarmede men
+kinderen bang maakte.
+
+Morpheus, Morpheus, zoon en dienaar van Hypnus, die den menschen in
+den droom verschijnt en daarbij altijd eene menschelijke gedaante
+aanneemt. Hij wordt voorgesteld als een bejaard, ernstig man met
+vleugels aan het hoofd. Zijne broeders Icelus en Phobetor verschijnen
+in den droom als dieren, Phantasus als een levenloos voorwerp.
+
+Morsimus, Morsimos, Athener, zoon van Philocles, arts en
+treurspeldichter, als zedeloos mensch en slecht dichter door
+Aristophanes gehekeld.
+
+Morychus, Morychos, atheensch treurspeldichter, wegens zijne
+middelmatige poëzie en zijn weelderig leven door Aristophanes scherp
+gehekeld.
+
+Mosa, rivier in Belgica, thans de Maas. Een arm van deze rivier
+vereenigde zich met een Rijnarm, de Waal; deze vereeniging, confluens
+Mosae et Rheni, had echter niet plaats bij het tegenw. Woudrichem,
+want deze laatste verbinding is in de middeleeuwen gegraven, maar
+tusschen Dreumel en Rossum. Een andere Maasarm liep zelfstandig naar
+zee, en vormde het Helium ostium.
+
+Moschi, Moschoi, volk in Colchis, waarnaar een Z.W. tak van den
+Caucasus den naam draagt van Moschicus mons.
+
+Moschion, Moschion, 1) atheensch treurspeldichter, jonger tijdgenoot
+van Euripides, dien hij in zijne werken schijnt nagevolgd te
+hebben. Wegens zijn zedeloos leven wordt hij door de blijspeldichters
+bespot.--2) geneesheer, dikwijls door Galenus aangehaald.--3) atheensch
+beeldhouwer in het midden der 2de eeuw.
+
+Moschus, Moschos, van Syracuse, bucolisch dichter, jonger tijdgenoot
+van Theocritus, van wien nog eenige werken overgebleven zijn.
+
+Mosella (= Maasje), rivier in Belgica, thans de Moezel, door Ausonius
+bezongen.
+
+Mosynoeci, Mosynoikoi ( = torenbewoners), volksstam op de kust
+van Pontus, die in suikerbroodvormige huizen woonde. De grieksche
+schrijvers vertellen allerlei merkwaardigs van hunne ruwe zeden. Hun
+hoogste genot was lekker eten en drinken. Wanneer hun koning zijn
+waardigheid niet naar behooren bekleedde, lieten zij hem van honger
+sterven.
+
+Mothakes, Modones, kinderen van spartaansche burgers en vrouwen uit
+den Helotenstand; zij waren vrij en hadden dikwijls het burgerrecht,
+ook werden zij met de jonge Spartanen opgevoed. Somtijds kregen zij
+het burgerrecht en sommige mothakes, bijv. Lysander en Callicratidas,
+bekleedden hooge waardigheden.
+
+Mothone = Methone.
+
+Mutuca, stad in het Zuiden van Sicilia.
+
+Motye, Motye, oude stad op de N.W. kust van Sicilia, op een eilandje,
+dat met een brug aan het groote eiland verbonden was. De stad was
+afwisselend phoenicisch, carthaagsch, syracusaansch en wederom
+carthaagsch, tot Hamilcar de inwoners in 396 naar Lilybaeum overbracht.
+
+Moxoene, landschap van Armenia, ten Z. van het meer Thospites.
+
+Mucia (lex) van den volkstribuun P. Mucius Scaevola in 142, tot
+gerechtelijke vervolging van den praetor L. Hostius Tubulus, die zich
+had laten omkoopen.
+
+Mucii, oud plebejisch geslacht. 1) C. Mucius Cordus had in 508 een
+aanslag gewaagd op koning Porsena, die Rome belegerde, doch in plaats
+van den koning had hij diens schrijver doorstoken. Om te doen zien,
+hoe weinig hij den folterdood vreesde, stak hij de rechterhand in
+de vlam van een offervuur en verhaalde den koning, dat hij door het
+lot als de eerste was aangewezen van 300 jongelingen, die gezworen
+hadden, P. naar het leven te staan, zoo hij niet aftrok. Aldus het
+verhaal. Mucius verkreeg van de zijnen den naam Scaevola (= linksch),
+benevens een stuk land, de Mucia prata.--2) P. Mucius Scaevola was
+in 175 de eerste consul uit deze gens, en hield een zegetocht over de
+Liguriërs. Zijn broeder Q. was consul in 174.--3) P. Mucius Scaevola,
+zoon van den vorigen P. (no. 2), consul in 133, pontifex maximus sedert
+131 of 130, eerst verdacht de plannen van Tib. Gracchus te begunstigen,
+was later een voorstander der optimatenpartij. Hij muntte uit door
+redenaarstalent en groote rechtskennis. Hij heeft waarschijnlijk
+de annales maximi uitgegeven, z. annales.--4) P. Licinius Crassus
+Mucianus, broeder van no. 3. Zie onder de Licinii no. 11.--5)
+Q. Mucius Scaevola, zoon van no. 3, volkstribuun in 106, consul in 95
+en pontifex maximus, bekleedde zijne meeste ambten tegelijk met den
+redenaar Crassus; hij was een streng eerlijk en rechtvaardig man,
+en bestuurde in 95 en 94 de provincie Asia zóó, dat de inwoners te
+zijner eer een jaarlijksch feest, Mucia, instelden. De tolpachters, aan
+wier woeker hij paal en perk stelde, durfden hem niet aan te tasten,
+maar veroordeelden zijn vriend, den legaat P. Rutilius Rufus. In
+82 werd hij op last van den jongen Marius vermoord. Hij was een
+uitstekend rechtsgeleerde en groot redenaar.--6) Q. Mucius Scaevola,
+bijgenaamd de augur, consul in 117, zoon van den in no. 2 vermelden
+Q., was een man van gematigde beginselen, een verklaard vijand van
+geweld, o. a. tegen Gracchus; ook verzette hij zich tegen Sulla's
+verlangen om de beide Mariussen, vader en zoon, met nog 10 anderen
+tot vijanden van den staat te verklaren (88). Hij was altijd bereid,
+met raad en daad hen bij te staan, die zijne hulp behoefden. Zijne
+uitnemende rechtskennis was eene reden, dat aanzienlijke jongelieden,
+o. a. Cicero en Atticus, er eene eer in stelden, zijne leerlingen te
+mogen zijn. Cicero voert hem in meer dan één geschrift als spreker
+in.--7) Q. Mucius Scaevola, zoon van no. 6, ook augur, was een
+groot vriend van Cicero en vergezelde diens broeder Quintus in 59
+naar Asia.--8) Mucia Tertia, dochter van Q. Mucius Scaevola no. 5,
+halve zuster van Q. Metellus Celer en Q. Metellus Nepos, was de derde
+vrouw van Cn. Pompeius Magnus, doch werd wegens echtbreuk met Caesar
+door hem verstooten. Later huwde zij met M. Aemilius Scaurus. Zij
+trachtte in den burgeroorlog Octavianus met haren zoon S. Pompeius
+te verzoenen.--9) Muciae, twee dochters van no. 6, beroemd om hare
+sierlijke taal.
+
+Mugillanus, familienaam in de gens Papiria (Papirii no. 10).
+
+Mulciber, die week en smeedbaar maakt, bijnaam van Vulcanus.
+
+Mulsum, een drank, bereid uit most of wijn en honig.
+
+Mulucha, Molochath, grensrivier tusschen Mauretania, het rijk
+van Bocchus, ten W. en Numidia, het rijk van Jugurtha, ten O.;
+in den keizertijd grens tusschen Mauretania Tingitana ten W. en
+M. Caesariensis ten O.
+
+Mulvius pons = Milvius pons.
+
+Mulus Marianus, een door Marius uitgevonden draagtoestel voor de
+bagage der soldaten. Hij bestond uit een staak, die waarschijnlijk
+met riemen op den rug werd vastgemaakt en waaraan van boven een plank
+bevestigd was om er den last op vast te binden.
+
+Mummii, plebejisch geslacht, waarvan 1) in 187 twee volkstribunen,
+Q. en L., voorkomen, tegenstanders van M. Porcius Cato, toen deze
+de Scipiones (Cornelii no. 13 en 14) aanviel.--2) L. Mummius, een
+goedhartig en eerlijk, maar ruw en onbeschaafd man, die als consul
+in 146 naar Achaia werd gezonden en na de Achaeërs bij Leucopetra op
+den Isthmus verslagen te hebben, Corinthus veroverde, dat trouwens
+reeds door het grootste gedeelte der inwoners verlaten was. Van de
+achtergeblevenen werden velen vermoord, anderen als slaven verkocht,
+de stad werd geplunderd en aan de verwoesting prijs gegeven. Bij zijne
+terugkomst kreeg Mummius een zegetocht en den bijnaam Achaicus. In
+142 was hij censor met Scipio Africanus minor; hij geraakte echter met
+hem in twist.--3) Sp. Mummius, broeder en legaat van no. 2, was meer
+beschaafd, hij had eenigen naam als redenaar en was de stoicijnsche
+wijsbegeerte toegedaan. Hij is de eerste Romein, die brieven in
+dichtmaat schreef, waarin hij op grappige wijze zijn wedervaren te
+Corinthe verhaalde.
+
+Munatii, plebejisch geslacht, dat eerst tegen het einde der
+rom. republiek naam maakte. 1) L. Munatius Plancus, vriend en legaat
+van Caesar in Gallia, een man, schijnbaar van verzoenende gezindheid,
+die na Caesars dood zich bij Antonius en Lepidus aansloot, doch
+voor de moordenaars amnestie bepleitte. Toch was het de zucht om uit
+eigenbelang alle partijen te vriend te hebben, die hem dreef, en de
+vrees zichzelf te benadeelen maakte hem veeltijds besluiteloos. In
+44 en 43 bestuurde hij Gallia comata en stichtte toen Rauraca, later
+Augusta Rauracorum geheeten, en Lugdunum (no. 1). In 42 was hij consul,
+in 40 voor Antonius landvoogd van Syria, waar hij afpersingen pleegde;
+vervolgens liep hij tot Octavianus over, voor wien hij later den titel
+Augustus bedacht. Zijn bijzonder leven was ver van smetteloos. Horatius
+wijdde hem een ode.--2) Cn. Munatius Plancus, broeder van no. 1,
+diende eerst onder Caesar en later onder zijn broeder, doch moest
+wegens ziekte naar huis terugkeeren.--3) T. Munatius Plancus Bursa,
+broeder van no. 1 en 2, volkstribuun in 52, ijverde voor Clodius
+en tegen Milo. Daarom trad Cicero als aanklager tegen hem op en hij
+werd veroordeeld. Later werd hij door Caesar teruggeroepen. In den
+Mutinensischen oorlog diende hij onder Antonius.--4) L. Plautius
+Plancus, door een Plautius geadopteerd, broeder der drie vorigen,
+kwam om bij de vogelvrijverklaringen onder het tweede driemanschap.
+
+Munda, 1) stad in Baetica, ergens in den omtrek van Corduba (Cordova),
+bekend door de overwinning van Scipio op de Carthagers (214) en
+van Caesar op de zonen van Pompeius (45).--2) stad der Celtiberi in
+Tarraconensis.--3) rivier in Lusitania, thans Mondego.
+
+Mundobriga = Medobriga.
+
+Mundus is een kuil (fossa), waarvan men vooronderstelt, dat hij met
+de onderwereld in verbinding staat. Gewoonlijk is deze kuil gesloten;
+slechts op 24 Augustus, 5 October en 8 November wordt hij geopend;
+men spreekt dan van mundus patet; de schimmen der afgestorvenen
+hebben dan gelegenheid de aarde weder te bezoeken. Vooral wordt de
+naam mundus gebruikt voor een kuil, die bij de stichting van Roma
+quadrata in het midden van de stad werd aangelegd, en waarin men de
+eerstelingen van allerlei veldvruchten wierp; de plaats lag vóór
+den lateren Apollotempel op den Palatinus, en het altaar er bij
+heette ook Roma quadrata. Een andere mundus vond men op het forum,
+n. m. de lacus Curtius, zie Curtii no. 2. Hierin werden jaarlijks
+geldstukjes geofferd.
+
+Municipium, stad, die bij Rome is ingelijfd, waarvan dus de burgers
+het rom. burgerrecht hebben, doch die tevens haar zelfstandig
+gemeentebestuur heeft behouden (zie daartegenover praefectura). De
+inwoners deelden in alle lasten der Romeinen, vooral dienstplicht en
+belasting, en hadden het commercium en conubium of één van beide,
+maar misten het ius suffragii et honorum. Ze hadden dus de civitas
+sine suffragio, en heetten municipes, d. w. z. qui munia capiunt,
+die de lasten op zich nemen (zonder de lusten). Tot deze steden
+behoorden o. a. Tusculum, Cumae, Fundi en Formiae. Langzamerhand
+kregen ze alle het volledig burgerrecht, zie Valeria (lex) van den
+volkstribuun Valerius Tappo (188). Na den oorlog met Pyrrhus hebben
+de Romeinen de civitas sine suffragio niet meer verleend, maar de
+verovering van Italia voltooid door het stichten van kolonies. Toen
+echter door de lex Iulia (90) en de lex Plautia Papiria (89) geheel
+Italia het burgerrecht verkreeg, werden alle zelfstandige steden van
+Italia municipia. Sedert dien tijd, vooral onder de keizers, werden
+verschillende steden in de provinciën tot municipia verheven. In den
+regel stonden aan het hoofd twee jaarlijksche overheden, duumviri iuri
+dicundo, eene enkele maal vindt men ook aedilen of een dictator. In
+den keizertijd bestond het stedelijk bestuur uit vier ambtenaren,
+n. m. II viri iuri dicundo en II viri aediles, die somtijds één
+college vormden. Verder had men een gemeenteraad, senatus, ordo
+decurionum of curia genoemd, die in den regel uit 100 leden bestond;
+aan het hoofd hiervan stonden de decemprimi. De senaat werd om de vijf
+jaar aangevuld bij den census door de II viri of III viri censoria
+potestate, gewoonlijk quinquennales genoemd. De burgerij (populus)
+was ingedeeld in tribus of in curiae, en kwam tributim of curiatim
+samen voor wetgeving, magistraats- en priesterkeuzen, evenals te
+Rome in de comitia. In bijna alle municipia vindt men pontifices en
+augures, door de comitia voor hun leven gekozen, verder flamines, die
+voor den tijd van één jaar door den gemeenteraad werden benoemd, en
+den eeredienst der geconsacreerde keizers, of van den nog regeerenden
+keizer verrichtten, flamines Augusti of Augustales geheeten. Hiervan
+onderscheiden waren de sexviri of seviri Augustales, die de spelen
+en offers, die ze gaven, zelf bekostigden. In den regel waren het
+libertini, en daar ze na afloop van het jaar hun eererechten behielden,
+vormden ze een bevoorrechten stand, ordo seviralium of ordo Augustalium
+geheeten. Met het priestercollege der sodales Augustales te Rome
+(zie sodales) hadden de Augustales in de municipia niets gemeen dan
+den naam.
+
+Munimentum Corbulonis, versterking in het land der Friezen, door
+Corbulo aangelegd.
+
+Munus (gladiatorium), z. Ludi aan het slot, en Gladiatores.
+
+Munychia, Mounychia, de oostelijkste en kleinste der drie oorlogshavens
+van Athene. De haven lag aan den voet van den heuvel Munychia, die
+een sterke vesting vormde. Dichterlijk munychius = atheensch.
+
+Munychia, Mounychia, feest ter eere van Artemis Munychia, te Athene
+den 16den Munychion gevierd; men offerde haar koeken, die met lichtjes
+bezet waren en de volle maan voorstelden. De slag bij Salamis werd
+tegelijk hiermede herdacht.
+
+Munychion, Mounychion, 10de maand van het Attische jaar (April-Mei),
+z. Annus.
+
+Munychus, Mounychos, 1) aanvoerder der Minyers, die, door de Thraciërs
+uit Orchomenus verdreven, zich in Attica vestigden.--2) = Munitus,
+z. Laodice no. 2.
+
+Murcia, een godin, die een sacellum had in den Circus Flaminius te
+Rome, maar wier beteekenis reeds vroeg vergeten was; men noemde haar
+nu Myrtea, myrtengodin, en identificeerde haar met Venus.
+
+Murena, familienaam in de gens Licinia (Licinii no. 27-32).
+
+Murgantia, 1) stad in Samnium.--2) = Morgantium.
+
+Murrha of murra, eene stof, waaromtrent reeds bij de ouden verschil van
+gevoelen bestond. Men had er allerlei vaatwerk van, murrhina vasa, als:
+bekers, vazen, schepnappen, enz., waarvoor fabelachtige sommen werden
+betaald. Zij waren licht en broos. V. s. heeft men hier te doen met
+chineesch porselein, uit het verre Oosten aangevoerd. Anderen denken
+aan vloeispaath.
+
+Mursa, Moursa, stad in Pannonia Inferior, aan den Dravus, dicht bij
+de monding in den Donau. Tgw. Essek.
+
+Mus, familienaam in de gens Decia.
+
+Musa, beroemd arts. Zie Antonii no. 14.
+
+Musae, Mousai, godinnen van het gezang, later ook van poëzie, kunst
+en wetenschap. In de oudste tijden sprak men van slechts ééne Muze,
+later worden er drie genoemd, Melete, Mneme en Aoede, wier dienst
+door de Aloaden aan den Helicon zou ingevoerd zijn; gewoonlijk
+neemt men echter negen Muzen aan, terwijl aan iedere een bepaalde
+werkkring wordt aangewezen. Hare namen zijn: Clio, Euterpe, Thalia,
+Melpomene, Terpsichore, Erato, Poly(hy)mnia, Urania en Calliope; zij
+zijn dochters van Zeus en Mnemosyne, v. a. van Uranus en Gaea en zijn
+geboren in Pieria (Pierides, Pimpleides). Inderdaad is de dienst der
+Muzen van dit land naar Boeotië aan den Helicon overgebracht, waar haar
+geliefkoosde plaats bleef (Helikoniades) en waar zij meer dan elders
+vereerd werden; hier hadden zij beelden en tempels, hier waren de
+haar gewijde bronnen Aganippe en Hippocrene en werd door de Thespiërs
+te harer eere het groote feest Mouseia gevierd. Niettemin verbreidde
+zich haar eeredienst over geheel Griekenland, vooral naar plaatsen,
+die rijk aan bronnen waren, en naar deze verschillende plaatsen hebben
+zij een groot aantal bijnamen.--Als godinnen van het gezang staan
+zij in betrekking tot Apollo, als godinnen der dramatische poëzie
+tot Dionysus, te Rome hadden zij een tempel gemeenschappelijk met
+Hercules. Over hare attributen zie de namen der verschillende Muzen.
+
+Musaeus, Mousaios, 1) mythisch zanger, priester en waarzegger
+in Attica, dikwijls zoon of leerling van Orpheus genoemd. Zijne
+voorspellingen werden ten tijde der Pisistratiden door Onomacritus
+verzameld en vervalscht.--2) van Ephesus, dichter van een episch
+gedicht Perseis e. a.; hij leefde aan het hof te Pergamum.--3) dichter
+van een bevallig epos over Hero en Leander; hij leefde laat in den
+romeinschen keizerstijd, misschien eerst in het begin der 6de eeuw.
+
+Musagetes, Mousagetes, bijnaam van Apollo als aanvoerder der Muzen.
+
+Musculus, belegeringswerktuig, een schutdak, van voren schuin naar
+den grond afloopende, tot beschutting der soldaten, die eene mijn
+moesten graven.
+
+Museum, Mouseion, tempel der Muzen of aan haar gewijd gebouw;
+bijzonder een gebouw te Alexandrië, waar de geleerden, die aan de
+bibliotheek werkzaam waren, woning en onderhoud vonden, het middelpunt
+der alexandrijnsche studiën. Bij de burgertwisten onder Aurelianus
+werd het verwoest.
+
+Musicanus, Mousikanos, indisch vorst, die zich aan Alexander
+d. G. onderwierp, en door hem in het bezit van zijn rijk bevestigd
+werd. Toen hij later afviel, werd hij gevangen genomen en ter dood
+gebracht.
+
+Musonius Rufus (C.), stoicijnsch wijsgeer uit den rom. ridderstand,
+geboortig uit Volsinii, van een zóó edel karakter, dat Vespasianus,
+toen hij de wijsgeeren uit Rome verbande (71 n. C.), hem uitzonderde
+en in hooge achting hield. Hij was door Nero als verdacht aan de
+samenzwering van Piso in 65 naar het eiland Gyarus verbannen, maar
+na diens dood teruggekeerd. Hij was de leermeester van Epictetus. Hij
+schreef in het Grieksch. Enkele fragmenten zijn er nog over.
+
+Mustius (C.), rom. ridder, een van Cicero's vrienden.
+
+Musulani, dappere volksstam in Numidia.
+
+Muta, z. Larunda.
+
+Muthul, rivier in Numidia, zijrivier van den Bagradas, bij de
+verdeeling als grens aangenomen tusschen Jugurtha's gebied en dat
+van Adherbal. In het dal van deze rivier, versloeg Metellus Numidicus
+(Caecilii no. 13) Jugurtha in 108.
+
+Mutina, Moutine, thans Modena, fraaie, welvarende stad in Gallia
+Cisalpina, aan de via Aemilia, sedert 183 rom. kol. Bellum Mutinense
+wordt de oorlog genoemd van 44-43, toen na Caesars dood M. Antonius
+D. Brutus uit zijn stadhouderschap van Gallia Cisalpina wilde
+ontzetten. Zie Antonii no. 4 en Iunii no. 6.
+
+Mu(t)tines of Myttones, een Libyphoenix, valt van de Carthagers af
+en speelt Acragas den Romeinen in handen (210), waardoor Sicilië
+voor de Carthagers verloren gaat. Later wordt hij Romeinsch burger,
+en heet nu M. Valerius Mutines.
+
+Mutinus, -tunus Tutunus, god der vruchtbaarheid, geïdentificeerd
+met Priapus.
+
+Mutusca, Mutuesca, zie Trebula no. 2.
+
+Mycale, Mykale, voorgebergte op de aziatische kust tegenover het
+eiland Samus, bekend door de overwinning, die de Grieken in 479 onder
+Leotychides en Xanthippus te land en ter zee op de Perzen behaalden.
+
+Mycalessus, Mykalessos, oude boeotische stad, tot het gebied van
+Tanagra behoorende. Op deze plek zou de koe het eerst geloeid hebben
+(mykasthai), welker spoor Cadmus volgen moest. In 413 werd de stad
+verwoest door thracische huurbenden in atheenschen dienst.
+
+Myceensch tijdperk noemt men het tijdperk, dat op het aegaeische
+(z. a.) volgt en duurt tot de vestiging der Doriërs in de
+Peloponnesus. De bloeitijd van deze cultuur is vóór-grieksch, en wordt
+ook wel cretensisch genoemd (2500-1500); hierop volgt dan 1500-1000
+de eigenlijk myceensche of achaeische cultuur. Hoewel uit dit tijdperk
+geen geschreven geschiedenis over is, stellen overblijfselen, in groote
+hoeveelheid gevonden te Mycenae, Tiryns, in Argolis, op de Cycladen
+en Creta, ons in staat ons den toen heerschenden beschavingstoestand
+voor te stellen. Groote gebouwen, paleizen en koningsgraven, en
+tal van kunstvoorwerpen in brons, goud en zilver, wijzen, bij het
+vorige tijdperk vergeleken, op aanmerkelijken vooruitgang in kunst
+en nijverheid.
+
+Mycenae, Mykenai, stad in Argolis, de rijkszetel van Agamemnon en
+destijds de voornaamste stad van Griekenland. Toen echter de Doriërs
+in de Peloponnesus vielen en Argolis grootendeels vermeesterden,
+taande de luister van Mycenae, hoewel het nog een afzonderlijk staatje
+bleef. Toen Mycenae zich bij Sparta had aangesloten, werd het in 468
+door de bewoners van Argos aangevallen en verwoest, daar de bevolking
+door den honger de plaats ontruimen moest. Mycenae had cyclopische
+muren; eene der poorten, waarvan nog overblijfsels bestaan, wordt
+de leeuwenpoort genoemd. Bij dichters is Mycenaeus dux = Agamemnon,
+Mycenis = Iphigenia.
+
+Mycene, Mykene, dochter van Inachus.
+
+Mycerinus, Mykerinos, koning van Aegypte omstreeks de 30ste eeuw,
+bouwde een pyramide, kleiner maar schooner dan die van zijne
+voorgangers Cheops en Chephren.
+
+Myci, Mykoi, volk in het perzische landschap Gedrosia.
+
+Myconus, Mykonos, ook Mycone, eil. van de Cycladengroep, ten N.O. van
+Delus. Spreekwoordelijk mia Mykonos = allemaal één pot nat, hetzij
+omdat de inwoners den naam hadden, allen kaalhoofdig te zijn, of
+wegens hun hebzucht en inhaligheid. Ook staan ze spreekwoordelijk
+bekend als klaploopers.
+
+Mygdon, Mygdon, 1) koning der Bebryciërs, door Heracles op zijne reis
+naar de Amazonen gedood.--2) zoon van Acmon, vader van Coroebus, koning
+der Phrygiërs, streed met Otreus en Priamus tegen de Amazonen. Naar
+hem Mygdones = Phrygiërs, Mygdonius = phrygisch.
+
+Mygdonia, Mygdonia, 1) landschap in Macedonia ten O. van den Axius
+(Vardar) en ten N. van Chalcidice.--2) streek ten Z. der Propontis
+in Phrygia en Bithynia, bevolkt door Mygdoniërs uit Thracia, zie
+Mygdon no. 2.--3) streek in het N.O. van Mesopotamia, Anthemusia,
+Anthemousia, bloemengaard, genoemd.
+
+Mygdonius, rivier in N.O. Mesopotamia, stroomt langs Nisibis en valt
+in den Chaboras (z.a.).
+
+Myia, Muia, 1) dochter van Pythagoras en Theano, gehuwd met den
+worstelaar Milo.--2) dichteres van Thespiae, v. s. dezelfde als
+Corinna.--3) spartaansche dichteres, van wie lofzangen op Apollo en
+Artemis vermeld worden.
+
+Mylae, Mylai, kolonie van Zancle, gesticht ± 715, vesting en havenstad
+op de N.kust van Sicilia. In de nabijheid behaalde Duillius in 260 de
+overwinning ter zee op de Carthagers en Agrippa in 36 op S. Pompeius.
+
+Myla(s)sa, ta Mylassa, welvarende stad in het binnenland van Caria,
+oude koningsresidentie.
+
+Mylitta, Mylitta, babylonische godin van bevruchting en voortplanting,
+moeder van het heelal, door de Grieken voor dezelfde gehouden als
+Aphrodite Urania.
+
+Myndus, Myndos, dorische kolonie in Caria nabij Halicarnassus. De
+stad was klein en had groote poorten. Toen Diogenes ze bezocht, gaf
+hij den raad, de poorten toch gesloten te houden, opdat de stad er
+niet uit zou loopen.
+
+Myon, Myonia, Myon, Myonia, stad der ozolische Locriërs, ten N. van
+Amphissa, hoog gelegen aan een gevaarlijke bergpas, die naar Aetolia
+voerde.
+
+Myonnesus, Myonnesos (= mosseleiland), kaap en stad in Ionia aan de
+golf van Ephesus. Hier werd in 190 de vloot van Antiochus III van
+Syria door L. Aemilius Regillus vernietigd.
+
+Myoparo, myoparon, een licht, zeer snel loopend kaperschip.
+
+Myos Hormus, myos hormos (= mosselhaven), belangrijke koopstad in
+Aegypte aan de Arabische golf, ongeveer tegenover de Zuidspits van
+Petraea.
+
+Myra, ta Myra, aanzienlijke stad van Lycia, in den keizertijd hoofdstad
+van de provincie Lycia et Pamphylia, met de havenstad Andriace.
+
+Myrcinus, Myrkinos of Myrkinos, versterkte stad in Thracië, in het
+land der Edoniërs, ten N. van Amphipolis. De stad was gesticht
+door Histiaeus van Miletus, doch werd spoedig door de Edoniërs
+veroverd. Aristagoras sneuvelde hier, toen hij trachtte de plaats te
+herwinnen, in 497.
+
+Myriandus, Myriandrus, Myriandos, Myriandros, phoenicische volkplanting
+in Syria, aan de golf van Issus, een belangrijke handelsplaats.
+
+Myrina, Myrina, 1) eene der steden van den aeolischen bond op de kust
+van Mysia, nabij Cyme.--2) stad op Lemnus.
+
+Myrlea, Myrleia, stad aan de Propontis in Bithynia, aan den Cianus
+sinus, door de Colophoniërs gekoloniseerd, door koning Prusias I (±
+200) vergroot en naar zijne gemalin Apama in Apamea verdoopt.
+
+Myrmecides, Myrmekides, van Miletus, leefde ten tijde van Pericles
+te Athene als vervaardiger van fijne kunstwerken in ivoor en metaal.
+
+Myrmidones, Myrmidones, het volk van Achilles. Volgens de sage was
+het eiland Aegina door de pest ontvolkt en veranderde Zeus op de bede
+van Aeacus de mieren (myrmekes) in menschen. Onder Aeacus' zoon Peleus
+zouden zij naar Thessalia getogen zijn, naar het landschap Phthiotis.
+
+Myro, Myro = Moero.
+
+Myron, Myron, 1) tyran van Sicyon, grootvader van Clisthenes
+no. 1.--2) van Eleutherae, beroemd beeldhouwer te Athene uit de
+eerste helft der 5de eeuw, leerling van Ageladas. Hij werkte bij
+voorkeur in metaal, zijne beelden van menschen en dieren muntten uit
+door natuurlijkheid. Vooral beroemd was zijne Koe en de Marsyasgroep;
+zijn Discobolus is op blz. 238 afgebeeld.--3) van Priene, beschreef
+de geschiedenis van den eersten messenischen oorlog. Hij leefde in
+de 2de eeuw.
+
+Myronides, Myronides, zoon van Callias, een van de veldheeren der
+Atheners bij Plataeae, overwon de Corinthiërs bij Megara (457) en de
+Boeotiërs bij Oenophyta (456), waarna hij in bijna geheel Boeotië de
+democratie weder invoerde; van een krijgstocht naar Thessalië moest
+hij echter onverrichter zake terugkeeren. Als gematigd democraat
+streefde hij meer naar de ontwikkeling van Athene als landmacht dan
+als zeemacht.
+
+Myrrha, Myrra, dochter van Cinyras en bij hem moeder van Adonis.
+
+Myrrhina, Myrrine, ook Byrsine geheeten, dochter van Callias, gemalin
+van Hippias no. 1.
+
+Myrsilus, Myrtilus, Myrsilos, Myrtilos, 1) zoon van Hermes, wagenmenner
+van Oenomaüs (z. a.), dien hij aan Pelops verried. Pelops had hem tot
+loon voor zijn verraad de helft van het rijk van Oenomaüs beloofd, maar
+om zich van deze belofte te ontslaan, wierp hij M. in zee. Door Hermes
+werd deze als voerman onder de sterren geplaatst.--2) = Candaules.--3)
+tyran van Mytilene, tijdgenoot van Alcaeus, die hem in zijne gedichten
+aanvalt.--4) van Methymna, geschiedschrijver in het begin der 3de eeuw.
+
+Myrsinus, Myrsinos, stad der Epeërs bij de N.W. kust van Elis, later
+Myrtuntium geheeten.
+
+Myrtea, z. Murcia.
+
+Myrtis, Myrtis, van Anthedon, lyrische dichteres, leermeesteres van
+Corinna en Pindarus genoemd.
+
+Myrtoum (mare), Myrtoon pelagos, dat gedeelte der Aegaeïsche zee,
+dat tusschen de buitenrij der Cycladen en Griekenland ligt. De naam
+schijnt ontleend aan het eilandje Myrtus, Myrtos of Myrto ten Z. van
+Euboea, dicht bij Geraestus.
+
+Myrtuntium, Myrtontion = Myrsinus.
+
+Myrtus, Myrtos, of Myrto, eiland, zie Myrtoum mare.
+
+Mys, Mys, bekwaam graveur, toreutes, te Athene ten tijde van Pericles;
+hij maakte o. a. het schild bij de Athena Promachus van Phidias.
+
+Myscellus, Myskellos, van Argos, zoude volgens een orakel eerst
+kinderen krijgen, wanneer hij een stad gebouwd had op een plaats,
+waar hij het bij helderen hemel zou zien regenen. In Italië gekomen,
+begon zijne vrouw, wanhopende aan de mogelijkheid hiervan, bitter
+te weenen, en M., hierin de vervulling van het orakel ziende,
+stichtte de stad Croton. Later keerde hij naar Argos terug, waar hij
+aangeklaagd werd omdat hij tegen de wet zijn vaderland verlaten had,
+maar Heracles veranderde de zwarte boonen, waarmede de rechters hem
+ter dood veroordeeld hadden, voor de opening van de stembus in witte,
+zoodat hij vrijgesproken werd.
+
+Myscon, Myskon, aanvoerder der Syracusanen in den oorlog tegen Athene.
+
+Mysia, Mysia, landstreek in het N.W. van Asia minor, bevolkt door den
+thracischen stam der Mysi, Mysoi. Mysia heeft nooit een afzonderlijken
+staat, noch eene perzische satrapie uitgemaakt; vandaar dat de
+grenzen niet te bepalen zijn. Het noordelijke gedeelte langs de
+Propontis (zee van Marmara) is Mysia minor, he mikra, ook Phrygia
+ad Hellespontum geheeten, omdat het onder den satraap van Phrygia
+stond. Het binnenland ten Z. hiervan was Mysia maior, he megale. Het
+oude trojaansche gebied werd Troas, Troas, genoemd. Langs de W.-kust
+strekte zich Aeolis uit. In het Z.W. had men de landstreek Teuthrania,
+Teuthrania, de bakermat van het latere rijk van Pergamus. Mysius dux
+= Telephus.
+
+Myson, Myson, door sommigen in plaats van Periander onder de zeven
+wijzen van Griekenland gerekend.
+
+Mistagogus, mystagogos, z. Eleusinia; alg. een gids, die vreemdelingen
+rondleidt, om hun de merkwaardigheden van een plaats te toonen.
+
+Mysteria, mysteria, godsdienstplechtigheden, die alleen voor ingewijden
+toegankelijk zijn en waarvan de bizonderheden en de beteekenis voor
+niet-ingewijden streng geheim gehouden moeten worden. Zij bevatten
+niet alleen de gewone godsdienstige handelingen, offers, gebeden,
+enz., maar kenmerken zich door mimische en dramatische voorstellingen
+van de geschiedenis of van eene gebeurtenis uit de geschiedenis
+van den god, te wiens eere zij gevierd werden. Deze voorstellingen,
+gepaard met het vertoonen van bepaalde voorwerpen, die als het ware
+den god vertegenwoordigden (symbolen), waren er op ingericht om bij de
+geloovigen eene enthusiastische gemoedsbeweging te veroorzaken, waarin
+zij zich werkelijk in tegenwoordigheid van den god waanden en waardoor
+zij zich buitengemeen gelouterd en gesticht gevoelden. Dat de mysteriën
+dienstbaar gemaakt werden aan het verbreiden van een of ander dogma,
+dat buiten het volksgeloof stond, is niet waarschijnlijk; wel schijnen
+zij ten doel gehad te hebben het geloof aan de onsterfelijkheid der
+ziel te bevestigen en het vertrouwen op te wekken, dat de ingewijden
+hiernamaals boven anderen bevoorrecht zouden zijn. De beroemdste
+mysteriën waren die van Demeter te Eleusis (z. Eleusinia), als bizonder
+heilig golden ook de samothracische mysteriën der Cabiri, ook Dionysus,
+Sabazius, Aphrodite, Cybele, Isis, Osiris, Mithras e. a. werden op
+deze wijze vereerd.--De mysteriën zijn zeer oud en worden beschouwd
+als overblijfsels van pelasgischen eeredienst; een tijd lang door de
+helleensche godsvereering op den achtergrond gedrongen, herleefden
+zij vooral door den invloed der Orphici omstreeks het einde der
+7de eeuw. Later, bij het verval van het oude geloof, gelukte het
+ook eene dergelijke vereering van vreemde godheden ingang te doen
+vinden, die soms, in weerwil van de tegenwerking van den staat,
+groote populariteit verwierven.
+
+Mystes, mystes, ingewijde van den laagsten graad bij de mysteriën,
+z. Eleusinia.
+
+Mystrum, mystron, grieksche maat voor natte waren, het 4de gedeelte
+van een cyathus.
+
+Mytilene, Mytilene, machtige en bloeiende hoofdstad van het eiland
+Lesbus, aan de O.-zijde gelegen, de geboorteplaats van Pittacus,
+Sappho, Alcaeus, Hellanicus, thans Metelin. De stad kreeg een
+gevoeligen knak in 427, toen zij voor haren afval van het atheensche
+zeeverbond getuchtigd werd (zie Cleon). In den oorlog van Alexander
+den Gr. werd M. door de Perzen ingenomen, doch door Alex. heroverd. In
+80 werd ze na een langdurig beleg door M. Minucius Thermus (Minucii
+no. 7) ingenomen, en streng gestraft voor haar afval en heulen met
+Mithradates. De stad had twee havens.
+
+Myus, gen. -untis, Myous, stad in Caria aan de monding van den
+Maeander, de kleinste stad van het ionisch verbond, eene der drie
+steden, waarvan de inkomsten door Artaxerxes I aan Themistocles werden
+toegewezen. Door de sterke aanslibbing geraakte Myus meer en meer van
+de zee verwijderd en werd ten slotte verlaten, daar de inwoners naar
+Miletus verhuisden.
+
+
+
+
+
+
+N.
+
+
+N. Zie Nefasti (dies).
+
+Naarmalcha (Nahar Malcha), zie Regium flumen.
+
+Nabalia = Navalia.
+
+Nabataei, Nabataioi, machtig volk van Arabia Petraea, waren eerst
+nomaden, doch vestigden zich allengs in het land der Edomieten,
+Midianieten en Amalekieten, en breidden hunne heerschappij ook
+over Arabia felix uit. Petra was hunne hoofdstad. Zij werden nu een
+handelsvolk, hun bodem leverde kostbare specerijen en kruiderijen op,
+terwijl zij ook een belangrijken veestapel onderhielden. Hunne vorsten
+(Aretas, Jonathan) komen eerst als vrienden, later als vijanden der
+Maccabaeën voor, hetgeen aan Pompeius aanleiding verschafte, in 64
+een inval in hun gebied te doen. Hun koning Malchus II komt eerst als
+vriend van Caesar, later als bondgenoot der Parthen, en na eene zware
+bestraffing weder met Octavianus verbonden voor. Traianus vernietigde
+hun rijk (105 n. C.).
+
+Nabis, Nabis, maakte zich kort na den dood van Machanidas (207) van
+de heerschappij over Sparta meester, en regeerde als een hebzuchtig
+en wreed dwingeland. Hij was eerst met de Romeinen verbonden, hoewel
+Philippus in den tweeden macedonischen oorlog trachtte hem voor zich
+te winnen; later maakte echter zijn optreden tegenover de andere
+peloponnesische staten de tusschenkomst der Romeinen noodzakelijk, en
+werd hem door Flamininus zijn geheele rijk buiten Sparta ontnomen. Kort
+daarna begon hij, om het verloren gebied terug te winnen, een oorlog
+tegen het achaeïsch verbond, waarin hij eene overwinning ter zee
+behaalde, doch weldra werd hij door Philopoemen verslagen en daarop
+door den aanvoerder zijner aetolische bondgenooten vermoord (192).
+
+Nabonassar, koning van Babylon, onder assyrische opperheerschappij. In
+zijn tijd (26 Febr. 747) begon eene nieuwe jaartelling (aera van
+Nabonassar), die in het Oosten vrij algemeen werd.
+
+Nabonedus = Labynetus no. 2.
+
+Nabopolassar, assyrisch stadhouder van Babylon (625-604), viel van
+Assyrië af en veroverde Niniveh met de hulp van Cyaxares, waarna de
+bondgenooten het assyrische gebied onder elkander verdeelden.
+
+Naeniae, neniae, treurzangen, die bij de begrafenissen van aanzienlijke
+personen gezongen werden, hetzij door de bloedverwanten, hetzij
+door gehuurde klaagsters, praeficae. Later krijgt het woord ook de
+beteekenis van tooverzang en van slaapdeuntje.
+
+Naevii, plebejisch geslacht. 1) Cn. Naevius, Campaniër van geboorte,
+tooneeldichter, de eerste, die fabulae praetextae (zie praetexta)
+gedicht heeft, en schrijver van een epos in saturnische maat over
+den eersten punischen oorlog. Naar griekschen trant tastte hij in
+zijne stukken de aanzienlijkste mannen aan, o. a. de Metellussen en
+de Scipio's waardoor hij zich eerst gevangenisstraf, later verbanning
+op den hals haalde. Van hem is o. a. de bekende versregel afkomstig:
+fató Metélli Római fíunt cónsulés, waarop door de Metelli geantwoord
+werd: dabúnt malúm Metélli Naévió poétae. Zie Caecilii no. 3. Hij
+overleed te Utica in vrij hoogen ouderdom omstreeks 200.--2) de andere
+bekende Naevii, waarvan enkele bij Livius en bij Cicero voorkomen,
+zijn van weinig belang. Een er van, Sex. Naevius, een man van geringe
+afkomst, komt als aanklager voor tegen P. Quinctius, die door Cicero
+verdedigd werd (Quinctii no. 10). Een ander, P. Naevius Turpio,
+wordt door Cicero als handlanger van Verres aan de kaak gesteld.--3)
+Naevius Sertorius Macro, z. Macro.
+
+Nahanarvali (Naharvali), ligysche stam in Germania, aan de Viadua
+(Oder).
+
+Nahar Malcha (Naarmalcha), zie Regium flumen.
+
+Naiades, Naïades, Naïdes, nimfen van rivieren (Potameides), bronnen
+(Krenaiai, Pegaiai) en beken (Limnades). Zij bezitten de gave der
+profetie, beschermen dichtkunst en gezang en voeden door de kracht
+van het water menschen, dieren en planten (Kourotrophoi, Nomiai,
+Karpotrophoi). Dikwijls worden zij als opvoedsters van verschillende
+goden genoemd.
+
+Naï(s)sus, Naïs(s)os, stad in Moesia Superior aan den Margus (Morawa),
+geboorteplaats van Constantijn den Gr.; tgw. Nisch.
+
+Namatianus (Claudius Rutilius), rom. dichter, uit den tijd van keizer
+Honorius. Het van hem gedeeltelijk bewaard gebleven gedicht de reditu
+suo uit het jaar 416 geeft een beschrijving van zijn reis van Rome
+naar zijn vaderland Gallië, die, vooral om den tijd waarin die reis
+valt, historisch belang heeft.
+
+Namausus = Nemausus.
+
+Namnetae of -tes, Namnetai, gallisch volk aan den mond van den
+Liger. Hoofdstad: Condivincum (Nantes).
+
+Nanno, Nanno, fluitspeelster, die door Mimnermus bemind werd, maar
+zijne liefde niet beantwoordde.
+
+Nantuatae of -tes, Nantouatai, ligurisch of raetisch volk aan den
+lacus Lemannus (meer van Genève).
+
+Napaeae, Napaiai, nimfen der dalen, gewoonlijk tot de Oreaden gerekend.
+
+Naparis, Naparis, linkerzijtak van den Ister (Donau) in het
+tegenw. Rumenië.
+
+Napata, Napata, in Aethiopia aan den Nijl, bloeiende hoofdstad van het
+rijk van Napata, waar tijdens Augustus de koningin Candace regeerde. De
+stad werd in 22 door den stadhouder van Aegypte, C. Petronius,
+veroverd, doch niet behouden. Zij is het zuidelijkste punt, dat
+de Rom. bereikt hebben. Het noordelijkste gedeelte van het rijk,
+van af Hiera Sycaminos, is toen bij het Romeinsche rijk ingelijfd,
+onder den naam Nubia Inferior.
+
+Nar, Nar, rivier met geelachtig zwavelig water in het Z. van Umbria,
+die tusschen Horta en Ocriculum in den Tiber valt.
+
+Naragara, ta Naragara, stad in Numidia, waar Hannibal en Scipio vóór
+den slag bij Zama een onderhoud hadden.
+
+Narbo, Narbon, thans Narbonne, eene bloeiende stad der Volcae
+Tectosages in Gallia aan de Middellandsche zee, sedert 118 als
+rom. kolonie Narbo Martius genoemd, later hoofdstad van Gallia
+Narbonensis. De stad lag aan den Atax (Aude), waarnaar de bewoners
+Atacini werden genoemd.
+
+Narbonensis (Gallia), het Z.O. gedeelte van Gallia Transalpina,
+naar de hoofdst. Narbo.
+
+Narcissi fons, Narkissou pege, bron in Boeotia bij Thespiae, waar
+narcissen in menigte groeiden.
+
+Narcissus, Narkissos, 1) zoon van Cephissus en Liriope, een
+buitengewoon schoon jongeling. Hij was volstrekt ongevoelig voor liefde
+en deed door zijne hardvochtigheid de schoone Echo, die hem beminde,
+wegkwijnen; maar Nemesis liet hem tot straf hiervoor zijn eigen beeld
+in het water zien en op zichzelven verliefd worden, zoodat hij van
+ijdel verlangen verteerde; uit medelijden veranderden de goden hem in
+een narcis.--2) vrijgelatene en secretaris (ab epistulis) van keizer
+Claudius, op wien hij bijna onbeperkten invloed had, waarvan hij
+dikwijls in zijn eigen belang gebruik maakte. Hij was overigens een
+zeer bekwaam man. Hij veroorzaakte den val van Messalina, maar werd
+later door Agrippina uit Rome verwijderd en kort daarna vermoord.--3)
+gladiator, die keizer Commodus in het bad wurgde; onder Didius Iulianus
+werd hij met de andere moordenaars van Commodus ter dood gebracht.
+
+Naristi (v. s. Varisti), suevische stam in het N.O. van het
+tegenw. Beieren.
+
+Narnia, Narnia, stad in Umbria aan den Nar, eene sterke vesting op
+eene steile rots, sedert 299 lat. kolonie, vroeger Nequinum geheeten.
+
+Narona, rom. kolonie in Dalmatia.
+
+Narthacium, Narthakion, berg en stad in Thessalia, in het N. van
+Phthiotis, niet ver van Pharsalus, waar in 394 Agesilaus, uit Azië
+terugkeerende, de Thessaliërs versloeg, die hem den weg versperden.
+
+Narthex, een plant, waarvan de dikke, knoestige, rietachtige stengel
+veel brandbaar merg bevatte; volgens het verhaal zoude Prometheus
+daarin het vuur uit den hemel gehaald hebben. Van den stengel werden
+veelal doozen voor verschillende doeleinden gemaakt. In zulk een
+doos, na den slag bij Issus onder den buit gevonden, placht Alexander
+d. G. de door Aristoteles bewerkte uitgave van Homerus te bewaren,
+die vandaar he ek tou narthekos ekdosis genoemd wordt.
+
+Narycus, -cium of Naryx, Narykos, Naryx, misschien het zelfde
+als het latere Pharygae, Pharygai, stad der opuntische Locriërs,
+geboorteplaats van Ajax, den zoon van Oileus (Narycius heros). Zie
+ook Locri Epizephyrii.
+
+Nasamones, Nasamones, een ruwe libysche volksstam aan de groote Syrte
+(golf v. Sydra).
+
+Nasica, bijnaam in de familie Scipio. Zie Cornelii no. 19, 20, 22-25.
+
+Nasidienus, een plomp en praalziek parvenu bij Horatius voorkomende.
+
+Nasidii, plebejisch geslacht, waarvan een paar leden als aanhangers
+der pompejaansche partij voorkomen.
+
+Naso, familienaam der Ovidii.
+
+Nasus, 1) Nesos, eilandje met kasteel in de rivier Achelous in
+Acarnania.--2) Nasos = Ortygia, een der vijf gedeelten van Syracusae.
+
+Natatio, groote zwemvijver, hetzij in de open lucht, hetzij in een
+badhuis.
+
+Nauclides, Naukleidas, spartaansch ephoor, die met Pausanias no. 2
+naar Attica gezonden werd en met hem medewerkte tot het herstel der
+democratie. Later werd hij door Lysander wegens zijn weelderig leven
+aangeklaagd.
+
+Naucrates, Naukrates, leerling van Isocrates, hield bij de lijkfeesten
+van Mausolus een wedstrijd met Theopompus en Theodectes als lofredenaar
+van den overledene.
+
+Naucratis, Naukratis, milesische volkplanting uit de 2de helft van
+de 7de eeuw en aanzienlijke handelsstad in de Nijldelta, onder de
+aegyptische koningen de eenige plaats, waar zich de Grieken mochten
+vestigen. Zij lag aan den linkeroever van den Canobischen Nijlarm.
+
+Naucraticum ostium = Heracleoticum ostium.
+
+Naucydes, Naukydes, van Argos, beroemd beeldhouwer, leerling van
+Polycletus (± 420).
+
+Naukraria. In oude tijden was de burgerij van Attica in 48 naukrariai,
+verdeeld, 12 in iedere phyle, en had iedere naukraria de verplichting
+een schip en twee ruiters te leveren; als administratieve afdeelingen
+worden zij dikwijls met de latere demoi vergeleken. De hoofden der
+naucrariën, naukraroi, hadden vóór Solon grooten invloed, maar de
+instelling van den raad der 400 ontnam hun een groot gedeelte van hun
+bevoegdheid. Sedert Clisthenes waren er 50 naucrariën, 5 in iedere
+phyle, die alleen dienden tot het innen en beheeren van de gelden
+voor de vloot.
+
+Naulochus, Naulochos, havenstadje in het N.O. van Sicilia. Hier
+versloeg M. Agrippa in 36 S. Pompeius in een grooten zeeslag.
+
+Naumachia, vertooning van een scheepsstrijd, geen spiegelgevecht,
+maar een strijd in werkelijkheid. De bemanning bestond uit gevangenen
+en zwaardvechters. Caesar was de eerste, die het rom. volk hierop
+vergastte; hij liet hiertoe op den campus Martius een tijdelijke
+vijver graven, die vervolgens weder werd gedempt. Augustus liet er
+een graven van 59 meter breedte en negen maal zoo lang. Claudius
+liet het Fucinische meer met zitplaatsen omringen; Nero liet het
+strijdperk van het amphitheater vol water loopen. Later kwamen er te
+Rome vaste gebouwen voor scheepsgevechten. Zulk een gebouw werd ook
+naumachia genoemd.
+
+Naumachius, Naumachios, grieksch dichter van later tijd; van zijn
+gedicht over de plichten der vrouw zijn eenige fragmenten bewaard.
+
+Naupactus, Naupaktos, versterkte havenstad in Locris aan de
+Corinthische golf, waar de Heracliden hunne vloot bouwden, om naar
+de Peloponnesus over te steken. Na de perzische oorlogen kwam zij in
+het bezit der Atheners, die er in 455 Messeniërs in opnamen. De stad
+wisselde nog meermalen van bezitters en werd achtereenvolgens weder
+locrisch, achaeïsch, thebaansch, macedonisch en opnieuw locrisch. Thans
+Lepanto of Epacto.
+
+Nauplia, Nauplia, havenstad in Argolis, aan de Argolische golf.
+
+Naupliades, Naupliades, Proetus of Palamedes, zonen van Nauplius.
+
+Nauplius, Nauplios, 1) zoon van Poseidon en Amymone, stichter
+van Nauplia.--2) afstammeling van den vorigen, bekwaam zeeman
+en sterrenkundige, Argonaut.--3) koning van Euboea, bij Clymene
+no. 5 vader van Palamedes en Oeax. Vertoornd over de behandeling,
+die Palamedes voor Troje had ondervonden, zond hij Oeax uit om de
+vorsten, die voor Troje lagen, bij hunne gemalinnen van ontrouw te
+beschuldigen of geruchten omtrent hun dood te verspreiden. Toen de
+Grieken op de terugreis van Troje voorbij Euboea kwamen, stak hij op
+kaap Caphareus vuren aan, waardoor zij misleid werden en vele schepen
+op de kust verloren gingen. Velen verdronken of werden door N. en de
+zijnen gedood.
+
+Nauportus, Nauportos, rivier (Laybach), rechter zijtak van den Savus,
+en stad (Ober-Laybach) in Pannonia.
+
+Nausicaa, Nausikaa, dochter van Alcinous, vond Odysseus, toen hij na
+het verlies van zijn schip op de kust der Phaeaciërs geworpen was. Zij
+ontving hem vriendelijk en geleidde hem naar het hof van haar vader.
+
+Nausicles, Nausikles, atheensch demagoog, bevelhebber van de troepen,
+die den Phocensers te hulp gezonden werden (352). Aanvankelijk
+met Aeschines bevriend, was hij later een hevig bestrijder der
+macedonische partij.
+
+Nausinous, Nausinoos, zoon van Odysseus en Calypso.
+
+Nausiphanes, Nausiphanes, van Teos, einde van de 4de eeuw, wijsgeer
+uit de school van Democritus, leerling van Pyrrho, leermeester van
+Epicurus.
+
+Nausithous, Nausithoos, 1) zoon van Poseidon en Periboea, koning der
+Phaeaciërs, verhuisde met zijn volk, dat door de Cyclopen bedreigd
+werd, van Hyperea naar Scheria.--2) zoon van Odysseus en Calypso.--3)
+stuurman van Theseus.
+
+Nautaca, Nautaka, stad in het perzische gewest Sogdiana.
+
+Nautii, patricisch geslacht, waarvan eenige leden in de oorlogen tegen
+Volscen, Aequers, Sabijnen en Samnieten voorkomen. Als hun stamvader
+gold Aeneas' tochtgenoot Nautes, die het trojaansche Palladium naar
+Italië overbracht.
+
+Nautodikai, te Athene rechters in handelszaken (dikai emporon),
+tevens belast met de instructie bij de graphe xenias. Kort na 403
+werden hunne bevoegdheden op de thesmotheten overgedragen.
+
+Nava, thans Nahe, rivier, die bij Bingium (Bingen) in den Rijn valt.
+
+Navalia, 1) een scheepswerf in Rome, aan den Tiber, aan het Campus
+Martius.--2) sterkte aan den mond van eene rivier in ons land,
+misschien aan den mond van de Fossa Drusiana.
+
+Navius, zie Attii.
+
+Naxus, Naxos, 1) het grootste eiland der Cycladen, om zijne
+vruchtbaarheid Klein-Sicilië genaamd, beroemd door zijn wit marmer
+en zijn wijn en aan Dionysus geheiligd (mythe v. Ariadne). Andere
+namen van het eiland zijn Dia en Strongyle. Als oudste bewoners
+komen Cariërs en Cretensers voor; later werd het eiland van Attica
+uit gekoloniseerd door Ioniërs. In 490 werd het door de Perzen te
+vuur en te zwaard verwoest. Het maakte vervolgens deel uit van het
+atheensche zeeverbond; doch toen het zich trachtte te verzetten,
+verloor het ± 467 zijne vrijheid en ook zijne beteekenis. In 376
+werd de spartaansche vloot door den Athener Chabrias bij Naxus
+verslagen.--2) eerste grieksche kolonie op Sicilia, in 735 door
+euboeïsche Chalcidiërs gesticht, in 403 door Dionysius van Syracusae
+verwoest, waarna in 358 het overschot der verstrooide bevolking in
+de nabijheid eene nieuwe stad Tauromenium stichtte, thans Taormina.
+
+Nazarius, rhetor in Gallia, ten tijde van Constantijn den Grooten. Van
+hem is een panegyricus op Constantijn uit het jaar 321 over. De
+panegyricus uit 313, die wel eens aan hem wordt toegeschreven, is
+van Eumenius.
+
+Nazianzus, Nazianzos of Nazianzos, stad in Cappadocia. Z. Gregorius
+no. 2.
+
+Neaera, Neaira, nimf, bij Helius moeder van Phaëthusa en Lampetia.
+
+Neaethus, Neaithos, rivier in Bruttium, bij Croton, waar de gevangene
+trojaansche vrouwen de grieksche schepen zouden in brand gestoken
+hebben.
+
+Neandria, Neandria, Neandreia, aeolische stad in Troas. Hier is in
+de laatste jaren een tempel opgegraven, die om zijn eigenaardigen
+vorm en het daar gevonden (aeolische) kapiteel van groot belang is
+voor de kunstgeschiedenis.
+
+Neanthes, Neanthes, van Cyzicus, tijdgenoot van Attalus I,
+schrijver van verscheiden door de ouden met lof vermelde werken
+over geschiedenis.
+
+Neapolis, Neapolis, naam van niet minder dan 13 steden, terwijl
+bovendien een gedeelte van Syracusae dezen naam droeg. Het beroemdst
+is Neapolis in Campania, thans Napoli of Napels. De stad bestond
+uit twee afzonderlijk ommuurde deelen, Palaepolis en Neapolis,
+en heette Parthenope, voordat de Cymaeërs haar met eene kolonie
+bevolkten. Omstreeks 325 werd de stad door Samnieten in bezit
+genomen, in 290 werd zij rom. kolonie, later rom. municipium. Om
+zijne verrukkelijke ligging en zijne fijne grieksche beschaving lokte
+Neapolis een groot getal aanzienlijke Romeinen, zoodat de omtrek
+met buitenplaatsen bezaaid was, terwijl de warme bronnen er een druk
+bezochte badplaats van maakten. Romulus Augustus, de laatste keizer
+van het westrom. rijk, overleed hier.
+
+Nearchus, Nearchos, 1) Athener, in 340 als gezant naar Macedonië
+gezonden.--2) zoon van Androtimus, door Philippus uit Macedonië
+verbannen, maar na diens dood teruggeroepen door Alexander, met wien
+hij reeds als kind bevriend was geweest. Hij ging met Alexander naar
+Azië en werd satraap van Lycië en Pamphylia. Ook vergezelde hij den
+koning naar Indië en voerde hij het bevel over de vloot, die den weg
+van den Indus tot den Euphraat onderzocht (325); zijne beschrijving
+van dezen tocht is door lateren dikwijls gebruikt. Een voorgenomen
+tocht om de kasten van Arabië en Africa te onderzoeken bleef door
+den dood van Alex. onuitgevoerd. N. schijnt later bevelhebber over
+de vloot gebleven te zijn en tot de partij van Antigonus behoord
+te nebben.--3) pythagoreïsch wijsgeer, na de inneming van Tarentum
+vriend en leermeester van den ouden Cato.
+
+Nebrodes montes, Neurode ore, bergketen op Sicilia, die zich langs
+de Noordkust van de straat van Messina tot aan de helft van het
+eiland voortzet.
+
+Nebucadrezar, Nabokodrosoros, zoon en opvolger van Nabopolassar,
+koning van Babylonië (605-562). Hij verdreef de Aegyptenaars, die
+onder koning Necho reeds tot den Euphraat doorgedrongen waren, bijna
+uit geheel Azië, veroverde Syrië, Judaea en Tyrus, bevorderde handel
+en beschaving en versterkte en verfraaide Babylon.
+
+Necho, Nekos, zoon en opvolger van Psammetichus, koning van Aegypte
+(610-595). Hij liet door Phoeniciërs een zeetocht om de kusten van
+Africa doen en begon den aanleg van een kanaal, dat de Middellandsche
+zee met de Arabische golf moest verbinden. Ook onderwierp hij Syrië,
+Judaea en Phoenicië, maar op zijne verdere tochten tegen Mesopotamië
+werd hij door Nebucadrezar verslagen, zoodat hij bijna al het veroverde
+land in Azië weder verloor.
+
+Nectanabis, Nektanabis, -tanebos, 1) de vierde koning van Aegypte,
+nadat dit land zich onder de regeering van Artaxerxes II van Perzië
+onafhankelijk gemaakt had. Hij wist zich staande te houden tegen
+het groote leger, dat Artaxerxes omstreeks 380 onder Pharnabazus en
+Iphicrates gezonden had om Aegypte weder te onderwerpen.--2) N. II,
+stond op tegen zijn neef Tachos, den zoon en opvolger van den vorigen,
+en maakte zich met behulp van Agesilaus van de regeering meester
+(360). Aanvankelijk verdedigde hij zich met goed gevolg tegen Perzië,
+maar toen hij meende ook zonder grieksche generaals zelf den oorlog te
+kunnen voeren, was hij tegen de perzische troepen onder Mentor niet
+bestand. Toen zijne zaak hopeloos stond, vluchtte hij naar Aethiopië
+(344). Hiermede eindigde de zelfstandigheid van Aegypte.
+
+Nectar, nektar, godendrank, z. Ambrosia.
+
+Neda, Neda, grensriviertje tusschen Messenia en Triphylia.
+
+Nedon, Nedon, kustrivier in oostelijk Messenië, stroomt in de
+Messeensche golf uit.
+
+Nefasti (dies), in den rom. kalender met de letter N aangeduid, zijn
+dagen bestemd voor offers of godsdienstige handelingen. Het zijn dus de
+zelfde dagen als de dies festi (z. festi (dies)). Zie ook fasti (dies).
+
+Neïon, Neïon, een gedeelte van het gebergte Neritum, op Ithaca.
+
+Neïth, Neith, aegyptische godin, vooral te Saïs vereerd, door de
+Grieken met Athena geïdentificeerd. Zij wordt voor eene personificatie
+der grondstof van het heelal of voor eene godin van het vuur gehouden,
+v. a. is zij de zelfde als Isis. Hare beelden hebben dikwijls eene
+giere- of leeuwekop. Bij haar jaarlijksch feest brandde men in ieder
+huis in Aegypte een lamp met olie en zout gevuld.
+
+Nekromanteion, Nekyom., plaats, waar een doodenorakel is. Door offer
+en gebed riep men de dooden op, waarna men ging slapen en meende
+dat de opgeroepene in den droom zou verschijnen om het gevraagde
+orakel te geven, of door middel van een priester liet men den doode
+ondervragen. De bekendste plaatsen waren te Ephyra aan de rivier
+de Acheron in Epirus, bij Heraclea Pontica, te Cumae in Italië,
+bij Magnesia aan den Maeander en bij Hierapolis in Phrygia.
+
+Nekysia, Nemeseia, algemeene gedenkdag der dooden, te Athene de 5de
+Boëdromion, dus = Genesia.
+
+Neleïades, Neleiades, Nestor en Antilochus, zoon en kleinzoon van
+Neleus.
+
+Neleus, Neleus, 1) zoon van Poseidon en Tyro. Hij en zijn
+tweelingbroeder Pelias werden te vondeling gelegd en door herders
+opgevoed, terwijl Tyro met Cretheus, koning van Iolcus, huwde. Later
+vernamen de broeders hunne afkomst, en na den dood van Cretheus
+geraakten zij in twist over de opvolging, waarvan het gevolg was dat
+N. naar Messenië trok, waar zijn oom Aphareus hem de regeering over
+Pylus schonk. Toen Heracles na den moord van Iphitus bij N. kwam met
+het verzoek hem van zijne schuld te reinigen, weigerde deze hem dit;
+daarom trok Heracles later tegen hem op en doodde hem met al zijne
+zonen behalve Nestor. V. a. stierf hij te Corinthe, nadat hij een
+gelukkigen oorlog tegen de Epeërs gevoerd had.--2) zoon van Codrus,
+door zijn broeder Medon uit Attica verdreven, stichter van Miletus
+e. a. ionische steden.
+
+Nelides, Neleides = Neleïades.
+
+Nemausus, Nemausos, thans Nîmes, belangrijke stad der Volcae Arecomici,
+in Gallia Narbonensis. Er worden nog belangrijke overblijfselen van
+rom. bouwkunst aangetroffen: een tempel met corinthische zuilen (maison
+carrée; een afbeelding vindt men onder Templum), een waterleiding
+op drie rijen bogen boven elkander rustende (Pont du Gard), een
+gedeelte van een amphitheater, enz. Onder de keizers was N. eerst
+eene rom. kolonie met het ius Latii, later een rom. burgerkolonie.
+
+Nemea, Nemea, 1) dal in Argolis tusschen Cleonae en Phlius, waar
+Heracles den leeuw versloeg en waar de nemeïsche spelen werden
+gehouden. De bevolking is van dryopischen stam.--2) rivier op de
+grens van Sicyon en Corinthia.
+
+Nemea, Nemea, Nemeia, de nemeïsche spelen, ingesteld ter nagedachtenis
+van Archemorus (z. a.), later ter eere van Zeus Nemeaeus om de twee
+jaar onder voorzitterschap der Cleonaeërs of Argiven in het dal Nemea,
+later in Argos, gevierd. Zij bestonden uit de gewone wedstrijden in
+loopen, rijden, worstelen, gymnastiek, poëzie en muziek; de prijs der
+overwinning was een krans van eppe- of van olijftakken. Als nationaal
+feest kregen zij eerst in de 6de eeuw, sinds 573, eenige beteekenis.
+
+Nemesianus (M. Aurelius Olympius), rom. dichter uit de 3de eeuw na C.,
+geboren te Carthago. O. a. schreef hij een leerdicht over de jacht,
+Cynegetica, waarvan nog een gedeelte over is.
+
+Nemesis, Nemesis, dochter van Nyx, godin der gerechtigheid, die aan
+ieder mensch loon naar werken geeft, vooral eene wrekende godin, die
+trotschheid, overmoed en over het algemeen het overschrijden van de aan
+de menschelijke natuur gestelde grenzen straft. Zij wordt gewoonlijk
+afgebeeld met vleugels, met strenge en ernstige gelaatstrekken, en
+met een toom, zwaard of geesel in de hand. Beroemd was haar kolossaal
+beeld te Rhamnus, door Agoracritus (z. a.) gemaakt.
+
+Nemetacum, hoofdstad der Atrebates in Belgica, thans Atrecht of Arras.
+
+Nemetae of -tes, germaansch volk op den linker Rijnoever, met de
+hoofdstad Noviomagus (Spiers). De Nemetae, Triboci en Vangiones woonden
+reeds ten tijde van Caesar op den linker Rijnoever, en worden genoemd
+als hulptroepen van Ariovistus.
+
+Nemetocenna = Nemetacum.
+
+Nemetum, Nemossos, z. Augustonemetum.
+
+Nemorensis lacus, zie Aricia.
+
+Nemossus, Nemossos, z. Augustonemetum.
+
+Neniae = naeniae.
+
+Neobule, Neoboule, z. Archilochus.
+
+Neocaesarea, Neokaisareia, groote en prachtige hoofdstad van Pontus
+Polemoniacus, aan den Lycus.
+
+Neocles, Neokles, vader van Epicurus, ging met atheensche cleruchen
+naar Samus, waar hij eene school hield.
+
+Neodamodeis, van staatswege vrijgelaten heloten. Zij waren tot den
+krijgsdienst verplicht en werden na den peloponnesischen oorlog vooral
+voor krijgstochten naar Azië gebruikt.
+
+Neokoros, opzichter van een tempel, oorspronkelijk een tempeldienaar
+van minderen rang, belast met het onderhouden van den tempel en de
+tempelgoederen. Later was het een aanzienlijke eerepost, en in den
+keizertijd stelden geheele steden in het Oosten er een eer in zich
+neokoroi, van den tempel des keizers te mogen noemen.
+
+Neon, Neon, oude stad in Phocis aan den Parnassus, eerst door Xerxes
+verwoest, doch door de inwoners op eenigen afstand herbouwd en Tithorea
+genoemd naar den nabijgelegen bergtop van dien naam. In den heiligen
+oorlog werd ook deze stad verwoest, doch ook weder opgebouwd.
+
+Neontichus, Neon teichos, 1) aeolische stad op de kust van Mysia,
+aan den Hermus.--2) kasteel op de thracische kust aan de Propontis,
+nabij de Chersonesus.
+
+Neophron, Neophron, van Sicyon, dichter van 120 treurspelen, waarvan
+slechts weinige fragmenten bewaard zijn. Euripides zoude in zijne
+Medea een gelijknamig stuk van N. tot voorbeeld genomen hebben; in
+werkelijkheid is het juist andersom, zooals blijkt uit de fragmenten,
+die onlangs van zijne Medea teruggevonden zijn.
+
+Neo-platonici, eene school van wijsgeeren die sedert de 3de eeuw
+na C. bloeide. Zij trachtten door wijsgeerige bespiegeling aan den
+ouden godsdienst steun te geven tegen de meer en meer uit het Oosten
+indringende godsdiensten. Zij sloten zich voornamelijk bij de leer
+van Plato aan, doch waren ook onder den invloed van andere oudere en
+nieuwere wijsgeeren; zelfs waren er, die beweerden dat de leer van
+Plato en van Aristoteles in den grond der zaak dezelfde was. Voor een
+deel maakten zij hunne wijsbegeerte onmiddellijk dienstbaar aan de
+bestrijding van het Christendom (syrische school), lateren hielden
+zich voornamelijk bezig met het verklaren der werken van Plato en
+Aristoteles (atheensche school). De stichter der oorspronkelijke
+(alexandrijnsch-rom.) school was Ammonius Saccas, wiens leerling
+Plotinus het stelsel in zijne geschriften uitvoerig verklaarde; van
+de syrische school is de voornaamste vertegenwoordiger Iamblichus,
+van de atheensche Proclus.
+
+Neoptolemus, Neoptolemos, 1) oorspronkelijk Pyrrhus geheeten, zoon
+van Achilles en Deidamea, werd bij zijn grootvader Lycomedes opgevoed,
+en na den dood van Achilles naar Troje gehaald, omdat voorspeld was,
+dat zonder hem de stad niet genomen konde worden. Met zijne komst
+wordt de oorlog als het ware vernieuwd, vandaar de naam N. Hij is
+even dapper als zijn vader, maar ruw en hardvochtig; met het houten
+paard komt hij in de stad, doodt Polites voor de oogen van diens
+vader, daarna verslaat hij Priamus zelf bij het altaar van Zeus,
+hij werpt Astyanax van den muur en offert Polyxena op het graf van
+zijn vader. Bij het verdeelen van den buit krijgt hij Andromache
+(z. a.). In Phthia teruggekomen, huwt hij niet Hermione. V. a. had
+zich Acastus gedurende zijne afwezigheid van de regeering over Phthia
+meester gemaakt, daarom ging N. van Troje naar Epirus en vestigde
+zich daar; eerst later ging hij naar Phthia terug, waar hij Peleus
+de regeering teruggaf, terwijl hij zijn land in Epirus aan Helenus
+overliet. Kort na zijn huwelijk met Hermione (z. a.) werd hij te
+Delphi gedood; hij werd in den tempel begraven en als heros vereerd;
+zijn schim streed met de Delphiërs tegen de Galliërs, die gekomen
+waren om den tempel te plunderen.--2) een van de schuldigen aan den
+dood van Philippus van Macedonië, vluchtte bij de troonsbestijging
+van Alexander d. G. naar Azië en sneuvelde bij de verdediging van
+Halicarnassus tegen Alexander.--3) werd koning van Epirus, toen Pyrrhus
+door Cassander verdreven was (302), toen deze echter door Ptolemaeus
+Lagi teruggebracht werd, moest N., die om zijne wreedheid gehaat was,
+wijken; kort daarna trachtte hij Pyrrhus te dooden, maar deze voorkwam
+hem en liet hem zelven uit den weg ruimen (296).
+
+Nepet, Nepete, stad in het Z. van Etruria, kort na de inneming van
+Veii latijnsche kolonie, later municipium.
+
+Nephele, Nephele, 1) de onsterfelijke gemalin van Athamas (z. a.),
+later door hem verstooten, moeder van Phrixus en Helle.--2) z. Ixion.
+
+Nepheleis, Helle, dochter van Nephele.
+
+Nepos, bijn. van Metelli in de gens Caecilia (Caecilii no. 14 en 16).
+
+Nepos (Cornelius), zie Cornelii no. 58.
+
+Neptunine, Thetis, kleindochter van Neptunus.
+
+Neptunius mons, het oostelijk gedeelte der Nebrodes montes op Sicilia,
+bij Messana.
+
+Neptunus, god van het water en van alle vochtigheid van den bodem,
+later god der zee, aanvankelijk te Rome weinig vereerd. Eerst door
+griekschen invloed werd zijn dienst meer algemeen, hij werd nu
+met Poseidon geïdentificeerd en voornamelijk als god van paarden en
+ruiterlijke oefeningen (N. equester) beschouwd. Hij had een tempel in
+den Circus Flaminius, zijn feest, de Neptunalia, werd den 23sten Juli
+te Rome of te Ostia gevierd. Op dit feest, dat nog in den christelijken
+tijd voorkomt, bouwde men loofhutten, umbrae, skiades. Zie ook Consus.
+
+Nequinum, oude naam van Narnia.
+
+Neratii, een plebejisch geslacht, waarvan een paar leden onder de
+regeering van Traianus en Hadrianus als mannen van invloed voorkomen.
+
+Nereides, Nereides, Nereïdes, 50 of 100 dochters van Nereus en Doris
+(vandaar ook Dorides), nimfen der zee, vooral der Aegaeïsche zee,
+op welker bodem zij eene grot bewonen, die als zilver schittert en
+waar alles van goud of zilver is. Zij zijn goede en hulpvaardige
+zeegodinnen, die de schippers in den nood bijstaan. Men beeldde ze
+af als schoone jonkvrouwen, weinig of niet gekleed, dikwijls met
+dolfijnen of andere zeemonsters tot bevallige groepen vereenigd.
+
+Nereine, Nereine, Thetis, dochter van Nereus.
+
+Nereius, Achilles, kleinzoon van Nereus.
+
+Nereus, Nereus, zoon van Pontus en Gaea, een god der zee, in het
+bizonder der Aegaeïsche zee, waar hij met zijne dochters, de Nereïden,
+woont. Hij is een vriendelijk grijsaard, die allerlei gedaanten kan
+aannemen en de toekomst kan voorspellen, ofschoon hij niet altijd
+geneigd is vragen daaromtrent te beantwoorden; Heracles moest hem in
+den slaap overvallen, om hem te dwingen de ligging van den tuin der
+Hesperiden te openbaren. Hij wordt soms afgebeeld met het lichaam
+van een visch, waaraan alleen hoofd en armen menschelijk zijn, en
+gewoonlijk met zeewier in plaats van haar.
+
+Nericus, Nerikos, oude hoofdst. v. Leucadia.
+
+Nerigos, verkeerde lezing voor Berrice, een groot eiland waarschijnlijk
+aan de Westkust van Schotland.
+
+Nerii, een plebejisch geslacht, onbelangrijk.
+
+Nerio, -ria, -riene, gezellin van Mars, later als zijn gemalin
+beschouwd.
+
+Neritum, -us, Neriton, -os, berg aan de Westzijde van Ithaca. Neritius
+dux = Ulysses.
+
+Nero, familienaam in de gens Claudia (Claudii no. 22-27, 29).
+
+Nero, rom. keizer 54-68 na C., zoon van Cn. Domitius Ahenobarbus
+en Agrippina, de dochter van Germanicus. Hij heette eigenlijk
+L. Dom. Ahenob., doch toen zijne moeder met haar oom keizer Claudius
+huwde (zie over deze verwantschap het art. Iulii op het einde),
+werd hij door zijn stiefvader als zoon aangenomen en heette nu Nero
+Claudius Caesar Augustus Germanicus. Na de vermoording van Claudius
+deed Agrippina met behulp der praetorianen haren 17-jarigen zoon
+den troon bestijgen ten koste van zijn stiefbroeder Britannicus. In
+de eerste 5 jaar regeerde Nero onder de leiding van zijn leermeester
+L. Annaeus Seneca en van A. Afranius Burrus, praefectus praetorio, als
+een goed vorst. Daarna echter gaf hij zich teugelloos over aan wellust,
+bloeddorst en dwaasheden. Britannicus werd op zijn last omgebracht,
+evenzoo zijne deugdzame gemalin Octavia en zijne heerschzuchtige moeder
+(59). Hij huwde toen de schoone, doch zedelooze Poppaea Sabina, die
+hem door haar man M. Salvius Otho (later keizer) werd afgestaan. Den
+brand, die een groot deel van Rome in de asch legde (64 n. C.), bezigde
+hij als voorwendsel om eene gruwelijke vervolging der Christenen te
+beginnen. De samenzwering van Calpurnius Piso (Calpurnii no. 12) kostte
+door hare ontdekking een aantal aanzienlijke en brave mannen het leven
+(65), ook Seneca en de dichter Lucanus werden er in betrokken. De
+prachtige herbouw van Rome, de bouw van het paleis met gouden dak
+(domus aurea Neronis) en de dolzinnigste feesten en slemppartijen
+verslonden schatten, terwijl de keizer zijne waardigheid door het
+slijk sleurde door in het openbaar als wagenmenner, tooneelspeler en
+zanger op te treden, ja zelfs eene kunstreis te doen door Griekenland
+(66). Eindelijk barstte er in Gallia een opstand uit onder Julius
+Vindex, in Hispania onder Ser. Sulpicius Galba. Door de zijnen
+verlaten, door den senaat vogelvrij verklaard, liet Nero, toen hij
+geen uitweg meer zag, zich door een slaaf doorsteken. De algemeene
+vervloeking vervolgde hem nog na zijn dood.
+
+Neronia, zie Artaxata.
+
+Nerthus, germaansche godin, die op een eiland in de Oostzee vereerd
+werd. Haar dienst vormde het sacrale middelpunt voor de in de
+nabijheid wonende volkeren, de Reudigni, Aviones, Anglii, Varini,
+Eudoses, Suardones en Nuithones.
+
+Nerulum, Neruli, stad in het Z. van Lucania aan de via Popilia.
+
+Nerva, familienaam in de gentes Cocceia, Licinia (Licinii no. 33),
+Silia (Silii no. 2 en 4).
+
+Nerva (M. Cocceius), uit Narnia in Umbria, rom. keizer 96-98 na C.,
+leefde te Rome onder de regeering van Nero en diens opvolgers. Onder
+Domitianus is hij een korten tijd verbannen geweest. Na den moord van
+D. werd N. tot keizer uitgeroepen. Door een verstandig bestuur won
+hij de gunst der burgers. Hij heeft de finantiën van den staat, die
+zeer in de war waren, geregeld, en drukkende belastingen afgeschaft
+of verminderd. Hij heeft het forum Nervae transitorium met den tempel
+van Minerva, reeds door Domitianus begonnen, afgemaakt, en daaraan
+zijn naam gegeven. Om zijne hooge jaren en zijn zwak gestel nam hij
+den voortreffelijken M. Ulpius Traianus, die toen legatus van Germania
+superior was, tot zoon en opvolger aan. Hij stierf na eene regeering
+van anderhalf jaar (Jan. 98).
+
+Nervii, belgisch volk aan den Sabis (Sambre) in het tegenw. Henegouwen
+en Namen met de hoofdstad Bagacum (Bavay). Zij konden 50000 gewapenden
+in het veld brengen en brachten Caesar zeer in het nauw, doch werden
+in een wanhopigen strijd bijna geheel uitgeroeid. Zij beweerden,
+misschien niet ten onrechte, van de Germanen af te stammen.
+
+Nesactium of Nesartium, stad in Istria, in 177 door de Romeinen onder
+den consul C. Claudius Pulcher (Claudii no. 10) veroverd en verwoest,
+later herbouwd.
+
+Nesiotes, Nesiotes, atheensch beeldhouwer, ouder tijdgenoot
+van Phidias. Met zekeren Critias of Critius maakte hij een nieuw
+gedenkteeken voor Harmodius en Aristogiton, nadat het oude door Xerxes
+medegenomen was.
+
+Nesis, Nesis, bekoorlijk eilandje bij Pausilypum (Posilippo), op de
+kust van Campania.
+
+Nessonis, Nessonis, meer in Thessalia, ten O. der stad Larissa.
+
+Nessus, Nessos, z. Heracles.
+
+Nessus, Nessos = Nestus.
+
+Nestor, Nestor, zoon van Neleus en Chloris, koning van Pylus. Hij
+onderscheidde zich in den oorlog van zijn vader tegen de Epeërs; toen
+Heracles zijne broeders doodde, bleef hij alleen gespaard, daar hij
+zich toen bij de Gereniërs bevond. Ook beoorloogde hij de Arcadiërs,
+hielp de Lapithen in hun oorlog tegen de Centauren, en nam deel aan
+de calydonische jacht en den Argonautentocht. Op hoogen leeftijd,
+toen hij reeds twee menschengeslachten had zien voorbijgaan, trok hij
+mede naar Troje, waar hij zich nog als dapper held gedroeg, maar vooral
+invloed had door zijn wijze raadgevingen, zijn rijpe ervaring en zijne
+innemende welsprekendheid. Na afloop van den oorlog keerde hij gelukkig
+naar Pylus terug, waar hij zijn verder leven genoeglijk doorbracht.
+
+Nestus, Nestos, rivier in Thracië, die op het Rhodope gebergte
+ontspringt en bij Abdera in zee valt. Sedert Philippus vormt de Nestus
+de grens tusschen Macedonië en Thracië.
+
+Netum, Neeton, stad in het gebied van Syracusae en ten Z.W. daarvan
+gelegen.
+
+Neuri, Neuroi, volk aan de bronnen van den Tyras (Dniëstr) en den
+Hypanis (Bug). Zij konden tooveren en zich in wolven veranderen.
+
+Nexum of Nexus, in het algemeen plechtig aangegane verbintenis; in
+engeren zin het aangaan eener schuld per aes et libram, waarbij de
+schuldenaar zijn lijf verpandde. Terwijl de addicti (z. ald.) ten
+gevolge van een rechterlijk vonnis aan den schuldeischer worden
+toegewezen, is dit bij de nexi niet het geval. De nexus kon door
+den schuldeischer gedwongen worden voor hem te werken servi loco;
+hij mocht echter niet verkocht of ter dood gebracht worden. Het nexum
+werd afgeschaft door de lex Poetelia Papiria van 326. Echter wordt
+de addictus dan ook wel eens nexus (of vinctus) genoemd.
+
+Nicaea, Nikaia, dochter van Antipater no. 1, na Alexander's dood
+eenigen tijd met Perdiccas gehuwd, later gemalin van Lysimachus.
+
+Nicaea, Nikaia, naam van verschillende steden. 1) stad in Bithynia aan
+het meer Ascania. Zij was door Antigonus gesticht op de plaats van
+het vroegere Ancore, en Antigonea genoemd; Lysimachus vergrootte ze
+en gaf er naar zijne gemalin den naam Nicaea aan. Zij was eene van de
+residenties der bithynische koningen en eene drukke handelsplaats. In
+325 na C. werd hier de eerste christelijke kerkvergadering gehouden,
+waarop de leer van Arius veroordeeld werd.--2) stad op de indische
+grenzen aan den Hydaspes, door Alex. d. Gr. gesticht ter eere zijner
+overwinning op Porus.--3) aan den Caucasus Indicus (Hindoe-Koh)
+= Cabura.--4) locrische vesting, die den bergpas der Thermopylae
+beheerschte.--5) volkplanting van Massilia, op de ligurische kust,
+thans Nizza.
+
+Nicander, Nikandros, van Colophon, grammaticus, dichter en geneesheer,
+van wien nog twee geneeskundige leerdichten bewaard zijn. Zijn
+voornaamste werk, de Heteroioumena, is door Ovidius in zijne
+Metamorphosen veel nagevolgd. Hij leefde in het midden der 2de eeuw.
+
+Nicanor, Nikanor, 1) zoon van Parmenion, veldheer onder Alexander
+d. G., streed aan het hoofd der hypaspistai bij den Granicus, bij
+Issus en Gaugamela; hij stierf in 330.--2) stadhouder van Alexander in
+Indië. In de twisten na den dood van Alexander hield hij de zijde van
+Antigonus.--3) van Stagira, bevelhebber der vloot onder Alexander; na
+diens dood mengde hij zich in de oorlogen tusschen zijne veldheeren,
+eindelijk werd hij op bevel van Cassander verraderlijk gedood.--4)
+van Alexandria, grieksch grammaticus ten tijde van Hadrianus, die
+vooral over de leer der interpunctie (stigme) schreef, waarom men
+hem schertsend stigmatias (gebrandmerkte) noemde.
+
+Nicarchus, Nikarchos, naam van twee grieksche epigrammendichters.
+
+Nicephorium, Nikephorion, sterke vesting in Mesopotamia aan den
+Euphraat, ten Z. van Edessa, door Alex. den Gr. of door Seleucus
+I aangelegd.
+
+Nicephorius, zijtak van den Chaboras, stroomde dicht langs
+Tigranocerta.
+
+Nicephorus, Nikephoros, bijnaam van Zeus als god der overwinning.
+
+Nicer, zijtak van den Rijn, thans Neckar.
+
+Niceratus, Nikeratos, 1) zoon van Nicias no. 1, rijk en aanzienlijk
+Athener, werd door de 30 gedood.--2) zoon van Euctemon, van Athene,
+beroemd beeldhouwer uit de eerste helft der tweede eeuw, die vooral
+te Pergamum werkzaam was.
+
+Nicias, Nikias, 1) zoon van Niceratus, reeds vroeg gunstig bekend
+als veldheer, kwam na den dood van Pericles aan het hoofd der
+oligarchische of der gematigd democratische partij, die vrede met
+Sparta wenschte. Hij was zeer rijk en mild, bovendien zeer eerlijk
+en bedachtzaam, daarom genoot hij het volle vertrouwen van het volk,
+maar zijne besluiteloosheid en gemis aan zelfstandigheid beletten hem
+eenigen invloed uit te oefenen, bovendien was hij zeer bijgeloovig en
+liet hij zich geheel beheerschen door priesters en waarzeggers. In
+het begin van den peloponnesischen oorlog streed hij meermalen met
+geluk, het was echter voor zijn roem schadelijk, dat hij de inneming
+van Sphacteria aan Cleon (z. a.) overliet. Na Cleon's dood werd
+vooral door zijn toedoen een vrede (vrede van N.) gesloten, welks
+voorwaarden echter door verschillende omstandigheden nooit ten volle
+vervuld werden. Hoewel hij zich met alle macht tegen de onderneming
+naar Sicilië verzette, werd hij met Alcibiades en Lamachus aan het
+hoofd ervan gesteld (415), en daar Alcibiades terstond teruggeroepen
+werd en Lamachus spoedig sneuvelde, had hij alleen de leiding van de
+zaken in handen. Het mislukken der onderneming is dan ook, hoewel hem
+misschien inderdaad de middelen ontbraken, om haar tot een goed einde
+te brengen, toch ook voor een groot deel aan zijne besluiteloosheid
+te wijten; zelfs van de voordeelen, die hij behaalde, verzuimde hij
+partij te trekken, en toen hem eindelijk op zijn dringend verzoek
+uit Athene versterking onder Demosthenes gezonden werd, verzette hij
+zich tegen de plannen van dezen, en liet hij uit bijgeloovige vrees
+voor een maansverduistering (27 Aug. 413) het juiste oogenblik voor
+den aftocht voorbijgaan, zoodat aan het leger na het verlies van de
+geheele vloot ten slotte niets anders overbleef dan over land af te
+trekken. Na een marsch van weinige dagen, waarbij zij honger, dorst
+en herhaalde aanvallen der vijanden te verduren hadden, moesten zij
+zich overgeven; het geheele leger werd gevangen genomen, en beide
+veldheeren werden ter dood gebracht.--2) rhetor te Thurii, leeraar
+van Lysias.--3) Athener, een van de beroemdste grieksche schilders,
+tijdgenoot van Alexander d. G.; Praxiteles liet zijne mooiste
+marmerwerken door hem beschilderen; dit gebeurde door encaustiek
+(z. encaustica); vele van zijne werken vond men later te Rome.--4)
+lijfarts van koning Pyrrhus, die aan Fabricius aanbood den koning voor
+geld te vergiftigen.--5) van Miletus, geneesheer en epigrammendichter,
+vriend van Theocritus.--6) Nic. Curtius, van Cos, grammaticus, vriend
+van Cicero, Dolabella en Pompeius.
+
+Nicochares, Nikochares, atheensch blijspeldichter uit het
+overgangstijdperk, jonger tijdgenoot van Aristophanes.
+
+Nicocles, Nikokles, 1) zoon en opvolger van Euagoras I, regeerde
+over Salamis op Cyprus 374-360.--2) koning van Salamis ten tijde
+van Alexander d. G., ook Nicocreon genoemd.--3) vorst van Paphus,
+die tot de partij van Antigonus behoorde, leed de nederlaag tegen
+een leger van Ptolemaeus en werd met zijne familie gedood (310).
+
+Nicocreon, Nikokreon, z. Nicocles no. 2 en Anaxarchus.
+
+Nicolaus, Nikolaos, van Damascus, grieksch geschiedschrijver,
+vriend van Herodes d. G., onderwijzer van de kinderen van Antonius
+en Cleopatra. Hij schreef, behalve verscheiden kleinere werken, een
+zeer uitgebreide algemeene geschiedenis, waarvan betrekkelijk weinig
+bewaard gebleven is.
+
+Nicomachus, Nikomachos, 1) zoon van Machaon en Anticlea, regeerde
+met zijn broeder Gorgasus over Pherae. Beiden waren ook bekwame
+geneesheeren en kregen als zoodanig na hun dood een tempel, waar
+zij als heroën vereerd werden.--2) schrijver (grammateus) te Athene,
+wien tegen het einde van den peloponnesischen oorlog werd opgedragen
+een duidelijk of verbeterd afschrift van de wetten van Solon te
+maken. Wegens misbruiken, in die betrekking gepleegd, werd hij later
+aangeklaagd door iemand, voor wien Lysias de pleitrede schreef.--3)
+van Stagira, lijfarts van Amyntas II, vader van Aristoteles; ook een
+zoon van Aristoteles heette N.--4) treurspeldichter, die eens in den
+tragischen wedstrijd eene overwinning op Euripides behaalde.--5)
+van Thebe, beroemd schilder op het einde der vierde eeuw, zoon en
+leerling van Aristodemus. Sommige van zijne werken werden later naar
+Rome overgebracht.--6) van Gerasa, wiskundige omstreeks 100 na C.,
+van wien nog een werk over rekenkunde en een over muziek bestaan. Hij
+hield zich ook met wijsbegeerte bezig en was een aanhanger der
+nieuw-pythagoreïsche school.
+
+Nicomedea, Nikomedeia, hoofdst. van Bithynia aan de golf van Astacus,
+in 264 door Nicomedes I gesticht op de plaats van het oude Astacus
+(z. a.), later een geliefkoosd verblijf van Diocletianus en van
+Constantijn den Gr. Hannibal bracht zich hier in 183 door vergif om
+het leven; de geschiedschrijver Arrianus werd er ± 90 na C. geboren.
+
+Nicomedes, Nikomedes, 1) zoon van Zipoetes, verdreef met de hulp der
+Galliërs zijn broeder, die hem de regeering over Bithynië betwistte
+en stichtte Nicomedea; hij regeerde 281-246.--2) Nic. II Epiphanes
+(149-128/115) doodde zijn vader Prusias en regeerde wreed; hij was
+geheel van de Rom. afhankelijk.--3) Nic. III Euergetes, opvolger van
+den vorigen, moest in 95 Paphlagonia en Cappadocia aan Mithradates
+afstaan en stierf kort daarna.--4) Nic. IV Philopator, werd door
+zijn stiefbroeder Socrates met hulp van Mithradates verdreven (91),
+maar door M.' Aquilius in 90 weder op den troon geplaatst, en liet
+zijn rijk bij testament aan de Rom. na (74).
+
+Nicon, Nikon, van Tarentum, een van hen die deze stad aan Hannibal
+overgaven (212); bij de herovering door de Rom. sneuvelde hij dapper
+strijdend (209).
+
+Niconia, Nikonia, -nion, stad in Scythia aan den Tyras (Dniëstr).
+
+Nicophemus, Nikophemos, Athener, vriend en strijdmakker van Conon en
+gedurende diens afwezigheid zijn plaatsvervanger als bevelhebber over
+de vloot. Om onbekende redenen werd hij ter dood veroordeeld.
+
+Nicopolis, Nikopolis, naam van onderscheidene steden. 1) prachtige stad
+in het Z. van Epirus aan de invaart der Ambracische golf, door Augustus
+gesticht ter nagedachtenis aan zijne overwinning bij Actium. Voor de
+spelen die daar om de 4 jaar plaats hadden, zie Actia.--2) stad in
+Thracia aan den Nestus.--3) stad in Moesia inferior aan den N.-kant van
+den Haemus, door Traianus gesticht ter herinnering aan een overwinning
+op de Daciërs (102), dicht bij het tegenwoordige Tirnova.--4) stad
+in Armenia minor aan den Lycus, gesticht door Pompeius ter eere van
+zijne overwinning op Mithradates (65).--5) stad in de Nijldelta nabij
+Alexandria, door Augustus aangelegd.
+
+Nicosthenes, Nikosthenes, fabrikant en schilder van vazen in
+zwartfigurigen stijl; hij hoort tot den overgangstijd (laatst van de
+6de eeuw); er zijn ook enkele roodfigurige vazen uit zijne fabriek
+of van zijne hand bewaard gebleven.
+
+Nicostratus, Nikostratos, 1) zoon van Menelaus en Piëris.--2)
+atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, streed op Corcyra
+en in Argolis.--3) bevelhebber van een troep argivische huurlingen
+onder Artaxerxes Ochus.
+
+Niger (C. Pescennius), zie Pescennius Niger (C.).
+
+Nigidius Figulus (P.), een zeer geleerd vriend van Cicero en een
+beoefenaar der pythagoreïsche wijsbegeerte, ervaren in astrologie en
+divinatio. Hij schreef verschillende werken: de extis, de auguriis,
+de diis e.a. Caesar verbande hem (46).
+
+Nilus, Neilos, de bekende riv. de Nijl, waaraan Aegypte zijne
+vruchtbaarheid te danken heeft. Bij Homerus draagt hij den naam
+Aegyptus (ho Aigyptos). Hij had zeven mondingen of ostia (stomata):
+Pelusiacum, Taniticum, Mendesium, Phatniticum, Sebennyticum,
+Bolbitinum en Canobicum. De laatste werd ook wel ostium Heracleoticum
+of Naucraticum geheeten. Deze Nijlarmen waren door een net van kanalen
+verbonden, terwijl nog weer andere kanalen in zee uitliepen.
+
+Niniveh, stad = Ninus.
+
+Ninnii, plebejisch geslacht uit Campania. Er komt een volkstribuun
+L. Ninnius Quadratus voor als hevig tegenstander van P. Clodius
+Pulcher, den vijand van Cicero.
+
+Ninus, Ninos, de mythische stichter van het assyrische rijk, wien de
+verovering van Babylonië, Medië, Klein-Azië en Batrië en de stichting
+van Niniveh toegeschreven worden. Hij stierf na een regeering van
+52 jaar en werd opgevolgd door Semiramis, die hij kort te voren tot
+vrouw genomen had.
+
+Ninus, Ninos, hoofdst. van het oud-assyrische rijk, ook Niniveh
+geheeten, aan den rechteroever van den Tigris gelegen, tegenover de
+tegenw. stad Mossoel. De stichting wordt toegeschreven aan Ninus en
+Semiramis; in 606 werd het door Cyaxares en Nabopolassar, koningen
+van Medië en Babylonië, in den opstand tegen het assyrische rijk
+ingenomen en verwoest. De Grieken hebben het dus nooit gekend (zie
+Mespila), en hoewel Niniveh ongetwijfeld groot en sterk is geweest,
+zijn toch waarschijnlijk de berichten overdreven, die er eene stad
+van 480 stadiën (16 uren gaans, evenals Babylon) in omtrek van
+maken. Er bleef in verloop van tijd van Niniveh geen spoor over (in
+den keizertijd wordt de stad echter wederom vermeld), totdat in 1843
+na C. de fransche consul te Mossoel, de heer Botta, en van 1845 tot
+'47 de Engelschman Layard door opgravingen in den omtrek van Mossoel,
+Khorsabad en Nimroed een schat van bouw- en kunstwerken aan het licht
+brachten met allerbelangrijkste opschriften in spijkerschrift, waardoor
+de oud-assyrische geschiedenis voor een aanzienlijk gedeelte ontsluierd
+is. Niniveh bestond, zooals uit de opgravingen is gebleken uit drie
+steden, die dicht bijeen lagen, 1º. het eigenlijke Niniveh, het
+Mespila van Xenophon; 2º. Kalach--het Larissa door Xenophon genoemd,
+tgw. Nimroed; 3º. een stad ten N. van Niniveh, Dur-Sarrakin geheeten.
+
+Ninyas, Ninyas, zoon van Ninus, z. Semiramis.
+
+Niobe, Niobe, 1) dochter van Phoroneus en Laodice, bij Zeus moeder
+van Argus en Pelasgus.--2) dochter van Tantalus en Taygete of Dione,
+gemalin van Amphion. Trotsch op haar talrijk en bloeiend kroost--zij
+had 7 zonen en 7 dochters (bij Homerus 6 z. en 6 d.), allen door
+schoonheid uitmuntend--durfde zij beweren dat haar meer eer toekwam
+dan aan Leto, die slechts twee kinderen ter wereld had gebracht. Om
+haar voor dezen overmoed te straffen, doodden Apollo en Artemis
+al hare kinderen op denzelfden dag. N. zelve versteende van smart
+of werd na lang rondzwerven door Zeus op haar gebed in een rots
+veranderd. Zoo staat zij nog op de hoogten van den Sipylus, steeds
+tranen vergietend over het ondervonden leed.--De rots, die door de
+ouden voor de versteende Niobe gehouden werd, meent men dicht bij
+Magnesia gevonden te hebben.
+
+Niphates, Niphates = sneeuwgebergte, bergketen in Armenia, ten N. van
+de meren Thospitis en Arsissa.
+
+Nireus, Nireus, zoon van Charopus en Aglaia, na Achilles de schoonste
+der Grieken voor Troje.
+
+Nisaea, Nisaia, haven van Megara, door lange muren, die door de
+Atheners in 460 gebouwd waren, met Megara verbonden.
+
+Nisaei campi, Nisaion pedion, vruchtbare hoogvlakte in Media,
+bekend door het voortreffelijke nisaeische paardenras en de groote
+koninklijke stoeterijen.
+
+Nisibis, Nisibis, oude en volkrijke stad aan den Mygdonius, in
+het N.O. van Mesopotamia (Mygdonia). Het was een stapelplaats voor
+den karavaanhandel, en werd onder de Seleuciden Antiochia Mygdonia
+genoemd. Als grensvesting speelde N. later een belangrijke rol in de
+oorlogen met de Parthen en het Nieuw-Perzische rijk.
+
+Nisus, Nisos, 1) zoon van Pandion, broeder van Aegeus, koning van
+Megara, stichter van Nisaea. Toen Minos tegen Attica zou optrekken,
+verbond N. zich met Aegeus, en nadat deze overwonnen was, veroverde
+Minos ook Megara en belegerde hij Nisaea. Uit liefde voor den
+belegeraar trok Scylla, de dochter van N., haar vader een gouden of
+purperen haarlok uit, waarvan het behoud van zijn leven afhing; daarop
+stierf hij onmiddellijk en de stad werd veroverd, vgl. Comaetho. Hij
+werd in een zeearend veranderd en in deze gedaante vervolgt hij zijne
+dochter (z. Scylla) onophoudelijk.--2) zoon van Hirtacus, tochtgenoot
+van Aeneas, beroemd door zijn vriendschap voor Euryalus. Te zamen deden
+ze een nachtelijke aanval op het leger der Rutuliërs en sneuvelden
+na er een geduchte slachting aangericht te hebben.
+
+Nisyrus, Nisyros, rotsachtig eiland met gelijknamige stad ten Z. van
+Cos, met warme baden. De bevolking was dorisch.
+
+Nitiobriges, Nitiobriges, volksstam in Aquitania. Hoofdstad Aginnum
+(Agen) aan den Garumna.
+
+Nitocris, Nitokris, 1) koningin van Babylonië, aan wie vele
+bouwwerken toegeschreven werden, die in werkelijkheid door Nebucadrezar
+uitgevoerd zijn, daarom wordt zij gewoonlijk voor de gemalin van dezen
+gehouden.--2) koningin van Aegypte, van wie verhaald wordt, dat zij,
+om haar broeder en voorganger, die door samenzweerders vermoord was,
+te wreken, de hoofdschuldigen tot een feest in een onderaardsche zaal
+noodigde, die zij vervolgens onder water liet zetten. Om aan de wraak
+van het volk te ontkomen, doodde zij zich zelve.
+
+Nitrariae of Nitriae, Nitriai, groote sodameren in eene vallei
+(vallis Nitria) ten N. W. van Memphis gelegen.
+
+Nixi (di), drie godheden, die hulp verleenden bij de geboorte, en
+wier knielende beelden op het Capitool te zien waren.
+
+Nobiles of optimates heetten bij de Rom. die familiën, die het ius
+imaginum hadden, omdat hunne voorzaten curulische ambten hadden
+bekleed.
+
+Nobilior, familienaam in de gens Fulvia (Fulvii no. 10-13).
+
+Nola, Nola, belangrijke stad in Campania, ten N.O. van den
+Vesuvius. Marcellus behaalde hier in 215 eene overwinning op
+Hannibal. Hier is Augustus gestorven.
+
+Nomen. De Grieken hadden geene geslachts- of familienamen. Het
+kind ontving één enkelen naam naar de keuze der ouders. Het
+eenige middel ter onderscheiding was, dat men den naam des
+vaders en in officieele stukken ook den naam van den demus er bij
+voegde, b. v. Demosthenes Demosthenous Paianieus, Theophrastos
+Theodorou. Bij de Rom. onderscheidde men vooreerst nomen of
+geslachtsnaam en praenomen, vóórnaam, b.v. P. Cornelius. De
+verschillende familiën van een zelfde geslacht onderscheidden zich
+door een derden naam of cognomen, als: Scipio, Cossus, Cinna, Sulla,
+Lentulus, Dolabella, enz. Soms vond men nog een vierden naam of
+agnomen, waardoor weder een tak der familie werd aangewezen, als:
+Africanus, Nasica. Bij adoptie nam de geadopteerde officieel het
+nomen gentilicium en het cognomen en dikwijls ook het praenomen van
+zijn adoptiefvader aan, doch voegde er dan een adjectief aan toe,
+aan zijn vroegeren geslachtsnaam ontleend, b.v. P. Licinius Crassus
+Mucianus, P. Cornelius Scipio Aemilianus Africanus minor. Gebeurde
+dit evenwel op eenigszins gevorderden leeftijd, dan werden zij ook
+dikwijls nog bij hun ouden naam genoemd. Vrijgelatenen namen vóór- en
+geslachtsnaam aan van hun vroegeren meester, terwijl zij als cognomen
+hun slavennaam behielden, als: P. Terentius Afer, de bekende dichter,
+vrijgelatene van P. Terentius Lucanus. Vrijgelatenen van steden
+vormden een nomen uit den naam der stad, b.v. P. Pisaurius Achilles
+(v. Pisaurum). Meisjes kregen geen naam, zij werden slechts aangewezen
+door een gentieladjectief, Cornelia, Tullia, enz.; soms voegde men er
+den naam van vader of echtgenoot bij. Zoo was Cicero's dochter Tullia
+Ciceronis, zijne vrouw Terentia Ciceronis. Had een vader slechts twee
+dochters, zoo noemde hij ze maior en minor; waren er meer, dan werden
+zij eenvoudig genummerd: prima, secunda, tertia, enz. Toch komen er in
+ouden tijd ook vrouwelijke voornamen voor, als: Aula, Lucia, Publia,
+Rutila, Caesellia e. a. Tegen het einde der rom. republiek kwam het
+in zwang, aan de meisjes twee adjectieven als naam te geven, hetzij
+beide aan de namen van den vader ontleend, als: Caecilia Metella,
+hetzij aan die der beide ouders, b.v. Valeria Attia, dochter van
+zekeren S. Attius Atticus en Valeria Sextina, hetzij aan andere
+familiebetrekkingen, als: Iulia Agrippina, Iulia Drusilla, Iulia
+Livilla, de drie dochters van Germanicus. Zeer zeldzaam zijn drie
+of vier namen, als: Livia Medullina Camilla, Lucia Baebia Sallustia
+Crescentilla. In den keizertijd begint het verschil tusschen nomen
+gentilicium en nomen familiae te slijten, en gebruikt men ze door
+elkaar. In de 3de en 4de eeuw n. Chr. komt naast de gewone namen het
+signum op, een soort herkenningsteeken, of clubnaam, die eerst vooral
+tusschen ambtenaren een soort band vormt, en later den eigenlijken
+naam verdringt. Het zijn meest groepnamen op ius en ia, van latijnsche
+en grieksche woorden afgeleid, b.v. Gaudentius van gaudens, Asterius
+van aster. De personen hiermede bedoeld, behooren tot een zelfde
+vereeniging, die een bepaald signum, teeken, heeft aangenomen.
+
+Nomenclator, een slaaf, wiens taak het was, de aanzienlijke
+en invloedrijke personen te Rome van aangezicht en bij naam te
+kennen. Hij, die naar eenig ambt dong, begaf zich geregeld naar het
+forum, om zijne candidatuur aan te bevelen, en daar de beleefdheid
+vorderde, dat men de burgers bij hun naam aansprak, moest de
+nomenclator zijn meester de namen influisteren. In huis moest hij de
+bezoekers aandienen.
+
+Nomentanus (L. Cassius), een groote lekkerbek bij Horatius. Een andere
+Nomentanus wordt door den dichter om zijne wijsheid geprezen.
+
+Nomentum, Nomenton, latijnsche stad ten N.O. van Rome. De poort en
+de weg, die er heen voerden, heetten porta en via Nomentana.
+
+Nominis delatio, de aangifte bij den praetor van den persoon, dien
+men wenscht aan te klagen, dus: aanklacht.
+
+Nominis receptio, het aannemen eener klacht door den praetor.
+
+Nomius, Nomios, bijnaam van Apollo, Pan, Hermes en Aristaeus als
+herdersgoden.
+
+Nomophylakes, te Athene een college van 7 mannen, door Ephialtes
+ingesteld en toegerust met de meeste bevoegdheden, die hij aan den
+Areopagus ontnomen had. Deze betrekking werd in 403 afgeschaft en
+eerst door Demetrius Phalereus weder in het leven geroepen.--Ook
+verscheiden dorische staten hadden nom., die vooral moesten toezien
+dat in raads- of volksvergaderingen geen onwettig besluit genomen
+werd. Op Corcyra waren zij controleurs van het geldelijk beheer der
+magistraten, evenals de atheensche logisten.
+
+Nomothetai, z. epicheirotonia no. 1.
+
+Nonacris, Nonakris, vlek en bergstreek in het N. van Arcadia. Hier
+ontsprong de Styx. Nonacrius heros = Euander, Nonacria virgo =
+Callisto, Nonacria = Atalanta.
+
+Nonae, zie annus.
+
+Nonii, plebejisch geslacht. Nonius Asprenas, gunsteling van Caesar,
+die door Catullus bespot wordt. Hij was proconsul in 46, en legaat
+van Caesar in Africa en Hispania.
+
+Nonius Marcellus, rom. taalgeleerde uit Numidia, waarschijnlijk tegen
+het midden der 3de eeuw na C.
+
+Nonnus, Nonnos, van Panopolis, omstreeks 400 na C., bezong in
+een episch gedicht de daden van Dionysus; later ging hij tot het
+Christendom over en leverde hij in denzelfden vorm eene paraphrase
+van het evangelie van Johannes. Beide werken zijn bewaard gebleven.
+
+Nora, 1) Nora, oude stad op de Z.kust van Sardinia.--2) ta Nora,
+bergslot in Cappadocia, waar Eumenes door Antigonus werd belegerd.
+
+Norba, Norba, 1) sterke vesting in Latium ten Z.O. van Rome, in
+492 rom. kolonie in het gebied der Volscen; hier werden na den
+tweeden punischen oorlog de carthaagsche gijzelaars bewaard. In
+den burgeroorlog werd het door Sulla's troepen verwoest.--2) Norba
+Caesarea, rom. kolonie in Lusitania, aan den Tagus, thans Alcantara,
+met eene rom. brug, op welker midden een triumfboog van Traianus staat.
+
+Norbani, eene rom. familie, uit Norba afkomstig. 1) C. Norbanus,
+volkstribuun in 95, trad toen als aanklager op van Q. Servilius Caepio
+(consul 106), die in 105 door de Cimbren was verslagen. Hij werd
+wegens die aanklacht in 94 door P. Sulpicius Rufus lege Appuleia
+maiestatis aangeklaagd, maar vrijgesproken. Cicero noemt Norbanus
+seditiosum et inutilem civem. Hij was praetor op Sicilië in 88,
+en consul in 83. Hij werd door Sulla vogelvrij verklaard, leed in
+den burgeroorlog twee nederlagen (82) en vluchtte naar Rhodus,
+waar hij zich zelf van kant maakte.--2) C. Norbanus Flaccus was
+legaat van Antonius en Octavianus in den strijd tegen Brutus en
+Cassius; in 38 was hij consul, in 34 hield hij een zegetocht over
+de Hispaniërs.--3) Hiervan te onderscheiden is C. Norbanus Flaccus,
+consul 24, waarschijnlijk de zoon van den voorgaanden.--4) onder
+Domitianus en Traianus komt een L. Appius Norbanus Maximus voor.
+
+Noreia, Noreia, hoofdstad der Taurisci in Noricum, aan den Murius
+(Mur), thans Neumark in Stiermarken. Hier werd in 113 de consul
+Cn. Papirius Carbo door de Cimbren verslagen.
+
+Noricum, Norikon, sedert 16 een der rom. Donau-provinciën, tusschen
+den Donau en de Alpen, van den Aenus (Inn) af tot aan den mons Cetius
+(Wienerwald) bij Vindobona (Weenen). De inwoners, Taurisci, van
+celtischen stam, waren een nijver volk en dreven over Aquileia een
+niet onbelangrijken handel met Italia. De bodem was rijk aan metalen;
+het norische staal en de wapenfabrieken van Lauriacum (Lorch, aan den
+Donau) waren vermaard. Ook veeteelt en zoutwinning waren bronnen van
+bestaan. In de jaren 15-13 werden al de gewesten tusschen Alpen en
+Donau tot rom. provinciën gemaakt.
+
+Nortia, etrurische godin van het noodlot, voornamelijk te Volsinii
+vereerd.
+
+Nossis, Nossis, lyrische dichteres uit Locri, omstreeks 300. Eenige
+epigrammen van haar zijn bewaard gebleven.
+
+Nostoi, epische gedichten betreffende de avonturen van verschillende
+grieksche vorsten op hun terugreis van Troje.
+
+Nota censoria, ook notatio, animadversio censoria, openbare bestraffing
+door de censoren, als: het schrappen van onwaardige senaatsleden van de
+lijst (senatu movere, eicere) of van ridders uit de ridderlijsten, het
+overbrengen van burgers uit eene tribus rustica in eene tribus urbana
+of wel onder de aerarii (tribu movere, in aerarios referre). Stellig
+bewijs van schuld was niet noodig; de persoonlijke overtuiging der
+censoren was voldoende; zij behoorden het echter eens te zijn.
+
+Notarius, snelschrijver, verslaggever, geheimschrijver of secretaris.
+
+Nothoi, buiten huwelijk geboren kinderen, of zij, wier ouders tot twee
+verschillende staten zonder epigamia behoorden. De laatstgenoemden
+kregen, althans te Athene, vrij gemakkelijk het burgerrecht, totdat
+in 457 een wet van Pericles bepaalde, dat alleen kinderen van een
+atheenschen vader en moeder dit recht zouden mogen hebben. De buiten
+huwelijk geborenen waren van alle familierechten uitgesloten; zij
+konden van het vermogen van hun vader slechts een bij de wet bepaald
+deel (notheia) erven, dat niet meer dan 1000 drachmen kon bedragen.
+
+Notium, Notion, stadje van Aeolis, later haven van Colophon op de
+aeolisch-mysische kust.
+
+Notus, Notos, de Zuidenwind, zie Windstreken.
+
+Novaesium = Novesium.
+
+Novaria, thans Novara, stad der Insubres in Gallia Transpadana. Sedert
+89 had de stad het ius Latii, sedert 49 was het municipium.
+
+Novemdiale sacrum, een huiselijk reinigingsoffer op den negenden
+dag na eene begrafenis. Hiermede gepaard ging een maaltijd, coena
+novemdialis of feralis. Ook een godsdienstig feest van negen dagen,
+dat somtijds ten gevolge van prodigia door den senaat werd bevolen.
+
+Novempopulana (provincia), zie Aquitania.
+
+Novensiles of Novensides Dii, zie Di(i) Novensides.
+
+Novesium, stad der Ubii aan den Rijn, tevens kwartier van een legioen,
+thans Neuss tegenover Dusseldorf.
+
+Novii, oud geslacht uit Capua afkomstig. Omstreeks 90 leefde er een
+blijspeldichter Novius; hij was dichter van Atellanae fabulae (z. a.),
+evenals zijn tijdgenoot L. Pomponius.
+
+Noviodunum, keltische naam van verschillende steden in Gallia
+Transalpina. 1) stad der Bituriges Cubi, tusschen Genabum (Orléans) en
+Avaricum (Bourges).--2) stad der Aedui, thans Nevers aan de Loire.--3)
+stad der Suessiones = Augusta Suessionum, thans Soissons.--4) stad
+der Helvetii, aan den lacus Lemanus (meer van Genève), thans Nyon.
+
+Noviomagus, keltische stedennaam in Gallia Transalpina. 1) bij de
+Bituriges Vibisci in Aquitania.--2) bij de Leuci in Belgica aan
+de Mosa (Maas).--3) bij de Nemetes aan den Rhenus (Rijn), thans
+Spiers.--4) Ulpia Noviomagus, kolonie door keizer Traianus gesticht,
+bij de Batavieren, thans Nijmegen. Deze nederzetting is waarschijnlijk
+ontstaan in de nabijheid van het kamp, dat de Romeinen in 70 n. C. ten
+Z. van het verbrande Batavodurum (z. a.) hebben opgericht.
+
+Novus (homo), de eerste eener rom. familie, die tot een curulisch ambt
+gekozen wordt en dus zijne nazaten tot den rang van nobiles verheft.
+
+NP. Zie fasti (dies).
+
+Nuceria, Noukeria, 1) Alfaterna bijgenaamd, stad in het Z. van
+Campania, door Hannibal in 216 ingenomen en verbrand, later
+herbouwd.--2) stad in het hart van Umbria, met den bijnaam Camellaria,
+aan de via Flaminia.--3) stad in Apulia = Luceria.
+
+Nuithones, germaansch volk aan den rechteroever van den Albis (Elbe),
+behoort tot die volkeren, die de godin Nerthus vereeren.
+
+Numa Pompilius, Noumas, tweede koning van Rome (± 715-679), een
+Sabijn uit de stad Cures, die door wijsheid en godsvrucht de ruwe
+zeden der eerste Rom. verzachtte en den openbaren godsdienst regelde
+overeenkomstig den raad en de voorschriften der nimf Egeria, met wie
+hij vertrouwelijken omgang had. Godsdienstige instellingen van hoogen
+ouderdom werden door de Rom. in den regel aan Numa toegeschreven.
+
+Numantia, Noumantia, in Hispania Tarraconensis, aan den Durius
+(Douro), hoofdstad van den celtiberischen stam der Arevaci, v. a. der
+Pelendones. De stad was door hare ligging op eene hooge en steile,
+slechts van ééne zijde toegankelijke rots zoo sterk, dat zij muren
+ontberen kon. In 143 bewerkte Viriathus, de aanvoerder der Lusitaniërs,
+dat de Arevacers zijne zijde kozen. Toen ontbrandde de Numantijnsche
+oorlog. De proconsul Q. Caecilius Metellus Macedonicus behaalde in
+het begin (142) groote voordeelen op de Celtiberiërs; doch toen hij
+vernam, dat zijn persoonlijke vijand Q. Pompeius (consul in 141) hem
+in het bevel zou opvolgen, ontsloeg hij de soldaten die vertrekken
+wilden, liet de voorraadschuren onbewaakt aan plundering over, liet
+de bogen en pijlen der cretensische boogschutters aan stukken breken
+en de olifanten doodhongeren. Pompeius werd dan ook in 141 door de
+Numantijnen verslagen en sloot met hen een verdrag (140), dat door
+den senaat echter niet bekrachtigd werd. Nadat in 138 de proconsul
+M. Pompilius Laenas en in 137 de consul C. Hostilius Mancinus het
+onderspit hadden moeten delven en de laatste een schandelijken vrede
+had moeten sluiten (zie Hostilii), werd in 133 Scipio Africanus
+minor tegen N. afgezonden. Na een merkwaardig beleg van 15 maanden
+viel het in zijne handen en werd geheel verwoest. De verschillende
+kampen en versterkingen, die Scipio voor deze belegering om de stad
+had opgeslagen, zijn niet lang geleden opgegraven.
+
+Numenius, Noumenios, 1) aegyptisch gezant te Rome, 167.--2) van Apamea
+in Syrië, omstreeks het einde der 2de eeuw n. C., vereenigde in zijn
+werken de leer van Pythagoras met die van Plato tot een nieuw stelsel,
+dat volgens zijn beweren echter, hoewel minder duidelijk, reeds
+bij Plato te vinden was. Hij was een van de voornaamste voorloopers
+der neo-platonici, Plotinus heeft van zijne werken dikwijls gebruik
+gemaakt.
+
+Numerianus (M. Aurelius Numerius), jongste zoon van keizer Carus,
+vergezelde dezen op zijn veldtocht tegen de Parthen, waarbij Carus
+omkwam (283 na C.). Met zijn ouderen broeder Carinus volgde hij
+zijn vader op, doch werd in 284 omgebracht door zijn schoonvader,
+den praefectus praetorio Arrius Aper.
+
+Numerii. De naam Numerius was in Italia zeer algemeen. Q. Numerius
+Rufus, volkstribuun in 57, was tegen de terugroeping van Cicero,
+doch kwam hierdoor zelf in moeielijkheden. Cicero bespot hem in zijne
+oratio pro Sestio.
+
+Numicii, rom. geslacht, waarvan een paar leden in de volscische en
+samnietische oorlogen voorkomen.
+
+Numicius of Numicus, Noumikios, kustriviertje van Latium, valt bij
+Ardea in zee.
+
+Numidia, Nomadia, Noumidia, het afrikaansche kustland, van de
+rom. provincie Africa af tot aan de rivier Muluchath. De naam van de
+bewoners, Numidae, wordt door de ouden afgeleid van Nomades, Nomades,
+zwervers. Hoofdstammen waren de Massaesylii en de Massylii. De kust
+was bezet met phoenicische volkplantingen, die later in de macht van
+Carthago overgingen. Na Carthago's val kreeg koning Masinissa van
+de Rom. de geheele kust bij zijn gebied. Hij slaagde er in, zijne
+Numidiërs aan vaste woonplaatsen te gewennen en ze op een hoogeren
+trap van beschaving te brengen (zie Masinissa). Het O. gedeelte, tot
+aan den Ampsaga, werd in 46 door Caesar tot provincie gemaakt onder
+den naam Nova Africa; doch ook de naam Numidia bleef in gebruik. Het
+westelijk gedeelte kwam in 25 met Mauretania aan Juba; het werd in 37
+n. C. bij het Romeinsche rijk gevoegd, en heette voortaan Mauretania
+Caesariensis. De Numidiërs waren stoute ruiters en hunne paarden van
+een uitmuntend ras.
+
+Numisii, een rom. geslacht van weinig belang.
+
+Numistro, stad heel in het N. van Lucania, op de grenzen van
+Zuid-Samnium.
+
+Numitor, Nometor, koning van Alba Longa, vader van Rea Silvia, door
+zijn broeder Amulius van den troon gestooten, doch later door zijne
+kleinzonen Romulus en Remus hersteld.
+
+Numitorii, rom. geslacht, afkomstig uit Etruria.
+
+Nummus of numus, in het algemeen geldstuk, in het bijzonder de
+sestertius. De (nummus) aureus of solidus was gelijk aan 100
+sestertiën. Nummi adulterini = valsch geld.
+
+Numonii, rom. geslacht met den familienaam Vala.
+
+Nymphagogos, z. Paranymphos.
+
+Nuncupare, v. nomen capere, iets met name noemen, duidelijk en
+ondubbelzinnig uitspreken; vandaar vota nuncupare, zijn wensch
+uitspreken, geloften doen. Nuncupatio is ook het plechtig aangaan
+eener verbintenis ten overstaan van getuigen.
+
+Nundinae, marktdag, eigenlijk de eerste dag van de week, die mundinum
+heette. Zie Trinundinum. Tusschen twee marktdagen lagen 7 andere
+dagen in; van den eenen marktdag tot den volgenden verliepen dus
+volgens romeinsche telling 9 dagen, vandaar de naam = novemdinae.
+
+Nuntiatio, zie augures.
+
+Nuptiae, bruiloft. Deze had in het huis van de bruid plaats. Na de
+sluiting van het huwelijk (z. Confarreatio en Coëmptio) verwijderde
+de man zich en haalde daarna de bruid met een stoet van vrienden
+in optocht (pompa nuptialis) uit haar huis; men droeg fakkels
+(hierdoor werd fax het symbool van het huwelijk), strooide noten en
+zong liederen voor Hymenaeus. De jonge vrouw legde in de straat, waar
+zij zou wonen, een geldstuk op het sacellum van den Lar Compitalis;
+aan het huis gekomen droeg de man haar over zijn drempel.
+
+Nursia, sabijnsche stad aan den Nar, geboorteplaats van Q. Sertorius.
+
+Nurtia = Nortia.
+
+Nycteis, Nykteis, dochter van Nycteus, moeder van Labdacus, ook
+Antiope, als dochter van Nycteus.
+
+Nyctelius, Nyktelios, bijnaam van Dionysus naar de nachtfeesten,
+Nyktelia, die te zijner eer gevierd werden.
+
+Nycteus, Nykteus, zoon van Hyrieus, koning van Thebe, z. Lycus,
+Labdacus en Antiope.
+
+Nyctimene, Nyktimene, dochter van Epopeus, koning van Lesbus; uit
+schaamte over de liefde, die zij voor haar vader, of v. a. haar
+vader voor haar, had opgevat, verborg zij zich in het diepste der
+wouden. Athena veranderde haar in een nachtuil.
+
+Nyctimus, Nyktimos, zoon en opvolger van Lycaon no. 1. Onder zijne
+regeering kwam de groote overstrooming van Deucalion over de aarde.
+
+Nymphae, Nymphai, dochters van Zeus, godheden van minderen rang,
+personificaties van het leven der natuur in al zijne verschillende
+uitingen. Iedere berg, iedere rivier, iedere boomsoort heeft bijzondere
+nimfen, in lateren tijd stelde men zich zelfs voor, dat iedere boom een
+eigen nimf had, die dan met den boom ontstond en stierf. Overigens zijn
+zij onsterfelijk, betoonen zij zich vriendelijk en herbergzaam voor de
+menschen, die haar gebied betreden, en sluiten zij zich gaarne aan bij
+de hoogere goden, die bij voorkeur in de vrije natuur leven, zooals
+Artemis en Dionysus. Soms hebben zij zitting in de vergadering der
+goden op den Olympus.--Men onderscheidt ze in: zeenimfen (Oceanides,
+Nereïdes), rivier- en bronnimfen (Naïades), bergnimfen (Oreades),
+dalnimfen (Napaeae), boschnimfen (Alseïdes), boomnimfen (Dryades,
+Hamadryades), soms heeten zij naar de plaats, waar zij zich ophouden:
+Acheloïdes, Cithaeronides, Nyseïdes, Dodonides, enz.--Zij genoten
+goddelijke vereering vooral in wouden en grotten, bij rivieren en
+bronnen, maar ook in vele steden hadden zij prachtige heiligdommen,
+nympheia. Men offerde haar geiten, lammeren, melk en olie. Zij
+werden afgebeeld als schoone jonge vrouwen, licht of niet gekleed,
+gewoonlijk met een of ander attribuut, dat hare beteekenis duidelijk
+maakt.--Ook sommige andere goddelijke wezens, die onsterfelijk zijn
+en meer dan menschelijke macht hebben, worden nimfen genoemd, ofschoon
+zij niet tot het leven der natuur in betrekking staan, bijv. Calypso,
+Circe, e. a. Ook in Rome worden Nymphae, oudtijds Lymphae geheeten,
+als godheden van het water en van de bronnen, vereerd; ze hadden een
+tempel op het Campus Martius; hier hadden de Censoren hun archief.
+
+Nymphaeum, Nymphaion, 1) kaap en haven op de illyrische kust, nabij
+Apollonia.--2) kaap in de taurische Chersonesus (Krim).--3) kaap van
+het voorgebergte Acte, een uitlooper van het Athosgebergte.
+
+Nympheum, nympheion, gebouw, aan de waternimfen gewijd en versierd met
+zuilen en beelden. Daarbinnen stroomden een of meer fonteinen, omgeven
+door zitplaatsen, waar men bij groote hitte eene aangename koelte
+kon genieten. Te Rome vond men verscheidene nymphea (ook nymphaea,
+nymphaia, geschreven). Zulk een nympheum was ook het zoogenaamde
+Septizonium (z. a.).
+
+Nymphidius Sabinus (C.), verklikker onder Nero, die zich tot
+bevelhebber der lijfwacht wist op te werken. Na Nero's dood werd hij
+door zijne eigene soldaten vermoord, toen hij hen van Galba afvallig
+zocht te maken.
+
+Nymphis, Nymphis, van Heraclea in Pontus, geschiedschrijver ten
+tijde van Ptolemaeus Euergetes, van wiens werken weinige fragmenten
+bewaard zijn.
+
+Nymphodorus, Nymphodoros, van Syracuse, schrijver van twee
+aardrijkskundige werken ten tijde van Ptolemaeus Philadelphus; eenige
+fragmenten van een werk over de merkwaardigheden van Sicilië zijn
+bewaard gebleven.
+
+Nysa, Nys(s)a, de plek waar Dionysus door nimfen werd opgevoed. Deze
+nimfen worden Nyseides, Nyseides, genoemd en de god zelf Nyseus,
+Nyseus. Men zocht dit Nysa in verschillende oorden, in India,
+Aethiopia, Caria, Pisidia, Cappadocia, Thracia, Boeotia, op Naxos,
+overal waar bergen of steden met den naam Nysa voorkwamen en waar de
+god op zijne tochten geweest was. De belangrijkste steden van dien
+naam zijn:--1o. Nysa ad Maeandrum, stad in Carië, ten O. van Tralles,
+gesticht in de 3de eeuw. Belangrijke ruïnen uit den keizertijd zijn
+nog over.--2o. Nyssa in Cappadocia, aan den Halys, z. Gregorius no. 3.
+
+Nyseides, Nyseides, nimfen van Nysa, opvoedsters van Dionysus.
+
+Nyseus, Nysius, Nysigena, Nyseus, Dionysus, naar zijne geboorteplaats
+Nysa.
+
+Nysiades = Nyseides.
+
+
+
+
+
+
+O.
+
+
+Oanis, Oanis, riviertje op de Z.kust van Sicilia bij de stad Camarina.
+
+Oaracta, ta Oarakta, vruchtbaar eiland in de Perzische golf op de
+kust van Carmania.
+
+Oarus, Oaros, rivier ergens in Sarmatia, die volgens Herodotus in
+de Palus Maeotis (zee v. Azow) zou vallen, O.waarts van den Tanaïs
+(Don). Bedoeld is de Rha (Wolga).
+
+Oaxus, Oaxos, stad midden op Creta, ook Axus genoemd, aan de rivier
+Oaxes.
+
+Obe, z. Phyle.
+
+Obeliscus, obeliskos, hooge, vierhoekige zuil, die naar boven
+toe gelijkmatig dunner wordt en aan den top op eenmaal in eene
+pyramidale spits uitloopt. Oorspronkelijk behooren deze zuilen, in het
+Nederlandsch ook naalden genoemd, in Aegypte te huis, waar zij uit
+graniet, marmer of kalksteen in één stuk gehouwen werden. De hoogte
+wisselt van 50 tot 150 voet. Vele obelisken zijn met hiëroglyphen
+beschreven. Na de verovering van Aegypte door de Perzen schijnt het
+houwen van obelisken gestaakt te zijn; verscheidene er van zijn met
+groote kosten naar Rome en in de vorige eeuw zelfs naar Londen,
+Parijs en New-York overgebracht. In Aegypte stonden zij voor de
+tempelgebouwen. Bij eene obelisk behoort een vierkant voetstuk,
+rondom ongeveer een voet breeder dan het ondereind der naald.
+
+Obelus, obelos, een dwarsstreepje, waarmede de alexandrijnsche
+grammatici in hunne uitgaven van oude schrijvers onechte of verdachte
+plaatsen aanduidden.
+
+Obligatio, de band tusschen twee personen of partijen, van wie de een
+creditor is en eene vordering heeft, en de andere debitor is en onder
+zekere verplichting ligt. Obligationes ex contractu ontstaan uit eene
+op wettigen grondslag rustende overeenkomst, obligationes ex delicto
+uit een wederrechtelijk vergrijp tegen de rechten van een ander,
+waarvoor deze dan vergoeding of voldoening kan vorderen. Verder kent
+het Romeinsche recht nog obligationes ex variis causarum figuris,
+waartoe o. a. hoort de aansprakelijkheid van den rechter, die een
+partijdig vonnis heeft geveld.
+
+Obnuntiatio, mededeeling der augurs, dat de auspiciën ongunstig
+zijn. Zie de artikels divinatio en servare de coelo.
+
+Obolos, grieksche munt, vroeger van zilver, later van brons, het 6de
+deel van een drachme. Ob. nekrou, z. Charon.
+
+Obrima, Obrimos, zijtak van den Maeander in Phrygia.
+
+Obrimopatre, zij, wier vader machtig is, bijnaam van Athena.
+
+Obsequens (Iulius), schrijver van een werkje over wonderteekenen,
+prodigia, waarvan nog een gedeelte over is. Hij leefde waarschijnlijk
+in de 4de eeuw na C.
+
+Obucola, Oboukola, stad in Baetica, ten O. van Hispalis (Sevilla).
+
+Ocalea, Okaleia, dochter van Mantineus, gemalin van Abas, moeder van
+Acrisius en Proetus.
+
+Ocalea, Okalee, riviertje en vlek in Boeotia ten W. van het meer
+Copais.
+
+Oceanides, -ninae, Okeanides, -ninai, -nitides, 3000 dochters van
+Oceanus en Tethys, nimfen der zee.
+
+Oceanus, Okeanos, zoon van Uranus en Gaea, de oudste der Titanen,
+die zich aan het heerschende godengeslacht heeft onderworpen en door
+hen met liefde en zorg behandeld wordt, maar geen aandeel heeft aan de
+regeering der wereld, afgezonderd leeft en niet bij de vergaderingen
+der goden komt. Bij Tethys is hij de vader van de 3000 stroomgoden
+en 3000 Oceaniden. Hij is de god van den grooten stroom (Oceaan),
+volgens ouderen eene rivier, volgens lateren een zee, die aarde en
+zeeën insluit, waaruit alle wateren der aarde hun oorsprong hebben, en
+zon, maan en sterren oprijzen. Aan deze zijde van den Oceaan wonen de
+vrome Aethiopiërs en ligt het Elysium, aan gene zijde heerscht eeuwige
+duisternis en is de ingang naar het rijk van Hades.--In latere tijden
+onderscheidde men verschillende deelen van den Oceaan, bij voorkeur
+gaf men dien naam aan den Atlantischen Oceaan (Oc. Occidentalis),
+maar ook de Erythraeïsche, Hyperboreïsche, Aethiopische e. a. worden
+genoemd. Over het algemeen verbindt men aan het woord Oceanus het
+begrip van eb en vloed.
+
+Occelus of Ocellus Lucanus, Okkelos of Okellos ho Leukanos,
+pythagoreïsch wijsgeer uit onzekeren tijd; het hem toegeschreven werk
+peri tes tou pantos physeos is waarschijnlijk eerst uit de 1e eeuw
+voor C.
+
+Ocelum, stad der Graioceli in de Grajische Alpen.
+
+Ocha, berg in het Z. van Euboea, bij de stad Carystus.
+
+Ochus, Ochos, bijnaam van Artaxerxes III.
+
+Ochus, Ochos, 1) linker zijrivier van den Oxus, tgw. Sangalak.--2)
+rivier in Hyrcania, die in de Caspische zee uitstroomt, tgw. Atrek.
+
+Ocnus, Oknos, zoon van Tiberis en Manto, stichter van Mantua. V. a. was
+hij een zoon of broeder van Auletes, den stichter van Perusia, en
+had hij Felsina, het latere Bononia, gesticht.
+
+Ocriculum, Okrikola, welvarend municipium in Umbria aan den Tiber en
+de via Flaminia, thans Otricoli.
+
+Octavia (lex) frumentaria ter verhooging van den korenprijs en
+gedeeltelijke opheffing der lex Sempronia. Zie Annona en Octavii no. 5.
+
+Octavianus, zie Iulii no. 14.
+
+Octavii, rom. gesl., uit Velitrae afkomstig, dat reeds in den
+koningstijd naar Rome verhuisde. 1) Cn. Octavius, rom. vlootvoogd
+in den tweeden punischen oorlog (205 en 202). In 192 werd hij als
+gezant naar Griekenland gezonden, om Antiochus tegen te werken.--2)
+Cn. Octavius, zoon van no. 1, was in 168 rom. vlootvoogd tegen koning
+Perseus, die zich op Samothrace aan hem moest overgeven. Van den buit
+bouwde hij de porticus Octavia te Rome. In 165 was hij consul; in
+162 werd hij te Laodicea vermoord, terwijl hij met een staatkundigen
+last in Azië vertoefde.--3) M. Octavius, in 133 volkstribuun met
+Ti. Gracchus, verzette zich tegen diens akkerwet en werd op diens
+voorstel door het volk afgezet. Zie Sempronii no. 10.--4) Cn. Octavius,
+consul in 87, trachtte als hoofd der optimatenpartij Cinna te keer te
+gaan en verdreef hem zelfs uit Rome; toen echter Cinna Rome bestormde,
+werd Oct. vermoord.--5) M. Octavius, zoon van no. 4, bewerkte als
+volkstribuun eene inkrimping der korenwet van C. Gracchus, zie Octavia
+(lex) frumentaria.--6) L. Octavius, consul in 75.--7) M. Octavius
+was in den burgeroorlog vlootvoogd van Pompeius; hij verdreef Caesars
+legaat P. Cornelius Dolabella uit Illyria en nam C. Antonius gevangen
+(49). Later belegerde hij tevergeefs A. Gabinius te Salona. Na den slag
+bij Pharsalus wordt hij door een gedeelte zijner manschappen verlaten,
+hij lijdt een nederlaag tegen P. Vatinius, en vlucht met de rest van
+zijn vloot.--8) C. Octavius, geroemd om zijn goedheid en braafheid,
+praetor in 61, vernietigde in 60 het overschot van Catilina's benden
+en bestuurde daarna met grooten lof Macedonia, waar hij tegen de
+Thraciërs streed (60/59). Hij was de vader van keizer Augustus. Hij
+stierf in het begin van 58 te Nola.--9) C. Octavius, zoon van no. 8,
+geb. in 63, was vier jaar oud, toen zijn vader te Nola overleed. Hij
+was de latere keizer Augustus. Zie Iulii no. 14.--10) Octavia,
+dochter van no. 8, eerst gehuwd met C. Claudius Marcellus en daarna
+(40) met M. Antonius, den drieman, won aller harten door haar edel
+en zacht karakter. Zij droeg er veel toe bij om eene uitbarsting
+tusschen haar man en haar broeder Octavianus te voorkomen. Doch
+Antonius, naar het Oosten vertrokken, verwaarloosde haar, zooals hij
+te voren Fulvia had gedaan, en liet zich in 32 van haar scheiden. Zij
+stierf in 11, diep betreurd als een toonbeeld van eene rom. vrouw
+en moeder. Zij liet de porticus Octaviae bouwen, waarvan nog enkele
+brokstukken over zijn. Daar zij nog een oudere zuster had, wordt zij
+ook wel minor bijgenaamd. Haar zoon, de in 23 gestorven M. Marcellus
+(Claudii no. 37), om wien zij tot haar dood gerouwd heeft, was de
+eerste man van Augustus' dochter Julia.--11) Octavia, dochter van
+keizer Claudius uit diens derde huwelijk met Valeria Messalina, huwde
+in 53 na C. met keizer Nero. Hare strenge zeden konden hem echter
+niet behagen. Ze werd eerst door Nero verstooten, daarna verbannen
+naar Pandataria en vermoord (62). Zij was zeer geliefd bij het volk,
+en na Nero's dood leverde zij de stof voor een tragedie Octavia,
+die onder de geschriften van Seneca bewaard gebleven is.
+
+Octodurus, tgw. Martigny, stad der Veragri, in het tegenw. kanton
+Wallis.
+
+Octogesa, stad der Ilergetes aan den Iberus in Hispania.
+
+Ocypete, Okypete, een van de Harpyiën.
+
+Ocyrhoe, Okyroe, dochter van Chiron en Chariclo, eene wijze profetes;
+zij werd in een paard veranderd.
+
+Odenathus, Odenathos, aanzienlijk burger van Palmyra, die zich in
+het zoogenaamde tijdperk der 30 tyrannen tot vorst verhief (261
+na C.), den perzischen koning Sapores uit Syrië verjoeg, en door
+den rom. keizer Gallienus als mederegent erkend werd. In 267 werd
+hij door een bloedverwant omgebracht. Zijne weduwe, de schoone en
+begaafde Zenobia nam nu als beheerscheres van het Oosten de teugels
+van het bewind in handen.
+
+Odessus, Odessos, milesische kolonie in Thracia aan den Pontus Euxinus
+(Zwarte zee), thans Varna.
+
+Odeum, odeion, gebouw voor muzikale wedstrijden, gebouwd op de wijze
+van een theater, doch van een dak voorzien. Pericles liet het eerste
+odeum te Athene bouwen. Bij het beleg der stad door Sulla in 86 brandde
+het af, doch werd op kosten van den cappadocischen koning Ariobarzanes,
+Philoromaeus bijgenaamd, weder opgebouwd. Herodes Atticus gaf aan
+Athene een tweede odeum ten geschenke, het prachtigste der oude wereld;
+het kon 8000 personen bevatten. Ook te Corinthus bouwde Herodes er
+een. Na dat van Athene was het odeum van Patrae het prachtigste. Het
+eerste odeum te Rome was dat van Domitianus.
+
+Odoacer, een Rugiër, die bij een opstand der rom. huurtroepen zich aan
+hun hoofd stelde, den laatsten keizer van het westrom. rijk, Romulus
+Augustulus, afzette, en een koninkrijk Italië stichtte, 476 na C. In
+493 werd hij ten val gebracht door Theodorik, koning der Oostgothen.
+
+Odomanti, thracische volksstam aan den mons Orbelus, tusschen den
+Strymon en den Nestus.
+
+Odrysae, Odrysai, het machtigste volk van Thracia, uitstekende ruiters
+met voortreffelijke paarden. Hun grootste macht bereikten zij onder
+de achtereenvolgende koningen Teres, Sitalces, met wien de Atheners
+in 431 een verbond tegen Perdiccas van Macedonië sloten, en Seuthes
+I. Diens neef Seuthes II riep de hulp in der 10000 Grieken, die met
+Xenophon huiswaarts keerden. Twisten over de opvolging brachten den
+staat later wel in een zekere afhankelijkheid van Macedonië, maar toch
+bleef hij zelfstandig bestaan, ook nog onder de Rom., tot hij eindelijk
+in 46 n. C. onder den naam Thracia bij het rijk werd ingelijfd.
+
+Odysseus, Odysseus, Ulixes, zoon van Laërtes of Sisyphus en
+Anticlea, koning van Ithaca, Same en Zacynthus. Ook hij had naar
+de hand van Helena gedongen, en toen aan Tyndareos een goeden
+raad gegeven (z. Helena), uit dankbaarheid daarvoor was deze zijn
+voorspraak bij Icarius, toen hij diens dochter Penelope tot vrouw
+begeerde. Toen de trojaansche oorlog uitbrak, was O. verplicht mede
+op te trekken; v.s. had hij door geveinsde krankzinnigheid getracht
+zich aan die verplichting te onttrekken, maar was deze list door
+Palamedes (z.a.) ontdekt. Hij ging dus met 12 schepen naar Troje
+en toonde zich daar een dapper en volhardend krijgsman, maar vooral
+onderscheidde hij zich door schranderheid, tegenwoordigheid van geest
+en welsprekendheid. Daarom werd hij vooral gaarne gebruikt, waar
+deze eigenschappen te pas komen, als onderhandelaar of verspieder,
+en luistert men met aandacht naar zijn raad. Vóór het begin van den
+oorlog werd hij naar Troje gezonden om Helena terug te eischen,
+hij weet Achilles (z.a.) op te sporen, als deze zich op Scyrus
+verborgen houdt, bij den strijd om de wapenen van Achilles behaalt
+hij de overwinning op den grooten Aiax, en het houten paard, waardoor
+eindelijk Troje genomen werd, was van zijne vinding. Maar bovenal
+is hij beroemd door vele gevaren en avonturen, die zijne terugreis
+bemoeilijkten en die het onderwerp uitmaken van de Odyssea van
+Homerus. Tien jaar lang zwierf hij over de zee en door verre landen,
+eer hij zijn vaderland weder bereikte. Reeds was hij tot kaap Malea
+gekomen, toen een storm hem naar het land der Lotophagen dreef, waar
+sommige van zijn makkers zoo door den smaak van de zoete lotusvrucht
+bekoord werden, dat zij met geweld naar de schepen teruggedreven
+moesten worden. Daarna landde hij bij de Cyclopen, hier beroofde
+hij den woesten menscheneter Polyphemus (z.a.) van het gezicht,
+waarom hij sedert voortdurend door den toorn van Poseidon vervolgd
+werd. Op het eiland van Aeolus werd hij goed ontvangen, en bij zijn
+vertrek kreeg hij een zak mede, waarin alle winden opgesloten waren
+behalve de Westenwind, zoodat de vaart zeer voorspoedig was, maar
+in het gezicht van Ithaca openden sommige schepelingen den zak, de
+winden ontsnapten en een geweldige storm dreef het schip weder naar
+het eiland van Aeolus terug. Vervolgens kwam hij bij de Laestrygonen
+(z. Antiphates) en bij Circe (z.a.), op wier raad hij over den Oceaan
+zeilt en in het voorportaal der onderwereld de schim van Tiresias over
+zijne verdere lotgevallen ondervraagt. Langs het eiland der Sirenen,
+tusschen Scylla en Charybdis doorzeilend, komt hij op Thrinacia,
+waar zijne tochtgenooten, door den uitersten honger gedreven,
+zich in weerwil van zijne dringende vermaningen aan de kudden van
+Helius vergrijpen. Deze beklaagt zich bij Zeus, die het schip van O.,
+zoodra het weder in zee is, door een bliksemstraal verbrijzelt en alle
+schepelingen doet omkomen, behalve O. zelf, die op een plank naar het
+eiland Ogygia drijft. Daar wordt hij ontvangen door Calypso (z.a.),
+en zeven jaar blijft hij, hoewel door heimwee verteerd, bij haar;
+als zij hem eindelijk op uitdrukkelijk bevel der goden laat gaan,
+vaart hij 18 dagen lang gelukkig op een door hem zelf vervaardigd
+vlot; daarna merkt Poseidon hem op, en in een vreeselijken storm
+wordt het vlot verbrijzeld, maar door de hulp van Ino Leucothea komt
+hij, met verlies van alles, zelfs van zijne kleederen, op het eiland
+Scheria. Van uitputting valt hij in slaap, en zoo wordt hij gevonden
+door Nausicaa, die hem naar het hof van haar vader Alcinous, koning
+der Phaeaciërs, brengt. Nadat hij hier eenige dagen eene gastvrije
+ontvangst had genoten, zich bekend gemaakt en zijne lotgevallen
+verhaald had, wordt hij eindelijk, met geschenken overladen, naar
+zijn vaderland teruggebracht. Daar verneemt hij dat zijne moeder van
+verdriet over zijne lange afwezigheid gestorven is, dat zijn vader
+zich uit de stad teruggetrokken heeft, dat sedert drie jaar meer
+dan 100 edele jongelieden naar de hand van Penelope dingen, en in
+afwachting van hare beslissing in zijn huis brassen en zwelgen en zijn
+vermogen verteren, en eindelijk dat Telemachus, die in den laatsten
+tijd begonnen is zich krachtiger tegen hen te verzetten, nauwelijks
+voor hunne lagen veilig is. Door Athena, zijne trouwe beschermster,
+als oude bedelaar vermomd, maakt hij zich voorloopig alleen aan zijn
+zoon bekend, dan gaat hij naar zijn huis en komt er juist wanneer
+Penelope, die nog steeds op de terugkomst van haar gemaal hopend,
+tot nu toe aan hare vrijers geen beslissend antwoord gegeven heeft,
+zich eindelijk gedwongen ziet eene keuze te doen. Zij verklaart dat
+zij hem tot echtgenoot zal nemen, die den boog van O. kan spannen,
+en als niemand daartoe in staat is, vraagt O. zelf, nog steeds als
+bedelaar vermomd, of hij het beproeven mag; zij stemt toe, en zoodra
+hij den boog in handen heeft, doodt hij met de hulp van Telemachus
+en eenige getrouwe dienaars al de overmoedige vrijers. Daarna maakt
+hij zich bekend, terwijl Athena een oproer stilt, dat door den moord
+der vrijers dreigde te ontstaan.--Over zijne verdere lotgevallen zijn
+de berichten verschillend. V.s. doodde hem zijn eigen zoon Telegonus
+(z.a.), zonder hem te kennen, v.a. was hij naar Italië gegaan en had
+daar verscheiden steden gesticht.
+
+Oea, Oia, 1) vlek op het eiland Thera.--2) stad op de kust van Africa,
+tusschen de beide Syrten.
+
+Oeager, Oiagros, koning van Thracië, v.s. vader van Orpheus en
+Linus. Vandaar Oeagrius = thracisch.
+
+Oeagrides, Oiagrides, de Muzen, als zusters, van Orpheus, den zoon
+van Oeager.
+
+Oeanthe, -ea, Oianthe, Oiantheia, stad der Locri Ozolae aan de westkust
+van de golf van Crisa.
+
+Oeax, Oiax, zoon van Nauplius no. 2.
+
+Oebalia, de burcht van Tarentum. Zie Oebalus.
+
+Oebalides, Oibalides, Hyacinthus of de Dioscuren (Oebalii fratres),
+afstammelingen van Oebalus. Soms alg. = Spartaan.
+
+Oebalus, Oibalos, 1) zoon van Cynortas of Perieres, koning van Sparta,
+vader van Tyndareos. Naar hem wordt Helena Oebalia pellex en Tarentum
+Oebalia arx genoemd.--2) zoon van Telon, verliet het eil. Capreae,
+waar zijn vader over de Teleboërs regeerde, en vestigde een nieuw
+rijk in Campanië.
+
+Oechalia, Oichalia, naam van verschillende steden, als: 1) in
+Thessalia aan den Peneus, tusschen Tricca en Pelinna, de zetel van
+den door Heracles gedooden Eurytus.--2) in het N. van Messenia.--3)
+in Trachis.--4) nabij Eretria op Euboea.--5) in Aetolia.
+
+Oeclides, Oikleides, zoon van Oecleus, Amphiaraus.
+
+Oecus, eene zaal in een rom. huis, zonder lichtopening in de
+zoldering. Het licht moest dus door vensters naar binnen vallen of
+het vertrek moest op een peristylium of veranda uitkomen. Ze diende
+als pronkzaal (z. domus) of als triclinium.
+
+Oedipus, Oidipous, Oidipodes, zoon van Laius en Iocaste. Wegens
+een onheilspellend orakel (z. Laius) gaf zijn vader hem kort na
+zijne geboorte aan een herder, met bevel het kind op den Cithaeron
+te dooden. Door medelijden bewogen, volbracht de herder dien last
+echter niet, maar gaf het kind aan een anderen herder, die het medenam
+naar Corinthe en het aan zijn heer, den kinderloozen koning Polybus,
+gaf. O. groeide op in de meening dat hij een zoon van Polybus was,
+maar toen hij volwassen was geworden, werd hem eens bij een feest
+toegevoegd, dat hij zich voor een ondergeschoven kind wat al te trotsch
+gedroeg. Deze woorden griefden hem, en daar hij op zijne vragen om
+inlichtingen van iedereen ontwijkende antwoorden kreeg, besloot hij
+het delphische orakel over zijne afkomst te gaan ondervragen. Ook hier
+kreeg hij echter op deze vraag geen antwoord, maar de Pythia herhaalde
+tot hem, wat eens tot Laius gezegd was: dat hij zijn vader zou dooden,
+met zijne moeder zou trouwen en met haar een geslacht zou verwekken,
+dat goden en menschen tot gruwel zou zijn. In de onzekerheid, of
+hij niet misschien toch een zoon van Polybus en diens echtgenoote
+was, besloot hij in ieder geval niet naar Corinthe terug te keeren,
+en onverschillig waarheen hij zich begeven zoude, sloeg hij den weg
+naar Thebe in. Op een smallen bergweg kwam hem een reiziger te gemoet,
+die op een wagen gezeten was en door eenige dienaars begeleid werd;
+wijken was moeielijk, er ontstond een twist, waarbij O. den reiziger en
+zijn geheel gezelschap doodde, behalve één man die ontvluchtte. Daarna
+kwam hij in Thebe aan en vond het land in de grootste verwarring: de
+koning was kort te voren op reis aangevallen en gedood, en bovendien
+werd het land geteisterd door de Sphinx (z. a.), die reeds talrijke
+slachtoffers gemaakt had. In deze omstandigheden nam Creon, de broeder
+der koningin, voorloopig de regeering in handen en maakte bekend,
+dat hij, die het land van de Sphinx zou verlossen, met de hand van
+Iocaste en de koninklijke waardigheid zou beloond worden. O. lost
+het raadsel van de Sphinx op en wordt zoo koning van Thebe, maar
+tevens huwt hij, zooals het orakel voorspeld had, met zijne moeder;
+dat hij de moordenaar van Laius is, kan hij niet vermoeden, want de
+eenige man, die het bericht van diens dood in de stad gebracht heeft,
+beweert dat hij door een rooverbende den dood gevonden heeft; op deze
+wijze wil hij het n.l. doen voorkomen, dat hijzelf niet uit lafheid,
+maar voor de overmacht gevlucht is. Lang regeert O. gelukkig en tot
+heil van het land, bij Iocaste krijgt hij vier kinderen: Eteocles,
+Polynices, Antigone en Ismene. Na vele jaren wordt het land echter
+door een verschrikkelijke pest bezocht, en in den hoogsten nood
+zendt O. zijn zwager Creon naar Delphi, ten einde Apollo om raad te
+vragen. Het antwoord luidt dat de toorn der goden op het land zal
+blijven drukken, totdat de moordenaar van Laius verbannen of ter dood
+gebracht zal zijn. Vol ijver begint O. zijne nasporingen om hem te
+vinden, maar niemand kan hem inlichtingen geven dan de man, die bij
+den moord tegenwoordig is geweest, toevallig dezelfde die hem als kind
+op bevel van Laius had moeten dooden. Terwijl deze man ondervraagd
+wordt, komt een bode uit Corinthe den dood van Polybus berichten,
+deze bode is dezelfde, die O. als kind van den anderen herder had
+overgenomen en naar Corinthe gebracht, en door de elkander aanvullende
+verklaringen van deze twee personen ontdekt O. eindelijk, hoe de oude
+orakels vervuld zijn. Hij steekt zich in wanhoop de oogen uit, terwijl
+Iocaste zich ophangt. Ofschoon hij in het begin gewenscht had, volgens
+het bevel der goden, uit het land verbannen te worden, weet Creon hem
+tot bedaren te brengen, en zoolang deze regeert, blijft O. inderdaad
+te Thebe. Toen echter zijne beide zonen volwassen waren geworden,
+behandelden zij hun vader met minachting, en spoedig dwongen zij
+hem het land te verlaten. O. vloekt zijne zonen en terwijl zij zich
+alleen om de bevrediging hunner heerschzucht bekommeren, begint hij,
+oud en blind, een zwervend leven, waarbij hem zijne dochter Antigone
+trouw vergezelt en ook Ismene hem nu en dan diensten bewijst. Wel
+verklaarde een later orakel, dat het land, waar het graf van O. zich
+zou bevinden, groot en bloeiend zou worden en door Thebe niet te
+overwinnen zou zijn, en trachtten daarom Creon en Polynices hem te
+bewegen naar zijn vaderland terug te komen, maar O., die intusschen
+bij Theseus in Attica vriendelijk opgenomen is, wil hiervan niets
+weten. Met de goden verzoend, eindigt hij zijn leven zacht in het
+woud der Eumeniden op den heuvel Colonus bij Athene, zijn graf is
+alleen aan de koningen van Attica bekend en is een onderpand van
+heil voor hun land.--Volgens de oudste verhalen was de naam van zijne
+moeder Epicaste, en regeert hij na de ontdekking zijner gruweldaden,
+hoewel door de Erinyen gekweld, tot het einde van zijn leven over
+Thebe. Nadat Epicaste zich opgehangen had, nam hij Euryganea tot
+vrouw, en deze was de moeder zijner vier kinderen. Later zoude hij
+haar verstooten en Astymedusa tot vrouw genomen hebben.
+
+Oeneis, Oineis, eene van de 10 phylen, waarin de bevolking van Attica
+door Clisthenes verdeeld werd.
+
+Oeneon, Oineon, havenstad der Locri Ozolae.
+
+Oeneus, Oineus, zoon van Portheus of Porthaon, koning van Calydon
+en Pleuron, de eerste die den wijnbouw in Aetolië invoerde, waartoe
+Dionysus hem zelf den eersten wijnstok gaf. In zijn tijd had de
+calydonische jacht plaats. De zonen van zijn broeder Agrius zetten hem
+gevangen en gaven de regeering aan hun vader, Diomedes doodt echter
+na zijne terugkomst van Troje Agrius met de meeste van diens zonen
+en geeft de regeering aan zijn grootvader terug, die haar echter aan
+zijn schoonzoon Andraemon afstaat.--Op eene reis in de Peloponnesus
+werd hij door de in leven gebleven zonen van Agrius gedood. Diomedes
+begroef hem in Argos, op de plaats die naar hem Oenoë genoemd werd.
+
+Oeniadae, Oiniadai, oude kustst. van Acarnania aan den mond van den
+Achelous, die ze in den winter onder water zette. De burcht, Nasus,
+Nesos (z. a.), lag op een eilandje in een meertje.
+
+Oenides, Oineides, Meleager en Diomedes, zoon en kleinzoon van Oeneus.
+
+Oenoanda, Oinoanda, stad in Cabalia, op de grenzen van Lycia.
+
+Oenoë, Oinoe, 1) attische demus bij Eleutherae, tot de hippothoönsche
+phyle behoorende, grensvesting tegen Boeotia.--2) attische demus der
+phyle Aeantis, bij Marathon.--3) corinthische sterkte aan de golf van
+Corinthus.--4) vlek in Argolis, ten W. van Argos.--5) stadje in Elis
+aan den Ladon, oudtijds Ephyra geheeten.
+
+Oenomaüs, Oinomaos, zoon van Ares, koning van Pisa. Daar hem voorspeld
+was, dat hij zou sterven wanneer zijne schoone dochter Hippodamea
+trouwde, maakte hij bekend, dat hij hare hand slechts aan dengene
+zou geven, die hem in den wedren overwon. Daar hij van Poseidon
+paarden gekregen had, die alle andere in snelheid overtroffen,
+was hij zeker dat deze voorwaarde niet vervuld konde worden. Reeds
+velen, die om Hippodamea aanzoek gedaan hadden, waren op deze wijze
+door O. overwonnen en gedood, totdat Pelops den wagenmenner van O.,
+Myrtilus, omkocht om zwarte was in plaats van pinnen in de assen
+van den wagen van zijn heer te steken, daardoor viel de wagen van
+O. om, hij werd door zijne paarden voortgesleept en kwam jammerlijk
+om.--V. a. overwon Pelops hem niet door verraad, maar door de hulp van
+Poseidon, die hem paarden geschonken had, nog vlugger dan die van O.
+
+Oenone, Oinone, 1) oude naam van Aegina.--2) dochter van den riviergod
+Cebren, gemalin van Paris, bij wien zij een zoon had, Corythus
+(z. a.). Toen Paris doodelijk gewond was, liet hij zich hij haar
+brengen, daar zij hem konde genezen, maar vertoornd over zijne ontrouw,
+weigerde zij. Maar toen hij gestorven was, wierp zij zich van smart
+op den brandstapel, waarop zijn lijk lag, en verbrandde zij met hem.
+
+Oenophyta, ta Oinophyta, vlek in Boeotia aan den Asopus, waar de
+Atheners in 456 de Boeotiërs versloegen.
+
+Oenopia, Oinopia, oude naam van het eil. Aegina.
+
+Oenopion, Oinopion, zoon van Dionysus of Rhadamanthys en Ariadne, die
+van Creta naar Chius verhuisde en daar den wijnbouw invoerde, z. Orion.
+
+Oenotria, Oinotria = wijnland, oude naam voor Lucania en Bruttii, en
+dichterlijk voor geheel Italia. De Oenotri zijn de oudste bewoners
+dezer streken; ze werden door de Grieken, die zich aan hun kusten
+vestigden, onderworpen. Een gedeelte der Oenotri vindt men nog later
+op Sicilia, zie Morgantium. Zie ook Oenotrus.
+
+Oenotropi, -pae, Oinotropoi, dochters van Anius, die van Dionysus het
+vermogen hadden gekregen om alles wat zij wilden in wijn, v. a. in
+wijn, koren en olie, te veranderen. Haar vader konde door deze
+gave het grieksche leger voor Troje negen jaar lang van het noodige
+voorzien. Later trachtte Agamemnon de meisjes met geweld naar Troje
+te brengen, doch Dionysus veranderde ze in duiven.
+
+Oenotrus, Oinotros, jongste zoon van Lycaon, verhuisde uit Arcadië
+naar Italië, waarvan een deel naar hem Oenotria genoemd werd.
+
+Oenus, Oinous, rivier in Laconica, die boven Sparta in den Eurotas
+valt.
+
+Oenussae, Oinoussai, 1) vijftal eilandjes tusschen Chius en de
+aziatische kust (het Mimasgebergte).--2) eilandengroep ten Z. van
+Messenia.
+
+Oeonus, Oionos, zoon van Licymnius, bondgenoot van Heracles in
+den oorlog tegen Augias, eerste overwinnaar in den wedloop bij de
+olympische spelen. In Sparta werd hij door de zonen van Hippocoön
+gedood, later werd er een gedenkteeken voor hem opgericht.
+
+Oëroë, Oeroa of Oeroe, riviertje en eilandje bij Plataeae in Boeotia.
+
+Oesyme, Oisyme, thasische kolonie op de thracische kust, tusschen
+den Nestus en den Strymon.
+
+Oeta, Oite, zijtak van het Pindusgeb., die zich ten Z. van Thessalia
+tot bij de Malische golf uitbreidt en waarvan de Callidromus met
+den pas der Thermopylae en de Cnemis eene voortzetting zijn. Het is
+een woest gebergte, bijna 6000 voet hoog. Op den Oeta liet Heracles
+zich verbranden.
+
+Oetaei, Oitaioi, thessalische volksstam aan het Oetagebergte, ten
+W. van Doris en Malis.
+
+Oetylus, Oitylos, havenstad in Laconica aan de Messenische golf met
+een tempel van Serapis.
+
+Ofella, familienaam in de gens Lucretia, (Lucretii no. 4).
+
+Ofilii. A. Ofilius, een bekwaam rechtsgeleerde, tijdgenoot van Cicero
+en vriend van Caesar. Een andere Ofilius komt voor in den oorlog van
+Octavianus tegen S. Pompeius.
+
+Ogulnia (lex) van de volkstribunen Q. en Cn. Ogulnius (300), dat er
+in plaats van 6 patricische pontifices en 6 (v. a. 5) patr. augurs 9
+pontifices en 9 augurs zouden gekozen worden, en dat hiervan 5 plaatsen
+door plebejers moesten bezet worden. Hieruit blijkt duidelijk, dat
+reeds in 300 de aanzienlijke plebejers de macht in handen hadden.
+
+Ogulnii. Van deze familie zijn slechts twee broeders bekend;
+zie Ogulnia lex. Als aedilen lieten zij in 296 van de boeten, aan
+woekeraars opgelegd, bronzen beelden tot versiering van Rome gieten,
+o.a. van Romulus en Remus, door de wolvin gezoogd. Zie hieromtrent
+Rumina. Q. Ogulnius was een dergenen, die in 293 naar Epidaurus werden
+gezonden, zie Aesculapius.
+
+Ogygia, Ogygia, 1) het eiland van Calypso, de navel der zee genoemd,
+waarmede waarschijnlijk bedoeld wordt, dat het zoo ver mogelijk van
+ieder vastland verwijderd was.--2) oude naam van Thebe.
+
+Ogyges, Ogygus, Ogyges, Ogygos, een attische of boeotische koning
+uit zeer ouden tijd, onder wiens regeering het land door een groote
+overstrooming geteisterd werd. Een van de poorten van Thebae heette
+de Ogygische, ook een woud en heuvel in de nabijheid van de stad
+droegen dien naam.--Ook worden Ogygische nimfen genoemd, die voor
+dezelfde gehouden worden als de Erinyen.
+
+Oicles, -cleus, Oikles, -kleus, kleinzoon van Melampus, vader van
+Amphiaraus. Hij vergezelde Heracles op diens tocht tegen Laomedon
+en sneuvelde daarbij. V.a. zoude hij echter behouden van Troje
+teruggekomen zijn en sedert in Arcadië gewoond hebben.
+
+Oiclides, Oikleides, Amphiaraus, zoon van Oicles.
+
+Oikia, Oikos, huis. Hoewel de inrichting van de huizen bij de
+Grieken, evenals overal, naar de beschikbare ruimte en de behoeften
+der bewoners verschillend geweest moet zijn, kan men zich toch,
+gebruik makende van de mededeelingen van oude schrijvers, zeer in
+het algemeen een denkbeeld vormen van hun aanleg. Eigenaardig is
+aan de grieksche huizen ten eerste, dat een betrekkelijk groot deel
+van de door muren ingesloten ruimte onoverdekt blijft, ten tweede,
+dat de vertrekken verdeeld zijn in een afdeeling voor mannen, waar
+ook vreemden ontvangen, gastmalen gegeven worden, enz., en eene
+afdeeling voor vrouwen, waar geen vreemde komt en de eigenlijke
+zetel van het huiselijke leven is. In de huizen, of liever paleizen,
+die Homerus beschrijft, komt men van de straat door een met dubbele
+deuren gesloten gang (prothyron) op een open plaats (aule), omgeven
+door vertrekken voor slaven, stallen en dgl. Aan beide zijden van de
+voordeur was eene zuilengalerij (aithousa aules) en aan de overzijde
+eene dergelijke, maar doorloopende en waarschijnlijk ruimere, galerij
+(aithousa domatos), waarachter het eigenlijke woonhuis (doma, domos; de
+aule met de galerijen, enz., heeten met elkander prodomos) lag. Achter
+deze galerij ligt het mannenvertrek (megaron), vanwaar een kleine gang
+(prothyron) naar de overige vertrekken (thalamoi) van het huis geleidt;
+onder deze is een het gewone verblijf van de huisvrouw met hare
+slavinnen, terwijl de verdere ruimte en, waar deze niet voldoende is,
+ook een bovenverdieping (hyperoon) slaapkamers, voorraadkamers, enz.,
+bevat. Van de voorgalerij loopt verder een gang langs de geheele diepte
+van het huis, waarop de verschillende aan die zijde gelegen vertrekken
+een uitgang hebben.--Van een atheensch huis uit den hellenistischen
+tijd kan het plan op deze bladzijde eene voorstelling geven. Daarop is
+a de voordeur (auleios thyra), b een gang (thyron, pylon, thyroreion),
+met een portierswoning aan de eene en een stal aan de andere zijde, c
+de open plaats (aule) der mannenafdeeling (andronitis), aan alle vier
+zijden door zuilengangen omgeven (vandaar ook peristylion), rondom
+welke de mannenvertrekken (andrones, oikoi, 1-9) gelegen zijn. Uit
+deze aule, leidt een gang d (mesaulos, metaulos z.a.) naar de aule,
+e, van het vrouwenverblijf (gynaikeion, gynaikonitis, deze aule heeft
+slechts aan drie zijden zuilengangen, terwijl aan de vierde zijde
+in het midden een vertrek f ligt, dat naar de aule geheel open is,
+waarschijnlijk de eigenlijke huiskamer (parastas, prostas); naast dit
+vertrek zijn twee slaapkamers (thalamos en amphithalamos, g); aan de
+andere zijden van de aule zijn verschillende andere vrouwenvertrekken,
+geheel achter in het huis zijn vertrekken h, waar de vrouwen arbeiden,
+en door de achterdeur i (kepaia thyra) komt men in den tuin of op
+straat.--Het behoeft niet gezegd te worden dat dit plan, dat geheel
+en al berust op soms niet volkomen duidelijke aanwijzingen bij oude
+schrijvers, in de werkelijkheid vele en belangrijke wijzigingen konde
+en moest ondergaan,--al ware het slechts omdat daarbij op eene ruimte
+gerekend is, die soms onvoldoende, maar zeer dikwijls ook niet noodig
+en niet beschikbaar moet geweest zijn. In vele gevallen wordt melding
+gemaakt van een bovenverdieping, die in groote huizen alleen gediend
+kan hebben als verblijf voor slaven, bergplaats, enz., maar waarheen
+in kleinere het geheele vrouwenverblijf verplaatst is, zoodat dit in
+het geheel geen afzonderlijke aule had. Zeer groote afwijkingen toont
+bovenstaand plan van de overblijfsels van een particuliere woning,
+op Delus gevonden, waarvan de indeeling volstrekt niet met die van
+bl. 437 te vergelijken is, alleen is in B de gang te herkennen,
+terwijl C de open plaats geweest moet zijn, die klein en smal is
+en geene sporen van zuilen meer vertoont, bij F was een waterput,
+de bestemming van de overige ruimten is niet nader te bepalen. Dat
+dit echter geen armoedig huis geweest is, mag men uit den smaakvol
+met ionische zuilen versierden voorgevel veilig besluiten.
+
+Oikoumene (ge), eigenlijk het bewoonde gedeelte van de aarde; men
+veronderstelde, dat de keerkringen wegens de hitte onbewoonbaar
+waren. In engeren zin beteekent oik. het aan de Grieken, later aan
+de Romeinen bekende of door hen beheerschte gedeelte der aarde,
+orbis Romanus, orbis terrarum antiquis notus.
+
+Oileus, Oileus, koning der Locriërs, een van de Argonauten, bij
+Eriopis vader van Aiax, bij Rhene van Medon.
+
+Oionopoloi, Oionistai, waarzeggers, die de toekomst voorspellen uit
+wonderteekenen (terata), voornamelijk uit het verschijnen van vogels,
+de omstandigheden, waarin deze zich vertoonen, de richting, waarin
+zij vliegen, enz.
+
+Olba, Olbe, stad in het binnenland van Cilicia Trachea, ten N. van
+Soli, in den hellenistischen tijd zetel van het priestergeslacht der
+Teucriden; hier vond men den tempel van Zeus Olbios, Zeus Olbios,
+waarvan nog vele overblijfselen bewaard gebleven zijn.
+
+Olbia, Olbia, 1) stad op de Oostkust van Sardinia, de meest gewone
+landingsplaats der Rom.--2) kuststad in Gallia Narbonensis, door
+Massilia (Marseille) gesticht. Tgw. Eoubes.--3) vesting in Pamphylia,
+in den hoek der Pamphylische golf.--4) stad in Bithynia, ook Astacus
+genoemd, z. a.--5) stad in Scythia, ook Borysthenis geheeten, aan de
+monden van den Borysthenes (Dniepr) en den Hypanis (Bug).
+
+Olcades, Olkades, kleine volksstam in Hispania, in het gebied der
+Oretani, aan den bovenloop van den Anas (Guadiana).
+
+Olcinium, illyrische zeestad, ten W. van Scodra, thans Dulcigno. In den
+oorlog tegen Gentius (168) schaarde zij zich aan de zijde der Romeinen.
+
+Olearas = Oliarus.
+
+Olen, Olen, mythisch dichter, uit Lycië of uit het land der
+Hyperboreërs afkomstig, de eerste die op Delus orakels van Apollo
+verkondigde, uitvinder van de epische versmaat. Op Delus werden
+oude hymnen van hem bewaard, waarvan de inhoud voor zeer belangrijk
+gehouden werd.
+
+Olennius, primipilaris, d.i. eerste centurio bij de pilani of triarii,
+onder keizer Tiberius, in 28 na C. naar de Friezen gezonden om de
+schatting van runderhuiden te innen, bracht hen tot opstand door zijne
+hebzucht. Hij eischte huiden van oerossen of wilde stieren, die bijna
+uitgeroeid waren, en daar de Friezen geene zoo groote huiden konden
+leveren, werd hierdoor eene bron van afpersingen geopend.
+
+Olenus, Olenos, bewoner van den Ida, wiens gemalin Lethaea zich
+beroemde schooner te zijn dan alle godinnen; voor dezen overmoed
+werden beiden in steenen veranderd.
+
+Olenus, Olenos, 1) eene der 12 achaeïsche bondssteden, aan de golf van
+Patrae (Patras).--2) oude stad in Aetolia, ten W. van den Aracynthus,
+zetel van Oeneus, door de Aetoliërs verwoest.--Dichterlijk Olenius =
+achaeisch of aetolisch, Olenia capella = de geit Amalthea.
+
+Oliarus, Oliaros, eil. van de groep der Cycladen, ten W. van Parus,
+thans Antiparo. De beroemde grot wordt bij de ouden niet vermeld en
+schijnt hun dus niet bekend te zijn geweest.
+
+Oligyrtus, Oligyrtos, bergvesting in N.O. Arcadia, ten Z. van
+Stymphalus.
+
+Olisipo, Olisipon, stad in Lusitania, thans Lissabon, zie Junii no. 4.
+
+Olizon, Olizon, stad in het Z. van het thessalische landschap Magnesia,
+tegenover het eil. Euboea.
+
+Ollius (T.), de vader der schoone, maar beruchte Poppaea Sabina,
+Nero's tweede vrouw. Ollius was een vriend van Seianus en werd in
+diens val medegesleept. Zijne dochter droeg niet den naam van haar
+eigen vader, maar van haar moeders vader.
+
+Ollius, thans Oglio, rechterzijtak van den Padus (Po), die in zijn
+loop den lacus Sebinus (lago d'Isea) vormt.
+
+Oloösson, Oloosson, stad der Perrhaebi in het N. van Thessalia.
+
+Olophyxus, Olophyxos, stad aan den berg Athos met eene gemengde
+bevolking van Thraciërs, Pelasgen en Grieken (Chalcidiërs).
+
+Olpae, Olpai, Olpe, sterkte in Acarnania, op een heuvel aan de Oostkust
+der Ambracische golf gelegen.
+
+Oltis, rechter zijtak van den Garumna.
+
+Olurus, Olouros, 1) vesting in Achaia bij Pallene op de sicyonische
+grenzen.--2) ook Oluris en Dorium geheeten, stad in het N. van
+Messenia.
+
+Olympia, he Olympia, was niet zoozeer eene stad, als wel eene
+verzameling van tempels met de noodige worstelperken, loop- en
+renbanen voor de spelen, alles in een liefelijk oord ten N. van de
+rivier Alpheus en ten O. van de beek Cladeüs gelegen te midden van
+plataan- en olijfboomen. In het eigenlijke tempelgebied (he Altis),
+gedeeltelijk door muren omgeven, lagen ook het Heraeum, de oude
+tempel van Hera (vroeger van Zeus en Hera) met daarvoor het groote
+altaar van Zeus, en de nieuwe Zeus-tempel uit de 5de eeuw, waarvoor
+Phidias het Zeus-beeld gemaakt heeft, vele schatkamers (thesauroi) en
+vele wijgeschenken en standbeelden. Buiten de Altis vond men o. a het
+Gymnasium, de Palaestra en het Stadium. Op kosten van het Duitsche rijk
+is Olympia in 1875-1881 volledig opgegraven. Oorspronkelijk behoorde
+dit tempelgebied tot de stad Pisa (z. a.), doch toen de Eleërs Pisa
+verwoest hadden, wilden zij evenmin de vestiging eener zelfstandige
+gemeente te Olympia als den herbouw van Pisa toestaan. Zie ook Elis.
+
+Olympia, ta Olympia, de olympische spelen, oorspronkelijk een feest
+ter eere van den pelasgischen Zeus, later verbonden met lijkfeesten
+ter nagedachtenis van Pelops, vervolgens door Heracles vernieuwd,
+en eindelijk door Lycurgus van Sparta en Iphitus van Elis voor goed
+geregeld. Het was het grootste nationale feest der Grieken, waaraan
+sedert het einde der 7de eeuw ook Grieken uit Azië, Italië en Sicilië
+deelnamen, en waarbij alle grieksche staten officieel vertegenwoordigd
+waren. De wedstrijd bestond aanvankelijk alleen uit een wedloop,
+waarbij achtereenvolgens gevoegd werden: diaulos, dolichos, worstelen
+en pentathlon, rijden met vierspan, paardrijden en pankration,
+wedloop in wapenrusting (hoplites dromos), rijden met tweespan. Wegens
+het talrijke bezoek was het hier ook de meest geschikte plaats tot
+het voordragen van redevoeringen, gedichten, enz., en tot het doen
+van afkondigingen van algemeen belang; eerbetuigingen aan bizondere
+personen of staten werden hier bekend gemaakt, enz. De feesten werden
+om de vier jaar des zomers in de Altis gevierd; oudtijds--men zegt tot
+472--liep alles in één dag af, later duurden de feesten vijf dagen. Uit
+naam van de Eleërs, die het beheer over de feestviering hadden, werd in
+alle grieksche staten eenigen tijd te voren het naderen van het feest
+door drie aanzienlijke Eleërs, spondophoroi bekend gemaakt, en op deze
+bekendmaking volgde een stilstand in alle oorlogen tusschen grieksche
+staten (ekecheiria); van heinde en ver kwamen feestgezantschappen,
+de beroemdste gymnasten van Griekenland als mededingers, en tallooze
+toeschouwers toestroomen. De kamprechters, hellanodikai, hadden streng
+toe te zien, dat geen onwaardige aan een wedstrijd deelnam. Eerst nadat
+men hen had overtuigd dat men een vrijgeboren Griek van onberispelijk
+levensgedrag was en dat men zich minstens 10 maanden in een gymnasium
+geoefend had, kreeg men verlof naar den prijs mede te dingen. Deze
+bestond in een palmtak en een krans van den heiligen olijfboom in
+de Altis, door een knaap, wiens beide ouders in leven waren, met
+een gouden mes afgesneden, terwijl de overwinnaar het recht kreeg
+zijn standbeeld in de Altis te laten plaatsen. Hoe groote waarde men
+aan zulk een prijs hechtte, blijkt uit de eer, die den overwinnaar
+(Olympionikes) ook buiten het tooneel van den wedstrijd te beurt viel;
+in zijn vaderstad werd hij met gejuich ontvangen en van alle lasten
+vrijgesteld en had hij een eereplaats (proedria) bij alle feesten, de
+voornaamste dichters bezongen zijn roem, enz.--Sedert 776 begon men te
+Olympia lijsten van de overwinnaars aan te leggen, dit jaar geldt dus
+voor het eerste der eerste olympiade (Olympias) en is het begin van
+de in Griekenland meest algemeene tijdrekening naar Olympiaden. Ook de
+meest gebruikelijke afstandsmaat, het stadium, heeft naam en lengte van
+de renbaan van Olympia.--Hoewel de olympische feesten met het einde
+van de onafhankelijkheid van Griekenland veel van hunne beteekenis
+verloren, werden zij nog lang daarna met grooten luister gevierd;
+in 394 na C. werden zij op bevel van Theodosius d. G. opgeheven.
+
+Olympiades, Olympiades, de Muzen, naar haar verblijf op den Olympus.
+
+Olympias, Olympias, 1) dochter van Neoptolemus van Epirus, huwde met
+Philippus van Macedonië en werd moeder van Alexander d. G. Met haar
+hartstochtelijk en heerschzuchtig karakter konde zij niet dulden,
+dat Philippus eene andere vrouw, Cleopatra, huwde, zij verliet hem,
+ging naar Epirus terug, en laadde door haar gedrag zware verdenking
+op zich, dat zij aan het vermoorden van haar vroegeren echtgenoot
+medeplichtig was. Gedurende de afwezigheid van Alexander was zij
+wegens hare aanmatiging voortdurend in twist met Antipater, en na
+Alexander's dood (v. a. reeds in 330) vond zij het raadzaam naar Epirus
+te vluchten. In 319 riep de zwakke Polyperchon haar terug om den jongen
+Alexander op te voeden, en nu nam zij bloedige wraak op de partij van
+Antipater, ook Arrhidaeus en diens gemalin werden gedood. Maar toen
+Cassander uit de Peloponnesus terugkwam en haar in Pydna belegerde,
+moest zij zich na eene moedige en standvastige verdediging overgeven,
+en werd zij door Cassander, in strijd met zijn gegeven woord, ter
+dood gebracht (315).--2) z. Olympia.
+
+Olymp(i)eni, Olymp(i)enoi, bewoners van het gewest Olympene in Mysia.
+
+Olympieum, Olympieion, ook -pieion, 1) tempel van Zeus Olympius,
+zooals er in verschillende steden vermeld worden.--2) stadje op
+Sicilia vlak bij Syracusae, ten Z. van de monding van den Anapus,
+naar zulk een tempel genoemd en ook wel Olympium geheeten.
+
+Olympiodorus, Olympiodoros, 1) zoon van Lampon, dapper lochaag der
+Atheners in den perzischen oorlog.--2) atheensch archont, veldheer
+tegen Cassander (304) en tegen Demetrius Poliorcetes (287).--3) van
+Alexandrië, neo-platonisch wijsgeer uit de school van Iamblichus,
+leermeester van Proclus.--4) neo-platonisch wijsgeer uit de school van
+Proclus, schrijver van commentaren op verscheiden werken van Plato.--5)
+van Thebe in Aegypte, leefde te Byzantium in het begin der 5de eeuw na
+C. en schreef eene geschiedenis van zijn tijd, waarvan een uittreksel
+bewaard is gebleven.
+
+Olympius, -pia, Olympios, -pia, bijnaam van verscheiden goden en
+godinnen, naar hun woonplaats op den Olympus.
+
+Olympus, Olympos, 1) mythisch zanger en fluitspeler, leerling van
+Marsyas, die zich aan een wedstrijd met Pan waagde.--2) beroemd
+fluitspeler, musicus en liederendichter op het einde der 8ste eeuw.
+
+Olympus, Olympos, naam van onderscheidene bergen. 1) op de grenzen
+van Macedonia en Thessalia, in de mythologie de woonplaats der meeste
+goden, 6-7000 voet hoog en van boven met eeuwige sneeuw bedekt.--2) in
+Mysia, ten Z. der stad Prusa (Brussa).--3) in Galatia, ten Noorden van
+Pessinus, op de grenzen van Bithynië. Hier versloeg Cn. Manlius Vulso
+(Manlii no. 4) de Galaten in 189.--4) vulkaan met gelijknamige stad aan
+de Oostkust van Lycia.--5) op den staart van het eiland Cyprus.--6)
+in het Z. van hetzelfde eiland.--7) in Laconica bij Sellasia.--8)
+op Euboea, ten N. van Eretria.--9) in het Z. van het eiland Lesbus.
+
+Olynthus, Olynthos, grieksche kolonie op Chalcidice aan den
+sinus Toronaicus, de belangrijkste van alle volkplantingen aan
+de macedonische kust. In den peloponnesischen oorlog nam het de
+inwoners van Potidaea en andere kleinere plaatsen in zich op en kon
+hierdoor lang zijne zelfstandigheid handhaven, totdat het zich in 379
+aan de Spartanen moest overgeven. In 349 werd de stad aangevallen
+door Philippus van Macedonia, wel zocht de redenaar Demosthenes in
+zijne drie olynthische redevoeringen de Atheners tot het zenden van
+tijdige hulp aan te sporen, doch de Atheners draalden tot het te laat
+was. Philippus verwoestte de stad (herfst van 348), die niet herbouwd
+werd, en verkocht de inwoners als slaven.
+
+Olysipo = Olisipo.
+
+Ombrius, Ombrios, bijnaam van Zeus als regengod.
+
+Omana, Omanades, zie Homona, Homonadenses.
+
+Omen, zie auguria.
+
+Omphale, Omphale, dochter van Iardanus, koningin van Lydië, bij
+wie Heracles als slaaf diende. Zij werd bij hem moeder van Lamus
+en Agelaus.
+
+Onatas, Onatas, zoon van Micon no. 1, beroemd beeldgieter en schilder,
+uit de eerste helft van de 5de eeuw.
+
+Onca, Onka, bijnaam van Athena, naar haar heiligdom te Oncae bij Thebe.
+
+Onchesmus, Onchesmos, haven in Chaonia (Epirus), tegenover het
+eil. Corcyra (Corfu).
+
+Onchestus, Onchestos, 1) oude stad in Boeotia, in het gebied van
+Haliartus.--2) rivier in Thessalia, die bij Cynoscephalae ontspringt,
+en met een grooten omweg uitstroomt in het meer Boebeis.
+
+Oneus mons, Oneion oros, Oneia ore, ezelsberg, aan het Z. uiteinde der
+landengte van Corinthus, bij Cenchreae, een sleutel tot de Peloponnesus
+en daarom een dikwijls hevig betwist strategisch punt.
+
+Onesicritus, -crates, Onesikritos, -krates, van Aegina, leerling van
+Diogenes den cynicus. Hij ging met Alexander d. G. naar Azië, werd als
+gezant naar een indisch volk gezonden, en was later opperstuurman op
+de vloot van Nearchus. Hij schreef eene geschiedenis van zijne tochten
+en van de daden van Alexander, aan welke echter door de ouden weinig
+vertrouwen geschonken werd.
+
+Onochonus, Onochonos, rivier in het gewest Thessaliotis in Thessalia,
+zijrivier van den Peneus, tusschen den Pamisus en den Enipeus. V. a. =
+Onchestus no. 2.
+
+Onomacles, Onomakles, een van de atheensche strategen, die in 412
+bij Miletus eene overwinning op de Peloponnesiërs behaalde.
+
+Onomacritus, Onomakritos, Athener, tijdgenoot der Pisistratiden, een
+van de verzamelaars en bewerkers van de gedichten van Homerus. Hij
+verzamelde ook orakels van Musaeus en Orpheus, maar daar hij deze door
+interpolaties vervalschte, werd hij door Hipparchus verbannen. Hij
+verzoende zich echter later met de Pisistratiden, en werkte door
+zijne voorspellingen mede om Xerxes tot den oorlog tegen Griekenland
+te bewegen.
+
+Onomarchus, Onomarchos, na den dood van Philomelus (354) aanvoerder
+der Phocensers in den heiligen oorlog. Hij plunderde den delphischen
+tempel, overwon Philippus van Macedonië tweemaal, en voerde den oorlog
+over het geheel met geluk, in 352 werd hij echter door Phillippus in
+Thessalië verslagen, bij welke gelegenheid hij sneuvelde.
+
+Onosander, Onosandros, platonisch wijsgeer omstreeks 60 na C.,
+schrijver van eenige werken over krijgskunde.
+
+Onuphis, Onouphis, stad in de Nijldelta, in het distrikt of den
+nomus Onuphitis.
+
+Onusa, stad aan de kust van Spanje, ten Noorden van Carthago Nova.
+
+Opellius Macrinus (M.), zie Macrinus (M. Opellius).
+
+Ophelion, Ophelion, 1) atheensch blijspeldichter, waarschijnlijk
+uit het middelste tijdperk der comedie.--2) grieksch schrijver
+over geneeskunde en natuurlijke historie.--3) zoon van Aristonidas,
+beeldhouwer omstreeks 160, van wien een beeld bewaard is gebleven. Ook
+een schilder van dien naam komt voor; misschien is dit dezelfde.
+
+Ophel(l)as, Ophel(l)as, generaal van Ptolemaeus Lagi, veroverde Cyrene
+(322) en regeerde er eerst als stadhouder, later onafhankelijk. Hij
+verbond zich met Agathocles tot een oorlog tegen Carthago, maar werd
+spoedig daarop door zijn bondgenoot trouweloos vermoord (308).
+
+Opheltes, Opheltes, de eigenlijke naam van Archemorus (z. a.).
+
+Ophion, Ophion, 1) een van de oudste Titanen, die met zijne gemalin
+Eurynome nog vóór Cronus regeerde, doch door dezen verdreven en in
+den Tartarus of den Oceanus geworpen werd.--2) een van de Giganten.
+
+Ophis, Ophis, riviertje in Arcadia bij Mantinea.
+
+Ophiuchus, Ophiouchos, Serpentarius, Anguifer, Anguitenens, een
+sterrenbeeld, voorstellend een man, die een slang bij den kop houdt,
+welke tusschen zijn beenen ligt. Men zag daarin Asclepius, Heracles,
+Carnabon, Triopas, Phorbas, Polyidus of nog anderen.
+
+Ophiusa, Ophiousa = het slangeneiland, 1) eiland in de Propontis
+(zee van Marmara).--2) een der Pityusae, ook Colubraria genoemd.--3)
+oude naam zoowel van Rhodus als van Cyprus; dichterlijk Ophiusius =
+cyprisch.--4) oude naam van Tenus.
+
+Ophryneum, Ophryneion, stadje in Troas aan den Hellespont, dicht bij
+Rhoeteum, met een aan Hector gewijd bosch.
+
+Opici, Opikoi, of Osci, oud-italisch volk. Zie Italia.
+
+Opiconsivia, -siva, feest, ter eere van Ops Consiva den 25sten Augustus
+te Rome gevierd.
+
+Opilius (Aurelius), vrijgelatene, leeraar in wijsbegeerte, rhetorica
+en grammatica, omstreeks 90, eerst te Rome, later te Smyrna. Van
+zijne werken is niets overgebleven.
+
+Opimii, plebejisch geslacht. 1) L. Opimius verwoestte als praetor
+in 125 de opgestane stad Fregellae. In 121 was hij consul en deed
+toen aan het hoofd der optimatenpartij den gewapenden aanval op
+C. Gracchus, waarbij deze met 3000 zijner aanhangers omkwam. In
+120 werd hij hiervoor zonder succes aangeklaagd door P. Decius, en
+was hij censor; in 115 als gezant tot Jugurtha gezonden, liet hij
+zich door dezen omkoopen, waarvoor hij later veroordeeld werd en te
+Dyrrachium in armoede stierf. Het jaar 121 was een beroemd wijnjaar;
+vandaar dat men nog lang sprak van vinum Opimianum.--2) Q. Opimius
+werd in 74 veroordeeld en door den praetor C. Verres van zijn geheele
+vermogen beroofd, omdat hij als volkstribuun de lex tribunicia van
+Sulla had overtreden.--3) M. Opimius, praef. equitum onder Pompeius
+(48), ontsnapte met enkelen in Macedonië aan gevangenneming door de
+soldaten van Cn. Domitius Calvinus (Domitii no. 15).
+
+Opis, Opis, handelsstad aan de samenvloeiing van den Physcus en
+den Tigris.
+
+Opitergium, rom. kolonie in het land der Veneti, tusschen Verona
+en Aquileia.
+
+Oppia (lex) sumptuaria, van den volkstribuun C. Oppius, in 215. Zij
+verbood den vrouwen o.a. meer dan een halve uncia aan gouden sieraden
+te hebben, of bonte gewaden te dragen, of binnen den omtrek eener stad
+in een rijtuig te rijden tenzij bij godsdienstige plechtigheden. In
+195 werd zij afgeschaft.
+
+Oppianus, Oppianos, 1) uit Cilicië, tijdgenoot van M. Aurelius,
+dichter van een didactisch epos, Halieutika, over het leven der
+visschen, vischvangst, enz., dat hij aan den keizer opdroeg, en
+dat bij dezen, evenals bij zijne andere tijdgenooten, buitengewoon
+grooten bijval vond. Hij stierf reeds op zijn 30ste jaar.--2) uit
+Syrië, tijdgenoot van Caracalla, dichter van een dergelijk werk over
+de jacht, Kynegetika.
+
+Oppidum Batavorum, z. Batavodurum.
+
+Oppii, plebejisch geslacht waarvan verscheidene leden vermeld
+worden. 1) Sp. Oppius Cornicen, een van de tien mannen van 450, die,
+volgens het verhaal, met App. Claudius Crassinus zelfmoord pleegde.--2)
+Q. Oppius, proconsul van Asia, viel bij de verovering van Klein-Azië
+in handen van Mithradates Eupator, en kreeg eerst door Sulla zijne
+vrijheid terug.--3) onder de vertrouwelingen van Caesar komt een
+C. Oppius voor, die te Rome een tijd lang veel invloed had en zich
+later bij Octavianus aansloot.--4) Oppius Sabinus, legaat van Moesia
+onder keizer Domitianus, werd door Decebalus verslagen, en sneuvelde
+(± 86 n. C.).
+
+Oppius (mons), een van de bergen van het Septimontium (zie Roma),
+gelegen in het Z. van de regio Esquilina.
+
+Ops, rom. godin van vruchtbaarheid en overvloed, later gemalin van
+Saturnus. Oorspronkelijk is zij eene godin van den oogst, en hoort
+zij bij Consus, hetgeen uit den naam van haar feest, Opiconsivia,
+blijkt. Haar andere feest, de Opalia, werd op 19 December gevierd. Als
+godin der zaadvelden had zij den bijnaam Consiva. Zij werd later
+dikwijls verward met Fauna, Maia, Bona Dea of geïdentificeerd met
+Rhea Cybele of Demeter.
+
+Opson, Opsonium, Obs-, toespijs, alles wat bij het brood genuttigd
+wordt, vleesch, kaas, vruchten, maar vooral visch, de voornaamste
+lekkernij der ouden, waaraan veel geld besteed werd.
+
+Opteria, geschenken, die de jonggehuwde vrouw van haar echtgenoot,
+bloedverwanten en vrienden kreeg, wanneer zij zich voor het eerst na
+het huwelijk zonder sluier vertoonde.
+
+Optimates, de aristocratie te Rome, tegenovergesteld aan de populares,
+de volkspartij. In engeren zin = nobiles.
+
+Optio, luitenant of adjudant, die in den beginne door den centurio
+of decurio zelf uit zijne manschappen gekozen werd (optare). Later
+ging de keus op de krijgstribunen over.
+
+Opus quadratum, incertum, reticulatum, latericium. Met deze woorden
+duidt men in den Romeinschen tijd verschillende wijzen van bouwen
+aan. Terwijl de Grieken naast prachtige bouwwerken van gehouwen steen
+en marmer, vooral lucht- of zonsteenen gebruikt hebben voor huizen en
+tempels (zelfs het Heraeum te Olympia was van zonsteen opgetrokken op
+een onderbouw van natuursteen), hebben de Romeinen naast natuursteen,
+waarvan de lapis Tiburtinus (Travertino) de beste soort is, vooral
+veel baksteen voor de kern hunner reusachtige gebouwen gebruikt. Het
+opus quadratum der Romeinen is een bouw uit vierhoekige steenblokken,
+op elkaar gelegd zonder eenige verbinding. Het opus incertum geeft
+de oudste wijze van metselen weer. In een soort kalk van bijzondere
+sterkte werden allerlei steenen, vooral veldkeien, ingevoegd; alles
+werd dan later met een dikke laag kalk overdekt, die weer door
+het aanbrengen van een laag fijnere kalk, de italiaansche stucco,
+gelegenheid tot beschildering aanbood. Deze wijze van bouwen vindt
+men in de geheele eerste eeuw vóór Christus. Iets later komt het
+opus reticulatum op. Dit zijn vierkante baksteenen, op de scherpe
+kant gezet, en zoodanig aan elkaar gemetseld, dat de voegen schuine
+lijnen in twee richtingen vormen, die den indruk van een net maken. Dan
+volgt in het begin van den keizertijd het opus latericium, dat is een
+baksteenbouw, die slechts in zoover van den onzen verschilt, dat de
+Romeinsche baksteenen platter, langer en breeder zijn dan de onze.
+
+Opus, Opous, hoofdstad der Opuntische Locriërs aan de golf van Euboea,
+de geboorteplaats van Patroclus.
+
+Orbelus, Orbelos, gebergte in Paeonia ten W. van den Strymon.
+
+Orbi et orbae. Volgens de opgaven bij den census verkregen, werd
+door de censoren aangelegd een register van belastingschuldigen,
+waarop voorkwamen: 1o. de mannelijke burgers, die in een tribus waren
+ingeschreven, en onderhevig waren aan het tributum (z. a.). 2o. de
+aerarii (z. a.). 3o. de orbi et orbae. Orbi zijn de mannelijke weezen
+beneden 15 jaar, die door sterfgeval sui iuris zijn geworden, en
+onder voogdij staan. Orbae zijn de vrouwelijke weezen en de weduwen,
+die sui iuris waren. Samen betaalden zij het benoodigde voor het aes
+equestre en het aes hordearium (z. a.).
+
+Orbilius Pupillus, uit Beneventum, eerst klerk, vervolgens soldaat,
+ten slotte schoolmeester te Rome. Bij hem ging Horatius school,
+die hem plagosus noemt, ter herinnering aan de klappen, die Orbilius
+uitdeelde. Orbilius stierf in den ouderdom van bijna 100 jaar. Hij was
+een verdienstelijk man, die echter veel met geldgebrek te kampen had.
+
+Orbis, in het algemeen een kring of schijf, o. a. ook een rond
+tafelblad uit één stuk; bij het leger een vierkant of carré, doch
+niet hol, maar geheel met manschappen opgevuld.
+
+Orbius (P.), praetor in Asia in 63, door Cicero als bekwaam, schoon
+niet welsprekend, jurist geprezen.
+
+Orbona, oud-romeinsche godin, die aangeroepen werd door ouders, die
+kinderen verloren hadden en weder kinderen wenschten te krijgen. Zij
+had een altaar bij den tempel der Lares.
+
+Orcades insulae, Orkades nesoi, de Orkney-eilanden ten N. van
+Schotland.
+
+Orchamus, Orchamos, vader van Leucothoë.
+
+Orchestra, orchestra, in het algemeen een dansplaats, in het
+bizonder de plaats waar de dithyrambische koren ter eere van
+Dionysus zongen en dansten. In den schouwburg is de orch. de ruimte
+tusschen de zitplaatsen der toeschouwers en het tooneel, waarop bij
+tooneelvoorstellingen een houten stelling opgeslagen werd, die even
+hoog of weinig lager was dan het tooneel en op welke de plaats van het
+koor was. In rom. schouwburgen werd ook de orchestra door zitplaatsen
+ingenomen; hier zaten de senatoren.
+
+Orchia (lex) sumptuaria, van den volkstribuun C. Orchius in ± 181. Zij
+beperkte het getal gasten bij maaltijden.
+
+Orchomenus, Orchomenos, 1) oude en rijke hoofdstad van westelijk
+Boeotia, bij Homerus Minyeios geheeten naar de Minyers en hun
+koning Minyas, aan den Cephi(s)sus gelegen. Het bestond reeds in
+den myceenschen en vóór-myceenschen tijd. Tijdens den trojaanschen
+oorlog was Orch. reeds niet meer zoo machtig als vroeger; later
+kwam het onder de hegemonie der Thebanen, die het in 367 zelfs
+verwoestten. Hoewel Philippus van Macedonia de stad liet herbouwen,
+werd zij van geene beteekenis meer.--2) oude stad in Arcadia, bij
+Homerus polymelos genoemd.
+
+Orcini, slaven die bij testament rechtstreeks waren vrijverklaard
+en wier patroon dus in den Orcus was. Spottend noemt Cicero aldus
+de nieuwbakken senatoren, die door Antonius, zoogenaamd uit Caesars
+aanteekeningen, in den senaat werden gebracht.
+
+Orcus, bij de Romeinen de god der onderwereld = Hades, ook de
+onderwereld zelf.
+
+Ordessus, Ordessos, thans Sereth, zijtak van den Ister (Donau) in
+het tegenw. Walachije.
+
+Ordovices, volk in Britannia, in het N.W. van het tegenw. Wales.
+
+Oreades, Oreiades, Orodemniades, bergnimfen, komen vooral dikwijls
+als gezellinnen van Artemis voor.
+
+Orestae, Orestai, volk in Epirus, in het gewest Orestis, later bij
+Macedonia ingelijfd. De sage leidt den naam af van Orestes, die tot
+dit volk zou gevlucht zijn. Het is een illyrischen stam.
+
+Orestea, Oresteia, bijnaam van Artemis, wier beeld Orestes uit Tauris
+naar Griekenland had overgebracht.
+
+Orestes, Orestes, 1) zoon van Agamemnon en Clytaemnestra. Bij het
+vermoorden van zijn vader was hij nog een kind, en daar ook zijn
+leven gevaar liep, zond zijne zuster Electra hem heimelijk naar
+Phocis, waar hij bij zijn oom Strophius opgevoed werd. De zoon van
+Strophius, Pylades, werd zijn trouwe vriend en stond hem in zijn
+verder leven in alle moeilijkheden en gevaren trouw ter zijde. Met
+hem kwam hij na acht jaren naar Mycenae terug, nadat hij eerst zelf
+het gerucht had verspreid, dat hij bij een wedren verongelukt was,
+en te zamen doodden zij Aegisthus en Clytaemnestra. Maar ofschoon
+O. door Apollo zelf tot die daad was aangemoedigd, werd hij door de
+Erinyen zijner moeder vervolgd, hij verviel tot razernij en dwaalde
+langen tijd rond zonder rust te vinden. Eindelijk begaf hij zich op
+raad van Apollo naar Athene en riep hij daar de hulp der godin Athena
+in, deze bracht hem voor de opzettelijk hiervoor bijeengebrachte
+rechtbank van den Areopagus, die sedert bestaan bleef, en voor
+deze rechtbank werd nu O. door de Erinyen aangeklaagd, door Apollo
+verdedigd. Toen bij de stemming bleek dat evenveel rechters voor
+vrijspraak als voor veroordeeling gestemd hadden, wierp Athena een
+wit steentje (calculus Minervae) in de bus, zoodat O. vrijgesproken
+was. De Erinyen waren verzoend en kregen onder den naam van Eumenides
+een heiligdom in Attica.--V.a. moest O., om van zijn waanzin genezen
+te worden, naar Tauris gaan en van daar het beeld van Artemis naar
+Griekenland brengen. Zoodra hij daar met Pylades aankwam, werden
+zij gevangen genomen om aan Artemis (z. a.) geofferd te worden,
+maar toen zij voor het altaar stonden, bleek het dat de priesteres,
+die het offer zou verrichten, Iphigenia (z. a.), de zuster van O.,
+was. Na de herkenning verschafte zij hun door list de middelen om te
+ontvluchten, zij zelve ging mede en, om aan het bevel van Apollo te
+voldoen, namen zij ook het beeld der godin mede.--V. a. had Orestes
+gedurende den tijd van zijne razernij in Arcadië rondgezworven, en
+niet ver van Megalopolis was de plaats van zijne genezing (Ake) met een
+heiligdom der Eumeniden.--Naar Mycenae teruggekeerd, doodde hij Aletes
+(z. a.) en regeerde hij na dien tijd lang en gelukkig. Hij huwde met
+Hermione, zond spartaansche volkplantingen naar Aeolis, en sloeg den
+eersten inval der Heracliden onder Hyllus af. Op hoogen ouderdom stierf
+hij te Tegea aan een slangebeet, zijne beenderen werden later naar
+Sparta overgebracht. In beide steden werd hij als heros vereerd.--2)
+zoon van den thessalischen vorst Echecratides, werd omstreeks 450
+verbannen; de Atheners ondernamen een veldtocht tegen Pharsalus om
+hem terug te brengen, maar moesten onverrichter zake terugkeeren.
+
+Oresthasium, Orestheum of Oresteum, Oresthasion, Orestheion, -steion,
+stad in het Z. van Arcadia, ten O. van het latere Megalopolis.
+
+Orestheus, Orestheus, 1) zoon van Lyeaon, stichter van Oresthasium,
+het latere Oresteum.--2) zoon van Deucalion, koning der Aetoliërs en
+der aangrenzende Locriërs. Zijn hond bracht een kluwen ter wereld,
+dat hij in de aarde liet begraven; in het voorjaar ontsproot daaruit
+een wijnstok, naar welks ranken (ozoi) de Locriërs zich Ozolai noemden.
+
+Oretani, Oretanoi, aanzienlijke volksstam in Hispania aan den
+Boven-Anas (Guadiana) tot aan het brongebied van den Baetis
+(Guadalquivir). Hoofdstad: Castulo.
+
+Oreüs, Oreos, vroeger Hestiaea, stad aan de N.W. kust van Euboea,
+door Pericles in 445 gestraft met verdrijving der inwoners, waarna
+het met 2000 atheensche cleruchen werd bevolkt. Als strategisch punt
+speelde het in de oorlogen der diadochen en later eene gewichtige rol.
+
+Orgeones, heetten te Athene de personen, die met elkander zekere
+offers brachten en plechtigheden verrichtten, welke niet van
+staatswege uitgingen. Ze bestonden al in den tijd vóór Solon. Later
+verdwijnt het verschil tusschen hen en de deelnemers aan een thiasos
+(z.a.) (thiasotai) of eranos (z.a.) (eranistai).
+
+Orgetorix, aanvoerder der Helvetiërs, die het plan ontwierp tot
+de groote verhuizing van dit volk in 61, doch van streven naar de
+alleenheerschappij beticht werd en, om de doodstraf te ontgaan,
+een einde aan zijn leven maakte.
+
+Orgia, Orgia, werden de mysteriën genoemd met het oog op
+enthusiastische gemoedsbeweging, die deze geheime plechtigheden bij de
+deelnemers te weeg brachten; ook de luidruchtige feesten van Dionysus
+(z.a.).
+
+Oribasius, Oreibasios, van Pergamus of Sardes, beroemd geneesheer,
+lijfarts en raadsman van keizer Iulianus. Door Valens en Valentinianus
+verbannen, verwierf hij door zijne kunst ook onder de barbaren groot
+aanzien, en eindelijk moesten de keizers toegeven aan het algemeen
+verlangen, hem terugroepen, en zelfs de door hem geleden verliezen
+vergoeden. Hij was de schrijver van een uittreksel uit alle beroemde
+geneeskundige werken, waarvan een gedeelte in Latijnsche vertaling
+bewaard gebleven is, en waarvan hij later zelf weer een uittreksel
+gemaakt heeft. Ook heeft hij een Hypomnema, memoires, geschreven,
+waarin hij de herinneringen van zijn omgang met Julianus heeft te
+boek gesteld. Hiervan heeft Eunapius gebruik gemaakt, waaruit later
+wederom Zosimus geput heeft.
+
+Oricum, -us, Orikon, -os, grieksche zeestad in het Noorden van Epirus
+nabij de Ceraunische bergen.
+
+Origenes, Origenes, 1) de kerkvader, zoon van Leonidas, geb. 185
+na. C. te Alexandrië, gest. 254 te Tyrus, leerling van Clemens
+Alexandrinus. Nadat hij zich in zijne jeugd met taalkundige en
+wijsgeerige studiën had bezig gehouden en v. s. ook de school van
+Ammonius Saccas bezocht had, verdedigde hij in verscheidene werken
+(z. ook Celsus) het Christendom, ook op gronden, aan de oude grieksche
+wijsgeeren ontleend. Zijn buitengewone werkzaamheid verwierf hem
+den naam van adamantinos.--2) neo-platonisch wijsgeer, leerling van
+Ammonius Saccas, leermeester van Longinus.
+
+Orion, Orion, 1) zoon van Hyrieus of Poseidon, of v. a. uit de aarde
+geboren. Hij was een geweldig jager, buitengewoon schoon, en zoo
+groot dat zijn hoofd ver boven de wolken reikte en hij veilig door
+het diepste der zee konde gaan. De Pleiaden vervolgde hij zeven jaar,
+totdat Zeus ze uit medelijden onder de sterren opnam. Op Chius werd
+hij door Oenopion, wiens dochter Merope hij onteerd had, dronken
+en vervolgens blind gemaakt; op raad van Hephaestus begaf hij zich
+toen naar het paleis van Helios, waar hij zijn gezicht terugkreeg;
+hij keerde naar Chius terug om zich op Oenopion te wreken, maar deze
+hield zich onder de aarde verborgen. Later werd Eos op hem verliefd,
+zij ontvoerde hem naar Delus, maar dit verwekte bij de goden zooveel
+ergernis, dat zij aan Artemis last gaven hem te dooden.--V. a. doodde
+Artemis hem, omdat hij haar of de nimf Upis met zijne liefde vervolgde,
+of omdat hij beweerd had beter den discus te kunnen werpen dan
+zij. V. a. werd hij gedood door de steken van een schorpioen, dien
+Gaea op hem had afgezonden, omdat hij gezegd had, dat hij al het
+wild van de aarde zou uitroeien.--Hij werd in volle wapenrusting aan
+den sterrenhemel geplaatst.--2) van Thebe in Aegypte, schrijver van
+een etymologisch werk en van een bloemlezing van spreuken uit oude
+grieksche dichters; hij leefde waarschijnlijk in het midden der 5de
+eeuw na C.
+
+Oritae, Oreitai, volk in het perzisch landschap Gedrosia, aan de
+Zuidkust, aan de grens van India, uit India afkomstig.
+
+Orithyia, Oreithuia, dochter van Erechtheus. Zij werd door Boreas
+geschaakt en naar Thracië gebracht, waar zij bij hem moeder werd van
+Calais, Zetes en Cleopatra.
+
+Ormenis, Ormenis, Astydamea, kleindochter van Ormenus.
+
+Ormenium, Armenium, Orminium, Ormenion, Armenion, Orminion, stadje
+in Thessalia, in de buurt van Pherae en Iolcus.
+
+Ormenus, Ormenos, kleinzoon van Aeolus, stichter van Ormenium in
+Thessalië.
+
+Orneae, Orneai, oude argolische stad nabij de grenzen van Phliasia.
+
+Orneatae, Orneatai, eigenlijk inwoners van Orneae, schijnt de
+gemeenschappelijke naam geworden te zijn van de oude bevolking van
+Argolis, die na de verovering der Doriërs in denzelfden toestand kwam
+als de lacedaemonische perioikoi.
+
+Oroanda, Oroanda, bergstad in Isauria.
+
+Orobiae, Orobiai, stad in het N. van Euboea, aan de Euboeïsche golf.
+
+Orobii, stam in Gallia Transpadana; in hun gebied ligt Bergomum.
+
+Orodes, naam van twee parthische koningen. Orodes I of Arsaces XIV
+(57-37) voerde tegen de Rom. den oorlog, waarin Crassus bij Carrhae
+omkwam (53). Later (39 en 38) zag hij zijne legers door Ventidius
+Bassus vernietigd, terwijl zijn zoon Pacorus sneuvelde. Door een
+anderen zoon, Phraates, werd hij vermoord.--Orodes II of Araces XVII
+(5-6 na C.) was een wreedaard en werd spoedig omgebracht.
+
+Orontes, Orontes, 1) perzisch edelman, vergezelde den jongen Cyrus op
+diens tocht tegen Artaxerxes, en werd wegens pogingen tot verraad ter
+dood gebracht.--2) schoonzoon van Artaxerxes II, tijdens den tocht
+der 10.000 Grieken satraap van Armenia, later (381) aanvoerder van
+een leger tegen Euagoras; in 361, toen hij satraap van Aeolis en
+Ionia was, viel hij met andere satrapen, o.a. Maussolus, van den
+koning af, maar verried hen spoedig. In 349 viel hij nogmaals af,
+en verbond zich toen met Athene.
+
+Orontes, Orontes, rivier in Syria, ontspringt in het dal tusschen
+den Libanus en den Antilibanus, en stroomt langs Emesa, Apamea en
+Antiochia naar zee.
+
+Orontobates, Orontobates, vorst van Carië, verdedigde zich lang tegen
+Alexander d. G., maar moest zich eindelijk aan Ptolemaeus overgeven
+(333), z. Ada.
+
+Oropus, Oropos, havenstad aan den Euripus, op de grenzen van Attica
+en Boeotia, hoofdplaats van de Grai (z. Graecia). De stad was bij
+voortduring een twistappel tusschen de beide staten, ten slotte
+bleef zij aan de Atheners. Hier was de beroemde tempel van Amphiaraus
+(z. a.).
+
+Orosius (Paulus), christelijk presbyter uit Tarraco in Hispania,
+schrijver eener beknopte wereldgeschiedenis, die nog bestaat:
+Historiarum libri VII adversus paganos. Het werk kwam uit omstreeks
+420 na C.
+
+Orospeda, gebergte in Hispania, thans Sierra Sagra, aan de bronnen
+van den Tader (Segura).
+
+Orpheus, Orpheus, zoon van Oeager of Apollo en de Muze Calliope,
+broeder of leerling van Linus. De invloed van zijn liefelijk gezang dat
+hij met de heerlijke tonen zijner lier begeleidde, was zoo groot, dat
+hij daardoor niet alleen de menschen tot zachtheid en meer beschaafde
+zeden bracht, maar zelfs wilde dieren konde temmen en ook de onbezielde
+natuur er door bewogen werd. Daarom waagde hij het ook na den dood
+zijner gemalin Eurydice naar de onderwereld af te dalen om haar terug
+te vragen, en inderdaad wist hij door zijn spel en gezang Persephone
+te bewegen zijn verzoek toe te staan. Eurydice mocht hem volgen,
+maar op voorwaarde dat O. niet naar haar omzag, voordat zij de aarde
+bereikt zouden hebben. O. konde zich echter niet zoo lang bedwingen,
+hij zag om, en Eurydice moest naar de onderwereld terugkeeren. In zijn
+droefheid leidde O. nu een eenzaam en zwervend leven, hij kwam ook
+in Azië en Aegypte, en voerde na zijn terugkomst bij de thracische
+stammen wetten en godsdienst in. Op hoogen leeftijd maakte hij nog
+den tocht der Argonauten mede en redde hij zijne reisgenooten door de
+macht van zijn spel uit vele gevaren. Kort daarna werd hij door een
+troep Maenaden verscheurd, v.s. omdat hij sedert den dood van Eurydice
+als vrouwenhater bekend stond. Zijn hoofd en zijne lier werden in den
+Hebrus geworpen en dreven naar Lesbus, zijne overige lichaamsdeelen
+werden door de Muzen bijeen gezocht en te Libethra begraven; de lier
+werd onder de sterren geplaatst.--Aan O. werd ook de instelling
+van de zgn. orphische mysteriën toegeschreven, die sedert de 7de
+eeuw bestonden; deze mysteriën verkondigden de van het volksgeloof
+afwijkende leer, dat de ziel door zonde van haar oorspronkelijken
+toestand van reinheid vervallen is, en dat zij door deugd en een
+ascetisch leven (bios Orphikos) daartoe kan terugkeeren; zoolang
+dit niet geschied is, verschijnt zij in verschillende lichamelijke
+omhulsels telkens weder op aarde; de god, wiens hulp men vooral inriep
+om verlossing en zaligheid deelachtig te worden, was Dionysus-Zagreus,
+wiens bloed voorgesteld werd door den slok wijn, dien de ingewijden
+dronken.--De gedichten, die den naam van Orpheus dragen (Orphika),
+zijn op eene enkele uitzondering van vrij laten tijd en van ongelijke
+waarde. Maar ook die, welke aan de ouden bekend waren, werden reeds
+vroeg door velen als onecht beschouwd, en sommigen, o. a. Aristoteles,
+betwijfelden of O. wel ooit bestaan had.
+
+Orrhoene = Osroene.
+
+Orsilochia, z. Iphigenia.
+
+Orta = Horta.
+
+Orthagoras, Orthagoras, Sicyoniër van lage afkomst, die zich met de
+hulp van de volkspartij tot tyran opwierp (665) en wijs en gematigd
+regeerde.
+
+Orthagorea = Maronea.
+
+Orthia, Orthia, bijnaam van Artemis (z. a.) te Sparta.
+
+Orthrus, Orthros, de hond van Geryones (z. a.).
+
+Ortona, Orton, 1) havenstad der Frentani in Samnium.--2) stad
+in Latium, in de nabijheid van Corbio, aan de N.O. zijde van het
+Albaansch gebergte.
+
+Ortygia, Ortygia = kwartelland, 1) deel van Syracusae (z. a.).--2)
+oude naam van het eiland Delus; Ortygia dea = Diana, Ortygiae boves,
+de runderen van Apollo.--3) heilig bosch bij Ephesus.
+
+Orxines, Orsines, Orxines, perzisch veldheer, die bij Gaugamela
+streed, afstammeling van Cyrus. Terwijl Alexander in Indië was,
+regeerde O. als satraap over Persis, bij de terugkomst van den koning
+werd hij op ware of valsche beschuldigingen van gewelddadigheden en
+knevelarij opgehangen.
+
+Osca, Oska, voorname stad der Ilergetes in Tarraconensis, thans Huesca
+in Arragon.
+
+Oschophoria, Oschophoria, oschophoria, feest ter eere van Athena,
+Dionysus en Ariadne, naar men zeide door Theseus bij zijne terugkomst
+van Creta ingesteld, te Athene den 7den Pyanepsion gevierd. Twintig
+epheben, met wijnranken beladen, hielden een wedloop, en de tien
+overwinnaars kregen een schaal met een drank, pentaploa, uit wijn,
+honing, kaas, meel en olie gemengd.
+
+Osci, oud-italisch volk (zie Ausones en Italia). Later geven de
+Romeinen den naam Osci aan de samnietische veroveraars van Campania
+en aan hun stamgenooten in het achterland. Hunne taal bleef als
+plattelandsdialect in een gedeelte van Midden- en Beneden-Italië lang
+in wezen; vandaar oscus = boersch, lomp; ludi Osci waren landelijke
+kluchtspelen.
+
+Oscines, zie Auguria.
+
+Osi, volksstam waarschijnlijk van Keltischen oorsprong in Germanië
+wonende, ten Oosten van Bohemen, en onderworpen aan Quaden en Sarmaten.
+
+Osiris, Osiris, aegyptisch zonnegod of god van den Nijl, broeder en
+echtgenoot van Isis, vader van Horus. Zijn broeder Typhon sloot hem in
+een kist, die hij in den Nijl wierp, en toen hij bemerkte, dat Isis de
+kist gevonden had, nam hij des nachts het lichaam er uit, sneed het in
+14 stukken en verstrooide ze naar alle kanten. Isis zocht de stukken
+weder bij elkander en begroef ze op Philae of te Abydus. O. verscheen
+daarna aan Horus en spoorde hem tot den strijd tegen Typhon aan,
+waarin deze na eene lange verdediging volkomen overwonnen werd.
+
+Osismii, Osismioi, keltisch volk in het W. van het tegenw. Bretagne.
+
+Osroene, Osroene, gewest in Mesopotamia ten W. van den Chaboras,
+met de hoofdstad Osroë of Edessa.
+
+Ossa, Ossa, Pheme, Fama, personificatie van het los gerucht, bode
+van Zeus.
+
+Ossa, Ossa, gebergte in het N. van het thessalische kustland Magnesia,
+5000 voet hoog. Ten Z. hing de Ossa met den Pelion samen; ten N. was
+hij van den Olympus gescheiden door het dal Tempe.
+
+Ostentum, zie auguria.
+
+Osteodes, Osteodes = Ustica no. 2.
+
+Ostia, havenstad van Rome aan den linker Tibermond, door Ancus
+Marcius gesticht. Het had een bloeienden handel en groote zoutketen,
+salinae. Door Marius verwoest, herrees het nog prachtiger dan
+te voren. Toen echter keizer Claudius aan den rechter riviermond
+eene betere haven, portus Augusti of portus Romanus, aangelegd had,
+verplaatste zich Ostia's handel, alleen de zoutwinning bleef. Tusschen
+de genoemde riviermonden lag de insula sacra.
+
+Ostippo, Astapa, Astapa, stad in Baetica, niet ver van Munda.
+
+Ostorii, rom. geslacht. 1) Ostorius Scapula, sedert 47 na C. legatus
+pro praetore van Britannia, streed daar met geluk tegen Caractacus
+die in zijn handen viel, maar later begon zijn voorspoed te tanen,
+hetgeen hij zich zoozeer aantrok, dat hij ziek werd en stierf.--2)
+M. Ostorius Scapula, zoon van no. 1, diende met roem onder zijn
+vader. In 62 na C. benam hij, uit vrees voor Nero's bedreigingen,
+zichzelf het leven.
+
+Ostracismus, Ostrakismos, verbanning door stemming met scherven, door
+Clisthenes ingevoerd. Te Athene werd jaarlijks in eene daarvoor bij de
+wet aangewezen volksvergadering aan het volk de vraag voorgelegd, of
+het wenschelijk was, iemand door het ostracismus te verbannen. Werd die
+vraag bevestigend beantwoord, dan werd in eene volgende vergadering,
+waarin minstens 6000 stemmen moesten uitgebracht zijn, beslist,
+wien dit lot zou treffen, ieder schreef een naam op een scherf,
+en degene, die de meeste stemmen gekregen had, moest voor 10 jaar
+Attica verlaten. Deze maatregel moest strekken om de democratie
+tegen aanslagen van eerzuchtigen te beveiligen, de verbanning door
+het ostracismus is dus geen straf, en gaat niet gepaard met verlies
+van goederen of rechten, en daar zij alleen tegenover aanzienlijke en
+invloedrijke burgers doeltreffend kan zijn, is zij eerder als eer dan
+als schande te beschouwen. De grenzen, binnen welke zoo iemand zich
+gedurende den tijd van zijne verbanning mocht vestigen, waren bepaald
+door een wet van 480, die echter niet streng gehandhaafd schijnt te
+zijn.--Nadat, door kuiperijen van Alcibiades en Nicias, Hyperbolus
+door het ostracisme verbannen was (417), werd deze instelling niet
+meer toegepast.
+
+Otacilii, rom. geslacht. 1) M. Otacilius Crassus, consul in 263,
+dwong met zijn ambtgenoot M. Valerius Maximus (Valerii no. 16),
+den syracusaanschen koning Hiero tot den vrede.--2) T. Otacilius
+Crassus, broeder van no. 1, consul in 261, streed ook op Sicilia.--3)
+T. Otacilius Crassus, praetor op Sicilia in 217 en propraetor in 216,
+streed, met Hiero verbonden, tegen Carthago en ondernam een strooptocht
+naar Africa. Later werd hij nogmaals stadhouder van Sicilia en deed
+opnieuw strooptochten op de carthaagsche kust. Hij trachtte tweemaal
+te vergeefs consul te worden.--4) Otacilius Crassus, aanhanger van
+Pompeius, bezoedelde zijn naam door het ombrengen van weerlooze
+gevangenen uit de tegenpartij (48).--5) L. Otacilius Pilitus, zie
+L. Voltacilius Pilutus.
+
+Otanes, Otanes, 1) hoofd van de samenzwering der zeven perzische
+edelen, die den valschen Smerdis van den troon stieten.--2) opvolger
+van Magabazus no. 1, als veldheer van Darius, veroverde verscheidene
+Grieksche steden, en ook Lemnus en Imbrus.
+
+Otho, familienaam in de gens Salvia.
+
+Otho (M. Salvius), rom. keizer van Jan. tot April 69 na C., geb. 32,
+behoorde in zijne jeugd tot de vrienden van Nero, wiens uitspattingen
+hij ook deelde en aan wien hij zijne schoone, maar zedelooze gemalin
+Poppaea Sabina overliet. Als stadhouder van Lusitania was hij 10
+jaar lang een rechtvaardig bestuurder. Bij Nero's dood omhelsde hij
+de partij van Galba, tegen wien hij echter uit gekrenkte eerzucht
+in opstand kwam, waarop hijzelf tot keizer werd uitgeroepen. Door de
+legioenen aan den Rijn werd echter Vitellius tot keizer gekozen. Otho
+leed bij Bedriacum eene zware nederlaag, en benam zich hierop te
+Brixellum het leven, niet uit vrees, maar om den strijd te doen
+eindigen.
+
+Othryades, Othryades, -das, 1) Panthoüs, zoon van Othrys.--2) de eenig
+overgeblevene van de 300 Spartanen, die tegen evenveel Argiven een
+beslissenden strijd om het bezit van Cynuria zouden leveren (550). Van
+de Argiven waren bij het vallen van den nacht twee overgebleven, die
+naar huis snelden om hunne overwinning te berichten, maar O. bleef
+als overwinnaar op het slagveld. Daardoor was de twist niet beslecht
+en werd den volgenden dag een slag geleverd, waarin de Spartanen
+overwonnen. O. wilde echter zijne wapenbroeders niet overleven, en
+bracht zichzelf een doodelijke wonde toe. V. a. had hij vooraf op de
+buitgemaakte wapenrustingen met bloed zijn naam geschreven. Bij de
+Gymnopaediën werd zijn heldhaftig gedrag in liederen herdacht.
+
+Othryoneus, Othryoneus, thracisch vorst, die Priamus te hulp kwam en
+daarvoor Cassandra tot vrouw zoude krijgen. Hij werd door Idomeneus
+gedood.
+
+Othrys, Othrys, boschrijk gebergte in het Z. van Thessalia, in het
+gewest Phthiotis.
+
+Otrera, Otrera, koningin der Amazonen, bij Ares moeder van Penthesilea
+en Hippolyte. V. s. stichtte zij met Antiope den tempel van Artemis
+te Ephesus.
+
+Otus, Otos, een van de Aloaden.
+
+Otys, Otys, vorst van Paphlagonië, verbond zich met Agesilaus tegen
+den perzischen koning.
+
+Ovatio, een kleine triumftocht, elatton thriambos, die somtijds aan een
+veldheer werd toegekend, wanneer zijne verdiensten niet groot genoeg
+schenen voor een werkelijken zegetocht. De veldheer reed dan niet op
+een triumfwagen, maar was te voet of te paard, hij droeg geen lauwer-,
+maar een myrtenkrans, geen veldheersmantel, maar eene toga praetexta,
+hij offerde geen stier, maar slechts een schaap.
+
+Ovidius Naso (P.), den 20 Maart 43 te Sulmo uit eene ridderfamilie
+geboren, toonde reeds vroeg een buitengewonen aanleg voor de
+dichtkunst. Zijn vader had hem door eene zorgvuldige opvoeding den
+weg willen banen tot hooge eereambten, doch rhetorische oefeningen en
+staatszaken vielen niet in den smaak van den zoon, die gemakkelijker
+dicht dan ondicht schreef. Ovidius bekleedde dan ook slechts
+ondergeschikte ambten, namelijk dat van triumvir capitalis en van
+decemvir stlitibus iudicandis. Hij wijdde zich liever geheel aan de
+dichtkunst. Hij schreef treurspelen, die verloren zijn gegaan, doch
+waarvan de Medea algemeenen lof verwierf, schreef zijne Heroïdes,
+Amores, Medicamina faciei, Ars amatoria, Remedium amoris, en zijn
+groot dichtwerk, Metamorphoseon libri XV. In 9 na C. werd hij door
+Augustus naar Tomi in Moesia verbannen, aan de onherbergzame kusten van
+den Pontus Euxinus. Over de reden dezer verbanning (relegatio) ligt
+een sluier, men weet alleen, dat hij (volgens hem zelven onschuldig)
+verwikkeld was geworden in de uitspattingen van Augustus' kleindochter
+Iulia. Uit het oord der ballingschap schreef hij nog zijne Tristia,
+Epistulae ex Ponto, Ibis, Halieutica en de half voltooide Fasti. Deze
+laatste waren reeds vóór zijne verbanning gedicht, maar werden eerst
+na Augustus' dood met eene opdracht aan Germanicus uitgegeven. Andere
+gedichten van hem zijn verloren. Hij stierf in 17 na C. te Tomi,
+waar hij ook begraven is.
+
+Ovile of saeptum, afgesloten ruimte, die gebruikt werd voor de
+stemmingen der comitia centuriata op den Campus Martius, ten einde te
+zorgen, dat elke burger in zijne afdeeling stemde. De omheining bestond
+waarschijnlijk uit paal- en traliewerk ter halve manshoogte, en had
+zooveel uitgangen (pontes) als er centuriae tegelijk stemden. Aan
+het einde van elke pons stond de uit teenen gevlochten stembus,
+z. Maria (lex) de suffragiis ferendis. De saepta werden telkens
+weder afgebroken, totdat Caesar op den Campus Martius marmeren saepta
+liet bouwen.
+
+Ovinia (lex), een plebiscitum waarschijnlijk van ± 320 ut censores
+ex omni ordine optimum quemque iurati in senatum legerent, droeg de
+lectio senatus, die tot dien tijd door de consuls werd verricht, aan
+de censoren op. Met de ordines, waaruit de censoren de keuze moesten
+doen, zijn de verschillende klassen der gewezen curulische ambtenaren
+bedoeld. Reeds spoedig (± 300) is ook aan de gewezen aediles plebis
+toegang tot den senaat verleend; eerst in ± 102 werden de volkstribunen
+(z. Atinia (lex) en in 81 (z. Corneliae leges van 81 aan het einde)
+de quaestoren in den senaat opgenomen. Zoodoende werd de senaat
+indirekt door het volk gekozen, terwijl de taak der censoren zich
+bepaalde tot het uitstooten der onwaardigen (senatu movere, eicere,
+legendo praeterire). Terwijl de consuls tot nu toe in de eerste plaats
+patriciërs hadden gekozen, werd nu de senaat in hoofdzaak plebejisch,
+daar het meerendeel der ambtenaren tot dien stand behoorde.
+
+Oxathres, Oxathres, broeder van Darius Codomannus, streed roemrijk
+bij Issus; later onderwierp hij zich aan de Macedoniërs.
+
+Oxines, Oxines, kustrivier in Bithynia, die zich in den Pontus
+Euxinus stort.
+
+Oxiones, wilde, half mythische stam in het Noorden van Europa. Volgens
+andere lezing heeten ze Etiones.
+
+Oxus, Oxos, beter Oxos, thans Amoe-Darja of Gihon, groote rivier in
+Midden-Azië, die op den Paropanisus ontspringt en zich in het meer
+Aral, Oxia palus, uitstort. In ouden tijd moet ook een arm naar
+de Caspische zee gestroomd hebben. Deze liep uit in het bekken
+Sary-Kamisch, dat toen veel hooger gevuld was, en stroomde dan,
+tusschen den Grooten en Kleinen Balkan doorloopend, uit in de
+Koschu-odek-baai tegenover het eiland Ogurschinsk. Vóór Alexander
+den Groote wordt hij bij de oude schrijvers Araxes genoemd. Over
+deze rivier, waarvan de verlande stroom den naam Usboi draagt,
+trok Cyrus om de Massageten te bestrijden. Hij heeft in de oudheid
+als scheepvaartroute gediend: Indische waren gaan langs den Oxus
+naar de Hyrcanische zee (het zuidelijk gedeelte der Caspische zee),
+vandaar naar het land der Albani, en langs de rivier den Cyrus naar
+de Zwarte zee. Zie verder Iaxartes.
+
+Oxyartes, Oxyartes, 1) = Oxathres.--2) bactrisch edelman, die zich lang
+tegen Alexander verdedigde. Na zijne onderwerping maakte Alexander
+hem satraap van de landen aan den Paropanisus, waar hij zich ook na
+Alexander's dood staande hield. Hij was de vader van Roxane.
+
+Oxydracae, Oxydrakai, dapper indisch volk aan beide oevers van den
+Acesines.
+
+Oxylus, Oxylos, zoon van Haemon, den koning van Aetolië. De
+Heracliden, die volgens de uitspraak van het orakel voor hun inval in
+de Peloponnesus een gids met drie oogen moesten zoeken, vonden dien
+gids in den eenoogigen O. met den muilezel, waarop hij gezeten was,
+toen zij hem ontmoetten. Na de verovering van de Peloponnesus kreeg
+hij Elis tot belooning.
+
+Ozolae, Ozolai, zie Locris.
+
+
+
+
+
+
+P.
+
+
+Paches, Paches, atheensch veldheer, die het afvallige Mytilene tot
+overgave dwong (427) en bij verrassing Notium bezette. Te Athene
+teruggekeerd, werd hij aangeklaagd, en doodde hij zich zelf voor
+het gerecht.
+
+Pachynum of -us, Pachynos, Z.O. kaap van Sicilia, thans kaap
+Passaro. De aangrenzende baai werd portus Pachyni genoemd.
+
+Paconii, rom. geslacht, waarvan onder de eerste keizers enkele leden
+voorkomen.
+
+Pacorus, Pakoros, parthische koningsnaam in de dynastie der
+Arsaciden. 1) De voornaamste is de parthische prins, die door zijn
+vader Orodes I in 52 en 51 tegen Syria werd afgezonden, doch door
+C. Cassius, quaestor van den in 53 gesneuvelden Crassus, verslagen
+werd. In 40 veroverde Pac. Syria, Phoenice, Palaestina en Cilicia met
+behulp van den rom. uitgewekene Q. Attius Labienus, doch P. Ventidius
+Bassus versloeg de Parthen bij herhaling, Labienus sneuvelde in 39 en
+Pac. in 38, de laatste juist op de verjaardag van Crassus' dood.--2)
+een koning Pacorus regeerde tijdens Domitianus en Traianus.
+
+Pactolus, Paktolos, riviertje in Lydia, ontspringt op den Tmolus,
+stroomt langs Sardes en valt in den Hermus. Oudtijds voerde het veel
+goudstof mede, weshalve het chrysorroas werd genoemd. Hier behoort
+de mythe van koning Midas te huis, die zijn goudmakende kracht aan
+de bron van den P. moest afspoelen.
+
+Pactye, Paktye, stad aan de O. kust der thracische Chersonesus,
+verblijf van Alcibiades. Zie ook Lysimachea.
+
+Pactyes, Paktyes, een Lydiër, die voor Cyrus de schatten van Croesus
+beheerde. Hij verwekte een opstand tegen den perzischen stadhouder,
+maar bij het aanrukken van een perzisch leger vluchtte hij; na een
+poos gezworven te hebben kwam hij op Chius, van waar hij aan de Perzen
+uitgeleverd werd.
+
+Pactyica, Paktyïke, land der Pactyes, oostelijk gewest van het
+perzische rijk, ten Z. van den Paropanisus, een onderdeel van het
+latere Arachosia. De Pactyes zijn de tegenwoordige Afghanen.
+
+Pacuvii. 1) Pacuvius Calavius bekleedde tijdens den tweeden punischen
+oorlog te Capua de hoogste waardigheid en werkte mede om Hannibal
+binnen te halen. Zijn zoon daarentegen wapende zich met een dolk om
+Hannibal te vermoorden, maar liet zich door zijn vader van dat plan
+afbrengen.--2) M. Pacuvius, zusterszoon van Ennius, te Brundisium ± 220
+geboren, was schilder en vooral treurspeldichter. Hij volgde grieksche
+modellen, met name Sophocles en Euripides, en schreef ééne comoedia,
+doch 12 tragoediae, waaronder ééne praetexta, Paullus getiteld,
+waarvan vermoedelijk L. Aemilius Paullus, die den slag bij Pydna won,
+de hoofdpersoon was. Zijne laatste jaren sleet hij te Tarentum,
+waar hij in 132 stierf.--Later komen er nog andere Pacuvii voor,
+o. a. in Caesars leger in Gallia. Ook wordt er een Pacuvius vermeld,
+die tijdens keizer Tiberius na Piso (Calpurnii no. 7) eerst als legatus
+van Cn. Sentius, daarna tot 32 voor L. Aelius Lamia, dien Tiberius
+dwong te Rome te blijven, Syrië bestuurd heeft. Hij was berucht om
+zijn losbandige levenswijze.
+
+Padaei, Padaioi, een nomadenvolk in het N.W. van India, dat rauw
+vleesch at en zelfs ouden van dagen en zieken opat.
+
+Padus, rivier in Gallia Cisalpina, thans de Po. Hij stortte zich in zee
+door 7 mondingen, waarvan enkele door menschenhanden waren gegraven:
+Padusa, Spineticum ostium, ost. Sagis, Volane, ostia plena en fossae
+Philistinae. Zie ook Eridanus.
+
+Padusa, thans niet meer bestaande Po-arm, die langs Ravenna liep. Zie
+Padus.
+
+Paean, Paian, Paion, Paieon, 1) de geneesheer der goden. Verder
+bijnaam van verschillende goden, wanneer men hen om genezing van
+ziekte of bevrijding van smart aanroept, zoo van Apollo, Asclepius,
+Dionysus, Thanatus e. a.--2) een lied, waarin Apollo onder den naam
+Paean aangeroepen en geprezen wordt; later werden met dien naam lof-
+en dankliederen ter eere van verschillende goden aangeduid, in het
+bizonder de liederen die men in den oorlog bij den aanval en na de
+overwinning zong.
+
+Paeania, Paiania, demus van Attica, ten O. van den Hymettus,
+geboorteplaats van den redenaar Demosthenes (Paianieus).
+
+Paeanius, Paianios, sophist, die het Breviarium van Eutropius in het
+Grieksch vertaalde (380 n. C.).
+
+Paedagogus, paidagogos, een slaaf, die met de opvoeding van de kinderen
+zijns meesters belast was; hij behoefde hun geen onderwijs te geven,
+maar zijne taak was, hen overal te vergezellen en op hun gedrag toe
+te zien. Bij de Romeinen, die zich meer zelf met de opvoeding hunner
+kinderen bezig hielden, vond dit grieksche gebruik eerst in lateren
+tijd en slechts bij enkelen ingang.
+
+Paeligni = Peligni.
+
+Paemani, germaansche stam in Belgica aan de Mosa (Maas), bij het
+tegenw. Luik.
+
+Paenula, een regenmantel, alleen met eene opening om het hoofd door
+te steken, overigens gesloten en van achteren van een kap voorzien.
+
+Paeon, Paion, Paieon, z. Paean.
+
+Paeon, Paion, zoon van Endymion, broeder van Epeus (z. a.); v.s. was
+Paeonië naar hem genoemd.
+
+Paeones, Paiones, thracisch volk aan den bovenloop van den Axius.
+
+Paeonia, Paionia, het land der Paeones, gewest in het N. van Macedonia
+(z. a.).
+
+Paeonia, Paionia, of Paeonidae, Paionidai, demus van Attica, ten
+N. van Acharnae.
+
+Paeonius, Paionios, 1) van Ephesus, bouwmeester in de 5de eeuw,
+werkte mede bij de voltooiing van den tempel van Artemis te Ephesus
+(± 400) en bouwde den tempel van Apollo Didymeus bij Miletus.--2) van
+Mende, bekwaam beeldhouwer in de 5de eeuw, van wien een beroemd beeld,
+voorstellend de godin der overwinning (Nike), hoewel niet ongeschonden,
+te Olympia is opgegraven. Onjuist is het, dat ook een deel van de
+(eveneens bewaard gebleven) beeldhouwwerken ter versiering van den
+tempel van Zeus te Olympia van Pae. zouden zijn. V. s. zijn deze
+beeldhouwwerken van Panaenus (z. a.), die in Olympia gewerkt heeft.
+
+Paeoplae, Paioplai, paeonische stam aan de macedonische kust, aan
+den Strymon en den mons Pangaeus.
+
+Paestum, Paiston, vroeger Posidonia, stad op de lucanische kust aan
+den sinus Paestanus (golf van Salerno), kolonie van Sybaris, in 524
+gesticht. ± 400 viel de stad in handen van de Lucaniërs, en heette
+voortaan Paestum. In 273 brachten de Rom. er eene kolonie van Latijnen
+heen. Paestum was beroemd om zijne rozenteelt. Men vindt er nu nog de
+overblijfselen van drie grieksche tempels, die voor de geschiedenis der
+grieksche bouwkunst van groot belang zijn. Onder Templum vindt men een
+afbeelding van den meest bekenden, den zoogenaamden Poseidonstempel.
+
+Paesus, Paisos, stad en rivier in Troas, aan het begin van de
+Propontis. De stad is door Milete gesticht.
+
+Paetus, een familienaam, die in verschillende gentes voorkomt, en als
+adjectief lonkend beteekent. 1) beroemd rechtsgeleerde, zie Aelii.--2)
+echtgenoot der heldhaftige Arria, zie Caecinae.--3) vriend van Cicero,
+zie Papirii no. 14.--4) senator onder Nero, zie Thrasea.
+
+Pagae, Pegae, Pagai, Pegai, versterkte havenstad in Megaris aan de
+Corinthische golf.
+
+Paganalia, door Servius Tullius ingesteld, feesten door de inwoners
+van iederen pagus gevierd. Ze behooren tot de feriae conceptivae,
+zie feriae.
+
+Pagani, zie pagus.
+
+Pagasae, Pagasai, stad in het Z. van Thessalia, in het landschap
+Pelasgiotis, dicht bij de grens van Magnesia, aan den sinus Pagasaeus
+(golf v. Volo). Dichterlijk Pagasaeus = thessalisch.
+
+Pagus, landelijk distrikt, plattelandsgemeente. Soms behoorden de pagi
+tot het gebied eener stad en kan het woord door dorp worden overgezet,
+somtijds ook hadden zij eene grootere uitgebreidheid en vormden zij
+een zelfstandig geheel, overeenkomende met hetgeen wij een kanton
+of distrikt zouden noemen. De inwoners waren pagani. De dorpen,
+vlekken en gehuchten in zoo'n distrikt heetten vici (zie vicus
+no. 3). Te Rome werden de bewoners der vroegere buitenwijken ook
+pagani genoemd. Paganus beteekent ook: boersch, landelijk; onder de
+keizers wordt de naam gebezigd in tegenstelling met milites, en bij
+de kerkelijke schrijvers = heidenen.
+
+Paiderastia, knapenliefde, eene betrekking tusschen een volwassen man
+en een knaap, die medebracht, dat zij zooveel mogelijk in elkanders
+gezelschap waren, dat de man door goede voorbeelden en lessen een
+gunstigen invloed op de zedelijke ontwikkeling van den knaap trachtte
+uit te oefenen, en dat de knaap zich naar het voorbeeld van den man
+trachtte te vormen. Deze verhouding bestond vooral in dorische staten,
+in het bijzonder op Creta, waar de knaap evenals eene bruid uit het
+huis zijner ouders geroofd werd, na twee maanden vrijgelaten werd,
+maar zich dikwijls levenslang bij den man aansloot, waaruit soms
+de innigste vriendschap en broederschap, vooral in den oorlog,
+ontstond.--De man heette op Creta philetor, te Sparta eispnelas
+(inblazer), de knaap op Creta kleinos (geroemde), te Sparta aitas
+(toehoorder).--Werd van zulk een verkeer op onzedelijke wijze misbruik
+gemaakt, wat in oude tijden slechts zelden schijnt voorgekomen te zijn,
+dan konde de man gestraft worden met atimie, verbanning of zelfs met
+den dood, de knaap werd van openbare betrekkingen en van godsdienstige
+feesten uitgesloten. In lateren tijd verloor de zaak echter geheel en
+al hare oorspronkelijke beteekenis en ontaardde zij tot eene door en
+door onzedelijke verhouding, in welken vorm zij ook bij de Romeinen,
+vooral in den keizertijd, ingang vond.
+
+Paidonomos, te Sparta en op Creta een magistraat, die met het toezicht
+op de opvoeding der knapen belast was; hij werd bijgestaan door de
+bidyoi, en onder hem stonden de mastigophoroi, om door hem opgelegde
+straffen te voltrekken.
+
+Paistike, landstreek in het N. van Thracia.
+
+Palaegambrium, Palaigambreion, stad in Aeolis aan den Caicus.
+
+Palaemon, Palaimon, z. Melicertes.
+
+Palaepolis, Palaipolis, zie Neapolis.
+
+Palaephatus, Palaiphatos, 1) van Abydus, vriend van Aristoteles,
+schrijver van verscheiden geschiedkundige werken, die op enkele
+fragmenten na verloren gegaan zijn.--2) Aegyptenaar of Athener, wordt
+geroemd als schrijver van verscheiden thans verloren mythologische
+werken. Waarschijnlijk is van hem ook een nog behouden werkje peri
+apiston, dat op de wijze van Euhemerus, van wien P. een tijdgenoot
+schijnt geweest te zijn, allegorische of historische verklaringen van
+verscheiden mythen bevat. Het is langen tijd als schoolboek gebruikt.
+
+Palaerus, Palairos, zeestad in het N.W. van Acarnania.
+
+Palaescepsis, Palaiskepsis, zie Scepsis.
+
+Palaeste, Palaiste, kustplaats in het N.W. van Epirus, bij de
+Acroceraunische bergen, waar Caesar landde, toen hij tegen Pompeius
+optrok.
+
+Palaestina, Palaistine = land der Philistijnen, Philistaei,
+Philistaioi, die langs de kust der Middellandsche zee van de
+aegyptische grenzen N.waarts tot aan den berg Carmel woonden. Later
+werd de naam uitgebreid over het binnenland, tot zelfs over het
+transjordaansche gedeelte van het joodsche land. Over zijne geheele
+uitgestrektheid werd Pal. verdeeld in de volgende landschappen:
+ten W. van den Jordaan: Galilaea in het N., Samaria in het midden
+en Judaea in het Z. Het overjordaansche land werd Peraea geheeten;
+het N. gedeelte werd Batanaea of Basan (het weeke, vruchtbare land)
+genoemd en langs de rivier meer in het bijzonder Gaulonitis; het
+Z. deel heette Galaäditis (het harde, ruwe land). Onder Salomo had
+het rijk der Israëlieten zijne grootste uitgebreidheid, het reikte
+toen tot aan den Euphraat. Nog bij Salomo's leven echter ging Syria
+weder verloren, en na zijn dood splitste zich de staat in twee deelen;
+het rijk der 10 stammen, dat in 722 door Salmanezer werd vernietigd,
+en dat van Juda, waaraan Nebukadrezar in 588 een einde maakte. Onder
+Cyrus werd het land perzisch, onder Alexander d. G. macedonisch. Na
+diens dood kwam het in den beginne onder Aegypte, was een tijd lang
+een twistappel tusschen dit rijk en Syrië, tot het eindelijk onder
+Antiochus III aan Syrië bleef. De poging van Antiochus IV Epiphanes,
+om den mozaischen eeredienst met geweld door den griekschen te
+doen verdringen, had een opstand ten gevolge, en van 130 tot 64
+vormde Pal. nogmaals een vrijen staat onder het vorstenhuis der
+Maccabaeën. Broedertwisten tusschen Aristobulus en Hyrcanus hadden de
+inmenging der Rom. ten gevolge. Zie verder Herodes en Herodes Agrippa.
+
+Palaestra, palaistra, het gedeelte van een gymnasium, dat meer bepaald
+tot beoefening der gymnastiek bestemd is. Soms wordt de naam echter
+voor afzonderlijke gebouwen gebruikt, die weinig van de gymnasia
+schijnen te verschillen, en waarschijnlijk meer in het bizonder door
+athleten van beroep bezocht werden.
+
+Palaetyrus, Palaityros, zie Tyrus.
+
+Palamedes, Palamedes, zoon van Nauplius en Clymene, een wijs, dapper
+en rechtvaardig man, wien de uitvinding van vuurtorens, maten en
+gewichten, eenige letters, dobbelspel e.a. toegeschreven wordt. Toen
+Odysseus zich poogde te onttrekken aan zijne verplichting om deel
+te nemen aan den tocht tegen Troje, werd P. met anderen gezonden om
+hem daartoe te nopen. Zij vonden Odysseus, terwijl hij in geveinsde
+waanzinnigheid ploegde met een ploeg, waarvoor hij een os en een ezel
+gespannen had, en zout in plaats van koren in de voren zaaide. P. legde
+den jongen Telemachus voor den ploeg, en daar Odysseus vermeed
+over het kind heen te rijden, toonde hij dat zijne krankzinnigheid
+slechts voorgewend was. Daardoor verbitterd, bewerkte Odysseus zijn
+ondergang. Hij liet namelijk voor Troje een brief onderscheppen,
+dien hijzelf geschreven had, maar die schijnbaar door Priamus aan
+P. gericht was, en waaruit blijken moest, dat P. had aangeboden de
+Grieken voor geld te verraden. Toen de inhoud van dezen brief bekend
+gemaakt was, en men in de tent van P. een som gelds gevonden had,
+waarvan in den brief sprake was, maar die door Odysseus zelf daar
+verborgen was, was het hem gemakkelijk zijn vijand door het volk ter
+dood te doen veroordeelen, vooral daar ook Agamemnon en Diomedes,
+naijverig op den roem van P., zijn dood wenschten.--Hij had later
+een heiligdom op de kust van Klein-Azië, tegenover Lesbus.
+
+Palatinus, bijnaam van Apollo, naar zijn tempel op den mons Palatinus.
+
+Palatinus (mons), een der heuvels van Rome. Op dezen heuvel heeft
+het oudste Rome, Roma quadrata, gelegen. Het N.W. gedeelte van den
+berg heette Cermalus, terwijl de ten N. gelegen Velia ook bij deze
+oudste nederzetting behoorde. Op of bij den Palatinus lagen zeer oude
+heiligdommen, o.a. het Lupercal; ook vond men er tot in late tijden
+de met stroo gedekte Casa Romuli. In den laatsten tijd der republiek
+woonden hier vele aanzienlijke Romeinen, o.a. M. Tullius Cicero,
+Crassus, Hortensius, Catilina en Clodius. Uit iets lateren tijd is
+nog over een particulier huis, gewoonlijk het huis van Livia, de
+eerste keizerin van Rome, genoemd. In den keizertijd werd de geheele
+berg eigendom van de keizers, die er hun verschillende paleizen (het
+woord is van palatium afgeleid) gebouwd hebben. Bekend zijn vooral de
+domus Augustana, met daarnaast den Apollo-tempel en de bibliotheek,
+de domus Tiberii, het paleis der Flavische keizers, het Stadium,
+door Domitianus of één der latere keizers in den berg uitgegraven,
+en het Septizonium, door Septimius Severus gebouwd.
+
+Pale, lucta, luctatio, het worstelen, een van de voornaamste spelen
+bij de grieksche feesten. De worstelaars trachtten elkander op den
+grond te werpen, en alle middelen waren daartoe geoorloofd behalve
+slaan; daarbij lette men echter zeer op bevalligheid in houding en
+bewegingen. Zoodra een van beiden viel, liet zijn tegenstander hem
+opstaan, en eerst wanneer de een den ander driemaal op den grond
+geworpen had, was de strijd beslist; later werd het gevecht echter,
+wanneer een van beiden neergeworpen was, op den grond voortgezet,
+totdat hij geen kans zag zich weder op te richten en zich overwonnen
+moest verklaren. De worstelaars hadden hun lichaam met fijn zand
+bestrooid en de grond van het worstelperk was met zand bedekt.
+
+Palenses, Pales, inwoners der stad Pale, Pale, in het W. van het
+eiland Cephallenia.
+
+Pales, eene godin of een god der romeinsche herders die de kudden
+vruchtbaar maakte en voedde, zie Palilia.
+
+Palibothra, Palibothra, groote en bijzonder sterke hoofdstad der
+Prasii in India, aan den Ganges, bij het tegenw. Patna.
+
+Palice, Palike, stad der Siculi, door Ducetius gesticht (453/2),
+ten N.W. van Syracusae, bij het heiligdom der Palici (z. a.).
+
+Palici, Palikoi, daemonen, die op Sicilië vereerd werden, tweelingzonen
+van Zeus en een sicilische nimf. Uit vrees voor de jaloerschheid van
+Hera had hun moeder zich voor hunne geboorte onder de aarde verborgen,
+maar zoodra zij geboren waren, opende de aarde zich en werden zij door
+het daglicht beschenen. Ten N.W. van Syracusae (zie Palice) waren
+twee aan hen gewijde, kleine, diepe meren met warm water, waaruit
+zwaveldampen opstegen. Wie van een misdaad beschuldigd was en zijne
+onschuld durfde bezweren, werd bij een van deze meren gebracht, zijn
+eed werd op een schrijftafeltje geschreven en dit werd in het water
+geworpen. Bleef het drijven, dan was de aangeklaagde vrijgesproken,
+zonk het, dan gold de eed voor valsch, en de meineedige werd
+onmiddellijk in den krater van den Aetna geworpen of van het gezicht
+beroofd. In de nabijheid was de tempel der P., waar slaven, die door
+hunne meesters hard behandeld werden, een toevluchtsoord vonden.
+
+Palilia, feest ter eere van Pales den 21sten April door romeinsche
+herders gevierd. Men stak stroovuren aan, dreef het vee driemaal er
+om heen, en sprong zelf driemaal er over, om vergiffenis te verwerven
+voor onopzettelijke verontreiniging van heilige wouden en bronnen. Het
+was een uitgelaten vroolijk feest en gold tevens als gedenkdag van
+de stichting van Rome.
+
+Palimbothra = Palibothra.
+
+Palindikia, anadikia, tweede behandeling van een proces. Men konde
+nl. vernietiging van een vonnis vragen (palindikein, anadikazesthai),
+wanneer dit door een openbaar scheidsrechter (z. diaitetes) was
+uitgesproken, of wanneer men bij verstek (z. eremos dike) of op grond
+van valsche getuigenissen (z. pseudomartyrion dike) veroordeeld was.
+
+Palinodia, een gedicht, waarin men herroept wat in een vroeger
+gedicht gezegd is, ook in het algemeen het herroepen van een vroeger
+gezegde. Beroemd is de pal. van Stesichorus (z.a.).
+
+Palinurus, Palinouros, stuurman van Aeneas, viel bij de naar hem
+genoemde kaap Palinurum, ten Z. van Velia, in zee; hij zwom aan land,
+maar werd door de Lucaniërs gedood. Op bevel van een orakel werd hij
+later eervol begraven en werden lijkspelen te zijner eere ingesteld.
+
+Palla, 1) vrouwengewaad, een overkleed, dat men omwierp en dat tot
+op de voeten afhing, doch bij nimfen en jageressen door de dichters
+meermalen wordt geschilderd als slechts tot de knie reikende. De
+rom. dames gebruikten het dikwijls in plaats der meer deftige
+stola.--2) bij goden, heroën, dichters en zangers, een dergelijk
+gewaad, tot op den grond hangende en dikwijls slepende, ten einde
+hun een rijziger gestalte te geven.
+
+Pallacopas, Pallakopas of Pallacottas, Pallakottas, zijkanaal van
+den Euphraat in de richting der arabische woestijn, waar het doodliep.
+
+Palladium, Palladion, een beeld van Pallas Athena of van Pallas,
+de dochter van Triton, door de godin Athene zelve gemaakt en door
+Zeus aan Ilus (z.a.) of aan Dardanus gegeven. Het was een staande
+houten beeld, drie el hoog, met aaneengesloten voeten, het hield in de
+rechterhand een speer, in de linker een spinrokken. Toen de Grieken
+door Helenus vernomen hadden, dat Troje niet genomen konde worden,
+zoolang het Palladium binnen zijne muren was, slopen Odysseus en
+Diomedes in de stad en roofden het. Zoo kwam het naar Argos of Athene
+(z. Diomedes en Demophon). De Rom. beweerden echter dat Aeneas het
+naar Italië had medegebracht, zij bewaarden het in den tempel van
+Vesta, waar zelfs de pontifex maximus het niet zien of aanraken mocht.
+
+Palladius (Rutilius Taurus Aemilianus), rom. schrijver van een
+uitvoerig werk over den landbouw in 14 boeken, vermoedelijk uit de
+4de eeuw na C.
+
+Pallantia, dochter van Euander, geliefde van Heracles; naar haar is
+de Mons Palatinus genoemd.
+
+Pallantia, Pallantia, hoofdst. der Vaccaei in Hispania Tarraconensis,
+thans Palencia, aan den Pisoraca (Pisuerga), een zijtak van den Durius
+(Douro).
+
+Pallantias, -tis, Aurora, kleindochter van Pallas.
+
+Pallantidae, Pallantidai, de 50 zonen van Pallas no. 5, die Aegeus
+van de regeering beroofden, maar later door Theseus deels gedood,
+deels verjaagd werden.--Ook eene atheensche familie, die van dezen
+Pallas beweerde af te stammen, noemde zich zoo.
+
+Pallantium, Pallantion, oude stad in Zuid-Arcadia, ten W. van Tegea,
+vanwaar Euander met eene kolonie naar Latium verhuisde, waar hij
+ergens aan den Tiber eene gelijknamige stad zou gesticht hebben. Het
+arcadisch Pallantium werd in 369 ontvolkt ten behoeve van Megalopolis.
+
+Pallas, Pallas, gen. -ados, 1) P. Athena z. Athena.--2) eene gezellin
+van Athena, door wie zij bij ongeluk gedood werd; haar beeld was
+v. s. het Palladium. Zij wordt dochter van Triton genoemd en is
+eigenlijk niemand anders dan de godin zelve.
+
+Pallas, Pallas, gen. -antos 1) een van de Titanen, zoon van Crius en
+Eurybia.--2) een van de Giganten, door Athena gedood en gevild; met
+zijne huid bekleedde zij haar schild.--3) zoon van Lycaon, grootvader
+van Euander, stichter van Pallantium in Arcadië.--4) zoon van Euander
+(z. a.), sneuvelde door de hand van Turnus.--5) zoon van Pandion,
+broeder van Aegeus, in wiens plaats hij eenigen tijd regeerde; hij
+werd door Theseus gedood.--6) een vrijgelaten slaaf, broeder van
+Antonius Felix, procurator van Judaea, evenals deze vrijgelatene
+van Antonia minor (zijn vollen naam luidt: M. Antonius Pallas),
+die zich in de gunst van keizer Claudius wist in te dringen, en
+zich grooten invloed en rijkdom verwierf (hij bekleedde het ambt a
+rationibus). Het huwelijk van Claudius met Agrippina en de adoptie
+van Nero was voor een groot deel zijn werk. Onder Nero geraakte hij
+echter op den achtergrond, hij moest zich (55 n. C.) uit het openbare
+leven terugtrekken en werd in 62 ter dood gebracht.
+
+Pallene, Pallene, 1) W. landtong van Chalcidice.--2) demus in Attica.
+
+Palliata, sc. fabula, eene romeinsche comoedie, die in Griekenland
+speelt en waarbij de acteurs in grieksch gewaad optraden.
+
+Pallium, himation, pharos, lange wollen mantel, meestal wit, bij de
+Grieken door mannen en vrouwen gedragen, en wel gewoonlijk op dezelfde
+wijzen als de toga der Romeinen. Het dragen van een pallium over den
+chiton was echter volstrekt niet algemeen en gold bij de Romeinen
+zelfs lang als een teeken van verwijfdheid, in lateren tijd was het
+de geliefkoosde dracht van wijsgeeren of hen die daarvoor gehouden
+wilden worden.
+
+Palma, rom. of lat. kolonie (123) op het eiland Balearis maior.
+
+Palmyra, Palmyra, of Thadmôr = palmenstad, door Salomo aangelegd in een
+oase der syrische woestijn. Als middelpunt van karavaanwegen bereikte
+het een hoogen trap van bloei. Gebruik makende van de verwarring in
+het rom. rijk, stichtte de stadhouder Odenathus er in 260 na C. een
+zelfstandig rijk, dat zich onder zijne gemalin en opvolgster Zenobia
+over Syrië, Aegypte en een deel van Voor-Azië uitbreidde. Doch in
+272 werd Palmyra door keizer Aurelianus ingenomen en, na een opstand,
+verwoest; Zenobia werd als gevangene naar Rome gevoerd. De stad had een
+prachtigen zonnetempel. In 1691 heeft men belangrijke overblijfselen
+der schoone en uitgestrekte stad teruggevonden, die in het laatst
+der vorige eeuw wetenschappelijk onderzocht en beschreven zijn.
+
+Paludamentum, witte of purperroode krijgsmantel der
+rom. veldheeren. Paludatus = met den veldheersmantel bekleed.
+
+Palumbinum, stadje in Samnium, ligging onbekend.
+
+Pamisus, Pamisos, 1) zuidelijke zijtak van den Peneus in Thessalia.--2)
+rivier in Messenia, stroomt door de vruchtbare vlakte Macaria.--3)
+oude grensrivier tusschen Messenia en Laconica, die even ten N. van
+Thalamae in de Messenische golf uitloopt.
+
+Pammenes, Pammenes, 1) Thebaan, tijdgenoot van Epaminondas,
+onderscheidde zich in de oorlogen tegen Sparta en bleef met een
+leger in de Peloponnesus om de Arcadiërs gedurende de stichting van
+Megalopolis te beschermen; ook als bevelhebber over de thebaansche
+hulptroepen van Artabazus no. 2 verwierf hij grooten roem (353). Toen
+hij echter met de vijanden van Artabazus onderhandelingen aanknoopte,
+liet deze hem gevangen nemen. Philippus van Macedonië woonde gedurende
+zijn verblijf te Thebe als gijzelaar in het huis van P.--2) leeraar
+der welsprekendheid te Athene, tijdgenoot van Cicero, die met lof
+van hem spreekt.
+
+Pammerope, Pammerope, dochter van Celeüs, eerste priesteres bij de
+eleusinische mysteriën.
+
+Pamphila, Pamphile, 1) van Cos, uitvindster van het zijdeweven. Zij
+leefde in het begin der vierde eeuw.--2) aegyptische of epidaurische
+vrouw, die een aantal bijzonderheden op het gebied van geschiedenis,
+wijsbegeerte, rhetorica, enz., te boek stelde, zooals zij die
+gedurende haar dertienjarig huwelijk uit de gesprekken van haar man
+en zijne talrijke bezoekers had opgevangen of uit haar lectuur had
+opgeteekend. Zij leefde ten tijde van Nero.
+
+Pamphilus, Pamphilos, 1) atheensch veldheer, landde in den
+corinthischen oorlog op Aegina en belegerde de stad (389), daar zijne
+vloot echter verjaagd werd, kwam hij in groote verlegenheid; na 5
+maanden werd hij ontzet. Hij werd veroordeeld, en stierf voor hij de
+boete betaald had.--2) leerling van Plato, leeraar der wijsbegeerte
+op Samus, waar Epicurus zijne voordrachten hoorde.--3) van Amphipolis,
+beroemd schilder, leerling van Eupompus en leermeester van Apelles; ook
+werken van hem over schilderkunst worden genoemd.--4) uit Alexandria,
+grammaticus ten tijde van Nero, schreef een uitgebreid woordenboek.
+
+Pamphos, Pamphos, episch dichter, ouder dan Homerus, aan wien hymnen
+ter eere van verschillende goden werden toegeschreven.
+
+Pamphyloi, naam van een der drie dorische phylae (z. phyle), zoo
+genoemd naar Pamphylus.
+
+Pamphylia, Pamphylia, gewest aan de Zuidkust van Asia minor. De
+bevolking was zeer gemengd en bestond uit inboorlingen, Ciliciërs en
+Grieken, hieraan was ook de naam Pamphyli, Pamphyloi, ontleend. Het
+land stond achtereenvolgens onder perzische, macedonische, syrische,
+pergameensche en romeinsche heerschappij. De voornaamste steden zijn
+Aspendus, Perge, Side en Attalea.
+
+Pamphylus, Pamphylos, zoon van Aegimius, trok met de Heracliden naar
+de Peloponnesus en sneuvelde daar.
+
+Pan, Pan, veld-, bosch- en herdersgod, zoon van Hermes of Zeus en
+Callisto of de nimf Penelope. Reeds bij zijne geboorte was hij bijna
+geheel volwassen, hij had horens, een krommen neus, spitse ooren,
+een staart en bokspooten (Aigipodes, Semicaper), bovendien was hij
+geheel met haar begroeid. Hij beschermt kudden (Nomios), bosschen
+en weiden, jacht (Agreus), visscherij en bijenteelt. Het liefst
+zwerft hij in Arcadië, over de bergen (Oressibates), waar hij jaagt,
+de nimfen bij den dans aanvoert (Philochoros) of zich vermaakt met
+het spelen op de door hem uitgevonden herdersfluit (z. Syrinx),
+waarin hij het zoover gebracht had, dat hij zelfs Apollo tot een
+wedstrijd durfde uitdagen (z. Midas). De Atheners geloofden, dat
+zij aan zijne hulp de overwinning bij Marathon te danken hadden, hij
+kon n.l. in den strijd gewichtige diensten bewijzen, door met zijne
+vervaarlijke stem den vijanden schrik en ontzetting aan te jagen;
+van dit vermogen maakt hij echter ook misbruik, om bij onschuldige
+reizigers of wandelaars in eenzame wouden een plotselingen (panischen)
+schrik te veroorzaken. Zoo had hij ook de Titanen in hun strijd tegen
+de goden door trompetgeschal op de vlucht gedreven. Met zijne kinderen
+en verdere afstammelingen (Panes, Paniskoi, Panisci) sluit hij zich
+gaarne bij den luidruchtigen stoet van Dionysus aan. De nimfen, die
+hij met zijne liefde dikwijls hardnekkig vervolgt, ontvluchten hem
+gewoonlijk of worden door de goden tegen hem beschermd.--In lateren
+tijd beschouwden sommigen hem naar aanleiding van zijn naam als een
+symbool van het heelal, zijn dans stelde dan de eeuwige beweging voor,
+zijn horens en baard waren de zonnestralen, enz.--Pan werd vooral
+in Arcadië, maar ook elders in Griekenland vereerd, aan sommige van
+zijne tempels waren orakels verbonden. Te Athene hield men jaarlijks
+te zijner eer een wedloop met fakkels.--Men offerde hem bokken,
+lammeren, koeien, melk, honig en most; de steeneik en de pijnboom
+waren hem gewijd.--De Romeinen vereenzelfdigden hem met Faunus.
+
+Panacea, Panakeia, dochter van Asclepius.
+
+Panachaicus (mons), Panachaïkon oros, berg in Achaia, ten Z. van de
+invaart der Corinthische golf.
+
+Panactum, Panakton, grensvesting tusschen Attica en Boeotia, ten
+N. van Eleusis.
+
+Panaei, Panaioi, thracisch volk, in den omtrek van Amphipolis
+woonachtig.
+
+Panaenus, Panainos, beroemd schilder te Athene, broeder van Phidias,
+medewerker aan de beroemde schilderij van den slag bij Marathon in
+de poikile stoa te Athene. Ook het schilderwerk aan den troon van
+het Zeusbeeld te Olympia was van hem. Z. ook Paeonius.
+
+Panaetius, Panaitios, van Rhodus, zoon van Nicagoras, geb. omstreeks
+180, genoot te Athene het onderwijs van Diogenes den Babyloniër en
+Antipater van Tarsus. Te Rome vond hij vele leerlingen en leefde hij
+op vertrouwden voet met Laelius en den jongen Scipio, dien hij op
+eene reis naar Azië en Aegypte vergezelde (140). Later keerde hij
+naar Athene terug, waar hij Antipater als hoofd der stoicijnsche
+school opvolgde (129), talrijke leerlingen vormde en omstreeks 112
+stierf. Hij heeft tot de verbreiding der stoicijnsche leer, vooral
+te Rome, zeer veel bijgedragen en wordt vooral door Cicero dikwijls
+met lof genoemd; evenwel schijnt hij het gestrenge van die leer in
+vele opzichten verzacht en zich ook tot de peripatetische school
+aangetrokken gevoeld te hebben. Zijne geschriften zijn grootendeels
+verloren, zijn voornaamste werk peri tou kathekontos werd door Cicero
+in zijn werk de officiis nagevolgd.
+
+Panaetolicus (mons), Panaitolikon oros, berg in het hart van Aetolia,
+ten N. van den Trichonius lacus.
+
+Panathenaea, Panathenaia, het voornaamste feest der Atheners in het
+derde jaar van iedere Olympiade, van den 24sten, v. s. van den 21sten,
+tot den 28sten Hecatombaeon ter eere van Athena Polias gevierd. De
+invoering er van als een landelijk feest onder den naam Athenaia wordt
+aan Erichthonius toegeschreven, zijn eigenaardig karakter als feest
+van de geheele attische burgerij en zijn naam had het van Theseus
+gekregen, door Pisistratus waren voordrachten van gedichten van
+Homerus aan de feestelijkheden toegevoegd, die later door Pericles
+nog verdere uitbreiding kregen. Behalve de wedstrijden in muziek,
+gymnastiek, rijden, enz., waarbij vele prijzen uit kruiken met olie
+van de heilige olijfboomen bestonden, moet vooral vermeld worden
+de groote optocht (pompe), waarmede aan de godin een nieuw kleed
+(peplos) gebracht werd. Dit kleed was saffraankleurig, door atheensche
+vrouwen geweven en met het prachtigste borduurwerk, waarvan patroon
+en uitvoering van staatswege goedgekeurd moesten zijn, versierd. Het
+werd als zeil aan den mast van een schip vastgehecht, en dit werd op
+rollen naar de acropolis voortbewogen, gevolgd door grijsaards met
+olijftakken in de handen (thallophoroi), dochters van edele burgers,
+die mandjes met offergereedschap droegen (kanephoroi), terwijl stoelen
+en zonneschermen haar nagedragen werden door vrouwen en dochters der
+metoeci (diphrophoroi, skiadephoroi), verder volgde de ruiterij en
+verdere krijgslieden in de schoonste wapenrusting, overwinnaars in de
+feestspelen bij vroegere Panathenaea gevierd, eindelijk de geheele
+burgerij in feestgewaad, meestal nog gezantschappen van atheensche
+kolonies en andere staten. Op den optocht volgde een offerfeest, groot
+genoeg om het geheele volk te onthalen.--De fries van het Parthenon was
+door Phidias versierd met eene afbeelding in relief van den optocht
+der Panathenaea, en een groot gedeelte van dit beeldhouwwerk is nog
+bewaard gebleven.--Behalve dit groote feest werden ieder jaar kleine
+Panathenaea gevierd, waarschijnlijk bestaande in wedstrijden en offers.
+
+Panchaea, Panchaia, fabelachtig eiland in den Erythraeïschen oceaan
+tegenover Gelukkig Arabië, met een heerlijk klimaat en voortbrengselen
+van verschillenden aard, z. Euhemerus.
+
+Pancration, pankration, worsteling en vuistgevecht tusschen
+athleten. De strijders waren geheel naakt en hadden ook geen caestus.
+
+Panda Cela, italiaansche oogstgodin, die te Rome aan den voet van
+het Capitolium een tempel had.
+
+Pandareüs, Pandareos, zoon van Merops, stal voor Tantalus een
+gouden hond uit den tempel van Zeus op Creta, en toen Zeus hem
+terugeischte, vluchtte hij naar Athene en van daar naar Sicilië,
+waar hij stierf. Eene van zijne dochters was Aedon; de andere twee
+werden na de vlucht van P. door de godinnen Aphrodite, Hera, Artemis
+en Athena met vele goede eigenschappen begiftigd, doch toen zij zouden
+trouwen, werden zij door de Harpyieën weggeroofd en aan de Erinyen
+tot dienaressen gegeven.
+
+Pandarus, Pandaros, 1) zoon van Lycaon, aanvoerder van de lycische
+bondgenooten der Trojanen, zeer bekwaam boogschutter. Toen door
+de strijdende partijen vastgesteld was, dat de oorlog door een
+tweegevecht tusschen Menelaus en Paris beslist zoude worden, schond
+P. op aansporing van Athena dit verdrag door op Menelaus een pijl
+af te schieten. Hij werd door Diomedes gedood.--2) zoon van Alcanor,
+tochtgenoot van Aeneas, met zijn broeder Bitias door Turnus gedood.
+
+Pandataria, Pandataria, eiland op de kust van Campania, waarheen
+Augustus zijne dochter Julia verbande. Ook Agrippina de oude werd
+hierheen door keizer Tiberius verbannen, en stierf er in 33 n. C. den
+hongerdood.
+
+Pandektai, zie Digesta.
+
+Pandemus, Pandemos, bijnaam van Aphrodite (z. a.).
+
+Pandion, Pandion, 1) zoon van Phineus en Cleopatra. Ten gevolge van de
+valsche beschuldigingen hunner stiefmoeder Idaea, werd hij met zijn
+broeder Plexippus door Phineus van het gezicht beroofd en gevangen
+gehouden, z. Calais.--2) koning van Athene, vader van Erechtheus,
+Butes, Procne en Philomela.--3) zoon van Cecrops, koning van Athene,
+van waar hij door de Metioniden verdreven werd. Hij vluchtte naar
+Megara, waar hij de dochter van koning Pylas huwde, de regeering kreeg,
+en na zijn dood als heros vereerd werd. Zijne zonen waren Aegeus,
+Pallas, Nisus e. a.
+
+Pandionis, Pandionis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van
+Attica door Clisthenes verdeeld werd.
+
+Pandora, Pandora, de eerste vrouw, door alle goden (vandaar de
+naam) met schoonheid, lieftalligheid en kunstvaardigheid begiftigd,
+had van Zeus een doos gekregen, waarin alle ongelukken opgesloten
+waren. Daarop liet hij haar door Hermes naar Epimetheus brengen,
+die haar tegen den raad van Prometheus ontving. Uit nieuwsgierigheid
+opende zij het deksel van de doos, waarop alle rampen zich over de
+aarde verspreidden; alleen de hoop bleef op den bodem er van liggen,
+toen P. het deksel spoedig sloot.
+
+Pandorus, Pandoros, zoon van Erechtheus en Praxithea, stichter eener
+atheensche volkplanting op Euboa.
+
+Pandosia, Pandosia, 1) stad in het epirotische landschap Thesprotia
+aan den Acheron.--2) stad in Lucania, ten W. van Heraclea.--3) stad
+in Bruttii bij Consentia.
+
+Pandotira, Pandoteira, geefster van alles, bijnaam van Demeter.
+
+Pandrosus, Pandrosos, dochter van Cecrops, had te Athene naast den
+tempel van Athena Polias een heiligdom, waarin de heilige olijfboom
+stond. Athene zelve heeft ook den bijnaam Pand.
+
+Panegyris, panegyris, groote feestvergadering, zooals bijv. bij de
+viering van de groote nationale feesten der Grieken gehouden werd. De
+feestredenen (panegyrikoi logoi) bij zulke gelegenheden uitgesproken,
+waren dikwijls schitterende voorbeelden van welsprekendheid en
+stijl. Zij strekten meestal tot verheerlijking van het feest of de
+feestvierenden, soms ook van enkele personen; in het laatste geval
+waren het lofredenen, en in deze beteekenis komen Panegyrici ook bij
+de Rom. voor.
+
+Pangaeus (mons), Pangaion oros, gebergte op de macedonische kust,
+ten O. van Amphipolis, tot welks gebied het behoorde. Het leverde
+goud en zilver op.
+
+Panhellenius, Panellenios, bijnaam van Zeus als den nationalen god
+van alle Grieken. Onder dien naam had hij op Aegina een tempel, het
+Panhellenium, en werden voor hem op verscheiden plaatsen feesten,
+Panhellenia, gevierd.
+
+Panhormus = Panormus.
+
+Panionia, Panionia, vergadering der 12 steden van Ionië bij den
+bondstempel, het Panionium, nabij Mycale gehouden en verbonden met
+feesten ter eere van Poseidon.
+
+Panionium, Panionion, tempel van Poseidon bij kaap Mycale, bondstempel
+der aziatisch-ionische steden.
+
+Paniscus, Paniskos, z. Pan.
+
+Pannonia, Pannonia, rom. Donauprovincie, door den Donau begrensd, van
+omstreeks Vindobona (Weenen) af tot aan de samenvloeiing met de Tisia
+(Theiss). De inwoners waren hoofdzakelijk van illyrischen stam. Er
+waren echter sedert de 4de eeuw vele keltische stammen ingedrongen,
+o. a. de Scordisci. Onder Augustus werd Pann. tot rom. provincie
+gemaakt, maar eerst na de demping van den pannonischen opstand (6-9
+n. C.) door Tiberias werd de rom. heerschappij er bevestigd. Het
+land werd ingedeeld in P. Superior en P. Inferior. In den lateren
+keizertijd werd de indeeling herhaaldelijk gewijzigd, en o. a. Valeria
+(zie Valeria no. 3) er van afgescheiden.
+
+Panomphaeus, Panomphaios, bijnaam van Zeus als den god, die door
+hoorbare teekens de toekomst voorspelt.
+
+Panope, Panopeus, Panope, Panopeus, oude belangrijke stad in Phocis,
+dicht bij de grenzen van Boeotia, later vervallen.
+
+Panopeus, Panopeus, zoon van Phocus, vergezelde Amphitryo op zijn
+tocht tegen de Taphiërs en nam deel aan de calydonische jacht. Hij
+was de vader van Epeus no. 2.
+
+Panoplia, de geheele uitrusting van een zwaargewapende, schild, helm,
+borstharnas, scheenplaten, zwaard en lans. Deze moest ieder hopliet
+zich zelf aanschaffen. Vandaar dat het aantal zwaargewapenden in de
+Grieksche staten steeds tamelijk gering gebleven is, en men gerust
+kan aannemen, dat ieder boerengezin, iedere familie van zeugitai,
+slechts één hopliet behoefde te leveren. Z. ook hoplitai en psiloi.
+
+Panopolis, Panopolis, oudtijds Chemmis, Chemmis, Chemmo, oude stad
+in Aegypte, aan den Nijl, stroomafwaarts van Thebae, grootendeels
+door linnenwevers en metselaars bewoond.
+
+Panoptes, Panoptes, bijnaam van Argus naar de vele oogen, waarmede
+zijn lichaam bezaaid was.
+
+Panormus, doch beter Panhormus, Panormos (= geheel en al haven). 1)
+havenstad op Sicilia, thans Palermo, phoenicische volkplanting,
+later carthaagsch, sedert 254 in handen der Rom.--2) in Achaia,
+aan de invaart der Corinthische golf.--3) haven van Ephesus.
+
+Pansa, familienaam in de gentes Vibia, Titinia, Appuleia.
+
+Pantagias, Pantakyas, riviertje op de O.-kust van Sicilia, ten N. van
+Syracusae, bij Trotilum.
+
+Pantaleon, Pantaleon, wierp zich in 660 tot tyran van Pisa op en
+regeerde overmoedig. Hij beoorloogde de Eleërs en ontnam hun het
+beheer over de olympische spelen.
+
+Panteus, Panteus, Spartaan, vriend van Cleomenes III, dien hij bij al
+zijne ondernemingen getrouw ter zijde stond; hij vergezelde hem ook
+na den slag bij Sellasia naar Aegypte en doodde zich te gelijk met hem.
+
+Pantheon, prachtige tempel, in 25 door M. Agrippa te Rome opgericht
+op den Campus Martius en in de 2de eeuw n. Chr. door keizer
+Hadrianus herbouwd. Het gebouw, dat nog een sieraad is van het
+hedendaagsche Rome, is cirkelvormig en heeft eene middellijn van
+132 voet binnenwerks. In den 19 voet dikken muur zijn 7 ruime nissen
+aangebracht, waarvan het verwulfsel telkens door twee zuilen wordt
+gesteund, met uitzondering van de nis over den uitgang. Het gebouw is
+gedekt door een ontzaglijk koepeldak, met eene opening van 40 voet
+middellijn in het midden. Het dak rust alleen op de muren. Vóór
+den ingang is een ruim voorportaal aangebracht, in drie schepen
+verdeeld. Het trotsche gebouw was waarschijnlijk in de eerste plaats
+aan Mars en Venus gewijd als de godheden der gens Iulia, v. s. in
+de eerste plaats aan Jupiter Ultor. Welke goden en heroën verder de
+nissen vulden, is onbekend.
+
+Panthoides, Panthoïdes, Euphorbus, zoon van Panthous; ook Pythagoras,
+die beweerde dat hij vroeger als Euphorbus op aarde geleefd had.
+
+Panthous, -thus, Panthoos, -thous, zoon van Othrys, een van de oudsten
+van Troje, priester van Apollo en dapper krijgsman.
+
+Panticapaeum, Pantikapaion, milesische volkplanting in de taurische
+Chersonesus (Krim), gewoonlijk Bosporus geheeten, later hoofdstad
+van het bosporaansche rijk. Thans Kertsch.
+
+Pantomimus, Pantomimos, een tooneelstuk waarin de geheele handeling
+door lichaamsbewegingen en gebarenspel werd uitgedrukt (saltare
+fabulam). De pantomimen waren van rom. oorsprong en vielen zeer in
+den smaak. De stichter van het genre is waarschijnlijk Bathyllus
+(z. a. no. 2.) Keizer Nero trad er gaarne in op.
+
+Panyasis, Panyasis, van Halicarnassus, oom van Herodotus, werd door
+den tyran Lygdamis gedood. Als episch dichter vond hij bij zijne
+tijdgenooten niet veel bijval, lateren schatten hem echter zeer
+hoog en sommigen stelden hem in den canon der epici onmiddellijk na
+Homerus. Van zijne werken, Herakleia en Ionika, zijn weinige maar
+schoone fragmenten bewaard gebleven.
+
+Paphia, Paphia, bijnaam van Aphrodite, naar Paphus, waar zij zich
+het liefst ophield en een beroemden tempel had.
+
+Paphlagonia, Paphlagonia, gewest van Asia minor aan den Pontus Euxinus
+(Zwarte zee), tusschen den Parthenius en den Halys, bergachtig en meer
+voor veeteelt dan voor landbouw geschikt. Het leverde voortreffelijk
+hout voor den scheepsbouw op. De bewoners, Paphlagones, Paphlagones,
+worden reeds bij Homerus vermeld. De geschiedenis van dit landje
+is van belang ontbloot. Het was achtereenvolgens lydisch, perzisch,
+macedonisch, na Alexanders dood onafhankelijk. In 220 veroverden de
+paphlagonische vorsten Pontus; van 180 tot 120 was Paphl. weder van
+Pontus gescheiden, daarna er mede hereenigd, tot het in handen der
+Romeinen viel.
+
+Paphus, Paphos, zoon van Pygmalion (z.a.), stamheros der stad Paphus.
+
+Paphus, Paphos, naam van twee aan Aphrodite geheiligde steden op de
+Z.W. kust van Cyprus. Te Oud-Paphus, Palaipaphos, een phoenicische
+kolonie, was de godin aan land gestegen. Dáár had zij een prachtigen
+tempel, waar op 100 altaren voortdurend wierook werd gebrand. Dáár
+en op Cythera was haar meest geliefdkoosd verblijf. Nieuw-Paphos,
+nea Paphos, lag landwaarts in.
+
+Papia (lex) de virginibus Vestalibus, misschien van 65. Volgens
+deze wet moest de pontifex maximus voor de keuze eener Vestalin 20
+meisjes uitkiezen, waaruit dan in een contio door het lot ééne zou
+worden aangewezen.
+
+Papia (lex) de peregrinis, plebisciet van 65, waarbij den niet-burgers
+het verblijf te Rome werd ontzegd, en straf bedreigd werd tegen hen,
+die zich het burgerrecht hadden aangematigd. Zie Junia (lex).
+
+Papia Poppaea (lex), z. Julia et Papia Poppaea (lex).
+
+Papii, geslacht uit Samnium afkomstig. Bekend is vooral C. Papius
+Mutilus, een van de aanvoerders der bondgenooten in den Marsischen
+oorlog. Later trad hij op als een van de aanvoerders der democratische
+partij, en hield hij de verdediging van Nola tegen Sulla vol tot
+het jaar 80. Toen hij daarop naar zijn huis te Teanum vluchtte,
+weigerde zijn vrouw Bastia hem den toegang, omdat hij op de lijst
+der proscripti stond, waarop hij zich van kant maakte.
+
+Papinianus (Aemilius), zeer beroemd rom. rechtsgeleerde uit den tijd
+van keizer Septimius Severus, bij wien hij in hoog aanzien stond en
+onder wien hij als praefectus praetorio den veldtocht naar Britannia
+mede maakte (208 n. C.). Hij schreef verscheidene rechtsgeleerde
+werken. De voornaamste hiervan zijn de Quaestiones (37 boeken)
+en de Responsa (17 boeken), die in de wetboeken van Justinianus
+vaak aangehaald worden. Na Severus' dood zocht hij als bemiddelaar
+tusschen Caracalla en Geta op te treden. Daarom liet Caracalla hem,
+na de vermoording van Geta, ombrengen (212 n. C.).
+
+Papinius, zie Statii no. 7.
+
+Papiria (lex), waarschijnlijk van 304, dat niemand een gebouw of altaar
+mocht wijden zonder goedkeuring van het volk of, volgens andere lezing,
+zonder verlof van den senaat of de meerderheid der volkstribunen.
+
+Papiria (lex) van den volkstribuun L. Papirius, z. Tresviri no. 2.
+
+Papiria (lex) semiunciaria, van den volkstribuun C. Papirius Carbo
+Arvina (Papirii no. 13), van 89, waarbij de as tot op een halve uncia
+verkleind werd, maar de waarde dezelfde bleef = 1/4 sestertius. Z. As.
+
+Papiria (lex) de libertinorum suffragiis van den zelfden, werd door
+Sulla opgeheven.
+
+Papiriae (leges) van den volkstribuun C. Papirius Carbo, 131. De eene
+dezer wetten, de tribunis plebis reficiendis, bepalende dat dezen
+zonder beperking herkiesbaar zouden zijn, werd verworpen. De andere,
+eene lex tabellaria, voerde de geheime stemming ook bij wetgevende
+comitiën in, zie Tabellariae (leges).
+
+Papirii, rom. geslacht, waarin de plebejische Carbones en de
+patricische Crassi en Cursores de voornaamste familiën zijn. 1)
+M'. Papirius Crassus was in 441 de eerste consul uit dit geslacht.--2)
+L. Papirius Crassus, consul in 436, oorloogde tegen de Vejenten.--3)
+L. Papirius Crassus was in 340 dictator, terwijl L. Papirius Cursor
+(no. 6) zijn magister equitum was. Hij voerde echter niet veel
+uit. In 336 was hij consul en evenzoo in 330, in welk laatste jaar hij
+tegen de stad Privernum streed. Hij was de eerste van zijn geslacht,
+die zijn naam met een r schreef, vroeger heetten zij Papisii.--4)
+M. Papirius Crassus, broeder van no. 3, was dictator tegen de Galliërs
+in 332.--5) L. Papirius Cursor was censor in 393. Toen zijn ambtgenoot
+C. Iulius Iulus gestorven was, werd M. Cornelius Maluginensis in
+diens plaats gekozen. Daar echter in den loop van dit lustrum Rome
+door de Galliërs werd ingenomen, is er na dien tijd nooit meer een
+censor suffectus gekozen, maar werd de censor genoodzaakt na den
+dood van zijn ambtgenoot af te treden. De opgegeven reden is echter
+waarschijnlijk niet de ware.--6) L. Papirius Cursor, reeds genoemd
+bij no. 3, was in 325 dictator tegen de Samnieten. Toen zijn magister
+equitum (z. Fabii no. 14) in zijne afwezigheid tegen zijn bevel slag
+geleverd en eene luisterrijke overwinning behaald had, wilde Papirius,
+die woedend was, Fabius met den dood straffen. Het leger kwam in verzet
+en Fabius vluchtte naar Rome, waarheen Papirius hem volgde. Senaat,
+volksvergadering, tribunen, alles moest er aan te pas komen, eer de
+dictator zich liet vermurwen. Hij koos echter een anderen mag. eq.,
+L. Pap. Crassus (no. 3). Het leger was hierover zoo verbitterd,
+dat het in den volgenden slag met opzet den dictator eene nederlaag
+bezorgde. Hierop matigde Papirius zijne strengheid, en met zijne
+soldaten verzoend, behaalde hij eene beslissende overwinning. Dit
+verhaal is niet geheel betrouwbaar. In 320 was hij consul, en wischte
+de schande van de nederlaag bij Caudium (321) uit, door de Samnieten
+te verslaan. De berichten hieromtrent zijn tamelijk waardeloos. In
+315 en 313 bekleedde P. nogmaals het consulaat; in 310--de Fasti
+Capitolini geven ten onrechte het jaar 309--was hij dictator. Hij
+was een uitstekend veldheer.--7) L. Papirius Cursor, zoon van no. 6,
+bracht samen met zijn ambtgenoot Sp. Carvilius Maximus als consul
+in 293 den Samnieten, in 272 den Tarentijnen beslissende nederlagen
+toe en maakte een einde aan den oorlog met Tarentum; de berichten
+hieromtrent zijn echter niet betrouwbaar. Hij bouwde in 293 een
+nieuwen tempel voor Quirinus.--8) C. Papirius Maso, consul in 231,
+had de Corsen overwonnen, de senaat echter weigerde hem de eer van
+een zegetocht. Toen was Maso de eerste, die een triumftocht op den
+albaanschen berg hield.--9) Papiria, dochter van no. 8, was de vrouw
+van L. Aemilius Paullus, den overwinnaar bij Pydna, en de moeder van
+Scipio Africanus minor.--10) L. Papirius Mugillanus, consul in 444,
+censor in 443, maakte zich in 420 als interrex verdienstelijk door een
+twist te bezweren tusschen senaat en volkstribunen.--11) C. Papirius
+Carbo, volkstribuun in 131, een begaafd redenaar, geraakte over zijn
+wetsvoorstel de tribunis plebis reficiendis (zie Cornelii no. 18 en
+Papiriae (leges)), in hevigen strijd met Scipio Africanus minor en
+werd later van medeplichtigheid aan diens dood verdacht (129). Zie
+omtrent hem ook onder Agrariae leges, Lex Sempronia agraria van
+den volkstribuun Tib. Gracchus van 133. In 120 sloot hij zich als
+consul bij de senaatspartij aan, maar werd toch na den afloop van
+zijn consulaat door L. Licinius Crassus (zie Licinii no. 12) wegens
+deelneming aan de woelingen der Gracchen aangeklaagd, waarop hij zich
+door vergif van kant maakte.--12) Cn. Papirius Carbo, broeder van
+no. 11, consul in 113, werd bij Noreia door de Cimbren verslagen.--13)
+C. Papirius Carbo Arvina, zoon van no. 11, werd als aanhanger van
+Sulla op last van den jongen Marius omgebracht. Z. Papiria (lex)
+semiunciaria.--14) Cn. Papirius Carbo, aanhanger van Marius, was in
+85 en 84 consul met L. Cornelius Cinna, na wiens dood hij alleen het
+consulaat bekleedde. In 82 was hij opnieuw consul, maar, bij herhaling
+in 83 en 82 door Sulla verslagen, vluchtte hij naar Sicilia, waar hij
+in handen van den jongen Pompeius viel, die hem liet ombrengen.--15)
+L. Papirius Paetus was een van Cicero's vrienden, hij had een afkeer
+van de politiek.--16) M. Papirius, romeinsch ridder, die bij een
+schermutseling op de via Appia door de schuld van Clodius omkwam
+(58). De aanleiding tot deze schermutseling was het ontsnappen uit
+de hechtenis van Tigranes (zie Tigranes no. 2).
+
+Pappus, Pappos, van Alexandrië, leefde ten tijde van Diocletianus, en
+schreef verscheiden werken over aardrijkskunde en Oneirokritika. Een
+belangrijk meetkundig werk van hem, Mathematike Synagoge, is bewaard
+gebleven.
+
+Papus, familienaam in de gens Aemilia.
+
+Parabasis, parabasis, z. Comoedia.
+
+Parabolon, -bolion, het geld, dat bij de rechtbank gedeponeerd wordt
+door iemand, die van een vonnis appelleert.
+
+Parabyston, een gebouw, in een afgelegen wijk van Athene gelegen,
+waar de elfmannen geheime zittingen hielden.
+
+Paracheloitis, Parachaloitis, vruchtbare landstreek aan den mond van
+den Achelous, in Aetolia.
+
+Paraebates, Paraibates, van Alexandrië, cyrenaeïsch wijsgeer,
+leermeester van Hegesias.
+
+Paraetacene, Paraitakene, perzisch = bergland; 1) op de grenzen van
+Persis en Media.--2) in het N.O. van Bactriana.
+
+Paraetonium, Paraitonion, aegyptische havenstad op de kust van
+Marmarica, met Pelusium de sleutels van Aegypte, cornua Aegypti,
+genoemd.
+
+Paragraphe, exceptie van niet-ontvankelijkheid eener aanklacht,
+door den aangeklaagde opgeworpen. De verliezende partij moest aan de
+tegenpartij de epobelia betalen, wanneer hij minder dan een vijfde
+der stemmen kreeg.
+
+Parakatabole, eene geldsom, die bij sommige processen door den
+aanklager als waarborg gestort werd. Won hij het proces, dan werd
+hem het geld teruggegeven, anders verviel het aan de staatskas of
+aan de tegenpartij.
+
+Paralia, Paralia, eene smalle strook lands op Attica's Westkust,
+van kaap Sunium tot nabij de havens van Athene. De Paraliërs vormden
+tijdens Solon de middenpartij, de gematigde partij tusschen de
+aristocratische Pediaeërs en de democratische Diacriërs.
+
+Paralii, Paralioi, eigenlijk bewoners van de Paralia, die gedurende de
+burgertwisten ten tijde van Pisistratus de gematigde partij vormden;
+vandaar werd de naam ook aan die partij als zoodanig gegeven.
+
+Paralus, Paralos, 1) = Paralia.--2) kuststreek van Malis.
+
+Paralus, Paralos, een schip dat door den atheenschen staat gebruikt
+werd om gezanten bij feesten of godsdienstige plechtigheden naar de
+plaats hunner bestemming te brengen, boodschappen over te brengen
+naar de vloten, die in zee waren of in vreemde havens lagen, enz. De
+bemanning werd Paraloi genoemd.
+
+Paranomon graphe, aanklacht wegens het voorstellen van een wet of
+volksbesluit, dat met de bestaande wetten in strijd is. Zoodra men
+met een eed (hypomosia) verklaarde, dat men iemand wegens zulk een
+wetsvoorstel wilde aanklagen, werd de behandeling van het voorstel
+geschorst, totdat over de aanklacht beslist was. De zaak werd voor
+de archonten behandeld, de straf was niet bij de wet bepaald, maar in
+ieder geval verloor hij, die driemaal op zulk een aanklacht veroordeeld
+was, het recht om wetten of besluiten voor te stellen.--Zelfs wanneer
+het voorstel reeds tot wet verheven was, kon men nog gedurende een
+jaar eene graphe paranomon tegen den voorsteller indienen, na dien tijd
+kon hem persoonlijk geen straf meer treffen, en kon het doel van zulk
+eene graphe slechts zijn, de wet om genoemde reden te doen intrekken.
+
+Paranymphos, iemand, die een jonggehuwd paar vergezelt, wanneer de
+man op den avond van den bruiloftsdag zijne vrouw van haar huis naar
+het zijne brengt, gewoonlijk een van de naaste bloedverwanten.--Was
+de man reeds vroeger getrouwd geweest, dan kwam hij zijne vrouw
+niet zelf halen, maar werd zij hem door een bloedverwant of vriend,
+nymphagogos, gebracht.
+
+Parapotamii, Parapotamioi, stad in Phocis op de boeotische grenzen,
+aan den linkeroever van den Cephisus.
+
+Parapresbeias graphe, aanklacht tegen iemand, die van zijne betrekking
+van gezant ten nadeele van zijne lastgevers misbruik maakt. Zulke
+zaken werden voor de euthynen behandeld, het bepalen van de straf
+was aan de rechters overgelaten.
+
+Parasange, parasanges, perzische maat, ook door grieksche schrijvers
+dikwijls gebruikt om afstanden te bepalen; 1 par. = 30 stadiën,
+ongeveer een uur gaans.
+
+Parasitus, parasitos, helpers of ondergeschikten van overheidspersonen
+en priesters; in de comedie een klaplooper, iemand die voor een goed
+maal zich tot allerlei diensten laat gebruiken en zich de spotternijen
+van gastheer en gasten laat welgevallen.
+
+Parastades, zie Antae.
+
+Parastas, z. Oikia.
+
+Parastasis, eene kleine som geld, misschien een drachme, die men bij
+het indienen eener graphe deponeerde, als het ware als onderpand dat
+de aanklacht ernstig gemeend was.
+
+Parauaea, landstreek in het N. van Epirus, in het binnenland.
+
+Parcae, romeinsche naam der schikgodinnen, geheel geïdentificeerd
+met de Moerae.
+
+Paredroi, bijzitters, aan verschillende overheidspersonen toegevoegd
+om hen van een deel hunner werkzaamheden te ontlasten, bijv. aan de
+archonten, euthynen e. a.
+
+Parengraptoi, wederrechtelijk als burgers ingeschrevenen,
+z. Diapsephisis.
+
+Parentalia, zie feralia.
+
+Parilia = Palilia.
+
+Paris, Paris, zoon van Priamus en Hecabe. Na zijne geboorte gaf
+zijn vader hem aan een herder om hem op den Ida te vondeling te
+leggen (z. Aesacus), hij werd echter door een berin gezoogd, en
+toen de herder na vijf dagen het kind nog gezond en wel vond, nam
+hij het mede en voedde hij het met zijn eigen zoon op. P. groeide
+als een schoon jongeling onder de herders op; wegens de dapperheid,
+waarmede hij meermalen de kudden tegen roovers verdedigde, gaf men
+hem den naam Alexander. Hij trouwde met Oenone, leefde gelukkig
+met haar, en werd na verloop van tijd ook weder door zijne ouders
+herkend. Kort daarna kwam Hermes hem uit naam van Zeus de opdracht
+brengen om als rechter op te treden in een strijd tusschen Hera,
+Athena en Aphrodite. Daar namelijk op de bruiloft van Peleus en
+Thetis alle goden en godinnen genoodigd waren behalve Eris, die men
+uit vrees voor onaangenaamheden uitgesloten had, wreekte deze zich
+door onder de gasten een gouden appel te werpen met het opschrift:
+aan de schoonste. Op dezen appel maakten nu de genoemde drie godinnen
+aanspraak, en weldra ontbrandde tusschen hen een hevige twist, die
+nu op raad van Zeus door P. beslecht zou worden. Hera beloofde hem
+indien de beslissing gunstig voor haar was, rijkdom en macht, Athena
+wijsheid en krijgsroem, Aphrodite de schoonste vrouw. P. gaf den appel
+aan Aphrodite, en van dien tijd vervolgen de beide andere godinnen hem
+en alle Trojanen met bittere vijandschap. Hij gaat daarop naar Sparta,
+waar hij gastvrij ontvangen wordt, en gedurende eene afwezigheid van
+Menelaus schaakt hij de schoone Helena en voert hij haar mede naar zijn
+vaderland, in alles geholpen door Aphrodite, die op deze wijze hare
+belofte vervulde. De trojaansche oorlog is hiervan het gevolg. In dien
+oorlog toonde hij zich over het algemeen onstandvastig en verwijfd,
+en hoewel hij soms dapper strijdt en o.a. ook Achilles doodt, haat
+het volk hem als de oorzaak van den oorlog. Kort voor de inneming
+van Troje werd hij door Philoctetes gedood. Z. Oenone.
+
+Parisii, volksstam aan de Sequana. Hoofdstad: Lutetia Parisiorum,
+in den lateren keizertijd residentiestad, thans Parijs.
+
+Parium, Parion, havenstad in Mysia, milesische kolonie aan de Propontis
+bij den Hellespont, sedert den tijd van Augustus rom. kolonie. Aan
+de stichting hadden ook kolonisten uit Erythrae medegewerkt.
+
+Parma, Parma, stad der Boii in Gallia Cispadana, sedert 183
+rom. kolonie, aan de via Aemilia. De parmaansche schapenwol was
+beroemd.
+
+Parmenides, Parmenides, van Elea, geb. omstreeks 540, uit een rijk
+en aanzienlijk geslacht, aanhanger van Xenophanes, met wien hij
+nog persoonlijk bekend was. Van zijn leven is weinig bekend, als
+man van edel karakter, diepzinnig denker en verstandig wetgever was
+hij in zijn vaderstad hoog geëerd; reeds tamelijk bejaard kwam hij
+te Athene, waar hij den jongen Socrates ontmoette.--Het leerdicht
+van P., waarvan slechts weinige fragmenten bewaard gebleven zijn,
+heeft voornamelijk ten doel de eenheid en onveranderlijkheid van
+het heelal te betoogen. Slechts het zijn bestaat, het niet-zijn,
+dus ook het worden en te niet gaan, bestaat niet; het zijnde bestaat
+in den vorm van een bol, eeuwig, onveranderlijk, overal aan zichzelf
+gelijk. Veelheid en afwisseling is slechts een ijdele vertooning,
+waarin de menschen door zinsbedrog iets waars meenen te erkennen,
+het ware inzicht in de eenheid van het bestaande kan men alleen door
+denken verkrijgen, zelfs het denken en dat, waarop de gedachte zich
+richt, is hetzelfde. P. was, naar het schijnt, de eerste, die de
+goden als personificaties van natuurkrachten enz. verklaarde.
+
+Parmenio, Parmenion, 1) Macedoniër, een van de bekwaamste
+generaals van Philippus en Alexander. Hij overwon de Illyriërs,
+onderhandelde met de Atheners over den vrede van 346, stond later
+aan het hoofd der macedonische troepen op Euboea, en werd in 336
+naar Azië gezonden om toebereidselen te maken voor den oorlog tegen
+Perzië. Onder Alexander voerde hij het bevel over het voetvolk,
+dikwijls vermaande hij Alexander tot voorzichtigheid en gematigdheid,
+maar zijne raadgevingen vonden weinig ingang. Na den slag bij Arbela,
+waarin hij den linkervleugel aanvoerde, gaf Alexander hem het bestuur
+over Medië, na den dood van Philotas meende hij echter diens vader
+niet langer te moeten vertrouwen en liet hij hem heimelijk uit den
+weg ruimen.--2) Macedoniër, dichter van eenige grieksche epigrammen,
+waarschijnlijk tijdgenoot van Augustus.--3) een bouwmeester, die door
+Alexander bij de stichting van Alexandrië gebruikt werd.
+
+Parmeniscus, Parmeniskos, leerling van Aristarchus, schreef commentaren
+op Homerus en de tragici.
+
+Parnassides, Parnasides, de Muzen, naar haar verblijf op den Parnassus.
+
+Parnassus, Parna(s)sos, gebergte in Phocis, aan Apollo, Dionysus en
+de Muzen geheiligd. Naar de twee hooge, meestal met sneeuw bedekte
+bergspitsen Lycorea of Hyampea en Tithorea (Lykoreia, Hyampeia,
+Tithorea) werd de Parnassus dikwijls de tweetoppige genoemd. Van
+boven was hij met dennebosschen bedekt, in de laagte tierden mirten,
+laurieren en olijven. Het gebergte was rijk aan kloven, valleien,
+bronnen en beken. Men vond er Delphi met zijn tempel en orakel, de
+bron Castalia, de Corycische grot, de rotsen Phaedriades, van waar
+tempelroovers en godslasteraars in den afgrond werden geworpen. Onder
+den naam Cirphis scheidde zich een zijtak naar het Z. af. Door een
+diep ravijn tusschen beide bergen in stroomde de Plistus en liep de
+weg van Delphi naar Daulis met een zijweg naar Stiris. Op den daardoor
+gevormden driesprong (schiste hodos) versloeg Oedipus zijn vader Laïus.
+
+Parnes, gen. -ethis, Parnes, -ethos, een woest en ruw boschrijk
+gebergte in N.W. Attica. Bovenop stonden altaren en een standbeeld
+van Zeus Parnethius.
+
+Parnon, Parnon, bergketen tusschen Laconica en de landstreek Cynuria
+of Thyreatis.
+
+Parochos, naam, die soms aan den paranymphos gegeven wordt, omdat
+hij met het jonggehuwde paar op denzelfden wagen zat.
+
+Parodia, parodia, verdraaiing van een algemeen bekend gedicht, zoodat
+door eene kleine verandering in de woorden een geheel andere zin
+ontstaat, liefst iets belachelijks. In de blijspelen van Aristophanes
+zijn op deze wijze een aantal verzen van verschillende dichters,
+voornamelijk van Euripides, geparodiëerd.
+
+Parodos, het eerste optreden van het koor in een tooneelstuk, ook
+de deur ter zijde van de orchestra door welke het binnenkomt, verder
+het lied dat bij het eerste optreden gezongen wordt.
+
+Paropanisus, Paropanisos, soms Paropamisus, het hooggebergte aan
+de bronnen van den Oxus en den Indus. Het W. deel draagt nog dezen
+naam, het O. gedeelte wordt Hindoe-Koh geheeten. Het is hetzelfde
+gebergte als de Caucasus Indicus. De omwonende volksstammen werden
+Paropanisadae genoemd.
+
+Paropus, Paropos, stadje op Sicilia nabij Himera.
+
+Paroreatae, Paroreatai, met de Caucones de oudste bewoners van het
+triphylische bergland in Elis.
+
+Parorea, -ia, Paroreia, streek in het N.O. van Epirus, in Molossis,
+aan de grens van Macedonia.
+
+Paros = Parus.
+
+Parrhasia, Parrasia, stad en landstreek in het Z.W. van
+Arcadia. Parrhasius = arcadisch.
+
+Parrhasis, arcadische vrouw, in het bijzonder bijnaam van Callisto.
+
+Parrhasius, Parrasios, 1) z. Parrhasia.--2) van Ephesus, een van de
+beroemdste grieksche schilders, leefde in het begin der 4de eeuw te
+Athene. Vooral de levendigheid en bevalligheid in de gelaatstrekken
+zijner beelden worden geroemd. Hij was zeer overmoedig en trotsch,
+droeg een purperen mantel, kroon en met goud versierden staf. Hij
+ging eens een wedstrijd aan met Zeuxis, en terwijl deze een tros
+druiven zoo natuurlijk schilderde, dat de vogels er op toevlogen,
+bedroog P. zijn mededinger zelven met een geschilderd gordijn, dat
+deze voor een werkelijk gordijn hield, zoodat hij op het punt stond
+het te willen wegschuiven.
+
+Parthaon, Parthaon, zoon van Agenor en Epicaste, koning van Calydon
+en Pleuron, vader van Oeneus.
+
+Parthaonides, Meleager, kleinzoon van Parthaon.
+
+Partheni = Parthini.
+
+Parthenia, parthenia, -neia, hymnen, die door een koor van jonkvrouwen
+met begeleiding van fluitspel gezongen worden, terwijl het zich
+op feestdagen in optocht naar een tempel begaf. Als dichters van
+Parthenia zijn bekend Alcman, Pindarus, Simonides e.a.
+
+Partheniae, partheniai, zonen van spartaansche vrouwen en heloten,
+geboren gedurende de lange afwezigheid der Spartanen in den eersten
+messenischen oorlog. Daar hun niet de rechten van burgers gegeven
+werden, verlieten zij hun vaderland; zij gingen onder aanvoering van
+Phalanthus naar Italië en stichtten Tarentum.
+
+Parthenium, Parthenion, stad in de mysische landstreek Teuthrania,
+ten Z. van den Caicus.
+
+Parthenius, Parthenios, 1) episch dichter van Chius, naar men zeide
+afstammeling van Homerus.--2) van Nicaea in Bithynië, werd in den
+mithradatischen oorlog gevangen en naar Rome gebracht (72). Hij werd
+spoedig vrijgelaten en bleef, na een kort verblijf te Neapolis, te Rome
+wonen, waar hij met Cornelius Gallus bevriend werd. Vergilius leerde
+bij hem Grieksch. Hij schijnt vooral elegieën gedicht te hebben,
+bewaard gebleven is een werk onder den titel Erotika pathemata,
+bevattende 36 liefdesgeschiedenissen in proza, dat vooral waarde
+heeft door de vele fragmenten van alexandrijnsche geleerden, die
+met opgave van bronnen er in opgenomen zijn.--3) grammaticus in
+de 1ste eeuw na C.--4) gunsteling van Domitianus, nam deel aan de
+samenzwering, die den keizer het leven kostte; onder Nerva werd hij
+bij een soldatenoproer gedood.
+
+Parthenius mons, Parthenion oros, bergketen op de arcadisch-argolische
+grenzen, ten N.O. van Tegea, met een heiligdom van Pan.
+
+Parthenius, Parthenios, rivier in het W. van Paphlagonia.
+
+Parthenon, Parthenon, de beroemde tempel van Pallas Athena, de maagd
+(parthenos). Zie Athenae.
+
+Parthenopaeus, Parthenopaios, zoon van Ares, Milanion of Meleager
+en Atalanta, een van de zeven vorsten die met Adrastus tegen Thebae
+optrokken.
+
+Parthenope, Parthenope, eene van de Sirenen.
+
+Parthenope, Parthenope, oude naam voor Neapolis (Napels).
+
+Parthenus, Parthenos, 1) bijnaam van de maagdelijke godin Athena,
+waarnaar haar beroemde tempel, het Parthenon te Athene, genoemd
+was.--2) het sterrenbeeld de Maagd, waarin men Erigone no. 1 meende
+te herkennen.
+
+Parthia, Parthia, Parthyaia, Parthyene, het land der Parthen
+(Parthi, Parthoi), ten O. van Media gelegen, over het algemeen
+woest en onvruchtbaar. De Parthen waren van oorsprong een turanisch
+nomadenvolk en uiterst geoefende ruiters en tevens voortreffelijke
+boogschutters. Terwijl zij schijnbaar vluchtten, keerden zij zich op
+hunne paarden om en troffen met goed gemikt schot den vervolgenden
+vijand (fugaces Parthi). Eerst waren zij onderworpen aan het perzische
+rijk, vervolgens aan het macedonische, daarna aan het syrische. Doch
+tijdens koning Antiochus II Theos stonden de Parthen op (248) en
+stichtten een eigen rijk, dat, in den beginne klein, zich allengs
+door veroveringen van den Indus tot aan den Euphraat uitbreidde
+(± 150). Zij bleven een barbaarsch volk, maar hunne vorsten namen,
+evenals de andere oostersche koningen, de hellenistische beschaving
+aan. Hunne 31 koningen hadden allen, behalve hun bijzonderen naam, nog
+dien van Arsaces. In plaats van het, oude Hecatompylus werd Ctesiphon
+tot hoofdstad verheven. De Parthen betoonden zich verbitterde vijanden
+van het rom. rijk. In 227 na C. maakte een Pers, Artaxerxes, zoon van
+Sassan, zich van het bewind meester en stichtte zoo het nieuw-perzische
+rijk onder de dynastie der Sassaniden.
+
+Parthini of Partheni, Parthinoi, Parthenoi, illyrisch volk bij
+Dyrrachium. Stad: Parthus.
+
+Parthiscus, bij latere schrijvers de naam van den Tisia (Theiss).
+
+Parthyaea, Parthyene = Parthia.
+
+Parus, Paros, thans Paro, eil. van de groep der Cycladen, beroemd
+door het schitterend witte marmer, Parius lapis, uit den berg
+Marpessus. Oudtijds heette het Minoa, ook Demetrias. De eerste
+iambendichter, Archilochus, was er geboren. Geschiedkundig is het
+o.a. bekend door de vergeefsche expeditie van Miltiades. In 1627
+werd hier eene marmeren plaat gevonden met 93 regels historische en
+letterkundige aanteekeningen. Zij werd aangekocht door lord Thomas
+Arundel en door diens kleinzoon Henry Howard in 1667 aan de bibliotheek
+van Oxford ten geschenke gegeven, waar zij nog is (marmor of chronicon
+Parium, Arundelium of Oxoniense).
+
+Paryadres, Paryadres, gebergte in het O. van Pontus, langs de grens
+van Armenia minor, eene voortzetting van den mons Moschicus.
+
+Parysatis, Parysatis, stiefzuster en gemalin van Darius Nothus, onder
+wiens regeering zij grooten invloed had, zoodat de spartaanschgezinde
+politiek van den koning in den peloponnesischen oorlog aan haar
+werd toegeschreven; ook haar zoon Artaxerxes Mnemon beheerschte zij
+geheel en al, ofschoon zij duidelijk genoeg liet blijken, dat zij
+aan haar anderen zoon, Cyrus, de voorkeur boven hem gaf, o. a. door
+de wreedheid waarmede zij allen vervolgde, die aan zijn dood schuld
+schenen te hebben. Wegens het vergiftigen van Statira, de gemalin
+van Artaxerxes, werd zij eenigen tijd van het hof verwijderd.
+
+Pasargada of -dae, Pasargada, -dai, oude hoofdstad van Persis, benoemd
+naar de Pasargadae (z.a.). De stad lag in den Z.O. hoek van Persis,
+aan de grens van Carmania. Hier was het graf van Cyrus.
+
+Pasargadae, Pasargadai, de edelste stam der Perzen, waartoe ook de
+Achaemeniden behoorden.
+
+Pasicrates, Pasikrates, vorst van Soli op Cyprus, die zich aan
+Alexander d. G. onderwierp.
+
+Pasinu (Spasinu) Charax, zie Charax.
+
+Pasion, Pasion, een geldwisselaar, die als metoeke te Athene leefde
+en wegens zijne mildheid jegens den staat het burgerrecht kreeg;
+zijne strenge eerlijkheid was in geheel Griekenland bekend. Hij stierf
+in 370.
+
+Pasiphaë, Pasiphae, 1) dochter van Helius en Perseis, gemalin van Minos
+(z. a.), moeder van den Minotaurus.--2) eene godin, die te Thalamae
+no. 2 een tempel had, waar droomorakels gegeven werden.
+
+Pasiphaeia, Phaedra, dochter van Pasiphaë.
+
+Pasiteles, Pasiteles, beroemd beeldhouwer, bronsgieter en ciseleur
+uit Zuid-Italië, werkte in de 1ste eeuw te Rome. Hij heeft ook over
+kunst geschreven. Hij was de leermeester van Stephanus.
+
+Pasitelides, Pasitelides, spartaansch veldheer in den peloponnesischen
+oorlog. In 422 werd hij harmost van Torone, maar het volgende jaar
+namen de Atheners die stad weder, en P. werd krijgsgevangen gemaakt.
+
+Pasithea, Pasithea, 1) eene van de Charites.--2) Nereïde.--3) Najade,
+gemalin van Erichthonius, moeder van Pandion.
+
+Pasitigris, Pasitigris = kleine Tigris, thans Karoen, zijrivier van
+den Tigris, door Susiane stroomende. De benedenloop heet Eulaeus.
+
+Passaron, Passaron, oude molossische hoofdstad in Epirus, in 169 door
+de Rom. vermeesterd.
+
+Passieni. 1) L. Passienus Rufus, consul in 4, verwierf als proconsul
+van Africa de ornamenta triumphalia, en was de beste redenaar van zijn
+tijd.--2) C. Passienus Crispus, zoon van no. 1, schatrijk vriend van
+Seneca. Hij was met Nero's tante Domitia gehuwd, doch liet zich van
+haar scheiden om de tweede man van Agrippina te worden. Deze laatste
+liet hem, naar verhaald wordt, kort daarna van kant maken.
+
+Passus, rom. lengtemaat = 2 gradus of stappen = 5 rom. voeten =
+1,478 meter. Mille passus = 1478,70 meter of ongeveer 16 minuten gaans.
+
+Pataeci, Pataikoi, dwergachtige godenbeelden, waarmede de phoenicische
+schepen aan voor- of achtersteven versierd waren.
+
+Patala = Pattala.
+
+Patara, ta Patara, aanzienlijke zeestad in Lycia met een orakel van
+Apollo Patareus (Patareus), die er vereerd werd.
+
+Patavium, Pataouion, thans Padua, stad in het land der Veneti, in
+Gallia Cisalpina aan den Medoacus minor (Brenta). Haar gebied strekte
+zich tot aan zee uit, zij kon 20000 man te velde brengen. Tijdens
+Augustus gold het na Rome voor de rijkste stad van Italië. Het is
+de geboorteplaats van Livius. De sage schrijft de stichting aan den
+Trojaan Antenor toe.
+
+Paterculus, zie Velleii.
+
+Pater patratus, de woordvoerder onder de fetiales (z. a.).
+
+Patmus, Patmos, eil. op de aziatische kust, tot de Sporades behoorend,
+ten Z. van Samus.
+
+Patrae, Patrai, Patreis, eene der 12 achaeische bondssteden, thans
+Patras, aan de invaart der Corinthische golf.
+
+Patres zijn de (adellijke) hoofden der gentes, die gedurende den
+koningstijd en ook later te Rome zitting hadden in den Senaat. Patres
+conscripti, de titel waarmede later vaak de senatoren worden
+toegesproken, beteekent dus: patricische en (later) bijgevoegde
+(plebejische) senatoren. De patres onder de senatoren hadden bijzondere
+voorrechten: 1o. het recht om uit hun midden een interrex te verkiezen
+(z. a.), hetgeen voor de laatste maal gebeurd is in 52; 2o. het
+recht om door de patrum auctoritas de wetten en keuzen der comitia
+te bekrachtigen, m. a. w. de patres konden alle wetten en keuzen der
+comitia vernietigen, zoo deze in strijd waren met de auspicia of 's
+lands wetten. Van de wetten, die dit recht waardeloos maakten, zijn
+twee bekend: de lex Publilia Philonis en de lex Maenia. Voortaan gaat
+de patrum auctoritas over op den geheelen senaat (senatus auctoritas),
+die echter alleen de wetgeving in de com. centuriata kon beletten. Men
+verwarre deze senatus auctoritas niet met het senaatsbesluit, dat
+door intercessio getroffen was.
+
+Patricii, de rom. geboorte-adel. Samen met den koning bestuurden zij
+den staat; alleen zij hadden oorspronkelijk zitting in den senaat
+(zie patres). Ze zijn in verschillende gentes verdeeld, die ieder een
+zeker aantal clientes hadden. Ze worden onderscheiden in ouderen en
+jongeren adel, patres maiorum et minorum gentium; volgens de traditie
+stammen de jongere geslachten uit Alba Longa. Ook tijdens de republiek
+zijn nog de Claudii onder de patriciërs opgenomen. Caesar in 45 en
+Augustus in 29 (krachtens de lex Saenia van 30) en ook latere keizers
+hebben het patriciaat aangevuld door plebejische geslachten in den
+adelstand op te nemen. Onder Constantijn den Gr. werd het patriciaat
+aan hooge ambtenaren als persoonlijke adelstitel geschonken, zonder
+erfelijk te zijn.
+
+Patrii dii, goden, wier dienst men van zijne voorouders in engeren
+zin geërfd heeft, die dus alleen door een enkel geslacht of stam
+vereerd werden. Hiertoe behooren dus de Penates, enkele godheden,
+van wie sommige edele familiën beweerden af te stammen, e. dgl.
+
+Patrimi matrimi, kinderen die nog een rom. vader en eene rom. moeder
+hebben, dus wier ouders cives en nog in leven zijn, en die nog onder
+de patria potestas staan. Bij sommige godsdienstige plechtigheden werd
+de bijstand van zulke kinderen als camilli en camillae vereischt. Ook
+het meisje, dat tot vestaalsche maagd werd uitverkoren, moest patrima
+matrima zijn.
+
+Patrocles, Patrokles, vriend van Seleucus I. Als bevelhebber over
+diens vloot in de Caspische zee verzamelde hij bouwstoffen voor
+belangrijke werken over de omliggende landen en volken.
+
+Patroclus, Patroklos, zoon van Menoetius, den koning van Opus. Nog
+zeer jong doodde hij bij ongeluk zijn speelmakker Clysonymus (z. a.),
+en om hem aan de wraak van diens bloedverwanten te onttrekken,
+bracht Menoetius hem bij Peleus. Hij werd met Achilles opgevoed,
+werd zijn boezemvriend en wapenbroeder, ging met hem naar Troje en
+werd daar door Hector gedood, z. Achilles.
+
+Patronus, beschermheer. 1) In den oudsten tijd het patricische
+familiehoofd, onder wiens hoede en toezicht de cliënten stonden. De
+cliënt was verplicht den patroon eerbied te betoonen, bij gewichtige
+familiezaken diens raad in te winnen, met en voor hem de wapenen
+te dragen; hij moest ook, wanneer de dochter van den patroon huwde,
+bijdragen tot den bruidschat, en evenzoo tot den losprijs, wanneer de
+patroon uit vreemde krijgsgevangenschap moest worden losgekocht. De
+patroon moest zijnerzijds den cliënten hulp en bescherming verleenen
+en in rechtszaken voor hen optreden. De band was heilig: patronus
+si clienti fraudem fecerit, sacer esto.--2) Causarum patronus,
+niet advocatus, is de advocaat, die in rechtsgedingen pleit.--3) ook
+steden, gewesten en provinciën hadden dikwijls te Rome hunne patroni
+onder wier bescherming zij zich stelden en die hunne belangen moesten
+behartigen. Zoo waren o. a. de Marcelli patronen van Sicilië. Dit
+patronaat komt eenigermate overeen met de hedendaagsche instelling
+der consulaten.
+
+Pattala, Pattalene, Pattagla, Pattalene, het Delta-land van den Indus,
+met de stad Pattala.
+
+Patulcius, bijnaam van Janus (z.a.).
+
+Patumus, Patoumos, stad aan den Nijl, van waar Necho een kanaal liet
+graven naar de Arabische golf = het latere Heroöpolis.
+
+Paul(l)inus, familienaam bij de Suetonii.
+
+Paul(l)us, familienaam in de gens Aemilia (Aemilii no. 8-10).
+
+Paulus, Paulos, de Apostel der Heidenen. Hij was te Tarsus in
+Cilicia geboren uit Joodsche ouders, en heette oorspronkelijk Saulus,
+Saulos, maar zijn vader was reeds Romeinsch burger, hetgeen hem zijn
+geheele leven door uit allerlei moeilijkheden heeft geholpen. Hij
+werd door zijn vader voor zijn opvoeding naar Jeruzalem gezonden,
+en behoorde tot de secte der Pharisaeën. Oorspronkelijk heeft hij de
+Christenen te Jeruzalem vervolgd, maar op weg naar Damascus, om ook
+daar de Christenen te vervolgen, is hij tot het Christendom bekeerd
+(± 30 n. C. of later). Hij heeft een tijd lang te Antiochia gewoond,
+waar toen reeds een Christengemeente was. Zijne zendingsreizen vallen
+ongeveer in de jaren 46-47, 48-51 (in Athene einde 49, te Corinthe
+begin 50 tot Juli 51), en 52-57. Op aanklacht der Joden is hij te
+Jeruzalem gevangen genomen, onder het procuratorschap van Felix, en
+heeft 2 jaren (tot 59) te Caesarea gevangen gezeten. Toen hij zich bij
+den opvolger van Felix, Festus, op zijn Romeinsch burgerrecht beriep,
+is hij met vele andere gevangenen in den winter van 59/60 naar Rome
+gevoerd (schipbreuk en verblijf te Malta Nov. 59). In Rome is hij in
+custodia militari geweest, maar mocht een eigen huurhuis bewonen en
+prediken. Wat na 62 met hem gebeurd is, is niet zeker overgeleverd. Men
+meent, dat hij in 64 met Petrus door Nero terecht gesteld is. Zijn
+brieven en de Handelingen der Apostelen, waarin zijn leven beschreven
+wordt, zijn niet alleen belangrijk uit een godsdienstig oogpunt, maar
+ook een buitengewoon belangrijke bron voor de cultuurgeschiedenis van
+de 1ste eeuw n. C. Paulus sprak en schreef, zooals waarschijnlijk
+de meeste Joden van zijn tijd, behalve Philo en Flavius Josephus,
+in de koine (z.a.).
+
+Paulus (Diaconus), z. Festus no. 2.
+
+Paulus (Iulius), rom. jurist onder de regeering der Severi. Met
+Papinianus was hij lid van het consilium principis, met Ulpianus
+praefectus praetorio. Hij heeft ontzaglijk veel geschreven, doch in
+wijze van voorstelling staat hij achter bij Papinianus en Ulpianus.
+
+Paulus (Iulius of Claudius), broeder van Civilis, onder keizer Nero
+ter dood gebracht onder beschuldiging van rebellio.
+
+Pausanias, Pausanias, 1) zoon van Cleombrotus, regeerde over Sparta
+als voogd van Plistarchus, den zoon van Leonidas. Hij verwierf grooten
+roem als opperbevelhebber van het grieksche leger in den slag bij
+Plataeae (479), tuchtigde daarna Thebe, dat met de Perzen geheuld
+had, onderwierp Cyprus en veroverde Byzantium. Hier geraakte hij
+weldra onder den invloed van perzische zeden en gewoonten, hij nam
+de kleeding en de manieren van een perzisch satraap aan, en maakte
+zich door zijn overmoed zoo gehaat, dat ook daardoor de grieksche
+bondgenooten zich van Sparta afscheidden en de hegemonie aan Athene
+aanboden. Hij knoopte met Xerxes onderhandelingen aan, vroeg zijne
+dochter ten huwelijk, en bood aan hem de heerschappij over Griekenland
+te bezorgen. Van verschillende kanten aangeklaagd, dat hij zich meer
+als tyran dan als strateeg gedroeg, werd P. teruggeroepen, en ofschoon
+hij vrijgesproken werd, werd hem het opperbevel ontnomen. Op eigen
+gezag keerde hij echter naar Byzantium terug, en door de Atheners van
+daar verdreven, zette hij van Colonae uit zijne onderhandelingen met
+Xerxes voort, totdat hij opnieuw teruggeroepen werd (469). Wederom
+waren er duidelijke bewijzen dat hij met den perzischen koning heulde,
+ook werd gezegd dat hij de Heloten tot opstand aangespoord had, toch
+durfden de ephoren hem nog niet te straffen, totdat zij door een van
+de vertrouwden van P. een brief van hem aan Xerxes in handen kregen en
+in de gelegenheid gesteld werden hem met eigen mond den inhoud er van
+te hooren bevestigen. Toen hij gevangen genomen zou worden, vluchtte
+hij in den tempel van Athena Chalcioecus, daar werd hij ingesloten,
+het dak werd van den tempel afgenomen, de deuren dichtgemetseld en
+zoo stierf hij van honger. Op het oogenblik, waarop hij den geest
+zoude geven, werd hij uit den tempel gedragen om het heiligdom niet
+te bezoedelen (468).--De geheimzinnigheid, waarmede deze zaak op echt
+spartaansche wijze door de ephoren behandeld werd, is de oorzaak, dat
+reeds in de oudheid velen aan het verraad van P. getwijfeld hebben,
+en ook sommige nieuweren zijn van meening, dat de ephoren zelf het
+gerucht er van verbreid hebben om de ware beweegredenen van hunne
+handelwijze, welke die dan ook mogen geweest zijn, te bedekken.--2)
+kleinzoon van den vorigen, had de koninklijke waardigheid gedurende
+de ballingschap van zijn vader Plistoanax (444-426), en volgde hem na
+zijn dood op (408). Gedurende de burgertwisten te Athene na afloop van
+den peloponnesischen oorlog, werd hij met een leger gezonden om de 30
+tegen Thrasybulus te helpen; in plaats daarvan bewerkte hij echter,
+hetzij uit sympathie voor de atheensche democraten of om Lysander
+tegen te werken, dat de democratie hersteld werd en de 30 Athene
+moesten verlaten. Reeds dit werd hem toen zeer kwalijk genomen, en
+toen hij nu in het begin van den corinthischen oorlog door te laat
+op de afgesproken plaats te komen de oorzaak was van de nederlaag
+bij Haliartus (395), werd hij in staat van beschuldiging gesteld;
+hij vluchtte naar Tegea, waar hij in 385 stierf.--3) Macedoniër, die
+Perdiccas II vruchteloos de regeering betwistte (450).--4) koning van
+Macedonië, die door Amyntas onttroond werd (393).--5) Macedoniër, die
+na den dood van Perdiccas III (360) aanspraak op de regeering maakte;
+hij werd door de Thraciërs ondersteund, maar toen Philippus hen voor
+zich had gewonnen, moest P. van zijne eischen afzien.--6) een van
+de lijfwachten van Philippus van Macedonië, dien hij om persoonlijke
+grieven vermoordde; hij vluchtte, maar werd gevat en gekruisigd.--7)
+ho periegetes, een Lydiër, die onder Hadrianus en de Antonijnen te
+Rome leefde. Hij beschreef in 10 boeken eene reis door het grootste
+gedeelte van Griekenland, waarbij hij vooral let op oude gebouwen
+en gedenkteekenen en hunne godsdienstige of artistieke beteekenis;
+daarnevens vermeldt hij verscheiden geschied- en aardrijkskundige
+bijzonderheden. Of hij inderdaad alle plaatsen zelf bezocht heeft, die
+hij beschrijft, is twijfelachtig; in ieder geval heeft hij niet alleen
+zijn eigen waarnemingen te boek gesteld, maar ook oudere schrijvers
+als bronnen gebruikt. Het werk is ontstaan tusschen 161 en 177.--8)
+van Caesarea in Cappadocië, leerling van Herodes Atticus, leeraar
+der welsprekendheid te Athene en te Rome in de tweede eeuw na C.
+
+Pausias, Pausias, van Sicyon, beroemd schilder kort voor Alexander
+d. G., die vele leerlingen vormde; hij wordt genoemd als de eerste, die
+de zolderingen met bloemen, kinderfiguren en arabesken beschilderde.
+
+Pausilypum, Pausilypon, (smartverdrijvend = Sans souci) (Posilippo)
+heerlijke villa ten W. van Napels, door Vedius Pollio aan Augustus
+vermaakt. Agrippa liet daar een onderaardschen gang uithouwen, thans
+de grot van Posilippo genaamd.
+
+Pauson, Pauson, arm caricatuurschilder te Athene, tijdgenoot van
+Aristophanes.
+
+Paxi, Paxoi, twee eilandjes tusschen Corcyra en Leucas, thans Paxo
+en Antipaxo.
+
+Peculatus, verduistering van staats- of tempeleigendom.
+
+Peculium, wordt het vermogen genoemd, dat de paterfamilias aan
+een zoon in potestate of aan een slaaf toestond te verwerven of te
+bezitten. Hij kon het hem echter te allen tijde ontnemen. Peculium
+castrense is wat de zoon zich verwerft, terwijl hij in krijgsdienst
+is; quasi castrense, terwijl hij een openbaar ambt bekleedt. Augustus
+bepaalde, dat de filius familias de vrije beschikking zou hebben over
+het peculium castrense.
+
+Pedaneus, zie iudex pedaneus.
+
+Pedanii, plebejisch geslacht. Over den geneesheer Pedanius Dioscorides
+zie Dioscorides.
+
+Pedarii zijn sedert de lex Ovinia (z.a.) die senatoren, die geen
+curulisch ambt bekleed hadden. De voorzitter was niet verplicht hun
+meening te vragen, zoodat in den regel hun rol zich bepaalde tot
+het deelnemen aan de stemming: ibant pedibus in sententiam alienam;
+vandaar hun naam.
+
+Pedasa, ta Pedasa, stad in Caria, ten O. van Halicarnassus.
+
+Pedasus, Pedasos, 1) oude stad der Leleges in het zuiden van Troas,
+aan den Satniois.--2) stad in Messenia, later Methone, thans Modon.
+
+Pediaei, Pediaioi, eigenlijk bewoners van de Pedias, het vlakke land
+in het Noorden en Noordwesten van Attica, meest rijke grondeigenaars;
+in de burgertwisten ten tijde van Pisistratus vormden zij voornamelijk
+de oligarchische partij, vandaar wordt de naam ook aan die partij
+als zoodanig gegeven.
+
+Pedias, Pedias, het vlakke gedeelte van Attica ten N. en N.W. van
+Athene, waar de groote grondbezittingen gelegen waren. De Pediaeërs,
+Pediaioi, vormden in Solons tijd de aristocratische partij.
+
+Pedia (lex) van den consul Q. Pedius in 43, tot vogelvrijverklaring
+(aqua et igni interdictio) van Caesars moordenaars.
+
+Pediea, Pedieia, vlek in Phocis ten N. van den Cephissus.
+
+Pedii, eene familie, die in den laatsten tijd der rom. republiek
+opkwam. Q. Pedius, zusterszoon van Caesar, diende onder hem in Gallia
+en was in 45 legaat in Hispania. In 48 bekleedde hij de praetuur. Na
+Caesars dood stond Pedius het hem gemaakte legaat aan Octavianus af
+en werd toen in 43 diens medeconsul, zie Pedia lex. Hij stierf reeds
+in ditzelfde jaar.
+
+Pednelissus, Pednelissos, stad in Pisidia.
+
+Pedo Albinovanus (C.), episch dichter, vertrouwd vriend van
+Ovidius. Hij schijnt eene Theseis te hebben geschreven, terwijl van een
+gedicht over Germanicus nog een fragment bij Seneca (de beschrijving
+van een tocht op de Noordzee) wordt gevonden. Ook moet hij epigrammen
+hebben gedicht.
+
+Peducaea (lex), plebisciet van Sex. Peducaeus, volkstribuun in
+113. In het voorgaande jaar waren drie vestaalsche maagden van
+incestus beschuldigd; het college der pontifices had slechts
+ééne, Aemilia, veroordeeld en de beide andere, Marcia en Licinia,
+vrijgesproken. Laatstgenoemde was op schitterende wijze verdedigd
+door L. Crassus. De lex Ped. beval een nieuw onderzoek, met het gevolg
+dat ook Marcia en Licinia veroordeeld werden.
+
+Peducaei, 1) zie Peducaea lex.--2) Sex. Peducaeus, stadhouder van
+Sicilia in 75, onder wien Cicero als quaestor te Lilybaeum werkzaam
+was, een man van groote rechtvaardigheid, die zich algemeene liefde
+en achting verwierf.--3) S. Peducaeus, zoon van no. 2, een geleerd
+man, wiens oordeel door T. Pomponius Atticus op hoogen prijs werd
+gesteld. In de burgeroorlogen was hij op de zijde van Caesar en
+van Octavianus.
+
+Pedum, oude stad van Latium, aan de via Labicana.
+
+Pegae = Pagae.
+
+Pegasides, Pegasides, z. Pegasus.
+
+Pegasus, Pegasos, een gevleugeld paard, door Poseidon bij Medusa
+(z. a.) verwekt. Het steeg terstond na zijne geboorte ten hemel op
+en draagt voor Zeus den donder en bliksem, later stond Zeus het
+aan Eos af en eindelijk werd het onder de sterren geplaatst. Het
+werd door Bellerophon (z. a.) gevangen, toen het aan de bron Pirene
+dronk, of hij kreeg het van Athena of Poseidon. Toen de Helicon,
+in verrukking gebracht door het gezang der Muzen, opsprong, bracht
+P. den berg op bevel van Poseidon met een hoefslag tot rust, en deed
+met denzelfden slag de bron Hippocrene ontspringen, waaruit de Muzen
+en dichters drinken om zich in geestvervoering boven het aardsche te
+verheffen. Denzelfden oorsprong en dezelfde eigenschap hebben ook de
+bronnen Hippocrene te Troezen en Pirene te Corinthe, vandaar worden
+zij en verder ook de Muzen zelve Pegasides (Pegasides) genoemd.
+
+Pela, Pele, eil. op de ionische kust bij Clazomenae.
+
+Pelagones, Pelagones, paeonische volksstam in Macedonia, die eerst
+aan de boorden van den Axius (Vardar) woonde, doch van daar naar het
+W. van Paeonia verhuisde, welke nieuwe woonplaats naar hen Pelagonia
+werd geheeten. Geheel in het N. van Thessalia lag nog eene pelagonische
+tripolis, uit de steden Azorus, Pythium en Doliche bestaande.
+
+Pelargikon (teichos) = Pelasgikon (teichos).
+
+Pelasgi, Pelasgoi. De grieksche schrijvers nemen aan, dat er vóór de
+eigenlijke Hellenen in verschillende deelen van Griekenland, vooral
+in de Peloponnesus, in Thessalië en Epirus, en ook aan de Westkust van
+Klein-Azië en in Italië een volk gewoond heeft, dat Pelasgi heette. In
+werkelijkheid hebben ze alleen in Thessalia, aan de Peneus gewoond,
+waar het gewest Pelasgiotis naar hen genoemd is.
+
+Pelasgia, Pelasgia, oude naam voor Griekenland, voor de Peloponnesus
+en voor Lesbus.
+
+Pelasgikon, Pelargikon (teichos), een oude versterking aan den westkant
+van de Acropolis, behoorende tot het oudste gedeelte van Athene.
+
+Pelasgiotis, Pelasgiotis, gewest van Thessalia ten Z. van den Peneus,
+met de hoofdstad Larisa of Larissa, genoemd naar de Pelasgen.
+
+Pelasgis, Pelasgis, bijnaam van Hera en Demeter als oude pelasgische
+godinnen.
+
+Pelasgus, Pelasgos, 1) mythisch stamvader der Pelasgen. Zijne
+afstamming wordt zeer verschillend opgegeven: als zijn vader worden
+genoemd Zeus, Poseidon, Phoroneus, Arestor e. a., als zijne moeder
+Niobe of Larissa, gewoonlijk wordt hij echter als autochthoon
+beschouwd. Hij zoude Parrhasia, Argos in de Peloponnesus of in
+Thessalië gesticht hebben, den landbouw in Argos ingevoerd hebben,
+enz.--2) koning van Argos, bij wien Danaüs en zijne dochters een
+toevlucht zochten. Hij verdedigde hen tegen Aegyptus, maar werd
+overwonnen en verliet het land.
+
+Peletai = Hektemoroi.
+
+Peleus, Peleus, zoon van Aeacus en Endeis. Hij of zijn broeder
+Telamon doodde bij het spelen met den discus een zoon van Aeacus
+en Psamathe, Phocus, daarom waren beiden genoodzaakt uit Aegina te
+vluchten. Nadat zij aan den tocht der Argonauten hadden deelgenomen,
+werd hij gastvrij opgenomen door Eurytion, koning van Phthia, die
+hem van zijn schuld reinigde, hem zijne dochter Antigone tot vrouw
+gaf en een deel van zijn rijk afstond. Hij leefde hier eenigen tijd
+gelukkig, maar daar hij bij de calydonische jacht het ongeluk had
+zijn schoonvader te dooden, moest hij opnieuw vluchten; hij begaf
+zich naar Iolcus, z. Acastus. Op bevel der goden werd hem nu, daar
+Antigone (z. a.) gestorven was, de Nereïde Thetis tot gemalin gegeven,
+en toen zij hem onder allerlei gedaanten trachtte te ontvlieden,
+leerde Chiron hem de kunst om telkens dezelfde gedaante aan te nemen
+als zij, zoodat zij zich na langen strijd aan hem moest overgeven. Op
+de bruiloft waren alle goden en godinnen tegenwoordig, behalve Eris,
+z. Paris. P. regeerde sedert gelukkig over Phthia, doch toen hij
+Thetis stoorde bij hare pogingen om hun zoon Achilles onsterfelijk te
+maken, verliet zij hem en keerde zij naar de zee terug. Na den dood van
+Achilles werd P., die toen reeds zeer oud was, uit zijn rijk verjaagd,
+later door Neoptolemus in de regeering hersteld, doch toen na diens
+dood Orestes Phthia veroverde, moest hij weder in ballingschap gaan
+en zoo eindigde hij zijn leven. In de onderwereld werd hij bij Aeacus
+en Achilles geplaatst.--V. a. verzoende Thetis zich met hem na den
+dood van Neoptolemus, en volgde hij haar naar de diepte der zee,
+waar hij aan hare zijde voortleeft.
+
+Peliades, Peliades, de dochters van Pelias (z. a.).
+
+Pelias, Pelias, zoon van Poseidon en Tyro, maakte zich na den dood
+van Cretheus, die met Tyro gehuwd was, van de regeering over Iolcus
+meester. Om alleen te kunnen regeeren verdreef hij zijne broeders
+Neleus (z. a.) en Aeson (z. a.) en zond hij Iason uit om het gulden
+vlies te halen. Maar toen deze van Colchis terugkwam, wist Medea
+de dochters van P., Pisidice, Pelopea en Hippothoë, te overreden
+haar ouden vader een verjongingskuur te laten ondergaan. Nadat zij
+bewijzen van haar tooverkunst gegeven had, sneden de zusters op haar
+bevel P. in stukken, die zij kookten, doch toen dit geschied was,
+weigerde Medea hare verdere hulp. De Peliaden vluchtten daarop naar
+Mantinea in Arcadië.
+
+Pelides, Peleides, Achilles en Neoptolemus, zoon en kleinzoon van
+Peleus.
+
+Peligni, sabijnsch volk in Midden-Italia, met de hoofdstad Corfinium
+(z. a.). Met de Vestini en Marrucini hadden zij gemeenschappelijk de
+havenstad Aternum.
+
+Pelinna of -naeum, Pelinna, -naion, versterkte stad ten N. van den
+Peneus, in het thessalische landschap Hestiaeotis.--Ook de naam van
+een gebergte in het Noorden van Chius.
+
+Pelion, Pelion, woest en boschrijk gebergte in het thessalische
+landschap Magnesia, een der bergen, die door de Giganten opeengestapeld
+werden (de Ossa en de Olympus waren de andere), toen zij den hemel
+wilden bestormen. Op den top stond een tempel van Zeus Actaeus met
+de grot van den Centaur Chiron in de nabijheid.
+
+Pelium, stad der Dassaretae in zuidelijk Illyria.
+
+Pella, Pella, 1) oude stad van Macedonia in het distrikt Bottiaea,
+nabij het meer Borborus, dat door den Ludias wordt gevormd. Philippus
+van Macedonia maakte er zijne residentie van. Alexander de Gr. werd
+er geboren.--2) stad in Peraea, niet ver O.-waarts van den Jordaan,
+tegenover Scythopolis, door Alexander Jannaeus verwoest, later door
+Pompeius herbouwd.
+
+Pellana, ta Pellana, stad aan den Eurotas in Laconica, ten N. van
+Sparta.
+
+Pellene, Pellene, de meest oostelijke der 12 bondssteden van Achaia,
+met de haven Aristonautae.
+
+Pelopea, Pelopeia, dochter van Thyestes, bij wien zij moeder werd
+van Aegisthus.
+
+Pelopidae, Pelopidai, afstammelingen van Pelops: Atreus, Thyestes,
+Agamemnon e. a.
+
+Pelopidas, Pelopidas, zoon van Hippocles, rijk en edel Thebaan,
+moest als aanhanger der democratische partij bij de bezetting der
+Cadmea door de Spartanen Thebe verlaten, en vluchtte naar Athene
+(382). Weldra trad hij aan het hoofd der uitgewekenen, en onder
+zijne leiding kwam de omwenteling tot stand, waardoor de Spartanen
+verdreven werden en de democratie hersteld werd (379). Daarop werd hij
+tot boeotarch gekozen. Als aanvoerder der heilige schaar versloeg hij
+twee spartaansche morae bij Tegyra (375) en nam hij deel aan den slag
+bij Leuctra (371); met zijn vriend Epaminondas deed hij een inval in
+de Peloponnesus, evenals deze werd hij aangeklaagd, omdat zij tegen de
+wet 4 maanden te lang de betrekking van boeotarchen hadden behouden,
+maar beiden werden vrijgesproken (369). Toen de thessalische steden
+de hulp van Thebe tegen Alexander van Pherae inriepen, ging P. met
+een leger naar Thessalië en dwong hij Alexander zijne voorwaarden
+aan te nemen; daarop trok hij naar Macedonië als scheidsrechter in
+de twisten over de troonopvolging en nam hij Philippus als gijzelaar
+mede naar Thebe. Doch nieuwe woelingen noodzaakten hem nogmaals
+tot een tocht naar het Noorden, door zijne huurtroepen verlaten kon
+hij nu in Macedonië niets uitrichten, en toen hij als gezant naar
+Thessalië ging, werd hij zelfs door Alexander gevangen genomen (368)
+en eerst losgelaten, toen Epaminondas met een leger aanrukte. Te Susa
+werd hij als gezant eervol ontvangen, ofschoon zijne pogingen om door
+den perzischen koning den vrede te laten voorschrijven geen gevolg
+hadden (367). Eindelijk trok hij ten derden male naar Thessalië om
+Alexander te beoorlogen, bij Cynoscephalae kwam het tot een slag,
+waarin de Thebanen de overwinning behaalden, doch toen P. een aanval
+op Alexander zelf deed, werd hij door diens lijfwachten gedood (364).
+
+Peloponnesische oorlog (431-404) wordt de oorlog genoemd, dien de
+Spartanen met hunne bondgenooten, meest peloponnesische staten,
+tegen Athene voerden, om een einde te maken aan de zich sedert de
+perzische oorlogen steeds meer en meer uitbreidende macht van dien
+staat. De naaste aanleiding tot den oorlog was, dat de Corinthiërs,
+die met de Corcyraeërs in oorlog waren over Epidamnus, de Atheners
+als bondgenooten der Corcyraeërs tegenover zich vonden. Daarin
+zagen zij een vredebreuk, zij ondersteunden de Potidaeërs, die
+in hetzelfde jaar (432) van Athene afvielen en drongen bij eene
+bondsvergadering te Sparta op oorlog aan. Ofschoon koning Archidamus
+tegen overijling waarschuwde en Pericles voorstelde alle geschillen
+door een scheidsgerecht te laten beslissen, werd tot den oorlog
+besloten, indien Athene de gestelde eischen niet inwilligde. Deze
+eischen, gedurende de onderhandelingen nu en dan veranderd, bevatten
+eindelijk niet minder dan de vrijheid en autonomie van alle grieksche
+staten, m. a. w. het opgeven van de atheensche hegemonie. Op raad
+van Pericles werd dit geweigerd en tot den oorlog besloten. De
+eerste periode wordt de archidamische oorlog (431-421) genoemd,
+naar koning Archidamus, die bijna ieder jaar met een leger in Attica
+viel om het land te verwoesten. Van hun kant plunderden de Atheners
+de kusten van de Peloponnesus. Athene heeft in het tweede en derde
+jaar van den oorlog veel te lijden door eene verschrikkelijke pest,
+de bondgenooten blijven over het geheel trouw, alleen Mytilene valt af,
+het wordt echter door Paches tot overgave gedwongen en wreed gestraft
+(428). Van atheensche zijde onderscheidden zich in dit tijdperk:
+Pericles, die echter reeds in 429 stierf, Demosthenes, Nicias, Cleon,
+van spartaansche zijde Brasidas. Nadat in den slag bij Amphipolis (422)
+zoowel Brasidas als Cleon gesneuveld waren, kreeg in beide staten de
+vredespartij meer invloed en werd een vrede gesloten, waarbij alles
+ongeveer zoude blijven zooals het voor den oorlog geweest was. Met
+dezen zoogenaamden vrede van Nicias begint echter eigenlijk een tweede
+tijdperk van den oorlog (421-413). De bondgenooten der Spartanen,
+ontevreden over de vredesvoorwaarden, beletten op allerlei wijzen
+de uitvoering er van, en de Atheners, hierdoor verbitterd, zochten
+van die ontevredenheid gebruik te maken om zich in de Peloponnesus
+zelve bondgenooten tegen Sparta te verwerven. Dit gelukte hen met
+Argos, Elis en Mantinea, en in 417 verloor dit bondgenootschap
+bij Mantinea een grooten slag tegen de Spartanen onder Agis I;
+mettertijd sloten echter alle peloponnesische staten zich weder bij
+Sparta aan, behalve Argos. Op Sicilië leden de Atheners ontzaglijke
+verliezen tegen de Syracusanen, die door een spartaansch leger onder
+Gylippus werden bijgestaan, en nog voordat zij daar de beslissende
+nederlaag geleden hadden (413), was ook in Griekenland de oorlog
+weder uitgebroken. Zoowel het bondgenootschap met Argos als de tocht
+naar Sicilië was voornamelijk het werk geweest van Alcibiades, die
+ook in het derde tijdperk, den deceleïschen oorlog (413-404), een
+belangrijke rol speelde. De Spartanen bezetten Decelea, stellen zich
+in betrekking met Tissaphernes en verplaatsen den oorlog grootendeels
+naar Azië. De atheensche vloten behalen verscheiden overwinningen
+(Abydus, 411, Cyzicus, 410, Arginusae, 406), maar de Spartanen, door
+Pharnabazus en vooral door Cyrus met geld ondersteund, herstellen
+telkens de geleden verliezen; als daarentegen de atheensche vloot bij
+Aegospotami door Lysander genomen wordt (405), zijn de hulpmiddelen
+der Atheners uitgeput, alle bondgenooten vallen af, de stad wordt vier
+maanden door Lysander en Agis belegerd en wordt eindelijk door honger
+gedwongen zich over te geven (404). De lange muren worden geslecht,
+de schepen uitgeleverd, de verbannenen komen terug en 30 mannen worden
+gekozen om eene nieuwe staatsregeling te ontwerpen.
+
+Peloponnesus, Peloponnesos, thans Morea, het bekende groote
+schiereiland, dat het Z. deel van Griekenland vormt en door de
+corinthische landengte met het N. deel samenhangt. Het omvatte de
+landschappen Achaia, Elis, Messenia, Laconica, Arcadia, Argolis,
+Corinthia, Sicyonia en Phliasia.
+
+Pelops, Pelops, zoon van Tantalus. Om de alwetendheid der goden
+op de proef te stellen, slachtte zijn vader hem en zette hij den
+goden de gebraden stukken als spijs voor. Zijne misdaad werd echter
+ontdekt en de knaap werd in het leven teruggeroepen, alleen Demeter
+had in verstrooidheid een stuk van zijn schouder opgegeten, dat bij
+zijne wedergeboorte door een stuk ivoor vervangen werd. Als opvolger
+van zijn vader geraakte hij in oorlog met den trojaanschen koning
+Ilus, hij streed ongelukkig en werd uit zijn land verdreven. In Pisa
+gekomen, verwierf hij de hand van Hippodamea, de dochter van Oenomaüs
+(z. Myrsilus), en volgde hij zijn schoonvader in de regeering op. Hij
+regeerde zoo roemrijk, dat het geheele schiereiland, dat vroeger
+Apia of Pelasgia heette, naar hem Peloponnesus genoemd werd; aan de
+olympische spelen zette hij zooveel luister bij, dat hij soms als de
+stichter er van beschouwd werd. De vloek, dien Tantalus door zijne
+misdaden op zich geladen en dien P. door den moord van Myrsilus nog
+verzwaard had, rustte echter op zijn geslacht en veroorzaakte onder
+de Pelopiden vele ongelukken en gruweldaden. Nog bij het leven van
+P. ontstond oneenigheid in zijn gezin; zijn zoon Chrysippus werd door
+Atreus en Thyestes gedood en P. verjoeg daarom zijne gemalin en zijne
+talrijke zonen. Hij stierf te Pisa en kreeg te Olympia een tempel,
+waar hem jaarlijks offers gebracht werden.
+
+Pelor, Pelor, Peloros, een van de vijf Sparten, z. Cadmus.
+
+Peloris, -rus, -rum, -rias, Peloris, Peloros, Peloron akron, thans
+kaap Faro, N.O. kaap van Sicilia.
+
+Pelso (lacus), de Plattensee in Pannonia.
+
+Peltae, Peltai, oude, welvarende stad van Phrygia aan den Maeander.
+
+Peltastai, lichtgewapende infanterie, zoo genoemd naar hun licht
+halvemaanvormig schild (pelte); verder droegen zij een linnen harnas,
+een werpspies en degen en een lange lans. Iphicrates verbeterde hunne
+wapening, onderwierp hen aan tucht en aan geregelde oefeningen,
+vormde hen tot behoorlijk georganiseerde afdeelingen en verhoogde
+daardoor hunne bruikbaarheid zeer.
+
+Pelusiacum ostium, Pelousiakon stoma, oostelijkste monding van
+den Nijl.
+
+Pelusium, Pelousion = slijkstad, stad aan den oostelijken Nijlmond te
+midden van moerassen gelegen, doch juist hierdoor zeer sterk en een
+der sleutels van Aegypte. Vandaar, dat de stad en haar omtrek in de
+oorlogen der Assyriërs en der Perzen tegen Aegypte en ook nog later
+eene belangrijke rol speelt.
+
+Penates, familiegoden der Rom., eigenlijk goden van de voorraadskamer
+(penus) van het Rom. huis; ze worden gewoonlijk Di Penates = goden
+van de voorraadskamer genoemd, en Vesta wordt dikwijls als ééne er
+van beschouwd; het zijn dus Di familiares. Hun dienst hangt nauw
+samen met dien van Vesta en de Lares. Evenals deze werden zij aan den
+huiselijken haard vereerd en kregen zij hun deel van alle maaltijden,
+die door het huisgezin gebruikt werden; zij worden beschouwd als de
+personificatie van het intiem huiselijk leven.--Ook de staat had zijne
+penates, die maiores of publici genoemd worden in tegenstelling van de
+andere, die minores of privati heeten. De P. van Rome waren, zooals
+men sedert Caesar en Augustus algemeen aannam, door Aeneas uit Troje
+naar Lavinium, van daar door Ascanius naar Alba Longa medegenomen,
+en na de verovering van die stad naar Rome overgebracht, zij werden
+in een geheime kast in den tempel van Vesta bewaard. Bovendien hadden
+zij een tempel op de Velia.
+
+Peneis, Daphne, dochter van den riviergod Peneus.
+
+Peneleos, Peneleos, zoon van Hippalmus en Asterope, een van de
+Argonauten en aanvoerder der Boeotiërs in den trojaanschen oorlog. Hij
+werd door Eurypylus no. 4 gedood.
+
+Penelope, Penelope, -peia, dochter van Icarius en Periboea, gemalin
+van Odysseus. Toen bij het lange uitblijven van haar gemaal zich het
+gerucht van zijn dood verbreidde, kwamen de edelste jongelieden uit de
+omliggende landen naar Ithaca om naar hare hand te dingen. Zij bleef
+echter steeds op de terugkomst van Odysseus hopen en wenschte dus
+geen bepaald antwoord op al die aanzoeken te geven, daarom bedacht zij
+een list, ten einde de minnaars tot uitstel te bewegen. Zij beloofde
+namelijk een keus te doen, wanneer het lijkkleed van Laërtes gereed
+zou zijn, dat zij bezig was te weven, maar wat zij bij dag aan dit
+kleed afwerkte haalde zij des nachts weder uit. Toen deze list door
+hare dienstmaagden aan de minnaars verraden was en zij sterker op eene
+beslissing aandrongen, kwam Odysseus juist van pas terug, hij doodde
+de minnaars en leefde verder met P. gelukkig tot zijn dood. Daarna
+huwde zij met Telegonus, den zoon van Odysseus en Circe en eindelijk
+werd zij naar de eilanden der gelukzaligen verplaatst.--V. a. had
+zij de huwelijkstrouw niet ongeschonden bewaard, was zij daarom door
+Odysseus verstooten en had zij zich over Sparta naar Mantinea begeven,
+waar men haar graf toonde.
+
+Penestae, Penestai, 1) lijfeigenen in Thessalië, personen die van
+de vroegere bewoners van dat land afstamden. Zij waren rechtens in
+denzelfden toestand als de Heloten in Lacedaemon, doch waren niet
+het eigendom van den staat, maar van particulieren.--2) illyrische
+stam ten N. van den Lychnitis lacus, onderdeel van de Dassaretae;
+hoofdstad Uscana.
+
+Peneus, Peneios, 1) hoofdstroom van Thessalia, die op den Pindus
+ontspringt, tal van zijtakken opneemt en door het liefelijk dal
+Tempe tusschen den Olympus en den Ossa naar de golf van Thermae
+stroomt. Het kristalheldere water van deze rivier is meermalen door
+dichters bezongen. Als riviergod is Peneus een zoon van Oceanus en
+Tethys en de vader van Daphne en Cyrene.--2) rivier in Elis.
+
+Penius, rivier in Colchis, die in den Pontus Euxinus (Zwarte zee) valt.
+
+Pentaëteris, pentaeteris, de helft van eene ennaëteris.
+
+Pentakosiomedimnoi, atheensche burgers der eerste klasse volgens
+de indeeling van Solon; hiertoe behoorden zij, wier grondeigendom
+jaarlijks minstens 500 medimmen of metreten opbracht, een opbrengst,
+die eene waarde heeft van 500 drachmen en een kapitaal van 1 talent
+vertegenwoordigt.
+
+Pentapolis, Pentapolis, 1) in het aziatische Doris de bond der 5
+steden Ialysus, Camirus, Lindus, Cos en Cnidus, die door de toetreding
+van Halicarnassus eene hexapolis werd.--2) in Cyrenaica de steden
+Cyrene, Berenice, Arsinoë, Ptolemais en Apollonia.--3) in het land
+der Philistijnen: Gaza, Gath, Ascalon, Azotus, Jamnia.
+
+Pentathlum, Pentathlon, Quinquertium, een wedstrijd in vijf
+afdeelingen: springen (halma, saltus), loopen (dromos, cursus),
+worstelen (pale, lucta), werpen met de schijf (diskos, discus),
+vuistgevecht (pygme, pugilatus); later voegde men er werpen met de
+speer (akontisis, iaculatio) bij. Om den prijs te krijgen moest men
+in iedere afdeeling overwonnen hebben.
+
+Pentekontaëtie noemt men het ongeveer vijftig jaren lange tijdperk
+tusschen den perzischen en den peloponnesischen oorlog.
+
+Penteleum, Penteleion, sterkte in het N. van Arcadia, aan den berg
+Penteleia, Penteleus mons.
+
+Pentelicus, Pentelikon oros, berg in Attica, beroemd om zijn marmer
+(pentelesios lithos), ook Brilessus, Brilessos, geheeten.
+
+Penthesilea, Penthesileia, dochter van Ares en Otrera, koningin der
+Amazonen, die na den dood van Hector den Trojanen te hulp kwam. Zij
+werd door Achilles gedood, die echter zelf weende bij het gezicht
+van haar jeugd, schoonheid en heldenmoed.
+
+Pentheus, Pentheus, zoon van Echion en Agave, volgde Cadmus als
+koning van Thebe op. Hij verzette zich tegen het invoeren van den
+dienst van Dionysus, en toen hij zich naar den Cithaeron begaf om
+een feest der Bacchanten te verbieden, werd hij door zijn moeder en
+de overige vrouwen, die hem in razernij voor een wild dier hielden,
+gedood en verscheurd.
+
+Penthilus, Penthilos, zoon van Orestes en Erigone no. 2, stichter
+eener volkplanting op Lesbus. Hij wordt de stamvader genoemd van de
+Penthiliden, eene familie, die tot het midden der zevende eeuw op
+Lesbus de koninklijke waardigheid bezat.
+
+Pentri, de eenige samnietische volksstam, die na den slag bij Cannae
+aan Rome trouw bleef. Hoofdstad: Bovianum.
+
+Peparethus, Peparethos, eil. in de Aegaeische zee ten Z.O. van
+Thessalia, door de Chalcidiërs gekoloniseerd, beroemd om zijn wijn.
+
+Pephredo, Pe(m)phredo, eene van de Graeae.
+
+Peplum, -plus, peplos, -plon, een kleedingstuk bij de Grieken, dat in
+vorm overeenkwam met de romeinsche palla en ongeveer op dezelfde wijze
+gedragen werd. In de oudste tijden schijnt het alleen door vrouwen,
+later ook door mannen gedragen te zijn. Bijzonder beroemd is de peplos
+van Athena, z. Panathenaea.
+
+Peraea, Peraia, 1) het overjordaansche gedeelte van Palaestina.--2)
+he peraia ton Rhodion, het carische kustland tegenover Rhodus.--3)
+he peraia Tenedion, mysische kuststreek tegenover Tenedus.--4)
+kolonie van Mitylene op de kust van Mysia.
+
+Percote, Perkote, oude stad in Mysia aan den Hellespont.
+
+Perdiccas, Perdikkas, 1) een afstammeling van den Heraclide Temenus
+uit Argos, vluchtte met zijne broeders naar Illyrië, en stichtte
+van daar uitgaande het macedonische rijk, waarvan hij de eerste
+koning werd, omstreeks 700. V. a. was hij de opvolger van Caranus
+(z. a.).--2) P. II, zoon van Alexander no. 5, regeerde na den dood
+van zijn vader (454) met zijne broeders Alcetas en Philippus, sedert
+436 alleen. De uitbreiding van de atheensche macht op de kusten van
+zijn rijk maakte hem tot een natuurlijk vijand der Atheners, toch
+durfde hij slechts zelden openlijk tegen hen optreden, en in den
+peloponnesischen oorlog stond hij bij afwisseling aan hunne zijde
+of aan die van hunne vijanden. Hij regeerde tot 413.--3) P. III,
+zoon van Amyntas II, deelde na den dood van zijn broeder Alexander
+no. 6 het rijk met Ptolemaeus Alorites, zijn zwager (369); nadat
+deze vermoord was (365) regeerde hij tot 360, hij sneuvelde in een
+slag tegen de Illyriërs.--4) dapper veldheer en vertrouwd vriend
+van Alexander d. G. Hij onderscheidde zich bij het beleg van Thebe,
+bij de slagen aan den Granicus, bij Issus en bij Gaugamela en op den
+tocht naar Indië. Alexander overhandigde hem op zijn sterfbed zijn
+zegelring. Na den dood van Alexander werd besloten dat P. in naam van
+Alexanders nog ongeboren zoon en van Philippus Arrhidaeus het rijk
+zou besturen. Hij liet Meleager (z. a.) en diens aanhangers dooden,
+huwde met Nicaea, de dochter van Antipater, en trachtte op alle wijzen
+zijne macht te bevestigen. Maar de andere veldheeren toonden zich
+weinig geneigd zijn gezag te erkennen, en weldra was alleen Eumenes
+aan P. en het koninklijke huis trouw gebleven, terwijl daarentegen
+Antigonus, wegens ongehoorzaamheid voor het gerecht gedaagd, naar
+Europa vluchtte en zich met Antipater, Craterus en Ptolemaeus tegen
+P. verbond. Deze verstiet nu Nicaea en trad in het huwelijk met
+Cleopatra, de dochter van Philippus, vooreerst wendde hij zich tegen
+Ptolemaeus, en toen hij bij eene poging om den Nijl over te trekken
+zich met groot verlies moest terugtrekken, brak een opstand uit onder
+de door zijne strengheid verbitterde soldaten, vele officieren vielen
+van hem af en eenige drongen in zijne tent en doodden hem (321).
+
+Perdix, Perdix = Talos no. 1.
+
+Perduellio. In het oude fetiaalrecht is perduellis = vijand, terwijl
+hostis synoniem met peregrinus was. Onder perduellio verstaat
+men vijandige handelingen van den burger tegenover den staat,
+b. v. pogingen tot omwenteling, verstandhouding met den vijand,
+ook overloopen, desertie enz. Daar de volkstribunen sedert de lex
+Hortensia van 287 het recht hebben, politieke misdrijven te vervolgen,
+wordt perduellio sedert dien tijd slechts weinig genoemd; zie duumviri
+perduellioni iudicandae.
+
+Peregrinus, de buitenlander, de vreemdeling, in tegenstelling met
+den rom. burger. Zie omtrent hun rechten ius gentium.
+
+Peregrinus Proteus, Peregrinos Proteus, van Parium, cynisch wijsgeer,
+vestigde zich, na een tijd lang een zwervend leven geleid te hebben, te
+Athene. Hij wendde alle middelen aan om de aandacht van het publiek te
+trekken, en toen hij met dit doel had bekend gemaakt dat hij zich bij
+de feesten te Olympia zou laten verbranden, drongen zijne aanhangers
+op de vervulling zijner belofte aan, en was hij genoodzaakt zijn woord
+te houden (164 n. C.). Hij was ook een tijdlang Christen geweest. Hij
+is vooral bekend door de satire van Lucianus: de morte Peregrini.
+
+Peremne auspicari. Auspiciën verloren hunne kracht bij het
+overschrijden van een water, tenzij daarbij zekere vormen in acht
+werden genomen en een formulier werd uitgesproken. Dit heette peremne
+auspicari en moest ook plaats hebben, wanneer men, om op den Campus
+Martius comitiën te houden, den amnis Petronia, een beekje aan den
+voet van den Capitolinus, moest overgaan.
+
+Perenna, zie Anna Perenna.
+
+Perfectissimi, titel der ambtenaren van den vierden rang, door
+Constantijn d. Gr. ingevoerd.
+
+Perga, Perge, stad in het binnenland van Pamphylia, met een beroemden
+tempel van Artemis.
+
+Pergama, ta Pergama, de burcht van Troje, ook wel de stad
+zelve. Neptunia Pergama, omdat Neptunus met Apollo voor koning Laomedon
+de muren der stad had gebouwd.
+
+Pergamum, Pergamon, beroemde stad in het mysische gewest Teuthrania,
+ten N. van den Caicus. Na den dood van Alexander d. Gr. behoorde
+het tot het gebied van Lysimachus, totdat in 284 diens schatmeester
+Philetaerus afvallig werd en te P. een eigen rijkje stichtte, dat
+hij in 263 aan zijn neef Eumenes I naliet. In 188, na den syrischen
+oorlog, kreeg Eumenes II van Rome het grootste gedeelte van het door
+Antiochus afgestane land. Attalus III vermaakte in 133 zijn rijk en
+zijne schatten aan het rom. volk. Zijn onechte broeder Aristonicus
+weigerde dezen afstand te erkennen, doch werd verslagen, gevangen
+naar Rome gevoerd en ter dood gebracht. Het rijk van Pergamus werd de
+rom. provincie Asia (129). De vorsten van P. waren groote beminnaars
+van kunst en wetenschap geweest. Van de bouw- en beeldhouwwerken,
+door de Duitschers daar opgegraven, is vooral beroemd het groote
+Zeusaltaar, in de 2de eeuw gesticht, waarvan het beeldhouwwerk naar
+Berlijn is overgebracht. In de geschiedenis der beeldhouwkunst neemt
+de Pergameensche kunst een afzonderlijke plaats in. De bibliotheek van
+P. bevatte 200000 boekrollen. Ook de nijverheid bloeide; fabricatie van
+manufacturen en weeldeartikelen werd op groote schaal gedreven. Het
+perkament, charta pergamena, ontleende zijn naam aan de stad. De
+bibliotheek werd later op last van M. Antonius naar Alexandria
+overgebracht.
+
+Pergamus, Pergamos, 1) = Pergama.--2) = Pergamum.--3) stad op Creta
+bij Cydonia, sterfplaats van Lycurgus.
+
+Periaktoi, twee driehoekige prisma's, waarvan de zijden als coulissen
+beschilderd waren; het geheele lichaam draaide om een spil, zoodat
+op deze wijze de drie verschillende zijden bij afwisseling voor de
+toeschouwers zichtbaar konden gemaakt worden. Z. theatrum.
+
+Periander, Periandros, zoon van Cypselus, geb. 668, volgde zijn
+vader in de regeering over Corinthe op (627). Aanvankelijk regeerde
+hij gematigd, hij gaf wetten tegen weelde en overdaad, bevorderde
+handel en scheepvaart door het aanleggen van kanalen, het stichten van
+volkplantingen enz., beschermde kunsten en wetenschappen en liet de
+stad met prachtige bouwwerken versieren. Kort voor zijn dood besliste
+hij als scheidsrechter een geschil tusschen Athene en Mytilene over het
+bezit van Sigeum. Nadat hij echter door zijne mishandelingen den dood
+zijner gemalin Melissa veroorzaakt had, waardoor hij zich een oorlog
+met zijn schoonvader Procles, tyran van Epidaurus, op den hals haalde,
+gaf hij zich, naar men wil, aan dronkenschap over en vertoonden zich
+bij hem blijken van gekrenkte geestvermogens. Uit achterdocht bedreef
+hij de grootste wreedheden, hij omgaf zich met eene lijfwacht van 200
+man, woedde vooral tegen den adel en deed zijn best om de dorische
+eigenaardigheden bij zijn volk uit te roeien. Zie ook Lycophron. Door
+allen verlaten en door wroeging gefolterd stierf hij, 585. Dat hij
+tot de zeven wijzen behoord zou hebben, wordt reeds door de ouden
+tegengesproken. Als zijn spreuk wordt aangehaald: melete to pan,
+voorzorg is alles.
+
+Periboea, Periboia, 1) Najade, die hare onsterfelijkheid prijs gaf om
+met den arcadischen koning Lelas te trouwen.--2) gemalin van Polybus,
+die Oedipus als zoon aannam en opvoedde.--3) dochter van Hipponous,
+gemalin van Oeneus, moeder van Tydeus.--4) Najade, gemalin van Icarius,
+moeder van Penelope.--5) of Eriboea, dochter van Alcathous, gemalin
+van Telamon, moeder van Aiax.
+
+Pericles, Perikles, 1) Athener, zoon van Xanthippus, van moederszijde
+met de Alcmaeoniden verwant, genoot in zijne jeugd het onderwijs van
+Zeno van Elea, den toonkunstenaar Damon en vooral van Anaxagoras,
+mannen, met wie hij ook op lateren leeftijd zeer bevriend bleef. Nadat
+hij zich in verscheiden veldtochten onderscheiden had, trad hij in
+469 als staatsman op, en wel als tegenstander van de aristocratische
+en spartaansch gezinde partij, die onder de leiding van Cimon
+stond. Sedert deze door het ostracismus verbannen was (460), was
+P. de eerste man in den staat en hij bleef dit ook na de terugkomst
+van Cimon. Gewoonlijk behoorde hij tot de strategen, soms was hij ook
+met het beheer der financiën en der openbare bouwwerken belast, maar
+zijn grooten invloed had hij vooral te danken aan zijne persoonlijke
+eigenschappen; zijn politiek doorzicht en zijne overredende
+welsprekendheid maakten hem tot een volksleider in den goeden zin van
+het woord. Zijn doel was in Athene aan de democratische instellingen
+de grootst mogelijke uitbreiding en ontwikkeling te geven en het tot
+den eersten, zoo mogelijk tot den heerschenden, staat in Griekenland te
+maken. Om aan alle burgers niet alleen gelijke rechten te verschaffen,
+maar hen ook in staat te stellen die rechten inderdaad uit te oefenen,
+werd de macht van den Areopagus beperkt, waarbij P. persoonlijk
+echter slechts eene ondergeschikte rol speelde (z. Ephialtes),
+de werkkring van de heliaea uitgebreid, aan den eenen kant door
+liturgieën de grootste lasten op de schouders der rijken gelegd,
+aan den anderen kant door het invoeren van betaling voor rechters
+enz. de armeren verlicht en tot het gebruiken hunner burgerrechten
+aangemoedigd. Daar de democratie in zijn tijd haar glanspunt bereikte,
+worden hem een aantal wetten in democratischen geest toegeschreven,
+waarvan echter waarschijnlijk vele reeds voor of eerst na hem zijn
+ingevoerd. Kunst en wetenschap moedigde hij ten zeerste aan, de
+voornaamste kunstenaars van Griekenland zochten Athene op en vonden
+er werk, het Parthenon, het Odeum, de Propylaea, e.a. onsterfelijke
+kunstwerken zijn in dezen tijd gebouwd, grootendeels onder leiding
+van Phidias, den vriend van P.--Zijn streven om Athene's macht ook te
+land uit te breiden veroorzaakte reeds vroeg een oorlog met Sparta
+(457), die, hoewel de slag bij Tanagra verloren werd, aanvankelijk
+voor Athene gunstig verliep; toen in 451 door tusschenkomst van Cimon
+een vijfjarige wapenstilstand gesloten werd, was Aegina onderworpen,
+Megara met Athene verbonden, Boeotië, Locris en Phocis gedwongen
+geworden zich bij Athene aan te sluiten, zelfs waren eenige gelukkige
+tochten naar de Peloponnesus en naar Acarnanië gedaan. Maar weldra
+verhief zich de oligarchische partij in Boeotië tegen dezen toestand,
+en toen Tolmides tegen den raad van P. den slag bij Coronea waagde
+en verloor (447), vielen ook Locris, Phocis, Megara en Euboea af,
+en deden de Spartanen een inval in Attica. Wel wist P. hen door
+omkooping tot den aftocht te bewegen en veroverde hij Euboea weder,
+maar bij den dertigjarigen vrede (445) werd Athene gedwongen al
+zijne bezittingen in de Peloponnesus op te geven en Boeotië, Megara,
+Locris en Phocis uit den bond te laten treden. Daarentegen veranderde
+langzamerhand de betrekking van Athene tot de zeestaten, zoodat deze
+van bondgenooten tot onderhoorigen werden; P. uitte onverholen de
+meening, dat zij aan Athene gehoorzaamheid en schatting schuldig
+waren, terwijl Athene daarentegen verplicht was hen te helpen en te
+verdedigen. De meeste staten misten de middelen om zich tegen deze
+aanspraken te verzetten, daar zij de gewoonte hadden aangenomen voor
+de verdediging van den bond geld in plaats van soldaten te geven;
+die het niettemin beproefden, werden met geweld ten onder gebracht,
+zooals Euboea, Aegina, Samus. Sedert 454 werd de bondskas te Athene
+bewaard en als Atheensch eigendom beschouwd en behandeld. Een
+middel, waardoor P. staten van twijfelachtige trouw aan Athene
+verbond en tevens arme burgers verzorgde, was het uitzenden van
+cleruchieën; bijna 5000 atheensche burgers kregen op deze wijze in
+verschillende deelen van Griekenland grondbezit. Maar P. zag wel
+in, dat Athene vroeg of laat zijne heerschappij, hoe hecht zij ook
+gevestigd scheen, zou moeten verdedigen, daarom nam hij reeds sedert
+het begin van den dertigjarigen vrede alle mogelijke maatregelen
+tegen den onvermijdelijken oorlog, en toen deze oorlog eindelijk
+uitbrak, had Athene 300 schepen, een leger van 30000 hopliten
+en 8000 talenten in kas, terwijl de jaarlijksche inkomsten 1000
+talenten bedroegen. Hij ried daarom aan de eischen der Spartanen
+(z. Pelop. oorlog) af te wijzen, den oorlog moedig te ondernemen en
+voorzichtig te voeren. Wel vond hij verbitterden tegenstand bij de
+aristocratische grondeigenaars en bij de boeren, die van een oorlog de
+grootste schade zouden ondervinden; wel trachtten zijne tegenstanders,
+die hemzelf niet durfden aanvallen, aan hunne verbittering lucht te
+geven door aanklachten tegen Anaxagoras, Aspasia en Phidias, maar P.,
+steunend op het vertrouwen van het volk, hield vol en, hoe moeilijk de
+tijden ook waren, het bleef naar hem luisteren. Eerst toen door oorlog
+en pest de nood op het hoogst gestegen was en de ontevredenheid een
+offer zocht, waagde men het P. van slecht beheer der staatsgelden
+te beschuldigen, inderdaad werd hij tot een geldboete veroordeeld
+(430), doch spoedig keerde het vertrouwen van het volk terug en werd
+hij opnieuw tot strateeg verkozen. In het volgende jaar stierf hij,
+v.s. aan de pest.--2) onechte zoon van den vorigen bij Aspasia. Ter
+eere van zijn vader gaf het volk verlof hem onder de burgers op te
+nemen; hij was een van de atheensche vlootvoogden, die na den slag
+bij de Arginusae ter dood veroordeeld werden.
+
+Periclymenus, Periklymenos, 1) zoon van Neleus en Chloris no. 3,
+Argonaut, was zeer sterk en konde verschillende gedaanten aannemen;
+bij de verwoesting van Pylus werd hij door Heracles gedood.--2) zoon
+van Poseidon en Chloris no. 4, Thebaan, die bij den oorlog der zeven
+tegen Thebe Parthenopaeus doodde en Amphiaraus op de vlucht vervolgde.
+
+Perideipnon, een maaltijd, door de bloedverwanten van een gestorvene
+na zijne begrafenis in het sterfhuis gehouden.
+
+Perieres, Perieres, zoon van Aeolus, koning van Messenië, vader van
+Aphareus en Leucippus.
+
+Perigune, Perigoune, dochter van Sinis, bij Theseus moeder van
+Melanippus.
+
+Perilaus, Pirilaos, 1) zoon van Icarius en Periboea, v. s. aanklager
+van Orestes bij den Areopagus.--2) of Perillus, kunstenaar van
+Agrigentum, maakte een koperen stier, waarin een mensch kon verbrand
+worden, en die zoo gemaakt was, dat het geschreeuw van het slachtoffer
+op het gebrul van een stier geleek. Hij bood dien stier voor eene
+aanzienlijke som aan Phalaris aan, maar deze nam de eerste proef met
+den kunstenaar zelf.
+
+Perillus, Perillos, z. Perilaus no. 2.
+
+Perinthus, Perinthos, bloeiende volkplanting (559) van Samus, op
+de thracische kust aan de Propontis (zee v. Marmara) gelegen. Zij
+verdedigde zich met goed gevolg tegen Philippus van Macedonië. Later
+Heraclea Perinthus.
+
+Perioikoi, afstammelingen van de oude bevolking der peloponnesische
+staten, wien door de dorische veroveraars de vrijheid en gedeeltelijk
+ook hun grondeigendom gelaten was. Zij misten het burgerrecht en
+moesten schatting opbrengen. In Lacedaemon is de naam Lacedaemoniërs
+soms in het bizonder op hen toepasselijk, terwijl daarentegen de
+heerschende Doriërs zich Spartanen noemen.
+
+Peripatetici, Peripatetikoi, wijsgeeren uit de school van Aristoteles
+(z.a.).
+
+Periphas, Periphas, 1) attisch autochthoon, die nog vóór Cecrops
+over Attica regeerde en wegens zijne wijsheid en goedheid als een
+god vereerd werd. Hierover vertoornd, wilde Zeus hem met den bliksem
+dooden, maar op de bede van Apollo veranderde hij hem in een arend.--2)
+een Aetoliër, die voor Troje door Ares gedood werd.--3) een Griek, die
+bij de verovering van Troje den burcht innam.--4) heraut van Aeneas.
+
+Periphetes, Periphetes, zoon van Hephaestus en Anticlea, een berucht
+roover, die met een ijzeren knots de reizigers doodde, die in zijne
+handen vielen. Theseus doodde hem in de nabijheid van Epidaurus en
+ontnam hem de knots.
+
+Peripoloi waren te Athene belast met de bezetting der grensvestingen
+en de bewaking van het land. Zij hadden eene lichte wapenrusting en
+werden slechts bij uitzondering buitenslands gezonden. De dienst der
+per. gold als eene voorbereiding voor den werkelijken krijgsdienst
+en was daarom aan de epheben opgedragen.
+
+Peripterus, peripteros, is een tempel, wanneer er eene kolonnade aan al
+de vier zijden om heen loopt. Staan de zuilen aan de zijkanten en den
+achterkant ter halverwege in den muur dan zegt men pseudoperipterus.
+
+Peristasis noemt men de zuilengangen rondom den dorischen tempel,
+zie columna.
+
+Peristylium, peristylion, een ruimte, rondom ingesloten door zuilen,
+die binnen de muren staan. Het komt eerst sedert den hellenistischen
+tijd voor, z. Domus en Oikia.--2) = Peristasis.
+
+Permessus, Permessos, beekje in Boeotia, ontspringt op de zuidelijke
+helling van den Helicon en stroomt langs Thisbe en Leuctra.
+
+Pero, Pero, de schoone dochter van Neleus en Chloris, gemalin van Bias,
+z. Melampus.
+
+Pero, laars van ruw of ongelooid leder.
+
+Perone, z. Fibula.
+
+Perperena, Perperena, vlek in Mysia, ten Z. van Adramyttium.
+
+Perpernae, ook Perpennae. 1) M. Perperna werd samen met L. Petillius
+door den illyrischen koning Gentius, tot wien zij als gezanten
+kwamen, gevangen gehouden, totdat de praetor Anicius hen met een
+leger kwam bevrijden (168).--2) M. Perperna, consul in 130, overwon
+den pergameenschen kroonpretendent Aristonicus. Hij overleed te
+Pergamum.--3) M. Perperna, consul in 92, censor in 86.--4) M. Perperna,
+een laatdunkend en onbekwaam man, koos in den burgeroorlog de partij
+van Marius en werd praetor. Toen Sulla zegevierde, week hij naar
+Sicilië, van waar Pompeius hem verjoeg. In 78 was hij onderbevelhebber
+van den oproerigen consul Mam. Aemilius Lepidus, na wiens nederlaag
+hij naar Hispania tot Sertorius vluchtte. Door zijne afkomst achtte
+hij zich ver boven Sertorius verheven en zoo nam hij deel aan
+eene samenzwering, waardoor S. vermoord en P. tot aanvoerder werd
+uitgeroepen (72). Hij werd echter spoedig door Pompeius verslagen en
+gevangen genomen, trachtte nog door eene laaghartigheid zijn leven
+te redden, doch werd ter dood gebracht.
+
+Perrhaebi, Perraiboi, krijgshaftig volk in het Noorden en in het
+Oosten van Thessalia, en ook in het N. van Euboea wonend.
+
+Perranthes, berg in Epirus, bij Ambracia, ten O. van den Arachthus.
+
+Persaeus, Persaios, 1) z. Perses.--2) van Citium, slaaf, later leerling
+van Zeno, leefde als stoicijnsch wijsgeer aan het hof van Antigonus
+Gonatas, die hem veldheer maakte en aanvoerder van het macedonische
+garnizoen van Corinthe. Hij sneuvelde in den strijd tegen Aratus
+(± 243).
+
+Perse, Perseis, Perse, Perseis, dochter van Oceanus, gemalin van
+Helius, moeder van Aeetes, Circe, Pasiphaë, e. a.
+
+Persephone, Persephone, -phoneia, Persephassa, Pherreph-, Kore,
+Proserpina, dochter van Zeus en Demeter, gemalin van Hades, die
+in de onderwereld over de schimmen der afgestorvenen regeert. Na
+Homerus treedt hare verhouding tot Demeter meer op den voorgrond dan
+die tot Hades, zelfs is zij in de mysteriën de bruid van Iacchus
+en heeft Hades haar slechts door geweld tot gemalin gekregen en
+door list behouden. Toen zij nl. eens op de vlakte van Nysa of bij
+Enna bezig was bloemen te plukken, opende zich plotseling de aarde,
+en uit de opening verscheen Hades, op zijn gouden met vier zwarte
+paarden bespannen wagen gezeten, en ontvoerde haar in weerwil van
+haar tegenstreven. Zeus had hem hiertoe zijne toestemming gegeven,
+maar Demeter, die niet wist waar hare dochter gebleven was, zocht deze
+vruchteloos negen dagen en nachten, totdat zij van Helius vernam, dat
+zij toch niet in P.'s tegenwoordig verblijf zou kunnen doordringen;
+in toorn trok zij zich van het gezelschap der goden terug, terwijl
+alle groei op aarde ophield. Eindelijk was Zeus genoodzaakt P. door
+Hermes uit de onderwereld te laten terughalen, maar Hades geeft
+haar, voordat hij haar laat gaan, de pit van een granaatappel, het
+zinnebeeld van het huwelijk, zoodat zij niet voor goed het sombere
+rijk van haar gemaal kan verlaten, maar er een derde van het jaar
+moet doorbrengen. Intusschen had Demeter, bewogen door de gastvrije
+ontvangst van Celeüs, door Triptolemus de kennis van den landbouw
+onder de menschen laten verbreiden en de eleusinische mysteriën
+ingesteld. In dezen mythus is P. blijkbaar het zinnebeeld van het
+jaarlijks terugkeerende afsterven en herleven der plantenwereld,
+waaraan in de mysteriën verder de beteekenis gegeven werd van eene
+zinnebeeldige voorstelling van verlossing uit den dood. De nauwe
+betrekking, die tusschen P. en hare moeder gedacht wordt te bestaan,
+wordt uitgedrukt door den veelal aan beide godinnen gemeenschappelijken
+eeredienst, door hare gemeenschappelijke bijnamen (Despoina, Megale
+thea), en vooral door den naam Kore (de jonkvrouw, dochter), die P. in
+de mysteriën droeg. Onder den invloed van de mystiek der Orphici werd
+zij later dikwijls verward met Hecate, Gaea, Rhea e.a.--Zij wordt
+afgebeeld als koningin der onderwereld met schepter en kroon, of als
+de bruid van Iacchus met klimopkrans en fakkels, of eenvoudig als de
+jonge dochter van Demeter; tot hare attributen behooren de narcis,
+papaver en korenaren.
+
+Persepolis, Persepolis, heilige hoofdstad van het landschap Persis,
+door Darius aangelegd, aan den Medus, dicht bij zijn uitmonding in den
+Araxes. De burcht met het koninklijk paleis, de schatkamer en de graven
+der perzische koningen, was door een driedubbelen muur omgeven. De
+stad werd door Alexander d. Gr. geplunderd en gedeeltelijk verwoest.
+
+Perses, Perses, 1) of Persaeus, zoon van Crius en Eurybia, vader
+van Hecate.--2) zoon van Helius en Perseis.--3) zoon van Perseus en
+Andromeda, mythisch stamvader der Perzen.--4) broeder van Hesiodus
+(z.a.).--5) bij latijnsche schrijvers = Perseus van Macedonië.
+
+Perseus, Perseus, 1) zoon van Zeus en Danaë (z. Acrisius). Hij werd
+door koning Polydectes van Seriphus opgevoed, maar toen hij opgegroeid
+was, wenschte deze zich van hem te ontslaan, hetzij omdat hij hem voor
+zijne regeering gevaarlijk achtte, hetzij omdat hij Danaë in zijne
+macht wilde brengen. Door valsche voorspiegelingen wist hij P. de
+belofte te ontlokken, dat hij desnoods het Medusahoofd voor hem zoude
+halen, en daarna drong hij op de vervulling van die belofte aan. Door
+de hulp van Hermes en Athena kwam P. bij de Graeae (z.a.), maakte zich,
+terwijl zij sliepen, van haar oog en tand meester en dwong haar dus hem
+den weg te wijzen naar de woning der nimfen, die hem de middelen konden
+verschaffen om zijne onderneming tot een goed einde te brengen. Van
+de nimfen kreeg hij gevleugelde schoenen, een tasch en den helm van
+Hades, Athena voegde er een spiegel en Hermes een sikkel bij. Met
+deze uitrusting kwam hij bij de Gorgonen (z. a.) aan de overzijde van
+den Oceaan, hij vond ze slapend en sloeg Medusa het hoofd af, terwijl
+hij, om niet versteend te worden, het gelaat afwendde en haar in den
+spiegel zag; toen de andere Gorgonen ontwaakten en hem wilden grijpen,
+maakte hij zich door den helm onzichtbaar. Met het afgehouwen hoofd
+in zijn tasch, nam hij met zijne gevleugelde schoenen over Afrika
+den terugtocht aan. Door de versteenende kracht van het Medusahoofd
+wreekte hij zich op Atlas, bevrijdde hij Andromeda en verdedigde hij
+zich tegen Phineus en diens aanhangers, eindelijk kwam hij op Seriphus
+terug, toen Polydectes op het punt stond Danaë tot een huwelijk te
+dwingen; tot straf veranderde hij ook dezen door het gezicht van het
+Medusahoofd in steen, waarop hij diens broeder Dictys koning over
+het eiland maakte. Met Danaë en Andromeda keerde hij nu naar Argos
+terug, maar nadat hij door een ongelukkig toeval zijn grootvader
+gedood had, ruilde hij zijn rijk tegen dat van zijn achterneef
+Megapenthes; zoo werd hij koning van Tiryns, van waar uit hij Midea
+en Mycenae stichtte. Hij was de stamvader der Persiden, tot welke
+o. a. ook Heracles behoorde. Tusschen Argos en Mycenae, op Seriphus
+en te Athene had hij een heiligdom. Met Andromeda werd hij onder de
+sterren geplaatst.--2) onechte zoon van Philippus III (z. a.), voerde
+reeds op jeugdigen leeftijd oorlog tegen de Illyriërs, en later, toen
+zijn vader met de Rom. in bondgenootschap was, tegen de Aetoliërs. In
+178 volgde hij zijn vader als koning van Macedonië op. Aanvankelijk
+regeerde hij wijs en gematigd, met de Rom. sloot hij vriendschap,
+maar daar hij wel inzag dat een oorlog met hen onvermijdelijk was,
+rustte hij zich ijverig daarvoor toe, hij vergrootte zijn leger,
+zorgde voor een ruimen voorraad van levensmiddelen en geld, verbond
+zich met Illyriërs, Thraciërs e. a., en trachtte zich in Syrië,
+Boeotië en Aetolië aanhangers te verwerven. In 171 brak de oorlog uit,
+die aanvankelijk ten gevolge van de onbekwaamheid der rom. veldheeren
+door P. met geluk gevoerd werd, maar met hoeveel overleg hij ook zijne
+maatregelen genomen had, op het oogenblik van handelen miste hij de
+vastberadenheid om zijne met zorg beraamde plannen uit te voeren,
+van zijne overwinningen wist hij geen gebruik te maken, en door
+zijne gierigheid vervreemdde hij zijne soldaten en bondgenooten van
+zich. In 168 kreeg de consul L. Aemilius Paullus het opperbevel over
+het rom. leger, en nadat deze de krijgstucht door gepaste maatregelen
+hersteld had, behaalde hij in den slag bij Pydna eene beslissende
+overwinning. P. vluchtte met zijne schatten naar Samothrace, maar
+gaf zich terstond over, toen de Rom. hem vervolgden; hij moest den
+triumftocht des consuls opluisteren, en bracht de weinige overige
+jaren van zijn leven als gevangene te Alba Fucentia door.
+
+Persicus sinus, ho Persikos kolpos, tegenwoordig nog als de Perzische
+golf bekend.
+
+Persii. De beroemdste van dit geslacht is de dichter A. Persius
+Flaccus, te Volaterrae in Etruria in 34 na C. uit den ridderstand
+geboren, een leerling van den stoicijn Annaeus Cornutus en een vriend
+van den dichter Lucanus. Hij was ook bevriend met Seneca en Thrasea
+Paetus. Van zijne gedichten zijn zes satiren tot ons gekomen. Hij
+had zich Horatius en Lucilius tot voorbeeld gekozen. In 62 stierf
+hij aan eene maagkwaal.
+
+Persis, Persis, Persike, de bakermat van het groote perzische rijk,
+ten Z. van Media. De Persae, Persai, waren in drie kasten verdeeld
+de edelen, de landbouwers, de nomadische herdersstammen. Uit Media
+kwam de priesterkaste der Magiërs.
+
+Persona, het tooneelmasker. De afmetingen der oude theaters waren
+van dien aard, dat bij de tooneelspelers van mimiek geen sprake
+kon zijn; men kon deze toch niet waarnemen. Om deze reden droegen de
+spelers maskers, die geheel berekend waren op het effekt en waaraan de
+toeschouwers terstond konden zien, welke soort van rol zij voorstelden,
+waarmede de haartooi of pruik dan in overeenstemming moest wezen. Zoo
+waren b.v. de maskers voor goden, heroën, vorsten hoog van maaksel,
+zoodat zij den speler grooter en verhevener lieten schijnen. Voor het
+treurspel had men ten minste 25 verschillende typen, 6 voor senes,
+7 voor jongelieden, 9 voor vrouwen, 3 voor slaven; voor het blijspel
+worden 43 typen vermeld. Figuranten, personae mutae, hadden maskers
+met gesloten mond.
+
+Pertinax (P. Helvius), rom. keizer 193 na C. Hij begon zijne loopbaan
+als letterkundig leeraar, trad vervolgens in den krijgsdienst, werkte
+zich omhoog, verkreeg in 176 het consulaat, doch viel later (182)
+bij Commodus in ongenade en werd verbannen, maar weder teruggeroepen,
+waarna hij nog in Britannia en Africa diende. Daarop was hij voor de
+tweede maal consul met Commodus in 192. Toen Commodus den 31 Dec. 192
+vermoord werd, werd Pertinax door de soldaten tot keizer uitgeroepen,
+doch reeds 28 Maart door de praetorianen omgebracht, daar hij de
+krijgstucht poogde te verscherpen.
+
+Perusia, Perousia, eene der 12 etruscische bondssteden, op een
+heuvel ten O. van het Trasimeensche meer nabij den Tiber gelegen,
+o. a. bekend door den oorlog, Bellum Perusinum in 41, toen Fulvia,
+de vrouw van den drieman M. Antonius, haar zwager L. Antonius tot
+een oorlog tegen Octavianus wist te bewegen. L. Antonius werd toen te
+Perusia door Octavianus belegerd. Bij de inneming der stad staken de
+verbitterde soldaten van Oct. haar in brand; zij werd echter herbouwd;
+thans Perugia.
+
+Perzische oorlogen (492-449). Verbitterd door den opstand der ionische
+Grieken onder Aristagoras, verstoord door de hulp, die Athene en
+Eretria aan de opstandelingen verleend hadden, en bovenal begeerig
+om na den mislukten tocht tegen de Scythen zijn rijk aan een anderen
+kant door verovering uit te breiden, besloot Darius I een leger naar
+Europa te zenden. Zijn schoonzoon Mardonius, die over dit leger het
+bevel voerde, onderwierp de Macedoniërs en veroverde Thasus, maar
+keerde daarop naar Azië terug, daar zijn vloot bij den Athos schipbreuk
+geleden had en zijn leger door de Thraciërs verslagen was. Darius gaf
+echter zijn voornemen niet op, maar zond twee jaar later een leger van
+100000 man onder Datis en Artaphernes over zee naar Griekenland, die
+op Euboea landden en Eretria innamen, maar in den slag bij Marathon
+tegen 9000 Atheners, versterkt door 1000 Plataeërs en aangevoerd
+door Miltiades, de nederlaag leden en terugkeerden (490). Nieuwe
+toerustingen van Darius werden door zijn dood afgebroken, en zijn
+opvolger, Xerxes, konde eerst na het onderdrukken van een aegyptischen
+opstand aan den oorlog tegen Griekenland denken, dien hij aanvankelijk
+gaarne geheel had opgegeven, maar waartoe hij aangespoord werd door
+Mardonius, de Pisistratiden en de thessalische Aleuaden. Nadat hij een
+brug over den Hellespont had laten slaan en de landengte van den Athos
+had laten doorgraven, trok hij in 480 met een ontzaggelijk leger van
+800.000 man voetvolk en 80.000 ruiters en eene vloot van 1200 schepen
+naar Griekenland. De peloponnesische staten (behalve Argos), Athene
+en eenige andere besloten zich te verdedigen, Thessalië, Thebae en
+de eilanden hadden zich reeds vroeger onderworpen. De Thermopylae
+werden bezet door ruim 6000 man onder Leonidas, de vloot van 271
+schepen lag bij Artemisium. Een driedaagsche zeeslag bleef onbeslist,
+maar na de nederlaag bij de Thermopylae trok de vloot zich terug naar
+Salamis. Intusschen trok Xerxes door Midden-Griekenland naar Athene,
+dat door de burgers verlaten was, en toen nu de Peloponnesiërs
+verder wilden terugtrekken en zich tot de verdediging van de
+landengte van Corinthe wilden bepalen, bewoog Themistocles, ten
+einde dit plan te verijdelen, Xerxes door list de grieksche vloot,
+die nu 366 schepen sterk was, in te sluiten. In den nu noodzakelijk
+geworden slag behaalden de Grieken eene schitterende overwinning
+(September 480), Xerxes ging met de overblijfselen van zijne vloot,
+ongeveer 300 schepen, naar Azië terug, terwijl hij Mardonius met
+300.000 man in Thessalië achterliet. Nadat deze daar overwinterd
+had, rukte hij in het volgende jaar weder Griekenland in, Athene werd
+weder door de burgers verlaten en door Mardonius ingenomen, waarop hij
+zich in Boeotië legerde. De Grieken, 110.000 man sterk en aangevoerd
+door Pausanias, ontmoetten hem bij Plataeae, en behaalden weder eene
+luisterrijke overwinning (479); Mardonius sneuvelde met het grootste
+deel van zijn leger, en slechts 40.000 man konden zich in behoorlijke
+orde terugtrekken. Op denzelfden dag versloeg de grieksche vloot van
+120 schepen onder Leotychides en Xanthippus de Perzen bij Mycale,
+en daarmede was de oorlog naar Azië overgebracht. De Grieken, in
+het vervolg meestal aangevoerd door Cimon, gingen nu aanvallend te
+werk, en behaalden o. a. aan den Eurymedon eene groote overwinning te
+land en ter zee (466). De Perzen werden uit geheel Europa verjaagd,
+de aziatische Grieken werden van hen onafhankelijk, en sedert 449
+vertoonde zich geen perzisch oorlogsschip in de Aegaeïsche zee. Of
+op deze voorwaarden een formeele vrede gesloten is, is onzeker,
+z. Cimon.--De in dit artikel genoemde getallen, aangevende de sterkte
+der perzische legermacht, berusten op opgaven van oude schrijvers en
+worden door vele nieuweren sterk overdreven geacht. Zie hieromtrent
+het artikel taxis.
+
+Pes als maat, rom. voet = 0,295 meter.
+
+Pescennius Niger (C.) was in 190 na C. bevelhebber in den dacischen
+oorlog, werd in 191 door Commodus naar Syrië gezonden en na den dood
+van Pertinax door zijne troepen tot keizer uitgeroepen (293). Hij
+was een bekwaam en dapper generaal, doch werd door zijn mededinger
+Septimius Severus bij Issus verslagen en op de vlucht gedood (194).
+
+Pesseia, een spel, dat veel overeenkomst heeft met ons damspel. Men
+speelde het met steenen (pessoi) op een bord (pessa), dat in 36 vakken
+(chorai, poleis) verdeeld was.
+
+Pesssinus, Pessinous, belangrijke stad van Galatia, waar zich een beeld
+van Cybele bevond, dat uit den hemel was gevallen. Ten gevolge eener
+uitspraak der sibyllijnsche boeken werd dit beeld in 204 naar Rome
+overgebracht en daarmede de dienst der Magna Mater aldaar ingevoerd.
+
+Petalismus, petalismos, instelling te Syracuse, gelijk aan het
+ostracismus te Athene. De stemmen werden op bladeren (petala) van
+een olijfboom geschreven, vandaar de naam.
+
+Petasmata, gordijnen, die soms gebruikt werden om kamerdeuren te
+vervangen.
+
+Petasus, petasos, hoed met breeden rand, gewoonlijk bij de chlamys
+gedragen.
+
+Petelia, Petelia, stad op de Oostkust van het land der Bruttii, even
+ten N. van Croton, volgens de sage door Philoctetes gesticht, en bekend
+door de hardnekkige, ofschoon vruchtelooze verdediging tegen Hannibal.
+
+Peteon, Peteon, vlek in Boeotia, in het gebied v. Thebe.
+
+Peteos, Peteos, zoon van Orneus, door Aegeus uit Attica verdreven,
+stichtte Stiris in Phocis.
+
+Petilia = Petelia.
+
+Petilii = Petillii.
+
+Petillia (lex), plebisciet van 187, gericht tegen de gebroeders
+Scipio, Asiaticus en Africanus maior, tot instelling van een onderzoek
+de pecunia capta ablata coacta ab rege Antiocho. Dit is geen wet,
+maar een eisch, door twee tribuni plebis Q. Petillius Ateius(?) en
+Q. Petillius Spurinus (Petillii no. 1) in den senaat ingesteld. De
+eisch werd afgewezen.
+
+Petillii, plebejisch geslacht. 1) Q. Petillius Spurinus liet als
+praetor urbanus in 181 een aantal voorgewende boeken van Numa
+Pompilius, die in den grond gevonden waren, verbranden. In 176
+sneuvelde hij als consul tegen de Liguriërs. Z. ook Petillia (lex).--2)
+L. Petillius, zie Perpernae no. 1.--3) Q. Petillius Cerealis, een
+ervaren generaal, slaagde in 70 na C. er in, den opstand der Batavieren
+onder Civilis tot een einde te brengen. Vervolgens onderwierp hij
+als stadhouder van Britannië de Brigantes, die opgestaan waren.
+
+Petra, Petra, 1) bloeiende stad van Arabia Petraea, ten Z. van
+Palaestina, halverwege tusschen de Doodenzee (Asphaltites lacus)
+en den Aelaniticus sinus, in eene door steile bergwanden omgeven
+vlakte gelegen en slechts toegankelijk door bergkloven. Door zijne
+ligging was Petra het middelpunt van den handel tusschen Aegypte,
+Syrië en Arabië. Het was met de hoofdstad Bostra de belangrijkste stad
+van Arabia Petraea.--2) bergvesting in Sogdiana.--3) stad der Maedi
+in Thracia.--4) plaats bij Dyrrachium in Illyria.--5) stad in het
+macedonische landschap Pieria.--6) stadje (demus) in Corinthia.--7)
+vlek in het gebied van Elis.--8) stad op Sicilia, ten N.N.W. van Henna.
+
+Petreii, plebejisch geslacht. M. Petreius, legaat van den consul
+C. Antonius, versloeg in 63 de benden van Catilina bij Faesulae. Van
+54-49 was hij legaat van Pompeius in Hispania, streed in 49 tegen
+Caesar en moest een verdrag sluiten. Na Pompeius' dood verzamelde hij
+troepen in Africa, en benam zich na de nederlaag bij Thapsus het leven.
+
+Petrinum, berg en landgoed bij Sinuessa op de grens van Campania
+in Latium.
+
+Petrocorii, gallisch volk ten N. van de Garumna (Garonne) in het
+tegenw. Périgord. Hoofdstad Vesunna (Périgueux).
+
+Petronii. 1) C. Petronius, stadhouder van Aegyptus onder Augustus,
+veroverde Napata, de hoofdstad der aethiopische vorstin Candace,
+in 23, en noodzaakte haar zelve in 21 zich te onderwerpen. Hij legde
+in Aegypte verschillende kanalen aan, om de productiviteit van het
+land te vergrooten, en onderdrukte een opstand te Alexandria.--2)
+P. Petronius, was onder Tiberius en Caligula eerst stadhouder in Asia,
+later legaat in Syria en trok zich de belangen der Joden aan. Hij
+kreeg o. a. bevel, het standbeeld van Gaius (Caligula) in den tempel
+te Jerusalem te plaatsen, maar verzocht den keizer op zijn besluit
+terug te komen (39 n. C.).--3) P. Petronius Turpilianus was onder
+Nero generaal in Britannia (61 na C.). Hij werd door Galba zonder
+vorm van proces gedood (69).--4) C. Petronius Arbiter, proconsul van
+Bithynia onder Nero, was een van diens vertrouwelingen, doch in 66
+na C. hij den keizer zwart gemaakt en van verraad beticht, opende
+hij zich op reis eene ader en stierf. Volgens Tacitus schitterde
+hij aan het hof als volleerd hoveling en ceremoniemeester, arbiter
+elegantiae. Hieraan heeft P. zeker den bijnaam Arbiter te danken;
+het beroemde, gedeeltelijk tot ons gekomen en in romantischen vorm
+geschreven Satyricon van Petronius Arbiter wordt thans algemeen
+aan hem toegewezen. Het is eene fijn geteekende en uit het leven
+gegrepen schets van de toenmalige zeden in verschillende standen. Een
+meesterstuk in dit opzicht is het gastmaal van den rijken parvenu
+Trimalchio.--4) T. Petronius Secundus, was in 95 na C. stadhouder
+van Aegyptus. In 96 was hij praefectus praetorio, en nam toen deel
+aan den moord op Domitianus, maar werd zelf het slachtoffer van de
+verbittering der praetorianen.--5) M. Petronius Sura Mamertinus,
+consul 182 n. C., schoonzoon van Marcus Aurelius, door Commodus
+omgebracht.--6) Petronius Didius Severus, vader van keizer Didius
+Iulianus.--7) Petronius Maximus, zie Maximus (Petronius).
+
+Peuce, Peuke, eiland, gevormd door de beide zuidelijke Donaumonden
+en bewoond door de Peucini, een bastarnischen stam.
+
+Peucestes, Peukestes, -tas, veldheer van Alexander d. Gr. Bij de
+bestorming van de hoofdstad der Malli redde hij den koning het
+leven, daarvoor werd hij tot satraap over Persis aangesteld. Door
+het aannemen van perzische taal, kleeding en zeden maakte hij zich
+bij zijne onderdanen bemind, maar wekte hij de ontevredenheid der
+Macedoniërs op. Na den dood van Alexander streed hij als bondgenoot
+van Eumenes tegen Antigonus, na den val van Eumenes gaf hij zich aan
+Antigonus over, die hem zijne satrapie ontnam.
+
+Peucetia, Peuketia, Z.O. helft van Apulia, bewoond door de Peucetii,
+Peuketioi.
+
+Peucetius, Peuketios, broeder van Oenotrus, dien hij naar Italië
+volgde; v. s. is Peucetia naar hem genoemd.
+
+Peucini, Peukenoi, bastarnische volksstam aan de Donaumonden. Zie
+Peuce.
+
+Pezetairoi, naam van de zware infanterie in de macedonische legers. Zij
+waren ingedeeld in zes of meer taxeis, die weder verdeeld waren
+in lochoi.
+
+Phacium, Phakion, stad in Pelasgiotis in Thessalia, ten O. van Crannon.
+
+Phacusa, Phakousa, stad in de Nijldelta aan den Pelusischen arm.
+
+Phaea, Phaia, heette het wilde zwijn van Crommyon, dat door Theseus
+gedood werd.
+
+Phaeaces, Phaiakes, een mythisch volk, dat vroeger in Hyperea
+gewoond had, maar daar het veel van de naburige Cyclopen te lijden
+had gehad, naar Scheria verhuisd was, waar Odysseus op het einde van
+zijne zwerftochten gastvrij ontvangen werd en van waar hij naar zijn
+vaderland werd teruggebracht. Zij zijn lievelingen der goden, rijk
+en vooral ter zee machtig. Scheria wordt door de ouden voor Corcyra
+gehouden, dat vandaar Phaeacia tellus genoemd wordt.
+
+Phaeax, Phaiax, 1) atheensch veldheer, ging in 422 naar Sicilië,
+om de volkspartij van Leontini tegen de Syracusanen te ondersteunen,
+maar keerde terug zonder veel uitgericht te hebben. Als staatsman was
+hij een tegenstander van Alcibiades, hoewel zij samenwerkten om de
+verbanning van Hyperbolus te bewerken.--2) bouwmeester te Agrigentum
+op het einde der 4de eeuw.
+
+Phaeca = Pheca.
+
+Phaedo, Phaidon, van Elis, vriend en leerling van Socrates. Na diens
+dood leefde hij in zijne vaderstad als leeraar der wijsbegeerte en
+stichtte hij een eigen school, de elische genoemd, die in richting
+niet veel van de megarische verschilde. Plato noemde zijn samenspraak
+over de onsterfelijkheid der ziel naar hem; zijn werken zijn alle
+verloren gegaan.
+
+Phaedra, Phaidra, dochter van Minos en Pasiphaë, gemalin van Theseus,
+moeder van Acamas en Demophon. Na den door haar veroorzaakten dood
+van Hippolytus (z. a.) beroofde zij zich van het leven.
+
+Phaedriades, Phaidriades, twee steile, kale rotsen ten N.O. van Delphi,
+behoorende tot den Parnassus (z. a.), die een kloof vormen. In de
+nabijheid vindt men de bron Castalia.
+
+Phaedrus, Phaidros, 1) leerling van Socrates, bevriend met Hippias
+en met Plato, die een van zijne werken naar hem noemde.--2) hoofd der
+epicureïsche school te Athene, leermeester van Cicero, eerst te Rome
+(90), later te Athene (79/78).--3) van Pieria, kwam als slaaf naar
+Rome, maar werd door Augustus vrijgelaten. Hij schreef eene latijnsche
+bewerking van de fabels van Aesopus in iambische verzen. Bovendien
+heeft hij eigen novellen en anekdoten gedicht. Wegens te recht of
+ten onrechte in zijn werk gevonden politieke toespelingen schijnt hij
+onder Tiberius vervolgd en gestraft te zijn, maar later weer vrij te
+zijn gekomen.
+
+Phaënna, Phaenna, eene van de Charites bij de Spartanen.
+
+Phaesana, Phaisana, stad in Z. Arcadia.
+
+Phaestus, Phaistos, 1) stad op de Z. kust van Creta, bij Gortyna. De
+opgravingen der laatste jaren hebben hier, evenals te Cnosus,
+belangrijke overblijfselen uit zeer ouden tijd aan het licht gebracht,
+zie Cnosus en Creta.--2) stad in het N. van Thessaliotis.--3) stad
+der ozolische Locriërs, met een Apollo-tempel.
+
+Phaëthon, Phaethon, 1) bijnaam van Helius.--2) zoon van Helius en
+Clymene, ging, om allen twijfel aan zijne goddelijke afkomst weg te
+nemen, naar het paleis van den zonnegod en vroeg hem om een teeken,
+waardoor hij door ieder als zijn zoon erkend zou worden. De god
+zwoer bij den Styx hem iederen wensch te zullen toestaan. Ph. vroeg
+nu verlof voor een enkelen dag den zonnewagen te mogen besturen,
+en hoewel zijn vader hem dringend vermaande van dien vermetelen
+wensch af te zien, moest hij zijn eed gestand doen. Inderdaad was de
+jongeling niet in staat de vurige paarden in bedwang te houden, de
+geheele aarde raakte in brand, en om grootere onheilen te voorkomen,
+zag Zeus zich genoodzaakt hem met den bliksem te dooden, waarop hij
+uit den wagen in den Eridanus viel.--3) zoon van Eos en Cephalus,
+door Aphrodite ontvoerd en tot bewaker van haar tempel aangesteld.
+
+Phaëthontiades = Heliades.
+
+Phaëthusa, Phaethousa, dochter van Helius en Neaera, weidde met hare
+zuster Lampetië de kudden van haar vader.
+
+Phagres, Phagres, oude sterke stad in Macedonia, dicht bij den Strymon
+en den mons Pangaeus.
+
+Phaininda, een balspel, waarbij men op het oogenblik van werpen aan
+den bal eene geheel onverwachte richting gaf, de andere spelers liepen
+dan om het hardst om den bal te halen.
+
+Phalaecus, Phalaikos, zoon van Onomarchus, opvolger van Phayllus als
+aanvoerder der Phocensers in den heiligen oorlog. Toen Philippus Phocis
+onderwierp (346), ging Ph. met zijne huurtroepen naar de Peloponnesus
+en van daar naar Creta, waar hij bij het beleg van Cydonia gedood werd.
+
+Phalanthus, Phalanthos, stichter van Tarentum (z. Partheniae), stierf
+te Brundisium en werd als halfgod vereerd.
+
+Phalanx, phalanx, het leger in slagorde. De gewone slagorde bij
+de Grieken was zoo, dat de troepen in even lange gelederen achter
+elkander stonden. De diepte der phalanx was gewoonlijk 8 man, doch
+werd naar omstandigheden gewijzigd; de beroemde macedonische phalanx
+was 16 rijen diep, in den slag bij Leuctra trok Epaminondas zijne
+troepen op den linkervleugel samen, zoodat deze eene diepte van 50 man
+kreeg en met onweerstaanbare kracht den rechtervleugel der Spartanen,
+waar de koning stond, kon doorbreken.
+
+Phalara, ta Phalara, haven van Lamia aan de Malische golf.
+
+Phalarica, een groote brandpijl, met werk, pek, enz. omwonden, die uit
+een catapulta naar de vijanden geschoten werd. De pijl was voorzien
+van een drie voet lange ijzeren punt.
+
+Phalaris, Phalaris, van Astypalaea, werd uit zijne vaderstad verbannen
+en ging naar Agrigentum, waar hij door zijn rijkdom tot hoog aanzien
+kwam. Onder voorwendsel dat hij een tempel voor Zeus wilde laten bouwen
+verzamelde hij eene menigte werklieden; daarop gaf hij hun wapenen,
+en op dit leger steunende wierp hij zich tot tyran op (570). Hij
+onderwierp verscheiden naburige staten en regeerde hebzuchtig en wreed
+(z. Perilaus). Na eene regeering van 16 jaar werd hij bij een opstand
+gedood. De brieven, die zijn naam dragen, zijn onecht, v. s. eerst
+uit den tijd der Antonijnen.
+
+Phalasarna, ta Phalasarna, havenstad op de W.kust van Creta, met
+een Artemistempel.
+
+Phalces, Phalkes, zoon van Temenus, maakte zich van de regeering over
+Sicyon meester. Hij en zijne broeders doodden Temenus, omdat deze de
+regeering over Argos aan hun zwager Deïphontes overgegeven had.
+
+Phalera (plur.) en phalerae, ta phalara, lederen, met metalen
+schubben bedekte stormband en wangbedekking aan den helm. Verder bij
+de Rom. metalen medailles op de borst der soldaten, tot belooning
+uitgereikt, ook metalen sieraden aan het hoofdstel of borsttuig
+der paarden.
+
+Phalerum, of -us, Phaleron, -os, de oudste en meest oostelijke der
+havens van Athene, eigenlijk een open baai, die echter door haar
+beschutte ligging een veilige ligplaats aanbood voor schepen.
+
+Phalinus, Phalinos, van Zacynthus, kwam als bekwaam krijgskundige
+in de gunst van Tissaphernes, die hem na den slag bij Cunaxa naar de
+Grieken zond om met hen te onderhandelen.
+
+Phaloria, Phaloria, vesting geheel in het W. van Hestiaeotis in
+Thessalia, aan den Peneus.
+
+Phanae, Phanai, Zuidkaap en haven van het eiland Chius, met een
+Apollotempel.
+
+Phanagoria, Phanagoreia en -ria, grieksche stad op den aziatischen
+oever van den Bosporus Cimmerius (straat v. Jaffa), later hoofdstad
+van het bosporaansche rijk.
+
+Phanes, Phanes, bij de Orphici = Eros.
+
+Pha(e)nias, Pha(i)nias, 1) van Eresus, leerling van Aristoteles,
+vriend van Theophrastus, schrijver van werken over geschiedenis,
+wijsbegeerte en natuurwetenschappen, waarvan slechts enkele fragmenten
+bewaard zijn.--2) een van de bevelhebbers der atheensche vloot in
+den corinthischen oorlog.
+
+Phanocles, Phanokles, grieksch elegieëndichter, die waarschijnlijk in
+den alexandrijnschen tijd leefde. Van zijn werk, Erotes, zijn slechts
+kleine fragmenten bewaard gebleven.
+
+Phanodemus, Phanodemos, schrijver eener Atthis, waarvan eenige
+onbeduidende fragmenten bewaard gebleven zijn. Hij was waarschijnlijk
+een Athener.
+
+Phanote, vesting in Chaonia in Epirus, ten N. van Phoenice.
+
+Phantasus, Phantasos, zoon van Hypnus, broeder van Morpheus (z. a.).
+
+Phaon, Phaon, z. Sappho.
+
+Pharae, Pharai, 1) eene der bondssteden van Achaia, in het binnenland,
+ten Z.O. van Olenus, met een oud orakel van Hermes; de inwoners
+werden Pharaes genoemd.--2) (Pharis), stad in Laconica, waarvan de
+inw. Pharitai heetten, ten Z. van Sparta.--3) (Pherae), stad in het
+Oosten van Messenia, dicht bij de Messenische golf, aan de Nedon;
+inw. Pharaitai.
+
+Pharax, Pharax, Spartaan, die onder Lysander in Azië streed als
+vlootvoogd (397) en als spartaansch gezant te Athene (369) genoemd
+wordt.
+
+Pharis, Pharis = Pharae no. 2.
+
+Pharmacusa, Pharmakoussa, 1) eilandje bij Miletus, waar Caesar in
+handen der zeeroovers viel.--2) Pharmacusae, twee eilandjes bij
+Salamis.
+
+Pharnabazus, Pharnabazos, satraap van Phrygië aan den Hellespont,
+ondersteunde sedert 413 de Spartanen krachtig tegen de Atheners,
+maar sloot in 410 vrede met laatstgenoemden. In den oorlog, dien de
+Spartanen later tegen Perzië voerden, had vooral zijne satrapie van
+de aanvallen van Thibron, Dercylidas en Agesilaus te lijden. Daarom
+zorgde hij voor het uitrusten eener vloot, die hij onder het bevel
+van Conon stelde, en na den slag bij Cnidus (394) verklaarde hij de
+grieksche zeestaten onafhankelijk, landde hij in de Peloponnesus en
+droeg hij bij tot den herbouw der atheensche muren. Hij verliet echter
+weldra Europa en kort daarna ook zijne satrapie, daar hij aan het
+hof geroepen werd om met de dochter des konings te trouwen. Van een
+krijgstocht naar Aegypte, in vereeniging met Iphicrates ondernomen,
+kwam hij onverrichter zake terug.
+
+Pharnaces, Pharnakes, 1) koning van Pontus (183-157), zoon van
+Mithradates IV. Hij trachtte zijn gebied uit te breiden ten koste
+van Pergamus, Bithynia en Cappadocia en vestigde zijne residentie
+te Sinope. Ten laatste echter moest hij de gemaakte veroveringen
+weder opgeven. De stad Pharnacia werd door hem gesticht.--2) zoon
+van Mithradates VI of den Gr. van Pontus. Door de wantrouwendheid
+zijns vaders van dezen vervreemd, spande hij met de Rom. tegen zijn
+vader samen. Hiervoor werd hij als onafhankelijk vorst van het door
+Mithradates veroverde kustland ten O. en N.O. van den Pontus Euxinus
+erkend, het zoogenaamde Regnum Bosporanum (63). In den strijd evenwel
+tusschen Pompeius en Caesar zocht hij de bezittingen van zijn vader te
+heroveren; doch Caesar voorkwam hem door een snellen tocht, versloeg
+hem bij Zela (48) en joeg hem naar den Cimmerischen Bosporus terug
+in zoo korten tijd, dat hij aan den rom. senaat den afloop in deze
+beroemde drie woorden kon berichten: veni, vidi, vici. Pharnaces
+sneuvelde daarna in den strijd tegen zijne opgestane onderdanen
+(47).--3) perzisch satraap, omstreeks 430.
+
+Pharnacia, Pharnakeia, stad op de kust van Pontus, door koning
+Pharnaces (z. a. no. 1) gesticht, eene zeer sterke stad. Zie verder
+Cerasus. Pharnacia heet tegenwoordig weder Kerasunt.
+
+Pharos, lange mantel van fijn linnen, door mannen en later ook door
+vrouwen gedragen.
+
+Pharsalus, Pharsalos, stad in het N. van Phthiotis, aan den Apidanus,
+ten Z. van den Enipeus met een beroemden Thetistempel en eene sterke
+acropolis. Hier had in 48 de groote en beslissende slag plaats tusschen
+Caesar en Pompeius.
+
+Pharus, Pharos, 1) eilandje op de aegyptische kust, waar Menelaus bij
+zijn terugkeer uit Aegypte door tegenwinden werd opgehouden. Alexander
+verbond het door een dam van zeven stadiën, heptastadium, met de vaste
+kust en de stad Alexandrië. Op het eene uiteinde van het eiland liet
+Ptolemaeus II Philadelphus een marmeren vuurtoren bouwen, die onder
+de zeven wonderen der wereld werd gerekend.--2) eiland op de kust
+van Dalmatia, thans Lesina. Er lag eene stad op van denzelfden naam,
+door Aemilius Paullus verwoest.
+
+Pharygae, Pharygai, z. Tarphe en Narycus.
+
+Phaselis, Phaselis, dorische handelsplaats op de kust van Lycia, met
+drie voortreffelijke havens. Het werd als een van de hoofdplaatsen der
+zeeroovers in 78 door P. Servilius Vatia (Servilii no. 20) verwoest.
+
+Phaselus, phaselos, een klein, licht en snelloopend vaartuig, v.s. zoo
+genoemd, omdat zij het eerst te Phaselis gebouwd werden, v. a. omdat
+zij den vorm van een snijboon (phaselus) hadden.
+
+Phasiani, Phasianoi, volksstam in Colchis aan den Phasis.
+
+Phasis, Phasis, rivier in Colchis, die op het Moschische gebergte
+ontspringt en in den Oosthoek van den Pontus Euxinus (Zwarte Zee)
+valt. Het dal van den Phasis is zeer vruchtbaar, doch de kust is
+moerassig: de huizen waren er op palen gebouwd. De colchische Phasis
+moet niet verward worden met den armenischen, veel langeren Phasis of
+Araxes, die zich in de Caspische zee stort. Aan of nabij den mond van
+den colchischen Phasis lag de stad Phasis, kolonie van Miletus. Naar
+deze plaats hebben de fazanten hunnen naam aves Phasianae.
+
+Phasis, een soort van graphe, aangewend tegen hen, die de wetten op
+den handel overtraden, ontrouwe voogden, onrechtmatige bezitters van
+staatseigendom e. a. De aanklager kreeg bij veroordeeling een deel
+van dat, wat de veroordeelde betalen of afstaan moest.
+
+Phatniticum, Phatneticum ostium, Phatnitikon stoma, een der Nijlmonden,
+tusschen den Sebennitischen en den Mendesischen Nijlmond gelegen.
+
+Phayllus, Phayllos, 1) van Croton, beroemd kampvechter, die met een
+op eigen kosten uitgerust schip aan den slag bij Salamis deelnam.--2)
+opvolger van zijn broeder Onomarchus als aanvoerder der Phocensers in
+den heiligen oorlog (352). Daar hij geen geld ontzag, bracht hij een
+groot leger op de been, ook werd hij door Atheners, Lacedaemoniërs
+en Achaeërs ondersteund; hij werd echter herhaaldelijk verslagen en
+stierf reeds in 351.
+
+Phazania, Phazania, z. Garamantes. Tgw. Fezzan.
+
+Phea, Phea, Pheia, landtong met haven en vlek in Elis.
+
+Pheca, Phaeca, kasteel bij Gomphi in Thessalia.
+
+Phegea, Phegeia, z. Psophis.
+
+Phegeis, Alphesiboea of Arsinoë, dochter van Phegeus.
+
+Phegeus, Phegeus, 1) koning van Psophis, werd met zijne zonen door
+de zonen van Alcmaeon (z. a.) gedood.--2) Trojaan, priester van
+Hephaestus, door Diomedes gedood.--3) tochtgenoot van Aeneas.
+
+Pheiditia, bij de Spartanen = syssitia.
+
+Phelleus, Phelleus, bergstreek in Attica.
+
+Phellus, Phellos, oude stad in het Zuiden van Lycia, met cyclopische
+muren.
+
+Pheme, Pheme = Ossa.
+
+Phemius, Phemios, zanger aan het hof van Odysseus. Hij zong ook
+bij de maaltijden der minnaars van Penelope, maar daar hij hiertoe
+gedwongen was geworden, spaarde Odysseus zijn leven op voorspraak van
+Telemachus.--V. s. was Ph. een schoolmeester te Smyrna, die Homerus
+als zoon aannam, waarom deze zijn naam in de Odyssee vereeuwigde.
+
+Phemonoë, Phemonoe, dochter van Apollo, de eerste Pythia, vandaar soms
+algemeen = profetes. Men zeide, dat zij den hexameter had uitgevonden.
+
+Pheneüs, Pheneos, oude stad in Arcadia met een gelijknamig meer, door
+herhaalde overstroomingen gevormd, aan den voet van den berg Cyllene.
+
+Pherae, Pherai, 1) = Pharae no. 3.--2) thessalische stad in het
+Z.O. van Pelasgiotis, met de havenplaats Pagasae. In den mythischen
+tijd was zij de zetel van koning Admetus, later van de tyrannen Iason
+en Alexander.
+
+Phereclus, Phereklos, bekwaam bouwmeester, gunsteling van Athena,
+bouwde o. a. het schip, waarop Paris Helena ontvoerde.
+
+Pherecrates, Pherekrates, tooneelspeler, later voortreffelijk dichter
+der oude attische comedie, ouder tijdgenoot van Aristophanes. Van
+zijne 16 of 18 stukken bestaan nog slechts enkele fragmenten. Het
+metrum Pherecrateum is naar hem genoemd.
+
+Pherecydes, Pherekydes, 1) van Syrus, een van de oudste grieksche
+wijsgeeren, de eerste grieksche schrijver van een wijsgeerig werk
+(Heptamychos, v. a. Pentemychos, peri physeos kai theon) en een van de
+eerste grieksche prozaschrijvers. Hij wordt een tijdgenoot van Alyattes
+en een van de leermeesters van Pythagoras genoemd, overigens is weinig
+van hem bekend.--2) van Lerus, gewoonlijk de Athener genoemd, logograaf
+in de 5de eeuw, die de mythische geschiedenis van Griekenland, in het
+bizonder van Attica, in een aantal werken beschreef, waarvan slechts
+enkele fragmenten bewaard gebleven zijn.
+
+Pherenicus, Pherenikos, thebaansch democraat, wiens vader Cephisodotus
+vele Atheners, die voor de 30 gevlucht waren, bij zich opgenomen had,
+werd op zijne beurt te Athene gastvrij opgenomen, toen hij voor de
+Spartanen uit Thebae wijken moest.
+
+Pheres, Pheres, zoon van Cretheus en Tyro, mythisch stichter van
+Pherae in Thessalië.
+
+Pheres, Pheres, naam door Homerus aan de Centauren gegeven.
+
+Pheretiades, Pheretiades, Admetus, zoon van Pheres.
+
+Pherinium, kasteel in Thessalia.
+
+Pherne = proix.
+
+Pherrephassa, Pherrephassa = Persephone.
+
+Pherusa, Pherousa, eene Nereïde.
+
+Phidias, Pheidias, Athener, zoon van Charmides, leerling van Hegias
+en Ageladas, de beroemdste kunstenaar uit den tijd van Pericles,
+wiens vriend hij was, en die alle groote werken tot verfraaiing
+van Athene door hem of onder zijne leiding liet uitvoeren. Hijzelf
+maakte bij voorkeur kolossale godenbeelden van goud en ivoor, waarin
+hij op de gelukkigste wijze bevalligheid en verhevenheid wist te
+doen gepaard gaan. Bovenal beroemd zijn zijne Athena Promachus,
+staande tusschen de Propylaeën en het Parthenon, zoo hoog dat men
+van Sunium het bovenste gedeelte er van konde zien, zijne Athena
+Parthenus van ivoor en goud, 26 el hoog, zijn Zeus te Olympia, het
+beroemdste kunstwerk der oudheid. Dit beeld was 40 voet hoog en zat op
+een troon van 12 voet. Het lichaam was van ivoor, doch zijn mantel,
+die van de heupen in sierlijke plooien neerhing, was van goud met
+ingewerkte bloemen, ook zijne sandalen waren van goud. Om het hoofd
+had hij een olijfkrans van groene steenen. In de rechterhand hield hij
+een beeld van de godin der overwinning, eveneens van goud en ivoor
+gemaakt, in de linkerhand zijn schepter, op welks punt een arend
+zat. Om den rijk met beeldhouwwerk versierden troon dansten Horen en
+Chariten. Het geheel maakte een onuitsprekelijken indruk van majesteit
+en goedheid. In de overblijfsels van het Parthenon zijn enkele door of
+onder den onmiddellijken invloed van Ph. vervaardigde werken bewaard
+gebleven.--Ph. stond dikwijls bloot aan de aanvallen van Pericles'
+vijanden. Met glans verdedigde hij zich tegen de beschuldiging, dat hij
+van het goud, voor de Athena Parthenus bestemd, zoude gestolen hebben,
+maar eene later tegen hem ingebrachte aanklacht wegens heiligschennis
+liep slechter voor hem af. Hij stierf in de gevangenis of te Olympia
+(432).
+
+Phidippides, Pheidippides, de atheensche renbode, die bij den eersten
+inval der Perzen in Attica (490) naar Sparta gezonden werd om hulp
+te vragen, en in 2 dagen den afstand van 1140 stadiën aflegde.
+
+Phidon, Pheidon, koning van Argos in de zevende eeuw, een krachtig
+en verlicht heerscher, die de heerschappij van Argos over de geheele
+Peloponnesus uitbreidde. Na zijn dood verloor Argos echter spoedig
+weder de door hem gevestigde macht. Van meer blijvend gevolg waren
+zijne maatregelen tot bevordering van het verkeer tusschen de staten
+onderling, onder welke vooral genoemd worden het slaan van gemunt
+geld en de invoering van een algemeen geldend stelsel van maten
+en gewichten.
+
+Phigalia, Phigalia, oude stad in het Z.W. van Arcadia. Zij had haar
+roem vooral te danken aan den beroemden tempel van Apollo Epicurius,
+door den vermaarden atheenschen bouwmeester Ictinus, den schepper van
+het Parthenon, in het tot Phigalia behoorende vlek Bassae gebouwd. Van
+dezen tempel staan nog 36 zuilen met de architraven; een gedeelte
+van de fries der cella, den strijd der Centauren met de Lapithen en
+der Amazonen met de Grieken voorstellende, is in het Britsch Museum
+te zien; zie blz. 159.
+
+Philadelphia, Philadelpheia, 1) stad in oostelijk Lydia aan den voet
+van den Tmolus, bij herhaling het tooneel van aardbevingen.--2) stad
+in Palaestina, in Peraea, de oude hoofdstad van Ammon, Rabbath Ammon,
+naar Ptolemaeus II Philadelphus verdoopt.--3) stad in het binnenland
+van W. Cilicia.
+
+Philadelphus, Philadelphos, bijnaam van Ptolemaeus II en Attalus II.
+
+Philae, Philai, eiland in den Nijl aan de Z. grens van Aegypte,
+met prachtige tempels en de graven van Isis en Osiris.
+
+Philaeni, zie arae Philaenorum.
+
+Philaeus, Philaios, zoon van Aiax no. 2 en Tecmessa, stond de
+heerschappij over Salamis aan de Atheners af, waarvoor hij atheensch
+burger werd. Hij was de stamvader der Philaiden, waartoe ook Miltiades
+behoorde.
+
+Philammon, Philammon, mythisch zanger uit Thracië, zoon van
+Chrysothemis of van Apollo en Chione, vader van Thamyris en
+Eumolpus. Hij hielp de Delphiërs in een oorlog tegen de Phlegyers en
+sneuvelde daarbij.
+
+Phileas, Phileas, van Athene, tijdgenoot van Hecataeus, schrijver
+van een aardrijkskundig werk, waarvan slechts weinige fragmenten
+bewaard zijn.
+
+Philemon, Philemon, 1) arm, vroom, oud man in Phrygië, die met
+zijne vrouw Baucis gastvrijheid bewees aan Zeus en Hermes, toen
+deze als vermoeide reizigers bij verscheiden rijken en voornamen een
+schuilplaats gevraagd hadden, maar overal afgewezen waren. Daarvoor
+werd die geheele streek door het water verzwolgen, alleen de hut
+van Ph. bleef staan en werd in een prachtigen tempel veranderd,
+terwijl Zeus beloofde hem een verzoek te zullen inwilligen. Daarop
+verzocht Ph. met zijne vrouw tot bewaarder van den tempel aangesteld
+te worden en tegelijk met haar te sterven. Na verloop van jaren werd
+hij in een eik, zij op hetzelfde oogenblik in een linde veranderd.--2)
+van Syracusae of Soli, kwam jong naar Athene en trad omstreeks 330 als
+dichter der nieuwe comedie op. Tegenover de stukken van Menander, die
+uitmuntten door karakterteekening, behaalden die van Ph., waarin vooral
+de levendige handeling boeide, dikwijls den prijs. Op uitnoodiging
+van Ptolemaeus leefde hij eenigen tijd te Alexandrië, daarna keerde
+hij echter naar Athene terug, waar hij op hoogen leeftijd stierf
+(262). Van zijne 97 stukken zijn slechts fragmenten bewaard, twee ervan
+zijn beter bekend door de latijnsche bewerking van Plautus.--3) zoon
+van den vorigen, dichter der nieuwe comedie, schrijver van 54 stukken.
+
+Philetaerus, Philetairos, 1) dichter van 21 blijspelen, die deels
+tot het tweede, deels tot het derde tijdperk der attische comedie
+behooren.--2) van Tium, geb. 343, diende onder Perdiccas, Antigonus
+en Lysimachus; deze vertrouwde hem de bewaking van den burcht van
+Pergamus toe, waarvan Ph. zich in 284 meester maakte. Onder de oorlogen
+der diadochen wist hij zich in zijn nieuw gevestigde regeering te
+handhaven, en bij zijn dood (263) liet hij het rijk Pergamus aan zijn
+neef Eumenes I achter.
+
+Philetas, Philetas, van Cos of Rhodus, tijdgenoot van Philippus en
+Alexander, beroemd grammaticus en dichter, leeraar van Ptolemaeus
+Philadelphus, Theocritus en Zenodotus. Hij muntte uit in de
+erotische elegie en wordt door de Rom., vooral door Propertius,
+dikwijls nagevolgd.
+
+Philinus, Philinos, 1) attisch redenaar, tijdgenoot van
+Demosthenes.--2) van Agrigentum, beschreef met groote partijdigheid
+voor de Carthagers de geschiedenis van den 1sten punischen oorlog.--3)
+van Cos, beroemd geneesheer en schrijver van geneeskundige werken,
+stichter eener empirische school van geneeskunde omstreeks 240.
+
+Philippi, Philippoi, stad in het macedonische gewest Edonis, aan den
+berg Pangaeus gelegen, door Philippus gesticht op de puinhoopen van de
+thasische volkplanting Crenides. Bij Philippi sneuvelden in 42 Brutus
+en Cassius. De eerste christengemeente in Europa werd te Ph. gesticht.
+
+Philippides, Philippides, beroemd dichter der nieuwe comedie,
+gunsteling van Lysimachus; van zijne 44 stukken zijn slechts
+onbeduidende fragmenten bewaard gebleven; nu en dan slaat hij daarin
+nog den vrijmoedigen toon der oude comedie aan.
+
+Philippopolis, Philippopolis, stad in Thracia aan den Hebrus
+(Maritza), door Philippus van Macedonia gesticht, op de plek van het
+vroegere Eumolpias. Onder de Rom. werd het de hoofdstad der provincie
+Thracia. Thans Philippopoli.
+
+Philippus, familienaam in de gens Marcia (Marcii no. 14-16).
+
+Philippus (M. Iulius), Arabs bijgenaamd, was de zoon van een arabisch
+Bedoeinenhoofd; door Gordianus III werd hij in 243 na den dood van
+Timesitheus tot bevelhebber der praetorianen aangesteld. Nadat hij in
+244 Gordianus III had laten vermoorden, werd hij door de soldaten tot
+Augustus uitgeroepen. Hij sloot vrede met de Perzen en vierde in 248
+met grooten luister het feest van Rome's 1000-jarig bestaan. In 249
+verloor hij bij Verona het leven tegen Decius, die door de pannonische
+legioenen tot rom. keizer was uitgeroepen.
+
+Philippus, Philippos, 1) zoon van Argaeus, koning van Macedonië
+621-588, sneuvelde in een oorlog tegen de Illyriërs.--2) zoon
+van Amyntas II en Eurydice, geb. 382. Als jongeling werd hij door
+Pelopidas, toen deze de macedonische aangelegenheden geregeld had,
+als gijzelaar naar Thebe medegenomen, waar hij drie jaar ten huize
+van Epaminondas of van Pammenes doorbracht. Na den dood van zijn
+ouderen broeder Perdiccas III nam hij in naam van diens minderjarigen
+zoon de regeering in handen; wel werden de aanspraken van andere
+pretendenten door de Thraciërs en Atheners ondersteund, maar door
+toegeven en beloften wist Ph. deze volken te winnen, zoodat zijne
+tegenstanders zich genoodzaakt zagen hem in het onbetwist bezit der
+regeering te laten. Nadat hij door gelukkige oorlogen tegen Illyriërs
+en Paeoniërs het rijk had uitgebreid, werd hij door de edelen tot
+koning uitgeroepen. Van toen af werkte hij met standvastigheid en
+beleid tot het bereiken van zijn doel: de grieksche staten onder
+macedonische hegemonie tot de verovering van het perzische rijk
+te vereenigen. Voorloopig wijdde hij zich aan het ordenen der
+binnenlandsche aangelegenheden, hij voerde eene nieuwe slagorde,
+de zoogenaamde macedonische phalanx, in, gewende zijne troepen aan
+strenge krijgstucht, en versterkte de inkomsten van het rijk door
+de ontginning der goudmijnen van den Pangaeus, die door een oorlog
+met de Thraciërs in zijn bezit waren gekomen. Inmiddels hield hij
+voortdurend het oog op Griekenland gevestigd, wel inziende dat de
+verdeeldheid der uitgeputte staten hem spoedig genoeg de gelegenheid
+zoude aanbieden om handelend op te treden. Zijne handelwijze was ook
+ten volle voor de bestaande toestanden berekend; hoewel een bekwaam
+krijgskundige, deed hij meer door geld en beloften, door omkooperij
+en bedrog, dan door de wapenen. Athene liet hem Amphipolis, Potidaea,
+en Methone nemen; door de Aleuaden te hulp geroepen tegen de tyrannen
+van Pherae, drong hij in Thessalië; ook vond hij gelegenheid zich in
+den heiligen oorlog (z. Phocis) te mengen en zelfs scheen het dat hij
+na eene overwinning op Onomarchus (352) een inval in Phocis wilde doen,
+maar hierin verhinderd door de Atheners, die een leger en eene vloot
+naar de Thermopylae zonden, keerde hij naar zijn land terug en wendde
+hij zich weder tegen Thracië, waar hij aan de atheensche belangen
+veel afbreuk deed. Ondertusschen trachtte hij in de Peloponnesus,
+op Euboea en elders partijen voor zich te vormen, eindelijk viel hij
+Olynthus aan, dat, door de Atheners te laat en onvoldoende ondersteund,
+door verraad in zijne handen viel (348). Met de Atheners sloot hij
+nu vrede, maar, hetzij hij hen door bedriegelijke beloften en het
+omkoopen van sommige hunner gezanten (Aeschines, Philocrates) wist te
+misleiden, hetzij de Atheners voor het oogenblik niet in staat waren
+het te beletten, de loop der gebeurtenissen was deze, dat hij nog
+gedurende de onderhandelingen nieuwe veroveringen in Thracië maakte,
+ongehinderd door de Thermopylae kwam, geheel Phocis onderwierp en
+ontwapende, de oppermacht van Thebe in Boeotië bevestigde, en zich
+in plaats der Phocensers in het Amphictyonen-verbond liet opnemen
+(346). Hiermede voorloopig tevreden, richtte Ph. zich weder tegen
+de barbaarsche naburen van zijn rijk, maar sedert 342 hervatte hij
+zijne vijandige handelingen tegen Athene, hij veroorzaakte onlusten op
+Euboea, viel de steden op de Chersonesus aan en bedreigde Perinthus
+en Byzantium. Phocion en Diopithes beletten hem wel eenig belangrijk
+voordeel te behalen, maar voordat de oorlog, dien de Atheners eindelijk
+verklaarden, beslist was, werd door de Amphictyonen besloten tot
+bestraffing der Locriërs van Amphissa (z. a.), en de uitvoering van
+dit besluit aan Ph. opgedragen. Hij kwam met een groot leger naar
+Griekenland, maakte spoedig een einde aan de op zichzelf onbeduidende
+zaak, die waarschijnlijk alleen in zijn belang op touw gezet was, maar
+bezette tevens Elatea in Phocis, van waar hij Thebe en Athene bedreigde
+(herfst van 339). Door toedoen van Demosthenes sloten nu deze beide
+staten een verbond, maar na eenige onbeduidende voordeelen leden hunne
+troepen bij Chaeronea een volkomen nederlaag (Aug. 338). Ph. behandelde
+de overwonnenen gematigd, en riep te Corinthe eene vergadering van
+afgevaardigden uit alle grieksche staten bijeen, waar tot den oorlog
+tegen Perzië onder het opperbevel van Ph. besloten werd. Maar terwijl
+hij zich met de voorbereiding van dien oorlog bezig hield, werd hij
+op de bruiloft zijner dochter Cleopatra, misschien met medeweten van
+zijne gemalin Olympias en hare aanhangers, door Pausanias, een van
+zijne lijfwachten, vermoord (336). Hij werd door zijn zoon Alexander
+opgevolgd.--3) z. Arrhidaeus.--4) zoon van Cassander, regeerde na den
+dood van zijn vader korten tijd over Macedonië.--5) Ph. III (of V),
+zoon van Demetrius II, opvolger van Antigonus Doson (221). Hij besteeg
+den troon op zeventienjarigen leeftijd en regeerde aanvankelijk met
+bekwaamheid en rechtvaardigheid; hij voerde niet zonder geluk een
+oorlog tegen het aetolisch verbond, die in 217 tot een einde gebracht
+werd wegens het gevaar van de inmenging der Romeinen in de zaken van
+Griekenland. Toen werd op een vergadering te Naupactus besloten tot
+eene vereeniging van alle gr. staten onder leiding van Ph. Doch door
+zijn gewelddadig optreden, door daden van roekelooze dwingelandij,
+zooals het vermoorden van Aratus (213), had hij zich, reeds voor
+het tot een botsing met de Rom. kwam, zoovele vijanden gemaakt,
+dat hij in die vereeniging slechts weinig steun vond. In den tweeden
+punischen oorlog sloot hij een verbond met Hannibal, doch in plaats
+van dezen krachtig te ondersteunen tergde hij slechts de Romeinen
+door aanvallen op hunne bondgenooten, Pergamus, Rhodus, Aetolië
+e. a. De Romeinen brachten eene vereeniging van Ph.'s vijanden tot
+stand en wikkelden hem in een oorlog, die echter spoedig, nadat de
+Macedoniërs eenige onbeduidende voordeelen behaald hadden, eindigde
+(205). Maar Ph. ging voort de Rom. op de oude wijze te verbitteren,
+hij vereenigde zich met Antiochus, begon een oorlog tegen Aegypte,
+enz.; zoodra dus de vrede met Carthago hun de handen vrij liet,
+verklaarden zij hem den oorlog, dien Ph., in het begin door het
+achaeisch verbond e. a. grieksche staten gesteund, niet zonder talent
+en geluk voerde. Toen echter de veldheer T. Quinctius Flamininus
+den Grieken vrijheid en onafhankelijkheid beloofd had, verlieten zij
+de zijde van Ph., en kort daarna verloor hij den beslissenden slag
+bij Cynoscephalae (197). Hij moest zijne bezettingen uit de grieksche
+steden terugtrekken, leger en vloot verminderen, 1000 talenten betalen,
+enz. Sedert dien tijd was hij als het ware de speelbal der Rom., die
+hem nu eens eenige meerdere vrijheid in zijne bewegingen lieten, dan
+weer hem voor zijne daden ter verantwoording riepen en op alle wijzen
+krenkten. Hij was te zeer ontmoedigd om zich door Hannibal of Antiochus
+tot een nieuw bondgenootschap tegen de Rom. te laten overhalen, hij
+streed zelfs als hun bondgenoot tegen de Aetoliërs, maar zijn steeds
+toenemende haat tegen hen wendde zich tegen zijn eigen onderdanen,
+en eindelijk liet hij zelfs zijn zoon Demetrius als romeinsch gezind
+ombrengen, die als gijzelaar te Rome geleefd had en het vertrouwen
+van het volk en den senaat genoot. Maar weldra bemerkte hij dat zijn
+onechte zoon Perseus, die hem tot die daad had aangespoord, slechts
+ten doel had gehad zichzelven door den dood van Demetrius den weg
+tot den troon te banen, en van verdriet over het gebeurde stierf hij
+(178).--6) Pseudo-Ph. z. Andriscus.--7) van Opus, leerling van Plato,
+bezorgde na diens dood de uitgave van een of twee zijner werken.--8)
+zoon van Herodes den Groote z. a.
+
+Philiscus, Philiskos, 1) van Abydus, werd door den satraap Ariobarzanes
+naar Griekenland gezonden (368) om een vrede tusschen de oorlogvoerende
+staten tot stand te brengen; daar zijne pogingen zonder gevolg bleven,
+ondersteunde hij Lacedaemoniërs en Atheners met huurtroepen tegen
+de Thebanen. Beide staten gaven hem het burgerrecht. Later werd hij
+stadhouder aan den Hellespont, waar hij wegens misbruik van macht
+vermoord werd.--2) van Miletus, leerling van Isocrates, schrijver van
+redevoeringen e. a. werken. Hij was de leermeester van Timaeus en
+Neanthes.--3) van Aegina, leerling van Diogenes, v.s. leermeester
+van Alexander d. G.--4) van Corcyra, treurspeldichter, door de
+Alexandrijnen in de tragische pleias opgenomen. Hij leefde onder
+Ptolemaeus II.
+
+Philistaei, Philistaioi, de Philistijnen, z. Palaestina.
+
+Philistides, Philistides, wierp zich met hulp der Macedoniërs tot tyran
+van Oreüs op (342). Hij trachtte met Athene vriendschapsbetrekkingen
+aan te knoopen, maar zijne gezanten werden afgewezen en door een
+atheensch leger onder Phocion werd Oreüs bevrijd en Philistides gedood.
+
+Philistion, Philistion, 1)grieksche mimograaf uit Bithynië, onder
+Augustus.--2) geleerd arts en geneeskundig schrijver, dikwijls door
+Galenus aangehaald.
+
+Philistus, Philistos, rijk Syracusaan, bloedverwant van den ouden
+Dionysius, wien hij bij het verkrijgen der regeering en later
+ter zijde stond, totdat hij in 386 het wantrouwen van den tyran
+opwekte en verbannen werd. Door den jongen Dionysius teruggeroepen
+(366), kreeg hij weder veel invloed, en de verbanning van Dio wordt
+hem toegeschreven. Toen deze terugkwam, werd Ph., die het bevel
+over de vloot voerde, na een ongelukkig gevecht gevangen genomen
+en door het volk gedood (356). Gedurende zijne verbanning schreef
+hij in Adria, aan den mond van de Po, eene geschiedenis van Sicilië
+(Sikelika), waarop hij later nog een vervolg gaf. In het beschrijven
+der gebeurtenissen van zijn tijd toont hij groote partijdigheid voor
+Dionysius; wegens zijne duidelijk merkbare nabootsing van Thucydides
+wordt hij een Thucydides in 't klein (pusillus Th.) genoemd. Van dit
+zoo belangrijke werk zijn slechts enkele fragmenten over.
+
+Philo, familienaam in de gens Publilia en de gens Veturia (Veturii
+no. 7 en 8).
+
+Philo, Philon, 1) Athener, die door de 30 verdreven werd en zich te
+Oropus vestigde. Later kwam hij naar Athene terug, waar hij tot lid
+van den raad verkozen werd.--2) van Amphipolis, door Philippus van
+Macedonië verbannen (358).--3) zwager van Aeschines, in 347 lid
+van het gezantschap, dat met Philippus ging vrede sluiten.--4)
+bekwaam architect, die het groote arsenaal in den Piraeus
+bouwde (omstreeks 300) en over onderwerpen, zijn vak betreffend,
+schreef.--5) van Byzantium, leerling van Ctesibius, schrijver van
+een werk over werktuigkunde, voornamelijk over de toepassingen
+daarvan op het krijgswezen, waarvan een gedeelte bewaard gebleven
+is.--6) van Larisa in Thessalië, leerling van Clitomachus en zijn
+opvolger als hoofd der academie, soms stichter der vierde academie
+genoemd. Gedurende den oorlog met Mithradates vluchtte hij naar Rome,
+waar hij zich vele vrienden verwierf; Cicero ging veel met hem om.--7)
+geleerde Jood van Alexandrië, geb. omstreeks 25. In zijn talrijke,
+deels geschiedkundige, maar meest wijsgeerige, geschriften streeft
+hij naar een vereeniging van joodsche godsdienstleer en grieksche
+wijsbegeerte; door allegorische verklaring van het O.T. vindt hij
+daarin de verschillende stelsels der grieksche scholen, vooral de
+academische en stoicijnsche, terug. Reeds bejaard kwam hij naar
+Rome (40 n. C.), om zich bij Caligula over onderdrukking zijner
+geloofsgenooten te beklagen. Verslag van die Jodenvervolgingen en
+van zijn gezantschapsreis heeft hij gegeven in zijne geschriften:
+eis Phlakkon en Presbeia pros Gaion.--8) Herennius Ph., van Byblus,
+beroemd grammaticus, schrijver van verscheiden werken, waaronder een
+over het aanleggen van bibliotheken. Hij leefde in de tweede eeuw
+n. C. Zie Sanchoniathon. Zie ook Ammonius no. 3.
+
+Philochorus, Philochoros, Athener, die in zijne talrijke werken,
+waarvan vele fragmenten bewaard zijn, de geschiedenis en oudheden van
+Attica met grondige geleerdheid en scherpzinnigheid behandelde. Door
+latere schrijvers wordt hij dikwijls aangehaald en hoog geprezen. Als
+tegenstander der Macedoniërs werd hij op last van Antigonus Gonatas
+gedood (261).
+
+Philocles, Philokles, 1) atheensch treurspeldichter, wordt bespot als
+een onhandig navolger van Aeschylus, zijn oom. Toch behaalde hij eens
+den prijs tegen Sophocles. Hij zou 100 stukken geschreven hebben.--2)
+atheensch admiraal, een van hen, door wier onbekwaamheid de atheensche
+vloot bij Aegospotami genomen werd. Hij zelf werd gevangen genomen
+en door Lysander ter dood gebracht.
+
+Philocrates, Philokrates, 1) atheensch veldheer, veroverde in
+den peloponnesischen oorlog het eiland Melus (416).--2) Athener,
+aan Euagoras van Cyprus te hulp gezonden met eene vloot, die door
+de Lacedaemoniërs genomen werd (390).--3) Athener, een van de
+onbeschaamdste handlangers van Philippus van Macedonië; de voor
+Philippus voordeelige vrede van 346 was door hem voorgesteld en
+wordt dikwijls naar hem genoemd. Later door Hyperides aangeklaagd,
+nam hij de vlucht (343).
+
+Philoctetes, Philoktetes, zoon van Poeas en Demonassa, koning van
+Meliboea, vriend van Heracles, die hem op den brandstapel, welken
+niemand dan Ph. had willen aansteken, zijn boog en pijlen te geschenke
+gaf. Hij trok met zeven schepen mede naar Troje, maar toen de Grieken
+op het eiland Chryse geland waren om aan Athena te offeren, werd hij
+door een slang gebeten, en sedert was hij door zijne klachten en door
+de ondragelijke lucht van de wond zoo hinderlijk, dat men hem op raad
+van Odysseus op Lemnus aan wal zette en achterliet. Daar leefde hij
+eenzaam en met ondragelijke pijnen tot het tiende jaar van den oorlog,
+toen een orakel verklaarde dat Troje alleen door de pijlen van Heracles
+kon genomen worden. Odysseus en Neoptolemus werden gezonden om hem
+te halen, en hoewel Ph. eerst niet naar hen wilde luisteren, volgde
+hij hen eindelijk op bevel van Heracles zelf. Zijn wond werd door
+Asclepius of Machaon genezen, met een zijner pijlen doodde hij Paris
+en spoedig moest Troje vallen. V. s. verdwaalde hij op de terugreis
+naar Italië, waar hij Petelia stichtte.
+
+Philocyprus, Philokypros, koning van Soli op Cyprus, die door Solon
+bezocht en in zijne gedichten geprezen werd.
+
+Philodemus, Philodemos, van Gadara, epigrammendichter en geleerd
+epicureïsch wijsgeer, tijdgenoot van Cicero. Behalve een dertigtal
+epigrammen zijn ook van zijne wijsgeerige werken aanzienlijke
+fragmenten bewaard, die te Herculaneum gevonden zijn.
+
+Philoetius, Philoitios, de herder der runderen van Odysseus, die hem
+behulpzaam was bij het dooden der minnaars van Penelope.
+
+Philolaus, Philolaos, 1) van Corinthe, wetgever der Thebanen.--2) van
+Croton of Tarentum, tijdgenoot van Socrates, pythagoreïsch wijsgeer,
+de eerste die de leer van Pythagoras te boek stelde; slechts weinige
+fragmenten zijn bewaard gebleven. V. s. was hij de eerste, die leerde
+dat de aarde zich om hare as beweegt.
+
+Philomela, Philomele, z. Procne.
+
+Philomelus, Philomelos, van Ledon, spoorde de Phocensers tot tegenweer
+aan, toen zij door de Amphictyonen in den ban gedaan waren, en werd
+hun veldheer in den daarop gevolgden heiligen oorlog. Daar hij noch
+bij Sparta, noch bij Athene de verwachte hulp vond, moest hij zijn
+kracht in huurtroepen zoeken, en om deze te kunnen betalen, plunderde
+hij den tempel te Delphi (356). Na eenige kleine overwinningen op de
+Thebanen en Locriërs leed hij eene groote nederlaag, waarop hij zich
+in een afgrond stortte (354).
+
+Philometor, Philometor, bijnaam van Ptolemaeus VI.
+
+Philonides, Philonides, atheensch blijspeldichter, onder wiens naam
+het eerste stuk van Aristophanes werd opgevoerd, daar deze zich te
+jong achtte om voor het publiek op te treden. Ook als tooneelspeler
+trad hij in de stukken van Aristophanes op.
+
+Philonoë, Philonoe, 1) dochter van Tyndareos en Leda, door de gunst
+van Artemis onsterfelijk gemaakt.--2) dochter van Iobates, gemalin
+van Bellerophon.
+
+Philopappus (Antiochus), Philopappos, afstammeling der koningen van
+Commagene, liet ten tijde van Traianus een marmeren gedenkteeken te
+Athene oprichten, waarvan nog overblijfsels bestaan.
+
+Philopator, Philopator, bijnaam van Ptolemaeus IV.
+
+Philopoemen, Philopoimen, van Megalopolis, geb. 253, om zijn
+heldenmoed en liefde voor de vrijheid "de laatste der Grieken"
+genoemd, onderscheidde zich reeds als soldaat, toen zijne vaderstad
+door Cleomenes III belegerd werd (223), en later in den slag bij
+Sellasia. Na een verblijf van eenige jaren op Creta, waar hij in een
+burgeroorlog medestreed, keerde hij naar zijn vaderland terug, en in
+208 werd hij tot strateeg van het achaeïsch verbond gekozen, welke
+betrekking hij later nog zevenmaal bekleedde. Als zoodanig voerde hij
+gepaste hervormingen in het krijgswezen in en wist hij den Achaeërs
+een nog ongeëvenaarde geestdrift voor hunne zaak in te boezemen, hij
+behaalde eene groote overwinning op Machanidas bij Mantinea (207);
+Argos, dat het verbond had verlaten, omdat dit zich met de Romeinen had
+vereenigd, werd genoodzaakt weder toe te treden. Ofschoon hij in een
+zeeslag overwonnen werd, versloeg hij de Lacedaemoniërs later weder te
+land, en na den dood van Nabis dwong hij Sparta tot het verbond toe
+te treden (192). Maar toen deze stad na eene poging tot afval door
+hem ingenomen en van hare muren ontdaan was, wendden de Spartanen
+zich tot de Rom. om hulp. Door hun steun wist nu eene oligarchische
+partij onder Dinocrates ook den afval van Messenië te bewerken, en
+toen Ph., hoewel hij ziek was, kwam toesnellen, joeg hij wel in het
+eerst Dinocrates op de vlucht, maar nadat zijn paard gevallen was en
+hij daardoor zich ernstig bezeerd had, werd hij gevangen genomen en
+reeds den volgenden nacht gedwongen den giftbeker te drinken (183).
+
+Philostratus, Philostratos, 1) atheensch sophist in de 2de eeuw na C.,
+schreef o. a. 43 treurspelen en 14 blijspelen. Van al zijne werken is
+niets bewaard. Tegenwoordig wordt echter de kleine dialoog Neron, die
+onder de werken van Lucianus is opgenomen, aan hem toegeschreven.--2)
+Flavius Ph., zoon van den vorigen, leefde eerst te Athene, later te
+Rome in de omgeving van Julia Domna en Caracalla. Van zijne talrijke
+werken zijn o. a. bewaard eene romantische levensbeschrijving van
+Apollonius van Tyana, levensbeschrijvingen van grieksche rhetoren in
+den rom. keizertijd en andere van minder belang.--3) de jonge Ph.,
+schoonzoon van den vorigen, leefde te Athene, bezocht Rome en stierf op
+Lemnus. Van zijne werken bezitten wij nog eene rhetorische beschrijving
+van eene verzameling schilderijen.--4) kleinzoon van no. 3, schrijver
+van eene niet zeer gelukkige navolging van laatstgenoemd werk.
+
+Philotas, Philotas, 1) zoon van Parmenio, officier en vriend
+van Alexander d. Gr., bij wien hij zich echter later door zijne
+vrijmoedigheid gehaat maakte. Daar hij geene aangifte gedaan had
+van eene samenzwering tegen het leven van Alex., die hem ter oore
+gekomen was, werd hij als medeplichtige daaraan beschouwd, ter dood
+veroordeeld en gesteenigd (330).--2) bevelhebber der macedonische
+bezetting in Thebe onder Alexander d. Gr.; na diens dood werd hem
+Cilicië als satrapie gegeven, doch in de daarop volgende oorlogen
+geraakte hij in gevangenschap.
+
+Philoxenus, Philoxenos, 1) van Cythera, beroemd dithyrambendichter,
+vroeger slaaf, later leerling van den jongen Melanippides. Hij
+reisde door Griekenland, Italië, Sicilië en Klein-Azië en stierf te
+Ephesus (380). Wegens zijne vrijmoedige afkeuring van de gedichten
+van Dionysius I had hij te Syracuse eenigen tijd in de gevangenis
+doorgebracht.--2) onder Alexander d. G. schatmeester voor de
+westelijke provinciën, later opvolger van Philotas no. 2 als satraap
+van Cilicië.--3) van Eretria, beroemd schilder omstreeks het einde
+der 4de eeuw. Vooral bekend was zijne schilderij van den slag bij
+Issus. Een copie hiervan is waarschijnlijk het beroemde mozaiek uit
+Pompei.--4) geleerd grammaticus van Alexandrië, leefde in de 1ste
+eeuw te Rome. Hij was een tijdgenoot van Varro, die veel aan hem te
+danken had.
+
+Philus, familienaam in de gens Furia (Furii no. 1 en 2).
+
+Philyra, Philyra, Oceanide, bij Cronus moeder van Chiron; uit smart
+over de gedaante van haar zoon veranderde zij in een lindeboom.
+
+Philyrides, Philyrides, Chiron, zoon van Philyra.
+
+Phineus, Phineus, 1) broeder van Cepheus, door Perseus met het
+Medusahoofd versteend, omdat hij van zijne verloofde Andromeda geen
+afstand wilde doen.--2) zoon van Agenor, koning van Salmydessus,
+had bij Cleopatra twee zonen, wien hij op aandrijven zijner tweede
+gemalin, Idaea, de oogen liet uitsteken. Daarvoor werd hij door
+de Harpyieën gekweld, die zijne spijzen wegroofden of bezoedelden,
+totdat de Argonauten bij Ph. landden en de Harpyieën door Zetes en
+Calaïs verjaagd werden.--Ph. had van Apollo de kunst van voorspellen
+geleerd, maar had daarvan roekeloos gebruik gemaakt, waarom hij door
+Zeus van het gezicht beroofd werd.
+
+Phintias, Phintias, 1) zie Damon.--2) tyran van Agrigentum.
+
+Phintias, Phintias, stad aan de Zuidkust van Sicilia, door Phintias,
+tyran van Agrigentum, gesticht.
+
+Phla, Phla, eilandje in het Tritonische meer in Africa, ten W. der
+groote Syrte.
+
+Phlegethon, Phlegethon = Pyriphlegeton.
+
+Phlegon, Phlegon, van Tralles, vrijgelatene van Hadrianus, schrijver
+van eenige onbeduidende werken over geschiedenis. Het eenige, dat
+bewaard is, heeft slechts zekere belangrijkheid door de daarin bevatte
+aanhalingen van oudere schrijvers.
+
+Phlegra, Phlegra, oude naam van het schiereiland Pallene op Chalcidice,
+waar Zeus de Giganten door zijn bliksems vernietigde.
+
+Phlegraei campi, zie campi Phlegraei.
+
+Phlegyae, Phlegyai, een rooversstam, die den delphischen tempel wilde
+plunderen, en door Zeus met donder en bliksem vernietigd werd.
+
+Phlegyas, Phlegyas, zoon van Ares en Chryse, mythisch stamvader der
+Phlegyers. Toen zijne dochter Coronis bij Apollo moeder geworden
+was van Asclepius, stak hij in toorn den tempel van Apollo in
+brand. Daarvoor doodde de god hem met zijn pijlen en moet Ph. in
+de onderwereld onder een rotsblok zitten, dat steeds dreigt op hem
+te vallen.
+
+Phliasia, Phliasia, gebied van Phlius.
+
+Phlius, gen. -untis, Phlious, stad in de Peloponnesus, ten Z. van
+Sicyon. Het had slechts een klein gebied.
+
+Phlyax, Phlyakes. Bij de dorische comoedia, vooral op Sicilia,
+is niet, zooals in Attica, de satire, maar het humoristische
+element de hoofdzaak (z. Epicharmus); de eenvoudigste vorm
+hiervan is de phlyax, terwijl de spelers ook phlyakes heeten. In
+deze stukjes worden in plaatselijk dialekt sprookjes en mythen
+geparodieerd (z. Sopater no. 1). Men vindt ze in later tijd vooral in
+Zuid-Italië. Waarschijnlijk staan de Atellanae fabulae (z. a.) onder
+hun invloed. Vgl. ook Mimus en Rhinton.
+
+Phobetor, Phobetor, zoon van Hypnus, broeder van Morpheus (z. a.).
+
+Phocaea, Phokaia, noordelijkste der aziatisch-ionische steden, eene
+belangrijke handelsstad met twee havens, gedekt door het eilandje
+Bacchium, dat rijk was aan tempels en prachtige gebouwen. De inwoners
+(Phocaei, Phokaes, terwijl de bewoners van Phocis Phocenses, Phokes,
+genoemd worden) waren onder de eersten, die koloniën stichtten,
+o.a. Massilia (Marseille). Toen Cyrus' veldheer Harpagus de grieksche
+steden op de aziatische kust veroverde, weken de Phocaeërs uit naar
+Alalia op Corsica (zie Aleria); een gedeelte stichtte toen Elea of
+Velia op de W.kust van Lucania. Later keerde echter het meerendeel
+uit Corsica naar Phocaea terug. In den syrischen oorlog werd Ph. door
+de Rom. geplunderd (190).
+
+Phoceae, Phokeai, sterkte in het gebied der sicilische stad Leontini.
+
+Phocion, Phokion, Athener van geringe afkomst, leerling van
+Plato. Wegens zijne dapperheid en bekwaamheid herhaaldelijk tot
+strateeg gekozen, won hij den slag bij Tamynae (349/8), verjoeg hij
+de tyrannen Philistides en Clitarchus, nam hij Oreüs en Eretria in
+(341), en verdedigde hij Byzantium tegen Philippus en Megara tegen de
+Thebanen. Maar terwijl hij dus in het veld voor de belangen van Athene
+tegen Macedonië streed, was hij bij zichzelf overtuigd, dat het volk
+van zijn tijd voor de vrijheid ongeschikt was, en dat op den duur
+tegenstand tegen Philippus vruchteloos moest zijn. Daarom was hij,
+in tegenstelling met Demosthenes, altijd voor vrede, ried hij na den
+slag bij Chaeronea tot het aannemen der voorwaarden van Philippus,
+en trachtte hij na diens dood de democratische bewegingen te Athene
+tegen te houden. Zijne eerlijkheid bleef ondertusschen boven allen
+twijfel verheven; wat Philippus en na hem Alexander hem ook mochten
+aanbieden, Ph. nam nooit geschenken of gunsten van hen aan, wel
+bewerkte hij, dat Alexander de redenaars vrijliet, wier uitlevering
+hij geëischt had, ofschoon hijzelf voor de inwilliging van dien eisch
+gestemd had. Het uitbreken van den lamischen oorlog zocht hij met
+alle kracht te beletten, en ook het aanvankelijk gunstig verloop er
+van stelde hem niet gerust; toen de oorlog ongelukkig voor de Grieken
+was afgeloopen, ging hij met Demades naar Antipater om over den vrede
+te onderhandelen. In weerwil van de harde voorwaarden van den vrede,
+stond Ph. nu eenige jaren aan het hoofd van den staat, maar toen
+Antipater gestorven was, Polyperchon het herstel der oude toestanden
+beloofde, en Ph. zich hiertegen trachtte te verzetten, werd het volk
+ontevreden, vooral toen hij, hoewel gewaarschuwd, niet belette dat
+de bevelhebber der troepen van Antipater den Piraeus innam. Bij de
+nadering van Alexander, den zoon van Polyperchon, werd Ph. gevangen
+genomen, van verraad aangeklaagd en door de geheele volksvergadering
+ter dood veroordeeld (318). Hij was 81 jaar oud geworden. Kort daarna
+werd voor hem een standbeeld opgericht.
+
+Phocis, Phokis, bergachtig en niet vruchtbaar landschap van
+Midden-Griekenland. In de geschiedenis is het het meest bekend door de
+zoogenaamde heilige oorlogen. Over den eersten z. Crissa. Crisa werd
+verwoest en zijn gebied aan den delphischen god gewijd (± 590). De
+tweede oorlog had in 355 plaats, toen de Phocensers een stuk der
+crisaeïsche vlakte hadden bebouwd. Tot een boete veroordeeld die zij
+niet konden betalen, maakten zij zich van de delphische tempelschatten
+meester en wierven huurtroepen, die spoedig hun zelven te machtig
+werden. Philippus van Macedonia, door de Thebanen te hulp geroepen,
+drong in 346 Phocis binnen, het huurleger sloot een verdrag en liet de
+Phocensers aan hun lot over, die het nu ontgelden moesten. Zij werden
+uit het Amphictyonenverbond gestooten en hun plaats daarin werd aan
+Philippus gegeven. Zie verder ook Amphissa. De Parnassus met den
+delphischen tempel lag wel in Phocis, doch Delphi behoorde er niet
+toe, maar was een gemeenschappelijk gebied der Amphictyonen. In de
+stad Daulis behoort de mythe te huis van het zusterpaar Philomela
+en Procne. De bewoners van Phocis worden Phocenses, Phokes, genoemd
+(zie Phocaea).
+
+Phocus, Phokos, 1) zoon van Poseidon, verhuisde van Corinthe naar
+het land, dat naar hem Phocis genoemd wordt.--2) zoon van Aeacus en
+Psamathe, werd door Telamon en Peleus gedood.
+
+Phocylides, Phokylides, van Miletus, gnomisch dichter uit de 6e eeuw;
+de korte fragmenten (gnomen), die van zijne werken bewaard zijn,
+zijn ernstig en eenvoudig; een langer gedicht, dat zijn naam draagt,
+is van veel lateren tijd.
+
+Phoebe, Phoibe, 1) bijnaam van Artemis.--2) dochter van Uranus en Gaea,
+bij Coeüs moeder van Asteria en Leto, vóór Apollo bezitster van het
+orakel van Delphi.--3) eene van de Leucippides.--4) dochter van Leda.
+
+Phoebeum, Phoibeion, vlek bij Sparta, met een tempel der Dioscuren.
+
+Phoebidas, Phoibidas, spartaansch veldheer, liet zich, toen hij met
+troepen op weg was naar Olynthus, door de oligarchische partij te Thebe
+overhalen om de Cadmea te bezetten (382). Hij werd wel teruggeroepen
+en beboet, omdat hij zonder voorkennis der regeering gehandeld had,
+doch later werd hij als harmost naar Thespiae gezonden, in welke
+betrekking hij bij een aanval der Thebanen sneuvelde (378).
+
+Phoebus, Phoibos, bijn. van Apollo en Helius.
+
+Phoenice, Phoinike, handelsstad in Chaonia in Epirus, ten N. van
+Buthrotum, hoofdstad van den epirotischen bond, zie Epirus.
+
+Phoenice of -cia, Phoinike, het smalle kustland ten N. van Palaestina,
+tusschen de Middellandsche zee en den Libanon, een land, bloeiende
+door zeevaart, handel en nijverheid, waaronder de glasfabricatie,
+de purperververijen, weverijen en metaalfabrieken de hoofdtakken
+waren. In dien bloeitijd waren de bosschen van den Libanon nog niet
+geveld en ondervond het land, wat klimaat en bodem betrof, nog den
+weldadigen invloed daarvan. Het land vormde niet één staat, maar een
+bond van steden, waaronder Tyrus en Sidon de meest beroemde waren. De
+Phoeniciërs (Phoenices, Phoinikes) strekten hunne tochten uit tot
+ver langs de kusten van den Atlantischen oceaan, doch de kennis,
+op die tochten opgedaan, behoorde tot de staatsgeheimen en ging met
+hen verloren.
+
+Phoenicus, gen. -untis, Phoinikous, naam van verschillende steden,
+o. a. 1) in Ionia, aan den voet van den Mimas, tegenover het eiland
+Chius.--2) een zeerooversnest in Lycia, door P. Servilius Vatia in
+78 vernield. Eigenlijk is het een in zee uitstekend gebergte aan de
+O.-kust van Lycia = Olympus no. 4.--3) op de Zuidkust van Messenia.--4)
+op het eiland Cythera.
+
+Phoenix, Phoinix, 1) vader of broeder van Europa, mythisch
+stamvader der Phoeniciërs.--2) zoon van Amyntor en Cleobule, een
+van de calydonische jagers. Op aansporen van zijn moeder knoopte
+hij liefdesbetrekkingen aan met een vrouw, die door Amyntor bemind
+werd, waarvoor zijn vader hem vervloekte en wegjoeg. Hij vluchtte
+naar Peleus, werd de opvoeder en vriend van Achilles en ging met
+hem naar Troje.--3) van Colophon, iambendichter tegen het einde der
+4de eeuw. Van hem zijn enkele gedichten, moraliseerende choliamben,
+in een papyrus teruggevonden.--4) fabelachtige heilige vogel der
+Aegyptenaren. Over de wijze, waarop hij sterft, waren verschillende
+verhalen in omloop, het meest gewone is, dat hij, na een leven van 500
+(of 1461, of 7006) jaar, op een door hemzelf gemaakten brandstapel
+den dood vindt en daarna verjongd uit de asch herboren wordt.
+
+Phoenodamas, Phoinodamas, Trojaan, wiens dochter door Laomedon
+(z. a.) geofferd zou worden aan het door Poseidon gezonden zeemonster
+en die daarom een opstand verwekte, zoodat Laomedon zijn eigen dochter
+moest offeren. Hij was de vader van Segesta, de moeder van Acestes.
+
+Pholoë, Pholoe, grensgebergte tusschen Arcadia en Elis, zijtak van
+den Erymanthus.
+
+Pholus, Pholos, Centaur, die Heracles gastvrij ontving. Toen de andere
+Centauren Heracles lastig vielen, ontstond een gevecht, waarin bij
+ongeluk ook Ph. door Heracles gedood werd.
+
+Phorbas, Phorbas, zoon van Lapithes en Orsinome, werd ingevolge
+een orakel door de Rhodiërs uit Thessalië geroepen om hun eiland
+van slangen te zuiveren. Daarvoor werd hij later door hen als heros
+vereerd. Hij stond Alector van Elis tegen Pelops bij, en kreeg daarvoor
+een deel van zijn land en zijne zuster Hyrmine; zijn afstammelingen
+werden koningen van Elis. Hij plunderde den delphischen tempel en
+werd door Apollo zelf gewond.
+
+Phorcides, Phorcynides, Phorkides, de Gorgonen en Graeën, dochters
+van Phorcys.
+
+Phorcys, -cus, Phorkys, -kyn, -kos, 1) zoon van Pontus en Gaea, een
+van de zeegoden, vader van de Gorgonen, de Graeën, de Hesperiden,
+den draak Ladon en de nimfen Thoosa en Scylla.--2) aanvoerder der
+Phrygiërs in den trojaanschen oorlog, door Aiax gedood.
+
+Phorminx, het oudste snareninstrument der Grieken, had veel
+overeenkomst met de lier en harp. Bij het bespelen hing het aan een
+band of riem over den schouder.
+
+Phormio, Phormion, 1) verdienstelijk atheensch veldheer in het begin
+van den peloponnesischen oorlog, behaalde o.a. bij Naupactus eene
+overwinning op een sterkere vloot der Spartanen (429).--2) van Ephesus,
+peripatetisch wijsgeer, wilde Hannibal theoretisch onderricht in de
+krijgskunst geven. Vandaar spreekwoordelijk voor iemand die anderen
+iets wil leeren, wat hij zelf minder goed verstaat.
+
+Phoroneus, Phoroneus, zoon van Inachus, koning van de Peloponnesus, die
+den dienst van Hera invoerde, de menschen in steden vereenigde en hun
+het gebruik van vuur leerde. Hij werd in Argos als heros vereerd. Naar
+hem werden de Argiven Phoronidae, en zijne zuster Io Phoronis genoemd.
+
+Phosphorus, Lucifer, Eous, Phosphoros, Phaesph., Heosph., 1) de
+morgenster, zoon van Astraeus of Cephalus en Eos.--2) bijnaam van de
+lichtgodinnen Artemis, Hecate, Eos.
+
+Phraates, Phraates, naam van eenige parthische koningen uit het huis
+der Arsaciden. Zie Arsaces.
+
+Phragandae, thracische stam op de macedonische grenzen.
+
+Phraortes, Phraortes, zoon en opvolger van Deïoces, regeerde over Medië
+(647-625); hij onderwierp de Perzen e. a. volken, maar sneuvelde in
+een strijd tegen de Assyriërs.
+
+Phrataphernes, Phrataphernes, satraap van Parthië onder Darius
+Codomannus; hij streed in den slag bij Gaugamela, maar onderwierp
+zich daarna aan Alexander. Deze liet hem zijne satrapiën Parthia en
+Hyrcania, die hij gedurende zijn verder leven behield.
+
+Phratria, oudtijds eene afdeeling van den atheenschen adel. Door
+Clisthenes werd het aantal phratriën uitgebreid, en ook niet-adellijke
+burgers erin opgenomen. Tot Clisthenes waren in iedere phyle drie
+phratriën, in welke verhouding zij tot de latere phylae stonden is
+niet bekend. Ieder burger moest tot eene phr. behooren, jonggeboren
+kinderen werden op de Apaturia (z. a.) in de phr. van hun vader
+ingeschreven, terwijl de medeleden (phratores, phrateres) tegen de
+inschrijving van onechte kinderen of om andere redenen onbevoegden
+moesten waken. Vrouwen gingen bij huwelijk in de phr. van haar man
+over. Ook verrichtten de leden eener phr. zekere gemeenschappelijke
+godsdienstige plechtigheden.
+
+Phrixa, Phrixa of -ai, stad in Elis ten Z. van den Alpheus.
+
+Phrixus, Phrixos, zoon van Athamas (z. a.) en Nephele. Door zijne
+moeder wonderdadig van den dood gered, vluchtte hij naar Aea, waar
+hij den ram, die hem overgebracht had, aan Zeus offerde en de gouden
+vacht aan Ares wijdde. Hij huwde met Chalciope, de dochter van Aeetes.
+
+Phrontis, Phrontis, zoon van Onetor, stuurman van Menelaus. Apollo
+doodde hem op de terugreis van Troje, ten einde Menelaus op te houden.
+
+Phrygia, Phrygia, gewest van Asia minor, ten O. van Lydia. Men
+onderscheidde Phrygia minor of Phrygia ad Hellespontum (zie Mysia),
+waartoe ook Troas behoorde, en Phrygia maior. Onder de Rom. werd
+alleen het laatste met den naam van Phrygia bedoeld. De Phrygiërs
+waren een uitgebreid volk, dat reeds vroeg op beschaving en kunst kon
+bogen, doch op dit gebied bleef stilstaan, sedert zij door Croesus
+lydische, en later met de Lydiërs perzische onderdanen werden. Onder
+hun eigen koningen, de Gordiussen en Midassen, hadden zij eenmaal een
+machtig rijk uitgemaakt, dat zich zelfs over Lydia uitstrekte. Zij
+noemden zichzelven autochthonen, doch reeds bij de ouden heerschte
+de meening, dat de Phryges in den voorhistorischen tijd uit Thracia
+waren overgekomen. Eene phrygische eigenaardigheid was het uithouwen
+van woningen en zelfs steden in rotsen. Bij de rom. dichters is
+dikwijls Phrygius = trojaansch, Phryges = Trojanen, bij Vergilius
+zelfs = Romeinen.
+
+Phrygia Mater = Rhea Cybele.
+
+Phrygius of Phryx, Phrygios, rivier in Lydia, zijtak van den Hermus.
+
+Phryne, Phryne, van Thespiae, een schoone hetaere, die ten tijde
+van Alexander d. Gr. te Athene leefde, zeer rijk was, en tot model
+diende voor de cnidische Aphrodite van Praxiteles en voor de Aphrodite
+Anadyomene van Apelles. Praxiteles plaatste haar beeld naast dat van
+Aphrodite in den tempel van Eros te Thespiae.
+
+Phrynichus, Phrynichos, 1) Athener, zoon van Polyphradmon, een van
+de oudste treurspeldichters, behaalde zijne eerste overwinning in
+511. Hij was de eerste die vrouwenrollen in zijne stukken bracht en
+v. s. ook de eerste die zijne stukken tot trilogieën en tetralogieën
+vereenigde. Den meesten roem behaalde hij door de schoonheid der
+lyrische partijen. Zijne Miletou alosis, waarin de inneming van
+Miletus na den ionischen opstand bezongen werd, trof de Atheners zoo,
+dat het stuk verboden en de dichter met 1000 drachmen beboet werd
+(496). In 476 werden zijne Phoinissai, ook een historisch stuk,
+opgevoerd.--2) blijspeldichter te Athene, zoon van Eunomides,
+tijdgenoot van Aristophanes, door wien hij dikwijls bespot wordt.--3)
+tooneelspeler en danser, tijdgenoot van Aristophanes.--4) Athener,
+zoon van Stratonides, speelde als bevelhebber der vloot bij Samus eene
+zeer dubbelzinnige rol bij de onderhandelingen over de terugkomst van
+Alcibiades. Onder de regeering der 400 werd hij als veldheer afgezet,
+maar vreezende voor de wraak van Alcibiades, sloot hij zich niettemin
+bij de oligarchische partij aan; door deze werd hij met Antiphon
+als gezant naar Sparta gezonden om over vrede te onderhandelen;
+bij zijne terugkomst werd hij door zekeren Thrasybulus van Calydon
+op straat vermoord (411).--5) grammaticus uit de tweede eeuw n. C.,
+schrijver van een woordenboek van attische woorden en uitdrukkingen,
+waarvan eenige uittreksels bewaard zijn.
+
+Phrynis, Phrynis, van Mitylene, beroemd dithyrambendichter tegen het
+einde der 5de eeuw.
+
+Phtha(s), Phtha, Phthas, aegyptisch god, vooral te Memphis vereerd,
+door de Grieken met Hephaestus geïdentificeerd. Hij wordt afgebeeld
+als een dwerg met stok en zweep, soms met een valkekop.
+
+Phthia, Phthia, 1) = Phthiotis.--2) stad in Phthiotis, de zetel
+van Peleus en Achilles, waarschijnlijk in den omtrek van het latere
+Thebae Phthiotides.
+
+Phthiotis, Phthiotis, bij Homerus Phthia, het Z. O. gewest van
+Thessalia, oudtijds ook wel als Achaia bekend, het stamland der
+Achaeërs. Hier behoorde Achilles te huis.
+
+Phyle, bij de Grieken eene afdeeling van het volk, waarvan de leden
+oorspronkelijk door werkelijke of vooronderstelde gemeenschappelijke
+afkomst of door gemeenschappelijke woonplaatsen in nauwere betrekking
+tot elkander stonden. In Attica worden uit den mythischen tijd
+vele indeelingen vermeld, waarvan de beteekenis niet duidelijk is;
+de zoog. indeeling van Theseus in Eupatridai, Geomoroi, Demiourgoi
+berust blijkbaar op verschil van standen. Tot aan Solon had men de
+gewone ionische verdeeling in 4 phylae (Geleontes, Hopletes, Argadeis,
+Aigikores), die aan Ion toegeschreven wordt. Solon verdeelde de burgers
+naar hun vermogen in 4 klassen met verschillende staatkundige rechten:
+Pentakosiomedimnoi, Hippes, Zeugitai, Thetes, de oude ionische phylen
+bleven voor godsdienstige doeleinden daarnevens bestaan, ook toen
+Clisthenes eene geheel nieuwe verdeeling in 10 phylae invoerde,
+waaraan hij de namen van inheemsche heroën gaf. Deze phylae waren
+geene plaatselijke eenheden, maar werden uit drie trittyes (z. a.),
+dus uit dikwijls ver van elkander verwijderde demen samengesteld,
+ten einde in dezelfde phyle personen van verschillende afkomst
+en stand te vereenigen. Aan het hoofd van iedere phyle stonden
+epimeletai. Voor het leger en den raad leverde iedere phyle een
+gelijk aandeel. Bij de 10 phylae werden in 301 nog twee gevoegd,
+die naar Antigonus en Demetrius genoemd werden, in 221 kwam eene
+dertiende er bij, die naar Ptolemaeus (Euergetes) heette, kort
+daarop werden de beide eerstgenoemde opgeheven, maar in 200 werd het
+aantal weder op 12 gebracht door toevoeging van eene, die den naam
+van Attalus kreeg (z. ook Phratria).--In de dorische staten is de
+dorische bevolking overal in 3 phylae verdeeld: Hylles, Pamphyloi,
+Dymanes, zoo genoemd naar den zoon van Heracles en de beide zonen van
+Aegimius; de niet dorische bevolking vormt, waar zij eenig aandeel
+aan het burgerrecht heeft, eene afzonderlijke phyle, zooals in Argos
+en Sicyon. Iedere phyle is in 10 obae (obai) verdeeld. Waarop hier de
+verdeeling berustte is onbekend, v. s. zijn zoowel phylae als obae
+plaatselijk van elkander gescheiden, ofschoon ten minste in Sparta
+ook eene plaatselijke indeeling in 5 komai bestond.
+
+Phylobasileus, bestuurder eener phyle in den tijd voor Clisthenes
+of Solon; ook toen deze phylen alleen voor den eeredienst beteekenis
+behouden hadden, bleef de waardigheid van phylob. bestaan.
+
+Phylace, Phylake, stadje in Phthiotis, ten O. van den Enipeus,
+geboorteplaats van Protesilaus.
+
+Phylacus, Phylakos, 1) zoon van Deïon en Diomede, vader van Iphicles
+no. 3, stichter van Phylace.--2) heros, die den delphischen tempel
+tegen de Galliërs beschermde en daarvoor te Delphi een heiligdom had.
+
+Phylarchus, Phylarchos, van Athene, Sicyon of Naucratis, tijdgenoot
+van Aratus, schreef eene geschiedenis van de jaren 272-220 in 28
+boeken. Zijn werk wordt, voor zoover men uit de weinige fragmenten kan
+opmaken ten onrechte, door Polybius en Plutarchus streng veroordeeld;
+toch maakte laatstgenoemde er veel gebruik van.
+
+Phyle, Phyle, sterk kasteel in Attica aan de Zuidwestelijke helling
+van den Parnes, 3 uur afstands ten N. van Athene. In den tijd der 30
+te Athene (404-403) bezette Thrasybulus aan het hoofd der atheensche
+ballingen deze sterkte en maakte zich van daar uit van den Piraeus
+meester.
+
+Phyleus, Phyleus, zoon van Augias, een van de deelnemers aan de
+calydonische jacht, werd door zijn vader verjaagd, omdat hij voor
+Heracles partij getrokken had. Deze bracht hem later in zijn vaderlijk
+rijk terug, maar hij liet het aan zijn broeder Agasthenes over en
+ging naar Dulichium.
+
+Phyllidas, Phyllidas, Thebaan, die in weerwil van zijne democratische
+gezindheid gedurende de spartaansche bezetting geheimschrijver der
+polemarchen werd. Hij begunstigde de samenzwering van Pelopidas en
+noodigde de polemarchen Archias en Philippus in zijn huis tot een
+feest, waarbij zij door de saamgezworenen gedood werden.
+
+Phyllis, Phyllis, z. Demophon no. 2.
+
+Phyllis, Phyllis, landstreek aan den mons Pangaeus.
+
+Phyllus, Phyllos, stad in Thessaliotis, bij den Enipeus, met een
+Apollo-tempel. Dichterlijk: Philleius = thessalisch.
+
+Physcon, Physkon, dikbuik, bijnaam van Ptolemaeus VII.
+
+Physcus, Physkos, 1) zijtak van den Tigris, die zich bij de stad Opis
+met den hoofdstroom vereenigt.--2) berg in Bruttii, bij Croton.--3)
+haven op de Z. kust van Caria.
+
+Phytalus, Phytalos, een heros van Eleusis, die Demeter op hare
+zwerftochten gastvrij ontving. Tot belooning leerde zij hem het
+kweeken van den vijgeboom.
+
+Phyxius, Phyxios, beschermer der vluchtelingen, bijnaam van Zeus bij
+de Thessaliërs.
+
+Picentes, Piceni, bewoners van Picenum.
+
+Picentia, tgw. Vicenza, hoofdstad der Picentini, nabij de golf van
+Paestum (golf van Salerno).
+
+Picentini, een gedeelte der Picentes, dat uit Picenum naar het Z.O. van
+Campania was verhuisd.
+
+Picenum, Pikentine, kustland van Italia aan de Adriatische
+zee, tusschen Umbria en Samnium gelegen. De bewoners, Piceni,
+Picentes, waren van sabijnschen stam. In 268 werden zij door de
+Rom. onderworpen. Een gedeelte der Piceners werd daarna naar Campania
+overgebracht en zette zich aan den sinus Paestanus (golf v. Salerno)
+neder, waar zij naar hunne hoofdstad Picentia den naam Picentini
+kregen.
+
+Pictavi, zie Pictones.
+
+Picti, in de 4de eeuw n. Chr. voor het eerst voorkomende naam van
+een volksstam in het Noorden van Schotland; ze woonden ten N. van
+de Firth of Forth, terwijl de Scoti, die tegelijk met hen optreden,
+in Zuid-Schotland en Ierland wonen.
+
+Pictones of Pictavi, machtig gallisch volk in het
+tegenw. Poitou. Hoofdstad: Limonum (Poitiers).
+
+Pictor, zie Fabii no. 24 vv.
+
+Picumnus, italiaansche god van den landbouw, die het bemesten der
+landerijen zou uitgevonden hebben. Hij was de broeder van Pilumnus
+(z. a.).
+
+Picus, veld- en boschgod der Romeinen, wiens dienst reeds vroeg
+verouderd was. Hij wordt de zoon van Saturnus, de gemaal van Pomona of
+van de nimf Canens, de vader van Faunus genoemd. Daar hij de liefde
+van Circe onbeantwoord liet, veranderde zij hem in een specht. Hij
+wordt voorgesteld als een specht op een zuil zittend, of als een
+jongeling met een specht op het hoofd.
+
+Pieria, Pieria, 1) landschap van Macedonia op de grenzen van
+Thessalia, in het N. door den Haliacmon, in het O. door de golf van
+Thermae begrensd. Dit Pieria was de zetel van den Muzendienst (zie
+Pierides), aan wie de berg Pierus geheiligd was. De Pieriërs waren
+een thracische stam; in de 7de eeuw werden zij door de Macedoniërs
+verdreven en vestigden zij zich aan den Strymon, in den omtrek van
+den mons Pangaeus, ook deze streek kreeg toen den naam Pieria.--2)
+landstreek in het N. der syrische kust, tusschen de golf van Issus en
+den Orontes, aan den berg Pieria, een uitlooper van den Amanus.--3)
+(of Pierium, Pierion), berg in het W. van Thessalia.
+
+Pierides, Pierides, de Muzen, naar hare geboorteplaats Pieria.
+
+Pierus, Pieros, koning van Emathia, vader der Emathides.
+
+Pierus, Pieros, berg in het W. van Thessalia = Pieria no. 3.
+
+Pignoris capio. Wanneer een rom. burger zijne verplichtingen niet
+nakwam, waren er gevallen, waarin de praetor aan de benadeelde
+partij verlof gaf, een of ander eigendom van den nalatige in pand te
+nemen. Kwam de laatste dan binnen zekeren tijd zijne verplichtingen
+nog niet na en loste hij dus het pand niet in, dan konde de ander
+het verkoopen en zich uit de opbrengst schadeloos stellen.
+
+Pigres, Pigres, zoon of broeder van Artemisia no. 1, v. s. dichter
+der Batrachomyomachie, zie ook Margites.
+
+Pigrum mare, de gestolde zee, zie Cronium mare.
+
+Pilani, zie hastati.
+
+Pilentum, een vierwielige, door twee paarden getrokken, overdekte wagen
+(currus arcuatus), waarin flamines, Vestales en matronae naar offers
+en spelen reden.
+
+Pileus, pilos, vilten hoed of liever muts voor mannen, bij
+verschillende volken in verschillende fatsoenen in gebruik. De
+Rom. droegen den pileus zelden, althans in de stad; bij goed weder
+gingen zij meest blootshoofds, bij regen trokken zij zich een kap
+of cucullus over het hoofd. Slaven mochten geen hoofddeksel dragen;
+vandaar dikwijls ius pilei = libertas.
+
+Pilorus, Piloros, stadje op het chalcidische schiereiland Sithonia,
+aan den sinus Singiticus.
+
+Pilum, de beroemde rom. werpspies, niet lang, slechts ongeveer 2 meter,
+maar zwaar en met een scherp gestaalde van weerhaken voorziene punt. De
+schacht was zoo in het ijzer (of omgekeerd) bevestigd, dat zij bij
+pogingen om de speer ergens uit te rukken, licht afbrak, evenals
+de fijne punt, zoodat de vijand het wapen niet kon terugwerpen. De
+rom. soldaten waren in het gebruik van dit wapen zeer geoefend. De
+aanval begon in den regel met het werpen van het pilum; door schilden
+van hout- of teenwerk drong het met gemak heen, reeg ze zelfs aan
+elkaâr, en noodzaakte dan door zijne zwaarte den vijand zich te
+ontblooten, terwijl onmiddellijk de aanval met het zwaard volgde.
+
+Pilumnus, 1) landelijke godheid der Rom., die den Italianen het
+dorschen, eig. het stampen (pinsere), van het koren geleerd had. Hij
+was een broeder van Picumnus; in een huis, waar een kind geboren was,
+werd gedurende de eerste dagen voor beiden in het atrium een bed
+gespreid, zie ook Deverra.--2) z. Danae.
+
+Pimpleae, Pimpleides, Pimpleides, bijnaam der Muzen, naar de stad
+Pimplea in Piërië of naar een bron van dien naam aan den Helicon.
+
+Pinara, ta Pinara, stad in Lycia aan den berg Cragus.
+
+Pinaria (lex) annalis van den volkstribuun M. Pinarius Rusca. Deze
+wet is een voorlooper van de lex Villia annalis (z. a.) van 180.
+
+Pinaria Furia Postumia (lex) van de drie consulairtribunen L. Pinarius
+Mamercinus Rufus, L. Furius Medullinus Fusus en Sp. Postumius Albus
+Regillensis, 332. Deze wet verbood bij het dingen naar eenig ambt de
+toga kunstmatig wit te maken. De wet is spoedig in onbruik geraakt.
+
+Pinarii, oud rom. geslacht, dat met een ander oud geslacht, de Potitii,
+in het erfelijk bezit was van een priesterambt van Hercules, dat
+in overouden tijd door Euander zou zijn ingesteld. Volgens de sage
+kwamen bij het eerste offermaal de Pinarii te laat aan tafel en werd
+hun ten eeuwigen dage als boete opgelegd, bij de offermaaltijden eerst
+te verschijnen, wanneer een gedeelte reeds genuttigd was. In 312 en 311
+stierven de Potitii uit, omdat zij den dienst door servi publici hadden
+laten waarnemen, terwijl de censor Appius Claudius, op wiens raad dit
+was geschied, volgens het latere verhaal door den vertoornden halfgod
+met blindheid werd geslagen. In werkelijkheid heeft App. Claudius den
+eeredienst van Hercules aan de Ara Maxima, die een sacrum gentilicium
+van de Potitii en Pinarii was, tot staatsgodsdienst gemaakt, waarbij
+het offer verricht werd door den praetor urbanus. Enkele leden van
+de gens Pinaria komen als overheden en legeraanvoerders voor. Onder
+Cicero's vrienden worden twee broeders vermeld, T. en L., doch ook
+een tegenstander, L. Pinarius Natta, die als pontifex, ten gevalle
+van zijn zwager P. Clodius, het huis van Cicero aan den dienst der
+goden wijdde, waardoor Clodius zocht te verhinderen, dat de plek
+ooit weder in Cicero's bezit zou terugkeeren. Nog een L. Pinarius,
+met Caesar verwant, kreeg van Antonius het bevel in Africa, doch ging
+later tot de partij van Octavianus over.
+
+Pinarus, Pinaros, rivier in Cilicia, die op den Amanus ontspringt en
+in de golf van Issus valt.
+
+Pincius (mons), ook collis hortorum geheeten, thans monte Pincio,
+heuvel, onmiddellijk ten N. van Rome gelegen en door keizer Aurelianus
+grootendeels binnen den nieuwen vestingmuur getrokken.
+
+Pindarus, Pindaros, Thebaan, de grootste lyrische dichter der Grieken,
+geb. 522. Hij was uit het geslacht der Aegiden, waartoe vele bekwame
+toonkunstenaars behoord hadden, verder genoot hij het onderwijs
+van Lasus van Hermione en van Myrtis en Corinna. Algemeen geëerd en
+bemind, had hij in alle deelen van Griekenland vrienden, die hij nu
+en dan bezocht, o. a. Hiero, Theron, de Aleuaden; ook bij de groote
+nationale feesten was hij dikwijls tegenwoordig, overigens leefde
+hij rustig in zijne geboorteplaats, waar hij na 442 stierf. Van
+zijne talrijke lierdichten van alle soort zijn bewaard gebleven 45
+zegezangen ter eere van overwinnaars bij groote feesten, waarvan
+hij het oudste reeds op twintigjarigen leeftijd dichtte. Zij munten
+uit door krachtige en afwisselende taal, rijkdom en verhevenheid van
+gedachten en verscheidenheid van versbouw. Van zijne andere werken
+(hymnen, partheniën, enz.) hebben wij slechts fragmenten.
+
+Pindenissus, Pindenissos, stad der Eleutherocilices in het Amanusgeb.,
+door Cicero veroverd (51).
+
+Pindus, Pindos, 1) grensgebergte tusschen Epirus en Thessalia, waarvan
+de Lacmon of Lacmus het hoogste gedeelte is.--2) eene der steden van
+de dorische tetrapolis, in het landschap Doris, ook Acypha geheeten.
+
+Pinna, hoofdstad der Vestini, die ten Z. van Picenum tusschen
+de Apennijnen en de Adriatische zee woonden. De stad lag in eene
+heerlijke omgeving.
+
+Pirae(e)us, Peiraieus, de havenstad van Athene, door Themistocles
+aangelegd, en later door Pericles verder afgewerkt. Toen Themistocles
+een moderne vloot van triëren wilde bouwen, was de open bocht van
+Phaleron als oorlogshaven niet meer geschikt. Daarom richtte hij het
+schiereiland Piraeus als havenstad in, en omgaf het met stevige muren;
+Munichia, de heuvel ten Oosten, werd hiervan de burcht. De stad had
+3 havens, de westelijke, de eigenlijke Piraeus, diende voornamelijk
+voor het handelsverkeer. De invaart werd bewaakt door twee torens
+en kon door zware kettingen worden afgesloten. Aan de andere,
+de oostelijke, zijde van de stad vond men de oorlogshavens Zea en
+Munichia. De stad was volgens het plan van Hippodamus van Milete
+aangelegd met rechte straten, die elkaar rechthoekig sneden. Men vond
+er verder scheepswerven, een groot korenmagazijn, een groote beurs
+(to deigma), een arsenaal (skeuotheke), een theater, enz. Een tijd
+lang, in de 4de eeuw, was de bevolking van den Piraeus even talrijk
+als die van Athene zelf. De wegen, die van den Piraeus naar Athene
+voerden, lagen tusschen de lange muren, ta makra teiche, ta skele,
+besloten. Oorspronkelijk waren er twee muren, één naar de N.-zijde van
+den Piraeus, één naar Phaleron; maar Pericles liet nog een tusschenmuur
+bouwen, en nu liet men den Phalerischen muur vervallen.
+
+Piraeus, Peiraios, open haven op de Oostkust van Corinthia, nabij de
+grens van het gebied van Epidaurus. De Atheners hielden hier in 412
+eene spartaansche vloot ingesloten.
+
+Piraicus of Pyreicus, bekwaam genreschilder (rhyparograaf),
+waarschijnlijk uit den hellenistischen tijd, wiens schilderijen om
+hunne zorgvuldige bewerking bij de Rom. zeer gezocht waren.
+
+Piraticum bellum. In het bijzonder wordt hieronder verstaan de
+bekende tocht van Pompeius in 67 tegen de zeeroovers ondernomen (zie
+Gabinia lex). Wel waren nu en dan verschillende kuststreken, waarvan
+de inwoners zeeroof dreven, getuchtigd, doch eerst in 67 werd tot
+een algemeenen maatregel besloten. Pompeius, wien de beschikking was
+gegeven over zooveel strijdkrachten als hij meende noodig te hebben,
+slaagde er in, door eene drijfjacht op groote schaal van de straat
+van Gibraltar tot aan de kusten van Cilicia den zeeroof voor het
+oogenblik uit te roeien, meer dan 1000 roofschepen te vernielen,
+werven en roofnesten te verwoesten en de Middellandsche zee weder
+voor rom. schepen veilig bevaarbaar te maken.
+
+Pirene, Peirene, nimf, dochter van Obalus, treurde om den dood van
+haar zoon, totdat zij in een bron veranderde, die haar naam draagt en
+bij welke Bellerophon het gevleugelde paard Pegasus opving, terwijl
+het zijn dorst leschte. De bron lag binnen de muren der acropolis van
+Corinthus. Dichterlijk Peirenes asty en Pirenis Ephyre = Corinthus,
+Peirenaios polos = Pegasus.
+
+Pirisabora, sterke vesting in Babylonia, aan den Euphraat, ten
+N. van Babylon.
+
+Pirithous, Peirithoos, zoon van Zeus of Ixion en Dia. Op zijne
+bruiloft met Hippodamea ontstond de geweldige strijd tusschen de
+Centauren en Lapithen, daar eerstgenoemden de bruid en andere vrouwen
+wilden ontvoeren. Later hielp hij Theseus bij het schaken van Helena,
+hijzelf wilde Persephone ontvoeren en daalde daarvoor met Theseus in
+de onderwereld af, doch Hades klonk hen aan een rots vast, waarvan
+alleen Theseus na eenigen tijd door Heracles weder losgemaakt werd.
+
+Pirus, Peiros, Pieros, hoofdriviertje van Achaia, dat zich ten W. van
+Olenus in de golf van Patrae stortte.
+
+Pirustae, Piroustai, roofziek volk in Illyris, dat zich in 168 in
+den oorlog tegen Gentius bij de Rom. aansloot.
+
+Pisa, Pisa, stad in Elis, even ten N. van den Alpheus nabij Olympia
+gelegen. Pisa voerde met het landschap Elis een langen strijd over
+het bestuur van het olympische tempelgebied, tot het de nederlaag
+leed en verwoest werd (572).
+
+Pisae, Pisai, nabij de samenvloeiing van den Anser en den Arnus
+(Arno). De stad behoorde oorspronkelijk niet tot Etruria, waartoe
+ze later gerekend wordt. Ze had reeds vroeg handel met Griekenland,
+en een flinke marine, om zich tegen de ten N. wonende Liguriërs te
+kunnen verdedigen. In 180 werden op haar gebied de kolonien Luna en
+Luca aangelegd. Sedert Augustus is het rom. kolonie. In de nabijheid
+zijn heete bronnen, aquae Pisanae. Thans Pisa.
+
+Pisander, Peisandros, 1) van Camirus, episch dichter omstreeks
+het midden der 7de v. a. der 6de eeuw. In zijne Herakleia werd
+Heracles voor het eerst voorgesteld als de held, die met buitengewone
+lichaamskracht begaafd, alleen met knots en leeuwenhuid gewapend,
+zijne twaalf werken volbrengt. In den alexandrijnschen canon werd
+hij na Homerus en Hesiodus genoemd.--2) Athener, de grootste ijveraar
+voor de oligarchische omwenteling van 411. Na den val van de regeering
+der 400, waartoe hij behoord had, vluchtte hij naar de Spartanen te
+Decelea.--3) van Laranda, episch dichter onder Alexander Severus. Er
+zijn nog fragmenten over.
+
+Pisatis of Pisaea, Pisatis, Pisaia, het land van Pisa (z. a.), het
+middengedeelte van Elis.
+
+Pisaurum, Pisauron, oude stad in Umbria, in den ager Gallicus, aan
+den mond van den Pisaurus, rom. kolonie sinds 184. Thans Pesaro.
+
+Pisces, Ichthyes, het sterrenbeeld de Visschen. Men verhaalde, dat
+het de visschen waren, die Isis of Derceto gered hadden, toen zij in
+zee gevallen was.
+
+Pisidia, Pisidia, bergachtig gewest op de Z.kust van Voor-Azië,
+ten N. van Pamphylia, lang als een stuk hiervan beschouwd. De
+inwoners, Pisidae, Pisidai, waren een dapper volk, dat, in zijn
+bergen verschanst, lang alle vreemde overheersching afsloeg, en
+slechts noode het hoofd boog voor Rome.
+
+Pisidice, Peisidike, eene van de dochters van Pelias.
+
+Pisistratus, Peisistratos, 1) zoon van Nestor en Anaxibia, vergezelde
+Telemachus op zijne reis van Pylus naar Sparta.--2) Athener, zoon
+van Hippocrates, uit het geslacht der Philaiden, bloedverwant
+van Solon. Nadat deze uit Athene vertrokken was, trad P. in het
+openbaar op (571), hij voegde zich bij de partij der Diacriërs, en
+door zijne groote bekwaamheden werd hij weldra als de leider er van
+erkend. Nadat hij eenmaal, vooral door de verovering van Nisaea, de
+gunst van het volk verworven had, wist hij, onder voorwendsel dat hij
+ternauwernood aan een aanslag zijner vijanden ontsnapt was, in weerwil
+van Solon's tegenspraak, te bewerken dat hem een lijfwacht gegeven
+werd, waarmede hij zich van de acropolis en van de alleenheerschappij
+meester maakte (560). Doch weldra vereenigden zich de beide andere
+partijen, de Pediaeërs onder Lycurgus en de Paraliërs onder den
+Alcmaeonide Megacles, tegen hem; hij moest Athene verlaten en bleef
+vijf jaar in ballingschap. Toen echter weder tusschen Lycurgus en
+Megacles oneenigheid ontstond, bood laatstgenoemde aan P. de hand ter
+verzoening en gaf hem zijne dochter ten huwelijk, en zoo kwam P. weder
+in feestelijken optocht in de stad terug, begeleid, naar het heette,
+door de godin Athena zelve, die door eene schoone en groote vrouw werd
+voorgesteld. Na korten tijd geraakte hij weder met zijn schoonvader in
+onmin, en weder moest hij uit de stad wijken; hij ging naar Eretria,
+en nu duurde het elf jaar eer hij zich door bondgenootschappen met
+Argos, Thebae e. a. genoeg versterkt had om een gewapenden inval in
+Attica te wagen, die het gewenschte gevolg had; tot aan zijn dood
+(528) bleef hij nu in het ongestoord bezit der regeering, die daarna
+onbetwist op zijn zoon Hippias overging. Ofschoon hij in de laatste
+periode eenigszins strenger regeerde, was zijne heerschappij ver van
+drukkend, hij handhaafde recht en wet, hield de instellingen van Solon
+in stand, bevorderde vooral de stoffelijke welvaart van het volk en
+beschermde kunsten en wetenschappen. O. a. werden onder zijne regeering
+voor het eerst de gedichten van Homerus tot een geheel vereenigd.
+
+Piso, familienaam in de gens Calpurnia (Calpurnii no. 1-13).
+
+Pissuthnes, Pissouthnes, satraap van Lydië, betoonde zich voor en
+gedurende den peloponnesischen oorlog een vijand der Atheners. In 414
+kwam hij in opstand tegen den koning en werd hij door Tissaphernes
+gevangen genomen en ter dood gebracht.
+
+Pistor, bakker, bijnaam aan Jupiter gegeven, omdat, volgens het aardige
+verhaal van Ovidius, op zijne ingeving de belegerden op het Capitolium
+aan de Galliërs brood toewierpen en hen daardoor in den waan brachten,
+dat zij overvloed van spijs hadden.
+
+Pistoria, Pistoria, stadje in het N. van Etruria; in de nabijheid
+sneuvelde Catilina (62).
+
+Pitane, Pitane, 1) vlek of buitenwijk van Sparta, met een tempel van
+Artemis.--2) havenstad van Aeolis, tegenover Lesbus.
+
+Pithecusa, Pithekousa, oude naam voor Aenaria, z. a.
+
+Pithoigia, de eerste dag der Anthesteria (z. a.).
+
+Pitholeon, een Rhodiër, die te Rome woonde, hij maakte onbeduidende
+verzen, waarin hij Grieksch en Latijn dooreenmengde. Hij is identisch
+met Pitholaus, z. Voltacilius Pitholaus, wiens naam door Horatius
+eenigszins gewijzigd is, omdat die niet in de maat paste. Hij
+beschimpte in zijn liederen Caesar.
+
+Pithon of Python, Pithon, Peith., Pyth. 1) zoon van Agenor, bevelhebber
+van een legerkorps bij Alexanders tocht naar Indië, waar hij als
+stadhouder achtergelaten werd. Later nam hij deel aan de krijgstochten
+van Antigonus; hij sneuvelde in den slag bij Gaza (312).--2) zoon van
+Crateas, behoorde tot de lijfwacht van Alexander. Bij de verdeeling
+van het rijk kreeg hij een deel van Medië, hij trok met Perdiccas naar
+Aegypte en veroorzaakte mede den opstand, die diens dood ten gevolge
+had. Daarop werd hij op voorstel van Ptolemaeus tot rijksbestuurder
+benoemd (321), doch deze betrekking moest hij spoedig aan Antipater
+afstaan. Zijne pogingen om in de oostelijke provinciën een eigen rijk
+te stichten mislukten, hij moest Antigonus en Seleucus helpen bij
+het beoorlogen van Eumenes, en daar hij in het leger van Antigonus
+aanhangers zocht te winnen voor zijne persoonlijke bedoelingen,
+liet deze hem dooden (316).
+
+Pittacus, Pittakos, van Mytilene, een van de 7 wijzen van Griekenland,
+wiens spreuk was: kairon gnothi, let op het juiste oogenblik, voerde
+zijne medeburgers aan in den oorlog, dien zij met de Atheners, om
+het bezit van Sigeum voerden, en behaalde door list eene overwinning
+op den atheenschen veldheer Phrynon (607). In de later ontstane
+burgertwisten stond hij, als hoofd der volkspartij, tegenover zijn
+vroegeren vriend Alcaeus, eindelijk werd hij tot aesymnetes gekozen
+(omstreeks 595), eene waardigheid, die hij 10 jaar lang met wijsheid
+en rechtvaardigheid bekleedde en op 70-jarigen leeftijd vrijwillig
+nederlegde. Sedert dien tijd schijnt hij zich van het openbare leven
+teruggetrokken te hebben; tien jaar daarna stierf hij.
+
+Pittheis, Aethra, dochter van Pittheus.
+
+Pittheus, Pittheus, zoon van Pelops, koning van Troezen, grootvader
+van Theseus, die bij hem werd opgevoed.
+
+Pityocamptes, Pityokamptes, pijnboombuiger, bijnaam van Sinis (z. a.).
+
+Pitys, Pitys, eene nimf, die door Pan bemind werd, en toen zij hem
+niet konde ontvluchten, op haar gebed door de goden in een pijnboom
+werd veranderd.
+
+Pityus, g. -untis, Pityous, pijnboomstad, belangrijke grensstad in
+Pontus, aan den N.O.-hoek van den Pontus Euxinus, aan den voet van
+den Caucasus; in den lateren keizertijd ballingsoord.
+
+Pityusa, Pityoussa = het pijnboomrijke, oude naam van Lampsacus,
+van Salamis en van Chius.
+
+Pityusae insulae, Pityoussai, pijnboomeilanden, op de kust van
+Hispania, twee eilandjes, thans nog Pityusen geheeten: Ebusus (Iviza)
+en Ophiusa = slangeneiland (Formentera).
+
+Pius, zie Metelli no. 17 en 18 in de gens Caecilia en Antoninus Pius.
+
+Placentia, thans Piacenza, aanzienlijke handelsplaats in Gallia
+Cispadana aan de samenvloeiing van de Trebia met den Padus (Po). In
+219, vóór het uitbreken van den tweeden punischen oorlog, stichtten de
+Rom. te Placentia en te Cremona lat. koloniën. In 200 werd Plac. door
+de Galliërs verwoest, doch spoedig daarop door de Rom. herbouwd,
+en in 190 evenals Cremona met vele nieuwe kolonisten versterkt. In
+90 kreeg de stad het Rom. burgerrecht.
+
+Placia, Plakia, oude pelasgische volkplanting aan de Propontis,
+ten O. van Cyzicus.
+
+Placus, Plakos, oostelijke uitlooper van het Idagebergte. Aan den
+voet daarvan lag Thebe.
+
+Plaetoria (lex) van den volkstribuun M. Plaetorius, waarschijnlijk
+in 242, v. a. na 227, dat een praetor binnen Rome niet meer dan twee
+lictoren mocht hebben.
+
+Plaetoria (lex), uit het jaar 191 of vroeger, waarbij jongelieden
+beneden 25 jaar, die reeds sui iuris waren, toch onder curateele
+gesteld werden. Zie curatio.
+
+Plaetorii, plebejisch geslacht. 1) M. Plaetorius Cestianus, was in
+66 te gelijk met Cicero praetor. In 69 trad hij op als aanklager van
+Fonteius, die door Cicero verdedigd werd.--2) Plaetorius Rustianus
+kwam na den slag bij Thapsus (46) te gelijk met Q. Metellus Scipio op
+de vlucht om.--3) Plaetorius (Platorius) Nepos, vertrouwde van keizer
+Hadrianus, doch in diens laatste regeeringsjaren uit achterdocht door
+hem vervolgd.
+
+Planasia, Planasia, eiland tusschen Corsica en Etruria, waarheen
+Augustus' kleinzoon Agrippa Postumus verbannen werd.
+
+Plancii. 1) Cn. Plancius, rom. ridder uit Atina, verdedigde als een
+der aanzienlijkste publicani met nadruk hun verzoek om vermindering
+van pacht (59).--2) Cn. Plancius, zoon van no. 1, diende eerst onder
+Metellus op Creta, bewees later als quaestor van Macedonia groote
+diensten aan Cicero in diens ballingschap en werd in 54 door hem in
+een proces de ambitu met goed gevolg verdedigd. Zie Iuventii no. 3. In
+46 leefde hij als aanhanger van Pompeius in ballingschap te Corcyra.
+
+Planctae, Planktai, vuurspuwende en in rook gehulde rotsen, tegen
+welke de schepen, door een onweerstaanbare strooming getrokken,
+te pletter slaan. Zij bevinden zich volgens Homerus in de nabijheid
+van Scylla en Charybdis, v. s. staan zij aan den westelijken ingang
+der sicilische zeeëngte, v. a. zijn het de Aeolische of Liparische
+eilanden. Zij worden dikwijls met de Symplegades verward.
+
+Plancus, familienaam in de gens Munatia.
+
+Plataeae, ook -taea, Plataiai, -taia, beroemde stad in Boeotia, aan de
+Noordzijde van den Cithaeron. Plataeae stond vijandig tegenover Thebae
+en sloot zich sedert ± 519 nauw bij Athene aan. Terwijl Thebe zich
+aan de Perzen onderwierp, leverde Pl. in den slag bij Marathon (490)
+1000 man hulptroepen aan de Atheners. Xerxes verwoestte de stad in
+480 op aansporing der Thebanen. Bij de puinhoopen had in 479 de slag
+plaats, waarin de perzische veldheer Mardonius sneuvelde en waartoe
+de Plataeërs weder 600 man leverden. Pl. werd herbouwd en door de
+Grieken ontslagen van Thebe's hegemonie. Na een vruchtelooze poging
+der Thebanen om Plataeae te overrompelen, werd de stad in het begin
+van den peloponnesischen oorlog, omdat zij zich niet tegen Athene
+wilde verklaren, door de Spartanen ingesloten en na vergeefsche
+pogingen om ze in te nemen door honger tot de overgaaf genoodzaakt
+(427). Een deel der bevolking ontkwam en vestigde zich te Scione op
+het schiereiland Pallene. In 383 werd Pl. nogmaals herbouwd, doch
+in 372 door de Thebanen op nieuw verwoest. Onder macedonisch bestuur
+herrees het weder.
+
+Platanistas, eene ruimte bij Sparta, aan den Eurotas, met
+plataanboomen beplant en met standbeelden van heroën versierd, en
+door de spartaansche jongelingschap tot lichaamsoefeningen gebezigd.
+
+Platea, Platea, eiland op de kust van Cyrenaïca.
+
+Plato, Platon, 1) Athener, zoon van Ariston en Perictione,
+geb. 427, aanvankelijk Aristocles genoemd, kreeg later door zijn
+gymnastiekmeester Ariston of door Socrates den naam Plato, de
+breede. Uit een edel geslacht gesproten, door de beste leermeesters
+onderwezen, dichterlijk van natuur, beproefde hij reeds jong zijne
+krachten in de poëzie, terwijl hij tevens kennis maakte met de stelsels
+van Heraclitus, Parmenides, Anaxagoras e. a. Op zijn 20ste jaar
+leerde hij Socrates kennen, van hun omgang is weinig bekend, alleen
+weten wij, dat P. spoedig de voortreffelijkste leerling van Socrates
+was en dat hij aan zijn leermeester met de grootste genegenheid en
+eerbied verknocht was. Na den dood van Socrates ging hij vooreerst
+met vele andere van diens aanhangers naar Megara, maar weldra ging
+hij, door de zucht naar kennis gedreven, reizen doen naar Cyrene,
+Aegypte en Italië. In Italië kwam hij in aanraking met de volgelingen
+van Pythagoras, op Sicilië leerde hij door zijn vriend Dio den ouden
+Dionysius kennen, wiens ongenade hij zich echter spoedig door zijne
+vrijmoedigheid op den hals haalde en die hem als slaaf liet verkoopen
+(z. Pollis). Door Anniceris losgekocht en naar Athene teruggekeerd
+(388), begon hij zijne voordrachten in de Academie (z. a.), die hij de
+volgende 20 jaar onafgebroken met den grootsten bijval voortzette. Toen
+hij echter van Dio eene uitnoodiging ontving om naar Syracusae te
+komen en daar als leider en raadsman van den jongen Dionysius op
+te treden, nam hij die gaarne aan, daar zich nu, naar hij meende,
+eene gunstige gelegenheid aanbood om door een wijsgeerig gevormd
+vorst sommige van zijne theorieën in praktijk te doen brengen. De
+zaak kwam echter geheel anders uit. Dio viel spoedig in ongenade
+en werd verbannen en ook voor P. werden de toestanden te Syracusae
+onhoudbaar. Met moeite kreeg hij verlof te vertrekken (365) en op een
+latere reis naar Syracusae, ondernomen met het doel om eene verzoening
+tusschen Dionysius en Dio te bewerken (361), kwam hij zelfs door het
+wantrouwen van den tyran in levensgevaar en had hij zijn behoud alleen
+aan den invloed van Archytas te danken. Het overige van zijn leven
+wijdde hij nu uitsluitend aan het onderwijs der wijsbegeerte, totdat
+hij, nog krachtig werkzaam als leeraar en schrijver, in den ouderdom
+van 80 jaar overleed.--Te midden van de veelheid en afwisseling der
+zinnelijk waarneembare voorwerpen zoekt P. het eene en onveranderlijke
+in de idee (idea, eidos); de ideeën zijn nl. de geheel op zichzelf
+staande eigenschappen der stoffelijke dingen, zelve niet aan stof,
+tijd of plaats gebonden, zij zijn, hoewel geen afgetrokken begrippen,
+toch niet zinnelijk waarneembaar, maar de kennis er van is alleen te
+bereiken door de dialektiek (dialektike), de kunst, die leert van het
+bizondere tot het algemeene op te klimmen en omgekeerd weder tot het
+bizondere af te dalen. De individuën staan in betrekking met de ideeën
+of zijn afbeeldingen er van, toch kent P. aan de ideeën zelf nu en
+dan zekere mate van persoonlijkheid toe, en over de idee van het goede
+spreekt hij als over de hoogste godheid zelf. De wereld is niet eeuwig,
+maar door den schepper (demiourgos) uit ongeordende stof (apeiron)
+tot een goed geordend geheel (kosmos) gemaakt. De menschelijke ziel
+is onsterfelijk en bestaat uit drie deelen: verstand (logistikon,
+nous), moed (thymoeides), begeerte (epithymetikon). Het hoogste goed
+bereikt men door het streven naar gelijkheid met het absoluut goede,
+en daartoe moet ieder deel der ziel zijn eigenaardige deugden hebben,
+resp. wijsheid, dapperheid en zelfbeheersching, die met elkander
+vereenigd de hoogste deugd, rechtvaardigheid, vormen. Deze leer en
+hare toepassingen op staatsinrichting, opvoeding, kunst, enz. heeft
+P. gedurende eene bijna veertigjarige werkzaamheid onderwezen, deels
+in gesprekken op de wijze van Socrates, deels in samenhangende
+voordrachten, deels ook door zijne werken; deze laatste zijn,
+naar men gelooft, alle bewaard gebleven, daarentegen zijn onder
+die, welke zijn naam dragen, sommige zeker onecht; bijna alle zijn
+geschreven in den vorm van gesprekken van Socrates. De belangrijkste
+dialogoi zijn: Apologia, Kriton, Ion, Protagoras, Menon, Gorgias,
+Euthydemos, Symposion (385), Phaidon, Politeia (ongeveer 380-370),
+Phaidros, Timaios. Zijn laatste werk zijn de Nomoi. Hij werd in
+de oudheid als de eerste der wijsgeeren beschouwd, en zijne leer,
+hoewel uitgebreid en dikwijls gewijzigd, vond nog tot in de laatste
+tijden van het heidendom talrijke aanhangers, totdat Iustinianus in
+529 n. C. alle onderwijs in de wijsbegeerte verbood. Zijn opvolger
+als hoofd der academie was Speusippus, de zoon zijner zuster.--2)
+Athener, hooggeschat blijspeldichter, tijdgenoot van Aristophanes;
+van zijne 28 stukken zijn talrijke fragmenten bewaard.
+
+Platorius Nepos, zie Plaetorii no. 3.
+
+Plautia of Plotia (lex) de vi, waarschijnlijk op verzoek van den consul
+Q. Lutatius Catulus (Lutatii no. 5) door een volkstribuun Plautius in
+78 gemaakt, ook wel lex Lutatia geheeten, waarbij een afzonderlijke
+rechtbank (quaestio perpetua) werd ingesteld ter bestraffing van
+opstand, samenrotting, het vormen van benden gewapenden, het vernielen
+van huizen, enz., hetgeen alles onder het begrip vis werd samengevat.
+
+Plautia (lex), aangenomen na het jaar 77, waarbij aan de volgelingen
+van Lepidus (Aemilii no. 3) vergund werd, in het vaderland terug te
+keeren. De voorsteller van de wet is onbekend.
+
+Plautia Papiria (lex), van de volkstribunen M. Plautius Silvanus en
+C. Papirius Carbo, in 89, gaf aan de burgers van italische civitates
+foederatae bezuiden den Po gelegenheid, zich, mits binnen 60 dagen,
+bij den praetor urbanus als rom. burgers te doen inschrijven.
+
+Plautiae leges, 1) iudiciaria, van den volkstribuun M. Plautius
+Silvanus, 89, dat uit elke der 35 tribus door het volk 15 mannen als
+rechters zouden gekozen worden.--2) lex Plautia agraria, zie Agrariae
+(leges).
+
+Plautii of Plotii. 1) C. Plautius Proculus, consul in 358, streed met
+succes tegen de Hernici.--2) C. Plautius Venno Hypsaeus, consul in 347
+en 341, streed in 341 tegen de Privernaten en Antiaten. In dat jaar
+moesten hij en zijn ambtgenoot, nog voordat hun ambtsjaar verstreken
+was, hunne waardigheid nederleggen, daar de senaat den op handen
+zijnden latijnschen oorlog aan versche mannen wilde opdragen.--3)
+C. Plautius Decianus, consul in 329 en 328, hield een zegetocht over de
+Privernaten. Hij verschafte hun daarop het Romeinsche burgerrecht.--4)
+C. Plautius, Venox bijgenaamd wegens het opsporen van aderen (venae)
+voor een waterleiding in 312, was met App. Claudius (Caecus) censor
+in 312. Toen er 18 maanden van hunne censuur verstreken waren, legde
+Plautius zijn ambt neer; Claudius daarentegen bleef in functie,
+om de groote bouwwerken, die hij onder handen had, de via Appia en
+de aqua Appia, af te maken. Het verhaal van hun oneenigheden, en dat
+Claudius Plautius zou om den tuin geleid hebben, is onhistorisch.--5)
+M. Plautius Silvanus, volkstribuun in 89; zie Plautiae leges.--6)
+P. Plautius Hypsaeus, quaestor van Pompeius in 66, werd in 52 wegens
+ambitus veroordeeld.--7) A. Plautius was ook in 66 legaat van Pompeius
+en in 56 volkstribuun.--8) M. Plautius Silvanus, met Augustus consul
+in het jaar 2, voerde onder Tiberius voorspoedig oorlog in Pannonia
+en Dalmatia (6-9 n. C.). Als belooning verwierf hij de ornamenta
+triumphalia. Hij is misschien dezelfde als Silvanus, die, wegens
+geweld, tegen zijne vrouw gepleegd, onder Tiberius gedagvaard, zich de
+aderen opende (24 n. C.).--9) Plautius Lateranus, onder Nero, werd in
+de samenzwering van Piso betrokken en onderging met standvastigheid
+den dood.--10) Plautius, rechtsgeleerde onder Vespasianus, van
+wien verschillende geschriften in de Pandecten worden vermeld.--11)
+A. Plautius veroverde als legatus Augusti pro praetore in 43 n. C. en
+volgende jaren het zuidelijk gedeelte van Britannia, en vierde
+in 47 eene ovatio; hij was de laatste, wien die eer te beurt viel,
+zonder keizer te zijn of tot de keizerlijke familie te behooren.--12)
+L. Plautius Plancus, z. Munatii no. 4.
+
+Plautus (T. Maccius), te Sarsina in Umbria geboren ongeveer twee
+en een halve eeuw vóór C. Hij kwam reeds vroeg naar Rome, waar hij
+zich in eene ondergeschikte betrekking bij een troep tooneelspelers
+verhuurde. Later, toen hij zijn fortuintje of zijne spaarpenningen
+door speculaties verloren had, moest hij als bakkersknecht den kost
+verdienen. Middelerwijl schreef hij blijspelen, waarvan nog een 20tal
+overig is. Er waren er in de oudheid veel meer, maar de meeste daarvan
+werden reeds vroeg voor onecht gehouden. De stukken, die over zijn,
+zijn alle echt, de meeste zijn uit het begin van de 2de eeuw. De
+meest bekende zijn: Amphitruo, Aulularia, Captivi, Miles Gloriosus,
+Mostellaria, Pseudolus, Trinummus. Zij ontmoetten grooten bijval
+en getuigen van groot talent. Evenals die zijner voorgangers Livius
+Andronicus en Naevius zijn zij naar grieksche modellen bewerkt. Plautus
+is echter geen slaafsch navolger of vertaler, maar bewerkt zijne stof
+op vrijere manier, zoodat hij er eene Romeinsche kleur aan geeft. Zijn
+taal is levendig, pikant door geestige antwoorden en woordspelingen,
+terwijl tal van koddige toestanden en grappige tooneelen telkens de
+lachspieren in beweging brengen. Plautus stierf in 184.
+
+Plebiscitum, besluit in een concilium plebis genomen. De gelijkstelling
+van plebiscita met leges geschiedde volgens de overlevering door de
+lex Horatia Valeria (449), de lex Publilia (339), de lex Hortensia
+(287). Zie echter Horatiae Valeriae (leges).
+
+Plebs, het niet-patricische gedeelte van den rom. populus. Ze zijn
+vrij, maar hebben oorspronkelijk geen deel aan het bestuur van den
+staat. Gedeeltelijk zijn het landbouwers, en dan misschien ± 457
+uit de cliënten ontstaan (zie clientes), gedeeltelijk is het dat
+deel van de stedelijke bevolking, dat zich met handel en industrie
+bezig hield. Door hare numerieke meerderheid en de macht, die zich
+uit de onschendbaarheid der volkstribunen ontwikkelde, gelukte het
+aan de plebs na langen en hardnekkigen strijd zich in de hoofdzaken
+gelijkstelling met de patriciërs te verwerven, zelfs in sommige
+opzichten (b.v. plebiscita, consulaat, censuur) voorrechten boven
+den adel. Deze strijd liep af in 287, toen door de lex Hortensia de
+plebiscita kracht van wet kregen voor het geheele volk. De afscheiding
+der beide standen werd opgeheven door de lex Canuleia de conubio (445).
+
+Plectrum, plektron, een staafje van hout, ivoor of metaal, waarmede
+men bij het bespelen van de citer de snaren tokkelde.
+
+Pleiades, Pliades, Pleiades, Pleiades, dochters van Atlas en Pleïone
+of Aethra, die door den reus Orion vervolgd werden, totdat zij
+op haar bidden door Zeus eerst in duiven (peleiades) veranderd en
+later aan den sterrenhemel geplaatst werden. Daar schitteren zij als
+het Zevengesternte (Vergiliae), met welks opkomst (einde April) de
+gunstige tijd voor de scheepvaart begint, en dat door zijn ondergang
+(26 October) de winterstormen aankondigt.--V. a. waren zij onder de
+sterren opgenomen, nadat zij zich van het leven beroofd hadden uit
+smart over den dood harer zusters, de Hyaden, of over het lot van
+haar vader.
+
+Pleias, Pleias, een groep van 7 treurspeldichters, die in den
+alexandrijnschen tijd onder Ptolemaeus II bloeiden.
+
+Pleïone, Pleione, dochter van Oceanus en Tethys, bij Atlas moeder
+van de Pleiades.
+
+Pleminius (Q.), legatus van P. Cornelius Scipio, gedroeg zich
+in 205 als bevelhebber van Locri zeer wreed jegens de bevolking
+(zie Sergii no. 2). Door de Locrensers bij den senaat aangeklaagd,
+werd hij naar Rome gevoerd en daar gevangen gehouden. In 194 had hij
+een plan beraamd, om de stad op vele plaatsen tegelijk in brand te
+laten steken, om in de verwarring te kunnen ontsnappen. Het plan werd
+verraden en Pleminius gedood.
+
+Plemmyrium, Plemmyrion, kaap op Sicilia, juist aan den mond der haven
+van Syracusae, tegenover Ortygia.
+
+Plemochon, een plengoffer, waarmede de viering der eleusinische
+mysteriën besloten werd. Men gebruikte daarvoor schalen van
+eigenaardigen vorm en plengde uit de eene naar het Oosten, uit de
+andere naar het Westen.
+
+Plethrum, plethron, het zesde deel van een stadium.
+
+Pleumoxii, klein belgisch volk, waarschijnlijk in de tegenw. provincie
+Westvlaanderen.
+
+Pleuron, Pleuron, zeer oude aetolische stad, ten W. van Calydon, door
+Demetrius Poliorcetes verwoest, waarop de inwoners iets noordelijker
+een Nieuw-Pleuron bouwden, waarvan de ruïnen nog over zijn.
+
+Plexippus, Plexippos, 1) zoon van den arcadischen koning Choricus,
+uitvinder van het worstelen.--2) oom van Meleager, die hem bij de
+calydonische jacht doodde.
+
+Plinii. 1) C. Plinius Secundus, ter onderscheiding van no. 2 maior
+bijgenaamd, in 23 na C. te Novum Comum (Como) geboren, bekleedde
+verschillende ambten in Germania, Hispania en Italia en was bij
+keizer Vespasianus zeer gezien. Bij de uitbarsting van den Vesuvius
+in 79 was hij admiraal van de te Misenum gestationneerde vloot der
+Tyrrheensche zee. Bij zijne pogingen om menschenlevens te redden en
+de uitbarstingsverschijnselen te bestudeeren, kwam hij zelf om, in de
+nabijheid van Stabiae. Hij had den naam, suae aetatis doctissimus te
+zijn, en heeft dan ook veel geschreven, waarvan echter nog slechts
+één groot werk over is: Naturalis historiae of Naturae historiarum
+l. XXXVII, eene encyclopedie, die van zijn rustelooze werkzaamheid en
+veelzijdigheid getuigt, doch tevens bewijst, dat hij meer verzamelaar
+was dan streng wetenschappelijk onderzoeker.--2) C. Plinius Caecilius
+Secundus, bijgenaamd minor, geb. te Novum Comum in 62 na C., neef en
+aangenomen zoon van no. 1 en onder diens oogen opgevoed, leerling van
+Quintilianus, was een der beminnelijkste en rechtschapenste mannen
+van zijn tijd, een talentvol redenaar, een voorstander der letteren
+en een trouw vriend van Traianus. Er bestaat van hem eene belangrijke
+en lezenswaarde verzameling brieven, waaronder ook eene ambtelijke
+correspondentie, die hij als stadhouder der provincie Bithynia-Pontus
+met den keizer voerde (111-113), alsmede eene lofrede (Panegyricus)
+op den keizer. Van de briefwisseling van Plinius met keizer Traianus
+is vooral beroemd Plinius' brief omtrent de Christenen, en Traianus'
+antwoord daarop. Ten onrechte heeft men aan de echtheid dezer brieven
+getwijfeld. Waarschijnlijk stierf Plinius omstreeks 114.
+
+Plinthine, Plinthine, westelijke grensstad in Beneden-Aegypte aan de
+naar de stad genoemde golf.
+
+Plistarchus, Pleistarchos, zoon van Leonidas, neef en pupil van
+Pausanias no. 1.
+
+Plisthenes, Pleisthenes, vader, zoon of broeder van Atreus, v. s. vader
+van Agamemnon en Menelaus, z. Atreus.
+
+Plisthenidas, Pleisthenides, Agamemnon of Menelaus, als zonen van
+Plisthenes.
+
+Plistia, vlek in Samnium, aan de Campaansche grens, in een dal tusschen
+de bergen Tifata en Taburnus.
+
+Plistoanax, Pleistoanax, -tonax, zoon van Pausanias no. 1, volgde
+nog als kind Plistarchus als koning van Sparta op. Hij was nog zeer
+jong, toen hij met Cleandridas een inval in Attica deed (446), en
+daar Pericles hen bewoog terug te trekken, werd Cleandridas ter dood
+veroordeeld, P. echter beboet en verbannen. Eerst 19 jaar later werd
+hij op bevel van het delphisch orakel teruggeroepen; hij deed zijn
+best een einde aan den peloponnesischen oorlog te maken en sloot in
+421 met Nicias den vrede. Hij stierf in 408.
+
+Plistus, Pleistos, riviertje in Phocis, waarin het water der bron
+Castalia vloeide en dat zich in de golf van Crisa stortte.
+
+Plotae, Plotai = Strophades.
+
+Plotiae (leges), zie Plautiae (leges).
+
+Plotii, ook wel Plautii geschreven, rom. geslacht, waarvan het
+meest bekend is 1) Plotius Tucca, dichter en vriend van Vergilius,
+die met L. Varius de uitgaaf der Aeneis bezorgde.--2) Marius Plotius
+Sacerdos, een latijnsch grammaticus uit den tijd van Diocletianus,
+van wien een weinig belangrijke ars grammatica in 3 boeken over is;
+het derde boek handelt over de metriek.
+
+Plotina (Pompeia), de geprezene echtgenoote van keizer Traianus, wien
+zij met raad en daad ter zijde stond om hem den last der regeering
+te helpen torschen. Aan haar vooral had Hadrianus zijne adoptie
+door Tr. te danken; hij eerde haar dan ook na haar dood (122) door
+een tempel.
+
+Plotinus, Plotinos, van Lycopolis, geb. 205 na C., werd in 232 leerling
+van Ammonius Saccas, volgde 10 jaar later het leger van Gordianus
+naar Perzië om met de oostersche wijsbegeerte bekend te worden, welk
+doel hij echter door den ongelukkigen afloop van dien krijgstocht niet
+bereikte. In 244 trad hij als leeraar der neo-platonische wijsbegeerte
+te Rome op, waar hij door zijn geestdrift en zijne strenge zeden vele
+leerlingen vond. Zelfs wist hij bijna van Gallienus de vergunning
+te verkrijgen, om in Campania eene nieuwe stad, Platonopolis, te
+stichten, waar men geheel naar de wetten van Plato zoude leven,
+doch dit plan mislukte door velerlei tegenwerking. Hij stierf in
+270. Zijne 54 verhandelingen, het beste dat over de neo-platonische
+leer geschreven is, door zijn leerling en biograaf Porphyrius in 6
+Enneaden uitgegeven, bevatten vele gedachten die door latere, ook
+christelijke, schrijvers zijn opgenomen en uitgewerkt.
+
+Plynteria, eene plechtigheid, die te Athene den 25en Thargelion plaats
+had; een zeer oud beeld van Athena Polias werd dan gesluierd naar het
+strand gebracht en in zee afgewasschen. De dag werd als een treurdag
+beschouwd, waarop men geen zaak van belang begon.
+
+Plutarchus, Ploutarchos, 1) tyran van Eretria, die de hulp der Atheners
+inriep tegen Clitarchus, die door Philippus van Macedonië gesteund
+werd. Een atheensch leger onder Phocion herstelde hem in de regeering
+(350), maar om zijn verraderlijk gedrag liet men hem verder aan zijn
+lot over en weldra werd hij weder verdreven.--2) van Chaeronea,
+studeerde te Athene en kwam, na Griekenland en Italië bereisd te
+hebben, te Rome, waar hij de gunst van Traianus en Hadrianus genoot;
+hij werd consul en kreeg een soort oppertoezicht over alle magistraten
+van Griekenland, tegen het einde van zijn leven werd hij procurator
+van Griekenland. Hij stierf in zijne geboortestad als priester van
+Apollo, ongeveer 70 jaar oud, omstreeks 120 na C. Van zijne werken
+zijn vooral bekend de biografieën, Bioi paralleloi, waarin telkens
+op de levensbeschrijving van een Griek die van een Romein, en daarna
+meestal eene vergelijking (synkrisis) tusschen beiden volgt; wij
+bezitten daarvan nog 23 paren en 4 alleenstaande. De onpartijdigheid
+van den schrijver en de liefde, waarmede hij zijn onderwerp behandelt,
+maken de levensbeschrijvingen tot eene aantrekkelijke lectuur, ofschoon
+hij zonder eenige kritiek alle mogelijke bizonderheden betreffende
+de beschreven personen mededeelt, en allerlei anekdoten opneemt,
+die dikwijls meer zedekundige strekking dan geschiedkundige waarde
+hebben. Bovendien zijn nog van hem bewaard gebleven een zeventigtal
+verhandelingen op het gebied van zedekunde, wijsbegeerte, letterkunde,
+antiquiteiten, enz., die in weerwil van hun verschillenden inhoud den
+gemeenschappelijken titel van Ethika, Moralia, dragen. In al zijne
+werken toont hij zich een beschaafd en buitengewoon belezen man,
+die met recht een van de beste schrijvers van zijn tijd genoemd is.
+
+Pluteus, houten scherm op raderen, bij belegeringen gebruikt om
+soldaten of werklieden tegen pijlen enz. te dekken.
+
+Pluto, Plouton, z. Hades.
+
+Pluvius, regengever, bijnaam, waaronder Jupiter bij langdurige droogte
+te Rome werd aangeroepen.
+
+Pnyx, Pnyx, heuvel binnen Athene, ten W. van de Acropolis, plaats
+der volksvergaderingen.
+
+Podalirius, Podaleirios, z. Machaon. Op de terugreis van Troje door
+een storm naar de kust van Carië gedreven, vestigde hij zich daar
+metterwoon.
+
+Podarces, Podarkes, 1) z. Priamus.--2) zoon van Iphicles, na den
+dood van zijn broeder Protesilaus voor Troje aanvoerder der troepen
+uit Phylace.
+
+Podarge, Podarge, eene van de Harpyieën.
+
+Podium, balcon in den circus enz. Zie Amphitheatrum.
+
+Poeantiades, Poiantiades, Philoctetes, zoon van Poeas.
+
+Poeas, Poias, een van de Argonauten, vriend van Heracles en vader van
+Philoctetes. V. s. had hij met zijn zoon den brandstapel voor Heracles
+aangestoken en daarvoor diens boog en pijlen ten geschenke gekregen.
+
+Poecile, Poikile, zuilengalerij te Athene (z. a.).
+
+Poeni, naam waarmede de Carthagers bij de Rom. genoemd werden.
+
+Poeninus mons, zie Alpes.
+
+Poetelia (lex), de ambitu, van den volkstribuun C. Poetelius in 358,
+de eerste wet, die ambitus strafbaar stelde.
+
+Poetelia Papiria (lex) van 326, van de consuls C. Poetelius
+Libo Visolus en L. Papirius Mugillanus, ut pecuniae creditae bona
+debitoris, non corpus obnoxium esset. Tengevolge hiervan kon wel het
+vermogen, maar niet langer de persoon des schuldenaars voor schulden
+aansprakelijk gesteld worden. Het nexum (z. a.) verviel nu, en de
+schuldeischer moest nu den schuldenaar voor den praetor brengen. Liet
+nu de praetor de addictio (z. a.) volgen, dan kwam de schuldenaar
+als addictus in de macht van den eischer. Ook dan wordt hij wel eens
+nexus of vinctus genoemd.
+
+Poetelii, rom. geslacht, bijna alleen bekend door een paar wetten.
+
+Poetovio, sterke vesting aan den Dravus, in Pannonia, dicht bij de
+grens van Noricum; in den vroegen keizertijd een der hoofdkwartieren
+van de pannonische legers.
+
+Pogon, Pogon, haven van Troezen in Argolis.
+
+Poikilmata, Poikiliai, beeld- of snijwerk ter versiering van muren
+en plafonds, v. a. stukadoorwerk.
+
+Pola, Pola, thans nog zoo geheeten, oude, drukke handelsstad aan de
+Adriatische zee in Istria. Men vindt er nog aanzienlijke overblijfselen
+van rom. bouwwerken.
+
+Polemarchos, 1) te Athene de derde archont (z. archontes).--2) te
+Sparta de hoogste officier na den koning, later de bevelhebber eener
+mora.--3) in de steden van Boeotië en van het aetolisch verbond de
+hoogste burgerlijke overheden.
+
+Polemo, Polemon, 1) zoon van Andromenes, werd met zijne drie broeders
+van medeplichtigheid aan de samenzwering van Philotas tegen Alexander
+verdacht; hij vluchtte, doch nadat zijn broeder Amyntas (no. 2)
+vrijgesproken was, keerde hij terug. Na den dood van Alexander behoorde
+hij tot de partij van Perdiccas.--2) zoon van Megacles, onder Alexander
+bevelhebber der bezetting van Pelusium.--3) zoon van Theramenes,
+onder Alexander bevelhebber der vloot in Aegypte.--4) van Laodicea,
+werd door Antonius tot belooning voor bewezen diensten met een deel
+van Pontus begiftigd (39), later veroverde hij op bevel van Agrippa
+geheel Pontus en werd hij met de regeering daarover beloond, ook had
+hij reeds Klein-Armenië gekregen en eindelijk werd hij door Augustus
+ook koning van Bosporus gemaakt (14).--5) zoon van den vorigen, werd na
+den dood van zijne moeder Pythodoris, die sedert den dood van Pol. I
+de regeering in handen gehad had, door Caligula als koning erkend (38
+na C.), doch een deel van zijn rijk (Bosporus) werd hem door Claudius
+(41), het overige door Nero ontnomen (63).--6) Athener, wijdde zich,
+nadat hij een zeer losbandig leven geleid had, met grooten ijver aan
+de studie der wijsbegeerte en stond na den dood van zijn leermeester
+Xenocrates aan het hoofd der academie (314-270). Hij beval vooral een
+leven in overeenstemming met de natuur aan; de dialektiek stond bij hem
+op den achtergrond.--7) ho periegetes, geb. in Troas, maar atheensch
+burger, beschreef in zijne op grondig onderzoek berustende en door
+latere schrijvers dikwijls aangehaalde werken de plaatsen, gebouwen,
+kunstwerken en vooral inscripties (vandaar zijn bijnaam stelokopas),
+die hij op zijne vele reizen te zien kreeg. Hij leefde ten tijde van
+Ptolemaeus V.--8) Antonius P., van Laodicea, geb. omstreeks 86 n. C.,
+sophist, gaf onder Traianus en later met grooten bijval te Smyrna
+onderwijs, ook kwam hij verscheiden malen als gezant naar Rome. Om aan
+de kwellingen van de jicht te ontkomen, liet hij zich in een grafkelder
+opsluiten, waar hij den hongerdood stierf. Twee lijkredenen van hem
+zijn bewaard. Hij is waarschijnlijk ook de schrijver van een grieksch
+werkje over gelaatkunde, dat bewaard gebleven is.
+
+Polemonium, Polemonion, stad op de kust van Pontus, op de plaats van
+het oude Side gesticht door koning Polemo I (zie Polemo no. 4). Naar
+de stad werd het middelste gedeelte van Pontus Pontus Polemoniacus
+genoemd.
+
+Poletai, te Athene 10 beambten, die de verpachtingen en verkoopingen
+der eigendommen van den staat bezorgden.
+
+Polias, Polias, bijnaam van Athena als stedenbeschermster, in welke
+hoedanigheid zij vooral te Athene vereerd werd.
+
+Polichne, Polichne, 1) stad in het N. O. van Laconica.--2) stad
+in het N. van Messenia, ten W. van Andania.--3) stad op het eiland
+Chius.--4) stad op Creta bij Cydonia.--5) stad in aziatisch Ionia
+nabij Clazomenae.
+
+Poliorcetes, Poliorketes, bijnaam van Demetrius no. 1.
+
+Polis, Polis, sterkte der ozolische Locriërs op de aetolische grenzen,
+in het gebied van Hyaea.
+
+Polites, Polites, 1) zoon van Priamus en Hecabe, uitmuntend door
+zijne snelheid in het loopen. Bij de verovering der stad werd hij
+voor de oogen van zijn vader door Neoptolemus gedood.--2) een van de
+tochtgenooten van Odysseus. Zie Lybas.
+
+Politorium, oude latijnsche stad, door Ancus Marcius veroverd en
+verwoest.
+
+Poliuchus, Poliouchos = Polias.
+
+Pollentia, 1) stad in het N. van Picenum = Urbs Salvia.--2) stad der
+Bagienni (Bagenni) in Liguria.--3) rom. kolonie op het eil. Balearis
+maior.
+
+Pollex als rom. maat = 1/12 voet.
+
+Pollicem premere, vertere. Wanneer een gladiator in een tweestrijd
+wel gevallen, maar niet doodelijk gewond was, en door het opsteken
+van den wijsvinger de toeschouwers om lijfsbehoud smeekte, en deze
+zich lieten vermurwen, dan staken zij de vuist omhoog met ingesloten
+duim, pollice presso; strekte daarentegen het publiek de vlakke hand
+uit met den duim naar omlaag gekeerd, pollice verso, dan moest de
+overwinnaar den overwonnene den doodsteek toebrengen.
+
+Pollio, zie Asinii en Vedius.
+
+Pollis, Pollis, Spartaan, werd als gezant naar Dionysius van
+Syracuse gezonden, en liet zich door dezen overreden om Plato op
+zijne terugreis mede te nemen en op Aegina als slaaf te verkoopen
+(388). Als bevelhebber eener spartaansche vloot werd hij door Chabrias
+bij Naxus verslagen (376). Hij kwam om bij de verwoesting van Helice
+door een aardbeving (373).
+
+Pollux, Polydeukes, 1) z. Dioscuri.--2) Iulius P., van Naucratis,
+door Commodus tot leeraar der rhetorica te Athene aangesteld, schreef
+o. a. een woordenboek, Onomastikon, dat voor de kennis van grieksche
+taal en oudheden van belang is.
+
+Polus, Polos, 1) van Agrigentum, sophist uit de school van Gorgias,
+door Plato gegispt om zijn al te gekunstelden stijl.--2) leerling
+van Empedocles, schrijver van een werk over de rechtvaardigheid.--3)
+tooneelspeler te Athene ten tijde van Demosthenes.
+
+Polyaenus, Polyainos, 1) van Lampsacus, een wiskundige, die deze studie
+echter geheel opgaf, toen hij een leerling van Epicurus geworden
+was.--2) Macedoniër, schrijver van een werk, getiteld Strategemata,
+dat echter niet alleen krijgslisten, maar ook een aantal daden van
+list en bedrog op ieder ander gebied beschrijft. Het werk is opgedragen
+aan M. Aurelius en L. Verus.
+
+Polyanthes, Polyanthes, Corinthiër, in den peloponnesischen oorlog
+(413) bevelhebber eener vloot, later een van de leiders der
+anti-spartaansche partij te Corinthe.
+
+Polybiades, Polybiades, opvolger van Agesipolis als bevelhebber van
+het spartaansche leger in den oorlog tegen Olynthus; door honger
+noodzaakte hij de Olynthiërs om vrede te vragen (380).
+
+Polybius, Polybios, 1) van Megalopolis, zoon van Lycortas,
+geb. omstreeks 201, reeds vroeg onder de leiding van zijn vader
+en diens vriend Philopoemen tot staatsman en veldheer gevormd. Met
+hart en ziel toegewijd aan de belangen van het achaeïsch verbond,
+voorzag hij wel de gevaren, die van den kant van Rome dreigden, in
+den oorlog tusschen Rome en Macedonië ried hij als hipparch strenge
+onzijdigheid aan, maar na den val van Perseus zag hij in dat men
+zich niet op dit standpunt konde houden, en daar de romeinschgezinde
+partij weldra de overhand kreeg, moest hij zich terugtrekken. Bij
+de Rom. om zijne vroegere houding verdacht, behoorde hij tot de 1000
+Achaeërs, die in 166 als gijzelaars naar Rome medegenomen werden. In
+het huis van Aemilius Paullus opgenomen, in vriendschappelijk
+verkeer met de voornaamste Romeinen, voelde hij langzamerhand zijne
+vroegere vijandschap plaats maken voor bewondering, en kwam hij
+tot de overtuiging, dat, bij de goed geordende staatsregeling en
+legerorganisatie der Romeinen, hunne macht, vooral voor zijn door
+partijstrijd verdeeld vaderland, onweerstaanbaar moest zijn. In 150
+kreeg hij, evenals de andere gijzelaars, door bemiddeling van zijn
+vriend Scipio Aemilianus vergunning om naar zijn vaderland terug te
+keeren, maar reeds een jaar later volgde hij hem naar Africa, waar
+hij hem bij de belegering van Carthago vele diensten bewees. Kort na
+de verovering van Corinthe keerde hij naar de Peloponnesus terug, en
+door zijn invloed wist hij in vele gevallen het lot der overwonnenen
+te verzachten. Van de Romeinen kreeg hij de opdracht de verschillende
+steden te bezoeken, den nieuwen regeeringsvorm te helpen invoeren,
+en het volk voor de nieuwe toestanden te winnen, een opdracht, die
+hij tot groote tevredenheid van alle partijen vervulde. Misschien
+was het door deze bemoeiingen dat hij op de gedachte kwam een werk
+te schrijven, dat zijne landgenooten tot berusting zou aansporen
+door hen te wijzen op de natuurlijke en onvermijdelijke toeneming
+van de rom. macht, en hun de oorzaken daarvan aan te toonen. Dit plan
+bracht hij, terwijl hij te Rome woonde en meermalen ten dienste er van
+reizen deed, ten uitvoer door het beschrijven der rom. geschiedenis
+sedert het begin van den tweeden punischen oorlog tot de inneming van
+Corinthe. Nadat dit werk voltooid was, keerde hij naar Griekenland
+terug, waar hij in 120 aan de gevolgen van een val van zijn paard
+overleed.--Zijn werk, dat van veel politieke kennis en zorgvuldige
+bronnenstudie getuigt, is het eerste voorbeeld van eene pragmatische
+behandeling der geschiedenis--de uitdrukking pragmatike historia is
+van hemzelf,--daar hij niet slechts de gebeurtenissen vermeldt, maar
+ook oorzaken en gevolgen er van nauwkeurig mededeelt. Zijn dikwijls
+ruwe stijl, niet gevormd door rhetorische studiën, is niet zonder
+grond door sommigen soldatenstijl genoemd. Van de 40 boeken, waaruit
+zijne geschiedenis oorspronkelijk bestond, zijn alleen de eerste 5
+volledig bewaard gebleven.--2) geleerd en invloedrijk vrijgelatene
+van Claudius, wien hij bij zijne studiën behulpzaam was.
+
+Polybus, Polybos, 1) koning van Corinthe, bij wien Oedipus opgevoed
+werd.--2) koning van Thebe in Aegypte, die Menelaus gastvrij
+ontving.--3) koning van Sicyon, grootvader van Adrastus.
+
+Polycaste, Polykaste, dochter van Nestor, v. s. gemalin van Telemachus.
+
+Polycletus, Polykleitos, van Sicyon, beroemd beeldhouwer,
+jongere tijdgenoot van Phidias, dien hij nog overtrof wat betreft
+nauwkeurigheid en getrouwheid aan de natuur, terwijl hij daarentegen
+in phantasie zijn mindere was en hem dus in het maken van godenbeelden
+niet konde evenaren. De Herakop, op blz. 305 afgebeeld, is misschien
+eene copie naar P.'s beroemd Herabeeld. Andere bekende beelden zijn
+de Diadumenus, de Doryphorus en zijn Amazone, waarvan copiën over
+zijn. Een geschrift van hem, Kanon, handelde over proporties, ter
+verklaring van zijn Doryphorus.
+
+Polyclitus, Polykleitos, een van de invloedrijkste vrijgelatenen van
+keizer Nero, die een zeer verderfelijken invloed op hem uitoefende. Hij
+werd in 61 n. C. met een buitengewone volmacht naar Britannia gezonden,
+om een onderzoek in te stellen naar het bestuur van den stadhouder
+Suetonius Paulinus en naar den toestand van de provincie. Als gevolg
+hiervan werd Suetonius teruggeroepen.
+
+Polycrates, Polykrates, 1) van Samus, wierp zich, na omverwerping
+van de bestaande aristocratie, tot alleenheerscher op, waarbij hij
+eerst door zijne broeders Syloson en Pantagnotus geholpen werd,
+die hij echter spoedig op den achtergrond drong. Hij was bekend
+door zijn rijkdom, macht en voortdurend geluk, hij omgaf zich met
+aziatische weelde, dichters, o. a. Anacreon, werden gastvrij door hem
+ontvangen, verder verschafte hij zich een groote vloot en maakte hij
+Samus tot de aanzienlijkste zeemogendheid in de Aegaeïsche zee. Doch
+toen zijne vloot, aan Cambyses te hulp gezonden, van hem afviel, was
+het met de heerschappij ter zee gedaan, hoewel hij de opstandelingen
+onderwierp. In 522 werd hij door den satraap Oroetes, wien hij bij
+zijne eerzuchtige plannen in den weg stond, verraderlijk naar Magnesia
+gelokt en daar gekruisigd.--2) atheensch sophist, die eenige jaren na
+den dood van Socrates diens veroordeeling in een geschrift trachtte
+te rechtvaardigen.
+
+Polycritus, Polykritos, van Mende, geneesheer aan het hof van
+Artaxerxes Mnemon. Of deze, of een naamgenoot van hem was de schrijver
+van een uitvoerige geschiedenis van Sicilië, die verloren gegaan is.
+
+Polydamas, Polydamas, 1) trojaansch held en waarzegger, uitmuntend
+door wijsheid en welsprekendheid, vriend en raadsman van Hector.--2)
+officier van Alexander d. G., die, hoewel een vertrouwd vriend van
+Parmenio, het bevel om hem te dooden naar Medië overbracht. Parmenio
+werd verraderlijk overvallen en afgemaakt.
+
+Polydectes, Polydektes, 1) of Polydegmon, die velen opneemt, bijnaam
+van Hades.--2) koning van Seriphus, z. Perseus.--3) koning van Sparta,
+broeder van den wetgever Lycurgus.
+
+Polydeuces, Polydeukes = Pollux.
+
+Polydora, Polydora, dochter van Meleager, door sommigen de gemalin
+van Protesilaus genoemd in plaats van Laodamia no. 2.
+
+Polydorus, Polydoros, 1) zoon van Cadmus en Harmonia, vader van
+Labdacus.--2) jongste zoon van Priamus bij Laothoë, door Achilles
+gedood. In andere verhalen is zijne moeder Hecabe, en wordt hij
+tegen het einde van den trojaanschen oorlog door zijn vader aan den
+thracischen koning Polymestor toevertrouwd. Begeerig naar de groote
+schatten, die Priamus zijn zoon had medegegeven, doodt Polymestor hem
+na den val van Troje en werpt zijn lijk in zee, het wordt echter op
+het strand geworpen en toevallig door Hecabe gevonden en herkend,
+die nu uit wraak Polymestor de oogen uitsteekt en zijne kinderen
+doodt.--V. a. was zijne zuster Ilione de gemalin van Polymestor en had
+zij P. buiten weten van haar echtgenoot verwisseld met haar eigen kind,
+Deïpylus of Deïphilus. Toen nu de Grieken van Polymestor eischten,
+dat hij P. zou dooden, en hem daarvoor een huwelijk met Agamemnon's
+dochter Electra en groote geschenken beloofden, doodde hij zijn
+eigen zoon, later werd hij door P. met de hulp van Ilione gedood.--De
+pijlen waarmede P. gedood was, groeiden boven zijn graf tot een dicht
+myrtenbosch op.--3) zoon van Hippomedon, een van de epigonen.--4)
+koning van Sparta in den eersten messenischen oorlog.--5) broeder
+en opvolger van Iason van Pherae, stierf kort na het aanvaarden der
+regeering plotseling, naar men meende door de hand van zijn broeder
+Polyphron.--6) een van de drie beeldhouwers van de Laocoongroep,
+z. Laocoon.
+
+Polyeuctus, Polyeuktos, atheensch staatsman en redenaar, vriend en
+partijgenoot van Demosthenes, was betrokken in het proces betreffende
+het geld van Harpalus.
+
+Polygnotus, Polygnotos, van Thasus, zoon van Aglaophon, een der
+beroemdste schilders van Griekenland, vriend van Cimon, door de
+Atheners wegens zijn talent met het burgerrecht begiftigd. Zijne
+werken overtroffen die van zijne voorgangers in natuurlijkheid en
+ongedwongenheid. Onder zijne groote schilderijen zijn vooral beroemd
+de slag bij Marathon in de Poikile Stoa te Athene en de verovering
+van Troje te Delphi.
+
+Polyhymnia, Polymnia, Muze der hymnen-dichtkunst, wordt afgebeeld met
+ernstige gelaatstrekken en een nauwsluitend kleed, maar gewoonlijk
+zonder bepaalde attributen.
+
+Polyidus, Polyidos, -eidos, 1) achterkleinzoon van Melampus, beroemd
+waarzegger, z. Glaucus no. 4.--2) beroemd dithyrambendichter in de
+eerste helft der 4de eeuw; ook als treurspeldichter wordt hij genoemd.
+
+Polym(n)estor, Polym(n)estor, z. Polydorus no. 2.
+
+Polymnestus, Polymnestos, 1) vader van Battus, den stichter van
+Cyrene.--2) van Colophon, een van de oudste dichters van liederen, die
+bij de fluit gezongen werden en van de daarbij behoorende fluitmuziek
+(aulodia, z. tibia). Hij leefde in het midden der 7de eeuw. Dat hij
+berucht zou zijn geweest om zijne onzedelijke gedichten, en derhalve
+zulke gedichten Polymnesteia genoemd werden, berust op een verkeerde
+interpretatie van een antieken tekst.
+
+Polymnia = Polyhymnia.
+
+Polymnis, Polymnis, Thebaan, vader van Epaminondas.
+
+Polynices, Polyneikes, zoon van Oedipus en Iocaste, broeder van
+Eteocles (z. a.), schoonzoon van Adrastus (z. a.).
+
+Polyperchon = Polysperchon.
+
+Polypemon, Polypemon, de eigenlijke naam van Procrustes.
+
+Polyphemus, Polyphemos, 1) vriend van Heracles, met wiens zuster hij
+gehuwd was, nam aan den Argonautentocht deel, maar werd met Heracles
+in Mysië achtergelaten. Hij stichtte er de stad Cius en sneuvelde
+later tegen de Chalybiërs.--2) zoon van Poseidon en de nimf Thoosa,
+Cycloop, met één oog in het midden van zijn voorhoofd. Toen Odysseus
+en diens makkers in zijn land aangekomen waren en bij ongeluk in zijne
+woning een schuilplaats gezocht hadden, hield hij hen opgesloten en
+verslond hij 's morgens en 's avonds twee van hen. Nadat dit reeds
+driemaal geschied was, gelukte het Odysseus hem dronken te maken
+en stak hij hem in den slaap zijn eenig oog uit met een gloeiend
+gemaakten puntigen paal. Daarop ontsnapten zij met het vee van den
+Cycloop, die echter bijna nog hun schip door het werpen van groote
+rotsblokken verbrijzelde.--Zie ook Acis.
+
+Polyphontes, Polyphontes, een Heraclide, die koning Cresphontes van
+Messenië doodde, daarna diens weduwe Merope tot een huwelijk dwong
+en zich van de regeering meester maakte, maar later door Aepytus
+gedood werd.
+
+Polypoetes, Polypoites, z. Leonteus.
+
+Poly(s)perchon, Poly(s)perchon, veldheer onder Alexander d. G., dien
+hij op al zijne tochten vergezelde. Na den dood van Alexander nam hij
+eenigen tijd voor Antipater gedurende diens afwezigheid de regeering
+over Macedonië waar, en toen Antipater stierf, benoemde hij P. tot
+zijn opvolger (319). Hierover ontevreden, verbond zich Cassander met
+Antigonus en Ptolemaeus, en P. zocht nu voornamelijk steun bij de
+democratische partij in Griekenland en wist ook Olympias (z. a.) voor
+zijne belangen te winnen. Een tocht naar Griekenland liep ongelukkig
+voor hem af, terwijl Cassander (z. a.) zich in zijne afwezigheid in
+Macedonië vestigde. P. verbond zich nu na afwisselende gevechten met
+Antigonus, hield zich in de Peloponnesus tegen Cassander staande, en
+kwam eindelijk naar Macedonië terug (317), maar het duurde niet lang,
+of hij moest weder voor Cassander vluchten. Na eenige pogingen om
+in de Peloponnesus eene onafhankelijke regeering te vestigen, stelde
+P. zich aan het hoofd der partij van Heracles, den zoon van Alexander
+en Barsine; door de Aetoliërs geholpen, rukte hij op Macedonië aan,
+maar toen hij zich door de beloften van Cassander liet overhalen om
+Heracles te vermoorden (309), vielen al zijne aanhangers van hem
+af. Toch wist hij een groot gedeelte van de Peloponnesus terug te
+veroveren; in 303 verloor hij echter alles behalve Messenië, waar
+hij waarschijnlijk spoedig gestorven is.
+
+Polyxena, Polyxene, jongste dochter van Priamus en Hecabe, werd na
+de inneming van Troje op het graf van Achilles geofferd. Uit liefde
+voor haar zou Achilles beloofd hebben tot de Trojanen over te gaan
+of den vrede te bewerken, maar toen hij voor het huwelijk of voor de
+vredesonderhandelingen in de stad kwam, werd hij verraderlijk door
+Paris gedood. Bij de verdeeling van den buit verscheen nu zijn schim en
+eischte het offer van P.--V. a. was omgekeerd P. op Achilles verliefd
+geweest en doodde zij zichzelve na de inneming der stad op zijn graf.
+
+Polyxenus, Polyxenos, aanzienlijk Syracusaan, gehuwd met de zuster
+van den ouden Dionysius, met wien hij later in vijandschap geraakte,
+waarom hij Syracuse verliet. In 387 was hij bevelhebber geweest eener
+vloot, die Dionysius aan de Spartanen te hulp zond.
+
+Polyxo, Polyxo, 1) beroemde waarzegster, vertrouwde van Hypsipyle.--2)
+gemalin van Tlepolemus no. 1. Daar haar echtgenoot voor Troje
+gesneuveld was, doodde zij Helena, toen deze na den dood van Menelaus
+naar Rhodus kwam.
+
+Pomerium, de heilige grens van Rome, eigenlijk de onbebouwde, door
+steen en palen of cippi afgebakende singel binnen en buiten den
+stadsmuur. Hierbij valt evenwel op te merken, dat de mons Aventinus en
+de mons Capitolinus wel binnen den muur van Servius Tullius lagen, maar
+toch buiten het pomerium. Men spreekt daarom van urbs (de eigenlijke
+stad) et Capitolium. Ook toen in later tijd de muur verviel, bleef het
+pomerium als grens der eigenlijke urbs toch bestaan. Door Sulla werd
+het pomerium uitgelegd zonder dat er een nieuwe muur werd opgetrokken,
+en na hem geschiedde dit nog meermalen. Het pomerium was ook de grens
+der auspicia urbana.
+
+Pometia, zie Suessa.
+
+Pomoerium, minder goede schrijfwijze voor pomerium.
+
+Pomona, romeinsche godin der boomvruchten. Hare bevalligheid wekte
+de liefde van alle Satyrs en Faunen, van Silvanus, Picus, Priapus en
+Vertumnus op, doch zij weigerde hen aan te hooren, totdat Vertumnus
+onder de gedaante van een oude vrouw zijn aanzoek zoo dringend
+bij haar aanbeval, dat zij besloot zijne gemalin te worden. Haar
+dienst werd te Rome waargenomen door een afzonderlijken priester,
+den flamen Pomonalis.
+
+Pompa, pompe, feestelijke optocht, gewoonlijk ter eere van de goden
+gehouden. De voornaamste optocht werd te Athene gehouden bij de
+Panathenaea, te Rome bij de ludi circenses.
+
+Pomp(a)edius Silo (Q.), een van de dapperste veldheeren der
+bondgenooten in den marsischen oorlog. Toen hij in 88 sneuvelde
+(zie Caecilii no. 17), was ook de kracht van den strijd gebroken.
+
+Pompeia (lex) van 89, van den consul Cn. Pompeius Strabo (zie
+Pompeii no. 9), dat aan de transpadaansche Galliërs, die in den
+bondgenootenoorlog aan Rome trouw gebleven waren, het ius Latii
+(z. a.) zou verleend worden.
+
+Pompeiae (leges) van Cn. Pompeius Magnus. 1) lex tribunicia (70)
+tot herstel van de macht der volkstribunen.--2) lex iudiciaria, dat
+de rechters ex amplissimo censu zouden gekozen worden, d. w. z. allen
+riddercensus zouden hebben (een afzonderlijke census voor de senatoren
+bestond nog niet), met behoud echter van de drie ordines der lex
+Aurelia. Deze wet valt in Pompeius' tweede consulaat (55).--3) de
+vi en de ambitu, uit zijn derde consulaat (sine collega) in 52,
+gedeeltelijk tot invoering van een korteren vorm van procedure,
+gedeeltelijk tot verzwaring der straffen.--4) de iure magistratuum
+(52), dat niemand afwezig naar een ambt mocht dingen (uitgezonderd
+Caesar).--5) de provinciis, dat niemand eene provincie zou mogen
+aanvaarden binnen vijf jaar na het nederleggen van zijn ambt.
+
+Pampeiani, een familienaam, die eerst onder de keizers voorkomt. 1)
+Sex. Vetulenus Civica Pompeianus, oom van L. Verus.--2) Tib. Claudius
+Pompeianus, met de dochter van Marcus Aurelius gehuwd, had het bevel
+in den oorlog tegen Germanen en Marcomannen, doch trok zich onder de
+regeering van Commodus uit het staatkundig leven terug. Pertinax (193
+na C.) bood hem tweemaal aan het bewind aan hem over te dragen, doch
+Pomp. weigerde.--3) Claudius Pompeianus Quintianus, zoon van no. 2,
+onder Commodus wegens samenzwering ter dood veroordeeld (183).--4)
+Claudius Pompeianus, zoon van no. 2 en kleinzoon van keizer Marcus
+Aurelius, werd door Commodus vermoord.
+
+Pompeii, aanzienlijk plebejisch geslacht. 1) L. Pompeius, hield zich
+als krijgstribuun met een kleine legermacht staande tegen koning
+Perseus van Macedonia (171), tot de consul P. Crassus met zijn leger
+hem ontzette.--2) Q. Pompeius, consul in 141, voerde een weinig
+eervollen oorlog tegen de Numantijnen en ontkwam ternauwernood het
+gevaar, wegens het sluiten van een verdrag (140) aan hen te worden
+uitgeleverd. Zie Numantia. Hij was een gevierd redenaar. In 131 was
+hij censor (zie Censor). Pompeius was van een zeer geringen stand en
+auctor nobilitatis van zijn geslacht. Hij was een tegenstander van
+Tib. Gracchus.--3) Q. Pompeius Rufus ijverde als volkstribuun in 100
+voor de terugroeping van Q. Caecilius Metellus Numidicus (Caecilii
+no. 13) uit de ballingschap. In 88 was hij te gelijk met Sulla consul,
+doch werd in diens afwezigheid op aansporing van Cn. Pompeius Strabo
+(consul in 89), wiens leger hij moest overnemen, door de soldaten
+vermoord (88).--4) Q. Pompeius Rufus, zoon van no. 3 en schoonzoon van
+Sulla, kwam in 88 om bij de troebelen van Sulpicius.--5) Q. Pompeius
+Rufus, zoon van no. 4 en van Sulla's dochter, was een aanhanger van
+Cn. Pompeius Magnus, doch in 52 werd hij verwikkeld in de woelingen na
+den dood van P. Clodius en werd hij verbannen. Zie Caelii no. 4. In
+de ballingschap leed hij gebrek.--6) Pompeia, dochter van no. 4 en
+derde gemalin van Caesar (67), werd in 61 door hem verstooten wegens
+ongeoorloofde betrekkingen met Clodius.--7) Q. Pompeius Bithynicus
+richtte in 74 Bithynia (z. a.) tot provincie in, en ontleende
+hieraan zijn bijnaam. Hij was een vriend van Cicero. Hij kwam in 48
+om, tegelijk met zijn bloedverwant Cn. Pompeius Magnus.--8) A. of
+Q. Pompeius Bithynicus, zoon van no. 7, leverde als stadhouder van
+Sicilia dit gewest in 43 aan Sex. Pompeius Magnus over, maar werd door
+hem omgebracht.--9) Cn. Pompeius Strabo, in 104 quaestor op Sardinia,
+in 90 rom. veldheer in den bondgenootenoorlog, was in 89 consul. Van
+hem is de lex Pompeia van 89. Toen in 88 de consul Q. Pompeius Rufus
+zijn leger wilde overnemen, liet hij hem door zijne soldaten ombrengen
+en bleef zelf aan het hoofd. In 87 leverde hij voor de poorten van Rome
+aan Marius en Cinna een slag, die onbeslist bleef. Kort daarop stierf
+hij, door den bliksem getroffen. Hij had groote veldheerstalenten,
+doch een laag en wreed karakter.--10) Sex. Pompeius, broeder van no. 9,
+leefde slechts voor de studie.--11) Cn. Pompeius, bijgenaamd Magnus,
+de bekende tijdgenoot en mededinger van Caesar, zoon van no. 9, werd,
+evenals Cicero, in 106 geboren. Beiden dienden in den marsischen
+oorlog onder Pompeius' vader, wien de zoon in 87 het leven redde door
+de ontdekking van een complot onder de soldaten. In den burgeroorlog
+wierf Pompeius in Picenum, waar zijne familie groote bezittingen had,
+op eigen kosten en die zijner vrienden drie legioenen, waarmede hij
+zich bij Sulla voegde (83). Hij versloeg in 82 bij Sena Gallica de
+legaten van Cn. Papirius Carbo, nam Praeneste in en bracht de partij
+van Marius en Cinna in Sicilia en Africa ten onder, waarbij hij den
+titel van imperator verwierf. Middelerwijl had Sulla hem de hand
+zijner stiefdochter Aemilia aangeboden (eene dochter van M. Aemilius
+Scaurus en Caecilia Metella) en hem den bijnaam Magnus gegeven. Wel
+was Pompeius gehuwd met Antistia, doch van deze scheidde hij. Aemilia
+stierf echter weldra, en P. huwde ten derde male met Mucia, derde
+dochter van Q. Mucius Scaevola, die hij echter later verstiet wegens
+overspel met C. Julius Caesar. Na den burgeroorlog wist P. aan Sulla
+de eer van een zegetocht af te dwingen, ofschoon hij nog ambteloos
+burger en alleen rom. ridder was. Na Sulla's dood bedwong hij den
+oproerigen consul M. Aemilius Lepidus (77), doch weigerde vervolgens
+zijn leger af te danken en verlangde met proconsulaire macht naar
+Hispania te worden gezonden, waar Q. Caecilius Metellus Pius (Caecilii
+no. 17) vruchteloos de overblijfselen der mariaansche partij onder
+Q. Sertorius trachtte te vernietigen. Het geluk diende Pompeius;
+Sertorius viel door samenzwering (zie Perperna) en met zijn dood was
+de strijd beslist (72). Op zijn terugtocht (71) vernietigde P. eene
+bende van 5000 zwaardvechters, die aan Crassus ontkomen, een goed
+heenkomen uit Italia zochten. Met Crassus werd hij voor het jaar 70
+tot consul verkozen. Daags voor het aanvaarden van zijn ambt hield
+hij den hem toegekenden triumftocht, om dit nog te kunnen doen als
+rom. ridder. Daar hij echter den senaat van zich vervreemd had,
+begreep hij elders een steun te moeten zoeken, om zijne eerzucht
+te bevredigen. Onder hevige twisten met zijn ambtgenoot herstelde
+hij door zijne lex Pompeia de vroegere macht der volkstribunen. De
+belooning bleef niet uit. Door de lex Gabinia (67) en de lex Manilia
+(66) werd hem achtereenvolgens het bevel in den zeerooveroorlog en in
+den oorlog tegen Mithradates opgedragen. De zeeschuimerij werd voor
+het oogenblik uitgeroeid; Mithradates en zijn schoonzoon Tigranes
+van Armenia, reeds door Lucullus uitgeput, waren spoedig onschadelijk
+gemaakt, Syria en Palaestina werden onder rom. gezag gebracht. In 62
+kwam P. in Italia terug en vierde een schitterenden zegetocht. De
+senaat evenwel weigerde de beschikkingen van P. in het Oosten te
+bekrachtigen (60). Hierdoor gekrenkt, sloot hij zich bij Caesar en
+Crassus aan, en het verbond, het zoogenaamde eerste driemanschap,
+werd bezegeld door een nieuw huwelijk van P. met Caesars dochter
+Julia (59). Pompeius zag nu zijne beschikkingen door den senaat
+goedgekeurd. Terwijl Caesar in Gallia was, werd P. in 55 andermaal
+met Crassus consul en kreeg Hispania tot provincie met verlof, het
+door legaten te laten besturen en zelf te Rome te blijven, in naam
+om het oog te houden op mogelijke woelingen van mededingers. Dit
+was zijn ongeluk: hij was krijgsman, geen staatsman. Julia wist,
+zoolang zij leefde, botsingen tusschen haar echtgenoot en haar
+vader te voorkomen, doch toen zij in 54 overleden was en Crassus
+in 53 was omgekomen, waren alle banden tusschen Pompeius en
+Caesar verbroken. Pompeius wist geene andere taktiek te volgen dan
+achter de schermen woelingen aan te stoken. Rome verkeerde in een
+staat van volkomen regeeringloosheid, en zoo werd na den dood van
+P. Clodius, op voorstel van den senaat, Pompeius tot consul zonder
+ambtgenoot gekozen (52), met opdracht de orde te herstellen en met
+de macht zich, als hij het geraden achtte, een ambtgenoot toe te
+voegen. Metellus Scipio, die ook naar het consulaat had gedongen,
+zag zich door deze wending teleurgesteld, doch sloot zich weldra
+bij Pompeius aan en werd diens schoonvader en medeconsul. Pompeius
+zocht nu zijn verderen steun bij de optimatenpartij. In het ijdel
+zelfvertrouwen, dat hij de macht in handen had, trad hij nu met
+allerlei willekeurige handelingen en eischen tegen Caesar op. Deze
+echter was op alles voorbereid en overrompelde Pompeius, die met
+het meerendeel der partij naar Griekenland week, waar hij 6 Juni 48
+door Caesar bij Pharsalus eene beslissende nederlaag leed. Met zijne
+vrouw Cornelia en zijn zoon Sextus vluchtte hij naar Aegypte, doch
+werd in de koninklijke boot, waarmede Ptolemaeus XII hem eershalve
+van boord liet halen, door diens voogd Achillas verraderlijk van
+achteren vermoord, ten aanschouwen zijner betrekkingen en vrienden,
+die aan boord waren gebleven.--12) Cn. Pompeius Magnus, oudste zoon
+van no. 11 uit diens derde huwelijk, zette den oorlog tegen Caesar
+voort, doch werd in 46 bij Thapsus in Africa en in 45 bij Munda in
+Hispania verslagen en op de vlucht achterhaald en omgebracht.--13)
+Sex. Pompeius Magnus, jongere broeder van no. 12, van dezelfde moeder
+(Mucia), deelde zijns broeders lotgevallen tot aan diens dood. Uit
+Africa en Hispania verdreven, verzamelde hij de overblijfselen zijner
+partij ter zee. Na Caesars dood (44) verkeerde hij met den rom. staat
+half op voet van vrede, half op voet van oorlog. Bij de verdeeling
+van het rijk tusschen Octavianus, Antonius en Lepidus eischte
+Sextus Pompeius ook zijn aandeel en bedreigde met zijne machtige
+vloot den rom. korenaanvoer. Daar met zulk een tegenstander rekening
+moest worden gehouden, werden hem Sicilia, Sardinia, Corsica en de
+Peloponnesus afgestaan (39). Doch de goede verstandhouding kon niet
+duurzaam zijn; van de eilanden uit kon P. met zijne machtige vloot
+Italië met hongersnood bedreigen, terwijl het den driemannen er om te
+doen moest zijn, elken mededinger onschadelijk te maken. Eindelijk
+barstte de bom voor goed; aan Agrippa, den admiraal van Augustus,
+gelukte het, de vloot van Pompeius bij Naulochus te vernietigen
+(36). Deze laatste vluchtte naar Azië. Toen hij daar echter plannen
+tegen Antonius op touw zette, werd hij te Miletus omgebracht.--14)
+Sex. Pompeius, consul in 14 na C. en later stadhouder van Asia,
+was een vriend van Ovidius, die verscheiden brieven aan hem gericht
+heeft.--15) Pompeius Varus was een oud krijgsmakker van Horatius in
+den slag bij Philippi.--16) Pompeius Grosphus, rijk grondbezitter op
+Sicilia, behoorde tot de vrienden van Horatius.--17) Pompeius Festus,
+zie Festus.--18) Pompeius Trogus, zie Trogus.
+
+Pompeii, Pompeioi, Pompeia, oude stad van Campania, bloeiend
+rom. municipium, aan den mond van den Sarnus. Evenals de overige
+plaatsen aan den sinus Cumanus, was ook Pompeii een geliefkoosd
+zomerverblijf voor rijke Rom. In 63 na C. had het veel te lijden door
+eene aardbeving, doch het verrees uit zijne puinhoopen schooner dan
+te voren. In 79 echter, bij de uitbarsting van den Vesuvius werd het
+bedolven onder een regen van asch, zand en puimsteen. In 1689 werd
+de stad toevallig ontdekt. In het begin der 18de eeuw is men met de
+uitgravingen begonnen, doch met weinig kracht en zonder geregeld
+plan. Eerst in de 19de eeuw is de opdelving van regeeringswege
+met nadruk ter hand genomen en de kleinste helft der stad bloot
+gelegd. Behalve houtwerk en daken zijn openbare en bijzondere gebouwen
+vrij goed bewaard gebleven. Ten gevolge van deze opgravingen kunnen
+we nu duidelijk de volgende perioden in de geschiedenis der stad
+onderscheiden. De stad is gesticht door Osci (zie Campania), die
+onder den invloed staan der Grieken van Cumae, Dicaearchia (Puteoli)
+en Parthenope (Napels); uit deze periode zijn de overblijfselen van
+den griekschen tempel (6de eeuw). Vervolgens is de stad verwoest en
+weer opnieuw opgebouwd door de Etrusci, die weer later wijken moeten
+voor de Samnieten, onder wie de stad een tijdperk van grooten bloei
+beleeft (200-80). In 80 wordt de stad romeinsch municipium, gaat eerst
+achteruit, en begint eerst weder tot bloei te komen sedert den tijd
+van Augustus. Bij de uitbarsting had ze ongeveer 25.000 inwoners.
+
+Pompeiopolis, latere naam van Soli.
+
+Pompelo, Pompelon, hoofdstad der Vascones in Hispania Tarraconensis,
+thans Pampeluna.
+
+Pompilii, een weinig bekend geslacht. Over koning Numa Pompilius zie
+Numa. Onder de Catilinarii komt ook een Pompilius voor.--M. Pompilius
+Andronicus, een Syriër van geboorte, grammaticus uit den tijd van
+Sulla en Cicero, trok zich uit Rome terug naar Cumae, omdat hij bij
+anderen achtergesteld werd, en schreef daar een werk over de Annalen
+van Ennius (Annalium Enni Elenchi), dat door Orbilius werd uitgegeven.
+
+Pomponii, een plebejisch gesl. 1) Q. Pomponius, volkstribuun in
+395, verzette zich tegen de verhuizing der plebs naar Veji en
+beliep daarvoor eene geldboete.--2) M. Pomponius, een vriend van
+C. Gracchus, kwam met dezen om.--3) L. Pomponius Bononiensis, ± 90,
+beroemd atellanendichter.--4) Cn. Pomponius, beroemd als redenaar,
+kwam in den burgeroorlog van 82 om het leven.--5) T. Pomponius Atticus,
+Cicero's vriend, een merkwaardige figuur in zijn tijd, omdat hij geheel
+vrij wist te blijven van partijschap en om zijn beminnelijk karakter,
+zijne ongemeene beschaving en zijne milddadigheid bij alle partijen
+gezien was, bij Sulla en bij den jongen Marius, bij Cicero en bij
+Antonius. Hij heeft nooit naar eenig ambt gedongen. Te Athene, waar hij
+een tijd lang verblijf hield, richtte men standbeelden voor hem op. Hij
+stierf in 33, 77 jaar oud. Van zijne werken is niets overgebleven. Hij
+schreef o. a. annalen in het Latijn en eene geschiedenis van Cicero's
+consulaat in het Grieksch. Zijne levensbeschrijving vindt men bij
+Cornelius Nepos, terwijl er ook eene rijke verzameling brieven van
+Cicero aan hem bestaat.--6) Pomponius Graecinus was een vriend van
+Ovidius.--7) L. Pomponius Flaccus, broeder van no. 6, bekleedde onder
+Tiberius verschillende hooge posten. Hij was consul in 17 n. C.,
+daarna stadhouder van Moesia, en later van Syria, waar hij in 33
+of 35 gestorven is.--8) P. Pomp. Secundus, handlanger van Seianus,
+ontkwam in 31 n. C. den dood, doordat zijn broeder hem gevangen
+liet zetten. Gaius liet hem vrij (37); onder Claudius streed hij
+(in 50) als legatus p. p. Germaniae Superioris tegen de Chatten,
+en verkreeg de insignia triumphalia. Zijn vriend, Plinius de oude,
+heeft zijn leven beschreven. Onder de keizers worden nog genoemd:
+Q. Pomp. Secundus, onder Caligula, Pomponius Labeo, Pomp. Bassus,
+e. a.--9) Sex. Pomponius, beroemd jurist onder Hadrianus en Antoninus
+Pius.--10) Pomponius Mela, geograaf, zie Mela.--11) Pomponius
+Porphyrio, zie Porphyrio.--12) Pomponia Graecina, vrouw van A. Plautius
+(Plautii no. 11), werd in 57 n. C. aangeklaagd van het deelnemen aan
+vreemde eerediensten, waaronder v. s. het Christendom te verstaan
+is. De behandeling van de zaak werd aan haar man overgelaten, die
+haar vrijsprak.
+
+Pomptinae Paludes, moerasstreek van Latium, die langs de Volscerbergen
+zich uitstrekt tot aan Anxur en Circeii. Het is oorspronkelijk zeebodem
+geweest. Duinen beletten de afwatering der riviertjes Amasenus en
+Ufens, die de streek langzaam gevuld hebben. In de vroege oudheid
+waren de moerassen nog tamelijk beperkt van omvang; later zijn ze
+langzamerhand, niettegenstaande alle pogingen om het water te doen
+wegstroomen, grooter geworden, zoodat in de middeleeuwen de via Appia,
+die er in 312 in rechte lijn doorheen gevoerd is, onbegaanbaar was
+geworden.
+
+Pomptinus (C.) hielp als praetor in 63 Cicero bij het ontdekken der
+Catilinarische samenzwering, voerde later (62/61) als propraetor den
+oorlog tegen de Allobroges, verkreeg slechts met groote moeite de eer
+van een triumf (54), en ging in 51 met Cicero als legaat naar Cilicia.
+
+Pontes, smalle bruggetjes met leuningen, waarover slechts één
+persoon tegelijk kon gaan, ten einde gedrang bij de stembus of bij
+het uitreiken der stemtafeltjes te voorkomen. Z. ovile, en Maria
+(lex) de suffragiis ferendis.
+
+Pontia, Pontia, bijnaam van Aphrodite, Thetis, de Nereïden
+e. a. zeegodinnen.
+
+Pontia, het grootste der insulae Pontiae op de kust van Latium
+tegenover Formiae; oorspronkelijk volscisch gebied, sedert 313
+lat. kol., onder de rom. keizers een verbanningsoord.
+
+Ponticus, rom. episch dichter en vriend van Ovidius.
+
+Pontifices, rom. priestercollege, belast met het toezicht over den
+godsdienst. Aan hun hoofd stond de pontifex maximus, aan wien de
+geheele priesterschap ondergeschikt was, al stonden ook in rang de rex
+sacrorum en de drie flamines maiores boven hem. Hij was lid van den
+senaat en woonde in de Regia, het oude koningshuis. Als deskundigen
+werden de pontifices geraadpleegd in alle zaken, het ius divinum
+betreffende. Onder hunne gewone godsdienstige verplichtingen behoorden
+het opmaken en afkondigen van den kalender, het verrichten van zekere
+offers (zie Argei), het onderhoud van de paalbrug (pons sublicius)
+over den Tiber, de wijding der hooge priesters en der vestaalsche
+maagden. Als teekenen hunner waardigheid droegen zij den apex en
+de infula. Vóór de lex Ogulnia (300) waren er eerst drie, later 6
+pontifices, allen patriciërs, doch deze wet bepaalde het aantal op 9,
+waarvan er 5 plebejers moesten zijn. De p. maximus werd reeds in de
+3de eeuw uit den boezem van het college gekozen door eene gedeeltelijke
+volksvergadering, n.l. door 17 van de 35 tribus, hiertoe door het lot
+aangewezen. De verkiezing van nieuwe leden had plaats door cooptatio,
+totdat de lex Domitia (104) voorschreef, dat ook deze verkiezing door
+17 tribus zou plaats hebben en dan voor den vorm de aldus voorgedragen
+persoon door het college zou worden gecoöpteerd. Sulla herstelde de
+cooptatio, en bracht het aantal pontifices op 15. De lex Attia (of
+Labiena) van 63 voerde de lex Domitia weder in, zie Attia lex. Sedert
+Augustus behoorde de waardigheid van pontifex maximus tot de attributen
+des keizers; in den regel werd zij hem bij senaatsbesluit opgedragen.
+
+Pontii. 1) Gavius C. Pontius, zoon van C. Pontius Herennius,
+veldheer der Samnieten, sloot in 321 het rom. leger in de bergengte
+van Caudium in, waar het de wapenen moest afleggen en onder het
+juk doorgaan. In 292 werd hij verslagen en gevangen genomen door
+den rom. consul Q. Fabius Maximus Gurges en, na diens triumftocht
+te hebben opgeluisterd, te Rome onthoofd.--2) Pontius Telesinus,
+samnietisch veldheer in den bondgenootenoorlog, later met de partij
+van Marius verbonden, sneuvelde in 82 vóór de poorten van Rome. Een
+broeder, evenzoo geheeten, kwam in hetzelfde jaar bij de inneming van
+Praeneste om.--3) Pontius Cominius, een jong Romein, beklom om van den
+senaat het verlof te verwerven tot het terugroepen van Camillus, dien
+de soldaten te Veii tot dictator wenschten, in 390 met levensgevaar
+de rots van het Capitool, dat door de Galliërs belegerd werd. De
+Galliërs vonden zijn spoor en zouden den burg overrompeld hebben,
+zoo niet de ganzen onraad hadden bespeurd.--4) L. Pontius Aquila,
+hevig vijand van Caesar en deelgenoot der samenzwering tegen hem,
+sneuvelde als legaat van D. Brutus in den mutinensischen oorlog,
+in 43. Hij was een goed bekende van Cicero.--5) Pontius Pilatus,
+landvoogd van Judaea, onder wien Jezus Christus gekruisigd werd (6
+April 30), werd na een tienjarig bestuur in 36 na C. afgezet. Omtrent
+zijn dood waren later vele verhalen in omloop. O. a. wordt verteld,
+dat hij zichzelf van kant gemaakt heeft.
+
+Pontinius = Pomptinus (C.)
+
+Pontus, Pontos, personificatie der zee, zoon van Aether en Gaea,
+en bij Gaea weder vader van Nereus, Thaumas, Phorcys, Ceto en Eurybia.
+
+Pontus, Pontos. Het noordelijkste gedeelte van Cappadocië werd onder
+de perzische heerschappij als een afzonderlijke satrapie beheerd,
+en heette sedert dien tijd Cappadocia ad Pontum, of ook wel kortweg
+Pontus. Het was rijk aan zwaar timmerhout, dat voor den scheepsbouw
+zeer gezocht was, het leverde ook ijzer en staal (chalyps, in het land
+der Chalybes); in het W. bracht het veel graan voort. In 363, onder
+de regeering van den perzischen koning Artaxerxes II, gelukte het den
+satraap Ariobarzanes in Pontus een zelfstandig rijk te stichten, dat
+later het oppergezag van Alexander den Gr. en vervolgens van Seleucus
+erkende, maar tegen het einde der derde eeuw onder paphlagonische
+vorsten zich verhief en zijn hoogsten bloei bereikte onder Mithradates
+VI Eupator, den grooten vijand der Rom. Toen deze in 63 door Pompeius
+verslagen was, werd Pontus, waartoe destijds ook Paphlagonia behoorde,
+versnipperd. Een deel van het paphlagonische binnenland, met de
+hoofdstad Gangra, werd aan de afstammelingen van vroegere vorsten
+afgestaan, doch in 7 met Bithynia vereenigd. Een ander gedeelte, ten
+Z. der stad Amasea, werd aan Deiotarus, koning van Galatia, geschonken
+en Pontus Galaticus geheeten. Een ander gedeelte, in het midden, met
+de kuststreek tusschen Side (het latere Polemonium) en Trapezus werd
+door Antonius aan Polemo (z. a. no. 4), een kleinzoon van Mithradates
+VI, gegeven en Pontus Polemoniacus genoemd. Het oostelijke deel kwam
+aan Cappadocia als Pontus Cappadocicus. Het westelijke kustland van
+Side tot aan den Parthenius werd in 63 bij Bithynia ingelijfd.
+
+Pontas Euxinus, de tegenwoordige Zwarte zee. Om de onherbergzaamheid
+harer kusten, voordat deze met grieksche volkplantingen bezet waren,
+werd deze zee oudtijds axenos, axeinos, maar vervolgens ominis causa
+euphemistisch Pontos Euxeinos genoemd.
+
+Popilia (via), 1) van Capua naar Regium, in 159 door den censor
+M. Popilius Laenas aangelegd.--2) van Ariminum over Ravenna naar
+Aquileia, in 132 door den consul P. Popilius aangelegd.
+
+Popi(l)lii, plebejisch geslacht. 1) M. Popillius Laenas, consul in
+359, onderdrukte door zijn krachtige taal een opstand der plebs tegen
+den senaat. Later bekleedde hij het consulaat nog driemaal, in 356,
+in 350, in welk jaar hij een inval der Galliërs afsloeg, (v. s. heeft
+deze inval plaats gehad in 348 of 349) en in 348.--2) M. Popillius
+Laenas, consul in 173, overwon de Liguriërs. Wegens zijne onbillijke
+hardheid tegen de overwonnenen ontging hij slechts ternauwernood
+eene veroordeeling. Zie Marcia (lex) de Liguribus deditis.--3)
+C. Popillius Laenas, broeder van no. 2, consul in 172, werd in 168
+als gezant tot den syrischen koning Antiochus IV Epiphanes gezonden,
+die bezig was Aegypte te veroveren. Hij gelastte den koning namens den
+romeinschen senaat, Aegypte onverwijld te verlaten. Toen Antiochus een
+tijd van beraad vroeg, trok Popillius met zijn staf, dien hij in de
+hand had, om den koning een kring en verbood hem op ruwen toon dezen
+te verlaten, alvorens antwoord te hebben gegeven. Hierdoor ontsteld,
+gaf de koning toe.--4) M. Popillius Laenas, consul in 139, streed in
+het volgende jaar ongelukkig tegen de Numantijnen.--5) P. Popillius
+Laenas, consul in 132, vervolgde de aanhangers van Tib. Gracchus
+met groote gestrengheid. C. Gracchus bewerkte uit weerwraak in
+123 zijne verbanning, waaruit hij door de lex Calpurnia van 121
+teruggeroepen werd. Hij heeft als consul de via Popilia aangelegd,
+die Aquileia met Ariminum verbond.--6) C. Popillius Laenas, zoon van
+no. 5, was in 107 legaat van den consul L. Cassius Longinus (Cassii
+no. 3), die in den slag tegen de Tiguriners (een deel der Helvetiërs)
+sneuvelde. Popillius kocht voor het overschot van het leger vrijen
+aftocht en gaf gijzelaars. Hiervoor werd hij bij zijne terugkomst te
+Rome door den volkstribuun C. Caelius aangeklaagd. Hij begaf zich
+vrijwillig in ballingschap.--7) Popillia, moeder van Q. Lutatius
+Catulus, was de eerste rom. vrouw, op wie bij hare begrafenis
+eene lijkrede werd uitgesproken.--8) P. Popillius. zoon van een
+vrijgelatene, werd in 70 wegens ambitus veroordeeld.--9) C. Popillius
+Laenas, ook de zoon van een vrijgelatene, voerde als krijgstribuun
+de soldaten aan, die Cicero op zijne vlucht najoegen en vermoordden.
+
+Popina, zie caupona.
+
+Poplicola, familienaam in de gens Valeria (Valerii no. 1, 5, 6, 10-12)
+en de gens Gellia (Gellii no. 3 en 4).
+
+Poppaei. 1), C. Poppaeus Sabinus, consul in 9 na C., werd in 12
+stadhouder van Moesia en kreeg later onder Tiberius nog Achaia en
+Macedonia als provinciën er bij, die hij tot aan zijn dood (35)
+bleef besturen. Wegens zijne overwinning op de Thraciërs werden hem
+in 26 de insignia triumphalia. toegekend.--2) Q. Poppaeus Secundus,
+broeder van no. 1, ook consul in 9 na C., hoewel niet te gelijk met
+zijn broeder, was een van de makers der lex Iulia et Papia Poppaea.--3)
+Poppaea Sabina, dochter van no. 1, om hare schoonheid beroemd, door den
+haat der keizerin Messalina tot zelfmoord gedreven (47).--4) Poppaea
+Sabina, dochter van no. 3 en van T. Ollius (z. a.), eene vrouw van
+buitengewone schoonheid, in tweede huwelijk de vrouw van M. Salvius
+Otho, die haar in ruil voor het stadhouderschap van Lusitania aan
+Nero afstond. Haar ter wille verstiet Nero zijne gemalin Octavia,
+doch drie jaar later gaf hij Poppaea in hare zwangerschap een trap,
+waaraan zij bezweek (65). Zij beschermde de Joden.
+
+Populonia, -ium, Popylonion, oude stad van Etruria, die reeds in
+de 6de eeuw munten sloeg, doch niet eene van de 12 bondssteden,
+aan zee gelegen. De stad was belangrijk door haar ijzerhandel (zie
+Aethalia). Zij werd door Sulla verwoest en niet herbouwd, haar haven
+echter werd door de Rom. opnieuw ingericht en verbeterd. Ten N. van
+de stad lag de badplaats Aquae Populoniae.
+
+Porciae (leges) de provocatione, drie in getal, van drie verschillende
+Porcii, zonder dat men aangegeven vindt van welke Porcii zij afkomstig
+zijn. Zij vallen tusschen den tweeden punischen oorlog en den tijd
+der Gracchen. Eéne is waarschijnlijk van P. Porcius Laeca, tribunus
+plebis in 199, of van M. Porcius Laeca, praetor in 195. Al deze
+drie wetten bedreigden de overheid, die een rom. burger in strijd
+met de provocatio had laten kerkeren, geeselen of ter dood brengen,
+met zware straffen. Bovendien strekten zij de provocatio uit over de
+burgers in het geheele rijk.
+
+Porcii, plebejisch geslacht. De familiën der Licini en der Laecae
+hebben geene geschiedkundig belangrijke personen opgeleverd, wel
+daarentegen die der Catones. 1) M. Porcius Cato, bijgenaamd maior of
+censorius, was in 234 te Tusculum geboren. Op zeventienjarigen leeftijd
+nam hij deel aan den oorlog tegen Hannibal, in 209 deed hij als miles
+dienst in het leger van Fabius Maximus (Fabii no. 16), die Tarentum
+heroverde. Zijne quaestuur valt in 205 en wel op Sicilia en in Africa,
+waarheen hij P. Scipio begeleidde. Over Sardinia terugkeerend bracht
+hij van daar Q. Ennius mede naar Rome. Als praetor in 198 bestuurde hij
+Sardinia. In 195 was hij consul. Als proconsul bedwong hij een opstand
+in Hispania, nam daarna deel aan den syrischen oorlog (o. a. droeg
+hij als krijgstribuun zeer bij tot de overwinning bij de Thermopylae
+191), en werd in 184 censor. Hij stierf in 149, gezond van geest en
+lichaam. Cato was een ouderwetsch Romein, sterk gekant tegen alles
+wat niet nationaal was en dus ook tegen grieksche letteren en kunst,
+in welk opzicht hij lijnrecht tegenover de Scipio's stond. Ook als
+democraat en verdediger van de rechten van den kleinen boeren- en
+burgerstand bestreed hij met groote heftigheid de Scipio's en hun
+aanhang. Met groote gestrengheid ging hij als censor tegen alles
+te keer, wat in zijne oogen naar weelde zweemde of de eenvoudigheid
+van zeden kon ondermijnen. Hij was een man van strenge tucht en van
+stipte rechtvaardigheid, behalve waar het Carthago gold, getuige
+zijn onophoudelijk: censeo Carthaginem esse delendam. Geen tegenstand
+ontmoedigde hem; tot zijn dood toe bleef hij de kampioen voor het oude,
+hoewel hij op zijn ouden dag toch nog grieksch ging leeren. Hij is de
+eerste romeinsche prozaschrijver geweest. Van zijne talrijke werken en
+redevoeringen is, behalve fragmenten, slechts één werk overgebleven:
+de agri cultura of de re rustica. Hij heeft ook een geschiedkundig
+werk geschreven onder den titel van Origines, dat van Rome's stichting
+tot op Cato's tijd moet geloopen hebben. De disticha Catonis zijn
+niet van hem, maar uit de 3de eeuw n. C. Als censor bouwde hij de
+basilica Porcia.--2) M. Porcius Cato, zoon van no. 1, een bekwaam
+rechtsgeleerde en een veelbelovend jong man, stierf vóór zijn vader
+in 152.--3) M. Porcius Cato Licinianus, zoon van no. 2, was consul in
+118.--4) C. Porcius Cato, zoon van no. 3, werd als consul in 114 door
+de Scordisci verslagen, werd later beschuldigd zich door Jugurtha te
+hebben laten omkoopen, en ging in ballingschap.--5) L. Porcius Cato,
+sneuvelde als consul in 89 in den bondgenootenoorlog.--6) M. Porcius
+Cato, vader van Cato Uticensis (no. 8), stierf terwijl hij candidaat
+was voor de praetuur.--7) C. Porcius Cato, een vrij woelziek persoon,
+behoorde onder de vrienden van P. Clodius en was eerst een tegenstander
+van Pompeius, doch verzoende zich met dezen.--8) M. Porcius Cato,
+bijgenaamd Uticensis, zoon van no. 6, was een der edelste karakters
+uit de laatste halve eeuw der republiek. Hij werd geboren in 95, was
+in 65 quaestor urbanus, en beheerde toen de finantiën van den staat
+op voortreffelijke wijze; hij werd voor het jaar 62 tot volkstribuun
+gekozen, en werkte in het laatst van 63 mede, om de vier aanhangers
+van Catilina ter dood te doen veroordeelen. Als voorvechter der
+aristocratie kantte hij zich met kracht tegen het streven van Caesar,
+Pompeius en Crassus, doch bracht door zijn tegenstand juist een nauwere
+aansluiting tusschen de drie te weeg. In 58 werd hij tijdelijk uit Rome
+verwijderd, zie Clodiae leges no. 7. Hij kweet zich voortreffelijk
+van de hem opgedragen taak. In den burgeroorlog koos Cato de partij
+van Pompeius, die hem echter om zijne republikeinsche gezindheid met
+koelheid bejegende en zijne raadgevingen in den wind sloeg, zoodat
+Cato zich naar Rhodus begaf. Na Pompeius' nederlaag en dood en na
+den slag bij Thapsus sloot Cato zich binnen Utica op, met het plan
+zich tegen Caesar te verdedigen. De aanwezige Rom. deelden echter
+zijn moed niet. Cato liet nu allen die weg wilden, aan boord zijner
+vloot gaan en toen deze uitgezeild was, stiet hij zich, na eerst in
+Plato's Phaedo gelezen te hebben, het zwaard in de borst. De wond was
+niet terstond doodelijk; hij rukte echter het aangelegde verband af
+en liet zich doodbloeden, daar hij den ondergang der republiek niet
+overleven wilde (April 46).--9) M. Porcius Cato, zoon van no. 8, was
+bij zijns vaders dood aanwezig. Hij verzoende zich met Caesar, ging
+na diens dood tot Brutus over en sneuvelde bij Philippi.--10) Porcia,
+zuster van no. 9, de waardige dochter van een heldhaftigen en edelen
+vader, was eerst met M. Calpurnius Bibulus (Calpurnii no. 17) en na
+diens dood met M. Brutus (Junii no. 9) gehuwd.--11) M. Porcius Latro,
+beroemd rhetor onder Augustus, uit Hispania afkomstig, leermeester
+van Ovidius en vriend van Seneca (den vader).--12) M. Porcius Laeca,
+deelgenoot aan de samenzwering van Catilina. In zijn huis had de
+samenkomst plaats, waar besloten werd, den daarop volgenden morgen
+Cicero te vermoorden.--13) Porcius Festus, z. Festus no. 1.
+
+Poristai, beambten bij het financiewezen te Athene, van wier
+werkkring en bevoegdheid niets naders vermeld wordt, dan dat zij voor
+de inkomsten van den staat te zorgen hadden. Misschien dienden zij
+alleen in buitengewone gevallen tot bijstand van den tamias.
+
+Porphyreon, Porphyreon, stad in Phoenice, ten N. van Sidon.
+
+Porphyrio (Pomponius), uitlegger van Horatius uit de 3de eeuw na
+C. Zijn commentaar op Horatius is nog grootendeels bewaard gebleven.
+
+Porphyrio, Porphyrion, een gigant, een van de aanvoerders bij de
+Gigantomachia, werd door Heracles verslagen.
+
+Porphyrius, Porphyrios, van Batanea in Syrië, geb. 233 na C., ontving
+zijne eerste opleiding te Tyrus, en kwam later naar Athene, waar
+hij de leerling werd van Longinus, die zijn oorspronkelijken naam
+Malchus in P. vertaalde. 30 jaar oud ging hij naar Rome, waar hij 6
+jaar lang met den grootsten ijver de lessen van Plotinus volgde. Tot
+herstel zijner gezondheid bracht hij vervolgens 5 jaar op Sicilië
+door, daarna keerde hij naar Rome terug en na den dood van Plotinus
+trad hij als leeraar der wijsbegeerte op. Hij stelt zich voornamelijk
+ten doel de leer van Plotinus te verdedigen en te verklaren, en te
+bewijzen dat deze in den grond der zaak hetzelfde geleerd heeft als
+Plato en Aristoteles. Zijn voornaamste leerling was Iamblichus. Op
+vrij hoogen leeftijd trouwde hij met Marcella, een arme weduwe met
+zeven kinderen; hij stierf in 304. Zijne veelomvattende geleerdheid,
+de duidelijkheid en nauwkeurigheid van zijne werken, en vooral zijne
+eerlijkheid werd algemeen, ook door zijne tegenstanders, erkend;
+ook hebben zijne werken tot laat in de middeleeuwen grooten invloed
+op de studie der wijsbegeerte gehad. De meeste er van, o.a. een in 15
+boeken kata Christianon, zijn verloren gegaan; van die, welke bewaard
+gebleven zijn, zijn de voornaamste het leven van Plotinus en dat van
+Pythagoras en zijne verklaringen van Homerus.
+
+Porrima, z. Carmenta.
+
+Porsenna of Porsena, Porsenas, koning of lars der etrurische stad
+Clusium, belegerde op verzoek van den verdreven Tarquinius Superbus de
+stad Rome. Hoewel hij Tarq. niet op den troon terugbracht, moesten
+de Rom. toch door afstand van grond den vrede verkrijgen. Het
+volksverhaal echter vermeldt, dat P., door den moed van Horatius
+Cocles en van Mucius met bewondering en ontzag vervuld, onverrichter
+zake aftrok. Dit is de gewone voorstelling. Volgens oudere berichten
+heeft P. de stad ingenomen, en is ze een tijdlang aan hem onderworpen
+geweest; de Romeinen mochten geen ander ijzer gebruiken dan wat ze
+voor den landbouw noodig hadden.
+
+Portentum, zie auguria.
+
+Porthaon, -theus, Porthaon, -theus = Parthaon.
+
+Porthmus, Porthmos, haven in het gebied van Eretria op Euboea, aan
+de Z.-kust, ten O. van die stad.
+
+Portuensis (via), van Rome naar Portus Augusti.
+
+Portunus, Portumnus, oorspronkelijk een god van de deuren en poorten,
+evenals Janus, later havengod bij de Rom., had te Rome een tempel
+bij de haven van den Tiber, waar jaarlijks den 17den Augustus de
+Portumnalia gevierd werden. Hij werd afgebeeld met een sleutel in de
+hand. Later werd hij geheel geïdentificeerd met Palaemon.
+
+Portus Augusti, de nieuwe haven aan den mond van den Tiber, door
+keizer Claudius ten N. van Ostia aangelegd.
+
+Portus Herculis, zie Cosa.
+
+Porus, Poros, vorst van een indisch rijk tusschen den Hydaspes en
+den Acesines, trachtte Alexander den overtocht van den Hydaspes te
+beletten, maar werd met zijn groot leger verslagen (326). Getroffen
+door zijn edel karakter, liet Alexander hem de regeering behouden en
+vergrootte hij zijn gebied nog door toevoeging van een naburig rijk,
+waarover een anderen P. regeerde. Hij werd later (318) door Eudemus,
+den bevelhebber der grieksche troepen in Indië, verraderlijk gedood.
+
+Porus, Poros of Porinos lithos, tufsteen, waarvan de tempel van Delphi,
+behalve de voorgevel, en ook die van Zeus te Olympia gebouwd was. De
+voorgevel van den Delphischen tempel was van marmer, Parios lithos,
+z. Delphi en Alcmaeonidae.
+
+Poseidon, Poseidon, -daon, Neptunus, zoon van Cronus en Rhea, kreeg
+bij de verdeeling der heerschappij over het heelal de regeering over de
+zee, op welker bodem hij met Amphitrite en hunne kinderen zijn gouden
+paleis bewoont. Hij omvat en steunt de geheele aarde (Gaieochos),
+heerscht over alle godheden en veroorzaakt alle verschijnselen der zee,
+met zijn drietand doet hij naar verkiezing stormen opsteken en bedaren,
+rotsen splijten, de aarde schudden (Ennosigaios, Enosichthon), eilanden
+uit zee oprijzen; als hij op zijn wagen, bespannen met paarden met
+koperen hoeven, over de zee rijdt, dan leggen de golven zich neder en
+vormen voor hem een effen vlakte, terwijl zeemonsters opduiken en om
+hem heen dartelen. Voor allen, die met de zee in betrekking staan,
+is hij een beschermend god, daarentegen vervolgt hij met alle macht
+hen, die zijn toorn opgewekt hebben. Zoo moet bijv. Odysseus jaren
+lang op zee rondzwerven, omdat hij P.'s zoon Polyphemus blind gemaakt
+heeft, zoo was hij een onverzoenlijk vijand van de Trojanen, wegens de
+trouweloosheid van Laomedon (z. a.); zelfs tegen Zeus durft hij zich
+soms verzetten en eens spande hij zelfs met Hera en Athena samen om hem
+te boeien (z. Aegaeon).--De dienst van P. was over geheel Griekenland
+verbreid en van vele steden beweerde men dat zij door een van zijne
+talrijke zonen gesticht waren, het meest werd hij echter natuurlijk
+vereerd in kuststreken en op eilanden, in de Peloponnesus vooral op
+de landengte van Corinthe, waar te zijner eer de isthmische spelen
+gevierd werden, en op de Noordkust, verder in de ionische steden van
+Klein-Azië (z. Panionia), enz. Toch was zijne vereering vroeger nog
+meer algemeen geweest, toen hij als god van het water in het algemeen,
+dus ook van bronnen, rivieren, enz., ook in het binnenland als
+bevruchtend en voedselgevend god beschouwd werd. Vandaar verscheiden
+verhalen van zijne twisten met andere goden over het bezit van een
+of ander land, bijv. met Athena (z. a.) over Attica en Troezen, niet
+Hera over Argolis (z. Inachus). Onder de dieren zijn hem de dolfijn
+en de stier, maar vooral het paard, gewijd. In vele verhalen wordt
+hij met paarden in betrekking gebracht (z. Balius en Oenomaüs), hij
+zou het paard geschapen en den menschen geleerd hebben zich er van te
+bedienen (Hippios), hij wordt de vader genoemd van de paarden Arion
+en Pegasus. Daarom schept hij ook behagen in wedrennen met paarden en
+wagens, zooals op verscheiden plaatsen, vooral te Onchestus en op de
+landengte van Corinthe, te zijner eere gehouden werden. Men offerde hem
+stieren, liefst zwarte, evers, rammen, soms ook paarden. De denneboom,
+die hout voor den scheepsbouw levert, was hem heilig. Zijne beelden
+gelijken veel op die van Zeus, hoewel zijne trekken scherper en zijne
+haren gewoonlijk verward zijn; hij is kenbaar aan zijn drietand of aan
+den dolfijn, die hem vergezelt, ook is hij dikwijls in het gezelschap
+van Amphitrite e. a. zeegodheden. Dichters noemen hem donker van haar
+(Kyanochaites).
+
+Posideon, Poseideon, 6de maand van het Attische jaar (Dec.-Jan.),
+z. Annus.
+
+Posideum, Poseideion, -deion, 1) stad op de grens van Cilicia en Syria,
+tegenover Cyprus.--2) stad in Cassiotis (Syria).
+
+Posidippus, Poseidippos, 1) van Cassandrea, een van de beste dichters
+der nieuwe attische comedie. Hij schreef ongeveer 40 stukken,
+waarvan een, Didymoi genaamd, waarschijnlijk door Plautus in zijn
+Menaechmi is nagevolgd. Hij trad voor het eerst op omstreeks 287.--2)
+grieksch epigrammendichter, ongeveer gelijktijdig met den vorigen,
+waarschijnlijk van Sicilië.
+
+Posidium = Posidonium.
+
+Posidonia, Poseidonia, oude naam van Paestum.
+
+Posidonium, Poseidonion, Z.W. kaap van het chalcidische schiereiland
+Pallene.
+
+Posidonius, Poseidonios, 1) van Olbiopolis, geschiedschrijver uit
+de eerste helft van de 2de eeuw.--2) van Apamea, gewoonlijk naar
+zijn verblijf op Rhodus de Rhodiër genoemd, geb. omstreeks 135, was
+een leerling van Panaetius. Na diens dood reisde hij naar Italië,
+Hispanië, enz., en trad daarna als hoofd der stoicijnsche school
+op Rhodus op. Hij wordt de geleerdste onder de stoicijnen genoemd
+en trachtte de leer van Plato en Aristoteles met de stoicijnsche te
+vereenigen. Cicero en Pompeius woonden zijne voordrachten bij. Ook aan
+de staatszaken nam hij deel en in 86 kwam hij als gezant naar Rome. Van
+zijne talrijke werken over geschiedenis en natuurwetenschappen,
+waaronder een vervolg op Polybius in 52 boeken was, zijn slechts
+fragmenten bewaard. Hij heeft een ontzaglijken invloed gehad op de
+denkrichting van zijn tijd en van latere geslachten.
+
+Possessio, het feitelijk bezit eener zaak, in tegenstelling van
+dominium of eigendom volgens streng rom. recht. Zie bonorum possessio.
+
+Postliminium, zie ius postliminii.
+
+Postumia (via), in Gallia Cisalpina, van Genua over Cremona en
+Mantua naar Aquileia. Deze weg is in het jaar 148 door den consul
+Sp. Postumius aangelegd.
+
+Postumii, patricisch geslacht, misschien van etruscischen
+oorsprong. 1) P. Postumius Tubertus, consul in 505 en 503,
+bracht den Sabijnen zware nederlagen toe, hoewel hij eenmaal zelf
+verslagen werd.--2) A. Postumius Albus Regillensis, consul in 496,
+legde zijn consulaat neder om tot dictator benoemd te kunnen worden
+(v. a. was hij dictator in 498) en behaalde toen op de Latijnen de
+schitterende overwinning bij het meer Regillus. Zijn zoon Sp. was
+een der drie mannen, die in 454 naar Griekenland gezonden werden
+om aldaar de wetten te bestudeeren.--3) A. Post. Albus Reg., zoon
+van no. 2, consul in 464, overwon de Aequers.--4) A. Postumius
+Tubertus, dictator in 431, bracht aan de Aequers en Volscers eene
+schrikkelijke nederlaag toe bij den berg Algidus. Het verhaal, dat
+T. Manlius Capitolinus Imperiosus (zie Manlii no. 10) zijn zoon zou
+hebben ter dood gebracht wegens ongehoorzaamheid, wordt door oudere
+schrijvers op naam van dezen Postumius gesteld.--5) M. Post. Albus
+Regill. werd als consulairtribuun in 426 door de Vejenten verslagen en
+hiervoor met een geldboete gestraft.--6) P. Post. Albinus Regill.,
+consulairtribuun in 414, werd door zijn troepen gesteenigd.--7)
+Sp. Postumius Albinus, consul in 334 en 321 met T. Veturius Calvinus,
+zie Veturii no. 6.--8) L. Postumius Megellus, consul in 305, 294 en
+291, versloeg bij herhaling Samnieten en Etruscers en hield tweemaal
+een triumftocht tegen den wil van den senaat onder de bescherming van
+eenige volkstribunen.--9) L. Post. Megellus, zoon van no. 8, consul in
+262, veroverde de stad Agrigentum op Sicilia.--10) L. Post. Albinus,
+consul in 234 en 229, overwon de Liguriërs en de Illyriërs, doch
+sneuvelde in 216 toen hij consul designatus was, in de Litana Silva
+tegen de Bojers.--11) Sp. Post. Albinus, zoon van no. 10, consul in
+186, werd door den senaat belast met een onderzoek naar de Bacchanalia
+(z. a.). Zie ook Marcii no. 14.--12) A. Post. Albinus, consul in 180,
+voerde in 174 met strengheid de censuur, terwijl Sp. Post. Albinus
+Paullulus (misschien zijn broeder) consul was. Een L. Post. Albinus
+(wellicht een derde broeder) was in 173 consul en gaf den eersten stoot
+aan de oprichting van tabernae voor rom. ambtenaren op reis.--13)
+A. Post. Albinus, een der 10 gezanten, die in 146 de provincie
+Achaia moesten organiseeren, schreef eene geschiedenis van Rome in
+het Grieksch.--14) Sp. Post. Albinus, consul in 110, voerde in den
+oorlog tegen Jugurtha niets uit. Zijn broeder A. Post. Albinus,
+die als legaat onder hem diende, nam het legerbevel op zich, toen
+Sp. naar Rome vertrok om de comitia te houden, doch werd door Jugurtha
+verslagen, waarna het rom. leger onder het juk moest doorgaan.--15)
+Behalve deze Romeinsche Postumii, wordt er ook nog melding gemaakt van
+een Etruscisch zeeroover, Postumius genaamd, die in het jaar 342 (339)
+met twaalf kaperschepen als vriend de haven van Syracusae binnenliep,
+maar door Timoleon terechtgesteld werd.
+
+Postumus (M. Cassianius Latinius), één van de zoogenaamde dertig
+tyrannen (zie triginta tyranni II). Toen keizer Gallienus uit
+Gallië tegen Ingenuus (z. a.) optrok, vielen de Franken in Gallië
+en Spanje, en plunderden o.a. Tarraco, maar werden daarop door
+Postumus verslagen, die vervolgens (winter van 258/59 n. C.) zich
+tot keizer liet uitroepen, en den jongen Valerianus, den zoon van
+Gallienus, te Keulen liet vermoorden. Vijf jaar lang (259-264) heeft
+hij Gallië tegen de Franken verdedigd, maar het rechtsrijnsche gebied
+is waarschijnlijk in dien tijd aan de Alamannen verloren gegaan. Toen
+Postumus door de generaals van Gallienus in het nauw werd gebracht,
+nam hij tot mede-keizer Victorinus aan (waarschijnlijk begin van
+268). Hij heerschte als keizer, evenals zijne opvolgers Victorinus
+(268-269) en Tetricus (270-273), over Gallië, Britannië en Spanje,
+en wilde een afzonderlijk westersch rijk stichten. Zijne regeering
+was voor Gallië een tijdperk van vrede en bloei. Postumus werd,
+nadat hij een anderen pretendent, Lollianus, had overwonnen, door
+zijn soldaten te Mainz vermoord (268/9).
+
+Postvorta, z. Carmenta.
+
+Potamides, Potamides, rivier- en stroomnimfen.
+
+Potentia, 1) stad in Picenum, sedert 184 rom. kolonie.--2) stad in
+het Noorden van Lucania, aan de grens van Apulia.
+
+Potidaea, Potidaia, Poteidaia, corinthische volkplanting op de
+landengte, die Pallene met Chalcidice verbindt, sterke vesting. In den
+perzischen oorlog sloeg P. de aanvallen der Perzen af en trad tot het
+atheensch verbond toe. In den peloponnesischen oorlog viel het af,
+doch moest zich weder aan de Atheners overgeven, die tot straf de
+inwoners dwongen de stad te verlaten (430/29) en van Potidaea eene
+cleruchie maakten. In 356 werd Pot. door Philippus van Macedonia
+veroverd en verwoest, doch om de gunstige ligging liet Cassander het
+onder den naam Cassandrea herbouwen.
+
+Potidania, Potidania, vesting in Aetolia op de locrische grenzen.
+
+Potitii, zie Pinarii.
+
+Potniades, Potniades, bijnaam van de Eumeniden en de Bacchanten;
+ook de paarden van Glaucus no. 2 worden zoo genoemd.
+
+Potniae, Potniai, eerwaardigen, bijnaam van Demeter, Persephone en
+de Erinyes.
+
+Potniae, Potniai, stadje in Boeotia aan den weg van Thebae naar
+Plataeae, aan den Asopus. Men vertelde, dat het gras van de weiden
+in den omtrek de paarden razend maakte. Z. Glaucus no. 2.
+
+Practius, Praktios, riviertje in Troas, dat langs Percote in den
+Hellespont uitstroomt.
+
+Praecones bij de Rom. moeten niet op ééne lijn gesteld worden met de
+kerykes bij de Grieken. Een praeco was niets meer dan een openbaar
+omroeper, die ook gebruikt werd om iets af te kondigen of in de
+volksvergadering met luider stem voor te lezen. Zij riepen de comitia
+en soms ook den senaat te zamen. Zie apparitores.
+
+Praefecti zijn in het algemeen allen, die ergens over gesteld zijn; zoo
+heet b.v. de scheepskapitein praefectus navis, de admiraal praefectus
+classis, het hoofd der roeiers, pr. remigum enz. Eenige praefecti
+echter zijn er, die hieronder eene afzonderlijke vermelding behoeven.
+
+Praefecti aerario, twee ambtenaren, die door sommige keizers, als
+Augustus, Tiberius, Caligula, Nero, met het administratief beheer
+van het aerarium belast waren, in plaats der quaestores urbani,
+totdat het aerarium met de keizerlijke schatkist (fiscus) samensmolt.
+
+Praefecti Capuam Cumas, ook IV viri in Campaniam of IV viri iuri
+dicundo geheeten, werden sedert 318 naar de campaansche steden Capua,
+Cumae, Casilinum, Volturnum, Liternum, Puteoli, Acerrae, Suessula,
+Atella en Calatia gezonden om recht te spreken. Ook voor andere deelen
+van het romeinsch gebied werden door den praetor, niet door het volk,
+praefecti iuri dicundo benoemd, die in zijn naam recht spraken. Zie
+Praefectura.
+
+Praefecti iuri dicundo, zie Praefectura.
+
+Praefecti sociorum. Evenals over een rom. legioen zes tribuni militum
+stonden, stonden over elk legioen italische socii, ala geheeten,
+zes praefecten, die door de rom. legeraanvoerders werden aangesteld.
+
+Praefectura. Het geheele Romeinsche burgergebied, met uitzondering van
+de coloniae Romanae, wier overheden zelf mochten rechtspreken, en van
+Latium, was in districten (praefecturae) verdeeld, en de rechtspraak
+was daar opgedragen aan een voor elke praefectura jaarlijks door
+den praetor urbanus te benoemen praefectus iuri dicundo. Alleen de
+praefecti voor N.W. Campania, de Praefecti Capuam Cumas (z. a.) werden
+in de comitia tributa gekozen.--Onder Constantijn den Gr. kregen de
+4 groote deelen, waarin het rom. keizerrijk gesplitst werd, ook den
+naam praefecturae.
+
+Praefectus Augustalis of praef. Aegypti, de keizerlijke stadhouder
+van Aegypte.
+
+Praefectus praetorio, bevelhebber der door Augustus ingestelde cohortes
+praetorianae of keizerlijke garde. Onder Augustus waren er twee,
+later afwisselend één, twee of eene enkele maal drie.
+
+Praefectus Urbi(s). Toen de consuls nog de eenige hooge overheden te
+Rome waren, stelden zij, wanneer beiden de stad moesten verlaten,
+onder den titel praef. Urbis of Urbi een stadhouder aan. Met de
+instelling der praetuur in 366 werd deze maatregel overbodig, daar de
+praetor urbanus nu in zoodanig geval als plaatsvervanger der consuls
+optrad. Eénmaal 's jaars echter, tijdens de feriae Latinae, die op den
+albaanschen berg gevierd en door alle overheden bijgewoond werden, werd
+in de alsdan bijna verlaten stad een jongeling van aanzienlijken huize
+met het politietoezicht belast onder den titel praef. Urbi feriarum
+Latinarum causa.--Augustus stelde onder den naam van praef. Urbi een
+vasten gouverneur van Rome aan, wiens politietoezicht en rechtsmacht
+zich later tot op 100 mijlen buiten Rome uitstrekte.
+
+Praefectus vigilum, kommandant der nacht- en brandwacht te Rome.
+
+Praeficae, gehuurde vrouwen, die bij de begrafenissen van aanzienlijke
+lieden jammerden en klaagzangen aanhieven.
+
+Praeneste, Prainestos, thans Palestrina, oude stad van Latium, op
+eene rots gelegen en door zijne hooge ligging koel en een aangenaam
+zomerverblijf (frigidum Praeneste). Er was een beroemde Fortuna-tempel
+met een orakel. De weg, die van Pr. over Gabii naar Rome liep,
+heette via Praenestina. Praeneste was na 338 een civitas foederata,
+en bekleedde onder het nomen Latinum een bevoorrechte plaats. In
+216 weigerde de stad het romeinsche burgerrecht, dat de senaat haar
+aanbod wegens de dappere verdediging van Casilinum. In 82 werd de
+stad door Sulla belegerd, en door den jongen Marius verdedigd. Kort
+na den slag bij de Porta Collina (1 Nov. 82) gaf het zich over,
+en werd toen uitgeplunderd en zwaar gestraft. Later bracht Sulla er
+eene kolonie heen.
+
+Praerogativa, een woord, dat bij de comitia centuriata te huis
+behoort. In het eerst stemden de 18 riddercenturiën het eerst en
+werden hierom praerogativae genoemd; na de hervorming dezer comitia
+werd door het lot eene centurie der eerste klasse aangewezen om voor
+te stemmen, die dan centuria praerogativa was. Z. ook principium.
+
+Praes, zie vas.
+
+Praesenteius (P.), onderbevelhebber van Q. Pompaedius Silo in den
+marsischen oorlog.
+
+Praesus, Praisos, Prasos, stad in oostelijk Creta, in het gebied der
+Eteocretes, in 140 door de Grieken van het eiland vernietigd.
+
+Praetexta, toga met purperen rand omweven, zooals te Rome de curulische
+overheden en kinderen droegen.
+
+Praetexta, n.l. fabula, eene tragoedia, die op rom. bodem speelt
+en waarin de spelers, die de hoofdrollen vervullen en beroemde of
+hooggeplaatste Rom. voorstellen, de toga praetexta dragen. In het
+algemeen zag men te Rome niet gaarne Rom. ten tooneele gevoerd.
+
+Praetor, hegemon, strategos. In 367, toen de lex Licinia Sextia den
+toegang tot het consulaat voor de plebejers had opengesteld, werd voor
+de civiele rechtspraak het praetorsambt in het leven geroepen. In 337
+werd ook de praetuur voor plebejers opengesteld; de eerste plebejische
+praetor was Q. Publilius Philo. In 241 werd het getal praetoren op
+twee gebracht; de een, die nu praetor urbanus genoemd werd, was belast
+met de rechtspraak tusschen rom. burgers, de andere, praetor inter
+peregrinos, met die tusschen burgers en peregrini. Over den aard dezer
+rechtspraak zie iudex. Praetor iudicem dat, ius dicit, rem iudicatam
+addicit. De pr. urb. trad tevens bij afwezigheid van beide consuls
+als hun plaatsvervanger op. Hij is de collega minor der consuls, en
+wordt evenals deze in de comitia centuriata gekozen onder voorzitting
+van een consul of dictator; hij heeft het ius cum patribus agendi en
+het ius agendi cum populo. Na den eersten punischen oorlog kwamen er
+(in 227) 2 praetoren bij als stadhouders van Sicilia en Sardinia en
+na de verovering van Hispania (in 197) nog 2. Welk praetorschap aan
+ieder ten deel zou vallen, werd door het lot beslist. Door Sulla
+en Caesar werd het aantal praetoren achtereenvolgens tot 8, 10,
+14 en 16 vermeerderd. Sedert de invoering der quaestiones perpetuae
+(zie iudicium publicum en iudex) in 149 werd het gewoonte, dat de
+praetoren gedurende hun ambtsjaar te Rome bleven en eerst daarna
+een stadhouderschap kregen (zie provincia). Krachtens hun imperium
+konden de praetoren ook een leger aanvoeren. Hunne insignia waren de
+sella curulis, de toga praetexta en 2 lictoren binnen Rome (zie lex
+Plaetoria), daarbuiten 6. Wanneer een praetor op het forum zijn ambt
+uitoefende stond zijn zetel op eene verhevenheid, tribunal. Praetor
+is ook de oudste en algemeene naam voor stadhouder, zie propraetor.
+
+Praetoriani, zie cohortes praetoriae.
+
+Praetorium, de ruimte in de legerplaats, 200 voet lang en 200
+voet breed, waar de tent van den veldheer was opgeslagen, ook de
+veldheerstent zelf.
+
+Praetorium Agrippinae, rom. vesting in het land der Bataven, gesticht
+ten tijde van keizer Claudius, tgw. Arentsburg bij Voorburg. Hier was
+tevens een station van de romeinsche Rijnvloot. De Fossa Corbulonis,
+gegraven in 47 n. C. (de tegenwoordige Vliet) loopt hierlangs.
+
+Praetutii of Praetutiani, een stam in het Z. van Picenum.
+
+Praevaricatio (van varus, krom) is het heulen van een aanklager met den
+beschuldigde. Daar bij de Rom. in rechten het non bis in idem gold,
+zocht een schuldige, die eene ernstige aanklacht vreesde, wel eens
+een zijner vrienden te bewegen hem aan te klagen, natuurlijk met het
+doel om door scheeve of verdraaide behandeling der zaak de aanklacht
+te verliezen en den schuldige te hooren vrijspreken. Het bewijs van
+praevaricatio was moeielijk te leveren; werd zij echter bewezen,
+dan was eerloosheid er het gevolg van en kon de aanklacht door een
+ander worden opgevat.
+
+Praktores, beambten bij het financiewezen te Athene, die boeten
+e. dgl., voor zoover zij ten bate van den staat kwamen, moesten innen.
+
+Prandium, ontbijt, doch niet zooals wij in den ochtend gebruiken,
+dat ientaculum heet en niet algemeen in zwang was, maar een soort
+van lunch omstreeks den middag (12 uur).
+
+Prasiae, Prasiai, 1) stad op de Oostkust van Laconica.--2) demus aan
+de Z.O. kust van Attica.
+
+Prasias lacus, Prasias limne, meer in Thracië, door den
+Strymon. gevormd, even ten N. van Amphipolis.
+
+Prasii, Prasioi, machtig indisch volk aan den Ganges, met de hoofdstad
+Palibothra. Omstreeks 300 bracht hun koning Sandracottus een leger
+van ± 500000 man met 3000 olifanten op de been.
+
+Pratinas, Pratinas, van Phlius, een van de oudste treurspeldichters te
+Athene, tijdgenoot van Aeschylus. Hij wordt de eerste dichter genoemd,
+die te Athene een satyrdrama liet opvoeren.
+
+Praxagoras, Praxagoras, Athener, schrijver eener geschiedenis van
+Constantijn den Groote, van Alexander en van de koningen van Attica,
+die bijna geheel verloren zijn. Hij leefde in de 4de eeuw n. C.
+
+Praxilla, Praxilla, van Sicyon, lyrische dichteres omstreeks het
+midden der 5de eeuw.
+
+Praxiphanes, Praxiphanes, van Mytilene of van Rhodus, leerling van
+Theophrastus, later zelf leeraar der peripatetische wijsbegeerte,
+hield zich voornamelijk met grammatische studiën bezig.--Een ander
+van denzelfden naam wordt onder de leermeesters van Epicurus genoemd.
+
+Praxiteles, Praxiteles, Athener, een van de grootste beeldhouwers,
+wiens beelden uitmuntten door schoonheid van vormen en bevalligheid
+van stand (± 350). Een van zijne meesterstukken was de Aphrodite,
+die hij voor de Cnidiërs maakte. Een Hermeskop van Pr. is op blz. 311
+afgebeeld.
+
+Prelius lacus, moeras op de etruscische kust, ten Z.W. van Rusellae.
+
+Prexaspes, Prexaspes, een gunsteling van Cambyses, op wiens bevel
+hij Smerdis doodde. Na den dood van Cambyses (522) maakte hij, om
+den valschen Smerdis te ontmaskeren, zijne daad aan het volk bekend,
+terwijl hij op een toren stond, daarop wierp hij zich naar beneden.
+
+Priamides, Priamides, Hector, Paris e. a. zonen van Priamus.
+
+Priamus, Priamos, 1), zoon van Laomedon en Strymo. Toen Heracles
+Troje had ingenomen, werd hij gevangen genomen, maar door zijne zuster
+Hesione vrijgekocht, vandaar werd zijn oorspronkelijke naam Podarces
+in Pr. (van priasthai) veranderd. Na het vertrek van Heracles volgde
+hij zijn vader op, hij ondernam als bondgenoot der Phrygiërs een
+krijgstocht tegen de Amazonen, huwde met Arisbe, later met Hecabe, en
+leefde met het talrijk kroost (50 zoons en 50 dochters), dat hij bij
+deze en andere vrouwen had, gelukkig en tevreden, totdat de trojaansche
+oorlog uitbrak, die hem eerst van bijna al zijne zonen beroofde en hem
+eindelijk regeering en leven kostte. Aan den oorlog neemt hij wegens
+zijn hoogen leeftijd persoonlijk geen deel, slechts tweemaal komt hij
+buiten de stad, eerst om een verdrag te sluiten, waarbij de oorlog
+door een tweegevecht tusschen Paris en Menelaus beslist zou worden,
+later onder geleide van Hermes, om van Achilles de uitlevering van het
+lijk van Hector af te smeeken. Toen de Grieken de stad binnendrongen,
+zocht de grijze koning met zijn vrouw en dochters een schuilplaats bij
+het altaar van Zeus, maar toen hij zijn zoon Polites door Neoptolemus
+zag dooden, slingerde hij zijne lans naar den vijand, die daarop in
+woede op hem toeliep en hem met zijn zwaard doorstak.--2) zoon van
+Polites no. 1, tochtgenoot van Aeneas.
+
+Priapus, Priapos, zoon van Dionysus, Hermes, Pan of Adonis en Aphrodite
+of Chione, een god van wijn- en tuinbouw, van vee- en bijenteelt,
+ook van visscherij, vooral te Lampsacus vereerd, van waar zijn dienst
+zich over het overige Griekenland schijnt te hebben uitgebreid. De
+Rom. identificeerden hem met Mutinus. Zijne beelden werden veelal
+in tuinen en wijnbergen geplaatst om als vogelverschrikker te
+dienen. Men offerde hem de eerstelingen der vruchten, melk, honig,
+bokken en ezels. Hij wordt soms afgebeeld als een knaap, soms als
+een grijsaard, gewoonlijk met vruchten, een snoeimes of een horen
+van overvloed in de hand.
+
+Priene, Priene, aziatisch-ionische stad op de zuidelijke helling van
+den berg Mycale en aan de Latmische golf. In de 4de eeuw is de stad
+zeer regelmatig herbouwd, en, nu ze door de Duitschers opgegraven is,
+geeft ze een goed denkbeeld van een hellenistische stad. De wijsgeer
+Bias was hier geboren.
+
+Primigenia, bijnaam van Fortuna, waaronder zij vooral te Praeneste
+vereerd werd. Zij werd daar als de oudste dochter van Jupiter, maar
+later als de moeder van Jupiter en Juno beschouwd en had een beroemd
+orakel, dat geraadpleegd werd door het werpen met eikenhouten staafjes,
+waarin ouderwetsche letters gesneden waren.
+
+Primipilus, Primus Pilus, zie centurio.
+
+Primus, zie Antonii no. 15.
+
+Princeps, de oorspronkelijke keizerstitel, door Augustus aangenomen
+als natuurlijke princeps senatus.
+
+Princeps inventutis. Degenen, die bij het opmaken der ridderlijsten
+door de censoren bovenaan geplaatst waren, werden principes
+inventutis genoemd. Onder Augustus werden zijne beide kleinzoons C. en
+L. Caesar door de ridderschap tot principes inventutis uitgeroepen,
+en vervolgens werd het gebruikelijk dat de vermoedelijke troonopvolger
+dezen titel voerde.
+
+Princeps senatus. Hij, die bij het opmaken van de lijst der senatoren
+door de censoren als de meest waardige bovenaan werd geplaatst, werd
+princeps senatus genoemd. Het was een groot eerbewijs, en zoolang het
+gebruikelijk bleef, in senaatszittingen den princeps het eerst naar
+zijn gevoelen te vragen, was deze waardigheid niet van belang ontbloot.
+
+Principes, zie centuria.
+
+Principium. Bij de comitia curiata en tributa stemden alle afdeelingen
+tegelijk. Als nu de stemmen geteld waren, kwamen de rogatores
+(stemopnemers) op het templum (de spreekplaats), waar de voorzitter
+der vergadering zich bevond, bijeen. Nu werd bij loting vastgesteld, in
+welke volgorde elke afdeeling den uitslag zou mededeelen. De naam van
+de eerstgevraagde afdeeling, zoowel bij de curiae als bij de tribus,
+heette principium, en werd, als het een wet gold, met den naam van
+den burger, die daarin het eerst gestemd had (qui primus scivit)
+aan het hoofd van de wet vermeld. Z. ook praerogativa.
+
+Priscianus, van Caesarea, rom. taalgeleerde te Constantinopel (±
+500 na C.), wiens institutiones grammaticae in de middeleeuwen nog
+lang als latijnsche spraakleer werden gebezigd.
+
+Priscus, 1) zie Helvidius Priscus.--2) een Thraciër, die door
+Theodosius II als keizerlijk gezant tot Attila werd gezonden en
+eene geschiedenis van het rom. rijk en van de oorlogen met Attila
+schreef. Er zijn nog fragmenten van over.--3) Attius Priscus, schilder
+onder de regeering van Vespasianus.
+
+Privernum, oude volscische stad in Latium, reeds vroeg door de Rom. tot
+kolonie gemaakt. Het lag aan den Amasenus en had belangrijken wijnbouw.
+
+Privilegium (van privus en lex), 1) eene wet, die tegen één enkelen
+persoon gericht is, zooals de lex Clodia tegen Cicero.--2) een
+wet of besluit ten gunste van één persoon of van enkele personen,
+vandaar voorrecht.
+
+Probole, te Athene een aanklacht bij de volksvergadering, waarop echter
+alleen eene voorloopige veroordeeling konde volgen; daarna werd de
+zaak voor een van de gewone rechtbanken gebracht. De pr. werd alleen
+in bizonder ernstige gevallen toegepast, de uitwerking er van bestond,
+naar het schijnt, alleen in den invloed, dien zulk een uitspraak van
+het volk op de rechters uitoefende.
+
+Probouleuma, praeadvies van den raad, eene voorloopige voordracht,
+waarop de goedkeuring der volksvergadering gevraagd werd.
+
+Probouloi, 1) in oligarchisch geregeerde staten eene commissie uit
+den raad om de aangelegenheden die voor den raad kwamen, vooraf te
+onderzoeken en praeadvies erover uit te brengen.--2) een college van
+10 mannen, te Athene na de nederlaag op Sicilië (413) ingesteld, om in
+den daardoor veroorzaakten nood te voorzien. Zij werkten in het belang
+der oligarchie en waren twee jaar later met alle macht behulpzaam bij
+het invoeren van de regeering der 400.--3) de afgevaardigden bij de
+bondsvergadering der 12 ionische staten.
+
+Probus. 1) M. Aurelius Probus, rom. keizer (276-282 na C.), geb. te
+Sirmium (232), een man van geringe afkomst. Van zijn militaire
+loopbaan vóór zijn verheffing tot keizer is niets zekers bekend. Hij
+was een uitstekend keizer, die de Alemannen en de met hen verbonden
+Longiones, Franken en Burgundiërs terugdrong en aan het van alle
+zijden bedreigde rom. rijk aldus verademing schonk. Hij herstelde
+de Rijngrens, en beschermde de steden aan den Rijn, door aan de
+overzijde castella, observatieposten, op te richten. Hij overwon de
+tegenkeizers Proculus en Bonosus, verplaatste 100000 Bastarners naar
+het bijna ontvolkte Thracia en had eindelijk rondom vrede. Daar hij
+echter ook in vredestijd de soldaten arbeid liet verrichten en hen
+gebruikte om langs den Donau moerassen droog te leggen en wijngaarden
+aan te leggen, en omdat hij zich had uitgelaten, dat hij eenmaal
+geen soldaten meer hoopte noodig te hebben, brak er een oproer uit,
+waarin hij werd doodgeslagen.--2) M. Valerius Probus, uit Berytus,
+beroemd rom. taalgeleerde tijdens Nero.
+
+Procas (Silvius), koning van Alba Longa, vader van Numitor en Amulius.
+
+Prochyta, eiland op de kust van Campania, bij kaap Misenum, thans
+Procida.
+
+Procilii. Cicero vermeldt twee mannen van dezen naam, een
+volkstribuun, die in slechten roep stond en veroordeeld werd, en een
+geschiedschrijver. Overigens zijn beiden onbekend.
+
+Proclea, Prokleia, dochter van Laomedon, gehuwd met Cycnus no. 2,
+moeder van Tenes en Hemithea.
+
+Procles, Prokles, zoon van Aristodemus no. 1, regeerde na den dood
+van zijn vader met zijn broeder Eurysthenes over Lacedaemon; hij is
+de stamvader van het koninklijk geslacht der Procliden.
+
+Proclus, Proklos, van Constantinopel, geb. 410 na C., beroemd
+neo-platonisch wijsgeer uit de atheensche school, aan welker hoofd
+hij geruimen tijd stond. Hij wordt beschreven als een edel en waardig
+man, die zeer streng en matig leefde, zijn aanzienlijk vermogen aan
+liefdadige werken besteedde, en zijn best deed aan het heidendom
+door de wijsbegeerte nieuwen steun te verschaffen. Hij stierf in
+485.--Pr. was een zeer vruchtbaar schrijver, behalve commentaren
+op Plato bezitten wij van hem taal-, wis- en sterrenkundige werken
+en gedichten.
+
+Procne, Prokne, dochter van Pandion, gehuwd met Tereus, bij wien zij
+moeder was van Itys. Eens ging Tereus naar Athene om zijn schoonvader
+te bezoeken, en Pr. verzocht hem, als hij terugkwam, hare zuster
+Philomela mede te brengen. Tereus deed dit, maar onderweg onteerde
+hij zijne schoonzuster, en opdat zij deze daad niet aan Procne konde
+verraden, hield hij de zusters van elkander gescheiden en sneed hij ten
+overvloede aan Philomela de tong uit. Toch vond deze middel, door een
+kunstig weefsel hare zuster op de hoogte van het gebeurde te brengen;
+om zich te wreken doodden zij gezamenlijk den kleinen Itys, en zetten
+zij zijn vleesch aan Tereus als spijs voor. Toen deze bemerkte wat
+zij gedaan hadden, vervolgde hij beide zusters met een bijl om ze te
+dooden, maar op het oogenblik dat hij haar zoude inhalen, werd hij
+in een hoppe of een havik veranderd, Procne werd een nachtegaal en
+Philomela een zwaluw of omgekeerd.
+
+Proconnesus, Prokonnesos (reeëneiland), eiland en stad in de
+Propontis, door de Milesiërs gesticht, met beroemde marmergroeven,
+thans Marmara. Zie Cyzicus.
+
+Proconsul of pro consule. Wanneer de consuls hun ambtsjaar volbracht
+hadden en naar hunne provinciën gingen als stadhouders, waren zij
+eigenlijk privati, maar de senaat verlengde hun imperium en bekleedde
+hen voor het bestuur hunner provincie met consulaire macht. Zie
+prorogatio. Er waren enkele belangrijke provincies, die bij voorkeur
+aan consuls werden opgedragen en waarvan de stadhouder, ook al was
+hij geen consul geweest, toch pro consule werd uitgezonden. Toen
+Pompeius den senaat dwong, hem naar Hispania te zenden, om in den
+oorlog tegen Sertorius den proconsul Metellus ter zijde te staan,
+moest de senaat hem wel met een consulair imperium bekleeden en pro
+consule laten uittrekken. Zie ook propraetor.
+
+Procopius, vriend en bloedverwant van keizer Iulianus, bevelhebber
+van het leger in Mesopotamia, liet zich onder keizer Valens tot keizer
+uitroepen (365 na C.), maar werd reeds spoedig (366) door zijn leger
+in den steek gelaten, en door de zijnen aan Valens uitgeleverd.
+
+Procris, Prokris, dochter van Erechtheus, gehuwd met Cephalus.
+
+Procrustes, Prokroustes, uitrekker, bijnaam van Damastes of Polypemon,
+een wreed roover, die bij Eleusis woonde. Hij had twee bedden, een
+zeer lang en een zeer kort, wanneer nu een vreemdeling in zijne handen
+viel, dan legde hij hem op een van die bedden, lange personen bracht
+hij op de maat van het korte bed door een stuk van hen af te snijden,
+korte rekte hij in het lange zoo lang uit, totdat zij stierven. Theseus
+doodde hem.
+
+Proculeius Varro Murena (C.), rom. ridder, wien door Augustus was
+opgedragen, Cleopatra als gevangene naar Rome over te brengen. Horatius
+prijst hem, omdat hij zijn vermogen gedeeld had met zijne broeders,
+die in den burgeroorlog alles verloren hadden. Hij bracht zichzelf,
+toen hij ziek werd, door vergif om het leven.
+
+Proculi. 1) Julius Proculus verhaalde aan het rom. volk, dat Romulus
+in een onweder ten hemel was gevaren.--2) Sempronius Proculus, beroemd
+rom. jurist uit de school van Q. Antistius Labeo, naar wien diens
+volgelingen Proculiani worden geheeten. In de Pandecten vindt men
+nog uittreksels uit zijne werken. Hij leefde ten tijde van Nero.--3)
+Proculus beproefde in 280 na C. een opstand tegen keizer Probus,
+hij moest echter de wijk nemen naar de Franken, die hem uitleverden,
+waarna Probus hem ter dood liet brengen.
+
+Proculiani, zie Proculi no. 2.
+
+Procuratio, 1) de werkzaamheid van een procurator.--2) het nemen van
+maatregelen om ongelukken en rampen af te weren, die door prodigia
+en portenta werden aangekondigd.
+
+Procurator, degene die voor een ander eene zaak bezorgt, de
+zaakwaarnemer, in het huiselijk leven de huishouder, de slaaf die de
+geheele huishouding bestuurde. Onder de keizers werd in de keizerlijke
+provinciën het geldelijk beheer opgedragen aan procuratores Caesaris,
+die dus de vroegere quaestoren vervingen en ook wel belast werden met
+het stadhouderschap over kleine provinciën, die als onderdeelen eener
+grootere werden beschouwd. Zoo was b.v. Pontius Pilatus procurator
+van Judaea, dat als een aanhangsel van Syria werd gerekend. Ook de
+bestuurders van verschillende takken van het financiewezen droegen wel
+dezen naam, b.v. procurator rei privatae, bestuurder van 's keizers
+vermogen, procurator metallorum, enz. Voor deze betrekkingen werden
+gewoonlijk equites genomen.
+
+Procyon, Prokyon, z. Canis minor.
+
+Prodictator of pro dictatore. Het eenige bekende geval van iemand,
+die, zonder eigenlijk den titel van dictator te hebben, toch met deze
+waardigheid werd bekleed, is dat van Q. Fabius Maximus in 217. Zie
+dictator.
+
+Prodicus, Prodikos, 1) uit Phocaea, episch dichter uit zeer ouden
+tijd, aan wien eene Minyas werd toegeschreven.--2) van Iulis op
+het eiland Ceos, beroemd sophist, kwam als gezant naar Athene,
+en vond er zooveel bijval, dat hij er zich vestigde. Hij stond
+in vriendschappelijke betrekking met Socrates, Xenophon, Plato,
+Euripides, Isocrates en vele andere mannen van naam, waaronder
+sommige zijne leerlingen genoemd worden. Hij besteedde vooral veel
+studie aan de verschillende beteekenissen van synonieme woorden,
+met een spitsvondigheid, waarmede Plato dikwijls den spot drijft;
+overigens spreekt deze van hem altijd met groote achting, sophoteros
+Prodikou was een soort van spreekwoordelijke uitdrukking. Bekend
+is zijne allegorie van Heracles op den tweesprong (z. Xenophon's
+Memorabilia II 1. 21 sq.); overigens is niets van hem bewaard gebleven.
+
+Prodigium, zie auguria.
+
+Prodikos, de voogd van een minderjarig koning te Sparta, die in naam
+van zijn pupil de regeering uitoefende.
+
+Prodomus, prodomos, zie templum.
+
+Proedria, 1) het recht vooraan te zitten, in het bizonder in den
+schouwburg, een recht dat te Athene als eerbewijs verleend werd aan
+aanzienlijke of verdienstelijke personen, ook vreemdelingen.--2)
+voorzitterschap, in het bizonder het voorzitterschap van den raad
+en de volksvergadering te Athene. Dit werd vroeger bekleed door den
+epistates (z. Prytaneis), maar sedert omstreeks 378 door een van de
+proedroi, waarvan bij het begin van iedere prytanie 9 door het lot
+werden aangewezen, nl. een uit iedere phyle behalve die, welke de
+prytanie had.
+
+Proeisphora, het voorschieten van de eisphora. In iedere symmorie
+waren 15 van de rijkste leden verplicht om, wanneer eene eisphora
+uitgeschreven werd, in spoedeischende gevallen het geheele aandeel
+der symmorie voor te schieten, waarbij zij natuurlijk het recht hadden
+het voorgeschotene van hunne medeleden terug te vorderen.
+
+Proërna, Proherna, Proerna, stad in het W. van het thessalische
+landschap Phthiotis.
+
+Proërosia, Proerosia, feest bij het begin van den bloeitijd, den
+13en Boëdromion te Eleusis uit naam van alle grieksche staten ter
+eere van Demeter gevierd.
+
+Proetides, Proitides, de drie dochters van Proetus: Lysippe, Iphianassa
+en Iphinoë; zij werden met waanzin gestraft, omdat zij zich schooner
+genoemd hadden dan Hera of omdat zij den dienst van Dionysus veracht
+hadden. Terwijl zij, in den waan dat zij koeien waren, door bosschen
+en weiden ronddwaalden, sloeg de kwaal ook op andere vrouwen van
+Argos over. Zij werden door Melampus (z. a.) genezen.
+
+Proetus, Proitos, z. Acrisius en Bellerophon. V. s. verjoeg hij
+Acrisius uit Argos en werd hij door Perseus met het Medusahoofd
+versteend.
+
+Profesti (dies), werkdagen, zie Festi (dies).
+
+Progam(e)ia, ook proteleia gamon, een plechtig offer, dat men,
+alvorens zich in den echt te begeven, aan de beschermgoden van het
+huwelijk bracht.
+
+Proix, bruidschat, werd aan den man in vruchtgebruik, niet in eigendom
+gegeven. Daar een huwelijk zonder bruidschat tot de zeldzaamheden
+behoorde, vereenigden rijke lieden zich soms om arme meisjes aan een
+bruidschat te helpen.
+
+Proklesis, de eisch om zekere documenten over te leggen, die als
+bewijsstukken in een proces moesten dienen. Werd die eisch door
+een van de partijen aan zijn tegenpartij gedaan, dan behoefde deze
+daaraan niet te voldoen, ofschoon hij natuurlijk door eene weigering
+zijne zaak in een ongunstig licht stelde; waren echter de bedoelde
+stukken in handen van een ander, dan konde deze, naar het schijnt,
+gedwongen worden er een afschrift van te laten nemen.
+
+Proletarii, van proles afgeleid. Het zijn de arme burgers, die geen
+belasting betalen en dus den staat niet dienden met hun geld, maar
+alleen door het verwekken van kinderen. Hun vermogen bedroeg minder
+dan 4000 as. Zij, die een hoogeren census hadden, heetten adsidui of
+locupletes. De prol. werden slechts bij uitzondering opgeroepen om
+te dienen. Eerst Marius nam hen en de capite censi in het leger op,
+dat zoodoende een huurleger werd.
+
+Prologus, prologos, in een tooneelstuk het gedeelte, dat bij wijze
+van inleiding de toestanden uiteenzet en aan de eigenlijke handeling
+voorafgaat; in stukken, waarin koren optreden, het gedeelte, dat aan
+de parodos voorafgaat.
+
+Promachus, Promachos, 1) zoon van Parthenopaeus, een van de
+Epigonen.--2) zoon van Aeson, werd met zijn vader door Pelias gedood,
+terwijl Iason afwezig was.--3) bijnaam van Athena, van Heracles te
+Thebae, van Hermes te Tanagra.
+
+Prometheus, Prometheus, zoon van Iapetus en Clymene, waagde het
+de wijsheid van Zeus op de proef te stellen. Na de overwinning
+der Titanen, tegen wie Pr., ofschoon hij tot hen behoorde, Zeus
+had geholpen, zoude vastgesteld worden, welke offers den goden
+toekwamen. Pr. doodde nu, als vertegenwoordiger der menschen, een
+stier, en wikkelde het vleesch en de ingewanden in de huid, terwijl hij
+de beenderen met vet bedekte, daarop verzocht hij Zeus zelf te kiezen,
+en hoewel deze zijn list doorzag, koos hij het slechtste deel. Tot
+straf voor de bedriegelijke bedoeling van Pr. ontnam hij echter den
+menschen het vuur, maar Pr. stal het weder van den Olympus en bracht
+het op aarde terug. Nog meer vertoornd, strafte Zeus de menschen
+nu door hun Pandora (z. a.) te zenden. Pr. echter werd aan een rots
+geklonken, waar een arend hem iederen dag aan de lever knaagt, die
+echter 's nachts weder aangroeit.--In andere verhalen heeft Pr. ook
+nog door andere weldaden, aan de menschen bewezen, den toorn van
+Zeus opgewekt, die juist het plan had opgevat het menschengeslacht te
+verdelgen. Niet alleen had hij hun het vuur gebracht, maar ook door
+hun vele kunsten te leeren (bouwkunst, sterrenkunde, letters, cijfers,
+geneeskunde, waarzeggen) trachtte hij hen tot hoogere beschaving
+te leiden. Daarvoor aan een rots vastgeklonken, verklaarde hij,
+dat hij alleen door de mededeeling van een geheim Zeus konde redden
+van een gevaar, dat eens zijne regeering zoude bedreigen, en daar
+hij hardnekkig weigerde dit geheim te openbaren voordat Zeus hem van
+zijne boeien bevrijd zou hebben, werd hij met de rots in den Tartarus
+geworpen. Daar hij ook nu niet toegaf, werd hij na lange jaren weder
+op aarde teruggebracht en nu werd de arend gezonden, die aan zijn
+lever knaagde, wat niet zou ophouden voordat een onsterfelijke in zijn
+plaats wilde sterven. Na 30 jaar was Chiron (z. a.) hiertoe bereid,
+en nu doodde Heracles met toestemming van Zeus den arend en bevrijdde
+Pr. Deze openbaarde nu van zijn kant het bedoelde geheim, nl. dat Zeus,
+wanneer hij met Thetis huwde, bij haar een zoon zou krijgen, die hem
+van de heerschappij zoude berooven.--V. s. had Pr. bij het ontstaan
+van de wereld of na den watervloed van Deucalion den mensch uit aarde
+en water geschapen. Aan zijn zoon Deucalion had hij den raad gegeven
+een schip te bouwen, waarmede hij zich bij de komende overstrooming
+zou kunnen redden.--Op vele plaatsen genoot Pr. goddelijke eer,
+dikwijls in vereeniging met Athena en Hephaestus; te Athene had hij
+een heiligdom in de Academie, waar jaarlijks een feest (Prometheia)
+te zijner eer gevierd werd; het voornaamste van dit feest was een
+wedloop met fakkels.
+
+Promulgatio (rogationis), het openlijk bekendmaken van een
+wetsvoorstel, zie Trinundinum.
+
+Promulsis, zie coena.
+
+Pronaia, bijnaam van Athena te Delphi, waar haar tempel vóór het
+groote heiligdom van Apollo stond.
+
+Pronaos, pronaos, zie templum.
+
+Pro(n)ni, Pronnoi, stad aan de O.-zijde van het eiland Cephallenia.
+
+Pronuba, 1) bijnaam van Juno, als huwelijkstichteres.--2) bruidsdame,
+wier taak het was, van de zijde der bruid het noodige in orde te
+brengen en haar in het huwelijksleven in te leiden. Voor pronubae
+koos men liefst jonggehuwde vrouwen van onbesproken gedrag.
+
+Propertius (Sex.), vermoedelijk in of omstreeks 50 te Asisium
+(Assisi) in Umbria geboren, was reeds vroeg vaderloos en werd door
+eene der landverdeelingen van Octavianus van zijn vaderlijk erfgoed
+beroofd. Naar Rome gekomen, ontbrandde hij in liefde voor de schoone
+Hostia, die hij in zijne minnedichten onder den naam van Cynthia
+bezong. Hoewel zij hem door hare wispelturigheid en ontrouw meermalen
+grievend leed aandeed, bleef de liefde voor haar in het hart van
+Pr. geworteld. Zijne elegieën, fijn gepenseeld, dragen de sporen
+van gloeiende bezieling en vereenigen natuur en kunst in zich. Door
+veelvuldige zinspelingen op oude mythen is hij echter dikwerf moeilijk
+te begrijpen. Hij stierf jong, waarschijnlijk in of omstreeks het
+jaar 15.
+
+Propoetides, meisjes van Amathus, die de godheid van Aphrodite
+loochenden en tot straf daarvoor in steenen veranderd werden.
+
+Propontis, Propontis, de Voorzee (vóór den Pontus Euxinus), thans
+zee van Marmara.
+
+Propraetor of pro praetore. Wat van de consuls is gezegd, die als
+stadhouders door den senaat met consulair imperium werden bekleed
+(zie proconsul), geldt ook voor de praetoren, die na het verstrijken
+van hun ambtsjaar pro praetore naar hunne provinciën gingen. Daar
+echter de algemeene naam voor stadhouder praetor is, geldt de titel pro
+praetore ook van hem, die een stadhouderschap tijdelijk waarneemt. Kwam
+b. v. een stadhouder te overlijden en viel dan zijn quaestor in zijne
+plaats in, dan was deze quaestor pro praetore, d. w. z. quaestor met
+stadhouderlijke macht. Zoo vindt men ook wel eens een legatus pro
+praetore. In den keizertijd is dit de titel van de stadhouders der
+groote keizerlijke provincies, die voor den keizer het bewind voerden,
+zie legatus.
+
+Propylaea, Propylaia, zie Athenae.
+
+Proquaestor of pro quaestore, hij, die tijdelijk het ambt waarneemt
+van een overleden of tusschentijds afgetreden quaestor. Daar hiervoor
+door den stadhouder meestal een legatus wordt aangewezen, draagt
+deze den titel: legatus pro quaestore. Enkele malen vindt men ook,
+dat het ambt van een quaestor door prorogatio verlengd wordt (zie
+hierover proconsul), denkelijk wanneer er quaestoren te kort kwamen. In
+zoodanig geval was de titularis proquaestor.
+
+Prorogatio, is het verlengen van iemands ambt. Voor de eerste maal
+is dit voorgekomen in 326, toen het volk op verzoek van den senaat
+besloot, dat de consul Q. Publilius Philo ook na afloop van zijn
+ambtstijd het imperium zou behouden met den titel pro consule. Sedert
+dien tijd werd door de prorogatio imperii dikwijls in een tekort aan
+beschikbare ambtenaren voorzien. In den beginne werd het imperium
+verlengd door een volksbesluit, sedert den tweeden Punischen oorlog,
+v. a. sedert 250, meest door den senaat. Door Sulla werd de prorogatio
+van het consulaat en de praetuur tot regel gemaakt. Zie Proconsul
+en Propraetor.
+
+Prorsa, z. Carmenta.
+
+Proscenium, proskenion, het tooneel in engeren zin, d. i. de door
+achter- en zijwanden begrensde ruimte.
+
+Proschium, Proschion, vroeger Pylene, Pylene, stad in Aetolia aan
+den Zuidkant van den berg Aracynthus.
+
+Proseleni, Proselenoi, z. Arcadia.
+
+Proselytoi, proselyten, Jodengenooten. Van af de 3de eeuw maken de
+Joden, evenals de aanhangers van andere Oostersche godsdiensten,
+veel propaganda voor hun geloof, en telkens vindt men er melding
+van gemaakt, dat velen, ook in Rome, zooals blijkt uit de Romeinsche
+dichters, zooal niet geheel tot het Jodendom over gingen, toch zich
+nauw daarbij aansloten, en enkele gebruiken, zooals de Sabbathviering,
+overnamen. Zij worden in het N. T. proselytoi, die zich aangesloten
+hebben, of ook wel sebomenoi, -ai (ton Theon), Godsdienstigen,
+genoemd. Zij blijken zeer toegankelijk voor het Christendom, en hebben
+de verspreiding daarvan in de Heidenwereld bevorderd.
+
+Proserpina = Persephone. De dienst van Proserpina en Dis werd in
+Rome ingevoerd tengevolge van een uitspraak der Sibyllijnsche boeken,
+zie Ceres, Terentini ludi en Terentum.
+
+Proskephalaion kussen, ook om te zitten en om op de rustbanken,
+waarop men bij den maaltijd aanlag, den linkerarm tot steun te dienen.
+
+Prosklesis, z. kleter.
+
+Proskynesis, z. Adoratio en Adulatio, door de Grieken als een teeken
+van uiterste slaafschheid beschouwd. De wensch van Alexander d. Gr.,
+om de pr. ook bij Grieken en Macedoniërs in te voeren, vond veel
+tegenstand.
+
+Prosodia, prosodia, hymnen, onder begeleiding van fluitspel door een
+koor gezongen, wanneer het zich op feestdagen in optocht naar een
+tempel begaf.
+
+Prosopitis, Prosopitis, eiland en provincie (nomos) in de Zuidspits
+der Nijldelta.
+
+Prostates, z. metoikos.
+
+Prostaxis, z. atimia.
+
+Prostimema, z. dike.
+
+Prostoa, de vier overdekte zuilengangen, die de aule van een woonh)is
+omgeven, v. a. alleen de galerij, die aan de zijde van den ingang
+gelegen is, of deze met de tegenoverliggende.
+
+Prostylus, prostylos, z. templum en vergelijk de teekening bij
+Amphiprostylus.
+
+Protagoras, Protagoras, van Abdera, een der beroemdste grieksche
+sophisten (485-416). Nadat hij zich met taalstudie en rhetorica
+beziggehouden had en de stelsels der oudere wijsgeeren grondig
+bestudeerd had, trad hij als leeraar op. Hijzelf was de eerste,
+die zich sophist noemde en liet zich voor zijn onderwijs 100 minae
+betalen. Hij loochende het bestaan van absolute, objectieve waarheid
+en leerde, dat voor den mensch alles was zooals het hem toescheen. Te
+Athene, waar hij zich sedert 450 meestal ophield, vond hij grooten
+bijval, v. s. werd hij door Pericles naar Thurii gezonden om er de
+wetten te herzien. Daar hij in een van zijne werken gezegd had, dat
+hij niet wist of er goden waren en dat een menschenleven te kort was om
+zulk een duistere zaak te onderzoeken, werd hij als atheïst aangeklaagd
+en veroordeeld. Zijn werk werd op de markt verbrand, en v. s. werd
+hij verbannen. Hij begaf zich naar Sicilië, maar verdronk op reis.
+
+Prote, Prote, eiland en reede op de W. kust van Messenia.
+
+Protesilaus, Protesilaos, zoon van Iphiclus, koning van Phylace,
+nam deel aan den tocht tegen Troje. Hij was de eerste, die bij de
+aankomst van de vloot aan land sprong, maar hij werd terstond door
+Hector gedood. Te Elaeus was zijn graf met een rijken tempel, ook te
+Phylace had hij een heiligdom, z. ook Laodamia.
+
+Proteus, Proteus, een oude zeegod, die op het eiland Pharus de
+robben van Amphitrite weidt. Hij bezit de gave der voorspelling,
+maar hij geeft zijne voorspellingen niet dan gedwongen, en tracht
+door allerlei gedaanteverwisselingen te ontsnappen aan hen, die hem
+ondervragen. Zie ook Helena.--V. a. was hij koning van Pharus, zoon
+van Poseidon, echtgenoot van Psamathe, of hij was naar Thracië gegaan
+om daar met Torone in het huwelijk te treden, maar wegens het slecht
+gedrag zijner zonen, Tmolus en Telegonus, had hij Poseidon verzocht
+naar Aegypte te mogen terugkeeren.
+
+Prothesis nekrou, tentoonstelling van een lijk. Op den dag vóór de
+begrafenis werd het lijk, nadat het gewasschen, gekleed en bekranst
+was, in het voorste gedeelte van het huis op een bed gelegd, met de
+voeten naar de huisdeur gericht. Bloedverwanten en vrienden kwamen
+den afgestorvene dan het laatste bezoek brengen, en zongen te zijner
+eere plechtige klaagliederen.
+
+Protis, Protis, van Phocaea, stichter van Massilia en stamvader van
+het geslacht der Protiaden aldaar.
+
+Protogenea, Protogeneia, dochter van Deucalion en Pyrrha, gehuwd met
+Locrus, bij Zeus moeder van Opus.
+
+Protogenes, Protogenes, van Caunus, uit de 2de helft van de 4de eeuw,
+een van de beroemdste grieksche schilders. Tot zijn 50ste jaar moest
+hij door handwerk in zijn onderhoud voorzien, eerst toen gelukte
+het Apelles de aandacht op hem te doen vestigen. Hij kocht namelijk
+eenige schilderijen van Pr., en deed alles om het vermoeden op te
+wekken, dat hij ze voor zijn eigen werk wilde laten doorgaan. Zijn
+voornaamste werk was de Ialysus als jager voorgesteld, dat later in
+den Vredetempel te Rome was en bij den brand van dien tempel verloren
+ging. Toen Demetrius Poliorcetes Rhodus belegerde, waar Pr. woonde
+en werkte, liet hij de werkplaats van den kunstenaar, die buiten de
+stad gelegen was, door eene wacht beschermen, en dikwijls bracht hij
+er zelf een bezoek. Zelfs liet hij zich de overwinning ontsnappen,
+doordat hij niet er toe konde besluiten de stad van die zijde aan te
+vallen, waar de Ialysus van Pr. zich bevond.
+
+Protomachus, Protomachos, 1) atheensch veldheer in den slag bij de
+Arginusen, ging vrijwillig in ballingschap, om aan het proces tegen
+hem en zijne ambtgenooten te ontkomen.--2) aanvoerder der ruiterij
+onder Alexander den Grooten.
+
+Provincia, de door wet, senaatsbesluit of sortitio aan een ambtenaar
+cum imperio toebedeelde werkkring of het terrein van werkzaamheid. De
+senaat bepaalde gewoonlijk den ambtskring (provincia) der consuls; de
+praetoren lootten na hun benoeming, wie van hen als praetor urbanus
+de provincia urbana, wie de provincia peregrina (de rechtspraak
+onder vreemdelingen) zou hebben, wie als voorzitter van één of meer
+quaestiones zou optreden. Later beteekent provincia voornamelijk
+ambtskring buiten Italië, en gaat dan in de beteekenis van wingewest
+over.
+
+Provocatio, beroep op de volksvergadering als rechter en wel op de
+centuriaatcomitiën in lijfstraffelijke zaken en op de tribuutcomitiën
+of het concilium plebis bij boeten boven een zeker bedrag. Zie leges
+Valeriae, leges Porciae, lex Aternia Tarpeia, lex Iulia Papiria. Het
+recht van provocatio was ingesteld als waarborg tegen willekeur en
+mishandeling van de zijde der magistraten. De provocatie geldt niet
+voor vrouwen en vreemdelingen, en is beperkt tot de banmijl, de grens
+van het imperium domi. Na de instelling der quaestiones perpetuae
+werden de iudicia populi uitzondering, doch zij bleven toch bestaan,
+evenwel niet zóó, dat men van een eenmaal gewezen vonnis op het volk
+kon appelleeren. Zie echter Antoniae (leges) no. 6. De rom. republiek
+kende geen appèl van gevelde vonnissen; het komen in hooger beroep
+dagteekent uit den tijd der keizers.
+
+Proxenos, de gastvriend van een staat, niet zonder grond met onze
+tegenwoordige consuls vergeleken, daar hij in zijn staat de belangen
+waarnam van den staat, welks pr. hij was. In den staat, dien hij
+vertegenwoordigde, genoot hij daarvoor ook zekere voorrechten boven
+andere vreemdelingen.--De proxenia van een bepaalden staat wordt soms
+door vele geslachten heen in dezelfde familie gevonden.
+
+Proxenus, Proxenos, 1) Boeotiër, leerling van Gorgias, vriend van
+Xenophon, een van de aanvoerders der grieksche troepen onder den jongen
+Cyrus. Na den slag bij Cunaxa werd hij door Tissaphernes verraderlijk
+gevangen genomen en ter dood gebracht.--2) van Tegea, vijand van Sparta
+en ijveraar voor den bouw van Megalopolis. Bij de partijtwisten in
+zijne vaderstad verloor hij het leven.--3) van Aphidna, atheensch
+veldheer tegen het einde van den heiligen oorlog (347).
+
+Prudentius Clemens (Aurelius), uit Hispania geboortig, de beste
+rom. christendichter, leefde in de tweede helft der vierde eeuw na C.
+
+Prusa, Prousa, ook Prusias, Prousias, geheeten, 1) ad Olympum,
+aanzienlijke stad van Bithynia, door Prusias I aan den voet van
+den mysischen Olympus naar een plan van Hannibal gesticht, thans
+Brussa.--2) ad Hyppium, kuststadje in het W. van Bithynia aan de
+rivier Hyppius, zie Cius.
+
+Prusias, Prousias, 1) koning van Bithynië, regeerde, nadat hij zich
+door gelukkige oorlogen van de Galliërs en andere vijanden bevrijd
+had (213), met kracht en beleid en vergrootte zijn rijk door de
+verovering van Heraclea en andere steden. In den oorlog tusschen de
+Rom. en Antiochus koos hij de partij van eerstgenoemden, doch later
+verleende hij een schuilplaats aan Hannibal. Hij werd echter gedwongen
+hem aan de Romeinen uit te leveren, zie Hannibal no. 4. Hij stierf
+kort daarna.--2) zoon en opvolger van den vorigen, was geheel en al
+afhankelijk van de Rom. en sloot op hun bevel vrede met Attalus II,
+dien hij met geluk beoorloogd had. In 143 werd hij door zijn zoon
+Nicomedes gedood.
+
+Prusias, Prousias = Cius.
+
+Prytaneia, z. Prytanis.
+
+Prytaneia, zekere som, die beide partijen in eene dike voor den aanvang
+van het proces moesten storten tot vergoeding van de proceskosten,
+vandaar pr. tithenai tini, iemand aanklagen. Voor zaken, beneden 100
+drachmen geschat, werden geene pr. betaald, bij hoogere schatting
+stonden de pr. in zekere verhouding tot de som in kwestie. De
+verliezende partij moest den winner ook zijne pr. vergoeden.
+
+Prytanis, de eerste, voorste, in verscheiden staten naam van
+de opperste magistraten. Te Athene noemde men prytaneis de 50
+raadsleden, die tijdelijk met het dagelijksch bestuur belast waren
+(z. boule). Iedere phyle had de prytanie op haar beurt, zooals
+dit bij het begin van het jaar door loting was aangewezen. Deze
+betrekking zelve en de tijd, gedurende welken dezelfde prytanen aan
+het bestuur zijn (35 of 36, in schrikkeljaren 38 of 39 dagen), heet
+prytaneia, de phyle, waartoe zij behoorden, phyle prytaneuousa. De
+prytanen zijn den geheelen dag met elkander in den Tholos, in oudere
+tijden in het Prytaneum, waar zij ook gemeenschappelijk hunne
+maaltijden gebruiken. Voor iederen dag wordt uit hun midden door
+het lot een epistates aangewezen, die voorzitter is van de raads-
+en volksvergadering (z. echter proedria) en de sleutels van den
+burcht en van het archief en het staatszegel in bewaring heeft.--Zie
+ook naukraria.
+
+Prytaneum, Prytaneion, een gebouw te Athene, waar aanzienlijke
+vreemdelingen en verdienstelijke burgers hunne, van staatswege
+verstrekte, maaltijden hielden.--Oorspronkelijk hielden ook de prytanen
+hier hunne zittingen en maaltijden.
+
+Psamathe, Psamathe, 1) Nereïde, bij Aeacus moeder van Phocus.--2)
+z. Linus.--3) z. Proteus.
+
+Psammenitus, Psammenitos, zoon van Amasis, laatste koning van Aegypte,
+werd na eene regeering van 7 maanden door de Perzen bij Pelusium
+verslagen en moest zich aan Cambyses overgeven (525). Cambyses maakte
+hem stadhouder van Aegypte, maar toen kort daarna een opstand uitbrak,
+waaraan Ps. schuldig geacht werd, werd hij ter dood veroordeeld.
+
+Psammetichus, Psammetichos, 1) een van de vorsten, die onder assyrische
+opperheerschappij over Aegypte regeerden, wist zich door middel van
+ionische en carische troepen, hem uit Lydië te hulp gezonden, van
+Assyrië onafhankelijk te maken (663) en bemachtigde daarna het geheele
+rijk. Een inval der Scythen kocht hij door groote geschenken af,
+overigens breidde hij zijne macht ook buiten Aegypte uit en ondernam
+hij zelfs veldtochten naar Azië, waar hij Azotus na een oorlog van 29
+jaar (640-611) innam. Gelijk hij zijne verheffing aan vreemde hulp
+verschuldigd was, zoo bleef hij gedurende zijne geheele regeering
+een beslist voorstander van het vrije verkeer van vreemdelingen in
+zijn rijk, vooral begunstigde hij den handel en bevorderde hij de
+vestiging van Grieken en Phoeniciërs in Aegypte, ook bleef hij steeds
+grieksche en carische troepen in dienst houden. Deze nieuwigheden,
+waarmede samenhangt de verplaatsing der residentie van Memphis naar
+Sais, veroorzaakten groote verbittering, en velen uit de soldatenkaste,
+men spreekt van 240,000, verhuisden naar Aethiopië, maar Ps. liet zich
+niet van den eenmaal ingeslagen weg afbrengen en had de voldoening,
+gedurende zijne lange regeering den bloei en de welvaart van zijn rijk
+steeds te zien toenemen. Hij stierf in 609.--2) Ps. II of Psammis,
+kleinzoon van den vorigen, koning van Aegypte 594-588.--3) Ps. III
+= Psammenitus.
+
+Psammis, Psammis = Psammetichus II.
+
+Psarus, Psaros, rivier in Cilicië, ten O. van Tarsus.
+
+Psephizesthai, stemmen door middel van steentjes (psephoi), die in
+een urn (hydria) geworpen werden, doch dikwijls in het algemeen voor
+besluiten, ook wanneer dit door het opsteken der handen (cheirotonia)
+geschiedt. Ieder volksbesluit heet psephisma.
+
+Pseudomartyrion dike, aanklacht tegen iemand, door wiens valsch
+getuigenis men een proces verloren heeft. De veroordeeling van
+den aangeklaagde had niet noodzakelijk de vernietiging van het
+oorspronkelijk vonnis ten gevolge, maar konde aanleiding geven tot
+een palindikia.
+
+Psiloi, algemeene naam voor lichtgewapende troepen: boogschutters,
+slingeraars, enz., te onderscheiden van de peltastai of lichtgewapende
+infanterie. Verder verstaat men onder psiloi de oppassers of
+bedienden der hoplitai. Ieder hopliet had een oppasser, om wanneer
+hij door zijn zware wapenrusting vermoeid was, op marsch zijn schild
+en speer te dragen, verder voor het dragen, requireeren en koken
+van de levensmiddelen. In Sparta gebruikte men daarvoor heloten,
+in Attica moest ieder hopliet zelf voor zijn oppasser zorgen, dien
+hij dus meestal uit zijn familie of buren koos. Daar ze ook nu en
+dan krijgsdiensten moeten verrichten en tot hun taak ook behoort het
+wegvoeren van gewonden en van gevangenen, plundering en verwoesting
+van het vijandelijk land, zijn ze licht gewapend, met een dolk of
+bijl of korte speer.
+
+Psophis, Psophis, sterke stad in het N.W. van Arcadia. Het had eene
+acropolis met cyclopische muren. Vroeger heette het Phegea, Phegeia.
+
+Psychagogos, Psychopompos, bijnaam van Hermes, die de zielen der
+afgestorvenen naar de onderwereld geleidt.
+
+Psychomanteion, Psychopompeion, plaats, waar men de geesten van
+afgestorvenen door een psychomantis kon laten oproepen om hen over
+de toekomst te ondervragen, de antwoorden ontving men gewoonlijk in
+den droom.
+
+Psyche, Psyche, personificatie van de ziel des menschen; zij was de
+jongste van drie koningsdochters, en zoo schoon, dat de menschen haar
+de hulde brachten, die zij aan Aphrodite verschuldigd waren. Hierover
+vertoornd, liet de godin door een orakel aan hare ouders het bevel
+geven, haar op eene eenzame rots te brengen, daarna zond zij Eros
+om haar met een van zijne pijlen liefde voor den leelijksten en
+gemeensten man te doen opvatten. Maar op het oogenblik dat Eros zijn
+pijl zou afschieten, wondde hij zichzelven er mede, en bekoord door
+hare schoonheid, verplaatste hij haar naar een lusthof, waar hij
+haar iederen nacht bezocht. Echter verbood hij haar ooit pogingen
+te doen om hem te zien of te leeren kennen, en aanvankelijk bedwong
+Ps. haar nieuwsgierigheid, maar na eenigen tijd wisten hare afgunstige
+zusters twijfel bij haar op te wekken, en zij besloot zich zekerheid
+omtrent den persoon van haar minnaar te verschaffen. Zoodra hij in
+slaap gevallen was, ontstak zij een lamp, maar door zijne schoonheid
+getroffen, liet zij, terwijl zij zich te ver over hem heen boog om hem
+goed te beschouwen, een druppel heete olie daaruit op zijn schouder
+vallen, de god ontwaakte, verweet haar haar gebrek aan vertrouwen
+en verliet haar. Ontroostbaar over dit verlies, dwaalde Ps. over de
+geheele aarde rond om haar minnaar te zoeken, ten slotte wendde zij
+zich tot Aphrodite zelve, die haar wel vergiffenis beloofde, maar haar
+eerst een aantal zware beproevingen oplegde, waaronder zij bezweken
+zoude zijn, indien niet Eros zelf, bij wien de oude liefde herleefd
+was, haar geholpen en gesterkt had. Ten slotte werd Aphrodite verzoend,
+de beide minnenden hereenigd, Ps. werd op den Olympus opgenomen en
+door Zeus met de onsterfelijkheid beloond.--Ps. wordt dikwijls in
+vereeniging met Eros afgebeeld als een vlinder of als een jonkvrouw
+met vlindervleugels.
+
+Psylli, Psylloi, oud-libysch volk in het binnenland van Cyrenaica;
+ze stonden bekend als slangenbezweerders.
+
+Psyra, Psyria, Psyra (ta), Psyria (he), eilandje ten W. van Chios. Daar
+het eilandje geen wijn voortbracht, zei men van geheelonthouders:
+Psyra ton Dionyson agontes.
+
+Psyttalia, Psyttaleia, rotseilandje in de zeeëngte tusschen Salamis
+en de kust van Attica, v.s. Hagios Georgios, v.a. Lipsokutali.
+
+Pteleum, Pteleon, naam van onderscheiden steden; in het thessalische
+gewest Phthiotis tegenover de invaart van de Pagasaeische golf,
+in Elis Triphyliaca, in aziatisch Ionia bij Erythrae, en ook elders.
+
+Pterelaus, Pterelaos, koning der Taphiërs, z. Comaetho.
+
+Pteria, Pteria, district en stad in Cappadocia, vroeger hoofdstad
+van het rijk der Hethiten.
+
+Pteron, pteroma, noemt men de zuilen van de voor- en achterzijde van
+grieksche tempels.
+
+Ptolemaeus, Ptolom., Ptolemaios, 1) Alorites, zie Alexander no. 6 en
+Perdiccas no. 3.--2) neef van Antigonus, wiens plannen hij eenigen
+tijd krachtig ondersteunde (315-312), later knoopte hij echter
+betrekkingen aan met Pt. van Aegypte, die hem vergiftigde (309).--3)
+van Epirus, zoon van Pyrrhus, nam gedurende den tocht van zijn vader
+naar Italië de regeering waar. Na eene schitterende overwinning ter
+zee nam hij Corcyra, hij versloeg Antigonus Gonatas en sneuvelde bij
+den tocht van zijn vader naar de Peloponnesus (272).--4) Pt. Lagi
+(Lagides), onder Philippus van het macedonische hof verbannen, werd
+door Alexander bij zijne lijfwacht geplaatst. Hij had een eervol
+deel aan alle ondernemingen van Alexander, streed bij Issus, nam
+Bessus gevangen, onderwierp Sogdiana, en behaalde roem in de indische
+oorlogen. Hij had ook bij den koning en bij het geheele leger grooten
+invloed en na Alexanders dood was hij het vooral, die de verdeeling
+van het rijk doorzette. Voor zijn aandeel kreeg hij Aegypte, door de
+verovering van Cyrene breidde hij zijn gebied uit, terwijl hij den
+aanval van Perdiccas op zijn rijk met beleid afweerde (321). In de
+nu volgende oorlogen tusschen de vroegere veldheeren van Alexander
+stond Pt. aanvankelijk met Antigonus, Seleucus e.a. tegenover Eumenes,
+nadat deze echter gevallen was, behoorde hij steeds tot de vijanden
+van Antigonus. Gedurende deze oorlogen kwam Pt. nu eens in het bezit
+van Phoenicië, Palaestina, Coele-Syrië en sommige eilanden, dan weder
+verloor hij deze veroveringen geheel of gedeeltelijk; in 312 behaalde
+hij een groote overwinning op Demetrius Poliorcetes bij Gaza, in 306
+werd hij door Demetrius bij Salamis op Cyprus verslagen. Eindelijk
+sneuvelde Antigonus in den slag bij Ipsus (301), en toen Demetrius,
+na korten tijd met zijne tegenstanders verzoend te zijn geweest, den
+oorlog hernieuwde, werd hij door Seleucus gevangen gemaakt (287). Op
+het voorbeeld van Antigonus en Demetrius had ook Pt. den koningstitel
+aangenomen (306), en toen hij in het volgende jaar Demetrius gedwongen
+had het beleg van Rhodus op te breken, gaven de dankbare Rhodiërs hem
+den bijnaam van Soter (Soter), dien hij sedert bleef voeren. Zijne
+onderdanen behandelde Pt. met wijze gematigdheid en tegenover hun
+godsdienst en eigenaardige gebruiken toonde hij groote toegevendheid,
+toch bevorderde hij grieksche taal en beschaving op alle wijzen, alle
+voorname betrekkingen waren in handen van Grieken, in het leger en op
+de vloot waren slechts weinige Aegyptenaren, en de hoofdstad Alexandrië
+was meer een grieksche dan eene aegyptische stad, en wel eene van
+de voornaamste steden der grieksche wereld, waarheen de koning niet
+alleen door begunstiging van handel en scheepvaart talrijke kooplieden
+lokte, maar waar ook reeds toen de voornaamste grieksche kunstenaars en
+geleerden werkten. Pt. zelf schreef eene geschiedenis van Alexander,
+een werk, dat door Arrianus als voornaamste bron gebruikt werd. Hij
+gaf in 285 de regeering aan zijn zoon over en stierf twee jaar later,
+84 jaar oud.--5) Pt. Ceraunus (Keraunos), oudste zoon van den vorigen,
+geraakte met zijn vader in oneenigheid en vluchtte naar Thracië bij
+Lysimachus. Na den dood van Agathocles (no. 2) moest hij vluchten;
+hij ging naar Syrië, spoorde Seleucus tot een veldtocht tegen
+Lysimachus aan, en wist van hem de belofte te verkrijgen, dat hij
+hem op den aegyptischen troon zoude herstellen. Maar toen Seleucus,
+nadat hij Lysimachus verslagen had, op weg was naar Macedonië, werd
+ook hij door Pt. vermoord. Door zijn krachtig optreden wist Pt. het
+leger van Seleucus voor zich te winnen en maakte hij zich van de
+regeering over Macedonië meester (280), maar reeds het volgende jaar
+sneuvelde hij in een oorlog tegen de Galliërs.--6) Pt. II Philadelphus
+(Philadelphos, zusterlievend), zoon en opvolger van Pt. Lagi, was
+evenals zijn vader een groot begunstiger van kunst en wetenschap;
+aan het Museum en de groote boekerij, beide reeds door zijn vader
+begonnen, legde hij groote sommen ten koste. Hij verstiet zijne
+gemalin Arsinoë, de dochter van Lysimachus, en trouwde met zijne
+zuster Arsinoë. Cyrene moest hij aan zijn afvalligen halfbroeder
+Magas laten, daarentegen voerde hij tegen Syrië een langdurigen, maar
+over het geheel gelukkigen oorlog, die eindigde met het huwelijk van
+zijne dochter Berenice met Antiochus II. Het gelukte hem echter niet
+in Griekenland en Macedonië vasten voet te krijgen, zijne pogingen
+daartoe leidden tot een oorlog, waarin hij ter zee door Antigonus
+Gonatas verslagen werd. Ook met Rome knoopte hij betrekkingen aan. In
+het belang van handel en wetenschap bevorderde hij tochten naar Indië
+en het Zuiden en trachtte hij vooral met Aethiopië betrekkingen aan te
+knoopen. Zijne laatste levensjaren werden verbitterd door den dood van
+Arsinoë en Berenice (z. Antiochus no. 3) en door ziekte, hij stierf in
+247 op den leeftijd van 63 jaar.--7) Pt. III Euergetes (Euergetes), zoo
+genoemd omdat hij de godenbeelden, vroeger door de Perzen geroofd, naar
+Aegypte terugbracht, zoon en opvolger van den vorigen, en evenals hij
+steeds werkzaam in het belang van kunst en wetenschap en niet minder
+van den handel, dien hij trachtte te bevorderen door het stichten
+van koloniën in Aethiopië en Arabië. Kort na het aanvaarden der
+regeering begon hij een oorlog tegen Syrië, waarbij hij het geheele
+land tot den Euphraat veroverde en zelfs tot den Indus voortrukte;
+wel werd hij door een opstand in Aegypte gedwongen terug te keeren,
+maar toch bedong hij bij den vrede (242) de overgave van de kusten van
+Klein-Azië en Syrië. Hij heroverde Cyrene en ondersteunde het streven
+van het achaeïsch verbond en later van Cleomenes III tegen Macedonië,
+waardoor hij in vijandschap met Antigonus Doson kwam, die echter
+spoedig door eene verzoening gevolgd werd. Cleomenes vond bij hem een
+zeer gunstig onthaal en zelfs maakte hij toebereidselen om hem met een
+leger naar Europa terug te zenden, maar zijn dood (221) maakte daaraan
+een einde.--8) Pt. IV Philopator (Philopator) of Tryphon (Tryphon),
+zoon en opvolger van den vorigen, een gewetenloos dwingeland, die
+zijne regeering inwijdde met het vermoorden van verscheiden zijner
+naaste bloedverwanten en van Cleomenes III, en haar overigens aan zijne
+gunstelingen Agathocles en Sosibius overliet, terwijl hij zich soms
+bezig hield met de studie van Homerus en zelf een treurspel dichtte,
+maar zich gewoonlijk aan dronkenschap en allerlei uitspattingen
+overgaf. Het zwaar onderdrukte volk kwam in opstand en werd met de
+grootste gestrengheid gestraft, en ook de Joden, die in groot aantal
+te Alexandrië woonden en van den vorigen Pt. vele gunsten genoten
+hadden, werden met groote onverdraagzaamheid behandeld. De herhaalde
+aanvallen van Antiochus den Gr. werden wel door de groote overwinning
+bij Raphia (217) afgeslagen, maar op den duur bleek het noodig tegen
+dezen vijand bij Rome steun te zoeken, terwijl men aan den anderen kant
+de uitbreiding van Rome door een bondgenootschap met Macedonië zocht
+tegen te werken. Pt. stierf in 205.--9) Pt. V Epiphanes (Epiphanes),
+zoon en opvolger van den vorigen, was bij den dood van zijn vader
+eerst 4 jaar oud. Reeds dadelijk bij het begin zijner regeering brak
+in Alexandrië een hevig oproer uit, waarbij de gunstelingen van Pt. IV,
+o.a. Sosibius, vermoord werden, ook de eigenlijke Aegyptenaren, vooral
+de soldatenkaste, kwamen in opstand en hier en daar verhieven zich
+inheemsche vorsten. Gedurende de minderjarigheid des konings maakten
+Syrië en Macedonië zich van een aantal buitenlandsche bezittingen van
+Aegypte meester, en eerst de tusschenkomst der Rom. behoedde Pt. voor
+nog grootere verliezen. Nadat met Antiochus een vrede gesloten was
+(198), later bevestigd door het huwelijk van diens dochter Cleopatra
+met Pt., werd de aegyptische opstand deels met geweld, deels door
+toegevendheid onderdrukt, ofschoon Thebe zich eerst in 186 overgaf. Ook
+nadat Pt. in 196 plechtig de regeering aanvaard had, bleef hij een
+werktuig in de handen zijner elkander na Aristomenes (z.a.) snel
+afwisselende ministers, en langzamerhand gingen alle bezittingen
+behalve Cyrene en Cyprus verloren. Terwijl Pt. zich tot een nieuwen
+oorlog met Syrië voorbereidde en daarvoor het bondgenootschap der
+Aetoliërs zocht, stierf hij, vermoedelijk door vergift (181).--10)
+Pt. VI Philometor (Philometor), zoon en opvolger van den vorigen,
+was bij den dood van zijn vader eerst 6 jaar oud, en regeerde onder
+voogdij zijner moeder Cleopatra. Na haar dood (173) begonnen de
+ministers van Pt. een onberaden oorlog tegen Syrië, dien Antiochus
+IV gaarne aannam. Deze won een grooten slag bij den berg Casius,
+veroverde Pelusium en drong ver in Aegypte door. Pt. vluchtte en de
+Alexandriërs riepen zijn broeder onder den titel Pt. VII Euergetes
+II tot koning uit. Wel nam Antiochus nu den schijn aan alsof hij de
+rechten van Philometor tegen Euergetes wilde verdedigen, en bracht hij
+Philometor naar Memphis terug, maar toen hij door onlusten in zijn
+rijk gedwongen was naar Syrië terug te keeren en de broeders zich
+gedurende zijne afwezigheid door toedoen van hun zuster Cleopatra
+(no. 6) inderdaad verzoenden, hervatte hij den oorlog krachtiger
+dan te voren en reeds stond hij voor Alexandrië, toen hij door de
+tusschenkomst van Rome gedwongen werd den oorlog te eindigen en
+de reeds gemaakte veroveringen terug te geven (168). Doch spoedig
+ontstonden twisten tusschen de beide broeders, die eenmaal zelfs zoo
+hoog liepen, dat Philometor naar Rome moest vluchten (164); de senaat
+liet hem wel terugbrengen en het rijk tusschen de beide broeders
+verdeelen, maar daarmede was de vrede niet hersteld, daar Euergetes
+voortdurend aanvallen op het aandeel zijns broeders deed. Philometor
+toonde in al deze moeilijkheden een waardig en vast karakter, ook
+tegenover Rome, dat met opzet de broedertwisten gaande hield. In
+146 stierf hij in Syrië aan de gevolgen van een val van zijn paard,
+nadat hij Alexander Balas verdreven en Demetrius Nicator op den troon
+hersteld had.--11) Pt. VII Euergetes II Physcon (Physkon, dikbuik),
+broeder van den vorigen (zie boven), kreeg na diens dood de regeering
+over het geheele rijk. Hij dwong de weduwe van Philometor, Cleopatra,
+hem te huwen en vermoordde haar zoon Pt. Eupator, daarna liet hij
+een aantal burgers van Alexandrië dooden of verbannen, eindelijk nam
+hij de dochter van Cleopatra tot tweede vrouw. In 130 werd hij door
+een oproer gedwongen met zijn tweede vrouw naar Cyprus te vluchten,
+terwijl Cleopatra tot koningin uitgeroepen werd, uit wraak doodde hij
+zijn eigen zoon en zond hij diens aan stukken gesneden lijk aan zijne
+moeder. Toch gelukte het hem deels door geweld, deels door overleg,
+drie jaar later terug te komen, zich met Cleopatra te verzoenen, zich
+op zijne tegenstanders te wreken en belangrijken invloed te krijgen
+in de syrische aangelegenheden. Overigens stelde ook hij veel belang
+in kunst en wetenschap, hij bestudeerde ijverig Homerus en schreef
+werken over geschiedenis en aardrijkskunde. Hij stierf in 116.--12)
+Pt. VIII Soter II Lathyrus (Lathyros), zoon van den vorigen en de
+jongere Cleopatra, werd op verlangen van het volk door zijne moeder
+tot mederegent aangenomen. In 107 werd hij door haar gedwongen te
+vluchten, hij ging naar Cyprus en van daar naar Syrië, maar na de
+vlucht van zijn jongeren broeder (z. no. 13) werd hij teruggeroepen
+(89). Thebe, waar de oud-aegyptische bevolking in opstand gekomen
+was, werd na drie jaar ingenomen en verwoest (85). Overigens regeerde
+hij rustig tot zijn dood (80).--13) Pt. IX Alexander regeerde na de
+verdrijving van zijn broeder Pt. Lathyrus met zijne moeder en liet
+zich geheel door haar beheerschen. Toen hij zich evenwel persoonlijk
+door haar bedreigd zag, doodde hij haar; hij moest echter voor de
+woede van het volk vluchten en sneuvelde kort daarna in vreemden
+krijgsdienst.--14) Pt. Apion (Apion), onechte zoon van Pt. Physcon,
+kreeg na den dood van zijn vader Cyrene; toen hij stierf, liet hij
+zijn land bij testament aan de Rom. na (96).--15) Pt. X Alexander
+II, zoon van Pt. Alexander, huwde op bevel van Sulla na den dood
+van Pt. Lathyrus met diens eenige dochter Berenice, die vroeger met
+Pt. Alexander gehuwd was geweest, en werd zoo koning. Na drie weken
+doodde hij Berenice, waarna hij door het volk gedood werd.--16) Pt. XI
+of XIII Auletes (Auletes, fluitspeler), onechte zoon van Pt. Lathyrus,
+vandaar ook wel Nothus genoemd, maakte zich na den dood van den vorigen
+van Aegypte meester. Alleen door den steun der rom. legers in Azië
+konde hij zich tegen de herhaalde opstanden van zijn volk staande
+houden, terwijl hij weder, om dien steun te koopen, steeds drukkender
+belastingen moest opleggen. In 58 werd zijn broeder door de Rom. uit
+Cyprus verjaagd, en toen het volk zich daartegen wilde verzetten, maar
+Pt. weigerde zich aan hun hoofd te stellen, werd hij verjaagd, en zijne
+dochter Berenice tot koningin uitgeroepen (z. Archelaus no. 5). Drie
+jaar later werd hij door den proconsul A. Gabinius teruggebracht,
+waarna hij bloedige wraak nam en ook Berenice liet dooden. Hij
+stierf in 52.--17) Pt. XII Dionysus, oudste zoon en opvolger van den
+vorigen. In de twisten met zijne zuster Cleopatra, met wie hij volgens
+den wil zijns vaders de regeering moest deelen, werd hij een tijd lang
+door Caesar gevangen gehouden. Weder in vrijheid gesteld, hervatte
+hij den strijd, maar hij werd verslagen en verdronk, naar men zeide,
+in den Nijl (47), ofschoon anderen later beweerden dat hij zich gered
+had en te Aradus woonde.--18) Pt. XIII Puer, jongere broeder van den
+vorigen, na wiens dood hij door Caesar tot mederegent van Cleopatra
+werd aangesteld, die hem in 43 liet dooden.--19) Pt. Philadelphus,
+zoon van M. Antonius en Cleopatra, regeerde tot den dood van zijn vader
+over Syrië en Voor-Azië.--20) zoon van Juba II en Cleopatra no. 11,
+koning van Mauretania, hielp de Rom. in den oorlog tegen Tacfarinas
+en ontving tot belooning daarvoor groote eerbewijzen. Door Caligula
+werd hij naar Rome genoodigd en kort daarna, omdat het volk hem te
+veel oplettendheid bewees, ter dood gebracht (40 na C.). Zijn rijk
+werd ingelijfd.--21) Pt. Chennos, waarschijnlijk een tijdgenoot van
+Nero, schreef in verschillende werken, in proza en verzen, allerlei
+bizonderheden uit geschiedenis en mythologie, die, voor zoover
+men kan nagaan, louter verzinsels van hem zijn.--22) Claudius Pt.,
+beroemd wis-, aardrijks- en sterrenkundige, tijdgenoot van Antoninus
+Pius. Door zijne wetenschappelijke waarnemingen, waarvan hij de
+vruchten in een aantal werken nederlegde, vestigde hij de aardrijks-
+en sterrenkunde op zuiver wiskundigen grondslag en bracht hij die
+wetenschappen tot eene hoogte, die in vele eeuwen niet overtroffen
+is. Zijne werken, door Theon (no. 3), Pappus e. a. van commentaren
+voorzien en voor een groot deel in het Latijn en Arabisch vertaald,
+zijn voor een deel bewaard gebleven, de voornaamste daarvan zijn:
+Geographike Hyphegesis, de hoofdbron voor de kennis der oude geografie,
+Megale Syntaxis tes Astronomias (arab. Almagest), zijn astronomisch
+hoofdwerk, bevattende de leer van de beweging der sterren, e. a.--23)
+Verschillende grammatici, rhetoren en geschiedschrijvers van den
+alexandrijnschen tijd en later droegen den naam Pt., hunne werken
+zijn alle verloren.
+
+Ptolemais, naam van verschillende steden, door Ptolemaeën gesticht
+of herdoopt, waaronder 1) het vroegere Ace of Acco, thans St. Jean
+d'Acre, op de kust van Palaestina.--2) Pt. Hermii, aan den linker
+Nijloever in Thebaïs.--3) stad aan de arabische golf, Theron (Theron)
+bijgenaamd, uitgangspunt voor de jacht op olifanten.--4) havenstad
+van Barca in Cyrenaica.
+
+Ptoliporthus, Ptoliporthos, 1) zoon van Telemachus en Nausicaä, ook
+Perseptolis genoemd.--2) stedenverwoestend, bijnaam van Ares, Enyo,
+Achilles, Odysseus e. a.
+
+Ptoum, Ptoon, gebergte in Boeotia, aan de Oostzijde van het meer
+van Copais, met een beroemden tempel van Apollo, waaraan een orakel
+verbonden was. Bij de opgravingen is veel archaisch beeldwerk voor
+den dag gekomen.
+
+Ptychia, Ptychia, eilandje in de Ionische zee tusschen Corcyra en
+de kust.
+
+Publicani, telonai, pachters der indirecte belastingen in de
+provinciën. Daar voor de pacht, die terstond voldaan moest worden,
+groote kapitalen vereischt werden, ontstonden er vennootschappen,
+societates publicanorum (zie equites). De vertegenwoordiger van
+zulk eene vennootschap werd manceps geheeten, ook wel auctor. Daar
+de ridders de kapitalisten waren en tevens sedert 123 de rechters
+uit hun midden werden gekozen, was het voor de stadhouders dikwijls
+zeer moeielijk de knevelarijen der publicani te keer te gaan, zonder
+zich bij hunne terugkomst eene of andere aanklacht op den hals te
+halen. Ook toen sedert Sulla de iudicia niet meer uitsluitend bij de
+equites waren, bleven deze toch door hunne geldmacht een lichaam in
+den staat, waarmede de stadhouders rekening moesten houden.
+
+Publicia (lex), een plebisciet, onzeker van welk jaar, tot beperking
+van het spelen en dobbelen bij de Saturnalia.
+
+Publicii, plebejisch geslacht, uit Latium afkomstig. L. en M. Publicius
+Malleolus stichtten in 238 als aedielen den tempel van Flora uit
+boeten, die zij opgelegd hadden, en legden van het overschot een weg
+naar den mons Aventinus aan (ten N.), clivus Publicius genoemd.
+
+Publicius clivus, zie Publicii.
+
+Publicola = Poplicola.
+
+Publilia (lex) van den volkstribuun Publilius Volero in 471, ut plebeii
+magistratus tributis comitiis fierent, d. w. z. dat de plebs tributim
+mocht bijeenkomen voor het verkiezen van plebejische ambtenaren,
+z. verder Tribuni plebis.
+
+Publiliae (leges) van den dictator Q. Publilius Philo in 339: 1)
+dat de plebiscita voor alle burgers verbindend zouden zijn; v. s. is
+dit een anticipatie van de lex Hortensia van 287.--2) dat de patres
+vóór de stemming over wetsvoorstellen in de centuriaatcomitiën den
+uitslag zouden goedkeuren (ut ante initum suffragium patres auctores
+fierent); hierdoor werd de patrum auctoritas (zie patres) tot een
+bloote formaliteit gemaakt.--3) dat één der censoren voortaan uit de
+plebs moest gekozen worden.
+
+Publilii, rom. geslacht, ten deele patricisch, ten deele plebejisch. 1)
+Publilius Volero had in 473 twisten met de consuls gehad en zich
+vruchteloos om hulp tot de volkstribunen gewend, die de consuls
+niet durfden of wilden weerstreven. Immers was kort geleden een der
+volkstribunen, Cn. Genucius, door sluipmoord omgebracht. In 472 werd
+Volero tot volkstribuun gekozen, en stelde toen aan het volk zijne lex
+Publilia voor (z. a.). De tegenpartij wist de zaak op de lange baan
+te schuiven, doch Volero werd voor 471 herkozen en de wet ging door,
+na heftige tooneelen, waarbij het tusschen Volero en een der consuls
+bijna tot handtastelijkheden kwam.--Ten gevolge van deze wet werden er
+in dit jaar 4 tribuni plebis gekozen. Zie Tribuni plebis. Wat omtrent
+Publilius Volero zelf verteld wordt, lijkt niet zeer geloofwaardig te
+zijn.--2) Q. Publilius Philo (zie leges Publiliae), was in 339 consul
+en werd door zijn ambtgenoot tot dictator in den latijnschen oorlog
+benoemd; in 337 was hij de eerste plebejische praetor, in 332 censor,
+in 327, 320 en 315 weder consul. Publilius Philo was ook de eerste
+consul, aan wien het volk op verzoek van den senaat, na afloop van
+den ambtstijd, het imperium liet behouden met den titel pro consule
+(326). Hij streed roemrijk tegen de Samnieten.--3) Publilia was
+de naam van Cicero's tweede vrouw. Zij was met haar veel ouderen
+echtgenoot niet gelukkig en het kwam tot eene scheiding (45). Haar
+broeder Publilius en Cicero's vriend T. Pomponius Atticus regelden
+daarbij de geldzaken.
+
+Publilius Syrus, een vrij gelaten slaaf, uit Syrië geboortig,
+tijdgenoot van Cicero, schreef mimen, die zeer gewild waren, en
+waaruit nog eene verzameling spreuken overig is. Hij trad zelf ook
+op als mimus, zie Laberii.
+
+Pudicitia, personificatie der kuischheid. Zij werd door patricische
+vrouwen in een tempel aan het Forum Boarium vereerd, maar toen
+de patricische Virginia van den dienst van P. werd uitgesloten,
+omdat zij met een plebejer gehuwd was, richtte zij een afzonderlijk
+heiligdom voor P. ten dienste der plebejische vrouwen op (296). Van
+toen af onderscheidde men eene P. patricia en eene P. plebeia.
+
+Pugilatus, het vuistgevecht, dat tot de gymnastische wedstrijden
+behoorde en overeenkomst had met het engelsche boksen, met dit verschil
+evenwel, dat de ouden zich daarbij van den caestus bedienden (z. a.).
+
+Pylagorai, z. Amphictyones.
+
+Pylartes, die de poorten (der onderwereld) gesloten houdt, bijnaam
+van Hades.
+
+Pulcher, familienaam in de gens Claudia (Claudii no. 7-10, 12-17).
+
+Pulchrum promunturium, zie Apollinis promunturium.
+
+Pulvinar, het kussen, ook de sofa, waarop de beelden der goden rustten
+bij een lectisternium (z.a.). Later werd het woord ook gebezigd
+voor rustbanken en zitplaatsen van hooggeplaatste personen. Zoo werd
+b.v. de keizerlijke loge in den circus en het amphitheater ook wel
+Pulvinar genoemd.
+
+Punische oorlogen worden de drie oorlogen genoemd, die Rome met
+Carthago voerde, en waarvan de eerste (264-241) met den afstand van
+het carthaagsche deel van Sicilia, de tweede (218-202) met Hannibal's
+nederlaag en Carthago's vernedering, de derde (149-146) met Carthago's
+ondergang eindigde.
+
+Pupienius Maximus (M. Clodius), een handwerkerszoon, die van
+soldaat tot de hoogste ambten opklom en zich een uitstekend generaal
+betoonde. In 238 na C. werden hij en Balbinus (z.a.) door den senaat
+tot keizers uitgeroepen, doch door de praetorianen, wien deze keus
+niet beviel, vermoord.
+
+Pupia (lex), onzeker van welken tijd. Zij verbood senaatszittingen
+te houden op dagen, voor de comitiën bestemd, alsmede in de maand
+Februari, behalve tot het verleenen van audiëntie aan gezantschappen.
+
+Pupii, een plebejisch geslacht. Bij Horatius wordt een dichter
+Pupius bespot als maker van lacrimosa poëmata.--M. Pupius Piso Frugi
+Calpurnianus, z. Calpurnii no. 5.
+
+Pupinius ager, Pupinia, dorre streek van Latium, ten O. van Rome,
+in de nabijheid van het gebied van Tusculum. Het is het gebied der
+oude tribus Pupinia.
+
+Pura, Poura (= stad), hoofdstad van het perzische gewest Gedrosia.
+
+Pyromanteia, het voorspellen van de toekomst uit het branden van
+een offervuur, eene kunst, die, naar men beweerde, door Amphiaraus
+was uitgevonden.
+
+Pyrriche, een bij fluitspel uitgevoerde dans, een soort ballet, waarbij
+de dansers gewapend zijn en de bewegingen van strijders nabootsen. De
+Cureten, de Dioscuren, Dionysus of Athena worden als de uitvinders
+er van genoemd. De pyrr. werd te Sparta bij de Gymnopaedia, te Athene
+bij de Panathenaea uitgevoerd, te Rome werden in den keizertijd door
+knapen dergelijke vertooningen gegeven.
+
+Puteal, zie Bidental.
+
+Puteoli, Pouteoloi, vroeger Dicaearchia geheeten, haven van Cumae,
+in 528 aan de golf van Cumae (golf v. Napels) door inwoners van Samos
+gesticht, welke golf later ook wel sinus Puteolanus werd genoemd. De
+stad kwam in 421 in handen der Samnieten, in 318 (v. a. in 338) werd
+ze romeinsch. In 194 werd ze rom. kolonie en kreeg haren naam naar
+de minerale bronnen in den omtrek, hetzij dan van putere wegens den
+stank der zwavelbronnen, hetzij van puteal. Een in zee uitgebouwde
+dam vormde eene ruime haven terwijl de kust met prachtige villa's was
+bebouwd. Cicero had hier een landgoed, zijn Puteolanum, waar hij zijne
+Quaestiones academicae schreef, ook Lucullus had hier eene villa en
+keizer Hadrianus werd er begraven. In 410 na C. werd P. door Alarik
+verwoest, in 455 door den Vandaal Genserik, in 545 door de Gothen
+onder Totilas, doch telkens werd het herbouwd en heet thans Pozzuoli.
+
+Pyanepsia, Pyanepsia, een feest, den 7den Pyanepsion te Athene gevierd
+ter eere van Apollo en Athena, later ook ter gedachtenis aan Theseus,
+een soort afscheid van den zomer. Het ontleende zijn naam aan het
+koken en eten van een gerecht van boonen en andere peulvruchten. Zie
+ook eiresione.
+
+Pyanepsion, Pyanepsion, 4de maand van het Attische jaar (Oct.-Nov.),
+z. Annus.
+
+Pydna, Pydna, stad in Macedonia, in het landschap Pieria, nabij de
+golf van Thermae. Philippus van Mac. maakte er een sterke vesting
+van. Bij Pydna werd koning Perseus in 168 door L. Aemilius Paullus
+(Aemilii no. 10) verslagen.
+
+Pygela, Pygela, later Phygela, stadje aan de aziatisch-ionische kust,
+even ten Z. van Ephesus, met een Artemistempel.
+
+Pygmaei, Pygmaioi, zoo groot als een vuist, een volk van dwergen,
+wier land men aan de kusten van den Oceaan, aan de bronnen van den
+Nijl, in Indië of het hooge Noorden plaatste, maar wier bestaan
+door de ouden reeds geloochend werd, terwijl weder sommige nieuwere
+reizigers gelooven hen terug te vinden in een afrikaansch volk van
+kleine menschen nabij den evenaar. Volgens Homerus e. a. dichters
+trekken de kraanvogels jaarlijks uit om hunne korenvelden te plunderen
+en kunnen de P. zich slechts met moeite tegen deze vijanden verdedigen.
+
+Pygmalion, Pygmalion, 1) z. Dido.--2) koning van Cyprus, werd verliefd
+op een door hemzelf gemaakt ivoren vrouwebeeld; op zijn gebed bezielde
+Aphrodite het beeld, waarna P. met de zoo geschapen vrouw huwde en
+bij haar vader werd van Paphus.
+
+Pylades, Pylades, 1) zoon van Strophius, neef en getrouw vriend van
+Orestes (z. a.), met wiens zuster Electra hij huwde.--2) beroemd
+balletdanser (pantomimus) onder Augustus, door wien hij om zijn
+overmoedig gedrag tegenover het publiek uit Italië verbannen werd.
+
+Pylae, Pylai (= poorten), naam van verschillende bergpassen. Zonder
+adjectief = Thermopylae.
+
+Pylene, Pylene, oude stad in Aetolia, later Proschium.
+
+Pylus, Pylos, 1) stadje in Elis aan den Peneus.--2) stad in het
+eleïsche gewest Triphylia, eenmaal de zetel van den grijzen Nestor.--3)
+stad op de Westkust van Messenia, in den peloponnesischen oorlog
+bekend door de blokkade van het nabijgelegen eiland Sphacteria
+(426). Door de ligging van dit eiland had Pylus eene der schoonste
+havens van Griekenland, thans de baai van Navarino genoemd.
+
+Pyracmon, een Cycloop.
+
+Pyramides, pyramides, de bekende steengevaarten in Aegypte, welke
+in verschillende groepen in een gedeelte van Midden-Aegypte langs
+den linker Nijloever liggen. Zij zijn alle vierzijdig, met de vier
+zijden naar de vier hemelstreken gekeerd. De grootste zijn die,
+waarvan de bouw door Herodotus aan de koningen Cheops, Chephren en
+Mycerinus wordt toegeschreven. De Rom. volgden enkele malen voor hunne
+grafgebouwen den pyramidenbouw op kleine schaal na, zie Cestius no. 1.
+
+Pyramus, Pyramos, een babylonisch jongeling van buitengewone
+schoonheid, beminde de even schoone Thisbe en werd door haar bemind,
+maar hunne ouders, die in vijandschap met elkander leefden, wilden in
+hun huwelijk niet toestemmen. Lang zagen de minnenden daarom elkander
+slechts door een spleet in den gemeenschappelijken muur tusschen beider
+huizen, eindelijk spraken zij af elkander bij het graf van Ninus te
+ontmoeten. Nauwelijks was Thisbe op de afgesproken plaats verschenen,
+of zij werd verschrikt door net naderen van een leeuw, zij vluchtte
+en verloor in de verwarring haar sluier, dien de leeuw vond en met
+zijn muil, nog bevlekt door het bloed van pas verscheurde runderen,
+verscheurde. Kort daarop kwam ook P. en toen hij den bloedigen sluier
+zag, meende hij, dat Thisbe door een wild dier verscheurd was, hij trok
+zijn zwaard en doodde zich. Te laat keerde Thisbe terug, zij vond haar
+minnaar reeds dood en bracht zich nu ook met zijn zwaard om het leven.
+
+Pyramus, Pyramos, vrij breede rivier in het O. van Cilicia, die in
+Cataonia ontspringt, door den Taurus heenbreekt en bij Mallus in
+zee valt.
+
+Pyrasus, Pyrasos, oude, later verwoeste stad in het thessalische
+landschap Phthiotis, met een aan Demeter geheiligd bosch.
+
+Pyrenaei montes, Pyrenaia ore, het scheidingsgebergte tusschen Gallia
+en Hispania, thans nog de Pyreneën geheeten.
+
+Pyrene, Pyrene, 1) bij Herodotus vermelde keltische stad nabij de
+bronnen van den Ister (Donau).--2) = Pyrenaei montes.
+
+Pyrenes promunturium, ook prom. Veneris geheeten, thans kaap Creuz, een
+oostelijke uitlooper der Pyrenaeën, met een tempel van Venus Pyrenaea.
+
+Pyretus, Pyretos, zijtak van den Ister, thans de Pruth.
+
+Pyrgi, Pyrgoi, 1) stad in het eleïsche gewest Triphylia op de
+messenische grenzen, volkplanting der Minyers.--2) oude stad met
+cyclopische muren in Zuid-Etruria, later havenstad van Caere,
+aan de via Aurelia. Pyrgi werd in 384 door Dionysius van Syracuse
+geplunderd. In de 2de eeuw was het rom. kolonie. Beroemd was de rijke
+tempel van Ilithia of Leucothea.
+
+Pyrgoteles, Pyrgoteles, beroemd steensnijder, die uitsluitend het
+recht had het portret van Alexander den Gr. te graveeren.
+
+Pyrgus, Pyrgos = Pyrgi no. 1.
+
+Pyriphlegethon, Pyriphlegethon, geweldige vuurstroom, die den Tartarus
+omgeeft.
+
+Pyrrha, Pyrra, dochter van Epimetheus en Pandora, gemalin van Deucalion
+(z. a.).
+
+Pyrrha, Pyrra, 1) stad op het eil. Lesbus aan een inham, den Euripus
+Pyrrhaeus, later bij een aardbeving door een vloedgolf vernietigd.--2)
+stad en kaap in het thessalische landschap Phthiotis, aan de golf
+van Pagasae. Twee kleine nabijgelegen eilandjes heetten Pyrrha en
+Deucalion.
+
+Pyrrhi castra, Pyrrou charax, sterkte in het N. van Laconica, uit
+eene oude legerplaats ontstaan, door Pyrrhus opgeslagen, toen deze
+in 272 in de Peloponnesus viel.
+
+Pyrrho, Pyrron, van Elis, geb. omstreeks 360, gest. omstreeks 275,
+volgde, nadat hij verschillende grieksche wijsgeeren, o. a. Stilpo,
+gehoord had, met zijn vriend Anaxarchus Alexander op diens tochten naar
+Azië, waar hij ook met de gymnosophisten en magiërs kennis maakte. Hij
+kwam tot het besluit dat voor en tegen ieder stelsel evenveel te zeggen
+is, en dat ieder stelsel in zichzelf aan groote tegenstrijdigheden
+lijdt; daarom achtte hij de kennis van het wezen der dingen voor den
+mensch onbereikbaar (akatalepsia) en leerde, dat derhalve de wijze zich
+van een oordeel moet onthouden (epoche). Alleen in deugd en gemoedsrust
+(ataraxia) bestaat het geluk. De aanhangers van P. noemen zich, in
+tegenstelling met de dogmatikoi, gewoonlijk skeptikoi, ook aporetikoi,
+ephektikoi, zetetikoi, of eenvoudig Pyrroneioi.
+
+Pyrrhus, Pyrros, 1) = Neoptolemus.--2) koning van Epirus, die van
+Achilles beweerde af te stammen. Na veel strijd kwam hij in 307 aan
+de regeering, na vijf jaar werd hij echter bij een opstand verjaagd,
+hij ging naar Demetrius Poliorcetes, streed dapper in den slag bij
+Ipsus, ging daarna naar Alexandrië, waar hij met een stiefdochter
+van Ptolemaeus I trouwde, en keerde, door zijn schoonvader met geld
+en troepen ondersteund, naar zijn land terug, eerst na den dood van
+Neoptolemus (no. 3) kreeg hij echter weder de regeering over het
+geheele rijk (296). Nu trachtte hij zijn gebied uit te breiden door
+verovering van de naburige landen, zelfs van Macedonië; hij vond steun
+bij de vijanden van Demetrius, en inderdaad werd hem na den val van
+dezen (287) de kroon aangeboden, maar zij werd hem weldra ontnomen
+door Lysimachus, tegen wien hij zelfs Epirus verdedigen moest. Vol
+vreugde gaf hij daarom gehoor aan de uitnoodiging der Tarentijnen,
+die zijne hulp tegen Rome inriepen, en hopende door dezen oorlog
+vergoeding voor het verlies van Macedonië te vinden, ging hij met
+een groot leger naar Italië (281). Hij versloeg de rom. legers bij
+Heraclea (280) en bij Asculum (Ausculum, 279), maar intusschen leed
+hij op zijn beurt onherstelbare verliezen, van de Tarentijnen kon
+hij alleen door de uiterste strengheid eenige medewerking krijgen,
+de waardige en heldhaftige houding der Rom. boezemde hem eerbied en
+vrees in, en eindelijk begon P. aan het slagen zijner onderneming te
+wanhopen. Hij verliet daarom Italië (278), waar hij echter zijn zoon
+Alexander met een leger achterliet en ging naar Sicilië om Syracuse
+tegen de Carthagers te helpen; overal met vreugde ontvangen, dwong
+hij de vijanden het beleg van Syracuse op te breken en ontnam hij
+hen hun geheel gebied op Sicilië behalve Lilybaeum, maar toen het hem
+niet gelukte hen ook van daar te verdrijven, begonnen de Siciliërs te
+wankelen, en toen P. toebereidselen maakte voor een landing in Afrika,
+brak er zelfs een opstand tegen hem uit en sloten vele steden zich
+weder bij de Carthagers aan. Nogmaals door de Tarentijnen dringend
+te hulp geroepen, greep hij gretig deze gelegenheid aan om uit zijn
+moeilijken toestand bevrijd te worden, hij ging naar Tarentum, maar
+werd door M'. Curius Dentatus v.s. bij Beneventum, v.a. in Arusinis
+Campis in Lucania verslagen en tot den terugtocht genoodzaakt (275). In
+zijn land teruggekeerd, deed hij plotseling een aanval op Macedonië,
+en het gelukte hem spoedig een groot deel er van onder zijne macht te
+brengen, maar op uitnoodiging van den Spartaan Cleonymus liet hij zijne
+veroveringen daar varen en keerde hij zich naar de Peloponnesus. Een
+aanval op Sparta mislukte, en toen P. op den terugtocht Argos wilde
+bezetten en de troepen van Antigonus Gonatas en van de Spartanen te
+gelijk met hem in de stad drongen, ontstond er een hevig straatgevecht,
+waarin P. een dakpan of een steen op het hoofd kreeg, neerviel en
+afgemaakt werd (272). Hoewel hij om zijn persoonlijken moed, zijn
+ridderlijk karakter en zijn ijver, ja zelfs om zijn uiterlijk, dat
+aan Alexander d. Gr. herinnerde, hij zijne troepen zeer bemind was,
+had hij door gemis aan volharding geen zijner ondernemingen tot een
+goed einde gebracht. Hij was de schrijver van eenige werken over
+krijgskunde, die verloren gegaan zijn.
+
+Pythagoras, Pythagoras, 1) beroemd grieksch wijsgeer, van wiens
+leven en leer echter betrekkelijk weinig met zekerheid bekend
+is. Hij wordt een zoon van Mnesarchus genoemd, werd waarschijnlijk
+op Samus omstreeks 580 geboren, zou een leerling van Thales, Bias,
+Anaximander en Pherecydes geweest zijn, en groote reizen, o.a. naar
+Aegypte en Babylon, gedaan hebben. Ongeveer 50 jaar oud kwam hij te
+Croton en stichtte hij daar onder de aristocratische partij een bond,
+waarvan de strekking was het invoeren van allerlei hervormingen op
+zedelijken, wijsgeerigen en godsdienstigen grondslag en de vestiging
+eener streng aristocratische staatsinrichting. Inderdaad gelukte
+het zijn aanhangers, bezield door den ernst en ijver van P., niet
+slechts te Croton, maar in verscheiden steden van Beneden-Italië
+het staatsbestuur in hun geest te hervormen en grooten invloed te
+verkrijgen en in meerdere of in mindere mate meer dan een eeuw te
+behouden (vgl. Archytas).--De eigenlijke leerlingen van P. leefden
+met elkander in gemeenschap van goederen en onder inachtneming van
+zeer strenge leefregels en allerlei ceremoniën; eerst na velerlei
+beproevingen, langdurig zwijgen, enz., kon men in hun verbond worden
+opgenomen. Hij had onder hen zoo groot gezag, dat de woorden autos epha
+(hijzelf, de meester, heeft het gezegd) voor velen een afdoend argument
+waren, hijzelf zou zich daarentegen uit bescheidenheid den naam van
+philosophos gegeven hebben, terwijl zij, die zich met wijsgeerige
+studiën bezig hielden, zich vroeger sophistai of sophoi noemden. Van
+zijne leer is weinig met zekerheid te zeggen, daar zij grootendeels
+opzettelijk geheim gehouden werd; P. zelf heeft, naar het schijnt,
+niets geschreven; alle werken die onder zijn naam en misschien met
+een enkele uitzondering (z. Philolaus no. 2), alle die onder den naam
+zijner leerlingen bewaard gebleven zijn, zijn onecht. Hij of zijne
+volgelingen zochten het wezen der dingen in het getal; evenals zich
+daarin het begrensde en onbegrensde, het onevene en evene tot eene
+harmonie vereenigen, zoo zijn volgens hen in alle dingen tegengestelde
+elementen door getal en maat harmonisch vereenigd. Bij de toepassing
+van dit beginsel werden vooral de wiskundige wetenschappen (theorema
+van P.), de muziek en de astronomie (harmonie der sferen) beoefend;
+ook bij zedelijke begrippen namen formules de plaats van definities in,
+zooals bijv. de rechtvaardigheid door een kwadraatgetal voorgesteld
+werd. Waarschijnlijk heeft P. zelf slechts den grond gelegd tot dit
+stelsel, waarop dan door zijne leerlingen verder voortgebouwd is, van
+hemzelf is echter de leer der zielsverhuizing (vgl. Euphorbus).--Ook
+over het einde van P. zijn de berichten verschillend; v.s. werd hij
+bij een opstand der democratische partij verjaagd en vluchtte hij naar
+Metapontum, waar hij op 80- of 90-jarigen leeftijd stierf, v.a. werd
+bij dien opstand het gebouw, waarin hij en zijne leerlingen vereenigd
+waren, in brand gestoken en kwam hij met 300 zijner aanhangers daarbij
+om (500).--2) van Rhegium, beroemd beeldhouwer uit de eerste helft
+der 5de eeuw, hij maakte voornamelijk athletenbeelden van metaal,
+die door standen en verhoudingen uitmuntten.
+
+Pytheas, Pytheas, 1) atheensch demagoog, vroeger partijgenoot, later
+tegenstander van Demosthenes; in den lamischen oorlog vluchtte hij naar
+Antipater.--2) van Massilia, beroemd zeevaarder en aardrijkskundige
+ten tijde van Alexander d. G., die ontdekkingsreizen deed langs de
+westelijke en noordelijke kusten van Europa. Zijne reisbeschrijvingen,
+waarin hij tevens dikwijls aardrijkskundige onderwerpen behandelde
+en sterrenkundige waarnemingen mededeelde, werden ten onrechte door
+velen als fabelachtig beschouwd.
+
+Pythia, Pythia, z. Delphi.
+
+Pythia, Pythia, de pythische spelen, om de vier jaar, en wel ieder
+derde Olympiadenjaar, tegen het einde van den zomer in de vlakte van
+Crissa gevierd ter eere van Apollo, die na het dooden van den draak
+Python zelf dit feest zou ingesteld hebben, z. Pytho. Het bestond
+oorspronkelijk alleen uit een muzikalen wedstrijd, later kwamen er naar
+het voorbeeld der olympische spelen andere wedstrijden bij. De prijs
+was een lauwerkrans. Kamprechters waren oorspronkelijk de Delphiërs,
+later de Amphictyonen. De P. behooren tot de groote nationale
+feesten en waren na de olympische spelen het meest in aanzien; zij
+werden steeds zeer druk bezocht en nog laat in den rom. keizertijd
+gevierd.--Vele steden vierden ook in hun eigen gebied feesten ter
+eere van den pythischen Apollo, die eveneens P. genoemd werden.
+
+Pythius, Pythios, 1) bijnaam van den delphischen Apollo, naar den
+door hem gedooden draak Python.--2) een Lydiër, de rijkste man van
+zijn tijd, die Xerxes met zijn leger op zijn tocht naar Griekenland
+onthaalde en hem zijne schatten aanbood. Maar toen hij verzocht dat
+een van zijne vijf zonen van den krijgsdienst zou vrijgesteld worden,
+liet Xerxes dezen in stukken snijden.--3) = Pythodorus no. 2, z.a.
+
+Pytho, Pytho, oude naam van Delphi en van de landstreek rondom den
+Parnassus. Apollo versloeg hier den draak Python en stelde hierna
+de pythische spelen in. In werkelijkheid zijn de pythische spelen
+ingesteld in 582, kort nadat tengevolge van den heiligen oorlog met
+Crisa het heiligdom van Delphi in de macht der Amphictyonen gekomen
+was (590).
+
+Pythocles, Pythokles, atheensch redenaar van de macedonisch gezinde
+partij; hij werd te gelijk met Phocion ter dood gebracht.
+
+Pythodorus, Pythodoros, 1) onbekwaam atheensch veldheer op Sicilië
+(425), werd na zijn aftocht van daar verdacht zich te hebben laten
+omkoopen en werd verbannen.--2) beroemd bouwmeester en schrijver
+over bouwkunst ten tijde van Alexander d. G. Hij bouwde den tempel
+van Athena Polias te Priene, en werkte ook mede aan den bouw van het
+Mausoleum.--3) twee beeldhouwers, die in de 1ste eeuw na C. aan het
+keizerlijk paleis op den Palatinus werkten.
+
+Python, Python, een reusachtige draak, na de overstrooming van
+Deucalion uit het op aarde achtergebleven slijk geboren. Hij bewaakte
+het delphische orakel voor Gaea, maar werd door Apollo, toen deze
+het in bezit nam, gedood.
+
+Pyxus, Pyxous = Buxentum.
+
+
+
+
+
+
+Q.
+
+
+Q. Rex. C. F. Zie regifugium.
+
+Quadi, een suebische volksstam, die meestal samen met de Marcomannen
+genoemd wordt en in het tegenw. Moravië en omliggende streken
+woonachtig was. O. a. namen zij deel aan den grooten strijd, dien de
+Marcomannen van 166-175 na C. tegen Marcus Aurelius voerden, en ook in
+later tijd werden de rom. grenzen nog menigmaal door hen bestookt. Ze
+komen dan steeds voor in verbond met de in de Donau-Theiss-vlakte
+wonende Sarmaten (Iazyges), zie Iazyges. Tegen het einde der 4de eeuw
+na C., in het tijdperk der volksverhuizing, verdwijnen zij geheel.
+
+Quadrans, kleine rom. koperen munt = 3 unciae of 1/4 as. Men vindt
+er nog met verschillende stempels, doch als algemeen kenmerk dragen
+zij drie knopjes, overeenstemmende met het getal onsen.
+
+Quadrigati, z. Bigati.
+
+Quadruplatores, meer gebruikelijke naam der delatores onder de
+rom. keizers.
+
+Quaesitor, zie quaestor.
+
+Quaestiones perpetuae, zie iudicium publicum en iudex. De eerste
+quaestio perpetua was de qu. repetundarum, in 149 door de lex Calpurnia
+in het leven geroepen.
+
+Quaestor, tamias. Oorspronkelijk is dit woord hetzelfde als quaesitor,
+welke naam in zwang bleef voor hem, die met de leiding van een
+gerechtelijk onderzoek werd belast. Onder de rom. koningen komen
+quaestores parricidii voor, die niet slechts in zaken van moord,
+maar in het algemeen in res capitales werkzaam schijnen geweest te
+zijn als openbare aanklagers. Onder de republiek komen er reeds
+vroeg twee quaestores voor, die door de consuls benoemd werden,
+en hun ondergeschikt waren. Sedert 447 werden zij in de comitia
+tributa gekozen, zoodat ze magistratus populi werden. Sedert 421
+werden er 4 benoemd, en wel promiscue de plebe ac patribus, waarvan
+twee te Rome bleven (quaestores urbani), en twee de consuls in
+den oorlog vergezelden. In 267 werd het getal op acht gebracht,
+waarvan 4 voor Italia, in 81 door Sulla op twintig, in 45 door
+Caesar op veertig. Het lot wees aan, welke twee als quaestores
+urbani of quaestores aerarii te Rome zouden blijven en naar welke
+provincie elk der overige zou gaan. Daar dus het lot den stadhouder
+en zijn quaestor samenbracht, bestond er tusschen hen een vinculum
+pietatis als tusschen vader en zoon, en was bij ontstentenis van den
+stadhouder de quaestor diens aangewezen plaatsvervanger. Overigens
+was hij belast met de boekhouding der staatsgelden in de provincie,
+evenals zijne ambtgenooten te Rome. De quaestores urbani of aerarii
+waren belast met het opsporen en vonnissen van halsmisdaden van
+niet-politieken aard (zie Contio). Zij oefenden deze rechtspraak
+uit als lasthebbers der consuls; bovendien waren zij werkzaam ten
+behoeve van de schatkist (aerarium) en toen door de instelling der
+quaestiones perpetuae langzamerhand hun crimineele rechtspraak verviel,
+werd het beheer der schatkist hun voornaamste bezigheid. Zij mochten
+geene uitbetalingen doen dan op een bevelschrift van den senaat,
+uitgezonderd aan de consuls, wanneer deze te Rome waren. Zij inden
+de belasting der burgers (tributa), der bondgenooten (stipendia), de
+inkomsten der bezittingen van den staat (vectigalia), verder de boeten
+(bona damnatorum) en de opbrengst van den oorlogsbuit (manubiae). Zie
+verder aerarium. Aan de quaestores urbani was ook opgedragen de
+zorg voor het onthaal van vreemde vorsten en gezanten. Uit den aard
+der zaak werd het werk voornamelijk verricht door een personeel van
+vaste klerken (scribae), aan wier hoofd de sex primi stonden, maar
+de quaestoren hadden de verantwoordelijkheid. Sedert de quaestuur de
+primus gradus ad honores was geworden, werd dit ambt door betrekkelijk
+jonge menschen bekleed. Daar men tien dienstjaren bij het leger moest
+tellen (die echter niet onafgebroken moesten worden uitgediend), was
+de leeftijd van 27 jaren, zooals bij de Gracchen het geval was, wel de
+vroegste voor de quaestuur. Eerst sedert het jaar 81 (lex Cornelia de
+magistratibus) hadden de quaestoren na afloop van hun ambtsjaar zitting
+in den senaat. De quaestoren aanvaardden hun ambt op 5 December.
+
+Quaestor Caesaris of principis, zie candidatus principis.
+
+Quaestor sacri palatii, onder keizer Constantijn den Gr. de eerste
+der hooge hofambtenaren, als het ware de rijkskanselier, tot wiens
+ressort wetgeving en justitie behoorden.
+
+Quaestorium, de woning of de tent van den quaestor. Zie castra.
+
+Quat(t)uorviri. 1) Quattuorviri iuri dicundo. In sommige municipia vond
+men duumviri iuri dicundo (z. a.) en twee aedielen, die dan gezamenlijk
+met bovenstaanden naam worden aangeduid.--2) Quattuorviri viis in urbe
+purgandis, eene commissie van vier leden, belast met de zorg voor de
+reinheid der straten en het onbelemmerd verkeer te Rome binnen den
+kring van den ouden muur van Servius Tullius. Het ambt bestond nog
+in de 3de eeuw n. C. Zij behoorden tot de zoogenaamde vigintisexviri
+(vigintiviri).--3) Zie praefecti Capuam Cumas.
+
+Quinarius, rom. zilveren munt = 1/2 denarius, ter waarde van 5,
+later van 8 as.
+
+Quinctii, patricisch gesl. 1) T. Quinctius Capitolinus Barbatus,
+een dapper held, consul in 471, 468, 465, 446, 443 en 439, streed bij
+herhaling tegen de Aequers, Volscen en andere naburen van Rome.--2)
+L. Quinctius Cincinnatus (= krullebol) was consul suffectus in 460. Na
+afloop van het jaar trok hij zich op zijne landhoeve terug, doch werd
+in 458 als dictator geroepen om den door de Aequers ingesloten consul
+L. Minucius Esquilinus Augurinus te ontzetten. In 16 dagen tijds had
+hij de Aequers schitterend verslagen en een triumftocht gehouden,
+waarop hij onmiddellijk de dictatuur neerlegde en weder naar zijne
+hoeve terugging. Op 80-jarigen leeftijd, in 439, werd hij andermaal
+tot de dictatuur geroepen, om de onlusten te bedwingen, die door
+of tegen Sp. Maelius verwekt waren. Op zijn last werd Maelius door
+den magister equitum C. Servilius Ahala omgebracht. Zie hieromtrent
+Maelii no. 1.--3) K. Quinctius Cincinnatus, zoon van no. 2, een
+rijzig en sterk jongeling, die zich in den oorlog onderscheiden had,
+doch heftig en opvliegend, zoodat hij zelfs beschuldigd werd zijn
+ouderen broeder in een twist te hebben doodgeslagen, deed in 461, bij
+den strijd over de lex Terentilia, met andere jonge adellijken een
+aanval op de volkstribunen en de plebs. Hij zag zich genoodzaakt in
+ballingschap te gaan; zijn vader moest de boete voor hem betalen.--4)
+T. Quinctius Pennus Cincinnatus was consul in 431 en 428.--5)
+T. Quinctius Cincinnatus Capitolinus, consulair-tribuun in 388 en 384,
+veroverde in 382 als dictator in tien dagen tijds Praeneste en negen
+andere steden en legde op den 20sten dag zijn dictatuur neder.--6)
+T. Quinctius Pennus Capitolinus Crispinus was in 361 dictator tegen
+de Galliërs.--7) T. Quinctius Pennus Capit. Crispinus had in 214 en
+212 met roem op Sicilia en bij Capua gestreden, doch werd in 208 als
+consul met zijn ambtgenoot M. Claudius Marcellus door Hannibal in een
+hinderlaag gelokt en stierf aan de bekomen wonden.--8) T. Quinctius
+Flamininus diende eerst in Beneden-Italië onder Marcellus (208)
+en werd in 198, nog geen volle 30 jaar oud, consul. Als proconsul
+versloeg hij in 197 het macedonische leger bij Cynoscephalae,
+waarna hij op de isthmische spelen van 196 de Grieken voor vrij
+verklaarde. Vervolgens bedwong hij (195) Nabis, tyran van Sparta,
+regelde de grieksche aangelegenheden en hield in 194 te Rome een
+driedaagschen zegetocht. In 189 was hij censor. De senaat zond hem
+in 183 naar Prusias van Bithynia, om de uitlevering van Hannibal te
+eischen.--9) L. Quinctius Flamininus, broeder van no. 8, was in 197
+zijn legaat, in 192 was hij consul, in 184 werd hij door den censor
+M. Porcius Cato uit den senaat gestooten.--In lateren tijd vindt men
+eenige plebejische Quinctii of Quintii, z. a.--10) P. Quintius, voor
+wien Cicero in een causa privata eene pleitrede hield (81).--11)
+L. Quintius, in 74 volkstribuun en tegenstander van den consul
+L. Licinius Lucullus, dezelfde, die in het proces van Cluentius
+tegen Cicero optrad.--12) Quintius Scapula verwekte in Hispania den
+oorlog tegen Caesar, doch kwam na den slag bij Munda (45) te Cordula
+om.--13) T. Quinctius Atta, gestorven 77, dichter van fabulae togatae
+(z. togata no. 2). Er zijn nog enkele fragmenten van over.
+
+Quinctilianus, minder goede schrijfwijze voor Quintilianus, daar in
+zijn tijd in namen als Quintus en dgl. de c weinig meer geschreven
+werd.
+
+Quinctilii, zie Quintilii.
+
+Quinctilis, oude naam voor Juli (zie annus).
+
+Quincunx, zeldzaam voorkomende koperen rom. munt van 5 unciae =
+5/12 as. Behalve met den stempel was zij met vijf knopjes of puntjes
+gemerkt, op de wijze van de vijf op onze dobbelsteenen. Hiernaar
+droeg deze figuur ook den naam van quincunx. Wanneer bijv. soldaten
+of boomen in quincuncem staan, staan zij als in onderstaande figuur.
+
+
+ . . . . . .
+ . . . . .
+ . . . . . .
+ . . . . .
+ . . . . . .
+
+ Opstelling in quincuncem
+
+
+Quindecimviri, 1) sacrorum of sacris faciundis, zie decemviri
+sacrorum.--2) buitengewone commissiën, bijv. agris dividundis; het
+getal 15 was niet standvastig; commissiën van 3, 5 of 10 leden komen
+veel meer voor.
+
+Quinquatrus, een feest ter eere van Minerva, jaarlijks te Rome
+van 19 tot 23 Maart gevierd. Het was een feest van kunstenaars
+en handwerkslieden, vooral van de fullones, van onderwijzers en
+scholieren; op den eersten dag (dies natalis Minervae) werden
+aan de godin onbloedige offers gebracht, den tweeden, derden en
+vierden dag werden gladiatorenspelen gegeven, den vijfden dag vierden
+voornamelijk de trompetters feest en werden hunne instrumenten gewijd
+(tubilustrium). Bij de Q. minores of minusculae (13 Juni) speelden
+daarentegen de fluitspelers de hoofdrol.
+
+Quinquennales (viri), in de rom. municipia de naam van twee of drie
+overheidspersonen, wier werkkring met dien der censoren te Rome
+overeenkwam en die ook om de vijf jaren werden gekozen. Zie Municipium.
+
+Quinqaertium = Pentathlum.
+
+Quinqueviri, buitengewone commissiën, uit vijf leden bestaande,
+b. v. agris dividundis, muris turribusque reficiendis, enz. Quinqueviri
+mensarii komen in 352 voor, toen bij gelegenheid eener finantiëele
+crisis, op het initiatief der consuls P. Valerius Poplicola en
+C. Marcius Rutilus eene staatsbank (mensa) onder beheer van Vviri
+tijdelijk werd opgericht, die op voldoend onderpand voorschotten
+verleende. Een dergelijk geval had in 216 plaats (zie lex Minucia),
+doch toen onder beheer van IIIviri.
+
+Quintana (via), zie castra.
+
+Quintii, zie Quinctii. De spelling zonder c kwam in den laatsten
+tijd der Rom. republiek op en werd onder het keizerrijk de meest
+gebruikelijke.
+
+Quintilianus (M. Fabius), uit Calagurris (Calahorra) in Hispania,
+omstreeks het jaar 35 n. C. geboren. Hij genoot zijne opleiding te
+Rome, waar hij vervolgens optrad als pleiter en bezoldigd leeraar in
+de welsprekendheid. Hij verwierf zich grooten naam. Twintig jaar lang
+vervulde hij het leeraarsambt, en toen hij het neerlegde, ± 91 na C.,
+schonk keizer Domitianus hem de ornamenta consularia. Hierna schreef
+hij zijn beroemd werk de institutione oratoria in 12 boeken, een
+volledig leerboek der rhetorica, rijk van inhoud, zuiver en duidelijk
+van taal en voorstelling. Van de op zijn naam staande declamationes
+zijn alleen de 145 kleine misschien van hem; de 19 groote zijn onecht.
+
+Quintilii of Quinctilii. 1) P. Quinctilius Varus (= krombeen), praetor,
+streed in 203 in Gallia Cisalpina zegevierend tegen Hannibals broeder
+Mago.--2) S. Quintilius Varus streed in het begin van den burgeroorlog
+met Domitius Ahenobarbus (Domitii no. 8) tegen Caesar. Caesar nam
+hem gevangen, doch stelde hem weer in vrijheid.--3) P. Quintilius
+Varus, zoon van no. 2, consul in het jaar 13, werd later stadhouder
+van Syria, van waar hij in 6 na C. naar Germania werd gezonden. Zijn
+onberaden ijver om rom. taal en instellingen in te voeren was oorzaak,
+dat hij met drie legioenen in het Teutoburger woud door den Cheruscer
+Arminius overvallen en zijn leger geheel vernietigd werd (Sept. 9
+na C.).--4) Quintilius Varus uit Cremona, een vriend van Vergilius
+en Horatius, stierf in 23.--5) Onder de keizers Marcus Aurelius en
+Commodus komen nog twee broeders Quintilii voor, die in 178 tegen de
+Germanen streden. Commodus bracht hen om.
+
+Quintus, Kointos, van Smyrna (Smyrnaeus), dichter van een episch
+gedicht in 14 zangen, ta meth' Homeron, bevattende de geschiedenis van
+den trojaanschen oorlog na den dood van Hector. Hoewel vrij langdradig
+en zonder eenheid, is het werk niet zonder verdiensten. Hij leefde
+vermoedelijk in de 4de eeuw na C. Naar Calabrië, waar het handschrift
+van zijn gedicht gevonden is, wordt hij dikwijls Calaber genoemd.
+
+Quirinalia, een feest ter eere van Quirinus, dat op den 17 Februari
+te Rome werd gevierd. Zie ook Fornacalia.
+
+Quirinalis (collis), een der bergen, waarop Rome was gebouwd, zie Roma.
+
+Quirinius (P. Sulpicius), zie Sulpicii no. 21.
+
+Quirinus, een van de oudste Romeinsche goden, in beteekenis
+overeenkomend met Mars. Later meende men, dat Q. een sabijnsche godheid
+was, wiens dienst door Numa naar Rome werd overgebracht; gewoonlijk
+wordt hij voor denzelfden gehouden als de onder de goden opgenomen
+Romulus (z. a.). Zijn oudste tempel te Rome lag op den mons Quirinalis,
+terwijl zijn dienst werd waargenomen door den flamen Quirinalis en
+door een afzonderlijk college van Salii (de Salii Agonenses), door
+Tullus Hostilius ingesteld. Q. is ook een bijnaam van Janus (z. a.).
+
+Quirites. De oorsprong van dezen naam is zeer onzeker. Sommigen hebben
+hem afgeleid van de stad Cures in het sabijnsche land, anderen van
+een oud woord quiris of curis = speer. Doch wat ook de beteekenis
+zij, de herhaaldelijk voorkomende uitdrukkingen populus Romanus
+Quiritium of populus Romanus Quirites geven genoegzame aanwijzing,
+dat Quirites als volksnaam der rom. burgers gold. Daar nu deze naam
+vooral den rom. burger aanwijst in de uitoefening zijner burgerrechten,
+dus in vredestijd, zoo schijnt hieruit eene tegenstelling geboren te
+zijn tusschen Quirites als vreedzame burgers en milites, te meer daar
+sedert Marius het gros van het leger meer en meer uit beroepssoldaten
+was saamgesteld.
+
+
+
+
+
+
+R.
+
+
+Rabirii. 1) C. Rabirius, bejaard rom. senator, werd in 63 door den
+volkstribuun T. Labienus van hoogverraad (perduellio) beschuldigd, als
+medeplichtig aan den moord op den volkstribuun L. Appuleius Saturninus
+in het jaar 100. Het proces werd gevoerd voor het oude hof der duumviri
+perduellionis; Rabirius werd ter dood veroordeeld, doch beriep zich op
+het volk. Hij werd door de redenaars Hortensius en Cicero verdedigd,
+doch zou vermoedelijk, uit wrok tegen den senaat, ook door de comitiën
+veroordeeld zijn, indien niet de praetor Q. Metellus Celer de roode
+vaan (vexillum russeum) van den Janiculus had doen wegnemen tengevolge
+waarvan de volksvergadering moest uiteengaan. De aanklacht werd echter
+niet weder opgevat.--2) C. Rabirius Postumus, zoon van C. Curtius,
+neef en aangenomen zoon van no. 1, rom. ridder, was in Aegypte in
+dienst van koning Ptolemaeus XI Auletes geweest. A. Gabinius was in 54
+beschuldigd en veroordeeld, op grond dat hij, als stadhouder van Syria,
+zich door den in een opstand verdreven koning voor 10000 talenten had
+laten omkoopen om hem op den troon van Aegypte te herstellen. Daar uit
+de bezittingen van Gabinius de boete, die gelijk was aan de ontvangen
+som, niet kon gevonden worden, werd Rabirius, die ook een deel van het
+geld had ontvangen, aangesproken voor het tekort. Schoon Cicero als
+verdediger van Gabinius, nu ook voor Rabirius pleitte, werd deze toch
+veroordeeld en ging in ballingschap. Zijn verblijf te Alexandrië was
+alles behalve vlekkeloos geweest. Later diende hij onder Caesar.--3)
+C. Rabirius, episch dichter van naam onder Augustus, bezong den slag
+bij Actium.
+
+Racilius (L.), volkstribuun in 58, trok tegen P. Clodius voor Cicero
+partij.
+
+Racotis, Rhakotis, oud vlek in Aegypte, dat bij de stichting van
+Alexandrië in den kring dezer stad werd getrokken en er eene wijk
+van werd.
+
+Raeda, zie rheda.
+
+Raetia, Rhaitia, welke spelling boven Rhaetia wordt verkozen, strekte,
+met het noordelijker Vindelicia vereenigd, zich uit van de Alpen tot
+aan den Donau en van den Rijn tot den Aenus (Inn). De oude Raeti werden
+voor stamverwanten der Etruscers gehouden, door keltische stammen
+teruggedrongen. Ten tijde van Augustus (15 voor Chr.) en niet dan
+na een hevigen strijd, werden de woeste bergbewoners door Drusus en
+Tiberius met de Vindelici tot onderwerping gebracht, en met de reeds
+vroeger onderworpen Vallis Poenina vereenigd tot een nieuwe provincie
+Raetia et Vindelicia. Er waren weinig steden. Tridentum (Trente)
+(z. a.) was oorspronkelijk een raetische stad, maar kwam later aan
+de keltische Cenomanes. Raetia en Vindelicia vormden de westelijkste
+rom. Donauprovincie; de Vindelici zijn Kelten, de Raeti niet.
+
+Rambacia = Rhambacia.
+
+Ramnes of Ramnenses, eene der drie oude stamtribus van Rome,
+z. echter Tities.
+
+Raphia, Rhapheia, -ia, havenstad van Palaestina ten Z. W. van Gaza.
+
+Rase(n)na, Rhasenna, naam die de Etruscers zichzelf geven.
+
+Ratiaria, stad aan den Donau in Moesia Superior, later hoofdstad van
+Dacia Ripensis.
+
+Ratomagus = Rotomagus.
+
+Raudii campi = Campi Raudii.
+
+Rauraci of Raurici, Rhaurakoi, volk in Gallia Transalpina, naburen der
+Helvetiërs, met wie 25000 hunner medetrokken bij hun verhuizingstocht
+tijdens Caesars aankomst in Gallia. Ze woonden in de omstreken van
+Basel. Hoofdplaats: Augusta Rauracorum = Augst bij Basel.
+
+Ravenna, Rhabenna, stad nabij de Adriatische zee ten Z. van den Padus
+(Po) in Gallia Cisalpina. Het lag te midden eener moerassige streek
+en had gebrek aan drinkbaar water, daarom werd van de bewoners gezegd:
+sitiunt vivi, natant sepulti. De stad was met grachten doorsneden. Haar
+bloei dagteekent van den tijd, dat Augustus ze tot het station maakte
+van de vloot der Adriatische zee en hiervoor eene groote haven liet
+aanleggen (± 22). Reeds door hare ligging sterk, werd Ravenna nu
+eene vesting van den eersten rang. Daarom verlegde keizer Honorius
+zijne residentie hierheen en dit bleef zoo ook onder de volgende
+keizers, en na den val van het west-rom. rijk ook onder Odoacer en
+de oostgotische koningen.
+
+Rea Silvia, ook Ilia genoemd, dochter van Numitor, werd door haar
+oom Amulius aan den dienst van Vesta gewijd, opdat zij kinderloos
+zou sterven. Toen zij moeder van Romulus en Remus was geworden,
+werd zij v. s. levend begraven, v. a. gevangen gezet, maar na den
+dood van Amulius bevrijd, of wel in den Tiber geworpen en door den
+stroomgod tot echtgenoote genomen.
+
+Reate, Rheaton, -ate, oude stad der Aborigines in Midden-Italië, later
+door de Sabijnen vermeesterd en tot hunne hoofdplaats gemaakt. Zij lag
+aan de via Salaria in eene uiterst liefelijke vallei. Zie verder Avens.
+
+Rebilus, familienaam in de gens Caninia.
+
+Recitationes. Tijdens Augustus won de gewoonte veld, dat schrijvers,
+alvorens hunne geschriften uit te geven, voor een kleiner of grooter
+publiek gedeelten daarvan voorlazen, eensdeels om het oordeel der
+hoorders te vernemen, anderdeels om aan de uitgaaf meer openbaarheid
+te geven.
+
+Recognitio equitum, zie Equites.
+
+Recuperatores. Oorspronkelijk was dit de naam van een college van
+rechters, om na een oorlog te beslissen over teruggaaf van veroverd
+goed. Het was dan uit mannen van beide volken (Rom. en peregrini)
+saamgesteld. Allengs werd deze vorm ook te Rome ingevoerd bij processen
+tusschen Rom. en peregrini, en tusschen peregrini onderling. Daar
+deze gedingen altijd in korten termijn (binnen 10 dagen) moesten
+afloopen, namen de Rom. onderling ook meermalen hunne toevlucht tot
+zulk een hof van arbiters, b.v. in zaken van schuldvordering. Ook
+voor aanklachten tegen stadhouders wegens afpersingen werd wel van
+recuperatores gebruik gemaakt, het eerst in 171 bij het proces tegen
+P. Furius Philus, stadhouder van Lusitania. De iudices recuperatores
+werden telkens ten getale van 3 of 5 door den praetor aangewezen. Onder
+de keizers kreeg deze instelling steeds grooter uitgebreidheid.
+
+Rediculus Tutanus Deus, een god, die voor de Porta Capena te Rome een
+tempel had; hij had, naar men zeide, toen Hannibal op Rome aanrukte,
+hem door verschrikkelijke visioenen tot den terugtocht genoodzaakt.
+
+Redones, gallisch volk in het tegenw. Bretagne. Hoofdstad: Condate,
+thans Rennes.
+
+Redux, bijnaam van Fortuna, als de godin, die legers en veldheeren
+behouden uit den strijd terugbrengt.
+
+Regia, het oude koninklijk paleis van Numa, later de ambtswoning van
+den pontifex maximus, aan het forum naast den Vestatempel gelegen.
+
+Regifugium. Het schijnt dat op den 24ste van sommige maanden door den
+rex sacrificus op het comitium te Rome een offer werd gebracht. Op
+den 24sten Februari, den gedenkdag van de verdrijving der koningen,
+moest hij na dit offer zich in allerijl naar huis spoeden. In verband
+hiermede heeft men de letters Q. REX C. F. in den rom. kalender wel
+verklaard: quando rex comitium fugit. Deze letters behooren echter bij
+den 24 Maart en den 24 Mei. Waarschijnlijker is dus de verklaring:
+quando rex comitiavit fas of fastus, d. w. z. dat die dagen eerst
+dan fasti waren, wanneer het offer van den rex op het comitium was
+afgeloopen en hijzelf naar huis was gegaan.
+
+Regillensis, familienaam in de gens Postumia (Postumii no. 2, 3, 5, 6).
+
+Regillum, plaatsje in den ager Sabinus, waaruit de gens Claudia
+stamde. Ligging onbekend.
+
+Regillus lacus, meer in Latium, ten O. van Rome, tusschen Gabii en
+Lavicum, bekend door de overwinning der Rom. op de Latijnen in 498
+of 493.
+
+Regimen morum, zie Censor.
+
+Regium flumen, basileios potamos, basileia dioryx, Nahar Malcha, thans
+nog Nahr el Malk, het grootste verbindingskanaal tusschen den Euphraat
+en den Tigris, waarvan de bouw aan Nebukadrezar wordt toegeschreven.
+
+Regium Lepidi, ook forum Lepidi genoemd, stad in Gallia Cispadana,
+rom. kolonie, thans Reggio d'Emilia. Zie ook Rhegium.
+
+Regulus, familienaam in de gens Atilia (Atilii no. 2-6).
+
+Relegatio, zie deportatio.
+
+Remi, Rhemoi, machtig gallisch volk in het Z. van Belgica, met de
+steden Durocortorum (Rheims) en Durocatalaunum (Châlons-sur-Marne).
+
+Remmia (lex), zie Calumnia.
+
+Remulus, een Rutuliër, zwager van Turnus, die tegen Aeneas en de
+Trojanen geweldig op zijne dapperheid snoefde, maar door Ascanius
+gedood werd.
+
+Remuria = Lemuria, z. Lemures.
+
+Remus, zie Romulus.
+
+Repetundae, scil. pecuniae, gelden, die wederrechtelijk, b. v. door
+afpersing, verkregen waren en waarvan dus de teruggaaf geëischt moest
+worden. In het bijzonder was crimen repetundarum de beschuldiging
+van afpersing en knevelarij, tegen den stadhouder eener provincie
+ingebracht. Voor deze misdaad werd door de lex Calpurnia in 149 de
+eerste quaestio perpetua ingesteld.
+
+Repotia, gen. -orum, nabruiloft, door den pas gehuwden echtgenoot
+daags na de nuptiae gegeven.
+
+Repudium, echtscheiding, wanneer zij van ééne zijde kwam, dus wanneer
+de man zijne vrouw verstiet. In lateren tijd kon repudium ook van de
+zijde der vrouw plaats vinden. Zie divortium.
+
+Resaina, Rhesaina, Rhesina, stad in het mesopotamische gewest Osroene,
+nabij de bronnen van den Chaboras, later Theodosiopolis.
+
+Rescriptum, schriftelijk antwoord des keizers op vragen betreffende
+twijfelachtige of betwistbare rechtspunten, waarin hij de rechtsgronden
+aangaf, waarnaar eene zaak moest beoordeeld en behandeld worden.
+
+Residuae, scil. pecuniae, achterhouding van gelden, aan de schatkist
+verschuldigd.
+
+Restitutio in integrum, herstel in den vorigen toestand, kon plaats
+hebben door den praetor. Het vonnis werd hierdoor niet vernietigd,
+maar de gevolgen er van werden opgeheven. Dit gold echter slechts
+voor civiele zaken. Wanneer iemand aqua et igni interdictus was, kon
+hij alleen door de volksvergadering teruggeroepen en in zijne rechten
+hersteld worden. In de burgeroorlogen matigden zij, die de macht in
+handen hadden, zich dikwerf dit recht aan, en onder de keizers werd
+het een keizerlijk recht, waaruit zich spoedig het begrip van gratie
+(indulgentia) ontwikkelde. Eene andere rest. in int. vond plaats,
+wanneer eene censorische bestraffing door volgende censoren werd
+opgeheven.
+
+Retiarius, een zwaardvechter, gewapend met een drietand en een net,
+dat hij zijne tegenpartij over het hoofd trachtte te werpen, om hem
+door inwikkeling weerloos te maken.
+
+Reudigni, volk in het N. van Germania, op den rechteroever van den
+Albis, een van de kleine volkeren, die de godin Nerthus vereeren.
+
+Rex, familienaam, vooral in de gens Marcia (Marcii no. 4 en 5).
+
+Rex, de koning. Na de verdrijving der koningen behield dit woord bij
+de Rom. eene hatelijke beteekenis, met een begrip van den meester
+te willen spelen. Rex heet ook de rijke Romein tegenover zijne
+cliënten (z.a.). De rom. senaat verleende ook somtijds dezen titel
+aan vreemde vorsten, zooals aan Deiotarus. In dit geval staat rex
+vóór den eigennaam.--Rex bibendi of convivii is de president bij het
+drinkgelag, zie arbiter bibendi.
+
+Rex sacrorum, sacrificus of sacrificulus. Na de verdrijving der
+koningen werd voor het verrichten der offers, die de koning te
+brengen had, onder bovenstaanden titel een priesterambt in het leven
+geroepen. De rex sacrorum werd voor zijn leven gekozen door den
+pontifex maximus; hij genoot groote eer, doch was voor altijd van
+alle burgerlijke ambten uitgesloten. In rang was hij de eerste van
+de priesterschap, toch was hij ondergeschikt aan den lager staanden
+pontifex maximus. Zijne vrouw, met wie hij per confarreationem moest
+gehuwd zijn, heette regina sacrorum en had ook offers te verrichten.
+
+Rha, Rha, rivier in Sarmatia, thans Wolga.
+
+Rhacius, Rhakios, z. Manto.
+
+Rhadamanthys, -thus, Rhadamanthys, -thos, zoon van Zeus en Europa,
+werd door zijn broeder Minos van Creta verjaagd, en ging naar Ocalea
+in Boeotië, waar hij met Alcmene trouwde. Toen zijn leven op aarde
+geëindigd was, werd hij naar het Elysium verplaatst. Bij lateren is
+hij een van de rechters in de onderwereld.
+
+Rhaetia = Raetia.
+
+Rhagae, Rhagai, aanzienlijke stad in het N. van Media. Nadat het door
+eene aardbeving verwoest was, liet Seleucus Nicator het herbouwen onder
+den naam van Europus. In de parthische oorlogen werd het verwoest,
+en op of nabij de plek verrees Arsacia.
+
+Rhambacia, Rhambakia, stad der Oriten aan de kust van het perzische
+landschap Gedrosia. Alexander de Gr. legde er eene kolonie aan.
+
+Rhamnus, Rhamnous, demus in het N. van Attica, aan de Oostkust op
+eene landtong, met een tempel van Nemesis Rhamnusia. Een oudere tempel
+van Themis werd waarschijnlijk door de Perzen verwoest.
+
+Rhamnusia virgo, Rhamnousia, he en Rhamnounti thea, Nemesis, zoo
+genoemd naar haar beroemd beeld in den demus Rhamnus.
+
+Rhamphias, Rhamphias, Spartaan, die vóór den peloponnesischen oorlog
+als gezant met Athene onderhandelde en in dien oorlog een leger in
+Thessalië aanvoerde.
+
+R(h)ampsinitus, Rhampsinitos, oud-aegyptisch koning, door velen voor
+denzelfden gehouden als Ramses III, die omstreeks 1150 stierf. Van
+hem wordt verhaald dat hij levend in de onderwereld afdaalde, met
+afwisselend geluk met Demeter dobbelde, en ten slotte met een gouden
+handdoek op aarde terugkeerde. Zijn schatkamer werd op dezelfde wijs
+bestolen als die van Hyrieus (z. Agamedes).
+
+R(h)amses, Rhampses, of Ramessoe, naam van verscheiden aegyptische
+koningen. Vooral beroemd is Ramses II de Groote, door de Grieken
+Sesostris of Sesosis genoemd, die in de 14de eeuw regeerde, zegevierend
+in Libye, Aethiopië en ver in Azië doordrong, groote versterkingen,
+kanalen en andere bouwwerken liet aanleggen en over het geheel Aegypte
+tot den hoogsten trap van bloei bracht, die het ooit bereikt heeft.
+
+Rhapsodus, rhapsodos, een zanger, die bij feestelijke gelegenheden
+gedichten voordraagt. Aan hen heeft men vooral het bewaren der
+gedichten van Homerus (z. a.) te danken, ofschoon zij niet alleen
+epische gedichten voordroegen, maar ook andere, mits alle verzen
+dezelfde maat hadden. Oudtijds talrijk en geacht, gingen zij later
+in beide opzichten achteruit. Zij waren kenbaar aan hun kleeding en
+hadden bij hun voordrachten een staf (rhabdos of aisakos) in de hand;
+in latere tijden droegen zij een rood kleed, als zij uit de Ilias,
+een violet, als zij uit de Odyssee voordroegen.
+
+Rhea (of Cybele), Rhea, Rheia, Kybele, dochter van Uranus en
+Gaea, gemalin van Cronus en bij hem moeder der groote olympische
+goden Zeus, Poseidon, Hades, Hera, Hestia en Demeter. Zij werd in
+Griekenland oorspronkelijk alleen als zoodanig (Meter, Magna Mater)
+en gewoonlijk in gemeenschap met hare kinderen vereerd, vooral op
+Creta, waar zij Zeus ter wereld gebracht en voor Cronus verborgen
+zou hebben. Waarschijnlijk was het daar, dat haar dienst samensmolt
+met dien van de aziatische Cybele of Cybebe, de groote godin (Megale
+thea), moeder van alle leven in de natuur, ten gevolge waarvan zij
+mettertijd geheel met deze godin vereenzelvigd werd en zelfs den
+naam Cybele bij haar oorspronkelijken naam kreeg, terwijl bij haar
+dienst overal in Griekenland meer of minder aziatische gebruiken
+overgenomen werden. Deze Cybele werd algemeen in Azië vereerd met
+allerlei ceremoniën, die zich kenmerkten door buitensporige woestheid
+en een overmatig vertoon van droefheid en vreugde. De hoofdzetel
+harer vereering was Pessinus (Pessinountia), waar haar overoud, uit
+den hemel gevallen beeld (waarschijnlijk een meteoorsteen) in een
+tempel aan den berg Dindymus (Dindymene) stond. Hier droeg zij den
+naam Agdistis (z. a.) en vierde men jaarlijks te harer eer den dood en
+het herleven van haar geliefden Atys, waarbij de opgewondenheid zoo
+hoog steeg, dat de feestvierenden zich dikwijls ernstig wondden of
+verminkten. Hare priesters, de Galli, waren gesnedenen en hadden een
+zeker aandeel aan de regeering. De luidruchtigheid van hare feesten gaf
+aanleiding tot de voorstelling, dat de godin zelve behagen schept in
+het gezelschap van dienstbare geesten, die haar met geschreeuw en gegil
+en oorverdoovende muziek overal op hare woeste tochten door bergen en
+wouden, vergezellen. In Phrygië, waar haar dienst eveneens in groot
+aanzien stond (Phrygia thea, Phrygia mater), heetten die gezellen
+der godin, en eveneens hare priesters, Corybanten, op den Ida (Idaia
+thea, mater Idaea) Dactyli Idaei, op Creta, waar ook hare priesters
+naar hen genoemd waren, Cureten. Het geraas, dat door laatstgenoemden
+bij het uitvoeren van hun wapendans (prylis, pyrriche) gemaakt werd,
+werd verklaard als eene herinnering aan de pogingen van de Cureten,
+om te verhoeden dat het geschrei van den kleinen Zeus door zijn vader
+gehoord zou worden. Door deze voorstellingen krijgt de godin eenige
+overeenkomst met Dionysus, en in sommige mythen neemt Sabazius, die
+voor denzelfden als Dionysus gehouden werd, de plaats van Atys in.--Te
+Rome werd de dienst van Rhea bij de rampen van den tweeden punischen
+oorlog ingevoerd; in 204 werd op last der sibyllijnsche boeken het
+beeld der godin in den vorm van een meteoorsteen van Pessinus naar Rome
+gebracht en op den mons Palatinus een tempel voor haar gebouwd. Haar
+dienst werd waargenomen door phrygische Galli onder een Archigallus,
+die te Rome de luidruchtige plechtigheden van Klein-Azië herhaalden;
+het aandeel, dat de eigenlijke Rom. aan hare vereering namen,
+bepaalde zich tot de viering der Megalesia (z. a.), door maaltijden
+en wedstrijden op het tooneel en in de renbaan. In den keizertijd
+kwamen hierbij echter feesten ter gedachtenis aan Atys (22-27 Maart),
+en nog later, toen men zich van het wezen van Rhea slechts verwarde en
+mystieke voorstellingen maakte, ontaardde haar dienst in Taurobolia en
+Criobolia, offers van stieren en rammen, waarbij men zich door den doop
+met het bloed der offerdieren van zonden reinigde en als het ware op
+nieuw geboren werd.--De leeuw, de eik en de den zijn haar gewijd. Zij
+wordt gewoonlijk afgebeeld als eene waardige matrone, zittend op een
+troon met leeuwen aan beide zijden of op een door leeuwen getrokken
+wagen. Op het hoofd heeft zij een muurkroon en sluier.
+
+Rhea Silvia, zie Rea Silvia.
+
+Rhebas, Rhebas, rivier in Bithynia = Rhesus no. 1.
+
+Rheda, een groote reiswagen op vier wielen, ingericht voor personen
+en bagage.
+
+Rhegium (Regium), Rhegion, thans Reggio di Calabria (niet te verwarren
+met Regium Lepidi), aeolisch-messenische kolonie op de bruttische
+kust, aan het fretum Siculum (straat v. Messina), de gewone plaats
+van overvaart naar Sicilia. Rhegium was eene bloeiende handelsstad
+der Chalcidiërs, totdat Dionysius I van Syracuse het in 387 veroverde
+en vernietigde. Later werd de stad herbouwd, en kreeg ze de vrijheid
+terug. In 280 had de stad veel te lijden door een oproer van eene
+campaansche legerafdeeling, die als rom. bezetting in de stad
+lag. Het bleef Rome trouw in den oorlog met Hannibal, en in het
+bellum sociale. Aardbevingen en de rom. burgeroorlogen droegen er
+verder toe bij om de plaats te ontvolken, totdat Augustus er eene
+kolonie uitgelezen zeesoldaten heenzond (36).
+
+Rhenea, Rheneia, oudtijds Ortygia, eil. bij Delus, waarheen de lijken
+van Delus werden overgebracht.
+
+Rhenus, Rhenos, 1) de tegenw. Rijn, ontsprong op den mons Adula (zie
+aldaar), stroomde door den lacus Brigantinus (meer v. Konstanz),
+splitste zich bij het eiland der Batavieren in twee armen (vandaar
+Rhenus bicornis), waarvan de zuidelijke den naam Vacalis of
+Vahalis (Waal) droeg en zich met de Mosa (Maas) vereenigde. Caesars
+mededeeling, dat deze arm zich multis capitibus in zee stortte, werd
+reeds in de oudheid als onjuist erkend. De mond heette Helium ostium
+en was veel wijder dan tegenwoordig; de monding van den noordelijken
+arm, die langs Traiectum (Utrecht) en Lugdunum Batavorum (z. a.) liep,
+droeg geen bijzonderen naam. Een derde arm verbond den Rijn met den
+Ouden IJssel en viel nog noordelijker in zee door het Flevum ostium
+(vermoedelijk het Vlie). Een andere verbinding met de zee is de Vecht
+geweest, die bij Fectio (Vechten onder Bunnik) van den Krommen Rijn
+afbuigt en door sommigen voor de Fossa Drusiana gehouden wordt.--2)
+thans de Reno, stroomt langs Bononia (Bologna) naar den Padus (Po). Op
+een eil. in deze rivier zouden Octavianus, Antonius en Lepidus in 43
+hun driemanschap hebben gesloten.
+
+Rhesus, Rhesos, 1) zoon van Oceanus en Tethys, god van eene
+gelijknamige rivier in Bithynië of Troas.--2) zoon van Strymon of
+Eïoneus en eene Muze, koning van Thracië, die den Trojanen tegen
+de Grieken te hulp kwam. Hij had paarden, waarvan het lot van Troje
+afhing, als zij nl. in Troje voedsel of drank gebruikt hadden, was
+de stad niet te nemen. Daarom overvielen de Grieken hem nog voor
+hij de stad bereikte; hij werd met zijn gevolg door Diomedes gedood,
+en de paarden werden door Odysseus weggevoerd.
+
+Rhesus, Rhesos, 1) rivier in Bithynia.--2) riviertje in Troas, zijtak
+van den Granicus.
+
+Rhetrai, z. Lycurgus no. 5.
+
+Rhianus, Rhianos, van Creta, episch dichter en grammaticus in de
+laatste helft der 3de eeuw; in zijne jeugd was hij slaaf geweest,
+later werd hij de vriend van Eratosthenes. Als zijne werken worden
+genoemd verscheiden epische gedichten en eene uitgave van Homerus.
+
+Rhinocolura, ta Rhinokoloura of Rhinokoloura, stad in de woestijn
+tusschen Aegypte en Palaestina, dicht bij de zeekust.
+
+Rhinthon, Rhinthon, van Syracuse of Tarentum, tijdgenoot van Ptolemaeus
+I, uitvinder der zoogenaamde Hilarotragoedia. Uit dien naam en uit
+de enkele verzen, die van zijne 38 stukken zijn overgebleven, kan men
+opmaken, dat het parodieën waren op oude treurspelen; iets naders is
+echter hieromtrent niet bekend. Z. Phlyax.
+
+R(h)ipaei montes, ta Rhipaia ore, een hooge bergketen ergens in het
+hooge Noorden, waarschijnlijk de Carpathen, v. s. een deel van het
+Uralgebergte; ze worden ook Hyperborei montes geheeten (z. a.).
+
+Rhipe, Rhipe, oude stad in het W. van Arcadia, bij Stratus.
+
+Rhium, Rhion, zie Antirrhium.
+
+Rhizinium, Rhizon, Rhizon, oude versterkte stad in Dalmatia aan een
+naar haar genoemde golf, sinus Rhizaeus, ten Z.O. van Epidaurus.
+
+Rhoda, Rhode, havenstad in het N. O. van Hispania Tarraconensis.
+
+Rhodanus, Rhodanos, thans de Rhône, die in zijn loop den lacus
+Lemannus (meer v. Genève) vormt. Het aantal monden wordt door de ouden
+verschillend opgegeven, zelfs tot zeven toe, hetgeen wel zal zijn
+toe te schrijven aan de veranderingen, die de rivier zelve in verloop
+van tijd in hare uitwatering heeft gebracht. Zie ook fossa Mariana.
+
+Rhodius, Rhodios, rivier in Troas, die op den berg Ida ontspringt en
+in den Hellespont valt.
+
+Rhodope, Rhodope, thracische bronnimf, gemalin van Haemus (z. a.).
+
+Rhodope, Rhodope, hoog gebergte van Thracia, dat zich ten O. van
+den Nestus en verder langs de kust tot aan den Hebrus uitstrekt,
+thans Despoto-dagh. Dichterlijk Rhodopeius = thracisch, Rhodopeius
+vates = Orpheus.
+
+Rhodopis, Rhodopis, eene hetaere uit Thracië, die ten tijde van Amasis
+te Naucratis woonde; zij besteedde een tiende van haar vermogen
+om ijzeren braadspeten te laten maken, die zij aan den delphischen
+tempel schonk.
+
+Rhoduntia, Rhodountia, bergtop van den Oeta met een kasteel, niet
+ver van de Thermopylae.
+
+Rhodus, -de, Rhodos, -de, dochter van Poseidon en Amphitrite, bij
+Helius moeder van de Heliadae. Helius liet voor haar en hare kinderen
+een eiland uit zee oprijzen, dat naar haar genoemd wordt.
+
+Rhodus, Rhodos, eiland in het Z.O. der Aegaeische zee, nabij de
+dorisch-carische kust. Het had een heerlijk klimaat, bijna geen
+dag ging voorbij zonder zonneschijn; onder de voortbrengselen
+telde men marmer, scheepstimmerhout, wijn, vijgen en heerlijke
+visch. Als oudste inwoners worden de Telchinen genoemd, die met
+het eiland uit de zee waren verrezen, en de Heliaden, vervolgens
+kwamen ook Phoeniciërs en Aegyptenaars. De mythe laat verder nog
+vóór den trojaanschen oorlog eene dorische kolonie onder Heracles'
+zoon Tlepolemus naar Rhodus komen. In den perzischen oorlog sloot
+het eiland zich bij het atheensche zeeverbond aan. Het telde toen
+drie stadsgemeenten: Lindus, Ialysus en Camirus, die tot de dorische
+hexapolis (zie Doris no. 2) behoorden. In 411 bewerkte de aristocratie
+eene omwenteling en den afval van het attische zeeverbond; een zekere
+Dorilus haalde de bevolking der drie steden over tot het stichten eener
+gemeenschappelijke stad Rhodus op den N.O. hoek van het eiland (408),
+welke stad zich spoedig tot een ongekenden bloei verhief. Spoedig
+werd de democratie weder meester en sloot zich weder bij Athene aan,
+doch bezoedelde in den eersten tijd haar triomf door laagheden en
+ongerechtigheid. In 358 verliet Rhodus opnieuw de zijde van Athene;
+oligarchen, door de carische vorsten gesteund, maakten zich van het
+bewind meester, totdat het eiland afhankelijk werd van Idrieus, tyran
+van Halicarnassus. Alex. de Gr. legde macedonische bezetting op Rhodus,
+doch na zijn dood maakte het zich vrij. Vruchteloos poogde Demetrius
+Poliorcetes de stad in te nemen (304), z. Protogenes. Later waren de
+Rhodiërs in den macedonischen, den syrischen en den mithradatischen
+oorlog bondgenooten der Rom., en bewezen door hunne voortreffelijke
+zeemacht uitstekende diensten. In 168 werden ze echter bestraft voor
+hunne sympathie voor Macedonia; ze verloren een groot gedeelte van
+hun gebied op het vasteland (zie Lycia), en werden afhankelijk
+van Rome. Buiten de rom. burgeroorlogen konden zij zich niet
+houden, zij kozen partij voor Caesar en moesten dit na zijn dood
+door Cassius ontgelden. Sedert waren zij nu eens vrij, dan weder
+ingelijfd, totdat onder Vespasianus de vrijheid voor goed verloren
+ging. Omstreeks 400 na C. was Rhodus de hoofdstad der provincia
+insularum, die 53 eilanden omvatte. De stad Rhodus, met twee havens,
+lag amphitheatersgewijze tegen de bergen gebouwd. Zij was, even
+goed als Athene, eene kweekschool van kunst en wetenschap. Vooral
+beeldhouwkunst en redekunst bloeiden er, beide kenmerkten zich
+door het streven naar effekt. De rhodische rhetorenschool hield
+het midden tusschen aziatische gezwollenheid en attischen eenvoud;
+haar stichter was de redenaar Aeschines, die, toen hij Athene moest
+verlaten, zich te Rhodus vestigde. Het genus Rhodium viel over het
+algemeen in den smaak der Rom. Aan beelden was Rhodus rijk, maar
+vooral aan groote beelden. Het grootste was dat van Helius, aan wien
+het eiland geheiligd was. Het stond naast den ingang der haven en was
+meer dan 30 meter hoog; slechts weinigen konden de duimen omvatten. In
+de eene, uitgestrekte hand droeg het een vuurbekken, dat des avonds
+werd aangestoken. De maker was Chares van Lindus z.a. no. 2. In 278
+opgericht, werd het in 222 door eene hevige aardbeving, die bijna
+de geheele stad verwoestte, omvergeworpen. Het orakel verbood, het
+beeld weder op te richten. Bijna negen eeuwen bleef het aan stukken
+liggen, totdat het in 672 na C. verkocht werd en op 300 kameelen
+weggevoerd. Eene andere hevige aardbeving, die aan den bloei van
+Rhodus den genadeslag toebracht, was die van 155 na C.
+
+Rhoecus, Rhoikos, van Samus, beroemd beeldhouwer en bouwmeester,
+die het gieten van metalen beelden uitvond. Hij begon omstreeks 550
+het bouwen van den tempel van Hera op Samus, die echter eerst door
+lateren voltooid is.
+
+Rhoeteum, Rhoiteion, rotsachtige kuststreek van Troas, in verschillende
+kapen uitloopende, aan het Z.W. einde van den Hellespont, met eene
+gelijknamige stad. Rhoeteius ductor = Aeneas.
+
+Rhoetus, Rhoitos, 1) of Rhoecus, een Centaur.--2) = Eurytus no. 5.
+
+Rhosus, Rhosos, Rhossos, zeestad van Syria aan de golf van Issus.
+
+Rhoxolani = Roxolani.
+
+Rhyndacus, Rhyndakos, groote rivier in Vóór-Azië, die op de zuidelijke
+helling van den mysischen Olympus ontspringt en, met den Macestus
+vereenigd, in de Propontis (zee v. Marmara) valt.
+
+Rhypes, Rhypes, oude achaeïsche bondstad tusschen Patrae (Patras)
+en Aegium, door Augustus verwoest, die de inwoners naar Patrae
+verplaatste.
+
+Rhytium, Rhytion, oude stad ergens in het Z. van Creta.
+
+Rica, vierkante doek met franje, door de rom. vrouwen bij sommige
+plechtigheden als sluier over het hoofd gedragen, doch niet zóó,
+dat het gelaat bedekt was.
+
+Ricimer, zoon van een suebisch aanvoerder, was aan het hof van keizer
+Valentinianus III opgevoed. Als keizerlijk veldheer versloeg hij de
+Vandalen, Alanen, Westgothen, en kreeg zooveel macht, dat hij over
+den troon beschikte en keizers van het westersche rijk afzette en
+aanstelde. Wij geven hier eene korte chronologische opgaaf.
+
+455. Valentinianus III vermoord, evenzoo zijn moordenaar Petronius
+Maximus. Flavius Maecius Avitus wordt in Gallië tot keizer uitgeroepen.
+
+456. Ricimer zet Avitus af en stelt Maiorianus aan.
+
+461. R. zet Maiorianus af en stelt Libius Severus aan, die in 465
+sterft. Twee jaren zonder keizer.
+
+467. Keizer Leo I v. het. oost-rom. rijk en Ricimer stellen Procopius
+Anthemius tot keizer aan.
+
+472. Ricimer trekt tegen Anthemius op, belegert en verovert Rome en
+plaatst Anicius Olybrius op den troon.
+
+473. Dood van Ricimer en van Olybrius. Glycerius wordt keizer.
+
+Ricinium, ook rec., vierkante doek, die dubbel gevouwen en over het
+hoofd en om de schouders geslagen werd, vooral als rouwgewaad.
+
+Rigodulum, stad der Treviri aan de Mosella (Moezel).
+
+Ripaei montes = Rhipaei montes.
+
+Ripuarii (Riparii), de Ripuarische of Oever-Franken, die hun naam
+ontleenen aan de Ripa Rheni, den linker oever van den Rijn, vooral
+de streek tusschen Rijn en Maas. De Franken, die hier en aan de
+overzijde van den Rijn wonen, worden in de 6de eeuw n. C. zóó genoemd
+ter onderscheiding van de Salische of Nederfranken (zie Salii).
+
+Riti, Rheitoi, kleine zoutmeertjes aan den heiligen weg van Athene
+naar Eleusis.
+
+Robigus, een god, die het koren tegen roest beschermde, en wien ter
+eere jaarlijks den 25sten April de Robigalia gevierd werden. Bij
+Ovidius komt ook eene godin Robigo voor.
+
+Robur, de met zwaar eikenhout beslagen ondergrondsche verdieping van
+den rom. kerker. Zie carcer.
+
+Rogatio, wetsvoorstel, dat nog niet tot wet is verheven.
+
+Roma, Rhome, de bekende stad aan den Tiber, de hoofdstad van het
+rom. rijk. Of tot de bevolking oudtijds nog andere stammen hebben
+behoord dan de Latijnen, is niet bekend; uit de sage omtrent den
+sabijnschen maagdenroof (zie Romulus), en uit het bestaan van
+sabijnsche eerediensten in Rome b.v. van Sancus, heeft men gemeend
+te moeten opmaken, dat Sabijnen, op den Quirinalis wonende (zie
+Capitolinus (mons)), tot de stichting hebben medegewerkt. Dit alles
+is zeer onzeker. De bevolking heet Quirites (z. a.) of populus Romanus
+Quirites. De oudste nederzetting vond men op den Palatinus (z. a.) en
+de Velia. De eerste uitbreiding wordt gewoonlijk aangeduid met den
+naam Septimontium; naast de drie oudere: Palatinus, Cermalus, Velia,
+behooren hiertoe de montes: Fagutal, Oppius, Cispius en Caelius. Voor
+de stad der vier regiones: Palatina, Suburana, Esquilina, Collina,
+komen er dan nog bij: de Quirinalis met zijn uitlooper collis Latiaris,
+de Viminalis, en de laagte Argiletum. Tevens wordt tusschen de bergen
+het forum aangelegd, en de mons Capitolinus wordt arx en zetel van
+den tempel van Jupiter Capitolinus. De agger Servii Tullii (zie
+Servius Tullius) omvatte behalve de genoemde streken ook nog den
+mons Aventinus. Zie ook pomerium. In de vallei tusschen Aventinus
+en Palatinus, die wel eens vallis Murcia genoemd wordt, werd het
+Circus Maximus (z. a.) aangelegd. Aan de overzijde van den Tiber lag
+de mons Ianiculus, waarop een burcht lag, doch dit gedeelte ging in
+den oorlog met Porsena voor een wijl verloren.--Na den gallischen
+brand in 390 werd de stad ordeloos en onregelmatig herbouwd, zoodat
+zij geen fraai aanzien had. Van de inwendig zoo prachtige huizen
+der rijken zag men niets, daar zij ombouwd waren met winkels (zie
+domus), die de straten vernauwden. Het was bij het drukke verkeer een
+maatregel van veiligheid, dat men niet in een rijtuig door de straten
+mocht rijden. De stad breidde zich uit buiten den muur van Servius,
+en toen onder Sulla en later bij herhaling het pomerium werd verlegd
+en buitenwijken binnen den kring der stad werden getrokken, ging de
+muur op verscheiden plaatsen geheel verloren. Trouwens, een muur was
+onnoodig geworden; welke vijand kon Rome aanvallen? Augustus verdeelde
+de stad in veertien regiones. Na den grooten brand onder Nero (64 na
+C.) werd Rome met zorg herbouwd, met ruime, breede straten. Latere
+keizers brachten het hunne tot verfraaiing bij; Aurelianus (270-275
+na C.) omringde de stad opnieuw met een vestingmuur, die nu ook den
+mons Pincius, den Campus Martius en over den Tiber den Ianiculus
+omvatte. Onder de keizers was Rome een groot kunstmuseum met tal van
+tempels, zegebogen, zuilengangen, prachtige badhuizen, openbare pleinen
+en honderden standbeelden, uit Azië en Griekenland overgebracht. Bij
+één triumftocht o.a. die van M. Fulvius Nobilior (Fulvii no. 11)
+over de Aetoliërs in 187, waren meer dan 500 marmeren en metalen
+standbeelden uit Griekenland naar Rome medegevoerd. Alleen standbeelden
+van paarden kon men te Rome meer dan 200 zien. Er waren 31 openbare
+bibliotheken, 8 of 9 circussen, 2 amphitheaters, 3 theaters, 15 of 16
+thermen, 19 basilieken enz. Door verschillende waterleidingen werd
+Rome van water voorzien. De veertien regiones waren de volgende: 1)
+Porta Capena, de zuid-oostelijkste.--2) Caelimontium, met het macellum
+magnum.--3) Isis et Serapis, naar den tempel dezer godheden genoemd,
+met het groote amphitheatrum (z.a.) Flavium, de thermae (z. a.) van
+Titus en van Traianus.--4) Templum Pacis met het forum (z. a.) Pacis,
+door Vespasianus aangelegd, en den tempel van Venus en Roma.--5)
+Esquiliae, met het park van Maecenas.--6) Alta Semita (= Hoogstraat),
+met de thermen van Diocletianus en die van Constantijn en de groote
+castra praetoria (z. a.).--7) Via Lata (= Breêstraat), met de parken
+van Sallustius en van Lucullus en den tempel van Flora.--8) Forum
+Romanum, met het Capitolium (z. a.), comitium, verschillende tempels
+en basilicae, oudtijds de curia Hostilia (z. a.), de rostra (z. a.),
+de Regia (z. a.) en met nog een aantal andere fora (zie forum).--9)
+Circus Flaminius. Deze regio omvatte den campus Martius (z. a.), met
+de thermen en het Pantheon (z. a.) van Agrippa, de thermen van Nero,
+het theatrum (z. a.) van Balbus met 30000, dat van Marcellus, ook
+met 30000, dat van Pompeius met 40000 plaatsen,--de porticus Pompei
+en de curia Pompei, waar Caesar den dood vond, de villa publica der
+censoren, het Mausoleum Augusti, het amphitheater van Statilius
+Taurus, een aantal tempels enz.--10) Palatium, eerst eene minder
+aanzienlijke, oude wijk, sedert Augustus de wijk der paleizen. Zie
+Palatinus (mons). Op den berg stonden een beroemde Apollo-tempel en
+een der Magna Mater.--11) Circus Maximus, naar den grooten circus
+genoemd.--12) Piscina publica, met de thermen van Caracalla.--13)
+Aventinus, met den Diana-tempel, eene Tiberkade, losplaats voor de
+schepen (emporium) en groote korenmagazijnen.--14) Trans Tiberim,
+met de tuinen van Caesar, waarin Augustus eene naumachia bouwde. Tot
+deze regio behoorde ook de insula Tiberina met tempels van Veiovis,
+Faunus en Aesculapius.--Buiten den muur lag de mons Vaticanus; aan
+den Tiberoever juist over den pons Aelius verhief zich het mausoleum
+Hadriani (z. a.). Zeven bruggen voerden over den Tiber, waarvan de
+pons sublicius, eene houten paalbrug, de oudste was. De muur van
+Aurelianus was ruim drie uren gaans in omtrek. De bevolking van Rome
+ten tijde van Augustus wordt op ongeveer 1 1/2 millioen geschat.
+
+Roma quadrata, zie Palatinus (mons).
+
+Romani (ludi), ook magni en maximi geheeten, aan Jupiter, Juno
+en Minerva gewijd. Zij werden van 4 tot 19 September gevierd met
+wedrennen in den circus en met tooneelvertooningen. Zie Ludi.
+
+Romilii, oud patricisch geslacht. T. Romilius Rocus Vaticanus, consul
+in 455, versloeg de Aequers, doch werd wegens het verkoopen van den
+buit met geldboete gestraft. Hij verbeurde echter de volksgunst niet
+en was later een der tienmannen (451).
+
+Romulea, oude stad der Hirpini in Samnium, ten O. van Beneventum,
+door de Rom. verwoest.
+
+Romulus, Rhomylos, volgens de sage met zijn tweelingbroeder Remus
+de stichter van Rome. Zij waren zoons van Rea Silvia, kleinzoons van
+Numitor. Hun oom Amulius beval bij hunne geboorte hen in den Tiber te
+werpen, doch zij werden op wonderdadige wijze gered en door zekeren
+herder Faustulus en diens vrouw Acca Larentia groot gebracht. Later
+door Numitor herkend en met hunne afkomst bekend gemaakt, doodden zij
+hun oom Amulius. Vervolgens besloten zij op den palatijnschen heuvel
+een stad te stichten. Bij de vraag, wie der beide broeders aan de
+nieuwe stad den naam zou geven, ontstond er een twist, waarin Remus
+omkwam (zie Lemures). De Sabijnsche maagdenroof deed een hevigen strijd
+ontstaan, die echter met verzoening en met ineensmelting der latijnsche
+nederzetting op den Palatinus en de sabijnsche op den Quirinalis
+(z. Roma) eindigde, onder gemeenschappelijk bestuur van Romulus
+en den Sabijn Titus Tatius, welke laatste echter niet lang daarna
+te Lanuvium werd vermoord. Na eene regeering van 37 jaar verdween
+Romulus bij gelegenheid van een hevig onweder. Het volk vreesde dat
+hij vermoord was, doch een der senatoren, Julius Proculus, verzekerde,
+dat hij Romulus door diens vader Mars in een vurigen wagen ten hemel
+had zien voeren en dat R. het bevel had achtergelaten, hem onder den
+naam Quirinus als god te eeren.
+
+Romulus Augustus, om zijn jeugdigen leeftijd ook wel Augustulus
+genoemd, was de laatste keizer van het west-rom. rijk. Nadat Glycerius
+(zie Ricimer) in 475 n. C. door Julius Nepos was verdrongen, werd deze
+laatste in 475 afgezet door zijn magister militum Orestes. Orestes
+zette echter niet zichzelf de keizerskroon op, maar zette zijn zoon
+Romulus Augustus op den troon. In 476 werden zij door Odoacer in
+Placentia belegerd. Orestes werd gedood, het jonge keizertje afgezet
+en Odoacer als koning van Italië erkend. Rom. Aug. kreeg een landgoed
+in Campania.
+
+Rorarii, eene afdeeling lichtgewapende troepen bij de oude
+rom. legers. Het waren jonge, ongeoefende manschappen, die in de acies
+achter de triarii stonden: zij openden het gevecht, door tusschen de
+rijen door vooruit te snellen, en trokken zich later weer naar hun
+standplaats terug. De ouden verklaarden den naam hieruit, dat zij,
+evenals regendruppels bij een onweder vallen, tusschen de geregelde
+troepen in, nu en dan een bui van werpschichten in 's vijands rijen
+wierpen.
+
+Roscia (lex) theatralis, waarbij aan de ridders te Rome in het theater
+de 14 rijen zitplaatsen achter de orchestra (waar de senatoren
+zaten) werden ingeruimd. De wet beoogde hiermede een herstel van
+vroegere door Sulla opgeheven voorrechten. Hierbij werd ook de
+riddercensus van 400.000 sestertiën van 2 1/2 as = f 40,000 opnieuw
+vastgesteld. Deze wet was van den volkstribuun L. Roscius Otho,
+67. Vandaar de uitdrukking in XIV sedere = equitem esse.
+
+Roscii. 1) S. Roscius uit Ameria had na de vermoording zijns vaders
+zijn vermogen verloren door Sulla's vogelvrijverklaringen en werd later
+door Chrysogonus, den kooper zijner familiegoederen, beschuldigd van
+vadermoord, doch met gelukkigen uitslag verdedigd door Cicero.--2)
+Q. Roscius Gallus, een vrijgelatene, geb. in het dorpje Solonium bij
+Lanuvium, een zeer geliefd tooneelspeler in het rom. blijspel, was
+een zeer schoon gebouwd man, die door nauwgezette oefening in houding
+en gebaren in de tooneelspeelkunst eene te Rome ongekende hoogte
+bereikte. Hij verwierf zich door zijn talent een groot vermogen, was
+een zeer achtingswaardig man, zeer gezien bij aanzienlijke Romeinen,
+o. a. bij Sulla en Cicero, en de lieveling van het volk. Cicero
+verdedigde hem in een proces, de zaak betrof de verdeeling eener
+schadevergoeding voor een slaaf, die aan Roscius was toevertrouwd om
+hem als acteur op te leiden, doch die vermoord was. Roscius stierf
+omstreeks 62.--3) L. Roscius Otho, volkstribuun in 67, maker der
+lex Roscia theatralis.--4) L. Roscius Fabatus, aanhanger van Caesar,
+bij Mutina gesneuveld, 43.
+
+Rosea rura (Velini), een liefelijke en vruchtbare landstreek bij Reate,
+aan de oevers van den Avens en bij den lacus Velinus.
+
+Rostra, zie rostrum.
+
+Rostrum, embolon, -los, sneb of ram van een oorlogsschip,
+oorspronkelijk een enkele zware balk, van voren met een metalen
+dierekop voorzien en ter hoogte van den waterspiegel uit den voorsteven
+vooruitstekende. Later werden het drie balken, aan de punt zwaar
+met metaal beslagen, en onder den waterspiegel aangebracht, zoodat
+het vijandelijk schip onder water werd lek gestooten. Toen in 338 de
+volscische stad Antium hare vloot moest uitleveren, werden de snebben
+er afgenomen en als zegeteeken te Rome op het forum aan het openbare
+spreekgestoelte gehecht, waarnaar dit laatste den naam van rostra
+verkreeg. Men stelle zich deze rostra voor als eene verhevenheid,
+waarop de spreker zich vrij kon bewegen en rondom van een borstwering
+of leuning voorzien. Naar een ouden gedenkpenning te oordeelen, rustte
+het geheel op een gewelfden onderbouw door kleine zuilen gedragen, aan
+welke zuilen de veroverde scheepssnebben bevestigd waren. Het lag aan
+die zijde van het comitium, die aan het Forum grenst. Daar oudtijds
+de contiones op het comitium gehouden werden, richtten de sprekers
+zich naar die zijde. In 145 begonnen de sprekers zich naar het Forum
+te wenden, en werden voortaan de contiones daar gehouden. Caesar liet
+aan de W.-zijde van het Forum een nieuwe spreektribune bouwen, rostra
+nova of Iulia, zonder echter de oude af te breken. De nieuwe had wel
+geen snebben tot versiering, maar de naam rostra ging er toch op over.
+
+Rotomagus, havenstad der Vellocasses in Gallia, thans Rouaan.
+
+Roxane, Rhoxane, dochter van Oxyartes, gemalin van Alexander d. G. Kort
+na den dood van haar echtgenoot bracht zij een zoon, Alexander
+(z. a. no. 8), ter wereld, met wien zij na vele wederwaardigheden
+door Cassander gedood werd (311).
+
+Roxolani, Rhoxolanoi, machtige volksstam in Sarmatia ten N. van de
+Palus Maeotis (zee v. Azow).
+
+Rubellii, een familie die eerst onder de keizers Tiberius en Nero
+voorkomt. 1) Rubellius Blandus was een gunsteling van Tiberius, die hem
+zijne kleindochter Julia, weduwe van Nero (den zoon van Germanicus),
+tot vrouw gaf.--2) Rubellius Plautus, zoon van no. 1, stond hoog in de
+gunst bij Agrippina, keizer Nero's moeder. Zij dacht er zelfs over hem
+te huwen, doch Nero verbande hem en liet hem later (62) ombrengen. Hij
+was een aanhanger van de Stoa, en een vriend van Barea Soranus.--3)
+Rubellius Blandus, zoon van no. 2, door Iuvenalis gehekeld als een
+ijdele onbeduidende man, die trotsch was op zijn hooge afkomst.
+
+Rubi, stadje der Peucetii in Apulia, ten W. van Barium (Bari).
+
+Rubico, Rhoubikon, riviertje dat sedert Sulla de grens vormde tusschen
+Gallia Cisalpina en het eigenlijke Italia. Door den R. over te trekken,
+rukte Caesar Italia binnen en gaf het sein tot den burgeroorlog.
+
+Rubra Saxa, rotsen in Etruria bij de rivier Cremera, aan de via
+Flaminia.
+
+Rubria (lex), tot stichting van eene kolonie op de puinhoopen van
+Carthago, in 122 door een volkstribuun Rubrius in overeenstemming met
+C. Gracchus tot stand gebracht. Dit was de eerste kolonie, die buiten
+Italia gesticht werd. De uitvoering van de wet viel aan C. Gracchus
+ten deel. De kolonie werd weer opgeheven, z. Carthago.
+
+Rubria (lex), de Gallia Cisalpina, in 49, tot regeling van de
+rechtspleging in de gemeenten aldaar. Cisalpijnsch Gallië, hoewel reeds
+met burgerrecht begiftigd, bleef nog provincie onder een stadhouder
+tot het jaar 42.
+
+Rubrica, roode aarde, roode verf. Daar de titels der wetten en het
+begin der artikelen met rood geschreven werden, heeft het woord de
+beteekenis gekregen van wetsartikel, ook wel van wet.
+
+Rubricatus, Rhoubrikatos, 1) rivier in het O. van Hispania, even ten
+Z. van Barcino (Barcelona), thans Llobregat.--2) rivier in Numidia,
+die bij Hippo Regius in zee valt.
+
+Rubrii, 1) Rubrius, volkstribuun in 122, zie lex Rubria.--2) Twee
+Rubrii, in het proces van Verres voorkomende, de één een achtenswaardig
+man, de ander een handlanger van Verres.--3) L. Rubrius, aanhanger
+van Pompeius.--4) Twee Rubrii komen onder de regeering van Tiberius
+als beschuldigden voor.--5) Rubrius Gallus, rom. generaal onder Nero,
+later op de hand van Otho en daarna van Vespasianus.
+
+Rubrum mare = Erythraeum mare.
+
+Rudiae, Rhodiai, Rhoudia, stad in Apulia tusschen Brundisium en
+Venusia, later municipium. De dichter Q. Ennius was hier geboren.
+
+Rudis, schermstok, ook een staf, dien zwaardvechters ontvingen, wanneer
+hun het geluk ten deel viel, ontslag en vrijheid te krijgen. Zij
+waren dan rudiarii of rude donati.
+
+Rufinus, familienaam in de gens Cornelia, zie Cornelii no. 57.
+
+Rufinus, een Galliër, die onder keizer Theodosius den Gr. tot
+bevelhebber der lijfwacht opklom. Bij de verdeeling van het rijk werd
+hij minister en voogd van Arcadius, doch maakte zich door hebzucht en
+gierigheid gehaat. Zijn plan om zijne dochter aan Arcadius tot vrouw
+te geven, leed schipbreuk door toedoen van Eutropius. Rufinus trachtte
+nu onderhandelingen met de Hunnen aan te knoopen, doch werd op last
+van Stilicho, die met een leger kwam aanrukken, onder de oogen van
+Arcadius om het leven gebracht (395 n. C.).
+
+Rufrae, stad in Samnium, tusschen Venafrum en Teanum Sidicinum.
+
+Rufrium, stad der Hirpini in Samnium = Rufrae.
+
+Rufus, familienaam in onderscheidene gentes, als: g. Annia, g. Claudia,
+g. Lartia, g. Minucia (Minucii no. 3-5), g. Pompeia (Pompeii no. 3-5),
+g. Pomponia, g. Rutilia, g. Sulpicia (Sulpicii no. 18-20), g. Valgia
+e.a.
+
+Rufus, 1) arts uit Ephesus ten tijde van keizer Traianus, die
+verscheiden geneeskundige werken schreef, waarvan eenige bewaard
+gebleven zijn.--2) een schrijver, aan wien Plinius minor een aantal
+brieven richtte.--3) Sextus Rufus, juister Rufus Festus, onder keizer
+Valens schrijver van een breviarium rerum gestarum populi Romani.--4)
+Rufus Festus Avienus, z. Avienus.
+
+Rugii, aanzienlijk volk in Germania aan de kust der Oostzee. Zij
+komen onder Attila in diens leger voor.
+
+Rullianus, bijnaam in de gens Fabia (Fabii no. 14).
+
+Rullus, familienaam in de gens Servilia (Servilii no. 25).
+
+Rumina, romeinsche godin van zuigende kinderen en zuigend vee, had een
+tempel nabij den ficus Ruminalis, waar Romulus en Remus door de wolvin
+gezoogd waren, en waaronder in 296 door de Ogulnii (z. a.) een bronzen
+beeld van de wolvin met de twee zuigelingen werd opgesteld. Deze
+boom stond bij het Lupercal; eene andere vijgenboom, ficus Navia,
+naar den wonderpriester Attius Navius (z. Attii no. 1), wiens beeld in
+de nabijheid stond, benoemd, vond men later op het Comitium; ook deze
+wordt gewoonlijk, nadat de andere verdord was, Ruminalis geheeten. Het
+beeld van de Ogulnische wolvin is waarschijnlijk niet identisch met
+de nu nog bestaande wolvin van het Capitool, die veel ouder is, en op
+het Capitool heeft gestaan, waar ze in 65 door den bliksem beschadigd
+werd.--Nevens haar stond een mannelijke godheid Ruminus of Iupiter R.
+
+Ruminalis ficus, z. Rumina.
+
+Rupiliae (leges) tot regeling van verschillende zaken in het bestuur
+van Sicilia, van den proconsul P. Rupilius, nadat hij in 131 een
+einde had gemaakt aan den slavenoorlog op het eiland.
+
+Rupilii, 1) P. Rupilius, uit geringen stand, doch een beschermeling
+van P. Cornelius Scipio Africanus minor, bracht het in 132 tot
+consul. Met gestrengheid ging hij te werk tegen de partijgenooten van
+Tib. Gracchus. Aan den slavenopstand in Sicilia maakte hij gelukkig
+een einde door de verovering van Tauromenium en Enna, waarbij 20000
+slaven omkwamen. Door verschillende verordeningen (leges Rupiliae)
+bracht hij het bestuur van Sicilia op vasten voet (131).--2)
+L. Rupilius, broeder van no. 1, dong, ondanks den steun van Scipio,
+te vergeefs naar het consulaat.--3) P. Rupilius Rex, uit Praeneste,
+in 43 door Octavianus vogelvrij verklaard, vluchtte naar het legerkamp
+van Brutus; te Clazomenae had hij een geschil met een zekeren Persius,
+wat door Horatius op geestige wijze besproken wordt in de 7de Satira
+van het eerste boek.
+
+Rus, Rhous, beek en vlek in Megaris, met tempels en graven van heroën.
+
+Ruscino, Rhouskinon, rivier en stad der Sordones op de kust van Gallia
+Narbonensis, nabij de Pyrenaeën.
+
+Rusellae, oudtijds eene der hoofdsteden van Etruria, aan de via
+Aurelia, dicht bij de kust, ten O. van Vetulonia. De kolossale muren,
+uit onregelmatige stukken graniet opgetrokken, bestaan nog en hebben
+een omtrek van meer dan een half uur gaans.
+
+Rusticus, 1) familienaam, o. a. in de gens Fabia (Fabii no. 28)
+en de g. Iunia (Junii no. 22).--2) Q. Iunius Rusticus, stoicijnsch
+wijsgeer, leermeester en vriend van keizer Marcus Aurelius, onder
+wien hij hooge ambten bekleedde.
+
+Ruteni, Rhoutenoi, gallisch volk op de grenzen van Gallia Narbonensis
+en Aquitania. Hoofdstad: Segodunum (Rhodez) aan den Veronius (Aveyron).
+
+Rutilii, 1) P. Rutilius, volkstribuun in 169, klaagde C. Claudius
+Pulcher tijdens diens censuur aan van perduellio, en als niet zijn
+ambtgenoot Tib. Sempronius Gracchus voor hem in de bres was gesprongen,
+zou hij veroordeeld zijn. Zie Claudii no. 10.--2) P. Rutilius Rufus,
+door den wijsgeer Panaetius in de stoicijnsche leer onderwezen,
+rom. staatsman, annalist en redenaar, was onder Scipio in den
+numantijnschen oorlog (133) krijgstribuun, onder Metellus in den
+jugurthijnschen oorlog legaat (109), in 105 consul, in 95 legaat
+van Scaevola (Mucii no. 5) in Asia. Daar ging hij de afpersingen
+der publicani te keer, doch werd uit weerwraak in 92 van knevelarij
+beschuldigd, en daar de rechters uit de ridders werden gekozen,
+veroordeeld. Hij was een vriend van Scipio en van Laelius. Zijn
+verdere levensdagen sleet hij te Smyrna, waar hij verscheidene werken
+schreef. Als redenaar had hij grooten naam.--3) P. Rutilius Lupus,
+consul in 90, sneuvelde in den marsischen oorlog tegen Vettius Cato
+(Scato).--4) P. Rutilius Lupus, volkstribuun in 56, later aanhanger
+van Pompeius, kreeg van dezen het bestuur over Achaia.--5) L. Rutilius
+Lupus, rom. rhetor ten tijde van Tiberius, schreef een werkje Schemata
+lexeos in twee boeken, een vertaling van het werk van Gorgias no. 2
+(z. a.).--6) Rutilius Claudius Namatianus, zie Namatianus.
+
+Rutubis, havenstad aan de W.-kust van Mauretania.
+
+Rutuli, Rhoutouloi, oud-italisch volk in Latium, met Ardea als
+hoofdstad. Zie Aeneas. Na hunne onderwerping door de Rom. verdwijnt
+hun naam uit de geschiedenis.
+
+Rutupiae, Rhoutoupiai, haven in Zuid-Engeland, in het land der Cantii,
+aan het Nauw van Calais, station voor de overvaart van uit Bononia;
+het was beroemd om zijn oestercultuur.
+
+
+
+
+
+
+S.
+
+
+Saba of Sabae, Saba, Sabai, 1) naam van eene stad der Sabaeërs
+(z. Sabaei) in Arabia Felix, ook Mariaba geheeten, die op een hoogen,
+boschrijken berg was gelegen, en door den praefectus van Aegypte,
+Aelius Gallus, bij diens mislukten arabischen veldtocht te vergeefs
+aangevallen werd (24).--2) stad in Aethiopia aan de arabische golf.
+
+Sabacos, Sabakos, -kon, koning van Aethiopië, die Aegypte veroverde
+en het na eene regeering van 50 jaar ten gevolge van een droomgezicht
+vrijwillig verliet. Dit zou volgens het verhaal van Herodotus in de
+11e eeuw geschied zijn. In werkelijkheid hebben drie aethiopische
+koningen, waarvan de eerste Sabacos heette, tusschen 728 en 672 bij
+tusschenpoozen over Aegypte geregeerd, onder voortdurende oorlogen
+met de Assyriërs, die ten slotte het land veroverden.
+
+Sabaei, Sabaioi, Seba, Sheba, aanzienlijk volk in Arabia Felix, in
+het tegenw. Yemen. Hun land bracht kostbare specerijen en reukwerken
+voort, waarin zij een winstgevenden handel dreven. Zij golden voor
+het rijkste en weelderigste volk der wereld. Van hun rijkdom waren
+allerlei fabelen in omloop.
+
+Sabaria, Savaria, oude bojische stad, onder keizer Claudius
+rom. kolonie, in Pannonia Superior, waarvan nog vele overblijfselen
+aanwezig zijn (Stein am Anger).
+
+Sabata, 1) oud etruscisch stadje ten N.-W. van Rome aan den lacus
+Sabatinus.--2) stad in Liguria, met een haven Vada Sabatia, ook wel
+kortweg Vada genoemd.
+
+Sabatini, volksstam in Campania, aan de riv. Sabatus, een zijtak van
+den Vulturnus.
+
+Sabatinus lacus, meertje in Etruria, ten N. W. van Rome.
+
+Sabazius, Sabazios, een phrygisch of thracisch god, die door de Grieken
+overgenomen werd en met Dionysus vereenzelvigd werd; hij staat ook in
+betrekking tot Rhea Cybele (z. a.). Soms heet hij een zoon van Zeus en
+Persephone, en wordt van hem verhaald dat de Titanen hem op last van
+Hera in stukken scheurden, waarbij Zeus echter zijn hart redde en aan
+Athena gaf. Ook Zeus zou den naam S. gedragen hebben, maar dien bij
+de geboorte van Dionysus aan dezen afgestaan hebben.--Zijne feesten
+(Sabazia) overtroffen in buitensporigheid nog die van Dionysus en
+Rhea Cybele.
+
+Sabbata, Sabbata, = Sabata no. 2.
+
+Sabelli, zie Sabini.
+
+Sabi Regnum, Sambou basileia, klein indisch rijkje van zekeren vorst
+Sabus of Sambus, in India, ten W. van den Ganges, ten O. van Pattalene.
+
+Sabina, echtgenoote van keizer Hadrianus.--Over Poppaea Sabina zie
+Poppaei no. 3 en 4.
+
+Sabini, Sabinoi, bergvolk in het hart van Midden-Italië, tusschen
+Etruria, Umbria en Latium. Het breidde zich in den loop der vijfde
+eeuw in Midden- en Zuid-Italië uit, waar het zich met de oude
+oscische bevolking vermengde en zelfs de taal daarvan aannam. In
+tegenstelling van de Sabijnen in de vroegere woonplaats werden de
+Sabijnen in het door hen veroverde gebied Samnites genoemd, Saunitai =
+Sabinitae. Evenals de naam Sabina, he Sabine, tot het gebied der oude
+Sabijnen beperkt bleef, bleef ook de naam Samnium, Saunitis, tot een
+gedeelte van het samnietisch gebied beperkt, hoewel de Samnieten ook
+Campania (z. a.) en Lucania vermeesterden en de Hernici in Latium, de
+Picentes of Piceni, de Marsi, Marrucini, Paeligni, Vestini, Frentani
+ook tot denzelfden stam behoorden. Al die stammen nu van sabijnschen
+oorsprong buiten het oude stamland worden gezamenlijk Sabelli genoemd
+en met inbegrip der Sabijnen zelven spreekt men nog liever van
+sabellischen, dan van sabijnschen stam. In het eigenlijke Samnium
+onderscheidde men de Hirpini, de Pentri, de Caudini, de Caraceni,
+in Campania de Picentini en Sidicini. De Sabijnen waren een krachtig,
+landbouwend volk; Cicero noemt ze fortissimos viros, florem Italiae ac
+robur rei publicae. De gewoonte van het ver sacrum (z. a.) bevorderde
+hunne verbreiding. Omtrent den Sabijnschen maagdenroof zie Romulus
+en Roma. De Sabijnen onderwierpen zich in 290 en werden cives
+sine suffragio. De Samnieten en de overige Sabellen zetten den
+strijd nog voort tot 272 en bogen toen ook noode het hoofd. In den
+bondgenootenoorlog waren zij verbitterde vijanden van Rome, totdat
+Sulla in 82 de beslissende zegepraal op Pontius Telesinus behaalde
+en den strijd in verdelging deed overgaan; Samnium werd uitgemoord
+en bleef braak liggen; van dezen slag heeft het zich nooit hersteld;
+men zag er voortaan slechts armoedige dorpen.
+
+Sabiniani, naam der juristen uit de school van C. Ateius Capito. Zij
+werden zoo geheeten naar een der beroemdste vertegenwoordigers dezer
+school, Masurius Sabinus, ten tijde van Tiberius en Nero.
+
+Sabinum, landgoed ten N. van Tibur, op de grenzen van het sabijnsche
+land, door Maecenas aan den dichter Horatius ten geschenke gegeven. Het
+was niet groot, maar lag heerlijk in een boschrijk dal. Op het landgoed
+ontsprong de bron Bandusia en vloeide de beek Digentia.
+
+Sabinus, 1) Sabinus, rom. dichter, tijdgenoot van Ovidius, die
+o. a. antwoorden schreef op diens Heroïdes. Hij stierf op jeugdigen
+leeftijd; of dit dezelfde is als Sabinus, de vriend van Horatius,
+is onbekend.--2) Masurius Sabinus, uit Verona, rechtsgeleerde en
+oudheidkundige onder Tiberius en Nero, zie Sabiniani.--3) Flavius
+Sabinus, oudere broeder van Vespasianus, was onder Claudius stadhouder
+van Moesia en onder Nero praefectus urbi te Rome. Galba ontsloeg
+hem, doch Otho herstelde hem in zijn ambt. Bij den strijd tusschen de
+troepen van Vitellius en Vespasianus werd hij met een aantal senatoren
+en ridders op het Capitool ingesloten en door de soldaten van Vitellius
+belegerd. Toen deze het Capitool in brand staken, geraakte Sabinus in
+handen van het gepeupel, dat hem vermoordde.--4) Iulius Sabinus, een
+aanzienlijk Trevir, ruide zijn volk tegen Vespasianus op, doch werd
+gevat en ter dood gebracht.--5) Familienaam in de gentes Calvisia,
+Claudia, Poppaea en Sicinia.
+
+Sabis, thans Sambre, zijtak der Mosa (Maas), op welks oever Caesar
+in een hevigen en gevaarlijken strijd de Nerviërs versloeg.
+
+Sabrata, Sabrata, phoenicische volkplanting, later rom. kolonie in
+Tripolitana, tusschen de beide Syrten.
+
+Sabrina, Sabrianas, rivier in het Z.W. van Britannia, thans Severn.
+
+Sabus, zoon van Sancus, de oudste koning der Sabijnen, die als een
+god vereerd werd. Men schreef hem de uitvinding van den wijnbouw toe.
+
+Sacadas, Sakadas, van Argos, beroemd toonkunstenaar en elegisch
+dichter, die driemaal bij de Pythia den prijs behaalde, omstreeks
+600. Een niet nader bekend muziekinstrument wordt naar hem sakadion
+genoemd.
+
+Sacae, Sakai, woest nomadenvolk, voortreffelijke ruiters en
+boogschutters, ten O. der Massageten, in het steppenland der
+tegenw. Kirghizen. Zie Bactria.
+
+Sacellum, kapel aan eene godheid gewijd, bestaande uit een altaar
+met een muur er om, doch zonder dak.
+
+Sacer, aan de goden geheiligd, doch in boozen zin = aan de goden
+der onderwereld gewijd en dus vogelvrij verklaard. Wie sacer was,
+kon straffeloos gedood worden, zulk een vonnis heette sacratio
+capitis. Zie sacratae (leges).
+
+Sacer (mons), 1) heuvel 3/4 uur N.O.waarts van Rome aan den Anio,
+ongeveer waar de via Nomentana deze rivier kruist; v. a. bij
+Crustumerium. In de rom. geschiedenis is deze berg bekend door de
+eerste secessio plebis.--2) Zie Hieron oros.
+
+Sacerdos, familienaam in de gens Licinia zie Licinii no. 34 en 35.
+
+Sacra via, eene der hoofdstraten van Rome, die langs de noordelijke
+helling van den mons Palatinus naar het forum liep en daarvan den
+Zuidkant volgde in de richting naar het Capitool.
+
+Sacramentum, 1) de krijgseed, die den soldaten werd afgenomen. Hierbij
+zwoeren de soldaten trouw aan den veldheer, later aan den keizer.--2)
+de geldsom die bij eene legis actio per sacramentum door beide partijen
+vóór het proces gedeponeerd en door den verliezer verbeurd werd. Dit
+was namelijk eene der oudste vormen om een proces in te leiden, dat
+men zijne tegenpartij op eene som geld daagde. Hij was afkomstig uit
+het ius pontificium en het verbeurde geld werd oorspronkelijk tot
+sacrale doeleinden bestemd. Vandaar dan ook de naam.
+
+Sacratae (leges) heeten de wetten tot waarborg van de onschendbaarheid
+der volkstribunen en plebejische aedielen. Wie zich aan hen vergreep
+kon voor sacer (z. a.) verklaard worden. Om dezelfde reden wordt ook de
+lex Valeria Horatia de provocatione van 449 eene lex sacrata genoemd.
+
+Sacratio capitis, zie sacer.
+
+Sacriportus, 1) Hieros limen, vlek in Latium tusschen Signia en
+Praeneste, waar Sulla in 82 den jongen Marius versloeg.--2) stadje
+aan de golf van Tarentum, ten W. van Tarentum.
+
+Sacrovir (Iulius), een aanzienlijk Aeduer, trachtte onder de regeering
+van Tiberius een opstand in Gallia te verwekken (21 n. C.), doch
+werd reeds in het eerste gevecht verslagen en viel op de vlucht door
+eigen hand.
+
+Sacrum promunturium, hieron akroterion, naam van onderscheiden kapen:
+1) Z.W. punt van Hispania (kaap St. Vincent).--2) ergens in het Noorden
+van Corsica.--3) W. spits van den Cragus in Lycia.--4) Nog een kaap
+in Lycia aan de pamphylische grenzen, tegenover de Chelidonische
+eilanden.--6) kaap in Pontus, ten W. van Trapezus.
+
+Sadocus, Sadokos, zoon van den thracischen koning Sitalces, die zijn
+vader tot een bondgenootschap met Athene bewoog, en daarvoor met het
+atheensch burgerrecht begiftigd werd (431). Toen een gezantschap
+van Spartanen en Corinthiërs Sitalces tot het verbreken van dit
+bondgenootschap trachtte te bewegen, bewerkte Sadocus, dat de gezanten
+aan de Atheners werden uitgeleverd.
+
+Sadyattes, Sadyattes, zoon en opvolger van Ardys, koning van Lydië
+615-610, zette den door zijn vader begonnen oorlog met Miletus voort,
+doch kon evenmin als deze de stad innemen.
+
+Saeculares (ludi), eeuwfeesten van Rome's bestaan. Door een heraut
+werd het volk opgeroepen tot deze spelen, quos numquam quisquam
+vidisset neque spectaturus esset. Plechtige offers, lectisternia,
+gebeden, optochten, wedrennen, gladiatorengevechten, venationes of
+dierengevechten, het ludicrum Troiae, zang, dans, enz., wisselden
+elkander af, drie dagen en drie nachten achtereen. De nachtelijke
+feestviering gaf aanleiding tot ongebondenheid, daarom verbood
+Augustus het bijwonen daarvan aan jongelieden van beiderlei kunne,
+tenzij onder toezicht van oudere bloedverwanten. Het feest werd
+besloten door een carmen saeculare, dat in den Apollotempel door 27
+jongelingen en 27 jonge meisjes werd gezongen. Zóó heeft Augustus bij
+de nieuwe regeling door hem ingevoerd, het feest in 17 laten vieren,
+en Horatius heeft daarvoor het carmen saeculare gedicht. Vroeger was
+het meer een feest ter eere van Dis pater (Plouton) en Proserpina,
+tot afwending van onheilen, die naar het nieuwe saeculum niet konden
+overspringen, zooals men meende. Het feest is gevierd in 463, 363
+en 263, en daarna weder opnieuw onder den verschen indruk van de
+rampen van den 1sten Punischen oorlog in 249, en dan weer in 146;
+dit zijn de Terentini ludi (z. a.). De ludi saeculares van Augustus
+zijn herhaald door Domitianus in 88 n. C. en door Septimius Severus
+in 204 n. C., waarbij het saeculum berekend werd op 110 jaar, terwijl
+daarnaast het stichtingsjaar der stad herdacht werd in 47 n. C. (800),
+147 n. C. (900) en 248 (1001).
+
+Saenia (lex), van L. Saenius, consul suffectus in de twee laatste
+maanden van 30. Door deze wet werd aan Octavianus het recht verleend,
+aanzienlijke plebejers onder de patricii op te nemen.
+
+S(a)epinum, Saipinon, stad in Samnium, ten O. van Bovianum.
+
+Saepta, zie ovile.
+
+Saetabis, stad der Contestani in Hispania, ten Z. van den Sucro
+(Xucar). De plaats was een rom. municipium, met veel vlasteelt
+en weverijen. Ook wordt eene rivier van dezen naam in het Z. van
+Hispania vermeld.
+
+Saevo mons, gebergte in Scandia, het tgw. noorweegsche Kjölengebergte.
+
+Sagalassus, Sagalassos, aanzienlijke stad en grensvesting in Pisidia,
+op de helling van een heuvel gebouwd. De inwoners hadden den naam
+van bijzondere dapperheid.
+
+Sagaris, Sagaris = Sangarius.
+
+Sagartii, Sagartioi, nomadenstam in het binnenland van Iran, ten
+O. van Persis en Media.
+
+Sagittarius, Arcitenens, Toxotes, het sterrenbeeld de Boogschutter,
+z. Chiron.
+
+Sagmen, gewoonlijk plur. sagmina, zie verbena.
+
+Sagra, Sagras, kustrivier in Bruttium, die tusschen Locri en Caulonia
+in zee valt. Hier werden omstreeks 550 de Crotoniaten bloedig verslagen
+door de inwoners van Locri Epizephyrii. Van hier kwam een grieksch
+spreekwoord, alethestera ton epi Sagra = het is nog waarachtiger dan
+het gebeurde bij Sagra.
+
+Sagrus, rivier in Midden-Italië, stroomt door Noord-Samnium en het
+land der Frentani.
+
+Sagum, een wollen soldatenmantel, die op den eenen schouder door
+een gesp werd vastgehouden en, uitgespreid, als deken kon gebezigd
+worden. In hoofdzaak was het een groote vierkante lap, die men dubbel
+vouwde en dan omsloeg. Zie de afbeelding bij fasces.
+
+Saguntia of Segontia, Sagountia, stad der Arevaci in Hispania, aan
+een zijtakje van den Tagus, thans Siguenza.
+
+Saguntum, Sagounton, bloeiende stad der Edetani aan de O.kust van
+Hispania, nabij het tegenw. Murviedro, aan de rivier Pallantias. Het
+was, zooals men later aannam, eene volkplanting van Zacynthus (Zante),
+en kolonisten uit Ardea hadden aan de stichting deelgenomen. Het
+was in bondgenootschap met Rome, toen het in 219 door Hannibal werd
+aangevallen en, in weerwil eener heldhaftige verdediging, ingenomen en
+verwoest werd. Toen de Carthagers hierop de uitlevering van Hannibal
+weigerden (Maart 218), begon de tweede punische oorlog. Later (210)
+werd Saguntum door de Romeinen als kolonie herbouwd.
+
+Saii, Saioi, een thracische volksstam in de omgeving van Abdera.
+
+Sais, Sais, oude hoofdstad van Beneden-Aegypte, aan den Bolbitinischen
+Nijlarm, met een prachtigen tempel der godin Neïth, het graf van
+Osiris en graven der oude Pharao's. Bij genoemden tempel werd het
+jaarlijksche lampenfeest gevierd, waarbij alle huizen gedurende den
+nacht met een kring van brandende lampen omgeven waren.
+
+Saitis, Saitis, bijnaam, onder welken Athena te Lerna vereerd werd,
+misschien naar Sais in Aegypte, z. Neïth.
+
+Sala, Salas, naam van twee rivieren in Germania, 1) de
+tegenw. saksische Saale, zijtak van den Albis (Elbe).--2) de
+tegenw. frankische Saale, zijtak van den Moenus (Main). Deze laatste
+was grensrivier tusschen de Hermunduri en de Chatti.
+
+Salacia, romeinsche zeegodin, die tot den kring van Neptunus hoort;
+in de grieksch-romeinsche mythologie is ze bij Neptunus moeder van
+Triton. Ook bijnaam van Venus, de uit de zee geborene.
+
+Salaeca, Saleca, stad in het gebied van Carthago, ten Z.O. van Utica,
+in 204 door Scipio Africanus Maior veroverd.
+
+Salaminia, Salaminia, een atheensch schip, dat voor dezelfde doeleinden
+gebruikt werd als de Paralus (z. a.).
+
+Salamis, Salamis, gen. -inos, 1) eiland aan de W.kust van Attica,
+bekend door de luisterrijke overwinning, die de grieksche vloot
+in 480 op die van Xerxes behaalde. Hier heerschte tijdens den
+trojaanschen oorlog Telamon, de vader van den eenen Ajax en van
+Teucer. Later kwam het eiland onder Megaris en werd onder Solon door
+de Atheners veroverd. In de 3de eeuw is het meestal in handen van de
+Macedoniërs, tot Athene het met hulp van Aratus in 232 hernam. De oude
+hoofdstad Salamis lag op de Zuidspits, de nieuwe, Salamis nova, op de
+Oostkust.--2) Toen Teucer van Troje terugkeerde, zonder zijn broeder
+Ajax te hebben gewroken, werd hij door Telamon verstooten. Daarop
+stevende Teucer oostwaarts en stichtte op de oostkust van Cyprus eene
+nieuwe stad Salamis, die de voornaamste stad van Cyprus werd. Zij
+had een zeer ruime haven. In 449 behaalden de Atheners hier eene
+overwinning op de perzische vloot. Onder de regeering van Constantijn
+den Gr. werd zij door eene aardbeving verwoest, doch onder den naam
+Constantia herbouwd en tot hoofdstad van Cyprus verheven.
+
+Salapia, oude daunische stad in Apulia, v. s. door Diomedes
+gesticht. In den bondgenooten-oorlog werd ze verbrand en kwam niet
+weder tot bloei. Ze lag in eene moerassige streek, zoodat ze op
+sommige tijden bijna onbewoonbaar was.
+
+Salapina palus, meer bij Salapia, dat door een kanaal met de zee
+verbonden en tot haven gemaakt werd.
+
+Salaria (via), oudste heirweg in Italië, waarlangs het zout van
+de Salinae aan de monding van den Tiber naar het land der Sabijnen
+(Reate) vervoerd werd. Later werd de weg door de Apennijnen verlengd
+tot Truentum aan de Adriatische zee.
+
+Salassi, Salassoi, Alpenvolk in den N.W. hoek van Gallia Cisalpina
+aan de Alpes Graiae en Poeninae. Onder Augustus werden zij minder
+onderworpen dan uitgeroeid (25 v. C.); de veldheer Terentius Varro
+(Licinii no. 32) liet er 26000 als slaven verkoopen. Er lagen
+goudmijnen in hun gebied. Uit de legerplaats der praetoriaansche
+bezetting ontstond de stad Augusta Praetoria, thans Aosta.
+
+Saldae, Saldai, aanzienlijke zeestad in het O. van Mauretania
+Caesariensis.
+
+Salduba, zie Caesaraugusta.
+
+Sale, Sale, stad op de Z.kust van Thracia, ten W. van den Hebrus.
+
+Saleca = Salaeca.
+
+Salentini, Salentinoi, volksstam in Calabria aan de golf van
+Tarentum. Ook kaap Iapygium wordt naar hen promunturium Salentinum
+genoemd.
+
+Salernum, Salernon (Salerno), zeestad in het Z. van Campania aan den
+sinus Paestanus (golf van Salerno), sedert 194 rom. kolonie.
+
+Salganeus, Salganea, Salganeus, stadje in Boeotia aan den Euripus,
+O.waarts van Anthedon.
+
+Salii, frankische stam in den omtrek van het eiland der Batavieren. Ze
+komen van den IJssel, en dringen in de 4de eeuw het Romeinsche rijk
+binnen, en zijn de stichters van het latere rijk van Clovis. Een
+hoofdbestanddeel van hen zijn v.s. de vroegere Sygambren (zie aldaar).
+
+Salii, rom. priestercollege, verdeeld in twee gezelschappen, elk van 12
+leden. Het oudste, waarvan de instelling toegeschreven wordt aan Numa
+Pompilius (zie ancile), had zijne offerplaats op den palatijnschen berg
+en droeg den naam van Salii Palatini. Het andere, ingesteld door Tullus
+Hostilius, had zijn heiligdom op den Quirinalis bij de porta Collina
+en heette Salii Collini (Agonenses of Agonales). De eersten waren aan
+den dienst van Mars, de laatsten aan dien van Quirinus gewijd. Den
+1en Maart offerde de pontifex maximus in de Regia (z. a.), waar de
+heilige schilden geborgen waren, en op de volgende dagen trokken
+de Salii met de ancilia al dansende de stad door, alle tempels en
+altaren rond, terwijl hier en daar geofferd werd. Deze optocht duurde
+verscheiden dagen; de liederen, die daarbij gezongen werden, heetten
+axamenta, de plaatsen, waar de schilden 's nachts geborgen werden,
+mansiones. De optochten eindigden met een prachtig feestmaal, vandaar
+de uitdrukking epulae Saliares. De Saliërs droegen een priestermuts
+(zie apex en albogalerus), eene geborduurde tunica (tunica picta),
+een metalen borstharnas, de toga praetexta of de trabea, verder
+zwaard en speer. Zij werden uit de patriciërs gekozen, hun naam
+beteekent: dansers. Aan hun hoofd stond een magister Saliorum, op
+hem volgde de praesul of voordanser. Bij enkele hunner offers kwam
+een koor van jonkvrouwen voor, virgines Saliae, ook met borstpantser
+en priestermuts, dit waren echter geene priesteressen, maar gehuurde
+meisjes.
+
+Salinae, naam van verschillende steden, in wier nabijheid zout gewonnen
+werd. Ook de zoutfabrieken droegen dezen naam (ook wel salifodinae
+= zoutgroeven). De pacht, die daarvoor aan den staat betaald werd,
+behoorde tot de vectigalia.
+
+Salinator = zoutkooper, bijnaam in de gens Livia (Livii no. 7).
+
+Sallentini = Salentini.
+
+Sal(l)ustii, plebejisch geslacht. 1) C. Sallustius Crispus, geb. in
+86 te Amiternum in het sabijnsche land, gaf zich in zijne jeugd nogal
+aan verkwisting en uitspattingen over. Als volkstribuun was hij in
+52 vijandig gezind tegen Milo en diens verdediger Cicero. Door den
+censor App. Claudius Pulcher werd S. in 50 uit den senaat gestooten,
+doch Caesar bezorgde hem in 49 de quaestuur en bracht hem in den
+senaat terug. In 47 maakte Caesar hem tot stadhouder van Numidia,
+waar S. door afpersingen zijn fortuin herstelde, waarvan hij te Rome
+de prachtige horti Sallustiani op den Collis hortorum (M. Pincio)
+deed aanleggen. Slechts met moeite ontsnapte hij door Caesars invloed
+aan eene aanklacht. Na Caesars dood trok hij zich uit de staatszaken
+terug en wijdde zich aan letterkundigen arbeid. Wij hebben nog van hem
+twee volledige geschriften: Catilina en Jugurtha of Bellum Iugurthinum,
+alsmede fragmenten zijner 5 libri Historiarum. Wat verder op zijn naam
+staat, is onecht. De stijl van S. is gevormd naar dien van Thucydides,
+kernachtig en pittig. Zijne beschouwingen zijn pessimistisch, als
+van iemand, die de genietingen der wereld heeft leeren kennen en op
+lateren leeftijd tot inkeer is gekomen. Hij stierf in 35 of 34.--2)
+Cn. Sallustius, een vriend van Cicero.--3) C. Sallustius Crispus,
+achterneef en aangenomen zoon van no. 1, en erfgenaam van diens
+vermogen, zeer gezien bij Augustus en Tiberius. Horatius droeg hem
+eene ode op.--4) Flavius Sallustius, vicarius urbis Romae, werd door
+keizer Julianus tot praefectus praetorio Galliarum (361) en consul
+(363) benoemd. Hij trachtte te vergeefs Iulianus door middel van
+een brief van den veldtocht tegen Perzië af te houden. Een andere
+Sallustius uit dien tijd, wiens ware naam was Saturninus Secundus
+(Sallustius, juister Salutius, is in dezen tijd een signum, zie nomen),
+was praef. praet. Orientis, en begeleidde Iulianus op den tocht naar
+Perzië. Hij was ambtenaar in Gallia geweest, toen Julianus daar tegen
+de Germanen streed; Julianus had met hem vriendschap gesloten, en
+toen keizer Constantius hem daarom terugriep (359) had Julianus tot
+hem een troostrede, or. IV gericht, die nog over is. Na den dood van
+Iulianus wilde men hem tot keizer benoemen, maar hij weigerde. Hij
+is waarschijnlijk de schrijver van een werk peri theon kai kosmou.
+
+Salluvii, de machtigste der ligurische stammen op de kust van
+Gallia Narbonensis, tusschen de Alpen en den Rhodanus (in het
+tegenw. Provence). In hun gebied werd in 600 door de Phocencers
+Massilia gesticht. Na langen strijd werden zij in 122 aan Rome
+onderworpen door den proconsul C. Sextius Calvinus, die in hun gebied
+Aquae Sextiae stichtte (Aix).
+
+Salmacis, Salmakis, z. Hermaphroditus.
+
+Salmanassar, Salmanasares, naam van eenige assyrische koningen. De
+beroemdste is S. IV, die gedurende zijne korte regeering (726-722)
+een einde maakte aan het rijk Israël, koning Hosea gevangen nam en
+Samaria veroverde.
+
+Salmantica, stad der Vettones in Hispania aan den Termes, een zijrivier
+van den Durius (Douro), thans Salamanca.
+
+Salmone, Salmone, 1) overoude stad in het elische gewest Pisatis aan
+den Enipeus.--2) = Salmonium.
+
+Salmoneus, Salmoneus, zoon van Aeolus en Enarete, ging van Thessalië
+naar Elis en stichtte daar de stad Salmone. Hij waagde het zich met
+Zeus gelijk te stellen, en bootste daartoe door kunstmiddelen bliksem
+en donder na, maar Zeus doodde hem met den bliksem, wierp hem in den
+Tartarus en verwoestte de door hem gestichte stad.
+
+Salmonis, Tyro, dochter van Salmoneus.
+
+Salmonium of Samonium, kaap aan de N.O. punt van Creta.
+
+Salmydessus, Salmydessos, stad en kuststreek van Thracia aan den
+Pontus Euxinus, berucht door strandroof.
+
+Salo, rechterzijtak van den Iberus (Ebro) in Hispania, die langs de
+stad Bilbilis stroomt.
+
+Saloë, zie Sipylus.
+
+Salona of -nae, Salona, -nai, hoofdstad van Dalmatia, rom. kolonie,
+sterk door hare ligging, met slechts één toegang aan de landzijde door
+den nabijgelegen bergpas Clissura. In de nabijheid, bij Spalatum,
+lag de prachtige villa van Diocletianus, waarvan nog overblijfsels
+aanwezig zijn. Door de Gothen werd Salona verwoest. Het bleef echter
+ook onder het byzantijnsche keizerrijk een zeer belangrijke havenstad.
+
+Salsa (mola), speltmeel met zout vermengd, waarmede de offerdieren
+vóór het slachten werden bestrooid.
+
+Salus, personificatie van gezondheid en welvaart. De Salus publica
+populi Romani had sedert 302 een tempel op den Quirinalis (zie Fabii
+no. 24), die in de plaats kwam van een ouder heiligdom; men bad tot
+haar bij het begin van het jaar, maar moest eerst door middel van het
+augurium Salutis vragen of zulk een gebed geoorloofd was. De zaak
+is echter zeer onduidelijk overgeleverd. Nevens deze Salus werd in
+den keizertijd ook de Salus Augusta aangebeden.--Hare afbeeldingen
+gelijken veel op die van Fortuna.
+
+Salustii = Sallustii.
+
+Salutatio matutina, morgengroet of morgenbezoek, door vrienden en
+cliënten aan aanzienlijke personen gebracht. Dit bezoek had plaats
+in de eerste paar uren na zonsopgang. Zie clientes.
+
+Salutius, z. Sallustii no. 4.
+
+Salvidieni. Q. Salvidienus Salvius Rufus, van onaanzienlijke geboorte,
+was een groot vriend van Octavianus, vergezelde hem naar Apollonia,
+was later in den burgeroorlog zijn legaat, doch werd op zijn bevel
+ter dood gebracht wegens het aanknoopen van geheime onderhandelingen
+met Antonius.
+
+Salvii. 1) Salvius, volkstribuun in 43, verzette zich tegen het
+senaatsbesluit, waardoor Antonius (in den mutinensischen oorlog)
+tot vijand van den staat werd verklaard. Toch was hij met Cicero
+een der eerste slachtoffers der proscriptie.--2) Salvius, voorlezer
+en bibliothecaris van T. Pomponius Atticus.--3) M. Salvius Otho,
+grootvader van keizer Otho, was uit Etruria afkomstig en kwam onder
+Augustus door Livia's invloed in den senaat.--4) L. Salvius Otho, zoon
+van no. 3, een gunsteling van Tiberius, zeer streng op het punt van
+krijgstucht, was stadhouder in Africa en ontdekte eene samenzwering
+tegen Claudius.--5) M. Salvius Otho, zoon van no. 4, rom. keizer. Zie
+Otho.--6) L. Salvius Otho Titianus, oudere broeder van no. 5, streed
+voor dezen tegen Vitellius bij Bedriacum, doch werd verslagen en
+gevangen genomen. Hij bleef echter gespaard.--7) C. Salvius Liberalis,
+redenaar, door Plinius minor zeer geprezen.--8) Salvius Iulianus,
+zie Iuliani.--9) Salvius, aanvoerder in een slavenopstand op Sicilia
+in 104, zie Tryphon.
+
+Salyes, Salyes = Salluvii.
+
+Samara, rivier in Belgica, de Somme.
+
+Samaria, Samareia, of Schomrôn (= wachtpost), stad in het midden van
+Palaestina, door koning Omri gesticht als hoofdstad van het rijk
+van Israël, ter vervanging van het oude Sichem als residentie. Na
+den val van het rijk bleef het oude gebied van den stam van Ephraïm
+en den halven stam van Manasse onder den naam Samaritis of Samaria
+bekend. Tijdens de Makkabaeën ging het zuidelijke gedeelte aan Judaea
+verloren. De stad Samaria lag op een heuvel midden in een groot dal;
+in 722 werd zij verwoest door den assyrischen koning Salmanassar,
+in 307 onderging zij hetzelfde lot door Ptolemaeus I Lagi, en later
+nogmaals door den Makkabaeër Hyrcanus. Door Herodes den Gr. werd zij
+vergroot en verfraaid, en ter eere van Augustus Sebaste, Sebaste,
+genoemd. Over het landschap zie men verder Palaestina.
+
+Samarobriva, stad der Ambiani in Belgica, aan de Samara (Somme),
+thans Amiens.
+
+Sambuca, sambyke, 1) snareninstrument van zeer verschillende
+afmetingen, eenigszins overeenkomende met onze harp.--2)
+belegeringswerktuig, vermoedelijk eene valbrug, die uit een
+belegeringstoren werd neergelaten op de muren der belegerde stad.
+
+Sambus, zie Sabi regnum.
+
+Same, of -us, Same, -os, zie Cephallenia.
+
+Samia, Samia = Samicum.
+
+Samicum, Samikon, stad in het Z. van Elis, in Triphylia.
+
+Saminthus, Saminthos, plaatsje in Argolis, ten N.W. van Mycenae.
+
+Samnietische oorlogen. Bij de oude geschiedschrijvers worden 3 oorlogen
+van de Romeinen met de Samnieten vermeld. De eerste samnietische
+oorlog van 343 tot 341 heeft echter nooit plaats gehad, daar in dien
+tijd de Romeinen en Samnieten ten nauwste met elkaar verbonden waren,
+en de Samnieten de Romeinen hielpen om de Volscen en andere stammen
+te onderwerpen, en ook aan den oorlog tegen den Latijnschen bond
+(340-338) hebben deelgenomen. Er worden drie overwinningen uit het
+jaar 343 verzonnen: bij den Gaurus mons (z.a. en Cornelii no. 5), in
+de Caudijnsche passen en bij Suessula. De tweede (in werkelijkheid
+de eerste) Samn. oorlog is gevoerd van 328 of 326-304, waarin de
+voornaamste gebeurtenis is de nederlaag der Romeinen in de Caudijnsche
+passen in 321 (zie Caudium), waarna de oorlog een paar jaar gestaakt
+werd. De laatste oorlog duurde van 299 of 298 tot 290, en eindigde
+met de volledige onderwerping van Samnium (z. echter Sabini) en de
+inlijving van het sabijnsche land.
+
+Samnites, Samnium, zie Sabini.
+
+Samonium = Salmonium.
+
+Samosata, ta Samosata, versterkte hoofdstad van Commagene, aan den
+Euphraat, geboorteplaats van Lucianus.
+
+Samothrace, Samothrake, thans Samothraki, eiland op de thracische kust
+tegenover de monding van den Hebrus (Maritza), met een hoogen berg,
+Saoce, Saoke. Het eiland was vooral bekend door de vereering der Cabiri
+(z. a.).
+
+Sampsiceramus, spotnaam, door Cicero aan Pompeius gegeven, naar een
+nietsbeduidend koninkje te Emesa in Syria.
+
+Samus, Samos, thans Samo, machtig eiland op de ionisch-aziatische
+kust, eerst bevolkt door Lelegers en Cariërs, later door Ioniërs
+en Doriërs. Het was reeds vroeg eene aanzienlijke zeemogendheid; de
+Samiërs waren de eersten, die triëren bouwden (704). Na vele twisten
+tusschen adel en volk, maakte in ± 540 Polycrates zich van het bestuur
+meester. Zijne regeering was een tijdperk van grooten bloei. Kort na
+zijn dood werd het eiland, niet zonder tegenstand en verwoesting,
+aan de Perzen schatplichtig en onder Polycrates' jongeren broeder
+Syloson geplaatst. Onder Syloson's zoon Aeaces namen de Samiërs
+wel deel aan den ionischen opstand (500), doch liepen na den slag
+bij Lade tot den vijand over. Als lid van het attische zeeverbond
+bewaarde Samus later eene zekere mate van onafhankelijkheid, totdat
+in 440 bij een geschil tusschen Samus en Miletus de Atheners te
+gebiedend optraden, waarop het eiland de gehoorzaamheid opzegde. Na
+een beleg van negen maanden slaagde Pericles er in, den opstand te
+bedwingen; de vestingwerken werden geslecht, de vloot uitgeleverd,
+den Samiërs een zware boete opgelegd en een gedeelte van het eiland
+tot cleruchieën gemaakt. In den peloponnesischen oorlog bleef Samus
+aan Athene trouw, doch na den slag bij Aegospotami moest het voor
+Lysander zwichten en spartaansche bezetting opnemen, terwijl de
+atheensche kolonisten verdreven werden. In 394 kwam het opnieuw
+bij Athene, in 390 weder bij Sparta, daarna aan Perzië, in 365 werd
+het heroverd door de Atheners, die er in 352 weder 2000 cleruchen
+heenzonden. In 322 werd het door Perdiccas den Atheners ontnomen,
+in 319 door Polyperchon hun teruggegeven, en sedert veranderde het
+nog herhaaldelijk van meester, tot het eindelijk door Rome in den
+mithradatischen oorlog bij de provincie Asia werd ingelijfd. Door
+Octavianus werd het wel eene civitas libera, doch bloei en welvaart
+waren reeds lang verdwenen. Het eiland was ongemeen vruchtbaar, zoodat
+men zelfs spreekwoordelijk zeide, dat de kippen er melk gaven: pherei
+Samos kai ornithon gala. Bouw- en beeldhouwkunst stonden er eenmaal
+op hoogen trap, en de stad Samus, aan de Zuidoostkust gelegen,
+en amphitheaterswijze van het strand tegen heuvels oploopende,
+gold voor eene van de fraaiste en sterkste steden der oudheid. Tal
+van overblijfselen getuigen nog van den vroegeren tijd. Beroemd was
+ook het kostbare samische aardewerk. Samus was het vaderland van
+den decoratieschilder Agatharchus, den beeldhouwer en metaalgieter,
+tevens goud- en zilverwerker Theodorus, van de wijsgeeren Pythagoras
+en Melissus, de dichters Aeschrion en Choerilus e. a. De voornaamste
+godheid van het eiland was Hera, aan wie een zeer oude en beroemde
+tempel, door Rhoecus gebouwd, gewijd was.
+
+Sana, Sane, Sane, naam van twee steden van Chalcidice, de eene op
+de Westkust van het schiereiland Pallene, de andere ten N. van de
+doorgraving van den berg Athos, aan den Singiticus sinus.
+
+Sanchoniathon, Sanchun., Sanchouniathon, van Berytus, schrijver van
+eene zeer oude phoenicische geschiedenis, die door Herennius Philo
+(Philo no. 8) in het Grieksch vertaald werd. Men vermoedt dat Philo
+de schrijver en niet de vertaler van dit werk was, en dat de naam
+S. niets dan een verdichtsel van hem is.
+
+Sancus, Semo S., zie Dius Fidius.
+
+Sandalium, sandal(i)on, sandaal, bestond uit een zool met een
+bovenleder (zygon), dat de teenen en het voorste gedeelte van den
+voet bedekte.
+
+Sandon, assyrisch heros, door de Grieken met Heracles geïdentificeerd.
+
+Sandrocottus, Sandracottas, Sandrokottos, Sandrakottas, machtig koning
+van Palibothra, met wien Seleucus Nicator betrekkingen aanknoopte.
+
+Sangala, Sangala, stad in het gebied der Cathaei in India.
+
+Sangarius, Sangarios, aanzienlijke rivier van Asia minor, die in het
+O. van Phrygia op den berg Adoreus ontspringt, door Galatia, langs en
+door Bithynia stroomt en in den Pontus Euxinus valt. Evenals de Halys
+stroomt hij achtereenvolgens in de meest verschillende richtingen.
+
+Sangus = Sancus.
+
+Sanherib, Sanacharibos, koning van Assyrië, 704-681. Ten gevolge
+van oproerige bewegingen in Judaea en Phoenicië, die door Aegypte
+ondersteund werden, trok hij naar het Westen (701), maar eene pest
+richtte in zijn leger binnen kort zoo groote verwoestingen aan,
+dat hij terug moest trekken. Hij werd door een van zijne zonen gedood.
+
+Sannyrion, Sannyrion, dichter der oude attische komedie, tijdgenoot
+van Aristophanes.
+
+Sanquinii, geslacht, dat eerst in den romeinschen keizertijd voorkomt,
+onder Tiberius en Caligula. Bekend is vooral Q. Sanquinius Maximus,
+consul saffectus waarschijnlijk in 25 n. C., stierf als legatus pro
+praetore van Germania Inferior in 47.
+
+Santones, -ni, Santones, -noi, volksstam in Gallia aan den Carantonus
+(Charente). Hun naam leeft nog voort in dien der landstreek
+Saintonges. Steden: Mediolanum (Saintes), Condate (Cognac).
+
+Sapaei, Sapaioi, thracische stam ten O. van den mons Pangaeus.
+
+Sapientes Septem, hoi heppa sophoi, de zeven wijzen van Griekenland,
+zeven tijdgenooten (7e en 6e eeuw), die door scherpzinnigheid en
+wijsheid uitmuntten en wier kort geformuleerde spreuken als algemeen
+geldige lessen van levenswijsheid beschouwd werden: Bias, Chilo,
+Cleobulus, Periander (v.a. Myson), Pittacus, Solon en Thales.
+
+Sapis, Sapis, kustriviertje in Gallia Cispadana, dat ten Z. van
+Ravenna in de Adriatische zee valt.
+
+Sapores, Sapores, naam van twee koningen uit het nieuw-perzische
+vorstenhuis der Sassaniden. 1) S. I (241(2)-273 na C.) voerde zware
+oorlogen tegen de Rom. en nam in 259 keizer Valerianus bij een
+onderhoud verraderlijk gevangen. Valerianus, die tot zijn dood toe
+(268) gevangene bleef, moest den perzischen koning tot voetbank dienen,
+wanneer deze te paard steeg. S. veroverde verder Syria, verwoestte
+Antiochia, Tarsus in Cilicia en drong in Cappadocia door. Door
+Odenathus en Zenobia werd hij echter in zijne veroveringen gestuit en
+naar zijn eigen gebied teruggedreven.--2) S. II (310-379 na C.) was
+mede een hevig vijand van Rome en vervolgde de Christenen. Het was
+in den oorlog tegen hem dat keizer Iulianus omkwam (363 na C.).
+
+Sappho, Sappho, van Mytilene of Eresus op Lesbus, beroemde lyrische
+dichteres omstreeks 600. Daar zij tot de adelspartij behoorde, moest
+zij, evenals Alcaeus, omstreeks 596, haar vaderstad verlaten, en heeft
+toen een tijd lang op Sicilië geleefd. Later keerde zij terug. Zij
+onderwees te Mytilene jonge meisjes in muziek en poëzie. Overigens
+is van haar leven weinig of niets bekend, en de geruchten omtrent
+haar onzedelijken levenswandel blijken even weinig grond te hebben
+als het verhaal van hare onbeantwoorde liefde voor Phaon, die haar
+eindelijk zou hebben doen besluiten, zich van de Leucadische rots
+in zee te werpen.--Hare gedichten, meest in de naar haar genoemde
+sapphische versmaat geschreven, waarvan, behalve een vrij groot aantal
+fragmenten, slechts twee volledig bewaard zijn gebleven, munten uit
+door dichterlijken gloed en schoone taal, en worden door de ouden
+terecht hoog geprezen.
+
+Saraceni, Sarakenoi, rondzwervende stam in Arabia Felix.
+
+Sarangae, Sarangai, zie Drangiane.
+
+Sarapis = Serapis.
+
+Sardanapalus, Sardanapalos, wordt gewoonlijk de laatste koning van
+Assyrië genoemd. Van hem wordt verhaald, dat hij na een wellustig en
+verwijfd leven, door den Mediër Arbaces en den Babyloniër Belesys
+aangevallen, zich na een tweejarige heldhaftige verdediging in
+Niniveh met al zijne vrouwen en schatten liet verbranden, omstreeks
+888. Inderdaad was de naam van den laatsten assyrischen koning
+Saracus, en werd Niniveh omstreeks 606 door Nabopolassar en Cyaxares
+ingenomen. De naam S. is, naar men vermoedt, dezelfde als Assurbanipal,
+die kort te voren (667-626) niet zonder roem over Assyrië regeerde.
+
+Sardes (plur.), Sardeis, oude beroemde hoofdstad van Lydia, aan den
+voet van den Tmolus in het liefelijke dal van den Pactolus gelegen. In
+± 500 werd de lichtgebouwde en grootendeels met stroo gedekte stad door
+de Ioniërs in brand gestoken. Dit lot onderging zij ook later door
+den syrischen koning Antiochus den Gr. (192). Ook werd zij tijdens
+keizer Tiberius door eene aardbeving verwoest. De burcht, die het
+paleis en de schatkamers bevatte, werd voor onneembaar gehouden. Er
+zijn nog enkele verstrooide overblijfselen van Sardes aanwezig. Sedert
+de verwoesting door den mongoolschen veroveraar Timoerlenk of Tamerlan
+is de stad niet meer opgebouwd.
+
+Sardi, Sardooi, inwoners van Sardinia, een gemengd ras, traag en ruw,
+en bij de ouden als trouweloos en boosaardig aangeschreven, zoodat
+zij op de slavenmarkten weinig geld opbrachten en goedkoop waren
+(Sardi venales). Zij gingen in dierenhuiden gekleed (Sardi pelliti).
+
+Sardica = Serdica.
+
+Sardinia, Sardo, het tegenw. eiland Sardinië in de Tyrrheensche zee,
+hetwelk de Carthagers na den eersten punischen oorlog met Corsica
+moesten afstaan (238). Op de kust lagen phoenicische, carthaagsche
+en tyrrheensche volkplantingen. Het bezit van het eiland, zoowel door
+Rome als door Carthago, bepaalde zich eigenlijk tot het kustland. Het
+hart des lands, het bergland der Montes insani, werd nooit geheel
+onderworpen, en gedurig worden krijgstochten der Rom. tegen de
+Sardi (z. a.) vermeld. In 450 na C. kwam het eiland in handen der
+Vandalen. Het land was niet onvruchtbaar, doch aan landbouw werd weinig
+gedaan. Er waren schapen, die op geiten geleken; op de kusten werden
+veel konijnen gevangen, verder leverde het land graan, boomvruchten,
+zilver en ijzer op. De sardinische honig was eenigszins bitter,
+evenals de corsicaansche; vandaar: amarior melle Sardo. Er groeide
+een klimplant, Sardonia herba, met giftige eigenschappen, die een
+stuipachtig vertrekken van den mond te weeg bracht, risus Sardonius.
+
+Sardonius of -nicus (risus), sardonisch lachen, zie Sardinia.
+
+Sardus, Sardos, zoon van Maceris, voerde eene kol. uit Libye naar
+het eiland Ichnusa, dat naar hem Sardo (Sardinië) genoemd werd.
+
+Sarepta, Sarapta, stad van Phoenice, met beroemden wijn, tusschen
+Tyrus en Sidon.
+
+Sarissa, saris(s)a, een lans, bij de macedonische infanterie in
+gebruik. Onder Alexander den Gr. was de sar. hoogstens 5 1/2 M. lang,
+later beproefde men langere, er worden zelfs sar. van bijna 7 1/2
+M. vermeld. Ook bij de ruiterij had men een corps sarisophoroi.
+
+Sarmatia, Sarmatia. Sarmaten, Sarmatae, Sarmatai, was de naam
+van een uitgebreiden volksstam ten O. van den Beneden-Tanais
+(Don). Daarnaar is door den aardrijkskundige Pomponius Mela (±
+50 na C.) de benaming Sarmatia in gebruik gekomen voor het land
+tusschen de Vistula (Weichsel) en den Tyras (Dniëster) ten W., den Rha
+(Wolga) ten O., den Caucasus met de aangrenzende zeeën ten Z. en het
+mare Suevicum of Sarmaticum (Oostzee) ten N. Als scheiding tusschen
+europeesch en aziatisch Sarmatia werd gewoonlijk de Tanais aangenomen
+(zie Europa). Sarmatia werd bovendien bewoond door een aantal groote
+volksstammen: Venedae (Wenden), Peucini, Bastarnae, Iazyges, Roxolani,
+Alauni of Alani, waartusschen een aantal kleinere woonden.
+
+Sarmaticae portae, Sarmatikai pylai, bergpas in den Caucasus, die
+van Iberia noordwaarts naar Sarmatia voerde.
+
+Sarmatici montes, het W. gedeelte der Alpes Bastarnicae, de
+tegenw. kleine Karpathen.
+
+Sarmaticum mare, Sarmatikos okeanos, de Oostzee, bij dichters ook
+wel de Zwarte zee.
+
+Sarmizegethusa, Sarmizegethouse, koninklijke residentie van koning
+Decebalus van Dacia, later na de verovering door Traianus rom. kolonie,
+colonia Ulpia Traiana Augusta.
+
+Sarnus, Sarnos, rivier in Campania, die langs Nuceria stroomde en
+bij Pompeii in zee viel. Door de uitbarstingen van den Vesuvius is
+de loop gewijzigd.
+
+Saronicus sinus, Saronikos kolpos, thans golf van Egina, tusschen
+Attica, den Isthmus en Argolis.
+
+Sarpedon, Sarpedon, 1) zoon van Zeus en Europa, geraakte in twist
+met zijn broeder Minos en vluchtte met Miletus (z. a.) naar koning
+Cilix, dien hij tegen de Lyciërs bijstond. Later werd hij koning der
+Lyciërs. Hij beleefde drie menschengeslachten.--2) zoon van Zeus
+en Laodamea, koning der Lyciërs, kwam als bondgenoot van Priamus
+naar Troje, waar hij vele dappere daden verrichtte en eindelijk door
+Patroclus gedood werd. Zeus liet zijn lijk naar Lycië brengen om daar
+begraven te worden.
+
+Sarpedon(ium) promunturium, Sarpedonia akra, 1) kaap van Thracia
+tegenover het eil. Imbrus.--2) kaap van Cilicia nabij Seleucia.
+
+Sarrastes, oude stam in Campania aan den Sarnus.
+
+Sarsina, Sarsina, stad in Umbria, later rom. municipium, nabij de
+grenzen van Cispadana, aan den Sapis.
+
+Sarte, Sarte, stad op het chalcidische schiereiland Sithonia.
+
+Sarus, Saros, belangrijke rivier, die in Cataonia op den Antitaurus
+ontspringt, door de stad Comana stroomt, door den Taurus breekt,
+langs de cilicische stad Adana vloeit en ten Z. van Tarsus in zee valt.
+
+Saso, Sason, rotsig eilandje op de illyrische kust tegenover kaap
+Acroceraunium, een zeer gezochte schuilhoek en landingsplaats voor
+zeeroovers.
+
+Saspires, -ri, Saspeires, -roi, scythisch volk in de gebergten van
+N.W. Armenia.
+
+Sassanidae, Sassanidai. In 227, v. a. in 224 na C. wierp Artaxerxes
+(zie Artaxerxes no. 4), parthisch veldheer, den troon der Arsaciden
+omver, en stichtte het nieuw-perzische rijk. Naar Sassan, Artaxerxes'
+grootvader, die van de oud-perzische koningen beweerde af te stammen,
+werd het nieuwe vorstenhuis dat der Sassaniden genoemd. Zooveel
+mogelijk had een terugkeer plaats tot oudperzische zeden en
+instellingen; zoo herleefde o. a. de leer van Zoroaster en de titel
+"koning der koningen". Reeds Artaxerxes geraakte met de Rom. in oorlog
+en de Nieuw-Perzen betoonden zich even verbitterde vijanden van Rome
+als vroeger de Parthen. Het sassanidische rijk bestond tot in 631,
+toen de Arabieren Perzië veroverden.
+
+Sassula, stad in Latium, aan Tibur onderhoorig; ligging onbekend.
+
+Satala, ta Satala, aanzienlijke stad en strategisch punt in het
+N.O. van Armenia minor, van waar vier wegen naar de kust van den Pontus
+Euxinus (Zwarte zee) liepen. Het was een der sleutels van Pontus.
+
+Saticula, Satikola, stad en sedert 313 lat. kolonie in Samnium op
+een berg aan de campaansche grens.
+
+Satira, oud satura, eigenlijk: een allegaartje. Eene lanx satura was
+een schotel met allerlei spijzen gevuld, oorspronkelijk quae referta
+variis multisque primitiis sacris Cereris inferebatur. Vervolgens
+werden gedichten van verschillenden, weinig samenhangenden inhoud
+met dezen naam bestempeld en wordt de naam satura toegepast op de
+fescennische kluchten en de atellaansche boertspelen. Ennius bracht
+eene wijziging hierin. Zijne saturae hadden wel de oude afwisseling
+van vorm en maat, doch waren van meer ernstigen inhoud. Den grooten
+overgang echter tot het hekeldicht vormen de satiren van Lucilius
+(180-103), die in zijne schilderingen een critiseerenden toon aansloeg
+en aan Horatius tot voorbeeld heeft gestrekt. Zoo werd de satire
+een soort van causerie met hekelenden toon, bij Horatius vroolijk en
+luimig, bij Persius en Iuvenalis scherp of bitter. Niet alle satiren
+waren in versmaat, M. Terentius Varro (116-27) schreef proza en poëzie
+dooreen, door hem zelven saturae Menippeae genoemd, omdat hij de voor
+ons verloren geschriften van den cynischen wijsgeer Menippus tot
+voorbeeld nam. De varroniaansche satirenvorm vond o. a. navolging
+bij Seneca en in het Satyricon van Petronius, doch de hekelende
+strekking, die aan Varro's geschriften vreemd was gebleven, kreeg
+de overhand. In de grieksche literatuur komt de satire niet voor;
+vandaar zegt Quintilianus: satira quidem tota nostra est.
+
+Satniois, Satnioeis, riviertje in het Z. van Troas, dat bij Hamaxitus
+in de Aegaeische zee valt.
+
+Satrae, Satrai, vrijheidslievend volk in Thracia tusschen den Strymon
+en den Nestus.
+
+Satricum, 1) stad in Latium nabij Antium, oorspronkelijk latijnsch,
+488 volscisch, vaak door de Rom. hernomen en weer verloren, in 346
+verwoest.--2) municipium aan den Liris, valt in 321 van de Romeinen af,
+en sluit zich aan bij de Samnieten; in 319 wordt de stad heroverd en
+ontwapend. Deze stad wordt vaak met de vorige verward.
+
+Satrii. 1) Satrius Secundus verried Seianus.--2) Satrius Rufus,
+redenaar ten tijde van Domitianus en Nerva, een vriend van Plinius
+minor.
+
+Saturae palus, moeras in Latium bij het promunturium Circeium, ontstaan
+door de gebrekkige uitwatering van den Nymphaeus, een riviertje,
+dat bij Norba ontspringt.
+
+Satureium, -rium of -rum, stadje ten Z.O. van Tarentum, bekend door
+een fijn paardenras.
+
+Saturius (P.), de advokaat van L. Fannius Chaerea, de tegenpartij
+van Q. Roscius Comoedus (Roscii no. 2).
+
+Saturnalia, feest ter eere van Saturnus, jaarlijks te Rome van 17 tot
+23 December gevierd. De grieksche wijze van viering van dit feest is
+ingevoerd in 217. Sedert offerde men aan den god Graeco ritu. Het
+feest werd beschouwd als eene herinnering aan de gouden eeuw, toen
+Saturnus op aarde leefde. Allerwege heerschte vroolijkheid, men liet
+allen arbeid rusten, gaf elkander maaltijden en geschenken, en zelfs
+de slaven genoten op die dagen vrijheid en werden soms zelfs door
+hunne heeren bediend, ter gedachtenis aan de gelijkheid van standen
+onder Saturnus' regeering. De geschenken, die men elkander gaf, waren
+vroeger meestal waskaarsen en poppen van aardewerk (z. Sigillaria),
+later voorwerpen van grootere waarde.
+
+Saturnia, 1) oude dichterlijke naam voor Italia, meer in het bijzonder
+voor Latium (zie Saturnus).--2) oude stad van Etruria, rom. kolonie
+sedert 183, vroeger Aurinia geheeten.--Zie ook Saturnius.
+
+Saturninus, 1) familienaam in de gentes Appuleia, Sentia, Volusia.--2)
+Aelius Saturninus werd van den capitolijnschen berg geworpen, omdat
+hij een spotdicht op keizer Tiberius had gemaakt (23 n. C.).--3)
+Aponius Saturninus versloeg in 69 onder Otho, als bestuurder van
+Moesia, de Rhoxolani, die een inval gedaan hadden, diende later onder
+Vespasianus, en verloor bijna het leven in een soldatenoproer.--4)
+een der zoogenaamde 30 tyrannen, die in 260 na C., na de gevangenneming
+van keizer Valerianus door de Perzen, allerwege tot rom. keizer werden
+uitgeroepen.--5) generaal onder Aurelianus en Probus, in 280 na C. in
+Syria tot keizer uitgeroepen en eerst na hevigen strijd overwonnen
+en door de troepen vermoord.
+
+Saturnius, -a, Jupiter, Neptunus, Pluto, Juno en Vesta, kinderen
+van Saturnus.
+
+Saturnus, oud-italisch god van zaadvelden en landbouw. Wegens sommige
+punten van overeenkomst tusschen hem en Cronus, met wien hij later
+geheel vereenzelvigd werd, verhaalde men dat hij, door Jupiter van den
+troon gestooten, na lange omzwervingen in Italië aangekomen en door
+Janus gastvrij ontvangen was; daarvoor had hij landbouw en beschaving
+ingevoerd en was zijne regeering een tijd van vrede, overvloed en
+geluk, dien men de gouden eeuw noemde. Zie ook Saturnalia.--In den
+tempel, dien hij gemeenschappelijk met zijne gemalin Ops aan den voet
+van het Capitolium had, werd de schatkist bewaard.
+
+Satyri, Satyroi, wezens, die tot de omgeving van Dionysus behooren
+en evenals hij het rijke, weelderige leven der natuur voorstellen,
+maar op ruwe en grof zinnelijke wijs. Zij verheugen zich in drinken,
+dansen, spelen en muziek, gaarne zijn zij in gezelschap der nimfen,
+die zij dikwijls tevergeefs met hunne liefde lastig vallen, en
+jagen zij den eenzamen wandelaar in de stille bosschen vrees en
+schrik aan. Hun voorkomen wordt als half dierlijk beschreven; zij
+hadden stompe neuzen, borstelig haar, spitse ooren en een staart; in
+oudere kunstwerken worden zij dikwijls zoo voorgesteld, maar latere
+kunstenaars gaven hun eene jeugdige en bevallige gestalte en schoone,
+maar schalksche gelaatstrekken.--Bij de romeinsche dichters zijn zij
+gelijk aan Panen, Faunen en dgl.
+
+Satyrica fabula, drama satyrikon, een tooneelstuk, dat op het grieksch
+tooneel na het treurspel opgevoerd werd, opdat de toeschouwers in
+vroolijke stemming den schouwburg zouden verlaten, z. Tetralogia. Deze
+stukken waren in den trant van treurspelen bewerkt, de hoofdpersonen
+waren ook de bekende epische en tragische helden, maar het koor bestond
+uit satyrs, die lichamelijk en zedelijk zulk een tegenstelling met
+die helden vormden, dat uit hunne ontmoeting lachwekkende toestanden
+geboren moesten worden. Deze dichtsoort werd door Pratinas te Athene
+ingevoerd.--De Cyclops van Euripides is het eenige satyrdrama, dat
+wij nog in zijn geheel bezitten.
+
+Satyrus, Satyros, 1) S. I, koning van Bosporus, bondgenoot der
+Atheners (407-393).--2) S. II, koning van Bosporus, sneuvelde na eene
+korte regeering in een oorlog tegen zijn broeder Eumelus (310).--3)
+tooneelspeler te Athene, tijdgenoot van Demosthenes.--4) peripatetisch
+wijsgeer uit de 2de eeuw, schrijver van levensbeschrijvingen van
+beroemde mannen.--5) grammaticus, leerling van Aristarchus, tijdgenoot
+van den vorigen.--6) geleerd geneesheer, leermeester van Galenus,
+schrijver van commentaren op Hippocrates.--7) naam van een of twee
+epigrammendichters.
+
+Sauconna, latere naam voor den Arar (Saône).
+
+Saufeius (L.), vriend van T. Pomponius Atticus te Rome, die hem hielp
+om zijne bezittingen terug te krijgen, die hij in de troebelen na
+Caesar's dood verloren had.
+
+Sauromatae = Sarmatae, zie Sarmatia.
+
+Savaria = Sabaria.
+
+Savo, 1) langzaam voortstroomende rivier in Campania tusschen den
+Liris en den Volturnus.--2) = Sabata no. 2.--3) stad bij de Zee-Alpen,
+aan zee, ten W. van Genua.
+
+Sa(v)us, Saos, zijtak van den Ister (Donau), thans Sau of Save,
+in het Z. van Pannonia.
+
+Saxa, zie Decidius Saxa.
+
+Saxa rubra, zie Rubra saxa.
+
+Saxum Tarpeium, zie Tarpeii en Capitolinus (mons).
+
+Saxones, Saxones, germaansch volk tusschen den Albis (Elbe) en de
+Oostzee in het tegenw. Holstein gevestigd en eerst omstreeks 285 na
+C. als zeeschuimers opgetreden. Later vormden zij de kern van een
+verbond der volken van N.W. Germania (z. Chauci), dat zich ook in ons
+land uitstrekte tot aan de Isala, die de grensrivier tegen de Franken
+was. Een gedeelte van het volk vestigde zich samen met de Angili en
+de Jutten in de 5de eeuw n. Chr. in Engeland.
+
+Scaea porta, Skaiai pylai, poort aan de Westzijde van Troje, die naar
+het grieksche leger leidde.
+
+Scaeva, 1) een rom. centurio, die onder Caesar met roem in Britannia
+streed en in de burgeroorlogen een kasteel bij Dyrrachium met grooten
+moed verdedigde.--2) bij Horatius een verkwister, die zijne oude
+moeder vergiftigde.
+
+Scaevola, familienaam in de gens Mucia.
+
+Scalae Gemoniae, zie Gemoniae scalae.
+
+Scaldis, rivier in Belgica, thans Schelde.
+
+Scamander, Skamandros, 1) rivier in de trojaansche vlakte, om zijn
+gele kleur ook Xanthos genoemd. Hij ontsprong op het Idagebergte bij
+Scepsis, vereenigde zich dicht bij den mond met den Simoïs, waarna
+zij bij kaap Sigeum in zee vielen. De monding was reeds vroeg bijna
+dichtgeslibt, zoodat er een kanaal naar zee moest gegraven worden.--2)
+zie Egesta.
+
+Scamandrius, Skamandrios, de eigenlijke naam van Astyanax.
+
+Scandea, -ia, Skandeia, haven aan de O.-zijde van het eiland Cythera
+(Cerigo).
+
+Scandia, Scandinavië, waarvan de ouden een zeer onjuiste of onvolledige
+kennis hadden. Zij kenden eenige eilanden, Scandiae insulae, waarvan
+het grootste op de Zuidspits van Zweden schijnt te doelen (het
+tegenw. Scania, Skone, Schonen). De bewoners heetten Hilleviones,
+en zijn van germaanschen stam.
+
+Scandila, Scandira, eilandje in het W. der Aegaeische zee, bij
+Peparethus.
+
+Scantia Silva, bosch in Campania, met bronnen (aquae Scantiae),
+in welker nabijheid ontvlambare gassen uit den bodem opstegen.
+
+Scapte Hyle, Skapte hyle, thracisch kuststadje nabij den mons Pangaeus,
+aan Thasus behoorende. Uit de nabijgelegen goudmijnen trokken de
+Thasiërs 80 talenten 's jaars. Thucydides (de geschiedschrijver) die
+hier ook bezittingen had, bracht er van 423 tot 403 de jaren zijner
+ballingschap door.
+
+Scaptensyla = Scapte Hyle.
+
+Scaptia, oude, vroeg verdwenen stad van Latium.
+
+Scaptii, rom. geslacht. M. Scaptius haalde Cicero, die toen proconsul
+van Cilicia was, over, het geschil over geleende gelden, dat tusschen
+M. Brutus en de stad Salamis op Cyprus gerezen was en dat Cicero ten
+gunste van Salamis wilde beslissen, niet af te doen, maar aan zijn
+opvolger, die op Brutus' hand was, over te laten.
+
+Scapula, zie Quinctii no. 12.
+
+Scardona, Skardona, hoofdst. van Liburnia, in het Z. gelegen, aan
+den Titius.
+
+Scardus mons, Skardon oros, grensgebergte tusschen Illyria ten W. en
+Dardania en Paeonia ten O.
+
+Scarphe, Scarphea, Skarphe, -pheia, stad der epicnemidische Locriërs,
+het knooppunt der wegen naar de Thermopylae.
+
+Scatinavia = Scandia.
+
+Scaurus, familienaam in de gentes Aurelia (Aurelii no. 10) en Aemilia
+(Aemilii no. 11-14).
+
+Sceleratus campus, een plein of veld buiten de porta Collina te Rome,
+waar vestaalsche maagden, die hare gelofte van kuischheid geschonden
+hadden, levend begraven werden. Voordat de kluis werd dichtgemetseld,
+werd er, behalve spijze, ook eene brandende lamp in geplaatst,
+waardoor de dood nog werd verhaast.
+
+Scena, skene, eigenlijk de achter- en zijwanden van het tooneel, in
+ruimeren zin het geheele tooneel met inbegrip van het proscenium en
+de ruimte er achter en er naast; hoi epi skenes, de tooneelspelers;
+ta apo skenes, liederen, die door de tooneelspelers, niet door het
+koor, gezongen werden.
+
+Scenitae, Skenitai (= tentbewoners), algemeene naam der nomadische,
+onder tenten levende stammen in Arabia en Meroë.
+
+Scepsis, Skepsis, oude stad in het binnenland van Troas, door Trojanen
+gesticht, later milesische kolonie. Toen later een groot gedeelte der
+bewoners naar Alexandria Troas was overgebracht, heette de oude stad
+Palaescepsis, Palaiskepsis.
+
+Sceptici, Skeptikoi, z. Pyrrho.
+
+Schedius, Schedios, naam van twee aanvoerders der Phocensers voor
+Troje, beiden door Hector gedood.
+
+Scheria, Scheria, het eil. der Phaeaces (z. a.). In later tijd vond
+men dit eiland terug in Corcyra (z. a.).
+
+Schiste hodos, de driesprong, waar Oedipus zijn vader Laius doodde;
+volgens Aeschylus bij Potniae aan den Cithaeron, volgens Sophocles
+in Phocis, in de buurt van Daulis (z. Parnassus).
+
+Schoeneus, Schoineus, zoon van Athamas en Themisto, koning in Boeotië,
+vader van Atalante.
+
+Schoenus, Schoinos, vlek in Boeotia, aan het meer van Hyle.
+
+Schoenus, Schoinous (= biezenstad), 1) eene der havens van Corinthus,
+aan de Oostkust van den Isthmus, ten N. van Cenchreae.--2) vlek in
+het hart van Arcadia, bij Methydrium.
+
+Scholium, scholion, aanteekening op den rand van een handschrift;
+zulke aanteekeningen bevatten critische opmerkingen, verklaringen van
+moeilijke plaatsen, enz. Veelal waren het uittreksels uit de werken van
+alexandrijnsche geleerden, en bij het copieeren van het handschrift
+werden zij dikwijls mede overgeschreven. De scholia, die in de nog
+bestaande handschriften gevonden worden, zijn van zeer ongelijke waarde
+en in de meeste gevallen is het onbekend van wien zij afkomstig zijn.
+
+Sciapodes, Skiapodes, fabelachtig volk in Libye; zij hadden zulke
+groote voeten, dat zij die, wanneer zij zaten, als zonneschermen
+konden gebruiken.
+
+Sciathus, Skiathos, eiland en stad in de Aegaeïsche zee nabij de
+kusten van Euboea en van het thessalische kustland Magnesia, door
+de Chalcidiërs gekoloniseerd, in 200 door de Macedoniërs verwoest,
+later een schuilhoek voor de zeeroovers.
+
+Scidrus, Skidros, kleine grieksche stad aan de Westkust van Italia,
+in Lucania, ten O. van Pyxus (Buxentum).
+
+Scillus, Skillous, stad in het elische gewest Triphylia, aan den
+Selinus, een zijtakje van den Alpheus. Xenophon bracht er een gedeelte
+zijner ballingschap door en stichtte er een tempel voor Artemis,
+in het klein gelijkende op dien te Ephesus.
+
+Scione, Skione, stad van Chalcidice op het schiereiland Pallene.
+
+Scipiades, iemand uit de familie der Scipio's, dichterlijk woord.
+
+Scipio, familienaam in de gens Cornelia z. Cornelii 6-26.
+
+Sciras, Skiras, bijnaam van Athena van onzekere beteekenis,
+vgl. Scirophoria.
+
+Sciritis, Skiritis, eene woeste bergstreek in het N. van Laconica,
+genoemd naar het stadje Scirus, ten N. van Sparta, aan den weg naar
+Tegea. De inwoners, Sciritae, Skiritai, vormden in het spartaansche
+leger een afzonderlijk korps, meest van 600 man (Skirites lochos),
+dat de eereplaats aan den rechtervleugel innam, op marsch de voorhoede
+vormde en op de gevaarlijkste plaats gelegerd was.
+
+Sciron, Sk(e)iron, 1) een berucht roover, die op de Scironische
+rots tusschen Attica en Megaris woonde, de voorbijgangers dwong hem
+de voeten te wasschen en hen daarna in zee schopte, waar zij door
+een schildpad werden verslonden. Theseus deed hem op dezelfde wijze
+omkomen.--2) zoon van Pylas, schoonzoon van Pandion. Hij betwistte
+Nisus de heerschappij over Megara, maar Aeacus, als scheidsrechter
+ingeroepen, kende Nisus de regeering en Sc. het opperbevel in den
+oorlog toe.
+
+Scironides, Skironides, een van de atheensche strategen, die in 412 bij
+Miletus eene overwinning op de Lacedaemoniërs en Milesiërs behaalde;
+onder de 400 werd hij afgezet.
+
+Scirophoria, Skirophoria, feest ter eere van Athena Sciras den 12den
+Scirophorion te Athene gevierd. Bij den feestelijken optocht van den
+burcht naar Eleusis liepen de priesteressen dier godin en de priesters
+van Erechtheus en Helius onder een groot wit zonnescherm (skiron), het
+zinnebeeld van bescherming tegen de hitte der aanstaande hondsdagen.
+
+Scirophorion, Skirophorion, 12de maand van het Attische jaar
+(Juni-Juli), z. annus.
+
+Scirtus, Skirtos, (= de huppelende), waterrijke rivier met sterk
+verval, die langs Edessa stroomt, en na zich met den Bilechas (Belias)
+vereenigd te hebben, bij Nicephorium in den Euphraat valt.
+
+Scirus, Skiros, zie Sciritis.
+
+Scodra, Skodra, hoofdstad der Labeates, een aanzienlijke stad en
+sterke vesting met vele rom. inwoners aan de Z. grens van Dalmatia,
+aan den lacus Labeatis, tgw. Scutari.
+
+Scodrus = Scardus.
+
+Scoedises, Skoidises = Scordiscus.
+
+Scolatium, stad in het land der Bruttii, dicht bij den Sinus
+Scylleticus, sedert 122 rom. kolonie.
+
+Scolium, skolion, skolion melos, een bizonder soort van liederen,
+door de Grieken aan tafel gezongen. De naam wordt afgeleid van de
+willekeurige volgorde, waarin zulke liederen door de gasten gezongen
+werden, terwijl bij andere tafelliederen, vooral bij godsdienstige
+gezangen, ieder op zijn beurt of allen met elkander zongen. Anderen
+denken aan eigenaardigheden in metrum of melodie. Beroemd is onder de
+scolia, die bewaard gebleven zijn, dat van Callistratus op Harmodius
+en Aristogiton.
+
+Scollis, Skollis, gebergte in Acrorea.
+
+Scolus, Skolos, 1) vlek in Boeotia ten O. van Erythrae, op de helling
+van den woesten Cithaeron aan den Asopus gelegen, zóó naargeestig, dat
+men zeide: eis Skolon met' autos imen, met' allo hepesthai. Hier zou
+Pentheus door de Bacchanten verscheurd zijn.--2) vlek nabij Olynthus.
+
+Scomius, Skomion oros, hoog gebergte in Thracia, dat zich, O.waarts
+van den Scardus, van den Haemus afscheidt.
+
+Scopadae, Skopadai, een adellijk geslacht dat te Crannon in Thessalië
+regeerde, totdat de tyrannen van Pherae zich verhieven.
+
+Scopas, Skopas, 1) een van de Scopadae, beroemd door zijn rijkdom,
+bij wien Simonides langen tijd doorbracht. Bij een feestmaal kwam
+hij met al zijne gasten om door het instorten van de zoldering der
+eetzaal; alleen Simonides werd op wonderdadige wijze gered.--2) een
+van de Scopadae, van wien verhaald wordt dat hij met den jongen Cyrus
+bevriend was, en dat hij Socrates een toevluchtsoord aanbood.--3)
+van Parus, beroemd beeldhouwer en bouwmeester. Hij maakte bij
+voorkeur groepen in marmer, die door afwisselende, maar altijd
+bevallige standen uitmuntten. Vooral beroemd was van hem de groep
+van Nereïden en Tritonen, die, door Thetis en Poseidon geleid, aan
+Achilles zijne nieuwe wapenrusting komen brengen. Zijn bloeitijd valt
+omstreeks 380, op hoogen leeftijd (350) werkte hij nog mede aan het
+mausoleum van Halicarnassus. Hij is het meest bekend door zijne koppen,
+waarvan de oogen diep liggen en naar boven gericht zijn. Hiermede
+komt het hartstochtelijk element in de grieksche beeldhouwkunst op,
+het dwepende, zooals steeds in tijden, waarin men ontevreden is met
+de bestaande toestanden.
+
+Scordisci, Skordiskoi, keltische volksstam in Pannonia op beide oevers
+van den benedenloop van den Savus.
+
+Scordiscus, Skordiskos, of Scoedises, gebergte op de grenzen van
+Armenia en Armenia minor.
+
+Scordus = Scardus.
+
+Scorpius, het sterrenbeeld de Schorpioen, de onder de sterren
+verplaatste schorpioen, die Orion gedood had.
+
+Scoti, Schotten, zie Picti.
+
+Scotussa, Skotoussa, 1) oude stad in het thessalische gewest
+Pelasgiotis, niet ver van Cynoscephalae. Pelopidas behaalde hier
+in 364 eene overwinning op Alexander, tyran van Pherae.--2) stad in
+Macedonia ten O. van den Strymon.
+
+Scribae, zie apparitores.
+
+Scriboniae (rogationes), van den volkstribuun C. Scribonius Curio,
+in 50. Het waren slechts voorstellen, die echter niet in behandeling
+kwamen of verworpen werden. 1) de intercalando, over het inlasschen
+eener maand. Dit was meer een verzoek aan de pontifices, dan
+een wetsvoorstel. Het verzoek werd gedaan om tijd te winnen voor
+het doen aannemen zijner rogationes, wat vóór 1 Maart 50 moest
+gebeurd zijn. Toen het afgewezen werd, ging hij tot de partij van
+Caesar over, zie Scribonii no. 6.--2) viaria, over het onderhoud
+der openbare wegen, misschien ook een voorstel tot tolheffing.--3)
+alimentaria, over korenuitdeeling.--4) om het gebied van koning Juba
+tot rom. staatseigendom te verklaren.
+
+Scribonianus (Furius Camillus of L. Arruntius Camillus), zie Furii
+no. 14.
+
+Scribonii, plebejisch geslacht, waarvan de Libones en Curiones
+de voornaamste familiën zijn. 1) L. Scrib. Libo, volkstribuun in
+216 en praetor in 204.--2) C. Scrib. Curio bouwde als aediel met
+zijn ambtgenoot Cn. Domitius Ahenobarbus (Domitii no. 2) in 196
+den Faunus-tempel te Rome.--3) L. Scrib. Libo, drong in 149 als
+volkstribuun, gesteund door den 85-jarigen M. Porcius Cato (maior),
+op bestraffing van Ser. Sulpicius Galba (Sulpicii no. 11) aan, die
+zich tegenover de Lusitaniërs aan woordbreuk had schuldig gemaakt en
+verraderlijk hen, die zich ongewapend hadden overgegeven, had laten
+neerhouwen.--4) C. Scrib. Curio, een der voortreffelijkste redenaars
+van zijn tijd, praetor in 121.--5) C. Scrib. Curio, zoon van no. 4,
+minder goed redenaar dan zijn vader, was volkstribuun in 90 en diende
+in 84 onder Sulla tegen Mithradates; in 76 was hij consul; later
+versloeg hij als proconsul van Macedonia de Moesiërs en Dardaniërs
+en was de eerste rom. veldheer, die tot aan den Donau doordrong. Hij
+was een man van den ouden stempel en van strenge zeden, evenwel in het
+staatkundige niet onpartijdig. Hij was het, die Verres geluk wenschte
+met de verkiezing van Hortensius tot consul. In de zaak van Catilina
+stond hij aan Cicero's zijde. Later was hij een vurig tegenstander van
+Caesar. Hij stierf in 53.--6) C. Scribonius Curio, zoon van no. 5,
+weder een uitstekend redenaar, doch verkwistend en trouweloos van
+aard. Eerst was hij republikeinsch gezind doch in zijn volkstribunaat
+(50), (zie Scriboniae rogationes no. 1), ging hij tot de partij van
+Caesar over, v. s. door dezen omgekocht. Toen de onderhandelingen
+schipbreuk leden en het bekende senaatsbesluit tegen Caesar was
+aangenomen, nam Curio met C. Caelius en de tribunen M. Antonius en
+Q. Cassius in Jan. 49 de wijk naar Caesar. Hij diende hem vervolgens
+in Africa, en sneuvelde daar tegen Juba.--7) L. Scrib. Libo was
+een aanhanger van Pompeius, met wiens zoon Sextus zijne dochter was
+gehuwd. Hij streed in 49 als vlootvoogd tegen Caesar en bracht in 39 de
+overeenkomst tusschen Sextus Pompeius en het driemanschap tot stand. In
+34 was hij consul. Hij was bevriend met Cicero.--8) Scribonia,
+zuster van no. 7, was de tweede vrouw van Octavianus en de moeder
+van Iulia, zie Iulii no. 14. Toen deze verbannen werd, trok zij met
+haar dochter mede.--9) L. Scrib. Libo Drusus wekte de ijverzucht van
+Tiberius op en werd door Fulcinius Trio van tooverij aangeklaagd. Om
+eene veroordeeling te ontgaan, pleegde hij zelfmoord (16 n. C.).--10)
+een drietal Scribonii werden door Caligula en Nero omgebracht.--11)
+Scrib. Largus was in 43 na C. geneesheer van keizer Claudius op diens
+reis naar Britannia. Hij schreef een werk compositiones medicamentorum,
+een receptenboek, dat gedeeltelijk bewaard is.
+
+Scrinium, eene ronde doos, tot bewaring van handschriften, die daarin
+opgerold naast elkander werden gezet. Onder de keizers heetten
+de bureaux der keizerlijke kanselarij scrinia. Zij waren tijdens
+Constantijn den Gr. vier in getal: scrinium memoriae, scr. epistularum,
+scr. libellorum supplicum, scr. dispositionum. Aan het hoofd van elke
+afdeeling stond een magister en onder hem een proximus, beiden tot
+de spectabiles behoorende.
+
+Scriptores historiae Augustae, een zestal schrijvers uit den tijd van
+Diocletianus en Constantijn, met name Aelius Spartianus, Vulcatius
+Gallicanus, Trebellius Pollio, Flavius Vopiscus, Aelius Lampridius
+en Iulius Capitolinus. Hunne, later tot een bundel saamgevoegde
+levensbeschrijvingen van rom. keizers loopen van 117-285 na C. Zij
+beginnen met het leven van Hadrianus en eindigen met dat van Carinus.
+
+Scriptura, weidegeld, dat betaald werd bij het inschrijven van vee
+op de pascua publica, d. z. de weidegronden, die tot het romeinsche
+staatsdomein behoorden.
+
+Scripulum of Scrupulum, zeer klein gewicht, het 1/24 eener uncia.
+
+Scultenna, zijtak van den Padus (Po), die op geringen afstand O.waarts
+van Mutina stroomt.
+
+Scutala, Scyt-, skytale, een stok, zooals de spartaansche overheden
+voor geheime correspondentie gebruikten. Een smalle witte strook werd
+stijf om den stok gewonden en overdwars beschreven; daarop werd de
+strook alleen verzonden, zoodat het geschrevene alleen kon gelezen
+worden, wanneer de strook om een stok van gelijke dikte gewonden
+werd. Ieder ambtenaar, die buitenslands ging, kreeg daarom zulk een
+stok mede.
+
+Scutum, thyreos, langwerpig vierkant gebogen schild van het
+rom. voetvolk, omstreeks M. 1,20 lang en M. 0,80 breed, van hout
+gemaakt, met leder overtrokken, van een metalen rand voorzien en in
+het midden van een metalen knop of plaat om de slagen op te vangen. De
+verschillende legioenen hadden de schilden met verschillende kleuren
+en distinctieve figuren versierd.
+
+Scylace, Skylake, oude nederzetting der Pelasgen aan de Propontis,
+ten O. van Cyzicus.
+
+Scylaceum of -cium, Scylletium, Skylakion, grieksche stad op twee
+heuvels aan de Oostkust van het land der Bruttii, aan den sinus
+Scylacius, Skylletikos kolpos, gelegen, thans Squillace.
+
+Scylax, Skylax, 1) van Caryanda, een logograaf, die op last van
+Darius Hystaspis eene onderzoekingsreis langs de aziatische kust
+van den Indus tot de Roode zee deed. De nog bestaande periplous tes
+thalasses tes oikoumenes, die op zijn naam staat, is van veel lateren
+tijd.--2) van Halicarnassus, vriend van Panaetius, als staatsman,
+wis- en sterrenkundige en toonkunstenaar beroemd.
+
+Scylla, Skylla, 1) dochter van Poseidon en de nimf Crataeïs, een
+vreeselijk blaffend monster met 12 voeten en 6 lange halzen, ieder met
+een kop met 3 rijen puntige tanden. Zij woont in het diepe hol van eene
+aan zee staande, hemelhooge, door wolken omhulde rots, en tegenover
+haar op een andere rots woont een ander monster, Charybdis, die drie
+maal daags het zeewater met schepen en al wat er in is inzwelgt en het
+ook driemaal daags weder uitbraakt. Toen Odysseus tusschen de beide
+rotsen doorvoer, hield hij zijn schip zoo ver mogelijk van Charybdis
+af, maar daardoor kwam hij te dicht bij Sc., die met hare muilen 6
+van zijne tochtgenooten wegroofde en verslond.--Sc. was vroeger een
+schoone zeenimf geweest, die door Glaucus of Poseidon bemind werd, uit
+jaloerschheid gaf Circe of Amphitrite haar hare latere afgrijselijke
+gedaante. Charybdis was eene dochter van Poseidon en Gaea, die aan
+Heracles eenige runderen ontroofd had, en daarvoor door Zeus met
+den bliksem in zee geslingerd was.--In lateren tijd verklaarde men
+de twee monsters als twee gevaarlijke rotsen aan de beide zijden van
+de sicilische zeeëngte.--2) dochter van Nisus (z. a.), die haar vader
+aan Minos verried. Uit afschuw voor hare daad liet Minos haar aan zijn
+schip vastbinden en door het water meesleuren, zoodat zij verdronk;
+of zij sprong in zee om het schip van Minos te volgen en werd in een
+zeevogel veranderd, die altijd door haren in een zeearend veranderden
+vader vervolgd wordt.
+
+Scyllaeum, Skyllaion, 1) stad en kaap in het land der Bruttii, waarbij
+het monster Scylla zich ophield, ten N. van Rhegium. Anaxilas, tyran
+van Rhegium, legde hier eene versterkte haven aan.--2) kaap in Argolis
+bij Troezen.
+
+Scyllaeum fretum = fretum Siculum.
+
+Scylletium, Skylletion = Scylaceum.
+
+Scymnus, Skymnos, van Chius, een geograaf van onbekenden tijd,
+misschien uit de 2de eeuw, schrijver eener Periegesis. Het nog
+bestaande gedicht, dat dien titel en den naam van Sc. draagt,
+is misschien eene metrische bewerking van zijn werk, dat in proza
+geschreven was.
+
+Scyrus, Skyros, eiland en stad ten O. van Euboea, waar volgens de
+sage Thetis haar zoon Achilles aan het hof van koning Lycomedes
+in meisjeskleederen verborg. De bewoners waren Dolopes, die wegens
+zeeroof door de Amphictyonen bestraft werden. In 474 (of 473), na de
+vermeestering van Scyrus, ontdekte Cimon er het gebeente van Theseus,
+dat naar Athene werd overgebracht en in het Theseum bijgezet. Scyrus
+bleef onder Athene tot in den macedonischen oorlog, in 196 echter
+gaven de Rom. het aan Athene terug.
+
+Scytala = Scutala.
+
+Scythia, Skythia. Bij Herodotus is Scythia het land ten N. van
+den Pontus Euxinus (Zwarte Zee) tusschen den Ister en het land
+der Agathyrsi (thans Zevenbergen) ten W. en den Tanais (Don) ten
+O. Latere schrijvers breiden de grenzen oostwaarts uit. De bewoners,
+Scythae, Skythai, waren dapper en vrijheidslievend en alle pogingen
+der perzische koningen om hen te onderwerpen, mislukten. Zij hadden
+geene steden of dorpen, maar leefden in wagens. Zij bestonden uit
+een onbekend aantal stammen; het talrijkst waren de Sk. basileioi
+of krijgslieden, voorts had men herders en ook landbouwende
+stammen. Omstreeks 600 deden de Sc. een inval in Klein-Azië en
+Europa, doch werden na ruim een kwart eeuw door Cyaxares weder
+verdreven. Omtrent den tocht door Darius tegen hen ondernomen,
+z. Darius no. 1 en Histiaeus. Na 500 laten de Sc. niets van zich
+hooren, tot op den tijd van Mithradates. Na Traianus verdwijnt de
+naam Scythen uit Europa en verhuist naar Azië. Ptolemaeus (± 150
+na C.) spreekt van een Scythia intra en extra Imaum. De Grieksche
+schrijvers van de 3de en 4de eeuw n. Chr. duiden met den naam Skythai
+vaak de Gothen aan, die zich in de 3de eeuw n. Chr. aan de Zwarte
+Zee hadden gevestigd (zie Gothi).--Zie ook toxotai.
+
+Scythini, Skythinoi, volk op de W. grens van Armenia, door wier gebied
+Xenophon en de 10000 Grieken een tocht van vier dagmarschen maakten.
+
+Scythopolis, Skythopolis, aanzienlijke stad van Palaestina, op de
+grenzen van Galilaea en Samaria, een weinig ten W. van den Jordaan
+gelegen, met eene zeer gemengde bevolking.
+
+Sebaste, Sebaste, 1) stad op een eilandje aan de cilicische kust, door
+koning Archelaus (zie Archelaus no. 7) gesticht ter eere van Augustus,
+omdat de Rom. Cilicia aspera bij zijn rijk hadden gevoegd.--2) stad
+in het binnenland van Phrygia.--3) = Cabira.--4) zie Samaria.
+
+Sebastea, Sebasteia, stad in Pontus in het brongebied van den Halys,
+door Pompeius tot stad verheven onder den naam Megalopolis, in den
+keizertijd onder den naam Sebastea zeer belangrijk als hoofdstad van
+Armenia minor.
+
+Sebastopolis, Sebastopolis, latere naam van Dioscurias.
+
+Sebennyticum ostium, Sebennytikon stoma, een der Nijlmonden, gelegen
+tusschen den Bolbitinischen en den Phatnitischen Nijlmond.
+
+Sebennytus, Sebennytos, distrikt en stad in de Nijldelta aan den
+sebennytischen Nijlarm.
+
+Sebethus, beekje bij Neapolis.
+
+Sebinus lacus, in Gallia Transpadana, door den Ollius (Oglio) gevormd,
+thans lago d' Iseo.
+
+Secessio plebis, uitwijking der plebs uit Rome onder bedreiging een
+eigene stad te zullen stichten. De eerste uitwijking, naar den Mons
+Sacer, die echter niet historisch is, had plaats in 494 ten gevolge
+van verdrukking en van strenge toepassing van het schuldrecht (ius
+nexus) en eindigde door de instelling van het volkstribunaat (zie
+tribuni plebis). Bij de tweede secessio, in 449, rukte het leger,
+dat op den Algidus stond, op naar den Aventinus, en toen werd, na
+onderhandelingen tusschen de strijdende partijen, een overeenkomst
+gesloten, waarbij de tienmannen (zie decemviri legibus scribundis)
+aftraden, en het consulaat hersteld werd (zie verder Horatiae Valeriae
+(leges). Bij de derde secessio plebis in 287 week het volk gewapend
+uit naar den Ianiculus; als gevolg hiervan kwam de lex Hortensia
+(z.a.) tot stand. Ook de tweede secessio wordt door sommige geleerden
+voor onhistorisch gehouden.
+
+Sectio bonorum, openbare gerechtelijke verkooping in naam van
+den staat, b.v. bij verbeurdverklaringen. De verkoop had sub
+hasta plaats en geschiedde aan den meestbiedende. De kooper was nu
+aansprakelijk voor de schulden van den boedel en daar hij meestal op
+speculatie kocht, trachtte hij de gekochte massa weder in perceelen
+te verkoopen. Aan deze verbrokkeling is de naam sectio zijn ontstaan
+verschuldigd, de kooper heette alsdan sector. Bij bonorum emptio
+(z.a.) in den faillieten boedel had auctio plaats, geen sectio.
+
+Secundi, 1) rom. familienaam, o.a. bij de Plinii.--2) Iulius Secundus,
+zeer geprezen redenaar ten tijde van keizer Vespasianus, een der
+sprekers in Tacitus' dialogus de oratoribus.--3) Secundus Carrinas,
+rhetor, door Caligula uit Rome verbannen, benam zich te Athene uit
+armoede het leven.
+
+Secutor, zwaardvechter met zwaard en schild, die veeltijds tegen den
+retiarius vocht.
+
+Sedetani = Edetani.
+
+Seduni, volksstam aan den Boven-Rhodanus (Rhône) in het
+tegenw. Zwitserland in den omtrek van het tegenwoordige Sion of Sitten.
+
+Sedusii, germaansch volk in het leger van Ariovistus.
+
+Segesama, Segesama, stad der Murbogi in Hispania Tarraconensis,
+ten N.O. van Pallantia (Palencia).
+
+Segesta, Segetia, Seia, Semonia, rom. godinnen, die het zaad onder de
+aarde en het reeds opgeschoten koren beschermden. Hare namen mochten
+alleen in de open lucht uitgesproken worden.
+
+Segesta, Segeste = Egesta.
+
+Segestes, cheruscisch opperhoofd, schoonvader van Arminius, die zijne
+dochter had geschaakt. Segestes was tegen Arminius vijandig gezind
+en had vruchteloos Varus gewaarschuwd, dat er verraad broeide (9 na
+C.). Later (15) riep hij tegen zijn schoonzoon de hulp van Germanicus
+in, die hem een woonplaats aanwees op den linker Rijnoever.
+
+Segestus, -tes = Acestes.
+
+Segetia, z. Segesta.
+
+Segimerus, Segimeros, Segimeros, Segimer, 1) vader van Arminius,
+nam deel aan den strijd tegen Varus.--2) broeder van Segestes,
+onderwierp zich aan Germanicus in 15 na C.
+
+Segimundus, Siegmond, zoon van Segestes, was Romeinsch priester te Ara
+Ubiorum, toen de opstand der Cheruscen uitbrak (9 na C.), en vluchtte
+toen naar zijn vaderland. In 15 werd hij door zijn vader uitgeleverd,
+en door Germanicus in genade aangenomen.
+
+Segni, germaansche volksstam in Belgica tusschen de Eburones, die
+aan de Mosa (Maas), en de Treviri, die aan de Mosella (Moezel) woonden.
+
+Segobriga, Segobriga, in Hispania Tarraconensis, 1) hoofdstad der
+Celtiberi, aan den bovenloop van den Sucro gelegen.--2) stad der
+Edetani, ten N.W. van Valentia (Valencia).
+
+Segodunum, Segodounon, 1) hoofdstad der Ruteni in Aquitania, thans
+Rhodez.--2) stad der Hermunduri in Germania, misschien Würzburg aan
+den Main.
+
+Segontia, Segontia = Saguntia.
+
+Segontiaci, volksst. in het Z. van Britannia.
+
+Segovia, Segoubia, stad der Arevaci in Hispania Tarraconensis, ten
+W. van de Iuga Carpetana, thans nog Segovia geheeten.
+
+Seguntia, zie Saguntia.
+
+Segusiani, Segousianoi, gallische volksstam in Lugdunensis, ten W. van
+den Rhodanus (Rhône), die hen van de Allobroges scheidde.
+
+Segusiavi = Segusiani.
+
+Segusini, alpenvolkje aan de Cottische Alpen, onderdanen van koning
+Cottius (z. a.). Hoofdstad: Segusio (Susa), waar nog een triumfboog
+bestaat, door Cottius ter eere van Augustus opgericht.
+
+Segusio, zie Segusini en Cottiae Alpes.
+
+Seia, z. Segesta.
+
+Seianus (L. Aelius), zie Aelii no. 8.
+
+Seii. 1) M. Seius wist als aediel in 74 bij eene groote duurte
+maatregelen te nemen om toch aan het volk te Rome goedkoop graan
+te leveren.--2) M. Seius, misschien zoon van no. 1, een vriend
+van D. Iunius Brutus.--3) Q. Seius Postumus werd door P. Clodius
+vergiftigd, omdat hij weigerde, hem zijn huis te verkoopen.--4)
+L. Seius Strabo, praefectus praetorio in 14 n. Chr. vader van L. Aelius
+Seianus, die nog in 14 zijn ambtgenoot werd (z.a.).--5) L. Seius
+Tubero, was in 16 na C. legaat onder Germanicus, in 18 met hem consul.
+
+Seisachtheia, afschudding van lasten, een maatregel, door Solon
+genomen tot verlichting der arme burgers, die tengevolge eener
+verkeerde wettelijke regeling steeds dieper bij de rijken in schuld
+geraakten, hoe langer hoe minder in staat waren hunne schuldeischers
+te voldoen, en ten slotte dikwijls hunne bezittingen en zelfs hunne
+vrijheid verloren. Solon verklaarde alle hypotheken en misschien ook
+alle andere schuldvorderingen vervallen.--V. a. bestond de seis. in
+verlaging van den muntstandaard (zoodat 100 nieuwe drachmen de waarde
+hadden van 73 oude) en van den rentevoet, doch het is niet aan te
+nemen, dat deze maatregelen de beoogde, en ook werkelijk bereikte,
+gevolgen konden hebben.
+
+Selene, Selene, Mene, Luna, godin der maan, dochter van Hyperion en
+Theia, zuster van Helius en Eos. Haar wagen is met witte paarden of
+koeien bespannen. Zij werd als maangodin dikwijls verward met Artemis,
+Hecate of Persephone, evenals Artemis draagt zij den naam Phoebe,
+en ook onderscheiden hare beelden zich van die van Artemis alleen
+door meer bekleeding en door een sluier van eigenaardigen vorm.
+
+Seleucia, Seleukeia, naam van verschillende steden, meest door Seleucus
+I gesticht. 1) Sel. ad Tigridem, he epi tou Tigretos, eigenlijk niet
+onmiddellijk aan de Tigris, maar aan een zijkanaal gelegen. De muren
+waren gebouwd in den vorm van een adelaar met uitgespreide vlerken. Het
+was eene uiterst bloeiende handels- en fabrieksstad met eene bevolking
+van ongeveer 600000 zielen, Babyloniërs, Grieken, Macedoniërs,
+Joden. Kunsten en wetenschappen werden er vlijtig beoefend. In 116 na
+C. werd de stad wegens oproer door Traianus getuchtigd en gedeeltelijk
+door brand vernield. Door L. Verus werd zij in den Parthischen oorlog
+in 165 andermaal voor een groot gedeelte verwoest. Overvleugeld
+door het nabijgelegen Ctesiphon, ging S. voortdurend achteruit
+en was tijdens Iulianus geheel verlaten (363).--2) Sel. Pieria,
+he en Pieria, in Syria, aan zee gelegen ten N. der monding van den
+Orontes, met eene ruime en veilige haven. Als vesting was het schier
+onneembaar. Er bestaan nog belangrijke ruïnen en catacomben van,
+nabij Kapse.--3) Sel. ad Belum, he pros Belo, kleine vesting in Syria
+aan den berg Belus, in het Orontesdal, tusschen Emesa en Apamea.--4)
+stad in het N. van Palaestina, ten N. van het meer Samachonitis.--5)
+Sel. Tracheotis, he Tracheia, in Cilicia aspera, aan den Calycadnus
+(Saleph), met een orakel van Apollo en jaarlijksche spelen ter eere
+van Zeus Olympius. De wijsgeeren Athenaeus en Xenarchus waren hier
+geboren.--6) stad in het N. van Pisidia.--7) stad in het Z. van het
+perzische gewest Margiane, aan den bovenloop van den Margus, door
+Alexander den Gr. onder den naam van Alexandria gesticht, later door
+barbaren verwoest, doch door Antiochus I, Seleucus' zoon, herbouwd.
+
+Seleucis, Seleukis, de schoonste provincie van Syria, ook Tetrapolis
+geheeten naar hare vier steden: Antiochia (Epidaphnes), Seleucia
+(Pieria), Apamea (ad Orontem) en Laodicea (ad Libanum).
+
+Seleucus, Seleukos, 1) S. I. Nicator (Nikator), zoon van Antiochus en
+Laodice, verwierf onder Alexander d. Gr. vooral in Indië grooten roem
+als een van de aanvoerders der phalanx. Bij de tweede verdeeling van
+het rijk kreeg hij Babylonië tot satrapie en spoedig breidde hij zijn
+gebied uit, maar met Antigonus in twist geraakt, moest hij vluchten en
+begaf hij zich naar Ptolemaeus (316). Na den slag bij Gaza waagde hij
+het echter met een klein leger terug te keeren, hij nam Babylon in
+(1 Oct. 312, begin van de aera der Seleuciden) en veroverde weldra
+ook zonder veel moeite Susiana en Medië. In de nu volgende oorlogen
+wist hij zich tegen Antigonus met roem staande te houden, terwijl hij
+in Indië, nu als vriend, dan als vijand, zelfs verder dan Alexander
+doordrong en met den machtigen Sandrocottus voortdurend in betrekking
+stond. Hij was de eerste onder de diadochen, die den koningstitel
+aannam en hij besliste den slag bij Ipsus (301) door zijne olifanten,
+waarna hij Syrië, Mesopotamië, Armenië en een groot deel van Klein-Azië
+aan zijn rijk toevoegde. Toen hij eindelijk ook Demetrius Poliorcetes
+in handen gekregen had, konde hij rustig over zijn groot rijk regeeren,
+dat het grootste gedeelte van Alexanders veroveringen omvatte en zich
+van den Indus tot de Middellandsche zee uitstrekte. Nog op 77-jarigen
+leeftijd ondernam hij, aangespoord door Ptolemaeus Ceraunus, een
+veldtocht tegen Lysimachus; hij behaalde de overwinning, maar werd
+bijna aan de grens van Macedonië, dat hij nu wilde in bezit nemen,
+door Ptolemaeus verraderlijk gedood (281). S. wordt na Alexander de
+grootste krijgs- en staatsman van zijn tijd genoemd. Hij bevorderde
+in zijn rijk grieksche beschaving, kunst en wetenschap, talrijke
+(v.s. 75) nieuw gestichte steden in alle deelen van het land werden
+met Grieken en Macedoniërs bevolkt, ook zijn leger bestond uit Grieken
+en Macedoniërs. Daarentegen waren de Aziaten van alle aanzienlijke
+en invloedrijke betrekkingen uitgesloten. In het belang van handel en
+wetenschap liet hij de landen van den Ganges en de Caspische zee door
+Megasthenes en Patrocles bereizen en onderzoeken.--2) S. II Callinicus
+(Kallinikos), zoon en opvolger van Antiochus II, 247-226. Bij het
+begin zijner regeering deed Ptolemaeus Euergetes, om den moord zijner
+zuster Berenice (z. Antiochus no. 3) te wreken, een inval in Syrië,
+waardoor een groot deel van het rijk verloren ging; vele jaren had
+hij tegen den opstand van zijn broeder Antiochus Hierax te kampen;
+verscheiden provincies, later een deel der bactrische en parthische
+rijken, scheidden zich af en maakten zich onafhankelijk, eindelijk
+maakte Attalus van Pergamus van deze verwarde toestanden gebruik om
+zijn rijk ten koste van Syrië te vergrooten. Na een ongelukkig gevecht
+tegen Attalus vluchtend, viel S. van zijn paard en stierf.--3) S. III
+Ceraunus (Keraunos), zoon en opvolger van den vorigen, maakte krachtige
+toebereidselen tot herovering van het onder zijn vader verlorene,
+maar werd spoedig vermoord (223).--4) S. IV Philopator (Philopator),
+zoon en opvolger van Antiochus d. G., werd na een zwakke regeering
+(187-175) door zijn rentmeester Heliodorus vermoord.--5) S. V, oudste
+zoon van Demetrius Nicator, kort na het aanvaarden der regeering door
+zijne moeder vermoord (125).--6) S. VI Epiphanes (Epiphanes), zoon
+en opvolger van Antiochus VIII, voerde oorlog tegen zijn oom en neef
+(z. Antiochus no. 11 en 12) en kwam te Mopsuestia om het leven (95).
+
+Selge, Selge, belangrijke pisidische bergvesting, een weinig ten
+N. der pamphylische grenzen aan den Eurymedon gelegen. De inwoners,
+die den naam hadden af te stammen van Lacedaemoniërs, waren zeer
+krijgshaftig en onderhielden steeds eene aanzienlijke krijgsmacht,
+waarmede zij hunne onafhankelijkheid handhaafden.
+
+Selinus, Selinous, naam van onderscheidene steden en rivieren =
+klimopstad, klimoprivier. 1) stad op de Z.W. kust van Sicilia op een
+heuvel ten Westen van een gelijknamig riviertje. In een strijd met
+Egesta, riep Sel. de hulp van Syracuse in, Egesta die van Athene,
+hetgeen aanleiding gaf tot den grooten tocht der Atheners tegen
+Syracuse. In 409 werd Selinus door de Carthagers geplunderd en
+verwoest, doch herbouwd; in 249 werden de inwoners door de Carthagers
+naar Lilybaeum overgevoerd en Sel. andermaal aan verwoesting prijs
+gegeven. Het was ± 625 gesticht door Doriërs uit Megara Hyblaea. Zeer
+belangrijke ruïnen vooral van dorische tempels zijn nog over.--2)
+rivier in het elische distrikt Triphylia, zijtak van den Alpheus,
+langs de stad Scillus stroomende.--3) rivier in Achaia, die tusschen
+Aegium en Helice in zee valt.--4) riviertje in Mysia, nabij Pergamus,
+zijtak van den Caicus.--5) zeestad in het W. van Cilicia, later
+Traianopolis, de sterfplaats van Traianus.
+
+Sella (curulis), zie Curulis.
+
+Sellasia, Sellasia, stad in Laconica ten N. van Sparta, aan de rivier
+Oenus. Hier werd Cleomenes III in 221 verslagen door Antigonus Doson.
+
+Selleis, Selleeis, 1) rivier bij Ephyra in Thesprotia, v. s. in
+Elis.--2) rivier nabij Sicyon.--3) riv. in Troas, bij Arisbe, die in
+den Hellespont uitstroomt.
+
+Selli, Selloi, Helloi, priesters van het orakel van Zeus te Dodona,
+die uit het ruischen der bladeren van den heiligen eik de toekomst
+voorspelden. Zij waren gewoon op den blooten grond te slapen en
+hunne voeten niet te wasschen. Helli of Selli is ook de naam van de
+oorspronkelijke bevolking van Hellopia; zie Epirus.
+
+Sellisternium. Daar het voor vrouwen niet welvoegelijk werd geacht, op
+rustbedden aan tafel te gaan liggen, zaten zij aan tafel aan. Bij een
+maaltijd, uitsluitend voor godinnen aangericht (zie lectisternium),
+werden er, om de beelden op te plaatsen, stoelen (sellae) om de
+tafel geplaatst.
+
+Sely(m)bria, Sely(m)bria, stad op de thracische kust aan de Propontis
+(zee v. Marmara), oude volkplanting van Megara, thans Selivri.
+
+Sembella, zilveren munt ter waarde van 1/2 libella of as. De semissis,
+ook = 1/2 as, was van koper. Door sommigen wordt het bestaan der
+zilveren sembella als muntstuk betwijfeld.
+
+Semele, Semele, dochter van Cadmus en Harmonia, bij Zeus moeder
+van Dionysus. Hera, die jaloersch op haar was, kwam tot haar onder
+de gedaante van haar oude voedster en overreedde haar om Zeus te
+verzoeken, zich in zijne volle majesteit aan haar te vertoonen,
+zooals hij Hera bezocht. Daar Zeus haar vooraf beloofd had iederen
+wensch van haar te zullen vervullen, konde hij niet anders dan aan
+haar verzoek voldoen, maar toen hij haar te midden van donder en
+bliksem verscheen, verbrandde S. door den gloed. Haar ongeboren kind
+werd echter door Zeus gered (z. Dionysus), en later werd zij onder
+den naam Thyone onder de onsterfelijken opgenomen.
+
+Sementinae, -tivae, rom. feest, na afloop van den zaaitijd op twee
+door een week gescheiden dagen van Januari ter eere van Ceres en
+Tellus gevierd, zie Feriae.
+
+Semiramis, Semiramis, dochter van Derceto (z. a.), gehuwd met den
+assyrischen landvoogd Menon of Onnes, trok bij het beleg van Bactra
+door haar schoonheid en heldhaftigheid de aandacht van koning Ninus,
+die haar tot vrouw nam en bij wien zij moeder werd van Ninyas. Na den
+dood van haar gemaal nam zij voor haar zoon de regeering in handen,
+en gedurende haar geheel verder leven bleef zij die behouden; eerst
+toen zij na eene regeering van 42 jaar gestorven of van de aarde
+verdwenen was, volgde Ninyas haar op. Zij stichtte Babylon, liet
+talrijke verbazingwekkende versterkingen, kanalen en bouwwerken
+aanleggen en drong met hare legers zegevierend tot ver in Libye
+door, ook ondernam zij een krijgstocht naar Indië, die echter
+ongelukkig afliep.--V. s. hebben deze berichten, hoe overdreven ook,
+betrekking op de babylonische, v. a. assyrische koningin Sammuramat,
+die omstreeks 800 eenigen tijd voor haar minderjarigen zoon regeerde,
+krijgstochten ondernam naar Syrië, Phoenicië, Palaestina en Medië en
+den dienst van babylonische goden in Assyrië invoerde.
+
+Semis(sis), koperen munt = 6 unciae of 1/2 as, aan de eene zijde
+gestempeld met een Jupiters-, Juno-, of Minerva-kop en de letter S, aan
+den anderen kant met den voorsteven van een schip. Zie ook Sembella.
+
+Semnones, de machtigste der suebische volksstammen, ten N. der
+Hermunduren, in het tegenw. Thuringen tusschen den Albis (Elbe) en den
+Viadus (Oder). In hun gebied was in een heilig woud de vergaderplaats
+van de afgevaardigden van den suebischen volkenbond.
+
+Semo Sancus, zie Dius Fidius.
+
+Semones, goddelijke wezens van sabijnschen oorsprong, wier dienst
+door de Rom. werd overgenomen, in beteekenis gelijk aan de Genii.
+
+Semonia, z. Segesta.
+
+Semonides, waarschijnlijk juistere schrijfwijze dan Simonides.
+
+Sempronia (lex) de pecunia credita, van den volkstribuun M. Sempronius
+Tuditanus (Sempronii no. 20) in 193. Door deze wet werden de rente-
+en woekerwetten van Rome ook van toepassing gemaakt op de latijnsche
+socii.
+
+Sempronia (lex) agraria van den volkstribuun Tib. Sempronius
+Gracchus. Zie agrariae leges.
+
+Semproniae (leges) van den volkstribuun C. Sempronius Gracchus in
+123 en 122. 1) lex agraria, zie agrariae leges.--2) lex frumentaria,
+tot verkrijgbaarstelling van goedkoop koren, tegen 5/6 as den modius,
+zie annona.--3) lex de civitate Italicis sociis danda; de bedoeling
+was aan de Latini het burgerrecht, aan de andere socii de Latinitas
+te verleenen; het plan hiertoe wordt reeds aan Tib. Gracchus
+toegeschreven; ook ditmaal is de wet niet aangenomen.--4) lex,
+ne de capite civium iniussu populi iudicaretur, eene vernieuwing,
+vermoedelijk eene verscherping der leges Porciae. Deze wet was
+oorspronkelijk gericht tegen P. Popilius Laenas (Popilii no. 5,
+z. a.), die dan ook in ballingschap gegaan is.--5) lex iudiciaria,
+die de iudicia aan de equites gaf, zie iudex en equites.--6) lex de
+provinciis consularibus, dat de senaat jaarlijks nog vóór de comitiën
+de consulaire provinciën moest aanwijzen.--7) lex de provincia Asia a
+censoribus locanda, een wet, die de censoren verplichtte de belastingen
+van de provincie Asia (het rijk van Pergamum) te verpachten; deze
+wet was voor Asia een groote ramp, zie publicani.--Nog andere wetten
+worden vermeld, die vermoedelijk slechts bij een ontwerp gebleven zijn,
+of waarvan de inhoud duister is.
+
+Sempronii, rom. geslacht, waarvan alleen de Atratini
+patricisch zijn. 1) A. Sempronius Atratinus, consul in 497 en
+491.--2) L. Sempr. Atratinus, consul in 444, censor in 443.--3)
+S. Sempr. Atratinus, consul in 423, voerde een ongelukkigen oorlog
+tegen de Volscen. In 422 hierom aangeklaagd, werd hij vrijgesproken,
+maar in 420 wederom aangeklaagd en tot eene boete veroordeeld.--4)
+A. Sempr. Atratinus, was bij herhaling consulairtribuun, in 425,
+420 en 416. Hij was een zoon van no. 2.--5) L. Sempr. Atratinus,
+consul in 34, was in den burgeroorlog vlootvoogd van Antonius, doch
+verliet diens zijde nog voor den slag bij Actium. Later sloeg hij
+levensmoede de hand aan zich zelf.--6) C. Sempr. Blaesus, consul in
+253, ondernam met zijn ambtgenoot Cn. Servilius Caepio een tocht naar
+Africa. Zij voerden niet veel uit, leden op de tehuisreis schipbreuk
+en verloren 150 schepen. In 244 was Blaesus andermaal consul.--7)
+Tiberius Sempr. Gracchus, consul in 238, versloeg de Liguriërs en
+bezette Sardinia en Corsica.--8) Tib. Sempr. Gracchus, zoon van no. 7,
+consul in 215, behaalde met een leger, grootendeels bestaande uit
+slaven, wien de vrijheid beloofd was (volones), eene overwinning op
+Hannibals onderveldheer Hanno bij Beneventum (214). In 213 was hij
+ten tweeden male consul, maar in het begin van 212 werd hij door Mago
+in een hinderlaag gelokt en sneuvelde.--9) Tib. Sempr. Gracchus was
+in 190 in den syrischen oorlog legaat van L. Cornelius Scipio; in
+187 was hij volkstribuun en trad toen als verdediger der gebroeders
+Scipio op (zie Cornelii no. 13). In 180 ging hij als praetor naar
+Hispania, streed zegevierend tegen de Celtiberiërs en hield in 178
+een luisterrijken triumftocht. In 177 was hij consul en bevocht hij
+de Sarden. In 169 was hij censor en in 163 nogmaals consul. Hij was
+gehuwd met de edele Cornelia, dochter van P. Corn. Scipio Africanus
+maior. Van 12 kinderen behield hij slechts 3 in leven; de gebroeders
+Tib. en C. Gracchus en eene dochter Sempronia, later de echtgenoote
+van Scipio Africanus minor.--10) Tib. Semp. Gracchus, zoon van no. 9,
+diende in 146 onder zijn zwager Scipio in Africa en in 136 in den
+numantijnschen oorlog onder den proconsul C. Hostilius Mancinus. Over
+land naar Rome terugkeerende, werd hij getroffen door de ellende der
+armere klasse, terwijl de rijken grooter grondbezittingen hadden, dan
+zij konden bebouwen. In 133 trad hij als volkstribuun met eene akkerwet
+op, eene vernieuwing, eenigszins verzacht, van een nimmer uitgevoerde
+vroegere wet (zie agrariae leges). Toen zijn ambtgenoot M. Octavius,
+ondanks de smeekingen van Gracchus, zich tegen de behandeling bleef
+verzetten, stelde Gr. aan het volk voor, Octavius af te zetten. Dit
+geschiedde, doch aan de onschendbaarheid van het volkstribunaat was
+hierdoor een zware slag toegebracht. Toen hij nu ook voorstelde, de
+rijke erfenis van Attalus III van Pergamus niet in de schatkist te
+storten, maar onder de onvermogende burgers te verdeelen, opdat zij
+bij den te verkrijgen grond ook eenig bedrijfskapitaal zouden hebben,
+besloot de senaatspartij geweld te bezigen. Ten einde zich voor het
+volgende jaar tot volkstribuun te doen herkiezen, had Gr. met zijne
+aanhangers tijdig post gevat op het Capitool, doch werd door een
+aantal senatoren en gewapenden onder aanvoering van Scipio Nasica,
+bijgenaamd Serapio (zie Cornelii no. 21) overrompeld en met 300
+der zijnen omgebracht. Zijn lijk werd in den Tiber geworpen.--11)
+C. Sempr. Gracchus, broeder van no. 10, doch bijna 10 jaren jonger,
+hernieuwde als volkstribuun in 123 de pogingen zijns broeders (zie
+agrariae leges) en zocht door verschillende wetten (zie Semproniae
+leges) de optimatenpartij te fnuiken (123 en 122). Deze echter
+slaagde er in, een anderen volkstribuun, M. Livius Drusus, over te
+halen, om door fraaie beloften en schoonklinkende woorden Gracchus'
+invloed bij het volk te ondermijnen. Dit ging te gemakkelijker, omdat
+Gr. als triumvir coloniae deducendae naar Carthago was vertrokken,
+zie Rubria (lex). Voor 121 werd Gr. niet herkozen. Een der nieuwe
+tribunen, Minucius Rufus (z. Minucia (lex) van 121), stelde nu voor,
+al de sempronische wetten in éénen adem op te heffen. Toen hierover
+zou gestemd worden, bezette Gr., die het plegen van geweld voorzag,
+met eene gewapende menigte den Aventijnschen berg, doch werd door
+den consul L. Opimius, aan het hoofd van senaat en ridderstand,
+verdreven. Omstreeks 3000 zijner aanhangers vielen in en na den
+strijd. Gr. zelf liet zich, om niet in handen zijner vijanden te
+vallen, door een slaaf dooden.--12) Sempronia, zuster van no. 10 en
+no. 11, gehuwd met Scipio Africanus minor (Cornelii no. 18).--13)
+Tib. Sempronius Gracchus werd door Augustus verbannen wegens
+ongeoorloofden omgang met diens dochter Julia. Tiberius liet hem ter
+dood brengen (14 n. C.). Hij is misschien de door Ovidius (Ex Ponto IV,
+16, 31) genoemde tragische dichter Gracchus.--14) Tib. Sempr. Longus,
+consul in 218 bij het uitbreken van den tweeden punischen oorlog,
+veroverde Melite (Malta) en wilde naar Africa oversteken, toen hij op
+het bericht van Hannibals nadering werd teruggeroepen. Hij werd door
+H. bij de Trebia verslagen. In 215 versloeg hij den Carthager Hanno in
+Zuid-Italië bij Grumentum.--15) Tib. Sempr. Longus, zoon van no. 14,
+consul in 194, overwon de Bojers.--16) P. Sempr. Sophus, consul in 304,
+onderwierp de Aequi. In 301 was hij magister equitum van den dictator
+M. Valerius Corvus, in 299 (v. a. in 300) censor. In deze hoedanigheid
+vermeerderde hij het aantal tribus met twee. Hij was een der oudste
+iurisconsulti.--17) P. Sempr. Sophus, consul in 268, voltooide de
+onderwerping van Picenum. In 252 was hij censor met M.' Valerius
+Maximus Messa(l)la (Valerii no. 16); zij stieten 15 senatoren uit den
+senaat.--18) P. Sempr. Tuditanus ontkwam als krijgstribuun in 216 na
+dapperen strijd aan het bloedbad bij Cannae, was in 213 praetor, in
+209 censor, in welke hoedanigheid hij Q. Fabius Maximus (Cunctator)
+tot princeps senatus benoemde. In 204 streed hij als consul bij
+Croton voorspoedig tegen Hannibal.--19) C. Sempr. Tuditanus leed
+als praetor in 197 eene nederlaag door de Hispaniërs en stierf aan
+de bekomen wonden.--20) M. Sempr. Tuditanus, volkstribuun in 193
+(zie Sempronia (lex) de pecunia credita), consul in 185, overwon
+de Apuanische Liguriërs.--21) C. Sempr. Tuditanus diende in 146
+onder L. Mummius in Griekenland en was consul in 129. Hij schreef een
+geschiedkundig werk.--22) Sempr. Asellio, geschiedschrijver, schreef de
+geschiedenis van zijn tijd, vanaf den Numantijnschen oorlog, toen hij
+onder P. Scipio Africanus krijgstribuun was (134), tot op Livius Drusus
+(91).--22) C. Sempr. Rufus, een vriend van Cicero.--23) Sempr. Densus,
+centurio bij de lijfwacht, trachtte, bij het oproer tegen Galba,
+diens aangenomen opvolger C. Calpurnius Piso Licinianus met eigen
+lijfsgevaar te beschermen.--24) Sempronia, echtgenoote van D. Iunius
+Brutus (Iunii no. 5), deelgenoote van de samenzwering van Catilina.
+
+Sena, 1) Sena Gallica, Sene, thans Senigaglia, stad der senonische
+Galliërs, op de umbrische kust aan den mond der riv. Sena gesticht,
+sedert 283 rom. kolonie. In de nabijheid, aan den Metaurus, sneuvelde
+Hannibals broeder Hasdrubal in 207.--2) Sena Iulia, Saina, thans Siena,
+rom. kolonie in Etruria, ten Z. van Florentia.--3) Sena, eil. aan
+de W.punt van Gallia, thans Sein, met een orakel onder toezicht van
+negen maagden, die door het volk voor toovenaressen werden gehouden.
+
+Senaculum, plaats waar de senatoren te Rome zich verzamelden totdat het
+uur der zitting aanbrak. Het lag aan de N.W. zijde van het Comitium,
+naast het Vulcanal.
+
+Senatus, boule. In den koningstijd werd de koning in het bestuur
+bijgestaan door een raad der ouden (senatus, consilium regium),
+door hem zelven uit de patricische geslachten gekozen; de leden,
+patres (z. a.), waren oorspronkelijk ten getale van 100, later van
+300. Bij het begin van de republiek ging de keuze der leden (lectio
+senatus) over op de consuls, die in de eerste plaats patriciërs kozen;
+eerst sedert de instelling der tribuni militum consulari potestate
+komen waarschijnlijk ook plebejers onder de senatoren voor, die dan
+conscripti geheeten hebben (zie patres). De lex Ovinia (z. a.) draagt
+de keuze op aan de censoren, terwijl de leden oud-ambtenaren en voor
+het meerendeel plebejers zijn. De curulische overheden behielden
+voortaan na het einde van hun ambtsjaar zitting in den senaat
+tot aan den eerstvolgenden census en kwamen dan natuurlijk in de
+eerste plaats voor senatoren in aanmerking. Tot zóó lang waren zij
+geene senatoren, maar personen, quibus in senatu sententiam dicere
+licebat. In ± 300 hebben ook de aediles plebis dit recht gekregen,
+terwijl het plebiscitum Atinium (zie Atinia (lex)) dit zittingsrecht
+ook tot de volkstribunen uitbreidde. Sedert Sulla (zie Corneliae
+leges van 81, aan het slot) werden ook de quaestoren in den senaat
+toegelaten. Recht van zitting had ook de flamen Dialis. Sulla hief de
+lectio senatus geheel op door de bepaling, dat jaarlijks 20 quaestoren
+moesten gekozen worden, die in den senaat zitting zouden nemen en
+houden. Met het herstel der censuur (70) kwam ook de lectio senatus
+terug, en terstond werd een aantal onwaardigen van de lijst geschrapt
+(senatu movere, eiicere). P. Clodius Pulcher zocht in 58 dit recht
+van uitstooting te beperken (zie Clodiae leges no. 4). Wat het getal
+betreft, schijnt de normale sterkte steeds op 300 te zijn gebleven,
+totdat Sulla het aantal op 600 bracht (zie Corneliae leges van 81
+aan het slot). Zeker echter is het, dat de vergadering nooit door
+zooveel leden werd bijgewoond. De drukst bezochte senaatsvergadering
+(senatus frequentissimus) tijdens de republiek, waarvan wij kennis
+dragen en waarin Cicero's terugroeping uit de ballingschap ter tafel
+werd gebracht, telde 417 leden. Natuurlijk waren er altijd een aantal
+senatoren in dienst van den staat afwezig als stadhouders, legaten,
+enz. Caesar bracht het getal op 900, Antonius op 1000, welk getal later
+door Augustus op 600 werd teruggebracht. De werkkring van den senaat
+omvatte wel in het algemeen alles wat in het belang van den staat
+was, doch er waren vooral drie zaken, waarin de senaat zelfstandig
+handelde: de eeredienst, het finantiewezen en de buitenlandsche
+aangelegenheden. Onder het keizerrijk veranderde de toestand. De
+volksvergadering hield op te bestaan en hare rechten gingen over op den
+senaat; bovendien werd de senaat gerechtshof bij belangrijke politieke
+processen tegen hooggeplaatste personen; doch naarmate de absolute
+macht der keizers toenam, moest de beteekenis van den senaat lager
+zinken. Vóór Augustus was er geen maatstaf van vermogen vastgesteld
+voor de waardigheid van senator. Augustus stelde een census senatorius
+van 1 millioen sestertiën vast.--De zittingen moesten gehouden worden
+in een templum (z. a.); de voornaamste plaats was de curia Hostilia
+aan het forum. Wanneer overwinnende veldheeren hunne aanvraag om
+een triumftocht aan den senaat voordroegen, geschiedde dit in den
+Bellona-tempel, buiten de stad. Ook tal van andere vergaderplaatsen
+worden genoemd, als: de tempel der Eer, der Trouw, der Eendracht,
+die van Jupiter Capitolinus, van Jupiter Stator (waar Cicero zijne
+rede tegen Catilina uitsprak), de curia Pompei, het theatrum Pompei
+(waar Caesar werd omgebracht) enz. In enkele gevallen ook kwam de
+senaat onder den blooten hemel, sub divo, bijeen, b. v. wanneer het
+prodigium gemeld werd, bovem locutam esse. De zittingen waren wel niet
+voor het publiek toegankelijk, doch de deuren van het gebouw bleven
+geopend en in de zaal waren ook scribae, herauten en dgl. aanwezig,
+tenzij bij eene geheime zitting. Het recht om den senaat bijeen te
+roepen (cogere, vocare senatum) viel niet samen met het recht om hem
+te leiden (habere, consulere senatum, agere cum patribus, referre
+ad senatum) en senaatsbesluiten te maken. Beide rechten waren deel
+van het imperium; maar in de 3de eeuw is het ius agendi cum patribus
+ook aan de volkstribunen gegeven, niet echter het recht den senaat
+bijeen te roepen. De overheidspersoon, die den senaat bijeengeroepen
+had, gewoonlijk de consul, die de maandbeurt had, bij afwezigheid
+van beide consuls de praetor urbanus, bracht de aan de orde zijnde
+punten ter tafel (dit heet relatio) met de formule: quod bonum faustum
+felix fortunatumque sit populo Romano Quiritium. Referimus ad vos,
+patres conscripti, enz. Na de zaak te hebben ingeleid, vroeg hij:
+de ea re quid fieri placet? en noodigde dan de senatoren, quibus ius
+sententiae dicendae erat, in bepaalde volgorde (die echter niet in
+alle tijden dezelfde is geweest) uit, hunne meening te zeggen, op deze
+wijze: quid censes, M. Tulli? Allen waren verplicht te antwoorden,
+en de eerst gevraagde senator moest omtrent het aan de orde zijnde
+onderwerp een voorstel doen. Daartoe stond hij op en hield een rede
+(stans sententiam dicebat). Zijn conclusie leidde hij in met censeo
+of decerno of mihi placet. Hij, die daarop gevraagd werd, kon met
+het gedane voorstel (sententia) instemmen, of een ander voorstel
+doen. Hij kon echter ook zoolang sproken als hij verkoos en kon
+ook, als hij over de voorgestelde zaak had uitgesproken, over elke
+andere zaak het woord voeren: men denke aan Cato's praeterea censeo
+Carthaginem esse delendam. Daar een senaatsbesluit vóór zonsondergang
+behoorde genomen te zijn, werd dit middel wel eens gebezigd om het
+nemen van een besluit te verhinderen (diem dicendo consumere). De
+ambtenaren werden niet naar de rij af gevraagd, maar allen hadden
+het recht het woord te nemen, wanneer het hun behaagde. Na afloop
+van de discussies rangschikt de voorzitter de verschillende adviezen
+(pronuntiabat sententias) en liet dan daarover één voor één stemmen
+(discessio z. a.). Zie verder pedarii. Was nu de agenda afgehandeld,
+dan konden de andere ambtenaren, die het ius relationis hadden, de
+leiding overnemen, maar bepaalden zich dan gewoonlijk bij zaken, die
+tot hun werkkring behoorden (referre de singulis rebus). Het recht om
+den algemeenen politieken toestand ter sprake te brengen (referre de
+republica) kwam alleen toe aan dengene, die den senaat bijeengeroepen
+had. Deze had ook het recht van intercessio tegen iederen ambtenaar,
+die de leiding van hem overgenomen had, ook tegen de volkstribunen,
+die van het ius referendi het meest gebruik maakten. De grond van
+dit recht van intercessio was deze, dat de magistraat, die de leiding
+overnam, alienis auspiciis handelde.
+
+Senatus auctoritas, senatus consultum. Een rechtsgeldig senaatsbesluit
+heet senatus consultum. Het werd op schrift gebracht door den
+voorzitter, die hierbij bijgestaan werd door eenige senatoren, qui
+scribendo adfuerunt. Werd een besluit door intercessio getroffen,
+dan heette het senatus auctoritas; het werd, hoewel het niet
+voor uitvoering vatbaar was, toch opgeteekend. De intercessio kon
+uitgeoefend worden door magistraatspersonen, qui eadem potestate qua
+ii qui senatus consultum facere vellent, maioreve essent, en door de
+tribuni plebis. Z. ook senatus aan het einde. Een senatus consultum
+tacitum is een besluit, in eene geheime zitting genomen. Omtrent
+de senatus auctoritas, vereischt voor wetsvoorstellen in de
+com. centuriata zie men patres.
+
+Senatus consultum ultimum was de uiterste maatregel, waartoe de
+senaat overging, wanneer de staat door binnenlandsche onlusten of een
+buitenlandschen vijand naar zijn meening in gevaar verkeerde. Het
+was een uitnoodiging aan de in het besluit genoemde ambtenaren,
+in den vorm videant consules, (enz.) ne quid respublica detrimenti
+capiat. Zij verzocht hen, op eigen gezag alle naar omstandigheden
+noodige maatregelen te nemen, die in hun bevoegdheid lagen, zooals
+vormen van een leger met buitengewone lichtingen, bevelen uitvaardigen
+aan burgers en bondgenooten, met geweld de rust herstellen, enz. Zie
+ook hostis iudicatio.
+
+Senatus municipalis. In de rom. municipia had men een gemeenteraad,
+senatus genoemd, wiens leden decuriones heeten en die ook wel ordo
+decurionum wordt genoemd. In den regel bestond hij uit 100 leden.
+
+Seneca, familienaam, zie Annaei.
+
+Senecio, familienaam, zie Herennii.
+
+Senogallia = Sena Gallica.
+
+Senones, Senones, machtige gallische volksstam aan de Sequana
+(Seine) in het latere Isle de France en Champagne. Hunne hoofdstad
+was Agedincum (Sens in Champagne). Een gedeelte van dit volk trok ±
+400 de Alpen over naar Italië en stichtte daar aan de Adriatische zee
+de stad Sena, gewoonlijk Gallica bijgenaamd. Het waren deze Galliërs,
+die in 390 de Romeinen aan den Allia versloegen en het Capitool
+belegerden. In 283 werden zij door den consul P. Cornelius Dolabella
+Maximus verslagen en zoo goed als vernietigd. Z. Ager Gallicus.
+
+Sentia Aelia (lex), zie Aelia Sentia (lex).
+
+Sentii. 1) C. Sentius overwon in 89 als praetor de Thraciërs, na
+eerst zelf door hen te zijn verslagen.--2) C. Sentius Saturninus,
+vriend van den jongen Sex. Pompeius, consul in 29, toonde zich uiterst
+gestreng tegen afpersingen en ambitus. In 7 werd hij stadhouder van
+Syria en hield toen den census in Iudaea, later (4 en 5 n. C.) was
+hij legaat van Augustus in Germania.--3) C. Sentius Saturninus, een
+zoon van no. 2, consul in de eerste helft van het jaar 4 na C., zie
+Aelia Sentia (lex). In de tweede helft van ditzelfde jaar vindt men
+als consul suffectus Cn. Sentius Saturninus, die in 19 na C. legaat
+in Syria was.--4) Sentius Augurinus, een vriend van Plinius minor.
+
+Sentinum, Sentinon, versterkte stad in Umbria aan den Aesis. Hier
+versloegen in 295 de Romeinen de vereenigde Samnieten, Galliërs
+en Etruscers. Consuls waren toen Q. Fabius Maximus Rullianus (zie
+Fabii no. 14) en P. Decius Mus, die volgens het verhaal zich ten
+doode wijdde.
+
+Sepias, Sepias, Z.O. punt van het thessalische landschap Magnesia.
+
+Sepinum = Saepinum.
+
+Seplasia, eene straat te Capua, met parfumeriewinkels.
+
+Sepphoris, Sepphoris = Diocaesarea.
+
+Septem aquae, "de 7 meren", landstreek bij Reate in het sabijnsche
+land.
+
+Septempeda, Septempeda, rom. municipium in het N. van Picenum, op de
+grens van Umbria.
+
+Septemviri epulones, zie epulones.
+
+Septentrio, Aparktias, de Noordenwind, zie Windstreken.
+
+Septimii, rom. geslacht, waarvan in Cicero's tijd en later eenige
+leden voorkomen, echter niet belangrijk genoeg voor afzonderlijke
+vermelding. Aan het einde van de 2de eeuw na C. komt een dichter
+Septimius Serenus voor. Zie ook Dictys no. 2.
+
+Septimius Geta, rom. keizer, zie Geta.
+
+Septimius Severus, rom. keizer, zie Severi.
+
+Septimontium, het zeven-heuvelenfeest, jaarlijks in Dec. te Rome
+gevierd, oorspronkelijk alleen door dat gedeelte van de bevolking,
+dat het Septimontium (zie Roma) vormde.
+
+Septizonium, paleis (z. echter ook Nympheum) door keizer Septimius
+Severus aan de Z.O. zijde van den Palatinus opgericht. Het had drie
+verdiepingen kolonnades, elke voorzien van eene kroonlijst, die op
+de via Appia uitzagen. Paus Sixtus V liet het gebouw afbreken om aan
+de zuilen een andere bestemming te geven. Ook keizer Titus had een
+dergelijk gebouw laten oprichten.
+
+Septa = saepta, zie ovile.
+
+Septuaginta, hoi hebdomekonta, worden bij verkorting de 72 Joden
+genoemd, die volgens het verhaal op last van Ptolemaeus Philadelphus
+te Alexandrië het O.T. in het Grieksch hebben vertaald. Deze vertaling
+was in de Hellenistisch-Joodsche en in den Oud-Christelijke wereld
+algemeen in gebruik. De schrijvers van het Nieuwe Testament citeeren
+deze uitgave, nooit den Hebreeuwschen bijbel. De taal is de Koine,
+maar met belangrijke afwijkingen; men zou dit het Joden-Grieksch
+kunnen noemen.
+
+Septunx = 7/12 as. Een muntstuk van deze waarde bestond niet.
+
+Sequana, rivier in Gallia, thans Seine.
+
+Sequani, keltisch volk, een der hoofdstammen van Gallia
+Transalpina, aan de Westzijde van het Juragebergte, vijanden van de
+Aeduërs. Hoofdstad: Vesontio (Besançon).
+
+Serapeum, Serapeion, Serapis-tempel. Beroemd was vooral het Serapeum
+te Alexandrië in Aegypte, met een aanzienlijke bibliotheek, dat in
+379 n. C. door Theophilus van Alexandria vernietigd werd.
+
+Serapion, Serapion, 1) van Alexandrië, stichter eener empirische
+geneeskundige school, omstreeks 220.--2) van Antiochië, beroemd
+wiskundige en aardrijkskundige, waarschijnlijk tijdgenoot van
+Eratosthenes no. 2.
+
+Serapis, Sarapis, een god, wiens beeld door Ptolemaeus I naar
+aanleiding van een droomgezicht uit Sinope gehaald werd en wiens
+eeredienst hij in Aegypte invoerde. Hij werd beschouwd als eene
+vereeniging van Osiris en Apis, als een god der afgestorven zielen,
+heer van gezondheid en ziekte. Zijn dienst vond ook ingang bij de
+Grieken en Rom., die hem met Zeus, Hades of Asclepius vereenzelvigden.
+
+Serbouis lacus, Serbonis limne, een langgestrekt, ondiep zoutmeer ten
+O. van Aegypte langs de kust, in Casiotis. Daarvóór lag de Casius mons
+(z. Casius no. 1), en ten W. Pelusium, de grensvesting van Aegypte.
+
+Serdica, Serdike, aanzienlijke stad in het N.O. van Thracia, nabij
+de grenzen van Moesia en Dardania, in de bergstreek, waar de Scomius
+zich van den Haemus afscheidt. Tgw. Sophia. Sedert Diocletianus
+behoorde dit gedeelte van Thracia, als Dacia mediterranea, tot de
+Praefectura Illyricum. Attila verwoestte de plaats, die echter weder
+werd opgebouwd.
+
+Serenus Sammonicus (Q.), geleerde onder de regeering van Septimius
+Severus en Caracalla, die een groote bibliotheek had; op last van
+den laatstgenoemde werd hij ter dood gebracht. Zijn zoon, die den
+zelfden naam droeg, schreef als leek een receptenboek in hexameters,
+dat tot de lievelingslektuur van Alexander Severus behoorde, en nog
+in de middeleeuwen veel werd gelezen.
+
+Seres, bewoners van Serica (z. a.).
+
+Sergestus, een van de tochtgenooten van Aeneas, door de rom. Sergii
+als hun stamvader beschouwd.
+
+Sergii, aanzienlijk patricisch geslacht. 1) L. Sergius Fidenas,
+consul in 437, verwierf zich zijn cognomen door zijne zegepraal
+op de Fidenaten en Vejenten.--2) M. Sergius, krijgstribuun in 205,
+ging met zijn ambtgenoot P. Matienus de schandelijke roofzucht der
+rom. bezetting te Locri Epizephyrii te keer en werd hiervoor door
+den rom. propraetor Q. Pleminius onder allerlei martelingen ter dood
+gebracht.--3) M. Sergius Silus, overgrootvader van no. 5, onderscheidde
+zich door moed in den tweeden punischen oorlog.--4) M. Sergius Silus,
+zoon van no. 3, was onder Aemilius Paullus bevelhebber der ruiterij in
+den oorlog tegen Perseus.--5) L. Sergius Catilina, achterkleinzoon van
+no. 3, toonde van jongs af een diep bedorven karakter. Hij bezat groote
+geestesgaven en was merkwaardig gehard tegen ontbering en inspanning,
+doch paarde daaraan een zeldzame gave van verleiding tot het kwade. Hij
+was een van Sulla's handlangers geweest bij de proscripties (zie
+Gratidii no. 3), werd in 77 quaestor, in 68 praetor en wilde in 65
+naar het consulaat dingen, doch zag zich hierin verhinderd door eene
+aanklacht wegens afpersingen. Toen smeedde hij eene samenzwering,
+die echter door zijn eigen ongeduld mislukte. Toen hij in 64 niet tot
+consul verkozen was, beraamde hij een tweede complot met een groot
+aantal Rom. van aanzienlijken huize, voor een deel even berooid en
+in schulden gedompeld als hij zelf. Het doel was niets minder, dan
+de tegenstanders, den consul M. Tullius Cicero in de eerste plaats,
+om te brengen, Rome op verschillende punten in brand te steken en
+Italië en de provinciën onder elkander te verdeelen. Er waren te Rome
+en elders duizenden onder het volk, die niets te verliezen hadden en
+bij oproer en omwenteling althans de kans hadden iets te winnen. De
+onbedachtzaamheid van een der samenzweerders was oorzaak, dat het plan
+nog tijdig Cicero ter oore kwam, die hierop door zijne waakzaamheid
+de uitvoering er van voorkwam (63) en Catilina noodzaakte, Rome te
+verlaten en zich naar het leger te begeven, dat hij in het N. van
+Etruria in de bergen bij Faesulae verzameld had. Eenige hoofden der
+samenzwering bleven echter te Rome, en knoopten onderhandelingen aan
+met een gezantschap der Allobrogen, die juist te Rome waren om den
+senaat de grieven van hun volk kenbaar te maken. De brieven, die zij
+den gezanten medegaven, werden echter door Cicero onderschept, waarop
+de saamgezworenen in hechtenis werden genomen en, overeenkomstig het
+gevoelen van de meerderheid van den senaat, doch tegen Caesars raad, in
+den kerker door worging ter dood gebracht. Catilina zelf sneuvelde kort
+daarop na dapperen strijd in een slag bij Pistoria tegen de troepen
+van den legaat M. Petreius. De geheele loop der samenzwering is op
+meesterlijke wijze door Sallustius te boek gesteld.--6) C. Sergius
+Orata, een bekende lekkerbek en fijnproever, omstreeks het jaar 100.
+
+Serica, Serike, het land der Seres, Seres, en der Sinae, Sinai,
+China. Het land der Sinae ligt ten Zuiden van Serica, en grenst aan
+den Sinus Magnus (de Zuid-Chineesche zee) en aan India trans Gangem;
+het is dus Zuid-China, terwijl Serica het binnenland en het Noorden
+van China (Mongolië en Mandschoerije) inneemt. Bij de ouden was het
+volk der Chineezen slechts bij naam uit de verhalen van oostersche
+kooplieden bekend. Zij hadden den naam, een zacht en goedaardig volk
+te zijn, dat echter den omgang met andere volken vermeed en niet
+gemakkelijk vreemden toeliet. Ammianus Marcellinus (390 na C.) had
+ook van den chineeschen muur gehoord. Ook wist men, dat Serica het
+vaderland was der zijdewormen; vandaar sericum = zijde. Zijden stoffen,
+vestes sericae, waren onder het keizerrijk ook te Rome niet onbekend.
+
+Seriphus, Seriphos, een klein eiland, tot de groep der Cycladen
+behoorende, rotsig en onvruchtbaar, maar rijk aan metalen, o. a. ijzer
+en magneet. Hier laat de mythe de kist aanspoelen, waarin Danaë was
+opgesloten (zie Acrisius en Perseus en Dictys no. 1). Later vestigde
+zich op S. eene ionische kolonie. In den perzischen oorlog weigerde
+S. den Perzen schatting te betalen. Onder de rom. keizers werd het
+een verbanningsoord. Aristoteles vermeldt het bestaan van kikvorschen
+die niet kwaakten; vandaar Seriphios batrachos = een stomme, iemand
+die niet spreekt.
+
+Sermyle, Sermyle, stad op de chalcidische landtong Sithonia.
+
+Serranus, familienaam in de gens Atilia (Atilii no. 7-9).
+
+Serrati, z. Bigati.
+
+Serrium, Serreion, kaap en kasteel op de thracische kust, tegenover
+het eil. Samothrace.
+
+Sertorius (Q.), geb. te Nursia in het sabijnsche land, had zich
+eerst op de studie van recht en redekunst toegelegd, diende als
+soldaat onder Marius in den strijd tegen de Cimbren en Teutonen
+(105-102) en vervolgens in Hispania onder T. Didius (97) als
+krijgstribuun. Als quaestor in Gallia Cisalpina onderscheidde hij zich
+in 91 door onvermoeiden ijver en in den marsischen oorlog door moed en
+krijgstalent, en verloor op het slagveld een oog. In den burgeroorlog
+was hij de partij van Marius toegedaan, en als praetor zelfs aanvoerder
+van een der vier legers, die in 87 Rome bestormden. Hij verafschuwde
+echter uit den grond van zijn hart de wreedheden, door Marius en
+Cinna bedreven. Na den dood van deze beiden wanhoopte Sertorius aan
+de verdere verdediging van Italië en Rome tegen Sulla en begaf hij
+zich naar Hispania Citerior (83), welk gewest hem als praetor door
+het lot was toegewezen. Sulla zond hem den proconsul C. Annius Luscus
+achterna. Wel verdedigde een legaat van Sertorius, Iulius Salinator,
+met moed den toegang tot de Pyrenaeën, doch na diens vermoording
+zag Sertorius zich genoodzaakt voor Luscus te wijken en zocht in
+Mauretania een toevluchtsoord. Van daar verdreven doolde hij op zee
+rond, doch Luscus versloeg zijne vloot. Andermaal in Mauretania geland,
+was hij gelukkiger (hij veroverde o. a. Tingis (Tanger)), totdat
+een gezantschap der Lusitaniërs, die in opstand waren tegen Rome,
+hem het bevel over hunne strijdkrachten kwam aanbieden. Toen begon
+Sertorius een guerilla; van alle zijden stroomden hem hispanische
+troepen toe, leger op leger der Rom. werd verslagen, de opstand
+breidde zich voortdurend uit, en Q. Caecilius Metellus Pius (Caecilii
+no. 17) kon dien niet meester worden. Doch ook Pompeius die in 76
+met een leger ter ondersteuning van Metellus naar Hispania trok,
+kon evenmin Sertorius verslaan, en stelde toen een prijs op diens
+hoofd. Niet om dit bloedgeld te verdienen, maar alleen uit naijver
+en trotschheid smeedde een der onderbevelhebbers van Sertorius, de
+optimaat M. Perperna, die het niet kon dulden aan een man van nederige
+afkomst te moeten gehoorzamen, een complot, en S. werd in 72 op een
+gastmaal vermoord. Hiermede was ook de kracht van den oorlog gebroken.
+
+Servare de caelo = signa observare de caelo. Deze uitdrukking
+wordt in het bijzonder gebezigd voor het nemen van auspiciën met
+de bedoeling de comitiën te storen. Bij de signa impetrativa kon
+men twee wegen inslaan; men kon in het algemeen een teeken van de
+goden vragen; men kon echter ook een bepaald teeken vragen en de
+overige veronachtzamen. Wie dus bepaald een goedkeurend teeken afbad,
+had slechts te wachten totdat hij zulk een teeken zag en had met de
+overige, die hij niet gevraagd had, niets te maken. Maar evenzoo kon
+men ook om een storend teeken vragen. Al wat naar onweder zweemde,
+een verwijderd gerommel, dat voor donder kon doorgaan, een schijn
+van weerlicht, kon te baat genomen worden om de comitiën te storen,
+en reeds de aankondiging van een overheidspersoon, se servaturum de
+caelo esse werd als storing beschouwd. De voorzitter had echter het
+recht, een ambtenaar van minderen rang te verbieden, obnuntiatio aan
+te wenden. Hij deed dit geregeld door aan de oproeping ter vergadering
+toe te voegen: ne quis magistratus minor de caelo servare velit. De
+leges Aelia et Fufia (± 156) regelden de obnuntiatio. Waarschijnlijk
+bepaalde de lex Aelia, dat zoodanige storing niet slechts door hoogere
+overheden tegenover lagere, maar ook door overheden van gelijken rang
+tegenover elkander zou mogen geschieden (zelfs hadden de praetoren
+als collegae minores de obnuntiatio tegenover de consuls) en door de
+volkstribunen tegenover alle. Het belangrijke dezer wet lag vooral
+hierin, dat nu ook volkstribunen elkander in het doordrijven van
+wetten konden belemmeren; want de wet verklaarde uitdrukkelijk de
+bovengenoemde verklaring voor eene afdoende obnuntiatio, waaraan
+onmiddellijk gehoor moest worden gegeven. Ook waren nu de concilia
+plebis aan de obnuntiatio onderworpen. De lex Fufia bevestigde de
+lex Aelia en stelde strafbepalingen vast voor het aanwenden der
+obnuntiatio op dagen voor kiescomitiën bepaald. De lex Clodia (58)
+hief de bovengenoemde wetten voor de wetgevende comitiën op, doch werd,
+daar Clodius de obnuntiatio in den wind had geslagen, door velen niet
+als geldig erkend, hetgeen schromelijke verwarringen veroorzaakte.
+
+Servi, z. servitus.
+
+Servilia (lex) agraria, van den volkstribuun P. Servilius Rullus
+(63). Zie onder Agrariae leges.
+
+Servilia (lex) de repetundis, van den volkstribuun C. Servilius
+Glaucia (zie Servilii no. 23). De wet is gemaakt kort voor 111. Ze
+beoogde een verscherping van de procedure bij crimen repetundarum
+en een nadere uitwerking van de lex iudiciaria van C. Sempronius
+Gracchus. O. a. verwierf volgens deze wet een Latinus, die
+een rom. burger met goeden uitslag van afpersingen aanklaagde,
+zelf het rom. burgerrecht. Ook werd door deze wet de ampliatio
+(z. a.) afgeschaft en vervangen door de comperendinatio.
+
+Servilia (lex) iudiciaria van den consul Q. Servilius Caepio van 106
+(Servilii no. 15), waarbij de iudicia tusschen senatoren en ridders
+in gelijke verhouding werden verdeeld.
+
+Servilii, oud geslacht, uit Alba Longa afkomstig. 1) P. Servilius
+Priscus Structus, consul in 495.--2) Sp. Serv. Priscus Structus,
+consul in 476.--3) C. Serv. Structus Ahala, magister equitum van
+den dictator L. Quinctius Cincinnatus (439), doodde Sp. Maelius,
+die weigerde voor den dictator te verschijnen. Later moest
+hij hiervoor in ballingschap gaan. Zie Maelii no. 1 en 2.--4)
+Q. Serv. Priscus Structus veroverde in 435 als dictator Fidenae,
+waarnaar hij den bijnaam Fidenas kreeg. In 418 was hij opnieuw
+dictator en overwon toen de Aequers.--5) C. Serv. Structus Axilla
+was drie jaren achtereen consulairtribuun, 419-417. In 418 was
+hij magister equitum van no. 4.--6) C. Serv. Structus Ahala, in
+408 mag. eq. van den dictator P. Cornelius Rutilus Cossus, was een
+hevig tegenstander der volkstribunen.--7) Q. Serv. Ahala, dictator
+in 360, versloeg de Galliërs, die voor Rome waren verschenen.--8)
+P. Serv. Geminus, consul in 252 en 248, streed, volgens een niet geheel
+betrouwbaar bericht, voorspoedig op Sicilia tegen de Carthagers. Hij
+en zijn tweelingbroeder Q. geleken zoo sprekend op elkander, dat zij
+bijna niet te onderscheiden waren. Hieruit ontstond de familienaam
+Geminus.--9) Cn. Serv. Geminus, consul in 217, sneuvelde in 216 bij
+Cannae.--10) C. Serv. (Geminus), volkstribuun in 209, consul in 203,
+bevrijdde zijn vader, die in 218 bij het stichten eener kolonie door
+de Bojers krijgsgevangen was gemaakt (zie Lutatii no. 3). In 202 was
+hij dictator comitiorum habendorum causa.--11) M. Serv. Pulex Geminus,
+consul in 202, een dapper krijgsman, voerde in 202 en 201 het bevel in
+Etruria en streed in 181 tegen de Liguriërs.--12) Cn. Serv. Caepio
+was consul in 203, tegelijk met no. 10.--13) Cn. Serv. Caepio,
+consul in 169, had drie zoons, die het consulaat hebben bekleed. De
+oudste ging door adoptie in de gens Fabia over, zie Fabii no. 19.--14)
+Cn. Serv. Caepio, ook een zoon van no. 13, consul in 141, was in 125
+een gestreng censor.--15) Q. Serv. Caepio, zoon van no. 14, consul
+in 106 (zie lex Servilia iudiciaria), werd in 105 als proconsul door
+de Cimbren bij Arausio verslagen. In 95 werd hij wegens wangedrag in
+dien oorlog en onwettige plundering (men beschuldigde hem namelijk, de
+tempelschatten van Tolosa (z. a.) verduisterd te hebben), aangeklaagd
+en tot verbanning veroordeeld, terwijl zijne bezittingen verbeurd
+verklaard en gerechtelijk verkocht werden. Z. Norbani no. 1.--16)
+Q. Serv. Caepio, derde zoon van no. 13, consul in 140, verbrak
+het verdrag, dat zijn broeder Q. Fabius Maximus Servilianus (Fabii
+no. 19) met de Lusitaniërs gesloten had, en bewerkte dat Viriathus
+door sluipmoord werd omgebracht.--17) Q. Serv. Caepio, kleinzoon van
+no. 16, was een heftig tegenstander van L. Appuleius Saturninus (100),
+en ook van M. Livius Drusus (91), toen deze den ridderstand de iudicia
+poogde te ontrukken. In den marsischen oorlog lokte Pompaedius Silo
+hem in eene hinderlaag, waar hij sneuvelde.--18) Q. Serv. Caepio,
+zoon van no. 17, stierf nog jong in Asia. Hij nam zijn zusterszoon
+M. Iunius Brutus (Iunii no. 9) als zoon aan, die hiernaar soms
+Q. Caepio Brutus wordt genoemd.--19) Servilia, dochter van no. 17,
+was gehuwd met M. Iunius Brutus, den vader van Caesars moordenaar. Zij
+was eene stiefzuster van Cato van Utica, en stond bekend als eene
+zeer schrandere, ontwikkelde vrouw, wier invloed in staatszaken
+niet gering was. Eene zuster van haar was gehuwd met L. Licinius
+Lucullus.--20) P. Serv. Vatia, consul in 79, tuchtigde in 78 en 77
+de cilicische en lycische zeeroovers op eene nadrukkelijke wijze,
+drong vervolgens in den Taurus door, beoorloogde de Isauriërs (76)
+en verwierf zoo den bijnaam Isauricus.--21) P. Serv. Vatia Isauricus,
+zoon van no. 20, in 48 Caesars medeconsul, een zachtzinnig man,
+sloot zich na Caesars dood bij Cicero aan tegen Antonius.--22)
+P. Serv. Casca, volkstribuun in 43, bracht aan Caesar den eersten
+dolkstoot toe en werd daarbij zelf door Caesar met een schrijfstift
+aan de hand gewond. Zijn broeder C. Serv. Casca, behoorde wel tot
+de saamgezworenen, doch niet rechtstreeks tot de moordenaars.--23)
+C. Serv. Glaucia, tribunus plebis kort voor 111 (z. Servilia (lex)
+de repetundis), praetor in 100, een slecht, beginselloos mensch,
+zeer geslepen, bevorderde de plannen van Marius en Saturninus en
+werd met Saturninus om het leven gebracht.--24) P. Serv. Globulus,
+vriend van Cicero, volkstribuun (66) en later praetor in Asia.--25)
+P. Serv. Rullus, volkstribuun in 63; zie onder Agrariae (leges):
+lex Servilia agraria.
+
+Servitus, 1) servituut, in den regel zakelijke rechten, die men op
+eens anders grond of erf heeft en waarvoor zoodanig erf dienstbaar
+is. Men onderscheidde ze in servitutes praediorum rusticorum, die op
+landerijen rustten, en servitutes praediorum urbanorum, op gebouwde
+eigendommen. Tot de eerste, die res mancipi (z. a.) zijn, behoorden:
+actus, het recht om vee over eens anders land te drijven, iter, het
+recht te voet of op een rijdier over eens anders grond te gaan, via,
+er met een voertuig over te rijden, aquaeductus, het recht om over
+vreemden grond water te leiden. Het servituut van via sloot dat van
+actus en iter in, bij via was een bepaalde rijweg aangewezen. Onder
+de tweede soort worden o. a. vermeld: ius tigni immittendi, het recht
+om balken in 's buurmans muren te leggen, ius proiiciendi, het recht
+om een bovenbouw over eens anders grond te laten uitspringen, ius
+stillicidii en fluminis, het recht van afvoer van regen- en ander
+water, ius luminum, het recht om licht te ontvangen zonder dat de
+buurman dit mag betimmeren. Servitutes personarum zijn diensten
+waartoe een bepaald persoon krachtens overeenkomst is verplicht.--2)
+toestand van slavernij. Volgens het rom. recht is diegene slaaf, qui
+iustam servitutem servit. Hij was wel een mensch, doch geen persoon,
+slechts eene res, die zijn meester toebehoort. Men werd slaaf door
+geboorte of door verlies zijner vrijheid, in het laatste geval door
+krijgsgevangenschap of door de capitis deminutio maxima (vgl. verna,
+ius postliminii en capitis deminutio). De eigenaar was onbeperkt
+heer en meester over zijne slaven; slechts kon eene al te wreede
+behandeling door de censoren bestraft worden; onder de keizers kwam
+hierin verandering. Vrijverklaring heette manumissio (z. a). Servi
+publici waren slaven in dienst van den staat. Zie ook Douleia.--3)
+servitus poenae, eerst onder de keizers in zwang gekomen voor personae
+humiles, die veroordeeld werden ad opus publicum, tot dwangarbeid
+bij openbare werken, ad metalla, tot dwangarbeid, in de mijnen,
+steengroeven en dgl., ad bestias, om in het amphitheater tegen de
+wilde dieren te vechten.
+
+Servius, 1) rom. vóórnaam, vooral in de gens Sulpicia voorkomende,
+zoodat men wel eens Servii = Sulpicii gebruikt vindt.--2)
+Servius Clodius (Claudius), romeinsch ridder, een man van groote
+geleerdheid; hij was een ijverig taalkundige en maakte vooral studie
+van Plautus. Hij bezat een uitgebreide bibliotheek, die na zijn
+dood door zijn bloedverwant L. Papirius Paetus (Papirii no. 14)
+aan Cicero ten geschenke werd gegeven. Hij was een schoonzoon
+van L. Aelius Stilo Praeconinus (Aelii no. 7).--3) Servius Maurus
+Honoratus, taalgeleerde op het einde der 4de eeuw na C., gaf te Rome
+onderwijs in grammatica en rhetorica en heeft ons o. a. een uitvoerigen
+commentaar op Vergilius nagelaten, met een schat van oudheidkundige en
+mythologische ophelderingen en tal van fragmenten uit thans verloren
+geschriften van verschillende schrijvers.
+
+Servius Tullius, zesde koning van Rome. Volgens de overlevering was hij
+de zoon eener slavin Ocrisia, eene krijgsgevangene uit de latijnsche
+stad Corniculum, en was hij in het paleis van Tarquinius Priscus te
+Rome geboren. Eens zagen Tarq. en diens gemalin Tanaquil het hoofd
+van den slapenden knaap door een stralenden lichtkrans omgeven en
+daarop namen zij hem als kind aan. Hij wies op als een edel jongeling,
+de lieveling van goden en menschen, hij huwde 's konings dochter en
+werd na diens dood door het overleg van Tanaquil zijn opvolger. In
+een nog bewaard fragment eener redevoering van keizer Claudius wordt
+een ander verhaal medegedeeld, uit etrurische bron geput. Onder de
+regeering van Tarquinius Priscus zou een Etruscer, met name Mastarna,
+een aanhanger van Caeles Vibenna, met eene schaar uitgewekenen naar
+Rome zijn gekomen en zich op den Caelischen berg hebben neergezet
+en vervolgens zijn naam tegen dien van Servius Tullius verwisseld
+hebben.--Na zijne troonsbeklimming trad S. T. spoedig als hervormer
+op. Vooreerst trok hij drie heuvels binnen den kring der stad,
+n.l. den Quirinalis, den Esquilinus en den Viminalis, en omringde nu
+het geheel door een kolossalen muur. Wat in verschillende deelen van
+Rome nog over is van den zoogenaamden agger Servii Tullii behoort
+tot twee bouwperioden; de oudste muurbrokken zijn waarschijnlijk
+uit de 6de eeuw, de jongere gedeelten uit den tijd der samnietische
+oorlogen. Hij verdeelde vervolgens het terrein binnen de stad in 4
+wijken of tribus (z. a.) en het omliggende gebied in een zeker aantal
+regiones, ook meestal tribus (rusticae) genoemd. Ten tweede bracht hij
+een verbond tot stand tusschen Rome en Latium, met een bondsheiligdom,
+den Diana-tempel op den Aventinus. Ten derde maakte hij eene nieuwe
+indeeling van het volk, op timocratisch beginsel berustende, in
+klassen en centuriën (zie centuria), zonder dat daarbij op afkomst
+werd gelet. Zoo ontstonden de comitia centuriata. De patriciërs waren
+den hervormingsgezinden koning moede, die al te zeer naar de zijde
+der plebejers overhelde. Er vormde zich eene samenzwering, aan welker
+hoofd 's konings schoonzoon L. Tarquinius stond, en S. T. werd na eene
+43-jarige regeering (578-535) vermoord. Zoo luidt de overlevering;
+in hoeverre in deze verhalen waarheid schuilt, is niet meer na te gaan.
+
+Sesamus, stad in Paphlagonia, zie Amastris no. 2.
+
+Sesos(tr)is, Sesos(tr)is, naam, door de Grieken aan Ramses II
+(z. a.) gegeven.
+
+Sessa Aurunca = Suessa Aurunca.
+
+Sestertius, voor Semistertius, derdehalf = 2 1/2 as, de meest
+algemeene zilvermunt en de algemeene rekenmunt bij de Rom. In het
+schrijven werd hij aangeduid door LLS (libra libra semis), later IIS
+of HS. Het dwarsstreepje is slechts een verbindingsstreepje. Bij de
+munthervorming in 217 (zie as) werd de waarde van den sestertius op 4
+as bepaald. Eigenlijk is sestertius een adjectief en is de volledige
+naam nummus sestertius; vandaar wordt ook meermalen alleen het woord
+nummus gebezigd. Eene som van 1000 sestertiën, mille sestertium
+(= sestertiorum) werd kortweg sestertium geheeten, waaruit zich
+een nieuw onzijdig substantief vormde, d.v. decem sestertia = 10000
+sestertiën. Bij de veelvouden van 100000 echter bleef sestertium als
+onverbuigbaar woord staan met een multiplicatief telwoord. Zoo is
+dan b.v. eene som van quingenti sestertii = 500 sestertiën, quingenta
+sestertia = 500 × 1000 sestertiën, quinquies sestertium = 5 × 100000
+sestertiën. Wanneer echter geldsommen geschreven worden met cijfers en
+het teeken HS (dat voor al de drie beteekenissen geldt), moet men uit
+den zin de bedoeling afleiden. Een liggend streepje boven de cijfers
+b.v. CC duidt aan, dat men het getal met 1000 moet vermenigvuldigen;
+staan de cijfers tusschen drie streepjes (twee staande rechts en links,
+en één liggend van boven, b.v. |CC|), dan worden honderdduizenden
+bedoeld. Die streepjes worden echter niet altijd geschreven.
+
+Sestii = Sextii.
+
+Sestinum, stad in het umbrische bergland, aan den N.O. kant der
+Apennijnen.
+
+Sestus, Sestos, stad op de thracische Chersonesus aan den Hellespont,
+tegenover Abydus. Nabij deze plaatsen sloeg Xerxes eene schipbrug
+over de zeeëngte. Te Sestus woonde Hero (zie Leander).
+
+Sesubii = Esubii.
+
+Setabis = Saetabis.
+
+Setia, Setia, stad in Latium, ten Z.O. van Rome met belangrijken
+wijnbouw. Het hoorde oorspronkelijk tot den latijnschen bond, kwam
+later onder de Volscen, maar werd in 382 of 379 latijnsche kolonie.
+
+Seuthes, Seuthes, 1) koning der odrysische Thraciërs, opvolger van
+Sitalces.--2) zoon van Maesades, trachtte het gebied waaruit zijn
+vader verdreven was, door de hulp der 10.000 Grieken onder Xenophon
+te heroveren.
+
+Severi. Vier rom. keizers hebben dezen naam gedragen. 1) L. Septimius
+Severus, rom. keizer 193-211 na C., geb. te Leptis in Africa,
+was onder Marcus Aurelius en Commodus achtereenvolgens stadhouder
+in Gallia en Pannonia. Na den dood van Pertinax werd hij door zijne
+legioenen te Carnuntum (aan den Donau) tot keizer uitgeroepen. Terstond
+trok hij naar Rome op, waar zijn mededinger Didius Iulianus, die de
+regeering van de praetorianen gekocht had, bij zijne nadering werd
+vermoord. Hierop trok hij naar het O. op tegen zijn tweeden mededinger
+Pescennius Niger, die bij Cyzicus, Nicaea en Issus verslagen werd
+(194), en veroverde na een langdurig beleg Byzantium (196). De derde
+mededinger was Clodius Albinus, veldheer in Britannia, die reeds op
+marsch naar Italië was, maar bij Lugdunum (Lyon) verslagen en op
+de vlucht gedood werd (197). Aldus meester van het rijk geworden,
+zuiverde hij den rom. senaat, richtte eene nieuwe lijfwacht op (de
+oude had hij reeds na den dood van Iulianus ontbonden), en voerde
+een streng militair despotisme, eene soldatenregeering, in. Daarna
+trok hij tegen de Parthen te velde, veroverde en vernietigde hunne
+hoofdstad Ctesiphon (198) en keerde in 202 naar Rome terug, dat hij
+met prachtige bouwwerken verfraaide, terwijl hij zich beijverde,
+door een wijs en gematigd bestuur de herinnering aan zijne vroegere
+gestrengheid uit te wissen. In 208 trok hij met zijn beide zoons
+Caracalla en Geta naar Britannia, waar hij den bestaanden wal tegen de
+Caledoniërs door een sterken muur verving (zie Britannia). Hij stierf
+in 211 te Eboracum.--2) M. Aurelius Severus Alexander, geboren te
+Arca Caesarea in Phoenicia, werd door zijn neef, keizer Heliogabalus
+(z. a.), als zoon aangenomen, bij welke gelegenheid zijn eigenlijke
+naam Alexianus in Alexander veranderd werd (221 n. C.). Spoedig echter
+haalde de genegenheid van het leger hem den haat van den tyran op
+den hals, die hem herhaaldelijk zocht te vermoorden, tot hij zelf
+door de woedende soldaten werd omgebracht (222), waarop Alex. Sev.,
+13 jaar oud, doch zorgvuldig onderwezen en opgevoed onder de leiding
+zijner voortreffelijke moeder Julia Mammaea en zijner brave grootmoeder
+Julia Maesa, door senaat, volk en leger als keizer werd erkend. Hij
+verhoogde het aanzien en de macht van den senaat. Hij trachtte het
+binnenlandsch beheer te verbeteren en de uitspattingen van den door
+Heliogabalus ingevoerden syrischen eeredienst tegen te gaan, doch hij
+wilde ook de verslapte krijgstucht herstellen, hetgeen oorzaak was, dat
+zijn staatsdienaar Ulpianus in 228 voor zijne oogen werd vermoord. In
+232 voerde hij oorlog tegen den nieuw-perzischen koning Artaxerxes I;
+in 234 trok hij op tegen de Germanen, die over den Rijn stroopten,
+doch hij werd in een soldatenoproer met zijne moeder vermoord, waarop
+Maximinus tot keizer werd uitgeroepen.--3) Flavius Valerius Severus,
+een Illyriër, werd in 305 na C. door Galerius tot Caesar benoemd en in
+306 tot Augustus, doch in den strijd tegen Maxentius werd hij in 307
+door zijne troepen verlaten en te Ravenna vermoord.--4) Libius Severus,
+rom. keizer 461-465 na C., door Ricimer (z. a.) op den troon gezet.
+
+Severi. 1) Cornelius Severus, episch dichter, vriend van Ovidius.--2)
+Iulius Severus, generaal van keizer Hadrianus in den oorlog
+tegen de Joden, die onder leiding van Bar-Kochba waren opgestaan
+(132-134 n. C.), zie Hadrianus; later was hij stadhouder van Syria
+Palaestina.--3) Sulpicius Severus, omstreeks 400 na C., een Christen,
+schreef eene historia sacra van de schepping tot op zijn tijd.
+
+Severiana (via), van Ostia over Antium naar Tarracina.
+
+Severus mons, rots in het Sabijnsche land op de grenzen van Picenum.
+
+Sevir of Sexvir, meest VIvir of IiiiiIvir geschreven, lid van een
+college van 6 leden. 1) aanvoerder van de equites Romani equo publico,
+in den keizertijd; ze worden voor een jaar benoemd; het eerst komen
+ze voor tijdens keizer Augustus (2 v. C.).--2) lid van het bestuur
+der Augustales in de municipiën; zie municipium.
+
+Sevo mons = Saevo mons.
+
+Sextans = 2 unciae = 1/6 as.
+
+Sextarius, rom. maat, iets meer dan een halve liter, het 1/48 deel
+eener amphora, het 1/16 van een congius.
+
+Sextia (rogatio) van P. Sextius in 57, tot terugroeping van Cicero
+uit de ballingschap, kwam niet in behandeling.
+
+Sextii of Sestii, dezelfde naam, hoewel men soms de eene schrijfwijze
+hoven de andere ziet voorgetrokken. 1) P. Sestius Capitolinus
+(v. a. Capito) Vaticanus, consul in 452 (z. Menenia Sestia (lex)) en
+in 451 een der decemviri legibus scribundis.--2) L. Sextius Sextinus
+Lateranus, in 366 de eerste consul uit de plebs ten gevolge der
+Lex Licinia Sextia, waartoe hij zelf had medegewerkt. Zie Licinii
+no. 4.--3) C. Sextius Calvinus, consul in 124, voerde voorspoedig
+oorlog in Gallia Transalpina en stichtte de badplaats Aquae Sextiae
+(Aix).--4) T. Sextius diende van af 54 als legaat onder Caesar in
+Gallia. Later ontnam hij in dienst van Octavianus, de provincie
+Africa aan Q. Cornificius, die in den strijd sneuvelde (42). Na
+den slag bij Philippi moest hij Numidia afstaan aan den legaat
+van Octavianus, C. Fuficius Fango, maar veroverde het weer na den
+Perusijnschen oorlog. In 40 gaf hij de provincie en zijn troepen
+over aan Lepidus.--5) P. Sextius of Sestius, quaestor in 63, zuiverde
+Campania van de Catilinarii, dwong den consul C. Antonius aan Catilina
+slag te leveren, hetgeen Ant. evenwel door zijn legaat Petreius liet
+doen, en schaarde zich als volkstribuun in 57 geheel aan de zijde van
+Cicero. Door zijn vijand P. Clodius werd hij in 56 van geweldenarij en
+omkooping aangeklaagd doch door Cicero verdedigd en vrijgepleit. Bij
+het begin van den burgeroorlog volgde hij Pompeius en ging eerst later
+tot Caesar over.--6) L. Sestius, zoon van no. 5, volgde na Caesar's
+dood eerst de vanen van Brutus, doch werd niettemin in 23 door
+Augustus tot consul suffectus benoemd. Aan hem is gericht Horatius'
+ode I. 4.--7) Q. Sextius, een aanzienlijk Romein, een senatorszoon,
+onder Augustus, om zijne eenvoudige levenswijze zeer geacht, stichtte
+te Rome eene wijsgeerige school vermoedelijk op stoicijnsche en
+pythagoreïsche beginselen. Hij schreef in het Grieksch. Ten onrechte
+neemt men wel eens aan, dat een verzameling spreuken van een zekeren
+Sextus, die later in het Latijn vertaald is, maar waarvan het origineel
+in 1880 teruggevonden is, van hem afkomstig is. Dit is het werk van
+een Christen uit de 2de of 3de eeuw. Na Sextius trad zijn zoon als
+hoofd der school op, daarna geraakte zij spoedig in verval.
+
+Sextilii, een rom. geslacht, dat geen mannen van beteekenis heeft
+opgeleverd. 1) P. Sextilius (v. a. Sextius), propraetor van Africa,
+verjoeg den als balling ronddolenden Marius uit zijne provincie.--2)
+C. Sextilius Rufus, admiraal van Cassius in 43.--3) Sextilia, moeder
+van keizer A. Vitellius, eene vrouw van strenge, oud-romeinsche zeden.
+
+Sextilis, vroegere naam der maand Augustus.
+
+Sextula = 1/6 uncia = 1/72 as.
+
+Sextus Empiricus, arts en sceptisch wijsgeer omstreeks 200 n. C. Van
+zijne werken zijn bewaard gebleven Pyrroneiai hypotyposeis, eene
+uiteenzetting van de leer van Pyrrho en Pros tous mathematikous,
+waarin hij bezwaren ontwikkelt tegen de grondstellingen van iedere
+wetenschap en ieder wijsgeerig stelsel.
+
+Sibuzates, volksstam in Aquitania, bij het tegenw. Sobousse aan
+den Adour.
+
+Sibylla, Sibylla, een geheimzinnig vrouwelijk wezen, dat in
+verschillende landen en in verschillende tijden voorkomt, in eenzame
+holen woont en van Apollo de gave der voorspelling heeft. Gewoonlijk
+nam men aan dat er meer dan ééne S. was, in latere tijden sprak
+men van tien. De meest bekende is de S. van Cumae, die onder
+verschillende namen voorkomt (Herophile, Demophile, Demo, Deïphobe,
+Amalthea), uit Azië naar Italië kwam, zeer oud was en reeds aan
+Aeneas de toekomst voorspelde. Eene verzameling van hare profetieën,
+in het Grieksch opgesteld, werd door Tarquinius Priscus voor eene
+groote som gelds gekocht. De verzameling, libri Sibyllini genoemd,
+werd bewaard door IIviri (sedert 367 Xviri, sedert Sulla XVviri)
+sacrorum of sacris faciundis, die in buitengewone omstandigheden,
+vooral bij prodigia, van den senaat bevel kregen de boeken te
+raadplegen (adire libros). Vooral door den invloed van deze boeken
+werd de rom. godsdienst met vele grieksche elementen vermengd. Toen
+zij bij den brand van het Capitolium (83) verloren gingen, werden
+overal sibyllijnsche orakels opgezocht, en eene nieuwe verzameling
+aangelegd, waaruit echter onder Augustus en Tiberius een aantal als
+onecht verwijderd werden. De sibyllijnsche boeken behielden lang hun
+invloed en zelfs de oudste Christenen ontzeiden hun niet alle gezag,
+eerst onder Stilicho werden zij verbrand.--De nu nog bestaande Chresmoi
+Sibylliakoi zijn van verschillende tijden en uiteenloopenden inhoud,
+grootendeels bevatten zij als profetieën ingekleede historische
+verhalen.
+
+Sibyrtius, Sibyrtios, onder en na Alexander d. Gr. satraap van
+Arachosië en Gedrosië, later verbond hij zich met Eumenes, dien hij
+echter verliet om tot Antigonus over te gaan.
+
+Sycambri = Sygambri.
+
+Sicania, Sicani, Sicanus, zie Sicilia.
+
+Sicanus, Sikanos, een van de strategen van Syracuse in den atheenschen
+oorlog.
+
+Sicca, de vriend van Cicero, op wiens landgoed hij in zijn ballingschap
+een schuilplaats vond.
+
+Sicca Veneria, Sikka, aanzienlijke stad in Numidia ten O. van den
+Muthul; het behoort later tot Africa Vetus (Zeugitana).
+
+Siccii, zie Sicinii.
+
+Sichaeus, z. Dido.
+
+Sicilia, Sikelia, het bekende eiland Sicilië bij Italië. In
+den mythischen tijd was het de woonplaats der Cyclopen en der
+menschenetende Laestrygonen. In den historischen tijd vindt men
+als oudste bewoners de Sicani, Sikanoi, vermeld, volgens Thucydides
+afkomstig uit Iberia, waar zij aan de boorden eener rivier Sicanus,
+Sikanos, later Sucro geheeten, zouden gewoond hebben, hetgeen
+tegenwoordig op taalkundige gronden wordt tegengesproken. Later
+vindt men hen slechts in de westelijke helft, terwijl het oostelijk
+gedeelte bevolkt is door Siculi, Sikeloi, een door de Oscers uit Italia
+verdreven volk. Niet onwaarschijnlijk is het, dat Sicani en Siculi tot
+één stam behooren, die met de Latijnen verwant is. De grens tusschen
+beide stammen is de rivier de Himera. In den Westhoek vindt men nog een
+klein gebied bezet door Elemi, Elymoi, die over zee waren gekomen. De
+mythe laat deze Elymers afstammen van Trojanen (zie Elymus), doch
+de namen hunner steden Segesta, Entella, worden op de oostligurische
+kust ook aangetroffen, terwijl met Eryx en den Venusdienst de haven
+portus Veneris in Liguria overeenkomt. Op de kusten van het zoo
+vruchtbare en uitstekend gelegen eiland vestigden zich een aantal
+volkplantingen: phoenicische, carthaagsche, ionische en dorische. De
+afstammelingen der grieksche kolonisten noemden zich Sikeliotai. Naar
+de drie meest vooruitspringende kapen, Lilybaeum ten W., Pelorum ten
+N.O., Pachynum ten Z., wordt het eiland bij dichters ook Trinacria,
+Trinakria, geheeten, ook Sicania is een dichterlijke naam. Terwijl het
+W. gedeelte in de macht der Carthagers kwam, breidde de machtige stad
+Syracuse haar gezag over het O. deel uit. Beide mogendheden streefden
+naar het bezit van het geheele eiland en bloedige worstelingen waren
+hiervan het gevolg. In den eersten punischen oorlog verloor Carthago
+zijn deel aan de Rom.; West-Sicilia werd toen de eerste rom. provincie
+(241), het overige bleef syracusaansch tot aan den val van Syracuse
+in 212. Beide deelen bleven, ofschoon één stadhouder hebbende, onder
+rom. bestuur toch in zooverre administratief gescheiden, dat zij
+elk een afzonderlijken quaestor hadden (één te Lilybaeum en één te
+Syracuse), en dat in het syracusaansche gedeelte de tiendregeling in
+stand bleef, zooals deze door koning Hiero II (260-215) was vastgesteld
+(lex Hieronica frumentaria). De gemeenten in dit gedeelte werden
+civitates decumanae genoemd en hare korentienden werden op het eiland
+zelf verpacht; de gemeenten in het vroegere carthaagsche gedeelte,
+waarvan de tienden te Rome met andere vectigalia door de censoren
+verpacht werden, heetten civitates censoriae. In Cicero's tijd waren
+Messana, Tauromenium en Netum civitates foederatae, Centuripae, Halesa,
+Segesta, Panormus en Halicyae civitates liberae et immunes. Van de
+verschillende civitates, 63 in getal, hadden alleen de burgers van
+Centuripae recht van grondbezit over het geheele eiland. Sicilia
+was door zijn graanbouw van groote waarde voor de Rom., die er
+jaarlijks ontzaggelijke hoeveelheden koren uit trokken; terecht was
+het aan Demeter geheiligd; thans is door de onverschilligheid der
+latere bevolking de toestand geheel anders geworden. Berucht zijn de
+afpersingen, door C. Verres gepleegd (73-71) en reeds van dit tijdstip
+af openbaart zich bij de bevolking een zekere onwil, om verder hunne
+akkers te bebouwen en zich te laten uitmergelen. Sicilia heeft een
+aantal beroemde mannen voortgebracht, o.a., Theocritus, tijdgenoot
+van Hiero II en den vader der bucolische poëzie. Bij Vergilius is
+Siculus pastor = Theocritus, Sicelides Musae = de Muzen van het
+herdersdicht.--De zee ten O. van het eiland heette mare Siculum;
+door sommigen werd zij als een gedeelte der ionische zee beschouwd,
+v. a. strekte zij zich tot Creta uit.
+
+Sicinii. 1) T. Sic. Sabinus, consul in 487, zegepraalde over de
+Volscen.--2) C. Sic. Bellutus voerde het volk in 494 naar den Mons
+Sacer en werd een der eerste volkstribunen (493).--3) C. Sicinius
+of Siccius was onder de eerste volkstribunen, die krachtens de lex
+Publilia Voleronis (471) door de plebs tributim werden gekozen. In het
+volgende jaar klaagde hij met M. Duilius den trotschen App. Claudius
+Sabinus, consul in 471, aan; deze stierf echter vóór den afloop
+van het proces. Het verhaal van dit proces en van Claudius' dood is
+geheel verzonnen. Zie Claudii no. 2.--4) L. Sic. of Siccius Dentatus,
+bijgenaamd de rom. Achilles, een man die door zijne schitterende
+wapenfeiten meer dan 300 militaire onderscheidingen had verworven,
+120 gevechten had bijgewoond en 45 wonden in de borst had gekregen,
+volkstribuun in 454, was een warm strijder voor de rechten der
+plebejers. In 450 lieten de tienmannen hem in den oorlog tegen de
+Aequers in eene hinderlaag vallen, waar hij sneuvelde. Dit verhaal is
+verzonnen, met het doel de tienmannen van het jaar 450 als tyrannen
+voor te stellen.--5) Cn. Sicinius, praetor in 183, werd in 172 met
+een leger naar Macedonia gezonden.--6) C. Sicinius, door Cicero onder
+de goede redenaars gerangschikt, overigens niet nader bekend.--7)
+Cn. Sicinius, volkstribuun in 76, wendde vergeefsche pogingen aan om
+de macht van het tribunaat te herstellen. Zijne vijanden wisten hem
+uit den weg te ruimen.
+
+Sicinnis, sikin(n)is, de dans van het satyrdrama.
+
+Sicinus, Sikinos, eiland der Sporaden, ten Z. van de Cycladengroep
+gelegen en om zijn wijnbouw vroeger Oenoë genoemd.
+
+Sicoris, Sikoris, thans Segre, zijtak van den Iberus (Ebro), stroomt
+langs Ilerda (Lerida).
+
+Siculi, Sikeloi, zie Sicilia.
+
+Siculum fretum, thans straat van Messina. Zie ook Scylla.
+
+Siculus. 1) Calpurnius Siculus, bucolisch dichter uit Nero's tijd,
+schrijver van 7 Eclogae.--2) Siculus Flaccus, rom. landmeter uit de
+2de eeuw na C., schrijver van een werkje de condicionibus agrorum,
+z. Groma.--3) Diodorus Siculus, zie Diodorus no. 3.
+
+Sicyon, Sikyon = augurkenstad, hoofdstad van het kleine peloponnesische
+gewest Sicyonia, Sikyonia, aan den Z.O. hoek der Corinthische golf
+gelegen. Volgens de overlevering was na Argos Sicyon de oudste
+staat van Griekenland. Bij de dorische volksverhuizing kwam het
+onder de Doriërs, in wier bezit het bleef. Het staatje, dat te
+onbeduidend was om eenig gewicht in de schaal te leggen, stond van ±
+670 tot 576 onder de zeer dragelijke heerschappij der Orthagoriden,
+wier laatste telg Clisthenes was, de schoonvader van den Athener
+Megacles. Hierna werd de regeeringsvorm een tijd lang democratisch,
+totdat er onder den invloed van Sparta weder tyrannen kwamen. Eerst
+sedert 249 vervulde Sicyon weder eene rol (zie Aratus) als lid van
+het achaeisch verbond. Onder rom. heerschappij verviel het meer en
+meer.--De sicyonische schilderschool (Eupompus, Pamphilus, Pausias)
+kenmerkte zich door wetenschappelijke behandeling. De beeldhouwschool
+legde zich minder toe op het scheppen van godenbeelden, dan van
+schoone menschenfiguren. Onder de sicyonische beeldhouwers zijn vooral
+beroemd Polycletus (z. a.) en Lysippus (z. a.), die ook een kundig
+metaalgieter was.
+
+Sida, Side, Side, 1) aeolische kolonie op de kust van Pamphylia,
+hoofdzetel van den dienst van Athena, die er werd afgebeeld met een
+granaatappel (side) in de hand. De bevolking is grootendeels van
+phoenicischen oorsprong.--2) havenstad in Pontus, later Polemonium
+(z. a.).--3) vroeg vervallen stadje aan de Z.O. spits van Laconica.
+
+Sidero, Sidero, tweede gemalin van Salmoneus, wreede stiefmoeder van
+Tyro, door wier zonen Neleus en Pelias zij gedood werd.
+
+Sidicini, een oscische volksstam in Campania (z.a.); hun stad heet
+Teanum Sidicinum.
+
+Sidon, Sidon, de oudste en lang de machtigste der phoenicische steden,
+eene sterke vesting met een dubbele haven. Door handel, zeevaart, kunst
+en nijverheid en door het uitzenden van talrijke volkplantingen verhief
+Sidon zich tot een hoogen trap van bloei, totdat het door het jongere
+Tyrus overschaduwd werd. De sidonische schepen waren uitstekende
+zeilers, de sidonische zeelieden in hun tijd de beste der wereld. De
+nijverheid bloeide vooral door glasfabrieken en door de weverijen,
+waar de kostbare sidonische gewaden werden vervaardigd. Van oudsher
+stond Sidon onder erfelijke koningen, die ook onder de perzische en
+de macedonische opperheerschappij aan het bewind bleven. In 675 was
+Sidon door Assarhaddon van Niniveh vernietigd, maar als assyrische
+kolonie weer opgebouwd. Sedert de 5de eeuw begint de grieksche
+invloed er door te dringen. De 17 sarkophagen van de koningen van
+Sidon, die in 1887 terug gevonden zijn, en zich nu in het Museum
+te Constantinopel bevinden, zijn door grieksche kunstenaars van den
+eersten rang vervaardigd. De verwoesting door den perzischen koning
+Artaxerxes III Ochus (± 350), tot straf voor haren afval, bracht aan
+de stad een onherstelbaren slag toe.
+
+Sidonius Apollinaris, voluit C. Sollius Apollinaris Modestus Sidonius,
+in 428 na C. te Lugdunum (Lyon) geboren, bisschop van Clermont,
+schrijver eener verzameling brieven en van enkele gedichten in vrij
+gezwollen stijl, doch belangrijk voor de kennis van zijn tijd.
+
+Sidus, Sidous = granaatappelstad, sterke vesting in Corinthia, ten
+O. van Corinthus.
+
+Sidussa, Sidoussa, vlek in Lydia in het gebied der ionische stad
+Erythrae.
+
+Siga, Siga, handelsstad en rom. municipium op de kust van Mauretania
+Caesariensis.
+
+Sigambri = Sygambri.
+
+Sigeum, Sigeion, kaap en stad in Troas, iets ten zuiden der invaart
+van den Hellespont. In de nabijheid was het graf van Achilles.
+
+Sigillaria (van sigillum, deminutief van signum), het beeldjesfeest,
+te Rome op 21 en 22 Dec. gevierd. Men gaf godenbeeldjes ten geschenke,
+uit klei gebakken of uit metaal vervaardigd. Ook werden bontgekleurde
+kaarsen en gebak in verschillende vormen weggegeven. Het schijnt vooral
+een kinderfeest te zijn geweest. Er was te Rome eene beeldjesstraat,
+via sigillaria, waar men winkels van zulke beeldjes had. Het feest
+hing met de Saturnalia (z. a.) samen.
+
+Sigma, eene sofa in den vorm van een hoefijzer, aldus genoemd naar
+den ouden vorm der grieksche letter, C. Dit sigma of stibadium
+kwam in gebruik, toen de vierkante tafels door de ronde werden
+verdrongen. Vgl. triclinium.
+
+Signia, thans Segni, stad in Latium aan den Oostkant der volscische
+bergen, door Tarquinius Superbus gesticht en bekend door een tempel
+van Jupiter Urius, door hard cement (opus Signinum), lekkere peren
+en wrangen wijn. Van de cyclopische muren bestaan nog overblijfselen.
+
+Signum. Onder de verschillende beteekenissen van dit woord zijn er
+vier, die hier behooren vermeld te worden, 1) beeld eener godheid,
+nooit van een mensch, daar van menschenbeelden het woord statua
+wordt gebezigd.--2) onderscheidingsteekenen van de verschillende
+afdeelingen van het leger te velde, standaarden, waarvan de hierbij
+gevoegde gravure er eenige te aanschouwen geeft. Vóór Marius
+hadden de drie afdeelingen van het rom. voetvolk verschillende
+standaarden, een wolf, een minotaurus, een everzwijn en een paard,
+terwijl een adelaar met uitgespreide vlerken de standaard van het
+legioen was. Marius schafte de genoemde bijzondere standaarden af
+en behield alleen den legioensadelaar. Doch naast den standaard had
+nog elke manipel zijn bijzonder onderscheidingsteeken, bestaande in
+een geopende hand boven op een lans bevestigd, terwijl de cohorte
+waarschijnlijk de afbeelding van een of ander dier voerde. De stok
+is versierd met kransen en kronen (zie corona), waarschijnlijk in
+den strijd verworven. Bij den legioensadelaar evenwel ontbreken
+v. s. deze sieraden; hoogstens vindt men dezen dan getooid met een
+vexillum, een lap doek. Het vexillum, vaandel, behoort vooral bij de
+ruiterij te huis. Verder ziet men onder de signa ook een paar angues
+of dracones. In de legerplaats werd vóór het praetorium eene verhooging
+van zoden of aarde aangebracht, en daarin werden de legioenstandaarden
+in den grond geplant. Het uittrekken er van was het sein tot den
+marsch. Zat de stok zeer vast in den grond, zoodat de vaandeldrager,
+signifer, hem slechts met groote moeite er uit kon trekken, dan gold
+dit voor een slecht voorteeken. Aan de onderscheidingsteekenen te
+velde zijn verschillende zegswijzen ontleend, als: signa in hostem
+inferre = op den vijand aanrukken, signa conferre = handgemeen worden,
+slaags raken, signa proferre = voorwaarts rukken, signa referre =
+zich terugtrekken, signa transferre = zich overgeven, signa movere =
+opbreken, signa figere = zijn leger opslaan, e. a.--3) Zie auguria.--4)
+In de 3de en 4de eeuw na Christus een soort clubnaam. Zie onder nomen.
+
+Sigrium, Sigrion, kaap aan de Westkust van het eiland Lesbus.
+
+Sigynnes, Sigynnes, een half mythisch volk, volgens Herodotus ten
+N. van den Ister (Donau) woonachtig. Sommigen willen hierin de
+voorvaderen der Zigeuners zien.
+
+Sila, Sila, boschrijk gebergte in Bruttium, een deel der Apennijnen,
+dat het beroemde bruttische pek opleverde.
+
+Silanion, Silanion, beroemd beeldgieter te Athene, tijdgenoot van
+Alexander d. Gr.
+
+Silanus, familienaam bij de Iunii (Iunii no. 14-20) en de Turpilii.
+
+Silarus, Silaros, 1) grensrivier tusschen Campania en Lucania, valt
+bij den mons Alburnus ten N. van Paestum in zee. Aan den Silarus werd
+de zwaardvechtersveldheer Spartacus in 72 door Crassus verslagen.--2)
+rivier in Gallia Cispadana, die ten O. van Bononia (Bologna) naar
+den zuider Po-arm stroomt.--Beide rivieren heeten thans nog Silaro.
+
+Silenus, Seilenos, zoon van Hermes of Pan en eene nimf, de leermeester,
+opvoeder en trouwe metgezel van Dionysus, de oudste der Satyrs. Hij
+wordt afgebeeld als een vroolijk, oudachtig mannetje met stompen
+neus, kaal hoofd en buitengewoon dikken buik. Hij houdt van zang en
+muziek, maar vooral van wijn, steeds is hij in een roes, zoodat hij
+gewoonlijk op een ezel moet rijden of zich door andere Satyrs moet
+laten ondersteunen, daar zijne beenen slechts zelden in staat zijn hem
+te dragen. Zijne attributen zijn een wijnzak, beker, thyrsusstaf en
+krans van klimop.--Onder den invloed der mysteriën kreeg ook S. eene
+hoogere beteekenis. Als leermeester van Dionysus werd hij beschouwd als
+een wijze en profeet, ver verheven boven het ijdele streven der gewone
+menschen, en werd hij ook op geheel andere wijze afgebeeld.--Soms
+worden alle oudere Satyrs Silenus genoemd, ter onderscheiding draagt
+dan de opvoeder van Dionysus den naam van Papposilenus.
+
+Silicernium, lijkmaal ter eere van een afgestorvene, hetzij op den dag
+der begrafenis, hetzij eenige dagen later gegeven. Ook als scheldwoord
+gebezigd = een afgeleefde oude vent, een oude sul.
+
+Silicius Coronas (P.), rom. senator, die in de rechtbank, door
+Octavianus ingesteld om de moordenaars van Caesar te vonnissen,
+openlijk ten gunste van die moordenaars, met name van Brutus, het
+woord voerde en hiervoor later door Octavianus op de proscriptielijsten
+werd geplaatst.
+
+Silii, plebejisch geslacht. 1) T. Silius diende onder Caesar in Gallia
+en werd in 56 door de Veneti (op de kust van Bretagne) gevangen
+gehouden.--2) P. Silius Nerva, in 51 propraetor van Bithynia,
+een vriend van Cicero.--3) A. Silius, bevriend met Cicero en met
+Atticus.--4) P. Silius Nerva, consul in 20, was eerst legatus pro
+praetore van Hispania citerior, en streed daarna voorspoedig tegen
+de Alpenbewoners, de Norici (16), de Pannoniërs en de Dalmaten.--5)
+C. Silius, consul in 13 na C., voerde eenige jaren het bevel in
+Germania en nam deel aan de tochten van Germanicus. Ook onderdrukte
+hij in 21 den opstand van Sacrovir. Hij laadde echter den argwaan
+van Tiberius op zich; door dezen van knevelarij beschuldigd, bracht
+hij zichzelf om het leven (24).--6) C. Silius, zoon van no. 5, werd
+onder Claudius met den dood gestraft wegens ongeoorloofden omgang
+met Messalina, 48 na C.--7) Tib. Catius Silius Italicus, rom. dichter
+en redenaar, 25-100 na C., was in 68 consul en later stadhouder van
+Asia, en wijdde zich daarna op zijn landgoed aan de letterkunde. Hij
+schreef een epos, Punica, in 17 boeken, dat in 1415 te St. Gallen
+ontdekt is en over den tweeden punischen oorlog handelt; het verraadt
+wel studie, doch weinig genie. Waarschijnlijk is ook aan hem toe te
+schrijven een uittreksel uit de Ilias in hexameters gedicht, in de
+M. E. bekend als Homerus latinus of Pindarus Thebanus. Daar Silius
+aan eene ongeneeslijke kwaal leed, liet hij zich doodhongeren, ten
+einde van zijn lijden bevrijd te worden.
+
+Silis, beekje in het land der Veneti, dat zich bij Altinum in de
+Adriatische zee stort.
+
+Silloi, z. Timon no. 2.
+
+Silures, Silyres, machtig en dapper volk in het W. van Britannia,
+in het Z.O. van het tegenw. Wales, met de steden Isca en Venta. Zij
+verdedigden zich hardnekkig tegen de Romeinen. Ze zijn donker van
+gelaatskleur, en hebben krulhaar; ze behooren niet tot de Kelten,
+maar waarschijnlijk tot de Iberiërs.
+
+Silvanectes, volksstam in Belgica ten Z. der Suessiones. Hoofdstad:
+Augustomagus, tgw. Senlis.
+
+Silvanus, familienaam in de gens Plautia (Plautii no. 5 en 8).
+
+Silvanus, rom. bosch- en veldgod, beschermer van planten, kudden en
+van de grenzen der akkers. Hij heeft veel overeenkomst met Pan en
+Faunus, houdt van muziek, is voor landlieden over het algemeen een
+weldoend god, jaagt daarentegen gaarne den menschen schrik aan en is
+daarom vooral voor kraamvrouwen te vreezen (z. Deverra). Te zijner
+eere vierde men in den herfst een oogstfeest, waarbij men hem de
+eerstelingen der vruchten, korenaren en melk offerde.
+
+Silvium, stad in Apulia op de lucanische grenzen, aan den weg van
+Venusia naar Tarentum.
+
+Silvius, zoon of stiefbroeder van Ascanius, volgde hem in de regeering
+over Alba Longa op; hij was de stamvader der albaansche koningen.
+
+Simbruini colles, heuvelstreek in het Z. van het land der Aequi, later
+tot Latium behoorende, nabij het land der Marsen, tusschen Sublaqueum
+en Treba. In de nabijheid lagen de Simbruina stagna, waterbekkens,
+waarin zich verschillende bronnen en beken ontlastten, die door keizer
+Claudius gebruikt werden tot voeding der aqua Marcia en door Nero voor
+zijne schoone villa Sublaquensis. Thans zijn die kommen uitgedroogd,
+doordat de beken zich een anderen weg gebaand hebben.
+
+Simeni, Simenoi = Iceni.
+
+Simmias, Simmias, 1) van Thebe, leerling van Philolaus, later vriend
+van Socrates en Plato.--2) zoon van Andromenes, broeder van Polemo
+no. 1.--3) epigrammendichter in den alexandrijnschen tijd.
+
+Simois, Simoeis, 1) een der beide riviertjes bij Troje; zie
+Scamander.--2) op Sicilia; zie Egesta.--3) rivier in Epirus,
+onzeker waar.
+
+Simonides, Simonides, 1) van Amorgus, beroemd jambendichter, jonger
+tijdgenoot van Archilochus. Van zijne werken bestaan nog eenige
+fragmenten, waaronder twee vrij lange.--2) van Iulis op Ceos, geb. 556,
+een van de grootste grieksche lierdichters. Hij leefde eenigen tijd
+aan het hof van Hipparchus te Athene, daarna in Thessalië bij de
+Aleuaden en Scopaden (514), vervolgens kwam hij naar Athene terug,
+waar hij met zijne elegie op de gesneuvelden bij Marathon den prijs
+behaalde. Zijne laatste levensjaren bracht hij in gezelschap van
+vele andere voortreffelijke dichters, o. a. Pindarus, bij Hiero te
+Syracuse door, waar hij in 468 stierf. Hij was een zeer vruchtbaar
+dichter, vooral een meester in treurzangen en epigrammen; 56 maal
+behaalde hij in wedstrijden den eersten prijs. Van zijne werken zijn
+slechts enkele fragmenten bewaard, die door fijn gevoel en schoone
+taal uitmunten. Hij geldt ook als de uitvinder der herinneringskunst
+(mnemonike), volgens zijn eigen getuigenis was zijn geheugen op zijn
+80ste jaar nog onverzwakt.
+
+Simpulum, een lepel met langen, rechtopstaanden steel, om den wijn
+over het offer te gieten. Spreekwoord: fluctus excitare in simpulo =
+veel geschreeuw om weinig wol.
+
+Simpuvium, een offergereedschap, misschien = simpulum.
+
+Sinae, Sinai, zie Serica.
+
+Sinai, Sina, een van de hoogste toppen der Zwarte bergen in het Z. van
+Arabia Petraea.
+
+Sinda, Sinda, 1) hoofdstad der Sindi, een volk in Sarmatia aan de
+invaart der Palus Maeotis (zee van Azow).--2) hoofdstad der Sindi
+of Sindae, een volk op de kust van India extra Gangem, in het
+tegenw. Achter-Indië.--3) stad in Pisidia.
+
+Sindi, Sindoi, zie Sinda no. 1 en 2.
+
+Sindus, Sindos, stad in Macedonia aan de golf van Terma, ten W. van
+Therma (Thessalonica).
+
+Singara, ta Singara, vesting in Mesopotamia tusschen den Chaboras en
+den Euphraat, rom. kolonie. In de oorlogen tusschen keizer Constantius
+II en Sapores II, koning van Perzië, werd de stad tweemaal (in 348 en
+360 n. C.) door Sapores ingenomen, en na den dood van Keizer Iulianus,
+door Iovianus met vele andere steden voor goed aan Perzië afgestaan
+(363).
+
+Singidunum, Singidounon, sterke vesting aan de samenvloeiing van den
+Ister (Donau) en den Savus, thans Belgrado.
+
+Singiticus sinus, golf van Singus (z. a.) tusschen de chalcidische
+landtongen Acte en Sithonia.
+
+Singulis, linker zijrivier van den Baetis in Baetica.
+
+Singus, Singos, stad op de chalcidische landtong Sithonia.
+
+Sinis, Sinis, zoon van Polypemon of Poseidon, een roover, die op
+de landengte van Corinthe woonde; hij was gewoon de reizigers die
+hij beroofd had, aan twee naar elkander toe gebogen pijnboomen vast
+te binden (Pityokamptes); als hij dan de boomen losliet en zij hun
+oorspronkelijken stand hernamen, werden de slachtoffers uit elkander
+gescheurd. Theseus doodde hem op dezelfde wijze.
+
+Sinnius Capito, rom. grammaticus uit den tijd van Augustus.
+
+Sinon, Sinon, zoon van Aesimus of Sisyphus, bloedverwant van
+Odysseus. Hij liet zich bij den geveinsden aftocht der Grieken door
+de Trojanen gevangen nemen en overreedde hen, het houten paard in
+de stad te halen, voorwendende dat het behoud van de stad daarvan
+afhing. Hij was het ook die 's nachts het paard voor de Grieken opende.
+
+Sinope, Sinope, oudste en voornaamste der grieksche volkplantingen
+aan den Pontus Euxinus (Zwarte zee), door Miletus op de kust van
+Paphlagonia gesticht (± 750), in het midden der 7de eeuw verwoest door
+de Cimmerii (z. a.), en in 632 herbouwd. De stad werd door handel
+en zeevaart spoedig zeer machtig, en zond op hare beurt tal van
+koloniën uit langs de kust van den Pontus Euxinus, terwijl zij haar
+eigen gebied (Sinopis) tot aan den Halys uitbreidde. Mithradates
+VI van Pontus maakte Sinope tot residentiestad. Door Lucullus werd
+het veroverd en geplunderd, doch het kwam den slag weder te boven,
+nadat het in 45 eene rom. kolonie was geworden onder den naam Iulia
+Caesarea Felix Sinope. Het had twee havens en was de geboorteplaats
+van den cynischen wijsgeer Diogenes en den blijspeldichter Diphilus.
+
+Sintice, Sintike, gewest van Macedonia op den rechteroever van den
+Beneden-Strymon, bewoond door een thracischen stam, de Sinti, Sintoi,
+met de stad Heraclea Sintica.
+
+Sinties, Sinties, oudste bewoners van Lemnus, ook op Samothrace. Strabo
+brengt hen in verband met de Sinti, zie Sintice.
+
+Sinuessa, bloeiende handelsstad in Latium aan de kust nabij de grenzen
+van Campania en den mons Massicus, rom. kolonie sedert 296. In den
+omtrek lagen warme bronnen, aquae Sinuessanae. De stad dreef een
+levendigen wijnhandel.
+
+Sion, Sion, berg, die een deel uitmaakte van Jerusalem.
+
+Siparium, in tegenstelling van aulaeum, een klein scherm: bij
+mimi werden achter het aulaeum een of twee siparia gebruikt, die
+niet neergelaten, maar opgerold werden. Ze zijn waarschijnlijk een
+herinnering aan den tijd, dat de mimus nog een poppekastvertooning
+was. De mimi traden op vóór het siparium (de siparia).
+
+Siphae, Siphai, dorisch Tipha, haven aan de Zuidkust van Boeotia,
+tot het gebied van Thespiae behoorende.
+
+Siphnus, Siphnos, eiland der Cycladen met eene stad van denzelfden
+naam. Het was rijk aan edele metalen; van het tiende deel der opbrengst
+legden de Siphniërs een schatkamer te Delphi aan. Toen echter in het
+zenden der tienden een verzuim had plaats gegrepen, drong de zee in die
+mijnen door, die aan de kust lagen, en vernielde ze. Toch bleef er nog
+genoeg over, om de welvaart te doen voortduren. Evenals de bewoners van
+Seriphus en Melos, weigerden ook die van Siphnus den Perzen schatting
+op te brengen. Voor de bondskas van het attische zeeverbond bracht
+Siphnus 3600 drachmen 's jaars op. Op zedelijk gebied stond het in
+slechten naam; vandaar siphniazein, leven als een Siphniër.
+
+Sipontum, Sipuntum, Sipous, stad en sedert 194 rom. kolonie in Apulia
+aan den mons Garganus, eene aanzienlijke havenplaats, later vervallen.
+
+Sipylus, Sipylos, vulkanisch gebergte in Lydia, dat zich van den
+Tmolus afscheidt en langs den linkeroever van den Hermus naar de
+kust loopt. Het was rijk aan metalen. In het gebergte zou de oude
+hoofdstad van Lydia gelegen hebben, Tantalis of Sipylus, reeds vroeg
+bij gelegenheid eener aardbeving verzonken en in het meer Saloë of
+Sale herschapen.
+
+Siraces of -ci, Sirakes, -koi, 1) machtig sarmatisch volk ten N. van
+den Caucasus. Zij werden door koningen geregeerd. In 50 na C. geraakten
+de Rom. met hen in oorlog.--2) volksstam in N.W. Armenia.
+
+Sirbonis lacus, Sirbonis he limne, lagune aan de aegyptische kust,
+tusschen den oostelijken of pelusischen Nijlmond en de judaeïsche
+grensstad Rhinocolura. Het meer was diep en rijk aan asphalt. Thans
+is het grootendeels uitgedroogd.
+
+Siredones, Seiredones = Sirenes.
+
+Sirenes, Seirenes, twee of drie nimfen, die op een bloemrijk
+eiland wonen en door haar betooverend gezang de voorbijvarenden
+onweerstaanbaar naar het strand lokken, waar zij op de klippen
+schipbreuk lijden. Op de Argonauten echter bleef haar gezang
+zonder uitwerking, daar Orpheus een lied zong, waarvoor zij moesten
+verstommen. Eveneens ontsnapte Odysseus aan het gevaar, door de ooren
+zijner tochtgenooten met was dicht te stoppen en zich zelf aan den mast
+te laten binden. Daarop wierpen de S. zich in zee en veranderden zij
+in rotsen.--Zij worden dochters van Phorcys of van Achelous genoemd,
+hare namen zijn Aglaopheme, Thelxiepea en Molpe, of Parthenope,
+Ligea en Leucosia; als hare woonplaats beschouwde men kaap Pelorum,
+de Sirenusae of Capreae. Zij werden oudtijds afgebeeld als groote,
+logge vogels met vrouwenhoofden, later als vrouwen met vleugels en
+pooten van een vogel; hare beelden worden dikwijls als grafornamenten
+gebruikt. Men verhaalde dat zij gezellinnen van Persephone geweest
+waren en hare gedaante gekregen hadden om deze beter te kunnen zoeken,
+of als straf, omdat zij den roof van Persephone niet verhinderd hadden.
+
+Sirenusae, Seirenoussai, ook Sirenum scopuli, drie onbewoonde eilandjes
+op de campaansche kust, ten Z. van het schiereiland van Surrentum,
+volgens de mythe eenmaal het verblijf der Sirenen.
+
+Siris, Siris, rivier van Lucania, die zich in de golf van Tarentum
+stortte. Aan den mond lag een gelijknamige, bloeiende stad, die ±
+550 door de inwoners van Croton, Sybaris en Metapontum (Metapontion)
+verwoest werd. Ruim een eeuw later werd de stad door de Tarentijnen
+herbouwd, niet echter op de oude plaats, die ongezond was, maar op
+de nabijgelegen hoogten, en Heraclea genoemd. Siris bleef slechts
+haven. Aan den Siris (bij Heraclea) behaalde Pyrrhus in 280 zijne
+eerste overwinning op de Rom.
+
+Sirius, Seirios, z. Canis maior. In verscheiden deelen van Griekenland
+werden bij het opkomen van Sirius offers gebracht en godsdienstige
+plechtigheden verricht, om de verderfelijke gevolgen van de verzengende
+hitte der hondsdagen af te weren.
+
+Sirmio, stadje aan den lacus Benacus (Gardameer) in Gallia
+Transpadana. Catullus had in den omtrek eene villa.
+
+Sirmium, Sirmion, stad in Pannonia aan den Savus (Save), sterke
+vesting met groote wapenfabrieken, hoofddepôt der Rom. in den
+dacischen oorlog. De stad was gesticht door de Tauriscers en werd
+onder de Rom. de hoofdstad der provincie en onder Diocletianus die
+van de praefectura Illyrici.
+
+Sisapon, Sisapon, belangrijke stad in Baetica, met zilver- en
+tinmijnen, ten N. van Corduba (Cordova), thans Almaden.
+
+Siscia, Siskia, ook Segesta, thans Sissek, sterke vesting en
+aanzienlijke handelsplaats op een eiland, door den Savus en de Colapis
+gevormd. Het was de ligplaats der Savusvloot.
+
+Sisenna, zie Cornelii no. 56.
+
+Sistrum, seistron, een rammelaar, bij den dienst van Isis in
+gebruik. Het instrument bestond uit een metalen beugel met gaten,
+waardoor aan de uiteinden gekromde metalen staafjes gestoken waren;
+bij het schudden sloegen de omgebogen einden van die staafjes tegen
+den beugel en zoo werd het geluid voortgebracht.
+
+Sisyra, een grove, maar warme mantel, vooral bij landlieden in gebruik.
+
+Sisygambis, Sisygambis, moeder van Darius Codomannus, werd na den
+slag bij Issus door Alexander gevangen genomen en met buitengewone
+oplettendheid door hem behandeld. Na den dood van Alexander stierf
+zij vrijwillig den hongerdood.
+
+Sisyphides, Sisyphides, Odysseus, zoo genoemd als zoon van Sisyphus.
+
+Sisyphus, Sisyphos, zoon van Aeolus en Enarete, gehuwd met Merope
+(no. 3), stichter en koning van Corinthe. Ter gedachtenis aan
+Melicertes, wiens lijk hij aan het strand vond, stelde hij de
+isthmische spelen in. Hij was de hebzuchtigste aller menschen en ontzag
+niets in zijn streven om winst te behalen. Over het algemeen wordt hij
+als een zeer slecht mensch voorgesteld: hij verried de geheimen der
+goden, deed strooptochten in Attica, beroofde en vermoordde reizigers,
+maakte aan Asopus bekend, dat Zeus diens dochter Aegina geschaakt had,
+enz. Zelfs toen de Dood hem kwam halen, wist S. dezen op listige wijze
+in boeien te slaan, zoodat niemand meer stierf, totdat Hades zelf
+kwam en den gevangene bevrijdde. Nu moest S. sterven, maar vooraf
+gaf hij aan zijne vrouw bevel hem niet te begraven; na eenigen tijd
+beklaagde hij zich hierover bij Hades en kreeg hij verlof naar de
+aarde terug te keeren om zijne vrouw te straffen, hij maakte echter
+van dat verlof misbruik en keerde niet naar de onderwereld terug,
+totdat Hermes kwam en hem met geweld medenam. Wegens al deze misdaden
+moet hij in de onderwereld een zwaar rotsblok tegen een hoogen berg
+opwentelen, dat telkens, wanneer het doel bijna bereikt is, weder
+naar beneden stort.--V. s. had hij, om zich te wreken op Autolycus,
+die runderen van hem gestolen had, diens dochter Anticlea verleid,
+en was zij bij hem moeder geworden van Odysseus.
+
+Sitace, Sitake, volkrijke stad van Babylonia, aan den Tigris,
+stroomopwaarts van Seleucia en Ctesiphon, maar nog binnen den medischen
+muur, hoofdstad van het distrikt Sitacene, Sitakene.
+
+Sitalces, Sitalkes, zoon en opvolger van Teres, vergrootte het door
+zijn vader gestichte rijk der odrysische Thraciërs en was eenigen
+tijd een bondgenoot der Atheners. Hij sneuvelde in een slag tegen de
+Triballi, 424.
+
+Sitella, vaas met betrekkelijk wijden buik en langen, nauwen hals,
+zooals in de comitiën te Rome gebruikt werd om de voorstemmende
+tribus aan te wijzen. Hiertoe werden plankjes (tesserae) met de namen
+der tribus in de vaas geworpen en dooreengeschud. Vervolgens werd de
+sitella met water gevuld en de tessera, die het eerst aan den mond te
+voorschijn kwam, wees de tribus aan, waarvan de stem het eerst werd
+publiek gemaakt of waaruit de voorstemmende centurie zou genomen
+worden. Ook de urn, waarin de indices bij de quaestiones perpetuae
+hunne stemtafeltjes (tabellae) werpen, heet sitella.
+
+Siteresion, kosten van onderhoud en verpleging, die aan de atheensche
+soldaten boven hun soldij betaald werden. Als minimum wordt door
+Demosthenes gerekend 2 obolen per dag voor een voetknecht, 1 drachme
+voor een ruiter.
+
+Sitesis, voeding op staatskosten, genoten te Athene allen of bijna
+allen, die in dienst van den staat waren. Bovendien onthaalde de staat
+in het Prytaneum vreemde gezanten, herauten, enz.; ook aan enkele
+burgers, die zich jegens den staat verdienstelijk gemaakt hadden,
+werd een plaats aan de tafel in het Prytaneum gegeven, wat in den
+bloeitijd van Athene als een groote eer beschouwd werd.
+
+Sithonia, Sithonia, de middelste der drie landtongen van Chalcidice,
+tusschen de Toronaeïsche en Singitische golven.
+
+Sitonai, ambtenaars te Athene, wier taak het was te zorgen, dat steeds
+in de staatsmagazijnen genoeg koren in voorraad was om te beletten,
+dat de prijzen door de korenkoopers te zeer opgejaagd werden.
+
+Sitones, bij Tacitus een germaansch volk in Scandinavia, met eene
+vrouwenregeering. Het is echter een Finsche stam, die ten N. van de
+Suiones (de Zweden) het Midden en Noorden van Scandinavië bewoonde.
+
+Sitophylakes, ambtenaars te Athene, belast met het toezicht op de
+uitvoering der korenwetten. Er waren 5, later 25, voor de stad, en 5,
+later 15, voor den Piraeus.
+
+Sittace = Sitace.
+
+Sittii. P. Sittius Nucerinus, vriend van P. Cornelius Sulla, werd vóór
+het uitbarsten der catilinarische samenzwering naar Hispania gezonden,
+doch na zijne terugkomst van medeplichtigheid beticht. Hij ontvluchtte
+naar Afrika (62) en diende daar in de legers der afrikaansche vorsten,
+tot hij in den burgeroorlog de partij van Caesar koos, Juba's
+troepen hielp verslaan en na den slag bij Thapsus de overblijfselen
+van het pompejaansche leger verstrooide. Caesar stelde hem aan als
+stadhouder over een gedeelte van Numidia; na Caesars dood werd ook
+Sittius vermoord.
+
+Skythai, z. toxotai.
+
+Skytale, z. Scutala.
+
+Skytalismos, doodstraf door middel van een knods of knuppel. Deze
+wijze van terechtstelling is in een tijd van hevige beroering (±
+370) door het volk te Argos op 1000 (v. a. 1200) aanzienlijke burgers
+toegepast, terwijl ten laatste ook de demagogen, die het volk daartoe
+aangezet hadden, aldus werden terechtgesteld.
+
+Smerdis, Smerdis, broeder van Cambyses, die hem uit jaloerschheid
+door Prexaspes liet dooden. Terwijl Cambyses nog in Aegypte was,
+gaf een magiër Gaumata, Gometes, zich voor Smerdis uit, op wien
+hij inderdaad sprekend geleek, en maakte zich van de regeering
+meester. Hij werd door het volk erkend, en Cambyses stierf voordat hij
+hem had kunnen straffen, maar na 7 maanden werd de gewaande Smerdis
+(Pseudo-Sm.) ontmaskerd (z. Prexaspes) en door zeven edele Perzen,
+waaronder ook Darius Hystaspis was, gedood.
+
+Smilis, Smilis, van Aegina, een van de oudste grieksche beeldhouwers,
+waarschijnlijk uit de eerste helft van de 6de eeuw; hij wordt een
+leerling van Daedalus genoemd.
+
+Smintheus, Smintheus, bijnaam van Apollo, waarschijnlijk naar de
+stad Sminthe in Troas. Men leidde echter den naam gewoonlijk af van
+sminthos (muis), omdat de muis het zinnebeeld der voorspellingskunst
+is, of omdat Apollo een van zijne priesters van muizen bevrijd zou
+hebben. Of hij had aan Teucriërs, die onder leiding van Scamander uit
+Creta verhuisden, een orakel gegeven, dat zij zich moesten vestigen,
+waar zij last zouden hebben van uit de aarde geborenen. Toen zij
+nu in Troas geland waren en vonden, dat muizen aan hunne bogen en
+schilden geknaagd hadden, bleven zij daar en stelden zij den dienst
+van Apollo Sm. in.
+
+Smyrna, Smyrna = Myrrha.
+
+Smyrna, Smyrna, aeolische kolonie van Cyme, eene der meest beroemde en
+welvarende steden van Klein-Azië, ± 700 door de Ioniërs vermeesterd
+en sedert lid van het ionisch-aziatisch verbond gebleven. Omstreeks
+600 werd het door den lydischen koning Sadyattes verwoest, en het
+duurde tot na den dood van Alexander den Gr., eer door toedoen van
+Antigonus een nieuw Smyrna verrees, iets zuidelijker gelegen dan
+het oude. Lysimachus maakte er vervolgens eene van de prachtigste
+steden der oudheid van, met rechte en goed geplaveide straten. Ook
+onder rom. heerschappij bleef Smyrna eene bloeiende plaats en was
+het een conventus. In 178 na C. werd het door eene aardbeving hevig
+geteisterd, doch op last van keizer M. Aurelius hersteld. Smyrna
+beweerde de geboorteplaats te zijn van Homerus, voor wien in het
+Homereum een standbeeld was opgericht. Ook was er een fraaie tempel
+van Cybele. De tapijtweverijen van Smyrna waren reeds in de oudheid
+beroemd. De aanliggende golf heette Smyrnaeus sinus. Thans heet de
+stad zoowel Smirna als Ismir.
+
+Soccus, een pantoffel van lichte stof, het eigenaardig schoeisel van
+tooneelspelers en dansers in het blijspel. Ook buiten het tooneel werd
+de soccus door de Grieken zeer algemeen gebruikt, bij de Rom. echter
+in den regel alleen door vrouwen.
+
+Sociale bellum, opstand der italiaansche bondgenooten tegen Rome in
+de jaren 90 en 89. Zie Marsicum bellum.
+
+Socii, bondgenooten. Volgens de overlevering reeds in den
+koningstijd, en in elk geval sedert 493 is Rome door een foedus
+aequum met de Latijnen, en later met de Hernici verbonden geweest,
+zie Latium. Later, toen Rome langzamerhand geheel Italia veroverde,
+werd de afhankelijkheid, waarin de verschillende steden en staten
+gebracht werden, uitgedrukt door het woord socii, waarbij dan het
+nomen Latinum een bevoorrechte plaats innam. De staten, waarmede
+Rome een foedus sloot, heetten civitates foederatae, en behielden
+hun souvereiniteit; ze hadden eigen bestuur, eigen rechtspleging
+en het recht om munt te slaan. Zij mochten geen betrekkingen met
+het buitenland onderhouden; in elk verdrag kwam de bepaling voor: ut
+eosdem quos populus Romanus amicos atque hostes habeant. Zij betaalden
+geen belasting, maar waren verplicht troepen, en de staten aan zee
+ook schepen, te leveren. De afhankelijkheid waarin zij stonden ten
+opzichte van Rome werd uitgedrukt door de formule: maiestatem populi
+Romani comiter conservanto. Door hun verstandig en gematigd optreden
+wisten de Romeinen de socii aan zich te binden; en deze politiek
+heeft het hun mogelijk gemaakt, op den duur de nederlagen van den
+2den punischen oorlog te boven te komen. In de 2de eeuw beginnen ze
+echter de socii, wier hulp men niet meer noodig heeft, te onderdrukken,
+hetgeen dan ten slotte uitloopt op den bondgenooten-oorlog, die Italië
+ontvolkt heeft, zie Marsicum bellum. De provinciën, wier toestand door
+eene wet geregeld was, werden niet tot de socii gerekend. Overigens
+waren er ook buiten Italië socii als civitates foederatae (z. a.), en
+koningen wien de titel socius et amicus populi Romani was verleend,
+doch ook dan was meestal het bondgenootschap slechts een zachtere
+vorm van afhankelijkheid. Buitenlandsche volken zijn exterae nationes,
+doch waar in engeren zin van socii et exterae nationes gesproken wordt,
+moet men onder de laatsten de bewoners der rom. provinciën verstaan en
+onder socii de latijnsche en italische bondgenooten. Zelfs werd deze
+benaming nog wel voor de italiaansche civitates gebezigd, ook nadat
+deze in de jaren 90-88 het burgerrecht hadden verkregen en de naam
+socii dus strikt genomen op haar niet meer van toepassing was.--In
+de rom. legers waren vóór 90 de troepen der italiaansche civitates
+onder den naam van socii aanwezig; andere hulptroepen heetten auxilia
+(z. a.).
+
+Socii navales. De dienst ter zee stond bij de Rom. in minachting,
+daarom werd de bemanning der vloot uit de armste burgers
+genomen. Allengs kwam het bemannen en proviandeeren der vloot
+meer en meer ten laste der socii (z. a.), die natuurlijk hiervoor
+het uitschot hunner bevolking en ook vrijgelaten slaven leverden,
+hetgeen niet strekte om den zeedienst te verheffen. De rom. marine
+was in den eersten punischen oorlog zeer belangrijk, later liet men
+ze vervallen (zie classis) en bediende men zich veelvuldig van de
+vloten van verbonden volken, zooals de Rhodiërs e. a.
+
+Socrates, Sokrates, Athener, zoon van den beeldhouwer Sophroniscus en
+Phaenarete, geb. 470. In zijne jeugd genoot hij de gewone atheensche
+opvoeding, hij trachtte zich te ontwikkelen door het lezen van
+dichters en wijsgeeren en zocht met hetzelfde doel gaarne den omgang
+van beschaafde en verstandige lieden, in een bepaalde school gevormd
+werd hij echter niet. Hij leerde de kunst van zijn vader, en nog meer
+dan vijf eeuwen later wees men op de acropolis te Athene een groep,
+die voor het werk van S. gehouden werd. Hij streed mede in de slagen
+bij Potidaea, Delium (z. Alcibiades) en Amphipolis, in 406 was hij lid
+van den raad en verzette hij zich tegen de onwettige behandeling van
+het proces der veldheeren uit den Arginusenslag. Als wijsgeer heeft
+hij meer dan iemand anders invloed uitgeoefend op zijne vrienden en
+leerlingen niet alleen, maar ook op zijne tijdgenooten in het algemeen,
+zelfs op de geheele geschiedenis der philosophie. Zonder met een
+uitgewerkt wijsgeerig stelsel op te treden, wekte hij bij allen met wie
+hij omging de zucht tot wetenschappelijk onderzoek op het gebied der
+zedeleer op, waarbij hij uitging van de eenvoudige stelling dat deugd
+kennis is en dus geleerd kan worden, dat alzoo niemand vrijwillig,
+maar slechts uit onwetendheid, verkeerd handelt. Het hoogste dat
+men bereiken kan, tevens de noodzakelijke voorwaarde voor praktische
+voortreffelijkheid, is dus zelfkennis, en de eerste stap om daartoe
+te komen is het zich bevrijden van verkeerde meeningen. Daartoe
+trachtte hij nu hen, die met hem omgingen, langs een eigenaardigen
+weg te leiden. Hijzelf erkende dat hij niets wist, terwijl hij nu
+voorgaf te willen leeren van hen, die beweerden wel iets te weten
+(socratische ironie, eironeia), bracht hij door de inrichting van
+zijne gesprekken en vragen ieder tot het bewustzijn, dat diens
+vermeende kennis slechts schijn was en iederen vasten grondslag
+miste. In overeenstemming hiermede noemde hij zich ook geen leeraar
+en liet hij zich, ook om zijne vrijheid niet aan banden te leggen,
+voor zijn onderwijs niet betalen, ook had hij in den eigenlijken zin
+van het woord geen leerlingen, maar iedereen, dien hij er geschikt toe
+achtte, overviel hij met zijne vragen en dwong hij tot de erkentenis
+van zijne onwetendheid. In zijne handelingen beweerde hij geleid te
+worden door eene inwendige goddelijke stem (daimonion), die hem van
+het verkeerde terughield. Maar terwijl velen zich door zijne streng
+logische redeneering aangetrokken gevoelden en erkenden, dat hij den
+juisten weg voor wijsgeerige studiën aanwees, terwijl verder velen,
+vol bewondering voor zijn levenswandel, zijn zelfbeheersching,
+standvastigheid, matigheid, trouw, vaderlandsliefde en godsvrucht,
+zich met liefde en eerbied bij hem aansloten, was het aantal nog veel
+grooter van hen, die in hem alleen een lastig en eigenwijs mensch
+zagen, die al wat van ouds voor waar erkend was op losse schroeven
+zette en de gemoederen voortdurend in beroering bracht; men beschouwde
+hem als een van de sophisten, en juist de groote bijval, dien hij vond,
+maakte hem in het oog van het oppervlakkige volk tot den gevaarlijksten
+onder hen. Als zoodanig werd hij door Aristophanes in een van zijne
+comedies, de Nephelai, aan aller bespotting prijs gegeven. Eindelijk
+werd hij, reeds 70 jaar oud, door Meletus, Anytus en Lycon aangeklaagd
+wegens het verachten der van staatswege erkende goden, het invoeren van
+nieuwe godheden en het verleiden der jeugd. Met een kleine meerderheid
+van stemmen werd hij schuldig bevonden; daar echter de aanklagers
+de doodstraf geëischt hadden, en S. daartegen de geringe som van
+30 minen aanbood (zie timema), daarbij bewerende, dat hij eigenlijk
+verdiend had op staatskosten in het Prytaneum onderhouden te worden,
+verbitterde hij door zijne onverschilligheid de rechters en werd hij
+met eene grootere meerderheid ter dood veroordeeld. Met de grootste
+kalmte en opgeruimdheid dronk hij den giftbeker (399).
+
+Sodales, sodalitas, sodalicium. Sodales zijn kameraden, deelgenooten
+van een disch, leden van een krans, van een gezelschap en dgl. Eene
+sodalitas is dus eene broederschap, een genootschap, en evenzoo
+sodalicium. Beide woorden, doch vooral het laatste, komen echter
+ook in slechten zin voor, en beteekenen dan een geheime of verboden
+vereeniging, een politieke club. Vooral bij verkiezingen speelden
+zulke clubs door omkooping en andere ongeoorloofde middelen dikwijls
+eene groote rol. Ook priestercollegiën voor den dienst eener bepaalde
+godheid of tot het vieren van bepaalde feesten vormen eene sodalitas,
+o. a. de Salii, de fratres arvales.--De sodales Titii waren, naar
+het heet, door Romulus ingesteld om de gedachtenis aan koning Titus
+Tatius in eere te houden. Voor de vereering van Augustus werd na
+diens dood te Rome een college, van sodales Augustales ingesteld
+(niet te verwarren met de Augustales in de municipiën). Later kreeg
+men ook sodales van andere vergode keizers.
+
+Sodoma, ta Sodoma, Sodom, welvarende stad in het vruchtbare dal Siddim,
+die met Gomorra en nog andere steden door eene vulkanische uitbarsting
+werd verdelgd, terwijl de geheele landstreek verzonk en in een meer
+veranderd werd (lacus Asphaltites, Doode zee).
+
+Sogdiane, Sogdiane, N.O. provincie van het perzische rijk, bergachtig
+doch niet onvruchtbaar. De Sogdii of Sogdiani, Sogdioi, Sogdianoi,
+waren een vrij ruw volk, in verschillende stammen verdeeld. Hoofdstad:
+Maracanda (Samarkand).
+
+Sogdi(an)us, Sogdios, Sogdianos, zoon van Artaxerxes I, besteeg den
+troon na het vermoorden van zijn halfbroeder Xerxes II, doch werd na
+eene korte regeering door zijn broeder Darius vermoord (425).
+
+Sol, latijnsche naam voor Helius.
+
+Solanus of Subsolanus, de Oostenwind, zie Windstreken.
+
+Solarium, 1) zonnewijzer, een werktuig, omstreeks 500 door Anaximander
+of Anaximenes in Griekenland ingevoerd en in 291 door L. Papirius
+Cursor of in 264 door M. Valerius Messala naar Rome overgebracht,
+waar er een op het forum werd geplaatst. In 159 verving P. Scipio
+Nasica den zonnewijzer door een wateruurwerk, dat nu den vreemden
+naam kreeg van solarium ex aqua. In tegenstelling daarvan heet een
+werkelijke zonnewijzer solarium descriptum.--2) terras met borstwering
+of leuning boven op het platte dak van een huis, veeltijds met planten
+versierd, in later tijd ook wel overdekt, doch aan alle zijden open.
+
+Soleae, sandalen, bestaande in eene zool, met een riem dwars over den
+voet, de gewone dracht der Rom. in huis. Ook de hoeven van last- en
+trekdieren werden beschermd door soleae sparteae, kleine mandjes uit
+sparte of biezen gevlochten, die om de pooten sloten en met riempjes
+werden vastgebonden. Was, om het spoedige slijten tegen te gaan, zulk
+eene solea van een metalen zooltje voorzien, dan was zij eene solea
+ferrea, aan hoefijzers schijnt men niet te moeten denken. In tijdperken
+van weelde onder de keizers worden ook wel soleae argenteae, zelfs
+aureae, voor dieren vermeld.--De solea lignea was een voetkluister
+voor misdadigers.
+
+Soli, Soloi, 1) voorname stad, atheensche kolonie op de cilicische
+kust ten Z.W. van Tarsus. Tigranes II van Armenia (96-56) verwoestte
+ze en bracht de inwoners over naar Tigranocerta; Pompeius herbouwde
+ze en bevolkte ze met gevangen zeeroovers, terwijl zij tevens den
+naam kreeg van Pompeiopolis. Dit Soli was de geboorteplaats van den
+stoicijn Chrysippus, en de dichters Aratus en Philemon.--2) havenstad
+op het W. gedeelte der Noordkust van Cyprus.--Van het eerstgenoemde
+Soli wordt het woord soloecismus afgeleid voor spreken met taalfouten.
+
+Solidus, zie Aureus.
+
+Solinus (C. Iulius), uit de 3de eeuw na C., schreef eene
+geografisch-historische schets der oude wereld onder den titel
+Collectanea rerum memorabilium, wat de geographie betreft, bewerkt
+naar Plinius' Nat. Historia. Later heeft dit werkje den naam van
+Polyhistor gekregen.
+
+Solis fons, Heliou krene, bron in de libysche woestijn nabij de oase
+Ammonium. Des middags was het water koud, te middernacht kokend heet.
+
+Solitaurilia = Suovetaurilia.
+
+Solium, stoel met hooge massieve rechtopstaande rugleuning en
+met armleuningen. Hij werd als troonzetel gebruikt door goden en
+koningen. Ook de rom. rechtsgeleerden hadden de gewoonte, wanneer
+zij te huis adviezen gaven, op een solium plaats te nemen. Vandaar
+de uitdrukking a subselliis in otium soliumque se conferre = de rol
+van pleiter laten varen en zich bepalen tot het geven van adviezen.
+
+Solois, Soloeis, 1) ver vooruitspringende met bosch begroeide kaap
+in Mauretania aan den Atlantischen oceaan.--2) = Solus.
+
+Solon, Solon, zoon van Execestides, afstammeling van Codrus, ondernam
+reeds vroeg als koopman verre reizen, waarbij hij meer dan gewone
+kennis en beschaving opdeed. In het openbare leven onderscheidde
+hij zich het eerst door de herovering van Salamis, waartoe hij zijne
+medeburgers aanspoorde, nadat het eiland kort te voren ten gevolge
+van een ongelukkigen oorlog aan Megara was afgestaan, ook in den
+heiligen oorlog tegen Cirrha trad hij op den voorgrond. Zijn grootsten
+roem heeft hij echter verworven door zijne wetgeving, die een einde
+maakte aan de verwarde toestanden te Athene, aan de verdeeldheid
+en partijtwisten, die door Draco's wetgeving en door Cylon's poging
+om de alleenheerschappij te verkrijgen ten top gestegen waren. S.,
+in 594 tot eersten archont verkozen, trad als bemiddelaar tusschen
+de verschillende partijen op en deed door zijne wijze wetten rust
+en tevredenheid terugkeeren. Tot oogenblikkelijke verlichting van
+het verarmde volk diende de seisachtheia en eene amnestie voor hen,
+die volgens de schuldwetten hun burgerrecht verloren hadden; verder
+werd op dit gebied bepaald, dat men niet meer zijne persoonlijke
+vrijheid voor schulden zou kunnen verliezen. Vervolgens verdeelde
+hij de burgerij, waarin nu ook de vrije bewoners van het platteland
+werden opgenomen, in 4 klassen (z. phyle), door welke verdeeling
+de staatkundige rechten der burgers, maar ook hunne verplichtingen
+tegenover den staat, van het vermogen afhankelijk gemaakt werden, en
+de voorrechten van den adel werden opgeheven. Alleen uit de eerste
+klasse werden de archonten en leden van den Areopagus gekozen,
+de vierde was van alle openbare ambten uitgesloten. Door een
+aantal bepalingen werden de bevoegdheden van de volksvergadering,
+de overheden, regeeringslichamen, rechtbanken, enz., nauwkeurig
+vastgesteld (z. o. a. Areopagus, Boule), het geheele staatsleven en
+alle maatschappelijke betrekkingen geregeld. Van groot belang is vooral
+ook zijne regeling van het attische privaatrecht. Omtrent de opstelling
+der wetten z. axones.--Om het volk te dwingen zich aan de nieuwe
+wetten te gewennen, liet hij zweren dat in 10 jaar geen verandering
+er in gebracht zoude worden. Hijzelf begaf zich gedurende dien tijd
+weder op reis. Wel ontbrandde in zijne afwezigheid de partijstrijd
+opnieuw en werden in 589 en 584 zelfs geen archonten verkozen (z. ook
+Damasias), wel zag hij spoedig na zijne terugkomst, in weerwil van zijn
+verzet, de hoogste macht in handen van Pisistratus vallen, maar zijne
+wetten bleven toch voor het grootste gedeelte van kracht en de latere
+democratische staatsinrichting van Athene heeft zich geleidelijk uit de
+door S. in het leven geroepen toestanden ontwikkeld.--Ook als dichter
+toonde S. meer dan gewone talenten, vooral beroemd is zijne elegie,
+waarmede hij de Atheners tot de herovering van Salamis aanspoorde;
+wij bezitten van zijne gedichten, die door de Atheners ook lang na
+zijn dood in hooge eer gehouden werden, nog vrij talrijke fragmenten,
+meest van staatkundigen of wijsgeerigen inhoud. Als een van de 7
+wijzen had hij tot spreuk meden agan.--Hij stierf in 559 op den
+leeftijd van omstreeks 80 jaar.
+
+Solonius ager, streek in Latium, ten Z.O. van Ostia, die zich tot
+het grondgebied van Lanuvium uitstrekte.
+
+Solus, Soluntum, Solous, Soloeis, oude havenstad op de N.-kust van
+Sicilia, carthaagsche volkplanting, ten O. van Panormus (Palermo).
+
+Solygia, Solygeia, vlek in Corinthia op den berg Solygius, ten Z. van
+Cenchreae.
+
+Solyma, ta Solyma, 1) = Climax.--2) = Hierosolyma.
+
+Solymi, Solymoi, oud volk in Lycia. Zie Climax.
+
+Sontiates, Sotiatai, volk in Aquitania ten Z. van den Garumna
+(Garonne), voortreffelijke ruiters en mijnwerkers.
+
+Sontius, thans Isonzo, rivier in Venetia, die bij Aquileia in den
+sinus Tergesticus (golf van Triëst) valt.
+
+Sonus, Sonos, aanzienlijke rivier van India, die op den mons Vindius
+(Vindhya) ontspringt en bij Palibothra in den Ganges valt.
+
+Sopater, Sopatros, 1) van Paphus, kluchtspeldichter ten tijde van
+Alexander d. G.; de weinige fragmenten, die van zijne werken over zijn,
+zijn het eenige, dat wij van deze dichtsoort bezitten, z. Phlyax.--2)
+van Apamea, neoplatonisch wijsgeer, leerling van Iamblichus, werd op
+bevel van Constantijn d. G. ter dood gebracht, omdat hij propaganda
+maakte voor den heidenschen godsdienst.
+
+Sophaenetus, Sophainetos, van Stymphalus, een van de aanvoerders
+der grieksche troepen van den jongen Cyrus, waarschijnlijk dezelfde,
+van wien eene Kyrou Anabasis genoemd wordt.
+
+Sophene, Sophene, landschap in het Z.W. van Armenia, door den Euphraat
+van Cappadocia gescheiden. Hoofdstad: Arsamosata.
+
+Sophistae, sophistai, in het algemeen geleerden; de naam werd
+toegepast op hen die in een of ander vak van wetenschap uitmuntten,
+of er eene bepaalde studie van maakten. Ook wijsgeeren werden oudtijds
+zoo genoemd, Pythagoras zou zichzelf het eerst den naam van philosophos
+gegeven hebben. Ten tijde van en na Pericles traden in vele grieksche
+steden, vooral te Athene, onder den naam van sophisten mannen op als
+leermeesters in alles wat voor het praktische leven, vooral voor den
+staatsman en redenaar noodig is. Zij vonden grooten bijval, ook bij de
+uitstekendste mannen van hun tijd, vormden vele leerlingen en lieten
+zich goed betalen. Daarentegen vonden vele voorstanders van het oude,
+dat men de wetenschap verlaagde, door haar aan praktische doeleinden
+dienstbaar te maken, en welsprekendheid, als eene kunst aangeleerd,
+werd altijd met wantrouwen beschouwd; men meende dat zij zoo tot niets
+konde dienen, dan om met een schijn van wijsheid te pronken en recht en
+waarheid te verdraaien. En inderdaad, hoewel vele oudere sophisten zich
+op wetenschappelijk gebied verdienstelijk gemaakt hebben (Protagoras,
+Gorgias, Hippias, Prodicus), waren hunne navolgers over het algemeen
+niets anders dan rhetoren, wier onderwijs zich grootendeels tot de
+mededeeling bepaalde van allerlei kunstjes, waardoor men, misbruik
+makend van de leer van Protagoras over het betrekkelijk juiste van
+iedere meening, zoowel voor als tegen iedere zaak kon spreken. De
+tegenstand, dien de sophisten van Socrates en diens leerlingen,
+vooral van Plato, ondervonden, is de oorzaak geweest, dat men hen lang
+ten onrechte als aanhangers eener wijsgeerige richting met zekere
+gemeenschappelijke leerstellingen beschouwd heeft, en dat men hun,
+naar aanleiding van de weinige uitdrukkingen van sophisten, die bekend
+zijn, een voor zedelijkheid en godsdienst verderfelijk stelsel heeft
+toegedicht, dat zij in werkelijkheid nooit verkondigd hebben.
+
+Sophocles, Sophokles, 1) Athener, zoon van den rijken Sophillus,
+geb. 496 of 497. Van zijn leven is weinig bekend, onder zijne vrienden
+worden Herodotus en Pericles genoemd. In den samischen oorlog was hij
+te gelijk met dezen strateeg en even te voren had hij het ambt van
+Hellenotamias bekleed. Algemeen bemind en geprezen stierf hij in 406
+of 405, na zijn dood werden hem door de Atheners dezelfde eerbewijzen
+toegekend als aan Aeschylus, en op zijn graf werd jaarlijks van
+staatswege geofferd (z. ook Iophon).--Als treurspeldichter wordt
+hem in ouden en nieuwen tijd eenstemmig de eerste rang toegekend;
+evenals Homerus ho poietes heette, zoo wordt S. dikwijls door de ouden
+eenvoudig ho tragikos genoemd. Reeds bij zijn eerste optreden (468)
+vertoonde zijne wijze van behandeling der stof zoo groote afwijking
+van die van Aeschylus, dat het toekennen van den prijs door de groote
+opgewondenheid der voorstanders van beide richtingen bemoeielijkt werd;
+ten slotte behaalde S. de overwinning. Door een derden tooneelspeler
+toe te voegen aan de twee, waarvoor de stukken van Aeschylus berekend
+waren, is hij in staat de handeling belangwekkender, de dialogen
+meer afwisselend te maken. Zonder in het alledaagsche te vervallen,
+staan de personen in zijne stukken ons nader dan bij Aeschylus; de
+geheele handeling ontwikkelt zich als van zelf en de afloop wordt
+op natuurlijke wijze voorbereid door de voortreffelijk geschilderde
+karakters, die hij soms door welberekende tegenstellingen nog scherper
+doet uitkomen; ook in hun taal, hoewel altijd edel en verheven,
+is alle duisterheid en onduidelijkheid vermeden. Met zijne 115
+(v. a. 123 of 130) stukken behaalde hij 20 of 24 maal den eersten en
+zeer dikwijls den tweeden prijs. Wij bezitten er van nog 7 stukken in
+hun geheel, benevens een groot aantal fragmenten. Het zijn de volgende:
+Antigone (441), Oedipus Tyrannus, Aias, Trachiniae, Electra (± 413),
+Philoctetes (409), Oedipus Coloneus.--2) kleinzoon van den vorigen,
+treurspeldichter.--3) atheensch veldheer, werd in 425 met eene vloot
+naar Sicilië gezonden en ondersteunde de democratische partij in de
+burgertwisten op Corcyra; later werd hij, onder vermoeden dat hij
+zich door de Siciliërs had laten omkoopen, verbannen.
+
+Sophonisbe, Sophonisbe, dochter van den carthaagschen veldheer
+Hasdrubal (z. a. no. 4). Zij koesterde een onverzoenlijken haat tegen
+Rome. Daarom ook eischte Scipio hare uitlevering (zie Masinissa),
+uit vrees dat Masinissa's trouw tegen Sophonisbe's inblazingen op
+den duur niet bestand zou zijn.
+
+Sophron, Sophron, van Syracuse, z. Mimus.
+
+Sophronistai, opzichters over de atheensche epheben, die op het gedrag
+der jongelieden toezicht hielden. Jaarlijks werden door iedere phyle
+drie candidaten, boven de 40 jaar oud, voor dit ambt aangewezen,
+en uit ieder drietal werd een door het volk verkozen. Zij werden van
+staatswege met een drachme per dag bezoldigd.
+
+Sopianae, stad in Pannonia Inferior, ten N. van den Dravus.
+
+Sora, Sora, volscische stad in Latium aan den Liris, met sterke muren
+en een sterken burcht. De Rom. hadden er eene latijnsche kolonie
+heengezonden, doch in 315 hadden de Soraners de kolonisten omgebracht
+en zich bij de Samnieten aangesloten, eene daad, waarvoor zij in 314
+zwaar moesten boeten. In 303 werd Sora andermaal lat. kolonie.
+
+Soracte, genit. -is, berg in het Z.O. van Etruria nabij den Tiber. Op
+den top, die ook wel eens nog in den zomer met sneeuw bedekt was,
+stond een tempel van den god Soranus, tot wiens eer daar op sommige
+tijden feesten werden gevierd, en aan den voet een tempel van Feronia.
+
+Soranus, 1) een sabijnsch god, die op den Soracte vereerd werd en
+gewoonlijk voor denzelfden gehouden werd als Apollo, maar die in
+werkelijkheid tot de goden der onderwereld moet gerekend worden. Bij
+zijn jaarlijksch feest gingen zijne priesters, die tot het geslacht der
+Hirpi Sorani behoorden, met de ingewanden der offerdieren in de hand,
+blootsvoets over brandende hoopen hout. Zij waren van den krijgsdienst
+en andere staatslasten vrijgesteld.--2) Zie Barea Soranus.--3)
+geneesheer en schrijver over geneeskunde onder Traianus en Hadrianus.
+
+Sordice, een meer in Gallia Narbonensis, dicht bij de rivier Ruscino,
+aan den voet der Pyrenaeën, dat met een dikke korst modder of veen
+bedekt was.
+
+Sordidatus, in eene toga sordida gehuld, als beschuldigde, om het
+medelijden der rechters op te wekken.
+
+Sordones, kleine stam in Gallia Narbonensis. Hoofdstad: Ruscino.
+
+Sortes, eene soort orakel door het lot. Eiken plankjes, waarop spreuken
+en teekens waren ingesneden, waren tot een bundel saamgebonden. Door
+een knaap werden zij getrokken en dan het antwoord er uit opgemaakt
+(Sortilegium, kleromanteia). Door droogte krompen zij wel eens, ook
+sleten zij door het gebruik af, en dan gebeurde het wel, dat er een
+plankje van zelf uit den bundel viel (sortes sua sponte attenuatae). De
+meest beroemde dezer orakels waren die van den Fortuna-tempel te
+Praeneste en van Caere.
+
+Sosibius, Sosibios, 1) uit Sparta, geschiedschrijver en chronograaf ten
+tijde van Ptolemaeus Philadelphus.--2) leermeester van Britannicus,
+een werktuig van Messalina, later door toedoen van Agrippina ter
+dood gebracht.
+
+Sosigenes, van Alexandrië, peripatetisch wijsgeer en sterrenkundige,
+schreef o. a. commentaren op eenige werken van Aristoteles en hielp
+Julius Caesar bij het verbeteren van den rom. kalender.
+
+Sosii. 1) C. Sosius, praetor in 49, werd in 37 door Antonius belast
+met den oorlog tegen Antigonus, zoon van den Maccabaeër Aristobulus
+(z. a.), die met de hulp van den parthischen kroonprins Pacorus het
+bestuur over Judaea vermeesterd had. Sosius versloeg Antigonus en
+bracht hem ter dood, zoodat Herodes I (z. a.) bezit van den troon
+kon nemen. In den burgeroorlog was hij op de zijde van Antonius,
+doch verzoende zich na den slag bij Actium met Octavianus.--2)
+Q. Sosius Senecio, consul onder Traianus, was een begunstiger van
+Plutarchus, die verscheidene levensbeschrijvingen aan hem opdroeg.--3)
+Q. Sosius Falco, na den dood van Commodus mededinger van Pertinax
+naar de keizerskroon; zoo P. hem niet het leven had gered, zou hij
+zijn pogen met den dood bekocht hebben.--4) de gebroeders Sosii,
+bij wie Horatius zijne geschriften uitgaf.
+
+Sosilus, Sosilos, Lacedaemoniër, leermeester en vriend van Hannibal,
+wiens daden hij beschreef. Polybius spreekt over zijn werk een
+ongunstig oordeel uit.
+
+Sosipater, Sosipatros, dichter der nieuwe attische comedie. Van een
+van zijne stukken is een vrij groot fragment bewaard gebleven.
+
+Sosiphanes, Sosiphanes, van Syracuse, treurspeldichter ten tijde van
+Philippus en Alexander. Hij schreef 73 stukken, behaalde 7 maal den
+eersten prijs, en werd in de alexandrijnsche pleias opgenomen.
+
+Sosistratus, Sosistratos, 1) Syracusaan, hoofd der oligarchische partij
+na den dood van Timoleon, werd door Agathocles verbannen en ging naar
+Agrigentum.--2) tyran van Agrigentum die, door Syracuse aan te vallen,
+den Carthagers aanleiding gaf zich in de grieksche aangelegenheden
+te mengen. Toen tegen hem de hulp van Pyrrhus ingeroepen werd, moest
+S. vluchten (278).
+
+Sositheus, Sositheos, van Alexandrië in Troas, trad te Athene
+en Alexandrië in Aegypte als treurspeldichter op en werd in de
+alexandrijnsche pleias opgenomen. Zijn bloeitijd was omstreeks 280.
+
+Sospita, redster, bijnaam van Juno, waaronder zij vooral te Lanuvium
+vereerd werd en te Rome een tempel had.
+
+Sosthenes, Sosthenes, een Macedoniër van geringe afkomst, die
+koning Antigonus Gonatas dwong de regeering neder te leggen, zich
+aan het hoofd van het leger stelde en de Galliërs uit het land joeg
+(280). In het volgende jaar sneuvelde hij echter bij een nieuwen
+inval der Galliërs.
+
+Sostratus, Sostratos, 1) een zeeroover die zich ten koste van de
+Atheners van het eiland Halonesus meester maakte, van waar hij door
+Philippus van Macedonië verdreven werd.--2) Macedoniër, ter dood
+gebracht als medeplichtige aan de samenzwering van Hermolaus.--3)
+van Cnidus, beroemd bouwmeester, die o. a. den vuurtoren op Pharus
+bouwde.--4) beroemd geneesheer te Alexandria uit de 2de helft der
+eerste eeuw, vooral beroemd als chirurg. Er zijn nog fragmenten van
+zijn werken over.
+
+Sosus, Sosos, van Pergamus, uitvinder van de ingelegde
+mozaiek-vloeren. Een nabootsing van zijn duiven op den rand van een
+schaal vindt men in het capitolijnsch Museum te Rome. Ze stamt uit
+de villa Hadriani.
+
+Sotades, Sotades, van Maronea, schrijver van onzedelijke gedichten van
+mythologischen inhoud (versus Sotadei). Hij leefde onder Ptolemaeus
+Philadelphus, en naar men verhaalde werd hij in zee geworpen, omdat
+hij het huwelijk van den koning met diens zuster Arsinoë bespot had.
+
+Soter, Soteira, 1) bijnaam van verscheiden goden en godinnen,
+waarbij men hen aanriep, als men om redding uit nood of gevaar
+bad. Vooral wordt die naam aan Zeus gegeven, maar ook aan Poseidon,
+Apollo, Dionysus, Hera, Artemis e. a.--2) bijnaam van Ptolemaeus I
+en Demetrius III.
+
+Soteria, Soteria, feest ter eere van Apollo, jaarlijks te Delphi
+gevierd, ter herinnering aan den inval der Galliërs in 279, die door
+de hulp van Apollo afgeweerd was.
+
+Sotion, Sotion, 1) van Alexandrië, wijsgeer uit de school der Sextii,
+leermeester van Seneca, en schrijver van een werk van gemengden
+inhoud, Keras Amaltheias.--2) van Alexandrië, peripatetisch wijsgeer
+en letterkundige in de 2de eeuw.
+
+Sottiates = Sontiates.
+
+Spalatum, thans Spalatro, vlek nabij Salona in Dalmatia, met eene
+prachtige villa van Diocletianus, waar deze keizer zijne laatste
+levensjaren sleet.
+
+Sparta, Sparte, of Lacedaemon, Lakedaimon, de hoofdstad van Laconica,
+bij Homerus he koile Lakedaimon geheeten, omdat het in een kom van
+bergen gelegen was. Het was op onderscheidene heuvels gebouwd aan
+den rechteroever van den Eurotas. Tot 206 was de stad niet ommuurd,
+doch niettemin sterk door hare ligging. Aan een der hoogste heuvels,
+waarop de tempel van Athena Chalcioecus stond, werd de naam Acropolis
+gegeven. In dezen tempel stierf Pausanias den hongerdood. Aan den voet
+der Acropolis lag de agora met de perzische gaanderij (stoa persike),
+die uit den perzischen buit was gebouwd en waarvan het dak door beelden
+van Perzen op de wijze van caryatiden werd gedragen. Aan den Eurotas
+lag de Platanistas, eene door platanen belommerde oefenplaats der
+spartaansche jongelingschap. Tijdens den trojaanschen oorlog regeerde
+te Sparta Menelaus; het bekleedde toen geene voorname plaats onder
+de steden van de Peloponnesus en stond verre achter bij Argos. Na
+de dorische volksverhuizing kwam Sparta aan de beide zoons van den
+Heraclide Aristodemus, de tweelingbroeders Eurysthenes en Procles. De
+zoon van Eurysthenes was Agis, naar wien het ééne koninklijke stamhuis
+genoemd wordt. De dorische stam was krijgshaftig en door de wetten
+van Lycurgus werd Sparta de militaire staat bij uitnemendheid van
+Griekenland. Dit ondervond Messenia (z. a.), en ook Athene dolf,
+grootendeels door eigen schuld, in den peloponnesischen oorlog het
+onderspit (404). Sedert dien tijd liet Sparta, niet altijd door
+eerlijke middelen, zich in Griekenland overwegend gelden, tot het
+door Epaminondas gefnuikt werd (371). Van nu af begon het tijdperk
+van verval, terwijl de toenemende oligarchie de macht in handen van
+enkele familiën bracht. Vruchteloos trachtte het zich tegen Macedonia
+aan te kanten. De pogingen van Agis III (z. a.), om eene hervorming
+tot stand te brengen, mislukten; beter slaagde Cleomenes III (z. a.),
+doch Aratus van Sicyon vreesde de macht van een herboren Sparta en
+de slag bij Sellasia (221) maakte een einde aan de regeering van
+Cleomenes. Met hem nam het huis der Heracliden een einde. Van nu
+af was Sparta overgeleverd aan de tyrannie; berucht zijn Machanidas
+(210-207) en Nabis (207-192). In 192 dwong Philopoemen, de strateeg
+van het achaeïsch verbond, Sparta tot dit verbond toe te treden,
+en in 189 werd het wegens poging tot afval streng gestraft en werd
+het overblijfsel der lycurgische wetgeving afgeschaft. De onderdrukte
+wrok der Spartanen verschafte den Rom. eene welkome gelegenheid om in
+Griekenland op bedekte wijze het twistvuur aan te blazen, totdat het
+land in 146 rom. provincie werd. Sparta bleef eene civitas libera.--Zie
+ook Laconica.
+
+Spartacus, Spartakos, een Thraciër, achtereenvolgens herder, soldaat,
+roover, gevangene, zwaardvechter. Met omstreeks 70 metgezellen
+ontsnapte hij in 73 uit eene zwaardvechterskazerne te Capua. Reeds
+terstond behaalden zij eenig voordeel op de militie van Capua en
+bereikten den Vesuvius, doch zagen zich daar weldra ingesloten
+door 3000 man onder den propraetor C. Claudius Glaber, die den
+eenigen destijds bestaanden uitweg bezette. De zwaardvechters echter
+vlochten ladders van op den berg groeiende wilde wijngaardranken,
+kwamen daarlangs aan den steilen kant van den berg naar beneden,
+en vielen Claudius zoo onverhoeds op het lijf, dat zijn legioen de
+vlucht nam. Van alle zijden stroomden nu weggeloopen slaven toe; ook
+de praetor P. Varinius en zijne legaten Furius en Cossinius werden
+totaal verslagen. De slaven hadden zich nevens Spartacus nog twee
+aanvoerders gekozen, Crixus en Oenomaüs. De laatste schijnt reeds
+vroeg gesneuveld te zijn, tusschen de beide overige ontstond een
+ernstig verschil van gevoelen. Spartacus wilde zoo spoedig mogelijk
+met de zijnen, meest Thraciërs en Galliërs, Italië verlaten om
+naar hun vaderland terug te keeren; Crixus daarentegen had zich
+met 30000 man van hem afgescheiden om te moorden en te plunderen,
+daar zij niet wilden heengaan zonder den buit van Italië mede te
+nemen. Crixus sneuvelde in 72 met twee derden van zijn leger tegen
+den Consul L. Gellius Poplicola en den propraetor Q. Arrius, doch
+Spartacus versloeg eerst den anderen consul Cn. Cornelius Lentulus,
+daarna Gellius en toen den proconsul van Cisalpina, C. Cassius. Na
+deze overwinning liet Spartacus bij een lijkfeest voor Crixus 300
+rom. krijgsgevangenen als gladiatoren vechten. Hij had toen nog
+120000 man bij zich, waarmede hij reeds tot aan den Padus (Po) was
+gekomen; thans echter weigerden zij zijne plannen verder te volgen,
+hij moest weder zuidwaarts trekken, doch kreeg nu te doen met den
+praetor M. Licinius Crassus, die er in zes maanden tijds in slaagde, de
+slaven in Lucania te verslaan, waarbij Spartacus met 60000 der zijnen
+volgens Livius of 12500 volgens Plutarchus sneuvelde (71). Zijn lijk
+werd niet gevonden. Zesduizend gevangenen werden langs den weg van
+Rome naar Capua gekruisigd, vijfduizend anderen, die met versnelde
+marschen de Alpen zochten te bereiken, liepen juist Pompeius in den
+mond op diens terugkeer uit Hispania.
+
+Spartarius Campus = Campus Spartarius.
+
+Sparti, Spartoi, z. Cadmus.
+
+Spartianus (Aelius), een der scriptores historiae Augustae, schrijver
+der levens van eenige keizers nam. van Hadrianus, Marcus Aurelius,
+Verus, Septimius Severus, Pescennius Niger en Macrinus. Ze zijn
+later overgewerkt.
+
+Spartocus, Spartokos, naam van een vijftal koningen der tweede dynastie
+van het bosporaansche rijk, van 438-284.
+
+Spartolus, Spartolos, stad op Chalcidice, ten W. van Olynthus.
+
+Spasinu (Pasinu) Charax, zie Charax.
+
+Spectabilis, titel der tweede klasse van ambtenaren onder Constantijn
+den Gr.
+
+Spectio, z. auguria.
+
+Speculatores, 1) spionnen in den oorlog.--2) lichte troepen, die op
+verkenning worden uitgezonden = exploratores.--3) ordonnansen.--4)
+bereden lijfwachten.
+
+Spercheus, Spercheios, aanzienlijke rivier ten Z. van Thessalia,
+in het gebied der Dolopers en Aenianen, die zich in de Malische
+golf stort. Als riviergod is hij een der zoons van Oceanus en Gaea,
+en bij Polydora, dochter van Peleus, de vader van Menesthius.
+
+Sperthias, Sperthias, z. Bulis.
+
+Spes, personificatie van de hoop. Zij had te Rome verscheiden tempels,
+de oudste hiervan was tijdens den eersten punischen oorlog aan het
+forum olitorium gebouwd, waar men haar den 1sten Augustus offers
+bracht. Zij wordt afgebeeld als een schoone, jonge vrouw, die met de
+linkerhand haar lang gewaad een weinig opheft, en in de rechterhand
+een ontluikende bloem draagt.
+
+Speusinioi, z. toxotai.
+
+Speusippus, Speusippos, zoon eener zuster van Plato, werd door zijn
+oom met veel liefde en zorg opgevoed; naar het schijnt vergezelde hij
+hem op een zijner reizen naar Sicilië, waar hij kennis maakte met de
+leer van Pythagoras, waaruit hij het een en ander overnam. Na Plato's
+dood stond Sp. aan het hoofd der academie, maar wegens lichaamszwakte
+kon hij slechts tot 339 als leeraar werkzaam zijn, en in 334 maakte hij
+door een vrijwilligen dood een einde aan zijn lijden. Hij was ongeveer
+60 jaar oud geworden. Van zijn talrijke werken, die Aristoteles voor
+3 talenten kocht, is niets bewaard gebleven.
+
+Sphacteria, Sphakteria, eilandje op de messenische kust, thans Sfagia,
+bekend in den peloponnesischen oorlog (zie Pylus no. 3 en Cleon).
+
+Sphaeria, Sphairia, eilandje op de kust van Argolis, nabij Troezen
+en Calauria.
+
+Sphaeristerium, sphairisterion, zaal voor het bij de ouden zoo
+geliefkoosde bal- of kaatsspel, zooals men in de grieksche gymnasiën,
+de rom. badhuizen en ook in de huizen en op de buitenplaatsen der
+rijke Rom. vond.
+
+Sphagia, Sphagia = Sphacteria.
+
+Sphendale, Sphendale, vlek in het N.O. van Attica, tusschen den berg
+Parnes en de kust.
+
+Sphendonetai, funditores, slingeraars, lichtgewapenden, die met een
+slinger van leder, soms van biezen, in de oudste tijden van wol,
+looden kogels of groote steenen naar de vijanden wierpen. Onder de
+Grieken muntten de Rhodiërs uit door behendigheid en zekerheid in
+het behandelen van dit wapen, in de rom. legers dienden daarvoor
+vooral Balearen.
+
+Sphettus, Sphettos, vlek in het Zuiden van Attica, aan den weg van
+Athene naar Sunium.
+
+Sphinx, Sphinx, dochter van Typhon en Echidna of van Orthrus en
+Chimaera, een monster met het hoofd en de borst eener vrouw en verder
+de gedaante van een leeuw met vleugels. Zij zat op een rots nabij
+Thebe en gaf den voorbijgangers een raadsel op, wie het niet kon
+oplossen, werd gedood. Het raadsel luidde: Welk wezen heeft nu eens
+vier, dan weer twee, dan weer drie voeten, en gaat langzamer naarmate
+het meer voeten heeft? Oedipus vond de oplossing (mensch), waarop de
+Sph. zich van de rots in de diepte stortte.--De aegyptische sphinxen
+hebben eveneens de gedaante van een leeuw, maar zijn ongevleugeld en
+hebben het hoofd van een man.
+
+Sphodrias, Sphodrias, spartaansch veldheer, die in 378 harmost van
+Thespiae was en een aanval op den Piraeus deed. Toen deze aanval
+mislukt was, werd wel beweerd, dat Sph. zich door de Thebanen daartoe
+had laten omkoopen, om de Atheners in een oorlog met Sparta te
+wikkelen, doch toen hij daarvoor te Sparta werd aangeklaagd, wist
+Agesilaus zijn vrijspraak te bewerken. Hij sneuvelde in den slag
+bij Leuctra.
+
+Spina, Spina, 1) stad aan den zuidelijken mond van den Padus
+(Po), welke monding naar de stad ostium Spineticum heet. De stad
+is waarschijnlijk oorspronkelijk umbrisch, maar reeds vroeg door
+Etruriërs bezet; ze is evenals Adria uitvoerhaven voor barnsteen.--2)
+stad in Gallia Transpadana aan den Addua (Adda).
+
+Spina, zie circus.
+
+Spino, beek bij Rome, niet nader bekend.
+
+Spinther, bijnaam van eenige Lentuli in de gens Cornelia, z. Cornelii
+no. 50.
+
+Spitamenes, Spitamenes, generaal van Darius Codomannus, medeplichtige
+van Bessus. Ook nadat hij dezen uitgeleverd had, zette Sp. den oorlog
+tegen Alexander voort, zelfs wist hij scythische volksstammen tot een
+bondgenootschap te bewegen; toen echter zijne zaak hopeloos stond,
+werd hij door de Scythen gedood en zijn hoofd aan Alexander gezonden.
+
+Spithradates, Spithrid., Spithridates, satraap van Ionië en Lydië
+onder Darius Codomannus, werd in den slag bij den Granicus, terwijl
+hij op Alexander zelf een aanval deed, door Clitus gedood.
+
+Spolatum = Spalatum.
+
+Spoletum, -tium, Spoletion, thans Spoleto, umbrische stad aan de via
+Flaminia, in 241 lat. kolonie. In den burgeroorlog had het veel van
+Sulla te lijden en in later tijd van de Gothen.
+
+Spolia opima. Onder spolia verstaat men de wapenrusting, die de
+overwinnaar den verslagen vijand ontneemt. Deze spolia worden
+opima genoemd, wanneer de eene veldheer den anderen in den strijd
+eigenhandig doodt. Zoo behaalde Romulus de spolia opima in den strijd
+tegen de latijnsche Caeninensers, evenzoo de consul A. Cornelius
+(Cornelii no. 3) in 428 op den vejentischen koning Tolumnius, en in
+222 de consul M. Claudius Marcellus (Claudii no. 30) op den gallischen
+aanvoerder Virdumarus in den slag bij Clastidium.
+
+Spondophoroi, zie Olympia (ta Ol.).
+
+Sporades, Sporades, de eilanden, die in de Aegaeische zee tusschen
+Creta, Rhodus, de kust van Asia en de Cycladen verspreid liggen.
+
+Sportula, een mandje met eetwaren, zooals de clientes (z. a.) ontvingen
+bij de salutatio matutina. Later werd het een geschenk in geld, en
+kreeg sportulae de beteekenis van emolumenten, zooals presentiegelden
+en dgl.
+
+Spurinae, etruscisch geslacht. 1) Spurina (Spurinna), een haruspex,
+zou Caesar in den ochtend van den moord gewaarschuwd hebben, dat hem
+een onheil dreigde.--2) Vestricius Spurina, streed in 69 n. C. voor
+Otho tegen Vitellius, overwon later als legatus Germaniae Inferioris
+de Bructeri; hij maakte ook latijnsche en grieksche gedichten. De
+gedichten, die op zijn naam staan, zijn onecht.
+
+Staberii. 1) L. Staberius, aanhanger van Pompeius had het bevel te
+Apollonia op de epirotische kust, doch ontruimde het bij Caesar's
+nadering in 48.--2) Staberius Eros, latijnsch taalkundige, schrijver
+van een werk de proportione, leermeester van Brutus en Cassius.--3)
+Staberius, een rijkaard bij Horatius, overigens geheel onbekend.
+
+Stabiae, oude stad aan de campaansche kust, ten Z. van Pompeii, door
+Sulla in den marsischen oorlog in 90 verwoest. Het herleefde later
+als villa-dorp, maar hoorde toen tot het grondgebied van Nuceria. In
+79 n. C. werd het bij de uitbarsting van den Vesuvius onder de asch
+bedolven. Later komt het weer voor als badplaats, tgw. Castellamare
+di Stabia.
+
+Stadium, stadion, de renbaan in een gymnasium, ook de enkele wedloop,
+waarbij men eenmaal de baan afliep. Als afstandsmaat is het st. 600
+gr. voet, ongeveer 182 m.; naam en lengte heeft deze maat van de
+renbaan te Olympia.
+
+Stagirus, Stageiros, ook Stagira, ta Stageira, kolonie van Andrus,
+in het N.O. van Chalcidice, geboorteplaats van Aristoteles, op
+wiens verzoek Philippus van Macedonia de door hem verwoeste stad
+liet herbouwen.
+
+Staienus, naam in de gens Aelia, zonder historisch belang. In Cicero's
+oratio pro Cluentio komt zekere C. Aelius Paetus Staienus voor,
+die een schurkachtig voogd en een omkoopbaar rechter was, en de som,
+waarmede hij ook andere rechters zou omkoopen, in zijn eigen zak stak.
+
+Staius Murcus (L.), veldheer van Caesar, belegerde met Q. Marcius
+Crispus (Marcii no. 11), Q. Caecilius Bassus (Caecilii no. 28) te
+Apamea ad Orontem, maar sloot zich in Maart 43 bij Cassius aan, en
+werd als vlootvoogd naar de Adriatische zee gezonden, waar hij den
+overtocht van Antonius en Octavianus niet wist tegen te gaan. Na
+den dood van Brutus en Cassius sloot hij zich met zijn vloot bij
+Sex. Pompeius aan, die hem echter spoedig liet ombrengen. V.a. was
+zijn naam Statius Murcus.
+
+Staphylus, Staphylos, zoon van Dionysus of Theseus en Ariadne of van
+Dionysus en Erigone, een van de Argonauten.
+
+Stasanor, Stasanor, van Cyprus, onder Alexander satraap van Ariane
+en Drangiane, na Alexanders dood van Bactria en Sogdiane, waar hij
+zich in weerwil van de aanvallen van Antigonus staande hield.
+
+Staseas, van Neapolis, peripatetisch wijsgeer, met Cicero bevriend.
+
+Stasicrates, Stasikrates, z. Dinochares.
+
+Stasinus, Stasinos, van Cyprus, waarschijnlijk uit de 8ste eeuw, een
+van de cyclici, wien door sommigen een episch gedicht (Kypria epe)
+werd toegeschreven, dat de gebeurtenissen van de bruiloft van Peleus
+tot aan het begin der Ilias behandelde.
+
+Stata Mater, eene godin, die te Rome aangeroepen werd tot afwering
+van branden. Zij was in beteekenis verwant met Vulcanus en Vesta; haar
+beeld stond op het forum, waar 's nachts te harer eer een vuur brandde.
+
+Stater, stater, oorspronkelijk lydische gouden munt ter waarde van
+ongeveer 22 attische drachmen. Zij was niet slechts in Griekenland
+algemeen gangbaar, maar werd ook door vele grieksche staten geslagen
+en uitgegeven.
+
+Statielli, -ellates, -ellenses, kleine ligurische volksstam, tusschen
+den Padus (Po) en de Apennijnen, met de badplaats aquae Statiellae.
+
+Statii. 1) Statius Albius Oppianicus, rom. ridder, die zijn zwager
+en twee van zijn eigen zoons om het leven bracht, en zijn stiefzoon
+A. Cluentius Habitus trachtte te vermoorden, om zich diens fortuin toe
+te eigenen. Door Cluentius aangeklaagd, poogde hij zijn rechters om te
+koopen (zie Staienus), doch moest zich door vrijwillige ballingschap
+aan het vonnis onttrekken (74).--2) Statius Albius Oppianicus, zoon van
+no. 1, beschuldigde Cluentius (z. a.), dat deze den ouden Oppianicus
+had pogen te vergeven.--3) Statius Sebosus, rom. zeevaarder, ontdekker
+der Canarische eilanden, en schrijver over aardrijkskunde, leefde
+in de eerste helft van de eerste eeuw n. C.--4) L. Statius Murcus,
+z. Staius Murcus.--5) M. Statius Priscus, rom. veldheer, veroverde ±
+163 na C. de armenische hoofdstad Artaxata.--6) Statius, vrijgelatene
+van Q. Cicero, die veel invloed op hem had.--7) P. Papinius Statius
+(± 45-96 na C.), te Neapolis geboren, doch te Rome opgevoed, beroemd
+improvisator, dichter van twee epische gedichten, Thebais, in 12
+boeken, en Achilleis (onvoltooid), alsmede van 5 boeken mengelpoëzie
+onder den naam Silvae.--8) Statius Caecilius, zie Caecilii no. 31.--9)
+Statius Gellius, zie Gellii no. 1.
+
+Statilii. 1) Statilius, een dapper marsisch krijgsman, die aan Rome
+trouw bleef, toen zijne landslieden tot Hannibal overgingen.--2)
+L. Statilius, een van de saamgezworenen van Catilina, die Rome in
+brand zou steken.--3) Statilius, aanhanger van Cato van Utica,
+die zich bij Cato's dood ook van het leven wilde berooven, doch
+door zijne vrienden hierin verhinderd werd en later bij Philippi
+in de handen zijner vijanden viel en gedood werd.--4) T. Statilius
+Taurus, legaat van Octavianus, streed in 36 tegen Sex. Pompeius op
+Sicilia, veroverde na de afzetting van Lepidus Sicilia en Africa,
+streed in 34/33 in Dalmatia tegen de Dalmaten, stond aan het hoofd der
+landingstroepen bij Actium (31), onderwierp later (29) de Cantabriërs,
+Asturiërs en Vaccaeërs in Hispania, was in 26 consul, en werd in 25
+door Augustus tot praefectus urbi benoemd. Uit eigen fondsen bouwde
+hij in 30 te Rome het eerste steenen amphitheater. Hij was een groot
+vriend van Augustus.--4a) T. Statilius Sisenna Taurus, consul in
+16 n. C.--5) T. Statilius Taurus, consul 44 n. C., een rijk man,
+wiens moeder eene Valeria Messalina (Corvina) was, werd om zijne
+schatten aangeklaagd van knevelarij en tooverij (Z. Tarquitii), op
+aanstoken van Agrippina, de gemalin van keizer Claudius. Hij benam
+zichzelf het leven (53).--6) Statilia Messalina, dochter van no. 5,
+huwde in 65 n. C. met Vestinus. Over dit huwelijk was keizer Nero
+woedend en hij liet hem in zijn huis vermoorden (zie Vestini no. 2),
+waarna hij Statilia tot vrouw nam. Later verloofde zij zich met Otho,
+wiens dood hem belette haar tot keizerin te verheffen.
+
+Statira, Stateira, 1) gemalin van Artaxerxes Mnemon, door hare
+schoonmoeder Parysatis vergiftigd.--2) gemalin van Darius Codomannus,
+werd na den slag bij Issus door Alexander gevangen genomen en stierf
+kort daarna.--3) z. Barsine no. 1.
+
+Statonia, oude stad in Etruria ten N. van Volci, aan het riviertje
+Albinia en den lacus Statoniensis, ten W. van den lacus Volsiniensis.
+
+Stator, bijnaam van Jupiter, oorspronkelijk beteekenend: hij, die
+de vluchtende legers tot staan brengt; later gaven de Rom. er de
+beteekenis aan van instandhouder, bevestiger.
+
+Statorii. Q. Statorius, in 213 centurio onder de Scipio's in Hispania,
+ging naar koning Syphax, om diens leger in den wapenhandel te oefenen.
+
+Stellas (Stellatis) campus, vruchtbare streek in het N. van Campania
+nabij den ager Falernus. Oorspronkelijk maakte deze streek een
+onderdeel uit van den ager Campanus (het land van Capua), maar in 211
+werd ze ervan afgescheiden. In 59 bij de lex Iulia agraria werd ook de
+ager Stellas evenals de overige ager Campanus met kolonisten bevolkt.
+
+Stemmata, soort van loofwerk, waarmede de imagines maiorum tot een
+stamboom vereenigd werden.
+
+Stentor, Stentor, een van de Grieken voor Troje, beroemd door zijn
+sterke stem. Hij kon zoo hard schreeuwen als 50 andere mannen.
+
+Stenyclerus, Stenykleros, oude stad in Messenia, eenmaal de residentie
+der messenische koningen uit de Doriërs.
+
+Stephanus, Stephanos, beeldhouwer te Rome, uit de 2de helft der
+eerste eeuw.
+
+Steropes, Steropes, een van de Cyclopen.
+
+Stertinii. 1) L. Stertinius, als proconsul in 199 naar Hispania
+gezonden, bracht in 196 een buit van 50000 pond zilver naar Rome.--2)
+Stertinius, een stoicijnsch wijsgeer, bij Horatius in gesprek met
+Damasippus.--3) Q. Stertinius, een bekwaam arts onder de eerste
+keizers, evenals zijn broeder.--4) L. Stertinius, legatus van
+Germanicus, versloeg in 15 en 16 na C. de Bructeren en Angrivariërs
+en onderwierp Segimerus no. 2.--5) L. Stertinius Avitus, dichter
+tijdens Domitianus, een vriend van Martialis.
+
+Stesagoras, Stesagoras, volgde zijn oom Miltiades no. 1 op en werd na
+eene korte regeering gedood. Hij was een oudere broeder van Miltiades
+no. 2.
+
+Stesichorus, Stesichoros, van Himera, een van de beroemdste grieksche
+lierdichters, 640-555. In een van zijne gedichten noemde hij Helena de
+oorzaak van al de rampen, die uit den trojaanschen oorlog voortgekomen
+waren; tot straf daarvoor werd hij blind en hij kreeg het gezicht
+niet terug, voordat hij in eene palinodie (z. a.) verklaard had,
+dat slechts eene schijngestalte Paris naar Troje vergezeld had. Om
+politieke redenen moest hij uit Himera vluchten; zijn graf was te
+Catana nabij de naar hem genoemde poort.--Van zijne door de ouden
+hooggeprezen werken, waarvan slechts fragmenten bewaard zijn, hebben
+de meeste, wat hun inhoud betreft, veel overeenkomst met het epos;
+hij tracht echter in de oude mythen en sagen een zedelijke beteekenis
+te vinden en de rechtvaardigheid van het goddelijk wereldbestuur aan
+te toonen.
+
+Stesicles, Stesikles, aanvoerder van een troep lichtgewapenden, door
+de Atheners aan Corcyra te hulp gezonden, toen dit door Mnasippus
+belegerd werd (373).
+
+Stesimbrotus, Stesimbrotos, van Thasus, leefde ten tijde van Cimon en
+Pericles te Athene als sophist en hield zich vooral met de verklaring
+van de gedichten van Homerus bezig. Zijne levensbeschrijvingen van
+Themistocles, Pericles e. a. schijnen weinig geloofwaardig geweest
+te zijn.
+
+Stheneboea, Stheneboia, zie Antea. Naar haar wordt Bellerophon
+Stheneboius heros genoemd.
+
+Sthenelus, Sthenelos, 1) zoon van Perseus en Andromeda, koning van
+Mycenae, vader van Eurystheus.--2) zoon van Capaneus en Euadne,
+een der epigonen (z. Adrastus), vriend en krijgsmakker van Diomedes
+voor Troje.--3) zoon van Androgeos, volgde Heracles op diens tocht
+tegen de Amazonen; later regeerde hij met zijn broeder Alcaeus over
+Thasus.--4) vader van Cycnus, naar hem wordt de zwaan Stheneleis
+volucris genoemd.--5) treurspeldichter te Athene, door Aristophanes
+e. a. om zijne weinig verheven gedichten bespot.
+
+Sthen(n)is, Sthen(n)is, van Olynthus, beroemd beeldgieter ten tijde
+van Alexander d. G.
+
+Stheno, Sthe(i)no, eene van de Gorgonen.
+
+Stibadium = Sigma.
+
+Stigma, het brandmerk, dat op het voorhoofd werd ingebrand, b.v. K
+voor calumniatores volgens eene zekere lex Remmia, F voor weggeloopen
+slaven, fugitivi, of voor dieven, fures. Het schijnt, dat men zich
+niet altijd met ééne letter vergenoegde. Ook werd het merk niet altijd
+ingebrand, maar ook wel met een scherp gepunt werktuig ingegrift,
+zóó dat het litteeken bleef. Op deze wijze werden onder de latere
+keizers ook recruten en dwangarbeiders op den arm gemerkt.
+
+Stigmatias, stigmatias, een gemerkte slaaf; zie stigma.
+
+Stilicho, Stelichon, een Vandaal in rom. krijgsdienst, die het
+onder Theodosius den Gr. zoover bracht, dat hij met 's keizers
+nicht en aangenomen dochter Serena huwde. In 395 n. C. vertrouwde
+Theodosius hem de voogdij over den jeugdigen Honorius toe (z. a.), die
+achtereenvolgens Stilicho's beide dochters tot vrouw kreeg. Stilicho
+verdedigde het westersche rijk met krachtige hand tegen de Germanen en
+tegen den Gothenvorst Alarik, totdat hij ten gevolge van hofkabalen
+in 408 op last van zijn keizerlijken schoonzoon in diens paleis
+werd omgebracht.
+
+Stilo Praeconinus (L. Aelius), z. Aelii no. 7.
+
+Stilpo, Stilpon, van Megara, scherpzinnig wijsgeer uit de megarische
+school in de tweede helft der 4de eeuw, leermeester van Zeno. Hij
+bestreed de ideënleer van Plato.
+
+Stilus, de metalen schrijfstift, waarmede men op de wastafeltjes,
+tabulae ceratae, schreef. Het boveneinde was plat, om het geschrevene,
+zoo het niet beviel, te kunnen uitwrijven. Vandaar de dichterlijke
+uitdrukking stilum vertere.
+
+Stimula, oud-italische godin, die vooral bij vrouwen hevige
+hartstochten opwekt, later geïdentificeerd met Semele. Zij had een
+gewijd bosch buiten Rome aan den Tiber, waar de later door den senaat
+verboden Bacchanalia gevierd werden.
+
+Stipendium, 1) de soldij, misthos, die te Rome tijdens het beleg van
+Veii werd ingevoerd, en niet in termijnen werd uitbetaald, maar eens
+in het jaar, op het einde van den veldtocht of van het dienstjaar,
+na aftrek van hetgeen de staat voor wapening en onderhoud had
+uitgegeven. Later werd de soldij naar dagen berekend, en bedroeg
+in den tijd van Polybius 5 lichte asses, sedert Caesar 10 asses =
+ruim f0.26. De praetoriani kregen van Augustus eerst 20 asses, later
+2 denarii = f0.84. De socii (z. a.) ontvingen geen stipendium, doch
+werden kosteloos van het noodige voorzien.--2) de directe belastingen
+(wel te onderscheiden van vectigalia) in de provinciën, waar de
+belastingplichtigen stipendiarii werden genoemd. Twee provincies,
+Sicilia en Asia (van de lex Sempronia tot Caesar) betaalden tributum
+soli (z. a.) in plaats van stipendium.
+
+Stiris, Steiris, stad in het Z. van Phocis.
+
+Stoa, zuilengang, 1) st. basilike of basileios of he tou basileos,
+het ambtslokaal van den archon basileus (z. archontes) te Athene. Aan
+dit gebouw ontleenen de basilicae (z. a.) hun naam en hun vorm.--2)
+st. poikile, z. het artikel Athenae p. 103, en Zeno no. 3.
+
+Stobaeus (Johannes), Ioannes Stobaios, van Stobi, leefde waarschijnlijk
+omstreeks 450 n. C. Eene door hem ten behoeve van zijn zoon aangelegde
+verzameling van uittreksels uit meer dan 500 grieksche dichters
+en prozaschrijvers is voor het grootste gedeelte bewaard gebleven,
+en is van groot belang voor de kennis van oudere schrijvers, wier
+werken overigens verloren gegaan zijn.
+
+Stobi, Stoboi, hoofdstad van het macedonische gewest Paeonia, ongeveer
+aan de samenvloeiing van den Erigon met den Axius, in de vierde eeuw
+na C. door de Gothen verwoest.
+
+Stoechades insulae, Stoichades nesoi, groep van vijf eilandjes op de
+kust van Gallia Narbonensis, tot het gebied van Massilia behoorende,
+thans Iles d' Hyères.
+
+Stoeni, ligurisch volk, tot de Euganei behoorend, in 118 door
+Q. Marcius Rex onderworpen. Waarschijnlijk woonden ze ten N. van
+Verona.
+
+Stoici, Stoikoi, hoi ek tes stoas, stoicijnen, wijsgeeren uit de
+school van Zeno (z. a. no. 3).
+
+Stola, het bovenkleed eener rom. dame, dat rondom tot op de voeten
+hing en waaraan nog een rand, instita, kon gehaakt worden, die van
+achteren een sleep vormde. De stola had korte mouwen. Aan meretrices
+en adulterii damnatae was het dragen der stola ontzegd; deze waren
+verplicht zich in het openbaar in de toga te vertoonen. Daar bij
+huiselijke bezigheden de stola hinderlijk kon zijn, droegen de dames
+een gordel (cingulum), ten einde haar kleed te kunnen opschorten.
+
+Stolo, familienaam in de gens Licinia (Licinii no. 3 en 4).
+
+Strabo (= scheele), familienaam in onderscheidene gentes, als
+g. Fannia, g. Iulia (Julii no. 5), g. Pompeia (Pompeii no. 9).
+
+Strabo, Strabon, van Amasea, geb. 66, wijdde zich, na grondige
+studie van wijsbegeerte en geschiedenis, geheel aan de beoefening
+der aardrijkskunde. Te dien einde ondernam hij groote reizen
+door Griekenland en Klein-Azië, ging hij westwaarts tot Sardinië,
+zuidwaarts tot Aethiopië, ook bezocht hij Rome, waar hij zich lang
+schijnt opgehouden te hebben, en bereisde hij Aegypte in gezelschap van
+Aelius Gallus. De vruchten van zijn onderzoek heeft hij nedergelegd in
+een groot werk, Geographika, in 17 boeken, dat bijna volledig bewaard
+gebleven is, en voor de oude aardrijkskunde van het hoogste belang
+is. Het bevat, behalve de eigenlijke aardrijkskunde, vele bizonderheden
+over geschiedenis, staatsinrichting, zeden en gewoonten der beschreven
+landen. Van zijne Hypomnemata historika, een uitvoerig werk in ten
+minste 43 boeken, is slechts weinig bewaard gebleven. Str. stierf in
+19 na C.
+
+Strategos. Te Athene werd omstreeks 500 het opperbevel over het
+leger aan den polemarchos ontnomen en opgedragen aan een collegie
+van 10 jaarlijks door het volk te verkiezen strategoi. Zij waren de
+hoogste militaire overheid, hadden het geheele beheer van leger en
+vloot in handen en kregen, door het belangrijke van hun betrekking,
+weldra ook op politiek gebied grooten invloed. Aanvankelijk hadden zij
+waarschijnlijk allen gelijke bevoegdheden, tenzij door volksbesluit of
+onderlinge overeenkomst aan een van hen het opperbevel was opgedragen;
+in lateren tijd (ongeveer sedert 350) werden hun bij hun verkiezing
+speciale werkzaamheden toegewezen, en vindt men bijv. een str. epi
+ten phylaken tes choras, een str. epi tas symmorias, enz.--Zie ook
+achaeïsch verbond.
+
+Strato, Straton, van Lampsacus, leerling van Theophrastus en na
+diens dood (287) gedurende 18 jaar hoofd der peripatetische school,
+beroemd door zijne omvangrijke geleerdheid en scherpzinnigheid. Hij
+beoefende vooral de natuurwetenschappen en verklaarde het ontstaan
+van het heelal uitsluitend uit de werking van natuurkrachten (vandaar
+zijn bijnaam Physikos, maar behandelde in zijne talrijke geschriften
+ook alle andere onderdeelen der wijsbegeerte. Hij stierf in 270.
+
+Stratocles, Stratokles, 1) atheensch redenaar, tegenstander van
+Demosthenes.--2) atheensch veldheer in den oorlog tegen Philippus van
+Macedonië.--3) van Amphipolis, riep voor zijne vaderstad vruchteloos
+de hulp der Atheners tegen Philippus in en werd daarom later door
+dezen verbannen.
+
+Stratonice, Stratonike, dochter van Demetrius Poliorcetes, gehuwd
+met Seleucus Nicator en later met diens zoon Antiochus (z. a. no. 2).
+
+Stratonicea, Stratonikeia, 1) voorname stad in het binnenland van
+Caria, door den syrischen koning Antiochus I Soter (z. a.) gebouwd
+en ter eere zijner vrouw aldus genoemd. De stad en ook de omgeving
+heette vroeger Idrias. Bij deze stad stond de carische bondstempel
+van Zeus.--2) stad aan den Caicus in Mysia, later Adrianupolis
+(Hadrianupolis) geheeten. Hier nam M. Perperna den kroonpretendent
+Aristonicus gevangen (130).
+
+Stratonicus, Stratonikos, 1) Athener, bekwaam toonkunstenaar, die
+vele leerlingen had. Hij was beroemd door zijne geestigheid, waarmede
+hij echter aan koning Nicocles van Salamis aanstoot gaf, die hem ter
+dood liet brengen.--2) van Cyzicus, een van de beeldhouwers, die de
+gevechten van Attalus en Eumenes tegen de Galliërs in beeld brachten
+(± 200).
+
+Stratonis turris, Stratonos pyrgos, zie Caesarea no. 2.
+
+Strattis, Strattis, 1) tyran van Chius ten tijde van de perzische
+oorlogen.--2) dichter der oude comedie, jonger tijdgenoot van
+Aristophanes.
+
+Stratus, Stratos, 1) sterke hoofdstad van Acarnania, in het binnenland
+ten W. van den Achelous gelegen, ± 260 door de Aetoliërs veroverd,
+en sedert in hun bezit.--2) stad in het W. van Arcadia, op de grenzen
+van Elis, in het gebied van Thelpusa, dat daarover gedurig met Elis
+strijd voerde.--3) = het latere Dyme, in Achaia.
+
+Strenae, 1) nieuwjaarsgeschenken bij de Rom. vanwaar het fransche
+étrennes.--2) = omen.
+
+Striglis, Strigilis, stlengis, xystris, een krabber, waarvan men zich
+in Grieksche en Romeinsche badhuizen bediende, om na het worstelen,
+of na het heete luchtbad, het vuil en zweet van de huid te verwijderen:
+zie balneum.
+
+Strombichides, Strombichides, atheensch veldheer in het laatste
+gedeelte van den peloponnesischen oorlog, heroverde Lampsacus, dat
+van Athene afgevallen was (411). Hij verzette zich tegen den vrede
+van Theramenes (z. a.); daarom werd hij nog vóór het sluiten van
+den vrede op een valsche aanklacht van oligarchische zijde gevangen
+genomen en onder de 30 ter doodgebracht.
+
+Strongyle, Strongyle, 1) het noordelijkste der Liparische eilanden
+ten N. van Sicilia, thans Stromboli.--2) oude naam van Naxus.
+
+Strongylion, Strongylion, atheensch beeldgieter op het einde der 5de
+eeuw, vooral beroemd door zijne paarden en stieren.
+
+Strophades, Strophades, ook Plotai geheeten, twee eilandjes in de
+ionische zee, ten Z.O. van Zacynthus (Zante). Zij behoorden tot
+het gebied van Cyparissia op de messenische kust en waren rijk aan
+wijn. Toen Calais en Zetes, zonen van Boreas, de Harpyieën vervolgden,
+staakten zij bij deze eilanden de vervolging en keerden toen om;
+vandaar de naam (van strephein).
+
+Strophium, strophion, lange strook lijnwaad, soort van sjerp, die
+koordvormig werd ineengedraaid en door vrouwen en meisjes over het
+hemd om het lichaam werd gebonden tot steun voor de borsten. Tot
+dergelijk doel werd ook het mamillare gebezigd, een platte band,
+soms van zacht leder, doch op het bloote lijf gedragen.
+
+Strophius, Strophios, 1) koning van Phocis, gehuwd met eene zuster
+van Agamemnon, z. Orestes.--2) kleinzoon van den vorigen, zoon van
+Pylades en Electra.
+
+Stryme, Stryme, stad der Thasiërs op de thracische kust aan den
+mons Ismarus.
+
+Strymon, Strymon, belangrijke rivier van Macedonia, vóór Philippus
+grensrivier tegen Thracia. Hij ontsprong op den Scomius en liep aan
+de Oostzijde van Chalcidice in de Strymonische golf uit. Niet ver
+van den mond lag Amphipolis.
+
+Stubera, Styberra, stad in Pelagonia, het Z. W. gedeelte van het
+macedonische gewest Paeonia, tusschen den Axius (Vardar) en diens
+zijrivier Erigon.
+
+Stymphalus, Stymphalos, stad in het N.O. van Arcadia aan den mons
+Stymphalus en aan het stymphalische meer. Hier verdreef of doodde
+Heracles (z.a.) de stymphalische vogels. Het water liep door
+onderaardsche kanalen af.
+
+Styra, ta Styra, stad in Z. W. Euboea; de bevolking is van dryopischen
+stam.
+
+Styx, Styx, 1) arm van den Oceaan, die onder de aarde stroomt en
+negenmaal rondom de onderwereld loopt. De nimf van deze rivier is
+eene dochter van Oceanus en Tethys, gehuwd met den Titan Pallas;
+zij woont aan den ingang van den Tartarus in een grot met zilveren
+kolommen. Toen de Titanen tegen Zeus opstonden, was zij de eerste die
+hem hare kinderen, Zelus, Nice, Cratus en Bia, te hulp zond; daarom
+beloonde Zeus haar door te bepalen, dat de eed bij de Styx voor de
+goden heilig en onschendbaar zou zijn, terwijl hare kinderen op den
+Olympus bleven wonen.--2) rivier in noordelijk Arcadië, tegenwoordig
+Mavronera, waarvan het water volgens de ouden doodelijk is en alles
+verteert behalve ezels- of paardenhoeven.
+
+Suardones, germaansche volksstam in het N. van Germania, op den
+rechteroever van den Albis (Elbe); ze behooren tot die volkeren,
+die de godin Nerthus vereeren.
+
+Sub novis, sub veteribus. Langs een gedeelte der lange zijden van
+het forum stonden twee rijen vaste kramen of winkeltjes. Die aan
+den Zuidkant waren de oudste en de weg daarlangs werd sub veteribus
+geheeten, terwijl de weg langs de winkels aan de Noordzijde sub novis
+werd genoemd.
+
+Subertum, stad in het hart van Etruria, waarschijnlijk ten O. van
+den lacus Volsiniensis; juiste ligging onbekend.
+
+Sublaqueum, stad der Aequi, aan den Boven-Anio. In den keizertijd
+behoorde dit gebied tot Latium. In de nabijheid lag de prachtige
+villa van Claudius en Nero.
+
+Sublicius (pons), houten paalbrug, in het bijzonder de oude Tiberbrug
+te Rome, in den oorlog tegen Porsena afgebroken. Toen zij weder
+herbouwd werd, geschiedde dit zonder er bouten of spijkers in te slaan;
+zij was zoo ineengevoegd, dat men ze in geval van nood geheel uiteen
+kon nemen.
+
+Subscriptio, de onderteekening eener aanklacht, in engeren zin de
+onderteekening door de medeaanklagers, terwijl dan de onderteekening
+door den hoofdbeschuldiger inscriptio werd genoemd (z. a.).
+
+Subsolanus of Solanus, de Oostenwind, zie Windstreken.
+
+Subucula, ondertunica, meest van wol en van mouwen voorzien.
+
+Subura, buurt van Rome met een zeer drukke winkelstraat, die van
+het forum in N.O. richting liep. De derde regio van Servius Tullius
+heette Suburana.
+
+Sucro, rivier in het O. van Hispania, die ten Z. van Valentia in
+zee valt, thans Xucar, met eene gelijknamige stad in het gebied der
+Edetani. De rivier heette vroeger Sicanus, zie Sicilia.
+
+Sudatio, Sudatorium, zie balneum.
+
+Sudeti montes, Soudeta ore, het W. gedeelte der tegenw. Sudeten,
+met het Ertsgebergte.
+
+Suebi, uitgebreide en machtige volkenbond in Germania, een groot
+gedeelte van de latere Hoogduitschers. Hun land was in 100 gouwen
+verdeeld, waarvan elk 1000 krijgers kon leveren. Hun roem was, alles
+rondom hen zoover te verwoesten, dat zij geene naburen hadden. Onder
+Ariovistus neemt een gedeelte van het volk bezit van de door de
+Helvetiërs verlaten streken ten Zuiden van den Main, en dringt dan ook
+in den Elzas door, waar Caesar ze in 58 verslaat. Ook de Semnones in
+Midden-Germania (tusschen Elbe en Spree) behoorden er toe. Bij Tacitus
+wordt O. Germania tusschen de Donau en de Oostzee Suebia genoemd. Hun
+naam leeft nog voort in Zwaben. In de 3de eeuw n. Chr. vormt een
+gedeelte van de Suebische stammen (vooral de Semnones) den nieuwen
+volkerenbond der Alamannen (z. a.).
+
+Suebicum mare, de Oostzee.
+
+Suessa. 1) Suessa (Sessa) Aurunca, stad der Aurunci in Latium, aan
+den mons Massicus, col. lat. sedert 313, geboorteplaats van den
+dichter Lucilius.--2) Suessa Pometia, stad der Volsci in Latium,
+door Tarquinius Priscus veroverd, later door de Rom. verwoest. De
+ligging is onzeker.
+
+Suessetani, volksstam in Tarraconensis, nabij den Iberus (Ebro),
+in wier gebied de stad Corbio ligt.
+
+Suess(i)ones, machtig volk in het Z. van Belgica dat 50000 man op
+de been kon brengen en wier koning Divitiacus niet slechts over een
+aanzienlijk deel van Gallia heerschte, maar zelfs over een deel van
+Britannia. Hoofdstad: Nuviodunum, later Augusta Suessionum geheeten,
+thans Soissons.
+
+Suessula, stad in Campania tusschen Calatia en Nola.
+
+Suetonii. 1) C. Suetonius Paulinus, beroemd veldheer, werd in 41 na
+C. stadhouder van Mauretania en drong dieper dan een zijner voorgangers
+in de binnenlanden van Africa door. In 59 werd hij naar Britannia
+gezonden, waar hij na een bloedigen strijd den opstand van Boudicca
+dempte, doch reeds in 61 werd hij, ten gevolge van lasterlijke
+beschuldigingen, door Nero teruggeroepen (zie Polyclitus). Later
+streed hij voor Otho in den slag bij Cremona (69), doch onderwierp
+zich na diens dood aan Vitellius, waarbij hij op niet zeer eervolle
+wijze den schijn aannam, als zou door zijn opzettelijk toedoen Otho
+den slag hebben verloren.--2) C. Suetonius Tranquillus leefde ten
+tijde van Domitianus, Traianus en Hadrianus. Door den invloed van
+zijn vriend Plinius (minor) verkreeg hij van Traianus verschillende
+ambten, maar hij viel bij Hadrianus in ongenade, nadat hij onder dezen
+een post bij de kanselarij had bekleed als magister epistularum (zie
+scrinium). Zijn verder leven sleet hij met letterkundigen arbeid. Hij
+schreef de levens der eerste 12 keizers (van Caesar tot Domitianus),
+waarin hij zonder chronologische volgorde in eenvoudigen, helderen
+stijl tal van kleine bijzonderheden mededeelt (de vita Caesarum libri
+VIII), voorts over taalgeleerden, rhetoren, enz., alsmede de levens
+van Terentius, Horatius, Persius, Lucanus, Juvenalis, Plinius, samen
+behoorende tot een werk de viris illustribus.
+
+Suevi = Suebi.
+
+Suffectus is de overheidspersoon, die voor de rest van het ambtsjaar
+gekozen wordt, wanneer het ambt binnentijds openviel, b.v. door
+overlijden.
+
+Suffetes, titel der twee hoogste overheden te Carthago, die
+de uitvoerende macht bezaten, in den senaat het voorzitterschap
+bekleedden en somtijds ook het leger aanvoerden. Hun ambt werd hun,
+althans in den beginne, slechts voor één jaar opgedragen.
+
+Suffibulum, lange witte sluier, die van het hoofd naar achteren over
+den rug afhing en onder de kin met een gesp (fibula) werd vastgehecht,
+en die tot de dracht der vestaalsche maagden behoorde. Ook droegen
+de priesters dit kleedingstuk bij het offeren.
+
+Suffragia (sex), naam van 6 der 18 rom. riddercenturiën, vermoedelijk
+de drie dubbelcenturiën van Tarquinius, Ramn(ens)es, Titi(ens)es en
+Lucer(ens)es priores en posteriores. Welk verschil er tusschen deze zes
+en de overige XII centuriae equitum was, blijkt niet. Waarschijnlijk
+waren de sex suffragia een tijd lang uitsluitend patricisch, de
+overige gemengd.
+
+Sugambri = Sygambri.
+
+Synkletos ekklesia, z. ekklesia.
+
+Suillii. P. Suillius Rufus, schoonzoon van Ovidius, was eerst
+quaestor van Germanicus geweest, en werd in 24 na C. verbannen wegens
+omkoopbaarheid, doch kreeg onder de regeering van Claudius verlof
+naar Rome terug te keeren en wist toen wederom grooten invloed
+te verwerven. Zijne geldzucht dreef hem er toe, als verklikker en
+valsche aanklager tegen aanzienlijke mannen op te treden, totdat Nero
+zelf hem bij den senaat beschuldigde (58) en hij met ballingschap
+en verbeurdverklaring van een gedeelte zijner bezittingen werd
+gestraft.--2) M. Suillius Nerulinus, zoon van no. 1, consul in 50 na
+C., werd na de veroordeeling zijns vaders van afpersingen beschuldigd,
+doch door Nero vrijgesproken. Onder Vespasianus was hij proconsul
+van Asia.
+
+Suiones, de tegenwoordige Zweden, bij Tacitus de naam der bewoners
+van Scandinavia, als goede zeevaarders bekend, wier schepen voor en
+achter gelijk gebouwd waren, zoodat zij in beide richtingen konden
+varen. Zie Scandia.
+
+Sykophantes werd te Athene iemand genoemd, die uit winstbejag anderen
+met processen lastig viel. Bij de overmatige, tegenover sommige
+standen soms onrechtvaardige gestrengheid der atheensche rechters,
+konde een onbeteekenende of zelfs een geheel valsche aanklacht voor
+den aangeklaagde dikwijls lastig of gevaarlijk worden en daarom vond
+men het gewoonlijk veiliger een sycophant af te koopen, wanneer hij
+met een aanklacht dreigde, dan zich aan een proces te wagen. Meende
+men het boos opzet van een syc. te kunnen bewijzen, dan kon men hem
+bij den raad of het volk of, door de graphe sykophantias, bij de
+thesmotheten aanklagen.
+
+Sulla, familienaam in de gens Cornelia (Cornelii no. 52-54).
+
+Sylloges, beambten of buitengewone commissarissen bij het financiewezen
+te Athene, wier werkkring niet nader bekend is, alleen wordt van
+hen vermeld, dat zij verbeurdverklaarde goederen der oligarchen in
+beslag namen.
+
+Sulmo, Soulmon, 1) thans nog Sulmo, paelignische stad, de
+geboorteplaats van Ovidius, die het gelidis uberrimus undis noemt naar
+de koele bergstroompjes en bronnen in den omtrek. In den burgeroorlog
+werd het door Sulla verwoest, doch later herbouwd als kolonie.--2)
+volscische stad in Latium, die in de eerste eeuw na C. reeds geheel
+verdwenen was.
+
+Sulpiciae (leges) van den volkstribuun P. Sulpicius Rufus (Sulpicii
+no. 18) van 88, 1) tot terugroeping der ballingen, n.l. van hen,
+die na de woelingen van M. Livius Drusus in 91 en na de lex Varia
+de wijk hadden genomen.--2) dat de nieuwe italiaansche burgers
+(na den marsischen oorlog) en de vrijgelatenen over al de 35 tribus
+zouden worden verdeeld.--3) dat geen senator meer dan 2000 drachmen
+schuld zou mogen hebben (de inhoud dezer wet wordt alleen in het
+Grieksch vermeld).--4) dat niet Sulla, doch Marius het bevel in den
+mithradatischen oorlog zou voeren. Deze wetten werden, toen Sulla met
+zijn leger in de stad binnendrong, door den senaat ongeldig verklaard.
+
+Sulpicii, patricisch geslacht. 1) Ser. Sulpicius Camerinus Cornutus,
+consul in 500, bewerkte in 496 de hernieuwing van het verbond met
+Latium.--2) Ser. Sulp. Camer. Corn., consul in 461, tegenstander der
+lex Terentilla de legibus scribundis. In 454 was hij een der drie
+mannen, die naar Griekenland gezonden werden tot het bestudeeren
+der wetten aldaar.--3) Ser. Sulp. Camerinus, consul in 393, kantte
+zich sterk tegen het ontworpen plan der plebejers om naar Veii te
+verhuizen.--4) Q. Sulp. Longus, consulairtribuun in 390, liet de wacht,
+die de beklimming van het Capitool door de Galliërs niet had bespeurd,
+van de rots afwerpen.--5) Ser. Sulp. Praetextatus, consulairtribuun in
+377 en 376, ontzette den burg van Tusculum, die door de Latijnen werd
+belegerd.--6) C. Sulp. Peticus, consul in 364, 361, 355, 353 en 351,
+dictator in 358, versloeg in 361 de Hernicers, in 358 de Galliërs,
+in 351 de Tarquiniërs, die gedwongen werden vrede te sluiten.--7)
+C. Sulp. Longus, consul in 337, 323 en 314, versloeg in 314 de
+Samnieten.--8) C. Sulp. Paterculus, consul in 258, voerde op Sardinia
+oorlog tegen de Carthagers.--9) P. Sulp. Galba Maximus werd voor het
+jaar 211 tot consul gekozen zonder eenig ander curulisch ambt te hebben
+bekleed; hij beschermde met zijn ambtgenoot Cn. Fulvius Centumalus en
+den proconsul Q. Fulvius Flaccus Rome tegen eene overrompeling door
+Hannibal. In 203 was hij dictator comit. habend. causa en in 200
+andermaal consul. De oorlog tegen Philippus van Macedonia werd hem
+toen opgedragen, waarin hij het volgende jaar door den toenmaligen
+consul P. Villius Tappulus werd vervangen.--10) C. Sulp. Gallus was in
+168 krijgstribuun in het leger van Aemilius Paullus en voorspelde de
+maansverduistering in den nacht vóór den slag bij Pydna (21/22 Juni
+168, volgens den Juliaanschen kalender); tegenwoordig neemt men aan,
+dat hij die maansverduistering niet voorspeld, maar uitgelegd en
+verklaard heeft. In 166 was hij consul en overwon de Liguriërs. In
+164 werd hij belast met een onderzoek naar de klachten, tegen Eumenes
+van Pergamus ingebracht. Dat hij de sterrenkunde beoefende, is uit
+het bovenstaande reeds gebleken; ook was hij ervaren in de grieksche
+letterkunde.--11) Ser. Sulp. Galba, krijgstribuun, zocht uit haat
+tegen L. Aemilius Paullus, de volkstribunen over te halen om diens
+zegepraal te beletten. In 151 en 150 voerde hij als propraetor oorlog
+in Lusitania; hij werd eerst verslagen en pleegde later schandelijke
+woordbreuk, toen hij ongewapende krijgsgevangenen verraderlijk liet
+neerhouwen. Onder de weinigen die ontkwamen, behoorde Viriathus. Om
+deze reden werd Galba in 149 door den volkstribuun L. Scribonius
+Libo (Scribonii no. 3), ondersteund door den 85-jarigen M. Cato,
+aangeklaagd. Hij ontging de veroordeeling slechts door bidden en
+smeeken. Hij was consul in 144 met L. Aurelius Cotta, z. Aurelii
+no. 3. Hij was de beste redenaar van zijn tijd, hoewel ook Libo
+in dit opzicht niet gering te schatten was.--12) Ser. Sulp. Galba,
+zoon van no. 11, consul in 108, was in 100 onder de tegenstanders van
+Saturninus.--13) C. Sulp. Galba, zwager van C. Gracchus, was een goed
+redenaar. Hij werd in 110 veroordeeld, omdat hij zich door Jugurtha
+had laten omkoopen.--14) Ser. Sulp. Galba diende in 90 als legaat
+voorspoedig tegen de opgestane bondgenooten.--15) P. Sulp. Galba
+was aediel tegelijk met Cicero, doch tevergeefs diens mededinger
+naar het consulaat.--16) Ser. Sulp. Galba, legaat van Caesar in
+Gallia, dong in 49 vergeefs naar het consulaat en was later onder
+Caesars moordenaars. In den mutinensischen oorlog streed hij onder
+Hirtius tegen Antonius. Toen het driemanschap gesloten was, werd
+hij veroordeeld.--17) Ser. Sulp. Galba, rom. keizer, zie Galba.--18)
+P. Sulp. Rufus, een der meest beroemde redenaars van zijn tijd, riep
+in 94, toen hij nog de rechten van den senaat verdedigde, C. Norbanus
+(z. Norbani no. 1) voor het gerecht en vocht later als legaat met roem
+in den bondgenootenoorlog (89). Hij ging daarop tot de plebs over,
+en liet zich voor 88 tot volkstribuun kiezen, om aan de bondgenooten
+het volle genot van het burgerrecht te kunnen verschaffen (zie leges
+Sulpiciae); toen Sulla met zijn leger in Rome binnendrong, nam hij de
+vlucht, doch werd achterhaald en omgebracht.--19) Ser. Sulp. Rufus,
+voortreffelijk jurist en redenaar en kundig staatsman, was in 65
+praetor en in 51 consul. Toen de burgeroorlog tusschen Caesar en
+Pompeius tot uitbarsting kwam, bleef hij een tijd lang besluiteloos,
+totdat hij eindelijk Caesars partij koos, door wien hij later
+als proconsul naar Achaia gezonden werd. Na Caesars dood weifelde
+hij opnieuw, bij welke partij hij zich zou aansluiten. Hij stierf
+kort daarop (43), 81 jaar oud, in de legerplaats van Antonius voor
+Mutina, waarheen hij door den senaat gezonden was om eene schikking te
+bewerken. Als grondig wetenschappelijk rechtsgeleerde had hij in zijn
+tijd vele leerlingen; hij was ook een vruchtbaar schrijver. Beroemd is
+zijn troostbrief aan Cicero bij het overlijden van diens dochter Tullia
+(45).--20) Ser. Sulp. Rufus, zoon van no. 19, door Cicero als een braaf
+en talentvol jongeling geprezen, diende onder Caesar in Gallia.--21)
+P. Sulp. Quirinius, consul in 12, onderwierp, als stadhouder van Syria
+± 5, een volksstam in de bergen van Cilicia, vergezelde Augustus'
+kleinzoon C. Caesar naar Armenia (1/2 n. C.), en was later wederom
+stadhouder van Syria. Als zoodanig heeft hij in 6 n. C. een census
+gehouden in Judaea, waarvan ook het N. T. gewag maakt. Hij heet daar
+Cyrenius, Kyrenios. Hij was een vriend van Tiberius, stierf kinderloos
+in 21 en werd op staatskosten begraven. Hij behoorde niet tot het
+patricisch geslacht der Sulpicii, maar stamde uit Lanuvium.--22)
+C. Sulp. Apollinaris, in het tijdperk der Antonijnen, taalkundige, te
+Carthago geboren, leermeester van keizer Pertinax en van Aulus Gellius
+(Gellii no. 6), wijdde zich vooral aan de studie van Vergilius.--23)
+Sulpicia, dochter van no. 20, en nicht van M. Valerius Messala
+Corvinus (Valerii no. 28), dichteres, z. Albii.--24) Sulpicia,
+erotische dichteres onder Domitianus. Het kleine gedicht Satira,
+dat haar naam draagt, is niet door haar geschreven.--25) Sulpicius
+Severus, zie Severi no. 3.
+
+Summanus, oorspronkelijk waarschijnlijk een bijnaam van Jupiter, later
+als een afzonderlijk god van nachtelijke onweders en luchtverschijnsels
+beschouwd. Hij had een tempel bij den Circus Maximus, waar hem den
+20sten Juni een offer gebracht werd.
+
+Symmoriai, afdeelingen, waarin sedert 377 de atheensche burgerij
+voor de heffing der eisphora verdeeld was. In iedere phyle waren
+twee symm., die ieder 60 van de rijkste burgers bevatten, de minder
+vermogenden werden zoo bij de verschillende symm. ingedeeld, dat
+iedere afdeeling een ongeveer gelijk belastbaar vermogen had. Werd
+nu eene eisphora uitgeschreven, dan werd de symm. in haar geheel
+belast, de rijkste leden waren tot de proeisphora verplicht en
+konden van hunne medeleden de bijdragen innen, die door de hegemones
+of epimeletai ton symmorion vastgesteld werden. In 358 werd eene
+dergelijke inrichting bij de triërarchie ingevoerd (z. synteleia,
+maar ondoelmatig bevonden, weshalve zij door eene wet van Demosthenes
+omstreeks 340 werd opgeheven.
+
+Symposion, z. deipnon.
+
+Sumptuariae (leges), wetten tegen de weelde. De voornaamste zijn: de
+lex Oppia van 215, Orchia van ± 181, Fannia van 161, Didia van 143,
+Aemilia van 115, Cornelia van 81, Iulia van 46, Iulia van 18. Keizer
+Tiberius verzette zich tegen het vaststellen van nieuwe en strengere
+wetten, daar hij inzag, dat deze toch niet hielpen.
+
+Syndikoi, 1) te Athene zij, die ten voordeele van eene der beide
+partijen in een proces voor de rechtbank het woord voeren. Volgens de
+wet moest wel ieder zijn eigen zaak verdedigen, maar met toestemming
+van de rechters mocht men, na zelf gesproken te hebben, ook anderen tot
+zijne verdediging laten optreden. Het was den syndikos (ook synegoros
+genoemd) verboden, zich voor zijne redevoering (synegoria) te laten
+betalen.--2) z. epicheirotonia no. 1.--3) eene buitengewone commissie,
+na de verdrijving der 30 aangesteld om het verwarde financiewezen
+te regelen. In het bizonder schijnt het hun taak geweest te zijn te
+onderzoeken, wie onder de 30 zich ten onrechte van staatsgoederen
+had meester gemaakt of van het zijne beroofd was.
+
+Synegoros, -goria, z. syndikoi; ook de bijzitters der logisten
+heetten synegoroi.
+
+Sunici, Sunuci, germaansche volksstam in Belgica tusschen de Treviren,
+Ubiërs en Nerviërs.
+
+Sunium, Sounion, Zuidkaap van Attica, sedert 415 zeer versterkt en van
+twee havens voorzien. Binnen de, thans nog grootendeels bestaande,
+muren stond een beroemde Athena-tempel, 300 voet boven de zee. Naar
+eenige nog overeind staande zuilen daarvan heet het voorgebergte
+thans kaap Colonne.
+
+Synoikia, ook metoikia, feest, te Athene den 16den Hecatombaeon
+gevierd, ter herinnering aan de vereeniging van alle bewoners van
+Attica tot één staat (synoikismos).
+
+Synomosia = hetairia.
+
+Synteleia, onderafdeeling eener symmoria. Wanneer aan eene symmoria
+een triërarchie was opgelegd, dan werd zij in evenveel synteleiai,
+verdeeld als er schepen noodig waren, zoodat iedere synt. voor één
+schip te zorgen had. Ieder lid der symm. werd door de epimeletai bij
+eene of andere synt. ingedeeld, en wel zóó, dat iedere groep ongeveer
+hetzelfde vermogen vertegenwoordigde.
+
+Suovetaurilia, een offer, bestaande uit een ever, ram en stier, bij
+bijzonder plechtige gelegenheden, bijv. na afloop van den census,
+aan Mars gebracht.
+
+Superum mare, de Adriatische zee.
+
+Supparus, -parum, -parum, een schoudermanteltje, een soort linnen
+tunica, meest door vrouwen over de subucula gedragen, zonder mouwen.
+
+Supplicatio, openbare verootmoediging voor het aangezicht der goden,
+boete-, bede- of dankdag, al naar gelang groote rampen of gevaren of
+wel luisterrijke overwinningen er de aanleiding toe waren. Zulk eene
+supplicatio duurde oorspronkelijk slechts één dag, vervolgens meer
+dagen, totdat er ten laatste feesten voorkomen van 30 en 40 dagen. Zulk
+een bededag ging gepaard met offers, met omgangen door de stad, ook
+processies van vrouwen, onder het zingen van lofliederen ter eere der
+goden, met godenmaaltijden (zie lectisternium). Enkele malen gelastte
+de senaat ook het houden van een openbaren maaltijd. Het bevelen
+(decernere) van zulke dagen behoorde als eene zaak van godsdienst
+geheel tot de bevoegdheid van den senaat, die echter zich liet
+adviseeren door de deskundige priestercollegiën, in de eerste plaats
+dat der pontifices.
+
+Sura, bijnaam van eenige Lentuli in de gens Cornelia (Cornelii no. 48).
+
+Surena, bij de Parthen de eerste grootwaardigheidsbekleeder na den
+koning, die dezen hij de kroning de kroon op het hoofd zette. De rang
+is het best te vergelijken bij dien van een turksch grootvizier.
+
+Surrentum, Sourrenton, oude campaansche stad op het promunturium
+Minervae, tusschen de golven van Puteoli (g. v. Napels) en van
+Paestum (g. v. Salerno). De omliggende Surrentini colles leverden
+voortreffelijken wijn op. Thans Sorrento.
+
+Susa, ta Sousa = leliënstad, hoofdstad van het gewest Susiane,
+ontleende zijn naam aan de tallooze leliën, die in den omtrek
+groeiden. Sedert Cyrus werd Susa om zijn warm klimaat de gewone
+winterresidentie der perzische koningen; in den zomer was het er
+ondragelijk heet, daar het land juist open lag voor de winden, die,
+uit Afrika komende, over de arabische zandwoestijnen heen streken. De
+huizen waren smal en diep, zonder bovenverdieping, van boven met
+eene laag aarde bedekt, op de wijze van kazematten. De plaats had
+geene muren, maar een sterken burg, ta Memnonia, waarin zich het
+paleis en de schatkamers bevonden. Sedert 1850 na C. zijn hier vele
+beeldwerken en andere overblijfselen opgegraven. De stad was wijd
+uiteen gebouwd, zoodat zij, volgens verschillende opgaven, 120-200
+stadiën (4-6 2/3 uur gaans) in omtrek had. Hier traden Alexander de
+Gr. en zijne officieren met perzische vrouwen in den echt.
+
+Susarion, Sousarion, van Megaris, vestigde zich in Attica en trad
+hier voor het eerst met het megarische blijspel op, omstreeks 570.
+
+Susiane, Sousiane, Sousis, perzisch gewest tusschen den Beneden-Tigris
+en het Zagrusgeb. ten O. In overouden tijd bestond hier een
+zelfstandige staat, die zelfs over Babylon en Assyria moet geheerscht
+hebben, doch in het midden der 7de eeuw zijne onafhankelijkheid
+verloor. De oudste naam, waaronder de Grieken het kenden, was
+Cissia, Cyssia of Cossia, naar de roofzieke Cissaei of Cossaei,
+die de bergpassen naar Media beheerschten en zelfs de perzische
+koningen voor hun doortocht tol lieten betalen. In de vlakte woonden
+de Elymaei, vreedzame landbouwers. In de bergen was het klimaat ruw,
+over dat van de vlakte zie men Susa.
+
+Syssitia of phiditia, oudtijds andreia, de verplichte
+gemeenschappelijke maaltijden van mannen in dorische staten, vooral
+op Creta en te Sparta bekend. Zij waren verdeeld in gezelschappen
+van ongeveer 15 personen, waarin men alleen met algemeene stemmen
+aangenomen werd. Op Creta werden deze maaltijden grootendeels door
+den staat bekostigd, te Sparta gaf daarentegen ieder deelnemer
+zijn bijdrage, deels in spijzen, deels in geld; wie deze bijdragen
+niet leverde of de maaltijden niet geregeld bijwoonde, verloor
+zijn burgerrecht. Het hoofdgerecht was de zwarte soep (haimatia,
+melas zomos), verder gebruikte men brij, vleesch, kaas, vruchten en
+wijn. Buitengewone lekkernijen, zooals wild, brood e. dgl. (epaikla),
+kreeg men door vrijwillige bijdragen, zij mochten niet voor geld
+gekocht zijn. Op Creta was in iedere stad een gebouw (andreion)
+voor deze maaltijden bestemd.
+
+Suthul, kasteel in Numidia, waar Jugurtha's schatten geborgen lagen.
+
+Sutrium, Soutrion, stad in Etruria, latijnsche kolonie sedert 383,
+aan den weg van Rome naar Volsinii, ten O. van den mons Ciminius.
+
+Svardones = Suardones.
+
+Sybaris, Sybaris, een monster, dat de omstreken van den Parnassus
+verwoestte en door Eurybates gedood werd. Z. Alcyoneus.
+
+Sybaris, Sybaris, beroemde grieksche stad aan een gelijknamig riviertje
+(zie Crathis), op de kust van Lucania aan de golf van Tarentum,
+omstreeks 720 door Achaeërs en Troezeners gesticht. Het dreef een
+levendigen handel en kon met zijne 25 onderhebbende steden 300000
+(?) man tegen Croton in het veld brengen. De verwijfdheid evenwel
+der inwoners, zóó groot dat zij spreekwoordelijk is geworden, werd de
+oorzaak van den val der stad. In 510 werd Sybaris door de Crotoniaten
+verwoest. Zie verder Thurii. Tengevolge van de twisten bij de stichting
+van Thurii verhuisden de afstammelingen der oude Sybarieten, die tot
+nu toe in Laüs en Scidrus gewoond hadden, naar een streek aan de Traïs,
+waar ze Sybaris nova stichtten.
+
+Sybota, ta Sybota, eilandjes op de kust van Epirus, tegenover de
+Zuidpunt van Corcyra, waarbij in 432 de zeeslag tusschen de Corcyraeërs
+en de Corinthiërs voorviel, het voorspel van den peloponnesischen
+oorlog.
+
+Sychaeus = Sichaeus.
+
+Sycurium, Sykourion, Sykyrion, plaats aan den voet van den Ossa,
+in Pelasgiotis (Thessalia). Hier werd C. Licinius Crassus (Licinii
+no. 8) in 171 door Perseus van Macedonia verslagen.
+
+Syene, Syene, tegenwoordig Assoean, stad aan den Nijl, tot Aegypte
+behoorende, juist aan de aethiopische grenzen gelegen even beneden den
+eersten waterval. Wegens de ligging juist onder den kreeftskeerkring
+trok de aardrijkskundige Eratosthenes een zijner parallelcirkels over
+deze plaats. Onder de rom. keizers was Syene grensvesting.
+
+Syennesis, Syennesis, titel der vorsten van Cilicië, door de Grieken
+als eigennaam beschouwd.
+
+Sygambri, Sygambroi, ook Sicambri, Sugambri, machtige germaansche
+volksstam in Germania op den rechter Rijnoever tusschen Colonia
+Agrippina (Keulen) en de Luppia (Lippe). Onder de regeering van
+Augustus werden zij door Drusus en Tiberius overwonnen en door den
+laatsten gedeeltelijk naar den linker Rijnoever overgebracht (9),
+v. s. in de streek tusschen Rijn en Maas, waar ze dan later onder den
+naam Gugerni (z. a.) voorkomen, v. a. werden ze naar Nederland naar den
+IJssel of naar de landen ten Zuiden van Waal en Maas verplaatst. Ze
+verdwijnen dan een poos uit de geschiedenis, doch komen v. s. later
+weder te voorschijn, als hoofdbestanddeel van de Salische Franken.
+
+Syllium, Syllion, bergvesting in Pamphylia, ten N.W. van Aspendus.
+
+Syloson, Syloson, jongere broeder van Polycrates, met wien hij
+aanvankelijk over Samus regeerde. Later ging hij naar Aegypte en leerde
+hij Darius Hystaspis kennen, die hem na den dood van Polycrates de
+regeering over Samus teruggaf (omstreeks 516).
+
+Symaethus, Symaithos, rivier op Sicilia, die ten W. van den Aetna
+naar het Z.O. stroomt en ten Z. van Catana in zee vloeit. Symaethius
+heros bij Ovidius = Acis.
+
+Syme, Syme, eilandje in de dorische golf op de kust van Caria met
+eene gelijknamige stad en acht havens. Vroeger heette het Aegle en
+Metapontis, en kreeg den naam Syme naar eene dochter van Ialysus.
+
+Symmachus (Q. Aurelius), gevierd rom. redenaar uit den tijd van
+Theodosius den Gr., proconsul in Africa in 373 na C., praefect van
+Rome in 384 en 385, consul in 391, was een ijverig kampioen voor het
+herstel der oude goden, waartegen Ambrosius, bisschop van Milaan,
+in het strijdperk trad. Wij bezitten van hem nog eene verzameling
+brieven in 10 boeken en fragmenten van eenige redevoeringen.
+
+Symphoniaci, n.l. servi, een muziekkorps, dat aanzienlijke Romeinen
+er als huiskapel op nahielden.
+
+Symplegades, Symplegades, z. Cyaneae insulae.
+
+Symposium, symposion, z. Convivium en deipnon.
+
+Synesius, Synesios, wijsgeer uit Cyrene, geb. omstreeks 370 na C. In
+410 ging hij, niet zonder gemoedsbezwaren, tot het Christendom over en
+werd bisschop van Cyrene. Zijne wijsgeerige en godsdienstige werken,
+die voor een gedeelte bewaard gebleven zijn, behooren tot de beste
+voortbrengselen der letterkunde van dien tijd.
+
+Synnada, ta Synnada, stad in het O. van Phrygia, met rijke
+marmergroeven. Het werd eerst onder de Rom. belangrijk als zetel
+van een conventus en vervolgens als hoofdstad der provincie Phrygia
+salutaris.
+
+Synthesis, een gemakkelijk gewaad van griekschen snit, waarvan men
+alleen weet, dat het in huis en vooral aan tafel werd gedragen.
+
+Syphax, koning der Massaesylii in Numidia, werd in 213 de bondgenoot
+der Rom. tegen Carthago en werd door Masinissa, die op Carthago's
+hand was, tijdelijk uit zijn rijk verdreven. Hierdoor en door den dood
+der gebroeders P. en C. Scipio in Hispania ging het verbond te niet,
+doch het werd hersteld door den jongeren Scipio (Africanus maior), die
+tijdens zijn verblijf in Hispania in persoon Syphax opzocht, op welke
+reis hij bijna in handen der Carthagers was gevallen. Doch de Carthager
+Hasdrubal (no. 4) wist door de hand der schoone Sophonisbe, die reeds
+met Masinissa verloofd was, Syphax te winnen, zoodat deze tot de zijde
+der Carthagers overging, terwijl daarentegen Masinissa hun verbitterde
+vijand werd en op zijn beurt door Syphax werd verjaagd. Toen Scipio
+in Africa landde, beschikte Syphax over een leger van 60000 man,
+waarbij zich zijn schoonvader met 30000 man carthaagsche troepen
+aansloot. Het gelukte Scipio echter, Syphax driemaal te verslaan en ten
+slotte nam Masinissa hem gevangen (203); hij moest de zegepraal des
+overwinnaars opluisteren en stierf als gevangene te Tibur. Masinissa
+wilde Sophonisbe redden door zelf haar te huwen, doch tevergeefs.
+
+Syracusae, Syrakousai, thans Siragossa, de aanzienlijkste stad
+van Sicilia, met Agrigentum de oogen des lands genoemd, omstreeks
+735 door Doriërs onder aanvoering van zekeren Archias van Corinthe
+gesticht. Tijdens zijn grootsten bloei had Syr. eene bevolking van een
+half millioen en een omtrek van 6 uren gaans. Het bestond eigenlijk
+uit vijf afzonderlijk ommuurde steden. Het oudste gedeelte was het
+eiland Ortygia ook wel alleen Nasus (dorisch = nesos) geheeten, met
+de bron Arethusa, de tempels van Athena en Artemis, en het paleis
+van Hiero, waar later de rom. praetoren verblijf hielden. Door
+een dam, later door een brug, was dit gedeelte met het vaste land
+verbonden. Men kwam dan in Achradina, het fraaiste gedeelte, op de
+steile hoogte langs de kust gebouwd, met prachtige gebouwen, als:
+het theater, het prytaneum, den tempel van Zeus Olympicus. Tijdens
+den peloponnesischen oorlog bestond de stad nog slechts uit deze
+beide kwartieren. Aan Achradina sloten zich later Tyche en Neapolis
+aan. Tyche droeg zijn naam naar den tempel der Tyche en was het meest
+bevolkte deel der stad. Neapolis, ook Temenites (z. a.) geheeten,
+had vele tempels en het grootste theater van Sicilia. Dan kwam nog
+Epipolae, op een bergrug gelegen en van buiten ongenaakbaar, met de
+kasteelen Euryalus en Labdalum. Nabij Achradina vond men de groote
+steengroeven of catacomben, lautumiae, die tevens tot gevangenis
+dienden. Daar Ortygia aan den ingang eener baai lag, vormde zich
+daarachter een natuurlijke haven, de groote haven genoemd, die 2 2/3
+uur gaans in omtrek was en waarvan de ingangen met kettingen konden
+worden afgesloten. Aan den anderen kant, ten N.O. lag de kleine
+haven, Portus Laccius of Marmoreus, met werven, arsenalen, enz.--De
+geschiedenis van Syracusae is eene aaneenschakeling van oorlogen,
+burgertwisten, omwentelingen, tyrannieën. De regeering was eerst
+aristocratisch; omstreeks 500 joegen het volk en de slaven de rijken
+uit de stad, doch Gelo, tyran van Gela, bracht de verdrevenen terug en
+maakte zich van Syr. meester (485). Onder Gelo en diens broeder Hiero
+I werd de stad machtig en bloeiend door het overbrengen van inwoners
+uit andere veroverde plaatsen. Een derde broeder, Thrasybulus,
+speelde den dwingeland, doch werd verdreven. Over den oorlog met
+Athene z. Nicias. In den strijd tegen Carthago, toen in 410 een
+leger van meer dan 100000 man op Sicilia landde, vertrouwde Syr. het
+legerbevel aan een burger, Dionysius, toe, die zijne macht misbruikte
+om zich tot tyran op te werpen (405). Hij bouwde ook op Ortygia eene
+acropolis. In 367 werd hij opgevolgd door zijn zoon Dionysius II,
+die in 344 door Timoleon werd verdreven; Syr. ademde weer vrij en
+de Carthagers werden bij den Crimisus geheel verslagen (339). Weldra
+echter dook opnieuw de tyrannenheerschappij op; o. a. kwamen aan het
+bewind Agathocles (317-289), Hicetas (289-280), Hiero II (270-215),
+de trouwe bondgenoot der Romeinen, die den titel van koning aannam. Na
+zijn dood geraakte Syr. in onmin met Rome en werd na een tweejarig
+beleg in 212 door M. Claudius Marcellus veroverd. Sedert dien tijd ging
+de stad achteruit, zoodat, toen Augustus er eene kolonie heenzond,
+Ortygia voldoende ruimte aanbood. Behalve de wis- en werktuigkundige
+Archimedes (gest. 212) waren ook de dichters Theocritus en Moschus
+te Syr. geboren.
+
+Syria, Syria. Onder dezen naam verstond men oudtijds het oostelijke
+kustland der Middellandsche zee, van de golf van Issus tot Aegypte,
+met inbegrip van Phoenicië en Palaestina, en landwaarts in tot aan
+de woestijn. Neemt men Phoenicië en Palaestina er af, dan blijft
+voor Syria in engeren zin het volgende over: Commagene in het N.O.,
+Syria superior en Coelesyria. Het land was arm aan water; de grootste
+rivieren zijn de Orontes en de Jordaan, Syrië bestond oudtijds uit
+verschillende rijkjes, die herhaaldelijk met de Israëlieten in oorlog
+waren en evenals de rijken van Israël en Juda de prooi werden van
+Assyrië en Babylonië en daarmede onder Perzië kwamen. Na den dood
+van Alex. d. Gr. ontstond het machtige Seleucidenrijk, dat bijna het
+geheele aziatische gedeelte van Alexanders rijk omvatte. Bithynia,
+Paphlagonia, Pontus en Cappadocia erkenden Seleucus' opperhoogheid,
+Pergamus stelde zich in 284 onder zijne bescherming. Onder Seleucus'
+zoon Antiochus I Soter (280-261) ging het gezag over de genoemde
+vasalstaten verloren; onder Antiochus II Theos (261-247) het geheele
+oosten van het rijk, waaruit twee nieuwe staten, Bactrië en Parthië
+ontstonden; Antiochus III de Groote (224-187) verloor aan de Rom. wat
+hij nog in Voor-Azië bezat; daarentegen won hij Phoenicië en Judaea
+van Aegypte (200), welke gewesten hij echter niet behield. Onder
+Antiochus IV Epiphanes (175-164) werden Phoenicia en Palaestina
+wel opnieuw veroverd, doch in den opstand der Maccabaeën vochten
+de getergde Joden zich vrij. Van nu af aan is Syrië een rijk van
+ondergeschikt belang. In 70 werd het door Tigranes van Armenië
+veroverd; twee jaar later, toen Tigranes verslagen was, werd door
+L. Licinius Lucullus wel nog een Seleucide op den troon van Syrië
+geplaatst, Antiochus XIII, doch Pompeius zette dezen eenvoudig af en
+gaf hem Commagene, met de bewering, dat na de nederlaag van Tigranes de
+door dezen verdreven Seleuciden niet billijkerwijze over Syrië konden
+blijven heerschen. Syria werd nu rom. provincie (63). Het werd niet
+dadelijk geheel bij Rome ingelijfd; enkele distrikten, als Chalcidene,
+Emesa, Abilene, Damascus, werden nog voor korter of langer tijd aan
+schijnkoninkjes afgestaan (zie ook Palaestina), doch ten tijde van
+Hadrianus was alles voor goed ingelijfd. Syria werd toen gesplitst in
+Syria Coele of Magna Syria, ook kortweg Syria genoemd, Syria Phoenice
+en Syria Palaestina, het laatste met Caesarea tot hoofdstad. In 430 na
+C. was Syria aldus verdeeld: Syria I met Antiochia, S. II met Apamea,
+Phoenicia I met Tyrus, Ph. II met Damascus, Palaestina I met Caesarea,
+Pal. II met Scythopolis, Pal. III met Petra tot hoofdstad.
+
+Syria dea, Syria theos = Dercetis en Astarte.
+
+Syriae portae, zie Amanus.
+
+Syrinx, Syrinx, dochter van den riviergod Ladon. Toen zij voor Pan
+vluchtte, die haar met zijne liefde vervolgde, werd zij op hare
+bede door haar vader in riet veranderd, waaruit Pan zich de eerste
+herdersfluit sneed, die haar naam kreeg. Deze fluit (fistula) bestaat
+uit 7 of meer rietpijpen van ongelijke lengte of dikte, met was
+aan elkander verbonden. De herders maakten zich zulk een instrument
+gewoonlijk zelf en bespeelden het dikwijls met groote bekwaamheid.
+
+Syrma, syrma, slepend tooneelgewaad, door de tooneelspelers gedragen,
+die goden of heroën voorstelden. Zij schenen door deze dracht grooter.
+
+Syrtes, Syrteis, twee inhammen op de kust van het tegenw. Tripoli;
+de Syrtis magna heet thans golf van Sidra, de Syrtis minor golf van
+Cabes; de naam komt van syrein.
+
+Syrtica regio, Syrtike, het kustland tusschen de Syrten, ook
+Tripolitana genaamd naar de steden Leptis, Oea en Sabrata.
+
+Syrus (Publilius), zie Publilius Syrus.
+
+Syrus, Syros, thans Syra, een der Cycladische eilanden, bij Homerus
+Syrie genoemd en door hem afgeschilderd als rijk aan koren, wijn
+en vee.
+
+
+
+
+
+
+T.
+
+
+Tabae, Tabai, 1) stad in het perzisch-medische distrikt Paraetacene,
+aan den heerweg van Persepolis naar Ecbatana.--2) bergstad aan de
+O. grens van Caria.
+
+Tabella, zie tabula.
+
+Tabellariae (leges), de 4 wetten, waarbij geheime stemming met
+stembordjes, tesserae of tabellae, in de comitiën werd ingevoerd. 1)
+lex Gabinia, van een overigens onbekenden volkstribuun A. Gabinius,
+voor de kiescomitiën, in 139.--2) lex Cassia, van den volkstribuun
+L. Cassius Longinus, 137, voor rechterlijke comitiën, behalve
+in zaken van perduellio.--3) lex Papiria, van den volkstribuun
+C. Papirius Carbo, 131, voor wetgevende comitiën.--4) lex Caelia van
+den volkstribuun L. Caelius, 107, ook voor perduellio. Zie ook tabula.
+
+Tabellarius, postbode. De ouden kenden geene geregelde postverzending,
+doch menschen, die geregeld in betrekking stonden met het buitenland of
+die een werkkring in de provinciën hadden, hielden er eigen tabellarii
+op na, die de correspondentie over en weer brachten en dan ook voor de
+vrienden hunner patroons brieven medenamen, zoodat er op deze wijze
+een vrij levendig brievenverkeer tusschen Rome en de verschillende
+deelen des rijks plaats had. De stadhouders hadden hunne koeriers,
+statores. Augustus organiseerde eene keizerlijke koerierpost, waartoe
+op verschillende punten wisselplaatsen, mutationes, waren gevestigd, om
+versche paarden te verkrijgen, en op sommige halten gelegenheid was te
+overnachten, mansiones. Behalve de keizerlijke koeriers, speculatores,
+en ambtenaren in dienst, mocht niemand van de postrijtuigen gebruik
+maken zonder speciale schriftelijke vergunning, diploma.--De perzische
+koningen hadden eene uitstekend ingerichte koerierpost te paard. De
+dépêches werden in vollen ren van het eene station naar het andere
+overgebracht, waar steeds een koerier, angareus, met een gezadeld
+paard gereed stond om de dépêches van den aankomenden koerier over
+te nemen en onverwijld verder te brengen.
+
+Tabernae, naam van onderscheidene pleisterplaatsen aan de
+rom. heerwegen, o.a. tusschen Argentoratum (Straatsburg) en Noviomagus
+Nemetum (Spiers), thans Rheinzabern en ééne ten O. daarvan, thans
+Bergzabern in den Elzas, en een versterking ten W. van Straatsburg,
+op weg naar Decempagi (Dieuze), gewoonlijk Tres Tabernae geheeten,
+tegenw. Zabern in den Elzas. Tres Tabernae was verder eene halteplaats
+in Latium aan de via Appia, tusschen Aricia en Forum Appii, een andere
+halte van dezen naam lag in Gallia Transpadana tusschen Placentia
+(Piacenza) en Mediolanium (Milaan).
+
+Tablinum, een vertrek in rom. huizen, in den regel achter het atrium
+gelegen en oudtijds ingericht tot bureau van den heer des huizes,
+tot familie-archief en dgl., later ook tot andere doeleinden gebezigd,
+o. a. ook wel voor eetvertrek.
+
+Tabula, tabella, tessera. Tabula is een plank of houten bord,
+tabella is er een verkleinwoord van, tessera een vierkant plaatje
+of blokje, onverschillig van welke stof, evengoed een plankje als
+een kubus. De drie benamingen werden niet streng gescheiden. Tabula
+picta, schilderij, ook landkaart. Tabula votiva, eene schilderij,
+welke iemand, die uit een groot gevaar gered was, van deze redding
+liet vervaardigen en als dankbewijs in den tempel van eene of andere
+godheid ophing, of wel eene plechtige, op eene tabula geschreven
+dankbetuiging aan de reddende godheid. Tabulae ceratae zijn met was
+bestreken plankjes, op de manier van dichtslaande leitjes, zooals ze
+vroeger in Indië veelvuldig werden gebezigd. Men gebruikte ze voor
+briefwisseling, zij werden met een draad, linum, kruiswijze omwonden
+en de knoop werd verzegeld. Tabulae heetten ook de rekenborden,
+die de kinderen op school gebruikten, zooals bij ons leien in
+gebruik zijn. Tabulae publicae zijn alle openbare oorkonden en
+bekendmakingen, b.v. tabulae proscriptionum, aankondiging van publieke
+verkoopingen, in de burgeroorlogen de openbaar gemaakte lijsten van
+vogelvrijverklaarden. Tabulae accepti et expensi, boek van ontvangst en
+uitgaaf, kasboek. Tabulae Caeritum, de lijsten der aerarii (z.a.). Ook
+de groote marmeren of koperen platen, waarop dikwerf wetten en
+besluiten werden gebeiteld of gegrift, worden tabulae genoemd, vandaar
+de naam leges duodecim tabularum. De stembordjes of stemplankjes bij de
+comitia en iudicia worden soms tabellae, doch meest tesserae geheeten;
+bij het stemmen over wetsvoorstellen beteekende A antiquo = ik ben
+voor het oude, dus = tegen, V. R. uti rogas = zooals gij voorstelt,
+dus = vóór. Bij rechterlijke comitia was L libero, D damno. Bij
+de quaestiones perpetuae had men nog bovendien N. L., non liquet,
+waardoor men te kennen gaf, nog niet voldoende te zijn ingelicht,
+zie Acilia lex de repetundis. Bij de eigenlijke stemming gebruikte
+men voor vrijspraak en veroordeeling: A absolvo, C condemno. Over de
+tessera frumentaria zie men het artikel annona. Ook het toegangsbewijs
+voor het theatrum, den circus en dgl. heette tessera. Tesserae zijn
+ook dobbelsteenen, zie alea. Tessera hospitalis is het bewijs van een
+verbond van gastvriendschap tusschen twee familiën in verschillende
+plaatsen; op een plankje werden de namen der beide familiën geschreven,
+een aan elken kant, vervolgens werd het middendoor gebroken en kreeg
+elke familie de helft; op vertoon van dit stuk was men zeker van eene
+gastvrije ontvangst. Tessera militaris was eene, waarop het wachtwoord
+geschreven stond; degenen, die dit woord moesten weten, teekenden ze
+voor gezien, en zoo kwam zij bij den bevelhebber terug; ook bevelen
+in het legerkamp werden dikwerf op deze manier gegeven. Bij een zoo
+veelvuldig gebruik werd niet altijd de vierzijdige vorm bewaard;
+eene tessera theatralis, te Pompeii gevonden, heeft den vorm van een
+penning met het opschrift:
+
+
+ CAV. II
+ CVN. III
+ GRAD. VIII.
+ CASINA
+ PLAVTI
+
+
+d. w. z. cavea II = 2de rang, cuneus III = 3de sector, gradus VIII =
+8ste rij, voor de Casina (eene comoedia) van Plautus.
+
+Tabularium, het rijksarchief. Voor de foedera was er een archief
+op het Capitool, voor alles wat het geldelijk beheer betrof, was
+het archief, met het aerarium vereenigd, in een achtergebouw van
+den Saturnustempel. Het archief der volkstribunen was evenzoo in
+den tempel van Ceres, hier werden de plebiscita en senatusconsulta
+bewaard. Na den brand van het Capitool in 83 werd er in 78 door
+Q. Lutatius Catulus (zie Lutatii no. 5) een algemeen rijksarchief
+gebouwd (tabularium) in de inzinking tusschen de twee toppen van het
+Capitool, met den voorkant naar het forum, op welks grondslagen in de
+Middeleeuwen het tegenwoordig stadhuis van Rome (Palazzo del Senatore)
+is opgetrokken. Het keizerlijk archief heet tabularium Caesaris.
+
+Tabularum (leges XII), de eerste verzameling geschreven wetten, op
+twaalf tabulae gegrift, waarvan volgens de overlevering 10 in 451
+en 450 onder de decemviri werden vervaardigd en de laatste twee in
+449 onder het consulaat van M. Horatius Barbatus en L. Valerius
+Poplicola. Zij waren fons omnis publici privatique iuris en
+bleven voor het burgerlijk recht tot het einde toe de grondslag der
+rom. wetgeving, waaraan de edicten der praetoren (zie ius honorarium)
+zich aansloten. Tot meer dan twee eeuwen na C. stonden zij te Rome
+op het forum ten toon gesteld. Wat wij er echter van weten, berust op
+aanhalingen en uitleggingen van rom. rechtsgeleerden en is gedeeltelijk
+van jongeren datum.
+
+Taburnus, een bergrug op de grenzen van Samnium en Campania, waardoor
+de bergpas van Caudium aan de Zuidzijde werd begrensd. De noordelijke
+helling was ruw, de zuidelijke daarentegen rijk aan vruchtboomen.
+
+Tacfarinas (gen. -atis), een Numidiër, die eerst onder Tiberius in de
+rom. gelederen diende, doch deserteerde en een opstand verwekte (17 na
+C.), welke eerst onderdrukt werd, doch weder opvlamde (19) en eerst met
+groote inspanning in 24 door P. Cornelius Dolabella werd onderdrukt.
+
+Tachompso, Tachompso, half aegyptische stad in het aethiopische
+distrikt Dodecaschoenus, op een eiland in den Nijl gelegen,
+doch overschaduwd en in verval geraakt door den aanwas van de
+tegenoverliggende stad Pselchis.
+
+Tachos, Tachos, zoon en opvolger van Nectanabis I. Geholpen door
+grieksche troepen onder Agesilaus (361) en Chabrias wist hij eenigen
+tijd weerstand te bieden aan de aanvallen van Perzië, maar toen zijn
+neef Nectanabis II tegen hem opstond en Agesilaus zich bij dezen
+aansloot, onderwierp T. zich aan Artaxerxes, aan wiens hof hij zijn
+verder leven doorbracht.
+
+Tacitus (M. Claudius), rom. keizer, geb. te Interamna, in 275 na C. op
+meer gevorderden leeftijd door den senaat als opvolger van Aurelianus
+verkozen, een ernstig, fijn beschaafd en waardig man. Hij werd na een
+voorspoedigen veldtocht tegen de Gothen, die van uit Zuid-Rusland
+langs de Oostkust van de Zwarte Zee in Klein-Azië gevallen waren,
+door zijn soldaten, na eene regeering van 6 maanden, waarschijnlijk
+te Tyana, vermoord (276). Hij regeerde geheel naar den zin van den
+senaat, waartoe hij behoord had.
+
+Tacitus (P. Cornelius), beroemd rom. geschiedschrijver, schoonzoon
+van Cn. Iulius Agricola, met wiens dochter hij in 78 na C. huwde. In
+80 of 81 werd hij quaestor, vervolgens aediel of volkstribuun,
+in 88 praetor en in 97 (onder Nerva) consul. Dat hij ook, evenals
+keizer Tacitus, die hem onder zijne voorzaten rekende, te Interamna
+in Umbria geboren is, is niet waarschijnlijk, hoewel er in die stad
+(thans Terni) in 1514 een gedenkteeken voor hem is opgericht. In 89
+verliet hij met zijne vrouw Rome, naar men vermoedt als legatus pro
+praetore provinciae Belgicae, en keerde daarheen in 93 wegens het
+overlijden van zijn schoonvader terug. In 111 of 112 was hij proconsul
+van Asia. Hij was bevriend met den jongen Plinius. Tacitus heeft zijn
+naam vereeuwigd door zijne geschriften: 1º. Dialogus de oratoribus,
+waarschijnlijk in 81 nog in ciceroniaanschen stijl geschreven, in den
+vorm van een gesprek een zeer belangrijke verhandeling bevattend over
+de geschiedenis der romeinsche litteratuur. 2º. de vita et moribus
+Cn. Iulii Agricolae, in 98 uitgegeven, een levensbeschrijving van
+zijn schoonvader, en een historisch-geographische bespreking van
+Britannia bevattend. 3º. Germania of de origine situ moribus ac
+populis Germanorum, uitgegeven in 98; het eerste deel bespreekt in
+het algemeen den oorsprong en de zeden der Germanen, het tweede de
+verschillende volksstammen. 4º. Historiae, waarschijnlijk 14 boeken,
+uitgegeven na elkaar in de jaren 104-111; ze beschreven de geschiedenis
+van Galba tot aan den dood van Domitianus. Over zijn nog: boek I-IV
+en het begin van V, waarin de jaren 69 en 70 (gedeeltelijk) behandeld
+worden. 5o. ab excessu Divi Augusti libri XVI, ook annales geheeten,
+van den dood van Augustus tot op dien van Nero, waarvan echter slechts
+boek I-IV in hun geheel, V en VI met eene groote gaping, van XI een
+gedeelte, XII-XV weder geheel en XVI gedeeltelijk over zijn. Ze zijn
+geschreven en uitgegeven in de jaren 115-117. De stijl van Tacitus
+is levendig en kernachtig, doch door zucht tot beknoptheid menigmaal
+duister. In weerwil zijner waarheidsliefde wordt hij door sommigen
+niet altijd billijk in zijne waardeering van enkele keizers geacht,
+met name jegens Tiberius. Het is er Tacitus niet in de eerste plaats
+om te doen, de waarheid mede te deelen, maar om de gebeurtenissen,
+door anderen beschreven te stiliseeren. Aan hem moet men vooral
+zijn woordkunst bewonderen. Zijne geschriften hebben niet slechts
+eene wetenschappelijke, maar ook eene zedelijke strekking, die
+hij (ann. III. 65) uitdrukt in de woorden: quod praecipuum munus
+annalium reor, ne virtutes sileantur, utque pravis dictis factisque
+ex posteritate et infamia metus sit.
+
+Tader, rivier in het Z. van Hispania Tarraconensis, niet ver ten
+N. van Carthago Nova, tgw. Segura.
+
+Tadii, rom. geslacht, waarvan een paar leden in het proces tegen
+Verres als diens vrienden voorkomen.
+
+Taenarum, Tainaron, thans kaap Matapan, de middelste Zuidpunt van
+de Peloponnesus. Daar stond een tempel van Poseidon Asphaleios,
+ook als vrijplaats beroemd. In de nabijheid was eene grot, die een
+van de toegangen tot de onderwereld was en waardoor Heracles het
+monster Cerberus naar boven bracht. Ook zou hier Arion (z. a.) door
+zijn dolfijn aan land zijn gebracht. Er lag ook eene stad Taenarus
+of Taenarium; in den omtrek vond men aanzienlijke marmergroeven.
+
+Tagae, Tagai, stad in Parthia op de grenzen van Hyrcania, ten W. van
+Hecatompylus.
+
+Taephali of -lae, westgothische stam, die in de 4de eeuw n. C. in
+Dacia woonde.
+
+Tages, zoon van een genius, kleinzoon van Jupiter, kwam eens bij
+Tarquinii, terwijl een boer bezig was zijn land om te ploegen,
+als knaap uit een diepe vore te voorschijn. Op het geroep van den
+verschrikten landman kwamen velen toesnellen; T. onderwees hen in
+de etruscische voorspellingskunst (haruspicina) en stierf terstond
+daarop. Sommige van zijne lessen waren opgeteekend in de Acheruntici
+libri.
+
+Tagos, in Thessalië titel van den opperbevelhebber van het leger,
+later ook van den hoogsten overheidspersoon.
+
+Tagus, Tagos, rivier in Hispania, thans de Taag (Tajo, Tejo), rijk
+aan stofgoud, visschen en aan den mond met oesterbanken.
+
+Taifali = Taephali.
+
+Talaonides, Tala(i)onides, Adrastus, zoon van Talaüs.
+
+Talassio, -sius, romeinsch huwelijksgod, die bij het geleiden van de
+bruid naar het huis van haar echtgenoot luide werd aangeroepen. Men
+verhaalde dat iemand, die bij den sabijnschen maagdenroof het schoonste
+meisje gegrepen had, om haar tegen aanranding te vrijwaren voorgewend
+had, dat zij voor Talassius, een aanzienlijk en algemeen bemind
+Romein, bestemd was. Maar het volk, dat zijn list doorzag, hield hem
+bij zijn woord en allen hielpen hem nu het meisje naar T. brengen,
+terwijl men schertsend luide riep: Talassio.
+
+Talaüs, Talaos, zoon van Bias en Pero, koning van Argos, een van de
+Argonauten, vader van Adrastus, Eriphyle e. a.
+
+Talentum, talanton, oorspronkelijk de weegschaal, vervolgens een
+bepaald gewicht = 26.2 kilo, eindelijk een geldsom, overeenkomend met
+de waarde van dit gewicht in zilver. Men rekent het attische talent =
+f2820, het aeginetische en babylonische = 1 2/3, het euboeïsche =
+1-7/18 att. tal. Het talent was verdeeld in 60 minen, de mina in
+100 drachmen.
+
+Talos, Talos, 1) zoon eener zuster van Daedalus, vond verscheiden
+werktuigen uit, waarom zijn oom afgunstig werd op zijn roem en hem
+verraderlijk van de acropolis wierp. V. a. was zijn naam Perdix.--2)
+een koperen reus, die slechts één ader had, welke van het hoofd tot de
+voeten liep en daar met een pen gesloten was. Hij was door Hephaestus
+of Zeus aan Minos of Europa geschonken om Creta te bewaken; dagelijks
+liep hij driemaal om het eiland heen, en als hij vreemdelingen zag,
+maakte hij zich in een groot vuur gloeiend en drukte hij hen in
+zijne armen dood. Toen de Argonauten op Creta landden, doodde Medea
+hem door de pen uit zijn ader te trekken, zoodat hij doodbloedde;
+v. a. doodde Poeas hem met zijne pijlen.
+
+Talthybius, Talthybios, heraut van Agamemnon, te Sparta en Argos als
+heros vereerd. Van hem was het geslacht der Talthybiaden (Talthybiadai)
+te Sparta afkomstig, waaruit de herauten genomen werden; z. ook Bulis.
+
+Talus, dobbelsteen, zie alea.
+
+Tamassus, Tamasus, Tama(s)sos, stad op Cyprus, beroemd om hare
+kopermijnen, door sommigen voor het homerische Temesa gehouden.
+
+Tamesa of -sis, Tamesa, rivier in Britannia, thans de Theems.
+
+Tamias, in 't algemeen rentmeester, penningmeester. Te Athene was
+sedert het einde der vierde eeuw de t. of epimeletes tes koines
+prosodou, ook kortweg ho epi te dioikesei genoemd, een soort minister
+van financiën, die het beheer over de geheele schatkist voerde; hij
+werd door volkskeuze aangewezen en bekleedde zijn ambt vier jaar. Zijn
+departement was in talrijke onderafdeelingen verdeeld, waarvan ieder
+een eigen kas en een eigen beheerder had, die eveneens t. heette.
+
+Tamna, Tamna, groote, welvarende hoofdstad der Catabani in het
+Z. W. van Arabia felix, volgens het verhaal met 65 tempels en met
+een levendigen handel in specerijen en myrrhe.
+
+Tamos, Tamos, een Aegyptenaar, onder Tissaphernes stadhouder van Ionië,
+later bevelhebber der vloot van den jongen Cyrus.
+
+Tamphilus, familienaam in de gens Baebia.
+
+Tamynae, Tamynai, Tamynai, euboeïsche stad tot het gebied van Eretria
+behoorende, aan de Z. kust, ten O. van Eretria gelegen, in welker
+nabijheid Phocion den eretrischen tyran Callias versloeg.
+
+Tanager, rivier in Lucania met een gedeeltelijk onderaardschen loop,
+bij Forum Popilii. Hij stroomt naar het N. en valt in den Silarus.
+
+Tanagra, Tanagra, beroemde en belangrijke stad van Boeotia, aan
+den Asopus gelegen, niet ver van de grens van Attica. In den omtrek
+groeide de beste wijn van Boeotia. In 457 werden de Atheners hier
+door de Spartanen verslagen.
+
+Tanais, 1) rivier in Sarmatia, thans de Don, door de ouden als
+grensrivier tusschen Europa en Azië aangenomen. Dikwijls wordt deze
+stroom verward met den Jaxartes (Syr-Daria). Hij valt in den N.O. hoek
+der Palus Maeotis (zee van Azow).--2) stad, milesische volkplanting,
+aan den Zuidermond van bovengenoemde rivier.
+
+Tanaquil, Tanakyllis, gemalin van den rom. koning Tarquinius
+Priscus. Later schijnt zij met een rom. godin van het spinnen
+vereenzelvigd en te Rome onder den naam Gaia Caecilia vereerd te zijn.
+
+Tanarus, rechter zijrivier van den Padus (Po), stroomt langs Pollentia
+en Hasta (Asta), en valt boven Clastidium in den Padus.
+
+Tanaüs = Tanus.
+
+Tanetum, Taneton, stad der Boii in Gallia Cispadana, tusschen Parma
+en Mutina.
+
+Tanfana, Tamf., germaansche god of godin, had een tempel in het gebied
+der Marsi, die in 14 na C. door Germanicus verwoest werd.
+
+Tanis, Tanis, stad in de Nijldelta, op den rechteroever van den
+Tanitischen Nijlarm, hoofdplaats van het distrikt Tanites, residentie
+van eene der oude aegyptische dynastieën.
+
+Taniticum ostium, Tanitikon stoma, een van de Nijlmonden, ten W. van
+den Pelusischen Nijlmond gelegen.
+
+Tannetum = Tanetum.
+
+Tantalides, Tantalides, Pelops, Atreus, Thyestes, Agamemnon en Orestes,
+zoon en verdere nakomelingen van Tantalus.
+
+Tantalis, Tantalis, Niobe en Hermione, dochter en achterkleindochter
+van Tantalus.
+
+Tantalus, Tantalos, 1) zoon van Zeus of Tmolus en Pluto, zeer rijk
+koning van Phrygië, Lydië, Paphlagonië, Argos of Corinthe, genoot in
+hooge mate de gunst der goden, zoodat hij zelfs bij hunne maaltijden
+en vergaderingen werd toegelaten. Maar door zijn geluk overmoedig
+geworden, verried hij hunne geheimen, of hij stal nectar en ambrosia
+van hun tafel om die aan de menschen te geven, ook liet hij door
+Pandareüs een gouden hond uit den tempel van Zeus stelen en zwoer
+hij later, dat hij hem niet gekregen had; z. ook Pelops. Tot straf
+voor zijne misdaden moet hij in de onderwereld in een water staan,
+dat tot zijne lippen reikt, terwijl de heerlijkste vruchten boven
+zijn hoofd hangen, maar wanneer hij van het water of de vruchten
+tracht te genieten, dan wijken zij onmiddellijk totdat zij buiten
+zijn bereik zijn, zoodat hij altijd door honger en dorst gekweld
+wordt. V. a. hangt steeds boven zijn hoofd een zwaar rotsblok,
+dat dreigt hem te verpletteren.--Zijn rijkdom en zijn straf zijn
+spreekwoordelijk geworden: Tantalou talanta, chremata, dipsa. De
+vloek van zijne misdaden rustte op zijne kinderen, Pelops en Niobe,
+en op zijn geheel geslacht (Pelopiden).--2) een van de twee zonen van
+Thyestes, door Atreus (z. a.) gedood.--3) zoon van Amphion en Niobe.
+
+Tanus of Tanaüs, Tanos, Tanaos, rivier in Thyreatis of Cynuria,
+op de grenzen van Argolis.
+
+Tanusii, rom. geslacht, waarvan één lid tijdens Sulla's proscripties
+door Catilina werd omgebracht en een ander, Tanusius Geminus, de
+samenzwering van Catilina in een historisch werk behandelde, waarin
+ook van Caesar als deelgenoot werd gesproken. Z. Volusii.
+
+Taochi, Taochoi, volksstam in het N.O. van Pontus, aan de grens van
+Armenia, ten Z. van de Moschi.
+
+Taphiae insulae, Taphion nesoi, vroeger Teleboae insulae, Teleboon
+nesoi, geheeten, eene eilandengroep in de ionische zee tusschen
+het eiland Leucas en de acarnanische kust, oudtijds bewoond door de
+zeevarende Taphiërs of Teleboërs. Homerus noemt het grootste dezer
+eilanden Taphus, Taphos, later heette het Taphius, Taphious.
+
+Taphius, Taphios, zoon van Poseidon en Hippothoë, stichter van de
+stad Taphus op het eiland van dien naam.
+
+Taphrae, Taphrai, Taphros (= gracht), vestingwerk tot afsluiting van
+den hals der Chersonesus Taurica, op het smalste gedeelte der landengte
+(thans landengte van Perekop).
+
+Taphrus, Taphros (= gracht, kanaal), 1) = Taphrae.--2) de doorvaart
+tusschen Sardinia en Corsica, fretum Gallicum (straat v. Bonifacio).
+
+Taphus, zie Taphiae insulae.
+
+Taprobane, Taprobane, oude naam voor het eiland Ceylon.
+
+Tapuri, Tapouroi, wilde volksstam in Hyrcania.
+
+Taras, Taras, zoon van Poseidon, kwam van kaap Taenarum naar Italië
+en stichtte Tarentum.
+
+Taras = Tarentum no. 2.
+
+Taraxippos, een rond altaar in de renbaan te Olympia, staande op een
+plaats, waar de paarden dikwijls schichtig werden, naar men meende
+door den invloed van den geest van Myrtilus of Oenomaüs, die daar
+begraven was; z. ook Glaucus no. 2.
+
+Tarbelli, Tarbelloi, volk in Aquitania, tusschen den Aturus (Adour)
+en de Pyrenaeën. Hoofdstad: Aquae Tarbellicae.
+
+Tarchon, Tarchon, Tarkon, zoon of broeder van Tyrrhenus, stichter
+van 12 steden in Etrurië, waarvan eene naar hem Tarchonium (later
+Tarquinii) heette. Hij hielp Aeneas in zijn strijd tegen Turnus.
+
+Tarentini ludi = Terentini ludi.
+
+Tarentum, 1) = Terentum.--2) Taras, thans Taranto, Tarente, voorname
+stad in het Z. van Italia, aan een inham in den N.O. hoek van den
+sinus Tarentinus gesticht door Iapygiërs, doch later gekoloniseerd
+door de uit Sparta verdreven Partheniae onder aanvoering van
+Phalanthus (707), vandaar bij Horatius de benaming Lacedaemonium
+Tarentium. Tarentum, in eene allerbekoorlijkste streek gelegen,
+machtig door zeevaart, handel en nijverheid, verhief zich spoedig
+boven de andere grieksche volkplantingen van Magna Graecia, doch
+verviel ook tot een weelderigheid, die zijn ondergang ten gevolge
+had. De houding der Tarentijnen gedurende de samnietische oorlogen
+bracht hen in botsing met Rome. Zij riepen Pyrrhus, koning van Epirus,
+te hulp, die echter na twee overwinningen en ééne nederlaag Italia
+moest verlaten (275). De strijd, thans al te ongelijk, eindigde in
+272 met de verovering der stad, die daarbij half werd verwoest. In
+212 trachtten de tarentijnsche gijzelaars te Rome te ontvluchten,
+doch werden bij Tarracina achterhaald, teruggebracht en, na gegeeseld
+te zijn, van de Tarpejische rots geworpen. Op het bericht hiervan
+zwoeren eenige aanzienlijke jongelingen te T. samen, en hun verraad,
+geholpen door de zorgeloosheid van den rom. bevelhebber, speelde
+de stad aan Hannibal in handen. De burcht bleef echter in het bezit
+der Rom. In 209 werd T. door de Rom. heroverd en geplunderd, terwijl
+alles, wat de soldaten ontmoetten, over de kling werd gejaagd en 30000
+inwoners als slaven werden verkocht. In 122 werd er door C. Gracchus
+eene rom. kolonie heen gebracht, en dank zij hare ligging, verhief
+de stad zich weder tot een ongemeenen bloei, doch met de welvaart
+keerden ook weelderigheid en verwijfdheid terug (molle Tarentum).
+
+Tarichea, -cheae, Taricheia, -cheai, stad in Galilaea aan den
+westelijken oever van het meer van Tiberias of Gennesareth. De
+hoofdbron van bestaan was het zouten van visch, taricheuein, vandaar
+de naam.
+
+Tarne, Tarne, stad in Maeonia, bij Homerus vermeld.
+
+Tarpa, zie Maecius Tarpa.
+
+Tarpeii. 1) Sp. Tarpeius, bevelhebber van den burcht op den
+capitolijnschen berg in den oorlog na den sabijnschen maagdenroof, zou,
+volgens de sage, Rome aan de Sabijnen hebben willen overleveren, doch
+werd door Romulus met zijne dochter Tarpeia ter dood gebracht. Volgens
+een ander verhaal zou Tarpeia de Sabijnen hebben binnengelaten, onder
+belofte dat deze haar zouden geven wat zij aan den linkerarm droegen,
+waarmede T. een gouden armband bedoelde. Toen zij echter het Capitool
+bezet hadden, wierpen zij hunne schilden, die zij ook aan den linkerarm
+droegen, op het meisje, dat daaronder verpletterd werd. De steile
+rots, op welks top dit gebeurd was, aan den zuidhoek van het Capitool,
+kreeg en behield den naam saxum Tarpeium. Van deze rots werden soms
+ter dood veroordeelde staatsmisdadigers afgeworpen. Zie Capitolinus
+(mons).--2) Sp. Tarpeius Montanus Capitolinus, consul in 454; zie
+lex Aternia Tarpeia.
+
+Tarpeium (saxum), zie Tarpeii no. 1 en Gemoniae scalae, en Capitolinus
+(mons).
+
+Tarpeius, bijnaam van Jupiter Capitolinus, naar de Tarpejische rots
+nabij zijn tempel.
+
+Tarphe, Tarphe, locrische stad in een boschrijke streek aan den berg
+Cnemis, bij Homerus vermeld, met een tempel van Hera. Later Pharygae,
+Pharygai.
+
+Tarquinii, een etruscisch geslacht. 1) L. Tarquinius Priscus, vijfde
+koning van Rome. Volgens de sage zou hij de oudste zoon geweest zijn
+van den te Tarquinii gevestigden Corinthiër Demaratus (z. a. no. 2),
+op raad zijner echtgenoote Tanaquil zou hij naar Rome verhuisd zijn en
+daar zijn etrurischen naam Lucumo tegen dien van Tarquinius verwisseld
+hebben. Op zijn tocht, toen hij Rome reeds in het gezicht had, was een
+arend op hem toegevlogen, had hem den hoed afgenomen en dien weder op
+zijn hoofd laten vallen, waaruit Tanaquil hem een luisterrijke toekomst
+voorspelde. Te Rome maakte hij zich door vriendelijkheid en mildheid
+bemind en won het vertrouwen van Ancus Marcius, die hem tot voogd over
+zijne zonen benoemde. Na Ancus' dood nam Tarq. echter zelf bezit van
+den troon, met goedkeuring van senaat en volk. Hij verfraaide Rome,
+liet o. a. den circus maximus en de beroemde cloacae bouwen (volgens
+sommige nieuweren zijn de cloacae eerst in het begin der 2de eeuw
+aangelegd), legde op den Capitolinus de fundamenten van den grooten
+tempel van Jupiter, Juno en Minerva, nam nieuwe geslachten onder
+de patriciërs en 100 nieuwe leden in den senaat op (patres minorum
+gentium), verdubbelde het getal equites, oorloogde voorspoedig tegen
+Sabijnen en Latijnen, stelde de ludi Romani in, enz. Na eene 38-jarige
+regeering (616-579) werd hij door de zoons van Ancus Marcius vermoord
+en door Servius Tullius (z. a.) opgevolgd. Hetzij Tarquinius Priscus
+langs vreedzamen weg op den troon is gekomen, hetzij de Etruscers als
+veroveraars zijn opgetreden, met zijne troonsbeklimming treedt eene
+etrurische dynastie op, en etrurische invloed op de rom. instellingen,
+vooral wat koninklijke praal en godenvereering betreft, is niet
+te loochenen.--2) L. Tarquinius Superbus, laatste koning van Rome
+(534-510), schoonzoon van Servius Tullius, beklom den troon door eene
+omwenteling, die aan Servius het leven kostte. Hij bracht ook het
+zijne bij tot verfraaiing der stad, en voltooide o. a. den tempel op
+het Capitool; hij breidde door list zoowel als door kracht van wapenen
+het rom. gebied uit, versloeg de Volscen, maakte Rome tot hoofd van het
+latijnsche verbond en stichtte tot teeken daarvan op den Aventinus den
+bondstempel van Diana. Doch hij regeerde als een dwingeland, ontzag de
+patriciërs evenmin als de plebejers en stoorde zich aan senaat noch
+wetten. De overmoed zijner zoons, waarvan een, Sextus, de kuische
+Lucretia met geweld onteerde, deed de maat overloopen; Tarquinius,
+die juist de stad Ardea belegerde, vond bij zijne terugkomst de poorten
+van Rome gesloten en de koninklijke waardigheid afgeschaft. Hij zocht
+eerst hulp bij de etrurische steden Tarquinii en Veii, daarna bij
+koning Porsena van Clusium, vervolgens bij zijn schoonzoon Mamilius
+Octavius, dictator van Tusculum, die de Latijnen tot het verleenen
+van bijstand overhaalde. De slag bij het meer Regillus verijdelde
+ook deze laatste hoop en de verdreven koning begaf zich naar Cumae,
+waar hij overleed. De andere Tarquinii verhuisden naar Caere, waar hun
+familiegraf in 1847 ontdekt is. Toch vindt men ook later nog Tarquinii
+in Rome.--3) L. Tarquinius Collatinus, aldus genoemd omdat hij te
+Collatia, een uur gaans van Rome, woonde, bekleedde na de onteering en
+den zelfmoord zijner gemalin Lucretia (zie Lucretii no. 2) in 509 met
+L. Iunius Brutus het eerste consulaat. Toen echter het volk besloot,
+dat al wie tot de gens Tarquinia behoorde, met verbanning zou worden
+getroffen, legde T. zijn ambt neder en trok naar Lavinium.
+
+Tarquinii, Tarkynia, oude, beroemde stad in Etruria, aan de kust en de
+via Aurelia gelegen, wellicht eenmaal het hoofd der 12 etruscische
+bondssteden. Door de oorlogen met Rome geraakte de stad in een
+staat van verval, waaruit zij zich niet weder verhief. De necropolis
+der plaats (bij Corneto) heeft bij de opgravingen nog merkwaardige
+vondsten opgeleverd.
+
+Tarquitii, een rom. geslacht van weinig beteekenis. Vermeld zij
+slechts Tarquitius Priscus, de aanklager van T. Statilius Taurus
+(Statilii no. 5), wiens legatus hij geweest was. In 61 n. C. werd
+hij zelf wegens knevelarij veroordeeld.
+
+Tarracina, Tarrakine, latere naam van Anxur (z. a.), thans Terracina.
+
+Tarraco, Tarrakon, massilische volkplanting aan de hispanische kust,
+N.O.waarts van de monding van den Iberus (Ebro). In den tweeden
+punischen oorlog werd het door de Scipio's zeer versterkt en tot een
+hoofdarsenaal gemaakt. Onder Augustus werd het de hoofdplaats der
+provincie Hispania Tarraconensis. Thans Tarragona.
+
+Tarsus, Tarsos en -soi, oude hoofdstad van Cilicia, aan den Cydnus
+in eene heerlijke streek gelegen, de geboorteplaats van den apostel
+Paulus. Het was eene groote, welvarende stad, waar de studie van
+letteren en wijsbegeerte bloeide, en die ook onder rom. heerschappij
+belangrijk bleef, ofschoon zij meermalen te lijden had door de
+invallen van roofzieke bergstammen, de Isauriërs. Ter eere van
+C. Julius Caesar nam zij den naam Iuliopolis aan. Keizer Iulianus
+(Apostata) werd er begraven.
+
+Tartarus, Tartaros, rivier in Gallia Transpadana, thans Tartaro. Hij
+stroomt tusschen Athesis en Padus, en stort zich vervolgens te midden
+van moerassen in zee. Aan deze rivier lag Atria (Adria).
+
+Tartarus, -ra, Tartaros, -ra, de onderaardsche diepte, waar de
+Titanen, Cyclopen, Danaïden, Tantalus, Ixion e. a. hunne straffen
+wegens ernstige vergrijpen tegen de goden ondergaan, even ver
+beneden als de hemel boven de aarde, de woonplaats der Erinyen,
+Nyx e. a., door eeuwige duisternis bedekt. Soms algemeen = de
+onderwereld. Gepersonifiëerd is T. de zoon van Aether en Gaea, de
+vader van Typhoëus, Echidna en de Giganten.
+
+Tartessus, Tartessos. Dit is de oude naam voor Baetica, het
+stroomgebied van de Baetis (Guadalquivir), die zelf ook Tartessus
+genoemd wordt. De bewoners, Iberiërs, in het oude Testament Tarschisch,
+bij de Grieken Tartessii, (Tartes(s)ioi), bij de Romeinen Turti
+geheeten, splitsen zich later in de twee stammen der Turduli (in
+het binnenland) en der Turdetani (aan de kust). De hoofdstad van
+het land, ook Tartessus geheeten, lag op een eiland aan den mond der
+Guadalquivir. Het land voerde al in de hooge oudheid edele metalen,
+vooral zilver, uit. Bovendien zochten de inwoners met hun zeilschepen,
+die beter dan de phoenicische tegen eb en vloed bestand waren, de tin-
+en zilvermijnen van het N.W. van Spanje, en later de Cassiterides
+insulae (z. a.) op. Hun handel maakte hen rijk en welvarend.
+
+Taruenna, thans Thérouanne, stad der Morini, een volksstam op de
+tegenw. vlaamsche kust.
+
+Tarusates, volksstam in Aquitania, in de tegenw. Landes.
+
+Tarutius, een geleerd wijsgeer, wiskunstenaar en astroloog, een vriend
+van Varro en Cicero.
+
+Tatianus, Tatianos, bijg. ho Syros, een Assyriër, die in de laatste
+helft der 2de eeuw n. C. leefde, en na het bestudeeren der grieksche
+wijsbegeerte tot het Christendom overging, dat hij in verscheiden
+geschriften verdedigde. Hij hield eenigen tijd te Rome verblijf; na den
+dood van Justinus Martyr (in 167 onthoofd) keerde hij naar het Oosten
+terug, waar men hem later vindt als hoofd eener naar hem genoemde secte
+(Tatianoi), die zich door een streng ascetisch leven onderscheidde.
+
+Tatius (Titus), koning der Sabijnen, die na den sabijnschen maagdenroof
+op Rome lostrok, maar na de verzoening tusschen Sabijnen en Rom. vijf
+jaren gezamenlijk met Romulus over de vereenigde Tities en Ramnes
+regeerde, tot hij bij een offer te Lavinium of te Laurentum vermoord
+werd.
+
+Tatta, groot zoutmeer op de grenzen van Lycaonia, Cappadocia en voor
+een klein gedeelte ook van Galatia.
+
+Tauchira, Taucheira, stad op de kust van Cyrenaica, met een beroemden
+tempel van Cybele, later Arsinoë geheeten.
+
+Taulantii, Taulantioi, illyrische volksstam bij Epidamnus (Dyrrachium).
+
+Taüm, baai aan de Oostkust van Caledonia (Schotland), thans Firth
+of Tay.
+
+Taunus mons, gebergte in Germania, in het latere Nassau, thans nog
+Taunus geheeten, bij Aquae Mattiacae (Wiesbaden).
+
+Tauranitium, distrikt van Armenia, ten N. van Tigranocerta, ten
+O. grenzende aan het meer Thospitis.
+
+Taurasia, hoofdstad der Taurini, sedert Augustus rom. kol. onder den
+naam Augusta Taurinorum, thans Turijn.
+
+Taurentum, -roëntium, -rois, Tauroeis, sterk kasteel in het gebied
+van Massilia (Marseille), op de kust van Narbonensis. Tgw. Tarente.
+
+Tauri, Tauroi, wilde, ruwe volksstam in het Z.W. van de Chersonesus
+Taurica, de tegenw. Krim, terwijl in het vlakke Noorden Scythen
+woonden. Zij stonden onder een koning en leefden van roof en
+oorlog. Aan hunne godin (Taurica dea, Taurione, Tauropolos),
+die door de Grieken met Artemis vereenzelvigd werd, brachten zij
+menschenoffers. Schipbreukelingen en krijgsgevangenen werden tot offers
+bestemd, vooral als het Grieken waren. Wanneer de koning overleed,
+werden zij, die hem het liefst waren, met hem begraven.
+
+Taurii ludi, taurische spelen, door Tarquinius Superbus ingesteld ter
+gelegenheid eener pest, tot verzoening der onderaardsche goden Dis en
+Proserpina, ook werden Apollo als afweerder der pest en Diana Lucina,
+benevens Jupiter en Juno aangeroepen. Het offer had 's nachts plaats
+vóór de Porta Carmentalis. De spelen zelf werden gehouden in het Circus
+Flaminius. De eenige keer, dat ze in historischen tijd gevierd zijn,
+was in het jaar 186.
+
+Taurica dea, Taurione, Tauro, Tauropolos, Artemis, zoo genoemd naar
+haar tempel in Tauris, waar haar menschenoffers gebracht werden,
+z. Iphigenia.
+
+Taurini, Taurinoi of Taurinoi, ligurische volksstam ten Z. van den
+Padus (Po). Hoofdstad Taurasia (Turijn). In hun gebied lag de saltus
+Taurinus, waardoor de Galliërs en later Hannibal trokken bij hun
+inval in Italië.
+
+Taurisci, keltische stam in Noricum, waarvan de naam nog voortleeft in
+het duitsche woord Tauern. Later worden ze gewoonlijk Norici genoemd.
+
+Tauriscus, Tauriskos, beeldhouwer van Tralles; van hem en zijn
+broeder Apollonius, is een beroemd werk, de farnesische stier,
+bewaard gebleven.
+
+Taurobolia, z. Rhea (Cybele).
+
+Tauroëntium, Taurois = Taurentum.
+
+Tauromenium, Tauromenion, thans Taormina, aanzienlijke stad aan de
+Oostkust van Sicilia op den berg Taurus gelegen. Na de verwoesting van
+het nabijgelegen Naxus in 358 door Dionysius I van Syracuse vestigden
+zich de overgebleven Naxiërs in T., dat hierdoor aanmerkelijk werd
+vergroot. In den sicilischen slavenopstand (141-132) had T. veel
+te lijden. In Cicero's tijd was het eene civitas foederata, doch in
+de burgeroorlogen moest het boeten voor zijn heulen met S. Pompeius
+en werd er eene kolonie van rom. veteranen heengezonden. Nog vindt
+men er belangrijke overblijfselen van het gedeeltelijk in de rotsen
+uitgehouwen theater, dat meer dan 30000 toeschouwers kon bevatten.
+
+Taurus, familienaam bij de Statilii (Statilii no. 4 en 5).
+
+Taurus, Tauros, het sterrenbeeld de Stier, werd gehouden voor den
+stier, die Europa ontvoerd had, of dien Poseidon aan Minos had
+geschonken.
+
+Taurus, Tauros, thans nog Taurus of Ala-Dagh geheeten, groote bergketen
+in Asia minor, die op de kust van Lycia bij kaap Chelidonium begint
+en door Pisidia en langs de N. grens van Cilicia loopt. Van daar
+gaat een tak als Antitaurus N. O. waarts, doorsnijdt Cappadocia en
+Armenia minor, om zich aan den mons Moschicus aan te sluiten, die
+weder de verbinding met den Caucasus vormt. De andere tak behoudt den
+naam Taurus en blijft in oostelijke richting doorloopen tot aan de
+samenhangende meren Thospitis en Arsissa. De Euphraat breekt in zijn
+loop door het gebergte heen. Een zijtak van den Taurus vormt de Amanus
+(z. a.). De Taurus is tot aan zijn top met bosch begroeid.
+
+Tavium, -via, Taouion, -ia, hoofdstad der keltische Trocmi in het
+O. van Galatia, aan het kruispunt van verschillende groote wegen
+gelegen en hierdoor belangrijk als stapel- en handelsplaats. Men vond
+er een tempel en een kolossus van Zeus.
+
+Taxiarchoi, te Athene 10 officieren, een uit iedere phyle. Zij voerden
+het bevel over de door hun phyle geleverde troepen; in rang volgden
+zij terstond op den opperbevelhebber.
+
+Taxila, ta Taxila, hoofdstad van den indischen vorst Taxiles ten tijde
+van Alexander den Gr., tusschen den Indus en den Hydaspes gelegen.
+
+Taxiles, Taxiles, koning van Taxila, onderwierp zich aan Alexander
+d. G. en voerde later voor hem tijdelijk het bewind over een deel
+van Indië.
+
+Taxis, de opstelling van een Grieksch leger vóór den slag. In den
+Trojaanschen oorlog, zooals die door Homerus beschreven wordt, valt
+het gevecht gewoonlijk uiteen in vele tweegevechten der basilees,
+die met hun strijdwagens vóór de infanterie uitrijden, en het voetvolk
+in vele phalanges opgesteld, heeft in het geheel geen invloed op den
+uitslag van den strijd. In den historischen tijd zijn de strijdwagens
+verdwenen, en het Grieksche leger bestaat uit één aanééngeschakelde
+slaglinie (z. phalanx) van dichtopeengeplaatste zich met hun schilden
+dekkende hopliten (z. hoplitai), die gewoonlijk 8 man diep opgesteld
+worden.
+
+Naast dit hoofdwapen had men dan nog de hulpwapens der hippes, toxotai,
+peltastai, en andere psiloi (zie onder deze artikelen). Talrijk waren
+deze burgerlegers niet; bij Marathon stonden hoogsten 5000 hopliten
+tegenover 4000 Perzen; bij Plataeae, de grootste slag, dien de vrije
+Grieken ooit geleverd hebben, stonden 20000 man tegen 18000 Perzen
+en op de hand der Perzen strijdende Grieken.--Ieder hopliet had tot
+zijn bediening een oppasser (z. psiloi). De hopliten waren, behalve
+in Sparta de 2000 eigenlijke Spartiaten, geen beroepsoldaten. Maar
+de algemeene voorliefde voor sport, ten minste bij de welvarenden,
+maakte dat ze met geringe voorbereiding bekwaam waren voor het leveren
+van een gevecht. Men naderde elkaar tot op 100 à 150 voet, en dan viel
+men in draf aan. Daar nu alleen de linkerzijde door het schild gedekt
+was, had elk grieksch leger de neiging, zich naar rechts te keeren,
+om zoodoende een aanval in zijn rechterflank te vermijden. Ook
+stonden op den rechtervleugel steeds de beste troepen. Zoodoende
+kwam het vaak voor, dat de rechtervleugel van beide partijen het
+won, en na het verslaan der linkervleugels met omgekeerd front
+met elkaar afrekende. Eerst Epaminondas heeft met deze dwaze wijze
+van vechten gebroken, en, door zijn kerntroepen 50 man diep op den
+linkervleugel op te stellen (zie Phalanx) bij Leuctra de macht van
+Sparta gebroken. Zie ook hamippoi. Omtrent de legers van Philippus en
+Alexander van Macedonië zie men de artikelen: pezetairoi, hetairoi,
+sarissa (het verschil tusschen hetairoi en sarissophoroi bestaat
+daarin, dat de eersten van adel zijn).
+
+Voor de uitrusting van den soldaat zie men onder: panoplia.
+
+Taygete, Taygete, eene van de Pleiaden, bij Zeus moeder van Lacedaemon
+en Eurotas. V. a. werd zij door Artemis in eene hinde veranderd om
+haar aan de vervolgingen van Zeus te onttrekken.
+
+Taygetus, -um, Taygetos, -on, ruw en woest grensgebergte tusschen
+Laconica en Messenia, in kaap Taenarum (Matapan) uitloopende, met
+loodmijnen en marmergroeven.
+
+Teanum, Teanon, 1) Teanum Apulum, in het N. van Apulia nabij de kust,
+aan den Frento.--2) Teanum Sidicinum, stad der Sidicini, geheel in
+het N. van Campania, met warme baden.
+
+Tearus, Tearos, rivier in Thracia, waarvan het water eene genezende
+kracht uitoefende op huidziekten. De Tearus was een zijtak van den
+Agrianes, die zich op zijne beurt in den Beneden-Hebrus stortte.
+
+Teate, hoofdstad der Marrucini, op een steilen heuvel gelegen, niet
+ver van de Adriatische zee.
+
+Tecmessa, Tekmessa, dochter van den phrygischen koning Teuthras. Zij
+werd door Aiax, den zoon van Telamon, op een strooptocht gevangen
+genomen en werd bij hem moeder van Eurysaces.
+
+Tectosages, Tektosages, een hoofdstam der keltische Volcae in het
+Z. van Gallia Narbonensis, met de hoofdstad Tolosa (Toulouse). Ook
+Narbo Martius (Narbonne) lag in hun gebied. Een gedeelte van dit volk
+vindt men na verschillende zwerftochten in het W.-deel van Galatia
+(z. a.) in Asia minor; hoofdstad: Ancyra.
+
+Tegea, Tegea, belangrijke stad in het Z.O. van Arcadia in het
+landschap Tegeatis, Tegeatis, met een krijgshaftige bevolking,
+die herhaaldelijk hare vrijheid verdedigde tegen de aanslagen van
+Sparta. Bij de Thermopylae en bij Plataeae gaven zij bewijzen van
+groote dapperheid. Uit haat en naijver tegenover Mantinea koos Tegea
+in den peloponnesischen oorlog partij voor Sparta, waaraan het ook
+in den corinthischen oorlog trouw bleef; de slag bij Leuctra evenwel
+(371) maakte de Tegeaten voor hunne eigene toekomst bezorgd en zij
+sloten zich bij Epaminondas en de Thebanen aan. Later verloor Tegea
+veel van zijn gewicht. Tegeaea, Atalante, dochter van Iasus uit Tegea.
+
+Tegyra, Tegyra, stad in Boeotia, ten N. van het meer Copais, met een
+tempel van Apollo.
+
+Teichopoioi, eene commissie te Athene, die het toezicht had over de
+werken tot onderhoud en vernieuwing van de stadsmuren, en de daarvoor
+bestemde gelden beheerde.
+
+Telamon, Telamon, zoon van Aeacus en Endeis. Na den moord van zijn
+stiefbroeder Phocus vluchtte hij naar Salamis, hij huwde met de
+dochter van koning Cychreus en volgde hem in de regeering op. Hij
+nam deel aan den tocht der Argonauten en aan de calydonische jacht,
+ook volgde hij Heracles op zijne tochten tegen de Amazonen en tegen
+Laomedon en was hij de eerste die den muur van Troje beklom. Tot loon
+voor zijne dapperheid werd hem de schoone Hesione, de dochter van
+Laomedon, gegeven. Hij werd bij haar vader van Teucer en Trambelus,
+bij eene andere gemalin, Eriboea, van Aiax. De stad Telamon in Etrurië
+was door hem op zijn terugreis van den Argonautentocht gesticht.
+
+Telamon, stad aan de kust van Etruria, ten N.W. van Cosa.
+
+Telamoniades, -nius, Telamoniades, -nios, Aiax en Teucer, zonen
+van Telamon.
+
+Telchin, Telchin, zoon of v. a. vader van koning Apis (z. a.)
+
+Telchines, Telchines, een priestergeslacht, dat in overoude tijden
+van Creta naar Cyprus en van daar naar Rhodus trok. Zij worden zonen
+van Thalassa en opvoeders van Poseidon genoemd. Zij waren groote
+kunstenaars en uitvinders van de meeste handwerken, vooral waren zij
+bekwaam in het bearbeiden van metaal, vandaar dat zij dikwijls met de
+Cyclopen en idaeïsche Dactylen en verder met de Cureten en Corybanten
+verwisseld werden. Ook waren zij machtige toovenaars, doch daar
+zij hun macht ten nadeele van goden en menschen gebruikten, werden
+zij door Apollo of door Zeus gedood.--V. a. verlieten zij Rhodus,
+omdat zij eene overstrooming voorzagen, en begaven zij zich deels
+naar Sicyon, deels naar Teumessus.--Naar hen wordt Rhodus Telchinis,
+Creta en Sicyon Telchinia genoemd.
+
+Telchinia, Telchinia, oude naam van Creta en Sicyon.
+
+Telchinius, -nia, Telchinios, -nia, bijnaam van Apollo, Hera en Athena,
+wier eeredienst door de Telchinen op Rhodus was ingevoerd.
+
+Teleboae, Teleboai, z. Taphilae insulae.
+
+Teleboas, Teleboas, zijtak van den Euphraat, in Armenia.
+
+Teleclides, Telekleides, dichter der oude attische comedie,
+tegenstander van Pericles.
+
+Telegonus, Telegonos, 1) z. Proteus.--2) zoon van Odysseus en
+Circe. Door zijne moeder uitgezonden om Odysseus te zoeken, landde
+hij bij toeval op Ithaca, waar hij, door honger gedreven, begon te
+plunderen en veel schade aanrichtte. Odysseus en Telemachus trokken
+hem te gemoet, en in den strijd, die hierop ontstond, doodde T. zijn
+vader zonder hem te kennen. Later huwde hij met Penelope en trok hij
+naar Italië, waar hij Tusculum en Praeneste stichtte.
+
+Telemachus, Telemachos, zoon van Odysseus en Penelope, was nog een
+zeer jong kind, toen zijn vader naar Troje vertrok. Toen deze 20 jaar
+afwezig was geweest, ging T., op raad en gedeeltelijk onder geleide
+van Athena, Nestor en Menelaus bezoeken om inlichtingen omtrent zijn
+vader in te winnen. Bij zijne terugkomst ontkwam hij gelukkig aan
+een hinderlaag, hem door de vrijers van Penelope gelegd; kort daarop
+vond hij zijn vader weder on hielp hij dezen bij de wraak, die hij
+op de vrijers nam. Na den dood van zijn vader ging hij met Telegonus
+naar Aeaea, hij huwde met Circe en kreeg bij haar een zoon, Latinus,
+die echter v. a. een zoon van Odysseus en Circe was. Of hij huwde
+met de dochter van Circe, Cassiphone, die hem doodde, nadat hij hare
+moeder had omgebracht. V. a. huwde hij met Nausicaa, de dochter van
+Alcinous, of met Polycaste, de dochter van Menelaus, en had hij bij
+eene van deze beide een zoon, Ptoliporthes. Ook wordt nog verhaald,
+dat hij naar Italië gegaan zou zijn, en dat daar zijne dochter Roma
+met Aeneas huwde.
+
+Telemus, Telemos, zoon van Eurymus, waarzegger bij de Cyclopen.
+
+Teleontes, v. s. betere lezing voor Geleontes.
+
+Telephanes, Telephanes, 1) van Sicyon, een van de oudste grieksche
+teekenaars.--2) bekwaam metaalgieter van Phocis of Phocaea, weinig
+populair, omdat hij voor Darius en Xerxes werkte of omdat hij in
+Thessalië woonde.
+
+Telephassa, Telephassa, echtgenoote van Agenor, vergezelde haar zoon
+Cadmus op zijne tochten, totdat zij in Thracië stierf.
+
+Telephus, Telephos, zoon van Heracles en Auge, werd na zijne geboorte
+te vondeling gelegd en door herders opgevoed. Toen hij volwassen
+was, ging hij op raad van het delphische orakel naar Mysië, waar
+hij zijne moeder vond, met de dochter van koning Teuthras trouwde
+en zijn schoonvader in de regeering opvolgde. Toen de Grieken op hun
+tocht naar Troje bij vergissing een inval in Mysië deden, werden zij
+door T. teruggeslagen, maar hijzelf struikelde over een wijnstok en
+werd door Achilles gewond. Bij deze gelegenheid vernamen de Grieken
+wie hij was, maar aan hun verzoek om mede tegen Troje op te trekken
+weigerde hij te voldoen, daar hij met een dochter van Priamus,
+Astyoche of Laodice, gehuwd was. De Grieken vertrokken daarop, maar
+werden door een storm naar hun vaderland teruggedreven. Daar de wond
+van T. niet genezen wilde, raadpleegde hij een orakel en ontving
+hij tot antwoord, dat alleen degene, die de wond had toegebracht,
+haar ook konde genezen. Hij begaf zich nu als bedelaar verkleed naar
+Griekenland en bad Agamemnon, terwijl hij met den kleinen Orestes
+in de armen als smeekeling aan den haard zat, hem te helpen. Daar
+Agamemnon intusschen een orakel had gekregen, dat alleen met de
+hulp van T. Troje konde genomen worden, bewerkte hij bij Achilles
+dat deze aan zijne bede zoude voldoen; door een weinig roest van de
+lans, waarmede de wond was toegebracht, genas zij terstond, waarop
+T. den Grieken de noodige inlichtingen gaf, zonder echter zelf aan den
+tocht deel te nemen.--Hij werd te Pergamus en op den berg Parthenius,
+waar hij te vondeling gelegd was, als heros vereerd.
+
+Teles, Teles, Cynicus uit het midden van de 3de eeuw.
+
+Telesia, Telesia, stad in Samnium, ten N. W. van Beneventum. Hier
+was Pontius Telesinus, de beroemde veldheer in den marsischen oorlog,
+geboren.
+
+Telesilla, Telesilla, van Argos, beroemde lierdichteres. Toen de
+spartaansche koning Cleomenes een inval in Argos deed, omstreeks 510,
+trok zij hem aan het hoofd der argivische vrouwen te gemoet en vuurde
+zij door hare liederen de mannen tot dapperheid aan. Van hare gedichten
+is zeer weinig bewaard gebleven.
+
+Telesphorus, Telesphoros, zoon van Asclepius, een genezing aanbrengend
+god, soms ook bijnaam van Asclepius.
+
+Telestes, Telestes, 1) laatste koning van Corinthe, 758-747.--2) van
+Selinus, beroemd dithyrambendichter omstreeks het midden der 4de eeuw.
+
+Telete, ieder zoenoffer of godsdienstige handeling, die van zonde
+bevrijdt, in het bizonder wordt de inwijding in mysteriën zoo genoemd
+met het oog op hun van schuld reinigende kracht.
+
+Teleutas, Teleutas, z. Teuthras.
+
+Teleutias, Teleutias, broeder van Agesilaus, voerde met roem het bevel
+over de spartaansche vloot in den corinthischen oorlog. In 382 werd
+hem het opperbevel in den oorlog tegen Olynthus opgedragen, waar hij
+het volgende jaar door onbezonnenheid een slag verloor en sneuvelde.
+
+Tellenae, Tellenai, oude stad in Latium, vermoedelijk een paar uren
+gaans van Rome naar den kant van Antium of van Ardea gelegen, door
+Ancus Marcius verwoest.
+
+Telliadae, Telliadai, oud beroemd geslacht van waarzeggers in Elis.
+
+Tellias, Tellias, z. Gellias.
+
+Tellumo, z. Tellus.
+
+Tellus mater, bij de Rom. de godin van het bouwland, later
+gelijkgesteld met de grieksche Gaea. Aan haar zijn de Fordicidia
+(z. a.) gewijd. Als voortbrengster van alle voedsel is zij nauw
+verwant met Ceres. Ter eere van beide godinnen te samen worden de
+feriae sementivae (z. a.) gevierd. Tellus behoort oorspronkelijk ook
+tot de goden van de onderwereld; onder den invloed van de grieksche
+Demeter komt hiervoor later Ceres in de plaats. Nevens Tellus stond
+een mannelijk wezen van geheel gelijken aard, Tellumo.
+
+Telmessus, Telmessos = Telmissus.
+
+Telmissis, Telmissis, kaap in Lycia, zie Telmissus no. 1.
+
+Telmissus, Telmissos, 1) stad aan de Westkust van Lycia aan de
+Telmissische golf en nabij kaap Telmissis, een uitlooper van den
+Anticragus. Er zijn o. a. nog overblijfselen van een theater en
+van grafkelders, in de rotsen uitgehouwen.--2) stad in Pisidia,
+ook Termessus geheeten, sterke vesting, aan een bergpas in den
+Taurus gelegen.
+
+Telo Martius, havenstad in Gallia Narbonensis aan de Middellandsche
+zee, thans Toulon.
+
+Telonai, te Athene pachters der staatsinkomsten. Voor de behoorlijke
+betaling der pachtsom werden borgen gesteld, bleef de betaling
+niettemin achterwege, dan verloor de schuldenaar zijne burgerrechten,
+ofschoon hem uitstel gegeven werd tot de 9de prytanie; had hij dan
+echter nog niet betaald, dan werd de schuld verdubbeld, en indien zij
+niet terstond betaald werd, werden zijne goederen verbeurd verklaard,
+bovendien kon de nalatige pachter gevangen genomen worden. Deze
+straffen troffen, naar het schijnt, zoowel den pachter als zijne
+borgen.--Voor zaken, die veel kapitaal vereischten, vereenigden zich
+dikwijls verscheiden pachters tot een vennootschap onder het bestuur
+van een telonarches of archones.
+
+Telonus, onzekere lezing voor Tolenus.
+
+Telphusa, Telphou(s)sa, Telphou(s)sa, stad in het N.W. van Arcadia
+aan den Ladon, die haren naam heeft gekregen naar een stroomnimf,
+dochter van den stroomgod Ladon.
+
+Telus, Telos, klein eiland, tot de Sporaden gerekend, halverwege
+tusschen de eilanden Rhodus en Cos, met dorische bevolking.
+
+Telys, Telys, tyran van Sybaris, toen de stad door de inwoners van
+Croton verwoest werd.
+
+Temenitis of -tes, Temenitis, -ites, bergkruin met een aan Apollo
+gewijde plek of temenos, waarnaar de geheele kruin ook Temenos werd
+genoemd en Apollo ook wel Temenites wordt bijgenaamd. Deze plaats
+werd vervolgens onder den naam Neapolis bij Syracusae getrokken.
+
+Temenus, Temenos, oudste zoon van Aristomachus, een van de Heracliden,
+die de Peloponnesus veroverden. Bij de verdeeling van het schiereiland
+kreeg hij de regeering over Argos, die zijne nakomelingen, de
+Temeniden (Temenidai), bleven behouden. Hij werd door zijn eigen
+zoon gedood, omdat hij zijn dochter en haar echtgenoot Deiphontes
+boven hem begunstigde. Ook de koningen van Macedonië noemden zich
+afstammelingen van T., zie Perdiccas no. 1.
+
+Temesa, Temese, 1) zie Tamassus.--2) ook Tempsa, Tempsa, genoemd,
+oude ausonische stad op de Westkust van Brutii, iets ten N. van Terina
+en den sinus Terinaeus, sedert 194 rom. kolonie.
+
+Temnus, Temnos, 1) stad in het aeolisch-aziatische kustland, aan
+den Hermus, een eind boven de monding gelegen, onder keizer Tiberius
+door eene aardbeving verwoest.--2) Temnon oros, gebergte in Mysia,
+dicht bij de grenzen van Lydia.
+
+Tempe, ta Tempe, eene meestal smalle vallei of bergkloof in het
+N.O. van Thessalia, tusschen den Olympus ten N. en den Ossa ten Z.,
+thans de bergpas van Lycostomo. Door dit dal stroomt de Peneus naar
+zee. Voordat Poseidon door eene aardbeving dezen uitweg voor de
+wateren van Thessalië opende, zou dit gewest een groot meer zijn
+geweest. Xerxes beweerde dat, zoo de Thessaliërs zich niet hadden
+willen onderwerpen, hij het dal Tempe slechts door een dam had
+behoeven af te sluiten, om hen allen te doen verdrinken. Wegens hare
+stoute en verhevene, doch tevens liefelijke en bekoorlijke natuur is
+deze vallei door de ouden veelvuldig geprezen. Dichters hebben den
+naam ook op andere liefelijke dalen toegepast, b.v. Heloria Tempe =
+het dal van den Helorus op Sicilia, Heliconia Tempe in Boeotia, enz.
+
+Templum, temenos, elke afgebakende en van de omringende ruimte
+afgescheiden plaats. Bij de Rom. heet aldus het waarnemingsveld, dat
+de augur onder het uitspreken van een zeker formulier aan den hemel met
+zijn staf afbakent, zie auguria. Op aarde verstaan de Rom. er eene plek
+gronds onder, die onder zekere vormen tot gewijden grond is gemaakt
+en van de omliggende ongewijde ruimte zichtbaar is afgescheiden,
+onverschillig hoe, hetzij door een muur, een wal, een staketsel, ja
+zelfs door een andere ligging van het plaveisel. Zoo was o.a. eene
+rom. legerplaats een templum, evenzoo het comitium; een tempel werd
+eerst tot templum wanneer hij volgens bepaalde regelen gewijd was
+(zie aedes).--Wat de tempelgebouwen betreft, zij stonden altijd op
+een vierzijdig voetstuk, waartoe men langs een of meer zijden met
+trappen opklom. Was het voorportaal, pronaos, of prodomos geheeten,
+aan drie zijden open, dan heette de tempel prostylus, prostylos. Was
+het alleen aan de voorzijde open, dan was de tempel een antentempel,
+zie antae. Loopt er een zuilengang rondom den tempel (zie blz. 101
+en 102), dan heet deze peripterus, peripteros; waren er ter zijde
+in plaats van zuilen alleen pilasters tegen den muur aangebracht,
+die dus alleen tot versiering dienden en niet om het dak te dragen,
+dan noemde men dit pseudoperipterus, pseudoperipteros. Deze laatste
+vorm werd door de Rom. boven den anderen verkozen. Soms had men achter
+den tempel, die dan naos amphiprostylos heet, nog een achterbouw,
+opisthodomos, onder hetzelfde dak, doch met een afzonderlijken ingang,
+welk gedeelte wel gebezigd werd tot bewaarplaats van zaken, niet met
+den godsdienst in verband staande, als staatsarchieven, schatkist en
+dgl. Vroege grieksche tempels hebben in plaats van een opisthodomos
+een adyton, zie adytum. Ook had men dubbeltempels, zooals dien van
+Roma en Venus te Rome, twee tempels, geheel aan elkander gelijk,
+onder één dak, met de achterzijde tegen elkander gebouwd, zoodat
+de beelden elkander den rug toekeeren. De gesloten binnenruimte van
+den eigenlijken tempel heette de cella, naos, sekos. Bij de Grieken
+was deze meestal langwerpig, bij de Rom. in navolging der Etruscers
+een kwadraat, dikwijls groot genoeg voor senaatsvergaderingen. Een
+voorbeeld van een griekschen dubbeltempel, uit twee niet gelijke
+gebouwen bestaande levert het Erechtheum op, waarvan de plattegrond op
+blz. 102 te zien is. De Rom. bouwden ook nog ronde tempels met gewelfd
+koepeldak, zooals het Pantheon (z. a.), soms peripteri, soms ook als
+geheel open koepels, alleen bestaande uit het voetstuk en het door
+zuilen gedragen dak, die monopteri heetten. Eene groote, dubbele deur
+verleende toegang tot den tempel, gaf deze geen licht genoeg, dan werd
+er in het dak eene schuine opening gelaten, die het licht liet vallen
+op het godenbeeld; was de hoogte van het dak boven den beganen grond te
+hoog voor de lengte van eene zuil, dan plaatste men twee rijen zuilen
+boven elkander, zoodat de tweede door den architraaf der benedenrij
+gedragen werd, zooals in de bijgevoegde teekening van een tempel
+te Paestum is te zien. Een driedubbele tempel was die van Jupiter,
+Juno en Minerva op het Capitool, waarvan hiervóór de plattegrond is
+weergegeven volgens het vermoeden van den italiaanschen bouwkundige
+L. Canina. Het voetstuk vormt een zuiver kwadraat, langs drie zijden
+zijn trappen. De aan drie zijden open voorhal gaf toegang tot de drie
+cellae, waarvan de middelste voor Jupiter was bestemd. Ten slotte is
+hier nog bijgevoegd eene afbeelding van den buitengewoon goed bewaard
+gebleven tempel te Nemausus (Nîmes), door Agrippa gebouwd.
+
+Tempsa = Temesa no. 2.
+
+Tempyra, ta Tempyra, vlek in Thracia, dicht bij de kust, ten W. van
+Doriscus. Bij T. lag een enge bergpas.
+
+Tenc(h)teri, Tenkteroi, Tenkteroi, germaansch volk, meestal met de
+stamverwante Usipetes verbonden. Door de Suebi opgejaagd, trokken zij
+over den Rijn naar Gallia, doch werden door Caesar teruggedreven en
+vestigden zich toen aan den rechteroever (tusschen Ruhr en Sieg). Zij
+waren uitstekende ruiters.
+
+Tenea, Tenea, stad tusschen Corinthus en Mycenae met een Apollo-tempel.
+
+Tenedus, Tenedos (= Tennou hedos, zie Tenes of Tennes), eiland met
+een gelijknamige stad en twee havens, tegenover de kust van Troas
+gelegen. Er was een beroemde tempel van Apollo Smintheus. In de
+perzische oorlogen werd T. eerst perzisch, later een trouwe bondgenoot
+van Athene, doch door den vrede van Antalcidas opnieuw aan Perzië
+prijsgegeven, door Alex. d. Gr. vrij verklaard, later rom.
+
+Te(n)nes, Te(n)nes, zoon van Cycnus (z. a. no. 2). Hij werd op Tenedus
+als heros vereerd en had er een tempel, waar de naam van Achilles niet
+mocht worden genoemd en geen fluitspeler mocht binnentreden, omdat
+een fluitspeler bij Cycnus valsche getuigenis tegen T. had afgelegd.
+
+Tensa, thensa, een praalwagen, met goud en ivoor versierd en van een
+hemel voorzien, waarin bij plechtige optochten, o. a. bij de opening
+der ludi Romani en der Megalesia, de beelden van verschillende
+godheden, op matrassen en kostbare spreien uitgestrekt, door de
+straten en over het forum te Rome werden gevoerd.
+
+Tentyra, ta Tentyra, hoofdstad van den nomus Tentyritis in
+Boven-Aegypte, stroomafwaarts van Thebae. De inwoners waren bekend
+als voortreffelijke krokodillenjagers. Thans Denderah met belangrijke
+overblijfselen, o. a. van de tempels van Isis en Hathor. In dien van
+Hathor (1ste eeuw n. C.) heeft men den beroemden dierenriem gevonden,
+die thans te Parijs is.
+
+Tenus, Tenos, een der cycladische eilanden, tusschen Delus en Andrus,
+met een beroemden tempel van Poseidon, die het eiland bevrijd had
+van de talrijke slangen, waarnaar het oudtijds Ophiussa heette. De
+hoofdstad heette ook Tenus. Hier zou de dichteres Erinna geboren zijn.
+
+Teos, Teos, ionische stad op de aziatische kust, ten Z. van Clazomenae
+en ten N.W. van Ephesus, geboorteplaats van den lierdichter Anacreon,
+daarom spreekt Horatius van Teia fides = anacreontische lier. Omstreeks
+het midden der 6de eeuw verhuisde een groot gedeelte der inwoners,
+de perzische heerschappij moede, deels naar het verwoeste Abdera,
+dat zij herbouwden, deels naar Phanagoria. Teos had twee havens.
+
+Tepidarium, zie balneum.
+
+Teredon, Teredon, stad in Babylonia aan den Euphraat nabij de Perzische
+golf, belangrijke stapelplaats voor den arabischen handel, vooral
+voor wierook.
+
+Terentia Cassia (lex) frumentaria van 73, z. Cassia Terentia (lex). Het
+koren, dat voor deze uitdeelingen noodig was, moest door Sicilië
+geleverd worden tegen een vastgestelden prijs.
+
+Terentianus Maurus, uit Africa, leefde in de 2de helft van de 3de
+eeuw na C., en schreef een werk in dichtmaat in 4 boeken: de litteris,
+syllabis, pedibus et metris.
+
+Terentii, rom. geslacht, misschien van sabijnsche afkomst, dat
+geen andere vermeldenswaardige familie heeft opgeleverd, dan de
+Varrones.--1) C. Terentius Varro, de zoon van een slachter, die eerst
+in zijns vaders vleeschhal werkzaam was, maar als voorvechter van
+de rechten des volks door dit laatste tot verschillende ambten werd
+verheven en in 216 consul werd. Door zijne onberadenheid verloor hij
+den noodlottigen slag bij Cannae, waaruit hij zelf ter nauwernood met
+een gevolg van 70 ruiters ontkwam. Toch betuigde de senaat hem dank,
+dat hij niet aan het behoud van den staat wanhoopte, en droeg hem in
+215 het bevel in Picenum op.--2) A. Terentius Varro, streed in 184-182
+als propraetor zegevierend tegen de Celtiberiërs in Hispania.--3)
+A. Terentius Varro werd in 75 aangeklaagd wegens afpersingen,
+in Asia gepleegd en had zijne vrijspraak slechts te danken aan
+de schaamtelooze wijze, waarop zijn verdediger en bloedverwant, de
+redenaar Q. Hortensius Hortalus, de rechters omkocht. Daar Hortensius
+echter de rechters niet te best vertrouwde, liet hij de stembordjes
+met was van verschillende kleur bestrijken, zoodat hij kon zien,
+welke stem ieder in de bus wierp.--4) M. Terentius Varro Reatinus,
+uit Reate in het sabijnsche land (116-27), een der geleerdste mannen
+van zijn tijd en een vruchtbaar schrijver, was volkstribuun en in
+67 legaat van Pompeius in den zeerooversoorlog; in 49 streed hij in
+Hispania tegen Caesar, met wien hij zich na den slag bij Pharsalus
+verzoende. Vervolgens leefde hij stil en afgezonderd geheel voor de
+wetenschap, doch had de grievende smart, bij de vogelvrijverklaringen
+van Octavianus zijne kostbare boekerij te zien plunderen en vernielen,
+terwijl hij ter nauwernood zijn leven redde. Om zijne buitengewone
+werkzaamheid als schrijver wordt hij door Cicero polygraphotatos
+genoemd. Het aantal zijner werken beliep meer dan 74. De voornaamste
+zijn: de lingua Latina in 24 boeken, waarvan er 6 vrij volledig zijn
+bewaard gebleven, antiquitates rerum humanarum (25b.) et divinarum
+(16 b.), over Italia en Rome en den ouden godsdienst loopende, waarvan
+belangrijke gedeelten bij Augustinus voorkomen, hebdomades of imagines,
+700 beeltenissen van beroemde mannen, met schetsen uit hun leven,
+waarvan er telkens 7 bijeengevoegd waren, vandaar de titel hebdomades
+(het werk was verdeeld in 15 boeken), de ora maritima, waaruit Plinius
+voor het geographische gedeelte van zijn encyclopaedie geput heeft, de
+re rustica, door hem op zijn 80ste jaar geschreven en dat nog bestaat,
+satirae Menippeae, in 150 boeken over allerlei onderwerpen, waarvan
+slechts fragmenten bewaard zijn, zie Satira.--5) P. Terentius Varro
+Atacinus (zie Atax), in 82 geboren te Narbo, een uitstekend kenner der
+grieksche letteren, maakte gedichten, o. a. de bello Sequanico, eene
+Argonautica (naar Apollonius Rhodius), en schreef ook een sterrenkundig
+werk. Verder moet hij nog satiren en elegieën gedicht hebben.--6)
+M. Terentius Varro Lucullus of M. Terentius Licinianus Varro, consul in
+73, zie Licinii no. 25 en lex Cassia Terentia.--7) A. Terentius Varro
+Murena, zie Licinii no. 32.--8) Terentia, echtgenoote van Cicero,
+zette haar man tot strengheid tegen de Catilinarii aan. Na Cicero's
+terugkeer uit zijne ballingschap waren zijne geldelijke omstandigheden
+in de war. Huiselijke oneenigheden waren hiervan het gevolg, die zóó
+hoog liepen, dat zij eindigden met eene scheiding (46).--9) Terentia,
+echtgenoote van Maecenas, leefde eenigen tijd van haren man gescheiden,
+doch verzoende zich weder met hem.--10) P. Terentius Afer, beroemd
+blijspeldichter, was in 185 te Carthago geboren en reeds vroeg als
+slaaf te Rome in het bezit van den senator P. Terentius Lucanus
+gekomen, in wiens huis hij den naam Afer droeg. Om zijne schoone
+gestalte en zijn voortreffelijken aanleg liet zijn meester hem
+een goede opvoeding geven en liet hem vervolgens vrij. Het eerste
+stuk, dat de dichter den aedielen ter opvoering aanbood, de Andria,
+opgevoerd in 166, moest hij eerst aan het oordeel van den gevierden
+dichter C. Caecilius Statius onderwerpen. Diens onverdeelde goedkeuring
+verzekerde het welslagen van Terentius, wiens karakter en beschaving
+hem bovendien de achting en vriendschap verwierven van Scipio (later
+Africanus minor) en diens vriend Laelius. In 159 stierf Terentius op
+een reis door Griekenland. De zes stukken, die wij van hem bezitten,
+Andria, Hecyra, Heautontimorumenos, Ennuchus, Phormio, Adelphoe,
+behooren tot de fabulae palliatae en zijn naar grieksche modellen
+bewerkt, vooral naar Menander, in zooverre echter, dat Ter. niet
+grieksche stukken gewoon vertaalde, maar uit verschillende blijspelen
+verschillende karakters overnam en daaruit wat hem aanstond tot
+één geheel verwerkte. Zijne stukken, op het tooneel vertolkt door
+den beroemden acteur Ambivius Turpio, oogstten grooten bijval,
+doch het ontbrak hem niet aan benijders, waaronder een overigens
+onbekende dichter voorkomt, Luscius Lanuvinus, door Terentius een
+malevolus vetus poëta genoemd. O. a. strooide men uit, dat zijne
+aanzienlijke vrienden Scipio en Laelius hem bij het maken zijner
+stukken hielpen, welk verwijt Ter. zich echter niet tot schande, maar
+tot eer rekent. Van zijne stukken bestaan nog de officiëele didascalia
+(z. a.), alsmede een commentaar van Aelius Donatus.
+
+Terentilla (lex) of v.s. lex Terentilia tot het bekomen van geschreven
+wetten, de legibus scribendis, van den volkstribuun C. Terentillus
+(of -lius) Arsa (Harsa). Het wetsvoorstel werd in 462 voor het eerst
+in het concilium plebis te berde gebracht, doch eerst in 454 door de
+patriciërs aangenomen. Zie tabularum (leges XII).
+
+Terentini ludi, spelen ter eere van Dis en Proserpina, gedurende de
+rom. republiek viermaal gevierd op het Terentum of Tarentum, eene
+vulkanische plek op den campus Martius te Rome, met wedrennen en
+lectisternia. Zij zouden bij gelegenheid eener pest in 509 ingesteld
+zijn door den consul P. Valerius Poplicola. Volgens een ander verhaal,
+zou een Sabijn, Marius Valesius Tarentinus op de bovengenoemde plek
+diep onder den grond een altaar van Dis en Proserpina ontdekt hebben,
+ook tijdens het heerschen eener pest. In werkelijkheid zijn deze
+spelen voor het eerst gehouden in 249, volgens een uitspraak der
+Sibyllijnsche boeken, en moesten zij elke 100 jaar herhaald worden,
+hetgeen in 146 en tijdens Augustus gebeurd is. Zie Saeculares ludi.
+
+Terentum, zie Terentini.
+
+Tereus, Tereus, zoon van Ares en Bistonis, koning der Thraciërs in
+Daulis (Phocis); z. Procne.
+
+Tergeste, Tergeste, stad in Histria, thans Triëst aan den sinus
+Tergestinus, reeds onder de Rom. eene belangrijke handelsplaats,
+sedert Vespasianus rom. kolonie.
+
+Tergiversatio, intrekking eener aanklacht door den aanklager (van
+tergum vertere).
+
+Terias, Terias, riviertje op de Oostkust van Sicilia, dat dicht bij
+Leontini langs stroomde.
+
+Terillus, Terillos, tyran van Himera, werd door Theron van Agrigentum
+verdreven. Op zijn verzoek zonden de Carthagers een groot leger om
+hem in de regeering te herstellen, dat echter door Theron en Gelo
+volkomen verslagen werd (480).
+
+Terina, Terina, Tereina, kol. van Croton aan de Westkust van het
+land der Bruttii, door Hannibal verwoest en niet weder opgebouwd. De
+aanliggende golf heette sinus Terinaeus, Terinaios kolpos, ook sinus
+Hipponiates naar de stad Hipponium.
+
+Teriolis, ook Teriola castra, sterkte in Raetia. Hiervan wordt de
+naam Tyrol afgeleid.
+
+Termera, ta Termera, dorische stad in Caria, aan den mond van den
+sinus Ceramicus, tegenover het eil. Cos.
+
+Termerus, Termeros, een roover in Thessalië, die met zijn
+sterk voorhoofd zijn tegenstanders den schedel placht te
+verbrijzelen. Heracles doodde hem.
+
+Termes, Termentia, Termesos, stad der Arevaci in Hispania
+Tarraconensis, in het brongebied van den Durius (Douro), ten Z.W. van
+Numantia. De Rom. stieten bij herhaling het hoofd voor de sterke,
+op eene hoogte gelegen stad. In 98 noodzaakten zij de inwoners, hunne
+woonplaats te verlaten en in de vlakte eene nieuwe stad te bouwen.
+
+Termessus = Telmissus no. 2.
+
+Termilae, Termilai, Termiles, oude, inheemsche naam voor de Lyciërs,
+zie Lycia.
+
+Terminalia, zie Terminus.
+
+Terminus, romeinsch god der grenssteenen. Men offerde hem bij het
+plaatsen van een nieuwen grenssteen, en op zijn feestdag, de Terminalia
+(23 Februari), kwamen buren bij den gemeenschappelijken grenssteen bij
+elkander en brachten er een offer, dat door een gemeenschappelijken
+maaltijd besloten werd. Ook van staatswege werden op dien dag aan de
+grenzen Terminalia gevierd. Toen bij het bouwen van het Capitolium
+het beeld van Terminus in den weg stond, verboden de auspicia het
+te verplaatsen, het bleef daarom in den tempel van Jupiter staan,
+die vandaar eveneens als een beschermer der grenzen (J. Terminalis of
+Terminus) beschouwd werd. In werkelijkheid was Terminus een nevenvorm
+van Jupiter, die dus zelf als beschermer der grenssteenen (termini)
+optreedt.
+
+Terpander, Terpandros, van Antissa op Lesbus, de eigenlijke schepper
+der grieksche muziek en uitvinder der citer met 7 snaren. Op bevel van
+het orakel van Delphi werd hij naar Sparta geroepen om er burgertwisten
+te beslechten en sedert dien tijd schijnt hij er gebleven te zijn. Hij
+behaalde o. a. den prijs bij den eersten muzikalen wedstrijd ter
+gelegenheid der Carnea (z. Carneus), 676. Sparta was in de 7de
+eeuw, na de verovering van Messene, de plaats waar muziek het meest
+beoefend werd.
+
+Terpsichore, Terpsichora, Muze van reidansen en koorzangen; zij wordt
+gewoonlijk afgebeeld in dansende houding, met een lier en een plectrum
+in de handen.
+
+Terracina = Tarracina.
+
+Tertullianus, 1) beroemd rom. jurist en schrijver van onderscheidene
+juridische geschriften, tijdgenoot van Papinianus, ± 200 na
+C.; v. s. is deze identisch met no. 2.--2) Q. Septimus Florens
+Tertullianus, uit Carthago, (± 150 tot 230 n. Chr.), één der eersten,
+die het Christendom in vele latijnsche geschriften verdedigd
+heeft. Zijn stijl is vurig en heftig, maar duister.
+
+Teruncius, rom. gewicht en zilveren muntstukje = 3 unciae of 1/4 as.
+
+Tervingi, naam der Visi-Gothi of West-Gothen, tijdens hun verblijf
+in Dacia (± 257-± 376).
+
+Tessera, zie tabula.
+
+Testa, zie Trebatius.
+
+Testamentum. Er zijn oudtijds in Rome drie soorten van testamenten:--1)
+het testamentum in comitiis calatis (zie comitia), waartoe tweemaal
+in het jaar (waarschijnlijk op 24 Maart en 24 Mei) gelegenheid werd
+gegeven. Oorspronkelijk gold dit slechts voor de patriciërs.--2)
+het testamentum in procinctu, dat de soldaten vóór den slag konden
+maken, en waarbij het leger getuige was.--3) het testamentum per aes et
+libram, waarbij de erflater door mancipatio (z. a.) zijn goed tegen een
+schijnprijs verkocht aan den erfgenaam, later aan een tusschenpersoon
+(familiae emptor), die na den dood van den erflater de nalatenschap
+volgens diens wil verdeelde. Het werd langzamerhand gebruik dezen wil
+op schrift te brengen (tabulae testamenti), en de praetor gaf aan zulk
+een geschreven testament rechtskracht, ook al waren de formaliteiten
+der mancipatio daarbij verzuimd, indien het stuk maar voorzien was
+van de zegels van zeven getuigen (testamentum praetorium), zie cera
+en de afbeeldingen op bl. 161 en 162. Zie verder hereditas.
+
+Testudo, schildpad, 1) een muziekinstrument, eene soort van lier of
+citer, vermoedelijk in den oudsten vorm eene met snaren bespannen
+schildpadschaal, hetgeen later weder de kunstenaars op het denkbeeld
+gebracht kan hebben, onder de snaren een klankbodem aan te brengen.--2)
+een schutdak, gevormd doordat eene afdeeling soldaten de schilden
+boven hun hoofd aaneengesloten hielden en aldus voortmarcheerden om
+tegen projectielen van belegerden beveiligd te zijn. De rom. soldaten
+waren hierin zóó geoefend, dat soms boven op dit schildendak eene
+andere afdeeling strijders post vatte.--3) een schutdak van balken,
+waaronder de stormram werkte, testudo arietaria, zie aries.
+
+Tethys, Tethys, dochter van Uranus en Gaea, bij Oceanus moeder der
+Oceaniden en riviergoden.
+
+Tetradrachmum, tetradrachmon, attische zilveren munt ter waarde van
+4 drachmen.
+
+Tetrakosioi, een raad van 400 personen, die gedurende eenige maanden
+van het jaar 411 te Athene de regeering in handen had. Ontevredenheid
+en mismoedigheid wegens den loop, dien de peloponnesische oorlog begon
+te nemen, vooral wegens het ongelukkig einde van de onderneming tegen
+Sicilië, had reeds vroeger bij velen het verlangen naar een of andere
+verandering in het staatsbestuur doen ontstaan, en bij de verkiezing
+der probouloi (z. a.) in 413 had, naar het schijnt, de oligarchische
+partij een belangrijke overwinning behaald. Van den daardoor verkregen
+invloed wist men, voor zoover de omstandigheden het toelieten, behendig
+gebruik te maken om de gemoederen op de voorgenomen omwenteling voor te
+bereiden, en toen er geruchten verspreid werden, dat door Alcibiades,
+die toen bij Tissaphernes in hoog aanzien stond, een bondgenootschap
+met den koning van Perzië tot stand gebracht zou kunnen worden, mits
+de regeering in oligarchischen zin veranderd was, achtte men het tijd
+handelend op te treden. Aan Pisander (z. a.) en de zijnen gaf het volk,
+hoewel met grooten tegenzin, volmacht om met Alcibiades en Tissaphernes
+te onderhandelen, en ofschoon deze onderhandelingen tot niets leidden,
+meende de oligarchische partij nu niet te moeten terugtreden. Te
+Athene hadden zich ondertusschen de oligarchische clubs (hetairiai,
+z. a.) vereenigd en voerden er in het duister een soort schrikbewind,
+de hevigste voorstanders der democratie werden heimelijk uit den
+weg geruimd en den anderen daardoor zoo groote schrik aangejaagd,
+dat de volksvergadering bij de terugkomst van Pisander alles aannam
+wat hij wilde. Wel werd vooreerst slechts besloten, dat de probouloi,
+voor deze gelegenheid ten getale van 30, zouden belast worden met het
+doen van de noodige wetsvoorstellen, en bepaalde zich ook de door hen
+voorgestelde verandering tot de opheffing der graphe paranomon, maar
+de oligarchen, zonder twijfel hierop voorbereid, kwamen terstond na
+aanneming daarvan met verschillende voorstellen voor den dag, waarvan
+de strekking was, dat zoolang de oorlog duurde geen ambt meer bezoldigd
+zou worden, dat de regeering voorloopig zou berusten in handen
+van een raad van 400, dat de volksvergadering tot de meergegoeden,
+minstens 5000 personen, beperkt zou worden en bijeengeroepen, wanneer
+de raad het noodig vond. Deze raad werd aldus saamgesteld: het volk
+wees 5 mannen aan, die op hun beurt 100 kozen, van welke ieder zich 3
+moest coöpteeren. Doch hoewel dit alles gereedelijk werd aangenomen,
+was de nieuwe toestand niet van langen duur. De vloot, die bij Samus
+lag, verklaarde zich reeds dadelijk tegen de regeering der 400,
+riep Alcibiades uit de ballingschap terug, en liet zich slechts met
+moeite door dezen weerhouden van pogingen tot gewelddadig herstel
+van den ouden regeeringsvorm. Ook in de stad zelve openbaarde zich
+spoedig groote ontevredenheid; de 5000 werden nooit ter vergadering
+opgeroepen, van het beloofde bondgenootschap met Perzië zag men niets
+komen, en in plaats van den oorlog krachtig te voeren, trachtten de
+400 met Sparta te onderhandelen. Het duurde niet lang of ook onder
+henzelf ontstond verdeeldheid; de meesten (Phrynichus, Pisander,
+Antiphon) bleven pogingen doen tot het verkrijgen van een vrede, op
+welke voorwaarden dan ook, en werden zelfs wel niet geheel zonder grond
+van verraderlijke plannen beschuldigd, anderen, waaronder Theramenes,
+die niet zoo ver wilden gaan of, bij den te verwachten omkeer van
+zaken, de gunst van het volk niet wilden verbeuren, onthielden zich
+van al wat verdacht kon schijnen en traden zelfs in het openbaar
+tegen hunne ambtgenooten op. Toen nu onder deze omstandigheden Euboea
+inderdaad door verraad verloren ging, kwam het tot een uitbarsting, de
+400 werden na eene regeering van vier maanden afgezet, de verdachten
+onder hen vluchtten, en de oude toestanden werden hersteld, ofschoon
+nog eenigen tijd de volksvergadering tot 5000 (v. a. 9000) personen
+beperkt en eenige ultra-democratische instellingen afgeschaft bleven.
+
+Tetralogia, tetralogia. Te Athene was het sedert Phrynichus of
+Aeschylus gebruikelijk, dat ieder dichter, die bij den tragischen
+wedstrijd naar den prijs mededong, vier stukken ten tooneele bracht;
+deze vier stukken werden te zamen tetralogie genoemd. Drie er van
+waren eigenlijke treurspelen en vormden eene trilogie, het vierde was
+een satyrdrama (z. satyrica fabula). De oudere dichters behandelden
+gewoonlijk in de drie treurspelen, en soms ook in het satyrdrama,
+mythen, die in nauw verband met elkander stonden; bij Sophocles en
+lateren is er tusschen de verschillende deelen der tetralogie geen
+samenhang. De Agamemnon, Choëphori en Eumenides van Aeschylus zijn
+de eenige thans nog bewaard gebleven treurspelen, die eene trilogie
+vormen, zij hebben achtereenvolgens tot onderwerp: den moord van
+Agamemnon, de wraak van Orestes, de verzoening der wraakgodinnen
+van Clytaemnestra. Het bijbehoorend satyrdrama Proteus is verloren
+gegaan. Van geen andere tetralogie bezitten wij nu nog meer dan
+één stuk.
+
+Tetrapolis, vierstedenverbond; 1) in Attica de vlekken Oenoë, Marathon,
+Probalinthus en Tricorythus.--2) in Doris de stadjes Erineüs, Boeüm,
+Pindus en Cytinium.--3) in Syria de steden Antiochia, Apamea, Laodicea
+en Seleucia.--4) in Lycia: Cibyra, Oenoanda, Bubon en Balbura.
+
+Tetrica rupes, steile, woeste berg in het sabijnsche land nabij de
+grenzen van Picenum.
+
+Tetricus (P. Esuvius), een der zoogenaamde 30 tyrannen onder de
+rom. keizers, regeerde van 270-274 na C. over Gallia en Hispania,
+doch riep, toen hij met boerenopstanden en muiterij onder zijn
+troepen te kampen had, Aurelianus heimelijk te hulp. In den slag bij
+Durocatalauni (Châlons-sur-Marne) werden toen de opstandelingen door
+Aurelianus verslagen (274) en Tetricus afgezet.
+
+Tettarakonta, z. dikastai.
+
+Teucer, Teukros, 1) zoon van den riviergod Scamander en de nimf Idaea,
+eerste koning van Troje, naar wien de Trojanen Teucriërs genoemd
+worden. Hij nam Dardanus gastvrij bij zich op en gaf hem zijne dochter
+Batea of Arisbe tot vrouw. V. a. kwam hij met Scamander van Creta
+en werden zij door Dardanus in Troas ontvangen, waar zij den dienst
+van Apollo Smintheus instelden.--2) zoon van Telamon en Hesione,
+de bekwaamste boogschutter onder de Grieken voor Troje. Toen hij na
+de inneming van Troje naar zijn vaderland terugkeerde, werd hij door
+Telamon verstooten, omdat hij den dood van Aiax niet had gewroken,
+hij ging naar Cyprus en stichtte daar de stad Salamis, waar zijne
+nakomelingen de regeering behielden. V. s. keerde hij na den dood
+van zijn vader nogmaals naar zijn vaderland terug, maar werd nu
+door Eurysaces, den zoon van Aiax, verdreven, waarop hij zich naar
+Gallaecia in Hispania begaf.
+
+Teucri, Teukroi, dichterlijke naam der Trojanen, naar Teucer.
+
+Teumessus, Teumessos, berg en stad in Boeotia ten N.O. van Thebae.
+
+Teuta, Teuta, koningin van Illyrië, die na den dood van haar gemaal
+Agron (231) de voogdij voerde over haar minderjarigen zoon Pinnes. De
+Rom. zonden de gebroeders C. en L. Coruncanius als gezanten tot
+haar om op beteugeling van den zeeroof aan te dringen, doch Teuta
+werd zoo toornig over hunne vrijmoedige taal, dat zij een van beiden
+liet vermoorden. Daarop volgde een wreedaardige oorlog, 229-228. Door
+het verraad van Demetrius van Pharus, Teuta's stadhouder op Corcyra,
+moest zij om vrede vragen, oorlogsschatting betalen, het zuidelijk
+gedeelte van haar gebied (meest veroverd land) afstaan ten behoeve
+van Demetrius (z. a. no. 7) en ook de voogdij aan hem overgeven.
+
+Teutates, Theut., gallisch god, wien soms menschenoffers gebracht
+werden, door de Rom. met Mercurius vergeleken.
+
+Teuthrania, Teuthrania, het Z.W. gedeelte van Mysia, aldus genoemd naar
+eene oude stad Teuthrania, de residentie der oude mysische koningen,
+aan den Caicus door Teuthras gesticht.
+
+Teuthras, Teuthras, 1) koning van Mysië, die Auge en later Telephus
+gastvrij opnam.--2) of Teleutas, vader van Tecmessa.--3) een van de
+tochtgenooten van Aeneas.
+
+Teutobochus (Teutobodus), vorst der Teutones in den slag bij Aquae
+Sextiae tegen Marius (102).
+
+Teutoburgiensis silva, het tegenw. Teutoburgerwoud, waar in 9 na
+C. Varus met drie legioenen door den Cheruscer Arminius overvallen
+en verslagen werd.
+
+Teutones, -ni, Teutones, een germaansche volksstam, in 102 door
+C. Marius vernietigd. Ze woonden in de nabijheid der Cimbren, en worden
+reeds in de 4de eeuw genoemd als opkoopers van het barnsteen, dat
+op de Noordzee-eilanden en vooral op Borkum (zie Glaesariae Insulae)
+gewonnen werd. Evenals van de Cimbren was ook van de Teutonen bij den
+uittocht van 113 een gedeelte in het land achter gebleven. Zie verder
+Cimbri. V. s. zijn de Teutones identisch met de keltische Toygeni,
+een gouw der Helvetii.
+
+Texuandri of Toxandri, waarschijnlijk een afdeeling der Menapii,
+woonden in Braband, in de latere gouw Toxandria.
+
+Thaenae, stad in het Z. van Africa vetus, aan de kust.
+
+Thais, Thaïs, eene om haar schoonheid beroemde hetaere van Athene,
+ging met Alexander d. G. naar Azië, en werd na zijn dood de bijzit
+van Ptolemaeus Lagi. V. s. zou zij Alex. aangespoord hebben Persepolis
+in brand te steken.
+
+Thala, Thala, groote stad in Numidia, in het Z.O. aan den rand
+der woestijn; later behoorde het tot Africa vetus; het ligt in den
+N.W. hoek van Byzacium.
+
+Thalamae, Thalamai, 1) stad in Messenia, aan de Messenische golf nabij
+Pherae.--2) stad aan de Westkust van Laconië, aan diezelfde golf,
+eenigszins zuidelijker.--3) sterkte in Acrorea, in Elis.
+
+Thalassio, -sius = Talassio.
+
+Thales, Thales, van Miletus (640 of 624-546), de eerste der grieksche
+wijsgeeren, nam als grondstof van het bestaande het water aan,
+waarop volgens hem de aarde, die den vorm van een schijf heeft,
+drijft. Hij wordt ook de grondlegger van de grieksche wis- en
+sterrenkunde genoemd en zoude de zonsverduistering van 28 Mei 585
+voorspeld hebben. Hij hielp Croesus op zijn tocht tegen Cyrus bij het
+afdammen van de rivier Halys en stelde de vorming van een ionischen
+bondsstaat voor ter verdediging tegen de aanvallen der Perzen. Als
+een van de zeven wijzen, onder welke hij de wijste genoemd wordt, had
+hij tot spreuk, ti dyskolon; to gnonai heauton. ti d' eukolon; to allo
+hypotithesthai. Geschriften heeft hij waarschijnlijk niet nagelaten.
+
+Thaletas, Thaletas, beroemd lierzanger en toonkunstenaar van Creta,
+die op bevel van het delphische orakel naar Sparta geroepen werd om
+na een pest de stad door godsdienstige plechtigheden te reinigen. Hij
+bleef er verder verblijf houden en voerde er verscheiden godsdienstige
+gezangen in, door dans begeleid. Hij leefde waarschijnlijk op het
+einde der 7de eeuw, hoewel hij soms een vriend van den wetgever
+Lycurgus genoemd wordt.
+
+Thalia, Thaleia, 1) de Muze van het blijspel, wordt afgebeeld met
+een comisch masker en een thyrsusstaf in de hand en een klimopkrans
+op het hoofd.--2) moeder der Palici.
+
+Thalia, Thalia, eene van de Charites.
+
+Thallo, Thallo, te Athene eene van de Horae.
+
+Thallophoroi, z. Panathenaea.
+
+Thalna, familienaam in de gens Iuventia.
+
+Thamugadi, stad door Traianus aangelegd in de provincie Numidia of
+Africa Nova, ten N. van het Audusgebergte. De stad, die onder het
+woestijnzand bedolven was, is in de laatste jaren der vorige eeuw
+door de Franschen weer opgegraven, en wordt om zijn goed bewaard
+gebleven gebouwen uit den keizertijd het afrikaansche Pompeii
+genoemd. Tgw. Timgad.
+
+Thamyris, Thamyris, Thamyras, zoon van Philammon en de nimf
+Argiope, oud-thracisch zanger, een van de oudste grieksche epische
+dichters. Nadat hij bij de pythische spelen verscheiden overwinningen
+had behaald, werd hij zoo trotsch, dat hij de Muzen tot een wedstrijd
+durfde uitdagen, hij werd overwonnen en tot straf van het gezicht en
+van de gave van het gezang beroofd.
+
+Thapsacus, Thapsakos (= vadum), aan den Euphraat, belangrijke oude
+stad en de zuidelijkste plaats waar de rivier nog te doorwaden was
+voor kameelen. Seleucus Nicator herdoopte het in Amphipolis. Th. was
+eenmaal de noordelijkste stad in het rijk van Salomo.
+
+Thapsus, Thapsos, 1) stad op de kust van Byzacium in Africa propria,
+bekend door de overwinning, die Caesar in 46 op het pompejaansche
+leger en op Juba behaalde.--2) megarensische volkplanting op de
+Oostkust van Sicilia ten N. van Syracuse.
+
+Thargelia, Thargelia, het voornaamste feest der Atheners ter eere
+van Apollo, den 6en en 7den Thargelion, de geboortedagen van Artemis
+en Apollo, gevierd. Oorspronkelijk een feest ter eere van het rijpen
+der veldvruchten of v. a. tot afwering van booze geesten, werd het
+later hoofdzakelijk een reinigings- en verzoeningsfeest, waarop men
+nog tot in de zesde eeuw twee ter dood veroordeelde misdadigers
+onder fluitspel buiten de stad voerde en als zoenoffers voor den
+geheelen staat ter dood bracht. Overigens was het een vroolijk feest,
+waarbij men den tocht van Theseus naar Creta en zijne overwinning op
+den Minotaurus herdacht. Ter herinnering hieraan vertrok jaarlijks
+omstreeks denzelfden tijd een schip uit Athene, om een feestgezantschap
+naar Delus te voeren, dat daar aan Apollo offers brengen moest.--Ook
+in de ionische koloniën werden de Th. gevierd.
+
+Thargelion, Thargelion, 11de maand van het Attische jaar (Mei-Juni),
+z. Annus.
+
+Thasus, Thasos, eiland nabij de thracische kust tegenover den mond
+van den Nestus, een eiland, rijk aan wit marmer en hout, oudtijds
+ook aan koren, wijn en goud. De goudmijnen, door de Phoeniciërs
+ontdekt, zijn geheel uitgeput. Het werd in de 7de eeuw van uit Parus
+gekoloniseerd. De Thasiërs onderwierpen zich in 492 aan de Perzen,
+doch traden later tot het attische zeeverbond toe, waarvan zij wel in
+465 en 411 poogden af te vallen, doch zonder ander gevolg dan dat hun
+eiland in 463 door Cimon, in 407 door Thrasybulus heroverd werd. Na
+den peloponnesischen oorlog legde Sparta de hand op het eiland,
+later kwam het onder Macedonia.
+
+Thaumantias, Thaumantias, -tis, Iris, dochter van Thaumas.
+
+Thaumas, Thaumas, zoon van Pontus en Gaea, een zeegod, bij de Oceanide
+Electra vader van Iris en de Harpyieën.
+
+Thaumacia, Thaumakia, zeestad aan de kust van Magnesia, in Thessalia.
+
+Thea, Theia, dochter van Uranus en Gaea, bij haar broeder Hyperion
+moeder van Helius, Eos en Selene.
+
+Theaetetus, Theaitetos, van Sunium, leerling van Socrates, naar wien
+Plato een van zijne dialogen genoemd heeft.
+
+Theagenes, Theagenes, 1) van Thasus, zoon van Heracles of van
+Timosthenes, een priester van Heracles. Hij muntte uit door
+buitengewone lichaamskracht en behaalde bij alle wedstrijden
+de overwinning, zoodat hem op vele plaatsen standbeelden werden
+opgericht. Ook op Thasus stond zulk een beeld, en toen Th. gestorven
+was, ging een zijner vijanden des nachts naar dit beeld en geeselde
+het, totdat het van zijn voetstuk viel en den man verpletterde. Toen
+echter de Thasiërs het beeld daarom in zee geworpen hadden, kwam er
+hongersnood in het land, en deze eindigde eerst, toen het beeld door
+visschers weder opgehaald en op bevel van een orakel op zijn oude
+plaats hersteld was.--2) van Rhegium, wordt genoemd als de eerste, die
+over Homerus geschreven heeft. Hij was een tijdgenoot van Cambyses.--3)
+van Nisaea, wist zich den steun der armere burgers tegen de rijken en
+edelen te verzekeren en maakte zich zoo van de tyrannie over Megara
+meester, later werd hij echter verdreven. Hij was de schoonvader van
+Cylon, dien hij bij zijn aanslag met troepen steunde.--4) veldheer
+der Atheners in den slag bij Chaeronea.
+
+Theano, Theano, 1) eene van de Danaiden.--2) dochter van Cisseus,
+gemalin van Antenor, priesteres van Athena te Troje.--3) echtgenoote,
+dochter of leerlinge van Pythagoras, aan wie eenige werken over
+zijn leven en leer toegeschreven werden.--4) priesteres te Athene,
+die weigerde te gehoorzamen aan het bevel, dat alle priesters en
+priesteressen Alcibiades zouden vervloeken.
+
+Theatrum, theatron. Na hetgeen onder het artikel amphitheatrum over
+de zitplaatsen is gezegd, zal de inrichting van het theater der ouden
+gemakkelijk te begrijpen zijn uit achterstaande teekeningen, waarvan
+de eene den plattegrond van het theater te Herculaneum voorstelt,
+de andere een gedeelte der overblijfselen van het theater te Aspendus
+in Pamphylia. Op de eerste ziet men de concentrische rijen zitbanken
+(B B), door de trapsgewijze oploopende tusschenpaden (a a) in wiggen
+(cunei, kerkides) afgedeeld. Deze cunei hebben uitgangen (b b) op
+de rondloopende corridors, diazomata (A A, zie de afbeelding bij
+balteus). C is de orchestra, orchestra, bij de Grieken bestemd voor
+de reidansen der koren, te Rome sedert 194 tot zitplaatsen voor
+de senatoren dienende; c is de lage voormuur van het tooneel D D,
+waarvan de gemetselde achterwand drie openingen (e e e) heeft; dat
+deze achterwand niet recht doorloopend, maar gebogen is, zal aan den
+smaak van den bouwmeester hebben gelegen. Het tooneel vóór dezen wand
+heette scena, skene, en wordt ook proscenium, proskenion, genoemd
+in tegenstelling van de ruimte (E E) daarachter, het postscenium,
+(wij zouden zeggen: achter de schermen), waar zich kleedkamers,
+bergplaatsen en machineriën bevonden. De ruimte onder het tooneel
+was het hyposkenion; moesten er schimmen of riviergoden opstijgen,
+dan kwamen zij uit deze benedenruimte langs een trap of ladder, den
+zoogenaamden charonischen trap charoneioi klimakes, door een luik op
+het tooneel. Paraskenia zijn de zijwanden van het tooneel, rechts en
+links. Ook had men toestellen, waarmede men goden uit de zoldering
+liet nederdalen; vandaar de uitdrukking deus ex machina, om een knoop
+door te hakken en het stuk tot een slot te brengen, wanneer geene
+natuurlijke ontknooping mogelijk was. De ruimten f zijn misschien
+eereplaatsen of loges voor personen van rang geweest. De achterwand
+van het tooneel en ook het postscenium waren met verdiepingen, zooals
+de tweede teekening te zien geeft. De gemetselde uitstekken, die men er
+op aantreft, dienden tot bevestiging van het houten raamwerk, waarop de
+schermen of coulissen gespannen waren. Het tooneel had dus eene groote
+breedte, doch eene geringe diepte. De ruimte vóór het achterscherm
+(dat natuurlijk uit verschillende naast elkander geplaatste stukken
+bestond), heette vermoedelijk pulpitum, logeion. De zijschermen
+waren op eene eigenaardige manier ingericht. Zij heetten periaktoi,
+versurae, en bestonden uit vertikale driehoekige prisma's, die op een
+spil draaiden en dus drie verschillende decoraties vertoonden, terwijl
+het achterscherm door verschuiving werd veranderd. Het theologeion was
+een zweeftoestel, van waar in sommige stukken een god uit den hoogen
+zijn wil verkondigde. Over enkele verschillen tusschen het rom. en
+grieksche theater, b.v. dat de ruimte voor het publiek bij het eerste
+juist een halven cirkel vormde, bij het tweede nog over de middellijn
+vooruitsprong, kunnen wij hier heenstappen. Te Athene begon men met
+den bouw van het eerste steenen theater in het begin der 5de eeuw,
+nadat de houten zitplaatsen en stellingen, waarop men tot dien tijd
+de voorstellingen aanschouwd en gegeven had, waren ingestort. Te Rome
+heeft het lang geduurd, eer er een steenen theater gebouwd werd. Bij
+ludi scenici werd er een tooneel van hout opgeslagen en na afloop der
+feesten weder afgebroken. Zitplaatsen waren niet aangebracht, men moest
+staan of een stoel medebrengen. In 174 lieten de censoren Q. Fulvius
+Flaccus (Fulvii no. 6) en A. Postumius Albinus (Postumii no. 12) eene
+vaste steenen scena bouwen. Twintig jaar later beproefden de censoren
+M. Messalla en C. Cassius Longinus (Cassii no. 6) aan de helling van
+den Palatinus een steenen theater te bouwen, doch P. Cornelius Scipio
+Nasica, die op dat tijdstip nog consul was (ten tweeden male) liet het
+afbreken en de materialen publiek verkoopen, terwijl bij senaatsbesluit
+het zitten bij tooneelvoorstellingen werd verboden. In 146 verrees
+een volledig theater met zitplaatsen, doch wederom van hout en slechts
+tijdelijk. Eerst in 55 liet Pompeius een geheel steenen theater bouwen
+met 40000 zitplaatsen, in 13 verrees het tweede, door L. Cornelius
+Balbus (Cornelii no. 29) bekostigd en voor 30000 personen ingericht,
+en later het theatrum Marcelli, door Augustus aan de nagedachtenis
+van zijn schoonzoon gewijd, ook met 30000 plaatsen. De toeschouwers
+zaten in de open lucht; later spande men zeilen boven hun hoofd uit
+(zie amphitheatrum). Te Athene werd een entree van 2 obolen geheven
+(zie theorikon); te Rome betaalde men geen entree, want de spelen waren
+geschenken, aan het volk aangeboden; evenwel moest men een bewijs van
+toegang (tessera, zie onder tabula) hebben. Het voorscherm werd bij het
+begin der voorstelling niet opgehaald, maar zakte weg en werd bij het
+einde weder omhoog getrokken (zie aulaeum), vandaar aulaeum manere =
+tot het einde toe blijven, het einde afwachten.
+
+Thebaansche oorlog, 1) de oorlog, door Adrastus (z. a.) en zijne
+bondgenooten tegen Thebe gevoerd om Polynices in diens rechten te
+herstellen.--2) de oorlog tusschen Thebe en Sparta, die volgde op
+de verdrijving der Spartanen uit de Cadmea en de omverwerping der
+oligarchische regeering te Thebe (378). In dezen oorlog, waarvan het
+doel was de oppermacht van Sparta te fnuiken, werden de Thebanen in het
+begin bijgestaan door de Atheners, later door de meeste peloponnesische
+staten; toen het echter bleek, dat de Thebanen naar de hegemonie
+streefden, koos Athene de zijde der Spartanen, en de verdeeldheden
+onder de Peloponnesiërs maakten, dat het bondgenootschap met hen
+weinig waarde had. Wel behaalden de Thebanen in de groote slagen
+bij Leuctra (371) en Mantinea (362) schitterende overwinningen, deed
+Epaminondas tweemaal (369 en 362) een tocht naar Sparta, werden de
+Messeniërs in hun land teruggebracht en eene nieuwe hoofdstad Messene
+gebouwd, vereenigden de Arcadiërs zich tot één staat en stichtten
+zij de bondsstad Megalopolis, maar hoezeer de Spartanen door dit
+alles vernederd werden, het gelukte Thebe niet zich tot den eersten
+staat van Griekenland te verheffen. Na den dood van Epaminondas en
+Pelopidas was er niemand om hen op te volgen, en bij den vrede (362)
+werden alle grieksche staten autonoom verklaard.
+
+Thebae, Thebai, 1) oudtijds Thebe, hoofdstad van Boeotia, aan de
+rivier Ismenus en de bron Dirce, met den burcht Cadmea, volgens
+de sage door Cadmus gesticht. De stad lag in eene heuvelachtige,
+bronrijke en vruchtbare streek, zeer geschikt voor paardenfokkerij;
+zij was ommuurd door een hoogen, zwaren muur, waarvan de steenen op de
+tonen van Amphions gouden lier zichzelven hadden opeengestapeld. Zij
+had zeven poorten en wordt hiernaar heptapylos genoemd. Buiten de
+Electrische poort lagen de zeer heilige tempel van den ismenischen
+Apollo en de tempel van Amphiaraus (z. a.). Aan den laatsten was een
+droomorakel verbonden, waartoe echter den Thebanen de toegang was
+ontzegd, omdat zij op de vraag, of zij den heros als waarzegger of
+als strijdmakker hebben wilden, het laatste hadden verkozen. Thebae
+was de geboorteplaats van Heracles, van Amphion, van Tiresias, van
+Oedipus, ook Semele, de moeder van Dionysus, behoorde er te huis. Tot
+den mythischen tijd behooren de oorlog der zeven vorsten tegen Thebe
+(zie Adrastus) en die der Epigonen. In den perzischen oorlog gaf
+Thebe zich gewillig aan Xerxes over. In den peloponnesischen krijg
+koos het als bittere vijandin van Athene de partij van Sparta. De
+overrompeling der Cadmea door den Spartaan Phoebidas in 383 en de
+daarop gevolgde instelling eener oligarchische regeering bracht een
+ommekeer te weeg, en na de bevrijding der stad in 379 was het Thebe,
+dat onder de leiding van Epaminondas en Pelopidas Sparta's overmacht
+gevoelig fnuikte (slagen bij Leuctra, 371, en bij Mantinea, 362). Later
+liet het zich eerst door Philippus van Macedonia om den tuin leiden,
+doch sloot zich op het laatste oogenblik nog bij Athene aan, hoewel
+vergeefs (nederlaag bij Chaeronea, 338). Bij de troonsbeklimming
+van Alexander den Gr. viel Thebe af (334); tot straf werd het door
+Alex. verwoest, op de tempels en het gewezen huis van den dichter
+Pindarus na. Van de 40000 inwoners werden 6000 gedood en 20000 als
+slaven verkocht. Cassander liet wel in 316 de stad herbouwen, doch
+zij had in 290 weder veel te lijden van Demetrius Poliorcetes en in
+86 van L. Cornelius Sulla. Thans Thiva.--2) groote stad van Aegypte,
+volgens Diodorus Siculus de oudste stad ter wereld, aan den Nijl,
+hoofdstad van Opper-Aegypte, later Diospolis magna, Diospolis he
+megale, geheeten. Het was de residentie van de aegyptische koningen
+van verschillende dynastieën. Het was rijk aan grootsche en prachtige
+tempels, paleizen en andere gebouwen. Boven alles muntte de tempel
+van Ammon uit, van waar een weg tusschen twee rijen sphinxen, elk
+van 100 stuks, naar het paleis van Amenhotep of Amenophis III (zie
+Memnon no. 1) voerde. Thebae had, volgens het verhaal, 100 poorten,
+en werd hekatompylos genoemd, en was 140 stadiën = 4 2/3 uur gaans in
+den omtrek. Het had een drukken handel. Aan den tegenoverliggenden
+rechter Nijloever lag de necropolis, waar men ook nog tempels en
+paleizen aantrof. Na de plundering door Cambyses was het met Thebe's
+grootsten bloei gedaan. Tusschen de puinhoopen liggen thans 4 dorpen,
+Luxor en Karnak op den rechter-, Goernah en Medinet-Aboe op den
+linkeroever van den Nijl.--3) stad in het thessalische landschap
+Phthiotis, Thebai Phthiotides, havenstad, aan de golf van Pagasae.
+
+Thebais, Thebaïs, 1) Boven-Aegypte, van de aethiopische grenzen (24°
+N.B.) tot omstreeks 27 2/3° N.B. Het omvatte dus in lengte ongeveer
+de helft van het aegyptische Nijldal.--2) het gebied der stad Thebae
+in Boeotia.
+
+Thebe, Thebe, stad in Mysia, aan den boschrijken berg Placus en daarom
+hypoplakie geheeten. Andromache was hier geboren, evenals Chryseis,
+die buit gemaakt werd, toen Achilles de stad verwoestte. Thebe lag
+landinwaarts achter de golf van Adramyttium, waar men later nog den
+Thebanus campus, to Thebes pedion, had. Zie ook Thebae no. 1.
+
+Theches, Theches, een der toppen van den Paryadres op de
+pontisch-armenische grenzen, vanwaar de 10000 Grieken onder Xenophon
+het eerst de zee in het gezicht kregen.
+
+Thelepte, stad in het binnenland van Africa vetus, in Byzacium,
+ten Z. van Thala.
+
+Thelpusa, Thelpousa = Telphusa.
+
+Thelxion, Thelxion, zoon van koning Apis (z. a.).
+
+Themis, Themis, dochter van Uranus en Gaea, bij Zeus moeder der Moerae
+en Horae, godin van wet en orde, die zoowel op den Olympus als in
+de vergaderingen der menschen recht en orde handhaaft. Zij is de
+verstandige raadgeefster van Zeus, zit bij hem, wanneer hij zijne
+besluiten neemt, en verkondigt zijn wil als orakelgevende godin,
+vóór Apollo was zij in het bezit van het delphische orakel. Hare
+beelden gelijken op die van Pallas Athena, gewoonlijk heeft zij een
+horen van overvloed en een weegschaal in de handen.
+
+Themiscyra, Themiskyra, water- en grasrijke vlakte, tot het gebied
+der stad Amisus in Pontus behoorende, tusschen de rivieren Iris
+en Thermodon gelegen, en als het gebied der Amazonen beschouwd. De
+stad Themiscyra, aan den mond van den Thermodon, was in Augustus'
+tijd reeds verdwenen.
+
+Themiso, Themison, tyran van Eretria, tijdgenoot van Demosthenes,
+ontnam den Atheners bij verrassing in vredestijd Oropus; later werd hij
+door de Thebanen aangevallen, maar door de Atheners tegen hen geholpen.
+
+Themista, Themista, uit Lampsacus, vriendin en volgelinge van
+Epicurus. Leonteus no. 2.
+
+Themistius, Themistios, van Paphlagonië, leeraar van en schrijver
+over rhetorica en wijsbegeerte (ongeveer 317-390 n. C.), leefde
+meestal te Constantinopel. Hij stond in hoog aanzien bij de keizers
+Constantius en Iulianus en bekleedde verscheiden hooge betrekkingen;
+onder Theodosius werd hij praef. urbi (384); tot zijne leerlingen
+behoorde ook de latere keizer Arcadius. Van zijne werken zijn 34
+redevoeringen en 4 paraphrasen op Aristoteles bewaard gebleven.
+
+Themisto, Themisto, dochter van Hypseus. Athamas nam haar tot vrouw,
+toen hij Ino verstooten had, toen hij echter later vernam, dat Ino nog
+leefde, liet hij deze terughalen. Hierover vertoornd, wilde Th. Ino's
+kinderen des nachts dooden en liet hen daarom in het zwart kleeden,
+terwijl zij haar eigen kinderen witte kleederen aantrok, doch Ino,
+die het plan bemerkt had, verwisselde heimelijk de kleederen, zoodat
+Th. in het donker haar eigen kinderen om het leven bracht; toen zij
+dit ontdekte, doodde zij ook zichzelve.
+
+Themistocles, Themistokles, Athener, zoon van Neocles. In zijn
+jeugd weinig geacht om zijn losbandig leven en misschien ook omdat
+zijn moeder een vreemdelinge was, trad hij, toen hij begon zich aan
+staatszaken te wijden, door zijne buitengemeene begaafdheden spoedig op
+den voorgrond. Hij was de eerste die inzag, dat de toekomstige macht
+van Athene op de zee berustte, daarom werd reeds in 493 onder zijn
+archontaat met den aanleg van den Piraeus begonnen, en overreedde hij
+het volk om de opbrengst van de zilvermijnen in Laurium, die vroeger
+verdeeld werd, voor het bouwen eener vloot te besteden. Het verzet, dat
+deze maatregelen bij de meer behoudende partij vonden, moest opgegeven
+worden, toen Aristides in 483 door het ostracisme verbannen was. Bij
+de nadering van Xerxes tot strateeg gekozen, deed Th. in de eerste
+plaats zijn best om te zorgen, dat de verdediging door alle grieksche
+staten eendrachtig volgens een vast plan en vooral op zee zou gevoerd
+worden; de houten muur, die volgens het delphische orakel Athene tot
+redding zou strekken, was naar zijne verklaring de vloot. Toch werd
+hij gezonden om in vereeniging met een spartaansch leger de Tempepassen
+te bezetten, toen de Grieken zich echter wegens de ongeschiktheid van
+het terrein van hier teruggetrokken hadden, voegde hij zich met de
+atheensche schepen bij de vloot, die bij Artemisium lag. In weerwil
+van de verliezen, die deze vloot door een hevigen storm leed, werd
+hier op aanmoediging van Th. drie dagen lang tegen de Perzen slag
+geleverd, maar hoewel deze slag onbeslist bleef, moest men zich na
+de nederlaag der Spartanen bij de Thermopylae terugtrekken. Bij den
+terugtocht trachtte Th. nog door list de Ioniërs in het perzische leger
+onschadelijk te maken. Te Athene teruggekeerd, bewerkte hij nu dat
+de Atheners hun stad verlieten, hun vrouwen, kinderen en bezittingen
+naar Salamis en Troezen overbrachten, en zich op de vloot bij Salamis
+begaven. Toen nu Athene door de Perzen ingenomen en verbrand was,
+en men op aandringen der Corinthiërs en andere Peloponnesiërs op
+het punt stond de voordeelige positie bij Salamis op te geven om
+zich tot de verdediging van de Peloponnesus te beperken, maakte Th.,
+nadat hij zich vruchteloos met alle macht tegen dit plan verzet had,
+de uitvoering er van door list onmogelijk. Hij liet namelijk Xerxes
+in het geheim verwittigen, dat de Grieken op het punt waren zich
+te verspreiden en dat hem daardoor de gelegenheid zou ontsnappen,
+hen in één slag ten onder te brengen. Hierdoor aangemoedigd, waagde
+Xerxes den aanval, de grieksche vloot werd omsingeld en tot tegenweer
+genoodzaakt en won den beroemden zeeslag bij Salamis (Sept. 480). Door
+nieuwe boodschappen, waarin den Grieken het plan toegedicht werd,
+de brug over den Hellespont af te breken, wist Th. daarop Xerxes tot
+een overhaasten terugtocht uit Europa te bewegen. Nadat hij nog de
+eilanden, die met de Perzen geheuld hadden, had getuchtigd, hield hij
+zich meer met binnenlandsche aangelegenheden bezig. Op zijn raad werd
+Athene met muren omgeven, terwijl hij door list en met levensgevaar
+den tegenstand der Spartanen tegen dezen maatregel verijdelde; ook
+werd de Piraeus vergroot en versterkt. Th. was toen op het toppunt
+van zijn roem, maar met het terugkeeren van rustiger tijden stak zijn
+tegenpartij het hoofd weder op; vooral wegens de vijandige houding,
+die hij tegen Sparta aannam, trachtte men hem onschadelijk te maken,
+hij werd beschuldigd van oneerlijkheid, knevelarij en persoonlijke
+eerzucht, en eindelijk bracht men het zoo ver, dat hij door het
+ostracismus verbannen werd. Hij ging naar Argos, maar na eenige jaren
+werd hij van medeplichtigheid aan de plannen van Pausanias beschuldigd,
+waarop hij zich te Argos niet meer veilig achtte; hij vluchtte naar
+Corcyra, van daar afgewezen naar Admetus, koning der Molossers,
+die zorgde dat hij veilig naar Pydna kwam (± 466), van waar hij naar
+Ephesus overstak. Hij wendde zich nu tot Artaxerxes, beriep zich op
+zijne diensten, aan Xerxes bewezen, en beloofde hem zijne medewerking
+bij de onderwerping van Griekenland; de koning overlaadde hem met
+gunstbewijzen en gaf hem de steden Magnesia, Lampsacus en Myus
+voor zijn levensonderhoud. Maar voordat van perzische zijde weder
+iets tegen Griekenland was ondernomen, stierf Th. (omstreeks 459),
+v. s. door eigen hand, omdat hij zijne beloften aan Artaxerxes niet
+konde of wilde vervullen. Zijn gebeente werd door zijne vrienden
+heimelijk naar Attica overgebracht en daar begraven.
+
+Themistogenes, Themistogenes, van Syracuse, wordt door Xenophon
+genoemd als de schrijver van een werk over den krijgstocht van den
+jongen Cyrus en den terugtocht der 10000 Grieken. Men gelooft, dat
+met dit werk de Anabasis van Xenophon zelf bedoeld is, en dat de
+schrijver het uit bescheidenheid onder een vreemden naam aanhaalt.
+
+Theoclymenus, Theoklymenos, van Hyperesia in Argolis, een waarzegger,
+die wegens een moord naar Lacedaemon vluchtte, waar hij Telemachus
+ontmoette. Met dezen ging hij naar Ithaca, waar hij de terugkomst
+van Odysseus, enz. voorspelde.
+
+Theocritus, Theokritos, van Syracuse (v. a. van Cos), studeerde
+te Alexandrië en genoot wegens zijne geleerdheid en dichterlijk
+talent hooge gunst bij Ptolemaeus Philadelphus en bij Hiero
+II. Uitgaande van eenvoudige sicilische herdersliedjes, werd hij
+de schepper van een nieuwe dichtsoort, de bucolische poëzie of het
+herdersdicht, hij dichtte een aantal tafereelen (Eidyllia boukolika),
+meest uit het leven van sicilische herders en landlieden, waarvan
+ongeveer 30 bewaard gebleven zijn, die door dramatische inkleeding,
+natuurlijkheid en eenvoud, door het ongekunstelde van taal en metrum
+vol aantrekkelijkheid zijn. Th. stierf omstreeks 245, op den leeftijd
+van 60 jaar.
+
+Theodectes, Theodektes, van Phaselis, leerling van Isocrates, Plato en
+Aristoteles, beroemd als redenaar, maar vooral als treurspeldichter. In
+den tragischen wedstrijd bij de lijkfeesten van Mausolus (352)
+behaalde hij den eersten prijs. Van zijne talrijke werken is bijna
+niets bewaard gebleven.
+
+Theodericus of Theodoricus, Theoderik, 1) koning der Westgothen
+(418-451 na C.), die in den slag op de catalaunische velden tegen
+Attila sneuvelde.--2) koning der Westgothen (452-466), zoon van no. 1,
+een beschaafd vorst, begunstiger van kunst en wetenschap, door zijn
+broeder Eurik omgebracht.
+
+Theodorus, Theodoros, 1) van Samus, zoon, leerling en medewerker
+van Rhoecus (z. a.), tevens beroemd goud- en zilversmid, hij
+maakte o. a. den ring van Polycrates.--2) van Byzantium, rhetor en
+sophist, tijdgenoot van Socrates.--3) van Cyrene, beroemd wiskundige,
+leermeester van Plato.--4) ho atheos, cyrenaisch wijsgeer, die wegens
+ongeloof uit Athene verbannen, naar Alexandrië bij Ptolemaeus I
+ging.--5) van Gadara, een rhetor, wiens lessen Tiberius gedurende
+zijn verblijf op Rhodus hoorde. Zijne leerlingen noemden zich naar
+hem Theodoreioi.
+
+Theodosia, Theodosia, bloeiende volkplanting van Miletus in de
+taurische Chersonesus (Krim), thans Kaffa of Feodosia.
+
+Theodosiopolis, Theodosioupolis, zie Resaïna.
+
+Theodosius (Flavius), 1) Hispaniër van geboorte, werd door
+keizer Valentinianus I in 367 na C. naar Britannia gezonden, dat
+gedeeltelijk in opstand was. Hij versloeg de Britten, dreef de
+Schotten in hun bergland terug en herstelde den wal van Agricola
+of van Hadrianus. Later dempte hij nog een opstand in Africa (373),
+die echter opnieuw uitbarstte, waarop Theod. hem andermaal, thans met
+groote gestrengheid, onderdrukte. In 376 werd hij vermoord, op last
+van keizer Gratianus, die hem haatte.--2) Theodosius I of de Groote,
+rom. keizer 379-395 na C., in 346 te Cauca in Hispania geboren, zoon
+van no. 1. Nog jong vergezelde hij reeds zijn vader op diens tochten
+naar Britannia en Africa en leerde onder hem de krijgskunst. In 378
+zond Gratianus hem naar Thracië tegen de Gothen en in 379 nam hij
+hem tot medekeizer aan. Bij herhaling versloeg Theod. de Gothen. In
+380, na eene ziekte, nam Theod. in zijne residentie Thessalonica het
+Christendom aan. Hij kon niet verhinderen dat Gratianus in Britannia
+vermoord en Maximus (z. a.) tot keizer werd uitgeroepen; hij erkende
+dezen zelfs als medekeizer, doch toen Maximus aan Gratianus' zoontje
+Valentinianus II Italië wilde ontnemen (387), zond Theod. den Frank
+Arbogastes tegen hem af; Maximus werd verslagen en ter dood gebracht
+(388). Theod. stelde nu den 17-jarigen Valentinianus II tot keizer
+over het geheele Westen aan, begaf zich in 389 als diens voogd naar
+Rome, waar hij het heidendom met geweld onderdrukte, en strafte in
+390 met gruwzame wreedheid den moord, te Thessalonica in een oproer
+op een zijner bevelhebbers gepleegd, eene daad, waarvoor bisschop
+Ambrosius van Milaan den keizer den toegang tot de kerk belette en
+waarover Theod. zelf groot berouw had. In 392 werd Valentinianus door
+Arbogastes vermoord en Eugenius in het W. op den troon geplaatst. Met
+zijne voortreffelijke veldheeren Stilicho, een Vandaal, en Gaenas,
+een Goth, versloeg Th. Arbogastes en Eugenius bij Aquileia (394),
+Eug. werd ter dood gebracht, Arb. sloeg de hand aan zichzelf. In 395
+stierf Theod. te Milaan. Het rijk kwam nu aan zijne beide zonen,
+Arcadius en Honorius, en door den twist van beider ministers,
+Rufinus en Stilicho, kwam nu feitelijk een deeling van het rijk tot
+stand, die op den duur den ondergang van het West-Romeinsche rijk
+ten gevolge heeft gehad.--3) Theodosius II, zoon van Arcadius en
+dus een kleinzoon van no. 2, volgde in 408, slechts acht jaar oud,
+zijn vader op, onder regentschap van den veldheer Anthemius, die
+de invallen der Hunnen afweerde. De zuster van den jongen keizer,
+Pulcheria, eene vrome en geleerde vrouw, nam diens opvoeding ter
+hand, zijn zwak karakter was oorzaak, dat hij feitelijk zijn leven
+lang onder hare voogdij bleef. Zijne regeering werd gekenmerkt door
+voortdurende godsdiensttwisten, ongelukkige oorlogen met de Vandalen
+in Afrika, opstanden in Palaestina en Syrië en een zware brand te
+Constantinopel. In 438 had de plechtige afkondiging plaats van den
+codex Theodosianus, eene verzameling van wetten en verordeningen sedert
+Constantijn den Gr. De keizer huwde in 421 met Athenais, als Christin
+gedoopt met den naam Aelia Eudocia, z. Athenais no. 2; 's keizers
+dochter Eudocia werd in 437 de bruid van Valentinianus III, keizer van
+het W., den zoon van Constantius en Placidia. Theodosius II stierf in
+450, na zich eenige jaren van te voren van zijne vrouw te hebben laten
+scheiden en na in zijne laatste regeeringsjaren veel last te hebben
+gehad van de invallen van Attila, den Hunnenvorst. Na zijn dood werd
+Pulcheria tot keizerin uitgeroepen, die tot 454 leefde, kloosters en
+kerken stichtte en haar geheele vermogen aan de armen vermaakte. In
+453 huwde zij in het belang van het rijk--doch zonder de vroeger door
+haar afgelegde gelofte van kuischheid te schenden--met Marcianus,
+een Thraciër, die tot 457 regeerde, en een wakker en beleidvol man was.
+
+Theodotus, Theodotos, 1) voerde voor Lysimachus het bevel over Sardes
+en gaf die stad aan Seleucus over.--2) bevelhebber eener vloot van
+Antigonus, verloor een zeeslag tegen Ptolemaeus I (315).--3) Aetoliër,
+veldheer van Ptolemaeus in den oorlog tegen Antiochus III.--4)
+leermeester van Ptolemaeus XI, gaf den raad Pompeius te vermoorden,
+moest daarom voor Caesar vluchten en viel eindelijk in handen van
+Brutus, die hem ter dood liet brengen (43).
+
+Theognis, Theognis, 1) van Megara, leefde omstreeks het einde der
+6de eeuw. Hij behoorde tot den rijken adel en was met hart en ziel
+aristocraat; bij eene democratische omwenteling verloor hij zijne
+goederen en werd hij uit zijn vaderland verdreven, waar hij eerst na
+lange jaren als balling te hebben rondgezworven terugkeerde. Hij gaf
+aan zijne ontevredenheid over de bestaande toestanden lucht in een
+aantal elegieën, waarin hij zich dikwijls met groote bitterheid over
+zijne tegenpartij beklaagt; wij bezitten daarvan nog een vrij groot
+aantal uittreksels, voor het meerendeel korte staat- en zedekundige
+spreuken (gnomen); vele daarvan zijn echter niet van Th., maar zijn of
+omgewerkt of bij latere uitgaven toegevoegd.--2) een van de triakonta
+te Athene, ook als treurspeldichter genoemd.
+
+Theologeion, z. theatrum.
+
+Theomestor, Theomestor, van Samus, streed in den slag bij Salamis
+aan de zijde der Perzen en werd wegens zijne dapperheid door Xerxes
+tot tyran over Samus aangesteld.
+
+Theomnestus, Theomnestos, 1) van Naucratis, academisch wijsgeer, wiens
+lessen M. Brutus bijwoonde (43).--2) van Sardes, maakte verscheiden
+beroemde metalen beelden van athleten, jagers, enz. Hij leefde
+waarschijnlijk in den hellenistischen tijd.
+
+Theon, Theon, 1) van Samus, verdienstelijk schilder omstreeks 300.--2)
+van Smyrna, wiskundige onder Hadrianus; hij schreef ook commentaren op
+Plato.--3) van Alexandrië, wis- en sterrenkundige onder Theodosius I,
+schrijver van verscheiden werken over wiskunde en eenige gedichten. Hij
+was de vader van Hypatia.--4) Aelius Th., van Alexandrië, platonisch
+wijsgeer, schrijver van verscheiden commentaren op oude schrijvers
+en van een nog bestaand leerboek der rhetorica, Progymnasmata. Hij
+leefde waarschijnlijk in de eerste eeuw n. C.
+
+Theonoë, Theonoe, 1) = Idothea.--2) dochter van Thestor (z. a.).
+
+Theophanes, Theophanes, van Mytilene, volgeling en raadsman van
+Pompeius, die hem met het rom. burgerrecht begiftigde en wiens
+krijgsdaden hij beschreef.
+
+Theophrastus, Theophrastos, van Eresus, geb. 372, leerling van Plato
+en later van Aristoteles. Deze laatste, die hem de voorkeur gaf
+boven al zijne andere leerlingen, benoemde hem tot zijn opvolger,
+tot voogd over zijn zoon en tot erfgenaam zijner bibliotheek, ook
+zou hij den oorspronkelijken naam Tyrtamus in Th. veranderd hebben
+wegens zijn uitmuntende voordracht. Na den dood van den meester (322)
+stond Th. 35 jaar, door talrijke leerlingen bemind en bewonderd, aan
+het hoofd der peripatetische school, totdat hij in den ouderdom van
+85 jaar stierf. Zonder zijne zelfstandigheid op te offeren, liet hij
+zijn onderwijs voornamelijk strekken tot verklaring en ontwikkeling
+van het stelsel zijns leermeesters. Van zijne talrijke geschriften
+bezitten wij nog 30 karakterschetsen (ethikoi charakteres) en eenige
+werken over plantkunde, mineralogie, enz. (peri phyton historias,
+peri aition phyton, e. a.).
+
+Theopompus, Theopompos, 1) koning van Sparta, onder wiens regeering de
+eerste messenische oorlog gevoerd werd; v. s. stelde hij het ephoraat
+in.--2) van Chius, geb. omstreeks 380, verliet als knaap met zijn vader
+Damasistratus, die verbannen was, zijn vaderland, kwam te Athene,
+waar hij het onderwijs van Isocrates genoot, en trad in vele steden
+als pleitbezorger en feestredenaar op. Bij de lijkfeesten ter eere
+van Mausolus behaalde hij als redenaar den eersten prijs. Later wijdde
+hij al zijn tijd en een groot deel van zijn vermogen aan de beoefening
+der geschiedenis, en legde hij de vruchten van zijn onderzoek neer in
+twee werken (Hellenika, Philippika), die bijna geheel verloren zijn
+gegaan, zoodat wij niet in staat zijn te beoordeelen, of men hem met
+recht de hardheid van zijn oordeel over personen verwijt; wel meent
+men bij hem sporen te vinden van groote partijdigheid voor Alexander
+d. G. Door den invloed van Alex. in zijn vaderstad teruggeroepen,
+moest hij deze echter later weder verlaten, daar hij door zijn trotsche
+houding zijn staatkundige tegenstanders zoozeer verbitterde, dat hij
+voor de openbare rust gevaarlijk scheen (306). Hij ging naar Aegypte,
+waar hij echter bij Ptolemaeus geen gunstig onthaal vond. Van zijne
+verdere lotgevallen is niets bekend. Een onlangs in Egypte gevonden
+fragment van een geschiedkundig werk wordt door velen aan Th., door
+anderen aan Cratippus toegeschreven.--3) atheensch blijspeldichter,
+jonger tijdgenoot van Aristophanes.
+
+Theoria, een gezantschap, dat uitgezonden wordt om den staat bij
+godsdienstige feesten te vertegenwoordigen, in zijn naam te offeren,
+een orakel te ondervragen, enz.
+
+Theorikon, het entréegeld in den schouwburg te Athene, ten bedrage
+van 2 obolen (diobelia) per persoon. Voor de arme burgers betaalde de
+staat sedert Pericles dit geld, ten minste bij de Dionysusfeesten,
+later maakten ook rijkere aanspraak er op en werd het ook op andere
+feesten gegeven, zoodat het theorikon een zeer drukkende last voor
+den staat werd; ten slotte werden alle overschotten van den gewonen
+dienst in de kas van het theor. gestort. Eerst kort voor den slag
+bij Chaeronea, toen door geldgebrek de verdedigingsmiddelen geheel
+verwaarloosd waren, gelukte het Demosthenes het volk te bewegen dit
+geld liever voor oorlogstoerustingen te bestemmen.
+
+Thera, Thera, vroeger Calliste geheeten, thans Santorin, een der
+Sporaden, ten Z. van Naxus gelegen. Met Therasia vormt het als het ware
+den wand van een ontzaggelijk kratermeer, dat met de zee in verbinding
+staat. In voorhistorischen tijd is de krater tot uitbarsting gekomen,
+en daarna ingezakt. In historische tijden zijn er in dit bekken
+uitbarstingen geweest in 197/6 v. C. en in 46/47 n. C., misschien
+ook in 66 v. C. In 197 of in 66 is het kleine eilandje Hiera, in 46
+n. C. is Thia uit zee opgerezen. Cyrene in Afrika was eene kolonie
+van Thera (631).
+
+Theramenes, Theramenes, van Athene, Chius of Ceos, zoon of aangenomen
+zoon van den Athener Hagnon, een beschaafd en welsprekend, maar
+hebzuchtig en karakterloos man, was een van hen, die in 411 bij de
+invoering van de regeering der 400, waartoe hij ook zelf behoorde,
+den meesten ijver betoonden. Door deze regeering in zijne verwachtingen
+teleurgesteld en waarschijnlijk ook wel inziende, dat zij niet lang zou
+kunnen blijven bestaan, stelde hij zich aan het hoofd der democraten
+om haar omver te werpen; door deze verandering van partij haalde hij
+zich den spotnaam cothurnus (z. a.) op den hals. Gedurende eenigen
+tijd behoorde hij nu tot de gematigde volkspartij en verwierf hij
+grooten invloed; na den slag bij de Arginusen was hij het voornamelijk,
+die bewerkte dat de strategen ter dood veroordeeld werden, omdat zij
+verzuimd hadden de in dien slag verongelukten uit zee op te visschen,
+ofschoon hij wellicht aan dit verzuim meer schuld had dan zij. Toen
+Athene na den slag bij Aegospotami door Lysander belegerd werd, wist
+Ther. door schoone beloften te verkrijgen, dat hij afgevaardigd werd
+om over den vrede te onderhandelen, hij bleef echter opzettelijk zoo
+lang weg, dat de belegerden zich eindelijk door honger genoodzaakt
+zagen alles toe te geven. Daarna werd hij een van de 30, doch toen hij
+zich tegen de gewelddadige handelingen zijner ambtgenooten verzette,
+en men vreesde, dat hij dezelfde rol als vroeger zoude spelen,
+beschuldigde Critias hem van hoogverraad, en toen deze bemerkte,
+dat de verdediging van Th. op den raad indruk maakte, liet hij
+hem met geweld naar de gevangenis sleepen en ter dood brengen. Als
+slachtoffer van de 30 en door de vastberadenheid, waarmede hij den
+giftbeker dronk, heeft hij na zijn dood een populariteit verworven,
+die hij door zijn leven niet verdiend had.
+
+Therapnae en -ne, Therapnai, -ne, 1) stadje in Boeotia aan den weg
+van Thebae naar de rivier Asopus en naar Attica.--2) stadje niet ver
+ten O. van Sparta, met de graven van Menelaus en Helena en een tempel
+der Dioscuren, die v. s. daar geboren zouden zijn.
+
+Theras, Theras, afstammeling van Polynices, wiens vader koning van
+Thebe geweest was, maar op bevel van een orakel naar Lacedaemon was
+verhuisd. Hij bracht eene volkplanting van Lacedaemoniërs en Minyers
+naar het eiland Calliste, dat sedert dien tijd Thera genoemd werd.
+
+Therasia, Therasia, zie Thera.
+
+Theres, Theres = Pheres.
+
+Therma, ta Therma, 1) grieksche stad in Macedonia, aan de golf van
+Therma, den sinus Thermaicus, ten W. van Chalcidice. Op de plaats van
+dit Therma stichtte Cassander omstreeks 315 eene nieuwe stad, die hij
+naar zijne gemalin Thessalonica noemde, eene sterke vesting met goede
+haven, thans Saloniki. Dit werd eene bloeiende handelsplaats, vooral
+onder de Rom., door hare ligging aan de via Egnatia. Zij werd in 168 de
+hoofdstad van een der vier distrikten, waarin toen Macedonia gesplitst
+werd, later werd zij hoofdst. der prov. en is zelfs wel keizerlijke
+residentie geweest.--2) warme bron bij Lechaeum in Corinthia.--3)
+= Thermum.
+
+Thermae, Thermai, stad aan de Noordkust van Sicilia, bevolkt met de
+overgebleven inwoners van het door de Carthagers verwoeste Himera
+(z. a.). De naam Thermae komt van de warme bronnen, die de stad tot
+eene zeer gezochte badplaats maakten.
+
+Thermae. Onder dezen naam verstond men warme bronnen met de daardoor
+gevoede badhuizen, vervolgens ook elk badhuis, waar men nevens koude
+baden ook warme kon nemen. In zoover is thermae dus synoniem met
+balneae (zie balneum). Sedert het tijdperk van Augustus evenwel
+wordt thermae meer in het bijzonder gebezigd van de prachtige
+badinrichtingen der Rom., die volgens het model van een grieksch
+gymnasium (z. a.) waren aangelegd, doch op veel grooter schaal,
+en waar men nevens allerlei soort van baden ook conversatiezalen,
+zalen voor voorlezingen, bibliotheken, gelegenheid tot balspel en
+gymnastische oefeningen, wandelparken, gaanderijen, enz., aantrof. Van
+drie zoodanige gebouwen zijn te Rome nog belangrijke overblijfselen
+aanwezig, n.l. van dat van Titus op den Esquilijnschen berg, van dat
+van Diocletianus op den Quirinalis, waarvan ééne enkele zaal door
+Michel Angelo in eene ruime kerk werd herschapen, en van de thermae
+Antoninianae van Caracalla. In deze laatste vond men o. a. eene
+rotonde van 50 meter doorsnede, gedekt met eene flauw gewelfde
+zoldering, een meesterstuk van bouwkunst. Daarachter volgden twee
+zalen, elk van 56 M. lang en 22 M. breed, aan welker uiteinden weder
+kleinere zaaltjes waren, door kolonnades van de groote gescheiden. De
+bijgevoegde teekening geeft een gezicht op de groote middenzaal,
+zooals deze er vermoedelijk heeft uitgezien. De hier genoemde ruimten
+vormden slechts het middengedeelte, ter weerszijden strekten zich
+nog kolossale vleugels uit.
+
+Thermaicus sinus, zie Therma no. 1.
+
+Thermessa = Hiera no. 1.
+
+Thermodon, Thermodon, 1) beek in Boeotia, die bij Tanagra in den Asopus
+uitliep.--2) rivier in het W. van Pontus, kort van loop, doch breed,
+aan welker oevers de Amazonen zouden gewoond hebben; zie Themiscyra.
+
+Thermopylae, Thermopylai, een enge bergpas, de toegangsweg van
+Thessalia naar Locris en het oostelijk Hellas. Op sommige plaatsen was
+hij zoo smal, dat twee wagens elkander niet konden passeeren. Voor een
+gedeelte liep hij tusschen de uitloopers van het Oetagebergte en een
+moeras aan den binnensten hoek der Malische golf, terwijl hij door den
+Spercheus en nog een paar kleinere stroompjes werd doorsneden. Waar
+de pas naar de zijde van Anthela breeder werd, stonden de tempels van
+Demeter en van Amphictyon. In dezen pas sneuvelde in 480 Leonidas met
+zijne getrouwen. Door de aanslibbing der kust en den geheel veranderden
+loop van den Spercheus is de pas aanmerkelijk van gedaante veranderd.
+
+Thermum, Thermon, ook ta Therma, sterke en fraaie hoofdstad van
+Aetolia ten tijde van het aetolisch verbond, door Philippus III (V)
+van Macedonië verwoest (218 en 206).
+
+Thermus, familienaam in de gens Minucia (Minucii no. 6-8).
+
+Theron, Theron, tyran van Agrigentum, 487-472, wordt geprezen als
+een zacht en wijs vorst, en versloeg met Gelo de Carthagers bij
+Himera, 480.
+
+Thersander, Thersandros, zoon van Polynices en Argea, een der Epigonen,
+kreeg de regeering over Thebe. Later trok hij met de Grieken naar
+Troje, hij sneuvelde echter bij den inval in Mysië door de hand van
+Telephus. V. a. was hij een van hen, die met het houten paard in de
+stad gekomen waren. Te Elaea in Mysië werd hij als heros vereerd en het
+geslacht der Emmeniden te Agrigentum beweerde van hem af te stammen.
+
+Thersites, Thersites, de leelijkste van alle Grieken voor Troje,
+die er een boosaardig genoegen in vond de aanvoerders te beschimpen,
+waarom hij algemeen gehaat was. Achilles doodde hem, toen hij aan
+het lijk van Penthesilea de oogen wilde uitsteken.
+
+Theseidae, Theseidai, afstammelingen van Theseus, bij dichters =
+Atheners.
+
+Theseus, Theseus, de nationale held der Atheners, wiens lotgevallen in
+menig opzicht op die van Heracles gelijken, hoewel hij niet zoo grooten
+roem verwierf als deze. Hij was de zoon van Aegeus en Aethra en was te
+Troezen geboren en opgevoed. Toen Aegeus hem als kind daar achterliet,
+verborg hij zijn zwaard en sandalen onder een grooten steen en droeg
+hij aan Aethra op hun zoon met deze herkenningsteekenen naar Athene te
+zenden, wanneer hij sterk genoeg was om den steen te verplaatsen. Op
+zestienjarigen leeftijd was hij hiertoe in staat en terstond ondernam
+hij de reis naar zijn vader. Op weg doodde hij Periphetes, Sinis,
+Sciron, Cercyon en Procrustes (z. deze art.), verder nog het wilde
+zwijn van Crommyon, een reusachtig dier, dat de grenzen van Megaris
+en Attica onveilig maakte. Eindelijk kwam hij bij Aegeus en bijna had
+hij hier door de lagen van Medea, die zijn invloed vreesde, den dood
+gevonden; toen hij echter zijn zwaard trok, herkende zijn vader hem
+en Medea moest vluchten. Th. bezorgde zijn vader de regeering terug,
+die hem door zijne neven, de Pallantiden, ontnomen was, daarna doodde
+hij den stier van Marathon (z. Heracles bl. 307), dien hij aan Apollo
+offerde. Hij liet zich vrijwillig opnemen onder de 14 jongelieden,
+die als offer voor den Minotaurus naar Creta gezonden moesten worden,
+en door de hulp van Ariadne (z. a.), die liefde voor hem opvatte
+en hem een kluwen touw verschafte, waardoor hij een uitweg uit het
+labyrinth kon vinden, doodde hij het monster, waarmede Athene van de
+schatplichtigheid aan Creta bevrijd werd. Door een misverstand benam
+Aegeus (z. a.) zich het leven, toen het schip van Creta terugkwam, en
+Th. volgde hem op. Hij bewerkte de vereeniging van de verschillende
+gemeenten van Attica tot één staat met Athene als hoofdstad
+(synoikismos) en stelde ter herinnering aan dit feit de Panathenaea
+in; ook wordt hem de verdeeling van het volk in 3 phylae (z. phyle)
+toegeschreven. Vervolgens vergezelde hij Heracles op diens tocht tegen
+de Amazonen (z. a.) en ontvoerde hij Antiope (z. a.) of Hippolyte, die
+bij hem moeder werd van Hippolytus, na haar dood huwde hij met Phaedra
+(z.a.), bij wie hij twee zonen kreeg, Acamas en Demophon. Hij nam ook
+deel aan de calydonische jacht en den Argonautentocht, verleende een
+schuilplaats aan Oedipus, toen deze uit Thebe verjaagd was, en dwong
+de Thebanen de gesneuvelde medestrijders van Adrastus op eervolle
+wijze te laten begraven. Zijn vriend Pirithous stond hij bij in den
+strijd tegen de Centauren en door zijne dapperheid verschafte hij hem
+de overwinning. Met behulp van Pirithous schaakte hij Helena (z.a.),
+toen hij echter wederkeerig zijn vriend zoude helpen bij de ontvoering
+van Persephone en daartoe met hem in de onderwereld afgedaald was,
+liet Hades beiden vastgroeien aan een rots, waarop zij zich vermoeid
+nedergezet hadden. Wel werd Th. kort daarna door Heracles bevrijd,
+maar in zijne afwezigheid was Helena met Aethra door de Dioscuren
+ontvoerd, en had Menestheus zich van de regeering meester gemaakt,
+terwijl het volk, ontevreden over het lot van Hippolytus (z. a.) en
+over zijne lange afwezigheid, hem niet weder wilde erkennen. Verbitterd
+verliet hij Athene en ging hij naar Scyrus, waar hij door koning
+Lycomedes verraderlijk vermoord werd. Hij werd te Athene als heros
+vereerd, zijn gebeente werd op bevel van het delphische orakel door
+Cimon naar Athene teruggehaald (465) en een prachtige tempel werd te
+zijner eer opgericht. De achtste dag van iedere maand was hem gewijd,
+zijn voornaamste feest, de Theseia, viel op den 8sten Pyanepsion.
+
+Thesmia, Thesmophoros, bijnamen van Demeter, die door invoering van
+den akkerbouw de menschen tot zachtere zeden en een geregeld leven
+onder vaste wetten gebracht had.
+
+Thesmophoria, Thesmophoria, feest ter eere van Demeter Thesmophoros
+en hare dochter in vele deelen van Griekenland met groote plechtigheid
+gevierd, vooral te Athene, in Arcadië en Argolis, op Sicilië e. e. Te
+Athene begon het den 9den of 10den Pyanepsion en duurde het vijf
+dagen; het werd uitsluitend door gehuwde vrouwen gevierd, terwijl
+het aan mannen ten strengste verboden was er bij tegenwoordig te zijn.
+
+Thesmothetai, z. Archontes.
+
+Thespiades, Thespiades, 1) de Muzen, zoo genoemd naar Thespiae,
+waar zij hooge vereering genoten.--2) de dochters van Thespius.
+
+Thespiae, Thespiai, bij Homerus Thespeia, oude aanzienlijke stad in
+Boeotia aan den voet van den Helicon, door Xerxes verbrand (480), doch
+na den slag bij Plataeae herbouwd. Eros, die hier zou geboren zijn,
+had hier een tempel met een standbeeld, door Praxiteles gebeiteld. In
+374 sloopten de Spartanen de muren van Thespiae, waarna het een plaats
+van minderen rang werd.
+
+Thespis, Thespis, Athener, tijdgenoot van Solon en Pisistratus,
+de eerste die bij de Dionysusfeesten de dithyrambische koorliederen
+door gesprekken tusschen het koor en een tooneelspeler liet afwisselen
+en daardoor de grondlegger werd van het treurspel. In 534 voerde hij
+het eerst te Athene een treurspel op. Hijzelf was zoowel dichter als
+tooneelspeler, v. s. trad hij reeds geblanket, later gemaskerd, op.
+
+Thespites = Thospites.
+
+Thespius, Thespios, zoon van Erechtheus, mythisch stichter van
+Thespiae, vader van 50 dochters, bij welke Heracles 50 zonen verwekte,
+waarvan later 40 naar Sardinië gezonden werden om er een volkplanting
+te stichten.
+
+Thesproti, Thesprotoi, een van de hoofdstammen van Epirus, die
+eerst het geheele zuidelijke deel bewoonden en in wier gebied het
+orakel van Dodona lag. Zij woonden meest in open vlekken en dorpen en
+waren ten tijde van Homerus nog het eenige hoofdvolk van Epirus. De
+Molossers, die later in Epirus kwamen, verdrongen de Thesprotiërs
+uit het binnenland, zoodat dezen slechts de kuststreek behielden,
+welke naar hen Thesprotia heet.
+
+Thessalia, Thessalia, vroeger ook Hellas, Aeolis, Haemonia, Pelasgia,
+Pyrrhaea (naar de vrouw van Deucalion) geheeten, lag tusschen
+Macedonia, Epirus, Midden-Griekenland en de zee. Het was een land
+vol schilderachtige natuurtafereelen, zeer geschikt voor veeteelt en
+paardenfokkerij, vruchtbaar aan olie en wijn, aan geneeskrachtige,
+maar ook aan vergiftige planten en aan tooverkruiden. Als oudste
+bewoners komen o. a. Pelasgen (z. a.) voor, in de vlakte van Larisa
+of Larissa, ook Pelasgikon Argos geheeten, verder worden als oudste
+stammen genoemd Myrmidones, Hellenes, Achaei in Phthiotis, Magnetes
+in Magnesia. Tijdens de volksverhuizing zijn uit Illyria de Thessali,
+Thessaloi, in de vlakte van den Peneus en zijn bijrivieren ingedrongen,
+en hebben langzamerhand de oorspronkelijke bevolking onderworpen
+en tot een soort van heloten onder den naam Penestae, Penestai,
+gemaakt. Later zijn ook de bergstammen, de Perrhaebi, Magnetes en
+Achaei onderworpen, en soms zijn ook de Dolopes, Aenianes en Malii
+van hen afhankelijk. Thessalia bestond uit de volgende landschappen:
+1) Hestiaeotis met Perrhaebia, 2) Pelasgiotis, 3) Magnesia, 4)
+Thessaliotis, 5) Phthiotis. Het was in verschillende staatjes verdeeld,
+die samen een bond vormden. Aan het hoofd van dezen bond stond in
+tijden van oorlog soms een legeraanvoerder, die koninklijke macht had,
+tagos of basileus geheeten. De adel, geharnast en op geharnaste paarden
+gezeten, vormde eene zware ruiterij; het voetvolk, licht gewapend,
+bestond uit Penesten. Nu en dan stonden enkele streken, o. a. het
+gebied van Pherae, onder tyrannen, doch de thessalische adel, wiens
+liefhebberij in ridderspelen en strooptochten gelegen was, was te
+bandeloos en wispelturig, om een monarchalen regeeringsvorm op den
+duur mogelijk te maken. In Thessalia behooren de mythen te huis van
+Deucalion en Pyrrha en van de Centauren.
+
+Thessaliotis, Thessaliotis, landschap van Thessalia, ten N. van de
+Dolopes en van Phthiotis, vroeger Aeolis geheeten.
+
+Thessalonica, Thessalonike, zie Therma no. 1.
+
+Thestiades, Thestiades, Iphicles en Meleager, zoon en kleinzoon
+van Thestius.
+
+Thestias, Thestias, Leda en Althaea, dochters van Thestius.
+
+Thestius, Thestios, zoon van Ares of Agenor en Demonice of Andronice,
+koning van Aetolië, vader van Iphicles, Leda, Althaea e. a.
+
+Thestor, Thestor, zoon van Idmon en Laothoë, vader van Calchas,
+Leucippe en Theonoë. Deze laatste wordt nog zeer jong zijnde door
+zeeroovers weggevoerd en verkocht aan den carischen koning Icarus,
+wiens liefde zij wint. Th. gaat op reis om haar te zoeken, maar valt
+ook in de handen van zeeroovers en wordt eveneens aan Icarus verkocht;
+deze geeft hem als slaaf aan Theonoë, die hem niet herkent. Eindelijk
+gaat ook Leucippe op bevel van een orakel in manskleederen naar Carië,
+Theonoë wordt op haar verliefd en daar hare liefde onbeantwoord blijft,
+geeft zij aan Th. bevel den vreemdeling te dooden. Als deze nu in
+zijn droefheid hierover zijn lot bejammert, herkennen vader en dochter
+elkander door sommige uitdrukkingen, waarop Icarus alle drie naar hun
+vaderland terugzendt, na hen met rijke geschenken begiftigd te hebben.
+
+Thestorides, Thestorides, Calchas, zoon van Thestor.
+
+Thetes, atheensche burgers van de laagste klasse volgens de verdeeling
+van Solon, zij die jaarlijks minder dan 150 medimnen of metreten van
+hun grond oogstten. Vóór Aristides konden zij geen overheidsambten
+bekleeden en dienden zij alleen als lichtgewapenden of op de vloot,
+en ook nog veel later kon niet licht iemand uit deze klasse archont
+worden.
+
+Thetis, Thetis, eene Nereïde, die door Zeus en Poseidon bemind werd;
+daar echter Prometheus voorspeld had, dat zij een zoon zoude ter wereld
+brengen, die grooter zou worden dan zijn vader, gaven zij haar tegen
+haar wil ten huwelijk aan Peleus (z. a.), bij wien zij moeder werd
+van Achilles. Zij verleende in de onderzeesche woning van haar vader
+een schuilplaats aan Dionysus, toen hij door Lycurgus vervolgd werd,
+en aan Hephaestus, toen hij door Zeus uit den hemel geworpen was. Ook
+verijdelde zij eens een samenzwering, door Hera, Poseidon en Athena
+tegen Zeus gesmeed (z. Aegaeon). Op hare smeekingen liet Zeus, toen
+Achilles door Agamemnon beleedigd was, de Grieken voor Troje tot den
+hoogsten nood komen, totdat aan Achilles eene schitterende voldoening
+gegeven was.
+
+Thettai, z. epikleros.
+
+Theudoria, stad der Athamanes in het Z.O. van Epirus.
+
+Theveste, stad in het binnenland van de provincie Numidia of Africa
+nova, aan de grens van Byzacium, in den keizertijd tot bloei gekomen.
+
+Thia, 1) = Thea.--2) eilandje in de zee tusschen Thera en Therasia,
+ontstaan door een uitbarsting in het jaar 46 n. C.
+
+Thiasus, thiasos, z. Dionysus. Verder noemde men zoo alle
+vereenigingen, die gemeenschappelijke offers of andere godsdienstige
+plechtigheden verrichtten, ook deze plechtigheden zelve.
+
+Thi(m)bron, Thi(m)bron, 1) spartaansch veldheer, werd in 399 met
+een leger naar Klein-Azië gezonden om de grieksche steden tegen
+Tissaphernes te verdedigen. Wel behaalde hij eenige voordeelen,
+maar daar hij de tucht in zijn leger niet wist te handhaven, werd
+hij spoedig door Dercylidas vervangen. In 391 voerde hij weder het
+bevel over een leger in Azië en sneuvelde hij in een gevecht tegen den
+perzischen generaal Struthas.--2) Spartaan, die Harpalus vermoordde,
+zich aan het hoofd stelde van de door dezen geworven huurtroepen
+en daarmede Cyrene veroverde, maar door aegyptische troepen onder
+Ophellas verslagen en ten slotte gekruisigd werd (322).
+
+Thinae, Thinai, aanzienlijke handelsplaats in het tegenw. China,
+waarschijnlijk in het N., in het land der Seres.
+
+Thisbe, Thisbe, z. Pyramus.
+
+Thisbe, Thisbe, oude stad van Boeotia, ten Z. van den Helicon, dicht
+bij de kust der Corinthische golf. Bij Homerus heet het polytreron
+naar de massa wilde duiven, die tusschen de rotsen nestelden.
+
+Thmuis, Thmouis, gen. -eos, stad in de Nijldelta tusschen den
+Mendesischen en den Phatnitischen arm.
+
+Thoana = Dana.
+
+Thoantea, bijnaam van de taurische Artemis, naar Thoas, koning
+van Tauris.
+
+Thoantias, Thoantias, Hypsipyle, dochter van Thoas.
+
+Thoas, Thoas, 1) zoon van Borysthenes, koning van Tauris, onder wiens
+regeering Iphigenia priesteres van Artemis was.--2) koning van Lemnus,
+vader van Hypsipyle. Toen alle mannen van Lemnus door de vrouwen van
+dat eiland gedood werden (z. Hypsipyle), werd hij alleen door zijn
+dochter gered en verborgen gehouden; later werd hij echter gevonden
+en ter dood gebracht. V. a. ontkwam hij naar Tauris of Oenoë.--3)
+zoon van Iason en Hipsipyle.
+
+Tholos, koepelvormig gebouw, te Athene een gebouw met koepeldak,
+waar de prytanen hunne zittingen en maaltijden hadden.
+
+Thonis, Thon, Thonis, Thon, koning van Aegypte, bij wien Menelaus op
+zijn terugreis van Troje gastvrij ontvangen werd.
+
+Thoon, Thoon, een Gigant, die bij de Gigantomachie door de Moerae
+gedood werd.
+
+Thoosa, Thoosa, dochter van Phorcys en Ceto, bij Poseidon moeder
+van Polyphemus.
+
+Thorax, Thorax, 1) bergrug in Messenië.--2) berg in Lydia.
+
+Thoria (lex), zie agrariae leges.
+
+Thoricus, Thorikos, attische demus aan de Oostkust van Attica's
+Zuidspits, een weinig ten N. van kaap Sunium.
+
+Thospites, Thespites (lacus), ook Arsissa genoemd, groot meer in
+Armenia Maior, tgw. meer van Wan.
+
+Thracia, Thrake, Threikie, het land ten N. der Aegaeïsche zee en der
+Propontis tot aan den Pontus Euxinus, met grieksche volkplantingen
+bezet, overigens door krijgshaftige en roofzieke, eeuwig twistende, aan
+dronkenschap verslaafde, doch niet onbeschaafde stammen bewoond. Ten
+gevolge van hunne verdeeldheden werden zij gemakkelijk door de Perzen
+onderworpen. Na de nederlagen der Perzen in Griekenland gelukte het aan
+een thracisch vorst, Sitalces, zijn volk, de Odrysen (z. a.), tot het
+heerschende te maken en een thracisch rijk te stichten (zie Sitalces en
+Seuthes). Onder Philippus en Alex. den Gr. lijfde Macedonia het eene
+stuk van Thracia na het andere in, doch na den dood van Lysimachus
+ging de macedonische overheersching allengs te gronde en werd Thracië
+weder een tooneel van verwarring, totdat het land voor en na onder
+de Rom. kwam. De Rom. gaven aan de streek tusschen den Donau en den
+Haemus den naam van Moesia (z. a.). De voornaamste volken van Thracia
+waren de Cicones aan de Zuidkust, de Odrysae aan den Hebrus, de Bessi
+in het Haemusgebergte. In Thracia behoort de mythe van Orpheus te huis.
+
+Thracium, Thrakion, een plein in Byzantium.
+
+Thrasea Paetus (P. Clodius), senator onder de regeering van Nero,
+gevoelde een diepen afkeer van den keizer en onttrok zich sedert 63
+n. C. op in het oog loopende wijze aan alle staatszaken, feestmalen
+en openbare samenkomsten. Zelfs het theater meed hij. Zijne vijanden
+maakten hem bij den keizer verdacht en hij werd door den senaat
+veroordeeld. Men liet hem de keus van zijn dood, waarop hij zich de
+aderen liet openen en met stoicijnsche kalmte stierf (66), naar het
+voorbeeld van Cato van Utica, op wien hij vroeger eene lofrede had
+geschreven. Zijne vrouw Arria was eene dochter der heldhaftige Arria,
+die met Caecina Paetus gehuwd was.
+
+Thraso, Thrason, 1) Athener, die de thebaansche vluchtelingen
+bijstond bij het verdrijven van de Spartanen uit de Cadmea.--2)
+beroemd beeldgieter ten tijde van Alexander d. G.--3) in de nieuwe
+comedie komt geregeld de rol voor van een snoevend soldaat, die den
+naam Th. (Durfal) draagt.
+
+Thrasybulus, Thrasyboulos, 1) tyran van Miletus, vriend van
+Periander van Corinthe. Hij werd 11 jaar lang door Sadyattes en
+Alyattes beoorloogd, maar wist laatstgenoemde door list tot vrede
+te bewegen.--2) tyran van Syracuse, opvolger van Hiero, werd binnen
+het jaar van de regeering ontzet (466) en stierf als balling bij de
+Locriërs.--3) z. Phrynichus no. 4.--4) Athener uit den demus Stiria
+(ho Steirieus), zoon van Lycon, was in 411 een van de bevelhebbers
+der atheensche vloot op Samus en verzette zich met zijn ambtgenoot
+Thrasyllus hevig tegen het instellen van de oligarchie der 400. In de
+volgende jaren streed hij met roem, vooral in den slag bij Cynossema,
+ook was hij als triërarch bij den slag bij de Arginusen. Hoewel hij
+met Theramenes de opdracht kreeg om de verongelukten in dien slag
+op te visschen, schijnt hij in het daarover gevoerde proces niet
+betrokken geweest te zijn. Als hoofd der democratische partij werd
+hij onder de 30 verbannen, hij ging naar Thebe, doch keerde weldra
+met een zeventigtal aanhangers terug en bezette bij verrassing de
+vesting Phyle. Na eenige gelukkige gevechten tegen de partij van
+de 30 nam het aantal zijner strijders dagelijks toe, en weldra zag
+hij zich in staat den Piraeus te nemen. Toen de 30 ook hier een
+slag tegen hem verloren hadden, zonden zij naar Sparta om hulp,
+maar door toedoen van koning Pausanias (z. a. no. 2) werd vrede
+gesloten en de democratie hersteld. Th. trok met de zijnen Athene
+binnen en bewerkte eene verzoening tusschen de partijen, terwijl
+hij eene amnestie liet bezweren. In den corinthischen oorlog met een
+vloot naar de Aegaeische zee gezonden, herstelde hij den atheenschen
+invloed te Byzantium, op Thasus, Lesbus, enz.; toen zijne soldaten
+zich te Aspendus aan gewelddadige handelingen hadden schuldig gemaakt,
+overvielen de inwoners dier stad des nachts zijn kamp en ontstond er
+een gevecht, waarbij Th. gedood werd (389). Dat hij zich gedurende
+zijn laatsten veldtocht aan verduistering van gelden en onderdrukking
+der bondgenooten zou schuldig gemaakt hebben, zooals na zijn dood
+gezegd werd, is niet bewezen.--5) Athener uit den demus Collytus (ho
+Kollyteus), nam met den vorigen deel aan de bevrijding van Athene. In
+388 viel hij met acht schepen in handen van Antalcidas. Na den vrede
+van Antalcidas is hij een van de leidende personen in den staat,
+en aan zijne gematigde politiek is voor een deel het tot stand komen
+van den tweeden attischen zeebond te danken.
+
+Thrasydaeus, Thrasydaios, 1) zoon van Theron en diens opvolger als
+tyran van Agrigentum, na een korte regeering om zijne wreedheid
+verdreven (473). Z. Hiero no. 1.--2) Eleër, aanvoerder der
+democratische partij tijdens den oorlog tusschen Sparta en Elis (400).
+
+Thrasyllus, Thrasyllos, 1) bevelhebber der atheensche vloot in 411,
+verzette zich evenals Thrasybulus tegen de regeering der 400 en
+behaalde met dezen de overwinning bij Cynossema. Ook in de volgende
+jaren onderscheidde hij zich en na het vertrek van Alcibiades kwam
+hij weder aan het hoofd van de vloot; na den slag bij de Arginusen
+werd hij met zijne ambtgenooten ter dood veroordeeld.--2) van Rhodus,
+astroloog, die te Rome woonde en Tiberius zijne kunst leerde, doch
+later in ongenade viel.
+
+Thrasymachus, Thrasymachos, 1) van Chalcedon, kwam in 430 naar Athene,
+waar hij zich op wijsbegeerte en rhetorica toelegde. Als redenaar
+wordt hij geroemd. Plato laat hem de stelling verdedigen, dat wat
+voor de machthebbenden voordeelig is, recht genoemd wordt.--2) van
+Corinthe, leermeester van Stilpo.
+
+Thrasymedes, Thrasymedes, zoon van Nestor en Anaxibia, die met zijn
+vader naar Troje trok en behouden terugkeerde.
+
+Threnodoi, personen, die zich verhuurden om bij begrafenissen of
+lijkfeesten klaagliederen (Threnoi) te zingen of ze met de fluit
+te begeleiden.
+
+Thria, Thria, vlek in Attica, nabij Eleusis. De omtrek werd de
+thriasische vlakte genoemd, Thriasion pedion.
+
+Thriae, Thriai, gevleugelde jonkvrouwen, die op den Parnassus
+woonden en de gave der voorspelling hadden, waarin zij ook Hermes
+onderrichtten.
+
+Thrinacia, Thrinakia, mythisch eiland, door de latere Grieken voor
+Sicilië gehouden en gelijk gesteld met Trinacria, Trinakria; z. Helius
+en Odysseus.
+
+Thronium, Thronion, hoofdstad der epicnemidische Locriërs aan
+het riviertje Boagrius. In den heiligen oorlog werd het door de
+huurtroepen der Phocensers onder Onomarchus geplunderd en verwoest,
+doch later herbouwd.
+
+Thryoessa, Thryoessa = Thryum.
+
+Thryum, Thryon, stad in Elis aan den Alpheus, het latere Epitalium.
+
+Thucydides, Thoukydides, 1) Athener uit den demus Alopece, zoon van
+Milesias, na den dood van Cimon hoofd der aristocratische partij,
+moest het onderspit delven voor Pericles en werd in 442 door het
+ostracisme verbannen.--2) Athener uit den demus Halimus, zoon van
+Olorus, van thracische afkomst, was in 423 bevelhebber eener vloot aan
+de kusten van Thracië en Macedonië; daar hij Amphipolis niet tijdig
+tegen Brasidas beschermd had, werd hij van verraad beschuldigd, en
+om zich aan het vonnis te onttrekken, ging hij in ballingschap. Hij
+leefde nu ongeveer 20 jaren als balling te Scapte Hyle, waar hij rijke
+goudmijnen bezat, en deed reizen naar Sicilië, Italië en Macedonië;
+eerst bij het einde van den peloponnesischen oorlog werd hij naar
+Athene teruggeroepen, doch weinige jaren later stierf hij. Gedurende
+en na zijne ballingschap hield hij zich bezig met het verzamelen van
+bouwstoffen voor en het schrijven van zijne beroemde geschiedenis
+van den peloponnesischen oorlog, welk werk hij echter bij zijn dood
+slechts tot den slag bij Cynossema (411) afgewerkt had. Th. is de
+eerste geschiedschrijver, die door hem zelf beleefde gebeurtenissen
+beschreef, en kan als de eerste attische prozaschrijver van beteekenis
+beschouwd worden. Zijn diep inzicht in den samenhang en de oorzaken der
+gebeurtenissen, zijne soms als redevoeringen of brieven ingekleede
+fijne en juiste schetsen van toestanden, zijn waarheidsliefde
+en streven naar onpartijdigheid, zijn kernachtige en gedrongen,
+soms harde en duistere, taal en stijl, als het ware een spiegel van
+den ernst, waarmede hij zijn taak opvatte, maken zijne geschiedenis
+(xyngraphe) tot een meesterwerk van den eersten rang, zooals het dan
+ook te allen tijde door ouderen en nieuweren beoordeeld is.
+
+Thule, Thoule, een eil. ergens in het hooge Noorden, door
+den massilischen zeevaarder Pytheas ontdekt en door de ouden
+voor het noordelijkste bekende land der aarde gehouden (ultima
+Thule). Waarschijnlijk is het één der Shetlands-eilanden (Unst of
+Mainland).
+
+Thumelicus, Thoumelikos, zoon van Arminius en Thusnelda, zie Arminius.
+
+Thyoskoos, waarschijnlijk een priester, die niet aan een bepaald
+heiligdom verbonden is, maar aan particulieren bij familieoffers,
+lijkoffers en dgl. zijn bijstand verleent.
+
+Thurii, Thourisi. Na de verwoesting van Sybaris (z. a.) in 510
+door de Crotoniaten schijnt de overgebleven bevolking verstrooid
+te zijn geraakt, tot zij in 443 in vereeniging met eene door
+Pericles uitgezonden atheensche volkplanting, waarbij zich ook de
+geschiedschrijver Herodotus bevond, een paar uren landwaarts in eene
+nieuwe stad Thurii stichtten, die bestemd scheen om een steunpunt
+voor atheenschen invloed en atheensche handelsbetrekkingen in Italië
+en op Sicilië te worden, en die onder de wetgeving van den beroemden
+Charondas alras tot bloei kwam (zie echter Sybaris aan het slot). De
+stad bleef Athene niet trouw; alleen in 413 kwam ze Athene tegen
+Syracuse te hulp; kort daarna streed ze weer tegen Athene. In de 4de
+eeuw was Thurii een bolwerk tegen de voortdringende Lucani en Bruttii,
+tot het in 282 onder romeinsche bescherming kwam. Hannibal plunderde
+de stad in 204 en bracht een deel der bevolking naar Croton over. In
+193 zonden de Rom. er eene kolonie heen en gaven aan de plaats den
+naam Copia, die echter spoedig weder in onbruik geraakte. Later werd
+Thurii een municipium. Omtrent den ondergang van Thurii zijn geene
+bijzonderheden bekend.
+
+Thusnelda, Thousnelda, dochter van Segestes, en vrouw van Arminius,
+(z. a.).
+
+Thyades, Thy(i)ades = Bacchae.
+
+Thyamia, Thyamia, sterke vesting op de grenzen van Sicyonia en
+Phliasia, een twistappel tusschen Sicyon en Phlius.
+
+Thyamis, Thyamis, rivier in Epirus, ontspringt in het N. des lands,
+vormt later de grensscheiding tusschen de distrikten Cestrina
+(v. a. Chaonia) en Thesprotia en valt tegenover het eiland Corcyra
+(Corfu) in zee.
+
+Thyamus, Thyamos, berg in Acarnania, loopt van den Z.O. hoek der
+Ambracische golf naar den Achelous.
+
+Thyatira, ta Thyateira, aanzienlijke stad aan den Phrygius in Lydia,
+ten N.W. van Sardes, met beroemde purperververijen. Hier ontstond
+eene der eerste christengemeenten.
+
+Thybris, dichterlijk = Tiberis.
+
+Thyella, Thyella, eene van de Harpyieën.
+
+Thyestes, Thyestes, z. Atreus en Agamemnon.
+
+Thyia, Thuia, dochter van Castalius of Cephissus, bij Apollo moeder
+van Delphus. Zij was de eerste, die de orgia ter eere van Dionysus
+invoerde; de Thyades zijn naar haar genoemd.
+
+Thymbra, Thymbra, oude stad van Troas, aan het riviertje Thymbrius,
+een zijtakje van den Scamander. Hier stond een tempel van Apollo
+Thymbraeus.
+
+Thymbrara, ta Thymbrara, stad en landstreek aan den Pactolus in
+Lydia, de verzamelplaats der aan Perzië schatplichtige volken van
+Voor-Azië. De ligging is niet juist bekend.
+
+Thymbris, Thymbris, 1) = Tiberis.--2) bron en riviertje op Sicilia.--3)
+zijrivier van den Sangarius.
+
+Thymbrium, Thymbrion, stadje in Phrygia naar den kant van Lycaonia,
+met de bron van Midas, die de koning met wijn had laten vermengen,
+om een Satyr te vangen.
+
+Thymbrius, Thymbrios, zie Thymbra.
+
+Thymele, thymele, oorspronkelijk het altaar van Dionysus, dat in
+het attische theater in het midden van de orchestra stond, later de
+orchestra zelve, waarnaar de personen, wier plaats in de orchestra
+was, thymelici genoemd werden.--In de rom. schouwburgen, die geen
+orchestra hadden, noemde men thymele de plaats, waar de muzikanten
+stonden. Later werd ook het tooneel zelf zoo genoemd, en kregen allen,
+die bij de voorstelling medewerkten, den naam van thymelici.
+
+Thymoetes, Thymoites, 1) een Trojaan, die op denzelfden dag, waarop
+Paris geboren werd, een zoon kreeg. Daar door waarzeggers voorspeld
+was, dat op dien dag een kind zoude geboren worden, dat den ondergang
+van Troje zoude bewerken, liet Priamus het kind van Th. dooden. Uit
+wraak gaf deze later den raad, het houten paard binnen de muren
+te halen.--2) zoon van Oxyntes, laatste koning van Attica uit het
+geslacht van Theseus (zie Melanthus).
+
+Thyni, Thynoi, thracisch volk bij Salmydessus aan den Pontas Euxinus
+(Zwarte zee), waarvan een gedeelte met de verwante Bithyni den
+thracischen Bosporus overstak en zich in het latere Bithynia vestigde.
+
+Thynias, Thynias, 1) kaap en stad op de Oostkust van Thracia ten
+N. van Salmydessus.--2) eiland op de Noordkust van Bithynia.
+
+Thyone, Thyone, z. Semele.
+
+Thyoneus, Thyoneus, Dionysus, zoon van Thyone.
+
+Thyraeum, Thyraion, stad in Z.-Arcadia, ten N. van Megalopolis.
+
+Thyrea, Thyrea, -eas, hoofdstad van het distrikt Thyreatis of Cynuria
+(z. a.). Toen in 431 de bewoners van Aegina door de Atheners werden
+verdreven, ruimden de Spartanen hun Thyrea in, doch in 424 werd dit
+door de Atheners veroverd en verwoest en werden de inwoners weggevoerd.
+
+Thyreatis, Thyreatis, zie Thyrea.
+
+Thyreum, -ium, Thyreon, Thyrreion, stad met kasteel in het N. van
+Acarnania, plaats der bondsvergaderingen.
+
+Thyrsus, thyrsos, een lange stok, met klimopbladen, wijngaardloof of
+ook met een dennenappel versierd. Bij de feesten van Dionysus droeg men
+zulk een staf, en ook de god zelf werd gewoonlijk er mede afgebeeld.
+
+Thysdrus, Thysdra, Thysdros, versterkte stad, waarvan nog schoone
+bouwvallen overig zijn, in Byzacium, een uur of drie van de kust
+verwijderd, Z.waarts van Hadrumetum.
+
+Thyssagetae, Thyssagetai, uitgebreid jagersvolk in Sarmatia Asiatica,
+ten O. eener uitgestrekte woeste streek. Zij woonden waarschijnlijk
+achter den Rha (Wolga).
+
+Thyssus, Thyssos, stad van Chalcidice, aan den Westkant van het
+schiereiland Acte, met een halfbarbaarsche bevolking.
+
+Tiara, tiara, een zachte en buigzame muts of tulband, het gewone
+hoofddeksel bij de Perzen e. a. aziatische volken. Alleen de koning
+droeg de tiara recta = cidaris. Zie apex.
+
+Tibarani, volksstam in Cilicia in het Amanusgeb., nabij de stad
+Pindenissus, tot de Eleutherocilices behoorende.
+
+Tibareni, Tibarenoi, een vreedzame, landbouwende volksstam aan de
+Noordkust van Pontus bij de stad Cotyora, ten O. van het promunturium
+Iasonium.
+
+Tiberias, Tiberias, stad in Galilaea, aan de Westzijde van het meer
+Gennesareth, gebouwd door Herodes Antipas (zie Herodes), en naar keizer
+Tiberius genoemd. In de nabijheid waren warme bronnen. Vespasianus
+verwoestte de stad, die echter herbouwd werd, lang de zetel eener
+joodsche akademie was en waarvan nog aanzienlijke bouwvallen bestaan,
+ten Z. van het tegenw. Tiberias.
+
+Tiberinides, de nimfen van den Tiber.
+
+Tiberinus, de riviergod van den Tiber, oorspronkelijk een koning van
+Alba Longa, die in de Albula verdronken was en zijn naam aan de rivier
+gegeven had. Hij werd te Rome hoog vereerd, had een heiligdom op het
+Tibereiland en een standbeeld op het Capitolium. Den 7den Juni werd
+door visschers te zijner eere een feest aan de overzijde der rivier
+gevierd, en den 8sten December werden hem offers gebracht. Hij wordt
+voorgesteld als een grijsaard in een zeegroen gewaad, met een krans
+van biezen op het hoofd en een horen van overvloed in de hand.
+
+Tiberis, Tiberis, de bekende Tiber, de rivier van Rome, ontspringt
+op den Apenninus bij Tifernum in het gebied der etruscische stad
+Arretium en neemt een aantal zijrivieren op, waarvan de voornaamste
+zijn: de Clanis, die dicht langs Clusium loopt, de Nar in Umbria,
+de Allia (nederlaag in 390), de Cremera (dood der Fabii in 477), de
+Anio. Door zijne bijrivieren wordt het water van den Tiber troebel,
+daarom wordt hij door de dichters flavus genoemd, terwijl hij naar zijn
+oorsprong ook Tyrrhenus, Tuscus wordt geheeten en ook wel Lydius naar
+den vermeenden lydischen oorsprong der Etruscers. De oudste naam was
+Albula, na het verdrinken van koning Tiberinus (z. a.) geeft de sage
+aan den stroom zijn nieuwen naam. Vóór Rome vormt hij door splitsing
+in twee armen de insula Tiberina, door bruggen met de beide oevers
+verbonden (pons Fabricius, pons Cestius) en versierd met de tempels
+van Aesculapius en den god Tiberinus. Aan zijn mond vormde de rivier
+weder een eiland, aan Venus geheiligd en insula sacra geheeten. Aan
+den linkermond lag Ostia, aan den rechter Portus Augustus of Portus
+Romanus, eene stichting van keizer Claudius.
+
+Tiberius, geb. in 42, rom. keizer, 14-37 na C. Hij was een zoon
+van Tib. Claudius Nero en Livia Drusilla. Voluit was zijn naam
+ook Tib. Claudius Nero. Toen zijne ouders van elkander gescheiden
+waren en Livia de derde gemalin van Augustus was geworden, werden
+den jongen Tib. en diens broeder Drusus verschillende betrekkingen
+opgedragen. In 15 voerden zij samen het bevel in den oorlog tegen
+de Alpenvolken (zie Claudii no. 26), en in 13 werd Tib. consul. Hij
+was gehuwd met Vipsania Agrippa, doch moest haar in 11 verstooten,
+op uitdrukkelijk verlangen van Augustus, die hem zijne eigene dochter
+Iulia opdrong (zie Iulii no. 14). Deze echt was niet gelukkig. Van 12
+tot 9 voerde Tib. het bevel tegen de Pannoniërs, in 8 volgde hij zijn
+broeder Drusus in Germania op, streed daar ook in het volgende jaar,
+en kreeg in 6 de tribunicia potestas, maar zijn huwelijk met Iulia
+bracht hem in onaangenaamheden met Augustus, zoodat Tib. zich nog
+in datzelfde jaar naar Rhodus begaf en zich aan lichaamsoefeningen
+en studie overgaf. Eerst in 2 n. C. keerde hij vandaar terug. Na
+den dood van Augustus' kleinzoons, L. en C. Caesar werd hij in
+4 n. C. samen met M. Agrippa Postumus door Augustus geadopteerd,
+en tot opvolger aangewezen, maar moest tevens zijn neef Germanicus,
+Drusus' zoon, adopteeren. Nu begonnen de veldtochten opnieuw; eerst
+streed hij in 4 en 5 in Noord-Germania, en drong tot aan de Elbe door,
+daarna trok hij tegen Maroboduus, koning der Marcomannen, op (5),
+vervolgens (6-8) moest hij den pannonischen opstand onder Bato dempen,
+daarna in Germania de nederlaag van Varus wreken. Met veel beleid
+drong hij in het hart van Germania door, waarna hij het bevel aan
+Germanicus overdroeg, en verder te Rome de rechterhand van Augustus
+werd. Toen deze in 14 stierf, wist Livia zijn dood geheim te houden
+totdat Tib. bezit van de regeering had genomen. Tib. wist natuurlijk
+dat het meerendeel der aristocratie te Rome deze erfopvolging, die
+de kroon op de monarchie drukte, met leede oogen aanzag; dit moest
+wel zijn van nature achterdochtig gemoed met wantrouwen en argwaan
+vervullen. Toch trachtte hij in zijne eerste regeeringsjaren gematigd
+te zijn, doch versterkte intusschen zijne macht door het kies- en
+stemrecht van het volk geheel op den senaat over te brengen, zich
+persoonlijk met eene lijfwacht te omgeven, eene wet uit te vaardigen
+tegen majesteitsschennis, terwijl hij op aansporen van zijn praefectus
+praetorio L. Aelius Seianus de praetoriaansche cohorten, tot dusver bij
+de burgers ingekwartierd, in eene vaste legerplaats, castra praetoria,
+vereenigde. Inmiddels werd hij somberder en ergdenkender, vooral
+na den dood van zijn zoon Drusus (23) en vervolgde met bloedige
+gestrengheid zijne ware of vermeende tegenstanders onder de oude
+rom. geslachten. Seianus voedde die somberheid, die ten slotte
+menschenhaat werd, zoodat Tib. in 26 zich terugtrok op het eilandje
+Capreae en alles aan Seianus overliet, die nu in naam des keizers uit
+den weg ruimde wat hem in den weg stond en het plan koesterde, Tiberius
+op te volgen. Eindelijk gingen Tib. de oogen open, en Seianus werd
+gevangen genomen, bij den senaat aangeklaagd en ter dood veroordeeld
+(18 Oct. 31). Nu nam Tib. zelf weder de regeeringszaken ter hand,
+zonder evenwel naar Rome terug te keeren. In 37 werd hij ernstig ziek
+en bij deze gelegenheid smoorde de nieuwe praefectus, Sertorius Macro,
+in overleg met C. Caesar (Caligula), den bejaarden keizer onder de
+kussens van zijn bed (16 Maart). Tiberius was een uitstekend regent,
+onder wiens bestuur vooral de keizerlijke provincies gebloeid hebben.
+
+Tiberius Julius Alexander, geboren Jood uit Aegypte, geraakte te Rome
+in groot aanzien, werd rom. ridder en werd in 46 na C. door keizer
+Claudius als procurator naar Judaea gezonden. Later diende hij onder
+Corbulo in Azië (63). Daarna was hij stadhouder van Aegypte en dempte
+hij een opstand in Alexandria (66), onder Vespasianus werd hij weder
+naar Judaea gezonden en voerde hij onder 's keizers zoon Titus het
+bevel in het leger aldaar. Hij was een man van groot gezag, door ieder,
+die hem kende, geëerd en geacht.
+
+Tibia, aulos, de fluit, welk muziekinstrument in de oudheid zeer in
+gebruik was en bij godsdienstige plechtigheden gebezigd werd. De
+oudste fluit was de rietfluit, later werd zij uit verschillende
+houtsoorten vervaardigd, de Etruscers maakten ze ook van metaal. De
+syrinx, syrinx, was de Pansfluit, uit 7 of 9 rietpijpjes van afnemende
+lengte vervaardigd, die van onderen in eene dwarspijp uitloopen. De
+god zou deze het eerst hebben gesneden uit het riet, waarin de door
+hem vervolgde stroomnimf Syrinx veranderd was. Hieruit ontstond de
+dubbelfluit, twee fluiten aan één mondstuk verbonden, welk stelsel
+men echter weder liet varen voor twee afzonderlijke fluiten, beide
+tegelijk door denzelfden persoon geblazen. De fluiten waren soms
+recht, soms gebogen, soms evenals onze klarinetten in een beker
+uitloopende, met gaten voorzien en vervolgens verbeterd door het
+aanbrengen van kleppen. De dwarsfluit, tibia obliqua, plagiaulos,
+werd, evenals bij ons, van ter zijde geblazen, doch ook met een opgezet
+mondstuk. Men had korte en lange, hooge en lage fluiten. Evenals men
+bij de Grieken de fluiten van hoogen toon vrouwelijke, die van lagen
+toon mannelijke noemde, onderscheidden de Rom. tibiae sinistrae, hooge
+fluiten (diskant) en dextrae, lage (bas), omdat, wanneer de speler een
+stel ongelijke fluiten bespeelde, de basfluit met de rechterhand werd
+geregeerd. Dit waren dan tibiae impares, doch men had ook tibiae pares,
+een stel van twee gelijke fluiten, beide diskant of beide bas. Blijkens
+de didascalia der blijspelen van Terentius werd b.v. de Andria begeleid
+tibiis paribus dextris et sinistris, dus door twee stel fluiten, de
+Eunuchus tibiis duabus dextris, de Heautontimorumenos eerst tibiis
+imparibus, later duabus dextris, de Hecyra tibiis paribus, de Phormio
+tibiis imparibus. De Adelphi werden begeleid door tibiae Serranae,
+die tot de pares gerekend worden, doch waarvan het karakteristieke
+onbekend is. De fluitspelers hadden dikwerf een lederen band om mond
+en wangen; door twee gaten stak men de beide mondstukken. Deze band
+diende om eene te sterke ademhaling bij het blazen tegen te gaan en
+een zachter toon te verkrijgen. Men had niet alleen fluitspelers,
+tibicines, maar ook fluitspeelsters, tibicinae.--Te Athene, waar
+ieder welopgevoed mensch de cither of lier kon bespelen, was het
+fluitspel slechts korten tijd in aanzien; men liet het gewoonlijk
+aan fluitspeelsters van beroep (auletrides) over.
+
+Tibiscus, Tibiskos, linker zijrivier van den Ister (Donau) in Dacia,
+thans de Temes.
+
+Tibisis, Tibisis, bij Herod. een rechter zijtak van den Ister (Donau)
+in Moesia, onbekend welke.
+
+Tibullus, rom. dichter, zie Albii.
+
+Tibur, thans Tivoli, tegen de helling van een berg liggende en daarom
+door Horatius supinum genoemd, schilderachtig gelegen aan beide oevers
+der watervallen van den Anio, een geliefkoosd uitspanningsoord der
+Rom. met vele villa's in den omtrek. Ook Horatius had niet ver vandaar
+zijn landgoed. Tibur, bijna ten O. van Rome gelegen, gold voor eene
+overoude stad, waarvan de stichting aan de kleinzoons van Amphiaraus
+(z. Tiburtus) werd toegeschreven. Keizer Hadrianus (z.a.) liet in de
+vlakte aan den voet van de stad zijne beroemde villa aanleggen. De
+inwoners werden Tiburtes genoemd. De steengroeven in de buurt leveren
+den bekenden lapis Tiburtinus, tgw. Travertino geheeten.
+
+Tiburtus, de stroomgod van de rivier Anio; hij wordt door lateren een
+zoon of kleinzoon van Amphiaraus genoemd en zou met zijne broeders
+Coras en Catillus Tibur gesticht hebben.
+
+Tichium, Teichion, stadje in Aetolia.
+
+Tichius, Teichious, kasteel bij Trachis op een top van den Oeta,
+niet ver van de Thermopylae.
+
+Tichiusa, Teichioussa, sterkte op het grondgebied van Miletus.
+
+Ticinum, oude keltische stad in Gallia Cisalpina, thans Pavia, aan de
+rivier Ticinus gelegen, niet ver van de plaats waar deze zich met den
+Padus (Po) vereenigt. Door de Hunnen werd T. verwoest (452 n. C.),
+doch onder de heerschappij der Oostgothen kwam het weder tot bloei.
+
+Ticinus, tak van den Padus (Po), op den mons Adula
+(z. a.) ontspringende, thans Ticino. Hij loopt door den lacus Verbanus
+(Lago Maggiore). Aan den rechteroever van deze rivier bij Victumalae,
+behaalde Hannibal in 218 zijn eerste overwinning in Italië op de
+Romeinen.
+
+Tifata (mons), ta Tiphatena ore, berg in Campania ten O. van Capua,
+op de grenzen van Samnium, met een beroemden Diana-tempel.
+
+Tifernum, 1) stad in Umbria, vlak aan de etrurische grenzen, bij de
+plaats waar de beide beken, die den Tiber vormen, zich vereenigen;
+hiernaar heet deze plaats Tifernum Tiberinum. Even ten N. hiervan lag
+op etruscisch gebied de villa, Tusci genaamd, van Plinius Secundus
+(minor).--2) stad in Umbria aan den bovenloop van den Metaurus,
+Tifernum Metaurense.--3) stad in Samnium aan den Tifernus.
+
+Tifernus, 1) gebergte in Noord-Samnium, tgw. Montagna del Matese.--2)
+rivier in Samnium, die van den Tifernus mons door het gebied der
+Frentani in zee stroomt.
+
+Tigellinus (C. Sofonius of Ofonius), van Agrigentum, in 39 n. C. door
+Caligula verbannen, onder Claudius begenadigd, wist door zijne
+liefhebberij voor wedrennen de gunst van Nero te verwerven en werd
+door dezen tot praefectus praetorio benoemd in plaats van Burrus,
+die overleden was (62). Tigellinus was een der booze geesten, die
+Nero tot doodvonnissen en gruwelen aanspoorden. Toen Galba tot keizer
+was uitgeroepen, liep T. tot dezen over, doch kocht slechts voor eene
+groote som gelds zijn leven van den consul T. Vinius vrij. Na Galba's
+val werd hij ter dood veroordeeld en sneed zich met een scheermes de
+keel af of liet dit doen.
+
+Tigellius, 1) een Sardiniër en hierom Sardus bijgenaamd, om zijne
+geestige scherts en zijn talent als zanger zeer gezien bij Caesar
+en later bij Augustus, door Horatius als een uiterst grillig mensch
+afgeschilderd.--2) Tigellius Hermogenes, v. s. een aangenomen zoon
+van no. 1, z. Hermogenes Tigellius.
+
+Tigranes, Tigranes, koningsnaam in Armenia (z. a.). 1) T. II, 97-56,
+zoon van Ardasches of Artaxias, breidde het rijk naar verschillende
+kanten uit, en veroverde o. a. in 83 het syrische rijk, na den dood
+van Antiochus XII. Hij stichtte eene reusachtige nieuwe hoofdstad
+Tigranocerta (z. a.). De eisch, hem door de rom. gedaan, dat hij hun
+zijn schoonvader Mithradates VI van Pontus zou uitleveren, prikkelde
+hem om diens partij te kiezen. Zoo wikkelde hij zich in een oorlog
+met Rome en zag zich door Lucullus bijna uit zijn rijk verdreven
+(68). Wel schonk de muiterij in diens leger hem eenige verademing,
+doch Pompeius noodzaakte hem in 66 den vrede te koopen tegen afstand
+van de meeste veroverde gewesten, zoodat T. slechts Armenië en het
+op de Parthen vermeesterde Gordyene behield. Hiermede was de macht
+van het armenische rijk gebroken, het werd beurtelings een speelbal
+van Rome en van Parthië.--2) derde zoon van no. 1, kwam tegen zijn
+vader in verzet en zocht hulp bij Pompeius, die hem echter met vrouw
+en dochter gevangen naar Rome voerde en daar zijn zegetocht liet
+opluisteren. Met hulp van den tribuun P. Clodius (Claudii no. 17)
+ontsnapte hij in 58 uit de hechtenis.--3) T. III, zoon van Artavasdes
+I, werd in 20 door Augustus op den troon van Armenia geplaatst, na
+den dood van zijn anderen broeder Ardasches of Artaxias, die door de
+Parthen tot koning van Armenië verheven was. Na den dood van dezen
+Tigranes plaatsten de Armeniërs op eigen gezag zijn zoon T. IV en zijne
+dochter Erato op den troon, doch Augustus nam hiermede geen genoegen
+en wilde hem door Tiberius laten afzetten (6), maar doordat Tiberius
+zich in dien tijd naar Rhodus terug trok, bleef de zaak slepen,
+en eerst in 1 liet Augustus door middel van C. Caesar zijn invloed
+gelden. Armenië wierp zich in de armen van Parthië, doch Arsaces XVI
+Phraataces waagde geen ernstigen strijd met Rome. Inmiddels kwam
+Tigranes IV in een veete om.--4) er regeerden vervolgens nog vier
+koningen van dezen naam over Armenia, afgewisseld door andere. T. V,
+door Nero op den troon gezet (60 na C.), werd verdrongen door den
+Parth Tiridates (z. a.) in 63. Hiermede kwam Armenië aan de Arsaciden,
+en deze overleefden hier de parthische.
+
+Tigranocerta, ta Tigranokerta = Tigranes-stad, door Tigranes
+(96-56) van Armenia als nieuwe, reusachtige residentie gesticht en
+met de inwoners van veroverde cappadocische en cilicische steden
+bevolkt. Zij lag in het distrikt Arzanene of in Zabdicene nabij
+de rivier Nicephorius ten Z. van den mons Masius. Nog was zij niet
+voltooid, toen Lucullus er een gedeelte van verwoestte (69). Later
+diende zij den Rom. als grensvesting tegen de Parthen, doch sedert
+de 3de eeuw na C. komt de naam niet meer voor.
+
+Tigris, Tigres of Tigris = pijl, aldus genoemd om zijne stroomsnelheid,
+thans nog onder denzelfden naam bekend, ontspringt in Armenia uit
+verschillende bronnen. De beide hoofdarmen, waarvan de oostelijke een
+gedeeltelijk onderaardschen loop heeft, vereenigen zich eenige uren
+boven de grens van Mesopotamia. Vervolgens loopt hij als oostelijke
+grensrivier van Mesopotamia en Babylonia naar de perzische golf. Zijne
+monden vereenigen zich met die van den Euphraat. Hunne delta schijnt
+echter aan wisselingen onderhevig te zijn geweest, want over hunne
+samenvloeiing en over de vraag, wat eigenlijk de hoofdstroom is,
+waren de ouden het niet eens. De Tigris neemt door zijrivieren tot
+aan zijn mond in breedte toe; de Euphraat mist zulk een toevoer en
+verliest door verdamping en aftapping zooveel water, dat hij van den
+Chaboras tot aan Babylon 1/4 van zijn breedte verliest.
+
+Tigurini, zie Helvetii. Hun hoofdstad heette Aventicum.
+
+Tillii. 1) L. Tillius Cimber was een der moordenaars van Caesar
+en gaf het sein tot den aanval door Caesar de toga open te rukken,
+toen hij een weigerend antwoord op een verzoek om genade voor zijn
+broeder ontving. Later bestuurde hij Bithynia en streed vervolgens
+als admiraal onder Brutus en Cassius.--2) Tillius, tribuun en senator,
+door Horatius gehekeld wegens gemis aan beschaving.
+
+Tilphossium, Tilphusium, Tilphossion, Tilphousion, berg en stad in
+Boeotia, met de aan Apollo geheiligde bron Tilphossa (Tilphusa) en
+een grafteeken van Tiresias. Zij lag ten Z. van het Copaïsche meer
+tusschen Coronea en Haliartus.
+
+Timaeus, Timaios, 1) van Locri, pythagoreïsch wijsgeer. Plato genoot
+eenigen tijd van hem onderwijs en noemde een zijner dialogen naar
+hem. Een nog bestaand werkje peri psychas kosmo werd vroeger ten
+onrechte aan hem toegeschreven.--2) van Tauromenium, geb. 352, werd
+door Agathocles uit Sicilië verdreven (317), leefde 50 jaar te Athene
+en kwam toen naar Sicilië terug, waar hij in 256 stierf. Gedurende
+zijne ballingschap hield hij zich met de studie der geschiedenis bezig
+en schreef hij o. a. een groot werk over de geschiedenis van Sicilië
+van de vroegste tijden tot 264. Dit werk, dat thans nog slechts uit
+enkele fragmenten bekend is, was met veel zorg naar de beste bronnen
+bewerkt, maar de overmatig scherpe kritiek, waaraan de schrijver
+zoowel oudere schrijvers als historische personen onderwerpt, was de
+oorzaak dat het door de ouden, vooral door Polybius, zeer ongunstig
+beoordeeld werd, en den schrijver de bijnaam van epitimaios (vitter)
+werd gegeven.--3) platonisch wijsgeer uit de 3de eeuw na C., schrijver
+van een woordenboek op de werken van Plato, waarvan een gedeelte
+bewaard gebleven is.
+
+Timagenes, Timagenes, van Alexandrië, slaaf van Faustus Sulla, gaf
+later te Rome met grooten bijval onderwijs in rhetorica. Door zijne
+kwaadsprekendheid zag hij zich ten slotte genoodzaakt de stad te
+verlaten en trok zich terug naar Tusculum. Zijne talrijke geschriften
+waren grootendeels van geschiedkundigen inhoud.
+
+Timagoras, Timagoras, Athener, werd als gezant naar Artaxerxes
+gezonden, bij wien hij ook Pelopidas ontmoette. Daar hij meer in het
+belang van dezen dan van Athene werkte, werd hij bij zijne terugkomst
+aangeklaagd en ter dood veroordeeld.
+
+Timandra, Timandra, dochter van Tyndareüs, gemalin van Echemus. Bij
+Phyleus werd zij moeder van Euander. V. s. waren door hare bemoeiingen
+de Heracliden uit de Peloponnesus verdreven en had zij Hyllus gedood.
+
+Timanthes, Timanthes, van Sicyon, beroemd schilder, tijdgenoot
+van Zeuxis en Parrhasius. Vooral zijn offerdood van Iphigenia werd
+geprezen.
+
+Timarchus, Timarchos, Athener, die met Demosthenes eene graphe
+parapresbeias tegen Aeschines (z. a.) indiende. Voordat de zaak echter
+in behandeling kwam, klaagde Aeschines hem aan wegens zijn onzedelijk
+leven, ten gevolge waarvan Tim. van zijn burgerrecht beroofd werd
+en niet meer als aanklager konde optreden. V. a. hing hij zich op,
+voordat het proces tegen hem afgeloopen was.
+
+Timavus, korte doch onstuimige bergstroom van Istria, die na een
+onderaardschen loop dicht bij de kust weder te voorschijn komt en
+zich met kracht in de golf van Tergeste (Triëste) werpt. Oudtijds
+hield men deze rivier voor de bron der Adriatische zee.
+
+Timema, 1) het vermogen van een atheensch burger, zooals het ten
+behoeve der klassenindeeling van Solon geschat werd; ook de klasse,
+waartoe hij ingevolge die schatting behoort.--2) het voor de eisphora
+belastbare gedeelte van het vermogen, dat voor de verschillende
+klassen verschillend was. Van burgers der eerste klasse was het
+geheele vermogen belastbaar, van die der tweede 5/6, van die der
+derde 5/9, theten waren vrij van het betalen der eisphora.--3) de
+door den aanklager geëischte straf, ook de opgelegde straf zelve,
+wanneer deze in geldboete bestaat. Tegen den eisch van den aanklager
+kon de aangeklaagde, wanneer hij schuldig bevonden was, voorstellen
+dat hem een andere straf zou opgelegd worden (antitimasthai). De
+rechters konden geen andere straf opleggen, dan die door eischer of
+aangeklaagde voorgesteld was.
+
+Timocles, Timokles, verdienstelijk attisch blijspeldichter uit het
+overgangstijdperk, tijdgenoot van Demosthenes.
+
+Timocrates, Timokrates, z. Tithraustes.
+
+Timocreon, Timokreon, van Ialysus, lyrisch dichter en athleet,
+vroeger gastvriend van Themistocles, dien hij echter later in zijne
+gedichten met bitteren spot vervolgde. Ook met Simonides van Ceos was
+hij in vijandschap en beiden uitten hunne gezindheid tegen elkander
+in bijtende satiren. Verdacht van heulen met de Perzen, werd hij uit
+zijne vaderstad verbannen; v. s. ging hij naar Perzië, waar hij aan
+het hof gastvrij ontvangen werd.
+
+Timolaus, Timolaos, hoofd der volkspartij te Corinthe, een der
+voornaamste bewerkers van den corinthischen oorlog.
+
+Timoleon, Timoleon, een edel Corinthiër, was uit liefde voor de
+vrijheid behulpzaam bij het dooden van zijn broeder Timophanes, die
+zich door huurtroepen van de alleenheerschappij had meester gemaakt
+(365/364). Daar deze daad door vele zijner medeburgers afgekeurd werd,
+en zijn moeder een volkomen afkeer van hem gekregen had, leefde hij
+vele jaren in afzondering, totdat de Syracusanen, wier staat door
+voortdurende burgeroorlogen met volkomen ondergang bedreigd werd,
+te Corinthe om hulp kwamen vragen (345). Met een klein leger niet
+zonder gevaar naar Sicilië overgestoken, landde hij bij Tauromenium
+en won hij bij Adranum een slag tegen Hicetas; daarna bezette hij
+een deel van Syracuse en verjoeg hij achtereenvolgens de Carthagers
+uit de haven, Dionysius uit Ortygia en Hicetas uit Achradina. Wel
+keerden de Carthagers met een leger van 80000 man terug, maar in den
+slag bij de rivier Crimisus leden zij een volkomen nederlaag (339),
+zoodat zij gedwongen waren een vrede te sluiten, waarbij de rivier
+Halycus als grensscheiding werd aangenomen. Tim. regelde daarna
+de inwendige toestanden te Syracuse en vernietigde alle sporen der
+tyrannie, duizenden Corinthiërs kwamen op zijne uitnoodiging zich
+op Sicilië vestigen en kregen er grondbezit, de wetten werden in
+democratischen geest herzien, ook uit vele andere steden werden
+de tyrannen verdreven en de vreemde huurtroepen afgedankt, en
+allerwege heerschte op het eiland een lang niet gekende rust en
+vrede. Rechtvaardig en bescheiden, in weerwil van den overwegenden
+invloed, dien hij als bevrijder en weldoener van den staat genoot,
+leefde hij, nadat hij zijn ambt had neergelegd (337), nog eenigen tijd
+als ambteloos burger, algemeen bemind en geëerd te Syracuse. Daar
+werd op zijn graf een gedenkteeken, het Timoleonteum, opgericht en
+werden hem jaarlijks lijkoffers gebracht.
+
+Timolus = Tmolus.
+
+Timomachus, Timomachos, 1) atheensch veldheer, die in 367 Epaminondas
+moest beletten over den Isthmus te trekken en in 361 de opdracht
+kreeg, met een vloot de thracische kusten te verdedigen; beide keeren
+kweet hij zich zoo slecht van zijn taak, dat hij ten laatste ter dood
+veroordeeld werd.--2) van Byzantium, beroemd schilder in de eerste
+eeuw. Twee van zijn beroemdste schilderijen, de Medea en de razende
+Ajax, werden door Caesar naar Rome gebracht.
+
+Timon, Timon, 1) Athener, een welgesteld en beschaafd man, die ten
+tijde van den peloponnesischen oorlog leefde en zich ten gevolge
+van bittere ervaringen uit de maatschappij terugtrok, vanwaar hij
+den naam van menschenhater (misanthropos) kreeg.--2) van Phlius,
+geb. 320, sceptisch wijsgeer, leerling van Stilpo en Pyrrho, gaf in
+verschillende steden onderwijs in de welsprekendheid en stierf te
+Athene, 90 jaar oud. Van zijne zeer talrijke werken waren het meest
+beroemd zijn spotdichten (silloi) in hexameters, waarin verschillende
+wijsgeeren en wijsgeerige stelsels geparodiëerd werden.
+
+Timophanes, Timophanes, z. Timoleon.
+
+Timotheüs, Timotheos, 1) Athener, zoon van Conon. Hij kwam met zijn
+vader in 393 naar Athene terug, en onderscheidde zich sedert het
+begin van den thebaanschen oorlog als veldheer en staatsman door
+dapperheid en bekwaamheid. In 375 veroverde hij Corcyra, waarbij hij
+zich door zachtheid en gematigdheid roem verwierf, en behaalde hij
+nog verscheiden overwinningen in de Ionische zee, waarna een vrede
+tot stand kwam, die echter spoedig weder verbroken werd. Toen in 373
+Corcyra door Mnasippus belegerd werd, werd aan T. weder opgedragen
+de belegerden te gaan ontzetten; daar hij echter den geschikten tijd
+verzuimde, werd het opperbevel hem ontnomen en aan Iphicrates gegeven,
+zelfs werd hij deswege gerechtelijk vervolgd, maar vrijgesproken. Nadat
+hij eenigen tijd in perzischen dienst tegen Aegypte gestreden
+had, keerde hij naar Athene terug, en door een aantal gelukkige
+ondernemingen in de Aegaeïsche zee en aan den Hellespont bevestigde
+hij de atheensche macht ter zee. Ten slotte in den bondgenootenoorlog
+door Chares (z. a.) van verraad beschuldigd, werd hij teruggeroepen
+en tot een boete van 100 talenten veroordeeld (354), waarop hij zich
+naar Chalcis begaf, waar hij kort daarna stierf. Na zijn dood werd de
+boete tot 10 talenten verminderd, en aan zijn zoon Conon toegestaan,
+deze som tot verbetering der muren te besteden.--2) van Miletus,
+beroemd toonkunstenaar en dithyrambendichter, gestorven in 357,
+die het aantal snaren van de citer van 7 tot 11 (v. a. van 8 tot 9)
+vermeerderde. Een van zijne dithyramben is eenige jaren geleden in
+Egypte gevonden.--3) een van de beeldhouwers, die aan de versiering
+van het Mausoleum werkten.--4) Athener uit het geslacht der Eumolpiden,
+door Ptolemaeus I naar Alexandrië geroepen om de eleusinische mysteriën
+daarheen over te brengen.
+
+Timouchoi, titel der 600 leden van den raad van Massilia.
+
+Tingis, Tingis, thans Tanger, oud-phoenicische stad in Afrika aan
+het fretum Gaditanum (straat v. Gibraltar), door Augustus tot een
+vrije stad gemaakt, door Claudius tot rom. kolonie en tot hoofdstad
+der provincie Mauretania Tingitana verheven.
+
+Tingitana, zie Mauretania.
+
+Tipasa, Tipasa, stad op de grenzen van Africa vetus en Numidia,
+in het binnenland ten Z. van Hippo Regius gelegen.
+
+Tipha, Tipha, zie Siphae.
+
+Tiphys, Tiphys, de stuurman der Argonauten.
+
+Tiresias, Teiresias, zoon van Eueres en Chariclo, uit het geslacht
+der Sparti, beroemd waarzegger te Thebe. Hij komt vooral voor in
+de sage van Oedipus en zijne zonen, maar was toen reeds zeer oud,
+zelfs zeide men dat hij reeds ten tijde van Cadmus geleefd had. Hij
+had namelijk eens, als scheidsrechter bij een twist tusschen Zeus en
+Hera ingeroepen, Hera in het ongelijk gesteld, waarvoor zij hem met
+blindheid strafte, maar Zeus gaf hem ter vergoeding een buitengewoon
+lang leven en de gave der voorspelling.--V. a. was zijne blindheid
+door Athena veroorzaakt, die hij in het bad bespied zou hebben, op
+de beden zijner moeder stelde zij hem echter later schadeloos door
+hem de gave te verleenen de stem der vogels te verstaan, en hem een
+stok te geven, waarmede hij even zeker kon gaan als een ziende. Ook
+werd verteld dat hij op zijn zevende jaar de geheimen der goden aan
+de menschen geopenbaard had, en daarvoor met het verlies van zijn
+gezicht gestraft was.--T. bracht in de geschiedenis van Oedipus de
+waarheid aan den dag, gaf door zijne voorspellingen aanleiding tot
+de zelfopoffering van Menoeceus (z. a.), en gaf bij den oorlog der
+Epigonen aan de Thebanen den raad de stad te verlaten. Hijzelf werd
+met zijne dochter Manto door de overwinnaars gevangen genomen en naar
+Delphi gezonden, maar op weg stierf hij bij de bron Tilphusa, waar men
+nog laat zijn graf toonde; te Thebe had hij een cenotaphium. T. is
+de eenige, die ook na den dood zijn verstand behield en de toekomst
+voorspellen konde. Te Orchomenus had hij in oude tijden een beroemd
+orakel, dat echter eens na een pest plotseling verstomde.
+
+Tiribazus, Tiribazos, satraap van Artaxerxes II in Armenië, later
+opperbevelhebber van het perzische leger in Klein-Azië, in welke
+hoedanigheid hij de Spartanen begunstigde en veel bijdroeg tot het
+tot stand komen van den vrede van Antalcidas. Daarna voerde hij
+het bevel over eene vloot, die tegen Euagoras oorlog voerde (386);
+door zijn ambtgenoot verdacht gemaakt, werd hij gevangen genomen,
+maar met glans vrijgesproken en weder naar Cyprus gezonden, waar
+hij evenwel niets konde uitrichten. Toen Artaxerxes, die beloofd
+had hem zijne dochter tot vrouw te geven, die belofte niet hield,
+nam T. deel aan de samenzwering van Darius (z. Artaxerxes II), en
+toen deze ontdekt was, werd hij ter dood gebracht.
+
+Tiridates, Tiridates, parthische en armenische koningsnaam. 1)
+Arsaces II Tiridates (248-211) breidde het door zijn broeder Arsaces I
+gestichte staatje uit en werd de grondlegger der parthische macht. Zie
+Arsaces.--2) Tiridates, een Parth, trad als mededinger op van den
+ontaarden koning Arsaces XV Phraates IV, den moordenaar van zijn eigen
+vader Arsaces XIV Orodes I. Tiridates werd tot koning uitgeroepen (±
+34), doch met scythische hulp door Phraates weder verdreven, waarop
+Tir. hulp zocht bij Augustus (26). Er kwam echter een vergelijk
+tot stand, waarbij Phr. de kroon behield.--3) Tiridates, broeder van
+Arsaces XXIII (of XXIV) Vologeses I, werd door dezen met het veroverde
+Armenië begiftigd, doch de Rom. kwamen tusschenbeide, Vologeses werd
+verslagen, en Tir. kreeg Armenië wel, maar als rom. vasal uit de hand
+van Nero (66 na C.).--Er zijn nog meer armenische vorsten van dezen
+naam geweest, waaronder Tir. III of de Groote, die omstreeks 300 het
+christendom in zijn rijk invoerde.
+
+Tiro (M. Tullius), vrijgelaten slaaf van Cicero (de vrijlating
+had plaats in 53), een uitstekend en bekwaam man, die dan ook een
+vertrouwd vriend van zijn vroegeren meester werd, dien hij altijd
+als een vader bleef eeren en liefhebben. Hij bezorgde na Cicero's
+dood o. a. de uitgaaf van diens brieven. Zelf schreef hij ook over
+verschillende onderwerpen. Hij verbeterde de stenografische teekenen
+en afkortingen, die de rom. snelschrijvers gewoon waren te bezigen,
+en die naar hem notae Tironianae worden geheeten.
+
+Tirocinium fori, de intrede in de wereld van jongelingen omstreeks
+hun 17de jaar op het feest der Liberalia (z. a.).
+
+Tiryns (gen. -this), Tiryns, oude stad met cyclopische muren in Argos,
+eens de zetel van Proetus en van Perseus. Kort voor den perzischen
+oorlog hadden de Argiven bij Tiryns door de Spartanen eene bloedige
+en zware nederlaag geleden, waarvan het gevolg was, dat de Gymnesii of
+argivische heloten zich van het bestuur te Argos meester maakten. Toen
+echter de zonen der gesneuvelden mannen waren geworden, joegen zij de
+Gymnesii uit de stad Argos. Deze vermeesterden nu Tiryns, doch werden
+ook hier door de Argiven vervolgd en bestormd, bij welke gelegenheid
+T. verwoest werd (± 465). Het lag van Argos Z.O.waarts.
+
+Tisaeus mons, Tisaion oros, hooge berg in het thessalische landschap
+Magnesia, die den zuidrand der golf van Pagasae vormt.
+
+Tisamenus, Tisamenos, 1) zoon van Orestes en Hermione, koning der
+Achaeërs, viel in den strijd tegen de Heracliden.--V. a. had hij na de
+overwinning der Doriërs zijn volk naar Aegialea gevoerd en was hij daar
+in een strijd tegen de Ioniërs gesneuveld. Zijn gebeente werd later
+op bevel van een orakel naar Sparta gebracht.--2) een waarzegger uit
+Elis, de eenige vreemdeling die te Sparta het burgerrecht kreeg. Hem
+was namelijk voorspeld, dat hij vijf overwinningen zoude behalen,
+en daar hij nu bij de wedspelen telkens verslagen werd, begreep
+men, dat hier andere overwinningen bedoeld werden. Daarom namen de
+Spartanen hem bij den inval van Xerxes als burger op, en inderdaad
+was hij in hun leger bij de overwinning van Plataeae en nog bij vier
+andere gevechten, waarin zij overwinnaars bleven.
+
+Tisia of Tisianus, de Theiss, zijrivier van de Donau. Bij latere
+schrijvers is de naam Parthiscus.
+
+Tisias, Tisias, van Syracuse, leerling van Corax, leeraar der
+welsprekendheid en schrijver van een werk daarover, gaf onderwijs
+te Syracuse, Thurii en Athene. Gorgias, Lysias en Isocrates worden
+zijne leerlingen genoemd.
+
+Tisiphone, Tisiphone, 1) eene van de Erinyes.--2) dochter van Alcmaeon
+(z. a.) en Manto.
+
+Tissaphernes, Tissaphernes, satraap van Lydië onder Darius II
+en Artaxerxes II. In den peloponnesischen oorlog sloot hij door
+bemiddeling van Alcibiades een verbond met de Spartanen, zonder dat
+hij echter veel meer voor hen deed dan hulp beloven; zelfs knoopte
+hij in 411 onderhandelingen met de Atheners aan, die echter zonder
+gevolg bleven. Tegen Cyrus, zijn vijand, bracht hij verscheiden malen
+beschuldigingen bij het hof in, waaraan echter door den invloed van
+Parysatis weinig of geen gehoor gegeven werd. In den slag bij Cunaxa
+was hij een van de veldheeren bij het koninklijke leger, na den dood
+van Cyrus bood hij den Grieken zijn geleide aan op den terugtocht,
+maar nam vijf van hunne aanvoerders, die hij in zijn tent gelokt had,
+verraderlijk gevangen. Voor deze diensten werd de satrapie van Cyrus
+bij zijn gebied gevoegd, maar toen hij ook de ionische steden trachtte
+te onderwerpen, zonden de Spartanen een leger naar Azië om dit te
+beletten (396), z. Agesilaus no. 1. Door list en onderhandelingen hield
+T. zich nog eenigen tijd staande, toen echter Agesilaus de overwinning
+aan den Pactolus behaald had, werd hij afgezet en onthoofd (395).
+
+Titanes, Titanes, de 6 zonen en 6 dochters van Uranus en Gaea: Oceanus,
+Coeus, Crius, Hyperion, Iapetus, Cronus, Thea, Rhea, Themis, Mnemosyne,
+Phoebe, Tethys. Onder aanvoering van hun jongsten broeder, Cronus
+(z. a.), beroofden zij Uranus van de wereldheerschappij en toen later
+Zeus op zijn beurt Cronus van den troon trachtte te stooten, wilden de
+Titanen dit beletten, en er ontstond een vreeselijke oorlog, dien zij
+van den Othrys, Zeus met de zijnen van den Olympus voerden. De strijd
+eindigde met de overwinning van Zeus, doch eerst nadat hij de Centimani
+uit den Tartarus verlost en tot zijn hulp opgeroepen had. De Titanen,
+die zich niet tegen Zeus verzet hadden, behielden hunne waardigheden,
+de andere werden in den Tartarus geworpen, maar na verloop van
+tijd, toen de nieuwe wereldorde op vaste grondslagen gebouwd was,
+weder verlost, waarop zij zich met Zeus verzoenden.--Men meent in de
+Titanen eene personificatie van ruwe natuurkrachten te zien, terwijl
+de regeering van Zeus, in tegenstelling met hen, de heerschappij van
+recht en wet in de wereld voorstelt.--Ook de afstammelingen der Titanen
+dragen soms denzelfden naam, in het bijzonder worden zoo genoemd
+Helius, de zoon van Hyperion, en Prometheus, de zoon van Iapetus.
+
+Titania, Titania, dochter of vrouwelijke afstammeling van een Titan,
+bijv. Hecate, Leto, Circe e. a.
+
+Titanides, Titanides, de vrouwelijke Titanen, dochters van Uranus en
+Gaea (z. Titanes).
+
+Titaresius, Titaresios, later ook Europus genoemd, zijtak van den
+thessalischen Peneus, stroomt door Perrhaebia.
+
+Tithonus, Tithonos, zoon van Laomedon. Hij was de echtgenoot van Eos,
+die hem zoo innig beminde, dat zij Zeus om onsterfelijkheid voor hem
+vroeg. Zeus voldeed aan haar verlangen, doch daar zij vergeten had
+ook eeuwige jeugd voor hem te vragen, kromp hij van ouderdom ineen,
+totdat Zeus hem uit medelijden in een krekel veranderde.
+
+Tithorea, Tithorea, 1) de N.W. kruin van den tweetoppigen Parnassus
+in Phocis. De andere top heette Lycoreus of Hyampea.--2) stad aan
+den berg, zie Neon.
+
+Tithraustes, Tithraustes, opvolger van Tissaphernes als satraap in
+Klein-Azië (395). Hij sloot met Agesilaus een wapenstilstand en
+zond, terwijl deze tegen Pharnabazus oorlog voerde, den Rhodiër
+Timocrates met 50 talenten naar Griekenland, die met dit geld de
+Thebanen, Corinthiërs en Argiven in staat stelde een oorlog tegen
+Sparta te beginnen, waardoor het noodzakelijk werd Agesilaus terug
+te roepen. Volgens sommige berichten was Timocrates door Pharnabazus
+uitgezonden.
+
+Titia (lex), zie tresviri no. 8 (IIIviri reipublicae constituendae).
+
+Tities of Titienses is de naam van één der drie riddercenturiën,
+(de andere heeten Ramnes en Luceres), die volgens de overlevering
+door Romulus ingesteld zijn. Later heeft men ten onrechte gemeend,
+dat het geheele volk in Ramnes, Tities en Luceres was ingedeeld (dit
+zijn dan de 3 stamtribus), en de Tities in verband gebracht met koning
+Titus Tatius (zie Tatius).
+
+Titii (sodales), zie Sodales.
+
+Titii. 1) Sex. Titius, volkstribuun in 99, stelde eene akkerwet
+voor, die echter niet in behandeling kwam wegens den tegenstand van
+den consul M. Antonius. Later werd hij wegens onwettige handelingen
+veroordeeld, o. a. omdat hij in zijn huis het beeld van L. Saturninus
+had (zie Appuleii no. 1). Hij noemde zichzelf Cassandra, omdat
+niemand aan zijne voorspellingen geloof sloeg. Als redenaar was hij
+niet onverdienstelijk.--2) C. Titius, ongeveer een tijdgenoot van
+no. 1, redenaar en treurspeldichter.--3) P. Titius, volkstribuun in
+43, maker van de lex Titia.--4) M. Titius, viel in 40 in handen van
+Sex. Pompeius, die hem weder vrijliet. Later diende hij onder Antonius
+in Azië tegen de Parthen. Toen Sex. Pompeius nu naar Azië gevlucht was,
+werd Titius tegen hem afgezonden, die hem gevangen nam en te Miletus
+liet ombrengen (35). Dit laatste maakte Titius algemeen veracht. Later
+streed hij onder Octavianus tegen Antonius en in 31 was hij consul,
+in 8 legatus van Syria.--5) Titius, een jong, veelbelovend dichter,
+een vriend van Horatius, vergezelde in 20 Tiberius naar Azië.--6)
+Titius Sabinus, een vriend van Germanicus, een der slachtoffers van
+Seianus (28 na C.).--7) Titius Proculus, met zijn vriend C. Silius
+(Silii no. 6) onder keizer Claudius ter dood gebracht (48 n. C.).--8)
+Titius Iulianus, legaat in Moesia in 69 na C., dapper krijgsman.
+
+Titinii. 1) L. Titinius Pansa Saccus, consulairtribuun in 400 en 396,
+patriciër.--2) C. en M. Titinius, broeders, volkstribunen in 193,
+later waarschijnlijk samen praetor (178), C. als praetor urbanus,
+M. als stadhouder van Hispania.--3) Titinius, rom. dichter van
+fabulae togatae, van wien enkele fragmenten overig zijn, die wat
+karakterschildering betreft aan Terentius doen denken.--4) Q. Titinius,
+een rijk vriend van Cicero. Zijn zoon Pontius Titinianus, was in 49 aan
+Caesars zijde.--5) Titinius, centurio onder Cassius in 42 en door hem
+gedurende den slag bij Philippi naar Brutus gezonden om berichten in
+te winnen. Toen hij terugkeerde, had Cassius, die verslagen was, zich
+reeds laten dooden, waarop ook Titinius de hand aan zichzelf sloeg.
+
+Titius, Titos, rivier in Dalmatia (Illyria), die Liburnia scheidt
+van het eigenlijke Dalmatia, en bij Scardona in zee valt.
+
+Titurii. Q. Titurius Sabinus, onder Caesar legaat in Gallia, sneuvelde
+bij den opstand der Eburones (z. a.).
+
+Titus, rom. keizer 79-81 na C., voluit Titus Flavius Vespasianus, was
+de zoon van Vespasianus en Flavia Domitia of Domitilla (zie Domitii
+no. 22). Met uitstekende gaven naar geest en lichaam toegerust,
+deed hij reeds vroeg het beste van zich hopen. Hij diende eerst in
+Germania en vervolgens onder zijn vader in Britannia en later in het
+Oosten. Toen Vespasianus in 69 tot keizer werd uitgeroepen, nam Titus,
+die in Judaea aan het hoofd van een legioen stond, het opperbevel
+over en maakte door de inneming van Jeruzalem aan den joodschen oorlog
+een einde, (70). Te Rome gekomen, werd hij door het volk met gejuich
+ontvangen en door zijn vader tot mederegent aangenomen (71). Het
+scheen echter, dat hij deze verheffing niet kon verdragen; zijne
+lichtzinnigheid en uitspattingen aan den eenen, en wreede strengheid
+aan den anderen kant, verwekten bij het rom. volk angstige bezorgdheid
+voor de toekomst. Nauwelijks echter was hij zijn vader in 79 als
+keizer opgevolgd, of hij was alleen streng tegenover zichzelven en de
+deelgenooten zijner vroegere uitspattingen. Hij liet geen doodvonnis
+vellen en aan samenzweerders tegen zijn persoon schonk hij edelmoedig
+vergiffenis. Bekend zijn zijne woorden: diem perdidi, toen hij een
+dag had laten voorbijgaan zonder eene weldaad te bewijzen. Door het
+dankbare volk werd hem de naam gegeven: deliciae generis humani. En
+wel was er onder zijne kortstondige regeering gelegenheid om zijne
+goedertierenheid te betoonen, want zware rampen troffen Italië: de
+geweldige uitbarsting van den Vesuvius (79), eene zware pestziekte en
+een hevige driedaagsche brand te Rome (80). Overal, waar te helpen of
+te troosten viel, verscheen hij, hulp en troost brengende. Hij droeg
+ook het zijne bij tot verfraaiing van Rome, voltooide het door zijn
+vader begonnen Colosseum (zie amphitheatrum), en liet o. a. de thermae
+Titi en den nog bestaanden, hoewel van zijn vierspan beroofden boog
+van Titus (zie arcus) bouwen. Zijn overlijden wekte groote droefenis.
+
+Tityus, Tityos, zoon van Gaea of van Zeus en Elara, een geweldige
+reus, die op Euboea woonde. Daar hij Leto belaagde, werd hij door
+Apollo en Artemis met pijlen of door Zeus met den bliksem gedood. In de
+onderwereld ligt hij in zijn geheele ontzaggelijke lengte op den grond
+uitgestrekt, terwijl twee gieren onophoudelijk aan zijn lever knagen.
+
+Tium, Tius, Tion, -os, milesische kolonie op de kust van Bithynia,
+ten O. van Heraclea Pontica.
+
+Tlepolemus, Tlepolemos, 1) zoon van Heracles en Astyoche, doodde
+zijn oom Licymnius, hetzij bij ongeluk of met opzet, en vluchtte naar
+Rhodus, waar hij Lindus, Ialysus en Camirus stichtte. Later nam hij
+deel aan den tocht tegen Troje, waar hij door dapperheid uitmuntte,
+maar door Sarpedon gedood werd.--2) adellijk Macedoniër, werd in 325
+door Alexander tot stadhouder van Carmanië benoemd en maakte zich in
+zijne provincie zoo bemind, dat Antigonus zelfs het niet waagde hem
+aan te vallen, hoewel hij een bondgenoot van Eumenes was geweest.
+
+Tlos, Tlos, stad in het binnenland van Lycia.
+
+Tmarus = Tomarus.
+
+Tmolus, Tmolos, ook Timolus, Timolos, 1) gebergte in Lydië, met de
+bronnen van den Cayster en den Pactolus. Er groeide veel wijn, in
+oude tijden vond men er ook goud. De god van den berg, bij Pluto of
+Omphale vader van Tantalus, wordt als scheidsrechter in een muzikalen
+wedstrijd tusschen Apollo en Pan genoemd.--2) zie Proteus.
+
+Toga, het overkleed van den rom. burger in vredestijd, dat men
+buitenshuis droeg en waarvan het gebruik aan ballingen ontzegd was. De
+toga was van geelachtig witte wol geweven, toga pura. De toga praetexta
+had een roodpurperen rand en werd door hooge overheden en knapen
+gedragen. Toga picta is eene toga, die met borduursel is versierd,
+en werd soms bij zegetochten en spelen gedragen, misschien evenwel
+eerst onder het keizerrijk. Toga candida, zie candidatus. Toga pulla,
+van donkere stof, als rouwgewaad. Toga sordida, ongewasschen toga
+(zie fullo), die men als beschuldigde aantrok, om op het medelijden
+der rechters te werken. De wijze, waarop de toga gedragen werd, was
+aan mode onderhevig. Oorspronkelijk had zij den vorm van een halven
+cirkel, doch zij werd met den tijd ruimer, zoodat zij ten slotte een
+geheelen cirkel, en wellicht nog meer, besloeg. Deze ruime toga werd
+ongeveer aldus omgeworpen. Men wierp ze eerst over den linkerschouder,
+trok ze onder den rechterarm door en sloeg ze dan weder over den
+linkerschouder, die dus dubbel bedekt was. Nu kwam het er echter
+op aan, de plooien sierlijk te verdeelen. Het gedeelte, dat onder
+den rechterarm doorging, moest natuurlijk dubbel gevouwen worden,
+anders zou het op den grond hebben gesleept. Hierdoor ontstond op
+de borst een plooi, sinus genoemd, die als zak dienst kon doen. Om
+den linkerarm te gebruiken, die geheel bedekt was, moest men aan die
+zijde de toga omhoog trekken en over den arm laten hangen, zoodat de
+hand vrij bleef. De plooien werden met haken en knoopen vastgehouden
+en versierd met kwastjes, soms met gewichtjes bezwaard om de plooien
+omlaag te houden.
+
+Togata, 1) mulier, eene meretrix, daar lichte vrouwen te Rome
+niet de stola, het damesgewaad, mochten dragen, maar in de toga
+moesten gaan. Of zij deze op dezelfde wijze als de mannen droegen,
+is niet bekend.--2) fabula, een blijspel, dat op rom. bodem speelt,
+in tegenstelling der palliata, waarvan de handeling in Griekenland
+voorvalt.
+
+Tolbiacum, stad in Belgica aan den weg van Colonia Agrippina (Keulen)
+naar Augusta Trevirorum (Trier), thans Zulpich.
+
+Tolenus, riviertje in het sabijnsche, dat zich in den Avens, een
+zijtak van den Nar, stort.
+
+Tolerus, zie Trerus.
+
+Toletum, versterkte hoofdstad der Carpetani in Hispania aan den Tagus
+(Taag), met beroemde staal- en wapenfabrieken, thans Toledo.
+
+Tolistoboii of -bogi, Tolistoboioi, -bogioi, een der drie gallische
+stammen in Galatia (z. a.), waar Pessinus hunne hoofdstad was.
+
+Tolmides, Tolmides, atheensch veldheer, deed in 455 met de vloot
+een tocht langs de kusten van de Peloponnesus, overwon de Sicyoniërs
+en bracht de door de Spartanen overwonnen Messeniërs naar Naupactus
+over. In 447 trok hij naar Boeotië, waar door de verdreven aristocraten
+woelingen veroorzaakt werden, hij veroverde Chaeronea, maar werd kort
+daarop bij Coronea door de ballingen overrompeld en met een groot
+deel van zijn leger gedood.
+
+Tolosa, Tolossa, thans Toulouse, stad in Gallia Narbonensis in het
+gebied der Tectosages aan den Garumna (Garonne), door den rom. veldheer
+Cn. Servilius Caepio in 106 geplunderd. Als rom. kolonie heette de
+plaats Palladia.
+
+Tolumnius, 1) een augur, die met Turnus tegen Aeneas streed en
+sneuvelde, toen hij door een onverwachten aanval den wapenstilstand had
+geschonden.--2) Lars Tolumnius, koning van Veii, die vier rom. gezanten
+om het leven liet brengen (wier standbeelden nog in Cicero's tijd op
+het forum stonden) en door den consul A. Cornelius Cossus in 428 met
+eigen hand in den strijd gedood werd.
+
+Tomarus, Tomaros, gebergte in Epirus nabij Dodona.
+
+Tomi, Tomis (gen. -idis), Tomoi, Tomis, stad in Moesia aan de kust van
+den Pontus Euxinus (Zwarte zee), volkplanting van Miletus. Hierheen
+werd de dichter Ovidius in 9 n. Chr. door Augustus in ballingschap
+gezonden.
+
+Tomyris, Tomyris, koningin der Massageten, die door Cyrus beoorloogd,
+werd. Nadat deze door list eene overwinning had behaald, velen van
+haar volk gedood en haar zoon gevangen genomen had, wist zij hem in
+een hinderlaag te lokken en liet zij hem dooden (529).
+
+Tonans, de dondergod, bijnaam van Jupiter.
+
+Toranii. C. Toranius, quaestor in 73, streed onder Varinius in 71
+tegen Spartacus, was ± 65 aedilis plebis met C. Octavius, werd na
+diens dood voogd over den lateren Octavianus; later was hij bij de
+partij van Pompeius, na wiens dood hij te Corcyra verblijf hield. Hij
+kwam in 43 om bij de vogelvrijverklaringen, uit hebzucht verraden
+door zijn zoon, ook C. Toranius geheeten, die vervolgens de erfenis
+zijns vaders verkwistte en als balling arm stierf.
+
+Torboleti, zie Turdetani.
+
+Toronaeus sinus, Toronaios of Toronaïkos kolpos, de golf tusschen de
+schiereilanden Pallene en Sithonia.
+
+Torone, Torone, aanzienlijke stad op het chalcidische schiereiland
+Sithonia, aan de golf van Torone, Toronaeus sinus, Toronaïkos kolpos.
+
+Torquatus, bijnaam in de gens Manlia (Manlii no. 11-14).
+
+Toxaris, Toxaris, een Scyth, die met Anacharsis te Athene kwam,
+daar algemeene achting genoot, en ook als geneeskundige naam verwierf.
+
+Toxandri, zie Texuandri.
+
+Toxotai, 1) boogschutters, komen in de grieksche legers niet veel voor;
+zij behooren tot de lichte troepen, gymnetes. Te Athene was hun aantal
+in de vijfde eeuw 1600, die tot de klasse der theten behoorden. Ook
+bereden boogschutters (hippotoxotai) worden vermeld.--2) een corps
+van 300, later 600, nog later 1200 staatsslaven, demosioi, die te
+Athene als politieagenten dienst deden. Zij hadden een kazerne aan
+de markt, later bij den Areopagus. Zij worden ook Skythai, of naar
+zekeren Speusinus, die het corps georganiseerd zou hebben, Speusinioi,
+genoemd. Hunne aanvoerders heetten toxarchoi.
+
+Toygeni, Toygenoi, een keltische stam, gouw der Helvetii,
+v. s. identisch met de Teutones.
+
+Trabea (Q.), oud rom. blijspeldichter in de eerste helft der tweede
+eeuw.
+
+Trabea, mantel met horizontale purperen strepen, door de rom. koningen,
+door de augurs en bij plechtige gelegenheden door de equites gedragen.
+
+Trachinia, Trachinia, zie Trachis.
+
+Trachis, Trachis, Trachin, oude stad in het Z. van Thessalia in het
+land der Maliërs, in welker nabijheid de mythe den dood van Heracles
+op den brandstapel plaatst. In den peloponnesischen oorlog stichtten
+de Spartanen, 12 minuten gaans van de oude stad, een nieuw Trachis,
+Heraclea Trachinia genoemd, Herakleia he en Trachinia. In 394 maakten
+de Boeotiërs zich er meester van. In 191 werd het door den rom. consul
+M'. Acilius Glabrio in den syrischen oorlog verwoest.
+
+Trachonitis, Trachonitis, zandige bergstreek in Syria, ten Z. van
+Damascus, later tot Peraea gerekend.
+
+Tragia, Tragia, eilandje ten Z. van Samus, waar de Samiërs in 440
+door Pericles ter zee verslagen werden.
+
+Tragoedia, tragodia. Het grieksche treurspel heeft zijn oorsprong
+te danken aan den dithyrambus, en is dus een onderdeel van de
+Dionysusfeesten, de naam tragodia is afgeleid van den bok (tragos),
+die gedurende het feestgezang geofferd werd. Thespis wordt algemeen
+als de schepper van het treurspel genoemd: terwijl namelijk vroeger
+de dithyrambische koorzangen afgewisseld werden door voordrachten
+van den koorleider, verving Th. in zijne werken, die overigens in
+inhoud en waarschijnlijk ook in vorm niet veel van den dithyrambus
+verschilden, deze verhalende voordrachten door gesprekken tusschen
+een tooneelspeler en het koor. Daarmede was de eerste stap van
+lyrische tot dramatische poëzie gedaan; daar dezelfde tooneelspeler
+door verandering van kleeding en masker in verschillende rollen konde
+optreden, was het reeds nu mogelijk sommige zeer eenvoudige handelingen
+af te spelen. Op dezen grondslag werd nu door sommige dichters
+na Thespis (Phrynichus, Choerilus, Pratinas e. a.) voortgebouwd,
+en eindelijk bereikte het treurspel zijn hoogsten bloei onder de
+handen van Aeschylus, Sophocles en Euripides. Niet slechts dat hunne
+stukken als dichterlijke voortbrengselen, volgens de meening der
+ouden en voorzoover wij het kunnen beoordeelen, zoowel die van hunne
+voorgangers als van hunne tijdgenooten en navolgers overtroffen, maar
+door het laten optreden van meer tooneelspelers (waarbij echter de
+regel gold, dat niet meer dan drie tegelijk op het tooneel mochten
+zijn) en ook door het vereenigen der stukken tot trilogieën en
+tetralogieën, werd het hun mogelijk de handeling meer omvangrijk en
+afwisselend te maken, aanvulling door verhalen werd steeds minder
+noodig, terwijl voor de opvoering gewichtige hulpmiddelen gevonden
+werden in zorgvuldig gekozen decoraties en costumes. Voor het koor is
+echter onder deze omstandigheden geen plaats meer als medewerker, zijne
+gezangen verminderen in omvang en beteekenis en dienen nog slechts om
+den dialoog door zang en dans af te wisselen, zij vormen niet meer
+een bestanddeel van de handeling zelve, maar begeleiden haar met de
+opmerkingen en raadgevingen van een "ideaal toeschouwer". Den inhoud
+hunner stukken ontleenen de treurspeldichters aan de oude mythen, deze
+behandelen zij zoo, dat uit een gegeven toestand de gebeurtenissen
+zich volgens de wetten der noodzakelijkheid en in overeenstemming
+met de karakters der handelende personen ontwikkelen, totdat de
+catastrophe bereikt wordt, een keerpunt, dat den overgang van geluk
+tot ongeluk of omgekeerd vormt. In de richting, door de drie groote
+meesters aangewezen, werkten gedurende de geheele oudheid talrijke
+navolgers, doch geen van hen schijnt meer dan een kortstondigen bijval
+gevonden te hebben, terwijl de stukken van Aeschylus, Sophocles en
+vooral Euripides nog vele eeuwen na hun dood herhaaldelijk werden
+opgevoerd.--Het rom. treurspel, waarvan Livius Andronicus de eerste
+dichter was, is op weinige uitzonderingen na in vorm en inhoud eene
+navolging van het grieksche gebleven, sommige Rom. schreven zelfs
+stukken in het Grieksch.
+
+Traiana (via), een nieuwe weg, door Traianus in 109 n. C. aangelegd,
+van Beneventum over Aequum Tuticum, Aecae en Canusium naar Brundisium.
+
+Traianopolis, Traïanopolis, 1) latere naam voor Doriscus, in Thracia
+aan den mond van den Hebrus gelegen.--2) latere naam voor Selinus,
+zeestad in het W. van Cilicia.
+
+Traianus (M. Ulpius), rom. keizer 98-117 na C., was in 53 na C. te
+Italica in Hispania geboren. In den parthischen oorlog diende hij onder
+zijn vader (zie Ulpii no. 1), in 91 werd hij consul en vervolgens
+werd hij door Nerva (einde 96 of begin 97) tot legatus van Germania
+Superior benoemd. Kort daarop (herfst v. 97) nam Nerva hem tot zoon
+en troonsopvolger aan. Toen Nerva stierf (Jan. 98), was Traianus in
+Germania; hij bleef daar tot 99, en kwam toen naar Rome. Ofschoon
+in het leger opgegroeid, was Traianus een uitstekend vorst. In 101
+trok hij te velde tegen de Daciërs, die hij in 102 tot vrede dwong;
+koning Decebalus schond echter zijn woord, zoodat in 105 de strijd
+opnieuw ontbrandde, om in 107 met de onderwerping van Dacia en den
+zelfmoord van Decebalus te eindigen. Deze oorlog werd vereeuwigd door
+het beeldwerk aan de columna Traiani (z. a.) te Rome. In 114 trok
+Trai. te velde tegen de Parthen, veroverde Armenia en Mesopotamia
+in 115 en 116, nam de stad Ctesiphon in en zakte met een vloot den
+Tigris af tot aan den mond. Ziekte noopte hem tot den terugtocht;
+hij droeg het opperbevel over aan den landvoogd van Syria, Hadrianus
+(z. a.) en overleed in 117 in Cilicia, te Selinus, welke stad ter
+gedachtenis hieraan den naam ontving van Traianopolis. Behalve
+veldheer, was Trai. ook een voortreffelijk regent. Aan alles wijdde
+hij zijn aandacht, de briefwisseling met Plinius minor, stadhouder van
+Bithynia, levert er bewijzen van. Alom liet hij wegen, kanalen, havens,
+waterleidingen aanleggen. Ook aan de opvoeding van arme knapen liet
+hij zich gelegen liggen. Hij ondersteunde kunstenaars en geleerden en
+beschreef zelf den dacischen oorlog. Te Rome legde hij het prachtige
+forum Traiani aan met de basilica Ulpia. Bij het volk was hij zeer
+bemind, zoodat het hem den eernaam optimus gaf. Later werd het wel
+als welkomstgroet bij de intrede van een nieuwe keizer gebezigd:
+"Wees nog gelukkiger dan Augustus en nog beter dan Traianus!"
+
+Traiectum, later met de bijvoeging ad Rhenum, stad der Batavieren,
+thans Utrecht.
+
+Trais, Traeis, kustrivier in het land der Brutii, waaraan in ± 440
+Sybaris nova gesticht werd.
+
+Tralles, Tralli, volksstam in Illyria.
+
+Tralles, Tralleis, vroeger Anthea, Antheia, geheeten, bloeiende
+koopstad in het N. van Caria, op eene hoogte aan den voet van den
+Messogis ten N. van den Maeander gelegen, met een nog hooger gelegen
+burcht. Het riviertje Thebais stroomde er door, de Eudon er langs. In
+den tempel der Nice of Victoria stond een standbeeld van Iulius
+Caesar. Onder de regeering van Augustus en Tiberius werd Tralles bij
+herhaling door aardbevingen geteisterd.
+
+Transvectio equitum, plechtige optocht der romeinsche equites
+in feestgewaad (de trabea) van den tempel van Mars of Honos naar
+den Castortempel en daarna naar het Capitool, op 15 Juli. Hieraan
+namen alleen de equites equo publico deel. In den keizertijd had de
+transvectio steeds met veel luister plaats.
+
+Trapezites, z. argentarius.
+
+Trapezus, gen. -untis, Trapezous, 1) stad in het Z. van Arcadia aan
+den Alpheus.--2) stad aan den Pontus Euxinus (Zwarte zee) in het
+O. van Pontus, thans Trebisonde, kolonie van Sinope. Door de Rom.,
+waarschijnlijk door Pompeius, tot een vrije stad verklaard, door
+Traianus en Hadrianus begunstigd, bereikte het een hoogen bloei.
+
+Trasimen(n)us of Trasumen(n)us lacus, thans meer van Perugia, in het
+O. van Etruria, tusschen de steden Cortona, Clusium en Perusia. In
+de engte tusschen dit meer en de cortonensische bergen sneuvelde de
+consul C. Flaminius in 217 tegen Hannibal.
+
+Traulantii, volksstam in Illyria, ten O. van Dyrrachium en Apollonia.
+
+Trausi, Trausoi, thracisch volk in het O. gedeelte van het
+Rhodopegebergte.
+
+Treba, stadje in Latium in het oude gebied der Aequi nabij de grenzen
+der Marsi.
+
+Trebatius Testa (C.), jurist en schrijver van rechtsgeleerde werken
+ten tijde van Augustus, bij wien hij in hooge achting stond. Als
+jongmensch reeds had hij zich mogen verheugen in de welwillendheid
+van Cicero en de gunst van Caesar. Later behoorde hij ook onder de
+vrienden van Horatius.
+
+Trebellii. 1) L. Trebellius, volkstribuun, verzette zich in 67
+vruchteloos tegen de lex Gabinia.--2) L. Trebellius, volkstribuun
+in 47, bestreed aanhoudend de voorstellen van zijn ambtgenoot
+P. Cornelius Dolabella, en werd later tot aediel verkozen door
+de hulp der optimaten, die Caesar wegens zijne bescherming van
+Dolabella wilde ergeren. Na Caesars dood ging hij tot Antonius
+over.--3) M. Trebellius, streed in 36 na C. tamelijk voorspoedig in
+Azië.--4) L. Trebellius Maximus, onder Nero consul, later stadhouder
+van Britannia, maakte zich door zijne hebzucht zóó gehaat, dat hij
+de vlucht moest nemen.--5) Trebellius Pollio, een van de schrijvers
+der historiae Augustae, levensbeschrijver van de beide Valeriani,
+de beide Gallieni, de 30 tyrannen, Claudius II. Hij leefde onder
+Diocletianus en Constantius Chlorus.
+
+Trebia, Trebias, zuidelijke bijrivier van den Padus (Po), waarmede
+hij zich bij Placentia vereenigt. Aan deze rivier behaalde Hannibal
+in 218 de overwinning op den rom. consul Tib. Sempronius Longus.
+
+Trebianus, vriend van Cicero en aanhanger van Pompeius, in 45 door
+Caesar weder in genade aangenomen.
+
+Trebonia (lex) van den volkstribuun L. Trebonius in 448, tot
+afschaffing der coöptatie, die er plaats had, wanneer de verkiezing
+van volkstribunen niet in één dag afliep. Bij de coöptatie n.l. kwamen
+wel eens misbruiken voor, daar de patriciërs gemakkelijker op de
+coöpteerende tribuni dan op de plebs konden inwerken.
+
+Trebonia (lex) van den volkstribuun C. Trebonius in 55, om aan de
+beide consuls van dat jaar een stadhouderschap voor den tijd van vijf
+jaar op te dragen, en wel aan Pompeius over Hispania en aan Crassus
+over Syria. Tevens werd door diezelfde wet Caesars bewind in Gallia
+voor vijf jaar verlengd.
+
+Trebonius (C.), in 55 volkstribuun, was de voorsteller der lex Trebonia
+(z. a.), in 54 was hij legaat van Caesar in Gallia, waar hij tot
+49 bleef. In 48 was hij praetor en in 47 werd hij als propraetor
+naar Baetica gezonden, doch door de Pompejanen verdreven. In 45
+werd hij consul suffectus, terwijl Asia hem als provincie werd
+toegewezen. In 44 was hij heimelijk tot de saamgezworenen tegen
+Caesar toegetreden. Naar Azië vertrokken, ondersteunde hij Cassius,
+doch werd in 43 door Dolabella te Smyrna in zijn bed vermoord. Hij
+was zeer met Cicero bevriend.
+
+Trebula, naam van drie steden, 1) in Campania op de grens van Samnium,
+ten O. van Cales.--2) Mutusca (Mutuesca) bijgenaamd, in het sabijnsche
+land aan de via Salaria ten Z. van Reate.--3) Suffenas bijgenaamd,
+ook bij de Sabijnen, onzeker waar.
+
+Tremellii. 1) Cn. Tremellius Flaccus bracht in 204 het beeld der Magna
+Mater uit Pessinus in Galatia naar Italië over.--2) Cn. Trem. Scrofa,
+vriend van Cicero, Atticus en Terentius Varro Reatinus, schreef
+over landbouw.
+
+Treres, Treres, thracisch volk aan den berg Scomius, later verdwenen.
+
+Trerus, rivier in Latium in het land der Hernici, stroomt bij Fregellae
+in den Liris uit; tgw. Tolero of Sacco. Misschien is de naam Tolerus
+juister.
+
+Tresviri of Triumviri, commissiën van drie leden, tot de magistratus
+minores behoorende (met uitzondering van no. 4 en no. 8). Meerendeels
+waren het commissiën van tijdelijken aard, wier werkkring genoegzaam
+blijkt uit hun titel.--1) Tr. agris dandis assignandis, wanneer
+er ager publicus te verdeelen viel.--2) Tr. capitales of nocturni,
+sedert het jaar 289. Zij werden oorspronkelijk door den praetor urbanus
+benoemd, maar na 242, ingevolge eene lex Papiria van den volkstribuun
+L. Papirius in de comitia tributa gekozen. Zij waren belast met het
+toezicht op de kerkers en met het voltrekken der strafoefeningen binnen
+de muren daarvan; ook oefenden zij politietoezicht uit en konden aan
+slaven en vreemdelingen politiestraffen opleggen, zelfs laten geeselen,
+hetgeen dan plaats had bij de columna Maenia (z. a.).--3) Tr. coloniae
+deducendae, zie colonia op het einde.--4) Tr. epulones, niet tot de
+magistraten behoorende, doch een priestercollege, zie epulones.--5)
+Tr. locorum publicorum persequendorum, enkele malen benoemd om te
+onderzoeken, wie zich wederrechtelijk stukken van het staatsdomein
+hadden toegeëigend.--6) Tr. mensarii, commissarissen der tijdelijke
+staatsbank, die door de lex Minucia in 216 na den slag bij Cannae werd
+opgericht, om in de oogenblikkelijke geldcrisis te voorzien. Zie ook
+onder Quinqueviri.--7) Tr. monetales of IIIviri A. A. A. F. F. (aere
+argento auro flando feriundo), de muntmeesters, zie Moneta.--8) Tr. rei
+publicae constituendae, het bekende driemanschap van Octavianus,
+Antonius en Lepidus, in 43. Door eene lex Titia van den volkstribuun
+P. Titius kregen zij den bovengemelden titel voor den tijd van
+ongeveer vijf jaar (27 Nov. 43-31 Dec. 38), welke termijn in 38 met
+nog vijf jaar verlengd werd. Hunne macht was zoo goed als onbeperkt;
+o.a. ontleenden zij aan de lex Titia het recht om de magistraten te
+benoemen; het was eene driehoofdige dictatuur. Het driemanschap van
+Caesar, Pompeius en Crassus was nooit door eene wet bekrachtigd en
+was dus geen eigenlijk triumviraat.
+
+Tretus, Tretos, berg en pas, waardoor de wegen van Argos naar Cleonae
+en van Mycenae naar Nemea liepen, aldus genoemd naar de vele holen
+en spelonken. Hier zou de nemeïsche leeuw zich hebben opgehouden.
+
+Treveri, -iri, machtig en dapper volk in Belgica, met de hoofdstad
+Augusta Trevirorum (Trier) aan de Mosella (Moezel). Zij hadden eene
+voortreffelijke ruiterij. Met de Rom. waren zij trouw verbonden,
+met de Germanen waren zij meest in oorlog. Het waren Kelten, maar
+zij beweerden van de Germanen af te stammen.
+
+Triakas, 1) de dertigste dag na eene begrafenis, waarop de rouw
+ophield, werd met een offer en maaltijd gevierd.--2) oude naam voor
+een atheensch geslacht, hetzij omdat 30 geslachten eene phratria
+vormden, of v. s. omdat een geslacht gemiddeld 30 personen bevatte.--3)
+afdeeling der Spartaansche burgerij, waarschijnlijk gevormd uit twee
+tafelgezelschappen (z. syssitia).
+
+Triakonta. Toen Athene zich na afloop van den peloponnesischen oorlog
+aan Lysander had moeten overgeven, werd in eene volksvergadering door
+Theramenes het voorstel gedaan, 30 mannen te kiezen, die de wetten
+zouden herzien en in overeenstemming met de tijdsomstandigheden
+zouden wijzigen. Het volk, dat in den laatsten tijd de hevigste
+voorstanders der democratie, bijv. Cleophon, door allerlei kunstgrepen
+had zien uit den weg ruimen, durfde zich, nu Lysander nog met zijn
+leger en vloot aanwezig was, niet tegen dit voorstel verklaren,
+en verkoos 30 mannen van bekende oligarchische gezindheid. Hoewel
+met een bepaalde opdracht gekozen, schijnen de 30 nooit gepoogd te
+hebben zich daarvan te kwijten, maar maakten zij van de macht, die
+hun gegeven was, zulk een misbruik, dat de acht maanden van hunne
+regeering lang als de verschrikkelijkste tijd in de geschiedenis
+van Athene genoemd werd. In het eerst hielden zij, naar het heette,
+eene zuivering onder de burgerij, en lieten zij erkende sycophanten
+en andere dergelijke algemeen gehate personen door den raad, dien
+zij evenals de overheidsambten met hunne handlangers bezetten, ter
+dood veroordeelen, maar steunende op eene spartaansche bezetting,
+op spartaansch geld, en vooral op den invloed van Lysander, gingen
+zij weldra op dien weg verder en meenden zij zich alles te kunnen
+veroorloven. Slechts aan 3000 burgers (hoi en to katalogo), en aan
+deze nog slechts in schijn, werd eenig aandeel aan de staatszaken
+gegund, de overige werden ontwapend, onderwijs in welsprekendheid en
+wijsbegeerte werd onder streng toezicht gesteld, de kostbare werven
+werden voor 3 talenten als afbraak verkocht, enz. Doodvonnissen,
+verbanningen, verbeurdverklaring van goederen waren aan de orde van
+den dag; in het geheel werden, naar verhaald wordt, 13-1500 personen
+ter dood gebracht en meer dan 5000 verbannen. En niet alleen politieke
+tegenstanders werden getroffen, maar om zich geld te verschaffen, ten
+einde de spartaansche bezetting te kunnen betalen, lieten zij velen
+ombrengen alleen om zich hunne bezittingen toe te eigenen; zoo besloten
+zij eens, onder voorwendsel dat er onder metoikoi een oproerige geest
+heerschte, 30 (v. a. 10) van hen te dooden en hunne goederen verbeurd
+te verklaren. Wel verzetten zich sommige meer gematigden onder hen,
+vooral Theramenes, tegen deze geweldadigheden, maar de tegenpartij,
+onder welke Critias de voornaamste was, behield de overhand; en toen
+de oppositie van Theramenes gevaarlijk begon te worden, werd hij op
+wederrechtelijke wijze als verrader ter dood veroordeeld. Doch wat hij
+voorspeld had gebeurde: de ballingen vereenigden zich en onder leiding
+van Thrasybulus bezette een zeventigtal van hen eerst het fort Phyle,
+en nadat zij de troepen van de 30, die hen trachtten te verjagen,
+teruggeslagen hadden, nam hun aantal met den dag toe, en weldra konden
+zij zich van den Piraeus meester maken. Toen zij nu ook in een slag
+bij Munychia, waarin o. a. Critias sneuvelde, overwinnaars gebleven
+waren, trokken de 30 zich naar Eleusis terug, waarvan zij zich kort
+te voren verzekerd hadden door de geheele weerbare bevolking met
+list gevangen te nemen en ter dood te laten brengen. Daar wachtten
+zij vooreerst den loop der gebeurtenissen af, maar toen kort daarna,
+in weerwil van Lysanders tusschenkomst, door toedoen van Pausanias
+(no. 2) de democratie hersteld was, en men in de stad vernam dat zij
+te Eleusis een leger van huurlingen op de been trachtten te brengen,
+trok de geheele bevolking van Athene tegen hen te velde, en nog voor
+het tot een gevecht kwam, vielen de meesten van de 30 in handen hunner
+vijanden en werden gedood.
+
+Triarii of pilani, zie de artikels centuria, cohors, hastati en legio.
+
+Triarius (C.), legaat van L. Licinius Lucullus in den mithradatischen
+oorlog, behaalde eerst overwinningen op den koning, maar werd in 67
+bij Zela door hem geheel verslagen.
+
+Triballi, Triballoi, machtige thracische stam in Moesia inferior,
+naburen van de Treres. Zie Abdera.
+
+Triboc(c)i, -es, germaansch volk op den linker Rijnoever, omstreeks
+Argentoratum (Straatsburg).
+
+Tribon, een korte mantel van grove stof, oorspronkelijk door
+de Spartanen gedragen, maar ook in andere staten door hen, die
+spartaansche zeden en kleederdracht wilden nabootsen; in latere tijden
+was tr. als een uiterlijk kenmerk van armoede en eenvoud de gewone
+kleeding van stoicijnen en cynici en van hen, die daarvoor wilden
+gehouden worden.
+
+Tribunal, eene verhevenheid van hout of steen, desnoods van aarde
+of zoden, waarop de praetor zat, wanneer hij zitting hield om zijne
+ambtsbezigheden uit te oefenen. Tot het ius dicere was het niet
+bepaald noodig, dat hij op zijne sella curulis op het tribunal had
+plaats genomen: hij kon, als hij iemand wilde gerieven, dat evengoed
+onderweg of van den beganen grond (de plano) doen. Te Rome stonden
+vaste tribunalia op het forum, eerst één, later meer, toen er onder
+verschillende praetoren verschillende zaken tegelijk konden worden
+behandeld. Deze tribunalia stonden in de open lucht, de iudices zaten
+op subsellia op den vlakken grond. Toen men echter de rechtszaken
+naar de basilicae overbracht, maakte men eene ruimere verhevendheid
+aan het einde der zaal, waarop de rechters zaten; misschien echter
+zat de praetor dan toch nog iets hooger.
+
+Tribuni aerarii of Curatores tribuum. Aan het hoofd van elke tribus
+stonden tien in Rome wonende bestuurders, die door de censoren voor
+een lustrum benoemd werden. Zij hadden elk eene lijst van de tot hunne
+tribus behoorende burgers, van welke lijst een tweede exemplaar in
+het aerarium berustte. Tot ± 250 inden zij het tributum (z. a.),
+en betaalden de soldij uit (vandaar hun naam, van aes afgeleid);
+na dien tijd kwam die functie aan de quaestoren. Ook indien zij
+het aes equestre en het aes hordearium, dat door de orbi et orbae
+(z. a.) werd opgebracht. Door de lex Aurelia iudiciaria van 70 kregen
+zij met senatoren en ridders aandeel aan de iudicia.
+
+Tribuni militum. Aan het hoofd van elk legioen stonden zes
+krijgstribunen. A en B kommandeerden het legioen twee maanden lang
+afwisselend om den anderen dag; daarna ging het bevel voor twee
+maanden op C en D over, dan op E en F, waarna A en B weder aan de
+beurt kwamen. In den bloeitijd der republiek bestond een consulair
+leger uit twee legioenen rom. burgers, behalve de socii. Wanneer
+dus de consuls hunne legers wierven, waren er 24 krijgstribunen
+noodig. Tien hunner moesten tien dienstjaren tellen en werden
+seniores genoemd; de 14 andere moesten vijf dienstjaren hebben en
+werden iuniores geheeten. Het eerste en het derde legioen telden elk
+2 seniores en 4 iuniores, het tweede en het vierde elk 3 seniores en
+3 iuniores. Eerst kozen de veldheeren zelven hunne tribunen, doch
+in 366 vindt men voor het eerst 6 van de 24 door het volk gekozen,
+en in 311 bepaalde de lex Atilia Marcia (z. a.), dat er seni deni,
+dus 16 van de 24 door het volk moesten gekozen worden. Nog vóór den
+2den Punischen oorlog werd dit getal op 24 gebracht. In 171, bij het
+uitbreken van den oorlog met Perseus, liet het volk de keus geheel aan
+de consuls over, en dit kan wel meer gebeurd zijn. De door de consuls
+gekozen heetten rufuli, de andere a populo. De tribunen waren belast
+met de werving, waartoe de dienstplichtigen tribusgewijze werden
+opgeroepen; het lot bepaalde, welke tribus het eerst aan de beurt
+kwam. De dienstplichtigen werden vier aan vier opgeroepen. Uit het
+eerste viertal hadden de tribunen van het eerste legioen de eerste
+keus, uit het tweede die van het tweede legioen, enz. De hervormingen
+van Marius gaven een geheel anderen loop aan de zaken, daar van dien
+tijd af uit de proletariërs vrijwilligers in massa toestroomden. De
+Grieken vertalen tribunus militum door chiliarchos.
+
+Tribuni militum consulari potestate. Toen in 449 de eene lex Canuleia
+(z. a.) doorging, werd het andere wetsvoorstel, dat n.l. één der
+consuls uit de plebs zou mogen gekozen worden, terzijde geschoven
+door bij wijze van proefneming het consulaat te schorsen. Daar het
+krijgstribunaat zoowel voor plebejers als voor patriciërs toegankelijk
+was, besloot men zulke tribunen te kiezen, die dan met consulaire
+macht zouden worden bekleed. Voor het jaar 444 werden er nu 3 gekozen,
+allen patriciërs, die evenwel, als zijnde vitio creati, hun ambt
+moesten nederleggen. Toen liet de senaat weder consuls kiezen,
+evenals de volgende vijf jaren. Dit geheele verhaal is verzonnen;
+vast staat alleen, dat in 438 de eerste 3 consulairtribunen in de
+Fasti consulares (z. a.) voorkomen. De vele oorlogen en de uitbreiding
+van den staat maakten waarschijnlijk nu en dan een vergrooting van
+het aantal ambtenaren noodig. Van 437 tot 435 vindt men consuls,
+van 434 tot 432 tribunen en zoo gaat het afwisselend voort, totdat
+er van 391 tot 367 (het jaar der lex Licinia Sextia de consulatu,
+z. a.) geen consuls meer gekozen werden. Van 426 af vindt men 4
+consulairtribunen, van 405 af 6, in 381-379 telkens 8, dan weder 6
+en een enkele maal 5. Vóór 400 werd geen enkele plebejer gekozen, en
+uit enkel plebejers hebben de consulairtribunen nooit bestaan. Met
+de aanneming der licinisch-sextische wet verviel de reden van hun
+bestaan. De consulairtribunen hadden den werkkring der consuls, doch
+voor het houden van den census werd in 445 een afzonderlijk ambt,
+de censuur, ingesteld.
+
+Tribuni plebis, demarchoi, volgens de overlevering in 494 na de
+secessio plebis als auxilium voor de plebs ingesteld, sacrosancti
+en alleen uit de plebs verkiesbaar. Waarschijnlijk zijn voor het
+eerst 4 tribunen gekozen in het jaar 471 (v. a. 466) volgens de lex
+Publilia, door de 4 stedelijke tribus. In 457, toen waarschijnlijk
+de landelijke bevolking vrij gemaakt werd, en er 16 (17) landelijke
+tribus bij kwamen, werd het getal op 10 gebracht. Liep de verkiezing
+niet in één dag af, dan vulden de gekozenen hun getal door coöptatie
+verder aan, totdat de lex Trebonia (z. a.) dit verbood. In den beginne
+hadden zij geen toegang tot den senaat, totdat de lex Atinia, van ±
+102, hen in den senaat opnam. Op hunne onschendbaarheid steunende,
+ontzagen de volkstribunen zich dikwijls niet, geweldige maatregelen
+te nemen wanneer de aristocratie van geen toegeven wilde weten. Er
+zijn voorbeelden, dat zij volksvergaderingen en verkiezingen beletten,
+dat zij de lichting van troepen verhinderden, enz., maar ook dat zij na
+afloop van hun ambtsjaar door de plebs zelve tot geldboete veroordeeld
+werden. De tribuni plebis vervolgden vergrijpen tegen hun persoon
+of tegen de plebs. Daar zij aan de provocatie onderworpen waren,
+werden, sedert de leges XII tabularum, bij een halszaak voor hen door
+tusschenkomst van een magistratus cum imperio de comitia centuriata
+bijeengeroepen. Vóór dien tijd brachten zij, volgens de overlevering,
+halszaken voor het concilium plebis. Sedert de lex Hortensia (287)
+werden de tribunen competent voor politieke misdrijven, waarvoor
+vroeger II viri perduellionis benoemd werden. Auspiciën hadden zij in
+den beginne niet, later echter kregen zij het ius de caelo servandi,
+maar werden daarmede ook onderworpen aan obnuntiatio (zie servare
+de caelo). De hulp van een volkstribuun inroepen, heette tribunum
+appellare; hunne woningen moesten daarvoor dag en nacht openstaan
+en zij zelven mochten geen etmaal buiten Rome doorbrengen, evenwel
+vindt men eene enkele keer volkstribunen in een rom. leger. Terwijl
+uit het ius auxilii zich de intercessio of ongeroepen tusschenkomst
+ontwikkeld had, ontnam Sulla door zijne lex Cornelia tribunicia
+(z. a.) hun de bevoegdheid tot intercessie alsmede het recht om wetten
+zonder voorafgaande goedkeuring van den senaat voor te stellen, terwijl
+volgens die wet het bekleeden van het volkstribunaat iemand voor goed
+van alle verdere ambten uitsloot. Deze laatste bepaling werd reeds in
+75 door de lex Aurelia tribunicia opgeheven, terwijl Pompeius, die de
+volkstribunen tot bereiking zijner oogmerken noodig had, hun in 70 door
+zijne lex Pompeia het ius legum ferendarum teruggaf. De tribuni plebis
+aanvaardden hun ambt op den 10den December.--Van de keizers gaf reeds
+Augustus het voorbeeld, dat hij zich met de tribunicia potestas liet
+bekleeden. Het volkstribunaat overleefde zich zelf en bestond nog na
+Constantijn den Gr., natuurlijk zonder macht tegenover den keizer. De
+volkstribunen hadden geene insignia; hunne boden heetten viatores.
+
+Tribuni vigilum. Over elke der zeven door Augustus ingestelde cohortes
+vigilum (nachtwacht en brandweer) stond een tribunus, over alle zeven
+een praefectus.
+
+Tribunus celerum, bevelhebber van het rom. ruiterkorps (zie celeres),
+waarvan de instelling op naam van Romulus is geboekt.
+
+Tribus. Evenals phyle bij de Atheners, heeft ook tribus bij de
+Rom. eene dubbele beteekenis. Vooreerst wordt het woord gebezigd van de
+drie stamtribus, waaruit de rom. staat schijnt ontstaan te zijn: Tities
+of Titienses (deze worden altijd voorop genoemd), Ramnes of Ramnenses,
+Luceres of Lucerenses. Zie echter Tities. Na de indeeling van het
+rom. gebied door Servius Tullius in tribus en regiones krijgt het
+woord eene plaatselijke beteekenis. De namen der vier tribus urbanae
+(binnen Rome's muren) waren: Suburana, Esquilina, Collina, Palatina. De
+namen der regiones, bij analogie tribus rusticae geheeten, die volgens
+de overlevering in 505 bestonden, zijn: Aemilia, Camilia, Cornelia,
+Fabia, Galeria, Horatia, Lemonia, Menenia, Papiria, Pollia, Pupinia,
+Romilia, Sergia, Veturia, Voltinia. Het aantal regiones, 26 onder
+Servius Tullius, was dus verminderd, men kan aannemen door afstand
+van grondgebied aan Porsena. Uit de overeenkomst van verschillende
+namen met nomina gentilicia mag men ook tot samenhang besluiten;
+zoo zal b.v. in de tribus Aemilia het grondbezit der gens Aemilia
+hebben gelegen. Allengs kwamen er weder nieuwe tribus bij: in 504 als
+20ste de tribus Claudia, sabijnsch, ten N. van den Anio,--in 495 als
+21ste de tr. Crustumina, de eerste die een plaatselijken naam droeg
+naar de oude latijnsche stad Crustumerium,--in 387 in Zuid-Etruria
+de vier tr. Stellatina om Falerii, Tromentina, Sabatina om Sabate
+en Arnensis aan het riviertje Aro, dat uit het meer Sabate stroomt
+en bij Fregenae in zee uitmondt (dit zijn de eerste tribus, waarvan
+de stichting historisch vaststaat),--in 358 in het volscische land
+Pomptina rondom Antium en Publilia (Poplilia),--in 332 in Noord-Latium
+Maecia en Scaptia,--in 318 Falerna (in den ager Falernus in Campania)
+en Ufentina aan den Ufens in Latium,--in 299 Aniensis, rondom Tibur en
+Praeneste, en Terentina, ook in het aequisch gebied, in 241 Velina
+in het sabijnsche land om Reate, en als 35ste Quirina om Cures,
+v. s. echter zonder afgebakende grens, als algemeene tribus met het
+oog op latere inlijvingen. Bij deze 35 is het gebleven. Toen na den
+marsischen oorlog Italia het burgerrecht kreeg, werden de nieuwe
+burgers oorspronkelijk bij 8 der bestaande tribus ingedeeld. Zoo
+behoorden de steden Hadria, Neapolis en Brundisium tot de tribus
+Maecia, die haren naam droeg naar het vlek Maecium bij Lanuvium. Reeds
+in 87 (z. Corneliae leges van L. Cornelius Cinna) werden echter de
+nieuwe burgers over alle tribus verdeeld. De tribus rusticae stonden
+meer in eere dan de urbanae; vrijgelatenen werden dan ook gewoonlijk
+alleen in de laatste ingeschreven. Om stemrecht te hebben moest men
+in eene tribus ingeschreven zijn (zie aerarii), ook om eene tessera
+frumentaria te bekomen (zie annona).
+
+Tributum, 1) de belasting, volgens het belastbaar vermogen (ex censu)
+door rom. burgers te betalen, wanneer de staat geld noodig had,
+b.v. tot het voeren van een oorlog, en die teruggegeven werd, wanneer
+de middelen daartoe aanwezig waren, b.v. uit de oorlogsschatting
+van overwonnen vijanden. Deze belasting werd oorspronkelijk slechts
+geheven van res mancipi (z. a.), totdat Appius Claudius (Claudii
+no. 5) als censor het geheele vermogen tot grondslag voor de belasting
+aannam. Het tributum simplex was 1 per mille, duplex 2 p. m.; het
+hoogst bekende is triplex. Sedert de verovering van Macedonia in
+167 werd het tributum tijdens de republiek niet meer uitgeschreven;
+slechts éénmaal komt het vóór, tijdens het consulaat van Hirtius en
+Pausa, in 43. Een paar malen wordt er, in tijden van grooten nood,
+van een tributum temerarium gesproken, waarbij ieder inbrengt, wat
+hij te missen heeft.--2) de directe belasting in de provinciën Asia
+(van de lex Sempronia tot Caesar) en Sicilia, een soort grondbelasting,
+tributum soli of agri. Ook het stipendium der andere provincies wordt
+wel eens tributum genoemd.
+
+Tricaranum, Trikaranon, drietoppige berg met kasteel op de grenzen
+van Argolis en Phliasia, een twistappel tusschen beide staten.
+
+Tricasses, volk in Gallia Transalpina aan de Sequana (Seine) en den
+Matrona (Marne) met de stad Augustobona (Troyes).
+
+Tricastini, volk in Gallia Narbonensis aan den Isara (Isère). Stad:
+Augusta Tricastinorum.
+
+Tricca, Trikka, stadje in het thessalische gewest Hestiaeotis,
+met een zeer beroemden tempel van Asclepius, aan den voet van den
+Pindus. Thans Trikkala.
+
+Trichonium, Trichonion, vlek in Aetolia ten Z. van het meer Trichonis,
+Trichonis limne.
+
+Tricesima, zie Castra.
+
+Tricipitinus, familien. in de gens Lucretia (Lucretii no. 1-3).
+
+
+ medius lectus.
+ +-------------+-------------+-------------+
+ | imus locus | medius | summus |
+ |(consularis).| locus. | locus. |
+ | | | (Servilius |
+ | (Maecenas). | (Vibidius). | Balatro). |
+ | | | |
+ +-------------+-------------+-------------+-------------+-------------+
+ |summus. | 1 2 3 | |
+ |(Nomentanus, | +-----------------------------+ | imus. | s
+ i |anders | 7 | | 6 | | u
+ m |de gastheer).| | | | (Varius). | m
+ u | | | | | | m
+ s +-------------+ | | +-------------+ u
+ | medius. | | | | medius. | s
+ l | | 8 | | 5 | |
+ e |(Nasidienus).| | Mensa. | | (Viscus | l
+ c | | | | | Thurinus). | e
+ t +-------------+ | | +-------------+ c
+ u | imus. | | | | summus. | t
+ s | | | | | | u
+ . | (Porcius). | 9 | | 4 | (Fundanius).| s
+ | | | | | | .
+ +-------------+ +-----------------------------+ +-------------+
+
+ Triclinium.
+
+
+Triclinium, eene tafel om te eten, met drie aanligsofa's, ook wel het
+eetvertrek zelf. Op elke sofa behoorden, althans wanneer men gasten
+had, niet meer dan drie personen aan te liggen. De dischgenooten lagen
+met den linkerarm op kussens gesteund. De drie sofa's of lecti werden
+summus, medius en imus geheeten, terwijl men ook op iederen lectus
+een locus summus, medius en imus onderscheidde. Aan de linkerzijde
+(het boveneind) van elken lectus was somtijds eene leuning om dáár het
+afschuiven der kussens te voorkomen. De eereplaats was het benedeneinde
+(locus imus) van den lectus medius, deze plaats werd ook locus
+consularis geheeten. Op de beide andere lecti was de locus summus
+de eerste plaats. De plaats van den gastheer was de locus summus op
+den lectus imus, in de onmiddellijke nabijheid van den voornaamsten
+gast. De cijfers op nevenstaande teekening wijzen de volgorde der
+plaatsen aan; tevens is de plaatsing der gasten bij den maaltijd
+van Nasidienus aangegeven (Hor. Sat. II 8), waarbij Nomentanus
+op verzoek van den gastheer diens plaats heeft ingenomen. Of de
+lecti nu evenwel juist zoo geplaatst waren, is eene andere vraag,
+daar de dischgenooten in de schuinte aanlagen. Te Pompeii heeft men
+afbeeldingen en gemetselde onderstellen gevonden, waardoor de volgende
+plaatsing aangewezen wordt. Het in gebruik komen van ronde tafels
+voerde tot den doorloopenden lectus, in den vorm van een hoefijzer,
+sigma geheeten (z. a.).
+
+
+ +===================+ +=========-+
+ | | | |
+ | Medius. | | |
+ | | | |
+ +===================+ | |
+ | Summus. |
+ +=======+ +========+ | |
+ | | | | | |
+ | | | Mensa. | | |
+ | | | | | |
+ | Imus. | +========+ +=========-+
+ | |
+ | |
+ | |
+ +=======+
+
+ Triclinium.
+
+
+Tricorii, volksstam in Gallia Narbonensis aan den voet der Alpen.
+
+Tricostus, familienaam in de gens Verginia (Verginii no. 1-4).
+
+Tridentum, tgw. Trente, aan den Athesis (Adige, Etsch), oorspronkelijk
+een raetische stad, kwam later aan de keltische Cenomani. De bevolking
+is raetisch gebleven. In 24 werd het door de Romeinen bezet. De
+bewoners der omstreken heeten Tridentini.
+
+Triens, als munt en als gewicht = 4 unciae = 1/3 as.
+
+Trierarchia, trierarchia, de kostbaarste van alle liturgieën, was
+de verplichting om een door den staat aangewezen oorlogsschip van
+tuig te voorzien, een jaar lang te onderhouden en de bemanning te
+werven. De triërarch voerde gewoonlijk het bevel over het door hem
+uitgeruste schip en moest ook zorgen voor de uitbetaling der soldij
+en de verdeeling der levensmiddelen, die door den staat verstrekt
+werden. De kosten beliepen soms een talent. Zie verder symmoriai.
+
+Trieteris, trieteris, de helft eener pentaëteris, het vierde deel
+eener ennaëteris.
+
+Trifanum, vlek in de buurt van Sinuessa, waar in 340 de tegen Rome
+verbonden Latijnen door den consul T. Manlius Torquatus Imperiosus
+(Manlii no. 10) verslagen werden.
+
+Trifolinus ager, vruchtbare landstreek in Campania, rijk aan wijn.
+
+Triginta tyranni.--1) De 30 tyrannen te Athene, zie triakonta.--2)
+Naar het voorbeeld van Trebellius Pollio worden de verschillende
+pretendenten naar de rom. keizerskroon, die onder en na het bewind
+van den zwakken Gallienus allerwege opdoken, ook met den naam van
+30 tyrannen bestempeld. Trebellius Pollio heeft er 32 opgenoemd,
+waaronder twee vrouwen, Zenobia en Victoria. Verschillende echter
+kunnen niet eens keizers genoemd worden.
+
+Trilogia, trilogia, z. tetralogia.
+
+Trimerus, Trimetus, het grootste der Diomedeae insulae, z. a.
+
+Trinacria, Trinacris, Trinakria, Trinakris = Sicilia.
+
+Trinobantes, volksstam in Britannia, ten N. van den Theemsmond,
+die zich vrijwillig aan Caesar onderwierp. Hoofdstad: Camalodunum
+(Colchester).
+
+Trinundinum of Trinum nundinum, een termijn van drie nundina
+of weken van 8 dagen, dus 24 dagen (v. a. een tijd, waarin drie
+nundinae (marktdagen) vallen, dus van 17-23 dagen), die voor het
+samenroepen der comitia moest in acht genomen worden. Werd de
+vergadering bijeengeroepen om te stemmen over een wetsvoorstel,
+dan werd dit wetsvoorstel tegelijkertijd bekend gemaakt (promulgatio
+rogationis). Zie Caecilia Didia (lex).
+
+Triobolon, z. dikastikon.
+
+Triocala, Triokala, sterke bergvesting in W. Sicilia aan de rivier
+de Triocala, die ten W. van Heraclea Minoa in zee valt.
+
+Triones (Septem), ook Septentrio, eig. de zeven ploegossen, z. Arctus.
+
+Triopas, Triopas, Triops, koning van Thessalië, die naar Carië
+verhuisde en daar Cnidus stichtte. Hij liet een heilig woud van
+Demeter omhakken om op de plaats een paleis te bouwen. Tot straf werd
+hij door een slang gedood en met de slang als Ophiuchus (z. a.) onder
+de sterren geplaatst. Hij was de vader van Erysichthon no. 2.
+
+Triopium, Triopion, kaap in Caria op de Chersonesus Cnidia; hier
+werden wedstrijden gehouden ter eere van Apollo Triopius. Zie Cnidus.
+
+Triphylia, Triphylia, Z. gedeelte van Elis (z. a.).
+
+Tripolis, Tripolis, 1) stadje in Asia aan den Maeander, op de grenzen
+van Phrygia, Lydia en Caria.--2) stad aan de kust van Pontus aan een
+gelijknamig riviertje, tusschen Polemonium en Trapezus.--3) stad op
+de phoenicische kust, gesticht door de drie steden Sidon, Tyrus en
+Aradus, en eigenlijk bestaande uit drie steden, wel zeer dicht bij,
+doch niet onmiddellijk aan elkander en elk met haar eigen muren.--4)
+thessalisch distrikt met de steden Azorus, Pythium en Doliche, in
+het N. van Perrhaebia.--5) arcadisch distrikt met de steden Callia,
+Dipoena en Nonacris, in het midden van Arcadia.--6) laconisch distrikt
+aan de arcadische grenzen.--7) kust van Libya (Afrika) tusschen de
+beide Syrten, met de steden Leptis, Oea en Sabathra.
+
+Triptolemus, Triptolemos, zoon van Celeüs en Metanira, uitvinder van
+den ploeg. Uit dankbaarheid voor de goede ontvangst, die zij bij Celeüs
+genoten had, gaf Demeter, nadat hare plannen met Demophon (z. a. no. 1)
+mislukt waren, aan Tr. een met draken bespannen wagen en een aantal
+graankorrels, met opdracht de kennis van den landbouw over de geheele
+aarde te verbreiden. In de vele gevaren, die deze tocht opleverde
+(z. Carnabon, Lyncus), genoot hij de bescherming der godin, en toen
+hij na zijne terugkomst door zijn vader met den dood bedreigd werd,
+dwong zij dezen van de regeering afstand te doen. Tr. volgde hem op
+en stelde de Thesmophoria in. Hij had op verscheiden plaatsen altaren
+en te Eleusis een tempel.--Soms wordt van hem hetzelfde verhaald als
+van Demophon, of wordt hij een zoon van zekeren Eleusis genoemd.
+
+Tripudium, 1) een godsdienstige wapendans, zooals o. a. de Salii
+uitvoerden, hetzij met herhaald driemaal stampen of door telkens drie
+passen voorwaarts en dan weder één of twee achteruit te doen.--2)
+zie auguria no. 3.
+
+Triquetra (= driehoekig sc. insula) = Sicilia.
+
+Tritaea, Tritaia, eene der 12 achaeïsche bondssteden, aan de arcadische
+grenzen aan den voet van den Erymanthus.
+
+Tritea, Triteia, Triteai, stad in Phocis aan de locrische grenzen,
+ten N. van den Cephisus.
+
+Trito, Trito, Tritogeneia, bijnaam van Athena, naar hare geboorteplaats
+bij het meer Tritonis in Libye of bij de rivier Triton in Boeotië.
+
+Triton, Triton, zoon van Poseidon en Amphitrite of Salacia, die
+met zijn vader en moeder in een gouden paleis op den bodem der zee
+woont. In latere verhalen wordt meestal gesproken van een groot aantal
+Tritons, wezens van monsterachtig voorkomen, met een lichaam dat
+in een grooten staart uitloopt, groen haar, breeden mond met groote
+tanden, schubben en kieuwen, enz. Gewoonlijk hebben zij een groote
+schelp in de handen, die zij als trompet gebruiken (T. canorus);
+en door welker geluid zij op bevel van Poseidon de onstuimige golven
+tot bedaren brengen.
+
+Tritonia = Trito.
+
+Tritonis, een van de zoutzeeën in Libye, in de nabijheid van de
+kleine Syrte.
+
+Tritopatores, drie zeer oude daemonen, die in Attica vereerd
+werden. Zij worden zonen van Zeus en Persephone genoemd, hunne
+namen worden zeer verschillend opgegeven. Soms heeten zij de eerste
+schepselen, soms goden van den wind of goden van het huwelijk en
+den kinderzegen.
+
+Trittys, het derde gedeelte eener attische phyle, vóór Clisthenes,
+naar het schijnt, hetzelfde als phratria. Clisthenes verdeelde het
+grondgebied van Athene in 30 trittyes, 10 in en om de stad, 10 in
+Paralia en 10 op het land. Iedere phyle bevatte drie trittyes, eene
+van ieder tiental. Vier naukrariai vormden een trittys.
+
+Triumphus, thriambos. De hoogste eer voor een overwinnend veldheer was,
+een zegetocht binnen Rome te mogen houden. Daar hij, op straffe van
+zijne aanspraken als imperator (z. a.) te verliezen, niet binnen de
+stad mocht komen, verleende de senaat hem gehoor buiten het pomerium,
+meest in den tempel van Bellona. Werd het verzoek toegestaan, zoo
+had de zegetocht ongeveer op deze wijze plaats. Voorop ging eene
+afdeeling cornicines, daarop volgden priesters en offerknechten met
+offerdieren met vergulde horens en omkranst, hierachter volgden wagens,
+lastdieren en dragers met behaalden buit, goud, zilver, kostbaarheden,
+standbeelden, met borden, waarop de namen der veroverde plaatsen,
+de gewonnen veldslagen, het getal der gedoode vijanden vermeld
+waren. Hierna kwamen de gevangenen geboeid, gevangen vorsten met
+hunne familie in hun volle praal met de kroon op het hoofd en met
+gouden ketenen gekluisterd, dan de lictoren met omlauwerde fasces, en
+achter hen de veldheer op zijn zegewagen. Een beeld der overwinning,
+dat achter op zijn zegewagen stond, hield een gouden krans boven
+'s veldheer's hoofd. Naast den wagen gingen zijne bloedverwanten en
+achter den wagen de staf- en hoofdofficieren, terwijl de troepen den
+trein sloten. Tot de bijzonderheden behoort nog, dat op den zegewagen
+ook een slaaf stond, die den triumphator gedurig toesprak: Bedenk dat
+gij een mensch zijt. De stoet trok de stad door en langs de sacra via
+den weg op naar het Capitool. Op het forum splitste zich de stoet, de
+gevangenen werden weggevoerd, het leger ging uiteen, de veldheer bracht
+in den capitolijnschen tempel een plechtig offer aan Jupiter. Op het
+feestmaal, dat den dag besloot, waren ook de consuls genoodigd, doch
+dezen verschenen nooit, omdat de etikette dan zou gevorderd hebben,
+dat zij, daar hun imperium het hoogste was, als hoofdpersonen de
+eereplaats innamen.--Eene ovatio is eene kleine zegepraal, z. a.
+
+Triumviri, zie tresviri.
+
+Trivia, bijnaam van Hecate of Diana, als godin der driesprongen.
+
+Trivicum, een vlek in Z.-Samnium in het land der Hirpini, aan de via
+Appia nova.
+
+Troas, Troas, het land van Troje, het N.W. deel van Mysia, aan den
+Hellespont. Het land was golvend, doorsneden door de uitloopers van
+het Idagebergte en door de riviertjes Satnioïs, Rhodius, Simoïs,
+Scamander, Thymbrius. Vóór de kust lag het eiland Tenedos.
+
+Trocmi, een der drie gallische stammen in Galatia en wel in het O.,
+hoofdstad Tavia.
+
+Troesmis, Troismis, vesting aan den Donau in Moesia Inferior,
+tgw. Iglitza.
+
+Troezen, Troizen, stad in het Z.O. van Argolis, met eene havenstad
+Pogon tegenover het eiland Calauria. Oorspronkelijk was de stad
+waarschijnlijk ionisch, later dorisch. Theseus was hier geboren
+en opgevoed.
+
+Trogilium, Trogilion, uiterste punt van het voorgebergte Mycale
+tegenover Samus. Ook een eilandje, dat daarvoor ligt.
+
+Trogilus, Trogilos, baai en haven ten N. van Syracuse.
+
+Troglodytae, Trogodytae, Troglodytai, "holbewoners", zooals men in
+verschillende streken der aarde aantrof, in den Caucasus, in Lybia
+en elders. In het bijzonder komen onder dezen naam bewoners der
+aethiopisch-aegyptische kust aan de Arabische golf voor.
+
+Trogus (Pompeius), uit een gallisch geslacht, dat door Cn. Pompeius
+Magnus het rom. burgerrecht had verkregen, leefde ten tijde van
+Augustus en schreef een uitgebreid geschiedkundig werk, waarvan
+later Justinus (z. a.) onder den titel Historiae Philippicae een
+uittreksel vervaardigde. Ook moet Trogus over natuur- en dierkunde
+hebben geschreven.
+
+Troia, Troie, -a, of Ilium, hoofdstad van Troas, door de Grieken
+tien jaar lang belegerd en eindelijk door list genomen en verwoest
+(1184). De stad lag in de vlakte tusschen de stroompjes Simoïs
+en Scamander. Op den burcht Pergamum (ook -mus en -ma) vond men
+tempels van Pallas Athena en Apollo en andere heiligdommen. Slechts
+ééne poort is bij name bekend, de Scaeïsche, pylai Skaiai =
+linkerpoort. Later is door Aeoliërs een nieuw Troje, novum Ilium,
+neon Ilion, gebouwd. Schliemann en Dörpfeld hebben bij Hissarlik
+sporen van het oude Troje teruggevonden: van de vele nederzettingen,
+die opgegraven zijn, is de zesde van onderen, het homerische Troia,
+de belangrijkste. De muren, die nog gedeeltelijk over zijn, stemmen
+overeen met die van Tiryns en Mycenae; men vindt er 3 torens, 3 poorten
+en een uitvalpoortje.--2) stad in het kustland van Epirus tegenover
+Corcyra, door Helenus gesticht.--3) stad in het land der Veneti,
+ten N. der Adriatische zee, gesticht door Antenor.
+
+Troiae (ludus of ludicrum), z. Ludus Troiae.
+
+Troilus, Troilos, zoon van Priamus of Apollo en Hecabe, uitmuntende
+door dapperheid, werd door Achilles gedood.
+
+Trojaansche oorlog, de oorlog, door de Grieken tegen Troje gevoerd
+om de schaking van Helena door Paris (z. a.) te wreken. Hetzij uit
+zucht naar roem, hetzij gebonden door een eed (z. Helena), namen de
+meeste grieksche vorsten aan den krijgstocht deel en brachten zij
+een leger op de been van 100.000 man, dat in 1186 schepen naar Azië
+overgebracht werd. Als opperbevelhebber werd Agamemnon verkozen,
+nevens hem onderscheidden zich Menelaus, de beide Aiaxen, Diomedes,
+Nestor, Odysseus, maar vooral Achilles, aan de zijde der Trojanen en
+hun bondgenooten boven allen Hector, verder Aeneas, Sarpedon e. a. Daar
+telkens groote afdeelingen van het leger op plundertochten uitgezonden
+moesten worden, om in de behoefte aan levensmiddelen te voorzien,
+vorderde men met het beleg slechts weinig. In het 10de jaar scheen
+de overgave der stad nog even ver verwijderd als bij de aankomst der
+Grieken, zelfs scheen zich de krijgskans ten gunste van de Trojanen
+te wenden, toen Achilles, door Agamemnon beleedigd (z. Briseis)
+zich een tijd lang aan den strijd onttrok. Maar toen hij, om den
+dood van Patroclus te wreken, zich weder onder de strijders mengde,
+viel Hector reeds denzelfden dag onder zijne handen, en hoewel
+hijzelf ook kort daarna sneuvelde, was nu het lot der belegerde
+stad beslist. Eerst werden ingevolge orakelspreuken Neoptolemus en
+Philoctetes naar het oorlogstooneel gehaald en het Palladium geroofd,
+en toen ook nu nog geweld niets vermocht, nam men list te baat. Het
+grieksche leger trok in schijn af, maar liet een groot houten paard,
+door Epeus vervaardigd, achter, waarin zich Odysseus met een aantal
+strijders verborgen hielden. Door zekeren Sinon (z. a.) lieten de
+Trojanen zich, hoewel tegen den raad van velen hunner, overreden
+het houten paard binnen de muren te halen, des nachts kwamen de
+Grieken uit het paard te voorschijn en openden de poorten voor het
+inmiddels teruggekeerde leger, waarop de stad verwoest en de meeste
+inwoners gedood werden.--De trojaansche oorlog en de lotgevallen
+der grieksche helden op hun terugtocht naar het vaderland hebben
+aan Homerus en de cyclici rijke stof voor hunne gedichten geleverd,
+en zijn daardoor de meest algemeen bekende gebeurtenissen uit het
+grieksche heldentijdperk geworden.
+
+Tropaeum, tropaion, een zegeteeken, door een leger op het slagveld
+opgericht, wanneer het de vijanden op de vlucht geslagen had. Door
+na den slag de oprichting van een tropaeum toe te laten en verlof te
+vragen om de gesneuvelden van het slagveld te halen en te begraven,
+erkende men als het ware de nederlaag geleden te hebben. Het
+tropaeum bestond uit een hoop buitgemaakte wapenen soms aan een
+boomstam opgehangen, waaraan men vooraf min of meer een menschelijke
+gedaante gegeven had. In latere tijden waren tropaea in het algemeen
+gedenkteekenen, ter eere eener overwinning of van een overwinnaar
+opgericht.
+
+Trophonius, Trophonios, broeder van Agamedes (z. a.). Oorspronkelijk
+is hij geen heros, maar een orakelgod (v. d. ook Zeus Trophonios
+geheeten), die evenals Amphiaraus (z. a.) in een onderaardsch hol
+huist. Hij had een orakel in een hol nabij Lebadea, dat vooral in
+latere tijden in hoog aanzien stond. Na verscheiden dagen van vasten,
+reinigingen, enz., werd men des nachts met een honigkoek in de handen
+in dit hol nedergelaten, en kreeg men daar in den slaap de gevraagde
+openbaringen.
+
+Tros, Tros, 1) zoon van Erichthonius no. 2 en Astyoche, naar wien
+de stad Troje genoemd is. Hij was de vader van Ilus, Assaracus en
+Ganymedes.--2) Trojaan, door Achilles gedood.
+
+Trosmis, Trosmis, = Troesmis.
+
+Trossuli, v. s. een woord van etruscischen oorsprong = equites. Het
+verdrong voor de ridders in actieven dienst het woord celeres en
+was ten tijde der Gracchen nog in gebruik. In later tijd beteekent
+trossulus een fat, een pronker.--Een plaatsje Trossulum komt in
+Etruria voor, ten Z. van Volsinii.
+
+Trotilum, Trotilon, stadje op Sicilia, ten N. van Syracuse, aan
+de kust.
+
+Truentum, stad in Picenum aan den mond van den Truentus, de rivier
+die langs Asculum stroomt. De stad heet ook castrum of castellum
+Truentinum.
+
+Trutulensis portus, haven op de kust van Britannia, van waar Agricola
+uitvoer om het eiland rond te varen, ten N. van de Firth of Forth.
+
+Tryphon, Tryphon, 1) veldheer van Alex. Balas, verdedigde de
+aanspraken op de regeering van diens zoon Antiochus VI tegen
+Demetrius Nicator. Later liet hij Antiochus vermoorden en besteeg
+hij zelf den troon (142), wat de Rom., door zijne schitterende
+geschenken bewogen, oogluikend toelieten. Toen echter Antiochus
+Sidetes door de Rom. begunstigd werd, moest Tr. vluchten, hij ging
+naar Armenië, waar hij weldra den dood vond (137). Zijn eigenlijke
+naam was Diodotus, Tr. werd hij genoemd om zijn weelderig leven.--2)
+bijnaam van Ptolemaeus IV.--3) aanvoerder in den slavenopstand op
+Sicilia van 104; zijn eigenlijke naam was Salvius. Na zijn dood werd
+zijn onderaanvoerder Athenio (z. a.) zijn opvolger.--4) grammaticus in
+Alexandria, ten tijde van Augustus, schrijver van verscheiden werken
+over grieksche dialecten.--5) uitgever van de gedichten van Martialis.
+
+Trysa, Trysa, stad in het Z. van Lycië, in het binnenland, in de
+nabijheid van Myra, met het uit de 4de eeuw stammende Heroon, Heroon,
+van Gjölbaschi, waarvan het beeldhouwwerk naar Weenen is overgebracht.
+
+Tuba, een metalen blaasinstrument, recht van vorm op de wijze eener
+bazuin of lange spreektrompet. Zij gaf een dieperen klank dan de
+gebogen hoorn.
+
+Tubantes, een germaansch volk, bevriend met de Cheruscers, dat
+zijn naam heeft nagelaten in Twente (= Tubantia) in Overijsel. Ten
+tijde van Germanicus waren zij naar de streek tusschen Lippe en Ruhr
+verhuisd en trokken nog verder Z.O.waarts. Zij losten zich op in den
+bond der Franken.
+
+Tubero, familienaam in de gens Aelia.
+
+Tubertus, familienaam in de gens Postumia.
+
+Tubilustrium, de vijfde of laatste dag der Quinquatrus (z. a.), waarop
+de tubae der tubicines sacrorum gewijd werden, omdat de tuba aan
+Minerva geheiligd was. Een ander tubilustrium wordt op 23 Mei vermeld.
+
+Tucca, familienaam in de gens Plotia.
+
+Tuder, oude stad in Umbria, rom. kolonie op een heuvel aan den Tiber.
+
+Tuditanus, familienaam in de gens Sempronia (Sempronii no. 18-21).
+
+Tuisco, god en stamvader der Germanen, uit de aarde geboren.
+
+Tulingi, volksstam in Gallia, naburen der Helvetii.
+
+Tullia, de gemalin van Tarquinius Superbus, de ontaarde dochter van
+Servius Tullius, die over haars vaders lijk zou gereden zijn. Zie
+over andere van dezen naam het art. Tullii.
+
+Tulliae (leges) van M. Tullius Cicero, consul in 63. 1) de ambitu,
+tot verscherping der bestaande strafbepalingen. O. a. verbood deze
+wet, binnen den termijn van twee jaar voor het dingen naar eenig
+ambt zwaardvechtersspelen aan het volk te geven, tenzij om aan
+testamentaire bepalingen te voldoen. De straf na veroordeeling was
+tienjarige ballingschap.--2) de liberis legationibus, waarbij de duur
+er van tot een jaar werd beperkt, zie legatio libera.
+
+Tullianum, ondergrondsch kerkergewelf, dat slechts licht en toegang
+had door eene opening in de zoldering. Zie carcer.
+
+Tullii, een oud geslacht, althans 1) M. Tullius werd onder
+Tarquinius Superbus met verdrinking gestraft wegens het mededeelen van
+geheimen.--2) M'. Tullius Longus, consul in 500.--3) M. Tullius Cicero,
+die dezen bijnaam kreeg wegens het verbouwen en verkoopen van erwten,
+een man van strenge, ouderwetsche zeden, was de grootvader van den
+redenaar. Hij stierf in 106, kort na diens geboorte.--4) M. Tullius
+Cicero, zoon van no. 3, woonde deels te Rome, deels te Arpinum. Hij
+was een wetenschappelijk man, die zich aan de opvoeding zijner zoons
+veel liet gelegen liggen.--5) M. Tullius Cicero, zoon van no. 4,
+werd den 3den Jan. 106 op een landgoedje bij Arpinum geboren. Hij
+genoot van den dichter Archias (zie Licinii no. 37) onderwijs in de
+letteren, en later van den rechtsgeleerde Q. Mucius Scaevola (zie
+Mucii no. 6) in de studie van het recht. Ook de redenaar L. Licinius
+Crassus (zie Licinii no. 12) had nog een aandeel in de vorming van
+den jongeling en hield een oog op diens opvoeding, doch overleed,
+toen Cicero eerst 15 jaar was. In de philosophie volgde Cicero de
+lessen van den epicurist Phaedrus, vervolgens van den academischen
+wijsgeer Philo van Larisa, die in 88 naar Rome was gekomen, en van
+den stoicijn Diodotus, in de welsprekendheid die van den griekschen
+rhetor Molo (zie Apollonius no. 3). Na ernstige, onverpoosde oefening
+trad hij in 81 in een civiel proces voor P. Quinctius op en in 80 in
+eene causa publica voor Sex. Roscius van Ameria (zie Roscii) tegen
+Sulla's vrijgelatene en gunsteling Chrysogonus. Wegens redenen van
+gezondheid ondernam hij nu eene reis naar Griekenland, en vertoefde een
+paar jaren (79-77) te Athene, in Klein-Azië en op Rhodus, en hoorde
+de lessen van den academicus Antiochus van Ascalon (zie Antiochus
+no. 21), den epicurist Zeno (z. Zeno no. 5), den rhetor Demetrius
+Syrus (zie Demetrius no. 10), den stoicijn Posidonius (z. a.) en
+zijn vroegeren leermeester Molo. Geoefend en hersteld kwam hij te
+Rome terug en werd in 75 quaestor te Lilybaeum op Sicilia, in welke
+betrekking hij het bewijs gaf van onkreukbare eerlijkheid en zich ook
+jegens Rome verdienstelijk maakte door bij de heerschende schaarschte
+voor ruimen toevoer van koren uit Sicilia te zorgen. In 70 nam hij het
+proces op zich tegen C. Verres (z. a.), ofschoon deze den steun genoot
+der machtige Metelli (zie Caecilii no. 19, 20 en 21) en verdedigd
+werd door den beroemden pleiter en consul designatus Q. Hortensius
+Hortalus (zie Hortensii no. 3). In 69 was Cicero curulisch aediel,
+in 66 praetor (repetundarum), in 63 consul. In dien tusschentijd
+hield hij zijne studiën bij en trad hij bij herhaling als redenaar
+en pleiter op. Als praetor hield hij de oratio de imperio Cn. Pompei
+(pro lege Manilia). Als consul gelukte het hem, de samenzwering van
+Catilina (z. Sergii) te onderdrukken, wiens medeplichtigen hij, als op
+heeterdaad betrapt (zie o. a. Cornelii no. 48), zonder vorm van proces
+ter dood liet brengen. De senaat kende hem den eerenaam pater patriae
+toe, doch in 58 werd hij door den woelzieken volkstribuun P. Clodius
+Pulcher (zie Claudii no. 17) met eene uitsluitend tegen hem gerichte
+wet getroffen (zie Clodiae leges no. 5) en moest hij in ballingschap
+gaan, terwijl zijn huis door het volk werd omvergehaald. De lex
+Cornelia van den consul P. Corn. Lentulus Spinther riep hem in 57
+terug; zijn huis werd op kosten van den staat herbouwd. Vooreerst
+trok Cicero zich nu van de staatszaken terug; in 52 verdedigde hij
+T. Annius Milo, beschuldigd wegens den moord van Clodius, doch zonder
+gunstig gevolg; in 51 werd hij zeer tegen zijn zin als proconsul
+naar Cilicia gezonden. Bij zijne terugkomst brak juist de strijd uit
+tusschen Caesar en Pompeius; na lange aarzeling koos Cicero de partij
+van den laatste. Na den slag bij Pharsalus en Pompeius' dood ontving
+hij zijdelings van Caesar eene uitnoodiging om terug te keeren en
+werd met welwillendheid en voorkomendheid ontvangen. Huiselijk leed
+en droefheid over den ondergang der republiek bogen Cicero ter neder
+en hij trok zich op zijne landgoederen terug, waar hij in de studie
+der wijsbegeerte troost zocht. Na Caesars dood evenwel (44) meende
+hij, dat er een nieuwe dag van vrijheid zou aanbreken en kantte hij
+zich met hevigheid (in zijne zoogenaamde orationes Philippicae)
+tegen de willekeurige handelingen van Antonius (no. 4). Toen nu,
+wat Cicero niet schijnt verwacht te hebben, Octavianus en Antonius
+de handen ineensloegen en zich met Lepidus tot IIIviri rei publicae
+constituendae lieten benoemen (43), was ook Cicero's lot beslist, hij
+werd vogelvrij verklaard; dit bericht ontving hij op zijn landgoed bij
+Tusculum, hij maakte zich wel op tot de vlucht, doch werd onderweg
+nabij zijn Formianum door ruiters onder den krijgstribuun Popilius
+Laenas, dien Cicero vroeger in een proces met goed succes verdedigd
+had, achterhaald en, toen hij zijn hoofd buiten den draagstoel stak,
+door den centurio Herennius doorstoken (Dec. 43). Hoofd en hand
+werden hem afgehouwen en op last van Antonius aan de rostra te Rome
+genageld. Cicero is tweemaal gehuwd geweest, doch van beide vrouwen
+gescheiden, van Terentia (zie Terentii no. 8) om geldelijke redenen,
+van Publilia (zie Publilii no. 4) wegens verschil van leeftijd en
+aard. Uit zijn eerste huwelijk had hij een zoon en eene dochter,
+die vóór hem stierf en wier dood hij zich sterk aantrok. Cicero is
+voorzeker de grootste redenaar der Rom. geweest, als staatsman was
+hij niet zelfstandig genoeg; in voorspoed kinderachtig ijdel, was
+hij in tegenspoed zwak en terneergeslagen. Hij was de eerste zijner
+familie, die een curulisch ambt bekleedde, een homo novus. Ofschoon
+uit eene ridderlijke familie, was hij bij zijn optreden niet rijk,
+hij verwierf zich echter (steeds door eerlijke middelen) een groot
+vermogen, zoodat hij niet slechts een prachtig huis te Rome bezat,
+maar ook verschillende landgoederen, waarvan zijn Tusculanum het
+meest bekende is. Zijne werken zijn van verschillenden aard: a)
+redekundige werken: Brutus de claris oratoribus (in 46 uitgegeven),
+Orator, een beeld van den idealen redenaar (46), de Oratore (55),
+en een paar kleinere werkjes. Van zijne redevoeringen, omstreeks 120
+in getal, is de grootste helft geheel of grootendeels bewaard. b)
+staatkundige werken zijn de Republica (54), en de Legibus (51). c)
+zedekundige werken: de Officiis (44), Cato maior de senectute (44),
+Laelius de amicilia (44). d) wijsgeerige geschriften: Academica, de
+Fato, de Finibus bonorum et malorum (45), Tusculanae disputationes
+of quaestiones (44). e) den eeredienst betreffende: de Natura deorum
+en de Divinatione (44). f) Zijne uitgebreide correspondentie is na
+zijn dood door zijn vrijgelatene Tiro (z. a.) uitgegeven en vormt
+de volgende bundels: Epistulae ad diversos of ad familiares (16 b.),
+ad Atticum, met wien hij tijdens zijn verblijf te Athene eene innige,
+levenslange vriendschap had gesloten (16 b.), ad Q. fratrem (3 b.), ad
+M. Brutum (2 b.) en één brief ad Octavium. Veel van hem, ook gedichten
+en grieksche geschriften, is verloren gegaan.--6) Tullia, de innig
+geliefde dochter van no. 5, geb. in 76, eerst verloofd met Piso Frugi
+(zie Calpurnii no. 11), later (50) gehuwd met den lichtmis Dolabella
+(zie Cornelii no. 38), welk huwelijk in 46 ontbonden werd; ze stierf
+in 45. Haar vader noemt haar effigies oris, sermonis, animi mei, ook
+deliciae nostrae. Na den dood van Piso (57) is Tullia ook een tijd
+lang verloofd geweest met Furius Crassipes.--7) M. Tullius Cicero,
+zoon van no. 5, veroorzaakte door zijne lichtzinnige leefwijze zijn
+vader veel zorg en kommer. Aan zijne opvoeding werd de meeste zorg
+besteed; hij hoorde de beroemdste wijsgeeren en rhetoren. Na den slag
+bij Philippi (42), waarin hij onder Brutus diende, sloot hij zich bij
+Sex. Pompeius aan, doch hij verzoende zich later met Octavianus en werd
+in 30 consul.--8) L. Tullius Cicero, broeder van no. 4 en dus een oom
+van den redenaar, en zijn zoon, ook L., wijdden zich ook aan de studie
+van welsprekendheid en wetenschappen.--9) Q. Tullius Cicero, jongere
+broeder van no. 5, aediel in 65, praetor in 62 en daarna (61-58)
+propraetor in Asia, diende 54-52 onder Caesar in Gallia als legaat en
+in 51 in Cilicia onder zijn broeder. In 48 streed hij bij Pharsalus aan
+de zijde van Pompeius. In 43 vielen hij en zijn zoon als slachtoffers
+der driemannen. Q. hield zich, evenals zijn beroemde broeder, met
+litterarische studiën bezig; hij schreef annales en tragoediae. Nog
+over is een verhandeling de petitione consulatus. De zoon, ook Q.,
+was meer op de hand van Caesar geweest. Op zijn gedrag was veel aan te
+merken en zijne wispelturigheid was oorzaak, dat hij, zoodra hij zich
+teleurgesteld zag, van de eene partij naar de andere overliep.--10)
+Er komen nog verschillende Tullii voor, M. Tullius Decula, consul in
+81, L. Tullius, een van Cicero's legaten in Cilicia en een vriend van
+Atticus, e. a. Over Cicero's vrijgelatene M. Tullius Tiro, zie Tiro.
+
+Tullius (v. a. Iulius) Valentinus, aanvoerder der Treviri in den
+opstand tegen Domitianus, door de Rom. gevangen genomen en ter dood
+gebracht.
+
+Tullum, hoofdstad der Leuci, tgw. Toul.
+
+Tullus, familienaam in de gens Volcatia.
+
+Tullus Hostilius, derde koning der Rom. (679-640), breidde door
+gestadige oorlogen zijn gebied uit (o. a. onderwerping van Alba Longa,
+na den strijd der Curiatii, later verwoesting der stad en straf van
+Mettius Fuffetius). Volgens de sage werd hij door den vertoornden
+Jupiter Elicius, dien hij door bezweringen wilde dwingen, met den
+bliksem getroffen.
+
+Tumultus, alarm, plotseling oorlogsgevaar door onverhoedschen aanval,
+een niet vooraf aangekondigde oorlog, akeryktos polemos, ook een
+plotseling oproer. Milites tumultuarii, in haast bijeengeraapte
+soldaten, ongeregelde troepen.
+
+Tunes, gen. -etis, Tunis, Tynes, versterkte stad ten W. van Carthago,
+aan den mond eener thans geheel verdwenen rivier. Door aanslibbing
+en duinvorming is Tunis thans geheel van de zee afgesloten geraakt.
+
+Tungri, germaansch volk in Belgica, waarschijnlijk ontstaan uit de
+samensmelting van Eburonen, Aduatucers en andere stammen tusschen
+Scaldis (Schelde) en Mosa (Maas). Hoofdstad: Aduatuca, later Tungri
+geheeten (Tongeren in belgisch Limburg), waarschijnlijk verschillend
+van het Aduatuca, bij Caesar vermeld (z. a.).
+
+Tunica, chiton (z. a.), het onderkleed bij de Rom., een soort van
+hemd. Men onderscheidde de tunica interior of subucula, het onderhemd,
+en het indusium of intusium, dat over het andere werd gedragen. De
+vrouwen droegen om het middel een gordel. Men had dit kleedingstuk
+in verschillende lengten, met en zonder mouwen, terwijl men bij koud
+weder er zelfs nog meer dan twee over elkander kon aantrekken, Augustus
+droeg er soms vier. De mannen in huisgewaad en de arbeiders aan het
+werk droegen slechts de tunica, geen toga. De senatoren droegen eene
+tunica met breede purperstreep van voren van den hals tot aan den zoom
+(latus clavus, tunica laticlavia), de ridders eene met twee smalle
+strepen (angustus clavus, tunica angusticlavia).
+
+Turdetani, Tourditanoi, voornaam volk in Baetica, aan beide oevers
+van den Baetis (Guadalquivir), ongeveer van den Singulus (Xenil) tot
+in het Z. van Lusitania (Portugal). Zij waren zeer beschaafd, hadden
+geschiedboeken, dichtkunst, beoefenden wetenschappen, enz. Zij waren
+geen krijgshaftig volk. Voornaamste stad: Hispalis (Sevilla). Zie
+Tartessus. Ook over de Zuidkust van Lusitania (den Cuneus) zijn ze
+verbreid. Verder komen er Turdetani voor in de omstreken van Saguntum,
+die echter door sommige schrijvers Torboleti genoemd worden.
+
+Turduli, Tourdouloi, volk in Baetica, verwant met de Turdetani en
+oostwaarts van hen wonende. Voornaamste stad: Corduba (Cordova). Zie
+Tartessus.
+
+Turia, kustrivier in het O. van Tarraconensis, die door het gebied
+der Edetani liep en bij Valentia in zee viel; thans de Guadalaviar.
+
+Turma, oorspronkelijk een afdeeling van 30 man rom. ruiterij, in 3
+decuriën verdeeld en onder 3 decuriones, van wie de eerste de geheele
+turma kommandeerde; later eene schaar, een escadron ruiterij uit de
+auxilia, zonder bepaalde getalsterkte.
+
+Turnus, 1) zoon van Daunus en Venilia, kleinzoon van Danaë, koning
+der Rutuliërs. Lavinia, de dochter van Latinus, was met hem verloofd,
+en toen nu haar vader hare hand aan Aeneas schonk, trachtte T. zich
+met geweld van wapenen hierover te wreken. Hij voerde den oorlog
+met groote dapperheid, maar viel eindelijk in een tweegevecht tegen
+Aeneas.--2) rom. satirendichter onder en na Nero, die door lateren
+met lof vermeld wordt.
+
+Turones of -ni, volk in Gallia aan den Liger (Loire), met de hoofdstad
+Caesarodunum (Tours).
+
+Turpilii. 1) Sex. Turpilius, rom. blijspeldichter, een tijdgenoot van
+Terentius, die ook grieksche modellen, vooral Menander, volgde. Van
+15 zijner stukken zijn fragmenten over. Hij overleed in 103.--2)
+T. Turpilius Silanus was praefectus fabrum in 108 onder Q. Caecilius
+Metellus (Numidicus). Bij de verovering van Vaga door Jugurtha was
+hij de eenige Romein, die gespaard bleef; hij werd daarom later van
+verraad beticht en ter dood gebracht.
+
+Turpio, zie Ambivius.
+
+Turrigera, Turrita, bijnaam van Rhea Cybele, naar de muurkroon,
+waarmede zij gewoonlijk afgebeeld wordt.
+
+Turris, 1) ambulatoria, belegeringstoren, zooals de Rom. in den regel
+bouwden, wanneer zij voor eene stad het beleg hadden geslagen. Zij
+hadden onderscheiden verdiepingen, inwendig door trappen verbonden,
+met eene valbrug en met borstweringen, zooals dit beschreven is
+bij Helepolis. Zij waren op raderen of op rollen en waren dus
+verplaatsbaar, vandaar de naam.--2) als eigennaam, b.v. Turris
+Stratonis = Caesarea Palaestinae, Turris Hannibalis op de Oostkust
+van het carthaagsche gebied.
+
+Tuscia, Tusci = Etruria, Etrusci.
+
+Tusci, villa van Plinius Secundus (minor), zie Tifernum no. 1.
+
+Tusculum, thans Frascati, sterke latijnsche stad, ten O.Z.O. van Rome
+op een hoogen rug van den mons Algidus gelegen, volgens de mythe door
+Telegonus, zoon van Ulysses en Circe, gesticht, reeds vroeg (380,
+v. a. echter eerst 338) rom. municipium. In den omtrek waren tal van
+buitenplaatsen van rom. grooten, o. a. had Cicero er zijn Tusculanum.
+
+Tuscus (vicus), eene straat te Rome, die van het Velabrum naar het
+forum Romanum (Zuidzijde) liep.
+
+Tusdra = Thysdrus.
+
+Tutanus Rediculus, zie Rediculus Tutanus Deus.
+
+Tutela. Bij de rom. tutela onderscheidt men de tutela impuberum
+en de tutela muliebris. De eerste wordt uitgeoefend over kinderen
+beneden 15 jaar. De voogd had alleen het beheer over het vermogen
+van den pupil, maar niet krachtens zijne voogdij het bestuur over de
+opvoeding. Het volledig geldelijk beheer heet gestio en had plaats
+zoolang de pupil niet ouder dan 7 jaar was, doch dan verkreeg de
+pupil zelf bevoegdheden, mits onder bekrachtiging (auctoritas) van den
+voogd. De tutela mulierum was van anderen aard. Daar eene vrouw geene
+rechtspersoonlijkheid had, had eene, die niet in potestate patris, noch
+in manu mariti was, een tutor noodig, wiens bekrachtiging (auctoritas)
+vereischt werd bij handelingen, die in rechten geldig moesten zijn,
+b.v. vervreemding van res mancipi, het maken van een testament,
+het aangaan van een huwelijk door confarreatio en coëmptio. De
+vestaalsche maagden, als zijnde sui iuris, waren vrij van tutela,
+evenzoo die vrouwen (sedert Augustus), die volgens de lex Iulia et
+Poppaea het ius liberorum hadden. De voogdij was een recht van den
+naasten bloedverwant (proximus agnatus), tenzij de overledene bij
+testament er anders over beschikt had. Daar de agnatenvoogdij voor
+beide partijen somtijds veel onaangenaams had, verzon men een middel
+om daaraan te ontkomen. Men kon de voogdij overdoen, b.v. door eene
+in iure cessio voor den praetor, de nieuwe voogd heette dan tutor
+cessicius. Doch ook de coëmptio per aes et libram liet zich er op
+toepassen, de vrouw ging dan door coëmptio in de macht van een ander,
+een emptor fiduciarius, over, doch niet om te huwen--want de coëmptio
+op zichzelve zonder nuptiae constitueerde nog geen huwelijk. De
+emptor had nu de vrouw in mancipio en kon haar vrijlaten en haar
+haar vermogen in eigen beheer laten. Dit is de coemptio cum extraneo
+fiduciae causa.--Eene tutela is dativa, wanneer bij testament een voogd
+is aangewezen, optiva, wanneer de vrouw er zelve een mocht kiezen. Was
+er geen rechthebbende op de voogdij, dan benoemde de praetor urbanus
+onder medewerking van de grootste helft der volkstribunen een voogd
+(tutela Atiliana, zie lex Atilia en lex Iulia Titia).
+
+Tutunus (Mutunus), zie Mutinus Tutunus.
+
+Tyana, ta Tyana, oude, sterke stad in het Z.W. van Cappadocia aan den
+voet van den Taurus gelegen, aan den weg naar de Ciliciae portae. Het
+was de geboorteplaats van Apollonius no. 7. Misschien is dit wel
+dezelfde stad, die elders Dana (z. a.) of Thoana heet.
+
+Tyche, Tyche, of Fortuna, dochter van Oceanus en Tethys of van Zeus
+en Promethea, godin van toeval en geluk. Zij wordt afgebeeld met
+verschillende attributen: gewoonlijk heeft zij een muurkroon op het
+hoofd en een horen van overvloed in de hand, soms heeft zij een roer
+of een bol in de handen of staat zij op een bol.--In latere tijden werd
+zij op verschillende plaatsen als beschermster van den staat vereerd.
+
+Tyche, Tyche, een der onderdeelen van de stad Syracusae (z. a.).
+
+Tydeus, Tydeus, zoon van Oeneus en Periboea, moest wegens een moord
+uit zijn vaderland vluchten. Hij ging naar Argos, waar Adrastus hem
+van den moord reinigde en hem zijne dochter Deipyle ten huwelijk
+gaf. Met Adrastus (z. a.) ondernam hij nu den tocht tegen Thebe,
+waar hij zich door groote dapperheid onderscheidde; eens doodde hij
+alleen 50 Thebanen, die hem een hinderlaag gelegd hadden, alleen hun
+aanvoerder Maeon liet hij in leven. Hij werd door Melanippus doodelijk
+gewond, en toen hij op het punt was te sterven, verscheen Athena om
+hem met goedvinden van Zeus onsterfelijk te maken. Amphiaraus echter
+hieuw Melanippus het hoofd af en bracht dit aan T., die het doorsneed
+en het vleesch of de hersens verslond. Vol afschuw over zoo groote
+ruwheid wendde Athena zich af en liet hem sterven. Hij werd door
+Maeon begraven.
+
+Tydides, Tydeides, Diomedes, zoon van Tydeus.
+
+Tyle, Tyle, stad in het N. van Thracia, aan de Z.-zijde van den Haemus.
+
+Tylus, Tylos, eiland in de Arabische golf nabij de arabische kust,
+met parelvisscherij.
+
+Tympaneae, Tympaneai = Typaneae.
+
+Tymphe, Tymphe, gebergte in het N.O. van Epirus, evenwijdig aan de
+macedonische grens loopende. Het achterliggende land heette Tymphaia,
+de bewoners Tymphaioi.
+
+Tymphrestus, Tymphrestos, gebergte op de grenzen van Aetolia en het
+gebied der Dolopes, met de bronnen van den Spercheus. Het verbindt
+den Oeta met den Pindus.
+
+Tyndareüs, Tyndareos, -reos, zoon van Perieres en Gorgophone of van
+Oebalus en Batea, werd door zijn broeder Hippocoon uit Sparta verdreven
+en vluchtte naar Aetolië, waar koning Thestius hem zijne dochter Leda
+ten huwelijk gaf, bij wie hij vader werd van Castor, Pollux, Helena,
+Clytaemnestra e. a. (z. Leda). Hij werd door Heracles op den troon
+van Sparta hersteld, en toen Castor en Pollux onder de onsterfelijken
+waren opgenomen, gaf hij de regeering aan zijn schoonzoon Menelaus,
+of v. a. liet hij zijn rijk uit dankbaarheid aan Heracles.
+
+Tyndarides, Tyndarides, Castor en Pollux, zonen van Tyndareüs.
+
+Tyndaris, Tyndaris, Helena en Clytaemnestra, dochters van Tyndareüs.
+
+Tyndaris of -rium, Tyndaris, Tyndarion, stad op de Noordkust van
+Sicilia, ten W. van Messana, omstreeks 400 door Grieken gesticht,
+later gedeeltelijk door de zee verzwolgen.
+
+Typaneae, Typaneai, stad in Elis Triphyliaca, ten N. van Pylus,
+bij de grens van Arcadia.
+
+Typhoeus, -phon, Typhoeus, -phos, -phon, -phaon, jongste zoon van
+Tartarus en Gaea, een verschrikkelijk monster met 100 vuurspuwende
+drakekoppen, fonkelende oogen en geweldige stem, zoo groot, dat hij
+met het hoofd tot aan de sterren reikt. Bij Echidna (z. a.) was hij de
+vader van een aantal monsters. Hij deed een aanval op de goden om hun
+de heerschappij der wereld te ontnemen, en daar zij zich niet tegen
+hem opgewassen achtten, vluchtten zij naar Aegypte, waar zij zich
+verborgen hielden of de gedaante van dieren aannamen. Alleen Zeus
+durfde den strijd aangaan, maar T. overwon hem, sneed hem de pezen
+van handen en voeten uit, en legde hem daarop in een hol in Cilicië;
+Hermes en Pan roofden echter de pezen en brachten ze weder in het
+lichaam van Zeus, waarop deze zich oprichtte, T. met den bliksem
+(Typhoia tela) verpletterde en in het land der Arimi in Cilicië onder
+den grond bedolf, of hem tot in Sicilië vervolgde, waar hij eindelijk
+den Aetna (Typhois Aetna) op hem wierp.
+
+Tyrannio, Tyrannion, 1) eigenlijk Theophrastus, grieksch grammaticus
+van Amisus, werd door Lucullus als krijgsgevangene uit den
+mithradatischen oorlog naar Rome gebracht, doch werd later vrijgelaten
+en verwierf door zijn onderwijs roem en rijkdom. Hij ordende ook
+de bibliotheek van Apellicon (z. a.), die door Sulla naar Rome was
+overgebracht.--2) eigenlijk Diocles, een Phoeniciër, leerling van den
+vorigen. Hij was slaaf geweest van Terentia, de vrouw van Cicero,
+en stond ook later nog met Cicero in betrekking. Hij maakte vooral
+veel studie van de werken van Aristoteles, waarover hij verscheiden
+werken schreef.
+
+Tyras, Tyras, 1) later ook Danastris, riv. van Sarmatia, thans
+Dniëster.--2) stad aan den mond daarvan, thans Akkierman. Zie Tyritae.
+
+Tyriaeum, Tyriaion, stad in Lycaonia, nabij de phrygische grenzen.
+
+Tyrii, Tyrioi, 1) de inwoners van Tyrus.--2) bij rom. dichters de
+Carthagers, als van tyrischen oorsprong, zie Dido.
+
+Tyritae, Tyritai, milesische kolonisten aan den mond van den Tyras.
+
+Tyro, Tyro, dochter van Salmoneus en Alcidice, bij Poseidon moeder
+van Pelias en Neleus (z. Enipeus), bij Cretheus van Aeson, Pheres
+en Amythaon.
+
+Tyrrheni, Tyrseni, Tyrrenoi, Tyrsenoi, z. Etruria. Op Lemnus en
+Imbrus komt een volksstam voor, die door de Grieken Tyrseni genoemd
+werd. Herodotus noemt dezen echter Pelasgi.
+
+Tyrrhenia, Tyrrenia = Etruria. Tyrrhenum mare = mare inferum, de
+Tyrrheensche of Toscaansche zee.
+
+Tyrrhenus, Tyrrenos, Tyrs., zoon van den lydischen koning Atys,
+bracht eene pelasgische kolonie uit Lydië naar Italië en gaf zijn
+naam aan Tyrrhenië (Etrurië); v. a. is hij een zoon van Heracles en
+Omphale of van Telephus en eene Amazone Hiera.
+
+Tyrrh(e)us, herder van koning Latinus. Ascanius doodde op de jacht
+een tam hert, dat aan T. behoorde, wat aanleiding gaf tot den oorlog
+tusschen Aeneas en de Latijnen. In de hut van T. werd Silvius, de
+zoon van Aeneas en Lavinia geboren.
+
+Tyrtaeus, Tyrtaios, elegisch dichter, die ten tijde van den tweeden
+messenischen oorlog te Sparta leefde. Hij wordt soms een Spartaan of
+een Milesiër genoemd, maar volgens het meest bekende, doch weinig
+geloofwaardige, verhaal was hij een Athener. De Spartanen zouden
+namelijk van het delphische orakel den raad gekregen hebben, te Athene
+een aanvoerder tegen de Messeniërs te vragen, waarop de Atheners hun
+T., een kreupelen schoolmeester, zouden gezonden hebben, die echter
+door zijne liederen den gezonken moed der Spartanen deed herleven,
+zoodat de krijgskans spoedig keerde. De gedichten van T. werden
+langen tijd door de Spartanen en andere Doriërs hoog in eere gehouden,
+wij bezitten er van nog slechts weinige overblijfsels.
+
+Tyrtamus, Tyrtamos, de oorspronkelijke naam van Theophrastus.
+
+Tyrus, Tyros, de meest vermaarde stad van Phoenicië, overvleugelde hare
+moederstad Sidon. De stad lag eerst op het vasteland, doch op zekeren
+tijd bouwden de Tyriërs eene nieuwe stad (in het O. T. Zor genaamd =
+rotsen) op de vóór de kust liggende eilandjes, die door koning Hiram
+reeds door een dam onderling verbonden waren. De stad is belegerd door
+den Assyrischen koning Salmanezer IV (727-723), en toen is Oud-Tyrus,
+Palaityros, ingenomen. Door Sanherib (705-682) is ook Tyrus zelf
+ingenomen en schatplichtig geworden. Na den val van Niniveh kwam het
+in de macht van Nebukadrezar. Het stond toen op met al de naburige
+staten, en werd 13 jaar (586-573) te vergeefs belegerd. Later kwam het
+onder Perzische heerschappij, maar bleef nu bloeiend. Ook Palaetyrus
+bleef als voorstad van Nieuw-Tyrus bestaan. In 387 werd Tyrus door
+Euagoras no. 1 stormenderhand ingenomen. Alex. de Gr. belegerde Tyrus
+7 maanden lang, en wierp een zwaren dam door de engte, die Nieuw-Tyrus
+van het vasteland scheidde. In 332 nam hij de stad in en beval niemand
+te sparen behalve hen die in de tempels de wijk hadden genomen; 2000
+Tyriërs werden gekruisigd, 30000 werden als slaven verkocht, doch de
+Sidoniërs wisten nog 15000 aan boord hunner schepen te bergen en te
+redden. Wel herstelde Tyrus zich gedeeltelijk van den slag en bleven
+de purperververijen, weverijen en metaalfabrieken bloeien, ook onder
+rom. heerschappij, doch het kreeg in Alexandria eene mededingster, die
+het in de schaduw stelde. De dam, door Alexander aangelegd, is door
+aanslibbing eene landengte geworden. Van de tyrische volkplantingen
+is Carthago de beroemdste geworden.
+
+
+
+
+
+
+U.
+
+
+Ubii, germaansch volk, met de Rom. bevriend en bij hunne naburen, de
+Sueven, gehaat, op den rechter Rijnoever van den Laugona (Lahn) tot
+beneden het tegenw. Keulen. Octavianus liet hen in 38 door zijn legatus
+pro praetore M. Vipsanius Agrippa naar den linkeroever overbrengen,
+waar hun oppidum Ubiorum later (50 n. Chr.) den naam Colonia Agrippina
+(z. a.) kreeg, waarna zij zelven Agrippinenses werden geheeten. De
+hun ingeruimde grond behoorde vroeger aan de Treveri.
+
+Udaeus, Oudaios, een van de Sparten, z. Cadmus.
+
+Ufens, riviertje in Latium, dat met den Amasenus vereenigd nabij
+Tarracina in zee valt en door gebrekkige uitwatering de pomptijnsche
+moerassen heeft gevormd. De een noemt den Ufens een zijtak van den
+Amasenus, de ander juist omgekeerd.
+
+Ulixes, Ulysses = Odysseus.
+
+Ulpia Traiana, zie Castra Vetera.
+
+Ulpia Noviomagus, zie Noviomagus no. 4.
+
+Ulpiani. 1) Domitius Ulpianus, uit Tyrus, beroemd jurist ten tijde
+van keizer Alexander Severus, wiens vriend en raadsman hij was en
+onder wien hij hooge ambten bekleedde. In 228 n. C. werd hij als
+praefectus praetorio des nachts in het paleis overvallen en vermoord
+door de soldaten, die over de strenge tucht ontevreden waren. Van
+zijne talrijke geschriften (o. a. ad edictum praetoris in 81 boeken,
+ad edictum aedilium curulium in 2 boeken, en ad Masurium Sabinum,
+in 51 b.) zijn slechts weinige fragmenten over, doch in de pandecten
+zijn vele uittreksels overgenomen.--2) Ulpianus van Emesa, schrijver
+van rhetorische werken en o. a. ook van scholia op Demosthenes,
+onder Constantijn den Gr.
+
+Ulpii, rom. geslacht uit Italica in Baetica. 1) M. Ulpius Traianus,
+vader van den keizer, was door adoptie onder de Ulpii gekomen. Hij
+onderscheidde zich onder Vespasianus als generaal in den joodschen
+oorlog en later als stadhouder van Syria tegen de Parthen (76
+n. C.).--2) M. Ulp. Traianus, rom. keizer 98-117 na C.; zie
+Traianus.--3) Ulp. Marcellus, bekwaam jurist in het tijdperk der
+Antonijnen.--4) Ulpius Crinitus, adoptiefvader van Aurelianus.
+
+Ultor, wreker, 1) bijnaam van Jupiter als straffend god.--2) bijnaam
+van Mars, wien door Octavianus bij Philippi een tempel beloofd
+werd voor de wraak op de moordenaars van Caesar. Van dezen tempel,
+die eerst in 2 ingewijd kon worden en aan het Forum Augusti stond,
+zijn nog eenige zuilen overgebleven.
+
+Ulubrae, onbeduidende plaats in Latium, aan de Pomptinae paludes,
+slechts bekend door de scherts van Cicero over de menigte kikvorschen,
+die in den omtrek kwaakten.
+
+Umbilicus. De bladen der boekrollen werden geplakt aan een hollen
+stok of dunnen houten cylinder, waarom zij bij het wegbergen werden
+opgerold. Door dezen cylinder liep een andere stok, die aan beide
+zijden uitstak en daar van knoppen (cornua, umbilici) was voorzien. Aan
+den knop kon men het handschrift vasthouden bij het lezen.
+
+Umbra. Een genoodigde bij een feest of maaltijd mocht bij de Rom. een
+ongenooden gast medebrengen, die dan zijne umbra werd genoemd. Een
+aanzienlijke gast bracht er wel eens twee mede.
+
+Umbria, Ombrike, gewest van Midden-Italia tusschen Cisalpina, Etruria,
+het sabijnsche land en de Adriatische zee. De Umbrii, Ombrikoi, hadden
+vroeger ook Etruria bewoond, doch waren door de Etruscers daaruit
+verdrongen, terwijl later de gallische Senones aan den anderen kant
+hun land binnendrongen. In 308 werd Umbria door de Rom. onderworpen
+en na de uitroeiing der Senones in 280 weder met hun gebied vergroot.
+
+Uncia, als munt en gewicht 1/12 as. Ook dikwijls gebruikt voor 1/12
+in het algemeen, b.v. heres ex uncia, erfgenaam voor 1/12.
+
+Unelli = Venelli.
+
+Unxia, bijnaam van Juno als huwelijksgodin; de naam heeft betrekking
+op de gewoonte, om de deurposten van het huis, dat door een jonggehuwd
+paar betrokken zou worden, te zalven.
+
+Upis, Oupis, 1) bijnaam van Artemis als helpster van barende
+vrouwen.--2) bijnaam der rhamnusische Nemesis.
+
+Urania, Ourania, 1) muze van de sterrenkunde, gewoonlijk afgebeeld
+met een hemelbol in de hand.--2) bijnaam van Aphrodite (z. a.).--3)
+nimf, dochter van Oceanus en Tethys.
+
+Uranidae, Ouranidai, de Titanen, zonen van Uranus.
+
+Uranus, Ouranos, oudste zoon en later echtgenoot van Gaea, werd bij
+haar vader van de Titanen, Cyclopen en Hecatonchiren. Hij was de
+eerste beheerscher van het heelal, en daar hij vreesde door zijne
+kinderen van de heerschappij beroofd te zullen worden, wierp hij
+de Cyclopen en Hecatonchiren in den Tartarus. Doch Gaea, hierover
+vertoornd, zette de Titanen tegen hun vader op, en onder leiding van
+Cronus (z. a.) ontnamen zij hem de heerschappij. Het bloed, dat uit de
+wonden vloeide, die Cronus zijn vader toebracht, viel deels in zee en
+verwekte daar het schuim, waaruit Aphrodite geboren werd; uit dat, wat
+op de aarde viel, ontstonden de Erinyen, Giganten en melische nimfen.
+
+Urbigenus = Verbigenus.
+
+Urbinum, naam van twee umbrische steden. 1) Metaurense, ten N. van
+den Metaurus in het binnenland gelegen, thans Urbino.--2) Hortense,
+rom. municipium, ten Z. van Vettona, en in de nabijheid van Mevania.
+
+Urbs Salvia, stad der Pollentini, in het N. van Picenum, zie Pollentia
+no. 1.
+
+Uria, Ouria, bij Herod. Hyria, oude hoofdstad van Iapygia aan den
+weg van Brundisium naar Tarentum = Hyria no. 3.
+
+Urium, Ourion, zeestad in het landschap Daunia, in Apulia, ten N. van
+den Mons Garganus, aan den Sinus Urias, wel te onderscheiden van Uria
+of Hyria, dat in het binnenland ligt.
+
+Urius, Ourios, bijnaam van Zeus, den schenker van gunstigen wind
+op zee.
+
+Uscana, versterkte hoofdstad der Penestae in Illyris graeca, aan den
+bovenloop van de rivier Drilon.
+
+Usipetes, germaansch volk, verbonden met de Tencteri, deelden in de
+lotgevallen dezer laatsten.
+
+Usipii = Usipetes.
+
+Ustica, 1) kleine heuvel in het sabijnsche, nabij het landgoed van
+Horatius.--2) = Osteodes, Osteodes, eilandje ten N. van Sicilia.
+
+Usucapio, usus, verkrijging van eigendom (dominium) door verjaard
+bezit (possessio).--Usucapio pro herede. Eene onbeheerde erfenis
+werd als gemeen goed beschouwd, waardoor de erfgenamen genoodzaakt
+waren ze ten spoedigste te aanvaarden; zoolang dit niet was geschied,
+kon ieder zich zaken er van toeëigenen. Onder de keizers hield dit op.
+
+Utica, Ityke, oude tyrische volkplanting, aan denzelfden inham
+gelegen als het jongere Carthago. Het was omstreeks 1170 gesticht,
+het omringende land was zeer vruchtbaar en de nabijzijnde bergen waren
+rijk aan metalen. Utica bleef tegenover Carthago een onafhankelijke
+stad, hoewel het natuurlijk den druk der machtige zusterstad niet
+ontgaan kon. In den tweeden punischen oorlog stond het Carthago bij,
+doch in den derden koos het beslist partij voor Rome; daarvoor kreeg
+het een aanzienlijk gedeelte van het carthaagsche gebied en werd het
+tot hoofdstad der provincie Africa verheven. In de burgeroorlogen koos
+Utica de zijde van Caesar; Cato (Uticensis), die er het bevel voerde
+en van geene overgaaf wilde hooren, bracht zich toen om het leven
+(zie Porcii no. 8). Door Augustus zeer begunstigd, genoot Utica lang
+een grooten bloei. Later is het verwoest door de Arabieren, doch er
+zijn nog uitgebreide ruïnen van overgebleven.
+
+Uxellodunum, sterke stad der Cadurci in Aquitania, op eene steile rots,
+die van drie zijden door den Oltis (Lot) werd omspoeld. Omtrent de
+juiste ligging is men het niet geheel eens.
+
+Uxentis, eiland aan de W.punt van Gallia, thans Ouessant.
+
+Uxentum of Uzentum, stad der Sallentini in Calabria, geheel in het
+Z. op den weg naar het promunturium Sallentinum.
+
+Uxii, Ouxioi, een der roofzuchtige stammen in het gebergte, dat
+Susiane van Persis en Media scheidt. Zij betwistten Alex. den Gr. den
+doortocht.
+
+Uxor is elke wettig gehuwde rom. vrouw. Om mater familias te wezen,
+moest de vrouw in manu mariti zijn, anders was zij uxor tantummodo.
+
+
+
+
+
+
+V.
+
+
+Vacalus = Vahalis.
+
+Vacatio munerum, zie Beneficiarius (miles) en Commeatus.
+
+Vacca, Vaga, Ouaga, 1) aanzienlijke handelsstad in de provincie Africa,
+op de grenzen van Numidia, ten Z.W. van Utica, waarvan het eene goede
+dagreis verwijderd was. Tijdens den Jugurthijnschen oorlog behoorde
+het aan Jugurtha, en werd het door Metellus verwoest, later werd het
+eene rom. kolonie.--2) stad in Byzacene, ten Z.W. van Hadrumetum.
+
+Vaccaei, volk in Hispania Tarraconensis aan den bovenloop van den
+Durius (Douro) tusschen de Celtiberiërs en de Asturiërs. Zij bebouwden
+den grond in gemeenschap. Zij waren een dapper volk, waarmede de
+Carthagers veel last hadden. Hoofdstad: Pallantia.
+
+Vacuna, sabijnsche godin van den landbouw. Men bracht haar offers,
+wanneer men in het begin van den winter van den arbeid op het veld
+of uit den oorlog huiswaarts keerde, daardoor kreeg zij de beteekenis
+van eene godin van rust en verpoozing van den arbeid (litare Vacunae
+= vacuum esse). Soms wordt zij geïdentificeerd met Ceres, Minerva,
+Venus, Diana of Bellona, soms ook met Victoria. Zij werd vooral te
+Reate en Tibur vereerd.
+
+Vada, 1) gen. -ae, sterkte der Batavieren, die op zeer verschillende
+plaatsen wordt gezocht, aan de Waal bij Wamel of Druten, of bij
+Wadenoijen in den Tielerwaard. Wageningen is het stellig niet
+(zooals men weleens gemeend heeft), daar geen Rom. plaatsen ten
+N. van den Rijn gevonden worden.--2) gen. -orum = wadden, naam van
+enkele kustplaatsjes, als: Vada Volaterrana op de etruscische kust
+in het gebied der stad Volaterrae aan de door het riviertje Caecina
+gevormde moerassen,--Vada Sabatia, op de kust van Liguria, haven of
+reede der stad Sabata of Savo (Savona).
+
+Vadimonis lacus, een klein rond meer in Etruria nabij den Tiber,
+een eind boven Horta. Het water was zwavelig en droeg kleine
+drijvende eilandjes. Het was eene heilige plek, die den Etruscers
+tot vergaderplaats diende. Bij dit meer werden zij in 309 door den
+dictator L. Papirius Cursor (Papirii no. 6) en in 283 door den consul
+P. Cornelius Dolabella Maximus (Cornelii no. 35) verslagen.
+
+Vadimonium, borgstelling, de belofte om op den bepaalden dag voor
+den praetor of den rechter te verschijnen, waarbij oorspronkelijk,
+ten einde preventieve hechtenis te ontgaan, het stellen van een
+borg werd gevorderd, die bij wegblijven voor een zekere som gelds
+aansprakelijk bleef. De grootte der borgstelling hing af van den aard
+van het geding, doch mocht het bedrag van 100000 as niet te boven
+gaan. Hieraan zijn verschillende uitdrukkingen ontleend: vadimonium
+sistere, zijn borgtocht gestand doen, verschijnen; vad. deserere, den
+borgtocht in den steek laten, wegblijven; vad. imponere, borgstelling
+eischen; vad. concipere, de borgstelling formuleeren; vad. differre,
+de vervulling der belofte op de lange baan schuiven.
+
+Vaga = Vacca.
+
+Vagienni of Bagienni, ligurisch volk ten Z. der Taurini, met de
+hoofdstad Augusta Vagiennorum (Bagiennorum).
+
+Vahalis, de tegenw. rivier de Waal.
+
+Valens (Flavius), rom. keizer in het O., 364-378 na C. Na den dood
+van Iovianus in 364 werd Flavius Valentinianus I, zoon van zekeren
+Gratianus, een Pannoniër, tot keizer uitgeroepen. Hij nam zijn jongeren
+broeder, den bovengenoemden Valens, tot medekeizer aan en vertrouwde
+hem het O. deel des rijks toe. Valens had met vele moeielijkheden te
+kampen; aan de eene zijde bedreigden de Perzen zijn gebied, aan den
+anderen kant de Gothen, terwijl een bloedverwant van den vroegeren
+keizer Iulianus, met name Procopius, die waarschijnlijk zelf op den
+troon had gehoopt, in opstand kwam, en tot overmaat van ramp eene
+hevige aardbeving in 365 groote streken van zijn rijk teisterde. De
+opstand werd in 366 onderdrukt, Procopius werd onthoofd en de Gothen
+in 369 tot vrede gedwongen. Met Perzië bleven de grensgeschillen
+slepende. Valens zelf was vrij goedhartig, doch zijn schoonvader
+Petronius maakte zich zeer gehaat en de ontevredenheid hierover
+uitte zich in samenzweringen tegen den keizer. In 375 verzochten de
+Westgothen, door de Hunnen opgejaagd, om eene wijkplaats ten Z. van den
+Donau. Onder Fritigern en Alavisus trokken 200000 strijdbare mannen met
+hunne gezinnen de rivier over en kregen woonplaatsen in Thracia. Eene
+schaar Oostgothen onder Alatheus en Saprax volgde hen. De hebzucht
+en trouweloosheid van den rom. stadhouder Lupicinus, die de Gothen
+aan den bittersten hongersnood prijs gaf en hunne aanvoerders op een
+maaltijd te Marcianopolis poogde om te brengen, hadden een opstand
+ten gevolge. Valens snelde van Antiochië naar Constantinopel om zich
+in persoon aan het hoofd van het leger te stellen; hij werd echter bij
+Hadrianopolis geheel verslagen en moest gewond de vlucht nemen in eene
+boerenhut, die door de Gothen in brand werd gestoken, zoodat de gewonde
+keizer in de vlammen omkwam (378). Zijn eenig zoontje Valentinianus
+was reeds in 372 overleden. Zijn opvolger was Theodosius de Groote.
+
+Valentia, 1) stad der Edetani in Hispania aan de Middellandsche zee,
+door D. Brutus in 138 gesticht, door Pompeius in den oorlog tegen
+Sertorius verwoest, later herbouwd, thans Valentia.--2) stad der
+Cavari in Gallia Narbonensis, rom. kol., aan den Rhodanus (Rhône),
+thans Valence.--3) stadje in Calabria ten Z.Z.O. van Brundisium,
+ook Valentium, Valetium of Balesium geheeten.--4) Vibo Valentia,
+lat. kol. op de kust van het land der Bruttii, het oude Hippo
+of Hipponium, onder Augustus met uitgebreide werven en tuighuizen
+voorzien.--5) het zuidelijk gedeelte van Britannia barbara of Caledonia
+(Schotland), waarschijnlijk de streek tusschen de twee wallen (zie
+Britannia), door Theodosius den Gr. (379-395 na C.) voor korten tijd
+tot rom. prov. gemaakt.
+
+Valentinianus, naam van drie rom. keizers. 1) Val. I (L. Flavius), zoon
+van Gratianus, een Pannoniër, werd in 364 na den dood van Iovianus
+keizer en nam zijn broeder Valens tot mederegent voor het O. aan,
+terwijl hij zelf het W. bleef besturen. Hij had tot nog toe meest
+in lagere officiersrangen gediend, o. a. in Gallia, onder Julianus;
+hij was een man van een indrukwekkend uiterlijk, een rechtschapen
+mensch, een wakker krijgsman, in weerwil zijner gestrengheid bij
+het leger zeer gezien. In 367 benoemde hij zijn zoon Gratianus
+tot medekeizer voor het W. Hij had veel te doen met de grenzen te
+beschermen en de invallen der Alemannen, Quaden, Sarmaten, Saksers,
+Picten en Scoten af te slaan. Hij versterkte inzonderheid door eene
+linie van verschansingen de open ruimte tusschen Rijn en Donau. In 375
+overleed hij aan eene beroerte te Brigetio in Pannonia. Hij was een
+begunstiger der wetenschappen en stichtte scholen.--2) Val. II, zoon
+van no. 1, geb. in 371, werd bij zijns vaders dood door de hovelingen
+tot keizer uitgeroepen onder den invloed zijner moeder Iustina,
+en door zijn halfbroeder, den edelen Gratianus, bereidwillig als
+medekeizer erkend. In 383 werd Gratianus door Maximus (Magnus Clemens)
+omgebracht, die hem opvolgde onder voorwaarde, dat Italië en Africa
+aan den twaalfjarigen Val. zouden blijven. Toen Maximus echter ook
+dezen bedreigde, zond Theodosius de Gr. een leger te hulp onder den
+Frank Arbogastes, die Maximus versloeg en ter dood liet brengen. In
+392 evenwel bracht Arbogastes ook Valentinianus om, te Vienna (Vienne
+aan den Rhône), toen de jonge keizer aan de willekeurige handelingen
+van den heerschzuchtigen Frank paal en perk wilde stellen. Arbogastes
+plaatste daarop Eugenius op den troon, die echter in 394 bij Aquileia
+door Theodosius werd verslagen, gevangen genomen en ter dood gebracht,
+terwijl Arbogastes de hand aan zichzelven sloeg.--3) Val. III (Flavius
+Placidus), rom. keizer 425-455 na C., zoon van Constantius III en van
+Placidia, de zuster van keizer Honorius. Constantius had zich in 420
+door Honorius tot medekeizer laten aannemen, doch was reeds in 421
+gestorven, waarna Placidia en haar zoon door Honorius verbannen werden
+en naar Constantinopel trokken. Toen Honorius in 423 stierf, maakte een
+der hooge ambtenaren, Johannes, zich van den troon meester. Ardacurius
+echter en Aspar, generaals van den oost-rom. keizer Theodosius III,
+brachten den vierjarigen Val. met diens moeder naar Rome en plaatsten
+hem op den troon. Placidia werd regentes. De voornaamste steunpilaar
+harer regeering was de veldheer Aëtius, die het wankelende rijk
+tegen Westgothen en Vandalen verdedigde. Sedert 427 leefde Aëtius
+in hevigen twist met een ander generaal, Bonifacius, stadhouder van
+Africa. Het gelukte Aëtius zijn mededinger den voet te lichten, die
+in 429, door wraakzucht gedreven, de Vandalen onder Geiserik naar
+Africa riep, waarop aldaar het vandaalsche rijk ontstond. De keizer
+zelf zag zijn leven lang met onverschilligheid het rijk afbrokkelen
+en leefde slechts voor zijne uitspattingen. Gallia, Hispania en
+Britannia waren reeds onder zijn vader verloren gegaan. In 450, na den
+dood zijner moeder, werd het west-rom. rijk door de Hunnen bedreigd,
+doch het gelukte Aëtius, met behulp der Westgothen en Franken Attila
+bij Châlons-sur-Marne in 451 te verslaan. Aëtius werd uit wantrouwen
+in 454 op last van Val. omgebracht, doch reeds in 455 onderging de
+keizer hetzelfde lot door de hand van Petronius Maximus (z. a.),
+wiens vrouw hij onteerd had.
+
+Valentinus (Tullius of Iulius), zie Tullius Valentinus.
+
+Valeria, 1) stad der Celtiberi in Hispania, aan den Sucro.--2) =
+Varia (z. a.).--3) sedert keizer Galerius de oostelijke strook van
+Pannonia langs den Donau, welk stuk als eene afzonderlijke provincie
+Valeria van Pannonië gescheiden werd.
+
+Valeria (lex) de provocatione van den consul M. Valerius Corvus
+(Valerii no. 13) in 300, zie Valeriae (leges) de provocatione.
+
+Valeria (lex) van den volkstribuun Valerius Tappo, (188), waarbij aan
+de steden Formiae, Fundi en Arpinum, die de civitus sine suffragio
+hadden, het volle burgerrecht verleend werd; de inwoners van Formiae
+en Fundi werden in de tribus Aemilia, die van Arpinum in de tribus
+Cornelia opgenomen. Langzamerhand werd dit voorrecht ook aan de andere
+municipia (z. a.) verleend.
+
+Valeria (lex) de aere alieno, van den consul L. Valerius Flaccus
+(Valerii no. 24) in 86, waarbij de schuldenaars hunne schulden konden
+afdoen door betaling van 1/4 der hoofdsom.
+
+Valeria (lex) de Sulla dictatore, van den interrex L. Valerius
+Flaccus (Valerii no. 22) in 82, om Sulla tot dictator voor zijn
+leven te benoemen. Hierbij werden alle handelingen van Sulla als
+consul en proconsul, en wat hij in het Oosten had vastgesteld,
+goedgekeurd, tevens de proscriptiones, bonorum sectiones, en
+agrorum assignationes. Hem werd alle macht over leven en goed
+zijner medeburgers verleend, en de macht om wetten te maken en het
+staatsbestuur te regelen, onder den titel dictator legibus scribundis
+et reipublicae constituendae.
+
+Valeria (via), van Rome over Tibur (welk eerste gedeelte via Tiburtina
+heette), Carseoli, Alba Fucentia naar het gebied der Paeligni, en
+verder langs den Aternus tot aan de Adriatische zee.
+
+Valeriae (leges) van den consul P. Valerius Poplicola in 509 na de
+verdrijving der koningen. 1) de provocatione: ne quis magistratus civem
+Romanum adversus provocationem, necaret neve verberaret.--2) dat aan
+den slaaf Vindicius, die de samenzwering ten gunste van Tarquinius
+ontdekt had, vrijheid en burgerrecht zouden geschonken worden.--3)
+de perduellione, waarbij het streven naar alleenheerschappij met
+doodstraf werd bedreigd. Deze wetten zijn verzonnen, daar P. Valerius
+Poplicola, zoo hij al bestaan heeft, toen geen consul geweest is. Zie
+Valerii no. 1.
+
+Valeriae (leges) de provocatione. Het verdient opmerking, dat er drie
+wetten hierover bestaan van drie verschillende Valerii. De eerste
+(509) stelde wel het ius provocationis ad populum in, doch bevatte
+geen voldoende strafbepaling tegen schending daarvan. De tweede (lex
+Horatia Valeria, 449) verbood voor het vervolg ooit weder eenig nieuw
+ambt zonder provocatio in het leven te roepen. De derde (300) van
+den consul M. Valerius Corvus onderwierp misschien den dictator aan
+de provocatio. De eerste wet is apocryph, daar er toen geen Valerius
+consul geweest is, maar ze heeft bestaan vóór de lex Aternia Tarpeia
+van 454. V. s. bestond de provocatio reeds in den koningstijd, en
+benoemde daarom de koning, om zich niet aan de vernedering bloot te
+stellen, dat zijn uitspraak door het volk werd vernietigd, voor elke
+kapitaalzaak afzonderlijk twee mannen, qui de perduellione iudicarent
+(II viri perduellionis). V. a. is de provocatio eerst ingesteld door
+de wet van Valerius Corvus, en zijn beide vorige wetten, evenals de
+lex Aternia Tarpeia, verzonnen.
+
+Valeriae Horatiae (leges), zie Horatiae Valeriae (leges).
+
+Valerianus. 1) P. Licinius Valerianus, rom. keizer 253-259 na C.,
+had zich onder Alexander Severus en diens opvolgers in den oorlog
+onderscheiden en was stadhouder van Raetia, toen hij in 253 door zijne
+soldaten tot keizer werd uitgeroepen. In de laatste 18 jaren, na de
+vermoording van Alex. Severus door C. Julius Verus Maximinus, had het
+rijk niet minder dan 11 keizers en tegenkeizers gekend: Maximinus,
+Gordianus I en II, Pupienus Maximus, Caelius Balbinus, Gordianus
+III, Philippus Arabs, Decius, Trebonianus Gallus, Hostilianus,
+Aemilianus. Het was ook Valerianus niet gegeven, orde te brengen in
+den toestand van verwarring. In 259 werd hij bij een onderhoud met den
+perzischen veldheer verraderlijk gevangen genomen en tot zijn dood toe
+(268) gehouden. Het verhaal luidt, dat hij den perzischen koning tot
+voetbank moest dienen, wanneer deze te paard steeg.--2) Valerianus,
+jongere zoon van no. 1, werd met zijn halfbroeder Gallienus in 268
+voor Milaan vermoord.--3) P. Licinius Cornelius Valerianus, zoon
+van Gallienus, werd door het krijgsvolk te Colonia Agrippina aan den
+tegenkeizer Postumus in handen geleverd en op last van dezen omgebracht
+(259).
+
+Valerii, een patricisch geslacht van sabijnschen oorsprong; onder
+Romulus en Titus Tatius zou een zekere Volusus Valerius naar Rome
+gekomen zijn. 1) P. Valerius Poplicola, waarschijnlijk eene geheel
+legendaire figuur, waarvan zeer jonge berichten het volgende vertellen:
+hij was een der mannen, die het koningshuis hielpen verdrijven. Reeds
+in het eerste jaar (509) der republiek nam hij als consul de plaats
+in van L. Tarquinius Collatinus en bekleedde dezelfde waardigheid
+nogmaals in 508, 507 en 504. Zijn bijnaam had hij te danken aan
+zijn eerbied voor de rechten en de souvereiniteit des volks, die
+hij o. a. betoonde door de instelling der provocatio ad populum
+en het weglaten der bijlen uit de fasces binnen het pomerium. Hij
+streed roemrijk tegen de Etruscers, Vejenten en Sabijnen en stierf in
+503. Zie Valeriae (leges) de provocatione.--2) M. Valerius Volusus,
+broeder van no. 1, nam ook deel aan de oorlogen tegen Porsena, de
+Sabijnen en de Latijnen, was in 505 consul en in 494 dictator, in
+welke hoedanigheid hij alles aanwendde om eene schikking tusschen de
+patriciërs en de uitgeweken plebs tot stand te brengen. Dit geheele
+verhaal is verzonnen, zie secessio plebis, tribuni plebis, Menenii
+no. 1.--3) P. en M. Valerius, zoons van no. 1, onderscheidden zich
+in den slag bij het meer Regillus in 496.--4) L. Valerius Volusus
+Potitus, verzette zich tegen de lex Cassia agraria in 486, zie
+Agrariae leges en Cassii no. 1. Hij was consul in 483 en 470.--5)
+P. Valerius Poplicola, consul in 475, zegepraalde over de Vejenten
+en Sabijnen. In 460 sneuvelde hij in zijn tweede consulaat bij de
+herovering van het Capitool, dat door den Sabijn Herdonius des nachts
+door overrompeling ingenomen was.--6) L. Valerius Poplicola Potitus,
+zoon van no. 5, legde in 449 met zijn ambtgenoot M. Horatius Barbatus
+de geschillen bij, die door de willekeur der tienmannen ontstaan
+waren en zegepraalde over de Aequers.--7) C. Valerius Potitus
+Volusus, consulairtribuun in 415, 407 en 404, en consul in 410.--8)
+L. Valerius Potitus, zoon van no. 6, consulairtribuun in 414, 406,
+403, 401 en 398, streed bij herhaling overwinnend tegen Vejenten,
+Volscen en Faliscers.--9) L. Valerius Potitus, nog jong, in 392
+tot consul gekozen, overwon de Aequers bij den berg Algidus.--10)
+L. Valerius Poplicola, consulairtribuun in 394, 389, 387, 383 en
+380.--11) P. Valerius Potitus Poplicola, consulairtribuun in 386,
+384, 380, 377, 370 en 367.--12) M. Valerius Poplicola, consul in 355
+en 353, streed tegen de Tiburtijnen en Volscen.--13) M. Valerius
+Corvus verkreeg zijn bijnaam door een tweegevecht in 349 met een
+reusachtigen Galliër, dien hij overwon doordat zich op diens helm een
+raaf nederzette en hem in het gezicht met vleugels en snavel sloeg
+en pikte. In 348 was hij consul, schoon eerst 23 jaar oud, en later
+nog in 346, 343, 335, 300, en als suffectus voor de zesde maal in
+299, terwijl hij tweemaal dictator was, in 342 en 301. Hij behaalde
+verscheidene overwinningen op naburige volken, o. a. op de Samnieten in
+343 bij den berg Gaurus. Deze overwinning is echter verzonnen, evenals
+de geheele eerste samnietische oorlog. Zoo groot was het ontzag voor
+zijn naam, dat zijne benoeming tot consul in 300 de Etruscers van een
+oorlog afschrikte. Toch was hij meer een voorstander van zachte dan
+van strenge maatregelen. Hij stierf algemeen geacht en bemind in den
+ouderdom van 100 jaar.--14) M. Valerius Maximus, consul in 312, streed
+in dit jaar, en ook later als legaat, met roem tegen de Samnieten.--15)
+P. Valerius Laevinus, consul in 280, verloor den slag bij Heraclea
+tegen Pyrrhus.--16) M. (M'.) Valerius Maximus Messalla of Messala,
+consul in 263, behaalde met zijn ambtgenoot M. Otacilius Crassus
+op Sicilia eene zegepraal op de Carthagers en hun bondgenoot Hiero
+van Syracuse. Hij bracht van Catana den eersten zonnewijzer naar
+Rome. Omtrent zijn censuur zie Sempronii no. 17.--17) P. Valerius
+Falto, consul in 238, werd in Gallia Cisalpina eerst door de Bojers
+en Liguriërs verslagen, doch eindigde met hen te overwinnen.--18)
+M. Valerius Laevinus, streed in 215 als praetor tegen de Carthagers,
+en werd in 214 tegen Macedonië uitgezonden, in 210 was hij consul
+en veroverde hij Agrigentum op de Carthagers, terwijl hij in 208 en
+207 met eene vloot op 's vijands kusten stroopte. In 205 bracht hij
+het beeld van de Magna Mater van Pessinus naar Rome.--19) L. Valerius
+Flaccus, in 195 consul met M. Porcius Cato (maior), overwon de Bojers
+en Insubriërs in Cisalpina en woonde in 191 onder M'. Acilius Glabrio
+den slag bij aan de Thermopylae tegen Antiochus III van Syria. In
+184 was hij censor met zijn vriend Cato.--20) C. Valerius Flaccus,
+broeder van no. 19, een losbol, werd tegen zijn zin tot flamen Dialis
+gekozen en gewijd, en wijzigde toen zijne manier van leven geheel en
+al, zoodat hij een ingetogen mensch werd. Het was in onbruik geraakt,
+dat de flamen Dialis in den senaat zitting nam; gesteund door de
+volkstribunen, doch met hevige tegenkanting van de senaatsleden,
+nam Flaccus weder zitting. In 199 werd hij aedilis curulis; daar de
+priester van Jupiter geen eed mocht zweren, legde zijn broeder dezen
+namens hem af.--21) C. Valerius Laevinus was in 189 de voorspraak
+der Aetoliërs, toen het de vaststelling der vredesvoorwaarden gold;
+in 176 bestreed hij als consul de Liguriërs.--22) L. Valerius Flaccus
+was in 100 consul met C. Marius, met wien hij echter volstrekt niet
+samenwerkte. Hij was in den Sullaanschen tijd princeps senatus, en werd
+in 82 na den dood der consuls tot interrex benoemd, zie Valeria lex
+de Sulla dictatore.--23) C. Valerius Flaccus, consul in 93, bestuurde
+Gallia en overwon de Galliërs; hij was later een aanhanger van Sulla,
+en bracht in 81 den Celtiberiërs eene zware nederlaag toe.--24)
+L. Valerius Flaccus werd in 99 aangeklaagd door C. Appuleius Decianus,
+was consul suffectus in 86 in plaats van C. Marius (z. lex Valeria de
+aere alieno) en liet zich ook het bevel in den mithradatischen oorlog
+opdragen tegenover Sulla. Hij werd echter in 85 te Nicomedea door
+zijn legaat C. Flavius Fimbria vermoord.--25) L. Valerius Flaccus,
+zoon van no. 24, vergezelde zijn vader naar Azië, en diende later in
+Cilicië en op Creta. In 63 maakte hij als praetor zich verdienstelijk
+jegens den staat tegenover de Catilinarii. Hierop kreeg hij Azië als
+provincie. In 59 wegens afpersingen aangeklaagd, werd hij schitterend
+door Cicero verdedigd en vrijgesproken.--25a) L. Valerius Praeconinus,
+legatus van L. Mallius (Manlii no. 15), sneuvelde in 78 in een strijd
+tegen de opgestane Aquitaniërs.--26) M. Valerius Messala Niger, consul
+in 61, een uitstekend redenaar.--27) M. Valerius Messala, neef van
+no. 26, werd, ofschoon met veel bedekte en openlijke tegenwerking,
+tot consul voor het jaar 53 gekozen. In 51 werd hij door toedoen
+van Pompeius van omkooping beschuldigd, doch door den redenaar
+Q. Hortensius Hortalus vrijgepleit. In den burgeroorlog koos hij
+Caesars partij.--28) M. Valerius Messala Corvinus, uitstekend redenaar
+en goed letterkundige, streed bij Phillippi aan de zijde van Cassius
+en Brutus, doch ging later over tot Octavianus. In 34 onderwierp hij
+de Salassers in de Alpen, in 31 was hij consul, in 27 overwon hij de
+Aquitaniërs, waarna hij praefectus urbi te Rome werd. Hij was zeer
+bevriend met den dichter Tibullus, die hem in 31 zou vergezellen in
+den oorlog van Octavianus tegen Antonius, doch ziek te Corcyra moest
+achterblijven. Ook had hij met Horatius omgang. Hij zelf schreef
+ook, o. a. in het grieksch over de burgeroorlogen, en latijnsche
+redevoeringen; ook schijnt hij verzen te hebben gemaakt.--29)
+M. Valerius Messala Messallinus, zoon van no. 28, aan wien Ovidius
+van Tomi uit eenige gedichten heeft gericht, consul in 3, werd naar
+Germania gezonden, en later naar Dalmatia om den opstand van Bato
+te onderdrukken. Omtrent zijn broeder, door adoptie tot de Aurelii
+overgegaan en M. Aurelius Cotta Maximus Messalinus genoemd, zie Aurelii
+no. 8.--30) C. Valerius Triarius was admiraal van Pompeius in den
+oorlog tegen Caesar en sneuvelde in 48 bij Pharsalus. Cicero voert hem
+in zijn werk de Finibus bonorum et malorum sprekende in.--31) Valerius
+Asiaticus uit Gallia was een hoofdpersoon bij den moord van Caligula,
+die hem zwaar had beleedigd. Door zijn rijkdom werd hij onder keizer
+Claudius het slachtoffer der beruchte Messalina (Valerii no. 33). Hij
+liet zich de aderen openen (47 n. C.).--32) Valerius Asiaticus,
+zoon van no. 31, ondersteunde tijdens Nero den gallischen opstand
+van Vindex. Later sloot hij zich aan bij Vitellius, wiens schoonzoon
+hij werd.--33) Valeria Messalina, echtgenoote van keizer Claudius,
+eene der meest zedelooze en gewetenlooze vrouwen, die de geschiedenis
+kent, wilde ook de aanzienlijkste rom. vrouwen dwingen haar ontuchtig
+voorbeeld te volgen. Zij spaarde niemand, die haar hebzucht of haar
+haat had opgewekt, ook hare verwanten niet. De zwakke Claudius liet
+zich geheel door haar leiden, totdat eindelijk haar ontrouw hem de
+oogen opende en hij haar ter dood liet brengen (48).--34) L. Valerius
+Catullus Messalinus, een berucht verklikker onder Domitianus, die
+zelfs toen hij blind was dit bedrijf nog voortzette.
+
+Onder de schrijvers, die den naam Valerius dragen, komen de volgende in
+aanmerking.--35) Q. Valerius Soranus, uit Sora in Latium, redenaar en,
+naar het schijnt, een dichter van naam, door Cicero echter om zijne
+uitspraak van het Latijn berispt. Hij werd door Pompeius in 82, toen
+hij volkstribuun was, terechtgesteld.--36) Valerius Antias, uit Antium
+in Latium, leefde ten tijde van Sulla en schreef zeer onbetrouwbare
+annales van Rome's stichting af tot op diens tijd. Livius heeft er
+veel uit geput.--37) Valerius Cato, uit Gallia Cisalpina, had in den
+sullaanschen burgeroorlog zijn vermogen verloren en moest, om in zijn
+onderhoud te voorzien, les geven in taal- en dichtkunde. Hij is met
+C. Licinius Macer Calvus (Licinii no. 6) de aanvoerder van de nieuwe
+richting in de poëzie, de neoterici, waartoe ook Catullus behoorde. Of
+de gedichten Dirae en Lydia, die op zijn naam staan, van hem zijn,
+is niet uit te maken.--38) Q. Valerius Catullus, rom. dichter, werd
+ongeveer in 84 te Verona geboren uit eene vermogende familie. Van
+zijn leven is weinig bekend. Hij leefde op vriendschappelijken voet
+met Cicero, Hortensius, Cornelius Nepos e. a. In 57 vergezelde hij
+den praetor C. Memmius Gemellus naar Bithynia en bezocht op deze reis
+in Troas het graf van zijn diep door hem betreurden broeder. Hij bezat
+eene villa bij Tibur en eene te Sirmio bij Verona aan den lacus Benacus
+(Garda-meer). Onder den naam Lesbia bezingt hij Clodia, de zuster van
+den tribuun P. Clodius Pulcher en echtgenoote van Q. Metellus Celer
+(zie Claudii no. 18), die hij hartstochtelijk beminde totdat haar
+wangedrag hem afstiet. Hij stierf waarschijnlijk in 54. Wij hebben van
+hem nog 116 grootere en kleinere lyrische gedichten en epigrammen. Het
+meest munt hij uit in erotische poëzie. Zijn verzen, soms wat
+ouderwetsch getint, zijn rijk aan gevoel en liefelijke gedachten,
+eenvoudig doch keurig van taal. Hij was de eerste rom. lierdichter,
+die grieksche versmaten bezigde.--39) Valerius Maximus, niet tot
+de patricische gens Valeria behoorende, verkeerde in behoeftige
+omstandigheden, totdat Sex. Pompeius (consul 14 n. C.) zich zijn lot
+aantrok. Tusschen 26 en 32 na C. schreef hij zijn eenig werk Factorum
+et dictorum memorabilium libri IX, een werk zonder letterkundige waarde
+wat den stijl betreft, waarin daden en gezegden onder verschillende
+rubrieken gesorteerd zijn. Zie Cornelius Nepos (Cornelii no. 58). Toch
+is het werkje in verschillende tijden veel gelezen en hebben anderen
+er uit geput en er weder uittreksels van gemaakt.--40) M. Valerius
+Probus, zie Probus no. 2.--41) C. Valerius Flaccus (Setinus Balbus),
+episch dichter uit den tijd van Vespasianus. Hij heeft 8 boeken
+Argonautica gedicht, bewerkt naar het gedicht van Apollonius Rhodius
+(z. a. no. 1). Hij is gestorven, kort voor 92 na C.--42) M. Valerius
+Mutines z. Mut(t)ines.
+
+Valgii 1) A. Valgius streed in Hispania onder Caesar, doch liep tot de
+pompejaansche partij over.--2) C. Valgius Rufus, een vertrouwd vriend
+van Horatius, een geleerd en veelzijdig ontwikkeld man, ook schrijver
+en elegieëndichter. Uit zijne werken de tralatione (van rhetorischen
+aard), de rebus per epistulam quaesitis (taalkundige onderzoekingen)
+hebben Plinius, Gellius e. a. veel geput en aangehaald. Ook schreef
+hij een onvoltooid leerdicht de herbarum viribus, dat door Plinius
+met lof vermeld wordt. Horatius ontried hem het dichten van elegieën
+en, ofschoon Tibullus vleiend van hem zegt: aeterno propior non alter
+Homero schijnen de ouden hem toch slechts eene zeer bescheiden plaats
+onder de dichters te hebben aangewezen.
+
+Vallis Poenina, de Zuidkant van het meer van Genève en het
+Boven-Rhône-dal (tgw. Wallis, Valais). De streek vormde een onderdeel
+van de kleine provincie Alpes Graiae et Poeninae, die later tot Raetia
+behoorde. Hier woonden vier, waarschijnlijk ligurische of raetische
+stammen: Nantuates, Veragri, Seduni en Viberi of Uberi.
+
+Vallum Antonini, grenswal in Schotland tegen de invallen der
+noordelijke volkeren aangelegd door keizer Antoninus Pius in 142
+n. C., tusschen de Firth of Clyde en de Firth of Forth, zie Bodotria
+en Britannia.
+
+Vallum Hadriani, grenswal in Noord-Engeland tegen de invallen der
+Caledoniërs aangelegd door keizer Hadrianus in 122 n. C., tusschen
+den Solway Firth en den mond van de Tyne. Z. Britannia.
+
+Vandali of Vandili, Ouandaloi, een germaansch volk, dat een tijd
+lang aan het tegenw. Reuzengebergte woonde, dat dan ook wel Vandalici
+montes wordt genoemd. Vervolgens trokken zij naar Dacia en ten tijde
+der groote volksverhuizing naar Hispania, waar zij nog hun naam in
+(W)andalusië hebben achtergelaten. In 429 n. C. staken zij (zie
+Valentinianus III) naar Africa over onder hun koning Geiserik en
+stichtten er een vandaalsch rijk met Carthago tot hoofdstad. Geiserik
+schiep eene vandaalsche zeemacht, die de schrik werd der Middellandsche
+zee, veroverde Sardinia, Corsica en Sicilia en deed in 455 eene
+landing in Italië, zie Maximus (Petronius). Bij deze gelegenheid werd
+Rome vreeselijk geplunderd; wat waarde had, werd meegesleept, doch de
+schepen met Rome's kunstschatten beladen, vergingen door storm voor zij
+Carthago hadden bereikt. Na Geiseriks dood in 477 verzwakte de macht
+der Vandalen voortdurend, totdat hun rijk onder den laatsten koning,
+Gelimer, in 534 door Iustinianus' veldheer Belisarius vernietigd werd.
+
+Vangiones, germaansch volk op den linker Rijnoever in
+Belgica. Hoofdstad: Borbetomagus, thans Worms.
+
+Vannius. Na de verdrijving van Maroboduus (zie Marcomanni), werden
+aan een gedeelte van zijn volk in de streek tusschen Marus (March)
+en Cusus (Waag) woonplaatsen aangewezen, onder een koning uit het
+volk der Quaden, genaamd Vannius (18 n. C.). Deze breidde zijn
+rijk voortdurend uit, tot hij in 50 door Vibilius, den koning der
+Hermunduren en door Vangio en Sido, de zonen zijner zuster, verdreven
+werd, en een toevlucht vond in het Romeinsche rijk. Het Rijk van
+Vannius bleef echter bestaan, en kwam nu aan de bovengenoemde neven,
+die aan het Rom. rijk trouw bleven. De onderdanen worden gewoonlijk
+Suevi genoemd, hetgeen de algemeene stamnaam is.
+
+Varagri = Veragri.
+
+Vardaei, z. Bardiaei.
+
+Vargunteii. 1) L. Vargunteius, rom. senator, handlanger van Catilina,
+belastte zich met de taak, Cicero te vermoorden.--2) Vargunteius,
+legaat van Crassus, sneuvelde in den parthischen oorlog.
+
+Varia, schilderachtig gelegen vlek aan de via Valeria ten N.O. van
+Tibur, op een heuvel aan den Anio. Tot de buurtschap behoorde het
+landgoed van Horatius.
+
+Varia (lex) de maiestate van den volkstribuun Q. Varius Hybrida, dat
+een gerechtelijk onderzoek moest worden ingesteld, wie de italische
+bondgenooten tot het opvatten der wapenen hadden opgeruid (91). Dit
+was olie in het vuur, en hierop ontbrandde dan ook de marsische oorlog.
+
+Varii. 1) Q. Varius Sucronensis, uit Sucro in Hispania, meer
+bekend onder den bijnaam Hybrida, dien het volk hem gaf, omdat zijn
+burgerrecht door sommigen werd betwijfeld, stelde als volkstribuun
+in 91 de heillooze lex Varia de maiestate voor, waardoor de italische
+bondgenooten, die zich reeds gewapend hadden om Rome het burgerrecht af
+te dwingen en die op enkele plaatsen reeds tot oproer waren gekomen,
+zóó verwoed werden, dat zij Rome den ondergang zwoeren. Hij was
+een goed redenaar. Hij was, naar men zeide, medeplichtig aan den
+moord van zijn ambtgenoot M. Livius Drusus en werd ook beschuldigd
+van vergiftiging van Q. Caecilius Metellus Numidicus (Caecilii
+no. 13). Later werd hij krachtens zijn eigen wet veroordeeld,
+ging in ballingschap en werd op wreedaardige wijze vermoord; hoe,
+is niet bekend.--2) Varius Cotyla (= wijnvat) was een deelgenoot
+der drinkgelagen van Antonius, die hem echter eens aan een maaltijd
+door zijne slaven liet geeselen. Later komt hij als bevelhebber eener
+legerafdeeling in den mutinensischen oorlog voor.--3) L. Varius Rufus,
+rom. dichter uit den kring van Maecenas, een vriend van Catullus
+en Vergilius en ook van Augustus. Aan hem en Plotius Tucca droeg
+Vergilius op zijn sterfbed de uitgaaf zijner Aeneis op. Varius
+was ook werkzaam voor de toelating van Horatius in den kring van
+Maecenas. Als treurspeldichter stond hij hoog aangeschreven; zijn
+Thyestes werd opgevoerd bij de spelen ter viering van de overwinning
+bij Actium en door Octavianus met een geschenk van een millioen
+sestertiën beloond. Hij was vooral beoefenaar der epische poëzie,
+Maeonii carminis ales, zooals Horatius hem noemt. O. a. schreef hij
+een gedicht de morte en een Panegyricus Augusti. Nagenoeg alles van
+hem is verloren gegaan.--4) Varius Avitus Bassianus = Heliogabalus.
+
+Varini, volk in Germania aan de kust der Oostzee, in het
+tegenw. Mecklenburg, behoorende tot die volkeren, die de godin
+Nerthus vereerden.
+
+Varinii, een onberoemd geslacht.
+
+Varisti, zie Naristi.
+
+Varro, familienaam in de gens Terentia en de gens Visellia.
+
+Varus (= krombeen), familienaam in verschillende gentes. Zie
+Alfen(i)us, Attii (no. 4), Quinctilii.
+
+Varus, thans Var of Varo, tusschen Nicaea (Nizza, Nice) ten O. en
+Antipolis (Antibes) ten W., grensrivier tusschen Gallia Narbonensis
+en Italia (Liguria).
+
+Vas, hij die borg blijft, dat een gedaagde ter terechtzitting zal
+verschijnen; zie vadimonium. Een borg voor het nakomen eener aangegane
+verbintenis wordt praes genoemd.
+
+Vasarium, eigenlijk gereedschapsgeld, de som, die aan den stadhouder
+eener provincie werd uitgekeerd voor zijne uitrusting.
+
+Vascones, volksstam tusschen den Iberus (Ebro) en de Pyrenaeën, in de
+tegenw. baskische gewesten (Biscaye, Guipuscoa, Navarre). Hoofdstad:
+Pompelo (Pampeluna). Als eene bijzonderheid vindt men opgeteekend,
+dat zij blootshoofds ten strijde togen. Ook in Aquitania woonden
+stamgenooten, ofschoon onder andere namen. Hun naam leeft nog voort
+in de namen Basken en Gascogne. Het W. deel der Pyrenaeën heette naar
+hen Vasconum saltus.
+
+Vaticanus (mons), een berg aan de rechterzijde van den Tiber, doch
+nooit in den kring van het oude Rome opgenomen. De wijn, die er
+groeide, was bekend als slecht.
+
+Vatiniae (leges) van den volkstribuun P. Vatinius in 59. 1) de imperio
+C. Caesaris, waarbij aan Caesar bij plebisciet Illyricum en Gallia
+Cisalpina als provinciën toegewezen werden. Deze wet werd doorgedreven
+niettegenstaande heftig verzet van den consul M. Calpurnius Bibulus,
+wiens ambtgenoot Caesar zelf was. De senaat voegde er nog Transalpina
+bij, uit vrees, dat ook deze provincie (die destijds nog alleen uit
+Narbonensis bestond) anders ook nog door het volk aan Caesar ten deel
+zou vallen.--2) de alternis consiliis reiciendis, waarbij vermoedelijk
+aan den aanklager en den beklaagde nog eene tweede wraking van
+rechters werd toegestaan, wanneer de eerstgewraakte reeds door andere
+vervangen waren (zie iudex).--3) omtrent de uitzending eener kolonie
+door Caesar naar Comum, als voorpost tegen de Alpenbewoners.--4)
+rogatio de L. Vettii iudicio; deze ging niet door, zie Vettii no. 3.
+
+Vatinii. 1) P. Vatinius uit Reate beweerde in 168 van de Dioscuren de
+gevangenneming van koning Perseus vernomen te hebben.--2) P. Vatinius,
+afstammeling van no. 1, een der fortuinzoekers uit Caesars tijd, had
+in 63 de quaestuur op niet zeer eervolle wijze bekleed en was in 59
+volkstribuun. Als zoodanig diende hij Caesar (zie Vatiniae leges),
+met wien hij in 58 naar Gallia ging. Later te Rome wegens knevelarij
+aangeklaagd, die hij als quaestor had bedreven, wist hij met behulp
+van Clodius de rechters door geweld schrik in te boezemen. In 56 trad
+hij in de zaak van P. Sestius tegen dezen en diens verdediger Cicero
+op, doch werd onmiddellijk daarna door Cicero in eene opzettelijke
+redevoering ontmaskerd. In 55 werd hij praetor; in 54, wel niet
+ten onrechte, van omkooping hiertoe beschuldigd, werd hij ter wille
+van Caesar door Cicero verdedigd. Ook in het vervolg bleef Vatinius
+Caesar trouw. In den burgeroorlog versloeg hij in het begin van 47
+de Pompeiani bij het eiland Tauris, en verjoeg ze uit de Adriatische
+zee. In 45 ging hij als proconsul naar Illyria, maar na Caesar's dood
+gaf hij de provincie over aan Brutus.
+
+Vecta of Vectis, eiland op de Zuidkust van Britannia, thans Wight.
+
+Vectigal. Onder vectigalia verstaat men de indirecte belastingen
+en wat men betaalt voor het gebruik van staatseigendommen. Hiertoe
+behoorden o. a. 1) portorium, haven-, brug- en weggelden en in- en
+uitvoerrechten.--2) scriptura, het weidegeld dat bij het inscharen
+van vee op de weidegronden van het staatsdomein (pascua publica)
+werd betaald.--3) verpachtingen van het vischrecht en van houtkap
+in de bosschen van den staat, van concessies voor ontginning en
+exploitatie van mijnwerken, krijt-, zout- en steengroeven.--4)
+vicesima manumissionum, 5% van de getaxeerde waarde, bij vrijlating
+van slaven te betalen. Deze belasting was ingevoerd door de lex
+Manlia van 357.--5) sinds den keizerstijd, vicesima hereditatum,
+een successierecht van 5% bij erfenis, wel te verstaan van erfenissen
+ex iure Quiritium; daarom gaf Caracalla in 212 na C. aan alle vrije
+inwoners het burgerrecht, om over het geheele rijk dit recht te kunnen
+heffen.--6) de pacht voor het gebruik van ager publicus en in de
+provinciën de decumae van tiendplichtige landerijen.--7) centesima
+rerum venalium, een verkooprecht op alles wat binnen Italië werd
+verkocht, eene instelling van Augustus.--8) accijns op eetwaren,
+door Caligula ingesteld.--9) quinguagesima mancipiorum venalium,
+een overgangsrecht bij verkoop van slaven, van 2%, door Augustus
+ingevoerd, door Claudius verdubbeld.--10) een entreegeld voor de
+publieke privaten, onder den naam vectigal foricarum et urinae,
+ingevoerd door Vespasianus.--11) eene belasting op de nijverheid,
+patentbelasting, van Alexander Severus.--12) vectigal ex aquaeductibus
+voor het uit de waterleidingen naar de huizen afgevoerde water;
+cloacarium voor het recht van waterloozing in de openbare riolen,
+enz.--Voorzoover zij er toe geschikt waren, werden de vectigalia
+door de censoren verpacht summis pretiis. Ominis causa werd een begin
+gemaakt met de oesterbanken in den lacus Lucrinus. Neemt men vectigalia
+in den meer algemeenen zin van staatsinkomsten, dan kan hiertoe ook
+de rechtstreeksche belasting, stipendium (z. a.), uit de provinciën
+worden gebracht. In de provinciën Sicilia en Africa was het stipendium
+geheel vervangen door tienden. Italia was van grondbelasting geheel
+vrij (zie ook ius italicum). Over het tributum der rom. burgers, dat
+niet tot de eigenlijke belastingen kan gerekend worden, zie tributum.
+
+Vectones = Vettones.
+
+Vedius Pollio, vrijgelatene, rom. ridder, een nietswaardig
+mensch, ontzaggelijk rijk, verkwistend en meedoogenloos. Bij zekere
+gelegenheid, dat Augustus bij hem te gast was, werd diens bescherming
+ingeroepen door een slaaf van Vedius, die wegens het breken van
+een voorwerp van murrha (z. a.) door zijn meester veroordeeld was
+om in den vischvijver geworpen te worden en tot spijs voor de alen
+te dienen. Augustus gelastte toen aan zijne lictoren, alle murrha
+in het huis stuk te slaan. Vedius Pollio stierf in 15, na Augustus
+tot erfgenaam van het grootste gedeelte zijner bezittingen benoemd
+te hebben, o. a. van zijne prachtige villa Pausilypum (Zonderzorg,
+Sans-Souci) tusschen Neapolis en Puteoli.
+
+Vegetius Renatus (Flavius) schreef aan het einde van de 4de eeuw na
+C. een epitome rei militaris, eigenlijk eene compilatie, zooals de
+schrijver zelf erkent, van verspreide berichten en mededeelingen,
+die hij bij verschillende oudere schrijvers heeft aangetroffen,
+aangevuld met hetgeen hij aan de keizerlijke verordeningen heeft
+ontleend. Ofschoon dikwijls oud en nieuw zijn dooreengeward, heeft
+het werk, bij gebrek aan andere en betere krijgskundige geschriften,
+voor ons eene niet geringe waarde. Waarschijnlijk moet een werk over
+veeartsenijkunde van een zekeren P. Vegetius Renatus, uit denzelfden
+tijd, ook aan hem worden toegeschreven.
+
+Veiento (A. Fabricius), werd onder Nero in 62 n. C. verbannen, omdat
+hij in schotschriften senatoren en priesters beschimpt had. Onder
+Domitianus was hij als delator berucht. Hij was consularis.
+
+Veii, Oueioi, oude en machtige etruscische stad op eene hoogte
+aan de rivier de Cremera, met flinke muren, waarvan nog sporen
+aanwezig zijn. Het uitgebreide gebied werd ager Veiens of Veientanus
+genoemd. Daar Veii en Rome slechts ruim drie uren van elkander lagen,
+moest Rome's opkomst spoedig eene botsing uitlokken. Reeds onder de
+regeering van Romulus wordt een oorlog met Veii vermeld. Ten laatste
+werd het in 396, volgens de overlevering, na een tienjarig beleg,
+door M. Furius Camillus ingenomen, geplunderd en verwoest. Het gebied
+der stad werd ager publicus, maar reeds in 387 werden hier 4 nieuwe
+tribus ingericht, n.m. de tribus Stellatina, Tromentina, Sabatina en
+Arniensis. Veii had een beroemden Juno-tempel.
+
+Veiovis, Vediovis, Vedius, een rom. god, wiens naam door de ouden
+verklaard wordt als jonge Jupiter of verdervende Jupiter. Hij had
+sedert 192 een heiligdom tusschen het Capitolium en den burcht, op de
+plaats van het oude asyl van Romulus, en, sedert 194, een op de insula
+Tiberina. In eerstgenoemden tempel stond zijn beeld van cypressenhout,
+jeugdig van gestalte, met een bundel pijlen in de hand en een geit
+naast zich. Den 7den Maart werd hem een geit geofferd. Wegens de
+pijlen, die tot zijne attributen behooren, werd hij soms met Apollo
+geïdentificeerd; in werkelijkheid behoorde hij tot den kring der
+onderaardsche godheden.
+
+Velabrum, straat of buurt in Rome van den mons Palatinus in de
+richting naar den Tiber, door den vicus Tuscus met het forum Romanum
+verbonden. Op het Velabrum waren winkels van fijne gerechten of
+lekkernijen, waar men ook koks kon huren.
+
+Velauni of Vellani = Vellavi.
+
+Veleda, profetes uit den stam der Bructeren ten tijde van
+Vespasianus. Bij hare landslieden en de omringende stammen werd zij
+vereerd als een hooger wezen. In den opstand van Civilis oefende zij
+een grooten invloed uit. Later werd zij door de Rom. gevangen genomen
+en naar Rome gevoerd.
+
+Velia, Ouelia, ook Helia en Elea, bij Herodotus Hyele genoemd, op de
+kust van Lucania. Zie Elea.
+
+Velia, buurt van Rome, eigenlijk een rug, die den mons Palatinus met
+den mons Esquilinus verbond. Van de Velia daalde de Sacra via af naar
+het forum Romanum. De Velia maakte een deel uit van Roma quadrata
+(zie Palatinus (mons)).
+
+Velinus (lacus), meertje in het Sabijnsche land, tgw. Lago di
+Piedilugo, gevormd door den Avens (z. a.).
+
+Velinus (portus), de haven van Velia of Elea.
+
+Velites, lichtgewapenden in het rom. leger, zie centuria. Zij werden
+uit de arme burgers gelicht, hadden harnas noch helm, maar slechts
+een mantel en een vilten muts, en waren gewapend met een klein rond
+ruiterschild (parma), een zwaard en een aantal (soms zeven) lichte
+werpschichten (hastae velitares, veruta) met dunne, scherpe stalen
+punt. Zij deden dienst als tirailleurs en namen ook de plaats en de
+wapenen der gesneuvelden over. In het legerkamp waren zij des nachts
+onder den blooten hemel langs den binnenkant van den wal en vóór de
+poorten gelegerd. Sedert Marius ook de capite censi in de gelederen
+der geregelde troepen opnam, hing het van lichamelijke geschiktheid
+af, of men bij deze of bij de velites werd ingedeeld, hoewel uit den
+aard der zaak deze toch uit de geringeren werden genomen.
+
+Velitrae, thans Velletri, latijnsche stad ten Z. van het albaansch
+gebergte, langen tijd in handen der Volsci, sedert 393 of 338
+municipium sine suffragio. Het is de stamplaats der Octavii.
+
+Vellaunodunum, stad der Senones in het midden van Gallia, tusschen
+Genabum (Orléans) en Agedincum (Sens).
+
+Vellavi, volksstam in de bergstreek der Cevennes.
+
+Velleda = Veleda.
+
+Velleii. 1) C. Velleius, rom. senator, door Cicero in zijn werk de
+natura deorum als vertegenwoordiger der epicureïsche wijsbegeerte
+ingevoerd.--2) C. Velleius Paterculus, een vriend van Pompeius, benam
+zich het leven, in 41, toen Octavianus tegen zijne woonplaats Neapolis
+(Napels) optrok.--3) C. Velleius Paterculus, rom. geschiedschrijver,
+kleinzoon van no. 2, uit een rij van aanzienlijke voorouders gesproten,
+diende onder C. Caesar en onder Tiberius in verschillende veldtochten,
+werd in 6 na C. quaestor en in 15 praetor. Hij schreef eene beknopte
+rom. geschiedenis in 2 boeken (ad M. Vinicium consulem) in 30 na C.,
+van Rome's stichting tot op dat jaar. Dat dit werk niet anders dan
+hoogst oppervlakkig zijn kan, spreekt van zelf. De tekst berust op
+slechts één enkel handschrift, dat na de verschijning der eerste
+uitgaaf weder is zoek geraakt. Van het tweede boek is ook slechts
+een gedeelte over.
+
+Vell(i)ocasses, gallisch volk aan den mond der Sequana
+(Seine). Havenstad: Rotomagus (Rouaan).
+
+Venafrum, stad in Samnium ten O. van Casinum (in Zuid-Latium) gelegen,
+wordt sedert Augustus tot Campania gerekend. De stad lag op eene
+hoogte, 5 kilometer van den Vulturnus, te midden van olijfbosschen. De
+olijfolie van Venafrum was om hare fijnheid beroemd.
+
+Venatio. Onder de geliefkoosde schouwspelen der Rom. behoorden de
+dierengevechten in het amphitheater. Met ontzaggelijke kosten werden
+hiertoe uit verschillende gewesten wilde dieren aangevoerd, als:
+leeuwen, tijgers, olifanten, rhinocerossen, enz., die men tegen
+elkander liet vechten. Zoo bracht Pompeius bij één feest o.a. 600
+leeuwen in de arena. Ook liet men menschen tegen dieren vechten, zulke
+menschen werden bestiarii genoemd en waren soms voor loon gehuurd,
+auctorati, soms veroordeelden, ad bestias damnati. Gehuurde vechters
+waren natuurlijk gewapend, veroordeelden nu en dan. Gedurende de
+christenvervolgingen werden gewoonlijk de veroordeelden bij hoopen
+weerloos in het strijdperk gedreven, soms wel aan palen vastgebonden,
+en werden vervolgens de wilde dieren op hen losgelaten, om hen voor
+de oogen der duizenden van toeschouwers te verscheuren.
+
+Venedae, -di, Ouenedai, aanzienlijk sarmatisch volk ten O. der Vistula
+(Weichsel) aan den sinus Venedicus, Ouenedikos kolpos (golf van
+Riga). Nog in de middeleeuwen komt dit volk in Polen en Oostpruisen
+en ook westelijker voor onder den naam van Wenden.
+
+Venelli, volksstam in Gallia aan het Kanaal op het tegenw. schiereiland
+Cotentin.
+
+Veneti, Ouenetoi, 1) gallisch volk op de kust van het tegenw. Bretagne,
+met de stad Dariorigum of Venetae (Vannes), en op de kust de insulae
+Veneticae (Ré, Oléron enz.). Zij waren een zeevarend en handeldrijvend
+volk en onderhielden een levendig verkeer met Britannia.--2) een
+volk in het N.O. van Italië, ook Enetoi genoemd, waarvan de afkomst
+den ouden onbekend was. Men meende in hen het verdwenen paphlagonisch
+volk der Heneti (z. a.) terug te vinden. Waarschijnlijk waren zij van
+illyrischen stam. Hun land, o. a. met de steden Patavium (Padua),
+Altinum en Aquileia, was buitengewoon welvarend door nijverheid en
+handel. Zij waren niet krijgszuchtig en onderwierpen zich reeds vroeg
+(215) aan de Rom., om bij hen steun te vinden tegen hunne gallische
+naburen. Hun gebied, Venetia, komt in het algemeen, wat de ligging
+betreft, overeen met dat der latere republiek Venetië. De invallen
+van Gothen en Hunnen waren voor hen een groote ramp, zie hieromtrent
+Altinum.
+
+Venetus lacus = Brigantinus lacus.
+
+Venilia, moeder van Turnus, zuster van Amata, gemalin van Neptunus
+of Faunus.
+
+Vennones, een woest Alpenvolk in Raetia aan de bronnen van den Athesis.
+
+Vennonius, geschiedschrijver ten tijde der Gracchen.
+
+Venta, naam van enkele steden in Britannia. 1) V. Belgarum, in het Z.,
+thans Winchester, nabij Clausentum (Southampton).--2) V. Icenorum,
+in het O., nabij het tegenw. Norwich.--3) V. Silurum, in Wales,
+ongeveer tegenover het tegenw. Bristol.
+
+Ventidius Bassus (P.), een man van geringe afkomst, doch van groote
+bekwaamheid. In den marsischen oorlog waren zijne ouders onder de
+gevangenen uit Picenum, die in 89 den triumftocht van den consul
+Cn. Pompeius Strabo moesten opluisteren. Zijn vader werd vervolgens
+ter dood gebracht. Toen Bassus een man was geworden, voorzag hij
+eerst in zijn onderhoud door aan overheden, die naar de provinciën
+gingen, paarden, muildieren en wagens te leveren. Caesar, die hem
+had leeren kennen, hief hem uit zijn stand op en bracht hem in den
+senaat. Hij diende onder Caesar in Gallia en in den burgeroorlog,
+koos na Caesars dood de zijde van Antonius, drong bij Cicero aan dat
+deze zich tijdig uit de voeten zou maken, en wierf in Picenum een
+leger om Antonius te steunen. Na het sluiten van het driemanschap
+in 43 werd hij consul (als suffectus voor Q. Pedius). In 39 ging hij
+als legaat van Antonius naar Syria en bracht in dit en het volgende
+jaar den Parthen drie gevoelige nederlagen toe, waarbij de parthische
+prins Pacorus, zoon van Orodes I, sneuvelde. Hij genoot daarvoor de
+eer van een zegetocht. Z. ook Labieni no. 2.
+
+Venus, italiaansche lentegodin, vooral beschermster der tuinen en
+van de groenteteelt, onder griekschen invloed geheel vereenzelvigd
+met Aphrodite en dus geworden tot eene godin van schoonheid en
+liefde. Haar dienst was afkomstig uit Ardea. Oorspronkelijk had
+zij te Rome twee tempels, één in den lucus van Libitina (z. a.),
+één bij het Circus maximus, en de stichtingsdag van den laatsten
+is de 19de Augustus, de feestdag der holitores (groenteboeren),
+die Venus speciaal vereeren. In den tweeden punischen oorlog werd,
+volgens voorschrift van de Sibyllijnsche boeken, de geheel grieksche
+eeredienst van V. Erycina (Erucina) uit Sicilië naar Rome overgebracht;
+men offerde haar den 23sten April; een eeuw later werd de dienst
+ingesteld van V. Verticordia (feestdag 1 April). Sulla vereerde haar
+onder den naam V. Felix (dit is de V. Pompeiana, de stadsgodin van
+Pompeii), Pompeius als V. Victrix, maar haar dienst kwam vooral in
+hoog aanzien en het aantal aan haar gewijde tempels nam aanmerkelijk
+toe, sedert zij als de moeder van Aeneas en dus als de stammoeder van
+het rom. volk beschouwd werd, en nog meer toen Caesar en Augustus,
+en naar hun voorbeeld ook latere keizers, haar als de moeder van de
+gens Iulia vereerden. Omtrent V. Cloacina en V. Murcia, zie Cloacina
+en Murcia. Zie verder Aphrodite.
+
+Venusia, schilderachtig gelegen stad van Apulia, dicht aan de
+lucanische grenzen nabij de rivier Aufidus en den mons Vultur gelegen,
+geboorteplaats van Horatius. Oorspronkelijk was V. eene stad der
+Samnieten geweest. Sedert 291 lat. col.
+
+Ver sacrum. Bij italiaansche volken, vooral bij de Sabijnen, gebeurde
+het meermalen, dat in tijden van pest, misgewas en andere rampen al
+wat in de eerstvolgende lente zou geboren worden, aan de goden werd
+gewijd. De dieren, die in zulk eene gewijde lente geboren werden,
+werden geofferd, de menschen echter, als zij volwassen waren, over de
+grenzen gezonden om zich elders als volksplanters neer te zetten. Als
+de romeinsche senaat tot een ver sacrum besloot, moest dit besluit
+door het volk bekrachtigd worden.
+
+Veragri, raetisch of ligurisch volk aan de poeninische Alpen in
+Helvetia, in het tegenw. kanton Wallis. Hoofdplaats Octodurus
+(Martigny).
+
+Veranii. 1) Veranius, een vriend van Catullus, die zijn geluk
+vruchteloos in Hispania ging beproeven.--2) Q. Veranius, legaat van
+Germanicus, klaagde Cn. Piso (Calpurnii no. 7) aan.--3) Q. Veranius,
+consul in 49 na C. en in 58 stadhouder van Britannia, waar hij stierf.
+
+Verbanus lacus, Ouerbanos limne, thans lago Maggiore, waardoor de
+Ticinus stroomt, in Gallia Transpadana.
+
+Verbena = herbena, heilige kruiden, op het Capitool gegroeid, ook
+sagmina geheeten. Ook takken van heilige boomen, als myrten, olijf-
+en laurierboomen, geplukt tot eenig heilig gebruik, werden verbena
+geheeten. Smeekelingen, gezanten en vooral de fetiaal-priesters
+omkransten zich het hoofd met zulke heilige kruiden of gewassen;
+ook bezigde men ze tot het versieren van altaren, godenbeelden,
+offerdieren, enz.
+
+Verbigenus pagus, zie Helvetii.
+
+Vercellae, thans Vercelli, hoofdstad der Lebecii in Gallia Transpadana,
+sedert 89 met het ius Latii, sedert 49 rom. municipium. Op de
+nabijgelegen Campi Raudii vernietigde C. Marius in 101 de Cimbren.
+
+Vercingetorix, een aanzienlijk Galliër uit de Arverni, het hoofd
+van den grooten gallischen opstand tegen Caesar in 52. Hij versloeg
+Caesar bij Gergovia, maar daarna sloot Caesar hem met zijn leger
+op in Alesia. Hij moest zich overgeven en werd te Rome na Caesar's
+triumphus in 46 ter dood gebracht.
+
+Veretum, Ouereton, stadje in Calabria, nabij het promunturium
+Salentinum.
+
+Vergelius of Vergellus, een beek, die door het slagveld van Cannae
+stroomde.
+
+Vergiliae, z. Pleiades.
+
+Vergilii. 1) M. Vergilius, volkstribuun in 87.--2) C. Vergilius,
+61-58 propraetor van Sicilia, een groot vriend van Cicero. Later
+(47) verdedigde hij Thapsus tegen Caesar.--3) P. Vergilius Maro, de
+beroemde dichter der Aeneis, was in 70 op een landgoed zijns vaders,
+te Andes bij Mantua geboren. Eerst ging hij in het naburige Cremona
+school, later als jongeling volgde hij lessen te Mediolanium (Milaan),
+vervolgens ging hij in 53 naar Rome, waar hij met Alfenus Varus
+(zie Alfenus) het onderricht genoot van den epicureïschen wijsgeer
+Siro. Daarna keerde hij naar zijn vaderlijk landgoed terug en dichtte
+hij enkele zijner Eclogae of herderszangen. Toen echter Octavianus
+na den slag bij Philippi (42) de veteranen door eene toewijzing van
+landerijen beloonen wilde en daartoe ook de omstreken van Cremona en
+Mantua had uitgekozen, zag ook Vergilius zijn goed door een vreemde in
+bezit nemen (41). Door bemiddeling echter van C. Asinius Pollio, die
+met 7 legioenen in het gebied der Veneti stond en de landverdeeling
+bestuurde, had deze inbezitneming geen verder gevolg en beloofde
+Octavianus aan Vergilius, dat zijn landgoed ongemoeid zou blijven. Doch
+op Asinius Pollio volgden Alfenus Varus en Antonius Musa, en opnieuw
+zag V. zich in zijn bezit bedreigd. Hij beloofde Varus te zullen
+bezingen, als deze zijn grondbezit spaarde. Uit de omstandigheid, dat
+de 6de Ecloga aan Varus is gericht en dat V. toch van zijn landgoed
+werd beroofd, mag men misschien het besluit trekken, dat Varus zelf
+het hem wel liet behouden, maar niet verhinderde dat een ander het
+hem ontnam. Het gedicht van Verg. getuigt dan ook niet van groote
+geestdrift. Hij ging naar Rome, doch Octavianus was elders. Door
+tusschenkomst van aanzienlijke vrienden (misschien bij Varus) werd
+hem de teruggaaf van zijn goed beloofd, doch toen hij er heen was
+gegaan, zou hij door den nieuwen bezitter, zekeren centurio Arrius,
+doodgestoken zijn, ware hij niet ijlings in den Mincius gesprongen
+(40). Eenige maanden bleef hij te Rome en in den omtrek, tot hij
+eindelijk, vermoedelijk door tusschenkomst van Maecenas, zijne goederen
+terug kreeg. Het is ook niet onwaarschijnlijk, dat Varus hem nu ten
+slotte het rustig bezit waarborgde en daarvoor met een gedicht door den
+dichter werd beloond. Na door zijne Eclogae of Bucolica naam gemaakt
+te hebben, begon V. te Rome zijne Georgica in 4 boeken, een leerdicht
+over akkerbouw, boomkweekerij, vee- en bijenteelt, dat eigenlijk zijn
+meesterwerk is, waaraan hij 7 jaar werkte, 37-30. Hij voltooide het
+te Napels, een geliefkoosd verblijf voor hem, uit hoofde zijner zwakke
+gezondheid. Intusschen of onmiddellijk daarna begon hij aan zijn epos
+Aeneis, waarvan hij in 23 het 2de, 4de en 6de boek voor Augustus en
+diens omgeving voordroeg. Voor zijne gezondheid en tot ontspanning
+ondernam hij in 19 eene reis naar Griekenland, ontmoette daar Augustus
+en keerde met dezen naar Italië terug. Te Brundisium aangekomen, was
+hij zóó ziek, dat hij daar moest blijven en er binnen weinige weken
+overleed. Volgens zijn verlangen werd zijn lijk naar Napels vervoerd
+en is hij aan den weg naar Puteoli begraven. Hij had eerst gelast,
+dat zijn onvoltooid epos (zie over den inhoud het art. Aeneas)
+verbrand moest worden, doch liet zich verbidden om de uitgaaf aan
+zijne vrienden Plotius Tucca en Varius Rufus toe te vertrouwen,
+onder voorwaarde dat zij het geheel onveranderd zouden laten, opdat
+ieder zou kunnen zien, dat de dood hem belet had er de laatste hand
+aan te leggen. Menige plaats komt er in voor, die de dichter, zoo de
+tijd hem gegeven ware, aangevuld of gewijzigd zou hebben. V. bleef
+bij zijn volk steeds in hooge eer; in de middeleeuwen hield men hem
+voor een toovenaar en, voor zoover dit voor een heiden mogelijk was,
+voor een heilige. Aan het gewaande graf van V. werden zelfs wonderen
+vastgeknoopt. De groote verdienste der Aeneis is deze, dat daarin met
+onmiskenbaar talent van vorm en uitdrukking een nationaal-rom. epos op
+homerische leest is geschoeid. Bovendien diende het tot verheerlijking
+van Augustus en zijne familie. Het werd dan ook met vooringenomenheid
+op de rom. scholen gelezen en verklaard. Op de Bucolica en Georgica
+schreef Valerius Probus (1e eeuw na C.) een commentaar, terwijl wij
+ook den rijken commentaar op Vergilius van Servius Maurus Honoratus
+(4de eeuw na C.) (z. Servius no. 3) bezitten. Zie ook Donatus (Tiberius
+Claudius). Enkele kleinere gedichten op naam van Vergilius (Culex,
+Moretum e. a.) worden door sommigen niet aan hem toegeschreven.
+
+Verginii, een deels patricisch, deels plebejisch geslacht. 1)
+Opiter Verginius Tricostus, consul in 502, streed tegen de Latijnen
+en sneuvelde in 487 tegen de Volscen.--2) T. Verginius Tricostus
+Caeliomontanus, consul in 496, nam deel aan den slag bij het meer
+Regillus.--3) Proculus Verginius Tricostus Rutilus, consul in 486,
+was een tegenstander der akkerwet van zijn ambtgenoot Sp. Cassius
+Viscellinus (zie Cassii no. 1).--4) verder komen er tot 435 nog
+een achttal Verginii Tricosti onder de consuls voor met de toenamen
+Rutilus, Esquilinus, Caeliomontanus, waarbij ook de vóórnamen Opiter
+en Proculus nog eenmaal terugkomen. Ook vindt men er twee onder de
+consulairtribunen.--5) A. Verginius bewerkte in 457, dat het getal
+volkstribunen op 10 werd gebracht. Hij zelf bekleedde dit ambt 5
+jaar achtereen.--6) L. Verginius doodde volgens de overlevering in
+449 zijne dochter Verginia, opdat zij niet in handen van den tienman
+App. Claudius zou vallen, en gaf hiermede het sein tot de tweede
+secessio plebis. Daarop werd hij tot volkstribuun verkozen.--7)
+A. Verginius, rom. rechtsgeleerde, omstreeks 100.--8) L. Verginius
+Rufus, legatus pro praetore van Germania Superior onder Nero en Otho,
+wees na den dood van Vindex (z. a.) en in 69 na C. na den dood van
+Otho het aanbod zijner troepen van de hand, hem tot keizer uit te
+roepen. In zijn sterfjaar, 97, was hij met keizer Nerva consul. Tacitus
+hield eene lijkrede op hem. Hij was een vaderlijke vriend voor den
+jongeren Plinius. Hij maakte ook gedichten.
+
+Verna of vernaculus is een slaaf, die in zijns meesters huis geboren
+is. Uit den aard der zaak waren zij in den regel vrijpostiger dan
+gekochte slaven.--Vernaculae legiones zijn troepen, bestaande uit
+personen, die bij de werving nog geen Romeinsche burgers waren,
+maar dit recht verkregen, zoodra zij ingelijfd waren; dus = milites
+libertini.
+
+Verolamium, hoofdstad der Catuvellauni, ten N.W. van Londinium
+(Londen), thans Old-Verulam, rom. municipium.
+
+Veromandui, zie Viromandui, welke schrijfwijze beter is.
+
+Verona, stad in Gallia Transpadana aan den Athesis, eerst aan de
+Euganei, later aan de Cenomani toebehoorende, sedert 89 met het
+ins Latii, sedert 49 een bloeiend rom. municipium, geboorteplaats
+van Catullus en Vitruvius. Verona, thans nog aldus geheeten, was
+de schoonste stad van Cisalpina. Het marmeren amphitheater, onder
+Diocletianus gebouwd, dat 22000 toeschouwers bevatten kon, is nog
+vrij goed bewaard gebleven.
+
+Verres (C.) was in 82 quaestor van den consul Cn. Papirius Carbo
+in Cisalpina, doch liep tot de partij van Sulla over, de kas
+medenemende. Toch kreeg Sulla van het geld niet veel te zien, daar
+Verres beweerde dit te Ariminum (Rimini) te hebben achtergelaten,
+waar het bij de verwoesting der stad verloren zou zijn gegaan. Zijne
+verantwoording was merkwaardig. "Ontvangst HS 2235417; uitgaaf
+aan soldij, koren enz. HS 1635417; saldo te Ar. achtergelaten HS
+600000." In 80 ging Verres als legaat van Cn. Cornelius Dolabella naar
+Cilicia, waar hij weldra na den dood van den quaestor C. Malleolus
+proquaestor werd. Zijn reis daarheen was een rooftocht. In Griekenland
+en Azië liet hij, zelfs bij dag, de tempels openbreken en beelden en
+kostbaarheden er uit wegvoeren. Toen Dolabella later van afpersingen
+was aangeklaagd, had V. de onbeschaamdheid als getuige tegen hem
+op te treden. Met een deel van den geroofden buit wist hij zich
+tegen 74 tot praetor te doen verkiezen. Zijne praetuur (de praetura
+urbana) was, zooals men denken kan, eene bespotting van het recht,
+eene onafgebroken reeks van rechtsverkrachtingen. In 73 werd hij
+propraetor van Sicilia, waar hij drie jaar bleef. In die drie jaar
+mergelde hij de provincie uit. Behalve dat hij den landbouwers
+hun koren afperste en hun dan het graan, dat zij moesten leveren,
+uit hun eigen voorraad duur verkocht, om ten slotte nog het geld,
+dat de senaat hem tot aankoop van koren toezond, in zijn eigen zak
+te steken, waren ook geen kunstwerken of kostbaarheden voor hem
+veilig. Hij hield er spionnen op na om na te speuren, wie iets in
+bezit had, wat van zijne gading kon zijn. Op verzoek der Siciliërs
+trad Cicero in 70 als aanklager op en beschuldigde Verres voor 40
+millioen sestertiën op Sicilië gestolen en afgeperst te hebben. Ten
+spijt van alle kuiperijen van Verres en diens machtige vrienden
+(zie Tullii no. 5), handelde Cicero met zooveel voortvarendheid en
+doortastendheid en overstelpte hij Verres met zooveel onwederlegbare
+bewijzen, dat diens verdediger Hortensius het pleit opgaf en Verres
+zich in ballingschap naar Massilia (Marseille) begaf.
+
+Verrius Flaccus (M.), rom. taalgeleerde onder Augustus en Tiberius,
+leermeester van de kleinzonen van Augustus, schrijver van een groot
+alphabetisch geordend werk de verborum significatu (zie Festus
+no. 2), ook geciteerd als libri rerum memoria dignarum, en van de
+Fasti Praenestini, waarvan nog fragmenten over zijn.
+
+Verticordia, bijnaam aan Venus (z. a.) gegeven, wegens haar invloed op
+het menschelijk hart. In 114 werd haar een tempel gewijd met de bede,
+dat zij de vrouwen van onkuischheid zou afhouden.
+
+Vertumnus of Vortumnus, god van verandering of afwisseling, in het
+bijzonder van de afwisseling der jaargetijden, die de vruchten doet
+rijpen, maar verder ook van de veranderingen in de gezindheid der
+menschen, van ruilhandel, enz. Hij zelf bezat het vermogen allerlei
+gedaanten aan te nemen en maakte daarvan gebruik, toen hij de liefde
+van Pomona trachtte te winnen, wat hem eerst gelukte, nadat hij, als
+oude vrouw vermomd, gehoor bij haar had gekregen. Hij had een beeld
+in den vicus Tuscus, waarom hij voor een oorspronkelijk etrurisch god
+gehouden werd, en een tempel aan den voet van den Aventinus; deze
+tempel was door M. Fulvius Flaccus na zijn verovering van Volsinii
+gesticht. Vortumnus was waarschijnlijk de hoofdgod van Volsinii; zie
+ook Voltumna. Men bracht hem offers op den 13 Augustus. Men verwarre
+dezen god niet met Volturnus (z. a.).
+
+Verulae, hooggelegen stad der Hernici in Latium.
+
+Verulamium = Verolamium.
+
+Verus (L. Aurelius), zoon van L. Aelius Verus (zie Annii no. 6),
+jongere broeder en mederegent van keizer Marcus Aurelius en indertijd
+met dezen door Antoninus Pius tot zoon aangenomen. Vóór zijn adoptio
+heette hij L. Ceionius Commodus, en hij wordt nog vaak door de
+schrijvers Commodus genoemd. Hij was te veel overgegeven aan een
+weelderig en gemakkelijk leven om iets te beteekenen. Zijne regeering
+(als zij dezen naam verdient) duurde van 161 na C. tot 169, toen
+hij stierf. In 162 trok hij naar het Oosten, om tegen de Parthen te
+strijden, die in het rijk gevallen waren. Hij bleef echter in Antiochia
+achter, en liet den oorlog, die van 161-166 duurde, door zijne legaten
+voeren. Door de verovering van Artaxata (163) werd Armenia tot een
+rom. vazalstaat. Ten gevolge van de veldtochten van Avidius Cassius
+(zie Cassii no. 18) werd in 166 de vrede met Vologeses gesloten,
+kwam Osroene onder rom. invloed en werd Carrhae rom. kolonie. Daarna
+trok Verus met M. Aurelius tegen de Marcomannen, maar stierf in 169
+te Altinum.
+
+Vesbius, Vesevus = Vesuvius.
+
+Vescelia, stad der Oretani in Hispania Tarraconensis, in het gebied
+van den Anas (Guadiana).
+
+Vescia, verdwenen stad der Aurunci of Ausones in Latium in eene
+liefelijke streek, ager Vescinus, die tusschen den Liris en den mons
+Massicus lag.
+
+Veseris, een vlek of een riviertje (dit is onzeker) in Campania aan
+den Vesuvius.
+
+Vesevus = Vesuvius.
+
+Vesontio, thans Besançon, hoofdstad der Sequani in Gallia aan den
+Dubis (Doubs), die zoo de stad omspoelde, dat hij haar bijna geheel
+insloot, terwijl het openliggende gedeelte afgesloten werd door een
+berg, waarop de burcht lag. Er zijn tal van overblijfsels uit den
+rom. tijd aanwezig.
+
+Vespasianus (T. Flavius), romeinsch keizer 70-79 na C., in 9 na
+C. te Reate in het sabijnsche land geboren, was de zoon van Flavius
+Sabinus en Vespasia Polla. Hij ging reeds vroeg in krijgsdienst, was
+krijgstribuun in Thracia, quaestor van Creta en Cyrenaica, daarna te
+Rome aediel en vervolgens praetor, en werd door Claudius als legatus
+legionis naar Germania en in 43 naar Britannia gezonden. In 51 was
+hij consul, trok zich toen uit vrees voor Agrippina een tijd lang
+uit het openbare leven terug, totdat in 59 Nero hem als proconsul
+naar Africa zond. In 66 werd hem door Nero opgedragen, den opstand
+in Judaea te dempen, en deze taak was nog niet volbracht, toen hij
+in den zomer van 69 door zijn leger tot keizer uitgeroepen en door
+het geheele Oosten erkend werd. Na de overwinning bij Cremona en den
+dood van Vitellius kwam V. in 70 onder groot gejuich van het volk te
+Rome. Hij regeerde zacht en gematigd, wat het inwendig bestuur betreft,
+doch krachtig, wat de bescherming der grenzen en de tucht in de legers
+aangaat. De Parthen ontzagen hem en lieten hem met rust, zijn zoon
+Titus voltooide de onderwerping der Joden en zijn veldheer Petillius
+Cerealis dempte den gevaarlijken opstand der Batavieren. Door eene
+naar den zin der Rom. te groote zuinigheid (zie mimus) stijfde hij de
+uitgeputte schatkist. Hij heeft veel gebouwd, zie o.a. Amphitheatrum
+aan het einde. Na den terugkeer van Titus hield V. met dezen een
+luisterrijken zegetocht over de Joden. Door hem werd in 76 of 77
+Agricola naar Britannia gezonden. In 79 stierf V. op de badplaats Aquae
+Cutiliae. Zijn zoon Titus volgde hem op.--V. had twee broeders. Omtrent
+Flavius Sabinus, zie Sabinus no. 3. De andere broeder, Flavius Clemens,
+huwde met zijne nicht Domitilla, eene dochter van Vespasianus en van
+de vrijgelatene Flavia Domitia. Domitianus liet hem later ombrengen,
+evenals den zoon van Sabinus.
+
+Vesperna, avondeten in den ouden tijd, z. coena.
+
+Vesta, godin van den huiselijken haard en het haardvuur, in
+beteekenis gelijk aan de grieksche Hestia, maar door de Rom. hooger
+in eere gehouden dan deze door de Grieken. Zij werd in ieder huis
+gemeenschappelijk met de Laren en Penaten vereerd, maar had bovendien
+een zeer heiligen tempel bij de regia, waar op haar altaar een
+eeuwig vuur brandde, dat als het haardvuur van den geheelen staat
+beschouwd werd, en waarheen de rom. vrouwen jaarlijks den 9den Juni
+(Vestalia) in processie trokken. Deze Vestalia werden echter niet
+alleen door de rom. vrouwen gevierd, maar het was ook de feestdag
+der bakkers en molenaars. Het heilige vuur werd jaarlijks den 1sten
+Maart met bijzondere plechtigheid vernieuwd, ging het bij ongeluk
+eens uit, dan werd dit als een zeer slecht voorteeken beschouwd,
+en moest het door het wrijven van hout opnieuw ontstoken worden. In
+het binnenste van den tempel van Vesta, de penus Vestae geheeten,
+werden behalve den door de Vestaalsche maagden bereiden offervoorraad
+(zie hieromtrent onder Vestales), ook volgens de overlevering het
+Palladium en de Penaten van den staat bewaard, die door Aeneas van
+Troje naar Lavinium gebracht waren; ook in deze stad had zij een zeer
+oud heiligdom, waar de hoogere rom. magistraten kort na de aanvaarding
+van hun ambt gingen offeren. Te Rome werd de dienst van Vesta met
+groote nauwgezetheid waargenomen door zes maagdelijke priesteressen,
+die aan zeer strenge tucht onderworpen waren, maar daarentegen in
+hoog aanzien stonden en buitengewone voorrechten genoten (z. Vestales).
+
+Vestales, ook virgines Vestae geheeten, vestaalsche maagden. In
+den Vesta-tempel, de heilige haardstede van den rom. staat, werd de
+dienst door zes priesteressen waargenomen. De voornaamste taak der
+dienstdoende Vestalin was te zorgen dat het vuur in den tempel niet
+uitging; doch bovendien hadden de priesteressen nog andere plichten te
+vervullen, o. a. het bereiden van het gezouten offermeel (mola salsa),
+waarmede de offerdieren bestrooid werden, het bewaren van bloed en asch
+van sommige offers, die later als reinigingsmiddelen dienst moesten
+doen, het opzenden van gebeden voor volk en staat, later ook voor den
+keizer en diens gezin, enz. Ging het vuur uit, dan werd de nalatige
+priesteres door den opperpontifex gegeeseld. Slechts éénmaal 's jaars,
+den 1en Maart, den dag waarop oudtijds het jaar begon, moest het
+vuur uitgaan, om dan vernieuwd te worden. Nooit mocht het van buiten
+ingebracht worden, het moest in den tempel zelf door wrijving van
+hout ontstoken worden. Evenals het vuur een zinnebeeld van reinheid
+is, moesten ook Vesta's priesteressen hare maagdelijke kuischheid
+bewaren; anders werden zij levend in een graf ingemetseld, terwijl
+ook haar verleider met den dood gestraft werd. Volgens de lex Papia
+(z. a.) koos de pontifex maximus, wanneer er een plaats als Vestalin te
+vervullen viel, naar goedvinden 20 meisjes uit, niet jonger dan zes en
+niet ouder dan tien jaar; deze moesten vrij van lichaamsgebreken zijn,
+hare ouders, vader en moeder, nog in leven zijn en per confarreationem
+gehuwd zijn. Uit deze 20 werd door het lot ééne aangewezen en door
+den pontifex maximus als vestaalsche maagd aangenomen (virginem
+capere). Hoewel er enkele redenen tot vrijstelling waren, b.v. wanneer
+reeds eene zuster in Vesta's dienst was of wanneer het kind reeds
+aan een pontifex verloofd was of wanneer de vader tot de flamines,
+augurs, XV viri sacris faciundis of septemviri epulones behoorde,
+kon men zich zonder zulk een reden niet aan de keus onttrekken. Ook
+konden ouders hunne dochters aanbieden. Tien jaar lang bleef de
+Vestalin leerlinge in den dienst, daarna moest zij tien jaar dienst
+verrichten, vervolgens tien jaar als leermeesteres der nieuwelingen
+werkzaam zijn. Na die 30 jaren mocht zij huwen, hetgeen echter ongaarne
+gezien werd. De virgines Vestales genoten groote eer. Zij waren sui
+iuris, zij alleen mochten te Rome op een wagen rijden, bij openbare
+feesten en spelen hadden zij de eereplaats. Op straat werden zij
+voorafgegaan door een lictor, zelfs de consul week voor haar uit,
+terwijl zijne lictoren hunne roedenbundels naar den grond gericht
+hielden (fasces submittere). Wanneer zij een veroordeelde ontmoetten,
+was deze vrij. Zie ook Claudii no. 12. De vestaalsche maagden droegen
+over het gewone vrouwengewaad een soort van linnen jakje, verder het
+suffibulum en de infula. Aan haar hoofd stond de virgo maxima.
+
+Vestibulum, een voorplein voor een aanzienlijk rom. huis, aan drie
+zijden door muren ingesloten. In de teekening op bl. 241 is wel eene
+kleine inspringende ruimte als vestibulum aangegeven, doch men vergete
+niet, dat daar slechts een woning van zeer matigen omvang in eene
+landstad is voorgesteld, die niet te vergelijken is met de paleizen
+der rijken te Rome.
+
+Vestini, rom. geslacht uit den keizerstijd. 1) L. Vestinus, uit Vienna
+(Vienne) aan den Rhodanus (Rhône) in Gallia, bij keizer Claudius
+zeer gezien.--2) M. Vestinus Atticus, zoon van no. 1, eerst een
+vriend van Nero, later van hem afkeerig. Hij bespotte en beleedigde
+zelfs den keizer, die hem eerst vruchteloos in de samenzwering van
+Piso zocht te betrekken, en hem ten slotte, omdat hij met Statilia
+Messalina getrouwd was, in zijn eigen huis liet overvallen en om het
+leven brengen (65 na C.).--3) L. Vestinus, ook een zoon van no. 1,
+herbouwde voor Vespasianus het afgebrande Capitool.
+
+Vestini, Ouestinoi, kleine sabellische volksstam aan de Adriatische
+zee, gewoonlijk in éénen adem genoemd met de verwante Marsi, Marrucini
+en Paeligni, met wie zij verbonden waren. Zij werden in 301 onderworpen
+door de Rom. en namen in 90 deel aan den opstand der bondgenooten.
+
+Vestricius Spurinna, z. Spurinae no. 2.
+
+Vesulus mons, thans Monte Viso, in de Cottische Alpen, een der weinige
+Alpentoppen, waarvan een rom. naam bekend is. Op dezen berg ontspringt
+de Padus (Po).
+
+Vesuvius, Vesevus, Vesbius, Ouessouios, Besbios, thans nog Vesuvius,
+de bekende vulkaan bij Napels. Gedurende den geheelen tijd van
+Rome's bestaan schijnt de berg in rust te hebben verkeerd tot aan de
+vreeselijke en geheel onverwachte uitbarsting van 79 n. C., waardoor
+o. a. Herculaneum en Pompeii bedolven werden. Door deze en latere
+uitbarstingen is het uiterlijk van den berg geheel veranderd.
+
+Vetera, voluit Castra Vetera, rom. sterkte, in de geschiedenis van
+den bataafschen opstand bekend, zeer nabij het tegenw. Xanten aan
+den Rijn. Zie verder onder Castra.
+
+Vettii. 1) T. Vettius, romeinsch ridder, veroorzaakte in 104 in
+Campania een slavenopstand.--2) P. Vettius Scato (Cato), een van
+de aanvoerders der bondgenooten in den marsischen oorlog, die
+den Rom. eenige nederlagen toebracht (90), doch op den duur het
+onderspit moest delven. Toen de bondgenooten zich langzamerhand aan
+de Rom. onderwierpen, kon Vettius er niet toe besluiten de wapens
+neer te leggen, en toen zijne eigene soldaten hem aan den rom. consul
+Cn. Pompeius Strabo wilden uitleveren, liet hij zich door een slaaf
+dooden.--3) L. Vettius, rom. ridder, behoorde tot de Catilinarii,
+maar verried daarna zijne medeplichtigen (63). Later liet hij zich door
+Caesar gebruiken, om eene samenzwering tegen Pompeius te verdichten en
+o. a. Scribonius Curio en diens zoon (Scribonii no. 5 en 6) en anderen
+er van te beschuldigen (59). De volkstribuun P. Vatinius kwam hierop
+met een wetsvoorstel voor den dag om tegen de door Vettius genoemde
+personen een gerechtelijk onderzoek in te stellen. Intusschen, zóó ver
+kwam het niet. Vettius was in zijne verklaringen zoo met zichzelf in
+strijd, dat hij zelf in de gevangenis werd geworpen. Daar vond men
+hem op zekeren dag dood, waaraan Caesar of Vatinius verdacht wordt
+niet vreemd te zijn geweest.--4) Vettius Valens, beroemd geneesheer
+onder Claudius.--5) Vettius Polanus, diende onder Domitius Corbulo
+in Armenia, werd door Vitellius als stadhouder naar Brittannia en
+door Vespasianus naar Asia gezonden.
+
+Vettona, klein plaatsje in Umbria, aan den bovenloop van den Tiber,
+ten Z. van Perusia, tgw. Bettona.
+
+Vettones, Ouettones en Ouettones, aanzienlijk volk in Lusitania
+tusschen den Durius (Duero) en den Tagus (Taag). Hoofdstad:
+Salmantica (Salamanca). Van hen wordt verhaald, dat zij in het eerst
+de rom. officieren, die zij zagen wandelen, met geweld naar het kamp
+terugbrachten, omdat zij meenden dat men krankzinnig moest wezen,
+om zich noodeloos zoo te vermoeien.
+
+Vetulonia, Ouetoulonion, eene der 12 etrurische bondssteden, niet
+ver van de kust, ten N. van Rusellae. De stad is vroeg vervallen;
+ze lag in de beruchte koortsstreek der Maremmen. In de nabijheid
+waren warme bronnen, aquae Vetuloniae. Volgens het verhaal zouden
+de Rom. de fasces, sella curulis, toga praetexta en tuba aan de
+Vetuloniërs ontleend hebben.
+
+Veturii. 1) Veturius Mamurius, beroemd wapensmid, zie ancile.--2)
+P. Veturius Geminus Cicurinus, consul in 499, overwon de
+Fidenaten, en zijn broeder T., consul in 494 de Aequers.--3)
+T. Vetur. Gem. Cicurinus, consul in 462, hield een ovatio (z. a.) over
+Aequers en Volscers.--4) C. Vetur. Cicur., consul in 455, overwon
+ook de Aequers.--5) onder de decemviri en consulairtribunen komt
+een vijftal Veturii Crassi Cicurini voor.--6) T. Veturius Calvinus
+was een der consuls, die in 321 bij Caudium door de Samnieten werden
+ingesloten. Hij en zijn ambtgenoot Sp. Postumius Albinus (Postumii
+no. 7) werden door den senaat, die het gesloten verdrag verwierp,
+aan de vijanden uitgeleverd, doch de Samnieten zonden hen naar
+Rome terug. In 334 waren beiden ook te zamen consul geweest.--7)
+L. Veturius Philo was consul in 220. In 217 tot dictator comitiorum
+habendorum causa benoemd, moest hij als vitio creatus aftreden. In 210
+was hij censor, maar stierf tijdens de censuur.--8) L. Veturius Philo,
+misschien een zoon van no. 7, onderscheidde zich in 207 als legaat
+in den slag bij den Metaurus, in 206 was hij consul en onderwierp
+Lucania weder. In 202 diende hij onder Scipio in den slag bij Zama,
+en bracht daarna het bericht van de overwinning naar Rome over.--9)
+Veturia, moeder van Coriolanus, zie Marcii no. 3.
+
+Vexillum, zie signum no. 2.
+
+Viadus, rivier in Germania, thans Oder.
+
+Viatores, staatsboden in dienst van sommige rom. overheden, als:
+consuls, praetoren, censoren, volkstribunen, aedielen e. a. Zij werden
+gebruikt om boodschappen over te brengen, oproepingen te doen, iemand
+in hechtenis te nemen. Zie verder apparitores.
+
+Vibii, rom. gesl. van samnietischen oorsprong. 1) C. Vibius Pansa
+Caetronianus, eerst uit Rome om zijne mariaanschgezindheid verbannen,
+sloot zich na zijn terugkeer bij Caesar aan, onder wien hij ook in
+Gallia diende. In 51 werd hij volkstribuun, in 47 en 46 stadhouder
+van Bithynia, in 45 van Gallia Cisalpina. Na Pompeius' dood was
+hij voor een aantal personen bij Caesar voorspraak. Na Caesars dood
+was hij in 43 consul met A. Hirtius (z. a.). In den mutinensischen
+oorlog tegen M. Antonius sneuvelden Pansa en Hirtius beiden in de
+nabijheid van Mutina.--2) Vibius Gallus, rom. rhetor onder Augustus,
+oefende zich zoolang in het nabootsen van krankzinnigen, tot hij zelf
+krankzinnig werd.--3) C. Vibius Postumus streed met goed gevolg 9
+na C. tegen de opstandelingen in Dalmatia.--4) C. Vibius Marsus was
+legaat van Germanicus in het O. en bracht na diens dood Agrippina
+naar Rome. Onder Claudius was hij stadhouder van Syria.--5) Vibius
+Serenus was in 16 n. C. één van de aanklagers van Scribonius Libo
+(Scribonii no. 9); hij werd in 24 door zijn eigen zoon bij Tiberius
+aangeklaagd van hoogverraad, doch door den keizer begenadigd.--6)
+Q. Vibius Crispus, redenaar ten tijde van Domitianus.--7) C. Vibius
+Trebonianus Gallus, uit Perusia, rom. keizer 251-253 na C. Zie
+Gallus.--8) C. Vibius Afinius Gallus Veldumnianus Volusianus,
+gewoonlijk Volusianus genoemd, zoon van no. 7 en door zijn vader tot
+Caesar aangenomen; zie Gallus.--9) Vibius Sequester, schrijver van een
+saai werkje de fluminibus, fontibus, lacubus, nemoribus, paludibus,
+montibus, gentibus, quorum apud poëtas mentio fit, leefde in de 4de
+of 5de eeuw na C.
+
+Vibisci, zie Bituriges.
+
+Vibo, zie Valentia no. 4 en Hippo no. 4.
+
+Vibullius Rufus (L.), aanhanger van Pompeius, eerst door dezen als
+onderhandelaar met Caesar gebruikt, werd in den burgeroorlog tweemaal
+door Caesar gevangen genomen doch weder vrijgelaten en de tweede maal
+met vredesvoorstellen tot Pompeius gezonden.
+
+Vica Pota, v. s. een andere naam voor Victoria, de rom. godin der
+overwinning; anderen leiden haar naam af van victus en potus, zoodat
+ze op eten en drinken betrekking zou hebben. Zij had een heiligdom
+aan de Velia.
+
+Vicarius heette de slaaf van een slaaf. Wanneer toch aan een slaaf
+door zijn meester het genot van eenig vermogen was toegestaan, b.v. een
+deel van zijne verdiensten (zie peculium), hetgeen meermalen het geval
+was met slaven, die een ambacht beoefenden en op zichzelf woonden,
+dan kon zulk een slaaf op zijne beurt ook soms weder een slaaf koopen
+en in zijn dienst gebruiken.--Onder Constantijn den Gr. was vicarius
+de titel van een stadhouder over eene der dioecesen, waarin elke
+praefectuur verdeeld was. Zie praefectura.
+
+Vice(n)tia, thans Vicenza, stad der Veneters tusschen Patavium (Padua)
+en Verona.
+
+Victor, Victrix, bijnaam van Jupiter, Mars, Hercules, Venus en
+Minerva. Ook sommige rom. legioenen kregen den bijnaam Victrix.
+
+Victor. 1) C. Iulius Victor, schrijver van een klein werkje,
+ars rhetorica Hermagorae etc. Hij leefde in de 4de eeuw n. C.--2)
+S. Aurelius Victor, zie Aurelii no. 12.
+
+Victoria, Victorina, zie Victorinus.
+
+Victoriati, z. Bigati.
+
+Victorinus (M. Piavonius), een Galliër, die onder de regeering van
+Gallienus, in het zoogen. tijdperk der 30 tyrannen, in het begin van
+268 n. C. door Postumus (z. a.) tot mederegent werd aangenomen, maar
+in 269 of 270 te Colonia Agrippina (Keulen) met zijn zoon vermoord
+werd. Een grooten invloed had tijdens zijn regeering en daarna
+zijne moeder Victorina (Victoria), die eerst M. Aurelius Marius tot
+keizer liet uitroepen, en toen deze door zijne soldaten vermoord was,
+Tetricus (z. a.). De berichten omtrent dezen tijd zijn echter zeer
+verward en onzeker.
+
+Victumalae, plaatsje ten W. van den Ticinus, waar in 218 P. Cornelius
+Scipio (Cornelii no. 11) door Hannibal verslagen werd.
+
+Vicus. 1) onderafdeeling eener tribus urbana (zie tribus), dus eene
+wijk. Aan het hoofd daarvan stond een magister vici. De bewoners eener
+wijk hadden gemeenschappelijke godsdienstige feesten, compitalia
+(z. a.), en gemeenschappelijke lares compitales.--2) naam van
+sommige straten te Rome, als: vicus Tuscus, vicus Iugarius, vicus
+Longus e. a.--3) buiten de stad beteekent het woord een dorp of een
+vlek. Deze vici droegen den naam van fora en conciliabula, als het
+markt- en gerechtsplaatsen en centra voor de lichting waren. Zij
+hadden niet de rechten van een municipium; waren zij versterkt,
+dan heetten zij castra of castella.
+
+Viduus, een god, door wien de ziel van den mensch bij zijn dood van
+het lichaam gescheiden wordt. Hij had een tempel buiten Rome.
+
+Vienna, thans Vienne, hoofdstad der Allobroges aan den Rhodanus
+(Rhône), ten Z. van Lugdunum (Lyon).
+
+Vigintisexviri, gemeenschappelijke naam van eenige magistraten van
+lageren rang: Xviri stlitibus iudicandis, IVviri iuri dicundo of
+praefecti Capuam Cumas, IIIviri monetales, IVviri viis in urbe et
+IIviri viis extra urbem purgandis, IIIviri capitales. Nadat Augustus
+de IVviri iuri dicundo en de IIviri viis extra urbem purgandis had
+afgeschaft, werden de overigen gezamenlijk vigintiviri genoemd.
+
+Vigintiviri, zie vigintisexviri.
+
+Villa. Uit den aard der zaak waren er groote en kleine
+buitenverblijven. Over het algemeen waren zij minder gebouwd met
+het oog op regelmaat, dan wel op gemak en zooveel mogelijk er op
+ingericht om in verschillende jaargetijden aan verschillende zijden
+bewoond te worden. Men onderscheidde de villa urbana of het heerenhuis
+en de villa rustica of boerderij. Het buitenverblijf van een rijken
+Romein vereenigde alle gemakken in zich. Behalve woon-, slaap-, eet-,
+studeer- en ontvangvertrekken had men er de onmisbare badkamers,
+sphaeristeria of zalen voor het balspel, gesloten en open gaanderijen
+om met alle weer beweging te kunnen nemen (zie ook cryptoporticus),
+soms een of meer torens om een ruim uitzicht te genieten, verder een
+wandelpark met boschjes, vijvers, volières, meermalen eene diergaarde
+enz. De groote buitenplaatsen aan zee hadden dikwijls vijvers voor
+zeevisch, die met eene sluis waren afgesloten. Ook gebeurde het
+wel, dat er van de kust uit dammen in zee werden aangelegd om op de
+daartusschen aangeplempte ruimte het heerenhuis te kunnen bouwen
+met een onbelemmerd uitzicht.--De boerderij bestond in den regel
+uit een of meer binnenpleinen, waaromheen de woning, de stallen
+en schuren stonden. In het midden dezer binnenplaatsen (cohortes,
+cortes) waren waterbekkens. In het hoofdgebouw was de woning van
+den opzichter of meier (villicus), in de bijgebouwen de vertrekken
+voor de slaven (zie cella), de wijn- en oliepersen (torcularia), de
+wijn- en oliekelders (cella vinaria, olearia) enz. Dan behoorde er
+een hoenderhof bij met allerlei soorten van hoenders, ook fazanten
+en pauwen, en een duiventil. Op de boerderij was ook het ergastulum
+of de slavengevangenis, een groot vertrek, niet geheel onder, maar
+toch in den grond gebouwd, dat zijn licht ontving door getraliede
+vensteropeningen boven in den muur.--Villa publica is de naam van
+het ambtslokaal der censoren op het Campus Martius.
+
+Villia (lex) annalis, van den volkstribuun L. Villius in 180, waarnaar
+de familie den bijnaam van Annalis kreeg. Zij bevatte bepalingen
+omtrent den leeftijd, waarop men naar eenig ambt mocht dingen en de
+volgorde, waarin de ambten bekleed moesten worden. Uit het voorbeeld
+van Tib. Gracchus, die reeds vóór zijn 17de jaar in dienst ging en
+op zijn 27ste jaar quaestor werd, en dat van Cicero, die drie jaar
+in Griekenland doorbracht en op zijn 31ste jaar quaestor was, en uit
+enkele andere gegevens, mag men vermoedelijk het volgende opmaken. In
+den regel ging men na zijn 17den verjaardag in dienst en moest men
+10 dienstjaren hebben. Had men die jaren nu achtereen uitgediend,
+dan kon men reeds op zijn 27ste jaar naar de quaestuur dingen, anders
+eerst later. Zes jaar na de quaestuur kon men de aediliteit of het
+volkstribunaat bekleeden, drie jaar daarna de praetuur en nog drie
+jaar later het consulaat. Cicero was quaestor op zijn 31ste, aediel
+op zijn 37ste, praetor op zijn 40ste, consul op zijn 43ste jaar. De
+genoemde ambten moesten in deze volgorde worden doorloopen. Aediliteit
+en volkstribunaat schijnen op ééne lijn te hebben gestaan, zoodat
+men kiezen kon, naar welk van beide men wilde dingen.
+
+Villicus, de opzichter der boerderij, meestal een vrijgelatene. Zie
+villa.
+
+Villii, een plebejisch geslacht. 1) P. Villius Tappulus, consul in
+199, kreeg het opperbevel in den macedonischen oorlog, doch kon niet
+veel uitvoeren. Hij werd opgevolgd door T. Quinctius Flamininus. In
+192 volbracht hij eene zending bij koning Antiochus van Syria, bij
+welke gelegenheid hij Hannibal te Ephesus ontmoette.--2) L. Villius,
+volkstribuun in 180; zie Villia lex.--3) C. Villius, deelgenoot der
+plannen van Ti. Gracchus, verloor met dezen het leven.--4) L. Villius
+Annalis, in 43 door de driemannen vogelvrij verklaard, werd verraden
+door zijn eigen zoon, die tot belooning quaestor werd, doch later
+zelf werd omgebracht door de soldaten die zijn vader hadden gedood.
+
+Viminacium, vesting aan den Donau, en hoofdstad van Moesia Superior.
+
+Viminalis (collis) = biezenheuvel, een der bergen, waarop Rome gebouwd
+was, gelegen tusschen den Collis Quirinalis en den Mons Cispius.
+
+Vinalia, wijnfeesten.--1) V. priora, een feest, den 23sten April te
+Rome gevierd, waarbij men aan Jupiter offerde en bij den tempel van
+Venus jongen wijn uitgoot. Het werd later beschouwd als een herinnering
+aan eene gelofte van Aeneas (z. Mezentius).--2) V. rustica, een feest,
+dat den 19den Augustus in de wijnbergen gevierd werd, en waarbij de
+flamen Dialis aan Jupiter een lam offerde.
+
+Vindelicia, Ouindelikia, sedert 15 rom. Donauprov., ten N. door den
+Donau begrensd, en zich van den Aenus (Inn) in westelijke richting
+uitstrekkende tot aan het land der Helvetii (de lacus Brigantinus,
+meer van Konstanz of Bodensee, lag nog in Vindelicia). Ten Z. grensde
+het gewest aan Raetia, waarmede het ééne provincie uitmaakte. In
+later tijd maakte V. de provincie Raetia II uit. De Vindelici waren
+Kelten. Hoofdstad: Augusta Vindelicorum, thans Augsburg, aan den Licus
+(Lech). Aan de samenvloeiing van Donau en Inn lag Batava Castra,
+thans Passau.
+
+Vindex (C. Iulius), een Galliër, uit een vorstelijk aquitanisch
+geslacht gesproten, generaal in rom. dienst, werd door Nero
+als propraetor over Gallia Narbonensis aangesteld. Over Nero's
+onwaardigheid en dwingelandij verbitterd, kwam hij in 68 n. C. tegen
+hem in opstand, doch niet met de bedoeling zichzelf te verheffen. Hij
+droeg den Galliërs zelfs op, hem te dooden, zoo hij naar de
+heerschappij streefde. Hij omhelsde de zaak van Galba. Met Verginius
+Rufus, stadhouder van Germania Superior (zie Verginii no. 8), sloot
+hij eene overeenkomst, doch door een misverstand geraakten beider
+troepen bij Vesontio (Besançon) slaags; Vindex werd overrompeld en
+benam zichzelf het leven.
+
+Vindex, qui vim dicit, die met geweld dreigt, n.l. in goeden zin,
+als men iemand wil aanranden, dus: handhaver van het recht, wreker,
+beschermer, verdediger. In rechten is vindex degene, die bij eene
+in ius vocatio zich in plaats van den gedaagde stelt en bij de manus
+iniectio door zijne tusschenkomst de inhechtenisneming verhindert en
+de zaak van den gegrepene tot de zijne maakt, dus: bevrijder, redder,
+borg. Vandaar komt vindex ook in de beteekenis van plaatsvervanger
+voor. Overdrachtelijk ook: iemand die den knoop doorhakt.
+
+Vindicare, vindicatio. Vindicatio is oorspronkelijk de handhaving
+van zijn recht (vgl. vindex), een zinnebeeldige handeling bij strijd
+over eigendomsrecht. Beide partijen betraden b.v. den betwisten grond
+in tegenwoordigheid van den praetor en van getuigen (superstites);
+later bracht men slechts eene kluit aarde mede, die men van den
+grond in kwestie had medegenomen en die vindiciae genoemd werd,
+omdat zij gevindiceerd werd. Elke der partijen raakte de kluit met
+het zinnebeeldige roedje, vindicta of festuca (eigl. een grashalm, op
+de betwiste plaats geplukt) aan en verklaarde deze voor zijn eigendom
+(vindicatio en revindicatio). In ruimeren zin is vindicatio de actie
+over eigendomsrecht in het algemeen. Zij had ook plaats bij geschillen
+over eigendomsrecht, alsmede in processen over vrijheid of onvrijheid,
+causae liberales (zie assertor, vgl. ook manumissio). Vandaar
+de uitdrukking aliquem in libertatem vindicare, iemands vrijheid
+eischen, iemand bevrijden. Ook komt vindicare in de beteekenis voor
+van straffen, wreken (aliquid, in aliquem); in het latere Latijn ook:
+se vindicare ab aliquo, zich op iemand wreken.
+
+Vindicius, een slaaf te Rome, die de samenzwering ten gunste van
+den verdreven koning Tarquinius Superbus aan het licht bracht en met
+vrijheid en burgerrecht werd beloond; zie Valeriae leges no. 2.
+
+Vindicta = festuca, zie vindicare.
+
+Vindili = Vandali.
+
+Vindius mons, gebergte langs de Noordkust van Hispania, het
+tegenw. Cantabrisch gebergte.--2) Ouindion oros, gebergte in India
+dat Noord-Indië van Dekhan scheidt, tgw. Vindhja.
+
+Vindobona, keltische stad, rom. municipium in Pannonia, ligplaats
+der Donauvloot; thans Weenen. Keizer Marcus Aurelius overleed hier,
+180 na C.
+
+Vindonissa, stad der Helvetii, aan den Arurius (Aar), thans Windisch,
+met belangrijke overblijfsels, o. a. van eene waterleiding en een
+amphitheater.
+
+Vineae, schutdaken, als het ware kramen, van een stevig dak voorzien en
+die aan de zijden naar verkiezing konden geopend en gesloten worden. In
+den regel waren zij bij de 5 meter lang. Door een aantal zulke vineae
+aan elkander te schuiven, vormden de belegeraars een overdekten gang,
+waarin zij schotvrij waren en waar de stormram (zie aries) werken
+kon. Van boven werden zij gedekt met gelooide of ongelooide huiden,
+om te voorkomen dat zij vuur zouden vatten door de brandbare stoffen,
+die de belegerden er op wierpen.
+
+Vinicii. 1) P. en L. Vinicius, twee broeders, van wie de eerste een
+middelmatig, de tweede een goed redenaar was, vooral bedreven in
+het spreken voor de vuist. De laatste was in 51 volkstribuun, in 33
+consul.--2) M. Vinicius, consul in 19, diende onder de regeering van
+Augustus in Germania en Pannonia.--3) L. Vinicius, zoon van L. Vinicius
+no. 1, een edel jongeling, gunsteling van Augustus.--4) M. Vinicius,
+wiens vrouw eene zuster van Caligula was, hoopte te vergeefs dezen
+op te volgen. Later werd hij door Messalina, wier verleiding hij
+afwees, vergiftigd (46 n. C.). Velleius Paterculus droeg aan hem zijn
+geschiedwerk op.
+
+Vinii. 1) T. Vinius werd van de proscripties der driemannen gered
+door zijne vrouw en door de trouw van een vrijgelatene, T. Vinius
+Philopoemen, die later door de gunst van Augustus rom. ridder werd.--2)
+C. Vinius Fronto Asella, buurman van Horatius.--3) T. Vinius Rufinus,
+legaat en medeconsul van keizer Galba (68 na C.), gehaat om zijne
+laagheden en hebzucht, werd met Galba vermoord.--4) Vinia Crispina,
+dochter van no. 3, bij haars vaders leven verloofd met Otho (keizer
+in 69), kocht voor hoogen prijs het hoofd haars vaders van diens
+moordenaars.
+
+Vipsanii. 1) M. Vipsanius Agrippa werd in 63 uit een onaanzienlijk
+geslacht geboren. Door gemeenschappelijke studiën in nauwere
+aanraking met Octavianus gekomen, werd hij diens boezemvriend en
+intieme raadsman. Eerst onderscheidde hij zich in den perusijnschen
+oorlog (zie Antonii no. 6), waarna hij praetor werd. Vervolgens
+bedwong hij een opstand in Gallia, drong ook over den Rijn en werd
+in 37 consul. Hij legde vervolgens een oorlogshaven bij Baiae aan
+(zie Avernus lacus) en bouwde een nieuwe vloot voor de Tyrrheensche
+zee. In 36 bracht hij aan Sex. Pompeius gevoelige nederlagen ter zee
+toe op de sicilische kust bij Mylae en Naulochus. Met Octavianus
+streed hij nog voorspoedig in Illyria en Dalmatia, en werd in 33
+aediel. Aan de overwinning bij Actium in 31 (zie Antonii no. 4) had
+Agrippa als admiraal het grootste aandeel; ook de nieuwe indeeling
+van Italia in het jaar 30 was zijn werk. Nog tweemaal bekleedde hij
+het consulaat, terwijl hij nog verschillende veldtochten ondernam en
+opstanden dempte, o. a. andermaal in Gallia, in Hispania, in Pannonia,
+totdat hij in 12 overleed. Augustus liet zijne uitvaart op prachtige
+wijze vieren. Agrippa is driemaal gehuwd geweest, eerst met Pomponia,
+de dochter van Atticus: uit dit huwelijk is no. 5 geboren; daarna met
+Marcella, zijne nicht (zie Claudii no. 38), wier broeder M. Claudius
+Marcellus (Claudii no. 37) door Augustus tot zoon was aangenomen en
+met diens dochter Iulia was gehuwd. Hij scheidde echter van Marcella
+en huwde na den dood van Marcellus diens weduwe, waardoor hij nu de
+schoonzoon van Augustus werd (22). Zijne beide zoontjes uit dit laatste
+huwelijk, Gaius en Lucius, werden door Aug. aangenomen; een derde zoon
+werd na 's vaders dood geboren en daarom Agrippa Postumus genoemd. Zie
+de genealogie aan het einde van het art. Iulii. Agrippa was ook een
+uitstekend schrijver en zeer bedreven in de aardrijkskunde. Hij liet
+eene groote kaart vervaardigen van alle heerbanen en kusten in het
+rom. gebied, waarvan talrijke copieën gemaakt werden (vgl. no. 4). Rome
+had voor zijne verfraaiing veel aan hem te danken door den aanleg van
+waterleidingen, baden, zuilengangen, tuinen, zijne grootste schepping
+echter is het Pantheon (z. a.) met zijn ontzaggelijk koepeldak. Het
+tegenwoordig Pantheon is echter niet van hem. Ook in de provinciën
+legde hij heerwegen en bouwwerken aan, o. a. te Lugdunum (Lyon) en te
+Nemausus (Nîmes).--2) Agrippa Postumus, derde zoon van no. 1, werd door
+Augustus naar het eil. Planasia verbannen en later na 's keizers dood
+op last van Tiberius omgebracht, 14 na C.--3) L. Vipsanius, oudere
+broeder van no. 1, door Caesar in den burgeroorlog gevangengenomen,
+had aan de voorspraak van Augustus zijne vrijheid te danken.--4) Polla
+Vipsania, zuster van no. 1 en 3, legde den grondslag tot de grootsche
+galerij, waarin haars broeders kaart op den muur was afgebeeld.--5)
+Vipsania Agrippina, dochter van no. 1 uit zijn eerste huwelijk, was
+gehuwd met Tiberius; op bevel echter van Augustus moest haar huwelijk
+na haars vaders dood verbroken worden, opdat Tiberius (tegen zijn zin)
+met Iulia zou kunnen huwen. Zij hertrouwde met C. Asinius Gallus. Zij
+stierf in 20 na C.
+
+Vipstani. 1) C. Vipstanus Apronianus was consul in 59 na C. en in
+69 stadhouder van Africa.--2) Vipstanus Messala, in den aan Tacitus
+toegeschreven dialogus de oratoribus voorkomende, diende in den oorlog
+van Vespasianus tegen Vitellius en onderscheidde zich door dapperheid,
+onpartijdigheid en welsprekendheid. Hij beschreef ook de geschiedenis
+van zijn tijd.
+
+Virbius, z. Hippolytus. Bij Egeria had hij een zoon, die eveneens
+V. heette en onder Turnus tegen Aeneas streed. Oorspronkelijk is het
+een mannelijke godheid, die met Egeria hulp verleende bij geboorte.
+
+Virdumaras = Viridomarus.
+
+Virgilii = Vergilii.
+
+Virginalis, Virgo, bijnaam van Juno, Fortuna, Minerva, Diana, Vesta
+en Victoria.
+
+Virginii = Verginii.
+
+Virgo, Parthenos, het sterrenbeeld de Maagd, z. Astraea.
+
+Viriathas, een lusitanisch herder, een ware heldennatuur, was een
+der weinigen, die aan het verraderlijke bloedbad van 150 ontsnapten
+(zie Sulpicii no. 11). Hij werd nu eerst rooverhoofdman; door zijn
+lichaamskracht en zijn beleid kreeg hij zulk een aanhang, dat hij
+spoedig aan het hoofd der geheele lusitanische krijgsmacht stond en
+jaren lang aan de rom. legers het hoofd bood, totdat in 141 de consul
+Q. Fabius Maximus Servilianus hem eene nederlaag toebracht en in 140
+vrede met hem sloot. Doch Fabius' broeder en opvolger Q. Servilius
+Caepio (consul in 140) verbrak verraderlijk den vrede en wist onder de
+vrienden van V. eenigen om te koopen om dezen te vermoorden (139). Met
+zijn dood was de kracht der Lusitaniërs gebroken.
+
+Viridomarus, aanvoerder van de door de insubrische Galliërs te hulp
+geroepen Gaesaten, in 222 door den rom. consul M. Claudius Marcellus
+eigenhandig in den strijd doorstoken.
+
+Viriplaca, misschien een bijnaam van Venus, eene godin, die vrede
+sticht tusschen twistende echtgenooten.
+
+Viromandui, gallisch volk in het tegenw. Vermandois. Hoofdstad:
+Augusta Viromanduorum (St. Quentin, ten N.N.O. van Parijs).
+
+Visceratio, uitdeeling van vleesch, later ook van geld onder het volk
+bij de begrafenis van aanzienlijke Romeinen. Soms gaf men bij zulk
+eene gelegenheid openbare maaltijden, ook wel gladiatorenspelen.
+
+Visellii, 1) C. Visellius Aculeo, familie van Cicero, een scherpzinnig
+jurist, een vriend van den redenaar Crassus (Licinii no. 12).--2)
+C. Visellius Varro, een neef van Cicero, een talentvol redenaar, die
+zijn best deed om Cicero uit de ballingschap te doen terugroepen.--3)
+C. Visellius Varro, was in 21 na C. legaat in Germania in den oorlog
+tegen Sacrovir.--4) L. Visellius Varro, zoon van no. 3, consul in 24
+na C.
+
+Vistula, grensrivier tusschen Germania en Sarmatia, thans Weichsel.
+
+Visurgis, riv. in Germania, thans Weser.
+
+Vitellia, oude stad in Latium, lid van den ouden Albaanschen bond,
+ten N.O. van het Albaansch gebergte.
+
+Vitellii. 1) P. Vitellius was onder Germanicus legaat, eerst in
+Germania, later in het Oosten. Na Germanicus' dood trad hij op als
+aanklager van Piso. Na den val van Seianus werd hij aangeklaagd,
+opende zich de aderen, maar liet ze weer toebinden, en stierf in de
+gevangenis.--2) L. Vitellius was reeds onder Tiberius stadhouder
+van Syria en hield de Parthen onder streng bedwang. Hij stond ook
+in gunst bij Caligula en Claudius, doch was al te gedienstig jegens
+Messalina en later jegens Agrippina. Hij bekleedde samen met keizer
+Claudius de censuur in 47 na C. en volgende jaren.--3) A. Vitellius,
+rom. keizer, zoon van no. 2; zie Vitellius.--4) L. Vitellius, ook een
+zoon van no. 2, was nog slechter dan zijn broeder de keizer. Bij de
+inneming van Rome door de troepen van Vespasianus werd hij op last
+van diens veldheer M. Antonius Primus (zie Antonii no. 15) gedood.
+
+Vitellius (A.), rom. keizer, in 69 n. C. door de legioenen aan den Rijn
+als zoodanig uitgeroepen. Hij had bij Tiberius, Claudius, Caligula
+en Nero in groote gunst gestaan. Door Galba naar den Rijn gezonden,
+bracht hij door te groote toegevendheid de soldaten op zijne hand en
+werd den 2 Jan. 69 te Keulen tot keizer uitgeroepen, 13 dagen voordat
+Galba door Otho werd onttroond. Zijne troepen (zie Caecinae no. 5)
+wonnen den slag bij Bedriacum op Otho's leger, waarop Otho zich van
+kant maakte. Vitellius liet het bestuur over aan onwaardige hovelingen
+en leefde alleen voor zijne zinnelijke lusten, waaronder onmatigheid
+en zwelgerij de hoofdrol vervulden. De praetoriaansche garde werd
+door hem ontbonden en een nieuwe van 20000 man gevormd. Intusschen
+bleven de soldaten zonder soldij. Op eens kwam te Rome het bericht
+der verheffing van Vespasianus. Vitellius scheen het gevaar gering
+te achten, hoewel generaals en troepen van hem afvielen en hij
+den slag bij Cremona (einde Oct. 69) verloor. Eindelijk gegrepen,
+werd hij door de soldaten van Antonius Primus (zie Antonii no. 15)
+met een strop om den hals door de straten gesleurd en werd zijn lijk
+in den Tiber geworpen (21 Dec. 69).
+
+Vitruvius Pollio (M.), architect te Rome, tijdgenoot van Caesar en
+Augustus, de eenige rom. schrijver over bouwkunst, die ons een werk
+de architectura in 10 boeken heeft nagelaten, opgedragen aan Augustus.
+
+Vivarium, bewaarplaats van levende dieren, ook tot aanfokking daarvan,
+zooals voor vogels en hoenders (vivarium avium of aviarium), voor hazen
+(leporarium), voor veldmuizen (glirarium), slakken (cochlearium),
+oesters (vivarium ostrearum), vijvers voor visschen (vivarium piscium
+of piscina), enz.
+
+Vocates, volk in Aquitania niet ver van de spaansche grenzen.
+
+Vocetius mons, boschrijk gebergte, oostelijk gedeelte van den Jura.
+
+Voconia (lex) van den volkstribuun Q. Voconius Saxa in 169, tot
+beperking van het erfrecht van vrouwen. Zij bepaalde o. a. dat iemand,
+die op 100000 as gecenseerd was, geen vrouw tot heres kon benoemen;
+wel kon hij haar een legaat vermaken, doch de som der legaten mocht
+het aandeel van den heres of de heredes niet te boven gaan. Het doel
+was, te voorkomen dat groote fortuinen in handen van vrouwen kwamen;
+toch was de wet gemakkelijk te ontduiken, b.v. door een testamentum
+per aes et libram.
+
+Voconii, een plebejisch geslacht, waartoe behooren een volkstribuun in
+169 (zie lex Voconia), een legaat van Lucullus in den mithradatischen
+oorlog, een rechter in het proces van Cluentius in 66.
+
+Vocontii, machtige keltische volksstam in Gallia Narbonensis,
+met de Rom. verbonden, doch volgens eigen wetten levende, in het
+tegenw. Provence en Dauphiné.
+
+Vogesus mons = Vosegus.
+
+Volaterrae, Oualaterrai, machtige etrurische zeestaat met de beide
+havens Luna en Populonia. Zij was een der 12 bondssteden, en lag op
+eene steile rots, waarvan de kruin slechts langs één moeielijken weg
+te genaken was. De hooge en zware muren zijn nog aanwezig. In den
+burgeroorlog hield de stad, die met meer andere etrurische steden
+sterk mariaansch gezind was, het beleg van Sulla's troepen tot 79
+uit. Sulla zond er eene kol. van veteranen heen. Van dien tijd af
+verviel de stad. De stad zelve lag een eind landwaarts in; de kust
+was moerassig en gedekt door wadden, zie Vada.
+
+Volcae, aanzienlijke keltische volksstam in Gallia Narbonensis
+tusschen de Pyrenaeën en den Rhodanus (Rhône), oudtijds zelfs over
+deze rivier. Er waren twee hoofdstammen, de Arecomici ten O. met de
+hoofdstad Nemausus (Nîmes) en de Tectosages met Tolosa (Toulouse)
+ten W. Tectosages vond men ook in het aziatische Galatia (z. a.).
+
+Volcanal, Volcanalia, zie Vulcanus.
+
+Volcanus, betere, doch minder algemeene schrijfwijze voor Vulcanus
+(z. a.).
+
+Volcatii. 1) een vriend van Verres.--2) Volcatius Sedigitus
+(zesvingerige), ± 130, schrijver van een dichterlijken canon.--3)
+L. Volcatius Tullus, consul in 66, weigerde Catilina als candidaat naar
+het consulaat aan te nemen en verijdelde diens eerste samenzwering. Een
+naamgenoot, misschien zijn zoon, was consul in 33.--4) C. Volcatius
+Tullus, diende in 53 onder Caesar in Gallia, en in 48 bij Dyrrhachium.
+
+Volcei, Oulkoi, stad in Lucania, zie Volcentes.
+
+Volcentes, bewoners van het gebied der stad Volci, Volcei of Vulci
+in het binnenland van Lucania, nabij de rivier Silarus.
+
+Volci, Vulci, 1) stad in Etruria ten N.W. van Tarquinii met
+uitgestrekte grafgewelven. Bij Volci heeft men een groot aantal vazen
+en andere voorwerpen van grieksche kunst in den grond gevonden. De
+stad werd in 280 door de Romeinen onderworpen, en op haar gebied Cosa
+(z. a.) gesticht.--2) stad der Volcentes (z. a.) in Lucania.
+
+Volero, familienaam in de gens Publilia.
+
+Vologeses of Volagaeses, naam van een vijftal parthische koningen uit
+den tijd van Parthië's verval.--1) Arsaces XXIII (XXIV) Vol. I, 51-78
+na C., veroverde Armenia voor zijn broeder Tiridates (z. a.), doch
+deze moest de kroon uit de hand van keizer Nero aannemen en daarvoor
+naar Rome komen. Onder de regeering van Vol. I had Parthië veel te
+lijden van invallen der Alanen, zoodat hij zich zelfs tot Vespasianus
+om hulp wendde, die echter niet verleend werd. Commagene werd tijdens
+zijn bestuur door de Rom. ingelijfd (72 n. C.).--2) Ars. XXVI (XXVII)
+Vol. II, 130-148, van wien geene oorlogen bekend zijn.--3) Ars. XXVII
+(XXVIII) Vol. III, 148-190, viel in 161 in Armenia en versloeg eerst de
+uit Cappadocia te hulp gesnelde Rom., doch werd ten slotte in 163 door
+L. Verus in de engte gedreven; Seleucia en Ctesiphon werden ingenomen
+en Mesopotamia was veroverd, toen op eens een vreeselijke pest uitbrak,
+die een eind aan den oorlog maakte (166). Zie Verus.--4) Ars. XXVIII
+(XXIX) Vol. IV, 190-209, leed zware verliezen tegen Septimius Severus,
+die Ctesiphon innam en plunderde, de mannelijke bevolking afmaakte en
+vrouwen en kinderen wegvoerde (198). Wederom kwam ziekte den Parthen te
+hulp.--5) Ars. XXIX (XXX) Vol. V, regeerde met zijn broeder Artabanus
+IV van 209 tot 226, hoewel Vol. waarschijnlijk niets te zeggen had. Zij
+waren de laatste Arsaciden in Parthië.
+
+Volscens, veldheer in het leger van Turnus, die door dapperheid
+uitmuntte, maar door Nisus gedood werd.
+
+Volsci, oud volk in Latium, aan beide oevers van den Liris, verbitterde
+vijanden der Rom., tusschen de zee en de grenzen van Samnium. Na
+ruim anderhalve eeuw van telkens hernieuwden strijd moesten zij
+eindelijk in 329 zich onderwerpen aan de Rom., waarna de naam der
+Volscen verdwijnt. Suessa Pometia was hunne hoofdstad. Zie ook Latium.
+
+Volsinii, welvarende bondsstad van Etruria, op een steilen berg
+gelegen. In 265 werd de stad door de Rom. verwoest, waarna de
+inwoners eene nieuwe stad moesten bouwen aan den Lacus Volsiniensis
+(Lago di Bolsena). Ook deze nieuwe stad werd rijk en bloeiend. In de
+middeleeuwen is de oude plaats weer opgebouwd, tgw. Orvieto.
+
+Voltacilius Pitholaus (L.), leermeester van Pompeius, onderwijzer
+in de rhetorica, de eerste vrijgelatene, die als geschiedschrijver
+opgetreden is. Zijn biographieën van Pompeius en diens vader zijn
+verloren gegaan. Z. ook Pitholeon.
+
+Voltumna, godin van den etrurischen statenbond, bij wier tempel
+de bondsvergaderingen gehouden werden, waarmede offers, feesten en
+jaarmarkten verbonden waren. De tempel lag tusschen Ameria, Volsinii
+en Falerii. Deze godin is verwant met Vertumnus (z.a.).
+
+Voltur (mons), aan de grenzen van Samnium en Apulia en nabij die
+van Lucania.
+
+Volturcius (T.), deelgenoot aan de samenzwering van Catilina, die
+gevangen werd genomen en onder belofte van vergiffenis alles bekende.
+
+Volturnalia, zie Volturnus.
+
+Volturnum, 1) oude naam van Capua.--2) stad aan den mond van den
+Volturnus, in 194 door de Rom. aangelegd op het gebied van Capua.
+
+Volturnus, thans Volturno, hoofdriv. van Campania, ontspringt diep
+in Samnium en stroomt langs Casilinum naar de Tyrrheensche zee. De
+vlakte ten N. heet ager Falernus, die ten Z. ager Campanus, het
+grondgebied van Capua.--Volturnus is oorspronkelijk de naam van
+een riviergod, die een afzonderlijken flamen had, en wiens feest,
+de Volturnalia, op 27 Augustus gevierd werd. Het woord is afgeleid
+van volvere, het wentelen der golven. Men verwarre dezen god niet
+met Vertumnus.--Volturnus is ook de naam voor den Zuid-Oosten wind
+(Eurus, tgw. Sirocco, zie Windstreken), die in Mei en Juni in Apulië
+zeer heftig optreedt, en den Romeinen volgens Livius in den slag bij
+Cannae veel stof in het gezicht woei. De Volturnus brengt soms regen.
+
+Volumnii. 1) Volumnia, echtgenoote van Coriolanus; zie Marcii
+no. 3.--2) P. Volumnius Amintinus Gallus, consul in 461.--3)
+L. Volumnius Flamma Violens, consul in 307 en 296, beide malen
+met App. Claudius Caecus, streed (296) zeer voorspoedig tegen de
+Samnieten.--4) P. Volumnius Eutrapelus, aanhanger van Antonius, van
+wiens bemiddeling Cicero poogde gebruik te maken.--5) P. Volumnius,
+geschiedschrijver en boezemvriend van M. Brutus.
+
+Volusianus (C. Vibius Afinius Gallus Veldumnianus), rom. medekeizer
+251-253 na C.; zie Gallus.
+
+Volusii. 1) Q. Volusius, een van Cicero's beambten in Cilicia.--2)
+L. Volusius Saturninus, een man van groote rijkdommen en groot aanzien,
+was consul in 12 en oefende later de censoria potestas uit. Zijn zoon
+en naamgenoot hield het erfgoed zijns vaders goed bijeen en stierf
+in 56 na C. als praefectus urbi.--3) Volusius Proculus kreeg van
+Nero de opdracht, diens moeder Agrippina uit den weg te ruimen. Tot
+belooning werd hij admiraal van de vloot der Tyrrheensche zee.--4)
+L. Volusius Maecianus, goed jurist onder Antoninus Pius, leermeester
+van M. Aurelius.--5) Door Catullus wordt een dichter Volusius uit
+Noord-Italië bespot wegens zijn boersche Annales. Door sommigen
+wordt deze Volusius geïdentificeerd met Tanusius Geminus (z. a.),
+waarschijnlijk ten onrechte.
+
+Vonones, parthische koningsnaam. 1) Arsaces XVIII Von. I, 6-16 na C.,
+was als gijzelaar te Rome opgevoed. Na den dood van Orodes II werd
+V. tot den troon geroepen, doch door zijne rom. zeden verbeurde
+hij de achting van zijn volk en moest naar Armenië en later naar
+Syrië vluchten, terwijl Artabanus III koning der Parthen werd.--2)
+Vonones, die met zijn zoon Meherdates te Rome leefde als gijzelaar,
+totdat Meh. in 50 na C. onder den naam Arsaces XXII vruchteloos de
+kroon van Parthië trachtte meester te worden.--3) Ars. XXII (XXIII)
+Von. II, 51 n. C., regeerde slechts weinige maanden.
+
+Vopiscus (Flavius) van Syracusae, een van de schrijvers der Historia
+Augusta, omstreeks 300 na C. Hij beschreef de levens van een aantal
+keizers, van Aurelianus tot Carinus.
+
+Vortumnus = Vertumnus.
+
+Vosegus, beter dan Vogesus, gebergte in Gallia, de tegenw. Vogezen
+(les Vosges).
+
+Votivi (ludi), zie Ludi.
+
+Vulcaniae insulae = Aeoliae insulae.
+
+Vulcanal (Volcanal), zie Vulcanus.
+
+Vulcani insula = Hiera no. 1.
+
+Vulcanus, Volc., rom. god van het vuur. Daar hij een god is, die brand
+veroorzaakt, maar ook afweert (Mulciber = de verzachter), trachtte
+men, door zekere formulieren op de muren der huizen te schrijven, zich
+tegen zijn verderfelijken invloed te vrijwaren en zich van zijn hulp te
+verzekeren. Om dezelfde reden bouwde men zijne tempels liefst buiten de
+stad, doch in Rome zelf was hem het Volcanal gewijd, eene verhevenheid
+bij het Comitium, die evenals de tempel van Vesta als het zinnebeeld
+der eendracht van den staat beschouwd werd. Vandaar sprak, volgens de
+traditie, de koning de volksvergadering op het comitium toe. Overigens
+werd hij geheel en al met Hephaestus vereenzelvigd. Op zijn feestdag,
+Vulcanalia (23 Augustus), werden in den keizertijd spelen in den
+Circus Flaminius gehouden. Zie ook Maia no. 2 en Stata mater.
+
+Vulcatii = Volcatii.
+
+Vulci = Volci.
+
+Vulgivaga, Volg., bijnaam van Venus, = Pandemos.
+
+Vulsinii = Volsinii.
+
+Vultur = Voltur.
+
+Vulturcius = Volturcius.
+
+Vulturnum = Volturnum.
+
+Vulturnus = Volturnus.
+
+
+
+
+
+
+W.
+
+
+Windstreken. Oorspronkelijk had men slechts voor de vier hoofdwinden
+bepaalde namen. 1) Boreas, Boreas, was de Noordenwind, koud maar gezond
+voor de landen ten N. der Middellandsche zee, voor Afrika dikwijls
+regen aanbrengend. De Boreas was vooral geducht in het Noorden van
+de Adriatische zee, tgw. de bekende Bora.--2) Tegenover Boreas staat
+Notus, Notos, ook Auster geheeten, de Zuidenwind, die aan Griekenland
+dikwijls nevel en regen aanbracht en stormen verwekte.--3) Eurus,
+Euros, ook Volturnus, was de Oostenwind, dikwijls stormachtig.--4)
+tegenover Eurus stond Zephyrus, Zephyros, de Westenwind die uit de
+streek der duisternis (zophos) waait, waar de zon ondergaat, en die
+vooral in het voorjaar heerschte en na de winterkoude zachter weder,
+maar ook vochtigheid aanbracht. Bij Hesiodus heet hij Argestes. De
+Rom. noemden hem ook Favonius.--Homerus kent slechts deze vier
+winden. Later echter had er eene verschuiving der vier windstreken
+plaats, en kreeg men acht hoofdwinden, n.l. 1) Septentrio, Aparktias,
+die rechtstreeks uit de hemelstreek der Triones of der arktos woei, dus
+als Noordenwind gold.--2) Boreas of Aquilo, die een Noordoostenwind was
+geworden.--3) Apeliotes, Apeliotes (van de zon, d. i. van het Oosten,
+komende), de oostenwind, ook Solanus of Subsolanus geheeten.--4)
+Eurus of Volturnus, die een Zuidoostenwind geworden was.--5) Notus
+of Auster, die Zuidenwind bleef. In Apulia wordt de Zuidenwind
+Atabulus genoemd.--6) Africus, de Zuidwestenwind.--7) Zephyrus,
+Westenwind.--8) Argestes, Iapyx, Noordwestenwind, waarop de naam
+Favonius overging.--Dichters evenwel bezigden nog zeer dikwijls de
+namen in de oorspronkelijke beteekenis. Van acht winden klom men
+tot twaalf op, door tusschen 2 en 3, 4 en 5, 5 en 6, 8 en 1 nog vier
+winden in te schuiven, waardoor, met verdeeling van den horizon in
+twaalf gelijke deelen, de hiervóór geplaatste windroos ontstond.
+
+
+ Septentrio, Aparktias.
+ |
+ Circius, Corus of |
+ Caurus, Thraskias. | Boreas, Aquilo, Borras.
+ |
+Favonius, Iapyx, Argestes, Iapyx. | Caecias, Kaikias.
+ |
+Zephyrus, Zephyros. ---------------+----------- Apeliotes, Apeliotes.
+ |
+ Africus, Lips. | Eurus, Volturnus, Euros.
+ |
+ Libonotos, Libophoinix. | Albus Notus, Leukonotos,
+ | Phoinikias.
+ |
+ Notus, Auster, Notos.
+ Atabulus.
+
+
+De Libonotus wordt ook wel Libophoinix genoemd, de Albus Notus
+Phoinikias, terwijl Aquilo ook wel voor den Noordenwind wordt gebruikt.
+
+
+
+
+
+
+X.
+
+
+Xanthippe, Xanthippe, vrouw van Socrates, wien zij, naar men zegt,
+door knorren en kijven dikwijls het leven verbitterde.
+
+Xanthippus, Xanthippos, 1) Athener, die met en na Clisthenes
+als staatsman optrad, was een van de aanklagers van Miltiades,
+volgde Themistocles op als bevelhebber van de vloot, en behaalde
+met Leotychides de roemrijke overwinning bij Mycale. Hij was de
+vader van Pericles.--2) Lacedaemoniër, die in den eersten punischen
+oorlog aan het hoofd van een troep huurlingen naar Carthago kwam en
+wegens zijne bekwaamheden het opperbevel over het leger kreeg. Hij
+bracht aan de Rom. eene groote nederlaag toe, maar keerde spoedig
+naar zijn vaderland terug, toen hij zag dat zijn geluk de afgunst
+der Carthagers opwekte. Men zeide, dat hij op de terugreis door de
+carthaagsche schippers gedood was.
+
+Xanthus, Xanthos, 1) z. Balius.--2) koning van Thebe, door Melanthus
+(z. a.) in een tweegevecht gedood.--3) van Sardes, tijdgenoot van
+Artaxerxes I, schrijver eener lydische geschiedenis (Lydiaka).
+
+Xanthus, Xanthos, 1) riv. bij Troje, dezelfde als de Scamander.--2)
+riv. in Epirus, door Helenus aldus genoemd.--3) hoofdrivier van
+Lycia. Acht uren gaans boven den mond lag de stad Xanthus, met
+beroemde tempels van Apollo, Leto en Sarpedon. Cyrus liet haar door
+zijn veldheer Harpagus belegeren; de inwoners, geene kans op redding
+ziende, brachten hunne tilbare have, vrouwen en kinderen op den burg,
+staken dezen in brand en sneuvelden zelven tot den laatsten man tegen
+de Perzen. Later is de stad steeds zetel van de bondsregeering, zie
+Lycia. In 42 veroverden Brutus en Cassius de stad; doch de inwoners
+staken ze in brand en brachten zichzelven om het leven.
+
+Xenarchus, Xenarchos, 1) atheensch blijspeldichter, tijdgenoot
+van Demosthenes, van wiens werken nog eenige smaakvolle fragmenten
+bestaan.--2) zoon van Sophron, en evenals zijn vader mimendichter. Hij
+leefde onder den ouden Dionysius.--3) van Seleucia, peripatetisch
+wijsgeer, die omstreeks het einde der 1e eeuw te Alexandrië, Athene en
+Rome onderwijs gaf. Tot zijne leerlingen behoorde de geograaf Strabo.
+
+Xenelasia, eene wet, waarbij een staat aan vreemdelingen verbiedt,
+zich binnen zijn grondgebied te vestigen. Zulk eene wet bestond
+o. a. te Sparta.
+
+Xeniades, Xeniades, 1) van Corinthe, een sophist, die dikwijls onder
+de sceptici genoemd wordt, daar hij het bedriegelijke der zinnelijke
+waarneming en de onmogelijkheid om tot de kennis der waarheid te
+geraken betoogd had.--2) z. Diogenes no. 2.
+
+Xenias graphe, aanklacht tegen iemand, die wederrechtelijk zijn naam
+in de lijsten der burgers had doen opnemen. De zaak kwam voor de
+nautodikai, later voor de thesmotheten.
+
+Xenios, bijnaam van Zeus, als beschermer van het gastrecht.
+
+Xeno, Xenon, 1) thebaansch legeraanvoerder in den peloponnesischen
+oorlog (413).--2) tyran van Hermione, die zich door Aratus liet
+overreden de heerschappij neer te leggen en tot het achaeïsch verbond
+toe te treden.--3) een van de Achaeërs, die in 166 als gijzelaars
+naar Rome gezonden werden.--Een andere X. deed te Rome moeite om de
+vrijlating van die gijzelaars te bewerken.--4) Athener, epicureïsch
+wijsgeer uit Cicero's tijd, door hem met lof vermeld.
+
+Xenoclea, Xenokleia, priesteres van Apollo te Delphi, die weigerde
+aan Heracles een orakel te geven, omdat hij niet gereinigd was van
+den moord van Iphitus. Heracles roofde echter haar drievoet en dwong
+haar daardoor hem te antwoorden.
+
+Xenocles, Xenokles, 1) zoon van Carcinus, door de blijspeldichters
+van zijn tijd bespot om zijne slechte treurspelen, ofschoon hij
+eens tegen Euripides den prijs won.--2) aanvoerder der ruiterij bij
+het leger van Agesilaus in Azië.--3) van Adramyttium, een redenaar,
+met wien Cicero tijdens zijn verblijf in Azië veel omging.
+
+Xenocrates, Xenokrates, 1) broeder van Theron van Agrigentum,
+overwinnaar in de pythische en isthmische spelen, vriend van
+Pindarus.--2) van Chalcedon, geb. 396, leerling en vriend van
+Plato, dien hij op de reis naar Sicilië vergezelde. Na Plato's
+dood verliet hij Athene, hij keerde echter spoedig terug, volgde
+Speusippus als hoofd der academie op (339), en bleef dit tot zijn
+dood (314). Hij ontwikkelde de leer van Plato op eigenaardige wijze,
+zoodat sommigen hem een vervalscher van die leer noemden, daar hij
+stellingen van Pythagoras er in opnam en in onderwijsmethode zeer van
+Plato afweek; hij was de eerste die een streng onderscheid maakte
+tusschen waarnemen, meenen en weten en tusschen logica, physica en
+ethica. Bij voorkeur houdt hij zich bezig met de studie der daemonen,
+die volgens hem zielen van afgestorvenen zijn: zijne meer mystieke dan
+wijsgeerige leerstellingen op dit gebied schijnen van grooten invloed
+op lateren geweest te zijn. Hoewel hij in uiterlijk en manieren
+iets terugstootends had, werd hij algemeen geacht als een streng
+rechtschapen man, ook werd hij meermalen, hoewel hij een vreemdeling
+was, als gezant naar Philippus en Antipater gezonden. Van zijne
+talrijke werken is bijna niets over.--3) van Aphrodisias, grieksch
+geneesheer en schrijver over geneeskunde in de 1ste eeuw na Chr.
+
+Xenoetas, Xenoitas, Achaeër, veldheer van Antiochus d. G., werd
+door dezen met een leger tegen den afgevallen stadhouder van Medië
+uitgezonden, maar werd door de vijanden overvallen en met het grootste
+gedeelte van zijn leger gedood (221).
+
+Xenophanes, Xenophanes, van Colophon, geb. omstreeks 579, verliet
+vroeg zijne geboortestad en zwierf door Griekenland, Sicilië en Italië,
+het meest schijnt hij zich echter te Elea opgehouden te hebben. Zijn
+lang leven--hij werd meer dan 92 jaar oud--wijdde hij geheel aan het
+bestrijden van het volksgeloof en de algemeen aangenomen mythologie;
+in zijne met innige overtuiging geschreven en door hemzelf op de wijze
+der rhapsoden voorgedragen gedichten ontkende hij ten sterkste het
+bestaan van goden, zooals die in de gedichten van Homerus en Hesiodus
+voorkomen, die in hun handelen en streven, en ook in hun ondeugden,
+geheel op menschen gelijken; ook paarden en koeien, zeide hij, zouden,
+indien het hun mogelijk was godenbeelden te vervaardigen, deze maken
+naar hun evenbeeld. Tegenover deze voorstellingen plaatst X. zijn
+eigen leer, de eleatische, waarvan niet veel meer bekend is, dan dat
+zij de eenheid, ondeelbaarheid en onvergankelijkheid van heelal en
+godheid verkondigde, en die door Parmenides (z. a.) verder ontwikkeld
+is. Van zijne gedichten is het een en ander bewaard gebleven.
+
+Xenophantus, Xenophantos, 1) Athener, vader van den dithyrambendichter
+Hieronymus.--2) van Thasus, beeldgieter, die voor de Atheners een
+beeld van Hadrianus maakte.
+
+Xenophilus, Xenophilos, bevelhebber van den burcht van Susa, die zich
+na eene langdurige verdediging aan Seleucus overgaf en zich bij hem
+aansloot (316).
+
+Xenophon, Xenophon, 1) Athener, zoon van Gryllus, geb. omstreeks
+430, was in zijne jeugd de leerling en een van de trouwste
+aanhangers van Socrates, ook kreeg hij van Prodicus onderwijs in de
+welsprekendheid. Na den peloponnesischen oorlog noodigde zijn vriend
+Proxenus hem uit, om met hem deel te nemen aan den tocht van den
+jongen Cyrus. X. gaf gaarne, hoewel niet geheel met goedvinden van
+Socrates, aan die uitnoodiging gehoor, maakte den tocht van Cyrus
+tegen Artaxerxes mede en streed mede in den slag bij Cunaxa. Toen op
+de terugreis de veldheeren der Grieken verraderlijk door Tissaphernes
+gevangen genomen waren, was X. de eerste die het leger moed insprak
+en tot volharding aanspoorde. Hij werd dan ook met vier anderen
+verkozen om de Grieken op hun terugtocht te leiden en verwierf zich
+den grootsten roem door den moed, het beleid, de zelfverloochening en
+volharding, waarmede hij deze taak vervulde. In weerwil van de groote
+moeielijkheden, hem door Perzen e. a. barbaarsche volken in den weg
+gelegd, zonder hulpmiddelen tegen de natuurlijke hindernissen, die zich
+op dien langen tocht voordeden, bracht hij het leger in vier maanden
+van het binnenste van Azië naar Trapezus, van daar naar Byzantium,
+waar zij bij Seuthes in dienst traden en eindelijk vereenigden
+zij zich met het spartaansche leger, dat toen onder Thibron tegen
+Tissaphernes en Pharnabazus oorlog voerde. Bij dit leger bleef X.,
+ook onder Dercylidas en Agesilaus, met wien hij zeer bevriend werd en
+in wien hij het ideaal van een vorst en veldheer zag. Toen Agesilaus
+naar Europa teruggeroepen werd, ging X. met hem mede en in den slag
+bij Coronea streed hij onder zijn bevel tegen de Atheners en Thebanen
+(394). Uit Athene verbannen--misschien wel juist om zijn deelnemen
+aan dien slag--ging hij naar Sparta, en kreeg hij van de Spartanen
+een landgoed bij Scillus, waar hij nu vele jaren rustig leefde,
+zich bezighoudende met jacht en landbouw, en waar hij ook bijna
+al zijne werken schreef. Na de nederlaag van Sparta bij Leuctra,
+werd hij als vriend der Spartanen door de Eleërs uit zijne woning
+verdreven. Toen later Athene en Sparta zich tegen Thebe vereenigden,
+werd X. uit zijne ballingschap teruggeroepen (369), of hij toen naar
+Athene teruggekeerd is, is niet zeker, hij stierf te Corinthe (354,
+v. a. reeds vijf of zes jaren vroeger). Als schrijver munt X. uit
+door duidelijkheid en eenvoud, ofschoon deze laatste eigenschap in
+zijne geschiedkundige werken soms wel wat overdreven wordt; de ouden
+prezen hem zeer hoog, men gaf hem den naam van Attike melissa en zeide
+dat de godin der overreding op zijne lippen zetelde. Ten gevolge van
+zijn lang verblijf buiten Athene is zijn taal niet vrij van onattische
+uitdrukkingen en vormen. Zijne voornaamste werken zijn: Kyrou Anabasis,
+eene uitvoerige geschiedenis van den tocht van Cyrus en den terugtocht
+der 10000 Grieken, een werk, dat wegens de groote bescheidenheid,
+waarmede de schrijver van zichzelf spreekt, door sommigen ten onrechte
+aan een ander toegeschreven is (z. Themistogenes); Hellenika, een
+geschiedenis van Griekenland, begonnen als vervolg op Thucydides en
+voortgezet tot den dood van Epaminondas, een werk van groot belang
+voor de geschiedenis van dien tijd, hoewel geschreven met duidelijk
+merkbare voorliefde voor spartaansche politiek en instellingen
+en vooral voor zijn held, Agesilaus; Kyrou paideia, een meer
+wijsgeerig dan geschiedkundig werk, waarin de oude Cyrus als het
+ideaal van een volmaakt vorst naar socratische zienswijze voorgesteld
+wordt; Apomnemoneumata Sokratous, herinneringen aan Socrates, eene
+verzameling gesprekken van den meester, bijeengebracht met het doel
+om zijne nagedachtenis te verdedigen tegen den sophist Polycrates
+(z. a. no. 2); Symposion, een tafelgesprek, waarbij vooral Socrates het
+woord voert. Verscheiden kleinere werken, die den naam van X. dragen,
+zijn deels van minder belang, deels waarschijnlijk onecht.--2) zoon
+van Euripides, een van de aanvoerders der Atheners bij het beleg van
+Potidaea (429).--3) van Cos, geneesheer van keizer Claudius, dien
+hij ter wille van Agrippina vergiftigde.--4) van Ephesus, schrijver
+van een griekschen roman onder den titel Ephesiaka, ta kata Anthian
+kai Abrokomen; hij leefde waarschijnlijk in de 3de eeuw na C.
+
+Xenos, vreemdeling, gast, gastvriend, huurling. Het gastrecht werd
+door de Grieken hoog in eere gehouden; niet alleen dat men zijne gasten
+zoo goed mogelijk ontving, hun geschenken gaf, enz., maar tusschen een
+gastheer en zijn gast bleef eene betrekking van vriendschap bestaan,
+die soms gedurende verscheiden geslachten aangehouden werd. Tegenover
+aanzienlijke vreemdelingen, gezanten e. dgl. trad soms de staat als
+gastheer op.--Zij, die zich in een vreemden staat vestigden, wat te
+Sparta e. e. niet geoorloofd was (z. xenelasia), werden metoikoi,
+(z. a.) genoemd.
+
+Xerxes, Xerxes, 1) zoon van Darius Hystaspis en Atossa, werd door zijn
+vader als troonopvolger aangewezen, hoewel hij een ouderen broeder had,
+daar deze geboren was, voordat Darius aan de regeering gekomen was. Na
+den dood van zijn vader (485) bedwong hij een opstand van Aegypte,
+daarna rustte hij zich toe tot een veldtocht tegen Griekenland, van
+verschillende kanten, vooral door Mardonius, daartoe aangedreven. Nadat
+hij den Hellespont had laten overbruggen en den berg Athos had laten
+doorgraven, ondernam hij in het voorjaar van 480 met eene ontelbare
+legermacht en vloot den tocht. Hij ging door Macedonië en Thessalië,
+drong in weerwil van den tegenstand van Leonidas door de Thermopylae
+en trok al plunderend tot Athene voort, dat in brand gestoken werd,
+terwijl zijn vloot de haven van Phalerum binnenliep. Doch na de
+verpletterende nederlaag bij Salamis, die hij van een op het strand
+opgerichten troonzetel aanzag, vluchtte hij haastig naar Azië terug,
+en toen in het volgende jaar Mardonius bij Plataeae en zijn vloot bij
+Mycale verslagen waren, zag hij van de verovering van Griekenland
+voor goed af. Naar Susa teruggekeerd, gaf hij zich aan allerlei
+wreedheden en uitspattingen over, totdat hij door Artabanus vermoord
+werd (465).--2) X. II, zoon van Artaxerxes I, volgde zijn vader in de
+regeering op (425), doch werd na weinige weken door zijn halfbroeder
+Sogdianus vermoord.
+
+Xois, Xois, oude aegyptische stad in de Delta tusschen den Bolbitischen
+en den Sebennytischen Nijlarm, zetel der 14de dynastie.
+
+Xuthus, Xouthos, zoon van Hellen en de nimf Orseis, werd door zijne
+broeders uit Thessalië verdreven en vluchtte naar Attica, waar hij met
+Creusa, de dochter van Erechtheus, huwde, bij wie hij twee zonen kreeg,
+Achaeus en Ion, de stamvaders der Achaeërs en Ioniërs. Toen hij na den
+dood van Erechtheus als scheidsrechter over de troonopvolging moest
+beslissen en de regeering aan Cecrops toewees, werd hij ook uit Attica
+door zijne zwagers verjaagd, waarop hij zich in Aegialea vestigde.
+
+Xynia, Xynia, stad in het Z.W. van het thessalische landschap
+Phthiotis, aan het meer van gelijken naam.
+
+Xystus, -tum, xystos, -ton, in de grieksche gymnasia een overdekte
+zuilengang, waar de athleten zich des winters oefenden, ook een
+beplante wandelplaats voor de zuilengalerij der rom. landhuizen.
+
+
+
+
+
+
+Z.
+
+
+Zabatus, Zabatos, ook Lycus geheeten, rivier in Assyria, zijtak van
+den Tigris, ontspringt in de bergen van Armenia.
+
+Zacynthus, Zakynthos, thans Zante, een der Ionische eilanden, in
+de Ionische zee tegenover Elis gelegen, vruchtbaar en boschrijk
+(thans niet meer). Het behoorde tot het gebied van Ulysses. Het
+eiland leverde aardpek. De hoofdstad, ook Zacynthus geheeten, was
+eene belangrijke plaats.
+
+Zadracarta (plur.), ta Zadrakarta, hoofdstad van het perzische gewest
+Hyrcania.
+
+Zagreus, Zagreus, bijnaam van Dionysus, waaronder hij in de
+orphische mysteriën vereerd werd. Hij wordt de zoon van Zeus en
+Demeter of Persephone genoemd en was door Zeus tot beheerscher van
+het heelal bestemd, doch Hera zette de Titanen tegen hem op, die hem
+verscheurden en verslonden. Alleen zijn hart werd door Athena gered en
+aan Zeus gebracht, die het verslond en daarna Dionysus voortbracht,
+vlg. Sabazius. De schuldige Titanen werden door den bliksem tot
+asch verteerd, en uit deze asch, vermengd met het bloed van Zagreus,
+waren de menschen ontstaan.
+
+Zagrus, Zagros, gebergte tusschen Media ten O. en Susiana en Assyria
+ten W. Het noordelijk gedeelte wordt ook Choathras genoemd.
+
+Zakoros = neokoros.
+
+Zaleucus, Zaleukos, wetgever der epizephyrische Locriërs, leefde
+waarschijnlijk in het midden der 7de eeuw. Zijne wetten waren, naar men
+verhaalde, de eerste die op schrift gebracht werden en hadden evenzeer
+betrekking op het bizonder leven der burgers als op de staatsregeling.
+
+Zama, bijgenaamd Regia, vesting in de provincie Africa, in het N. van
+Byzacene, op de grenzen van Zeugitana, 4 of 5 dagreizen ten Z.W. van
+Carthago. In den omtrek werd in den herfst van 202 de beslissende
+slag tusschen Scipio en Hannibal geleverd.
+
+Zamolxis, Zamolxis, Zalmoxis, een Gete of Thraciër, wiens geschiedenis
+met vele verdichtsels doorweven is. Hij was slaaf geweest bij
+Pythagoras, doch werd door dezen vrijgelaten, reisde door Griekenland,
+en keerde als een wijs en rijk man naar zijn vaderland terug, waar
+hij den grondslag legde van godsdienst en hoogere beschaving. Na zijn
+dood werd hij als daemon vereerd.
+
+Zancle, Zankle, oude naam van de stad Messana op Sicilia. Zie Messana.
+
+Zarangae, Zarangai, bewoners van Drangiane (z. a.).
+
+Zariaspa (gen. -ae), ta Zariaspa, zie Bactra.
+
+Zea, Zea, een van de oorlogshavens van den Piraeus, aan de Oostzijde
+gelegen.
+
+Zeilas, Zeilas, Zelas, oudste zoon van Nicomedes I. Daar zijn vader
+een jongeren broeder als troonopvolger had aangewezen, ging hij
+naar Armenië, van waar hij na zijn vaders dood terugkwam en zich met
+geweld van de regeering meester maakte. Hij werd omstreeks 236 bij
+een feestmaal door gallische soldaten vermoord.
+
+Zela, ta Zela, sterkte in het binnenland van Pontus, ten Z. van
+Amasea, met verschillende tempels. Hier behaalde Mithradates in 67 de
+overwinning op Lucullus' legaat Triarius en Caesar in 47 op Pharnaces.
+
+Zelia of -ea, Zeleia, oude stad in Noord-Phrygia, aan den Aesepus. Hier
+trok Darius III zijn eerste leger tegen Alexander d. Gr. bijeen.
+
+Zeno, Zenon, 1) zoon van Polemo no. 4, door de Armeniërs tot koning
+verkozen en door Germanicus als zoodanig bevestigd.--2) van Elea,
+geb. omstreeks 490, leerling en vriend van Parmenides, met wien
+hij naar Athene reisde. V. s. had hij een aanslag tegen een tyran,
+Nearchus of Diomedon, met den marteldood moeten boeten. Hij verdedigde
+in verscheiden geschriften, die alle verloren zijn, de eleatische leer
+door de indirecte bewijsvoering uit het ongerijmde.--3) van Citium,
+zoon van Mnaseas, geb. 336, v. a. 362. Zijn vader, die koopman was,
+had ook hem voor den handel bestemd, ofschoon hij reeds vroeg de
+wijsgeerige geschriften van Xenophon en Plato ijverig bestudeerd
+had. Toen hij nu op den leeftijd van 22 jaar ten gevolge van een
+schipbreuk te Athene gekomen was, besloot hij daar te blijven en
+zich geheel aan de studie der wijsbegeerte te wijden. Hij sloot zich
+eerst bij Crates, den cynicus, aan, van wiens invloed de oudere werken
+van Z. talrijke blijken moeten gegeven hebben, wendde zich later tot
+Stilpo, Xenocrates en Polemo, en trad omstreeks 310 met een eigen leer
+op, die naar de poikile stoa, de plaats waar hij zijne voordrachten
+hield, de stoische genoemd wordt. Hij stond te Athene in hoog aanzien,
+vormde vele leerlingen, en werd van staatswege met een gouden krans,
+en toen hij in 264 (v. s. door zelfmoord) gestorven was, met een
+metalen grafteeken en een standbeeld vereerd. Van zijn werken zijn
+slechts weinige fragmenten tot ons gekomen.--De bron van alle kennis
+is volgens Z. zinnelijke waarneming; alleen wat zóó waar te nemen is
+bestaat, terwijl eerst herhaalde waarnemingen ons in staat stellen
+van het bizondere tot het algemeene te besluiten. Alles bestaat uit
+twee elementen, die onafscheidelijk met elkander verbonden zijn:
+stof en kracht. De kracht, die zich in het heelal werkzaam toont,
+is de godheid. De stof bestaat oorspronkelijk als een zeer fijn
+vuur, waaruit door verdichting lucht, water en aarde ontstaan,
+en waarin eens de geheele wereld weder moet opgaan (ekpyrosis), om
+later opnieuw er uit voort te komen. De ziel is aan het vuur verwant
+en niet onsterfelijk, hoewel zij langer leeft dan het lichaam. Het
+hoogste goed is de deugd, die men niet bereikt door bespiegeling,
+maar door te leven in overeenstemming met de natuur of den goddelijken
+wil. Deugd alleen is goed in den volsten zin van het woord, evenals
+de ondeugd slecht is, alle andere dingen zijn onverschillig, hoewel
+niet alle in gelijke mate. Genot is niet het doel van het leven,
+maar is van nature met deugdzaam handelen verbonden. De ware wijze
+is het volmaakste van alle wezens, hij kan zich door deugd zelfs tot
+de hoogte van Zeus verheffen, hij alleen is vrij, is heer en koning,
+en kan naar verkiezing ook over zijn leven beschikken.--Vooral onder
+de Rom., die in 155 door Diogenes den Babyloniër met de stoische leer
+kennis maakten, vond zij in de laatste tijden der republiek en onder
+de keizers vele aanhangers.--4) van Tarsus, leerling van Chrysippus
+en na diens dood hoofd der stoicijnsche school.--5) van Sidon, geb. ±
+150, hoofd der epicureïsche school, wiens voordrachten Cicero en
+Atticus gaarne hoorden.--6) van Rhodus, schrijver eener rhodische
+geschiedenis, omstreeks 200.
+
+Zenobia, Zenobia, 1) echtgenoote van Odenathus (z. a.), nam na diens
+dood in 267 na C. zelve het bewind over Palmyra in handen als regentes
+voor hunne twee onmondige zoons. Te midden der verwarring in het
+rom. rijk, breidde zij haar gebied uit over Syrië, Aegypte, Vóór-Azië,
+totdat zij in 272 door keizer Aurelianus werd gestuit. Bij Emesa werd
+de beslissende slag geleverd. Zenobia moest naar Palmyra vluchten,
+dat belegerd en ingenomen werd (272), zij moest den zegetocht van
+Aurelianus te Rome opluisteren, doch kreeg vervolgens een landgoed bij
+Tibur, waar zij met hare kinderen hare verdere dagen sleet. Zij was
+eene vrouw van zeldzame schoonheid en buitengewone gaven, zij sprak
+verscheiden talen, o. a. Latijn, Grieksch, Syrisch, Aegyptisch. Zij
+was een stoute paardrijdster, maar trok ook meermalen mijlen ver te
+voet aan het hoofd harer troepen op. Vermoedelijk behoorde zij tot het
+israëlietische geloof.--2) armenische koningsdochter, gehuwd met haar
+neef Rhadamistus, die den troon van Armenië overweldigd had. Toen in 54
+na C. de Parthen onder Vologeses I en Tiridates Armenia veroverden en
+Rhadamistus moest vluchten, smeekte zij haar echtgenoot haar te dooden,
+opdat zij niet in handen der Parthen zou vallen. Rhadamistus bracht
+haar met zijn zwaard eene wond toe en wierp haar in den Araxes. Zij
+werd echter door herders gered en viel nu toch in handen van Tiridates,
+die haar echter met grooten eerbied behandelde.
+
+Zenobius, Zenobios, grieksch sophist omstreeks 200 na C.; hij schreef
+eene verzameling spreekwoorden en vertaalde de geschiedenis van
+Sallustius in het grieksch.
+
+Zenodotus, Zenodotos, van Ephesus, leermeester der zonen van Ptolemaeus
+Lagi en onder Ptolemaeus Philadelphus hoofd der bibliotheek van
+Alexandrië, was een geleerd taalkundige en criticus, die vooral aan
+Homerus veel studie wijdde.--Nog twee personen van denzelfden naam
+komen voor als schrijvers van werken over Homerus en zijne gedichten.
+
+Zephyrium, Zephyrion, Westkaap, naam van onderscheidene voorgebergten,
+o. a. 1) een der kapen aan de Z.O. punt van Italië, waarnaar de stad
+Locri Epizephyrii, die ten N. daarvan ligt, haar naam draagt.--2)
+aan de Z.W. kust van Cyprus, bij Paphus.--3) in Cilicia bij Soli.--4)
+in Cyrenaica.--5) in Aegypte.
+
+Zephyrus, Zephyros, de Westenwind, zie Windstreken.
+
+Zerynthus, Zerynthos, stad op de Zuidkust van Thracia, bij Aenus,
+met een Apollo-tempel en een grot van Hecate in de nabijheid. De stad
+behoorde tot het vastelandsgebied van Samothrace.
+
+Zetes, Zetes, z. Calais.
+
+Zetetai, te Athene buitengewone commissarissen, die benoemd werden,
+wanneer er vermoeden bestond dat een misdaad gepleegd was, zonder
+dat iemand als aanklager optrad; zij moesten de zaak onderzoeken en
+haar, wanneer zij daartoe grond vonden, voor den bevoegden rechter
+brengen. Vooral geschiedde dit, wanneer men vermoedde dat gelden van
+den staat verduisterd waren.
+
+Zethus, Zethos, tweelingbroeder van Amphion (z. a.). Geheel
+verschillend van dezen, was hij ruw van aard en hield hij zich bij
+voorkeur als jager in de bergen op. Hij was gehuwd met Aedon (z. a.).
+
+Zeugitai, atheensche burgers der derde klasse volgens de indeeling
+van Solon, zij die jaarlijks van hunne goederen 200-300 medimnen of
+metreten oogstten. Tot 458 konden zij alleen lagere ambten bekleeden,
+eerst toen werd ook het archontaat voor hen toegankelijk.
+
+Zeugitana, Zeugitane, het noordelijk gedeelte der rom. provincie
+Africa propria.
+
+Zeugma, Zeugma, stad in het Syrische distrikt Cyrrhestica, aan den
+Euphraat tegenover Apamea. Alexander de Gr. had op dit punt eene
+schipbrug over den stroom geslagen, waardoor Thapsacus (z. a.) als
+punt van overgang minder gebruikt werd. Aan de syrische zijde dezer
+brug stichtte Seleucus Nicator de stad Zeugma.
+
+Zeus, Zeus, Jupiter, zoon van Cronus en Rhea (Kronides, Kronion,
+Saturnius), de hoogste god der Grieken, beheerscher van het heelal. Van
+zijne oorspronkelijke beteekenis als natuurgod getuigden in lateren
+tijd nog de wijze, waarop hij te Dodona, op Creta, in Arcadië
+e. e. vereerd werd. Te Dodona bestond sedert zeer oude tijden een
+heiligdom van Zeus (Dodonaios, Pelasgikos), met een orakel, dat
+later wel door het delphische overvleugeld werd, maar toch steeds
+in hoog aanzien bleef; de god verkondigde daar zijn wil door het
+ruischen der bladeren van den heiligen eik, dat door zijne priesters,
+de Selli (z. a.), verklaard werd; zijn dienst was nauw verbonden met
+dien van Gaea, terwijl Dione (z. a.) zijne gemalin genoemd werd. Op
+Creta was de jonge Zeus volgens het verhaal geboren, voor zijn vader
+verborgen gehouden en door nimfen opgevoed, ook toonde men er zijn
+graf; ieder jaar werd daar zijn dood en opstanding, zinnebeelden van
+het jaarlijksche sterven en herleven der natuur, op orgiastische
+wijze gevierd, waarbij de Cureten wapendansen uitvoerden (z. Rhea
+Cybele). Hier, evenals in Arcadië, Boeotië en Thessalië werden hem in
+de oudste tijden menschenoffers gebracht. Maar sedert hij de regeering
+aan Cronus (z. a.) ontnomen en de Titanen (z. a.) overwonnen heeft,
+is hij de god, die de orde in natuur en maatschappij in stand
+houdt, hij troont op den top van den Olympus, die zich tot in de
+wolken verheft en beheerscht van daar de natuurverschijnselen;
+als hij de aegis zwaait (aigiochos), verwekt hij storm en onweder
+(nephelegereta, kelainephes, hypsibremetes, erigdoupos), de bliksem
+is zijn vreeselijk wapen (terpikeraunos, asteropetes), maar aan den
+anderen kant jaagt hij ook de wolken uiteen en geeft hij helder weder
+en gunstigen wind (aithrios, ourios), de Horen zijn zijne dochters en
+dienaressen. Onder de menschen staat alles wat voor de heerschappij
+van orde, wet en recht bevorderlijk kan zijn, onder zijne hoede; hij
+beschermt het huisgezin (herkeios, ephestios), het huwelijk (gamelios,
+teleios, zygios), den gast (xenios) en den hulpbehoevenden vreemdeling
+(hikesios), evenals de geheele burgerij (polieus, phratrios), en de
+vergaderingen, waarin zij over hare belangen beraadslaagt (agoraios,
+boulaios), hij straft ongerechtigheid (alastor), waakt tegen het
+schenden van den eed (horkios), kortom, hij is het die alle kwaad
+van den mensch afweert (soter, alexikakos); zelfs vergunt hij hem
+een blik in de toekomst te slaan en verkondigt hij hem zijn wil door
+orakels, natuurverschijnsels en wonderteekens (panomphaios). Zijne
+macht is grooter dan die van alle andere goden, en wanneer sommige
+van hen, zooals vooral zijne zuster en gemalin Hera, zich tegen hem
+trachten te verzetten, boeten zij dit met zware straffen. Alleen aan
+de beschikking der Moera is ook hij onderworpen, waar deze hem niet
+in den weg staat, is hij almachtig. Meer dan van eenig ander god is
+zijn dienst door geheel Griekenland verbreid (Hellenios, Panellenios),
+en het groote nationale feest te Olympia wordt ter eere van hem gevierd
+(Olympios, enagonios), bijna ieder deel van Griekenland had als heros
+een zoon van Zeus, vandaar de verhalen van zijne talrijke minnerijen
+met sterfelijke vrouwen (Semele, Io, Danaë, Leda, e. a.), en van de
+vele kinderen bij haar verwekt (Dionysus, Heracles, Perseus, Castor
+en Pollux, enz.). Bij Hera is hij vader van Ares, Hephaestus en Hebe,
+bij andere godinnen van Apollo, Artemis, Hermes, Persephone, Aphrodite,
+de Muzen, de Charites, de Horen en de Moeren; Pallas Athena is door
+hem alleen voortgebracht. De arend, de eik en de toppen der bergen
+zijn hem gewijd. Hij werd afgebeeld als eene krachtige, majestueuze
+gestalte, met vriendelijke trekken, vollen baard, dicht hoofdhaar,
+gewelfd voorhoofd en groote oogen. Bovenal beroemd was het door Phidias
+(z. a.) vervaardigde, tallooze malen nagevolgde, maar nooit geëvenaarde
+beeld van Zeus te Olympia.
+
+Zeuxidamus, Zeuxidamos, 1) kleinzoon en opvolger van den spartaanschen
+koning Theopompus (720).--2) vader van Archidamus II.
+
+Zeuxippus, Zeuxippos, Boeotiër, streed onder de Rom. tegen Philippus
+III van Macedonië. Hij werd uit zijn vaderland verbannen en in weerwil
+van de bemoeiingen der Rom. niet teruggeroepen.
+
+Zeuxis, Zeuxis, 1) veldheer van Antiochus d. G., na den oorlog tegen
+de Rom. als gezant naar Rome gezonden.--2) van Heraclea in Italië,
+een van de beroemdste grieksche schilders, leerling van Apollodorus
+(± 400). Hij muntte vooral uit in het schilderen van vrouwenbeelden,
+bovenal beroemd waren onder zijne werken eene Penelope en eene Helena,
+die in den tempel van Hera Lacinia opgehangen werd. Z. Parrhasius.
+
+Zipoetes, Zipoites, 1) bithynisch vorst (326-281), die ten tijde van
+Alexander den Gr. zijn gebied door de onderwerping van verscheiden
+grieksche koloniën uitbreidde, zich ook tegen Lysimachus en Seleucus
+staande hield en eindelijk (297) den titel van koning van Bithynië
+aannam.--2) zoon van den vorigen, trachtte de regeering aan zijn
+broeder, Nicomedes I, te ontrukken, maar werd overwonnen en gedood
+(277).
+
+Zoilus, Zoilos, grieksch rhetor van Amphipolis, in de vierde
+eeuw. Wegens zijne kleingeestige vitterijen op Homerus kreeg hij den
+bijnaam Homeromastix.
+
+Zone, Zone, kaap en stad op de Zuidkust van Thracia in het gebied
+der Cicones.
+
+Zopyrus, Zopyros, 1) zoon van Megabyzus, een voornaam Pers, diende in
+het leger van Darius Hystaspis, toen deze Babylon belegerde. Daar de
+stad niet genomen konde worden, verminkte Z. zich op gruwelijke wijze,
+liep toen, onder voorwendsel dat hij door Darius zoo mishandeld was,
+tot de Babyloniërs over, en nadat hij hierdoor het vertrouwen der
+inwoners gewonnen had en aan het hoofd van de troepen gesteld was,
+gaf hij de stad verraderlijk over. Darius beloonde hem door hem
+levenslang satraap van Babylon te maken, hij werd echter later
+bij een opstand gedood.--2) kleinzoon van den vorigen, nam deel
+aan de samenzwering van zijn vader Megabyzus (no. 2) en vluchtte
+naar Athene.--3) gelaatkundige, die beweerde dat volgens zijne
+wetenschap Socrates met verscheiden ondeugden behept moest zijn,
+wat deze volstrekt niet tegensprak.
+
+Zoroaster, Zoroastres, stichtte in zeer oude tijden den perzischen
+Ormuzdienst. Sedert de Grieken met zijne leer bekend werden, gold hij
+dikwijls als de eerste sterrenkundige, sterrenwichelaar en toovenaar.
+
+Zosimus, Zosimos, grieksch geschiedschrijver in de 2de helft der
+5de eeuw n. C., schreef eene geschiedenis van den rom. keizertijd,
+die niet zonder verdiensten is, maar ontsierd wordt door zijne
+partijdigheid tegen het Christendom en christelijk gezinde keizers.
+
+Zoster, Zoster = gordelkaap, op de Westkust van Attica, een uitlooper
+van den Hymettus, met altaren van Athena, Leto, Apollo, en Artemis.
+
+Zygia, bijnaam van Hera als godin van het huwelijk.
+
+
+
+
+
+
+MEEST VOORKOMENDE VERKORTINGEN.
+
+
+ VOORNAMEN.
+
+ A. Aulus.
+ Ap. of App. Appius.
+ C. Caius of Gaius.
+ Cn. Cnaeus of Gnaeus.
+ D. Decimus.
+ K. Kaeso.
+ L. Lucius.
+ M. Marcus.
+ M'. Manius.
+ N. of Num. Numerius.
+ P. Publius.
+ Q. Quintus.
+ S. of Sex. Sextus.
+ Ser. Servius.
+ Sp. Spurius.
+ T. Titus.
+ Ti. of Tib. Tiberius.
+
+
+Voor enkele andere, verouderde en buiten gebruik geraakte voornamen,
+als Agrippa, Postumus, Proculus, Opiter, Vopiscus, zijn geene
+afkortingen bekend.
+
+
+ TITELS.
+
+ Aed. Aedilis.
+ Cen. Censor.
+ Cos. Consul.
+ Cos. Des. Consul designatus.
+ Cos. II, III. Iterum, tertium consul.
+ D. Divus.
+ Dict. Dictator.
+ Eq. Rom. Eques Romanus.
+ Fl. D. Flamen Dialis.
+ Fl. M. Flamen Martialis.
+ Fl. Q. Flamen Quirinalis.
+ Imp. Imperator.
+ M. Eq. Magister equitum.
+ P. C. Patres conscripti.
+ Pr. Praetor.
+ Praef. Praefectus.
+ Proc. Proconsul.
+ P. M. of Pont. Max. Pontifex maximus.
+ Q. Quaestor.
+ Tr. pl. Tribunus plebis.
+
+
+ IN FORMULIEREN EN OPSCHRIFTEN.
+
+ A. Augustus.
+ A. Antiquo.
+ A. Absolvo.
+ A. D. Ante diem.
+ A. U. Anno Urbis.
+ B. Bonus, bene.
+ B. D. Bona Dea.
+ B. M. Bona mente of bona memoria.
+ B. M. P. Bene merenti posuit.
+ B. V. Bene vale.
+ C. Condemno.
+ D. D. Dono dedit.
+ D. D. A. Do, dico, addico.
+ D. D. D. Dat, dicat, dedicat.
+ D. M. Dis Manibus.
+ E. I. Q. Ex iure Quiritium.
+ F. Filius.
+ F. C. Faciendum curavit.
+ F. F. Fecerunt of fieri fecit.
+ F. M. Fecit monumentum.
+ H. F. Heres fecit.
+ I. O. M. Iovi optimo maximo.
+ N. L. Non liquet.
+ O. E. B. Q. Ossa eius bene quiescant.
+ Pop. Populus.
+ P. R. Populus Romanus.
+ P. P. Posuerunt of publice posuit.
+ P. S. Plebiscitum.
+ Q. B. F. F. S. Quod bonum felix faustum sit.
+ Q. D. E. R. F. P. D. E. R. I. C.
+ Quod de ea re fieri placet, de ea
+ re ita censuerunt.
+ R. P. Respublica.
+ S. Sacer.
+ S. Senatus.
+ S. P. Q. R. Senatus populusque Romanus.
+ S. C. Senatus consultum.
+ V. R. Uti rogas.
+
+
+ IN BRIEVEN.
+
+ S. Salutem.
+ S. D. Salutem dicit.
+ S. P. D. Salutem plurimam dicit.
+ S. T. V. B. E. E. V. Si tu vales, bene est, ego valeo.
+ S. T. E. Q. V. B. E. E. V. Si tu exercitusque valetis, bene est,
+ ego valeo.
+
+
+
+
+
+
+JULIAANSCHE KALENDER.
+
+
+D. = Dies.
+
+==+==============+===============+===============+==============+==============
+ | M. Martius. | M. Ianuarius. | M. Aprilis. | |
+ | ,, Maius. | ,, Augustus. | ,, Iunius. |M. Februarius.|M. Februarius.
+D.| ,, Iulius. | ,, December. | ,, September. |(gewoon jaar) |(schrikkeljaar)
+ | ,, October. | | ,, November. | |
+==+==============+===============+===============+==============+==============
+ 1|Kalendis. |Kalendis. |Kalendis. |Kalendis. |Kalendis.
+ 2|VI } |IV } (ante) |IV } (ante) |IV } (ante) |IV } (ante)
+ 3|V } (ante) |III} Nonas. |III} Nonas. |III} Nonas. |III} Nonas.
+ 4|IV } Nonas. |Pridie Nonas. |Pridie Nonas. |Pridie Nonas. |Pridie Nonas.
+ 5|III} |Nonis. |Nonis. |Nonis. |Nonis.
+ 6|Pridie Nonas. |VIII} |VIII} |VIII} |VIII}
+ 7|Nonis. |VII } |VII } |VII } |VII }
+ 8|VIII} |VI } (ante) |VI } (ante) |VI } (ante) |VI } (ante)
+ 9|VII } |V } Idus. |V } Idus. |V } Idus. |V } Idus.
+10|VI } (ante) |IV } |IV } |IV } |IV
+11|V } Idus. |III } |III } |III } |III
+12|IV } |Pridie Idus. |Pridie Idus. |Pridie Idus. |Pridie Idus.
+13|III } |Idibus. |Idibus. |Idibus. |Idibus.
+14|Pridie Idus. |XIX } |XVIII} |XVI } |XVI }
+15|Idibus. |XVIII} |XVII } |XV } |XV }
+16|XVII} |XVII } |XVI } |XIV } |XIV }
+17|XVI } |XVI } |XV } |XIII} |XIII}
+18|XV } |XV } |XIV } |XII } |XII }
+19|XIV } |XIV } |XIII } |XI } |XI }
+20|XIII} |XIII } |XII }(ante) |X }(ante) |X }(ante)
+21|XII } |XII }(ante) |XI }Kalendas.|IX }Kalendas.|IX }Kalendas.
+22|XI }(ante) |XI }Kalendas.|X } |VIII} |VIII}
+23|X }Kalendas.|X } |IX } |VII } |VII }
+24|IX } |IX } |VIII } |VI } |VI }
+25|VIII} |VIII } |VII } |V } |VI }
+26|VII } |VII } |VI } |IV } |V }
+27|VI } |VI } |V } |III } |IV }
+28|V } |V } |IV } |Pridie Kalen- |III }
+29|IV } |IV } |III } | das Martias. |Pridie Kalen-
+30|III } |III } |Pridie | | das Martias.
+31|Pridie |Pridie | Kalendas | |
+ | Kalendas | Kalendas |Maias, | |
+ |Apriles, |Februarias, |Iulias, | |
+ |Iunias, |Septembres, |Octobres, | |
+ |Augustas, |Ianuarias. |Decembres. | |
+ |Novembres. | | | |
+
+
+
+
+
+
+GRIEKSCHE FEESTKALENDER.
+
+
+Hecatombaeon.
+
+11-15 Olympia.
+12 Nemea.
+,, Cronia.
+16 Synoecia.
+24-28 Panathenaea.
+27-28 kleine Panathenaea.
+ Hecatombaea.
+ Isthmia.
+ Hyacinthia.
+ Gymnopaedia.
+
+
+Matagitnion.
+
+ 7 Carnea.
+ Metagitnia.
+
+
+Boëdromion.
+
+ 2 Eleutheria.
+ 5 Genesia.
+ 6 Marathonia.
+ 7 Boëdromia.
+12 Charisteria.
+13 Proërosia.
+15-23 groote Eleusinia.
+ Aglauria.
+
+
+Pyanepsion.
+
+ 6 Cybernesia (of in Munychion).
+ 7 Pyanepsia.
+,, Oschophoria.
+ 8 Thesea.
+ 9-13 (10-14) Thesmophoria.
+19-21 of 27-29 Apaturia.
+30 Chalcea (z. Hephaestus).
+
+
+Maemacterion.
+
+20 Maemacteria.
+
+
+Posideon.
+
+ kleine Dionysia.
+ Posidonia.
+
+
+Gamelion.
+
+ 8-11 (v. a. 12-15) Lenaea.
+12 Nemea.
+27 Gamelia.
+
+
+Anthesterion.
+
+ 1 Hydrophoria.
+11 Pithoegia. Anthesteria.
+12 Choës.
+13 Chytri.
+19-21 kleine Eleusinia.
+23 Diasia.
+
+
+Elaphebolion.
+
+ 8 Asclepia.
+ 8-13 groote Dionysia.
+14 Pandia.
+ Elaphebolia.
+
+
+Munychion.
+
+ 1 (?) Pythia.
+ 6 (7) Delphinia.
+16 Munychia.
+19 Diasia of Olympiea (?).
+ Adonia (v. a. in Thargelion).
+ Cybernesia (v. a. 6 Pyanepsion).
+ Isthmia (v. a. in Thargelion).
+
+
+Thargelion.
+
+ 6-7 Thargelia.
+ 7 Daphnephoria.
+19 Callynteria.
+19-20 Bendidea.
+25 Plynteria.
+ Apollonia of Delia, z. Delus.
+
+
+Scirophorion.
+
+12 Scirophoria.
+13 Arrhephoria.
+14 Diipolia.
+28 Heraclea.
+
+
+
+
+
+
+VOORNAAMSTE ROMEINSCHE VASTE FEEST- EN GEDENKDAGEN TEN TIJDE VAN
+AUGUSTUS.
+
+
+Januari.
+
+1. Kalendae. Solemnis votorum nuncupatio. Stichtingsfeest der tempels
+van Aesculapius op het Tibereiland en van Veiovis.
+
+5. Nonae.
+
+7. Octavianus aanvaardt voor de eerste maal het imperium (eo die
+primum Caesar fasces sumpsit), 43, in den mutinensischen oorlog.
+
+9. Agonium of Agonalia.
+
+11. Carmentalia, Iuturnalia. De tempel van Janus gesloten, 29.
+
+13. Idus.
+
+15. Carmentalia (2de dag).
+
+16. Octavianus krijgt den titel van Augustus, 26. Wijdingsdag van
+den Concordia-tempel.
+
+21-23. Ludi Palatini, ter eere van het huis van Augustus ingesteld.
+
+24. Lustratio pagorum.
+
+27. Wijding der aedes Castorum (z. Dioscuri), 6 na C.
+
+30. Wijding der ara Pacis, 9.
+
+De fasti van Ovidius geven als dies comitiales aan: 3, 4, 7, 8, 12,
+16, 28 en 31 Jan.
+
+
+
+Februari.
+
+1. Kalendae. Wijding van den tempel van Juno Sospita aan het forum
+holitorium.
+
+2. Amburbium.
+
+5. Nonae. Augustus krijgt den titel van pater patriae, 2. Wijding
+van den Concordia-tempel op de arx.
+
+13. Idus. Faunalia (lentefeest van Faunus). Wijding van den
+Faunustempel op het Tibereiland.
+
+13-21. Dies Parentales.
+
+15. Lupercalia.
+
+17. Quirinalia. Stultorum feriae.
+
+21. Feralia (laatste der dies parentales).
+
+23. Terminalia.
+
+24. Regifugium.
+
+27. Equirria.
+
+Dies comitiales: 18-20, 22, 25 en 28 Febr.
+
+
+
+Maart.
+
+1. Kalendae. Matronalia. Begin van den rondgang der Salii. De
+Vestatempel wordt met nieuw lauriergroen getooid en het vuur vernieuwd.
+
+6. Augustus wordt pontifex maximus, 12.
+
+7. Nonae.
+
+14. Equirria.
+
+15. Idus. Feest van Anna Perenna.
+
+16, 17. Rondgang en offers bij de Argei.
+
+17. Agonium. Liberalia.
+
+19. Wijding van den Minervatempel op den Aventinus.
+
+19-23. Quinquatrus.
+
+22-27. Feesten ter eere der Magna Mater en van Atys.
+
+23. Tubilustrium (laatste dag der Quinquatrus).
+
+24. Q. Rex C. F. Zie Regifugium.
+
+25. Hilaria (vreugdefeest over Atys).
+
+27. Lavatio, slot der feriae Magnae Matris.
+
+Dies comitiales: 3-5, 9-12, 18, 20, 21, 25, 26, 28-31 Maart.
+
+
+
+April.
+
+1. Kalendae. Vrouwenfeest ter eere der Fortuna civilis.
+
+4-10. Megalesia.
+
+5. Nonae, stichting van den tempel der Fortuna publica op den
+Quirinalis.
+
+10. Wijding van den tempel der Magna Mater.
+
+12-19. Ludi Cereris (Cerealia).
+
+13. Idus. Wijding van het Atrium Libertatis en van den tempel van
+Jupiter Victor.
+
+15. Fordicidia.
+
+16. Octavianus neemt den blijvenden titel van imperator aan, 29.
+
+21. Palilia of Parilia.
+
+23. Vinalia.
+
+25. Robigalia.
+
+28. Begin der Floralia (tot 3 Mei). Stichtingsdag van den Vestatempel
+op den Palatinus, 12.
+
+Dies comitiales: 3, 4, 24, 27, 29 en 30 April.
+
+
+
+Mei.
+
+1. Kalendae. Laralia. Wijdingsdag van het altaar der Lares praestites
+en van den tempel der Bona Dea.
+
+1-3. Laatste dagen der Floralia.
+
+7. Nonae.
+
+9, 11, 13. Lemuria.
+
+12. Ludi Martis in circo. Wijdingsdag van den tempel van Mars Ultor
+in Capitolio.
+
+15. Idus. Offer bij de Argei. Dies Mercurii et Maiae.
+
+21. Agonalia.
+
+23. Tubilustrium.
+
+24. Q. Rex C. F. Zie Regifugium.
+
+25. Wijdingsdag van den tempel der Fortuna primigenia op den
+Quirinalis.
+
+29. Ludi Honoris et Virtutis. Dies comitiales: 3-6, 10, 14, 17-20,
+25-31 Mei.
+
+
+
+Juni.
+
+1. Kalendae. Geboortefeest van Juno Moneta. Dies Carnae (daar aan
+Carna boonenbrij werd geofferd, werd 1 Juni ook wel Kalendae Fabariae
+genoemd). Wijding van den Marstempel bij de porta Capena en van het
+delubrum Tempestatis.
+
+3. Wijding van den Bellonatempel in de regio Circus Flaminius.
+
+4. Wijding van den tempel van Hercules Magnus Custos in de regio
+Circus Flaminius.
+
+5. Nonae. Wijding van den tempel van Dius Fidius op den Quirinalis.
+
+7. Ludi Piscatorii.
+
+8. Wijding van den tempel van Mens op het Capitool.
+
+9. Vestalia.
+
+11. Matralia (ter eere van Matuta). Wijding van den door Servius
+Tullius gestichten Fortuna-tempel en van den Concordia-tempel bij de
+porticus Liviae.
+
+13. Idus. Quinquatrus minusculae (met gemaskerde optochten der
+tibicines). Wijding van den tempel van Jupiter Invictus.
+
+15. Q. S. D. F. (quando stercus delatum fas), reiniging van den
+Vesta-tempel. Eerst wanneer het vuil uit den tempel naar eene bepaalde
+plaats was weggebracht, werd de dag fastus.
+
+19. Wijding van den Minervatempel op den Aventinus.
+
+20. Wijding van den Summanustempel bij den Circus maximus.
+
+23. Dies ater (slag bij het trasimeensche meer, 217).
+
+24. Feestdag der Fors Fortuna. Wijding van haar tempel.
+
+27. Wijding van den tempel der Lares aan het bovengedeelte der Sacra
+via en van den tempel van Jupiter Stator.
+
+29. Wijding van den Quirinus-tempel.
+
+30. Wijding van den tempel van Hercules en de Muzen. Dies comitiales:
+3, 4, 16-28 en 30 Juni.
+
+
+
+Juli.
+
+1. Kalendae. Wijding van den door Caesar gestichten tempel der
+Felicitas op het Capitolium.
+
+4. Wijding der ara Pacis, 13.
+
+5. Poplifugia, ter gedachtenis, zooals men later meende, aan eene
+nederlaag en vlucht in ouden tijd. Zie 8 Juli. De werkelijke beteekenis
+van het feest is niet bekend.
+
+6-13. Ludi Apollinares.
+
+7. Nonae. Offer bij het altaar van Consus. Nonae Caprotinae.
+
+8. Vitulatio, offer van een vitulus ter herinnering aan eene
+overwinning, die op de Poplifugia was gevolgd. Zie 5 Juli.
+
+12. Geboortedag van C. Iulius Caesar, 100.
+
+14-19. Mercatus, jaarmarkt.
+
+15. Idus. Transvectio equitum voor den tempel van Castor en Pollux.
+
+18. Dies ater (slag aan den Allia, 390).
+
+20-30. Ludi victoriae Caesaris, door Caesar vóór den slag bij Pharsalus
+(48) aan Venus Genetrix beloofd en in 44 ingesteld.
+
+23. Neptunalia.
+
+25. Furrinalia.
+
+Dies comitiales: 10-14, 17, 18, 20, 22, 26, 31.
+
+
+
+Augustus.
+
+1. Kalendae.
+
+5. Nonae. Stichtingsdag van den tempel der Salus op den Quirinalis.
+
+9. Offer aan Sol Indiges op den Quirinalis.
+
+13. Idus. Feest van Diana op den Aventinus, een feestdag voor de
+slaven.
+
+17. Portunalia.
+
+19. Vinalia rustica.
+
+21. Consualia.
+
+23. Vulcanalia.
+
+24. Mundus patet.
+
+25. Opiconsivia, feest van Ops Consiva.
+
+27. Volturnalia.
+
+28. Wijding der ara Victoriae in de curia.
+
+Dies comitiales: 3, 4, 7, 8, 10-12, 15, 16, 18, 20, 24, 26, 28, 31.
+
+
+
+September.
+
+1. Kalendae. Wijding van den door Augustus gestichten tempel van
+Jupiter Tonans.
+
+2. Slag bij Actium, 31.
+
+4-19. Ludi Romani.
+
+5. Nonae.
+
+13. Idus. Inslaan van den gouden jaarspijker. Epulum Jovis. Ceresfeest.
+
+17. Consecratio van Augustus.
+
+20. Geboortedag van Romulus.
+
+20-23. Mercatus, jaarmarkt.
+
+23. Augustus geboren, 63.
+
+Dies comitiales: 4, 7-11, 15-22, 24-28, 30.
+
+
+
+October.
+
+1. Kalendae. Offer aan de Fides populi Romani op het Capitool.
+
+3-12. Augustalia, ludi Divo Augusto et Fortunae Reduci.
+
+4. Ieiunium Cereris.
+
+5. Mundus patet.
+
+6. Dies ater (nederlaag van Q. Servilius Caepio tegen de Cimbren, 105).
+
+7. Nonae.
+
+9. Wijding van den Apollotempel door Augustus gesticht.
+
+Offer aan Genius Publicus, Fausta Felicitas en Venus Victrix op
+het Capitool.
+
+13. Fontinalia, bronnenfeest met bloemoffers aan de bronnen.
+
+15. Idus. Ludi Capitolini, ter eere van Jupiter Capitolinus.
+
+18. Augustus neemt de toga virilis aan, 48.
+
+19. Armilustrium.
+
+26-1 Nov. Ludi Victoriae Sullae (vóór de porta Collina, 82).
+
+Dies comitiales; 3-6, 9, 10, 12, 17, 18, 20-31.
+
+
+
+November.
+
+1. Kalendae. Voornaamste dag der ludi Victoriae.
+
+4-17. Ludi plebeii, misschien reeds ingesteld na de tweede secessio
+plebis, 449.
+
+5. Nonae.
+
+8. Mundus patet.
+
+13. Idus. Epulum Jovis.
+
+18-20. Mercatus, jaarmarkt.
+
+Dies comitiales: 3, 4, 7-12, 15-28, 30.
+
+
+
+December.
+
+1. Kalendae.
+
+3. Offer aan de Bona Dea. Het feest hoort tot de feriae conceptivae,
+zoodat de dag niet vaststaat. Zie Bona dea.
+
+5. Nonae. Faunalia.
+
+8. Offer aan den Deus Tiberinus op het Tibereiland.
+
+11. Agonalia.
+
+12. Offer aan Consus op den Aventinus.
+
+13. Idus.
+
+15. Consualia.
+
+17. Begin der Saturnalia. Vóór de invoering der juliaansche
+tijdrekening duurde dit feest officieel slechts één dag, en viel op
+19 Dec. In 46 werd het op drie dagen gesteld, 17-19 Dec., waarop dan
+21-22 Dec. de Sigillaria volgden. Doch privatim had men reeds vroeg
+het feest tot een zevendaagschen feesttijd uitgebreid, 17-23 Dec.,
+zoodat de Sigillaria bij de Saturnalia als het ware werden ingelijfd.
+
+22. Feestdag der Lares permarini.
+
+23. Larentalia.
+
+25. Geboortefeest van Sol Invictus.
+
+Dies Comitiales: 4, 7-10, 16, 18, 20, 22, 24-27, 30, 31.
+
+
+
+
+
+
+LIJST DER ARTIKELS WAARBIJ EENE OF MEER AFBEELDINGEN ZIJN GEVOEGD.
+
+
+ Amphiprostylus. Fasces.
+ Amphitheatrum 3. Gigantes.
+ Amphora. Gladiatores.
+ Ancile. Gymnasium.
+ Anguis. Hera.
+ Antae. Heracles.
+ Aphrodite. Hermes 2.
+ Apollo. Hestia.
+ Ara. Hippodromus.
+ Arcus 2. Ianus.
+ Ares. Isis.
+ Ariadne. Iugum.
+ Artemis. Labarum.
+ Athena. Laocoön.
+ Athenae 4. Legio.
+ Atrium 2. Lyra.
+ Auguria. Macellum.
+ Aurelianus. Mausoleum.
+ Auriga. Mycenae.
+ Balneum. Niobe.
+ Balteus. Oikia 2.
+ Basterna. Pallium.
+ Buccina. Pantheon.
+ Caduceus. Persona.
+ Caestus. Pilum.
+ Calceus 2. Poseidon.
+ Castra 2. Scutum.
+ Catillum. Signum.
+ Cella. Silenus.
+ Centauri. Sistrum.
+ Cera 2. Strigilis.
+ Chlamys. Templum 3.
+ Circus 2. Theatrum 2.
+ Cohors. Thermae.
+ Columbarium. Tibia 2.
+ Columna 5. Triclinium 2.
+ Corona 3. Triumphus 2.
+ Crater. Tropaeum.
+ Crepida 2. Vestalis.
+ Demeter. Villa.
+ Dionysus 2. Vineae.
+ Diskobolia. Zeus.
+ Domus 2.
+
+
+
+
+
+
+AANVULLINGEN EN VERBETERINGEN.
+
+
+Aemilii, in te voegen tusschen no. 8 en 9: 8a) M. Aemilius Paulus,
+consul in 255 met Ser. Fulvius Paetinus Nobilior (Fulvii no. 10) z. a.
+
+Agones, 12de regel: altha lees: athla.
+
+Agrariae (leges), bl. 28, kolom 2: Lex Plautia of Plotia agraria,
+van onbekenden datum, moet zijn: van den volkstribuun M. Plautius
+Silvanus, van 89.
+
+Antonii no. 13, regel 5: (52-60 n. C.) moet zijn: (52-59 n. C.),
+en in den volgenden regel: In 58 liet hij, lees: in 57.
+
+Aretas, aan het einde. De ethnarches van Aretas is naar alle
+waarschijnlijkheid geen stadhouder geweest, maar een arabisch
+nomadenhoofdman of scheich.
+
+Arrius (Q.). Bijvoegen achter: zijne verkiezing tot consul: Hij wordt
+door Catullus bespot om zijn slechte uitspraak van het Latijn.
+
+Asinii. Achter 1) bijvoegen: Een broer van hem wordt door Catullus
+om zijn kleptomanie gehekeld.
+
+Calvisii. Bijvoegen: 3) Calvisius Sabinus, vrijgelatene ten tijde
+van Seneca, rijk parvenu, die servi litterati hield, opdat hij met
+hun geleerdheid bij gastmalen zou kunnen pronken.
+
+Nieuw artikel na Groma:
+
+Grosphus, z. Pompeii no. 16.
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK WOORDENBOEK DER GRIEKSCHE EN ROMEINSCHE OUDHEID ***
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions will
+be renamed.
+
+Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
+law means that no one owns a United States copyright in these works,
+so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
+United States without permission and without paying copyright
+royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
+of this license, apply to copying and distributing Project
+Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
+concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
+and may not be used if you charge for an eBook, except by following
+the terms of the trademark license, including paying royalties for use
+of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
+copies of this eBook, complying with the trademark license is very
+easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
+of derivative works, reports, performances and research. Project
+Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
+do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
+by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
+license, especially commercial redistribution.
+
+START: FULL LICENSE
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
+Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
+www.gutenberg.org/license.
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
+Gutenberg-tm electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or
+destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
+possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
+Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
+by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
+person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
+1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
+agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
+electronic works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
+Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
+of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
+works in the collection are in the public domain in the United
+States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
+United States and you are located in the United States, we do not
+claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
+displaying or creating derivative works based on the work as long as
+all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
+that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
+free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
+works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
+Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
+comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
+same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
+you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
+in a constant state of change. If you are outside the United States,
+check the laws of your country in addition to the terms of this
+agreement before downloading, copying, displaying, performing,
+distributing or creating derivative works based on this work or any
+other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
+representations concerning the copyright status of any work in any
+country other than the United States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
+immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
+prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
+on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
+phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
+performed, viewed, copied or distributed:
+
+ This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+ most other parts of the world at no cost and with almost no
+ restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
+ under the terms of the Project Gutenberg License included with this
+ eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
+ United States, you will have to check the laws of the country where
+ you are located before using this eBook.
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
+derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
+contain a notice indicating that it is posted with permission of the
+copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
+the United States without paying any fees or charges. If you are
+redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
+Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
+either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
+obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
+trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
+additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
+will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
+posted with the permission of the copyright holder found at the
+beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
+any word processing or hypertext form. However, if you provide access
+to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
+other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
+version posted on the official Project Gutenberg-tm website
+(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
+to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
+of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
+Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
+full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
+provided that:
+
+* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
+ to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
+ agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
+ within 60 days following each date on which you prepare (or are
+ legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
+ payments should be clearly marked as such and sent to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
+ Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
+ Literary Archive Foundation."
+
+* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or destroy all
+ copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
+ all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
+ works.
+
+* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
+ any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
+ receipt of the work.
+
+* You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
+Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
+are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
+from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
+the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
+forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
+Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
+electronic works, and the medium on which they may be stored, may
+contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
+or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
+intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
+other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
+cannot be read by your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium
+with your written explanation. The person or entity that provided you
+with the defective work may elect to provide a replacement copy in
+lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
+or entity providing it to you may choose to give you a second
+opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
+the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
+without further opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
+OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
+LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of
+damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
+violates the law of the state applicable to this agreement, the
+agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
+limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
+unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
+remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
+accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
+production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
+electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
+including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
+the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
+or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
+additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
+Defect you cause.
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of
+computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
+exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
+from people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
+generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
+Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
+www.gutenberg.org
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
+U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
+Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
+to date contact information can be found at the Foundation's website
+and official page at www.gutenberg.org/contact
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
+widespread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
+DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
+state visit www.gutenberg.org/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations. To
+donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
+Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
+freely shared with anyone. For forty years, he produced and
+distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
+volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
+the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
+necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
+edition.
+
+Most people start at our website which has the main PG search
+facility: www.gutenberg.org
+
+This website includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+