diff options
Diffstat (limited to '34955-0.txt')
| -rw-r--r-- | 34955-0.txt | 67537 |
1 files changed, 67537 insertions, 0 deletions
diff --git a/34955-0.txt b/34955-0.txt new file mode 100644 index 0000000..5f246ef --- /dev/null +++ b/34955-0.txt @@ -0,0 +1,67537 @@ +The Project Gutenberg eBook of Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid, by Dr. J. G. Schlimmer and Dr. Z. C. de Boer + +This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and +most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions +whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms +of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at +www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you +will have to check the laws of the country where you are located before +using this eBook. + +Title: Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid + +Author: Dr. J. G. Schlimmer + Dr. Z. C. de Boer + +Release Date: January 15, 2011 [eBook #34955] +[Most recently updated: August 26, 2021] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK WOORDENBOEK DER GRIEKSCHE EN ROMEINSCHE OUDHEID *** + + + + + WOORDENBOEK DER GRIEKSCHE EN ROMEINSCHE OUDHEID + + Door + Dr. J. G. Schlimmer en Dr. Z. C. de Boer. + + + Tweede Druk + + Herzien door + Dr. Z. C. de Boer en Dr. C. G. Th. W. Koch. + + + Derde Druk + + Herzien door + Dr. C. G. Th. W. Koch, + Conrector van het gymnasium te Tiel. + + + Met houtgravures tusschen den tekst. + + + Haarlem, + De Erven F. Bohn. + 1920. + + + + + + +VOORBERICHT VOOR DEN EERSTEN DRUK. + + +In den zomer van het jaar 1887 wendden De Erven F. Bohn zich tot mij +met de vraag, of ik de bewerking op mij wilde nemen van een nieuw +zoogenaamd klassisch woordenboek, meer in het bijzonder bestemd +voor leerlingen aan de nederlandsche gymnasiën, van minderen +omvang en lageren prijs dan het bekende werk van Lübker en ook +dan de nederlandsche bewerking daarvan door wijlen Mr. J. D. van +Hoëvell, omstreeks 30 jaar geleden bij den heer Braat te Dordrecht +verschenen. Alleen durfde ik echter deze taak niet op mij te nemen +en ik verzekerde mij dus van de hulp van mijn ambtgenoot Dr. Z. C. de +Boer, die zich bereid verklaarde den arbeid met mij te deelen. + + + J. G. Schlimmer. + + +Waaraan dit woordenboek zijn ontstaan verschuldigd is, is in +bovenstaande regelen medegedeeld. Er blijft nog over, rekenschap te +geven van de bewerking. Het boek was in de eerste plaats bestemd voor +de gymnasiën, doch het belang van de uitgevers bracht mede, dat het +debiet niet uitsluitend daartoe wordt beperkt, maar dat het boek ook +geschikt zou wezen voor beoefenaars der klassieke letterkunde en der +oude geschiedenis, ook buiten het gymnasiaal onderwijs staande. Met +het oog op het hoofddoel kwam het ons voor, dat wij zooveel mogelijk +lange monografieën moesten vermijden en wel in het oog moesten houden, +met welk doel een gymnasiast een artikel zou opslaan. Wanneer hij +b.v. den naam van een land opzocht--zoo meenden wij--dan zou dit niet +wezen om er eene uitvoerige aardrijkskundige beschrijving in te vinden, +met opgaaf van bergen, rivieren, steden, enz. Toen eenmaal het plan +van bewerking was vastgesteld, moest de arbeid worden verdeeld. De +eerste ondergeteekende nam datgene voor zijne rekening, wat tot Italië +behoorde of zich daarbij aansloot, om het zoo eens uit te drukken, +het rom. gedeelte, benevens de geheele geografie der oude wereld, +terwijl de tweede ondergeteekende zich met het grieksche gedeelte en +de geheele mythologie en godenleer belastte. De lijst der op te nemen +artikels werd telkens door ons gemeenschappelijk opgemaakt en daarbij +werd met zorg overwogen, of naar onze meening te verwachten was, dat de +leerling dit of dat woord in ons woordenboek zou opzoeken. Wij meenden +verder, ons te moeten beperken tot het gebied der oude geschiedenis +en niet op dat der middeleeuwen te moeten treden. + +Een ander punt van ernstige overweging was de spelling der grieksche +namen, wanneer zij met latijnsche letter worden geschreven. Al ras +bleek het, dat een dubbel stelsel--n.l. voor latijnsche en grieksche +woorden afzonderlijk--met het oog op de alphabetische volgorde niet +houdbaar was, al ware het alleen reeds hierom, dat de volgorde van +het alphabet in beide talen niet dezelfde is. Het gevolg zou slechts +verwarring en last voor de gebruikers zijn geweest. Zoo kwamen wij +tot het besluit, in alles de latijnsche spelling te volgen. Nu was +het echter consequent, ook de latijnsche volgorde der letters in acht +te nemen. Dientengevolge [1] staan ook de woorden, die met grieksche +letters geschreven zijn, dáár waar zij naar het latijnsche alphabet +behooren te staan. Zoo staat b.v. Autonomia tusschen Autonoë en +Autonoüs, Eukleia tusschen Euïus en Eulaeus, doch nu moest, om geen +verwarring te stichten, overal de y op ééne lijn gesteld worden met +u, ten minste in de grieksche woorden, die geen eigennamen zijn en +daarom in grieksche letters zijn gespeld. Zoo staat b.v. symmoriai +na Summanus en niet na Symmachus. Woorden, die met een geaspireerden +klinker beginnen, vindt men onder H. Een ander gevolg van deze regeling +is geweest, dat wij zooveel mogelijk de latijnsche uitgangen hebben +verkozen en men b.v. niet Delos moet opzoeken, maar Delus. Moge ook +deze of gene hiertegen bezwaren koesteren, het gemak der gebruikers +stond op den voorgrond. + +Thans nog enkele opmerkingen [2]. De romeinsche wetten, voorzoover +zij zijn opgenomen, staan niet vermeld onder een algemeen artikel +lex, maar naar haren naam. Zoo moet b.v. eene lex Aemilia onder +Aemilia (lex) gezocht worden. De romeinsche familiën staan, althans +wat den tijd der republiek betreft, zooveel mogelijk naar gentes +gerangschikt. Voor den keizertijd was dit om zeer begrijpelijke +redenen niet vol te houden. De keizers vindt men geboekt onder den +naam, waaronder zij in de geschiedenis gewoonlijk voorkomen. Niet +alle eigennamen, welke bij oude schrijvers voorkomen, worden in dit +woordenboek aangetroffen. Namen, die slechts op eene enkele plaats +voorkomen en waarvan niets anders te vermelden was dan wat op die +plaats wordt gevonden, hebben wij in den regel als onnutten ballast +beschouwd, tenzij vermelding noodig scheen om verwarring met anderen +te voorkomen. Wat het geografische gedeelte aangaat, hebben wij ons +tot het, in ons oog, noodzakelijke beperkt. Wie b.v. Sequana opzoekt, +dien zal het wel voldoende zijn, te weten dat dit de Seine is, +en hij zal niet vragen, waar deze ontspringt en welke rivieren zij +opneemt. Als men vindt, dat Abnoba mons het tegenwoordig Schwarzwald, +of dat Baetis de oude naam is van den Guadalquivir, dan zal zulks +voor den gebruiker van dit woordenboek wel voldoende wezen. Bij de +stedennamen is er naar gestreefd, zoodanige aanwijzing te geven, +dat het opzoeken op de kaart gemakkelijk werd gemaakt. Ook moest er +eenige rekening worden gehouden met hetgeen op de gymnasia al of niet +gelezen wordt, en zoo wij b.v. Pausanias en Plinius veronachtzaamd +hebben, dan zal men ons toch moeten toestemmen, dat hieraan weinig +is gelegen, daar men bij het lezen van zulke schrijvers vanzelf weet +in welken hoek der wereld men zich bevindt. Nu en dan is naast den +ouden ook de tegenwoordige naam vermeld, wanneer b.v. deze laatste een +algemeen bekende naam is of waar de naam van een volk nog voortleeft +in dien van hunne vroegere hoofdstad. + +En hiermede--habeat sua fata libellus. + + +Tiel, Juni 1890. J. G. S. + Z. C. de B. + + +[1] Een voorbericht wordt zeer dikwijls niet gelezen. Toch zal het +bij het opzoeken van een woord dikwerf moeite besparen, wanneer men +althans van deze mededeeling nota neemt. + +[2] Ook van belang voor den gebruiker. + + + + + + +VOORBERICHT VOOR DEN TWEEDEN DRUK. + + +Hoewel wij in deze tweede uitgave, waarbij de tweede ondergeteekende +dat deel voor zijne rekening heeft genomen, dat in den eersten druk +door den heer Schlimmer is bewerkt, zooveel mogelijk getrouw zijn +gebleven aan het hierboven uiteengezette werkplan, konden toch +de resultaten van het wetenschappelijk werk van twintig jaren +niet zonder invloed blijven op de behandeling van verscheiden +artikelen. Gewijzigde opvattingen omtrent oude geschiedenis, +rom. eeredienst, antiquiteiten, enz. moesten, voor zoover zij door +ons gedeeld werden, ook hier uitdrukking vinden, zoude het boek op +de hoogte van zijn tijd blijven, en ook onder de meeningen, die wij +niet als met zekerheid juist durfden aannemen, waren er niet weinige +die ons in ieder geval vermelding waard schenen. Bovendien is het +geografisch gedeelte in vele gevallen uitgebreid door uitvoeriger +aanwijzingen, om het zoeken op de kaart gemakkelijker te maken, en +met hetzelfde doel is een aantal minder bekende plaatsen opgenomen, +die in de eerste uitgave niet vermeld waren. + +Andere wijzigingen dienen tot het verbeteren van onjuistheden, bij het +gebruik opgemerkt, of danken hun ontstaan aan opmerkingen van anderen, +die wij ons dankbaar hebben trachten ten nutte te maken. Zoo is het +art. acies, dat in den eersten druk weggelaten was, nu wèl opgenomen, +de leges agrariae tot één art. vereenigd, enz. Het een en ander, +waarbij nog komt de toevoeging van een aantal nieuwe afbeeldingen, +heeft de uitbreiding van het werk met een viertal vellen druks ten +gevolge gehad. + +Lange klinkers zijn alleen in de voorlaatste lettergreep van meer- +dan tweelettergrepige woorden van een teeken voorzien, korte op enkele +bizondere gevallen na in het geheel niet; dit scheen ons voldoende +om de juiste uitspraak, vooral van eigennamen, aan te geven. + +Wat hierboven over het volgen van de latijnsche spelling gezegd is, +bracht onzes inziens mede dat geen trema geplaatst werd op een klinker, +die met den voorgaanden klinker in het Latijn geen tweeklank kan +vormen, dus niet meer Nausicaä, Antinoüs e. dgl. Eu moet in grieksche +eigennamen als een tweeklank gelezen worden, behalve natuurlijk +wanneer het tegendeel blijkt, in latijnsche woorden niet; zoo zijn +bijv. Erechtheus, Creusa en balneum, alle van drie lettergrepen. + +Mogen de aangebrachte veranderingen blijken verbeteringen te zijn! + + +Tiel, September 1910. Z. C. de B. + C. G. Th. W. K. + + + + + + +VOORBERICHT VOOR DEN DERDEN DRUK. + + +Terwijl er tusschen het verschijnen van den eersten en den tweeden +druk twintig jaren verloopen zijn, volgt deze derde druk reeds na ruim +negen jaren. Het spreekt dan ook bijna van zelf, dat deze druk veel +minder afwijkt van den vorigen, dan de tweede van den eersten, daar +in de laatste vijf jaren het wetenschappelijk onderzoek vrij wel stil +gestaan heeft. Wegens het overlijden van mijn betreurden ambtgenoot +Dr. Z. C. de Boer, heb ik ook het Grieksche gedeelte van het werk +op mij genomen. Zijn werk echter bleek bij nauwkeurig onderzoek zoo +verdienstelijk in elkaar te zitten, dat in dat gedeelte slechts weinig +veranderingen, voornamelijk op het gebied der literatuurgeschiedenis, +behoefden aangebracht te worden. Waar dit niet het geval was, +heb ik bij de belangrijkste Grieksche schrijvers de voornaamste +werken opgesomd, met bijvoeging zoo mogelijk van het jaar van +verschijning. Verder heb ik nieuw opgenomen al wat de praktijk van +het lesgeven mij als leemte had doen gevoelen: het werk behoort in +hoofdzaak voor schoolgebruik bestemd te blijven, al maken ook, naar +mij gebleken is, vele studenten en jongere collega's er gebruik van. + +Van nieuwigheden noem ik behalve taxis, dat de vorige maal uitgevallen +was, o. a. eranos, agones en ludi; verder woorden als koine, +Hellenismus, proselytoi; ook een klein artikel over Paulus--de +Romeinsch-Grieksche cultuur der 1ste eeuw n. C. is zonder hem +niet te begrijpen--en in verband hiermede, eene bijvoeging onder +Galatia.--Verder heb ik de voornaamste Attische vazenschilders en +fabrikanten opgenomen; ze komen zoo vaak bij het onderwijs te pas, dat +een aanwijzing van den tijd, waarin ze thuis hooren, niet ongewenscht +leek. Van één dezer kunstenaars, Brygus, wist ik het accent niet--de +naam schijnt later niet meer voor te komen, en in zijn dagen schreef +men geen accenten; ik heb er dus maar wat van gemaakt. + +Nieuwe houtgravures zijn ditmaal niet opgenomen, ééne, afschuwelijke, +Equuleus, die bovendien onjuist was, heb ik weggelaten. + +Ten slotte is het mij een behoefte dank te zeggen aan de Bestuurders +der Buma- en der Leidsche Bibliotheek, zonder wier liberaliteit +in het uitleenen een dergelijk werk moeilijk had kunnen tot stand +gebracht worden. + +Moge het werk ook ditmaal zijn weg vinden. + + +Tiel, Maart 1920. C. G. Th. W. K. + + + + + + +VERKORTINGEN IN DEN TEKST. + + + v. s. = volgens sommigen. + v. a. = volgens anderen. + e. a. = en andere(n). + e. e. = en elders. + d. Gr. = de Groote. + rom., Rom. = romeinsch, Romeinen. + + +Waar niet bepaald het tegendeel blijkt, zijn de jaren gerekend vóór C. + + + + + + +A. + + +Abacus, abax, abakion, 1) Soort van rekenbord of telraam.--2) +Vierkant bord, met zand bestrooid, voor het teekenen van wiskunstige +figuren.--3) Soort van speeltafel of speelbord.--4) Pronktafel of +buffet, meest vierkant, zelden rond, meestal zeer kostbaar van blad +en pooten. Men bezigde hiertoe marmer, soms ook zilver, of wel zeer +kostbare houtsoorten.--5) Marmeren paneelplaat aan de muren, ook wel +de bonte vakken in een vloer van mozaïekwerk.--6) Dekplaat eener zuil +(zie Columna). + +Abae, Abai, zeer oude stad der Abanten in Phocis, op de grenzen van +Boeotië, met een tempel en een orakel van Apollo. + +Abalus, een Noordzee-eiland, waar veel barnsteen gewonnen werd, +waarschijnlijk Burchana (Borkum), zie verder Glaesariae insulae. + +Abantes, Abantes, oud-grieksche volksstam, de oudste bewoners van +Euboea. Nog vroeger hadden zij in Phocis gewoond en daar de stad +Abae gesticht. + +Abantiades, Abantiades, Acrisius, Perseus, e. a. afstammelingen +van Abas. + +Abantias, Abantias, -tis, 1) vrouwelijke afstammeling van Abas, +bijv. Danaë.--2) Euboea, oude woonplaats der Abanten. + +Abaris, Abaris, priester van Apollo bij de Hyperboreërs of Scythen, +van wien vele wonderen verteld worden, bijv. dat hij van Apollo +een gouden pijl had gekregen, waarop hij door de lucht reed, dat +hij zonder voedsel leefde, de toekomst voorspelde, ziekten genas, +enz. Hij leefde v. s. in de 8ste, v. a. in de 6de eeuw. + +Abas, Abas, 1) zoon van Lynceus en Hypermnestra, koning van Argos. Hij +was in het bezit van het schild van zijn grootvader, Danaüs, waarvan +het gezicht een oproerig volk tot bedaren kon brengen. V. s. is +hij de stichter van Abae, v. a. is dit een naamgenoot van hem, zoon +van Poseidon en Arethusa. Hij was de vader van Acrisius.--2) zoon +van Metanira, die Demeter bespotte, toen zij met gretigheid dronk, +en daarom door de godin in een hagedis werd veranderd. + +Abdalonymus, afstammeling van de oude koningen van Sidon, die in +groote armoede leefde, totdat Alexander hem in de waardigheid zijner +voorouders herstelde en zijn gebied zelfs vergrootte. + +Abdera, ta Abdera, stad op de thracische kust aan den mond van +den Nestus, eene volkplanting van Clazomenae, doch vervolgens +door de Thraciërs verwoest (653), en ruim een eeuw later (545) +door inwoners van Teos, die zich niet aan Cyrus onderwerpen wilden, +weder opgebouwd en bevolkt. Abdera had in de perzische oorlogen zware +offers aan de legermacht van Xerxes te brengen, doch kwam daarna, +als lid van den delisch-attischen bond, tot grooten bloei. In de 4de +eeuw verloor de stad haar beteekenis tengevolge van een ongelukkigen +strijd tegen de Triballers, een thracischen stam aan de Donau, die in +376 plunderend het eigenlijke Thracië binnenviel, en de Abderieten +versloeg. In den oorlog der Romeinen tegen Perseus werd Abdera door +den praetor L. Hortensius stormenderhand ingenomen en geplunderd +(170), en werden de inwoners omgebracht of als slaven verkocht, omdat +zij aan de hebzucht van den romeinschen veldheer niet spoedig genoeg +voldeden. De rom. senaat schonk hun de vrijheid terug en verklaarde +Hortensius' handeling voor onbillijk. In den lateren tijd hadden de +Abderieten den naam van stompzinnig te zijn en allerlei dwaasheden te +doen. De wijsgeeren Democritus en Protagoras en de geschiedschrijver +Hecataeus waren te Abdera geboren. + +Abderus, Abderos, een gunsteling van Heracles, die door de paarden +van Diomedes (z. a. no. 1) verscheurd werd. Te zijner nagedachtenis +bouwde Heracles de stad Abdera. + +Abella of Avella, stad in Campania in de bergen ten O. van Nola, +met beroemde ooftteelt, vandaar malifera genoemd. + +Abellinum, stad op de grenzen van Campania en Samnium, t. O. van +Abella. + +Abelux, Abilyx, een voorname Spanjaard, die de spaansche gijzelaars, +door Hannibal te Saguntum opgesloten, aan de twee Scipio's in 217 in +handen speelde. Zie Bostar. + +Abia, Abia, stad in Messenia aan de oostzijde van de messenische golf. + +Abii, Abioi, scythisch nomadenvolk, volgens Homerus een van de +rechtvaardigste volken. Ook in den tijd van Alexander d. G. worden +zij genoemd. + +Abila, ta Abila, stad in Coele-Syria, ten N. W. van Damascus. + +Abisares, Abisares, indisch vorst, die zich aanvankelijk vijandig +tegen Alexander gedroeg, en zich later met Porus tegen hem wilde +vereenigen. Hij onderwierp zich echter tijdig, waarvoor Alexander +hem de regeering liet en zelfs zijn gebied vergrootte. + +Abnoba mons, later Marciana Silva, het tegenwoordige Schwarzwald. + +Abobrica, stad in Hispania Tarraconensis, in Gallaecia, aan de +Westkust, ten N. van den Minius (Minho), tgw. Bayona. + +Abolla, een mantel van dubbel linnen, oorspronkelijk een +soldatenmantel. In den keizertijd was deze dracht vrij algemeen. Dat +de abolla destijds nauwsluitend was, bewijst een epigram van Martialis +de abolla Crispini, waarin hij den dieven aanraadt, liever eene toga +om te slaan. Abolla maior was een wijdere mantel, waarin de grieksche +wijsgeeren, vooral de cynische, zich plachten te wikkelen. + +Abonitichos, Abonou teichos, stad in Paphlagonia, ten O. van Sinope, +met het orakel van den door Lucianus gehekelden leugenprofeet +Alexander. + +Aborigines, doch gr. aborigines, een oud-italische volksstam. + +Absis, hapsis, ion. apsis, -idos, halfrond uiteinde eener overigens +rechthoekige zaal, vooral bij basilicae en aan romeinsche tempels +van den keizertijd voorkomende. + +Absyrtides insulae, twee eilandjes aan de illyrische kust, waarvan +het grootste later Apsorus, Apsoros, heette. + +Absyrtus = Apsyrtus. + +Abulites, Aboulites, satraap van Susiana onder Darius Codomannus. Hij +onderwierp zich vrijwillig aan Alexander (331) en behield daarom +zijn satrapie; maar daar hij zich gedurende Alexanders tocht naar +Indië aan plichtverzuim schuldig maakte, werd hij met zijn zoon ter +dood gebracht. + +Abus, Abos, 1) rivier aan de Oostkust van Britannia, misschien de +Humber.--2) berg in Armenia, tgw. Ararat of Arghatagh, met de bronnen +van den Euphraat. + +Abydus, Abydos, 1) stad aan den Hellespont op de aziatische kust, +tegenover Sestus, kolonie van Miletus. Te Sestus woonde Hero, te +Abydus Leander. Hier hield Xerxes zijne legertelling. Spreekwoord: +ne temere Abydum (sc. eas), omdat de stad wegens hare zedeloosheid +berucht was.--2) stad in Boven-Aegypte, ten noorden van Thebae, beroemd +door het graf en een tempel van Osiris, alsmede door het nabijgelegen +Memnonium. De tabula Abydena is eene onder de puinhoopen der stad +gevonden geslachtslijst van de koningen der 18de dynastie. Later, +in 1864, is er nog een tweede geslachtslijst gevonden, die veel +belangrijker is. + +Abyla, Abile, kaap in Afrika aan den ingang der middellandsche zee +(tgw. Ceuta), met den tegenoverliggenden berg Calpe de zuilen van +Hercules genoemd. + +Academia, Akademeia, 1) wandelplaats en worstelperk aan den Cephisus +bij Athene, waar door Plato en zijn opvolgers (Academici, Akademikoi, +hoi apo tes Akademeias) onderwijs gegeven werd. Cimon had aan de +verfraaiing der Ac. veel ten koste gelegd. De naam wordt afgeleid +van den heros Academus.--2) villa van Cicero hij Puteoli, zoo genoemd +naar de Academica, die hij daar schreef. + +Acamantis, Akamantis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van +Attica door Clisthenes verdeeld werd. + +Acamas, Akamas, 1) zoon van Theseus en Phaedra, die met Diomedes als +gezant naar Troje gezonden werd om Helena terug te vragen. Later +nam hij deel aan den tocht tegen Troje en was hij een van hen, +die met het houten paard in de stad kwamen. Bij de verovering vond +hij zijne grootmoeder Aethra en bracht haar naar Athene terug, waar +hij later de heerschappij in handen kreeg. Hij stierf op Cyprus, +waarheen hij een atheensche kolonie geleid had.--2) zoon van Antenor, +een van de dapperste Trojanen.--3) zoon van Eüssorus, aanvoerder van +de thracische hulptroepen der Trojanen.--4) een Cycloop. + +Acanthus, akanthos, bereklauw, een plant die in het zuiden zeer veel +in het wild voorkomt. Haar bladeren hebben tot voorbeeld gediend voor +het kapiteel der Corinthische zuil, zie Columna. + +Acanthus, Akanthos, stad op Chalcidice, aan de noordzijde van de +doorvaart, die Xerxes voor zijne vloot liet graven. + +Acarnan, Akarnan, zoon van Alcmaeon en Callirrhoë; hij en zijn broeder +Amphoterus waren nog zeer jong toen hun vader vermoord werd, maar op +het gebed van hun moeder liet Zeus hen buitengewoon snel tot mannen +opgroeien. Daarop doodden zij de moordenaars van Alcmaeon (z. Phegeus) +en vluchtten zij uit Arcadië naar Epirus, waarvan zij later een deel +onder den naam van Acarnania beheerschten. + +Acarnania, Akarnania, het meest westelijke landschap van eigenlijk +Hellas (zoogen. Midden-Griekenland), in den mythischen tijd bewoond +door allerlei stammen: Taphiërs, Teleboeërs, Lelegers, Cureten, +later aan de kusten door Corinthiërs bevolkt. Voor de geschiedenis +heeft Ac. geen belang. De Acarnaniërs waren een ruw, kloek volk, +berucht om hunne rooftochten te land en ter zee. + +Acastus, Akastos, 1) zoon van Pelias, nam deel aan de jacht op het +calydonische zwijn en aan den tocht der Argonauten. Bij de spelen, +die hij gaf ter gelegenheid van de begrafenis zijns vaders, zag zijne +gemalin Hippolyte of Astydamea voor het eerst Peleus en werd op hem +verliefd, doch daar hare liefde onbeantwoord bleef, beschuldigde zij +hem bij haar echtgenoot, dat hij haar had willen verleiden. Hierover +vertoornd nam Ac. Peleus mede naar een jachtpartij op den Pelion, +en toen P. vermoeid was ingeslapen, liet hij dezen alleen achter, +na hem zijn zwaard te hebben ontnomen, in de meening, dat hij dus +moest omkomen. En inderdaad werd hij door de Centauren aangevallen; +hij werd echter door Hermes (v. a. Hephaestus of Chiron) gered, trok +naar Iolcus en doodde Ac. en zijne gemalin.--2) koning van Dulichium. + +Acatus, Acatium, akatos, akation, 1) klein en snelzeilend schip, als +passagiers- en transportschip en vooral bij zeeroovers in gebruik; de +achtersteven was binnenwaarts gekromd, de voorsteven van een snebbe +voorzien. Ook de boot van Charon (z. a.) heette akatos.--2) de 2de +mast op een schip.--3) een soort drinkschaal in den vorm van een boot. + +Acca Larentia of Larentina, volgens de sage de vrouw van den herder +Faustulus en de voedster en pleegmoeder van Romulus en Remus; +oorspronkelijk eene godin, aan wie op de Larentalia (z. a.) geofferd +werd. + +Accensus. 1) Oorspronkelijk hadden niet beide consuls te Rome +gelijktijdig lictores cum fascibus et securibus. Degene, die ze niet +had, liet zich dan voorafgaan door een accensus of ordonnans. Later +echter werd het gebruikelijk, dat de magistratus cum imperio behalve +hun lictoren toch nog een accensus hadden. Tusschen de accensi en de +overige apparitores of dienaren der magistraten is dit onderscheid, +dat de accensus niet in vasten staatsdienst was, maar door den +ambtenaar persoonlijk in dienst genomen werd, en bij diens aftreden +ook ophield accensus te zijn. De accensi werden vooral gebruikt tot +het doen van dagvaardingen. Meestal waren het vrijgelatenen.--2) Bij +de legerorganisatie van Servius Tullius waren accensi eene reserve, +die een afzonderlijke centuria vormde, en evenals de twee centuriae +fabrum en de twee centuriae tubicinum et cornicinum, buiten de +classes stond. Zij vochten als ongeregelde troepen, niet in linie, +maar tirailleursgewijze, en deden dikwerf dienst als steenwerpers. Ook +namen zij in den strijd de plaats der gesneuvelden in de slaglinie in +en streden dan met de wapenen van hen, die zij vervingen. Velati heeten +zij in tegenstelling met de eigenlijke soldaten, die sagati (= met +een krijgsmantel bekleed) zijn. Ze hebben dus gewone burgerkleeding en +zijn ongewapend. Uit deze accensi werden oorspronkelijk de burgerlijke +accensi gekozen. + +Accius, romeinsch treurspeldichter, z. Attius no. 6. + +Ace, Ake, beroemde vesting in Phoenice, door Ptolemaeus I verfraaid +en in Ptolemaïs verdoopt, in de geschiedenis der kruistochten bekend +als St. Jean d'Acre. + +Acerra, 1) een doos of kistje tot het bewaren van wierook.--2) een +klein, draagbaar altaar, waarop wierook gebrand werd bij een lijk. + +Acerrae, stad in Campania, door Hannibal verwoest, later herbouwd. + +Aceruntia, stadje op de grens van Apulia en Lucania, op den berg +Vultur gelegen, tgw. Acerenza. + +Acesines, Akesines, 1) rivier op de oostkust van Sicilië, ten Noorden +van den Aetna.--2) rivier in Pendschab, die den Hydaspes opneemt, +en zelf in den Indus uitstroomt. + +Acestes, Aegestes, Egestes, Akestes, Aigestes, zoon van een Trojaan of +van den riviergod Crimisus en Segesta of Egesta. Hij was op Sicilië +geboren, waar hij zich na afloop van den trojaanschen oorlog ging +vestigen. De stad Segesta of Egesta was door hem gesticht of naar +hem genoemd. Aeneas werd bij zijn komst op Sicilië gastvrij door +hem ontvangen. + +Acetabulum, kleine rom. inhoudsmaat = 0.067 liter. Eigenlijk beteekent +het woord in de eerste plaats een azijnfleschje, ook wordt het gebezigd +van een beker voor goocheltoeren. + +Achaei, Achivi, Achaioi, een van de hoofdstammen der Grieken +(z. Hellenes). Uit Thessalia gekomen, vermeesterden zij de +Peloponnesus, met uitzondering van Arcadia en Ionia en bovendien een +deel van Creta. Bij Homerus en in navolging van hem ook bij latere +gr. en rom. dichters worden de gezamenlijke Grieken voor Troje meestal +Ach. genoemd. Toen de Doriërs de Peloponnesus binnendrongen, werden de +Achaeërs voor een gedeelte onderworpen, een gedeelte echter verdreef +de Ioniërs en gaf aan Ionia den haam Achaia. + +Achaeisch verbond. De twaalf democratisch bestuurde steden van +Achaia vormden van oudsher een verbond, dat echter alleen bij +gemeenschappelijke offers als zoodanig optrad. Dit verbond viel onder +Alexander d. Gr. uiteen, doch omstreeks 280 sloten de ach. steden, +in dien tijd tien in getal, zich opnieuw bij elkander aan. Van toen +af werden geregeld jaarlijks minstens twee gewone bondsvergaderingen +gehouden, terwijl in bizondere gevallen een algemeene vergadering +bijeengeroepen werd, waaraan ieder burger boven 30 jaar kon deelnemen, +terwijl het bestuur aan twee strategen (sedert 256 slechts één), een +grammateus, en tien damiurgi was opgedragen. Door de bekwaamheid zijner +strategen (Aratus, Philopoemen) kreeg het verbond weldra groote macht +en kon het ook buiten Achaia verschillende peloponnesische staten tot +bondgenooten maken of aan zich onderwerpen (Sicyon 249, Corinthe 242); +zelfs Sparta werd in 188 veroverd. Doch dit streven naar de hegemonie +in de Peloponnesus, vooral door het aetolisch verbond tegengewerkt, +bracht het verbond soms in groote moeilijkheden en daardoor werd +weldra het oorspronkelijke doel, handhaving der grieksche vrijheid +tegenover Macedonië, uit het oog verloren; in 223 zag Aratus zich +zelfs genoodzaakt de hulp van den macedonischen koning tegen Sparta +in te roepen. Sedert dien tijd was het verbond steeds min of meer +afhankelijk van Macedonië, en had het zijn behoud alleen te danken +aan de twisten met Rome, waarin dit rijk weldra geraakte. Toen na +den slag bij Cynoscephalae (197) het verbond tot de romeinsche zijde +overging, steeg zijne macht weldra ten top; maar toen in 148 Macedonië +een romeinsche provincie geworden was, bestond er voor de Romeinen geen +reden meer het te sparen, en in het volgende jaar werd, naar aanleiding +van een geschil met Sparta, de eisch gedaan, dat de voornaamste steden +van het verbond losgemaakt en autonoom gelaten zouden worden. Dit deed +het verbitterde volk naar de wapenen grijpen; maar in 146 werden zij +eerst onder aanvoering van Critolaus door Metellus (z. Caecilii no. 6) +bij Scarphe, en daarna onder aanvoering van Diaeus bij Leucopetra op +den Isthmus door L. Mummius verslagen, waarop het verbond door den +senaat opgeheven en Griekenland onder den naam Achaia een romeinsche +provincie werd. Corinthe werd door Mummius gesloopt. + +Achaemenes, Achaimenes, 1) stamvader van het eerste perzische +koningsgeslacht, de Achaemeniden.--2) vorst van Persis onder Phraortes +(omstreeks 640).--3) broeder van Xerxes en stadhouder van Aegypte, +werd bij den opstand van Inarus tegen Artaxerxes gedood (462). + +Achaeus, Achaios, 1) zoon van Xuthus en Creusa, mythisch stamvader +der Achaeërs. In Aegialus geboren, keerde hij later naar Thessalië +terug, van waar zijn vader verdreven was, en kwam daar na den +dood van zijn oom Aeolus aan de regeering.--2) treurspeldichter, +te Eretria geboren, jongere tijdgenoot van Sophocles, maker van 24 +(of 44) treurspelen, waarvan slechts één den prijs behaalde. Hij werd +in den alexandrijnschen canon als eerste na de drie groote tragici +opgenomen.--3) stadhouder van koning Antiochus III, heroverde de aan +Attalus verloren deelen van het syrische rijk, doch toen hij zich +in Kl.-Azië onafhankelijk wilde maken, werd hij te Sardes gevangen +genomen en gedood (214). + +Achaia, Achaïa, 1) landschap langs de noordkust van de Peloponnesus, +in ouden tijd Aigialos, kustland, geheeten. Voordat het land door +de Achaeërs (z. a.) veroverd werd, was het door Ioniërs bewoond, +die zich nu genoodzaakt zagen uit te wijken en deels naar Attica, +deels naar de aziatische kust trokken. Het land was arm aan havens. In +den omtrek van de stad Patrae bloeide de teelt van den byssusstruik, +weshalve men er vele weverijen aantrof.--2) stamland der Achaeërs, +in het zuiden van Thessalia, gewl. ter onderscheiding van no. 1 Achaïa +Phthiotis genoemd.--3) naam van Griekenland (Peloponnesus en Hellas) +als rom. provincie, sedert 146, na de verwoesting van Corinthus door +den rom. veldheer L. Mummius. + +Acharnae, hai Acharnai, ook Acharne, Acharne, vlek in Attica, op drie +uur afstands ten noorden van Athenae gelegen. De bevolking leefde +van wijn- en olijventeelt en vooral van kolenbranderijen. Het was een +krachtig, doch ruw slag van menschen. Een der stukken van Aristophanes +is Acharnes getiteld. + +Achates, Achates, 1) de trouwe makker van Aeneas, fidus Achates.--2) +riviertje op de zuidkust van Sicilia, waarnaar de achaatsteen +genoemd is. + +Acheloïades, Acheloides, de Sirenen, dochters van Achelous; +alg. riviernimfen. + +Achelous, Acheloos, 1) nu Aspropotamo, de grootste rivier van +Griekenland, ontspringt op den Pindus, loopt met snellen stroom +zuidwaarts, scheidt Acarnania en Aetolia, en stort zich tegenover +de Echinadische eil. in zee.--2) de god van bovengenoemde rivier, +de oudste der 3000 rivieren, zonen van Oceanus en Thetys, v. a. zoon +van Helius en Gaea, en vorst aller rivieren; vandaar wordt de naam +Ach. soms voor water, Acheloia pocula voor drinkwater gebruikt. Hij +vocht met Heracles om het bezit van Deianira; bij dit gevecht maakte +hij gebruik van zijn vermogen om zich in een slang of in een stier +te veranderen, maar in alle drie gedaanten moest hij het onderspit +delven; zelfs verloor hij als stier een horen, die, door de Najaden met +bloemen en vruchten gevuld, de hoorn van overvloed werd. V. a. behield +Heracles den horen, totdat Ach. dien van Amalthea er voor in ruil +gaf. Hij was de vader der Sirenen en van Dirce. + +Acheron, Acheron, rivier in Epirus, die voor een gedeelte onder den +grond en dan volgens de meening der ouden rondom de onderwereld stroomt +en over welke Charon de zielen der afgestorvenen voerde. Hij stroomt +door de Acherusia palus. Een zijrivier hiervan was de Cocytus (z. a.). + +Acheruntici libri, godsdienstige boeken, afkomstig van een etrurischen +god of koning Tages, en handelende over de uitvaart en vereering +der afgestorvenen. + +Acherusia, sc. palus, he Acherousia limne, meer in Epirus, waardoor de +Acheron stroomde. Ook andere meren en diepten, welke men meende dat +met de onderwereld gemeenschap hadden, komen onder dezen naam voor, +zoo o.a. ten zuiden van Cumae in Campanië (tgw. Lago del Fusaro), wel +te onderscheiden van het lacus Avernus, dat ten oosten van Cumae ligt. + +Achillas, Achillas, voogd van Ptolemaeus XII, de moordenaar van +Pompeius. Bij de onlusten, die kort daarna ia Alexandrië ontstonden, +streed hij niet zonder geluk tegen Caesar, maar spoedig ruimden zijne +tegenstanders hem door sluipmoord uit den weg. + +Achilles, Achil(l)eus, zoon van Peleus en Thetis, de dapperste, +schoonste, vlugste, in het algemeen de voortreffelijkste aller +grieksche helden voor Troje. Door zijne moeder werd hij zorgvuldig +opgevoed, zelfs poogde zij hem onsterfelijk te maken en tot dat +einde zalfde zij hem bij dag met ambrosia, terwijl zij hem bij +nacht in het vuur legde, maar toen eens zijn vader hem zoo vond en +hem uit de vlammen wilde redden, moest zij hare pogingen opgeven; +zij verliet haar echtgenoot en keerde naar de zee terug. Daarna werd +hij door Phoenix in de welsprekendheid en krijgskunde, door Chiron +in de geneeskunde onderwezen en was hij met Patroclus reeds als kind +bevriend. Van zijne moeder wist Ach. dat hem een lang en roemloos +of een kort en roemvol leven beschoren was; hij koos het laatste en +nam dan ook gaarne deel aan den tocht tegen Troje, waartoe Nestor +en Odysseus hem kwamen uitnoodigen. V. a. had zijne moeder hem van +den tocht willen terughouden, daar zij voorzag dat hij daarbij zoude +omkomen; toen dus voorspeld was dat Troje zonder hem niet kon worden +ingenomen, en Odysseus uitgezonden werd om hem te halen, zond zij +hem naar Scyrus, waar hij in vrouwenkleeren te midden van de dochters +van koning Lycomedes verborgen gehouden werd. Maar Odysseus vond hem +ook hier en herkende hem door list; hij kwam namelijk als koopman +verkleed en liet voor de meisjes allerlei sieraden uitstallen, +maar daarnevens ook wapenen; terwijl zij nu bezig waren dit alles +te bezien, hoorde men plotseling schreeuwen en vechten, waarop de +meisjes verschrikt vluchtten, maar Ach. de wapenen greep om zich te +verdedigen. Voor Troje verrichtte hij onder bescherming van Hera +en Athena groote heldendaden; hij verwoestte 12 steden ter zee en +11 te land. In het tiende jaar van den oorlog echter trok hij zich, +door Agamemnon beleedigd (z. Briseis), terug en Thetis wist van Zeus +te verkrijgen dat de krijgskans den Trojanen gunstig zou zijn, totdat +aan Ach. voldoening gegeven zou zijn. Deze wijst, hoe hoog de nood ook +bij de Grieken stijgt, ieder aanbod tot verzoening af; eerst toen de +Trojanen in het leger gedrongen waren en begonnen waren de schepen in +brand te steken, gaf hij gehoor aan de beden van Patroclus en stond +hij toe dat deze zich aan het hoofd van de Myrmidonen in het gevecht +mengde. Om den Trojanen schrik aan te jagen bekleedt Patroclus zich +met de wapenrusting van Ach., maar hij wordt door Hector gedood en +de wapenrusting valt in de handen der vijanden. Verdriet over het +verlies van zijn vriend en de zucht om daarover wraak te nemen, +bewegen Ach. nu zich met Agamemnon te verzoenen, en van dezen tijd +af neemt hij weer deel aan den strijd. Reeds den eersten dag daarna +wordt een hevig gevecht geleverd, waaraan verscheiden goden deelnemen, +en waarin Hector door Ach. gedood wordt. Niet lang daarna werd ook +Ach. door Paris en Apollo gedood, hetzij in een gevecht, hetzij +in een tempel van Apollo, waar hij gekomen was om met Polyxena, de +dochter van Priamus, te trouwen; hij werd door het geheele leger, +door zijne moeder, de muzen en de zeenimfen 17 dagen lang beweend; +aan het strand van den Hellespont werd een grafteeken opgericht, +waarin zijne beenderen met die van Patroclus en Antilochus begraven +werden. Latere dichters verhaalden nog, dat Thetis, om Ach. onkwetsbaar +te maken, hem in den Styx doopte en dat dit het gewenschte gevolg +had voor het geheele lichaam met uitzondering van den hiel, waaraan +zij hem had vastgehouden en waaraan hij ook later doodelijk gewond +werd. Ach. werd op vele plaatsen van Griekenland als halfgod vereerd, +het eiland Leuce was hem geheel gewijd, en naar men meende, was +hij daar gehuwd met Helena en leidde hij er een gelukzalig leven in +gezelschap van andere helden en heldinnen. + +Achilles Tatius, Achilleus Tatios, geb. te Alexandrië, schreef +vóór het begin van de 4de eeuw n. C. den roman ta kata Leukippen +kai Kleitophonta. + +Achilleum, Achilleion, 1) stadje bij kaap Sigeum in Troas, met den +grafheuvel van Achilles.--2) stadje bij Smyrna. + +Achilleus dromos, Achilleios dromos, landtong aan den N-kant van de +Zwarte zee, ten N.W. van + +Achillis insula of Leuce, eiland aan den mond van den Borysthenes. Men +nam aan, dat hier de verblijfplaats van Achilles en andere helden na +hun dood was. + +Achillides, Achilleides, Neoptolemus (Pyrrhus), zoon van Achilles. + +Achivi, Achaioi, z. Achaei. + +Achradina, Achradine, een der vijf deelen, waaruit de stad Syracusae +bestond. + +Acidalia mater, Venus, zoo genoemd naar de bron Acidalia bij Orchomenus +in Boeotië, waar zij en de Gratiën zich plachten te baden. + +Acies, Taxis, slagorde, opstelling van het leger voor den slag. 1) +Bij de Grieken, zie Taxis.--2) Bij de Romeinen moet men voor de +opstelling drie perioden onderscheiden; voor de oudste periode +tot op den tijd van Camillus zie men Centuria. Het leger werd +toen in ééne aaneengeschakelde (grieksche) phalanx opgesteld, +waarvan de kern gevormd werd door de zwaargewapende burgers van de +drie eerste klassen der serviaansche indeeling; achter hen waren +de lichtgewapenden opgesteld, terwijl de ruiterij op de flanken +stond. Deze slagorde was in de gevechten met de Galliërs ondoelmatig +gebleken, en vervangen door een indeeling in manipels, waarvan +de artikelen centuria, cohors, hastati en legio een voorstelling +geven. Elk legioen werd in drie liniën in slagorde geschaard; vooraan +stonden de manipels der hastati, dan die der principes, eindelijk die +der triarii. Tusschen de verschillende manipels werd eenige ruimte +gelaten, zoodat ieder manipel op zichzelf een geheel vormde, terwijl +zij zich zoo noodig elk oogenblik konden aaneensluiten; hierdoor +kreeg het leger een groote gemakkelijkheid van beweging. In den slag +stonden meestal de beide legioenen in het centrum, de socii en de +ruiters op de flanken. Oudtijds stond het leger in ééne lange lijn +(fronte longa). Later vindt men o.a. de acies obliqua, waarbij een +deel van het leger aanvalt en het andere voorloopig buiten gevecht +blijft, de acies sinuata, wanneer de vleugels den aanval beginnen +en het centrum achterblijft; zie ook cuneus en forceps. De oorlogen +met de Cimbren en Teutonen gaven Marius aanleiding, deze indeeling +te vervangen door eene in cohorten, waarbij telkens één manipel der +hastati, principes en triarii tot eene cohors van 600 man vereenigd +werd; tien cohorten vormden eene legio; zie verder cohors. De +Romeinsche ruiterij werd nu afgeschaft; zij komt het laatst voor +in den oorlog tegen Jugurtha.--Onder Caesar telde het legioen 3000 +à 3600 man, ingedeeld in 10 cohorten van 3 manipels, ieder van twee +centuriae. Gewoonlijk was de slagorde de acies triplex. Vier cohorten +van ieder legioen vormden de prima acies, drie de secunda acies, en +drie de tertia acies. Vóór Camillus is dus de taktische eenheid de +centuria, in den tijd van Polybius de manipulus, na Marius de cohors. + +Acilia (lex) de repetundis van 122, van den volkstribuun M'. Acilius +Glabrio, den vader van den bij de gens Acilia onder no. 3 genoemden +consul. Omtrent den inhoud dezer wet is weinig zekers bekend. Slechts +weten we, dat bij de quaestiones perpetuae door deze wet de +verplichting werd opgelegd tot ampliatio (z.a.), zoodra meer dan 1/3 +der rechters N. L. (non liquet) stemde, en dat hieruit langzamerhand +de comperendinatio (z. a.) ontstaan is. Zie verder Servilia (lex). + +Acilia Calpurnia (rogatio), de ambitu van de consuls M'. Acilius +Glabrio en C. Calpurnius Piso (67). Zie Calpurnia (lex) de ambitu. Daar +M'. Acilius Glabrio zich vóór de aanneming der wet teruggetrokken had, +wordt de wet alleen naar den tweeden voorsteller genoemd. + +Acilii, plebejisch geslacht, waartoe familia Glabrionum behoorde. Dit +was de beroemdste familie dezer gens, waartoe ook nog de familiën +der Aviolae en Balbi behoorden. 1) M'. Acilius Balbus, consul +150.--2) M'. Acilius Glabrio, consul 191, versloeg den syrischen +koning Antiochus III bij de Thermopylae en verdreef hem uit +Griekenland. Vervolgens wendde hij zich tegen de Aetoliërs, die zich +bij Antiochus hadden aangesloten, overwon hen en hield over hen te +Rome een zegetocht. In den slag bij de Thermopylae had hij een tempel +aan de Pietas beloofd, die in 181 door zijn zoon M'. Acilius Glabrio +gewijd werd, waarbij deze voor zijn vader een standbeeld oprichtte, het +eerste vergulde standbeeld in Italia.--3) M'. Acilius Glabrio was in 70 +als praetor repetundarum voorzitter van het gerechtshof in het proces +van Cicero tegen Verres. In 67 was hij consul met C. Calpurnius Piso, +met wien hij de lex Acilia Calpurnia de ambitu voorstelde (z. a.). Hij +bestreed in dit jaar, doch vergeefs, het wetsvoorstel van Gabinius, +om aan Pompeius de uitroeiing der zeerooverij op te dragen. Daarop +ging hij naar de provincie Bithynia, met de bestemming Lucullus in het +opperbevel in den mithradatischen oorlog op te volgen. Hij verrichtte +echter niets en werd door de komst van Pompeius spoedig van zijne taak +ontheven. Zijn zoon M'. Acilius Glabrio komt als legaat van Caesar +voor, en werd tweemaal in eene res capitalis door Cicero verdedigd.--4) +Livius maakt melding van een annalist C. Acilius die in het Grieksch +annales schreef, welke althans tot het jaar 184 liepen. + +Acinaces, akinakes, korte, rechte dolk, die door Perzen e. a. barbaren +aan de rechterzijde gedragen werd, dikwijls met goud en edelgesteenten +bezet. + +Acis, Akis, zoon van Faunus en Symaethis. Hij beminde Galatea en +werd door haar bemind; toen zijn medeminnaar Polyphemus hen eens +met elkander verraste, vluchtte A.; maar Polyphemus wierp naar hem +met een rotsblok, dat hij van den Aetna had afgebroken en waardoor +A. verpletterd werd; zijn bloed veranderde in een rivier, Acis genaamd, +die onder dit rotsblok ontspringt. + +Aclys (aclis), een korte werpspies, met uitstekende, scherpe punten, +waaraan een riem bevestigd was om de spies na den worp weer naar zich +toe te trekken, een zeer ouderwetsch wapen van de oude bewoners van +Campania (de Osci). + +Acmonia, Akmonia, stad in Phrygia ten Z. van het gebergte Dindymus. + +Acmonides, Akmonides, naam van een Cycloop. + +Acoetes, Akoites, zoon van een maeonisch visscher. Toen eens de +matrozen van het schip waarop hij stuurman was, op Chius aan land +gegaan waren, brachten zij aan boord een schoonen knaap, dien zij +slapend gevonden hadden en als slaaf wilden wegvoeren. Ac. die in den +knaap een god herkende, verzette zich daartegen, maar te vergeefs, +de matrozen ontnamen hem het bestuur van het schip en voeren +weg. Plotseling werd schip, tuig, riemen, enz., door wijnranken +omgeven, het bleef onbeweeglijk liggen, en in plaats van den knaap +stond Dionysus, bekranst en den thyrsusstaf zwaaiend, te midden +van tijgers, lynxen, enz., die zich aan zijne voeten neervlijden. De +matrozen sprongen in zee en veranderden in dolfijnen. Ac. alleen bleef +gespaard en werd op Naxus priester van Dionysus. Later door Pentheus +gevangen genomen, werd hij op wonderdadige wijze gered. + +Acontius, Akontios, van Ceos. Eens reisde hij naar het feest van +Artemis op Delus en zag daar de schoone Cydippe, de dochter van een +zeer voornaam Athener. Hij werd op haar verliefd, maar daar hij zich +niet aanzienlijk genoeg achtte om haar ten huwelijk te vragen, bedacht +hij een list om haar tot vrouw te krijgen. Toen zij eens in den tempel +zat, wierp hij haar een appel toe, waarop geschreven stond: Ik zweer +bij het heiligdom van Artemis, dat ik met Acontius zal trouwen. Het +meisje nam den appel op, las het geschrevene overluid, en wierp hem +daarna weder weg, waarop Ac. naar Ceos terugkeerde om den loop der +gebeurtenissen af te wachten. Later wilde Cydippe's vader haar aan een +ander uithuwen, maar het meisje werd kort voor den voor het huwelijk +bepaalden dag ziek, en daar zich ditzelfde driemaal herhaalde, vroeg +haar vader het delphische orakel om raad. Tot antwoord werd hem gegeven +dat de woorden, in den tempel gesproken, door Artemis gehoord waren, +en dat zij geen ander huwelijk kon aangaan zonder zich aan meineed +tegenover de godin schuldig te maken. Daarop gaf de vader zijne +toestemming tot haar huwelijk met Ac. + +Acra, Acrae, Akra, Akrai, naam van een aantal op hoogten gelegen +steden in Acarnamia, op Sicilia en elders. Ook een heuvel bij Jerusalem +heette aldus. + +Acraephia, Akraiphia, of Acraephium, Akraiphion, stad in Boeotia, +aan de oostzijde van het meer Copaïs; in de nabijheid de beroemde +tempel van Apollo Ptoos, zie Ptoum. + +Acragas, Akragas, -antos, grieksche naam van Agrigentum op Sicilia +z. a. + +Acrisione, Akrisione, Danaë, dochter van Acrisius. + +Acrisioniades, Akrisioniades, Perseus, kleinzoon van Acrisius. + +Acrisius, Akrisios, zoon van Abas en Ocalea of Aglaïa, koning van +Argos. Hij verdreef zijn tweelingbroeder Proetus, maar werd later +door diens schoonvader Iobates gedwongen zijn rijk met hem te deelen, +zoodat hij Argos behield en Proetus Tiryns kreeg. Daar hem voorspeld +was, dat de zoon zijner dochter Danaë hem zou dooden, hield hij haar +in een onderaardsch vertrek of in een ijzeren toren opgesloten; maar +Zeus wist toch als gouden regen toegang tot haar te krijgen, en Danaë +werd bij hem moeder van Perseus. Eenige jaren werd het kind in den +kerker verborgen gehouden; toen verried het zich door geschreeuw, en +Acr. liet moeder en kind in een kist in zee werpen. De kist werd bij +Seriphus door Dictys uit het water gehaald en later keerde Perseus +met zijne moeder naar Argos terug. Zich het orakel herinnerende, +vluchtte Acr. naar Larisa, maar Perseus trof hem daar aan en bij de +lijkspelen des konings wierp hij toevallig zijn discus op den voet +van zijn grootvader, die aan de gevolgen hiervan overleed. + +Acroama, virtuoos, die aan tafel de gasten onderhield, hetzij door +voorlezingen, hetzij door muziek en zang of door grappen. + +Acroceraunia, ta Akrokeraunia, kaap der montes Ceraunii (Keraunia ore) +aan de noordpunt der epirotische kust, berucht door de zich aldaar +samenpakkende onweders en losbrekende stormen. + +Acrocorinthus, Akrokorinthos, de burcht van Corinthus. + +Acropolis, Akropolis, akra polis, burcht of citadel, altijd een steile +of van nature sterke heuvel, in overeenstemming met de plaatselijke +gesteldheid bebouwd en bevestigd. Op de atheensche acropolis vond +men de heiligdommen der voornaamste beschermgoden van den staat. Zie +verder Athenae. + +Acrorea, he Akroreia, bergachtige landstreek in Elis, in het +noordoosten, rondom de bronnen van den Peneus en den Ladon. + +Acrotatus, Akrotatos, 1) zoon van Cleomenes II. Hij was de eenige die +zich verzette tegen het volksbesluit, volgens hetwelk de gevluchte +Spartanen uit den slag bij Megalopolis (331) van alle straffen +zouden vrijgesteld worden. Daardoor maakte hij zich zeer gehaat, en +toen in 314 Agrigentum om een spartaansch aanvoerder verzocht tegen +Agathocles van Syracuse, nam hij vrijwillig die taak op zich. Wegens +zijn gewelddadige handelwijze moest hij echter spoedig weder naar +Sparta vluchten, waar hij kort daarna stierf.--2) kleinzoon van den +bovengenoemde. Hij volgde op jeugdigen leeftijd, in 265 zijn vader +Areus I als koning van Sparta op, maar sneuvelde reeds spoedig (± +260) tegen Aristodemus van Megalopolis. + +Acrothoi, Akrothooi, stad op den berg Athos. + +Acta. Over het algemeen verstaat men onder acta de officieele +aanteekeningen, notulen, protocollen omtrent hetgeen gebeurd of +verhandeld is, b.v. acta fori, gerechtelijke protocollen, acta +militaria, verslag van militaire zaken, acta triumphorum, relaas +van zegetochten. Op twee soorten van acta echter moeten wij in het +bijzonder de aandacht vestigen. + +Acta diurna urbis of populi, of ook wel kortweg diurna geheeten, eene +soort van dagblad, allerlei dingen bevattende, die voor het publiek +belangrijk konden zijn, als: geboorte-, huwelijks- en doodsberichten, +marktprijzen, aankondigingen van feesten, verkoopingen, aanbestedingen, +enz., en voorzeker ook belangrijke nieuwstijdingen. Deze diurna werden +op openbare plaatsen tentoongesteld, waar men ze kon gaan lezen of +laten afschrijven. + +Acta senatus, officieele notulen van het in den senaat verhandelde, +eerst slechts kort, later ook met vermelding der discussiën. C. Julius +Caesar gaf aan deze acta eene groote openbaarheid, die echter +door Augustus weer afgeschaft werd. Ze werden echter geregeld door +de geschiedschrijvers, vooral door Tacitus, geraadpleegd. In den +lateren keizertijd verloren zij hoe langer hoe meer van hun belang, +en ontstond uit de samensmelting met de diurna de officieele hof- +en staatscourant, voor welker verbreiding tot in de verst afgelegen +provinciën van het rom. rijk van regeeringswege gezorgd werd. + +Actaeon, Aktaion, zoon van Aristaeus en Autonoë, werd door Chiron in +de jacht onderwezen, waarvan hij zulk een groot minnaar was, dat hij +50 honden hield. Hij werd, omdat hij Artemis met hare nimfen bespied +had, terwijl zij zich in het dal Gargaphia bij Plataeae baadden, door +de vertoornde godin in een hert veranderd, waarop hij door zijn eigen +honden verscheurd werd. V. a. trof deze straf Actaeon, omdat hij zich +beroemd had een beter jager te zijn dan Artemis. Nog laat werd de rots +getoond, van waar Act. de godin gezien zou hebben. Reeds de ouden zagen +in de mythe van Act. een toespeling op de alles verterende hitte der +hondsdagen; vandaar dat zijn beeld op rotsen en bergen geplaatst werd, +om de nadeelige gevolgen daarvan af te wenden. + +Acte, Akte, in het algemeen kustland; meer in het bijzonder oude naam +voor Attica (= Actica). Ook de landtong met den berg Athos. + +Actia, Aktia, spelen ter eere van Apollo Actius te Actium, door +Augustus na den slag bij Actium uitgebreid en overgebracht naar +Nicopolis. Het feest werd in den keizertijd om de 4 jaren gevierd, +evenals de Olympische en andere spelen, ter eere van de overwinning +door Augustus behaald. Ook te Rome zijn een tijd lang Actia gevierd. + +Actio, in juridischen zin de behandeling eener zaak voor den rechter, +het proces, ook wel reeds alleen de aanklacht. Ook de pleitrede wordt +actio genoemd. Zie Legis actio. + +Actium, Aktion, noordelijkste kaap van Acarnania aan den ingang der +ambracische golf, Octavianus won hier in Sept. 31 den zeeslag op +Antonius en Cleopatra. Ter herinnering hieraan stichtte hij later +aan de overzijde, in Epirus, de stad Nicopolis. + +Actor of petitor, de eischer of klager in een iudicium privatum, ook de +aanklager in een causa publica; daar de vormen van het privaatproces op +het quaestionenproces worden overgebracht, neemt men ook verschillende +woorden daarvan over.--Actor is ook de slaaf of vrijgelatene, die +de zaken zijns meesters bestuurt, zooveel als rentmeester.--Actores +publici waren onder de keizers de rentmeesters der staatsdomeinen. + +Actoriones of Actoridae, Aktoriones, Aktoridai, ook Moliones, +Molionidae, Molione, Molionidai, en Aktorione Molione genoemd, +Eurytus en Cteatus, tweelingzonen van Poseidon en Molione, die met +Actor gehuwd was. Nog zeer jong namen zij deel aan den krijgstocht +van de Epeërs tegen Pylus. Ook onder de deelnemers aan de calydonische +jacht worden zij genoemd. Bij de lijkfeesten van Amarynceus overwonnen +zij Nestor in den wedren, in een gevecht tegen Heracles vonden zij +den dood; hun graf was te Cleonae in Argolis. Soms worden de twee +broeders voorgesteld als aaneengegroeid (diphyeis, symphyeis) met +twee hoofden, vier handen en vier voeten.--Ook Patroclus als kleinzoon +van een anderen Actor wordt Actorides genoemd. + +Actuaria (navis), snel varend schip, snelzeiler, schip met laag boord, +met slechts ééne rij roeibanken. + +Actuarius, snelschrijver, verslaggever van het gesprokene in +eene vergadering; in het leger van den keizertijd ook: foerier of +kwartiermeester. + +Aculeo, zie Furii no. 15. + +Acusilaus, Akousilaos, van Argos, logograaf uit de 5de eeuw. + +Acypha, Akyphas, zie Pindus no. 2. + +Ada, Ada, dochter van Hecatomnus, zuster van Maussolus en Artemisia en +met haar broeder Idrieus gehuwd. Na zijn dood (343) bleef de regeering +over Caria slechts vier jaar in handen van Ada; daarna werd zij door +haar jongsten broeder Pixodarus met perzische hulp van den troon +gestooten, en na diens dood werd zijn schoonzoon Orontobates door +den koning van Perzië in de regeering bevestigd. Ada behield slechts +de vesting Alinda, die zij vrijwillig aan Alexander d. G. overgaf, +toen hij in 334 tegen Halicarnassus oprukte, terwijl zij hem tot zoon +aannam; daarvoor gaf Alexander haar na de verovering dezer stad (333) +de regeering over geheel Carië terug. + +Adamas, adamas, stof waarvan, naar men zich voorstelde, verschillende +voorwerpen ten gebruike van goden en goddelijke wezens gemaakt waren; +later ook diamant. + +Addicere, addictio, addictus. Addicere beteekent in de taal der augurs: +toestemmen, een gunstig voorteeken geven. Het werd gebezigd van de +auguria ex avibus. Waren de teekenen gunstig, dan sprak de augur: +aves addicunt; zoo niet, dan zeide hij: alio die. Als rechtsterm wordt +addicere gebezigd, wanneer de praetor het betwiste voorwerp aan een der +twistende partijen toewijst. Deze handeling heet addictio. Addictus +was oudtijds degene, die zijne schulden niet kon betalen en derhalve +door den praetor ten gevolge van een vonnis (addictio) aan den +schuldeischer werd toegewezen. Betaalde de addictus niet binnen 60 +dagen, dan kon de schuldeischer hem trans Tiberim verkoopen en zelfs +dooden. Waren er meer schuldeischers, dan mochten zij het lichaam van +den addictus verdeelen (corpus secare); zie ook nexum. Toen in 326 de +lex Poetelia Papiria de persoonlijke inbeslagneming des schuldenaars +had afgeschaft, werd de naam addictus gewoonlijk gebezigd van iemand, +die veroordeeld was om te betalen. + +Addua, rivier in Gallia Cisalpina, thans Adda, die door den lacus +Larius (meer van Como) stroomt, en in den Padus (Po) uitloopt. + +Adeia, waarborg tegen de nadeelige gevolgen, die men door het +verrichten van eene of andere gevaarlijke of verboden handeling zou +kunnen ondervinden; het is dus bijv. een vrijgeleide, verlof tot het +doen van voorstellen die bij de wet verboden zijn, e. dgl. De adeia +werd door het volk verleend. Adeia aan vreemdelingen verleend = asylia. + +Adherbal, Atarbas. 1) Deze naam droegen enkele carthaagsche veldheeren +in den eersten en tweeden punischen oorlog.--2) Adherbal was de oudste +zoon van den numidischen koning Micipsa. Hij en zijn broeder Hiëmpsal +werden door hun neef Jugurtha omgebracht, hetgeen aanleiding gaf tot +den Jurgurthijnschen oorlog (112-106). + +Adiabene, Adiabene, landschap in het N.O. van Assyria, ten oosten +van den Tigris. + +Adimantus, Adeimantos, 1) Corinthiër, aanvoerder der corinthische +schepen in den oorlog tegen Xerxes. Themistocles bewoog hem +door geschenken, bij Artemisium te blijven, hoewel hij zich wilde +terugtrekken. Later verzette hij zich dikwijls tegen de voorstellen +van Themistocles, en, naar het zeggen der Atheners, dat echter door +anderen tegengesproken werd, zouden de corinthische schepen aan den +slag bij Salamis geen deel genomen hebben.--2) atheensch admiraal +in den slag bij Aegospotami, waarin hij, naar men zeide, verraad +gepleegd had; hij was de eenige der atheensche admiraals, die door +Lysander in het leven gelaten werd.--3) broeder van Plato. + +Adlecti, 1) in het algemeen degenen, die in een collegie nog +bij- of nagekozen worden, om het voltallig te maken.--2) = +conscripti. Z. Patres. + +Admete, Admete, dochter van Eurystheus; voor haar haalde Heracles +den gordel der Amazonenkoningin Hippolyte. + +Admetus, Admetos, 1) zoon van Pheres, koning van Pherae. In zijn jeugd +nam hij deel aan de calydonische jacht en aan den Argonautentocht. Hij +was een gastvriend van Heracles en een gunsteling van Apollo, die, uit +den hemel verbannen, negen jaar als herder bij Admetus diende. Toen +Adm. naar de hand van Alcestis dong, beloofde haar vader Pelias +zijne toestemming te geven als hij haar kwam halen in een wagen +met leeuwen en evers bespannen; door de hulp van Apollo gelukte hem +dit. Onder andere weldaden die deze god hem bewees, was ook deze, dat +hij van de Moerae de gunst verwierf dat, wanneer Adm.'s levensdraad +afgesponnen was, een ander in zijne plaats zou mogen sterven. Toen nu +het noodlottig uur gekomen was, begaf Alcestis zich vrijwillig voor hem +in den dood; maar juist toen Adm. dit vernam en zich aan de grootste +wanhoop overgaf, kwam Heracles toevallig bij hem en haalde haar +terug. V. a. zou Persephone haar vrijwillig teruggezonden hebben.--2) +koning der Molossers, bij wien Themistocles op zijne vlucht uit Athene +eenigen tijd vertoefde (± 466). Hoewel Adm. rechtmatige grieven tegen +hem had, weigerde hij hem aan de Atheners uit te leveren en zorgde hij, +dat hij veilig naar Pydna kwam. + +Admissio, onder de rom. keizers de toelating tot den vorst, de +audiëntie. Officium admissionis, het ambt van den ceremoniemeester, die +de audientiën regelt. Prima, secunda admissio, eerste, tweede klasse +van audiëntie, naarmate men een hoogeren of lageren rang bekleedde. + +Adonia, Adonia, feest ter eere van Adonis, dat in het oosten bij +het begin der lente, maar in Griekenland en later ook te Rome bij +het begin van den zomer gevierd werd. Het duurde twee dagen; op den +eersten werd met veel klachten en gejammer het verdwijnen van Adonis +naar de onderwereld, op den tweeden met buitensporige vreugde zijn +terugkomst herdacht. Onder het zingen van klaagliederen, Adoniasmos, +die Aphrodite's liefde voor Adonis en haar smart bij het vernemen +van zijn dood en bij het vinden van den stervende bezongen, liepen +vrouwen naar het beeld van Adonis te zoeken; nadat dit gevonden was, +werd het met het beeld der godin op een pronkbed ten toon gesteld en +eindelijk onder luide jammerklachten begraven of in zee geworpen. Ook +plaatste men potten met kort bloeiende planten in de deuren der huizen +en in de voorhoven der tempels (tuinen van Adonis, Adonidos kepoi). + +Adonis, Adonis, zoon van Cinyras en Myrrha of van Phoenix en +Alphesiboea, van Cinyras en Metharme, van Theas en Myrrha. Om zijne +buitengewone schoonheid werd hij door Aphrodite, die vandaar Adonias, +Adonia heet, bemind. Toen hij op de jacht door een wild zwijn gedood +was, verkreeg deze godin van Zeus, dat hij slechts de helft van het +jaar bij Persephone behoefde te blijven, de andere helft brengt hij +bij de andere goden op den Olympus door. Uit zijn bloed ontstond de +teedere en kort bloeiende anemone. V. a. zou Aphrodite hem als knaap +aan Persephone te bewaren gegeven hebben; doch deze, eveneens op hem +verliefd geworden, weigerde hem terug te geven. Toen besliste Zeus dat +Adonis een derde van het jaar bij Aphrodite en een derde van het jaar +bij Persephone zou blijven, terwijl hij over een derde vrij zou kunnen +beschikken. Ad. verkoos ook dien tijd met Aphrodite door te brengen. + +Adoptio, aanneming als kind van iemand, die nog niet sui iuris +was. Het middel hiertoe was eene driemaal herhaalde mancipatio. De +werkelijke vader stond door een driemaal herhaalden schijnverkoop +zijn zoon af aan een tusschenpersoon, die hem de eerste twee keeren +weder aan den vader teruggaf. De vader had namelijk het recht zijne +kinderen te verkoopen; doch als hij een zoon driemaal verkocht had, +was de patria potestas verbroken. Na den derden schijnverkoop werd +de zoon door dengene, die hem nu in handen had, ten overstaan van den +praetor afgestaan aan den adoptiefvader en aan dezen door den praetor +toegewezen (addictio). Hij gold nu voor een wettigen zoon van zijn +adoptiefvader en voerde voortaan diens familie- en geslachtsnaam. De +aanneming als zoon van iemand, die sui iuris was, werd arrogatio +geheeten (z. a.) en ging met andere vormen gepaard. Een bijzondere +vorm van adoptio was deze, dat een erflater bij testament iemand +tot erfgenaam en tevens tot zoon aannam. Onder welken vorm de pater +naturalis dan zijne toestemming gaf, wordt niet gemeld. + +Adoratio, proskynesis, 1) Vereering der goden. Bij Grieken en Romeinen +bestond de adoratio hierin, dat men de hand naar het beeld der godheid +uitstrekte, ze vervolgens aan den mond bracht (ad os, vandaar adorare) +en met halfgebogen knie het beeld een kushand toewierp. Ook werd het +beeld vaak gekust.--2) Vereering der vorsten, z. adulatio. + +Adramyttium, Adramyttion, atheensche volkplanting aan de golf van +dien naam, tegenover het eiland Lesbos. + +Adrana, rivier in Germania, thans de Eder, een zijtak van de Fulda. + +Adranum, Adranon, stad op Sicilia, aan den voet van den Aetna, in +400 door Dionysius gesticht. In de nabijheid was een tempel voor +den vuurgod Adranus, waar volgens het verhaal duizend tempelhonden +gehouden werden, bestemd om beschonken lieden naar huis te brengen. + +Adrastea, Adrasteia, bijnaam van de phrygische godin Cybele en van +Nemesis. Ook eene nimf, die met hare zuster Ida op Creta den jongen +Zeus opvoedde. + +Adrastus, Adrastos, 1) zoon van Talaüs en Lysimache. Toen zijn vader +gedood werd, werd hij door Amphiaraus uit Argos verjaagd en vluchtte +hij naar zijn grootvader Polybus, dien hij in de regeering over Sicyon +opvolgde. Later verzoende hij zich met Amphiaraus, kreeg aandeel aan de +regeering over Argos, en gaf hem zijne zuster Eriphyle tot vrouw. Een +orakel had hem gezegd, dat hij zijne dochters aan een leeuw en een wild +zwijn moest uithuwen; toen nu Tydeus en Polynices, de een uit Calydon, +de ander uit Thebe voortvluchtig, in een stormachtigen nacht voor zijn +paleis kwamen en daar in twist geraakten, kwam Adr. op het geraas +aanloopen, en daar ieder van hen met de huid van een der genoemde +dieren bekleed was, of het afbeeldsel van een dier dieren óp zijn +schild had, zag Adr. daarin de vervulling van het orakel en gaf hij hun +zijne beide dochters, terwijl hij beloofde hen weder naar hun vaderland +terug te brengen. Met zijne bondgenooten ondernam hij nu eerst een +krijgstocht tegen Thebe (den tocht der zeven tegen Th.), die echter +ongelukkig afliep: alle aanvoerders sneuvelden, behalve Adr., die het +aan de snelheid van zijn paard te danken had dat hij naar Attica kon +vluchten. Tien jaar later ondernam hij voornamelijk ondersteund door +de zonen der gesneuvelden (epigonen), een tweeden tocht tegen Thebe, +die een gunstiger uitslag had; in dezen oorlog verloor hij echter zijn +zoon Aegialeus en uit verdriet hierover stierf hij op den terugtocht te +Megara. Adr. werd te Athene, Sicyon en Megara als halfgod vereerd.--2) +zoon van den phrygischen koning Gordias, die wegens een onvrijwilligen +moord naar Lydië vluchtte, en daar door Croesus vriendelijk ontvangen +werd; bij ongeluk doodde hij echter op de jacht ook diens zoon, en +uit wanhoop hierover bracht hij zichzelf om het leven.--3) naam van +verschillende trojaansche aanvoerders in de Ilias. + +Adria of Hadria, Adria, naam van twee steden: de eene, waaraan de +adriatische zee haren naam ontleende, lag in het gebied der Veneters, +nabij den Padus; het was oudtijds een belangrijke stad der Etruscers +en de uitvoerhaven voor het van het Noorden komende barnsteen, zie +Eridanus; de andere lag in Picenum. Ook de genoemde zee zelve komt +onder den naam Adria, Adrias, voor. Ook de spelling Hatria wordt +gevonden. + +Adrianus, zie Hadrianus. + +Adrumetum of Hadrumetum, Adrymeton of Adrymes, -etos, stad in het +gebied van Carthago, en wel in het gewest Byzacene of Byzacium, +waarvan het onder de keizers de hoofdstad werd. Het lag aan de kust. + +Aduatuca, eene sterkte in het gebied der Eburonen, z. Tungri. Het +lag misschien bij Limburg in het dal van de Vesdre. + +Aduatuci, germaansche volksstam aan de linkerzijde van de Maas, +afstammelingen van de Cimbern en Teutonen, later met andere stammen +onder den naam van Tungri saamgesmolten. + +Adulatio, proskynesis, kruipende vereering der vorsten. Zij bestond +hierin, dat men zich met het aangezicht ter aarde wierp en den grond +kuste. Deze gewoonte, bij oostersche volken te huis behoorende en +door lage vleiers ook tegenover de rom. keizers in praktijk gebracht, +werd onder keizer Diocletianus voorschrift. + +Adula mons, een berggroep in Oostelijk Zwitserland, brongebied van +den Rijn en den Addua. + +Adule, Adoulis, voorname handelsplaats in Aethiopia, aan een inham +der arabische golf gelegen, bekend om het monumentum Adulinanum, +brokstukken van twee opschriften, door Cosmas Indicopleustes, een +grieksch zeevaarder uit den tijd van keizer Justinus, afgeschreven. Het +eerste stuk heeft betrekking op een Ptolemeus Euergetes, het tweede +op een later inheemsch vorst. + +Adynatoi zwakken of gebrekkigen, die niet in hun eigen onderhoud +konden voorzien. Te Athene werd in den regel aan zulke menschen bij +volksbesluit eene ondersteuning van 1 of 2 obolen per dag toegekend. + +Adversaria (scil. scripta), aanteekenboek of journaal, waarin men +voorloopig ontvangsten en uitgaven opteekende, om ze later in het +kasboek (tabulae of codex accepti et expensi) over te brengen. + +Advocatus, iemand, die bij een rechtsgeding ten behoeve van een der +partijen tegenwoordig is, niet om te pleiten, maar om door zijne +aanwezigheid eenigen invloed uit te oefenen en, zoo noodig, raad te +geven. De pleiters werden causarum patroni geheeten, (z. Patronus +no. 2). Onder de keizers verdween dit onderscheid. + +Adyrmachidae, Hadyrmachidai, een volk van Libya, dat ten westen van +Aegypte langs de kust woonde. + +Adytum, adyton, penetrale, een geheim, voor de leeken verborgen vertrek +achter in een tempel, somtijds gedeeltelijk onder den grond. Niet aan +alle tempels was een adytum aangebracht, maar vooral aan die, waar +godspraken werden gegeven. Het adytum had dikwijls een geheimen ingang, +terwijl naar de tempelruimte verborgen spreekbuizen liepen, waardoor de +woorden drongen, welke de geloovigen voor de stem der godheid hielden. + +Aea of Aeaea, Aia, Aiaia, het (verre) land. Men stelde zich voor dat +zoowel aan het westelijk als aan het oostelijk einde der aarde een +Aea lag; het eerste was het fabelachtige eiland van Circe, het laatste +het land van waar de Argonauten het gouden vlies haalden. Volgens de +meening der latere Grieken was het westelijke Aea = Circeii in Latium, +het oostelijke = Colchis. + +Aeaces, Aiakes, 1) vader van Polycrates, Pantagnotus en Syloson.--2) +zoon van Syloson, tyran van Samus. Door Aristagoras van Milete +verjaagd, wist hij de Samiërs te overreden om in den slag bij Lade +(497) de vloot der ionische Grieken te verlaten; daarvoor gaven de +Perzen hem na het onderdrukken van den Ionischen opstand (494) de +regeering over Samus weder. + +Aeacides, Aiakides, Peleus, Achilles, Neoptolemus e.a. als +afstammelingen van Aeacus. + +Aeacus, Aiakos, zoon van Zeus en Aegina, koning van Aegina, stond +om zijne vroomheid in hooge gunst bij de goden. Toen Aegina door de +pest ontvolkt was, liet Zeus op het gebed van Ae. een hoop mieren +in menschen veranderen, die vandaar Myrmidonen genoemd werden. Ook +bewerkte hij eens door zijn gebed het ophouden van eene langdurige +droogte, die geheel Griekenland teisterde. Hij hielp Apollo en Poseidon +bij het opbouwen van de muren van Troje, en daardoor kon later de +stad veroverd worden, wat niet het geval zou geweest zijn, indien +het werk geheel door die goden verricht was; ook gaf reeds dadelijk +bij het voleindigen van den bouw een wonderteeken te kennen dat het +door Ae. gebouwde gedeelte door zijn zoon (z. Telamon) en door zijn +achterkleinzoon (z. Neoptolemus) zou bestegen worden. Hij was de vader +van Telamon en Peleus. Na zijn dood werd hij door Zeus als rechter in +de onderwereld geplaatst en op Aegina en te Athene als halfgod vereerd. + +Aeaea, z. Aea. + +Aeantis, Aiantis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica +door Clisthenes verdeeld werd. + +Aebutia (lex) de formulis, plebisciet, van ± 200, tot invoering van +het formulierproces. Zie formula. + +Aebutia (lex), dat, wanneer bij eene opzettelijke wet aan iemand +een last werd opgedragen, noch de ontwerper der wet noch een zijner +bloedverwanten of ambtgenooten daarbij benoembaar was. Dit plebisciet +is van onzekeren tijd. + +Aebutii, patricisch geslacht, dat in de eerste eeuw der republiek +enkele consuls leverde. Het cognomen Elva of Helva is later in de +fasti bijgevoegd. + +Aeculanum, stad der Hirpini in Samnium, niet ver van Beneventum. + +Aedepsus, Aidepsos, stad in het N. van Euboea, met warme baden. + +Aedes. Terwijl dit woord als plurale een woonhuis aanduidt, wordt het +enkelvoud gebezigd in den zin van godshuis, tempel. In het meervoud +zegt men voor tempels aedes sacrae. Evenmin als elk templum een aedes +is, evenmin is elke aedes een templum. Daartoe moet de aedes met +een bepaald formulier volgens vaste regels aan de godheid opgedragen +(dedicatio) en door een augur gewijd worden (consecratio). + +Aediles, agoranomoi. De aediles zijn oorspronkelijk geweest opzichters, +men zou kunnen zeggen kerkvoogden, van den in 493 door Sp. Cassius +Viscellinus gestichten tempel (aedes) van Ceres (z. a.). Waarschijnlijk +hebben ze sedert 471, toen de plebs haar vertegenwoordiging kreeg in +de 4 tribuni plebis, naast de priesterlijke ook politieke functies +vervuld, en zijn tot aediles plebis geworden. Ze waren helpers deels +van de consuls, deels van de volkstribunen, en hadden het toezicht +over het plebejisch archief in aede Cereris. Zij werden gekozen uit +de plebs. Bij de reorganisatie van den staat, in 366, werden er naast +de twee plebejische aedilen twee patricische aedilen (aediles curules) +gekozen, die ongeveer denzelfden werkkring hadden als de plebejische, +maar niet met hen één collegium vormden. Het verhaal van Livius, +dat, toen in 366 de ludi Romani ter eere der verzoening tusschen de +patriciërs en de plebs met een dag verlengd waren en de plebejische +aedilen weigerden, zich de kosten te laten welgevallen, zich patriciërs +daartoe aangeboden hadden, en zoo de curulische aediliteit is ontstaan, +is onjuist. De aed. cur. hadden de toga praetexta, de sella curulis, +en later het ius imaginum. Reeds vrij spoedig werd het ambt afwisselend +door patriciërs en plebejers bekleed. De aedilen hebben steeds in +rang boven de tribuni plebis gestaan. + +Werkkring der aedilen. In de eerste plaats behoorde hiertoe de cura +urbis, waartoe te rekenen zijn het algemeen politietoezicht op de +openbare veiligheid, het toezicht op gebouwen, op de reinheid en +het onderhoud, van wegen en waterleidingen en dgl. Ten tweede ging +hun de cura annonae aan, welke cura zich niet tot den graanhandel +bepaalde, maar het geheele handelsverkeer en marktwezen omvatte. Het +derde gedeelte was de cura ludorum, n.l. de zorg voor zekere spelen, +waarvoor de senaat wel eene bijdrage uit de staatskas toestond, die +echter niet toereikend was om aan de steeds klimmende eischen van +het volk te voldoen, zoodat eerzuchtige mannen zich vaak te gronde +richtten, om de volksgunst te verwerven. De aedilen kunnen voor sommige +misdrijven van niet-politieken aard boeten opleggen; overschrijdt +de boete de provocatiegrens, dan brengen de aediles curules de zaak +voor de comitia tributa, de aed. plebis voor het concilium plebis. De +aediles curules hebben ook rechtspraak in handelsgeschillen. + +De aediles plebis werden onder voorzitterschap der volkstribunen in +de concilia plebis, de aediles curules in de comitia tributa onder +voorzitterschap van een consul of praetor gekozen. Onder de keizers +werd hun werkkring zeer beperkt, tot zij ten laatste ophielden +te bestaan. + +Aediles Cereales. C. Julius Caesar droeg de cura annonae, meer bepaald +de zorg voor den korenaanvoer, aan twee aedilen op en belastte hen +tevens met het geven der Cerealische feesten. + +Aediles municipales. Ook in de municipia vindt men stedelijke overheden +met den naam van aedilen. + +Aedituus, naophylax, hierophylax, neokoros (z. a.), tempelwachter, +belast met de bewaking en het toezicht op het schoonhouden van +het gebouw. + +Aedon, Aedon, dochter van Pandareüs, gehuwd met koning Zethus. Daar +zij slechts één zoon had, was zij naijverig op Niobe, die rijk met +kinderen gezegend was, en wilde zij den oudsten zoon van deze dooden, +doch bij vergissing doodde zij haar eigen zoon. Zij werd daarop door +Zeus in een nachtegaal veranderd, die steeds om haar zoon jammert. + +Aedui, Aidouioi, een machtige gallische volksstam, tusschen den Liger +(Loire) en den Arar (Saône) gevestigd, het eerste volk in Gallia, +dat met de Romeinen een vriendschapsbond sloot en hiervoor den titel +van fratres et consanguinei populi Romani verwierf. Caesar bevrijdde +hen van de overheersching van den Germaan Ariovistus. Later lieten de +Aeduërs zich overhalen om deel te nemen aan den grooten gallischen +opstand onder Vercingetorix, doch werden door Caesar niet daarvoor +gestraft. In 21 n. C. stonden ze op onder Sacrovir (z. a.). In +hun gebied lagen de steden Bibracte, de hoofdstad, later verdoopt +in Augustodunum (Autun), Noviodunum (Nevers), Cabillonum (Châlons +sur Saône). + +Aeetes, Aietes, zoon van Helius en Perseïs of Antiope, koning van +Colchis. Onder zijne regeering kwam Phrixus het gulden vlies naar +Colchis brengen en kwamen de Argonauten het weder halen. + +Aeëtias, Aietis, Medea, dochter van Aeetes. + +Aefula, hoog gelegen stadje ten Z. van Tibur. + +Aegae, Aigai, naam van onderscheidene steden, als: 1) in Achaia, met +een beroemden Poseidontempel;--2) op de westkust van Euboea;--3) in +het macedonische landschap Emathia, oude hoofdstad en begraafplaats +der macedonische koningen, later Edessa geheeten, z. a.;--4) in +Aeolis op de kust van Klein-Azië, ook Aegaeae, Aigaiai geheeten;--5) +belangrijke havenstad in Cilicia, aan de golf van Issus. + +Aegaeisch tijdperk noemt men het oudste tijdperk der grieksche +geschiedenis, waarvan wij slechts kennis hebben door overblijfselen, +welke men langs de kusten en op de eilanden der Aegaeïsche zee +vindt. Deze overblijfselen leeren ons dat reeds toen tusschen al deze +landen verkeer bestond, zoodat de beschaving, hoewel nog op een lagen +trap staande (er worden bijv. meest steenen gereedschappen gebruikt), +overal ongeveer dezelfde was. Het aeg. tijdperk wordt geacht omstreeks +1500 te eindigen. + +Aegaeon, Aigaion, door de goden Briareos genoemd, een van de +Centimani. Toen Hera, Poseidon en Athena of Apollo eens Zeus wilden +boeien, riep Thetis Aeg. te hulp, en door hem werden zij genoodzaakt +van hun plan af te zien. + +Aegaeum mare, Aigaion pelagos, welke naam in de middeleeuwen door de +Venetianen tot Archipelago is misvormd, vanwaar ons woord Archipel, +de zee tusschen Griekenland en Klein-Azië, met tal van eilanden. De +oorsprong van den naam is onzeker; de mythe brengt dien in verband +met koning Aegeus, den vader van Theseus. + +Aegaleos, Aigaleos, berg op de kust tegenover Salamis, vanwaar Xerxes +in 480 de nederlaag zijner vloot aanschouwde. De Aegaleos scheidt de +Atheensche vlakte van de Thriasische, waarin Eleusis ligt. + +Aegates, hai Aigoussai, de geiteneilanden, eilandengroep ten westen +van Sicilia. Bij een van deze eilanden, Aegusa, won de rom. consul +C. Lutatius Catulus in 241 den laatsten beslissenden zeeslag in den +eersten punischen oorlog. + +Aegeis, Aigeis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica +door Clisthenes verdeeld werd. + +Aegestes, Aigestes = Acestes. + +Aegeus, Aigeus, zoon van Pandion no. 3. Na den dood van zijn vader +heroverde hij Athene met de hulp van zijne broeders en kreeg hij daar +de regeering. Later door de zonen van zijn broeder Pallas verjaagd, +werd hij door zijn zoon Theseus weder op den troon gebracht. De +Panathenaeën werden door hem ingesteld of uitgebreid. Toen eens bij +deze feesten Androgeos, de zoon van Minos, alle prijzen behaalde, +liet Aeg. hem uit afgunst dooden. Minos deed hem den oorlog aan en +dwong hem op gezette tijden zeven jongelingen en zeven jonge meisjes +naar Creta te zenden om aan den Minotaurus tot spijs gegeven te +worden. Van dezen smaad werd Athene spoedig door Theseus bevrijd, +maar daar hij bij zijne terugkomst van Creta verzuimde het zwarte +zeil, waarmede het schip was uitgegaan, door een wit te vervangen, wat +volgens afspraak voor zijn vader het teeken van den gunstigen afloop +der onderneming zoude zijn, meende Aeg. dat ook zijn zoon het offer +van den Minotaurus geworden was en stortte hij zich in de zee, die +hiernaar de Aegaeïsche zee genoemd wordt.--Aegeus is ook een bijnaam +van Poseidon en oorspronkelijk niemand anders dan deze god zelf. + +Aegiale, Aegialea, Aigiale, -aleia, dochter van Adrastus en Amphithea, +gemalin van Diomedes (z. a.). + +Aegialos, Aigialos, het kustland, oude naam voor Achaia. + +Aegialeus, Aigialeus, zoon van Adrastus, sneuvelde bij de onderneming +der epigonen. + +Aegides, Aigeides, 1) Theseus, zoon van Aegeus.--2) burger van de +attische phyle Aegeis. + +Aegilia, Aigilia, 1) attische demos.--2) eilandje tusschen Creta en +Cythera.--3) eilandje tusschen Attica en Euboea. + +Aegimius, Aigimios, de mythische stamvader der Doriërs, aan den Pindus +woonachtig. In een oorlog tegen de Lapithen riep hij de hulp van +Heracles in en beloofde hem daarvoor een derde van zijn land. Heracles +versloeg de Lapithen, maar nam de toegezegde belooning niet aan. Uit +dankbaarheid nam Aeg., die twee zonen had, Pamphylus en Dymas, ook +den zoon van Heracles, Hyllus, tot zoon aan, en van deze drie personen +hebben de dorische phylen hare namen: Pamphyli, Dymanes, Hylles. + +Aegina, Aigine, Aigina, dochter van den riviergod Asopus, die door Zeus +naar het eiland Oenone gebracht werd en daar Aeacus (z. a.) ter wereld +bracht. Naar haar werd het eil. sedert dien tijd Aegina genoemd. Dit +kleine en vruchtbare eiland in de saronische golf werd daarna met +Myrmidonen, die tot den achaeischen stam behooren, bevolkt en door +Aeacus geregeerd; toen echter diens zonen het eiland verlaten hadden, +werd de bevolking grootelijks vermeerderd door epidaurische kolonisten +(Doriërs) en bleef Aeg. langen tijd in nauwe betrekking tot Epidaurus +staan. In oude tijden bereikte Aeg. door handel, nijverheid en kunst +een hoogen trap van bloei (bekend is de tempel van Aphaia, waarvan +het beeldwerk (de zoogenaamde Aegineten) te München bewaard wordt); +na 480 werd het echter door Athene overvleugeld en de langdurige +vijandelijkheden eindigden hiermede, dat in 456 Aeg. schatplichtig +werd, de muren der stad afbreken en de schepen uitleveren moest; +in 429 werden zelfs de oude inwoners geheel verdreven en hoewel +zij na den slag bij Aegospotami door Lysander teruggebracht werden, +kwam de oude macht en welvaart toch nooit terug. Sedert 318 behoorde +Aeg. tot Macedonië, sedert 229 wordt het genoemd als een lid van het +achaeïsch verbond, sedert 196 als een deel van het gebied van Attalus +van Pergamus; in 129 kwam het onder de Romeinen. + +Aegiplanctus, Aigiplankton oros, kaap in Megaris, aan de corinthische +golf. + +Aegira, Aigeira, stad in het oostelijk gedeelte van Achaia, waarvan +nog bouwvallen bestaan. + +Aegirusa, Aigiroussa, aeolische stad in Klein-Azië. + +Aegis, Aigis, schild van Zeus met honderd gouden kwasten versierd. Hij +gebruikte dit schild om door eene beweging er mede den menschen +schrik in te boezemen; men stelde zich voor dat het het Medusahoofd en +schrikwekkend beeldwerk droeg. V. a. was de aeg. een mantel, gemaakt +van het vel der geit, die Zeus gezoogd had. Bij Homerus staat Zeus de +aeg. dikwijls aan Athena, eens ook aan Apollo ten gebruike af, later +echter kende men aan Athena zelve een aeg. toe, nu eens als mantel, dan +als harnas gedacht, altijd met het Medusahoofd, met slangen omkranst, +enz. V. a. was deze aegis het vel van een vuurspuwend monster, dat +door Athena gedood was. + +Aegisthus, Aigisthos, zoon van Thyestes en diens dochter Pelopea. Hij +werd door zijne moeder te vondeling gelegd en door herders gevonden, +die hem door een geit lieten zoogen. Hij werd verder door Atreus +opgevoed, die hem, toen hij volwassen was, opdroeg Thyestes te +vermoorden; maar Aeg., die nog tijdig vernam, dat Thyestes zijn vader +was, doodde Atreus bij een offer en maakte zich met Thyestes van de +regeering over Mycenae meester, waaruit hij evenwel na den dood van +Thyestes door Agamemnon weder verdreven werd. Terwijl Agamemnon met +het leger voor Troje was, wist Aeg. diens echtgenoote Clytaemnestra +te verleiden, en toen Ag. terugkwam ging Aeg. hem te gemoet, noodigde +hem tot een maaltijd, maar doodde hem met behulp van Clytaemnestra +in het bad. Hij zelf werd zeven jaar later, zooals hem voorspeld was, +door Agamemnons zoon Orestes gedood. + +Aegium, Aigion, stad in Achaia, na de vernieling van Helice door de +zee (373) de hoofdplaats van het achaeïsch verbond. Aratus van Sicyon +stierf hier, 213. + +Aegle, Aigle, 1) de schoonste der Naiaden, moeder der Gratiën.--2) +gemalin van Theseus. + +Aegon, Aigon, koning van Argos, die na het uitsterven der Heracliden +deze waardigheid kreeg. + +Aegospotamos, Aigos potamoi, geitenrivier, riviertje en stad in de +Chersonesus Thracica, aan den Hellespont, tegenover Percote, waar in +den peloponnesischen oorlog de laatste atheensche vloot in den herfst +van 405 door Lysander genomen werd. + +Aegosthena, ta Aigosthena, vlek in Megaris, aan de NW.-kust gelegen. + +Aegusa, Aigoussa, een der Aegatische eil., ten westen van Sicilia, +z. Aegates. + +Aegyptus, he Aigyptos, het bekende Nijlland. Van Syene en Philae op +ongeveer 24° N.B. tot omstreeks 27 1/2° N.B. strekte zich Opper-Aegypte +of Thebaïs, het land van Thebe, uit; vandaar tot even beneden Memphis +Midden-Aegypte of Heptanomis, het land der zeven distrikten; dan volgde +het naar zee breed uitloopende Delta-land. De geschiedenis van het +land kan in vier hoofdtijdperken worden gesplitst: 1) Het aegyptische +tijdperk, van de oudste tijden af tot aan de verovering van het rijk +door den perzischen koning Cambyses in 525.--2) Het perzische tijdperk, +tot aan de onderwerping des lands aan Alexander den Gr. in 332.--3) +Het macedonische tijdperk, tot de inlijving bij het rom. rijk door +Octavianus (Augustus) in 30. Dit is het tijdvak der Ptolemaeën, +die grieksche beschaving, zeden, gewoonten en godsdienst zochten +in te voeren en onder wie Aegypte een tijdperk van grooten bloei en +welvaart beleefde.--4) Het rom. tijdperk, tot aan de verovering door +de Arabieren, 638 na C. Als rom. provincie had Aegypte eene bijzondere +organisatie. In de plaats der koningen trad een stadhouder, praefectus +Aegypti, doch de vorm van bestuur, plechtigheden en ceremoniën, +alles bleef, zooals het te voren onder de Ptolemaeën was geweest; +zelfs bleef het Grieksch de officieele taal. De stadhouder had ook +niet, zooals overal elders, lictoren met bijlbundels. Alexandrië +bleef de residentie. + +Aegyptus, Aigyptos, zoon van Belus en Anchinoë. Hij onderwierp zich +het land der Melampoden en noemde dit Aegyptus. Hij was de vader van +vijftig zonen, waarvan 49 in één nacht door de Danaïden (z. Danaüs) +gedood werden. Aeg. kwam daarop naar Argos om den dood zijner zonen +te wreken, maar door zijn eenig overgebleven zoon Lynceus overreed, +zag hij hiervan af. V. a. stierf hij van verdriet. + +Aeinautai, magistraten te Milete. De afleiding van den naam is onzeker. + +Aeisitoi, heetten te Athene de personen, die krachtens hun ambt of +eene bijzondere vergunning dagelijks op kosten van den staat in het +Prytaneum (later in den Tholus) hun maaltijd hielden. De prytanen +(z. prytaneis) zijn niet onder dien naam begrepen. + +Aelana, ta Ailana, handelsstad in Arabia Petraea, aan den +noordoostelijken inham der arabische golf (de Roode Zee), welke +inham naar de stad sinus Aelanites of Aelaniticus werd geheeten. Hier +werden onder koning Salomo de joodsche handelsvloten naar het land +Ophir uitgerust. + +Aelia (leges) et Fufia, de auspiciis, twee wetten van de volkstribunen +Q. Aelius Paetus en M. Fufius, omstreeks 156. Zie servare de caelo. + +Aelia Sentia (lex), van de consuls Sex. Aelius Catus en C. Sentius +Saturninus, 4 n. C. Deze wet bepaalde, dat vrijgelatenen, die als +slaven onteerende straffen hadden ondergaan, geen cives, maar dediticii +zouden zijn. Ook onderwierp zij het burgerschap van vrijgelatenen +beneden 30 jaar aan zekere voorwaarden. + +Aelia Capitolina, naam dien keizer P. Aelius Hadrianus aan Jerusalem +gaf, waarheen hij eene rom. kolonie zond (130 n. C.). Een geweldige +opstand was hiervan het gevolg (zie Hadrianus). Jerusalem werd door +de keizerlijke troepen ingenomen en verwoest, doch op 's keizers +last herbouwd. + +Aelianus, 1) Ailianos ho taktikos, leefde tijdens de regeering van +keizer Hadrianus, en schreef een werk over taktiek.--2) Claudius +Aelianus, geboren te Praeneste, leefde in het begin der derde eeuw +na C. en schreef o. a. onder den titel Poikile hiotoria, Varia +Historia, in 14 boeken een verzameling verhalen en anecdoten. Meer +waarde heeft een ander werk van hem: Peri zoon in 17 boeken, eveneens +eene verzameling verhalen, die alle betrekking hebben op het leven +der dieren. + +Aelii, een aanzienlijk geslacht, waarvan de Paeti en de Tuberones de +meest bekende familiën zijn. O. a. behoorden nog tot de Aelia gens de +familiën Catus, Lamia, Ligur, Staienus. 1) P. en Sex. Aelius Paetus, +twee broeders, beiden als rechtsgeleerden beroemd, vooral de laatste, +die hierdoor den bijnaam Catus verkreeg. P. Aelius was consul in +201, Sex. Aelius in 198. Sextus Aelius heeft een werk geschreven, +Tripertita geheeten, waarvan nog fragmenten over zijn. Het bevatte +1o den tekst der XII tafelen, 2o de verklaring daarvan, 3o de legis +actiones, een uitbreiding van het ius Flavianum.--2) Q. Aelius +Tubero, schoonzoon van L. Aemilius Paullus, nam onder dezen aan den +oorlog tegen Perseus deel.--3) Q. Aelius Tubero, zoon van no. 2, +zusterszoon van Scipio Africanus minor, rechtsgeleerde en aanhanger +der stoïcijnsche wijsbegeerte, staatkundig tegenstander der Gracchen, +is dezelfde, die in Cicero's geschrift de republica sprekende +wordt ingevoerd.--4) L. Aelius Tubero, boezemvriend van Cicero, +met wien hij samen onderricht had ontvangen, koos evenals Cicero +de partij van Pompeius, doch verzoende zich later met Caesar.--5) +Q. Aelius Tubero, zoon van no. 4, had aan den slag bij Pharsalus +tegen Caesar deelgenomen, doch zich ook met dezen verzoend. Het +was tegen zijne aanklacht dat Cicero de oratio pro Q. Ligario +hield. Hij was redenaar, schrijver over rechtskundige onderwerpen en +annalist. Zijn geschiedwerk reikte van de oudste tijden tot aan de +oorlogen van Caesar en Pompeius.--6) L. Aelius Lamia, rom. ridder, +werd in 58 verbannen, omdat hij Cicero durfde verdedigen; zijne +beide zoons Q. en L. behoorden tot de vrienden van den dichter +Horatius. Van dezen is L. (consul 3 n. C.) de meest bekende.--7) +L. Aelius Stilo Praeconinus, uit Lanuvium, beroemd taalgeleerde en +leermeester van Varro en ook van Cicero. Vooral maakte hij studie van +het oud-Latijn.--8) L. Aelius Seianus, zoon van L. Seius Strabo, door +adoptie in de gens Aelia opgenomen, was praefectus praetorio van 14 tot +31 na C. onder Tiberius, eerst met zijn vader, na diens dood alleen. In +23 n. C. legde hij voor de cohortes praetoriae, die tot nu toe in de +stad verspreid waren, een vast kamp aan buiten de porta Viminalis, +ten N.O. van de stad, de Castra praetoria (z. a). Toen Tiberius hem te +Rome de vrije hand liet, heerschte Seianus als eigenmachtig tyran. Ten +einde zichzelven den weg tot den troon te banen, liet hij 's keizers +zoon Drusus Caesar door toedoen van diens vrouw Livia door vergif +uit den weg ruimen (23). Ook Agrippina, de weduwe van Germanicus, en +hare beide zonen vielen als offers zijner eerzucht (29). Ten slotte +echter werden Tiberius door Antonia minor (Antonii no. 11) de oogen +geopend; Seianus werd in hechtenis genomen, door den senaat gevonnisd +en met zoon, dochter en een aantal vrienden ter dood gebracht.--9) +Aelius Gallus, rom. ridder en onder Augustus praefectus van Aegypte; +hij ondernam op bevel van Augustus een expeditie tegen Arabia Felix +(25-24), die mislukte.--10) P. Aelius Aristides, beroemd grieksch +redenaar, geb. te Hadriani in Mysia in 129 n. Chr. Van hem zijn 55 +veel bewonderde redevoeringen overgebleven, die echter voor een groot +deel niet bestemd waren voorgedragen te worden. Hij volgt daarin met +voorliefde Isocrates en Demosthenes na. Hij reisde veel en kwam ook +te Rome, doch bij voorkeur hield hij zich te Smyrna op, waar hij ± +189 stierf. Toen deze stad door een aardbeving verwoest was, wist hij +keizer Marcus Aurelius te bewegen haar te laten herbouwen, daarom werd +te Smyrna een standbeeld voor hem opgericht, dat nog bestaat.--11) +P. Aelius Hadrianus, keizer, zie Hadrianus.--12) Aelius Donatus, +zie Donatus (Aelius). + +Aëllo, Aëllopus, Aello, Aellopous, een van de Harpyiën. + +Aemilia (lex) de censura, van den dictator Mamercus Aemilius 434 +(Aemilii no. 6) beperkte den duur van het censorschap tot achttien +maanden. Zie echter onder Censor. + +Aemilia (lex) sumptuaria, van den consul M. Aemilius Scaurus (Aemilii +no. 11), van 115. Zij beperkte de tafelweelde, door het verbod van +sommige als lekkernij beschouwde spijzen, o.a. veldmuizen, schelpdieren +en vreemde vogels. + +Aemilia (lex) de libertinorum suffragiis, van denzelfden, eveneens +van 115, bepaalde, dat de vrijgelatenen in de 4 tribus urbanae moesten +ingeschreven worden. + +Aemilia (via). Deze weg, in 187 aangelegd door den consul M. Aemilius +Lepidus (Aemilii no. 2), liep van Ariminum in rechte lijn naar +Placentia aan de Po. Deze weg heeft zijn naam gegeven aan de VIII +regio Italiae (tgw. Emilia). Een andere weg van gelijken naam, in +109 aangelegd door den censor M. Aemilius Scaurus (Aemilii no. 11), +liep van Pisa langs zee tot aan Vada, en van daar over de Apennijnen +naar Dertona. Het eerste gedeelte van dezen weg wordt later, omdat +het een voortzetting der via Aurelia is, ook Aurelia genoemd. + +Aemilianus (M. Aemilius), stadhouder van Pannonia en Moesia, werd in +253 na C. door zijne legioenen tot keizer uitgeroepen. Hij overwon +keizer Gallus, doch werd op zijn beurt verslagen door Valerianus en +hierop door zijne eigene troepen om het leven gebracht. + +Aemilii, een oud, beroemd, patricisch geslacht, waartoe o. a. de +familiën Lepidus, Mamercinus, Paullus, Scaurus, Barbula, Papus +behoorden. 1) M. Aemilius Lepidus, zoon van no. 2, bracht door zijn +moed veel bij tot het winnen van den slag bij Magnesia (190) tegen +Antiochus III van Syrië.--2) M. Aemilius Lepidus, consul in 187 en +175, censor in 179, streed gelukkig tegen de Liguriërs. Als consul +legde hij de via Aemilia, van Ariminum naar Placentia, aan. Als censor +bouwde hij met zijn ambtgenoot M. Fulvius Nobilior (Fulvii no. 11), de +basilica Aemilia et Fulvia, die gewoonlijk Aemilia genoemd wordt. Zijne +krachten wijdde hij aan den staat tot zijn dood toe. Twee zoons van +hem bekleedden ook het consulaat, in 137 en 126. Een kleinzoon was--3) +M. Aemilius Lepidus, consul in 78, het jaar van Sulla's dood. Uit +gegronde vrees, dat hij zou pogen, zich van het gezag meester te +maken, had de Senaat hem Gallia opgedragen, doch Lepidus verzamelde +een leger in Etruria om tegen Rome op te trekken. Hij werd echter +door Pompeius en den consul Q. Lutatius Catulus (Lutatii no. 5) +verslagen en vluchtte naar Sardinia, waar hij in 77 stierf. Zijn +onderbevelhebber M. Perperna week naar Hispania en sloot zich daar bij +Sertorius aan.--4) M. Aemilius Lepidus, de bekende drieman, was een +zoon van no. 3. Hij was een aanhanger van Caesar, door wiens toedoen +hij in 49 praetor en in 46 Caesars medeconsul werd. Hij bezorgde in +49 aan Caesar de dictatuur en werd zelf in 45 magister equitum. In +44 droeg Caesar hem het kommando op in Hispania citerior en zuidelijk +Gallia. Na Caesars vermoording vereenigde Lepidus zich met Antonius, +werd pontifex maximus en in 43 met Antonius en Octavianus lid van het +driemanschap, waarbij hij voor zijn deel Africa kreeg. Toen hij echter +in 36 Sextus Pompeius uit Sicilia had helpen verdrijven, doch zelf +de hand naar dit eiland uitstak, werd hij door zijn leger verlaten +en door Octavianus genoodzaakt, zich geheel uit het staatsbestuur +terug te trekken; alleen de waardigheid van pontifex maximus behield +hij. Hij leefde nog tot 13 op een landgoed te Circeii, onder bewaking, +in eene vermomde gevangenschap.--5) M. Aemilius Lepidus Porcina, +consul in 137, wordt als redenaar geroemd. Als proconsul van Hispania +citerior ondernam hij in 136 tegen den wil des senaats een hoogst +onrechtvaardigen oorlog tegen de Vaccaeërs, doch leed een zware +nederlaag. In 125 werd hij wegens geldverkwisting door de censoren +tot eene boete veroordeeld.--6) Mamercus Aemilius, dictator in 437, +434 en 426. Uit zijn tweede dictatorschap is de lex Aemilia de censura +afkomstig, welke den duur van het censorschap tot achttien maanden +beperkte. Zie echter onder Censor. Uit wraak brachten de eerstvolgende +censoren hem onder de aerarii.--7) L. Aemilius Mamercinus Privernas, +consul in 341 en 329, dictator 335 en 316. Zijn bijnaam Privernas +had hij te danken aan de inneming der stad Privernum in het gebied +der Volscen.--8) M. Aemilius Paullus, consul 302, versloeg bij +Thurii den spartaanschen avonturier Cleonymus, die eene landing in +Italië beproefde.--9) M. Aemilius Paullus, consul in 219 en 216, +versloeg in 219 Demetrius van Pharus en onderwierp het illyrische +kustland. In 216 verloor hij met zijn ambtgenoot C. Terentius Varro den +noodlottigen slag tegen Hannibal bij Cannae, waarin hij sneuvelde. Hij +had den slag ontraden, doch Varro, die op dien dag het opperbevel +voerde, luisterde niet naar hem. Aemilius Paullus viel, omdat hij +te hooghartig was om zich door de vlucht te redden. Hierom wordt +hij door Horatius magnae animae prodigus genoemd.--10) L. Aemilius +Paullus, zoon van no. 9, tuchtigde in 182 als consul de Liguriërs, +en overwon in zijn tweede consulaat, 168, bij Pydna koning Perseus +van Macedonië, dien hij gevangen naar Rome medevoerde. Deze oorlog, +waarin hij ook Epirus op vreeselijke wijze verwoestte, verschafte hem +den bijnaam Macedonicus. Hij stortte na den oorlog zooveel geld uit den +buit in het aerarium, dat het tributum (z. a.) afgeschaft werd. Hij +hield eene schitterende zegepraal te midden van grievend huiselijk +leed, daar een zijner zoons vijf dagen vóór, en een ander drie dagen +na den triumftocht overleed. Twee andere zoons waren door adoptie +in andere geslachten overgegaan, n.l. Q. Fabius Maximus Aemilianus +(Fabii no. 18) en P. Cornelius Scipio Aemilianus Africanus minor, de +veroveraar van Carthago (Cornelii no. 18).--11) M. Aemilius Scaurus, +consul in 115, streed gelukkig tegen volksstammen in de Alpen en werd +in 112 als gezant naar Jugurtha, koning der Numidiërs gezonden. In +111 was hij legaat van den consul L. Calpurnius Bestia in den +jugurthijnschen oorlog. Beiden lieten zich door Jugurtha omkoopen; +doch alleen L. Calpurnius werd aangeklaagd; Scaurus wist zich niet +alleen aan eene vervolging te onttrekken, maar werd zelfs lid der +commissie van onderzoek in deze zaak. Als censor liet hij in 109 de +Milvische brug herstellen en eene via Aemilia over de Appennijnen +naar Dertona aanleggen.--12) M. Aemilius Scaurus, zoon van no. 11, +was quaestor van Pompeius in den laatsten mithradatischen oorlog +(66). Later was hij (in 55) propraetor van Sardinia en werd in 54 +van afpersingen aangeklaagd. Cicero en Hortensius verdedigden hem +en pleitten hem vrij; doch in 52 van omkooping aangeklaagd, werd hij +overeenkomstig Pompeius wensch veroordeeld.--13) M. Aemilius Scaurus, +zoon van no. 12, volgde zijn halfbroeder Sex. Pompeius naar Azië, +doch leverde hem aan Antonius' legaten C. Furnius en M. Titius in +handen.--14) Mam. Aemilius Scaurus, zoon van no. 13, een talentvol +dichter en redenaar, doch zeer loszinnig, werd onder de regeering van +keizer Tiberius wegens verschillende misdaden vervolgd, en benam zich +met zijne vrouw Sextia op hare aansporing het leven.--15) Aemilius +Macer, zie Macer.--16) Aemilia Lepida, echtgenoote van P. Sulpicius +Quirinius (Sulpicii no. 21). + +Aenaria, Ainaria, ook Pithecusa, Pithekoussa, (aapjeseiland) en door +Virgilius Inarime geheeten, vulkanisch eiland met warme bronnen, +in den sinus Cumanus (golf van Napels), tgw. Ischia. + +Aenea, Aineia, stad in het westen van Chalcidice, aan de Thermaeische +golf. + +Aeneadae, Aineadai, patronymicum voor de tochtgenooten van Aeneas, +ook voor de Romeinen als afstammelingen daarvan. + +Aeneades, Aineades, patronymicum voor Aeneas' zoon Ascanius. + + + Zeus. + | + Dardanus. + | + Erichtonius. + | + Tros. + /-----^----\ + Assaracus. Ilus. + | | + Capys. Laomedon. + | | + Anchises. Priamus. + | + Aeneas. + + Genealogie van Aeneas. + + +Aeneas, Aineias, 1) de bekende trojaansche held, zoon van Anchises en +de godin Aphrodite (Venus), op den berg Ida geboren en te Dardanus, +bij Alcathoüs, den man zijner zuster Hippodamea, opgevoed, nam +eerst geen deel aan den strijd tusschen Trojanen en Grieken, totdat +hij bij zijne kudden op den Ida door Achilles werd overvallen en +beroofd. Sedert dezen tijd was hij met Hector de steun der Trojanen, +onversaagd, door goden en menschen bemind en geëerd om zijn vroomheid +en wijsheid. Evenals Achilles is Aeneas de zoon eener godin en heeft +hij goddelijke paarden; hij wordt door Priamus gehaat, gelijk Achilles +door Agamemnon. Homerus ziet in Aeneas den toekomstigen beheerscher +van het herbouwde Troje, en de rom. sage, welke Aeneas na tal van +omzwervingen en lotgevallen in Italië laat landen, is dus van lateren +tijd dan de Ilias. De wijze, waarop Aeneas uit het brandende Troje +ontkwam, wordt verschillend verhaald. Livius laat hem bij verdrag +aftrekken. Virgilius laat hem vluchten met de Penaten van Troje in +de eene en zijn jeugdigen zoon Ascanius of Iulus aan de andere hand, +zijn ouden vader op de schouders dragende en gevolgd door zijne vrouw +Creusa, die hij echter bij de nachtelijke vlucht verliest. Zijne +lotgevallen zijn uitvoerig geschilderd in de Aeneïs. Het eerste +boek van dit epos verplaatst ons in het zevende jaar van Aeneas' +zwerftochten, op het oogenblik dat de wraakzuchtige Juno den god der +winden, Aeolus, verzoekt, de vloot van Aeneas door een hevigen storm te +doen vergaan. Doch Neptunus brengt golven en winden tot bedaren en met +verlies van slechts één enkel schip landt Aeneas op de afrikaansche +kust, waar hij bij Dido, de stichteres van Carthago, een gastvrij +onthaal vindt. In boek 2 en 3 verhaalt Aeneas den ondergang van Troje +en zijn eigene redding, hoe hij met 20 schepen het trojaansche gebied +verliet, eerst in Thracia eene stad wilde stichten, doch door ijselijke +wonderteekenen werd afgeschrikt, hoe het delische orakel hem beval, +het oude moederland der Dardaniden op te zoeken, en hoe zij toen +op Anchises' raad den steven naar Creta wendden, vanwaar Teucer, de +schoonvader van Dardanus en dus een van de stamvaders der Trojanen, +afkomstig was (volgens een andere mythe werd Teucer de schoonzoon +van Dardanus). Eene pestziekte verdrijft de Trojanen weder van Creta, +terwijl de Penaten in een droom aan Aeneas verkondigen, dat Italia het +bedoelde moederland is, vanwaar Dardanus gekomen was. Het verhaal der +verdere lotgevallen, tot het vertrek van Sicilia, waar Anchises stierf, +en den storm, vullen verder het derde boek. Boek 4 behelst de door +Venus opgewekte liefde van Dido voor Aeneas, diens overhaast vertrek op +bevel van Jupiter, en Dido's zelfmoord. In boek 5 en 6 wordt de tocht +naar Italië en de afdaling van Aeneas in de onderwereld beschreven, +waar hij tal van oude trojaansche helden weerziet, die voorbeschikt +zijn om later als Romeinen weder op de aarde te verschijnen. De +volgende boeken behelzen de lotgevallen van Aeneas in Latium, +zijn voorgenomen huwelijk met Lavinia, dochter van koning Latinus, +den daarop gevolgden oorlog met zijn medeminnaar Turnus, koning der +Rutuliërs, en eindelijk het tweegevecht, waarin Turnus door de hand van +Aeneas valt. Hiermede eindigt de Aeneïs. De sage laat vervolgens Aeneas +in den Numicus verdrinken of onder donder en bliksem ten hemel varen, +waarna hij vereerd werd als Iupiter indiges.--2) Aen. Tacticus, Ain. ho +Taktikos, tijdgenoot van Xenophon, schrijver van een werk over taktiek, +waarvan een uittreksel bestaat onder den titel taktikon hypomnema. + +Aenesidemus, Ainesidemos, of Aines. 1) sceptisch philosoof uit +Cnossus, tijdgenoot van Cicero. In zijne werken, logoi Pyrroneioi, +verdedigde hij de leer van Pyrrho; hij vond echter, naar het schijnt, +weinig aanhangers.--2) vader van Theron van Agrigentum. + +Aenianes, Ainianes, oude grieksche volksstam, die op verschillende +plaatsen gewoond heeft in Thessalia, later in het dal van den Spercheus +en op de hellingen van het Oetagebergte. + +Aenus, Ainos, 1) oude aeolische stad op de thracische kust, aan de +monding van den Hebrus, waarvan de stichting door Virgilius aan +Aeneas wordt toegeschreven. In de Ilias wordt zij reeds genoemd, +en onder de Rom. was zij eene belangrijke handelsstad.--2) berg in +het zuiden van het eiland Cephallenia.--3) rivier in Raetia, thans +de Inn, met Aeni pons, bij Rosenheim in het Z. van Beieren gelegen. + +Aeoles of Aeolii, Aioles, heet de bevolking van Lesbus, Tenedus en +Aeolis (z. a.); hun hoofdzetel schijnt oudtijds Thessalia geweest te +zijn. Vandaar zijn ze gedeeltelijk naar Boeotia, en over Aulis naar +Klein-Azië getrokken. De dialekten dezer drie streken zijn dan ook +nauw verwant. Uit de omstandigheid, dat de stamheros Aeolus als vader +van een talrijk kroost wordt voorgesteld, ontstond bij de Grieken het +vermoeden, dat de Aeoliërs eene verzameling van verschillende kleine +stammen waren, die oudtijds in verschillende deelen van Griekenland +werden aangetroffen. + +Aeolia, bij Hom. Aiolie, het mythische eil., waar Aeolus, de god der +winden, zijn zetel had. + +Aeoliae insulae, de Liparische of Vulcanische eilanden, ten noorden +van Sicilia, tien in getal. + +Aeolis, Aiolis, 1) oude naam van Thessaliotis, waar de Aeoles +oorspronkelijk woonden, hoofdplaats Arne.--2) kuststreek van +Klein-Azië, van den Hellespont zuidwaarts tot aan de Hermaeische golf, +bevolkt door Grieken van aeolischen stam. De voornaamste aeolische +steden in Troas zijn: Ilium, Assus, Gargara, Antandrus, Cebren, +Scepsis, Neandrea. Het aeolische bondgenootschap was beperkt tot +een kring van 12 kleine steden, die dicht opeenlagen in de heuvels +tusschen de mondingen van den Caïcus en den Hermus. Het waren de +volgende: Cyme, Larisa, Neontichos, Temnus, Cilla, Notium, Aegirusa, +Pitane, Aegae, Myrina, Grynea, Smyrna; doch de laatstgenoemde stad +werd in 688 door de aangrenzende Ioniërs vermeesterd. Ook de eilanden +Lesbus en Tenedus behoorden tot Aeolis. Nadat de aeolische steden +achtereenvolgens door de koningen van Lydië waren onderworpen, +deelden zij ook in de lotswisselingen van Voor-Azië. + +Aeolus, Aiolos, 1) oudste zoon van Hellen en de nimf Orseis, +beheerscher van Magnesia in Thessalië, stamvader der Aeoliërs. Bij +zijne gemalin Enarete had hij zeven zoons en vijf dochters. De zonen +vestigden zich in verschillende plaatsen, vandaar dat de aeolische stam +zich verder verbreidde dan een van de andere grieksche stammen.--2) +Aeolus Hippotades (Hippotades), zoon van Hippotes, afstammeling van +den bovengenoemden, koning van een der Aeolische eilanden. Hij was +een vroom en menschlievend man, die den menschen het gebruik van +zeilen leerde en het waaien van den wind voorspelde; daarom was hij +een lieveling der goden en kreeg hij, vooral door voorspraak van +Hera, het recht om deel te nemen aan hunne maaltijden en tevens het +bestuur over de winden. Op zijn met hooge rotsen en metalen muren +omgeven eiland leeft hij gelukkig met zijn vrouw, zes zonen en zes +dochters, die met elkander gehuwd zijn; hij zit op een hooge rots, +waarbinnen in een groot hol de winden opgesloten zijn. V. a. waren +deze Aeolus en zijn tweelingbroeder Boeotus zonen van Poseidon en +Arne, een achterkleindochter van den eerstgenoemden Aeolus. Haar +vader, vertoornd over de geboorte van deze kinderen, gaf haar aan +een vreemdeling, die haar medenam naar Metapontum en de kinderen +op bevel van een orakel als de zijne opvoedde. Toen zij volwassen +waren, maakten zij zich van de heerschappij over Metapontum meester, +en later doodden zij Autolyce, hun pleegmoeder, die met Arne in twist +leefde. Uit vrees voor de wraak van hun pleegvader vluchtte nu Aeolus +naar de Aeolische eilanden, die van hem hun naam ontvingen. V. a. was +de moeder van Aeolus en Boeotus Melanippe, de dochter van Desmontes +of van een anderen Aeolus, en werden de kinderen te vondeling gelegd +en door herders gevonden. Toen nu Metapontus, de koning van Icarië, +zijne gemalin Theano wilde verstooten, omdat zij geen kinderen kreeg, +nam zij de knaapjes van de herders over en gaf ze aan Metapontus als +haar eigen kinderen. Maar dit berouwde haar, toen zij zelve twee zonen +baarde, vooral daar Metapontus de vondelingen wegens hun schoonheid met +voorliefde behandelde. Toen dus hare zonen volwassen waren, verhaalde +zij hun wat er gebeurd was en spoorde hen aan Aeolus en Boeotus +te dooden. Maar in het gevecht, dat nu volgde, vielen de zonen van +Theano en zij doodde zichzelve. Aeolus en Boeotus vluchtten, maar nu +ontdekte Poseidon hun ware afkomst en deelde hen mede, dat hun moeder +door haar vader van het gezicht beroofd en in de gevangenis geworpen +was. Daarop doodden zij ook hun grootvader, bevrijdden Melanippe, +en keerden met haar naar Metapontus terug, die haar tot vrouw nam. + +Aepea, Aipeia, stad in Messenia, aan zee, op de plaats van het +latere Corone. + +Aepytus, Aipytos, 1) zoon van Elatus, koning van Phaesana. Na +den dood van Clitor regeerde hij over Arcadië; hij stierf aan een +slangebeet.--2) zoon van Hippothoüs, koning van Arcadië; hij betrad den +tempel van Poseidon te Mantinea, wat aan geen sterveling geoorloofd +was, dientengevolge werd hij blind en stierf hij kort daarna.--3) +zoon van Cresphontes en Merope. Zijn vader en broeders werden bij een +opstand gedood, terwijl hij bij zijn grootvader in Arcadië was. Later +veroverde hij echter met de hulp der Arcadiërs en Doriërs Messenië +weder.--4) zoon van Neleus, stichter van Priene. + +Aequi, ook Aequicoli (Aequicolani) geheeten, een landbouwende, doch +tevens krijgszuchtige stam ten N.-O. van Latium, in de dalen van +den Boven-Anio, de Himella en den Tolenus, verwant met de Volsci, +met wie ze samen in de 5de en 4de eeuw geregeld tegen de Romeinen en +het Latijnsch verbond oorlog gevoerd hebben. In de 5de eeuw is een +gedeelte van Latium o.a. de steden Bola en Labici en vooral de berg +Algidus een tijdlang in hun bezit geweest. In 304 wordt de stam door +den consul P. Sempronius Sophus (Sempronii no. 16) geheel onderworpen +en het grootste gedeelte van het gebied aan de militaire kolonies +(col. Latinae) Alba Fucens (Fucentia) en Carseoli toegewezen. Wat +er overschiet van het volk, komt als civitas sine suffragio voortaan +voor onder den naam Aequicoli (Aequiculani). + +Aequicoli (Aequiculani), zie Aequi. + +Aequimaelium. Een plein aan de zuidzijde van het Capitool, beneden den +tempel van Jupiter Capitolinus, waar eenmaal het huis van Sp. Maelius +had gestaan. Zie Maelii. + +Aequum Faliscum, zie Falerii. + +Aerarii waren zulke rom. burgers, die niet in eene tribus waren +ingeschreven en wien dus het stemrecht ontzegd was. Om namelijk +dit recht uit te oefenen, moest men tot eene tribus behooren. Zij +betaalden geen tributum (z. a.), maar een hoofdgeld (aera, vandaar hun +naam), en waren van den dienstplicht uitgesloten. Onder de aerariërs +gebracht te worden, was eene straf, die dikwerf door de censoren werd +toegepast. Dan werd men ook niet belast naar den gewonen maatstaf, +maar willekeurig hoog in de belasting aangeslagen. Inter aerarios +referri en in tabulas Caeritum referri zijn synonieme uitdrukkingen, +omdat de inwoners der etruscische stad Caere (z. a.) de eersten waren, +die als burgers zonder stemrecht onder bezwarende voorwaarden bij +Rome werden ingelijfd. + +Aerarium was de schatkist van den rom. staat, ook de plaats waar de +kas bewaard werd en waar tevens het staatsarchief was geborgen, tot +dat hiervoor door Q. Lutatius Catulus het tabularium (z. a.) gebouwd +werd. Tijdens de republiek was het aerarium in den tempel van +Saturnus. Het stond onder beheer der quaestores urbani, die echter +geene uitgaven mochten doen dan op last van de consuls of van den +senaat. De keizers echter droegen het beheer ook aan anderen op, +b.v. aan praetoren of aan praefecti aerario, terwijl het aerarium +zelf meer en meer tegenover den door Augustus ingestelden fiscus +(z. a.) of bijzondere kas des keizers aan beteekenis verloor. In de +3de eeuw n. C. werd het de kas van de stad Rome. + +Aerarium sanctius, reserve-kas voor tijden van grooten nood, waarin +o. a. de vicesima manumissionum (5% der waarde van vrijgelaten slaven) +werd gestort. + +Aerarium militare, door Augustus ingesteld en gevoed door nieuwe +belastingen, zooals de centesima rerum venalium, diende voor het +onderhoud van het leger. + +Aërope, Aerope, dochter van Catreus, gehuwd met Atreus en v. s. ook +met Plisthenes. Zij maakte zich schuldig aan overspel met Thyestes, +en gaf hem zelfs het gouden lam, dat hem de heerschappij over Mycenae +moest verschaffen. Toen Thyestes nu, eenmaal door Atreus verdreven, +toch terugkeerde en met hulp van Aërope zijn broeder van den troon +trachtte te stooten, werd zij door Atreus in zee geworpen. + +Aerugo, eene soort van roest van schitterend groene kleur (patina), +welke zich door den tijd op het brons vormde en de waarde der +beeldwerken zeer verhoogde. Om al te sterke oxydeering tegen te +gaan, bestreek men de koperen voorwerpen met olie of vloeibaar pek +of asphalt. + +Aes is oorspronkelijk koper en wat daarvan vervaardigd is; ook het uit +koper en tin gemengde brons heet aes. Daar de oudste munt uit koper +geslagen was, werd het woord ook voor munt gebezigd. Aes signatum = +gemunt geld. Aes grave is de zware oude rom. munt, toen de as, zijnde +de waarde van een pond koper, nog het volle gewicht had (as libratis), +z. as. Aes alienum is schuld, het passief vermogen, in tegenstelling +van aes suum, actief vermogen. + +Aes Corinthium, eene legeering van koper met verschillende andere +metalen, zoo genoemd naar Corinthe, waar het bronsgieten op den +hoogsten trap stond. + +Aes equestre, de toelage, die de equites equo publico uit de schatkist +ontvingen tot aankoop van een paard. + +Aes hordearium, toelage aan de equites tot onderhoud van hun paard. Het +aes equestre en het aes hordearium werden opgebracht door de orbi et +orbae (z. a.). Zie ook tribuni aerarii. + +Aes militare, soldij. Aere dirutus is degene, wien tot straf soldij +wordt onthouden. + +Aes uxorium, belasting op de ongehuwden. + +Aesacus, Aisakos, zoon van Priamus en Arisbe. Toen Hecabe droomde dat +zij een brandend stuk hout ter wereld bracht, voorspelde Aes. dat zij +een zoon zou baren, die den ondergang van Troje zou veroorzaken; op +zijn raad werd het kind (Paris), zoodra het geboren was, te vondeling +gelegd. Na den dood zijner echtgenoote Asterope was hij ontroostbaar en +werd hij in een vogel veranderd. V. a. heet zijne moeder Alexirrhoë, +en wordt hij verliefd op Hesperia, de dochter van een riviergod; toen +zij voor hem vluchtte en hij haar vervolgde, werd haar door een adder +een doodelijke wonde toegebracht. Uit smart wierp Aes. zich in zee, +maar werd door Tethys in een duiker veranderd. + +Aeschines, Aischines, 1) Athener, een zoon van arme ouders, leefde +zelf ook voortdurend in groote armoede, maar was een ijverig leerling +van Socrates en voorstander van diens leer, die hij in zeven, bijna +geheel verloren gegane, dialogen nader trachtte te ontwikkelen. Na +Socrates' dood leefde hij eenigen tijd aan het hof van Dionysius van +Syracuse, maar na diens val (356) keerde hij naar Athene terug, waar +hij zich bezighield met het geven van onderwijs en het schrijven van +pleitredenen.--2) Athener, geb. omstreeks 390. Zijne ouders Atrometus +en Glaucothea waren menschen van geringen stand en Aesch. werd slechts +met moeite onder de burgers opgenomen. Hij begon zijn loopbaan als +klerk (grammateus) bij Aristophon en Eubulus, trad later zonder bijval +te vinden als tooneelspeler (tritagonist) op, en nam deel aan de +veldslagen bij Mantinea en Tamynae. Spoedig trad hij ook als redenaar +op; door zijn groote welsprekendheid speelde hij sedert dien tijd in de +politiek eene voorname rol als hoofd der vredespartij en tegenstander +van Demosthenes. Toen hij namelijk in 347 met Demosthenes e.a. als +gezant gezonden was om met Philippus over vrede te onderhandelen, +wist deze hem door zijn innemend gedrag voor zich te winnen, en reeds +dadelijk bij het tweede gezantschap, dat Philippus den vrede moest +laten bezweren, was Aesch. door zijn talmen de oorzaak, dat Philippus, +voordat de eeden afgelegd waren, zich verscheiden belangrijke +voordeelen wist te verzekeren. Hierom door Demosthenes en Timarchus +aangeklaagd, bracht hij eerst een tegenaanklacht tegen Timarchus in, +die wegens onzedelijkheid veroordeeld werd en dus onbevoegd werd als +aanklager op te treden, maar Demosthenes nam de aanklacht weder op +en Aeschines' redevoering (peri parapresbeias), schijnt de rechters +niet volkomen van zijn onschuld overtuigd te hebben; toch werd +hij, mede door den invloed van Eubulus, vrijgesproken (343). Later +(339) gaf Aesch. door zijn gedrag als afgezant bij de vergadering +der Amphictyonen (pylagoras) aanleiding tot den tweeden heiligen +oorlog, waarvan een gevolg was dat Philippus tot in het binnenste +van Griekenland kon doordringen en door de overwinning bij Chaeronea +(338) aan Athene de macht kon ontnemen, hem in zijne verdere plannen +tegen te werken. Grievend was het voor Aesch. dat, in weerwil van zijn +tegenstreven, aan Dem. het houden van de lijkrede over de in dien slag +gevallenen werd opgedragen; nog iets ergers was hem vroeger gebeurd, +toen het volk hem als vertegenwoordiger bij een geschil met Delus +verkozen had, maar de Areopagus weigerde die keuze te bekrachtigen, +omdat men aan zijne welgezindheid twijfelde. En toen in 336 zekere +Ctesiphon het voorstel deed, dat Demosthenes wegens zijne verdiensten +met een gouden krans vereerd zou worden, verzette Aesch. zich hiertegen +als tegen een onwettig voorstel. Door omstandigheden bleef de zaak +tot 330 hangende; toen had het geluk der Macedoniërs en daarmee ook +de invloed der macedonische partij te Athene zijn toppunt bereikt, +en achtte Aesch. het oogenblik gekomen om eene beslissing uit te +lokken in dit proces, dat in naam tegen Ctesiphon gericht was, maar +waarvan de uitslag inderdaad een van de twee groote tegenstanders +voor goed uit het openbare leven moest doen wijken. En in weerwil van +de voortreffelijke rede door Aesch. bij deze gelegenheid gehouden, +behaalde Demosthenes, die als verdediger van Ctesiphon optrad, zulk +eene schitterende overwinning, dat Aesch. een langer verblijf te +Athene onmogelijk vond en zich naar Rhodus begaf, waar hij, naar men +zegt, onderwijs in de welsprekendheid gaf en op 75-jarigen leeftijd +stierf. Als redenaar wordt Aesch. door de ouden zeer hoog geschat, +zijne drie redevoeringen werden de Gratiën, zijne negen brieven +de Muzen genoemd. De brieven zijn onecht, de redevoeringen zijn: +1º. kata Timarchou, 2º. peri parapresbeias, 3º. kata Ktesiphontos.--3) +geb. te Neapolis, leefde omstreeks het einde der 2e eeuw als leeraar +der academische wijsbegeerte te Athene. + +Aeschrion, Aischrion, van Samus, iambendichter omstreeks 322. + +Aeschylus, Aischylos, zoon van Euphorion, de eerste der drie groote +atheensche treurspeldichters. Hij werd geb. 525, behoorde tot een +adellijk geslacht en streed mede bij Marathon, Salamis en Plataeae. In +477 ging hij, waarschijnlijk op uitnoodiging van Hiero, naar Syracuse, +en sedert bracht hij een groot deel van zijn leven op Sicilië door; +hij stierf in 456 te Gela. Men meent, dat hij zich niet ongaarne +buiten Athene ophield, daar hij zich niet kon schikken in de nieuwe +politieke en maatschappelijke toestanden, en zich niet kon vereenigen +met de richting, door de bovendrijvende partij in de latere jaren +van zijn leven ingeslagen; daarop zou dan ook het verhaal doelen, +dat hij eens wegens ontheiliging van de mysteriën zou aangeklaagd +zijn. Hoe dit zij, na zijn dood werd hij als kunstenaar hoog geëerd, +zijn standbeeld werd in den schouwburg geplaatst en zijne stukken +werden ook na zijn dood menigmaal opgevoerd, terwijl de staat, hoewel +waarschijnlijk zonder gevolg, trachtte ze tegen vervalsching te +bewaren. Inderdaad was het treurspel, sedert Aesch. niet veel ouder +dan 25 jaar voor het eerst als dramatisch dichter was opgetreden, +door zijn invloed zoozeer vooruitgegaan, dat men hem niet zonder +reden vader en schepper van die dichtsoort genoemd heeft; in ieder +geval heeft hij haar de eervolle plaats verschaft, die zij sedert in +het openbare leven innam, en den overwegenden invloed, dien zij op +de verstandelijke en aesthetische ontwikkeling der Atheners had. Door +het invoeren van een tweeden tooneelspeler maakte hij een dialoog en +ten minste een begin van handeling mogelijk, weldra trad de dialoog +geheel op den voorgrond, en werden de koorliederen niet slechts in +omvang beperkt, maar ook met de handeling in nauw verband gebracht +en aan den voortgang er van dienstbaar gemaakt. Ook maakte hij +het eerst gebruik van decoraties en machinerieën, terwijl hij door +eigenaardige kleeding, schoeisel en maskers aan zijne tooneelspelers +een indrukwekkend uiterlijk wist te geven. Volgens gewoonte trad hij +in zijne stukken zelf als tooneelspeler op, bovendien oefende hij +(als chorodidaskalos) zijne koren in zang en dans, en leidde hij de +geheele voorbereiding voor de opvoering zijner stukken. Van zijne +werken--meer dan 70 titels worden genoemd--zijn 7 bewaard gebleven; +het zijn chronologisch gerangschikt de volgende: Supplices, Persae +(opgevoerd in 472), Septem adversus Thebas, Prometheus vinctus, en de +trilogie Agamemnon, Choephoroe, Eumenides, waarmede Aeschylus in 458 +den eersten prijs won; zij munten uit door ernst en verhevenheid, de +karakters zijn edel en waardig, de taal is daarmede in overeenstemming, +en de toestanden zijn zoo gekozen, dat ieders eigenschappen ten +volle aan den dag komen; de inhoud wijst overal op de onverbiddelijke +heerschappij der goddelijke macht over den mensch. + +Aesculapius = Asclepius. Toen in 293 te Rome de pest woedde, en op +bevel der sybillijnsche boeken gezanten naar Epidaurus gezonden waren +om Aesc. van daar te halen, kwam de god in de gedaante van een slang +uit eigen beweging op hun schip, en ging eveneens uit eigen beweging +op het Tibereiland aan land, waar hij sedert een tempel had. + +Aesepus, Aisepos, rivier in Mysia, die op den berg Ida ontspringt en +zich bij Cyzicus in de Propontis stort. Hij vormt de oostgrens van +het landschap Troas. + +Aesernia, stad in Samnium, dicht bij de bronnen van den Volturnus, +sedert 263 rom. kolonie. + +Aeserninus, beroemd zwaardvechter evenals Pacideianus. Vandaar +spreekwoordelijk: Aeserninus cum Pacideiano van twee even groote, +met elkaar wedijverende mannen. + +Aesis, rivier en stad op de grenzen van Umbria en Picenum. + +Aeson, Aison, zoon van Cretheus en Tyro, vader van Iason. Pelias +beroofde hem van zijn aandeel in de regeering van Iolcus, en doodde hem +later, terwijl Iason op zijn tocht naar Colchis was, of Aes. voorkwam +hem door zich zelf van het leven te berooven. V. a. leefde Aes. nog +bij de terugkomst der Argonauten, en werd hij door de tooverkunsten +van Medea verjongd. + +Aesonides, Aisonides, Iason, zoon van Aeson. + +Aesopus, Aisopos, grieksch fabeldichter, tijdgenoot van Solon, +een mismaakte dwerg, in Thracië of Phrygië geboren. Hij diende als +slaaf verschillende heeren, doch kreeg later de vrijheid en ging +reizen. Zoo kwam hij o. a. ook bij Croesus, die hem met eene zending +naar Delphi belastte, waar hij wegens godslastering van een rots +geworpen werd. Wegens dezen moord werden de Delphiërs door allerlei +rampen getroffen. De meeste berichten over Aes. komen echter eerst +bij late schrijvers voor en verdienen weinig geloof, zelfs twijfelt +men of hij inderdaad bestaan heeft; zeker zullen de fabels, die zijn +naam dragen (mythoi of logoi Aisopeioi), en die wegens hunne lessen +van praktische levenswijsheid zeer populair waren, niet alle van hem +afkomstig zijn. Deze fabels waren oorspronkelijk in proza geschreven, +maar werden later meermalen in verzen omgezet, o. a. hield Socrates +zich in de gevangenis met zulk een omzetting bezig. Dientengevolge +is het zeer onzeker, hoeveel van den oorspronkelijken vorm nog over +is in de bewerkingen, die wij nu nog er van hebben. De voornaamste +bewerkingen in dichtvorm zijn van Phaedrus (z. a.), Babrius (z. a.) en +Avianus (z. a.). + +Aesopus (Claudius), beroemd tooneelspeler ten tijde van Cicero, +die veel van hem leerde wat voordracht betreft. In 55 verloor hij, +bij de inwijding van het theatrum Pompei, onder het spelen op eenmaal +zijn stem. Hij liet een groot vermogen na, dat door zijn zoon spoedig +werd doorgebracht. + +Aestii, een aan de Oostzee, van de monden van den Weichsel tot aan de +Finsche Golf wonend volk, de stamvaders der latere Letten en Lithauers. + +Aesula, verschrijving voor Aefula (z. a.). + +Aesymnetes, Aisymnetes, iemand, die met onbeperkte macht, maar +op wettige wijze, aan het hoofd van den staat gesteld wordt. Dit +geschiedde vooral in tijden van burgertwisten, en het was dan de +taak van den Aes. pogingen te doen om de partijen te verzoenen, de +geschilpunten uit den weg te ruimen, de noodige veranderingen in de +wetten te maken, enz.--In sommige staten werd daarna de naam voor +een van de gewone overheden behouden. + +Aethalia, Aithalia, of Ilva, eiland in de tyrrheensche zee, thans +Elba. Het hoorde tot de etruscische stad Populonia, die de rijke +ijzermijnen van het eiland exploiteerde. + +Aethalides, Aithalides, zoon van Hermes en Eupolemea, heraut der +Argonauten. Hij had een zeer sterk geheugen, dat hem ook in de +onderwereld bijbleef, zoodat, toen zijne ziel na vele omzwervingen +in het lichaam van Pythagoras terechtkwam, zij zich nog alles wist +te herinneren, wat zij had ondervonden in de verschillende lichamen, +waarin zij gehuisd had. + +Aether, Aither, de hoogere lucht, die de hemelruimte en de woning +der goden vult, in tegenstelling van de lagere lucht (aër), die de +aarde omgeeft. De aether werd beschouwd als een der grondstoffen +van het heelal, in de orphische hymnen als de wereldziel, waaruit +alle leven ontstaan is. Bij dichters is Aether de zoon van Erebus +en Nyx of van Chaos en Caligo, en de vader van Aarde, Hemel, Zee, +e. a. Als schenker van den vruchtbaren regen is soms Aether = Zeus. + +Aethiopes, Aithiopes, oorspronkelijk alle donkerkleurige menschen, +zoowel in Azië als in Afrika; zij wonen aan het einde der aarde, en +verheugen zich om hun vroomheid in de bizondere gunst der goden, die +hen dikwijls bezoeken om plechtige offers in ontvangst te nemen. Later +onderscheidde men de oostelijke Aeth. met sluike haren (in Gedrosia +e. e.) van de westelijke met krullend haar, die in Aethiopië woonden +en meer in het bijzonder met dien naam aangeduid werden. + +Aethiopia, Aithiopia, aan den Nijl. Het lag ten zuiden van Aegypte +en was beroemd door zijne beschaving, die van Aegypte uit zich +dáár verbreidde. In de oudheid wordt op verschillende tijden van +verschillende rijken melding gemaakt. In het noorden lag Napata, +tijdens keizer Augustus het rijk der oorlogzuchtige koningin +Candace. Tusschen de Nijlarmen Astapus en Astaboras had men in +overoude tijden den priesterstaat Meroë, die over talrijke negerstammen +heerschte. Nog meer zuidelijk lag het rijk van Axoma of Auxume (z.a.), +waarschijnlijk ontstaan door de 240,000 krijgslieden, die onder de +regeering van koning Psammetichus of Psamtik uit Aegypte uittogen. + +Aethra, Aithre, dochter van Pittheus, gemalin van Aegeus, moeder +van Theseus. Toen Theseus Helena geschaakt had, plaatste hij haar te +Aphidnae onder de hoede van zijne moeder, maar toen Helena door de +Dioscuren teruggehaald werd, namen zij ook Aethra mede. Sedert leefde +zij als slavin van Helena, en zoo kwam zij later met haar te Troje; +na de inneming van deze stad werd zij echter door haar kleinzonen +Acamas en Demophon herkend en naar Attica teruggebracht. + +Aëtion, Aetion, beroemd schilder in den tijd van Alexander den Gr.; +onder zijne werken muntte vooral uit de schilderij, voorstellende de +bruiloft van Alexander en Roxane. + +Aëtius, rom. veldheer, die in 451 n. C., verbonden met Franken, +Westgothen en Burgundiërs, in de Catalaunische velden (de vlakte van +Châlons-sur-Marne) de Hunnen onder Attila versloeg. Hij werd later +door keizer Valentinianus III uit achterdocht omgebracht (454). + +Aetna, Aitne, de bekende vulkaan op Sicilia, waaronder volgens de mythe +de Gigant Typhon of Enceladus bedolven lag en waarbinnen Hephaestus +of Vulcanus met zijne Cyclopen de bliksems voor Jupiter smeedde. In +den Aetna wierp zich de wijsgeer Empedocles (z. a.). Aan den voet van +den berg lag de stad Aetna, door de uit Catana verdreven Syracusanen +en Peloponnesiërs gesticht op de plaats van het vroegere Inessa (461). + +Aetolia, Aitolia, landschap in Hellas, met ruwen bodem, rijk +aan bergen en bosschen, met eene half barbaarsche, uit allerlei +bestanddeelen saamgesmolten, roofzuchtige bevolking. Onder de oudste +inwoners worden Cureten, Lelegers, Hyanten genoemd, waarbij zich +Eleërs voegden. Er waren veel wilde dieren. De inwoners spraken een +voor Grieken onverstaanbaar patois, en leefden meestal in dorpen +verspreid. Onder den invloed van corinthische volksplantingen op de +kust verspreidde zich de beschaving, hoewel eerst laat. Na Alexander +den Gr. hebben de Aetoliërs nog eene rol in de geschiedenis gespeeld +(zie Aetolisch verbond). In Aetolia behooren de mythen te huis van +Meleager en het calydonische zwijn, den strijd tusschen Heracles en +den riviergod Achelous, de straf der Echinaden. Men onderscheidde +Oud-Aetolia (ten archaian Ait.), zijnde de grootste westelijke helft, +en ten epikteton Ait., het later bijgevoegde. + +Aetolisch verbond. De steden van Aetolië waren tengevolge van +hun afgesloten ligging wel altijd vreemd gebleven aan de grieksche +beschaving, zoodat de inw. zelfs veelal barbaren genoemd werden, maar +hadden zich door dezelfde oorzaak ook altijd van vreemde overheersching +vrijgehouden. Na den dood van Alexander den Gr. sloten zij zich nauwer +hij elkander aan en vormden zij een verbond (to koinon ton Aitolon) +onder leiding van een strateeg en een grammateus, bijgestaan door +een raad van synedroi, of apokletoi, terwijl minstens eenmaal in +het jaar een algemeene vergadering werd gehouden. Hun hoofdstad was +Thermum, Thermon (z. a.). Toen nu Antipater en Craterus tevergeefs +getracht hadden hen voor hunne deelneming aan den lamischen oorlog te +tuchtigen, begon het aet. verbond naar uitbreiding te streven. Dit +gelukte: het maakte zich meester van Locris, Phocis, enz., en zelfs +verscheiden peloponnesische staten behoorden tot het verbond; ook +veroverden zij Delphi (290), wat aanleiding gaf tot den laatsten +oorlog der Amphictyonen. Aanvankelijk met Macedonië verbonden, +verbraken de Aet. dit bondgenootschap weldra en vooral sedert het +achaeisch verbond zich aan Macedonië had aangesloten, hielden zij +de zijde der Lacedaemoniërs. Toen de Romeinen begonnen te trachten +invloed in Griekenland te krijgen, sloten ook zij zich aan bij den +vrede van Naupactus (217 z. Philippus no. 5), doch door Philippus +in hun verwachtingen teleurgesteld, zochten zij later nu en dan +de vriendschap der Romeinen en in den slag bij Cynoscephalae (197) +streden zij met dezen tegen Philippus. Door hen met ondank behandeld, +riepen zij Antiochus d. G. ter bevrijding van Griekenland op, en +na diens nederlaag moesten zij zich onvoorwaardelijk aan den consul +M. Fulvius Nobilior (Fulvii no. 11) overgeven (189). Sedert 146 waren +de aetolische steden een deel der provincie Achaia. + +Aetolus, Aitolos, 1) zoon van Endymion en Asterodia of Chromia of +Hyperippe. Hij volgde zijn broeder Epeus in de regeering over Elis +op, maar nadat hij door onvoorzichtigheid Apis gedood had, vluchtte +hij naar de omstreken van den Achelous, die door de Cureten bewoond +werden; sedert dien tijd heet dit land naar hem Aetolië.--2) zoon van +Oxylus en Pieria, die jong stierf, en wien de gymnasiarch te Olympia +jaarlijks een lijkoffer bracht. + +Afer (Domitius), uit Nemausus (Nîmes) in Gallia, een zeer beroemd +redenaar ten tijde van Tiberius en Caligula. Hij trad meermalen als +beschuldiger op. Hij behoorde niet tot de rom. gens Domitia. + +Afranii. Er zijn verschillende personen van dezen naam bekend. Eene +gens Afrania wordt niet genoemd. 1) L. Afranius, blijspeldichter, +omstreeks 150 geboren, wordt voor den voornaamsten dichter der comoedia +togata gehouden. Er zijn slechts fragmenten van hem overgebleven.--2) +L. Afranius, een man van geringe afkomst, had onder Pompeius in +Spanje en Azië gediend, en werd door diens invloed in 60 tot consul +verkozen. Later was hij Pompeius' legaat in Spanje, en streed aldaar +in den burgeroorlog tegen Caesar. Toen hij genoodzaakt werd, den +strijd in Spanje op te geven, begaf hij zich met zijn medelegaat +Petreius tot Pompeius en woonde den slag bij Pharsalus bij, waar +Pompeius door Caesar werd verslagen. Afranius vluchtte naar Africa, +nam dáár in 46 deel aan den slag bij Thapsus, werd door P. Sittius +(z. Sittii) gevangen genomen en door de soldaten van Caesar gedood.--3) +Sex. Afranius Burrus, meest onder den naam Burrus bekend, was onder +keizer Claudius, sedert 51 n. C. praefectus praetorio, en bewerkte na +diens dood de verheffing van Nero. Met den wijsgeer L. Annaeus Seneca +trachtte hij op Nero steeds een invloed ten goede uit te oefenen, +en weigerde standvastig, aan den moord op Agrippina en Octavia deel +te nemen. Naar men beweerde, heeft Nero hem door vergif uit den weg +geruimd (62 n. C.). De Romeinen betreurden hem zeer. + +Africa. Het werelddeel Afrika was bij de ouden bekend als Libya, Libye, +en eerst onder de rom. heerschappij ging de naam van de provincie +Africa (het vroegere gebied van Carthago) op het geheele werelddeel +over, althans voorzoover dit bekend was. Tot in de vijfde eeuw vóór +Chr. werd Afrika niet als een afzonderlijk werelddeel beschouwd, +maar nu eens tot Europa, dan weder tot Azië gerekend. Alleen het +noordelijkste gedeelte was bekend. Hoewel de aegyptische koning Necho +Afrika door phoenicische zeevaarders liet omzeilen, ging de hierdoor +verworven kennis niet op de lateren over; men verbeeldde zich, dat +Afrika naar het zuiden steeds breeder werd, en Claudius Ptolemaeus, +de beroemde geograaf uit den tijd der Antonijnen, laat zelfs de +afrikaansche kust bezuiden den indischen oceaan omloopen en zich, +achter den indischen archipel om, met de kust van China vereenigen, +waardoor de indische zee tot eene groote binnenzee wordt. De +verschillende deelen der noordkust, van het W. naar het O. gaande, +waren, volgens de indeeling van Ptolemaeus, de volgende: Mauretania, +Numidia, Africa, Tripolis, Cyrenaïca, Marmarica, Aegyptus. Het +Nijldal werd dikwijls nog tot Azië gerekend. Bij Herodotus wordt +Afrika verdeeld in Aegyptus, Aethiopia en Libya, welk laatste weder +onderscheiden wordt in het door menschen bevolkte (oikoumene), het +door wilde dieren bewoonde (theriodes), en de woestijn (he psammos). + +Africa propria, of alleen Africa, dat na de verwoesting van Carthago +rom. provincie werd (146), omvatte ongeveer het tegenwoordige +Tunis. Het werd verdeeld in twee districten: Zeugitana, de noordelijke, +en Byzacium, de zuidelijke helft. De Rom. trokken er veel koren uit. + +Africa nova = de Romeinsche provincie Numidia, zie Ampsaga en Numidia. + +Africanus, bijnaam zoowel van P. Cornelius Scipio, die in 202 Hannibal +bij Zama versloeg en Carthago tot den vrede dwong, als van P. Cornelius +Scipio Aemilianus, die in 146 Carthago innam en verwoestte. De eerste +wordt Africanus maior, de andere minor geheeten. + +Africus, Lips, de Zuidwestenwind, is meestal stormachtig, zie +Windstreken. + +Agamedes, Agamedes, zoon van den orchomenischen koning Erginus. Hij en +zijn broeder Trophonius waren zeer bekwame bouwmeesters, o. a. bouwden +zij voor Hyrieus, koning van Hyria of voor Augias, koning van Elis, +een schatkamer, die zij zoo maakten, dat zij van buiten een steen uit +den muur konden nemen, en dus binnen konden komen zonder de sloten +te verbreken. Toen zij nu eenigen tijd van de daar bewaarde schatten +gestolen hadden, werd Ag. in een strik gevangen en uit vrees voor +ontdekking sneed Trophonius hem het hoofd af en nam het mede. Tot +straf voor dezen moord werd hij in het bosch van Lebadea bij het +graf van Ag. door de aarde verzwolgen. Hier was later het orakel van +Trophonius (z. a.). V. a. waren Ag. en Trophonius de bouwmeesters van +den delphischen tempel; toen zij dit werk voltooid hadden, vroegen zij +Apollo om eene belooning, en de god antwoordde, dat zij zeven dagen in +vroolijkheid moesten doorbrengen en daarna hun loon zouden ontvangen; +op den achtsten dag werden de beide broeders dood gevonden. + +Agamemnon, Agamemnon, zoon van Atreus of Plisthenes en Aërope. Toen +Thyestes Atreus vermoord en zich van de regeering over Mycenae meester +gemaakt had, vluchtte Ag. met zijn broeder Menelaus naar Sparta +bij Tyndareos, en huwden zij met de dochters van dezen: Ag. met +Clytaemnestra, Menelaus met Helena. Later verdreef Ag. Thyestes +weder of hij volgde hem na zijn dood op; door veroveringen breidde +hij zijn rijk uit en werd hij de machtigste vorst van Griekenland. In +den trojaanschen oorlog, waarvoor hij 100 schepen leverde, werd hij +tot opperbevelhebber gekozen; in deze hoedanigheid betoonde hij zich +zoowel een goed vorst, als een dapper strijder. Toch hadden zijne +daden dikwijls voor het leger nadeelige gevolgen. Te Aulis doodde hij +door onvoorzichtigheid een hinde van Artemis, waarover deze godin zich +wreekte door windstilte te zenden, waaraan eerst een einde kwam, toen +Ag. haar zijne dochter Iphigenia als offer had aangeboden. Voor Troje +beleedigde hij den priester Chryses, waarvoor Apollo het leger met +pest strafte. Bizonder noodlottig voor de Grieken was zijn twist met +Achilles (z. Briseis). Na de verovering van Troje keerde hij, na lang +op zee rondgezworven te hebben, naar zijn rijk terug, maar Aegisthus, +die gedurende de afwezigheid van Ag. diens vrouw Clytaemnestra tot +overspel verleid had, doodde hem terstond na zijne aankomst bij +een maaltijd, of Clytaemnestra wierp een net over hem, toen hij in +het bad was, waarop Aegisthus hem doodde. Hij werd op verscheiden +plaatsen in Griekenland als halfgod vereerd. De kinderen van Ag. en +Clytaemnestra zijn: Iphianassa (Iphigenia), Chrysothemis, Laodice +(Electra) en Orestes. + +Agamemnonides, Agamemnonides, Orestes, zoon van Agamemnon. + +Agamiou graphe, aanklacht wegens het niet aangaan van een +huwelijk. Straffen op het niet aangaan van een huwelijk komen, +voorzoover wij na kunnen gaan, alleen voor in Sparta en Creta. Zij, +die na een zekeren leeftijd ongehuwd bleven waren atimoi, waren +uitgesloten van de Gymnopaediae (z. a.) en hadden ook overigens veel +smaad te verduren. + +Aganippe, Aganippe, 1) dochter van den riviergod Termessus, nimf +van de bron Aganippe bij Thespiae, die door den hoefslag van Pegasus +ontstaan was, en waarvan het water dichterlijke bezieling gaf.--2) += Eurydice no. 2. + +Aganippides heeten de Muzen, naar de bron Aganippe. + +Agasias, Agasias, beeldhouwer uit Ephesus, die op het einde der +2de eeuw te Rome werkte. Een van zijne werken, een zwaardvechter +voorstellend, is nog bewaard gebleven. + +Agatharchides, Agatharchides, grieksch geschiedschrijver en geograaf +uit de 2de eeuw. Van zijne historische werken is weinig over: van +zijn werk over de Roode Zee is nog een uittreksel bewaard van het +1ste en 5de boek. + +Agatharchus, Agatharchos, van Samus, zoon van Eudemus, leefde te +Athene omstreeks het midden der 5de eeuw. Hij was een zeer gezocht +schilder, hielp Aeschylus bij het inrichten van zijn tooneel, en was +de eerste tooneelschilder. Over tooneelschilderwerk (skenographia) +zou hij een werkje geschreven hebben. + +Agathemerus, Agathemeros, grieksch geograaf, die waarschijnlijk in +de 4de eeuw na C. leefde; van zijn werk bestaan nog fragmenten. + +Agathocles, Agathokles, 1) zoon van Carcinus, een pottenbakker te +Thermae op Sicilië, waar Ag. in 360 geboren werd. Daar deze stad toen +aan de Carthagers behoorde, en een orakel verkondigd had, dat deze +knaap eens groot onheil over Carthago brengen zou, vluchtte zijn +vader, toen dit orakel bekend geworden was, met hem naar Syracuse, +en werd daar burger. In den krijgsdienst getreden, onderscheidde +Ag. zich reeds vroeg, hij werd de gunsteling van den rijken Damas, +en na diens dood volgde hij hem als veldheer op en trouwde hij met +diens weduwe. De oligarchische partij, die toen aan het roer was, +wantrouwde hem echter en bewerkte zijne verbanning, daarop trad hij +in tarentijnschen dienst, en daar hij alle ontevredenen uit Syracuse +tot zich wist te trekken, was hij weldra sterk genoeg om aan de +oligarchische heerschappij een einde te maken. Reeds toen verdacht +men hem echter van het streven naar de alleenheerschappij, en spoedig +werd hij weder verbannen; toen hij echter eenmaal door geweld verkregen +had dat hij teruggeroepen werd, kreeg hij door zijn verstandig gedrag +in korten tijd de macht om zijne plannen uit te voeren. Hij zocht de +gunst van het leger te verwerven, en daarop steunende, liet hij een +groot aantal oligarchen dooden, een nog grooter aantal verjoeg hij, +en daarop liet hij zich het oppergezag opdragen (317). Door Tarentum +ondersteund, kon hij het hoofd bieden aan de moeilijkheden, waarin +de verbannenen hem wikkelden, en Agrigentum, dat hen hielp, werd +tot vrede gedwongen (313). Twee jaar later geraakte hij in oorlog +met Carthago; hij voerde dien oorlog in het begin niet zonder geluk, +maar in 310 leed hij een groote nederlaag bij de Himera, waarna de +carthaagsche veldheer Hamilcar hem in Syracuse kwam belegeren. In +deze omstandigheden had Ag. nog de vermetelheid den oorlog naar Afrika +over te brengen; met 60 schepen, voornamelijk met huurtroepen bemand, +sloeg hij zich door de vijandelijke vloot heen en landde hij op de +afrikaansche kust. Daarop drong hij met zijne troepen het land in, +en versloeg hij een driemaal sterker leger der Carthagers, zoodat +Hamilcar van Sicilië uit hulp moest zenden; door beleid, wreedheid +en trouweloosheid wist hij zich bondgenooten te verschaffen en zich +te gelegener tijd weder van hen te ontslaan (z. Ophellas), ook een +gevaarlijken opstand in zijn leger onderdrukte hij, en eindelijk +zou hij Carthago zelf aanvallen, toen berichten van de toestanden op +Sicilië hem noopten terug te keeren. Maar de aristocratische partij, +door Agrigentum gesteund, had zich gedurende zijne afwezigheid zoo +versterkt, dat hij toen niets kon uitrichten, daarom keerde hij spoedig +naar Afrika terug, waar zijn zoon intusschen ook groote verliezen +geleden had, en waar hij het leger in den uitersten nood vond. Het +gelukte hem niet het verlorene te herwinnen, en toen het gerucht +zich in het leger verspreidde, dat hij van plan was te vluchten, +werd hij door zijn eigen soldaten gevangen gehouden; weldra werd hij +echter vrijgelaten, en toen vluchtte hij inderdaad naar Sicilië (306), +waarop de verbitterde soldaten zijne zonen vermoordden en grootendeels +tot de Carthagers overliepen. Nu vond Ag. het geraden vrede te sluiten +met de Carthagers; voor een som geld liet hij hen de sicilische steden +behouden, waarop zij aanspraak maakten, en ook met de aristocraten kwam +het tot een verstandhouding. Daarna nam hij den titel van koning der +Siciliërs aan en sedert schijnt hij minder hard geregeerd te hebben; +hij bevestigde zijne macht door oorlogen in Italië, veroverde ook +Corcyra (298) en dacht er altijd over, ook den strijd tegen Carthago +te hernieuwen, maar voordat hij zijne plannen ten uitvoer kon brengen, +stierf hij (289) na een regeering van 28 jaar. Men verhaalde, dat hij +een door zijn kleinzoon vergiftigden tandenstoker gebruikt had, en dat +hij, om zich te bevrijden van de daardoor veroorzaakte ondragelijke +pijnen, zich levend had laten verbranden. Hij was een man van groote +gaven, en een groot veldheer, en hoewel hij, om zijn doel te bereiken, +voor geen wreedheid terugdeinsde, was hij toch bij het volk zeer +geliefd.--2) zoon van Lysimachus, onderscheidde zich in de oorlogen +door zijn vader gevoerd. Door zijne stiefmoeder belasterd, werd hij +op last van zijn vader door Ptolemaeus Ceraunus vermoord (284). + +Agathon, Agathon, zoon van Tisamenus, atheensch treurspeldichter, +geb. vóór 436. Hij was een schoon, rijk en fijnbeschaafd man, opgevoed +in de school der sophisten, en bevriend met Plato en Euripides; +een gedeelte van zijn leven (na 407) bracht hij aan het hof van +Archelaus van Macedonië door. Van zijne werken bestaan nog slechts +eenige fragmenten. + +Agathyrna of Agathyrnum, Agathyrna of -non, stad op de noordkust van +Sicilia, tusschen Tyndaris en Calacte. + +Agathyrsi, Agathyrsoi, vreedzaam en rijk sarmatisch volk aan de rivier +Maris, afstammelingen van Agathyrsus, zoon van Heracles. Het is een +thracisch volk, dat in den Romeinschen tijd onder den naam Dakoi, +Daci optreedt, z. Dacia. Zij plachten zich te tatoueeren (picti). + +Agave, Agaue, dochter van Cadmus, moeder van Pentheus. + +Agbatana, ta Agbatana = Ecbatana. + +Agdistis, Angdistis, een te gelijk mannelijk en vrouwelijk monster, uit +Zeus gesproten. Later werden de twee helften van elkander gescheiden, +en ontstond uit het mannelijk gedeelte een amandel- of granaatboom, +die door een wonder de vader werd van Atys. De vrouwelijke helft +werd Cybele. + +Agedincum, thans Sens, ten Z.O. van Parijs, hoofdstad der Senones. + +Ageladas, Ageladas, naam van twee beeldhouwers uit Argos; de eerste +leefde omstreeks het einde der 6de, de andere omstreeks het midden +der 5de eeuw. + +Agele, in dorische staten, vooral op Creta, vereenigingen, waarvan +jongelingen boven 17 jaar tot hun huwelijk leden waren. De leden +(agelastoi of agelatai) woonden bij dag, en gewoonlijk ook bij nacht, +in een gemeenschappelijk gebouw, en hielden met elkander spelen, +oefeningen, jachtpartijen, enz. Bij hun intreden in de ag. legden +zij den eed af, dat zij de staatsregeling trouw zouden verdedigen; +zij stonden onder de leiding van den vader van den oprichter der ag., +gewoonlijk een aanzienlijk man. + +Agema, Agema, koninklijke lijfwacht, keurbende der macedonische +ruiterij, gevormd uit jongelieden van voorname familiën, die als +pages (paides basilikoi) aan het hof opgevoed waren. Een ander agema +(pezikon, basilikon) z. hypaspistes. + +Agennum = Aginnum. + +Agenor, Agenor, 1) zoon van Poseidon en Libye, vader van Cadmus en +Europa, stamvader der Phoeniciërs en dus ook der Carthagers.--2) +zoon van Antenor en Theano, een van de dapperste trojaansche helden, +door Neoptolemus gedood. + +Agenorides, Agenorides, zoon of afstammeling van Agenor, bijv. Cadmus, +Perseus, e.a. + +Agentes in rebus, in de 4de eeuw n. C. een corps bereden boodschappers +van den keizer, staande onder den magister officiorum. Ze moesten +de bevelen des keizers naar de provincies overbrengen, hadden het +toezicht over de postdienst, en waren berucht als spionnen van de +keizerlijke regeering en om hun afpersingen. + +Ager publicus. Wanneer de Romeinen eene landstreek onderworpen hadden, +werd gewoonlijk een gedeelte, meestal een derde, van den veroverden +bodem door den rom. staat in beslag genomen en tot staatsdomein, +ager publicus, gemaakt. Met dezen grond werd zeer verschillend +gehandeld. Een gedeelte werd door de quaestoren ten bate der schatkist +verkocht, ager quaestorius. Andere stukken werden aan rom. burgers +weggeschonken, soms in persoonlijken eigendom (ager assignatus of +ager viritanus), soms in gemeenschap, b.v. aan eene kolonie (ager +colonicus). Weder andere gedeelten, met name weiland, ager compascuus, +werden tegen eene jaarlijksche vaste pacht, aan de oude bewoners +in gebruik afgestaan of tegen een bepaald weidegeld (scriptura) aan +publicani verpacht (ager scripturarius). Doch het belangrijkste deel +werd afgestaan aan rom. burgers, tegen eene erfpacht. In den beginne +waren het alleen patriciërs, die perceelen van het staatsdomein +in bezit konden nemen, en later alleen de meervermogenden, daar de +perceelen te groot waren en te veel bedrijfskapitaal vereischten, om +door den kleinen man te kunnen worden aanvaard. Zulke gronden werden +agri occupatorii of arcifinales geheeten. Het bezit er van was geen +dominium, maar slechts possessio. In naam werden zij uitgegeven tot +wederopzeggens toe; doch daar de staat van zijn recht van opzegging +geen gebruik maakte, werd de possessio langzamerhand als eene soort +van eigendom beschouwd, vooral wanneer zij eenige malen door erfenis +in andere handen was overgegaan. In overeenstemming met dit begrip +was op deze gronden veel ontgonnen en verbeterd, en wanneer nu door +enkele wetten het bezit van groote perceelen er van verboden en de +teruggave gelast werd van hetgeen men te veel bezat, ten einde den +minderen man te gemoet te komen, dan lag in die plotselinge opzegging +eene hardheid. Vandaar de tegenstand, dien zulke leges agrariae +vonden. Zie verder agrariae leges. + +Ager Gallicus, het land, dat de Senonische Galliërs (zie Senones) in +Umbrië bezeten hadden, en dat na hun vernietiging met Rom. kolonies +bevolkt werd. + +Agesander, Agesandros, rhodisch beeldhouwer uit de 2de helft der 1ste +eeuw, die medewerkte aan de beroemde Laocoöngroep. + +Agesilaus, Agesilaos, naam van eenige spartaansche koningen. Beroemd +is: 1) de zoon van Archidamus II, geb. 444, die na den dood van Agis +I, daar diens zoon Leotychides als onecht beschouwd werd, tot koning +verheven werd (398). Op het gerucht van krijgstoerustingen van den +kant der Perzen, ging hij met een leger naar Azië (396). De satraap +Tissaphernes, die nog niet voor den oorlog gereed was, stelde een +wapenstilstand van drie maanden voor, Ag. nam dit voorstel aan, +en maakte zich dien tijd ten nutte om de verwarde toestanden in de +aziatische steden te regelen, waarbij hij zich door zijn innemend, +vastberaden en vooral streng eerlijk gedrag algemeen bemind maakte; +zoowel toen als later gaf hij aan zijne soldaten een uitstekend +voorbeeld van gehardheid tegen de ongemakken van het soldatenleven, +wat te meer indruk maakte, daar hij klein van gestalte en mank +was. Toen nu Tissaphernes, wien het slechts te doen was geweest om +tijd te winnen, den wapenstilstand brak, trad Ag. aanvallend op, +en versloeg hem na eenige kleinere gevechten in een grooten slag bij +den Pactolus (395). Terwijl nu Ag. in Azië overwinnend verder trok, +stelde Tithraustes, de opvolger van Tissaphernes, (v. a. Pharnabazus +(z. Tithraustes)), de vele vijanden der Spartanen in Griekenland +door aanzienlijke geldzendingen in staat den oorlog tegen hen +te beginnen. Athene, Thebe, Corinthe en Argos vereenigden zich, +en na den slag bij Haliartus zag men zich te Sparta genoodzaakt +Ag. terug te roepen. Terstond na zijne terugkomst in Griekenland won +hij den slag bij Coronea (394). Met roem streed hij in den hierop +volgenden corinthischen oorlog, maar toen deze in 387 met den vrede +van Antalcidas geëindigd was, en door dien vrede de vrijheid der +aziatische Grieken was opgeofferd, bepaalde zich zijne werkzaamheid +tot het behartigen van de belangen zijner vaderstad. Met gestrengheid +handhaafde hij tegenover anderen de bepaling van den vrede, dat iedere +staat autonoom moest zijn; daarentegen vond de partij, die kort daarna +door de bezetting van de Cadmea meende Thebe aan Sparta te onderwerpen, +in hem een steun. Zoo duidelijk toonde hij altijd zijn vijandige +gezindheid tegen Thebe, dat hij, toen in 378 de oorlog tusschen beide +staten uitbrak, niet terstond het opperbevel op zich wilde nemen, +uit vrees dat men hem als de aanleiding van den geheelen oorlog zou +beschouwen. Later echter, toen de loop van zaken Sparta niet gunstig +was, liet hij zich overreden weder handelend op te treden, en ofschoon +hij in het veld niet gelukkig was, had men toch aan zijne verstandige +maatregelen te danken, dat de Thebanen tweemaal (369, 362) na een inval +in Lacedaemon onverrichter zake moesten terugtrekken. Aan den slag +bij Mantinea (362) nam hij geen deel en de vrede, die daarop volgde, +werd zeer tegen zijn zin gesloten. Ontevreden over den toestand, waarin +Sparta door al deze gebeurtenissen gebracht was, ging hij nog in het +volgende jaar, in weerwil van zijn hoogen leeftijd, naar Aegypte, +om Tachos en na dezen Nectanabis tegen Artaxerxes te helpen. Met +rijke geschenken beladen verliet hij Aegypte, maar voordat hij Sparta +bereikte, overleed hij, 84 jaar oud (360).--2) z. Agis no. 4. + +Agesipolis, Agesipolis, 1) Ag. I, zoon van Pausanias II, werd na de +vlucht van zijn vader koning van Sparta (395). In 388 of 387 deed +hij een inval in Argolis, in 385 werd hem opgedragen Mantinea te +kastijden, en door het afdammen van de rivier Ophis, die door de +stad stroomde, dwong hij de inwoners tot overgave. Nadat Teleutias +bij het beleg van Olynthus gesneuveld was, werd Ag. gezonden om de +stad tot onderwerping te dwingen, maar kort na zijne aankomst stierf +hij (380).--2) Ag. II, kleinzoon van den vorigen, koning van Sparta +(371-370).--3) Ag. III, volgde zijn oom Cleomenes III als koning van +Sparta op, maar werd door zijn ambtgenoot Lycurgus van de regeering +ontzet (219). In 195 was hij het hoofd der Spartaansche ballingen, +die in den oorlog der Romeinen en Achaeërs tegen Nabis op terugkeer +in het vaderland hoopten, hetgeen echter niet gelukte. In 183 werd +hij op reis naar Rome door zeeroovers vermoord. + +Agger, Choma, is de naam van elke door menschenhanden opgeworpen +hoogte, hetzij deze tot dam, wal of iets anders dient. In het bijzonder +is de agger een oploopende dam tegen den muur eener belegerde stad, +met het doel om daarop belegeringstorens (turres ambulatoriae) en +geschut (ballistae, catapultae, enz.) te plaatsen. Ten einde het werk +te bespoedigen, werd tot het opwerpen van zulk een agger niet enkel +aarde, maar veel hout en takkenbossen gebezigd, zoodat de belegerden +er soms in slaagden, het werk door brand te vernielen. Binnen in den +agger kon men, zoo noodig, gangen uitsparen en trappen aanbrengen. + +Aginnum, thans Agen, voornaamste stad der Nitiobriges, aan de Garumna +of Garonne. + +Agis, Agis, 1) zoon van Eurysthenes, stamvader van het spartaansche +koningshuis der Agiden (Agidai, Agiadai).--2) Ag. I, zoon van +Archidamus II, koning van Sparta (427-401), deed in het begin van +den peloponnesischen oorlog eenige malen een inval in Attica. In den +oorlog tegen Argos had hij eens, naar men meende, eene zeer voordeelige +positie ingenomen, toen hij zich tot een wapenstilstand liet overreden; +hierdoor haalde hij zich het misnoegen zijner medeburgers op den +hals, maar in het volgende jaar (418) maakte hij de begane fout +weder goed door de schitterende overwinning bij Mantinea. Gedurende +het laatste gedeelte van den peloponnesischen oorlog (sedert 413) +hield hij Decelea bezet tot groot nadeel van Athene, en toen Lysander +Athene belegerde, vereenigde Ag. zich met hem. In 402 ondernam hij +een veldtocht tegen Elis, dat zich in het volgend jaar, toen Agis +wederom tegen Elis op wilde trekken onderwierp. Kort daarop stierf +hij. Hij was een van de beste koningen van Sparta.--3) Ag. II, +zoon van Archidamus III, werd in 338 koning van Sparta. Gedurende +Alexanders tochten in Azië vatte hij het plan op de Macedoniërs uit +de Peloponnesus te verdrijven; hij zocht daartoe steun bij eenige +perzische satrapen, die hem ook met geld en schepen hielpen. Met een +leger van 8000 huurlingen maakte hij zich eerst van Creta meester, +daarna viel hij in de Peloponnesus en bemachtigde hij een groot +deel daarvan. Eindelijk kwam Antipater, stadhouder van Macedonië, +met een leger opdagen; bij Megalopolis, voor welke stad Ag. het beleg +geslagen had, werd een bloedige slag geleverd, waarin de Macedoniërs +overwonnen en Ag. na eene heldhaftige verdediging sneuvelde (331).--4) +Ag. III volgde in 245 zijn vader Eudamidas als koning van Sparta op, +en wijdde zich terstond aan het wegnemen der misbruiken, die te Sparta +in den loop der tijden in staat en maatschappij waren ingeslopen. Het +aantal burgers was tot 700 verminderd, die alle grondbezit in handen +hadden; uit hen werden de ephoren gekozen, zoodat de staatsregeling +geheel oligarchisch geworden was; bovendien waren de oude wetten en +instellingen grootendeels vergeten. Door eenige weinige aanzienlijke +mannen en vrouwen gesteund, trachtte Ag. met jeugdig vuur en groote +zelfopoffering aan dien toestand een einde te maken; nadat eenige +zijner aanhangers ephoren geworden waren, deed hij het voorstel het +aantal burgers tot 4500 te vermeerderen en het land onder die burgers +en 15000 perioeken te verdeelen, tevens zouden alle schuldbrieven +vernietigd en de wetten van Lycurgus hersteld worden. Hijzelf bood +om te beginnen zijn aanzienlijk vermogen ter verdeeling aan. Maar +de tegenstand van zijn ambtgenoot Leonidas en de onwil van den raad +deden het plan mislukken, en het onverstandig gedrag van zijn oom +Agesilaus, die bekend stond als de eerste zijner partijgenooten, nam +het volk zoozeer tegen hem in, dat de ephoren hem, toen hij van een +ongelukkigen veldtocht tegen de Aetoliërs terugkeerde, ter dood konden +veroordeelen, 240. Met hem werden ook zijne moeder en grootmoeder ter +dood gebracht, die met geestdrift aan de beweging hadden deelgenomen. + +Aglaïa, Aglaïa, 1) eene van de drie Chariten.--2) dochter van +Mantineus, moeder van Acrisius en Proetus. + +Aglaophon, Aglaophon, 1) beroemd schilder, vader van Polygnotus.--2) +kleinzoon van den vorigen, eveneens schilder van naam. + +Aglaurus, Aglauros = Agraulus. + +Agmen is de naam van het leger in marschorde. De voorhoede wordt +primum agmen, de achterhoede novissimum agmen genoemd. Agmen quadratum +is eene marschorde, waarbij het leger zoo opgesteld was, dat het +bij een aanval onmiddellijk front tegen den vijand maken kon, met +den legertros, impedimenta, in het midden, òf wel de verschillende +legerafdeelingen, elke met haren tros, zoo opgesteld waren. + +Agnati en cognati. Terwijl cognatio de natuurlijke bloedverwantschap +is, beteekent agnatio de verwantschap, voor zoover zij in het +romeinsche burgerlijk recht geldig is, en omvat de door mannen verwekte +of geadopteerde leden der familie. Iemands agnati zijn degenen, met +wie hij onder dezelfde patria potestas staat, dus moeders, broeders, +zusters en in sommige gevallen nog neven en nichten. Treedt hij +echter vóór 's vaders dood uit de patria potestas uit, dan gaat +het agnaatschap verloren, terwijl de geadopteerde de leden zijner +adoptieffamilie tot agnaten krijgt. Daar bij het ontbreken van nadere +erfgenamen de agnaten tot de erfenis konden geroepen worden, is het +agnaatschap in het romeinsch recht een belangrijk punt. Agnati zijn ook +de later geboren kinderen, d. w. z. die kinderen, die geboren worden na +den dood des vaders, of nadat hij reeds zijn testament gemaakt heeft. + +Agnomen, zie nomen. + +Agones, wedstrijden. Het houden van wedstrijden op elk denkbaar gebied +is voor de Grieken een levensbehoefte; het is één van de meest in +het oog vallende karaktertrekken van het Grieksche volk. De raad, +dien Hippolochus zijn zoon Glaucus, en Peleus zijn zoon Achilles +medegeeft, als ze ten oorlog trekken: aien aristeuein kai hypeirochon +emmenai allon was elken Griek naar het hart gesproken. Zelfs de oorlog +wordt door hen als een wedstrijd beschouwd, en de voordeelen van de +overwinning zijn dan de altha, de kampprijzen. Wanneer Xenophon in +de Anabasis de officieren van Proxenus aanvuurt, om den ongelijken +strijd tegen de Perzen vol te houden, zegt hij, na al de rijkdommen +en de overvloedige levensmiddelen in Perzië te hebben opgesomd: Al +dat goede ligt nu als kampprijzen ten toon gesteld voor wie van ons +beiden (Grieken en Perzen) het dapperst zich gedragen, en kamprechters +zijn de Goden (agonothetai d' hoi theoi eisin). Bij alle feestelijke +aangelegenheden worden wedstrijden georganiseerd, maar als oudsten vorm +vindt men ze als spelen ter eere van een afgestorvene; de bekendste +zijn die ter eere van Patroclus, door Achilles gehouden. Overigens +vindt men ze overal in de mythologie vermeld, waarbij het soms ruw +toeging. Ook in Etrurië, dat sterk onder Griekschen invloed staat, +vindt men deze lijkfeesten, z. ook gladiatores. + +Verder vormen de spelen een hoofdbestanddeel der Grieksche +godsdienstige feesten. De oude schrijvers onderscheiden hierbij: +ag. gymnikoi, hippikoi en mousikoi. De vier groote nationale feesten +zijn die te Olympia (z. a.), Delphi (z. Pythia), Corinthe (z. Isthmia), +en Nemea (z. a.), waarbij dan in den Romeinschen tijd nog de Actia +(z. a.) komen. Zie verder Ludi. + +Agonium of Agonale. Er zijn vier dagen in den kalender, die dezen +naam dragen: 9 Januari, 17 Maart, 21 Mei en 11 December. De beteekenis +van het woord is onbekend. + +Agora, markt, oorspronkelijk de plaats, waar volksvergaderingen +gehouden werden, verder het middelpunt van het openbare leven en +vooral van het handelsverkeer, lag in zeesteden meestal aan het +strand, in andere steden aan den voet van de acropolis. Markten, +die in lateren tijd aangelegd waren, waren gewoonlijk vierkant, door +zuilengangen omgeven, en met tempels, standbeelden e. dgl. versierd. + +Agoracritus, Agorakritos, beeldhouwer van Parus, leerling van +Phidias. Onder zijne werken was vooral beroemd een kolossaal beeld +van Nemesis, te Rhamnus geplaatst en, naar men zeide, gehouwen uit +een blok marmer, dat de Perzen naar Marathon hadden meegebracht, +om een zegeteeken er van op te richten. + +Agoranomoi, tien beambten te Athene, van welke vijf in de stad en +vijf in den Piraeüs met de marktpolitie belast waren; zij hielden het +toezicht op de te koop geboden goederen en op maten en gewichten, +ontvingen de marktgelden, enz. Voor kleinere overtredingen konden +zij boeten opleggen. Ook de rom. aediles worden door gr. schrijvers +ag. genoemd. + +Agraphiou graphe, aanklacht tegen iemand, die den staat geld schuldig +is en, zonder zijne schuld betaald te hebben, zich van de lijst der +staatsschuldenaars heeft laten schrappen. De aanklacht werd bij de +thesmotheten ingediend, de straf is onbekend. + +Agrariae (leges). Deze wetten kunnen in twee rubrieken verdeeld +worden; 1º. de talrijke wetten betreffende het uitvoeren van coloniae, +aan wier bevolking dan in den omtrek hunner nieuwe woonplaats de +noodige akkergrond ter bebouwing werd aangewezen, 2º. de eigenlijke +akkerwetten, om het genot van den ager publicus (zie aldaar) meer +algemeen te maken. De voornaamste dezer wetten volgen hier. De +uitvoering evenwel werd vaak verijdeld, nu eens door geweld en moord, +dan weder door de zaak op de lange baan te schuiven. + +Lex Cassia agraria, in 486 voorgesteld door Sp. Cassius Viscellinus, +die toen ten derden male consul was. Zij beoogde de toewijzing van +staatsgrond aan de plebejers; doch Sp. Cassius werd in het volgende +jaar beschuldigd van perduellio, en ter dood gebracht. Het bericht +omtrent dit wetsvoorstel is onhistorisch, zie Cassii no. 1. Slechts +staat vast, dat Cassius wegens perduellio veroordeeld is. + +Lex Licinia Sextia agraria, 367, van de volkstribunen C. Licinius +Stolo en L. Sextius, dat niemand meer dan 500 iugera staatsdomein +in erfpacht mocht bezitten (één iugerum = omstreeks 1/4 hectare), +of meer dan 100 stuks groot vee of 500 stuks klein vee op de gemeene +weide mocht hebben; de grondbezitters zouden verder een aantal vrije +daglooners in dienst moeten hebben, geëvenredigd aan het aantal +hunner slaven. Deze wet, die slechts korten tijd toegepast is, is +niet van Licinius en Sextius, maar dateert uit de 2de eeuw; ze wordt +vermeld in het jaar 167, en is waarschijnlijk uit het jaar 196, toen +C. Licinius Lucullus (Licinii no. 21) tribunus plebis was.--Sommige +geleerden meenen, dat de wet wel uit 367 dateert; in dat geval moet +men aannemen, dat de wet in het begin van de 2de eeuw hernieuwd is. + +Lex Flaminia de agro Gallico viritim dividendo, strekkende om grond +in Picenum en Cisalpina onder het volk te verdeelen, in 232 door den +volkstribuun C. Flaminius voorgesteld en in 228 tot uitvoering gekomen. + +Lex Sempronia agraria van den volkstribuun Ti. Gracchus van 133, +tot uitvoering der lex Licinia Sextia, met deze verzachting evenwel, +dat men voor een zoon in potestate patris nog 250, en voor een +tweeden evenzoo nog 250 iugera zou mogen bezitten. Bovendien werd +voor verbeteringen en voor gebouwen, op de ingetrokken landerijen +aangebracht, aan de vroegere possessores een schadeloosstelling +toegestaan. Een commissie van drie elk jaar opnieuw te kiezen leden +(IIIviri agris iudicandis adsignandis) zou uitmaken, wat ager publicus +en wat particulier eigendom was (ut triumviri iudicarent, qua publicus +ager, qua privatus esset), en tevens de vrijgevallen gronden in +stukken van 30 iugera tegen een kleine erfpacht toedeelen aan arme +burgers, met de bepaling, dat de toegedeelde stukken onvervreemdbaar +waren. Voor de eerste maal (in 133) werden gekozen: Tib. Gracchus, +die spoedig vermoord werd, zijn broer C. Gracchus, en zijn schoonvader +Appius Claudius Pulcher (zie Claudii no. 12). De wet werd werkelijk +uitgevoerd, en werkte heilzaam. In 131 wilden de toenmalige IIIviri +M. Fulvius Flaccus (zie Fulvii no. 7) en C. Papirius Carbo ook den +ager publicus, die in handen der socii was, aan de bepalingen der wet +onderwerpen (waarschijnlijk omdat het andere land reeds opraakte), +hetgeen onaangenaamheden met de socii tot gevolg had. In 129 werd de +rechtspraak (zie hierboven) van de IIIviri overgebracht op de consuls, +waardoor de wet feitelijk buiten werking werd gesteld. + +Lex Sempronia agraria van C. Gracchus, volkstribuun in 123, een +hernieuwing van de wet van zijn broer, waarbij de iurisdictio aan de +commissie teruggegeven werd. Deze wet is meer voor den vorm ingediend +en aangenomen, daar feitelijk alle ager occupatorius reeds verdeeld +was. Daarnevens liet C. Gracchus een nieuwe wet op den ager publicus +aannemen, waarbij het staatsland in Italië, dat tot nu toe verpacht +werd (zie ager publicus), bestemd werd tot het stichten van koloniën +(ager colonicus), en wel te Capua en te Tarentum; verder bracht hij +6000 Italianen over naar Carthago, die daar eene colonia civium +Romanorum, colonia Junonia geheeten, zouden vormen. Het verschil +tusschen de boeren, volgens de akkerwet van Tiberius Gracchus op +staatsland geplaatst, en deze kolonisten bestaat daarin, dat de eersten +afzonderlijk stonden (men spreekt dan van assignationes viritanae), +de tweeden daarentegen te zamen een gemeente vormden (zie colonia +no. 2). Na Gracchus' dood werden Carthago en Capua weder opgeheven; +het eigen gemeentebestuur verviel dus, maar de boeren mochten op hun +land blijven; Tarente werd bij de oude Grieksche gemeente ingedeeld. + +Rogationes Liviae agrariae van den volkstribuun M. Livius Drusus 122 +v. C. ingediend om de macht van C. Gracchus te breken: + +1º een wetsvoorstel, waarbij aan de eigenaars van agri assignati +(zie lex Sempronia agraria) de erfpacht werd kwijtgescholden, +en de bepaling, dat de toegedeelde stukken onvervreemdbaar waren, +werd opgeheven. + +2º een wetsvoorstel tot het stichten van 12 coloniae in Italië. + +Het tweede wetsvoorstel is òf niet aangenomen òf ingetrokken; van +het eerste is de tweede bepaling al spoedig wet geworden, de eerste +eerst bij de + +Lex Thoria agraria van 118 of 114 doorgevoerd, terwijl tegelijkertijd +verdere assignatio van ager publicus verboden werd. + +Nu volgde eene + +Lex agraria van 111, waarbij zoowel de ager assignatus als de ager +occupatus tot privaateigendom werd verklaard, zoodat de vroegere +possessores nu niets meer te vreezen hadden. + +Lex Appuleia agraria van 103 en + +Lex Appuleia agraria van 100, van den volkstribuun L. Appuleius +Saturninus. Van de eerste wet is niets bekend; de tweede bepaalde, dat +het land, dat in Gallia Cisalpina door de Cimbern in bezit genomen, +maar hun door den slag bij Vercellae weer ontnomen was, aan arme +burgers, vooral aan de veteranen van Marius, en aan arme italiaansche +bondgenooten zou uitgedeeld worden. De wet is aangenomen, maar na +den dood van Appuleius ongeldig verklaard. Misschien is echter de +stichting van Eporedia, in het land der Salassers in 100, een gevolg +van deze wet. Zie ook Appuleiae (leges) no. 2. + +Lex Titia agraria van 99, van den volkstribuun Sex. Titius, een +hernieuwing van de wet van Appuleius. Deze wet had geen gevolg; +misschien werd ze niet eens aangenomen. + +Leges Liviae agraria et de coloniis deducendis van 91, van den +volkstribuun M. Livius Drusus. Het land, dat men voor de kolonies in +Italië noodig had, zouden de socii moeten afstaan, die als vergoeding +het burgerrecht zouden krijgen. Na Livius' dood werden zijn wetten +door den senaat ongeldig verklaard. + +Leges Corneliae agrariae van 81, van den dictator L. Cornelius +Sulla, waarbij aan de inwoners van een aantal democratisch gezinde +municipia hun land ontnomen werd, en aan de soldaten van Sulla werd +toegewezen. De tengevolge van deze wetten gestichte kolonies worden +gewoonlijk militaire kolonies genoemd. + +Rogatio Servilia agraria van 63, van den volkstribuun P. Servilius +Rullus, tot aankoop van grond, om dien onder de arme burgers te +verdeelen. Waarschijnlijk wilde men vooral de veteranen van Pompeius, +die weldra terug verwacht werd, met land voorzien. Vooral de ager +Campanus, tot nu toe gespaard, was hiervoor aangewezen. Cicero, die +consul was, maakte in drie redevoeringen (de lege agraria contra +P. Servilium Rullum) het wetsvoorstel zoozeer af, dat het niet in +behandeling kwam, en door den voorsteller werd ingetrokken. Vooral +viel Cicero het voorstel aan om het beginsel, dat een commissie van +10 mannen voor vijf jaar met uitgebreide volmacht tot uitvoering +der wet zou gekozen worden, decem reges.... orbis terrarum domini, +zooals Cicero zich uitdrukt. + +Lex Plautia of Plotia agraria, van onbekenden datum, van dezelfde +strekking als de volgende. + +Lex Flavia agraria van 60, van den volkstribuun L. Flavius, een +herhaling in zachteren vorm van de lex Servilia van 63. L. Flavius +stelde de wet voor in opdracht van Pompeius; de bedoeling was, de +soldaten van Pompeius aan land te helpen. De wet werd niet aangenomen. + +Lex Julia agraria van 59, ook lex Campana geheeten, van den +consul C. Julius Caesar, tot verdeeling van den Campus Stellas of +Stellatis bij Cales, en van het gebied van Capua (den ager Campanus) +onder arme burgers, die minstens drie kinderen hadden. Verder werd +bepaald, dat ook elders in Italië de nog aanwezige ager publicus zou +gebruikt worden, en men uit de staatskas land ter verdeeling moest +aankoopen. Deze wet werd door Caesar doorgedreven, en tengevolge +daarvan verhuisden 20.000 arme romeinsche burgers naar den ager +Campanus. Capua werd nu wederom een municipium. + +Lex Antonia agraria van 44 van M. Antonius, waarvan de inhoud +niet juist bekend is, maar die ten doel schijnt gehad te hebben, +in Italia een aantal landbouwkolonies te stichten ten behoeve van +arme burgers. Deze wet werd in het volgend jaar weer opgeheven. + +Dit is de laatste eigenlijke lex agraria, want de volgende hebben +uitsluitend betrekking op militaire koloniën, waarbij het land van +gezeten burgers aan oudgedienden werd gegeven. + +Agraulus, Aglaurus, Agraulos, Aglauros, 1) dochter van Actaeus, +gemalin van Cecrops.--2) dochter van Cecrops, stortte zich, om Athene +te bevrijden van een langdurigen oorlog, waardoor het geteisterd +werd, vrijwillig van de acropolis, daar een orakel voorspeld had, +dat zulk een offer een einde aan den oorlog zoude maken. V. a. was +Hermes verliefd op hare zuster Herse, en toen Agr. hem eens uit +jaloerschheid wilde beletten Herse te bezoeken, veranderde hij +haar in een steen. V. a. had Athena aan haar en hare zusters een +kistje toevertrouwd, waarin de jonge Erichthonius bewaard was; uit +nieuwsgierigheid opende Agr. met Herse het kistje, maar nauwelijks +was dit geschied, of beide zusters werden waanzinnig, en wierpen +zich van de acropolis in de diepte. Agr. werd als een goddelijk +wezen vereerd. Men bracht haar zoenoffers, en in haar tempel deden +de achttienjarige Atheners bij het ontvangen hunner wapenen den eed +van trouw aan het vaderland. Haar dienst hangt nauw samen met dien +van Athena zelve, die ook den bijnaam Agr. heeft. + +Agri decumates. Onder dezen naam verstaat men de streek land, begrepen +tusschen den Rijn, den Main en den Neckar, die door keizer Domitianus +bij het rijk werd gevoegd, en aan gallische boeren tegen betaling van +tienden ter bewoning werd overgelaten. Later komt dit gebied binnen +den germaansch-raetischen limes (z. a.) te liggen. + +Agrianes, Agrianes, thracisch volk aan den Strymon. In het leger +van Alexander d. G. bewezen zij als lichtgewapenden of boogschutters +voortreffelijke diensten. + +Agricola (Cn. Iulius), te Forum Iulii (Fréjus) in 40 na C. geboren, +was de zoon van Julius Graecinus, die op last van Caligula werd ter +dood gebracht, en Julia Procilla. Onder de leiding zijner verstandige +moeder genoot hij in Massilia eene zorgvuldige en wetenschappelijke +opleiding. In 59 ging hij als jong soldaat onder Suetonius Paullinus +naar Britannia, keerde in 61 naar Rome terug, waar hij met eene dame +van aanzien huwde, werd in 63 quaestor in Asia, later (74-76) legaat +in Aquitania, consul suffectus (77) en ten slotte in 77 stadhouder +van Britannia. Daar streed hij met goed gevolg tegen de Caledoniërs, +en veroverde Schotland tot aan de Tava (Tay). Door keizer Domitianus +uit argwaan teruggeroepen, leefde hij van 85 tot aan zijn dood in +93 in stille afzondering. Volgens sommiger meening zou hij op last +van den keizer vergiftigd zijn. Zijne wapenfeiten en voortreffelijke +eigenschappen zijn door zijn schoonzoon, den geschiedschrijver Tacitus, +in eene meesterlijke beschrijving vereeuwigd. + +Agrigentum, Akragas, thans Girgenti, een der belangrijkste en fraaiste +steden van Sicilia, met Syracusae de oogen des lands genoemd, +werd door Doriërs uit Gela omstreeks 582 gesticht, in 405 door de +Carthagers verwoest, doch later (338) door Timoleon herbouwd. De +wijsgeer Empedocles was hier geboren. Te Agrigentum heerschte omstreeks +500 de tyran Phalaris, en omstreeks 480 de om zijne rechtvaardigheid +beroemde Theron. Het nieuwe Agrigentum heeft nimmer het oude in luister +geëvenaard. In 261 viel de stad in handen der Romeinen en moest met +hen een bondgenootschap aangaan. In 255 werd het weer ingenomen en +geplunderd door de Carthagers onder Carthalo. Na den val van Syracusae +in 212 werd Agr. in 210 veroverd en de burgers als slaven verkocht; +in 207 werd de stad opnieuw van kolonisten uit andere steden voorzien. + +Agrionia, Agrionia, feest ter eere van Dionysus Agrionius, dat ieder +jaar des winters te Thebe, Argos en vooral te Orchomenus in Boeotië +gevierd werd, en zich door groote woestheid kenmerkte. In de oudste +tijden moest de priester van den god een maagd uit het geslacht +van koning Minyas naloopen en, als hij haar inhaalde, haar dooden; +in lateren tijd vermeed men dit. + +Agrippa (Herodes), zie Herodes. + +Agrippa (Menenius), zie Menenii. + +Agrippa (Vipsanius), zie Vipsanii. + +Agrippina. In het huis van Augustus komen drie vrouwen van dezen naam +voor (zie Iulii): + +1) Vipsania Agrippina, z. Vipsanii no. 5. + +2) Agrippina, de vrouw van Germanicus. Zij was de dochter +van M. Vipsanius Agrippa en Julia, de dochter van Augustus. Zij +vergezelde steeds haren echtgenoot op diens veldtochten. Na zijn dood +(19 n. C.) uit Syria naar Rome teruggekeerd, werkte zij Tiberius +voortdurend tegen. Eindelijk werd zij door den invloed van Seianus +in 29 naar Pandataria verbannen, waar zij in 33 den hongerdood +gestorven is. + +3) Agrippina, de moeder van keizer Nero, de zuster van Caligula. Zij +was de dochter van Germanicus en Agrippina (no. 2) en geboren in het +Oppidum Ubiorum, dat later te harer eer verdoopt werd in Colonia +Agrippina (Keulen). Zij huwde driemaal, eerst met Cn. Domitius +Ahenobarbus, bij wien zij een zoon kreeg, den beruchten Nero, +vervolgens met zekeren Crispus Passienus en voor de derde maal +met haar vaders broeder, keizer Claudius (50 n. C.). Dezen laatsten +bracht zij door vergif om het leven (54), om haar zoon Nero in plaats +van Claudius' eigen zoon Britannicus op den troon te brengen. Zij +bedroog zich echter in hare verwachting, dat zij over Nero zou +kunnen heerschen. Integendeel, de keizer, hare heerschzucht moede, +liet zijne moeder ombrengen (in Maart 59). + +Agrippinenses = Ubii. Zie ook Agrippina no. 3. + +Agrius, Agrios, 1) zoon van Portheus of Porthaon en Eryte, broeder +van Oeneus, die te Calydon regeerde. Zijn zonen ontnamen Oeneus de +regeering en gaven die aan hun vader, doch later werden zij allen door +Diomedes gedood.--2) zoon van Odysseus en Circe, broeder van Latinus, +heerscher over de eilanden van de Tyrrheensche zee. + +Agron, Agron, 1) zoon van Eumelus, leefde met zijne zusters Byssa en +Meropis op het eiland Cos. Zij vereerden Gaea, doch behandelden de +overige goden met minachting, en werden daarom met hun vader door +Hermes, Athena en Artemis, die gepoogd hadden hen te overreden aan +een offerfeest deel te nemen, maar met scheldwoorden en bedreigingen +beantwoord waren, in vogels veranderd.--2) koning van Illyrië, +ondersteunde Demetrius II in den oorlog tegen de Aetoliërs; kort +daarna stierf hij aan de gevolgen zijner onmatigheid (231). Hij werd +opgevolgd door zijne gemalin Teuta (z. a.). + +Agrotera, Agrotera, bijnaam van Artemis als jachtgodin. + +Agyrtes, bedelaar of kwakzalver, in het bijzonder iemand die horoskopen +en orakelspreuken verkoopt, of iemand die geld inzamelt voor den +dienst van niet erkende godheden. Z. metragyrtes. + +Agyieus, Aguieus, bijnaam van Apollo als beschermer van straten en +wegen; ook de naam van de fetisch, voor de Grieksche huizen opgesteld, +soms in den vorm van een steen, soms als statue; verder het huisaltaar +vóór het huis: Aguieus bomos. + +Agylla, Agylla, oude naam van de etrurische stad Caere (z. a.). + +Agyrium, Agyrion, zeer oude stad in het binnenland van Sicilië, in +de buurt van Henna; geboorteplaats van den geschiedschrijver Diodorus +Siculus, die ten tijde van Caesar leefde. + +Agyrrhius, Agyrrios, atheensch demagoog, die wegens oneerlijkheid +gevangenisstraf onderging, maar later veel invloed kreeg, en na +den dood van Thrasybulus (389) zelfs vlootvoogd werd, in welke +hoedanigheid hij echter niets van belang verrichtte. Onder de door hem +ingevoerde nieuwigheden wordt genoemd de invoering of verhooging van +het ekklesiastikon en de vermindering van de belooning der dramatische +dichters. + +Ahalae, zie Servilii. + +Aharna = Arna. + +Ahenobarbi, zie Domitii. + +Aiax, Aias, 1) de kleine, zoon van Oileus, koning van Locris, gedroeg +zich bij de belegering van Troje als een van de dapperste helden, +was een voortreffelijk boogschutter en werd in vlugheid alleen door +Achilles overtroffen. Bij de verovering der stad drong hij in den +tempel van Athena, en sleepte hij Cassandra, die bij het altaar +bescherming had gezocht, met geweld mede; daarom liet Athena hem op +de terugreis bij de rots Gyrae in het zuiden van Euboea schipbreuk +lijden. Door de hulp van Poseidon redde hij zich op de rots, maar +toen hij daarop in zijn overmoed uitriep: daar ben ik ontsnapt in +weerwil van de goden, greep Poseidon zijn drietand en verbrijzelde +de rots. Door de opuntische Locriërs werd hij als heros vereerd, +en lang bleef het bij hen de gewoonte een plaats in de gelederen +voor hem open te laten.--2) de groote, zoon van Telamon, koning van +Salamis, en Eriboea, nam mede aan den tocht tegen Troje deel. Hij +was de sterkste en meest geduchte der helden na Achilles, en toen +deze zich aan den strijd had onttrokken, muntte hij in dapperheid +boven allen uit; zelfs hield hij alleen de Trojanen tegen, toen zij +in de grieksche legerplaats gedrongen waren en de schepen poogden +in brand te steken. Toen dus na den dood van Achilles diens wapenen +door Thetis werden uitgeloofd aan dengene die ze het meest waardig +was, maakte Aiax er aanspraak op, en alleen Odysseus durfde ze hem +betwisten. Door zijne welsprekendheid en door den steun van Athena +was Odysseus overwinnaar, en dit ergerde Aiax zoozeer, dat hij zich +in zijn zwaard stortte. V. a. werd hij van woede waanzinnig, en viel +hij des nachts op het vee aan, waaronder hij een vreeselijke slachting +aanrichtte in de meening dat hij met de Atriden, die bij den wedstrijd +rechters geweest waren, en met Odysseus te doen had; tot bezinning +gekomen, doodde hij zich van schaamte. Uit zijn bloed ontsproot de +hyacinth. De Salaminiërs eerden hem als halfgod met een tempel en +met een feest Aiantia, de Atheners noemden naar hem de phyle Aeantis. + +Aïdes, Aidoneas, Aides, Aidoneus, z. Hades. + +Aigikores, zij die tot de derde der vier oude attische phylae +behoorden. + +Aigophagos. Onder dezen bijnaam werd Hera te Sparta en Corinthe met +geitenoffers vereerd. Toen de altijd door Hera vervolgde Heracles bij +eene van zijne ondernemingen geen tegenwerking van haar ondervond, +wilde hij haar daarvoor zijne dankbaarheid betuigen, en daar hij +niets anders had, offerde hij eene geit en stichtte hij den tempel +van Hera Aigophagos. + +Aikias dike, aanklacht wegens het opzettelijk mishandelen van een +vrije; de aanklager schatte het toegebrachte letsel in een geldsom, +die hem bij veroordeeling door den aangeklaagde betaald moest worden. + +Aiora, z. Erigone. + +Aisa, z. Moera. + +Aius Locutius. Toen de Galliërs in 389 op Rome lostrokken, hoorde men +in het holle van den nacht eene geheimzinnige stem, die de nadering +der vijanden aankondigde. Na den aftocht der Galliërs bouwde men een +tempel ter eere van den onbekenden god, die gewaarschuwd had en dien +men Aius Locutius noemde (van aio en loquor). + +Ala. 1) Onder alae verstaat men afdeelingen krijgsvolk, die op de +vleugels van het leger geplaatst waren en door de bondgenooten of de +provinciën geleverd werden. Zij bestonden hoofdzakelijk uit ruiterij en +stonden somtijds onder aanvoerders uit hun eigen volk.--2) Alae zijn +kleine kabinetjes in de romeinsche huizen ter zijde van het atrium, +waarvan zij niet door deuren, maar door voorhangsels of gordijnen +gescheiden waren. + +Alabanda, genit. -ae en -orum, ta Alabanda, bloeiende stad in Caria, +doch berucht om de weelde en de losse zeden die er heerschten. + +Alalcomenae, Alalkomenai, oude boeotische stad, dicht bij den zuidoever +van het meer Copaïs, met een tempel van de godin Athena, die, naar +men zeide, hier geboren was. Er waren nog meer steden van dezen naam. + +Alalia, zie Aleria. + +Alamanni, zie Alemanni. + +Alani, Alanoi, een nomadenvolk, dat sedert het begin van den +keizertijd ten N. van de Caspische zee en den Caucasus de plaats +der voormalige Scythen innam. Er hooren verschillende scythische +stammen toe, o. a. de Aorsi. Uit de woestijn Gobi komend, hebben de +Hunnen hen voor zich uitgedreven, en tegen het einde der 3de eeuw +n. C. onderworpen. Gedeeltelijk smolten zij met de Hunnen samen, +gedeeltelijk trokken zij met Vandalen en Sueven naar Hispania en +later met de Vandalen naar Africa (429 n. C.). + +Alaricus, Alarik, bijgenaamd Baltha (de Stoute), aanvoerder (dux) der +Westgothen, die eerst Macedonië, Thessalië en Griekenland verwoestte +(395/98 n. C.) en vervolgens in 401 voor de eerste maal naar Italië +trok, maar door Stilicho genoodzaakt werd naar Illyricum terug te +keeren. Na de vermoording van Stilicho (408) kwam hij in Italië +terug. Keizer Honorius sloot zich in het sterke Ravenna op; doch +Alarik trok regelrecht op Rome aan en sloot de stad in, die zich +ditmaal van plundering vrijkocht, doch in het volgende jaar, omdat +Honorius niet naar Alariks voorstellen wilde luisteren, vermeesterd +en drie dagen lang geplunderd werd. De christenkerken bleven echter +gespaard. Kort daarna stierf Alarik te Consentia in Bruttium en werd +in de bedding van den Busento begraven (410 n. C.). + +Alarii, troepen, tot de alae behoorende. + +Alastor, Alastor, wraakgeest in het leven geroepen door het plegen +eener misdaad; door wraak te vorderen voor de bedreven misdaad drijft +hij tot nieuwe misdaden, die op hare beurt gewroken moeten worden. Meer +algemeen een booze geest, die tot zonde verleidt en daardoor onheil +sticht. Ook bijnaam der Erinyen en van Zeus als wreker van onrecht. + +Alatrium of Aletrium, oude stad in Latium in het gebied der Hernici, +later municipium. + +Alba, Albas, mythisch koning van Alba Longa. + +Alba, naam van verschillende steden, waarvan de volgende de +belangrijkste zijn. 1) Alba Fucens, op eene rots aan het meer Fucinus +gelegen, in het land der Aequi, latijnsche kolonie (in 303 aangelegd) +en staatsgevangenis. Koning Perseus van Macedonia werd hierheen +gebracht.--2) Alba Longa, in Latium, aan den voet van den mons Albanus, +de hoofdstad van den ouden Latijnschen bond en de moederstad van +Rome, volgens de overlevering door Aeneas' zoon Ascanius gesticht +en door Tullus Hostilius verwoest.--3) Alba Pompeia, in Liguria, +geboorteplaats van keizer Pertinax. + +Albani, 1) inwoners van Alba Longa.--2) inwoners van het caucasische +landschap Albania. + +Albania, Albania, bergland van den Caucasus, aan de Caspische zee +gelegen, met eene krijgszuchtige bevolking, die in den mithradatischen +oorlog troepen tegen Pompeius leverde. Men houdt de bewoners van +deze landstreek ten onrechte voor de latere Alanen. De hoofdstad +heette Albana. + +Albaniae portae, bergpas, die toegang tot Albania verleende. + +Albanum, thans Albano. Aan den Z.W. kant van den Albanus lacus op +de helling van het gebergte lagen een aantal buitenverblijven van +aanzienlijke Romeinen, o.a. van Pompeius, Brutus, later ook van Nero, +Domitianus. Naar romeinsche gewoonte werd zulk een buitenverblijf naar +de plaats Albanum geheeten. Hieruit ontstond aldaar een municipium +van dien naam. + +Albanus lacus, een klein, maar zeer diep; en bekoorlijk meer aan den +voet van den albaanschen berg. Het uitwateringskanaal, indertijd door +Camillus, v. a. in 97 aangelegd, bestaat nog. + +Albanus mons, berg in Latium, thans Monte Cavo, aan welks helling +eenmaal Alba Longa lag. Op den top stond de tempel van Jupiter +Latiaris. Op dezen berg werden jaarlijks de groote feriae Latinae +gevierd. + +Albenses, de inwoners van alle steden, die Alba heetten, behalve +van Alba Longa, die Albani genoemd werden. Populi Albenses zijn de +30 gemeenten, die tot den oudsten Albaanschen bond gehoord hebben, +en die ook in later tijd bij de feriae Latinae werden opgeroepen voor +het in ontvangst nemen van het offervleesch. De meeste zijn onbekend, +maar waarschijnlijk hebben alle in het binnenland rondom het Albaansch +gebergte gelegen, en zijn later opgegaan in de steden: Rome, Tibur, +Praeneste, Tusculum, Aricia en Gabii. + +Albici, Albioikoi, een ruw herdersvolk, in de bergstreken benoorden +Massilia (Marseille). + +Albii. Tot dit geslacht behoorde de dichter Albius Tibullus, vriend +en tijdgenoot van Ovidius. Hij werd omstreeks 54 uit eene rijke +ridderfamilie geboren, maakte met zijn beschermer M. Valerius Messala +Corvinus een veldtocht in Aquitania mede, doch leefde verder meestal +stil op zijn landgoed. Zijne dichtsoort was de elegie, doch van de vier +boeken, die op zijn naam staan, kunnen slechts de eerste twee geheel +aan hem worden toegekend. Het 3de boek is van een onbekenden dichter +Lygdamus, van het 4de is het 1ste gedicht een loflied op Messalla, +van een onbekenden dichter, 4, 2-6 hebben tot onderwerp de liefde +van Sulpicia, een jong meisje van goeden stand (z. Sulpicii no. 23) +voor Cerinthus, 4, 7-12 zijn van Sulpicia zelf. De verzen van Tibullus +zelf (de 2 eerste boeken) zijn aan twee minnaressen gewijd, Delia en +Nemesis. Zijn stijl is natuurlijk en eenvoudig, meer liefelijk dan +verheven. Hij stierf in 19. + +Albini, zie Postumii. + +Albinovanus, zie Celsus en Pedo. + +Albinus (Clodius) was bij den dood van keizer Commodus (192 na +C.) stadhouder in Britannia. Dit bleef hij onder Pertinax. Na diens +dood weigerde hij Didius Julianus als keizer te erkennen, doch wees +zelf het keizerschap, hem door zijne legioenen aangeboden, van de +hand. Septimius Severus, die eerst zijn mededinger Pescennius Niger +wilde ten onder brengen, benoemde Clodius Albinus tot mederegent, +doch zocht na Nigers dood ook Albinus uit den weg te ruimen. Hierop +trok deze tegen Severus op. Bij Lugdunum (Lyon) kwam het tot een +slag. Albinus werd verslagen en op de vlucht achterhaald en gedood +(197.) + +Albion, Alouion, Albion, oude inheemsche naam voor Britannia = +bergland. + +Albis, rivier, thans Elbe geheeten. De Rom. leerden haar (9) onder +Drusus kennen en zagen ze voor het laatst onder Tiberius (5 n. C.). + +Albogalerus, wit bonten of vilten muts van den flamen Dialis en andere +priesters, uit het vel van een offerdier vervaardigd. Bovenaan zat +eene soort van pompoen, bestaande uit een olijftakje, met een witten +draad omwonden. + +Albula, oude naam van den Tiber. + +Albulae Aquae, zwavelbronnen in de vlakte halverwege tusschen Rome +en Tibur, als herstellingsoord veel bezocht; v. s. was de voornaamste +gewijd aan Albunea of Albuna (z. a.). + +Album, wit gekalkt of geverfd bord, bestemd om beschreven en +tentoongesteld te worden. De merkwaardigste zijn: 1) album pontificum, +waarop de annales maximi of kroniek van Rome werd geschreven +(z. annales),--2) het album praetoris, waarop de praetor zijn edictum +schreef,--3) het album senatorum, de senatorenlijst,--4) het album +iudicum, waarop de jaarlijksche lijst der iudices was vermeld. + +Album Ingaunum en Album Intimilium, twee steden aan de ligurische kust, +beide in later tijd municipia; het eerste = Albenga, het tweede ten +oosten van Ventimiglia. + +Albunea, nymph van een zwavelbron bij Tibur, in wier heilig bosch zich +een droomorakel van Faunus bevond. De domus Albuneae van Horatius is +waarschijnlijk de Grotta di Nettuno, onder aan de watervallen van Tibur +(Tivoli); de hoofdstroom van den Anio liep hier vroeger door. Albunea +werd ook tot de Sibyllae gerekend. V. a. is zij de nymph van een der +zwavelbronnen van Aquae Albulae (z. a.). + +Alburnus mons, boschrijk, woest gebergte achter Paestum, in Lucania. + +Albus Notus, Leukonotos Phoinikias, de Zuid-Oostenwind, zie +Windstreken. + +Alcaeus, Alkaios, 1) zoon van Perseus en Andromeda, vader van +Amphitryo.--2) = Alcides.--3) van Mytilene, lyrisch dichter omstreeks +het einde der 7e eeuw. Hij streed mede in den oorlog tegen Athene om +het bezit van Sigeum, maar liet eens zijne wapenen op het slagveld +achter. Met meer standvastigheid, maar met weinig geluk, voerde hij, +als lid van een edel geslacht en van de aristocratische partij, +oppositie tegen de toen in zijne vaderstad heerschende democratie, +en tegen de tyrannen Melanchrus (z. a.) en Myrsilus (z. a.), en toen +Pittacus tot aisymnetes (z. a.) was aangesteld, moest hij met vele +partijgenooten jaren in ballingschap leven, van welken tijd hij +een deel in vreemden krijgsdienst doorbracht. Eene poging om met +geweld terug te keeren mislukte; zelfs viel hij daarbij in handen +van Pittacus, die hem echter vergiffenis en de vrijheid schonk; de +laatste jaren van zijn leven heeft hij in Mytilene doorgebracht. Zijne +gedichten, meestal in de naar hem genoemde alcaeïsche strophe +geschreven, zijn grootendeels verloren; zooals de overblijfsels toonen, +gaven zij met groote bevalligheid getuigenis van het hartstochtelijk +karakter en de welgevestigde staatkundige overtuiging van den dichter; +zij worden verdeeld in politieke gedichten, drink- en minneliedjes +(stasiotika, sympotika, erotika) en hymnen op de goden. Horatius +volgt hem bij voorkeur na. + +Alcamenes, Alkamenes, van Athene of Lemnus, beroemd beeldhouwer en +bronsgieter, naar veler meening slechts door zijn leermeester Phidias +overtroffen. Bij de opgravingen aan den tempel van Zeus te Olympia +zijn belangrijke fragmenten van standbeelden gevonden, die vroeger +ten onrechte voor werk van Alc. gehouden werden. + +Alcathoë, Alkathoe, 1) dochter van Minyas, koning van Orchomenus, +z. Minyades.--2) z. Alcathoüs. + +Alcathoüs, Alkathoos, zoon van Pelops en Hippodamea, doodde op den +Cithaeron een leeuw, die den zoon van koning Megareus verscheurd +had; tot belooning hiervoor gaf de koning hem zijne dochter Euaechme +tot vrouw en benoemde hij hem tot zijn opvolger. Hij herbouwde de +muren van Megara, die door de Cretensers geslecht waren, met behulp +van Apollo, die bij dit werk eens zijn lier op een steen nederlegde, +waaruit sedert dien tijd bij elke aanraking de klank van het goddelijk +instrument gehoord werd. Naar hem wordt de burcht van Megara Alcathoë, +moenia Alcathoi genoemd. Alc. doodde later door een misverstand zijn +zoon Callipolis, dien hij ten onrechte van gebrek aan eerbied voor +de goden beschuldigde. Te Megara werd hij als halfgod vereerd, en +werden te zijner eer spelen gevierd, Alkathoia genoemd.--2) Trojaan, +die met een dochter van Anchises getrouwd was en Aeneas opvoedde. Bij +de bestorming van het grieksche kamp werd hij door Idomeneus gedood. + +Alcestis, Alkestis, dochter van Pelias, de eenige die zich verzette +tegen het plan van Medea om Pelias te verjongen. Later werd zij de +vrouw van Admetus (z. a.), voor wien zij vrijwillig stierf. Om hare +kinderlijke liefde en huwelijkstrouw, wordt zij als voorbeeld voor +alle vrouwen genoemd. + +Alcetas, Alketas, naam van verscheiden Macedoniërs, o.a. van: 1) +veldheer van Alexander d. G., broeder van Perdiccas. Toen deze gedood +was (321), wist Alc. de Pisidiërs te bewegen hem in den strijd tegen +de vijanden van het koninklijk huis bij te staan; bij den eersten +slag leed hij echter de nederlaag en werd hij door eenige burgers +van Termessus aan zijne vijanden verraden; om niet in hunne handen +te vallen doodde hij zich zelf.--2) koning van Epirus (313-307). Hij +werd door Cassander gesteund, maar zijne woestheid en wreedheid, +waarom zijn vader hem van de regeering had willen uitsluiten, +verbitterden zijn volk zoozeer, dat men hem doodde, en zijn neef +Pyrrhus tot koning uitriep. + +Alcibiades, Alkibiades, Athener, zoon van Clinias en Dinomache, +geb. omstreeks 450; nadat hij op driejarigen leeftijd zijn vader +verloren had (gesneuveld bij Coronea, 447), werd hij door zijn voogd, +den beroemden Pericles, opgevoed. Hij was een man van buitengewone +schoonheid en geestesgaven, uiterst beminnelijk in den omgang +en welsprekend, bovendien zeer rijk; in deze omstandigheden gaf +hij aan zijn zucht om altijd op den voorgrond te treden in zijn +jeugd toe door allerlei buitensporige en moedwillige streken. Zijn +omgang met Socrates kon evenmin als zijn huwelijk met Hipparete, +de dochter van den rijken Hipponicus, aan zijn losbandig leven een +einde maken. Gedurende het eerste gedeelte van den peloponnesischen +oorlog diende hij als ruiter; men verhaalt dat Socrates hem bij het +beleg van Potidaea (432), hij daarentegen Socrates in den slag bij +Delium (424) het leven gered had. Na den vrede van Nicias was hij +het vooral, die steeds tot het hervatten der vijandelijkheden dreef, +hetzij omdat hij inderdaad het voortzetten van den oorlog voor Athene +voordeelig achtte, hetzij omdat hij het voor zijn eigen belangen meer +geraden vond zich bij de oorlogspartij aan te sluiten, die sedert den +dood van Cleon zonder leider was, terwijl Nicias aan het hoofd van de +vredespartij stond. Door zijn toedoen dan sloot Athene een verbond met +Argos, Mantinea en Elis (420), maar nadat de troepen dier bondgenooten +bij Mantinea door de Lacedaemoniërs verslagen waren (418), kwam de +oligarchische partij in de peloponnesische staten weder aan het roer, +en werd het bondgenootschap met Athene opgezegd; twee jaar later werd +het echter door bemiddeling van Alc. hernieuwd. Intusschen was uit +Segesta een verzoek tot Athene gericht om bijstand tegen Syracuse, en +Alc. die van zulk eene onderneming veel roem en voordeel verwachtte +en misschien nog van verdere veroveringen droomde, wist het volk +tot een krijgstocht tegen Sicilië over te halen in weerwil van den +tegenstand van Nicias; hijzelf, Nicias en Lamachus werden tot strategen +benoemd. Maar kort voor den dag, waarop de vloot zoude vertrekken, +werden in een nacht al de Hermesbeelden in Athene omvergeworpen en, +te recht of ten onrechte, Alc. werd van medeplichtigheid aan die daad, +later ook van ontwijding der eleusinische mysteriën, beschuldigd. Hij +verlangde dringend dat de zaak (Hermocopidenproces) nog voor zijn +vertrek zoude behandeld worden, maar zijne vijanden, die zijn invloed +vreesden, dreven door dat het gerechtelijk onderzoek tot na zijn +terugkomst zou uitgesteld worden; zoodra hij echter vertrokken was +(415), werden opnieuw geruchten verspreid, die weldra zulk een onrust +bij het volk te weeg brachten, dat tot een onmiddellijk onderzoek +besloten werd, en een schip werd uitgezonden om Alc. terug te +halen. Hij begaf zich eerst aan boord, maar te Thurii gekomen, wist +hij te ontsnappen. Toen hij nu vernam, dat hij in zijne afwezigheid +ter dood veroordeeld was en zijne goederen verbeurd verklaard waren, +begaf hij zich naar Sparta, waar hij weldra grooten invloed kreeg. Hij +bewerkte dat van daar uit een leger onder aanvoering van Gylippus aan +de Syracusanen te hulp gezonden werd (414), dat Decelea versterkt +en door een spartaansch leger bezet werd (413), en bovenal dat een +vloot werd uitgerust, waarmede hij zelf naar Azië zeilde om een +verbond tusschen de Spartanen en Tissaphernes tot stand te brengen +en de ionische steden tot afval van Athene te bewegen. Het duurde +echter niet lang of zijn overwicht wekte de afgunst der spartaansche +veldheeren op, vooral van koning Agis, die bovendien vermoedde dat hij +zijne echtgenoote Timaea tot overspel verleid had, en spoedig wist men +hem zoo verdacht te maken, dat hij naar Tissaphernes moest vluchten om +zijn leven te redden (412). Hier bracht hij het door zijne raadgevingen +zoo ver, dat Tissaphernes niet slechts veel minder ijver voor zijne +lacedaemonische bondgenooten aan den dag legde, maar zelfs geneigd +scheen de zijde van Athene te kiezen, terwijl Alc. onderhandelingen +aanknoopte met de atheensche vloot die bij Samus lag, en beloofde een +verbond met Tissaphernes, ja zelfs met den koning van Perzië tot stand +te brengen, indien de democratische regeeringsvorm te Athene door eene +oligarchische vervangen werd. Deze omwenteling had inderdaad plaats +(z. tetrakosioi), maar was zoo weinig naar den zin van het leger op +Samus, dat het in opstand kwam, Alc. uit de ballingschap terug riep, +en hem met Thrasyllus en Thrasybulus tot aanvoerder verkoos. Alc., +die intusschen had ingezien, dat hij weinig kans had zijne beloften +te kunnen nakomen, was met dezen loop van zaken zeer tevreden, en +maakte zich reeds dadelijk verdienstelijk door te beletten dat men +naar Athene trok om de oligarchen te verdrijven, die trouwens spoedig +genoeg weder voor de democratie moesten plaats maken. Met Alc. scheen +het geluk bij de atheensche wapenen teruggekeerd te zijn; hij overwon +de Spartanen in verscheidene kleinere gevechten en in twee groote +slagen bij Abydus en Cyzicus (411, 410), ontnam hun 200 schepen, +en veroverde Byzantium, Chalcedon e. a. steden. Tissaphernes koos +nu spoedig weder beslist de zijde der Spartanen en liet Alc. zelfs +gevankelijk naar Sardes voeren, vanwaar deze echter na korten tijd +ontsnapte. Eindelijk keerde hij naar Athene terug (407), waar hij met +gejuich ontvangen en, na vernietiging van het over hem gevelde vonnis, +tot opperbevelhebber van leger en vloot benoemd werd. Na dien tijd +was hij echter minder gelukkig. Niet alleen mislukte hem een poging +om Andrus te onderwerpen, maar zelfs verloor in zijne afwezigheid +zijn onderbevelhebber Antiochus een zeeslag tegen Lysander, en het +volk, dit aan de nalatigheid van Alc. toeschrijvend, verkoos andere +strategen in zijn plaats. Alc. verdedigde zich niet en trok zich terug +naar zijne bezittingen in de thracische Chersonesus. Toch bleef hij den +loop der gebeurtenissen met belangstelling gadeslaan, en toen eenige +jaren later de Spartanen oppermachtig geworden waren, achtten zij hem +nog zoo gevaarlijk, dat hij reden had voor zijn leven te vreezen; +hij begaf zich dus naar Pharnabazus om dezen, en zoo mogelijk den +koning van Perzië, voor Athene te winnen, maar Pharnabazus, die eerst +veel vriendschap voor hem getoond, had, gaf eindelijk, bevreesd voor +de bedreigingen van Lysander, bevel hem te vermoorden. Zijn huis werd +in brand gestoken en omsingeld, en toen hij zich uit de vlammen wilde +redden, werd hij van alle kanten met pijlen neergeschoten (404). + +Alcidamas, Alkidamas, van Elaea, in Aeolis, tijdgenoot van Isocrates, +leerling van Gorgias en leeraar der welsprekendheid. Eene redevoering +van hem en enkele fragmenten zijn bewaard. + +Alcides, Alkeides, oorspronkelijke naam van Heracles (z. a.). + +Alcimede, Alkimede, dochter van Phylacus en Clymene, moeder van Iason. + +Alcinous, Alkinoos, kleinzoon van Poseidon, koning der Phaeaciërs op +het eiland Scheria of Drepane. Hij nam Odysseus gastvrij op en zond +hem met vele geschenken naar zijn vaderland terug. Ook de Argonauten +werden op hun terugtocht zeer goed door hem ontvangen, en hij weigerde +Medea uit te leveren aan de Colchiërs, die haar uit naam van haar vader +kwamen opeischen. Daar zij niet naar hun vaderland durfden terugkeeren, +bleven de colchische afgezanten toen bij de Phaeaciërs wonen. + +Alciphron, Alkiphron, grieksch sophist, die in het laatste gedeelte +der 2de eeuw n. C. leefde. In den vorm van brieven, die door taal +en stijl uitmunten, heeft hij belangrijke schetsen van de toenmalige +toestanden te Athene nagelaten. + +Alcmaeon, Alkmaion, Alkmeon, 1) zoon van Amphiaraus en +Eriphyle. Evenals Eriphyle zich door het halssnoer van Harmonia +had laten omkoopen om Amphiaraus te bewegen aan den tocht der zeven +tegen Thebe deel te nemen, zoo was de peplos van Harmonia de prijs, +waarvoor zij Alcm. overreedde met de Epigonen mede te trekken. Als een +der aanvoerders verrichtte Alcm. vele dappere daden en Thebe moest +dezen keer vallen. Zijn vader, die zijn eigen lot voorzien had, had +echter voor hij ten strijde trok aan zijne zonen Alcm. en Amphilochus +opgedragen hem op hun moeder te wreken, en nadat Alcm. zelf uit den +oorlog teruggekomen was en een orakel hem bevolen had de opdracht zijns +vaders uit te voeren, te meer daar zijne moeder ook hem aan hetzelfde +gevaar had blootgesteld, doodde hij Eriphyle. Terstond maakten zich +de wraakgodinnen van hem meester; door haar vervolgd, zwierf hij +in waanzin rond, zonder ergens rust te vinden. Eindelijk kwam hij +in Psophis bij koning Phegeus, die hem van zijne schuld trachtte +te zuiveren en hem zijne dochter Alphesiboea of Arsinoë tot vrouw +gaf. Doch de middelen door Phegeus aangewend, vermochten op den duur +niet de wraakgodinnen van Alcm. af te houden, zijn waanzin keerde terug +en weder zwierf hij rond, nu zonder hoop ooit rust te vinden, daar een +orakel hem gezegd had, dat dit alleen zou kunnen geschieden wanneer +hij een plek vond, die tijdens zijn misdaad nog niet door de zon +beschenen was. Eindelijk echter vond hij die plek, het was de grond, +die sedert den moord aan de monding van den Achelous aangeslibd was, +de Echinades. Hier vestigde hij zich en trouwde hij met Callirrhoë, +de dochter van den riviergod. Nadat hij eenigen tijd hier rustig +geleefd had, verzocht zijne gemalin hem het halssnoer en den sluier +voor haar te halen, die op zijn leven van zooveel invloed geweest +waren. Hij gaf toe aan haar dringend verlangen en trok naar Psophis, +waar hij die sieraden van zijn eerste vrouw terugnam, zeggende dat hij +ze aan Apollo wilde wijden. Nauwelijks had Phegeus echter bemerkt dat +dit slechts een voorwendsel was, of hij zond zijne zonen om Alcm. te +vervolgen; zij haalden hem in en doodden hem. De zonen van Alcm. en +Callirrhoë, Acarnan en Amphoterus, wreekten later den moord van hun +vader. V. s. had Alcm. bij Manto, de dochter van Tiresias, een zoon +en een dochter, die hij aan Creon, den koning van Corinthe, gaf om +op te voeden. Uit jaloerschheid liet de vrouw van Creon het meisje, +toen zij volwassen was, als slavin verkoopen en zoo kwam zij onbekend +toevallig bij haar vader. Alcm. had te Thebe een tempel waar hij als +halfgod vereerd werd.--2) achterkleinzoon van Nestor, die bij den +inval der Doriërs in de Peloponnesus naar Athene uitweek; hij was de +stamvader der Alcmaeoniden.--3) atheensch archont, de laatste die voor +zijn leven tot deze betrekking verkozen werd (752).--4) van Croton, +schrijver van geneeskundige werken in de 5de eeuw. + +Alcmaeonidae, Alkmaionidai, Alkmeonidai, een rijke en aanzienlijke +familie in Athene, afstammend van Alcmaeon no. 2. Zij zijn vooral +bekend door de oppositie, die zij voerden tegen de alleenheerschappij +der Pisistratiden, waarbij Megacles hun aanvoerder was. Toen zij door +Pisistratus verbannen waren, wisten zij de priesters van Delphi voor +hunne belangen te winnen door den herbouw van den tempel, die kort +te voren was afgebrand, aan te nemen, en hem, gedeeltelijk op hun +eigen kosten, veel prachtiger te herstellen, dan hij te voren geweest +was. Van Delphi ging dan ook sedert herhaaldelijk eene aansporing +tot de Spartanen uit, om Athene van de tyrannen te bevrijden, waaraan +eindelijk ook gehoor gegeven werd (z. Cleomenes en Hippias). Ook te +voren hadden de Alcmaeoniden eenigen tijd in ballingschap doorgebracht, +omdat zij, naar men beweerde, eenige aanhangers van Cylon bij de +altaren der goden gedood hadden. Hoewel deze ballingschap niet van +langen duur geweest kan zijn, werd de familie toch altijd door die +heiligschennis bezoedeld geacht, en werd den Atheners meermalen hun +verblijf in de stad verweten. Ook Clisthenes was een Alcmaeonide en +Alcibiades en Pericles waren van moederszijde met hen verwant. + +Alcman, Alkman, een der oudste grieksche lierdichters, Ioniër uit +Sardes, werd krijgsgevangene en kwam als slaaf naar Sparta, maar +werd daar vrijgelaten en schijnt zelfs onder de burgers opgenomen te +zijn. Hij leefde omstreeks 620. Van zijne gedichten, die in een met +aeolische en epische vormen gemengd dorisch dialect geschreven waren, +is slechts weinig over. Hij is vooral bekend om zijne Parthenia, +liederen voor meisjeskoren, waarvan er één bewaard is. + +Alcmene, Alkmene, Alcumena, dochter van Electryon, koning van +Mycenae. Zij was gehuwd met Amphitryo, en terwijl deze buitenslands +oorlog voerde, werd zij door Zeus, die de gedaante van haar echtgenoot +had aangenomen, bezocht en zoo werd zij moeder van Heracles; bij +Amphitryo, die den volgenden dag terugkeerde, kreeg zij een zoon +Iphicles. Bij de geboorte van Heracles, had zij veel van den haat van +Hera te lijden. Na den dood van Amphitryo huwde zij met Rhadamanthys, +met wien zij ook op de eilanden der gelukzaligen vereenigd gedacht +wordt. Toen haar zoon gestorven was, moest zij voor Eurystheus +vluchten, zij kwam naar Athene, maar ging later naar Thebe terug waar +zij in hoogen ouderdom stierf. Te Thebe en ook te Athene genoot zij +goddelijke eer. + +Alcyone, Alkyone, 1) dochter van Aeolus en Enarete, gehuwd met +Ceyx. Dit huwelijk was zeer gelukkig, maar in hun trots noemden zij +elkander Zeus en Hera; tot straf hiervoor werd hij in een zeemeeuw, +zij in een ijsvogel veranderd.--V. a. kwam Ceyx bij een schipbreuk om, +en stortte Alc. zich uit wanhoop in zee, waarop beiden in ijsvogels +veranderd werden. Wanneer deze vogel broedt, omstreeks een week voor +en een week na den kortsten dag, laat Aeolus alle winden rusten, +vandaar heeten die dagen Alcyonii dies, Alkyonides hemerai, welke naam +overdrachtelijk gegeven wordt aan een rustigen, gelukkigen tijd.--2) +eene van de Pleiaden, bij Poseidon moeder van Hyrieus. + +Alcyoneus, Alkyoneus, 1) een van de Giganten, die Heracles op de +landengte van Corinthe of op het schiereiland Pallene aanviel, toen +hij met de runderen van Geryones daar langs kwam. Met een rotsblok +verpletterde hij 24 van Heracles' makkers en 12 van zijne wagens, +maar toen hij het rotsblok tegen hemzelf slingerde, sloeg Heracles het +met zijn knots terug, en doodde hem met denzelfden slag.--2) zoon van +Diomus en Meganira. Hij werd door het lot aangewezen om volgens een +orakel ten offer gebracht te worden aan een monster, dat de omstreken +van den Parnassus verwoestte, maar toen hij bekranst naar het hol van +het monster gebracht werd, ontmoette hem Eurybatus, die, door zijne +schoonheid getroffen, besloot zich in zijne plaats op te offeren. Hij +ging in het hol, greep het monster en stortte het in de diepte. + +Alcyonium mare, Alkyonis thalatta, ook Alcyonius sinus genoemd, +noordoostelijke inham der Corinthische golf. + +Alea, Alea, bijnaam der godin Athena, onder welken naam zij vooral +in de stad Alea, in Arcadia, ten Z. van Stymphalus gelegen, maar ook +elders vereerd werd. + +Alea. Het dobbelspel was bij de Romeinen zeer in zwang. Men speelde +met tesserae en met tali. De tesserae waren gewone dobbelsteenen; +men wierp met drie steenen tegelijk. De tali waren aan twee zijden +afgerond, en vertoonden alleen de getallen 1, 3, 4, 6. Men wierp met +vier zulke steenen. De beste worp was de iactus Venereus, wanneer al +de steenen verschillende cijfers aanwezen. De slechtste worp was alle +éénen en werd canis genoemd. + +Alecto, Alekto, eene der drie Erinyen. + +Alectryon, Alektryon, dienaar van Ares, die op den uitkijk stond als +de god Aphrodite bezocht. Eens viel hij in slaap, zoodat de minnenden +door Helius ontdekt konden worden. Tot straf hiervoor werd hij in +een haan veranderd. + +Aleïus campus, Aleion pedion, waar Bellerophon in zijne zwaarmoedigheid +ronddoolde. Homerus plaatst deze uitgestrekte vlakte in Lycia; zij ligt +echter tusschen den Sarus en den Pyramus, twee rivieren van Cilicia. + +Alemanni, Alamanoi, groote volkerenbond, uit germaansche stammen +van zuidwestelijk Duitschland bestaande, waarvan de Suevi (Zwaben) +het hoofdvolk waren. In 213 na C. kwamen zij onder dezen bondsnaam +voor het eerst met de Romeinen in botsing en liet keizer Caracalla +zich v. s. den bijnaam Alemannicus geven naar de overwinning, die hij +over hen behaald had. In werkelijkheid nam hij den bijnaam Germanicus +aan. Sedert hadden de Romeinen veel last van hunne invallen in de agri +decumates. In de tweede helft van de 3de eeuw bezetten zij de geheele +streek binnen den limes (z.a.), en in de 4de eeuw ook den Elzas. + +Aleria, Aleria, vroeger Alalia, Alalie geheeten, volksplanting der +Phocaeërs op Corsica (565), in den eersten punischen oorlog door de +Romeinen veroverd (259), onder Sulla kolonie. + +Alesa, zie Halesa. + +Alesia, vesting in het kleine gebied der Mandubii, aan den zuidkant van +het tegenwoordige plateau van Langres. Zij is bekend door het beroemde +beleg in den strijd van Caesar tegen den grooten gallischen aanvoerder +Vercingetorix (in 52). Na de inneming verwoestten de Romeinen de stad; +zij werd echter later herbouwd (thans Alise-Ste-Reine). + +Alesus, zie Halesus. + +Aletes, Aletes, 1) zoon van Aegisthus. Op het bericht dat Orestes in +het land der Tauri aan Artemis geofferd was, maakte hij zich van de +regeering over Mycenae meester, maar bij de terugkomst van Orestes werd +hij gedood.--2) zoon van Hippotas, die bij den inval der Heracliden +de Sisyphiden uit Corinthe verdreef en daar zelf koning werd. + +Aletrium, zie Alatrium. + +Aleuadae, Aleuadai, afstammelingen van Aleuas, een Heraclide, die +zich van de heerschappij over Larissa meester maakte en om zijne +wreedheid door zijn eigen volk gedood werd. De Aleuaden waren lang het +machtigste vorstengeslacht van Thessalië (tagoi, z. tagos), totdat +de tyrannen van Pherae zich verhieven; in de twisten die tusschen +de beide familiën ontstonden, werd nu eens de hulp der Macedoniërs, +dan die der Thebanen ingeroepen, totdat Philippus in 356 Thessalië +tot een macedonische provincie maakte, waarbij hij de Aleuaden door +vele onderscheidingen voor zich won. + +Alexander, Alexandros, 1) = Paris.--2) neef van den tyran Polyphron +van Pherae, dien hij doodde en wiens opvolger hij werd, 369. Zijne +wreedheid en trouweloosheid noodzaakte de thessalische steden +meermalen de hulp van Macedonië en Thebe in te roepen. Eerst werd hij +door Pelopidas tot een meer gematigde regeering gedwongen; later, +toen hij Pelopidas en andere Thebanen trouweloos gevangen genomen +had, dwong Epaminondas hem de gevangenen los te laten; ten derden +male trok Pelopidas tegen hem op en overwon hem in den slag bij +Cynoscephalae (364). In 358 werd hij op aandrijven zijner gemalin +Thebe door hare broeders vermoord.--3) Al. I, koning van Epirus. Met +behulp van zijn zwager Philippus van Macedonië verdreef hij zijn oom +en zijn neef (342) en maakte hij zich van de regeering meester. Toen +zijne zuster Olympias door Philippus verstooten was, vluchtte zij tot +hem en trachtte zij hem tot een oorlog aan te sporen, maar Philippus +bevredigde hem door hem zijne dochter Cleopatra tot vrouw te geven. In +332 werd hij door de Tarentijnen tegen de Bruttiërs en Lucaniërs te +hulp geroepen, in 331/330 verloor hij een slag bij Pandosia en kwam +hij in de rivier Acheron om.--4) Al. II, koning van Epirus, zoon +en opvolger van Pyrrhus 272-ong. 250; hij maakte zich voor korten +tijd van Macedonië meester, maar werd spoedig door Demetrius, een +broeder van Antigonus Gonatas van daar en zelfs uit Epirus verdreven, +totdat hij bij een opstand der Epiroten teruggeroepen werd. Hij +stierf omstreeks 250.--5) Al. I, koning van Macedonië 498-454, zoon +en opvolger van Amyntas I. Bij Xerxes' inval in Griekenland werd +Al. gedwongen zich bij diens leger aan te sluiten; toch trachtte hij +heimelijk de Grieken te helpen.--6) Al. II, koning van Macedonië, zoon +en opvolger van Amyntas II. Na eene regeering van twee jaren werd hij +door zijn stiefbroeder Ptolemaeus Alorites gedood (369).--7) Al. III +de Groote, koning van Macedonië, geb. 356, volgde zijn vader Philippus +in 336 op. Hij was opgevoed eerst door den ruwen krijgsman Leonidas, +daarna door den hoveling Lysimachus, eindelijk sedert zijn 13de jaar +door den beroemden wijsgeer Aristoteles. Reeds vroeg had Al. blijken +gegeven van ontembare eerzucht, van streven naar het buitengewone en +bovenal van grooten persoonlijken moed; Homerus was zijn geliefkoosde +dichter en Achilles zijn ideaal. Geen wonder, dat de twintigjarige +jongeling, die zich reeds bij het leven van Philippus o. a. in den +slag bij Chaeronea onderscheiden had, zoodra hij den troon besteeg, +besloot het plan van zijn vader, de verovering van het perzische +rijk, tot uitvoering te brengen, al moest hij ook voorshands zijne +krachten wijden aan de bevestiging zijner regeering tegen binnen- en +buitenlandsche vijanden. Terwijl hij zijn oom Attalus en anderen, die +hem de heerschappij konden betwisten, uit den weg liet ruimen, trok hij +kort na den dood van zijn vader naar Griekenland, waar in verschillende +steden anti-macedonische bewegingen hadden plaats gehad, en bewerkte +hij door zijn krachtig optreden, dat hij door de Amphictyonen en later +op een congres op de landengte van Corinthe door alle grieksche staten, +behalve Sparta, erkend en tot opperbevelhebber in den oorlog tegen +Perzië verkozen werd. Na zijn terugkomst in Macedonië hield Al. zich +bezig met de onderwerping der ten noorden van zijn rijk wonende +barbaren, Triballers, Geten, Illyriërs, enz., die op het bericht van +den dood van Philippus opgestaan waren. Velen in Griekenland koesterden +de hoop dat Al. nooit van deze moeielijke en gevaarlijke tochten naar +ver verwijderde landen zou terugkeeren, en toen het gerucht van zijn +dood verspreid werd, vond het dan ook gereedelijk geloof. Maar toen +op dit gerucht in de meeste staten nieuwe bewegingen ontstonden, +verscheen Al. plotseling, voordat iemand het mogelijk had geacht, +in Griekenland, en rukte voor Thebe, van waar de macedonische +bezetting verdreven was; na een kort beleg werd de stad bestormd, +ingenomen en volgens besluit der boeotische steden verwoest, waarbij +alleen de tempels en het huis van Pindarus gespaard werden. Daarop +onderwierpen zich ook de andere grieksche staten (335). In Macedonië +teruggekeerd, besteedde de koning den winter met ijverige toerustingen +voor den tocht naar Azië, en in het voorjaar van 334 trok hij over +den Hellespont met een klein, doch geoefend leger (± 40.000 man), +aangevoerd door bekwame officieren, en met een vloot van 160 schepen, +terwijl Antipater in Macedonië achtergelaten werd om Griekenland en +de noordelijke barbaren in bedwang te houden. De eerste ontmoeting +met de vijanden had plaats aan de rivier den Granicus, waarvan de +overzijde door een aanzienlijke perzische macht bezet gehouden werd; +niettemin trok Al. met geweld er over, versloeg de Perzen en ook hunne +grieksche huurtroepen en won met dien slag geheel Klein-Azië tot het +Taurusgebergte; wel verdedigde Miletus zich eenigen tijd en vorderde de +inneming van Halicarnassus zelfs een vrij lang beleg, maar de overige +grieksche steden ontvingen Al. vrijwillig of na korten tegenstand, +toen hij langs de kust naar het Zuiden en terug door Lycië, Pamphylië +en Pisidië naar Gordium, de oude hoofdstad van Phrygië, trok. In het +voorjaar van 333 van daar opgebroken, ging hij door Paphlagonië en +Cappadocië naar Cilicië, en toen Darius zelf hem daar trachtte tegen +te houden, versloeg hij in November bij Issus diens leger van 600,000 +(?) man, nog versterkt door 30,000 grieksche huurlingen, in weerwil +van hun dapperen tegenstand. Na deze overwinning, waarbij een rijke +buit en ontelbare gevangenen, o.a. de moeder, vrouw en twee dochters +van Darius in handen der Macedoniërs vielen, veroverde Al. Syrië en +Phoenicië, waar Tyrus hem echter hardnekkig weerstand bood, zoodat hij +die stad eerst na een merkwaardig beleg van zeven maanden kon innemen +(332); evenzoo verdedigde zich Gaza geruimen tijd. In Aegypte werd +Al. daarentegen met open armen ontvangen. Van hier ondernam hij een +tocht door de libysche woestijn naar het orakel van Zeus Ammon, wiens +priester hem als een zoon van dien god begroette, en trok daarna naar +Azië terug. Zonder moeilijkheden ging hij over den Euphraat en den +Tigris, maar in de vlakte van Babylon ontmoette hij weder Darius met +zijn leger, dat nu uit 1,000,000 (?) man voetvolk en 40.000 ruiters +bestond; hoewel Al.'s leger nog geen 50,000 man sterk was, waagde +hij den aanval en behaalde hij in den slag bij Arbela en Gaugamela +(30 Sept. 331) de beslissende overwinning, die hem tot heer van Azië +maakte. Darius vluchtte naar Ecbatana, en toen verscheiden satrapen +zich bij den overwinnaar aansloten, en Al., na de onderwerping van +Susiana, de Uxiërs en Persis, ook naar Medië oprukte, trok hij zich +terug naar Bactrië, maar werd op weg door een van zijne satrapen, +Bessus, die den titel van koning en den naam van Artaxerxes IV +aannam, gevangen genomen. Toen Al. dit vernam, vervolgde hij Bessus +met versnelde marschen, en daar deze zich niet in staat zag met den +gevangen koning snel genoeg weg te komen, liet hij Darius, na hem +doodelijk verwond te hebben, op weg achter. De meeste perzische en +medische satrapen onderwierpen zich nu, en nadat Al. nog een tocht naar +Hyrcanië ondernomen en een opstand in Aria bedwongen had, vervolgde +hij Bessus, die eerst naar Sogdiana, later over den Oxus gevlucht was, +maar daar gevangen genomen en later aan een rechtbank ter veroordeeling +gegeven werd. De verovering van Bactrië en Sogdiana, waar een groot +aantal sterke vestingen één voor één genomen moesten worden, nam nog +geruimen tijd in beslag, en eerst in 327 kon Al. den veldtocht naar +Indië ondernemen. In weerwil van groote moeilijkheden trok hij met +een leger van 120,000 man, waaronder vele Aziaten, over den Indus, +Hydaspes, Acesines en Hydraotes, en ofschoon hij menigmaal hevig +verzet moest overwinnen, onderwierp hij alles op zijn weg. Eindelijk +bereikte hij den Hyphasis; hijzelf had gaarne zijne tochten nog verder +uitgestrekt, maar nu bleek het onmogelijk den onwil van zijn leger +tegen verdere ondernemingen te overwinnen; zelfs zijne bedreiging, +dat hij alleen met de goedgezinden over de rivier zou gaan en de +anderen aan hun lot overlaten zou, had geene uitwerking, en toen +nu ook de offerteekenen ongunstig waren, gaf hij toe. Nadat hij tot +den Hydaspes teruggetrokken was, ging hij verder met een vloot van +2000 schepen, die onder het bevel van Nearchus stond, de rivier af, +tot aan den mond van den Indus, terwijl het grootste gedeelte van +het leger langs de beide oevers marcheerde. De aan de rivier wonende +volken onderwierpen zich, alleen bij de Malli vond Al. tegenstand, +die eerst door de bestorming hunner hoofdstad gebroken werd. Nadat in +Augustus 325 de mond van den Indus bereikt was, zeilde de vloot naar +de perzische golf, terwijl de koning met het leger door Gedrosia naar +Carmania trok, waar hij na een tocht van zestig dagen door de gloeiende +zandwoestijn, en nadat een niet gering deel van het leger ten gevolge +van hitte, vermoeienissen en gebrek omgekomen was, behouden aankwam, +en waar hij ook Nearchus met de vloot aantrof. Hier zoowel als in +Persis, te Susa, Ecbatana en Babylon werden groote feesten gegeven, +de soldaten rijk begiftigd, de satrapen bestraft, die zich veelal, +daar niemand gedacht had, dat Al. ooit uit Indië terug zou komen, +aan onderdrukking en afpersing schuldig gemaakt hadden, kortom alles +gedaan wat Al. dienstig achtte tot de bevestiging der eenheid tusschen +de door hem geregeerde volken. Maar terwijl hij zich te Babylon met +groote plannen voor de toekomst bezig hield,--hij wilde Arabië en ook +Italië veroveren, groote vloten bouwen, enz.--werd hij door een ziekte +overvallen, die in weinige dagen (Juni 323) een einde aan zijn leven +maakte. Hij was slechts 33 jaar oud geworden, en stierf zonder een +rechtstreekschen opvolger na te laten. Zijn uitgestrekt rijk werd na +zijn dood de twistappel tusschen zijn voornaamste veldheeren en werd +eindelijk onder hen verdeeld, wat te gemakkelijker was, daar Al. zijn +ideaal, de versmelting van Grieken en barbaren tot één volk, slechts +voor een klein gedeelte bereikt had. Met dit oogmerk waren door hem +in verschillende deelen van het rijk nieuwe steden gesticht, meest +Alexandria genaamd, die, door Grieken en Macedoniërs bevolkt, zoowel +moesten dienen om het overwonnen land in bedwang te houden, als om +grieksche beschaving onder de onderworpen volken te verspreiden. De +voornaamste van deze, Alexandrië in Aegypte, werd na den val van +Tyrus spoedig, zooals de stichter ook bedoeld had, een middelpunt van +den wereldhandel en bleef lang eene van de belangrijkste steden der +oude wereld. Eveneens om de gelijkheid tusschen zijne onderdanen tot +stand te brengen, liet Al. reeds kort na den dood van Darius Aziaten +in zijne legers inlijven en op dezelfde wijze als de Macedoniërs +wapenen en oefenen, een maatregel die, zooals te begrijpen is, +bij Grieken en Macedoniërs hevige ontevredenheid verwekte, en toen +kort voor Al.'s dood te Opis van alle kanten van deze nieuwe troepen +aangebracht werden en de oude en onbruikbaar geworden soldaten naar +huis teruggezonden zouden worden, kwam het tot openlijk verzet (324), +waarbij de koning groote vastheid moest toonen om den weerspannigen tot +onderwerping aan zijn wil te brengen. In weerwil van dit voorval en +van de weigering der troepen om hun aanvoerder ook over den Hyphasis +te volgen, kan men zeggen dat Al. bij zijne soldaten zeer bemind +en hoog geëerd was. Niet in dezelfde mate was dit echter het geval +bij de hoogere officieren, die meer persoonlijk met hem in aanraking +kwamen, daardoor de minder aangename zijden van zijn karakter beter +kenden, en zich bovendien door Al.'s streven meermalen in hun trots +en in hunne belangen gekrenkt achtten. Inderdaad valt het niet te +ontkennen, dat Al., in zijn ijver om zijne nieuwe onderdanen niet +bij de oude achter te stellen, dikwijls meer aandacht aan de nieuwe +dan aan de oude schonk; het kon Grieken en Macedoniërs niet anders +dan onaangenaam aandoen, dat Al., die vroeger steeds de grieksche +afkomst van het macedonische koningshuis op den voorgrond gesteld had, +later de perzische teekenen der koninklijke waardigheid aannam; zijne +beweerde afkomst van Zeus Ammon kon door hen niet worden aangenomen, +zijne pogingen tot invoering der proskynesis konden bij hen geen +gunstig onthaal vinden. Zoo ontstond er dikwijls ontevredenheid in de +omgeving des konings, ja zelfs hoorde men nu en dan van samenzweringen, +die dan met gestrengheid onderdrukt en met den dood der verdachten +bestraft werden. Ten gevolge van zulke geruchten werden in 330 Philotas +en zijn oude vader Parmenio, beiden zeer verdienstelijke officieren, +in 327 verscheiden adellijke jongelieden en de wijsgeer Callisthenes +gedood. Doch in het veld wist Al. door zijn persoonlijken moed en +door zijn dikwijls grootmoedig gedrag tegenover overwonnen vijanden +aller liefde en bewondering te winnen, en meer dan eens bleek het, dat +zijne vrienden niet schroomden, wanneer hij zich al te zeer in gevaar +begeven had, hun leven voor het zijne te wagen. Want het is licht te +begrijpen, dat Al. bij zijne vele veldtochten dikwijls in levensgevaar +kwam; reeds bij den Granicus redde Clitus, dezelfde dien hij later in +dronkenschap doodde, hem het leven, door een perzisch ruiter den arm +af te houwen, die reeds het zwaard boven Al.'s hoofd opgeheven had; +bij het beleg van Gaza kreeg hij een vrij zware wond in den schouder, +en bij de bestorming van de hoofdstad der Malli, toen hij bij het +breken van een stormladder zich met slechts zeer enkelen boven op +den muur der vijanden bevond en, van alle kanten beschoten, geen +andere keus had, dan van den muur in de stad te springen, kreeg hij +een zeer gevaarlijke wonde in de borst en werd hij door Peucestes en +Leonnatus nauwelijks levend uit de handen der vijanden gered. Van zijn +kant gaf Al. menigmaal aan zijne vrienden blijken van gehechtheid en +waardeering; het is zelfs niet onmogelijk dat het wel wat overdreven +verdriet, waarvan hij blijken gaf na den dood van Hephaestion, +die kort voor hem overleed, zijn eigen dood verhaast heeft. Maar +meer dan dit, en misschien meer dan de buitengewone vermoeienissen, +waaronder Al. bijna zijn geheel leven had doorgebracht, hadden de +zwelgpartijen, waaraan hij zich in zijne latere levensjaren meer en +meer overgaf, zijne lichaamskracht ondermijnd, en zoo stierf hij in +den bloei van zijn leven aan eene ziekte, die aanvankelijk blijkbaar +niet van ernstigen aard was. Hij had drie aziatische vrouwen: Roxane, +Barsine, de oudste dochter van Darius, en Parysatis; van deze bracht +eerstgenoemde eenige maanden na zijn dood een zoon ter wereld, die naar +zijn vader Alexander genoemd werd.--8) Al. Aegus, zoon van Alex. den +G. en Roxane, eenige maanden na den dood van zijn vader geboren. Hij +werd tot koning uitgeroepen, en onder voogdij van Perdiccas, daarna +van Pithon, eindelijk van Antipater geplaatst. Antipater leverde in +320 hem met zijne moeder aan Philippus Arrhidaeus uit. In het volgende +jaar stierf Antipater en vluchtte Roxane met haar zoontje naar Epirus +tot hare schoonmoeder Olympias, maar later vielen zij weder in handen +van Cassander, die in 311 beiden in de gevangenis liet vermoorden.--9) +Al. Lyncestes, schoonzoon van Antipater, de eenige der deelnemers +aan de samenzwering tegen Philippus, die, door Alexander terstond +als koning te huldigen, zijn leven redde. Toen Al. naar Azië trok, +werd hij aanvoerder der thessalische ruiterij. Toch werd hij ook later +betrapt op onderhandelingen met Darius en van 334 gevangen gehouden, +totdat hij in 330, naar men zeide op aandringen van het leger, +gedood werd.--10) zoon van Cassander en Thessalonica, vluchtte nadat +zijne moeder door zijn broeder Antipater gedood was, naar Pyrrhus van +Epirus; met diens hulp en met die van Demetrius Poliorcetes verjoeg +hij Antipater. Toen Demetrius echter ook na Antipater's dood Macedonië +niet wilde verlaten, trachtte Al. hem uit den weg te ruimen, maar +Demetrius was vlugger en doodde hem in 294 bij een gastmaal.--11) +Al. I Balas, een man van lage afkomst, gaf zich voor een zoon van +Antiochus IV Epiphanes uit en nam, met goedvinden van den romeinschen +senaat, in 150 den troon van Syrië in bezit, nadat hij Demetrius Soter, +een neef van Antiochus, overwonnen had. In 145 werd hij echter door +diens zoon, Demetrius Nicator, verdreven en kort daarna vermoord.--12) +Alexander II Zabina (de slaaf), zoon van een aegyptisch koopman, gaf +zich voor een aangenomen zoon van Antiochus Sidetes uit en maakte +zich in 128 van den syrischen troon meester, maar werd in 122 door +Antiochus Grypus verslagen, door zijn volk verlaten en op last van den +overwinnaar gedood.--13) Al. Helius, zoon van M. Antonius en Cleopatra, +met zijne zuster Cleopatra door Octavia, de verlaten gemalin van +Antonius, opgevoed.--14) Al. Aetolus, treurspeldichter uit Pleuron, +de eenige aetolische dichter (bloeitijd ongeveer 280); hij was onder +Ptolemaeus Philadelphus aan de alexandrijnsche bibliotheek geplaatst +en werd onder de tragische pleias opgenomen. Ook dichtte hij elegieën, +waarvan nog eenige schoone fragmenten bestaan.--15) Al. Polyhistor, +geb. te Myndus in Carië, onderwezen te Pergamus, kwam als +krijgsgevangene naar Rome, doch werd door Cornelius Lentulus, +v. a. door Sulla, vrijgelaten (82), later werd hij de leermeester van +M. Crassus, dien hij op al zijne tochten vergezelde. Van zijne zeer +talrijke geschriften, voornamelijk van geschied- en aardrijkskundigen +inhoud, is niets behouden.--16) peripatetisch wijsgeer, geb. te Aegae, +leermeester van Nero.--17) van Abonitichos (z. a.), de leugenprofeet +door Lucianus gehekeld.--18) ho exegetes, zoo genoemd als verklaarder +en verdediger der leer van Aristoteles. Hij was geboren te Aphrodisias +in Carië en leefde onder Septimius Severus. Zijne werken zijn +grootendeels in latijnsche vertaling bewaard gebleven.--19) Alexander +Severus, Romeinsch keizer, z. Severi no. 2. + +Alexandra = Cassandra. + +Alexandria, Alexandreia. Er zijn niet minder dan tien steden van +dezen naam bekend, die alle haar ontstaan aan Alexander den Grooten +te danken hebben. De beroemdste is + +1) Alexandria in Aegypte, volgens het plan van den bouwmeester +Dinocrates (v. a. Dinochares) in den winter van 332/1 op de smalle +landtong tusschen het mareotische meer en de middellandsche zee +gebouwd en dus uitstekend voor handel en verkeer gelegen. De stad had +een langwerpigen vorm, met rechte straten, die elkander rechthoekig +kruisten. De beide hoofdstraten, met vierdubbele zuilengangen +versierd, waren 14 meter breed. Hoewel in Aegypte gelegen en onder +de Ptolemaeën tot den zetel der regeering verheven, was Alexandrië +volstrekt geene aegyptische stad, maar eene wereldstad, waar +het grieksche en het joodsche element het meest vertegenwoordigd +waren. In het zuidwestelijke gedeelte, Rhacotis geheeten, woonde +de lagere volksklasse; daar vond men de acropolis en den beroemden +Serapis-tempel. De joden woonden meest in het noordoostelijk gedeelte, +terwijl het middengedeelte, Bruchium, het grieksche kwartier was, +waar men het koninklijk paleis, het gymnasium, het stadium, het museum +en andere openbare gebouwen vond. Een dam van zeven stadiën lengte, +heptastadion, liep van de stad naar het eilandje Pharus, op welks +ééne punt de beroemde vuurtoren stond, die in 283 door Ptolemaeus +Philadelphus was gebouwd en voor een van de zeven wonderen der +wereld gold. Ter weerszijden van het Heptastadium lagen twee havens: +de westelijke werd Portus Eunostus (Eunostos, haven der behouden +terugkomst) geheeten, en had nog eene binnenkom, kibotos (kast); een +kanaal voerde naar het mareotische meer. De oostelijke haven heette de +groote haven, portus maior. In het heptastadium waren twee overbrugde +doorvaarten. Eene binnenkom der groote haven heette de kleine haven +en diende tot ligplaats der koninklijke galeien. Alexandrië was ook +een brandpunt van wetenschap en geleerdheid. De beroemde bibliotheek +in Bruchium bevatte 90000 werken, met de dubbele exemplaren 400000 +rollen uitmakende. Eene tweede bibliotheek in het Serapeum telde 42800 +rollen. Bij den alexandrijnschen oorlog, dien Caesar na Pompeius' dood +hier te voeren had, ging de bibliotheek in het Serapeum door brand te +niet. Dit verlies werd later hersteld door de 200000 rollen uit de +bibliotheek van Pergamus, die Antonius aan Cleopatra ten geschenke +gaf. Doch ook deze verzameling ging met den tempel te gronde, toen +in 389 de christenen, door den aartsbisschop Theophilus tegen de +overblijfselen van het heidendom opgeruid, het Serapeum bestormden +en in brand staken. De groote boekerij werd in een vleugel van het +koninklijk paleis bewaard, en is waarschijnlijk in de troebelen der +jaren 272 en vv. voor een groot gedeelte vernield. Het nabijgelegen +Museum was een gebouw, waar beroemde geleerden in alle vakken van +wetenschap kosteloos huisvesting en onderhoud vonden en zich bezig +hielden met het ordenen, verklaren en verbeteren der handschriften +en met het verwerken der rijke stof, die in de bibliotheken lag +opgehoopt. Dit zijn de alexandrijnsche geleerden. Uit het streven naar +classificatie ontstonden de zoogenaamde canones (kanones) of lijsten +van de voortreffelijkste schrijvers en dichters op elk gebied, wier +werken tot richtsnoer moesten strekken voor het nageslacht. Zoo omvatte +b.v. de canon der tragische dichters de volgende namen: Aeschylus, +Sophocles, Euripides, Ion en Achaeus, die der geschiedschrijvers: +Herodotus, Thucydides, Xenophon, Theopompus, Ephorus, Anaximenes, +Callisthenes; die der redenaars: Antiphon, Andocides, Lysias, +Isocrates, Isaeus, Aeschines, Lycurgus, Demosthenes, Hyperides, +Dinarchus. + +2) Alexandria in Arachosia, thans Kandahar. + +3) Alexandria in Aria, thans Herat. + +4) Alexandria aan den Caucasus d.w.z. aan den indischen Caucasus, +thans het gebergte Hindoe-koh. + +5) Alexandria aan den Indus. + +6) Alexandria bij Issus, op de syrisch-cilicische grenzen. + +7) Alexandria aan den Oxus, in Bactria. + +8) Alexandria in Sogdiane, het noordelijkste, daarom eschate genoemd, +aan den Iaxartes. + +9) Alexandria in Susiane, later verdoopt in Antiochia, ten slotte +na een lateren herbouw Spasinu Charax geheeten, nabij de monding van +den Tigris. Zie Charax no. 1. + +10) Alexandria Troas, op de kust van het vroegere trojaansche rijk, +tegenover het eiland Tenedos. De stad was door Antigonus vergroot en +heette toen een tijd lang Antigonia. Later werd zij eene bloeiende +romeinsche kolonie, die om hare ligging in het vermeende stamland +der Romeinen zeer begunstigd werd. Caesar en Constantijn de Groote +moeten er zelfs aan gedacht hebben, den zetel van het rijk daarheen +over te brengen. + +Alexikakos, onheil afwerend, bijnaam van Apollo, soms ook aan andere +goden en heroën gegeven. + +Alexis, Alexis, geb. omstreeks 372 te Thurii, doch atheensch +burger. Hij zou 106 jaar oud geworden zijn en 245 blijspelen geschreven +hebben, die natuurlijk niet alle even hoog gesteld kunnen worden, +maar over het algemeen, zooals de talrijk overgebleven fragmenten +aantoonen, geestig en smaakvol zijn. De in de nieuwe comedie zoo +belangrijke rol van den parasiet kwam, naar men zegt, het eerst in +een van zijne stukken voor. + +Alfen(i)us Varus, uit Cremona, een rechtsgeleerde van grooten naam, +die eerst in zijne geboorteplaats het bedrijf van schoenmaker had +uitgeoefend. Waarschijnlijk is hij dezelfde, die, door Octavianus +met de akkerverdeeling in Transpadana belast, Vergilius zijn landgoed +liet behouden. + +Algidus mons, een ruw en boschrijk gebergte in Latium, tusschen +Velletri en Tusculum, met eene bergvesting, Algidum, op een der +toppen. Zie Aequi. + +Alimenti, zie Cincii. + +Alipes, met gevleugelde voeten, bijnaam van Mercurius. + +Aliphera, Alipheira of Aliphera, bergstad in het landschap Cynuria, +in het Zuidwesten van Arcadia, bezuiden den Alpheus. De inw. namen +deel aan den bouw van Megalopolis. + +Aliptes, aleiptes, badknecht. Zie balneum. + +Aliso, vesting, door Drusus aan de Luppia (Lippe) gesticht in het +jaar 11; v. s. heeft het gelegen bij Haltern, v. a. bij Oberaden, +ten W. van Hamm; in beide plaatsen is een Romeinsch kamp opgegraven. + +Allia of Alia, van links invallend zijriviertje van den Tiber, +waarbij de Romeinen in 390, v. a. in 387, de beruchte nederlaag door +de Galliërs leden. Waarschijnlijk moet men het slagveld tegenover de +Allia, op den rechter Tiberoever zoeken. De dies Alliensis (18 Juli) +bleef steeds een dies ater. + +Allifae, stad in Samnium aan den Volturnus, in eene vruchtbare +streek gelegen. Door de Romeinen ingenomen in 310, werd het eene +praefectura. Naar het schijnt was het bekend door de wijde bekers, +die men er vervaardigde. + +Allobroges, oorlogzuchtig volk in Gallia Narbonensis, tusschen den +Rhodanus (Rhône) en de Alpen. Hunne hoofdstad was Vienna (Vienne). Na +harden tegenstand werden zij in 121 door Q. Fabius Maximus onderworpen, +die den bijnaam Allobrogicus kreeg. Het kostte echter voortdurend +moeite hen in onderwerping te houden. + +Almo, beek, die even beneden Rome van links in den Tiber vloeit, en +waarin de priesters van Cybele jaarlijks het beeld der godin reinigden. + +Almopi, Almopoi, of -pes, volksstam in het Noorden van Macedonia. + +Aloadae, Aloidae, Aloadai, Aloeidai, Otus en Ephialtes, de zonen +van Iphimedea en Poseidon of Aloeus. Zij waren geweldige reuzen, +die op hun negende jaar 9 el dik en 27 el lang waren, en traden +vijandig tegen de goden op. Ares hielden zij eens dertien maanden in +ketenen, totdat Hermes, door hun stiefmoeder Eriboea gewaarschuwd, +hem bevrijdde. Zij dreigden den Ossa op den Olympus en den Pelion op +den Ossa te stapelen en zoo den hemel te bestormen; toen echter Otus +de hand van Artemis en Ephialtes die van Hera eischte, werden zij +door Apollo met pijlen doorboord.--V. a. bewerkte Artemis hun dood +door in de gedaante eener hinde tusschen hen heen te springen, toen +namelijk beiden te gelijk hunne speren naar dit dier wierpen, troffen +zij elkander doodelijk. In de onderwereld stonden zij ruggelings met +slangen aan een zuil gebonden, waarop een uil zit, die hen door zijn +aanhoudend gekrijsch kwelt. In een ander verhaal komen zij voor als +beschaving verbreidende heroën, die den muzendienst aan den Helicon +ingevoerd, en Ascra e. a. steden gesticht zouden hebben. + +Alociae, Alokiai, eilanden aan de Sleeswijksche Westkust, de +tegenwoordige Halligen. + +Aloeus, Aloeus, zoon van Poseidon en Canace, met Iphimedea gehuwd. De +Aloadae zijn naar hem genoemd. + +Alogiou graphe, aanklacht tegen beambten, die geen rekening en +verantwoording van hun beheer hadden afgelegd (z. Euthynai). De +aanklacht werd waarschijnlijk bij de logisten ingediend, de straf +is onbekend. + +Alope, Alope, dochter van Cercyon, werd bij Poseidon moeder van +Hippothoon. Het kind werd te vondeling gelegd en door herders +opgenomen; toen deze echter twist kregen over het kleed, waarin +het kind gewikkeld was, riepen zij Cercyon als scheidsrechter +in, die het kleed zijner dochter herkende en dus de geheele zaak +ontdekte. Vertoornd liet hij zijn dochter levend begraven, maar +Poseidon veranderde haar in de bron Alope in Eleusis. + +Alope, Alope, 1) stad in Locris tegenover Euboea.--2) stad in +Thessalia, aan de Zuidkust van Achaia Phthiotis, tusschen Larisa +Cremaste en Echinus.--3) bron bij Eleusis, genoemd naar de schoone +Alope (z.a.). + +Alopece, Alopeke, Alopekai, demus van Attica ten oosten van Athene. Uit +dezen demus stamde Socrates. + +Alopeconnesus, Alopekonnesos (vosseneil.), stad op de westzijde van +de thracische Chersonesus. + +Alpenus, Alpenos, Alpenoi, stad in Locris ten oosten van de +Thermopylae. + +Alpes, Alpeis, van het keltische alb = hoog, de bekende bergmassa, +die nog dezen naam draagt. Toppen schijnen de ouden slechts zeer +weinige bij naam gekend te hebben. De verschillende takken vindt men +nu eens met het enkelvoud Alpis, dan weder met het meervoud Alpes +aangewezen. De zuidelijke hellingen der Alpen werden eerst bij Italië +ingelijfd onder Augustus, die tegen sommige bergvolken een zwaren +strijd voerde. + +Alpes maritimae, parathalassidiai, de Zeealpen, tot aan den mons +Vesulus (M. Viso). + +Alpes Cottiae, aldus genoemd naar koning Cottius, die daar een rijkje +had en zich aan Augustus onderwierp. Zij liepen tot den mons Cenisius +(M. Cenis). Alpis Cottia = Mont Genèvre. + +Alpes Graiae, waarover waarschijnlijk Hannibal trok. De naam hangt +samen met dien der Graioceli, die aan de westzijde woonden. Alpis +Graia = kleine St. Bernhard. + +Alpes Poeninae, aldus genoemd naar een keltischen god Poeninus, die op +den mons Poeninus, ook Alpis Poenina geheeten (grooten St. Bernhard) +een tempel had en door de Romeinen met Jupiter werd vereenzelvigd. + +Alpes Lepontiae, tot aan den mons Adula (z.a.), naar het volk der +Lepontii genoemd. + +Alpes Tridentinae, de Tiroler en Tridentinische Alpen, naar de stad +Tridentum (Trente of Trient). + +Alpes Raeticae en Noricae, naar de landschappen Raetia en Noricum. + +Alpes Carniae, naar het volk der Carni, ten O. van de Alpes +Tridentinae. + +Alpes Venetae, waarover Caesar een weg baande, naar wien zij ook +Alpes Iuliae geheeten worden. + +Alpes Dalmaticae, langs de Adriatische zee. + +De Romeinen hadden verscheidene wegen over de Alpen aangelegd; de +meest bezochte was die, welke over de Cottische Alpen en de Alpis +Cottia (mont Genèvre) naar Gallia Transalpina voerde. + +Alphesiboea, Alphesiboia, ook Arsinoë genaamd, dochter van Phegeus, +gemalin van Alcmaeon. Toen Alcmaeon door hare broeders gedood +was, en zij hun deze daad telkens verweet, werd zij door hen aan +Agapenor van Tegea overgegeven met de beschuldiging, dat zij den +moord gepleegd had. Hier vond zij den dood. V. a. doodde zij hare +broeders uit wraak.--2) moeder van Adonis.--3) ook Anaxibia genoemd, +dochter van Bias en Pero, gemalin van Pelias.--4) indische nimf, +die door Dionysus bemind werd, maar hem weerstand bood tot hij zich +in een tijger veranderde en haar zoo beangstigde, dat zij zich over +de rivier, die daarnaar Tigris heet, liet dragen. + +Alpheus, Alpheios, de voornaamste rivier in de Peloponnesus, +die in Arcadië ontspringt, door Elis en langs Olympia naar zee +stroomt. Mythisch is Alph. een zoon van Oceanus en Tethys. De +omstandigheid dat het water der rivier gedurende haar loop eenige +malen onder de aarde verdwijnt en verderop weder te voorschijn komt, +gaf aanleiding tot de meening, dat de god zich ook onder de zee een +weg wist te banen naar Ortygia, om daar zijne wateren met die van de +bron Arethusa te vereenigen. Deze bron zou namelijk vroeger een Nereïde +geweest zijn, voor welke Alph. een vurige liefde opvatte, die echter +onbeantwoord bleef; toen nu eens Alph. uit zijne wateren oprees en haar +vervolgde, vluchtte zij zoolang zij kon, maar toen de krachten haar +begaven, riep zij Artemis om hulp aan, die haar in een bron veranderde +en naar Ortygia verplaatste.--V. a. vervolgde Alph. Artemis zelve tot +Ortygia of tot Letrini in Elis, waar zij zich met slijk besmeerde om +zich onkenbaar te maken; op beide plaatsen was een tempel van Artemis +Alpheaea, te Letrini met een beeld van zwart marmer. + +Alsium, oude etrurische stad, haven van Caere, later rom. kolonie, +met een landgoed van Pompeius, Alsiense. + +Altare, zie Ara. + +Althaea, Althaia, dochter van Thestius en Eurythemis, echtgenoote +van Oeneus, moeder van Meleager (z.a.), na wiens dood zij zichzelve +om het leven bracht. + +Althaemenes, Althaimenes, zoon van Catreus, koning van Creta; daar +een orakel voorspeld had dat hij zijn vader zou dooden, verliet +hij met zijn zuster Apemosyne zijn vaderland en begaf hij zich naar +Rhodus. Daar leefde hij geruimen tijd rustig en door zijn medeburgers +geacht. Intusschen kon zijn vader zijn gemis niet verdragen, en ging +hij eindelijk zelf naar Rhodus om hem te halen en hem de regeering +over te geven. Toen hij nu met zijn gevolg des nachts op Rhodus wilde +landen, hielden de inwoners hen voor vijanden en trachtten zij hun het +landen te beletten; er ontstond een gevecht, waaraan ook Alth. deelnam +en waarbij hij zijn vader doodde zonder hem te kennen. Toen hij nu +merkte dat het orakel vervuld was, zwierf hij op eenzame plaatsen +rond, totdat hij van droefheid stierf.--V. a. zoude op zijn gebed de +aarde zich geopend en hem verzwolgen hebben. De Rhodiërs vereerden +hem later als heros. + +Altinum, welvarende koopstad in het land der Veneti, aan de adriatische +zee. Het was de stapelplaats voor den handel tusschen Italië en het +Noorden, en was omringd door tal van prachtige villa's, weshalve +het het Baiae van het Noorden werd genoemd. Toen Attila in 452 +n. C. Altinum en Aquileia verwoestte, stichtten de vluchtelingen +op de eilandjes aan den mond van den Medoacus (Brenta) de latere +stad Venetië. + +Altis, Altis, het heilige bosch bij Olympia. + +Aluntium of Haluntium, stad aan de noordkust van Sicilia op een hoogte +gelegen, met veel wijnteelt. + +Alveus. Dit woord geeft in het algemeen een uitgehold of buikvormig +voorwerp te kennen: een bak, het hol eener boot of schuit, een bekken, +een bijenkorf, enz. Het beteekent ook een speelbord of speeltafel met +opstaanden rand, alsmede een badkuip. In de badhuizen vond men groote +in den vloer gemetselde badkuipen voor warme baden met zitplaatsen +aan het eene einde, zóó dat het water tot aan den hals kwam. + +Alyattes, Alyattes, zoon van Sadyattes, vader van Croesus, koning van +Lydië (612-563). Evenals zijn vader beoorloogde hij Miletus, maar hij +moest vrede sluiten om zich te kunnen verdedigen tegen de Mediërs, +die onder koning Cyaxares uit het oosten voorwaarts drongen. De +oorlog werd echter, voor het tot een slag kwam, ten gevolge eener +zonsverduistering, die van 28 Mei 585, door Thales voorspeld, door +een verdrag geëindigd. In de laatste jaren zijner regeering hervatte +hij zijne aanvallen op de grieksche steden in Kl.-Azië en veroverde +hij Smyrna en Colophon. Zijn kolossaal graf bij Sardes bestaat, +naar men meent, nog. + +Alyzia, Alyzia, acarnanisch zeestadje. + +Amafinius (C.), epicureïsch wijsgeer vóór Cicero's tijd en een der +eerste schrijvers bij de Romeinen over wijsbegeerte. Hij wordt door +Cicero ongunstig beoordeeld wegens zijn slechten stijl. + +Amalthea, Amaltheia, 1) de geit die Zeus op Creta zoogde. Toen zij eens +door tegen een boom te stooten een hoorn brak, nam een nimf dien op, +vulde hem met vruchten, omwond hem met versche kruiden en gaf hem aan +Zeus; deze gaf haar echter den horen terug met de belofte dat zij alles +wat zij wenschte er uit zou kunnen krijgen.--V. a. is Amalthea de naam +van deze nimf, die Zeus met de melk der geit zou opgevoed hebben. De +horen werd zoo de beroemde horen van overvloed (cornu copiae). Later +gaf Amalthea hem aan Achelous, die zijn eigen horen, in een gevecht +met Heracles afgebroken, daartegen inruilde.--2) een Sibylle van Cumae. + +Amaltheum, ook Amalthea, landgoed van T. Pomponius Atticus in Epirus, +aldus geheeten naar een vroeger daar aanwezig heiligdom der nimf +Amalthea. Het was rijk aan plataanboomen. Naar het model van Atticus +legde Cicero te Arpinum een dergelijk zomerverblijf aan. + +Amanicae portae, Amanikai pylai, naam van twee bergpassen in het +Amanusgebergte, z. Amanus. + +Amantia, Amantia, stad in het Noorden van Epirus, nabij Oricum. + +Amanus, Amanos, een hoog en steil gebergte, dat zich in het noordoosten +van Cilicia van den Taurus afscheidt en in twee takken het dal aan de +golf van Issus insluit. De bergpas in den westelijken tak, waardoor +Alexander de Groote uit de cilicische vlakte het dal van Issus +binnentrok heet pylai Amanikai of Amanides. In den oostelijken tak +lagen de pylai Kilikias kai Syrias, die Cyrus de jongere op zijn tocht +tegen Artaxerxes Mnemon doortrok, en die van weerszijden versterkt +waren, waarop, indien men als Alexander den weg naar Phoenice insloeg, +nog een pas, portae Syriae, volgde. Noordelijker in den oostketen lag +de pas, waardoor koning Darius in den rug van Alexanders leger kwam, +zoodat deze terug moest trekken om den vijand te ontmoeten. Deze +noordelijke pas wordt ook slechts aangewezen door den naam portae +Amanicae. De Amanus was een waar rooversnest, waar zich in den +romeinschen tijd de zoogenaamde Eleutherocilices of vrije Ciliciërs +ophielden. Cicero voerde als stadhouder van Cilicia strijd tegen hen +en verwierf zich den titel van imperator. + +Amardi of Mardi, Amardoi, Mardoi, een oorlogzuchtige en machtige stam +in Media, ten Z. van de Caspische zee. + +Amarynceus, Amarynkeus, zoon van Onesimachus of Alector of Pyttius, +koning der Epeërs. Hij stond Augias bij in zijn strijd tegen Heracles +en werd daarvoor door hem tot mederegent aangenomen. + +Amarynthus, Amarynthos, vlek aan de W.-kust van Euboea, behoorende +tot het gebied van Eretria, met een beroemden Artemistempel. + +Amasenus, riviertje in Latium, dat door de pontijnsche moerassen liep +en zich in den Ufens (z.a.) ontlastte. + +Amasia, beter Amasea, Amaseia, versterkte stad in Pontus, residentie +der pontische koningen, geboorteplaats van den geograaf Strabo. Door +de stad stroomde de Iris. De hooggelegen burcht werd voor onneembaar +gehouden. + +Amasis, 1) Amosis, eerste koning van de 18de aegyptische dynastie, +die de Hyksos uit Aegypte verdreven heeft. Daar men de Hyksos als +stamvaders der Israëlieten beschouwde, wordt Amasis (Amosis) vaak +bij Joodsche en Christelijke schrijvers genoemd.--2) Amasis, een +Aegyptenaar van lage afkomst, vertrouwde van koning Apriës. Toen hij +eens door dezen was uitgezonden om een opstand in het leger te dempen, +vereenigde hij zich met de opstandelingen; Apriës werd onttroond +en Am. tot koning verheven (569). Hij bevorderde de vestiging der +Grieken in Aegypte, gaf hun Naucratis, en trouwde zelfs met eene +cyrenaeïsche vrouw. Onder hem bereikte Aegypte den hoogsten bloei, +aan een oorlog met Nebucadnesar wist hij zonder verlies een einde te +maken, maar daar hij zijn bondgenoot Croesus tegen Cyrus had geholpen +of had willen helpen, haalde hij zich de vijandschap van dezen op den +hals, en ook om deze reden viel Cambyses later Aegypte aan. Am. stierf +echter nog voor dien tijd (526).--3) Schilder van zwartfigurige vazen, +omstreeks het midden van de 6de eeuw, te Athene. + +Amastris, Amestris, Amestrine, Amastris, Amestris, Amastrine, 1) +gemalin van Xerxes, moeder van Artaxerxes I, om haar wreedheid +berucht.--2; dochter van een broeder van Darius Codomannus. Bij de +groote bruiloft te Susa werd zij aan Craterus tot vrouw gegeven. In +322 scheidde zij van hem en huwde zij met Dionysius, den tyran van +Heraclea, en na diens dood (306) met Lysimachus van Thracië (302). Toen +deze haar twee jaar later verstooten had, regeerde zij over Heraclea, +totdat zij door haar eigen zoons vermoord werd (285). De groote schoone +stad Sesamus, op eene landengte in Paphlagonië gelegen, werd door +haar tot residentie gekozen, vergroot en naar haar Amastris genoemd. + +Amastris, Amastris, stad in Paphlagonië, vroeger Sesamus, door Amastris +no. 2 (z. a.) tot residentie gekozen. + +Amata, echtgenoote van koning Latinus, had hare dochter Lavinia +aan Turnus, koning der Rutuliërs, toegezegd en verzette zich tegen +Lavinia's huwelijk met Aeneas. Na Turnus' dood hing Amata zich +op. Zie Aeneas. + +Amathus, genit. -untis, Amathous, 1) overoude phoenicische stad op +de zuidkust van Cyprus, met een beroemden tempel voor Aphrodite en +Adonis, en met kopermijnen in de nabijheid.--2) plaats in Palaestina, +van den stam Gad, in Peraea. + +Amatius, zie Marii no. 5. + +Amazones, Amazones, Amazonides, een mythisch volk van krijgshaftige +vrouwen, in en om de stad Themiscyra gevestigd. Zij duldden geen +mannen bij zich dan voorzoover dit voor de instandhouding van haar +geslacht noodzakelijk was, de mannelijke kinderen werden gedood of +aan hun vaders gezonden. Soms worden zij dochters van Ares genoemd; +of zij zouden hare mannen deels gedood, deels verjaagd hebben, of zij +worden beschouwd als de overgebleven vrouwen van een scythisch volk, +waarvan de mannen allen in den oorlog omgekomen waren. Nevens Ares +vereerden zij alleen Artemis Tauropolus. In zeer oude tijden deden de +Amazonen groote veroveringstochten naar Thracië, Syrië en Klein-Azië, +waar zij ook verscheiden steden stichtten, zooals Ephesus e. a. Het +graf van een harer koninginnen, Myrina, was bij de stad Troje te +vinden. Met de grieksche heroën kwamen zij dikwijls in aanraking. Bij +een veldtocht naar Lycië werden zij door Bellerophon verslagen, +en toen zij in Phrygië een inval gedaan hadden, streed Priamus, +toen nog een jong man, als bondgenoot der Phrygiërs tegen haar. Een +van de werken van Heracles was dat hij den gordel van Hippolyte, +de koningin der Amazonen, haalde, waarbij hij met het geheele volk +te strijden had. Ook Theseus beoorloogde de Amazonen, hetzij op eigen +hand, hetzij als bondgenoot van Heracles; bij die gelegenheid won hij +de liefde van Antiope, de zuster van Hippolyte, en voerde haar mede +naar Athene. De andere Amazonen deden daarop een inval in Attica, maar +werden teruggeslagen. Na den dood van Hector kwamen zij Priamus te hulp +en streden zij dikwijls dapper tegen de Grieken, totdat de koningin +Penthesilea door Achilles gedood werd.--Nog ten tijde van Alexander den +G. wordt eene koningin der Amazonen, Thalestris, genoemd. Overigens +komen zij in den historischen tijd niet voor; men verhaalde dat zij, +niet bestand tegen de aanvallen der grieksche helden, naar Libye +verhuisd waren, of dat zij eindelijk hun eigenaardige leefwijze +hadden laten varen, zich met scythische jongelingen verbonden en +met hen het volk der Sauromaten voortgebracht hadden. Zij worden +dikwijls in oude beeldhouwwerken voorgesteld als sterke vrouwen met +een krijgshaftig uiterlijk, gewapend met speer, strijdbijl, schild, +pijl en boog, een gordel om de heupen en een zwaard aan een bandelier +over de borst hangend, maar nergens vindt men het verhaal bevestigd dat +zij de jonggeboren meisjes de rechterborst zouden afgebrand hebben, +opdat zij later gemakkelijker den boog zouden kunnen spannen, zoodat +dit verhaal slechts als een mislukte poging tot verklaring van den +naam Amazonen (als = amazoi) kan beschouwd worden. + +Ambarri, volk in Gallia Transpadana ten W. van de Rhône, en aan beide +zijden van den Arar (Saône). Lugdunum (Lyon) lag in hun gebied. + +Ambarvalia, een jaarlijksch landelijk feest, in Mei, waarbij de +landlieden een offer aan Ceres (vroeger aan Mars) brachten voor het +goed gedijen der veldvruchten. Het offerdier werd, alvorens geslacht te +worden, de velden rondgeleid; vandaar de naam. Zie ook Arvales fratres. + +Ambiani, volk in Belgica. Hun naam is nog te herkennen in het +tegenwoordig Amiens, vroeger Samarobriva, aan de Samara (Somme). + +Ambibarii, gallisch volk aan het Kanaal. + +Ambiorix, aanvoerder der Eburones, die langs de Mosa (Maas) woonden +(van Namen tot Roermond). In den winter van 54/53 bewerkte Ambiorix +een opstand der Eburonen tegen Caesar en sleepte ook de Nerviërs +hierin mede. + +Ambilareti, zie Ambivareti. + +Ambitus. Oorspronkelijk beteekent dit woord alleen het rondgaan en het +aanspreken der menschen, ten einde hen om hunne stem te verzoeken; doch +allengs kreeg het de beteekenis van stemmenwerving door ongeoorloofde, +strafbare middelen. Omkooping bij verkiezingen werd te Rome op +groote schaal gedreven. Er waren geheime stemmenmakelaars, divisores, +interpretes, die tegen betaling op zich namen een zeker aantal stemmen +voor dezen of genen candidaat te leveren, en ook de politieke clubs, +sodalicia, speelden in de omkoopingen eene groote rol. Strenge wetten +hielpen niet; of de schuldigen bedreigd werden met zware boeten, +met verbanning, met uitsluiting van alle ambten, het kwaad bleef +voortwoekeren, totdat de monarchie aan de verkiezingen door het volk +een einde maakte. Wel hadden er toen nog bij den senaat en later bij +de keizerlijke ambtenaren en gunstelingen kuiperijen plaats om een +of ander ambt te verkrijgen, doch deze ambitus was niet stelselmatig +georganiseerd, zooals onder de republiek. + +Ambivareti, Ambilareti of Ambluareti, gallisch volk, cliënten der +Aeduërs. + +Ambivariti, belgisch volk aan de Maas, in den omtrek van het +tegenw. Namen. + +Ambivius Turpio (L.), beroemd tooneelspeler ten tijde van Terentius. + +Ambracia, Ambrakia, en Ambracius sinus. De ambracische golf, thans +golf van Arta, is een inham der ionische zee, tusschen Acarnania en +Epirus. Ten noorden daarvan, aan den Arachthus, lag de stad Ambracia +(Arta), eene Corinthische volksplanting, ± 660 gesticht. De stad +kwam spoedig tot bloei, en beheerschte den omtrek, maar in 426 leden +de inwoners een zware nederlaag tegen de verbonden Acarnaniërs en +Atheners. Koning Pyrrhus van Epirus verhief Ambracia tot residentie +en versierde het met fraaie gebouwen. In 189 werd de stad door +M. Fulvius Nobilior (zie Fulvii no. 11) veroverd, en werden de +kunstwerken naar Athene vervoerd. Augustus bracht de bevolking van +Ambracia gedeeltelijk over naar Nicopolis, dat door hem aan de kust +gesticht werd ter gedachtenis aan den zeeslag bij Actium. + +Ambrones, Ambrones, waarschijnlijk een germaansche stam, die zich +bij de Teutones aansloot en met dezen door C. Marius in 102 bij Aquae +Sextiae verslagen werd. + +Ambrosia, Ambrosia. 1) Evenals ambrosios als bepaling wordt toegevoegd +aan allerlei zelfstandigheden die ten gebruike der goden of van +goddelijke wezens dienen, zoo worden sommige van die zelfstandigheden +zelve ambrosia genoemd, bijv. zalfolie der goden, voeder voor hunne +paarden, enz. Later was ambrosia in het bijzonder de spijs der goden, +terwijl zij volgens oudere begrippen alleen den godendrank, nectar, +gebruikten, die ook soms ambrosia genoemd wordt.--2) eene der Hyaden, +die Dionysus te Dodona opvoedden. + +Ambrosus, Ambrysus, Ambrosos, Ambrysos, Amphrysos, stad in Phocis, +ten zuiden van den Parnassus. Niet ver vandaar lag de driesprong, +waar Oedipus zijn vader Laius doodde. + +Ambubaiae, vrouwelijke muzikanten, tevens danseressen, die in herbergen +en publieke plaatsen optraden en niet in den besten reuk stonden. De +naam schijnt uit het Syrisch te zijn afgeleid. + +Ambulatio, een wandelweg, hetzij overdekt (= porticus) in particuliere +huizen, en in de stad, hetzij onoverdekt, op buitenplaatsen (= +xystum, z. a.). In het krijgswezen beteekent het de oefening in +het marcheeren. De gewone pas heet plenus gradus, de versnelde pas +decursio. + +Amburbium, een reinigingsfeest, waarbij, evenals bij de Ambarvalia +(z. a.) de akkers, de stad gereinigd werd door de offers er om heen te +dragen, en dan te slachten. Het feest komt nog in den laten keizerstijd +voor, en wordt gewoonlijk op den 2den Febr. gevierd. + +Ambusti, zie Fabii no. 8-13. + +Amenanus, Amenanos, riviertje op Sicilia, dat door Catana stroomde +en nu en dan uitdroogde. + +Ameria, oude stad in Umbria, romeinsch municipium, met wijnbergen, +de geboorteplaats van S. Roscius (z. Roscii no. 1). + +Amestratus, Amestratos, stad op de noordkust van Sicilia, dicht +bij Calacte. + +Amida, thans Diarbekir, stad in Armenia in het landschap Sophene +nabij de bronnen van den Tigris. Onder keizer Constantius werd het +een belangrijke vesting. In 359 na Chr. werd de stad door Sapor, +den koning van het Nieuw-Perzische rijk ingenomen. + +Aminias, Ameinias, Athener, die na den slag bij Salamis met den prijs +der dapperheid bekroond werd. V. s. was hij een broeder van Aeschylus. + +Amipsias, Ameipsias, atheensch blijspeldichter; ofschoon Aristophanes, +wiens tijdgenoot hij was, met minachting over hem spreekt, behaalde +hij in 414 den eersten prijs. + +Amisia, thans de Eems. De Bructeri werden in 12 door Drusus in een +scheepsgevecht op deze rivier verslagen. + +Amisus, Amisos, aanzienlijke pontische stad, aan den sinus Amisenus, +eene golf der Zwarte zee. De stad was eene der residentiën van koning +Mithradates VI. + +Amiternum, oude stad der Sabijnen, geboorteplaats van den +geschiedschrijver Sallustius. + +Ammianus Marcellinus, een Griek uit Antiochia in Syria, die tot +omstreeks 400 na C. leefde. Tijdens keizer Constantius diende hij +in het aanzienlijke corps der protectores domestici, en maakte als +adjudant van den magister equitum Ursicinus al diens veldtochten +(353-360) mede; in 363 nam hij deel aan den Perzischen veldtocht van +keizer Julianus. Daarna woonde hij langen tijd ambteloos te Antiochia, +tot hij ten slotte na lange reizen zich te Rome vestigde. Daar schreef +hij een zeer belangrijk en uitvoerig verhaal der gebeurtenissen van +den dood van Domitianus tot op dien van Valens (96-378), rerum gestarum +libri XXXI, waarvan echter de eerste 13 boeken verloren zijn. Hetgeen +over is, omvat den tijd van 353 tot 378. + +Ammon, Ammon, een aegyptisch god, die later door Grieken en +Romeinen als Zeus of Jupiter vereerd werd. Zijn voornaamste tempel +met orakel, in de oase Ammonium in de woestijn Sahara gelegen, werd +door Alex. d. G. bezocht. Hij werd voorgesteld als een ram, of met +een ramskop op een mannelijk lichaam. Wanneer het orakel geraadpleegd +werd, droegen de priesters het beeld van den god rond in een verguld +scheepje, waarin aan beide kanten zilveren schalen hingen, terwijl +vrouwen en meisjes het volgden en in een eenvoudig lied den god om +een duidelijk antwoord smeekten. + +Ammonium, Ammoneion, de oase der libysche woestijn, waar de tempel +van Jupiter Ammon stond. + +Ammonius, Ammonios, 1) academisch wijsgeer uit de 2de helft van de +eerste eeuw na C., leeraar van Plutarchus.--2) gewoonlijk naar zijn +vroeger beroep Sakkas, (zakkendrager), door anderen Theodidaktos +genoemd, leefde tusschen 175 en 250 na C. te Alexandrië. Om +het christendom, waartoe hij aanvankelijk zelf behoord had, te +bestrijden, vereenigde hij de leerstellingen der oude wijsgeeren, +vooral van Plato en Aristoteles, tot een nieuw stelsel, de zoogenaamde +nieuw-platonische leer. Hij vormde vele leerlingen, die later naam +verworven hebben, o.a. Plotinus en Longinus. Ook Origenes behoorde +tot zijn leerlingen.--3) grammaticus, leefde omstreeks 400 na C. te +Alexandrië; hij schreef een werk over synonymen, dat bewaard gebleven +is. Waarschijnlijk is het werk oorspronkelijk van Herennius Philo +(zie Philo no. 8), en heeft Ammonius het slechts overgewerkt. + +Amnestia, lex oblivionis, eene verklaring die soms na eene omwenteling +door de overwinnende partij gegeven werd, waarbij zij beloofde +het kwaad, haar door de tegenpartij aangedaan, niet te gedenken +(me mnesikakesein), zoodat niemand voor hetgeen hij in dien tijd als +staatsman gedaan had vervolgd konde worden. Vooral wordt dikwijls de +amnestie genoemd die, op raad van Thrasybulus, na de verdrijving der +dertig uit Athene (403) gegeven werd. + +Amnisus, Amnisos, havenstad van Cnossus, op Creta. + +Amompharetus, Amompharetos, een spartaansch lochaag, die in den +slag bij Plataeae roemrijk sneuvelde, nadat hij door zijn onwil +om tegenover de vijanden zijn plaats te verlaten de bewegingen der +Spart. vertraagd had. + +Amor, z. Eros. + +Amorgus, Amorgos, een der Sporadische eilanden in de Aegaeische zee, +geboorteplaats van den iambendichter Simonides (de lierdichter was +van Ceos). Onder de Romeinsche keizers was Amorgus een verbanningsoord. + +Ampelius (L.), schrijver uit den keizertijd van een boek, getiteld +liber memorialis, dat in het kort handelt over kosmographie, +geographie, mythologie en geschiedenis. + +Ampelus, Ampelos, Satyr uit het gevolg van Dionysus, die in een +wijnstok veranderd werd. + +Ampelus, Ampelos, naam van drie kapen, op Chalcidice, op Samus en op +de oostkust van Creta. + +Ampelusia, kaap van Mauretania nabij het fretum Gaditanum (straat +van Gibraltar). + +Amphea, Ampheia, grensstad van Messenia. De roof van laconische +meisjes, in den nabijgelegen tempel van Artemis door messenische +jongelingen gepleegd, deed den eersten messenischen oorlog uitbreken. + +Amphianax, Amphianax, koning van Lycië. Hij gaf aan Proetus, die door +Acrisius uit Argolis verdreven was, zijne dochter tot vrouw en voerde +hem naar zijn vaderland terug. Sedert bleef hij in Tiryns wonen, +dat de Cyclopen voor hem met een muur omgaven. + +Amphiaraides, Amphiaraïdes, Alcmaeon, de zoon van Amphiaraus. + +Amphiaraus, Amphiaraos, zoon van Oïcles of Apollo en Hypermnestra, +beroemd argivisch profeet en dapper held, zooals hij bij de +calydonische jacht en bij den Argonautentocht toonde. Hij had eerst +Adrastus uit Argos verdreven, maar later verzoenden zij zich en huwde +Amph. met Eriphyle, de zuster van Adrastus, bij wie hij twee zoons, +Alcmaeon en Amphilochus, en twee dochters, Eurydice en Demoanassa, +had. Toen Adrastus den tocht tegen Thebe ging ondernemen, hield +Amph. zich schuil, daar hij voorzag dat hij zou omkomen, indien hij aan +dien tocht deel nam. Maar Eriphyle, omgekocht door het gouden halssnoer +van Harmonia, verried hem en dus was hij genoodzaakt mede te gaan. Voor +zijn vertrek droeg hij aan zijn zonen op hem te wreken. In weerwil van +zijne heldendaden werd Amph. toch bij de vlucht van de belegeraars +meegesleept en zou hij in de handen der vijanden gevallen zijn, zoo +niet Zeus de aarde door een bliksemstraal had doen opensplijten, +zoodat de vrome held door de opening verzwolgen werd. Bij Oropus, +waar hij als god uit de aarde opgestegen zou zijn, was later een +zeer rijke tempel, waarbij de bron van Amph. gelegen was, met een +beroemd orakel. Zij die dit orakel kwamen raadplegen, offerden een +zwarten ram en sliepen 's nachts in den tempel op de vacht daarvan; +in hunne droomen ontvingen zij dan de mededeelingen van den god. Ook +bij Thebe waar hij in de aarde verdwenen was, en op andere plaatsen +waren tempels van Amph. + +Amphicaea, Amphiclea, Amphikaia, Amphikleia, stadje in Phocis, aan +den noordelijken voet van den Parnassus gelegen. + +Amphictyon, Amphiktyon, 1) koning van Athene. Hij huwde met eene +dochter van den attischen koning Cranaüs en verdreef zijn schoonvader +om in zijne plaats te regeeren, maar na twaalf jaren werd hij op +zijne beurt door Erichthonius verjaagd. Aan de gastvrije ontvangst die +Dionysus bij hem ten deel viel, schreef men de verplaatsing van den +Dionysusdienst van Eleutherae naar Athene toe.--2) zoon van Deucalion +en Pyrrha, de stichter van het Amphictyonenverbond. + +Amphictyones, Amphiktyones, zooals gewoonlijk geschreven wordt, +of Amphiktiones, zooals waarschijnlijk de juistere spelling is, +heetten de volken, die rondom een voornamen tempel woonden, wanneer +zij zich tot een verbond (Amphictyonie, Amphiktyonia) vereenigd +hadden, waarvan het doel was dit heiligdom te beschermen. Uit +zulk eene overeenkomst ontstonden licht weder andere betrekkingen, +vooral verbonden zich de leden der Amphictyonie tegenover elkander +zekere regels van het volkenrecht in acht te nemen. De beroemdste +Amphictyonie is die van Delphi en Thermopylae, die dikwijls kortweg de +Amphictyonie genoemd wordt. Zij bestond uit twaalf volken met hunne +koloniën, (Thessaliërs, Boeotiërs, Doriërs, Ioniërs, Perrhaeben, +Magneten, Locriërs, Oetaeërs of Aenianen, phthiotische Achaeërs, +Maliërs, Phocensers, Dolopen). Dit zeer oude verbond belastte zich +voornamelijk met het beheer en de verdediging van den delphischen +tempel en later ook van de pythische spelen; ter bespreking van +de gemeenschappelijke aangelegenheden hield het jaarlijks twee +vergaderingen, in het voorjaar en in het najaar, te Delphi en te +Anthela bij den tempel van Demeter Amphictyonis. Elk der twaalf leden +van het verbond zond naar zulk eene vergadering (synedrion) zijne +afgevaardigden, die deels hieromnemones, deels pylagorai genoemd +worden, hoewel het niet bekend is, in welke betrekking die twee +soorten van afgevaardigden tot elkander stonden. Misschien vormden de +eerstgenoemden een soort permanent bestuur, terwijl de pylagorai alleen +als afgevaardigden de vergaderingen bezochten. Gehoorzaamheid aan de +besluiten der vergadering werd, zoo noodig, door de verbonden staten +met geweld afgedwongen, en meer dan eens in den loop der geschiedenis +werden zij tot den zoog. heiligen oorlog opgeroepen (z. Phocis en +Amphissa). Sedert den macedonischen tijd schijnt het aanzien van het +verbond gedaald te zijn, en Augustus voerde eene nieuwe organisatie in, +waarbij de stemmen geheel willekeurig verdeeld werden.--Verder worden +nog genoemd de Amphictyonieën van Calauria, van Onchestus en van Delus. + +Amphidamas, Amphidamas = Iphidamas no. 1. + +Amphidromia, een huiselijk feest, dat eenige dagen na de geboorte +van een kind gevierd werd. Na verschillende reinigingsplechtigheden +werd de jonggeborene door een van de vrouwen, gevolgd door de andere +feestgenooten, in snellen pas rondom den haard gedragen, waarop een +maaltijd volgde, waartoe vrienden en bloedverwanten bijdragen plachten +te zenden. Bij deze gelegenheid verklaarde de vader of hij zich al +of niet met de opvoeding van het kind wilde belasten. + +Amphilochia, Amphilochia, berglandschap ten Oosten der ambracische +golf, eerst tot Acarnania, later tot Aetolia behoorende, en bewoond +door een epirotischen stam. De hoofdstad heette Argus Amphilochicum. + +Amphilochus, Amphilochos, zoon van Amphiaraus en Eriphyle. Hij trok +met de Epigonen tegen Thebe op, hielp Alcmaeon bij het dooden hunner +moeder en nam ook deel aan den tocht tegen Troje. Hij was een beroemd +waarzegger en deed na afloop van den trojaanschen oorlog met Calchas en +Mopsus een reis door Klein-Azië, waar zij verscheiden orakels stichten, +o.a. dat te Mallus in Cilicië, waar Amph. Mopsus achterliet, toen hij +naar Argos terugkeerde. Doch toen hij later terugkwam en aandeel aan +de regeering verlangde, ontstond er tusschen hen een strijd waarbij +beiden vielen. Hij of een andere Amph., zoon van Alcmaeon, wordt de +stichter van Argos Amphilochicum genoemd. Na zijn dood werd hij te +Athene, Sparta, Oropus, Mallus en andere plaatsen als halfgod vereerd. + +Amphion, Amphion, zoon van Zeus en Antiope. Met zijn tweelingbroeder +Zethus werd hij op den Cithaeron te vondeling gelegd en door herders +opgevoed. Later, toen Antiope door haar oom Lycus gevangen gehouden en +door Dirce, zijne gemalin, mishandeld werd, zocht zij hare zonen op, +die haar wreekten door Dirce aan de horens van een woedenden stier +te binden, een lot, dat zij Antiope had toegedacht; op bevel van +Hermes spaarden zij Lycus echter, die nu de heerschappij over Thebe +aan Amph. afstond. Deze regeerde sedert dien tijd gelukkig en huwde +met Niobe (z. a.). V. a. moest hij echter na den dood van Dirce Thebe +verlaten en zich naar Athene begeven. Amph. was een beroemd zanger, +hij had van Apollo, Hermes of de Muzen een gouden lier gekregen, +die hij zoo meesterlijk bespeelde, dat op het geluid de steenen zich +van zelven tot een muur vormden, die de stad Thebe omgaf. Hij en +Zethus liggen te Thebe in hetzelfde graf en worden daar op gelijke +wijze vereerd als de Dioscuren te Sparta. Op verscheidene plaatsen +in Boeotië zouden zij steden en orakels gesticht hebben. + +Amphipolis, Amphipolis, stad in dat deel van Macedonië, dat vroeger +tot Thracië gerekend werd, op een heuvel in een bocht van de rivier +den Strymon gelegen, waaraan de naam ontleend is. Aan den mond van den +Strymon lag de haven Eïon. Oorspronkelijk heette het ennea hodoi, en +schijnt toen reeds eene belangrijke plaats van het landschap Edonis +te zijn geweest. Althans, zoowel van Miletus als van Athenae uit, +werden herhaalde pogingen aangewend, om daar eene volksplanting te +stichten; doch de krijgshaftige Edoniërs sloegen de aanvallen af, +totdat het in 437 aan de Atheners gelukte, zich van de stad der negen +wegen meester te maken. De band tusschen Amphipolis en Athene was +echter nooit sterk, daar onder de volksplanters betrekkelijk weinig +geboren Atheners waren. In 424 viel het in handen van den Spartaan +Brasidas, die in 422 met den Athener Cleon hier sneuvelde. In 358 kwam +Amphipolis in het bezit van Philippus van Macedonië, voor wien het +door het bezit der rijke goud- en zilvermijnen in den nabijgelegen +mons Pangaeus eene groote aanwinst was; onder de Romeinen werd de +stad hoofdplaats van eene der vier republieken, waarin Macedonia na +Perseus' nederlaag tijdelijk werd verdeeld. + +Amphiprostylus, amphiprostylos, tempel of ander gebouw met een open +portaal vóór en achter zooals op nevenstaande teekening is aangegeven. + +Amphis, Amphis, blijspeldichter uit het middelste tijdperk der comedie, +die in zijne 26 stukken meerendeels maatschappelijke toestanden tot +onderwerpen koos. + +Amphissa, Amphissa, stad der ozolische Locriërs op eene door bosschen +ingesloten hoogvlakte. Doordat de inwoners beschuldigd werden, +landerijen in bezit genomen te hebben, die aan den delphischen +tempel toebehoorden, ontstond de laatste heilige oorlog (340-339), +waarin Philippus van Macedonië Amphissa verwoestte, doch zich tevens +van de phocensische bergvesting Elatea meester maakte. Later werd +Amphissa herbouwd en onder de romeinsche heerschappij was het eene +civitas libera. + +Amphitheatrum, amphitheatron, rond of ovaalrond gebouw, +met open binnenruimte, voornamelijk bestemd voor dieren- en +gladiatorengevechten. De buitenmuur bestond uit twee of meer rijen +bogen of arcaden boven elkander, meestal zóó, dat de verschillende +verdiepingen door zuilen van verschillende bouworden gedragen +werden. In het midden van de binnenruimte was de arena, het strijdperk, +omgeven door de zitplaatsen voor de toeschouwers. Deze arena was +door een muur omringd, waarin verschillende deuren, die toegang +gaven tot de hokken der wilde dieren en tot het lijkenhok, waarheen +de lijken der gedoode zwaardvechters werden gesleept. Deze laatste +deur werd porta Libitina geheeten, naar Libitina, de oud-italische +doodsgodin. Boven den ringmuur verhief zich veiligheidshalve nog +een stevig traliewerk. Onmiddellijk achter dit traliewerk had men +het podium (A), een balcon of loge voor overheden en senatoren en +vreemdelingen van rang. Hierachter kwamen gewoonlijk in drie rangen, +caveae, de overige zitplaatsen, trapsgewijze opklimmende. Deze rangen +verhieven zich weder verdiepingsgewijze boven elkander en werden +gescheiden door muren (baltei), die ze als gordels omgaven, zoo dat +in elken balteus de poorten (B, C) waren, die toegang verleenden tot +den daarvoor gelegen rang. Geheel in de hoogte achteraan was nog eene +overdekte galerij (D) voor vrouwen. Overigens waren de zitplaatsen +onder den blooten hemel; doch tot beschutting tegen zonneschijn en +regen werden boven de hoofden zeilen (vela, velaria) uitgespannen, +die door masten omhoog werden gehouden. De zitplaatsen werden door +gangpaden in wigvormige afdeelingen, cunei, gesneden. Wij hebben +hierboven voor de duidelijkheid gesproken van rangen; daarbij denke +men slechts aan verschil van plaats, niet van stand of prijs; want de +spelen waren geschenken, aan het volk aangeboden, en de toegang was +derhalve kosteloos.--De amphitheaters dagteekenen uit de eerste eeuw +v. Chr.; het eerste van steen werd eerst tijdens Augustus opgericht +door Statilius Taurus. Het grootste is het amphitheatrum Flavium, +door Vespasianus begonnen en in 80 na Chr. door Titus ingewijd, +met 50000 zitplaatsen. Een gedeelte er van is nog te Rome in wezen +en bekend als il Colosseo (onderste gravure). + +Amphitrite, Amphitrite, eene Nereïde. Poseidon dong naar hare hand, +maar daar zij ongehuwd wilde blijven, vluchtte zij naar Atlas, die haar +verborg. De dolfijn van Poseidon spoorde haar echter op en zoo werd +zij de gemalin van den god, wien zij drie kinderen baarde, Triton, +Rhode en Benthesicyme. Haar naam wordt dikwijls als personificatie +van de zee gebruikt. + +Amphitryo, Amphitryon, zoon van koning Alcaeus van Tiryns. Toen de +Taphiërs de kudde van zijn oom Electryon geroofd hadden en deze ten +strijde trok om ze terug te halen, gaf hij zijn rijk aan Amph. met +de belofte, dat hij hem, wanneer de roof gewroken zou zijn, zijne +dochter Alcmene tot vrouw zoude geven. Door een noodlottig toeval +doodde Amph. zijn oom voordat de oorlog beslist was, waarom hij +door Sthenelus uit Tiryns verjaagd werd; hij ging naar Thebe en +Alcmene volgde hem. Creon, zijn moeders broeder, reinigde hem van +zijn bloedschuld en beloofde hem hulp tegen de Taphiërs, wanneer hij +den wilden vos, die toen het land verwoestte, wist te vangen of te +dooden. Hoewel de vos volgens een orakel niet ingehaald konde worden, +nam Amph. die taak op zich en leende van een Athener, Cephalus, een +hond, die alles konde inhalen. Zeus veranderde beide dieren in steenen, +waarop Creon de toegezegde hulp verleende. Amph. veroverde Taphus en +schonk het rijk aan Cephalus, terwijl hij naar Thebe terugkeerde en +met Alcmene huwde, bij wie hij vader werd van Iphicles. Hij sneuvelde +in een slag tegen de Minyers. + +Amphitryoniades, Amphitryoniades, Heracles, als zoon van Alcmene, +de gemalin van Amphitryo. + +Amphora, amphoreus, amphiphoreus, soort van groote kruik met twee +ooren, van onder in een punt uitloopende, zoodat zij niet kon +blijven staan zonder steun. Wilde men eene kostbare amphora op +een pronktafeltje zetten, dan moest er in het blad een gat of eene +uitholling zijn. Voornamelijk dienden de amphorae tot bewaring van +wijn. Ook werd amphora gebruikt als maat voor natte waren = ruim 1/4 +hectoliter, waaruit blijkt, dat men zich de amphora niet te klein +moet voorstellen. Soms heeft zij een tuit. + +Amphoterus, Amphoteros, 1) z. Acarnan.--2) broeder van Craterus, +bevelhebber op de vloot van Alexander. + +Amphrysus, Amphrysos, 1) riviertje in Z.O. Thessalia, dat in de +Pagasaeische golf uitstroomt, en aan welks oevers Apollo de kudden +van Admetus weidde. Daarom spreekt Vergilius van Amphrysia vates = +Sibylla.--2) = Ambrosus. + +Ampia Labiena (lex) de Cn. Pompeio, 63, een plebisciet van de +volkstribunen T. Ampius Balbus en T. Labienus, waarbij aan Pompeius +werd toegestaan, bij de openbare spelen een lauwerkrans te dragen en +zich bij de circensische spelen in liet gewaad van een zegepralend +veldheer te vertoonen. + +Ampii, plebejisch geslacht. + +Ampliatio, verdaging van de verdere behandeling eener rechtzaak. Zie +Acilia (lex) de repetundis. + +Ampsaga, kustrivier in Noord-Africa, waaraan Cirta lag. Sedert 25 +vormde ze de westgrens van de nieuwe provincie Numidia of Africa Nova. + +Ampsanctus lacus, meertje bij Aeculanum in Samnium. Er stegen +verpestende dampen uit op; daarom hield men het voor een van de +ingangen tot de onderwereld. + +Ampsivarii, volk aan de Beneden-Eems. Ten tijde van Nero werden +ze door de Chauken uit hun land gejaagd, en wilden toen een strook +lands aan den rechter oever van den Rijn in bezit nemen, dien eerst +de Chamaven, daarna de Tubanten en Usipii en ten slotte de Friezen +voor een korten tijd bezet hadden. Dit stonden de Romeinen niet toe, +en na lang ronddolen werden nu de Ampsivarii door de omwonende stammen +bijna geheel vernietigd. Wat er van over bleef, vormde later een +onderdeel van de Franken. + +Ampulla, flesch of karaf. Men vond ze evenals nu in allerlei vormen +of fatsoenen, tot de met leder omwonden jacht- of reisflesch toe. Ook +het latijnsche woord voor lekythos (z.a.). + +Ampycides, Ampykides, Mopsus, zoon van den Lapithe Ampyx. + +Amulius, de broeder van Numitor, die dezen van de regeering over Alba +Longa beroofde en Romulus en Remus in den Tiber liet werpen. + +Amyclae, Amyklai, 1) stad in Laconica, ten Z.O. van Sparta. Ook na de +dorische verovering bleef te Amyclae nog bijna twee eeuwen lang een +achaeïsch staatje gevestigd, tot eindelijk de Spartanen bij verrassing +de stad bezetten. Hier behoort de mythe te huis van Leda en de zwaan; +de Dioscuren worden ook wel Amyclaei fratres genoemd.--2) stad in +Latium, ook Amunclae geheeten, in het gebied van Fundi, tusschen +Tarracina en Caieta (Gaëta) aan de kust gelegen, in eene moerassige +streek, doch door de inwoners verlaten wegens de menigte slangen of +adders. Vandaar de woorden tacitae Amyclae. + +Amyclaeus, Amyklaios, bijnaam van Apollo, onder welken hij te Amyclae +vereerd werd. Daar was een overoud, zeer hoog standbeeld van den god, +bestaande uit een rechte metalen zuil, waaraan een met een helm bedekt +hoofd, voeten en handen met een boog en lans gezet waren. Later werd +het beeld met een kunstig gebouwde kapel omgeven. + +Amyclides, Amykleides, Hyacinthus, de zoon van Amyclas, koning in +Laconië, den stichter van Amyclae. + +Amycus, Amykos, de zoon van Poseidon en de nimf Melië, koning +der Bebrycen, dwong alle vreemdelingen, die in zijn gebied kwamen, +zich in het vuistgevecht, dat hij had uitgevonden en waarin hij zeer +ervaren was, met hem te meten. Door Polydeuces, die met de Argonauten +in zijn rijk landde, werd hij overwonnen en gedood of aan een boom +gebonden; v. a. kocht hij zijn leven door te zweren, dat hij een +bron, die hij tot nu toe voor vreemdelingen gesloten had gehouden, +voor ieders gebruik zou openstellen. + +Amymone, Amymone, dochter van Danaüs. Toen zij door haar vader, na +zijne aankomst te Argos, werd uitgezonden om water te halen, werd +zij door een Satyr aangevallen en door Poseidon gered. Zij vatte +liefde voor haar redder op en werd bij hem moeder van Nauplius. De +bron Amymone bij Argos was naar haar genoemd. + +Amynander, Amynandros, koning der Athamanen, bondgenoot van de +Romeinen en Aetoliërs in de oorlogen tegen Philippus III, (208-205, +200-197). Gedurende den oorlog der Romeinen tegen Antiochus d. G. werd +hij door Philippus uit zijn rijk verjaagd (191); hij vluchtte +naar de Aetoliërs, die hem eenige jaren later de regeering terug +bezorgden. Hoewel hij de partij van Antiochus gekozen had en de consul +M'. Acilius Glabrio zijne uitlevering van de Aetoliërs geëischt had, +schijnt hij later met de Romeinen weder op vriendschappelijken voet +gekomen te zijn. + +Amyntas, Amyntas, 1) naam van eenige macedonische koningen, o.a. van +den vader van Philippus (Am. III), die in 393 den overweldiger +Pausanias van den troon stiet. Hij stierf in 370.--2) bevelhebber +eener taxis in het leger van Alexander d. G., die zich meermalen +door dapperheid onderscheidde. Hij werd met zijne drie broeders +verdacht van medeplichtigheid aan de samenzwering van Philotas, maar +vrijgesproken; kort daarna sneuvelde hij (330).--3) een Macedoniër, +die bij Darius Codomannus in dienst ging en na den slag bij Issus naar +Aegypte vluchtte, waar hij spoedig met de Aegyptenaren twist kreeg +en gedood werd.--4) schrijver, later veldheer van koning Deiotarus +van Galatië. Na den dood van Cassius liep hij met zijne troepen +tot Antonius over, die hem tot belooning koning over Galatië maakte +(36), welke waardigheid ook Octavianus hem na den slag bij Actium +liet behouden. Hij stierf in 25. + +Amyntiades, Amyntiades, Philippus van Macedonië, zoon van Amyntas. + +Amyntor, Amyntor, koning van Eleon in Thessalië, of van de +Dolopen, vader van Phoenix, dien hij uit minnenijd vervloekte en +verjoeg. Heracles, wien hij den toegang tot zijn gebied geweigerd had, +doodde hem. + +Amyrtaeus, Amyrtaios, de moeraskoning, die zich, nadat de opstand +van Aegypte tegen Artaxerxes (z. Inarus) bedwongen was, nog geruimen +tijd in de moerassen staande hield. Zijn zoon Pausiris behield later +de regeering onder perzische heerschappij. + +Amythaon, Amythaon, zoon van Cretheus en Tyro, stichter van Pylus in +Messenië, vader van Bias en Melampus. + +Amythaonidae, Amythaonidai, zonen en afstammelingen van Amythaon. + +Anabathmoi, eene rij zitplaatsen, die bij wijze van een trap +oploopen, ook eene zaal met zulke zitplaatsen, die voor voordrachten, +muziekuitvoeringen en dgl. verhuurd werd. + +Anacea, Anakeia, feest, dat in de meeste achaeïsche en dorische +staten en ook te Athene, ter eere der Dioscuren gevierd werd. De +Lacedaemoniërs vierden het zelfs wanneer zij in het veld waren. + +Anaceum, Anakeion, tempel der Dioscuren, zooals men in zeer vele +steden, ook te Athene, vond. + +Anacharsis, Anacharsis, een scythisch prins, die uit weetgierigheid +groote reizen ondernam, ook in Griekenland kwam, en te Athene met Solon +kennis maakte. Hij wijdde zich daar aan de studie der wijsbegeerte +en trok de algemeene aandacht door zijn vernuft en zijne eenvoudige +leefwijze. In zijn vaderland teruggekeerd, wilde hij griekschen +godsdienst en zeden invoeren en werd hij daarom door zijn broeder, +koning Saulius, gedood. De brieven en gedichten die zijn naam dragen +zijn onecht. + +Anacreon, Anakreon, lyrisch dichter uit Teos. Nadat Ionië door +Harpagus onderworpen was (545), begaf hij zich naar Abdera en later +naar Samus, waar hij tot aan den dood van den tyran Polycrates (522) +aan diens hof bleef. Vervolgens werd hij door Hipparchus naar Athene +geroepen en bleef daar tot den val der Pisistratiden. Waarheen hij +later gegaan is, is onzeker; hij stierf 85 jaar oud, te Teos of +Abdera. Van zijne liederen, die door bevalligheid en eenvoudige taal +uitmunten en door de ouden hoog geroemd en nog lang na zijn dood +veel gezongen werden, bestaan nog slechts eenige overblijfselen; +de zoogenaamde anacreontische liedjes (Anakreontika, -teia) zijn uit +den alexandrijnschen tijd afkomstig. + +Anactorium, Anaktorion, kaap en havenstad in Acarnania, aan de invaart +der ambracische golf. De stad was een corinthische kolonie. Evenals +de bevolking van Ambracia, werd ook die van Anactorium door Augustus +naar het door hem gestichte Nicopolis gelokt. + +Anadikia = palindikia. + +Anadyomene, Anadyomene, de "uit zee opstijgende," bijnaam der uit +het schuim der zee geborene Aphrodite. Zoo werd zij voorgesteld op +een schilderij, die voor het meesterstuk van Apelles gold en in den +tempel van Asclepius op het eiland Cos hing, waar zij door Augustus +voor 100 talenten gekocht en naar Rome medegenomen werd. + +Anaea, Anaia, stad in Ionia, ten Z. van Ephesus, tegenover Samus. + +Anagnia, Anagnia, hoofdstad der Hernici in Latium, op een berg gelegen +met schoone omstreken. In 306 viel de stad van Rome af, en werd, na +het bedwingen van den opstand door den consul Q. Marcius Tremulus +(Marcii no. 18), tot een praefectura gemaakt. Cicero had hier een +landgoed, Anagnium. + +Anagnostes, Anagnostes, een slaaf, die zijn heer aan tafel, in het bad +en in ledige uren voorlas. Ook iemand die in het openbaar voordrachten +houdt. In den christelijken tijd een kerkelijk ambt (= lector). + +Anagogia, Anagogia, een feest dat op den berg Eryx op Sicilië ter eere +van Aphrodite gevierd werd bij gelegenheid van hare jaarlijksche reis +naar Libye, vanwaar zij na negen dagen terugkeerde, vgl. Catagogia. Ook +op Delus werd een dergelijk feest ter eere van Apollo gevierd. + +Anaitis, Anaiitis, eene godin, die in verscheiden aziatische landen +vereerd werd. Hare priesters waren tot een afgesloten stand met +eigen bezittingen verbonden. De Grieken zagen in haar een maangodin +en identificeerden haar met Aphrodite of Artemis. + +Anakalypteria, de tweede of derde dag van het huwelijk, waarop +de vrouw zich het eerst ongesluierd vertoonde. Ook de geschenken, +die op dien dag aan de jonggehuwden gegeven en met een plechtigen +optocht naar hunne woning gebracht werden. Ter eere van het huwelijk +van Hades en Core werden op Sicilië en elders anakalypteria gevierd. + +Anakrisis, voorloopig onderzoek, in het bizonder de instructie in een +proces, die aan de behandeling voor de rechtbank voorafging en door +een magistraat geleid werd. Bij de anakrisis werden getuigen gehoord, +bewijzen onderzocht enz. Wanneer de aanklager hierbij niet verscheen, +verviel de aanklacht, terwijl hij, indien het eene graphe betrof, +1000 drachmen verloor en het recht om later zulke aanklachten te doen; +de aangeklaagde werd, wanneer hij wegbleef, in contumaciam veroordeeld. + +Anaphe, Anaphe, eilandje in de Aegaeische zee, tot de Sporaden +behoorende, ten oosten van Thera gelegen. + +Anaphlystus, Anaphlystos, attische demus behoorende tot de phyle +Antiochis, in het zuidoosten van Attica gelegen, met een versterkte +haven. + +Anapus, Anapos, naam van twee rivieren, waarvan de eene in Acarnania +lag, een zijtak van den Achelous, en de andere op Sicilia, die ten +zuiden van Syracusae zich door moerassen in zee stort. Als riviergod +komt laatstgenoemde stroom bij Ovidius o. a. voor als de minnaar der +bronnimf Cyane. + +Anarrysis, de tweede dag der Apaturia. + +Anartes, volksstam in Dacia, aan beide oevers van den bovenloop van +den Theiss. + +Anas, rivier in Hispania, thans Guadiana. Ze vormt de grens tusschen +de provincies Baetica en Lusitania. + +Anathema, anathema, heet alles wat aan een god gewijd en in zijn +tempel of heiligdom nedergezet wordt, dikwijls voorwerpen van groote +kostbaarheid en kunstwaarde. + +Anatocismus, anatokismos, het berekenen van rente op rente. Had dit +plaats telkens na afloop van een jaar, dan sprak men van anatocismus +anniversarius. + +Anaumachiou graphe of dike, aanklacht wegens het niet deelnemen aan een +zeeslag. De zaak werd voor de strategen behandeld, de straf was atimie. + +Anava, ta Anaua, stad in Phrygia, tusschen Celaenae en Colossae, +aan het zoutmeer Ascania. + +Anax, Anax, vorst, heer; met dien bijnaam worden ook verschillende +goden genoemd; de Dioscuren dragen dikwijls kortweg den naam Anactes, +ook Anaces (Anaktes, Anakes). + +Anaxagoras, Anaxagoras, geb. te Clazomenae omstreeks 500, kwam, na +vele landen bezocht te hebben, in 456 te Athene, waar hij als leeraar +der wijsbegeerte optrad. Tot zijne leerlingen behoorden Euripides +en Thucydides, terwijl hij met Pericles zeer bevriend werd. Volgens +An. bestaat de stof, zelfs in hare kleinste deelen, uit een oneindig +aantal soorten, de stofdeeltjes van elke soort zijn echter gelijk, +zoowel aan elkander, als aan de lichamen die er uit bestaan. De +stof lag oorspronkelijk onbewegelijk in eene verwarde massa, +totdat de geest (nous) er op werkte en eene scheiding (diakrisis) +van ongelijksoortige en vereeniging (synkrisis) van gelijksoortige +stofdeeltjes veroorzaakte. De hierdoor ontstane lichamen kan men dus +homoiomere noemen, hoewel nooit eene volkomen scheiding of vereeniging +tot stand komt en dus ieder lichaam vreemde stofdeelen bevat; alleen de +onstoffelijke nous is eenvoudig, onvermengd, zuiver. De stofdeeltjes +zelve noemde An. spermata of chremata, lateren homoiomereiai. Wegens +deze leer werd An. kort voor den peloponnesischen oorlog, naar men +zegt door politieke tegenstanders van Pericles, van goddeloosheid +aangeklaagd. V. s. werd hij ter dood veroordeeld, maar door Pericles +in staat gesteld te vluchten, v. a. werd hij verbannen, of hij werd +vrijgesproken, maar verliet uit ontevredenheid de stad. Zooveel is +zeker dat hij zich na dit proces naar Lampsacus begaf, waar hij, +72 jaar oud, stierf. + +Anaxander, Anaxandros, koning van Sparta, hij leefde tijdens den +tweeden messenischen oorlog. + +Anaxandridas, Anaxandridas, 1) naam van eenige spartaansche koningen, +o. a. van den vader van Leonidas.--2) geb. te Camirus, leefde omstreeks +375 als blijspeldichter te Athene, waar hij in hoog aanzien stond +als een aangenaam en verstandig mensch en fijn opmerker. Van zijne +65 stukken, de eerste waarin liefdesavonturen voorkomen, is bijna +niets over. + +Anaxarchus, Anaxarchos, van Abdera, leerling van Democritus, +vergezelde Alex. d. G. op zijne veldtochten en werd eudaimonikos +bijgenaamd. Volgens het verhaal zou hij door den tyran Nicocreon +van Cyprus, wegens een hem aangedane beleediging, in een vijzel +verpletterd zijn. + +Anaxarete, Anaxarete, een cyprisch meisje, dat door den herder Iphis +bemind werd, maar hem zoo koel behandelde, dat hij zich voor hare +deur ophing. Toen zij zelfs bij het zien van zijn lijk niet getroffen +werd, veranderde Aphrodite haar in een steenen beeld. Hetzelfde wordt +verhaald van Arsinoë en haar minnaar Arceophon. + +Anaxibia, Anaxibia, 1) dochter van Plisthenes, gemalin van Strophius, +moeder van Pylades.--2) eene nimf die door Helius bemind en vervolgd +werd, en naar den tempel van Artemis Orthia aan den Ganges vluchtte, +waar zij verdween. Sedert dien tijd gaat de zon van die plaats, +voortaan Anatole genaamd, op.--3) Zie Alphesiboea. + +Anaxibius, Anaxibios, bevelhebber der spartaansche vloot in Byzantium, +toen Xenophon met de rest van de 10000 daar aankwam. Daar hij het +leger door beloften misleidde, veroorzaakte hij groote verwarring, en +kwam hij persoonlijk in groot gevaar. In 389 werd hij als harmost naar +Abydus gezonden, maar het volgende jaar viel hij in een hinderlaag, +hem door Iphicrates gelegd, en sneuvelde hij. + +Anaxilaus, Anaxilaos, 1) tyran van Rhegium (494-476), uit Messenië +afkomstig, die omstreeks 480, met hulp van Samiërs en Milesiërs, +Zancle op Sicilië veroverde, welke stad hij met Messeniërs bevolkte +en Messana noemde. Hij stierf in 476 en liet twee zonen na, die +gedurende hun minderjarigheid onder voogdij van een getrouwen slaaf, +Micythus, bleven, in 467 aan de regeering kwamen, en na zes jaren +verdreven werden.--2) dichter van achttien blijspelen, waarvan nog +eenige fragmenten bestaan, die van het geheel geen zeer hoogen dunk +geven.--3) pythagoreïsch wijsgeer uit Larisa, door Augustus in 28 +wegens tooverij uit Italië verbannen. + +Anaximander, Anaximandros, geb. te Miletus in 610, de eerste grieksche +schrijver over wijsbegeerte, was een vriend en leerling van Thales, +leefde aan het hof van Polycrates van Samus en stierf in of kort +na 547. In zijn werk peri physeos neemt hij als grondstof van het +heelal iets oneindigs (apeiron) aan, dat hij niet nader bepaalt, +maar dat hij goddelijk, onsterfelijk en onvergankelijk noemt. Hij +zoude het eerst een zonnewijzer, een hemelbol, enz. gemaakt hebben. + +Anaximenes, Anaximenes, 1) geb. te Miletus, waarschijnlijk tusschen +560 en 550, door sommigen een leerling van Anaximander genoemd, nam +als grondstof van het heelal de zich in het oneindige uitstrekkende +lucht aan, waaruit door verdikking (pyknosis) en verdunning (manosis, +araiosis) alles ontstaan zou zijn, en die de geheele wereld omgeeft +en bijeenhoudt.--2) geschiedschrijver uit Lampsacus, vriend van +Alexander d. G., schreef Hellenika, eene soort algemeene geschiedenis, +en Philippika, de geschiedenis van Philippus, ta peri Alexandron, +die van Alexander bevattende. Als rhetor was hij een tegenstander +van Isocrates. De rhetorike pros Alexandron, die onder de werken van +Aristoteles is opgenomen, wordt te recht aan hem toegeschreven. Van +zijne andere werken is slechts weinig bewaard gebleven. + +Anaxo, Anaxo, dochter van Alcaeus en Hipponome, gemalin van Electryon, +moeder van Alcmene. + +Anazarbus, Anazarbos, aanzienlijke stad hij een gelijknamigen berg +in Cilicia, aan den Pyramus, door Augustus Caesarea (ad Anazarbum) +genoemd. De beroemde arts Dioscorides Pedanius, die waarschijnlijk +onder de regeering van Nero leefde, was hier geboren. Evenzoo Appianus. + +Ancaeus, Ankaios, 1) zoon van den arcadischen koning Lycurgus en +Eurynome, een van de Argonauten en calydonische jagers. Hij werd door +het Calydonische zwijn gedood.--2) zoon van Poseidon en Astypalaea, +koning der Lelegers op Samus, na den dood van Tiphys stuurman der +Argonauten. Eens werd hem door een waarzegger voorspeld, dat hij van +druiven, die hij bezig was te planten, geen wijn zou drinken. Toen hij +nu den beker met den wijn gevuld in de hand hield en den waarzegger +bespotte, sprak deze het later tot een spreekwoord gewordene: polla +metaxy pelei kylikos kai cheileos akrou. Op hetzelfde oogenblik werd +de tijding gebracht dat een ever het land verwoestte, de koning zette +den beker neder, snelde naar buiten, en werd door den ever gedood.--3) +een Aetoliër, bij de begrafenis van Amarynceus door Nestor in een +vuistgevecht overwonnen. + +Anchesmus, Anchesmos, berg ten N. O. van Athene, met een tempel +van Zeus. + +Anchiale, Anchiale, naam van twee steden, in Thracia aan den Pontus +Euxinus, en op de kust van Cilicia tusschen Tarsus en Soli. Ook de +vorm Anchialus komt voor. + +Anchises, Anchises, was de zoon van Capys en van Themis, de dochter +van koning Ilus. Bij Aphrodite, die hem om zijne schoonheid liefhad, +verwekte hij den beroemden held Aeneas. Toen hij zich eenmaal op zijne +verbintenis met Aphrodite verhoovaardigde, sloeg Zeus hem met blindheid +of met verlamming. Bij Vergilius draagt Aeneas zijn verlamden vader +op de schouders uit het brandende Troje weg. Anchises vergezelde zijn +zoon op diens lange omzwervingen, tot hij eindelijk op Sicilia stierf +en op den berg Eryx begraven werd. + +Anchisiades, Anchisiades, patron. = Aeneas. + +Ancile, heilig schild, volgens de sage uit den hemel gevallen tijdens +het koningschap van Numa Pompilius. Daar de nimf Egeria den koning +verkondigde, dat het lot en het voortbestaan van Rome aan het behoud +van dit schild verbonden was, liet Numa door den bekwamen wapensmid +Mamurius Veturius nog elf andere ancilia vervaardigen, die alle zoo +nauwkeurig nagemaakt waren, dat men het echte niet van de overige kon +onderscheiden. De bewaring was toevertrouwd aan het priestercollegie +der Salii, die op bepaalde tijden een rondgang door Rome hielden, +waarbij sommige de schilden aan stokken over den schouder droegen, en +andere al dansende met metalen staafjes tegen de schilden sloegen. De +ancilia waren langwerpig rond, in het midden aan weerszijden +uitgesneden op de wijze eener viool, doch zonder hoeken of punten. + +Ancona, he Ankon, belangrijke havenstad in Picenum aan de adriatische +zee. Het droeg zijn naam, omdat het in eene door twee kapen gevormde +elleboogvormige bocht lag. Ancona was in 390 door syracusaansche +uitgewekenen gesticht; onder de Romeinen werd het kolonie. Het had +eene voortreffelijke haven, een beroemden Venustempel, een zegeboog +van Traianus, purperververijen, wijn- en graanteelt in de omstreken. + +Ancora, ankyra. Voordat de ijzeren ankers in gebruik kwamen, gebruikte +men groote steenen (eunai) als zoodanig. De oudste ijzeren ankers +hadden slechts één tand (ankyra heterostomos); de latere waren, evenals +de onze, tweetandig (amphistomoi). Het noodanker, dat voor het uiterste +gevaar bewaard werd, werd het heilige geheeten; vandaar sacram ancoram +solvere = tot het laatste redmiddel zijn toevlucht nemen. + +Ancus Marcius, vierde koning van Rome (641-617) van wien de romeinsche +geschiedschrijvers het volgende vertellen: Hij was een zoon van Numa's +dochter. In zijne oorlogen met de Latijnen lijfde hij een deel van +hun gebied bij Rome in en bracht de bevolking van een viertal steden +geheel of gedeeltelijk naar Rome over, waar hun de mons Aventinus +ter bewoning werd ingeruimd. Uit deze ingelijfde Latijnen ontstond de +plebs. Hij versterkte den mons Ianiculus, over den Tiber gelegen, en +verbond dezen met de stad door een houten paalbrug, pons sublicius. Ook +stichtte hij aan den mond van den Tiber de havenstad Ostia. Hoewel +hij meermalen de wapenen tegen zijne naburen moest voeren, legde hij +zich toch bij voorkeur op de werken des vredes toe. + +Ancyra, Ankyra, naam van eene stad in Phrygia en van eene in +Galatia. De eerste ligt in Phygia Abbaitis, aan den Macestus, ten +N. van het gebergte Temnus. De laatstgenoemde is nog tegenwoordig +onder den naam Angora bekend. Zij was door een der Midassen gesticht; +hare ligging aan den grooten karavanenweg door Galatia bracht haar tot +groote bloei. Augustus verfraaide de stad, die uit erkentelijkheid een +kostbaren tempel voor hem stichtte, onder welks overblijfselen men +sedert 1553 het marmor Ancyranum ontdekt heeft, een in latijnschen +en griekschen tekst in marmer gebeitelde opgaaf van 's keizers +regeeringsdaden, zooals hij er eene aan de Vestaalsche maagden had ter +hand gesteld, en zooals er eene in zijn mausoleum werd aangetroffen. + +Andabatae, een soort van zwaardvechters, die een gesloten helm zonder +vizier droegen en dus in den blinde op elkaar lossloegen, hetgeen +tot menig komisch tooneel aanleiding gaf. + +Andania, Andania, oude residentiestad der messenische koningen, +in het N. van Messenië gelegen. + +Andecavi, gallisch volk aan den benedenloop van den Liger (Loire), +in het latere Anjou. Hunne hoofdstad was Iuliomagus, thans Angers. + +Andes, 1) = Andecavi.--2) vlek bij Mantua, geboorteplaats van +Vergilius. + +Andocides, Andokides, 1) zoon van Leogoras, geb. te Athene omstreeks +440, de tweede in de rij der 10 attische redenaars. Hij behoorde +tot de aristocratische partij en voerde het bevel over de vloot, +die in het begin van den peloponnesischen oorlog door de Atheners +uitgezonden werd om Corcyra te helpen. Van medeplichtigheid aan de +verminking der Hermesbeelden verdacht en gevangen genomen (415), +redde hij zich door de namen der ware of gewaande schuldigen, +o.a. zijn vader en vier broeders op te geven. Hij werd echter met +atimie gestraft en zag zich genoodzaakt, Athene te verlaten. Sedert +woonde hij als koopman op Cyprus en in Elis; wel trachtte hij onder +de regeering der 400 in Athene terug te keeren, maar toen moest hij +terstond weder vluchten; beter werd hij ontvangen na den val der 30, +en zelfs kreeg hij toen spoedig weder invloed op de staatszaken, +maar in 391 werd hij op nieuw verbannen. Hij zou 44 redevoeringen +geschreven hebben, waarvan 4 bewaard gebleven zijn. Hiervan zijn +zeker echt: peri tes heautou kathodou (uit 407) en peri ton mysterion +(uit 399); waarschijnlijk echt is ook peri tes pros Lakedaimonion +eirenes (uit 392/391); onecht is de rede kat' Alkibiadou.--2) Attisch +vazenschilder uit de 2de helft van de 6de eeuw. Hij heeft zoowel in +den zwartfigurigen als in den roodfigurigen stijl geschilderd. + +Andraemon, Andraimon, 1) echtgenoot van Gorge, de dochter van Oeneus, +dien hij in de regeering over Calydon opvolgde.--2) zoon van Oxylus, +echtgenoot van Dryope. + +Andrapodismou graphe, aanklacht wegens het verkoopen van vrije +menschen als slaven, eene misdaad waarop de doodstraf stond. De zaak +werd behandeld door de elfmannen. + +Andreia = syssitia. Ook de groepen, waarin de tafelgenooten verdeeld +waren, heetten andreia. + +Andriscus, Andriskos, gaf zich uit voor een natuurlijken zoon +van koning Perseus, met name Philippus, en wordt daarom ook wel +Pseudo-Philippus geheeten. Hij verwekte in 149 in Macedonia een +opstand tegen de Romeinen en behaalde aanvankelijk vele voordeelen, +doch werd overwonnen en gevangen genomen (148), en moest den zegetocht +van Q. Caecilius Metellus (Caecilii no. 6) opluisteren. + +Androcles, Androkles, een demagoog, die na den val van Alcibiades +leider der volkspartij te Athene werd; bij de omwenteling van 410 +werd hij door de oligarchische partij vermoord. + +Androclidas, Androkleidas, een Thebaan die, door Perzië met geld +ondersteund, in 395 Thebe tot oorlog tegen Sparta aanzette, waardoor +de terugkomst van Agesilaus uit Azië noodzakelijk werd. + +Androclus, Androklos, weggeloopen slaaf van een romeinsch proconsul +in Africa, die door een leeuw, uit wiens poot hij een splinter had +getrokken, van voedsel werd voorzien. Toen hij later gevangen was +genomen en veroordeeld om voor de wilde dieren te worden geworpen, +gebeurde het, dat hij toevallig in het amphitheater zijn ouden +makker tegenover zich kreeg. De leeuw herkende hem, begroette hem +kwispelstaartend en likte hem. Voor den keizer geroepen, verhaalde +hij zijn wedervaren, waarop hij in vrijheid werd gesteld en den leeuw +ten geschenke kreeg, die nu weder zijn trouwe metgezel werd. + +Androgeos, Androgeos, zoon van Minos en Pasiphaë. Hij was te Athene, +toen voor het eerst de Panathenaea gevierd werden, en behaalde daarbij +alle prijzen; uit afgunst hierover liet Aegeus hem verraderlijk +vermoorden. + +Androlepsia. Wanneer een Athener in een vreemde staat vermoord was, +en die staat weigerde daarvoor voldoening te geven, dan hadden de +bloedverwanten van den vermoorde het recht zich van hoogstens drie +personen uit dien staat meester te maken en hen te Athene voor de +rechtbank te brengen. Dit recht heette androlepsia. Hoe het proces +verder gevoerd werd, is onbekend. + +Andromache, Andromache, dochter van Eëtion, de edele en liefhebbende +gemalin van Hector. Na het einde van den troj. oorlog werd zij door +Neoptolemus naar Epirus medegenomen, waar zij bij hem drie zonen +kreeg. Toen Neoptolemus gedood was, huwde zij volgens zijne beschikking +met haar zwager Helenus, die tevens voogd over haar kinderen werd. Na +den dood van Helenus ging zij met haar jongsten zoon Pergamus naar +Azië; zij stierf in de door hem gestichte stad Pergamus, waar zij later +een heiligdom had. V. a. had zij bij Neoptolemus slechts één zoon, +Molossus, en wil Hermione met hulp van Menelaus haar uit jaloerschheid +dooden; Peleus redt haar echter, waarna zij op bevel van Thetis met +haar kind en Helenus naar Molossië vertrekt. + +Andromeda, Andromeda, dochter van Cepheus en Cassiopea. Daar hare +moeder zich beroemd had schooner te zijn dan de Nereïden, zond Poseidon +een zeemonster, dat het land verwoestte, en waarvan men zich, volgens +een orakel, alleen kon bevrijden door Andr. op te offeren. Toen zij +aan een rots gebonden was in afwachting dat het monster haar kwam +verslinden, verscheen Perseus, die het monster doodde. Na een hevigen +strijd met Phineus, wien zij vroeger tot vrouw beloofd was, voerde +Perseus haar met toestemming van haar vader mede naar Griekenland, +waar zij de moeder werd der beroemde Perseïden. Andr. werd later +onder de sterrenbeelden geplaatst. + +Andron, Andronitis, dat gedeelte van het huis waar ook vreemde mannen, +bij bezoeken, symposia, enz., toegelaten werden. De hiertoe behoorende +vertrekken, meer in het bizonder andrones genoemd, lagen rondom een +open plaats (aule), die aan alle vier zijden met overdekte zuilengangen +omgeven was. Van de voordeur kwam men door een gang terstond in deze +aule. De Romeinen noemen andron een gang, waarschijnlijk de gang, +die naast het tablinum het atrium met het peristylium verbindt. + +Andronicus (Livius), rom. dichter. Zie Livii no. 11. + +Androsthenes, Androsthenes, admiraal van Alexander d. Gr., beschreef +een tocht langs de arabische kust. + +Androtion, Androtion, leerling van Isocrates, schrijver eener +geschiedenis van Athene, die door lateren veel gebruikt is. + +Andrus, he Andros, het noordelijkste eiland der Cycladen, met eene +gelijknamige stad en eene voortreffelijke haven, om zijn wijnteelt aan +den god Dionysus geheiligd. Reeds vroeg bezat het eene aanzienlijke +zeemacht en zond het een aantal volkplantingen uit. + +Anemorea, Anemoreia, stad ten O. van Delphi. + +Anemurium, Anemourion, kaap en stad in West-Cilicia. + +Angitia of Anguitia, slangengodin of ook "wurgster," oud-italische +godheid, in het bijzonder door de Marsen en Marruciners te Lucus +Angitiae aan den Fucinus lacus vereerd. Vergilius maakte ze tot eene +zuster van Medea. + +Anglii of Angili, Angeilai, germaansche volksstam, van de Elbe tot +in de Chersonesus Cimbrica (Sleeswijk en Jutland), van waar zij in de +vijfde eeuw na Chr., met Saksers en Jutten vereenigd, naar Britannia +overstaken. De Anglii behoorden tot die volksstammen, die de godin +Nerthus vereerden. + +Angrivarii (Engeren), germaansch volk aan den Visurgis (Weser), +in den regel bevriend met de Romeinen. + +Anguis. De slang gold in Oud-Italia als zinnebeeld van den +genius loci. Men vond dikwerf slangen op de muren geschilderd, als +waarschuwing om die plaats niet te verontreinigen. Ook als zinnebeeld +der geneeskunst en gezondheidsleer komt de slang voor, zoo kronkelt +zich b.v. eene slang om den staf van Aesculapius. Ten tijde van keizer +Traianus werd de anguis of draco bij de rom. legers als veldteeken +der cohorte ingevoerd. Het bestond uit een nauwen langen zak, met +een slangekop met open muil en zilveren tong, op een lansschacht +bevestigd. Wanneer de wind nu in den geopenden muil blies, maakte +het lichaam allerlei kronkelingen en wendingen. Dit veldteeken was, +naar men zegt, overgenomen van de Parthen. + +Anguitia, zie Angitia. + +Anicii, plebejisch geslacht. + +Anigrus, Anigros, bij Hom. Minyeios geheeten, klein stinkend +kustriviertje in Triphylia. + +Anio, g. enis, Anion, rivier in Latium, die bij Tibur de beroemde +watervallen vormt en zich boven Rome bij Antemnae in den Tiber +stort. Twee waterleidingen, de Anio vetus en de Anio novus voerden +het water dezer rivier naar Rome. De eerste leiding was in 272 door +de censoren M'. Curius Dentatus en L. Papirius Cursor gebouwd uit den +op Pyrrhus behaalden buit; de andere was begonnen onder Caligula en +onder Claudius voltooid. + +Anius, Anios, zoon van Apollo en Creusa of Rhoeo, op Delus geboren, +waar Apollo hem tot zijn priester en tot koning over het eiland +maakte. Aeneas werd op zijn tocht vriendschappelijk door hem +ontvangen. Zie Lavinia. + +Anna, dochter van Belus, vluchtte met hare zuster Dido uit Tyrus naar +Africa, waar Dido Carthago stichtte. Volgens een rom. verhaal zou +Anna na Dido's dood door den numidischen koning Iarbas uit Carthago +verdreven zijn, op hare vlucht op de kust van Latium schipbreuk +hebben geleden en door Aeneas opgenomen en aan de vriendschap zijner +echtgenoote Lavinia aanbevolen zijn. Door Dido echter in den droom +gewaarschuwd tegen Lavinia's ijverzucht, stortte Anna zich in het +riviertje Numicius en verdronk, waarna zij als stroomnimf onder den +naam Anna Perenna werd vereerd. Perenna zou dan uit per en amnis +moeten gevormd zijn. + +Anna Perenna, oud-romeinsche godin van het jaar, wier feest de Romeinen +op de idus van Maart vierden, met de bede, ut annare perennareque +commode liceret, d.w.z. dat men het jaar goed mocht beginnen en ten +einde brengen. Anna heet de godin dus met betrekking tot het begin, +Perenna met het oog op het einde van het jaar. Zie ook Anna. + +Annaei, 1) L. Annaeus Seneca, ter onderscheiding van zijn gelijknamigen +zoon gewoonlijk pater of rhetor genoemd, te Corduba in Hispania (± +54) geboren, had te Rome het onderwijs der beroemdste redenaars van +zijn tijd genoten en had zelf grooten naam als rhetor. Hij stierf ± +39 n. C. Van hem bestaan nog Controversiae (5 boeken) en Suasoriae +(1 boek), declamaties in den vorm van verdichte pleidooien en +verhandelingen over verdichte gevallen.--2) L. Annaeus Seneca, +zoon van den vorigen, aanhanger der stoicijnsche wijsbegeerte, +geboren te Corduba in 4; kwam vroeg naar Rome en wijdde zich aan +den staatsdienst. Onder keizer Claudius moest hij een achttal jaren +(41-49 n. C.) als balling op Corsica doorbrengen. Teruggeroepen +zijnde, werd hij door Agrippina tot leermeester van haar zoon Nero +aangesteld. In den beginne had hij op Nero grooten invloed; zoodoende +heeft Seneca met den praef. praet. Burrus eenige jaren lang den +staat voortreffelijk kunnen besturen; doch allengs werd de keizer ook +jegens Seneca wantrouwend, deze werd in eene samenzwering betrokken +en ter dood veroordeeld, waarbij hem de keuze van zijn dood werd +gelaten. Hij liet zich de aderen openen (65 n. C.) Een aantal werken +zijn nog van hem overig: 124 epistolae ad Lucilium, de ira (3 b.), de +clementia (2 b.), de beneficiis (7 b.), naturalium quaestionum l. VII, +ad Helviam matrem de consolatione, enz. Ook zijn er acht treurspelen +van hem bewaard gebleven: Hercules furens, Thyestes, Phaedra, Oedipus, +Troades, Medea, Agamemno, Hercules Oetaeus, en een paar fragmenten. Ze +hebben grooten invloed uitgeoefend op het moderne tooneel, vooral +op Vondel. Niet van Seneca is de praetexta Octavia. Verder heeft +Seneca een bijtende satyre op keizer Claudius kort na diens dood +uitgegeven, de apokolokyntosis. Door zijn geschriften, waarin hij de +denkbeelden der Stoa verdedigt, heeft Seneca grooten invloed geoefend, +ook op volgende geslachten.--3) M. Annaeus Lucanus, kleinzoon van +den rhetor Seneca, ook van Corduba geboortig (39 n. C.), was eerst +als episch dichter bij Nero in aanzien, totdat diens naijver werd +opgewekt. Lucanus nam toen deel aan eene samenzwering en werd met +anderen gedwongen de hand aan zichzelf te slaan (65). Van hem is +niets overgebleven dan het epos Pharsalia (10 b.), eene beschrijving +van den tweeden burgeroorlog tot aan den alexandrijnschen oorlog.--4) +L. Annaeus Cornutus, geb. te Leptis in Africa, stoicijn onder Nero, +die hem haatte en verbande (65 n. C). Er zijn van hem geschriften +over in het Grieksch en in het Latijn. Cornutus was een vriend van +den satirendichter Persius.--5) Annaeus (Anneus) Florus, zie Florus. + +Annales, chronika. Oudtijds werden ook te Rome de namen der +overheidspersonen en enkele gedenkwaardige gebeurtenissen door de +pontifices kroniekmatig opgeteekend. Deze opteekeningen gingen bij +de verwoesting van Rome door de Galliërs verloren, zoodat de latere +annales maximi, ook wel annales of commentarii pontificum geheeten, die +aan het einde van de 2de eeuw waarschijnlijk door den pontifex maximus +P. Mucius Scaevola in 80 boeken zijn uitgegeven, slechts weinig omtrent +den oudsten tijd van Rome vermeld kunnen hebben. Later legden zich een +groot aantal schrijvers op het schrijven van jaarboeken toe en worden +hiernaar annalisten geheeten. De oudsten, Q. Fabius Pictor, L. Cincius +Alimentus, C. Acilius, A. Postumius Albinus, schrijven hun jaarboeken +nog in het Grieksch. Eerst met M. Porcius Cato (234-149) en diens +Origines begint de romeinsche historiografie. Op hem volgen L. Cassius +Hemina, Q. Fabius Maximus Servilianus (consul 142), L. Calpurnius Piso +(c. 133), C. Sempronius Tuditanus (c. 129), S. Fannius (c. 122), +Cn. Gellius, Vennonius, allen tijdgenooten. In eenigszins anderen +geest schrijft Sempronius Asellio, en dan komen de annalisten uit den +tijd van Sulla, die allen de oudere geschiedenis vervalschen in een +bepaalde richting, en hun werken opsmukken door invoeging van tallooze +redevoeringen. Het zijn Q. Claudius Quadrigarius, Valerius Antias, +C. Licinius Macer, Aelius Tubero. Op hun werken berust grootendeels +onze kennis der oudste romeinsche geschiedenis. + +Annalis (lex), zie Villia lex (annalis). + +Anniceris, Annikeris, cyrenaeïsch wijsgeer, ongeveer gelijktijdig met +Epicurus; hij trachtte de leer van Aristippus te veredelen en zocht het +hoogste geluk in het genoegen, dat men vindt in vriendschap, gezellig +verkeer, streven naar eer en dgl. Zijn aanhangers heetten Annikereioi. + +Annii, waartoe o.a. de. Aselli, de Bellieni, de Lusci, de Milones +behoorden. 1) T. Annius Luscus, consul 153, als redenaar bekend. Hij +trad in 133 heftig op tegen Ti. Gracchus.--2) T. Annius Luscus Rufus, +consul 128.--3) T. Annius Milo Papianus, zoon van C. Papius Celsus +uit Lanuvium, doch door zijn grootvader van moederszijde tot zoon +aangenomen. Hij was in 57 volkstribuun, en geraakte met P. Clodius +(z. Claudii no. 17) in hevigen strijd, omdat hij diens vijandschap +tegen Cicero niet deelde. Daar beiden zich met benden zwaardvechters +omgaven, kwam het tot openbare gewelddadigheden. Intusschen begunstigde +Milo Cicero's terugroeping uit de ballingschap. In 52 ontmoette Milo, +die op reis naar Lanuvium was, bij Bovillae aan de via Appia Clodius, +die van zijn landgoed naar Rome terugkeerde. Tusschen beider gewapend +gevolg ontspon zich een strijd, waarbij Clodius, die toesnelde, door +een van Milo's slaven gewond en vervolgens op last van Milo zelf gedood +werd. Groote opgewondenheid te Rome en oproerige tooneelen volgden, +waarbij zelfs de curia Hostilia afbrandde. Milo, de vi aangeklaagd, +werd veroordeeld en ging in ballingschap naar Massilia. Cicero was door +de buitengewone maatregelen van den consul Pompeius tot handhaving +der orde zoo in verwarring gebracht, dat hij Milo slechts zwak +verdedigde. De oratio pro Milone, welke wij bezitten, is niet die, +welke in werkelijkheid door Cicero is uitgesproken.--4) A. Annius +Gallus, veldheer van keizer Otho, streed in den slag bij Bedriacum +tegen Vitellius. Later komt hij voor in den oorlog tegen Claudius +Civilis en de Batavieren.--5) P. Annius Florus, zie Florus.--6) +L. Annius Verus, praetor in Hispania, werd door keizer Hadrianus tot +zoon aangenomen en heette toen L. Aelius Verus, doch stierf nog vóór +Hadrianus. Hij had twee zoons, die beiden door keizer Antoninus Pius +werden aangenomen, en dus tot de Aureliussen overgingen, z. Marcus +Aurelius en Verus. + +Annona, de jaarlijksche opbrengst der akkers, als godin afgebeeld +met den hoorn des overvloeds in de eene en korenaren in de +andere hand. In het bizonder werd aldus het koren genoemd, dat +de senaat in Sicilia en Africa op staatskosten liet opkoopen, +om aan minvermogende burgers om niet of tegen lage prijzen uit +te deelen. De cura annonae was aan de aedilen opgedragen; Caesar +stelde zelfs eene nieuwe aediliteit in door twee aediles Cereales +te doen benoemen, terwijl Augustus de administratie van aanvoer +en uitdeeling van koren opdroeg aan een praefectus annonae. In den +beginne verkochten de aedilen het koren slechts tot zulk een prijs, +dat de graanhandelaars er door verhinderd werden woekerwinst te maken +en dat in tijden van schaarschte hongersnood werd geweerd. Doch in 123 +riep C. Sempronius Gracchus de eerste lex frumentaria in het leven, +volgens welke een paterfamilias uit de korenmagazijnen van den staat +eene bepaalde hoeveelheid koren per maand zou kunnen koopen tegen 6 +1/3 as den modius, ongeveer den halven marktprijs. Eene lex Appuleia +van den volkstribuun L. Appuleius Saturninus verlaagde den prijs tot +5/6 as, doch werd weder opgeheven, daar de schatkist dit niet kon +dragen. Eene lex Octavia van onbekenden datum bracht den prijs meer in +overeenstemming met de marktwaarde. Sulla hief de korenuitdeelingen op, +maar in 73 riep de lex Terentia et Cassia ze weder in het leven en +stelde den prijs per modius opnieuw op 6 1/3 as. De lex Clodia, 58, +beval de uitdeelingen om niet. Wanneer men nagaat, dat het aantal +bedeelden, hoewel door Pompeius beperkt, in den burgeroorlog tot +minstens 300000 aangroeide, door Caesar tot 150000 werd teruggebracht +en sedert op dit cijfer bleef, dan kan men begrijpen, hoe drukkend +deze uitdeelingen voor de schatkist waren. De gerechtigden ontvingen +eene tessera frumentaria, een abonnementsplankje. Zoodanige tessera +was alleen te verkrijgen, wanneer men als burger in eene tribus was +ingeschreven. Toen het volk alle staatkundige rechten had prijsgegeven +en de kans om, zoo er eene plaats openviel, eene tessera te bekomen, +het eenige voorrecht der tribus was, werden in den mond van het volk +beide woorden van gelijke beteekenis en zeide men zoowel tribum emere +als tesseram frumentariam emere. + +Annulus, beter anulus, daktylios, sphragis. Aan den ringvinger +der linkerhand droeg de Romein een zegelring; senatoren, ridders +en overheden droegen hem van goud. Onder de keizers werd met het +ius anuli (aurei) zeer lichtvaardig omgesprongen, en werd het zelfs +aan vrijgelatenen toegestaan, die hierdoor met vrijgeborenen werden +gelijkgesteld. Ten laatste droeg elk fatsoenlijk man een of meer gouden +ringen, dikwijls met kostbare edelgesteenten.--Ook voor huishoudelijke +zaken had men allerlei ringen, evenals bij ons, b.v. gordijnringen, +anuli velares, enz. + +Annus, to etos. Het grieksche jaar was verdeeld in 12 maanmaanden, +gerekend van de eene nieuwe maan tot de andere, en telde dus 354 +dagen, terwijl de maanden afwisselend 29 en 30 telden. Die van 30 +heetten menes plereis, de andere koiloi. Om de 3 jaren schoof men eene +schrikkelmaand in (men embolimaios); het schrikkeljaar heette daarom +trieteris. De namen der maanden en de indeeling van het jaar zijn in +de meeste Grieksche staten verschillend. Het attische jaar telde de +volgende 12 maanden: 1) Hekatombaion (van midden Juli-midden Aug.), +genoemd naar het feest der hecatomben.--2) Metageitnion (Aug.-Sept.), +de verhuismaand (waarin men van geitones, buren, verwisselde).--3) +Boedromion (Sept.-Oct.), naar het feest der Boedromia, ingesteld +ter gedachtenis aan de overwinning van Theseus op de Amazonen.--4) +Pyanepsion (Oct.-Nov.), naar het feest der Pyanepsia, het boonenfeest, +ter eere van Apollo, waarop men een gerecht van boonen of peulvruchten +at.--5) Maimakterion (Nov.-Dec), naar het feest der Maimaktreria, +ter eere van Zeus Maimaktes (= de razende, de god der stormen).--6) +Poseideon (Dec.-Jan.), naar Poseidon.--6*) In een schrikkeljaar +werd een tweede Poseideon ingeschoven.--7) Gamelion (Jan.-Febr.), +huwelijksmaand.--8) Anthesterion (Febr.-Mrt.), naar de Anthesteria, +een driedaagsch bloemenfeest ter eere van Dionysus.--9) Elaphebolion +(Mrt.-Apr.), naar de Elaphebolia, het hertenjachtfeest, ter eere van +Artemis.--10) Mounychion (Apr.-Mei), naar het feest der munychische +Artemis.--11) Thargelion (Mei-Juni), naar de Thargelia, een feest +ter eere van Apollo en Artemis.--12) Skirophorion (Juni-Juli), +naar de Skirophoria, een feest ter eere van Athena Sciras (skiron +is een witte parasol, dien de priesteressen van Athena bij dit feest +droegen). De maand werd verdeeld in drie dekaden, waarvan de laatste +naar omstandigheden 10 of 9 dagen telde. De eerste dekade heette men +histamenos of archomenos, de tweede men meson, de derde men phthinon, +apion, legon of pauomenos. De dagen der beide eerste dekaden werden +van 1 tot 10 geteld, die der laatste echter omgekeerd. Hoe men +dan bij maanden van 29 dagen deed, of dan de 21ste dag enate of +dekate phthinontos heette, is niet zeker. In het laatste geval +moest de deutera phthinontos worden uitgelaten; want de laatste +dag der maand heet altijd hene kai nea, als zijnde de dag, waarop +oud en nieuw elkander raakten, omdat eigenlijk op het oogenblik, +waarop de nieuwe maan inviel, ook de nieuwe maand begon. Hene kai +nea is dus de dag, die voor een deel de laatste dag der maand is +(de eerste van achteren af gerekend) en tevens voor een deel reeds +tot de nieuwe maand behoort.--Het romeinsche jaar was evenzeer +een maanjaar van 354 dagen. Het telde sedert Numa twaalf maanden, +waarvan oorspronkelijk Maart de eerste was, later Januari. De +namen zijn adiectiva. 1) mensis Ianuarius, naar den god Janus.--2) +m. Februarius, van de februa of doodenoffers, waarmede oudtijds het +jaar werd besloten.--3) m. Martius, aan Mars gewijd.--4) m. Aprilis, +van aperire, het openen der bloemknoppen.--5) m. Maius, naar Maia.--6) +m. Iunius, aan Juno geheiligd.--7) m. Quinctilis, oorspronkelijk de +vijfde maand, later ter eere van Caesar verdoopt tot m. Iulius.--8) +m. Sextilis, ter eere van Augustus tot m. Augustus verdoopt.--9-12) +m. September, October, November, December. Om de twee jaar schoof +men een schrikkelmaand in, mensis mercedonius of intercalarius, die +echter niet in het midden van het jaar, maar midden in de tweede helft +van Februari werd ingevoegd. Door onachtzaamheid van de pontifices, +die voor de tijdrekening moesten zorgen, en ook wel doordat men om +politieke bijoogmerken het invoegen van een schrikkelmaand achterwege +liet, waren ten tijde van Caesar de maanden niet minder dan 80 dagen +verschoven, weshalve hij als pontifex maximus het jaar 46 op 445 +dagen stelde en verder het jaar op 365 dagen met één schrikkeldag +om de vier jaren. Eene groote verwarring in de rom. chronologie is +ook hierdoor ontstaan, dat eerst sedert 153 het burgerlijk jaar op +1 Jan. begint. Vóór dien tijd begon het met de ambtsaanvaarding der +consuls, en wanneer nu door eene of andere stoornis deze aanvaarding +werd vertraagd of ook wel door omstandigheden vervroegd, dan versprong +het begin van het burgerlijk jaar, totdat eene nieuwe storing het +weder op een anderen datum bracht. + +In elke maand had men drie dagen, die een bijzonderen naam droegen: +Kalendae, Idus, Nonae. De Kalendae waren de eerste dag, aldus geheeten, +omdat op dien dag een der pontifices van de curia Calabra de nieuwe +maand afkondigde, die oorspronkelijk met de nieuwe maan samenviel. De +Idus (van iduare = dividere) vielen in Maart, Mei, Juli en October op +den 15den, anders op den 13den der maand en deelden dus de maand in +tweeën. De Nonae vielen negen (volgens onze telling acht) dagen vóór de +Idus, dus op den 5den of 7den. Men telde nu bij de vermelding van een +datum terug van de eerstvolgende Kalendae, Nonae, Idus. Zoo was b.v. 24 +Febr. volgens rom. telling de zesde dag vóór 1 Maart, en dus ante diem +sextum Kalendas Martias. Deze zesde dag werd in een schrikkeljaar +verdubbeld en telde dan 2 maal 24 uren, die onderscheiden werden in +bissextilis prior en posterior. De laatste was dus de schrikkeldag. + +Anquisitio, de aanklacht met opgaaf der geëischte straf, wanneer een +der overheden een beschuldigde voor de comitiën daagde. + +Anser, romeinsch dichter ten tijde van Augustus, die bij Antonius in +gunst stond en van hem een landgoed ten geschenke kreeg. Hij was een +bediller van Vergilius en wordt door Ovidius procax genoemd. + +Antae, parastades, vierkante pilasters, waarin de zijmuren van een +gebouw uitloopen, wanneer deze met het dak vooruitspringen, zoodat +zij vóór den ingang een open voorportaal vormen. Een tempel met zulke +antae werd een templum in antis (en parastasi) genoemd. + +Antaeus, Antaios, zoon van Poseidon en Gaea, een geweldige reus, +die over Libye regeerde en alle vreemdelingen dwong met hem te +worstelen. Daar hij bij iedere aanraking met zijne moeder (de aarde) +nieuwe kracht kreeg, was hij onoverwinnelijk en versloeg hij zooveel +tegenstanders, dat hij van hun schedels een tempel voor Poseidon konde +bouwen. Ook Heracles weerstond hij lang, maar toen deze zijn geheim +ontdekte, hief hij hem van den grond op en worgde hem zoo. Als men +aarde van zijn graf, dat bij Tingis was, afnam, begon het terstond +te regenen. + +Antalcidas, Antalkidas, een Spartaan, die in 393 naar den +perzischen generaal Tiribazus gezonden werd, om te trachten door +zijn tusschenkomst den perzischen koning te bewegen zijne hulp aan +de Atheners te onttrekken. Dit gelukte echter eerst toen de Atheners +den koning vertoornden door Euagoras van Cyprus te ondersteunen; +toen bewerkte Ant. dat Artaxerxes den Spartanen hulp beloofde, +indien de Atheners en hunne bondgenooten hunne vredesvoorstellen niet +aannamen. Zoo werd in 387/386 de Koningsvrede of vrede van Antalcidas +aan de oorlogvoerende staten voorgeschreven, waarbij bepaald werd, +dat iedere staat in Griekenland autonoom zoude zijn, de grieksche +steden in Azië aan de Perzen overgelaten werden, en ieder die zich +niet aan deze voorwaarden onderwierp, voor algemeen vijand verklaard +werd. Ant. zou later, geërgerd door de smadelijke bejegening hem door +Artaxerxes aangedaan, vrijwillig den hongerdood gestorven zijn. + +Antandrus, Antandros, stad in Troas of in Mysia, aan de golf van +Adramyttium. Aeneas zou hier scheep zijn gegaan. Hier werd na den +slag bij Cyzicus (410) met perzisch geld een nieuwe vloot voor +Sparta gebouwd. + +Antaradus, Antarados, havenstad van Aradus, in het Noorden van +Phoenicië. Aradus zelf lag op een eilandje in zee, Antaradus er +tegenover op de kust. + +Anteambulones, cliënten (in de latere beteekenis van het woord), +die voor aanzienlijke personen uitgingen, om in het straatgewoel ruim +baan voor hen te maken. + +Antea, Anteia, dochter van Iobates, z. Bellerophon. Na het vertrek van +Bellerophon bracht zij zichzelve van verdriet om het leven. V.a. komt +Bellerophon later weder bij haar, beweegt haar met hem te vluchten, +en werpt haar bij het eiland Melos in zee. + +Antecessores of antecursores, lichte troepen, vooral ruiterij, +die de spits van het leger op marsch uitmaakten en op verkenning +vooruitgingen.--Ook overdrachtelijk: baanbrekers, wegwijzers in eenig +vak van wetenschap, vooral in de rechtsgeleerdheid, exegetai. + +Anteius (P), gunsteling van Agrippina, doch om deze reden door Nero +gehaat. Beschuldigd zijnde, dat hij de sterren had geraadpleegd +aangaande Nero's dood, en eene veroordeeling voorziende, nam hij +eerst vergif in; toen dit echter te langzaam werkte, opende hij zich +de aderen (66 n. C.). + +Antemnae, oude latijnsche stad, dáár gelegen, waar de Anio zich in +den Tiber stort. De stad is reeds spoedig bij Rome ingelijfd. + +Antenor, Antenor, zoon van Aesyetes en Cleomestra, zwager van Priamus, +die gedurende den trojaanschen oorlog altijd op inwilliging van de +billijke eischen der Grieken aandrong. Daarom werd later verhaald, +dat hij de stad aan de Grieken verraden zou hebben en daarvoor zijn +leven en zijne bezittingen bij de plundering gespaard zouden zijn. Over +zijne verdere lotgevallen vindt men verschillende berichten. Hij zou +de helft van Priamus' bezittingen gekregen en op den Ida een nieuw +rijk gesticht hebben, of met Menelaus scheep gegaan en te Cyrene +gebleven zijn, waar de Antenoriden als halfgoden vereerd werden, +of met de Heneti, een paphlagonisch volk, naar Thracië en vervolgens +naar Italië gegaan zijn en daar de stad Patavium gesticht hebben. + +Antepilani. Voordat door Marius de verdeeling van het legioen in +tien cohorten werd ingevoerd, vormde het drie slagliniën, zóó, dat +in de eerste de hastati, in de tweede de principes, in de derde de +triarii of pilani stonden. Hierom werden de beide eerste liniën ook +antepilani genoemd. Zie voor het geheel onder Acies. + +Anteros, Anteros, de god der wederliefde, broeder van Eros. Daar +Eros niet groeien wilde, gaf Aphrodite hem op raad van Themis dezen +broeder tot speelmakker, en nu werd Eros krachtig en gezond; miste +hij hem echter, dan was hij weder treurig als vroeger. Ant. treedt +ook op als wrekend god, die het versmaden van liefde straft. + +Antesignani, 1) = antepilani, omdat de standaard van het legioen, de +adelaar, bij de triariërs was.--2) In Caesars tijd was antesignani +de naam eener vaste keurbende bij ieder legioen, zonder bagage en +dus altijd slagvaardig. + +Antestatio. Wanneer een Romein zijne tegenpartij op straat ontmoette +en hem uitnoodigde naar den praetor te gaan (in ius venire, in ius +ambulare), en de tegenpartij dan onwillig was, dan kon de eischer +hem met geweld voor den praetor brengen, mits hij den betoonden +onwil door de verklaring van een getuige kon staven. Daarom nam men +den een of anderen voorbijganger tot getuige, met de vraag: licetne +antestari? Stemde de gevraagde toe, dan raakte de vrager even diens +oorlel (auricula) aan, omdat men dáár den zetel van het geheugen zocht. + +Anthedon, Anthedon, stad aan de noordkust van Boeotia. De bewoners +leefden vooral van vischvangst en purperschelpvisscherij. Anthedon, +de vader van den onder de zeegoden opgenomen Glaucus, zou hier +geleefd hebben. + +Anthele, Anthele, plaatsje aan den ingang der Thermopylae, met een +tempel van Demeter, waar de vergaderingen der Amphictyonen werden +gehouden. + +Anthemus, he Anthemous, stad op Chalcidice, door Philippus van +Macedonië aan de Olynthiërs afgestaan. + +Anthemusia, Anthemousia, stad en landschap in het mesopotamische +gewest Osroene, ten Z.W. van Edessa. + +Anthene, Anthene, vlek in Thyreatis of Cynuria. + +Anthesteria, Anthesteria, een van de groote feesten ter eere +van Dionysus, te Athene den 11-13 Anthesterion (Februari-Maart) +gevierd. Den eersten dag (Pithoigia, opening der vaten) vierde men +het aftappen van den jongen wijn; op den tweeden dag, het kannenfeest +(Choes), werd een openbare maaltijd gehouden, waarbij men om het +hardst van den nieuwen wijn dronk; wie het eerst zijn kan geledigd +had, kreeg een prijs. Dit was de voornaamste dag van het feest, waarop +zelfs jonge kinderen zich met bloemen bekransten, en waarop de vrouw +van den archon basileus onder geheime plechtigheden en offers in het +Lenaeum aan den god uitgehuwd werd. De derde dag heette Chytroi, +pottenfeest, omdat men dan potten met peulvruchten als offer voor +den chthonischen Hermes en de zielen der afgestorvenen gereed zette. + +Anthesterion, Anthesterion, 8ste maand van het Attische jaar +(Febr.-Maart), z. Annus. + +Anthylla, Anthylla, stad in de Nijldelta tusschen Canopus en Naucratis. + +Antias, zie Valerii no. 36. + +Anticlea, Antikleia, dochter van Autolycus, gemalin van Laërtes, +moeder van Odysseus; zij stierf van smart over de lange afwezigheid +van haar zoon, die, volgens een later verhaal, niet Laërtes, maar +Sisyphus tot vader had. + +Anticirrha of -cyra, Antikirra, -kyra, naam van twee steden, de eene +in Phocis, de andere in het landschap Malis, aan den Spercheus. Beide +steden, doch vooral die in Phocis, waren in de oudheid bekend om de +teelt van nieskruid, dat als geneesmiddel tegen zwaarmoedigheid en +krankzinnigheid werd aangewend. + +Antidosis, ruiling. Te Athene kon iemand, wien naar zijne meening +ten onrechte een kostbare liturgie opgedragen was, eischen dat een +ander, die eerder daarvoor in aanmerking moest komen, de liturgie +van hem overnam, of dat hij anders zijn geheel vermogen met hem zou +ruilen. Wanneer deze eisch gedaan was, werden terstond de bezittingen +van beide partijen verzegeld, en binnen drie dagen werd een beëedigde +inventaris (apophasis) overgelegd, waarnaar de rechters te beslissen +hadden, ofschoon niet uitsluitend het verschil in vermogen in +aanmerking kwam, maar ook o.a. de vraag wie van beide partijen reeds +vroeger liturgieën bekostigd had, hoeveel geld daaraan besteed was, +enz. Indien de eisch werd toegewezen, nam de verliezende partij de +liturgie op zich; voor zoover ons bekend is, heeft eene werkelijke +ruiling nooit plaats gehad. + +Antigone, Antigone, 1) dochter van Oedipus en Iocaste +of Euryganea. Toen haar blinde vader in ballingschap ging, +vergezelde zij hem bij al zijne omzwervingen en deelde geduldig zijn +ongelukkig lot, totdat hij in Attica stierf. Naar Thebe teruggekeerd +gedurende de twisten tusschen hare broeders Eteocles en Polynices, +waagde zij het, in weerwil van Creon's verbod, den gesneuvelden +Polynices te begraven. In het grafgewelf der Labdaciden, waar zij +wegens die daad werd opgesloten, hing Ant. zich op, waarna haar +bruidegom Haemon, Creon's zoon, zich aan haar zijde van het leven +beroofde.--V. a. ontkwam zij door de hulp van Haemon en leefde +zij nog jaren lang op het land in geheimen echt met hem, totdat +Creon haar ontdekte en Haemon haar en zichzelf doodde. Haar edel +gedrag tegenover vader en broeder wordt dikwijls door attische +treurspeldichters vermeld.--2) dochter van Eurytion, gemalin van +Peleus. Toen Peleus de liefde van Astydamea onbeantwoord liet, zond +deze aan Ant. het onware bericht, dat hij op het punt was met Sterope +in het huwelijk te treden. Hierdoor misleid, hing Ant. zich op.--3) +dochter van Laomedon. Zij was zoo trotsch op haar schoone lokken, +dat Hera haar strafte door ze in slangen te veranderen, waarop de +goden medelijden met haar kregen en haar in een ooievaar veranderden. + +Antigonea, -nia, Antigoneia, -nia, naam van onderscheidene steden, +als: 1) in Syria aan den Orontes, residentie van Antigonus, den +gewezen veldheer van Alexander den Grooten. Later bracht Seleucus +Nicator het grootste gedeelte der inwoners naar het door hem in de +nabijheid gestichte Antiochia over.--2) in Macedonia aan den Axius.--3) +in Chalcidice.--4) in Epirus aan den Aous. Ook Alexandria Troas en +Nicaea in Bithynia hebben een tijd lang dezen naam gedragen. + +Antigonus, Antigonos, 1) Kyklops of Monophthalmos, afstammend van +de vorsten van Elymiotis, een man van een heerschzuchtig, maar vast +karakter, een van de voortreffelijkste veldheeren van Alex. d. G., +die hem in 333 tot satraap van Phrygië aanstelde. Bij de verdeeling +van het rijk na den dood van Alex. (323), kreeg Ant. Groot-Phrygië, +Lycië en Pamphylië, maar daar hij zich tegen de bevelen van Perdiccas +verzette, was hij genoodzaakt naar Antipater te vluchten. Toen deze +na den dood van Perdiccas rijksbestuurder werd, kreeg Ant. zijne +landen terug (321) en werd hem tevens het opperbevel opgedragen +tegen Eumenes, den standvastigen verdediger der rechten van het huis +van Alex. Na den dood van Antipater (319) vereenigde Ant. zich met +Cassander, Ptolemaeus en Seleucus tegen Polyperchon, en toen Eumenes +door verraad in de handen van zijn vijand gevallen was, was Ant. heer +over geheel Voor-Azië en Syrië (316). Maar deze groote macht wekte +bij zijne bondgenooten wantrouwen op, en toen Ant. nu ook Seleucus van +het stadhouderschap over Babylonië beroofde, vereenigden zij zich met +Lysimachus tegen hem (315). Nu ontstond een lange oorlog, die in Azië, +Griekenland en Aegypte met afwisselend geluk gevoerd werd, en waarin +Ant. door zijn dapperen zoon Demetrius Poliorcetes bijgestaan werd. De +nederlaag door dezen in 312 bij Gaza geleden, dwong Ant. wel vrede +te sluiten, doch spoedig werd de oorlog hervat, en in 306 behaalde +Demetrius in den zeeslag bij Salamis op Cyprus eene groote overwinning +op Ptolemaeus, waarna Ant. den titel van koning aannam, welk voorbeeld +weldra door zijn tegenstanders gevolgd werd. Eindelijk werd in den +grooten slag bij Ipsus (301), waarin Ant. sneuvelde en Demetrius op +de vlucht gejaagd werd, het lot van Azië ten gunste der verbondenen +beslist.--2) Gonatas (zoo genoemd naar zijn geboorteplaats Goni of +Gonnus of naar een ijzeren band, dien hij om de knie droeg), zoon van +Demetrius Poliorcetes, wist zich in de Peloponnesus te handhaven, +toen zijn vader uit Macedonië verdreven werd (287). Na diens dood +(283) werd hij koning van Macedonië, ofschoon hij tot 276 eerst door +Seleucus, later door Ptolemaeus Ceraunus verhinderd werd de regeering +te aanvaarden. Later werd hij nog tweemaal uit zijn rijk verjaagd, +eerst door Pyrrhus, vervolgens door Alexander van Epirus, maar telkens +keerde hij terug en eindelijk onderwierp hij zich ook Epirus. In +277 overwon hij de Galliërs in een grooten slag bij Lysimachia, +later bestreed hij het achaeïsch verbond, maar zonder gevolg. Hij +stierf in 240.--3) Doson (die altijd geven zal, maar nooit geeft) of +Epitropos, kleinzoon van Demetrius Poliorcetes, bestuurde Macedonië na +den dood van Demetrius II (229), met wiens weduwe hij later trouwde, +als voogd van Philippus III en later als koning. In het begin van zijn +regeering was hij genoodzaakt een oorlog tegen verschillende grieksche +staten te beëindigen door een vrede, waarbij de onafhankelijkheid +van bijna geheel Griekenland erkend werd. In 224 werd zijn hulp +ingeroepen door Aratus, die het achaeïsch verbond onder macedonische +bescherming stelde. Ant. trok naar de Peloponnesus, overwon Cleomenes +(z. a. no. 4) in den slag bij Sellasia (221), dwong Sparta tot het +achaeïsch verbond toe te treden en vestigde door zijne overwinningen +opnieuw den macedonischen invloed in Griekenland. Spoedig na zijn +terugkomst in Macedonië overleed hij.--4) van Carystus, leefde +aan het hof van Attalus I en was schrijver van een aantal werken +over geschiedenis, biografie, kunst, enz. Bewaard gebleven is een +verzameling van merkwaardigheden op natuurhistorisch gebied. + +Antigrapheus, controleur over het geldelijk beheer van den raad +(ant. tes boules) of van den schatmeester (ant. tes dioikeseos), +in beide gevallen door het volk verkozen. + +Antigraphe, verweerschrift, eigenlijk antwoord op eene graphe; +de antigraphe bevatte echter niet altijd eene verdediging tegen de +aanklacht, maar konde ook de bevoegdheid van rechtbank of aanklager +betwisten, enz. Aanklacht en verweerschrift worden soms te zamen +antigraphai genoemd. + +Antilibanus, Antilibanos, bergketen ten Oosten van en evenwijdig met +den Libanon of Libanus. + +Antilochus, Antilochos, zoon van Nestor en Eurydice of Anaxibia, een +van de dapperste helden voor Troje, en na Patroclus de dierbaarste +vriend van Achilles. Hij werd door Memnon verslagen, terwijl hij +zijn vader uit een groot gevaar redde, daarom wordt hij Philopator +genoemd. Zijn asch werd bij die van Achilles en Patroclus bijgezet. + +Antimachus, Antimachos, 1) atheensch volksredenaar, tijdgenoot van +Aristophanes.--2) dichter en grammaticus uit Colophon, omstreeks 400, +door Plato hoog geschat. Zijne voornaamste werken waren een epos +Thebaïs, waarin hij de thebaansche oorlogen, en een elegisch gedicht +Aude, waarin hij eene reeks heldengeschiedenissen behandelde. De +Alexandrijnen noemden hem den grootsten epischen dichter na Homerus. + +Antinoöpolis, Antinoou polis, prachtige stad aan den Nijl, in het +Zuiden van Midden-Aegyptus, door keizer Hadrianus gesticht ter +gedachtenis aan zijn lieveling Antinoüs, die hier verdronk. + +Antinoüs, Antinoos, 1) zoon van Eupithes, de overmoedigste en +onbeschaamdste onder Penelope's vrijers, ook de eerste, die door +Odysseus' pijlen werd getroffen.--2) een beeldschoon jongeling, +de lieveling van keizer Hadrianus, dien hij op diens reizen +vergezelde. Hij verdronk in den Nijl. De keizer stichtte op de plaats +van het ongeluk de stad Antinoöpolis, liet te Mantinea voor hem een +tempel bouwen en hem nog andere eer bewijzen. Hij werd door tal van +stand- en borstbeelden vereeuwigd; ook een sterrenbeeld werd naar +hem genoemd. + +Antiochia, -ea, Antiocheia, naam van een aantal steden. 1) +Ant. Epidaphnes (he epi Daphnes), aldus naar een naburig laurierbosch +genoemd, de prachtige hoofdstad van het syrische rijk, omstreeks +300 door Seleucus Nicator gesticht en naar zijn vader Antiochus +genoemd. Door zijne opvolgers nog verfraaid en uitgebreid, bestond +het ten laatste uit vier afzonderlijk ommuurde steden. Prachtige +zuilengangen, ter lengte van een uur gaans, doorsneden de stad in +rechte lijn. Handel en wetenschappen bloeiden er. De stad lag aan den +Orontes. Hier kwam voor het eerst de naam van Christenen in gebruik, +later werd het de zetel van een patriarch. In 260 na C. werd A. door +den nieuw-perzischen koning Sapores I gedeeltelijk verwoest, en in 538 +door Chosroës. Keizer Justinianus liet het op kleiner schaal herbouwen +en zóó komt het nog voor in de geschiedenis der kruistochten.--2) +Ant. ad Maeandrum, in Caria, met eene beroemde brug over de rivier, +door Antiochus I Soter (281-261) gesticht.--3) Ant. ad Pisidas, in +Phrygia nabij de pisidische grens, later Caesarea (z. a. no. 7).--4) +Ant. Margiana, thans Merw, in Margiane.--Ook andere steden, zooals +Adana aan den Sarus, in Cilicia, Nisibis in Mesopotamia, Edessa, +hebben tijdelijk den naam Antiochia gedragen. + +Antiochis, Antiochis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van +Attica door Clisthenes verdeeld werd. De meeste van de demen, die er +toe behoorden, lagen in het oosten van Attica. + +Antiochus, Antiochos, 1) veldheer van Philippus van Macedonië, +vader van Seleucus Nicator.--2) Ant. I, Soter bijgenaamd na eene +overwinning op de Galliërs behaald, zoon en opvolger van Seleucus +Nicator, geb. 324, regeerde van 281-261, maar voor dien tijd was hij +reeds sedert 293 mederegent zijns vaders geweest, en had toen het +oostelijk gedeelte van het groote Seleucidenrijk bestuurd. Verliefd op +zijne stiefmoeder Stratonice en die liefde voor hopeloos houdende, +werd hij ernstig ziek, maar toen zijn vader de oorzaak zijner +ziekte vernomen had, stemde hij in het huwelijk met Stratonice toe +(293). Gedurende zijne regeering had hij dikwijls met de Galliërs +te kampen, die hij meermalen overwon, maar eindelijk sneuvelde hij +in een slag tegen hen bij Ephesus, 261. Ook tegen Eumenes I van +Pergamus voerde hij oorlog, maar zonder gevolg.--3) Ant. II, na de +verdrijving van den milesischen tyran Timarchus Theos bijgenaamd, +zoon en opvolger van Ant. I. Een ongelukkige oorlog, dien hij +tegen Aegypte voerde, eindigde daarmede, dat hij zijne gemalin +Laodice verstiet, Berenice, de dochter van Ptolemaeus Philadelphus, +tot vrouw nam (250), en beloofde dat, wanneer uit dit huwelijk een +zoon geboren werd, deze hem zou opvolgen. Toen echter na den dood +van Ptolemaeus Laodice teruggeroepen werd, vergiftigde zij hem, +Berenice en hun kind (246). Onder zijn regeering begonnen één voor +één de oostelijke provinciën van het Seleucidenrijk af te vallen en +maakten zich onafhankelijk. Zie Arsaces.--4) Ant. Hierax, jongere +zoon van Ant. II, betwistte zijn broeder Seleucus II de regeering; +na verscheidene nederlagen moest hij vluchten en werd hij na vele +omzwervingen door roovers gedood (227).--5) Ant. III de Groote, +geb. 242, zoon van Seleucus II Callinicus, kwam, na de korte regeering +van zijn broeder Seleucus III Ceraunus, in 223 aan de regeering +(223-187). In 219 begon hij een oorlog tegen Ptolemaeus Philopator, +die hem Phoenicië en Coele-Syrië ontnomen had, maar opstanden +van verschillende stadhouders in het Oosten, die gedeeltelijk door +Ptolemaeus ondersteund werden, beletten hem den oorlog met kracht te +voeren. Eerst in 217 had hij alle binnenlandsche vijanden overwonnen en +konde hij zich weder tegen Aegypte wenden, hij verloor echter den slag +bij Raphia en werd genoodzaakt vrede te sluiten. In 209 ondernam hij +een oorlog tegen de Parthen en Bactriërs, dien hij met geluk voerde, +ofschoon hij hen niet konde onderwerpen; sedert dien oorlog werd hij +"de Groote" bijgenaamd. Na den dood van Ptolemaeus IV Philopator +(z. Ptolemaeus no. 8) (205), die door een zoon van nog geen 5 jaar +opgevolgd werd, meende Ant. dat de kans schoon was om zijn verloren +gebied te hernemen, en verbonden met Philippus III van Macedonië +slaagde hij inderdaad hierin door de overwinning bij Panion aan den +Jordaan (200). waarop een vrede volgde, die later door het huwelijk +van zijne dochter Cleopatra met Ptolemaeus Epiphanes bevestigd +werd. Door de Romeinen misleid, die hem van een krijgstocht tegen +Eumenes van Pergamus hadden teruggehouden, besloot hij Philippus in +den oorlog tegen hen te ondersteunen; hij stak naar Europa over (196), +maar vond den oorlog reeds ten gunste der Romeinen beslist, die nu +van hem eischten, dat hij de reeds bezette steden aan den Hellespont +en in de Chersonesus zoude ontruimen en aan Ptolemaeus het veroverde +land zoude teruggeven. Door deze eischen verbitterd en door Hannibal, +die uit Carthago tot hem gevlucht was, tegen de Romeinen opgezet, +bereidde hij zich tot den oorlog voor, en toen eindelijk zijne hulp +door de Aetoliërs ingeroepen werd, trok hij met een groot leger naar +Griekenland (192); hier vond hij echter weinig steun, terwijl hij de +raadgevingen van Hannibal niet opvolgde, Philippus door zijn overmoedig +gedrag beleedigde en geruimen tijd werkeloos op Euboea bleef. In 191 +werd hij door M'. Acilius Glabrio bij de Thermopylae verslagen en +zag hij zich genoodzaakt naar Azië terug te keeren. Met zijn vloot +was hij niet gelukkiger, zoodat L. Cornelius Scipio, na een groote +overwinning ter zee bij Myonnesus, in Azië kon landen en Ant. in den +slag bij Magnesia aan den Sipylus zulk een nederlaag toebracht, dat hij +om vrede moest vragen (190); deze werd hem gegeven, maar ten koste van +al het land aan deze zijde van den Taurus, al zijne oorlogsschepen en +olifanten en eene oorlogsbelasting van 15000 talenten. Toen Ant. nu +in zijne geldverlegenheid een inval in het land der Elymaeërs deed +en daar een tempel van Zeus plunderde, werd hij door het volk gedood +(187).--6) Ant. IV Epiphanes (spottend noemden velen hem epimanes, +zoon van Ant. III, volgde in 175 zijn broeder Seleucus Philopator +op, nadat hij 14 jaar te Rome als gijzelaar had doorgebracht. Ook +hij begon spoedig een oorlog tegen Aegypte, en bemachtigde ook weder +Phoenicië, Palaestina en Coele Syrië; ook in Aegypte zelf, waar twee +broeders elkander de regeering betwistten (z. Ptolemaeus no. 10), +drong hij door, eerst om een van hen te helpen, en toen zij zich later +verzoend hadden, als vijand van beiden. Reeds was hij met zijn leger +Alexandrië genaderd, toen de rom. gezant C. Popillius Laenas hem het +bevel van den senaat kwam brengen den oorlog te staken en Aegypte +te verlaten, aan welk bevel Ant., verschrikt door het ruwe optreden +van den gezant, (z. Popilii no. 3) gehoorzaamde (168). Den Joden +trachtte hij tevergeefs den griekschen godsdienst op te dringen, +zijne wreede vervolgingen dreven hen integendeel tot openlijken +opstand, en aangevoerd door de heldhaftige Maccabaeërs, wisten zij +zich zelfs tegen het leger van Ant. staande te houden. In 165 stierf +Ant. te. Tabae in Perzië.--7) Ant. V Eupator, zoon van den vorigen, +was bij den dood van zijn vader nog zeer jong. De veldheer Lysias +en de gunsteling van Ant. IV, Philippus, betwistten elkander met de +wapenen de voogdij over den knaap, maar nauwelijks had Lysias zijn +tegenstander overwonnen, toen Demetrius, zoon van Seleucus Philopator, +die tot nu toe als gijzelaar te Rome geweest was, de regeering kwam +opeischen, Ant. en Lysias gevangen nam en hen ter dood liet brengen +(162).--8) Ant. VI Theos, zoon van Alexander Balas, wierp zich in +144 tegen Demetrius Nicator als koning op en maakte zich bijna van +het geheele rijk meester; hij werd echter in 142 vermoord door +Tryphon, die toen zelf den troon besteeg.--9) Ant. VII Sidetes +(te Side opgevoed) verdreef Tryphon (137), dwong den joodschen +vorst Johannes Hyrcanus tot onderwerping (132) en sneuvelde in een +slag tegen de Parthen (129).--10) Ant. VIII Philometor of Grypos +(haviksneus) moest na den dood van zijn vader, Demetrius Nicator, +eenige jaren met diens tegenstander, Alexander Zabina (z. Alexander +no. 12), om de regeering strijd voeren; eindelijk verjoeg hij hem door +de hulp van Aegypte. Later (sinds 117) betwistte zijn halfbroeder, +Ant. Cyzicenus, hem de regeering; eer deze langdurige twist beslecht +was, werd Ant. vermoord (97). Deze broedertwisten en die der volgende +vorsten zijn grootendeels de oorzaak van het verval en den ondergang +van het rijk der Seleuciden geworden.--11) Ant. IX Kyzikenos (hij +had te Cyzicus gewoond) moest na den dood van Ant. VIII den oorlog +tegen diens zoon, Seleucus Epiphanes voortzetten en sneuvelde reeds in +95.--12) Ant. X Heusebes, zoon van Ant. IX, overwon Seleucus Epiphanes, +versloeg bij den Orontes (94) Antiochus Philadelphus en Philippus, +twee andere zonen van Ant. Grypus, die een opstand tegen hem verwekt +hadden, en sneuvelde in een slag tegen de Parthen (na 83).--13) +Ant. XI Philadelphos, z. no. 12. Na den ongelukkigen slag aan den +Orontes verdronk hij op de vlucht in die rivier (94).--14) Ant. XII +Lionysos vatte de wapenen op tegen zijn broeder Philippus (86), maar +sneuvelde spoedig in den strijd tegen een arabischen volksstam.--15) +Ant. XIII Asiaticus, zoon van Ant. X, de laatste der Seleuciden. Nadat +het syrische rijk sedert den dood van Ant. XII bij Armenië ingelijfd +was geweest, werd het door Lucullus hersteld en Ant. XIII op den troon +geplaatst (68). Pompeius ontnam hem echter weldra de regeering weder +en maakte Syrië tot een rom. provincie (64). Deze Antiochus is het, +die als prins op zijn reis van Rome naar Antiochia door Verres te +Syracuse beroofd werd.--15a) Antiochus I, koning van Commagene, zoon +van Mithradates I van Commagene, regeerde 69-34. Hij hielp Pompeius +met troepen tegen Caesar; hij stierf kort voor 31.--16) Ant. II, +koning van Commagene, die wegens een moord door Augustus met den dood +gestraft werd (29).--17) Ant. III, koning van Commagene, die in 17 +na C. stierf, waarop zijn rijk tot 38 een rom. provincie werd.--18) +Ant. IV Epiphanes, kreeg in 38 n. C. van Caligula weder de regeering +over Commagene; hij hielp Nero tegen de Parthen en Vespasianus tegen +de Joden, in 72 rezen er echter vermoedens tegen hem en werd hem +de regeering ontnomen. Commagene werd weder ingelijfd en met Syria +vereenigd.--19) stuurman onder Alcibiades, die hem tijdelijk het bevel +over de vloot opdroeg. In strijd met zijne bevelen, gaf Ant. door +zijne roekeloosheid aanleiding tot het ongelukkige zeegevecht bij +Notium, waarin Lysander de atheensche vloot op de vlucht joeg en 15 +schepen buit maakte (407).--20) Ant. van Syracuse, ouder tijdgenoot +van Thucydides, schreef eene geschiedenis van Italië en Sicilië, +die met lof genoemd wordt.--21) Ant. van Ascalon, leerling van Philo +no. 6, stichter der zoogen. vijfde academie, die de leer der academie +met die der stoa tracht in overeenstemming te brengen. Hij erkent, +dat de deugd voldoende is voor een gelukkig leven, maar beweert dat +voor eene vita beatissima nog andere dingen noodig zijn. Cicero en +Varro behoorden tot zijne leerlingen. + +Antiope, Antiope, 1) dochter van Asopus of van Nycteus, om hare +schoonheid door Zeus bemind, wien zij Amphion en Zethus baarde. Toen +zij gevoelde dat zij moeder worden zoude, vluchtte zij uit vrees voor +den toorn van haar vader naar Sicyon. Nycteus doodde zich uit verdriet +hierover, en droeg aan zijn broeder Lycus op hem te wreken. Deze +haalde Ant. terug, die intusschen met Epopeus, koning van Sicyon, +gehuwd was, en gaf haar als slavin aan zijne gemalin Dirce, die haar +twintig jaren lang de wreedste behandeling liet ondergaan. Eindelijk +vluchtte zij naar hare zonen, die op Dirce wraak namen (z. Amphion), +maar daardoor het misnoegen van Dionysus opwekten; deze liet Ant. in +waanzin rondzwerven, totdat Phocus, een kleinzoon van Sisyphus, haar +genas en tot vrouw nam.--2) z. Amazones. Zij werd bij Theseus moeder +van Hippolytus. In den strijd dien de Amazonen tegen Athene voerden, +werd Ant. gedood, of v. a. wist zij een vrede te bewerken. + +Antipater, Antipatros, 1) een van de veldheeren van Philippus +van Macedonië. In die hoedanigheid had hij zooveel bewijzen van +bekwaamheid en trouw gegeven, dat Alexander hem gedurende zijne +buitenlandsche veldtochten als stadhouder van Macedonië en Griekenland +achterliet. Ook deze betrekking bekleedde hij met roem, hij dempte een +opstand der Thraciërs en versloeg de Lacedaemoniërs, die onder Agis II +Griekenland van de macedonische heerschappij trachtten te bevrijden, +in den slag bij Megalopolis (330). In 324 riep Alexander, ongeduldig +geworden door de herhaalde klachten van zijne moeder, die steeds +met Ant. in onmin was, hem naar Azië, maar door zijn spoedig daarop +gevolgden dood bleef dit bevel onuitgevoerd, vandaar het verhaal dat +Ant. Alex. door vergif zou hebben laten dooden. Terstond na den dood +van Alexander vereenigden de Grieken zich weder om zich van Macedonië +los te maken; Ant. werd in Lamia ingesloten (323), maar de komst van +Leonnatus noodzaakte de belegeraars hem uit de stad te laten trekken, +en door Craterus geholpen, versloeg hij het grieksche leger bij Crannon +en maakte daarmede aan den oorlog een einde (322). Tegen het streven +van Perdiccas om zich van de regeering over het geheele rijk meester +te maken, vereenigde zich Ant. met Antigonus, Craterus en Ptolemaeus, +en toen Perdiccas vermoord was, werd hij tot rijksbestuurder benoemd +(320). In het volgende jaar stierf hij, nadat hij Polyperchon als +zijn opvolger had aangewezen.--2) kleinzoon van den vorigen, zoon +van Cassander, werd in 296 koning van Macedonië. Hij doodde zijne +moeder Thessalonica, omdat hij meende dat zij zijn broeder Alexander +begunstigde; deze verjoeg hem daarop met de hulp van Demetrius +Poliorcetes; hij vluchtte naar zijn schoonvader Lysimachus, die hem in +287 liet ter dood brengen.--3) Ant. van Tarsus, opvolger van Diogenes +den Babyloniër als hoofd der stoicijnsche school. Hij leefde in het +midden van de 2de eeuw. Hij was de leermeester van Panaetius.--4) +Ant. van Tyrus, hoofd der stoicijnsche school, leermeester en vriend +van den jongen Cato, stierf te Athene omstreeks 45.--5) Caelius +Ant. z. Caelii no. 1. + +Antiphanes, Antiphanes, geb. op Rhodus, een geestig en bekwaam attisch +blijspeldichter, wien 260 stukken worden toegeschreven. Zijne eerste +werken verschenen omstreeks 387. + +Antiphates, Antiphates, de wreede vorst der Laestrygonen, die een van +de gezellen van Odysseus verslond, en elf van diens schepen door zijn +volk liet verbrijzelen, zoodat slechts één schip konde ontkomen. Zijn +naam wordt soms spreekwoordelijk voor een wreedaard gebruikt. + +Antiphilus, Antiphilos, 1) schilder, tijdgenoot van Apelles.--2) +na den dood van Leosthenes (323) aanvoerder van het grieksche leger +in den lamischen oorlog. + +Antiphon, Antiphon, 1) geb. te Athene omstreeks 480. Hij ontving +van zijn vader Sophilus, een sophist, het eerste onderwijs in de +welsprekendheid, waarin hij later uitmuntte, zoodat hem in den +alexandrijnschen canon der attische redenaars de eerste plaats +gegeven werd. Slechts eenmaal trad hij zelf als redenaar op, en +wel om zichzelven te verdedigen. Daar hij n.l. ijverig deelgenomen +had aan de invoering van de regeering der 400, werd hij, nadat de +democratie hersteld was, door Theramenes van hoogverraad aangeklaagd +en in weerwil van zijn meesterlijke verdediging ter dood veroordeeld +(411). Hoewel wegens zijn aristocratische gezindheid niet populair, +was hij zeer gezocht als schrijver van pleitredenen (logographos). Van +deze zijn drie bewaard gebleven; bovendien hebben wij nog van hem +twaalf ontwerpen van redevoeringen, verdeeld in drie tetralogieën, +ieder bevattend aanklacht, verdediging en beiderzijdsche replieken in +een gefingeerde moordzaak. Hij gaf ook onderwijs in de redekunst en +schreef eene techne rhetorike, die verloren is.--2) treurspeldichter, +die eerst te Athene en later aan het hof van den tyran Dionysius +leefde; hij hielp dezen bij het maken zijner treurspelen, maar werd +wegens zijne vrijmoedigheid gedood. + +Antipolis, Antipolis, stad op de Zuidkust van Gallia Narbonensis, +nabij de grenzen van Italië, thans Antibes. + +Antiquo. Bij het stemmen in de volksvergadering over wetsvoorstellen +beteekende de letter A: antiquo = ik ben voor het oude, dus: ik ben +tegen het voorstel. + +Antirrhium en Rhium, Antirrion en Rhion, twee kapen tegenover elkander, +de eerste ten N., de andere ten Z., aan de invaart der corinthische +golf. + +Antissa, Antissa, havenstad aan den N. W. kant van Lesbus. + +Antisthenes, Antisthenes, Athener, geb. omstreeks 444 en gestorven op +den leeftijd van 70 jaar. Nadat hij in zijne jeugd van den sophist +Gorgias onderwijs had gehad en later zelf sophistisch onderwijs had +gegeven, leerde hij Socrates kennen en bleef hij tot diens dood zijn +leerling. Na dien tijd trad hij weder als leeraar op en stichtte hij +eene nieuwe school, die de cynische genoemd wordt naar het gymnasium +Cynosarges, waar hij onderwijs gaf. Zijne vrij eenzijdige opvatting van +de leer van Socrates was, dat de deugd voldoende is voor een gelukkig +leven, dat zij bestaat in het onafhankelijk zijn van behoeften en +in het vermijden van het kwaad, dat genot op zichzelf een kwaad is, +omdat het ongeschikt maakt te streven naar het bereiken van deugd. Door +zijne leefwijze, waarin hij deze leer streng in praktijk bracht, en +door zijne overredingskracht verwierf hij zich vele aanhangers. Van +zijne talrijke geschriften zijn twee onbeduidende werkjes bewaard +gebleven, aan welker echtheid door velen getwijfeld wordt. + +Antistii, een plebejisch geslacht. 1) P. Antistius, op last van den +jongen Marius omgebracht (82), was een goed redenaar en pleiter.--2) +Pacuvius Antistius Labeo, een van Caesars moordenaars, bracht na +den slag bij Philippi zich zelf om.--3) M. Antistius Labeo, zoon van +no. 2, vurig republikein, weigerde het consulaat, hem door Augustus +aangeboden. Hij was een groot rechtsgeleerde en stichtte eene beroemde +school, die den geest der wetten van het oude Rome huldigde. (Zie +Proculi no. 2.) Tegenover zijne philosophische richting stond de +historische richting van den niet minder beroemden Ateius Capito. + +Antitaurus, Antitauros, bergketen, die zich van den Taurus afscheidt +en zich midden door Armenia minor in N. O. richting uitstrekt. + +Antitimasthai z. timema no. 3. + +Antium, Antion, oude stad in Latium, op eene ver vooruitspringende +landtong gesticht en door zeeroof zeer berucht. Toen na den koningstijd +de Volsci de vlakte ten W. van hun bergen veroverden, kwam Antium +in hun bezit, en werd nu hoofdstad van het Volscische land, en +handelsconcurrent van Ostia. In 340 sloot het zich bij de afgevallen +latijnsche steden aan, en moest in 338 zich overgeven en zijne vloot +uitleveren, terwijl eene nieuwe kolonie er heen gezonden werd. De +snebben der zes overgeleverde schepen werden als zegeteeken aan het +spreekgestoelte op het romeinsche forum bevestigd (rostra). Sedert +werd Antium volkomen machteloos gehouden; doch tegen het einde der +republiek was het een geliefkoosd verblijf der romeinsche grooten, die +hier paleizen en buitenverblijven hadden. Onder de tempels was vooral +de Fortuna-tempel beroemd door een orakel (sortes Antiatinae). Antium +was de geboorteplaats van de keizers Caligula en Nero. + +Antomosia, de eed, waarmede de aanklager en de aangeklaagde in een +proces hunne verklaringen bekrachtigen. + +Antoniae (leges), van den drieman M. Antonius, 44. Het eerste tweetal +der hieronder genoemde wetten werd nog bij Caesars leven aangenomen, +de overige na zijn dood. 1) lex de Quinctili mense Iulio appellando, +ter eere van Caesar (zie annus).--2) dat aan de circensische spelen +ter eere van Caesar een vijfde dag zou worden toegevoegd.--3) de +dictatura in perpetuum tollenda, tot afschaffing der dictatuur.--4) +lex agraria zie agrariae (leges).--5) lex iudiciaria tot wederinvoering +eener derde decuria van rechters, zonder census (zie iudex).--6) lex +de provocatione, dat zij, die de vi en de maiestate veroordeeld waren, +in hooger beroep bij het volk konden komen (zie provocatio).--7) lex de +provinciis, waardoor het stadhouderschap over de consulaire provinciën +op 6 jaar werd vastgesteld.--8) lex de provinciarum permutatione, dat +o.a. Antonius in plaats van Macedonia Gallia Cisalpina zou krijgen, +dat aan D. Brutus ontnomen werd, terwijl C. Antonius (z. Antonii no. 5) +Macedonia kreeg.--9) lex de actis Caesaris confirmandis, waarbij alle +verordeningen van Caesar rechtsgeldig werden verklaard. + +Antonii. 1) M. Antonius orator, een der beste redenaars van +zijn tijd, die in Cicero's werk de oratore een der hoofdpersonen +van het gesprek is. In 143 geboren, was hij in 99 consul, in 97 +censor. In den burgeroorlog koos hij de partij van Sulla en werd in +87 op last van Marius en China omgebracht, waarna zijn hoofd op de +rostra werd tentoongesteld. Hij was de grootvader van den lateren +triumvir.--2) M. Antonius Creticus, zoon van no. 1, voerde, althans +in naam, in 74 als propraetor oorlog tegen de zeeroovers. Hoewel met +buitengewone macht bekleed, voerde hij weinig meer uit, dan dat hij +Sicilia plunderde. Een aanval op Creta mislukte; Antonius leed eene +schandelijke nederlaag, die hem den spotnaam Creticus bezorgde, en +stierf van hartzeer in 71.--3) O. Antonius, bijgenaamd Hybrida, ook +een zoon van no. 1, was in 63 Cicero's ambtgenoot in het consulaat. Hij +was sinds 87 met Sulla in Asia, pleegde op den terugweg rooverijen in +Griekenland, wist met Sulla's vogelvrijverklaringen zijn voordeel te +doen, doch werd in 70 om zijne roofzucht uit den senaat gezet door de +censoren L. Gellius Poplicola en Cn. Cornelius Lentulus Clodianus. Hij +was in het geheim deelgenoot van Catilina's samenzwering, doch +Cicero wist hem door eene ruiling van provinciën daarvan af te +trekken. Antonius trok echter niet zelf tegen Catilina op, maar +zond, onder voorwendsel van voeteuvel, zijn legaat A. Petreius. Als +proconsul van Macedonia leed hij eene nederlaag tegen de bergvolken, +en werd in 59 aangeklaagd en niettegenstaande de verdediging van +Cicero veroordeeld. De punten van aanklacht, en de quaestio, waarbij +de aanklacht in behandeling kwam, staan niet vast. Hij ging naar het +eiland Cephallenia, eene civitas libera, in ballingschap, maar werd in +44 door Caesar teruggeroepen.--4) M. Antonius, zoon van no. 2, werd +in 82 geb., diende onder A. Gabinius in 58-55 in Syria en sloot zich +in 54 bij Caesar aan, door wiens toedoen hij in 52 quaestor en in 50 +augur en volkstribuun werd. Bij de toenemende spanning tusschen Caesar +en Pompeius was hij een ijverig kampioen voor Caesar en trotseerde +de woede van diens vijanden in den senaat, zoo zelfs, dat hij en zijn +medetribuun Cassius vermomd uit Rome moesten vluchten (Jan. 49). Dit +was voor Caesar een voorwendsel om den oorlog te beginnen. Toen Caesar +bezit van Rome had genomen en naar Hispania vertrok, liet hij Antonius +als legatus pro praetore in Italia achter. In den slag bij Pharsalus +(48) voerde Antonius het bevel over den linkervleugel van Caesars +leger. Later geraakte hij echter met Caesar in onmin, doch verzoende +zich in 45 met hem en werd in 44 consul. Hij was het ook, die aan +Caesar (15 Febr. bij het feest der Lupercalia) den koningsdiadeem +aanbood. Zijn eigenlijke rol begon hij na Caesars dood te spelen. Hij +wilde de erfgenaam worden van Caesars macht, maakte zich meester +van Caesars papieren, wond door eene hartstochtelijke lijkrede het +volk op, en wist van den senaat de wettigverklaring te verkrijgen +van alle besluiten en verordeningen, die nog onder Caesars nagelaten +papieren gevonden werden. Antonius bracht nu allerlei beschikkingen +voor den dag, waarmede hij zelfs handel dreef. In plaats van de +provincie Macedonia, die aan M. Brutus ontnomen, en hem toegewezen +was, verlangde hij van den senaat Gallia Cisalpina, doch deze, meer +en meer verbitterd en aangevuurd door Cicero's zoogen. philippische +redevoeringen, weigerde, waarop Antonius eene wet uitlokte, waarbij +D. Junius Brutus als stadhouder van Cisalpina door hem vervangen +werd. Intusschen was, zeer te onpas voor Antonius, Caesars neef +en aangenomen zoon Octavianus op het tooneel verschenen. Een derde +persoon was M. Aemilius Lepidus, die als Caesars magister equitum +op den dag van diens moord aan het hoofd van een leger stond, dat +naar Hispania zou uittrekken. Toen nu Antonius tegen D. Brutus was +opgetrokken en dezen in Mutina (Modena) belegerde, zond de senaat +een leger uit onder de beide consuls C. Vibius Pansa en A. Hirtius +en den negentienjarigen Octavianus. Antonius werd verslagen (43); +Hirtius en Pansa kwamen in den strijd om. Antonius, inziende dat hij +Octavianus te licht had geteld, verbond zich met Lepidus en verzoende +zich vervolgens met Octavianus. Toen kwam het driemanschap tot stand; +onder den naam van triumviri reipublicae constituendae lieten zich +de drie bondgenooten voor den tijd van vijf jaren met alle gezag +bekleeden. Hun eerste zorg was de uitroeiing der republikeinsche +partij. Meer dan 2000 ridders en senatoren werden vogelvrij en hunne +goederen verbeurd verklaard. Onder de slachtoffers was ook Cicero, +tegen wien Antonius een doodelijken haat koesterde, zoowel om diens +hevige bestrijding, alsook omdat Antonius' stiefvader, P. Cornelius +Lentulus Sura, als eedgenoot van Catilina, op Cicero's last ter dood +was gebracht. Na vervolgens met Octavianus het republikeinsche leger +onder Brutus en Cassius bij Philippi in Macedonia te hebben verslagen +(Nov. 42), begaf Antonius zich naar Azië en leerde te Tarsus in Cilicia +de schoone Cleopatra kennen, die hij weldra naar Aegypte volgde (herfst +van 41). Inmiddels zocht zijne gemalin Fulvia in Italië het gezag +van Octavianus te ondermijnen en zette haren zwager L. Antonius tot +een oorlog aan (bellum Perusinum 41), terwijl Sex. Pompeius met eene +vloot den korenaanvoer naar Rome onderschepte en vasten voet in Italië +en op de nabijgelegen eilanden zocht te verkrijgen. Antonius, hoewel +bedreigd door een inval van de Parthen, begaf zich naar Italië, doch +weifelde, of hij zich bij Sex. Pompeius zou aansluiten of niet. Onder +den drang der verschillende legers kwam toen te Brundisium (Sept. 40) +en later met Pompeius te Misenum (39) de vrede tot stand. Antonius +kreeg het Oosten, Octavianus het Westen, Lepidus Africa, Pompeius +Sicilia, Sardinia, Corsica en de Peloponnesus. Daar Fulvia inmiddels +overleden was, sloot Antonius een tweede huwelijk met Octavianus' +zuster Octavia. Het triumviraat werd in den herfst van 37 te +Brundisium voor vijf jaren (tot einde 33) hernieuwd. Toen echter +S. Pompeius vermoord (36) en Lepidus op zijde gezet was, kon de +band tusschen Octavianus en Antonius niet lang meer bestaan. In de +armen van Cleopatra vergat Antonius zijne vrouw, de edele Octavia, +en zijne waardigheid. Steeds tot genot en uitspattingen geneigd, +werd hij nu een schandvlek voor den romeinschen naam. Aan Cleopatra +en hare kinderen schonk hij provinciën, de pergameensche bibliotheek +werd naar Alexandrië overgebracht; hij gaf het ongehoorde feit te +aanschouwen, dat hij binnen deze stad een triomftocht hield over den +onttroonden koning Artavasdes van Armenia (34); hij bedreigde ook +rechtstreeks de belangen van Octavianus, door Caesarion, den zoon van +Cleopatra en Caesar, tot erfgenaam zijns vaders te verklaren. Toen +werd de breuk onvermijdelijk (begin 32). Bij Actium ontmoetten de +mededingers elkander (2 Sept 31). De vloot van Antonius had bijna de +dubbele sterkte van die zijner tegenpartij, die door M. Vipsanius +Agrippa werd aangevoerd; doch reeds in het begin van den strijd +ging Cleopatra met de aegyptische schepen op de vlucht. Antonius, +die niet buiten zijn geliefde kon, volgde haar. Ten laatste, +door bijna allen verlaten en misleid door een valsch bericht van +Cleopatra's dood, stortte hij zich in zijn zwaard (1 Aug. 30).--5) +C. Antonius, broeder van no. 4, diende als legaat onder Caesar +(49) en kreeg vervolgens het stadhouderschap over Macedonia (44), +dat eerst aan zijn broeder Marcus was gegeven. Macedonia was echter +reeds in handen van Brutus. C. Antonius werd (begin 43) te Apollonia +ingesloten en moest zich overgeven. Hij werd gevangen gehouden, maar +na de vermoording van Cicero in het begin van 42 op last van Brutus +gedood.--6) L. Antonius, ook een broeder van no. 4, liet zich in 41, +tijdens zijn consulaat, door zijne schoonzuster Fulvia overhalen, +den oorlog met Octavianus te beginnen (bellum Perusinum). Diens +veldheeren M. Vipsanius Agrippa en Q. Salvidienus Rufus sloten hem +echter binnen Perusia op. Door honger gedwongen moest de stad zich +overgeven (winter van 41/40). Octavianus schonk aan L. Antonius +genade en benoemde hem zelfs tot praetor in Hispania. Zijn verdere +levensloop is niet bekend.--7) M. Antonius, zoon van no. 4 uit diens +huwelijk met Fulvia, werd in 30, na den dood van zijn vader, door +Octavianus ter dood veroordeeld. Bij de Grieksche schrijvers heet +hij gewoonlijk Antyllos.--8) Iulus Antonius, jongere zoon van no. 4 +en Octavia, werd door Augustus vriendelijk behandeld en zelfs tot +consul verheven (10). Later werd hij in eene liefdesgeschiedenis +verwikkeld met Julia, de zedelooze dochter van Augustus, en ter +dood gebracht (2); v. s. voorkwam hij zijn terechtstelling door +zelfmoord te plegen.--9) L. Antonius, zoon van no. 8, stierf als +balling te Massilia (Marseille) in 25 na C.--10) Antonia maior, +oudste dochter van no. 4 en Octavia, huwde L. Domitius Ahenobarbus en +was de grootmoeder van Nero.--11) Antonia minor, zuster van no. 10, +beroemd door deugd en schoonheid, huwde met Drusus en was de moeder +van Germanicus en keizer Claudius.--12) Antonia, dochter van keizer +Claudius, werd door Nero ter dood gebracht (tusschen 66 en 68 n. C.). + +Niet tot de familie der Antonii behooren:--13) M. Antonius Felix, +vrijgelatene van Antonia minor, gehuwd met eene kleindochter van +M. Antonius en Cleopatra. Onder Claudius en Nero was hij procurator van +Iudaea (52-60 n. C.), dat veel van zijne hebzucht te lijden had. In +58 liet hij den Apostel Paulus gevangen nemen, en hij hield hem +gevangen. Pallas, de invloedrijke vrijgelatene onder keizer Claudius, +was zijn broeder.--14) Antonius Musa, lijfarts van Augustus, dien +hij (23) door eene koudwaterkuur van een zware ziekte genas.--15) +M. Antonius Primus, uit Gallia, diende onder Galba en koos daarna de +partij van Vespasianus en versloeg de troepen van Vitellius tweemaal +bij Cremona (einde Oct. 69 n. C.). Hierop (20 Dec.) nam hij Rome +in en liet Vitellius smadelijk ombrengen.--16) Antonius Polemo, uit +Laodicea, beroemd rhetor onder Traianus en later, stichtte te Smyrna +eene rhetorenschool. Toen de jicht hem het leven ondragelijk maakte, +liet hij zich doodhongeren. + +Antoninus Pius, keizer van het rom. rijk werd in 86 n. C. te +Lanuvium in Latium geboren uit eene familie, die uit het Zuiden van +Gallia afstamde. Zijn volledige naam was T. Aurelius Fulvus Boionius +Arrius Antoninus, naar zijn vader T. Aurelius Fulvus en zijne beide +grootouders van moederszijde, Boionia Procilla en Arrius Antoninus. Hij +werd door keizer Hadrianus tot zoon en opvolger aangenomen (begin +138) zonder dat hij evenwel diens geslachtsnaam Aelius aannam. Hij +had Hadrianus innig lief en hield dezen in zijne laatste levensjaren +van meer dan ééne wreede daad terug. Na 's keizers dood (10 Juli 138) +verdedigde hij diens nagedachtenis in den verbitterden senaat en eerde +hem ook door het stichten van tempels, hetgeen hem den bijnaam Pius +bezorgde. Hij was een der beste keizers, zachtmoedig, rechtvaardig, +mild, eenvoudig en huiselijk. Zijne regeering (138-161) wordt als een +tijdperk van vrede en welvaart geroemd, toch zijn er ook duidelijke +teekenen waar te nemen van verarming, vooral van Italië, en van +verval van het rijk. Slechts een paar maal moest hij oorlog voeren, +in Britannia (142), waar hij de grenzen van het rijk uitbreidde, +door een nieuwen grenswal in Schotland aan te leggen (z. Vallum +Antonini), en tegen de Mauren in Afrika; een oproer in Iudaea werd +met weinig moeite onderdrukt. Overeenkomstig Hadrianus' verlangen nam +hij M. Aelius Verus (keizer M. Aurelius) en diens broeder L. Verus +tot zoons en opvolgers aan, zie Annii no. 6. + +Antron, Antron, stad in Phthiotis (Thessalia), aan den mond der +malische golf. + +Antyllos z. Antonii no. 7. + +Anubis, Anoubis, aegyptische godheid, als een jakhals of als een +mensch met den kop van een jakhals voorgesteld. De Grieken maakten +daarvan een hondekop, en daar hij de zielen der afgestorvenen naar +de onderwereld geleidde, stelden zij hem gelijk met Hermes. Bij de +Romeinen werd hij als helhond vereerd. + +Anulus = Annulus. + +Anxur, later Tarracina geheeten, oude stad der Volscen, aan zee en aan +de via Appia gelegen, nabij de pomptijnsche moerassen, in 406 door de +Romeinen veroverd, maar in 402 weer verloren gegaan, 400 weer heroverd, +sedert 329 romeinsche kolonie. Op eene steile kalkrots lag het kasteel, +en nabij de stad een tempel der godin Feronia. + +Anytus, Anytos, rijk leerkooper te Athene, een van de leiders der +democratische partij bij de verdrijving der 30, die hem verbannen +hadden. Hoewel lang met Socrates bevriend, trad hij later als een van +zijne aanklagers op. Waarschijnlijk werd hij later weder verbannen, +hij stierf te Heraclea in Pontus. + +Aoede, Aoide, z. Musae. + +Aones, Aones, oude volksstam in Boeotia, in de streek Aonia, aan den +Helicon. De Muzen, aan wie de Helicon geheiligd was, worden meermalen +Aoniae sorores of Aonides genoemd, en de wateren der bron Aganippe +Aoniae aquae. Als stamvader der Aoniërs wordt Aon, Aon, een zoon van +Poseidon, genoemd. + +Aornus, Aornos, naam van eenige hooggelegen plaatsen, als: 1o. stad +in Bactria, 2o. bergvesting aan den Indus, ten N. van de uitmonding +van den Cophen in den Indus. Zie ook Avernus lacus. + +Aorsi, Aorsoi, machtig handelsvolk ten Noorden en Westen der Caspische +zee. + +Aous, Aoos, Aoos, rivier in het Zuiden van Illyria, die zich ten +Z. van Apollonia in de ionische zee stort. + +Apagoge. Te Athene had in sommige gevallen ieder, die als aanklager +wilde optreden van een misdadiger, die op heeterdaad betrapt was +of aan wiens schuld geen twijfel bestond, het recht den misdadiger +zelf te vatten en voor den magistraat te brengen, die het proces +moest leiden, meestal de elfmannen. Deze handeling heette apagoge, +evenals de schriftelijke aanklacht die tegelijkertijd ingediend moest +worden. Werd de aanklacht door den magistraat aangenomen, dan moest de +beschuldigde drie borgen stellen of hij werd gedurende de behandeling +der zaak gevangen gehouden. + +Apame, Apama, Apame, 1) eerste echtgenoote van Seleucus I Nicator, +moeder van Antiochus I.--2) v. s. Arsinoe geheeten, dochter van +Antiochus I, echtgenoote van Magas, stadhouder van Cyrene. Na diens +dood (258) ontbood zij den zoon van Demetrius Poliorcetes, om met hare +dochter Berenice (z. a. no. 3) te trouwen, die reeds met Ptolemaeus +III verloofd was. Zij werd echter zelve op Demetrius' zoon verliefd, +en verwekte daardoor zooveel misnoegen bij het volk, dat het hem in +hare armen doodde, en haar alle macht ontnam. + +Apamea, Apameia, naam van onderscheiden steden, meest aldus geheeten +naar Apama, de echtgenoote van Seleucus Nicator, den stichter van +het Seleucidenrijk.--1) Apamea ad Orontem, vroeger Pella geheeten, +door Seleucus vergroot en verfraaid, waarnaar het omliggende +landschap Apamene werd geheeten.--2) Apamea Cibotus (he Kibotos = +kast, stapelplaats), de belangrijkste stad van Groot-Phrygia, in de +onmiddellijke nabijheid van Celaenae gelegen.--3) Ap. in Bithynia +vroeger Myrlea aan de Propontis, door Prusias I vergroot en naar zijne +gemalin Apama genoemd.--Verder had men nog steden van dezen naam aan +den Boven Euphraat, in Osroene, aan de samenvloeiing van Euphraat en +Tigris, en in Media. + +Apaturia, Apatouria, een feest dat in alle ionische staten gevierd +werd. Te Athene viel het in de maand Pyanepsion (Oct.-Nov.) en duurde +het drie dagen, die dorpia, anarrysis en koureotis heetten. Op den +derden dag werden de jonge kinderen op de lijsten der phratriën +ingeschreven, na aan de leden der phratrie te zijn voorgesteld; voor +ieder kind werd door den vader een schaap of bok geofferd. Gestemd +werd over de opneming alleen wanneer iemand er tegen protesteerde, +wat men doen kon door het offerdier van het altaar weg te leiden. Op +den derden dag gaven ook jongens, die de school bezochten, proeven +van hunne vorderingen, vooral in het declameeren; zij die daarin +uitmuntten kregen prijzen. + +Apeleutheros, vrijgelaten slaaf. Slaven, die aan den staat een +of anderen gewichtigen dienst bewezen hadden, werden dikwijls van +staatswege tegen vergoeding aan hun heer vrijgelaten. Had een slaaf +geld om zich zelf vrij te koopen, waartoe de toestemming van den heer +noodig was, dan was daarbij de medewerking van een burger noodig; +meestal trad een priester als tusschenpersoon op. Natuurlijk stond +het den heer vrij zijne slaven ook zonder losprijs de vrijheid te +geven. Aan de vrijlating waren dikwijls zekere voorwaarden verbonden, +z. apostasiou dike. + +Apeliotes, Apeliotes, de Oostenwind. Zie Windstreken. + +Apella, naar het schijnt, een te Rome veelvuldig voorkomende of +althans zeer bekende jodennaam. + +Apelles, Apelles, de beroemdste schilder der oudheid (356-308), geb. te +Colophon of te Ephesus, leerling van Pamphilus. Zijne werken muntten +uit door waarheid en bevalligheid, vooral in de laatste eigenschap +was hij onovertroffen. Alex. d. G. schatte hem zeer hoog; onder de +vele portretten die hij van dien vorst schilderde, was vooral beroemd +de "bliksemslingerende Alexander", die in den tempel van Artemis te +Ephesus hing. Als het meesterstuk van Ap. gold de Aphrodite Anadyomene +(z. Anadyomene). + +Apellicon, Apellikon, van Teos, vond omstreeks 100 een aantal +onuitgegeven handschriften van Aristoteles en bezorgde een uitgave +daarvan. Bij de inneming van Athene (87) viel zijn kostbare bibliotheek +in handen van Sulla, die haar naar Rome overbracht. + +Apenninus mons, Apenninos, de Apennijnen, de bekende bergketen, +die Italië doorsnijdt. V. s. beter Appenninus. + +Apex, een met wol omwonden olijftakje, dat op de punt der vilten +priestermuts was bevestigd (zie albogalerus). Ook wordt het woord +wel voor het geheele hoofddeksel gebezigd. Soms wordt apex gebruikt +voor de spits toeloopende tiara der perzische koningen en beteekent +in figuurlijken zin de kroon, het teeken der hoogste waardigheid. + +Aphaca, ta Aphaka, stad in Phoenice, op de helling van den Libanon, +met een tempel en een orakel van Aphrodite. + +Aphaea, Aphaia, eene aan de Cretensische Dictynna verwante godin, die +op Aegina vereerd werd. Aan haar was de beroemde tempel gewijd, waarvan +het beeldhouwwerk in München bewaard wordt. De naam wordt afgeleid +van het verdwijnen der godin, toen Andromedes, een visscher die +haar van Creta overgebracht had, haar met zijn liefde vervolgde. Zie +Britomartis. + +Aphaireseos dike. Wanneer een slaaf weggeloopen was, dan konde zijn +heer of ieder ander belanghebbende hem vatten waar hij hem vond, en +naar zijn huis medenemen. Tegen dengene, die zich daartegen verzette, +konde de aphair. d. ingebracht worden, en wanneer hij in het ongelijk +gesteld werd, moest hij den aanklager eene schadevergoeding en den +staat eene boete betalen. + +Aphamiotai = klarotai. + +Apharetidae, Apharetidai, Idas en Lynceus, de zonen van Aphareus, +koning van Messenië, namen deel aan de calydonische jacht en aan +den tocht der Argonauten. Zij waren met de Dioscuren opgegroeid, +maar kregen eens twist met hen over de verdeeling eener kudde, of om +de dochters van Leucippus, die met de Apharetiden verloofd waren en +door de Dioscuren ontvoerd werden. Het kwam tot een gevecht, waarbij +Castor door Idas, Lynceus door Polydeuces verslagen werd. Idas werd +daarop echter door Zeus met den bliksem gedood. Hun graf werd later +te Sparta getoond. + +Aphareus, Aphareus, 1) zoon van Perieres, vader der Apharetidae.--2) +zoon van den sophist Hippias, door Isocrates als zoon aangenomen, +redenaar en treurspeldichter. Hij schreef 37 treurspelen, waarvan 4 +den eersten prijs behaalden. Zijne werken vallen tusschen 369 en 342. + +Aphetae, Aphetai, stad in Zuid-Thessalia, ten O. van de invaart in +de Pagasaeische golf. + +Aphetoi hemerai heetten te Athene dagen, waarop geene +raadsvergaderingen of rechtszittingen gehouden werden, zooals +feestdagen en aopophrades hemerai. + +Aphidna, Aphidnae, Aphidna, Aphidnai, versterkte stad in Attica, +ten N. van Marathon gelegen. Toen Theseus met Pirithous naar de +onderwereld ging, gaf hij Helena en Aethra aan zijn vriend Aphidnus, +die te Aphidna woonde, ter bewaring. De Dioscuren namen de stad in +en voerden de beide vrouwen weg. + +Aphrodisia, ta Aphrodisia, feesten ter eere van Aphrodite door geheel +Griekenland en het plechtigst te Paphus op Cyprus gevierd. + +Aphrodisias, Aphrodisias, naam van steden, aan Aphrodite geheiligd. 1) +In Caria, met een prachtigen tempel, waarvan nog overblijfselen +aanwezig zijn. In den burgeroorlog omhelsde de stad de zaak van Caesar +en werd eene civitas libera.--2) In Cilicia tracheia, met een ruime +haven.--Ook een eiland op de kust van Cyrenaïca heette zoo. + +Aphrodite, Aphrodite, Venus, dochter van Zeus en Dione, of van Uranus +en Hemera of, volgens het meest bekende verhaal, uit het schuim der zee +geboren en bij Cyprus geland (Aphrogeneia, Anadyomene, Kyprogeneia), +oorspronkelijk godin der lente, der vruchtbaarheid en der algemeene +voortplantingskracht in de natuur (Ourania), vandaar ook godin van het +huwelijk, van het huisgezin en dus van de grondvesten van den staat +(Pandemos), eindelijk en voornamelijk van liefde en schoonheid; deze +laatste hoedanigheden traden mettertijd zoozeer op den voorgrond, dat +men ook de namen Ourania en Pandemos daarmede in betrekking bracht, +en haar den eersten gaf als beschermster der reine, kuische liefde en +van het huwelijk, den anderen als godin van zinnelijk liefdegenot. Zij +is het, die de lente met bloemen tooit en haar bekoorlijkheid verleent, +die den menschen schoonheid geeft en die hun al of niet liefde voor +elkaar inboezemt Epistrophia, Apostrophia. Zij wordt door de dichtkunst +en de beeldende kunsten voorgesteld als een ideaal van schoonheid +en lieftalligheid, Chryseie, Philomeides; zij draagt den gordel, +die alle toovermiddelen der liefde bevat en die goden en menschen aan +hare macht onderwerpt; steeds vergezellen haar de Horen en Chariten, +Peitho, Eros, Pothus en Himerus. Haar eeredienst, hoezeer door de +Grieken veredeld, bleef altijd toch nog vele sporen van oostersche +afkomst vertoonen, en kenmerkte zich veelal aan den eenen kant door +uitgelaten vroolijkheid, aan den anderen door buitensporige smart (zie +Adonia). De duif, de haas, de dolfijn, de roos, de papaver, de myrte, +de appel waren haar gewijd. In vele tempels van Aphrodite mochten geene +bloedige offers gebracht worden. Hoewel gemalin van Hephaestus, maakte +zij toch vele andere goden en menschen door hare liefde gelukkig; +Ares, Hermes, Adonis, Anchises, e.a. Door hare verhouding tot Ares +wordt zij ook in zekeren zin eene oorlogsgodin Areia, ofschoon de +werken van den oorlog haar vreemd zijn en zij eenmaal, toen zij ter +verdediging van Troje zelve op het slagveld verscheen, door Diomedes +gewond werd. Vooral in zeeplaatsen werd zij hoog vereerd en daar men +gewoon was haar om een gelukkige vaart te bidden, kreeg zij den naam +van Euploia. Eindelijk had zij nog vele bijnamen naar de plaatsen waar +hare heiligdommen stonden: Kypris, Paphia, Kythereia, Erykine, e.a. + +Aphroditopolis, Aphrodites polis, naam van verschillende steden in +Boven-, Midden- en Neder-Aegypte. + +Aphthonius, Aphthonios, een sophist, die in de vierde eeuw n. C. te +Antiochië leefde; hij was een leerling van Libanius en schreef een +handboek der redekunst, Progymnasmata, dat nog tot de 17e eeuw bij +het onderwijs gebruikt werd. + +Aphytis, Aphytis, stad op het macedonische schiereiland Pallene, +met een tempel van Zeus Ammon. + +Apia, Apie, Apia ge, oude naam voor de Peloponnesus, afgeleid van +een oud-argivisch koning Apis. + +Apicius, naam van een drietal groote lekkerbekken, tijdens Sulla, +Tiberius en Traianus. De tijdgenoot van Tiberius, M. Gabius Apicius, +nam, toen hij het grootste deel van zijn vermogen door de keel had +gejaagd, vergif in, uit vrees te moeten verhongeren, wanneer hij niet +meer naar hartelust kon smullen. Op naam van Caelius Apicius bestaat +nog een kookboek, uit de derde eeuw na C., de re culinaria. + +Apidanus, Apidanos, rivier in Thessalia, zijtak van den Enipeus, +die in den Peneus uitstroomt. + +Apion, Apion, alexandrijnsch grammaticus, die onder Tiberius, Caligula +en Claudius te Alexandria en Rome onderwijs gaf, een pronkerige +en ijdele zwetser, vandaar Mochthos geheeten. Als hoofd van de +anti-semitische partij te Alexandria, voerde hij het woord als afgezant +van deze partij bij keizer Caligula (40 n. C.) (zie ook Flavius +Josephus). Hoofd van de tegenpartij was Philo (z. a. no. 7). Van zijne +talrijke werken is bijna niets overgebleven, want de Glossai Homerikai, +die zijn naam dragen, zijn slechts een uittreksel uit een werk van hem. + +Apis, Apis, 1) zoon van Phoroneus en Teledice of Laodice: hij +was koning van Argos en trachtte zich van de heerschappij over de +Peloponnesus meester te maken. Naar hem zou de Peloponnesus Apia +(Apia ge) heeten.--2) zoon van Azan, werd bij de lijkfeesten voor +zijn vader bij ongeluk door Aetolus gedood.--3) de heilige stier +der Aegyptenaren, die vooral te Memphis een prachtigen tempel had, +waar hij door zijne priesters op koninklijke wijze verzorgd werd en +uit gouden vaatwerk at en dronk. Elk jaar was er ongeveer een maand +lang te zijner eere een feest, dat met zijn verjaardag eindigde. Als +hij 25 jaar oud werd, werd hij op een geheime plaats verdronken, +gebalsemd en in een gouden kist bijgezet; stierf hij vroeger, dan +was geheel Aegypte in rouw, totdat eene nieuwe stier gevonden was, +die de vereischte eigenaardigheden van kleur enz., had; deze werd +dan met groote feesten en plechtigheden naar Memphis gebracht. De +Aegyptenaren meenden dat de Apis door een lichtstraal voortgebracht +was en dat hij de drager was van de ziel van Osiris. + +Apocleti, apokletoi, z. Aetolisch verbond. + +Apodektai, ontvangers, te Athene tien ambtenaars, die de +meeste staatsinkomsten moesten innen en aan de verschillende +bestuursdepartementen overdragen. + +Apodoti, Apodotoi, een half barbaarsche volksstam in Aetolia op de +grenzen van Locris. + +Apodyterium, apodyterion, ontkleedkamer in de openbare badhuizen, +waar men zijne kleederen in bewaring gaf en zich na het baden weder +aankleedde. In de badvertrekken begaf men zich slechts ongekleed. + +Apographe, iedere officiëele opgave van personen, gelden, goederen, +enz., in het bizonder: 1) kadaster ten behoeve van den census en +de verdeeling in klassen aangelegd. Dit kadaster werd jaarlijks of +om de twee of vier jaar naar eene nieuwe schatting vernieuwd; het +was bij de demarchen in bewaring.--2) inventaris van aan den staat +behoorende goederen en aanklacht tegen hen, die zulke goederen aan +den staat trachtten te onthouden. + +Apoikia, eene nederzetting van Grieken in een vreemd land, colonia, +die een zelfstandigen staat vormt, onafhankelijk van de moederstad, in +tegenstelling met emporion, handelsfactorij, die geen eigen gemeente +vormde, en met klerouchia, een kolonie, waarin de burgers hun oude +burgerrecht behielden. Worden de kolonisten opgenomen in een reeds +bestaande stad, dan spreekt men van epoikia (z. epoikoi). + +Apollinares (ludi), in den tweeden punischen oorlog ingesteld (212), +om van Apollo de afwering van verdere oorlogsrampen, v. a. van ziekten +te verkrijgen. Zij werden onder leiding van den praetor urbanus in +den circus maximus gevierd, in Juli. + +Apollinis promunturium, Apollonos akron, ook prom. pulchrum genoemd, +op de kust van Africa, ten Noorden van Carthago. + +Apollinopolis, Apollonos polis, naam van twee steden aan den Nijl, +waar de aegyptische god Horus = Apollo bijzonder vereerd werd. De eene, +maior bijgenaamd, lag boven Thebae, aan den linker oever der rivier; +de andere, minor, aan den rechteroever stroomafwaarts van Thebae. + +Apollo, Apollon, zoon van Zeus en Leto, geboren op Delus (Delios) +aan den voet van den berg Cynthus (Kynthios), te gelijk met +Artemis. Oorspronkelijk was hij een zonnegod (Phoibos, de lichte, +reine); later ging deze beteekenis van Apollo nagenoeg verloren en +werd hij beschouwd als de beschermer van het goede en schoone, de +handhaver van wet en orde. Als zoodanig straft hij, de vertreffende +boogschutter, met de pijlen van zijn zilveren boog (Hek(at)ebolos, +Hekaergos, Argyrotoxos, Klytotoxos, Arcipotens, Arcitenens) de slechten +en overmoedigen, maar brengt aan den anderen kant heil aan en weert +het verderf af (Alexikakos, Soter). De geneeskunde, later aan zijn +zoon Asclepius toegeschreven, behoorde oorspronkelijk tot zijn wezen +(Akesios, Paion, Paian, Medicus). Zijne zorg strekt zich ook over het +vee en de veldvruchten uit; hij beschermt niet slechts de kudden tegen +de aanvallen van den wolf (Lykoktonos), maar dient ook zelf als herder +(Nomios) bij Laomedon en Admetus; ook de jagers bidden hem om geluk +op de jacht (Agreus). Hij voltrekt niet alleen de besluiten van Zeus, +maar verkondigt den menschen ook diens wil als orakelgevend god, hoewel +zijne uitspraken dikwijls voor het beperkte menschenverstand duister +zijn (Loxias). Door zijn orakels heeft hij den grootsten invloed +op het openbare leven der Grieken, en heeft hij vooral dikwijls +den eersten stoot gegeven tot de stichting van volksplantingen +(Archegetes, Ktistes); hij beschermt de openbare orde in de steden +(Aguieus, Agoraios) en over het algemeen het geordende stadsleven; +hijzelf heeft de muren van Troja en Megara gebouwd en tal van steden, +waarvan vele naar hem Apollonia genoemd werden, beschouwden hem als +haar stichter. Ook de zedelijke wereldorde staat in zekeren zin onder +zijn hoede: reinigingsoffers aan Apollo gebracht ontlasten den mensch +van de schuld der zonde, vooral bloedschuld, en bevrijden hem van de +onvermijdelijk daaropvolgende straf; hijzelf boette het dooden van +den draak Python (Pythios) of den moord der Cyclopen door geruimen +tijd als herder te dienen, voordat hij zich van zijn schuld reinigen +konde. Vandaar het gebruik zich op gezette tijden en in het bizonder +na zware misdaden en algemeene rampen, die het bestaan van schuld +doen vermoeden, door reinigingsoffers met den god te verzoenen, +wat zoowel door enkele personen als door vereenigingen, ja door +geheele staten gedaan werd.--Nadat Hermes de lier had uitgevonden, +gaf hij die aan Ap. in ruil voor kudden, die hij hem ontvreemd had; +sedert dien tijd bespeelt Ap. dit instrument in de vergaderingen der +goden en daardoor wordt hij de god der muziek, later van gezang en +dichtkunst, eindelijk stelt hij zich als beschermer van alle schoone +kunsten aan het hoofd van de Muzen (Mousagetes). De dienst van Apollo +was door geheel Griekenland verbreid; naar de verschillende plaatsen, +waar hij heiligdommen en orakels had, en waarvan Delphi de voornaamste +was, heet hij Amyklaios, Abaios, Ismenios, Klarios, enz. In Attica +werd hij als Ap. Patroos nevens Zeus Herkeios als beschermer van het +familieleven vereerd. De zwaan, de dolfijn, de wolf, de olijfboom, +de palmboom en de laurier waren hem gewijd.--Door de Romeinen werd het +delphische orakel reeds vroeg geraadpleegd, en onder den invloed der +sibyllijnsche boeken werd de dienst van Ap. ook bij hen ingevoerd. Na +de pest van 433 werd de eerste tempel voor Ap. Medicus te Rome gewijd; +in 399 werden, mede bij gelegenheid van eene pest, voor het eerst +lectisternia ter eere van Ap., Latona en Diana gehouden. Augustus +beschouwde zich als een beschermeling van den god en geloofde dat hij +door zijne gunst den slag bij Actium had gewonnen, daarom vergrootte en +verrijkte hij zijn tempel op dat voorgebergte, verhoogde den luister +waarmede zijne feesten daar gevierd werden en bracht die feesten ook +naar Rome over; bovendien stichtte hij ook op den Palatijnschen berg +een prachtigen tempel voor Ap. Palatinus.--De beelden van Ap. stellen +hem gewoonlijk voor als jeugdig, hoog van gestalte, met edele trekken +en schoone, golvende lokken (Akersekomes). + +Apollodorus, Apollodoros, 1) Athener, wiens bloeitijd omstreeks +144 valt, stoicijnsch wijsgeer en geleerde, een zeer vruchtbaar +schrijver. Zijne werken, die van wijsgeerigen en geschiedkundigen +inhoud waren en waaronder eene wereldgeschiedenis in verzen, waaruit +latere schrijvers veel geput hebben, zijn verloren gegaan. Een +mythologisch werk onder den titel Bibliotheke, dat zijn naam draagt, +is òf een uittreksel uit een werk van Ap. òf het heeft een lateren +naamgenoot tot schrijver. Het is uit de 2e eeuw n. C.--2) van +Pergamus, als rhetor te Apollonia onderwijzer van Octavianus, met +wien hij naar Rome kwam, waar hij een eigen school stichtte.--3) twee +blijspeldichters, de oudste, een tijdgenoot van Menander, van Gela, +de andere geb. te Carystus; twee stukken van een van hen zijn door +Terentius in het Latijn bewerkt.--4) van Tarsus, treurspeldichter.--5) +van Tarsus, grammaticus.--6) beroemd atheensch schilder, omstreeks +400, een van de eersten die perspectief in hun werk brachten.--7) +van Damascus, beroemd bouwmeester, die de meeste groote bouwwerken +van Traianus uitvoerde; later viel hij bij Hadrianus in ongenade. Hij +was ook schrijver van een werk over belegeringskunst.--8) Ephillus, +stoicijn, omstreeks 100.--9) Epicurist, die meer dan 400 boeken +schreef, omstreeks 140-100. + +Apollonia, Apollonia, naam van verschillende steden, als 1) +in het land der ozolische Locriërs;--2) op Chalcidice;--3) niet +ver vandaar in Macedonia;--4) de havenstad van Cyrene, eene van +de vijf steden der pentapolis Cyrenaïca;--5) op de Noordkust van +Sicilia, onzeker waar;--6) op de Zuidkust van Creta;--7) in Mysia, +aan het meer Apolloniatis, waardoor de Rhyndacus stroomt;--8) in +Zuid-Phrygia;--9) op de kust van Palaestina;--10) in Lycia;--11) in +Lydia, halverwege tusschen Sardes en Pergamum;--12) en 13) op de kust +van Thracia, waarvan een aan de Strymongolf en een aan den Pontus +Euxinus (Zwarte zee), de laatste met een beroemden tempel en een +reuzenbeeld van Apollo.--14) Het meest beroemd echter was Apollonia +op de illyrische kust, aan den Aous, he kat' Epidamnon, kolonie van +Corinthus en Corcyra, eene bloeiende handelsstad, uitmuntende door +voortreffelijke wetten en nauwgezette handhaving van het recht en +liefde voor wetenschap. + +Apollonis, Apollonis = Apollonia no. 11. + +Apollonius, Apollonios, 1) van Alexandrië, tijdgenoot, v.s. leerling +van Callimachus, met wien hij later wegens verschil van richting in +ernstigen twist geraakte. Ap. streefde n.l. er naar, den eenvoud +van Homerus in zijne werken te doen herleven, terwijl de werken +van Callimachus meer door geleerdheid dan door dichterlijke waarde +uitmuntten. De invloed van Callimachus was echter zoo groot, dat +Ap., toen hij zijn groot epos Argonautika voordroeg, geen bijval +vond. Hij begaf zich daarop naar Rhodus, waar hij na lezing van zijn +gedicht het burgerrecht kreeg (vandaar wordt hij Rhodius genoemd) +en waar hij geruimen tijd als rhetor onderwijs gaf. Later keerde hij +echter naar Alexandrië terug, en nu viel zijn werk, dat hij op Rhodus +omgewerkt had, zoo in den smaak, dat hij op zeer hoogen leeftijd (± +200) tot bibliothecaris benoemd werd, welke betrekking hij tot zijn +dood behield. Een ander groot werk van Ap., Ktiseis, benevens zijne +kleinere gedichten zijn verloren gegaan. Zijne Argonautica werd door +romeinsche dichters dikwijls nagevolgd. Bewaard gebleven is die van +C. Valerius Flaccus, zie Valerii no. 41.--2) van Alabanda, omstreeks +120 leeraar der welsprekendheid op Rhodus.--3) Ap. Molon, eveneens +geb. te Alabanda, gaf op Rhodus onderwijs in de welsprekendheid. In 87 +en 81 kwam hij als gezant der Rhodiërs te Rome, waar Cicero toen reeds +van zijn onderwijs genoot. In 78 heeft Cicero op Rhodus zijn lessen +gevolgd; ook andere Romeinen, o.a. Caesar, hebben hem bezocht.--4) +Ap. Sophista, alexandrijnsch grammaticus, tijdgenoot van Augustus. Het +Lexikon met verklaringen van woorden uit Homerus, dat op zijn naam +staat, is uit later tijd.--5) Ap. ho dyskolos, van Alexandrië, een +zeer geleerd en scherpzinnig grammaticus, de eerste die taalstudie +wetenschappelijk behandelde. Hij leefde eenigen tijd te Rome onder +Marcus Aurelius, later keerde hij naar Alexandrië terug. Vier van +zijne werken over verschillende hoofdstukken van vormleer en syntaxis +zijn bewaard gebleven.--6) van Perga, reeds door de ouden "de groote +wiskundige" genoemd, was 250-220 leeraar te Alexandrië en Pergamus, +en schreef o.a. een werk over kegelsneden, dat nu nog wetenschappelijke +waarde heeft. Ook uit taalkundig oogpunt is zijn werk van belang, omdat +het het eerste werk is, dat in de Koine (z.a.) geschreven is. Hij was +een leerling van Archimedes.--7) van Tyana, leefde in de 1ste eeuw +n. C. Nadat hij zijn vermogen aan de armen gegeven had, trok hij +als leeraar der wijsbegeerte de geheele wereld door en kwam zoowel +in Indië als in Spanje en Aethiopië, tweemaal kwam hij naar Rome, +eindelijk vestigde hij zich als leeraar te Ephesus, waar hij in hoogen +ouderdom stierf. Zijn leer, grootendeels aan Pythagoras ontleend, +maar sterk doortrokken met nieuwplatonische en oostersche begrippen, +zijne vele avonturen, zijne buitengewoon strenge levenswijze en de +wonderen die hij, naar men zeide, verrichtte, baarden veel opzien, +zoo zelfs, dat hij in den strijd tusschen den ouden godsdienst en het +Christendom menigmaal als een tegenhanger van Christus voorgesteld +is. Zijne levensbeschrijving door Philostratus schijnt meer romantisch +dan historisch te zijn.--8) z. Tauriscus. + +Apomagdalia, broodkruimels, tot deeg gekneed, die de Grieken bij gebrek +aan servetten gebruikten om zich bij het eten de vingers af te vegen. + +Aponi fons of Aponus fons, badplaats met zwavelbronnen bij Patavium +(Padua), ook aquae Pativinae geheeten. Er was een orakel. + +Apopempein. Wanneer te Athene een man echtscheiding verlangde, +behoefde hij slechts zijne vrouw met hare huwelijksgift naar het +huis van haar vader of voogd terug te zenden. Dit heette apopempein, +apopompe, apopempsis. Eene vrouw, die echtscheiding wenschte, verliet +het huis van haar man, (apoleipein, apoleipsis), doch moest bij den +archont een met redenen omkleedde schriftelijke verklaring daarvan +geven (apoleipsin graphesthai). Daar ook processen apopempseos en +apoleipseos vermeld worden, schijnt het dat, in weerwil van deze +eenvoudige vormen, de echtscheiding niet geheel van den wil van eene +der beide partijen afhing; misschien betroffen deze processen echter +alleen geldzaken. Het onderscheid tusschen apopempein en apoleipein, +enz., wordt niet altijd streng in het oog gehouden. + +Apophasis, aangifte, aanwijzing; de aangifte van gevaarlijke personen +bij den Areopagus; inventaris (z. Antidosis); ook rechterlijk vonnis. + +Apophora, 1) de bijdrage, die iedere staat aan Sparta gaf, zoolang deze +staat in den perzischen oorlog de hegemonie had.--2) de belasting, +die de heloot aan zijn heer geven moest, bestaande in eene bij de +wet bepaalde hoeveelheid gerst, wijn en olie.--3) de huur, die te +Athene de slaven dagelijks aan hunne heeren betaalden, wanneer zij +voor eigen rekening mochten werken. + +Apophoreta, Apophoreta, lekkernijen, die de gasten van een maaltijd +mede naar huis kregen, verder ook andere geschenken. Het veertiende +boek epigrammen van Martialis, waarmede hij geschenken aan zijne +vrienden begeleidde, draagt tot titel Apophoreta. + +Apophrades hemerai, dagen die om een of andere reden voor ongeluksdagen +gehouden werden, waarop geen rechtszittingen waren, en waarop men +geen zaak van eenig gewicht begon. In het bizonder de dagen waarop +men aan de dooden offerde. + +Aporreta, verboden dingen; 1) handelsartikelen, die niet van Athene +uitgevoerd mochten worden.--2) sommige scheldwoorden, waarvan men +zich op boete van 500 drachmen onthouden moest.--3) godsdienstige +mysteriën, die niet verraden mochten worden. + +Apostasiou dike, aanklacht tegen een vrijgelatene, die zijne plichten +tegenover zijn vroegeren heer niet vervulde; zulke aanklachten werden +bij den polemarch ingediend. Bij veroordeeling verviel de aangeklaagde +weder in slavernij, bij vrijspraak werd hij van alle verplichtingen +tegenover zijn vroegeren meester ontslagen. + +Apostoles, tien ambtenaren te Athene, die te zorgen hadden dat de +triërarchen hunne verplichtingen als zoodanig nakwamen; zij hadden +zelfs het recht hen, die daarin te kort schoten, gevangen te nemen. + +Apostropeia, z. Aphrodite. + +Apotheca, apotheke, magazijn of bergplaats, vooral voor fijne +wijnsoorten, die reeds afgetapt waren. De apotheca was bij de +Rom. meestal op de bovenverdieping van het huis, veeltijds boven +de badkamer, zoo dat de rook van het vuur er in kon doordringen, +waardoor de wijn en de kruiken of flesschen spoediger het merk van +ouderdom kregen. + +Apotheosis, apotheosis, vergoding van menschen. Het eigenlijk +latijnsche woord is consecratio. Reeds vroeg geloofde men, dat helden +onder de goden konden worden opgenomen en dacht men eenvoudig aan eene +verplaatsing, waardoor het sterfelijk lichaam onsterfelijk werd. Later +evenwel meende men, dat het stoffelijk overschot door het vuur van +den brandstapel zoo werd gelouterd, dat het onsterfelijk gedeelte van +het sterfelijke werd afgescheiden en opwaarts steeg naar de goden. In +het historisch tijdperk nam de apotheose dezen vorm aan, dat door eene +godspraak of door de uitspraak van eenig bevoegd priestercollegie aan +den afgestorvene goddelijke eerbewijzen werden toegekend en altaren +voor hem werden opgericht, zooals b.v. na Lycurgus' dood te zijner eer +geschiedde. Eén stap verder en men deed hetzelfde voor den levende; +Lysander was de eerste Griek, voor wien nog bij zijn leven altaren +werden opgericht. Alexander de Groote en de Diadochen, vooral de +Ptolemaeën, lieten zich als god vereeren; voor hen werden eerediensten +ingesteld. In Aegypte heet de koning reeds bij zijn leven Theos, in +Azië eerst na zijn dood.--De consecratio van romeinsche keizers en +soms van keizerinnen had op de volgende wijze plaats, en geschiedde +volgens het besluit van den senaat of van den troonsopvolger. Een +wassen borstbeeld van den overledene werd plechtig zeven dagen lang +in het paleis tentoongesteld. Dan werd op den campus Martius een +brandstapel opgericht in den vorm van een altaar met drie of vier +verdiepingen (rogus). Te midden van reukwerk werd het borstbeeld op den +brandstapel geplaatst, die door den nieuwen keizer werd aangestoken. Te +gelijker tijd werd van den top van den toestel een adelaar losgelaten, +die de ziel des overledenen hemelwaarts moest voeren. Van nu af was +hij divus. Doch de kruipende vleierij van den romeinschen senaat +tegenover dwingelanden was oorzaak, dat aan sommige keizers reeds +bij hun leven goddelijke vereering ten deel viel. + +Apotropaios, afwerende; bijnaam dien men iederen god gaf, wanneer +men hem aanriep met de bede ramp of gevaar af te wenden. + +Apparitores. Onder dezen naam verstaat men de bezoldigde dienaren +der rom. magistraten, als scribae, lictores, viatores, praecones en +accensi. De eerstgenoemde vier soorten waren voortdurend in dienst van +den staat; over de accensi z. accensus no. 1. Voor apparitores boden +zich slechts mingegoede burgers of vrijgelatenen aan. De scribae of +bureauschrijvers waren het meest in aanzien. Cicero noemt hen een +ordo honestus. + +Appellatio is het beroep op de hulp van een overheidspersoon, om +door zijne tusschenkomst (intercessio) beveiligd te worden tegen een +dreigend onrecht. De intercessio kon aangewend worden tegen alle +overheden van gelijken of minderen rang, en door de volkstribunen +tegen alle andere overheden behalve den dictator. De appellatio +moet wel onderscheiden worden van de provocatio of het beroep op de +volksvergadering als hoogsten rechter. Onder de keizers ontstond eene +reeks van lagere en hoogere rechtbanken en dus ook van appellen in +verschillende instanties, terwijl ten slotte de keizer zelf de hoogste +rechtsmacht vormde, die alle vonnissen kon wijzigen of vernietigen. Dit +geldt evengoed voor civiele zaken als voor strafzaken. + +Appianus, Appianos, van Alexandrië, leefde omstreeks het midden der +2e eeuw n. C. te Rome, en werd later procurator van den fiscus in +Aegypte. Onder den titel Rhomaïka schreef hij eene geschiedenis, +waarin ieder volk afzonderlijk behandeld wordt tot zijn opgaan +in het rom. rijk, en waarin bovendien de geschiedenis van de +rom. burgertwisten beschreven wordt. Van de 24 boeken, waaruit dit +werk bestaan heeft, zijn nog bewaard gebleven: Iberike (l. 6), +Annibaïke (l. 7), Libyke (l. 8), Syriake (l. 11), Mithridateios +(l. 12), Illyrike (2de deel van l. 9), en de 5 boeken Emphylia, +de burgeroorlogen (l. 13-17), benevens fragmenten van eenige andere. + +Appia (via). Deze weg liep van Rome over Aricia, Anxur of Tarracina, +Minturnae en Formiae naar Capua, en was de eerste heerbaan, die van +Rome uit werd aangelegd (312). Hij was zóó breed, dat twee wagens +elkander zonder moeite konden voorbijrijden, en was geplaveid +met groote vierhoekige steenen, zóó zorgvuldig zonder gapingen +aaneengevoegd, dat hij in de zesde eeuw na Chr. nog in goeden toestand +was. Met recht werd deze weg, door den censor Appius Claudius Caecus +gebouwd, de regina viarum geheeten. Eene latere verlenging van Capua +over Caudium, Beneventum, Aquilonia, Canusium, Barium naar Brundisium +heette via Appia Nova. + +Appias, de nimf der Appische fontein te Rome. + +Appii, zie Claudii no. 1, 2, 4, 5, 6, 8, 9, 12, 14, 15, 21. + +Appuleiae (leges) van den volkstribuun L. Appuleius Saturninus, 100. 1) +lex agraria, zie onder agrariae leges.--2) lex de coloniis deducendis, +hangt nauw samen met de lex agraria en maakt er misschien een deel +van uit. Er zouden koloniën gesticht worden in Sicilia, Africa, +Achaia en Macedonia. De wet is niet uitgevoerd. Deze wet (van 100) +is met de lex agraria eene uitbreiding van eene lex agraria van +denzelfden Saturninus uit het jaar 103.--3) lex frumentaria, waarbij +de prijs van het door den staat verkochte koren (zie annona) op 5/6 +as werd gesteld. Op het betoog van den quaestor Q. Servilius Caepio, +dat dit de kracht der schatkist te boven ging, besloot de senaat, +dat Saturninus, ingeval hij de wet in stemming bracht, tegen den staat +handelde. De overige volkstribunen intercedeerden nu, doch Saturninus +ging zijn gang. Hierop kwam Caepio met eenige vastberaden mannen, +wierp de stembussen om en belette den voortgang der stemming.--4) +lex de maiestate minuta, tegen degenen, die de onschendbaarheid der +volkstribunen aantastten. + +Appuleii. Behalve een consul Q. Appuleius Pansa in 300, behooren de +leden van dit geslacht, die in de geschiedenis van Rome voorkomen, +tot de familie der Saturnini of hebben geen cognomen. 1) L. Appuleius +Saturninus was de beruchte volksmenner te Rome ten tijde van +Marius. Hij was tweemaal volkstribuun (103 en 100). Langs allerlei +wegen trachtte hij de optimates te krenken en te vernederen en zich +aanhang te verwerven bij den grooten hoop (zie Appuleiae leges). Na +zijn eerste tribunaat wilde de censor Q. Caecilius Metellus Numidicus +hem uit den senaat stooten, hetgeen zijn ambtgenoot C. Caecilius +Caprarius belette. Toen hij in het jaar 100 zijne lex agraria met +geweld had doorgedreven, en bij deze (of bij eene andere) wet de +bepaling had gevoegd, dat alle senatoren binnen vijf dagen de wet +moesten bezweren, was de genoemde Metellus het eenige senaatslid, +dat weigerde, waarvoor hij dan ook in ballingschap moest gaan. Toen +Saturninus, die voor geen geweld terugdeinsde, ter wille van zijn +medestander, den praetor C. Servilius Glaucia, diens mededinger +naar het consulaat, C. Memmius, in de volle volksvergadering liet +overhoop steken, werd zelfs het volk verbitterd. Door den senaat tot +vijand des vaderlands verklaard, door Marius (toen ten zesden male +consul) verlaten, week hij naar het Capitool, terwijl de senaat met +de gewone formule videant consules (z. senatus consultum ultimum) den +staat aan de bijzondere hoede der consuls aanbeval. Daar de consuls +nu de buizen der waterleiding lieten afsnijden, kon Saturninus +zich op het Capitool niet staande houden; hij wist nog naar de +curia Hostilia aan het forum te wijken, waar hij echter met zijne +trawanten bestormd en door het woedende volk onder de dakpannen van +het gebouw bedolven werd (10 Dec. 100).--2) L. Appuleius Saturninus, +uit Atina, was in 58 praetor in Macedonia. Diens zoon Cn. Saturninus +diende in 68/67 onder Q. Caecilius Metellus (zie Caecilii no. 19) op +Creta.--3) Sex. Appuleius, consul in 29, hield in 26 een zegetocht +over de Hispaniërs.--4) C. Appuleius Decianus, volkstribuun in 99, +aanhanger van Saturninus, bekend door zijne aanklacht tegen den +aedilis L. Valerius Flaccus (zie Valerii no. 24).--5) Appuleius +Decianus, zoon van no. 4, aanklager van den jongen Valerius Flaccus +(z. Valerii no. 25), die door Cicero verdedigd werd (59). + +Buiten dit geslacht staat--6) de schrijver L. Appuleius, te Madaura +in Africa geboren onder de regeering van keizer Hadrianus. Hij +had te Carthago en te Athene zijne opleiding genoten en later veel +gereisd. Met voorliefde beoefende hij wijsbegeerte en letteren. Hij +schreef eenige wijsgeerige werken, doch het meest bekend is zijn +romantisch verhaal Metamorphoseon sive de asino aureo libri XI, +waarin zekere Lucius tot straf voor zijne ondeugden in een ezel +wordt veranderd, doch door de mysteriën (waarvan App. een warm +voorstander was) in een beter mensch wordt herschapen. Onder de vele +episoden in dit werk is die van Amor en Psyche de meest bekende. Eene +nederlandsche bewerking van deze ezelsgeschiedenis vindt men in de +geschriften van Mr. P. van Limburg Brouwer. Van de andere werken +is van belang: Apologia sive de magia, waarin hij zich verdedigt +tegen de beschuldiging van tooverij, en veel aangaande zijn leven +vertelt. Het werkje de herbarum virtutibus, dat op zijn naam staat, +is uit de 5de eeuw n. C. + +Apriës, Apries, in het O. T. Hophra, koning van Aegypte. Hij ondernam +een krijgstocht tegen Cyrene, en toen deze ongelukkig afliep, +beschuldigde men hem dat hij de kaste der krijgslieden had willen +vernietigen, en werd hij door Amasis onttroond. Hij regeerde 588-569. + +Apronii. 1) Q. Apronius, handlanger en medeplichtige van C. Verres bij +zijne afpersingen op Sicilia.--2) L. Apronius, een romeinsch ridder, +legatus van Germanicus in 15 n. C., in Germania, in welke betrekking +hij de signa triumphalia verwierf, en proconsul van Africa 18-21 +n. C. Onder zijn bewind versloeg zijn zoon L. Apronius Caesianus in +20 den Numidiër Tacfarinas. In 28 werd de vader als stadhouder van +Germania inferior door de Friezen verslagen. + +Aprostasiou graphe, aanklacht die men bij den polemarch kon indienen +tegen een metoikos, die zich geen burger tot patroon gekozen had, +of zijn metoikion niet betaalde. + +Apsis = Absis. + +Apsorus, Apsoros, z. Absyrtides insulae. + +Apsus, Apsos, rivier en stad in Illyria ten N. v. Apollonia. + +Apsyrtus of Absyrtus, Apsyrtos, zoontje van Aeetes. Toen Iason met +Medea vluchtte sneed Medea het lichaam van het kind in stukken, +opdat Aeetes, die hen vervolgde, door het opzoeken van de stukken +tijd zou verliezen. De bijeengeraapte leden werden te Tomi begraven, +dat daaraan, naar men zegt, zijn naam (van temnein) ontleend heeft. + +Apteros, ongevleugeld, naam van een beeld van de godin der overwinning +(eigenlijk van Athena Nike), dat in haar tempel op de acropolis te +Athene stond. V. s. had de kunstenaar haar tegen de gewoonte zonder +vleugels voorgesteld, om aan te duiden dat zij de stad nooit zou +verlaten. + +Apuani, volksstam in zuidoostelijk Liguria, op de grens van +Midden-Italië, door de Romeinen na dapperen tegenstand overwonnen en +in 180 gedeeltelijk naar Samnium overgebracht. Hunne stad heette Apua. + +Apuleii, zie Appuleii. + +Apulia, Apoulia, omvatte in ruimeren zin het zuidoostelijke gedeelte +van Italia, met inbegrip van Calabria, in engeren zin alleen de +landstreken Daunia en Peucetia. De oude bevolking, Apuli, bij de +Grieken Iapyges genoemd, waren van illyrischen stam, terwijl grieksche +kolonisten zich aan de kust vestigden en er reeds vroeg de grieksche +taal en grieksche kunst en kunstnijverheid inheemsch maakten. Het +klimaat was heet, en in sommige tijden van het jaar had men last van +den Sirocco, hier Atabulus genoemd. Over het algemeen is het land +niet onvruchtbaar, de vlakten zijn echter arm aan water. De bewoners +stonden als niet bizonder schrander bekend. In de samnitische oorlogen +werd Apulia door de Romeinen onderworpen (317). Ten gevolge van den +tweeden Punischen en den bondgenootenoorlog werd het land, dat vroeger +door handel en industrie gebloeid had, ontvolkt. Augustus vereenigde +Apulia met Calabria en Zuid-Samnium tot de tweede regio Italiae. + +Apulum, belangrijke stad in Dacia, sinds 107 n. C. standplaats van +de legio XIII gemina, onder M. Aurelius municipium en colonia. + +Aquae, naam van een aantal geneeskrachtige bronnen en badplaatsen. Vele +dezer gezondheidsoorden zijn genoemd naar eene nabijgelegen stad, +zooals de aquae Cumanae (later Baiae) bij Cumae in Campania, de +aquae Patavinae (Aponi fons) bij Patavium in Cisalpina, de aquae +Vetuloniae bij Vetulonia in Etruria, de aquae Pisanae in Etruria, +de aquae Segestanae op Sicilia e. a. Andere hebben hun naam naar +het volk, b.v. aquae Statiellae bij de Statielli in Liguria, aquae +Mattiacae (thans Wiesbaden) bij de Mattiaci. Merkwaardig waren de +aquae Cutiliae, nabij de reeds vroeg verwoeste stad Cutilia (z. a.) in +het sabijnsche land.--Geschiedkundig bekend door de nederlaag der +Teutonen zijn de aquae Sextiae (thans Aix in Provence), in Gallia +Narbonensis, gesticht door C. Sextius Calvinus. Onder de tegenwoordig +meest bekende badplaatsen zijn er verscheidene, die ook onder de +Romeinen bezocht waren, zooals Baden-Baden, aquae Aureliae, Vichy, +aquae calidae Arvernorum, Bagnères de Bigorre, aquae Convenarum, +Bath, aquae Sulis, Aken, Aquae Grani, enz. + +Aqua et igni interdictio. Het doodvonnis, te Rome over een burger +uitgesproken, had den vorm van een ban. Binnen Rome was de veroordeelde +vogelvrij; niemand mocht hem huisvesting of voedsel verstrekken, +ieder mocht hem straffeloos dooden, de overheden waren er zelfs toe +verplicht. De ban kon nog verzwaard worden, door hem tot geheel Italië +uit te strekken, of zelfs wel tot het geheele romeinsche rijk, zooals +bij de proscripties tijdens de burgeroorlogen het geval was. Daar de +ban inging op hetzelfde oogenblik, waarop het vonnis werd uitgesproken, +moest men, om zijn leven te redden, vooraf Rome verlaten en in +vrijwillige ballingschap gaan (in liberum exsilium ire). Aanzienlijke +en rijke Romeinen vonden dan licht een toevluchtsoord in eene of andere +civitas foederata; doch minder gegoeden hadden een ondragelijk leven; +iedereen kon zich aan hen vergrijpen, terwijl zij tegen niemand eene +aanklacht konden inbrengen. + +Aquaeductus, hydragogeion. De oudste Grieksche waterleidingen zijn die +van Pisistratus te Athene, en uit denzelfden tijd die door Polycrates +op Samos was aangelegd; de architekt van deze laatste leiding was +Eupalinus. Ten einde Rome van goed en overvloedig water te voorzien, +werden in verschillende tijden een aantal waterleidingen aangelegd. De +oudste was de aqua Appia, in 312 aangelegd door denzelfden censor +Appius Claudius, die de via Appia liet bouwen. Deze waterleiding liep +grootendeels door onderaardsche buizen, evenals de Anio vetus, die +het water uit den Anio aanvoerde, en de Virgo, die het koudste water +had en onder de regeering van Augustus door Agrippa was aangelegd, +om de door hem gebouwde badinrichtingen van water te voorzien. De +langste leiding was de Anio novus, die omstreeks 16 uren gaans lang +was en over de dalen gedragen werd door bogen, soms ter hoogte +van meer dan 100 voet. Soms liepen twee aanvoerkanalen een eind +verdiepingsgewijze boven elkander, b.v. de Anio novus boven de aqua +Claudia; zelfs komt eene vereeniging van drie leidingen voor: de Marcia +beneden, de Tepula in het midden, de Iulia boven. De Marcia was om +haar heerlijk water beroemd: het slechtste water voerde de Alsietina +aan. Ook vele aanzienlijke steden van Italia en de provinciën werden op +gelijke wijze van water voorzien. Van den trotschen bogenbouw kunnen +o.a. nog de overblijfselen bij Nîmes (Pont du Gard), bij Tarragona +en Segovia getuigen. Bij sommige leidingen was aan het boveneind een +groot bekken aangebracht, waar men het water liet bezinken, alvorens +het naar de stad te voeren. In de stad werd het water in reservoirs +(castella aquae) verzameld, vanwaar het door buizen (fistulae, tubi) +naar de lacus of groote waterkommen, fontes salientes of fonteinen, +piscinae of vijvers, badhuizen en bijzondere woningen werd geleid. Ook +op verscheidene plaatsen in Griekenland zijn overblijfselen van oude +waterleidingen gevonden. + +Aquaeductus en aquaehaustus, erfdienstbaarheid, waarbij de +rechthebbende over eens anders grond water mocht leiden of uit eens +anders bron water mocht putten. + +Aquarii, werklieden bij den dienst der waterleidingen, meest servi +publici. Ook slaven in de openbare badhuizen, die water aandroegen +om de baders af te spoelen en de waschbekkens te vullen. + +Aquarius, Hydrochoos, het sterrenbeeld de Waterman, waarin men +Ganymedes, Deucalion of Cecrops meende terug te vinden. Hij maakt, +naar het heet, het jaargetijde somber, want als de zon in dit teeken +komt, begint de regentijd. + +Aquila, aetos. Oudtijds hadden de verschillende afdeelingen voetvolk en +de ruiterij in de Romeinsche legers verschillende standaarden, als: een +wolf, een everzwijn, een minotaurus, een paard, een hond, e. a. Deze +voorwerpen waren boven op een stok bevestigd. Sedert Marius was de +legioenstandaard een adelaar met uitgespreide vlerken, uit zilver of +brons, onder de keizers ook wel uit goud vervaardigd. Hij stond onder +de bijzondere hoede van den primipilus of eersten centurio van het +legioen. In de legerplaats stond de standaard naast de veldheerstent in +den grond geplant. Ging het leger op marsch of in den slag, dan trok +de primipilus den adelaar uit den grond en overhandigde hem aan den +aquilifer of standaarddrager. Ging dit uittrekken met moeite gepaard, +dan was dat een slecht voorteeken. + +Aquila. 1) Iulius Aquila, romeinsch jurist, van wien brokstukken in +de Pandecten voorkomen.--2) Aquila Romanus, rhetor en taalgeleerde uit +de derde eeuw na C., schrijver van een boek de figuris sententiarum et +elocutionis.--3) Aquila, een Griek uit Pontus uit de tweede eeuw na C., +die eene zeer geroemde vertaling van het O. T. in het Grieksch schreef. + +Aquilaria, stad op de Oostkust van Zeugitana, nabij de golf van +Carthago. + +Aquileia, Akyleia, romeinsche kolonie aan het noordelijkste gedeelte +der Adriatische zee, op de grenzen van het land der Veneters en +van Histria, in 181 als bolwerk tegen invallen uit het Noordoosten +gesticht. Het was eene sterke vesting en ontwikkelde zich door zijne +ligging spoedig tot eene bloeiende handelsplaats. Als sleutel van +Italië vervulde het eene belangrijke rol tegen de barbaren, die +Italië zochten binnen te dringen, tot het in 452 na C. door Attila +werd ingenomen en verwoest. De vluchtelingen uit Aquileia en Altinum +legden den grondslag tot de tegenwoordige stad Venetië. + +Aquillia (lex), plebiscitum van onbekenden datum, misschien tusschen +289 en 286, wijzigde de bepalingen omtrent damnum iniuria datum, +die reeds in de leges XII tabularum voorkomen. + +Aquillii. 1) M'. Aquillius, consul in 129, maakte een einde +aan den opstand van Aristonicus in Pergamus, door de bronnen te +vergiftigen. Door de Romeinen zelven werd deze handelwijze als +een nefas beschouwd. Daartoe omgekocht, had hij Groot-Phrygië aan +Mithradates Euergetes afgestaan, maar deze afstand werd door den Senaat +niet bekrachtigd.--2) M'. Aquillius, zoon van no. 1, consul in 101, +bedwong in 100 den slavenopstand op Sicilia onder Athenio. In 98 werd +hij wegens afpersingen aangeklaagd; toen zijn verdediger M. Antonius +(orator) te midden zijner pleitreden op eenmaal hem de tunica +openscheurde en de litteekenen op de borst van Aquillius toonde, +werd deze om zijne dapperheid vrijgesproken. In 88, bij den inval +van Mithradates VI in de romeinsche provincie Asia, viel Aquillius, +die destijds legaat van den proconsul Q. Oppius was, in handen van +den pontischen koning. Deze liet hem eerst, op een ezel gebonden, +onder zweepslagen in de voornaamste steden rondleiden en vervolgens +gesmolten goud in den mond gieten.--3) C. Aquillius Gallus, een vriend +van Cicero, redenaar en beroemd rechtsgeleerde. + +Aquilo, de Noordoostenwind, soms ook = de Noordenwind, zie Windstreken. + +Aquilonia, stad in het N. van Samnium, in 293 door de Romeinen onder +L. Papirius Cursor verwoest. De stad lag niet ver van Cominium, +en dicht bij het dal van den Sagrus. Een ander Aquilonia ligt in +Zuid-Samnium in het land van de Hirpini. + +Aquinum, stad in het land der Volscen in Latium, rom. municipium, +geboorteplaats van den dichter Juvenalis, met purperververijen. + +Aquitania, gewest in Gallia. Tijdens Caesars komst in Gallia verstond +men onder dezen naam slechts het zuidwestelijk gedeelte, tusschen de +Pyrenaeën en den Garumna (Garonne). De bewoners waren van iberischen +stam, verwant met de Vascones (Basken), die zich later onder hen +mengden en naar wie de landstreek later ook Vasconia (Gascogne) werd +geheeten. Volgens Plinius heette deze streek vroeger Aremorica.--Onder +Augustus (tusschen 16 en 13) onderging de indeeling van Gallia eene +geheele verandering, en strekte Aquitania zich uit tot aan den Liger +(Loire) en den mons Cebenna (Cevennes). Na Constantijn vindt men deze +streek tot drie provinciën verknipt. Het zuidwestelijke deel, van de +Pyrenaeën tot nabij den Garumna vormde de provincie Novempopulana, +met de hoofdstad Elimberris (Auch) (v. a. Elusatium civitas, +tgw. Eauze). De streek tusschen den Garumna en den Liger was verdeeld +in een oostelijk en westelijk deel: Aquitanica I, met de hoofdstad +civitas Biturigum, vroeger Avaricum (Bourges), en Aquitanica II, +hoofdstad Burdigala (Bordeaux). Deze twee noordelijke deelen behouden +nog lang den naam Aquitania, die dan later in Guyenne overgaat. + +Ara, bomos. Een altaar was van aarde, zoden of steen, vaak van +marmer gemaakt, hetzij in ronden, hetzij in vierhoekigen vorm, van +boven eenigszins hol en met eene opening op zijde of aan den voet, +om het vocht der plengoffers of het bloed der offerdieren te laten +wegvloeien. Altaria is eigenlijk het bovenste gedeelte van het altaar, +doch gewoonlijk worden de woorden dooréén gebruikt, waarbij de naam +altaria meer in verheven stijl en bij dichters voorkomt.--Ook een +sterrebeeld in het zuiderhalfrond. + +Ara Ubiorum, oorspronkelijk een altaar in het land der Ubii, ter +eere van Augustus opgericht = oppidum Ubiorum; zie Ubii en Colonia +Agrippina. + +Arabia, Arabia, het thans nog onder dien naam bekende schiereiland. De +ouden verdeelden het in drie deelen: 1) Arabia Petraea, he kata +Petran (niet vertalen door: steenachtig Arabië), de streek ten O. van +Palaestina zuidwaarts tot aan de beide inhammen, die de Arabische golf +(thans Roode zee) in het Noorden vormt. Daar lag, aan den Oostkant, +halverwege tusschen de Doodezee (Asphaltites lacus) en den Aelaniticus +sinus, de stad Sela (= rots), door de Grieken Petra genoemd, de +hoofdstad van Idumaea of Edom, en aan dit Petra is de naam ontleend. In +het Zuiden vond men het granietgebergte Sinaï.--2) Arabia deserta, he +eremos Arabia, omvatte de noordelijke zandwoestijnen, tusschen Syria en +Babylonia.--3) het overige, verreweg grootste gedeelte, het eigenlijke +schiereiland, was alleen aan de kusten bekend, en daar de Westkust zeer +vruchtbaar was, werd dit geheele land Arabia felix, he eudaimon Arabia, +geheeten, hoewel het binnenland slechts eene dorre zandzee is. De +bewoners, Arabes, Arabes, waren van semietischen stam en dreven reeds +vroeg een levendigen handel met Indië. Talrijke karavanen met wierook, +goud, edelgesteenten, ivoor, oostersche specerijen, trokken uit Arabië +door de woestijnen noord- en noordwestwaarts. Arabia Petraea is voor +een gedeelte in 105 na C. door Traianus in bezit genomen en vormde +toen de provincie Arabia, later Palaestina III; doch overigens bleef +Arabia vrij van vreemde overheersching. Eene expeditie, door Augustus +in 25 onder Aelius Gallus uitgezonden, mislukte (z. Saba).--Onder +de stammen, die Arabia bewoonden, verdienen vermeld te worden: +de Minaei met de steden Macoraba (Mekka) en Jathrippa (Medina), +de Sabaei, in het tegenw. Yemen, met de steden Mariana en Saba, +van waar veel wierook werd aangevoerd, de Nabataei in Petraea, die +de vroegere Edomieten, Midianieten, Amalekieten, enz., vervingen, +en de Saraceni in de nabijheid van Syria. + +Arabicus sinus, kolpos Arabikos, thans Roode zee geheeten, terwijl +de Roode zee der ouden, mare Erythraeum, thans den naam van Indische +zee draagt. In het Noorden verdeelt de Arabische golf zich in twee +kleine inhammen, den sinus Heroöpolites of Heroöpoliticus ten W., +den sinus Aelanites of Aelaniticus ten O., aldus geheeten naar de +steden Heroöpolis (op de landengte van Suez) en Aïla of Aelana. + +Arabis of Arabius, Arabis, Arabios potamos, rivier in Gedrosia, ten +W. van den Indus. In hare nabijheid woonden de Arabitae, Arabitai, +Arbies. + +Arachnaeum, Arachnaion, berg in oostelijk Argolis, tusschen Argos +en Epidaurus. + +Arachne, Arachne, een lydisch meisje, dochter van een purperverver te +Colophon. Zij had van Athena weven geleerd en bereikte in die kunst +zulk eene hoogte, dat zij haar leermeesteres zelve tot een wedstrijd +durfde uitdagen. Toen die uitdaging aangenomen was, vervaardigde +zij een weefsel, waarin zij de liefdesavonturen der goden voorstelde +en dat Athena niet kon overtreffen; uit spijt hierover en uit toorn +over het onderwerp, dat Ar. had gekozen, verbrak de godin haar werk, +waarop Ar. zich van verdriet ophing. Athene riep haar in het leven +terug en veranderde haar in een spin. + +Arachosia, Arachosia, eene der oostelijke provinciën van het perzische +rijk, ten Oosten door den Indus begrensd. Zij ontleende haren naam aan +de rivier Arachotus. In het tijdperk der Seleuciden was de hoofdstad +Alexandria Arachoton, Al. Arachoton, thans Kandahar. + +Arachthus, Arachthos, rivier in Epirus, die zich in de golf van +Ambracia stort, thans de Arta. + +Aracynthus, Arakynthos, gebergte in het Z.W. van Aetolia. + +Aradus, Arados, door ballingen uit Sidon op een klein, rotsachtig +eiland nabij de phoenicische kust gesticht. De naam (phoen. Arvad) +beteekent toevluchtsoord. De stad dreef een bloeienden handel en +wedijverde met Sidon en Tyrus. Haar grootsten bloei bereikte ze in +den tijd van het verval van het rijk der Seleuciden. Daar het kleine +eilandje op den duur te klein was, ontstond op het vaste land eene +voorstad, Antaradus, die later op hare beurt weder het oude Aradus +in de schaduw stelde. + +Arae Philaenorum, hoi Philainon bomoi, de grens tusschen Cyrene en +Carthago. Tot regeling van een grensgeschil tusschen de republiek +Cyrene en Carthago waren beide staten overeengekomen, dat uit beide +steden een gezantschap op denzelfden tijd zou vertrekken, en dat +de plaats der ontmoeting als grenspunt zou worden aangenomen. De +carthaagsche gezanten echter, de beide gebroeders Philaeni, werden door +die van Cyrene beschuldigd, dat zij vroeger van huis waren gegaan, +dan de afspraak was. Om het daardoor verkregen voordeel echter te +behouden, lieten zij zich levend begraven op de plaats der ontmoeting, +aan de kleine Syrte, waar ter gedachtenis aan hunne vaderlandslievende +zelfopoffering twee altaren werden opgericht. Ook later is dit de +grens tusschen Cyrenaïca en Tripolis. + +Arai, wrekende godinnen, opgeroepen door den vloek van het slachtoffer +eener misdaad = Erinyes. + +Arar, Arar, rivier in Gallia, later Sauconna, thans de Saône, die +bij Lugdunum (Lyon) in den Rhodanus (Rhône) valt. + +Aratus, Aratos, 1) zoon van Clinias, geboren 271 te Sicyon en te Argos +opgevoed. 20 jaar oud stelde hij zich aan het hoofd der ballingen +uit zijn vaderstad en verdreef hij met hunne hulp den tyran Nicocles; +daarop bewerkte hij dat de stad tot het achaeïsch verbond toetrad. Door +Antigonus Gonatas tegengewerkt, zocht hij hulp bij Ptolemaeus +Philadelphus, die hem inderdaad met aanzienlijke geldsommen steunde. In +245 werd hij tot strateeg van het verbond gekozen, dat onder zijne +leiding tot hoogen bloei geraakte, terwijl vele peloponnesische +steden vrijwillig of gedwongen zich als leden lieten opnemen. Toch +was Ar., hoewel kleingeestig en voor iedere mededinging bevreesd, +meer staatsman dan veldheer. Toen dus Sparta door het krachtig streven +van Cleomenes III de hegemonie in de Peloponnesus scheen te zullen +herwinnen, schroomde hij niet, in strijd met de beginselen van het +verbond, de hulp van den macedonischen koning Antigonus Doson in te +roepen (224). De nederlaag, die deze aan Sparta toebracht, deed den +invloed van Ar. ten top stijgen; niet alleen werd hij herhaaldelijk +als strateeg herkozen,--in het geheel heeft hij deze betrekking 17 maal +waargenomen--, maar ook liet de opvolger van Antigonus, Philippus III, +zich langen tijd geheel door zijne raadgevingen leiden, totdat hij +bevond dat Ar. aan zijne verdere plannen in den weg stond, waarop +hij hem door vergift liet uit den weg ruimen (213). Te Corinthe werd +een standbeeld voor hem opgericht en te Sicyon werd jaarlijks op zijn +sterfdag een lijkfeest gevierd. Zijne gedenkschriften (Hypomnemata), +door Polybius e. a. dikwijls als bronnen gebruikt, zijn verloren +gegaan.--2) van Soli, leefde langen tijd aan het hof van Antigonus +Gonatas en schreef (tusschen 276 en 274) een leerdicht in hexameters, +Phainomena kai Liosemeiai, dat nog bewaard is gebleven en door de +ouden hoog geprezen werd. Cicero, Germanicus e. a. vertaalden het in +het latijn. + +Arausio, stad der Cavares, aan den Rhodanus (Rhône), thans Orange. Bij +deze stad verloren de Romeinen in 105 een bloedigen slag tegen de +Cimbren. Twee legers werden vernietigd. Uit den romeinschen tijd +zijn nog belangrijke bouwwerken over, o.a. een theater. NB. Hiernaar +wordt de titel prins van Oranje in het Latijn vertaald door princeps +Arausiacus. + +Aravisci, keltische volksstam in Neder-Pannonië, verwant met de Osi. + +Araxenus campus, Araxenon pedion, de vruchtbare vlakte, waardoor de +armenische Araxes stroomde. + +Araxes, Araxes, 1) rivier in Armenia, die zich in de Caspische zee +stort. In zijn benedenloop is hij door een zijarm met den Cyrus +verbonden. Hij vormt de noordelijke grens van Medië. Herodotus +verwart hem met den Oxus (z. a.), die vroeger ook Araxes heette.--2) +riv. in Persis, nabij Persepolis.--3) zijtak van den Euphraat, ook +wel Chaboras of Aborrhas genoemd, in Mesopotamia. + +Arbaces, Arbakes, z. Sardanapalus. Hij wordt de stichter der medische +dynastie genoemd, die met Astyages eindigt. + +Arbela, ta Arbela, stad in Assyria, waarbij de laatste en beslissende +veldslag tusschen Alex. d. G. en Darius Codomannus plaats vond (331). + +Arbiter, een scheidsrechter. Terwijl de iudex in zijne beslissing +aan het strenge recht gebonden was, kon de arbiter uitspraak doen +volgens de aequitas. Zie ook het art. iudex op het einde. + +Arbiter bibendi, ook wel magister bibendi, rex convivii, de door +het lot gekozen voorzitter bij een feestmaal, die de tafelwetten +vaststelde en zijne voorschriften gaf omtrent het aanmengen van den +wijn en het getal schepjes, dat in de bekers moest worden gedaan, +omdat men niet, als bij ons, inschonk, maar met een lepel of schepje, +cyathus, de bekers uit het mengvat vulde. + +Arca, Arka, oude stad in Phoenice aan den voet van den Libanon, ten +N. van Tripolis, geboorteplaats van keizer Alex. Severus; ter eere +van hem werd de stad Caesarea ad Libanum genoemd. + +Arca, kibotos, in het algemeen kist of koffer, meer in het bijzonder +de geldkist, hetzij van metaal, hetzij met ijzer of brons beslagen. Ook +doodkist, alsmede strafcel voor slaven. + +Arcadia, Arkadia, landschap in het midden der Peloponnesus gelegen, +door bergen omgeven en doorsneden, het grieksche Zwitserland. De +inwoners, Arcades, Arkades, beschouwden zichzelven als het oudste volk +der aarde, ja zelfs als ouder dan de maan (proselenoi). De afgesloten +ligging van hun land behoedde hen voor vreemde overheersching, daar +vooral in het Noorden en Oosten slechts weinige hoofdwegen naar de +naburige landschappen voerden. Het land stond eerst onder koningen, +doch loste zich in de zevende eeuw in een aantal kleine republieken op, +waarvan Mantinea, Tegea, Orchomenus de voornaamste zijn. De Arcadiërs +waren een vroolijk, krachtig bergvolk, liefhebbers van muziek, doch +stonden, wat hunne verstandelijke ontwikkeling betreft, niet hoog +aangeschreven, zoodat de uitdrukkingen iuvenis Arcadius, Arkadikon +blastema, gebezigd worden voor een onnoozelen hals. Onderlinge naijver +en veeten verdeelen hen; vandaar dat de poging van Epaminondas tot +stichting eener groote bondsstad Megalopolis op den duur mislukte. Na +den dood van Alex. d. G. voegden zij zich bij het achaeïsch verbond, +waarbij zelfs hun landgenoot Philopoemen van 208 tot 183 achtmaal de +hoogste waardigheid, die van strateeg, bekleedde.--Arcadia is rijk +aan mythen. Het sneeuwgebergte Cyllene in het N. O. is bekend als de +geboortegrond van Hermes; dicht daarbij vond men het Stymphalische +meer, de verblijfplaats der vogels, die Heracles verjoeg, alsmede +de Styx. Op den berg Erymanthus in het N. ving Heracles het groote +everzwijn; op den berg Maenalus zetelde Pan. Verder behooren in Arcadia +de mythen te huis van Lycaon en van Callisto en haar zoon Arcas. + +Arcadius, Arkadios, 1) taalgeleerde uit de vijfde eeuw na C., schrijver +van een werk over de accenten, peri tonon.--2) de oudste zoon van +Theodosius den Grooten, kreeg bij de deeling van het rom. rijk in 395 +n. C. de oostelijke helft. Hij was geheel en al het werktuig zijner +gunstelingen (Rufinus, Eutropius, Gainas), en later zijner frankische +gemalin Eudoxia. Hij stierf, 30 jaar oud, in 408. + +Arcanum, landgoed van Q. Cicero, halverwege tusschen Aquinum en +Arpinum in Latium gelegen. + +Arcas, Arkas, zoon van Zeus en Callisto. Toen Zeus eens bij Lycaon +gast was, wilde deze beproeven of de god werkelijk alwetend was; +hij slachtte daarom Arcas en zette zijn vleesch aan Zeus voor. Maar +deze veranderde Lycaon in een wolf, doodde al zijne zonen en riep +Arcas in het leven terug. Later ontmoette Arcas op de jacht zijne +moeder, die in een beer veranderd was, en wilde haar dooden, maar zij +ontvluchtte hem tot in den tempel van den Lycaeischen Zeus, die beiden +van de aarde wegnam en onder de sterren plaatste; Callisto werd de +groote beer, Arcas de kleine. V. a. werd Arcas koning der Arcadiërs, +wien hij het gebruik van wol en het bakken van brood leerde; aan hem +ontleenden het volk en het land hun naam. + +Arceophon, Arkeophon, Arkeophron, z. Anaxarete. + +Arcera, overdekte wagen, waarin men rechtuit op eene matras kon liggen, +tot vervoer van zieken en ouden van dagen. + +Arcesiades, Arkeisiades, Laërtes, de zoon van Arcesius. + +Arcesilaus, Arkesilaos, 1) naam van vier koningen van Cyrene uit het +geslacht der Battiaden: Arc. I 591-575; Arc. II Chalepos 570-550, die +zijne broeders verdreef en later zelf gedood werd; Arc. III 530-514, +die wegens zijne pogingen om de koninklijke macht weder uit te breiden +(z. Battus no. 3) verdreven werd; Arc. IV gestorven omstreeks 450; +na zijn dood werd Cyrene een republiek.--2) van Pitane, geb. 315, +kwam na den dood van zijn vader naar Athene en woonde de lessen van +Theophrastus en Polemo bij. Hij volgde Crates als hoofd der academie +op en werd de stichter der tweede academie. Hij bestreed vooral +het dogmatische der stoicijnsche leer en ging daarbij zoo ver, dat +hij eindelijk alle zeker weten ontkende en alleen zekeren graad van +waarschijnlijkheid aannam, zoodat hij door de ouden somtijds tot de +sceptici gerekend wordt. Hij stierf in 241. + +Archagathus, Archagathos, de eerste grieksche geneeskundige die zich +te Rome kwam vestigen (219). + +Archairesiai, te Athene verkiezing der magistraten, ook de vergadering +waarin zij gekozen werden, z. Cheirotonia. Behalve de ambtenaren, +die met de defensie en de financiën belast waren, werden de meeste +overheden door loting aangewezen. + +Archandropolis, Archandrou polis, stad in Beneden-Aegyptus, aan den +canobischen Nijlarm. + +Arche, algemeene naam der overheden in een republikeinschen staat. Te +Athene werden zij door het volk gekozen, later in vele gevallen +door het lot aangewezen. Voordat zij hun ambt aanvaardden, werd een +onderzoek (dokimasia) ingesteld, waaruit blijken moest dat zij waren +van echt atheensche geboorte, zonder lichaamsgebreken en in het volle +genot hunner burgerrechten. Ook mocht niemand twee overheidsambten te +gelijk of tweemaal hetzelfde ambt bekleeden. De overheden werden in +den regel niet bezoldigd, waren gedurende hun ambtsjaar onschendbaar, +maar moesten na afloop daarvan rekenschap (euthynai) van hun beheer +afleggen. + +Archegetes, z. Apollo. + +Archeion heet ieder gebouw waar overheden zitting hielden, in het +bijzonder het archief. + +Archelaus, Archelaos, 1) Heraclide, zoon van Temenus, die voor zijne +broeders naar Macedonia vluchtte en daar de stad Aegae stichtte.--2) +koning van Sparta, tijdgenoot van Lycurgus.--3) koning van Macedonia +(413-399), zoon van Perdiccas II. Hoewel hij door broedermoord zich den +weg tot den troon had gebaand, regeerde hij verdienstelijk, zocht het +land te beschaven, liet wegen aanleggen en steden stichten, en lokte +grieksche letterkundigen en kunstenaars aan zijn hof, o.a. Euripides +en Zeuxis. Ook was hij de eerste, die een soort legerorganisatie +inrichtte.--4) een Cappadociër, veldheer van den pontischen koning +Mithradates VI. In 87 viel hij met een groot leger in Griekenland, +doch werd in 86 door Sulla verslagen, eerst bij Chaeronea en daarna +bij Orchomenus in Boeotia. Hij was het, die den vrede tusschen den +koning en Sulla tot stand bracht, doch daar Mithradates meende dat +hij daarbij te veel aan Sulla had toegegeven, viel hij in ongenade +en ging hij (83) tot de Romeinen over.--5) zoon van no. 4. Pompeius +stelde hem in 63 tot opperpriester van Comana in Pontus aan; doch in +56 ging hij, terwijl hij zich voor een zoon van Mithradates uitgaf, +naar Aegypte, huwde de aegyptische prinses Berenice, die haren vader, +den algemeen gehaten Ptolemaeus XI Auletes, had verdreven, en werd zóó +koning van Aegypte, doch sneuvelde in den strijd tegen den romeinschen +proconsul A. Gabinius, die Auletes op den troon kwam herstellen +(55).--6) zoon van no. 5, volgde zijn vader als opperpriester van +Comana op, doch werd door Caesar in 47 afgezet.--7) zoon van no. 6, +werd door M. Antonius, om der wille zijner schoone moeder Glaphyra, +tot vorst van Cappadocia verheven (41) en later (36) door Octavianus +in de regeering bevestigd, doch na een regeering van 50 jaar door +Tiberius afgezet en naar Rome ontboden, waar hij weldra stierf (14 +n. C.). Aan zijn zoon, die eveneens Arch. heette, werd slechts een +klein deel van het rijk zijns vaders gelaten.--8) zoon van Herodes +den Grooten (z. a.). Van zijns vaders rijk kreeg hij (4 v. C.) met +den titel van ethnarch de landschappen Samaria, Judaea en Idumaea; +doch om zijne wreedheid werd hij door Augustus afgezet en naar Vienna +in Gallia verbannen (6 n. C.).--9) leerling van Anaxagoras, volgens +sommigen leermeester van Socrates. + +Archemorus, Archemoros, eigenlijk Opheltes, het zoontje van Lycurgus, +koning van Nemea, en Eurydice. Toen de zeven vorsten tegen Thebe +optrokken en in de nabijheid van Nemea water zochten, lieten zij zich +door Hypsipyle, die op het kind passen moest, den weg wijzen. In hare +afwezigheid werd Opheltes door een draak gedood. Daar Amphiaraus deze +gebeurtenis als een slecht voorteeken beschouwde, noemde men den knaap +Archemorus (voorganger in den dood); de zeven vorsten begroeven hem +plechtig en stelden tot zijne nagedachtenis de nemeïsche spelen in. + +Archermus, Archermos, van Chius, beeldhouwer uit 600-550. Men vertelt, +dat hij het eerst de Nike gevleugeld voorgesteld heeft; of echter +de gevleugelde godin, die bij de opgravingen op Delus gevonden is, +van hem is, wordt tegenwoordig betwijfeld. + +Archestratus, Archestratos, 1) atheensch veldheer in den +peloponnesischen oorlog, sneuvelde in 406 bij Mytilene.--2) van Gela, +tijdgenoot van den jongen Dionysius. Zijn leerdicht in hexameters, +Hedypatheia, over kookkunst en gastronomie, werd wegens zijne +wetenschappelijke waarde door Aristoteles als bron voor zijne +natuurlijke historie der visschen gebruikt. + +Archias, Archias, 1) een Heraclide uit Corinthe, stichter van Syracusae +(734).--2) een Thebaan, die mede de Cadmea aan de Spartanen overgaf +(382) en door hun invloed polemarch werd. Bij de terugkomst der +verbannenen werd hij met de zijnen aan tafel gedood (379).--3) +A. Licinius Archias z. Licinii no. 37. + +Archidamus, Archidamos, naam van vijf spartaansche koningen: 1) +Arch. I regeerde tijdens den tweeden messenischen oorlog.--2) +Arch. II, zoon van Zeuxidamus (468-427). Na langen strijd bedwong +hij den opstand der Messeniërs en Heloten, die op de aardbeving van +465 volgde. Bij het begin van den peloponnesischen oorlog, dien hij +tevergeefs ontraden had, voerde hij jaarlijks het spartaansche leger +naar Attica. Naar hem wordt dikwijls het eerste tijdperk van dien +oorlog (431-421) archidamische oorlog genoemd.--3) Arch. III, kleinzoon +van den vorigen, voerde nog voordat hij aan de regeering kwam (361) +dikwijls het leger der Spartanen aan, in 368 versloeg hij de Arcadiërs +en Argiven bij Midea; daarentegen leed hij in 364, toen hij trachtte de +Arcadiërs het beleg van Cromnus te doen opbreken, eene nederlaag; ook +verdedigde hij in 362 Sparta tegen den aanval van Epaminondas. In 338 +sneuvelde hij in een bloedig gevecht tegen de Lucaniërs, tegen welke +de Tarentijnen zijne hulp hadden ingeroepen.--4) Arch. IV, kleinzoon +van den vorigen, werd in 294 door Demetrius Poliorcetes verslagen.--5) +Arch. V, kleinzoon van den vorigen, broeder en opvolger van Agis III, +trachtte Cleomenes III in zijn strijd tegen de ephoren te steunen, +maar werd reeds bij het begin zijner regeering (227) gedood. + +Archilochus, Archilochos, van Parus, bloeide omstreeks 650. In zijn +jeugd leefde hij grootendeels op Thasus, waarheen zijn voorvader +Telesicles eene kolonie gebracht had. Zijn later leven bracht hij +meestal in armoede onder allerlei avonturen en onaangenaamheden in +vreemden krijgsdienst door. Later keerde hij echter naar zijn vaderland +terug en sneuvelde hij in een gevecht tegen de Naxiërs. Arch. kan als +de eigenlijke schepper der iambische poëzie beschouwd worden, hij was +de uitvinder van den iambischen trimeter en van verscheiden andere +metra, en voerde ook een nieuwe wijze van voordragen in. Onrustig en +prikkelbaar van aard, leefde hij met zijne tijdgenooten op gespannen +voet, en zeide hij hun in zijne hekeldichten, menigmaal met groote +bitterheid, harde waarheden. Vooral de familie van Lycambes, die zijne +dochter Neobule aan Arch. tot vrouw beloofd, maar later zijn woord +gebroken had, werd zoo zonder genade door hem bespot en gehoond, dat +zij, naar men zegt, zich allen uit schaamte en wanhoop ophingen. Van +de gedichten van Arch., die door de ouden zeer hoog geschat werden +en die Horatius meermalen nagevolgd heeft, zijn slechts weinige +fragmenten bewaard gebleven. + +Archimedes, Archimedes in 287 te Syracusae geboren, een van de meest +beroemde wis- en werktuigkundigen der oudheid, heeft zijn naam door +tal van ontdekkingen vereeuwigd. Hij was een leerling van den beroemden +alexandrijnschen wiskundige Euclides. Op wiskundig gebied vond hij de +verhouding van de middellijn tot den cirkelomtrek, de inhoudsformules +voor den bol en den cylinder, enz., en schreef verschillende werken, +die ten deele bewaard gebleven zijn. Op het gebied van waterweegkunde +ontdekte hij de naar hem genoemde wet, dat een lichaam, in eene +vloeistof gedompeld, zooveel aan zwaarte verliest, als het gewicht +der verplaatste vloeistof bedraagt. In de werktuigkunde vond hij de +katrol uit, de naar hem genoemde archimedische schroef of schroef +zonder einde en de waterschroef tot het uitmalen van water. Tijdens +het beleg van Syracusae door de Romeinen wendde hij zijne bekwaamheden +aan om door vernuftig uitgedachte werktuigen den Romeinen afbreuk te +doen. Toen eindelijk in 212 de stad door Marcellus werd ingenomen, +had deze wel uitdrukkelijk last gegeven, Archimedes te sparen, doch +een soldaat, die den beroemden man niet kende en in diens woning +doordrong, vond hem verdiept in meetkundige berekeningen, terwijl +hij een aantal figuren op den grond getrokken had. Verstoord over +de waarschuwing om niet door zijne figuren heen te loopen, doorstak +de soldaat hem. Op zijn graf werd, overeenkomstig zijn verlangen, +een cylinder met een bol geplaatst, doch in Cicero's tijd lag het +vergeten in een wildernis van struiken. + +Archimimus, directeur of hoofdacteur van een gezelschap mimi of +kluchtspelers. + +Archinus, Archinos, een Athener, die Thrasybulus hielp bij het +bestrijden van de dertig en bij de wederinvoering der democratie. Hij +stelde voor, het ionische alphabet in Athene in te voeren, en schreef +daarover ook een brochure. + +Archippus, Archippos, atheensch blijspeldichter, omstreeks 410. Hij +is een navolger van Aristophanes. + +Architheoria, Architheoria, een liturgie, bestaande in het dragen van +een deel der onkosten van de feestgezantschappen, die naar Olympia, +Delus e. e. gezonden werden. + +Archontes eigl. de naam van alle overheden en officieren, +in het biz. die van de hoogste overheid der atheensche +republiek. Oorspronkelijk was waarschijnlijk de archon een ambtenaar, +die evenals de polemarchos onder den koning stond, langzamerhand gingen +rechten en bevoegdheden van laatstgenoemden op de beide anderen over, +zoodat ten slotte alle drie in rang en macht gelijk stonden. Onder +het koningschap van de Medontiden werden deze ambten voor het geheele +leven gegeven, sedert 752 voor tien jaar, omstreeks 682 werd de duur +ervan tot een jaar beperkt, en tegelijk werd het aantal archonten +door toevoeging van zes thesmothetai op negen gebracht, zooals het +sedert dien tijd gebleven is. Aanvankelijk waren alleen eupatriden +verkiesbaar, sedert Solon pentakosiomedimnen, in verloop van tijd +werd het archontaat toegankelijk voor alle burgers, misschien +met uitzondering van de theten. De archonten werden oudtijds door +den Areopagus benoemd en werden na afloop van hun ambtsjaar leden +daarvan, sedert Solon werden zij bij loting aangewezen uit candidaten +(ek prokriton), van welke iedere phyle 10 verkoos, en tot deze +methode keerde men, nadat een proef met directe verkiezing door +de volksvergadering genomen was, na korten tijd terug; sedert 487 +werden de candidaten aangewezen uit de demen, en het geheele aantal +candidaten tot 500 uitgebreid; in lateren tijd, waarschijnlijk in de +4de eeuw, toen het aantal candidaten weer tot 100 teruggebracht was, +wees zelfs het lot in iedere phyle de candidaten aan, die om het +archontaat moesten loten. De loting was zoo ingericht dat uit iedere +phyle een persoon uitkwam; de laatst uitgekomene was grammateus.--De +macht en bevoegdheid dezer overheden zijn in den loop der tijden +zeer verminderd en in den tijd der onbeperkte democratie is hun niet +veel meer opgedragen dan het bezorgen van offers en feesten en het +voorzitterschap van sommige rechtbanken. Toch worden de archonten +altijd als de eerste overheden beschouwd, en werden zij, voordat +zij de gewone dokimasia mochten ondergaan, aan een onderzoek door +den raad onderworpen. De eerste archont, gewoonlijk alleen archon, +ook wel, omdat het jaar met zijn naam aangeduid werd, archon eponymos +genoemd, leidde processen over familie- en erfrecht, benoemde voogden, +enz. De tweede, op wien de priesterlijke waardigheid van den koning +was overgegaan, en die daarom den naam basileus behouden had, +had in overeenstemming daarmede toezicht en leiding bij al wat den +godsdienst betreft, en had ook kennis te nemen van alle aanklachten +die op godsdienstige aangelegenheden betrekking hadden. De derde, +polemarchos genoemd, wien oudtijds zonder twijfel de zorg voor het +krijgswezen was opgedragen, komt na den slag bij Marathon niet meer in +die betrekking voor; als rechter is hij voor vreemdelingen en metoiken, +wat de eerste archont voor burgers is. De overige zes archonten dragen +gezamenlijk den naam van thesmothetai; zij zijn voorzitters bij alle +rechtzaken, die niet voor andere magistraten behooren.--Nog in den +rom. tijd vindt men ath. archonten vermeld. + +Archytas, Archytas, van Tarente, pythagoreïsch wijsgeer, waarschijnlijk +leerling van Philolaus. Als staatsman zeer verdienstelijk, als +veldheer onoverwonnen, als wis- en werktuigkundige beroemd, werd hij +bovendien om zijn edel karakter door zijne medeburgers hoog geëerd, +zoodat hij in strijd met de wet telkens weder tot strateeg benoemd +werd. Zijn invloed redde Plato, toen deze door het wantrouwen van +Dionysius van Syracuse in levensgevaar verkeerde. Naar men verhaalde, +zou hij bij een schipbreuk nabij het voorgebergte Matinus het leven +verloren hebben. Zijn bloeitijd was 400-365. + +Arcitenens, bijnaam van Apollo en Diana. + +Arconnesus, Arkonnesos, 1) eiland op de kust van Ionia, westwaarts +van Colophon.--2) eilandje voor de haven van Halicarnassus. + +Arctinus, Arktinos, van Miletus, cyclisch dichter omstreeks 776, +behandelde in een episch gedicht, Aithiopis, de heldendaden van +Penthesileia en Memnon, den dood van Achilles en Aiax, enz. + +Arcturus, Arctophylax, Arktouros, Arktophylax. Zie Bootes. + +Arctus, Ursa, Plaustrum, Currus, Septentrio, Arktos, Hamaxa, +naam van twee sterrenbeelden, door de toevoegsels maior en minor, +megale en mikra onderscheiden: de Groote en de Kleine Beer, beide +van groot belang voor de scheepvaart, daar zij nooit ondergaan. In +den grooten beer herkende men gewoonlijk Callisto, in den kleinen +haar zoon Arcas. V. a. waren het twee berinnen, die Zeus op Creta +een jaar lang verborgen en gevoed hadden, en tot belooning onder de +sterren verplaatst waren. + +Arculas of -lum, een rondgevouwen doek of draagkussen op het hoofd, +ten einde met meer gemak een mand er op te kunnen dragen. Ook een tak +van den granaatappelboom, om het hoofd gebogen bij wijze van krans, +waarvan de einden door een wit wollen band waren saamgebonden; deze +werd door de flaminica Dialis gedragen bij alle offerplechtigheden, +soms ook door de vrouw van den rex sacrificulus. + +Arcus, 1) het bekende schietwapen, toxon, waarvan hier geene verdere +verklaring noodig is. Wij geven hierboven twee afbeeldingen van bogen; +de onderste wordt arcus sinuatus geheeten.--2) in de bouwkunde elke +uit bouwstoffen vervaardigde boog, meer in het bijzonder eerepoorten en +eerebogen. Onder de republiek waren zij meestal slechts tijdelijk, of +van gewonen gehouwen of gebakken steen opgetrokken, en werden fornices +genoemd; doch onder de keizers werden zij met de meest mogelijke +pracht van marmer en beeldhouwwerk als blijvende gedenkteekenen +opgericht. Vijf zulke triumfbogen zijn te Rome bewaard gebleven: de +arcus Drusi, de a. Titi (zie bovenstaande afbeelding) de a. Septimii +Severi. de a. Gallieni en de a. Constantini. + +Ardea, Ardea, in Latium, oude hoofdstad der Rutuliërs, sedert 442 +romeinsche kolonie, later vervallen. + +Ardeas, zoon van Odysseus en Circe, stichter van Ardea in Italië; +v. a. echter was deze stad door Danaë gesticht. + +Ardericca, Arderikka, plaats aan den Euphraat, ook eene plaats nabij +Susa, waarheen Darius de gevangene Eretriërs overbracht. + +Ardescus, Ardeskos, onbekende zijrivier van den Ister in europeesch +Sarmatië, mythologisch een zoon van Oceanus en Tethys. + +Ardettus, Ardettos, heuvel ten Z. O. van Athene, bij het Stadion, +waar de heliasten jaarlijks hun eed aflegden. + +Arduenna silva, in Belgica, thans de Ardennen en de Eifel. + +Ardys, Ardys, zoon en opvolger van Gyges, koning van Lydië, +654-617. In het begin van zijn regeering valt de inval der Cimmerii +(z. a.). Gedurende de laatste jaren van zijn leven veroverde hij +Priene en voerde hij met kracht oorlog tegen Miletus, zonder dat het +hem gelukte die stad in te nemen. + +Area, in het algemeen eene open ruimte, vooral eene opzettelijk +vrijgelaten ruimte, zooals het voorplein vóór een tempel, waar +het altaar stond, de voorhof van een huis, en dgl.--Vooral werd +de uit leem vastgestampte, soms ook geplaveide dorschvloer, halos, +aloe, aldus geheeten. Hij lag nabij de boerderij, in de open lucht, +eenigszins hoog ten behoeve eener goede afwatering. Het koren werd +uitgetreden door vee of door zware blokken (tribula), waarvoor een +trekdier was gespannen, of met knuppels en dorschvlegels uitgedorscht. + +Area, Areia, 1) z. Aphrodite. De dienst van Aphrodite Area was te +Sparta inheemsch, waar zij een tempel met een gewapend beeld had, +en werd later naar Corinthe, Cythera en Cyprus overgebracht.--2) +bijnaam van Athene. Onder dien naam had zij een gewapend beeld in +den tempel van Ares. Orestes zou na zijne vrijspraak voor het eerst +een altaar voor haar hebben opgericht. + +Areïthous, Areithoos, koning van Arne, geducht strijder, om zijn +ijzeren knots korynetes bijgenaamd. De arcadische koning Lycurgus +doodde hem en ontnam hem zijne wapenen. + +Arelas, Arelate of -tum, Arelate, thans Arles, stad in Narbonensis, +ter weerszijden van den Rhodanus (Rhône) gelegen, met belangrijke +overblijfselen uit den rom. tijd, sedert 46 rom. kolonie. Arelas was +eene bloeiende koopstad. + +Aremorica, de kuststreek van Gallia ten N. van den Liger (Loire) en +langs den Oceanus Britannicus (het kanaal). De naam wordt afgeleid +van het keltische ar = aan, bij, en môr = zee. Bij Plinius is het de +oude naam voor Aquitania in engeren zin (z. a.). + +Arena, het met zand bestrooide strijdperk in het amphitheater, waar de +gevechten van dieren en van zwaardvechters plaats vonden. Bloedvlekken +werden telkens onzichtbaar gemaakt door er nieuw zand over te +strooien. Overdrachtelijk wordt arena ook gebruikt voor het geheele +amphitheater, voor den strijd zelf en ook voor elke soort van wedstrijd +en van oefenplaats. + +Arenacum, Arenatium, Arenatio, stad in het gebied der Batavieren, +aan den weg tusschen Castra Vetera (Xanten) en Noviomagus (Nijmegen), +misschien het dorp Rindern bij Kleef. + +Areopagus, Areios pagos, heuvel in Athene, waar de oudste en beroemdste +rechtbank (he en Areio pago of ex Ar. p. boule) zitting hield. Deze +rechtbank, volgens het meest bekende verhaal samengesteld bij het +proces van Orestes en volgens beschikking van de godin Athena +ook voor het vervolg behouden, behandelde onder indrukwekkende +formaliteiten de zwaarste misdaden, zooals opzettelijken moord, +brandstichting en dgl., waarop doodstraf of verbanning stond. De +aangeklaagde had gedurende de vier maanden, die tusschen de aanklacht +en het vonnis moesten verloopen, geen toegang tot publieke plaatsen; +hij kon zich echter, behalve in geval van vadermoord, vrijwillig in +ballingschap begeven. Wanneer over het vonnis de stemmen staakten, +volgde vrijspraak, daar Athena dan verondersteld werd, evenals bij +het proces van Orestes, voor vrijspraak gestemd te hebben (calculus +Minervae).--Sedert 683 wordt de Areop. jaarlijks aangevuld uit de +gewezen archonten, die voldoende verantwoording van hun beheer gegeven +hadden en voor hun leven zitting hadden; hij had het toezicht over de +geheele staatsregeling en over de wetten, zeden en tucht. Solon maakte +hem tot een politiek gerechtshof, waarbij men klachten kon indienen +tegen de ambtenaren. Welke bevoegdheden met het toezicht op de wetten +verbonden waren, vindt men nergens nauwkeuriger omschreven; ook zijn de +gevallen waarin de Areop., hetzij uit eigen beweging, hetzij volgens +opdracht van het volk, optrad, van zeer verscheiden aard; overal ziet +men echter dat hij, wanneer hij optrad, door het groote vertrouwen, +dat hij genoot, grooten invloed kon uitoefenen. Doch met zijne uit den +aard der zaak conservatieve gezindheid schijnt dit lichaam de volkomen +ontwikkeling der democratie in den weg te hebben gestaan, en omstreeks +462 werd het door Themistocles en Ephialtes, later nog door Pericles, +van zijne politieke macht beroofd. Sedert dien tijd is de Areopagus +bijna uitsluitend gerechtshof in gevallen van moord en doodslag. In +den rom. tijd is het weder het voornaamste regeeringslichaam. + +Ares, Ares, Mars, zoon van Zeus en Hera, god van het krijgsgewoel +en van bloedige gevechten. In gezelschap van zijne kinderen Deimos +en Phobos, van zijne zuster Eris en van de moordgodin Enyo, begeeft +hij zich in den strijd, waar hij zich evenmin bekommert om orde +en regelmaat, als om het recht der strijdende partijen. Om zijn +onstuimigheid en zijn bloeddorstigen aard is hij zelfs bij Zeus meer +dan eenig ander god gehaat. Telkens geraakt hij in strijd met Athena, +de godin van het krijgsbeleid, en telkens moet hij het onderspit +delven; zelfs aan stervelingen gelukt het door hare hulp den god +te wonden.--De eeredienst van Ares was waarschijnlijk uit Thracië +ingevoerd en werd in Griekenland nooit algemeen. De wolf, het paard +en de haan waren hem heilig. Zijne beelden vertoonen gewoonlijk eene +jeugdige, gespierde gestalte, donkere gelaatstrekken, kleine oogen, +wijd geopende neusgaten en kort haar. + +Arestorides, Arestorides, Argos, de zoon van Arestor. + +Aretaeus, Aretaios, uit Cappadocia, beroemd geneesheer te Rome uit +de 2de helft van de 2de eeuw na C. + +Aretalogus, een persoon, die den kost verdiende door bij feestmalen +de dischgenooten te vermaken, vermoedelijk door, als een soort van +nar, te zwetsen en te bluffen. Oorspronkelijk is het echter iemand, +die op eentonige wijs de deugden en de macht van de een of andere +oostersche godheid verkondigt, of van allerlei wonderen opsnijdt. + +Aretas, naam van eenige vorsten der Nabataeërs in Arabia Petraea. Een +hunner, die zich in de joodsche zaken mengde, werd op bevel van +Pompeius door diens quaestor M. Aemilius Scaurus verdreven en in +de stad Petra belegerd (64). Een andere Aretas, wiens dochter met +Herodes II Antipas gehuwd, doch ter wille van Herodias verstooten +was, viel in Judaea ten tijde van Tiberius. Diens overlijden (37 +n. C.) verhinderde het uitbarsten van een oorlog. Toen Paulus uit +Damascus ontsnapte, stond de stad onder het bevel van den stadhouder +(ethnarches) van Aretas. + +Arete, Arete, 1) gemalin van Alcinoüs. Zoowel Odysseus als Medea +werden door haar gastvrij ontvangen en in bescherming genomen.--2) +dochter van Aristippus, den stichter der cyrenaïsche school; zij +beoefende zelve ijverig de wijsbegeerte en onderrichtte haar zoon +daarin.--3) dochter van Dionysius I van Syracuse, gehuwd met Dio, +en gedurende zijne afwezigheid aan Democrates tot vrouw gegeven. Na +zijne terugkomst nam Dio haar weder tot zich, en nadat hij vermoord +was, werd zij eerst gevangen gehouden en toen in zee geworpen. + +Aretho, Araithos, Aratthos = Arachthus, rivier in Epirus. + +Arethusa, Arethousa, 1) bron op Ortygia (z. Alpheus).--2) bron in +Elis.--3) bron op Ithaca.--4) bron op Euboea.--5) bron bij Thebae.--6) +stad in Syrië aan den Orontes. + +Areus, Areus, koning van Sparta (310-265). Met Ptolemaeus II verbonden, +voerde hij oorlog tegen de Aetoliërs, maar leed bij Cirrha een volkomen +nederlaag. In 272 sloeg hij den aanval van Pyrrhus op Sparta af, +ook verleende hij hulp aan Argos tegen hem. Hij sneuvelde in den +Chremonideïschen oorlog in een gevecht bij Corinthe. + +Arevaci en -cae, machtige en dappere volksstam in Hispania +Tarraconensis, tot wier gebied de stad Numantia aan den Boven-Durius +(Douro) behoorde. + +Argadeis, naam van de laatste der vier oude attische phylae, naar +Argades, een zoon van Ion. + +Argaeus, Argaios, 1) koning van Macedonië, zoon van Perdiccas I.--2) +koning van Macedonië, die in 393 aan Amyntas III de regeering ontnam +en deze twee jaar behield.--3) zoon van Ptolemaeus Lagi, werd door +zijn broeder Ptolemaeus Philadelphus gedood. + +Argaeus mons, Argaion oros, sneeuwgebergte in het midden van +Cappadocia. + +Arganthonius, Arganthonios, koning van Tartessus in Hispania, die +120 jaar leefde, waarvan hij 80 jaar regeerde. Zeelieden uit Phocaea, +die omstreeks 550 bij hem kwamen, werden zeer goed door hem ontvangen, +zelfs trachtte hij hen te overreden met al hunne landgenooten in zijn +rijk te komen wonen. + +Arganthonius mons, Arganthonion oros, berg in Bithynia, op eene +landtong, die tusschen twee golven in de Propontis (zee van Marmara) +vooruitspringt. In de nabijheid zou Hylas door de nimfen geroofd zijn. + +Argea, Argeia, 1) dochter van Adrastus, gehuwd met Polynices.--2) +zuster van Theras, gehuwd met Aristodemus no. 1. + +Argei, naam van 27 offerplaatsen te Rome, volgens de overlevering door +Numa gewijd, waar, naar het schijnt, door of vanwege de pontifices +op zekere tijden offers werden gebracht. Ook verstaat men onder +Argei aangekleede poppen, opgevuld met stroo of met biezen, die +ten getale van 27 op 15 Mei van de houten paalbrug (pons sublicius) +in den Tiber werden geworpen, ten overstaan van de pontifices, de +vestaalsche maagden en den praetor urbanus. Men gelooft vrij algemeen +hier te doen te hebben met een zoenoffer aan de rivier, oorspronkelijk +waarschijnlijk een menschenoffer. Argei zijn namelijk oorspronkelijk +Grieken, die als landsvijanden jaarlijks sedert de 2de helft der 3de +eeuw volgens de aanwijzing der Sibyllijnsche boeken Graeco ritu gedood +werden; men vergelijke het herhaaldelijk dooden van een Gallus en eene +Galla, eveneens volgens aanwijzing dier boeken. Spoedig echter zijn +deze bloedige offers door het afwerpen van stroopoppen (simulacra +hominum scirpea) vervangen. Bij senaatsbesluit van het jaar 97 werd +elk menschenoffer verboden. + +Argentarius. De werkkring der argentarii was tamelijk veelzijdig. Zij +bezorgden geld- en handelszaken voor anderen, belastten zich met koop +en verkoop en vervulden alzoo de rol van makelaars, van wisselaars +en van bankiers. In deze laatste hoedanigheid gaven zij ook wissels +af op andere plaatsen, namen geld voor anderen in ontvangst en deden +op last hunner lastgevers uitbetalingen. De uitdrukking per mensam +solvere beteekent dus: eene aanwijzing op zijn bankier geven. Hunne +zaken deden zij meest in de tabernae argentariae veteres en novae +aan het forum, die door den staat gebouwd en aan hen verhuurd werden. + +Argentoratum, rom. municipium aan den Rijn in het land der Triboci, +met groote wapenfabrieken, thans Straatsburg. In de nabijheid van +deze stad versloeg Julianus als Caesar (onderkeizer) in 357 n. C. de +Alamannen, die in den Elzas gevallen waren, en een groot gedeelte +van Gallië plunderden. + +Arges, Arges, een cycloop. + +Argi, oorspronkelijke latijnsche naam voor de stad Argos. + +Argias graphe, aanklacht, die men oorspronkelijk bij den Areopagus, +later bij den archon eponymos kon indienen tegen iemand, die geen +beroep uitoefende en daardoor zijn nabestaanden tot last was. Dit +werd eerst met eene boete, bij herhaling met atimie gestraft. + +Argiletum, eene buurt in Rome, tusschen den mons Quirinalis en +het forum. In deze buurt waren vooral boekwinkels en winkels van +handwerksnijverheid. De naam wordt zoowel afgeleid van argilla (dus +zooveel als kleibuurt), als verklaard door den dood van Evander, +die hier zou vermoord zijn. + +Argilus, stad op de macedonische kust aan de golf van den Strymon, +kolonie van Andrus. + +Arginusae, Arginoussai, groep van drie eilandjes tusschen Lesbus +en de kust van Aeolis. Hier behaalde de atheensche vloot in den +peloponnesischen oorlog hare laatste overwinning op de Spartanen (406); +doch niettemin werden de atheensche veldheeren te Athene ter dood +gebracht, omdat zij verzuimd hadden de drenkelingen op te visschen. + +Argiphontes, Argeiphontes, Argusdooder, bijnaam van Hermes. + +Argippaei, Argippaioi, stompneuzige en kaalhoofdige nomadenstam in +Sarmatia. Het is waarschijnlijk een turksch volk, dat ten Z. van het +Altaïgebergte woonde. De oost-aziatische handelsweg naar den Pontus +liep door hun land. + +Argissa, Argissa, stad in Pelasgiotis in Thessalia, later Argura +genaamd. + +Argiva, Argeia, bijnaam van Hera. + +Argivi, Argeioi, zie Argos. + +Argo, Argo, het schip, waarmede Iason en zijne metgezellen +(de Argonauten) naar Aea voeren. Het was gebouwd van hout dat op +den Pelion gegroeid was, en werd door vijftig roeiers in beweging +gebracht. Athena zelve hielp bij het bouwen en voegde er een stuk van +den sprekenden eik van Dodona in. Bij zijne terugkomst wijdde Iason +het schip op de landengte van Corinthe aan Poseidon, later werd het +onder de sterren geplaatst. + +Argolis, Argolis, oude en door de Romeinen op nieuw in zwang gebrachte +naam van het landschap Argos in de Peloponnesus (zie Argos). + +Argonautae, Argonautai, Iason en zijne metgezellen, die met het +schip Argo naar Aea voeren, om het gouden vlies terug te halen, +dat daar door Phrixus in een woud van Ares was opgehangen. Ofschoon +de sage van den Argonautentocht bij de Minyers ontstaan is, was hare +groote vermaardheid oorzaak, dat in verloop van tijd de meeste helden +die in dien tijd geleefd konden hebben, ook uit andere grieksche +stammen, onder de vijftig deelnemers aan den tocht geteld werden, +o.a. Heracles, Castor en Polydeuces, Peleus, Theseus, Tydeus, Meleager, +Orpheus. De Argonauten stonden onder de bizondere bescherming van +Hera en Athena; zij bereikten dan ook hun doel, in weerwil van vele +gevaren en avonturen. De heenreis gaat van Iolcus over Lemnus, door +den Hellespont, langs Cyzicus, door de Symplegadische rotsen en verder +langs de kust van de Zwarte zee; op de terugreis werd v. s. dezelfde +weg genomen; doch volgens de meeste verhalen werd het schip door storm +op een verkeerden weg gedreven en kwamen de reizigers eerst na lange +omzwervingen in Iolcus terug. Er is dan ook bijna geen land, of de +Argonauten zijn er volgens een of ander verhaal geweest, zelfs zouden +zij in twaalf dagen door de libysche woestijn getrokken zijn, terwijl +zij het schip Argo op hunne schouders droegen; ook bezochten zij Circe, +voeren voorbij de Sirenen, Scylla en Charybdis, enz.--Men gelooft dat +de sage van den Argonautentocht, die zeer oud is, herinneringen bevat +aan de vroegste zeetochten, die door de Minyers, een zeevarend volk, +ten behoeve van handel en kolonisatie werden ondernomen. + +Argos, to Argos. De naam beteekent volgens Strabo vlakte en wordt dus +bij meer dan ééne plaats gevonden. Het homerische pelasgikon Argos +is de vlakte bij Larissa aan den Peneus in Thessalia, en in ruimeren +zin ook wel het geheele thessalische vlakland. To Achaiikon Argos bij +Homerus is òf de stad Argos in de Peloponnesus, de woonplaats van +Diomedes, òf het landschap Argos, ook wel Argolis geheeten, òf ook +wel de geheele Peloponnesus, evenals de naam Argivi bij de dichters +nu eens voor de Argoliërs, dan weder voor de gezamenlijke Grieken +wordt gebezigd, omdat hun aanvoerder in den trojaanschen krijg, +Agamemnon, koning te Mycenae in Argos was. Het landschap Argos was +het oostelijkste van de Peloponnesus. Het was bergachtig en niet +zeer vruchtbaar, omdat het arm was aan water. De vlakte, waarin de +steden Argos, Mycenae en Tiryns lagen, was vruchtbaarder en geschikt +voor paardenfokkerij, hippoboton Argos bij Homerus. Ook Argos werd, +evenals Messene en Laconica, door de Doriërs veroverd, doch dezen +waren hier minder sterk, zoodat de oud-achaeische elementen minder +onderdrukt werden en de regeering minder aristocratisch werd dan +te Sparta. In Argos behooren de mythen te huis van de Danaïden, van +Danaë en Perseus, van Heracles, van de gruwelen der Atridenfamilie. De +stad Argos lag aan het riviertje den Inachus, op een steilen heuvel +lag de burg Larissa. Na den trojaanschen oorlog was nu eens Argos, +dan weder Mycenae de zetel van het bestuur, de Doriërs maakten Argos +voor goed tot hoofdstad. Aan den perzischen oorlog kon Argos geen deel +nemen, ten gevolge eener vreeselijke nederlaag, die het kort te voren +van de Spartanen had ondergaan bij Tiryns. De beroemde beeldhouwer +Polycletus was te Argos (of te Sicyon) geboren. In den tempel van +Hera, tusschen Argos en Mycenae gelegen, stond het beroemde, door +hem gemaakte beeld der godin.--Ook in het landschap Amphilochia +tusschen Aetolia en Epirus lag eene stad Argos, ter onderscheiding +Amphilochicum geheeten.--Nog een ander Argos, Hippium bijgenaamd, +zou na den trojaanschen oorlog in Apulia gesticht zijn en uit Argos +hippion zou dan de naam Arpi zijn ontstaan. + +Argura, Argoura = Argissa. + +Argus, Argos, 1) zoon van Zeus en Niobe, volgde zijn grootvader +Phoroneus als koning van Argos op.--2) zoon van Agenor, Arestor of +Inachus, wiens geheele lichaam met oogen bezaaid was (panoptes). Toen +Io in eene koe veranderd was, plaatste Hera hem als wachter bij +haar, maar Hermes deed hem door zijn fluitspel inslapen en doodde +hem daarna. Zijne oogen plaatste Hera daarna in den staart van den +pauw.--3) zoon van Phrixus en Chalciope. Hij keerde uit Aea naar +Orchomenus terug en bouwde voor Iason de Argo. V. a. leed hij met +zijne broeders schipbreuk bij het eiland Aretias, waar de Argonauten +hen later vonden en medenamen naar Aea. + +Argyraspides, Argyraspides, eene keurbende van zware infanterie in +het macedonische leger, zoo genoemd naar hunne met zilver beslagen +schilden. Na Alexanders tocht door Indië werd dit corps opgericht of +v. a. werden alle overblijfsels zijner oude grieksche troepen toen +erin opgenomen. Later werden zij door Polyperchon onder bevel van +Eumenes geplaatst, zij kwamen in opstand en verrieden hun veldheer +aan Antigonus, die weldra het corps wegens zijne aanmatigingen +ontbond.--Ook de lijfwacht der Syrische koningen bestond uit +Argyraspides. + +Argyripa, oude naam voor de stad Arpi in Apulia. + +Aria, Areia, eene der oostelijke provinciën van het perzische rijk, +een vruchtbaar bergland, waardoor de Arius, die bij Herodotus Aces, +Akes, heet, stroomde. De bewoners heetten Arii, Areioi, welke naam +niets te maken heeft met den naam Ariërs, waarmede de Indo-Germanen +worden aangeduid. De hoofdstad was Artacoana. Op hare plaats of in de +nabijheid er van werd later een Alexandria gesticht, Areion bijgenaamd, +thans Herât. + +Ariadne, Ariadne, dochter van Minos en Pasiphaë. Zij vluchtte +met Theseus uit Creta, nadat zij hem door een kluwen touw in staat +gesteld had zijn weg in het labyrinth te vinden en den Minotaurus te +dooden. Terwijl zij op het eiland Naxus ingeslapen was, liet Theseus +haar achter en vervolgde alleen de reis naar Athene. Toen zij ontwaakte +en zag wat er gebeurd was, wilde zij zich in zee storten, maar juist op +dat oogenblik landde Dionysus, van zijn tocht naar Indië terugkeerend, +op Naxus en, door hare schoonheid getroffen, nam hij haar tot zijne +bruid. Sedert dien tijd vergezelde zij den god altijd, en nam zij, op +een panther of een olifant zittende, de eerste plaats onder zijn gevolg +in. Haar bruidskrans werd onder de sterren opgenomen en v. s. kreeg +zij zelve een plaats op den Olympus.--V. a. was zij op Naxus door +Artemis gedood, of had Dionysus Theseus bewogen haar te verlaten. Bij +vele feesten van Dionysus werd ook Ariadne vereerd. Z. afbeelding. + +Ariaeus, Ariaios, voerde in den slag bij Cunaxa het bevel over den +linkervleugel van Cyrus' leger. Na diens dood ging hij tot Artaxerxes +over, en gedeeltelijk door zijn toedoen vielen de grieksche strategen, +die onder Cyrus gediend hadden, in de handen van Tissaphernes. + +Ariana. Deze naam, waaronder men het oostelijk gedeelte van het +perzische rijk verstaat, was aan de oude Grieken onbekend. Door +bergranden van Armenia en van de Euphraat-Tigrislanden gescheiden, +strekt Ariana zich uit tot aan den Indus, en omvat dus ongeveer het +tegenw. Irân, Afghanistân en Beludchistân. De scherpe afwisseling van +gloeiende zomerhitte met felle winterkoude en het gebrek aan water +maakten, dat het land schaars bevolkt was. Behalve nomadenstammen van +elders, was de bevolking arisch. Behalve Media en Persis, die niet +altijd onder Ariana begrepen worden, maar toch door hunne ligging er +toe behooren, omvat Ar. de landstreken Carmania, Gedrosia, Arachosia, +Drangiane, Aria, het Paropanisadenland, Bactriane, Sogdiane, Parthyaea, +Hyrcania. + +Ariarathes, Ariarathes, cappadocische koningsnaam. Ariarathes I werd +in 322 door Perdiccas, den rijksbestuurder na Alexander den Grooten, +verslagen en ter dood gebracht. Zijn zoon, Ar. II, herwon het vaderlijk +gebied (302). Ar. IV hielp zijn schoonvader Antiochus III van Syria in +den oorlog tegen de Romeinen, doch sloot later met hen een verbond van +vriendschap (188). Ar. V had zijne opvoeding te Rome ontvangen. Bij den +dood zijns vaders (162) betwistte een ondergeschoven zoon van dezen, +Holophernes, hem met syrische hulp het rijk, zoodat hij naar Rome moest +vluchten, waar men eene verdeeling tot stand bracht. Later hielp hij +de Romeinen in den oorlog tegen Aristonicus van Pergamus, waarbij hij +sneuvelde (130). Onder de volgende Ariarathessen maakte Mithradates +van Pontus zich van Cappadocia meester en zette er zijn eigen zoon +Ariarathes op den troon, terwijl de Romeinen Ariobarzanes I tot koning +aanstelden (95). Een latere Ariarathes, zoon van Ariobarzanes III, +werd door den drieman M. Antonius afgezet (zie Archelaüs no. 7). + +Ariaspae, Ariaspai, ruitervolk in Drangiane. Zij zijn ook bekend om +hun korenbouw, en hadden hun land vruchtbaar gemaakt door talrijke +bevloeiïngen. + +Aricia, Arikia, zeer oude stad van Latium aan den appischen weg, +ten Z. van den Albanus lacus, sedert 338 civitas sine suffragio, +vervolgens een bloeiend municipium. In de buurt vond men den lacus +Nemorensis (tgw. Lago di Nemi), aan welks oever een Diana-tempel +stond. Hiernaar werd het meer ook speculum Dianae genoemd. De priester +van dezen tempel, met den titel rex Nemorensis, was in later tijd +een weggeloopen slaaf, die zijn ambt zoolang bekleedde, tot er een +sterkere kwam, die hem in een gevecht overwon. De Diana Aricina is +eene in Latium inheemsche godin, die de vrouwen in verschillende +omstandigheden haars levens steunt. + +Aries, stormram of muurbreker, bestaande uit een zwaren balk, van +voren met een zwaren metalen ramskop voorzien. Hij hing op de wijze +van een schommel aan touwen of kettingen, werd dan achteruitgetrokken +en losgelaten, zoodat hij met kracht tegen den vijandelijken muur +beukte. Om de kracht te vermeerderen, waren de arietes geweldig zwaar +en soms aan het achtereinde nog van zware gewichten voorzien, zoodat +er dikwijls 1500 manschappen noodig waren om ze te bedienen. Bij het +beleg van Carthago gebruikte Scipio twee rammen voor welks bediening +hij 6000 man noodig had. De gewone lengte van den balk was 80 tot +100 voet. Flavius Josephus beschrijft een stormram, waarvan de kop +eene dikte van tien mannen en elk der beide horens eene mansdikte +had. De aries stond, ter beveiliging der manschappen onder een sterk +schutdak, testudo arietaria. Wilde de belegerde stad voorwaarden van +overgave bedingen, dan moest zij dit doen, voordat de stormram de +muren had aangeraakt. + +Arima, ta Arima, een berg ergens in Klein-Azië, waaronder de reus +Typhoëus bedolven lag. De bewoners heetten Arimi. De woorden ein +Arimois als één woord gelezen, hebben aanleiding gegeven tot de +meening, dat het eiland Inarime of Aenaria in de golf van Napels +was bedoeld. + +Arimaspi, Arimaspoi, fabelachtig volk in het verre Noordoosten van +Europa of in Libye. De Grieken stellen hen voor als eenoogige menschen, +die om het goud in hun bergen een eeuwigen strijd met de griffioenen +voeren. Sommigen zien hierin een dichterlijke inkleeding van geruchten +aangaande den mijnbouw in den Oeral. + +Ariminum, Ariminon, bloeiende zeestad in Umbria, door de via Flaminia +met Rome, en door de via Aemilia met Cisalpina verbonden. Een +tijd lang was het in bezit der senonische Galliërs, doch na hunne +verdrijving keerde de umbrische bevolking terug en werd de plaats in +268 rom. kolonie. Thans Rimini. + +Ariobarzanes, Ariobarzanes, veldheer van den perzischen koning Darius +III Codomannus, die nog eene laatste vruchtelooze poging deed om den +voortgang der Macedoniërs te stuiten; hij werd, nadat hij zich had +overgegeven, door Alexander eervol behandeld.--Ook werd deze naam +gedragen door een drietal koningen van Cappadocia. Ar. I werd in 95 +door de Romeinen als koning aangesteld, doch meermalen door Mithradates +van Pontus verdreven. Als spotnaam noemde men hem Philoromaeus of +Romeinenvriend. Hij werd in 63 opgevolgd door zijn zoon Ar. II, +en deze in 51 door Ar. III, die in den burgeroorlog eerst de partij +van Pompeius, maar later die van Caesar koos, en in 43 door Cassius +werd omgebracht. + +Arion, 1) Arion, van Methymna, beroemd dichter, zanger en citherspeler, +die het eerst bij de Dionysusfeesten den dithyrambus door koren liet +voordragen. Hij leefde langen tijd aan het hof van Periander van +Corinthe, bij wien hij in hooge gunst stond. Toen hij van eene reis +door Italië en Sicilië naar Corinthe terugvoer, besloten de matrozen, +begeerig naar de schatten die hij bij zich had, hem te dooden. Op +zijn verzoek werd hem toegestaan voor zijn dood een lied te zingen; +hij trad naar den voorsteven, van waar hij zich bij het einde van zijn +gezang in zee stortte. Maar een van de dolfijnen, die door de heerlijke +muziek aangelokt waren, nam hem op den rug en bracht hem behouden +naar Taenarum, van waar hij zijne reis naar Corinthe voortzette. Kort +daarna kwam ook het schip te Corinthe aan en Periander, reeds van +het gebeurde op de hoogte, liet de matrozen gevangen nemen en voor +zich brengen. Eerst loochenden zij alle schuld en beweerden dat Arion +te Tarente gebleven was, maar toen deze plotseling zelf verscheen, +bekenden zij alles, waarop Periander hen liet ter dood brengen. Op kaap +Taenarum stond eeuwen lang een bronzen beeld van Arion, op een dolfijn +zittende. De lier en de dolfijn werden onder de sterren geplaatst.--2) +Areion, het bliksemsnelle, met spraak begaafde paard van Adrastus, +door Poseidon bij Demeter verwekt. + +Ariovistus, germaansch aanvoerder, die in 71 met 15000 Germanen den +Rijn overtrok, om in Gallia de Arverners en Sequaners tegen de Aeduers +te ondersteunen. Hij versloeg eerst zijne vijanden en onderwierp toen +zijne bondgenooten. De rom. senaat verleende hem den titel van vriend +en bondgenoot. Toen echter in 58 de onderdrukte gallische volken +Caesars hulp hadden ingeroepen en Ariovistus Caesars eischen afwees, +bracht Caesar hem in den Boven-Elzass eene zóó afdoende nederlaag toe, +dat Ariovistus over den Rijn naar Germania terugvluchtte. + +Ariphron, Ariphron, van Sicyon, dithyrambendichter uit de vierde eeuw. + +Arisbe, Arisbe, 1) dochter van Merops, echtgenoote van Priamus, moeder +van Aesacus.--2) trojaansche stad nabij Abydus, waarbij Alexander +na den overtocht van den Hellespont zijn leger opsloeg.--3) stad op +Lesbus, ten Z. van Methymna, die door eene aardbeving verwoest werd. + +Aristaenetus, Aristainetos, van Nicaea in Bithynië, grammaticus en +rhetor, verloor het leven bij eene aardbeving te Nicomedea (358 na +C.). De vijftig brieven vol avontuurlijke liefdesgeschiedenissen, +die zijn naam dragen, zijn van veel lateren tijd. + +Aristaeus, Aristaios, zoon van Uranus en Ge of van Apollo en Cyrene, +een god der oudste Grieken, wiens wezen later met dat van Zeus en +Apollo samensmolt. Hij was de beschermer van den landbouw, van de +kudden (Nomios), de jacht (Agreus), de bijen (Melisseus), enz. Hij +werd vooral in Thessalië, in Cyrene en op het eiland Ceos vereerd. + +Aristagoras, Aristagoras, volgde zijn schoonvader Histiaeus als +tyran van Miletus op, toen deze naar Susa aan het hof van Darius +geroepen was. Op verzoek van eenige ballingen uit Naxus, bewoog hij +Artaphernes, en door diens tusschenkomst Darius, eene vloot uit te +zenden om dat eiland te veroveren en de ballingen terug te brengen; +de onderneming mislukte echter, daar de perzische admiraal met +Aristagoras twist kreeg en de Naxiërs waarschuwde. Uit vrees voor +de ontevredenheid van Darius en aangespoord door een bode van zijn +schoonvader, bewerkte Arist. nu een opstand van de ionische steden, +die omstreeks 500 uitbrak en waarbij de Ioniërs door de Atheners +en Eretriërs met schepen ondersteund werden. Hoewel aanvankelijk +voorspoedig, werden de Grieken weldra weder door de Perzen bedwongen +en Arist., het ergste vreezende, verliet met anderen Miletus om te +Myrcinus in Thracië eene volksplanting te stichten; reeds het volgende +jaar sneuvelde hij echter in een gevecht tegen de thracische Edoni. + +Aristarchus, Aristarchos, 1) van Athene, een van de hevigste oligarchen +ten tijde van de regeering der vierhonderd (411), die met anderen van +pogingen tot verraad verdacht werd. Toen de democratie hersteld werd, +vluchtte hij en maakte hij op de vlucht van zijne betrekking als +strateeg gebruik om Oenoë aan de Boeotiërs over te geven.--2) van +Tegea, treurspeldichter, tijdgenoot van Euripides.--3) van Samus, +alexandrijnsch wis- en sterrenkundige omstreeks 280. Hij leerde +dat de aarde zich om de zon en om haar eigen as beweegt. Een werk +van hem over de grootte en de afstanden van zon en maan is bewaard +gebleven.--4) van Samothrace, de beroemdste taalkundige der oudheid, +onderwijzer van een zoon van Ptolemaeus Philometor (Ptolemaeus +no. 10). Door Ptolemaeus Physcon (z. Ptolemaeus no. 11) vervolgd, +ging hij naar Cyprus, waar hij, 72 jaar oud, stierf (± 144). Van +de vele oudere grieksche dichters, die hij grammatisch en critisch +behandelde, besteedde hij de meeste zorg aan Homerus, wiens werken hij +met verbeterden tekst en met voortreffelijke verklaringen uitgaf. In +de scholiën op Homerus vindt men eenige overblijfsels van zijn werk. + +Aristeas, Aristeas, 1) van Proconnesus, schreef een gedicht over +de Arimaspen, vol fabelen. Men verhaalde van hem, dat hij van tijd +tot tijd van de aarde verdween en na een lang tijdsverloop weder +verscheen. Te Metapontum had hij den dienst van Apollo ingevoerd.--2) +een andere Ar. werd door Ptolemaeus Philadelphus naar Jeruzalem +gezonden, om de zeventig vertalers van het Oude Testament te halen. Dit +verhaal staat te lezen in een brief, die uit de eerste helft der 1ste +eeuw v. C. dateert. + +Aristides, Aristeides, 1) Athener, zoon van Lysimachus, geb. omstreeks +540, bijgenaamd de Rechtvaardige. Hij werkte mede aan de hervormingen +van Clisthenes, en streed bij Marathon. Na de daar behaalde overwinning +was hij archont. Als voorstander eener meer behoudende politiek +verzette hij zich tegen de voorstellen van Themistocles, vooral +tegen die betreffende de uitbreiding der zeemacht, en zoo scherp +stonden de beide tegenstanders tegenover elkander, dat in 482 het +ostracismus toegepast moest worden, en Ar. voor tien jaar verbannen +werd. In den slag bij Salamis vervoegde hij zich echter weder bij de +atheensche vloot en na de overwinning werd hij uit zijne ballingschap +teruggeroepen. Bij Plataeae voerde hij de Atheners aan en later voerde +hij het bevel over de vloot. Zijn gedrag was mede oorzaak, dat de +hegemonie door de Grieken aan de Atheners aangeboden werd. Zoo algemeen +was het vertrouwen dat hij genoot, dat hem de inrichting van de nieuwe +symmachie werd opgedragen; hij bepaalde hoeveel ieder voor de vloot +moest bijdragen en maakte Delus tot bewaarplaats van de bondskas. De +groote gebeurtenissen van zijn tijd hadden hem ook in de binnenlandsche +politiek van inzicht doen veranderen, en ook onder zijne medewerking +werden de burgerlijke rechten, benoembaarheid tot verschillende ambten, +enz., aan een grooter deel der bevolking gegeven. Hij stierf in 467 +zeer arm; de staat bekostigde zijne begrafenis, zorgde voor zijn +zoon en gaf aan zijne dochters een huwelijksgift.--2) van Thebae, +beroemd schilder uit den tijd van Alexander d. G.; hij muntte vooral +uit in groote en uitvoerige stukken, die veldslagen of veroveringen +voorstelden.--3) van Miletus, in de voorlaatste en laatste eeuw v. C., +schrijver van Milesiaka, fabulae Milesiae, romantische verhalen uit het +leven te Miletus. Het werk was bij de Romeinen zeer gezocht, Sisenna +(Cornelii no. 56) leverde eene latijnsche vertaling ervan. Slechts +weinige fragmenten zijn overgebleven.--3) grieksch redenaar, zie +Aelius Aristides (Aelii no. 10). + +Aristion, Aristion, een epicureïsch wijsgeer, die zich met behulp +van Archelaus no. 4 tot tyran van Athene opwierp; toen Sulla de stad +veroverd had, liet deze hem ter dood brengen (86). + +Aristippus, Aristippos, 1) van Cyrene, geb. omstreeks 435, werd +in 416 door zijn vader naar Athene gezonden om het onderwijs van +Socrates te genieten; na diens dood trad hij eerst te Aegina, later +aan het hof van den jongeren Dionysius, vervolgens ook in verscheiden +andere steden, o. a. in zijn vaderstad en te Athene als leeraar op. Hij +stierf op hoogen leeftijd, misschien op het eiland Lipara. De leer van +Aristippus, die de cyrenaeïsche of hedonische genoemd wordt, noemde +als hoogste goed het genot, mits men zich niet erdoor liet beheerschen +(to kratein kai me hettasthai hedones). Verstand en geestbeschaving +stellen den mensch daartoe in staat. Genot is eene zachte beweging, +die men met bewustheid ondergaat.--Aristippus was de eenige onder de +leerlingen van Socrates, die zich voor zijn onderwijs liet betalen, +vandaar dat hij soms sophist genoemd wordt.--2) kleinzoon van den +vorigen, door zijne moeder Arete in de wijsbegeerte van zijn grootvader +onderwezen (metrodidaktos). + +Aristius Fuscus, rom. tooneeldichter en taalgeleerde, vriend van den +dichter Horatius. + +Aristobulus, Aristoboulos, 1) tochtgenoot van Alexander d. Gr., +stelde diens daden te boek; zijn werk was een van de voornaamste +bronnen waaruit Arrianus geput heeft.--2) joodsch peripatetisch +wijsgeer (± 150), die in verscheiden werken trachtte aan te toonen, +dat de grieksche philosophie aan joodsche e. a. oostersche bronnen +ontleend was.--3) zoon van den joodschen vorst-hoogepriester Alexander +Jannaeus, leefde sedert den dood zijner moeder (69) in oorlog met +zijn broeder Hyrcanus, die door Aretas, koning der Nabataeërs, werd +ondersteund. Aristobulus riep de hulp in van Pompeius (64); doch +toen hij dezen zocht te misleiden, werd hij zelf gevangen genomen en +Hyrcanus op den troon geplaatst. Later ontkwam Aristobulus wel, doch +hij werd opnieuw gevangen, en toen eindelijk Caesar hem in vrijheid +had gesteld en hem troepen had gegeven om Judaea te vermeesteren +(49), werd Ar. door zijne vijanden door vergif uit den weg geruimd. + +Aristocrates, Aristokrates, 1) koning van Arcadië, die in den tweeden +messenischen oorlog de Messeniërs helpen zoude, maar zich door de +Spartanen liet omkoopen om hen te verraden. Als verrader werd hij +door de Arcadiërs gesteenigd, waarna zij de koninklijke waardigheid +afschaften (668).--2) Athener, een van de admiraals die den slag bij +de Arginusen wonnen en ter dood veroordeeld werden (406). Vroeger +had hij tot de 400 behoord.--3) Spartaan, schrijver van Lakonika, +phantastische verhalen. Hij leefde waarschijnlijk in de 1ste eeuw v. C. + +Aristodemus, Aristodemos, 1) een Heraclide, vader van Eurysthenes en +Procles, die bij den terugtocht naar de Peloponnesus te Naupactus door +den bliksem gedood werd. De Lacedaemoniërs verhaalden echter dat hij +nog in Lacedaemon geregeerd had en dat zijne beide zonen in Lacedaemon +geboren waren.--2) de held van den eersten messenischen oorlog, die +ingevolge een orakel zijne dochter voor het vaderland opofferde. Later +werd hij tot koning verkozen en voerde hij den oorlog langen tijd met +groote dapperheid; toen echter de verdere verdediging hopeloos was, +beroofde hij zich bij het graf zijner dochter van het leven (724).--3) +tyran van Cumae in Campanië, erfgenaam van Tarquinius Superbus, die +zijne laatste levensjaren bij hem doorbracht.--4) de eenige Spartaan +die bij de Thermopylae niet sneuvelde; in Sparta werd hij daarom als +een lafaard geschuwd, later sneuvelde hij echter roemrijk bij Plataeae. + +Aristogiton, Aristogeiton, 1) z. Harmodius.--2) atheensch redenaar, +bijgenaamd kyon, tegenstander van Demosthenes, Dinarchus, Lycurgus +en Hyperides. + +Aristoi, een van de namen, waarmede de edele geslachten in +aristocratische republieken zich noemden. De naam berust op +vooronderstelde voortreffelijkheid in deugd, beschaving, krijgskunst, +enz. + +Aristomachus, Aristomachos, zoon van Cleodaeus, achterkleinzoon +van Heracles. Steunende op een orakel, deed hij eene poging om +de Peloponnesus te heroveren, maar daar hij het orakel verkeerd +uitgelegd had, mislukte de onderneming en hijzelf sneuvelde door de +hand van Tisamenus. + +Aristomenes, Aristomenes, 1) Messeniër, die zijne landgenooten tot een +opstand tegen Sparta aanspoorde (684), waarvan de tweede messenische +oorlog het gevolg was. De koninklijke waardigheid, die hem wegens +zijne uitmuntende dapperheid werd aangeboden, wees hij af; toch was +hij de ziel van den oorlog en bracht hij de vijanden meer dan eens +in het nauw. Meermalen geraakte hij in het grootste levensgevaar, +driemaal viel hij in handen der Spartanen, maar telkens ontkwam hij +den dood op wonderdadige wijze, zelfs toen hij reeds te Sparta in den +Caeadas geworpen was. Toen met den val der vesting dra de oorlog ten +nadeele der Messeniërs eindigde, ging Arist. naar Ialysus, waar hij +na zijn dood als heros vereerd werd.--2) atheensch blijspeldichter, +tijdgenoot van Aristophanes.--3) Acarnaniër, die onder Ptolemaeus +Epiphanes minister was en Aegypte verstandig bestuurde (202-192); +aanvankelijk zeer door den koning bemind, werd hij, toen zijne +vrijmoedigheid dezen lastig begon te worden, vergiftigd. + +Ariston, ontbijt, werd in de oudste tijden vroeg in den morgen, +later tegen den middag gebruikt (= prandium). Wat men 's morgens +vroeg nuttigde, heette akratisma of ariston proinon of ook wel +alleen ariston. + +Ariston, Ariston, 1) van Chius, stoicijnsch wijsgeer omstreeks +275. Ofschoon hij een leerling van Zeno was, liet hij een groot deel +van diens leer als nutteloos vallen; volgens hem bestaat er niets +tusschen deugd en ondeugd; de deugd is het hoogste goed, al het +andere is den wijze onverschillig. Om hem van zijn naamgenoot te +onderscheiden wordt hij soms Seiren of Phalanthos bijgenaamd.--2) +van Ceus, volgde omstreeks 226 zijn leermeester Lyco als hoofd der +peripatetische school op. + +Aristonicus, Aristonikos, 1) atheensch redenaar, aanhanger van +Demosthenes, werd in 322 door Antipatrus gedood.--2) tyran van +Methymna op Lesbus, door Alexander den Gr. gevangen genomen en aan +de verbitterde Methymnaeërs uitgeleverd, die hem den marteldood deden +ondergaan.--3) natuurlijke zoon van Eumenes II van Pergamus. Toen zijn +broeder Attalus III in 133 zijn rijk aan de Romeinen naliet, beproefde +Aristonicus zich met de wapenen tegen de uitvoering van het testament +te verzetten, doch hij werd ten slotte door M. Perperna overwonnen, in +zegepraal door Rome gevoerd en vervolgens in de gevangenis gewurgd.--4) +alexandrijnsch taalgeleerde, tijdgenoot van Cicero, die zich vooral +met de studie van Homerus bezig hield. + +Aristophanes, Aristophanes, 1) de grootste der atheensche +blijspeldichters, waarschijnlijk geb. in 444, gest. in 385. Over +zijn leven is weinig bekend. In zijne stukken, die zich bijna alle +op politiek gebied bewegen, kiest hij zeer beslist partij tegen het +rustelooze drijven van de oorlogspartij en tegen de demagogen en de +door hen meer en meer ontaardende democratie. Misschien beoordeelt +hij in zijne bewondering voor het voorgeslacht zijn eigen tijd wel +wat al te streng, in ieder geval spreekt uit zijne werken oprechte +vaderlandsliefde, en kan het niet verwonderen dat hij vurig verlangde +naar rustiger en gelukkiger tijden dan die, waarin hij werkzaam +was. Hij werkte voor het tooneel van 427-388, in dien tijd schreef hij +40 (v. a. 50) stukken, terwijl nog vier door sommigen aan hem, door +anderen aan Archippus toegeschreven werden. Hiervan bestaan, behalve +een groot aantal fragmenten, nog elf, de eenige overblijfsels der oude +attische comedie die in hun geheel bewaard zijn. Het zijn de Acharnes, +opgevoerd bij de Lenaia (Jan.-Febr.) van het jaar 425, Hippes (Lenaea +424), Nephelai, (oorspronkelijk opgevoerd bij de Dionysia van het jaar +423, toen het stuk gevallen is; over is slechts de omwerking), Sphekes +(opgevoerd Lenaea 422), Eirene (Dionysia 421), Ornithes (Dionysia 414), +Lysistrate (Lenaea 411), Thesmophoriazousai (Dionysia 411), Batrachoi +(Lenaea 405), Ekklesiazousai (389, v. s. 392), Ploutos (388). Zij +munten uit door taal en versbouw, vinding en geest, al moge de scherts +ons dikwijls wat ruw toeschijnen.--2) van Byzantium, geb. omstreeks +260, studeerde te Alexandrië onder Zenodotus en Callimachus en werd +een uitstekend taalgeleerde. Hij bezorgde uitgaven van Homerus en +andere dichters en voerde het gebruik van accenten in. Hij stierf, +77 jaar oud, als bibliothecaris te Alexandrië. + +Aristophon, Aristophon, 1) atheensch redenaar en staatsman na de +verdrijving van de dertig.--2) ho Azenieus, invloedrijk redenaar en +staatsman, bij wien Aeschines schrijver was. + +Aristoteles, Aristoteles van Stagirus, zoon van den arts Nicomachus, +geb. 384, ging in 367 naar Athene, waar hij tot den dood van Plato +diens leerling bleef. Toen deze in 347 gestorven was, begaf hij zich +naar zijn vriend Hermeas, vorst van Atarneus, en na diens val (345) +naar Mytilene, van waar hij echter spoedig (342) naar Macedonië +geroepen werd om de opvoeding van Alexander op zich te nemen. Deze +toonde ook in later jaren steeds de hoogste achting voor zijn +leermeester; Stagirus, dat door Philippus verwoest was, werd weder +opgebouwd en ontving eene staatsregeling, die Ar. ontworpen had; ook +bij zijne natuurkundige studiën ontving de wijsgeer veel steun van den +koning, die hem met groote kosten het noodige materiaal verschafte. In +335 kwam hij weder te Athene en trad hij als leeraar der wijsbegeerte +op; reeds bij zijn eerste verblijf aldaar had hij onderwijs gegeven +in de welsprekendheid en had hij zich als een tegenstander van +Isocrates doen kennen. Na den dood van Alex. werd hij door de +antimacedonische partij van godslastering aangeklaagd en vluchtte +hij naar Chalcis op Euboea, waar hij spoedig stierf (322).--Zijne +voordrachten hield Arist. al wandelend in de schaduwrijke dreven +(peripatoi, vandaar de peripatetische school) van het Lyceum voor eene +talrijke schare toehoorders, en wel des morgens voor zijne eigenlijke +leerlingen over meer bepaald wijsgeerige vraagpunten (akroamatika +of esoterika), des avonds voor een groot publiek over populaire +onderwerpen (exoterika). Zoo waren ook zijne buitengewoon talrijke +werken (minstens 146 titels zijn bekend) deels populair, deels streng +wetenschappelijk. Van de laatste soort zijn er genoeg bewaard gebleven +om ons zijn veelomvattende kennis zoowel als zijne wetenschappelijke +methode te doen bewonderen. Volgens Ar. is de wijsbegeerte het +onderzoek naar de eerste oorzaken van het bestaande, en om met vrucht +aan zulk een onderzoek te kunnen beginnen is eene uitgebreide kennis +van het bestaande, berustend op nauwkeurige waarneming, noodig; tot +het opbouwen van een wijsgeerig stelsel moeten dus alle wetenschappen +te hulp geroepen worden, en inderdaad behandelen zijne werken zoowel +logica, rhetorica, poëzie en kunst in het algemeen, als wiskunde, +botanie, zoölogie, physiologie en psychologie, om eindelijk te komen +tot ethica, staatswetenschap en, wat hij de eerste philosophie noemt, +methaphysica. Al wat bestaat heeft stof en vorm, in de stof ligt +de mogelijkheid, kiem, aanleg (potentieel bestaan, dynamis), van de +individuen, maar eerst de vorm geeft hun individueel wezen (actueel +bestaan, energeia, entelecheia), daarom staat vorm hooger dan stof, +en is het volmaakste dat men zich kan voorstellen, d. i. de godheid, +volstrekt onstoffelijke vorm of geest. Voor den mensch ligt het +grootste geluk in verstandige en deugdzame werkzaamheid, die uit den +aard der zaak door genot bekroond wordt.--Ar. heeft bij zijn leven +slechts weinige wetenschappelijke werken uitgegeven; de meeste van +zijne handschriften met zijn geheele bibliotheek liet hij aan zijn +leerling Theophrastus na; eerst door Apellicon van Teos werden zij +gevonden en uitgegeven. Een van zijne werken is eerst 1890 in Egypte +gevonden. De leer van Ar. schijnt bij de Romeinen niet veel beoefenaars +gevonden te hebben, in de middeleeuwen echter en nog tot het midden der +17e eeuw werd zij aan alle hoogescholen als de eenige ware onderwezen, +totdat zij door nieuwere stelsels verdrongen werd. + +Aristoxenus, Aristoxenos, van Tarente, een van de beste leerlingen +van Aristoteles; van zijne werken is eene verhandeling over de muziek +bewaard gebleven. Bovendien beschreef hij de levens van wijsgeeren, +dichters enz. + +Aristus, Aristos, 1) van Salamis op Cyprus, beschreef, in de eerste +helft der 2de eeuw, de geschiedenis van Alexander d. G.--2) van +Ascalon, omstreeks het midden der eerste eeuw hoofd der academie te +Athene, vriend van Cicero en onderwijzer van M. Brutus. + +Arius, omstreeks 260 n. C. in Cyrenaïca geboren, was onder de regeering +van Constantijn den Grooten presbyter te Alexandrië en begon in die +hoedanigheid een strijd, welke de christelijke kerk in twee vijandige +kampen verdeelde. Volgens hem was Christus door den goddelijken wil +uit niets geschapen en had alzoo niet van eeuwigheid af bestaan, +en was dus niet gelijk aan (homoios), maar eenswezend (homoiousios) +met God. Tegenover hem hielden Alexander, bisschop van Alexandrië, +en diens opvolger Athanasius staande, dat Vader en Zoon gelijk waren +en beiden van alle eeuwigheid af hadden bestaan. Op het concilie van +Nicaea (325 n. C.) werd de leer van Arius veroordeeld en hijzelf uit +de kerk gestooten. De keizer evenwel, gebelgd dat men een vonnis had +geveld buiten hem om, en willende toonen, dat hij heer was ook over +de kerk, verleende Arius gratie, riep hem later naar Constantinopel en +verbande daarentegen Athanasius. Bij eene processie in Constantinopel +kwam Arius plotseling op raadselachtige manier om het leven (336 +n. C.). De strijd in de kerk tusschen het Arianisme en de orthodoxe +leer werd omstreeks twee eeuwen lang met groote heftigheid gevoerd. De +Gothen waren Arianen. + +Ariusia, Ariousia chora, kuststreek aan den N. W. kant van het eiland +Chius, waar de beste wijn groeide. + +Armene, Armene, stad aan de kust van Paphlagonia, ten W. van Sinope. + +Armenia, Armenia, uitgestrekt bergland ten Z. en Z. W. van de +Caucasusgewesten, met de bronnen van den Euphraat en den Tigris, +terwijl de Araxes en de Cyrus naar de Caspische zee stroomen. Ten +W. van dit land, door den noordelijken Euphraat-arm er van gescheiden, +lag Armenia minor, dat somtijds tot Cappadocia werd gerekend, ook +een tijd lang met Pontus was vereenigd, en later ook als zelfstandige +staat voorkomt. De bevolking van Armenia bestond uit twee standen, den +armenischen adel, die van arischen stam was, en lijfeigene boeren, +afstammelingen eener vroegere bevolking. Het land was een soort +van feudaalstaat en omvatte een aantal gouwen en vorstendommen, als +Chorzianene, Sophene, Arzanene, Moxoene, Gordyene, enz., die ten deele +slechts middellijk onder den koning stonden. Buiten de vorstelijke +residentiën, als Armauria, Artaxata, Tigranocerta, bevatte het land +weinig belangrijke steden. Armenia maakte achtereenvolgens deel uit +van het assyrische, het babylonische, het perzische, het macedonische, +het syrische rijk, tot het, omstreeks twee eeuwen v. C. zich van dit +laatste losscheurde. De eerste koning van Armenia maior was Artaxias, +een gewezen veldheer van Antiochus III, terwijl een ander generaal, +Zariadres, Klein-Armenië in bezit nam. De armenische koning Tigranes +(97-56) breidde zijne heerschappij zelfs over Syria uit, dat hem echter +door de Romeinen weder werd ontrukt. Sedert werd Armenia van Rome +afhankelijk, doch werd nu en dan overheerd door de Parthen. Traianus +maakte er, 114 na C., eene rom. provincie van, doch Hadrianus liet +het weder los. Marcus Aurelius heroverde het in 163, doch slechts +voor korten tijd. Wanneer in lateren tijd van eene provincie Armenia +sprake is, moet hieronder Armenia minor worden verstaan. + +Armilla, armband. Vooral bij de oostersche volken werden zij door +personen van rang en aanzien gedragen, ook bij de Galliërs. In +Griekenland waren de armillae hoofdzakelijk een sieraad voor +vrouwen; bij de Romeinen komen zij ook voor als eereblijken voor +krijgslieden. Men vond ze in verschillende fatsoenen, zoowel in +spiraalvorm, als in den gewonen ringvorm. Als sieraad droeg men ze +zoowel om den pols en den benedenarm (psellion, perikarpion), als om +den bovenarm, en ook wel om de enkels (perisphyrion). + +Armillum, eene soort van wijnkruik. Het spreekwoord anus ad armillum +wordt gebezigd voor personen, die gedurig weder tot hunne oude gebreken +of gewoonten vervallen. + +Armilustrium, een jaarlijksch wapenfeest, op 19 Oct. door de Romeinen +gevierd op het Armilustrum, aan den voet van den mons Aventinus. + +Arminius, zoon van Segimer, opperhoofd der Cheruscers, had in de +rom. legers gediend en was door Augustus met het burgerrecht en het +ridderschap vereerd. Hij was het, die in 9 n. C. de drie legioenen +van den rom. veldheer Quinctilius Varus in het Teutoburgerwoud +in eene hinderlaag lokte en vernietigde. Door Germanicus werd hij +bij herhaling verslagen (15 en 16 n. C.); zijne vrouw Thusnelda en +zijn zoon Thumelicus vielen den Romeinen in handen en moesten den +zegetocht des overwinnaars opluisteren. Thumelicus stierf later +als zwaardvechter. Arminius zelf streed daarna met geluk tegen de +Marcomannen onder Maroboduus, maar viel in 19 (v. a. in 21) door +sluipmoord, door zijn eigen bloedverwanten beschuldigd dat hij naar +de heerschappij stond. + +Armorica = Aremorica. + +Arna, Arna, stad in Umbria ten O. van Perusia. + +Arnae, Arnai, stad op Chalcidice. + +Arne, Arne, z. Aeolus. + +Arne, Arne, 1) stad in Thessaliotis, later Cierium geheeten.--2) +stad in Boeotia, in het Copaïsche meer verzonken. + +Arnissa, Arnissa, stad in het macedonische landschap Eordaea. + +Arnobius, te Sicca in Numidia geboren en hierom Afer bijgenaamd, +was een geacht rhetor ten tijde van Diocletianus. Hij omhelsde het +christendom en is bekend als schrijver van een werk in zeven boeken, +adversus gentes (ethne = heidenen). + +Arnon, Arnon, rivier in Palaestina ten O. van den Jordaan, die zich +in de Doode zee stort. + +Arnus, voornaamste rivier van Etruria, thans Arno. + +Aromata, ta Aromata, kaap en stad aan de invaart der Arabische golf, +de oostelijke punt van Afrika, thans kaap Guardafui. + +Arpi, stad in Apulia, volgens de sage gesticht door Diomedes, toen +deze op zijn terugtocht uit Troje door storm op de daunische kust +was geworpen. De plaats zou toen eerst Argos hippion hebben geheeten, +welke naam verbasterd zou zijn tot Argyripa en vervolgens tot Arpi. Het +was eene bloeiende handelsstad tot in den tweeden punischen oorlog. Na +den slag bij Cannae namelijk koos Arpi de zijde van Hannibal (216), +doch werd drie jaar later door de Romeinen heroverd en met het verlies +zijner vrijheid gestraft, waarna het spoedig in verval kwam. + +Arpinum, volscische stad in Latium ten N. van Fregellae, sedert 303 +met de civitas sine suffragio, in 188 ook met het stemrecht begiftigd, +geboorteplaats van Marius en van Cicero, wiens vaderlijke woning en +landhuis dáár lag, waar de bergbeek Fibrenus in den Liris stroomt. + +Arretium, thans Arezzo, eene der oude 12 hoofdsteden van Etruria, aan +den voet der Apennijnen gelegen, nabij de bronnen van den Tiberis en +den Arnus, in eene vruchtbare streek. De stad bloeide door industrie en +was beroemd door hare wapenfabrieken en vooral sedert de eerste eeuw +v. Chr. door hare vazen, uit fijne, roode porceleinaarde gebakken en +smaakvol met figuren en relief versierd. Deze vazen werden niet op +de schijf gedraaid, maar in vormen geperst. + +Arrha of arrhabo, arrabon, ook arra en arrabo geschreven, handgift, +godspenning, bij het sluiten eener overeenkomst gegeven, ook wel bij +contracten van koop en verkoop. Ook bruidsgeschenk bij eene verloving. + +Arrhephoria, Arrephoria, feest dat jaarlijks in de maand Scirophorion +(Juni-Juli) te Athene ter eere van Athena gevierd werd. Twee meisjes +van 7 tot 11 jaar, die een jaar te voren door den Archon Basileus +benoemd waren, en het geheele jaar op de Acropolis vertoefd hadden en +aan den dienst van Athena Polias verbonden waren geweest (arrephoroi), +brachten des nachts uit den tempel der godin een korf, waarvan de +inhoud aan niemand bekend was, naar een naburige grot en brachten +van daar een pak terug, waarvan men evenmin den inhoud wist. Daarop +werden zij ontslagen. + +Arrhidaeus, Arridaios, zoon van Philippus van Macedonië en de danseres +Philine. Na den dood van Alexander d. G. werd hij onder den naam van +Philippus tot koning uitgeroepen, hij was echter wegens zijne zwakke +geestvermogens niet in staat zelf te regeeren, zoodat in werkelijkheid +de veldheeren van Alexander alle macht in handen hielden. In 317 werd +hij met zijne gemalin Eurydice door Olympias vermoord. + +Arria, echtgenoote van Caecina Paetus. Toen deze onder de regeering +van keizer Claudius wegens samenzwering ter dood was veroordeeld +(42 n. C.), en aarzelde zichzelf om het leven te brengen, stiet Arria +zich eerst den dolk in de borst en reikte hem toen haren echtgenoot +toe met de woorden: "Paetus, het doet geen pijn." Hare dochter Arria +was gehuwd met Paetus Thrasea, die op last van Nero moest sterven, +omdat hij te onverholen zijn afkeer van diens daden te kennen gaf. + +Arrianus (Flavius), Arrianos, van Nicomedië, stoicijnsch wijsgeer +en geschiedschrijver, leerling van Epictetus. Door de gunst van +keizer Hadrianus werd hij, hoewel Griek, senator en tusschen 121 +en 124 n. C. consul suffectus, daarna (131-137 n. C.) stadhouder van +Cappadocië, in welke betrekking hij met roem tegen de Alanen streed. Na +147 woonde hij te Athene, waar hij het burgerrecht, archontaat +e. a. eerambten kreeg. Van zijne geschiedkundige, krijgskundige +en wijsgeerige geschriften zijn eenige bewaard gebleven, daaronder +zijn voornaamste werk, de geschiedenis der veldtochten van Alexander, +Anabasis Alexandrou, in stijl en bewerking een navolging van Xenophon, +dat reeds bij de ouden voor het beste boek over dit onderwerp gehouden +werd. Zie ook Epictetus. + +Arrius (Q.), een man van geringe afkomst, die het echter tot praetor +had weten te brengen, is bekend door het prachtige feestmaal, dat +hij bij zijns vaders uitvaart gaf, in 59, om daardoor stemmen te +werven voor zijne verkiezing tot consul. Hiervan onderscheiden is een +andere Q. Arrius, die als rom. veldheer in den zwaardvechtersoorlog +voorkomt, in 72, toen hij Crixus versloeg, en die eigenlijk Verres +als pro-praetor van Sicilië had moeten opvolgen, hetgeen door de +moeilijkheden van den zwaardvechtersoorlog verhinderd werd. + +Arrogatio heette de aanneming tot zoon van iemand, die sui iuris +was. Dit was voor hem, die zich liet arrogeeren, eene capitis deminutio +(z. a.). Hij verloor den status familiae; er ging dus eene familia +verloren. Uit dien hoofde werd hiertoe telkens eene wet vereischt, +die door de curiën moest worden goedgekeurd. Daar elke familia hare +sacra had, zoo moest aan de stemming eene verklaring der pontifices +voorafgaan, dat uit het oogpunt van godsdienst geen bezwaar tegen de +arrogatio was. Hoewel nu de aangenomen zoon den geslachts- en den +familienaam van zijn adoptiefvader aannam, zoo werden toch mannen, +die reeds op rijperen leeftijd zich tot zoon lieten aannemen, dikwijls +nog bij hun ouden naam genoemd. Zie ook adoptio. + +Arruns = Aruns. + +Arruntii, plebejisch geslacht. + +Arsaces, Arsakes. In het midden der derde eeuw kwam zekere Arsaces, +volgens sommigen van scythische, volgens anderen van perzische +afkomst, in opstand tegen den syrischen koning Antiochus II. Het +gelukte hem, rondom de stad Hecatompylos een klein rijk te stichten, +dat onder zijne opvolgers door veroveringen zich uitbreidde tot +het later zoo machtige parthische rijk. De door Arsaces I gestichte +dynastie wordt die der Arsaciden genoemd. De eigenlijke grondlegger +van de macht der Parthen was de broeder en opvolger van Arsaces I, +Arsaces II Tiridates (248-211), die na eene schitterende overwinning +op de Syriërs (238) zijne regeering over Hyrcania, Aria, Drangiana +en Sogdiana uitbreidde. Na hem regeerden nog acht of negen en twintig +koningen, die allen, behalve hun anderen naam, ook den naam of titel +Arsaces hebben gevoerd. De laatste, Artabanus IV, kwam in 227 na C. om, +toen, in plaats van het parthische, een nieuw-perzisch rijk verrees, +onder de dynastie der Sassaniden. + +Arsacia, Arsakia, stad in Media, door Arsaces, den stichter van het +parthische rijk, gebouwd, hetzij op de plaats, waar de door eene +aardbeving verwoeste stad Rhagae of Europus had gestaan, hetzij op +weinige uren afstands van daar. + +Arsamosata, sterke vesting in het armenische landschap Sophene. + +Arsanias, naam van den zuidelijksten der beide rivierarmen, die te +zamen den Euphraat vormen. + +Arses, Arses, jongste zoon van Artaxerxes Ochus, werd door Bagoas +na het vergiftigen van zijn vader op den troon gezet (338), doch +werd op zijne beurt na eene regeering van drie jaar door denzelfden +Bagoas vermoord. + +Arsia, grensrivier tusschen Histria en Liburnia, sedert Augustus, +die Histria bij Italië gevoegd heeft, grensrivier tusschen Italië +en Liburnia. + +Arsia silva, woudstreek op de grenzen van Etruria en Latium, waar +L. Junius Brutus in den slag tegen de Tarquiniussen sneuvelde (509). + +Arsinoe, Arsinoe, 1) voedster van Orestes, die hem uit de handen +van Clytaemnestra redde.--2) z. Anaxarete.--3) z. Alphesiboea.--4) +z. Asclepius.--5) z. Barsine.--6) moeder van Ptolemaeus I.--7) dochter +van Ptolemaeus I en Berenice, huwde met Lysimachus (z. a.). Na diens +dood leefde zij eerst te Ephesus, daarna te Cassandrea in Macedonië, +van waar zij door haar stiefbroeder Ptolemaeus Ceraunus verjaagd +werd. Later (tusschen 278 en 274), nadat zij Arsinoe no. 8 had +laten verbannen, huwde zij met haar broeder Ptolemaeus II, die haar +naam aan vele steden en aan een district in Aegypte gaf en na haar +dood groote gedenkteekenen te harer eere liet oprichten. Zij was +een buitengewoon heerschzuchtige vrouw.--8) dochter van Lysimachus, +gehuwd met Ptolemaeus II, smeedde een aanslag tegen hem uit haat tegen +zijne zuster Arsinoë, en werd daarom naar Coptus in Boven-Aegypte +verbannen.--9) ook, maar ten onrechte, Eurydice of Cleopatra genoemd, +dochter van Ptolemaeus III, gehuwd met haar broeder Ptolemaeus IV. Zij +nam deel aan den slag bij Raphia (217). Later (tusschen 210 en 205) +liet haar echtgenoot haar om onbekende redenen vermoorden.--10) +dochter van Ptolemaeus XI Auletes, gedurende de gevangenschap van +haar broeder koningin van Aegypte, werd later door Caesar in triomf +naar Rome gevoerd; zij werd daarna vrijgelaten, maar op aanstoken +van Cleopatra liet Antonius haar te Ephesus (41) vermoorden.--11) +echtgenoote van Magas, verschrijving voor Apama (z. a. no. 2). + +Arsinoe, Arsinoe, naam van verschillende steden, waaronder ééne op +Cyprus (z. Marium), ééne in Cilicia, ééne in Cyrenaica, die vroeger +Tauchira heette, en twee in Aegyptus. Van deze laatste lag de eene, +te voren Crocodilopolis geheeten, aan het meer Moeris, ten W. van den +Nijl; de andere lag aan den noordwestelijken inham der Arabische golf. + +Artabanus, Artabanos, broeder van den perzischen koning Darius +Hystaspis, en dus oom van Xerxes, ontried vruchteloos aan beide vorsten +den tocht tegen Griekenland.--Een andere Artabanus, een Hyrcaniër, +bevelhebber van Xerxes' lijfwacht, wilde het koningshuis uitroeien +en bracht in 465 den koning en diens oudsten zoon om het leven; de +tweede zoon evenwel, Artaxerxes I, voorkwam den moordenaar, die nu +zelf ter dood werd gebracht.--Onder de parthische Arsaciden vindt +men een viertal koningen, die den naam Artabanus dragen. + +Artabazanes, Artabazanes, oudste zoon van Darius Hystaspis, die voor +zijn halfbroeder Xerxes van zijne aanspraken op de troonopvolging +moest afzien, omdat hij geboren was voordat Darius aan de regeering +kwam. Hij sneuvelde in den slag bij Salamis. + +Artabazes, Artabazes = Artavasdes. + +Artabazus, Artabazos, 1) perzisch veldheer, die Xerxes naar Griekenland +volgde, Olynthus veroverde en na den slag bij Plataeae onder de +grootste moeilijkheden met 40000 man over land naar Byzantium +terugtrok. Hij diende als tusschenpersoon bij de onderhandelingen +tusschen Xerxes en Pausanias.--2) veldheer onder Artaxerxes II en +satraap van Lydië en Phrygië onder Artaxerxes III. Tegen laatstgenoemde +kwam hij in 356 in opstand, maar hoewel hij gevangen genomen werd, +schonk de koning hem genade. De buitengewone getrouwheid, waarmede hij +Darius Codomannus diende, bewoog Alexander, hem satraap van Bactrië +te maken, welke waardigheid hij om zijn hoogen leeftijd echter slechts +kort behield. + +Artace, Artake, stad en haven ten W. van Cyzicus. Ook een eilandje +daar vlak bij. + +Artaphernes of Artaphrenes, Artaphernes, -phrenes, 1) broeder van +Darius Hystaspis, satraap van Lydië, z. Aristagoras.--2) zoon van den +vorigen, een van de aanvoerders der Perzen in den slag bij Marathon, +en van de lydische en mysische troepen in den slag bij Salamis. + +Artaunum, vesting, door Drusus aangelegd en door Germanicus versterkt, +vermoedelijk ergens in het Taunusgebergte. + +Artavasdes of Artabazes, Artabazes, Artabasdes, 1) koning van Armenia, +zoon van Tigranes I, koos in de oorlogen der Romeinen tegen de Parthen +tijdens Crassus en later tijdens Antonius (36) de zijde der Romeinen, +doch verliet hen weder. Antonius maakte zich van zijn persoon meester +en liet hem geboeid te Alexandrië voor zijn triumfwagen uitgaan. Na +den slag bij Actium werd hij op last van Cleopatra omgebracht +(30).--2) zoon van no. 1, gewoonlijk Artaxes geheeten, moest voor +de Romeinen vluchten en week naar de Parthen, die hem op den troon +herstelden. Later riepen de Armeniërs zelven de hulp der Romeinen tegen +hem in; doch voordat nog het rom. leger het armenische gebied had +bereikt, was de koning reeds door samenzweerders vermoord (20).--3) +koning van Media Atropatene, was een bondgenoot van Antonius tegen +zijn armenischen naamgenoot, doch werd later zelf door de verbonden +Parthen en Armeniërs uit zijn eigen rijk verjaagd. + +Artaxata, ta Artaxata, sterke vesting en hoofdstad van Armenia, door +den eersten armenischen koning Artaxias aan den Araxes gebouwd (189) +volgens een ontwerp van Hannibal, die een poos bij hem verblijf +hield. De stad werd in 58 n. C. door de Romeinen onder Corbulo +veroverd en verbrand, maar kort daarop door koning Tiridates onder +den naam Neronia herbouwd. Ook in later tijd heet de stad echter +gewoonlijk Artaxata. + +Artaxerxes, Artaxerxes, naam van perzische koningen: 1) +Art. I Makrocheir (Longimanus), zoon van Xerxes (z. Artabanus), +reg. 465-425, gedurende welken tijd hij met vele opstanden te kampen +had. Vooral gevaarlijk en moeilijk te onderdrukken was de opstand der +Aegyptenaren onder Inaros, die door de Atheners met schepen ondersteund +werd. Omtrent den Cimonischen vrede z. Cimon a. h. e.--2) Art. II +Mnemon, zoon en opvolger van Darius II, reg. 404-358. Reeds dadelijk +bij het begin zijner regeering trachtte zijn jongere broeder Cyrus, +satraap van Lydië, Phrygië en Cappadocië hem van den troon te stooten, +hij sneuvelde echter in den slag bij Cunaxa (401). In 400 zonden de +Spartanen, die door de aziatische Grieken te hulp geroepen waren, +een leger naar Azië, dat, vooral onder Agesilaus, aanmerkelijke +voordeelen behaalde op de satrapen Tissaphernes en Pharnabazus, +zoodat Agesilaus reeds hoop voedde op de verovering van het geheele +perzische rijk, welks inwendige zwakheid in dezen oorlog duidelijk +gebleken was. Het gelukte Art. echter in Griekenland zelf een oorlog +tegen de Spartanen te verwekken, waardoor zij genoodzaakt waren +Agesilaus terug te roepen. Ook tegen Aegypte, dat onder Nectanebis +weder opgestaan was, tegen Euagoras van Cyprus en tegen vele afvallige +satrapen moest Art. langdurige en moeilijke oorlogen voeren. Even +ongelukkig was hij in zijn familieleven. Bij de vele hofintriges, +die dikwijls een bloedig einde hadden, kwam nog het slechte gedrag +zijner zonen, waarvan de oudste, Darius, tot troonopvolger bestemd, +een zamenzwering smeedde om zijn vader te laten vermoorden, en daarom +op diens bevel ter dood gebracht werd.--3) Art. III Ochos, zoon van +Art. II, reg. 358-338, een wreed tiran, die bijna zijne geheele familie +liet vermoorden. Met de hulp van grieksche huurtroepen onderwierp hij +Aegypte en Phoenicië en bedwong hij den opstand van Artabazus. Hij +regeerde geheel onder den invloed van zijn gunsteling, den Aegyptenaar +Bagoas, die hem eindelijk vergiftigde.--4) Artaxerxes I, stichter van +het nieuw-perzische rijk 227 n. C. (v. s. 224 n. C.) en van de dynastie +der Sassaniden. Hij regeerde in Perzië sedert 211, maar versloeg den +laatsten koning der Parthen, Artabanus, in 227, en noemde zich sedert +dien tijd "koning der koningen van Iran." Hij stierf in 241 of 242 +en werd opgevolgd door zijn zoon Sapores I. In 223 voerde hij oorlog +met den romeinschen keizer Severus Alexander. Zie verder Sassanidae. + +Artaxes = Artavasdes no. 2. + +Artaxias, Artaxias, generaal van den syrischen koning Antiochus III, +en stadhouder van Armenia, maakte zich omstreeks 188 onafhankelijk +en stichtte het armenische rijk. Antiochus IV Epiphanes versloeg hem +wel en nam hem zelfs gevangen, doch kon Armenia niet heroveren. Ook +de volgende koningen van Armenia maior komen, behalve onder hun eigen +naam, ook onder den naam of titel Artaxias voor. + +Artemidorus, Artemidoros, 1) alexandrijnsch taalgeleerde uit de 1ste +eeuw v. C., leerling van Aristophanes. Hij schreef over het dorisch +dialect en gaf de bucolici uit.--2) van Ephesus, beschreef omstreeks +100 zijne reizen in een geographisch werk, dat door latere schrijvers +veel gebruikt werd en waarvan nog een uittreksel bestaat.--3) van +Ephesus, leefde te Rome onder Hadrianus en schreef een Droomboek +(Oneirokritika), dat zoowel over de mythologie als over de zeden van +zijn tijd belangrijke bizonderheden bevat. + +Artemis, Artemis, Diana, dochter van Zeus en Leto, tweelingzuster van +Apollo, met wien zij vele punten van overeenkomst heeft. Evenals hij, +brengt ook zij met hare pijlen een plotselingen dood, vooral aan +vrouwen, en straft zij hen, die de wetten en het recht overtreden, +maar ook eveneens is zij eene ongelukafwerende, heilaanbrengende +godin (Soteira). Vooral vrouwen neemt zij onder hare bescherming, +geeft schoonheid en gezondheid aan jonge meisjes en staat de vrouwen +bij in barensnood (Eileithuia); ook doet zij jonge kinderen opgroeien +(Kourotrophos), zooals zij hare zorgen uitstrekt over alles wat in de +natuur jong en zwak is. Hier en daar komt zij voor als verzoenende +en orakelgevende godin, of als godin der schoone kunsten; zelve +vermaakt zij zich met hare nimfen gaarne met den dans, en ook op +den Olympus voert zij den reidans aan. Bijzonder treedt zij op den +voorgrond als godin der jacht (Agrotera), zij begunstigt de jagers +en geeft hun goede vangst, en zelve maakt zij van hare nimfen +vergezeld, op het wild jacht, vooral in de wouden en op de bergen +van Arcadië en Lacedaemon. Voor liefde is zij ontoegankelijk, zij +is en blijft de maagdelijke godin (Earthenos), die alle aanslagen +op hare eerbaarheid streng bestraft en ook bij sterfelijke vrouwen +de kuischheid beschermt. Oorspronkelijk was Artemis eene maangodin +en ook later wordt zij dikwijls voor dezelfde gehouden als Hecate en +Bendis. In de oudste tijden werden haar menschenoffers gebracht, die +later wel afgeschaft werden, maar waarvan op enkele plaatsen altijd +sporen overbleven. Te Sparta bijv. werden jaarlijks voor het altaar +van Artemis Orthia knapen gegeeseld, tot hun bloed op het altaar +spatte. De Grieken zelf beweerden dat de Artemis, die zulke bloedige +offers eischte, de taurische was (Tauropolos), in wier dienst Iphigenia +in Tauris priesteres geweest was en wier beeld en eeredienst Orestes +vandaar naar Griekenland had medegebracht. De ephesische Artemis was +eene aziatische godin, een verpersoonlijking van de voortbrengende +en voedende kracht der natuur. De dienst van Artemis was, evenals die +van Apollo, door geheel Griekenland verbreid. De hond, het hert, het +zwijn, de beer en de kwartel zijn haar gewijd. Zij wordt gewoonlijk +voorgesteld als eene slanke en vlugge jageres, met hoog opgeschorte +kleederen, hooge schoenen, pijl en boog; in hare tempels stonden echter +ook beelden met lange kleederen, die behalve den boog nog een fakkel +droegen. Bij de beelden der ephesische Artemis daarentegen was het +geheele lichaam ingewikkeld als eene mummie en geheel met borsten +bezet, zinnebeeld van de voedende kracht der godin. + +Artemisia, Artemisia, feesten van Artemis. + +Artemisia, Artemisia, 1) dochter van Lygdamis, koningin van +Halicarnassus, nam met vijf schepen deel aan den tocht van Xerxes +tegen Griekenland, en toonde in den slag bij Salamis veel moed en +beleid.--2) dochter van Hecatomnus, zuster en gemalin van Mausolus, +wiens nagedachtenis zij eerde door de oprichting van een grafmonument, +het Mausoleum, dat onder de zeven wonderwerken der oudheid gerekend +werd. Zij volgde hem in de regeering over Carië op en stierf in 351. + +Artemisium, Artemision, kaap en kuststreek in het Noorden van het +eiland Euboea, bekend door den zeeslag tusschen Perzen en Grieken +in 480. + +Artolaganum, artolaganon, broodkoek, een gebak, dat bereid werd uit +meel, wijn, melk, olie en peper, en als lekkernij geprezen wordt. + +Aruns, Arrouns, etruscisch woord = jongere zoon, bij de Romeinen +eenigszins tot eigennaam geworden. Aldus worden genoemd: een broeder +van Tarquinius Priscus, een broeder en een zoon van Tarquinius +Superbus, een zoon van Porsenna. + +Arvales fratres, een romeinsch priestercollegie van twaalf priesters, +wier ambt levenslang was en zelfs door gevangenis of verbanning +niet kon verloren worden. Aan hun hoofd stond een magister collegii, +die voor den tijd van een jaar uit hun midden werd gekozen. In Mei +hielden zij ter eere der Dea Dia (waarschijnlijk Ceres of Tellus), +een plechtig offerfeest, de Ambarvalia (z. a.) waarbij een oud lied in +saturnische versmaat werd gezongen, en dat met een kostbaren maaltijd +werd besloten. Daarbij had een plechtige omgang plaats. Hunne taak +was, zooals Varro zegt: sacra facere propterea ut fruges ferant +arva. Volgens de sage zou Romulus' pleegmoeder, Acca Larentia, twaalf +zonen hebben gehad, en zou Romulus, na den dood van een hunner, +diens plaats hebben ingenomen en de broederschap gesticht hebben. In +het laatst van de republiek hield het college op te bestaan, maar +nadat de dienst een tijdlang door de pontifices was waargenomen, +werd het door Augustus in 21 hersteld. Sinds dien tijd bepaalde de +plechtigheid zich tot een heilig terrein om een tempeltje van Dea Dia, +5 mijlen ten Z. van Rome aan de via Campana gelegen. Hier zijn in +1570 n. C. en later de verslagen van 96 jaarfeesten op marmer gegrift +gevonden, de z.g. acta fratrum arvalium. De fratres droegen bij hun +feest kransen van korenaren. + +Arverni, welke naam nog voortleeft in Auvergne, waren een der +hoofdvolken van Gallia. Ze woonden aan den Elaver (Allier) en in +de omliggende bergen, en beheerschten ten tijde van Caesar geheel +westelijk Gallia tusschen Liger en Garumna. Hunne hoofdstad was +Nemossus, later in Augustonemetum herdoopt (z. a.). Het sterke +Gergovia, door Caesar in den strijd tegen Vercingetorix tevergeefs +belegerd, lag ook in hun gebied. Vercingetorix zelf was ook een +Arverner. Bij de reorganisatie onder Augustus werd hun land bij +Aquitania (z. a.) gevoegd. + +Arx, akropolis. In ouden tijd had elke aanzienlijke stad eene arx of +acropolis, binnen de muren op eene hoogte gelegen, ten einde bij eene +overrompeling den inwoners een toevluchtsoord te verschaffen. Over +de meeste dezer akropoleis valt niets bizonders te zeggen. Waar iets +bizonders er van te vermelden is, zooals bij die van Athene en Rome, +zie men de plaatsbeschrijving dezer steden. + +Arybas of Arybbas, Arybas, vorst der Molossiërs, oom van Olympias, +werd in 342 door zijn neef Alexander van Epirus met de hulp van +Philippus verjaagd. De Atheners beloofden hem hulp, maar konden +die niet verschaffen. Hij heeft lang in Athene geleefd en stierf in +ballingschap. V. a. is hij later naar Epirus teruggekeerd. + +Arzanene, Arzanene, landschap van Armenia maior, ten zuiden door den +Tigris begrensd. + +As, afgeleid van heis, rom. munt, de waarde van een rom. pond (= +ongeveer 1/3 kilo) koper voorstellende. Oorspronkelijk gebruikte men +vee (pecus) als ruilmiddel. Later kwam het koper in gebruik, eerst in +den vorm van gewichten. Een pond koper (pondo aeris) noemde men as +(één); dit was verdeeld in 12 unciae. Zoo kon het koper, vooral in +kleinere bedragen, het daarvoor minder geschikte vee als ruilmiddel +vervangen. Men noemde het daarom pecunia. De overlevering wil, dat +men reeds in den koningstijd een in een vorm gegoten hoeveelheid +koper van staatswege met een teeken kon laten voorzien, als het +gewicht juist was (aes signatum), zoodat het dan niet meer telkens +behoefde te worden nagewogen. In 430 bepaalde de lex Julia Papiria +(z. a.), dat bij betalingen aan den staat een schaap door tien as +(d. i. 10 pond koper) en een koe door 100 as zou worden vervangen; +vroeger hing de waardebepaling (aestimatio) van het goedvinden der +ambtenaren af. Omstreeks 375 werd de eerste munt te Rome gemaakt, +bestaande in groote koperen schijven, nagenoeg een Romeinsch +pond zwaar, as libralis geheeten. Ze vertoonden op de eene zijde +den voorsteven van een schip, op de andere den kop eener godheid +(Janus). De halve as was meest met een Jupiterskop en aan de keerzijde +weder met een voorsteven gestempeld, en droeg de letter S (semissis) +tot onderscheidingsteeken, terwijl op den geheelen as het merk I was +aangebracht. De overige onderdeelen van den as droegen verschillende +stempels en zooveel ronde knopjes, als zij unciae waard waren. Het +waren de triens = 4 unciae, de quadrans of teruncius = 3 unciae, +de sextans = 2 unciae en de uncia. Omstreeks 268 begon men zilveren +munten te slaan en wel in drie waarden, den denarius (10 as), den +quinarius (5 as), den sestertius (2 1/2 as) z. a.; tot voorbeeld +diende de Attische drachme, waarmede de denarius altijd is gelijk +gesteld. Tevens muntte men een nieuwen as, die slechts een derde +(triens) woog van den oude, den z.g. as trientalis. In 250 werd de as +sextantarius ingevoerd, die een zesde (sextans) van het oude gewicht +bedroeg = 2 unciae, maar den as trientalis moest vervangen, zoodat er +ook van dezen as tien in een denarius gingen. De as werd dus sinds +dezen tijd teekenmunt. In 217 werd het gewicht van den as op 1 ons +gebracht (as uncialis) en gelijk gesteld met 1/16 van een denarius en +1/4 van een sestertius. Inmiddels werden de oude stukken (aes grave), +zoolang ze bestonden, voor een hoogeren prijs verhandeld. Waar in +oude wetten, dus ook in boeten, het woord as voorkwam, werd die niet +gelijkgesteld met den as uncialis, maar als een sestertius (4 as) +berekend. Later werd de as tot op een half ons verkleind, maar de +waarde bleef dezelfde = 1/4 sestertius. Hij diende voortaan als +pasmunt.--Hoewel de as de oorspronkelijke munteenheid was, werden +geldsommen berekend met sestertii. De sestertius (= semistertius, +derdehalf) was eerst, overeenkomstig zijn naam, gelijk aan 2 1/2 as, +doch werd later (in 217) aan 4 as gelijkgesteld. Z. sestertius. + +Asander, Asandros, zoon van Philotas, veldheer van Alexander d. G. Hij +werd in 334 stadhouder van Lydië en voltooide de verovering van +Halicarnassus door een grooten slag, waarin hij met Ptolemaeus aan +Orontobates de nederlaag toebracht.--2) zoon van Agathon. Na den dood +van Alex. werd hij stadhouder van Carië, en daar Perdiccas hem die +provincie wilde afnemen, ging hij tot de partij van Antigonus over +(321). Later sloot hij zich weder bij de vijanden van Antigonus aan, +maar moest zich in 313 aan hem onderwerpen.--3) veldheer van Pharnaces +II, koning van Bosporus, dien hij bij de nadering van Caesar liet +dooden om in zijne plaats te regeeren (47). Caesar liet hem afzetten, +doch Augustus gaf hem later de regeering terug. + +Asarotum, asaroton, vloer van mozaiekwerk voor een eetzaal, zóó +ingelegd, dat het den schijn had, alsof er allerlei overblijfselen van +een maaltijd op lagen en hij niet was aangeveegd (sairo). Wanneer dan +een der dischgenooten werkelijk iets morste, viel dit niet in het oog. + +Asbestus, asbestos (onbrandbaar), asbest of amiant, eene delfstof, +waarvan de vezels zich als vlas laten verwerken en waarvan men in +de oudheid het asbestinum linum vervaardigde, om er de dooden in te +wikkelen, alvorens zij op den brandstapel werden gelegd, opdat hunne +asch niet zou verontreinigd worden door die van het hout. Daar zulke +lijkwaden zeer kostbaar waren, konden slechts de gegoeden zich deze +weelde veroorloven. + +Asbolus, Asbolos, een Centaur, die op de bruiloft van Pirithoüs met +de Lapithen vocht en later door Heracles gekruisigd werd. + +Ascalaphus, Askalaphos, 1) zoon van Ares en Astyoche, koning der +Orchomeniërs, nam deel aan den Argonautentocht en sneuvelde voor +Troje. V. a. werd hij na de verovering van Troje koning van het +eiland Aretias in de Zwarte zee.--2) zoon van Acheron en Gorgyra of +Orphne. Toen Persephone uit de onderwereld zou vrijgelaten worden, +indien zij er nog niets genuttigd had, verried hij dat zij van een +granaatappel geproefd had. Tot straf begroef Demeter hem onder een +zwaren steen, en toen Heracles hem later daarvan bevrijdde, veranderde +zij hem in een nachtuil. + +Ascalon, Askalon, voorname vesting der Philistijnen, later een +belangrijke hellenistische stad, op de kust van Palaestina. + +Ascania, Askania, 1) meer en omgeving in Bithynia, bij de stad +Nicaea.--2) zoutmeer in zuidelijk Phrygia tusschen Colossae en +Celaenae. + +Ascanius, Askanios, zoon van Aeneas en Creusa, door Vergilius +en anderen ook Ilus of Iulus genoemd, ten einde de afstamming van +Augustus en de gens Iulia uit Aeneas aan te wijzen, werd door zijn +vader uit Trojes ondergang gered en kwam met hem in Latium aan, +waar hij Alba Longa stichtte. + +Asciburgium, stad aan den linkeroever van den Rijn, in het gebied +der Gugerni in Belgica. Het ligt tusschen Vetera en Gelduba. + +Asciburgius mons, thans het Reuzengebergte. + +Asclepiadae, Asklepiadai, priesters en, naar men meende, afstammelingen +van Asclepius. Op Cos, te Cnidus e.e. vormden zij vereenigingen voor +de bestudeering en uitoefening der geneeskunde. Te Rome was het de +algemeene naam voor geneeskundigen. + +Asclepiades, Asklepiades, 1) naam van verscheiden +geneeskundigen. Beroemd is de geleerde Ascl. van Prusa in Bithynië, +die omstreeks 50 te Rome zijne kunst uitoefende.--2) van Myrlea, +beroemd grieksch rhetor te Alexandria, en later te Rome (150-50). Hij +heeft een theorie der geschiedbeschrijving samengesteld, waarvan de +grondslag is een soortgelijke indeeling in drieën, als men bij de +rhetorica vindt, en b.v. door Cicero is uitgewerkt en toegepast. Ook +in den keizertijd blijft dit systeem in gebruik. + +Asclepiodorus, Asklepiodoros, beroemd schilder, tijdgenoot van Apelles. + +Asclepius, Asklepios, Aesculapius, zoon van Apollo en Coronis, dochter +van Phlegyas, of Arsinoë, dochter van Leucippus, geb. in Thessalië, +te Epidaurus of in Messenië. In de oudste gedichten wordt hij +voorgesteld als een heros, die, door Apollo aan Chiron toevertrouwd, +door dezen opgevoed werd en van hem o. a. de geneeskunde leerde, +waarin hij het zoover bracht dat hij niet alleen vele zieken genas, +maar zelfs dooden deed herleven. Toen echter werd hij door Zeus, +die niet wilde dat de menschen geheel van de vrees voor den dood +bevrijd zouden worden, met den bliksem getroffen en, op verzoek +van Apollo, als sterrenbeeld aan den hemel geplaatst. Later werd +Ascl. algemeen vereerd als de genezende god, eene hoedanigheid die +eigenlijk tot het wezen van Apollo behoort, en had hij heiligdommen +in verscheiden plaatsen, vooral zulke die wegens schoone en gezonde +ligging, bronnen e. dgl. veel bezocht werden door hen die genezing +van ziekten zochten. Daartoe legde men zich, na het vervullen van +nauwkeurig omschreven plechtigheden, in of bij den tempel neer, waarop +men in den slaap de gewenschte voorschriften van den god ontving, die +echter meestal door de priesters verduidelijkt moesten worden. Vooral +beroemd was zijn tempel te Epidaurus, rijk begiftigd met de geschenken +van herstelde zieken, waar om de vijf jaar te zijner eer een groot +feest, Asklepieia, gevierd werd; later was Pergamum de hoofdzetel +van zijn eeredienst. De haan, de hond en de geit waren hem gewijd, +maar bovenal de slang, waarmede hij steeds afgebeeld wordt en onder +welker gedaante de god zelf zich soms vertoont. Z. Aesculapius. + +Asconius Pedianus (Q.), geboren te Patavium weinige jaren v. C., +overleden 88 na C., v. a. 76 n. C., schrijver van belangrijke +aanteekeningen op Cicero's redevoeringen. In 1416 heeft men te +St. Gallen een (thans verloren) handschrift gevonden met een gedeelte +zijner aanteekeningen, waaronder echter ook van jonger hand. + +Ascra, Askra, stadje in Boeotia, aan den voet van den Helicon, +geboorte- of verblijfplaats van Hesiodus. + +Asculum, naam van twee steden in Italia. 1) Asculum (Ausculum) +Apulum, op de grenzen van Apulia en Samnium, waar de Romeinen in +279 door Pyrrhus, koning van Epirus, werden verslagen. (Zie Decii +no. 3). Horatius duidt het plaatsje aan door de woorden: oppidulum +quod versu dicere non est.--2) Asculum Picenum, hoofdstad van Picenum +en romeinsch municipium, in den bondgenootenoorlog verwoest, doch +weder opgebouwd. + +Asebeias graphe, aanklacht wegens beleediging en bespotting van door +den staat erkende goden of wegens heiligschennis. Zulke zaken werden +door den archon basileus voor den Areopagus, soms voor de Heliaea +gebracht. De straf was niet bij de wet bepaald. + +Asia, Asia, Oceanide, moeder van Prometheus. + +Asia, Asia. Deze naam heeft verschillende beteekenissen. Vooreerst +verstaat men er het werelddeel onder, dat van Europa door den Tanaïs +(Don), de Palus Maeotis (zee van Azow) en verder door zeeën was +gescheiden, en slechts voor een klein gedeelte bekend was. Als +scheiding tusschen de werelddeelen Azië en Afrika werd eerst het +Nijldal, later de Arabische golf beschouwd. De ouden spraken van +Beneden- en Boven-Azië, en namen dan als scheiding den stroomloop van +den Halys of wel het Taurusgebergte met den Antitaurus aan (ta kato en +ta ano Asias, Asia he entos en ektos tou Halyos of tou Taurou). Het +oudst bekende gedeelte omvatte niet veel meer dan het oude perzische +rijk; de tochten van Alexander den Grooten brachten eenige meerdere +kennis omtrent India aan. In de vierde eeuw na C. sprak men van Asia +minor en maior. Asia minor, thans Anatolië of Natolië, omvatte het +groote vooruitspringende schiereiland, dat ten N. door den Pontus +Euxinus, ten W. door de Aegaeïsche zee, ten Z. door de Middellandsche +zee tot aan de golf van Issus werd omspoeld. Al wat daarachter lag, +was Asia maior. + +De romeinsche provincie Asia was ontstaan door het testament van den +laatsten koning van Pergamus, Attalus III, die in 133 zijn rijk en +zijne schatten aan het romeinsche volk naliet. Zij omvatte in het eerst +de volgende landschappen: Mysia met Aeolis, Lydia met Ionia, Caria met +Doris (129). Eenige jaren later (116) werd Phrygia er aan toegevoegd, +dat wel tot Pergamus had behoord, doch eerst aan Mithradates V van +Pontus was afgestaan. Onder keizer Vespasianus werden ook Rhodus en +Lycia ingelijfd. Asia werd eerst door propraetors bestuurd, doch werd +later eene proconsulaire provincie. Ephesus was de hoofdstad. + +Tijdens keizer Traianus omvatte het romeinsche gebied in Azië de +volgende gewesten: 1 de bovengenoemde provincie Asia, 2 Bithynia, 3 +Paphlagonia, 4 Galatia, 5 Lycaonia, 6 Pisidia, 7 Lycia, 8 Pamphylia, +9 Cilicia, 10 Cyprus, 11 Cappadocia, 12 Pontus, 13 Armenia minor, +14 Armenia, 15 Mesopotamia (noordwestelijk gedeelte), 16 Commagene, +17 Syria met inbegrip van Phoenice en Judaea, 18 Arabia Petraea, +die echter niet alle afzonderlijke provinciën vormden. Bij de latere +indeeling van het rom. rijk in 116 provinciën werd de oude provincie +Asia in zeven deelen gesplitst, waarvan Asia proconsularis de westkust +bevatte van de golf van Adramyttium af tot aan den Maeander. + +Asia prata, Asios leimon, ook wel Asia palus geheeten, de vruchtbare +vlakte in Lydia, die door den Cayster doorsneden wordt, ten Zuiden +van den berg Tmolus. + +Asinarus, Asinaros, rivier op Sicilia, een eind bezuiden Syracusae, +bij welke de Atheners in 413 door de Syracusanen en den Spartaan +Gylippus verslagen werden en Nicias zich moest overgeven. + +Asine, Asine, 1) stad aan de Argolische golf.--2) stad aan de +Messenische golf, gesticht door de dryopische bewoners van no. 1, +die uit hunne woonplaats waren verdreven.--3) kustplaats in Laconia, +bij Gytheum. + +Asinii, 1) C. Asinius Pollio, uit Teate Marrucinorum afkomstig, +geboren 75 v. en gestorven 5 n. C., was als geschiedschrijver, +als treurspeldichter, als redenaar en als criticus een der meest +gevierde mannen van zijn tijd. Het meest bekende en belangrijkste +was zijn werk over de burgeroorlogen, waarin hij nu en dan belangrijk +schijnt afgeweken te zijn van de officieele lezing. In den burgeroorlog +tusschen Pompeius en Caesar had hij de partij van den laatste omhelsd, +en bij Pharsalus, in Africa en Hispania gestreden. Na Caesars dood +behoorde hij tot de republikeinsche partij en sloot hij zich noch +rechtstreeks bij Antonius, noch bij Octavianus aan, maar poogde door +zijne bemiddeling botsingen te voorkomen. In Gallia Cisalpina belast +met de landverdeeling onder de veteranen van Octavianus, bezorgde +hij aan zijn vriend Vergilius tijdelijk diens landgoed terug. In 39 +behaalde hij als proconsul eene overwinning op de Parthini in Illyria, +doch onttrok zich na zijn zegetocht aan het staatkundig leven, hoewel +hij als lid van den senaat aan diens werkzaamheden ijverig deel bleef +nemen. Pollio stichtte te Rome de eerste openbare bibliotheek, en +evenals Maecenas trad hij op als beschermer van jeugdige talenten. Van +zijne vele werken is niets tot ons gekomen.--2) C. Asinius Gallus, +zoon van den vorigen, huwde met Vipsania Agrippina, de gescheiden +echtgenoote van Tiberius. Door zijne vrijmoedigheid beleedigde hij +den keizer, werd gevangen genomen en stierf in 33 n. C., vrijwillig +of gedwongen, den hongerdood. Hoewel hij niet zijns vaders talenten +schijnt te hebben bezeten, had hij toch eene groote voorliefde voor +de beoefening der wetenschappen. + +Asisium, tgw. Assisi, klein plaatsje in Umbria, ten O. van Perusia, +geboorteplaats van Propertius. + +Asius, Asios, van Samus, een van de oudste grieksche elegische +dichters. + +Askolia, een spel dat op den tweeden dag der kleine Dionysusfeesten +in Attica gespeeld werd; het bestond daarin, dat men op een opgeblazen +en met olie glibberig gemaakten zak hinkte (askolizein, askoliazein), +die van het vel van een aan Dionysus geofferden bok gemaakt was. + +Asopiades, Aeacus, de kleinz. van Asopus. + +Asopis, Asopis, Aegma, de dochter van Asopus. + +Asopus, Asopos, 1) rivier die bij Phlius ontspringt, door de vlakte +van Sicyon loopt en in de Corinthische golf valt.--2) rivier die bij +Plataeae ontspringt, door Boeotië loopt en op attisch gebied in de +Euboeïsche zee valt, de grens tusschen het gebied van Plataeae en +van Thebae.--3) riviertje bij de Thermopylae.--4) stad in Laconica, +aan den oostkant van de Laconische golf, met een beroemden tempel +van Asclepius.--5) de stroomgod van een der beide eerstgenoemde +rivieren. Hij was de zoon van Oceanus en Tethys en bij Metope de vader +van twee zoons en twaalf of twintig dochters, die bijna allen namen +dragen van steden, in de nabijheid dier rivieren gelegen. Vele zijner +dochters werden door goden ontvoerd, bijv. Aegina door Zeus. Toen +Asopus deze dochter zocht en van Sisyphus vernomen had, wie haar +geroofd had, vervolgde hij Zeus en wilde hij met hem strijden, maar +Zeus verjoeg hem met den bliksem, waardoor hij in zijn bedding werd +teruggedreven. + +Asparagium, stad in Illyria, nabij Dyrrhachium, + +Aspasia, Aspasia, 1) van Miletus, dochter van Axiochus, kwam naar +Athene en wist daar door hare schoonheid, verstand, geestigheid en +bekwaamheden ieders aandacht te trekken. De voornaamste mannen, ook +Socrates, zochten haar omgang, en Pericles verstiet om harentwille +zijne gemalin. Door hem oefende zij, naar men zeide, ook op de +staatszaken grooten invloed uit, het is echter slechts scherts +wanneer Aristophanes beweert dat zij den oorlog met Samus en den +peloponnesischen oorlog veroorzaakt zou hebben. De vijanden van +Pericles klaagden haar aan van asebeia, maar zijne welsprekendheid, +die zich bij deze gelegenheid in al hare kracht vertoonde, bewerkte +dat zij vrijgesproken werd. Na zijn dood huwde zij met den demagoog +Lysicles, die door haar grooten invloed kreeg.--2) van Phocaea, +dochter van Hermotimus, eigenlijk Milto geheeten, minnares van den +jongeren Cyrus, die haar om hare schoonheid en verstand den naam +Aspasia gaf. Na den slag bij Cunaxa viel zij in handen van Artaxerxes, +en toen zijn zoon Darius haar aan hem betwistte, maakte hij haar +priesteres van Anaitis. V. s. was dit de reden waarom Darius tegen +zijn vader opstond, wat hij met zijn leven boette. + +Aspasii, Aspasioi, indisch volk ten N. van den Cophen, daar, waar de +Choaspes er in uitstroomt. + +Aspendus, Aspendos, welvarende stad in Pamphylia, aan den Eurymedon, +oorspronkelijk eene argivische volksplanting. + +Asphaltites lacus, de Doode zee in het zuiden van Palaestina, waarin +zich de Jordaan stort. + +Asphodelus, asphodelos, een plant met kleine knollen aan den wortel, +die in de oudste tijden, en later nog door de armen, gegeten +werden. Men plantte ze op de graven en meende dat zich door de +onderwereld een groot stuk land uitstrekte dat daarmede beplant was. + +Aspis, z. Clipeus. + +Aspis, Aspis, kaap en stad, oostelijk van Carthago, gesticht door +Agathocles, den tyran van Syracuse, in den eersten punischen oorlog +tijdelijk door de Romeinen bezet (256) en sedert Clupea genoemd. In +46 werd het tegelijk met Carthago Romeinsche kolonie. + +Aspledon, Aspledon, oude stad der Minyers in Boeotia, ten Noorden +van het meer Copaïs. + +Asprenas (L. Nonius), schoonzoon van Varus en een der weinigen, die +uit den slag in het Teutoburgerwoud ontkwamen. Later (in 14 n. C.) was +hij proconsul van Africa. Hij was een groot vriend van Augustus. + +Assa, Assera, Assa, Assera, stad op Chalcidice, aan de Singitische +golf. + +Assaceni, Assakenoi, indische stam in het Indus-gebied, aan de +Westzijde, ten N. van den Cophen, verwant met de Astaceni. + +Assaracus, Assarakos, zoon van Tros, overgrootvader van Aeneas. + +Asser, in het algemeen een balk of boom of dikke lat, b.v. de +draagboomen van een draagstoel, doch altijd een bewerkt en geen ruw +stuk hout. De asser in den zeestrijd was een aries in het klein, +een balk, die aan touwen in het want hing en door zijn beuken het +want of den romp van het vijandelijk schip moest vernielen. + +Assertor. In eene causa liberalis, d.i. een geding over de vraag, +of iemand vrij of slaaf was, kon de persoon, wiens vrijheid betwist +werd, niet als zijn eigen verdediger optreden. Hiertoe was een assertor +noodig, iemand, die rechtspersoonlijkheid bezat en staande hield, dat +de betwiste persoon een vrije was, bij welke verklaring hij zijne hand +of een staf (festuca of vindicta geheeten) op diens hoofd legde. Dit +komt voor bij de manumissio vindicta; voor assertor fungeerde vaak een +lictor (zie manumissio no. 1). Vanhier de uitdrukking aliquem manu +asserere in libertatem = iemands vrijheid verdedigen. Ook asserere +in servitutem, een als vrij beschouwd man als zijn slaaf opeischen. + +Assessor. Wanneer te Rome aan iemand werd opgedragen, als iudex in +eene rechtzaak uitspraak te doen, eischte de gewoonte, dat hij eenige +vrienden uitnoodigde, de zitting bij te wonen en hem als consilium met +hun raad bij te staan. Evenzoo vormden de stadhouders in de provinciën +bij hunne rechtspraak een consilium uit hunne officieren. Onder de +keizers evenwel kwam meer en meer de geheele rechtspraak in handen der +overheden, die geregeld een vasten bijzitter kozen, assessor geheeten, +gewoonlijk een rechtskundige, die de geheele zaak instrueerde, en +het vonnis opstelde. + +Assesus, Assesos, stad in Ionia, bij Miletus, met een Athena-tempel. + +Assidui, gezeten burgers, werden te Rome die burgers geheeten, +die in eene der vijf classes waren ingeschreven, in tegenstelling +der proletarii. + +Assignationes viritanae, zie Colonia no. 2. + +Assorus, Assoros, stad op Sicilia, ten N.O. van Henna. + +Assus, Assos, aeolische stad aan de Zuidkust van Troas, beroemd door +voortreffelijke tarwe en door eene steensoort, lapis Assius, die de +voorwerpen deed versteenen en daarom sarkophagos genoemd werd. Men +maakte er o. a. lijkkisten van. + +Assyria, Assyria. Onder dezen naam kan men vooreerst het groote +oud-assyrische rijk verstaan, dat eenmaal zich over Armenia, Media, +Persis, Babylonia, Mesopotamia, Syria, Phoenice en Palaestina +uitstrekte en 672-656 zelfs over Aegypte heerschte, doch vervolgens +uiteenspatte en omstreeks 606 met de verwoesting der hoofdstad +Niniveh te gronde ging. Zie Ninus.--Het landschap Assyria in engeren +zin omvatte ongeveer de streek tusschen den Tigris en het Zagrus- +of Choatrasgebergte ten W. en ten O., en Babylonia en Armenia +ten Z. en ten N. Na den val van het oud-assyrische rijk maakte het +achtereenvolgens een deel uit der medische, perzische, macedonische, +syrische, parthische en nieuw-perzische rijken. + +Asta, 1) stad in Liguria, rom. kolonie, aan den Tanarus, een zijtak +van den Padus (Po). Tegenwoordig Asti.--2) rom. kolonie in Baetica, +nabij Gades (Cadix). + +Astaboras, Astaboras, thans Atbara, zijtak van den Nijl, in Aethiopia. + +Astaceni, Astakenoi, indisch volk, aan den benedenloop van den Cophen, +verwant met de Assaceni. + +Astacus, Astakos, 1) stad in Acarnania aan de Ionische zee.--2) +megarensische kolonie in Bithynia, aan een inham der Propontis; zij +werd door de Atheners versterkt en Olbia genoemd, door Lysimachus +verwoest, doch door Nicomedes I herbouwd en onder den naam van +Nicomedea tot de prachtige hoofdstad van Bithynia gemaakt. + +Astapa, Astapa = Ostippo. + +Astapus, Astapous, zijtak van den Nijl in Aethiopia. Tusschen dezen +en den Astaboras ligt het schiereiland Meroe. + +Astarte, Syria dea, Astarte, Syria theos, phoenicische godin, die +in het Oosten hoog vereerd werd; vooral bekend is haar tempel te +Tyrus. De Grieken vergeleken haar met Aphrodite. + +Asteria, Asteria, dochter van Coeüs en Phoebe. Om aan de liefkoozingen +van Zeus te ontkomen, stortte zij zich, in de gedaante van een kwartel, +in zee en veranderde in een eiland, dat eerst haar naam droeg, later +Ortygia, en eindelijk Delus genoemd werd. + +Asterion, Asterion, zoon van Teutamus, koning van Creta, die met +Europa huwde en hare kinderen, Minos, Radamanthys en Sarpedon, als +de zijne opvoedde. + +Asterope, Asterope, z. Aesacus. + +Astrabacus, Astrabakos, een oud-laconisch heros. De spartaansche +koning Demaratus was, volgens het verhaal zijner moeder, een zoon +van Astrabacus of van Aristo. + +Astraea, Astraia, dochter van Zeus en Themis of van Astraeus en Eos, +godin der gerechtigheid, die in de gouden eeuw op aarde onder de +menschen leefde. In de zilveren eeuw verscheen zij nog nu en dan, +maar toen de verdorvenheid der menschen toenam, verliet zij, hoewel +later dan alle andere goden, eindelijk ook de aarde en bleef sedert, +als het sterrenbeeld de Maagd, aan den hemel. + +Astraeus, Astraios, zoon van Crius en Eurybia, echtgenoot van Eos, +vader der winden en sterren. + +Astragaloi, dobbelsteenen met vier vlakke zijden en aan twee kanten +rond. De vlakke zijden waren met oogen gemerkt, zoodat 1 en 6, 3 en 4 +tegenover elkander stonden. Men wierp met vier steenen; de beste worp, +wanneer 1, 3, 4 en 6 boven lagen, heette Aphrodite, Midas, Herakles, de +slechtste, wanneer alle vier éénen boven lagen, heette kyon. Zie Alea. + +Astynomoi, overheidspersonen die te zorgen hadden voor politie, +straatreiniging, handhaving der bouwverordeningen, enz. Te Athene +waren er tien, vijf voor de stad en vijf voor den Piraeus. Ze komen +sinds de 4de eeuw voor.--Ook bijnaam van verschillende goden als +beschermers der steden. + +Astura, riviertje in Latium, met eene gelijknamige stad aan den mond +er van. + +Asturia, Astouria, landstreek in het Noorden van Tarraconensis, met +de hoofdstad Asturica Augusta (Astorga). De Astures waren een woest +bergvolk, in het tegenw. Asturië en noordelijk Leon. + +Astyages, Astyages, zoon van Cyaxares, laatste koning der Mediërs +(585-550), grootvader van Cyrus, die hem van den troon stiet en het +perzische rijk stichtte, z. Alyattes. + +Astyanax, Astyanax, zoon van Hector en Andromache. Zijn eigenlijke +naam was Scamandrius, maar ter eere van zijn vader noemde het volk +hem Astyanax (heer der stad). Na de verovering van Troje werd hij, +hoewel nog een kind, van den muur geworpen. + +Astydamas, Astydamas, 1) zoon van Morsimus. Hij zou 240 treurspelen +gedicht hebben, waarvan 15 den eersten prijs behaalden. In zijn +jeugd was hij een leerling van Isocrates.--2) zoon van den vorigen, +treurspeldichter. + +Astydamea, Astydameia, gemalin van Acastus. + +Astyoche, Astyoche, dochter van Actor, moeder van Ascalaphus en +Ialmenus.--2) dochter van Laomedon, gehuwd met Telephus. Omgekocht +door een gouden wijnstok, overreedde zij haar zoon Eurypylus, aan de +verdediging van Troje deel te nemen. + +Astypalaea, Astypalaia, stad en eiland der Sporaden, in de Aegeïsche +zee ten O. der Cycladen. + +Astyra (gen. ae), ta Astyra, stad in Mysia bij Antandrus, aan de golf +van Adramyttium met een tempel van Artemis Astyrene. Ook een plaatsje +bij Abydus. + +Asylia, door de wet gewaarborgde veiligheid voor slaven en misdadigers, +gewl. verbonden aan het verblijf in zekere tempels of heiligdommen. In +den keizertijd werd dit recht, dat aan vele tempels toekwam, omdat het +tot misbruiken aanleiding gaf, beperkt en gedeeltelijk opgeheven. Ook +werd soms van staatswege aan vreemdelingen asylia verzekerd, waardoor +zij evenzeer als de burgers tegen aanvallen op hun persoon en eigendom +beschermd waren. + +Atabulus, naam in Apulia voor den uit Afrika overwaaienden verzengenden +Sirocco (Zuidenwind). + +Atabyris, Atabyrius, Atabyris, Atabyrion oros, hooge berg op het +eiland Rhodus, met een beroemden tempel van Zeus Atabyrius. + +Atagis, zie Athesis. + +Atalante, Atalante, uit Arcadië, dochter van Iasus en Clymene. Haar +vader, die liever een zoon gehad had, liet haar terstond bij hare +geboorte te vondeling leggen; zij werd door eene berin gezoogd, +groeide op te midden van jagers en werd zelve eene buitengewoon vlugge, +sterke en moedige jageres. Zij nam deel aan de calydonische jacht +en bracht aan het zwijn de eerste wond toe; op grond daarvan kende +Meleager, die door hare schoonheid getroffen was, haar den prijs der +overwinning toe, en Atalante, hierdoor gestreeld, stemde er in toe +zijne vrouw te worden, terwijl zij vroeger tal van huwelijksaanzoeken +had van de hand gewezen. Ook aan den Argonautentocht zou zij hebben +deelgenomen of willen deelnemen.--V. a. was het niet Meleager, maar +Milanion, die door zijn trouwe liefde haar hart wist te winnen, hoewel +zij ook voor hem lang koud bleef.--V. a. was Atalante de dochter van +den boeotischen koning Schoeneus, en had zij verklaard alleen hem te +zullen huwen, die haar in den wedloop zou overwinnen. Reeds velen +hadden den strijd gewaagd, maar waren overwonnen en gedood, totdat +Milanion of Hippomenes door de hulp van Aphrodite de overwinning +behaalde. De godin had hem namelijk drie gouden appels gegeven, +waarvan hij onder het loopen telkens een voor de voeten van Atalante +wierp; deze bukte om de prachtige kleinoden op te rapen, maar verloor +daardoor zooveel tijd, dat haar minnaar, voor wien zij intusschen +zelve ook liefde had opgevat, het eerst het doel bereikte.--Atalante +en haar echtgenoot werden later in leeuwen veranderd, omdat zij een +aan Cybele gewijd bosch ontheiligd hadden. Hun zoon was Parthenopaeus. + +Atalante, Atalante, 1) eilandje op de kust van Locris, nabij de stad +Opus.--2) rotseilandje ten Oosten van Salamis.--3) stad in Macedonia +aan den Axius. + +Atanagrum, stad der Ilergetes in Tarraconensis, door Scipio in 218 +verwoest. + +Atarantes, Atarantes, volksstam in het midden van Africa, tusschen +de Garamantes en de Atlantes. + +Atarbechis, Atarbechis, stad in Beneden-Aegyptus, in de landstreek +Prosopitis, met een beroemden tempel der aegyptische Aphrodite +(Hathor). + +Atargatis, z. Dercetis. + +Atarneus, Atarneus, stad op de kust van Aeolis tegenover Lesbus, +op den berg Cane. Aristoteles vertoefde hier eenigen tijd (348-345) +bij den tyran Hermeas. + +Atax, Atax, thans Aude, een kustriviertje, dat zich in den sinus +Gallicus (golf v. Lyon) stort. Aan den Atax lagen de steden Carcaso +(Carcassonne) en Narbo Martius (Narbonne). De bewoners, die tot +de Volcae Tectosages behoorden, werden naar de rivier ook Atacini +genoemd, zooals de letterkundige P. Terentius Varro Atacinus, die in +82 te Narbo geboren werd. + +Ate, Ate, dochter van Zeus of van Eris, godin der blinde drift, die +eens zelfs Zeus tot een onberaden eed verleidde. Tot straf werd zij +van den Olympus op aarde geslingerd, waar zij met lichten tred over +de hoofden der menschen zweeft, terwijl zij hen tot kwaad verleidt, +maar hen straft wanneer zij het bedreven hebben. + +Ateii. 1) C. Ateius Capito, naam van een volkstribuun, die het den +consuls C. Pompeius en M. Licinius Crassus in hun tweede consulaat +(55) zeer lastig maakte en later door den censor App. Claudius Pulcher +(zie Claudii no. 15) berispt werd wegens leugenachtige auspicia.--2) +C. Ateius Capito, beroemd rechtsgeleerde te Rome ten tijde van Augustus +en Tiberius. Hij stichtte eene rechtsgeleerde school, die niet minder +vermaard werd dan die van zijn tegenstander Q. Antistius Labeo. Terwijl +Labeo aan de rechtsstudie eene meer philosophische richting gaf en den +strengen geest der oud-rom. wetgeving huldigde, was Capito's richting +meer historisch en nam hij meer het gewoonterecht tot grondslag, zooals +het zich in den loop der tijden had ontwikkeld. Zie Sabiniani.--3) +Ateius, bijgenaamd Praetextatus, een atheensch letterkundige van naam, +een vriend van Asinius Pollio en van Sallustius. + +Ateleia, vrijstelling van alle of van bepaald aangewezen diensten of +betalingen ten behoeve van den staat, vooral van liturgieën. + +Atella, oud-oscische stad in Campania tusschen Capua en Neapolis, +later romeinsch municipium, vooral bekend door de Atellanae fabulae. + +Atellanae fabulae, ook wel Osci ludi genoemd, eene soort van landelijke +kluchtspelen, waarin boert en spot den boventoon voerden. Zij werden +meestal opgevoerd in de volkstaal of in een plattelandsdialect, dikwerf +grof en plomp; het doel was dan ook niet fijn of geestig te wezen, +maar de toeschouwers te laten lachen. Zij kunnen vergeleken worden met +Jan Klaassen- of Harlekijnskluchten. Er kwamen eenige vaste rollen +in voor, zooals Maccus, een domme, vraatzieke hansworst of Pierrot, +Pappus, een soort van vader Pantalon, enz. In den beginne waren het +slechts schetsen, die op het tooneel door improvisatie verder werden +uitgewerkt; later werden ook uitgewerkte stukjes geschreven. Soms +werden zij ook als nastukjes (exodia) na een drama gegeven. In de +Atellanae als speler op te treden, werd den rom. burger niet onwaardig +geacht; zij werden opgevoerd door vrijgeboren rom. jongelieden. + +Aternia Tarpeia (lex) de multis, 454, van de consuls M. Aternius Varus +Fontinalis en Sp. Tarpeius Montanus Capitolinus, dat het aan alle +magistraten zou vrijstaan, boeten tot een zeker bedrag in vee op te +leggen, terwijl hoogere boeten alleen door de comitia tributa konden +worden opgelegd. De multa suprema was 2 schapen en 30 ossen. Voor +de boete in vee werd in 430 door de lex Iulia Papiria (z. a.) eene +evenredige geldboete in de plaats gesteld. + +Aternum (ook Ostia Aterni geheeten) aan de Adriatische zee, havenstad +der Marrucini, Vestini en Peligni, drie kleine stammen tusschen +Picenum en Samnium. + +Aternus, riviertje, dat bij Aternum in zee valt. + +Atesis = Athesis. + +Ateste, rom. kolonie in het land der Veneti, aan de Athesis (Etsch) +gelegen. Thans Este. + +Athamania, Athamania, landstreek in Epirus op de grenzen van Thessalia, +met de hoofdstad Argithea. De Athamanes, Athamanes, stonden op een +zeer lagen trap van beschaving. + +Athamantiades, Athamantiades, Palaemon, zoon van Athamas. + +Athamantis, Athamantis, Helle, dochter van Athamas. + +Athamas, Athamas, zoon van den thessalischen Aeolus, koning van +Orchomenus in Boeotië. Hij was gehuwd met de godin Nephele en had bij +haar twee kinderen, Phrixus en Helle; hij nam echter nog eene andere +vrouw, Ino, de dochter van Cadmus, waarom Nephele hem verliet. Ook Ino +kreeg bij Ath. twee kinderen, Learchus en Melicertes, voor de kinderen +van Nephele was zij echter eene slechte stiefmoeder en zelfs bewoog +zij Ath. hen aan Zeus Laphystius te offeren, maar Nephele zond hun +een ram met gouden vacht, waarmede zij uit het land vluchtten. Toen +dit offer alzoo mislukt was, zoude Ath. zelf geofferd worden, maar ook +dit werd door Heracles belet (z. Cytissorus). Later werd hij door Hera, +die vertoornd was op Ino, omdat zij Dionysus had opgevoed, zoo razend +gemaakt, dat hij Learchus doodsloeg en Ino voor hem moest vluchten +en zich met Melicertes in zee stortte. Met bloedschuld beladen moest +Ath. vluchten, hij vestigde zich in Phthiotis, huwde met Themisto, +die hem vier kinderen schonk, en stichtte de stad Halus. + +Athanagia = Atanagrum. + +Athanasius, geb. te Alexandrië in 295 n. C., nam aan het concilie van +Nicaea (325 na C.) een zóó werkzaam aandeel, dat hij in 326 benoemd +werd tot opvolger van Alexander als bisschop van Alexandrië. Toen hij +tegen het bevel van keizer Constantijn den tot ketter verklaarden +Arius uit de kerk weerde, werd hij verbannen. Na 's keizers dood +keerde hij naar Alexandrië terug, doch werd door den nieuwen keizer +Constantius andermaal in ballingschap gezonden. Door bemiddeling van +den bisschop van Rome, Julius I, werd hij in zijn ambt hersteld, doch +later voor de derde maal gebannen, tot hij eindelijk, onder Jovianus, +voor goed terugkwam (366 n. C.). Hij stierf te Alexandrië in 373. Hij +heeft vele geschriften nagelaten, waarvan sommige voor de geschiedenis +van zijn tijd belangrijk zijn. + +Athanatoi, eene keurbende van 10,000 man in het perzische leger, +zoo genoemd omdat zij, wanneer er iemand aan ontviel, terstond weder +voltallig gemaakt werd door anderen, die te voren daarvoor waren +aangewezen. + +Athena, Athenaia, Athena, Pallas Athene, Minerva, oorspronkelijk +waarschijnlijk eene godin van den aether, wier dienst in verband +stond met dien van Poseidon, en die uit het meer of de rivier Triton +ontstaan was (Tritogeneia). Volgens de gewone voorstelling was zij +de dochter van Zeus, uit wiens hoofd zij volwassen en gewapend te +voorschijn kwam, nadat hij zijne eerste gemalin, Metis, verslonden +had. Als een van de machtigste wezens der godenwereld, oefent zij op +velerlei wijze een heilrijken invloed op het menschdom uit. Vooreerst +is zij de onoverwinnelijke godin van den oorlog (Atrytone), die +staten en individuen in den rechtvaardigen strijd helpt; zij geeft +haren beschermelingen den moed en het beleid, die hun de overwinning +verzekeren, en betreedt in het heetste van het gevecht dikwijls +zelve het slagveld, waar dan alles voor haar moet wijken, en zelfs +andere godheden, die het wagen haar te weerstreven, het veld voor haar +moeten ruimen. De grootste helden staan onder hare bescherming en de +steden verdedigt zij tegen de aanvallen der vijanden (Rhysiptolis, +Promachos, Polias, Akraia). De krijgstrompet, de fluit en de wapendans +Pyrriche zijn door haar uitgevonden. Vervolgens is zij de godin van +alle wetenschappen, kunsten en handwerken (Ergane), en bevordert zij +landbouw en nijverheid door allerlei vindingen. Zoo is de ploeg en de +hark door haar uitgevonden, zoo heeft zij den menschen geleerd hoe zij +het vuur moeten gebruiken, hoe zij paarden kunnen temmen en voor den +wagen spannen (Hippia), zoo bouwt zij voor Danaus het schip waarmede +hij naar Griekenland vlucht en is zij behulpzaam in het bouwen van +de Argo; ook het spinnen en weven behoort tot hare werken, en het +grootste geschenk, dat de Atheners haar jaarlijks brengen, is een +kunstig bewerkt kleed (peplos). Alles wat eene beschaafde maatschappij +kenmerkt staat onder hare hoede; den staat, zijne onderdeelen en +grondslagen, recht en wet, beschermt zij, en vandaar ook rechtbanken +en volksvergaderingen (Boulaia, Agoraia, Phratria); zij zelve heeft te +Athene de rechtbank van den Areopagus ingesteld.--Over het algemeen is +zij de beschermgodin van hen die door verstand, bekwaamheid en overleg +uitmunten; zij zelve bezit die eigenschappen in de hoogste mate, daar +zij als het ware de gepersonifiëerde wijsheid van Zeus is.--Eindelijk +geeft zij, als godin van den zuiveren aether, gezondheid en weert +zij ziekten af (Hygieia, Paionia).--De dienst van Athena was door +geheel Griekenland verbreid, maar nergens werd zij hooger vereerd +dan te Athene, de naar haar genoemde stad, waar alle instellingen of +van haar afkomstig waren, of tenminste door haar in stand gehouden +werden. Zelfs wordt het geheele land Attica als het eigendom der godin +beschouwd. Wel had aanvankelijk ook Poseidon erop aanspraak gemaakt, +maar toen Zeus beslist had dat het land gegeven zou worden aan dengene, +die het met het nuttigste geschenk zou begiftigen, schiep Poseidon het +paard, Athena den olijfboom, en de goden kenden haar de overwinning +toe. Sedert dien tijd is de olijfboom haar boven alles geheiligd, +van de dieren zijn de uil, de haan en de slang aan haar gewijd.--Zij +wordt meestal afgebeeld met eene eenigszins mannelijke gestalte, +met heldere en ernstige gelaatstrekken, dikwijls draagt zij schild, +helm en lans en is zij met de Aegis bekleed. + +Athenae, Athenai, hoofdstad van Attica, door de Atheners to asty +geheeten, tegenover he polis (akropolis), de burcht. De oudste +nederzetting is waarschijnlijk op de acropolis geweest. Daar +zijn nog de overblijfselen gevonden van een koningspaleis uit den +Myceenschen tijd. De burcht zelf was versterkt met een muur, uit +onbewerkte rotsblokken opgetrokken. De stad breidde zich eerst uit +ten Zuiden (Kydathenaion), en ten Westen (z. Pelasgikon, Pelargikon, +(teichos)), en sedert den tijd der Pisistratiden ten Noorden van de +Acropolis, in den Kerameikos, waar door Pisistratus de nieuwe markt +ten Noorden van den Areopagus werd aangelegd (de oude markt lag ten +Z. daarvan). Hoe de stad er overigens vóór de perzische oorlogen +uitzag, is ons onbekend; doch zelfs in zijn bloeitijd was Athene +niet, wat wij eene fraaie stad zouden noemen. De straten waren niet +breed, niet regelmatig, en de huizen muntten niet uit door prachtige +gevels. Er was echter te Athene aan openbare gebouwen meer schoons te +zien, dan in eenige andere stad van Griekenland. De stad zelve was in +onregelmatig ronden vorm gebouwd. In het midden lag de akropolis, +de oude burcht, oudtijds Kranae, de ruwe rots, later Kekropia, +vervolgens eenvoudig acropolis geheeten. Deze rots, ongeveer 150 voet +hoog, was slechts aan de Westzijde toegankelijk, overigens steil +en nog bovendien aan den Noordkant door de zoogenaamde pelasgische +muren, aan de Zuidzijde door den muur van Cimon versterkt. Om op +de acropolis te komen, moest men eerst twee poorten doorgaan, dan +stond men voor de prachtige Propylaea, ta Propylaia, op voorstel van +Pericles door den bouwmeester Mnesicles gebouwd. In het midden liep +een rijweg opwaarts, aan weerszijden daarvan een marmeren trap van 64 +treden. Zóó kwam men in het voorportaal van den burcht. De voorgevel +van dit portaalgebouw werd gedragen door zes reusachtige dorische +zuilen, die vijf doorgangen vormden, terwijl ter weerszijden van den +middenweg drie ionische zuilen de zoldering schraagden. Vijf deuren +scheidden dit eerste portaal van een tweede, dat iets hooger lag en +kleiner was en weder in eene rij van zes dorische zuilen eindigde en +zóó tot het vlak van den heuvel toegang gaf. Dit prachtwerk, geheel +van marmer, kostte meer dan 2000 talenten en vijf jaren tijds. Op +het heuvelvlak had men dan aan de rechterhand het Parthenon, den +tempel der maagdelijke Pallas Athena, onder opzicht van Pericles +door Callicrates en Ictinus gebouwd, ruim 200 voet lang en 100 voet +breed, met acht dorische zuilen in het front en zeventien in de lange +zijden (z. fig. vorige pag.). Gevelveld en friezen waren met heerlijk +beeldhouwwerk versierd, dat tafereelen uit het leven der godin en den +grooten optocht bij de feesten der Panathenaeën voorstelde. De hier +bijgevoegde plattegrond geeft eene voorstelling van de inrichting des +tempels. (A) is de omringende zuilengang, het peristylium, peristasis, +(B) de pronaos, tusschen welks zes zuilen ijzeren hekken aangebracht +waren, waarachter wellicht tempelgeschenken werden tentoongesteld, +(C) is de 100 voet lange cella, hekatompedos neos waar in (a) het +beeld der godin stond, terwijl men niet alleen aan de twee lange +zijden, maar ook aan de achterzijde (op de teekening niet aangegeven) +ionische zuilen vond in twee stellingen boven elkaar. Het beeld der +godin, 12 meter hoog, uit goud en ivoor bewerkt, was het meesterwerk +van Phidias. Op de uitgestrekte rechterhand droeg zij het zes voet +hooge gevleugelde beeld der Overwinning. De gouden mantel der godin +werd omstreeks 300 door zekeren Lachares, volksmenner en vervolgens +tyran te Athene, geroofd. Afgesloten van de cella (de twee deuren, +op de teekening aangegeven, zijn uit het christelijk tijdperk) +was het opisthodomos, dat verdeeld was in het eigenlijke Parthenon +(D), ook Megaron genoemd, waarin de schatten van de godin en van +de andere goden bewaard werden, en het eigenlijke opisthodomos +(E), waarin zich de staatsschat bevond. Het Parthenon werd in het +christelijk tijdperk in een kerk der maagd Maria en door de Turken +in eene moskee herschapen. In 1687, in den oorlog tusschen de +Turken en de republiek Venetië, vloog een gedeelte van den tempel, +door de Turken als kruitmagazijn gebruikt, door eene bom uit de +venetiaansche batterijen in de lucht. In 1799 liet de britsche gezant +bij de Porte, lord Elgin, met goedvinden der turksche regeering, +het nog overgebleven beeldhouwwerk uitbreken en met tal van andere +kunstwerken naar Engeland overvoeren. Door het vergaan van een der +schepen bij Cerigo ging een deel dezer kunstschatten verloren; het +overige ging in 1816 voor 35000 L.st. aan het Britsch Museum over, +waar het nog onder den naam van Elgin marbles prijkt. Tegenover het +Parthenon ligt het Erechtheum, aan Poseidon Erechtheus geheiligd, +met den daartegenaan gebouwden tempel van Athena Polias, waarin het +oude houten beeld der godin stond, dat éénmaal 's jaars gereinigd +werd. Deze tempel werd in 407 voleindigd. (A) is de pronaos van Athena +Polias, (B) de cella; aan de andere zijde kwam men langs een trap in +het voorportaal (F) van den Erechtheustempel; het is een open hal, +waarvan het dak door caryatiden (Korai) werd gedragen; (D) is de +pronaos, (C) de cella van den tempel, terwijl (E) de noordelijke +uitbouw is, waarin zich het drietandteeken van Poseidon bevindt; +(G), (H) en (I) zijn doorgangen. Onder den pronaos was de zoutbron, +en ter zijde daarvan de heilige olijf, door Athena geplant. Een derde +standbeeld van Athena was nog de Athena Promachos, een door Phidias +gegoten metalen reuzenbeeld. Reeds bij het omvaren van kaap Sunium +kon men de gouden punt harer speer in de zon zien schitteren. Het +tempeltje der Nike apteros lag wel op de acropolis, doch buiten de +Propylaeën. Ten slotte vermelden wij, dat er voor de Perzische oorlogen +dichtbij het Erechtheum een andere tempel van Athena gestaan heeft, +die gewoonlijk Hecatompedon of archaios neos genoemd wordt. Wanneer +men van de acropolis in noordwestelijke richting ging, kwam men op +de markt, agora, vanwaar een weg naar den Pnyx voerde, een heuvel, +die tot plaats voor de volksvergadering diende. Langs de markt liepen +zuilengangen, waarvan de stoa poikile of beschilderde galerij de +meest beroemde was. Op hare wanden prijkten tafereelen uit den slag +bij Marathon en andere veld- en zeeslagen, waarin de Atheners roem +hadden ingeoogst. Aan de markt lag het bouleuterion, waar de raad, +de boule, zitting hield, benevens de tholos of rotonde, waar de +prytanen hun maaltijden gebruikten. Niet ver van de markt verhief +zich de vrij steile Aresheuvel of Areopagus, Areios pagos. Onder +de openbare gebouwen en monumenten in de stad verdienen vermelding: +het Prytaneum, het theater van Dionysus, dat tegen de Zuidzijde van +de Acropolis aangebouwd was, het Museum, het Theseum, het Odeum van +Pericles voor muzikale wedstrijden. Een ander Odeum van later tijd +was dat van Herodes Atticus. Het choragisch monument van Lysicrates, +van omstreeks 330, ook wel met den naam van lantaarn van Diogenes +bestempeld, is een sierlijk gebouwtje met zes corinthische zuiltjes, +die op een vierkanten onderbouw rusten en een marmeren dekstuk dragen, +met beeldwerk versierd en waaruit eene acanthusplant oprijst. Het +gebouwtje, 34 voet hoog, diende om den drievoet (choregikos tripsys) +te dragen, dien Lysicrates als prijs in den choragischen wedstrijd +had gewonnen. Eene straat in de stad heette de straat der drievoeten, +omdat daar een aantal zulke gedenkteekenen stonden. De toren der +winden was een fraai achthoekig gebouw, waarin een wateruurwerk was +aangebracht en waarop een windwijzer stond. Hij dagteekent uit de +1ste eeuw. Vele aanzienlijke mannen, zelfs vorsten lieten te Athenae +praalgebouwen oprichten, om hun eigen naam te verheerlijken. + +Buiten de stadsmuren vond men nog beroemde plaatsen, als: de Academia, +Akademeia of -mia, een wandelpark met gymnasium, waar Plato zijn +onderwijs gaf, het Lyceum, ook een park met een tempel van Apollo +Lycius, waar Aristoteles zijne peripatetische lessen gaf, den heuvel +Cynosarges, met een gymnasium, in een van welks zalen Antisthenes, +de stichter der cynische school, als leeraar optrad. + +Ten Westen van de stad stroomde de Cephisus, in het Z.O. de +Ilisus. Van de stad liepen de lange muren, ta makra teiche, ook wel +de beenen van Athenae genoemd, ta skele ton Athenon, ter lengte van +omstreeks anderhalf uur gaans naar de havens. De havens Phalerus +en Munychia waren klein; maar de Piraeus (Peiraieus) vormde eene +kleine stad op zichzelve, met scheepswerven, tuighuis, magazijnen, +handelshaven, oorlogshaven, ja zelfs met een theater. De muren +waren in zee vooruitgebouwd; de invaart, die met kettingen kon +worden afgesloten, liep met eene sterke kromming tusschen twee +muren door. Voor de geschiedenis van Athenae moeten wij naar de +geschiedboeken verwijzen. Ook onder rom. heerschappij bleef Athenae +nog lang eene civitas libera met een betrekkelijk uitgebreid gebied, +waartoe, behalve Attica, ook een deel der cycladische eilanden +behoorde. Het bleef ook lang een zetel van kunst en wetenschap, en +tal van jonge aanzienlijke Romeinen gingen erheen, om hunne opleiding +te voltooien. De stad leed in 86 veel door Sulla's belegering; bij +die gelegenheid ging de Piraeus te gronde; keizer Hadrianus zocht in +later tijd de stad te doen herleven door aan de verfraaiing ervan veel +ten koste te leggen. Het aantal inwoners van Athenae wordt tegen het +einde van de regeering der Pisistratiden op 20,000 à 25,000 geschat; +bij het uitbreken van den Peloponnesischen oorlog bedroeg de bevolking +van stad en havens ruim 100,000; een eeuw later evenveel, maar toen +was de Piraeus meer bewoond, en begon de stad reeds verlaten te worden. + +Behalve de talrijke tempels, waarvan wij slechts zeer enkele konden +vermelden, was de stad zeer rijk aan standbeelden. + +Athenaeum, Athenaion, in het algemeen elke aan Athena gewijde +plaats. In het bizonder verstond men hieronder de door keizer +Hadrianus te Rome opgerichte school voor hoogere vorming. Hoewel +enkele uitstekende onderwijzers reeds onder Augustus en Vespasianus +eene toelage uit de schatkist genoten, was er te Rome toch alleen +bizonder onderwijs; Hadrianus voerde het openbaar onderwijs in met +onderwijzers, die door den staat werden bezoldigd, teneinde invloed +op den geest van het onderwijs te kunnen uitoefenen en eene niet +gewenschte republikeinsche richting te keeren. + +Athenaeus, Athenaios, 1) sicilisch werktuigkundige, tijdgenoot van +Archimedes.--2) taalgeleerde uit Naucratis, omstreeks 230 na C., +die eerst te Alexandrië, later te Rome leefde. Zijn uitvoerig werk +Deipnosophistai, dat bijna geheel bewaard gebleven is, behandelt in +den vorm van gesprekken allerlei bizonderheden uit het dagelijksch +leven der ouden, en heeft vooral groote waarde door de talrijke +aanhalingen uit oudere schrijvers, wier werken verloren gegaan zijn. + +Athenagoras, Athenagoras, van Athene, leeraar der academische +wijsbegeerte te Alexandrië in de 2e eeuw n. C.; later ging hij tot het +Christendom over, dat hij ijverig en op wijsgeerige gronden verdedigde. + +Athenais, Athenais, 1) bijgenaamd Philostorgos, gemalin van den +cappadocischen koning Ariobarzanes II.--2) dochter van den sophist +Leontius, de schoone en bekwame gemalin van keizer Theodosius II; +na hare bekeering tot het Christendom noemde zij zich Eudocia. Zij +heeft verschillende epische gedichten gemaakt, die oud-testamentische +en christelijke onderwerpen behandelen. + +Athenio, een herder, aanvoerder der opgestane slaven op Sicilia in +102 en 101. De consul M.' Aquillius versloeg hem in 100 met eigen +hand. Cicero gaf aan Sext. Clodius, den vrijgelatene van P. Clodius +(Claudii no. 17) den schimpnaam Athenio, omdat laatstgenoemde aan +het hoofd van een troep slaven te Rome onlusten verwekte. + +Athenis, z. Bupalus. + +Athenodorus, Athenodoros, 1) een Griek, die door Alexander d. G. met +eene kolonie naar Bactra gezonden werd en zich den titel van koning +wilde aanmatigen, maar door Bito vermoord werd.--2) bijgenaamd +Kordylion, van Tarsus, stoicijnsch wijsgeer, opzichter der bibliotheek +te Pergamus. Hij zou getracht hebben de werken der oudere stoicijnen +te zuiveren van alles wat hem minder goed voorkwam, maar zijn toeleg +werd ontdekt. De jongere Cato nam hem in 70 mede naar Rome, waar +hij stierf.--3) van Tarsus, zoon van Sandon, waarschijnlijk leerling +van Posidonius van Rhodus, leeraar der stoicijnsche wijsbegeerte te +Apollonia in Epirus, waar Octavianus hem leerde kennen. Deze nam hem +mede naar Rome, echter keerde hij later naar Tarsus terug, waar hij +de gedurende zijne afwezigheid uitgebroken burgertwisten bijlegde +en de wetten verbeterde.--4) een van de drie beeldhouwers van de +Laocoongroep z. Laocoon. + +Athesis, Atesinos, thans de Adige of Etsch, die op de Rhaetische Alpen +ontspringt en zich in de Adriatische zee stort. In zijn bovenloop neemt +hij (bij Bozen) den Atagis Atagis, of Isarcus (Eisach) op. V. s. is +Atagis een andere naam voor den Athesis. + +Athletae, athletai, athleteres, werden bij de Grieken diegenen +genoemd, die bij de nationale spelen te Olympia of elders in den +wedstrijd voor lichaamsoefening en spierkracht naar de overwinning +dongen. Langzamerhand werd hiervan een beroep gemaakt en kreeg men +athleten, die op hunne kunst reisden en voorstellingen gaven. Zulke +worstelaars werden van jongs af geoefend en volgden een bepaalden +leefregel. Ook bij de Romeinen vonden nu en dan bij de openbare +spelen dergelijke voorstellingen plaats, waarvoor men dan tegen hoog +loon (auctoramentum) grieksche athleten huurde. Bij het worstelen, +dat geheel naakt geschiedde, smeerde men zich met olie in, om aan de +tegenpartij minder vat te geven, wat deze dan weder nutteloos trachtte +te maken, door zijn tegenstander met zand te werpen. + +Athlothetai, oorspronkelijk zij, die bij de wedstrijden prijzen +uitloofden, later bij de groote nationale feesten kamprechters +en commissarissen. Zij werden tien maanden vóór het feest benoemd, +ontvingen de aangiften van de mededingers in de wedstrijden en zorgden +voor alles wat voor eene waardige feestviering noodig was. Door een +plechtigen eed verbonden zij zich tot onpartijdigheid. Gedurende +het feest droegen zij een purperen kleed, lauwerkrans en staf, ook +werden zij begeleid door dienaars die staven droegen (rhabdouchoi). Te +Athene werden om de vier jaar 10 athlothetae door het lot aangewezen, +die bij de feesten, vooral de Panathenaea, het oppertoezicht hielden +en uitspraak deden over de wedstrijden. + +Athos, Athos, naam van een der Giganten, die den hemel wilden +bestormen. Hij nam een berg uit Thracia op en slingerde dezen naar +de goden. De bliksem van Zeus weerde echter het gevaar af en deed +den bergklomp aan de macedonische kust neerstorten, waar hij zich nog +als mons Athos (thans Monte Santo of Hagion Oros) op de chalcidische +landtong Acte tot eene hoogte van 6350 voet verheft. Xerxes liet den +hals der landtong bij Sane doorgraven. Oudtijds lagen tegen den berg +een vijftal bloeiende steden; thans vindt men er slechts een aantal +grieksch-katholieke kloosters, die in het bezit van belangrijke oude +handschriften zijn. + +Atii, zie Attii. + +Atilia (lex) de dando tutore, onzeker van welk jaar, doch vóór +188. Waar een voogd noodig was en bij ontstentenis van nabestaanden +geen voogd was en door den overledene ook geen voogd bij testament +was aangewezen, werd volgens de lex Atilia een voogd benoemd door +den praetor urbanus onder medewerking der volkstribunen. + +Atilia Marcia (lex), 311, van de volkstribunen L. Atilius en +C. Marcius, dat van de 24 krijgstribunen, die jaarlijks voor vier +legioenen noodig waren, 16 door het volk zouden worden gekozen. + +Atilii. Tot de gens Atilia behooren o. a. de familiën Bulbus, +Calatinus, Longus, Regulus, Serranus.--1) A. Atilius Calatinus, +consul in 258 en in 254, streed op Sicilia tegen de Carthagers en +veroverde Panormus (Palermo). In het jaar 249 was hij als dictator op +Sicilia, en was als zoodanig de eerste dictator, die buiten Italia eene +rom. legermacht aanvoerde.--2) M. Atilius Regulus werd als consul in +294 door de Samnieten bij Luceria verslagen. Toch heeft hij een triumf +gevierd.--3) M. Atilius Regulus, geen zoon van den vorigen, was consul +in 267 en 256. In zijn eerste consulaat overwon hij de Sallentini in +Calabria, hij veroverde Brundisium, en genoot de eer eener zegepraal; +in zijn tweede, waarin hij consul suffectus was in plaats van den +overleden Q. Caedicius, ondernam hij den voor hem noodlottigen tocht +naar Carthago. Met zijn ambtgenoot L. Manlius Vulso met eene vloot +van 330 schepen in zee gestoken, versloeg hij eerst de carthaagsche +vloot bij Ecnomus aan de Zuidkust van Sicilia, landde toen in Africa, +en veroverde de stad Aspis, die door de Romeinen in Clypea of Clupea +werd verdoopt. Manlius keerde naar Rome terug; Regulus bleef in Africa +en bracht Carthago zoo in het nauw, dat het om vrede vroeg. De hardheid +zijner voorwaarden echter drong de Carthagers nog eenmaal het uiterste +te beproeven, en onder aanvoering van den Spartaan Xanthippus behaalden +zij de overwinning. Regulus werd gevangen genomen; 30000 der zijnen +sneuvelden (255). In 250 zonden de Carthagers gezanten met Regulus naar +Rome, in de verwachting, dat hij voor een vrede zou pleiten; in den +senaat toegelaten, ontried hij den vrede ten sterkste. Overeenkomstig +een door hem gezworen eed, keerde hij als gevangene naar Carthago +terug, waar hij onder folteringen zou ter dood gebracht zijn. Het +geheele verhaal van Regulus' zending naar Rome en zijn marteldood is +onhistorisch.--4) C. Atilius Regulus, dikwijls ten onrechte Serranus +(Saranus) bijgenaamd, versloeg als consul in 257 de carthaagsche vloot +bij de Liparische eilanden en hield een zegetocht. In 250 was hij ten +tweede male consul en sloeg hij het beleg voor Lilybaeum, maar kon de +stad niet innemen.--5) M. Atilius Regulus, zoon van no. 3, was consul +in 227, en consul suffectus in 217 in plaats van C. Flaminius, die bij +het Trasimeensche meer gesneuveld was. Als censor in 214 was hij zeer +streng tegen hen, die na den slag bij Cannae het plan hadden gehad, +Italië te verlaten, verder die door woordbreuk zich aan Hannibal's +gevangenschap hadden onttrokken, en ten slotte tegen hen, die in de +laatste 4 jaren zich zonder voldoenden grond aan den krijgsdienst +hadden onttrokken.--6) C. Atilius Regulus, misschien een broeder van +no. 5, was consul in 225.--7) C. Atilius Serranus streed in 218 als +praetor tegen de opgestane Bojers in Gallia Cisalpina en vereenigde +zich vóór den slag aan den Ticinus met den consul P. Cornelius +Scipio, die hem daarop naar Rome terugzond.--8) A. Atilius Serranus, +praetor in 192, komt in den oorlog tegen Antiochus III van Syria +voor. In 172 maakten hij en Q. Marcius Philippus (zie Marcii no. 15) +het gezantschap uit, dat de Grieken moest weerhouden, gemeene zaak +met Perseus te maken.--9) C. Atilius Serranus Gavianus, uit de gens +Gavia geadopteerd, quaestor in 63, trachtte als volkstribuun in 57 +Cicero's terugroeping te verhinderen.--10) M. Atilius, middelmatig +tooneeldichter uit de tweede eeuw, schrijver van eene Electra. + +Atimia, gemis van enkele (at. kata prostaxeis) of van alle (at. tou +somatos) burgerlijke rechten. Deze rechten konden een burger bij +rechterlijk vonnis ontnomen worden, of zij konden wegens het niet +vervullen van zekere verplichtingen tegenover den staat verloren +gaan. Hij die alle burgerlijke rechten mist (atimos), mag bijv. niet +in rechten optreden, de volksvergadering of de markt niet bezoeken, +enz. Hiermede ging soms nog verbeurdverklaring van goederen gepaard +(at. tou somatos kai ton chrematon), vooral tegenover hen, die aan +den staat verschuldigde gelden niet betaalden. Deze toestand van +atimia hield op, zoodra de schuld betaald werd, maar ging anders bij +den dood van den schuldenaar ook op zijne kinderen en kleinkinderen +over. Te Sparta werden de burgerlijke rechten o.a. aan hen ontnomen, +die zich uit lafheid aan een gevecht onttrokken hadden (tresantes). + +Atina, volscische stad hoog in de bergen, ten N. van Casinum, in +Latium, later rom. municipium. + +Atinia (lex), van 197, een plebisciet van den volkstribuun C. Atinius +Labeo, ut quinque coloniae in oram maritimam deducerentur, n.l. naar +Puteoli, Vulturnum, Liternum, Salernum, en naar Buxentum. + +Atinia (lex), een plebisciet (± 102), waardoor de volkstribunen +zitting kregen in den senaat. + +Atinia (lex), de rebus furtivis, onzeker van wanneer, bepaalde, +dat verjaring geen eigendomsrecht opleverde van gestolen zaken. + +Atintanes, Atintanes, volksstam in het N.-W. van Epirus. + +Atlantes, Atlantes, volksstam in Africa bij het Atlasgebergte, het +verst af wonende volk, dat bij Herodotus bekend was. Zij hadden in +hun gebied zoutgroeven, en bouwden volgens het verhaal zelfs hutten +van zout, daar in hun gebied nooit regen viel. + +Atlantiades, Hermes en Hermaphroditus, kleinzoon en achterkleinzoon +van Atlas. + +Atlantides, Atlantiades, Atlantides, de Pleiaden en Hyaden, dochters +van Atlas. + +Atlantis, Atlantis. De overlevering bij de ouden gewaagde van een groot +en heerlijk eiland ten Westen van de zuilen van Heracles, waarnaar de +Atlantische oceaan zijn naam droeg. De vorsten van dit eiland zouden +eenmaal zegevierend tot bij Griekenland zijn doorgedrongen. Om het +zedenbederf der inwoners echter was het eiland door eene hevige +aardbeving geteisterd en in één etmaal door de zee verzwolgen. + +Atlas, Atlas, een Titan, zoon van Iapetus en Clymene of Asia, die +met de andere Titanen de goden beoorloogde en tot straf daarvoor +veroordeeld werd met hoofd en handen den hemel te steunen of de zuilen +te dragen waarop de hemel rust.--V. a. een afrikaansch koning, die +weigerde Perseus te ontvangen en wegens zijn gebrek aan gastvrijheid +versteend en in den berg Atlas veranderd werd. V. a. een zeer oud +arcadisch sterrenkundige die de eerste hemelglobe maakte. + +Atlas, Atlas, (Adtla = sneeuwgebergte), het nog aldus genoemde +noordafrikaansche hooggebergte. + +Atossa, Atossa, dochter van den ouden Cyrus, eerst met Cambyses, +later met Darius Hystaspis gehuwd. + +Atrae, Hatra, Atrai, ta Atra, sterke vesting in een oase van +Zuid-Mesopotamië door Traianus (117 n. C.) en Alexander Severus (198 +n. C.) tevergeefs belegerd. De stad lag in eene woestijn; de inwoners, +van arabischen stam, heetten Atreni. + +Atratini, familienaam in de gens Sempronia z. Sempronii no. 1-5. + +Atrax, Atrax, thessalische stad aan den Peneus, nabij Larissa. Atracius += thessalisch; atracia ars = tooverkunst. + +Atrebates, Atrebatioi, belgische volksstam in het latere Artois. Hunne +hoofdstad was Nemetacum of Nemetocenna, thans Arras. + +Atreus, Atreus, zoon van Pelops en Hippodamea. Hij en zijn broeder +Thyestes vermoordden hun stiefbroeder Chrysippus en werden daarom door +Pelops weggejaagd. Zij werden opgenomen door hun zwager Sthenelus, +koning van Mycenae, en nadat diens zoon Eurystheus in den strijd tegen +de Heracliden gevallen was, volgde Atreus hem op. Hierop naijverig, +verleidde Thyestes de vrouw van Atreus, Aërope, ten einde in het +bezit te komen van het gouden lam, met welks bezit de heerschappij +over Mycenae verbonden was. Hij werd uit het land verjaagd, maar om +zich te wreken zond hij Plisthenes, een zoon van Atreus, die door +Thyestes opgevoed was, naar Mycenae terug om Atreus te vermoorden, +deze verijdelde echter dien aanslag door Plisthenes, dien hij niet +herkende, te dooden. Thyestes werd nu teruggeroepen en schijnbaar +weder in vriendschap opgenomen, maar bij een gastmaal liet Atreus +diens beide zonen slachten en zette hij hun vader het vleesch en bloed +als spijs en drank voor. Toen Thyestes deze gruwelijke daad vernam, +vervloekte hij zijn broeder en verliet hij het land, dat na dien tijd +door pest en hongersnood bezocht werd. Op bevel van een orakel gaat +Atreus op reis om Thyestes terug te halen, en bij koning Thesprotus +vindt hij Pelopea, de dochter van Thyestes, en neemt haar zonder haar +te kennen tot vrouw. De zoon van Thyestes en Pelopea, Aegisthus, werd +door Atreus als zijn eigen zoon opgevoed en later overgehaald Thyestes, +die door Agamemnon en Menelaus teruggehaald en in de gevangenis gezet +was, te vermoorden, maar vader en zoon herkenden elkander nog bij +tijds en doodden nu te zamen Atreus, terwijl hij aan het offeren was. + +Atria, zie Adria. + +Atrides, Atreides, Agamemnon en Menelaus, zonen van Atreus. + +Atriensis, slaaf, wien de zorg voor het atrium was opgedragen, en die, +omdat het eene betrekking van vertrouwen was, tot de bevoorrechte +slaven van het huis behoorde. + +Atrium, eene der onmisbare deelen van een romeinsch huis, het +woonvertrek, oudtijds het middelpunt van het huiselijk leven, waar +het huwelijksbed, de huiselijke haard en de geldkist zich bevonden, +alsmede de weefstoelen, waaraan de huisvrouw en hare slavinnen +arbeidden. Met het toenemen der weelde evenwel werden deze voorwerpen +naar andere gedeelten van het huis verbannen en werd het atrium meer +eene receptiezaal. Het atrium was het eerste vertrek, als men den gang +doorkwam (z. domus). Rondom waren kleine vertrekken of kabinetjes +aangebracht, die licht en lucht alleen uit het atrium ontvingen, +en cubicula heetten, wanneer zij door deuren, en alae, wanneer zij +alleen door gordijnen waren afgesloten. Een dezer vertrekjes was het +lararium, de huiskapel, waar het altaar der huisgoden stond en bij +de nobiles de imagines maiorum bewaard werden. In het midden der +zoldering was eene vierkante opening gelaten, waardoor het licht +naar binnen viel en de rook van den haard naar buiten trok, en die +compluvium werd geheeten, omdat zij ook den regen doorliet. Daaronder +was in den vloer een soort regenbak, impluvium. Soms was het atrium +met bloemen en beelden versierd. Op de eerste teekening ziet men +achter het atrium een vertrek, dat aan de voorzijde open is, het +tablinum, de werkkamer of het bureau van den heer des huizes, en +daarachter een met eene gaanderij omgeven binnenplaats of cavaedium, +ook peristylium geheeten. De tweede teekening stelt het atrium voor +van een oud-italisch huis zonder peristylium; door het tablinum en de +aansluitende porticus ziet men in den tuin. Oorspronkelijk behoorde het +atrium geene zuilen te hebben, doch toen de afmetingen grooter werden, +werd het dak aan de hoeken van het impluvium door kolommen gedragen. + +Atropatene, Atropatene, het noord-westelijke deel van Media, dat +door Alexander den Grooten in handen van den satraap Atropates werd +gelaten. Hoofdstad Gazaca, nabij een groot zoutwatermeer. + +Atropates, Atropates, satraap van Medië onder Darius Codomannus +en later ook onder Alexander d. G. Zijne nakomelingen regeerden +onafhankelijk in het N.W. van het land (Atropatene). + +Atropus, Atropos, de onafwendbare, eene der drie Moerae. + +Attalia, Attaleia, stad aan de kust van Pamphylia, door Attalus II +gesticht, tgw. Adalia. + +Attalus, Attalos, 1) veldheer van Philippus van Macedonië. Bij diens +dood stond hij met een leger aan den Hellespont om den veldtocht +tegen Perzië te beginnen. Maar Alexander, die hem niet vertrouwde, +liet hem, terstond na het aanvaarden der regeering vermoorden.--2) +zoon van Andromenes, veldheer van Alexander den G., werd verdacht +van medeplichtigheid aan de samenzwering van Philotas (330), maar +vrijgesproken. Na Alex. dood sloot hij zich bij Perdiccas aan, en +toen deze vermoord was, ging hij met de vloot naar Tyrus om troepen +te werven; hij werd echter door Antigonus verslagen (320) en sedert +dien tijd gevangen gehouden, drie jaar later werd hij gedood.--3) +Attalus I, regeerde 241-197 over Pergamus en nam na eene overwinning +op de Galliërs den koningstitel aan. Hij vergrootte zijn rijk ten +koste van Syrië, doch moest weldra de gemaakte veroveringen weder +afstaan. Om zich tegen dit machtige rijk te kunnen verdedigen, +verbond hij zich met de Romeinen en ondersteunde hen vooral met +zijne vloot in den oorlog tegen Philippus van Macedonië. Hij stierf +72 jaar oud aan eene beroerte. Hij was een beschermer van kunsten en +wetenschappen en stichtte met groote kosten de beroemde bibliotheek +van Pergamus.--4) Attalus II, Philadelphos, zoon van den vorigen, +nam na den dood van zijn broeder Eumenes II (159), dien hij sedert +167 te Rome vertegenwoordigd had, als voogd over diens kinderen +de regeering in handen en behield die tot zijn dood (138). Hij +ondersteunde de Romeinen in hunne oorlogen tegen Macedonië en het +achaeïsch verbond en trachtte Alexander Balas te helpen in zijn +streven naar de regeering over Syrië. Van de Romeinen ontving hij +hulp in zijne oorlogen tegen Bithynië. Ook hij was een beschermer +van kunsten en wetenschappen.--5) Attalus III, Philometor, zoon van +Eumenes II en Stratonice, opvolger van den vorigen, was te zwak van +geestvermogens om zelf te regeeren; hij leefde in afzondering en bracht +zijn tijd met tuinbouw en beeldhouwen door. Hij stierf in 133 en liet +bij testament zijn rijk en zijne bezittingen aan de Romeinen na.--6) +romeinsch praefect, die tweemaal (409, 414 na C.) door de Westgothen +tegenover Honorius tot keizer uitgeroepen werd. Hij werd beide keeren +echter spoedig door zijne aanhangers verlaten en viel eindelijk in de +handen van zijne vijanden, waarop hij naar Lipara verbannen werd.--7) +stoicijnsch wijsgeer, leermeester van Seneca. + +Atthis, geschied- en aardrijkskundige beschrijving van Attica, zooals +in de vierde en derde eeuw in groot aantal geschreven werden. Van de +meeste schrijvers zijn slechts fragmenten over. De bekendste zijn: +Philochorus, Hellanicus, Clitodemus, Androtion, Phanodemus en Demon. + +Attia (lex) of lex Labiena van den volkstribuun T. (Attius) Labienus, +63, tot wederinvoering der lex Domitia de sacerdotiis, die door eene +lex Cornelia van L. Cornelius Sulla was opgeheven. + +Attica, Attike, het oostelijkste landschap van Midden-Griekenland +of Hellas, werd oudtijds Acte of Actica (Akte, Aktike) geheeten, +omdat het zulke uitgebreide kusten bezit. Volgens Strabo is de naam +Attica uit Actica ontstaan. Ook werd het vroeger wel Ionia genoemd. De +natuur verdeelde het in drieën: 1) Diacria, het hoog- of bergland, het +noordoostelijk gedeelte, waarin men den mons Pentelicus of Brilessus +en den Parnes vond,--2) Pedias, het noordwestelijk vlakland,--3) +Paralia, het westelijk en zuidelijk kustland. De Pentelicus leverde +eene beroemde, witte marmersoort (pentelesios lithos), de Hymettus, +meer naar het Zuiden, ten O. van Athenae, was met geurigen tijm +begroeid en vermaard om zijn voortreffelijken honig. Ten Oosten van den +Hymettus lag nog eene kleine binnenvlakte, Mesogaea en ten N. daarvan, +in de Diacria, de vlakte van Marathon. De berg Laurium, geheel in het +Zuiden, leverde zilvererts. Ook het attisch zout was beroemd, zoowel +in letterlijken, als in overdrachtelijken zin. Over het algemeen was +het land berg- en heuvelachtig; de vlakten, zooals die van Eleusis +en van Athenae, waren niet groot. Koren werd er weinig verbouwd; +de olijfboom en de vijg tierden er echter welig. Er werd veel aan +schapen- en geitenfokkerij gedaan; voor de teelt van rundvee was de +steenachtige bodem minder geschikt. + +De bevolking van Attica was ionisch, doch vermengd met een oudere +bevolking, die gewoonlijk als "pelasgisch" aangeduid wordt; maar +tot welken stam die behoort, weten we niet. In elk geval heeft ook +hier de "myceensche" beschaving geheerscht. De Atheners beschouwden +zich als autochthonen wegens hun pelasgische afkomst, terwijl de +Ioniërs ongeveer in 1000 over zee, waarschijnlijk uit het Noorden +het land binnengetrokken zijn, en hun taal en eerediensten aan de +oorspronkelijke bevolking hebben opgedrongen. Als stichter van den +atheenschen staat geldt Theseus, die de twaalf verschillende gemeenten +of demoi tot één geheel vereenigde, met Athenae als hoofdstad, ter +gedachtenis waarvan het feest der Panathenaeën werd ingesteld. Athenae +was to asty; twee andere plaatsen, Eleusis en Brauron, maakten +aanspraak op den naam van polis. De bevolking was eerst verdeeld +in 4 phylae (Geleontes, Argadeis, Aigikores, Hopletes) totdat door +Clisthenes eene verdeeling in 10 phylae en meer dan 100 (later 174) +demi werd ingevoerd (± 508). Na Theseus heerschten in Attica koningen, +van welke Codrus de laatste was. Toen volgden er archonten, eerst één +voor zijn leven, daarna één voor tien jaar, sedert 683 jaarlijks +negen archonten (zie Archontes). Door Solon werden de burgers +naar hunne inkomsten in vier klassen verdeeld: pentakosiomedimnoi, +triakosiomedimnoi of hippes, zeugitai, en thetes. De volksvergadering +bestond uit de burgers boven 20 jaar. De senaat, boule, bestond eerst +uit 400 leden, 100 uit elke phyle, doch sedert Clisthenes uit 500 +leden, n.l. uit elke der nieuwe phylae 50. De areopagus, he boule +he en Areio pago, was door Solon ingesteld als wachter der wetten +en als hoogste gerechtshof, doch werd later teruggebracht tot een +gerechtshof in zaken van moord. De heliaea, heliaia, was een rechtbank +van gezworenen, uit 6000 door het lot gekozen burgers bestaande. Meer +bizonderheden zal men in de afzonderlijke artikels vinden. + +In Attica behooren de mythen te huis van Cecrops en diens dochters +Pandrosus, Herse en Aglaurus, van Erechtheus en vooral de sagen van +Theseus. Ook Pandion, de vader van Philomele en Procne, wordt een +Athener genoemd. + +Atticistae, Attikistai, heeten de latere grieksche schrijvers, die +niet in het toen gebruikelijke dialect (koine dialektos) schreven, +maar zooveel mogelijk de oude attische schrijvers navolgden, +bijv. Lucianus. Deze richting in de Grieksche literatuur begint +ongeveer 200, als reactie tegen de willekeur der Aziatisch-Grieksche +schrijvers, en bereikt haar hoogtepunt in den tijd van Cicero; men +legt zich nu toe op de mimesis ton archaion. Ook worden zoo genoemd +taalkundigen, die lijsten van echt attische woorden en uitdrukkingen +gemaakt hebben. + +Atticus, Cicero's vriend. Zie Pomponii no. 5. + +Atticus Herodes (Tiberius Claudius), een schatrijk Marathoniër, +leermeester van keizer Marcus Aurelius, een hooggeprezen redenaar, +die veel heeft bijgedragen tot verfraaiing van Athene en o.a. een +Odeum stichtte. + +Attii, 1) Attius (of Attus) Navius, augur tijdens koning Tarquinius +Priscus, verzette zich tegen de verdubbeling van het getal +riddercenturiën en sneed, om zijne onfeilbaarheid te bewijzen, +een slijpsteen met een scheermes door. Er stond een standbeeld van +hem met omhuld hoofd (capite velato) op het Comitium, en daarbij +de ficus Navia of Ruminalis, z. Rumina.--2) T. (Attius) Labienus +zie Labieni no. 1).--3) Q. (Attius) Labienus, zoon van no. 2, zie +Labieni no. 2).--4) P. Attius Varus, propraetor van Africa in ± 51, +koos de partij van Pompeius, voor wien hij vruchteloos het landschap +Picenum zocht te behouden, stak vervolgens naar Africa over, waar hij +echter door Caesars legaat Curio (z. Scribonii no. 6) verslagen werd, +en sneuvelde later bij Munda.--5) M. Attius Balbus, praetor vóór het +jaar 59, gehuwd met Julia, de zuster van C. Julius Caesar, gaf zijne +dochter Attia tot vrouw aan Cn. Octavius, den vader van den lateren +keizer Augustus.--6) L. Attius (Accius), zoon van een vrijgelatene, +beroemd rom. treurspeldichter, schrijver van talrijke stukken, ook +nationale (als Decius, Brutus), naar grieksch model gevormd. Er zijn +slechts fragmenten van overgebleven. Hij leefde van 170 tot ongeveer +94.--7) Attia, moeder van Octavianus, zie no. 5. + +Attila, koning der Hunnen, bijgenaamd de geesel Gods, regeerde eerst +(434 na C.) met zijn broeder Bleda, dien hij echter liet ombrengen +(444). In 441 en 442 en later in 447 en 448 verwoestte hij het +oost-romeinsche rijk en noodzaakte hij keizer Theodosius II hem om +vrede te verzoeken en schatting te betalen. Vervolgens richtte hij +zich naar het Westen, drong met een leger van 500000 man in Gallia +door, doch werd in de Catalaunische velden (bij Châlons-sur-Marne, +v.a. bij Troyes) verslagen door de vereenigde legers van den +romeinschen veldheer Aëtius, den frankischen koning Meroveüs en den +westgothischen koning Theodorik (451). Attila verloor in dezen slag +een vierde van zijn leger. Met het overschot viel hij in Italië, +veroverde en verwoestte o.a. het sterke Aquileia, doch spaarde Rome +op de bede van paus Leo I (452). Naar Pannonia teruggekeerd, stierf +hij in 453, waarop het rijk der Hunnen te niet ging. + +Attuarii, germaansch volk aan den Rijn. Zie Chasuarii. + +Attus Navius, z. Attii, no. 1. + +Aturus, riv. in Aquitania, thans de Adour. + +Atys, Atis, Attys, Attis, Attes, Attin, Atys, Attys, Attis, Attes, +1) een schoon jongeling, die door Rhea bemind werd, en toen hij +eene sterfelijke vrouw wilde huwen, door haar razend gemaakt werd, +zoodat hij zichzelven gruwelijk verminkte en aan zijne wonden stierf; +na zijn dood werd hij onder de goden opgenomen. De dienst van Atys, +die meer aziatisch dan grieksch was en altijd met dien van Rhea nauw +verbonden bleef, geleek door buitensporige vertooning van droefheid +en vreugde veel op dien van Adonis; de pijnboom was het zinnebeeld +van zijn sterven, het viooltje dat van zijn herleven.--2) stamvader +van de lydische dynastie der Atyaden.--3) zoon van Croesus, die door +Adrastus (no. 2) bij ongeluk op de wilde zwijnenjacht gedood werd. + +Auctio, in algemeenen zin elke openbare verkoop bij opbod; +vandaar de naam, afgeleid van augere, omdat elke volgende +bieder het bod verhoogt. In engeren zin is auctio eene private +verkooping, in tegenstelling van sectio, verkooping bij executie +van staatswege. Aanslagbilletten en catalogussen (album, tabula, +libellus auctionis) had men oudtijds evengoed als thans. Men had ook +venduhuizen, atria auctionaria. Een omroeper, praeco, vervulde de rol +van afslager. Bieden was liceri, supra adicere. Het toeslaan van den +koop heette addictio. De betaling geschiedde contant. + +Auctor is zoowel degene, die eene zaak in het leven roept, als hij, +die ze steunt en bevordert. Auctor legis kan dus synoniem zijn met +lator legis, maar ook met suasor legis. Ook het bekrachtigen eener wet, +b.v. door de patres is auctorem esse. In het ius civile is auctor de +lastgever, de raadsman, de uitvoerder en dgl. + +Auctoritas (patrum), zie Patres. + +Aufidena, 1) stad in Noord-Samnium nabij de bronnen van den Sagrus.--2) +stad in Apulia aan den mond van den Aufidus. + +Aufidia (lex) de ambitu, plebisciet van Aufidius Lurco, 61, eene der +vele wetten tot bestrijding van dit euvel, waarbij het beloven van +geld niet strafbaar werd gesteld, doch het geven van geld met zware +levenslange jaarlijksche geldboete werd gestraft. Dit wetsvoorstel +is niet aangenomen. + +Aufidia (lex) de feris Africanis, onzeker van welk jaar, waarbij +de invoer van wilde dieren uit Africa voor de openbare spelen werd +toegestaan. + +Aufidii, 1) Cn. Aufidius, praetor in 104, schreef eene +rom. geschiedenis in het grieksch. In zijn ouderdom was hij +blind, doch bleef zich toch met staatszaken bemoeien.--2) Aufidius +Lurco, volkstribuun in 61, bracht de gewoonte in zwang, pauwen te +mesten.--3) Aufidius Bassus, onder Augustus en Tiberius, beschreef +de burgeroorlogen en de oorlogen in Germania. Zijne werken zijn +verloren.--4) Aufidius Luscus, hoogste magistraat te Fundi, door +Horatius bespot. + +Aufidum = Aufidena no. 2. + +Aufidus, snelstroomende rivier van Apulia, waaraan Horatius' +geboorteplaats Venusia lag. Ten Zuiden v. a. ten N. van deze rivier +is de slag bij Cannae (z. a.) geleverd. + +Auge, Auge, Augeia, dochter van Aleüs, koning van Tegea, en Neaera, +werd bij Heracles moeder van Telephus. Daar een orakel voorspeld +had dat haar kind de zonen van Aleüs zoude dooden, gaf deze haar, +toen hij hare zwangerschap bemerkte, aan Nauplius over, met last om +haar in zee te werpen; deze echter, getroffen door hare schoonheid, +vluchtte met haar en bracht haar naar Teuthras, koning van Mysië, +die haar tot vrouw nam. V. a. werd zij door Teuthras als dochter +aangenomen en later door Telephus naar haar vaderland teruggebracht. + +Augias, Augeias, zoon van Phorbas of van Helius, koning der Epeërs +in Elis, had in een stal 3000 runderen staan, en daar deze stal in +30 jaren niet gereinigd was, scheen het onmogelijk den mest er uit +te verwijderen. Daarom droeg Eurystheus aan Heracles op, die taak +in één dag te volbrengen, en deze kweet zich van die opdracht door +het water van de rivieren Alpheus en Peneus door den stal te leiden, +zoodat de mest van zelf weggespoeld werd. Augias, die niet gedacht had +dat de onderneming zoude gelukken, had eerst aan Heracles het tiende +gedeelte zijner kudde beloofd, indien hij zoude slagen, maar toen hij +later vernomen had dat de held op last van Eurystheus gehandeld had, +weigerde hij zijne belofte te vervullen. Daarom deed Heracles hem +later den oorlog aan, en ofschoon zijn leger eerst, terwijl hijzelf +ziek was, door de Molioniden werd verslagen, verwoestte hij later, +toen hij hersteld was, het land en doodde hij Augias met al zijne +zonen, behalve Phyleus, die zijn goed recht erkend had en tot loon +daarvoor met de regeering begiftigd werd.--Bij deze gelegenheid +stichtte Heracles de olympische spelen. + +Augila, ta Augila, oase in de libysche woestijn ten W. van Aegypte, +met veel dadelpalmen, door een stam der Nasamones bewoond. + +Augures, oionoskopoi, romeinsch priestercollegie, welks taak het +was, volgens vaste regelen den wil der godheid op te sporen en als +deskundigen voorteekenen te verklaren. Wanneer een der magistraten +eene gewichtige handeling wilde verrichten, b. v. wanneer een consul +de centuriaatcomitiën wilde bijeenroepen, dan moest hij zich vooraf +vergewissen, of de goden zijn plan goedkeurden. Het recht om dit +onderzoek te gelasten, heette spectio en kwam den overheidspersoon +toe; het onderzoek zelf en de mededeeling van den uitslag heette +nuntiatio en kwam den augur toe. Daar het den augurs niet verboden +was, overheidsambten te bekleeden, kon zich het geval voordoen, dat +spectio en nuntiatio in ééne hand waren, zonder eenige contrôle. De +augurs konden aan vele zaken godsdienstige belemmeringen in den weg +leggen, ja zelfs konden zij gehouden verkiezingen vernietigen door +de verklaring, dat er bij de waarneming der teekenen een vitium, een +verzuim of eene fout, had plaats gehad en dat dus de gekozenen vitio +creati waren, hetgeen ten gevolge had, dat zij hun ambt weder moesten +neerleggen en anderen gekozen moesten worden. De eenige waarborg tegen +misbruik was, dat alle uitspraken door het geheele collegie éénstemmig +moesten geschieden. Het augursambt was oorspronkelijk patricisch, +eerst waren er drie, later vijf (v. a. zes). De keuze had plaats door +coöptatie. In 300 evenwel bracht het plebisciet van de volkstribunen +Q. en Cn. Ogulnius het getal op negen, en wel vier uit de patriciërs en +vijf uit de plebejers. Het plebisciet van den volkstribuun Cn. Domitius +Ahenobarbus van 104 bracht de keus aan het volk, en wel zoo, dat het +lot de kleinste helft (17 van de 35) tribus zou aanwijzen, en dat hij, +die door deze bij meerderheid van stemmen zou worden voorgedragen, +door het collegie zou worden gecoöpteerd. Deze coöptatie was voor het +leven. Al de priesters, die tot de sacerdotes populi Romani gerekend +werden, en dus ook de augurs, moesten vóór de aanvaarding van hun ambt +geïnaugureerd, d. i. door een augurium gewijd worden; doch hoe deze +inauguratio plaats had, wordt niet in bizonderheden vermeld. Bij elke +wijding, zoowel van personen als van plaatsen, was de hulp der augurs +noodig. Tot de insignia der augurs behoorden de trabea, en de lituus. + +Auguria. Wat de Grieken betreft, verwijzen wij naar het artikel +manteia. Bij de Romeinen heeft zich de leer der voorteekenen op +een geheel andere wijze, veel kunstmatiger, ontwikkeld dan bij +de Grieken. Er zijn ongezochte voorteekenen, die zich van zelf +voordoen, auguria of auspicia oblativa, en andere, die men van de +goden afsmeekt, impetrativa. Tot de eerste soort behooren de ostenta, +prodigia, monstra, portenta, omina. Hoewel het verschil niet altijd +in acht wordt genomen, beteekenen prodigium en monstrum buitengewone +verschijnselen in de menschen- en dierenwereld, portentum en ostentum +in hetgeen daarbuiten ligt. Een monstrum is een verschijnsel, dat met +de wetten der natuur in strijd is. Staan prodigia en omina tegenover +elkander, dan is een prodigium een zichtbaar, omen een hoorbaar +teeken. Doch de algemeene naam voor alle teekenen is signa. Hadden +er nu buitengewone verschijnselen plaats, die de gemoederen +verontrustten, dan bepaalde de senaat, wat behoorde te gebeuren; +hij liet door de decemviri sacris faciundis (z. decemviri no. 4) de +heilige orakelboeken raadplegen; hij ontbood uit Etruria buitengewone +haruspices (z. a.) om de ingewanden der offerdieren te onderzoeken, +enz. Doch zulke buitengewone voorvallen en verschijnselen worden niet +tot de eigenlijke auguria gerekend. Hieronder verstaat men de teekenen, +die niet buiten den gewonen kring der gebeurtenissen vallen.--1) +Signa ex avibus. Wanneer een magistraat spectio wilde houden, begaf +hij zich omstreeks middernacht met een der augurs naar het auguraculum +of waarnemingspunt op den burg. Dáár gekomen trok de augur met zijn +kromstaf of lituus op den grond een streep van het Noorden naar het +Zuiden, cardo genoemd en een anderen van het Oosten naar het Westen, +decumanus geheeten. Om het kruispunt heen beschreef hij een kwadraat +en maakte door een formulier de ruimte daarbinnen tot eene gewijde +plaats, een templum. Op dit templum nu sloeg hij een linnen tent op +(tabernaculum capere) met de opening naar het zuiden. Dan ging hij +in de opening staan, teekende met zijn staf vier denkbeeldige lijnen +aan den hemel af, als het templum, waarbinnen hij zijne waarnemingen +zou doen. Intusschen zat de overheidspersoon binnen in de tent, met +een doek om de ooren gebonden, capite velato. Ook de augur omwond zich +het hoofd, want het minste geraas--altijd, als men het hoorde--stoorde +de waarneming. Zoo was de stoel, waarop de overheidspersoon zat, uit +één stuk, opdat hij niet zou kraken. Wat nu de waarneming zelve der +vogels betreft, die zich binnen het aan den hemel afgebakende templum +vertoonden, had de augur te letten op de soort van vogels, de hoogte +waarop, de richting waarin, en de wijze waarop zij vlogen. Vogels, +die door hun geschreeuw of gezang den wil der goden uitdrukten, werden +oscines genoemd; die het door hunne vlucht deden, alites. In den +regel was wat van het Oosten, d.i. van de lichtzijde, dus van links, +kwam, gunstig, wat van de Westzijde kwam, ongunstig. Niet voor alle +vogels evenwel golden dezelfde regels; de kraai b.v. moest van de +linkerzijde, de raaf van den rechterkant krassen. Sommige vogels +waren bepaald ongeluksvogels; andere golden alleen voor bepaalde +gevallen. Men kan hieruit zien, dat de leer der vogelwichelarij vrij +ingewikkeld was. Waren nu de teekenen gunstig, dan zei de augur: aves +addicunt; zoo niet, dan bezigde hij de woorden: alio die.--2) Signa +ex caelo. Dit waren bliksem, fulmina--weerlicht, fulgura--donder, +tonitrua. In de taal der augurs werden deze natuurverschijnselen +manubiae geheeten. Zij werkten storend op volksvergaderingen, +zóó zelfs, dat reeds de aankondiging van een overheidspersoon, se +servaturum de caelo esse, d. i. dat hij zou zoeken, of niet ergens +een bliksemstraal of weerlicht te zien was, voldoende werd om de +volksvergadering te storen. De leer van den bliksem was vooral in +Etruria sterk ontwikkeld, waar men zelfs twaalf verschillende soorten +er van onderscheidde.--3) Signa ex tripudiis. Bij de romeinsche legers +voerde men in den regel een mand of hok heilige hoenders mede. Werden +deze losgelaten en aten zij het toegeworpen voeder gretig op, zoo +was dit een gunstig voorteeken; vielen zij er zóó gulzig op aan, dat +de brokken hun uit den bek vielen, dan was het teeken zeer gunstig +(tripudium sollistimum). Wilden zij echter niet vreten, dan was het +voorteeken slecht.--4) Signa ex quadrupedibus. Deze behoorden tot de +oblativa, de ongezochte voorteekenen, en konden slechts in zooverre +tot de auguria behooren, als de augurs ze volgens vaste regels +verklaarden. Wanneer men b.v. met eenig plan uitging en een hond, +een vos of eenig ander viervoetig dier over den weg zag loopen, dan +kon men dit als een voorteeken beschouwen.--5) Signa ex diris. Deze +bestonden in het breken van een schoenriem, het stooten van den voet, +het gekras van een uil en dergelijke toevalligheden. De augurs hadden +er dan slechts mede te maken, wanneer ze hun ter verklaring werden +medegedeeld.--6) Hoewel elk toevallig voorteeken een omen kan genoemd +worden, verstond men onder omina toch vooral de hoorbare voorteekenen, +en daarom vermeed men zooveel mogelijk onheilspellende woorden, +vooral bij gewichtige gelegenheden, bij feesten, plechtigheden, +enz. De eerst uitgebrachte stem bij eene verkiezing, het gevoelen +van den eersten spreker in den senaat gold voor een omen. Men offerde +met omwonden hoofd (capite velato), om niet toevallig een ongunstig +woord, door een der omstanders onvoorzichtig uitgesproken, te moeten +hooren. Hoewel ongezochte voorteekenen slechts waarde hadden voorzoover +men ze zelf aannam, en men ze kon afwenden door woorden als: omen non +accipio, non pertinet ad me, waren de Romeinen veel te angstvallig +en bijgeloovig om dit middel dikwijls toe te passen. Dit bijgeloof +heeft ook tot naamsveranderingen aanleiding gegeven. Evenals de +Grieken pontos Axeinos in Euxeinos veranderden, hebben de Romeinen +Maleventum in Beneventum veranderd en aan Epidamnus zijn ouden naam +Dyrrhachium teruggegeven. + +Augurinus, familienaam in de gens Genucia en de gens Minucia. + +Augusta, naam van een aantal steden, hetzij op last van Augustus +gesticht, hetzij door hem verfraaid of uitgebreid, o. a.: + +Augusta Emerita, in Lusitania, aan den Anas (Guadiana), thans Merida. + +Augusta Iulia Gaditana, vroeger Gades, in Baetica, thans Cadix. + +Augusta Nemetum, vroeger Noviomagus, aan den Rhenus (Rijn), thans +Spiers. + +Augusta Praetoria, gesticht door de praetoriaansche bezetting in het +land der Salassiërs, aan de Poenische Alpen, thans Aosta. + +Augusta Rauracorum (Rauricorum), in Belgica, thans Augst bij Basel. + +Augusta Suessionum, in Belgica, thans Soissons. + +Augusta Taurinorum, vroeger Taurasia, aan den Padus (Po), thans Turijn. + +Augusta Trevirorum, aan de Mosella, thans Trier. + +Augusta Vindelicorum, aan den Licus (Lech), thans Augsburg. + +Augusta Viromanduorum, in Belgica, thans St. Quentin. + +Augustales, zie municipium. + +Augustamnica. Verschillende beheerschers van Aegypte--Ramses II of +Sesostris, Necho, Darius Hystaspis, Ptolemaeus I en II--hebben +pogingen aangewend om de Arabische golf met de Nijldelta te +verbinden. Telkens echter werd het kanaal aan zijn lot overgelaten +en verzandde het weder. Onder Traianus werd het op nieuw uitgegraven +en amnis Augustus genoemd, waarnaar de landstreek onder Diocletianus +den naam Augustamnica kreeg. + +Augustinus (Aurelius), de grootste kerkvader van het Westen, geboren +te Tagaste (Thagaste) in Numidia in 354 n. C., zoon van Patricius +en Monica, ontving zijne opvoeding te Madaura en te Carthago, was +eerst leeraar te Tagaste, daarop leeraar in de welsprekendheid te +Carthago, daarna te Rome (383) en te Milaan (384), waar hij onder +invloed van Ambrosius tot het Katholicisme overging en zich in 387 liet +doopen. Daarop keerde hij naar Africa terug, werd in 391 presbyter te +Hippo Regius, en was van 396 tot zijn dood (430) bisschop van Hippo +Regius. Van zijne theologische geschriften zijn de meest bekende: +Confessionum libri XIII en de civitate Dei libri XXII. + +Augustobona, stad der Tricassers in Gallia, aan de Sequana (Seine), +thans Troyes. + +Augustodunum, vroeger Bibracte, groote, volkrijke stad der Aeduers +in Gallia, thans Autun. + +Augustonemetum, vroeger Nemetum, Nemossus, hoofdstad der Arverners +in Gallia, thans Clermont, naar een nabijgelegen berg, clarus mons. + +Augustoeuphratensis of Euphratensis, naam van de onder Diocletianus +en Constantijn tot ééne provincie vereenigde gewesten Commagene +en Cyrrhestice. + +Augustoritum, stad der Lemovicers in Gallia, thans Limoges. + +Augustus, Augoustos, Sebastos, "de gewijde", ons "Majesteit", door +de Romeinen afgeleid van augur, doch tevens in verband gebracht met +augere, evenals de oud-duitsche keizers ook den titel van "Mehrer des +Reiches" voerden. Deze titel werd aan C. Julius Caesar Octavianus, +nadat het volk hem reeds als Augustus had begroet, in het begin +van het jaar 27 door den senaat plechtig toegekend, op voorstel +van L. Munatius Plancus, terwijl de keizer later bij testament zijne +gemalin Livia tot Augusta verhief. De titel Augustus maakte den keizer +tot een gewijd persoon en plaatste hem als het ware boven het overige +menschdom. De titel ging daarna op de volgende keizers over, eerst +bij senaatsbesluit, later vanzelf als iets wat bij de keizerlijke +waardigheid behoorde. Hij werd evenwel alleen door regeerende keizers +gedragen, nooit door den vermoedelijken troonopvolger.--Over het +leven van keizer Augustus zie men Julii no. 14. + +Aula, Aule, z. andron en gynaikeion. + +Aulaeum, he aulaia, voorscherm van een tooneel. Wanneer de voorstelling +begon, werd het scherm niet, zooals bij ons, opgehaald, doch men liet +het omlaag zakken in eene sleuf, waaronder het dan tegelijkertijd +op eene rol werd opgerold. Was de voorstelling ten einde, dan werd +het scherm omhooggehaald.--Ook verstaat men onder aulaea tapijten, +die als tochtschermen tusschen de zuilen eener galerij of van het +atrium werden opgehangen, of dienden om in plaats van een deur een +vertrek af te sluiten, en bij dichters ook wel de dekkleeden, die +over de aanligsofa's bij den maaltijd werden uitgespreid. + +Aulerci, voorname gallische volksstam, in vier takken verdeeld, +waarvan drie tusschen Sequana (Seine) en Liger (Loire) woonden, n.l. de +Aulerci Eburovices, z. Eburovices;--de Aul. Cenomani, met de hoofdstad +Suindinum of Subdinum, thans Mans,--de Aul. Diablintes. Een vierde tak, +de Aul. Brannovices, cliënten der Aeduers, woonde zuidelijk van deze +laatsten, tusschen den Boven-Liger en den Arar (Saône). De Cenomani +(z. a.) komen ook in Gallia Cisalpina voor. + +Aulis, Aulis, havenstad in Boeotia aan den Euripus, verzamelplaats +der grieksche vloot voor den trojaanschen oorlog. + +Aulon, Aulon, 1) landstreek en stad in Messenia, n.m. het dal van +de Neda, die Messenia van Triphylia scheidt, met een tempel van +Asclepius.--2) vruchtbare, druivenrijke streek nabij Tarentum.--3) +stad en dal in Macedonia, aan de strymonische golf.--4) havenstad in +Illyria ten N. van Acroceraunia. + +Aurelia (lex), iudiciaria van den praetor L. Aurelius Cotta (Aurelii +no. 7), 70. Volgens deze wet moesten de gerechtshoven, die sedert Sulla +alleen uit senatoren bestonden, samengesteld worden uit senatoren, +ridders en tribuni aerarii (z. a.). + +Aurelia (lex), tribunicia van den consul C. Aurelius Cotta (Aurelii +no. 5), 75. Deze wet veroorloofde aan gewezen volkstribunen wederom +naar hoogere ambten te dingen, wat hun door Sulla verboden was. + +Aurelia (via). Deze weg liep van Rome uit langs de etruscische +kust. Hare voortzetting vormt de via Aemilia Scauri. + +Aureliani (civitas), latere naam voor Genabum, thans Orleans. + +Aurelianus (L. Domitius), uit geringen stand geboren, werd in 270 +n. C. door de legioenen aan den Donau tot keizer uitgeroepen, in een +tijdperk, toen het romeinsche rijk door legeroproeren tot ontbinding +dreigde over te gaan. Reeds had M. Aurelius Claudius Gothicus (268-270) +de Gothen en Alemannen teruggeslagen; na zijn dood zette Aurelianus +het werk voort, verdreef de Alemannen, Iuthungen en Marcomannen uit +Italië, waarin zij een inval hadden gedaan, omringde Rome met een +nieuwen vestingmuur, heroverde vervolgens de oostelijke gewesten, +die door Zenobia, koningin van Palmyra, van het rom. rijk waren +losgescheurd (272 n. C.), versloeg daarna den tegenkeizer Tetricus +in Gallia en voerde hem en Zenobia als gevangenen mede naar Rome, +waar zijn zegewagen door vier olifanten werd getrokken. Hij herstelde +de krijgstucht in het leger, strafte nog eenige oproeren en werd met +recht restitutor imperii genoemd. Hij was hard en ruw, doch met hart +en ziel soldaat, en daardoor juist een geschikt keizer voor zijn +tijd. Dacia, dat door Traianus veroverd was, werd door Aurelianus +prijsgegeven, daar hij het veiliger achtte, den Donau als grensrivier +te behouden. De rom. bevolking uit Dacia verplaatste hij naar een deel +van Moesia, dat hiernaar den naam kreeg van Dacia Aureliani. In 275 +werd Aurelianus, terwijl hij tegen de Perzen optrok, vermoord door +een zijner vrijgelatenen. + +Aurelii. De gens Aurelia was een plebejisch geslacht, waartoe +o.a. de familiën der Scauri en der Cottae behoorden.--1) C. Aurelius +Cotta, consul in 252 en 248, streed voorspoedig op Sicilia tegen de +Carthagers.--2) C. Aurelius Cotta, consul in 200.--3) L. Aurelius +Cotta, volkstribuun in 154, consul in 144, twistte met zijn ambtgenoot +Ser. Sulpicius Galba (Sulpicii no. 11) heftig over de vraag, wie als +veldheer tegen Viriathus naar Lusitania zou gezonden worden. Scipio +Africanus minor (Aemilianus) bewerkte toen, dat geen van beiden werd +gezonden, maar zijn eigen broeder Q. Fabius Maximus Aemilianus (Fabii +no. 18), die reeds in Spanje was, het commando behield.--4) L. Aurelius +Cotta, consul in 119, verzette zich te vergeefs tegen de lex Maria +de suffragiis ferendis (z.a.).--5) C. Aurelius Cotta, consul in 75, +maker van de lex Aurelia tribunicia, door Cicero als redenaar geprezen, +wordt door dezen sprekende ingevoerd in zijne boeken de oratore en de +natura deorum. In 91 was hij na den moord van zijn vriend M. Livius +Drusus in ballingschap gegaan, tengevolge der lex Varia de maiestate, +die den bondgenooten-oorlog deed uitbarsten.--6) M. Aurelius Cotta, +broeder van no. 5, consul in 74, voerde met L. Licinius Lucullus +den oorlog tegen koning Mithradates VI van Pontus, door wien hij +echter bij Chalcedon te land en ter zee verslagen werd. Cotta had het +bestuur over Bithynië en het opperbevel ter zee, terwijl Lucullus +met Asia en Cilicië het opperbevel te land had.--7) L. Aurelius +Cotta, broeder van no. 5 en 6, opende als praetor in 70 door zijne +lex iudiciaria voor de ridders weder den toegang tot de iudicia en +nam ook de tribuni aerarii onder de rechters op. In 65 werd hij +met L. Manlius Torquatus consul, daar de eerst gekozenen wegens +ambitus veroordeeld werden.--8) M. Aurelius Cotta Maximus Messalinus, +een sterk aanhanger van keizer Tiberius. Hij was een zoon van den +redenaar M. Valerius Messala Corvinus (z. Valerii no. 28 en 29), +doch door de familie Cotta geadopteerd. Hij was een doorbrenger, die +de rol van verklikker speelde. Ovidius heeft uit Tomi minstens drie +gedichten tot hem gericht.--9) L. Aurelius Orestes, consul 126, ook +als redenaar niet zonder naam, ging als consul naar Sardinia, en hield +in 122 een zegetocht over de Sarden.--10) M. Aurelius Scaurus, consul +in 108, streed in 105 als legatus van den consul Cn. Mallius Maximus +ongelukkig tegen de Cimbren en viel door de hand van hun aanvoerder +Boiorix.--11) L. Aurelius Verus, z. Verus.--12) S. Aurelius Victor, +geschiedschrijver uit de vierde eeuw n. C., onder keizer Julianus +stadhouder van Pannonia. Van hem bestaat nog een beknopt en zaakrijk +werkje de Caesaribus, dat tot op Constantius loopt. Een paar andere +werkjes (epitome de Caesaribus, origo gentis Romanae, en de viris +illustribus) staan ten onrechte op zijn naam.--13) Aurelia, uit de +familie Cotta, moeder van C. Julius Caesar. + +Aurelius (Marcus), meer volledig M. Aurelius Antoninus, bijgenaamd +Philosophus, was de zoon van den praetor L. Annius Verus (Annii no. 6), +doch werd door keizer Antoninus Pius als zoon aangenomen, wiens dochter +Faustina hij ook huwde. Hij was in 121 na C. te Rome geboren, had eene +zeer zorgvuldige opvoeding genoten en kwam in 161 aan de regeering, +waarop hij zijn jongeren broeder L. Aurelius Verus tot mederegent +aannam. Terwijl Verus door zijne legaten de Parthen liet beoorlogen, +waarbij Seleucia en Ctesiphon den Romeinen in handen vielen (164), +had M. Aurelius te kampen met invallen der Marcomannen, Quaden +en Sarmaten (Iazygen), die nu en dan ook nog door andere stammen, +zooals de Hermunduren, Vandalen en Langobarden ondersteund werden. De +barbaren drongen zelfs tot Aquileia door, terwijl nog daarenboven +het leger van den keizer door pest werd geteisterd. Onderwijl stierf +Verus in 169. In 175 trok M. Aurelius naar Azië, om den opstand te +bedwingen van zijn stadhouder Avidius Cassius, die echter door zijn +eigen officieren werd vermoord. In 179 en 180 streed hij wederom +met geluk aan den Donau tegen de Marcomannen, toen hij onverwachts +te Vindobona (Weenen) stierf. Zijne zedekundige geschriften, ta eis +heauton, ademen een stoicijnschen geest, doch zijne zachtmoedigheid +van karakter drong hem, de strengheid dezer leer tegenover anderen +te verzachten. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Commodus. + +Aureus, nummus aureus of solidus, rom. gouden munt van 25 denariën of +100 sestertiën. Onder Augustus, toen de munt nog onvervalscht was, +had de aureus eene innerlijke waarde van ruim f12,50 van onze munt; +men moet echter in het oog houden, dat destijds de waarde van het +goud tegenover het zilver geringer was dan thans, hetgeen ook uit de +gelijkstelling met 100 sestertiën = f10.--zilver blijkt. Sedert de +derde eeuw na C. nam de vervalsching sterk toe. + +Auriga, heniochos. Bij de Perzen, Aegyptenaren, Trojanen, Grieken, +komen in den oorlog strijdwagens voor, waarop de eigenaar van +het span als krijgsman staat, terwijl een mindere de paarden +bestuurt. Natuurlijk moest dan de andere zijn wagenmenner met zijn +schild dekken. Daarom trof het de Romeinen bij de verovering van +Britannia, dat bij de Britten de hoofdpersoon zijn span mende en +een dienaar voor zich liet vechten.--Bij wedrennen droeg elke wagen +slechts één persoon. Bij de nationale spelen in Griekenland treden +niet de eigenaars der paarden als menners op; zij lieten hunne +twee- of vierspannen besturen door vrienden of door geoefende +jongelingen, en niemand behoefde het zich tot oneer te rekenen, +als wagenmenner dienst te doen. Anders was het bij de Romeinen. De +aurigae of agitatores waren menschen, die van hunne kunst een beroep +maakten. In den beginne waren het slaven of vrijgelatenen of menschen +uit lageren stand; eerst toen een keizer als Nero het niet beneden +zich achtte zelf als menner in het strijdperk te verschijnen, ging +de slaafschheid zóóver, dat ook aanzienlijken als menners van hun +eigen paarden optraden. De aurigae vormden vier clubs of factiones: +alba, wit--russata, roodachtig,--veneta, blauw--prasina, zeegroen. Zij +droegen eene tunica zonder mouwen en hadden het bovenlijf met riemen +omsnoerd. Hun uniform, hun wagen, het tuig der paarden droeg de +kleur hunner factio. Om de handen vrij te hebben tot het aanzetten +der paarden, bonden de menners zich de teugels om het lichaam +vast; om te vieren of strak te houden, hadden zij zich dus slechts +vóór of achterover te buigen. Om ingeval van een ongeluk zich te +kunnen vrijmaken, droegen zij een kort mes tot het doorsnijden der +teugels. Bij elken wedren reed één wagen van elke factio mede. Keizer +Domitianus voegde aan de vier bestaande factiones twee nieuwe toe: +eene aurata en eene purpurea, die echter na zijn dood weder werden +opgeheven. Over de wedrennen zelve zie men het artikel circus. + +Aurora, z. Eos. + +Aurunci, een der oude volken van Latium en Campania. In de laatste +helft der vierde eeuw waren zij beperkt tot het zuidelijk deel +van Latium, en in 314 werden zij door de Romeinen zoo goed als +uitgeroeid. In hun land werden door de Romeinen aangelegd de +Latijnsche coloniae: Cales, Suessa Aurunca en Pontia, en de coloniae +civium Romanorum: Sinnessa en Minturnae. In hun gebied lagen de mons +Massicus en de ager Caecubus, beide beroemd om den wijn, die er werd +geteeld. Zie ook Ausones. + +Ausci, Auskioi, volksstam in Aquitania, met de hoofdstad Elimberris, +later Augusta, thans Auch. + +Ausculum = Asculum Apulum. + +Ausenses, Auseis, libysche stam, ten Zuiden van Numidia bij het +meer Tritonis. + +Ausetani, volksstam in het Noordoosten van Hispania Tarraconensis, +met de stad Gerunda (Gerona). + +Ausones, Ausonia, Ausones, Ausonia. De Ausoniërs vormden de oude, +voor-rom. bevolking van Midden-Italië, van Apulia, Campania en het +zuidelijk gedeelte van Latium. Zij worden ook Opici, Opikoi, en Osci, +Oskoi, genoemd. De naam Ausones is dezelfde als Aurunci. Waarschijnlijk +was de ausonische stam verwant met den umbrischen. Dichterlijk wordt +Ausonia ook voor Italia gebezigd. + +Ausonius (Decimus Magnus), romeinsch dichter uit Burdigala (Bordeaux) +en leeraar in de welsprekendheid. Zijn vader was lijfarts van keizer +Valentinianus I (364-375 n. C.), hij zelf werd de opvoeder van diens +zoon Gratianus. Achtereenvolgens werd Ausonius quaestor, praefectus +praetorio en consul (379) in Gallia; doch na Gratianus' dood (383) +trok hij zich uit het staatsleven terug. Hij overleed in 392, ruim 80 +jaar oud. Onder de gedichten van Ausonius is zijn stroomdicht Mosella, +dat hij te Augusta Trevirorum schreef, het meest beroemde. + +Auspicia. Oorspronkelijk duidt dit woord de vogelwichelarij aan, doch +werd later ook toegepast op alle andere middelen om te zien of de goden +hunne goedkeuring hechtten aan een beraamd plan. De wijze, waarop dit +geschiedde, is onder het artikel auguria medegedeeld. Auspicia privata +kon ieder voor zich nemen; doch auspicia publica ten behoeve van den +staat konden slechts genomen worden door magistratus populi Romani. De +volkstribunen, tribuni plebis, als zijnde slechts overheden van de +plebs, en niet van den populus, hadden dus geen ius auspiciorum, +en de door hen in het leven geroepen concilia plebis, waren niet +aan voorafgaande auspiciën gebonden, wat met de centuriaatcomitiën +wel het geval was. Toen echter de macht van het volkstribunaat +overwegend werd en plebiscita met leges waren gelijkgesteld, achtte +men het wenschelijk ook aan de volkstribunen auspiciën toe te kennen, +minder als voorrecht, dan wel als middel tot beteugeling. Niet alle +auspicia waren van gelijken rang; zoo stonden die der consuls en +praetoren hooger dan die van andere overheden. Auspicium nu beteekent +zoowel het waarnemen als het waargenomen teeken, doch bovendien ook +het recht om den goden hun ja of neen af te vragen. Dit recht nam de +overheidspersoon van zijn voorganger of van de patres (de patricische +leden van den senaat) over, wanneer hij bij de aanvaarding van zijn +ambt de voorgeschreven godsdienstige plechtigheden vervulde. Had hij +geen onmiddellijken opvolger, was hij vitio creatus, of kwam hij +in zijn ambt te overlijden, dan keerden de auspicia tot de patres +terug. Ook de veldheer, die met een leger uittrok, moest vooraf +auspicia nemen en zich hierdoor het recht verschaffen, ook in het +veld den wil der godheid uit te vorschen. Door het veronachtzamen +van zekere vormen, b.v. bij het overtrekken eener rivier--want een +water verbrak de auspicia, tenzij men een formulier uitsprak--kon hij +zijne auspicia verliezen. Was hij nu in den strijd bij voortduring +ongelukkig, dan ontstond het vermoeden, dat zijne auspicia door eenig +verzuim vitiata waren, in welk geval hem niets anders restte, dan +naar Rome terug te keeren om nieuwe auspicia te halen. Daar alleen de +veldheer auspicia had, beteekent de uitdrukking sub auspiciis alicuius: +onder iemands opperbevel. + +Auster, de Zuidenwind, tgw. Scirocco genoemd, zie Windstreken. + +Autariatae, Autariatai, volksstam in Dalmatia. + +Autochthones, Aborigines, heetten de grieksche volken, die beweerden +dat hunne voorouders niet uit den vreemde waren gekomen, maar in het +land zelf, als het ware uit den grond (vandaar de spotnaam gegeneis) +waren ontstaan. De Atheners en de Arcadiërs beroemden zich van zulke +autochthonen af te stammen. + +Autololes, Autololai, gaetulische volksstam op de Westkust van Afrika, +buiten de zuilen van Heracles en ten Zuiden van den Atlas. + +Autolycus, Autolykos, zoon van Hermes en Chione, van moederszijde +grootvader van Odysseus, de sluwste dief en bedrieger der oudheid. Hij +woonde op den Parnassus en ondernam van daar uit verscheiden +rooftochten, van welke hij altijd rijken buit medebracht, terwijl +hij nooit ontdekt werd, daar hij het vermogen bezat zichzelven en +de gestolen goederen onzichtbaar te maken of van gedaante te doen +veranderen. Maar de runderen van Sisyphus, die hij ook gestolen had, +moest hij teruggeven, daar deze aan den hoef gemerkt waren en dus +gemakkelijk herkend werden.--Autol. was ook zeer bekwaam in het +worstelen en leerde Heracles deze kunst. + +Automedon, Automedon, zoon van Diores, wagenmenner en strijdmakker +van Achilles; de naam wordt soms spreekwoordelijk voor een wagenmenner +gebruikt. + +Autonoe, Autonoe, dochter van Cadmus en Harmonia, moeder van Actaeon. + +Autonomia, het recht van een staat om zichzelf wetten te geven, +voornaamste kenmerk van politieke onafhankelijkheid; onder de Romeinen +was hiermede verbonden het recht om eigen munten te slaan. + +Autonous, Autonoos, een heros, die te Delphi vereerd werd en den +delphischen tempel tegen de troepen van Xerxes verdedigde. + +Autrigones, volksstam in Hispania Tarraconensis tusschen den Iberus +(Ebro) en het mare Cantabricum (golf v. Biskaye). + +Autronii.--P. Autronius Paetus, in 65 met P. Cornelius Sulla wegens +ambitus veroordeeld, redenaar met sterke stem. Hij nam deel aan de +Catilinarische samenzwering en werd in 62 volgens de lex Plautia de +vi veroordeeld, en ging in ballingschap naar Epirus. Dit geslacht +heeft bovendien een paar consuls opgeleverd. + +Auxesia, Auxesia, godin van den wasdom, waarschijnlijk een bijnaam +van Demeter. Z. Damia. + +Auxilia, troepen, die door de Romeinen uit de provinciën werden +getrokken of door verbonden volken en vorsten geleverd werden. De +italische volken leverden geene auxilia; zij waren socii, omdat Italia +geen provincie was. Toen Italia het burgerrecht kreeg, waren er geene +socii meer in het leger. + +Auximum, aanzienlijke stad, sedert 157 rom. kolonie, in Picenum, +ten zuiden van Ancona. + +Auxo, Auxo, eene van de Gratiën. + +Auxume, Auxoume of Axome, Axome, thans Axoem, in Aethopia, nabij +de bronnen van den Astaboras (Atbara), in den keizertijd hoofdstad +van een machtigen handelsstaat. Volgens het geschiedverhaal zou +onder de regeering van koning Psamtik of Psammeticus een deel van de +kaste der krijgslieden, ten getale van 240000 man, Aegypte verlaten +hebben en zich zóóver van Meroë gevestigd hebben, als Meroë van Syene +ligt. Vermoedelijk is hierdoor het rijk van Auxume ontstaan. De bloei +dateert eerst uit den tijd na den val van Meroë. + +Avaricum, thans Bourges, ten Z. van den Liger (Loire) in Gallia, +hoofdstad der Bituriges, in den grooten gallischen opstand (52) door +Caesar veroverd, waarbij van de 40000 menschen, die er een toevlucht +hadden gezocht, slechts 800 aan het bloedbad ontkwamen. Later was +het de hoofdstad van Aquitania I. + +Avella = Abella. + +Avenio, aanzienlijke stad in Gallia Narbonensis, in het gebied der +Cavari, thans Avignon, aan den Rhodanus (Rhone). + +Avens (t.g.w. Velino), riviertje in het Sabijnsche land, zijtak +van den Nar. In de nabijheid van Reate vormde het groote moerassen, +paludes Reatinae, die de consul M.' Curius Dentatus in 290 grootendeels +drooglegde door het dóórsteken van een berg (zie Reate), zoodat slechts +een meertje, lacus Velinus, overbleef. Even beneden dien doorsteek +stort de Avens zich langs den beroemden waterval van Terni (oudtijds +Interamna), in het italiaansch le Cadute of le Cascate delle Marmore +geheeten, in den Nar (t.g.w. Nera) uit. + +Aventicum, hoofdstad der Helvetiërs, in de 4de eeuw n. Chr. reeds +verlaten. Thans Avenches aan het meer v. Neufchâtel. + +Aventinus (mons), een der zeven heuvels van het oude Rome, die, evenals +de mons Capitolinus, wel binnen den stadsmuur, doch buiten het pomerium +lag. Op dezen heuvel lag een tempel van Diana, door Tarquinius Priscus +als gemeenschappelijk rom.-latijnsch heiligdom gesticht. + +Avernus (lacus), Aornos limne, aan den sinus Cumanus (golf v. Napels), +een uitgebrande krater, waarin zich een meer gevormd had, omgeven door +een donker cypressenwoud. Zwaveldampen verpestten de lucht boven dit +meer, waar geen visch in leefde en geen vogel over heen vloog (vandaar +de naam). Bij Vergilius woont hier de sibylle van Cumae in eene grot, +waardoor Aeneas in het schimmenrijk afdaalt. Onder de regeering van +Augustus legde Agrippa hier in 37 de oorlogshaven portus Julius aan, +die later vervangen werd door den portus Misenus. Sinds dien tijd +behoort de lacus Avernus met den lacus Lucrinus tot de luxebadplaats +Baiae. Aardbevingen hebben aan deze streek een ander voorkomen gegeven. + +Averruncus, Apotropaios, bijnaam van iederen god, die onheil of gevaar +afwendt, bijv. Apollo. + +Avianus Flavius, rom. fabeldichter uit den tijd van Theodosius den +Grooten. + +Avidius (Cassius), z. Cassii no. 18. + +Avienus (Rufus Festus), rom. dichter uit den tijd van Theodosius den +Grooten, heeft vertalingen in dichtmaat geleverd van oude grieksche +leerdichten. Vooral belangrijk om den inhoud is zijn ora maritima, +een bewerking van een griekschen periplous uit de 4de eeuw v. C., +waarvan echter slechts de grootste helft van het eerste boek over is. + +Aviones, volk in Noord-Germania over den Albis (Elbe), een van de +volkeren, die de godin Nerthus vereerden. + +Axamenta, oude liederen in saturnische maat, die door de Salii bij +hunne optochten werden gezongen. Zie ook ancile. + +Axia, kasteel in Etruria, in het gebied van Tarquinii. + +Axierus, Axiocersa en Axiocersus, Axieros, Axiokersa en Axiokersos, +samothracische Cabiren, geïdentificeerd met Demeter, Persephone +en Hades. + +Axius, Axios, thans Vardar, voorname rivier van Macedonia, die zich +in de Thermaeische golf ontlast. + +Axona, rivier in Gallia, thans Aisne, zijtak van den Isara (Oise). Aan +den Axona lag Augusta Suessionum (Soissons). + +Axones, ook kyrbeis genoemd, witgemaakte houten borden, die om een as +kunnen draaien, waarop de wetten van Solon geschreven waren. Zij waren +opgesteld in het Prytaneum te Athene, v.s. hadden zij oudtijds op den +burcht gestaan en waren zij eerst door Ephialtes verplaatst. V.a. zijn +de kyrbeis te onderscheiden van de axones en zijn kyrbeis van boven +afgestompte pyramiden van steen in de stoa basilike, waarop de +voornaamste wetten ingebeiteld waren. + +Axume of Axome = Auxume. + +Axus, Axos, z. Oaxus. + +Azan, Azan, zoon van Arcas en Erato; naar hem was Azania, een deel +van Arcadië, genoemd. + +Azania, Azania, 1) kustland van Afrika, bezuiden kaap Aromata +(Guardafui), thans de kust der Somali.--2) zie Azan. + +Aziris, Aziris, stad op de libysche kust, ten O. van Cyrene. + +Azotus, Azotos, eene der vijf hoofdsteden van de Philistijnen, dicht +bij de kust, tusschen Ascalon en Iamnia, in het O.T. Asdod. + + + + + + +B. + + +Babrius, Babrios, grieksch dichter, die de fabels van Aesopus in verzen +bracht. Hij leefde onder Domitianus of later, in elk geval vóór het +einde van de 2de eeuw n. C. Van de 224 fabels, die overgebleven zijn, +wordt een groot gedeelte door sommigen niet als het werk van Babrius +beschouwd. + +Babylon, Babylon, 1) stad in Aegypte, stroomafwaarts van Memphis.--2) +hoofdst. van Babylonia, zeer oude stad; in de 23ste eeuw maakt +Chammurabi (Hammurabi), de beroemde wetgever, haar tot de hoofdstad +van het nu geheel semietische Babylonia. Van de latere, lotgevallen +weten we weinig, totdat Nebukadnesar I (omstreeks 1150) het wederom +tot bloei bracht. In 728 nam Tiglathpilesar III van Assyria er +bezit van, en in 689 werd het door Sanherib gesloopt, maar door +zijn zoon Asarhaddon, die zijne residentie hierheen wilde verleggen, +weer opgebouwd. In 648 werd de stad weer ingenomen en gedeeltelijk +verwoest, doch herrees na den ondergang van het assyrische rijk +door de zorg van den eersten koning van het nieuw-babylonische rijk, +Nabopalassar, en vooral van zijn grooten opvolger Nebukadnesar II, +die in 604 aan de regeering kwam, als eene stad, die hare wedergade +niet had. Zij vormde een kwadraat, waarvan elke zijde 120 stadiën +of 4 uren gaans lang was, en was omringd door een muur van gebakken +steen van 100 koninklijke elleboogslengten (± 45 meter) boven den +beganen grond en half zoo breed. Daaromheen liep eene gracht met +gemetselde wanden, even zoo diep als de muur hoog was, en waarvan +de uitgegraven klei de steenen had geleverd voor den muur. In den +muur, die met 200 torens versterkt was, waren 100 poorten, waarvan +de deuren, stijlen en bovendorpels van koper waren. De Euphraat, die +de stad doorsneed, was ook ter weerszijden ingesloten door muren, +waarin de zoogenaamde waterpoorten waren. In de stad vond men het +koninklijk paleis, met drie muren omgeven, die een omtrek van 20, +40 en 60 stadiën hadden, alles in kwadraatvorm. Dáár waren ook de +oploopende, op gewelven rustende terrassen, die onder den naam van +hangende tuinen bekend zijn en die zoo dik met aarde bedekt waren, +dat boomen er in konden wortelen. De beroemde tempel van Belus was +een vierkante toren op een grondvlak van twee stadiën lang en even +breed. Daarboven verhief zich een tweede kleinere toren, en zoo verder +tot acht torens toe. In den bovensten toren was het slaapvertrek +van den god met een gouden legerstede en een gouden tafel. De groote +ruimte binnen de muren was natuurlijk niet geheel met huizen bebouwd, +maar bevatte ook de noodige akkers en weidegronden, zoodat de bijna +onneembare stad niet kon worden uitgehongerd. In 538 viel de stad in +handen der Perzen. Darius Hystaspis liet na een opstand (519 of 516) +een gedeelte der muren sloopen; toch bleef Babylon groot en schoon tot +het uiteenspatten van het macedonische rijk, toen de nieuw gestichte +steden Seleucia en Ctesiphon de bewoners tot zich trokken. + +Babylonia, Babylonia, het land van Babylon, was de landstreek +tusschen den Tigris ten O., de woestijnen van Arabië ten W. en den +zoogenaamden medischen muur ten N. De bodem bestond uit aangeslibden +kleigrond en was uiterst geschikt voor graanbouw. Het land was +doorsneden door bevaarbare kanalen, die den Euphraat met den Tigris +verbonden, en onderling weder verbonden waren door smallere vaarten, +die weder door sloten met elkander gemeenschap hadden. Boomen vond +men er bijna niet. De oudste bewoners zijn de Sumeriërs, op wie +reeds kort na 4000 de Accadiërs, een semietische stam, volgen, +die zich met de oorspronkelijke bevolking na veel strijd gemengd +hebben. De bloeitijd van dit volk valt tusschen 3800 en 3700 en +de meest bekende koning is Sargon. Later valt het rijk uiteen in +verschillende stadstaten, die elk een afzonderlijke godheid vereeren, +tot ± 2300 de stad Babylon (z.a.) op den voorgrond treedt. De +babylonische nijverheid had een hoogen trap bereikt en bestond vooral +in tapijtweverijen, lijnwaadweverijen, goudsmidswerk en het snijden +in edelgesteenten. De godsdienst was het sabaeïsme, de vereering van +zon, maan en sterren. Vooral de stam der Chaldaeërs, die zich in het +zuid-oostelijk deel, Akkad, gevestigd hadden, had het ver gebracht in +sterrenkunde en tijdrekenkunde en wiskunde, en verhief zich daardoor +tot priesterkaste. Sterrenwichelarij ging daarmede hand aan hand. De +Chaldaeërs waren oorspronkelijk een herdersvolk, dat bij den helderen +babylonischen sterrenhemel, terwijl zij 's nachts wacht hielden bij +hunne kudden, ruime gelegenheid had gehad den loop der sterren gade te +slaan. Nadat het babylonische rijk in de 13de eeuw eene assyrische +provincie was geworden, stond het meermalen op, doch werd weder +onderworpen, totdat in 606 Nabopolassar het weder vrij maakte en +Assyria eene provincie van Babylonia werd. In 538 veroverde Cyrus +de stad Babylon, en het gewest werd nu perzisch, later macedonisch +en daarna syrisch. Het babylonische stelsel van munten, maten en +gewichten werd door verscheidene andere volken der oudheid overgenomen. + +Babylonii numeri of Chaldaïcae rationes. Tegen en in den +rom. keizerstijd kwamen dikwerf oosterlingen naar Rome als +sterrenwichelaars en horoscooptrekkers. Bij hunne voorspellingen +speelden kaarten met cijfers en getallen eene hoofdrol. Men heeft dus +te denken aan iets als het kaartleggen in lateren tijd. Wel trachtte +men dit soort menschen te weren, doch het bijgeloof te Rome was zóó +sterk, dat men in weerwil van de verbodsbepalingen gretig van hunne +zoogenaamde kunst gebruik maakte. + +Bacchae, Bakchai, Bacchanten, vrouwen, die bij sommige feesten van +Dionysus met geschreeuw en gegil, onder begeleiding van muziek, in de +grootste opgewondenheid heinde en ver rondliepen om, zoo het heette, +den god te zoeken. Zij waren in dierenhuiden gehuld en zwaaiden +een thyrsusstaf; zij stelden het geleide voor, dat Dionysus op zijn +veroveringstochten vergezeld had. + +Bacchanalia heeten in Italië geheime feesten ter eere van Bacchus, +die uit de grieksche steden ingevoerd waren. Zij werden met de +luidruchtigheid der Dionysusfeesten gevierd, maar gingen hier met +zulke schandalen, ja zelfs misdaden, gepaard, dat de senaat in 186 +meende hieraan te moeten paal en perk stellen en elken nieuwen dienst +van Bacchus verbood. + +Bacchiadae, Bakchiadai, een adellijk geslacht, dat langen tijd te +Corinthe regeerde en in 657 door Cypselus verdreven werd. + +Bacchium, Bakchion, eiland tegenover de aziatisch-ionische kuststad +Phocaea, welks prachtige tempels in den syrischen oorlog door de +Romeinen en hunne bondgenooten in 190 geplunderd werden. + +Bacchus, Bakchos, andere naam voor Dionysus, waarschijnlijk betrekking +hebbend op het luidruchtige van zijn eeredienst. Door de Romeinen +werd deze naam aan den god Liber gegeven. + +Bacchylides, Bakchylides, lyrisch dichter van Ceos, neef van Simonides, +met wien hij geruimen tijd te Syracuse aan het hof van Hiero leefde; +later begaf hij zich naar de Peloponnesus. Van zijne gedichten +zijn sedert 1897 ongeveer twintig min of meer in hun geheel bekend; +overigens zijn ervan slechts eenige fragmenten over. + +Bacenis silva, waarschijnlijk de Hohe Rhön met zijn uitloopers, +grensscheiding tusschen de Cherusci en de Suebi. + +Bacis, Bakis, was de naam voor profeten van wie verzamelingen orakels +afkomstig waren, die in de 7de eeuw in omloop gebracht werden en bij +velen groot gezag hadden, zoodat zelfs de verschillende staten van +Griekenland zich soms bij hunne besluiten er door lieten leiden. Er +was een Attische, Boeotische en een Arkadische Bacis. + +Bactra, ta Baktra, vroeger Zariaspa, thans Balkh, hoofdstad van Bactria +(Bactriane) en belangrijke handelsstad. + +Bactria, Bactriane, Baktriane, gewest in het N.O. van het perzische +rijk, door den Oxus (Amu-Daria) doorsneden. In overouden tijd bestond +hier een bactrisch rijk, dat door de Mediërs werd veroverd, waarna de +godsdienst van Zarathustra, die in Bactrië heerschte, staatsgodsdienst +werd in Medië. Na Alexander d. Gr. kwam het onder Seleucus, den +stichter van het Syrische rijk; doch in 250 scheurde Bactria zich +van Syrië los onder zekeren Diodotus, een Griek. Onder hem en zijn +opvolger breidde Bactria zich uit tot een grooten, bloeienden staat, +die een duizendtal steden telde. Doch tweespalt werd de oorzaak, dat +omstreeks 150 de Parthen samen met de Hunnen (Phaunoi) zich vóór en +na van de bactrische provinciën meester maakten, en Bactria zelf in +140 door de scythische Sacers vermeesterd werd. + +Baduhennae lucus, woudstreek in het land der Frisii, misschien de +tegenw. streek Zevenwolden. + +Baebia (lex), een plebisciet van 181 of 180. Het behelsde, dat niet +jaarlijks zes praetoren zouden gekozen worden, zooals sedert 197 +geschiedde, doch om het andere jaar slechts vier. De wet is spoedig +weer afgeschaft. + +Baebii, 1) M. Baebius Tamphilus, trok als propraetor, met Philippus +van Macedonia verbonden, het eerst den syrischen koning Antiochus +III in Griekenland tegemoet, in 191. In 181 was hij consul, toen de +zoogenaamde 14 boeken van Numa gevonden werden, die echter onecht +bevonden en openlijk verbrand werden. In 180 beoorloogde hij als +proconsul met zijn ambtgenoot P. Cornelius Cethegus een ligurisch +volk (de Apuani) dat zich vrijwillig overgaf en naar Samnium werd +overgebracht.--2) C. Baebius, volkstribuun in 111, belette, toen +Jugurtha onder vrijgeleide naar Rome was gekomen om getuigenis af +te leggen tegen hen, die zich hadden laten omkoopen, den koning +te spreken. + +Baecula of Baecyla, Baikoula, Baikyla, stad in Hispania Baetica, ten +N. van den Baetis, bekend door de wapenfeiten van P. Cornelius Scipio +(den lateren Africanus maior) in den tweeden punischen oorlog. In +het gebied der stad lagen rijke zilvermijnen. Ook schijnt er nog een +stadje Baecula in het N.O. van Spanje te hebben gelegen, in het land +der Ausetani. + +Baenis, Bainis, z. Minius. + +Baetasii = Betasii. + +Baeterrae, thans Béziers, in het gebied der Volcae Arecomici, in +Gallia Narbonensis, dicht bij de kust. + +Baetica, Baitike, het zuidelijke en zuidwestelijke gedeelte van +Hispania, aldus genoemd naar den Baetis (Guadalquivir), die er door +stroomde. Het was het welvarendste deel van Hispania, met veel handel +en nijverheid, waarin de vervaardiging van wollen stoffen en wapenen +een hoofdrol speelde. + +Baetis, Baitis, rivier in Baetica, thans Guadalquivir. + +Baeturia, Baitouria, het gedeelte van Baetica, dat aan Lusitania +grenst, tusschen den Baetis en den Anas (Guadiana). + +Bagaudae, gallische boeren, die in 285 na C. wegens onderdrukking in +opstand kwamen en een bloedigen boerenoorlog voerden. + +Bagienni = Vagienni. + +Bagistanus mons, Bagistanon oros (Baghastân = godenoord), beroemd om de +verrukkelijke natuur, aan den heerweg van Ecbatana naar Babylon. Op +de afgehakte en gladgeschuurde rotswanden waren in beeldwerk en +spijkerschrift de wapenfeiten van Darius Hystaspis vermeld. + +Bagoas, Bagoas, een Aegyptenaar, gunsteling van Artaxerxes Ochus, dien +hij ten slotte vergiftigde. Daarna zette hij diens jongsten zoon Arses +op den troon, doch ook dezen vermoordde hij na eenige jaren. Darius +Codomannus, die eveneens door hem de regeering verkregen had, liet +hem dooden (330). + +Bagradas, Bagradas, 1) rivier in Africa, die tusschen Carthago en +Utica in zee valt.--2) rivier aan de Zuidkust van Persis, dicht bij +de grens van Carmania. + +Baiae, Baiai, Baïai, beroemde rom. badplaats met warme zwavelbronnen, +aan een inham van den sinus Cumanus (golf v. Napels) gelegen, een waar +lustoord. De kust was als bezaaid met prachtige villa's en lusthuizen +van aanzienlijke Romeinen. Zie ook Avernus (lacus) en Lucrinus +(lacus). Er heerschte ontzaggelijke weelde en tevens eene groote +losheid van zeden. Keizer Hadrianus is te Baiae gestorven. Thans is +de plek door aardbevingen geheel verwoest, zoodat er slechts weinig +sporen van de oudheid over zijn. + +Baitylos, Baitylion, ook met den phoenicischen naam Abadir genoemd, +uit den hemel gevallen steenen, die op vele plaatsen het voorwerp +van bijgeloovige vereering waren. Bij den tempel van Delphi stond +zulk een steen, die dagelijks met olie gezalfd en op feestdagen met +wol omwonden werd. Men geloofde dat dit de steen was, dien Cronus +(z. a.) in plaats van Zeus verslonden had. + +Baius, Baios, de stuurman van Odysseus. De stad Baiae, waar hij +begraven is, is naar hem genoemd. + +Balbinus (D. Caelius Calvinus), romeinsch keizer in 238 n. C. samen met +M. Clodius Pupien(i)us Maximus. Zij benoemden den jongen Gordianus +(III) tot Caesar. Na drie maanden werden zij vermoord, en werd +Gordianus keizer. + +Balbus (= stotteraar), een rom. familienaam, die in de gentes Ampia, +Attia, Cornelia, Lucilia, Octavia en Thoria voorkomt. De voornaamste +Balbi zijn: 1) T. Ampius Balbus, een der makers van de lex Ampia +Labiena.--2) M. Attius Balbus, grootvader van Augustus. Zie Attii +no. 5.--3) L. Cornelius Balbus, z. Cornelii no. 28.--4) L. Cornelius +Balbus minor, z. Cornelii no. 29. + +Baleares insulae, Balearides nesoi, de bekende Balearische +eilanden nabij de spaansche kust, maior en minor, thans Majorca en +Minorca. De inwoners, ook Baleares geheeten, Baleares, waren bekend +als uitstekende slingeraars. De hoofdplaatsen waren Palma en Mago +(Port-Mahon). De naam Baleares beteekent volgens Grieksche schrijvers +slingeraarseilanden; de Grieken noemden ze vroeger ook wel Gymnesiai, +of naaktlooperseilanden. Wegens hun heulen met de zeeroovers werden +zij in 123 door de Rom. onderworpen onder Q. Caecilius Metellus, +die hiernaar den bijnaam Balearicus kreeg, z. Caecilii no. 8. + +Balesium = Valentia no. 3. + +Balius, Balios, en Xanthus, de onsterfelijke paarden van Achilles, die +door Poseidon aan Peleus bij zijn huwelijk ten geschenke gegeven waren +en die hij na den dood van Achilles terugnam. Zij waren gesproten uit +de verbintenis van Zephyrus en Podarge. V. s. waren het oorspronkelijk +Titanen geweest, die Zeus in den strijd tegen de andere Titanen +hadden geholpen, en verzocht hadden in paarden veranderd te worden, +om door hunne verwanten niet herkend te worden. + +Ballista, lithobolos, een werptuig, waarmede zware steenen binnen +eene belegerde stad werden geslingerd. De ballistae wierpen in +boogvormige richting. Juiste duidelijke beschrijvingen van dit +werpgeschut ontbreken. + +Balneum, saamgetrokken uit balineum, badkamer. Om een badhuis aan +te duiden gebruikte men oudtijds het plurale balneae, doch daar dit +woord in de dactylische maat niet paste, ontstond in het augusteïsche +tijdperk het plurale balnea. In zulk eene openbare badinrichting +onderscheidde men: het apodyterium of (ont)kleedkamer, het frigidarium +of vertrek voor koude baden, soms met kuipen, soms met een zwembassin +of natatio,--het tepidarium, eene verwarmde ruimte, die tot overgang +diende,--de ruimte voor het warme bad, caldarium. Deze laatste had een +verwarmden bodem, terwijl later ook de zijwanden verwarmd werden door +het inrichten van spouwmuren, die men vormde door het aanbrengen van +tegulae mammatae, of het aanleggen van buizen, tubuli. Het verwarmen +van den vloer bracht men tot stand door die op gemetselde porren of +stutten te plaatsen, waaronder dan de heete lucht kon circuleeren. Men +kan dit nog goed zien aan de overblijfselen van de Romeinsche baden +te Trier (suspensura). Eene groote kuip voor warm water (alveus), +vlak boven of dicht bij den haard, was in den vloer gemetseld. Aan +de overzijde had men dan het labrum, een kuip met lauw water, om +na te spoelen. Somwijlen komt ook nog een aparte zweetkamer voor, +sudatorium of laconicum geheeten, voor het zweetbad, assa sudatio. Na +een zweetbad werd men door de badslaven (aliptae), die men gewoonlijk +zelf medebracht, met eene soort krabbers (strigiles) van zweet +gereinigd, afgewreven, gezalfd. Dit laatste schijnt in het tepidarium +verricht te zijn. Een goed voorbeeld van een eenvoudige badinrichting +in den eersten keizertijd levert bijgaande plattegrond van de Thermae +Stabianae te Pompeii. A hoofdingang van de afdeeling voor mannen, +B zuilengangen, C palaestra met rechts een soort kegelbaan voor een +spel met steenen ballen, F natatio. I-VIII afdeeling voor warme baden, +waarvan IV doorgang, V frigidarium, VI apodyterium, VII tepidarium, +VIII caldarium, IX stookplaats (praefurnium), die zoowel de mannen- +als de vrouwenafdeeling van heet, lauw en koud water voorzag. 1-6 +afdeeling van vrouwen, 1 en 5 ingangen, 2 apodyterium, 3 tepidarium, +4 caldarium; een frigidarium ontbreekt hier. De ruimten E en G, +die aan de natatio aansluiten, dienden voor douchebad. D diende voor +apodyterium of destrictarium. Nadat men zich uitgekleed had, hield men +zich bezig met gymnastische oefeningen, dan keerde men naar D terug, +waar olie en stof afgewreven werden, vervolgens reinigde men zich in +E of G, en gebruikte dan de natatio. Onder de rom. keizers verrezen +prachtige badhuizen, met wandelgalerijen, gymnastiekzaal, kaatsbaan, +conversatiezalen, bibliotheken en derg. Zie thermae. De inrichting +van een grieksch badhuis (balaneion) was over het geheel aan dat van +het rom. gelijk. + +Balteus of Balteum (in het meerv. bij voorkeur baltea), gordel of +bandelier, hetzij om het lijf of over den schouder gedragen, om zwaard +of schild of pijlkoker of wat dan ook te dragen. Ook wordt het woord +gebezigd voor de ringmuren, die in een theatrum of amphitheatrum +de drie rangen van elkander scheidden. Bijgaande teekening stelt +een stuk voor van een theater in Pompeji. Men denke zich de muren +met den overdekten gang onafgebroken doorloopende zoover als de +zitplaatsen gaan. + +Bambyce, Bambyke, oude naam van Hierapolis in Syria (Cyrrhestice), +nabij den Euphraat, een van de fraaiste steden van Syrië. + +Bandusia, bron in Apulia, nabij Venusia, de geboortestad van +Horatius. Op diens landgoed Sabinum bevond zich ook eene bron, door +den dichter Bandusia gedoopt. + +Bantia, stadje in Apulia, nabij Venusia, in een boschrijke streek aan +den mons Vultur. In de nabijheid zijn in 1793 fragmenten gevonden +van een bronzen plaat, die aan beide zijden een opschrift heeft, +de tabula Bantina. Het ééne opschrift is in het oscisch, het andere +in het latijn. + +Baphyras of -rus, Baphyras, riviertje in Pieria, dat op den Olympus +ontspringt en langs Dium (z. Dium no. 3) stroomend, in de golf van +Thermae valt. + +Baptai heetten zij die deelnamen aan de feesten van Cotytto. + +Barathrum, Barathron, een afgrond bij Athene, waarin sommige +misdadigers geworpen werden. + +Barbari, barbaroi, bij de Grieken alle volken die een vreemde taal +spraken, en daar de Grieken zich als het voortreffelijkste volk +beschouwden, dat geschikt was over alle andere te heerschen, hechtte +men aan dit woord licht de beteekenis van laag, slaafsch. Toen de +Romeinen het overnamen, zonderden zij zichzelf van de barbaren uit; +bij hen beteekent het woord die volken, die de grieksche en romeinsche +beschaving missen, het komt dus meer overeen met ons barbaarsch. Later +werd het vooral van de Germanen en van de volken over den Euphraat +gebruikt. + +Barbaria (Barbarica), de noordelijke kust van Somali-land. + +Barbitos, Barbiton, barbitos, barbiton, een muziekinstrument met +zeven snaren, in vorm gelijk aan de lier, maar grooter; het werd met +de vingers of met een plectrum bespeeld. + +Barca, Barke, stad in Cyrenaïca, omstreeks 550 als mededingster van +Cyrene gesticht door broeders van den cyrenaeïschen koning Arcesilas +II, die zich aan het hoofd der opgestane Barcaeërs hadden gesteld. Na +de verovering door de Perzen in 512 kwam Barca in verval. De Perzen +brachten een gedeelte der inwoners naar Bactria over en de latere +Ptolemaeën verhieven Barca's havenplaats tot eene zelfstandige stad +Ptolemaïs. + +Barcaei, Barkaioi, paardenfokkende nomadenstam, die het land van +Barca bewoonde. + +Barcani(i), parthische stam op de grenzen van Hyrcania, waarover +Cyrus zijn grootvader Astyages, dien hij onttroond had, tot landvoogd +aanstelde. + +Barcas = de bliksem, bijnaam van Hannibals vader Hamilcar. + +Barcino, aanzienlijke stad der Lacetani in het N.O. van Tarraconensis, +later rom. kolonie, thans Barcelona. + +Barcini, aanzienlijk karthaagsch geslacht, waartoe o.a. Hasdrubal en +Hannibal behoorden. Ook de partij, waarvan deze familie het hoofd was, +wordt zoo genoemd. + +Bardi, Bardoi, dichters en zangers bij de Galliërs. + +Bardiaei, Vardaei, Bardyaioi, illyrische slaven, berucht om hun +bloeddorst, waarvan Marius zich bediende om de vogelvrijverklaarden +uit den weg te ruimen. Toen zij in hun overmoed niets meer ontzagen, +liet Sertorius na Marius' dood 4000 van hen neersabelen. + +Bardylis, Bardylis, Illyrisch koning, die in 359 een groot deel +van Macedonië veroverde, maar het volgende jaar in een slag tegen +Philippus sneuvelde. + +Barea Soranus, proconsul in Asia onder Nero. Door zijne +rechtvaardigheid maakte hij zich zeer bemind, doch hij werd van +eerzuchtige bedoelingen beschuldigd en met zijne dochter Servilia +ter dood veroordeeld, 66 na C. Aanklager was zijn cliënt en vroegere +leermeester, de stoicus P. Egnatius Celer uit Berytus. + +Bargusii, volk in Tarraconensis tusschen den Iberus (Ebro) en de +Pyrenaeën. + +Bargylia, ta Bargylia, stad in Caria ten N. van Halicarnassus. In +de nabijheid vond men een beroemd beeld van Artemis, dat nooit door +regen nat werd, hoewel het onder den blooten hemel stond. + +Barium, Barion, stad der Peucetii in Apulia aan de Adriatische zee, +met veel vischvangst, thans Bari. + +Barsine, Barsine, 1) ook Statira of Arsinoë genoemd, dochter van +Darius Codomannus, huwde in 324 met Alexander d. Gr. en werd na diens +dood door Roxane vermoord. Haar juiste naam was Statira; Barsine heet +ze slechts door een vergissing van een der schrijvers, die haar met +Barsine no. 2 verward heeft.--2) dochter van Artabazus, gehuwd met +Memnon den Rhodiër. Bij Alexander d. Gr. werd zij moeder van Heracles. + +Basanistes, een ambtenaar te Athene, ten overstaan van wien slaven als +aangeklaagden of getuigen verhoord werden. De verklaringen van slaven +waren alleen dan geldig, wanneer zij op de pijnbank (basanos) afgelegd +waren. In vele gevallen lieten de partijen, na afloop van het verhoor, +de beslissing over de zaak aan den basanist als scheidsrechter over. + +Basileus, koning, in oude tijden de algemeene naam voor het hoofd +van een griekschen staat; bij het toenemen van de macht van den +adel werden ook de hoofden der adellijke geslachten zoo genoemd. In +de historische tijden vindt men dien titel alleen nog te Sparta, +waar twee koningen regeerden, een uit het geslacht der Procliden of +Eurypontiden, een uit dat der Agiden. Zij waren voorzitters van den +raad, opperpriesters, aanvoerders in den oorlog en in enkele zaken +ook rechters; hun macht was echter zeer beperkt.--Te Athene, waar de +koninklijke waardigheid sedert den dood van Codrus afgeschaft was, +bleef de tweede archont den titel van basileus behouden (z. Archontes). + +Basilicae waren ruime gebouwen voor het handelsverkeer, overdekte +markten of beursgebouwen, groote rechthoekige zalen met of zonder +halfrond aan de einden. Soms werd het dak door twee rijen zuilen +gesteund, en vormden deze dus een middenschip en twee zijschepen. Ook +werden de basilicae veel gebruikt voor rechtszittingen. Onder +Constantijn den Grooten werden eenige basilieken aan de Christenen +ingeruimd voor hunne godsdienstige bijeenkomsten. Vandaar dat de +oudste christenkerken dezen vorm hadden. + +Basilius de Groote, 329 na C. te Caesarea in Cappadocia geb., was +eerst pleitbezorger, ging toen tot den geestelijken stand over en werd +in 370 bisschop van Caesarea. Hij was een groot weldoener der armen, +stichtte een groot hospitaal en besteedde zijn geheel vermogen tot +weldadige doeleinden, terwijl hij zelf in armoede leefde. Hij was een +groot voorstander der grieksche letterkunde. Behalve andere geschriften +heeft hij ook brieven nagelaten, uitmuntende door stijl en logica. Hij +bestreed het Arianisme. Het door hem gestichte klooster aan den Iris +in Pontus werd een model voor latere inrichtingen van deze soort. + +Baskania, fascinatio, betoovering door woord of blik. In +overeenstemming met de bekende meening der ouden, dat de goden geen +al te groot of al te langdurig geluk duldden, geloofde men ook dat +hun aandacht op zulk een gelukkig persoon door een overmoedig woord of +afgunstigen blik gevestigd konden worden, of dat zij daardoor bewogen +konden worden aan den gelukkigen toestand een einde te maken. Daarom +placht men, wanneer men zichzelf of zijn geluk prees, door bepaalde +formules het vermoeden van overmoed van zich af te werpen, of driemaal +te spuwen; tegen het "kwaadoog" vond men bescherming door het dragen +van een talisman (probaskanion, fascinum). + +Bassae, Bassai, een vlek in het Z. van Arcadia, in het gebied der stad +Phigalia, met een tempel van Apollo Epicurius (den helper tegen de +pest), door den beroemden Ictinus gebouwd. Met den Athena-tempel +te Tegea gold deze Apollo-tempel voor den schoonsten van de +Peloponnesus. Zie verder Phigalia. + +Bassania, stad in Illyria in de nabijheid van Lissus. + +Bassareus, Bassareus, bijnaam van Dionysus, naar het vossevel +(bassara), waarmede hij omhuld was. + +Bassaris, Bassaris, Bacchante. + +Bassus, familienaam in de gentes Caecilia (Caecilii no. 28), Caesia, +Pomponia (Pomponii no. 8), Ventidia. + +Bastarnae, Bastarnai, een machtig, roofziek volk van Germaanschen stam +tusschen den Vistula (Weichsel), den Tyras of Danastris (Dniester) en +den Ister (Beneden-Donau), dat Perseus met 7000 strijdbare mannen had +willen helpen, zoo hij niet te karig ware geweest (168). Herhaaldelijk +deden zij strooptochten in Thracia. Een onderafdeeling van hen vormen +de Peucini. + +Basterna, gesloten draagstoel, door muilezels gedragen, voornamelijk +ten gebruike van vrouwen. + +Bastetani, iberische volksstam in het zuiden van Hispania +Tarraconensis, verwant met de + +Bastuli, een in het Oosten van Baetica aan zee wonende sterk met +Phoeniciërs gemengde iberische stam. Bij oudere gr. schrijvers heeten +ze met de Bastetani Mastiani (Mastianoi). + +Batava castra, in Vindelicia op de grenzen van Rhaetia, thans Passau. + +Batavi, de ons bekende Batavieren, omstreeks 40 uit Germania den Rijn +afgezakt. Ze stammen af van de Chatten. De insula Batavorum strekte +zich uit tusschen den Rhenus (Rijn) ten N., den Vahalis (Waal) en de +monden van de Mosa (Maas) ten Z. en de zee ten W. Ze wonen ook ten +Z. van den Rijn en de Waal. Batavodurum (z. a.), later vervangen door +Ulpia Noviomagus, z. Noviomagus, en Forum Hadriani zijn de voornaamste +plaatsen in hun gebied. De Romeinen sloten met hen een bondgenootschap, +en in de germaansche oorlogen bewees vooral de uitstekende bataafsche +ruiterij voortreffelijke diensten. Keizer Augustus nam de Batavieren +onder zijne lijfwacht op. Zie Corporis Custodes. In 69 na C. echter +barstte een opstand der Batavieren onder Claudius Civilis uit, daar de +Romeinen hen meer als overwonnenen dan als bondgenooten behandelden. De +opstand breidde zich ook buiten het eiland uit in zulk eene mate, +dat hij voor de rom. heerschappij in het Noorden gevaarlijk dreigde +te worden. De Romeinen wisten echter tusschen de Batavieren en hunne +bondgenooten tweespalt te verwekken, zoodat de laatsten Civilis +in den steek lieten, waarop deze met den rom. veldheer Cerealis +vrede sloot. Het oude bondgenootschap werd hernieuwd. In de 3de eeuw +n. C. dienen ze veel onder de equites singulares. In 300 n. C. wordt +hun land overstroomd door de (Salische) Franken, en wat er van hen +overschiet, zal zich wel bij de Franken hebben aangesloten. + +Batavodurum of Oppidum Batavorum, stad der Batavi op het plateau boven +Ubbergen, ten O. van Nijmegen gelegen, door Civilis in 70 n. C., +vóór hij zich naar de Betuwe terugtrok, in brand gestoken. De stad +is niet herbouwd. Zie Noviomagus no. 4. + +Bathycles, Bathykles, van Magnesia, beeldhouwer omstreeks 550; van +hem was de troon van Apollo te Amyclae, waarop in 42 vakken in relief +verschillende mythen waren voorgesteld. + +Bathyllus, Bathyllos, 1) schoon samisch jongeling, door Anacreon +bemind.--2) van Alexandrië, vrijgelatene van Maecenas, beroemd als +kluchtig balletdanser (pantomimus); zijne bekwaamheid in het nabootsen +van teedere en vrouwelijke standen en gebaren gaf hem den bijnaam +mollis. Hij is de eigenlijke stichter van den pantomimus. + +Bato, naam van twee aanvoerders, een Pannoniër en een Dalmatiër, +in den opstand dezer beide volken tegen Rome, 6-10 n. C. + +Battiadae, Battiadai, afstammelingen van Battus, die 631-450 te +Cyrene regeerden. + +Battiades, Battiades, de dichter Callimachus, afstammende van het +geslacht der Battiaden. + +Battus, Battos, 1) van Thera, zoon van Polymnestus, uit een oud +adellijk geslacht. Toen hij eens het orakel van Delphi om raad kwam +vragen tegen het stotteren, kreeg hij bevel eene volksplanting naar +Libye te voeren, waar hij genezing zou vinden; en inderdaad zoodra +hij geland was, zag hij een grooten leeuw, van schrik begon hij te +schreeuwen, en zijn gebrek was genezen. Hij vestigde zich toen met +de zijnen op het eiland Platea, waar het hun echter niet goed ging, +zoodat zij na twee jaar naar Griekenland terugkeerden; het delphische +orakel beval hun echter opnieuw naar Libye te gaan. Zij bezetten nu de +kust tegenover het eiland en zes jaar later stichtten zij, bij de aan +Apollo gewijde bron Cyre of Cyrene, de stad Cyrene, waarover Battus +(631-591) als een rechtvaardig en bemind vorst regeerde.--Volgens +Herodotus is Battus het libysche woord voor koning.--2) Battus II +Eudaimon, kleinzoon van den vorigen. Onder zijne regeering (575-570) +werd het aantal inwoners door eene menigte Peloponnesiërs, Cretensers, +e. a. vermeerderd, zoodat zij met goed gevolg weerstand konden bieden +aan het groote leger, dat de aegyptische koning Apriës den Libyers +tegen hen te hulp gezonden had.--3) Battus III Cholos, onder wiens +regeering (550-530) de koninklijke macht aanmerkelijk beperkt werd.--4) +herder van Neleus; hij had Hermes de runderen van Apollo zien stelen, +maar beloofd dit te verzwijgen, toen echter Hermes zelf in eene +andere gedaante tot hem kwam en naar de runderen vroeg, vertelde hij +het gebeurde, waarop hij tot straf voor zijne trouweloosheid in een +steen veranderd werd. + +Batulum, stad in Campania, ligging onbekend. + +Baucis, Baukis, z. Philemon. + +Bauli, liefelijk oord tusschen Baiae en Misenum, met tal van +buitenplaatsen. De redenaar Q. Hortensius had hier een landgoed, +dat later in het bezit van de keizerlijke familie gekomen is. Hier +werd Agrippina, de moeder van Nero, door haar zoon vermoord (Maart +59 n. C.). + +Bavius en Maevius, twee rom. pruldichters, benijders en bedillers +van Horatius en Vergilius. + +Baxea of Baxa, meestal plur. baxeae, soort van schoeisel, soms als een +sandaal, soms als een schoen, doch van zeer lichte stof vervaardigd, +b.v. van papyrus of van palmbladeren. + +Bazira, Bazira, vesting op den Paropamisus ten W. van de bergvesting +Aornus. + +Bebriacum = Bedriacum. + +Bebryces, Bebrykes, mythisch volk in Bithynië, door de Argonauten +bezocht. Het volk is ongeveer in de 8ste eeuw door de Bithyniërs +uitgeroeid. Naar hen heette Bithynia vroeger Bebrycia. + +Bedriacum, Betriakon, vlek in Gallia Cisalpina tusschen Verona en +Cremona, waar in 69 n. C. eerst keizer Otho door de troepen van +Vitellius verslagen werd, terwijl weinige maanden later tusschen +Bedriacum en Cremona in een dubbelen slag het leger van Vitellius +door Antonius Primus, veldheer van Vespasianus verslagen werd. + +Belbina, Belbina, eilandje tusschen Attica en Argolis. + +Belesys, Belesys, chaldeeuwsch priester, satraap van Babylon; +z. Arbaces. + +Belgae, Belgai, gezamenlijke naam voor de volksstammen, die ten tijde +van Caesar het noordelijk gedeelte van Gallia Transalpina bewoonden, +ten N. van den Matrona (Marne) en de Sequana (Seine). Ook in Britannia +vindt men een volksstam van dien naam, die van de vastelandsche +Belgae afstamt. Gedeeltelijk waren zij van germaanschen oorsprong. De +Belgen waren krijgshaftiger dan de meer zuidelijk wonende gallische +stammen, omdat zij in gedurigen strijd met de Germanen van over den +Rijn leefden en door het weren van vreemde handelaars zich zochten te +vrijwaren tegen den ontzenuwenden invloed der rom. weelde. Na zeven +jaren strijds slaagde Caesar er in ze te onderwerpen. + +Belgica, het land der Belgae, door den Rhenus van Germania, door +Matrona en Sequana van eigenlijk Gallia gescheiden. Als provincie onder +Augustus strekte Belgica (hoofdstad Durocortorum, thans Rheims) zich +in zuidoostelijke richting over het gebied der Sequani en Helvetii +heen tot aan de Alpen uit. Na de terugroeping van Germanicus (17 +n. C.) werden de streken langs den Rijn, waar de legioenen lagen, van +Belgica gescheiden, en in Germania Superior en Inferior ingedeeld. Toen +in het tijdperk van Constantijn Gallia Transalpina in 17 kleinere +provinciën was verdeeld, had men Belgica I met de civitas Trevirorum +(Trier) en Belgica II met de civitas Remorum (Rheims) tot hoofdstad. + +Belgium, het land der Belgae = Gallia Belgica. + +Belias = Bilechas. + +Belides, Beleides, Aegyptus en Danaüs, zonen van Belus; Lynceus, +zijn kleinzoon; Palamedes, een van zijne afstammelingen. + +Belides, Belides, de Danaïden, kleindochters van Belus. + +Bellerophon, Bellerophontes, Bellerophon, Bellerophontes, zoon +van Glaucus, koning van Corinthe, of van Poseidon. Zijn naam was +oorspronkelijk Hipponoüs, en werd veranderd toen hij bij ongeluk +zekeren Bellerus in een wedstrijd gedood had. Wegens dezen moord +vluchtte hij naar Argos, waar hij door koning Proetus gastvrij +ontvangen werd, maar diens gemalin Antea (of Stheneboea) vatte een +hevige liefde voor hem op, en daar die liefde niet beantwoord werd, +belasterde zij hem bij Proetus, als had hij haar tot ontrouw willen +verleiden. Deze zond hem naar zijn schoonvader Iobates, koning van +Lycië, met een brief, waarin de opdracht stond Bell. te dooden. Voordat +Iobates echter den brief las, had Bell. zich reeds zoo bemind gemaakt, +dat de koning hem niet zelf dooden wilde; hij gaf hem daarom last de +Chimaera te gaan bestrijden, denkende dat hij bij die onderneming den +dood wel vinden zou. Maar Athena stond Bell. bij, en zond hem uit den +hemel het gevleugelde paard Pegasus, terwijl zij hem in den droom +leerde hoe het te beteugelen. Op zijn paard gezeten doodde hij het +monster uit de hoogte met zijne pijlen. Nog was Iobates niet tevreden, +maar toen Bell. op zijn opdracht nog de Solymers en de Amazonen had +overwonnen, en eindelijk bij zijn terugkomst de beste soldaten van +Lycië verslagen had, die in hinderlaag gelegd waren om hem te dooden, +erkende de koning in hem een gunsteling der goden; hij gaf hem zijne +dochter tot vrouw en deelde zijn rijk met hem. Maar door zijn geluk +overmoedig geworden en steunende op zijn wonderbaar paard, waagde +Bell. nu ook eene poging om den Olympus te bestijgen, en dit was zijn +ongeluk. Want Zeus maakte zijn paard door een bliksemstraal of door +een paardenvlieg schichtig, zoodat het zijn ruiter afwierp, die nu +blind en kreupel op de aarde neerviel, terwijl Pegasus naar den Olympus +terugkeerde. Sedert dien tijd dwaalde Bell. somber en menschenschuw in +de Aleïsche vlakte rond. Te Corinthe werd hij als halfgod hoog vereerd. + +Bellocasses, z. Vell(i)ocasses. + +Bellona, 1) eene oorlogsgodin, tot de Di Indigetes behoorende, +later vereenzelvigd met de Grieksche Enyo. Zij vergezelt Mars, wiens +zuster, dochter, vrouw, voedster, of wagenmenster zij genoemd wordt, +in den strijd. In 296 werd haar door Ap. Claudius Caecus een tempel +op het Marsveld gewijd. Hier werd vaak senaatszitting gehouden voor +het ontvangen van gezanten van volken, die met Rome geen verbond +hadden gesloten, en voor de onderhandelingen omtrent het toestaan +van een triumphus aan overwinnende veldheeren (zie triumphus). Zij +wordt beschreven als een godin die een speer, een fakkel of een +geesel zwaait en op de trompet blaast.--2) eene aziatische godin, +wier dienst tijdens de oorlogen met Mithradates uit Comana te Rome +ingevoerd werd, en die daar sedert dien tijd op oostersche wijze +vereerd werd. Op hare feesten trokken hare priesters (Bellonarii) +in zwarte kleederen door de stad en brachten zichzelven in heiligen +waanzin wonden aan armen en lendenen toe, waarbij zij onder het geraas +van pauken en trompetten allerlei voorspellingen deden. + +Bellovaci, krijgszuchtig volk in Belgica, met de aanzienlijke hoofdstad +Bratuspantium, later Caesaromagus (Beauvais). Zij waren vrienden en +cliënten der Aeduers, op wier bede Caesar hen spaarde. + +Bellum sociale, z. Marsicum bellum. + +Belus, Belos, 1) zoon van Poseidon en Libye, koning van Aegypte, +vader van Aegyptus en Danaüs.--2) eerste koning van Babylon.--3) +vader van Dido. + +Belus, Belos, kustriviertje in Phoenice, op den Carmel ontspringende, +welks fijn zand aanleiding zou gegeven hebben tot de vervaardiging +van glas. + +Benacus lacus, het grootste meer in Gallia Cisalpina, thans +Garda-meer. De Mincius (Mincio) stroomt er door. + +Bendis, Bendis of Bendis, thracische godin der maan, ook te +Athene en elders in Griekenland vereerd, waar men haar met Artemis +identificeerde. Haar tempel heette Bendideion, haar feest (19 en 20 +Thargelion, begin Juni) Bendideia. + +Beneficiarius (miles), een soldaat, die, door het beneficium zijner +superieuren, tot belooning of onderscheiding de vacatio munerum +castrensium gekregen had en dus vrijgesteld was van corveediensten, +werken aan de wallen der legerplaats, het betrekken der gewone +wachtposten en derg. De beneficiarii zijn toegevoegd aan de +opperofficieren, en worden voor bureauwerk gebruikt. Onder de keizers +ontaardde deze vrijstelling in misbruik, daar de centuriones door +allerlei plagerij de soldaten zochten te dwingen, zulk een beneficium +van hen te koopen, waardoor de dienst voor hen, die het niet konden +betalen, des te zwaarder werd. Verslapping der tucht en oproeren +waren hiervan het onvermijdelijk gevolg. + +Beneventum, vroeger Maleventum geheeten, stad der Hirpini in Samnium, +door Diomedes gesticht. V. s. werd hier Pyrrhus door M'. Curius +Dentatus in 275 verslagen, v. a. werd die slag ergens in Lucanië +geleverd. In 268 werd het latijnsche kolonie, waarop de naam boni +ominis gratia in Beneventum veranderd werd. Onder de keizers werd het +zeer begunstigd. Onder andere oudheden vindt men er nog een zegeboog +van Traianus. + +Berecyntus, Berekyntos, naam van een landstreek in Phrygia, op +de grenzen van Caria en Lydia. De Berecyntes waren een phrygische +stam. Bij de dichters is berecyntisch = phrygisch. De mater Berecyntia +was Cybele, de heros Berecyntius was haar zoon Midas, de Berecyntia +tibia is de dwarsfluit.--Ook op Creta wordt een berg Berecyntus +vermeld. + +Berenice, Berenike, 1) dochter van Lagus, gemalin van haar stiefbroeder +Ptolemaeus Lagi.--2) dochter van Ptolemaeus II, gehuwd met Antiochus +II (z. a.)--3) dochter van Magas van Cyrene, verloofd met Demetrius, +huwde na diens dood (z. Apama no. 2) met Ptolemaeus III, met wien +zij vroeger verloofd was geweest. Toen Ptolemaeus behouden van den +veldtocht naar Syrië teruggekeerd was, wijdde zij uit dankbaarheid +aan Aphrodite haar om zijn schoonheid beroemd haar; den volgenden dag +was het echter reeds uit den tempel verdwenen, en de sterrenkundige +Conon verklaarde, dat het door de goden als sterrenbeeld aan den hemel +geplaatst was. Haar zoon Ptolemaeus IV liet haar ter wille van zijn +gunsteling Sosibius dooden (220).--4) z. Ptolemaeus no. 15.--5) werd +door het volk van Aegypte tot koningin verheven, toen haar vader, +Ptolemaeus XI verjaagd werd (58). Drie jaar later kwam Ptolemaeus +echter met de hulp der Romeinen terug, en nu werd Berenice gedood +(z. Archelaus no. 5).--6) zuster van Herodes den Grooten, moeder van +Agrippa I.--7) dochter van Agrippa I, werd verdacht van bloedschande +met haar broeder Agrippa II. Later werd Titus op haar verliefd; +zijn plan om haar tot vrouw te nemen moest hij echter wegens de +ontevredenheid der Romeinen opgeven. + +Berenice, Berenike, naam van eenige steden uit het tijdperk der +Ptolemaeën, als: 1) in het Zuiden van Aegypte aan de Arabische golf, +eene belangrijke stapelplaats voor den handel tusschen Aegypte en het +Oosten. Ptolemaeus II liet een karavaanweg aanleggen van daar naar +Coptus aan den Nijl. Ter onderscheiding werd dit Berenice Troglodytice +bijgenaamd, naar de half wilde Troglodyten of grotbewoners in den +omtrek.--2) stad in Cyrenaïca, aan de groote Syrte, vroeger Hesperis +of Hesperides; men plaatste hier de tuinen der Hesperiden.--3) stad +in Aethiopia, aan de Arabische golf. + +Begistani, een tak van het volk der Ilergetes, tusschen de Pyrenaeën +en den Iberus (Ebro). + +Bergomum, in het gebied der Orobii, municipium in Cisalpina, tusschen +Comum (Como) en Brixia (Brescia). Thans Bergamo. + +Bermius mons, Bermion oros, in zuidwestelijk Macedonia. + +Beroea, Beroia, 1) stad in Syria, tusschen Antiochia en Hierapolis, +door Seleucus vergroot, thans Aleppo.--2) stad in Macedonia, aan den +Mons Bermius. + +Berosus, Berossus, Berosos, Berossos, babylonisch priester, geboren +ten tijde van Alexander den Grooten. Zijne babylonische geschiedenis, +in het Grieksch geschreven (Babylonika e Chaldaïka), waarvan nog +enkele fragmenten bewaard gebleven zijn, stond bij de Grieken hoog +aangeschreven. + +Berytus, Berytos, ten Z. van het tegenwoordige Beiroet, overoude +havenstad aan de phoenicische kust, tusschen Byblus en Sydon. Het wordt +eerst belangrijk in den Romeinschen tijd. Sedert het midden van de +3de eeuw n. C. was hier een beroemde hoogeschool voor Romeinsch recht. + +Bes, 2/3 deel van den as. Een muntstuk van deze waarde was er niet. + +Bessi, Bessoi, machtig thracisch volk langs de geheele uitgestrektheid +van den Haemus. Door M. Terentius Varro Lucullus (zie Licinii no. 25) +werden zij in 72 en 71 aan de Rom. onderworpen. Ze stonden echter +herhaaldelijk op, en werden eerst definitief door L. Piso in 11 +onderworpen. + +Bessus, Bessos, satraap van Bactrië onder Darius Codomannus. Toen +deze na den slag bij Gaugamela voor Alexander vluchtte, werd hij +door Bessus en eenige anderen, die den oorlog wilden voortzetten, +gevangen genomen, en daar zij aan de snelle vervolging van Alexander +niet konden ontkomen, brachten zij den koning een doodelijke wonde +toe en lieten zij hem op weg achter. Bessus vluchtte nu verder naar +de noordelijke provinciën en liet zich als Artaxerxes IV tot koning +uitroepen, maar eindelijk werd hij door Alexander ingehaald, in +Sogdiana door Ptolemaeus Lagi gevangen genomen, door eene rechtbank +van Perzen en Meden ter dood veroordeeld en gevierendeeld (329). + +Bestia, familienaam in de gens Calpurnia (Calpurnii no. 14-16). + +Bestiarii werden zij genoemd, die zich verhuurden om in het +amphitheater met wilde dieren te vechten. In het eerst bestonden +hunne wapenen uit zwaard en schild, doch onder keizer Claudius +werd het gebruikelijk, dat de bestiarii slechts met een jachtspriet +gewapend waren en een hooggekleurden doek in de hand hadden, zooals +in Spanje bij de stierengevechten het geval is. Zij, die tot straf +aan de wilde beesten voorgeworpen werden, ad bestias damnati, +waren in den regel ongewapend. Voor vrijen was deze straf in het +republikeinsche tijdperk onbekend, doch onder de keizers werd zij +vooral op de Christenen toegepast. + +Betasii, germaansch volk in Belgica, in den omtrek van het +tegenw. zuid-brabantsche dorp Beetz. + +Betriacum = Bedriacum. + +Bianor, zoon van Heracles of van Tiberis en Manto, de mythische +stichter van Mantua. + +Bias, Bias, 1) z. Melampus.--2) van Priene, en van de zeven wijzen. Hij +hield Croesus terug van een zeeoorlog tegen de ionische steden; +zijn raad, aan de Ioniërs bij de aanvallen der Perzen gegeven, om +hunne steden in Azië te verlaten en een groot rijk op Sardinië te +stichten, werd niet opgevolgd. Zijn spreuk was: hoi pleious kakoi, +de meeste menschen deugen niet. + +Bibaculus, familienaam in de gens Furia (Furii no. 15). + +Bibracte, later Augustodunum, thans Autun, groote volkrijke hoofdstad +der Aeduers in Gallia Transalpina. + +Bibrax, stad der Remi in Gallia Transalpina, waarschijnlijk Vieux-Laon +bij Laon. + +Bibulus, familienaam in de gens Calpurnia (Calpurnii no. 17 en 18). + +Bidental. Wanneer bij de Romeinen de bliksem ergens in den grond +was geslagen, dan moest de daar als het ware gestorven bliksemstraal +plechtig ter aarde worden besteld. De aarde der getroffen plek werd +dan begraven met een stuk vuursteen, als zinnebeeld van den bliksem, +er bij. De getroffen plek was door den bliksemstraal tot een templum +gewijd en werd met een muurtje omringd, doch van boven opengelaten, +zoodat het geheel op een put geleek en ook puteal genoemd werd met +het opschrift: fulgur conditum. Dan werd er een tweejarig offerdier, +bidens, geofferd, en hiernaar heette de plek een bidental. Een bidens +is een rund of zwijn, doch meestal een schaap, dat beide rijen tanden +vol heeft, wat het geval is, als het twee jaar oud is. + +Bideoi, Bidyoi, Bidiaioi, een collegie van vijf mannen te Sparta, +die den paidonomos ter zijde stonden. + +Bigati, de gewone benaming voor de Romeinsche zilverstukken (denarii) +uit den tijd der Romeinsche republiek. Ze ontleenen hun naam aan het +tweespan (bigae) van den beeldenaar; de godheid op het tweespan is +eerst Luna (Diana), later gewoonlijk Victoria (Victoriati), maar men +vindt ook andere goden. Sommige van deze munten hadden een kartelrand +(serrati), om het snoeien tegen te gaan. Soms komt op de denarii een +vierspan voor (quadrigati). + +Bigerra, stad der Oretani in Hispania Tarraconensis. + +Bigerriones, volk in Aquitania, welks naam nog voortleeft in de +pyreneesche badplaats Bagnères de Bigorre. + +Bilbilis, Bilbilis, in Hispania Tarraconensis, geboortestad van den +dichter Martialis, in het gebied der Celtiberiërs aan een zijtak van +den Iberus (Ebro). De stad lag op eene rots en had eene belangrijke +nijverheid van wapenfabrieken en goudsmidswerk. + +Bilechas, zijrivier van den Scirtus. + +Bingium, stad in Belgica, thans Bingen aan den Rijn. + +Bion, Bion, 1) van Smyrna, navolger van Theocritus als bucolisch +dichter, dien hij echter niet kon evenaren. Hij stierf omstreeks het +einde van de 2de eeuw te Syracuse door vergift. Er zijn nog enkele +gedichten in dorisch dialect van hem over.--2) van Borysthenes, +beoefende in het laatst der derde eeuw te Athene de cyrenaeische +wijsbegeerte en bracht langen tijd aan het hof van Antigonus Gonatas +door. Hij is een leerling van Theophrastus. Hij was bekend om zijn +vinnige uitvallen; den godsdienst verklaarde hij op dezelfde wijze +als Euhemerus (z.a.). + +Bisaltae, Bisaltai, thracisch herdersvolk in het macedonische landschap +Bisaltia, ten W. van den Beneden-Strymon. + +Bisanthe, Bisanthe, volkplanting van Samus aan de Noordkust der +Propontis. + +Bistones, Bistones, thracische volksstam tusschen den berg +Rhodope en de zee, in den omtrek der stad Abdera, aan het meer +Bistonis. Dichterlijk bistonisch = thracisch, Bistonides = Bacchanten, +omdat de Bacchusdienst in Thracia te huis behoorde. + +Bithynia, Bithynia, land aan de Zuidwestzijde van den Pontus Euxinus +en de Oostzijde der Propontis, begrensd door Paphlagonia, Galatia +en Phrygia. Het draagt zijn naam naar een der beide thracische +stammen, die het bewoonden, de Bithyni ten O. en de Thyni ten W., +wier gebied door de rivier Sangarius gescheiden was. V.s. zijn +beide namen identisch. Noch aan de Perzen, noch aan Alexander +d. G. gelukte het, Bithynia geheel of duurzaam te onderwerpen. Na +den dood van Alex. behoorde Bithynia tot het gebied van Lysimachus, +doch een der mindere legerhoofden, Nicomedes, slaagde er in, met +behulp van keltische huurtroepen hier een koninkrijk te stichten +(281-246). De zesde koning dezer dynastie, Nicomedes III, liet in 75 +zijn land bij testament aan de Romeinen na. In 63 werd eene strook +van Paphlagonia en van Pontus aan de provincie Bithynia toegevoegd, +en in 7 na C. nog een stuk. Sedert 63 na C. komt de provincie voor +onder den naam Bithynia-Pontus. Plinius de jongere, bekend door zijne +Epistulae, werd in 111 door keizer Traianus tot stadhouder van Bithynia +benoemd. Zijne ambtsbrieven aan den keizer en diens antwoorden zijn +leerzaam om ons het destijds heerschende centralisatiestelsel te +doen kennen. Ook geeft één van deze brieven een verrassenden kijk +op de uitbreiding, die het Christendom toen reeds verkregen had. De +oude hoofdstad was Bithynium; onder de grieksche vorsten had men drie +residenties: Nicomedea, door Nicomedes I gesticht, Nicaea en Prusa. + +Bithynium, Bithynion, de oudste hoofdstad der Bithyniërs, in het +binnenland gelegen, later Claudiopolis geheeten. + +Biton, Biton, z. Cleobis. + +Bituriges, aanzienlijk volk in Gallia Transalpina. Zij werden +onderscheiden in Bituriges Vibisci met de hoofdstad Burdigala +(Bordeaux) aan den Garumna, en Bituriges Cubi met de hoofdstad Avaricum +(Bourges). + +Blandusia = Bandusia. + +Blautai, Blautia, halve schoenen, die met riemen om de beenen +vastgemaakt werden. Het was een voorname dracht. + +Blemmyes, Blemmyes, een rooversvolk ten zuiden van Aegypte. + +Blosius of Blossius (C.), stoicijnsch wijsgeer uit Cumae, een vriend +van Tib. Gracchus en deelgenoot van diens plannen. Na Gracchus' +dood vluchtte hij naar Asia, waar hij later zichzelf het leven benam. + +Boadicca of juister Boudicca, koningin der Iceners in Britannia, +die door de schandelijke hebzucht en handelingen der Romeinen tot +opstand gedreven werd (62 v. a. 60 n. C.). Deze opstand breidde +zich met groote snelheid uit, het belangrijke Londinium (Londen) en +andere plaatsen werden door de woedende Britten veroverd, en meer dan +70000 romeinsche soldaten en burgers kwamen om het leven. Boadicca's +tallooze benden werden echter in hetzelfde jaar door Nero's dapperen +veldheer C. Suetonius Paulinus geheel verslagen, waarop de koningin +zich door vergif het leven benam. + +Bocchus, 1) koning in Mauretania, schoonvader van Jugurtha. Eerst +was hij op de hand der Romeinen, tot Jugurtha hem door afstand +van grondgebied voor zich won. Toen zijne troepen evenwel door +Marius bij herhaling verslagen waren, liet hij zich bewegen zijn +schoonzoon aan de Romeinen uit te leveren.--2) Bocchus II regeerde +met zijn broeder Bogudes gezamenlijk over Mauretania. In den oorlog +van Caesar tegen de partij van Pompeius kozen zij Caesars zijde en +kregen tot belooning den titel van koningen. Bogudes droeg er later +veel toe bij, om Caesar den slag bij Munda te doen winnen. In den +strijd tusschen Antonius en Octavianus koos Bocchus de zijde van +dezen, Bogudes die van Antonius. Bocchus kreeg nu geheel Mauretania, +terwijl Bogudes kort na den slag bij Actium sneuvelde. Na Bocchus' +dood (33) werd zijn land eene rom. provincie, maar in 25 werd het +aan den jongen Juba afgestaan. (Zie Juba). + +Bodotria of Boderia, Boderia eischysis, inham van de Noordzee tusschen +Caledonia (Schotland) en Britannia, thans Firth of Forth. Vanhier liep +het vallum Antonini tot aan het Clotae aestuarium aan de Iersche zee. + +Boebe, Boibe, en Boebeis lacus, Boibeis limne, stad en meer tusschen +de thessalische landschappen Pelasgiotis en Magnesia. + +Boëdromia, Boedromia, feest ter eere van Apollo te Athene en Thebe +in de maand Boëdromion gevierd. De Atheners herdachten daarbij de +overwinning van Theseus op de Amazonen, of de hulp, die Ion of Xuthus +hun tegen de Eleusiniërs verleend had, en sedert 490 ook den slag +bij Marathon. In Thebe vierde men het feest ter gedachtenis aan den +oorlog met Erginus, koning van Orchomenus. + +Boëdromion, Boedromion, 3de maand van het Attische jaar (Sept.-Oct.), +z. Annus. + +Boeotia, Boiotia, landschap van Hellas, voor een groot gedeelte +door bergen ingesloten, rijk aan bronnen en vruchtbare valleien, +en met een aantal meertjes, die zich in den regentijd tot één +groot meer (het meer Copaïs) vereenigden. De bewoners stonden bij +de Atheners niet in den reuk van snuggerheid; men hield het er +voor, dat de vochtige en dompige lucht benevelend op het verstand +der Boeotiërs werkte. De bevolking was uit allerlei oude stammen +dooreengemengd. Tot de oudste steden behooren: Orchomenus, dat reeds +in den myceenschen en vóór myceenschen tijd bestaan heeft, Arne, +dat met een paar andere steden in het meer Copaïs verdronken is, +en Thebae. In historischen tijd bestond Boeotia uit een statenbond +eerst van 7 steden: Acraephium, Coronea, Haliartus, Mycalessus, +Plataeae (dat zich echter reeds vroeg bij Athenae aansloot), +Tanagra, en Thebae, later van 14, na den peloponnesischen oorlog +van 10 staatjes, meest met een aristocratisch bestuur. De jaarlijks +aftredende overheidspersonen heetten Boeotarchen. Als hoofd van den +bond gold Thebae; maar de tweespalt en de somtijds doodelijke haat, +die tusschen de boeotische steden heerschte, verlamden de kracht van +het volk. In Boeotia behooren de mythen te huis van Antiope en Dirce, +van Amphion en Niobe, van Cadmus en diens dochters Ino en Semele en +zijne kleinzonen Actaeon, Melicertes en Pentheus, van Dionysus of +Bacchus, van Oedipus en diens geslacht, van de gebroeders Trophonius +en Agamedes. Aan de Muzen was de berg Helicon gewijd, die met zijne +rijkbegroeide hellingen scherp afstak bij den naakten Cithaeron, +den ongeluksberg in de boeotische mythen. + +Boeotus, Boiotos, z. Aeolus no. 2. Naar hem zouden de Boeotiërs +genoemd zijn. + +Boethus, Boethos, van Chalcedon, bekwaam beeldhouwer uit het begin van +de 2e eeuw. Beroemd was onder zijne werken het beeld van een knaap, +die een gans den hals omdraait. + +Boeum, Boion, stad in het landschapje Doris, tot de dorische tetrapolis +behoorende. + +Bogudes, koning in Mauretania. Zie Bocchus II, wiens jongere broeder +hij was. + +Boii, Boioi, een groot keltisch volk uit meer dan 100 tribus bestaande, +dat veel gezworven heeft en waarvan verschillende gedeelten in de Po- +en Donaulanden voorkomen, ten N. en ten Z. der Alpen. De Bojers in de +Po-vlakte verdreven de Etrusci en de Umbri uit de streek ten Z. van +de Po, en namen de Etruscische stad Felsina in, die later als hun +hoofdstad Bononia genoemd werd. Na hevigen strijd werden zij in 224 +door de Romeinen ten onder gebracht, doch de inval van Hannibal in +Italië bracht hen weder in opstand, en eerst in 191 werden zij door +P. Cornelius Scipio Nasica (Cornelii no. 19) voor goed onderworpen. De +Bojers aan den Donau sloegen een aanval der Cimbren en Teutonen af; +in Caesars tijd sloot zich een gedeelte, dat zijne woonplaatsen in +Boiohaemum (Boheme) verlaten had (± 60) en naar Noricum was getrokken, +bij de Helvetiërs aan. + +Boiohaemum, Boheme, het land (die Heimath) der Boii. + +Boiorix, 1) misschien slechts een titel = Boiorum of Boius rex, koning +der Bojers, die volgens het niet geheel betrouwbare verhaal in 194 +met de Romeinen gestreden heeft.--2) koning der Cimbren, versloeg en +doodde in 105 M. Aurelius Scaurus (z. Aurelii no. 10), maar sneuvelde +in 101 in den slag op de Raudische velden bij Vercellae tegen Marius. + +Boiotarchai, de magistraten van het boeotisch verbond, die de +uitvoerende macht hadden, in den oorlog het opperbevel voerden, +en de besluiten der vier boeotische raden ten uitvoer brachten. + +Bola, Bola, oude stad in Latium, die langen tijd in het bezit der +Aequi geweest is, en reeds vroeg te gronde is gegaan. + +Bolbe, Bolbe, meer in Macedonia, dat in de golf van den Strymon +uitwatert. + +Bolbitine, Bolbitine, thans Rosette, stad in de Nijldelta, waarnaar +de westelijke hoofdmonding der rivier ostium Bolbitinum werd genoemd. + +Bolissus, Bolissos, stad in het N.W. van Chius. + +Bomienses, Bomies, volk in het O. van Aetolia, in het brongebied van +den Euenus. + +Bomilcar, Bomilkas, naam van twee carthaagsche veldheeren. De eerste +komt voor in den strijd van Carthago tegen Syracusae, toen Agathocles +omstreeks 310 eene landing in Africa deed en de carthaagsche generaals +Hanno en Bomilcar versloeg. Later deed Bomilcar eene poging om zich te +Carthago van het bewind meester te maken; doch zijn toeleg mislukte en +hij stierf aan het kruis.--De andere komt voor in den tweeden punischen +oorlog. Hij bracht in 215 versche troepen aan Hannibal en ondersteunde +in 214 en 212 Syracusae tegen de Romeinen.--Ook de vertrouwde dienaar +van Jugurtha, die voor dezen te Rome den moord op Massiva pleegde, +heette Bomilcar. Toen hij later zijn meester poogde te verraden, +werd hij door dezen met den dood gestraft (107). + +Bomonikai, heetten de spartaansche knapen, die de geeseling voor +het altaar van Artemis Orthia (z. a.) het langst en standvastigst +verdroegen. + +Bona Dea, eene godin wier eigenlijke aard reeds den Romeinen +onduidelijk was, en die daarom soms voor dezelfde als Fauna, Maia, +Ops, e. a. gehouden wordt; oorspronkelijk was de naam een attribuut +van Fauna, maar daar deze godin uitsluitend door vrouwen vereerd werd, +werd de Grieksche godin Damia, wier dienst reeds vroeg, waarschijnlijk +272, na de inneming van Tarente, in Rome werd ingevoerd, met haar +vereenzelvigd. De 1e Mei was haar feestdag, maar het voornaamste feest +te harer eer werd in het begin van December des nachts ten huize van +den hoogsten overheidspersoon door voorname vrouwen en vestaalsche +maagden gevierd. Tot beide feesten was de toegang aan mannen ten +strengste verboden. + +Bondgenootenoorlog, zie Marsicum bellum. + +Bona (fide), te goeder trouw, komt als rechtsterm dikwijls voor. Bonae +fidei possessio is het bezit te goeder trouw van eene zaak, waarvan +men meent de rechtmatige bezitter te zijn. + +Bonna, stad in het gebied der Ubii aan den Rhenus, thans Bonn. Drusus +maakte er eene vesting van. + +Bononia, Bononia, 1) thans Bologna, zeer oude Stad in Gallia +Cisalpina. Eerst was Bononia de hoofdstad der aan den Po gevestigde +Etruscers, en heette toen Felsina. Toen de Etruscers door de Galliërs +verjaagd waren, werd Bononia de hoofdstad der Bojers. In 189 werd het +lat. kolonie. Onder de keizers werd het eene aanzienlijke stad.--2) +stad der Morini, aan het Kanaal, vroeger Gesoriacus portus, thans +Boulogne. + +Bonorum cessio, vrijwillige afstand van zijn vermogen door een +insolventen schuldenaar aan zijne schuldeischers. Zie bonorum emptio. + +Bonorum emptio. Wanneer een schuldenaar onwillig bleek zijne schuld +te betalen, of wanneer iemand zich schuil hield om eene dagvaarding te +ontgaan, konden de belanghebbenden van den praetor eene missio in bona, +d. i. eene inbeslagneming van goederen vragen. Werd deze toegewezen, +dan liet men nog een termijn voorbijgaan, om den onwillige in de +gelegenheid te stellen aan zijne verplichtingen of aan het verlangen +der eischers te voldoen; bleef hij in gebreke, dan had ten laatste +de executie plaats. Werden iemands bezittingen voor schuld verkocht, +dan werden zij in haar geheel bij opbod aan hem toegewezen, die aan +de schuldeischers het grootste getal percenten bood. Deze executie +had eerloosheid (infamia) tengevolge, die men kon ontgaan door eene +bonorum cessio. Het oude recht kende echter deze cessie niet; zij werd +eerst wettig ingevoerd onder Caesar, hoewel zij zeker onderhands ook +vroeger zal hebben plaats gehad. + +Bonorum possessio. Het oude strenge erfrecht bij de Romeinen sloot de +cognati en de geëmancipeerde kinderen uit; doch het praetorische recht, +dat meer op de aequitas was gegrond, nam deze op. Door dit nieuwe recht +konden op grond van bloedverwantschap ook zij tot de erfenis geroepen +worden, die door uittreding uit de patria potestas hun erfrecht +volgens de lex XII tabularum hadden verloren. Men onderscheidt hierbij +verschillende gevallen. Bonorum possessio contra tabulas (testamenti) +kon door den praetor verleend worden, wanneer b. v. geëmancipeerde +kinderen in het testament waren voorbijgegaan. Bon. poss. secundum +tabulas kon toegewezen worden, wanneer b.v. het testament niet aan +alle wettelijke vormen voldeed en dus strikt genomen niet geldig zou +wezen,--tenzij zich erfgenamen opdeden, die een beter recht konden +doen gelden dan de testamentaire erven. Bon. poss. intestati kon +plaats grijpen, wanneer er geen testament was. De praetor maakte dan +verschillende klassen van erfgenamen. In den eersten graad erfden de +kinderen, ontbraken deze, dan kwamen in de tweede plaats de legitimi +heredes, bij ontstentenis van deze, de naaste cognaten, enz., tot +zeven graden toe.--Zij, die door het praetorische edict aldus tot +de erfenis geroepen werden, werden nochtans eigenlijk geene heredes, +want de praetor kon geene erfgenamen maken; zij werden loco heredum en +hadden slechts de possessio, daar zij geen wettigen titel van eigendom +konden doen gelden, tenzij later het recht van verjaring (usucapio). + +Bonorum sectio, z. Sectio bonorum. + +Bonus Eventus, z. Eventus. + +Boonai, te Athene door het volk gekozen personen, die te zorgen hadden, +dat het voor de offers en feesten noodige vee in voorraad was. + +Bootes, Bootes, sterrenbeeld in de nabijheid van den Grooten Beer, +daarom ook Arcturus of Arctophylax genoemd. Men zag in dit beeld +Icarius of Arcas. V. a. was Bootes een zoon van Demeter en Iasion, +die den ploeg had uitgevonden. + +Borbetomagus, stad der Vangiones, aan den Rhenus, thans Worms. + +Boreadae, Boreadai, Boreades, Zetes, Calaïs, Chione en Cleopatra, +kinderen van Boreas en Orithyia. + +Boreas, Boreas, Borras, N. O. of N. wind (zie Windstreken), +mythologisch de zoon van Astraeus en Eos, die een hol van den +thracischen Haemus bewoont. Hij schaakte behalve vele andere vrouwen +Orithyia, de dochter van Erechtheus, daarom baden de Atheners tot +hem, toen een orakel hun bij het naderen der Perzen bevolen had hun +schoonzoon te hulp te roepen, en inderdaad werd een deel van Xerxes' +vloot bij kaap Sepias door storm vernield. Uit dankbaarheid wijdde +men hem een tempel aan den Ilissus. + +Boreasmoi, feest ter eere van Boreas te Athene gevierd. + +Borsippa, stad aan het Naärsareskanaal, even bezuiden Babylon, met +beroemde linnenfabrieken. + +Borysthenes, Borysthenes, rivier in Sarmatia, later Danapris, thans +Dniepr. Aan zijn mond, waar hij zich met den Hypanis (Bug) vereenigt, +lag de milesische kolonie Borysthenis of Olbia. + +Bosporanum regnum, zie Bosporus. + +Bosporus, Bosporos, naam van twee zeeëngten. De Bosporus Thracius +heet de straat van Constantinopel; de Bosporus Cimmerius is de +straat van Kaffa of Jenikale, de invaart der Palus Maeotis of zee +van Azow. Met de palus Maeotis en den Tanaïs (Don) vormt ze in de +oudheid de grensscheiding tusschen Europa en Asia. Uit de milesische +kolonie Panticapaeum, ook Bosporus geheeten, thans Kertsch, aan de +laatste zeeëngte gelegen, ontwikkelde zich een bosporaansch rijk, +dat door Mithradates VI van Pontus met zijn rijk werd vereenigd en +later door Pompeius aan diens zoon Pharnaces werd afgestaan. Als +rom. vasalstaat bleef het bestaan tot aan de groote volksverhuizing. + +Bostar, Bostar, naam van twee carthaagsche bevelhebbers. De eerste, +door Regulus in 256 gevangen genomen, werd later als zoenoffer aan +diens familie overgegeven en zou tengevolge van mishandelingen +gestorven zijn. De andere, die onder Hasdrubal in den tweeden +punischen oorlog in Spanje diende, liet zich door zekeren Spanjaard +Abelux verleiden, om de Spaansche gijzelaar, hem door Hannibal ter +bewaking toevertrouwd, vrij te laten. Een derde Carthager van dien +naam, werd in 215 door Hannibal met een paar anderen als gezant naar +Macedonia afgevaardigd; doch het schip, dat hen vervoerde, werd door +de rom. vloot buit gemaakt. + +Bostra, ta en he Bostra, stad ten Zuiden van Damascus, in eene +oase der syrische woestijn. Het was oudtijds de hoofdstad van de +landstreek Auranitis, in het N. O. van Palaestina, later hoofdstad van +het koninkrijk der Nabataeërs, en werd ten slotte, bij de inlijving +(105 of 106 n. C.) door Traianus tot hoofdstad der provincie Arabia +verheven. Zie Arabia. + +Bottia of Bottiaea, Bottia, -iaia, -iaiis, landstreek van Macedonia +aan den Axius, (Vardar) en de Thermaeïsche golf. De oorspronkelijke +bewoners, in de 7de of 6de eeuw door de Macedoniërs verdreven, +verhuisden naar het noordelijk gedeelte van het schiereiland +Chalcidice, dat zij Bottice noemden, terwijl de vroegere woonplaats +den ouden naam Bottia of Bottiaea behield. + +Bouai, afdeelingen, waarin de spartaansche jongelingschap gedurende +de jaren hunner opvoeding verdeeld was. Aan het hoofd van zulk eene +afdeeling stond een Bouagos of Bouagor. + +Boudicca = Boadicca. + +Boule, raad, een lichaam dat in democratische staten in de eerste +plaats de staatsaangelegenheden aan eene voorafgaande behandeling heeft +te onderwerpen, alvorens ze in de volksvergadering te brengen. Te +Athene had de raad volgens de instellingen van Draco 401 leden, zij +werden bij loting aangewezen uit de burgers, die ouder dan 30 jaar en +in het volle bezit hunner burgerrechten waren. Niemand mocht voor de +tweede maal lid van den raad zijn, voordat allen die ertoe gerechtigd +waren een beurt gehad hadden. Onder de wet van Solon waren er 400, +100 per phyle, door loting aangewezen uit candidaten die door de +phylen gekozen waren. Clisthenes vermeerderde het aantal leden tot 500 +(vandaar de gewone naam he boule hoi pentakosioi), nl. 50 uit elke van +de nieuwe 10 phylen; waarschijnlijk liet hij ook de verkiezing door +loting (apo kyamou lachein) bestaan. De loting had ook toen plaats +uit hen, die door de phylen als candidaten waren aangewezen. Bij de +ontwikkeling der democratie werd ook aan de theten het recht toegekend +om tot den raad te behooren. Met de vermeerdering van het aantal phylen +in den macedonischen tijd vermeerderde ook het aantal raadsleden; +Hadrianus verminderde het echter weder tot 500.--Tot de bevoegdheden +van den raad behoorde o. a. dat de veldheeren hem verslag gaven van +hunne verrichtingen, dat hij vreemde gezanten ontving en ze bij de +volksvergadering inleidde, enz. Voorts had de raad het oppertoezicht +over het beheer der financiën en beheerde ze gedeeltelijk zelf, +leidde hij het onderzoek naar de bevoegdheid der archonten en van +andere verkozen ambtenaars (dokimasia), en had hij in sommige minder +belangrijke gevallen rechtspraak. De raad kon geldboeten opleggen en +had het toezicht op alles wat tot de marine behoorde en op de openbare +gebouwen. Dikwijls werd hem bovendien door het volk het afdoen van +eene of andere aangelegenheid opgedragen; de besluiten, die hij +zonder zulk een opdracht neemt, zijn slechts gedurende het loopende +ambtsjaar geldig. Z. ook probouleuma en ekklesia.--De raad vergaderde +dagelijks, behalve op feestdagen, in het raadhuis (bouleuterion), +zijne vergaderingen waren gewoonlijk openbaar. Met het dagelijksch +bestuur was echter altijd slechts eene bij loting aangewezen afdeeling +van 50 raadsleden belast (z. Prytanis).--De leden van den raad waren +vrijgesteld van den krijgsdienst, hadden een afzonderlijke plaats +in den schouwburg en ontvingen, waarschijnlijk sedert de tijden van +Pericles, een drachme of vijf obolen voor iedere vergadering (misthos +bouleutikos). Wanneer de raad bij zijn aftreden voldoende rekenschap +van zijne verrichtingen gegeven had, vereerde het volk hem met een +gouden krans, die in een of anderen tempel bewaard werd. Ook in vele +andere staten en statenbonden wordt eene boule vermeld, over welker +samenstelling en bevoegdheden echter weinig of niets bekend is. + +Bouphonia, z. Diipolia. + +Bovianum, Boïanon, hoofdstad der Pentri in Samnium. + +Bovillae, Boïllai, stadje in Latium aan de via Appia, bekend door +de ontmoeting tusschen Milo en Clodius Pulcher, die Clodius het +leven kostte. + +Braccae. De Romeinen en Grieken omwonden wel de beenen met lange +strooken lijnwaad (fasciae), en ook kousen waren in de oudheid niet +onbekend, doch broeken waren eene kleederdracht der barbaren, o. a. van +de oostersche volken en van de transalpijnsche Galliërs. Naar deze +kleederdracht werd Gallia Transalpina dikwerf in de wandeling Gallia +braccata genoemd. Hoewel in het tijdperk der keizers deze dracht +ook tot Rome doordrong, is zij er nimmer nationaal geworden. Bij +de Grieken heette het kleedingstuk anaxyrides, terwijl meer in het +bizonder voor wijde broeken de naam thylakoi in gebruik was. + +Brachmanae, Brachmanes, de priesterkaste bij de Indiërs, ook de +stammen die den godsdienst van Brahma beleden. De Grieken hebben van +deze zaken kennis gekregen door de expeditie van Alexander naar Indië; +de Grieksche schrijvers uit dien tijd geven zeer betrouwbare berichten. + +Bradanus, grensrivier tusschen Lucania en Apulia, die dicht bij +Metapontum in de golf van Tarente uitloopt. + +Branchidae, Branchidai, 1) afstammelingen van Branchus, een zoon van +Smicrus of van Apollo, die uit Delphi naar Miletus verhuisde en te +Didyma een tempel van Apollo stichtte. De Branchidae beheerden dezen +later zeer rijken tempel, waarvan niet lang geleden belangrijke +overblijfselen zijn opgegraven, en het daarmede verbonden orakel; +daar zij echter aan Xerxes bij zijn tocht naar Griekenland de groote +schatten van den tempel uitgeleverd hadden, verzochten zij hem na +afloop van den veldtocht, uit vrees voor de wraak der Grieken, hun +een andere woonplaats aan te wijzen. Sedert dien tijd woonden zij +in Bactriana, waar Alexander hen vond, die hen, tot straf voor de +misdaad hunner voorouders, allen liet dooden en hun stad met tempels +en heiligdommen geheel liet verwoesten.--2) = Didyma. + +Brannovices Aulerci, z. Aulerci. + +Brasidas, Brasidas, zoon van Tellis, de dapperste en bekwaamste +veldheer der Spartanen in den peloponnesischen oorlog. Nadat hij in +het eerste jaar van den oorlog een aanval der Atheners op Methone +had afgeslagen en zich sedert meermalen had onderscheiden, wist hij, +gesteund door gezantschappen van Perdiccas en van eenige steden op +Chalcidice, de ephoren te overreden dat men de Ath. in hun kolonies +en bondgenooten moest aanvallen; in 424 trok hij aan het hoofd van +een klein leger door Griekenland, en maakte hij, meer door overreding +dan door geweld, vele belangrijke steden in Macedonië en Thracië, +o. a. Amphipolis, van de Atheners afvallig. Wel heroverden zij, nadat +onderhandelingen over een wapenstilstand mislukt waren, verscheiden +steden, maar toen Cleon in 422 bij Amphipolis een slag waagde, behaalde +Brasidas een schitterende overwinning, waarbij hijzelf echter doodelijk +gewond werd. Hij werd na zijn dood te Amphipolis als heros vereerd. + +Bratuspantium, hoofdst. der Bellovaci, tusschen de Sequana (Seine) +en de Samara (Somme). + +Brauron, Brauron, aanzienlijke plaats op de Oostkust van Attica, +met een tempel van Artemis. Brauron en Eleusis maakten aanspraak op +den naam van polis. + +Brauronia, Brauronia, feest ter eere van Artemis Brauronia, dat om +de vijf jaren gevierd werd en waarbij alle meisjes van vijf tot tien +jaar aan de godin gewijd werden; waarschijnlijk een overblijfsel van +vroegere menschenoffers. + +Brenni of Breuni, Breunoi, volksstam in de Raetische Alpen, nabij +den tegenw. Brenner. + +Brennus, Brennos, naam van verschillende Gallische vorsten: 1) het +opperhoofd der senonische Galliërs, die in 389 de Romeinen bij den +Allia versloegen, Rome innamen en het Capitool belegerden. Volgens het +verhaal was hij het, die bij het afwegen van het goud zijn zwaard in +de weegschaal wierp, en het beroemde vae victis sprak. Het geheele +verhaal omtrent hem is onhistorisch, en zijn naam ontleend aan den +onder no. 2 genoemden.--2), die in 279 met 65000 of 40000 Galliërs +in Macedonia viel, verwoestend tot in Griekenland doordrong, maar, +toen hij op Delphi lostrok, door een grieksch legertje van 4000 man +verslagen werd en zichzelf om het leven bracht. Een hevig onweder, +met aardbeving gepaard, waardoor geheele rotsblokken op de Galliërs +neerstortten, deed het verhaal ontstaan, dat de delphische god zelf +voor zijn heiligdom gestreden had. + +Bretones of Britones. Zie Britannia. + +Briareos, Briareos, z. Aegaeon. + +Brigantes, Brigantes, het machtigste volk van Britannia, ten oosten van +den Abus (Humber), met de hoofdstad Eburacum of Eboracum (York). Zij +werden door Cerealis onderworpen. + +Brigantinus lacus, thans Bodensee of meer van Konstanz, door den Rijn +gevormd. Het werd ook lacus Rheni, l. Venetus, l. Aeronius genoemd. In +een scheepsgevecht op dit meer versloeg Tiberius de Vindeliciërs. De +naam l. Brigantinus is ontleend aan de stad Brigantia (Bregenz). + +Brilessus, Brilessos, berg in Attica = Pentelicus. + +Briniates of Friniates, ligurische volksstam aan de N.-zijde van +de Apennijnen, ten Z. van Mutina. Ze werden in 187 door de Romeinen +onderworpen. + +Brinio of Brinno, aanvoerder der Canninefaten bij den opstand van +(Claudius) Civilis tegen Rome in 69 n. C. + +Briseis, Briseis, dochter van Briseus, een priester in Lyrnessus; +haar eigenlijke naam was Hippodamea. Zij was gehuwd geweest met +koning Mynes, maar bij de verovering van Lyrnessus werd zij door +Achilles gevankelijk medegevoerd. Zij was de oorzaak van zijn twist +met Agamemnon, die in de Ilias beschreven wordt, want toen Agam., +op aandringen van Achilles, genoodzaakt werd zijne slavin Chryseis +(z. a.) vrij te laten, ten einde het leger van de pest te bevrijden, +liet hij Briseis met geweld uit de tent van Achilles halen, en gaf +haar eerst terug toen deze na den dood van Patroclus besloot weder +aan den oorlog deel te nemen. + +Britannia, Bretannia, het tegenw. Engeland en Schotland, met Hibernia +(Ierland) en de kleinere bijliggende eilanden samen onder den naam +insulae Brittannicae begrepen. Vóór Caesar kenden de Romeinen deze +eilanden slechts bij geruchte, en deze geheimzinnigheid prikkelde +hem om naar Britannia over te steken; doch zijne beide tochten (55 +en 54) hadden weinig gevolg. Eerst ten tijde van keizer Claudius +(sedert (43 n. C.) kregen de Romeinen vasten voet in het Zuiden van +Engeland; doch er moest nog veel strijd gevoerd en meer dan één opstand +gedempt worden (zie o. a. Boadicca), eer Iulius Agricola (78-85) er +in slaagde, Engeland geheel tot een wingewest te maken. Daarnaar werd +Engeland Britannia Romana, Schotland of Caledonia Britannia barbara +geheeten. De naam Albion beteekent bergland. Ten einde de invallen der +woeste bergstammen uit Caledonia te keeren, werden er in verschillende +tijden twee versterkingsliniën dwars over het eil. aangelegd van den +Oceanus Hibernicus (Iersche zee) naar den Oc. Germanicus (Noordzee). De +oudste linie, meestal vallum Hadriani geheeten, liep van de Solway +Firth in het W. naar de Tyne in het O., en werd aangelegd 122 n. C.; +de latere linie, vallum Antonini genaamd, was veel kleiner, liep van +Firth of Clyde (Clotae aestuarium) naar de Firth of Forth (Bodotriae of +Boderiae aestuarium). Deze had keizer Antoninus Pius door zijn legaat +Lollius Urbicus in 142 n. C. laten aanleggen. Onder keizer Septimius +Severus werd het land tusschen de beide liniën weder prijs gegeven +en trok men zich op de zuiderlijn terug, die nu versterkt werd door +eene buitenlinie, uit een gemetselden muur bestaande, met poorten, +torens en forten. De Romeinen hadden omtrent de ware ligging van +Britannia geene juiste voorstelling en meenden, dat de Oostkust vrij +wel evenwijdig aan de belgisch-nederlandsche kust liep. De bevolking +was van keltischen oorsprong en werd Bretones of Britanni genoemd, +doch was op sommige punten door belgische nederzettingen naar het +binnenland teruggedrongen. De Britten waren gewoon lang hoofdhaar +en knevels, doch geen baard te dragen en zich blauw te verven. Onder +Constantijn vormde Britannia Romana vier provinciën: Britannia I en II +in het Noorden, Maxima Caesariensis in het midden, Flavia Caesariensis +in het Zuiden. Theodosius de Groote veroverde nogmaals Zuid-Schotland +en maakte daarvan de provincie Valentia. Toen in den tijd der groote +volksverhuizing de rom. legers uit Britannia teruggetrokken werden, +waren de Britten niet meer tegen de Schotten opgewassen en riepen +zij in 447 n. C. de hulp der Saksers en Angelen in, die het land wel +van de Schotten verlosten, maar het tevens vermeesterden. In de 5de +eeuw n. Chr. gaat de naam Britannia over op Bretagne, waar de door +de Angelsaksen verdreven Britanni hun toevlucht zochten. + +Britannica (arx), de Brittenburg, thans door de zee verzwolgen, een +kasteel in het land der Batavieren, aan den middelsten Rijnmond (ten +W. van Katwijk). Misschien heette de sterkte zoo, omdat men gewoon +was van dáár naar Britannia over te steken. + +Britannicus, eigenlijk Claudius Tiberius Britannicus Caesar, +stiefbroeder van Nero. Zie Claudius (keizer) en Iulii aan het slot +onder f 3. + +Britomaris, opperhoofd der senonische Galliërs, liet, uit verbittering +over zijns vaders dood, in 283 de rom. gezanten ombrengen en hunne +ledematen verstrooien. Toen hij in handen van den consul P. Cornelius +Dolabella (Cornelii no. 35) was gevallen, liet deze hem ter dood +martelen. De Senones werden uit hun land verdreven, en op den ager +Gallicus werd de kolonie Sena (Gallica) gesticht. Het verhaal zelf +omtrent Britomaris (Brittomaris) is misschien verzonnen. + +Britomartis, Britomartis, cretensische nimf, dochter van Zeus en +Carme, gunstelinge van Artemis. Minos vervolgde haar negen maanden +lang met zijn liefde, zij stortte zich eindelijk in zee, maar werd in +visschersnetten gered. Daarop werd zij onder de godinnen opgenomen en +onder den naam Dictynna vereerd.--V. a. vluchtte zij voor Minos naar +Aegina, maar toen de visscher, die haar had overgezet, haar zelf wilde +geweld aandoen, verdween zij in het heilige bosch van Artemis; hier +kreeg zij den naam Aphaea.--Evenals Aphaea (z. a.) zijn waarschijnlijk +ook Britom. en Dictynna andere namen voor Artemis. + +Brixellum, stad aan den Padus (Po) dicht bij Parma, waar keizer Otho +zich om het leven bracht. + +Brixia, thans Brescia, hoofdstad der Cenomani, in Gallia Transpadana, +later rom. municipium. + +Brizo, Brizo, godin die op Delus, vooral door vrouwen, vereerd +werd. Zij beschermde de schippers en gaf orakels. + +Brogitarus, schoonzoon van den galatischen tetrarch Deiotarus, +kocht van den volkstribuun P. Clodius (58) den koningstitel en het +priesterschap van de Magna Mater te Pessinus voor geld. + +Bromius, Bromios, bijnaam van Dionysus. + +Bronteion, eene machine, waarmede men achter het tooneel het gerommel +van den donder nabootste. + +Brontes, Brontes, een der Cyclopen. + +Brucheum of -ium, deel van Alexandrië in Aegypte. Z. a. + +Bructeri, Broukteroi, machtig germaansch volk aan de Amisia (Eems) +en de Luppia (Lippe). Tot dit volk behoorde de profetes Velleda. De +Bructeren sloten zich in 69 n. C. bij den opstand der Batavieren aan. + +Brundisium, minder juist Brundusium, Brentesion, thans Brindisi, +belangrijke havenplaats aan de Adriatische zee, vanwaar men gewoonlijk +naar Griekenland overstak. De stad, op de kust van Calabria gelegen, +had eene voortreffelijke, altijd toegankelijke haven, door twee +landtongen beschermd; vandaar waarschijnlijk de naam, die oud-italisch +hertekop beteekent. Sedert 245 was het lat. kolonie. + +Bruttii, ager Bruttius, Brettia, Z.W. uithoek van Italia, een +bergachtig en ten deele boschrijk gewest, van de riviertjes Laüs en +Sybaris tot aan het fretum Siculum (straat v. Messina). Alleen deze +streek werd oorspronkelijk Italia geheeten (z. a.). Tegenwoordig heet +het Calabrië. Het was sterk bezet met grieksche volksplantingen. In den +tweeden punischen oorlog sloten de inwoners zich (in 214) meerendeels +bij Hannibal aan. Later moesten zij dit ontgelden en het land geraakte +in verval. + +Brutus, familienaam in de gentes Iuniae, z. Iunii no. 2 en Iunii +no. 1-9. + +Bryges, Bryges, Brygoi, thracische volksstam in Emathia (Macedonië), +verwant met de Phrygiërs. Ze komen ook in andere deelen van het +Balkan-schiereiland, vooral in Epirus en Illyria voor. + +Brygus, Brygos, beroemd Atheensch vazenschilder uit het begin van +de 5de eeuw. Hij schildert in strengen roodfigurigen stijl. Zijn +schoonste vazen heeft hij met zijn naam geteekend. + +Bubassus, Bybassos, oude kustst. in Caria ten O. van Cnidus, op de +Cnidische Chersonesus. + +Bubastis, Boubastis, aegyptische godin, misschien zinnebeeld van het +vuur, dochter van Osiris en Isis, door de Grieken voor dezelfde als +Artemis gehouden. Hare beelden hadden een kattekop. Haar voornaamste +tempel was te Bubastis, waar jaarlijks een feest gevierd werd, dat +soms door 700000 vreemdelingen bezocht werd. + +Bubastis of -tus, Boubastos, distrikt en hoofdstad in de Nijldelta, +aan den oostelijken Nijlarm, de hoofdzetel van den dienst der +godin Bubastis. Beneden deze stad woonden de karische en ionische +huurtroepen, die door koning Psammetichus in dienst genomen waren. + +Buccina, gebogen hoorn, door herders gebezigd en ook in gebruik bij +het romeinsche leger tot het geven van signalen. + +Bucephala, Boukephala, -lia, stad aan den Hydaspes, een der takken van +den Indus, door Alexander gesticht ter gedachtenis aan zijn beroemd +strijdros Bucephalus. In den slag tegen Porus (326) had dit paard, +schoon zwaar gewond, Alexander, die zich te ver had gewaagd, behouden +bij de zijnen teruggebracht, en was toen neergestort. + +Bucolici, z. Theocritus. + +Budini, Boudinoi, scythisch nomadenvolk, ten O. van den Tanaïs, +volgens Herodotus met blauwe oogen en vuurroode kleur en in eene +houten stad wonende. + +Budorum, Boudoron, N.W.-kaap en kasteel op het eiland Salamis. + +Bulgari, een onderafdeeling der Hunnen, die in de 5de eeuw n. C. voor +het eerst optreedt. + +Bulis, Boulis. Toen de Spartanen door het vermoorden van perzische +gezanten den toorn van den heros Talthybius op zich geladen hadden en +bij het offeren geen gunstige voorteekenen konden krijgen, boden Bulis +en Sperthias zich aan om aan Xerxes uitgeleverd te worden, ten einde +Talthybius te bevredigen. Xerxes zond hen echter terug en nu bleef de +toorn van Talthybius op de geslachten van Bulis en Sperthias rusten, +wier zonen Nicolaus en Anaristus in den peloponnesischen oorlog in +handen der Atheners vielen en gedood werden. + +Bulla, medaillon, dat door de kinderen aan een snoer om den hals werd +gedragen en een amulet tegen betoovering bevatte. Bij de rijken was +de bulla van goud, bij de armeren van leder. + +Bulla regia, vesting in Numidia, in het dal van den Bagradas, later +tot Africa proconsularis behoorend. + +Bupalus, Boupalos, zoon van Archermus, beroemd beeldhouwer van +Chius. Hij en zijn broeder Athenis stelden een beeld ten toon van +Hipponax, waarin de kleine en leelijke man bespottelijk gemaakt werd; +uit wraak hekelde Hipponax hen in zijne iamben zoo onbarmhartig, +dat zij zich ophingen. + +Buprasium, Bouprasion, eene stad uit het homerische tijdperk, +later verdwenen. Zij lag in Elis aan den Larisus, en werd bewoond +door Epeërs. + +Bura, Boura, eene der twaalf oude achaeïsche steden, in 373 door +aardbeving verwoest, maar later op een andere plaats herbouwd. De +nieuwe stad, waarvan nog belangrijke stukken van den vestingmuur over +zijn, lag ten Z. van Helice. + +Burchana, Bourchanis, oudtijds het voornaamste der Noordzee-eilanden, +tgw. Borkum. Het wordt reeds in de 4de eeuw als barnsteeneiland +vermeld, onder den naam Abalus; het komt ook voor onder den naam +Baunonia of Fabaria, boonen-eiland; zie verder Glaesariae insulae. + +Burdigala, thans Bordeaux, aan den Garumna, in het gebied der Bituriges +Vibisci, later hoofdstad der provincie Aquitania II. Het was eene +aanzienlijke handelsplaats en een zetel der wetenschappen. Ausonius, +de dichter der Mosella, was hier geboren. + +Burgundi of Burgundiones, vandaalsche of gothische stam, die +oorspronkelijk tusschen de Vistula (Weichsel) en de Viadus (Oder) +woonde, later westelijk trok, in de 4de eeuw n. Chr. ten oosten van +de Alamannen, buiten den vroegeren limes woonde, en zich omstreeks +465 tusschen den Rhodanus (Rhône) en Italië vestigde, waar Lugdunum +(Lyon) en Genava (Genève) hunne hoofdsteden werden. + +Burgus is de naam van een klein kasteel, dat tusschen de +grootere Castra en Castella gelegen, met deze dient voor de +grensverdediging. Het is een oud-germaansch woord, dat in de 2de eeuw +n. C. in de latijnsche taal is opgenomen. + +Burii, Bouroi, germaansch volk, waarschijnlijk in het tegenw. Moravië +en Silezië gevestigd. Zij komen als bondgenooten van Traianus, Marcus +Aurelius en Commodus voor, doch later met de Marcomannen en Quaden +als vijanden der Romeinen. + +Burrus (Afranius). Zie Afranii no. 3. + +Bursa (T. Munatius Plancus), zie Munatii no. 3. + +Busiris, Bousiris, zoon van Aegyptus of van Poseidon en Libye; hij +was koning van Aegypte, en zooals de Grieken verhaalden, placht hij +de vreemdelingen, die in zijn land kwamen, te offeren, totdat hij +door Heracles gedood werd. + +Bustum, bustuarii. Bustum is eigenlijk de uitgebrande brandstapel, doch +beteekent ook de plaats, waar hij is opgericht, alsmede het graf of de +begraafplaats. Wanneer het lijk op den brandstapel was neergelegd, werd +deze door een der bloedverwanten met afgekeerd gelaat aangestoken. Was +het lijk verteerd, dan werd het vuur met wijn en melk gebluscht en +de beenderen werden in eene urn verzameld. Rijken wikkelden vaak de +lijken hunner afgestorvenen in een kleed van asbest, opdat de asch +zich niet met die van het hout zou vermengen. Evenals men bij vele +oude en nog heden bij sommige wilde volken de gewoonte aantreft, op +het graf menschen te offeren, hadden bij de Rom. dikwijls rondom den +brandstapel gladiatorengevechten plaats. Zulke zwaardvechters die dáár +op leven en dood met elkander streden werden bustuarii genoemd. Ten +slotte zij opgemerkt, dat in de oudheid zoo wel begraven als verbranden +gebruikelijk was. + +Buteo, familienaam in de gens Fabia, z. Fabii no. 27. + +Butes, Boutes, Boutas, 1) zoon van Pandion of Teleon en Zeuxippe, +landman en stierenherder, priester van Athena en Poseidon, na zijn +dood door de Atheners als heros vereerd. Hij was de stamvader van +het geslacht der Butaden of Eteobutaden. Hij nam ook deel aan den +tocht der Argonauten.--2) koning op Sicilië, die door Aphrodite +bemind werd en bij haar een zoon, Eryx, had. Dikwijls wordt hij met +den atheenschen Butes verward, en uit deze verwarring ontstond het +verhaal, dat hij bij de terugreis der Argonauten, bekoord door het +gezang der Sirenen, in zee gesprongen was, maar dat Aphrodite hem gered +en naar Lilybaeum gebracht had.--3) zoon van Boreas, een Thraciër, +die, door zijn broeder Lycurgus verbannen, het eiland Strongyle (oude +naam voor Naxus) bezette. Bij een inval in Thessalië tijdens een feest +van Dionysus roofde hij eene van de feestvierende vrouwen, Coronis, +en dwong haar hem te huwen. Op Coronis' gebed strafte Dionysus hem +met waanzin, zoodat hij zich in een put verdronk. + +Buthrotum, Bouthroton, bloeiende zeestad in Epirus, tegenover Corcyra, +volgens de sage gesticht door den Trojaan Helenus. + +Buto, Bouto, stad in de Nijldelta aan den sebennytischen Nijlarm en +aan eene lagune, Buto lacus genoemd. De stad had een tempel der godin +Buto, met een orakel, dat zeer in eere stond. Buto was de voedster +der beide kinderen van Isis en verborg hen op een drijvend eiland +voor de vervolgingen van Typhon. De Grieken vereenzelvigden haar met +Leto of Latona. + +Buxentum, Pyxous, thans Pilocastro, kolonie der Messaners op de kust +van Lucania aan de rivier Buxentius (Busento), gesticht 467, sedert +194 rom. kolonie. + +Buzyges, Bouzyges, oud-attisch heros, die het eerst stieren voor den +ploeg spande, v. a. bijnaam van Epimenides of van Triptolemus. Van +hem leidde het geslacht der Buzygae, dat de heilige ploegfeesten te +Athene bestuurde, zijn oorsprong af. + +Byblis, Byblis, een meisje uit Miletus, die vurige liefde voor haar +broeder Caunus had opgevat. Toen deze daarom het land verliet, stierf +Byblis van verdriet; uit hare tranen ontstond een bron. + +Bybassus = Bubassus. + +Byblos, een aegyptische moerasplant, waaruit in de oudheid het papier +vervaardigd werd (z. charta). Het grieksche woord voor boek is hiervan +afgeleid. Een andere naam voor byblos is papyros, waarvan ons woord +papier afgeleid is. + +Byblus, Byblos, oude phoenicische zeestad ten N. van Berytus, bekend +als zetel der Adonisvereering. De stad had eigen vorsten, waarvan de +laatste op last van Pompeius werd ter dood gebracht. + +Byrsa, waarschijnlijk = burg, Byrsa (vandaar de legende der ossenhuid), +de burg van Carthago, op eene steile rots van omstreeks 60 meter +hoog gebouwd. + +Byssa, Byssa, z. Agron. + +Byzacium of Byzacena, Byzakion, de zuidelijke helft der provincie +Africa, onder Constantijn eene afzonderlijke provincie, met Hadrumetum +tot hoofdstad. + +Byzantium, Byzantion, later Constantinopolis. Volgens de sage +zou Byzas, een zoon van Poseidon, van het delphische orakel den +last hebben gekregen, eene stad te stichten tegenover de stad der +blinden. Tegenover Chalcedon gekomen, stichtte hij toen Byzantium, +omdat de stichters van Chalcedon blind waren geweest, toen zij +voor hunne stad den aziatischen oever kozen. Byzantium was dan ook +overheerlijk gelegen aan de zee en aan den inham die nog den naam van +gouden hoorn draagt (chrysoun keras). Het was een dorische kolonie; +gewoonlijk neemt men aan, dat de stad door Megarensers gesticht is. De +stad was in de macht der Perzen sedert Darius' tocht naar het land +der Scythen, en nam deel aan den Ionischen opstand, maar niet aan +den slag bij Lade. Na de onderdrukking van den opstand, legden de +inwoners van Byzantium samen met de Chalcedoniërs de stad Mesambria +(Mesembria) aan (z. a.). Byzantium werd door de Perzen verwoest, maar +later herbouwd. In 478 viel de plaats in handen van Pausanias, die haar +7 jaar in zijn macht hield. Nadat deze door de Atheners verdreven was, +sloot B. zich aan bij den delisch-attischen bond, en kwam tot grooten +bloei. In 411 viel de stad van Athene af, en werd in den winter +van 409/408 door Alcibiades hernomen. Na den slag bij Aegospotamos +werd ze door Lysander bezet, en bleef in de macht der Spartanen tot ± +390. In de 4de eeuw is Byz. vaak met Athene verbonden, vaak ook Athene +vijandig gezind, tot het, door Philippus van Macedonia aangevallen, +in den zomer van 341 zich in de armen der Atheners wierp, die de stad +en het nabijgelegen Perinthus krachtdadig bijstonden. De stad dreef een +uitgebreiden handel, vooral in koren. Onder de rom. heerschappij bleef +B. eene civitas libera en nam nog in bloei toe; maar in den strijd +tusschen keizer Septimius Severus en zijn tegenstander Pescennius +Niger werd het na een belegering van 3 jaren (193-196 n. C.) door +den eersten grootendeels verwoest. Onder Constantijn den Grooten +herrees het met nieuwen luister. Het was op twee heuvels gebouwd; +door er nieuwe heuvels aan toe te voegen, wilde de keizer het tot eene +tweede stad der zeven heuvelen maken. Hij bracht er zijne residentie +over en noemde het nova Roma (330), welke naam evenwel spoedig in +Constantinopolis, Konstantinou polis, veranderd werd. De stad had +toen een omvang gekregen van twee uren gaans, en werd met hooge muren +versterkt en evenals Rome in 14 regiones verdeeld. + +Byzas, Byzes, Byzas, zie Byzantium. + + + + + + +C. + + +C, aanwijzing in den rom. kalender van een dies comitialis. + +Cabalia, Kabalia, klein gewest in Asia minor, ingesloten tusschen +Caria, Lycia, Phrygia en Pisidia, en onder de perzische heerschappij +ingedeeld bij de lydische satrapie. De Romeinen deelden het noordelijke +deel bij Phrygia, het zuidelijke bij Lycia in. De voornaamste der vier +steden was Cibyra, waarnaar het landschap ook Cibyratis werd genoemd. + +Cabillonum, Kabyllinon, handelsstad der Aeduers in Gallia aan den Arar +(Saône), thans Chalons-sur-Saône. + +Cabira, ta Kabeira, later Diospolis of Sebaste, stad in oostelijk +Pontus. Mithradates werd hier in 71 door Lucullus verslagen en redde +ter nauwernood zijn leven door de vlucht. + +Cabiri, Kabeiroi, "machtigen", goddelijke wezens, wier eeredienst in +zeer oude tijden uit het Oosten is ingevoerd, doch die later op den +achtergrond geraakt zijn en over wier aard en beteekenis dus weinig +met zekerheid te zeggen is. Zij werden voornamelijk vereerd op Lemnus, +Imbrus en Samothrace, waar hun dienst met dien van Hephaestus verbonden +was, en ook in Boeotië; verder vindt men hen te Pergamus, in Phoenicië +en in Aegypte. Later werden de drie Cabiri voor dezelfden gehouden +als Demeter, Persephone en Hades, waarschijnlijk omdat zij eveneens +met geheime plechtigheden (mysteriën) vereerd werden. Ook met de +Corybanten, de Cureten en de Dioscuren worden zij in verband gebracht, +en bij de Romeinen met de Penaten. Op hunne afbeeldingen hebben zij +gewoonlijk een hamer in de hand. Zie Axierus. Met hen verbonden komt +als vierde godheid voor Cadmilus of Casmilus, Kadmilos, Kasmilos. + +Caca, zuster van Cacus. Wegens den dienst, dien zij Hercules +bewezen had, genoot zij goddelijke eer (z. Cacus). In haar heiligdom +brandde een eeuwig vuur. In werkelijkheid is Caca (evenals Cacus) +een oud-italische godheid, van denzelfden aard als Vesta, maar ze is +vroeg in vergetelheid geraakt. + +Caci scalae, een oude steenen trap, die van uit het dal van den +Circus Maximus naar één van de poorten van Roma quadrata op den +Palatinus voerde. + +Cacus, zoon van Vulcanus, een vuurspuwende reus, die in een hol +van den Aventijnschen berg woonde en de omstreken door roof en +moord teisterde. Toen Hercules met de runderen van Geryon daar +aangekomen en van vermoeidheid in slaap gevallen was, ontstal Cacus +hem eenige runderen, die hij, om den eigenaar het spoor bijster te +maken, achterwaarts in zijn hol dreef. Toch ontdekte Hercules hun +verblijfplaats, hetzij doordat hij ze in het voorbijgaan binnen +hoorde loeien, hetzij door verraad van Caca, de zuster van Cacus, +die liefde voor den vreemdeling had opgevat. Na een verschrikkelijk +gevecht versloeg hij den roover. Uit dankbaarheid richtte koning +Euander van Pallantium, die veel van Cacus te lijden had gehad, een +altaar voor den held op, en zoo ontstond de dienst van Hercules, +die later door de Romeinen overgenomen werd en aan de zorg van de +Potitii en Pinarii toevertrouwd was. Z. Caca. + +Cadi, Kadoi, stad in westelijk Phrygia, dicht bij den berg Dindymus. + +Cadmea, Kadmeia, burcht van Thebae. + +Cadmus, Kadmos, 1) zoon van den phoenicischen koning Agenor en +Telephassa. Toen zijn zuster Europa door Zeus geschaakt was, zond +zijn vader hem uit om haar te zoeken, met uitdrukkelijk bevel, niet +zonder haar terug te komen. Na lang zwerven kwam hij te Delphi en +kreeg daar een orakel, dat hij zijne zuster niet verder zoude zoeken, +maar dat hij een koe moest volgen en op de plaats, waar zij zich zoude +neerleggen, een stad moest stichten. In Phocis vond hij de bedoelde +koe, hij volgde haar tot in Boeotië en stichtte op de aangewezen +plaats de stad Thebae. Nu wilde hij de koe offeren en zond eenige van +zijne tochtgenooten om water te halen uit eene naburige bron, die aan +Ares gewijd was; zij werden echter gedood door een draak, die de bron +bewaakte. Toen zij niet terugkwamen, ging Cadmus zelf naar de bron, +hij vond den draak en doodde hem met de hulp van Athena. Op bevel der +godin zaaide hij de tanden van het monster in den grond, uit dit zaad +kwamen gewapende mannen te voorschijn, die elkander doodsloegen op vijf +na, die Sparten (Spartoi) genoemd werden en de stamvaders der Thebanen +werden. Wegens het dooden van den draak moest Cadmus acht jaar lang +Ares dienen, daarna was de god bevredigd en gaf hij hem zijn dochter +Harmonia (z. a.) ten huwelijk. Cadmus regeerde daarna vele jaren over +Thebae; later trok hij met Harmonia naar Illyrië, waar hij koning der +Encheleers werd; op hoogen leeftijd werden beide echtgenooten in draken +veranderd en naar het Elysium overgebracht. De latere Grieken geloofden +dat Cadmus de eerste was die vreemde beschaving in Griekenland had +overgebracht; hij zou het phoenicisch letterschrift ingevoerd hebben, +het bewerken van metaal geleerd en de eerste waterleiding aangelegd +hebben.--2) van Miletus, een der oudste logografen; of hij werkelijk +bestaan heeft, wordt echter betwijfeld. + +Caduceus of caduceum, uit het aeolische karykeion = kerykeion ontstaan, +in het algemeen de herautenstaf, een olijftak met een witten band +omwonden. In het bizonder wordt daarmede de staf bedoeld, dien +Hermes of Mercurius als bode der goden droeg. Deze staf was met twee +slangen omstrengeld en wordt somtijds van boven met een paar vleugels +voorzien. Mercurius wordt bij de dichters vaak caducifer genoemd. + +Caducifer, bijnaam van Mercurius, als drager van den vredestaf +(caduceus). + +Cadurci, volk in Gallia Transalpina, met de hoofdstad Divona (Cahors) +aan den Oltis (Lot), een zijtak van den Garumna. + +Cadusii, Kadousioi, krijgszuchtig bergvolk in Media, ten Z.W. der +Caspische zee. + +Cadytis, Kadytis, de zuidelijkste van de vijf bondsteden van Syria +Palaestina (het land der Philistijnen) = Gaza. + +Caeadas = Ceadas. + +Caecilia (lex), van den volkstribuun L. Caecilius Rufus (Caecilii +no. 29) einde 64 voorgesteld, doch vóór de stemming weder ingetrokken, +om aan P. Cornelius Sulla en P. Autronius Paetus, die in 65 wegens +ambitus veroordeeld waren, amnestie te verleenen en hen weder in den +senatorenstand te herstellen. + +Caecilia (lex), van den consul Caecilius Metellus Pius Scipio (Caecilii +no. 18) van 52, tot opheffing der lex Clodia de censoria notione, +z. Clodiae (leges) no. 4. + +Caeciliae (leges), van den volkstribuun Q. Caecilius Metellus Nepos, +62 (Caecilii no. 16). De wetsvoorstellen gingen echter niet door. Het +waren de volgende: 1) dat Pompeius, die toen in Azië was, in zijne +afwezigheid tot consul mocht verkozen worden;--2) dat Pompeius zou +teruggeroepen worden om de beweging van Catilina te onderdrukken. + +Caecilia Cornelia (lex) van de consuls Q. Caecilius Metellus Nepos +(Caecilii no. 16) en P. Cornelius Lentulus Spinther (Cornelii no. 50), +57, waarbij aan Pompeius voor een tijdperk van vijf jaar de cura +annonae werd opgedragen. + +Caecilia Didia (lex) de modo legum promulgandarum van de consuls +Q. Caecilius Metellus Nepos en T. Didius (98), dat 1º een wetsvoorstel +ten minste drie nundina (24 dagen) vóór de stemming moest worden bekend +gemaakt, 2º men geen twee verschillende zaken in één wetsvoorstel +mocht vereenigen (de duabus rebus non una lege coniungendis), hetgeen +gewoonlijk heet: per saturam ferre. V. a. zijn dit twee wetten. + +Caecilii. De gens Caecilia, waarvan de familie Metellus de voornaamste +is, was plebejisch. 1) Caecilius Metellus Denter, consul in 284.--2) +L. Caecilius Metellus, zoon van no. 1, consul in 251 en 247, was +in 251 op Sicilia aan het hoofd van het rom. leger, doch durfde +tegen Hasdrubal geen slag wagen uit vrees voor diens olifanten, +maar Hasdrubal viel hem het volgend jaar bij Panormus aan, en werd +verslagen, waarbij zijn olifanten in handen des overwinnaars vielen, +en bij den triumf aan het volk getoond werden. In 249 was hij magister +equitum van den dictator A. Atilius Calatinus. In 247 was hij voor +de tweede maal consul, wederom op Sicilië. In 243 werd hij pontifex +maximus; toen hij in 241 bij het afbranden van den Vesta-tempel Rome's +penaten had gered en daarbij volgens de overlevering het gezicht had +verloren, werd hem de onderscheiding toegekend, zich in een draagstoel +naar den senaat te mogen begeven.--3) Q. Caecilius Metellus, oudste +zoon van no. 2, was consul in 206, dictator comitiorum habendorum +causa in 205, vervulde later (186-184) gezantschappen bij Philippus +van Macedonia en bij de Achaeërs, en wordt door Cicero als redenaar +geprezen. Hij is het, die zich op den dichter Naevius (z. a.) om +diens vrijmoedigheid gewroken heeft.--4) L. Caecilius Metellus, +tweede zoon van no. 2, deed in 216 na den slag bij Cannae het +voorstel, Italië te verlaten, waarvoor hij door de censoren van het +jaar 214 onder de aerarii werd gebracht.--5) M. Caecilius Metellus, +derde zoon van no. 2, werd in 205 naar Azië gezonden om het beeld der +Magna Mater uit Phrygia naar Rome over te brengen.--6) Q. Caecilius +Metellus Macedonicus wordt gewoonlijk beschouwd als de oudste zoon, +maar is misschien de kleinzoon van no. 3, consul in 143, overwon +in 148 als propraetor den macedonischen kroon pretendent Andriscus, +richtte Macedonia tot provincie in (147) en versloeg vervolgens in +146 de Achaeërs bij Scarphe (Scarphea) in Locris, en streed als +consul en proconsul tegen de Celtiberiërs. Over Andriscus hield +hij een zegetocht. In 131 werd hij de eerste plebejische censor, +doch maakte zich door zijne gestrengheid vele vijanden, zoodat zelfs +de volkstribuun C. Atinius Labeo, dien hij van de senaatslijst had +geschrapt, hem van de tarpejische rots wilde laten werpen. Hij was ook +in onmin met Scipio Africanus minor. Hij bestreed Tib. Gracchus in een +heftige redevoering, en nam de wapenen op tegen C. Gracchus (121). Hij +stierf in 115.--7) L. Caecilius Metellus Calvus, broeder van no. 6, +consul in 142.--8) Q. Caecilius Metellus Balearicus, consul in 123, +oudste zoon van no. 6, overwon de zeeroovers der Balearische eilanden, +waar hij een groot bloedbad aanrichtte, en bracht rom. kolonisten +daarheen. In 121 hield hij zijn zegetocht; in 120 was hij censor.--9) +L. Caecilius Metellus Diadematus, aldus genaamd naar den haarband, +dien hij droeg om een gezwel aan het hoofd te verbergen, tweede zoon +van no. 6, was consul in 117.--10) M. Caecilius Metellus, derde zoon +van no. 6, consul in 115, zegepraalde in 111 over de Sardiniërs.--11) +C. Caecilius Metellus Caprarius, vierde zoon van no. 6, consul in 113, +censor in 102, zegepraalde in 111 over de Thraciërs.--12) L. Caecilius +Metellus Calvus Dalmaticus, oudste zoon van no. 7, consul in 119, +hield in 117 een zegetocht over de Dalmatiërs en was in 115 censor +met Cn. Domitius Ahenobarbus (Domitii no. 4).--13) Q. Caecilius +Metellus Numidicus, tweede zoon van no. 7, consul in 109, voerde den +oorlog tegen Jugurtha en zou dezen vermoedelijk tot de overgaaf hebben +genoodzaakt, zoo niet Marius uit Rome ware gekomen om het bevel over te +nemen. De senaat kende Metellus de eer van een zegetocht toe. In 102 +was hij censor, tegelijk met no. 11. Toen in het jaar 100 Appuleius +Saturninus de bezwering zijner wetten door de senaatsleden eischte +(zie Appuleiae leges), weigerde Numidicus en ging in ballingschap, +waaruit hij evenwel een jaar later werd teruggeroepen door de lex +Calidia. Hij stierf in 90, naar vermoed werd door vergif.--14) +Q. Caecilius Metellus Nepos, zoon van no. 8, was consul in 98. Zie +Caecilia Didia (lex).--15) Q. Caecilius Metellus Celer, zoon van +no. 14, was in 66 legaat van Pompeius in den mithradatischen oorlog, +in 63 praetor, in 60 consul. Als praetor redde hij Rabirius (zie +Rabirii no. 1) van eene veroordeeling en vervolgde hij Catilina. Hij +behoorde tot de tegenstanders van Pompeius en verzette zich tegen +de akkerwetten van dezen, door L. Flavius voorgesteld (zie Agrariae +leges), en van Caesar. Ook kantte hij zich tegen de adoptie van zijn +zwager P. Clodius Pulcher door een plebejer. Hij stierf plotseling +in 59, naar men vermoedde vergeven door zijne vrouw Claudia maior, +zie Claudii no. 18.--16) Q. Caecilius Metellus Nepos, jongere broeder +van no. 15, was in 67 legaat van Pompeius in den zeerooversoorlog. Hij +was een vinnig vijand van Cicero en dwarsboomde dezen zooveel mogelijk, +o. a. door als volkstribuun (10 Dec. 63-10 Dec. 62), hem te beletten, +op den laatsten dag van zijn consulaat, de gebruikelijke redevoering te +houden; Cicero mocht alleen den gewonen eed afleggen, waarop hij zwoer, +dat hij de republiek van den ondergang gered had. Zie verder Caeciliae +(leges). Toen hij zijn voorgestelde wetten door den tegenstand van +Cato (Porcii no. 8), die ook volkstribuun was, niet doorvoeren kon, +begaf hij zich naar Azië tot Pompeius, waarop hij van zijn ambt +ontzet werd. Als consul stemde hij in 57 er in toe, dat Cicero +uit zijne ballingschap zou worden teruggeroepen. Zie ook Caecilia +Cornelia (lex).--17) Q. Caecilius Metellus Pius, zoon van no. 13, aldus +bijgenaamd om zijne ouderliefde, daar hij door zijne dringende beden de +terugroeping van zijn vader uit de ballingschap bewerkte, versloeg in +den bondgenootenoorlog den aanvoerder der Marsi, Q. Pompaedius Silo +(88). Tijdens den burgeroorlog behoorde hij tot de senaatspartij; +hij voegde zich bij Sulla, toen die uit het Oosten terugkeerde, +en was met hem consul in 80; daarna werd hij naar Spanje tegen +Sertorius gezonden, waar hij tot 72 bleef, sedert 76 door Pompeius +ondersteund.--18) Caecilius Metellus Pius Scipio, aangenomen +zoon van no. 17 (zie Cornelii no. 25), bij de schrijvers nu eens +P. Scipio Nasica, dan weer Q. Metellus Scipio, ook wel P. Scipio +Metellus genoemd. Zijn werkelijke vader was P. Cornelius Scipio +Nasica, praetor in 94. Metellus Scipio was volkstribuun in 59. Zijne +poging om zich voor 52 tot consul te doen verkiezen, mislukte, daar +Pompeius consul zonder ambtgenoot werd. Toen echter Metellus aan +Pompeius zijne dochter tot vrouw gaf, werd hij gedurende nog vijf +maanden diens medeconsul. Later streed hij bij Pharsalus (48) en +bij Thapsus (46) tegen Caesar. Bij Thapsus was hij opperbevelhebber, +maar hoogst onbekwaam. Op de vlucht gevangen genomen, doodde hij zich +zelf. Hij was roofzuchtig van karakter, zelfs tempels waren voor hem +niet veilig.--19) Q. Caecilius Metellus Creticus, zoon van no. 11, +was een van de drie gebroeders Metellus, die in het proces van Cicero +tegen Verres den beklaagde steunden. Hij was het, die voor het jaar +69 met den redenaar Q. Hortensius tot consul werd gekozen. In 68 werd +hij uitgezonden om Creta te onderwerpen, dat een broeinest was van +de zeeroovers. Hij versloeg de Cretensers bij Cydonia, en nam daarop +Cydonia, Cnossus, Lyctus en andere vestingen in en streed met veel +geluk en volharding; hij legde hierbij echter zooveel wreedheid en +ruwheid aan den dag, dat de inwoners hunne onderwerping aan Pompeius +aanboden, die destijds, als opperbevelhebber in den zeerooveroorlog, +in Azië was. Metellus ging koelbloedig zijn gang, behandelde de +door Pompeius gezonden troepen als vijanden, onder wierp het eiland +na vijf jaren strijds, en richtte het in als provincie (64). Door +de catilinarische woelingen te Rome kon hij echter eerst in 62 zijn +zegetocht houden.--20) L. Caecilius Metellus, broeder van no. 19, was +Verres in 70 als stadhouder van Sicilia opgevolgd en trachtte wel, +zooveel hij kon, den Siciliërs het doorgestane leed te vergoeden, +maar bemoeielijkte toch Cicero's onderzoek op Sicilia. Hij was consul +in 68.--21) M. Caecilius Metellus, broeder van no. 19 en 20, was +voor het jaar 69 tot praetor gekozen. Daarom was er Verres zooveel +aan gelegen, dat zijn proces op de lange baan geschoven werd tot in +69.--22) L. Caecilius Metellus, zoon van no. 20, wilde als volkstribuun +in 49 Caesar beletten het aerarium open te breken. Caesar liet hem +later uit Rome verwijderen.--23) Caecilia Metella, dochter van no. 8, +huwde met App. Claudius Pulcher (Claudii no. 14), en werd de moeder +van den beruchten volkstribuun P. Clodius Pulcher.--24) Caecilia +Metella, dochter van no. 12, huwde eerst met M. Aemilius Scaurus en +hertrouwde als weduwe met L. Cornelius Sulla, die echter, toen zij ziek +werd, van haar scheidde.--25) Caecilia Metella, dochter van no. 6, +huwde met P. Cornelius Scipio Nasica Serapio (Cornelii no. 22).--26) +Caecilia Metella, ook Cornelia Metella genaamd, dochter van no. 18, +werd de vijfde vrouw van Cn. Pompeius.--27) Caecilia Metella, +dochter van no. 19, echtgenoote van M. Crassus (Licinii no. 16). Van +haar is het beroemde grafmonument aan de Via Appia, nu Capo di bove +geheeten.--28) Q. Caecilius Bassus, vurig aanhanger van Pompeius, +die na den slag bij Pharsalus naar Asia vlood en daar jaren lang te +Apamea den strijd tegen de troepen van Caesar volhield. Na Caesar's +dood sloten zijne troepen zich bij Cassius aan.--29) L. Caecilius +Rufus, halfbroeder van P. Cornelius Sulla (Cornelii no. 54), +trachtte dezen in zijne vorige rechten te herstellen; zie Caecilia +(lex). Hij ondersteunde Cicero in diens verzet tegen de akkerwet van +P. Servilius Rullus en werkte mede tot Cicero's terugroeping uit de +ballingschap.--30) Q. Caecilius Niger, uit Sicilia, quaestor onder +Verres. Tegen hem sprak Cicero zijne bekende divinatio uit.--31) +Statius Caecilius, een Insubriër van groot talent, als slaaf naar +Rome gekomen, was een beroemd blijspeldichter (180). Hij bewerkte +Grieksche stukken (palliatae) vooral van Menander. Cicero, Horatius +en Quinctilianus prijzen hem zeer. Wij hebben van zijne blijspelen +slechts fragmenten.--32) Caecilius uit Calacte op Sicilia, beroemd +grieksch rhetor en criticus ten tijde van Augustus. + +Caecinae, eene gens, uit de etruscische stad Volaterrae afkomstig. 1) +A. Caecina, door Cicero in 69 in een proces over de erfenis van +een landgoed verdedigd.--2) A. Caecina, een zoon van no. 1, was +bevriend met Pompeius en Cicero. Een beleedigend geschrift tegen +Caesar was oorzaak van zijne verbanning, doch later verzoende hij +zich met Caesar.--3) Caecina Volaterranus een vriend van Octavianus, +werd door dezen gebruikt als onderhandelaar met Antonius (44).--4) +A. Caecina Severus, een beproefd en dapper veldoverste, die met goed +gevolg tegen de Bato's in den pannonisch-dalmatischen opstand streed +(6 en 7 na C.). In 14 n. C. was hij legatus van Germania Inferior +onder het opperbevel van Germanicus, en wist hij het oproer van +het leger niet te beteugelen; eerst aan Germanicus gelukte dit door +toegevendheid. Hij neemt deel aan alle veldtochten van Germanicus +(14-16), en verwerft in 16 de triumphalia insignia.--5) A. Caecina +Alienus, quaestor in Baetica (68 n. C.), sloot zich bij Galba aan, maar +weldra wegens een veroordeeling op hem verbitterd, wist hij (Jan. 69) +met Fabius Valens te bewerken, dat Vitellius door de soldaten aan +den Rijn tot keizer werd uitgeroepen. Hij trekt daarop met 30.000 man +naar Italia, terwijl hij onderweg de Helvetiërs tuchtigt. Bij Cremona +wordt hij eerst door de Othoniani onder Suetonius Paulinus verslagen; +toen later Fabius Valens met een ander leger zich bij hem gevoegd had, +versloegen ze samen de Othoniani bij Bedriacum. Van Vitellius liep +hij tot Vespasianus over, doch werd later, wegens samenzwering tegen +dezen in 75 op last van Titus ter dood gebracht.--6) Caecina Paetus, +zie Arria. + +Caecubus ager, streek aan de zuidelijke grenzen van Latium, tusschen +den lacus Fundanus en de zee, wel moerassig, doch beroemd om den +voortreffelijken wijn, die er geteeld werd. + +Caeculus, italiaansch heros, zoon van Vulcanus, stichter van Praeneste. + +Caeles Vibenna, een etruscisch hoofd, die onder de regeering van +Romulus (of later) naar Rome verhuisde en zich op den caelischen +berg nederzette. + +Caelia (lex), tabellaria van den volkstribuun L. Caelius, 107, +z. Tabellariae (leges). + +Caelii, plebejisch geslacht. 1) L. Caelius Antipater, tijdgenoot der +Gracchen, rom. annalist, beschreef den tweeden punischen oorlog.--2) +C. Caelius Caldus, volkstribuun in 107, was de maker der lex Caelia +tabellaria. In 94 was hij consul. Later streed hij in Hispania +tegen Sulla en Pompeius, die hem versloeg.--3) C. Caelius Caldus, +kleinzoon van no. 2, volgde Cicero op als stadhouder van Cilicia.--4) +M. Caelius Rufus, leerling van Cicero in de welsprekendheid, werd +door dezen tegen eene aanklacht van ambitus met goed gevolg verdedigd +(56). In 52 was hij volkstribuun en verzette zich krachtig tegen de +democratische woelingen; zelfs bewerkte hij de verbanning van den +woelzieken Q. Pompeius Rufus (zie Pompeii no. 5). Toen de burgeroorlog +losbarstte, koos C. de zijde van Caesar; doch toen hij als praetor in +48 zich door dezen verongelijkt achtte, poogde hij in Zuid-Italië een +oproer te verwekken, bij welke poging hij bij Thurii gedood werd. Hij +was iemand van losse zeden (bekend is zijn liaison met Clodia), die +wel eene aangevatte zaak met kracht kon doorzetten, maar verre van +beginselvast was. Zijne briefwisseling met Cicero is zeer belangrijk +voor de kennis van dit tijdperk. Als redenaar was hij niet zonder +naam. Catullus valt hem heftig aan in zijn gedichten.--5) Caelius +Aurelianus, geleerd rom. geneeskundige uit de 5de eeuw na C. te Sicca +in Numidia geboren, van wien nog geschriften bestaan.--6) Caelius +Apicius, zie Apicii.--7) D. Caelius Calvinus Balbinus, z. Balbinus. + +Caelius mons, een der bergen, waarop Rome was gebouwd. Het was een der +zeven bergen uit den tijd van het Septimontium, zie Roma. De tweede der +veertien wijken of regiones, waarin Rome door Augustus werd verdeeld, +heette naar dezen berg Caelimontium. + +Caena = coena. + +Caeneus, Caenis, Kaineus, Kainis, dochter van Elatus en Hippea; zij +werd door Poseidon bemind, en op haar wensch, waarvan de god haar +de vervulling vooraf had toegezegd, werd zij in een man veranderd en +bovendien onkwetsbaar gemaakt. Caeneus was een van de Argonauten en +van de calydonische jagers; in het gevecht tusschen de Centauren en +Lapithen op de bruiloft van Pirithoüs werd hij door de Centauren, +daar zij hem niet konden wonden, onder boomstammen bedolven en zoo +gedood, v. a. vloog hij als een vogel van onder den houtstapel op. + +Caeni, Kainoi, thracische volksstam aan de Propontis (zee v. Marmara). + +Caenina, oude stad van Latium, tusschen Rome en Tibur, in ouden tijd +bij Rome ingelijfd. + +Caeparius (M.), deelgenoot aan de samenzwering van Catilina, werd 5 +Dec. 63 in den kerker ter dood gebracht. + +Caepio, familienaam in de gens Servilia (Servilii no. 12-18). Aangaande +Q. Caepio Brutus z. Junii no. 9. + +Caere, door de Grieken Agylla genoemd, oude stad in het Z. van +Etruria, eene der 12 etruscische bondssteden, reeds vroeg machtig en +bloeiend. Toen de Galliërs in 390 op Rome lostrokken, verleende Caere +een wijkplaats aan de vestaalsche maagden en de romeinsche priesters +en verkreeg daarvoor het rom. gastrecht. In 353 evenwel met Rome in +onmin geraakt, verloor het de helft van zijn gebied, terwijl aan de +inwoners het mindere burgerrecht, zonder het ius suffragii en het ius +honorum, opgedrongen werd. Zie ook het volgend artikel. Onder Sulla +werd Caere eene soldatenkolonie. + +Caerites, inwoners van Caere. Toen hun het mindere burgerrecht +gegeven werd (zie Caere), werden zij in den toestand van aerarii +gebracht. Vandaar zijn de uitdrukkingen in tabulas Caeritum referri, op +de lijst der Caeriten gebracht worden, en aerarium fieri synoniem. De +Caerites behoorden tot de minste klasse der municipes (zie Municipium), +daar ze geen eigen bestuur en eigen ambtenaren hadden. + +Caerosi, germaansche volksstam aan de Maas in Belgica. + +Caesar, Kaisar, familienaam in de gens Iulia, zie Iulii. Na Augustus +evenwel wordt deze naam een titel van de prinsen der keizerlijke +familie, hetzij zij er door geboorte of adoptie toe behoorden. Hoewel +de eerste keizers tot en met Nero door adoptie tot de gens Iulia kunnen +gerekend worden, werd toch de gentielnaam Iulius slechts zelden door +hen gebruikt. Tiberius begon er mede, den naam Caesar als titel te +dragen en weigerde alle andere titels. Na Vitellius, die den titel +Caesar weigerde, werd Caesar de vaste keizerstitel, die dan vóór den +eigennaam werd geplaatst, terwijl de vermoedelijke erfgenaam van den +troon sedert Hadrianus den titel achter zijn eigennaam voerde. Sedert +de staatsregeling van Diocletianus (z. a.) is Caesar de naam van den +onderkeizer (hulpkeizer). + +Caesaraugusta, vroeger Salduba, thans Saragossa, stad der Edetani, +aan den Iberus (Ebro), sedert Augustus rom. kolonie. + +Caesarea, Kaisareia, naam van een aantal steden, ter eere van dezen +of genen romeinschen keizer aldus genoemd. De voornaamste zijn: 1) +Caesarea ad Argaeum, vroeger Mazaca, oude residentie der cappadocische +koningen en door Tiberius tot hoofdstad der rom. provincie Cappadocia +verklaard. Het lag aan den mons Argaeus.--2) Caesarea Palaestinae, +op de kust gelegen, vroeger Stratonis turris, door Herodes vergroot +en verfraaid en ter eere van Augustus Caesarea genoemd (10 of 9). Het +was de zetel der romeinsche stadhouders en sedert de verwoesting +van Jerusalem hoofdstad der provincie Judaea.--3) Caesarea Paneas +of Philippi, door den viervorst Philippus, zoon van Herodes, nabij +de bron van den Jordaan uitgebreid en vergroot, en sedert naar hem +genoemd.--4) Caesarea ad Libanum, zie Arca.--5) Caesarea Mauretaniae, +vroeger Iol, door koning Juba herdoopt ter eere van Augustus, later +rom. kolonie en hoofdstad der provincie Mauretania Caesariensis.--6) +Caesarea in Phrygia, vroeger Antiochia ad Pisidas (z. Antiochia no. 3). + +Caesarion, Kaisarion, zoon van C. Julius Caesar en Cleopatra, in 47 +geb. Toen Antonius hem tot zoon en erfgenaam van Caesar had verklaard +en tot mederegent van Aegypte had benoemd, liet Octavianus na den +slag bij Actium den jongen Caesarion ombrengen (30). + +Caesarodunum, thans Tours, hoofdst. der Turones aan den Liger (Loire). + +Caesennius Paetus (L.), veldheer van Nero, streed ongelukkig tegen +de Parthen (62 n. C.). + +Caesetius Flavus (L.), volkstribuun in 44. Hij was een tegenstander +van Caesar, die hem hierom met zijn ambtgenoot L. Epidius Marullus +uit den senaat stiet en uit zijn ambt ontzette. + +Caesia silva, een bergachtige streek in Germania tusschen de Luppia +(Lippe) en de Isala (Geld. IJsel). + +Caesii. Uit de gens Caesia zijn geen beroemde mannen bekend. De +lierdichter Caesius Bassus was een vriend van den satirendichter +A. Persius Flaccus. + +Caestus, lederen riemen met looden knoppen er in, waarmede men zich +de handen omwond voor het vuistgevecht. + +Caetra, zie Cetra. + +Caicus, Kaikos, rivier in Mysia, ontspringt op den Temnus, stroomt +op niet grooten afstand voorbij de stad Pergamus en valt in de +Aegaeïsche zee. + +Caieta, thans Gaëta, kaap en zeestad van Latium in het land der +Aurunci, genaamd naar Caieta, Aeneas' voedster, die daar begraven +werd. Hier had Cicero een villa. + +Calabra (curia), z. Curia Calabra. + +Calabria, Kalabria, niet het thans onder dezen naam bekende gewest, +maar het zuidoostelijke schiereiland van Italia, tegenwoordig Terra d' +Otrante genoemd. Iapygia Messapia, Sallentina zijn oude namen voor +deze streek. De naam Calabria komt eerst op na de verovering door +de Romeinen. Brundisium en Tarente zijn de noordelijkste steden. In +ouden tijd was deze thans zoo verwaarloosde uithoek niet onvruchtbaar, +hoewel men dikwijls met gebrek aan water had te kampen. Sedert de +verovering door de Romeinen neemt de bevolking af. Augustus vereenigde +Calabria met Apulia tot de tweede regio Italiae. + +Calacte, Kale akte, stad op de Noordkust van Sicilia. + +Calagurris Nasica, thans Calahorra, stad in Tarraconensis aan +den Iberus (Ebro) in het land der Vascones, geboorteplaats van +Quinctilianus. + +Calais, Kalaïs, en Zetes, de gevleugelde zonen van Boreas en +Orithyia (Boreadae, Boreadai). Op den Argonautentocht kwamen zij +te Salmydessus en bevrijdden daar hunne zuster Cleopatra, die met +hare kinderen door haar gemaal, koning Phineus, gevangen gehouden +werd. V. a. bevrijdden zij Phineus van de Harpyiën en kwamen zij +om terwijl zij deze vervolgden. Of zij werden door Heracles gedood, +omdat zij voornamelijk bewerkt hadden, dat hij op den Argonautentocht +in Mysië werd achtergelaten. + +Calamis, Kalamis, beroemd atheensch beeldhouwer omstreeks 460; zijne +beelden stelden zoowel goden als menschen en dieren voor, en muntten +uit door kracht en tevens bevalligheid. + +Calantica, calautica of calvatica, kredemnon, vrouwenmuts, voornamelijk +gedragen door oude dames, die niet veel haar meer hadden. + +Calanus, Kalanos, een gymnosophist, dien Alexander uit Indië medenam; +toen hij te Susa ziek werd, maakte hij vrijwillig op den brandstapel +een einde aan zijn leven. Zooals hij voorspeld had, stierf Alex. kort +daarna. + +Calaris = Caralis. + +Calatia, stad in Campania tusschen Capua en Beneventum. + +Calatores, eigenlijk roepers om iemand te ontbieden, in het bizonder +dienaren der pontifices, die bij de godsdienstige plechtigheden de orde +moesten handhaven en bij de comitia calata het volk opriepen. Later +werden ze pontifices minores. + +Calauria, -rea, Kalauria, -reia, eiland op de kust van Argolis, +tegenover Troezen, met een beroemden Poseidon-tempel, waar de redenaar +Demosthenes in 322 zich door vergif van het leven beroofde. + +Calautica = Calantica. + +Calchas, Kalchas, zoon van Thestor uit Mycenae of Megara, beroemd +vogelwichelaar die de Grieken naar Troje vergezelde. Ingevolge +zijne uitspraken werd Iphigenia aan Artemis geofferd en Chryseis aan +haar vader teruggegeven, ook had hij den langen duur van den oorlog +voorspeld. Na den oorlog ontmoette hij te Colophon Mopsus, die hem +als wichelaar overtrof, waarom hij van verdriet stierf of zich uit +spijt doodde. In Apulië had hij een heiligdom met een orakel. + +Calchedon = Chalcedon. + +Calceus. De ouden kenden sandalen, pantoffels, schoenen en laarzen. De +calceus is een schoen, die vastgestrikt of geregen wordt. De calceus +senatorius had kruisbanden, die om den voet en de kuit werden +gebonden. Men vindt de uitdrukking calceos mutare wel gebruikt voor: +senator worden. Vóór op den senatorsschoen was een halfmaantje van +ivoor, lunula, aangebracht. De calceus behoorde bij de toga; wanneer +men deze laatste aflegde en tegen huiskleeding verwisselde, trok men +ook de schoenen uit en deed sandalen of pantoffels aan. + +Calculus Minervae, de stem waarmede Athena, toen Orestes voor den +Areopagus terechtstond en de stemmen staakten, zich ten gunste van +den aangeklaagde verklaard had. Vandaar werd de uitdrukking gebruikt, +wanneer een aangeklaagde bij staking van stemmen werd vrijgesproken. + +Calda, warm water, dat, evenals frigida, koud water, steeds gereed +gehouden werd, om onder den wijn te mengen. + +Caldarium, de zweetkamer in eene badinrichting. Zie Balneum. + +Cale, stad der Gallaeci aan den mond van den Durius (Duero), thans +Oporto. + +Caledonia, oude naam voor Schotland. Alleen het zuidelijke deel is +eenigen tijd in het bezit der Romeinen geweest. Zie Britannia. + +Calendae, meer gewoon Kalendae, de eerste dag der maand. Zie annus. + +Calendarium, het renteboek, waarin de bankiers en geldschieters de +renterekeningen met hunne klanten boekten. Hoewel de Romeinen ook +kalenders of almanakken hadden, is het woord calendarium in deze +laatste beteekenis niet klassiek. + +Calenus, familienaam in de gens Fufia. + +Cales, oude stad in het N. van Campania, latijnsche kolonie sedert +334. De wijn, vinum Calenum, die in de omstreken der stad, den ager +Calenus, geteeld werd, behoorde tot de voortreffelijkste van Italië. + +Caletes of Caleti, een volk aan de kust van Belgica, aan den mond +der Sequana (Seine), met de steden Carocotinum (Hâvre de Grace) +en Juliobona (Lillebonne). + +Calidia (lex), 99, van den volkstribuun Q. Calidius (z. Calidii no. 1). + +Calidii, plebejisch geslacht. 1) Q. Calidius bewerkte in 99 als +volkstribuun de terugroeping van Q. Caecilius Metellus Numidicus +(Caecilii no. 13) uit de ballingschap. Uit dankbaarheid steunde de +zoon van Numidicus, Metellus Pius, met alle kracht later (in 80) de +candidatuur van Calidius voor het praetorschap.--2) M. Calidius, zoon +van no. 1, ijverde als praetor in 57 voor de terugroeping van Cicero +uit de verbanning. Later (begin 49) werd hij door Caesar aangesteld +tot stadhouder in Gallia Cisalpina, waar hij weldra gestorven is. Hij +was een zeer bekwaam redenaar. + +Caligae, soldatenlaarzen, met dikke zolen met spijkers. Zij waren op +den voet geheel gesloten. + +Caligula, romeinsch keizer, 37-41 na C. Zijn eigenlijke naam was +Gaius Caesar, maar van jongs af werd hij Caligula genoemd, omdat hij +als kind in de legerplaats zijns vaders soldatenlaarsjes droeg. Zijn +vader was de beroemde Germanicus, de zoon van Drusus; zijne moeder +Agrippina was de dochter van M. Vipsanius Agrippa, die met Augustus' +dochter Julia was gehuwd. Caligula regeerde gedurende de eerste acht +maanden zacht en rechtvaardig, doch vervolgens als een waanzinnige +wreedaard. Hij omgaf zijn lievelingspaard met een hofstoet en wilde +het tot consul doen verkiezen, hij beschouwde zichzelf als een god, +gaf zich aan dierlijken wellust over, moordde en plunderde rechts en +links, tot hij eindelijk met zijne booze gemalin Caesonia en zijne +dochter door Cassius Chaerea werd omgebracht (24 Jan. 41). + +Callaïci = Gallaeci. + +Callatis, Kallatis, grieksche volkplanting in Moesia aan den Pontus +Euxinus (Zwarte zee). + +Callias, Kallias, naam van verscheiden leden van een adellijk atheensch +geslacht, dat van Triptolemus heette af te stammen en waarin de +waardigheid van fakkeldrager (dadouchos) bij de eleusinische mysteriën +erfelijk was. Hiertoe behooren o. a. 1) Callias, zoon van Hipponicus +no. 2, de rijkste Athener van zijn tijd; hij streed bij Marathon en +onderhandelde in 449 met Perzië over den zgn. cimonischen vrede.--2) +zijn kleinzoon Callias, zoon van Hipponicus no. 3, een lichtzinnig +mensch, berucht door zijne zedelooze leefwijze, waardoor hij zijn +groot vermogen verkwistte en in zijne laatste jaren gebrek leed. Ook +aan het huisvesten en gastvrij onthalen van de sophisten, die Athene +bezochten, moet hij veel geld besteed hebben. Hij diende in 391 onder +Iphicrates en werd later (371) als gezant naar Sparta gezonden.--Niet +tot dit geslacht behooren: 3) Callias, zoon van Calliades, die in 432 +als veldheer voor Potidaea sneuvelde.--4) tyran van Chalcis omstreeks +350. Om zich van geheel Euboea meester te maken, wendde hij zich eerst +om hulp tot Philippus van Macedonië, later tot Thebe, eindelijk tot +Athene, waarmede hij vroeger in oorlog was geweest. Hier vond hij +steun bij Demosthenes en inderdaad werd hem hulp gezonden, doch het +plan gelukte niet. Later leefde hij te Athene, waar hij het burgerrecht +kreeg.--5) atheensch blijspeldichter, jonger tijdgenoot van Cratinus, +schrijver van zes blijspelen, waarvan enkele fragmenten bewaard +zijn. Dezen Callias of een naamgenoot wordt een werk toegeschreven, +grammatike tragodia genoemd, over welks inhoud niets bekend is.--6) +van Syracusae, schrijver van een werk over het leven van Agathocles. + +Callibius, Kallibios, bevelhebber der Spartanen, die tijdens de +regeering der dertig te Athene in bezetting lagen. + +Callicles, Kallikles, beroemd atheensch beeldgieter, tijdgenoot +van Pericles. + +Callicrates, Kallikrates, 1) een der bouwmeesters van het +Parthenon. Ook de lange muren naar den Piraeus zijn door hem +gebouwd.--2) syracusaansch veldheer, die in 415 in den oorlog tegen +Athene sneuvelde.--3) van Tyrus, beschreef omstreeks 280 na C. het +leven van keizer Aurelianus. + +Callicratidas, Kallikratidas, volgde in 406 Lysander als +opperbevelhebber der spartaansche vloot op. In karakter en in zijne +opvatting van de wijze, waarop de oorlog behoorde gevoerd te worden, +verschilde hij van zijn voorganger, daarom vond hij bij diens vrienden, +ook bij Cyrus, in het begin veel tegenwerking. Toch wist hij spoedig +de algemeene achting te verwerven en middelen te vinden om zijn +vloot uit te breiden. Het gelukte hem, Conon met veertig schepen in +de haven van Mytilene in te sluiten, nadat hij hem dertig ontnomen +had. De Atheners zonden daarop honderd vijftig schepen om Conon te +ontzetten, en in den beroemden slag bij de Arginusische eilanden viel +Callicr. van zijn schip en verdronk. + +Callicula, niet hooge berg in Campania, bij Casilinum, ten Z. of +Z. O. van Cales. + +Callidromus, Kallidromos, oostelijke tak van het Oeta-gebergte, +met den bergpas Thermopylae. + +Callifae, stad der Hirpini in Samnium, tegelijk met Rufrae en Allifae +door Livius vermeld, maar verder niet bekend. + +Callimachus, Kallimachos, 1) van Aphidnae, sneuvelde als polemarch +bij Marathon.--2) van Corinthe, beroemd beeldhouwer, bouwmeester +en schilder (omstreeks 400 of vroeger). Hem wordt de uitvinding van +het corinthisch kapiteel toegeschreven.--3) van Cyrene (± 310-235), +afstammeling der Battiaden, studeerde te Athene en leefde daarna +te Alexandrië, waar hij waarschijnlijk gedurende eenigen tijd +hoofd der koninklijke bibliotheek was. Door zijne veelomvattende +geleerdheid en groote werkzaamheid heeft hij grooten invloed op de +studiën zijner tijdgenooten en navolgers uitgeoefend; de voornaamste +taalkundigen, Eratosthenes, Aristophanes van Byzantium, e. a., +waren zijne leerlingen en het aantal zijner werken in proza en +poëzie wordt op 800 geschat. Hoewel zijne gedichten vooral door de +Romeinen ten zeerste bewonderd en dikwijls nagevolgd werden, toonen +de weinige die overgebleven zijn meer geleerdheid dan kunst. Tot de +meest bekende gedichten behoorden de Atia, waarin o. a. de beroemde +roman van Acontius (z.a.) en Cydippe, nu gedeeltelijk teruggevonden, +de Hecale, waarvan ook fragmenten gevonden zijn, en de coma Berenices, +dat door Catullus vertaald is; geheel bewaard gebleven zijn 6 hymnen +en vele epigrammen, opgenomen in de Anthologia Palatina. Onder +zijn prozawerken is van beteekenis een beredeneerde catalogus der +alexandrijnsche bibliotheek (Pinakes), waardoor de grondslag gelegd +werd voor de beoefening van de geschiedenis der letterkunde. + +Callimedon, Kallimedon, Athener, om zijne leelijkheid en zwelgerij +dikwijls bespot. Hij behoorde tot de macedonische partij en vluchtte +daarom na den dood van Alexander uit Athene, maar werd na afloop +van den lamischen oorlog door Antipater teruggebracht. Toen Phocion +veroordeeld werd, vond hij het echter geraden de stad voor goed +te verlaten. + +Callinicus, Kallinikos, bijnaam van Heracles, hem door Telamon gegeven +toen zij te zamen Troje veroverd hadden. + +Callinus, Kallinos, van Ephesus, de oudste elegische dichter +der Grieken uit de eerste helft der zevende eeuw. Hij dichtte +krijgsliederen. + +Calliope, Kalliope, oudste der Muzen, godin der epische poëzie. Zij +wordt afgebeeld met wastafeltjes in de eene en een schrijfstift in +de andere hand. + +Calliphon, Kalliphon, grieksch wijsgeer, die als het doel van het leven +beschouwde, de vereeniging van genot en zedelijkheid. Hij leefde in +de tweede eeuw en behoorde waarschijnlijk tot de peripatetische school. + +Callipolis, Kallipolis, 1) stad op de Oostkust van Sicilia, nabij den +Aetna, ten N. van Tauromenium.--2) stad op de thracische Chersonesus +tegenover Lampsacus, thans Gallipoli. Nog meer steden droegen dezen +naam. Zie ook Callium. + +Callippus, Kallippos, Athener, vriend van Plato, was aanvankelijk +een van de partijgenooten van Dio; later liet hij hem, steunend op de +algemeene ontevredenheid met zijne regeering, verraderlijk vermoorden +(353). Daarna nam hij zelf de regeering in handen, die hij echter +slechts een jaar behield. Z. Dio. + +Callipygus, Kallipygos, "met schoone billen", bijnaam van Aphrodite. De +beelden van deze godin hadden de kleederen tot boven de heupen +opgeschort. + +Callirrhoë, Kallirroe, 1) dochter van Oceanus, moeder van Echidna +en Geryon.--2) dochter van Achelous, z. Alcmaeon.--3) dochter +van Scamandrus, moeder van Ilus. Assaracus en Ganymedes.--4) een +calydonisch meisje; daar zij de liefde van Coresus, een priester van +Dionysus, versmaadde, strafte deze god alle calydonische vrouwen met +waanzin. Om deze ramp af te wenden moest Call. volgens een orakel door +Coresus geofferd worden, doch deze doodde zichzelf in hare plaats, +waarop Call. zich in eene bron stortte, die sedert haar naam droeg.--5) +bron te Athene, in de nabijheid van het Olympieum, aan de overzijde van +den Ilisus, die, sedert Pisistratus hier een brongebouw stichtte met +9 afzonderlijke waterkranen, ook Enneakrounos genoemd wordt. Anderen +nemen aan, dat de Enneakrounos onderscheiden moet worden van de +Callirrhoë, en aan de W.-zijde van de Acropolis gelegen heeft. Uit +de Callirrhoë werd het water voor het bruidsbad gehaald. + +Calliste, Kalliste, oude naam van het eiland Thera. + +Callisthenes, Kallisthenes, 1) van Olynthus, bloedverwant van +Aristoteles, die hem tegelijk met Alexander onderwijs gaf; later +leefde hij te Athene, waar hij geschiedenis en natuurlijke historie +beoefende. Hij voegde zich later bij Alexander op diens tocht +door Azië, maar nam hem door zijne vrijmoedigheid zoo tegen zich +in, dat deze hem zelfs van medeplichtigheid aan eene samenzwering +betichtte en gevangen liet zetten (327) en hem v. s. liet ter dood +brengen. Hij beschreef in verscheiden werken, waarvan de bekendste +waren de Hellenika, de geschiedenis van zijn tijd en werd door latere +schrijvers dikwijls geraadpleegd. Het eenige overgebleven werk dat +zijn naam draagt, de bekende Alexanderroman, is zeker onecht.--2) +atheensch redenaar van de anti-macedonische partij, die bij het +einde van den heiligen oorlog (z. Phocis) maatregelen nam om de +stad te verdedigen; hij was een van de redenaars, wier uitlevering +door Alexander geëischt werd. Later werd hij genoemd als een van de +personen, die zich door Harpalus hadden laten omkoopen. + +Callisto, Kallisto, dochter van den arcadischen koning Lycaon, trouwe +jachtgezellin van Artemis. Bij Zeus, die haar onder de gedaante van +Artemis bezocht, werd zij moeder van Arcas, waarop zij in een berin +veranderd werd, hetzij door Hera uit wraak, hetzij door Zeus om haar +voor Hera te verbergen. Zie Arcas.--Ook Artemis zelve had in Arcadië +den bijnaam van Callisto. + +Callistratus, Kallistratos, 1) een tooneelspeler, die in de stukken van +Aristophanes optrad. Onder zijn naam liet Arist. twee van zijn eerste +stukken opvoeren. Vgl. Philonides.--2) van Aphidnae, een redenaar, die +bij de Atheners in hoog aanzien stond en wiens roem Demosthenes bewoog +zich op de studie der welsprekendheid toe te leggen. Hij was vooral +werkzaam bij de organisatie van den tweeden attischen zeebond; zijne +bekwaamheid als staatsman toonde hij ook in de tijden van de opkomst +der thebaansche hegemonie. Als strateeg was hij in 377 de ambtgenoot +van Timotheüs en Chabrias, in 373 van Chabrias en Iphicrates, ook +was hij de voornaamste bewerker van den vrede, die in 371 tusschen +de Atheners en Lacedaemoniërs gesloten werd. Later is hij door de +Atheners ter dood veroordeeld, in ballingschap gegaan en bij zijne +terugkomst ter dood gebracht (± 355).--3) leerling van Aristophanes +van Byzantium, schrijver van eenige met roem genoemde werken over +Homerus, Euripides, e. a. oude dichters. Hij leefde omstreeks 150.--4) +sophist uit de derde eeuw na C., die in een smakeloos geschreven werk, +ekphraseis, beschrijvingen gaf van eenige standbeelden. + +Callistus (C. Julius), vrijgelatene van keizer Caligula, nam deel aan +de samenzwering tegen hem, en was onder keizer Claudius een van de +invloedrijke vrijgelatenen (a libellis). Hij was een tegenstander van +Messalina. Een vermakelijk verhaal vertelt Seneca, hoe de vroegere +eigenaar van Callistus, een aanzienlijk Romein, bij den nieuwen +minister op audientie ging, maar aan de deur afgewezen werd. + +Callium, Kallion, ook Callipolis geheeten, stad in het N. O. van +Aetolia. + +Calor, rivier in Samnium, waaraan Beneventum lag, zijtak van den +Vulturnus. + +Calpe, Kalpe, tgw. Gibraltar, kaap aan het fretum Gaditanum (straat +van Gibraltar), met den tegenoverliggenden berg Abyla, de zuilen van +Hercules genoemd. Beide zijn oud-phoenicische nederzettingen. + +Calpurnia (lex) van 121, van den volkstribuun L. Calpurnius Bestia +(Calpurnii no. 14) tot terugroeping van P. Popillius Laenas uit +zijne ballingschap. + +Calpurnia (lex) de repetundis van 149, van den volkstribuun +L. Calpurnius Piso Frugi (Calpurnii no. 2), de eerste wet tegen +afpersingen, door rom. overheden in de provinciën gepleegd. Tevens +werd door deze wet de eerste quaestio perpetua ingesteld. + +Calpurnia (lex) de ambitu, van den consul C. Calpurnius Piso (67), +bedreigt ambitus met boete en levenslange uitsluiting van ambten. Zie +ook Acilia Calpurnia (rogatio). + +Calpurnii, een plebejisch geslacht, waartoe o. a. de familiën +Piso, Bestia, en Bibulus behoorden. 1) C. Calpurnius Piso overwon +als propraetor (185) in Hispania de Lusitaniërs en Celtiberiërs +en hield in 184 een triumftocht.--2) L. Calpurnius Piso, om zijne +onkreukbare rechtschapenheid Frugi bijgenaamd, volkstribuun in 149, +z. Calpurnia (lex) de repetundis. In 136 streed hij als praetor, +in 133 als consul zonder veel gevolg tegen de opgestane slaven op +Sicilia. Hij schreef annales, die Livius nog gekend heeft, en die +de rom. geschiedenis van Aeneas' aankomst in Italia tot op zijn +eigen tijd behelsden.--3) L. Calpurnius Piso Frugi, zoon van no. 2, +diende met eer onder zijn vader in den slavenoorlog (133), en stierf +als stadhouder van Hispania (112).--4) Cn. Calpurnius Piso, aanhanger +van Catilina, in 65 als quaestor pro praetore naar Hispania gezonden, +werd door spaansche ruiters, die in zijn leger dienden, omgebracht +(64).--5) M. Calpurnius Piso streed onder Pompeius tegen Mithradates +en was in 61 consul. Hij was door zekeren Pupius geadopteerd en heette +toen M. Pupius Piso Calpurnianus of M. Pupius Piso Frugi. Hij was een +goed redenaar.--6) Cn. Calpurnius Piso, zoon van no. 5, was een echt +republikein en streed na Caesars dood onder Brutus en Cassius. In 23 +was hij consul.--7) Cn. Calpurnius Piso, zoon van no. 6, had met groote +hardheid het stadhouderschap over Hispania gevoerd, en werd later +(18 n. C.) door keizer Tiberius naar Syria gezonden, waar de dood +van Germanicus (10 Oct. 19) op zijne rekening werd gesteld. Piso, +die het bericht van Germanicus' dood te Cos ontving, keerde naar +Syria terug, en wilde met geweld zich weder van de provincie meester +maken. De beschuldiging, dat hij G. zou vergiftigd hebben, kon hij, +voor den senaat ter verantwoording geroepen, gemakkelijk weerleggen, +niet echter het feit, dat hij met geweld zich van de prov. Syria had +willen meester maken. Derhalve vond men hem met afgesneden hals in zijn +bed.--8) L. Calpurnius Piso Caesoninus, consul in 112, sneuvelde in +107 als legaat samen met den consul L. Cassius Longinus (Cassii no. 3) +tegen de Tiguriners, een deel der Helvetiërs.--9) L. Calpurnius Piso +Caesoninus, kleinzoon van no. 8, werd de schoonvader van Caesar, met +wiens hulp hij in 58 consul werd. Hij was een tegenstander van Cicero, +van wien nog eene redevoering in L. Pisonem bestaat.--10) L. Calpurnius +Piso Frugi, een zeer rechtschapen man, praetor tegelijk met Verres, +wiens tegenstander hij was. Hij was een vriend van Cicero.--11) +C. Calpurnius Piso Frugi, zoon van no. 10, verloofde zich in +66 met Cicero's dochter Tullia, en ijverde in 57 voor Cicero's +terugroeping. Hij stierf nog voordat Cicero uit de ballingschap +teruggekeerd was.--12) C. Calpurnius Piso, smeedde eene samenzwering +tegen Nero en bracht zich zelf om, toen zij ontdekt was (65 n. C.)--13) +C. Calpurnius Piso Licinianus, door keizer Galba tot zijn opvolger +bestemd, werd door de lijfwacht vermoord.--14) L. Calpurnius Bestia, +volkstribuun in 121, z. Calpurnia (lex). In 111 was hij consul; +hij voerde in Africa oorlog tegen Jugurtha, maar liet zich weldra +omkoopen, en sloot een onvoordeeligen vrede met hem. Hij werd hiervoor +later veroordeeld.--15) L. Calpurnius Bestia, aanhanger van Catilina +en Cicero's vijand.--16) Een andere L. Calpurnius Bestia werd in 56 +door Cicero verdedigd tegen eene aanklacht wegens ambitus. De oratio +pro Bestia is verloren.--17) M. Calpurnius Bibulus was tegelijk met +Caesar aedilis in 65, praetor in 62, consul in 59. Hij was een van de +voorvechters der aristocratie, doch tegen Caesar niet opgewassen. In +51 verwierf hij zich als stadhouder van Syria grooten naam door zijn +uitstekend bestuur. In den burgeroorlog voerde hij het bevel over +Pompeius' vloot.--18) M. Calpurnius Bibulus, jongste zoon van no. 17, +streed bij Philippi onder Brutus, was later legaat van Antonius in +Syria, waar hij stierf (32). + +Calumnia, het opzettelijk doen eener valsche aanklacht tegen een +onschuldige. Actio calumniae is de actie, die de vrijgesproken +beklaagde tegen den valschen aanklager kan instellen, iusiurandum +calumniae de eed van den aanklager, dat hij werkelijk zijne tegenpartij +schuldig acht en de aanklacht te goeder trouw doet. Wie van calumnia +overtuigd werd, kreeg een letter (waarschijnlijk K) op het voorhoofd +ingebrand, volgens eene lex Remmia, onzeker van wien en van welk jaar. + +Calva, bijnaam van Venus; onder dezen naam werd haar een tempel gewijd, +toen in den gallischen oorlog de rom. vrouwen zich de haren afsneden om +pezen voor de bogen te laten maken. V. a. beteekent Calva de grillige +of bedriegelijke. + +Calvatica = Calantica. + +Calvinus, familienaam in meer dan ééne gens: 1) Cn. Domitius Calvinus, +tijdgenoot van Caesar, zie Domitii no. 15.--2) C. Sextius Calvinus, +zie Sextii no. 3.--3) T. Veturius Calvinus, zie Veturii no. 6.--4) +D. Caelius Calvinus Balbinus, zie Balbinus. + +Calvisii. 1) C. Calvisius Sabinus was in den burgeroorlog legaat +van Caesar en bestuurde vervolgens Africa (45). Na Caesars dood zond +Antonius hem naar zijn stadhouderschap terug, doch de senaat droeg +Africa op aan Q. Cornificius, zoodat Calvisius van de provincie +geen bezit kon nemen. In 39 was hij consul, in 38 admiraal van de +vloot van Octavianus in den oorlog tegen S. Pompeius, maar werd in +37 afgezet.--2) een andere C. Calvisius Sabinus, oud-consul, komt +onder de slachtoffers van Caligula voor (39 n. C.). + +Calvus, familienaam in de gens Licinia. Voor den dichter Calvus +z. Licinii no. 6. Ook komt Calvus (= kaal) als agnomen nog elders voor, +b.v. in de familie der Metelli (Caecilii no. 7 en 12). + +Calx, de witte streep in de renbaan, die het einde van den te +doorloopen afstand aanwees. Dit woord wordt veel in figuurlijke +uitdrukkingen gebezigd, b.v. ad calcem pervenire = zijn doel bereiken, +extra calcem excurrere = zijn doel voorbijstreven, a calce ad carceres +revocari = opnieuw van voren af moeten beginnen. + +Calycadnus, Kalykadnos, rivier in Cilicia bij Corycus uitmondend. + +Calydnae, Kalydnai, twee eilandjes op de kust van Troas. Ook eene +groep eilanden aan de kust van Caria, waarvan het grootste, Calydna, +later Calymna werd geheeten en om zijn geurigen honig bekend was. + +Calydnus = Calycadnus. + +Calydon, Kalydon, oude stad in Aetolia aan den Euenus, het meest +bekend door de mythe van het calydonische everzwijn en Meleager. Bij +de rom. dichters is Calydonis = Deïanira, de dochter van koning +Oeneus, Calydonius heros = Oeneus' zoon Meleager, Calydonius amnis += de Achelous, Calydonia regna = Apulia in Italia, omdat Oeneus' +kleinzoon Diomedes daar een rijk stichtte. + +Calydonische jacht. Bij gelegenheid van een oogstfeest had Oeneus, +koning van Calydon, aan alle goden en godinnen offers gebracht, +maar Artemis vergeten. Deze zond daarop een reusachtig everzwijn, +dat het land verwoestte en ook voor menschen onveilig maakte. Ten +einde dit monster met vereende krachten te bestrijden, riep Meleager +nu de helden van Griekenland op tot eene gemeenschappelijke jacht, +en onder de velen, die aan zijne uitnoodiging gehoor gaven, waren de +Dioscuren, Theseus met Pirithoüs, Telamon en Peleus, Iason, Atalante, +enz. De eerste wonde werd het dier toegebracht door Atalante, daarna +vielen echter verscheiden helden, totdat Meleager het zwijn door +een speerworp doodelijk trof, waarna de overigen het afmaakten. Aan +Meleager werden als eereprijs de kop en huid toegewezen. + +Calymna, zie Calydnae. + +Calynda, Kalynda, stad in Caria, dicht bij Lycia. + +Calypso, Kalypso, dochter van Atlas of van Oceanus of van Nereus, +eene nimf die ver van goden en menschen op het eiland Ogygia in een +prachtige grot woonde. Aan Odysseus, die na een schipbreuk op haar +eiland landde, beloofde zij de onsterfelijkheid en eeuwige jeugd, +indien hij altijd bij haar wilde blijven, en inderdaad gelukte het +haar hem zeven jaar lang bij zich te houden. Maar eindelijk kregen +de goden medelijden met den held, die door heimwee verteerd werd, en +Hermes bracht aan Calypso het bevel hem te laten gaan. Bij Odysseus +had zij twee zonen: Nausithoüs en Nausinoüs. + +Camalodunum (ook Camulod. en Camald.), hoofdstad der Trinobanten en +eerste rom. kolonie in Britannia, thans Colchester. + +Camarina, Kamarina, stad op de Zuidkust van Sicilia, kolonie van +Syracusae, gesticht in 599. Aan de eene zijde was de stad gedekt +door een moeras, dat denzelfden naam droeg als de stad. Uithoofde +van de ongezonde uitwasemingen wilden de inwoners dit moeras +droog leggen. Zij raadpleegden echter vooraf het orakel, dat het +volgende antwoord gaf: me kinei Kamarinan, akinetos gar ameinon. De +raad werd in den wind geslagen, en de stad werd spoedig daarna, +juist van den kant waar vroeger het moeras gelegen had, door den +vijand veroverd. Vandaar het spreekwoord me kinei Kamarinan, van +zaken, waaraan men niet moet roeren. De stad is verscheidene malen +vernietigd, maar weder opgebouwd. In 552 door de Syracusanen, omdat +de stad zich onafhankelijk wilde maken; in 492 door Hippocrates van +Gela herbouwd, in 484 door Gelo opgeheven; in 461 werden de verdreven +burgers teruggebracht. Tijdens den Peloponnesischen oorlog verhuisde +het grootste deel van de bevolking naar Leontini. In 399 herbouwd +door Timoleon, werd C. in 258 voor goed vernietigd door de Romeinen. + +Cambunii montes, Kambounia ore, bergketen op de grenzen van Macedonia +en Thessalia. + +Cambyses, Kambyses, zoon en opvolger van Cyrus, koning van Perzië, +529-522. Terstond na het aanvaarden der regeering trok hij naar +Aegypte, dat hij in 527 onderwierp; op een tocht naar Aethiopië, +dien hij van hier uit ondernam, werd wel Meroë onderworpen, de +eigenlijke onderneming mislukte echter door gebrek aan levensmiddelen, +terwijl een groot deel van zijn leger in de libysche woestijn door +watergebrek omkwam of door zandstormen bedolven werd. Hoewel hij de +Aegyptenaren aanvankelijk zachtmoedig behandeld en hun godsdienst +geëerbiedigd had, kwam na het mislukken van zijne onderneming tegen +Aethiopië zijn achterdochtige en wreede aard boven, en maakte hem +tot een dwingeland, die in Aegypte een waar schrikbewind uitoefende, +in dronkenschap aanzienlijke mannen en vooral priesters liet dooden, +en den godsdienst van het volk voortdurend bespotte. Op het bericht +van een opstand in Perzië, waar een magiër, zich uitgevend voor +Smerdis, den broeder van Camb., dien deze bij het begin zijner +regeering heimelijk had laten dooden, zich van de regeering had +meester gemaakt, nam hij den terugtocht aan, maar te Hamath in Syrië +had hij het ongeluk zich bij het bestijgen van zijn paard met zijn +eigen zwaard een doodelijke wonde toe te brengen. V. a. had hij, bij +het hooren dat de omwenteling in Perzië gelukt was, zichzelven gedood. + +Camenae, Casmenae, Carmenae, waarzeggende bronnimfen in Italië, later +geïdentificeerd met de Muzen. Oorspronkelijk schijnen het godinnen +geweest te zijn, die door het zingen van tooverformulieren het baren +der vrouwen gemakkelijk maakten. De dienst der Camenae, die te Rome +samen met Egeria een heilig bosch voor de Porta Capena hadden, was, +naar men meende, door Euander ingevoerd. + +Cameria of -rium, oude, verdwenen stad in Latium. + +Camerinum, vroeger Camers, Kamarinon, machtige umbrische bergstad op +de grenzen van Picenum. De inwoners heetten Camertes. + +Camerinus, rom. dichter, tijdgenoot van Ovidius. Ook komt Camerinus als +familienaam voor o. a. in de gens Sulpicia, klaarblijkelijk ontleend +aan Cameria als plaats van afkomst. + +Camers = Clusium. + +Camicus, Kamikos, stad op Sicilia dicht bij Agrigentum. + +Camilla, dochter van koning Metabus uit de volscische stad Privernum, +door haar vader opgeleid als oorlogsheldin en jageres. Zij stond +Turnus bij in den oorlog tegen Aeneas en kwam in den strijd om. + +Camilli en -lae, knapen en meisjes van aanzienlijken huize, die bij +godsdienstige plechtigheden den flamen Dialis en misschien ook anderen +priesters ter zijde stonden. + +Camillus, familienaam, zie Furii no. 9-14. + +Camirus, Kameiros, dorische stad op het eiland Rhodus. Zie ook Ialysus. + +Campania, Kampania, landschap van Midden-Italia, aan de Tyrrheensche +zee. De naam Campania beteekent vlakte, evenals in het Fransch de naam +Champagne, en de tegenwoordige Campagna di Roma. Oorspronkelijk was de +naam ager Campanus. Met uitzondering van het moerassige noordwestelijke +kustland was het klimaat zacht en de bodem vruchtbaar. Als oudste +bewoners worden de Osci, Opikoi, genoemd, tot hen hoorden ook de +Aurunci (Ausones) en de Sidicini. Dan zetten Grieken zich neer in +Cumae, Dicaearchia (later Puteoli), Neapolis en Pompeii. In de zesde +eeuw (± 520) werd het land vermeesterd door de Etruscers, die daar een +bond van steden stichtten, waarvan Capua en Nola de voornaamste waren; +doch het heerlijke klimaat en de rijke bodem maakte de veroveraars +verwijfd, en zij moesten zwichten voor de Samnieten, die in het midden +van de vijfde eeuw Campania veroverden (Capua viel in 443, Cumae in 421 +in hun handen), en zich met de oorspronkelijke bewoners vermengden. In +de vijfde en vierde eeuw dienen deze Kampanoi als huursoldaten in de +grieksche legers. Aan het hoofd van iedere bondsstad staat een meddix, +aan het hoofd van den bond een meddix tuticus. De voornaamste stad was +Capua. Ook deze veroveraars ondergingen den invloed van het klimaat +en waren op hunne beurt niet meer opgewassen tegen een aanval van +andere samnietische volken, zoodat Capua zich in 338 in de armen +van Rome wierp. Zóó ontstonden de rom.-samnietische oorlogen, die +in 272 met de onderwerping van Samnium eindigden. Vóór dien tijd was +Campania reeds geheel ingelijfd; in 318 werd de ager Falernus onder +rom. burgers verdeeld; verder werden er kolonisten gebracht naar +Cales (334), Suessa (313), Sinuessa (296). Als bondgenoot van Rome +genoot Capua met zijne omstreken, den ager Campanus (ten Zuiden van +de rivier Volturnus), groote voorrechten, doch daar het met andere +campaansche steden in den tweeden punischen oorlog de partij van +Hannibal had gekozen (216), werd het na de herovering (211) uiterst +zwaar gestraft en van alle zelfstandigheid beroofd. Campania telde +een aantal van de fraaiste en schoonst gelegen steden van Italia en +was als bezaaid met lustverblijven van aanzienlijke Romeinen, vooral +aan de golf van Napels, waar men o. a. de steden Baiae, Neapolis, +Herculaneum, Pompeii had, te midden van een lusthof van wijnbergen, +olijfboschjes en korenvelden. + +Campanus morbus, hoornachtige uitwassen of groote wratten, vooral aan +het voorhoofd, die, naar het schijnt, in Campania veel voorkwamen en +nog voorkomen. + +Campe, Kampe, een monster, dat op bevel van Uranus de Cyclopen in de +onderwereld bewaakte, en later door Zeus gedood werd, toen hij die +gevangenen bevrijdde. + +Campi Diomedis, vlakte in Apulia tusschen Arpi en Cannae. + +Campi lapidei, vlakte in den omtrek van Massilia (Marseille), met +keisteenen bedekt ter grootte van een vuist. Daartusschen wies gras. + +Campi macri, Makroi Kampoi, vlakte in Cisalpina tusschen Parma en +Mutina (Modena). + +Campi Phlegraei, vulkanische vlakte in Campania tusschen Capua +en Cumae. + +Campi Raudii, vlakte in Transpadana, aan den Padus (Po), bij +Vercellae. Hier versloeg Marius de Cimbren, in 101. + +Campus Martius, ook wel kortweg Campus, het veld, genoemd, een groot +veld buiten het oude Rome tusschen den collis Quirinalis, den mons +Palatinus en den Tiber. Het was aan Mars geheiligd en werd gebruikt +voor openbare spelen, monstering van troepen, lichaamsoefeningen, +paardrijden, volksvergaderingen (de comitia centuriata werden hier +gehouden) en dgl. Het lag eerst buiten de stad, doch werd allengs +met prachtige gebouwen en uitspanningsplaatsen versierd, vooral +onder de regeering van Augustus, die er de 9de stadswijk of regio +van maakte. Aurelianus trok het Marsveld binnen den stadsmuur. + +Campus Spartarius, de vlakte bij Carthago nova (Carthagena), aldus +genoemd naar het daar groeiende esparto-gras, dat de Carthagers tot +scheepstouw verwerkten. + +Camulodunum, zie Camalodunum. + +Canabae, de burgerlijke nederzetting die zich bij elk vast Romeinsch +kamp bevindt, en dikwijls, vooral aan den Rijn, tot een stad uitgroeit. + +Canace, Kanake, dochter van Aeolus en Enarete, werd door Poseidon +bemind en baarde hem verscheiden zonen. Toen zij echter verliefd +werd op haar eigen broeder Macareus, verliet Poseidon haar en werd +zij door haar vader gedood of tot zelfmoord gedwongen. + +Canachus, Kanachos, van Sicyon, beroemd beeldhouwer uit de 6de eeuw, +vooral zijn standbeeld van Apollo te Didyma wordt geprezen. + +Canastraeum, Kanastron, kaap op Pallene, de westelijke landtong +van Chalcidice. + +Cancer, Karkinos, het sterrenbeeld de Kreeft; deze kreeft was door +Hera onder de sterren verplaatst, omdat zij de hydra van Lerna tegen +Heracles had geholpen, door dezen in den voet te bijten. + +Candace, Kandake, koningin van Napata, die in 24 een inval in Aegypte +deed, maar door den romeinschen stadhouder Petronius teruggeslagen +werd. Zie verder Napata. + +Candaules, Kandaules, de laatste lydische koning uit het geslacht +der Heracliden, zie Gyges. + +Candavia mons, bergstreek op de oostelijke grenzen van Illyria. De +via Egnatia liep er door. + +Candela, candelabrum. Voordat olielampen bekend waren, gebruikten de +Romeinen kaarsen, candelae, waarvan de pit uit een bies bestond. De +kandelaar heette candelabrum. Toen echter, althans in de huizen +der gegoeden, de kaarsen door de lampen werden verdrongen, werden +de candelabra ingericht om lampen op te zetten of aan kettinkjes +op te hangen. Zij werden toen zóó hoog, dat men ze niet op tafel, +maar op den grond plaatste. Deze lampenstandaards zijn in groote +verscheidenheid van vorm en versiering bij opgravingen gevonden. + +Candidatus. Wie te Rome naar eenig openbaar ambt wilde dingen, +waarvan de begeving aan de volksvergadering stond, begaf zich naar +den overheidspersoon, die de comitiën zou leiden en verzocht dezen, +zijn naam op de lijst der mededingers te brengen. Deze aangifte heette +nomen profiteri. De magistraat behoorde dan te onderzoeken, of de +persoon, die zich aanmeldde, op dat oogenblik verkiesbaar was. Zoo +ja, dan behoorde hij aan diens verzoek te voldoen, rationem eius +habere. Het volk namelijk kon alleen geldige stemmen uitbrengen op hen, +die op de lijst waren opgenomen. Dezen kleedden zich nu in eene toga, +die in krijtwater gewasschen en dus helder wit was, toga candida, en +werden hiernaar candidati genoemd, en bezochten van nu af dagelijks +het forum, om zich bij de kiezers aan te bevelen. Zie ook nomenclator. + +Candidatus principis. Evenals vroeger sommige ambtenaren door +aanzienlijke personen werden aanbevolen, zoo placht Augustus sommige +candidaten persoonlijk bij het volk aan te bevelen. Deze gewoonte +werd ook door de volgende keizers in acht genomen; zij wezen dan +onder de candidati enkelen aan, die moesten gekozen worden. De +verkiezingen hadden sedert Tiberius in den senaat plaats. Van de +quaestores wijst de keizer er twee aan, de quaestores Augusti, die +geregeld candidati principis geheeten worden. Deze quaestoren waren +zoo ongeveer secretarissen en adjudanten van den keizer en moesten +o. a. de keizerlijke boodschappen en brieven in den senaat voorlezen. + +Canephori, Kanephoroi, jonge meisjes uit de edelste familiën, die te +Athene bij sommige processiën korfjes met heilige offergereedschappen, +enz. op het hoofd droegen. + +Canicula, zie Canis Maior. + +Canidia, een tooverkol en giftmengster, die door Horatius in zijne +gedichten (vooral de Epoden) bespot en aan de kaak gesteld wordt. Haar +eigenlijke naam is Gratidia. + +Canidius Crassus (P.), legaat van Lepidus, wist in 43 na Caesars dood +het leger van Lepidus op de hand van Antonius te brengen. Later diende +hij onder Antonius in Azië en in den slag bij Actium. Octavianus liet +hem in Aegypte, waarheen hij gevlucht was, ter dood brengen. + +Caninefates, een stam, die tot de Batavieren behoorde en aan de kust +der tegenw. provincie Noord-Holland woonde, in het tegenwoordige +Kennemerland. Zij namen ook deel aan den opstand onder Civilis. Zij +werden niet tegelijk met de Batavieren in het rijk opgenomen, maar +eerst onder keizer Tiberius onderworpen. + +Caninii, plebejisch geslacht. 1) M. Caninius Rebilus was in 170 +rom. gezant bij Perseus van Macedonia.--2) C. Caninius Rebilus diende +onder Caesar in Gallia, in Africa, in Hispania. In 45 werd hij tot +consul suffectus gekozen, juist tegen het einde van het jaar, zoodat +hij nog één dag consul kon wezen. Cicero prijst daarom schertsend de +waakzaamheid van Rebilus, die in zijn geheele consulaat niet geslapen +had.--3) L. Caninius Gallus, volkstribuun in 56, komt als aanhanger +van Pompeius voor.--4) Caninius Satrius, huisvriend van Cicero. + +Canis, de vier éénen, de slechtste worp in het dobbelspel. Zie alea. + +Canis Maior, Canicula, Sirius, Seirios, Kyon, het sterrenbeeld de +Groote Hond, de voorbode der grootste zomerhitte; oorspronkelijk was +deze hond een van de bewakers van Europa geweest, later kwam hij in +handen van Cephalus en van Amphitryo (z. a.).--V. a. een hond van +Orion of van Icarius. + +Canis Minor, Antecanis, Prokyon, het sterrenbeeld de Kleine Hond, +oorspronkelijk een van de honden van Orion, na diens dood onder de +sterren geplaatst. + +Cannae, Kannai, vlek in Apulia, aan den Aufidus, bekend door de +vreeselijke nederlaag, die de rom. consuls C. Terentius Varro en +L. Aemilius Paullus er in 216 leden. Of de slag op den noordelijken +(rechter) oever of op den zuidelijken (linker) oever van den Aufidus +heeft plaats gehad, daarover is men het niet eens. De rechtervleugel +der Romeinen, en de linkervleugel der Carthagers sloot aan de rivier +de Aufidus aan. Neemt men nu aan, dat de slag op den zuidelijken oever +geleverd is, dan waren de Romeinen benedenstrooms van de Carthagers +opgesteld. Plaatst men den slag op den noordelijken oever, zooals +gewoonlijk geschiedt, dan komt voor het slagveld in aanmerking een +veld, dat nu nog "Pezzo del Sangue" heet; de Romeinen hadden dan +hun kleine legerplaats en verder de rivier in den rug. Een bezwaar +tegen deze opvatting is, dat dan de Romeinen met het gezicht naar +het N. staan, hetgeen met sommige berichten in strijd is. + +Canobus, Kanobos, aanzienlijke, weelderige stad in de Nijldelta, +aan den westelijken of canobischen hoofdmond der rivier. Vóór de +stichting van Alexandria was Canobus de grootste koopstad van het +westelijke deltagebied. Er was een beroemde Serapis-tempel. + +Canon, Kanon, z. Alexandria no. 1 aan het slot. + +Cantabri, Kantabroi, woest, oorlogzuchtig volk in Hispania, in het +tegenw. Biscaye, eerst door Augustus (26-19) tot onderwerping gebracht. + +Cantharus, Kantharos, drinkbeker met ooren; de beelden van Dionysus +hebben meestal zulk een beker in de hand. + +Cantium, gewest in het Z. O. van Britannia, thans Kent. De Cantii +waren van de Britten het meest beschaafde volk. + +Cantium promunturium, het zuidoostelijkste punt van Britannia, thans +kaap Paperness in Kent. + +Canuleia (lex), plebisciet van den volkstribuun C. Canuleius, +445. Het bepaalde, dat er conubium zou zijn tusschen patriciërs en +plebejers. Een ander voorstel van denzelfden, dat één der consuls een +plebejer zou kunnen zijn, werd ter zijde geschoven door de instelling +van tribuni militum consulari potestate. Dit tweede wetsvoorstel is +waarschijnlijk verzonnen, om de instelling van het krijgstribunaat +te verklaren. Zie tribuni militum consulari potestate. + +Canuleii, plebejisch geslacht. 1) C. Canuleius, volkstribuun in 445, +de vader der lex Canuleia de conubio.--2) L. Canuleius Dives, praetor +in Hispania in 171, vervolgde op last van den senaat eenige vorige +stadhouders van dit gewest wegens afpersingen. + +Canusium, Kanousion, stad in Apulia aan de via Appia nova, nabij den +Aufidus, bekend door den driedaagschen strijd tusschen M. Marcellus +en Hannibal (209), waaromtrent de berichten echter geen vertrouwen +verdienen. De roode wol en de muilezels van C. waren beroemd. Horatius +noemt de Canusiners bilingues, omdat in de stad een sterk grieksch +element aanwezig was en men er dus zoowel Grieksch als Latijn sprak. + +Capaneus, Kapaneus, zoon van Hipponoüs, een van de zeven vorsten die +met Adrastus tegen Thebae ten strijde trokken. Om hem te straffen +voor zijne overmoedige bewering, dat hij zelfs tegen den wil der +goden den muur zou bestijgen, doodde Zeus hem, toen hij reeds op den +stormladder stond, met den bliksem. + +Capella, Capra, Aix, het sterrenbeeld de Geit, dat in het najaar met +storm en onweder opkomt; oorspronkelijk de geit Amalthea, door Zeus +onder de sterren geplaatst, omdat hare huid hem in den strijd tegen +de Titanen tot schild gediend had. + +Capena, oude stad in het Z.O. van Etruria, later rom. municipium, +met een tempel en een grot van Feronia. De porta Capena te Rome +voerde niet naar deze stad; ze was waarschijnlijk genoemd naar Capua, +en heeft dus haar naam gekregen, toen de via Appia aangelegd is, +die langs deze poort de stad verlaat. De overeenkomstige poort van +Capua heet porta Romana. + +Caphareus, Kaphereus, noordelijkste kaap aan de Zuidoostkust +van Euboea, waar de grieksche vloot op haren terugkeer van Troje +schipbreuk leed, en in 480 eene perzische vloot van 200 schepen, +die Euboea wilde omvaren om de Grieken in den rug aan te vallen. + +Capita aut navia, een spel, gelijk aan ons "kruis of munt", waarbij +een geldstuk omhoog werd geworpen. De naam is hieraan ontleend, +dat de oudste stempel van den as aan de eene zijde een Januskop, +aan de andere de voorsteven van een schip was. + +Capite censi. Zóó werden bij de indeeling van het rom. volk in klassen +en centuriën diegenen genoemd, die òf niets bezaten òf te weinig +om het bij den census in rekening te brengen en die dus alleen hun +caput konden aangeven. Ze waren vrijgesteld van krijgsdienst. Zie +ook proletarii. + +Capitis deminutio is een vermindering van rechtspersoonlijkheid. Er +waren drie graden. De cap. dem. minima had plaats, wanneer een +romeinsch burger, die sui iuris was, zich tot zoon liet aannemen +(arrogatio) en dus alieni iuris werd. Hij verloor dan den status +familiae, daar hij ophield pater familias te zijn en als filius +familias in de patria potestas van een ander trad.--De cap. dem. media +sloot het verlies van het burgerrecht in zich. Zij had plaats +door vrijwilligen afstand, reiectio civitatis of door aqua et igni +interdictio. Een gewoon exsilium hief den status civitatis niet op, +maar schorste dezen slechts. Hij die door deze deminutio getroffen +was, kon door eene wet in zijne vorige rechten hersteld worden, +restitutio in integrum.--De cap. dem. maxima was het verlies van den +status libertatis; men werd dan slaaf. Zij werd o. a. toegepast op de +incensi, d.w.z. op hen, die verzuimden zich bij de censoren aan te +geven, met het doel, krijgsdienst en belasting te ontduiken, op den +fur manifestus, den op heeterdaad betrapten dief, tenzij deze zich +vrijkocht, op den schuldenaar (den addictus, niet den nexus, z. a.), +die door zijne schuldeischers werd verkocht, in den tijd toen men nog +met zijn lijf voor zijne schulden aansprakelijk was, wat in 326 door +de lex Poetelia Papiria werd afgeschaft, op den veroordeelden burger, +die gegrepen en ter dood gebracht werd, enz. + +Capito, familienaam, zie Ateii en Fonteii. + +Capitolinus, familienaam, zie Manlii no. 2, 6-10. + +Capitolinus mons, een der bergen van het oude Rome. In het midden was +deze berg lager dan aan de beide uiteinden. Op den Z.W. top was het +Capitolium, op den N. top de arx met den tempel van Juno Moneta. Bij de +derde uitbreiding der stad (zie Roma), toen de latijnsche gemeente van +den Palatinus zich met de sabijnsche van den Quirinalis vereenigde, +werd met het Forum ook de mons Capitolinus bij de stad getrokken en +versterkt. Hij lag echter buiten het pomoerium. Op het Capitolium +stond de groote driedubbele tempel van Jupiter Capitolinus, Juno en +Minerva. Het was een tempel met drie cellae; die van den god was in +het midden. Deze tempel werd door Tarquinius Priscus begonnen, door +Tarquinius Superbus voltooid en in 509 door den consul M. Horatius +Pulvillus ingewijd. Hij brandde driemaal af, in 83, 69 na C. en 80 +na C., doch werd telkenmale herbouwd, de laatste maal door keizer +Domitianus, die er 12000 talenten aan besteedde; z. Templum. Het +Capitool was het heilige middelpunt van het rom. gebied; dáár +brachten de nieuwe consuls hun eerste offer en deden geloften voor het +welzijn van den staat; dáár offerde de zegepralende imperator, dáár +waren de orakelboeken, de wettafels, de veroverde vaandels geborgen, +enz. Behalve den reeds genoemden tempel worden op de daaromheen gelegen +ruimte, area Capitolina, nog een aantal andere heiligdommen vermeld: +de curia Calabra, vanwaar de pontifices maandelijks op de Kalendae +den feestkalender afkondigden, de tempels of tempeltjes van Jupiter +Feretrius, van Fides, Mens, Venus Erycina, Ops en andere, terwijl het +aantal beelden en gedenkteekenen zóó groot was, dat het heette: in +Capitolio deorum omnium simulacra colebantur. De inzinking tusschen +de beide toppen wordt een asylum genoemd. Sedert 192 was hier een +heiligdom van Veiovis, en aan de zijde van het forum vond men hier +later het Tabularium (z. a.). Naar het Capitool voerde een oploopende +weg, clivus Capitolinus, van het forum uit; doch men kon er ook van +den zuidwestkant komen langs een trap, in den berg uitgehouwen en +de centum gradus geheeten. Deze trap voerde naar een uitspringend +gedeelte, saxum Tarpeium, of rupes Tarpeia genoemd, waar oudtijds de +plebejische doodstraf werd voltrokken door de veroordeelden van de +rots in eene daaronder liggende diepte te werpen. + +Capitolium. Zie Capitolinus mons. + +Cappadocia, Kappadokia, gewest van Asia minor. Het oudste Cappadocia +strekte zich uit van den Halys tot aan Armenia langs den Pontus +Euxinus. Onder het perzisch bestuur werden de landstreken Garsauritis +en Cataonia er aan toegevoegd, zoodat het zich ten Z. tot aan het +Taurusgebergte uitstrekte; doch daarentegen werd het noordelijke deel +als afzonderlijke satrapie er af genomen, onder den naam Cappadocia +ad Pontum, waaruit later het koninkrijk Pontus is ontstaan. Het +binnenlandsche Cappadocia wist tijdens Alexander d. G. eene zekere +onafhankelijkheid te handhaven en bleef als koninkrijk bestaan, tot +het door Mithradates den Grooten, koning van Pontus, veroverd werd; +doch Pompeius gaf het in 65 aan Ariobarzanes terug. Het werd nu een +vasalstaat van Rome, tot Tiberius in 17 na C. er eene rom. provincie +van maakte. Tot welken stam de Cappadociërs behooren, is nog niet +uitgemaakt. Slechts weten we, dat reeds omstreeks 1800 de Cheta +(Chatti), de Hittiten van het Oude Testament, in Cappadocië, in het +tegenwoordige Boghazköi, ten O. van den Halys, het middelpunt van +hun rijk hebben gehad. Het noordelijkste distrikt van C., aan de +oevers van de rivieren Thermodon, Iris en Lycus, is door Assyriërs +gekoloniseerd, bij de Grieksche schrijvers Syrioi of Syroi, of ook +wel Leucosyriërs, Leukosyroi, genoemd, wegens hunne blanke kleur, +terwijl de eigenlijke Syriërs bruin van tint waren. Aan de kust lagen +vele grieksche volkplantingen, nederzettingen van Milete of faktorijen +van Sinope; de voornaamste zijn van W. naar O.: Amisus, Themiscyra, +Side (later Polemonium geheeten), Cotyora, twee steden Cerasus, +Tripolis en Trapezus. Zie verder Pontus. Het eigenlijke Cappadocië +was, evenals Armenia, een feudaalstaat. De hoofdstad was Mazaca aan +den berg Argaeus; ter eere van Tiberius werd de naam veranderd in +Caesarea (ad Argaeum). + +Caprae of Capreae palus, de plaats op het Campus Martius, waar Romulus, +terwijl hij bezig was een contio te houden, onder storm en onweer +van de aarde was weggenomen (z. Quirinus). Ook later werden hier +contiones gehouden. + +Capraria, het geiteneiland, nabij de etruscische kust, thans Capraja. + +Capreae, Kapreai, thans Capri, eil. ten Z. van den sinus Cumanus +(golf v. Napels), het verblijf van keizer Tiberius in zijne laatste +levensjaren. Volgens de sage is het oudtijds bewoond geweest +door Teleboërs, onder koning Telon. Grieken uit Cumae hebben het +gekoloniseerd, en tot diep in den keizertijd sprak de bevolking +Grieksch. + +Capricornus, Caper, Aigokeros, Pan, het sterrenbeeld de Steenbok, +voorbode van storm, oorspronkelijk een afstammeling van Aegipan met +horens, bokkepooten en een vischstaart, die met Zeus opgevoed was en +hem later in den strijd tegen de Titanen hielp door in een schelp +te blazen en zulk een vreeselijk geraas te maken, dat de vijanden +verschrikt op de vlucht gingen. + +Caprotina, Capratina, bijnaam van Juno, waaronder zij te Falerii +e.e. vereerd werd. Te harer eere vierden de vrouwen op den 7den +Juli (Nonae Caprotinae, ancillarum feriae) een feest, waaraan ook de +slavinnen deelnamen, die zich daarbij vele vrijheden veroorloofden. Ter +verklaring van dit feest dient het volgende verhaal, dat aan een +fabula praetexta ontleend is: Kort na den gallischen oorlog trokken +de Latijnen tegen de Romeinen op en eischten van hen vrouwen ten +huwelijk. De Romeinen zonden hun slavinnen als vrije vrouwen gekleed, +die nu de vijanden bij een feestmaal dronken maakten en daarna van +den top van een wilden vijgeboom (Caprificus) een teeken gaven, +waarop de Romeinen de legerplaats overvielen en de vijanden doodden. + +Capsa, stad in Numidia midden in eene zandwoestijn. Hier waren +Jugurtha's schatten geborgen. De plaats werd door Marius verwoest, +doch later herbouwd en behoorde sedert tot Byzacium. + +Capua, Kapye, vroeger Vulturnum geheeten, voornaamste stad van +Campania. Door de Samnieten bedreigd, onderwierp het zich aan Rome +(zie Campania). De burgers kregen toen de civitas sine suffragio, +terwijl een gedeelte der rechtspraak in handen kwam van de praefecti +Capuam Cumas (sedert 318). Na den slag bij Cannae (216) verbond het +zich met Hannibal, doch werd na de inname (211) door de Romeinen +bloedig gestraft. Zeventig der aanzienlijkste burgers werden ter dood +gebracht, honderden in de gevangenis geworpen of als slaven verkocht, +een deel der bevolking werd over andere steden verdeeld, en alle +rechten en vrijheden aan de stad ontnomen. Het gemeentebestuur +werd opgeheven, het grondgebied verbeurd verklaard; op het land +langs zee werden twee col. civium Romanorum, Volturnum en Liternum, +gesticht, het andere land, de ager Campanus (zie Agrariae leges) +tot 59 geregeld verpacht. Door haar gunstige ligging bleef de stad +een van de bloeiendste en grootste steden van Italië. Sedert 58 had +zij weer een gemeentebestuur. + +Caput is de rechtspersoonlijkheid van den rom. burger (zie capitis +deminutio). Deze beteekenis heeft dit woord ook in de uitdrukking +capite of capitis damnari. + +Capys, 1) grootvader van Aeneas (z. Aeneas).--2) tochtgenoot van +Aeneas, volgens de sage stichter van Capua. + +Caracalla (M. Aurelius Antoninus Bassianus), sedert zijn benoeming tot +Caesar in 196 n. C. ook M. Aurelius Antoninus geheeten, zoon van keizer +Septimius Severus en Julia Domna, volgde met zijn broeder P. Septimius +Antoninus Geta zijn vader in 211 op. Het leger had beide broeders +slechts te zamen als keizers willen erkennen, hoewel reeds bij huns +vaders leven een doodelijke haat tusschen hen heerschte. In 212 stak +Caracalla zijn broeder in de armen hunner moeder dood, en veroordeelde +den beroemden rechtsgeleerde Papinianus, die zijne afkeuring te +kennen gaf, ook ter dood. Vervolgens trok hij op dolzinnige wijze het +rijk door, hier oorlogende (z. Alemanni), daar zijn eigen onderdanen +uitplunderende, tot hij eindelijk in 217 door zijn praefectus praetorio +Macrinus te Edessa in Mesopotamia werd omgebracht. Caracalla gaf +in 212 aan het geheele rijk het burgerrecht, ten einde ook in de +provinciën de vicesima hereditatum, een successierecht van 5 pct., +te kunnen innen en aldus de ontvangsten der keizerlijke schatkist +te verhoogen. De bijnaam Caracalla is ontleend aan het kleedingstuk +van dien naam, een gallischen mantel, dien de keizer droeg. Door +Caracalla zijn de beroemde Thermae Antoninianae aangelegd, waarvan +nog belangrijke ruïnen over zijn (zie Thermae). + +Caractacus, een dapper vorst der Silures in Britannia, zoon van +koning Cunobelinus, voerde oorlog met de Romeinen, en werd door +de met hen bevriende Cartismandua, koningin der Brigantes, aan hen +uitgeleverd. Keizer Claudius liet hem naar Rome voeren, doch schonk +hem toen de vrijheid terug, 51 na C. + +Caralis, Karalis, thans Cagliari, hoofdstad van het eiland Sardinia, +aan den Zuidkant gelegen. + +Carambis, Karambis, stad en kaap in Paphlagonia. + +Caranus, Karanos, 1) Heraclide uit Argos, die omstreeks 750 +met eene argivische kolonie Edessa innam en de stichter van het +macedonische rijk werd; de latere koningen van dit rijk noemden hem +hun stamvader.--2) zoon van Philippus en Cleopatra, die door Olympias +gedood werd.--3) veldheer van Alexander in den oorlog tegen Perzië. + +Caratacus = Caractacus. + +Carausius, door Diocletianus belast met eene vloot de gallische kust +tegen frankische en saksische zeeroovers te verdedigen, voer naar +Britannia en liet zich daar tot Augustus uitroepen, 286 na C. Hij +handhaafde zich, tot hij in 293 vermoord werd. + +Carbatinae of Carpatinae, Karbatinai, Karpatinai, grove schoenen, uit +één stuk leder vervaardigd en met kruisbanden om het been bevestigd. + +Carbo, familienaam in de gens Papiria. Zie Papirii no. 11-14. + +Carcaso, stad van de Volcae Tectosages in Gallia Narbonensis, thans +Carcassonne. + +Carcer. De carcer Mamertinus, te Rome aan het forum gelegen, bestond +uit drie verdiepingen, waarvan slechts ééne boven den beganen grond +was. Hier werden de licht gestrafte gevangenen in hechtenis gehouden +(custodia communis). De middelste verdieping was een onderaardsch +gewelf, waartoe slechts eene opening in de zoldering toegang verleende +en waarin men geketend de zware gevangenisstraf onderging (custodia +arcta). Daaronder lag een nog afgrijselijker kerkerhol, evenzeer alleen +met eene opening van boven, waarin de doodstraf werd voltrokken. Dit +gedeelte, dat het oudste was, werd ook Tullianum geheeten, omdat het +vroeger gediend had als vergaarbak voor het water, dat daar uit de +rotsen zijpelde. Dáár stierf Jugurtha den hongerdood. Daar werden ook +Lentulus (Cornelii no. 48) en de 4 andere Catilinarii gewurgd. Ook in +andere plaatsen schijnen de kerkers op deze wijze ingericht geweest +te zijn; althans in dien van Herculaneum heeft men de sporen van twee +ondergrondsche verdiepingen ontdekt. + +Carceres, de stallen aan den ingang van den circus, waarin de +wagenmenners, op de bespannen wagens staande, het sein tot den wedren +afwachtten. Figuurlijk beteekent carceres ook het begin van iemands +loopbaan: a carceribus = van den beginne af. Zie ook calx. + +Carcinus, Karkinos, van Agrigentum, vestigde zich te Athene als +treurspeldichter; zijne werken vonden echter evenmin bijval als die +van zijne vier zonen. Zijn kleinzoon, de jongere Carcinus, leefde +langen tijd aan het hof van Dionysius van Syracusae; met zijne 160 +stukken behaalde hij elf maal een prijs. + +Cardamyle, Kardamyle, 1º. stad aan de Oostzijde van de golf van +Messene.--2º. stad in het N. van Chius. + +Cardea, Carda, eene nimf die door Janus bemind werd, en door hem +tot godin der deurhengsels, dus ook van huis en huisgezin, verheven +werd. Ook beschermde zij kleine kinderen tegen den invloed van booze +geesten. + +Cardia, Kardia, stad van de thracische Chersonesus, aan den sinus +Melas, kolonie van de Milesiërs, geboorteplaats van koning Eumenes. De +bewoners werden met die van Pactye in 309/308 door Lysimachus naar +zijn nieuwe hoofdstad Lysimachia (z. a.) overgebracht. + +Cardo. De deuren der rom. huizen hingen niet in scharnieren, maar +draaiden op uitstekende pennen, die in bussen sloten, welke in den +boven- en den onderdorpel van het deurkozijn waren ingelaten. Deze +pennen heetten cardines.--Cardo heet ook de lijn, die de augur bij +het nemen der auspiciën van het N. naar het Z. trok. Zie auguria. De +Rom. hadden ook eene godin der deurhengsels, Cardea. + +Carduchi, Kardouchoi, thans Koerden, een machtig en krijgshaftig +armenisch bergvolk, in welks bergen de Perzen zich niet waagden, +toen de 10000 Grieken er binnentrokken. + +Carfulenus (D.), rom. senator, aanhanger van Caesar en tegenstander +van Antonius; hij streed samen met Pansa in den mutinensischen oorlog +bij Forum Gallorum tegen Antonius; of hij, zooals het eerste bericht +luidde, daar gesneuveld is, is niet zeker. + +Caria, het zuidwestelijkste landschap van Klein-Azië, aan de kust +bezet met grieksche volkplantingen, waarvan Halicarnassus en Cnidus +de voornaamste waren. De Cariërs hadden oudtijds een groot gedeelte +der eilanden van de Aegaeïsche zee in bezit en dreven zeeroof, +totdat zij door de Grieken en vooral door koning Minos van Creta uit +de eilandzee verdreven werden. Zij bleven echter een ruw, roofziek +volk, wel geschikt voor huursoldaten, doch omkoopbaar. De Kares, +Kretes, en Kappadokes werden door de Grieken ta tria Kappa kakista +genoemd. De Westkust van Caria is bezet met ionische koloniën, waarvan +Priene en Miletus de voornaamste zijn en Iassus de zuidelijkste is: +de Zuidwestkust en de vóórliggende eilanden hebben een dorische +bevolking. In de 4de eeuw maakte Mausolus, de vorst van Carië, zich +onafhankelijk van Perzië, en verlegde zijne residentie van Mylasa +naar Halicarnassus (z.a.). + +Carinae, voorname wijk te Rome, tusschen den mons Esquilinus en den +mons Caelius. + +Carinus (M. Aurelius), keizer van Rome, 283-285 na C., zoon en opvolger +van Carus. Hij was om zijne buitensporigheden en wreedheid gehaat +en werd vermoord, na de nederlaag, die hij Diocletianus in Moesia +toegebracht had. + +Caristia (Charistia) of Cara Cognatio. Op den 22sten Februari, den dag +na de feesten der Feralia (z. a.) of Parentalia, vierde men te Rome +dit familiefeest, waarbij de bloedverwanten voor een feestmaaltijd +bijeenkwamen. + +Carmania, Karmania, thans Kerman, perzisch gewest aan de Perzische +golf. Herodotus noemt de bewoners Germanioi. + +Carmelus, Karmelos, thans Carmel = wijnberg, gebergte en kaap op de +kust van Palaestina ten Z. van Ace (Ptolemaïs). Ook de hoogste top +van den Antilibanus droeg dezen naam. + +Carmenta, eene van de Camenae, moeder van Euander, wien zij de +toekomstige grootheid van Rome voorspelde. Zij had een heiligdom +aan de Porta Carmentalis, bloedige offers werden haar niet gebracht, +en het was verboden iets van leder in den tempel te brengen. Op haar +feest, de Carmentalia (11 en 15 Januari), werd zij als beschermster +van barende vrouwen onder de namen Postvorta en Antevorta, Porrima +of Prorsa aangeroepen. + +Carmentalis (porta), poort te Rome aan den voet van den mons +Capitolinus. Door den rechter doorgang (dexter Janus) van deze poort +zijn de Fabii uitgetrokken naar de Cremera. Daarom gebruikte men +dezen doorgang niet, en heet de poort scelerata. + +Carmo of Carmona, stad in Baetica tusschen Hispalis (Sevilla) +en Astigi. + +Carna, eene godin, aan wie als doodenoffer boonenmeel geofferd werd op +den 1sten Juni, die daarnaar Kalendae Fabariae genoemd wordt. Het feest +heette Carnaria. Zie omtrent de andere doodenfeesten onder Lemures. + +Carnabon, koning der Geten. Toen Triptolemus in zijn rijk kwam om er +den landbouw in te voeren, behandelde C. hem vijandig en doodde hij +een van zijne draken. Daarom veranderde Demeter hem in een slang. + +Carneades, Karneades, van Cyrene, 213-129, stichter der derde of +nieuwe academie en hevig bestrijder der stoicijnsche leer, waarvan +hij vroeger een aanhanger was geweest. Volgens hem kan men door +zinnelijke waarneming slechts waarschijnlijkheid, nooit waarheid, +bereiken, en moesten dus de kenmerken der waarheid elders gezocht +worden. In 155 werd hij met Critolaus en Diogenes door de Atheners +naar Rome gezonden, om vrijstelling van eene opgelegde boete te vragen, +en zijne scherpzinnigheid en welsprekendheid vond ook bij de Romeinen +grooten bijval. + +Carneus, Karneios, bijnaam van Apollo, onder welken hij bij verscheiden +dorische stammen vereerd werd. De Spartanen geloofden, dat zij door +dezen god naar de Peloponnesus teruggebracht waren en vierden ter +herinnering daaraan jaarlijks in de maand Carneus (Aug.-Sept.) een +groot feest (Karneia), waarbij zij steeds gewapend waren en over het +geheel het leven in den oorlog nagebootst werd. + +Carni, Karnoi, keltisch bergvolk in den N. O. hoek van Cisalpina, +aan de Carnische Alpen. In hun gebied lagen de steden Julium Carnicum, +Tergeste en Aquileia. + +Carnifex of carnufex, de scherprechter, een servus publicus, die de +doodstraf aan vreemdelingen en slaven voltrok. Aan rom. burgers werd +deze straf voltrokken door een lictor. + +Carnuntum, Karnous, Karnouton, aan den Donau, in Pannonia, belangrijk +als vesting, garnizoensplaats en ligplaats der Donau-vloot. + +Carnutes of Carnuti, machtige stam in het hart van Gallia, met +de hoofdstad Genabum of Cenabum, het tgw. Orléans, z. Aureliani +civitas. In het gebied der Carnuten hielden de Druïden jaarlijks +hunne plechtige rechtszitting. + +Carocotinum, z. Caletes. + +Carpates of Alpes Bastarnicae, thans Karpathen. + +Carpathus, Karpathos, eiland in de daarnaar genoemde Carpathische +zee tusschen Creta en Rhodus. De zeegod Proteus hield daar verblijf +en wordt bij dichters wel Carpathius vates genoemd. + +Carpentum, een tweewielig rijtuig met een kap of huif voorzien. Een +carpentum funebre was een tweewielige, rondom gesloten lijkwagen. + +Carpesii of Carpetani, Karpetanoi, machtig volk in Hispania +Tarraconensis, met de hoofdstad Toletum (Toledo). + +Carpi, dacische volksstam tusschen den Donau en het westelijke +gedeelte der Karpathen, die naar dit volk genoemd zijn. In de 3de +eeuw n. C. treden ze meestal op aan den Beneden-Donau, en verwoesten +vaak in vereeniging met de Gothen Moesia en Thracië. + +Carrae of Carrhae, Karrai, in het O. T. Charan of Haran, stad in +Mesopotamia, waar Crassus tegen de Parthen sneuvelde (53). + +Carrinas, plebejische familie. 1) C. Carrinas komt in den eersten +burgeroorlog 83/82 als een van de aanvoerders der Mariani voor. Na +den slag bij de porta Collina (Nov.82) werd hij gevangen genomen en op +last van Sulla ter dood gebracht.--2) C. Carrinas, consul in 43, zoon +van no. 1, komt in den tweeden burgeroorlog als aanhanger van Caesar +voor; later is hij een aanhanger van Octavianus, en voert o. a. oorlog +tegen S. Pompeius (36); als proconsul van Gallië onderwerpt hij in +30 de Morini.--3) Carrinas Secundus, rhetor door Caligula in 39 +n. C. verbannen, pleegde zelfmoord in de ballingschap te Athene, +omdat hij niet in zijn levensonderhoud kon voorzien.--4) C. Carrinas +Secundus, zoon van no. 3, werd in 64 n. C. door Nero uitgezonden, +om in Griekenland geld in te zamelen. + +Carroballista, ballista of blijde op twee wielen en door paarden +getrokken. + +Carruca, vierwielig staatsierijtuig, ook wel als reisrijtuig gebruikt +(fr. carrosse). + +Carseoli of Carsioli, stad in het land der Aequi, sedert 298 latijnsche +kolonie. + +Carsulae, stad in het Zuiden van Umbria bij Ameria. + +Carsus, Karsos, riviertje in het O. van Cilicië, bij de Syrische +poorten, tusschen Issi (Issus) en Myriandus. + +Carteia, Karteia, belangrijke phoenicische volksplanting nabij het +fretum Gaditanum of Herculis (straat van Gibraltar), sedert 171 +lat. kolonie. Bij Carteia versloeg Caesar in 45 de broeders Sextus +en Cn. Pompeius. + +Carthaea, Karthaia, stad aan de Z.-zijde van het eiland Ceos. + +Carthago, Karchedon = Nieuwstad, 1) de beroemde stad in Africa, +die met Rome de punische oorlogen (z. a.) heeft gevoerd. De stad +was ± 800 door tyrische uitgewekenen gesticht, volgens de sage +onder aanvoering van Dido of Elissa, zuster van den dwingeland +Pygmalion. De stad lag op een schiereiland, door eene niet breede +landengte met het vasteland verbonden. Zij had twee havens; de grootste +diende voor de handelsvloot, de andere, Kothon (= beker) geheeten, +was de oorlogshaven, door 220 scheepskappen omringd. De acropolis +der stad heette Byrsa, Byrsa (= burcht), en lag op een heuvel van +60 meter hoog. Op den top stond de prachtige tempel van Esmûn of +Aesculapius. Aan den burg sloten zich de muren der zoogenaamde +oude stad aan, 50 voet hoog en 30 voet breed, verdiepingsgewijze +gebouwd, zoodat beneden stalling voor 300 olifanten, daar boven voor +4000 paarden was, en wederom hierboven ruimte voor de soldaten. De +hoofdstraten liepen recht op den burg aan en hadden hooge huizen, tot +zelfs van zes verdiepingen. Later werd ook de meer noordelijk gelegen +voorstad, Megara, Magalia (= hoogte) of Neapolis geheeten, binnen de +muren getrokken, en dit gedeelte werd het fraaiste en rijkste der stad, +met tempels en prachtige lustverblijven voorzien. Eene waterleiding, +13 uur gaans lang, voorzag Carthago van water. Tot aan de 5de eeuw +was het vastelandsgebied van Carthago zeer klein. Eerst in de 5de +eeuw onderwerpt en onderdrukt het de omliggende libysche stammen, en +verkrijgt het de heerschappij over alle phoenicische nederzettingen +en faktorijen in het Westen. Het heeft verscheidene malen getracht +Sicilië te veroveren; de eerste poging mislukte in 480 (slag bij de +Himera); dan volgen de veldtochten van 409-404, waarbij Selinus en +Himera te gronde gegaan zijn. Dan volgen de oorlogen met Dionysius en +de andere tyrannen van Syracusae, en eindelijk de oorlogen met Rome, +die aan haar bestaan een einde hebben gemaakt.--Na de verwoesting +in 146 bleef de stad in puin liggen, tot C. Sempronius Gracchus +er in 121 de colonia Junonia stichtte; deze werd het volgend jaar +weer opgeheven, maar de coloni mochten blijven wonen. Daarop heeft +Caesar in 44 er eene nieuwe kolonie Carthago gesticht, die in 29 door +Augustus versterkt is. Daarnaast bestond een punische stad Carthago, +met een afzonderlijk gemeentebestuur, tot nog onder Augustus beide +steden samengroeiden. Dit nieuwe Carthago, Colonia Iulia Carthago, +ontwikkelde zich snel en werd nog grooter dan het oude, zoodat het na +Rome en Constantinopel de meest bevolkte stad van het rijk werd. In +439 na C. werd het de hoofdstad der Vandalen, en na den val van het +vandaalsche rijk weder de residentie der oost-rom. stadhouders. De +regeeringsvorm van het oude punische Carthago, dat eenmaal 700000 +inwoners telde, was oligarchisch. Aan het hoofd der zaken stond een +senaat, terwijl de uitvoerende macht aan twee suffeten of rechters +was opgedragen. Volksvergaderingen werden alleen in hoogen nood +bijeengeroepen.--2) Carthago in Hispania, tot onderscheiding dikwijls +Carthago nova genoemd, thans Carthagena, was ± 228 gesticht door +Hasdrubal en werd in 209 door Scipio, den lateren Africanus maior, +veroverd en tot rom. kolonie gemaakt. In de nabijheid lag de Campus +Spartarius. + +Cartismandua, koningin der Brigantes in Britannia, die Caractacus +aan de Romeinen overleverde. + +Carus (M. Aurelius), bevelhebber der praetorianen onder keizer +Probus, werd na diens dood in 282 na C. door de troepen tot keizer +uitgeroepen en verhief toen zijne beide zoons Carinus en Numerianus +tot Caesars. Hij was een bekwaam veldheer. Op een tocht tegen de +Perzen in 283 werd hij òf door den bliksem getroffen òf door Aper, +den bevelhebber zijner lijfwacht, vermoord. + +Carventum, oude stad in Latium, met een sterk kasteel. De stad was +oorspronkelijk één van de 30 gemeenten van den albaanschen bond (zie +Albenses), en later één van de leden van den ouden latijnschen bond, +waarvan Aricia en Tusculum de leiding hadden. + +Carvilii, 1) Sp. Carvilius Maximus, consul in 293 en 272, overwon de +Samnieten in 293, de Lucaniërs en Tarentijnen in 272 en hield twee +triumftochten. Van den op de Samnieten behaalden buit bouwde hij een +tempel voor de godin Fortuna.--2) Sp. Carvilius Maximus was consul in +234 en 228 en zegevierde over de Corsen en Sarden. Hij was ook augur. + +Caryae, Karyai, stad in Laconica, door de Spartanen aan de Arcadiërs +ontnomen en bekend door een tempel van Artemis Caryatis, wier +priesteressen, Caryatides genaamd, eigenaardige dansen uitvoerden. + +Caryanda, Karyanda, kuststad van Caria. + +Caryatides, Karyatides, 1) zie Caryae.--2) zuilen in den vorm van +vrouwenbeelden, die op het hoofd een kapiteel droegen, waarop de +balken rustten. De Caryatiden van het Erechtheion op de Acropolis te +Athenae worden gewoonlijk Korai genoemd. + +Carystus, Karystos, stad der Dryopes in het Z. van Euboea, beroemd +door haar voortreffelijken wijn en door eene groene marmersoort. + +Casca, familie in de gens Servilia. Z. Servilii no. 22. + +Cascellius (A.), uitstekend jurist in den eersten tijd van Augustus' +regeering en voorstander der republiek. + +Casilinum, stad van Campania op beide oevers van den Volturnus gelegen, +verdedigde zich met heldenmoed tegen Hannibal, totdat de honger zóó +nijpend werd, dat de verdedigers zelfs het leder hunner schilden als +voedsel trachtten te gebruiken. Eindelijk (215) viel het Hannibal in +handen. Later rom. kolonie. + +Casinum, volscische stad in Latium, aan de via Latina; op den berg +daarboven ligt het beroemde klooster Monte Cassino. + +Casiotis, Kasiotis, streek tusschen Arabia en Aegyptus, nabij Pelusium, +met het graf van Pompeius. + +Casius, Kasion oros, 1) berg in Casiotis.--2) gebergte aan de kust +van Syria, ten Z. van Antiochia. + +Casmena, Kasmene, stad op Sicilia, kolonie van Syracusae, ligging +onzeker. + +Casperia, oud stadje der Sabijnen. + +Caspiae portae, Kaspiai pylai, bergpas ten Z. der Caspische zee, ten +O. der stad Rhagae, in het N. van Media. De pas, die 8000 schreden lang +en niet breed was, was door de Perzen met ijzeren poorten gesloten en +werd door wachtposten bewaakt. Deze pas was van groot belang, omdat +de verbindingsweg tusschen het N.W. en het N.O. van het perzische +rijk er door liep. + +Caspii, Kaspioi, volksstam aan de Westkust der Caspische zee, ten +N. van den Cyrus. Ook meer in het algemeen de kustbewoners dezer zee. + +Caspii montes, Kaspia ore, een deel van den Caucasus, tusschen Colchis +en de Caspische zee. + +Caspium mare, he Kaspia thalatta, de Caspische zee. Het zuidelijk +deel heet Hyrcanum mare. Omtrent de ware ligging en de grootte dezer +zee heerschten bij de ouden zeer uiteenloopende meeningen. Enkelen +hielden haar zelfs voor een golf van den Oceaan. + +Cassander, Kassandros, oudste zoon van Antipater, geb. omstreeks +350. Kort voor den dood van Alexander werd hij door zijn vader naar +Azië gezonden, waar hij tot 319 bleef; toen keerde hij naar Europa +terug om zich van het regentschap meester te maken, dat Antipater bij +zijn sterven aan den ouden Polyperchon had opgedragen. Door de hulp +van Ptolemaeus en Antigonus gelukte het hem vasten voet in Griekenland +te krijgen; daarop deed hij een inval in Macedonië, wist het leger van +Polyperchon afvallig te maken, liet Olympias, die met dezen verbonden +was, dooden, hield Roxane met haar zoontje gevangen en huwde met +Thessalonice, de zuster van Alexander. Na dien tijd voerde hij, met +Ptolemaeus e. a. veldheeren van Alexander verbonden, bijna voortdurend +oorlog tegen Antigonus, die hem belette zich van Griekenland meester +te maken; hij had in dien oorlog echter weinig geluk en werd zelfs +in Macedonië door Demetrius aangevallen, totdat de slag bij Ipsus +(301) hem van dezen lastigen vijand bevrijdde. De vrouw en kinderen +van Alexander had hij reeds vroeger laten vermoorden, en toen hem nu +bij de nieuwe verdeeling der provinciën Macedonië toegewezen werd, +kon hij zich tot aan zijn dood (296) ongestoord in het bezit ervan +handhaven. In 306 had hij in navolging van Antigonus den titel van +koning aangenomen. + +Cassandra, Kassandra, of Alexandra, de schoonste van Priamus' +dochters. Apollo verleende haar uit liefde het vermogen de toekomst +te voorspellen, maar daar zijne liefde onbeantwoord bleef, wreekte hij +zich door te veroorzaken, dat men haar algemeen voor krankzinnig hield +en niemand hare voorspellingen geloofde. Bij de verovering van Troje +zocht zij bescherming in den tempel van Athena, maar Aiax, de zoon +van Oileus, die haar daar vond, onteerde en mishandelde haar. Bij de +verdeeling van den buit werd zij aan Agamemnon toegewezen, die haar +naar Mycenae medenam; na zijn dood werd zij met hare beide kinderen +ook vermoord. Cass. had te Leuctra in Laconica een tempel, haar graf +was te Mycenae of te Amyclae. + +Cassandrea, Kassandreia, het vroegere Potidaea, door Philippus van +Macedonia verwoest, door Cassander herbouwd. + +Cassia (lex) agraria, van den consul Sp. Cassius Viscellinus, 468, +zie Agrariae leges. + +Cassia (lex) de senatu, van den volkstribuun L. Cassius Longinus, +104, dat zij, die door het volk veroordeeld of van hun imperium ontzet +waren, geen zitting mochten hebben in den senaat. + +Cassia (lex) tabellaria, van den volkstribuun L. Cassius Longinus, +137. Door deze wet werd de geheime stemming ingevoerd bij de iudicia +populi, behalve in zaken van perduellio. Zie Tabellariae leges. + +Cassia Terentia (lex) frumentaria van de consuls C. Cassius Longinus +(Cassii no. 7) en M. Terentius Varro Lucullus, 73, tot herstel der +korenuitdeelingen, die door Sulla waren opgeheven. Zie annona. + +Cassia (via), van Rome over Clusium en Arretium naar Florentia. Van +hier gaat een andere weg over de Apennijnen naar Bononia. + +Cassii, 1) Sp. Cassius Viscellinus, voor zoover bekend de éénige +patriciër onder de Cassii, was in 502 consul en hield als zoodanig +een triumftocht over de Sabijnen. In 501 (v.a. 498) was hij magister +equitum onder den eersten dictator, T. Larcius Flavus. Toen hij in +493 ten tweeden male consul was, hielp hij, volgens de traditie, de +verzoening tot stand brengen tusschen de patriciërs en de uitgeweken +plebejers. Hij heeft in dat jaar ook den tempel van Ceres, Liber +en Libera in Aventino (z. Ceres) gewijd. Hij heeft toen ook het +bondsverdrag met de Latijnen tot stand gebracht. In 486 was hij +ten derden male consul en stelde toen de lex Cassia agraria voor, +volgens welke de tot ager publicus gemaakte grond der Hernici zou +verdeeld worden onder de behoeftige plebejers en de latijnsche +bondgenooten. Deze laatste bijvoeging ontstemde de plebs, en het +viel den adel niet moeielijk, Cassius verdacht te maken van naar +het koningschap te streven; hij werd ter dood veroordeeld en van de +Tarpejische rots geworpen, of volgens eene andere overlevering door +zijn eigen vader ter dood gebracht. Het verhaal omtrent de akkerwet +is onhistorisch, en is afkomstig uit den tijd na C. Gracchus +(123-121) en M. Drusus (91). Vast staat alleen het feit, dat +Cassius wegens het streven naar de heerschappij ter dood gebracht, +en zijn huis afgebroken werd. De latere plebejische Cassii zijn als +cliënten te beschouwen van de vroegere patricische gens Cassia.--2) +Q. Cassius Longinus bracht als praetor in 167 koning Perseus als +gevangene naar de bergvesting Alba Fucentia. Hij stierf als consul +in 164.--3) L. Cassius Longinus, kleinzoon van no. 2, bracht in 111 +als praetor koning Jugurtha onder vrijgeleide naar Rome als getuige +in zake de gepleegde omkoopingen. Als consul sneuvelde hij in 107 +in Aquitanië tegen de Cimbren en de Helvetiërs (de Tigurini).--4) +L. Cassius Longinus Ravilla (= grijsoog), volkstribuun in 137, +was de vader der lex Cassia tabellaria. Hij was censor in 125. Als +rechter was hij zeer gevreesd, en bekend om zijn: "Cui bono?"--5) +L. Cassius Longinus, zoon van no. 4, kenmerkte zich als tegenstander +der optimaten en bracht o. a. in 104 als volkstribuun de lex Cassia +de senatu tot stand.--6) C. Cassius Longinus was consul in 171 en +censor in 155/4, en wilde een vast theater bouwen; doch P. Scipio +Nasica, die in 155 consul was, belette dit, en een senaatsbesluit +van 154 verbood zelfs, de tooneelstukken anders dan staande te +aanschouwen.--7) C. Cassius Longinus, consul in 73, hernieuwde de door +Sulla gestaakte korenuitdeelingen (lex Cassia Terentia frumentaria). In +den zwaardvechtersoorlog werd hij in 72 door Spartacus verslagen.--8) +C. Cassius Longinus was quaestor van Crassus, toen deze in 53 tegen +de Parthen omkwam, en redde door zijn beleid het overschot van het +leger. Hij verdedigde Syria tegen de Parthen en bracht hun in 51 eene +groote nederlaag toe. In den strijd tusschen Caesar en Pompeius koos +hij de partij van den laatsten en versloeg zelfs Caesars vloot bij +Sicilia; doch na den slag bij Pharsalus verzoende hij zich met Caesar, +die hem tot zijn legaat aanstelde, zonder hem echter een commando te +geven, en hem in 44 de praetuur verschafte. Niettemin stelde Cassius +zich met M. Junius Brutus aan het hoofd der samenzwering, die aan +Caesar het leven kostte. Uit de briefwisseling tusschen Cicero en +Cassius maakt men op, dat Cicero op de stemming van Cassius, en dus +indirekt ook op het moordplan invloed heeft geoefend. Hierop vertrok +hij naar de provincie Syria, hem door Caesar voor het volgende jaar +toegezegd, verdreef den stadhouder Dolabella, aan wien de senaat +Syria had toegewezen, nam bloedige wraak op de aanhangers van Caesar +in Asia en trok, met Brutus vereenigd, naar Macedonia, waar beiden, +na de nederlaag van Philippi (herfst van 42), zich om het leven lieten +brengen. Juist zijn samengaan met den onbeduidenden Brutus schijnt zijn +verderf geworden te zijn. Zie Junii no. 9.--9) Q. Cassius Longinus, +berucht door zijne afpersingen in Hispania als legaat van Pompeius +(54), was een der beide volkstribunen (de andere was Antonius), +die 7 Jan. 49 uit Rome naar Caesar vluchtten. Caesar nam hem mede +naar Hispania en liet hem daar achter als propraetor van H. ulterior, +waar echter zijne willekeur een oproer onder het leger verwekte. Toen +hij nu met zijne geroofde schatten naar Italië wilde oversteken, leed +hij aan den mond van den Iberus schipbreuk en kwam om (begin 47). Hij +heeft door zijn optreden Caesar's zaak zeer benadeeld, en den grond +gelegd voor den opstand der Pompeiani, die in den slag bij Munda +onderdrukt werd (45).--10) L. Cassius Longinus, broeder van no. 8, +was legatus van Caesar in den oorlog tegen Pompeius, doch als broeder +van den moordenaar van Caesar was hij bij Antonius verdacht. Deze +belette hem dus het bezoek van de senaatszitting van 28 Nov. 44, +waarin A. tegen Octavianus wilde optreden. Hij ging in 43 naar Azië, +maar nam geen deel aan den oorlog, zoodat A. hem in 41 toestond in het +vaderland terug te keeren.--11) L. Cassius Longinus, zoon van no. 10, +sneuvelde bij Philippi in het leger van zijn oom.--12) L. Cassius +Longinus, Cicero's mededinger naar het consulaat en deelgenoot van +Catilina's samenzwering.--13) C. Cassius Parmensis (van Parma), een der +deelnemers aan Caesars moord, vervolgens legaat van no. 8, vereenigde +zich na den slag bij Philippi met Sex. Pompeius, ging na diens dood tot +Antonius over en werd na den slag bij Actium op last van Octavianus ter +dood gebracht. Hij schreef treurspelen en epigrammen.--14) C. Cassius +Longinus, proconsul van Asia 40-41 n. C., stadhouder van Syria onder +keizer Claudius tusschen 44 en 49, werd in 65 door Nero verbannen, +omdat hij in zijn huis de beeltenis van no. 8 had. Vespasianus riep +hem terug. Hij had grooten naam als rechtsgeleerde.--15) C. Cassius +Chaerea, krijgstribuun bij de praetorianen onder Caligula en door +dezen beleedigd, was het hoofd der saamgezworenen, die in 41 na +C. den keizer om het leven brachten. De nieuwe keizer Claudius +liet Chaerea terstond ter dood brengen.--16) L. Cassius Hemina, +annalenschrijver omstreeks 150, schreef, naar het voorbeeld van Cato, +in het Latijn.--17) T. Cassius Severus, redenaar van grooten naam +onder de eerste twee keizers.--18) Cassius Avidius of Avidius Cassius, +waarschijnlijk uit Syria afkomstig, streed onder Marcus Aurelius en +L. Verus met veel beleid en geluk tegen de Parthen en elders. Hij +veroverde in 163 n. C. Edessa, en joeg de Parthen over den Tigris +terug, en zuidelijk trekkende veroverde en verwoestte hij Seleucia +en Ctesiphon (164), maar moest later, door honger en pest gedwongen, +terugkeeren. In 175 wierp hij zich zelf tot keizer op, doch werd +drie maanden later door een zijner onderbevelhebbers vermoord.--19) +Cassius Dio, geschiedschrijver, zie Dio Cassius. + +Cassiope, -opea, -epea, Kassiepeia, -opeia, -ope, 1) moeder van +Andromeda (z.a.). Zij werd met haar echtgenoot en dochter onder de +sterren opgenomen.--2) stad en kaap aan de N. O. punt van Corcyra. + +Cassis, 1) oorspronkelijk de helm van metaal in tegenstelling van +den lederen helm, galea. Later evenwel werd de naam galea voor alle +soorten van helmen gebezigd. Nevenvorm is cassida.--2) een jachtnet. + +Cassiterides insulae, Kassiterides nesoi, de Scilly-eilanden +ten Z. W. van Britannia. Hierheen brachten de inboorlingen van +Cornwallis in met leer overtrokken booten het engelsche tin en lood, +dat ze tegen aarde- en koperwerk en zout vooral aan de inwoners van +Tartessus verkochten. + +Cassivelaunus, aanvoerder der Britten tijdens de tweede landing van +Caesar in Britannia. + +Cassotis, Kassotis, bron in den delphischen tempel, zie Delphi. Ook +de nimf van die bron. + +Castalia, Kastalia, bron op den Parnassus, aan Apollo en de Muzen +gewijd; wie van het water uit deze bron dronk, werd met dichterlijke +geestdrift vervuld; ook werd het voor reinigingen, enz. in den +delphischen tempel gebruikt.--Den naam Castalia had deze bron naar +eene nimf, die er in gesprongen was, daar zij de liefde van Apollo +niet beantwoordde en aan zijne vervolgingen niet konde ontkomen. + +Castalides, Kastalides, de Muzen, zoo genoemd naar de bron Castalia. + +Castellum, fort of kleine vesting. In den keizertijd zijn het de +kleine wachtposten aan de grenzen, waarover sedert de 3de eeuw +de grenssoldaten (de latere milites limitanei) verdeeld werden. Zie +verder vicus no. 3. Castellum aquae, reservoir bij eene waterleiding, +dikwijls een sierlijk gebouwde en met beeldwerk en zuilen versierde +soort van watertoren, vanwaar het water dan naar verschillende +fonteinen en gebouwen werd geleid. + +Castolus, Kastolos, vermoedelijk eene stad in Lydia, in de nabijheid +van Sardes, met eene vlakte, die tot verzamelplaats der troepen diende. + +Castor, Kastor, 1) z. Dioscuri.--2) schoonzoon van Deiotarus, schreef +een vervolg op de Chronika van Apollodorus (no. 1), dat tot het jaar +61 liep. + +Castra. Als regel gold bij de Romeinen, dat een leger in den oorlog +des nachts altijd door een wal en een droge gracht moest beschermd +zijn. Wanneer voor de legerplaats eene geschikte plaats was uitgekozen, +werd door een metator het kamp met vaantjes uitgebakend en hierop +togen de soldaten aan den arbeid, om eene gracht te graven, waarvan de +aarde naar binnen werd opgeworpen tot een wal. Volgens de beschrijving, +die wij ervan hebben, bood een kamp in de dagen der republiek plaats +aan voor twee legioenen met de daarbij behoorende socii. Het vormde +een vierkant, zooals de teekening op de vorige pagina te aanschouwen +geeft. De wal had vier poorten: 1 porta praetoria, waardoor het +leger uittrok, in de naar den vijand toegekeerde zijde, 2 porta +decumana aan de achterzijde der legerplaats, 3 porta principalis +sinistra, 4 porta principalis dextra. De weg a a, die deze beide +uitgangen verbond, heette via principalis, waarschijnlijk omdat +ze liep langs het principium, het achterste gedeelte van het kamp, +waar het praetorium enz. stond, terwijl de weg b b, die achter de +vijfde manipels heen liep, den naam van via quintana droeg. Dit +wordt duidelijker door bijgaande schets, waarin een gedeelte der +legerplaats grooter is voorgesteld, en waarin tevens de rangschikking +der verschillende wapens is aangegeven. Van het praetorium (P), het +kwartier van den veldheer, liep de via decumana of praetoria (c c) +naar de porta praetoria. Naast het praetorium had men aan de eene +zijde het quaestorium (Q) met de tent van den quaestor en, voorzoover +noodig, de bergplaatsen van proviand enz., en aan den anderen kant het +forum (F). Om het praetorium, quaestorium en forum heen stonden de +tenten van de tribuni militum en de praefecti sociorum (5), die der +uitgelezen infanterie (6) en cavalerie (7) en vrijwilligers, evocati +et selecti pedites et equites, en de keurbenden, onder den naam van +extraordinarii pedites et equites uit de contingenten der bondgenooten +uitgekozen (8), alsmede de auxilia van vreemde volken, wanneer deze +aanwezig waren. Binnen den wal bleef een weg open van 200 voet breedte +(intervallum) ten einde den vijand te beletten, door het werpen van +brandbare stoffen het kamp in brand te steken. De wal was dikwijls +met palissaden voorzien. In de winterkwartieren, hiberna (sc. castra) +werden de tenten door houten barakken vervangen.--Het legerkamp van den +keizerstijd was bestemd voor drie legioenen met de daarbij behoorende +auxilia en de keizerlijke garde (cohortes praetoriae). Het praetorium +bevindt zich nu in het midden van het kamp, met het front naar de +via principalis, die nu dichter bij de porta praetoria ligt. De +via quintana loopt nu achter het praetorium, evenwijdig met de +via principalis. Rechts en links van de veldheerstent, op de latera +praetorii, kampeeren de staf en de staftroepen (cohortes praetoriae); +het voorgedeelte van het kamp, door de via praetoria in tweeën gedeeld, +heet praetentura, het achtergedeelte retentura. + +Castra, naam van onderscheidene plaatsen, die uit legerkampen zijn +ontstaan, doordat zich in de nabijheid van het vaste kamp eene +stad of een dorp vormde. Castra Cornelia (Corneliana) in het oude +carthaagsche gebied, de landingsplaats van Scipio Africanus maior, +waar hij in den winter van 204-203 zijn kamp had, nabij Utica. Castra +Batava, aan de samenvloeiing van den Danubius en den Aenus (Inn), +thans Passau. Castra Hannibalis, stad in het land der Bruttii +aan de O.-kust, nabij Scyllaceum. Castra Herculis, in de Betuwe, +Kesteren. Castra Pyrrhi, aan den Aous, in het landschap Triphylia, in +het N. van Epirus. Castra Regina, in Raetia, tgw. Regensburg. Castra +Vetera, in Belgica, nabij den Rijn; de naam leeft voort in den naam +van het dorp Birten tegenover Wesel. Uit de nederzetting bij Castra +Vetera (de Canabae z. a.) ontstond een stad, die door Traianus onder +de koloniën werd opgenomen, Col. Ulpia Traiana, hoofdplaats van +het land der Cugerni, die daarnaar vaak Traianenses heeten. In de +4de eeuw n. C. heet de plaats Tricesima of Tricesimae, tegenwoordig +Xanten a/Rhein. De uitgangen -cester, -chester bij vele plaatsen in +Engeland zijn verbasteringen van castra of van castrum. + +Castra praetoria, vaste legerplaats der praetoriaansche garde, in +23 n. C., onder de regeering van Tiberius, buiten de porta Viminalis +gebouwd door den praefectus praetorio Aelius Seianus. + +Castrum, sterkte, kasteel. Zie vicus no. 3. Ook een aantal steden +droegen dezen naam. Castrum Inui, zie Inui castrum. Castrum novum, +naam van twee rom. koloniën, de eene op de kust van Etruria, tusschen +Centumcellae en Pyrgi, de andere op die van Picenum, in het land der +Praetutii. Castrum Verginum (Bergium), in het land der Bergistani +(z. a.). + +Castulo, Kastalon, bloeiende stad der Oretani in Hispania, aan +den bovenloop van den Baetis (Guadalquivir). In den omtrek waren +zilvermijnen. De saltus Castulonensis maakte een deel uit der +tegenw. Sierra Morena. + +Casystes, Kasystes, haven van Erythrae in Ionia. + +Catabathmus, Katabathmos, bergstreek en dal aan de kust van Afrika, +de grens vormende tusschen Cyrenaïca en Aegyptus. + +Catabothra, ta Katabothra, onderaardsche afwateringskanalen van +een meer, zooals bij het meer Copaïs in Boeotia, waar men bij lagen +waterstand zich zelfs een eind ver in de afvoerwegen kon begeven. + +Catadromus, katadromos, schuin gespannen koord, waarlangs koorddansers +op- en afliepen. + +Catadupa, ta Katadoupa, de watervallen van den Nijl aan de aethiopische +grenzen. + +Catagogia, Katagogia, feest ter eere van Aphrodite op den berg Eryx +gevierd, wanneer de godin met hare gewijde duiven van haar jaarlijksche +reis naar Libye terugkeerde. Vgl. anagogia. + +Catalauni, thans Châlons-sur-Marne, in Gallia, bekend door de nederlaag +van Attila in 451 na C. + +Catamitus = Ganymedes. + +Catana, Katane, thans Catania, kolonie van Chalcis, omstreeks 725 +aan den voet van den Aetna gesticht. Door de vruchtbaarheid van den +bodem steeg de stad spoedig tot een hoogen trap van bloei, totdat +Hiero van Syracuse ze in 476 veroverde en de bewoners naar Leontini +overbracht, terwijl hij daarentegen Catana weder bevolkte met 5000 +Syracusanen en 5000 Peloponnesiërs, en den naam der stad in Aetna +veranderde. Na Hiero's dood (461) hernamen de Cataniërs hunne stad; de +door hen verjaagde bewoners verhuisden naar Inessa, dat voortaan Aetna +heet. De Cataniërs moesten echter opnieuw zwichten voor Dionysius (403) +en later nogmaals voor Agathocles. In den eersten punischen oorlog +viel de stad in handen der Rom. Sedert Augustus, die er kolonisten +heenvoerde, is het naast Messana de belangrijkste stad van Sicilië. + +Cataonia, Kataonia, Z.O. gedeelte van Cappadocia, met verscheidene +bergvestingen, zeer vruchtbaar. + +Cataphractus, kataphraktos, ruiter, wiens lichaam en paard met een +schubbenpantser bedekt waren. + +Catapulta, katapeltes, soort van geschut waarmede men zware werpspiezen +en steenen slingerde. + +Catarractes of -ta, Katarraktes, ook met één r geschreven, rivier in +Pamphylia, die met donderend geraas zich boven van de rotsen in zee +stort. Ook wordt het woord gebezigd van watervallen in een stroom, +vooral van de watervallen in den Nijl. Het woord kan ook een stuw in +een rivier of een valdeur in eene vestingpoort beteekenen. + +Catasta, verbastering van katastasis, schavot of planken verhevenheid +tot tepronkstelling van misdadigers of tentoonstelling van slaven +ten verkoop. + +Cateia, een lange, dunne keltische werpspies, waaraan een riem +bevestigd was, waarmede men de spies na den worp weer naar zich toe +kon trekken. + +Catervarii, zwaardvechters, die niet twee aan twee, maar bij +afdeelingen tegen elkander streden. + +Cathaei, Kathaioi, indisch volk, waartegen Alexander de Groote streed, +ten O. van den Acesines. + +Catharsius, Katharsios, de reinigende, bijnaam van Zeus. + +Cathedra, kathedra, stoel met rugleuning, doch zonder armleuningen, +voornamelijk in gebruik bij de vrouwen en bij de leeraars in +philosophie, rhetorica en dgl. Vandaar ons woord katheder. + +Catilina, familienaam in de gens Sergia. Zie Sergii no. 5. + +Catilius Severus (L.), staatsman onder keizer Hadrianus, viel in +ongenade, omdat hij zich tegen de adoptio van Antoninus Pius verklaarde +(138 n. C.). Hij was toen praefectus urbi. + +Catillum of -lus, soort van korenmolen. Het graan werd bovenin gestort +en viel dan tusschen het binnenste en den mantel. Door nu den mantel +rond te draaien, wreef men de korrels fijn tot meel. + +Catil(l)us, zie Tiburtus. + +Catina = Catana. + +Catius, een Insubriër uit Ticinum, epicureïsch wijsgeer uit Cicero's +tijd. + +Cato, familienaam in de gens Porcia. Zie ook Valerii no. 37. + +Catreus, Creteus, Katreus, Kreteus, zoon van Minos en Pasiphaë, +vader van Althaemenes (z.a.), Aërope, Clymene en Apemosyne. + +Catti of Chatti, Chattoi, germaansche stam, Hatten of Hessen, tot +de groep der Herminonen behoorende. Hunne hoofdstad was Mattium. Zij +wisten tegen de Romeinen hunne vrijheid te handhaven en wonnen zeer +in macht na den val der Cheruscers. Een afdeeling van hen vormden de +aan de Romeinen onderworpen Mattiaci (z. a.). + +Catullus, rom. dichter. Zie Valerii no. 38. + +Catulus, familienaam in de gens Lutatia. + +Caturiges, volk in Narbonensis in het bovendal van de Druentia +(Durance). Hoofdst. Eburodunum, thans Embrun. + +Caucasa, ta Kaukasa, stad in het Z. van Chius. + +Caucasus, Kaukasos, thans het kaukasisch gebergte, bij de ouden +slechts zeer onvolkomen bekend. De Caucasiae portae, Kaukasiai pylai, +waren een bergpas tusschen ontzaggelijke rotsen, door eene onneembare +vesting gedekt. Het is waarschijnlijk dezelfde pas als de Sarmaticae +portae (z.a.). De mythe laat hier, op bevel van Zeus, Prometheus +door Hephaestus aan een rots vastklinken, daar bij de oudste Grieken +de Caucasus voor een van de eindpalen der wereld gold. Zijn toppen +reikten tot aan den hemel. + +Caucasus Indicus, thans Hindoe-koh, uit den latijnschen of griekschen +naam verbasterd. Door een misverstand gaf het leger van Alexander +dezen naam aan den Paropanisus. + +Cauchi = Chauci. + +Caucones, Kaukones, oud pelasgisch volk, later verdwenen, +in Griekenland (Triphylia en Elis) en Klein-Azië (Bithynië). De +aziatische komen bij Homerus als bondgenooten der Trojanen voor. + +Caudex = Codex. + +Caudicaria navis, platboomd vaartuig, zolderschuit, lichter, uit ruwe +planken getimmerd, die o. a. gebezigd werden om koren van Ostia naar +Rome te vervoeren. + +Caudium, oude stad in Samnium aan de via Appia nova. In de nabijheid, +tusschen Calatia en Caudium, lag de bergpas, furculae Caudinae, waar +in 321 de consuls T. Veturius Calvinus en Sp. Postumius Albinus door +de Samnieten werden ingesloten. + +Caulon of Caulonia, Kaulonia, stad aan de Oostkust van het land der +Bruttii gelegen, zuidelijkste der achaeische koloniën, òf van uit +het moederland, òf door Croton gekoloniseerd. Het was reeds vroeg +een bloeiende stad en één van de steunpunten der Pythagoreërs. In +389 werd het door Dionysius den Grooten gesloopt, en de bewoners naar +Syracusae overgebracht. Weldra werd het weer opgebouwd, en later in den +oorlog met Pyrrhus door campaansche troepen ingenomen. De stad is vroeg +vervallen. De meening van sommige grieksche geleerden, dat het oudtijds +Aulon of Aulonia geheeten heeft, wordt door de munten weerlegd. + +Caunus, Kaunos, ongezond gelegen stad in het Z. van Caria, +geboorteplaats van den schilder Protogenes (± 315). De stad dreef +grooten handel in gedroogde vijgen, cauneae. + +Caupona, kapeleion. In de steden en langs de groote wegen vond men +oudtijds wel herbergen en logementen, ook deversoria genoemd, doch +deze waren meestal slecht en vuil, dikwijls vol ongedierte, en voor +lieden van aanzien niet geschikt. Tegen het einde van de republiek +werden ze echter ook door rijkere menschen bezocht. Ook wordt caupona +gebruikt voor herbergen en kroegen, waar men wijn en dranken en soms +ook eetwaren verkocht; in dat geval heeten ze vaak popinae. + +Caurus = Corus. + +Causia, kausia, breedgerande hoed van macedonischen oorsprong. + +Cautio, elke handeling, hetzij borgstelling, pandgeving, +schuldbekentenis, kwitantie of belofte, waardoor men iemand een +waarborg geeft tegen mogelijke schade. Cautio de dolo, de gewaarborgde +verzekering dat men geen kwaad in den zin heeft. + +Cayster of -trus, Kaystros, rivier van Klein-Azië, die voorbij +Ephesus in de Aegaeische zee valt, en beroemd was door de talrijke +zwanenvluchten, die er zich ophielden. + +Cavari (Cavares), volksstam in Gallia Narbonensis, aan den linkeroever +van de Rhône, tusschen de Druentia (Durance) en Isara (Isère). + +Cavarinus, senonisch Galliër, door Caesar tot koning over de Senones +aangesteld, maar door zijne landslieden weder verdreven (54). + +Cavaedium, cavum aedium, het holle van het huis, nl. de binnenplaats +van een rom. heerenhuis, waarop verschillende vertrekken uitkwamen. Met +de toeneming der weelde evenwel werd het cavaedium allengs herschapen +in eene binnenzaal op de wijze van het atrium, met dakopening en +regenvanger, maar ruimer dan het atrium, en in het midden met bloemen +en beelden versierd. + +Cavea, in het algemeen een kooi (kevie), traliewerk, afrastering, +meer in het bizonder de ruimte, die in amphitheater, circus of theater +voor de toeschouwers was bestemd. Zij was in drie rangen verdeeld: +ima, media en summa cavea. Zie ook balteus. + +Cea, latijnsche naam voor het eiland Ceos. + +Ceadas, Keadas, Kaiadas, een afgrond te Sparta, waarin misdadigers +(later hunne lijken) geworpen werden. + +Cebenna mons, to Kemmenon oros, het woeste gebergte der Cévennes, +in Gallia. + +Cebes, Kebes, van Thebe, leerling van Socrates. Denzelfden naam +draagt de schrijver van een wijsgeerig gesprek, Pinax, bevattende een +allegorisch tafereel van het menschelijk leven, dat uit de 1ste eeuw +na C. dateert. + +Cebren, Kebren, riviertje en stad in Troas aan den Ida, tusschen +Scepsis en Neandria. + +Cebrenis, Kebrenis, Oenone, dochter van den riviergod Cebren. + +Cebriones, Kebriones, zoon van Priamus en eene slavin, wagenmenner +van Hector, viel door de hand van Patroclus. + +Cecides, Kekeides, van Hermione, dithyrambendichter uit de eerste +helft van de vijfde eeuw. + +Cecropia, Kekropia, oude naam der acropolis van Athenae, bij dichters +ook de stad zelve. + +Cecropides, Kekropides, Theseus, afstammeling van Cecrops. Ook in +het algemeen, vooral in het meervoud, = Athener. + +Cecropis, Kekropis, 1) Agraulus, de dochter, en Procne en Philomela, +de kleindochters van Cecrops.--2) = Attica.--3) een van de 10 phylae, +waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd. + +Cecrops, Kekrops, een attisch autochthoon of pelasgisch koning van +Attica, stichter der atheensche acropolis, die, evenals het geheele +land, naar hem Cecropia genoemd wordt. Hij verdeelde het volk in twaalf +gemeenten, en was de grondlegger van beschaving en zachtere zeden door +het afschaffen van menschenoffers, het instellen van verschillende +godsdienstplechtigheden, enz. In den wedstrijd tusschen Poseidon en +Athena (z. a.) werd hij v. s. tot rechter verkozen. Hij was de vader +van Erisychthon, Agraulus, Herse en Pandrosus. Als mythisch wezen +wordt hij soms voorgesteld als half mensch, half draak (geminus, +diphyes), lateren daarentegen maakten van hem een Aegyptenaar, die +uit Sais eene volkplanting naar Attica gebracht zou hebben. + +Cecryphalea, Kekryphaleia, eilandje in de Saronische golf, tot +Argolis behoorende. + +Cedalio, Kedalion, dienaar van Hephaestus. + +Cedides, Kedeides = Cecides. + +Cedreae, Kedreai, of Kedreiai, stad in Caria aan de Ceramische golf. + +Cedrus, kedros, 1) de cederboom.--2) de olie of harst, die uit +cederhout werd getrokken door het bij het vuur te leggen. Met deze +cederolie wreef men de buitenbladen der boekrollen in, om ze te +vrijwaren tegen mot. + +Celaenae, Kelainai, bloeiende stad in het Z. van Groot Phrygia, +aan de bronnen van den Maeander en den Marsyas. In Xenophons tijd +was er een paleis van den perzischen koning, een van den satraap en +een jachtpark. Hier behoort de mythe van Marsyas te huis. + +Celaeno, Kelaino, eene van de Harpyiën. + +Celeia, aanzienlijke rom. kolonie in Noricum, tusschen den Dravus +(Drau) en den Savus (Sau). + +Celelates, ligurisch volk ten Z. van den Padus (Po). + +Celeres, oudste naam der ruiterij bij het rom. leger, volgens het +verhaal ten getale van 300 door Romulus ingesteld. Ze werden aangevoerd +door 3 tribuni celerum. Z. verder equites. + +Celetrum, Keletron, stad in het macedonische landschap Orestis. + +Celeüs, Keleos, koning van Eleusis, die Demeter gastvrij ontving toen +zij hare dochter daar kwam zoeken; hij was haar eerste priester te +Eleusis en genoot zelf na zijn dood goddelijke eer. Hij was de vader +van Demophon en Triptolemus. + +Cella. Onder dezen naam verstaat men vooreerst allerlei soorten van +kelders en bergplaatsen (cella frumentaria, olearia, vinaria). In de +tweede plaats zijn cellae kleine, meest gewelfde, kamertjes of cellen, +die tot slaapvertrekjes dienden voor de slaven, in herbergen ook voor +reizigers, enz.; zij hadden geen andere opening dan den ingang. Ten +derde komen de badkamers in de huizen enkele malen onder den naam cella +voor, b.v. cella caldaria = caldarium, enz. Ten vierde is cella het +inwendige van een tempel, het tempelruim, waar het beeld der godheid +stond.--Onder frumentum in cellam verstaat men het koren, dat de +stadhouder voor zich en zijn gevolg noodig had en dat de landbouwers +hem tegen een vastgestelden prijs in magazijn moesten leveren. + +Celox, keles, keletion, snelvarend schip met eene sterke bemanning +roeiers en daarom ook zeer geschikt voor zeeroof. + +Celsus, 1) Celsus Albinovanus, lierdichter en vriend van Horatius.--2) +A. Cornelius Celsus, geneesheer onder de eerste keizers, was de +schrijver van eene encyclopaedie de artibus in 20 boeken, waarvan +nog 8 de medicina bestaan.--3) P. Iuventius Celsus, vader en zoon, +waren beroemde rechtsgeleerden onder Vespasianus en Hadrianus.--4) +Celsus, schrijver van den alethes logos (± 180 n. C.) de eerste, +zeer belangrijke, bestrijding in het Grieksch van het Christendom. De +tekst is grootendeels bewaard gebleven door het geschrift van Origenes, +waarin hij Celsus wederlegt (248 n. C.). + +Celtae, Keltoi, machtige volksstam, die in ouden tijd het grootste +gedeelte van Midden-Europa bewoonde. Vooral woonden zij onder den naam +van Galli, Galatai, in Gallia. De Kelten of Galliërs schijnen echter +zeer treklustig geweest te zijn; er worden verscheidene zwerftochten +van hen vermeld. Men vond er in Hispania, in Britannia, in Cisalpina, +in Macedonia, in Asia (waar zij genoodzaakt werden in het naar hen +genoemde landschap Galatia vaste woonplaatsen te kiezen). De groote +volksverhuizing drong hen naar de kuststreken. Zij waren forsche en +gespierde menschen, blond of rossig van haar. De tegenw. bevolking van +Wales, de Hooglanden van Schotland, Ierland, Bretagne en de baskische +gewesten is nog grootendeels van keltischen oorsprong. Bij grieksche +schrijvers staat Keltoi vaak voor Germani, tegenover Galatai = Galli. + +Celtiberi, Keltiberes, dapper en vrijheidslievend volk, half van +keltischen, half van iberischen stam, in Hispania, op de waterscheiding +tusschen den Oceaan en de Middellandsche zee. Eerst steunden zij de +Romeinen in den strijd tegen de Carthagers; vervolgens verweerden +zij zich dapper tegen Rome, tot met den dood van Sertorius in 72 +hunne kracht gebroken was. Numantia (bellum Numantinum 143-133) +was een hunner steden. + +Cena, zie Coena. + +Cenabum of Genabum, het tgw. Orléans, z. Aureliani civitas. + +Cenaculum, de bovenverdieping van het huis, oorspronkelijk voor den +maaltijd gebruikt, zie Coena. + +Cenaeum, Kenaion akron, kaap op Euboea tegenover de Thermopylae, +met een tempel van Zeus. + +Cenchreae, Kenchreai, een der drie havens van Corinthus, aan de +Saronische golf. + +Cenomani, Kenomanoi, keltische volksstam, die zich in de vijfde eeuw +in Cisalpina vestigde in de omstreken van Mantua en Verona. Een ander +gedeelte van den stam woonde in Gallia Lugdunensis, ten Noorden van +de Loire, zie Aulerci. + +Cenotaphium, Kenotaphion, ook wel tumulus honorarius of inanis, +grafheuvel of graftombe zonder lijk, ter eere van iemand, wiens lijk +men niet had kunnen vinden of die elders was begraven. + +Censor. Vóór 445 werd de census te Rome door de consuls gehouden, +waarbij dan het lot besliste, wie van beiden na afloop daarvan het +plechtige reinigingsoffer of lustrum houden zou. Toen nu evenwel +in 445 ten gevolge van het canuleïsche wetsontwerp (zie Canuleia +(lex)) besloten werd, aan den drang der plebejers om aandeel in +het consulaat tijdelijk te gemoet te komen door de verkiezing van +tribuni militum consulari potestate, zonder onderscheid van stand +promiscue e patribus et plebe, wierpen de patriciërs het bezwaar op, +dat wellicht het lot een plebejer tot het houden van het lustrum +zou aanwijzen, en wisten hierdoor de instelling van een nieuw +patricisch ambt, dat der censoren, te verkrijgen. Waarschijnlijker +is het dat de instelling der censuur noodzakelijk was geworden +wegens de steeds vermeerderende ambtsbezigheden der consuls, die +dit werk in één jaar niet konden voltooien, en dus het lustrum +condere aan hun opvolgers moesten overlaten. Misschien ook is de +censuur eerst toen ingesteld, en dateert de klassenindeeling van +Servius Tullius eerst van dezen tijd. De eerste censoren (443) waren +L. Papirius Mugillanus en L. Sempronius Atratinus. Eerst in 351 +komt C. Marcius Rutilus als de eerste plebejische censor voor. In +339 bepaalde de lex Publilia van den dictator Q. Publilius Philo, +dat één der censoren uit de plebs moest worden gekozen, waarna +in 131 voor de eerste maal twee plebejische censoren voorkomen, +Q. Caecilius Metellus Macedonicus en Q. Pompeius. Oorspronkelijk was +de duur van het censorsambt vijf jaar; doch reeds in 434 werd het +door de lex Aemilia van den dictator Mam. Aemilius Mamercinus tot +1 1/2 jaar beperkt, zoodat de staat dan 3 1/2 jaar zonder censoren +was. Waarschijnlijker is het echter dat deze wet den oorspronkelijk +éénjarigen ambtstijd, wegens de vele werkzaamheden aan den census +verbonden, tot anderhalf jaar verlengde. Meestal koos men tot deze +waardigheid oud-consuls. Onmiddellijk na de verkiezing, die plaats had +in comitiis centuriatis, aanvaardden de censoren hun ambt, maar hadden +voor het uitoefenen daarvan behalve de gewone rechten der potestas +nog een bijzondere bevoegdheid noodig, de censoria potestas, die hun +door een lex centuriata de censoria potestate werd verleend. Tot de +werkzaamheden der censoren behoorde in de eerste plaats het houden +van den census (z. a.) met het daaraan verbonden lustrum (z. a.), +vervolgens het opmaken der senatorenlijst voor de eerstvolgende vijf +jaar, waarbij zij degenen, die door hen onwaardig werden geacht, +uit den senaat konden verwijderen. In de derde plaats behoorde er toe +de verpachting van tollen en andere indirecte belastingen (vectigalia +publica fruenda locare of vendere), de aanbesteding van openbare werken +(opera locare), en de regeling der door elken burger te betalen +belasting. Het meest gevreesd waren de censoren om hun toezicht +op de zeden, regimen morum. Dikwijls trokken zij streng te velde +tegen al wat naar weelde of overdaad zweemde. Zij konden den burgers +hun stemrecht ontnemen (zie aerarii), ridders van de ridderlijsten +schrappen (zie equites). Zulk eene vernedering en openbare berisping +heette nota of animadversio censoria en de daaruit voortvloeiende +schande was ignominia. Sulla, die den senaat onafhankelijk van +alle ander gezag wilde maken, hief de censuur op, doch toen kwam de +schandelijke omkoopbaarheid van tal van senatoren zóó sterk aan het +licht, dat men de censuur terug verlangde. In 70 werd zij hersteld, +doch de tijden waren er niet meer naar, om het zedenmeesterschap uit te +oefenen. De volkstribuun P. Clodius Pulcher bewerkte in 58 door eene +wet, dat de censoren niemand meer uit den senaat mochten stooten, +die niet formeel door hen was aangeklaagd en door beiden schuldig +bevonden was. Onder Augustus werden nog éénmaal censoren gekozen en +vervolgens ging de censoria potestas op den princeps over. + +Censorinus, familienaam in de gens Marcia, z. Marcii no. 8-10. + +Censorinus, rom. taalgeleerde van omstreeks 240 na C., van wien nog +een werk de die natali bestaat, waarin hij vooral over den invloed van +sterren en geesten op 's menschen geboorte en levenslot handelt. Het +werk berust op goede bronnen. + +Census. Bij den census moest ieder burger zich bij de censoren +aangeven, die hiertoe in de villa publica op den Campus Martius zitting +hielden. Bij deze aangifte gaf men onder eede (ex animi sententia) zijn +eigen naam, dien van zijn vader, zijn vrouw en kinderen, zijn ouderdom +en vermogen op, en hiernaar werd men in de classis ingeschreven, +waartoe men behoorde. Ten opzichte van het vermogen moeten wij hier +aanstippen, dat de censoren alleen datgene belastbaar achtten, wat men +ex iure Quiritium bezat; de ager publicus die slechts in possessione +was, en het grondbezit in de provinciën werd niet ingeschreven. Wie +verzuimde zich als burger aan te geven, was incensus; de straf was +verlies der vrijheid, dus capitis deminutio maxima. Nadat de aangiften +waren afgeloopen, moesten de scribae der censoren de verschillende +burgerlijsten opmaken: 1º. de lijsten van de leden der tribus, met een +lijst der aerarii (z. a.) als aanhangsel. 2º. de lijsten van de leden +der centuriae. 3º. de lijsten der belastingplichtigen, z. hieromtrent +tributum, orbi et orbae en tribuni aerarii en verder: aerarii. 4º. de +lijsten der dienstplichtigen uit de klassen, mannen van 17 tot 46 jaar, +tabulae iuniorum, die elk jaar werden bijgewerkt. Wegens verwaarloozing +van huiselijke en zedelijke plichten konden de censoren de burgers +straffen door hen uit eene tribus rustica in eene tribus urbana over te +brengen of wel hen tot aerarii (z. a.) te maken. Met den census ging +ook de lectio senatus voor het volgend vijfjarig tijdperk gepaard, en +de herziening der ridderlijsten, recognitio equitum, zie equites. Een +plechtig offer (zie lustrum) besloot den census. + +Centauri, Kentauroi, een woest ruitervolk, dat in de bergen van +Thessalië woonde, en door de Lapithen deels uitgeroeid, deels naar +de grenzen van Epirus verjaagd werd. Later stelde men zich voor dat +zij half menschen, half paarden waren (Hippocentauri), en dat zij +afstamden van Centaurus, den zoon van Ixion (z. a.) en eene wolk. Hun +strijd met de Lapithen, die met de volkomen nederlaag der Centauren +eindigde, was ontstaan doordat zij, als gasten op de bruiloft van +Pirithoüs, zich aan de bruid durfden vergrijpen.--Ook in Arcadië +woonden Centauren, die door Heracles gedood of verjaagd werden, +omdat zij hem een vat wijn wilden ontnemen, dat Bacchus voor hem +bestemd had. Zie ook Pholus en Chiron. + +Centimani, Ekatoncheires, drie reuzen met honderd armen, Aegaeon, +Cottus en Gyes, zonen van Uranus en Gaea. Door hun vader in den +Tartarus opgesloten, werden zij door Zeus verlost om hem in den +strijd tegen de Titanen te helpen, en brachten zij veel bij tot zijne +overwinning. De overwonnen Titanen werden nu in hun plaats naar den +Tartarus verbannen en onder hunne bewaking gesteld. + +Centrites, Kentrites, zijtak van den Tigris en grensrivier tusschen +Armenia en het land der Carduchen. + +Centrones, min juiste lezing voor Ceutrones. + +Centumcellae, thans Cività Vecchia, havenstad in Zuid-Etruria, waar +Traianus eene villa had. + +Centum gradus, een van de opgangen naar het Capitolium, aan de +Zuidwestzijde, dicht bij de Tarpejische rots. + +Centumviri, een rechterlijk collegie, dat ongeveer in het midden +van de 2de eeuw te Rome is ingesteld, dat uit vaste leden bestond +en recht sprak in processen over quiritarischen eigendom, vooral +in erfeniskwestiën. De leden, 105 in getal, 3 uit elke tribus, +werden waarschijnlijk oudtijds door den praetor urbanus gekozen, +later, toen het getal tot 180 steeg, uit een album door loting +aangewezen, en spraken recht in naam van het volk. Zij waren in +decuriën verdeeld. Voorzitters waren de praetor urbanus, later +oud-quaestoren en sedert Augustus de decemviri stlitibus iudicandis. + +Centuria. In de eerste plaats zijn centuriae de onderafdeelingen, +waarin de verschillende klassen der burgers, met het oog op de +legerindeeling, verdeeld waren volgens de regeling, die op naam +van koning Servius Tullius staat. Uit de rijksten der eerste of +hoogste klasse werden 18 centuriën ridders gekozen, elke van 100 +man. Hiertoe werd sedert de censuur van App. Claudius (312) een in +den census aangegeven vermogen van 400000 as gevorderd. De overige +burgers der eerste klasse met een vermogen van ten minste 100000 +as, waren in 80 centuriën verdeeld en wel 40 centuriae iuniorum +(onder 45 jaar) en 40 centuriae seniorum (boven 45 jaar). De tweede +klasse (75000-100000 as) telde 10 centuriae iuniorum en 10 centuriae +seniorum, evenzoo de derde klasse (minimum 50000 as) en de vierde +(25000 as). De vijfde klasse daarentegen (12500 as) telde 2 × 15 +centuriën. Vroeger werd de census naar den grondeigendom bepaald, en +werd men bij een eigendom van minstens 20 iugera in de eerste klasse +geplaatst, bij een van 15 iugera in de tweede, bij 10 in de derde, +bij 5 in de vierde en bij 2 in de vijfde klasse. Verder waren er +twee centuriën van werklieden, n.l. ééne uit timmerlieden en ééne +uit smeden bestaande (fabri tignarii et aerarii), alsmede ééne van +hoornblazers, cornicines, en ééne van bazuinblazers, tubicines, +en ten slotte ééne C. accensi velati (zie accensus no. 2). Omtrent +de toepassing dezer indeeling van het volk op de uitoefening van het +stemrecht zie Comitia. Men denke zich elke centurie als eene compagnie +onder aanvoering van een centurio. De tweede klasse was minder volledig +gewapend dan de eerste, de derde minder dan de tweede, enz. De capite +censi waren vrij van belasting en van krijgsdienst, daar men meende, +dat de verdediging van den staat moest rusten op hen, die werkelijk +iets te verliezen hadden en dus het meeste belang hadden bij rust +en veiligheid. De rijksten droegen de zwaarste lasten, doch hadden +ook de meeste rechten. De eerste klasse telde, met de ridders mede, +98 van de 193 centuriën en bracht dus 98 van de 193 stemmen uit. De +iuniores waren beschikbaar voor den dienst te velde, de seniores voor +de verdediging der stad. Zie verder comitia centuriata. + +Allengs evenwel liet men voor het leger deze indeeling varen, en werden +de soldaten onderscheiden in hastati, principes en triarii. Ten tijde +van Polybius was de normale sterkte van een legioen als volgt: + + +1200 hastati, flos iuvenum pubescentium, +1200 principes, robustior aetas, +600 triarii, veteranus miles spectatae virtutis, + + +terwijl 1200 velites of lichtgewapenden bij de verschillende +afdeelingen waren ingedeeld en dienst deden als plaatsvervangers +der gevallenen of als ongeregelde troepen. In hen was minus roboris +aetate factisque. Eene centurie hastati of principes bestond uit zes +gelederen, elk van tien man, en daarachter twee gelederen velites. Eene +centurie triarii bestond uit drie gelederen triarii, dus 30 man, +met twee gelederen velites. Aan het hoofd van elke centurie stond +een centurio. + +Centurio, hoofdman eener centurie. Twee centuriae in het leger vormden +één manipulus: de aanvoerder der eerste centurie van elken manipel +was centurio prior, die der tweede centurio posterior. De prior stond +boven den posterior. De rangorde der centuriones van het legioen was de +volgende. Eerst kwamen de 20 centuriones der triarii of pilani, en wel +zóó, dat de beide centuriones van den eersten manipel hooger in rang +waren dan die van den tweeden, deze weer hooger dan die van den derden, +enz. Op dezelfde wijze volgden dan de 20 aanvoerders der principes en +daarna de 20 der hastati. De laagste in rang was derhalve de centurio +posterior van den tienden manipel der hastati; de hoogste was de +centurio prior van den eersten manipel der pilani. Deze werd primus +pilus of primipilus genoemd. Tijdens Caesar echter was het legioen in +10 cohorten verdeeld, elk uit één manipel van elke soort bestaande. In +iedere cohorte was de rangorde deze: pilanus prior, p. posterior, +princeps prior, pr. posterior, hastatus prior, h. posterior. De zes +centuriones der eerste cohorte stonden boven die der tweede, enz. Als +teeken van zijn rang had de centurio een wijngaardstok (vitis), dien +hij soms zeer onzacht wist te gebruiken. Het zwaard droeg hij links, +terwijl de soldaten het rechts droegen. + +Centuripae, ta Kentoripa, oude stad op Sicilia aan den Symaethus nabij +den Aetna. De burgers van Centuripae waren onder de rom. heerschappij +de eenige Sicilianen, die recht van grondbezit over het geheele +eiland hadden. + +Ceos, Keos, eiland der Cycladen, niet ver van de Z.O.-punt van Attia, +geboorteplaats der lierdichters Bacchylides en Simonides. Zelfmoord +op zestigjarigen leeftijd was, naar men vertelt, oudtijds hier in +zwang. Van de vier steden was Iulis de voornaamste. + +Cephallenia, Kephallenia, bij Hom. ook Same of Samus genoemd +en destijds afhankelijk van Ithaca, het grootste der Ionische +eilanden. Van de vier steden was Same de voornaamste. In het begin +van den peloponnesischen oorlog sloot het zich bij Athene aan. + +Cephaloedis of -dium, Kephaloidis, -oidion, stad op de N.-kust van +Sicilia, tusschen Himera en Halaesa. + +Cephalus, Kephalos, 1) zoon van Hermes en Herse of van Deïon +en Diomede, gehuwd met Procris, dochter van Erechtheus. Hij werd, +toen hij op jacht was, door Eos geschaakt, maar zijn onweerstaanbaar +verlangen naar zijne echtgenoote maakte, dat hij zich met de liefde +der godin niet gelukkig gevoelde. Zij liet hem dan ook gaan, maar +eerst nadat zij hem wantrouwen tegen Procris had ingeboezemd. Daarom +besloot hij vermomd naar zijne woning terug te keeren en zijne gemalin +te beproeven, en ofschoon hij haar eerst nauwelijks konde naderen en +zij zeer lang aan zijne verleidelijke aanbiedingen weerstand bood, was +zij op het punt toe te geven, toen hij zich bekend maakte. Beschaamd +vluchtte zij naar Creta, waar zij van Artemis of Minos een onfeilbare +werpspies ten geschenke kreeg en een jachthond, wien niets ontloopen +konde. Als jong meisje kwam zij nu bij Ceph. terug, die haar uit +begeerte naar de genoemde geschenken zijne liefde beloofde, waarop zij +zich op haar beurt bekend maakte. Hierop volgde een verzoening. Maar +door jaloerschheid gedreven, volgde Procris eens haar echtgenoot +heimelijk toen hij ter jacht ging, en bij deze gelegenheid werd zij +door Ceph. zelf, die tusschen het geboomte een wild dier meende te +hooren, met de onfeilbare werpspies gedood. Hij werd daarom door +den Areopagus verbannen en hielp later Amphitryo in zijn oorlog +tegen de Taphiërs, waarvoor hij het eiland Cephallenia tot belooning +ontving.--2) van Syracuse, een rijk en beschaafd man, die zich in 447 +op raad van Pericles, zijn gastvriend, te Athene vestigde, vader van +den redenaar Lysias. + +Cepheis, Kepheis, Andromeda, dochter van Cepheus. + +Cepheus, Kepheus, 1) zoon van Belus en Anchinoë, koning van Aethiopië, +vader van Andromeda, werd met zijne vrouw en dochter onder de +sterren verplaatst.--2) Arcadiër, zoon van Lycurgus, nam deel aan de +calydonische jacht.--3) van Tegea, zoon van Aleüs en Neaera, een van +de Argonauten. + +Cephisodotus, Kephisodotos, 1) Athener, werd in 359 met eene vloot +naar Thracië gezonden, waar hij zich door Charidemus liet overhalen +tot het sluiten van een zoo schandelijken vrede, dat hij bijna ter +dood veroordeeld werd; hij werd echter afgezet en voor vijf talenten +beboet.--2) atheensch beeldhouwer, vader van Praxiteles, van wien +nog een beeld, Vrede en Rijkdom, bestaat. + +Cephis(s)us, Kephisos, ook wel Kephissos, naam van verscheidene +rivieren, o. a. 1) in Phocis en Boeotia. Naar deze rivier, die in het +meer Copaïs uitloopt, heet dit laatste bij Homerus ook Kephisis. De +riviergod van dit stroompje was de vader van Narcissus.--2) riv. in +Attica, die aan de Westzijde langs Athenae vloeide.--3) rivier in +Argolis, die van links in den Inachus uitstroomt. + +Cephren, = Chephren. + +Cera, keros, was, werd door de ouden tot verschillende doeleinden +gebruikt. Men bestreek er de houten schrijfplankjes mede, waarop +men dan met een stalen schrijfstift of stilus schreef (tabulae +ceratae). Soms waren eenige van zulke plankjes tot een boekje +vereenigd, zooals bij ons wel met leitjes het geval is; zulk een +boekje heette cerae; cera prima, secunda, enz. beteekende dan de +eerste, tweede bladzijde. Voor geschriften, die bewaard moesten +worden, om zoo noodig in rechten tot bewijsstuk te kunnen dienen, +had men tafeltjes, welker inrichting uit nevenstaande afbeelding +blijkt. Het eigenlijke stuk staat op de binnenzijde van het eerste +en tweede tafeltje, deze twee zijn dichtgebonden met een touw, dat +door een opzettelijk daarvoor gemaakte gleuf loopt, en dat bevestigd +is door de zegels van getuigen, wier namen naast hun zegel geschreven +zijn. Z. de afb. op blz. 162. Op de binnenzijde van het derde tafeltje +staat een korte opgave van den inhoud van het document.--Ook werd het +was gebezigd tot boetseeren, vooral voor de borstbeelden (of liever +maskers) van beroemde voorzaten, imagines maiorum.--Ook schilderde +men met wasverven, die vervolgens werden ingebrand, welke bewerking +encaustiek heet, enkaustike, (z. encaustica). + +Ceramicus, Kerameikos = pottenbakkersmarkt, plein en fraaie voorstad +van Athenae, gedeeltelijk buiten, gedeeltelijk binnen den muur +gelegen. In het buitengedeelte werden zij, die in den strijd gevallen +waren, van staatswege begraven. + +Ceramus, Keramos, stad in Caria, aan de golf, die naar haar sinus +Ceramicus wordt genoemd. + +Cerasus, Kerasous = het kersenrijke, de kersenstad, op de kust van +Pontus, een kolonie van Sinope, vanwaar L. Licinius Lucullus in 74 de +eerste kersen naar Rome overbracht. Een ander Cerasus, meer westelijk +gelegen, is later verdoopt in Pharnacia (z. a.). + +Ceraunii montes, Keraunia ore, gebergte op de kust van Epirus, +berucht door de vele onweders (keraunos). Zie ook Acroceraunia. + +Cerberus, Kerberos, zoon van Typhon en Echidna, een hond met drie, +vijftig of honderd koppen, slangen in plaats van haren, en een staart +met een drakekop. Hij hield verblijf in een hol aan gene zijde van +de Styx en zorgde dat niemand de onderwereld verlaten konde; daarom +moesten zij, die levend in de onderwereld afdaalden, dit monster +bedwingen om zich den terugtocht te verzekeren. Orpheus deed hem door +de tonen zijner lier in slaap vallen. Het laatste der twaalf werken +van Heracles was dat hij den Cerberus naar de bovenwereld bracht, +wat des te moeilijker was, daar hij van Pluto slechts verlof er toe +gekregen had op die voorwaarde, dat hij hem ongewapend zoude vangen. + +Cercasorum, Kerkasoron, stad aan den Nijl, juist waar deze zich in +verschillende armen begint te splitsen. + +Cercina, Kerkina of Kerkinna, twee door eene brug verbonden eilandjes +met gelijknamige havenstad op de kust van Africa, in de kleine +Syrte. Het kleinste eilandje wordt ook Cercinitis genoemd. + +Cercine, Kerkine, gebergte in Macedonia tusschen den Axius (Vardar) +en den Strymon (Karasu). Ook een meer, waardoor de Strymon loopt. + +Cercinium, Kerkinion, sterkte in Thessalia aan het meer Boebeis. + +Cercius = Circius. + +Cercopes, Kerkopes, een soort kabouters, die bij de Thermopylae, +op Euboea of in Lydië woonden. Zij ontstalen Heracles zijne wapenen +en werden tot straf door hem aan een balk gebonden, maar hun berouw +vermaakte den held zoo, dat hij hen weder losliet.--V.a. een volk +dat het eiland Pithecusa bewoonde. Zij beloofden Zeus hun bijstand +tegen de Titanen, maar toen zij het daarvoor bedongen loon ontvangen +hadden, hielden zij hun woord niet. Tot straf werden zij in apen +veranderd.--Een plaats te Athene, waar veelal gestolen goed verkocht +werd, heette Kerkopon agora. Cercyon, Kerkyon, zoon van Poseidon +of Hephaestus, vader van Alope. Hij woonde bij Eleusis en dwong +alle vreemdelingen zich met hem in het vuistgevecht te meten; de +overwonnenen bracht hij ter dood. Eerst Theseus gelukte het hem te +overwinnen en te dooden. + +Cerdiciates, volk in Liguria, ten Z. van den Padus. + +Cerealia, feesten den 19den April te Rome ter eere van Ceres gevierd, +met wedrennen en tooneelvertooningen. Sedert 202 begon het feest reeds +den 12den April en duurde tot en met den 19den. Men ging in het wit +gekleed, zond elkander bloemkransen en noodigde elkander ten maaltijd. + +Cerealis, familienaam in de gens Petillia. + +Ceres, eene italiaansche godin van den landbouw, die samen met Tellus +(z. a.) vereerd werd, maar later door de Romeinen geïdentificeerd +werd met Demeter. De eeredienst van de grieksche Ceres werd te Rome +ingevoerd en haar eerste tempel gebouwd in 493 gedurende een door +misgewas ontstanen hongersnood, en ingewijd door den consul Sp. Cassius +Viscellinus. In dezen tempel, waarin zij te zamen met Liber (Dionysus) +en Libera (Core) vereerd werd (men noemde den tempel aedes Cereris +Liberi Liberaeque) en die de aandacht trok als eerste voorbeeld van +griekschen bouwstijl, deden grieksche vrouwen, vooral uit Neapolis, +dienst, en alle mythen, die op Demeter betrekking hebben, werden op +Ceres overgedragen. Vooral den roof en het terugvinden van Proserpina +herdachten de romeinsche vrouwen met groote plechtigheid in de +maand Augustus en keizer Claudius trachtte zelfs de eleusinische +mysteriën naar Rome over te brengen. Haar voornaamste feest bleef +echter de Cerealia (z. a.). Ceres werd vooral als eene godin der +plebejers beschouwd; haar tempel, waarin het plebejisch archief en +afschriften van wetten en senaatsbesluiten bewaard werden, stond in +een geheel plebejisch gedeelte van de stad (bij den Circus Maximus +aan den kant van den Aventinus), haar dienst stond onder toezicht +der aediles plebeii. + +Cerinthus, Kerinthos, stad aan de O.-kust van Euboea, van Chalcis +afhankelijk. + +Cermalus, het N.W. gedeelte van den Palatinus. Het was een onderdeel +van het Septimontium, zie Roma. + +Cerretani, Kerretanoi, iberisch herdersvolk in de zuidelijke dalen +der Pyrenaeën, in het tegenw. Cerdagne. + +Cersobleptes, Kersobleptes, zoon van Cotys, werd in 358 koning der +odrysische Thraciërs. De thracische Chersonesus, die door zijn vader +veroverd was, moest hij aan de Atheners teruggeven; in 347 ontnam +Philippus van Macedonië hem een deel van zijn rijk, en in 342 verloor +hij het geheel en moest hij zich aan Philippus onderwerpen. + +Cersus, Kersos = Carsus, Karsos. + +Cervi, soort van palissaden of van zoogenaamde spaansche ruiters, +uit boomstammen of zware takken bestaande, waaraan men andere takken +had laten zitten als het gewei van een hert. + +Cerynia, Keryneia, stad op de N.-kust van Cyprus. + +Ceryx, Keryx, zoon van Hermes en Pandrosus, stamvader van het +atheensche priestergeslacht der Ceryces (Kerykes of Kerykidai). + +Cessio, overdracht van eene zaak of van een recht. Eene in iure cessio +is eene formeele overdracht ten overstaan van den praetor. Zie ook +bonorum cessio. + +Cestius, naam van een rom. geslacht. 1) de bouwer van de brug, +pons Cestius, die de insula Tiberina met de regio Transtiberina +verbindt.--2) C. Cestius, rom. ridder, volkstribuun en praetor, +tegenstander van Antonius, waarschijnlijk bij de proscriptiën van 43 +omgekomen.--3) C. Cestius Epulo, de man tot wiens gedachtenis door +eenige zijner erfgenamen de "pyramide van Cestius" werd opgericht, +37 meter hoog, op een grondvlak van 30 meter lang en breed. Het +gevaarte, dat in 330 dagen voltooid werd, bevat slechts eene +kleine lijkenkamer.--4) Cestius Gallus, onder Nero stadhouder van +Syria, had in 66 na C. met een opstand der Joden te kampen, die de +rom. onderdrukking moede waren. + +Cestrine, Kestrine, landschap in Epirus tegenover Corcyra. + +Cestus, kestos, de geborduurde gordel van Aphrodite, die +onwederstaanbare bekoorlijkheid gaf. + +Cetei, Keteioi, oude stam in Mysia aan de rivier Ceteus, die bij +Pergamum in den Caïcus valt. + +Cethegus, zeer oude familie in de gens Cornelia, z. Cornelii no. 30-34. + +Ceto, Keto, dochter van Pontus en Gaea, gehuwd met haar broeder +Phorcys, en bij hem moeder van de Gorgonen, de Sirenen e. a. monsters. + +Cetra, klein rond schild, met leder overtrokken, van spaanschen +oorsprong, ten tijde van Caesar ook door lichtgewapende rom. troepen +gebruikt. + +Ceutrones, alpenvolk in de provincia Alpes Poeninae. De weg van Italia +naar Lugdunum liep door hun gebied. + +Cevenna, = Cebenna. + +Ceyx, Keyx, 1) koning van Trachis, bij wien Heracles gastvrij opgenomen +werd.--2) zoon van Hesperus en Philonis, gemaal van Alcyone (z. a.). + +Chaboras, Chaboras, ook Aborras, rivier in Mesopotamia, ontspringt +bij Resaïna, stroomt door Gauzanitis, neemt den Mygdonius en den +Saocoras op, en valt bij Circesium in den Euphraat. + +Chabrias, Chabrias, atheensch veldheer, die het bevel voerde over +de troepen, welke de Atheners aan Euagoras van Cyprus te hulp zonden +(388), en later (385) aan het hoofd stond van de grieksche huurlingen +in dienst eerst van Acoris en daarna van Nectanebis van Aegypte. Op +verlangen der Perzen door de Atheners teruggeroepen, verijdelde +hij (378) een inval van Agesilaus in Boeotië door goed bedachte +en geheel nieuwe manoeuvres, waardoor hij zich vooral grooten +roem verwierf. Nadat hij in den zeeslag bij Naxus de Spartanen +had overwonnen (376), werd hij naar Thracië gezonden, waar hij +vele bondgenooten voor Athene won, en beschermde hij Abdera tegen +de aanvallen van Charidemus. Na afloop van den thebaanschen oorlog +voerde hij nog het bevel over de vloot van Tachos van Aegypte in diens +oorlog tegen de Perzen. Hij sneuvelde in den bondgenootenoorlog bij +het beleg van Chius (357), toen zijn schip in de haven van de vloot +afgesneden en bijna reeds gezonken was. + +Chaerea, hoofd der saamgezworenen tegen Caligula. Zie Cassii no. 15. + +Chaeremon, Chairemon, 1) atheensch treurspeldichter, wiens werken, +in weerwil van hunne letterkundige waarde, wegens hunne moeilijkheid +meer geschikt werden geacht om gelezen, dan om opgevoerd te worden. Hij +leefde omstreeks 375.--2) stoicijnsch wijsgeer van Alexandrië, hoofd +der bibliotheek aldaar, kwam naar Rome en werd een der opvoeders +van Nero. Van zijne geschied- en oudheidkundige werken is slechts +weinig over. + +Chaerephon, Chairephon, Athener, een van de vurigste vereerders van +Socrates. Aan hem werd het bekende orakel gegeven, dat Socrates den +wijsten aller menschen noemde. Ook als dichter van een treurspel +wordt hij genoemd. + +Chaeronea, Chaironeia, stad in Boeotia, geboorteplaats van Plutarchus, +bekend door een drietal overwinningen: 1) van de Boeotiërs op de +Atheners in 447;--2) van Philippus van Macedonia op de vereenigde +Atheners en Thebanen in 338;--3) van Sulla op Mithradates' veldheer +Archelaus, in 86. In de 5de eeuw behoorde het tot Orchomenos, later +werd het een zelfstandig lid van den boeotischen bond (zie Boeotia). + +Chalaeum, Chalaion, havenstad der Locri Ozolae aan de noordpunt van +de Crisaeïsche golf. + +Chalastra, Chalastra, stad in Macedonia aan den mond van den Axius +(Vardar). + +Chalce, Chalke, eilandje ten W. van Rhodus. + +Chalcedon, Chalkedon, megarensische kolonie op de kust van Bithynia +tegenover het jongere Byzantium, meermalen belegerd en veroverd. In +haar gebied lag de havenstad Chrysopolis. Het was de geboortestad +van den wijsgeer Xenocrates en had een beroemden Apollo-tempel. Eene +andere schrijfwijze is Calchedon, Kalchedon. + +Chalcidice, Chalkidike, groot schiereiland aan de macedonische kust, +bezet met grieksche volksplantingen, vooral van de euboeïsche stad +Chalcis (8ste eeuw). Het splitst zich in drie landtongen: Acte met +den berg Athos, Sithonia en Pallene. + +Chalcidicum, chalkidikon, overdekt, van voren open voorportaal of +portiek, waarvan het dak door zuilen werd gedragen. + +Chalcioecus, Chalkioikos, bijnaam van Athena te Sparta, naar haar met +koper versierden tempel, waarin een koperen beeld van de godin stond +en waar op de Chalcioecia (Chalkioikia) gewapende jongelingen offerden. + +Chalcis, Chalkis, oude hoofdstad van Euboea, aan het smalste gedeelte +van den Euripus gelegen, en sedert 411 door eene brug met het vasteland +van Attica verbonden. Chalcis was eenmaal een bloeiende stad, die een +groot aantal koloniën uitzond, o.a. naar Chalcidice, Cumae in Italia, +Naxus op Sicilia, enz. Met Eretria, dat 3 uur ten Z. van Chalcis +ligt, heeft het gedurende een halve eeuw (± 700-± 650) strijd gevoerd +om de oppermacht op Euboea en het bezit van de Lelantische vlakte +(zie Lelantius Campus), die met de nederlaag van Eretria eindigde. In +dezen strijd werd Chalcis door Samus en Corinthe, Eretria door Milete +en Megara geholpen. In 506 leed de adel van Chalcis, de hippobotai, +een zware nederlaag tegen het democratische Athene, en Chalcis moest +de Lelantische vlakte aan Athene afstaan, dat er 4000 kolonisten, +klerouchoi, heenzond, die echter in 490, bij den aanval der Perzen +op Eretria, naar hun land terugtrokken. Sedert 506 is de bloei van +Chalcis voorbij, zie Euboea. In den tijd der Diadochen was Chalcis +een der sterkste plaatsen van Griekenland, meestal in de macht +van Macedonië. De Romeinen konden het in 207 niet innemen. Bij den +vrede in 194 werd de stad vrij. In 146 werd ze na den opstand door +de rom. troepen geplunderd en de muren gesloopt. Chalcis was de +geboortestad van de dichters Lycophron en Euphorion en den redenaar +Isaeus.--Ook in Aetolia en in Syria (Ch. ad Belum ten Z. van Beroea), +vond men eene stad Chalcis. + +Chaldaea, Chaldaia, het zuidelijke deel van Babylonia, later ook +wel als algemeene naam voor het geheele land gebezigd. Zie overigens +Babylonia en Chalybes. + +Chaldaïcae rationes. Zie Babylonii numeri. + +Chaleium, Chaleion = Chalaeum. + +Chalus, Chalos, riviertje in N. Syria, waaraan Beroea en Chalcis +lagen en dat in de woestijn wegsterft. + +Chalybes, Chalybes, een volk van mijnwerkers in het O. van Pontus, +onderdanen der Mossynoeci. Het Grieksche woord voor staal, chalyps, +is aan hen ontleend. Hiervan moeten die Chalybes onderscheiden worden, +die als een strijdhaftig en dapper volk geschilderd worden, en ook +wel Chaldaei genoemd worden. Met de babylonische Chaldaei hebben ze +niets te maken. + +Chalybon, Chalybon, stad ten N. van Damascus in Syria, tgw. Helbun. De +stad was beroemd om haar wijn. + +Chamavi, Chamauoi, Chamaboi, germaansche stam, eerst aan den +Rijn gevestigd en later aan den Visurgis (Weser). In de 4de eeuw +n. Chr. wonen ze wederom aan den Rijn in het latere Hamaland, tusschen +Ouden Yssel en Rijn, en behooren zij tot de Salische Franken. + +Chaones, Chaones, ruwe volksstam in Epirus, wier land, Chaonia, +zich langs de kust uitstrekte, van Acroceraunia tot aan de rivier de +Thyamis. Bij romeinsche dichters is Chaonius pater = Zeus van Dodona, +en columbae Chaoniae = de duiven van Dodona. + +Chaos, Chaos, oorspronkelijk de onmetelijke ledige ruimte, die bestond +voordat iets geschapen was; volgens lateren de vormlooze massa, +waarin alles, wat later een afzonderlijk bestaan kreeg, verward +dooreen lag. Chaos bracht Gaea, Tartarus en Eros, later nog Erebus +en Nyx voort. + +Characene, dat gedeelte van Susiana, dat boven Spasinu (Pasinu) Charax +(zie Charax no. 1) ligt. + +Charadra, Charadra, stad in het N.W. van Phocis, ten O. van Lilaea, +aan het riviertje Charadrus, op een rots gelegen. Ook in Messenia en +in Zuid-Epirus vond men eene stad van dezen naam. + +Charax, Charax (= palissade, legerkamp), naam van onderscheiden +steden. 1) stad in Susiane aan de monding van den Tigris, door +Alexander den Gr. gesticht en Alexandria geheeten, vervolgens verdoopt +in Antiochia naar den syrischen koning Antiochus IV Epiphanes, en +ten slotte Charax Spasinu (Pasinu) genoemd naar den arabischen vorst +Spasines (Pasines), die de plaats door dammen tegen overstrooming +beveiligde.--2) stad op Corsica.--3) stad in Media, nabij de Caspiae +portae. + +Chares, Chares, 1) atheensch veldheer, die door zijne hebzucht en +onrechtvaardigheid zoowel als door zijn gebrek aan beleid in den +oorlog dikwijls reden tot ontevredenheid gaf, maar zich toch door +kunstgrepen en zelfs door omkooping wist staande te houden. Toen +hij in den bondgenootenoorlog gedurende een hevigen storm bij een +aanval op Samus de nederlaag geleden had (356), bewerkte hij door +valsche berichten dat zijne ambtgenooten, Iphicrates en Timotheüs, +die den aanval afgeraden hadden, teruggeroepen en beboet werden. Toen +hij zich echter door geldgebrek tot een grooten rooftocht tegen +eenige perzische steden genoodzaakt zag en bovendien den oproerigen +satraap Artabazus tegen den koning van Perzië steunde, werd hij op +verzoek van dezen teruggeroepen. Vruchteloos trachtte hij eenige +malen Olynthus tegen Philippus te beschermen, en Byzantium, dat +hij eveneens tegen Philippus verdedigen zoude, weigerde zelfs hem te +ontvangen. Waarschijnlijk sneuvelde hij in den slag bij Chaeronea.--2) +bronsgieter uit Lindus, maker van het beroemde kolossale beeld van +den zonnegod op Rhodus, omstreeks 290. Reeds in 222 is het beeld, +dat ± 30 Meter hoog was, tengevolge van een aardbeving ingestort, en +zijn de overblijfselen blijven liggen, totdat ze in den byzantijnschen +tijd door een arabisch generaal aan een Jood verkocht zijn, die voor +het vervoer de beschikking noodig had over 900 kameellasten. + +Charicles, Charikles, 1) admiraal in den peloponnesischen oorlog, +later een van de dertig.--2) schoonzoon van Phocion, liet zich door +Harpalus omkoopen en werd ter dood veroordeeld, doch vluchtte (319). + +Charidemus, Charidemos, van Oreüs op Euboea, aanvoerder van huurlingen +in atheenschen, perzischen en thracischen dienst. Door zijne +verraderlijke handelingen kwam hij dikwijls in moeilijkheden, toch +werd hij in Thracië onder de regeering van zijn schoonvader Cotys en +van Cersobleptes een man van veel invloed. Hoewel hem door de Atheners +het burgerrecht geschonken was, was zijn politiek hun in den regel +vijandig; niettemin wist hij sommigen zoo omtrent zijne bedoelingen +te misleiden, dat men zelfs voorstelde hem bij eene afzonderlijke +wet buitengewone bescherming tegen zijne vijanden toe te zeggen, +welk voorstel echter door den tegenstand van Demosthenes en anderen +waarschijnlijk verworpen werd (352). Tegen Philippus strijdt hij in +351 in de Chersonesus, in 349 in Chalcidice, in 338 bij Chaeronea. Hij +was een van de mannen wier uitlevering door Alexander na het bedwingen +van den thebaanschen opstand geëischt werd. Toen Alexander zich op +verzoek van het volk met zijne verbanning tevreden stelde, vluchtte +hij naar Perzië, waar hij, wegens al te vrijmoedige afkeuring van de +maatregelen van Darius, door dezen ter dood gebracht werd (333). + +Charietto, Charietton, bandiet, die eerst op eigen houtje van Trier +uit den strijd begon tegen de in het rijk ingevallen Franken, en daarna +door den onderkeizer (Caesar) Julianus aangeworven, door hem gebruikt +werd in een guerilla tegen de in de Betuwe en Noord-Braband ingevallen +Chamaven, waarbij hij den zoon van hun koning gevangen nam (358 +n. C.). Ook gebruikte Julianus hem als gids tegen de Alamannen. Als +comes Germaniae utriusque sneuvelde hij in 365 n. C. tegen Alamannen, +die wederom in Gallië waren ingevallen. + +Charilaus, Charillus, Charilaos, -leos, Charillos, nageboren zoon +van Polydectes, neef en pupil van den wetgever Lycurgus, koning van +Sparta. Hij voerde oorlog tegen de Argiven en Tegeaten maar werd door +laatstgenoemden gevangen genomen en niet vrijgelaten, voor hij hun +beloofd had hen niet weder te bestrijden. + +Charis, Charites, Charis, Charites, Gratiae, dochters van Zeus en +Hera of de Oceanide Eurynome of van Helius en Aegle of van Dionysus +en Aphrodite. Zij zijn de godinnen der bevalligheid, zonder wier +medewerking ieder feest, ieder kunstwerk, alles wat vreugde en genot +schenken kan, zijn rechte waarde mist. Daarom zijn zij de vriendinnen +der Muzen, de gezellinnen van Aphrodite, Peitho, Hermes, Apollo en +Dionysus, en worden zij dikwijls gemeenschappelijk met deze godheden in +dezelfde tempels vereerd, hoewel zij ook op vele plaatsen eigen tempels +hadden. Bij Homerus is Charis de gemalin van Hephaestus, de Atheners +vereerden twee Chariten, Auxo en Hegemone, de Spartanen eveneens twee, +Cleta en Phaënna, gewoonlijk vindt men echter drie genoemd, Euphrosyne, +Aglaïa en Thalia. De dienst der Charites verbreidde zich uit het +boeotische Orchomenus over geheel Griekenland; aldaar vierde men te +harer eer een feest, de Charisia of Charitesia.--Te Athene werden +zij met de Horen in verband gebracht en werd haar ook invloed op het +weder toegeschreven.--In lateren tijd golden zij ook voor godinnen +van dankbaarheid en weldoen.--Gewoonlijk worden de drie Charites met +elkander afgebeeld, als schoone, slanke, jonge vrouwen, somtijds met +muziekinstrumenten, dobbelsteenen, rozen en mirten als attributen. + +Charisius (Flavius Sosipater), taalgeleerde uit Campania, schrijver +van een werk, getiteld ars grammatica in vijf boeken, waarvan nog +gedeelten van het 1ste, 4de en 5de boek overig zijn. Hij leefde +waarschijnlijk in het midden van de vierde eeuw na C. + +Charistia, z. Caristia. + +Charito, Chariton, van Aphrodisias in Phrygië, schrijver van een +griekschen roman in acht boeken: Chaereas en Callirrhoë (waarschijnlijk +uit de 2de eeuw n. C.). + +Charmadas, Charmadas, een academisch wijsgeer, leerling van Carneades, +omstreeks 110 leeraar der wijsbegeerte en redekunst te Athene, +v. s. stichter der vierde academie. Cicero roemt zijne welsprekendheid +en zijn merkwaardig geheugen. + +Charmande, Charmande, aanzienlijke stad in Mesopotamia aan den +rechteroever van den Euphraat. + +Charmides, Charmides, oom van Plato, sneuvelde in het voorjaar van +403 in een gevecht tegen Thrasybulus. + +Charminus, Charminos, atheensch vlootvoogd in den peloponnesischen +oorlog, leed in 411 de nederlaag in een zeegevecht tegen Astyochus +en steunde later de oligarchische bewegingen op Samus. + +Charoeades, Charoiades, atheensch veldheer, ondersteunde Leontini +met eene vloot in den oorlog tegen Syracusae, maar sneuvelde (427). + +Charon, Charon, 1) zoon van Erebus en Nyx, de veerman der onderwereld, +die de schimmen der afgestorvenen van Hermes in ontvangst nam en ze +over Styx, Cocytus en Acheron naar het rijk der dooden bracht. Tot +betaling van het veergeld legde men den dooden een obool in den +mond. Slechts zij werden overgezet, wier lichamen behoorlijk begraven +of verbrand waren, zoolang dit niet geschied was, bleven zij aan de +oevers van de Styx zwerven. Levenden moesten, indien zij overgezet +wilden worden, een gouden tak toonen, tot bewijs dat de goden het +veroorloofden.--Charon wordt afgebeeld als een oud, vuil en armoedig +gekleed man.--2) van Lampsacus, logograaf in de 5de eeuw. + +Charondas, Charondas, beroemd wetgever te Catana op Sicilia (± 550), +wiens veelgeprezen wetten in vele chalcidische volkplantingen van +Sicilië en Beneden-Italië in zwang waren. Zij waren wel streng, +doch rechtvaardig, kort en ondubbelzinnig. Niemand mocht daarin +eene verandering voorstellen, tenzij met een strop om den hals, om +terstond gewurgd te worden, indien het voorstel werd verworpen. Eens +van de jacht komende, kwam hij in de volksvergadering, zonder er aan +te denken, dat hij nog gewapend was, en toen een der burgers hem op +de overtreding zijner eigene wetten opmerkzaam maakte, bezegelde hij +zijne voorschriften met zijn bloed, door zich op staanden voet het +zwaard in de borst te stooten. + +Charta, chartes, papier. De ouden vervaardigden dit uit het merg der +papyrusplant. Dit merg werd met een scherp voorwerp in zeer dunne +lagen verdeeld, die zoo breed mogelijk genomen werden. De strooken, +die men daardoor kreeg, werden op een vochtige plaat naast elkaar +uitgespreid, en daarover dwarsstrooken met lijm vastgeplakt. Dan +werd het geheel geperst, en in de zon gedroogd; daarop werden de +verschillende bladen die men zoodoende kreeg, aan elkaar verbonden +tot een rol, en wel zóó, dat de betere bladen aan den buitenkant, +die het meest te lijden had, kwamen te liggen. Plinius onderscheidt +acht soorten; de fijnste heette Augustea, de daaropvolgende Liviana, +de minste soort was charta emporeutica of pakpapier. Bovendien vindt +men nog vermeld: charta dentata, dat met een tand (misschien een stuk +olifantstand of ivoor) was gladgewreven en gepolijst, en charta bibula, +een doorschijnend soort vloeipapier. Naast papyrusrollen gebruikte men +ook perkament, en in de 3de en 4de eeuw n. C. werd in het Westen de +papyrusrol geheel door het perkament vervangen, terwijl in het Oosten +eerst in de 8ste eeuw het katoen- en linnenpapier (charta bombycina) +er voor in de plaats komt. + +Charudes, Charoudes = Harudes. + +Charybdis, Charybdis, z. Scylla. + +Chasuarii of -ri, Chattouarioi, vermoedelijk dezelfden als +de Chattuarii of Attuarii, een germaansch volk, eerst aan +het Teutoburgerwoud, later aan den Beneden-Rijn en den IJsel +woonachtig. Zij maakten later deel uit van het verbond der Franken. + +Chatti = Catti. + +Chauci, Chaukoi, onderscheiden in maiores en minores, een machtige +germaansche stam aan de Noordzeekust tusschen de Amisia (Eems) en den +Albis (Elbe). Drusus onderwierp ze; in 70 n. C. verbonden zij zich met +de Batavieren onder Claudius Civilis. Later gaan ze op in de Saxones +(z. a.). + +Cheironomia, de beweging der handen, in het algemeen de mimische +beweging van het lichaam volgens vaste regels bij het dansen; ook +een soort spiegelgevecht. + +Cheirotonia, het opsteken der handen, de meest gebruikelijke wijze +van stemmen in de grieksche volksvergaderingen. De op deze wijze +gekozen magistraten werden cheirotonetoi (ook hairetoi) genoemd. + +Chelidoniae insulae, Chelidoniai nesoi = zwaluweilanden, vijf eilandjes +tegenover kaap Chelidonium. + +Chelidonium promunturium, Chelidonia akra ook Promunturium Sacrum +genoemd, kaap in Lycia, ten Z. van Phaselis, uitlooper van den Taurus. + +Chelonatas, Chelonatas, kaap in Elis, westelijkste punt der +Peloponnesus, de eerste kaap ten Z. van Cyllene. + +Cheops, Cheops, aegyptisch koning der 4de dynastie, omstreeks 2500, +liet de grootste pyramide bouwen. + +Chephren, Chephren, broeder of zoon en opvolger van Cheops, die eene +pyramide liet bouwen, welke alleen door die van Cheops in grootte +werd overtroffen. + +Chersonesus, Chersonesos, schiereiland, van chersos of cherros, vast, +en nesos, eiland. De meest bekende zijn de volgende: 1) Ch. Thracica, +dikwerf kortweg Chersonesus geheeten, het smalle schiereiland +tusschen den Hellespont ten O. en den sinus Melas ten W. De hals van +het schiereiland was door een muur van 36 stadiën lengte verdedigd +tegen invallen van thracische stammen. Er waren vele grieksche, +vooral atheensche koloniën, die eerst onder de Perzen, daarna onder +de Macedoniërs, ten laatste onder de Romeinen kwamen. Onder Augustus +was de geheele Chersonesus in het bezit van M. Vipsanius Agrippa, en +na diens dood van Augustus.--Ook een atheensche stad op de Chersonesus +heet Chersonesus (of Agora).--2) Ch. Taurica, thans de Krim, waaruit +Griekenland veel koren trok. Dit schiereil. werd ook wel Ch. Scythica +of Cimmerica geheeten. In het Z.W. in de bergen woonden de Tauri; +in het vlakke Noorden woonden Scythen. Op kaap Parthenium lag de +tempel van Artemis Tauropolos, waar ook menschenoffers plaats vonden +(mythe van Iphigenia en Orestes). Ook een stad aan de Zuidwestkust +der Chersonesus heet Chersonesus, en werd door de inwoners van +Heraclea Taurica gesticht.--3) Ch. Caria, waarvan het westelijk deel +Ch. Cnidia of apo Knidou, het oostelijk X. tes Bybassies heet.--4) +Ch. Thrachea of Rhodia tegenover Rhodus.--5) Ch. magna, op de kust van +Cyrenaïca.--6) Ch. aurea, chryse, thans Malakka, in Achter-Indië.--7) +Ch. Cimbrica, thans Jutland.--8) landtongen: in Argolis naar het +N. gekeerd, tegenover Aegina (hierop lag Methana); verder: van Athos, +bij Sinope, bij Carthago, enz. + +Cherusci, Cherouskoi, machtig germaansch volk in den omtrek van +het tegenw. Brunswijk, van den Albis (Elbe) tot over den Visurgis +(Weser). Drusus sloot in 9 met hen een verbond, doch in 9 na C. vielen +zij weder af en versloegen in het Teutoburgerwoud de legioenen van +Quinctilius Varus. Inwendige verdeeldheden, vooral tusschen Arminius +en diens schoonvader Segestes, verzwakten hen, evenwel hielden zij met +de hulp van Longobarden en Semnonen den strijd vol tegen Maroboduus en +de Marcomannen. In Tacitus' tijd (± 100 n. C.) waren ze door inwendige +twisten zeer verzwakt. + +Chiliarchus, Chiliarchos, Chiliarches, aanvoerder eener chiliarchia, +eene afdeeling van 1000 of waarschijnlijk 1024 man, 64 man breed en 16 +diep. Men vindt deze regeling bij het Macedonische leger en later bij +de Ptolemaeën. Bij de Perzen de aanvoerder der koninklijke lijfwacht, +de voornaamste persoon in het rijk na den koning. Het woord wordt +ook gebruikt als vertaling van het latijnsche tribunus militum. + +Chilo, Cheilon, spartaansch ephoor, als type van een spartaansch +staatsman geroemd. Hij was ephoor in 560 of 556, en is misschien +de eerste geweest, die dit ambt bekleed heeft. Als een van de zeven +wijzen wordt hem de spreuk gnothi sauton of telos horan makrou biou +toegeschreven. + +Chimaera, Chimaira, een vuurspuwend monster, dochter van Typhon en +Echidna, door den lycischen koning Amisodarus opgevoed, dat in Lycië +groote verwoestingen aanrichtte en door Bellerophon met de hulp van +Athena gedood werd. Haar lichaam was van voren dat van een leeuw, +in het midden van een geit, van achteren van een draak; v. a. had +zij drie koppen, namelijk die van de genoemde dieren. + +Chione, Chione, 1) dochter van Boreas en Orithyia, moeder van +Eumolpus.--2) dochter van Daedalion, werd door Hermes en Apollo bemind +en, omdat zij op hare schoonheid trotsch was, door Artemis gedood. + +Chionides, Chionides, 1) Eumolpus, zoon van Chione.--2) dichter der +oude comedie, omstreeks 450. + +Chiridota, cheiridotos, sc. chiton, tunica met lange mouwen, eene +dracht, welke bij de Romeinen wel goed voor vrouwen, doch ongepast +voor mannen werd geacht. Bij barbaren komen kleederen met lange mouwen +zeer veel voor. + +Chirisophus, Cheirisophos, Spartaan, streed in den slag bij Cunaxa +onder Cyrus en was met Xenophon aanvoerder der Grieken op hun +terugtocht. + +Chiron, Cheiron, zoon van Cronus en Philyra, de voortreffelijkste +der Centauren, uitmuntend door wijsheid, rechtvaardigheid en +kennis. Hij was door Apollo en Artemis onderwezen en werd op zijne +beurt de leermeester en opvoeder van vele jonge helden, zooals Iason, +Theseus, Castor en Pollux, Achilles, e. a.; zelfs Asclepius had van +hem de geneeskunst geleerd. Toen Heracles hem bij ongeluk met een +zijner pijlen eene ongeneeslijke wonde had toegebracht, stond hij, +opdat de dood een einde aan de ondragelijke pijn zou kunnen maken, +zijne onsterfelijkheid aan Prometheus af, zoodat deze tevens, volgens +eene vroegere belofte van Zeus, van zijn lijden bevrijd werd. Chiron +werd als boogschutter onder de sterren geplaatst. + +Chiton, het voornaamste kleedingstuk der Grieken, dat zoowel door +mannen als vrouwen gedragen werd. De dorische ch. voor mannen was +van wol, kort en zonder mouwen; de ionische van linnen, langer en met +mouwen. Slaven en arbeiders droegen een ch. waaraan alleen voor den +linkerarm een mouw was, (heteromaschalos, daarentegen wordt de gewone +ch. amphimaschalos genoemd), of soms ontbrak ook deze en werden de +twee losse slippen over den linkerschouder vastgeknoopt (exomis). De +dorische ch. voor vrouwen was eveneens van wol, en niet zeer lang; +de voorste en achterste helft waren eerst van onder de armen aan +elkander vastgenaaid, terwijl de losse einden op de schouders met haken +(peronai) werden vastgehouden; de ionische was van linnen, zeer lang, +wijd en met wijde mouwen. De ch. werd door mannen op het bloote lichaam +gedragen; vrouwen droegen gewoonlijk nog een onderhemd (chitonion). + +Chius, Chios, Chios, thans Scio, groot en machtig eiland op de +ionisch-aziatische kust. Als oorspronkelijke bewoners worden Lelegers +en Pelasgen genoemd; later is het gekoloniseerd van uit Boeotië +en Euboea. In den opstand der Ioniërs tegen de Perzen leverde het +honderd schepen. In 494 door de Perzen onderworpen, bleef het 15 jaar +schatplichtig, viel na den slag bij Lade (479) van Perzië af, en werd +(477) als zelfstandig lid in het atheensche zeeverbond opgenomen. In +413 valt Chios van Athene af, en nu volgt voor het eiland een periode +van oorlog, binnenlandschen strijd en verwoesting. Van 377-357 is het +lid van den tweeden attischen zeebond; toen het van dezen bond was +afgevallen, werd het weldra afhankelijk van den Cariër Mausolus. Het +eiland leverde voortreffelijken wijn, mastik, marmer, vijgen en fijne +porceleinaarde op. Het was de geboorteplaats van den treurspeldichter +Ion, den geschiedschrijver Theopompus en beweerde ook het vaderland +van Homerus te zijn. De hoofdstad aan de O.-zijde gelegen, heette +ook Chius of Chios. + +Chlamys, Chlamys, een mantel, dien men vooral bij het rijden droeg, +oorspronkelijk aan Thessaliërs en Macedoniërs eigen. De atheensche +jongelingen kregen zulk een mantel als zij epheben werden. Hij kon +los omgeslagen of nauwer aan het lichaam aangesloten worden, en werd +voor aan den hals of op den rechterschouder vastgemaakt. + +Chloe, Chloe, bijnaam van Demeter. + +Chloris, Chloris, 1) godin der bloemen, gemalin van Zephyrus, door +de Romeinen voor dezelfde godin gehouden als Flora.--2) dochter van +Amphion en Niobe; zij en haar broeder Amyclas werden alleen door +Apollo en Artemis gespaard (z. Niobe), maar de dood van hare broeders +en zusters had haar zulk een schrik aangejaagd, dat men haar naam +Meliboea in Chloris (bleeke) veranderde.--3) dochter van een anderen +Amphion, gehuwd met Neleus.--4) dochter van Tiresias. + +Choaspes, Choaspes, 1) rivier in Susiane, die langs Susa stroomt, +beroemd om haar kristalhelder water, dat de perzische koningen op hunne +reizen in zilveren kruiken medenamen.--2) stroom in het Indusgebied, +zijrivier van den Cophes of Cophen, die in den Indus valt, ook Choës +genoemd. + +Choerades, Choirades, sc. nesoi, rotseilandjes voor de haven van +Tarentum. + +Choerilus, Choirilos, 1) een der oudste atheensche treurspeldichters +(omstreeks 524); vooral zijne satyrspelen worden geroemd.--2) van +Samus, dichter van een historisch epos, Perseis (omstreeks 400).--3) +van Iasus, tijdgenoot van Alexander den Gr. wiens daden hij in een +episch gedicht verheerlijkte. + +Choes, de tweede dag der Anthesteria (z.a.). + +Chones, Chones, volk aan de kust van Zuid-Italië, tot de Oenotri +behoorend, in de buurt van Metapontum en Siris. Daarnaar heette de +kuststreek om de golf van Tarentum Chonia. + +Choragus, choregos, iemand die bij het opvoeren van tooneelstukken, +muziek- en dansuitvoeringen, met het bezorgen en bekostigen van het +koor belast was. De choregie was een van de kostbaarste liturgieën +(z. Liturgia), en bij den wedijver, waarmede de choragen elkander +trachtten te overtreffen, stegen de kosten ervan wel eens tot 5000 +drachmen. Deze kosten bestonden in de betaling en het onderhoud der +choreuten en van den chorodidaskalos, iemand die het koor oefende en +de repetities leidde, verder in prachtige kleederen, gouden kransen, +enz., waarmede het koor optrad. De choragus, die den prijs won, +richtte ter gedachtenis daaraan een klein marmeren gedenkteeken op, +dat door een metalen drievoet gekroond werd. Zie de afbeelding bl. 103. + +Chorasmii, Chorasmioi, een arische volksstam, die de oase van Chiwa +reeds vroeg in cultuur heeft gebracht, en kanalen heeft aangelegd, +gevoed door het water van den Araxes of Oxus, om het land te +irrigeeren, zooals we dat in Mesopotamië vinden. Het is het stamland +van Zarathustra. Zij leverden hulptroepen aan Alexander d. G. + +Choraules, choraules, iemand die den zang en dans van een koor op +de fluit begeleidt. De benaming zelf komt eerst in den romeinschen +tijd voor. + +Choregia, z. Choragus. + +Chorizontes werden in den alexandrijnschen tijd de grammatici genoemd, +die beweerden dat de Ilias en de Odyssee niet van denzelfden dichter +waren. + +Chorus, choros, een zeker aantal personen, die bij godsdienstige +feesten reidansen uitvoerden, welke zij door gezang afwisselden. Later +werd dit gezang hier en daar afgebroken door alleenspraken en dialogen, +en zoo ontstond het drama. In het eigenlijke drama neemt het koor, +zonder zelf handelend op te treden, toch aan de handeling deel, en +begeleidt de daden der hoofdpersonen met opmerkingen, vermaningen, +aansporingen, troostredenen, enz., terwijl het bij zekere rustpunten +in de handeling liederen zingt, die daarmede min of meer in verband +staan, en dansen uitvoert. Daarmede geeft het uiting aan de gevoelens, +die volgens den dichter het stuk bij den toeschouwer moet opwekken. Het +koor bestond in het treurspel uit 12, later uit 15, in het blijspel uit +24 personen. Soms zongen allen met elkander, soms bij beurten grootere +of kleinere afdeelingen; gesproken werd slechts door den leider van +het koor (choryphaios), of in enkele gevallen door de leiders der beide +koorhelften (parastatai). De plaats van het koor was in de orchestra. + +Chremonideïsche oorlog (± 265-263), zoo genoemd naar Chremonides, +die in dien tijd te Athene aan het hoofd van den staat stond, werd +door Athene, Sparta, het achaeisch verbond e. a. grieksche staten +gevoerd om de Macedoniërs uit Griekenland te verjagen. De oorlog +eindigde, toen Athene zich na een lang beleg aan Antigonus Gonatas +had moeten overgeven. + +Chrysa of -e, Chrysa, -e, stadje aan de Zuidkust van Troas, aan de +Adramyttische golf met een tempel van Apollo Smintheus. Het plaatsje +is vroeg verwoest. + +Chrysaor, Chrysaor, 1) zoon van Poseidon en Medusa, die te voorschijn +kwam toen zijne moeder door Perseus het hoofd werd afgehouwen.--2) +"met een gouden zwaard", bijnaam van Zeus, Apollo e. a. goden. + +Chrysas, Chrysas, rivier op Sicilia nabij Assorus, een zijrivier van +den Symaethus. + +Chryse promunturium, Chryse cherronesos, het schiereiland Malakka. + +Chryseis, Chryseis dochter van Chryses, den priester van Apollo te +Chryse. Op een strooptocht werd zij door Achilles gevangen genomen en +bij de verdeeling van den buit aan Agamemnon gegeven. Toen haar vader +haar wilde loskoopen, maar door Agamemnon beleedigd en weggejaagd was, +zond Apollo tot straf de pest in het grieksche leger, die niet ophield +voordat Chr. aan haar vader teruggegeven was (z. Briseis). + +Chrysippus, Chrysippos, 1) zoon van Pelops en Axioche, werd door zijne +stiefbroeders Atreus en Thyestes vermoord.--2) van Soli of Tarsus +(282-206), zoon van Apollonius, leerling van Cleanthes en na diens +dood hoofd der stoicijnsche school. Hij verdedigde en bevestigde de +leer van Zeno in een groot aantal werken, naar men wil 705, waarin +hij echter dikwijls zichzelf herhaalde of tegensprak. Hij gold als +het ware voor den tweeden stichter der school, getuige het woord: +ei me gar en Chrysippos, ouk an en Stoa. + +Chrysogonus (C. Cornelius), vrijgelatene van Sulla, als valsche +aanklager bekend uit Cicero's oratio pro S. Roscio Amerino. + +Chrysopolis, Chrysopolis, versterkte havenstad in het gebied van +Chalcedon in Bithynia, tegenover Byzantium, thans Scutari. + +Chrysothemis, Chrysothemis, dochter van Agamemnon en Clytaemnestra. + +Chthonius, Chthonios, 1) een van de vijf Sparten, die in leven bleven +bij het gevecht, dat zij onder elkander leverden (z. Cadmus).--2) +Chthonios, Chthonia, is een bijnaam van godheden, die met de +onderwereld in betrekking staan, als Hades, Demeter, Persephone +e. a. Zeus Chthonios = Hades. + +Chytroi, de derde dag der Anthesteria (z. a.). + +Chytri, Chytroi, stad op Cyprus, dicht bij de N.-kust. + +Cia = Ceos. + +Cibalis, Cibalae, stad in Pannonia dicht bij den Donau, tusschen +Sirmium en Mursa, waarbij Constantijn de Gr. in 314 na C. zijn zwager +Licinius versloeg. + +Cibyra, Kibyra, hoofdstad van Cabalia (z. a.) of Cibyratis, 2 1/2 +uur gaans in omtrek, bloeiend door hare ijzerfabrikage. Dit Cibyra +werd maior bijgenaamd ter onderscheiding van Cibyra minor in Pamphylia. + +Cicereius (C.), rom. praetor in 173, overwon de Corsen en was +stadhouder van Sardinia en Corsica. Daar de senaat hem de eer van +een zegetocht binnen Rome weigerde, hield hij een zegepraal op den +Albaanschen berg. + +Cicero, familienaam in de gens Tullia, z. Tullii no. 3-9. + +Cicones, Kikones, thracische volksstam aan de kust tusschen Abdera +en de monding van den Hebrus. Hun stad heette Ismarus. De streek is +vroeg beroemd om den wijn, die er groeit. In hun gebied lag later de +ionische stad Maronea, ook Orthagorea geheeten. + +Cidaris, kidaris, kitaris, het hooge en stijve hoofddeksel der +perzische koningen, waaromheen een blauw met witte band liep. + +Cierium, Kierion, stad in Thessaliotis, vroeger Arne geheeten. + +Cilicia, Kilikia, landschap in het Z.O. van Asia minor, ten Z. begrensd +door de zee en verder ingesloten door den Taurus en den Amanus. Het +westelijke deel, bergachtig en boschrijk, werd Cil. aspera, tracheia, +geheeten, het oostelijke vlakkere gedeelte Cil. campestris, pedias, +ook propria. De bevolking, van syrische afkomst, week voor de +grieksche kolonisatie naar de bergen en vormde na den val van het +rijk der Seleuciden nog een afzonderlijk staatje in de bergstreken +van den Amanus, onder den naam Eleutherokilikes. In de westelijke +bergstreken woonden pisidische en isaurische stammen, als stoute +zeeroovers berucht, totdat Pompeius in 67 en 66 den zeeroof fnuikte. De +hoofdstad van eigenlijk Cilicië was Tarsus. Cilicia was, ook onder de +perzische opperheerschappij, een koninkrijk, waarvan de vorsten den +naam of titel Syennesis (misschien = edel vorst) voerden. Alexanders +verovering maakte hieraan een einde. In 75 werd een klein hoekje in +het W. door P. Servilius Vatia tot rom. provincie gemaakt, terwijl +het overige later door Pompeius werd veroverd. Als rom. provincie +heeft Cilicia in verschillende tijden zeer verschillende grenzen en +verschillende indeelingen gehad. + +Ciliciae portae, bergpas in den Taurus ten N. van Tarsus, door eene +rivier doorsneden en door kasteelen versterkt. Door dezen pas kwam +men uit het N. Cilicia binnen. De portae Ciliciae et Syriae en de +portae Amanides verleenden toegang uit het O. + +Cilix, Kilix, zoon van Agenor, die door zijn vader uitgezonden werd +om zijne zuster Europa te zoeken; daar hij haar niet konde vinden, +keerde hij niet naar huis terug. Het land, waar hij zich vestigde, +werd Cilicia genoemd. + +Cilla, Killa, stadje in Troas met een Apollo-tempel, in de buurt +van Antandros. + +Cilnii, een oud etruscisch geslacht van koninklijken bloede. Hiertoe +behoorde C. Cilnius Maecenas (v. a. heet hij alleen C. Maecenas, en +is Maecenas het nomen gentilicium), de vertrouwde vriend en raadsman +van Octavianus, een voorstander van letteren en kunst en beschermer +van dichters, vooral van Vergilius en Horatius. Tweemaal, in 36 en 31, +droeg Octavianus gedurende zijne afwezigheid van Rome de zorg voor Rome +en Italia aan Maecenas op. Deze was dus stadhouder, maar geheel als +privatus, als gelastigde, daar hij nooit eenig openbaar ambt bekleed +heeft. In deze betrekking en ook bij verschillende gelegenheden als +onderhandelaar bewees Maecenas aan Augustus gewichtige diensten. Hij +was het ook, die met Agrippa na den ondergang van Antonius aan +Octavianus den raad gaf, de alleenheerschappij te behouden, en hij deed +zulks uit volle overtuiging. Terwijl hij als schrijver of staatsman +nooit heeft uitgeblonken, is zijn naam Maecenas als kunstbeschermer +in wezen gebleven. Hij stierf in het jaar 8, omstreeks 60 jaar oud. + +Cimber, familienaam in de gens Tillia. + +Cimbri, Kimbroi, een volksstam van germaansche afkomst, die langs den +Oceanus Germanicus (Noordzee) en wel grootendeels op de Chersonesus +Cimbrica in Sleeswijk woonde. Ze behooren tot den stam der Ingaevones +of Noordzee-Germanen. Toen door het onderloopen van een gedeelte hunner +landerijen, hetzij ten gevolge van hooge zeevloeden, hetzij door een +langzame daling van den bodem, het de sterk aangroeiende bevolking aan +voedsel begon te ontbreken, trokken zij, met de germaansche Teutonen +en de gallische Ambronen en Tiguriners verbonden, zuidwaarts en +eischten grond in het rom. gebied, dien zij niet verkregen. In 113 +versloegen zij bij Noreia in Noricum den consul Cn. Papirius Carbo +(Papirii no. 12), wendden zich toen naar Gallia, waar zij vreeselijke +verwoestingen aanrichtten, doch werden door de Belgen verslagen. Hierop +trokken zij weder zuidwaarts naar de rom. provincie, eischten opnieuw +grondbezit en versloegen, toen de rom. senaat weigerachtig bleef, +eerst in 109 den consul M. Junius Silanus (Junii no. 16), en in 107 +den legaat M. Aemilius Scaurus, en vernietigden in 105 bij Arausio +(Orange) een leger van 80000 man onder den consul Cn. Mallius Maximus +en den proconsul Q. Servilius Caepio (Servilii no. 15) bijna tot den +laatsten man. Nu richtten zij hun tocht naar Hispania, doch werden door +de Celtiberiërs teruggedreven. In 102 keerden zij naar Gallia terug, +en verdeelden zich in twee groepen. De Ambronen en Teutonen wilden hun +weg over de Zeealpen nemen, maar werden in 102 door C. Marius bij Aquae +Sextiae (Aix in Provence) geheel verslagen. De Cimbren trokken naar +Noricum en drongen door het dal van den Athesis (Etsch) de Po-vlakte +binnen, doch werden in 101 op de Raudische velden bij Vercellae door +C. Marius en Q. Lutatius Catulus vernietigd. Een gedeelte van den stam +was in het vaderland achtergebleven, en in de 2de eeuw na Chr. woont +er nog een afdeeling van hen in het noordelijkste gedeelte van +Jutland. Het schiereiland en de noordpunt daarvan is naar hen benoemd. + +Ciminius mons en lacus, boschrijke bergrug en meer in Etruria, ten +Z.O. van het Volsinische meer. + +Cimmerii, Kimmerioi, mythisch volk aan den rand van den oceaan, in het +uiterste Westen der aarde, waar geen zonnestraal doordringt en alles +in eeuwige nevelen is gehuld. Bij de dichters wordt de uitdrukking +Cimmerii lacus voor de onderwereld gebezigd. De historische Cimmeriërs +woonden in de taurische Chersonesus (de Krim) en verder langs de Palus +Maeotis (zee v. Azow). Voor de Scythen wijkende, trokken zij naar Azië, +drongen plunderende tot in Lydia door, vermeesterden omstreeks 650 +Sardes, maar werden toen door den lydischen koning Ardys teruggedreven. + +Cimolus, Kimolos, klein eiland der Cycladen, ten N. van Melos, +met zilvererts en fijne kalkaarde, die door de vollers als creta +fullonica gebruikt werd tot het wasschen van fijn lijnwaad (zooals +bij ons de zeep). + +Cimon, Kimon, 1) zoon van Stesagoras, vader van Miltiades. Hij werd +door Pisistratus uit Athene verjaagd, maar keerde later terug. Toen +hij met zijne renpaarden ten derden male den eersten prijs te Olympia +behaald had, lieten de zonen van Pisistratus hem vermoorden.--2) +zoon van Miltiades en Hegesipyle, geb. 504. Daar zijn vader als +schuldenaar van den staat gestorven was, miste hij eenigen tijd het +burgerrecht, totdat de rijke Callias de schuld voor hem betaalde; +daarvoor stond C. hem de schoone Elpinice af, die zijne halfzuster en +tevens zijne vrouw was. Na dien tijd streed hij met veel roem tegen de +Perzen, veroverde Eïon in Thracië en het eiland Scyrus, voegde door +zijne dapperheid en innemend gedrag vele steden, waaronder sommige +niet-grieksche, aan den atheenschen bond toe, versloeg de Perzen bij +de rivier Eurymedon in Pamphylië op denzelfden dag te land en ter zee +(468), bedwong Naxus, dat getracht had zich van den atheenschen bond +los te maken, en bracht eindelijk de geheele Chersonesus in het bezit +der Atheners (476-468). Door deze overwinningen had hij ook in het +staatkundige grooten invloed gekregen, en toen Themistocles verbannen +en Aristides gestorven was, was hij de eerste man van Athene. Hij +wist het door te drijven, dat de bondgenooten hunne verplichting om +schepen te leveren konden afkoopen, en dwong vele wederspannige staten +met geweld in de atheensche symmachie te blijven. Ten gevolge van +zijne aristocratische neigingen en van zijne vriendschap voor Sparta +stond hij echter voortdurend bloot aan de aanvallen der volkspartij, +en hoewel eene eerste aanklacht tegen hem zonder gevolg bleef, werd +hij in 460, nadat een leger, dat op zijn raad in den oorlog tegen de +Messeniërs aan de Spartanen ter hulp gezonden was, uit wantrouwen was +teruggezonden, door het ostracismus verbannen. Hoewel zijn verzoek +om in den slag bij Tanagra (457) mede te strijden, werd afgewezen, +werd hij niet lang daarna uit zijne ballingschap teruggeroepen en +in 451 bewerkte hij een vijfjarigen wapenstilstand tusschen Athene +en Sparta. In 449 opnieuw met eene vloot van 200 schepen tegen de +Perzen gezonden, stierf hij gedurende het beleg van Citium. De +zoogenaamde vrede van Cimon, waarbij de koning van Perzië alle +grieksche steden in Klein-Azië onafhankelijk verklaarde en zich +verbond geene oorlogsschepen in de Aegaeische zee te zenden, wordt +alleen door latere schrijvers vermeld. Deze vrede is in werkelijkheid +door Callias gesloten (z. Callias no. 1).--Behalve Cimon's groote +talenten als veldheer, worden ook zijne liefdadigheid en minzaamheid +tegenover arme burgers geroemd en de mildheid, waarmede hij groote +sommen aan de verfraaiing zijner vaderstad besteedde. + +Cinado, Kinadon, een Spartaan, die in het begin der regeering van +Agesilaus eene samenzwering smeedde om de staatsregeling omver te +werpen. Het plan werd echter verraden en de saamgezworenen werden +ter dood gebracht. + +Cinara, Kinara, eilandje in de Aegaeische zee, oostwaarts van Naxos, +beroemd om zijne artisjokken, kinarai. + +Cincia (lex) de donis et muneribus. Deze wet verbood aan advocaten +geschenken aan te nemen van de rechtzoekenden. Zij was een plebisciet, +204. + +Cincii. Van dit plebejische geslacht zijn slechts de Alimenti +bekend. 1) L. Cincius Alimentus was in 210 en 209 praetor op +Sicilia. In 208 deed hij een vruchteloozen aanval op Locri Epizephyrii +in Bruttium. Hij werd door Hannibal krijgsgevangen gemaakt. Hij is +de schrijver van annales in het Grieksch.--2) M. Cincius Alimentus, +volkstribuun in 204, was de vader der lex Cincia. + +Cincinnatus, familienaam in de gens Quinctia, z. Quinctii no. 2-5. + +Cinctus Gabinus = Gabinus cinctus. + +Cineas, Kineas, 1) thessalisch vorst, die met 1000 ruiters de +Pisistratiden kwam helpen, toen de Lacedaemoniërs hen uit Athene +wilden verjagen.--2) Thessaliër, vriend en dienaar van Pyrrhus, den +koning van Epirus, wien hij door zijn verstand en zijne welsprekendheid +groote diensten bewees. Tevergeefs ontried hij Pyrrhus den tocht naar +Italië, wel werd op zijn raad den Romeinen na de eerste overwinning +van Pyrrhus vrede aangeboden. Hij ging zelf tweemaal naar Rome om te +onderhandelen, de eerste maal na Pyrrhus' overwinning bij Ausculum +(279), maar in weerwil van zijne welsprekendheid wees de senaat, +die op hem den indruk maakte van eene vergadering van koningen, +zijne voorstellen standvastig af. Hij stierf, naar het schijnt, +gedurende den tocht van Pyrrhus naar Sicilië. Ook als schrijver van +werken over taktiek en geschiedenis wordt hij genoemd. + +Cinesias, Kinesias, atheensch dithyrambendichter, omstreeks 415, +dikwijls bespot om zijne ultra-moderne muziek. + +Cinga, zijrivier van den Sicoris (Segre) in Tarraconensis. + +Cingetorix, Galliër uit het volk der Treviri ten tijde van Caesar, +vriend der Romeinen, die hem het bestuur over zijne onderworpen +stamgenooten lieten. Ook naam van een vorst der Britten in denzelfden +tijd. + +Cingulum, bergvesting in Picenum, in 63 door Labienus aangelegd. + +Cinna, familienaam in de gens Cornelia (z. Cornelii no. 39-42) en de +gens Helvia. + +Cinxia, bijnaam van Juno, als godin van het huwelijk. + +Cinyps, gen. -phis, Kinyps, rivier op de kust van Africa tusschen +de groote en de kleine Syrte, bij Leptis magna. De streek, waardoor +zij stroomde, bracht zeer schoonharige geiten voort. Dichterlijk is +cinyphius = afrikaansch. + +Cinyras, Kinyras, zoon van Apollo, koning van Cyprus, priester van +Aphrodite. Bij zijne dochter Myrrha verwekte hij, zonder haar te +kennen, den schoonen Adonis; toen hij dit ontdekte, stortte hij zich +in zijn zwaard. + +Cios = Cius. + +Cippus, oorspronkelijk = paal. Deze naam kreeg ook een palissadeering +onder water, door Caesar aangelegd in de grachten zijner legerplaats +vóór Alesia. Deze versterking bestond in stukken van boomstammen, +van boven scherp gepunt en met gekapte takken, die op den bodem +der gracht werden neergelaten. Verder wordt het meestal gebruikt +voor grenspaal van hout of steen, om den Tiberloop, het pomoerium, +de waterleidingen, en de area van een graf aan te wijzen. + +Circe, Kirke, dochter van Helius en Perse. Zij woonde op het eiland +Aeaea, dat zij door hare tooverkunsten in een heerlijk oord herschapen +had, waar zij den tijd doorbracht met weven en zingen en door schoone +nimfen bediend werd. Toen Odysseus op haar eiland landde, veranderde +zij zijne makkers in zwijnen, hijzelf was echter door een kruid, +dat hem door Hermes gegeven was, tegen hare toovermiddelen bestand; +zelfs dwong hij haar, aan zijne makkers hunne oorspronkelijke gedaante +terug te geven. Hij bleef een geheel jaar bij haar en verwekte bij +haar drie zonen: Telegonus, den mythischen stichter van Tusculum, +Agrius en Latinus. Toen hij eindelijk op aandringen zijner makkers +wenschte te vertrekken, liet zij hem gaan, na hem eerst zijn verdere +lotgevallen voorspeld te hebben. Zie Telemachus. + +Circeii, oude havenstad in Latium, wegens de overeenkomst van naam door +de mythe met Circe in verband gebracht. De nabijgelegen kaap heette +promunturium Circeium of Circeius mons. In de 5de eeuw was Circeii in +de macht der Volscen, maar in 393 werd het heroverd, en als latijnsche +kolonie ingericht, wat het gebleven is tot 90. Onder Circaea moenia +bij Horatius moet men niet Circeii, maar Tusculum verstaan (z. Circe). + +Circesium, Kirkesion, rom. grensvesting in Mesopotamia aan de +samenvloeiing van den Chaboras en den Euphraat. Hier was in 604 koning +Necho van Aegypte door Nebukadnezar verslagen. + +Circius, Thraskias, de noordwestenwind, zie Windstreken. Circius +of Cercius ventus, ook ventus Gallicus geheeten, is de naam van een +wind, die met groote heftigheid in het Zuiden van Gallia Narbonensis, +en Zuidwaarts tot aan Ostia optreedt. Het is de bekende Mistral. In +andere streken heet hij Corus of Caurus. + +Circumcelliones worden sedert de helft van de 4de eeuw n. C. die +Donatisten genoemd, die in Afrika, door den nood gedrongen, monniken +en zwervers werden; ze zijn hevig gekant tegen andersdenkenden en +tegen de bezittende klassen. + +Circus. Wedrennen behoorden tot de meest geliefde schouwspelen der +Rom. Het renperk was eene langwerpige ruimte, aan wier begin de +stallen (carceres) zich bevonden. Deze carceres waren in een flauwen +boog gebouwd, zoodat de afstand tot aan het eigenlijke aanvangspunt +van den rit voor allen gelijk was. Aan het andere eind was de circus +afgerond. Langs de renbaan waren de zitplaatsen voor de toeschouwers, +op dezelfde wijze als in het amphitheatrum. In de as der baan was eene +verhevenheid, de spina, waarop dikwerf altaren, zuilen en dergelijke +versierselen stonden. Vóór de beide uiteinden der spina stonden de +metae of eindpalen, waarom de wagens moesten heenzwenken. Zulk eene +meta bestond uit een steenen voetstuk met drie kegelvormige zuilen. Op +de spina, nabij de einden, stonden twee verhevenheden; op de eene +lagen zeven groote marmeren eieren, op de andere stonden zeven groote +marmeren dolfijnen. Bij elken omrit (curriculum of spatium) werden een +ei en een dolfijn afgenomen. Zeven omritten vormden een missus. Wie +bij den zevenden omrit het eerst de krijtstreep (zie calx) bereikte, +was overwinnaar. Bij elken wedren of missus liepen in den regel vier +wagens (zie auriga), terwijl verscheidene missus elkander opvolgden. + +De circus maximus te Rome, gelegen tusschen den Palatinus en den +Aventinus, herhaaldelijk vergroot, was ten laatste 600 Meter lang en +150 M. breed. Hij kon toen 180,000 toeschouwers bevatten. Behalve +dezen telde Rome binnen zijne muren nog een kleineren, den circus +Flaminius, door C. Flaminius in 220 gesticht op den Campus Martius +ten N.O. van den Capitolinus. De circus max. en de circus Flam. hebben +hun naam gegeven aan de 11de en 9de der 14 regiones, waarin Augustus +Rome verdeelde. + +Cirphis, Kirphis, zie Parnassus. + +Cirrha, zie Crissa. + +Cirta, Kirta, uiterst sterke stad in Numidia (Africa Nova), koninklijke +residentie, later naar Constantijn den Gr. Constantina genaamd; +tgw. Constantine. + +Cisalpina (Gallia), het noordelijk gedeelte van Italië, van de +Alpen tot aan de riviertjes Macra en Rubico. Het was gedeeltelijk +bevolkt door gallische stammen, die er de Etruscers en Umbriërs uit +verdrongen. Het omvatte de landstreken Liguria, Gallia Cispadana, +Gallia Transpadana, Venetia, Histria. + +Cispadana (Gallia), de oostelijke helft van Noord-Italië bezuiden +den Padus (Po). + +Cispius (mons), een van de bergen van het Septimontium, zie Roma; +hij behoorde tot de wijk Esquiliae, en was gelegen tusschen den Mons +Oppius en den Collis Viminalis. + +Cisseis, Kisseis, 1) Theano, dochter van den thracischen koning +Cisses.--2) Hecabe, dochter van Cisseus. + +Cissia, Kissia, oude naam voor de landstreek Susiane aan den Choaspes, +met eene zeer heldhaftige bevolking. + +Cisterna, van boven gesloten vergaarbak, vooral voor regenwater; +open vergaarbakken heeten lacus. + +Cistophorus, kistophoros, 1) degene, die bij sommige godsdienstige +plechtigheden, vooral bij de mysteriën, de heilige kist droeg, waarin +zich offergereedschappen, enz. bevonden.--2) aziatische munt ter +waarde van 4 drachmen, die tot stempel had een half geopende kist, +waaruit een slang te voorschijn kwam. + +Cithaeron, Kithairon, woest gebergte tusschen Attica, Boeotia en +Megaris, rijk aan ongeluksmythen (Actaeon, Pentheus, Niobe's kinderen, +Oedipus te vondeling gelegd). + +Cithara, kithara, kitharis, een muziekinstrument, door Amphion of +Linus uitgevonden; het was in vorm nagenoeg gelijk aan onze gitaar +en had oorspronkelijk 3 of 4, gewoonlijk 7, later nog meer, eindelijk +15 snaren. Men bespeelde het met de hand of met een plectrum, terwijl +men het op den linkerarm liet rusten. + +Citium, Kition, een der negen hoofdsteden van Cyprus, op de Zuidkust +gelegen. Cimon stierf hier (449). + +Cius of Cios, Kios, oude koopstad aan de Z. kust van de Propontis aan +den Cianus Sinus, kolonie van Miletus, door de Macedoniërs verwoest, +maar door Prusias van Bithynia herbouwd en Prusias geheeten, niet te +verwarren met het zuidelijker gelegen Prusa. + +Civilis (Iulius, niet Claudius), Batavier van edele afkomst, die in +de jaren 69-70 na C. het hoofd was van den bataafschen opstand tegen +Rome. Een oogenblik nam de opstand onrustwekkende afmetingen aan. Met +andere germaansche stammen vereenigd, behaalden de Batavieren meer +dan ééne overwinning en belegerden Castra Vetera (Xanten), dat zij +ten laatste ook vermeesterden. Ook in Gallië brak een opstand uit, +maar gebrek aan samenwerking en aan de noodige eenheid was oorzaak, +dat de Galliër Julius Tutor en later ook Civilis door den rom. veldheer +Cerealis verslagen werden. Het gelukte den Romeinen, de Batavieren van +hunne bondgenooten te scheiden en naar hun eiland terug te dringen +(z. ook Batavodurum), waarop Civilis met Cerealis een eervollen +vrede sloot en het oude bondgenootschap der Batavieren met Rome +werd hersteld. + +Civitas, burgerrecht (eigenlijk ius civitatis of ius +Quiritium). Volgens de begrippen der oudheid had alleen de burger +van den staat vanzelf aanspraak op de bescherming der wetten. Door +verdragen met andere staten kon wederzijdsche bescherming worden +verleend, doch in het algemeen beschermden de wetten den vreemdeling +niet, tenzij een burger zich zijner aantrok en voor hem optrad. Vandaar +de groote beteekenis van het burgerrecht in de oude tijden. Men was +burger door geboorte of door schenking van het burgerrecht. De rechten, +die het Rom. burgerrecht verleende, kunnen onderscheiden worden in +iura privata en iura publica. Tot de iura privata behoorden vooral het +conubium en het commercium; tot de iura publica in de eerste plaats het +ius provocationis, het recht om zich van een vonnis der overheden op de +volksvergadering te beroepen. De rom. burger was tijdens de republiek +vrij van onteerende straffen; alleen door de volksvergadering kon hij +tot geeseling en doodstraf worden veroordeeld. Het ius suffragii en het +ius honorum et sacerdotiorum maakten geen noodzakelijk bestanddeel van +het rom. burgerrecht uit. Die het hadden, waren cives optimo iure; die +het niet hadden, heetten aerarii (z. a.). Keizer Caracalla schonk in +212 na C. het burgerrecht aan alle vrije inwoners van het rom. rijk, +ten einde de successierechten op rom. erfenissen door het geheele +rijk te kunnen heffen. Zie ook capitis deminutio en politeia. + +Civitates. In de oudheid vindt men in hetzelfde land verschillende +volken en stammen, soms wel door een verbond vereenigd, maar toch elk +met hun eigen gebied en als zelfstandig geheel. Zoo vormden ook de +grieksche volksplantingen aan de Middellandsche zee en hare bijzeeën +afzonderlijke staatjes. De Rom. lieten dezen toestand bestaan, +en waar zij hem niet vonden, riepen zij hem in het leven, door het +land in civitates te versnipperen. Hoever deze versnippering ging, +blijkt o.a. hieruit, dat op Sicilia 63 civitates bestonden, ieder +door een verdrag aan Rome geketend, doch onderling zonder band, zonder +conubium of commercium. (Alleen de burgers van Centuripae hadden recht +van grondbezit over het geheele eiland). Zoo stond Rome tegenover een +aantal kleine gebiedjes of staatjes en bleef het gemakkelijk meester, +en dit is het, wat men onder dividere et imperare te verstaan heeft. + +Civitates foederatae, liberae, immunes. In het rom. gebied had men ook +vrije steden, civitates liberae, met eigen wetten en eigen rechtspraak, +waaraan ook de inwonende Romeinen onderworpen waren. De stadhouder der +provincie had dáár geen gezag uit te oefenen en geen recht, zich in de +iurisdictio dezer staatjes te mengen. Deze vrije gemeenten waren òf +civitates liberae et foederatae, die indertijd vrijwillig een foedus +met Rome hadden gesloten op den voet van wederzijdsche gelijkheid van +rechten,--òf wel alleen civitates liberae, waaraan de vrijheid door +eene wet of een senaatsbesluit was geschonken, hetzij voor betoonde +trouw of voor vrijwillige onderwerping. Deze laatste soort was aan +geldelijke lasten ten bate der rom. schatkist onderworpen, tenzij zij +civitates liberae et immunes waren, waaraan alleen in buitengewone +gevallen verplichtingen konden worden opgelegd. De uitdrukking civitas +foederata zonder bijvoeging van libera sluit geene vrijheid in. Wanneer +men civitates foederatae naast socii gebezigd vindt, moeten onder de +eerste de civitates in de provinciën, onder de laatste die in Italia +verstaan worden. Zie echter socii. + +Cladeus, Kladeos, beek die langs Olympia stroomend in den Alpheus valt. + +Clanis, riv. in Etruria, stroomt langs Clusium en valt in den Tiber. + +Clanius, rivier in Campania, ten Z. van den Volturnus, aan zijn +monding ook Liternus geheeten. + +Clarissimi, titel der derde klasse van ambtenaren onder Constantijn. + +Clarus, Klaros, stadje in Ionia nabij Colophon, met een tempel en +een orakel van Apollo Clarius. + +Classiarii. De zeedienst was bij de Rom. veel minder in aanzien dan +de krijgsdienst te land. De bemanning der vloot, classiarii, socii +navales, werd dan ook uit de armere burgers en uit de vrijgelatenen +genomen. In later tijd wordt ook de naam classici gebruikt. + +Classici, de burgers, die tot de eerste klasse behoorden. Vanhier de +uitdrukking scriptores classici, schrijvers van den eersten rang. Ook += classiarii. + +Classicum, trompet- of hoornsignaal, ook gebruikt voor het bijeenroepen +der comitia centuriata. + +Classis. De rom. burgers waren naar hun vermogen in 5 classes ingedeeld +(zie centuria). De eerste klasse werd dikwerf bij uitnemendheid classis +geheeten; vandaar de uitdrukking infra classem voor hen, die lager +stonden. In het oudere Latijn is classis de onder de wapenen geroepen +manschap; vandaar classis procincta, het slagvaardige leger. Ook = +vloot. Omtrent de geschiedenis der romeinsche marine valt het volgende +te melden. In 426 wordt voor het eerst een zeegevecht vermeld, in +394 gaat een oorlogsschip naar Delphi. In 338 behalen de Romeinen +een overwinning ter zee op de Antiaten, in 311 worden de duoviri +navales classi ornandae et reficiendae voor het eerst vermeld. In den +eersten Punischen oorlog is de vloot zeer belangrijk. Later liet men +ze vervallen, of liet men de bondgenooten voor schepen zorgen. Eerst +door de troebelen van den zeerooveroorlog komt men er toe weer een +voldoende vloot te bouwen (67), en sedert speelt die een groote +rol in de burgeroorlogen. Augustus en de latere keizers onderhouden +een blijvende vloot, die twee stations heeft, één te Misenum, één +te Ravenna. Ook in de provincies had men vloten, o.a. in Egypte, +en op den Donau en den Rijn. + +Clastidium, stad der Anares (Anamari) in Gallia Cispadana, nabij +den Padus (Po) op de grens van Liguria. M. Claudius Marcellus (zie +Marcelli no. 29) behaalde hier in 222 eene overwinning op de Galliërs +en versloeg eigenhandig hun aanvoerder Virdomarus. + +Claternae, stad in Gallia Cispadana aan de Via Aemilia ten O. van +Bononia (Bologna). + +Claudia (lex) van den volkstribuun Q. Claudius in 218, dat geen +senator of senatorszoon een zeeschip mocht hebben van meer dan 300 +amphorae (76 hectoliter) inhoud. Hierdoor werd het aan de senatoren +onmogelijk gemaakt handel te drijven. Deze maatregel heeft indirekt +het grootgrondbezit in Italië in de hand gewerkt, daar de senatoren +voortaan hun geld in land belegden. + +Claudia (lex) van den consul C. Claudius Pulcher in 177, dat de +Latijnen, die zich te Rome ophielden, deze stad moesten verlaten en +naar hunne eigene steden terugkeeren. De bedoeling was, de ontvolking +der latijnsche steden te voorkomen. + +Claudia (lex) van keizer Claudius, een verbod om aan minderjarigen +geld te leenen. + +Claudianus (Claudius), een der laatste dichters van het west-rom. rijk, +± 400 na C., geb. te Alexandria, bezong in latijnsche verzen den lof +en de daden van keizer Honorius en van Stilicho. Epische fragmenten, +brieven en kleine gedichten zijn nog van hem overig. Hij schreef niet +zonder talent en kracht. + +Claudii, een oorspronkelijk sabijnsch geslacht. 1) Atta Clausus +verhuisde in 504 uit de stad Regillum, waar hij vele vijanden had, +met zijne cliënten naar Rome, waar hij bereidwillig onder de patriciërs +werd opgenomen en met de zijnen eene eigene tribus Claudia vormde. Te +Rome werd zijn naam veranderd in Appius Claudius met den bijnaam +Sabinus Inregillensis. In 495 was hij consul. Hij maakte zich gehaat +door zijne trotschheid en hardheid jegens de plebejers en zijne +schuldenaars. Alles wat van hem verteld wordt, is verzonnen.--2) +App. Claudius Crassus Inregillensis Sabinus, zoon van no. 1, was +consul in 471 en in 451, maar trad toen af, om decemvir legibus +scribundis te worden. De verhalen omtrent zijn consulaat in 471, +en zijn tegenwerking van de volkstribunen en de lex Publilia, zijn +verzonnen. Ook alle verhalen omtrent het decemviraat gedurende 451-449 +zijn onhistorisch. Volgens deze verhalen zou hij na het gebeurde +met Verginia (zie Verginii no. 6) in de gevangenis ter dood gebracht +zijn of zich zelven het leven benomen hebben.--3) C. Claudius Sabinus, +ook een zoon van no. 1, toonde zich bij verschillende gelegenheden den +plebejers zeer vijandig. Alles is ook hier verzonnen.--4) App. Claudius +Crassus of Crassinus, heftig bestrijder van de toelating der plebejers +tot het consulaat, was in 362 dictator en stierf als consul in +349.--5) App. Claudius Caecus, censor in 312 (v. a. 310), legde als +zoodanig de beroemde via Appia en eene waterleiding, aqua Claudia, +aan. Hij bleef langer dan zijn ambtgenoot in functie (zie Plautii +no. 4) om deze bouwwerken te voltooien. Omtrent zijn verandering in +den Herculesdienst zie men Pinarii. Overigens is deze censuur bekend +geworden door ingrijpende wijzigingen, vooral hierdoor, dat Cl. niet +meer uitsluitend het grondbezit, maar ook het overige vermogen als +grondslag voor den census aannam en aan alle burgers, ook aan de +vrijgelatenen, toestond, zich in alle tribus te laten inschrijven, +alsmede door de willekeurige, tegen de gewoonte indruischende lectio +senatus, waarbij zonen van vrijgelatenen, o. a. Cn. Flavius in den +senaat werden opgenomen. Zijn geheele werkzaamheid als censor was in +democratischen geest en gekant tegen de belangen zijner standgenooten, +de patricii. Claudius was consul in 307 en in 296, in welk laatste jaar +hij de Etruscers versloeg. Later werd hij blind, doch hield in 279 of +280 in den senaat niettemin de beroemde rede, waardoor hij bewerkte +dat de vredesvoorslagen van Pyrrhus van de hand werden gewezen.--6) +App. Claudius Caudex streed als consul in 264 tegen de Carthagers op +Sicilia.--7) P. Claudius Pulcher, zoon van no. 5, verloor als consul in +249 bij Drepana een zeeslag tegen de Carthagers. De heilige hoenders, +die ongunstige voorteekenen gaven, had hij in zee laten werpen. Hij +werd later wegens hoogverraad aangeklaagd, en waarschijnlijk +veroordeeld. Hij hoorde tot de radicalen, evenals zijn vader.--8) +App. Claudius Pulcher, zoon van no. 7, nam deel aan den slag bij +Cannae in 216 en het beleg van Syracusae in 213 en stierf aan zijne +wonden kort na de inneming van Capua in 211, waaraan hij als consul en +proconsul een werkzaam aandeel had. Z. Fulvii no. 4.--9) App. Claudius +Pulcher, een zoon van no. 8, streed in 198 en 197 onder T. Quinctius +Flamininus in den macedonischen oorlog, in 195 tegen Nabis van Sparta, +in 191 onder M'. Acilius Glabrio in den syrischen oorlog, versloeg in +185 als consul de ligurische Ingauni en nam later nog verschillende +gezantschappen waar.--10) C. Claudius Pulcher, ook een zoon van no. 8, +consul in 177, versloeg de Istriërs en Liguriërs, streed in 171 in den +oorlog tegen Perseus en werd in 169 censor. Als zoodanig maakte hij +zich door zijne gestrengheid gehaat. Hij werd tijdens zijn censuur +door den tribunus plebis P. Rutilius van perduellio aangeklaagd, +en zou veroordeeld zijn, als niet zijn ambtgenoot Tib. Sempronius +Gracchus voor hem in de bres was gesprongen. Van hem is de lex Claudia +de sociis Latinis.--11) Claudia Quinta, waarschijnlijk een kleindochter +van no. 5. Toen in 204 het schip met het beeld van Cybele (zie Rhea) +uit Pessinus te Ostia gekomen was, kon het door de droogte niet naar +Rome opgesleept worden. De sage vertelt, dat daarop Claudia Quinta +door aan het touw te trekken, beweging heeft gebracht in het schip, +en zóó hare kuischheid heeft bewezen. Haar beeltenis stond later in +den voorhof van den tempel van Cybele, en bleef bij brand tweemaal +ongeschonden.--12) App. Claudius Pulcher, consul in 143, werd eerst +door de Salassiërs, een alpenvolk, verslagen, doch behaalde later eene +overwinning op hen en hield toen, trots de weigering van den senaat, +een zegetocht binnen Rome onder bescherming zijner dochter Claudia, +vestaalsche maagd, die op den zegewagen was gesprongen en den arm om +haar vader sloeg. Hij was censor in 137. De als volkstribuun bekende +Tib. Sempronius Gracchus was zijn schoonzoon. Hij was III vir agris +iudicandis adsignandis (zie Agrariae leges), en wordt als zoodanig +ook genoemd III vir agris dividendis colonisque deducendis. Hij +was princeps senatus. Als redenaar wordt hij door Cicero met +lof genoemd.--13) C. Claudius Pulcher, ook als redenaar bekend, +tegenstander van den volkstribuun L. Appuleius Saturninus in het jaar +100, vertoonde als aediel het eerst olifanten bij de openbare spelen +in 99. In 95 kreeg hij als praetor de opdracht van den senaat, een +nieuwe staatsregeling op te stellen voor de inwoners van Halaesa op +Sicilië.--14) App. Claudius Pulcher, praetor in 89, zag in 87 in den +burgeroorlog zijn leger tot L. Cornelius Cinna overloopen; hij werd +in 86 verbannen, maar keerde met Sulla terug en werd consul in 79; +later streed hij voorspoedig als pro-consul van Macedonië tegen de +Scordisci. Hij liet zijn kinderen (no. 15-19) in armoede achter.--15) +App. Claudius Pulcher, zoon van no. 14, diende onder zijn zwager +L. Licinius Lucullus in den oorlog tegen Mithradates in 74-72, en +eischte in 72 van Tigranes in Antiochia op hoogen toon de uitlevering +van Mithradates. Griekenland (in 61) en Sardinia (56) hadden veel te +lijden van zijne roofzucht, evenals Cilicia, waar hij in 53 proconsul +was en in 51 door Cicero werd opgevolgd. In 54 was hij consul geweest, +in 50 was hij censor en vervolgde in anderen de ondeugden, die hem +zelven aankleefden, hebzucht en omkoopbaarheid. Hij was een vijand van +Cicero, wiens terugroeping uit de ballingschap hij bestreed. Later +haalde hij zich Caesars haat op den hals, moest in 49 Rome verlaten +en voegde zich bij Pompeius, die hem tot stadhouder over Griekenland +aanstelde. Hij was een goed redenaar. Hij stierf op Euboea kort na den +slag bij Pharsalus.--16) C. Claudius Pulcher, ook een zoon van no. 14, +propraetor van Asia in 55, werd veroordeeld wegens afpersingen, hoewel +hij zijn aanklager omgekocht had.--17) P. Clodius (= Claudius) Pulcher, +derde zoon van no. 14, was de bekende volkstribuun en doodsvijand van +Cicero. Hij was een rustelooze onruststoker, die voor geene daden van +geweld terugdeinsde. In den oorlog tegen Mithradates ruide hij ten +bate van Pompeius de troepen van zijn zwager Lucullus op, zoodat zij +weigerden verder te trekken. In Dec. 62 sloop hij bij gelegenheid van +het feest der Bona Dea, dat in het huis van den pontifex maximus Caesar +gevierd werd, en waarbij alleen vrouwen tegenwoordig mochten zijn, +in vrouwenkleederen Caesar's woning binnen, maar werd ontdekt. Hij +werd in 61 wegens incestus aangeklaagd, maar tengevolge van omkooping +der rechters vrijgesproken. Van dezen tijd dateert de vijandschap +met Cicero, die tegen hem getuigd had. In 59 bewerkte Caesar, +die hem als werktuig tegen Cicero en de senaatspartij noodig had, +door een lex curiata, waarbij Clodius door een plebejer als zoon +werd aangenomen, diens overgang tot de plebs (transitio ad plebem, +zie Comitia Curiata Calata), zoodat hij zich voor 58 tot tribunus +plebis kon laten kiezen. Toen hij in 58 als volkstribuun Cicero in +ballingschap had gedreven en Cato door een eervolle opdracht uit +Rome had verwijderd (zie Clodiae leges no. 7), ontzag hij niets of +niemand meer en oefende aan het hoofd zijner gewapende benden van +slaven en huurlingen te Rome een waar schrikbewind uit. Hij kwam in +52 om bij eene schermutseling tusschen zijne bende en het gevolg van +zijn vijand T. Annius Milo op den heerweg bij Bovillae. Zie verder +Clodiae leges.--18) Clodia maior, dochter van no. 14, was gehuwd met +Q. Caecilius Metelles Celer, wiens dood (59) haar werd geweten. Cicero, +dien zij haatte, wreekte zich op haar in zijne oratio pro Coelio, die +door haar van giftmengerij was beschuldigd. Zij was de minnares van +Q. Valerius Catullus (zie Valerii no. 38) en daarna van M. Caelius +Rufus (Caelii no. 4).--19) Clodia minor, dochter van no. 14, was +gehuwd met L. Licinius Lucullus.--20) C. Claudius Centho, komt in +200 in den oorlog tegen Philippus van Macedonia als legaat voor.--21) +App. Claudius Centho, zoon van no. 20, streed in 174 voorspoedig tegen +de Celtiberiërs, in 170 en 169 met afwisselend geluk in Illyria.--22) +C. Claudius Nero streed in 214 onder M. Claudius Marcellus op Sicilia, +veroverde in 211 als pro-praetor Capua en versloeg in 207 als consul +met zijn ambtgenoot M. Livius Salinator bij den Metaurus Hannibals +broeder Hasdrubal, die aldaar sneuvelde. In 204 waren beide consuls +censors. Hierbij deed zich het ergerlijke tooneel voor, dat beide +censoren elkander van de ridderlijsten schrapten, en ook op andere +wijze kibbelden.--23) Tib. Claudius Nero was in 202 consul met Scipio +Africanus maior. Zijn tocht naar Africa mislukte door storm.--24) +Tib. Claudius Nero, dien Cicero gaarne tot schoonzoon had gehad, hield +het na Caesars dood eerst met Antonius, later met Sextus Pompeius, +en stond vervolgens (38) aan Octavianus zijne vrouw Livia Drusilla +af, bij wie hij twee zonen had, den lateren keizer Tiberius en den +bekenden veldheer Drusus (zie no. 26).--25) Tib. Claudius Nero, zoon +van no. 24, rom. keizer 14-37 na C. Zie Tiberius.--26) Nero Claudius +Drusus, gewoonlijk Drusus genoemd, jongere zoon van no. 24 en dus +broeder van keizer Tiberius, geb. 38, toen Livia reeds met Octavianus +getrouwd was, werd door zijn stiefvader Augustus, wiens vertrouwen hij +in volle mate bezat, in 15 uitgezonden om de Alpenvolken, vooral de +Raetiers, te onderwerpen, hetgeen hij met zijn broeder Tiberius tot +stand bracht. Uit de onderworpen streken werd een nieuwe provincie +Raetia et Vindelicia gevormd, waarbij de reeds onderworpen Vallis +Poenina gevoegd werd. Daarop werd Drusus in 13 legatus Augusti van de +Tres Galliae, met de opdracht, den oorlog tegen de Germanen te voeren +(12-9). Eerst versloeg hij de Sugambren, die onder koning Maelo over +den Rijn waren gevallen, en voer langs de door hem gegraven fossa +Drusiana (z.a.) naar het land der Friezen en Chauken. Hij onderwierp +de Friezen (12), de Usipii (11), trok door het land der Sugambri, +en legde twee castella aan, n.l. Aliso en één in den Taunus (11). In +9 trok hij door het land der Chatten en Cherusci tot aan de Albis +(Elbe), doch overleed toen door een val van zijn paard. Door zijn +veldtochten werd Germania tot aan de Elbe bij het Romeinsche rijk +gevoegd, en werd eerst weer vrij door de vernietiging van het leger +van Varus (9 n. C.). Drusus' dood werd algemeen betreurd. Daar +hij evenals zijn broeder Tiberius door Augustus geadopteerd was, +behoort zijn zoon Germanicus onder de Caesares, zie Iulii en +Germanicus.--27) Claudius Nero, zoon van no. 26 en broeder van +Germanicus, rom. keizer, 41-54 na C. Zie Claudius (keizer).--28) +Ti. Claudius Caesar Britannicus, zoon van keizer Claudius (no. 27), +geboren 41 n. C. Zijne moeder was de zedelooze Valeria Messalina. Hij +werd door keizer Nero in 55 vergiftigd, zie Claudius (keizer).--29) +Nero Claudius, aangenomen zoon en opvolger van no. 27, rom. keizer, +55-68 na C. Zie Nero (keizer).--30) M. Claudius Marcellus, een der +uitstekendste mannen van zijn tijd, onderwierp als consul, 222, Gallia +Cisalpina, waarbij hij in den slag bij Clastidium op den gallischen +aanvoerder Virdumarus de spolia opima behaalde. Na den slag bij +Cannae in 216 redde hij als praetor het overschot van het rom. leger +en wist tijdig Nola te bezetten, zoodat de afval verhinderd werd. Een +eigenlijke veldslag is toen niet geleverd, maar de moreele uitwerking +was er niet minder om. In 215 als consul gekozen, legde hij vitio +creatus zijn ambt neder, maar bleef pro consule in de nabijheid van +Nola, dat hij wist te behouden. In 214 was hij weder consul, en nam +met zijn ambtgenoot Q. Fabius Maximus Cunctator Casilinum in, waarbij +hij zich aan trouwbreuk schuldig maakte. Hij ging daarop naar Sicilië, +nam Leontini in, en veroorzaakte door zijn gestrengheid den afval van +Syracuse. In 213 volgt nu het beroemde beleg van deze stad, die in 211 +door hem stormenderhand werd veroverd, waarbij Archimedes omkwam. De +stad werd uitgeplunderd. In 210 was hij ten vierden male consul en +streed hij tegen Hannibal in Italië, maar richtte niet veel uit. In 208 +was hij nogmaals consul, doch viel in eene hinderlaag en sneuvelde. De +Rom. noemden hem "het zwaard van den staat" wegens zijne onversaagde +dapperheid.--De Marcelli waren de eenige plebejische tak der gens +Claudia; zij worden onder de patroni van Sicilia gerekend.--31) +M. Claudius Marcellus, zoon van no. 30, ontkwam zwaar gewond aan +de hinderlaag, waarin zijn vader sneuvelde. In 196 versloeg hij als +consul de Insubriërs, in 189 was hij censor, waarbij hij zich door +eene groote mate van zachtmoedigheid onderscheidde.--32) M. Claudius +Marcellus, consul in 183.--33) M. Claudius Marcellus, kleinzoon van +no. 30, een braaf en edel krijgsman, was consul in 166, 155 en 152, +en behaalde lauweren in Gallia Cisalpina, Liguria en Hispania.--34) +M. Claudius Marcellus, ten wiens behoeve Cicero in 46 in den senaat +zijne oratio pro Marcello hield, was een aanhanger van Pompeius, +minder om diens persoon dan om het beginsel. Hij wilde Caesar niet om +vergiffenis vragen, en eerst toen deze hem op aandrang van den senaat +ongevraagd amnestie verleend had, maakte hij zich op, om naar Rome +terug te keeren, doch onderweg werd hij te Athene omgebracht.--35) +C. Claudius Marcellus, broeder van no. 34, consul in 49, was een +tegenstander van Caesar en volgde Pompeius, maar stierf spoedig.--36) +C. Claudius Marcellus, neef van no. 34 en 35, consul in 50, bood +aan Pompeius het opperbevel tegen Caesar aan, en week met hem uit, +doch verzoende zich later met Caesar. Hij was gehuwd met Octavia, de +zuster van Octavianus.--37) M. Claudius Marcellus, zoon van no. 36, +werd door Augustus tot zoon aangenomen en huwde diens dochter +Julia. Hij was iemand van uitstekende begaafdheden, van wien men +algemeen groote verwachtingen koesterde; doch hij stierf plotseling, +in het jaar 23, 20 jaar oud te Baiae. Dat hij door Livia zou zijn +vergiftigd, is lasterpraat. Hij is het, die door Vergilius (Aen. VI +861-887) verheerlijkt wordt: "Tu Marcellus eris".--38) Marcella, +dochter van no. 36, was eerst gehuwd met M. Vipsanius Agrippa en +na hare scheiding van dezen (21), met Julus Antonius, zoon van den +drieman.--39) Q. Claudius Quadrigarius, rom. annalist, tijdgenoot van +Sisenna (Cornelii no. 56), schreef eene kroniek, vermoedelijk van +den gallischen brand tot aan Sulla's dood.--40) Claudius Didymus, +grammaticus in de 1ste eeuw n. C., schreef een werk, waarin hij de +verwantschap van het Latijn en het Grieksch trachtte aan te toonen. + +Claudiopolis, zie Bithynium. + +Claudius, voluit Tib. Claudius Nero Germanicus, rom. keizer, +41-54 n. C. Hij was de jongere zoon van Drusus (Claudii no. 26) en +Antonia minor, en was in het jaar 10 te Lugdunum (Lyon) geboren. Na +de vermoording van Caligula, 25 Jan. 41, vonden de praetorianen hem +toevallig in het paleis verscholen en plaatsten hem op den troon. Na +reeds van twee vrouwen gescheiden te zijn, had hij in 39 de zedelooze +Messalina gehuwd, die hem geheel beheerschte. Nadat hij eindelijk +tot straf voor hare euveldaden haar had laten ombrengen (48), huwde +hij zijne nicht Agrippina, de dochter van zijn broeder Germanicus, +wier derde man hij werd. Om haar te believen sloot hij zijn eigen +zoon Britannicus Caesar van de regeering uit en nam Agrippina's zoon +uit haar eerste huwelijk met Cn. Domitius Ahenobarbus tot zoon en +opvolger aan (50). Dit was de latere keizer Nero. Toen Claudius nu ook +den onzedelijken levenswandel en de overheersching van Agrippina moede +begon te worden, ruimde deze hem door vergif uit den weg. Britannicus +was toen nog een knaap van 13 jaar; in het volgende jaar (55) ruimde +Nero, door achterdocht en naijver gedreven, ook hem uit den weg +door middel van vergif. Claudius was zwak en vreesachtig van aard, +en meer geschikt voor de studeerkamer dan voor den troon. Voor hem +voerden vooral de vrijgelatenen de regeering: de voornaamste hiervan +zijn: Narcissus, ab epistulis, M. Antonius Pallas, a rationibus, +C. Julius Callistus, a libellis, en Polybius, a studiis. Cl. ondernam +een krijgstocht naar Britannia, doch liet spoedig de verovering +daarvan aan zijne generaals over. Onder zijn bestuur werd Mauretania +(z. a.) ingelijfd (42). Hij legde een groote zeehaven te Ostia aan, +en bouwde twee waterleidingen, de Anio novus en de aqua Claudia. Ook +trachtte hij den Fucinus lacus (z. a.) een uitloop te geven. Hij +beoefende o. a. de taalkunde en verrijkte het alphabet met drie nieuwe +letters, die echter na zijn dood weder in onbruik geraakten. Ook hield +hij gaarne redevoeringen. Zie ook Iulii aan het slot, onder d en f. + +Claudius II--M. Aurelius Claudius Gothicus--rom. keizer 268-270 na C., +opvolger van Gallienus, een Illyriër, die zich reeds onder de keizers +Decius en Valerianus als voortreffelijk krijgsman had doen kennen, +dreef als keizer de Alemannen en Gothen, die hij bij Naissus in 269 +versloeg, naar hun land terug, doch overleed spoedig te Sirmium aan +de pest. + +Clausus (Atta). Zie Claudii no. 1. + +Clavus, spijker. In den muur van den Jupitertempel op het Capitool +te Rome werd elk jaar een gouden spijker geslagen volgens overoud +gebruik uit den tijd, dat het schrift nog niet algemeen bekend +was. Dit geschiedde door een der consuls, of, wanneer deze afwezig +waren, door een dictator clavi figendi causa, en wel op de Iden van +Sept. (13 Sept.). + +Clavus, purperstreep, die van den hals der tunica over de borst +tot beneden aan den zoom liep en voor de senatoren breed was (latus +clavus, tunica laticlavia), voor de ridders smal (angustus clavus, +tunica angusticlavia). + +Clazomenae, Klazomenai, eene der 12 ionische steden op de kust van +Voor-Azië, ten W. van Smyrna, aan den Sinus Hermaeus, geboorteplaats +van den wijsgeer Anaxagoras, den vriend van Pericles. Uit vrees voor +de Perzen verhuisde de bevolking voor een groot gedeelte naar een +naburig eiland, dat door Alexander later met den vasten wal verbonden +werd. De stad bezat fraaie tempels. + +Cleander, Kleandros, volksleider te Gela, die zich later tot tyran +opwierp, na eene regeering van zeven jaren werd gedood en door zijn +broeder Hippocrates opgevolgd (498). + +Cleandridas, Kleandridas, Spartaan, werd in 445 door de ephoren met +koning Plistoanax als raadsman naar Attica gezonden; later werd hij +beschuldigd, dat hij zich door Pericles had laten omkoopen om werkeloos +te blijven, en ter dood veroordeeld; hij vluchtte echter naar Thurii, +waar hij zich in den oorlog tegen de Lucaniërs onderscheidde. Zijn +zoon was de beroemde Gylippus. + +Cleanthes, Kleanthes, 1) van Corinthe, een van de oudste grieksche +schilders.--2) van Assus, oorspronkelijk vuistvechter, werd later +een leerling van Zeno en voorzag des nachts in zijn levensonderhoud +door water dragen en deeg kneden. Hij bleef gedurende 19 jaren de +lessen van Zeno hooren en volgde hem na zijn dood (264) als hoofd +der stoicijnsche school op; op 99-jarigen leeftijd stierf hij, naar +men zegt, vrijwillig van honger. Het kwaad is volgens hem niet het +werk der goden, maar een gevolg van het onverstand der menschen, +en wordt door de goden zelfs weder ten goede geleid. Een lofzang op +Zeus van hem is bewaard gebleven. + +Clearchus, Klearchos, 1) spartaansch vlootvoogd in de laatste jaren van +den peloponnesischen oorlog. Toen hij later (403) Byzantium tegen de +Thraciërs zoude verdedigen, maakte hij zich van de alleenheerschappij +meester en regeerde hij met geweld en in strijd met de bevelen der +ephoren. Om deze reden ter dood veroordeeld, keerde hij niet naar +Sparta terug; hij werd aanvoerder van het grieksche leger van den +jongen Cyrus, streed in den slag bij Cunaxa en werd na den dood +van Cyrus stilzwijgend als leider der grieksche troepen erkend. Hij +werd echter kort daarna door Tissaphernes verraderlijk gevangen en +gedood.--2) leerling van Plato en Isocrates, later tyran van Heraclea, +werd na eene wreede regeering van elf jaar vermoord (364). Hij vestigde +te Heraclea eene bibliotheek.--3) van Soli op Cyprus, een van de beste +leerlingen van Aristoteles. Hij schreef verscheiden philosophische +en historische werken, waarvan nog enkele fragmenten bestaan. + +Clearidas, Klearidas, streed in Macedonië onder Brasidas tegen de +Atheners en trachtte den vrede van Nicias tegen te werken. + +Cleides, Kleides, Kleides, oostkaap van het eiland Cyprus, met +voorgelegen eilandjes. + +Clemens (T. Flavius) Alexandrinus, presbyter van Alexandrië, waar hij +± 215 n. C. op hoogen leeftijd stierf. In zijne talrijke grieksche +geschriften tot verdediging van het Christendom, waarvan drie bewaard +gebleven zijn, tracht hij te bewijzen dat het beste van de grieksche +philosophie aan de Joden ontleend is. Hij was de leermeester van +Origenes. + +Cleobis en Biton, Kleobis, Biton, zonen van Cydippe, priesteres van +Hera te Argos, trokken op een feestdag den wagen hunner moeder naar +den 45 stadiën verwijderden tempel, toen de daarvoor bestemde stieren +te laat kwamen. Toen de moeder de godin om haar besten zegen voor +hare kinderen gebeden had, sliepen zij in en ontwaakten niet weder. + +Cleobulus, Kleoboulos, tyran van Lindus, een van de zeven wijzen +(omstreeks 580); zijn spreuk was: metron ariston. + +Cleombrotus, Kleombrotos, 1) Spartaan, jongste zoon van koning +Anaxandridas en voogd van Plistarchus, den zoon van zijn broeder +Leonidas I. Bij den inval van Xerxes in Griekenland, voerde hij het +bevel over het grieksche landleger op den Isthmus, vanwaar hij, door +een zonsverduistering verschrikt, overhaast terugkeerde; kort daarna +stierf hij.--2) Cl. I, koning van Sparta, opvolger van zijn broeder +Agesipolis I. Nadat de Spartanen uit de Cadmea verdreven waren, deed +hij een inval in Boeotië (378), doch spoedig trok hij terug zonder +iets uitgericht te hebben; hij sneuvelde in den slag bij Leuctra, +371.--3) Cl. II werd in plaats van zijn schoonvader Leonidas II +koning van Sparta, toen deze wegens zijn verzet tegen de plannen van +Agis III was afgezet (242). Toen echter twee jaar later de partij van +Leonidas de overhand kreeg, stond Cl. aan hevige vervolgingen bloot, +zijn leven werd echter gespaard op de smeekingen van zijne gemalin +Chilonis, die met hem in ballingschap ging. + +Cleomedes, Kleomedes, 1) beroemd worstelaar uit Astypalaea. Eens +had hij bij de olympische spelen de overwinning behaald, maar geen +prijs gekregen, omdat hij zijn tegenpartij gedood had; waanzinnig van +spijt rukte hij de zuilen van een gymnasium uit den grond, waardoor +zestig jongelingen onder de puinhoopen begraven werden. Toen men hem +vervolgde, vluchtte hij in den tempel van Athena en werd van daar als +de laatste der heroën in den hemel opgenomen.--2) zoon van Lycomedes, +atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog.--3) schrijver over +sterrenkunde (1ste eeuw n. C.), van wien nog eenige werken bestaan. + +Cleomenes, Kleomenes, 1) Cl. I, zoon van Anaxandridas, koning +van Sparta (520-491), een moedig en ondernemend, maar trotsch en +stijfhoofdig man. Zijn eerste onderneming was tegen de Argiven, wien +hij door list een gevoeligen slag toebracht; zelfs werd hij aangeklaagd +omdat hij de stad Argos niet genomen had, en hij erkende dat hij +het had kunnen doen, maar door godsdienstige bezwaren weerhouden +was. Later (510) was hij aanvoerder van het leger, dat op bevel van +het delphische orakel de Pisistratiden uit Athene verjoeg, en ter +wille van zijn gastvriend Isagoras deed hij nog tweemaal een inval +in Attica, beide keeren met ongelukkigen afloop, want eerst werd +hij op de acropolis ingesloten, en toen hij met een grooter leger +terugkwam om hierover wraak te nemen, moest hij door den tegenstand +van de Corinthiërs en van zijn ambtgenoot Demaratus onverrichter zake +aftrekken. De voorstellen tot een bondgenootschap tegen de Perzen, +zoowel van Aristagoras als van de Scythen, vonden bij hem meer gehoor +dan bij eenig ander Spartaan. Door Demaratus in zijne plannen tegen +Aegina gedwarsboomd, wist hij door omkooping van het delphische +orakel een uitspraak te verkrijgen, volgens welke Demaratus niet de +zoon van koning Aristo was, zoodat deze van de regeering ontzet werd +en zich in ballingschap begaf. Spoedig werd echter het bedrog bekend +en Cl. vluchtte naar Thessalië en later naar Arcadië; eindelijk in +Sparta teruggekeerd, werd hij waanzinnig, naar men zeide ten gevolge +van dronkenschap, en maakte hij op gruwelijke wijze een einde aan +zijn leven (489).--2) broeder van den spartaanschen koning Plistoanax +en voogd van diens zoon Pausanias, voerde het bevel over het leger +dat in 427 in Attica viel.--3) Cl. II, koning van Sparta, zoon en +opvolger van Cleombrotus I, regeerde bijna 61 jaar (371-310) zonder +dat er van zijne regeering iets te vermelden valt.--4) Cl. III, koning +van Sparta, zoon van Leonidas II, dien hij op ongeveer twintigjarigen +leeftijd opvolgde, (236), een verstandig, moedig en doortastend man, +vol geestdrift voor de plannen van Agis III, waarin hij gesterkt werd +door zijne moeder Cratesiclea en zijne gemalin Agiatis, de weduwe van +Agis. Daar hij inzag dat hij den steun van het leger noodig had, zoo +hij de gewenschte hervormingen tot stand wilde brengen, trachtte hij +dit voor zich te winnen door een oorlog tegen het achaeisch verbond, +en inderdaad gelukte het hem na eenige kleine ondernemingen, de +Achaeërs bij den berg Lycaeus en spoedig daarna (226) bij Leuctrum +te verslaan. Nu openbaarde hij zijne plannen aan eenige vertrouwden; +door list verwijderde hij zijne tegenstanders, doodde vier ephoren, +verbande tijdelijk 80 van de voornaamste oligarchen, maakte zijn +broeder Euclidas tot mederegent, schafte het ephoraat af, kondigde +schulddelging en nieuwe verdeeling van grondbezit af, vermeerderde het +aantal burgers door het opnemen van perioeken, hervormde den raad, +en voerde de oude wetten en instellingen weder in. Den oorlog zette +hij intusschen met geluk voort, zelfs Argos en Corinthe kozen zijne +zijde; toch bood hij vrede aan op voorwaarde, dat de hegemonie van +Sparta in de Peloponnesus erkend werd, maar Aratus, vreezend dat het +achaeisch verbond daardoor alle macht zou verliezen, vond het beter de +hulp van Antigonus Doson in te roepen. Nu ging Argos weder verloren en +over het geheel kon Cl., die in dien tijd ook zijne gemalin verloor, +zich niet tegen Antigonus staande houden; nadat de oorlog nog eenigen +tijd met afwisselend geluk gevoerd was, en Cl. vergeefsche pogingen +gedaan had om bij Ptolemaeus Euergetes ondersteuning te vinden, waagde +hij bij Sellasia een grooten slag, maar leed een volkomen nederlaag en +ontkwam met weinige ruiters (221). Terstond ging hij naar Aegypte om +hulp te vragen, maar Ptolemaeus stierf kort daarna, en zijn opvolger +Ptolemaeus Philopator liet zich door zijne gunstelingen overreden +Cl. gevangen te nemen. Wel ontsnapte hij uit de gevangenis, maar +wanhopende aan het bereiken van zijn doel, trachtte hij een opstand +onder het volk te verwekken, en toen hij ook hierin geen steun vond, +doodde hij zichzelf, 35 jaar oud (219). Zijn lijk werd opgehangen +en ook zijn moeder en kinderen werden ter dood gebracht.--5) van +Naucratis, werd door Alexander belast met het toezicht op den bouw +van Alexandrië en met het innen der belastingen. Wegens zijn hebzucht +en afpersingen liet Ptolemaeus hem na den dood van Alexander ter dood +brengen, terwijl hij zijne groote schatten verbeurd verklaarde.--6) +atheensch beeldhouwer uit de 1e eeuw n. C., van wien een werk, de +Germanicus in het Louvre, bewaard gebleven is; de zgn. Venus van +Medicis, die hem toegeschreven wordt, is niet van hem. + +Cleon, Kleon, zoon van Cleaenetus, leerlooier te Athene, reeds bij +het leven van Pericles een van de leiders der radicale partij, werd +na diens dood de eerste man van de volkspartij. Hij was het die in +427, na de herovering van Lesbus, dat van de Atheners afgevallen was, +doordreef, dat alle weerbare mannen van Mytilene zouden gedood worden, +een besluit, dat den volgenden dag in dien zin gewijzigd werd, dat +alleen de hoofdschuldigen, volgens waarschijnlijk sterk overdreven +berichten ruim duizend in getal, ter dood gebracht werden. Toen in +425 de Atheners 420 Spartanen op het eiland Sphacteria ingesloten +hadden, en de Lacedaemoniërs vrede aanboden, drong Cl. erop aan, dat +het eiland eerst overgegeven zou worden, zoodat de onderhandelingen +afsprongen. Daar echter de inneming van het eiland niet zoo spoedig +volgde als men verwacht had, begonnen de Atheners zich over den loop +der zaken ongerust te maken, en verweet men Cl. reeds dat door hem de +vrede niet was tot stand gekomen. Bij zijne verdediging liet deze zich +ontvallen dat, indien de strategen (Nicias en Demosthenes) hun plicht +deden, Sphacteria reeds lang in hunne macht moest zijn, waarop Nicias, +die in de vergadering tegenwoordig was, terstond aanbood hem zijne +betrekking tijdelijk af te staan. In het eerst sloeg Cl. dit aanbod +van de hand, maar door het volk gedwongen het aan te nemen, beloofde +hij zich binnen twintig dagen van het eiland te zullen meester maken, +en met de hulp van Demosthenes vervulde hij zijne belofte. Daardoor +kwam hij in groot aanzien, waarvan hij o. a. gebruik maakte om door +verschillende financiëele maatregelen middelen te verschaffen om den +oorlog krachtiger te voeren. In 422 werd hij met een leger naar Thracië +gezonden, waar hij aanvankelijk eenig voordeel behaalde, maar den slag +bij Amphipolis tegen Brasidas verloor, bij welke gelegenheid hij op de +vlucht gedood werd. Zie ook dikastikon. Cl. wordt beschreven als een +onopgevoed, baatzuchtig en overmoedig man, die de laagste hartstochten +van het volk vleide en zijne meening meer door woorden, soms zelfs +meer door schreeuwen, dan door argumenten deed zegevieren. Men +heeft opgemerkt dat zijne tijdgenooten, die melding van hem maken, +in de politiek zijne tegenstanders waren, en dat dus vermoedelijk hun +oordeel aan overdrijving, misschien zelfs aan partijdigheid, lijdt; +toch schijnt uit de feiten, die omtrent hem bekend zijn, te mogen +worden opgemaakt, dat hij een man was van niet geringen aanleg en +vol vaderlandsliefde, doch van weinig beschaving, in zijne geheele +politieke richting en bij iedere bizondere gelegenheid door zijn haat +tegen de Spartanen en de aristocratie tot uitersten geneigd, en dat +hij in ieder geval de groote gaven miste, waardoor zijn voorganger +Pericles het volk op den rechten weg had weten te houden. + +Cleonae, Kleonai, stad in Argolis; ten W. lag Nemea; vandaar Cleonaeus +leo dichterlijk = nemeïsche leeuw. Ook eene stad aan den berg Athos +op Chalcidice, met een gemengde bevolking. + +Cleonymus, Kleonymos, 1) Athener, die om zijne lafheid dikwijls door +Aristophanes bespot wordt.--2) zoon van Cleomenes II, werd bij den +dood van zijn vader (310) wegens zijne vijandschap met den anderen +koning Areus van de regeering uitgesloten en aan het hoofd van een +troep huurlingen naar Italië gezonden, om de Tarentijnen tegen de +Lucaniërs bij te staan. Hij voerde den oorlog over het geheel met +geluk, maar toen de Tarentijnen vrede sloten, nam hij Corcyra en viel +hij Thurii en andere steden in Beneden-Italië aan, totdat hij door +de Romeinen verdreven werd. Bij zijne avontuurlijke tochten naar de +kusten der Adriatische zee verloor hij leger en vloot. In 293 streed +hij ongelukkig tegen Demetrius Poliorcetes en in 272 trachtte hij +met Pyrrhus van Epirus zich te vergeefs van Sparta meester te maken. + +Cleopatra, Kleopatra, 1) dochter van Boreas en Orithyia, z. Calaïs.--2) +dochter van Idas en Marpessa, gehuwd met Meleager, na wiens dood zij +zich van verdriet ophing.--3) tweede vrouw van Philippus van Macedonië, +na wiens dood Olympias haar met hare kinderen liet vermoorden.--4) +dochter van Philippus en Olympias, gehuwd met Alexander van Epirus, +na diens dood met Perdiccas. Toen ook deze gestorven was, koos zij +onder de macedonische veldheeren, die haar ten huwelijk vroegen, +Ptolemaeus tot echtgenoot, maar Antigonus hield haar gevangen en liet +haar waarschijnlijk vermoorden (308).--5) dochter van Antiochus III, +z. Ptolemaeus no. 9 en 10.--6) dochter van Ptolemaeus V, gehuwd met +haar broeder Ptolemaeus VI, later met haar anderen broeder Ptolemaeus +VII, z. Ptolemaeus no. 10 en 11.--7) dochter van Ptolemaeus VI +Philometor, gehuwd met Alexander Balas, daarna, toen deze van den +troon gestooten was, met Demetrius Nicator, en nadat deze door de +Parthen gevangen genomen was, met Antiochus Sidetes. Toen Demetrius +terugkwam, liet zij hem en hun zoon Seleucus vermoorden, maar niet +lang daarna werd zij door haar anderen zoon gedwongen den gifbeker te +drinken.--8) jongere dochter van Ptolemaeus VI en Cleopatra no. 6, +gemalin van Ptolemaeus VII, z. Ptolemaeus no. 11, 12 en 13.--9) +dochter van Ptolemaeus VII, gehuwd met Antiochus IX.--10) dochter +van Ptolemaeus Auletes, geb. 69, gehuwd met haar broeder Ptolemaeus +XII. Spoedig werd zij door de voogden van Ptolemaeus, Achillas en +Pothinus, wegens hare eerzuchtige plannen verdreven en reeds trachtte +zij zich met geweld recht te verschaffen, toen Caesar te Alexandrië +kwam en besliste, dat de beide echtgenooten gezamenlijk zouden +regeeren. Wel veroorzaakte deze beslissing groote ontevredenheid en +kwam Caesar zelfs in vrij groot gevaar, daar Ptolemaeus echter in +een gevecht sneuvelde, bereikte Cl. haar doel. Op bevel van Caesar, +die door hare buitengewone schoonheid geheel betooverd was, huwde zij +met haar jongsten broeder Ptolemaeus XIII, ook kwam zij naar Rome, +waar Caesar's liefde voor haar zoo groote ontevredenheid verwekte, +dat zij na zijn dood moest vluchten. Na den slag bij Philippi ontmoette +zij Antonius te Tarsus, en nam hem door hare bekoorlijkheden zoo voor +zich in, dat hij haar naar Alexandrië volgde, haar op zijne tochten +door Azië medenam en toeliet dat zij, na het vermoorden van haar +broeder en zuster, alleen over Aegypte heerschte. Zoo groot was haar +invloed op hem dat, toen zij in den slag bij Actium in het heetste +van het gevecht de vlucht nam, Antonius haar volgde en daardoor de +oorzaak was van de nederlaag der zijnen. Toen hij zich daarna gedood +had en Cl. zag, dat Octavianus ongevoelig was voor hare schoonheid, +en vreesde, dat hij haar in triumf naar Rome wilde voeren, doodde zij +zich, naar men beweerde door den beet eener vergiftige slang (30).--11) +bijgenaamd Selene, dochter van Antonius en Cleopatra, door haar vader +met Cyrenaica begiftigd en door Octavianus aan Juba uitgehuwd.--12) +dochter van Mithradates, gehuwd met Tigranes van Armenië. + +Cleophantus, Kleophantos, een van de oudste grieksche schilders, +de eerste die verf op zijne teekeningen aanbracht. + +Cleophon, Kleophon, 1) invloedrijk volksleider te Athene in de laatste +jaren van den peloponnesischen oorlog, verzette zich hardnekkig tegen +den vrede en werd daarom door de oligarchische partij van het een of +ander aangeklaagd en door een onder hun invloed staande rechtbank ter +dood veroordeeld (404).--2) atheensch treurspeldichter, v. s. dezelfde +als de vorige. + +Clepsydra, klepsydra, 1) een wateruurwerk, in inrichting gelijk aan +onze zandloopers, doch met water gevuld. Oorspronkelijk dienden +zij om den tijd te meten, gedurende welken een redenaar voor het +gerecht mocht spreken, men had echter ook grootere (horologia), +die natuurlijk langer liepen en door eene indeeling of schaal den +verloopen tijd aanwezen.--2) bron op de acropolis te Athene.--3) +bron op den berg Ithome. + +Cleruchia, klerouchia, eigenlijk een land, waar volgens het +oorlogsrecht veroveraars de oorspronkelijke bevolking onderworpen +en het grondbezit onder elkander verdeeld hadden; in het bizonder +atheensche volkplantingen, waarvan de grondeigenaars atheensche +burgers bleven, desverkiezende te Athene konden blijven wonen en hunne +burgerrechten uitoefenen, maar ook tot den krijgsdienst en andere +lasten verplicht waren en geen eigen rechtspraak hadden. Terwijl +volkplantingen anders nieuwe staten vormen, blijven de cleruchiën, +waarvan sedert 506 vele gesticht werden, deelen van den atheenschen +staat. Ook in het rijk der Ptolemaeën vindt men klerouchoi; dit zijn +actief dienende soldaten, die een stuk staatsland in bezit hebben, welk +bezit dikwijls in eigendom overgaat. Deze worden ook katoikoi genoemd. + +Cleta, Kleta, bij de Spartanen eene van de Chariten. + +Clidemus, Clitodemus, Kleidemos, (Kleitodemos), schreef in de 4e eeuw +eene attische geschiedenis (Atthis) e. a. geschiedkundige werken. + +Clientes. Vóór het ontstaan der plebs vond men te Rome een stand van +hoorigen of halfvrijen, die, naar het schijnt, volgens oud-italisch +gebruik, onder de bescherming of het patronaat der burgers stonden en +daarentegen ook zekere bepaalde verplichtingen tegenover hunne patroni +hadden. Over de wederzijdsche verhouding dezer beide standen zie men +het artikel patronus. Ook vreemden, die zich te Rome wilden vestigen, +moesten in den oudsten tijd, daar zij geene rechtspersoonlijkheid +bezaten, zich onder de rechtspersoonlijkheid van een burger stellen +(applicatio), en derhalve zich in clientela begeven, indien zij +de bescherming der wetten wilden genieten. In verloop van tijd +loste het cliëntschap zich op in de plebs. Men neemt gewoonlijk +aan, dat de cliënten van het platteland in 457, toen het aantal +volkstribunen van 4 op 10 gebracht werd (zie tribuni plebis), vrij +verklaard zijn. Anderen dateeren die vrijwording reeds van koning +Servius Tullius. De cliënten moeten scherp onderscheiden worden +zoowel van slaven als van plebejers.--In lateren tijd komt de naam +cliënten terug voor de bezoldigde visitemakers bij de rom. grooten, +bij wie zij ook wel als anteambulones dienst deden. Zij werden voor +hunne bezoeken en diensten beloond, hetzij met een mandje eetwaren +(sportula), hetzij met geld. De aanzienlijke Romein, wiens receptiën +zij dus hielpen opluisteren, wordt dan tegenover hen rex geheeten. + +Climax, Klimax, "trap", een berg in het O. van Lycia, het begin van +den Taurus. Hij komt ook onder den semietischen naam Solyma voor +(ook = trap). In de Ilias komen de Solymers als vijanden der Lyciërs +voor. De naam van den berg komt van een trap, die in den bergpas is +uitgehouwen. Ook een gebergte in Coelesyria heette Climax. + +Climberris = Elimberris. + +Clinias, Kleinias, 1) vader van Alcibiades, een zeer rijk man, +sneuvelde bij Coronea (447); ook een jongere broeder en een neef van +Alcibiades droegen dien naam.--2) pythagoreïsch wijsgeer, tijdgenoot +van Plato.--3) verdienstelijk staatsman te Sicyon, omstreeks 264 +vermoord. Hij was de vader van Aratus no. 1. + +Clio, Kleio, de Muze der geschiedenis, wordt afgebeeld met een rol +papier in de hand. + +Clipeus, aspis, rond, dekselvormig schild, in den regel van op elkander +gelegde lagen leder gemaakt en niet metaal bekleed, of wel uit teenen +gevlochten en dan met leder en metaal bedekt.--Ook noemt men in de +badhuizen aldus het deksel van den oven, waaruit de heete lucht uit +de stookplaats in de heete badkamer stroomde. + +Clisthenes, Kleisthenes, 1) tyran van Sicyon (596-565), uit het huis +der Orthagoriden, trachtte den oud-ionischen stam, waartoe hij zelf +behoorde, boven de Doriërs, die Sicyon vroeger van Argos uit veroverd +hadden, te verheffen en over het geheel alle banden los te maken, +die Sicyon met Argos verbonden. Daartoe trachtte hij in de eerste +plaats den eeredienst van den argivischen heros Adrastus door dien van +Dionysus te verdringen, hij verbood de voordrachten der rhapsoden, +omdat zij Argos en argivische sagen bezongen en veranderde ook de +namen der dorische stammen, die hij Hyaten, Oneaten en Choereaten +noemde (met toespeling op hys, onos, choiros), terwijl zijn eigen stam +den naam Archelai kreeg. Hij stond aan het hoofd van het leger der +Amphictyonen, toen de inwoners van Crissa wegens hun heiligschennis +gestraft werden. Zijn rijkdom toonde hij door de schitterende wijze, +waarop hij allen, die zijne dochter Agariste tot vrouw begeerden, +een jaar lang onthaalde.--2) Athener, kleinzoon van den vorigen, +zoon van den Alcmaeonide Megacles en Agariste, stelde zich na den +val der Pisistratiden aan het hoofd der volkspartij en hervormde de +staatsregeling van Solon in democratischen geest. Wel gelukte het zijn +aristocratischen tegenstander Isagoras door de hulp van Cleomenes I +hem voor korten tijd te verdrijven, maar de gewelddadige handelingen +van Cleomenes verwekten zoo groote verbittering, dat Cl. spoedig +terugkeeren kon. Over zijne hervormingen z. Boule, Demoi, Ostracismus, +Phyle. Later zoude hij, misschien met het oog op de vijandige houding +van Sparta, getracht hebben met den perzischen satraap van Sardes +betrekkingen aan te knoopen, en zou het volk hem daarom uit wantrouwen +verjaagd hebben (505). + +Clitarchus, Kleitarchos, 1) zoon van Dinon, beschreef de geschiedenis +van Alexander d. G. in gezwollen stijl en met allerlei fabelachtige +berichten doormengd; toch werd hij door latere schrijvers als Diodorus, +Curtius e. a. veel gebruikt, daar men, waarschijnlijk ten onrechte, +meende dat hij Alexander op zijn tochten vergezeld had.--2) tyran van +Eretria onder bescherming van Philippus van Macedonië, werd door de +Atheners onder Phocion verdreven. + +Clitodemus = Clidemus. + +Clitomachus, Kleitomachos, 1) beroemd om zijne vele overwinningen +in de isthmische en pythische spelen, behaalde eens drie prijzen op +één dag.--2) Carthager, eigenlijk Hasdrubal genaamd, leerling van +Carneades, na wiens dood (129) hij ongeveer twintig jaar hoofd der +academie was; zijne talrijke geschriften, v. s. 400, zijn verloren; +Cicero heeft ze echter gebruikt o. a. in zijn werk: de divinatione. + +Clitor, Kleitor, sterke stad en riviertje in het N. van Arcadia. + +Clitumnus, riviertje in Umbria, met een tempel van den god Clitumnus. + +Clitus, Kleitos, 1) zoon van Mantius, werd door Eos geschaakt.--2) +bijgenaamd de Zwarte, veldheer van Alexander d. G., redde hem het +leven in den slag bij den Granicus en was sedert een van zijne +gunstelingen; hij werd bevelhebber van de lijfwacht en satraap van +Bactrië. Alex. doodde hem in dronkenschap bij een drinkgelag, toen +Cl. hem ergerde door zijne al te vrijmoedige taal.--3) bijgenaamd +de Witte, voerde na Alex.'s dood de veteranen terug, overwon in +den lamischen oorlog de Atheners ter zee, werd landvoogd van Lydië, +van waar Antigonus hem na twee jaar verdreef, overwon, als admiraal +van Polyperchon, Antigonus en Cassander bij Byzantium ter zee, maar +sneuvelde den dag daarna (318). + +Clivus Capitolinus, de weg, die van het Forum te Rome naar boven +leidde naar den Mons Capitolinus. + +Cloaca Maxima, het groote afvoerkanaal in Rome, dat oorspronkelijk +diende om de lage gronden in den omtrek van het latere Forum droog +te leggen, en later uitgebreid en overdekt, tevens het huiswater van +een gedeelte van de stad naar den Tiber afvoerde. Het oudste gedeelte +dateert nog uit den koningstijd. Het werk bestaat nog, en is weer in +gebruik genomen. Het begint bij de laagte tusschen Oppius en Cispius, +loopt dan onder het Argiletum door naar het Forum, en vervolgens door +het Velabrum en het Forum Boarium, tot het tusschen den Pons Aemilius +en den kleinen rondtempel in den Tiber mondt. Het woord is afgeleid +van cloare = reinigen. + +Cloacina, volgens de gewone opvatting een bijnaam van Venus, zij had +een heiligdom bij het Comitium te Rome, dat naar men meende, reeds +bestond sedert de vereeniging van Rom. en Sabijnen. In werkelijkheid +is het de godin der Cloaca Maxima (z. a.) en heeft zij met Venus +niets te maken. + +Clodia (via). Deze weg liep van Rome door Etruria ten W. van den Lacus +Sabatinus over Saturnia en Rusellae en sloot zich vervolgens aan de via +Aurelia aan. V. a. vereenigt hij zich voorbij Blesa wederom met de via +Cassia (z. a.) en loopt dan van Florentia naar Luca en Forum Clodii. + +Clodiae (leges) van den volkstribuun P. Clodius Pulcher, in 58. 1) lex +frumentaria, dat de korenuitdeelingen om niet zouden plaats hebben.--2) +lex de auspiciis, dat op de dagen, waarop wetgevende comitia gehouden +werden, geene andere auspicia mochten genomen worden en dus geene +obnuntiatio zou kunnen plaats grijpen. Bovendien werden de leges Aelia +et Fufia opgeheven, zie servare de caelo.--3) lex de collegiis, tot +herstel der in 64 bij senaatsbesluit opgeheven gilden en demagogische +genootschappen, collegia compitalicia.--4) lex de censoria notione, +dat de censoren niemand mochten bestraffen, die niet formeel bij hen +was aangeklaagd en door beiden schuldig was bevonden.--5) lex de capite +civis Romani, dat wie een rom. burger zonder rechterlijk vonnis had ter +dood gebracht (gelijk Cicero met Catilina's eedgenooten had gedaan), +zou verbannen worden. Deze wet werd nader uitgewerkt door een tweede, +waarbij aan Cicero, nu met name genoemd, het verblijf binnen 400 +mijlen van Rome werd ontzegd (aqua et igni interdictio).--6) lex de +provinciis consularibus, waarbij aan den consul L. Calpurnius Piso +Caesoninus Macedonia en Achaia, aan den consul A. Gabinius Syria werd +opgedragen. Het doel was, hen gunstig te stemmen, opdat zij zich niet +tegen Cicero's verbanning zouden verzetten.--7) lex de rege Ptolemaeo, +dat koning Ptolemaeus van Cyprus zou onttroond worden en zijn land en +bezittingen tot eigendom van het rom. volk zouden worden verklaard, +en dat M. Porcius Cato (minor) deze wet zou ten uitvoer leggen. Het +doel der wet was eigenlijk, Cato op eene fatsoenlijke manier uit +Rome te verwijderen.--8) lex de suffragiis libertinorum, dat de +vrijgelatenen ook in de tribus rusticae zouden kunnen stemmen. Deze +wet kwam echter niet tot stand. + +Clodii = Claudii. Eenige leden der gens Claudia schreven hun naam +met o in plaats van au, zie Claudii no. 17-19. + +Clodius Albinus. Zie Albinus. + +Clodius Macer (L.), generaal van Nero in Africa, had zich bij +den opstand van Vindex en Galba tegen Nero (voorjaar van 68) half +onafhankelijk gemaakt, maar werd na Nero's dood wegens zijne roofzucht +door Galba gevonnisd. + +Cloelii of Cluilii, patricische gens, afkomstig uit Alba Longa. 1) +C. Cloelius, volgens de overlevering koning van Alba Longa, voerde +oorlog tegen Rome tijdens Tullus Hostilius en stierf gedurende +den veldtocht, waarop Mettius Fuffetius dictator van Alba werd.--2) +Cloelia, rom. maagd, die, onder de gijzelaars aan Porsena uitgeleverd, +ontsnapte en over den Tiber naar Rome terugzwom. De senaat zond haar +naar Porsena terug, doch deze stelde haar in vrijheid en schonk haar +een fraai opgetuigd paard, terwijl hij ook nog een aantal andere +gijzelaars te harer keuze losliet. De Rom. richtten voor haar een +standbeeld te paard op.--3) Q. Cloelius Siculus, consul in 498, +benoemde zijn ambtgenoot T. Larcius Flavus tot eersten dictator. + +Clotae aestuarium, golf op de Westkust van Caledonia (Schotland), +thans Firth of Clyde. + +Clotho, Klotho, de spinster, eene van de Moerae, wordt voorgesteld +met een haspel, waarmede zij 's menschen levensdraad spint. + +Cluentii. 1) L. (v. a.) A. Cluentius, italiaansch generaal in den +marsischen oorlog, bij Nola gesneuveld, in 89.--2) A. Cluentius +Habitus, vader en zoon, bekend door de schitterende oratio pro Cluentio +van Cicero in 66. + +Cluilii = Cloelii. + +Clupea, rom. naam voor de stad Aspis in Africa, z. a. + +Clusium, Klousion, vroeger Camers geheeten, de voornaamste der 12 +etrurische hoofdsteden, residentie van Porsena, wiens praalgraf in +de nabijheid was. De stad was zeer sterk. De belegering van Clusium +door de Galliërs gaf aanleiding tot hun tocht naar Rome in 390. Het +speltmeel van Clusium (far Clusinum) was om zijne fijnheid zeer +gezocht. + +Clusius, bijnaam van Janus (z. a.). + +Cluvii, een campaansch geslacht, dat zich te Rome vestigde.--1) +Pacula Cluvia voorzag de Romeinen, die te Capua door Hannibal werden +gevangen gehouden, van levensmiddelen.--2) M. Cluvius bestuurde +Cicero's geldzaken.--3) Cluvius Rufus, geschiedschrijver, bekleedde +onder Claudius en Galba verschillende ambten. In zijne geschiedenis +beschreef hij den tijd van Caligula tot Vitellius. Tacitus heeft hem +als bron gebruikt. + +Clymene, Klymene, 1) Oceanide, gehuwd met Iapetus, moeder van Atlas, +Menoetius, Prometheus, Epimetheus.--2) bij Prometheus moeder van +Deucalion.--3) bij Helius moeder van Phaëthon, later gehuwd met +den aethiopischen koning Merops.--4) dochter van Minyas, bij den +arcadischen koning Iasius moeder van Atalante.--5) dochter van Catreus, +werd op bevel van een orakel door haar vader verstooten en aan een +zeeman Nauplius (no. 3) gegeven om haar te verwijderen, bij wien +zij moeder werd van Palamedes en Oeax.--6) v. s. een bloedverwante +van Menelaus, dienares van Helena, met wie zij naar Troje ging; +na de inneming der stad werd zij aan Acamas gegeven.--7) bijnaam +van Persephone. + +Clymenus, Klymenos, 1) zoon van Cardys, stelde vijftig jaar na den +zondvloed van Deucalion de olympische spelen weder in.--2) zoon van +Presbon, koning van Orchomenus in Boeotië, schoonvader van Nestor, +stierf aan eene wonde, die hem bij een wedren door een thebaanschen +wagenmenner werd toegebracht.--3) bijnaam van Hades. + +Clypea = Clupea. + +Clypeus = clipeus. + +Clysonymus, Klysonymos, zoon van Amphidamas, speelmakker van Patroclus, +die eens bij het dobbelspel twist met hem kreeg en hem doodsloeg. + +Clytaemnestra, Klytaimnestra, (waarschijnlijk beter Clytaemestra, +Klytaimestra, dochter van Tyndareos en Leda, gemalin van Agamemnon +(z. a.). Zij regeerde na diens dood met Aegisthus over Mycenae en +Argos totdat Orestes, volwassen geworden, zijn vader wreekte en +beiden doodde. + +Clytia, Klytia, Oceanide, door Apollo bemind. Toen de god ook voor +Leucothoë liefde had opgevat, verried Cl. dit uit jaloerschheid, waarop +Leucothoë door haar vader levend begraven werd. Daarom kreeg Apollo +een afkeer van haar, en uit verdriet onthield zij zich van spijs en +drank en verkwijnde zij, totdat zij in een zonnebloem veranderd werd. + +Clytius, Klytios, 1) een van de Giganten.--2) zoon van Alcmaeon en +de dochter van Phegeus, die na den dood van zijn vader naar Elis +vluchtte; hij was de vader van Piraeus en de stamvader der Clytiaden, +een beroemd waarzeggersgeslacht in Elis.--3) naam van eenige Trojanen. + +Cnemides, Knemides, versterkte stad aan den Cnemis in het gebied +der Locriërs. + +Cnemis, Knemis, berg op de Zuidgrens der Epicnemidische Locriërs. + +Cnidia, Knidia, bijnaam van Aphrodite naar de stad Cnidus, waar een +beeld van die godin stond, dat door Praxiteles gemaakt was en voor +een van de belangrijkste kunstwerken der oudheid gold. + +Cnidus, Knidos, dorische stad tot de Hexapolis Dorica behoorende, +op de uiterste punt van de Chersonesus Cnidia; de stad lag tusschen +twee havens, die door een kanaal verbonden waren. Op de uiterste +punt, het voorgebergte Triopium, lag de tempel van Apollo, waar +de bondsvergaderingen der aziatische Doriërs plaats vonden, en hun +gemeenschappelijke feesten gevierd werden. Cnidus zelf is in de heele +oudheid beroemd om den tempel van Aphrodite Euploia, met het door +Praxiteles vervaardigde beeld der godin. + +Cnosus, later Cnossus, ook met Gn. geschreven, Knosos, stad op +de Noordkust van Creta, in voorhistorische tijden (2400-1200) de +koningszetel van een machtig volk met een zeer interessante, hoog +ontwikkelde beschaving; wie de dragers waren dezer beschaving, weten +we nog niet; we kunnen echter twee tijdperken onderscheiden, die van +de vóór-grieksche, en die van de achaeische heerschappij. Omstreeks +1000 vervalt deze cretensisch-myceensche beschaving, en in den +historischen tijd is de stad dorisch, met de havensteden Amnisus en +Heracleum. Een herinnering aan den vroegeren glans en de vroegere +heerlijkheid is bij het grieksche volk levendig gebleven door de sagen +van Minos, den Minotaurus en het Labyrinth, van Daedalus en Icarus +en van Ariadne. Cnosia tellus = Creta, Cnosia, Cnosis, Cnosias = +Ariadne, Cnosia stella = het sterrenbeeld de kroon van Ariadne. De +opgravingen der laatste jaren hebben het oude paleis der vorsten van +Cnosus blootgelegd. + +Coactores. Coactores agminis, soldaten van de achterhoede, die tegen +desertie uit de gelederen moesten waken,--Coactores exactionum, +of coactores argentarii, personen, wier werk het was, verschuldigde +gelden te innen. De vader van Horatius was coactor. + +Cocalus, Kokalos, koning op Sicilië, die Daedalus gastvrij opnam +toen hij van Creta vluchtte, en Minos doodde toen hij hem kwam +opeischen. Uit dankbaarheid versierde Daedalus zijn rijk met vele +kunstwerken. V. a. had hij Daedalus willen uitleveren, waarop deze +'s konings badkamer zoo overmatig liet verwarmen, dat deze stikte. + +Cocceii, aanzienlijk geslacht, waarschijnlijk uit Umbria. 1) +L. Cocceius Nerva, vriend van Octavianus, voerde de onderhandelingen +tusschen dezen en Antonius. Later stelde hij met Maecenas en Asinius +Pollio te Brundisium de voorwaarden op van de overeenkomst tusschen +Antonius en Octavianus (herfst 40). In 37 werd hij wederom naar +Brundisium gezonden met Maecenas en Fonteius Capito; Horatius en +Vergilius maakten de reis mede. Tengevolge daarvan kwam het verdrag van +Tarente tot stand.--2) M. Cocceius Nerva, bekwaam jurist, was een der +weinigen, die het vertrouwen van Tiberius bezaten. Uit verdriet over +diens handelingen liet hij zich doodhongeren (33).--3) M. Cocceius +Nerva, rom. keizer, een kleinzoon van no. 2. Zie Nerva. + +Coche, Koche, stad aan den Tigris nabij Ctesiphon. + +Cocles, zie Horatii. + +Cocosates, volksstam in Aquitania, aan den Aturus (Adour). + +Cochlear, een soort eierlepel, waarvan de steel spits uitliep, om +b. v. schelpdieren en slakken te eten. Een groot soort lepel heet +ligula (z. a.). + +Cocylium, Kokylion, aeolische stad in Mysia. + +Cocytus, Kokytos, rivier in Epirus, tak van den Acheron. In de +voorstellingen één van de rivieren in de onderwereld, evenals de +Acheron, de Pyriphlegethon en de Styx. In de onderwereld is de Cocytus +een arm van de Styx. + +Codanus Sinus, het Kattegat. Soms ook wordt de geheele Oostzee zoo +genoemd. + +Codex, een blok hout, een strafblok aan het been. Ook eene verzameling +wastafeltjes om op te schrijven, van achteren aaneengehecht, evenals +onze leitjes. Vervolgens ook een boek van papier of perkament, +ingenaaid. Ten slotte ook een wetboek, b.v. codex Iustinianeus. Codex +accepti et expensi = kasboek. + +Codicilli (zie codex), kleine wastafeltjes tot een notitieboekje +vereenigd, om aanteekeningen te maken, ook om als brief verzonden te +worden, toevoegsels tot een testament te maken, en dgl. Zie Cera. + +Codrus, Kodros, zoon van Melanthus, laatste koning van Attica. Bij +een inval van de Doriërs had een orakel den Atheners de overwinning +voorspeld als hun koning sneuvelde, waarop C. zich verkleed in het +kamp van de vijanden begaf, twist zocht en gedood werd. De Doriërs +trokken toen ontmoedigd af, en de eupatriden schaften het koningschap +af, onder voorwendsel dat niemand na C. de regeering waardig was. + +Coela (plur.), ta Koila tes Euboias, het vlakke gedeelte van Euboea +langs de Oostkust tusschen de kapen Caphareus en Chersonesus. + +Coele, he Koile, zuidwestelijke voorstad van Athene, tusschen de +lange muren. + +Coelesyria, he koile Syria, sedert de macedonische verovering de +dalstreek tusschen den Libanon en den Antilibanon, met de bronnen van +den Orontes en de stad Heliopolis (Baälbek). In het rom. tijdperk +breidde de naam Coelesyria zich uit over het land ten O. van den +Antilibanon, waar Damascus lag, zelfs tot Palmyra. + +Coelii = Caelii no. 1-3. + +Coelius mons = Caelius mons. + +Coelossa, Koilossa, berg in Sicyonia. + +Coëmptio, eene der vormen, waaronder een rom. huwelijk kon worden +gesloten. Zij berustte op het recht van den pater familias, om +zijne kinderen te verkoopen. Ten overstaan van vijf getuigen en een +libripens, die de weegschaal hield, stond de vader zijne dochter aan +den bruidegom af. Deze laatste tikte daarbij met een geldstuk tegen +de schaal, eene zinnebeeldige voorstelling van het betalen van den +koopprijs. Door zulk een huwelijk kwam de vrouw in de manus van haar +echtgenoot (zie manus). Vóór de eigenlijke handeling der coemptio +plaats had, gaf de bruid op de vraag van haar aanstaanden echtgenoot +haar toestemming tot het huwelijk, zoodat zij door den verkoop geen +slavin werd, maar naast haar man eene vrije positie innam. Over de +coëmptio cum extraneo fiduciae causa zie men het artikel tutela. + +Coena, de hoofdmaaltijd der Rom., die gehouden werd na afloop der +hoofdbezigheden van den dag, tusschen 2 en 4 uur volgens onze wijze +van tijdverdeeling. In den oudsten tijd was de coena echter om 12 uur; +het avondeten heette toen vesperna. Men gebruikte den maaltijd in den +ouden tijd in het atrium, daarop een tijd lang op de bovenverdieping, +die cenaculum heet, vervolgens in het triclinium. Oudtijds zat men +aan tafel, daarop volgde een tijd, waarin de mannen op grieksche wijze +aan tafel lagen, terwijl vrouwen en kinderen zaten. Tegen het eind van +de republiek was het aanliggen (accubare), behalve voor de kinderen, +algemeen in gebruik. In den ouden tijd bestond de maaltijd uit twee +gangen; de tweede (mensae secundae) bestond uit vruchten: una carnis +fuerat, altera pomorum; bij den tweeden gang werd gedronken: una +epularum, altera poculorum. In den keizertijd bestond de coena van +den gegoeden burger uit drie gangen (fercula): 1) een voorgerecht, +gutus, gustatio, promulsis, uit eieren, schelpdieren, visch, radijs, +olijven, of salade bestaande, alles eenigszins pikant toebereid om den +eetlust op te wekken;--2) het caput coenae, gewoonlijk uit twee of drie +gangen bestaande;--3) de mensae secundae, nagerecht of dessert, dat +uit versche en gedroogde vruchten en gebak bestond. Ook bij den gewonen +burgerstand had men drie fercula, maar eenvoudiger; er werd veel kool +en varkensvleesch gegeten, ook jonge geiten en verder kippen. Tusschen +de verschillende gerechten hield men gewoonlijk een kleine pauze, die +besteed werd aan gezellig onderhoud of voorlezen of het uitvoeren van +muziek of vertooningen door de slaven. Voor en na den maaltijd en ook +tusschen de gangen wiesch men zich de handen, wat des te meer noodig +was, omdat men geen vorken kende, en dus met de vingers at. Vóór de +mensae secundae bad men tot en offerde men aan de Lares en den Genius +van den pater familias, later ook aan den Genius van den keizer. Wat +in later tijd de maaltijden der rijken zoo kostbaar maakte, was niet +zoozeer de wijze van toebereiding als wel het opdisschen van spijzen, +die zeldzaam of moeielijk te verkrijgen waren. Z. deipnon. + +Coenus, Koinos, een van de dapperste generaals van Alexander d. G., +schoonzoon van Parmenio, stierf op den terugtocht uit Indië (326). + +Coërcitio is het recht, dat de ambtenaren behalve de quaestoren hebben, +om de burgers tot eerbied en gehoorzaamheid aan hun verordeningen te +dwingen. De dwangmiddelen waren: doodstraf, geeseling, boete (multae +dictio), hechtenis en pignoris capio; alleen de magistratus cum +imperio en de tribuni plebis konden, voor zoover de provocatie-wetten +hierop geen inbreuk maakten, al deze straffen aanwenden; de censoren +en aedilen hadden alleen de multae dictio en de pignoris capio. De +magistratus cum imperio hadden de coërcitio tegen de magistraten, wier +imperium geringer was dan het hunne, en tegen de mag. sine imperio. De +tribunen hadden dit recht tegen alle magistraten, later zelfs tegen +den dictator, terwijl zij aan niemands coërcitio onderworpen waren. + +Uit de coërcitio, die ook in den keizertijd blijft bestaan, heeft zich +door de provocatiewetten de eigenlijke strafrechtpleging (iudicatio) +ontwikkeld, en de strafrechtpleging der stadhouders van de provinciën +berust op het ius coërcitionis. + +Coës, Koes, aanvoerder der Mitylenaeërs, die Darius op zijn tocht tegen +de Scythen volgden. Hij was het die aanried de brug over den Donau +niet af te breken, waarvoor hij later beloond werd met de tyrannie +over Mytilene. Bij het uitbreken van den opstand der Ioniërs werd +hij gedood. + +Coetae, Koitai, volksstam in oostelijk Pontus, verkeerde lezing +voor Taochoi. + +Coeüs, Koios, een van de Titanen. + +Cognatio, natuurlijke bloedverwantschap door gemeenschappelijke +afstamming. Zie agnati. + +Cognitio, gerechtelijk onderzoek door de overheid in eene rechtszaak, +ook wel de beslissing. + +Cognitor, 1o identiteitsgetuige, d.i. een Romeinsch burger, die in een +vreemd land gerechtelijk van een ander verklaart, dat hij insgelijks +een Rom. burger is, en de persoon is, voor wien hij zich uitgeeft.--2o +zaakwaarnemer in privaatzaken.--3o in later tijd degene, aan wien de +cognitio (z. a.) toekomt, rechter van instructie. + +Cognomen. Zie nomen. + +Cohors als krijgsterm beteekent in de eerste plaats eene vereeniging +van troepen als afdeeling van een legioen. Twee centuriae van hetzelfde +wapen vormden een manipulus. Sedert den tweeden punischen oorlog +vereenigde men twee manipels tot eene cohorte. Omtrent de normale +sterkte van een legioen z. Centuria. Was het noodig het legioen te +versterken, dan werd het getal hastati en principes in elke centurie +vermeerderd, niet echter dat der triarii of pilani. Ten gevolge van +verschillende hervormingen deels van Marius afkomstig, deels van +Caesar, bestond in Caesars tijd het legioen uit 10 cohorten, en elke +cohorte uit 6 centuriën of 3 manipels, zooals de figuur aanwijst. Bij +de opgaaf van de getalsterkte der cohorten worden de velites niet +medegerekend, en wanneer men b.v. van cohortes quingenariae leest, moet +men dit getal aldus verdeelen, dat elke cohorte uit het vaste getal +van 60 triarii of pilani en verder uit 220 principes en 220 hastati +bestaat. Onder Augustus werd de eerste cohorte van ieder legioen op +de dubbele sterkte der overige gebracht: zij telde 1000 soldaten, 100 +onderofficieren of decani en 5 centuriones, en werd cohors milliaria +genoemd, terwijl de andere cohorten 555 man voetvolk hadden, n.l. 500 +soldaten, 50 decani en ook 5 centuriones. Aan de eerste cohorte waren +132, aan elke der andere 66 geharnaste ruiters toegevoegd.--In lateren +tijd wordt cohors ook van eene afdeeling ruiterij gebezigd.--Ook van +de hulptroepen, door de bondgenooten geleverd, wordt meermalen het +woord cohortes gebruikt. + +Cohors praetoria, de garde of lijfwacht van den veldheer of stadhouder, +ook wel met inbegrip van zijn staf en zijn geheele gevolg van +officieren, ambtenaren, vrienden en dienaren. Het eerst heeft Scipio +Africanus minor in den numantijnschen oorlog zoo'n lijfwacht opgericht. + +Cohortes praetoriae. Augustus richtte een gardecorps op van 9 cohorten, +elk 1000 man sterk, waarvan er echter niet meer dan 3 te Rome in +garnizoen lagen, die bij de burgers ingekwartierd werden en buiten +dienst de toga mochten dragen, weshalve zij ook wel cohortes togatae +worden genoemd. Deze garde had hooger soldij en korter diensttijd dan +de overige troepen. Hiervan onderscheiden is de bataafsche lijfwacht, +de corporis custodes (z. a.). Op aansporing van Seianus liet keizer +Tiberius voor de praetorische cohorten eene vaste legerplaats, castra +praetoria, bouwen in den N.O. hoek van Rome. Vitellius ontbond de +praetoriaansche garde, omdat zij voor Otho tegen hem had gestreden, +en richtte eene nieuwe van 16 cohorten op. In de geschiedenis van +Rome speelden de praetorianen eene groote rol: keizers werden door +hen op den troon geplaatst en vermoord, éénmaal zelfs, in 193 na C., +verkochten zij de keizerlijke waardigheid aan den meestbiedende. Keizer +L. Septimius Severus ontbond de garde in 194 en verving ze door een +andere. Onder Constantijn werd zij afgeschaft en hare legerplaats +afgebroken. In het eerst stond de garde onder twee praefecti praetorio, +tijdens Tiberius onder één, later weder onder één of twee of drie. + +Cohortes urbanae, eene soort van gendarmerie, door Augustus opgericht, +om voor de openbare veiligheid te Rome te zorgen. Eerst waren er 3; +Vitellius bracht het getal op 4. Zij stonden onder den praefectus +urbi. Later smolten zij met de praetorianen samen. + +Cohortes vigilum, zeven in getal, voor elk tweetal wijken één, eene +soort van brandweer en politie, door Augustus ingesteld. Zij stonden +onder een praefectus vigilum. + +Colchis, Kolchis, landschap aan den O.-hoek van den Pontus Euxinus +(Zwarte zee), ten Z. van den Caucasus, ten N. van Armenia, door den +Phasis doorsneden. Het land was moerassig, zoodat de woningen voor een +deel op palen moesten gebouwd worden, doch het was zeer vruchtbaar +en leverde o.a. timmerhout, hennep, pek, honig, was, vooral vlas en +linnen, en ook goud op. Van de boorden van den Phasis zijn de fazanten, +aves Phasianae, afkomstig. De bewoners van de vlakte hadden een donkere +huidkleur en kroeshaar, en leken op de Aethiopiërs, zoodat Herodotus +vermoedt, dat ze uit Aegypte hierheen verplaatst zijn. Aan de kust +lagen de milesische koloniën Phasis en Dioscurias. Mithradates VI +maakte het gewest tot eene pontische provincie; daarna werd het aan +Rome cijnsbaar. De mythe noemt het Aeaea of Aea en plaatst er de gouden +ramsvacht, bekend uit de sagen van den Argonautentocht en van Iason +en Medea. Bij dichters is Colchis meermalen = de Colchische vrouw, +d. i. Medea. + +Colias, Kolias, kaap op de Westkust van Attica dicht bij Phalerum, waar +fijne porceleinaarde werd gevonden. Er stond een tempel van Aphrodite. + +Collatia, latijnsche stad aan den Anio, door Tarquinius Priscus +veroverd, de woonplaats van L. Tarquinius Collatinus en Lucretia. + +Collatinus, zie Tarquinii no. 3. + +Collegae zijn niet slechts ambtgenooten, maar ook overheden, die onder +gelijke auspiciën gekozen zijn. Zoo zijn de praetoren collegae minores +der consuls, de magister equitum een collega minor van den dictator. Op +de par potestas der collegae berust het ius intercessionis, dat ze +tegenover elkaar kunnen uitoefenen. + +Collegium, 1) collegie van ambtgenooten, b.v. collegium pontificum.--2) +corporatie tot eenig bepaald doel, b.v. collegia tenuiorum, +begrafenisfondsen.--3) gilden van ambachtslieden, collegia opificum. + +Collina, eene der vier regiones, waarin Servius Tullius de stad Rome +verdeelde. Deze regio omvatte den collis Quirinalis en den collis +Viminalis. + +Collina (porta), noordoostelijkste poort van Rome in den muur van +Servius Tullius. + +Collybus, kollybos, agio bij de geldwisselaars. + +Collytus, Kollytos, demus in Attica tot de phyle Aegeis behoorende. + +Colonae, Kolonai, naam van twee steden, eene in Troas ten Z.W. van +Neandria, en eene in Mysia. + +Colonatus. Colonus beteekent oorspronkelijk boer, maar wordt later +gewoonlijk in de beteekenis van pachtboer gebruikt. De boerderijtjes +zijn klein; de pachttermijn is gewoonlijk 5 jaar, maar wordt dikwijls +stilzwijgend vernieuwd; en daar de colonus gewoonlijk geen geld heeft, +wordt de pacht in natura betaald. De groote landgoederen, die zich +sinds den 2den Punischen oorlog in Italië vormden (z. Latifundia), +lieten de eigenaars of bezitters liefst door slaven bewerken +(z. Agrariae leges); de wet, die hen dwong een zeker aantal vrije +daglooners in dienst te hebben, werd niet uitgevoerd of ontdoken. Toen +echter door de slavenopstanden (z. Spartacus) de slaven in aantal +ontzettend afnamen of onbetrouwbaar werden, namen de eigenaars weer +een tijd lang hun toevlucht tot het pachtsysteem. In den keizertijd nam +echter in Italië het gebruik van slaven, de uitbreiding der latifundia +en de ontvolking, die daarmede gepaard pleegt te gaan, weer hand over +hand toe. In de provinciën, vooral in Africa, waaromtrent wij het +best zijn ingelicht, is het grootgrondbezit ook schrikbarend. Op de +groote landgoederen (saltus) hetzij van particulieren, hetzij van den +keizer, vindt men daar naast het huis en het bedrijf van den landheer +uitsluitend kleine pachters, coloni, die tengevolge van de slechte +ekonomische toestanden, daar anders het bedrijf niet meer loonend is, +langzamerhand gedwongen worden op hun grond te blijven wonen (glaebae +adstricti). Deze saltus of praedia worden tot groote distrikten +(tractus) bijeengevoegd, en aan het verband met het municipium waartoe +ze oorspronkelijk behoorden, onttrokken. Verschillende contracten, +waaraan die coloni gebonden waren, zijn in de laatste twintig jaar in +Africa teruggevonden. Het oudste contrakt, lex colonis fundi villae +Magnae data ad exemplum legis Mancianae dateert van het jaar 116 of +117 n. C. In de 4de eeuw n. C. worden de verplichtingen van hoorigheid +ook in de wetgeving opgenomen, en strenge strafbepalingen vastgesteld +op het verlaten van de hofstede. Men werd colonus of door geboorte, +of door vrijwillig zich aan te melden. Ook zwervers en landloopers +werden aan een eigenaar uitgeleverd. Men werd slechts vrij door +dienst te nemen, of, later, door priester of monnik te worden. Hun +toestand wordt in den loop der eeuwen hoe langer slechter. Omtrent den +oorsprong van het kolonaat tast men nog vrijwel in het duister. Sommige +geleerden meenen, dat, al zijn de vormen, waaronder deze hoorigheid +zich voordoet, ook niet oostersch, toch de oorsprong er van in de +hellenistische wereld gezocht moet worden. + +Colonia, 1) Grieksche koloniën. Wanneer eene grieksche stad overbevolkt +dreigde te worden, werd eene commissie uitgezonden, om op eene nog +niet door Grieken in bezit genomen kust eene geschikte plaats te +vinden voor den bouw eener nieuwe stad. Was zulk een punt gevonden, +dan werd een deel der bevolking als vrijwillige landverhuizers daarheen +overgebracht en van de noodige hulpmiddelen voorzien, en er verrees +eene zelfstandige stad, die wel in den beginne de bescherming der +moederstad genoot, maar toch niet afhankelijk van haar was. Het geval +van Potidaea, dat jaarlijks zijn eersten magistraat uit Corinthus +kreeg, is uitzondering, geen regel. Wel bleef er een band van piëteit +tusschen de metropolis en de kolonie bestaan, als tusschen moeder +en dochter, en de afgezanten der moederstad hadden bij de openbare +feesten eene eereplaats, doch de burgers der eene hadden daarom nog +geen aanspraak op het burgerrecht der andere. Zie ook Cleruchia. De +uitzending eener kolonie had onder zekere plechtigheden plaats, zooals +het medenemen van vuur uit het prytaneum der moederstad, en ook werd +geene grieksche kolonie gesticht zonder dat eerst een of ander orakel +was geraadpleegd. Natuurlijk waren er behalve de bovengenoemde reden +nog andere redenen tot stichting van volkplantingen. Bij inwendige +verdeeldheid kon het gebeuren, dat de onderliggende partij besloot +uit te wijken. Ook de verovering van een staat door machtiger vijanden +kon aanleiding tot landverhuizing geven. Ook handelsbelangen speelden +eene rol, en menige kolonie is gesticht om in afgelegen zeeën aan de +koopvaarders der moederstad een veilig station te verschaffen. Met +de inboorlingen van hun nieuw vaderland hadden de kolonisten vaak een +hardnekkigen strijd te voeren. Overwonnen de Grieken, dan ontwikkelde +zich in den regel een betrekking van perioeci, doch menigmaal ook +bezweken zij, zooals b.v. de grieksche steden op de kust van Voor-Azië +zich aan de lydische koningen moesten onderwerpen.--2) Romeinsche +koloniën. De Romeinen zonden met een geheel ander doel koloniën uit, +en wel niet naar onbewoonde plaatsen, maar naar bestaande steden in +pas veroverd gebied, om daar als voorposten wacht te houden. Het waren +militaire posten, propugnacula imperii. De nieuwe kolonisten kregen +voor zich en hunne gezinnen woningen en landerijen, die door de oude +bezitters moesten worden ingeruimd. Ze vormden een afzonderlijke +gemeente. Voor een klein deel waren het coloniae civium Romanorum, +d. w. z. de uitgezonden kolonisten waren rom. burgers, die ook in +hunne nieuwe woonplaats het volle burgerrecht behielden. Hiertoe +behooren o. a. de coloniae maritimae. Deze hebben, omdat zij met de +verdediging der kust belast zijn, militiae vacationem sacrosanctam, +waarmede echter in den tweeden punischen oorlog geen rekening gehouden +werd. De meeste coloniae waren col. latinae (zie hieronder); vaak +werden ook Romeinsche burgers naar veroverde streken gezonden, +zonder een bepaalde colonia, d.w.z. een stad met gemeentebestuur, +te vormen; men spreekt dan van assignationes viritanae. Zie ook onder +het artikel Agrariae leges: Lex Sempronia agraria van C. Gracchus. De +oude inwoners, inquilini, werden als dediticii, overwonnelingen, +beschouwd. Evenwel werd hun nu en dan toegestaan, zich als coloni te +laten inschrijven. Toen geheel Italia het burgerrecht bezat, hadden +de coloniae geen militaire beteekenis meer.--Deze gewoonte, koloniën +als militaire bezetting uit te zenden, was in Italia algemeen. Het +latijnsche stedenverbond deed het ook, en tusschen 493 en 340, +d. i. van de stichting van het romeinsch-latijnsch-hernicisch +bondgenootschap tot aan den laatsten latijnschen oorlog, werden +door de bondgenooten bondskoloniën uitgezonden. Na de onderwerping +van Latium bevolkten de Romeinen sommige koloniën met Latijnen. In +tegenstelling der vroegere coloniae latinae werden deze coloniae +latinae populi romani geheeten; zij waren 39 in getal, o. a. Ariminum, +Brundisium, Cremona, Placentia, en hadden het ius Latii.--Een andere +soort van coloniae waren die, welke nu en dan werden uitgezonden om +Rome te ontlasten van behoeftige, dikwerf oproerige burgers. Dit +waren landbouwkoloniën. De vestiging dezer laatste dagteekent van +den tijd der Gracchen. In de burgeroorlogen werd het gewoonte, dat de +overwinnaar zijne soldaten met grondbezit beloonde. Zoo wees Sulla niet +slechts vele landerijen, waarvan de eigenaars omgekomen of gevlucht +waren, aan zijne soldaten ter verdeeling toe, maar ook den grond van +verschillende mariaanschgezinde steden, waarvan de inwoners eenvoudig +uit huis en hof verdreven werden. Evenzoo wees Octavianus in 41 en 40 +acht steden in Gallia Transpadana, tot straf voor hunne gehechtheid +aan de zaak van Brutus en Cassius, aan zijne legioenen toe, bij welke +gelegenheid ook Vergilius uit zijn eigendom verdreven werd. Dit zijn +coloniae veteranorum.--De uitzending van koloniën had volgens eene +speciale wet plaats en werd geregeld door opzettelijk hiertoe gekozen +commissarissen, meestal drie, III viri coloniae deducendae. + +Colonia Agrippina, stad der Ubii of Agrippinenses, aldus in 50 +n. Chr. genoemd ter eere van Germanicus' dochter Agrippina. Het was +de hoofdstad van Germania Inferior. In den lateren keizertijd is de +stad zeer belangrijk als grensvesting, en nu en dan zetel van den +keizer. Thans Keulen aan den Rijn. + +Colonus, Kolonos, demus in Attica, ten N. van Athenae, geboorteplaats +van Sophocles, met een tempel van Poseidon, eene grot der Eumeniden +en het graf van Oedipus. + +Colophon, Kolophon, aziatisch-ionische stad met de havenstad Notium +door muren verbonden, beroemd door zijne vloot en zijne voortreffelijke +ruiterij. Vandaar het spreekwoord Kolophona epitithenai = eene zaak +haar beslag geven. Toch werd de stad meer dan eens ingenomen. In het +nabijgelegen Clarus was een beroemd orakel van Apollo. Colophon was +de geboorteplaats van den elegieëndichter Mimnermus en maakte ook +aanspraak op Homerus. + +Colossae, Kolossai, vroeger eene aanzienlijke stad in het Z. van +Groot-Phrygia, doch allengs door naburige plaatsen overschaduwd, +in Strabo's tijd nog slechts een stadje. Hier was een van de eerste +christelijke gemeenten. + +Colosseum, zie Amphitheatrum. + +Colotes, Kolotes, leerling van Epicurus, verdedigde in verscheiden +werken de leer van zijn meester, en viel daarbij de oudere wijsgeeren +soms hevig aan. + +Columbar, als strafwerktuig vermoedelijk een houten bord, waarin +men zóó gesloten werd, dat hoofd en handen er door staken. Het werd +slechts voor slaven gebezigd. + +Columbarium, duiventil; ook een grafkelder met een aantal rijen van +nissen boven elkander om lijkbussen in te plaatsen. Zie de teekening op +bldz. 187. Onder elke nis was op een plaatje de naam van den overledene +vermeld. Er waren algemeene columbaria, waarin men eene plaats kon +koopen.--Ook de roeigaten van een schip worden aldus genoemd. + +Columella (L. Iunius Moderatus) geboren te Gades, leefde in het midden +der eerste eeuw na C. en leverde een smaakvol en vloeiend geschreven +werk de re rustica in 12 boeken; hiervan is het 10de boek, over den +tuinbouw, in navolging van Vergilius, in hexameters geschreven. + +Columna. Hoewel bij verschillende volken der oudheid verschillende +vormen van zuilen in gebruik waren, kunnen hier slechts de grieksche +en rom. worden besproken, en wel in hoofdtrekken de dorische, +ionische en corinthische zuilen. Bij de grieksch-dorische orde +rijst de schacht der zuil zonder voetstuk als het ware uit den bodem +op; deze schacht is voorzien van ondiepe, aaneensluitende groeven, +cannelures geheeten, en bereikt eene hoogte van ongeveer 4,5 à 5 maal +hare benedenmiddellijn. Op de schacht rust het bovenstuk of kapiteel, +capitulum, kephalaion. Het onderste deel van dit kapiteel is de hals, +hypotrachelion, een voortzetting der schacht door eene insnijding +of een lijstje er van gescheiden, en soms met ringvormige lijnen +versierd. Daarop rust de eierlijst, echinus, echinos, en op deze +weder de vierkante dekplaat of abacus, abax. Op de dekplaten rust dan +de draagbalk of architraaf van den bovenbouw. Bij de rom.-dorische +zuil is de schacht meestal glad, en wanneer zij soms gecanneleerd +is, zoo strekken de groeven zich toch slechts over het bovenste +tweederde deel uit, terwijl het ondereinde glad blijft. Soms rust +de zuil op een voetstuk of basement, eene cirkelvormige schijf met +bolronde kanten, torus.--De grieksch-ionische zuil bereikt gemiddeld +eene hoogte van 8 maal de middellijn der beneden-doorsnede; de +schacht rust op een voet van kussens, door holle randen, trochiloi, +gescheiden. De cannelures zijn dieper dan bij de dorische zuil, en +niet aaneensluitend, maar door smalle, gladde bandjes gescheiden. Het +kapiteel is minder eenvoudig dan het dorische. De hals is met +figuren versierd, evenzoo de eierlijst. Daarop rust een dekstuk als +een veerkrachtig kussen, aan weerszijden in spiraalvormige krullen, +zoogenaamde voluten, uitloopende. Dit dekstuk draagt den abacus en +deze wederom den architraaf. De rom.-ionische krul mist de welving +in het midden en maakt hierdoor niet den indruk van veerkracht, +dien de grieksche maakt. Ter verklaring van de grootere slankheid +der ionische zuil vergeleken met de dorische diene het volgende: +De ionische zuil is oorspronkelijk een binnenzuil geweest, aan de +binnenzijde van een gebouw aangebracht, tot schoring van het dak. Ze +was dus oorspronkelijk van hout, maar tegen de vochtigheid van den +bodem geplaatst op een steenen onderstel, hetgeen de basis dezer +zuil verklaart. Later werd de zuil in steen gecopieerd, en ook aan +de buitenzijde aangebracht. De dorische zuil is in den regel van +steen geweest, slechts bij het Heraeum te Olympia en bij den ouden +tempel te Delphi waren de zuilen van hout. De zuilen worden om het +gebouw aangebracht, en hullen het als het ware in een mantel in; +men noemt dit de peristasis.--De corinthische zuil onderscheidt zich +van de ionische door den rijkdom van haar kapiteel, dat in tal van +variatiën met bladvormen en vlechtwerken is versierd. Zie de teekening +op blz. 190. Oorspronkelijk waren het acanthusbladeren. Vooral de +Rom. hebben dit kapiteel met allerlei versieringen aangewend. Bij de +Grieken is de corinthische zuil op de wijze der ionische gegroefd, +bij de Rom. dikwerf glad. Echt rom. is onder al de drie zuilenorden +de vierkante voet of plint, die soms vrij hoog is. + +Columna M. Aurelii, op de Piazza Colonna te Rome, naar het model van de +Columna Traiani, door Keizer M. Aurelius opgericht ter verheerlijking +zijner krijgsdaden. De zuil is 100 rom. voet (29,6 M.) hoog en omgeven +door reliefs in 23 windingen; de onderste helft verheerlijkt het bellum +Germanicum, den oorlog tegen de Marcomannen en Quaden (172-173 n. C.), +de bovenste helft het bellum Sarmaticum, den oorlog tegen de Sarmaten, +Iazygen en Quaden (174-175). Bovenop staat tegenwoordig een standbeeld +van den apostel Paulus. + +Columna bellica, kleine zuil voor den Bellona-tempel te Rome, +ten N.W. van den mons Capitolinus. Bij deze zuil werd oudtijds het +formulier der oorlogsverklaring uitgesproken. + +Columna Maeniana, zuil op het Comitium te Rome, met een balkon er op, +genoemd naar haren bouwmeester C. Maenius. Bij deze zuil werden slaven, +dieven en gemeene misdadigers gestraft. + +Columna rostrata, zuil met scheepssnebben versierd, opgericht ter +eere der overwinning van C. Duillius op de Carthagers in 260. + +Columna Traiani. Onder de verschillende zuilen te Rome is vooral +die van Traianus merkwaardig. Zij is van wit marmer, 117 voet hoog +en van binnen met een wenteltrap van 180 treden voorzien. Bovenop +stond het standbeeld des keizers; thans staat er dat van den apostel +Petrus. Buitenom zijn spiraalsgewijze en relief tafereelen uit den +dacischen veldtocht aangebracht, uit meer dan 2500 figuren bestaande. + +Columnae Herculis, twee bergen aan het fretum Gaditanum (straat +v. Gibraltar), n.l. Calpe in Europa en Abyla in Afrika, volgens +de mythe door Heracles vaneengescheiden, om de beide zeeën te +vereenigen. Romeinsche zeelieden gaven bovendien dien naam aan het +toen uit twee afzonderlijke rotsen bestaande Helgoland. + +Colyttus, Kolyttos = Collytus. + +Comaetho, Komaitho, dochter van Pterelaus, koning der Taphiërs. Uit +liefde voor Amphitryo, die de Taphiërs beoorloogde, sneed zij haar +vader het gouden haar af, waarvan het behoud van zijn leven afhing; +Amphitryo liet haar wegens haar verraderlijk gedrag dooden. Vgl. Nisus. + +Comana, ta Komana, naam van twee steden, de eene in Cappadocia aan den +Sarus gelegen, de andere in Pontus aan den Iris. Beide steden hadden +een tempel, aan de gewapende godin Mâ gewijd, waar tempelslavinnen +wapendansen uitvoerden. Vooral de pontische tempel met zijne 6000 +hierodulen had een uitgestrekt landbezit, en de opperpriester er +van genoot een koninklijk aanzien. Misschien hebben die gewapende +vrouwenscharen aanleiding gegeven, om in die streek aan den Thermodon +de woonplaats der Amazonen te stellen. + +Comes, sedert Constantijn den Grooten een titel voor hooge staats- +en hofbeambten, als: comes stabuli, keizerlijk opperstalmeester, +comes sacrarum largitionum, minister van finantiën, e. a. Zie ook +Illustres. Er waren comites in actu, in dienst, vacantes, buiten +dienst, en ook honorarii. + +Cominii, plebejisch geslacht. + +Cominium, stad in Latium aan de grenzen van Samnium, ten N. van Atina, +door de Romeinen verwoest (293). + +Comissatio, een drinkgelag als voortzetting der coena, meestal tot +diep in den nacht. + +Comitia zijn vergaderingen, waar het romeinsche volk, na het waarnemen +der auspicia, volgens een zijner politieke indeelingen bijeenkwam +en waar een stemming plaats had. Het recht zulke vergaderingen samen +te roepen en te leiden (ius agendi cum populo) kwam, behalve bij de +com. curiata calata, alleen toe aan de hoogere overheidspersonen. + +Comitia curiata calata zijn volksvergaderingen, die vroeger door den +koning, later door den pontifex maximus werden bijeengeroepen (calare) +tot zekere sacrale handelingen, waarbij de tegenwoordigheid van het +volk voldoende was en geene stemming plaats had. Ze kwamen bijeen +voor de Curia Calabra op het Capitool, en werden in de oudste tijden +gehouden tot inauguratie van den koning, de flamines en later van den +rex sacrificus, tot het maken van testamenten (testamentum comitiis +calatis factum), bij arrogatio uithoofde der detestatio sacrorum, +tot afkondiging van den feestkalender, bij de transitio in plebem, enz. + +Comitia curiata waren de oudste soort van volksvergadering op +het gebied van wetgeving en verkiezing. Men stemde er naar curiën, +zoodat er 30 stemmen werden uitgebracht. Toen de wetgevende macht op +de centuriaatcomitiën was overgegaan, werd toch aan de magistraten, +die het noodig hadden, het imperium door eene curiaatvergadering +verleend (lex curiata de imperio). + +Comitia centuriata waren die, waarin het volk naar classes en +centuriae stemde. Zie centuria. Het kwam dus op den census aan, +niet op geboorte. Elke centurie bracht ééne stem uit, er waren +derhalve 193 stemmen. Waren de 80 centuriën der eerste klasse en de 18 +riddercenturiën eenstemmig, dan behoefde reeds de tweede klasse niet +meer ter stemming te worden opgeroepen. De centuriaatcomitiën worden +bijeengeroepen in de eerste plaats voor de verkiezing der hoogere +ambtenaren, in de tweede plaats voor de wetgeving; deze ging echter in +den loop der tijden gedeeltelijk op de comitia tributa, gedeeltelijk +op het concilium plebis over. Consuls brachten hun wetsvoorstellen +steeds (behalve als ze in de oppositie waren) ex auctoritate senatus +voor de com. cent. Twee bevoegdheden van wetgevenden aard bleven +uitsluitend aan de c. centuriata voorbehouden: 1º. het recht om +oorlog te verklaren (lex de bello indicendo), 2º. het recht om aan de +censores na hun benoeming de potestas te verleenen (lex de censoria +potestate). Ook hadden zij de rechtspraak in lijfstraffelijke zaken, +die haar echter sedert 149 door de quaestiones perpetuae meer en meer +werd onttrokken.--Op een niet juist bekend tijdstip, vermoedelijk +tusschen 241 en 218, had er eene samensmelting der centuriën en der +tribus plaats. Volgens de meest aangenomen gissing werden de burgers +van elke tribus naar hunnen census en hun leeftijd in 10 centuriën +gesplitst, van elke klasse een cent. seniores boven 45 jaar, en +een cent. iuniores van 17-45 jaar. Dit gaf voor de 35 tribus 350 +centuriën, 70 in elke klasse. Wanneer men daarbij 18 c. ridders, +2 c. werklieden, 2 c. muzikanten en 1 c. proletariërs voegt, krijgt +men een totaal van 373 centuriën en even zooveel stemmen. Zelfs bij +volkomen eenstemmigheid moest dan na de stemming der eerste klasse +en der ridders niet slechts de tweede klasse, maar na deze ook nog de +derde ter stemming worden opgeroepen, om eene volstrekte meerderheid +te verkrijgen. Anderen geven weer andere oplossingen aan de hand, die +allen hierop gebaseerd zijn, dat volgens Cicero het aantal stemmen +steeds 193 gebleven was. Alleen zeker is dat de eerste classis in +elke tribus in een centuria seniorum en een c. iuniorum gesplitst was. + +Comitia tributa. Zuivere tribuutcomitiën zijn die, waarin alle +stemgerechtigde burgers tributim kunnen stemmen en elke tribus +ééne stem uitbrengt. Over de tribuutvergaderingen der plebs onder +voorzitterschap harer tribunen, zie men het artikel concilia plebis. Op +het voetspoor der volkstribunen maakten ook andere overheden van +de gelegenheid gebruik, het volk tributim op te roepen, omdat de +tribuutvergaderingen, althans in den beginne, aan geene auspiciën +gebonden waren en dus minder omslag vereischten. De lex Aternia +Tarpeia droeg in 454 aan deze comitia de rechtspraak op in boetezaken +boven een zeker bedrag. In 447 werd hun de verkiezing der magistratus +minores opgedragen. De eerste wet in comitiis tributis aangenomen was +de lex de vicesima manumissionum, waarover de consul Cn. Manlius, +in het kamp voor Sutrium, het leger tribusgewijze liet stemmen +(Zie lex Manlia). Wetten van politieken aard zijn er overigens in +de com. trib. slechts weinig voorgesteld en aangenomen. Het meest +bekend zijn de leges tributae praetoriae, wetten tot regeling van +het privaatrecht, die ex auctoritate senatus door den praetor urbanus +werden ingediend. De lex Domitia, 104, bracht ook de verkiezing der +priester-collegiën aan de tribus, doch op dezen voet, dat door het +lot 17 (minor pars) van de 35 tribus zouden worden aangewezen voor +de stemming, en dat de door haar gekozenen door het collegie moesten +worden gecoöpteerd. Dit zijn de comitia sacerdotum. + +Comitiales dies, de dagen, waarop comitia mochten gehouden worden +(quibus cum populo agi licet). Er zijn er tegen het einde van de +republiek ongeveer 190. Uitgesloten waren de dies nefasti, de dies +fasti, en de nundinae. In den kalender worden ze aangeduid met een +C. Op de nundinae mochten wel vergaderingen van de plebs (concilium +plebis) gehouden worden. + +Comitium, een vierhoekig plein, dat ten N. aan het forum grensde, +waar oudtijds de comitia curiata plaats hadden en, voor het Forum +ingericht was, ook als marktplein diende. Het lag veel hooger dan +het Forum. Aan de Noordzijde lag de Curia Hostilia, ook stonden er +de ambtszetels van de tribuni plebis. Later werd een groot gedeelte +van het plein ingenomen door de nieuwe Curia Julia. + +Commagene, Kommagene, het noordelijk gedeelte van Syria met de +hoofdstad Samosata aan den Euphraat, die hier nog niet bevaarbaar +was. Aan den anderen kant werd het gewest door den Taurus en den +Amanus ingesloten. Na Alexander d. Gr. was het onder een zijtak der +Seleuciden geruimen tijd een zelfstandig rijk. Tiberius veroverde het +in 17 na C.; Caligula gaf het terug; Vespasianus maakte het weder +tot rom. provincie. Onder Diocletianus en Constantijn droeg het, +met Cyrrhestice vereenigd, den naam Euphratensis of Augustophratensis. + +Commeatus. Onder dit woord verstaat men niet slechts toevoer van +levensmiddelen, maar ook het verlof aan de soldaten. Hoewel het +recht om commeatus te verleenen eigenlijk alleen aan den veldheer +toekomt, schijnen de centuriones, evenals bij het verleenen van +vacationes munerum (zie Beneficiarius miles), hierin handel gedreven +te hebben. Keizer Otho maakte hieraan een einde door aan de centurio's +eene jaarlijksche toelage te geven. + +Commentarii, apomnemoneumata of hypomn., fr. mémoires, +gedenkschriften, dagboek. Ook de aanteekeningen der pontifices, +die in den gallischen brand verloren gingen, worden zóó geheeten, +commentarii pontificum. Het woord wordt verder ook van letterkundige +geschriften gebruikt. Caesar geeft dien naam aan zijn verslag van +den Gallischen en den burgeroorlog. + +Commercium is de bevoegdheid om volgens, streng rom. recht eigendom +te verkrijgen en te vervreemden. Het zwaartepunt er van lag in het +testament- en erfrecht. Wie toch het commercium niet bezat, kon van +een burger niet erven, noch hem iets bij testament vermaken. Hij kon +ook geen grondbezit hebben. Zoo zorgden de Romeinen er in den regel +voor, dat de civitates (z. a.) in de onderworpen gewesten onderling +geen commercium hadden. + +Commius, vorst der Atrebaten, door Caesar aangesteld (57), bewees hem +diensten bij den tocht naar Britannia, doch sloot zich in 52 bij den +grooten gallischen opstand onder Vercingetorix aan. + +Commodus (L. Aelius Aurelius), rom. keizer 180-192 n. C., zoon van +Marcus Aurelius en diens gemalin Faustina, hoewel sommigen hem voor +een zoon van F. en een gladiator hielden. Hij was een der ellendigste +vorsten, die op den rom. keizerstroon zetelden, verkwistte schatten +aan wedrennen, zwaardvechtersspelen en dierengevechten, waarbij hij +zelf optrad, en stelde er zijn roem in, de eerste gladiator van het +rijk te zijn en zich als een tweeden Hercules te doen vereeren. Op +aansporing zijner gunstelingen Perennis en Cleander liet hij met +groote wreedheid de beste burgers om het leven brengen, tot hij +eindelijk zelf vermoord werd. + +Commodus (L. Ceionius), zie Verus. + +Comoedia, komodia. De uitgelaten vroolijkheid, die bij de +Dionysusfeesten placht te heerschen, uitte zich o. a. ook in +kunstelooze liederen, waarin zij, die aan het feest deelnamen, +elkander en anderen vrijmoedig, dikwijls op zeer ruwe wijze, plaagden +en bespotten. Uit deze liederen ontwikkelde zich mettertijd, onder +de handen van eenige verdienstelijke dichters, de comedie. Nadat +in Megara en op Sicilië de eerste stappen in deze richting gedaan +waren, kwam deze dichtsoort tot hoogen bloei te Athene, waar het +afwisselend en veelbewogen leven den dichters rijke stof opleverde, +waarvan zij met de aloude vrijheid gebruik maakten. Geen onderwerp +is van zoo teederen aard, of de comediedichters durven het op hunne +wijze behandelen, geen persoon is zoo machtig of hoog geplaatst, +of zij stellen hem, ook in zijn huiselijk leven, voor het volk ten +toon en geven zijne feilen en tekortkomingen, natuurlijk veelal zeer +overdreven, aan de openbare bespotting prijs; zoo werd de comedie een +middel, waardoor de openbare meening met onbeperkte vrijheid over +personen en toestanden kritiek uitoefende. Aan handeling ontbreekt +het in de comedie niet, maar eenheid zou men er tevergeefs in zoeken; +met onbeteugelde phantasie laat de dichter op de meest onverwachte +wijze het eene tooneel op het andere volgen, mits hij de gelegenheid +vindt zijne toeschouwers te doen lachen. Schijnt dus scherts en spot +het eenige doel der comedie te zijn, als geheel beschouwd hebben +de stukken, ten minste voor zoover wij ze kennen, eene ernstige +strekking; wel beschouwd bestaat immers alles wat afgekeurd en bespot +wordt, door toedoen of ten minste met goedvinden van het publiek, +het oppermachtige volk; de dichter schroomt dan soms ook niet zelf, +door middel van het koor, het woord tot de toeschouwers te richten en +hun met ernst en aandrang mede te deelen wat hem op het hart ligt. In +het bizonder dient daartoe de parabasis (parabasis), een intermezzo, +dat met de handeling niet in het minste verband staat. De voornaamste +aantrekkelijkheid der oude comedie (archaia kom.) ging verloren, toen +omstreeks het einde van den peloponnesischen oorlog hare vrijheid door +wettelijke bepalingen beperkt en het verboden werd bestaande personen +te noemen (onomasti komodein), tevens werden de stukken met veel minder +luister opgevoerd en langzamerhand vervielen ook de koren. Daarentegen +leggen de dichters der nieuwe komedie (nea kom.) zich meer op de +eigenlijk gezegde dramatische kunst toe: in hunne stukken verloopt de +handeling meer natuurlijk en voert geleidelijk tot de ontknooping, +in plaats van bepaalde personen worden typen uit het dagelijksche +leven ten tooneele gevoerd, de karakters worden beter volgehouden, +enz. Het overgangstijdperk tusschen de oude en nieuwe comedie noemt +men den tijd der mese kom.--De rom. comedie is eene navolging van de +nieuwe grieksche; een enkel stuk dat, naar het voorbeeld der oude +attische comedie, tegen verscheiden aanzienlijke Rom. gericht was, +bezorgde den schrijver, Naevius, gevangenisstraf. De stukken zijn +meestal uit het Grieksch vertaald of bewerkt; in de fabulae palliatae +komen zelfs grieksche, in de veel minder talrijke fabulae togatae +romeinsche toestanden en kleederdrachten voor. + +Comperendinatio. Wanneer eene rechtszaak niet op één dag kon worden +afgehandeld, werd zij verdaagd tot den derden (volgens onze rekening +den tweeden) dag daarna, in diem perendinum. Vandaar wordt de tweede +termijn van een proces comperendinatio genoemd, ook al viel deze niet +op den derden dag. + +Compitalia, feesten 3-5 Januari ter eere der Lares compitales, +beschermgoden der compita. Dit is oorspronkelijk vooral een feestdag +voor de familia, de slaven, en op dien dag mag de vilicus offeren. Een +compitum is een punt, waar twee of meer straten of wegen zich +vereenigen of elkander kruisen. Gewoonlijk vond men daar een Larenkapel +of een altaar. De landelijke dienst der Lares compitales ging ook op +de stad over, waar zich uit de wijken collegia compitalicia voor de +viering van de wijkfeesten vormden; meestal bestaan deze uit slaven +en vrijgelatenen. Later is de keizersvereering hierop overgegaan, +en werd de Genius Augusti tusschen de twee Lares compitales vereerd. + +Compluvium, vierkante opening in het dak van het atrium, waardoor het +licht naar binnen viel. De naam is hieraan ontleend, dat het dak naar +de opening toe eenigszins afliep, om het regenwater te verzamelen, dat +dan beneden in het impluvium of den regenbak werd opgevangen. Zie de +afbeelding van een oud pompeiaansch huis, dat hiervan een voorstelling +geeft, onder domus. + +Compromissum, plechtige wederzijdsche belofte van geschilvoerende +partijen, om hunne zaak aan de beslissing van een arbiter te +onderwerpen. + +Compsa, stad der Hirpini in Zuid-Samnium nabij de bronnen van den +Aufidus. + +Comum, Komon, stad in Gallia Transpadana aan den lacus Larius (meer +v. Como), een zeer bloeiende rom. kolonie en een voorpost tegen +de Alpenvolken. Plinius Secundus minor was hier geboren. Comum had +beroemde ijzerfabrieken. + +Concilia plebis. Een concilium is eene vergadering, niet van het +geheele volk, maar van een gedeelte, van een enkelen stand, b.v. alleen +van de patriciërs of alleen van de plebejers. De volkstribunen nu, +die alleen overheden der plebs, maar geene magistratus populi Romani +waren, konden alleen de plebejers oproepen; de lex Publilia Voleronis +van 471 bepaalde, dat de volkstribunen het recht zouden hebben, +de plebs tributim op te roepen tot het verkiezen van hun opvolgers +(zie hieromtrent onder tribuni plebis), eerst slechts de stedelijke +bevolking, later sedert de vrijmaking van het platteland (457), +ook de landelijke; er zijn dan 21 tribus. De besluiten van zulk +een concilium plebis waren geene leges, maar plebiscita, en alleen +verbindend voor de plebejers, niet voor het geheele volk. Doch de +tribunen, steunende op hunne onschendbaarheid en op de getalsterkte +der plebs, brachten het zóó ver, dat de plebiscita ook voor de +patriciërs verbindend werden. Drie wetten brachten de gelijkstelling +van plebiscita met leges tot stand: de lex Horatia Valeria in 449, ut +quod tributim plebs iussisset, populum teneret, de lex Publilia in 339, +ut plebiscita omnes Quirites tenerent, de lex Hortensia, in 287, ut eo +iure, quod plebs statuisset, omnes Quirites tenerentur. V. s. zijn de +twee eerste wetten een anticipatie van de lex Hortensia. Zie Horatiae +Valeriae (leges). Sedert dezen tijd worden de concilia plebis ook +veelvuldig met den naam comitia tributa bestempeld, en worden de +plebiscita ook leges genoemd. Het eenige verschil tusschen comitia +tributa en concilium plebis is sedert de lex Hortensia gelegen in +den voorzitter; is de voorzitter een magistratus populi, dan spreekt +men van com. trib., is deze een mag. plebis, dan heet de vergadering +concilium plebis. Concilia heeten in den keizertijd ook de provinciale +landdagen, die vooral bijeenkomen voor de vereering des keizers, +den cultus Augusti. + +Conciliabulum, eigenlijk verzamelplaats. Onder dezen naam werden +marktvlekken en gerechtsplaatsen verstaan, die echter niet de rechten +van een municipium hadden. Zie vicus no. 3. + +Concio = Contio. + +Concordia, godin der eendracht, voornamelijk van de eendracht tusschen +de burgers en in den keizerstijd tusschen de leden van het keizerlijke +huis. Wanneer burgertwisten bijgelegd waren, bouwde men een tempel +voor Concordia. De voornaamste van die tempels lag aan het Forum en +was door Camillus gesticht na aanneming der licinische wetten. De +godin werd afgebeeld als eene deftige matrone met een horen van +overvloed en een olijftak of een schaal in de handen. + +Concubinatus, het samenleven van twee wettelijk ongehuwden, tusschen +wie geen wettig huwelijk mogelijk is bij gebreke van conubium. Ook +wordt het woord gebezigd voor de samenleving van een ongehuwd man +met eene vrouw, die in stand ver beneden hem stond, b.v. met eene +liberta van hem. Trouwbreuk der concubina was volgens de zienswijze +der rom. juristen als echtbreuk strafbaar. De kinderen waren liberi +naturales. Soms wordt concubina ook wel in den zin van pellex gebezigd. + +Condate, keltische stedennaam = het latijnsche Confluentes. Er +waren in Gallia Transalpina een aantal steden van dezen naam, +aan de samenvloeiing van twee rivieren gelegen, als: in het gebied +der Aeduërs, thans Cosne,--bij de Allobrogers, thans Seyssel,--bij +de Redoners, thans Rennes,--bij de Santonen, thans Cognac,--bij de +Senonen, thans Montereau. Eéne heeft den ouden naam vrij wel behouden, +nl. Condate Aulercorum, thans Condé. + +Condictio, eigenlijk eene afspraak. In rechten beteekent eene actio per +condictionem de inleiding van een proces door eene dagvaarding om over +30 dagen voor den praetor te verschijnen ad iudicem capiendum. Later +heette elke persoonlijke aanklacht aldus, terwijl de dagvaarding +achterwege bleef. Eene condictio had altijd een certum tot onderwerp, +b.v. eene certa pecunia, eene bepaalde som gelds. + +Condrusi, germaansche volksstam in Belgica, aan de Mosa (Maas). Hun +naam leeft nog voort in Condroz, tusschen Luik en Namen. Zij waren +onderhoorig aan de Treviri. + +Condylium, sterkte in het land der Perrhaebi (Thessalia). + +Confarreatio was de oudste vorm van een rom. huwelijk en ontleende +den naam aan den speltkoek, panis farreus, dien het bruidspaar samen +nuttigde. Het huwelijk werd voltrokken in tegenwoordigheid van den +pontifex maximus, den flamen Dialis en tien getuigen en van de pronuba +(z.a.). Na afloop van de plechtigheid zeide de echtgenoote: "ubi +tu Caius (meester), ego Caia (meesteres)". Door deze huwelijksvorm +ontstond tevens de manus (z.a.). Zie ook nuptiae. Het kon alleen +ontbonden worden door diffarreatio (z.a.). Voor de priesterwaardigheid +van flamen Dialis, Martialis en Quirinalis en rex sacrificulus moest +men uit een huwelijk per confarreationem gesproten, en wanneer de vrouw +ook als priesteres moest optreden, ook op deze wijze gehuwd zijn. Daar +de confarreatio langzamerhand in plaats van regel uitzondering werd, +werd het dikwijls moeielijk, voor deze priesterschappen geschikte +personen te vinden. + +Confluentes, thans Coblenz, aldus genoemd omdat het aan de +samenvloeiing van Mosella en Rhenus lag. + +Congiarium, uitdeeling van een zeker aantal congii wijn, olie en +dgl. onder het volk door de overheden op eigen kosten bij plechtige +gelegenheden. Vervolgens werd dit woord ook gebruikt voor andere +bedeelingen, zelfs in geld. De uitdeeling had plaats in tesserae of +bons, op vertoon waarvan men op aangewezen plaatsen de waarde kon +ontvangen. In enkele gevallen werden deze tesserae onder de menigte +te grabbelen geworpen. + +Congius, rom. maat voor natte waren, iets meer dan 3 liter. Er gingen +8 congii op eene amphora. + +Conisterium, konisterion, konistra, in het gymnasium de plaats, waar +worstelaars en vuistvechters zich oefenden; in het theater de plaats, +waar de orchestra opgeslagen was, vandaar ook de orchestra zelve. + +Connubium, minder goed voor conubium. + +Conon, Konon, 1) atheensch vlootvoogd in den peloponnesischen +oorlog. Na het ontslag van Alcibiades werd hem met anderen het +opperbevel opgedragen, hij werd echter door Callicratidas op zee +verslagen en in de haven van Mytilene ingesloten; de overwinning +der Atheners bij de Arginusen (406) bevrijdde hem. Bij Lysander's +overwinning bij Aegospotami was hij de eenige admiraal, die waakzaam +genoeg was om met eenige schepen behouden te ontkomen. Hij ging +naar Cyprus, van waar hij betrekkingen aanknoopte met het perzische +hof, en toen Agesilaus in Azië kwam, kreeg Conon het bevel over eene +perzische vloot, waarmede hij de spartaansche vloot onder Pisander bij +Cnidus volkomen versloeg (394). Door Pharnabazus geholpen, verjoeg +hij de Spartanen uit de eilanden en steden van Klein-Azië, landde +hier en daar op de peloponnesische kusten, en liet voor perzisch +geld de muren van Athene herstellen. Kort daarna door de Atheners +naar den spartaanschgezinden perzischen veldheer Tiribazus gezonden, +werd hij door dezen te Sardes gevangen genomen, doch waarschijnlijk +wist hij te ontsnappen en eindigde hij zijn leven op Cyprus.--2) +van Samus, beroemd wis- en sterrenkundige, vriend van Archimedes, +gestorven ± 240.--3) taalkundige, die onder Caesar te Rome leefde, +schreef vijftig verhalen van geschiedkundigen en mythologischen inhoud. + +Conopeum, konopeion, een gordijn of deken van lichte stof, waarmede men +zich bedekte om in den slaap niet door insecten gehinderd te worden. + +Conquisitores, werfofficieren, buitengewone commissarissen, die in +hachelijke tijden zooals na den slag bij Cannae, uitgezonden werden +om allen, die voor den krijgsdienst geschikt waren, te pressen. + +Conscripti, zie Patres Conscripti. + +Consecratio, zie apotheosis. + +Consentes dii zijn de twaalf goden, aan wie ingevolge de bepalingen +der libri Sibyllini volgens Grieksch gebruik voor het eerst in +217 een lectisternium aangeboden is; het waren 6 paren van goden: +Jupiter en Juno, Neptunus en Minerva, Mars en Venus, Apollo en Diana, +Volcanus en Vesta, Mercurius en Ceres, naar analogie van de 12 groote +goden der Grieken. Er werden van hen statuae auratae op het forum +opgesteld. In de 4de eeuw (367) n. C. zijn deze voor het laatst +hernieuwd, en opgesteld in de porticus deorum Consentium aan den +Clivus Capitolinus, die nog bestaat. + +Consentia, thans Cosenza, sterke vesting in het N. van het land der +Bruttii, in het binnenland, aan den bovenloop van de Crathis. Hier +stierf Alarik. + +Considii, plebejisch geslacht, waarvan wij hier alleen vermelden +C. Considius Longus die in 50 zijne provincie Africa verliet en +aan zijn legaat Q. Ligarius overdroeg, om zich te Rome candidaat te +stellen voor het consulaat. Later naar Africa teruggekeerd, vond hij +wel zijne plaats ingenomen, doch bezette Hadrumetum en verzette zich +tegen Caesar, tot hij na den slag bij Thapsus (46) door zijn eigen +soldaten vermoord werd. + +Consilium. Wanneer iemand door den praetor als iudex was aangesteld +om in een proces vonnis te wijzen, eischte de gewoonte gebiedend, dat +hij zich met een consilium van rechtskundige vrienden als adviseurs +omgaf. Zoo behoorde ook de paterfamilias, wanneer hij als huisrechter +in familiezaken optrad, een consilium van bloedverwanten en buren +bijeen te roepen. Consilium principis is de kabinetsraad des keizers. + +Consistorium principis is de naam, dien de keizerlijke staats- of +kabinetsraad sedert Diocletianus droeg. + +Constans. Na den dood van Constantijn den Gr. (337 n. C.) en na +de vermoording van Dalmatius, verdeelden de zonen op het congres +te Viminacium het rijk, en kreeg de oudste zijner drie zonen, +Constantinus II, het bestuur over Gallia, Britannia, Hispania en +Mauretania Tingitana. De tweede zoon Constantius kreeg het Oosten; +de derde, Constans, bestuurde Italia, Illyricum, Macedonia, Achaia, +Thracia en Africa. Constantinus II deed zijn broeder Constans den +oorlog aan, doch werd in 340 bij Aquileia verslagen en verdronk op de +vlucht. Constans voegde nu zijns broeders gebied bij het zijne, terwijl +hij Thracia aan zijn broeder Constantius afstond. In 341 en 342 vocht +hij voorspoedig tegen de Franken. Hij was een flink krijgsman. In +den kerkelijken strijd was hij op de hand van Athanasius. Om zijne +losbandige levenswijze algemeen veracht, werd hij in 350 bij een +legeropstand onder Magnentius te Illiberis (Helena), door de soldaten +vermoord. + +Constantia, zuster van Constantijn den Gr. en sedert 312 +n. C. echtgenoote van Licinius. + +Constantia, latere naam van Salamis op Cyprus, zie Salamis. + +Constantina, naam van eenige steden, ter eere van Constantijn den +Gr. aldus verdoopt, o.a. Cirta in Numidia, thans nog Constantine, +en Tomi aan de Zwarte zee, het ballingsoord van Ovidius. + +Constantinopolis, zie Byzantium. + +Constantinus Magnus (Flavius Valerius), rom. keizer 306-337 na C., +was de oudste zoon van Constantius Chlorus en Helena, geboren te +Naïssus 285 of later. Hij diende eerst onder Diocletianus en Galerius +in het Oosten. Toen zijn vader tot Caesar werd verheven (292), zocht +Galerius hem uit wantrouwen onder zijn bereik te houden, doch moest +eindelijk toegeven, dat de zoon zich naar Britannia tot zijn vader +begaf. In 306 stierf Constantius Chlorus, die sedert een jaar den rang +van Augustus bezat, te Eboracum (York) op een tocht tegen de Picten, +waarop Constantinus door de troepen tot Augustus werd uitgeroepen, +hoewel Galerius hem slechts als Caesar erkende. In den strijd van +Galerius tegen den ouden keizer Maximianus en diens zoon Maxentius +mengde Constantinus zich in den beginne niet, hoewel hij Maximianus' +dochter Fausta huwde; doch na den dood van Galerius aanvaardde hij den +strijd tegen alle medekeizers en pretendenten en bleef hij eindelijk +als alleenheerscher over. Reeds in 310 had hij zijn schoonvader +laten dooden, toen deze hem naar het leven stond. In 312 trok hij +op tegen zijn zwager Maxentius, dien hij bij den pons Milvius, +ten N. van Rome, versloeg. Zijn leger was in dezen slag 98000 man +sterk, dat van Maxentius 170000; C. gebruikte daarin de kruisvaan +(het Labarum) en zijne soldaten droegen het teeken des kruises op +hun schilden. Hij was nu alleenheerscher van het Westen, terwijl +zijn zwager Licinius sedert den dood van Maximinus Daia (313) het +Oosten in handen had. Reeds in 314 ontstond een oorlog tusschen hen, +waarin L. in verschillende gevechten, o. a. in den slag bij Cibalae, +verslagen werd, en Illyricum aan C. moest afstaan. In 323 brak de +oorlog op nieuw uit; C. overwon in twee groote slagen, bij Adrianopel +en bij Chrysopolis, waarop L. gevangen genomen en afgezet werd. Van +nu af aan is C. alleenheerscher over het geheele rijk. + +Van den beginne af had hij het Christendom begunstigd; na zijn +overwinning op Maxentius besluit hij te Rome de christelijke +priesters uit de staatskas te bezoldigen, en hen te bevrijden van de +gemeentelasten, waardoor de christelijke eeredienst een door den staat +erkende eeredienst wordt, en de Christenen gelijke rechten krijgen als +de belijders der oude leer; hij ruimde hun ook openbare gebouwen in als +kerken en liet nieuwe kerken voor hen bouwen; later verbood hij ook +de heidensche offers. In 325, na den val van Licinius werd te Nicaea +in Kl.-Azië onder zijn voorzitterschap het beroemde concilie gehouden, +en in 327 nogmaals bijeengeroepen. In het bestuur van het rijk bracht +hij ingrijpende veranderingen, o. a. door het burgerlijk bestuur der +provinciën streng van het militaire te scheiden. De hoogste burgerlijke +ambtenaren zijn de 4 praefecti praetorio (z. a.), de praefectus urbi te +Rome en die te Constantinopel; de hoogste militairen waren de magistri +equitum en peditum of utriusque militiae, oorspronkelijk twee, later +meer. De keizerlijke garde (de palatini van keizer Diocletianus) werd +tot een veldleger uitgebreid, de comitatenses, terwijl de grenstroepen, +de limitanei, tot soldaten van den tweeden rang verlaagd werden. Hij +voerde een oostersche keizervereering in, omgaf zich met een vasten +hofstoet van paleisbeambten, verdeelde de hooge ambtenaren in vier +klassen met de titels van illustres, spectabiles, clarissimi en +perfectissimi, en verplaatste de residentie en den zetel der regeering +naar Byzantium (Constantinopel) in 330 n. C. Van zijne hardvochtigheid +en wreedheid getuigen o. a. het ombrengen zijner gemalin Faustina en +van zijn zoon Crispus. Hij stierf 22 Mei 337 te Nicomedea. + +Constantinus II (Flavius Claudius), keizer 337-340 na C., oudste +zoon van Constantijn den Gr., streed voorspoedig tegen de Sarmaten, +doch kwam in den strijd tegen zijn broeder Constans om. Zie Constans. + +Constantinus III, een soldaat, die ten tijde van Honorius van 407 tot +411 n. C. in Britannia en Gallia voor keizer speelde, doch gevangen +genomen en ter dood gebracht werd. + +Constantius Chlorus (Flavius Valerius), romeinsch keizer van 293-306 +n. C., vader van Constantinus Magnus. Hij was van geringe afkomst, maar +leidde later zijn geslacht af van Claudius Gothicus. In 293 werd hij +Caesar voor het Westen. Hij streed gedurende zijn geheele regeering +tegen de Franken, en voegde Britannia, waar Allectus, opvolger van +Carausius (z. a.) heerschte, weer bij het rijk (296). Hij woonde te +Trier, waar van zijn paleis de ruïne nog te zien is. Toen Diocletianus +en Maximianus 1 Mei 305 het bewind neerlegden, werd C. Augustus. In +306 stierf hij te Eboracum (York). Zie Constantinus Magnus. + +Constantius II, tweede zoon van Constantijn den Gr., zie Constans.--Na +den dood zijns vaders ruimde hij, schijnbaar onder den aandrang van +zijn leger, een aantal bloedverwanten uit den weg. Twee neven bleven +gespaard, Gallus, dien hij later, in 354 na C., toch liet ombrengen, +en Julianus, die hem in 361 opvolgde. Door den dood zijner beide +broeders werd Constantius in 350 alleenheerscher. Een tegenkeizer, +Magnentius, werd verslagen en doodde zichzelf, door allen verlaten, +in 353 te Lugdunum (Lyon). Constantius bracht zijn leven door in +oorlogen met de Perzen en met verschillende kroonpretendenten, en +stierf in Cilicia in 361, terwijl hij op marsch was tegen zijn neef +Caesar Julianus, die in 360 in opstand was gekomen. + +Constantius (Flavius), veldheer van keizer Honorius, versloeg o.a. den +overweldiger Constantinus III, huwde in 417 na C. 's keizers zuster +Placidia en werd in 421 door Honorius tot Aug. en medekeizer benoemd, +doch stierf nog in datzelfde jaar. + +Consualia, z. Consus. + +Consulairtribunen = tribuni militum consulari potestate. + +Consules, hypatoi. Na de verdrijving der laatste koningsfamilie uit +Rome werd het consulaat ingesteld. Dit ambt werd telkens door twee +mannen gedurende een jaar waargenomen. Stierf er een, dan werd in zijne +plaats een ander gekozen, consul suffectus. Zij werden gekozen in de +centuriaatcomitiën. Hun titel, uit con en sul saamgesteld (op de wijze +van ex-sul), beteekent zooveel als samengaanden, ambtgenooten. Als +erfgenamen der koninklijke macht hadden zij de insignia daarvan: +toga praetexta, sella curulis, lictores. Zij vervulden ook den +werkkring des konings, totdat door de instelling der censuur en der +praetuur een deel hunner werkzaamheden op afzonderlijke magistraten +overging. Te Rome riepen zij den senaat bijeen, zaten daarin voor en +voerden de genomen besluiten uit. Hunne rechtsmacht was beperkt door +de provocatio, doch in oogenblikken van gevaar werd hun somtijds door +den senaat buitengewone, dictatoriale macht verleend door de formule: +videant consules, ne quid respublica detrimenti capiat. In het leger +was hunne macht nagenoeg onbeperkt; de krijgseed werd door de soldaten +aan hen gedaan (iurare in verba consulis). De aanvaarding van hun ambt +moest met bepaalde plechtigheden geschieden: auspiciën, een offer +op het Capitool, eene plechtige senaatszitting, viering der feriae +Latinae. Wie deze formaliteiten verzuimde, zooals in 217 Flaminius, +werd door velen gerekend eigenlijk geen consul te zijn. Tweemaal is +het consulaat geschorst, de eerste maal in 451 door de instelling der +decemviri legibus scribundis, de tweede keer in 445 door de instelling +van tribuni militum consulari potestate. Door een der leges Liciniae +Sextiae (z. echter aldaar) in 367, werd bevolen, dat één der consuls +uit de plebejers zou gekozen worden. In 172 werd het consulaat +voor de eerste maal door twee plebejers bekleed. De dag, waarop de +consuls hun ambt aanvaardden, is in verschillende tijden verschillend +geweest, sinds 222 echter was het geregeld de 15de Maart, sinds 153 +(z. Fulvii no. 13) geregeld de 1ste Januari. Sulla bepaalde, dat de +consuls gedurende hun ambtsjaar in Rome moesten blijven, en eerst na +afloop daarvan pro consule naar eene provincie mochten gaan. In de +laatste halve eeuw der republiek komen enkele afwijkingen voor. Zoo +werd in 52 Pompeius tot consul sine collega gekozen. Onder de keizers +werd het consulaat eene schijnvertooning. De benoeming geschiedde in +den regel voor twee maanden; de eerste van elk jaar heetten consules +ordinarii, de volgende suffecti. Macht was er niet meer aan verbonden; +het was alleen om de eer te doen en om later den titel van consularis +te kunnen voeren. Om de eerzucht te bevredigen, benoemden de keizers +soms wel oud-consuls titulair, consulares honorarii.--Consul designatus +was hij, die tot consul gekozen was, maar zijn ambt nog niet aanvaard +had. Met opzet liet men de verkiezing eenigen tijd aan de aanvaarding +voorafgaan, opdat de benoemden tijd zouden hebben zich op de hoogte +der zaken te stellen. + +Consus, oud-italisch god van den landbouw, eigenlijk van het in +de schuren geborgen graan (van condere). Hij had een tempel op den +Aventinus, en een onderaardsch altaar in den Circus. Zijn voornaamste +feestdag, de Consualia (21 Augustus) is een oogstfeest; aan Consus +worden de eerstelingen van den oogst geofferd, en verder wordt het +feest gevierd met ludi circenses, bestaande oorspronkelijk in wedrennen +van muildieren, die onder de bescherming van Consus staan. Hij raakte +spoedig in vergetelheid, en nu werd hij door de Romeinsche geleerden +geïdentificeerd met Neptunus Equester, Poseidon Hippios. Ook nam men +aan, dat op zijn feest de sabijnsche maagdenroof zou gepleegd zijn, +en dat ter herinnering hieraan die dag luisterrijk met groote wedrennen +gevierd werd. + +Contestatio litis = Litis contestatio. + +Contio, saamgetrokken uit conventio, volksvergadering, door een +overheidspersoon bijeengeroepen, om een of andere mededeeling te doen, +in het algemeen voor alle openbare staatkundige en godsdienstige +handelingen van ambtenaren en priesters, voor het afkondigen van +edicten, of om eenig onderwerp in debat te brengen. Stemming kon in +eene contio niet plaats hebben. De voorzittende magistraat opende +de contio met een gebed, sollemne precationis carmen. Het debat +was niet vrij. De voorzittende magistraat kon naar goedvinden het +woord verleenen, contionem dare, of weigeren. Hij kon ook iemand +ongevraagd oproepen om het woord te voeren, hij kon ook het debat +sluiten, contionem summovere. In eene contio staat het volk niet +gerangschikt naar curiën, centuriën of tribus. Bij de wetgevende +comitia werd de stemming door een contio voorafgegaan. Ook het +strafproces werd in eerste instantie viermaal in een contio +behandeld. Voor de eerste (prima accusatio) riep de magistraat +(quaestor of duoviri perduellionis) den reus op, om zich op een +bepaalden dag te verantwoorden (diei dictio). In een tweede en derde +contio, telkens door minstens één dag gescheiden (z. comperendinatio) +volgde nu getuigenverhoor en verdediging. Bij de quarta accusatio +werd nu, indien de magistraat den aangeklaagde schuldig bevond, het +vonnis geveld. Kwam dan de veroordeelde in hooger beroep bij het volk, +dan volgde na minstens 24 dagen (in trinundinum) de bijeenkomst der +comitia centuriata, die het vonnis bekrachtigde of vernietigde. + +Contractus, contract, overeenkomst, van dien aard, dat overtreding +of niet-naleving ervan grond oplevert tot eene rechtsvordering, +wat bij een pactum of afspraak in den regel niet het geval is. + +Contrebia, sterke stad der Celtiberiërs in Hispania Tarraconensis +Z.Z.W.waarts van Caesaraugusta (Saragossa). + +Contubernales, de krijgsmakkers, die in dezelfde tent kampeerden. Ook +verstaat men er jonge Romeinen van aanzienlijken huize onder, die +zich vrijwillig als comites bij den veldheer aansloten, om zich in de +krijgskunde te oefenen, en die in de veldheerstent, het praetorium, +met den veldheer het middagmaal gebruikten. + +Contubernium, de toestand van contubernales. Ook het huwelijk van of +met slaven of slavinnen, dat geene rechtsgeldigheid had, daar slaven +geen conubium hadden. + +Contumacia, van contemnere, niet voldoen aan de oproeping van +den praetor, om voor den rechter te verschijnen. De partij, die +niet verscheen, verloor bij verstek onherroepelijk zijn proces. In +strafzaken stond op het niet verschijnen van den beklaagde de aqua +et igni interdictio. + +Conubium, de bevoegdheid volgens de wet om een rechtsgeldig huwelijk, +matrimonium iustum of legitimum, te sluiten. Dit bestond in de +oudheid niet tusschen burgers van verschillende staten, indien het +niet uitdrukkelijk bij verdrag bepaald was. Vóór 445 bestond te Rome +ook geen conubium tusschen patriciërs en plebejers; eerst de lex +Canuleia stond dit toe. Was er conubium, dan volgden de kinderen den +stand des vaders, anders dien der moeder. Zie verder matrimonium. + +Convenae, gemengde bevolking in Aquitania langs den Garumna (Garonne) +aan den voet der Pyrenaeën, gedeeltelijk door Pompeius uit Hispania +daarheen overgebracht. De hoofdplaats was Lugdunum Convenarum. + +Conventio in manum. Manus was de macht van den man over de vrouw, +waarmede gepaard ging het beheer van haar vermogen. De vrouw kwam +door huwelijk in manum mariti. Bij een huwelijk per confarreationem +of per coëmptionem was de conventio in manum een onmiddellijk gevolg, +bij usus echter volgde zij eerst na een onafgebroken bezit van een vol +jaar en kon zij verhinderd worden, wanneer de vrouw vóór den afloop +van het jaar een trinoctium buitenshuis doorbracht. In den loop des +tijds werd de conventio in manum door coëmptio ook in zwang gebracht, +niet om te huwen, maar om agnatenvoogdij te ontgaan, coëmptio cum +extraneo fiduciae causa. Zie hierover het artikel tutela. + +Conventus. Een rom. provincie was voor de rechtspleging in +arrondissementen of distrikten ingedeeld, conventus genaamd, en in de +hoofdplaatsen daarvan hield de stadhouder zijne rechtsdagen (conventum +of forum agere). Conventus beteekent ook wel de saamgekomen menigte, +de vergadering.--Onder conventus civium Romanorum verstaat men eene +corporatie van in zulk een distrikt woonachtige cives Romani, de +romeinsche gemeente aldaar. + +Convivium, symposion, drinkgelag na den maaltijd, iets, waarvan de +Rom. bij een gastmaal hartstochtelijke liefhebbers waren. Door het +lot (het werpen met dobbelsteenen) werd een der dischgenooten tot +president aangewezen, arbiter of magister bibendi, rex vini, die +omtrent de menging van den wijn, het aantal schepjes (cyathi) voor +elken beker, zijne bevelen gaf en de tafelwetten vaststelde. Onder +de aardigheden bij zoodanig convivium behoorde ook het ad numerum +bibere, het drinken op iemands gezondheid met zooveel bekers (hoewel +niet in eens), als diens naam letters bevatte. Ook de cottabus was +een geliefd spel daarbij. Terwijl bij de Grieken een symposion nog +wel eens met verstandige gesprekken kon gepaard gaan, was het bij de +Rom. vaak alleen aan het drinken gewijd. Zie deipnon. + +Coos = Cos. + +Copa, ook caupa en cupa, waardin, meisje uit een herberg, vooral eene, +die door een dans met begeleiding van castagnetten bezoekers trachtte +te lokken. Cupa is ook de titel van een klein gedicht, aan Vergilius +toegeschreven. + +Copae, Kopai, oude bondsstad van Boeotia, aan het meer Copais. + +Copaïs, Kopais, het meer van Copae, in Boeotia, bekend door zijn +fluitenriet en zijne alen. Het riviertje Cephissus stroomde er door, +terwijl onderaardsche kanalen, catabothra, het water afvoerden. In +den zomer droogde het meer grootendeels uit en vormde dan een aantal +kleine meertjes. + +Cophen, Kophen, zijtak van den Indus, waaraan Cabura (Kabul) en +Nagara liggen. + +Copia, sedert 193 lat. kolonie in het gebied van het oude Thurii, z. a. + +Copis, kopis, een licht gekromde sabel, vooral bij oostersche volken +in gebruik. + +Coponii, plebejisch geslacht uit Tibur afkomstig. Een hunner, +C. Coponius, redde bij Carrhae het rom. leger na den dood van Crassus +(53). + +Copreus, Kopreus, zoon van Pelops, vluchtte wegens den moord van +Iphitus uit Elis naar Eurystheus, die hem als heraut gebruikte om +zijne bevelen aan Heracles over te brengen, daar hijzelf zich niet +in diens tegenwoordigheid durfde wagen. + +Coptus, Koptos, stad in Boven-Aegypte, door handel bloeiende, niet +ver stroomafwaarts van Thebae. + +Cora, Kore = Persephone. + +Cora, Kora, oude latijnsche stad op den rand van het Volscisch +gebergte, met cyclopische muren. + +Coracesium, Korakesion, vesting en zeerooversnest in W. Cilicia. + +Coras, zie Tiburtus. + +Corassiae, Korassiai, eilandjes op de aziatisch-ionische kust, niet +ver van Samus. Zie ook Corsiae. + +Corax, Korax, een Siciliër, die na den dood van Hiero (467) over +Syracuse regeerde, maar zich later van het staatsbestuur terugtrok. Hij +beoefende vlijtig de wetenschap en was de eerste, die de leer der +welsprekendheid theoretisch behandelde. + +Corax, Korax, berg in het oosten van Aetolia. + +Corbio, 1) vesting der Aequers in Latium op den berg Algidus, +oorspronkelijk latijnsch.--2) stad der Suessetanen in Tarraconensis, +nabij den Iberus (Ebro), thans Berga. + +Corbulo, familienaam in de gens Domitia, z. Domitii no. 16. + +Corcyra, Kerkyra, later Korkyra, waarschijnlijk het Scheria der +Phaeaciërs bij Homerus, aanzienlijk eiland tegenover de epirotische +kust in de ionische zee gelegen, sedert ongeveer 700 volkplanting +van Corinthus. De toenemende bloei van Corcyra wekte den naijver van +Corinthus op, en reeds in 660 waren de twee staten in oorlog; in dezen +oorlog wordt het eerst van een geregelden zeeslag melding gemaakt. Toen +in 436 de gebeurtenissen in Epidamnus eene botsing tusschen de +beide staten hadden uitgelokt, zocht Corcyra, dat eene machtige +vloot had, hulp bij Athene en verhaastte hierdoor de uitbarsting van +den peloponnesischen oorlog. Na Alexander d. Gr. geraakte Corcyra +door inwendige verdeeldheid in verval en stelde zich in 228 onder +romeinsche bescherming. De hoofdstad heette ook Corcyra en had eene +hooggelegen acropolis. De eilanders stonden in geen goeden reuk, +en hadden den naam, brutaal en bedriegelijk te zijn. + +Corcyra nigra, eiland aan de dalmatische kust, tusschen de eilanden +Melite en Pharus tgw. Cursola. + +Cordax, kordax, de dans van het koor in de oude attische comedie, +over het algemeen een ontuchtige, onbetamelijke dans. + +Corduba, Kordyba, thans Cordova, de eerste rom. kolonie in Baetica +en hoofdplaats van dit gewest, geboorteplaats van M. en L. Annaeus +Seneca en van M. Annaeus Lucanus. + +Cordyene of Gordyene, Gordyene, het land der Carduchen in het Z.O. van +Armenia, thans Kurdistan. + +Coressus, Koresos, ook wel Koressos geschreven, berg in Ionia, nabij +Ephesus en ook een voorstad van Ephesus, aan den voet van dien berg +gelegen. + +Coresus, Koresos, z. Callirrhoë no. 4. + +Corfinium, stad der Paeligni in Samnium, in den marsischen oorlog +(90) onder den naam Italia tot hoofdstad der tegen Rome opgestane +bondgenooten gekozen. + +Corinna, Korinna, beroemde lyrische dichteres van Tanagra, die zich +echter gewoonlijk te Thebe ophield. Zij zou Pindarus de dichtkunst +geleerd en hem vijfmaal in wedstrijden den prijs afgewonnen +hebben. Haar bloeitijd valt omstreeks 500. + +Corinthia, Korinthia, landschap van de Peloponnesus, gedeeltelijk op +den Isthmus gelegen, aan de eene zijde door den sinus Corinthiacus, +aan de andere door den sinus Saronicus bespoeld.--Als oudste bewoners +werden Aeoliërs genoemd; de stad heette toen Ephyra. Bij de dorische +verovering viel C. aan zekeren Aletes ten deel; omstreeks 950 verhief +zich het geslacht der Bacchiaden, dat in 657 door zekeren Cypselus +verdreven werd. Deze veranderde de oligarchie in eene tyrannis. Hij +heerschte gematigd en verfraaide de stad (657-628). Zijn zoon Periander +(628-585) wordt onder de zeven wijzen van Griekenland gerekend; hij +regeerde echter willekeurig en zocht den adel uit te roeien. Zijn +zoon Psammetichus werd verdreven en de republikeinsche staatsvorm +hersteld. Corinthe had een aanzienlijke vloot en dreef een zeer +uitgebreiden zeehandel, die echter geweldig achteruit ging sedert +Athene als zeemogendheid optrad; na den peloponnesischen oorlog begon +het aanzien van den staat te tanen; het sloot zich vervolgens aan +bij de Macedoniërs en later bij het achaeïsch verbond, ten gevolge +waarvan het in 146 door den rom. consul L. Mummius veroverd en de stad +Corinthus ingenomen en verwoest werd. In Corinthia behooren de mythen +te huis van Sisyphus en Bellerophon. Zie verder Isthmus en Isthmia. + +Corinthische oorlog wordt de oorlog genoemd, dien de verbonden +Atheners, Thebanen, Corinthiërs en Argiven van 395 tot 387 tegen Sparta +voerden, waarbij zij van Perzië uit met geld ondersteund werden. De +oorlog begon met den aanval der Spartanen op Haliartus, die echter +mislukte en waarbij Lysander sneuvelde; deze ongelukkige uitslag +noodzaakte de Spartanen Agesilaus uit Azië terug te roepen. Nog voor +zijne terugkomst wonnen zij den slag bij Nemea, en ook de bloedige slag +bij Coronea, waarin Agesilaus vele wonden kreeg, liep in hun voordeel +af; daarentegen werd hun vloot bij Cnidus door Conon geheel vernietigd +(394). De Corinthische oorlog, zoo genoemd omdat de legers van beide +partijen zich meestal bij Corinthe bevonden, levert na deze slagen +weinig belangrijke gebeurtenissen op, maar is merkwaardig wegens +het optreden van Pharnabazus als bondgenoot van Sparta's vijanden, +en omdat toen voor het eerst door Iphicrates uit huurtroepen een goed +georganiseerd corps peltasten gevormd werd. De oorlog eindigde met +den vrede van Antalcidas (z. a.). + +Corinthus, Korinthos, in zijn bloeitijd de prachtigste stad +van Griekenland, aan den voet van een berg, waarop ter hoogte +van 1900 voet de burcht Akrokorinthos stond. Het had drie +havens: Schoenus en Cenchreae aan de saronische golf, Lechaeum +(waarmede het door een dubbelen muur verbonden was) aan de golf +van Corinthe. Nabij de stad lag het cypressenbosch Craneum, waar +de wijsgeer Diogenes zijn zomerverblijf hield. De ligging der stad +was overheerlijk; in tal van prachtige gebouwen overtrof zij Athene, +doch tevens was Corinthus de meest weelderige en zedelooze stad van +Griekenland. Vooral voor vreemdelingen was het verblijf er kostbaar +en vol verleiding; vandaar het spreekwoord: ou pantos andros es +Korinthon esth' ho plous. Beroemd was de Aphrodite-tempel met zijne +1000 hierodouloi.--Door L. Mummius werd de stad in 146 veroverd en +verwoest. Caesar liet ze herbouwen (46), en dank zij hare ligging, +begon zij opnieuw te bloeien. Z. Corinthia. + +Coriolanus (C. of Cn. Marcius), zie Marcii no. 3. + +Corioli, latijnsche stad, die van den latijnschen bond naar de Volscen +overging, in 493 heroverd door C. Marcius, die hiernaar den bijnaam +Coriolanus kreeg. De stad is in den strijd tusschen Romeinen en +Volscen vroeg te gronde gegaan; ze lag dicht bij Lanuvium. + +Cormasa, stad in Pisidia. + +Cornelia (lex) de senatu cooptando Agrigentinorum van P. Cornelius +Scipio Africanus maior, die in 205 praetor van Sicilia was. + +Cornelia (lex) van den consul Cn. Cornelius Lentulus Clodianus +(Cornelii no. 49) in 72, tot invordering der gelden, die Sulla aan +de koopers van verbeurdverklaarde goederen had kwijtgescholden. + +Cornelia (lex) de restituendo Cicerone, tot terugroeping van Cicero +uit zijne ballingschap, van den consul P. Cornelius Lentulus Spinther +in 57 (Cornelii no. 50). + +Corneliae (leges) van L. Cornelius Cinna (zie Cornelii no. 39) van +87. 1) de novorum civium et libertinorum suffragiis, waarbij de nieuwe +burgers en de vrijgelatenen over alle tribus werden verdeeld.--2) +de exsulibus revocandis. Tot deze ballingen behoorde in de eerste +plaats Marius. Deze wetten werden voorgesteld, nadat Sulla naar het +Oosten was vertrokken. + +Corneliae (leges) van L. Cornelius Sulla, van 88, die hij liet +aannemen, nadat hij zich met geweld van de stad had meester gemaakt. 1) +tot afschaffing van de leges Sulpiciae van P. Sulpicius Rufus.--2) +dat geen wetsvoorstel door een volkstribuun aan het volk mocht +voorgesteld worden zonder voorafgaande goedkeuring van den senaat, +z. lex Hortensia. Deze wet is hernieuwd in 81.--3) dat het volk bij +de verkiezingen niet meer tributim, zooals sedert 241 gebruikelijk +was (zie Comitia Centuriata), maar volgens de ouderwetsche +centuriënindeeling van Servius Tullius moest stemmen.--4) dat het +aantal senatoren met 300 leden uit de nobilitas moest versterkt +worden.--5) een lex de coloniis deducendis.--6) eene lex unciaria, +waarbij de wettelijke rente op eene uncia per 10 maanden, dus op 10% +per jaar werd vastgesteld, zie Fenus. + +Corneliae (leges) van L. Corn. Sulla, van 81. 1) lex de proscriptione, +dat de goederen der vogelvrijverklaarden zouden worden verbeurd +verklaard, evenals van hen, die in den strijd voor de partij van Marius +en Cinna gevallen waren; bovendien werden de zonen en kleinzonen van +het recht om eerambten te bekleeden uitgesloten.--2) lex tribunicia, +die aan de volkstribunen het recht ontnam wetten voor te stellen, +zonder voorafgaande goedkeuring van den senaat (zie ook Corneliae +(leges) van 88), zoodat het eenige recht, dat ze behielden, het ius +auxilii ferendi was, en hen onbevoegd verklaarde verder eenig ambt +te bekleeden.--3) lex de magistratibus, dat men eerst aediel moest +geweest zijn om praetor, en praetor om consul te kunnen worden, en +niet tweemaal binnen tien jaar hetzelfde ambt mocht bekleeden, eene +hernieuwing van de lex Villia annalis.--4) lex iudiciaria, die de +iudicia aan den ridderstand ontnam en aan de senatoren teruggaf.--5) +lex de sacerdotiis, waarbij het getal der pontifices en der augurs op +15 werd gebracht; tevens werd de lex Domitia de sacerdotiis afgeschaft +(zie Attia (lex)), en ook de verkiezing van den pontifex maximus en +den curio maximus door cooptatio vervangen.--6) leges agrariae en lex +de civitate, om aan de inwoners van een aantal democratischgezinde +municipia het burgerrecht te ontnemen en hun grond onder de soldaten +van Sulla te verdeelen, zie ook onder Agrariae (leges).--7) lex de +provinciis ordinandis, dat de stadhouders in de provinciën ook zonder +lex curiata het imperium zouden hebben en de aftredende stadhouder +binnen 30 dagen na de aankomst van zijn opvolger de provincie moest +verlaten.--8) lex sumptuaria, waarbij de som bepaald werd, die +op gewone dagen en op feestdagen voor het middagmaal besteed mocht +worden.--Verder gaf Sulla nog eenige wetten betreffende de quaestiones +perpetuae, waarbij niet zoozeer nieuwigheden werden ingevoerd, als +wel eene nauwkeuriger omschrijving van de verschillende misdrijven, +en hier en daar wellicht eenige verscherping van straf. Vermeld +worden de volgende wetten: lex de repetundis, lex de maiestate, +lex de sicariis et veneficiis, lex nummaria (tegen valsche munters), +lex testamentaria (tegen testamentvervalsching) sive de falsis, lex +de iniuriis e.a. Zie verder iudex. Sulla's lex iudiciaria werd in 70 +afgeschaft door de lex Aurelia van den praetor L. Aurelius Cotta, +de lex tribunicia in hetzelfde jaar door de lex Pompeia, de lex +de civitate geraakte nog veel eerder in vergetelheid. Tot de lex +de magistratibus behoorde misschien ook de afschaffing der censuur +en de jaarlijksche verkiezing van 20 quaestoren, die in den senaat +zitting namen, waardoor deze vanzelf voltallig werd gehouden. Vooraf +had Sulla het aantal senatoren op 600 gebracht, door de ontbrekende +bij volkskeuze te laten benoemen. + +Corneliae (leges) van den volkstribuun C. Cornelius (Cornelii no. 55), +in 67. 1) dat aan niemand in eene senaatszitting dispensatie van eenige +wet zou verleend worden, tenzij 200 leden aanwezig waren, en dat geene +intercessio zou gelden, wanneer daartoe een wetsvoorstel aan het volk +werd gedaan.--2) ut praetores ex edictis suis perpetuis ius dicerent. + +Cornelia Baebia (lex) de ambitu van de consuls P. Cornelius Cethegus +en M. Baebius Tamphilus, 181. Omtrent den inhoud van deze wet is +niets bekend. + +Cornelia Caecilia (lex) de Cn. Pompeio, van de consuls P. Cornelius +Lentulus Spinther en Q. Caecilius Metellus Nepos, 57, strekkende +om Pompeius gedurende vijf jaar met de cura annonae in het geheele +rom. rijk te belasten. + +Cornelia Gellia (lex) van de consuls Cn. Cornelius Lentulus Clodianus +en L. Gellius Poplicola, in 72, tot bekrachtiging der schenkingen +van het burgerrecht door Pompeius. + +Cornelii. De gens Cornelia was de beroemdste der +rom. gentes. O. a. behoorden tot haar de patricische familiën Cethegus, +Cinna, Cossus, Dolabella, Lentulus, Scipio, Sulla, en de plebejische +familiën Balbus, Gallus, Merula. 1) Ser. Cornelius Maluginensis, de +eerste consul uit de gens Cornelia, 485.--2) L. Corn. Maluginensis +Uritinus, consul in 459, veroverde v. s. de zeestad Antium op +de Volscen; v. a. streed hij met zijn ambtgenoot Fabius tegen de +Aequi.--3) A. Corn. Cossus, consul in 428, behaalde de tweede spolia +opima op den vejentischen koning Lars Tolumnius. In 426 was hij +consulairtribuun en magister equitum van den dictator Mam. Aemilius +Marmercinus.--4) A. Corn. Cossus, dictator in 385, bedwong zoowel den +buitenlandschen vijand, de Volscen, als de binnenlandsche onlusten, +door M. Manlius Capitolinus verwekt.--5) A. Corn. Cossus Arvina, +consul in 343, werd bij het begin der samnietische oorlogen door den +vijand hij den berg Gaurus ingesloten, doch behaalde door het beleid +van zijn krijgstribuun P. Decius Mus toch nog eene schitterende +overwinning. Dit verhaal is geheel verzonnen, evenals de geheele +zoogenaamde eerste samnietische oorlog. In 332 was hij andermaal +consul, in 322 dictator (ludorum Rom. causa).--6) P. Corn. Scipio +komt in 395 onder de consulairtribunen voor. Hij was de eerste, die +het cognomen Scipio had.--7) L. Corn. Scipio Barbatus, consul in 298, +streed tegen de Etruscen in Etrurië, en vooral tegen de Samnieten in +Lucania; zijn sarcophaag met een opschrift in verzen uit ± 200 is nog +bewaard gebleven.--8) Cn. Corn. Scipio Asina, zoon van no. 7, consul +in 260, stak met zijn ambtgenoot C. Duillius in zee, doch geraakte te +Lipara in carthaagsche gevangenschap, waaruit hij later vrijgekocht +werd. In 254 was hij andermaal consul en veroverde toen Panormus +(Palermo). Den spotnaam Asina kreeg hij, naar men zegt, omdat hij +als landrot, om zijn watervrees bespot werd; watervrees werd door de +Romeinen als een kenmerkende eigenschap van de ezelin beschouwd.--9) +L. Corn. Scipio, ook een zoon van no. 7, consul in 259, nam Aleria op +Corsica in, en onderwierp het eiland. Zijn grafschrift is nog bewaard +gebleven.--10) P. Corn. Scipio Asina, zoon van no. 8, consul in 221, +streed voorspoedig tegen de istrische zeeroovers.--11) P. Corn. Scipio, +zoon van no. 9, verloor als consul in 218 tegen Hannibal den slag aan +den Ticinus bij Victumalae, waarin hij zwaar gewond door zijn zoon +gered werd. Vervolgens terugtrekkend over de Po, leed hij met zijn +ambtgenoot Tib. Sempronius Longus de nederlaag aan de Trebia. In 216 +stak hij naar Hispania over, waar zijn broeder (no. 12) reeds vasten +voet had verkregen. Na herhaalde overwinningen behaald te hebben op +Hasdrubal en Mago, sneuvelde Publius in 212 met zijn geheele leger, +waarop ook Cnaeus, die terugtrok, door de Carthagers achterhaald, +omsingeld en afgemaakt werd.--12) Cn. Corn. Scipio Calvus, ook een zoon +van no. 9, consul in 222, voerde met M. Claudius Marcellus (zie Claudii +no. 29), oorlog tegen de Insubriërs, en veroverde Mediolanium (Milaan), +ging in 218 als legaat van zijn broeder naar Hispania, waar hij Hanno +versloeg en in 217 aan den mond van den Iberus (Ebro) eene carthaagsche +vloot vernielde. Zie verder bij no. 11.--13) P. Corn. Scipio Africanus +maior, zoon van no. 11, redde zijn vader bij den Ticinus het leven, +streed, schoon eerst 19 jaar oud, in 216 met den rang van krijgstribuun +bij Cannae en onderscheidde zich ook na den slag door zijn onwrikbaren +moed. In 211 na den ondergang van zijn vader en zijn oom werd de jonge +Scipio door het volk pro consule naar Spanje gezonden, waar hij in +210 den Carthagers een zwaren slag toebracht door de verovering van +Carthago Nova; in 209 kon hij Hasdrubal niet verhinderen, Spanje te +verlaten en zijn broeder Hannibal te hulp te komen; of hij Hasdrubal +werkelijk bij Baecula verslagen heeft, staat niet vast. Hij veroverde +na Hasdrubals vertrek geheel Hispania, zoodat hij in 206 naar Rome kon +terugkeeren, waar hij in 205 het consulaat bekleedde. In 204 stak hij +naar Africa over, waar Masinissa zich onmiddellijk bij hem aansloot; +Scipio bracht nu de Carthagers zóó in het nauw, dat zij einde 203 +Hannibal uit Italia terugriepen. Door den slag bij Zama in den herfst +van 202 dwong hij Carthago tot een smadelijken vrede. Hij hield in +201 een luisterrijken intocht binnen Rome en verwierf den eernaam +Africanus. In 199 was hij censor en in 194 andermaal consul. In +190 ging hij als legaat met zijn broeder (no. 14) naar Asia; aan +den slag bij Magnesia (190), waarin Lucius Scipio Antiochus III van +Syria versloeg, nam hij echter geen deel, daar hij toen ziek was. Na +hun terugkeer in 188 werden de beide broeders in de volgende jaren +meermalen door partijgenooten van M. Cato en Flamininus voor de +volksvergadering gedaagd wegens omkoopbaarheid en verduistering van +gelden. Eens trof het zóó, dat het juist de verjaardag van den slag +bij Zama was, waarop P. Scipio, in plaats van zich te verdedigen, +in wegslepende taal het volk naar het Capitool opriep, om den goden +voor die overwinning dank te brengen. Toch werden beide broeders +veroordeeld, en Publius verliet Rome, ging naar Liternum om niet meer +terug te keeren, en stierf vermoedelijk in 183.--14) L. Corn. Scipio +Asiaticus (v. a. Asiagenus), ook een zoon van no. 11, diende onder +zijn broeder (no. 13) in Hispania, was in 193 praetor in Sicilia, en +in 190 consul. In deze hoedanigheid voerde hij den syrischen oorlog +en verwierf zich den bijnaam Asiaticus, doch werd na zijn terugkeer +wegens verduistering van gelden veroordeeld (zie bij no. 13). Hij +bezat op verre na niet de veldheerstalenten van zijn broeder.--15) +P. Corn. Scipio, zoon van no. 13, een man van edel karakter, onttrok +zich om redenen van gezondheid aan de staatszaken. Hij was het, die +no. 18 tot zoon aannam.--16) L. Corn. Scipio, broeder van no. 15, +een onwaardige zoon zijns vaders, kwam in den oorlog met Antiochus +in handen van den vijand, maar werd later zonder losgeld vrijgelaten; +hij werd in 174 uit den senaat gestooten.--17) Cornelia, de edele +dochter van no. 13, moeder van Tib. en C. Sempronius Gracchus, +beroemd om hare deugden.--18) P. Corn. Scipio Aemilianus Africanus +minor, zoon van L. Aemilius Paullus, den overwinnaar van Perseus, +door no. 15 geadopteerd. Hij verwierf zijne eerste lauweren onder +zijn vader Paullus in den slag bij Pydna (168), diende later (151) +in Hispania onder L. Licinius Lucullus (Licinii no. 22) en in Africa +onder M'. Manilius (149). Hij verwierf zich zóóveel roem, dat hij, +schoon eerst 37 jaar oud, in 148 tot consul werd gekozen, om den +derden punischen oorlog ten einde te brengen. Na een zwaar beleg +vermeesterde hij in 146 het uitgeputte Carthago, vernietigde de stad, +en verkocht de inwoners als slaven, doch beweende op de puinhoopen het +jammerlijk lot der stad. Met groote eer werd hij te Rome ontvangen, +en hem de overgeërfde naam Africanus als loon voor eigen verdiensten +toegekend. In 142 was hij censor, en trachtte als zoodanig het +toenemend zedenbederf en de binnendringende oostersche weelde met klem +te keer te gaan. De rampspoedige numantijnsche oorlog verschafte hem in +134 zijn tweede consulaat. Na eerst de verslapte krijgstucht hersteld +te hebben, veroverde hij (herfst 132) het hardnekkig verdedigde +Numantia en kreeg den eernaam Numantinus. Zijne tegenkanting tegen +de hervormingsplannen van zijn zwager Tib. Gracchus, wiens zuster +Sempronia hij gehuwd had, deed hem de volksgunst verbeuren. In eene +stormachtige senaatszitting in 131 betuigde Scipio, dat z.i. Gracchus +terecht was omgebracht, waarop de volkstribuun C. Papirius Carbo +hem een landverrader noemde en het volk hem onder scheldwoorden en +verwenschingen naar huis begeleidde. Later, in April of Mei 129, wist +hij te bewerken, dat aan de III viri, gekozen ter uitvoering van de +lex Sempronia agraria van Tib. Gracchus, de rechtspraak onttrokken werd +(zie Agrariae leges), en na een senaatszitting door senatoren, volk en +bondgenooten naar huis begeleid, werd hij den volgenden morgen in zijn +bed dood gevonden. Scipio was een zeer geletterd man, die met Lucilius, +Terentius, en vooral met Polybius vertrouwelijken omgang had. De +innige vriendschapsband tusschen hem en C. Laelius Sapiens vormt de +inleiding van Cicero's geschrift de amicitia.--19) P. Corn. Scipio +Nasica, zoon van no. 12, had den naam de rechtschapenste burger van +Rome te zijn. Reeds als jongeling werd hem in 204 de eervolle zending +opgedragen, het beeld der mater Idaea, dat uit Pessinus in Galatia +te Ostia was aangebracht, van daar naar Rome over te brengen. In +194 streed hij als praetor in Hispania, in 191 als consul tegen +de Boiers, die zich onderwierpen. Hij stond bekend als een groot +rechtsgeleerde. De bijnaam Nasica, die in de familie bleef, beteekent +kromneus.--20) P. Corn. Scipio Nasica Corculum, zoon van no. 19 en +schoonzoon van no. 13, diende onder Aemilius Paullus in Macedonia. Hij +was consul in 162, maar moest toen, evenals zijn ambtgenoot C. Marcius +Figulus (zie Marcii no. 12), als vitio factus aftreden; in 155 was +hij wederom consul en versloeg en onderwierp toen de Dalmatiërs. In +159 was hij censor, in 150 werd hij pontifex maximus. Hij verzette +zich in het belang van Rome tegen de verwoesting van Carthago. Zijn +bijnaam Corculum had hij aan zijne rechtskennis en scherpzinnigheid +te danken; hij beteekent zooveel als: een man van geest en hart. Deze +Scipio stelde het eerste wateruurwerk te Rome op.--21) P. Corn. Scipio, +bijgenaamd Serapio wegens zijne gelijkenis op een veekooper van dien +naam, consul in 138, voerde in 133 de senaatspartij tot den gewapenden +aanval op Tib. Gracchus aan. Om hem voor de volkswoede te beveiligen, +droeg de senaat hem eene zending op naar Asia, waar hij overleed. Hij +was een zoon van no. 20.--22) P. Corn. Scipio Nasica Serapio, zoon van +no. 21, stierf in 111 tijdens zijn consulaat.--23) P. Corn. Scipio +Nasica, praetor in 93, zoon van no. 22, gehuwd met de dochter van +den redenaar L. Licinius Crassus.--24) L. Corn. Scipio Nasica, zoon +van no. 23, geadopteerd door zijn grootvader, den redenaar L. Crassus +(Licinii no. 12), en daarom L. Licinius Crassus Scipio genoemd.--25) +P. Corn. Scipio Nasica, ook een zoon van no. 23, gewoonlijk Metellus +Scipio genoemd, schoonvader van Pompeius. Zie Caecilii no. 18.--26) +L. Corn. Scipio Asiaticus (Asiagenus), consul in 83, een afstammeling +van no. 14, streed tegen Sulla, werd door dezen gevangen genomen, doch +weder vrijgelaten. Hij hernieuwde echter den oorlog tegen Sulla, moest +vluchten en stierf te Massilia. Hij was de schoonvader van P. Sestius, +dien Cicero verdedigd heeft (Sextii no. 5).--27) Cn. Corn. Blasio, +consul in 270 en 257, censor in 265.--28) L. Corn. Balbus, afkomstig +uit Gades (Cadix), diende in den strijd tegen Sertorius, eerst +onder Q. Metellus Pius, daarna onder Pompeius, van wien hij het +burgerrecht verkreeg (72). Later vergezelde hij Caesar, toen deze +propraetor in Spanje was. Tijdens het driemanschap werd hem het +burgerrecht betwist, maar Cicero, die tijdens zijn ongeluk den steun +van Balbus had genoten, verdedigde hem (56) met goed gevolg. Hoewel +Balbus vervolgens te Rome in het belang van Caesar werkzaam was en +ook pogingen aanwendde om Cicero voor dezen te winnen, was hij toch +niet ondankbaar tegen Pompeius, maar deed moeite om door bemiddeling +van invloedrijke personen eene schikking tot stand te brengen. Later +werkte hij mede om Caesar met Cicero te verzoenen. Ook met Octavianus +stond hij op goeden voet; in 40 was hij consul.--29) L. Corn. Balbus +minor, neef van no. 28, kreeg ook in 72 het burgerrecht, nam aan +Caesars veldtochten in Aegypte en Hispania deel. Als quaestor +(43) vergrootte hij de haven van Gades, maar maakte zich door +strengheid zeer gehaat. Als proconsul van Africa, 21-20, overwon hij +de Garamantes; hij was de laatste privaatman, die triumfeerde (19), +en de eerste, die geen Romein was van geboorte. Het theatrum Balbi is +door hem gebouwd (13).--30) M. Corn. Cethegus, consul 204, pontifex +maximus en begaafd redenaar, versloeg in 203 Hannibals broeder Mago +in het land der Insubriërs (in Cisalpina).--31) C. Corn. Cethegus, +consul 197, versloeg de Insubriërs en Cenomanen in Cisalpina. Later +werd hij naar Africa gezonden om de geschillen tusschen Masinissa en +Carthago te vereffenen.--32) P. Corn. Cethegus, consul 181, bracht +als proconsul in 180 met zijn ambtgenoot M. Baebius Tamphilus 40000 +Liguriërs met hun vrouwen en kinderen naar Samnium over (z. Apuani), +en triumfeerde zonder oorlog gevoerd te hebben.--33) P. Corn. Cethegus, +door Sulla vogelvrij verklaard, maar later weder in genade aangenomen, +werd na Sulla's dood, niettegenstaande zijn verdorven karakter, +een man van grooten invloed.--34) C. Corn. Cethegus, deelgenoot aan +de samenzwering van Catilina, behoorde onder hen, die door Cicero +werden ter dood gebracht.--35) P. Corn. Dolabella, consul in 283, +overwon bij het Vadimonische meer de Boiers en de Etruriërs.--36) +Cn. Corn. Dolabella, aanhanger van Sulla, consul in 81, overwon +de Thraciërs als proconsul in Macedonia (79). In 77 werd hij door +Caesar aangeklaagd wegens afpersingen, doch vrijgesproken.--37) +Cn. Corn. Dolabella, praetor in 81, propraetor in 80 en 79 in Cilicia, +zoog de provincie uit. Zijn legaat C. Verres hielp hem hierbij, +doch verschafte later de bewijzen om hem te doen veroordeelen. Hij +ging in ballingschap.--38) P. Corn. Dolabella, berucht om zijne +uitspattingen, was met Cicero's dochter Tullia gehuwd tegen diens +zin. In den burgeroorlog liep hij van Pompeius tot Caesar over, streed +onder hem bij Pharsalus (48), liet zich vervolgens, om volkstribuun +te kunnen worden, door een plebejer Lentulus tot zoon aannemen, was in +47 een zeer woelig volkstribuun, vergezelde hierna Caesar naar Africa +en Hispania en werd door diens toedoen tot consul voor het jaar 44 +verkozen. Na Caesars dood sloot Dolabella zich bij diens moordenaars +aan, tot Antonius hem met de provincie Syria tevreden stelde, waardoor +hij met Cassius weder in onmin geraakte. Op reis naar Syria beging +hij in Griekenland en Klein-Azië verschillende buitensporigheden, +zoodat de senaat hem vogelvrij verklaarde. Door Cassius aangevallen +en geen uitweg ziende, bracht hij zichzelf in 43 te Laodicea ad mare +om het leven.--39) L. Corn. Cinna, de bekende aanhanger van Marius, +was consul in 87, toen Sulla naar Asia vertrok. Hoewel hij aan Sulla +onder eede beloofd had de bestaande instellingen te zullen handhaven, +trad hij op met een aantal daarmede strijdige wetsvoorstellen, doch +werd door zijn medeconsul Cn. Octavius uit Rome verdreven. Met Marius +aan het hoofd eener aanzienlijke strijdmacht teruggekeerd, richtte +hij met hem een bloedbad aan onder de aanhangers van Sulla; doch toen +de door Marius in dienst genomen slaven niets meer ontzagen, lieten +Q. Sertorius en Cinna een groot aantal van hen neersabelen. Cinna +was nog driemaal consul, in 86, 85 en 84. In dit laatste jaar keerde +Sulla naar Italia terug, en werd Cinna door zijne eigene soldaten +te Ancona gedood.--40) L. Corn. Cinna, zoon van no. 39, sloot zich +na Sulla's dood bij den oproerigen consul M. Aemilius Lepidus aan, +streed vervolgens onder Q. Sertorius, mocht in 73 ten gevolge van +de lex Plautia terugkeeren, en werd onder Caesar praetor (44). Na +Caesars dood hield hij eene lofspraak op diens moordenaars, doch werd +bijna gesteenigd, terwijl zekere C. Helvius Cinna, dien men voor hem +aanzag, door het volk vermoord werd.--41) Cn. Corn. Cinna Magnus nam +deel aan eene samenzwering tegen Augustus, toen deze in Gallia was +(16-13), maar kreeg vergiffenis en werd later zelfs consul (5 na +C.).--42) Cornelia, dochter van no. 39, was gehuwd met Caesar, die +in weerwil van Sulla's aandrang weigerde haar te verstooten.--43) +L. Corn. Merula, consul in 193, leverde een bloedigen slag tegen +de Boiers, waarvan 17000 sneuvelden, terwijl 212 veldteekens in +zijne handen vielen. Daar hij echter ook 5000 man verloren had, +werd hem geen zegetocht toegestaan.--44) L. Corn. Merula werd in 87 +consul in plaats van den verdreven Cinna (no. 39). Toen deze evenwel +terugkeerde, liet Merula zich de aderen openen en doodbloeden. Hij +was flamen Dialis, welk ambt na zijn dood 75 jaar onbezet bleef.--45) +L. Corn. Lentulus, consul in 327, gaf bij Caudium in 321 den raad, +door vrijwillige overgaaf het rom. leger voor geheelen ondergang +te behoeden. Deze raad legde te meer gewicht in de schaal, daar +Lentulus een der dappersten was. Ten onrechte wordt hem de bijnaam +Caudinus gegeven. De naam Lentulus is ontleend aan het verbouwen van +linzen.--46) Cn. Corn. Lentulus, consul in 201, had zeer verlangd, +in Africa tegen Carthago oorlog te voeren, maar voor hij uit Sicilië +naar Africa kon oversteken, was de vrede geteekend (201).--47) +P. Corn. Lentulus onthaalde in 169 het eerst het rom. volk op +gevechten van wilde dieren. In 162 was hij consul suffectus. Hij +was princeps senatus. Hij was een tegenstander van de Gracchen, +en streed op hoogen leeftijd nog in 121 in de rijen der optimaten +tegen C. Gracchus.--48) P. Corn. Lentulus Sura, een man van laag +karakter, algemeen geminacht. Niettemin was hij in 75 praetor, +in 71 consul, en hoewel hij in 64 uit den senaat werd gestooten, +in 63 andermaal praetor. In dit jaar werd hij wegens deelneming +aan de samenzwering van Catilina door Cicero ter dood gebracht.--49) +Cn. Corn. Lentulus Clodianus, consul in 72, streed met zijn ambtgenoot +L. Gellius Poplicola ongelukkig tegen de zwaardvechters onder +Spartacus. Beiden waren censors in 70, toen de censuur, door Sulla +afgeschaft, weder hersteld werd. Zie ook lex Cornelia Gellia. Hij +was een goed redenaar. Hij was ook een der legaten van Pompeius +in den zeerooversoorlog.--50) P. Corn. Lentulus Spinther, consul +in 57, een warm vriend van Cicero, voor wiens terugroeping uit de +ballingschap hij sterk ijverde. (Zie Cornelia (lex) de restituendo +Cicerone). Zie verder omtrent hem Caecilia Cornelia (lex). In den +burgeroorlog was hij op de zijde van Pompeius; hij werd door Caesar +gevangen genomen en gedood.--51) L. Corn. Lentulus Crus, tegenstander +van Clodius en van Caesar, consul in 49, volgde Pompeius en werd in +Aegypte vermoord.--52) L. Corn. Sulla Felix, geb. in 138, stamde uit +eene arme familie, en legde zich met ijver op de wetenschappen toe, +vooral op de grieksche taal- en letterkunde. Hij was een man van fijne +beschaving, doch losbandig en zedeloos. In 107 vergezelde hij Marius +als quaestor en leidde als zoodanig met veel takt de onderhandelingen +met koning Bocchus over de uitlevering van Jugurtha. Vervolgens +diende hij als legaat in de oorlogen tegen de Cimbren en Teutonen +(104-101). In 93 was hij praetor, in 92 propraetor in Cilicia. Hij +slaagde er in, Ariobarzanes, die door Mithradates verdreven was, op +den troon van Cappadocia te herstellen. Bij deze gelegenheid kwam hij +in het Cappadocische Comana, waar zijne soldaten den eeredienst van +Mâ-Bellona leerden kennen. In den bondgenootenoorlog diende Sulla +als legaat in 90 onder den consul L. Julius Caesar, in 89 onder +den consul L. Porcius Cato. In 90 had hij geen succes, maar in 89 +veroverde hij Stabiae en Pompeii, verdreef de Samnieten uit Campania, +onderwierp de Hirpini, drong daarop in Samnium door, en veroverde +de hoofdstad Bovianum. Met onmenschelijke wreedheid woedde Sulla +tegen de gevangenen. Hierop werd hij consul (88) en kreeg Asia tot +provincie met het opperbevel in den mithradatischen oorlog. Sulla +verzette zich te vergeefs tegen de wetgeving van P. Sulpicius Rufus +(z. Sulpiciae leges), en vluchtte toen uit Rome naar zijn leger +in Campania. Daarop werd op voorstel van P. Sulpicius het bevel +aan Marius opgedragen. Op het bericht hiervan trok Sulla met zijn +leger naar Rome terug; Sulpicius werd gedood, Marius en anderen +vogelvrij verklaard. Na eenige wetten te hebben gegeven, stak Sulla +naar Griekenland over, waar hij eerst Athene na een hardnekkige +verdediging van vele maanden in Maart 87 bijna geheel uitmoordde, +en den Piraeus slechtte; daarna versloeg hij den mithradatischen +veldheer Archelaus bij Chaeronea, en een tweede leger bij Orchomenos +(86), en trok vervolgens naar Azië, waar hij in het voorjaar van 85 met +den koning vrede sloot, om de handen tegen Fimbria (zie Flavii no. 4) +en de democraten in Italië vrij te krijgen. Voordat hij naar Italië +vertrok, strafte hij Asia vreeselijk voor haar afval. Intusschen +was Marius naar Rome teruggekeerd en woedde met L. Corn. Cinna +(no. 39) tegen de aristocratische partij. In 83 kwam Sulla terug en +nu ontbrandde de vreeselijke burgeroorlog, die geheele streken van +Italië ontvolkte en met Sulla's zegepraal eindigde. De belangrijkste +slag in dezen oorlog is die bij de Porta Collina (1 Nov. 82), waarbij +de Samnieten, die op Rome losgetrokken waren, onder Pontius Telesinus +en den jongen Marius door Sulla verslagen werden; de krijgsgevangenen +liet hij daarna afmaken. Door den interrex L. Valerius Flaccus liet +hij eene wet voorstellen, waarbij hem de levenslange dictatuur werd +opgedragen, z. Valeria (lex) de Sulla dictatore. Het regende nu +vogelvrij- en verbeurdverklaringen; duizende landerijen werden aan +zijne soldaten toegewezen, hij omringde zich met eene lijfwacht van +10000 vrijgelatenen, en door een geheel stel wetten trachtte hij de +heerschappij van den senaat blijvend te bevestigen. Hij had echter +zelf het voorbeeld gegeven, hoe een veldheer alles vermocht omver te +werpen, als hij slechts zich van de genegenheid van zijn leger wist +te verzekeren, eene kunst, die Sulla in hooge mate verstond. Zie +verder Corneliae (leges) van L. Corn. Sulla van 81. Na twee jaar +(79) legde Sulla de dictatuur neder en trok zich terug op zijn +landgoed bij Puteoli, waar hij gedenkschriften begon op te stellen, +die echter niet door hem voltooid werden. Hij stierf reeds in 78 aan +de gevolgen van zijn losbandig leven. Hij was de eerste uit de gens +Cornelia, wiens lijk niet begraven, maar verbrand werd.--53) Faustus +Corn. Sulla, zoon van no. 52, diende onder Pompeius in het Oosten, +o.a. in 63 voor Jerusalem, welks muur hij het eerst beklom. Later +streed hij ook bij Pharsalus en bij Thapsus, en werd op de vlucht door +P. Sittius gevangen genomen en door Caesars soldaten omgebracht. Hij +was de schoonzoon van Pompeius.--54) P. Corn. Sulla, was voor 65 tot +consul gekozen, doch werd met zijn ambtgenoot P. Autronius Paetus +wegens ambitus veroordeeld. In 62 werd hij door den jongen L. Manlius +Torquatus (Manlii no. 14) beschuldigd van deelgenootschap aan de +tweede samenzwering van Catilina, waartegen Cicero hem verdedigde, +nadat Q. Hortensius Hortalus hem reeds verdedigd had tegen +eene aanklacht van Torquatus wegens deelneming aan de eerste +samenzwering. Hij streed ook bij Pharsalus, doch voor Caesar. In 45 +werd hij waarschijnlijk door roovers vermoord.--55) C. Cornelius, +volkstribuun in 76. Zie Corneliae (leges).--56) L. Cornelius Sisenna, +praetor in 78, stierf in 67 als legaat van Pompeius op Creta. Hij +was een geleerd man, en schreef annales van zijn tijd, en gaf eene +vertaling uit der milesische vertellingen van Aristides.--56 b) +Cornelia Metella = Caecilia Metella, z. Caecilii no. 26.--57) Verder +vindt men nog de familienamen Merenda, Rufinus, Scapula. Onder de +Rufini verdient genoemd te worden: P. Cornelius Rufinus, consul +290 met M' Curius Dentatus; zij maakten samen een einde aan den +Samnietischen oorlog. In 277 was hij weder consul en streed toen tegen +Pyrrhus. In 275 werd hij door den censor C. Fabricius uit den senaat +gestooten, omdat hij meer dan 10 pond aan tafelzilver bezat. Hij was +berucht om zijn hebzucht.--58) Cornelius Nepos, geschiedschrijver, in +Gallia Transpadana geboren, bevriend met Catullus en Atticus en door +dezen ook met Cicero. Hij heeft verschillende werken geschreven van +historischen en geographischen aard, maar zeer oppervlakkig. 1º. 3 +boeken Chronica. 2º. een werk Exempla getiteld, waaruit Valerius +Maximus (z. a.) geput heeft. 3º. een Chorographia. 4º. zijn hoofdwerk +is echter de viris illustribus libri XVI, waarin op oppervlakkige wijze +naast grieksche beroemdheden romeinsche behandeld waren, en waarvan nog +enkele stukken, het boek over de buitenlandsche veldheeren (Cornelii +Nepotis vitae excellentium imperatorum), het bekende schoolboek, en +verder twee biographieën uit het boek de latinis historicis, n.m. een +kleine van Cato en een uitgebreide van Atticus, over zijn.--59) +C. Cornelius Gallus, te Forum Julii (Fréjus) uit een nederigen stand +geboren, dichter en bevriend met Ovidius, Vergilius, e.a. Hij werd +door Augustus in 30 tot praefectus van Aegypte aangesteld. Later in +ongenade gevallen, benam hij zichzelf het leven (26). Zijne gedichten +zijn verloren.--60) A. Cornelius Celsus, zie Celsus.--61) C. Cornelius +Chrysogonus, zie Chrysogonus.--62) M. Cornelius Fronto, zie Fronto +(M. Cornelius).--63) Cornelius Severus, zie Severi no. 1.--64) +P. Cornelius Tacitus, zie Tacitus (P. Cornelius). + +Corniculum, latijnsche stad ten N. van den Anio; ze is vroeg verdwenen. + +Cornificii, plebejisch geslacht. 1) Q. Cornificius, onder wiens +bewaking de Catilinariër C. Cornelius Cethegus werd gesteld. Hij was +het, die het eerst in den senaat de heiligschennis van P. Clodius +Pulcher ter sprake bracht. Met Cicero dong hij, maar te vergeefs, +naar het consulaat.--2) Q. Cornificius, zoon van no. 1, aanhanger van +Caesar, na diens dood stadhouder van Africa vetus, en aanhanger van +den senaat en van Sextus Pompeius, sneuvelde in 41 in een slag tegen +het driemanschap bij Hadrumetum. Evenals zijn vader had hij met Cicero +omgang. Hij was redenaar en dichter.--3) L. Cornificius, aanhanger +van Octavianus.--4) Cornificius, een rhetor, wordt ten onrechte voor +den schrijver gehouden van de Rhetorica ad C. Herennium, een werk uit +den tijd van Sulla, dat in 4 boeken uitvoerig de rhetorica behandelt. + +Cornu copiae, horen van overvloed, zie Amalthea. + +Cornus, versterkte hoofdplaats der Sarden aan de Westkust van Sardinia. + +Cornuti, plebejisch geslacht. 1) C. Caecilius Cornutus, een man van +strenge zeden en hierom Pseudo-Cato genoemd, volkstribuun in 61 en +praetor in 57, ijverde voor de terugroeping van Cicero uit diens +ballingschap.--2) M. Caecilius Cornutus, praetor urbanus in 43, +werd na den dood der beide consuls A. Hirtius en C. Vibius Pansa door +zijne troepen verlaten en sloeg de hand aan zich zelven.--3) Cornutus +(L. Annaeus). Zie Annaei. + +Coroebus, Koroibos, 1) zoon van Mygdon, koning van Phrygië, die +uit liefde voor Cassandra Priamus te hulp kwam. Hij muntte uit door +dapperheid en was een van de weinige strijders, die onder Aeneas nog +een laatsten uitval waagden, terwijl de stad reeds brandde; bij deze +gelegenheid sneuvelde hij.--2) overwinnaar in de olympische spelen +in 776, het jaar waarmede de telling der Olympiaden begint. + +Corollarium, krans met bladeren van goud, zilver of ander metaal, +die men aan geliefde tooneelspelers placht toe te werpen, vandaar = +toegift, fooi. + +Corona. De Rom. maakten veel werk van bloemkransen, bij feestmalen +hadden zij dikwerf lange kransen om den hals, die op de borst afhingen, +en wel liefst van geurende rozen. Ook als militaire eerbewijzen +waren coronae in gebruik, doch alsdan van anderen aard. De corona +triumphalis, een laurierkrans, soms ook van goud vervaardigd, werd +door den zegepralenden veldheer en later door de keizers gedragen. De +corona ovalis, bij eene ovatio gedragen, was een myrtenkrans. De +corona obsidionalis of graminea, de eenvoudigste doch eervolste van +alle, viel den generaal ten deel, die een ingesloten rom. leger had +ontzet. Zij werd gevlochten uit gras, op de plaats zelve geplukt. De +corona civica, van eikenloof, zoo mogelijk met de eikels er aan en +met het devies ob civem servatum, werd gegeven voor het redden van een +kameraad in den slag. De corona muralis, in den vorm van een wal, was +voor hem, die het eerst de muren eener belegerde stad beklom. Evenzoo +werd degene, die het eerst in een vijandelijk kamp doordrong, beloond +met de corona vallaris of castrensis, die met kleine gouden palissaden +was versierd. De corona navalis of rostrata was versierd met gouden +scheepssnebjes. Goden en heroën en later ook wel de keizers vindt +men dikwerf met eene corona radiata, waarin reeds meer het begin +eener kroon is te zien. Ook is er een sterrenbeeld corona = de krans +van Ariadne. + +Corone, Korone, stad in Messina aan de Messenische golf, in 371 door +de Messeniërs met behulp van Boeotiërs uit Coronea, op de plaats van +het vroegere Aepea gesticht, thans Coron. + +Coronea, Koroneia, stad in Boeotia, bekend door de overwinning der +Boeotiërs op de Atheners in 447, en door die der Spartanen onder +Agesilaus in 394 in den corinthischen oorlog. + +Coronides, Koronides, Asclepius, zoon van Coronis. + +Coronis, Koronis, 1) dochter van Phlegyas, koning van Thessalië, bij +Apollo moeder van Asclepius. Nog voordat deze geboren was, schonk +zij hare liefde aan een gast van haar vader, den Arcadiër Ischys; +tot straf doodde Apollo haar, doch haar nog niet geboren kind werd +door hem gered.--2) dochter van Coroneus, koning van Phocis, werd, +terwijl zij den verliefden Poseidon ontvluchtte, door Athena in een +kraai veranderd. + +Coronta, ta Koronta, stad in het Z. van Acarnania. + +Coronus, Koronos, 1) zoon van Caeneus, koning der Lapithen, een van de +Argonauten, werd in den oorlog tegen Aegimius door Heracles gedood.--2) +zoon van Thersander, mythisch stichter van Coronea. + +Corporis Custodes of Corpore Custodes, naam van de door +Augustus ingerichte, door Galba ontbonden, germaansche lijfwacht +der Julisch-Claudische Keizers. Onder hen vormen de Batavi de +meerderheid. Het zijn geen eigenlijke soldaten, toch zijn het allen +vrijen of vrijgelatenen, geen slaven. Men moet ze scherp onderscheiden +van de praetoriani, die steeds romeinsche burgers zijn (zie cohortes +praetoriae). + +Corsiae, Korsiai, eilandjes bij Samos, waarschijnlijk = Corassiae. + +Corsica, Korsike, doch bij de ouderen gewoonlijk Kyrnos geheeten, het +bekende eiland; de bewoners heeten Corsi. De bodem was onvruchtbaar, +de bevolking ruw en roofzuchtig. Na den eersten punischen oorlog +kwam het onder Rome met Sardinia, waarmede het ook verder als ééne +provincie vereenigd bleef. + +Corsote, Korsote, stad in Mesopotamia, op een eilandje in den Euphraat, +in Xenophon's tijd reeds verlaten. + +Cortona, Kortona, eene der twaalf hoofdsteden van Etruria, even ten +N. van het Trasimeensche meer, met pelasgische muren. + +Coru pedion, Korou pedion, vlakte in Lydia bij Sardes. + +Coruncanii, plebejisch geslacht. 1) Tib. Coruncanius, consul 280, was +de eerste plebejische pontifex maximus, een man van groote rechtskennis +en vroomheid. Hij was de eerste jurist, die bij zijn adviezen auditores +toeliet.--2) C. en L. Coruncanius, rom. gezanten, in 230 tot koningin +Teuta naar Scodra in Illyria gezonden, verbitterden haar zoozeer door +hunne vrijmoedige taal, dat zij één hunner liet ombrengen. + +Corus, de Noordwestenwind, zie Windstreken. + +Corvinus, bijnaam in de gens Valeria (Valerii no. 28). + +Corvus, familienaam in de gens Valeria (Valerii no. 13). Ook de naam +van een belegeringswerktuig, enterhaak op de schepen. + +Corvus, een raaf, die door Apollo gezonden werd om water uit een +bron te halen; bij de bron gekomen, zag hij een vijgeboom en bleef +nu eenige dagen wachten tot de vijgen rijp waren. Om zijn lang +uitblijven te verontschuldigen, nam hij een waterslang mede en +beweerde, dat deze iederen dag de bron had leeggedronken. Tot straf +voor dit bedrog verbood Apollo hem gedurende eenigen tijd te drinken, +en ter herinnering hieraan staat aan den hemel het sterrenbeeld Corvus +tusschen Hydra en Crater. + +Corybantes, Korybantes, z. Rhea (Cybele). + +Corycides nymphae, de Muzen, zoo genoemd naar de corycische grot +in Phocis. + +Corycium antrum, Korykion antron, grot aan de zuidelijke helling van +den Parnassus, in Phocis. Zie ook Corycus no. 1. + +Corycus, Korykos, 1) kaap en stad in Cilicia, dicht bij de monding +van den Calycadnus. In den omtrek groeide de beste saffraan. In de +nabijheid vond men de corycische grot (mythe van Typhon en Zeus).--2) +kaap in Ionia tusschen Teos en Erythrae.--3) kaap en stad in Pamphylia. + +Corymbus, korymbos, ouderwetsch kapsel der atheensche vrouwen of der +Atheners in het algemeen, waarbij het haar op de kruin van het hoofd +saamgebonden werd; ook naam voor iemand, die het haar zoo draagt. + +Corynetes, Korynetes, "knotsdrager", bijnaam van Periphetes en +Areïthoüs. + +Coryphaeus, koryphaios, in het bizonder de leider van den koorzang +en dans in de tragedie en comedie, die ook uit naam van het koor het +woord voert, wanneer het niet zingt, maar spreekt. + +Coryphasium, Koryphasion, kaap en stad op de Westkust van Messenia. + +Corythus, Korythos, 1) zoon van Zeus, gehuwd met de Pleiade Electra, +stichter van Corythus, later Cortona.--2) zoon van Paris en Oenone, +werd door zijne moeder naar Helena gezonden, om de jaloerschheid +van Paris op te wekken; toen deze hem bij Helena aantrof, doodde hij +hem zonder hem te herkennen.--3) een van de Lapithen.--4) een van de +gasten op de bruiloft van Perseus. + +Cos, Kos, ook Coos, Cous, Koos, grieksch eiland op de aziatische +kust, met eene gelijknamige hoofdstad, die een heerlijk panorama +opleverde, wanneer men uit zee kwam. De bevolking was dorisch. Het +eiland leverde voortreffelijken wijn, aardewerk, zalven en beroemd +lijnwaad op (Coae vestes). Asclepios of Aesculapius, aan wien het +geheiligd was, had hier een schoonen tempel, waarmede een beroemde +medische school verbonden was; Hippocrates en Apelles waren op Cos +geboren. Van den laatste was op het eiland eene Venus anadyomene, +die later door Augustus voor 100 talenten werd gekocht. + +Cosa, ook Cossa, kuststad van Etruria, in 273 als latijnsche +kolonie aangelegd in het gebied van Volci (z.a.). Het was een sterke +vesting, waarvan de muren nog bestaan. In 199 kreeg de stad nieuwe +kolonisten. De haven heette portus Herculis of portus Cosanus. + +Cosconii, plebejisch geslacht, waarvan enkele leden in verschillende +oorlogen en betrekkingen voorkomen.--1) C. Cosconius, praetor in 89, +versloeg in den bondgenooten-oorlog de Samnieten.--2) C. Cosconius, +bevriend met Cicero, tribunus plebis in 59, in 56 rechter in het +proces van P. Sestius. + +Cossaea, Kossaia, landstreek op de grenzen van Susiana en Media, +door eene roofzieke en woeste bevolking bewoond. + +Cossus, familienaam in de gens Cornelia. Z. Cornelii no. 3-5. + +Cossyra, Kossyra, eil. tusschen Sicilia en Africa. + +Cothon, Kothon, eene haven van Carthago. + +Cothurnus, kothornos, een tot het midden van het been reikende laars, +van voren met riemen vastgemaakt. Deze laarzen werden vooral door +jagers gebruikt; later werden zij ook op het tooneel gedragen, waar +zij, van dikke zolen voorzien, den tooneelspelers in het treurspel +een hoogere gestalte gaven; vandaar wordt het woord ook metonymisch +gebruikt voor treurspel. Daar iedere laars zoowel aan den linker- +als aan den rechtervoet paste, wordt de naam ook gegeven aan iemand +die alle politieke partijen bevredigen wil. + +Cotini, een keltisch volk in Germania, ten N. van de Donau, aan den +bovenloop van de rivier de Gran wonende. + +Cotiso, koning der Geten in Dacia, die tijdens den burgeroorlog +tusschen Octavianus en Antonius over den Donau was gevallen, maar +later overwonnen werd. + +Cotta, familienaam in de gens Aurelia, z. Aurelii no. 1-8.--In +den gallischen oorlog komt ook nog als legaat van Caesar zekere +L. Aurunculeius Cotta voor, die in den opstand der Eburones onder +Ambiorix (winter van 54/53) sneuvelde. + +Cottabus, kottabos, een waarschijnlijk oorspronkelijk sicilisch +spel, dat door de Atheners dikwijls na den eten gespeeld werd. Het +bestond daarin, dat men op een bepaalden afstand een weinig wijn +uit een beker in kleine schaaltjes moest werpen, die in evenwicht +ophingen en door het gewicht zakkend op een of ander metalen voorwerp +stieten en daardoor geluid gaven, of die op water dreven en door het +gewicht zonken; in het al of niet gelukken van den worp of in den +meer of minder helderen klank van het metaal zag men dikwijls ook +een liefdeorakel. + +Cottiae Alpes, zie Alpes. Dit berglandje werd onder keizer Nero met +Liguria tot eene provincie Alpes Cottiae vereenigd. Hoofdstad: Segusio +(Susa). + +Cottius, opperhoofd van ligurische stammen om en bij het naar hem +genoemde Cottische Alpenland. Octavianus stelde hem als vorst aan +met den titel praefectus. Zijn zoon, ook Cottius geheeten, kreeg van +keizer Claudius den koningstitel. Onder Nero werd het vasalstaatje +als provincie ingelijfd. + +Cottus, Kottos, een van de Centimani. + +Cotyla, kotyle, inhoudsmaat, de helft van een sextarius, vooral voor +het meten van geneesmiddelen gebruikt. + +Cotyora, Kotyora, kolonie van Sinope op de kust van Pontus, vanwaar +Xenophon en de 10000 Grieken zich inscheepten naar Sinope. + +Cotys, Kotys, 1) koning van Thracië (383-359), om zijne wreedheid +berucht, schoonvader van Iphicrates. Ofschoon hij atheensch burger +was, was zijne politiek altijd den Atheners vijandig, en toen hij door +sluipmoord uit den weg geruimd was, werden zijne moordenaars door de +Atheners met het burgerrecht en gouden kransen begiftigd.--2) koning +der Odrysen, ondersteunde Perseus van Macedonië tegen de Rom.--3) +regeerde onder Augustus (12 n. C.-± 18 n. C.) over de helft van +Thracië, doch werd door zijn broeder Rhescuporis, die de andere helft +beheerschte, gevangen genomen en gedood.--4) zoon van den vorigen, +kreeg van Caligula Klein-Armenië, daar Thracië gedurende zijne +minderjarigheid rom. provincie geworden was. Tusschen 37/38 en 46 +n. C. was Thracië weer zelfstandig onder de drie broers Rhoemetalces, +Cotys en Polemo. + +Cotys, Cotytto, Kotys, Kotytto, thracische of phrygische godin, die ook +door Grieken en Rom. vereerd werd. Hare feesten, Cotyttia, Kotyttia, +die des nachts gevierd werden, kenmerkten zich door luidruchtigheid +en buitensporigheid. De dienaren van Cotys heetten Baptai. + +Cous = Cos. + +Cragus, Kragos, vulkanisch gebergte in Lycia, waar de mythe der +Chimaera tehuis behoort. Evenwijdig met den Cragus liep de Anticragus. + +Cranaë, Kranae, eil. op de laconische kust bij Gytheum of bij Attica, +waar Paris en Helena op hunne vlucht overnachtten. + +Cranaea, Kranaia, bijnaam van Athena te Elatea in Phocis. + +Cranaüs, Kranaos, koning van Attica na Cecrops, ten tijde van Deucalion +en den zondvloed. Hij werd door zijn schoonzoon Amphictyon van den +troon gestooten. Naar hem heeten de oude Atheners Cranaï (Kranaoi) +en Athene Cranaa (Kranaa, Kranaai); zijne dochter Atthis gaf haar +naam aan Attica. + +Craneum, Kraneion, cypressenbosch en uitspanningsoord bij Corinthe, +waar ook de cynische wijsgeer Diogenes des zomers placht te vertoeven. + +Cranii, -ium, Kranioi, -ion, stadje aan de Westkust van het +eil. Cephallenia. + +Cranon, Crannon, Kranon, Krannon, vroeger Ephyra, stad in Thessalia in +het gewest Pelasgiotis. Bij Crannon behaalde Antipater in den lamischen +oorlog de beslissende overwinning op de Grieken en Thessaliërs (322). + +Crantor, Krantor, van Soli in Cilicië, academisch wijsgeer, leerling +van Xenocrates en Polemo; zijne werken worden door Cicero met lof +vermeld. Hij was de eerste, die commentaren op de werken van Plato +schreef, en bestreed de stoicijnsche leer. + +Crassus, familienaam, vooral in de gens Licinia (Licinii no. 7-17). Hij +komt ook voor bij de Canidii, Otacilii, Papirii (Papirii no. 1-4). + +Crater, krater, een groote vaas, die in de eetzaal stond, waarin wijn +met water vermengd werd en waaruit dit mengsel in de bekers der gasten +geschept werd. + +Craterus, Krateros, 1) veldheer onder Alexander d. G., aanvoerder +van het landleger op den terugtocht uit Indië, voerde de veteranen +uit Azië naar hun vaderland terug (324), en zou Antipater als regent +van Macedonië vervangen, toen Alex. stierf. In den lamischen oorlog +besliste zijne komst den slag bij Crannon ten gunste van Antipater, +met wien hij daarna Perdiccas en Eumenes bestreed; in een slag tegen +laatstgenoemde sneuvelde hij (321).--2) Macedoniër, v. s. zoon van den +vorigen, schrijver eener Psephismaton Synagoge, verzameld uit de te +Athene bewaarde origineelen, van welk werk nog enkele overblijfsels +bestaan.--3) beroemd geneesheer, tijdgenoot van Cicero. + +Crates, Krates, 1) atheensch blijspeldichter omstreeks 450, een van +de grondleggers der oude attische comedie; men schreef hem 14 stukken +toe.--2) Athener, leerling van Polemo en na diens dood gedurende korten +tijd hoofd der academie.--3) Thebaan, de voornaamste leerling van den +cynicus Diogenes en gedurende eenigen tijd leeraar van Zeno.--4) van +Mallus, te Tarsus opgevoed, werd aan het hof van Attalus de stichter +der pergameensche school van taalgeleerden; in zijne werken over +Homerus bestreed hij Aristarchus. In 167 begeleidde hij Attalus II +naar Rome en bleef daar wegens ziekte langen tijd. Hij is de eerste +van de Stoici, die Homerus vooral op het gebied van de geographie voor +onfeilbaar verklaart, en door allegorische uitlegging alles wat men +weet, bij Homerus meent terug te vinden. Zoodoende is hij de schepper +geweest van een nieuwe denkrichting, die ook op latere geslachten +grooten invloed heeft geoefend en nog oefent. Zie o. a. Philo Judaeus. + +Crates, Cratis, vlechtwerk, horde, schanskorf en dgl. Enkele malen +komt de uitdrukking voor: sub crate necari. De veroordeelde werd op +den grond uitgestrekt onder eene teenen horde, die zóólang met steenen +werd bezwaard, tot de ongelukkige onder het gewicht den geest gaf. + +Crathis, Krathis, rivier in het land der Bruttii, die bij Thurii in den +sinus Tarentinus uitstroomt. De Sybaris is een zijriviertje hiervan, +maar stroomde oorspronkelijk ten N. van de Crathis in zee. Ook een +kuststroompje in Achaia. + +Cratinus, Kratinos, 1) Athener (520-423), de eigenlijke schepper +der oude attische comedie. Hij was de eerste die in zijne stukken +een politieke strekking legde en drie acteurs liet optreden. Hij +trad tamelijk laat als dichter op en behaalde met 21 stukken +negenmaal de overwinning, o. a. met zijn laatste stuk Pytine (de +wijnflesch), kort voor zijn dood opgevoerd, waarin hij zijn eigen +gebrek, dronkenschap, aan de bespotting van het publiek prijsgaf.--2) +atheensch blijspeldichter, die ongeveer eene eeuw later leefde dan +de vorige; van hem worden 8 stukken genoemd. + +Cratippus, Kratippos, 1) schreef een vervolg op de geschiedenis van +Thucydides, tot welk werk, naar men meent, een onlangs in Egypte +gevonden fragment behoort. Zie Theopompus.--2) van Mytilene, +peripatetisch wijsgeer te Athene, leermeester van Cicero's zoon. + +Cratis = Crates. + +Cratylus, Kratylos, leerling van Heraclitus en van Protagoras, +leermeester van Plato, die een zijner werken naar hem noemde. + +Cremaste, Kremaste, goudhoudende streek in Troas nabij Abydus.--Zie +ook Larissa no. 2. + +Cremera, zijtak van den Tiber in Etruria, die langs Veii stroomt, +en bij wiens uitmonding in den Tiber in 479 de 306 Fabii sneuvelden. + +Cremni, Kremnoi, scythische koopstad aan den mond van den Tanaïs +(Don) in de Maeotis. + +Cremona, Kremone, romeinsche kolonie met latijnsch recht, in 219 +aan den linkeroever van den Padus (Po) aangelegd, in 190 versterkt +met 6000 nieuwe kolonisten, een van de rijkste steden van Gallia +Cisalpina. Behalve tal van prachtige gebouwen had Cr. het grootste +amphitheater van Italië. In 41 leed het door de soldaten van Antonius, +in 69 na C. werd het door die van Vespasianus verwoest. Hoewel +Vespasianus de stad herbouwde, keerde de oude welstand niet terug. + +Cremonis iugum, een berg der Alpen, thans Cramont of Grammont, tusschen +den Mont Blanc en den kleinen St. Bernard, ten Z. van Courmayeur. + +Cremutius Cordus, geschiedschrijver ten tijde van Augustus en +Tiberius, die zijne vrijmoedige taal met den dood moest boeten, +en wiens geschiedwerken verbrand werden (25 n. C.). + +Crenides, Krenides, zie Philippi. + +Creon, Kreon, 1) koning van Corinthe, vader van Creusa.--2) zoon van +Menoeceus, regeerde over Thebe van den dood van zijn zwager Laius tot +de troonsbestijging van Oedipus en wederom na den dood van Eteocles en +Polynices; z. Antigone.--3) koning van Thebe, schoonvader van Heracles, +z. Amphitryo. + +Creophylus, Kreophylos, cyclisch dichter van Samus of Chius, wordt +de vriend, leermeester of schoonzoon van Homerus genoemd. Een van +zijne nakomelingen zou de gedichten van Homerus naar Sparta gebracht +en aan Lycurgus gegeven hebben. + +Crepida, een zool met of zonder hakleder, die op den voet werd +vastgeregen. Ne sutor ultra crepidam = schoenmaker, houd u bij +uw leest. + +Crepundia (plur.), kleine stukjes kinderspeelgoed, die soms den +kinderen om den hals werden gehangen, hetzij als talisman, hetzij +als herkenningsteeken. + +Cresilas, Kresilas, uit Cydonia op Creta, een van de beroemdste +bronsgieters van de 5de eeuw. Tot zijn beroemdste werken behoorden een +stervende gewonde, een gewonde Amazone (wedstrijd tusschen Phidias, +Polycletus en Cresilas) en een portretstatue van Pericles. Van de +laatste zijn nog een paar replieken over. + +Cresphontes, Kresphontes, een van de drie zonen van Aristomachus, +den achterkleinzoon van Heracles, die de Peloponnesus heroverden; +bij de verdeeling kreeg hij Messenia, waar hij later bij een opstand +met twee van zijne zonen gedood werd. + +Cressa, Kressa, cretensische vrouw, bijnaam van Ariadne en Aërope; +Cressa bos = Pasiphaë. + +Crestonia, Krestonia, met de hoofdstad Crestone of Creston, Krestone, +Kreston, streek in Macedonia tusschen den Strymon en den Axius. + +Creta, Krete, thans Candia of Creta, het grootste der grieksche +eilanden, van havens ruim voorzien, vruchtbaar, gezond van klimaat, +was reeds vroeg (zie Cnossus en Phaestus) het middelpunt van een zeer +hoog ontwikkelde beschaving, die men tegenwoordig in een vóórgrieksch +en een achaeisch tijdperk pleegt te onderscheiden. Na het verval +der myceensche beschaving dringen de Doriërs het eiland binnen. Bij +Homerus heet Creta nog hekatompolis en vooral in de Odyssea vindt +men nog vele herinneringen aan de vroegere macht en rijkdom van het +eiland. De bevolking was zeer gemengd, doch de dorische stam had +het overwicht. De dorische bevolking vormde de heerschende kaste, de +burgers. De hypekooi, eene vrije, doch onderworpen bevolking, kwamen +overeen met de perioikoi in Laconica. Dan volgden twee klassen van +lijfeigenen: de mnoitai, lijfeigenen van den staat, en de klarotai of +aphamiotai, lijfeigenen op de goederen van particulieren. Opvoeding +der jeugd vanwege den staat en gemeenschappelijke maaltijden waren +ook op Creta wet. Na de afschaffing van het koningschap had men 10 +archonten met een senaat en een collegie van ephoren. Allengs splitste +Creta zich in verschillende republieken (de belangrijkste steden zijn +dan: Cnosus, Gortyn, Lyttus of Lyctus, Praesus, later Hierapytna, +en in het W. Cydonia), totdat Q. Caecilius Metellus Creticus 68-64 +het eiland onderwierp en als provincie inrichtte. Sedert kwam Creta, +ook zedelijk, in diep verval, zoodat de bewoners met de Capadociërs, +Ciliciërs of Cariërs onder de kappa kaka gerekend werden: Kretes aei +pseustai, kaka theria, gasteres argai. Op Creta behooren de mythen +te huis van Minos, Daedalus, den Minotaurus, den cretensischen Zeus, +wiens graf men er liet zien, e. a. Naar Creta is het krijt creta +genoemd; de cretische aarde is echter niet krijt, maar porseleinaarde. + +Creteus = Catreus. + +Cretheus, Kretheus, 1) zoon van Aeolus en Enarete, stichter van Iolcus, +vader van Aeson, Pheres, Amythaon en Hippolyte.--2) een zanger, die +Aeneas op zijne tochten vergezelde en door Turnus gedood werd.--3) +vader van Neleus. + +Cretio. Cretio hereditatis is de uitdrukkelijke verklaring, dat men +eene erfenis aanvaardt. + +Creusa, Kreousa, 1) dochter van Oceanus en Gaea, bij Peneus moeder van +Hypseus.--2) dochter van Erechtheus, echtgenoote van Xuthus, moeder van +Achaeus en Ion.--3) dochter van Priamus, gemalin van Aeneas, moeder +van Ascanius; zij zoude in den nacht, waarin Troje genomen werd, met +Aeneas vluchten, maar zij raakte in de verwarring verloren en werd door +de moeder der goden op wonderbare wijze van de aarde weggenomen.--4) +dochter van Creon, onder wiens regeering Iason en Medea te Corinthe +kwamen. Om met Creusa te trouwen erstiet Iason Medea, die zich wreekte +door aan hare mededingster een vergiftigd kleed te zenden, dat zich aan +het lichaam vasthechtte en haar onder vreeselijke pijnen deed omkomen. + +Crimissus of Crimisus, Krimissos, Krimisos, rivier in het W. van +Sicilia, zijrivier van den Hypsus, bekend door de overwinning van +Timoleon op de Carthagers in 339. + +Criobolia, zie Rhea (Cybele). + +Crisa, Krisa = Crissa. + +Crispus, (= kroeskop), rom. familienaam in verscheidene geslachten. Zie +Marcii (no. 11), Salustii, Vibii (no. 6).--Flavius Julius Crispus, +oudste zoon van Constantijn den Gr., een rijk begaafd jongeling, +zoowel in vrede als in den oorlog uitstekend, werd in 326 na C. te +Pola in Istria, op bevel zijns vaders vermoord. + +Crissa, Krissa, oude handelsstad in Phocis, met de haven Cirrha, +werd in 590 op last der Amphictyonen verwoest, daar het van de +bedevaartgangers naar Delphi tollen hief. Cirrha werd later als +havenstad van Delphi herbouwd. + +Crithote, Krithote, stad in het N. van de thracische Chersonesus, +aan den Hellespont gelegen. + +Critias, Kritias, 1) zoon van Dropides, vriend van Solon, +overgrootvader van Plato.--2) achterkleinzoon van den vorigen, +leerling van Gorgias en Socrates, verdienstelijk dichter en redenaar, +dikwijls in de werken van Plato vermeld, die een van zijne gesprekken +naar hem noemde. Aanvankelijk aanhanger der democratie, werd hij +later om onbekende redenen verbannen en kwam hij eerst na afloop +van den peloponnesischen oorlog naar Athene terug, waar hij zich als +hoofd van de dertigmannen zeer gehaat maakte door zijne gewelddadige +handelingen. Hij sneuvelde in 403 in een gevecht tegen Thrasybulus. + +Crito, Kriton, 1) leerling en vriend van Socrates, naar wien Plato +een van zijne werken noemde.--2) dichter der nieuwe comedie; één +zijner stukken is in 168/7 opgevoerd. + +Critolaus, Kritolaos, 1) van Phaselis, opvolger van Ariston als hoofd +der peripatetische school, een van de drie wijsgeeren, die in 155 door +de Atheners als gezanten naar Rome gezonden werden en die het eerst de +Rom. met grieksche welsprekendheid en wijsbegeerte bekend maakten. Hij +bleef te Rome, waar hij in hoogen ouderdom stierf.--2) strateeg van +het achaeisch verbond, heftig tegenstander der Romeinen, werd in 146 +door Metellus bij Scarphe verslagen en verdween daarna spoorloos. + +Crius, Krios, Kreios, zoon van Uranus en Gaea, een van de Titanen. + +Crobylus, krobylos, ouderwetsch kapsel der Atheners, in het bizonder +der atheensche mannen, en van eenige barbaarsche volken, overigens += Corymbus. + +Crocodilopolis, Krokodeilon polis, stad in Midden-Aegypte aan het +meer Moeris, later Arsinoë geheeten. + +Croesus, Kroisos, zoon van Alyattes, laatste koning der Lydiërs, +regeerde 560-546. Hij maakte de aziatische Grieken schatplichtig, +sloot een verbond met de grieksche eilandbewoners, en strekte zijn +rijk oostwaarts tot den Halys uit. Toen zijn zwager Astyages door +Cyrus onttroond was, verbond hij zich met de koningen van Aegypte en +Babylon tot een oorlog tegen het jonge perzische rijk, doch voordat +zijne bondgenooten hem hulp hadden kunnen zenden, trok Croesus, door +dubbelzinnige orakels misleid, over den Halys; na een onbeslisten slag +evenwel trok hij terug naar Sardes om zich beter tot den oorlog voor +te bereiden, maar Cyrus volgde hem, belegerde de stad en nam haar na +veertien dagen in. Croesus verloor zijn rijk, maar behield het leven, +naar het heette door goddelijke tusschenkomst; Cyrus behandelde hem +altijd met achting, hield hem steeds als een vriend en raadsman bij +zich en beval hem bij zijn dood ook aan Cambyses aan. De rijkdom +van Croesus is spreekwoordelijk geworden en zijne geschiedenis werd +beschouwd als een treffend voorbeeld van de onbestendigheid van het +geluk, waarop Solon hem reeds zou gewezen hebben, toen hij hem in +zijne gelukkigste dagen te Sardes bezocht. + +Crommyon, Krommyon, stad op de Corinthische landengte, aan de +Saronische golf. Hier doodde Theseus het beruchte everzwijn. + +Cromnus, Kromnos, stadje in het Z. van Arcadia, bij Megalopolis. + +Cronides, Cronion, Kronides, Kronion, Zeus, de zoon van Cronus. + +Cronium mare, het noordelijkste gedeelte van de Noordzee, ook +wel de zee ten Noorden van Schotland. De oude schrijvers bevatten +allerlei phantastische verhalen hieromtrent; volgens sommigen is ze +gestold, volgens anderen zoo drabbig, dat men er met de roeispanen +nauwelijks door kan komen. Al deze verhalen zijn een gevolg van de +ontdekkingsvaart van Pytheas van Massilia. + +Cronus, Kronos, Saturnus (z. a.), de jongste der Titanen, zonen +van Uranus en Gaea. Op aansporing zijner moeder, die verbitterd was +omdat Uranus zijne jongere zonen, de Cyclopen en Hecatonchiren, in +den Tartarus geworpen had, overviel hij zijn vader, verminkte hem met +een sikkel op gruwelijke wijze, en dwong hem van de wereldheerschappij +afstand te doen. Sedert dien tijd regeerde Cr. met de Titanen gedurende +de gouden eeuw, hij huwde zijne zuster Rhea, maar daar zijn vader hem +voorspeld had, dat ook hij eens door een zijner kinderen onttroond zou +worden, verslond hij hen terstond na hunne geboorte; alleen Zeus werd +door zijne moeder gered, terwijl Cr. in plaats van hem een grooten +in doeken gewikkelden steen verslond. Toen Zeus opgegroeid was, kwam +hij in opstand tegen zijn vader; door Gaea en Metis ondersteund, +dwong hij hem eerst de verslonden kinderen uit te braken en daarop +begon hij den oorlog, waarvan de uitslag was dat Cr. met de Titanen, +die zijne partij gekozen hadden, in den Tartarus geworpen werd. Later +kwam echter eene verzoening tusschen vader en zoon tot stand, en sedert +dien tijd heerscht Cr. op de eilanden der gelukzaligen. Te Athene +vierde men zijn feest, de Kronia, onder gebruiken, die aan den gouden +tijd moesten doen denken, z. Saturnalia.--Cr. wordt algemeen beschouwd +als een oogstgod, door sommigen als een god van den tijd. Hij wordt +afgebeeld als een oud man, met langen baard, gezeten op een troon, +met het kleed over het hoofd getrokken en een sikkel in de hand. + +Crossaea, Krossaia, streek op de grens van Chalcidice aan de golf +van Thermae. + +Croton, Kroton, thans Crotone, welvarende en machtige stad in het +land der Bruttii, tusschen 700 en 650 door Achaeërs gesticht. De +stad was beroemd door hare wetgeving, door reinheid van zeden, +door de school van Pythagoras, en door voorliefde der inwoners voor +lichaamsoefeningen. Zij was de geboorteplaats van den kampvechter +Milo. Wel leden omstreeks 550 de Crotoniaten eene zware nederlaag +door de bewoners van Locri Epizephyrii, doch Croton herstelde zich en +kon nog in 510 het verwijfde Sybaris ten val brengen. Verdeeldheid +was evenwel oorzaak, dat de grieksche steden in Zuid-Italië zich op +den duur niet konden handhaven tegen de Syracusanen aan den éénen en +de Lucaniërs aan den anderen kant.--In den tweeden punischen oorlog +maakte Hannibal Croton tot een steunpunt zijner krijgsoperatiën, +waarop de Romeinen er in 194 eene rom. kolonie van maakten. + +Crotona = Cortona. + +Crustae, 1) goud- of zilverbeslag (ciseleerwerk), dat op zilveren +of bronzen vaatwerk werd opgelegd, in tegenstelling van emblemata, +inlegwerk.--2) marmeren platen, waarmede de wanden bekleed werden. + +Crustumerium, oude latijnsche stad, reeds vroeg door de Romeinen +veroverd. Op het veroverde land werd de tribus Crustumina ingericht. + +Crux, het kruis, een paal met een dwarshout er aan. De veroordeelde +werd eerst gegeeseld, vervolgens aan touwen omhoog geheschen en dan +aan handen en voeten aan het kruis vastgenageld, waarna men hem liet +hangen tot hij gestorven was. Deze straf werd alleen toegepast op +slaven, vreemdelingen en burgers van lagen stand. + +Crypta, krypte. Hieronder moet men niet een ondergrondsche ruimte van +eenig gebouw verstaan, zooals wij onder eene crypte doen; maar een +lange gang met lichtopeningen of vensters in de muren, bij groote +hitte of slecht weder tot wandelplaats dienende. Meestal liep zulk +eene crypta om eenig groot gebouw of om eene binnenplaats heen. Zie +ook cryptoporticus. + +Cryptoporticus, overdekte gaanderij, aan ééne zijde gesloten, aan de +andere zijde open in den vorm eener kolonnade, terwijl eene crypta +ter weerszijden muren had. + +Cteatus, Kteatos, z. Actoriones. + +Ctesias, Ktesias, van Cnidus, uit het geslacht der Asclepiaden, van +404/401 tot 387/4 lijfarts aan het perzische hof, waarna hij naar zijne +vaderstad terugkeerde. Ook in 397 had hij een tijd in zijn vaderstad +vertoefd. Hij is de schrijver van verscheiden werken; zijne perzische +geschiedenis, Persika, in 23 boeken, wordt veel door oude schrijvers +gebruikt, ofschoon hem dikwijls gebrek aan waarheidsliefde verweten +wordt. Van dit werk zijn, evenals van een ander, Indika, slechts +eenige fragmenten bewaard gebleven. Ctesias is meer een op sensatie +belust romanschrijver (vandaar zijn populariteit) dan een ernstig +historicus. Zijn Indika zijn belangrijker, omdat daarin de eerste +berichten omtrent Indië, vooral de dieren- en plantenwereld, voorkomen. + +Ctesibius, Ktesibios, beroemd werktuigkundige te Alexandrië +onder Ptolemaeus Euergetes, leermeester van Hero, met wien hij +o. a. verscheiden toepassingen van luchtdruk uitvond. Hij of een +naamgenoot, die omstreeks 125 leefde, was de uitvinder van het orgel. + +Ctesiphon, Ktesiphon, z. Demosthenes. + +Ctesiphon, Ktesiphon, stad aan den Tigris, na den dood van +Alexander d. Gr. gesticht, tegenover Seleucia. Ctesiphon was lang het +winterverblijf der parthische koningen en eene sterke grensvesting. In +den keizertijd werd het bij herhaling door de Rom. veroverd, n.m. in +116 door keizer Traianus, in 165 door de legaten van Lucius Verus, +in 198 door Septimius Severus. + +Cuberni = Gugerni. + +Cubi, zie Bituriges. + +Cubiculum, klein vertrek, van een rustbed of eene slaapstede +voorzien. Men onderscheidde de cubicula in diurna en nocturna. Lezen, +studeeren, zelfs schrijven geschiedde bij de Rom. veeltijds in liggende +houding.--De latere keizers namen ook de gewoonte aan, bij de openbare +spelen niet op een podium of balkon te zitten, maar in eene soort +loge of cubiculum op een rustbed liggende de spelen gade te slaan. + +Cubitus, rom. lengtemaat = 1 1/2 rom. voet = bijna 45 centimeter. + +Cucullus, kap aan een mantel, om bij slecht weder over het hoofd +te trekken. + +Cugerni = Gugerni. + +Cularo, zie Gratianopolis. + +Culex, titel van een klein gedicht, dat op naam van Vergilius staat +en waarin de schim eener gedoode mug om eene begrafenis vraagt. + +Culleus, 1) lederen zak, waarin de parricidae genaaid en in het water +geworpen werden.--2) rom. maat voor vloeistoffen = ruim 500 liter. + +Cumae, Kyme, stad in Campania, de oudste grieksche volkplanting +in Italia, in de 8ste eeuw (737?) door de Chalcidiërs van Euboea, +met medewerking van kolonisten uit Eretria en uit Cyme (aan de +Oostkust van Euboea), waaraan de naam ontleend is, en van de Grai +(z. a.) uit Boeotië, gesticht. Vooral door toedoen van Cumae is de +grieksche beschaving in Italië doorgedrongen. Dáár hield volgens de +sage de beroemde Sibylle haar verblijf; dáár landde Aeneas en stierf +Tarquinius Superbus. Dicaearchia, later Puteoli geheeten, was de +havenstad van Cumae. In 474/3 kwam Hiero van Syracusae de stad tegen +de Etruscers te hulp, en versloeg hen in een bloedigen zeeslag. Toen +tusschen 443 en 415 de Samnieten Campania veroverden, viel ook Cumae +in hunne handen (421). De inwoners werden grootendeels als slaven +verkocht. In 338 werd de stad met Capua en andere Campaansche steden +civitas sine suffragio. Z. Praefecti Capuam Cumas. + +Cunaxa, Kounaxa, stadje in Babylonia aan den Euphraat, waarbij Cyrus +de jongere sneuvelde in den slag tegen zijn broeder Artaxerxes Mnemon +(401). + +Cuneus, wig. In den circus, het amphitheater en het theater zijn cunei +de wigvormige afdeelingen, waarin de zitplaatsen der toeschouwers +door de gangpaden verdeeld worden. In den oorlog is de cuneus eene +wigvormige slagorde, om door de gelederen van den vijand heen te +breken. De soldaten noemden ze ook wel caput porcinum, zwijnskop. Zie +verder: forceps (forfex). Later beteekent cuneus dikwijls slechts eene +kolonne, zonder dat men daarbij aan den wigvorm behoeft te denken, +ook wel een dichtgesloten vierkant. + +Cuneus, de Zuidkust van Lusitania. + +Cunobelinus, ten tijde van keizer Caligula, koning van de Trinobantes, +vader van Caratacus. + +Cupido, z. Eros. + +Cupra maritima, belangrijke zeestad in Picenum, tusschen Castrum +Firmanorum en Truentum, met een tempel van de in Picenum vereerde +godin Cupra mater = Juno. + +Cupressus. De cipres, uit Creta afkomstig, was aan Pluto geheiligd. Een +cipres, vóór een huis in den grond geplaatst, gaf te kennen, dat er +een doode was. Evenzoo plaatste men hem bij brandstapels en plantte +men hem op graven. In de tuinen werden zij dikwijls, evenals palmen, +in allerlei vormen gesnoeid. + +Cura of curatio, curateele. Deze werd uitgeoefend over krankzinnigen en +verkwisters. De curator had dan het beheer over het vermogen. Volgens +eene lex Plaetoria (z. a.) werd er ook een cura minorum ingesteld, om +jongelieden, die sui iuris geworden en de voogdij reeds ontwassen, maar +nog geen 25 jaar oud waren, in bescherming te nemen tegen aanslagen op +hunne onervarenheid. Voor zekere rechtsgeldige verrichtingen, b.v. het +voeren van een proces, was de medewerking van den curator noodig. + +Curator is in het algemeen hij, die eene cura uitoefent. Curatores +noemde men ook zekere ondergeschikte beambten, opzieners, +b.v. curatores aquarum, cloacarum, viarum, monumentorum publicorum +tuendorum, enz. Zoo was o.a. Q. Catulus curator restituendi Capitolii. + +Cures, Kyreis, oude hoofdstad der Sabijnen in het zuidelijkste gedeelte +van het Sabijnsche land, dat reeds vroeg bij Rome is ingelijfd, +geboorteplaats van Titus Tatius en Numa Pompilius. De inwoners heeten +Curenses of Curenses Sabini. De naam Quirites is dus niet van Cures +afgeleid, zooals men wel eens vermoed heeft. + +Curetes, Kouretes, 1) de oudste inwoners van Acarnanië en Aetolië, +werden in een oorlog tegen Calydon door Meleager overwonnen.--2) +z. Rhea (Cybele). + +Curia, vergaderzaal, in het bijzonder voor de vergaderingen van den +rom. senaat. De oudste was de curia Hostilia, waarvan de eerste +bouw aan Tullus Hostilius werd toegeschreven. Ze had een hooge +vooruitspringende stoep. Ze werd vergroot door Sulla, maar brandde +in 52 af bij de begrafenis van Clodius. De nieuwe Curia, door Caesar +begonnen, door Augustus voltooid en gewijd, Curia Julia geheeten, nam +een groot gedeelte van het vroegere Comitium in beslag. Verder had men +de curia Pompeia. De curia Calabra op het Capitolium (z. Capitolinus +(mons)) diende tot priesterlijk gebruik. Vóór dit gebouw hadden de +comitia curiata calata plaats. + +Curiae. Elke der drie oude rom. stamtribus, Tities, Ramnes en Luceres, +was in 10 afdeelingen verdeeld, die elk haar eigen vergaderlokaal, +curia, haar eigen sacra, en haar eigen priester, curio, hadden. Bij +de comitia curiata bracht elke curie ééne stem uit. Acht der curiae +zijn ons met name bekend: Foriensis, Rapta, Veliensis, Velitia, Titia, +Faucia, Acculeia en Tifata. De leden eener curia waren curiales. Ze +vierden twee feesten: de Fornacalia (z. a.) en de Fordicidia. + +Curiata (lex), zie Comitia Curiata. + +Curiatii, de drie albaansche gebroeders, die, volgens het bekende +poëtische verhaal, in den oorlog tusschen Alba Longa en Rome met +de drie rom. Horatii streden. In het Albaansch gebergte, aan den +weg van Albano naar Aricia, vindt men een etruscisch grafmonument, +dat langen tijd voor het graf der Horatii en Curiatii gehouden +is. Later komt deze naam ook te Rome voor. In 453 vindt men in een +overigens geheel ongeloofwaardig verhaal een consul P. Curiatius +Fistus Trigeminus vermeld, die in 451 een der tienmannen was, en in +188 een volkstribuun C. Curiatius, die de beide consuls van dat jaar +in hechtenis liet nemen. + +Curiatius Maternus, redenaar en dichter tijdens Domitianus, van wiens +geschriften echter niets meer overig is. Hij is de hoofdpersoon +in Tacitus' Dialogus de Oratoribus, in 77 n. C. ten zijnen huize +gehouden. + +Curii, een plebejisch geslacht. 1) M'. Curius Dentatus trad als +volkstribuun in 296 tegen den consul App. Claudius (later Caecus) op, +toen deze de verkiezing van een plebejer zocht tegen te gaan. Dit +verhaal is onhistorisch. In 290 was hij zelf consul, versloeg met +zijn ambtgenoot P. Cornelius Rufinus de Samnieten, en onderwierp +de Sabijnen. In 275 ten tweede male consul zijnde, bracht hij aan +koning Pyrrhus een nederlaag toe, hetzij bij Beneventum, dat toen nog +Maluentum heette, hetzij ergens in Lucania in Arusinis campis. Het +dankbare volk verkoos hem terstond ten derden male, waarop Curius de +verbonden volken van Zuid-Italië overwon. In 272 stierf hij, terwijl +hij censor was. Uit den buit, op Pyrrhus behaald, liet hij de tweede +waterleiding van Rome, de Anio vetus (zie Anio) bouwen, welk werk +eerst eenige jaren na zijn dood voltooid werd. In 290 had hij, na de +onderwerping der Sabijnen, aan het water van den lacus Velinus een +uitloop gegeven, zie Avens. Bekend is zijne eenvoudige levenswijze en +zijne weigering, van de gezanten der Samnieten geschenken aan te nemen, +onder bijvoeging, dat hij liever over rijken wilde heerschen, dan zelf +rijk zijn.--2) Q. Curius, deelgenoot van Catilina's samenzwering, +verklapte de geheimen er van aan zijne minnares Fulvia, die ze op +hare beurt aan Cicero overbracht. + +Curio, familienaam in de gens Scribonia, z. Scribonii no. 2 en 4-6. + +Curio, priester eener curia. Aan het hoofd der 30 curiones stond +een curio maximus. Deze werd reeds in de 3de eeuw in de comitia +sacerdotum gekozen. + +Curiosolites, gallisch volk in Aremorica. + +Curium, Kourion, stad aan de Zuidkust van Cyprus, bij Kaap Curias, +he Kourias akra, naar men zeide, een volkplanting der Argivers. + +Cursor, familienaam in de gens Papiria, z. Papirii no. 5-7. + +Cursus, wedrennen met twee- of vierspannen. Bij een vierspan liepen +de vier paarden naast elkander; de twee middelste waren op de gewone +wijze aangespannen; de twee buitenste trokken aan touwen, die ter +zijde van den wagen waren vastgehaakt, en werden daarom equi funales +geheeten. Zie verder de artikels auriga en circus. + +Cursus publicus, de staatspost, door keizer Augustus ingesteld. Daar +de kosten hiervan door de provinciales werden gedragen, werd dit in +latere eeuwen een drukkende finantiëele last voor de bevolking. + +Curtii. 1) Mettus of Mettius Curtius, een Sabijn, die na den +maagdenroof tegen Rome streed en op de vlucht bijna in een moeras +omkwam. Later vestigde hij zich te Rome.--2) M. Curtius, een moedig +jongeling, sprong in 362 gewapend en te paard in een kloof, die +zich te Rome op het forum had gevormd en niet te dempen was. De +godspraak had verklaard, dat het kostbaarste, wat Rome bezat, er in +moest worden geworpen. Na Curtius' zelfopoffering sloot de kloof +zich weder. De plek werd ommuurd en behield den naam van lacus +Curtius.--3) C. Curtius Philo of Chilo, consul 445, bestreed de +wetsvoorstellen van den volkstribuun C. Canuleius. Het verhaal, en de +geheele persoon is waarschijnlijk onhistorisch.--4) Q. Curtius Rufus, +rom. geschiedschrijver ten tijde van keizer Claudius. Hij schreef een +werk de rebus gestis Alexandri Magni in 10 boeken, waarvan de eerste +twee en stukken van de andere boeken verloren zijn. + +Curtius (lacus), zie Curtii no. 2 en Mundus. + +Curubis, stad aan de Oostkust van Africa (Zeugitana), ten Z. van Clupea +(Aspis). + +Curulis (magistratus en sella). Curulische overheden te Rome waren +zij, die het recht hadden in het openbaar een sella curulis als +zetel te bezigen, n.l. een tabouret met ivoren onderstel en over +elkaar gekruiste pooten, zooals onder het koningschap de koning +bezigde. Zulk een curulischen zetel hadden de consuls, de praetoren, +de censoren, omdat deze, ieder voor zijn deel, de erfgenamen waren der +koninklijke macht; verder de interrex, de dictator en zijn magister +equitum, terwijl ook aan de curulische aedilen deze onderscheiding was +verleend. Ook de tijdelijk ingestelde decemviri legibus scribundis +en tribuni militum consulari potestate waren curulische overheden, +derhalve alle magistratus maiores en de aediles curules. Bij de sella +curulis behoorde ook de purpergerande toga, toga praetexta. + +Custodia libera, vrijwillige hechtenis in het huis van een of anderen +aanzienlijken burger, als waarborg, dat de beschuldigde niet zou +trachten te ontvluchten. Onder de keizers vindt men de custodia +militaris, waarbij de beschuldigde onder de bewaking van één of twee +soldaten staat, doch zich overigens met dezen vrij mocht bewegen. In +custodia militari bevond zich o.a. de apostel Paulus, toen hij te +Rome gevangen zat. + +Cutiliae, oude sabijnsche stad, aan een meertje gelegen. De eigenlijke +stad was reeds vroeg verdwenen, doch dicht bij het meer, aan welks +water geneeskracht werd toegeschreven, vormde zich eene badplaats +Cutiliae of aquae Cutiliae. In het meer lag een drijvend eilandje, +dat men voor den umbilicus Italiae hield. In de nabijheid lag de villa, +waar Vespasianus stierf. + +Cyaneae insulae, Kyaneia nesoi, twee drijvende rotsen in zee aan den +thracischen Bosporus (straat v. Constantinopel). Door de felle branding +sloegen deze rotsen voortdurend tegen elkander en verbrijzelden alles +wat er tusschen kwam. De Argonauten lieten eene duif er tusschen +door vliegen, en toen deze het er levend had afgebracht, stonden +de rotsen plotseling voorgoed stil. Zij werden ook Symplegades, +Symplegades, genoemd. + +Cyathus, kyathos, 1) een lepel, waarmede wijn uit het mengvat in de +bekers geschept werd.--2) als maat bij Grieken en Rom. het 72ste deel +van een chous of congius, het 192ste van een hekteus of modius. + +Cyaxares, Kyaxares, zoon en opvolger van Phraortes, koning van Medië +(625-585). Den oorlog tegen Assyrië, dien hij als bondgenoot van +Nabopolassar voerde, moest hij ten gevolge van een inval der Scythen +staken; toen hij hen na een verblijf van 15 (v. a. 28) jaar uit Azië +verdreven had, werd Niniveh omstreeks 606 veroverd en het assyrische +rijk vernietigd, z. Alyattes. + +Cybebe, Cybele, Kybebe, Kybele, z. Rhea. + +Cybistra, ta Kybistra, oude stad in Cataonia aan den noordelijken +voet van den Taurus, aan de zijde van Lycaonia; in den keizertijd +behoort de stad tot Cappadocia. + +Cychreus, Kychreus, zoon van Poseidon en Salamis, dochter van +Asopus. Hij bevrijdde het eiland Salamis van een draak, die het +onbewoonbaar maakte, stichtte er een volkplanting, en regeerde er +tot zijn dood; daar hij geene kinderen had, liet hij de regeering +aan Telamon na. + +Cyclades, Kyklades, de eilandengroep, die het heilige eilandje Delus +omringde voor zoover de eilanden door Ioniërs bewoond waren. Het +waren: Andrus, Tenus, Myconus, Syrus, Ceos, Cythnus, Siphnus, Naxus, +Parus. De ouden namen er 12 aan, doch omtrent de hier ontbrekende is +men het niet eens. + +Cyclici, Kyklikoi, een groep epische dichters, navolgers van Homerus, +die echter meer dan deze een mythus of kring van mythen in zijn +geheel ter behandeling namen; bij voorkeur sloten zij zich, ook wat +den inhoud hunner werken betreft, bij Homerus aan. De eerste cyclici +leefden omstreeks het begin der 8ste eeuw. + +Cyclopes, Kyklopes, drie zonen van Uranus en Gaea, die door hun +vader en later weder door Cronus in den Tartarus werden geworpen, +maar door Zeus bevrijd werden, hem hielpen in den strijd tegen de +Titanen en den bliksem voor hem smeedden; Apollo doodde hen in zijn +toorn, toen Asclepius door Zeus met den bliksem gedood was. Als smeden +noemde men hen later dienaren van Hephaestus, waarvan echter meer +dan drie waren; hun werkplaats was in den Aetna of op het eiland +Lipara, waar zij niet alleen den bliksem, maar ook wapenen voor +goden en helden vervaardigden. Ook sommige zeer oude bouwwerken, +samengesteld uit reusachtige steenklompen, waarvan de bewerking meer +dan menschelijke kracht scheen vereischt te hebben (cyclopische muren), +worden aan Cyclopen toegeschreven, die met Proetus uit Lycië naar +Argolis gekomen zouden zijn.--Bij Homerus zijn de Cyclopen een volk +van wilden en menscheneters, zij kennen recht, wet, noch godsdienst en +houden zich alleen met veeteelt bezig, terwijl zij zelfs met elkander +geen verkeer hebben; hun vruchtbaar land brengt zonder handenarbeid +alles voort wat zij noodig hebben.--De Cyclopen worden voorgesteld +als geweldige reuzen met één oog in het midden van het voorhoofd. + +Cycnus, Kyknos, 1) zoon van Apollo en Thyria of Hyria, leefde als +jager tusschen Pleuron en Calydon. In weerwil van zijne buitengewone +schoonheid, verlieten hem al zijne vrienden om zijne terugstootende +manieren; alleen Phylius bleef hem getrouw en bewees hem allerlei +diensten. Eindelijk verloor echter ook deze het geduld en weigerde +een stier over te geven, dien hij op last van Cycnus gevangen had, +waarop deze zich in drift van een rots stortte; Apollo veranderde hem +echter gedurende den val in een zwaan. Zijne moeder weende zoo om zijn +verlies, dat zij wegkwijnde en in het meer Hyria veranderde.--2) zoon +van Poseidon en Calyce, door zijne moeder te vondeling gelegd, maar +door visschers gevonden en opgevoed; toen hij volwassen was, maakte +Poseidon hem koning van Colonae in Troas. Zijne beide kinderen, Tenes +en Hemithea, liet hij, op valsche aanklachten van hun stiefmoeder, +in een kist in zee werpen; zij landden op Tenedus, waar Tenes +koning werd. Later zag Cycnus zijn ongelijk in en kwam hij zijn zoon +terughalen; beiden kwamen den Trojanen te hulp toen de Grieken landden, +en reeds dadelijk geraakten zij in strijd met Achilles, die aan Cycnus, +daar hij onkwetsbaar was, een hevigen slag op het hoofd gaf, die hem +in onmacht deed vallen, waarop hij hem met den riem van zijn eigen +helm wurgde. Poseidon veranderde hem in een zwaan.--3) zoon van Ares +en Pelopea, een wreede reus, die bij Iton in Thessalië woonde en alle +reizigers aanviel om van hunne schedels een tempel voor zijn vader te +bouwen. Hij werd door Heracles gedood.--4) zoon van Ares en Pyrene, +eveneens een geweldige reus, die door Heracles gedood werd, ofschoon +Ares zelf hem bijstond; ook van hem zeide men dat hij in een zwaan +veranderd was. De strijd tusschen Ares en Heracles was zoo hevig, +dat Zeus hen door den bliksem scheiden moest.--5) zoon van Sthenelus, +koning der Liguriërs, die den dood van zijn vriend Phaëthon zoo hevig +betreurde, dat Apollo hem uit medelijden in een zwaan veranderde en +onder de sterren plaatste. + +Cydippe, Kydippe, z. Acontius. + +Cydnus, Kydnos, ijskoude rivier in Cilicia, die door de stad Tarsus +stroomt en waar Alexander de Groote zich eene ernstige ziekte op den +hals haalde. + +Cydonia, Kydonia, thans Canea, oude, machtige stad op de N.W. kust +van Creta, het middelpunt van den voor-griekschen stam der Cydones, +Kydones. De inwoners waren uitstekende boogschutters. Cydonia mala += kweeperen. + +Cylipenus, bij vroege schrijvers de naam van de Oostzee. + +Cyllene, Kyllene, ook mons Cyllenius, op de grenzen van Achaia en +Arcadia, de hoogste berg der Peloponnesus, geboorteplek van Hermes +of Mercurius, die er een tempel had en dikwijls door de dichters +Cyllenius wordt genoemd.--Ook eene havenstad in het N. van Elis. + +Cyllenius, Kyllenios, bijnaam van Hermes, z. Cyllene. + +Cylon, Kylon, 1) atheensch eupatride, overwinnaar in de olympische +spelen (640), schoonzoon van Theagenes, den tyran van Megara. Hij +trachtte zich van de alleenheerschappij meester te maken en bezette, +door een dubbelzinnig orakel misleid, de acropolis (612), doch kon zich +niet staande houden en werd door gebrek aan levensmiddelen gedwongen te +vluchten. Zijne aanhangers werden, hoewel hun lijfsbehoud toegezegd +was, verraderlijk vermoord, z. Alcmaeonidae.--2) van Croton, een +aanzienlijk man, die aan het hoofd der volkspartij de aristocratische +regeering en de aanhangers van Pythagoras (z. a.) verdreef. + +Cymbalum, kymbalon, muziekinstrument ongeveer gelijk aan onze bekkens, +in gebruik bij de feesten van Bacchus en Cybele. + +Cyme, Kyme, 1) bijgenaamd he Aiolike (in onderscheiding van het +Italiaansche Cumae) of he Phrikonis, beroemde aeolische havenstad op +de aziatische kust, geboorteplaats van Ephorus. Hier overwinterde de +vloot van Xerxes na diens terugkeer uit Griekenland. In 17 na C. leed +het zwaar door eene aardbeving. Van de Cymaeërs deden in Griekenland +allerlei dwaasheden de ronde.--2) stad aan de Oostkust van Euboea, +z. Cumae. + +Cynegirus, Kynegeiros, v. s. een broeder van Aeschylus. Toen hij na +den slag bij Marathon een van de vertrekkende perzische schepen met +de handen wilde terughouden, werd hem de arm afgehouwen, ten gevolge +waarvan hij stierf. + +Cynaetha, Kynaitha, stad in het N. van Arcadia, met een ruw slag +van inwoners. + +Cynaethus, Kynaithos, beroemd rhapsode van Chius, zoude omstreeks 500 +de gedichten van Homerus op Sicilië bekend gemaakt hebben; v. s. was +hij de dichter van een der zoogenaamde homerische hymnen. + +Cynesii, Kynesioi, Kynetes, een volk in het W., bij Herodotus vermeld, +waarschijnlijk Iberiërs. + +Cynici, Kynes, Kynikoi, heetten de wijsgeeren uit de school van +Antisthenes; waarschijnlijk is de naam afgeleid van het gymnasium +Cynosarges, waar Antisthenes, als niet volbloed Athener, onderwijs +geven moest; tevens vond men echter er in eene toespeling op het leven +der Cynici, dat door hun overdreven onthouding van genot en beperking +van behoeften naar veler oordeel iets dierlijks had. In later tijd +treden ze vooral op als boetpredikers. Ze hebben samen met de Stoici, +die meer voor de hoogere standen werkten, een enormen invloed geoefend +op het moderne denken. + +Cynosarges, Kynosarges, een worstelperk voor onechte kinderen, +buiten Athene gelegen, aan de Zuidkant, en aan Heracles gewijd. Hier +onderwees Antisthenes (± 400) zijne wijsbegeerte, welke naar deze +plaats de cynische is genoemd. + +Cynoscephalae, Kynos kephalai, naam van twee heuvels in het +Z.O. van Thessalia, bij Scotussa, die van verre gezien op hondskoppen +gelijken. Hier behaalde T. Quinctius Flamininus in 197 de overwinning +op Philippus van Macedonia. + +Cynossema, Kynos sema, kaap van de thracische Chersonesus, daar waar +de Hellespont het nauwst is, ten Z. van Madytus, met het graf der in +een hond veranderde Hecuba. + +Cynosura, Kynosoura, 1) voorgebergte in Attica, dat de baai van +Marathon in het O. afsluit.--2) smalle landtong aan de Oostkust van +Salamis, waar het zegeteeken van den grooten zeeslag van 480 opgericht +werd.--3) het zuidwestelijke deel van de stad Sparta.--4) eene nimf van +het gebergte Ida, voedster van Zeus, die onder de sterren verplaatst +werd, v. s. de Kleine Beer. + +Cynthia, de pseudonym voor de geliefde van Propertius (z. a.); in +werkelijkheid heette ze Hostia. + +Cynthius, -a, Kynthios, -thia, Apollo en Artemis, naar den berg +Cynthus, hun geboorteplaats. + +Cynthus, Kynthos, kale berg op het eil. Delus, z. a. + +Cynuria, Kynouria, distrikt ten O. van den Parnon, tusschen Argolis +en Laconica, een twistappel tusschen beide staten, tot het eindelijk +omstreeks 540 door de Spartanen voor goed aan de Argoliërs ontrukt +werd. Onder Philippus van Macedonia werd het weder met Argos vereenigd +(338). Naar de stad Thyrea wordt het landschap ook Thyreatis geheeten. + +Cynus, Kynos, stad der opuntische Locriërs aan de Euboeïsche zeeëngte. + +Cyparissia, Kyparissia, de cipressenstad, op de W.-kust van Messenia +aan de Cyparissische golf. + +Cyparissus, Kyparissos, 1) zoon van Telephus, die van verdriet +verkwijnde omdat hij bij ongeluk een geliefkoosd hert had gedood, dat +hem door Apollo geschonken was; hij werd in een cipres veranderd.--2) +stadje in Phocis bij Delphi. + +Cypria, Cypris, Kypria, Kypris, Aphrodite, zoo genoemd naar het eiland +Cyprus, den hoofdzetel van haar eeredienst. + +Cyprianus (Thascius Caecilius), vroeger heidensch rhetor, later +christen en bisschop van Carthago, onderging in 258 na C. onder de +regeering van keizer Valerianus met grooten moed den marteldood. Hij +heeft verscheidene godsdienstige geschriften nagelaten. Vele +werken echter, die op zijn naam staan, zijn van oudere of jongere +tijdgenooten. + +Cyprus, Kypros, voornaam grieksch eiland in den oosthoek der +Middellandsche zee. Reeds vroeg zijn de oudste bewoners door +Phoeniciërs teruggedrongen; na den trojaanschen oorlog kwamen +er grieksche volkplanters, en sedert dien tijd vindt men de oude +bevolking slechts in Amathus aan de Z. kust, de Phoeniciërs in het +nabij gelegen Cition; de andere steden zijn grieksch. Omstreeks 560 +werd Cyprus door Aegypte onderworpen en werd vervolgens met Aegypte +perzisch. Het heeft toen verscheidene malen gepoogd, zich zelfstandig +te maken. In 499 sloot het zich bij den ionischen opstand aan, maar +werd spoedig weer onderworpen. Onder atheensche hegemonie was het +eiland vrij van 478-449. Ook koning Euagoras van Salamis (z. a.) wist +het eiland een tijdlang vrij te houden van de Perzen. In de 4e eeuw +is het geheel vergriekscht. Na den val van het perzische rijk werd +het macedonisch, kwam toen onder een zijtak der Ptolemaeën en werd +in 58 rom. provincie. Het eiland was rijk aan koper (aes Cyprium) +en aan timmerhout. De scheepsbouw werd er zoo veelvuldig uitgeoefend, +dat dichterlijk trabs Cypria voor schip gebezigd wordt. Het eiland was +zeer vruchtbaar. De ouden vergeleken den vorm van het eiland met dien +eener ossenhuid en noemden de N.O.-punt boos oura, ossestaart. Cyprus +was de hoofdzetel der Aphrodite- of Venusvereering; vandaar dat Venus +dikwerf Cypria wordt geheeten. De voornaamste steden zijn: Salamis, +Paphus, Soli, en de hierboven genoemde: Amathus en Cition. + +Cypsela, ta Kypsela, 1) versterkte stad in Thracia aan den Hebrus +(Maritza) en aan de via Egnatia.--2) vesting in Parrhasia, in het +Z. van Arcadia. + +Cypselus, Kypselos, 1) koning van Arcadië ten tijde van de terugkomst +der Heracliden; hij behield zijn rijk door zijne dochter Merope aan +Cresphontes tot vrouw te geven.--2) zoon van Eëtion en Labda, van +moederszijde verwant met de Bacchiaden. Daar dezen hem reeds als kind +trachtten te dooden, omdat hij hun volgens een orakel de heerschappij +over Corinthe zoude ontnemen, verborg zijne moeder hem in een kist +(kypsele), die later te Delphi gewijd werd en nog in de 2e eeuw na +C. daar te zien was. Toen hij volwassen was, werd het orakel vervuld; +hij stelde zich aan het hoofd der volkspartij, verjoeg de Bacchiaden, +en regeerde sedert gelukkig en zacht (657-627), bevorderde handel en +verkeer, en liet de stad met vele kunstwerken verfraaien. Zijn zoon +Periander volgde hem op. + +Cyrenaica, Kyrenaïke, klein, maar bloeiend landschap op de N.-kust +van Afrika (thans plateau van Barca). Naar de vijf grieksche steden: +Cyrene en de bijbehoorende havenstad Apollonia, Barca, later haar +havenstad Ptolemaïs, Tauchira of Arsinoë, en Hesperis of Berenice +werd het staatje ook Pentapolis Cyrenaïca genoemd. Het land was +rijk aan water en hierdoor zeer vruchtbaar. In 322 kwam het onder de +Ptolemaeën. De laatste heerscher uit dit vorstenhuis, Ptolemaeus Apion, +vermaakte in 95 zijn land aan de Rom., die het later met Creta tot ééne +provincie vereenigden. Onder Traianus kwamen de in Cyr. gevestigde +Joden in opstand, waardoor het land grootendeels ontvolkt werd, +daar er op de Rom. en Cyrenaïkers een algemeene moord werd gepleegd. + +Cyrene, Kyrene, dochter van Hypseus of Peneus, beminde van Apollo, +die haar uit Thessalië naar Libye wegvoerde, waar hij haar naam aan +de stad Cyrene gaf; zij was de moeder van Aristaeus. + +Cyrene, Kyrene, hoofdstad van Cyrenaïca, in een heerlijk oord gelegen, +gesticht door Battus van het eiland Thera (631), wiens afstammelingen, +de Battiaden, tot 450 over de stad heerschten, zie Battus. Cyrene was +beroemd door zijne artsen. Het was de uitvoerhaven van het kostbare +silphium (silphion), dat als kruiderij en als geneesmiddel gebruikt +werd. Cyrene was de geboorteplaats o.a. van den wijsgeer Aristippus, +den aardrijkskundige Eratosthenes, den dichter Callimachus. + +Cyrenius, Kyrenios = P. Sulpicius Quirinius (z. Sulpicii no. 21). + +Cyreschata, ta Kyreschata, in Sogdiana, de uiterste grensvesting van +Cyrus' gebied aan den Jaxartes, door Alexander d. G. verwoest. + +Cyrnus, Kyrnos = Corsica. + +Cyropolis, Kyroupolis = Cyreschata. + +Cyrrhestice, Kyrrestike, landschap in het N. van Syria, tusschen het +Amanusgebergte en den Euphraat, ten Z. van Commagene. Het droeg zijn +naam naar de stad Cyrrhus. + +Cyrrhus, Kyrros, 1) stad in Cyrrhestice.--2) stad in het macedonische +gewest Emathia tusschen den Axius (Vardar) en den Haliacmon +(Vistritza), ten N. van Pella. + +Cyrus, Kyros, 1) de stichter van het perzische rijk, zoon van Cambyses, +die als aan Medië onderhoorig vorst over Perzië regeerde, en Mandane, +de dochter van Astyages. Naar aanleiding van onheilspellende droomen +gaf zijn grootvader bij zijne geboorte aan Harpagus bevel het kind +te dooden; door toeval werd hij echter gespaard, op lateren leeftijd +herkend en aan zijne ouders teruggegeven. Maar Harpagus, die door +Astyages op wreede wijze voor zijne ongehoorzaamheid gestraft was, +spoorde Cyrus, nadat deze zijn vader was opgevolgd, tot opstand aan, +en door een enkelen slag, waarin Harpagus met een groot deel van het +leger tot hem overliep, bracht hij de heerschappij van de Mediërs op +de Perzen over (550). Hij breidde zijn rijk uit door de verovering van +Lydië (z. Croesus) en liet de grieksche steden van Klein-Azië door zijn +veldheeren Mazares en Harpagus onderwerpen, hij voerde ook oorlog tegen +Babylonië en nam de hoofdstad in door den Euphraat uit zijne bedding +af te leiden (538); den Joden gaf hij verlof naar hun land terug te +keeren. Hij sneuvelde in een slag tegen de Massageten (z. Oxus), die +hij aanvankelijk door list overwonnen had (529). Niet minder groot dan +als veroveraar was C. als koning; ook de veroverde landen behandelde +hij met zachtheid en met zorg voor hunne afzonderlijke belangen; door +verstandige maatregelen wist hij de eenheid van zijn uitgestrekt rijk +te bewerken.--V. a. was Cyrus niet met Astyages verwant, maar nam hij +als overwinnaar diens dochter Amytis tot vrouw; ook zou hij in den +oorlog tegen de Derbices (evenals de Massageten een scythisch volk) +gestorven zijn aan de gevolgen van een val van zijn olifant.--Verdicht +is het verhaal dat Cyrus zonder omwenteling, als opvolger van zijn oom +Cyaxares, den zoon en opvolger van Astyages, de regeering verkregen +zou hebben.--2) de jongere, tweede zoon van Darius Nothus, satraap +van Lydië, Phrygië en Cappadocië, ondersteunde Lysander krachtig +met geld in den oorlog tegen de Atheners, waarvoor hij later door +de Spartanen in zijne onderneming geholpen werd. Zijne moeder had +getracht hem, met voorbijgaan van zijn ouderen broeder Artaxerxes, +tot troonopvolger te doen benoemen, op grond dat hij geboren was +nadat zijn vader de regeering aanvaard had; dit mislukte echter, en +Artaxerxes, die hem niet vertrouwde en bovendien gehoor gaf aan de +inblazingen van Tissaphernes, nam hem spoedig na den dood van Darius +gevangen en veroordeelde hem ter dood, doch liet hem op voorspraak +zijner moeder weder vrij. Verbitterd door deze behandeling, vormde +Cyrus het plan zijn broeder te onttronen. Hij trachtte zich overal +vrienden en bondgenooten te verwerven, versterkte zijne krijgsmacht, +terwijl hij voor den schijn Tissaphernes beoorloogde, en nam troepen +grieksche huurlingen, te zamen ongeveer 13000, in dienst, die hij +hier en daar liet bezig houden totdat hij hen zoude noodig hebben. In +401 verzamelde hij zijn leger te Sardes en trok hij, de Grieken over +het doel van zijn tocht misleidende, eerst naar Cilicië, vervolgens +over den Euphraat tot Cunaxa, waar hij het veel sterkere leger van +zijn broeder ontmoette. Door de overwinning der Grieken, die op den +rechtervleugel stonden, scheen de slag reeds ten voordeele van Cyrus +beslist te zijn, toen hij, in drift op Artaxerxes toesnellende, door +een van de begeleiders des konings gedood werd.--De Grieken volbrachten +hun terugtocht, eerst onder Clearchus, later onder Xenophon, te midden +van moeilijkheden van allerlei aard. + +Cyrus, Kyros, rivier, die op den mons Moschicus op de N. grenzen +van Armenia ontspringt, door de caucasische landschappen Iberia en +Albania stroomt en, door een zijarm met den Araxes vereenigd, zich +in de Caspische zee ontlast. + +Cyssus, Kyssous, haven van Erythrae op de ionisch-aziatische kust. + +Cytaeïs, Kytaïke, Medea, naar de stad Cytaea in Colchis. + +Cytaea, Kytaia, stad in Colchis aan den Phasis. + +Cythera, Cytherea, Cythereis, Cytheria, Kythere, Kythereia, Kythereis, +Kytheria, Aphrodite, zoo genoemd naar het eiland Cythera, waar zij +hoog vereerd werd. + +Cythera, ta Kythera, thans Cerigo, eiland ten Z. van Laconica met de +gelijknamige stad en de haven Scandea, en met een beroemden tempel van +Aphrodite of Venus, die dan ook dikwijls Cytherea genoemd wordt. Het +eiland was eerst in het bezit van Phoeniciërs, vervolgens kwam het +achtereenvolgens in handen der Argiven, Spartanen en Atheners. Door +zijne ligging was het tegenover Sparta een strategisch punt van +groot gewicht. + +Cynthus, Kythnos, eiland van de Cycladengroep, met warme bronnen, +ten Z. van Ceos gelegen. Het was bewoond door Dryopes. + +Cytinium, Kytinion, een van de vier steden der dorische tetrapolis +(Cytinium, Boeum, Erineus, Acypha of Pindus). + +Cytissorus, Kytissoros, zoon van Phrixus en Chalciope. Toen Athamas +na de vlucht van Phrixus geofferd zou worden, waarschijnlijk ter +verzoening van de bloedschuld, die hij door den dood van dezen op +zich meende geladen te hebben, kwam Cyt. met het bericht dat Phrixus +nog leefde en belette daardoor dat het offer plaats had. Daardoor +rustte op hem de toorn van Zeus Laphystius, en werd bepaald dat de +oudste van zijn geslacht altijd aan dien god geofferd zoude worden, +welke straf later alleen toegepast werd op hen, die betrapt werden op +de poging om het prytaneum te betreden. Deden zij geene poging hiertoe +of gelukte het hun onbemerkt binnen te komen, dan waren zij behouden. + +Cytorus, Kytoros, oude stad aan de kust van Paphlagonia, stapelplaats +van Sinope. Het lag op of aan een berg van denzelfden naam, die rijk +aan buks- of palmboomen was. + +Cyzicus, Kyzikos, bloeiende milesische kolonie op de zuidkust der +Propontis (zee van Marmara), op den hals van het schiereiland +Arctonnesus (= bereneiland), gesticht 756. Aan weerszijden der +landengte had de stad uitstekende havens, door eene doorgraving met +elkander verbonden. Tot het gebied der stad behoorde ook het versterkte +eiland Proconnesus (= reeëneiland), dat een gezocht, zwart en wit +gevlamd, marmer opleverde, waarnaar het in de middeleeuwen Marmara werd +genoemd. Hier versloeg Alcibiades in 410 de Spartanen te land en ter +zee, waarbij Mindarus sneuvelde. De groote bloei van Cyzicus dagteekent +van het verval van Miletus en Athene. Toen de vrede van Antalcidas +(387) de aziatische Grieken aan Perzië had prijsgegeven, gelukte het +den Cyziceners in 365, de perzische bezetting te verdrijven. Later +kwam de stad onder Macedonia, vervolgens bij Pergamus en ten slotte +onder Rome. Uit trouw aan de Rom. doorstond zij in 75 een zwaar beleg +van den pontischen koning Mithradates, en werd zij tot belooning door +L. Lucullus tot eene civitas libera verheven. Onder keizer Nero ging +deze vrijheid te loor, wegens mishandeling van rom. burgers. De gouden +munten der stad, kyzikenoi, waren alom in de handelswereld bekend +en gangbaar. Ook de cyziceensche balsem, uit het sap der irisplant +bereid, unguentum Cyzicenum of irinum, myron kyzikenon, was beroemd. + + + + + + +D. + + +Daae of Dahae, Daai, scythisch volk ten O. der Caspische zee. Zij +deden als ruiters dienst in de legers der Perzen, van Alexander +d. G. en van Antiochus III van Syria. + +Dacia, Dakia, thans Zevenbergen en Rumenië, rijk aan granen, hout en +metalen, werd bewoond door een krijgshaftig thracisch volk (de Daci), +dat voortdurend de rom. grenzen bestookte. Zie ook Getae. Domitianus +kocht van hun koning Decebalus den vrede voor eene jaarlijksche +schatting; Traianus echter onderwierp het land in twee oorlogen +101-102 en 105-107 n. C. De verschillende gebeurtenissen uit deze +oorlogen zijn op de Columna Traiani in beeld gebracht. Traianus +bracht vele kolonisten naar Dacia over, vooral om de goudmijnen te +bewerken. Aurelianus liet het weder varen (270), terwijl de Gothen er +bezit van namen. De rom. bewoners werden toen naar den zuidelijken +oever van den Donau overgebracht, waar uit een stuk van Moesia eene +nieuwe provincie Dacia Aureliani werd gevormd; later komt deze voor +onder den naam Dacia ripensis, terwijl in het binnenland een nieuwe +provincie Dacia mediterranea werd ingericht, hoofdstad Serdica +(tgw. Sophia). + +Dactyli Idaei, Daktyloi Idaioi, zeer oude daemonen, die op den berg +Ida in Phrygië of op Creta woonden en de eerste bewerkers van metalen +waren; in Griekenland gelden zij als priesters van Rhea Cybele en +worden zij steeds met de Curetes en Corybantes te zamen genoemd, +dikwijls niet van hen onderscheiden. Een van hen zou de stichter der +olympische spelen zijn. + +Dadicae, Dadikai, volksstam op de grenzen van Sogdiane. + +Daduchus, Dadouchos, fakkeldrager, vooral eene voorname betrekking +bij de eleusinische mysteriën, erfelijk in het geslacht van Callias +en Hipponicus, het geslacht der Kerykes. + +Daedala, ta Daidala, stad en berg op de grenzen van Lycia en Caria. Ook +eene stad ergens in India. + +Daedala, Daidala, feest ter eere van Zeus en Hera, in Boeotië +gevierd. Bij de kleine Daedala, die waarschijnlijk eens om de vier +jaar te Plataeae plaats hadden, werd een eik omgehouwen en daaruit +een beeld van Hera vervaardigd; bij de groote, die slechts eens om de +zestig jaar gevierd werden, waren dus veertien van die beelden gereed, +die door vertegenwoordigers van de veertien bondssteden naar den +Cithaeron gebracht werden; daar werd een stier en een koe geofferd, +en de beelden verbrand op een houten altaar, dat mede verbrandde. + +Daedalion, Daidalion, zoon van Hesperus en Philonis, stortte zich +van verdriet over den dood zijner dochter Chione van den Parnassus +en werd in een havik veranderd. + +Daedalus, Daidalos, 1) zoon van Metion of Palamaon, achterkleinzoon +van Erechtheus, beroemd beeldhouwer en bouwmeester en uitvinder van +een groot aantal werktuigen; hij was de eerste die beelden maakte, +waarvan de oogen open waren en de beenen van elkander stonden, +zoodat men zeide dat hij zelfs wandelende beelden maken konde. Uit +naijver doodde hij zijn neef en bekwamen leerling Talos, waarvoor hij +door den Areopagus ter dood veroordeeld werd ; hij redde zich echter +door de vlucht en ging naar Creta, waar hij door Minos goed ontvangen +werd. Onder de kunstwerken, die hij hier maakte, behoort het beroemde +labyrinth, dat tot gevangenis van den Minotaurus diende. Daar Minos +echter vermoedde, dat hij aan Ariadne den draad gegeven had, waarmede +Theseus zich uit het labyrinth gered had, liet hij Daedalus zelf met +zijn zoon Icarus in dien doolhof opsluiten; beiden ontsnapten echter +door middel van vleugels, welke Daedalus gemaakt had uit veeren met +was aan elkander verbonden. Icarus vloog te hoog op en kwam zoo dicht +bij de zon, dat het was smolt en hij in de naar hem genoemde Icarische +zee stortte; Daedalus kwam echter behouden bij Cumae in Italië aan, +waar hij een tempel voor Apollo stichtte. Daarop begaf hij zich naar +Sicilië, waar Cocalus (z.a.) hem gastvrij ontving en waar hij o.a. eene +onneembare vesting bij Agrigentum en een tempel voor Aphrodite op den +Eryx bouwde.--Ook in andere landen zag men later in merkwaardige oude +kunstwerken sporen van een bezoek van D.--2) sicyonisch beeldhouwer +omstreeks 400. + +Daemon, Daimon, oorspronkelijk de naam dien men aan de goden gaf, +wanneer men dacht aan den goeden of slechten invloed dien zij op het +menschelijk leven uitoefenden. Later beschouwde men hen als wezens, +die tusschen heroën en goden in stonden, afgestorvenen uit de gouden +eeuw, die over het welzijn der menschen waakten, hun de gaven der +goden brachten en omgekeerd hunne gebeden ten hemel droegen. Maar +tegenover deze beschermgeesten (agathodaimones) stonden ook kwelgeesten +(alastores), die de menschen tot kwaad verleiden en in het ongeluk +storten. Door Socrates vond het geloof ingang, dat ieder mensch zijn +eigen daemon heeft, die hem gedurende zijn geheele leven beschermt, +en eindelijk kende men aan ieder mensch een goeden en een kwaden +daemon toe.--De Joden en Christenen gaven den naam daemon weder als +in de oudste tijden aan alle heidensche goden, maar verklaarden hen +allen voor booze daemonen of duivels. + +Dahae = Daae. + +Daia, romeinsch keizer 305-313 n. C., zie Maximinus (Galerius +Valerius). + +Dalmatae, zie Dalmatia. + +Dalmatia, Dalmatia, in ruimen zin, omvatte het kustland ten O. der +Adriatische zee, van Histria af tot aan den Drilon, de grens van +Illyris Graeca. De naam is door de Romeinen aan dit gewest gegeven +naar de hieronder genoemde Dalmaten, met wie ze lang oorlog gevoerd +hebben. Het werd ook Illyria Barbara genoemd, en nog in twee kustlanden +onderscheiden: Liburnia, het noordelijk deel, van Histria tot aan den +Titius, en Dalmatia in engeren zin, tusschen de rivieren Titius en +Drilon. De bevolking van dit kustland leefde van jacht, visscherij, +veeteelt en ook van zeeroof. Dientengevolge kwamen zij bij herhaling +met de Rom. in botsing. De eerste illyrische oorlog had plaats 229-228 +tegen koningin Teuta, de tweede in 219 tegen Demetrius van Pharus. In +168 werd koning Gentius, omdat hij met Perseus van Macedonia een +bondgenootschap had gesloten, door den praetor L. Anicius in een +dertigdaagschen veldtocht verslagen en gevangen genomen, en zijn +rijk in drie cijnsplichtige distrikten verdeeld. Doch reeds vóór +Gentius hadden zich een aantal stammen losgerukt van het illyrische +rijk en onder den naam Dalmaten, Dalmatae, eene republiek gesticht +met Delminium tot hoofdstad. In 156 versloegen deze Dalmaten den +rom. consul C. Marcius Figulus (Marcii no. 12), doch zij werden in 155 +onderworpen door P. Cornelius Scipio Nasica (Cornelii no. 20), doordat +hij hun hoofdstad innam. In 117 werden zij andermaal onderworpen door +L. Caecilius Metellus, die den naam Dalmaticus verwierf (Caecilii +no. 12). Bij herhaling stonden de Dalmatiërs weder op, in 78, 50-47, +16 en 11, en 6-9 na C. (opstand van Bato). + +Dalmatius, stiefbroeder van Constantijn den Gr. Ook zijn zoon droeg +denzelfden naam. Na Constantijns dood verloor deze laatste, aan wien +Constantijn de Groote een deel van het rijk toegedacht had, in een +soldatenoproer het leven, zie Constantius II. + +Dalminium of Delminium, hoofdstad van de dalmatische republiek. + +Damalis, Damalis of he Bous, kaap en vlek in Bithynia aan den +thracischen Bosporus, op de plaats waar Io, in een koe veranderd, +de zeeëngte overzwom. Vandaar voer men, van Chalcedon komend, over +naar Byzantium. + +Damarete, Damarete, gemalin van Gelon; naar haar heet een sicilische +munt = 10 att. drachmen, damareteion. + +Damaratus = Demaratus no. 1. + +Damascus, Damaskos, overoude stad in Coelesyria, aan de rivier +Bardines of Chrysorrhoas, in eene zeer vruchtbare streek onder een +heerlijk klimaat gelegen. Door verschillende besproeiingskanalen, +uit de rivier afgeleid, was dáár in de woestijn eene groote oase +ontstaan, waar verschillende karavaanwegen als in één middelpunt +samenliepen. Damascus was tot aan de verovering door de Assyriërs +(± 750) de hoofdstad van het machtigste der syrische (aramaeische) +staten, en geregeld met Israël in oorlog. De Assyriërs verwoestten stad +en omgeving, maar in den tijd der Perzen is het weer een belangrijke +handelsstad. In den tijd der Diadochen hoorde het nu eens tot het rijk +der Seleuciden, dan weder tot dat der Ptolemaeën. In 85 ontstond er +een onafhankelijk staatje onder een arabisch vorstenhuis, dat echter +reeds sedert Pompeius (66) onder Rome kwam te staan. De rom. keizers, +vooral Diocletianus, begunstigden de stad zeer, die beroemd werd door +hare wapenfabrieken (damascener klingen) en lijnwaadweverijen (damast). + +Damasias werd in 582 archont te Athene, en gebruik makend van de +burgertwisten die sedert Solons vertrek woedden, bleef hij deze +waardigheid gedurende 26 maanden bekleeden; toen verbonden zich echter +alle partijen tegen hem en werd hij verjaagd. + +Damasippus, naam in de gens Licinia (Licinii no. 19 en 20). + +Damasithymus, Damasithymos, vorst van Calynda, ging met Xerxes naar +Griekenland en sneuvelde bij Salamis, door de goedgeslaagde list +van Artemisia. + +Damastes, Damastes, 1) = Procrustes.--2) van Sigeum, geschiedschrijver, +omstreeks 400. + +Damia, Damia, 1) godin van den wasdom, op verschillende plaatsen te +zamen met Auxesia vereerd, misschien bijnaam van Persephone. Op Aegina +vond men beelden van hen in knieënde houding, van olijvenhout.--2) +bijnaam der Bona Dea, v. s. dezelfde als no. 1. + +Damocles, Damokles, gunsteling van Dionysius I, die steeds het geluk +van den tyran roemde. Daarom liet Dionysius hem op zekeren dag alles +genieten, wat hem zoozeer bekoorde, maar liet ondertusschen boven +zijn hoofd een scherp zwaard aan een paardenhaar ophangen als beeld +van de gevaren die een alleenheerscher bedreigen. Het zwaard van +Dam. is tot een spreekwoord geworden. + +Damon, Damon, 1) atheensch toonkunstenaar en sophist, leermeester en +vriend van Pericles, wegens ongeloof verbannen.--2) van Syracusae, +die voor zijn vriend Phintias gijzelaar bleef, toen deze wegens +een waarschijnlijk verdichten moordaanslag op Dionysius II ter dood +veroordeeld was en eenigen tijd uitstel van straf gevraagd had. Tegen +de verwachting der hovelingen keerde Phintias nog juist bijtijds terug, +waardoor de tyran zoo getroffen was, dat hij beiden het leven schonk +en verzocht in hun vriendschapsbond opgenomen te worden, wat hem +echter geweigerd werd. + +Damosia, de tent der spartaansche koningen, wanneer zij in het veld +waren; hoi peri damosian, hoi apo damosias, zij die met hen die +tent bewoonden. + +Dana, Dana, of Thoana, Thoana, groote stad in Cappadocia, +waarschijnlijk dezelfde als Tyana (z. a.). + +Danaë, Danae, z. Acrisius. Volgens eene italiaansche legende zou +zij met haar zoon in Italië gekomen zijn en de stad Ardea gesticht +hebben; daarna zou zij bij Pilumnus moeder geworden zijn van Daunus, +van wien Turnus afstamde. + +Danai, Danaoi, heeten de Grieken in de gedichten van Homerus, +oorspronkelijk een volk in Argos. + +Danaides, Danaïdes, Perseus, zoon van Danaë; Danaïdai, Argiven, +ook algemeen Grieken. + +Danaides, Danaïdes, de vijftig dochters van Danaüs (z. a.). + +Danapris, thans Dniëpr = Borysthenes. + +Danastris, thans Dniëstr, oudtijds Tyras geheeten, rivier in Sarmatia. + +Danaus, Danaos, zoon van Belus en Anchinoë, kreeg na den dood van +zijn vader de regeering over Libye, maar door zijn tweelingbroeder +Aegyptus en diens zonen bedreigd, vluchtte hij met zijne vijftig +dochters naar Argos, waar hij koning werd; hij bouwde den burcht van +Argos en leerde hoe men in tijden van droogte het land van water kon +voorzien. De vijftig zonen van Aegyptus volgden hem echter en vroegen +zijne dochters ten huwelijk; Danaüs gaf toe, maar overreedde zijne +dochters, hunne echtgenooten in den huwelijksnacht te vermoorden, +waaraan alle gevolg gaven, behalve Hypermnestra. De echtgenoot van +deze, Lynceus, doodde nu Danaüs zelf en al zijne schoonzusters, die +tot straf voor hare misdaad in de onderwereld eeuwig water moeten +scheppen in een bodemloos vat. + +Dandaridae of Dandarii, Dandarioi, scythisch volk aan de Oostkust +van de Palus Maeotis (zee van Azow) ten N. van den Caucasus. + +Danuvius, Danoubios, vroeger Ister (Hister), welke naam voor den +benedenloop ook in later tijd nog dikwerf voorkomt. Deze stroom, +thans Donau, was onder de keizers langen tijd de grensrivier van het +rom. rijk. + +Daorsi, Daorizoi, kleine volksstam in Zuid-Dalmatia. + +Daphnae Pelusiae, Daphnai hai Pelousiai, aegyptische grensvesting +tegen Arabia, nabij Pelusium. + +Daphne, Daphne, 1) dochter van Peneus, werd door Apollo bemind; toen +zij, door hem vervolgd, de goden om hulp smeekte, werd zij in een +laurier veranderd.--2) nimf van den Parnassus, in de oudste tijden +priesteres bij het delphische orakel, toen dit nog aan Gaea behoorde. + +Daphne, Daphne, voorstad der syrische stad Antiochia, een waar +lustoord, rijk aan laurierboomen en cypressen, met een beroemden +Apollo-tempel. Daphne was een lievelingsverblijf der Seleuciden, +later ook van Pompeius en andere Romeinen. In zedelijk opzicht stond +het slecht aangeschreven, men spreekt van Daphnici mores. + +Daphnephoria, Daphnephoria, feest om de acht jaar ter eere van Apollo +te Delphi en in Boeotië gevierd, ter herinnering aan zijne reiniging +na het dooden van den Python. + +Daphnis, Daphnis, zoon van Hermes en eene nimf, herder en jager op +Sicilië, bekwaam fluitspeler en de uitvinder der bucolische poëzie. Hij +zwoer trouw aan eene nimf, die hem beminde, en toen hij zijn eed +brak, strafte zij hem met blindheid of veranderde hem in een steen; +Hermes verplaatste hem echter onder de sterren.--V.a. stierf hij van +liefdesmart, daar hij zich tegen den wil van Aphrodite verzet had. + +Daradax, Daradax, zijrivier van den Euphraat in Syria (Cyrrhestica). + +Darapsa = Drepsa. + +Dardanarii, opkoopers en speculanten in koren, die de prijzen zochten +op te drijven. Dit was onder de keizers strafbaar gesteld en behoorde +tot de delicta extraordinaria. + +Dardania, Dardania, 1) gewest en stad van het trojaansche land, aan +den Hellespont, de zetel van Aeneas. Hiernaar worden de Trojanen ook +wel Dardani genoemd. De stad Dardania moet niet verward worden met +Dardanus.--2) het land der Dardani, Dardanoi, in Moesia Superior, het +tegenw. Servië. De Dardaniërs waren een morsig, doch muzikaal volk, +van illyrischen stam. + +Dardanides, Dardanides, Dardanion, Priamus, Anchises +e.a. afstammelingen van Dardanus; Dardanidae, Dardanidai, Dardanioi, +Dardaniones, Dardanoi, Trojanen. + +Dardanis, Dardanis, trojaansche vrouw, in het bijzonder Creusa (no. 3). + +Dardanus, Dardanos, zoon van Zeus en Electra, de mythische stamvader +der Trojanen en dus ook der Romeinen. Hij stichtte in Phrygië de stad +Dardania en erfde later van zijn schoonvader Teucer de regeering; +sedert dien tijd werd het land naar hem Dardania genoemd, totdat +zijn kleinzoon Tros het den naam Troia gaf. Zijne vrouw Chryse had +van Athena als huwelijksgift het Palladium en de beelden der groote +goden gekregen, wier dienst hij eerst op Samothrace instelde en later +naar zijn rijk overbracht. Dardanus was v. s. in het trojaansche land +geboren, v. a. was zijn vaderland Samothrace, Arcadië, Creta of Italië. + +Dardanus, Dardanos, stad aan den Hellespont op den aziatischen oever, +ten Z. van Abydus. De naam Dardanellen is hiervan afgeleid. + +Dares, Dares, trojaansch priester van Hephaestus, zou nog voor +Homerus eene Ilias op palmbladen geschreven hebben. Het latijnsche +prozawerk, dat nog bestaat en eene vertaling van de Ilias van Dares +Phrygius heet te zijn, is een werk van weinig beteekenis, dat echter +door middeleeuwsche dichters veel gebruikt en nagevolgd is. Het is +waarschijnlijk uit de 5de eeuw na C., het Grieksche origineel, dat +verloren gegaan is, is misschien uit de 1ste of 2de eeuw n. C. Zie +Dictys. + +Daricus, dareikos, perzische gouden munt, ook in Griekenland gangbaar, +ongeveer ter waarde van 22 att. drachmen. Het gewicht van den dariek +bedraagt gemiddeld 8.41 gram. + +Darius, Dareios, 1) D. I. Hystaspis, zoon van Hystaspes, behoorde +tot het geslacht der Achaemeniden, diende onder Cambyses, was een +van de zeven perzische edellieden die tegen den valschen Smerdis +samenzwoeren, en werd, nadat deze vermoord was, ten gevolge van een +orakel tot koning verheven (521). In het begin van zijne regeering had +hij met een algemeenen opstand van de onderworpen landen te kampen, +toen echter Babylon na een lang beleg weder ingenomen was, gaven +de andere provinciën zich na elkander over. Daarop wijdde D. het +eerst zijn zorg aan het binnenlandsch bestuur: hij hervormde het +belastingstelsel, legde goede wegen aan, met vaste halten voor de +posterijen, en verdeelde het rijk in satrapieën. In 513 ondernam hij +met een leger van 700,000 (?) man een veldtocht tegen de Scythen; +door middel van een schipbrug trok hij over den Ister en deed een +inval in hun land, maar de Scythen trokken zich in hunne steppen terug +en vermeden een open gevecht, zoodat D. na vele verliezen door gebrek +genoodzaakt was onverrichter zake terug te keeren en verloren geweest +ware, indien de aziatische Grieken aan het verlangen der Scythen +voldaan hadden en de brug hadden afgebroken. Terwijl nu zijn veldheer +Megabazus de landen aan den Bosporus onderwierp, breidde hij zijn rijk +tot aan den Indus uit en veroverde hij ook Barca (510). Nadat de door +Aristagoras (z. a.) verwekte opstand der ionische Grieken bedwongen +was, wenschte D. de Atheners en Eretriërs, die de opstandelingen +geholpen hadden, te straffen. Hij zond daarom zijn schoonzoon Mardonius +met een groote vloot naar Griekenland (493), doch de meeste schepen +verongelukten bij het voorgebergte Athos; drie jaar later gingen +Datis en Artaphernes met een nog talrijker leger, die wel Eretria +verwoestten en de inwoners naar Azië overbrachten, maar bij Marathon +tegen de Atheners een volkomen nederlaag leden. Verdere plannen van +Darius tegen Athene en tegen het inmiddels afgevallen Aegypte werden +door zijn dood verijdeld (486).--2) D. II Ochus (Ochos), bastaardzoon +van Artaxerxes I, en daarom door de Grieken Nothus (Nothos) genoemd, +maakte zich door het vermoorden van zijn broeder van de regeering +meester (424). Hij liet zich geheel door zijne vrouw, Parysatis, en +door gunstelingen beheerschen en lokte door zijne zwakheid allerlei +onlusten en opstanden uit, die hij meest door list wist te dempen; +Aegypte konde hij echter niet onderwerpen. Hij stierf in 405.--3) +D. III Codomannus, kleinzoon van Artaxerxes II, werd na de vermoording +van Arses door Bagoas op den troon gebracht (336). Hij trachtte het +inwendig zeer verzwakte rijk te herstellen, en maakte een einde aan +het schrikbewind van Bagoas; in den oorlog tegen Alexander d. G. toonde +hij zich echter zwak; hij verloor de gevechten bij Issus en Gaugamela, +trachtte naar de oostelijke provinciën van zijn rijk te vluchten, +maar werd op weg door zijn satraap Bessus vermoord (331). + +Dascon, Daskon, vesting en inham op Sicilia, ten Z. van Syracusae. + +Dascylium, Daskylion, stad in Bithynia, aan de Propontis. Onder de +perzische heerschappij was het de residentie van de satrapen van +Phrygia minor, dat daarnaar ook he Daskylitis satrapeia of ho en +Daskyleio nomos heette. + +Dassaretae, Dassaretai, stam in het Z.O. van Illyris Graeca. Hoofdstad +Lychnidus aan den lacus Lychnitis. + +Datames, Datames, een Cariër, die onder Artaxerxes II tegen de +Cadusiërs streed en tot belooning voor zijn beleid en dapperheid +satraap van Cappadocië werd. Hij bewees den koning vele diensten en +werd zeer door hem onderscheiden, maar uit vrees dat Artaxerxes aan +zijne invloedrijke vijanden het oor zou leenen, kwam hij in opstand +(± 370). Langen tijd hield hij zich staande, maar eindelijk werd hij +verraderlijk vermoord (360). + +Dataphernes, Dataphernes, was een van hen die Bessus aan Alexander +verrieden; niettemin bleef hij met Spitamenes den oorlog voortzetten, +totdat hij door de Dahae aan Alexander overgeleverd werd. + +Datis, Datis, veldheer van Darius Hystaspis, die met Artaphernes de +nederlaag bij Marathon leed. + +Datum, Daton, stad en streek in oostelijk Macedonia ten O. van den +Pangaeus mons, tegenover Thasus, met rijke goudmijnen. + +Daulis, Daulis, sterke stad in Phocis ten O. van den Parnassus, +aan den weg van Chaeronea naar Delphi. Hier behoort de mythe van +Philomela en Procne te huis. + +Daunia, het noordelijk gedeelte van Apulia, het land van Daunus, den +vader van den rutulischen koning Turnus (zie Aeneas) en schoonvader +van Diomedes. Daunius heros = Turnus; Daunia gens = Rutuliërs; dea +Daunia = Iuturna, Turnus' zuster; Daunias (bij Horatius) = Apulia. + +Daunus, Daunos, zoon van Pilumnus en Danaë, of een Arcadiër, zoon +van Lycaon, koning van Daunia. Diomedes stond hem bij in den oorlog +tegen de Messapiërs en nam zijne dochter tot vrouw. + +Dea Dia, waarschijnlijk de godin der voortbrengende kracht in de +natuur, een andere naam voor Ceres of Tellus, wier dienst te Rome +door de fratres arvales (z. Arvales fratres) waargenomen werd; te +harer eere werd jaarlijks gedurende drie dagen in Mei in de stad en +in een nabijgelegen heilig woud een feest gevierd. + +Decanus, in den keizertijd een hoofdman van tien soldaten, die in +dezelfde tent gelegerd waren. + +Decebalus, Dekebalos, koning van Dacia, van wien Domitianus den vrede +kocht (89 n. C.), maar die door Traianus geheel verslagen werd en +zichzelf het leven benam (106 n. C.). Zie Dacia. + +Decelea, Dekeleia, attische gemeente ten N.W. van Athenae, bekend +door den deceleïschen oorlog (413-404), toen de Spartanen op raad +van Alcibiades de plaats bezetten. + +Decemprimi, 1) eene commissie van 10 leden, die in de municipia aan +het hoofd van den senaat stond. In navolging van dezen vindt men in +den keizertijd, in het Oosten van het rijk decaproti, hoi deka protoi, +die echter een anderen werkkring hebben. De decaproti behoeven niet +tot de senaatsleden te behooren. Zij innen de belastingen en zijn +aansprakelijk voor het binnenkomen daarvan.--2) decemprimi heeten ook +de bestuursleden van den in decuriae ingedeelden ordo der scribae +(z. apparitores). + +Decemviri, een collegie van 10 mannen. 1) Decemviri agris dividundis, +commissie van landverdeeling uit den ager publicus onder het volk. Zie +Agrariae (leges), en wel Rogatio Servilia agraria van 63.--2) Decemviri +legibus scribundis, het uit de rom. geschiedenis bekende collegie der +tienmannen in 451-449, tengevolge der lex Terentilia in het leven +geroepen en waartoe App. Claudius behoorde. Zie Claudii no. 2 en +Tabularum (leges XII).--3) Decemviri (st)litibus iudicandis, een oud +rechterlijk collegie, dat in processen over vrijheid en burgerrecht +recht sprak, en dat reeds in de 5de eeuw bestond (z. Horatiae Valeriae +(leges)), als we ten minste aan mogen nemen, dat de woorden iudices +decemviri op hen betrekking hebben; v. s. is het college eerst in +de 3de eeuw, tusschen 242 en 227, ingesteld. De leden werden in de +tribuutcomitiën gekozen. Onder Augustus veranderde hun werkkring en +werden zij voorzitters der centumviri. Zij vormen een onderdeel van +de vigintiviri.--4) Decemviri sacrorum of sacris faciundis, belast +met het toezicht op de sibyllijnsche boeken, die op het Capitool +bewaard werden en die zij op last van den senaat raadpleegden +(zie Sibylla). Zij hebben het toezicht op de offers, die Graeco +ritu gebracht worden, oorspronkelijk ook op de supplicationes en +lectisternia, waartoe ex libris besloten was. In den beginne waren +er 2, later 10 (5 patricische en 5 plebejische), sedert Sulla 15. + +Decentius, Caesar (onderkeizer) 350-353 n. C. Hij was een neef van +Magnentius, die hem aangesteld had om de aanvallen der Germanen af +te weren; tijdens zijn bestuur werd echter Gallia door de Germanen +verwoest. Hij doodde zichzelf, toen hij den dood van Magnentius vernam. + +Decetia, stad der Aeduërs in Gallia Transalpina aan den Liger (Loire). + +Decianus, naam in de gens Appuleia (Appuleii no. 4 en 5). + +Decidius Saxa, naam van twee broeders, die in den burgeroorlog voor +Caesar en later voor Antonius streden. De een sneuvelde als propraetor +van Syria in 40 tegen de Parthen, die onder aanvoering van Q. Labienus +in de provincie gevallen waren. + +Decimatio. Wanneer eene geheele troepenafdeeling van een rom. leger +zich had schuldig gemaakt aan iets, wat in een enkele met den dood +zou worden gestraft, b.v. muiterij, lafhartigheid in den strijd, +dan werd die afdeeling in het gelid geschaard, het lot wees aan, +waar men zou beginnen te tellen, en elke tiende man werd onmiddellijk +ter dood gebracht. Onder de keizers werd deze straf dikwijls verzacht +tot vicesimatio of centesimatio. + +Decii, een plebejisch geslacht. 1) P. Decius Mus, krijgstribuun in +343, redde toen door zijn kloekmoedigheid het rom. leger, dat door de +Samnieten bij den berg Gaurus was ingesloten, en deed een bijna wissen +ondergang in eene luisterrijke zegepraal verkeeren. In 340 offerde +hij als consul zich in den strijd tegen de Latijnen op, en bezorgde +hierdoor den zijnen eene schitterende overwinning. Evenals de geheele +eerste samnietische oorlog, is ook het verhaal omtrent de opoffering +van Decius in den oorlog tegen de Latijnen verzonnen. Slechts staat +vast, dat Decius als consul gesneuveld is.--2) P. Decius Mus, zoon +van no. 1, consul in 312, 308, 297 en 295, censor in 304, streed +voorspoedig tegen de Etruscers, Samnieten en Umbriërs, en bezorgde +in 295 bij Sentinum, het voorbeeld zijns vaders volgende, door een +vrijwilligen dood zijn leger de overwinning op de Samnieten en de +Kelten.--3) P. Decius Mus, zoon van no. 2, consul in 279, viel in +den slag bij Asculum (Ausculum) tegen Pyrrhus. V. s. is het verhaal +omtrent het heldhaftig gedrag der Decii, n. m. dat ze zich aan de +onderaardsche goden wijdden en daarna den dood zochten, op dezen Decius +Mus toepasselijk.--4) P. Decius klaagde in 120 als volkstribuun den +gewezen consul L. Opimius aan, dat hij burgers onveroordeeld in den +kerker had geworpen. Cicero noemt hem als redenaar.--5) P. Decius (Mus) +sloot zich, om zijne schulden te kunnen betalen, aan Antonius aan en +nam deel aan den mutinensischen oorlog. Cicero zegt daarom spottend, +dat hij op het voorbeeld zijner voorvaderen zich voor zijne schulden +had opgeofferd. + +Decimii, aanzienlijk geslacht uit Samnium. + +Decius (C. Messius Quintus Traianus), uit Pannonia afkomstig, +rom. keizer 249-251 na C., opvolger van Philippus Arabs, regeerde goed, +doch vervolgde de Christenen. Op een tocht tegen de Gothen kwam hij +met zijn zoon in een moeras om. + +Decumana porta, de poort aan de achterzijde der legerplaats. Zie +castra. + +Decumanus, tiendpachter. Ager decumanus, tiendplichtig land. Miles +decumanus, soldaat van het tiende legioen. Zie ook auguria. + +Decumates agri, zie agri decumates. + +Decuria, afdeeling van 10 personen, later eene kleine afdeeling in +het algemeen, zonder dat men zich streng aan het getal 10 hield. Bij +de ruiterij was elke turma (30 man) in drie decuriae afgedeeld. + +Decurio, de eerste van eene decuria ruiterij en als zoodanig de +hoofdman er van.--Decuriones worden in de municipia de leden van den +senatus municipalis genoemd, die ook ordo decurionum heet. + +Decursio of decursus, 1) militaire oefening met pak en zak door +het geheele leger, waarbij verschillende krijgsbewegingen werden +uitgevoerd en waarbij de soldaten vooral geoefend werden, hunne +liniën en gelederen te bewaren.--2) een militaire optocht of parade +rondom een grafheuvel of een altaar, ter eere van een in den strijd +gevallene opgericht. + +Dedicatio, plechtige inwijding van eenig openbaar gebouw, b.v. van +een tempel. Hij die den tempel wijdde, sloeg daarbij de hand aan de +deurpost en moest een wijdingsformulier nazeggen, dat de pontifex +maximus hem voorzeide. Daarbij te haperen gold als een slecht +voorteeken. + +Dediticii waren zij, die zich onvoorwaardelijk aan de genade der +Rom. hadden moeten overgeven.--Zie ook Aelia Sentia (lex). Dediticii +konden noch cives noch Latini worden. + +Deïanira, Deianeira, dochter van Oeneus, gemalin van Heracles +(z. Achelous) en de onschuldige bewerkster van zijn dood (z. Heracles), +waarom zij zich van het leven beroofde. + +Deïdamea, Deidameia, 1) dochter van Lycomedes, werd bij Achilles, +die in meisjeskleederen aan het hof van haar vader leefde, moeder +van Neoptolemus.--2) vrouw van Pirithoüs.--3) zuster van Pyrrhus van +Epirus, gehuwd met Demetrius Poliorcetes.--4) dochter van Pyrrhus +van Epirus. + +Deigma, gebouw in den Piraeus, waar monsters van koopwaren ter +bezichtiging uitgestald werden. + +Deimos, zoon of dienaar van Ares. + +Deïoces, Deiokes, een Mediër, die, nadat het volk zich van de Assyriërs +onafhankelijk gemaakt had, door zijne wijsheid en rechtvaardigheid +grooten roem verwierf en daarom tot koning verheven werd (709 of 700), +stichter van Ecbatana. + +Deïoneus, Deioneus, 1) of Deïon, Deion, een van de zeven zonen van +Aeolus, werd koning van Phocis.--2) schoonvader van Ixion, werd door +dezen, toen hij de bruidsgeschenken van hem vorderde, verraderlijk +in een vuurpoel geworpen.--3) zoon van Eurytus. + +Deïonides, Miletus, zoon van Apollo en Deïone. + +Deiotarus, Deiotaros, tetrarch van Galatia in Azië, ondersteunde +de Rom. in den mithradatischen oorlog en ontving daarvoor van den +rom. senaat den titel van rex met een vergrooting van grondgebied. In +den burgeroorlog streed hij voor Pompeius; Caesar vergaf het hem +echter en liet hem het grootste gedeelte van zijn rijk. In 45 +werd Deiotarus door zijn kleinzoon Castor en zijn arts Phidippus +aangeklaagd van een aanslag tegen Caesars leven, toen deze indertijd +bij hem had vertoefd. Cicero verdedigde den koning, en hoewel er geene +vrijspraak schijnt gevolgd te zijn, werd de zaak toch niet verder +vervolgd. Antonius bevestigde voor eene groote som gelds Deiotarus +weder in zijn vroeger gebied, maar later streed hij onder Brutus bij +Phillippi tegen de triumviri, met wie hij zich echter verzoende. + +Deïphobe heette de sibylle van Cumae, dochter van den zeegod Glaucus. + +Deïphobus, Deiphobos, zoon van Priamus en Hecabe, een van de +voornaamste trojaansche helden. Hij was steeds tegen de uitlevering +van Helena en trouwde haar na den dood van Paris. Bij de verovering +van Troje werd zijn huis verwoest en hij door Menelaus op wreedaardige +wijze gedood. Met Paris zou hij Achilles gedood hebben. + +Deïphontes, Deiphontes, zoon van Antimachus, schoonzoon en opvolger +van Temenus (z.a.); v.a. vluchtte hij na den dood van zijn schoonvader +uit vrees voor zijne zwagers naar Epidaurus. + +Deipnon, de hoofdmaaltijd der Grieken, in de oudste tijden omstreeks +den middag, later tegen den avond gebruikt, waarbij men dikwijls +gasten ontving, of die ook wel met bijdragen (apo symbolon) der +gezamenlijke deelnemers betaald werd. Bij aankomst der gasten werden +hun door slaven de zolen afgenomen en de voeten gewasschen, daarop +wiesch men de handen en nam men plaats op de rustbank, waarop men +liggende het maal gebruikte. Als spijzen worden genoemd gerstebrei +(bij armere lieden het voornaamste gerecht), groenten, vleeschspijzen +en visch; vorken of messen gebruikte men niet, wel lepels; onder het +eten hield men de handen schoon met fijngewreven broodkruimels. Na het +eten werden de schotels weggenomen, waschwater met een soort zeep, +soms ook bloemen en reukwerken rondgediend en begon het nagerecht +(deuterai trapezai) of drinkgelag (symposion) met een drankoffer +(spondai) waarbij men de woorden agathou daimonos uitsprak. Nadat +door het lot een tafelpresident (symposiarchos, basileus, archon) +was aangewezen, bleef men onder het genot van wijn, vruchten, kaas, +koek, enz., dan dikwijls nog lang bij elkander, terwijl men zich den +tijd verdreef met gesprekken, gezelschapsspelen, dikwijls ook met +voordrachten van fluitspeelsters of vertooningen van danseressen. + +Deïpyle, Deipyle, dochter van Adrastus, gehuwd met Tydeus. + +Dekaprotoi, z. Decemprimi no. 1. + +Dekarchiai, dekadarchiai, colleges van tien personen, na den +peloponnesischen oorlog door Lysander met de regeering belast in de +meeste steden, die zich bij Sparta hadden aangesloten. De willekeur, +waarmede deze colleges, gesteund door spartaansche bezettingen en +harmosten, regeerden, maakte in korten tijd de spartaansche hegemonie +algemeen gehaat. + +Delatio nominis, heet in den tijd der quaestiones perpetuae het +indienen eener aanklacht bij den praetor quaestionis. + +Delatores, aanbrengers van misdrijven, waartegen straf bedreigd +was. Onder sommige keizers, toen majesteitsprocessen aan de +orde van den dag waren, maakten sommigen van dit aanbrengen eene +broodwinning, daar hun een vierde van de opgelegde boete of van het +verbeurdverklaarde vermogen des veroordeelden ten deel viel. Ook +persten zij dikwerf aanzienlijke sommen af door de bedreiging, +in geval van weigering eene aanklacht in te dienen. Ze worden ook +quadruplatores genoemd. + +Delia, geliefde van Tibullus (z.a.); pseudonym voor Plania. + +Delium, Delion, boeotisch stadje in het gebied van Tanagra, waar de +Boeotiërs in 424 de Atheners versloegen. + +Delius, -ia, Delios, -ia, bijnamen van Apollo en Artemis, naar het +eiland Delus, waar zij geboren waren en waar Apollo hoog vereerd werd. + +Dellius (Q.), dezelfde, aan wien Horatius een ode heeft gericht, +werd door Antonius in 41 naar Aegypte gezonden, om Cleopatra ter +verantwoording naar Tarsus te ontbieden. Later ging hij tot Octavianus +over. Hij heeft den oorlog tegen de Parthen beschreven, dien hij in +het gevolg van Antonius medemaakte. + +Delmatia oude schrijfwijze voor Dalmatia. + +Delmatius = Dalmatius. + +Delminium = Dalminium. + +Delphi, Delphoi, kleine maar beroemde stad van Phocis, langs den +Z.rand van den tweetoppigen Parnassus tegen den berg aan gebouwd, +met verscheidene tempels, waaronder die van den Pythischen Apollo de +voornaamste was. Delphi werd oudtijds als het middelpunt der aarde +beschouwd. De oudste tempel, die volgens de sage door Trophonius +en Agamedes gebouwd was, verbrandde in 548. Hij werd (530-514) +door de uit Athene verdreven Alcmaeoniden prachtig in dorischen +stijl herbouwd, waarbij de oostgevel, in plaats van in porus of +tufsteen, in parisch marmer werd opgetrokken. In 373 werd hij door +een aardbeving en een brand vernietigd, maar door de Amphictyonen +met het geld van den tempel in nieuweren stijl herbouwd. Ook +later is hij nog herhaaldelijk hersteld, tot hij ten laatste door +een aardbeving vernietigd werd. Hij bevatte een ontzaggelijken +tempelschat, een gouden beeld van den god en een heiligen steen, +die als de navel der aarde, omphalos tes ges, beschouwd werd, terwijl +nog vele andere standbeelden op den voorhof stonden. In den pronaos +las men de spreuken gnothi seauton en meden agan. Achter de cella +was een afzonderlijke ruimte, het adyton, waaronder of waarbij de +aardkloof zich bevond, waaruit zwaveldampen opstegen, die de Pythia +(zie hieronder) in geestvervoering brachten. (Het bericht omtrent +die zwaveldampen wordt tegenwoordig voor een fabeltje gehouden). In +den phocensischen oorlog (357-346) werd de tempel uitgeplunderd door +de huurtroepen der Phocensen, in 278 door de Galliërs, die ten getale +van 200000 Griekenland trachtten binnen te dringen, later door Sulla, +vervolgens door Nero, die honderden standbeelden uit Delphi naar Rome +liet voeren, terwijl het overschot later door Constantijn den Gr. naar +Constantinopel werd overgebracht. De stad verviel, en verschillende +aardbevingen vernielden ze en verdreven de bevolking. Op de plaats +lag later het dorp Kastri; nu heeft de fransche regeering dit doen +verplaatsen, en daarop is tusschen 1892 en 1901 opgegraven, wat er +nog over is. De tempel zelf lag in het midden van den temenos, een met +hooge muren omgeven sterk hellend terrein; in het zuidelijke gedeelte, +dat het laagst lag, vindt men voornamelijk thesauroi en geschenken, ten +N. van den tempel links het theater, rechts de lesche van de Cnidiërs, +een gebouw, waar de vreemdelingen plachten samen te komen. Het orakel +van Delphi was het meest beroemde der oudheid; eerst behoorde het aan +Gaea, Ge; deze schonk het aan Themis, Themis aan Phoebe, Phoebe aan +Phoebus Apollo, z. Pytho. Wanneer het orakel zou geraadpleegd worden, +plaatste zich eene der priesteressen of Pythiai, na zich gebaad en uit +de bron Cassotis gedronken en laurierbladeren in den mond genomen te +hebben, op een zetel, die op een drievoet rustte, en uit de geluiden, +die zij uitstiet, maakten de priesters het antwoord gereed. Door zijn +groot aanzien heeft het orakel meermalen op den gang der historische +gebeurtenissen invloed uitgeoefend. De pythische spelen hadden in de +vlakte van Crissa plaats, telkens in het derde jaar eener olympiade. De +eereprijs bestond in een lauwerkrans. + +Delphinia, feest ter eere van Apollo als beschermer der zeevaart, +te Athene den 6en of 7den Munychion gevierd. + +Delphinium, Delphinion, 1) stad aan de Oostkust van het eil. Chius.--2) +haven van Oropus in Attica, overvaartplaats naar Euboea.--3) +gerechtshof te Athene in den tempel van Apollo Delphinius, dat over +phonos dikaios recht sprak (zie Ephetae). + +Delphinus, Delphin, Delphis, Delphin, 1) sterrenbeeld, waarin men +den dolfijn van Arion of van Amphitrite meende te zien.--2) een +werktuig waarvan men zich in den zeeoorlog bediende; het was een +groote klomp lood of ijzer, die aan den mast hing en met kracht tegen +het vijandelijke schip geslingerd werd. + +Delta, het noordelijke deel van Aegypte, tusschen de verschillende +armen, waarin de Nijl zich splitst, door aanslibbing gevormd en uiterst +vruchtbaar, en met een groot getal steden. De naam is ontleend aan +den driehoekigen vorm. + +Delubrum, de plaats van reiniging en verzoening, de tempel, vooral +dat gedeelte er van, waar het beeld der godheid stond. + +Delus, Delos, Delos, het heilige Cycladeneiland, waar Apollo en Artemis +door Latona ter wereld waren gebracht. Apollo had er een wit marmeren +tempel met een altaar uit hoornen in elkaar gewerkt. Tot de viering +van Apollo's geboortefeest (Apollonia) zonden de grieksche staten +jaarlijks in de maand Thargelion plechtige gezandschappen. Om de vier +jaar werd dit feest vervangen door de Delia, een van de luisterrijkste +feesten van geheel Griekenland. Geen begrafenis mocht op Delus plaats +hebben; lijken werden naar het nabijgelegen Rhenea overgebracht. De +oudste bewoners waren Cariërs, daarna vestigden er zich Ioniërs. Na +den perzischen oorlog werd te Delus de bondskas van het atheensche +zeeverbond bewaard, totdat Pericles deze naar Athene overbracht +(454). Delus was in de 2de eeuw, toen het door de Romeinen aan Athene +werd toegewezen, en een vrijhaven werd, beroemd om zijne slavenmarkten, +die van heinde en verre werden bezocht. In den eersten mithradatischen +oorlog werd het (88) door den pontischen veldheer Menophanes of door +Archelaus geplunderd en verwoest, de mannelijke bevolking omgebracht, +vrouwen en kinderen in slavernij weggevoerd. In 69 werd het eiland +wederom geplunderd, nu door de zeeroovers, en sedert dien tijd is +het vervallen. Thans is Delus woest en verlaten. Naar het eiland en +den berg Cynthus wordt Apollo dikwerf Delius en Cynthius genoemd. Zie +Asteria. + +Demades, Demades, atheensch redenaar van geringen stand, die in +het belang van Macedonië werkte en een geducht tegenstander van +Demosthenes was; bij Alexander d. G. stond hij in hooge gunst, +zoodat hij met Phocion tot hem gezonden werd, toen de Atheners na het +bedwingen van den thebaanschen opstand de wraak des konings vreesden +(z. Demosthenes). Antipater liet hem ter dood brengen, daar hij in +onderschepte brieven de bewijzen van een aanslag van Demades tegen +hem gevonden had (319). Zijn karakter wordt uiterst bedorven genoemd, +daarentegen roemen de ouden zijne onweerstaanbare welsprekendheid, +zijne geestigheid en gevatheid; niettemin waren zijne werken reeds +vroeg verloren. + +Demagogos, leider der volkspartij in eene republiek (ook prostates +tou demou); gewoonlijk menschen die, niet door de ambten die zij +bekleedden, maar door persoonlijke eigenschappen, vooral door +welsprekendheid, grooten invloed hadden verworven. Terwijl een +bekwaam en braaf man, zooals Pericles, als demagoog veel kon doen om +het volk ten goede te leiden, gebruikten latere atheensche demagogen +hun invloed veelal om het volk tegen de rijken en aanzienlijken op +te hitsen, waardoor partijschappen ontstonden, die voor den staat +een werkelijk gevaar opleverden; vandaar dat het woord meestal eene +ongunstige bijbeteekenis heeft. + +Demaratus, Demaratos, 1) koning van Sparta, zoon van Aristo, +tegenstander van zijn ambtgenoot Cleomenes I (z.a.). Toen hij van +de regeering ontzet was, ging hij naar Perzië, waar hij door Darius +met achting behandeld werd en een eigen grondgebied kreeg. Later +begeleidde hij Xerxes op zijn tocht naar Griekenland, doch zijne +raadgevingen en waarschuwingen vonden weinig gehoor.--2) corinthisch +koopman, die voor den tyran Cypselus vluchtte en naar Tarquinii ging; +hij was de vader van Tarquinius Priscus. + +Demarchus, demarchos, bestuurder van een attischen demus; hij +werd voor een jaar door de leden van den demus gekozen, riep hun +vergaderingen bijeen en leidde ze, hield een register van de leden, +enz. Grieksche schrijvers over rom. geschiedenis geven denzelfden +naam aan de volkstribunen. + +Demeter, Demeter, Ceres, dochter van Cronus en Rhea, godin van den +akkerbouw, van de geheele plantenwereld en vooral van het koren, +die de goede gaven der aarde doet opkomen (Anesidora). Zijzelve had +op vele plaatsen de menschen leeren zaaien en ploegen en had later +door Triptolemus (z.a.) de kennis daarvan over de geheele aarde doen +verbreiden. Daardoor was zij de oorzaak geworden, dat de menschen +hun vroeger zwervend leven vaarwel zeiden en zich tot staten en eene +geordende maatschappij vereenigden; zij is daarom ook de godin van wet +en orde (Thesmia, Thesmophoros) en van het huwelijk. Dikwijls wordt +zij als de vruchtbare aarde zelve beschouwd en daarom somtijds voor +dezelfde gehouden als Gaea of Rhea; ook haar naam werd door sommigen +als Ge meter verklaard. Zij is een van de oudste grieksche godheden en +werd reeds door de Pelasgen vereerd (Pelasgis), in lateren tijd raakte +haar dienst bij de dorische volken meer op den achtergrond. Zij was +bij Zeus moeder van Persephone, bij Poseidon van het paard Arion, +en bij Iasion van Plutus. De voornaamste mythus van Demeter heeft +betrekking op het zoeken en vinden van hare door Hades geroofde +dochter Persephone (z.a.), bij verscheiden groote feesten te harer +eere gevierd, vooral bij de eleusinische mysteriën, werd deze mythus +in herinnering gebracht, waarbij men, naar het schijnt, symbolisch +zeker verband zocht aan te toonen tusschen het jaarlijks afsterven +en herleven der natuur en het herleven van 's menschen ziel na den +dood.--Men offerde aan Dem. runderen, zwijnen, vruchten en honig; de +korenaar, de papaver, alle vruchtboomen, de pijnboom en de olm zijn +aan haar gewijd. Hare afbeeldingen gelijken veel op die van Hera, +echter heeft haar gelaat eene zachtere, minder strenge uitdrukking; +gewoonlijk heeft zij een krans van korenaren om het hoofd en een korf +met vruchten of de mystische fakkel in de handen. + +Demetrias, Demetrias, sterke vesting in het thessalische landschap +Magnesia, aan de Pagasaeïsche golf, door Demetrius Poliorcetes gesticht +en langen tijd een sleutel van Griekenland. + +Demetrius, Demetrios, 1) Poliorcetes, Poliorketes, zoon van Antigonus +I, geb. 337, onderscheidde zich reeds vroeg in de oorlogen, die +zijn vader tegen de andere veldheeren van Alexander te voeren +had. Hij streed met afwisselend geluk tegen Ptolemaeus en Seleucus +(z. Antigonus no. 1), en verwierf zijn bijnaam door de uitvinding +van merkwaardige belegeringswerktuigen, waardoor hij de stad Salamis +op Cyprus tot de overgave dwong, nadat hij de vloot van Ptolemaeus, +die aan de belegerden hulp kwam brengen, geheel verslagen had. Na +deze dubbele overwinning nam hij, evenals zijn vader, den titel van +koning aan (306). Na een mislukt beleg van Rhodus (304) trok hij +naar Athene, vanwaar hij vroeger (307) de macedonische bezetting +verjaagd had, maar dat thans weder door Cassander bedreigd werd; +bij zijne komst trok Cassander zich terug, en D. bleef te Athene, +waar hij, door het volk met overdreven eerbewijzen overladen, zich +aan allerlei uitspattingen overgaf, totdat Antigonus, door het +bondgenootschap van Cassander, Ptolemaeus, Lysimachus en Seleucus +bedreigd, hem naar Azië terugriep. Met den slag bij Ipsus (301), +waarbij Antigonus sneuvelde en D. slechts met een klein gedeelte +van het leger kon vluchten, scheen alles voor hem verloren te zijn, +vooral daar de Atheners weigerden hem in hunne stad te ontvangen, +maar snel besloten deed hij een aanval op de kustlanden van Thracië, +en verbond hij zich, zoodra er onder zijne vijanden oneenigheid begon +te ontstaan, met Seleucus, wien hij zijne dochter tot vrouw gaf. In +Syrië kwam spoedig daarop eene verzoening tusschen D. en Seleucus +en hunne tegenpartij tot stand. D. verzamelde opnieuw een leger en +eene vloot en trok naar Griekenland (296), waar hij Salamis, Aegina +en Athene innam en de Spartanen overwon. Vervolgens door Alexander, +den jongeren broeder van koning Antipater van Macedonië, te hulp +geroepen, verjoeg hij Antipater, maar ook Alexander liet hij dooden, +waarna hij tot koning van Macedonië uitgeroepen werd (293). Met geluk +streed hij tegen de oproerige Boeotiërs en tegen Pyrrhus van Epirus, +maar de groote toebereidselen, die hij maakte om de aziatische landen +van zijn vader te heroveren, riepen een nieuw bondgenootschap van +Seleucus, Lysimachus en Ptolemaeus tegen hem in het leven, en voor het +tot een gevecht kwam, werd D., die om zijn hoogmoed en heerschzucht +bij de Macedoniërs gehaat was, door zijn leger verlaten, zoodat hij +moest vluchten (288). Van Griekenland uit zette hij aanvankelijk +met geluk den oorlog voort, maar in het volgende jaar werd hij in +het land van Seleucus door eene zware ziekte overvallen en was hij +genoodzaakt zich over te geven. Seleucus hield hem tot zijn dood +(283) te Apamea gevangen. D. was een man van buitengewone bekwaamheid +in den oorlog, vol geestkracht in tegenspoed en gevaar, daarbij was +hij fijn beschaafd en kon hij in den omgang zeer aangenaam zijn, maar +door overmoed, onbezonnenheid en zekere neiging tot het avontuurlijke +en buitengewone kon hij van zijne voortreffelijke eigenschappen geen +partij trekken en stierf hij als gevangene, betrekkelijk jong, deels +van hartzeer, deels ten gevolge zijner uitspattingen.--2) D. II, koning +van Macedonië, zoon en opvolger van Antigonus Gonatas, regeerde 239-229 +onder voortdurende oorlogen met de naburige volken.--3) D. Soter, +Soter, zoon van Seleucus Philopator, leefde tot zijn 23ste jaar als +gijzelaar te Rome. Na den dood van Antiochus IV (165) ging hij, zonder +toestemming, maar misschien niet tegen den wensch van den senaat, +naar Syrië, waar hij zijn neef Antiochus V dwong hem de regeering af +te staan. Wegens zijne wreedheid en dronkenschap gehaat, sneuvelde hij +in een gevecht tegen Alexander Balas (150).--4) D. Nicator, Nikator, +zoon van no. 3, die een tijd lang als gijzelaar te Rome geleefd +had, stiet Alexander Balas door de hulp van Ptolemaeus Philometor +van den troon (145), maar kon zich nauwelijks tegen de voortdurende +opstanden zijner onderdanen en tegen Antiochus VI staande houden. In +een oorlog tegen de Parthen, dien hij aanvankelijk met geluk voerde, +werd hij krijgsgevangen gemaakt en eerst een krijgstocht, dien zijn +broeder Antiochus tegen de Parthen ondernam, gaf hem de vrijheid +en de regeering weder (130); toen hij echter in zijn rijk terugkwam +moest hij spoedig weder voor Alexander Zabina vluchten en werd hij +door handlangers van dezen of door zijne vrouw Cleopatra (no. 7) +vermoord (126).--5) D. Eukairos, vierde zoon van Antiochus Grypus, +streed met Antiochus X om de regeering van Syrië; in een strijd tegen +zijn broeder Philippus werd hij door diens bondgenooten, de Parthen, +gevangen genomen; hij stierf als gevangene (94).--6) D. Phalereus, +Phalereus, leerling van Theophrastus. Door Cassander werd hem het +bestuur van Athene opgedragen, dat hij van 317-307 zoo verdienstelijk +waarnam, dat het dankbare volk hem 360 standbeelden oprichtte. Toen +echter Demetrius Poliorcetes de Macedoniërs verjoeg, moest hij als +een misdadiger vluchten. Hij begaf zich naar Thebe en van daar naar +Aegypte, waar hij bij Ptolemaeus Lagi groote achting genoot; Ptolemaeus +Philadelphus verbande hem echter naar Boven-Aegypte, waar hij in +283 aan de gevolgen van een slangebeet stierf. Hij was niet alleen +als staatsman, maar ook als wijsgeer, redenaar en dichter beroemd; +van zijne talrijke geschriften is echter niets overgebleven.--7) +van Pharus, stadhouder van koningin Teuta (z. a.) op Corcyra. Door +verraad won hij de gunst der Rom. en kreeg hij, na afloop van den +illyrischen oorlog, het geheele gebied dat vroeger door de Illyriërs +veroverd was (228). Later tegen de Rom. in opstand gekomen, werd +hij verjaagd en moest hij naar Philippus van Macedonië vluchten +(219).--8) D. Bellienus, vrijgelatene van een anderen D., verwekte +onlusten bij de Intimilii, die door Caelius op last van Caesar met +geweld onderdrukt moesten worden.--9) van Scepsis (± 150), schrijver +van een werk over de antiquiteiten uit den tijd van den trojaanschen +oorlog (Troikos diakosmos) in 30 boeken. Zijn mededeelingen omtrent +de ligging van het homerische Troje zijn eerst door de opgravingen +op het einde der vorige eeuw wederlegd.--10) D. Syrus, leeraar der +welsprekendheid, wiens lessen Cicero te Athene bijwoonde.--11) van +Magnesia, tijdgenoot van Cicero, schreef o.a. een boek over dichters +en schrijvers, die door gelijkheid van naam dikwijls met elkaar verward +werden.--12) van Gadara, vrijgelatene en gunsteling van Pompeius.--13) +gunsteling van Caesar, na wiens dood hij door Antonius tot stadhouder +van Cyprus benoemd werd.--14) van Sunium, leefde 40-90 na C. te Rome, +waar hij als cynisch wijsgeer in hoog aanzien stond. + +Deminutio capitis = Capitis deminutio. + +Demioi, demosioi, demokoinoi heetten te Athene de ondergeschikten +der elfmannen; het waren staatsslaven, die als gevangenbewaarders, +beulen e. dgl. dienst deden. + +Demiourgoi, 1) de laatste van de drie phylen, waarin de bevolking +van Attica door Theseus verdeeld werd.--2) in sommige staten van +de Peloponnesus de hoogste overheidspersonen (z. bijv. Achaeisch +verbond).--3) eig. zij die voor het publiek werken; zoo noemde +men allen, die door hun eigen werk in hun levensonderhoud moesten +voorzien. Daar zulke personen uit den aard der zaak niet zooveel +tijd als anderen op de markt, in de gymnasia en dergelijke openbare +plaatsen konden doorbrengen, werden zij in vele staten als minder +bij de algemeene belangen betrokken beschouwd, en genoten zij over +het geheel weinig aanzien. + +Democedes, Demokedes, van Croton, beroemd geneesheer, die op Aegina +(528), te Athene en op Samus met roem werkzaam was. Toen Samus +door Darius veroverd was (522), kwam hij als gevangene naar Susa, +waar hij Darius van een wond aan den voet en Atossa van een gezwel +aan de borst genas, maar toen de koning hem als zijn lijfarts wilde +behouden, wist hij te bewerken dat hij tot eene verkenningsreis naar +de grieksche kusten gezonden werd (520); bij Tarentum ontsnapte hij, +waarna hij naar zijne vaderstad terugkeerde en met de dochter van +den worstelaar Milo trouwde. Als aanhanger van Pythagoras verbond hij +zich met de aristocratische partij tegen de heerschende democratie; +toen echter (in 500) de Pythagoraeërs ten offer vielen aan de woede +van het volk, vluchtte hij naar Plataeae. + +Demochares, Demochares, zoon van Laches en de zuster van Demosthenes, +die zijne opvoeding leidde en hem van zijne beginselen doordrong. Als +bestrijder van de macedonische partij had hij den grootsten invloed +onder Demetrius Poliorcetes, maar werd hij verdreven toen de macht +van Macedonië weder toenam. Als gezant naar Macedonië en Aegypte, +als financier en in meer andere betrekkingen heeft hij zich zeer +verdienstelijk gemaakt. Zijn werk over de geschiedenis van zijn tijd +is verloren gegaan. Zie ook Demosthenes. + +Democritus, Demokritos, van Abdera, geb. 460 en op zeer hoogen +ouderdom gestorven. Hij erfde van zijn vader een zeer groot vermogen +en deed reizen naar Aegypte en het verre Oosten; in zijne vaderstad +teruggekeerd, wijdde hij zich geheel aan de studie der wijsbegeerte en +der natuurwetenschap. De atomistische leer, waarvan zijn leermeester +Leucippus de grondslagen gelegd had, werd door D. nader uitgewerkt +en tot een stelsel gemaakt. Volgens hem bestaat alles uit ondeelbare +stofdeeltjes (atoma), die soortelijk aan elkander gelijk zijn, maar in +grootte en gewicht verschillen; deze zijn eeuwig en in voortdurende +beweging, en uit hunne vereeniging, die onder den invloed van een +onberekenbaar toeval tot stand komt, ontstaan niet slechts werelden +en andere lichamen, maar ook de zielen en goden. Tusschen de atomen +is ledige ruimte, een niets (meden), dat evengoed bestaat als het +iets (den). De kennis, die alleen op zinnelijke waarneming berust, +is onvolledig en duister (skotie), de echte (gnesie) wordt door +onderzoek en studie verworven. Het hoogste goed is gemoedsrust +(euesto, euthymia, ataraxia), die men verkrijgt door in alle dingen +de juiste maat te houden; van daar misschien zijn bijnaam van lacher +(gelasinos). Van zijne talrijke werken, ook op taal- en letterkundig +gebied, waarvan de belangrijke inhoud en de stijl geroemd wordt, +is zeer weinig bewaard gebleven. + +Demodocus, Demodokos, de blinde zanger aan het hof van Alcinous, +koning der Phaeaken. + +Demoi, onderafdeelingen der attische phylen. Van ouds was Attica voor +administratieve doeleinden in demen of districten verdeeld; door de +nieuwe indeeling van Clisthenes werd hun aantal 100, zoodat 10 eene +phyle vormden. Later vindt men 174 vermeld, er worden zelfs 199 namen +van demen genoemd, waarvan echter vele waarschijnlijk op verkeerde +lezing berusten. Zij, die tot denzelfden demus behooren (demotai), +brengen gemeenschappelijk zekere offers (hiera demotika) en deelen +in de inkomsten en uitgaven van den demus. Het bestuur berustte bij +een demarchos, het beheer der financiën bij een tamias. Ieder burger +moest tot een demus behooren en zich op zijn 18de jaar in het register +(lexiarchikon grammateion), dat door den demarch gehouden werd, +laten inschrijven. + +Demokoinoi, z. demioi. + +Demonax, Demonax, van Cyprus, die ten tijde van Hadrianus te Athene +leefde. Ofschoon hij tot de richting der cynici behoorde, wijdde +hij zich ook aan de staatszaken en genoot hij algemeene achting. Hij +stierf op zeer hoogen leeftijd vrijwillig van honger, om de lasten +van den ouderdom te ontgaan. + +Demophanes, Demophanes, z. Ecdemus. + +Demophilus, Demophilos, 1) dichter der nieuwe attische comedie.--2) +geschiedschrijver, zoon van Ephorus (z. a.). + +Demophoon, -phon, Demophoon, -phon, 1) zoon van Celeüs. Toen +Demeter bij Celeüs gastvrij ontvangen was, werd haar de zorg voor den +kleinen Demophon opgedragen; uit dankbaarheid wilde de godin het kind +onsterfelijk maken, waartoe zij hem bij dag met ambrosia zalfde en +des nachts in het vuur reinigde. Toen echter Metanira haar eens des +nachts verraste en van schrik luid gilde, zag Demeter in toorn van +haar plan af.--2) zoon van Theseus en Phaedra, ging met de Grieken +naar Troja, waar hij zijne grootmoeder Aethra (z. a.) bevrijdde. Op de +terugreis verloofde hij zich met Phyllis, dochter van den thracischen +koning Sithon; hij ging echter voor het huwelijk naar zijn vaderland, +en daar hij over den bepaalden tijd uitbleef hing Phyllis zich op; +zij werd in een amandelboom veranderd. Aan Diomedes, die bij zijne +terugkomst van Troja een inval in Attica deed zonder te weten in welk +land hij was, ontnam D. het palladium. Hij verdedigde de Heracliden +tegen Eurystheus, en regeerde ook nog, toen Orestes in Attica kwam. + +Demopoietoi, vreemdelingen wien het burgerrecht geschonken was. Dit +geschiedde, ten minste in vroegere tijden, te Athene hoogst zelden +en alleen wegens bizondere verdiensten jegens het volk. Een voorstel +om iemand het burgerrecht te verleenen moest in twee opeenvolgende +volksvergaderingen aangenomen worden, en in de tweede moesten zich +minstens 6000 stemmen bij geheime stemming voor den voorgestelde +verklaren. Ook dan nog misten de nieuwe burgers sommige rechten; eerst +hunne kinderen, soms hunne kleinkinderen, genoten het burgerrecht in +zijn vollen omvang. + +Demosioi, z. demioi. + +Demosthenes, Demosthenes, 1) zoon van Alcisthenes, atheensch strateeg +in den peloponnesischen oorlog, ondernemend, omzichtig en bekwaam. In +426, toen hij met 30 schepen de kusten van de Peloponnesus plunderde, +vormde hij het plan door Aetolië, Doris en Phocis te dringen en een +inval in Boeotië te doen; door onbekendheid met land en volk mislukte +deze onderneming en leed D. zulke verliezen, dat hij uit vrees voor den +toorn der Atheners te Naupactus bleef. Toen hij echter den Spartanen +bij die stad en bij het amphilochische Argos gevoelige verliezen +had toegebracht, keerde hij naar Athene terug. In het volgende jaar +bezette hij Pylus in Messenië en sloot hij de spartaansche hoplieten, +die gekomen waren om hem te verjagen, op het eiland Sphacteria in; +na een lang beleg dwong hij, door Cleon (z. a.) geholpen, hen tot de +overgave. Toen in 413 de berichten, die Nicias van Syracusae zond, +steeds ongunstiger werden, werd D. met eene aanzienlijke vloot hem +te hulp gezonden; de geleden verliezen waren echter reeds te groot, +en D. vond bij zijn ambtgenoot te veel tegenstand, dan dat hij eenig +voordeel kon behalen of het leger en de vloot kon redden; na de +beslissende nederlaag werd hij, evenals Nicias, gevangen genomen en +door de verbitterde Syracusanen ter dood gebracht.--2) Athener, zoon +van Demosthenes, geb. 383, verloor op zijn zevende jaar zijn vader, +die hem een vrij aanzienlijk vermogen naliet, waarvan echter, toen +hij meerderjarig werd, bijna alles door zijne voogden verduisterd +of verkwist was. In het proces, dat hij hun deswege aandeed (364), +trad hij dus reeds zeer vroeg als redenaar op, zoodat sommigen ook +vermoedden dat de bij die gelegenheid door hem gehouden redevoeringen +niet door hem alleen, maar door of ten minste met de hulp van +Isaeus gemaakt waren. Deze was reeds vroeger zijn leermeester in de +welsprekendheid geweest, ofschoon hij natuurlijk ook andere redenaars +hoorde, en de natuurlijke nadeelen, waarmede D. te kampen had, +lichamelijke zwakte en een spraakgebrek, waren bij het onderwijs +zoovele moeielijkheden, die hij alleen door bewonderenswaardige +volharding kon te boven komen. Ofschoon D. het eerste proces tegen +een van zijne voogden won, gelukte het hem niet zich in het bezit +te stellen van het hem toekomende, en moest hij zich ten slotte +met de betaling eener betrekkelijk kleine som tevreden stellen; +dientengevolge vond hij het ook raadzaam met de twee andere voogden +eene schikking te maken. Daarna hield hij zich als logographos bezig +met het schrijven van pleidooien, waarmede hij naar het schijnt veel +succes had, doch deze werkzaamheid liet hij varen toen hij zich op de +staatszaken ging toeleggen. Op ongeveer dertigjarigen leeftijd begon +hij ook in de volksvergadering op te treden, v. s. nadat hij bij eene +vroegere poging uitgefloten, maar door een beroemd tooneelspeler tot +volharding aangemoedigd was. Voorshands hield hij zich met onderwerpen +van ondergeschikt belang bezig, maar weldra zag hij dat van buiten een +gevaar dreigde, dat den ondergang van Athene en geheel Griekenland ten +gevolge moest hebben: de toenemende macht van Macedonië. Sedert 351, +het jaar waarin hij zijn eerste Philippica hield, houdt D. niet op, +de Atheners tegen Philippus te waarschuwen, en hen te wijzen op hunne +verkeerdheden, waardoor het dezen mogelijk werd zich steeds grooter +gebied te verwerven en meer en meer invloed op de aangelegenheden der +Grieken te krijgen. Grievend moet het voor D. geweest zijn te zien, +hoe weinig zijne vermaningen vermochten, hoe zelden de door hem +voorgestelde maatregelen ten uitvoer gebracht werden, deels door +de onverschilligheid van het volk, deels door gebrek aan bekwame +veldheeren, maar vooral door het drijven van eene invloedrijke partij, +die in het belang van Macedonië werkte en waarvan Aeschines (z. a.) de +woordvoerder was. Het kon D. niet ontgaan, waartoe dit alles leiden +moest; toen dan ook Philippus na den tweeden heiligen oorlog eensklaps +het masker afnam en zelfs Athene bedreigde, was hij de eenige die +niet verrast werd, die kalm genoeg bleef om ook nu nog verstandige +maatregelen te nemen en oogenblikkelijk een bondgenootschap tusschen +Thebe en Athene tot stand te brengen, dat aanvankelijk Philippus met +goed gevolg scheen weerstand te bieden; de slag bij Chaeronea besliste +echter in het nadeel der Grieken. Vruchteloos waren ook de pogingen van +D. om na den dood van Philippus een algemeen grieksch bondgenootschap +tegen Macedonië in het leven te roepen; de snelheid en gestrengheid, +waarmede Alexander op Thebe wraak nam, boezemde ieder schrik in, +en alleen op voorspraak van Demades zag Al. af van zijn eisch, dat +met andere redenaars ook D. aan hem zoude uitgeleverd worden. Maar +hoe weinig gevolg de bemoeiingen van D. ook hadden, het volk erkende +steeds zijne edele bedoelingen en zijn vaderlandslievend streven; +zoolang men zich nog konde bedriegen omtrent Philippus' plannen, mocht +het al lachen, wanneer D. door zijne vijanden een overdreven pessimist +en "waterdrinker" genoemd werd, telkens wanneer zij een beslissenden +slag tegen hem meenden te slaan, toonde het volk hoezeer het hem +achtte. Toen D. Aeschines wegens hoogverraad aanklaagde, ontsnapte +deze, in weerwil van zijne invloedrijke vrienden, ternauwernood aan +eene veroordeeling; toen daarentegen Aeschines zich verzette tegen een +volksbesluit, waarbij aan D. wegens zijne verdiensten een gouden krans +werd toegekend, leed hij zulk een verpletterende nederlaag, dat hij een +langer verblijf te Athene onmogelijk achtte (z. Aeschines). Ook werden +aan D. verscheiden eerambten opgedragen, die hij alle met bekwaamheid +en dikwijls met groote kosten waarnam, en de hardnekkige tegenstand +der macedonischgezinden kon niet beletten, dat hem werd opgedragen de +lijkrede over de gesneuvelden bij Chaeronea uit te spreken. Ongelukkige +gevolgen had voor hem echter de komst van Harpalus (z. a.); ofschoon +hij eerst afgeraden had dezen in de stad te ontvangen, beweerde men +later dat hij zich had laten omkoopen om in het belang van Harpalus +te werken; hij werd tot eene boete van 50 talenten veroordeeld, en +daar hij die som niet kon betalen, werd hij gevangen gezet (324); +hij ontvluchtte echter na weinige dagen en bracht eenigen tijd op +Aegina en te Troezen door, totdat hij bij de algemeene beweging, +die door den dood van Alexander in geheel Griekenland ontstond, +teruggeroepen werd. Hij werd in triumf te Athene ingehaald en leidde +weder voor eenigen tijd met hart en ziel de toebereidselen voor den +oorlog tegen Macedonië; na de nederlaag bij Crannon vluchtte hij naar +den tempel van Poseidon te Calauria, waar hij, toen de troepen van +Antipater naderden om hem gevangen te nemen, zich door vergif van het +leven beroofde (October 322). Ruim 40 jaar later richtte het volk, +op voorstel van Demochares, een standbeeld voor hem op, als voor +een man die zijn vermogen voor het algemeen belang had opgeofferd, +den staat vele diensten bewezen en vele bondgenooten verworven had, +het volk steeds ten goede geraden had, en eindelijk in het gevaar +den dood boven het verzaken zijner beginselen had gekozen. Zijne +redevoeringen zijn voor een deel verloren gegaan, van de 61, die +zijn naam dragen, worden 16 voor onecht gehouden; de echte gelden als +modellen van welsprekendheid en dienen tot schitterende bewijzen van +zijne bekwaamheid en zijn ijver, zoowel als van zijne vaderlandsliefde +en zijn edel karakter. De belangrijkste en meest gelezen redevoeringen +zijn: kata Philippou a´ (begin 351), de 3 Olynthische (351-349), peri +tes eirenes (346), kata Philippou b´ (344), peri tes parapresbeias +(343, zie Aeschines), peri ton en Cherroneso (341), kata Philippou g´ +(341), hyper Ktesiphontos peri tou stephanou (330, zie Aeschines). + +Denarius, zilveren rom. munt = 10 as, (zie as), later, toen +de as in gewicht beperkt was = 16 as. De denarius is altijd in +waarde gelijkgesteld met de Attische drachme. De stempels waren +verschillend. Denarius aureus, bij verkorting alleen aureus geheeten = +25 zilveren denarii of 100 sestertiën. Zie aureus. + +Denseletae of Dentheleti, Dentheletai, Dantheletai, thracisch volk +aan den Haemus, tusschen de rivieren Strymon en Nestus. + +Dentatus, bijnaam in het geslacht der Curii. + +Denuntiatio, de inleiding tot een proces, de mededeeling daarvan door +den eischer aan den gedaagde en de afspraak der partijen om voor den +praetor te verschijnen. Sedert M. Aurelius wordt denuntiatio vaak +gebezigd voor de gerechtelijke dagvaarding. + +Deo, Deo, verkorte naam, die aan Demeter vooral bij de dichters +gegeven werd. + +Depontani werden wel eens de burgers boven 60 jaar genoemd. Den +Romeinen zelf was de oorsprong van dezen naam duister. Misschien is de +uitdrukking hieruit te verklaren, dat toen de pontes ingevoerd werden +bij het stemmen, iuniores, hetzij in ernst of in scherts, geroepen +hebben: sexagenarios de ponte, met deze beteekenis, dat de oude heeren, +die door hun leeftijd geen diensten meer aan den staat verschuldigd +waren, ook maar van de stembus moesten wegblijven. Dat de zestigjarigen +echter het stemrecht gemist zouden hebben, is beslist onjuist. + +Deportatio, verbanning naar eenige afgelegen strafkolonie, +zooals de cycladische eilanden, Donusa, Amorgos, Seriphus, +Gyarus, onder militaire bewaking en met verlies van burgerrecht en +bezittingen. Relegatio was slechts eenvoudige verbanning naar eene +bepaald aangewezen plaats, waar de balling overigens als vrij man +leefde, en zonder verdere rechtsgevolgen. Onder de republiek waren +deze straffen voor rom. burgers onbekend; zij dagteekenen uit den +tijd van Augustus. Bij Tacitus e. a. worden deportatio en relegatio +somtijds dooreen gebezigd. + +Derbe, belangrijke stad in Lycaonia, aan de grenzen van Isauria, het +eerst genoemd als de woonplaats van den tyran Antipater, den vriend +van Cicero. + +Derbices, Derbikkai, scythisch volk aan de noordelijke grenzen +van Perzië, in de steppen ten O. van de Caspische zee. Het zijn de +afstammelingen van de Massageten, waartegen Cyrus te velde trekt. + +Dercetis, -to, Derketis, -keto, een syrisch meisje, moeder van +Semiramis; zij liet den vader van haar kind dooden en het kind +in een woestijn brengen, waar het door duiven gevoed werd; daarna +stortte zij zich in een meer bij Ascalon en werd zij in een visch +veranderd. De Syriërs vereerden haar onder den naam Atargatis als godin +te Hierapolis; zij wordt afgebeeld met het bovenlijf van eene vrouw, +dat in een vischstaart uitloopt. + +Dercyl(l)idas, Derkyl(l)idas, Spartaan, die in den peloponnesischen +oorlog met roem diende. In 399 werd hem het bevel over het spartaansche +leger in Klein-Azië opgedragen; hij herstelde de onder zijn voorganger +Thibron verslapte krijgstucht, voerde met kracht den oorlog tegen +de Perzen, en wist vooral door zijn groote slimheid, om welke hij +Sisyphus bijgenaamd werd, groote voordeelen te behalen. Reeds hadden +de satrapen Tissaphernes en Pharnabazus een wapenstilstand met hem +gesloten om de vredesvoorwaarden op te stellen; toen echter de koning +van Perzië intusschen groote krijgstoerustingen maakte, kwam Agesilaus +in Azië en nam het opperbevel van D. over. Deze bleef nog eenigen +tijd bij het leger, en toen na den zeeslag bij Cnidus de Spartanen +overal verjaagd werden, handhaafde hij zich in Abydus en Sestus. + +Dertona, Derthon, stad in Liguria, ten Z. van den Padus (Po), +rom. kolonie met den bijnaam Julia, thans Tortona. + +Dertosa, Dertosa, thans Tortosa, stad der Ilercavones in Tarraconensis +nabij de monding van den Iberus (Ebro). + +Designator, 1) bediende in het theatrum, die aan de toeschouwers hunne +plaatsen moest aanwijzen. De entréekaartjes, tesserae theatrales, +wezen den rang, de afdeeling (cuneus) en het nummer der plaats aan, +benevens den titel van het stuk.--2) aannemer van begrafenissen +en lijkstaatsies.--3) in de 3de eeuw n. C. een scheidsrechter bij +de wedrennen. + +Destrictarium, vertrek waar men zich van stof, zweet en olie liet +reinigen, zie Strigilis en Balneum. + +Dèsultores, 1) paardrijders, voltigeurs, die in vollen ren van het +paard sprongen, het bijhielden en er weder opsprongen, of ook wel +met twee paarden of meer hunne kunsten vertoonden en van het eene op +het andere oversprongen.--2) numidische en ook wel andere ruiters, +die twee paarden bestuurden, en wanneer het eene vermoeid was, in +vollen ren en volle wapenrusting op het andere oversprongen. + +Detestatio sacrorum, plechtige afstand van de sacra zijner gens bij +arrogatio in eene andere, of verzaking van de sacra der familie bij +een testamentum comitiis calatis factum. + +Deucalion, Deukalion, 1) zoon van Prometheus en Clymene, koning van +Phthia, was met zijne vrouw Pyrrha de eenige die behouden bleven, +toen Zeus het overige menschdom door eene overstrooming en een +plasregen van negen dagen verdelgde. Het schip, dat hij op raad van +Prometheus gebouwd had, landde bij het vallen van het water op den +Parnassus (v. a. Athos of Aetna). Verschrikt door de eenzaamheid +die hen omringde, raadpleegden zij het orakel van Themis, dat hun +beval de beenderen hunner moeder achter zich te werpen. D. begreep +dat hiermede steenen, als het ware de beenderen der moederaarde, +bedoeld werden; zij gehoorzaamden aan het orakel en de steenen van +D. werden mannen, die van Pyrrha vrouwen. Het graf van D. vond men +te Athene bij den tempel van den olympischen Zeus, dat van Pyrrha te +Cynus in Locris. Hunne kinderen waren Hellen, Amphictyon, Protogenea +e. a.--2) zoon van Minos en Pasiphaë, vader van Idomeneus, nam deel +aan den tocht der Argonauten en aan de calydonische jacht. + +Deunx = 11 unciae. Als muntstuk bestond de deunx niet. De as had +12 unciae. + +Deva, Deoua, thans Chester (afgeleid van Castrum), in de buurt van +Liverpool, stad in Britannia Romana. Ook de aanliggende baai of breede +riviermond, thans Dee, heette zoo. + +Deverra, eene godin, die met Pilumnus en Intercidona aangeroepen werd +om eene kraamvrouw met haar kind tegen den invloed van Silvanus te +beschermen. Om zich de hulp van die godheden te verzekeren, liet men +des nachts drie mannen met bijl, stamper en bezem, de zinnebeelden +der beschaving, om het huis loopen. + +Deversorium, zie Caupona. + +Dexippus, Dexippos, 1) grieksch geschiedschrijver in de 3de eeuw n. C., +wiens voornaamste werk de gebeurtenissen na den dood van Alexander +behandelde.--2) nieuw-platonisch wijsgeer in de 4de eeuw n. C., +schrijver van commentaren op Aristoteles. + +Dextans = 10 unciae of 5/6 as. Een muntstuk van dit bedrag bestaat +niet. + +Di indigetes, enz., zie Dii indigetes, enz. + +Dia, z. Dea Dia. + +Dia, Dia, 1) oude naam van het eiland Naxus.--2) eilandje ten N. van +Midden-Creta.--3) eilandje in de arabische golf (Roode Zee), voor de +monding van de Aelanitische golf (Aelaniticus sinus). + +Diablintes, een van de vier takken der Aulerci. Hoofdstad: Noviodunum, +tgw. Jublains. + +Diacria, Diakria, het N.O. bergland van Attica. De Diacriërs waren het +armste en meest democratisch gezinde gedeelte der attische bevolking. + +Diadikasia, in het algemeen de beslissing in een proces, in het +bizonder in eene rechtszaak, waarin verschillende personen dezelfde +aanspraken (bijv. op een voogdij, ambt e. dgl.) willen doen gelden; +ook in een proces tegen de staatskas, wanneer iemand beweerde recht +te hebben op verbeurdverklaarde goederen. + +Diadochos, opvolger; in het bizonder wordt die naam gegeven aan hen, +die na den dood van Alexander d. G. over de deelen van zijn rijk +regeerden. + +Diaeta, een complex van verschillende kamers in een Romeinsch huis, +die samen een woning op zich zelf vormen. In Pompeii heeft men +verscheidene zulke diaetae meenen te herkennen. + +Diaeus, Diaios, van Megalopolis, sedert 149 strateeg van het achaeisch +verbond en aanvoerder in den oorlog tegen de Romeinen, die vooral door +zijn toedoen ontstaan was; nadat hij door Mummius bij Leucopetra op +den Isthmus verslagen was, maakte hij door vergif een einde aan zijn +leven (146). + +Diagoras, Diagoras, 1) van Rhodus, een der beroemdste athleten van +Griekenland, vader en grootvader van athleten. Een van de gedichten van +Pindarus is aan hem gewijd.--2) van Melus, zoon van Teleclides, hield +zich in zijne jeugd met poëzie bezig, later werd hij een aanhanger van +Democritus. Hij leefde meestal te Athene, waar hij door het loochenen +der goden (vandaar zijn bijnaam atheos) en het bespotten der mysteriën +zooveel aanstoot gaf, dat de Atheners een prijs op zijn hoofd stelden +(411); hij vluchtte echter tijdig naar Corinthe. Deze verhalen zijn +echter niet geheel betrouwbaar. + +Diagraphes, beambten te Athene, die ieders aanslag in buitengewone +belastingen (bijv. de eisphora) bepaalden en nalatige betalers +vervolgden. + +Diaitetes, scheidsrechter. Te Athene werden civiele zaken, ter +besparing van onkosten, meestal in de eerste instantie door een +scheidsman behandeld. Op verzoek van den eischer wees de magistraat, +die met de leiding van het proces belast was, door het lot een van de +openbare scheidslieden aan, waarvan er meer dan honderd waren; van de +beslissing van den scheidsman kon men bij de Heliaea appelleeren. De +scheidsrechter kreeg bij elke zitting van beide partijen een drachme; +wegens misbruiken in het waarnemen zijner betrekking kon hij bij +de logisten aangeklaagd worden.--Bovendien kon men elk geschil bij +overeenkomst door een of meer scheidsrechters laten beslissen, die +men zelf koos; van hun uitspraak was echter geen appèl geoorloofd. + +Diaktoros, bijnaam van Hermes, als uitvoerder van de bevelen van Zeus. + +Diamartyria, het bewijs door getuigen, dat eene aanklacht al of niet +behoort in behandeling genomen te worden. De aangeklaagde kon eischen, +dat de aanklager door getuigen bewees, dat er geen beletsel (verjaring +e. dgl.) bestond om de zaak te behandelen, of anders zelf door getuigen +bewijzen dat zulk een beletsel wel bestond. Wie bij de diamartyria +geen vijfde deel van de stemmen voor zich had, verviel in de epobelia. + +Diana, oorspronkelijk eene italiaansche maangodin, wier wezen in +nauw verband staat met dat van Janus, en wier dienst door latijnsche +plebejers in Rome was ingevoerd; later werd zij geïdentificeerd +met Artemis en werden alle attributen en mythen van deze op haar +overgebracht. Zij was voornamelijk de godin van het mindere volk, +ook slaven en slavinnen stonden onder hare bescherming. Haar feestdag +viel op den 13den Augustus, en de ludi saeculares waren aan haar en +Apollo gewijd.--Beroemd was de tempel, dien zij als beschermgodin +van het latijnsche stedenverbond op den Aventinus had. Ook te Aricia +(z. a.) had zij een beroemd heiligdom. Haar eeredienst in den tempel +op den Aventinus is ingericht naar dien van de Aricische Diana. + +Dianium, kaap en stad van Tarraconensis, tegenover de Pityusen-eil. De +stad, oudtijds eene kolonie van Massilia en toen Hemeroscopium +geheeten, had een beroemden Diana-tempel. Sertorius gebruikte de +haven als marinestation. + +Diapsephisis. Wanneer er vermoeden bestond, dat iemand zich +wederrechtelijk als atheensch burger had laten inschrijven, werd bij +volksbesluit bevolen, dat de demos, waartoe zulk een persoon behoorde, +zijn ledenregister zoude herzien. In eene vergadering der demotai +werd dan dit register voorgelezen, en over iedereen, wiens recht +men betwijfelde, werd gestemd; deze stemming heette diapsephisis. De +persoon, te wiens nadeele de stemming was uitgevallen, verloor zijn +burgerrecht zonder verdere straf te beloopen; indien hij echter +appelleerde en ook dan in het ongelijk gesteld werd, konden zijne +goederen verbeurd verklaard en hijzelf als slaaf verkocht worden.--Ten +tijde van Demosthenes gebeurde het eens, dat aan alle demen tegelijk +het herzien hunner ledenlijsten werd opgedragen. + +Diasia, Diasia, een groot feest ter eere van Zeus Meilichios den 23sten +Anthesterion door de Atheners bij den Ilissus gevierd; het was een +verzoeningsfeest, waarbij ieder burger een offer bracht; wie geen stuk +vee kon betalen, gaf een gebak in den vorm van een schaap of varken. + +Diaulos dromos, of alleen diaulos, een wedloop, waarin de dubbele +lengte van de renbaan afgeloopen werd. + +Dicaea, thracische stad bij het meer Bistonis. + +Dicaearchia, Dikaiarchia, havenstad van Cumae, later Puteoli. + +Dicaearchus, Dikaiarchos, van Messana, leerling van Aristoteles, +beroemd als schrijver van wijsgeerige, geschied- en aardrijkskundige +werken, die echter alle bijna geheel verloren gegaan zijn. Zijn Bios +Hellados in 3 boeken was het oudste werk over beschavingsgeschiedenis. + +Dichalkon, grieksch koperen muntstukje, een vierde van een obolus. + +Dictator. De dictatuur, omstreeks 500 te Rome ingesteld, was in +den grond een herstel der koninklijke macht, doch slechts voor zes +maanden op zijn langst. Was de taak, waarvoor hij benoemd was, +vroeger afgeloopen, dan behoorde de dictator zijn ambt neer te +leggen. De dictator, oudtijds ook magister populi geheeten, als +aanvoerder van het voetvolk, werd benoemd door een der consuls, +natuurlijk krachtens een senaatsbesluit; op zijne beurt benoemde hij +zijn magister equitum, die zijn collega minor en, zoo noodig, zijn +plaatsvervanger was en met hem aftrad. Daar de onbeperkte volmacht +van den dictator ouder was dan de instelling van het volkstribunaat, +vermochten de volkstribunen niets tegen den dictator, die van zijnen +kant ook niets tegen hen vermocht uithoofde hunner onschendbaarheid, +zij konden elkander dus niet hinderen. De dictator was niet aan de +provocatio onderworpen, zie echter Valeriae (leges) de provocatione, +no. 3. In 217, na den slag bij het trasumeensche meer, was er geen +consul te Rome om een dictator te benoemen; hierom werd Fabius Maximus +(Cunctator) door het volk gekozen en niet tot dictator benoemd, maar +met dictatoriale macht bekleed, pro dictatore. Na afloop van den 2den +Punischen oorlog zijn geen dictatoren meer benoemd. In plaats van +een dictator te benoemen, behielp men zich met het senatus consultum +ultimum (z. a.). De benoeming van L. Cornelius Sulla door eene lex +Valeria (z. a.) tot levenslang (perpetuus) dictator was eene dier +onwettigheden, waaraan de laatste tijd der rom. republiek zoo rijk +is. De rom. geschiedenis kent dictators, vooral rei gerundae causa, +d. i. tot het voeren van een oorlog, maar ook seditionis causa, +comitiorum habendorum c., senatus legendi c., delectus habendi c., +feriarum Latinarum c., clavi figendi c., d. i. voor het inslaan van +den gouden jaarspijker op het Capitool, quaestionis exercendae c., +d. i. tot het leiden van een buitengewoon rechtsgeding. De officieele +term voor de benoeming is: dictatorem dicere. De grieksche vertaling is +autokrator, ook diktator. Tot de insigniën van den dictator behoorden +de sella curulis, de toga praetexta en 24 lictoren met roedenbundels +en bijlen. De eerste dictator was T. Lartius Flavus, de eerste uit +de plebs C. Marcius Rutilus, in 356. Ook bij het latijnsch verbond +komen dictators voor. + +Dictator municipalis. In de municipia stonden meestal twee personen +aan het hoofd van het gemeentebestuur met den titel van duumviri iuri +dicundo. Evenwel komen enkele afwijkingen voor. Zoo stond b.v. te +Lanuvium, Aricia, Caere, Nomentum, Fidenae, Tusculum één persoon aan +het hoofd met den titel van dictator. + +Dicte, Dikte, berg op Creta, waar Zeus geboren was. Bij rom. dichters +Dictaeus = cretensisch. + +Dictynna, Diktynna, z. Britomartis. + +Dictys, Diktys, 1) broeder van koning Polydectes van Seriphus, die +de kist aan land trok, waarin zich Danaë met haar kind bevond.--2) +D. Cretensis, van Cnossus, had naar men meende, Idomeneus in den +trojaanschen oorlog begeleid en op palmbladen een dagboek (Ephemeris) +geschreven, dat ten tijde van Nero bij gelegenheid van eene aardbeving +in zijn graf gevonden werd. Van dit werk bestaat eene latijnsche +vertaling van zekeren L. Septimius, die in de 4de eeuw n. C. leefde; +van het oorspronkelijk grieksche werk is onlangs een klein gedeelte +gevonden. Z. Dares. + +Didaskalia, een gedenkschrift betreffende de opvoering van een +tooneelstuk, bevattende den titel van het stuk, den naam van +den schrijver, den tijd en de plaats der opvoering, enz. Van +deze documenten maakten latere schrijvers over geschiedenis der +letterkunde of van het tooneel, v. s. Aristoteles het eerst, veel +gebruik, en bij de meeste grieksche en latijnsche tooneelstukken, +die bewaard gebleven zijn, bestaat ook nog de didaskalia geheel of +gedeeltelijk.--D. beteekent in de eerste plaats het instudeeren +door den dichter van een koor, vooral voor tragedie en comedie, +dan ook het opvoeren zelf der tooneelstukken; ook de stukken, die +bij dezelfde gelegenheid ten tooneele kwamen, noemde men soms met +een gemeenschappelijken naam didaskalia. + +Didia (lex) sumptuaria, tot beperking der uitgaven voor maaltijden, +niet slechts te Rome, maar in geheel Italia, 143, een uitbreiding +van de lex Fannia van 161. + +Didii, aanzienlijk plebejisch geslacht. 1) T. Didius, consul in 98, +overwon als praetor de Scordiscers. Als proconsul versloeg hij de +Celtiberiërs in Hispania. Hij sneuvelde in den marsischen oorlog.--2) +C. Didius, legaat van Caesar, sneuvelde in Hispania in den strijd +tegen S. Pompeius.--3) M. Didius (Severus) Julianus, zie Juliani no. 3. + +Dido, Dido, ook Elissa, Elissa, geheeten, was de zuster van den +tyrischen koning Pygmalion, en de echtgenoote van haren oom Acerbas +of Sichaeus. Toen Pygmalion haar man had doen vermoorden, vluchtte +Dido ± 870 met een aantal Tyriërs, en landde op de kust van Africa, +waar zij van zekeren koning Iarbas een stuk grond kocht en aldaar +de stad Carthago stichtte. Toen later Iarbas haar met geweld en +onder bedreiging met een oorlog tot vrouw begeerde, richtte Dido een +brandstapel voor zich op en doorstak zich daarop met een zwaard. Zij +werd door de Carthagers als godin vereerd. Vergilius brengt in zijne +Aeneis Aeneas en Dido samen, en laat Dido sterven tengevolge van +hopelooze liefde voor Aeneas. Dezen vorm van de sage heeft hij aan +Naevius en misschien ook aan Ennius ontleend. + +Didrachma, -mum, didrachmon, grieksch zilveren muntstuk ter waarde +van twee drachmen. + +Didyma, ta Didyma, stad in het gebied van Miletus, ook Branchidae +geheeten, met een beroemden tempel en een orakel van Apollo, waarvan +het geslacht der Branchiden de priesterlijke waardigheid vervulde. Door +Darius of door Xerxes werd de stad verwoest, doch later werd zij door +de Milesiërs herbouwd. De bouw werd echter nooit geheel voltooid. Zie +ook Branchidae. + +Didymus, Didymos, 1) bijgenaamd Chalkenteros, beroemd alexandrijnsch +grammaticus, geb. in 63, wien door de ouden een fabelachtig aantal +werken, v. s. 3500, worden toegeschreven. Voornamelijk hield hij +zich bezig met commentaren en woordenboeken op Homerus, Sophocles, +Aristophanes e. a. dichters en de attische redenaars.--2) Claudius +Didymus, z. Claudii no. 40. + +Dies Comitiales, z. Comitiales dies. + +Dies Endotercisi, z. Festi dies. + +Dies Fasti, z. Fasti. + +Dies Festi, z. Festi dies. + +Dies Nefasti, z. Nefasti dies. + +Dies Profesti, z. Festi dies. + +Diespiter, oude naam van Jupiter (Diovis pater). + +Diffarreatio, eene in bizonderheden onbekende vorm van echtscheiding, +wanneer het huwelijk per confarreationem gesloten was. Deze +echtscheiding komt eerst sedert den keizertijd voor. + +Digentia, een koel en helder beekje in het sabijnsche land, dat langs +het landgoed van Horatius stroomde en zich in den Anio stortte. + +Digesta, een verzameling van juridische geschriften; vooral wordt met +dien titel, (gr. Pandektai) een gedeelte aangeduid van het wetboek +van Justinianus. + +Digiti, door Cicero gebruikte latijnsche naam van de Dactyli Idaei. + +Digitius (S.) werd door Scipio Africanus maior bij de inneming van +Carthago nova (210) met een muurkrans begiftigd. Zijn zoon was in +194 praetor en stadhouder van Hispania citerior. + +Dii indigetes, de inheemsche, oorspronkelijk rom. goden, in +tegenstelling van de peregrini of novensides. + +Dii manes, zie Manes. + +Dii novensides (novensiles) of peregrini, goden wier dienst niet +oorspronkelijk rom., maar van elders ingevoerd was, in tegenstelling +met de di(i) indigetes. + +Dii penates, zie Penates. + +Dii selecti: hieronder verstaat Varro de voornaamste Romeinsche goden. + +Di(i)polia of Bouphonia, feest te Athene den 14den Skirophorion ter +eere van Zeus Polieus gevierd. Men liet een stier van het heilige +koren, dat op het altaar lag, eten en offerde hem daarop als het ware +tot straf. De priester, die hem doodde, moest echter terstond na den +doodelijken slag vluchten, en de bijl, waarmede het offer voltrokken +was, werd in zijn plaats voor het gerecht gebracht, vervloekt en in +zee geworpen. De huid van het offerdier werd opgevuld en daarna voor +een ploeg gespannen. Sommigen zien in dit gebruik een overblijfsel +van een oude dierenvereering. + +Dikastai kata demous, rechters, die over minder belangrijke zaken +en waarschijnlijk alleen in de demen buiten de stad oordeelden. Zij +waren door Pisistratus ingesteld, om de landlieden buiten de stad te +houden. Na zijn val werden ze afgeschaft, maar in 453 weder ingesteld +ten getale van 30. Na Euclides (403) werd het getal op 40 gebracht, +vanwaar zij gewoonlijk hoi tettarakonta genoemd worden. + +Dikasterion, lokaal waar eene rechtbank zitting houdt, ook de +rechtbank zelve. + +Dikastikon, de belooning der rechters te Athene, misthos +dikastikos. Door Pericles werd aan de rechters eene betaling van +een obolus voor iedere zitting toegekend, door Cleon werd deze +verdrievoudigd (triobolon heliastikon). De rechters ontvingen bij +hunne komst in het gerechtshof een bewijsje (symbolon), waarop zij na +afloop der zitting bij de kolakretai betaling kregen. Overdreven is +ongetwijfeld het bericht, dat jaarlijks 150 talenten als dikastikon +door den staat uitgegeven werden. + +Dike, godin der gerechtigheid, dochter van Zeus en Themis, dikwijls als +straffende godin met de Erinyen vereenigd. Zij is dezelfde als Astraea. + +Dike, proces, meer in het bizonder, in tegenstelling van graphe, ook +agon idios, dike idia genoemd, proces wegens persoonlijke beleediging, +mishandeling, toegebrachte schade, enz. De behandeling der dikai is +vooral daardoor van die der graphai verschillend, dat de aanklager +moet zijn de betrokken persoon of zijn kyrios, en dat beide partijen +tot dekking van de kosten zekere geldsom (prytaneia) moesten storten, +die de verliezende partij aan de winnende moest terugbetalen. De straf +bestond meestal in boete of schadeloosstelling, aan den aanklager +te betalen, echter konden de rechters in sommige ernstige gevallen +nog eene verhooging van straf (prostimema) bijv. gevangenisstraf, +erbij voegen, en volgde op herhaalde veroordeelingen somtijds +atimie. Vgl. graphe. + +Dimachaeri, dimachairoi, een soort van zwaardvechters. Uit den naam +maakt men op, dat zij ieder met twee zwaarden gewapend waren. + +Dimallum, Dimalos, ook -le, stad der Parthini in Illyris graeca, +aan de kust gelegen. + +Dimensuratio provinciarum is de titel van een klein geschrift over +geographie uit de 4e eeuw n. C., zie Divisio orbis terrarum. + +Dinarchus, Deinarchos, van Corinthe, geb. omstreeks 361, kwam jong naar +Athene en werd een leerling en vriend van Theophrastus en Demetrius +Phalereus. Als aanhanger van Cassander werd hij in 307 verbannen en +ging hij naar Chalcis op Euboea, van waar hij eerst in 292 terugkwam; +na den dood van Cassander liet Polyperchon hem ter dood brengen. Hij +leefde van het schrijven van pleitredenen, waarin hij Demosthenes +trachtte na te volgen; een van de drie redevoeringen, die zijn naam +dragen, wordt door velen voor onecht gehouden. + +Dindymene, Dindymene, bijnaam van Rhea Cybele, naar haar tempel op +den berg Dindymum, volgens de overlevering door de Argonauten gesticht. + +Dindymum, -mus, -ma (plur.), Dindymon, -mos, -ma, naam van twee bergen, +beide aan Cybele geheiligd, die hiernaar Dindymene heet. De eene lag +op de grenzen van Phrygia en Galatia, nabij de stad Pessinus, waar een +tempel was met het uit den hemel gevallen beeld der godin, dat in 204 +naar Rome werd overgebracht. De andere berg lag op het schiereiland +van Cyzicus en had een tempel, die reeds door de Argonauten zou +gesticht zijn. + +Dino, Deino, dochter van Phorcys, eene van de Graeae. + +Dinochares, Deinochares, beroemd macedonisch bouwmeester, was +belast met den aanleg van Alexandrië en richtte den brandstapel voor +Hephaestion op. Van hem was het zonderlinge plan, uit den berg Athos +een beeld van Alexander te houwen, dat in de rechterhand eene stad +zoude dragen, en in de linker een schaal, waaruit eene rivier zou +stroomen. V. a. is zijn naam Dinocrates, Timochares, Chirocrates +of Stasicrates. + +Dinocrates, Deinokrates, 1) z. Dinochares.--2) z. Philopoemen. + +Dio, Dion, van Syracuse, zoon van Hipparinus, zwager van den jongen +Dionysius, geb. 409. Van nature met vele voortreffelijke eigenschappen +begaafd en sedert zijne jeugd beoefenaar der wijsbegeerte, genoot +hij algemeen hoog aanzien en oefende hij zelfs zoowel op den ouderen +als op den jongeren Dionysius een gunstigen invloed uit. Maar zijne +vijanden, vooral Philistus, wisten hem bij laatstgenoemden verdacht +te maken, zoodat hij in 366 verbannen werd; hij ging naar Athene +en leefde daar eenigen tijd, terwijl hij vooral met zijn vriend +Plato omging, die vroeger op zijn verzoek tweemaal Syracuse bezocht +had, en nu herhaaldelijk vergeefsche pogingen aanwendde om eene +verzoening tusschen hem en den tyran te bewerken. Toen eindelijk de +heerschappij van Dionysius steeds drukkender werd en zich vooral tegen +de betrekkingen van Dio richtte, besloot hij een poging te wagen, om +zijn vaderland te bevrijden. Met eene uiterst geringe macht landde hij +in het W. van Sicilië (357), terwijl Dionysius hem met een vloot aan de +kust van Italië afwachtte, en werd hij met vreugde door de Syracusanen +ontvangen; daar echter de burcht in handen van Dionysius gebleven was, +volgden nog langdurige gevechten en onderhandelingen, gedurende welke, +vooral door de tegenwerking van zijn vroegeren aanhanger Heraclides, +die nu bevelhebber van de vloot was, reeds oneenigheden tusschen +Dio en zijne partijgenooten uitbraken, die eenmaal zoo hoog liepen, +dat hij zich met de zijnen naar Leontini begaf; spoedig echter werd +hij teruggeroepen en eindelijk moest Dionysius zijne aanspraken +laten varen. Toen Dio nu echter zelf aan de regeering gekomen +was, verminderde spoedig de ingenomenheid met hem, en kreeg hij +door zijne overdreven gestrengheid en willekeurige handelingen vele +vijanden. Vooral Heraclides bleef zich tegen hem verzetten, en toen hij +dezen had laten ter dood brengen, steeg de ontevredenheid zoo hoog, +dat weldra bij sommigen het plan opkwam zich van den geweldenaar te +ontdoen. Zoo werd Dio, na eene regeering van ruim drie jaar, op een +feestdag in zijn eigen kamer vermoord (354). Zijn aandenken werd +echter hoog in eere gehouden en de Syracusanen richtten te zijner +gedachtenis een gedenkteeken op. + +Dio Cassius (beter Cassius Dio) Cocceianus, Dion ho Kassios, +kleinzoon van Dio Chrysostomus, geb. te Nicaea 155 n. C., trad in +186 als redenaar te Rome op, werd senator, praetor, tweemaal consul +en stadhouder van Pergamus, Africa, Dalmatië en Pannonië. Na eenigen +tijd in Campania gewoond te hebben, ging hij naar Nicaea terug, waar +hij zijn leven eindigde. Van zijn groot grieksch werk, bevattende +in 80 boeken de romeinsche geschiedenis van de vroegste tijden tot +Alexander Severus, een werk dat hij op aansporing van een droomgezicht +onder handen nam en waaraan hij 22 jaren werkte, zijn 25 boeken (36-60) +volledig bewaard gebleven, van de andere bestaan grootere of kleinere +fragmenten en uittreksels. Het bevat belangrijke bijdragen voor de +geschiedenis van het keizerrijk, ofschoon ook veel, dat ons weinig +belang inboezemt, bijv. verhalen van wonderen, hofgeschiedenissen, +enz.; in taal en stijl tracht hij de oude grieksche schrijvers na +te volgen. + +Dio Chrysostomus Cocceianus, Dion ho Chrysostomos, geb. te Prusa +omstreeks 50 n. C., hield zich aanvankelijk met rhetorische, later +met philosophische studiën bezig. Onder Nerva en Traianus leefde +hij, door beide keizers hoog geëerd, te Rome, van waar hij vroeger +onder Domitianus verbannen was. Van hem bestaan 80 in den vorm van +redevoeringen geschreven verhandelingen over wijsbegeerte en zedekunde, +uitmuntend door sierlijkheid en zuiverheid van taal, en zeer belangrijk +voor de kennis der toestanden in zijn tijd. + +Diobelia, z. theorikon. + +Diocaesarea, Diokaisareia, vroeger Sepphoris, aanzienlijke stad +in Galilaea; den nieuwen naam krijgt de stad na de verwoesting van +Jerusalem. + +Diocles, Diokles, 1) zoon van Orsilochus, koning van Pherae.--2) +van Megara, om zijne dapperheid na zijn dood als heros vereerd; te +zijner eere vierde men te Megara jaarlijks het feest Diokleia.--3) +een van de vorsten te Eleusis, die door Demeter in de mysteriën +onderwezen werden.--4) van Phlius, dichter der oude attische +comedie.--5) demagoog te Syracuse tijdens den peloponnesischen +oorlog, aan wien vooral de barbaarsche behandeling der atheensche +krijgsgevangenen geweten wordt. Na afloop van den oorlog tegen de +Atheners bewerkte hij de wetten in democratischen geest, en men +verhaalde, dat hij zichzelf van het leven beroofd zou hebben, omdat +hij in strijd met zijn eigen wet gewapend in de volksvergadering +gekomen was (vgl. Charondas). Na een ongelukkig gevecht tegen de +Carthagers (409) werd hij verbannen, doch spoedig teruggeroepen.--6) +van Carystus, beroemd geneesheer vóór den tijd van Aristoteles.--7) +van Peparethus, grieksch geschiedschrijver uit de 3e eeuw, die over +de oudste geschiedenis van Rome schreef. Zijn werk heeft Fabius Pictor +(Fabii no. 25) als bron gebruikt.--8) rhetor uit den tijd van Augustus. + +Diocletianus (C. Aurelius Valerius), van geringe afkomst, in Dalmatia +geboren, klom van gemeen soldaat onder keizer Probus tot stadhouder +van Moesia op, en werd in Nov. 284 na C. door zijn leger tot keizer +uitgeroepen. Daar hij inzag, dat bij de toenemende invallen der +barbaren het rom. rijk te uitgebreid was voor één regent, nam hij in +285 Maximianus tot Caesar, en in 286 tot Augustus en mederegent aan, +wien hij het W. des rijks toevertrouwde, terwijl hij zelf de zorg +voor het O. behield. In 293 namen zij nog twee hulpkeizers aan, +met den titel Caesar, als het ware kroonprinsen, om hen later als +Augusti op te volgen, n.l. Galerius voor het O., Constantius Chlorus +voor het W. Tevens werd elke helft van het rijk nog weer in tweeën +gesplitst (zie praefecturae). Als onderverdeeling van de praefecturae +had men nu 12 dioeceses (z. a.), die weer onderverdeeld waren in 101 +provincies. Italië werd met de overige provincies gelijk gesteld, +en ook aan de grondbelasting onderworpen. Verder worden burgerlijk en +militair gezag gescheiden. Het burgerlijk gezag is in handen van de +4 praefecti praetorio, de legers worden gecommandeerd door duces. In +305 legde Diocletianus, die naar rust verlangde, zijne waardigheid +neder, om bij Salona stil te leven. Van zijn paleis aldaar zijn +nog overblijfselen. Hij stierf in 313. Diocletianus behoort tot +de keizers, die de Christenen streng vervolgden. Met hem begint de +(absolute) monarchie. De senaat wordt ter zijde geschoven. Alle gezag +gaat uit van den keizer, die zich Dominus laat noemen, en een streng +hofceremonieel, aan het Oosten ontleend, invoert. De keizers wonen nu +niet meer in Rome, maar meer aan de grenzen van het rijk, Maximianus +te Milaan, Diocletianus te Nicomedea. Toch heeft Diocl. nog veel in +Rome gebouwd, zie Thermae. + +Diodorus, Diodoros, 1) van Iasus, bijgenaamd Cronus, megarisch wijsgeer +aan het hof van Ptolemaeus Lagi.--2) van Tyrus, te Athene leerling van +Critolaus en zijn opvolger als hoofd der peripatetische school.--3) +D. Siculus van Agyrium, leefde onder Augustus te Rome. Na dertig +jaar in Europa en Azië gereisd en met ernst zijne bronnen bestudeerd +te hebben, zette hij zich tot het schrijven van eene algemeene +geschiedenis (Bibliotheke historike) van de vroegste tijden tot Caesar +in 40 boeken, waarvan 15 (1-5, 11-20) geheel bewaard gebleven zijn, +terwijl van de overige fragmenten en uittreksels bestaan. Hoewel hij +zijne bronnen gewoonlijk zonder kritiek eenvoudig naschrijft en ten +gevolge van zijne streng synchronistische indeeling aan zijn werk geene +eenheid wist te geven, is het toch belangrijk door vele van elders +onbekende berichten, vooral betreffende de geschiedenis van Sicilië. + +Diodotus, Diodotos, 1) Athener, op wiens voorstel de Atheners +het besluit introkken om de afvallige Mytilenaeërs te dooden +(z. Cleon).--2) van Erythrae, schrijver van Ephemerides Alexandrou, +een werk, dat verloren gegaan is, maar waarvan Plutarchus en Diodorus +gebruik gemaakt hebben.--3) geleerd stoicijnsch wijsgeer, leermeester +en vriend van Cicero, in wiens huis hij woonde en stierf (49/48), +en wien hij zijn vermogen naliet. + +Dioecesis, dioikesis, onderafdeeling van het keizerrijk sedert +Diocletianus (z. a.). + +Diogenes, Diogenes, 1) van Apollonia op Creta, ionisch wijsgeer uit +het einde van de 5e eeuw, die, evenals Anaximenes, de lucht als de +grondstof van alles aannam. Van zijn werk peri physeos zijn enkele +fragmenten bewaard.--2) de cynicus, ho Kyon, geb. 404 te Sinope. Met +zijn vader Hicesias, die als valsche munter veroordeeld was, vluchtte +hij als knaap naar Athene, waar hij leerling werd van Antisthenes. In +de praktijk dreef hij de leer van dezen, dat het geluk bestaat in het +gemis van behoeften, tot zulk een uiterste, dat hij bij de Atheners +tot een voorwerp van spot werd. Hij gebruikte het slechtste voedsel, +kleedde zich als een bedelaar, en nam inderdaad ook wel aalmoezen +aan; hij woonde in een klein, armoedig huisje, dat men spottend een +ton noemde, ofschoon hij meestal onder den blooten hemel of in eene +stoa sliep. Van geleerdheid of wijsgeerige bespiegelingen had hij +een afkeer; onbekommerd om den spot zijner tijdgenooten, hekelde +hij op zijn beurt de dwaasheden, maar evenzeer de beschaving van +zijn tijd. Plato noemde hem Sokrates mainomenos. Op eene reis naar +Aegina werd hij door zeeroovers gevangen genomen en op Creta als +slaaf verkocht; Xeniades van Corinthe kocht hem en vertrouwde hem de +opvoeding zijner kinderen toe, van welke taak hij zich tot genoegen +van zijne leerlingen en hun vader kweet. (V. s. is dit verhaal, zooals +zoovele omtrent hem, verzonnen). Daarna vrijgelaten, leefde hij des +winters te Athene, des zomers te Corinthe, waar hij in 323, naar men +verhaalde op straat, stierf.--3) van Seleucia in Babylon, leerling +van Chrysippus en eenigen tijd hoofd der stoicijnsche school, werd +met Carneades en Critolaus in 155 als gezant naar Rome gezonden. Van +zijne talrijke werken is niets overgebleven.--4) D. Laërtius, leefde +te Athene waarschijnlijk in het begin van de 3de eeuw n. C., schreef +een werk in 10 boeken over het leven en de leerstellingen van beroemde +wijsgeeren, dat een hoofdbron is voor de geschiedenis der wijsbegeerte, +ofschoon de tekst waarschijnlijk in hooge mate vervalscht is. + +Dioikismos, de gewelddadige ontbinding eener aanzienlijke stad en +verdeeling van de inwoners in kleine landelijke gemeenten; een van +de middelen tot invoering eener aristocratische staatsregeling. + +Diolkos, zie Isthmus. + +Diomedeae insulae, nesoi Diomedeiai, vijftal eilandjes aan de Oostkust +van Italia, ten N. van den mons Garganus. Zij waren genoemd naar +Diomedes, die na den val van Troje, op de apulische kust zou geland +zijn. Op het grootste van deze eilanden, Trimerus (Trimetus), heeft +Julia, de kleindochter van Augustus, twintig jaar in ballingschap +geleefd. + +Diomedes, Diomedes, 1) koning der Bistonen in Thracië, die de +vreemdelingen, welke in zijn rijk kwamen, aan zijne paarden tot +voedsel gaf. Heracles liet hem zelf dit lot ondergaan en bracht de +paarden aan Eurystheus.--2) zoon van Tydeus en Deipyle, nam deel aan +den oorlog der epigonen. Na afloop daarvan volgde hij zijn grootvader +Adrastus als koning van Argos op, en trok hij met 80 schepen met +de Grieken naar Troja, waar hij zich een van de dapperste helden +betoont, onder bescherming van Athena altijd in de voorste rijen +strijdt, en zelfs Aphrodite en Ares wondt. Met Odysseus dringt hij +door een onderaardschen gang in de stad en rooft het palladium, +dat hij later naar Argos medeneemt (z. echter Demophon). In Argos +teruggekeerd, vindt hij dat Aphrodite, uit wraak voor de haar bij +Troje toegebrachte wond, zijne vrouw Aegialea tot overspel verleid +heeft; daarom vertrekt hij, hetzij vrijwillig, hetzij uit vrees +voor hare lagen, naar Aetolië, en geeft zijn grootvader Oeneus de +regeering weder, die hem door zijn broeder Agrius ontnomen was. Op +de terugreis wordt hij door storm naar de kust van Italië gedreven en +landt hij in Daunia, hij ondersteunt koning Daunus tegen de Messapiërs, +neemt diens dochter Euippe tot vrouw, sticht vele steden (Beneventum, +Brundisium e. a.) en sterft op hoogen leeftijd. V. a. zoude hij op +het laatst van zijn leven naar Argos teruggekeerd en daar gestorven +zijn, of zoude hij op reis daarheen op een van de Insulae Diomedeae +verdwenen zijn, terwijl zijne tochtgenooten van verdriet over zijn +verlies in reigers (aves Diomedeae) veranderden. In verscheiden steden +van Italië en Griekenland werd hij als heros vereerd, te Argos stond +zijn dienst in nauw verband met dien van Athena. Behalve bovengenoemde +eilandjes zijn ook de Diomedei Campi in Apulia naar hem genoemd.--3) +latijnsch grammaticus uit de 4de eeuw na C., schreef 3 boeken de arte +grammatica, in hoofdzaak een uittreksel uit oudere dergelijke werken +en vol citaten uit oude schrijvers. + +Diomedis Campi = Campi Diomedis. + +Diomedon, Diomedon, atheensch admiraal uit den laatsten tijd van den +peloponnesischen oorlog, behaalde eenige voordeelen op de afvallige +bondgenooten, was een van de admiraals die den slag bij de Arginusae +wonnen en later door de Atheners ter dood veroordeeld werden, z. Leo +no. 4. + +Diomeia, vroolijk feest ter eere van Heracles door de Atheners gevierd, +zoo genoemd naar den Athener Diomus, den eersten die hem als god, +en niet als heros, een offer bracht. + +Diomosia, de eed, waarmede beide partijen in een rechtsgeding hunne +verklaringen bekrachtigen, z. antomosia. + +Dion = Dio. + +Dione, Dione, dochter van Oceanus en Tethys of van Uranus en Gaea, +bij Zeus moeder van Aphrodite. Oorspronkelijk was zij het vrouwelijk +evenbeeld van Zeus, en werd zij vooral te Dodona als zijne gemalin +vereerd; later werd zij als zoodanig door Hera verdrongen. Ook +Aphrodite heet soms Dione of meer Dionaia. + +Dionysia, Dionysia, feesten ter eere van Dionysus, in het bijzonder +twee die in Attica gevierd werden: 1) de kleine of landelijke (D. ta +kat' agrous, en agrois, ta mikra), in de maand Poseideon (Dec. Jan., +zie Annus) buiten de stad gevierd, dagen van uitgelaten vroolijkheid, +zang, dans, scherts en plagerij. In de verhalen van de lotgevallen +van Dionysus, die bij dit feest door op een wagen staande personen +voorgedragen werden, ligt de oorsprong van het attische drama. Eene +eigenaardige vermakelijkheid waren de askolia, waarbij men op een +gevulden en van buiten glad gemaakten zak moest springen en zich +staande houden.--2) de groote of stedelijke (D. ta megala, ta kat' +asty, astika, ook alleen D.), eerst ten tijde van Pisistratus +ingesteld, van 8 tot 13 Elaphebolion (Maart-April, z. Annus) met +groote pracht in de stad gevierd. Het oudste beeld van den god werd +door een schitterenden optocht rondgeleid, terwijl door talrijke koren +dithyramben gezongen werden, dikwijls door de beroemdste dichters voor +die gelegenheid vervaardigd; de hoofdzaak was echter het opvoeren +van nieuwe tragedies en comedies. In den tijd van den att. zeebond +kwamen bij dit feest ook de bondgenooten hunne bijdragen storten; +bovendien trokken de feestelijkheden zulk eene menigte landvolk en +vreemdelingen, dat men die dagen ook voor de geschiktste hield om +bekend te maken, welke onderscheidingen de staat aan verdienstelijke +burgers had toegekend.--Tusschen beide feesten en als het ware daarmede +tot een geheel vereenigd, vielen de Lenaea en de Anthesteria. + +Dionysi(a)des, Dionysiades, -sides, treurspeldichter uit Tarsus, +tijdgenoot van Alexander d. G. + +Dionysius, Dionysios, 1) van Phocaea, aanvoerder der Ioniërs in den +opstand tegen Perzië; na den slag bij Lade ging hij naar Sicilië, van +waar hij als vrijbuiter tegen Tyrrheners en Carthagers streed.--2) de +oude, geb. 431, van geringe afkomst, onderscheidde zich in den oorlog +tegen Carthago; nadat de strategen, die Agrigentum verloren hadden, +op zijne aanklacht van hun ambt ontzet waren, werd hij met anderen +in hun plaats benoemd; in deze betrekking wist hij het leger voor +zich te winnen, waarop hij zijne ambtgenooten afzette, met eene wacht +naar Syracuse trok en zich van de alleenheerschappij meester maakte +(405). Daar hij in den oorlog met Carthago niet gelukkig was, maakte +hij gebruik van de omstandigheid, dat hun leger door pest geteisterd +werd, om vrede te sluiten, waarbij echter een groot deel van Sicilië +in hun macht bleef. Nu versterkte hij Ortygia, nam een groot aantal +huursoldaten in dienst en maakte zich meester van alle grieksche steden +op Sicilië. Hij vergrootte de stad Syracuse, en bracht een groot deel +der bevolking van Naxus, Catana, Leontini enz., daarheen over. Den +oorlog tegen de Carthagers hervatte hij driemaal en voerde hij over +het geheel met geluk, hoewel hij geen blijvend voordeel kon behalen; +zelfs werd hij in 396 door Himilco in Syracuse belegerd, totdat de +pest in het carthaagsche leger weder zulke verwoestingen aanrichtte, +dat D. het na eene gemakkelijke, doch beslissende overwinning tot +het koopen van vrijen aftocht dwong. Ondertusschen had D. ook Croton +en Rhegium veroverd en andere grieksche steden in Beneden-Italië +aangevallen. Bij zijne onderdanen was hij algemeen gehaat wegens +zijne wreedheid, roekeloosheid en verregaanden achterdocht. Hij +liet zich veel voorstaan op zijne liefde voor kunst en wetenschap, +noodigde dichters en wijsgeeren aan zijn hof, maar wilde daarvoor +ook bewonderd worden om zijne eigene treurspelen; te Olympia werden +zijne werken bespot, maar te Athene won hij in 367 een prijs. Hij +stierf kort daarna, v.s. van vreugde over die overwinning, v.a. aan +de gevolgen zijner onmatigheid of door vergif, dat zijn zoon hem had +laten geven.--3) de jonge, zoon van den vorigen, in zijne opvoeding uit +wantrouwen door zijn vader verwaarloosd, kwam in 367 aan de regeering +en maakte spoedig vrede met de Carthagers. Daar hij van nature niet +wreed of onbekwaam scheen, meende Dio (z.a.) hem door de leeringen +van Plato, die naar Syracuse genoodigd werd, tot een ideaal vorst te +kunnen vormen, en inderdaad scheen dit korten tijd te gelukken, maar +weldra leende D. het oor aan vleiers en verkeerde raadgevers. Dio werd +verbannen, en hoewel Plato later nogmaals naar Syracuse geroepen werd, +bleek het dat hij allen invloed verloren had. Na het vertrek van Dio +ontaardde de regeering van D. in eene tyrannie, nog drukkender dan die +van zijn vader, en toen Dio in 357 terugkeerde, werd hij met open armen +ontvangen. D. ging naar Locri in Beneden-Italië, waar hij zich van de +heerschappij meester maakte en de burgerij wreed onderdrukte, totdat +hij zich in 346 den strijd der partijen te Syracuse ten nutte wist +te maken om daarheen terug te keeren en de regeering weder in handen +te nemen. Weldra riepen echter de Syracusanen, zijne onderdrukking +moede en bovendien door de Carthagers in het nauw gebracht, hulp +van Corinthe in; Timoleon kwam en dwong D. zich over te geven en de +regeering neder te leggen. Hij vertrok naar Corinthe (344), waar hij, +naar men verhaalde, als schoolmeester het overige van zijn leven +in armoede sleet.--4) van Miletus, logograaf, jonger tijdgenoot +van Hellanicus.--5) van Samus, leefde in den alexandrijnschen tijd +en schreef mythologische en historische werken, die door Diodorus +als bronnen gebruikt werden.--6) D. Thrax, (ho Thrax), grammaticus +te Alexandrië, leerling van Aristarchus, schrijver van de eerste +wetenschappelijke grieksche spraakkunst en van andere werken op het +gebied der philologie.--7) van Halicarnassus, leefde sedert 30, +waarschijnlijk als rhetor, te Rome, en schreef, behalve kleinere +werken, eene rom. geschiedenis (Rhomaïke archaiologia) van de oudste +tijden tot den eersten punischen oorlog; het is uitgekomen in 7; +hij had er 22 jaar aan gewerkt; van de 20 boeken, waaruit dit werk +bestond, zijn de eerste elf volledig, de overige in uittreksels +en fragmenten bewaard. Zijn streven is, de beschikking der goden +in de geschiedenis duidelijk te maken, en de Grieken met hunne +onderwerping aan Rome te verzoenen; zijn stijl is veelal opgesmukt, +vooral in de lange redevoeringen, die hij zijn hoofdpersonen in +den mond legt. Van zijne rhetorische en critische verhandelingen +zijn de meeste bewaard gebleven, zij zijn van groot belang voor +de geschiedenis der grieksche letterkunde.--8) van Halicarnassus, +bijgenaamd ho Mousikos, naar zijne Mousike historia, een groot werk +over de geschiedenis van kunsten en wetenschappen, waarvan slechts +enkele fragmenten bewaard zijn. Hij leefde ten tijde van Hadrianus.--9) +de reisbeschrijver (ho periegetes), uit den tijd van Keizer Hadrianus, +schreef in grieksche hexameters een overzicht van de aardrijkskunde, +waarin hij vooral Posidonius volgde, en dat door lateren veel gebruikt +en eenige malen in het Latijn vertaald werd, o. a. door Avienus. + +Dionysus, Dionysos, Bacchus, zoon van Zeus en Semele, werd bij den +dood zijner moeder, daar de tijd zijner geboorte toen nog niet gekomen +was, door Zeus gedurende eenige maanden in zijn dij bewaard. Toen +het kind voor de tweede maal ter wereld kwam, gaf Zeus het aan de +nimfen van Nysa om op te voeden en te verzorgen. Nadat D. volwassen +was, plantte hij den wijnstok en gaf hij van den daaruit bereiden +drank aan de nimfen en andere bewoners van het woud te drinken; +terstond gaven allen zich aan hem over en vereenigden zij zich in +opgewonden geestvervoering om hem te begeleiden op den tocht, dien +hij ging ondernemen om zijne nieuwe gave over de geheele wereld te +verspreiden. Bijna overal, vooral bij Oeneus in Aetolië en in Attica +(z. Icarius), werd zijn geschenk dankbaar aangenomen en hijzelf als god +gehuldigd, tegenstanders bracht hij door indrukwekkende bewijzen zijner +macht tot zwijgen (z. Acoetes, Lycurgus, Pentheus). Toen eindelijk +zijne overwinning volkomen was, erkenden dan ook de olympische goden +zijne macht en zijn weldadigen invloed op de menschen en gaven hem +een plaats in hun midden. De god, in wiens hoede over het algemeen +boomen en boomvruchten staan (Antheus, Anthios, Dendrites, Hyes, +Phloios), is in het bizonder een god van den wijn, en daar het +kweeken van vruchten, evenals iedere tak van landbouw, den overgang +van een lageren tot een hoogeren trap van beschaving vooronderstelt +of ten gevolge heeft, geldt hij evenals Demeter voor den brenger van +zachtere zeden, wet en orde (Thesmophoros), veelal wordt hij ook +met deze godin in verband gebracht, zelfs wordt hij mede vereerd +in de eleusinische mysteriën, waar hij den naam Iacchus (Iakchos) +draagt, of als broeder of bruidegom van Core Koros heet. En terwijl +de wijn de menschen verkwikt en versterkt, hen van zorg en leed +bevrijdt (Lyaios), brengt hij ook het gemoed in hoogere stemming, +verhoogt zijne ontvankelijkheid voor indrukken en is de bewerker +van de geestdrift (enthousiasmos). Daarom is D. ook een bevorderaar +der schoone kunsten (Melpomenos) en een vriend der Muzen, en wordt +hij dikwijls in vereeniging met Apollo vereerd, met wien hij ook als +orakelgevend god overeenkomst heeft; de dithyrambus en het drama hebben +hun ontstaan aan zijn eeredienst te danken. Maar aan den anderen kant +wordt die hoogere stemming dikwijls tot luidruchtige uitgelatenheid, +waardoor zich verscheiden Dionysusfeesten kenmerkten, of tot mystieke +opgewondenheid (Bakchos, Bromios, Euios). Dit laatste vond men vooral +bij de nachtelijke feesten (Nyktelia), die in den herfst op den +Parnassus gevierd werden, waarbij vrouwen in dierenhuiden gekleed en +met den thyrsus in de hand als razend (Maenaden, Bacchanten, Thyaden, +enz.) over de toppen der bergen rondzwierven, terwijl zij onder een +oorverdoovend uitgillen van den kreet euoi, begeleid door de muziek +van fluiten en pauken, zelfs de dieren verscheurden die onder hare +handen kwamen, en het bloedige vleesch opaten. Deze luidruchtige, +zoogen. orgiastische, wijze van vereering, die van Thracië naar +Beotië en verder naar het overige Griekenland overgebracht was, was +de oorzaak dat men verband zocht tusschen D. en Rhea Cybele, Atys, +Sabazius e. a. aziatische godheden, wier dienst een dergelijk karakter +droeg.--De afbeeldingen van D. stellen hem nu eens voor als een man +met weelderige lokken en vollen baard, koninklijk van gestalte en in +een lang, golvend gewaad, dan eens als een jongeling met smachtende +trekken, bijna vrouwelijk van gelaat en lichaamsbouw; gewoonlijk +worden zijne haarlokken samengebonden door een haarband (mitra) of +door een krans van wijnloof en klimop en heeft hij een thyrsusstaf +in de hand. Vooral stelde men hem gaarne voor te midden van den stoet +(thiasos), bestaande uit nimfen, maenaden, Silenen, satyrs en dgl., die +hem op zijne verre tochten, welke zich v. s. tot Indië uitstrekten, +begeleid zouden hebben; te midden van dit woeste gezelschap ligt +de god, soms nevens zijn bruid Ariadne (z. a.), in zalige rust. Ook +vindt men hem in het gezelschap van de Chariten, Eros en Aphrodite. De +wijnstok en het klimop, en onder de dieren de panter, los, tijger, +ezel, dolfijn en bok zijn hem gewijd.--De Rom. identificeerden hem +met Liber en bij de orphische mysteriën droeg hij den naam Zagreus. + +Diophanes, Diophanes, grieksch redenaar van Mytilene, leermeester +van Ti. Gracchus en als diens aanhanger met hem ter dood gebracht. + +Diophantus, Diophantos, 1) atheensch redenaar, vriend en partijgenoot +van Demosthenes.--2) alexandrijnsch wiskundige uit het einde van de +3de of het begin van de 4de eeuw n. C., de eerste schrijver over +algebra. Van zijn werk Arithmetika is ongeveer de helft bewaard +gebleven. + +Diopithes, Diopeithes, van Sunium, atheensch strateeg in den oorlog +tegen Philippus. Toen deze zich in vredestijd van de grieksche +steden in de Chersonesus wilde meester maken en D. dit trachtte te +verhinderen, beschuldigde Philippus hem te Athene als verbreker van +den vrede (343); hij werd echter door Demosthenes in de redevoering +peri ton en Cherroneso en zelfs door Phocion verdedigd (341). Hij +sneuvelde kort daarna. + +Diores, Diores, 1) zoon van Amarynceus, sneuvelde als aanvoerder der +Epeërs bij het beleg van Troje.--2) vader van Automedon.--3) zoon +van Priamus, ging met Aeneas naar Italië en werd door Turnus gedood. + +Dioscorides, Dioskorides, 1) epigrammendichter, van wien verscheiden +gedichtjes in de grieksche anthologie zijn opgenomen, leefde omstreeks +200.--2) grieksch steensnijder ten tijde van Augustus.--3) Pedanius +D., beroemd grieksch geneesheer uit Anazarbus, tijdgenoot van Nero, +schrijver van een werk over geneeskrachtige planten, dat nog tot in +de 15de eeuw als het voornaamste op dit gebied gold. + +Dioscuri, Dioskouroi, Castor (Kastor) en Pollux (Polydeukes), +tweelingbroeders, door Zeus in de gedaante van een zwaan bij Leda +verwekt, of zonen van Tyndareos en Leda (Tyndaridae, Tyndaridai), +terwijl v. s. Castor de zoon van Tyndareos en Pollux die van Zeus +is. Zij waren heldhaftige jongelingen, Castor uitmuntend als ruiter, +Pollux als vuistvechter. Nog op jeugdigen leeftijd namen zij Aphidna +(z. a.) in, later verwierven zij grooten roem bij de calydonische +jacht en den tocht der Argonauten (z. Amycus). In den strijd tegen +de Apharetidae (z. a.) vond Castor, die als zoon van Tyndareos +sterfelijk was, den dood, en Pollux kreeg op zijne smeekingen van +Zeus vergunning de onsterfelijkheid met zijn broeder te deelen, +zoodat beiden telkens een dag in de onderwereld, den volgenden op +den Olympus doorbrengen. Te Sparta, waar hun dienst inheemsch is, +worden zij beschouwd als beschermers van den staat, later werden zij +meer algemeen vereerd als verdedigers van het gastrecht en gidsen +der zeevarenden, wien zij zich als St. Elmsvuur vertoonen. Dikwijls +verschijnen zij aan de menschen en verschaffen zij hun de overwinning +in een ongelijken strijd. Zoo hadden zij eens de Locriërs in Italië +tegen de achtmaal sterkere Crotoniaten bijgestaan en denzelfden dag +hunne overwinning bij de olympische spelen bekend gemaakt. Eveneens +streden zij in de gelederen der Romeinen bij het meer Regillus, +tengevolge waarvan hun een tempel op het forum gewijd werd, die elk +jaar den 15den Juli in plechtigen optocht door de romeinsche ridders +bezocht werd. Zij worden gewoonlijk als ruiters afgebeeld, met een +eivormigen helm op het hoofd en een speer in de hand, dikwijls ook +met een ster boven het hoofd. Te Athene werden zij Anakes, te Rome +ook wel Castores genoemd. + +Dioscurias, Dioskourias, milesische volkplanting, bloeiende marktplaats +en koopstad in Colchis, sedert Traianus Sebastopolis bijgenaamd. + +Diospolis, Diospolis, grieksche naam voor het aegyptische Thebae, ook +magna, he megale, bijgenaamd. Een eind stroomafwaarts lag Diospolis +minor, he mikra. Een derde lag in het Delta-gebied, in de nabijheid +van Mendes. Ook in Palestina (zie Lydda) en Phrygia vond men dezen +naam. Zie ook Cabira. + +Diota, wijnkruik met twee ooren. + +Diotimus, Diotimos, 1) Athener, aanvoerder van de vloot die aan de +Corcyraeërs tegen Corinthe te hulp gezonden werd (433).--2) atheensch +vlootvoogd in den corinthischen oorlog.--3) zoon van Diopithes, +atheensch vlootvoogd en aanhanger van Demosthenes. + +Diotrephes, Diotrephes, Athener, die in 413 thracische hulptroepen +naar hun vaderland terugbracht en op weg Mycalessus verwoestte. In 411 +werd hij door de 400 naar Thasus gezonden om er eene aristocratische +staatsregeling in te voeren, wat den afval van dat eiland ten +gevolge had. + +Dioxippus, Dioxippos, 1) blijspeldichter der nieuwe attische +comedie.--2) atheensch vuistvechter, overwinnaar bij de olympische +spelen. Hij behoorde tot het geleide van Alexander den G., en overwon +eens ongewapend een gewapenden Macedoniër. + +Dipaea, Dipaia, stadje in Arcadië, ten Z.O. van Mantinea, waar de +Lacedaemoniërs in 471 de Arcadiërs overwonnen, die zich van den +peloponnesischen bond hadden willen afscheiden. + +Diphilus, Diphilos, 1) grieksch episch dichter uit de 5de eeuw.--2) +van Sinope, dichter der nieuwe attische comedie, tijdgenoot van +Alexander d. Gr. en Philemon, leefde gewoonlijk te Athene en stierf +te Smyrna. Sommige van zijne talrijke werken, waarvan slechts +enkele fragmenten bewaard gebleven zijn, werden door romeinsche +blijspeldichters, vooral Plautus, nagevolgd.--3) stoicijn, wegens +zijne omslachtige redeneeringen Labyrinth bijgenaamd; hij wordt door +Lucianus vermeld.--4) tooneelspeler, tijdgenoot van Pompeius.--5) +schrijver en voorlezer van L. Licinius Crassus (Licinii no. 12).--6) +beroemd geneesheer van Siphnus, leefde kort na Alexander d. G., +schreef een groot werk over voedingsmiddelen.--7) schrijver van een +werk over de constructie en het gebruik van verschillende machines. + +Diphridas, Diphridas, spartaansch ephoor (394), waarschijnlijk dezelfde +die in 391 door de Spartanen als bevelhebber over het leger naar Azië +gezonden werd, om Thibron op te volgen. + +Diphthera, een lederen chiton, voornamelijk door landlieden en +herders gedragen. + +Diploma, diploma, een dubbel gevouwen papier, eene soort van paspoort +voor hen, die in dienst of op kosten van den staat reisden, opdat zij +het onderweg noodige spoedig zouden kunnen krijgen. Onder de keizers +verstond men onder diploma een giftbrief van de hooge overheid, +waarbij gunsten of voorrechten werden uitgereikt. + +Dipylon, to Dipylon, vroeger hai Thriasiai pylai geheeten, de +hoofdpoort van Athene, aan den N.W.-kant van de stad; van hier +gaan twee wegen, ééne naar Eleusis, ééne naar de Academia. Vóór de +poort lag ho exo Kerameikos, waar veel graven ontdekt zijn, aan de +binnenkant ho entos K. (z. Athenae aan het begin). De poort heeft +den naam gegeven aan de oud-Attische vazen van geometrischen stijl, +in de graven vóór de poort gevonden, de Dipylon-vazen. + +Dirae = Furiae. + +Dirce, Dirke, dochter van Helius, gemalin van Lycus, z. Antiope. Ook +naam van een bron bij Thebae. + +Diribitores (diribere = dishibere) bij de comitiën waren zij, die de +uitgebrachte stemmen sorteerden en telden. Aug. liet hiertoe op den +Campus Martius een afzonderlijk gebouw, diribitorium, oprichten. + +Dis = Pluto. + +Discessio, meest gewone wijze van stemmen in den senaat, waarbij de +voorstemmers en tegenstemmers zich naar twee verschillende kanten +der zaal begaven. + +Discordia, z. Eris. + +Diskobolia, een bij de Grieken zeer geliefd spel, onderdeel van het +pentathlon, waarbij men met een steenen of ijzeren schijf (diskos), +die in het midden iets dikker was dan aan den rand, naar een bepaald +doel of om het verst wierp. De eigenaardige houding, die de speler +(diskobolos) op het oogenblik van den worp aannam, is dikwijls door +beeldhouwers voorgesteld. + +Dispensator, in aanzienlijke huizen de slaaf, die de kas hield en de +boeken bijhield, op landgoederen de intendant of rentmeester. + +Dithyrambus, dithyrambos, lied bij de feesten van Dionysus gezongen, +waarvan het onderwerp oorspronkelijk de avonturen van dien god, weldra +echter ook die van andere goden en helden waren. Aanvankelijk een ruw, +kunsteloos lied, dat door de feestvierenden naar willekeur gezongen +werd, kreeg het zijn eigenaardigen vorm door Arion, die het in strophen +en antistrophen verdeelde en door koren liet voordragen. Sedert dien +tijd bereikte de dithyrambische poëzie een hoogen trap van bloei, en te +Athene dongen bij de Dionysusfeesten de beroemdste lyrische dichters +in den dithyramben-wedstrijd mede naar den prijs. Het tijdperk van +haar verval begint op het einde der 5de eeuw; eerst kreeg de muziek +de overhand over de poëzie, daarna verwaarloosde men meer en meer +alle regelen der kunst, totdat men zich geheel liet leiden door +een teugellooze fantasie, die, zoowel dichterlijk als muzikaal, +niets anders voortbracht dan gezwollen bombast. In overeenstemming +hiermede werd de antistrophische vorm van de liederen opgegeven, +en werd de voordracht het werk van enkele virtuozen. + +Dium, Dion, 1) stad op de landtong Acte in Chalcidice, met een +gemengde bevolking.--2) stad in het N. van Euboea.--3) stad aan den +voet van den Olympus en aan de Thermaeische golf, in het macedonische +landschap Piëria, met een beroemden tempel van Zeus. Hier waren +de ruiterstandbeelden opgericht, die de beeldhouwer Lysippus had +gegoten ter eere van de gesneuvelden aan den Granicus. Later werden +deze beelden naar Rome overgebracht.--4) kaap op de N. kust van Creta. + +Dius Fidius, god der trouw, ook Semo Sancus geheeten, als eedformule +me Dius Fidius sc. iuvet. Dius Fidius = Jupiter Fidius, grieksch +Zeus Pistios. Hij had al in de 5de eeuw (sedert 466) een tempel op +den Quirinalis, en later ook een op het Tiber-eiland. Zie ook Fides. + +Divico, aanvoerder der Helvetiërs in den oorlog van 107, toen het +rom. leger onder L. Cassius Longinus verslagen werd en onder het +juk moest doorgaan. Hij werd in 58 als gezant tot Caesar gezonden, +en sloeg toen een hoogen toon aan. + +Divinatio, de kunst of gaaf, om uit gezochte of ongezochte teekenen +den wil der goden uit te vorschen of door goddelijke ingeving +de toekomst te voorspellen. Zie voor de Rom. de artikels auguria, +haruspices en extispicium, voor de Grieken manteia. Divinatio is ook +bij een strafproces dat gedeelte van het proces, waarbij door gissing, +d.w.z. zonder getuigenverhoor door de rechters bepaald moet worden, +wie aanklager zal zijn. Ook de redevoeringen van de advocaten heeten +divinatio. Zie Caecilii no. 30. + +Divisio orbis terrarum, is de titel van een klein boekje over +geographie aan het einde van de 4de eeuw n. C., evenals de Dimensuratio +imperii uitgegeven naar oudere bronnen, waarschijnlijk de wereldkaart +van Agrippa. + +Divisor, iemand, die zich belastte met het uitdeelen van geld en het +koopen van stemmen voor dezen of genen candidaat bij de verkiezingen; +men zou kunnen zeggen: een makelaar in stemmen. + +Divitiacus, een van de hoofdpersonen bij de Aeduërs, bevriend met +Caesar. Zijn jongere broeder Dumnorix, die den Rom. vijandig was, had +hem in macht en aanzien een tijdlang overvleugeld; Caesar herstelde +hem weder in zijne macht. Uit naam van verschillende gallische staten +verzocht hij Caesar, hen te verlossen van de drukkende overheersching +van den Germaan Ariovistus.--Ook wordt nog een Divitiacus, koning der +Suessionen, bij Caesar als een machtig vorst vermeld, evenwel zonder +nadere bijzonderheden. + +Divodurum, stad der Mediomatrici, aan de Mosella (Moezel), thans Metz. + +Divona, stad der Cadurci in Aquitania, thans Cahors. + +Divortium, echtscheiding. Bij de Rom. moest de ontbinding van het +huwelijk plaats grijpen overeenkomstig den vorm, waaronder het +gesloten was. Een huwelijk per confarreationem, oorspronkelijk +misschien onontbindbaar, werd ontbonden door diffarreatio (eerst +sedert den keizertijd); een huwelijk per aes et libram (coëmptio) +werd door remancipatio per aes et libram te niet gedaan; een huwelijk +zonder eenigen omslag gesloten, kon door eene eenvoudige mondelinge +of schriftelijke opzegging verbroken worden. De man zeide: tu tuas +res tibi habeto, foras exi; de vrouw: tu tuas res tibi habeto, redde +meas. Naarmate de laatstgenoemde soort van huwelijken meer in zwang +kwam, hadden ook de echtscheidingen menigvuldiger en lichtvaardiger +plaats. Zie repudium. + +Divus, de titel van gestorven keizers na de consecratio. Zie +Apotheosis. + +Diyllus, Diyllos, Athener, schreef een vervolg op de geschiedenis +van Ephorus tot 298. Hij leefde in de 3de eeuw. + +Doberus, Doberos, aanzienlijke stad in het macedonische gewest Paeonia. + +Dobreta (Dobretae), stad in Dacia, aan den linker-oever van de Donau, +ten O. van de IJzeren Poort, tgw. Turn Severin. De stad bestond reeds +tijdens de Flavische Keizers. + +Dodecaschoenus, Dodekaschoinos, landstreek langs den Nijl, ter lengte +van 12 schoeni = 133 kilometer. Waarschijnlijk is dit het gebied in +den omtrek van de laatste katarrakt van den Nijl, tusschen Syene en +Philae. De veronderstelling, dat hiermede Nubia Inferior bedoeld wordt +(z. Napata), schijnt onjuist te zijn. + +Dodona, Dodone, oude stad in Epirus in het landschap Thesprotia, +met een orakel van Zeus, het oudste van Griekenland. De tempel stond +aan den voet van den berg Tomarus; de uitspraken van het orakel +werden opgemaakt uit het ruischen der bladeren van heilige eiken in +een aangrenzend bosch en uit het gekletter van bekkens, die in de +boomen hingen. Dit geschiedde door priesters, Selloi of Helloi, die +met ongewasschen voeten den tempel betraden, en door priesteressen, +Peleiades, genoemd. + +Dodrans = 9 unciae = 3/4 as. + +Dokimasia, in het algemeen onderzoek, in het bizonder het onderzoek +naar iemands bevoegdheid om eene bepaalde plaats in den staat in te +nemen, waarop hij aanspraak maakt, bijv. om als burger ingeschreven te +worden, als redenaar in de volksvergadering op te treden, enz. Vooral +belangrijk was te Athene het onderzoek naar hen, die als overheden +of leden van den raad verkozen waren, waarbij gevraagd werd of de +verkozene aan alle door de wet gestelde voorwaarden voldeed, en of +hij door zijn vroeger leven de hem toegekende eer waardig was. + +Dolabella, familienaam in de gens Cornelia, z. Cornelii no. 35-38. + +Doliche, Doliche, 1) stad in Commagene ten W. van Zeugma, met warme +baden en een tempel van Zeus Dolichenos, Jupiter Dolichenus, een +aziatische godheid, waarvan de dienst vooral sedert de inlijving +van Commagene (71 n. C.), over het geheele Westen, en voornamelijk, +evenals die van Mithras, onder de soldaten sterk verbreid was. De +dienst werd zeer door de keizers begunstigd.--2) stad in het +thessalische gewest Perrhaebia ten N. van Oloösson.--3) = Dulichium, +een der Echinadische eilanden aan den mond van den Achelous.--4) +oude naam voor het eiland Icarus. + +Dolichos, de wedloop in de lange renbaan, eene uitgestrektheid van +7, 12, 20 of 24 stadiën. Hij die aan zulk een wedloop deelneemt, +heet dolichodromos. + +Dolon, Dolon, Trojaan, zoon van Eumedes, die als verspieder naar +het leger der Grieken ging, maar op weg door Diomedes en Odysseus +aangehouden werd; nadat hij medegedeeld had, welke toerustingen de +Trojanen gemaakt hadden, werd hij door de beide Grieken gedood. + +Dolonci, Dolonkoi, een thracisch volk, naam van de niet-Grieksche +bevolking van de thracische Chersonesus. + +Dolopes, Dolopes, machtige volksstam, waarvan het gebied tusschen +Thessalia, Epirus en Aetolia lag ingesloten en die deel nam aan den +oorlog tegen Troje. Een tak van hen bewoonde het eiland Scyrus. + +Dolus, als rechtsterm, onrecht, wederrechtelijke handeling, dolus malus +geheeten, wanneer er opzettelijk bedrog wordt gepleegd. Daar dit in +den regel het geval is, staat dolus alleen meestal in de beteekenis +dolus malus. Beroemd is de omschrijving, die de praetor C. Aquillius +Gallus, tijdgenoot van Cicero er van gaf: si aliud simulatum esset, +aliud actum. Dolum praestare beteekent: schadevergoeding geven wegens +gepleegd bedrog. In crimineele zaken is dolus malus minder de handeling +zelve, dan wel het voorbedacht opzet daartoe. + +Dominium, eigendom en eigendomsrecht. Volgens streng rom. recht kon +alleen hij zijn eigendomsrecht doen gelden, die het commercium had en +op eene door de wetten erkende wijze den eigendom had verkregen. Het +ius gentium, of, beter gezegd, het peregrinenrecht, dat te Rome +aldus werd genoemd, erkende echter voor niet-burgers ook andere, +niet streng civielrechtelijke wijzen om iets te verwerven. Nu ging +het echter niet aan, den civis achter te stellen bij den peregrinus +en zoo ontwikkelde zich uit het praetorische recht de leer van +quiritarischen en bonitarischen eigendom. Tot de res mancipi b.v., +dat is tot zulke zaken, die formeel ten overstaan van getuigen per +aes et libram moesten worden overgedragen, behoorden niet slechts +grondbezittingen op italischen bodem, maar o.a. ook slaven en last- en +trekdieren. Wanneer nu zulke een res eenvoudig door overgave, traditio, +in andere handen was overgegaan, dan gaf dit voor den verkrijger geen +dominium ex iure Quiritium; doch de praetor kon toch het bezit als +geldig erkennen; dan noemde men zulk een bezit: in bonis habere. + +Domitia (lex) de sacerdotiis, 104, van den volkstribuun Cn. Domitius +Ahenobarbus (zie Domitii no. 5). Deze wet bepaalde dat voor de +verkiezing van leden der priestercollegiën 17 van de 35 tribus (minor +pars) door het lot zouden worden aangewezen, en dat hij, die door +deze 17 tribus was gekozen, door het college zou gecoöpteerd worden. + +Domitia (via), van Massilia langs de kust naar Spanje, in 120 door +Cn. Domitius Ahenobarbus (zie Domitii no. 4) aangelegd. + +Domitianus (T. Flavius), jongste zoon van Vespasianus, volgde in 81 +na C. zijn broeder Titus als keizer op. Stelselmatig was hij buiten +de regeeringszaken gehouden; toch regeerde hij de eerste twee jaren +beter, dan men kon verwachten, toen echter werd zijne regeering, naar +de gewone opvatting, een schrikbewind, een toonbeeld van wreedheid +en onzinnigheid. Hij vond genot in vervolging en bloedvergieten en +in den doodsangst zijner slachtoffers. Hij streed voorspoedig tegen +de Chatten (82-83), en met afwisselend geluk tegen de Daci (85-86 +en 87-89), die hij uit Moesia verdreef. Den ongelukkigen afloop van +zijne oorlogen tegen de Marcomannen en Quaden, van wie hij zelfs den +vrede moest koopen, bemantelde hij door schitterende triomftochten, +terwijl hij zichzelf den titel van "Heer en God" toelegde. Toen hij +in 96 ook zijne gemalin Domitia ter dood wilde laten brengen, werd +hij met haar medeweten door eene samenzwering vermoord. + +Domitii, een aanzienlijk plebejisch geslacht, waarin twee hoofdtakken +voorkomen, de Ahenobarbi en de Calvani. 1) L. Domitius zou den naam +Ahenobarbus (koperbaard, roodbaard) gekregen hebben, omdat in 496 de +Dioscuren (Castor en Pollux) hem de overwinning bij het meer Regillus +hadden bericht, en tot staving hunner geloofwaardigheid zijn zwarten +baard aangeraakt en in een rooden zouden veranderd hebben. Andere +schrijvers vermelden dit voorval, zonder aanwijzing welke overwinning +behaald was. De eerste Ahenobarbi komen eerst veel later voor.--2) +Cn. Dom. Ahenobarbus, consul in 192, overwon de Bojers. In 190 streed +hij in Asia, en had hij een groot aandeel aan den slag bij Magnesia, +waarin L. Scipio Antiochus versloeg. Als praetor urbanus wijdde hij +in 194 den tempel van Faunus, in 196 begonnen, zie hieromtrent ook +Scribonii no. 2.--3) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 2 was in +167 een der tien gezanten tot regeling der macedonische zaken.--4) +Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 3, consul in 122, versloeg +de Allobrogers en Averners, wien hij door zijne olifanten grooten +schrik aanjoeg. Als censor in 115 verwijderde hij met zijn ambtgenoot +L. Caecilius Metellus Dalmaticus 32 leden uit den senaat. Hij liet +de via Domitia in Gallia Narbonensis, van Massilia langs de kust +naar Spanje, aanleggen.--5) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 4, +was als volkstribuun in 104 de maker der lex Domitia de sacerdotiis; +uit dankbaarheid koos het volk hem tot pontifex maximus. In 96 was +hij consul, in 92 censor met den vermaarden redenaar L. Licinius +Crassus (Licinii no. 12). Zij vaardigden een edict uit tegen de pas +opgerichte latijnsche rhetorenscholen.--6) L. Dom. Ahenobarbus, +ook een zoon van no. 4, in 100 tegenstander van den volkstribuun +L. Appuleius Saturninus, trad als praetor (98 of 97) in Sicilia +zeer streng op tegen de slaven, consul in 94, werd later op last +van den jongen Marius vermoord (82).--7) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon +van no. 6, schoonzoon van L. Cornelius Cinna, vluchtte voor Sulla +naar Africa (82) en sneuvelde daar in den strijd tegen Pompeius.--8) +L. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 5, gehuwd met Porcia, dochter van +Cato van Utica, onverzoenlijk tegenstander van Caesar, aediel in +61, praetor in 58, consul in 54, trachtte Corfinium tegen Caesar +te verdedigen, viel in diens handen, doch werd vrijgelaten en +sneuvelde bij Pharsalus.--9) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 8, +was bij zijn vader te Corfinium en Pharsalus. Het staat niet vast, +of hij tot de moordenaars van Caesar behoort heeft. Wel hoorde +hij tot hun partij. Als vlootvoogd van Brutus vernielde hij in 42 +de vloot der driemannen (z. Domitii no. 15), doch hij verzoende +zich na den slag bij Philippi door tusschenkomst van C. Asinius +Pollio met Antonius. Daar hij echter diens betrekking tot Cleopatra +afkeurde, ging hij kort vóór den slag bij Actium tot Octavianus over, +maar stierf reeds eenige dagen daarna.--10) L. Dom. Ahenobarbus, +zoon van no. 9, schoonzoon van den drieman M. Antonius, consul in +16, drong met een leger van Illyricum uit (7) tot over den Albis +(Elbe). Later commandeerde hij aan den Rijn en in het N. van Germania, +waar hij pontes longi aanlegde. Hij was een goed veldheer, doch ruw en +gevoelloos en haatdragend.--11) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 10, +consul in 32 na C., gehuwd met Germanicus' dochter Agrippina, was de +vader van keizer Nero, die oorspronkelijk L. Domitius Ahenobarbus +heette, zie Nero.--12) Domitia, dochter van no. 10, gehuwd met +Passienus Crispus, werd door Nero, toen zij reeds hoogbejaard was, +vergiftigd, opdat hij zich haar vermogen zou kunnen toeëigenen.--13) +Domitia Lepida, ook eene dochter van no. 10, moeder van de beruchte +keizerin Valeria Messalina, werd op aanstoken van Agrippina omgebracht +(54).--14) Cn. Dom. Calvinus Maximus, consul in 283, streed met zijn +ambtgenoot P. Cornelius Dolabella tegen de Senonen. In 280 was hij +de eerste censor uit de plebs.--15) Cn. Dom. Calvinus, als tribunus +plebis in 59 tegenstander van Caesar; na vele knoeierijen werd hij, +na een interregnum van een half jaar, in 53 consul, daarna was hij +aanhanger van Caesar en voerde in den slag bij Pharsalus het centrum +van diens leger aan. Later (42) zag hij als admiraal der driemannen +zijne vloot in de ionische zee door die van Cn. Dom. Ahenob. (no. 9) +vernielen. Later (van 39-36) streed hij als stadhouder in Hispania. Na +zijn terugkeer triumfeerde hij, en herstelde de door brand vernielde +regia, aan wier muren hij in marmer lijsten liet aanbrengen van alle +consuls en van alle triumfen, de zoogenaamde Fasti Capitolini. Zie +Fasti no. 2.--16) Cn. Dom. Corbulo, uitstekend veldheer onder Claudius +en Nero, beroemd door zijne overwinningen op de Friezen en Chauken +(47 n. C.), de Armeniërs en de Parthen (55-66), door zijne zeldzame +rechtschapenheid en zijne ongehoorde reuzenkracht. Uit ijverzucht +zond Nero hem zijn doodvonnis toe in Griekenland, waar hij zich +vrijwillig het leven benam. De fossa Corbulonis op het eiland der +Batavieren, waarschijnlijk de Vliet, verbond Maas en Rijn. Corbulo +heeft ook gedenkschriften nagelaten, die echter verloren zijn.--17) +Domitia Longina, dochter van no. 16, gemalin van keizer Domitianus, +was eene schoone vrouw, doch niet van onberispelijke levenswijze. Zij +had verboden omgang met den tooneelspeler Paris. Toen dit uitkwam, +werd Paris gedood (± 82 n. C.), en zij verbannen, maar in 89 op +verzoek van het volk teruggeroepen. Later nam zij aan de samenzwering +tegen den keizer deel. Zij heeft haar man zeer lang overleefd. Zij +wordt ook Domitilla geheeten.--Niet tot de gens Domitia behooren: +18) Domitius Afer, redenaar; zie Afer.--19) Domitius Marsus, gevierd +dichter, vriend en tijdgenoot van Vergilius en Tibullus.--20) Domitius +Ulpianus, beroemd jurist; zie Ulpianus.--21) L. Domitius Aurelianus, +rom. keizer; zie Aurelianus.--22) Flavia Domitia, vrijgelatene, vrouw +van Vespasianus, doch gestorven voordat hij keizer werd, moeder van +Titus en Domitianus. + +Domus. Hoewel er bij de romeinsche huizen evengoed verschil van +inrichting bestond als in andere landen en tijden het geval is, +komen er toch enkele vertrekken in zekere volgorde in voor, die +in geen rom. huis van eenig aanzien ontbreken. Als type van een +huis van matigen omvang geven wij hier den plattegrond van het +zoogenaamde huis van Pansa te Pompeji. Met het tuintje er achter, +dat op de teekening slechts gedeeltelijk is aangegeven, vormt het +erf een langwerpigen vierhoek, aan alle zijden door straten omgeven +en is dus eene insula. Aan drie zijden zijn tegen het huis kleinere +woningen en winkeltjes gebouwd (8 en 9), waaronder een betrekkelijk +groot huisje (9) waarin eene bakkerij werd uitgeoefend. Aan den +ingang van het eigenlijke heerenhuis vindt men eene inspringende +ruimte (V) vestibulum genoemd. Door de deur ianua, ostium (O) komt +men in den gang en vervolgens in het atrium (A), in welks midden men +het compluvium vindt (6). Ter weêrszijden van het atrium zijn eenige +cubicula (2) en aan het einde twee zoogenaamde alae (3), alcoves, +niet met deuren, maar met gordijnen afgesloten. In den tijd, dat +het italiaansche huis nog een vrijstaand boerenhuis was, hadden deze +alae vensteropeningen, waardoor het licht binnen kwam. Toen het huis +als stadshuis werd ingebouwd, vervielen deze vensters, en was men +verplicht de kleine dakopening van het atrium, het latere compluvium, +die oorspronkelijk vooral voor het uitlaten van den rook gediend had, +grooter te maken, waardoor het vertrek ten minste in den winter voor +bewoning minder doelmatig werd. Zie ook atrium. Achter het atrium is +het tablinum (T), en daarnaast een vertrek (1), dat hier vermoedelijk +tot bibliotheek diende. Een gang (5) leidt van het atrium naar de +binnenplaats (cavaedium) of peristylium (C of P), waarvan de 4 zijden +overdekt waren, terwijl het dak, om het regenwaterbekken, door zestien +zuilen wordt geschraagd. Rechts is eene eetzaal, triclinium (Tr.), +achteraan eene pronkzaal, oecus, door een gang (5) van de keuken, +culina, gescheiden, en geheel achteraan eene galerij of verandah (7), +die toegang gaf tot het viridarium of tuintje. Het rom. huis was als +het ware in zich zelf gekeerd, zonder vensters aan de straatzijde, +althans voor zoover de benedenverdieping betreft. Bij een groot getal +vertrekken had men dus meer dan één binnenhof noodig, hetzij dan +eene eenvoudige binnenplaats (cavaedium) of eene zuilengaanderij +(peristylium, porticus). De tweede afbeelding hierbij toont een +oud pompejaansch huis van buiten; waarbij vooral de inrichting +van het compluvium duidelijk zichtbaar is. De huizen hadden ook +bovenverdiepingen, waarvan de vertrekken evenwel slechts klein konden +zijn, daar boven het atrium geen vertrek kon zijn. Over het grieksche +huis zie men het artikel oikia, over de tegenstelling tusschen insula +en domus het artikel insula. + +Donatistae, een sekte van Christenen, die zich in de vierde eeuw in +Afrika heeft afgescheiden, en genoemd is naar een zekeren bisschop +Donatus, zie ook Circumcelliones. + +Donatus (Aelius), rom. taalgeleerde (± 350 na C.), wiens latijnsche +spraakleer in de middeleeuwen nagenoeg de eenige grondslag +der latijnsche taalstudie was. Wij bezitten van hem ook nog een +belangrijken commentaar op de blijspelen van Terentius, behalve op +den Heautontimorumenos, en talrijke aanhalingen (bij Servius) op de +Georgica en de Aeneis van Virgilius. + +Donatus (Tib. Claudius), rom. taalgeleerde (± 400 na C.), moet niet +met den vorigen verward worden. Hij leverde eene levensbeschrijving +van Vergilius. Bovendien zijn er eenige fragmenten over van een +commentaar op Vergilius. + +Donusa, -sia, Donousia, eilandje in de Aegaeische zee, nabij en +ten O. van Naxos, viridis genoemd om de groene marmersoort, die er +gevonden werd. Onder de keizers diende Donusa tot strafkolonie voor +gedeporteerden. + +Dora, ta Dora, Doros, havenstad en vesting op de kust van Palaestina, +nabij den berg Carmel. + +Dores, Dories, een van de vier hoofdstammen der Grieken. In zeer oude +tijden in Thessalië woonachtig, trokken zij omstreeks 1000 uit hun +zoogenaamd stamland Doris naar de Peloponnesus, die zij grootendeels +veroverden en van waar zij de bevolking verdreven. Van daar zonden zij +koloniën uit naar Creta, Azië (z. Doris no. 2), Italië en Sicilië. De +Doriërs onderscheiden zich door vele eigenaardige gebruiken van de +overige Grieken. + +Dorieus, Dorieus, 1) zoon van Anaxandridas. Toen zijn broeder +Cleomenes, dien hij voor de regeering ongeschikt achtte, zijn vader +opvolgde (520), ging D. naar Libye om daar eene volkplanting te +stichten; hij werd echter van daar verdreven, ging naar het westen van +Sicilië (de streek bij den Eryx) en sneuvelde in een gevecht tegen de +Carthagers (500). Uit den tijd, waarin deze gebeurtenissen voorvallen, +blijkt reeds, dat Dorieus niet onmiddellijk na de troonsbestijging +van zijn broeder de expedities ondernomen heeft. V. s. had Dorieus de +inwoners van Croton bij de verwoesting van Sybaris (510) geholpen; deze +meening is onjuist.--2) zoon van Diagoras van Rhodus, overwinnaar bij +alle groote grieksche spelen. In den peloponnesischen oorlog streed hij +in spartaanschen dienst; hij werd door de Atheners gevangen genomen, +maar wegens zijn groote beroemdheid vrijgelaten (407). + +Doris, Doris, dochter van Oceanus en Tethys, gemalin van Nereus, +moeder der Nereïden of Doriden; ook eene van de Nereïden. + +Doris, Doris, 1) klein, onbeduidend landje in Midden-Griekenland, +alleen belangrijk, omdat de peloponnesische Doriërs het als hun +stamland beschouwden. Oorspronkelijk hadden hier Dryopes gewoond, maar +dezen waren door de Doriërs op hun tocht naar het Zuiden verdreven. Het +land had 4 stadjes, Pindus, Erineüs, Cytinium en Boeum, de dorische +tetrapolis genoemd.--2) kustland van Caria, in het Z.W. van Voor-Azië, +waartoe ook de eilanden Cos en Rhodus en enkele kleinere behoorden. De +steden Halicarnassus en Cnidus op het vasteland, Cos op het eiland +Cos en de drie rhodische steden Lindus, Ialysus en Camirus maakten +de dorische hexapolis uit. De bondsvergaderingen werden gehouden +bij het triopische heiligdom van Apollo en Demeter, op kaap Triopium +bij Cnidus. + +Doriscus, Doriskos, stad op de thracische kust aan den mond van den +Hebrus (Maritza), in eene vlakte van gelijken naam gelegen. + +Dorpia, de eerste dag der Apaturia. + +Dorpon, avondmaal, oudtijds laat in den namiddag gebruikt. Toen +in lateren tijd het middagmaal (deipnon) later en later gebruikt +werd, werd ook de tijd van het avondmaal meer en meer verschoven, +en eindelijk verviel het geheel en al. + +Dorus, Doros, zoon van Hellen en Orseis, of van Apollo en Phthia, +of van Poseidon, mythisch stamvader der Doriërs. + +Dorylaeum, Dorylaion, stad met warme bronnen in Phrygia, belangrijk +kruispunt van verschillende groote wegen, aan de rivier Thymbris. + +Dos, bruidschat. Bij Grieken en Romeinen was het gebruikelijk, dat +de vader of de familie der bruid haar naar stand en vermogen eene +passende huwelijksgift medegaven. Hoewel de man het beheer had over +en het vruchtgebruik van het vermogen zijner vrouw, mocht hij dit +toch niet vervreemden. Er konden toch bij overlijden of echtscheiding +gevallen voorkomen, dat de dos geheel of gedeeltelijk moest worden +teruggegeven aan de vrouw of hare familie. In grieksche staten was +dit regel. Retentio propter liberos werd gezegd, wanneer de man bij +scheiding een gedeelte van den bruidschat voor de kinderen behield, +propter mores, wanneer de vrouw door een minder passend gedrag +aanleiding tot scheiding had gegeven. Processen over de teruggave +van een bruidschat waren actiones rei uxoriae of de dote. Daar ieder +geval op zich zelf moest beoordeeld worden, behoorden zij tot de +actiones bonae fidei. Wat de vrouw uit het familiegoed medebracht, +was dos profecticia, wat er verder bijkwam, adventicia. + +Dositheus Magister, schrijver eener latijnsche grammatica met +latijnsch-grieksche woordenlijst en vertaaloefeningen, leefde in de +vierde eeuw na C. + +Dossennus, een soort harlekijn in de fabulae Atellanae. + +Dotium, Dotion, stad en vlakte in Thessalia aan het meer Boebeis. + +Douleia, slavernij, de toestand waarin iemand verkeert, die, +hetzij door geboorte uit ouders, die slaven zijn, hetzij door +krijgsgevangenschap, hetzij door verkoop, zijne persoonlijke vrijheid +en dus ook alle burgerlijke rechten miste. De slaven der Grieken waren +oorspronkelijk allen barbaren, terwijl men zich omgekeerd verplicht +rekende, Grieken vrij te koopen, die in slavernij geraakt waren. Hoewel +de slaaf volstrekt als het eigendom van zijn heer beschouwd werd, +stelden toch wet en gebruik, ten minste te Athene, aan de willekeur +van den heer eenige grenzen; wie een slaaf doodde, moest zich voor het +gerecht verantwoorden. Het groote aantal slaven (in sommige staten +veel grooter dan dat der vrijen) maakte het misschien raadzaam hen +niet door harde behandeling tot tegenweer te noodzaken. Particulieren +gebruikten hunne slaven niet alleen voor persoonlijke diensten, maar +lieten hen dikwijls ook min of meer zelfstandig als landbouwers, +handwerkslieden of fabrieksarbeiders werken, en lieten hen soms +tegen eene vooraf vastgestelde vaste betaling (apophora) hun loon +of winsten behouden. Ook de staat had slaven (demosioi), die deels +politiediensten verrichtten, deels bij sommige magistraten als +dienaars geplaatst werden. Als aanklager kon een slaaf niet optreden, +ook mochten zij geen getuigen zijn, hoewel aan hunne verklaringen, +op de pijnbank afgelegd, groote waarde gehecht werd. Aangeklaagd +konden zij waarschijnlijk niet worden wegens handelingen, die zij +op bevel van hunne heeren verricht hadden. De vrijheid konden zij +terug krijgen door zich los te koopen, of door beschikking van hunne +heeren, dikwijls bij testament, soms ook van staatswege, wanneer +zij vrijwillig in den oorlog medegestreden en zich onderscheiden, +of wanneer zij zware misdaden aangebracht hadden. De vrijgelatene +(apeleutheros) was echter niet van alle verplichtingen tegenover zijn +vroegeren heer (prostates) ontslagen, z. apostasiou graphe. + +Drabescus, Drabeskos, stad in het macedonische gewest Edonis, aan +een oostelijken zijtak van den Strymon. + +Drachma, drachme, de meest gebruikelijke zilveren munt der Grieken, +het 6000ste deel van een talent, ongeveer f 0,45. + +Draco, Drakon, 1) archont en eerste wetgever der Atheners (621). Hoewel +zijne staatsregeling de bevoorrechte positie van den adel veel +verminderde, door het recht op het bekleeden van vele ambten aan +grondeigendom te verbinden, was dit, bij de algemeene verarming en +het drukkende schuldrecht, niet voldoende om een einde te maken aan de +heerschende ontevredenheid en de daardoor ontstane burgertwisten. Van +zijne wetten werden in de wetgeving van Solon alleen de strafbepalingen +tegen moord overgenomen.--2) van Stratonicea, schrijver van vele +grieksche werken over grammatica en metriek, waarvan slechts een +uittreksel bewaard is; hij leefde in de 2e eeuw n. C. + +Draco, Drakon, Anguis, Serpens, het sterrenbeeld de draak, v. s. de +draak, die de appelen der Hesperiden bewaakt had, v. a. de Python, +of de door Cadmus gedoode draak. Zie ook Anguis als veldteeken. + +Draconarius, soldaat, die den draco draagt. + +Drangiane, Drangiane, gewest van het perzische rijk, in het midden van +Ariana. De bewoners heeten Zarangai (bij Herodotus Sarangeis), waarvan +de Grieken Drangai hebben gemaakt. Bij Herod. komen de Sarangers in +het perzische leger voor met eene soort van waterlaarzen. Hun land was +laag en moerassig. In het zuidelijk deel woonden de Ariaspae (z. a.). + +Draudacum, sterkte van de Penesten in Illyris graeca. + +Dravus, Drabos, zijtak van den Donau in Noricum en Pannonia, thans +Drave of Drau. + +Drepanum, -a, Drepanon, ta Drepana, naam van meer dan ééne stad en +kaap, wegens de sikkelvormige ligging. O. a.: kaap op de N. kust van +Creta, kaap van de Peloponnesus nabij de invaart der corinthische +golf; stad en kaap op de N.W. kust van Sicilia, door den Carthager +Hamilcar gesticht als ligplaats der vloot, thans Trapani. Vergilius +laat Anchises hier sterven. + +Drepsa, Drepsa, ta Drapsaka, sterke stad in Bactriana, aan de N.-zijde +van den Paropanisus. + +Drilae, Drilai, colchisch bergvolk in N.O. Pontus, nabij de stad +Trapezus. + +Drilon, Drilon, of Drinius, thans Drin, in zijn benedenloop grensrivier +tusschen Illyris graeca en Illyris barbara (Dalmatia). + +Dromos, ook stadion, de renbaan in een grieksch gymnasium, een stadium +lang.--Op Creta werden de jongelingen, wanneer zij den leeftijd +bereikt hadden, waarop het hun geoorloofd was aan de oefeningen in +de gymnasia deel te nemen, dromoi of dromes genoemd. + +Dropici, Dropikoi, perzische nomadenstam. + +Druentia, rivier in Gallia Narbonensis, valt bij Avenio (Avignon) +in den Rhodanus (Rhône); thans Durance. + +Druidae, Druides, Druidai, priesterschap bij de keltische bevolking +van Britannia en Gallia. Zij maakten den voornaamsten stand uit en +waren vrij van staatslasten; vandaar dat vele jongelingen, ook uit +den adel, onder de Druïden zochten te worden opgenomen. Hunne leer, +die godsdienst, rechtsgeleerdheid, genees-, natuur- en sterrenkunde +omvatte, alles in een mystiek gewaad gehuld, mocht niet in schrift +gebracht worden, zoodat het onderricht alleen mondeling was en +nieuwelingen soms een twintigtal jaren noodig hadden om in alles te +worden ingewijd. Éénmaal 's jaars hielden de gallische Druïden eene +plechtige samenkomst in het gebied der Carnuten, dat voor het midden +van Gallia werd gehouden. Dáár spraken zij recht tusschen twistende +partijen en zelfs tusschen staten en volken. Zij, die door hen in den +ban waren gedaan, waren overal van alle gemeenschap uitgesloten. Toen +de rom. beschaving den ouden keltischen eeredienst verdrong, ging +ook het aanzien der Druïden verloren. Door Keizer Claudius werd hun +eeredienst geheel verboden. Later werd die ook in Britannia uitgeroeid +door de verovering van het eiland Mona (Anglesey), waar die eeredienst +gevestigd was. + +Drusiana fossa, zie Fossa. + +Drusilla, 1) Livia Drusilla, derde vrouw van Augustus en moeder +van Tiberius. Zie Livii no. 8.--2) Drusilla, dochter van Germanicus +en Agrippina (zie Julii onder e) en dus eene zuster van Caligula, +gehuwd met zekeren Aemilius Lepidus, leidde een ontuchtig leven met +haren broeder en werd door dezen na haar dood (38 n. C.) onder den +naam Panthea onder de godinnen opgenomen.--3) Drusilla, dochter van +den joodschen koning Herodes Agrippa, gehuwd met Antonius Felix, +procurator van Judaea. + +Drusus, familienaam in de gens Claudia (Claudii no. 26) en de gens +Livia (Livii no. 2-5, 8, 9). + +Dryades, Hamadryades, Dryades, Hamadryades, boomnimfen; men meende +dat iedere boom zijn eigen nimf had, goddelijke wezens, die echter +stierven met den boom, dien zij onder hunne bescherming hadden. + +Dryantides, Lycurgus, koning van Thracië, zoon van Dryas. + +Dryas, Dryas, 1) een van hen, die naar de hand dongen van Pallene, +en dus, volgens besluit van haar vader, met zijne mededingers om +haar bezit moest worstelen. Toen hij alleen met Clitus overbleef, +liet zijn wagenmenner zich door Pallene, die Clitus beminde, omkoopen +om zijn wagen gedurende den strijd te laten omvallen, zoodat D. door +zijn tegenstander gedood werd.--2) zoon van den thracischen koning +Lycurgus, werd door zijn vader, die door Dionysus met waanzin geslagen +was, gedood. + +Drymaea, Drymaia, stad in Phocis ten N. van den Cephisus, met een +tempel van Demeter Thesmophoros. + +Drymus, Drymos of Drymos, sterkte in Attica op de grenzen van Boeotia. + +Drymussa, Drymoussa, eiland in de Hermaeische golf, op de kust +van Ionia. + +Dryope, Dryope, dochter van Dryops of van Eurytus, werd bij Apollo +moeder van Amphissus, en huwde later met Andraemon. Eens plukte zij +een lotusbloem, die oorspronkelijk de nimf Lotis geweest was, waarop +zij zelve in zulk een plant veranderd werd. + +Dryopes, Dryopes, een oude grieksche volksstam, die oorspronkelijk +aan den Oeta bij Malis woonde. Later verspreiden zij zich, en vindt +men hen in Zuid-Euboea (steden: Carystus en Styra), op het eiland +Cythnus ten Z. van Attica, verder in Argolis (Hermione, Eion, Asine, +Nemea), later te Asine in Messenia, en elders. + +Dryops, Dryops, zoon van Spercheus en Polydora of van Apollo en +Dia, stamvader der Dryopes. Ook de inwoners van Asine in Messenië +beschouwden hem als hun stamvader en vierden hem ter eere om het +andere jaar een feest. + +Dubis, thans Doubs, zijtak van den Arar (Saône), stroomt langs Vesontio +(Besançon). + +Dubius Avitus, legatus van Germania Inferior, overwon in 50 n. C. de +Friezen. + +Dubris portus, thans Dover, havenstad der Cantii op de Zuidoostkust +van Britannia. + +Ducenarius. Dit woord komt in verschillende beteekenissen voor, die +alle met het getal 200 samenhangen, als: een hoofdman over 200 man; +een rechter uit hen gekozen, wier vermogen slechts 200000 sestertiën +bedroeg; zij vormden sedert Augustus de 4de decuria van rechters (zie +iudex aan het slot); een keizerlijke procurator in de provinciën met +eene jaarwedde van 200000 sestertiën. + +Ducetius, Douketios, een Siciliër, die in 461 zich aan het hoofd der +inboorlingen van het eiland stelde om hen van de heerschappij der +grieksche steden te bevrijden. Hij werd door de Syracusanen in 450 +verslagen en naar Corinthe verbannen. Later keerde hij met kolonisten +naar Sicilia terug, en woonde te Cale Acte, tot hij in 440 stierf. + +Duilia (lex) van den volkstribuun M. Duillius, 449, dat al wie voortaan +de plebs zonder tribunen zou laten, of een overheidsambt zonder +beroep op het volk zou in het leven roepen, gegeeseld en ter dood +gebracht zou worden. Aan het bestaan van deze wet wordt getwijfeld, +zie Duilii no. 1. + +Duilia Maenia (Menenia) (lex), 357. Zie fenus. + +Duilii, ook Duellii en Duillii geschreven, plebejisch geslacht. 1) +M. Duillius, een van de 4 volkstribunen, die in 471 volgens de lex +Publilia Voleronis door de plebs tributim gekozen werden. Het verhaal, +dat hij ook in 449 volkstribuun geweest is, en toen, als een wakker +en verstandig voorvechter voor de rechten der plebejers, toen de +tienmannen hunne macht misbruikten, de plebs tot eene secessio zou +bewogen hebben, is geheel verzonnen. Ook het bericht, dat op zijn +voorstel, na den zelfmoord van App. Claudius Crassus Inregillensis +Sabinus en Sp. Oppius Cornicen, aan de overige tienmannen, onder wie +ook een K. Duillius Longus voorkomt, amnestie verleend zou zijn, +verdient geen vertrouwen. Zie ook Duilia (lex). Volgens een ander +bericht zijn de overgebleven tienmannen verbannen, en hun goederen +verbeurd verklaard.--2) C. Duillius, consul 260, de bekende Romein, die +door middel van enterbruggen (corvi) bij Mylae de eerste overwinning +ter zee op de Carthagers behaalde, welk feit door de oprichting der +columna rostrata vereeuwigd werd. In 258 was hij censor, terwijl hij +levenslang het eerbewijs verkreeg, om, wanneer hij van een feestmaal +huiswaarts keerde, zich door een fakkeldrager en een fluitspeler te +doen vergezellen. + +Dulgubini, een germaansche stam, ten W. van den Visurgis (Weser). + +Dulichium, Doulichion, het grootste der Echinadische eilanden aan +den mond van den Achelous. Het behoorde tot het gebied van Odysseus, +die daarom dichterlijk ook wel Dulichius wordt genoemd. + +Dymanes, een van de drie dorische phylae, zoo genoemd naar Dymas. + +Dumnorix, hoofdman der Aeduërs, broeder van Divitiacus (zie +aldaar). Toen Caesar op het punt stond voor de tweede maal naar +Britannia over te steken, en Dumnorix, dien hij wantrouwde, wilde +medenemen, trachtte deze te ontvluchten, doch werd door Caesars +ruiterij, die hem achterhaalde, gedood. + +Duoviri = Duumviri. + +Dupondius, eene munt ter waarde van 2 as. + +Dura, ta Doura, stad in Mesopotamia, aan den Euphraat, ten Z. van +Circesium. + +Duris, Douris, 1) beroemd Attisch schilder van vazen in streng +roodfigurigen stijl, uit het begin van de 5 eeuw.--2) van Samus, +grieksch geschiedschrijver omstreeks 250, die door latere schrijvers +dikwijls aangehaald wordt, ofschoon men hem niet algemeen voor +geloofwaardig hield. + +Durius, Dourios, rivier in Hispania, grensscheiding tusschen Lusitania +en Gallaecia (Tarraconensis), thans Douro. + +Durocortorum, hoofdstad der Remers in Gallia, thans Reims. + +Duronia, stad in Samnium, nabij de bergengte van Caudium. + +Durostorum, vesting aan den Donau in Moesia Inferior, t.g.w. Silistria. + +Duumviri. 1) Duumviri perduellioni iudicandae waren in den +rom. koningstijd rechters, die in 's koningsnaam recht spraken in +zaken van perduellio of hoogverraad. In het republikeinsche tijdperk +vinden wij deze duumviri nog eene enkele maal, o. a. in het proces +van Rabirius, door den praetor bij het lot aangewezen.--2) Duumviri +sacris faciundis, belast met het toezicht en het raadplegen der +sibyllijnsche boeken. Hun getal werd later op 10 en vervolgens op 15 +gebracht. Zie decemviri s. f.--3) Duumviri iuri (iure) dicundo. In de +muncipiën en koloniën stonden veeltijds twee mannen aan het hoofd, +die, evenals te Rome de consuls, voor een jaar gekozen werden. Zij +hadden ook lictoren, doch met staven gewapend. Naast hen vindt men +in verschillende municipia duoviri aedilicia potestate.--4) Duumviri +viis purgandis. Het toezicht op het schoonhouden van en het onbelemmerd +verkeer in de straten van Rome buiten de muur van Servius Tullius tot +aan den eersten mijlpaal was opgedragen aan duumviri. Zij worden het +eerst genoemd in de lex Julia municipalis van 45. Augustus schafte +dit ambt af, waarschijnlijk vóór 12, en stelde toen curatores viarum +aan. Zij behoorden tot de zoogenaamde vigintisexviri (z.a.).--5) +Duumviri navales classi ornandae et reficiendae, buitengewone +commissarissen, in 311 voor het eerst vermeld, tot het uitrusten +eener vloot.--6) Duumviri aedi faciundae, reficiundae, dedicandae, +buitengewone commissarissen voor den bouw, de herstelling of de +wijding van een tempel. + +Dymae of Dyme, Dymai, Dyme, eene der 12 bondssteden van Achaia, aan de +golf van Patras, bij de grens van Elis, later rom. kolonie. Ook eene +stad in Thracia aan de via Egnatia, aan den benedenloop van den Hebrus. + +Dymantis, Hecabe, dochter van Dymas. + +Dymas, Dymas, 1) Phrygiër, vader van Hecabe.--2) zoon van Aegimius, +stamvader der dorische Dymanes. + +Dynamene, Dynamene, eene van de Nereïden. + +Dyras, Dyras, riviertje in Malis, ten Z. van den Spercheus, dat +oudtijds in de Malische golf uitliep. Nu is het een zijriviertje van +den Spercheus. + +Dyrr(h)achium, Dyrrachion, thans Durazzo, bloeiende koopstad +aan de Oostkust der Adriatische zee, door Catullus taberna Adriae +genoemd. De overtocht dezer zee had meestal plaats tusschen Brundisium +en Dyrrachium, vanwaar dan de via Egnatia over Thermae of Thessalonice +naar Byzantium voerde. In de grieksche geschiedenis heet D. Epidamnus, +doch de Rom., voor wie de laatste naam een ongunstigen klank had, +gaven aan de stad haar oudsten naam terug. De stad was eene kolonie +van Corcyra en Corinthe (gesticht 627); de burgeroorlog, waarin de +aristocratie hulp van Corcyra, de volkspartij hulp van Corinthus kreeg, +was het voorspel van den peloponnesischen oorlog. + +Dysaules, Dysaules, broeder van Celeüs, werd door Ion uit Eleusis +verjaagd, en voerde te Phlius de eleusinische mysteriën in. + +Dysorum, Dysoron oros, gebergte, met goudmijnen, ten W. van den +Beneden-Strymon, in Macedonia. + +Dyspontium, Dyspontion, stad in Pisatis, na de onderwerping van het +landschap door de Eleërs verlaten. + + + + + + +E. + + +Ebora, rom. muncipium in Lusitania, ook Liberalitas Iulia genaamd, +thans Evora. + +Eboracum, Eborakon, thans York, hoofdstad der Brigantes in +Britannia. De keizers Septimius Severus en Constantius Chlorus stierven +te York, Constantijn de Gr. werd er tot keizer uitgeroepen. + +Ebudae insulae, Eboudai nesoi, ten N.W. van Caledonia (Schotland), +thans de Hebriden. + +Eburodunum, hoofdstad der Caturiges (z.a.). + +Eburones, Ebourones, germaansch volk in Belgica, dat langs de Maas +woonde, van Namen tot Roermond, door Caesar zoo goed als uitgeroeid, +omdat ze het romeinsche leger, dat in hun land overwinterde, bij den +opstand van 54/53 hadden afgemaakt. + +Eburovices, keltisch volk in Normandië met de hoofdstad Mediolanum +(Evreux aan de Eure), een van de vier stammen der Aulerci. + +Ebusus, Ebysos, thans Iviza, het grootste der Pityusen-eilanden bij +Hispania. Ook de stad heette Ebusus. Zij werd in den tweeden punischen +oorlog (217) door de Rom. tevergeefs bestormd. + +Ecbatana, ta Ekbatana, ook Agbatana, hoofdstad van Media, zomerverblijf +der perzische en later der parthische koningen. Het was terrasgewijze +gebouwd tegen de helling van den boschrijken Orontesberg, en door +zeven verschillend gekleurde muren omgeven. Als stichter wordt +Deioces genoemd. + +Ecdemus, Ekdemos, en Demophanes (v. a. Megalophanes), twee burgers +van Megalopolis, leerlingen van Arcesilaus, verdreven den tyran +Aristodemus uit hunne vaderstad, en hielpen Aratus in het verdrijven +van Nicocles uit Sicyon. Daarna gingen zij naar Cyrene, waar zij zich +door het geven van wijze wetten verdienstelijk maakten. Later keerden +zij terug en wijdden zij zich aan de opvoeding van Philopoemen. + +Ecdicus, ekdikos, iemand, die, wanneer eene civitas in eene provincie +in rechten optrad, die civitas voor de rechtbank vertegenwoordigde. De +latijnsche benaming is cognitor civitatis. + +Ecetra, Echetra, sterke volscische stad in Latium, vermoedelijk door +de Rom. verwoest. + +Echecrates, Echekrates, van Phlius, leerling van Archytas, vriend en +misschien leermeester van Plato. + +Echedorus, Echeidoros, macedonische riv., die ten O. van den Axius +in de golf van Thermae uitloopt. + +Echemus, Echemos, koning van Arcadië, trok als bondgenoot van Atreus +den Doriërs bij hun inval in de Peloponnesus tegemoet, en doodde +Hyllus. + +Echepolus, Echepolos, 1) Sicyoniër, die aan Agamemnon eene schoone +merrie gaf, om zich los te koopen van de verplichting om mede naar +Troja te gaan.--2) Trojaan, door Antilochus gedood. + +Echetlus, Echetlos, een heros, op bevel van een orakel door de +Atheners vereerd sedert den slag bij Marathon, waar hij als landman +verschenen was, met een ploegschaar vele vijanden gedood had, en na +de overwinning verdwenen was. + +Echetus, Echetos, wordt in de Odyssea genoemd als een wreed koning +van Epirus, die alle vreemdelingen mishandelde en zijn eigen dochter +de oogen uitstak. + +Echidna, Echidna, dochter van Tartarus en Gaea, of van Chrysaor en +Callirhoë, een monster, half vrouw, half slang, woonde in Cilicië, +was bij Typhon moeder van de Chimaera, den Cerberus (Echidneus canis), +de lernaeische hydra e. a. monsters. Zij werd door den alzienden +Argus in den slaap gedood.--V. s. woonde zij in het land der Scythen, +en verwekte Heracles bij haar drie zonen, van welke een de stamvader +der scythische koningen werd. + +Echinades, Echinades, zeeëgel-eilanden, aan den mond van den +Achelous vóór de kust van Acarnania gelegen, en gevormd door de sterke +aanslibbing van den stroom. Volgens de mythe waren het nimfen geweest, +die bij het offeren den riviergod hadden vergeten en toen met den +grond, waarop zij stonden, waren losgescheurd en door den stroom een +eind ver meegesleurd. + +Echinos, doos waarin te Athene bij een proces de bewijsstukken enz., +bewaard werden. + +Echinus, Echinos, 1) stad in Acarnania aan de Ambracische golf.--2) +stad in het thessalische landschap Phthiotis aan de Malische golf. + +Echinus, echinos, de eierlijst aan het kapiteel eener zuil. Zie +columna. + +Echion, Echion, 1) een der mannen, gesproten uit de door Cadmus +gezaaide draketanden, huwde diens dochter Agave, en hielp zijn +schoonvader bij het bouwen van Thebae.--2) zoon van Hermes en +Antianira, beroemd om zijne snelheid in het loopen, nam deel aan +de calydonische jacht en den tocht der Argonauten.--3) een van de +Giganten, die den hemel bestormden; Athena veranderde hem door het +Medusahoofd in een steen.--4) verkeerde lezing voor Aetion, z. a. + +Echionides, Pentheus, zoon van Echion no. 1. + +Echo, Echo, boeotische Oreade, die Hera met haar gesnap bezig hield, +wanneer Zeus de nimfen bezocht. Toen deze list ontdekt werd, ontnam +Hera haar het gebruik harer tong, zoodat zij alleen de laatste woorden +herhalen kan van vragen, die men tot haar richt. Zij werd verliefd +op Narcissus, en daar deze haar niet beminde, kwijnde zij weg, en +bleef alleen hare stem over. Bij Pan was zij moeder van Iynx. + +Ecnomus mons, Eknomos lophos, kaap aan de Z. kust van Sicilia tusschen +Agrigentum en Gela, waar L. Manlius Vulso in 256 de Carthagers +verslagen heeft. + +Ecphantides, Ekphantides, een van de oudste dichters der oude attische +comedie, door zijn jongeren tijdgenoot Cratinus bespot. + +Eculeus = equuleus. + +Edessa, Edessa, 1) stad in het macedonische landschap Emathia, vroeger +Aegae, waarvan het eerst de vóórstad was.--2) stad in Osroene, +tusschen den Euphraat en den Chaboras, ook wel Osroë of Orrhoë +geheeten, onder de Seleuciden Antiochia Callirrhoë genoemd naar de +talrijke nabijgelegen bronnen van den Scirtus, in den keizertijd en +in de kruistochten weder bekend als Edessa. + +Edetani, Edetanoi, volk in Tarraconensis aan de tegenw. golf van +Valencia. In hun gebied lagen de steden Valentia en Saguntum. + +Edictum. Elke overheid te Rome kon binnen den kring harer +ambtsbevoegdheid verordeningen maken en afkondigen, zoowel voor +enkele op zichzelf staande gevallen als in het algemeen geldig +voor het geheele ambtsjaar. Zoo bevatten b.v. de edicta der aedilen +voorschriften omtrent markt- en handelsverkeer, openbare veiligheid +en dgl. Bepalingen, die nuttig bleken te werken, werden uit den aard +der zaak door de opvolgers van hunne ambtsvoorgangers overgenomen. Het +belangrijkste dezer edicten is het jaarlijksch edict van den praetor +urbanus en in de tweede plaats van den praetor qui inter peregrinos +ius dicebat. Zulk een edictum praetoris stond voor 's praetors woning +op een wit houten bord of album met zwarte letters te lezen. De +strenge bepalingen van het oud-rom. ius privatum moesten mettertijd +in milderen geest gewijzigd en uitgebreid worden. Wat nu de eene +praetor van den anderen overnam, werd edictum perpetuum of tralaticium +genoemd. Bijzondere bepalingen, in den loop van het ambtsjaar door +den praetor uitgevaardigd, heetten edicta repentina. Zoo ontstond +naast het oude ius civile (niet in strijd daarmede, doch daarop +gegrond) het ius praetorium of honorarium, z. a. Hiernaast wordt +ook vermeld het edictum aedilium curulium, aan wie de beslissing +in handelsgeschillen, en dus ook het vaststellen van de bepalingen, +daarop betrekking hebbende, was opgedragen. + +Edoni, Edones, Edonoi, thracisch volk, door Philippus van Macedonia +onderworpen. Zij woonden ten O. van den Beneden-Strymon en waren +berucht door hun woesten Bacchusdienst; zie Myrcinus. Dichterlijk is +Edonus = thracisch, Edonis = Bacchante. + +Eetion, Eetion, 1) koning van Thebe in Mysië, vader van Andromache, +met zijne zeven zonen door Achilles gedood.--2) koning van Imbrus, +kocht een zoon van Priamus uit de krijgsgevangenschap vrij.--3) +vader van Cypselus. + +Effatum in het algemeen uitspraak, verkondiging, formulier in +godsdienstzaken, o.a. het formulier, dat de augur uitsprak bij de +wijding eener ruimte op aarde of aan den hemel tot templum. Vandaar +de uitdrukking effari templum. + +Egeria, Aeg., Egeria, Aig., orakelgevende bronnimf, die gehuwd was met +Numa Pompilius, en volgens wier voorschriften Numa de godsdienstige +aangelegenheden regelde; na zijn dood vluchtte zij naar Aricia, waar +zij van droefheid in een bron veranderde. Zij was eene beschermgodin +van Rome en werd vooral door zwangere vrouwen aangeroepen. Zij had +een heiligdom voor de Porta Capena en een te Aricia. + +Egesta, Egesta, bij de Rom. gewoonlijk Segesta, bij Vergilius Acesta +geheeten, een oude, niet-grieksche stad op de N.W.-kust van Sicilia, +volgens de latere sage door Trojanen gesticht. In de nabijheid vond men +twee riviertjes, die de namen Simoïs en Scamander droegen. De strijd +tusschen deze stad en Selinus gaf aanleiding tot den tocht der Atheners +naar Syracusae. Egesta had de hulp der Atheners ingeroepen. Sedert +263 was het met Rome verbonden. + +Egestes = Acestes. + +Enkaustike, zie Encaustica. + +Enkoimesis, incubatio, het slapen in den tempel van een droomorakel, +waar men in den slaap door een droomgezicht antwoord meende te +ontvangen op vragen aan het orakel gedaan. + +Enktesis, het bij verdrag aan de burgers van twee staten toegestane +recht, om in elkanders grondgebied vaste goederen te hebben; ook het +goed dat men volgens dit recht in eigendom heeft. + +Enkyklios paideia, agoge, het onderwijs, dat men voor beschaafden +noodig achtte. Het omvatte in latere tijden grammatica, rhetorica, +philosophie, rekenkunde, muziek, geometrie en astronomie. + +Egnatia of Gnathia, drukke havenstad in Apulia aan de via Appia nova, +ten N. van Brundisium, met slecht water. + +Egnatia (via), de groote heerweg, die van Dyrrachium door Illyria, +Macedonia en Thracia naar Byzantium liep. Van Rome reisde men langs +den Appischen weg tot Capua, verder langs den nieuwen App. weg naar +Brundisium, stak dan de Adriatische zee over naar Dyrrachium en +zette den tocht langs den Egnatischen weg voort over Apollonia en +Thessalonica. De weg is aangelegd na de onderwerping van Macedonia +(146). + +Egnatii, uit Samnium. 1) Gellius Egnatius was een der aanvoerders van +de Samnieten in de samnietische oorlogen. Hij sneuvelde in 295 in den +slag bij Sentinum.--2) Marius Egnatius, aanvoerder der Samnieten in den +bondgenooten-oorlog. In 90 lokte hij den rom. consul L. Julius Caesar +in eene hinderlaag en vernietigde bijna diens geheele leger, bij den +mons Massicus. In 89 sneuvelde hij. Na den oorlog vindt men Egnatii +in den rom. senaat.--3) C. Egnatius Rufus, rom. ridder, door Cicero +om zijne hulpvaardigheid geprezen.--4) M. Egnatius Rufus, zeer bemind +bij het volk, werd op last van Octavianus als samenzweerder ter dood +gebracht (19).--5) P. Egnatius Celer, stoisch wijsgeer uit Berytus. In +69 n. C. werd hij door Musonius Rufus wegens zijne handelswijze jegens +Barea Soranus (z. a.) aangeklaagd, en door den senaat veroordeeld. + +Egnatuleius (C.), op wiens aansporing in 44 het vierde legioen van +Antonius tot Octavianus was overgegaan, kreeg op Cicero's voorstel +verlof om beneden den wettigen leeftijd naar de hooge staatsambten +te mogen dingen, maar wordt later niet meer genoemd. + +Eion, Eïon, havenstad van Amphipolis.--2) = Eiones. + +Eiones, Eïones, stadje der Dryopes in Argolis aan den Sinus Argolicus, +vroeg verwoest. + +Eira = Ira. + +Eirenes, te Sparta jongelieden van 20 tot 30 jaar; bij spelen en +gymnastische oefeningen hadden zij het opzicht over de agelai. + +Eiresione, een met wol omwonden krans van olijftakken, die, met +bloemen en vruchten beladen, bij de Pyanepsia rondgedragen en aan den +tempel van Apollo en ook aan particuliere huizen opgehangen werd. Ook +het lied, dat daarbij gezongen werd en waarbij men giften verzocht, +en in het algemeen een lied van dien inhoud. + +Eisangelia, een bizondere vorm van proces te Athene, die aangewend +werd bij zware misdaden en bij zulke, die voor den staat zelf gevaar +schenen op te leveren. De aanklager diende een klachtbrief (eisangelia) +bij den raad of de volksvergadering in, en wanneer deze aangenomen +werd, werd de aangeklaagde in hechtenis genomen, hoewel hij zich in +de meeste gevallen door het stellen van drie borgen daaraan onttrekken +kon. Wanneer de raad den aangeklaagde schuldig bevonden had, en meende +dat de hoogste boete, die hij kon opleggen (500 drachmen), als straf +niet toereikend was voor de misdaad, verwees hij de zaak naar de +thesmotheten of naar het volk. Aanklachten die bij de volksvergadering +ingekomen waren, konde zij zelve behandelen of naar de thesmotheten +verwijzen; bij misdaden, waarvoor geen straf bij de wet bepaald +was, werd vóór het onderzoek vastgesteld, welke straf ingeval van +veroordeeling zoude opgelegd worden. Sedert het begin der vierde eeuw +bepaalde de wet, op welke misdaden de eisang. kon worden toegepast; +kort daarna werd op die misdaden de doodstraf gesteld met verbod +van begrafenis in Attica.--De eisangelia had in sommige gevallen, +ook indien de aangeklaagde vrijgesproken werd, geen geldelijk nadeel +voor den aanklager ten gevolge, zooals andere processen. + +Eisagoges, een collegie van vijf rechters, die uitspraak deden in de +meeste emmenoi dikai; ook worden zoo alle overheden genoemd, wanneer +zij eene bij hen ingediende aanklacht na voorloopige instructie voor +de rechtbank brengen. + +Eisiteria, offer door de leden van den raad bij het aanvaarden hunner +betrekking gebracht. Z. exiteria. + +Eisphora, buitengewone belasting op het vermogen, te Athene voor het +eerst door Pisistratus geheven, later vervangen door de phoroi, der +bondgenooten; in den Peloponnesischen oorlog voor het eerst in 428, +later in oorlogstijd dikwijls geheven. Wie die belasting niet betaalde, +werd gestraft met verbeurdverklaring zijner goederen, niet met atimie, +zooals andere schuldenaars van den staat. Zie ook symmoria. + +Ekecheiria, zie Olympia, ta Olympia. + +Ekklesia, volksvergadering. Te Athene besliste de volksvergadering over +alle aangelegenheden van den staat, wanneer de wet daarover niet anders +beschikt had, bijv. bij wetgeving, verkiezingen, het verklaren van +oorlog en sluiten van vrede, enz. In elke prytanie werden vier gewone +(tetagmenai) vergaderingen gehouden, in dringende gevallen werden +ook buitengewone (synkletoi, proskletoi, katakletoi) vergaderingen +beroepen. De onderwerpen, in de vergadering te behandelen, moesten door +den voorzitter vooraf bekend gemaakt worden (prographein ekklesian); +voor een van de gewone vergaderingen (de kyria ekkl.) waren zij bij de +wet vastgesteld. De vergaderplaats was in de oudste tijden de markt, +later gewoonlijk de Pnyx, nog later de schouwburg. Toegang tot de +vergaderingen, recht om aan de discussies deel te nemen en stemrecht +hadden alle burgers boven de 20 jaar oud, voor zoover zij niet door +atimie dat recht verloren hadden. De voorzitter, oudtijds de epistates +der prytanen, later die van de proedroi (z.a.), opende de vergadering +met een offer en gebed en legde daarna de punten ter behandeling aan +het volk voor (protithenai), die gewoonlijk begeleid werden door een +praeadvies van den raad (probouleuma), waarover dan eerst gestemd +werd (procheirotonia); vereenigde de vergadering zich niet daarmede, +dan kon iedereen een voorstel doen, dat de voorzitter echter niet +in stemming mocht brengen, wanneer het in strijd met de wet was, en +waarvan iedereen de behandeling kon verhinderen door de verklaring, +dat hij den voorsteller wegens de onwettigheid van het voorstel +(paranomon) zoude aanklagen. De stemming geschiedde door het opsteken +der handen (cheirotonein), of wanneer zij personen betrof met steentjes +(psephizesthai, dikwijls ook algemeen voor stemmen gebruikt).--Tot de +spartaansche volksvergadering (halia), hadden toegang alle Spartanen +boven de 30 jaar oud en in het volle bezit van hunne burgerlijke +rechten; in latere tijden wordt nog eene afzonderlijke vergadering +van homoioi vermeld, ofschoon het niet blijkt in welke verhouding +zulk eene vergadering tot de algemeene volksvergadering stond. De +meeste staatszaken worden door de gerousia behandeld; wanneer het +volk ter vergadering geroepen werd, had het alleen de bevoegdheid +de voorstellen van de gerousia of van den koning aan te nemen of te +verwerpen; veranderingen daarin te brengen of nieuwe voorstellen +te doen was niet geoorloofd, zelfs had men om het woord te voeren +de bizondere vergunning van den voorzitter noodig. De stemming had +plaats door geschreeuw, en, ingeval de uitslag twijfelachtig was, +door afzondering van voor- en tegenstemmers. + +Ekklesiastikon, betaling voor het bijwonen der volksvergadering te +Athene, eerst één, later drie obolen, waarschijnlijk eerst na den +peloponnesischen oorlog ingevoerd. Ten tijde van Aristoteles was het +ekkl. tot een drachme verhoogd, en voor de kyria ekklesia tot 9 obolen. + +Ekkletos polis, een staat, waaraan twee strijdende staten met onderling +goedvinden de beslechting van hun geschil opdragen.--Bij de verdragen +tusschen verschillende staten was soms bepaald, dat wanneer een +burger van den eenen staat in den anderen staat een proces verloor, +hij bij zijn eigen staat van dit vonnis in appèl kon komen; de staat, +waarbij men appelleert, wordt dan ook ekkletos polis, het proces +ekkletos dike genoemd. + +Ekkyklema, een machine, waardoor de achtergrond van een tooneel +geopend wordt, om een huis of paleis van binnen te laten zien; +v. s. een kleine houten stelling, die door de groote achterdeuren +op het tooneel gerold werd, en waarop zich de personen bevonden, +die voorondersteld werden in het huis te zijn. + +Ekloges, te Athene buitengewone beambten, belast met het invorderen van +aan den staat verschuldigde gelden, vooral die van de schatplichtige +bondgenooten. + +Elaea, Elaia, oude stad in aziatisch Aeolis, aan de Elaïtische golf, +later haven van Pergamus. + +Elaeus, g. -untis, Elaious, olijvenstad, kolonie van Teos op de punt +van de thracische Chersonesus, met het grafteeken van Protesilaus, +den eersten Griek, die op het trojaansch gebied aan wal sprong en +tevens sneuvelde. + +Elagabalus = Heliogabalus. + +Elana = Aelana. + +Elaphebolia, Elaphebolia, feest ter eere van Artemis in de maand +Elaphebolion gevierd, waarbij haar een koek in den vorm van een hert +geofferd werd. + +Elaphebolion, Elaphebolion, 9de maand van het Attische jaar +(Maart-April), zie annus. + +Elatea, Elateia, stad en sterke burcht in Phocis, de sleutel van een +bergpas naar Thessalia. Philippus van Macedonia bezette dit punt in +338, waarvan de slag bij Chaeronea het gevolg was. + +Elaver, ook Elaris, Elauris, thans Allier, zijtak van den Liger +(Loire), ontspringt op den mons Cebenna. + +Elbo, Elbo, eiland tusschen den phatnitischen en den tanitischen +Nijlmond, waar de aegyptische koning Anysis zich schuil hield voor +den aethiopischen overweldiger Sabaco en later Amyrtaeus tegen den +perzischen koning Artaxerxes I. + +Elea, later Velia, stad in Lucania aan de Tyrrheensche zee, door +vluchtelingen uit Phocaea gesticht ± 550, toen Cyrus de perzische +heerschappij over de Westkust van Klein-Azië uitbreidde. Hier +woonden de wijsgeeren Xenophanes, Parmenides en Zeno, de stichters +der eleatische school; zie Xenophanes. + +Eleatische wijsbegeerte, z. Xenophanes. + +Electra, Elektra, 1) dochter van Ocanus en Tethys, moeder van Iris en +de Harpyieën.--2) Pleiade, bij Zeus moeder van Dardanus en Iason.--3) +zuster van Cadmus, gaf haar naam aan een van de poorten van Thebe.--4) +dochter van Agamemnon en Clytaemnestra, zorgde bij den moord van haar +vader, dat Orestes in veiligheid gebracht werd; toen hij terugkeerde, +hielp zij hem op Clytaemnestra en Aegisthus wraak te nemen. Zij was +door haar moeder aan een armen daglooner uitgehuwd, die haar echter +met allen eerbied behandelde; later huwde zij met Pylades.--5) +dochter van Latinus; v. s. was Remus de zoon van Italus en Electra. + +Electrides insulae, Elektrides nesoi, barnsteeneilanden, zie Glaesariae +insulae. + +Electryon, Elektryon, zoon van Perseus en Andromeda, koning van +Mycenae, gehuwd met Anaxo, vader van Alcmene. Zie Amphitryo. + +Elegia, elegeia (ta), ook elegeia, een soort lyrisch gedicht, de +eerste overgang van epische tot lyrische poëzie. In inhoud, wijze +van behandeling, dialect en versmaat (hexameters met pentameters +afwisselend, disticha) verwijdert zich de elegie oorspronkelijk niet +ver van het epos. De oudste (ionische) elegieën waren krijgsliederen +of behandelden de politiek, later bij de Atheners werden het meer +liederen uit het dagelijksch leven, tafel-, liefde- en klaagliederen, +de Alexandrijnen eindelijk kozen dezen dichtvorm bij voorkeur voor +geleerde onderwerpen. Bij de Romeinen werd sedert het einde der +republiek tot zeer laat van de elegie veel werk gemaakt. + +Eleleides = Bacchae. + +Eleon, Eleon, oude stad in Boeotia, ten O. van Tanagra. + +Elephantine, Elephantine, eilandje met stad in den Nijl, op de +aethiopische grenzen dicht bij Syene, onder de Perzen en Rom. een +sterk bezette grenspost. + +Elephenor, Elephenor, zoon van Chalcodon, vorst der Abanten, werd +voor Troje door Agenor gedood. + +Eleus = Elaeus. + +Eleusinia, Eleusinia, eleusinische mysteriën, groote feesten en +plechtigheden ter eere van Demeter en Persephone, die hier Cora heette, +waarbij reeds vroeg Dionysus onder den naam Iacchus werd opgenomen. De +mysteriën dienden ter herinnering aan den zwerftocht van Demeter na +den roof harer dochter en zouden door die godin zelve ingesteld zijn, +toen zij op dien tocht te Eleusis gastvrij ontvangen werd. Evenals +men in het verdwijnen en herrijzen van Persephone eene mythische +voorstelling zag van het schijnbaar sterven en herleven der natuur, +zoo werden ook de eleusinische plechtigheden op twee tijden van het +jaar gevierd, de groote ter herinnering aan Persephone's afdalen naar +de onderwereld in den herfst, de kleine ter viering van hare terugkomst +op aarde in de lente. De groote mysteriën begonnen den 15den Boëdromion +en duurden verscheiden dagen. De eerste vijf waren gewijd aan offers, +reiniging, enz.; de voornaamste dag was echter de zesde, Hiakchos +genaamd, wanneer een optocht van Athene naar Eleusis gehouden werd, +waaraan soms meer dan 30.000 menschen, allen bekranst, deel namen; +daar men dikwijls halt maakte en de reis meermalen gestoord werd door +allerlei scherts en plagerij, was het nacht, voordat men aan de plaats +zijner bestemming gekomen was. Daar werden dan fakkeldansen uitgevoerd +en heilige liederen gezongen, alles ter herinnering aan Demeter, haar +smart bij het missen en haar vreugde bij het vinden harer dochter. De +eigenlijke geheime feestviering had in een tempel (mystikos sekos) +plaats. Wat daar gebeurde, is niet in bizonderheden bekend; slechts +zooveel kan men uit de uitdrukkingen van oude schrijvers daaromtrent +opmaken, dat het lot van Persephone op zeer indrukwekkende wijze +dramatisch werd voorgesteld (deze voorstellingen heeten dromena); +zonder dat er eenig bepaald dogma verkondigd werd, moest bij de +ingewijden, door wat zij zagen en mede ondervonden, de hoop opgewekt +worden, dat ook zij eens, evenals de godin, uit het rijk van dood, +duisternis en verschrikking verlost zouden worden. Na afloop van het +sombere gedeelte der plechtigheid werd het daarmede verbonden vasten +gebroken door het gebruik van een drank kykeon, bereid uit water, meel +en prij, terwijl het geheele feest besloten werd door de plemochon, +waarbij men uit bijzondere schalen naar oost en west water plengde. Om +de vijf jaar werden de mysteriën met meer dan gewonen luister gevierd, +en naar het schijnt waren er soms ook feestspelen mede verbonden.--De +kleine mysteriën werden in de maand Anthesterion in de voorstad Agrae +gevierd en stelden het mystisch huwelijk tusschen Persephone en Iacchus +voor.--De mysteriën waren oorspronkelijk alleen voor Eleusiniërs, +later ook voor Atheners, vervolgens voor alle Grieken toegankelijk, +eindelijk werden ook barbaren ingewijd, mits een atheensch burger +(mystagogos) hen inleidde. Gewoonlijk ontving men de eerste wijding bij +de kleine mysteriën; alsdan mocht men de groote nog in hetzelfde jaar +als mystes bijwonen, eerst het volgende jaar werd men echter epoptes, +en mocht men als zoodanig ook bij de geheime plechtigheden tegenwoordig +zijn.--De feesten stonden onder het toezicht van den archon basileus, +en werden geleid door verschillende priesters, waarvan de voornaamste +de hierophantes was; op hem volgden de dadouchos, hierokeryx en +epibomios.--Lang stonden de eleusinische mysteriën bij de Grieken in +hoog aanzien. Zij werden opgeheven bij besluit van Theodosius den Gr., +nadat reeds kort te voren de tempels en andere heilige gebouwen door +dweepzieke monniken in het gevolg van Alarik verwoest waren. + +Eleusis, g. -inis, Eleusis, 1) stad in Attica nabij de grenzen +van Megaris. De stad was beroemd door hare mysteriën ter eere van +Demeter en Persephone, zie Eleusinia. De weg van Athenae naar Eleusis +heette hiera hodos. Eleusis had met Brauron den naam van polis.--2) +oude stad in Boeotia, aan den zuidelijken oever van het meer Copaïs, +vroeg te gronde gegaan door de overstroomingen van het meer. + +Eleutherae, Eleutherai, demus van Attica op de boeotische grenzen. + +Eleutheria, 1) feest ter eere van Zeus Eleutherius om de vijf jaar +te Plataeae gevierd, ter herinnering aan den gelukkigen afloop van +de perzische oorlogen.--2) feest op Samus.--3) huiselijk feest door +vrijgelaten slaven gevierd. + +Eleutherocilices, Eleutherokilikes, rooversstam op den Amanus en +den Taurus, die zich den naam van vrije Ciliciërs gaven. Hoofdstad: +Pindenissus, bergvesting. + +Eleutho, Eleutho = Ilithyia. + +Elfmannen, zie Hendeka. + +Elicius, bijnaam aan Jupiter gegeven als regengod; men trachtte in +tijden van droogte door een processie (het aquaelicium) van blootvoets +gaande matronae met loshangende haren, en van de ambtenaren zonder +teekenen hunner waardigheid, van Jupiter Elicius regen af te smeeken; +hierbij werd ook de regensteen, lapis manalis door de priesters onder +gebeden medegevoerd. Later heeft men J. El. vereenzelvigd met den +bliksemgod, en meende men, hem door zekere formules te kunnen dwingen +den bliksem uit den hemel naar beneden te zenden; hij had een tempel +op den Aventinus, door Numa gebouwd. + +Elimea, Elimia, -iotis, Elimeia, Elimia, -iotis, landschap +van Macedonia, in het zuiden, op de thessalisch-epirotische +grenzen. Hoofdstad: Elima. + +Elimberris (Climberris), hoofdstad der Ausci, in Aquitania, zie Ausci. + +Elis, Elis, Eleia, het meest westelijke gewest der Peloponnesus, in +vier deelen verdeeld: Elis propria in het N.W., Acrorea in het N.O., +Pisatis met de hoofdplaats Pisa, in het midden, en Triphylia, het land +der drie stammen: Caucones, Paroreatae, en Minyae, in het Z.--De stad +Pylus Triphyliacus was v. s. de woonplaats van den grijzen Nestor. In +Pisatis lag Olympia, aan den Alpheus, de beroemde schouwplaats +der olympische spelen. Uithoofde dezer spelen was Elis aan Zeus +Olympius geheiligd en onschendbaar en mocht door geene vijandelijke +legers betreden worden; tot op den peloponnesischen oorlog werd deze +onschendbaarheid geëerbiedigd. Om dezelfde reden had ook de stad +Elis, aan den Peneus gelegen, geene muren. Oudtijds was Elis door +Epeërs bevolkt; bij de dorische verhuizing viel het ten deel aan +den Aetoliër Oxylus en uit de samensmelting van Epeërs, Aetoliërs +en Doriërs ontstonden de Eleërs. De dorische naam van het land is +Alis. In Elis behooren de mythen te huis van Pelops en de schoone +koningsdochter Hippodamia en van den Augiasstal en den stroom Alpheus. + +Elisa, Elissa = Dido. + +Elison, Elisson, Elisa, beek, grens tusschen Elis propria en Pisatis. + +Elische school, z. Phaedo. + +Ellopia, Ellopia, 1) stad en kustland in het N. van Euboea, daarom +ook = Euboea.--2) oude naam der omstreken van Dodona in Epirus. + +Elmantica = Salmantica. + +Elone, Elone, stad in het thessalische landschap Perrhaebia, later +Limone, Leimone. + +Elorus, Eloros, Heloros, zie Helorus. + +Elpenor, Elpenor, een van de tochtgenooten van Odysseus, viel in +dronkenschap van het dak van Circe's paleis en brak den nek. Odysseus +ontmoette hem later in de onderwereld. + +Elymais, Elymaïs (Elâm), landstreek in Susiane, bewoond door de +krijgshaftige Elymaeërs, die als boogschutters in het O. grooten +naam hadden. + +Elymi, Elymoi, sicilische volksstam, die rondom den berg Eryx woonde, +verbonden met de Carthagers. + +Elymia, Elymia, stad in Arcadia, ten Z. van Orchomenus. + +Elymiotis = Elimea. + +Elimus, Elymos, zoon van Priamus of Anchises, vluchtte uit Troje naar +Sicilië en werd de stamvader van de Elymi (z. a.). + +Elysii of Elisii, germaansche volksstam tot de Lugii behoorend, +in het N.O. van Germania, vermoedelijk aan den bovenloop van de Oder. + +Elysium, Elysion pedion, een veld aan het uiterste einde der aarde, +waarheen lievelingen der goden zonder te sterven verplaatst worden +om er een zalig leven te leiden. Volgens lateren is het een deel van +de onderwereld, waar de braven na hun dood verblijf houden. + +Emancipatio. Hoewel volgens het rom. recht een vader krachtens zijne +patria potestas zijne kinderen kon verkoopen, zoo had dit recht toch +zijne grenzen. Hij kon zijn zoon niet vaker verkoopen dan driemaal, +overeenkomstig de wet der 12 tafelen. Hiervan maakten de Rom. gebruik +om een zoon van de patria potestas te ontslaan. De vader verkocht zijn +zoon per aes et libram ten overstaan van een libripens en vijf getuigen +door een schijnkoop aan een pater fiduciarius (zie fiducia). Deze liet +echter den zoon weder vrij, zoodat deze weder onder de vaderlijke +macht terugkeerde. Wanneer deze handeling nu driemaal herhaald was, +was de vaderlijke macht verbroken. De pater fiduciarius gaf den zoon +ten derde male aan den pater naturalis terug, doch deze had hem nu +niet meer in potestate, doch slechts in mancipio en kon hem hiervan +vrij verklaren, manumittere, waardoor hij sui iuris werd. + +Emathia, Emathia, landschap van Macedonia ten W. van den Axius +(Vardar), de bakermat van het macedonisch koningshuis. Dichterlijk +is Emathia zoowel = Macedonia als = Thessalia. + +Emathides, Emathides, negen dochters van Pierus, koning van Emathia, +die met de Muzen een wedstrijd durfden aangaan en in eksters veranderd +werden. + +Emathion, Emathion, zoon van Tithonus en Eos, koning van Arabië, +werd door Heracles gedood. + +Embades, schoenen, meestal door mannen uit de lagere standen gedragen. + +Embaterion, 1) bij de Spartanen de muziek, die bij het marcheeren +geblazen werd, ook een anapaestisch lied, dat men op marsch zong.--2) +offer, voordat men zich inscheepte. + +Emblemata, 1) inlegwerk, (in tegenstelling met crustae z. a.) goud in +zilver, of zilver in brons, waarvan de figuren "en relief" zijn.--2) +mozaiek. + +Emerita Augusta = Augusta Emerita. + +Emesa, Emesa, stad in Syria, aan den Orontes, met een prachtigen +zonnetempel, waar Heliogabalus opperpriester was, voordat hij romeinsch +keizer werd. Alexander Severus was te Emesa geboren. In de nabijheid +werd Zenobia van Palmyra in 272 na C. door Aurelianus verslagen. + +Emmeleia, dans in het grieksche treurspel, waarschijnlijk meer +een gebarenspel, waardoor de inhoud der koorzangen aanschouwelijk +voorgesteld werd. + +Emmenidae, Emmenidai, een adellijk geslacht te Gela en Agrigentum; na +den dood van den tyran Phalaris hadden zij te Agrigentum de regeering +in handen. De beroemdste van hen was Theron, wiens zoon Thrasydaeus +om zijne wreedheid verdreven werd (470). Hun stamvader was, naar zij +beweerden, Polynices. + +Emmenoi dikai, te Athene processen, waarin binnen dertig dagen na de +aanklacht uitspraak gedaan moest worden. + +Emodi montes, Emodon oros. De Emodi montes en de Imaus, Imaos, der +ouden grensden aan elkander, zonder dat men echter een juist begrip +van de ligging had. Vermoedelijk vormen de Emodi montes het westelijk, +de Imaus het oostelijk gedeelte van het Himalaya-gebergte. + +Emona, stad in Pannonië aan den Nauportus (zijtak van den Savus), +tgw. Laibach. Bij latere schrijvers wordt de stad gerekend tot Italië +te behooren. + +Empedocles, Empedokles, van Agrigentum (492-432), uit een aanzienlijk +en rijk geslacht, wierp als een van de leiders der volkspartij de +aristocratische regeering in zijne vaderstad omver (444), weigerde +de hem aangeboden koninklijke waardigheid en voerde eene zuivere +democratie in. Als staatsman, natuur- en geneeskundige, wijsgeer en +redenaar uitmuntend, werd hij als een gunsteling der goden beschouwd +en na zijn dood als heros vereerd. Op het einde van zijn leven ging +hij naar de Peloponnesus, en het schijnt dat hij buiten zijn vaderland +gestorven is; ook verhaalde men dat hij, om door zijne plotselinge +verdwijning indruk te maken, in den Aetna sprong, en dat dit later +verraden werd, doordat de berg een van zijne sandalen uitbraakte.--In +zijne leerdichten, peri physeos en katharmoi, waarvan nog verscheiden +fragmenten bestaan, verkondigt hij de eeuwigheid en onvergankelijkheid +der stof; hij neemt vier stoffelijke elementen (rhizomata) aan: vuur, +lucht, aarde en water, waarop twee ideale elementen, liefde en haat, +inwerken; onder de heerschappij der liefde is alle stof vereenigd tot +ééne massa of chaos (sphairos), heeft de haat alle macht, dan bestaan +alle stofdeeltjes afzonderlijk, tusschen deze beide uitersten ligt het +leven van individuën. Ontstaan en vergaan zijn dus ijdele woorden, +er is slechts vereeniging (mixis) en scheiding (diallaxis). De ziel +is een mengsel van alle elementen en is daardoor in staat alle te +kennen. Ook de leer van de zielsverhuizing schijnt Empedocles van +Pythagoras of de Orphici te hebben overgenomen. + +Emporia, ta Emporia, landstreek in Africa aan de kleine Syrte, zeer +vruchtbaar en reeds vroeg met phoenicische koloniën bezet. + +Emporium, Emporiae, Emporion, Emporiai, kolonie van Massilia in het +gebied der Indigetes, aan den O. uithoek der Pyrenaeën, tegenwoordig +Ampurias. + +Emptio venditio (zonder et), koop en verkoop. Emptio bonorum, zie +bonorum emptio. Emptor familiae, de schijnkooper, zie fiducia. + +Empulum, stadje in Latium, bij Tibur. + +Empyromanteia, de kunst van waarzeggen uit het branden van het +offervuur, het eerst, naar het heette, onderwezen door Amphiaraus. + +Empusa, Empousa, een spook of menschenetend monster met ezelspooten, +waarmede men kinderen bang maakte. + +EN = Dies endotercisus, z. Festi (dies). + +Enagonios, bijnaam van verscheiden goden als beschermers van +wedstrijden, vooral van Hermes. + +Enarete, Enarete, dochter van Deïmachus, gemalin van Aeolus no. 1. + +Encaustica, n.l. ars, enkaustike (techne), de kunst om met kleuren +te schilderen, welke met was waren aangemengd en vervolgens op het +beschilderde voorwerp voorzichtig werden ingebrand. Op die wijze +werden marmeren beeldwerken en ook architectuurstukken beschilderd. Men +kreeg op deze wijze levendige, schitterende kleuren, doch men schijnt +nog niet achter de bizonderheden der bewerking te zijn. Ook het +inbranden van figuren in ivoor met eene heet gemaakte graveerstift +wordt encaustiek genoemd. Voorbeelden van encaustiek op hout zijn de +portretten, die men in late aegyptische graven gevonden heeft. + +Enceladus, Enkelados, een der Giganten, die met de goden streden; +hij werd overwonnen en ligt sedert onder den Aetna. + +Encheleis, Encheleis, een volksstam in zuidelijk Illyrië. + +Endeis, Endeis, dochter van Chiron, gemalin van Aeacus, moeder van +Peleus en Telamon. + +Endeixis, in het attisch recht een vorm van aanklacht, ten gevolge +waarvan de aangeklaagde terstond in hechtenis genomen werd, tenzij +hij borgen stelde. Dit geschiedde bijv. wanneer een onbevoegde zich +burgerlijke rechten aangematigd had en in sommige gevallen bij moord. + +Endotercisi (intercisi) dies, zie Festi (dies). + +Endromis, endromis. Bij de Rom. beteekent dit woord een grof wollen +deken, die men na lichaamsoefeningen omsloeg, ten einde geen koude +te vatten. De endromis Tyria was van fijnere stof. Bij de Grieken +echter is endromis eene sterke, van voren dichtgeregen jachtlaars, +waarmede Artemis dikwijls werd afgebeeld, en die kuit en voet omsloot, +maar de teenen bloot liet. + +Endymion, Endymion, zoon van Zeus of Aëthlius en Calyce, koning +van Elis, had bij Selene vijftig dochters; zijn graf was te +Olympia.--V. a. was hij een Cariër of van Elis naar Carië gegaan +en leefde hij daar op den berg Latmus. Selene beminde hem en steeg +elken nacht van haar wagen af om hem in zijn slaap te beschouwen en +te kussen, waarom hij tot Zeus bad dat hij eeuwig slapen en eeuwig +jong blijven mocht, wat hem werd toegestaan.--Andere verhalen noemen +Artemis in plaats van Selene en maken van End. een jager of herder. + +Enechyrasia of enechyrasmos, het beslag leggen op goederen van iemand, +die na veroordeeling verzuimde op den bepaalden termijn te betalen. + +Engyum of Engyïum, Engyon, Engyion, stad in het binnenland van +Sicilia, ten Z. van Apollonia, met een tempel der Magna Mater of, +volgens andere schrijvers, van de theai meteres. + +Enipeus, Enipeus, rivier in Thessalia, zijtak van den Apidanus. De +riviergod werd bemind door Tyro, dochter van Salmoneus; Poseidon nu nam +de gedaante aan van Enipeus en verwekte bij Tyro twee zoons, Pelias +en Neleus. De mythe wordt ook verplaatst naar den Enipeus in Elis, +een zijtak van den Alpheus. Een derde rivier van denzelfden naam in +Macedonië ontspringt op den Olympus en stroomt bij Dium (no. 3) in zee. + +Enispe, Enispe, oude stad in Arcadia, vroeg verdwenen. + +Enna of Henna, Enna, oude stad der Siculi in het binnenland van +Sicilia, ho omphalos Sikelias geheeten, afhankelijk van Syracusae, +op een steile hoogte in eene zeer vruchtbare landouw gelegen, waar +veel tarwe verbouwd werd. Daarom was de stad met haren omtrek aan +Demeter geheiligd. In den sicilischen slavenopstand onder Eunus, die +in 132 onderdrukt werd, was Enna het brandpunt. Hier laat de mythe +Proserpina door Pluto schaken. Tegenwoordig is de streek dor en woest. + +Ennaëteris, Ennaeteris, astronomische cyclus van acht jaar, met 96 +maanden en 3 schrikkelmaanden = 2922 dagen, ingevoerd door Cleostratus +van Tenedus.--Ook feesten, die om de acht jaar gevierd worden, +heeten enneaterides. + +Enneakrounos, zie Callirrhoë no. 5. + +Ennea hodoi, naam der streek, waar later Amphipolis werd gesticht. + +Ennius (Q.), rom. dichter, in 239 te Rudiae in Calabria geboren, +Griek door opvoeding en reeds vroeg met de grieksche letterkunde +bekend. M. Porcius Cato Maior vond hem in 204 als rom. soldaat op +Sardinia, merkte zijn talent op en nam hem naar Rome mede. Dáár +verwierf Ennius zich de vriendschap van verschillende aanzienlijke +Rom., o.a. van de Scipiones en de Fulvii Nobiliores, door wier +toedoen hij in 184 onder de rom. burgers werd opgenomen. Hij stierf +in 169. De Rom. zagen in Ennius den schepper hunner nationale +poëzie. Zijn voornaamste werk zijn zijne Annales, in 18 boeken, eene +doorloopende rom. geschiedenis in verzen, en wel niet in de oude, +harde saturnische, maar in epische versmaat. Hij was de eerste, die +den dactylischen hexameter op het Latijn toepaste. Vooral Vergilius +heeft voor zijne Aeneis aan Ennius zeer veel ontleend. Ook schreef +E. naar grieksche voorbeelden een aantal treurspelen, benevens andere +gedichten van gemengden inhoud, vooral Saturae (4 boeken), en in proza +een vertaling van de hiera anagraphe (sacra historia) van Euhemerus +(z. a.). Ten onrechte hebben sommige schrijvers verteld, dat hij in +het familiegraf der Scipio's begraven is. + +Ennomus, Ennomos, 1) Mysiër, bondgenoot der Trojanen, beroemd als +vogelwichelaar.--2) Trojaan, door Odysseus gedood. + +Ennosigaios, aardschudder, bijnaam van Poseidon. + +Enodios, Enodia, op de wegen vertoevend, bijnaam van Hermes, Artemis, +Hecate en Persephone. + +Enomotia, afdeeling van het spartaansche leger, het zestiende deel +van eene mora, bestaande uit 25, 32 of 36 man. + +Enope, Enope, oude stad in Messenia, later Gerenia genoemd. + +Enosichthon = Ennosigaios. + +Entasis is de zwelling of verdikking, die men in het midden van de +dorische zuil opmerkt, en die het denkbeeld moet wekken, dat de zuil +iets zwaars te dragen heeft, zie columna. + +Entella, Entella, stad aan den Crimisus in het W. van Sicilia, in +het gebied der Elymi. + +Entimus, Entimos, Cretenser, die eene kolonie naar Gela op Sicilië +bracht. + +Entoria, dochter van een rom. landman, werd bij Saturnus, die bij +haar vader zijn intrek genomen had, moeder van vier zonen. Saturnus +leerde haar vader wijn bereiden, en toen deze zijn buren van den +nieuwen drank gegeven had, en zij daardoor bedwelmd werden, meende +men dat hij hen vergiftigd had en steenigde men hem. Daarom hingen +zijne kleinzonen zich op. Een latere hongersnood werd als een straf +van den god beschouwd, en om hem en zijne zonen te verzoenen, bouwde +Lutatius Catulus aan de tarpeïsche rots een tempel voor Saturnus met +een altaar met vier aangezichten. Dit verhaal is een late nabootsing +van de sage van Erigone, zie Icarius. + +Enyalius, Enyalios, bijnaam van Ares, v. a. een krijgsgod, zoon van +Ares en Enyo. + +Enyo, Enyo, 1) eene oorlogsgodin, die Ares in den oorlog vergezelde; te +Athene stond haar beeld in den tempel van dien god. De Rom. hielden +haar voor dezelfde als Bellona.--2) een van de Graeae.--3) +cappadocische godin, = Rhea Cybele of Artemis. + +Eora, z. Erigone. + +Eordaea, Eordaia, stad en landschap in het hart van Macedonia, ten +W. van den mons Bermius, bewoond door de Eordi, Eordoi. + +Eos, Eos, dochter van Hyperion en Thea, de rozenvingerige +(rhododaktylos), in saffraankleurige kleederen gehulde (krokopeplos) +godin van het morgenrood, stijgt des morgens vroeg uit den Oceaan +op en brengt aan goden en menschen het daglicht, terwijl zij voor +haar broeder Helius uit rijdt; later wordt zij godin van den dag +genoemd. Zij was gehuwd met Astraeus, bij wien zij moeder werd van de +winden en sterren; nadat hij in den Tartarus geworpen was, schaakte zij +achtereenvolgens Orion, Tithonus, Clitus en Cephalus. Een eeredienst +had zij niet. Bij de Rom. is zij dezelfde als Aurora, die echter eene +dochter van den zonnegod genoemd wordt. + +Epacria, Epakria = Diacria. + +Epangelia dokimasias, de verklaring, in de atheensche volksvergadering, +soms onder eede, afgelegd, dat men van plan was dengene, die zich +gereed maakte tot het volk te gaan spreken, wegens eene crimineele +handeling aan te klagen; zulk eene verklaring schokte natuurlijk +het vertrouwen van het volk in den spreker, maar moest ook door de +aangekondigde aanklacht gevolgd worden. + +Epaminondas, Epameinondas, Thebaan, zoon van Polymnis, uit een arm +maar edel geslacht, geb. omstreeks 418. Met den grootsten ijver +legde hij zich toe op alles, wat tot de ontwikkeling van lichaam en +geest konde dienen; vooral schepte hij behagen in het onderwijs van +den pythagoreïschen wijsgeer Lysis, die, uit Tarente gevlucht, in het +huis van Ep. eene schuilplaats vond. Bescheiden en zelfverloochenend, +in het staatkundige vervuld van een ideaal, dat hoog boven het streven +der twistende partijen in zijne vaderstad stond, vervulde hij lang +eene betrekkelijk onbeduidende rol; afkeerig van burgertwisten, nam +hij ook geen deel aan de samenzwering van zijn vriend Pelopidas, +die in 379 een einde maakte aan de spartaansche overheersching en +de oligarchische regeering; toen echter de vrijheid heroverd was, +trad Ep. op den voorgrond. Hij bewerkte, dat de omwenteling bij +de burgerij krachtigen steun vond, dat de gevallen partij niet +te veel van de wraak der overwinnaars te lijden had, en dat de +meeste boeotische steden zich bij Thebe aansloten. Als gezant +bij de vredesonderhandelingen te Sparta (371) weigerde hij toe te +stemmen in de oplossing van den boeotischen bond; toen de oorlog +hervat werd, behaalde hij als boeotarch de schitterende overwinning +bij Leuctra (371), die men grootendeels te danken had aan de door +Ep. uitgevonden scheeve slagorde (loxe phalanx), waarin de linker +vleugel veel diepere opstelling had dan de rechter en het centrum +en, tegen de in gr. legers heerschende gewoonte, met den eigenlijken +aanval belast was (z. Taxis). Een gevolg van deze overwinning was, +dat de meeste peloponnesische staten van Sparta afvielen, en in het +volgende jaar trok Ep. zelf met een groot leger naar de Peloponnesus, +ten einde eenheid tusschen die staten tot stand te brengen; hij dringt +tot Sparta zelf voorwaarts en bewerkt het herstel van Messenië en de +stichting van Megalopolis door de Arcadiërs. In 368 werd Pelopidas +verraderlijk door Alexander van Pherae gevangen genomen en de Thebanen +zonden een leger om hem te bevrijden; toen dit leger door onbekwaamheid +van den aanvoerder in gevaar geraakt was, verlangde het dat Ep., +die als gewoon soldaat aan den tocht deelnam, het opperbevel zou in +handen nemen; hij leidde den terugtocht en bij een tweede expeditie +dwong hij Alexander zich aan de eischen van Thebe te onderwerpen. Ook +wendde Ep. pogingen aan om zijne vaderstad tot eene zeemogendheid +te verheffen, die echter zonder gevolg bleven. Besluiteloosheid +bij de peloponnesische bondgenooten en de moeielijkheid hen op den +duur tot eendrachtige samenwerking te bewegen, noodzaakten Ep. nog +herhaaldelijk tot tochten naar de Peloponnesus, het laatst in 362, +toen hij weder zeer nabij Sparta kwam; daar hij echter zag, dat men +daar op zijne komst voorbereid was, trok hij terug tot Mantinea, +waar het tot een slag kwam. Ep. behaalde weder de overwinning en +joeg het geheele vijandelijke leger op de vlucht, maar werd doodelijk +gewond. Met hem eindigde de kortstondige grootheid van Thebe. + +Epaphroditus, Epaphroditos, 1) geleerd grammaticus, zeer bevriend +met Flavius Josephus, kwam onder Nero naar Rome en leefde er tot +de regeering van Nerva; hij schreef commentaren op oude grieksche +dichters.--2) geheimschrijver van Nero, wien hij bij zijn zelfmoord +behulpzaam was, daarom werd hij (in 95) door Domitianus ter dood +veroordeeld. + +Epaphus, Epaphos, zoon van Zeus en Io, werd koning van Aegypte en +stichter van Memphis. + +Eparitoi, heette het gemeenschappelijk leger der Arcadiërs, toen de +arcadische steden na den slag bij Leuctra tot een bond vereenigd waren. + +Epei, Epeioi, oude volksstam uit Thessalia, die lang vóór den +trojaanschen oorlog naar Aetolia was getrokken en zich later in het +N. van Elis had gevestigd. Zie Elis. + +Eperatus, Eperatos, van Pharae, opvolger van Aratus als strateeg van +het achaeisch verbond. + +Epetium, stad in Dalmatia, ten Z. van Salona. + +Epeus, Epeios, 1) zoon van Endymion, was overwinnaar in den wedloop, +dien hij op bevel van zijn vader te Olympia met zijne broeders hield, +en kreeg daardoor de regeering over Elis.--2) zoon van Panopeus, +van een van de Cycladen, een van de strijders tegen Troje, beteekende +weinig als krijgsman, maar was beroemd als vuistvechter en als maker +van het houten paard van Troje. In latere verhalen wordt hij als +verachtelijk laf voorgesteld; v. s. zou hij naar Italië gekomen zijn +en Pisa en Metapontum gesticht hebben. + +Ephebos, jong mensch die den huwbaren leeftijd bereikt heeft, tusschen +knaap en man. Te Athene werden de knapen op hun 18de jaar epheboi, +na twee jaar (epi dietes hebesantes) dienstplicht als grenswacht +(peripoloi), werden zij op hun 20ste jaar meerderjarig, kregen zij +toegang tot de volksvergadering en traden zij in den geregelden +krijgsdienst. Het kenteeken der epheboi is kort geschoren haar, +terwijl kinderen en mannen het haar lang dragen. + +Ephedros, degene die, bij een wedstrijd waarvoor zich een oneven aantal +mededingers hebben aangegeven, bij de loting geen tegenpartij gekregen +heeft, en dus afwacht totdat hij, door het afvallen der overwonnenen, +gelegenheid krijgt aan den strijd deel te nemen. + +Ephesia, Ephesia, feest ter eere van Artemis te Ephesus in de maand +Artemision gevierd. Hieraan namen alle Ioniërs van Klein-Azië deel. Er +werden agones hippikoi, gymnikoi en moosikoi gehouden. In later tijd +was hieraan een nachtelijk feest verbonden, dat berucht was wegens +zijne onzedelijkheid en niet toegankelijk was voor getrouwde vrouwen. + +Ephesiae literae, Ephesia grammata, onverstaanbare woorden, ingegrift +op het beeld der ephesische Artemis; deze woorden werden op metalen +plaatjes of steenen gegraveerd, die dan als amuletten groote waarde +hadden. + +Ephesis, hooger beroep, van een vonnis der heliastenrechtbank was +alleen in geval van veroordeeling bij verstek geoorloofd; van een +scheidsrechterlijk vonnis (zie diaitetes) kon men bij de Helaea +apelleeren tegen storting van zekere som als parabolon. + +Ephestris, omslagdoek of mantel, bij koud weder door mannen en +vrouwen gedragen. + +Ephesus, Ephesos, na de tuchtiging van Miletus de voornaamste der +12 ionische bondssteden op de aziatische kust, aan den mond van +den Cayster. Volgens de mythe was de stad oorspronkelijk gesticht +door Amazonen. Het was in elk geval een vóór-Grieksche stad (met +de opgravingen zijn vele myceensche vondsten voor den dag gekomen), +door de Cariërs gesticht. In ongeveer 1100 hebben de Ioniërs onder +Androclus er bezit van genomen. De stad was beroemd door haren +Artemis-tempel, die voor een van de zeven wonderen doorging. Omtrent +den dienst van deze Artemis zie men Artemis aan het einde. In 356, +juist in den nacht van Alexanders geboorte, stak Herostratus, om +zijn naam te vereeuwigen, den tempel in brand; doch deze herrees +nog prachtiger dan te voren. Lysimachus vergrootte de stad in 268 en +legde een nieuwe haven aan, daar de oude dicht geslibd was door de +aanslibbingen van den Cayster; maar haar toppunt van bloei bereikte +zij onder de rom. keizers als hoofdstad der provincie. Ephesus dreef +voortdurend een levendigen handel en was de voornaamste stapelplaats +van Klein-Azië. De wijsgeer Heraclitus (± 510) was hier geboren. + +Ephetai, een rechterlijk collegie te Athene, v. s. door Draco +ingesteld, v. a. veel ouder. De 51 epheten moeten meer dan 50 jaar oud +zijn; zij waren in 3 gerechtshoven verdeeld, en spraken recht over +moord in alle gevallen, die niet volgens de wet voor den Areopagus +moesten gebracht worden. + +Ephialtes, Ephialtes, 1) een van de Aloaden, z. Aloadae. V. a. een +van de Giganten, door Heracles en Apollo van zijne oogen beroofd.--2) +een daemon, die als nachtmerrie de menschen kwelt.--3) een Thessaliër, +die bij de Thermopylae aan Xerxes een bergpas verried, waardoor hij +Leonidas in den rug konde vallen. Door de Amphictyonen vogelvrij +verklaard, werd hij later gedood.--4) Athener, vooral bekend door +zijne maatregelen tot inkrimping van de macht van den Areopagus. Bij de +voorbereiding van die maatregelen werd hij door Pericles ondersteund; +korten tijd nadat zijne voorstellen waren aangenomen (462), werd +hij vermoord. Zijne braafheid en belangeloosheid worden dikwijls +hoog geroemd.--5) atheensch demagoog, bestrijder der macedonische +partij. Toen Alex. na de verwoesting van Thebe zijne uitlevering +eischte (335), vluchtte hij naar Azië, en bij het beleg van +Halicarnassus sneuvelde hij. + +Ephori, ephoroi, 1) vijf spartaansche overheden, wier bevoegdheden, +oorspronkelijk waarschijnlijk tot een of ander onderdeel van het +staatsbestuur beperkt, zich in den loop der tijden zoo uitbreidden, +dat zij de overige magistraten, ook de koningen, ter verantwoording +konden roepen en hun zelfs geldboeten konden opleggen; zijzelf +waren eerst bij het neerleggen van hun ambt aan hunne opvolgers +rekening en verantwoording schuldig. Zoo kregen zij van zelf ook +eene groote politieke macht, die eindelijk zoo ver ging, dat zij +het toezicht hadden op het naleven der wetten, op zeden en tucht, +dat zij volksvergaderingen bijeenriepen en er voorstellen deden, +dat zij beslisten over het al of niet toelaten van vreemde gezanten, +enz.--De ephoren bekleedden hun ambt een jaar; zij werden oudtijds +door de koningen benoemd, later door het volk verkozen. Het ephoraat +is v. s. reeds door Lycurgus, v. a. eerst door Theopompus ingesteld; +misschien heeft laatstgenoemde den ephoren bij de wet de groote macht +toegekend, die zij later bezaten, en waardoor zij als de aangewezen +vertegenwoordigers der volksvergadering een tegenwicht vormden tegen +koningen en gerusia, zooals bij de wetgeving van Lycurgus bezwaarlijk +bedoeld kan zijn. Daarom verzetten zij zich tegen den door Agis III +bedoelden terugkeer tot de instellingen van Lycurgus; daarom begon ook +Cleomenes III zijne hervormingen met de afschaffing van het ephoraat, +dat na zijne nederlaag bij Sellasia echter hersteld werd.--2) een +geheim comité van vijf personen, door de oligarchische clubs te +Athene na den slag bij Aegospotami aangewezen om voor hunne belangen +te waken en de verdediging der stad tegen Lysander te belemmeren. + +Ephorus, Ephoros van Cumae in Aeolis, leerling van Isocrates, de eerste +schrijver eener algemeene geschiedenis. Deze liep van de terugkomst +der Heracliden tot het jaar 356; zij werd door zijn zoon Demophilus +voortgezet tot 340, en uitgegeven in 30 boeken, waarvan slechts weinige +fragmenten bewaard gebleven zijn. Wegens de wijze, waarop hij zijn +stof behandelt, wordt hij soms de voorlooper van Polybius genoemd. Zijn +werk werd door de ouden zeer verschillend beoordeeld en door Diodorus +Siculus veel gebruikt; Diyllus e. a. schreven vervolgen erop. + +Ephyra, Ephyra, oude naam van het latere Corinthus (z. a.), van eene +stad in Thessalia (later Crannon), in Epirus (later Cichyrus geheeten, +dicht bij de kust, hoofdstad van de thesprotische vorsten), in Aetolia, +in Elis (later Oenoë). + +Epibomius, Epibomios, titel van een der priesters bij de eleusinische +mysteriën. + +Epialtes, z. Ephialtes no. 2. + +Epicaste, Epikaste, 1) = Iocaste.--2) dochter van Calydon, echtgenoote +van Augias.--3) dochter van Augias, moeder van Thessalus. + +Epicharis, Epicharis, vrijgelaten slavin, die in de samenzwering van +Piso tegen keizer Nero betrokken was, doch zelfs door de pijnbank niet +tot bekentenis kon gedwongen worden, en toen zij ten tweede male zou +gepijnigd worden, zich met haar gordel wurgde. + +Epicharmus, Epicharmos, van Cos, geb. 540, kwam reeds jong naar +Sicilië, leefde te Megara en, toen deze stad verwoest was, te Syracuse +aan het hof van Hiero, waar hij in 460 stierf. In zijn jeugd hield +hij zich veel bezig met wijsbegeerte, later wijdde hij zich echter +uitsluitend aan de poëzie en werd hij de eigenlijke schepper der +dorisch-sicilische comedie. Hij schreef 35 stukken, waarvan slechts +enkele fragmenten nog bestaan. Zijn fort is de mythologische travestie, +zooals blijkt uit de namen zijner stukken, zooals Bouseiris, Hebas +gamos, Komastai e Haphaistos. Andere stukken zijn meer verwant met +de Mimoi (z. Mimus). Hij heeft veel invloed gehad op de oud-attische +comedie, en vooral op de middel- en nieuwe comedie. Waarschijnlijk +ook op de Atellanae. + +Epicheirotonia, 1) ep. ton nomon, de jaarlijksche herziening +der wetten, die te Athene in de eerste volksvergadering van het +jaar plaats had. Iedereen kon voorstellen, eene oude wet door eene +nieuwe te vervangen; alsdan werden uit de heliasten een zeker aantal +nomothetai gekozen, voor wie een formeel proces tusschen de oude en +de nieuwe wet gevoerd werd, waarbij door het volk aangewezen personen +als verdedigers (synegoroi, syndikoi) der oude wet optraden.--2) +ep. ton archon, bevestiging der overheden in de eerste vergadering +van iedere prytanie. Wanneer iemand bij die gelegenheid bezwaren +tegen een magistraat inbracht, werd deze geschorst, totdat de zaak +door de rechtbank der heliasten onderzocht was. + +Epicnemidii (Locri), dat gedeelte der Locriërs, dat op en aan den +berg Cnemis woonde. + +Epicrates, Epikrates, hielp Thrasybulus bij het verdrijven van de 30; +later werd hij ter dood veroordeeld wegens verraderlijke handelingen, +door hem als gezant gepleegd. + +Epictetus, Epiktetos, 1) beroemd Attisch vazenschilder uit het laatste +deel van de zesde eeuw; hij werkte in de fabrieken van Nicosthenes en +anderen. Sommige van zijn vazen zijn nog in zwart-figurigen stijl, +anderen in rood-figurigen stijl.--2) geb. te Hierapolis in Phrygië, +leefde lang te Rome als slaaf van Epaphroditus no. 2; toen deze +hem vrijgelaten had, woonde hij de lessen van Musonius Rufus bij +en trachtte hij, hoewel met weinig gevolg, zijne opvatting van de +stoicijnsche leer te Rome ingang te doen vinden. Nadat Domitianus +alle philosophen uit Rome verbannen had (89 n. C.), ging hij naar +Nicopolis in Epirus, waar hij tot den tijd van Hadrianus leefde. Ver +verwijderd van de aanmatiging der toenmalige stoïcijnen, onthoudt +hij zich meestal van bespiegelingen en legt hij zich alleen toe op +de zedenleer. Evenals Socrates gaf hij zijn onderricht in voor ieder +toegankelijke gesprekken op openbare plaatsen en vereenigde hij een +aantal leerlingen rondom zich, waartoe ook Arrianus behoorde, die na +den dood van den meester zijne leer in een uitvoeriger (diatribai) +en in een meer beknopt (encheiridion) werk te boek stelde. Ep. zelf +heeft niets geschreven. + +Epicurus, Epikouros, Athener, geb. 342 of 341, werd zeer jong door zijn +vader medegenomen naar Samus, waar deze als klerouchos eigendommen +had. Reeds zeer vroeg beoefende hij de wijsbegeerte en maakte hij +met verschillende stelsels kennis; 32 jaar oud trad hij eerst te +Mytilene, kort daarna te Lampsacus, met een eigen stelsel op, in +306 kwam hij naar Athene, waar hij reeds in 323 voor korten tijd +geweest was en waar hij tot zijn dood (270) talrijke leerlingen +rondom zich verzamelde.--Ep. vereenigt in zijne philosophie de +natuurkundige theorieën van Democritus met de leer van Aristippus +tot één geheel. Alles bestaat uit atomen, die door hunne neiging tot +vereeniging lichamen vormen; de ziel bestaat uit zeer fijne atomen, +die door het geheele lichaam verspreid zijn, en sterft met het lichaam; +de eenige bron van kennis is waarneming; het hoogste goed is genot, +dat echter niet alleen in beweging (chara, euphrosyne), maar ook +in rust (ataraxia, aponia) bestaat; geestelijk genot staat hooger +dan lichamelijk; de wijze onthoudt zich echter van die genietingen, +waardoor hij later grootere zou moeten derven of die later smart +ten gevolge hebben; de goden zijn gelukzalige wezens, die in de +ruimte tusschen de verschillende werelden wonen, zonder zich om de +menschelijke zaken te bekommeren.--Ep. wordt door de ouden geroemd +als een braaf, eenvoudig en matig levend man; zijne leerlingen, met +wie hij vertrouwelijk en gezellig omging, bleven hem met liefde en +eerbied gedenken, en slechts een enkele trachtte zijn stelsel verder +te ontwikkelen. Van zijne zeer talrijke geschriften--men spreekt van +bijna 300--is slechts zeer weinig bewaard gebleven. + +Epicydes, Epikydes, 1) atheensch demagoog, tijdgenoot van +Themistocles.--2) Syracusaan, te Carthago geboren, nam langen tijd +te Syracuse aan het hof van Hieronymus en ook na diens dood de +carthaagsche belangen waar. Hij leidde voor een deel de verdediging +van Syracuse tegen de Romeinen, ging na de verovering van die stad +(212) naar Agrigentum, en toen ook dit gevallen was, keerde hij naar +Africa terug. + +Epidamnus = Dyrr(h)achium. + +Epidaurus, Epidauros, oud-ionische stad in Argolis, aan de Saronische +golf, met een beroemden tempel van den god Asclepius, die hier geboren +was. Het heiligdom is door het Grieksche archaeologische genootschap +opgegraven. Ook eene aanzienlijke stad in Dalmatia, aan de kust, +ook Epidaurum geheeten. + +Epidaurus Limera, Epidauros he Limera, stad op de Oostkust van +Laconica, met een goede haven. + +Epidemia, Epidemia, familiefeest, gevierd wanneer iemand behouden +van eene reis teruggekeerd was. + +Epidius Marullus (L.), z. Caesetius Flavus. + +Epidosis, te Athene vrijwillige gift aan de staatskas, vooral dat, +wat men bij de eisphora meer betaalt dan men verplicht is; ook het +onverplicht op zich nemen van liturgieën e. dgl. + +Epigamia = Conubium. + +Epigenes, Epigenes, 1) van Sicyon, een van de oudste grieksche +treurspeldichters, v. s. de eerste die onderwerpen behandelde, welke +niet in betrekking stonden met de mythen van Dionysus. Hij behoort +geheel tot de sage.--2) blijspeldichter in het begin der vierde +eeuw.--3) twee leerlingen van Socrates, de een zoon van Criton, de +andere van Antiphon.--4) van Rhodus, schrijver van een werk over den +landbouw.--5) ten onrechte bijg. Gnomonikos, van Byzantium, wiens +astronomische werken door Plinius en Seneca aangehaald worden.--6) +vazenfabrikant uit den tijd van Pericles. + +Epigoni, Epigonoi, 1) z. Adrastus.--2) titel van een cyclisch gedicht, +door sommigen aan Homerus toegeschreven. + +Epigraphes, Epignomones = Diagraphes. + +Epikleros, heette te Athene eene vrouw, die het vermogen van haar +vader erft, wat alleen kon geschieden wanneer deze geene mannelijke +afstammelingen naliet. Zij was verplicht den naasten mannelijken +bloedverwant te huwen, ook wanneer zij reeds met een ander gehuwd +was. Daarentegen konden arme erfdochters (thettai) eischen, dat de +naaste mannelijke bloedverwant haar huwen of haar een behoorlijken +bruidschat geven zoude. + +Epilachon, door het lot aangewezen plaatsvervanger van een bij het +lot aangewezen overheidspersoon of raadslid, om bij diens dood of +afzetting terstond zijne plaats in te nemen. + +Epilenaia, z. Lenaea. + +Epimenides, Epimenides, van Creta, waarzegger, priester en dichter, +over wiens leven allerlei verhalen vol wonderen in omloop waren. Zoo +verhaalde men dat hij in zijne jeugd in een grot in slaap gevallen +was, en daar 56 jaar geslapen had, dat hij een leeftijd van 150 of 300 +jaar bereikt had, e. dgl. In 596 werd hij naar Athene geroepen om de +stad te reinigen van de heiligschennis der Alcmaeonidae (z.a.). Hij +wordt soms tot de zeven wijzen gerekend, en verscheiden werken van +hem worden genoemd, zooals orakels, reinigingsliederen, enz. + +Epimetheus, Epimetheus, zoon van Iapetus en Clymene, broeder van +Prometheus (z.a.), bij Pandora vader van Pyrrha. + +Epimethis, Pyrrha, dochter van Epimetheus. + +Epiphanea, Epiphaneia, 1) stad in O. Cilicia, nabij de bergpassen +van den Amanus, vroeger Oeniandus geheeten. Pompeius verplaatste een +gedeelte der zeeroovers hierheen.--2) stad in Syria aan den Orontes, +vroeger Hamath geheeten, door Antiochus Epiphanes vergroot en naar +hem genoemd. + +Epipolae, Epipolai, het N.W. en hoogst gelegen gedeelte der stad +Syracusae. + +Epirus, Epeiros, land tusschen den Pindus en de Adriatische zee, +en tusschen Hellas en Illyria. Het land werd door illyrische stammen +bewoond, waarvan de Chaones, de Thesproti en de Molossi de voornaamste +waren. Deze Illyriërs hadden de oudere grieksche stammen, waartoe de +Graïci en de Helli of Selli (in Hellopia) behoorden, verjaagd. De +vorsten der Molossers breidden allengs sedert de 4de eeuw hunne +heerschappij over het geheele land uit. Onder hunne koningen, die +van Achilles beweerden af te stammen, is Pyrrhus (295-272), die +tegen de Romeinen oorlog voerde, de merkwaardigste. Later (234/3) +werd Epirus republikeinsch; het vormde toen een bondsstaat, waarvan +Phoenice de hoofdstad was, kwam vervolgens onder Macedonia en ten +slotte met dit rijk onder Rome (167). Van de vreeselijke verwoesting +door Aemilius Paulus heeft het land zich nooit kunnen herstellen. De +bewoners heetten Epirotae, Epeirotai. + +Epirus nova = Illyris graeca. + +Episemainesthai, z. Euthynai en Logistai. + +Epistatai, 1) z. Prytaneis.--2) ep. ton demosion ergon, te Athene +commissies belast met het toezicht op openbare werken en vooral op +het gebruik der daartoe beschikbaar gestelde gelden. + +Epistrophia, bijnaam van Aphrodite (z.a.). + +Epitadeus, Epitadeus, spartaansch ephoor in het begin der vierde eeuw, +maakte, zooals men later aannam, veranderingen in het eigendomsrecht, +waarbij schenkingen bij het leven of bij testament wettig verklaard +werden; ten gevolge daarvan verminderde sedert dien tijd het aantal +grondeigenaars aanmerkelijk. + +Epitrope, te Athene het vergelijk tusschen strijdende partijen, waarbij +zij hun geschil aan de beslissing van door hen gekozen scheidsrechters +onderwerpen. Van zulk een beslissing was geen hooger beroep. + +Epitropes dike, aanklacht tegen iemand, die als voogd over minderjarige +kinderen, hunne belangen niet behoorlijk had waargenomen of zich aan +bedriegelijke handelingen had schuldig gemaakt; zulk eene aanklacht +moest door den pupil binnen vijf jaar na afloop der voogdij bij den +archont ingediend worden. Gedurende de voogdij kon een voogd wegens +zulke handelingen door ieder burger door middel van de epitropes +graphe bij den archont aangeklaagd worden. + +Epobelia, een boete, die in sommige processen de aanklager beliep, +wanneer minder dan een vijfde van de rechters voor veroordeeling +gestemd hadden. De boete bedroeg een zesde van de som in kwestie. + +Epodus, Epodos, 1) slotzang, het gedeelte van een lyrisch gedicht, +dat na de strophe en antistrophe gezongen werd.--2) versus intercalaris +of epiphthegmaticus, refrein.--3) in het algemeen lyrische gedichten, +waarin op een langer vers een korter volgt, met uitzondering van het +elegische distichon. Daarom hebben de grammatici den naam Epodon liber +aan het bundeltje gedichten van Horatius gegeven, die door hem zelf +om hun bijtenden inhoud iambi genoemd zijn. + +Epoikoi, zij die van staatswege naar eene reeds bewoonde stad of +volkplanting gezonden worden, om zich daar te vestigen. + +Epona, gallische godin van paarden, lastdieren, stallen, voerlieden, +enz., die sedert de 1ste eeuw n. C. ook in Rome vereerd werd. + +Eponymus, eponymos, in het algemeen degene, naar wien iets genoemd +wordt, bijv. de oude heroën, van wie de attische phylen en demen hun +naam hebben, de eerste archont, die zijn naam aan het jaar geeft, enz. + +Epoptes, ingewijde van den hoogsten graad bij de mysteriën, zie +Eleusinia. + +Eporedia, thans Ivrea, stad van Gallia Cisalpina, nabij Augusta +Praetoria in het gebied der Salassers. Volgens eene uitspraak der +sibyllijnsche boeken zonden de Rom. er in 100 eene rom. kolonie +heen. Zie onder Agrariae leges: Lex Appuleia agraria van 100. Later +municipium. + +Eporedorix, naam van twee aanzienlijke Aeduërs. De een viel in Caesars +handen in een veldslag tegen Vercingetorix (52); de ander was als +aanvoerder der aeduïsche ruiterij in Caesars leger, doch liep ten +slotte ook tot Vercingetorix over. + +Epos, epe, epische of objectief-verhalende poëzie, behandelde +waarschijnlijk oorspronkelijk enkele gebeurtenissen uit de legenden +betreffende goden, heroën of edele geslachten, doch werd later +ontwikkeld tot het samenhangend verhaal van geschiedenissen uit het +heldentijdperk, zooals wij het bij Homerus vinden. Taal en metrum +van Homerus werden door alle latere epische dichters behouden, +zijne wijze van behandeling der stof werd door allen als model +beschouwd. Wat de behandelde onderwerpen betreft sloten zich de cyclici +(z. a.) het meest bij Homerus aan, lateren kozen ook soms geschiedenis, +terwijl alexandrijnsche dichters onderwerpen van verschillenden aard, +meest van geringen omvang, met meer geleerdheid dan kunst op epische +wijze behandelden. In de 5de eeuw na C. herleefde het epos nog voor +korten tijd, zonder echter iets van belang voort te brengen.--Tot de +epische poëzie rekent men ook de didactische, het leerdicht, waarvan +de werken van Hesiodus het oudste voortbrengsel zijn en waarvan de +oudste wijsgeeren zich bedienden om hunne theoriën bekend te maken, +terwijl in den alexandrijnschen tijd en later alle wetenschappen in +dezen vorm behandeld werden.--Ook in de rom. letterkunde komt het +epos reeds zeer vroeg voor; bij voorkeur behandelde men aanvankelijk +deelen der rom. geschiedenis; eerst door de studie der alexandrijnsche +poëzie kwam men ook tot beoefening van het grieksche heldenepos; +Vergilius verbindt beide richtingen door in zijne Aeneis inheemsche +sagen tot onderwerp te kiezen. Het leerdicht werd door de Rom. steeds +met voorliefde beoefend. + +Eppius (M.), aanhanger van Pompeius, door Caesar na den slag bij +Thapsus begenadigd. + +Eprius Marcellus (T. Clodius), een man van lage inborst, was onder +Claudius en Nero praetor, en daarna legatus pro praetore van Lycia en +Pamphylia, waar hij zich door zijne inhaligheid zeer gehaat maakte. Hij +was consul in 61 n. C. Vervolgens speelde hij bij Nero de rol van +verklikker. Hij wist Thrasea Paetus te doen veroordeelen (66). Ook in +de gunst van Vespasianus wist hij zich in te dringen; hij was (Juli +70-Juli 73) proconsul van Asia; toen hij echter eene samenzwering +tegen den keizer trachtte te bewerken, werd dit ontdekt en toen hij +in den senaat veroordeeld was, maakte hij zichzelven van kant (79). + +Epulones. Vóór 196 was de zorg voor de maaltijden, waarmede sommige +godsdienstige feesten behoorden gepaard te gaan, aan de pontifices +opgedragen. De lex Licinia van den volkstribuun C. Licinius Lucullus +van 196 droeg deze taak op aan een bijzonder collegie van drie mannen, +triumviri epulones, welk getal later op zeven werd gebracht en door +Caesar, doch met behoud van den naam septemviri, op tien. + +Epyaxa, Epyaxa, echtgenoote van den vorst (Syennesis) van Cilicië. + +Equirria, een Marsfeest op 27 Februari en 14 Maart, waarbij een wedren +te paard op den campus Martius plaats had. + +Equites (over de atheensche hippes z. a.). Eene lijfwacht van +ruiterij, celeres genaamd naar het gr. woord keletes, wordt reeds +onder de regeering van Romulus vermeld. Ze stonden onder een +tribunus celerum, v. s. onder 3 tribuni celerum. Onder de koningen +klom het getal equites tot 1800, in 18 centuriae verdeeld. Zes dezer +centuriën droegen den naam van sex suffragia. Vermoedelijk zijn dit +de drie dubbelcenturiën van Tarquinius Priscus: Ramnes, Tities, +Luceres priores en posteriores. De overige heeten XII centuriae +equitum. Na de verdrijving der koningen bleef het getal op 1800, +zij werden genomen uit rijke burgers der eerste klasse. Wanneer een +bepaalde census voor de equites is vastgesteld, weten we niet, maar +later bedraagt die 400.000 sestertiën van 2 1/2 as = f 40.000. Bij +de lex Roscia theatralis van 67 werd deze census hernieuwd, en +ook in den keizertijd is dit zoo gebleven. De ruiters ontvingen +van den staat geld (aes equestre z. a.) voor het aankoopen van een +paard, equus publicus, en tot onderhoud een zeker havergeld, aes +hordearium (z. a.). Wanneer de census gehouden werd, werden ook de +equites gemonsterd, recognitio. Hun paard aan den teugel leidende, +traden zij ieder op hunne beurt voor de censoren, en hoorden daar +de woorden traduc equum of vende equum. Het laatste was een teeken, +dat men van de lijsten der equites was geschrapt, hetzij wegens niet +voldoende onderhoud van zijn paard, hetzij de censors om eene andere +reden eene openbare bestraffing wilden toepassen. In 403 tijdens den +laatsten oorlog met Veii meldden zich een aantal jongelieden aan om +als vrijwillige equites op eigen kosten te dienen. Zóó had men toen +equites equo publico en equo privato. De laatsten stemden echter niet +in de riddercenturiën mede. Het geheele aantal equites bedroeg in 225: +22100. Oorspronkelijk waren de equites bestemd voor den ruiterdienst +te velde en hiervoor werden bij elk legioen 300 ruiters gevoegd, doch +deze dienst geraakte allengs in minachting, omdat het zwaartepunt der +rom. krijgsmacht in het voetvolk gelegen was. De Rom. bezigden liever +als ruiterij troepen van de bondgenooten in de provinciën, die veel +beter waren, en de equites Romani, niet langer als ruiterkorps dienst +doende, werden meer een bevoorrechte klasse van burgers, waaruit men +bij voorkeur hoofdofficieren, ordonnansen en den staf des veldheers +koos. De hoogere officiersrangen, die van tribuni militum en praefecti, +worden uitsluitend door equites bekleed, terwijl de hoogste rang, +die een pedes bereiken kan, die van primipilus is. Van ruiterbende +werden zij ridderkorps. In 123 stelde C. Gracchus als volkstribuun door +zijne lex Sempronia iudiciaria vast, dat de indices niet langer uit den +senaat zouden genomen worden, maar uit hen, die den riddercensus hadden +(zie iudex), en daar deze nu allen op ééne lijst moesten gebracht +worden, ook al behoorden zij niet tot de 1800, ontstond toen een +ridderstand, ordo equester. Kreeg een ridder toegang tot den senaat, +dan kon hij van den ridderstand niet langer deel uitmaken. Onder de +ridders vond men de eigenaars der groote handelshuizen (een senator of +senatorszoon mocht geen handel drijven, zie lex Claudia), de bankiers, +de belastingpachters of publicani. Zij vormden de geldaristocratie, die +dikwerf vijandig tegenover den senatorenstand stond. Met de senatoren +hadden de ridders den gouden ring gemeen (ius anuli); zij droegen de +tunica angusticlavia, met smallen purperstreep (zie clavus), en in +dienst of bij plechtige optochten de trabea, een mantel met purperen +strepen. Ook hadden zij bevoorrechte plaatsen in het theatrum, zie +Roscia (lex) theatralis. Omtrent het stemrecht der equites in de +com. centuriata zie men praerogativa. In den keizertijd worden vele +keizerlijke ambten, o. a. de praefectura Aegypti, en het bestuur van +vele kleine provincies en van de finantiën uitsluitend aan equites +opgedragen, met de titels praefecti en procuratores. + +Equites illustres. Augustus schiep in den ridderstand een bepaalde +klasse van ridders, de eq. equo publico of eq. illustres, ook wel +eq. dignitate senatoria geheeten, die den senatorencensus van 1.000.000 +sestertiën hadden, en waaruit de keizer de meeste zijner officieren +en hooge ambtenaren koos. + +Equites singulares, in de 2de en 3de eeuw n. C. een regiment garde +kavallerie van de romeinsche keizers, meest bestaande uit vreemdelingen +(Germanen, vooral Batavi). + +Equuleus, het folterpaard, een martelwerktuig, waarvan wij den +vorm niet kennen. De persoon, die gefolterd moest worden, werd er +op vastgebonden en dan uiteengerekt. Het werd niet voor burgers, +maar voor slaven gebezigd. Ook in de acta martyrum wordt het vaak +vermeld. Ook bij gerechtelijke verhooren werden slaven, die getuigenis +moesten afleggen, op een dergelijk folterwerktuig geplaatst. + +Equus Tuticus of Aequum Tuticum, een stadje der Hirpini in Samnium +ten O. van Beneventum. + +Er, Er, Pamphyliër, die in een slag gedood werd, tien dagen liggen +bleef en daarna op den brandstapel herleefde en verhaalde, wat hij +in de onderwereld gezien had. + +Erae, Erai, kleine sterke havenstad op de aziatisch-ionische kust, +ten Z.O. van Erythrae, in het gebied van Teos. + +Erana, Erana, hoofdvesting der Eleutherocilices op den berg Amanus. Ook +eene stad in Messenia, aan de W.-kust even ten N. van het eilandje +Prote. + +Eranos, een in het grieksche recht veel voorkomend gebruik tot het +gezamenlijk uitleenen van gelden, zonder daarvoor rente te vorderen. Om +iemand geldelijk te steunen voor het doen van zaken of voor het +loskoopen van een krijgsgevangene, of ook alleen om gelden te beleggen, +geven een zeker aantal personen, ieder voor zich een zelfde geldsom +aan den voorzitter, archeranos of eranarches, handen, die deze geheele +som den vrager van den eranos ter hand stelt, onder de conditie, dat +deze de som in termijnen afbetaalt. De er. wordt genoemd òf naar de +grootte van ieders bijdrage, b.v. er. pentakosiodrachmos, òf naar de +grootte van de heele som b.v. er. eikosimnaios, tettarakontamnaios. De +rechten van de deelnemers, en de verplichting tot terugbetaling +van den ontvanger zijn voor overdraging vatbaar, en kunnen ook in +rechte gehandhaafd worden. Andere er., vooral in lateren tijd, +dienden om voor ééns, of geregeld op gemeenschappelijke kosten +feestvergaderingen te houden, of vereenigingen in stand te houden, +zooals er in de hellenistische wereld onder allerlei vormen voorkomen. + +Erasinides, Erasinides, 1) atheensch veldheer, een van de overwinnaars +bij de Arginusen, die later ter dood veroordeeld werden.--2) +corinthisch veldheer, die den Syracusanen te hulp kwam, toen zij in +den peloponnesischen oorlog door de Atheners aangevallen waren (414). + +Erasinus, Erasinos, 1) de eenige rivier van Argolis, die in den +zomer niet droog is; hij mondt na een zeer korten loop dicht bij de +plaats, waar de Inachus in het zand verloopt.--2) beek in Attica, +bij Brauron mondend. + +Erasistratus, Erasistratos, 1) van Iulis, kleinzoon van Aristoteles, +beroemd heel- en ontleedkundige in de 3de eeuw, stichter eener +geneeskundige school. Hij woonde te Alexandria.--2) Athener, een van +de zoog. 30 tyrannen. + +Erato, Erato, muze van het minnedicht en de mimiek, wordt afgebeeld +met eene lier in de hand, soms in gezelschap van Eros. + +Eratosthenes, Eratosthenes, 1) een van de zoog. 30 tyrannen te Athene, +voorstander van de meer gematigde politiek van Theramenes, later door +Lysias aangeklaagd wegens den moord van diens broeder Polemarchus.--2) +van Cyrene, geb. 275, in Alexandrië onderwezen, leefde eenigen tijd +te Athene, en werd in 235 hoofd der alexandrijnsche bibliotheek, +welke betrekking hij bekleedde totdat hij, ruim 80 jaar oud, zich van +het leven beroofde, daar hij vreesde blind te worden (194). Behalve +zijne gedichten liet hij een groot aantal werken na over wiskunde, +wijsbegeerte, geschiedenis en chronologie, taal- en letterkunde, +alsmede zijn voornaamste werk: Geographika of Geographoumena in +drie boeken, welk werk de grondslag werd van eene wetenschappelijke +behandeling der aardrijkskunde, en door lateren zeer dikwijls gebruikt +werd. Van al deze werken is bijna niets bewaard gebleven. + +Erchomenus, Erchomenos, oude naam voor: Orchomenus, z. a. + +Ercte, Eirkte of Heirkte, bergvesting in N.W. Sicilia. Hai Heirktai, +vlek in Argolis dicht bij Nauplia. + +Erechtheis, Erechtheis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking +van Attica door Clisthenes verdeeld werd. + +Erechtheum, Erechtheion, de plaats op de atheensche acropolis, waar +de tempels van Poseidon Erechtheus en van Athena Polias stonden, met +de zoutbron en den heiligen olijfboom, die uit den strijd tusschen +Poseidon en Athena over de naamgeving der stad was ontstaan. Zie +Athenae. + +Erechtheus, Erechtheus, 1) zoon van Hephaestus en Gaea of Atthis, +opgevoed door Athena (z. Agraulus). Hij verdreef Amphictyon en werd +koning van Attica, stelde den eeredienst van Athena en de Panathenaea +in, en was rechter in den twist tusschen Athena en Poseidon over het +bezit van Attica; hij was de eerste die een vierspan gebruikte en werd +daarom als Voerman onder de sterren geplaatst. Er. was een zeer oud +attisch heros, die in het Erechtheum gemeenschappelijk met Athena +en Poseidon vereerd werd.--2) kleinzoon van den vorigen, zoon van +Pandion, koning van Athene. In den oorlog tegen de Eleusiniërs werd +hem de overwinning voorspeld, mits hij eene van zijne vier dochters +doodde; toen hij nu de jongste opofferde, beroofden zich ook hare drie +zusters van het leven, daar zij gezworen hadden met elkander te zullen +sterven. Er. versloeg in den strijd Eumolpus, die de Eleusiniërs hielp, +maar werd op verzoek van diens vader Poseidon door Zeus met den bliksem +gedood.--V. s. is deze Er. oorspronkelijk dezelfde als de vorige. + +Erembi, Eremboi, onbekende volksstam, ergens in het oostelijk gedeelte +van het gebied der middellandsche zee wonende, v. s. verwant met de +Arabieren, v. a. = Aramaei. + +Eremos dike, proces, waarin wegens het wegblijven van een der +partijen bij verstek vonnis wordt uitgesproken. De veroordeelde kon +vernietiging van zulk een vonnis vragen (antilachein ten eremon), +wanneer hij meende te kunnen bewijzen, dat er redenen geweest waren +om de behandeling der zaak uit te stellen. + +Eresus, Eresos, stad op de Z.-W. kust van het eiland Lesbus, +geboorteplaats van de dichteres Sappho en van den wijsgeer Theophrastus +(± 300). + +Eretria, Eretria, voorname havenstad op Euboea aan den Euripus, +waarschijnlijk gesticht door de Abantes, later een atheensche +kolonie, die zelve verscheidene volkplantingen naar de macedonische +kust uitzond en in de 7de eeuw een groot gebied (Andrus, Tenus, +Ceüs, Oropus) beheerschte. Omtrent haar strijd met Chalcis, zie +Chalcis. Met Athenae had het den opstand der Ioniërs in Azië tegen +Darius I ondersteund. Daarom werd het in 490 door Datis en Artaphernes +verwoest, terwijl de bewoners geboeid naar Perzië (Ardericca nabij +Susa) werden gezonden. De stad werd terstond weder bevolkt en neemt +deel aan den Perzischen oorlog.--Ook een stadje in het N. van het +thessalische landschap Phthiotis. + +Eretri(a)ci, Eretriakoi, wijsgeeren uit de school van Menedemus, wiens +leerstellingen waarschijnlijk grootendeels met die der megarische +school overeenkwamen. + +Eretum, Ereton, oude sabijnsche stad aan den Tiber. + +Ereuthalion, Ereuthalion, erfde van zijn vriend Lycurgus de knots +van Areïthoüs (z. a.). Daarop vertrouwende, daagde hij alle helden +ten strijde uit, tot hij door Nestor gedood werd. + +Ergades = Argades. + +Ergane, Ergane, bijnaam van Athena (z. a.). + +Ergastulum, slavengevangenis op de uitgestrekte landgoederen der +rom. grondeigenaars. + +Erginus, Erginos, 1) zoon van Clymenus no. 2, koning van Orchomenus in +Boeotië. Om den dood van zijn vader te wreken, deed hij den Thebanen +den oorlog aan, overwon hen en legde hun een jaarlijksche schatting +op. Twintig jaar later vond Heracles te Thebe de gezanten van Erg., +die gekomen waren om de verschuldigde schatting te halen; hij sneed +hun neus en ooren af en zond hen zoo terug. In den oorlog, die hierop +volgde, werd Erg. door Heracles gedood.--V. a. werd hij gedwongen +de reeds betaalde schatting dubbel terug te geven, waardoor zijn +land tot groote armoede verviel, en hij er eerst op hoogen leeftijd +de vroegere welvaart hersteld zag. Hij was de vader van Agamedes en +Trophonius.--2) zoon van Poseidon, helper en opvolger van Tiphys als +stuurman der Argonauten, beroemd door zijn snelheid in het loopen. + +Erianthus, -thes, Erianthos, -anthes, vertegenwoordiger van Thebe +bij de vergadering, waarin na afloop van den peloponnesischen oorlog +over de vredesvoorwaarden beraadslaagd werd; op zijn voorstel stemden +Thebanen, Corinthiërs e. a. voor de geheele vernietiging van Athene. + +E(e)riboea, 1) Eeriboia, stiefmoeder der Aloaden (z. a.).--2) Eriboia, +z. Periboea no. 5. + +Erichthonius, Erichthonios, 1) = Erechtheus.--2) zoon en opvolger van +Dardanus, vader van Tros, beroemd om zijn rijkdom, vooral om zijne +drieduizend buitengewoon schoone merries. + +Ericinium, stad in Thessalia bij Gomphi. + +Eridanus, Eridanos, 1) mythische stroom, zoon van Oceanus en +Tethys. Herodotus vermeldt hem als eene rivier, die zich in +de noordelijke zee ontlast, en aan wier oevers barnsteen wordt +gevonden. Daar nu over Hadria (Adria), dat bij de monden van den Po +ligt, het uit het Noorden komende barnsteen werd uitgevoerd, hebben +latere schrijvers den Eridanus vereenzelvigd met den Padus.--2) beek +die ten O. van Athenae aan den voet van den Lycabettus ontspringt, +en door het N. van Athenae stroomend, in den Ilisus valt. + +Erigon, Erigon, rivier in Macedonia, zijtak van den Axius. + +Erigone, Erigone, 1) dochter van Icarius (z. a.), bij Dionysus, die +door haar vader gastvrij ontvangen werd, moeder van Staphylus. Ter +herinnering aan haar dood vierde men jaarlijks het feest Aiora of +Eora, waarbij men poppen aan boomen hing en ze zoo liet heen en +weer schommelen.--2) dochter van Aegisthus en Clytaemnestra, door +Orestes te gelijk met haar moeder gedood. V. a. hing zij zich op, +toen zij de vrijspraak van Orestes vernam, of werd zij zijne slavin, +of nam Artemis haar tot priesteres. + +Erineüs, Erineos, eene der vier steden van Doris. + +Erinna, Erinna, beroemde grieksche lyrische dichteres uit de 4de eeuw, +van wier leven niets zekers bekend is. Er zijn nog een paar epigrammen +van haar over. + +Erin(n)yes, Erin(n)yes, wraakgodinnen, die bij ieder vergrijp tegen de +heilige plichten tegenover bloedverwanten, gastvrienden, smeekelingen, +enz., uit hunne woning in den Erebus naar de aarde oprijzen en den +misdadiger met haar verschrikkelijk gezang vervolgen en tot waanzin +drijven, zoodat hij nergens rust kan vinden. Zelfs de dood kan hare +vervolgingen niet doen eindigen; heeft de misdadiger zich echter +van zijne schuld gereinigd, dan worden zij welwillende godheden, +Eumenides, onder welken naam zij sedert de vrijspraak van Orestes op +sommige plaatsen vereerd werden.--Homerus spreekt soms slechts van ééne +Erinnys, gewoonlijk werden zij echter als drie zusters voorgesteld: +Alecto, Tisiphone en Megaera, dochters van Gaea, ontstaan uit het +bloed, vergoten bij de verminking van Uranus; in een treurspel van +Aeschylus vormen zij het koor en zijn zij dus in grooter aantal +aanwezig, zij worden daar voorgesteld als afgrijselijke oude vrouwen +in het zwart gekleed en met bloedrooden gordel, de beeldende kunst +maakte echter van haar gevleugelde jonkvrouwen met slangen en fakkels +in de handen. Men offerde aan de Er. zwarte schapen en plengoffers +zonder wijn.--De Rom. noemden deze godinnen Furiae of Dirae deae. + +Eriphyle, Eriphyle, z. Amphiaraus en Alcmaeon. + +Eris, Eris, godin der tweedracht, zuster van Ares en zijne gezellin +in den strijd, maar ook godin van den heilzamen wedijver.--Bij de +Romeinen heet zij Discordia en behoort zij in het gevolg van Bellona. + +Eristici, Eristikoi, wijsgeeren uit de school van Euclides no. 3 +(z. a.). + +Eros, Eros, de god der liefde, volgens sommige dichters de oudste +der goden, die de stof bezielt met eene neiging tot vereeniging +en daardoor eigenlijk voor den schepper der wereld gehouden moet +worden. Gewoonlijk wordt hij echter meer beschouwd als de god der +liefde tusschen menschen, in die hoedanigheid geeft men hem tot vader +Zeus, Ares, Hermes, Hephaestus e. a., tot moeder Artemis, Iris, maar +meestal Aphrodite. Hij komt dan ook het meest voor in gezelschap +van deze en is het werktuig, waardoor zij den menschen hare macht +laat gevoelen; dikwijls volgt hij echter ook zijn eigen luimen en +verschoont dan zelfs zijn eigen moeder niet. Dartel en niets ontziende +treft hij goden en menschen met zijne pijlen, van welke de scherpe +liefde verwekken, de stompe juist voor liefde ongevoelig maken. Ook +de liefde en vriendschap tusschen mannen en jongelingen wordt door +hem beschermd, daarom is hem bijv. de heilige schaar der Thebanen +gewijd, en vereerden de Atheners hem als den god, die door Harmodius +en Aristogiton de bevrijding hunner stad bewerkt had. De roos en de +duif zijn hem gewijd.--Hij wordt afgebeeld als een schoone knaap, +later als een bevallig, meest gevleugeld kind, met boog, pijlen en +fakkel. Dikwijls wordt hij vergezeld door de Chariten, Muzen e. dgl., +soms ook door met hem gelijksoortige wezens, die men Erotes noemt en +waarvan sommige een afzonderlijken naam dragen, als Pothos, Himeros, +enz.--De Romeinen geven hem den naam Amor of Cupido.--Zie ook Psyche. + +Erotia, Erotia, Erotidia, feest om de vier jaar door de Thespiërs ter +eere van Eros als scheppend god gevierd; er bevond zich daar een ruwe +steen, die voor het oudste beeld van den god gehouden werd. + +Erotianus, Erotianos, grieksch geneeskundige en taalgeleerde ten +tijde van Nero, schrijver van een woordenboek op Hippocrates. + +Errhephoria = Arrhephoria. + +Erucii, een plebejische familie. + +Eruli = Heruli. + +Erulus = Herilus. + +Erycina, Erykine, bijnaam van Aphrodite naar den berg Eryx. + +Erymanthus, Erymanthos, berg en rivier in Arcadia. De berg lag in het +N., de rivier, die er op ontsprong, stortte zich in den Alpheus. Op +den berg behooren de mythen te huis van Heracles en het erymanthische +zwijn en van Callisto, welke laatste dichterlijk ook Erymanthis ursa +wordt genoemd. + +Erysichthon, Erysichthon, 1) zoon van Cecrops, die, van eene reis +naar Delus terugkeerend, nog bij het leven van zijn vader stierf.--2) +zoon van Triopas, koning in Thessalië, die boomen in een aan Demeter +gewijd bosch velde, en door de godin met een onverzadelijken honger +gestraft werd, zoodat hij ten slotte zijn eigen handen en voeten opat +en van honger stierf. + +Erythea, -ia, Erytheia, het land van het avondrood; later dacht +men zich dit als een eilandje in de golf van Gades (Cadix), van waar +Heracles de runderen van den reus Geryones wegvoerde; in werkelijkheid +ligt hier geen eiland van dien naam. + +Erythrae, Erythrai, 1) stad in Boeotia, ten O. van Plataeae.--2) +belangrijke stad in aziatisch Ionia, waarschijnlijk oorspronkelijk +door Cretensers gesticht; later komen hier Ioniërs bij; de stad bleef +belangrijk tot in den keizertijd.--3) havenplaats van de ozolische +Locriërs, ten Z. van Eupalium. + +Erythraeum mare, Erythra thalatta, mare rubrum, thans de Indische +Oceaan. In ruimeren zin werd er soms de Arabische en sedert den tocht +van Nearchus (z. a.) de Perzische golf bij gerekend. + +Erytus, Erytos = Eurytus no. 1. + +Eryx, Eryx, zoon van Poseidon of Butes no. 2 en Aphrodite Erycina. Hij +werd koning der Elymi en was een geducht vuistvechter. Toen Heracles +met de kudde van Geryones op Sicilië kwam, daagde Er. hem tot een +tweegevecht uit, waarin hij gedood werd. + +Eryx, Eryx, berg en stad op de Westkust van Sicilia hij kaap +Drepanum. Op den berg lag een beroemde tempel van Aphrodite Erykine, +Venus Erycina. Hier heeft Hamilcar Barcas zich in den eersten punischen +oorlog drie jaar lang verschanst (244-241). + +Eryximachus, Eryximachos, zoon van Acumenus, atheensch geneesheer +van naam, een van de woordvoerders bij het Symposium van Plato. + +Esquiliae, de 5de regio van Rome onder de verdeeling van Augustus. Zij +omvatte de noordelijke helft van den mons Esquilinus, met het park +van Maecenas enz. + +Esquilina, eene der vier plaatselijke tribus, waarin Servius Tullius +Rome verdeelde. De porta Esquilina voerde naar Tibur en Praeneste. + +Esquilinus (mons), een der heuvels, waarop Rome was gebouwd, in het +O. der stad. + +Essedarii, zwaardvechters, die op de wijze der Britten en Galliërs +op strijdwagens streden. Zulk een wagen, esseda of essedum, was +tweewielig en van voren open. + +Esubii of Sesubii, gallisch volk in het tegenw. Normandië. + +Eteobutadae, Eteoboutadai, familie te Athene, waaruit de priesters +van Athena gekozen werden, zij stamden af van Butus no. 1. + +Eteocles, Eteokles, 1) zoon van Oedipus en Iocaste. Nadat hun vader +Thebe verlaten had, kwam hij met zijn broeder Polynices overeen +dat zij beurtelings zouden regeeren, maar toen de tijd gekomen was +om de regeering aan Polynices over te geven, weigerde hij dit te +doen. Polynices ging daarop naar Adrastus, die den zoog. tocht der +zeven vorsten ondernam om hem op den troon te herstellen; beide +broeders vielen in een tweegevecht.--2) koning van Orchomenus in +Boeotië, die den dienst der Charites invoerde. + +Eteoclus, Eteoklos, zoon van den argivischen koning Iphis, een van +de zeven vorsten, die met Adrastus tegen Thebe optrokken. + +Eteocretes, Eteokretes, oudste bewoners van Creta, door de grieksche +veroveraars teruggedrongen naar het oostelijk gedeelte van het eiland; +hun stad is Praesus. + +Etesiai, sc. anemoi, de Grieksche passaatwinden, die in de maanden +Juni tot September uit het Noorden of Noordwesten waaien. + +Etovissa, Etybesa, stad der Edetanen in het O. van Tarraconensis, +nabij de kust. + +Etruria, ook wel Hetruria, later Tuscia, bij de Grieken Tyrrhenia, +Tyrrenia, Tyrsenia genoemd, thans Toscane, het N.W. landschap van +Midden-Italië, een zeer vruchtbare landstreek. Waarschijnlijk +was het oudtijds door Umbriërs bewoond, terwijl de Tyrsenoi +(Tyrrenoi), Tusci, Etrusci, die hun naam aan het landschap en aan +de Tyrrheensche Zee gegeven hebben, van over zee uit het grieksche +oosten gekomen, waarschijnlijk in de 9de of 8ste eeuw v. Chr. zich aan +de Westkust hebben neergezet, en het land langzamerhand veroverend, +de oorspronkelijke bevolking onderdrukt hebben. V.a. zijn ze uit het +Noorden gekomen. Zij zijn van niet-indogermaanschen stam, en hun taal +is nog niet ontcijferd. Zij noemen zich zelf Rasenna, Zij hebben zich +reeds vroeg zeer ontvankelijk getoond voor de grieksche beschaving, en +Etruria was in de 7-5de eeuw het beste afzetgebied voor de produkten +van grieksche kunst en kunstnijverheid. In de etrurische graven van +Caere, Volci en andere steden heeft men duizenden grieksche vazen, +soms van hooge kunstwaarde, gevonden. Hun eigen kunst, nabootsing +deels van grieksche, deels van phoenicische waren, steekt bij +de grieksche zeer af. Slechts hun metalen spiegels en het zwarte +aardewerk (bucchero nero), na de onderwerping onder Rome verdrongen +door het roode arretijnsche werk (vasa Arretina), en hun tempel- +en huizenbouw verdient genoemd te worden. De Etruscers waren in de +7de en 6de eeuw het machtigste en het meest ontwikkelde volk van +Italië. Als zeevaarders en zeeschuimers beheerschten zij de naar hen +genoemde zee, en hielden de Grieken er uit (zie Alalia en Caere). Ze +veroverden een gedeelte van de Po-vlakte, waar Felsina, het latere +Bononia (thans Bologna) hunne hoofdstad was, onderwierpen Latium +(de drie laatste koningen van Rome zijn waarschijnlijk etruscische +vorsten) en vestigden zich zelfs een tijdlang in Campania, waar ze +Capua gesticht en een stedenbond gevormd hebben. Het land zelf is +verdeeld in vele staten, die slechts los met elkaar verbonden zijn, +en elkaar nu en dan onderling beoorlogen. De voornaamste steden zijn: +Arretium, Caere (= Agylla), Clusium, Cortona, Faesulae, Perusia, +Populonia, Rusellae, Tarquinii, Veii, Vetulonia, Volaterrae, Vulci +en Volsinii. Falerii, dat in Zuid-Etrurië ligt, behoort er niet +toe, want de inwoners, de Falisci, zijn van latijnschen stam. De met +sterke muren omgeven steden der Etruscers beheerschen en onderdrukken +het uitgestrekte grondgebied, dat er om heen ligt. Het bestuur is +aristocratisch ingericht, terwijl aan het hoofd van elken stadstaat +een priesterlijke koning staat met den titel Lucumo of Lar, welke +waardigheid erfelijk schijnt te zijn. De Etruscen waren krijgshaftig, +maar toen ze door handel, scheepvaart en industrie rijk waren geworden, +verslapten zij. De Grieksche schrijvers hebben vele verhalen omtrent +hun weelde en weelderigheid ons overgeleverd. In de 5de eeuw gaat +hun macht langzamerhand achteruit. In 474/3 leden zij bij een aanval +van de zeezijde op het campaansche Cumae een gevoelige nederlaag door +de Syracusanen onder Hiero, die Cumae te hulp gekomen waren. In het +laatst van de 5de eeuw moeten ze hun heerschappij over de Po-vlakte +afstaan aan de Kelten, en ongeveer in denzelfden tijd (396) wordt +Veii door de Romeinen vernietigd. In de 4de eeuw neemt nu de macht +van Etrurië sterk af, totdat het, in ongeveer 280, geheel van Rome +afhankelijk wordt. De bevolking, die zoo lang door de regeerende +aristocratie onder het juk schijnt gehouden te zijn, leverde onder +rom. bestuur sterke democratische elementen; vandaar dat Sulla en +later Octavianus er verscheidene soldatenkoloniën heenzonden. + +Euadne, Euadne, 1) dochter van Poseidon en Pitane, bij Apollo moeder +van Iamus.--2) dochter van Iphis, gemalin van Capaneus, die zich te +gelijk met het lijk van haar echtgenoot liet verbranden. + +Euagoras, Euagoras, een van de Teucriden, eene familie die vroeger +te Salamis op Cyprus geregeerd had, maar later door phoenicische +tyrannen vervangen was. Daar de toen regeerende tyran hem wegens +zijne afkomst en nog meer wegens zijne buitengewone begaafdheid +wantrouwde en uit den weg trachtte te ruimen, ging hij naar Cilicië, +van waar hij in 410 met eene zeer kleine legermacht terugkeerde, +zijn vaderland bevrijdde en koning werd. Hij bracht zijn rijk en het +geheele eiland tot een hoogen trap van welvaart en streefde er vooral +naar, betrekkingen met grieksche staten aan te knoopen en grieksche +beschaving in te voeren. In Conon, die na den slag bij Aegospotami bij +hem een toevlucht gevonden had, vond hij een voortreffelijk helper; +hij ondersteunde hem van zijn kant krachtig bij zijne pogingen om de +overmacht der Lacedaemoniërs te breken. Uit dankbaarheid hielpen de +Atheners hem met schepen, toen hij door de Perzen werd aangevallen, +zoodat hij, ook gesteund door een verbond met Aegypte, aanvankelijk +aanzienlijke voordeelen behaalde, en ofschoon Artaxerxes na den +vrede van Antalcidas met meer geluk den oorlog tegen hem voerde, +verkreeg hij toch na langen strijd in 380 een eervollen vrede. In +374/3 werd hij door een sluipmoordenaar gedood.--2) zoon van Nicocles, +kleinzoon van den vorigen (368-351), werd na eene korte regeering door +Pnytagoras van den troon gestooten, kwam met perzische hulp terug, +doch kon zich op den duur niet staande houden. Hij werd toen satraap +eener provincie in Klein-Azië, doch moest wegens knevelarij vluchten +en werd eindelijk op Cyprus vermoord (351). + +Euander, Euandros, 1) zoon van Hermes en Themis, Carmenta of +Nicostrate, of van Echemus en Timandra, kwam 60 jaar voor den +trojaanschen oorlog met eene volkplanting uit Pallantium in Arcadië +naar Latium, en stichtte op de plaats, waar later Rome stond, eene +stad, die hij Pallantium of Palatium noemde en waarnaar de Palatinus +genoemd is. Hij leerde den bewoners van die streken schrijven, muziek +en andere kunsten, en voerde den dienst van verscheiden grieksche goden +in; ook hielp hij Heracles in zijn strijd tegen de omwonende volken +en gaf hij Aeneas hulptroepen onder bevel van zijn zoon Pallas. Hij +werd te Rome als inheemsch heros vereerd.--2) leerling van Lacydes +en diens opvolger als hoofd der academische school (sinds 215). + +Euangelus, Euangelos, 1) schrijver van een werk over krijgskunde.--2) +dichter der nieuwe attische comedie. + +Euarchus, Euarchos, 1) van Chalcis, voerde eene kolonie naar Catana +(± 725).--2) tyran van Astacus in Acarnanië bij het begin van den +peloponnesischen oorlog. + +Euboea, Euboia, thans Negroponte, eiland, door den Euripus van +Hellas gescheiden. Hoewel het in de volle lengte door een woest +kalksteengebergte wordt doorsneden, had het, vooral aan de Westkust +en in het Noorden zeer vruchtbare vlakten. In het N. woonden Ellopes +en Perrhaebi, in het midden Curetes en Abantes, die vroeg door de +Ioniërs onderworpen zijn, in het Z. Dryopes. Het midden, waar Chalcis +en Eretria lagen, is het belangrijkste. Sedert de perzische oorlogen +kwam Euboea onder atheenschen invloed. Na den afval van 446 werd het +geheel door Athene onderworpen. In 411 viel het af, maar is later +toch meest op de hand van Athene. Na den slag bij Chaeronea hoort +het onder Macedonia. In 194 wordt het onafhankelijk, in 146 wordt het +bij het rom. rijk ingelijfd, en hoort soms tot de provincie Achaia, +meestal echter bij Macedonia. + +Eubulides, Euboulides, 1) van Miletus, wijsgeer uit de school +van Euclides no. 3. Hij wordt ook genoemd als de leermeester van +Demosthenes, dien hij geholpen zou hebben zijn spraakgebrek te +overwinnen.--2) beroemd atheensch beeldhouwer uit het midden van de +2de eeuw. + +Eubulus, Euboulos, 1) een van de beroemdste dichters der attische +comedie uit het overgangstijdperk; hij leefde omstreeks het midden +der 4de eeuw en schreef 104 stukken. Hij parodiëerde gaarne oudere +treurspeldichters, vooral Euripides.--2) atheensch redenaar en demagoog +(sedert 354), in hoog aanzien bij het volk; hij trachtte vooral de +financiën van den staat te versterken, die hij waarschijnlijk tot +het jaar 339 beheerd heeft, en was dus een voorstander van den vrede +tot elken prijs en een hevig tegenstander van Demosthenes; door zijn +invloed werd Aeschines (z. a.) vrijgesproken, toen Demosthenes hem +van verraderlijke handelingen had aangeklaagd. Van hem is de wet, +dat alle beschikbare staatsgelden voor het theorikon besteed moesten +worden, en dat ieder met den dood gestraft zou worden, die hierin +eene verandering voorstelde; eerst kort voor den slag bij Chaeronea +werd deze wet ingetrokken. Hij stierf in 330.--3) van Alexandria, +een philosoof uit de school der Sceptici, z. Pyrrho. + +Euclides, Eukleides, 1) van Zancle, stichter van Himera.--2) eerste +archont te Athene in 403, het jaar van de amnestie, de wederinvoering +der wetten van Solon en de invoering van het ionische alphabet.--3) +van Megara, kwam dikwijls des avonds in vrouwenkleederen naar Athene +om Socrates te bezoeken, omdat de Atheners in dien tijd den Megarensers +op doodstraf het verblijf in hun stad verboden hadden. Na den dood van +Socrates vonden verscheidene van zijne leerlingen, die zich te Athene +niet veilig achtten, o.a. Plato, bij Eucl. eene schuilplaats. Hij +verbond de eenheidsleer der Eleaten met stellingen van Socrates en +werd de stichter der megarische school, die leerde, dat alleen het +goede, hoewel onder zeer verschillende namen, bestond. De verdediging +van deze leer vereischte vele dialectische spitsvondigheden, waarin +vooral zijne navolgers Eubulides no. 1 en Diodorus no. 1 uitmuntten +en waarom de wijsgeeren van zijne richting dikwijls eristikoi of +dialektikoi genoemd worden. Z. ook Stilpo.--4) beroemd wiskundige +te Alexandrië omstreeks 300, schrijver van verscheiden werken over +meetkunde, sterrenkunde en muziek. Zijn hoofdwerk, Stoicheia, wordt +nog tegenwoordig soms als leerboek der meetkunde gebruikt. + +Eucrates, Eukrates, atheensch demagoog, uit den eersten tijd na den +val van Pericles. + +Euctemon, Euktemon, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen +oorlog, eerste archont 408/7.--2) astronoom en geograaf uit de 2de +helft der 5de eeuw. + +Eudamidas, Eudamidas, aanvoerder van een spartaansch leger, dat in +382 gezonden werd om Olynthus te belegeren, bij welke onderneming +hij sneuvelde. + +Eudemus, Eudemos, 1) van Parus, logograaf in de zesde of vijfde +eeuw.--2) van Rhodus, een der beste leerlingen van Aristoteles, +zette als geneesheer vooral de wis- en natuurkundige navorschingen +van zijn meester voort. V. s. is hij de schrijver der Ethika Eudemeia, +naar voordrachten van Aristoteles opgesteld. + +Eudocia, Eudokia, z. Athenais no. 2. + +Eudorus, Eudoros, van Alexandrië, schrijver van verschillende werken +over de leer van Plato, Aristoteles en Pythagoras; hij was een +tijdgenoot van Augustus. + +Eudoxia, eene Frankin, door den minister Eutropius aan den +nietsbeteekenenden keizer Arcadius tot gemalin gegeven. Van 399 +tot 405 na C. voerde zij voor den keizer de teugels van het bewind, +en maakte zich door strengheid gehaat. + +Eudoxus, Eudoxos, 1) van Cnidus, bestudeerde eenigen tijd in +Aegypte astronomie, was een verdienstelijk geneesheer, maar vooral +beroemd als wis-, sterren- en aardrijkskundige. Hij had te Cnidus +een observatorium en was de eerste, die de bolvormige gedaante der +aarde bewees. Omstreeks 370 voerde hij in zijne vaderstad verscheiden +veranderingen in de staatsregeling in. Ofschoon hij een leerling +van Plato was, verwierp hij vele van diens physische en ethische +leerstellingen.--2) van Cyzicus, omstreeks 120, schrijver van een +werk bevattende zijne waarnemingen op reizen naar Indië, Hispanië en +Africa. Van zijne aanteekeningen heeft Posidonius gebruik gemaakt. + +Euenus, Euenos, 1) z. Idas.--2) koning van Lyrnessus, vader van +Briseis.--3) naam van twee elegische dichters, van welke één +leermeester van Socrates genoemd wordt. De sophist, die op eenige +plaatsen bij Plato vermeld wordt, is waarschijnlijk dezelfde persoon +als een van deze beide dichters. + +Euenus, Euenos, vroeger Lycormas geheeten, een woeste bergstroom in +Aetolia. Ook eene rivier in Mysia. + +Eueteria, Eueteria, bijnaam van Demeter te Corinthe. + +Eugammon, Eugammon, van Cyrene, een van de cyclici, dichtte omstreeks +570 eene Telegonie, een vervolg op de Odyssee tot den dood van +Odysseus. + +Euganei, bergvolk op de Raetische Alpen, voornamelijk naar de zijde +van Italië. + +Euhemerus, Euemeros, van Messana, leefde aan het hof van Cassander +(311-297), en was de schrijver van de hiera anagraphe, naar den +vorm eene samenhangende geschiedenis van den mythischen tijd (hij +vertelt o.a. van een fabelachtig eiland Panchaea, z. a.), maar +eigenlijk meer eene verdediging van de stelling, dat alle goden en +heroën oorspronkelijk menschen geweest waren, wien men wegens hunne +uitmuntende eigenschappen na hun dood goddelijke eer was gaan bewijzen, +en wel het eerst op de plaatsen waar zij begraven waren. Deze leer, +naar hem Euhemerismus genoemd, vond vele aanhangers, maar ook ernstige +bestrijders; Ennius vertaalde het werk van Euh. in het Latijn, en de +kerkvaders beroepen zich dikwijls erop. + +Euius, Euios, bijnaam van Dionysus, naar den kreet der Bacchanten: +euoi. + +Eukleia, feest te Corinthe ter eere van Artemis gevierd, die daar en +te Thebe den bijnaam Eukleia had. + +Eulaeus, Eulaios, rivier in Susiane, vereenigt zich met den Choaspes +en valt met dezen in den Tigris. + +Eumaeus, Eumaios, zoon van koning Ctesius van het eiland Syria, die +als kind door zijn voedster ontvoerd en aan Laërtes verkocht werd. Hij +werd zwijnenhoeder bij dezen en later bij Odysseus. Toen zijn heer +onbekend in zijn vaderland terugkeerde, ontving Eum. hem vriendelijk; +Odysseus maakte zich dan ook het eerst aan hem bekend en bediende +zich van zijne hulp in den strijd tegen de vrijers van Penelope. + +Eumelus, Eumelos, 1) z. Agron.--2) zoon van Admetus en Alcestis, +aanvoerder der Thessaliërs in den trojaanschen oorlog.--3) van +Corinthe, een Bacchiade, in het midden der 8ste of v. a. der 7de eeuw. + +Eumenes, Eumenes, 1) van Cardia, geb. 362, geheimschrijver van +Philippus en later van Alexander d. G., die hem hoog schatte en hem +dikwijls tegen den haat en de afgunst der macedonische edelen moest +beschermen. Toen hij na den dood van Alex. zag, dat zijne pogingen om +de verschillende veldheeren tot overeenstemming te brengen vruchteloos +waren, sloot hij zich bij Perdiccas aan en bleef hij met trouw, moed +en bekwaamheid voor de rechten van het koninklijke huis strijden. Bij +de verdeeling van het rijk kreeg hij Cappadocië en omliggende landen, +en terwijl Perdiccas in Aegypte oorlog voerde, verdedigde hij Azië met +goed gevolg tegen Antipater en Craterus. Na den dood van Perdiccas werd +hij door Antigonus beoorloogd, tegen wien hij zich met een betrekkelijk +geringe macht vier jaar staande hield, totdat hij in 316 door het +verraad der Macedoniërs, die onder hem dienden, in de handen van +zijn vijand viel, die hem liet dooden. Zijn dagboek over de tochten +van Alex. (Ephemerides Alexandrou) wordt door oude schrijvers hoog +geprezen.--2) Eum. I, regeerde als opvolger van zijn oom Philetaerus +over Pergamus (263-241), vergrootte zijn rijk ten koste van Syrië, +overwon Antiochus Soter in een slag bij Sardes en was een beschermer +van kunsten en wetenschappen.--3) Eum. II, koning van Pergamus +(197-159), langen tijd een getrouw vriend der Rom., ondersteunde hen +tegen Nabis en Antiochus d. G., en werd wederkeerig door hen beschermd +in zijne oorlogen tegen Prusias van Bithynië en Pharnaces van Pontus; +bovendien werd zijn gebied met het grootste deel van het door Antiochus +afgestane land vergroot en werd hij eenige malen te Rome met groote +eer ontvangen. Door dit alles geraakte hij echter in een toestand +van afhankelijkheid, waaruit hij zich gaarne bevrijd zoude hebben, +daarom knoopte hij met Perseus van Macedonië onderhandelingen aan, +terwijl deze met Rome in oorlog was, wat door de Rom. zoo kwalijk +genomen werd, dat zij hem op alle wijzen in verlegenheid brachten, +en zelfs zijn broeder Attalus tegen hem trachtten op te zetten. Hij +was een beschermer van kunsten en wetenschappen, verbond geleerden +en dichters aan zijn hof, en breidde de door zijn vader gestichte +bibliotheek uit. Hij is ook de stichter van het groote altaar te +Pergamum, waarvan het beeldwerk nu te Berlijn is (z. Pergamum). + +Eumenides, Eumenides, z. Erinnyes. + +Eumenius, Eumenios, latijnsch rhetor en panegyricus in Gallia in de +3de eeuw en het begin der 4de eeuw n. C. Van hem, hoewel niet onder +zijn naam, zijn 7 lofredenen en ééne suasoria bewaard gebleven. Hij +is een tijdlang magister memoriae van Maximianus geweest, maar later +weder rhetor geworden in zijn vaderstad Augustodunum (Autun). + +Eumolpidae, Eumolpidai, atheensche familie, waarin de waardigheid +van hierophant (z. Eleusinia) erfelijk was. Zij spraken ook recht in +processen wegens schending der mysteriën. Hun stamvader was Eumolpus. + +Eumolpus, Eumolpos, zoon van Poseidon en Chione, ook zoon van Musaeus +genoemd, een Thraciër, priester van Demeter en dichter. Hij vestigde +zich te Eleusis, voerde er de mysteriën van Demeter en Dionysus in en +vierde ze het eerst met de dochters van Celeüs. Als bondgenoot der +Eleusiniërs sneuvelde hij in den oorlog, dien zij tegen Erechtheus +(z. a.) voerden. Verscheiden liederen, die op de mysteriën betrekking +hebben (teletai), ook de uitvinding van wijnbouw en boomkweekerij +worden hem toegeschreven.--Gewoonlijk neemt men aan, dat er drie of +vier personen van dien naam geweest zijn, en dat de mysteriën niet door +denzelfden Eumolpus zijn ingevoerd, die tegen Erechtheus sneuvelde. + +Eunapius, Eunapios, van Sardes, grieksch rhetor op het einde der 4de +eeuw na C., vijand van het Christendom, schreef 23 levensbeschrijvingen +van wijsgeeren uit zijn tijd. Van zijn kroniek die van 270 tot 404 +na C. liep, zijn eenige vrij aanzienlijke fragmenten over. + +Euneus, Euneos, ook Euneus of Euneos, zoon van Iason en Hypsipyle, +koning van Lemnus, stond in handelsbetrekking met de Grieken voor +Troje. + +Eunomia, Eunomia, eene van de Horae. + +Eunomus, Eunomos, koning van Sparta, vader van Lycurgus, werd bij +een opstand gedood. + +Eunus, Eunous, van geboorte een Syriër, slaaf te Enna op Sicilia, +aanvoerder van den grooten slavenopstand, die het eiland van +141 tot 132 teisterde en eerst door den consul P. Rupilius werd +onderdrukt. Eunus werd op de vlucht in eene spelonk ontdekt en gevat, +doch stierf vóór zijne terechtstelling. + +Eupalium, Eupalion, stad bij de ozolische Locriërs, met de haven +Erythrae. + +Eupatridai, 1) zij die behooren tot de eerste van de drie phylen, +waarin Theseus het volk van Attica verdeelde.--2) alg. menschen van +adellijke geboorte, ook vertaling van het lat. patriciï. + +Euphemus, Euphemos, 1) zoon van Poseidon en Europa, onderstuurman +der Argonauten. Hij kreeg van Triton een kluit aarde, die, volgens +de voorspelling van Medea, aan zijne nakomelingen in het vierde +geslacht de heerschappij over Libye zoude bezorgen. De kluit werd +echter bij Thera verloren, en nu werd de voorspelling eerst in het +zeventiende geslacht vervuld, toen zijn afstammeling Battus van +Thera naar Libye kwam en Cyrene stichtte.--2) zoon van Troezenus, +aanvoerder der Ciconen en bondgenoot der Trojanen. + +Euphorbus, Euphorbos, een van de dapperste Trojanen, de eerste die aan +Patroclus een wond toebracht, later door Menelaus gedood. Pythagoras +beweerde, dat hij vroeger als Euphorbus op aarde geleefd had. + +Euphorion, Euphorion, 1) zoon van Achilles, bij Helena verwekt, +toen zij op de eilanden der zaligen leefden. Daar hij de liefde van +Zeus niet beantwoordde, werd hij door den bliksem gedood.--2) vader +van Aeschylus.--3) zoon van Aeschylus, bracht na den dood van zijn +vader eenige van diens stukken ten tooneele, en behaalde viermaal den +prijs; eenmaal ook met eene tetralogie van hemzelf tegen Sophocles +en Euripides.--4) van Chalcis op Euboea, geb. 276, schrijver van +vele geleerde werken en van gedichten in den alexandrijnschen trant; +hij stierf als bibliothecaris van Antiochus d. Gr. Vooral bij de +Rom. werd zijne poëzie hoog geschat. Cicero drijft den spot met hem +en zijn Romeinsche navolgers. + +Euphranor, Euphranor, van Corinthe, beroemd beeldhouwer en schilder +omstreeks 380. Vooral zijne schilderijen in den zuilengang van Zeus +eleutherios aan de agora te Athene worden hoog geprezen. + +Euphrates, Euphrates, belangrijke rivier, die met twee hoofdtakken +in Armenia ontspringt, door den Taurus heenbreekt en, met den Tigris +vereenigd, zich in de Perzische golf ontlast. De Perzische golf is +eerst door den tocht van Nearchus (no. 2) bekend geworden; de vroegere +schrijvers laten dus den Euphraat en den Tigris in de Roode Zee, +d. w. z. den Indischen Oceaan uitmonden. In Babylonia werd uit den +Euphraat veel water afgeleid door zijkanalen. + +Euphratensis = Augustophratensis. + +Euphron, Euphron, 1) van Sicyon, maakte van de onrustige tijden van +den spartaansch-thebaanschen oorlog gebruik om zich met behulp van +de arme burgers van het oppergezag meester te maken. Hij onderdrukte +zijne tegenpartij, doch werd weder verdreven, vluchtte naar Thebe en +werd daar vermoord (± 365).--2) dichter der nieuwe attische comedie +omstreeks 280, van wiens werken slechts weinige fragmenten bewaard +zijn. + +Euphronius, Euphronios, een van de beroemdste attische vazenschilders +uit ± 500. Hij schildert in den streng roodfigurigen stijl. + +Euphrosyne, Euphrosyne, eene van de Charites. + +Eupithes, Eupeithes, 1) vader van Antinoüs, die, om den dood van zijn +zoon te wreken, het volk van Ithaca tegen Odysseus opruide. Het kwam +tot een gevecht, waarbij hij door Laërtes gedood werd. + +Euploia, bijnaam van Aphrodite. + +Eupolis, Eupolis, van Athene, een van de beste blijspeldichters +der oude attische comedie. Hij trad reeds op zijn zeventiende jaar +als dichter op en schreef 20 stukken, van welke 7 den eersten prijs +behaalden, en waarin de ouden dezelfde eigenschappen roemen als in die +van zijn tijdgenoot Aristophanes. Hij stierf nog voor het einde van +den peloponnesischen oorlog. Van zijne werken zijn alleen fragmenten +bewaard gebleven. + +Eupompus, Eupompos, van Sicyon, leefde kort na den peloponnesischen +oorlog; hij was de stichter eener schilderschool, die zich vooral +op juistheid van teekening en groote nauwkeurigheid in de details +toelegde. + +Euripides, Euripides, zoon van den Athener Mnesarchides, op den dag van +den slag bij Salamis op dat eiland geb., de derde der groote attische +treurspeldichters. Zijne ouders waren, naar men beweerde, van zeer +geringen stand; dit wordt echter tegenwoordig tegengesproken; zijne +moeder, Clito, Kleito, was zelfs van adel; hij genoot dan ook eene +zeer goede opvoeding. In zijne jeugd legde hij zich op de gymnastiek +en schilderkunst toe, later werd hij een leerling van Anaxagoras, een +toehoorder van Prodicus en Protagoras en een vriend van Socrates. Zijne +werken toonen den invloed van zijne philosophische studiën: zij +munten uit door groote kennis en juiste schildering van karakters en +hartstochten en bevatten vele treffende tooneelen; daarentegen missen +zij den verheven eenvoud van de stukken van Aeschylus en Sophocles; +zij zijn niet meer ontleend aan de algemeen bekende mythen, maar +geven dikwijls een oorspronkelijke, soms zeer romantische, bewerking +van een of andere bizonderheid daaruit, zoodat meestal een proloog +de toeschouwers moet inlichten over den inhoud van het stuk en de +betrekkingen tusschen de handelende personen. Zijn helden toonen in +hun denken en handelen meer de eigenschappen van gewone menschen; ook +wordt de handeling telkens afgebroken door wijsgeerige bespiegelingen, +terwijl ook de koorgezangen niet meer met het stuk zelf samenhangen, +maar geheel als bijzaak behandeld zijn; de ontknooping is dikwijls +niet op eene natuurlijke wijze te vinden, zoodat de tusschenkomst +van een god--deus ex machina--noodig wordt. Op godsdienstig gebied +verkondigt hij soms stellingen, die met het volksgeloof in strijd +zijn; op lateren leeftijd schijnt hij echter tot de algemeen gangbare +meeningen daaromtrent teruggekeerd te zijn, of ingezien te hebben, +dat het nutteloos was den strijd er tegen voort te zetten. Om al deze +redenen, ook naar aanleiding van allerlei nieuwigheden in metriek en +muziek, die hij op het tooneel bracht, werd hij door Aristophanes en +andere blijspeldichters meedoogenloos gehekeld als de vertegenwoordiger +van alles, wat zij in den geest van hun tijd afkeuren; over het +geheel kon hij zich niet beroemen grooten bijval gevonden te hebben: +slechts vijfmaal verkreeg bij den eersten prijs (het eerst in 441), +terwijl hij 92 (v. a. 98) stukken geschreven heeft, waarvan het +eerste reeds in 465 is opgevoerd. Na zijn dood vonden zij echter de +grootste bewondering en vielen juist zijne eigenaardigheden, die hem +van de andere groote treurspeldichters onderscheiden, in den smaak +van het publiek.--Ook zijn huiselijk leven gaf hem weinig stof tot +tevredenheid: zoowel in zijn eerste als zijn tweede huwelijk was hij +ongelukkig; zijne eerste vrouw verstiet hij wegens ontrouw, zijne +tweede vrouw verliet hem. Met staatszaken bemoeide hij zich niet; +toch schijnt hij weinig ingenomen te zijn geweest met de richting, +die men te Athene na den dood van Pericles had ingeslagen, en dikwijls +liet hij zijne ontevredenheid door een van de personen zijner stukken +uitspreken. Op het einde van zijn leven gaf hij gehoor aan eene +uitnoodiging van koning Archelaus van Macedonië, aan wiens hof hij +groote eer genoot; in 406 of 405 stierf hij er.--Van zijne werken +bestaan nog 18 treurspelen en 1 satyrdrama. De meest bekende hiervan +zijn: Alcestis (opgevoerd 438), Medeia (431), Hippolytus (428), +Iphigeneia en Taurois, Ion, Phoinissai, Iphigeneia he en Aulidi en +het satyrdrama Kyklops.--Ook een neef van den grooten dichter, die +denzelfden naam droeg, trad als treurspeldichter op, naar het schijnt +met weinig geluk. Zijn zoon, die ook Euripides heette, heeft enkele +stukken van zijn vader na diens dood doen opvoeren. + +Euripus, Euripos, zeeëngte met eb en vloed, in het bijzonder de +zeeëngte bij Chalcis tusschen Euboea en het vasteland. Dat gedeelte +van de zeestraat, dat ten N. van Chalcis is, heet Euboeische zee. + +Eurome of -mus, Eurome, Euromos, stadje in Caria, tusschen Mylasa en +Heraclea Latmi. + +Europa, Europe, 1) dochter van Tityus, moeder van Euphemus.--2) +dochter van Phoenix en Perimede of van Agenor en Telephassa. Toen +zij eens aan het strand der zee wandelde, kwam Zeus tot haar in de +gedaante van een schoonen stier; het meisje streelde hem en waagde het +eindelijk zich op zijn rug te zetten, waarop hij in zee sprong en met +haar naar Creta zwom. Hier legde hij zijne aangenomen gedaante af en +bracht haar naar den berg Dicte. Zij werd bij hem moeder van Minos, +Rhadamanthys en Sarpedon en huwde later met Asterion (z. a.). Op +Creta genoot zij onder den naam Hellotis goddelijke eer.--3) Oceanide. + +Europa, Europe, het werelddeel. Oorspronkelijk is de naam beperkt tot +Griekenland, behalve de Peloponnesus, en tot Macedonië; bij Herodotus +omvat het behalve het tegenwoordig Europa, ook het N. van Azië; +later is de Tanaïs (Don) en de Palus Maeotis de oostelijke grens; +bij sommigen echter de Phasis, bij anderen de Caucasische landengte +tusschen de Zwarte zee en de Caspische zee. + +Europus, Europos, 1) stad aan den Axius (Vardar) in het +maced. landschap Emathia.--2) stad in Caria = Idrias (Stratonicea).--3) +stad in Syria.--4) zie Rhagae. + +Eurotas, Eurotas, hoofdriv. van Laconica, waaraan Sparta lag. In zijn +bovenloop stroomt de Eurotas onder den grond door. De oevers waren +dicht bezet met riet en biezen, waaruit de spartaansche jongens zich +hun legerstede bereidden. + +Eurus, Euros, oorspronkelijk de Oostenwind, later de Zuidoostenwind, +zie Windstreken. + +Euryale, Euryale, 1) eene van de Gorgonen.--2) dochter van Minos, +moeder van Orion.--3) koningin der Amazonen, die Aeetes tegen de +Argonauten te hulp kwam. + +Euryalus, Euryalos, 1) zoon van Mecisteus, een der Epigonen, Argonaut +en makker van Diomedes voor Troje.--2) een van de tochtgenooten van +Aeneas, beroemd door zijne vriendschap voor zijn makker Nisus, z.a. + +Euryanax, Euryanax, zoon van Dorieus, een van de aanvoerders der +Spartanen bij Plataeae. + +Eurybates, Eurybates, 1) heraut van Agamemnon.--2) heraut van Odysseus. + +Eurybatus, Eurybatos, 1) van Ephesus, werd door Croesus naar de +Peloponnesus gezonden om troepen te werven, maar liep tot Cyrus over +en verried hem het plan van Croesus. Zijn naam werd spreekwoordelijk +voor een verrader gebruikt.--2) Lacedaemoniër, de eerste overwinnaar in +den worstelstrijd te Olympia (708).--3) bevelhebber der corcyraeische +vloot in den slag tegen de Corinthiërs bij Sybota (432). + +Eurybiades, Eurybiades, Spartaan, opperbevelhebber der grieksche vloot +in den oorlog tegen Xerxes. Hoewel hij weinig uitrichtte, kenden de +Spartanen hem na den slag bij Salamis den prijs der dapperheid toe. + +Euryclea, Eurykleia, dochter van Ops, slavin van Laërtes, voedster +van Odysseus, de eerste die hem bij zijne terugkomst herkende. + +Eurydice, Eurydike, 1) Dryade, gehuwd met Orpheus (z. a.). Voor +Aristaeus, die haar met zijne liefde vervolgde, vluchtend, trapte +zij bij ongeluk op een vergiftige slang, die haar een doodelijke wond +toebracht.--2) of Aganippe, dochter van Lacedaemon, bij Acrisius moeder +van Danaë.--3) dochter van Adrastus, bij Ilus moeder van Laomedon.--4) +of Henioche, gemalin van Creon no. 2, hing zich op bij het vernemen van +den zelfmoord van haar zoon Haemon.--5) gemalin van Lycurgus, moeder +van Archemorus.--6) dochter van Clymenus, gemalin van Nestor.--7) +z. Arrhidaeus. + +Euryganea, Euryganeia, z. Oedipus. + +Eurylochus, Eurylochos, tochtgenoot van Odysseus, die door zijne +voorzichtigheid aan de tooverkunsten van Circe ontsnapte. Op het +eiland Thrinacia gaf hij den raad de runderen van den zonnegod te +dooden, daarvoor werd hij door Zeus met den bliksem getroffen. + +Eurymachus, Eurymachos, 1) een van de minnaars van Hippodamea, door +Oenomaüs gedood.--2) een van de minnaars van Penelope, door Odysseus +gedood.--3) aanzienlijk Thebaan, werd bij de overrompeling van Plataeae +in het begin van den peloponnesischen oorlog gedood. + +Eurymedon, Eurymedon, 1) koning der Giganten.--2) wagenmenner van +Agamemnon, te gelijk met zijn heer door Aegisthus gedood.--3) atheensch +veldheer, ging in 427 en 425 naar Corcyra om de democratische partij +te ondersteunen, en werd in 425 en wederom in 415 met eene vloot naar +Sicilië gezonden; in 413 sneuvelde hij voor Syracuse. + +Eurymedon, Eurymedon, riv. in Pamphylia, waarbij de Athener Cimon in +466 de Perzen te land en ter zee versloeg. + +Eurynome, Eurynome, 1) Oceanide, bij Zeus moeder der Chariten.--2) +huishoudster bij Odysseus.--3) moeder van Adrastus.--4) moeder van +Agenor.--5) bijnaam van Artemis in Arcadië. + +Euryphron, Euryphron, van Cnidus, beroemd geneesheer, oudere tijdgenoot +van Hippocrates. + +Eurypon, Eurypon, kleinzoon van Procles, derde koning van Sparta +uit het geslacht der Procliden, die naar hem dikwijls Eurypontiden +(Eurypontidai) genoemd worden. + +Eurypylus, Eurypylos, 1) zoon van Euaemon, koning in Thessalië, een +der voornaamste helden voor Troje. Bij het verdeelen van den buit na +de inneming der stad viel hem eene kist ten deel, waarin een beeld +van Dionysus was, door Hephaestus gemaakt en aan Dardanus geschonken, +maar toen hij de kist opende, werd hij plotseling waanzinnig. Het +delphische orakel beval, dat hij, om genezing te vinden, de kist ergens +moest wijden waar ongewone offers gebracht werden; deze plaats vond +hij te Aroë in Achaia, waar men aan Artemis jaarlijks twee menschen +offerde. Na de komst van Eur. werden de menschenoffers afgeschaft, +en de dienst van Dionysus-Aesymnetes ingesteld.--2) zoon van Poseidon +en Celaeno, ging van Thessalië naar Libye, en regeerde in de omstreken +van Cyrene.--3) zoon van Poseidon en Astypalaea, koning van Cos.--4) +zoon van Telephus en Astyoche, bondgenoot der Trojanen, werd na vele +dappere daden door Neoptolemus gedood.--5) zoon van Thestius, werd +met zijne broeders door hun neef Meleager op de calydonische jacht +gedood, wegens eene beleediging, aan Atalante aangedaan. + +Eurysaces, Eurysakes, zoon van Aiax no. 2 en Tecmessa, werd met zijn +vader te Athene als heros vereerd. + +Eurysthenes, Eurysthenes, zoon van Aristodemus no. 1, regeerde met +zijn broeder Procles over Lacedaemon, hij was de stamvader van het +koninklijke geslacht der Eurystheniden Eurysthenidai. + +Eurystheus, Eurystheus, zoon van Sthenelus en Nicippe, koning van +Mycenae, z. Heracles en Heracliden. + +Eurytion, Eurytion, 1) Centaur, die naar de hand van de dochter +van Dexamenus, koning van Olenus, dong, en door Heracles, die haar +eveneens beminde, gedood werd. Hij wordt ook genoemd als degene, die +Hippodamea wilde schaken, en aanleiding gaf tot den strijd tusschen +Centauren en Lapithen.--2) zoon of kleinzoon van Actor, een van de +Argonauten, z. Peleus.--3) zoon van Ares en Erythia, bewaker der +kudden van Geryones.--5) zoon van Lycaon, bekwaam boogschutter, +tochtgenoot van Aeneas. + +Eurytis, Iole, dochter van Eurytus. + +Eurytus, Eurytos, 1) of Erytus, zoon van Hennes en Antianira, +Argonaut.--2) zoon van Melaneus, koning van Oechalia. Hij had zijne +dochter Iole beloofd aan hem, die zijne zonen in het schieten met +den boog zou overtreffen. Toen Heracles den prijs echter gewonnen +had, hield hij zijn woord niet, daarom doodde Heracles hem en zijne +zonen.--3) een van de Molioniden.--4) = Eurytion no. 2.--5) een van +de Giganten, bij de gigantomachie door Dionysus verslagen. + +Eusebia of -bea, Eusebeia = Caesarea ad Argaeum. + +Eusebius, Eusebios, van 313 tot 340 n. C. bisschop van Caesarea in +Palestina, niet te verwarren met zijn naam- en tijdgenoot, den bisschop +van Emesa in Phoenice. Eusebius van Caesarea, waar hij tusschen +260 en 264 geboren was, kan de vader der kerkgeschiedenis worden +genoemd. Onder zijne werken zijn beroemd de ekklesiastike historia en +het zoogenaamde Chronicon Eusebii, eene latijnsche omgewerkte vertaling +zijner pantodape historia, eene synchronistische geschiedenis tot +324 n. C., door Hieronymus (331-420), een der kerkvaders, bewerkt en +voortgezet tot 378. + +Eustathius, Eustathios, Cappadociër, wijsgeer der nieuw-platonische +school, leerling van Iamblichus, in 358 n. C. gezant van keizer +Constantius bij den perzischen koning Sapores. + +Euterpe, Euterpe, Muze der lyrische poëzie, afgebeeld met de dubbele +fluit in de handen. + +Euthycrates, Euthykrates, Olynthiër, die zich liet omkoopen om zijne +vaderstad aan Philippus van Macedonië te verraden (348). + +Euthydemus, Euthydemos, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen +oorlog met Nicias eenigen tijd aanvoerder der Atheners voor +Syracuse.--2) van Chius, leerde als sophist te Thurii en Athene; +naar hem is een van de werken van Plato genoemd.--3) broeder van +Lysias.--4) zoon van Diocles, leerling van Socrates. + +Euthymus, Euthymos, beroemd vuistvechter van Locri in Italië ten +tijde van de perzische oorlogen; men verhaalde, dat hij zonder te +sterven van de aarde verdwenen was. + +Euthynai, rekening en verantwoording, die ieder atheensch +overheidspersoon binnen een bepaalden tijd na zijn aftreden bij +de logisten moest afleggen; bij deze gelegenheid konde ieder burger +klachten tegen den afgetredene inbrengen over de wijze, waarop hij zijn +ambt had waargenomen. Bevonden de logisten, dat hij zich aan misbruik +van macht, verraad, verduistering of dgl. had schuldig gemaakt, +dan brachten zij hem na voorloopig onderzoek voor den rechtbank der +heliasten, ook in het tegenovergestelde geval werden zij voor de +rechtbank gebracht om van alle verdere verantwoordelijkheid ontslagen +te woorden (episemainesthai). + +Euthynoi, te Athene 10 personen, een uit elke phyle, die den logisten +ter zijde stonden bij het nazien van de euthynai. + +Eutropius, 1) geheimschrijver van keizer Valens en schrijver van een +Breviarium of beknopt overzicht der geschiedenis van het rom. rijk +van de stichting van Rome tot op den dood van keizer Jovianus 369 +n. C. Het laatste gedeelte is het belangrijkste, omdat de schrijver +daar zijn eigen tijd beschrijft. In 380 is het door Paeanius in het +Grieksch vertaald. Het is zeer spoedig een schoolboek geworden en in +de M. E. geregeld als zoodanig gebruikt.--2) gesnedene, gunsteling +van keizer Arcadius, die zich in de plaats van den minister Rufinus +wist te dringen (395 n. C.) en de belangen van het rijk aan zijne +hartstochten opofferde. In 399 viel hij zelf in ongenade bij de +keizerin Eudoxia. Hij werd verbannen, doch weder door Arcadius +teruggeroepen, maar te Chalcedon door zijne vijanden vermoord. + +Eventus, Bonus Eventus, god van het gedijen der veldvruchten, over +het algemeen een god die eene begonnen onderneming tot een goed +einde leidt. Zijn beeld stond op het Capitolium, zijn tempel op den +Campus Martius. + +Evictio, eisch tot ontruiming van een eigendom, dat buiten weten van +den eigenaar in vreemde handen is. + +Evocati zijn soldaten, die uit den dienst ontslagen en dikwijls met +landerijen begiftigd werden onder voorwaarde, dat zij, opgeroepen +wordende (nominatim evocare), zich op nieuw onder de vanen van hun +vorigen veldheer zouden scharen. Zij kwamen dan weder in dienst +met den rang van centurio. Ook een corps uitgelezen jongelui uit +den ridderstand, die door keizer Galba voor eigen bewaking waren +aangeworven. + +Exangelos, op het grieksche tooneel een bode, die eene gebeurtenis +mededeelt, welke binnenshuis heeft plaats gehad. + +Exaireseos dike = aphaireseos dike. + +Exampaeus, Exampaios, zijtakje van den Hypanis (Bug), dat het water van +den Hypanis bitter of zout maakte. In werkelijkheid is het zoutgehalte +van het water van den Hypanis een gevolg van het indringen van het +zeewater in den mond der rivier.--Ook een plaats ten O. van den +Hypanis, ook Hirai hodoi geheeten. + +Excubiae, wachtposten bij dag; (vigiliae, bij nacht). Onder de keizers +de wacht bij het paleis. + +Execias, Exekias, beroemd Attisch schilder van zwart-figurige vazen +uit het midden van de 6de eeuw. + +Exedra, exedra, receptie- en conversatiezaal in aanzienlijke huizen, +dikwijls met een halfrond uitgebouwd. Ook in de gymnasia der Grieken +en de badhuizen der Romeinen vond men dikwijls dergelijke zalen. De +grieksche wijsgeeren gaven er somtijds hunne lessen; de hoorders +plaatsten zich langs den kant van het halfrond, de spreker in het +midden. + +Exiteria, offer, door de leden van den raad bij het nederleggen hunner +betrekking gebracht. Z. eisiteria. + +Exodium, exodion, kluchtig tooneelstukje, bij de Rom. na ernstige +stukken opgevoerd; gewoonlijk werd daarvoor eene fabula Atellana +gebruikt. Zie ook Mimus. + +Exomis, exomis, grieksche tunica, hetzij geheel zonder mouwen, hetzij +alleen met een linkermouw. Misschien bleef hierdoor ook een gedeelte +van de borst onbedekt. + +Exomossia, 1) beëedigde opgave van redenen, waarom men een ambt of +eene liturgie niet kan op zich nemen.--2) beëedigde verklaring dat +men niets weet van eene zaak, waarin men als getuige is opgeroepen. + +Exostra, exostra, 1) eene machine, op het tooneel gebruikt tot +hetzelfde doel als het ekkyklema, v.s. een soort balcon aan het huis +of paleis, dat zich op den achtergrond bevond.--2) een brug, die uit +een belegeringstoren naar buiten geschoven werd om op den muur der +belegerde stad te komen. + +Exoules dike, aanklacht tegen iemand, die een ander met geweld uit +zijne bezittingen verdrijft, of hem verhindert iets in bezit te nemen, +dat hem bij rechterlijk vonnis is toegewezen. Werd de aangeklaagde +veroordeeld, dan moest hij den staat eene boete betalen, gelijk aan +dat wat hij den aanklager schuldig was. + +Extispicium. Bij het offeren van eenig dier was het voor de divinatio +van groot belang, hoe de ingewanden lagen en er uitzagen. Vooral +de lever speelde hierbij een belangrijke rol. De lever had eene +pars familiaris, waaruit de offeraar de toekomst opmaakte voor +zich en zijn volk, en eene pars hostilis. Na het eerste onderzoek +werden de ingewanden in een pot gekookt en ook onder het koken +nauwlettend gadegeslagen. Deze kunst verstonden de rom. priesters in +het algemeen ook wel, doch in zeer ernstige gevallen worden extispices +of haruspices ontboden uit Etruria, waar de leer der ingewandzienerij +tot den hoogsten trap was opgevoerd, evenals de bliksemleer. Keizer +Claudius stelde een collegie van romeinsche haruspices in, dat echter +nooit tot aanzien kwam. + + + + + + +F. + + +F, zie fasti (dies). + +Fabaria, zie Burchana. + +Fabariae (Kalendae), z. Carna. + +Fabaris = Farfar (Farfarus). + +Fabianus Fornix, een boog over de Sacra via te Rome, op de plaats waar +die op het Forum uitkwam, opgericht door Q. Fabius Maximus Allobrogicus +(Fabii no. 20), en hersteld door zijn kleinzoon (Fabii no. 22). + +Fabianus Papyrius, rom. wijsgeer ten tijde van Augustus en Tiberius, +een man van groote welsprekendheid en reinen levenswandel. Zijne +geschriften over wijsbegeerte en natuurlijke historie zijn verloren. + +Fabii, eene der oudste patricische gentes te Rome, misschien van +sabijnschen oorsprong. 1) Q. Fabius Vibulanus, consul in 485 en 482, +een warm voorvechter der aristocratie. Onder zijn eerste consulaat +had de veroordeeling van Sp. Cassius Viscellinus plaats. Hij streed +in 485 tegen de Aequers en Volscers en maakte zich gehaat door +aan de soldaten niets van den buit te gunnen, doch alles te laten +verkoopen. In 480 sneuvelde hij in den strijd tegen Veii.--2) +K. Fabius Vibulanus, broeder van no. 1, consul in 484, 481 en +479, de eerste maal met grooten tegenstand der plebs door toedoen +der patriciërs verkozen, was eerst voortdurend in strijd met de +volkstribunen, die eene lex agraria wilden doordrijven. In zijn +derde consulaat echter deed hij zelf, maar vergeefs, den voorslag, +dat de senaat verdere pogingen in dien geest zou voorkomen door uit +eigen beweging veroverden grond onder de plebejers te verdeelen. Zie +echter Agrariae (leges) en Tribuni plebis. Op zijn voorstel trok in +479--volgens het niet al te betrouwbare geschiedverhaal--de geheele +gens Fabia, uitgezonderd een nog te jonge knaap, 306 man sterk, met +hare cliënten naar het riviertje de Cremera, om de grenzen tegen de +Vejers te beschermen. In 477 vonden zij, in eene hinderlaag gelokt, +allen den dood.--3) M. Fabius Vibulanus, broeder van no. 1 en 2, was +consul in 483 en 480, zoodat het consulaat zeven jaren achtereen in +de gens Fabia was. Hij voerde evenals zijne broeders oorlog tegen de +naburige volken en sneuvelde bij de Cremera.--4) Q. Fabius Vibulanus, +zoon van no. 3, de eenige overgeblevene van het geslacht, consul +in 467, 465 en 459, streed tegen Aequers en Volscen, en bewerkte de +uitzending eener rom. kolonie naar Antium (467). In 462 verzette hij +zich als praefectus urbi ten sterkste tegen het voorstel van den +tribuun Terentilius de legibus scribendis. In 450 was hij een der +tienmannen.--5) M. Fabius Vibulanus, zoon van no. 4, consul in 442, +consulairtribuun in 433, bewerkte de uitzending eener kolonie naar +Ardea (442), streed bij herhaling tegen Aequers en Vejenten en werd +pontifex maximus. Hij kwam vermoedelijk om bij den inval der Galliërs +in 390, daar hij Rome niet wilde verlaten.--6) Num. Fabius Vibulanus, +ook een zoon van no. 4, consul in 421, consulairtribuun in 415 en +407, streed als consul tegen de Aequers.--7) Q. Fabius Vibulanus, +evenals de beide vorigen een zoon van no. 4, was consul in 523 en +consulairtribuun in 416 en 414.--8) Num. Fabius Ambustus, zoon van +no. 5, veroverde als consulairtribuun in 406 Anxur. Hij was één der +drie gebroeders Fabii, die in 391 naar Clusium tot de Galliërs werden +gezonden. In 390 was hij weder consulairtribuun. Zie no. 10.--9) +K. Fabius Ambustus, broeder van no. 8, was consulairtribuun in 404, +401, 395 en 390. Ook hij behoorde tot het gezantschap naar Clusium +(zie no. 8 en 10).--10) Q. Fabius Ambustus, broeder van no. 8 en 9, +behoorde ook tot het gezantschap naar Clusium, en werd in 390 met +zijne broeders tot consulairtribuun gekozen. Na den aftocht der +Galliërs werd hij ter verantwoording geroepen wegens zijne schennis +van het volkenrecht. De dood, misschien zelfmoord, deed hem een vonnis +ontgaan. Het verhaal omtrent deze drie broeders is op allerlei wijzen +opgesmukt. In het oorspronkelijke verhaal treden slechts twee Fabii op +(no. 8 en 9), waarvan men niet zeker weet, of het broers zijn. No. 10 +is tamelijk legendarisch.--11) M. Fabius Ambustus, zoon van no. 8, +consul in 360, 356 en 354, overwon achtereenvolgens de Hernicers +(360), de Faliscers en Tarquiniërs (356) en de Tiburtijnen (354). In +351 was hij dictator.--12) M. Fabius Ambustus, zoon van no. 9, +consulairtribuun in 381 en 369, ondersteunde de plannen van zijn +schoonzoon, den volkstribuun C. Licinius Stolo. Vermoedelijk echter was +hij het, die in 355 als interrex de verkiezing van twee patricische +consuls, hoewel tegen de lex Licinia Sextia geschied, voor geldig +verklaarde. Hier is alles onzeker. Z. ook Liciniae Sextiae (leges) +no. 1.--13) C. Fabius Ambustus streed als consul in 358 ongelukkig +tegen de Tarquiniërs, die 307 rom. krijgsgevangenen ombrachten.--14) +Q. Fabius Maximus Rullianus, zoon van no. 11, leverde als magister +equitum in 325 tegen het bevel van zijn dictator L. Papirius Cursor +een schitterenden slag tegen de Samnieten, doch ontging de straf voor +zijne ongehoorzaamheid slechts door de eenparige voorbede van senaat +en volk. Zijn ambt moest hij echter nederleggen. Dit verhaal is niet +geheel betrouwbaar. In 322 was hij consul, in 315 dictator, in 310 en +308 weder consul, in 304 censor, in 301 andermaal dictator, in 297 +en 295 nogmaals consul. Hij was een van Rome's grootste veldheeren, +schoon niet altijd overwinnaar. O.a. werd hij in 315 als dictator +door de Samnieten bij Lautulae verslagen. In 310 ontzette hij het +door de Etruscers belegerde Sutrium, door in Noord-Etrurië in te +vallen. In 308 streed hij tegen de Samnieten. In 297 versloeg hij, +volgens een ongeloofwaardig bericht, met P. Decius Mus hen bij den +berg Tifernus, in 295 versloegen Fabius en Decius (z. Decii no. 2) +de verbonden Samnieten, Galliërs en Etruriërs bij Sentinum. Onder +zijne tijdgenooten komen ook nog Ambusti voor: Q. Fabius Ambustus +als dictator comit. habend. causa in 321, C. Fabius Ambustus als +mag. eq. in 315.--15) Q. Fabius Maximus, bijgenaamd Gurges (= vraat, +slokop) om zijne losbandigheid in zijne jeugd, zoon van no. 14 +(waarschijnlijk is het verhaal omtrent zijn losbandigheid verzonnen +om den naam Gurges te kunnen verklaren). Op rijperen leeftijd begon +hij evenwel een ander gedrag te leiden. Als consul werd hij in 292 +door de Samnieten verslagen, maar overwon daarna met hulp van zijn +vader den samnietischen veldheer Pontius (z. a.), in 276 versloeg +hij wederom als consul de Samnieten, Lucaners en Bruttiërs; in zijn +derde consulaat, 265, dempte hij een slavenopstand te Volsinii, doch +sneuvelde daarbij.--16) Q. Fabius Maximus Verrucosus (wegens eene wrat, +verruca, aan de lip aldus genoemd), consul in 233, 228, 215, 214 en +209, censor in 230, de bekende dictator in 217 na de nederlaag en den +dood van C. Flaminius bij het Trasumeensche meer. (Eigenlijk was hij +pro dictatore zie het artikel dictator.) In 233 zegepraalde hij over +de Liguriërs; in 219 was hij aan het hoofd van het gezantschap, dat +na de inname van Saguntum naar Carthago werd gezonden, waarbij hij, +volgens het bekende verhaal, den Carthagers de keuze liet tusschen +oorlog en vrede, waarop zij tot den oorlog besloten. Als dictator +volgde hij de taktiek, een slag in het open veld te vermijden, en +liever Hannibal af te matten, daar hij de overtuiging koesterde, +dat diens strijdkrachten en hulpmiddelen op vijandelijken bodem op +den duur uitgeput moesten raken. Spoedig echter begon dit stelsel bij +het rom. volk afkeuring te vinden, daar Hannibal zooveel mogelijk het +platte land verwoestte en de dorpen en hoeven in brand stak. Door +eene lex Metilia werd toen de magister equitum M. Minucius Rufus +ook met dictatoriale macht bekleed. Deze waagde een veldslag, en +zou geheel verslagen zijn, zoo niet Fabius ware toegeschoten en +hem gered had, waarop Minucius zich vrijwillig weder onder Fabius' +bevelen stelde. Naar deze wijze van oorlogvoeren heeft Fabius den +bijnaam van Cunctator gekregen; om zijn zacht karakter werd hij +ook Ovicula genoemd. Ook later voerde hij herhaaldelijk legers aan, +hetzij als consul, hetzij als proconsul, onder het commando van zijn +zoon. Bij vele geschiedschrijvers ook bij Livius, die hem legaat noemt, +vinden wij het verhaal hoe de vader den zoon, als hoogere in rang, +eer moet bewijzen. Het verhaal is vereeuwigd in het oud Amsterdamsche +stadhuis (het Paleis op den Dam). In 209 veroverde hij Tarentum. Hij +was een heftig tegenstander van Scipio's plan, om den oorlog naar +Afrika over te brengen. Fabius stierf in 203. Cicero roemt hem als +redenaar.--17) Q. Fabius Maximus, zoon van no. 16 (z. a.), consul in +213, stierf nog vóór zijn vader.--18) Q. Fabius Maximus Aemilianus, +zoon van L. Aemilius Paullus en broeder van P. Cornelius Scipio +Aemilianus, in 180 door een der Fabii Maximi geadopteerd, was een +vriend van den geschiedschrijver Polybius. In 145 en 144 voerde hij +als consul en proconsul oorlog in Lusitania tegen Viriathus.--19) +Q. Fabius Maximus Servilianus, ook wel onder zijn oorspronkelijken naam +Cn. Servilius Caepio voorkomende, door adoptie een broeder van no. 18, +streed ook als proconsul in 141 en 140 tegen Viriathus en sloot met +dezen een verdrag, dat echter door zijn broeder Q. Servilius Caepio +verbroken werd. Hij heeft annales geschreven.--20) Q. Fabius Maximus +Allobrogicus, zoon van no. 18, leidde als jongeling een losbandig +leven. Onder zijn oom P. Cornelius Scipio Aemilianus diende hij +als quaestor in den numantijnschen oorlog. In 121 behaalde hij een +groote overwinning op de Allobrogen in Gallia. Uit den buit richtte +hij te Rome een triumfboog, den fornix Fabianus, op. Cicero prijst +hem als redenaar.--21) Q. Fabius Maximus Eburnus, consul in 116, werd +later verbannen, omdat hij zijn zoon met den dood gestraft had.--22) +Q. Fabius Maximus kleinzoon van no. 20, diende in Hispania als legaat +onder Caesar (46), en werd in 45 consul. Hij stierf nog in ditzelfde +jaar. Tot suffectus werd toen gekozen voor den laatsten dag van het +jaar C. Caninius Rebilus (Caninii no. 2), met wiens waakzaamheid +Cicero den spot drijft.--23) Paulus Fabius Maximus, een bloedverwant +van Ovidius en bevriend met Augustus, vergezelde dezen op zijne reis +naar Posthumus Agrippa, doch werd toen verdacht aan Livia geheimen +verklapt te hebben. Kort daarna stierf hij.--24) C. Fabius Pictor, +de eerste beoefenaar der schilderkunst onder de aanzienlijke Rom., +beschilderde in 302 (v. a. in 304) de wanden van den tempel van Salus, +door C. Junius Bubulcus Brutus (Junii no. 3) gewijd. Zijn talent vond +echter zoo weinig bijval, dat hij geene navolgers heeft gevonden.--25) +Q. Fabius Pictor, kleinzoon van no. 24, omstreeks 220, schreef in het +Grieksch zeer belangrijke annalen, van de komst van Aeneas in Italia +tot op zijn eigen tijd. Er bestond ook een Latijnsche vertaling +van.--26) Ser. Fabius Pictor, redenaar en geschiedkenner, was een +tijdgenoot van Cato maior en schreef een werk de iure pontificio.--27) +Verder komen onder de consuls, censoren, dictators nog de namen voor: +Fabius Buteo, Fabius Dorso, Fabius Licinus, Fabius Labeo, ook Fabius +Pictor. Iets bijzonders is van hen hier niet te vermelden. Ook wordt +nog een Q. Fabius Sanga, een vriend van Cicero, vermeld alsmede zekere +Q. Fabius Virgilianus, in 51 legaat in Cilicia, later aanhanger van +Pompeius.--28) Fabius Rusticus, een vriend van Seneca, door Tacitus +als redenaar geprezen, schreef eene geschiedenis van Nero, die verloren +is gegaan.--29) C. Fabius Valens, bewerkte als legatus legionis samen +met A. Caecina Alienus, dat Vitellius (Jan. 69 n. C.) tot keizer +werd uitgeroepen. Aan het hoofd van een legercorps versloeg hij met +Caecina de Othoniani bij Bedriacum. Later beheerde hij met Caecina +de staatszaken voor Vitellius. In den oorlog tegen Vespasianus werd +hij gevangen genomen en gedood. + +Fabrateria vetus, volscische stad in Latium. Ten Zuiden hiervan is na +de verwoesting van Fregellae in 124 Fabrateria nova als rom. colonie +gesticht. + +Fabricii, hernicisch geslacht uit Aletrium. 1) C. Fabricius Luscinus +verhuisde omstreeks 300 naar Rome. Als consul streed hij in 282 +zegevierend tegen de Samnieten, Lucaniërs en Bruttiërs. Daarna werd +hij als gezant naar Tarentum afgevaardigd, doch daar wederrechtelijk +gevangen gehouden. In 280 streed hij onder den consul P. Valerius +Laevinus in den slag bij Heraclea tegen Pyrrhus. In 279 was Fabricius +als legaat in den slag bij Asculum (Ausculum). Daarna werd hij als +gezant tot Pyrrhus gezonden, met wien hij tot overeenstemming schijnt +gekomen te zijn; de vrede kwam echter niet tot stand, (zie Claudii +no. 5). In 278 was hij opnieuw consul. Hij ontving toen van 's konings +lijfarts een aanbod om den koning te vergiftigen, doch in plaats van +dit aan te nemen, gaf hij er den koning bericht van. In 275 was hij +censor en ging met gestrengheid alle noodelooze weelde tegen. Hij +stierf arm; de staat gaf aan zijne dochters een bruidschat.--2) +L. Fabricius bouwde in 62 den pons Fabricius van Rome naar de insula +Tiberina.--3) Q. Fabricius, volkstribuun in 57, deed een wetsvoorstel +tot terugroeping van Cicero, doch Clodius verhinderde de aanneming +er van.--4) A. Fabricius Veiento, z. Veiento (A. Fabricius). + +Fabula (palliata), z. Palliata. + +Fabula (praetexta), zie Praetexta (fabula). + +Fabula (togata), zie Togata no. 2. + +Fadii, plebejisch geslacht. 1) M. Fadius Gallus, een zeer geleerd +man en vriend van Cicero. Hij heeft een lofrede geschreven op Cato +Uticensis (45).--2) T. Fadius Gallus, volkstribuun in 57, deed +vruchtelooze pogingen om Cicero te doen terugroepen. Onder Cicero's +consulaat, 63, was hij quaestor te Rome geweest. + +Faenius Rufus (L.), praefectus annonae sedert 55 n. C., werd na den +dood van Burrus met Tigellinus praefectus praetorio (62). Hij was een +onbaatzuchtig man. In 65 nam hij deel aan de samenzwering van Piso, +en hoewel hij zijn medeplichtigen verried, werd hij toch omgebracht. + +Faesulae, ta Phaisyla, thans Fiesole, stad in het N. van Etruria, +nabij den Arnus (Arno). Hier hadden Catillina's benden hun kamp +opgeslagen. Onder Sulla werd er eene kolonie van gemaakt. + +Fagutal, een van de bergen van het Septimontium, zie Roma. + +Falacrinum, stad in het sabijnsche land, geboorteplaats van +Vespasianus. + +Falarica = Phalarica. + +Falces. Onder dezen naam verstaat men alle soorten van zeisen, +sikkels en snoeimessen. Falx supina is een groot gekromd mes, aan de +buitenzijde scherp (en dus als het ware achteroverliggend), waarmede +eene soort van zwaardvechters vochten, Thraces genoemd. Ensis falcatus +of ook hamatus is een kort zwaard, aan de punt sikkel- of eenigszins +haakvormig gekromd. Falces murales of asseres falcati waren lange +stelen of balken met sikkelvormige haken om de door den stormram +gebeukte muren te doen afbrokkelen. In den zeestrijd gebruikte men +gelijksoortige falces navales om het tuig der vijandelijke schepen +door te snijden. Currus falcati, zeisenwagens, zijn door Grieken en +Rom. nooit gebezigd. + +Falcidia (lex) testamentaria van den volkstribuun C. Falcidius, +40. Deze wet bepaalde dat de legaten bij testament nooit meer dan +3/4 van het vermogen mochten bedragen. + +Falerii, Phalerion, stad in het Z.O. van Etruria, wier inwoners, +de Falisci, waarschijnlijk verwant zijn met de Latijnen. Na den +val van Veii beginnen de oorlogen met Rome. Later sloten zij zich +bij Rome aan, tot ze in 293, toen het te laat was, tegen Rome partij +kozen. In 241, na den vrede met Carthago, stond de stad op, en werd in +6 dagen ingenomen en verwoest. De bewoners werden gedwongen, de hoogte +te verlaten en in de vlakte eene nieuwe nederzetting te stichten, +Aequum Faliscum, terwijl in de oude stad slechts de tempels bleven +staan. Iets verder af ligt Falerii Novi, dat later een colonie wordt, +en in den keizertijd gebloeid heeft. Als stichter van Falerii werd +Halesus (Falesus) aangenomen (z. a.). + +Falernus (ager), in het N. van Campania tusschen den mons Massicus en +de rivier Volturnus, zie ook Campania. De falernische wijn was beroemd; +hij was hooggeel van kleur, en moest noch te oud, noch te jong zijn; +op 15 jaar was hij het best. + +Falisci, zie Falerii. + +Falsum. Valschheid en vervalsching waren volgens het oudste rom. recht +slechts in enkele gevallen strafrechterlijk vervolgbaar, b.v. valsch +getuigenis; zij konden evenwel tot een civiele rechtsvordering +aanleiding geven. Sulla's lex Cornelia de falso stelde de aquae et +ignis interdictio op testament- en muntvervalsching. Later, vooral +onder de keizers, werden er veel meer valsche handelingen onder +strafwetten gebracht. + +Fama, eene godin, die losse en onzekere geruchten onder de menschen +verspreidt, personificatie van het loopend gerucht, waarvan geen +zegsman aan te wijzen is. Zij heeft vleugels, duizend oogen en duizend +monden, en heeft op hare afbeeldingen een spreektrompet voor den mond. + +Fannia (lex) sumptuaria van den consul C. Fannius Strabo, 161. Deze +wet bepaalde de sommen, die op gewone dagen en op feestdagen voor +een gastmaal mochten worden besteed. + +Fannii, plebejisch geslacht. 1) C. Fannius, volkstribuun 187, +werkte mede tot de veroordeeling van L. Corn. Scipio Asiaticus.--2) +C. Fannius Strabo, zoon van no. 1, consul in 161, was de ontwerper +der lex Fannia sumptuaria. Ook werden tijdens zijn consulaat de +grieksche philosophen en rhetoren uit Rome verbannen.--3) C. Fannius, +zoon van no. 2, was in 146 een der eersten, die de muren van Carthago +beklom; hij was volkstribuun in 142, consul in 122 door de hulp van +C. Gracchus, behoorde nochtans tot diens tegenstanders. Hij was een +schoonzoon van C. Laelius Sapiens. Hij was voorstander der stoicijnsche +wijsbegeerte en schreef annales, waarin hij vooral zijn eigen tijd +behandelde; verder stond hij bekend als redenaar.--4) M. Fannius was +in 80 praetor in het proces van Sex. Roscius Amerinus.--5) L. Fannius, +aanhanger van Sertorius, had de hand in het verbond tusschen dezen en +Mithradates.--6) C. Fannius, aanklager van P. Clodius Pulcher in 61, +tijdens het tweede driemanschap op de hand van Sex. Pompeius, later +aan de zijde van Antonius.--7) C. Fannius, in 59 als volkstribuun +ernstig tegenstander van Caesar's lex agraria.--8) Fannius Caepio, +wegens samenzwering tegen Augustus ter dood gebracht (22).--9) Fannius, +tafelschuimer en pruldichter, bediller van Horatius.--10) C. Fannius, +ten tijde van Traianus, schreef een werk over de terechtstellingen +onder Nero.--11) Fannia, eene vrouw te Minturnae, die Marius op zijne +vlucht herbergde.--12) Fannia, de dochter van P. Clodius Thrasea +Paetus en Arria minor, en de tweede vrouw van Helvidius Priseus +(z. Helvidii no. 3). Zij deelde tweemaal de ballingschap van haar +man. Onder Domitianus werd zij verbannen, en haar goederen verbeurd +verklaard. Na diens dood keerde zij naar Rome terug. + +Fanum (van fari), een door een formulier gewijde en met muren omgeven +plaats, heiligdom, tempel. + +Fanum Fortunae, aanzienlijke stad aan den Metaurus in Umbria in den +ager Gallicus, met een beroemden Fortuna-tempel. + +Farfar (Farfarus), zijtakje van den Tiber, in den ager Sabinus. + +Fasces, bundel roeden van olmen- of berkentakken, met een lederen +riem omsnoerd. In den bundel was ook de steel van een bijl gebonden, +doch zoo, dat het staal naar buiten stak. Dit zijn de fasces et +secures, die de lictoren der magistratus cum imperio droegen. Binnen +Rome echter lieten de consuls en praetoren de bijlen uit de bundels +weg. Bij strafoefeningen dienden de roeden tot geeseling, de bijl tot +onthoofding der veroordeelden. De lictoren droegen de bundels over den +linkerschouder. Ontmoette de overheidspersoon iemand van hoogeren rang +(bv. een praetor een consul of wel eene vestaalsche maagd), dan namen +de lictoren van den eersten hunne roeden van den schouder en lieten +ze zakken als teeken van eerbied (fasces submittere). + +Fascinus, -num, z. Baskania. + +Fasti, 1) f. dies, rechtsdagen, waarop de praetor de woorden do, +dico, addico, mocht uitspreken (zie praetor). In den rom. kalender +waren zij aangeduid met de letter F. Op een dies nefastus (N) mocht +dit niet. Een dies nefastus principio (NP) was vóór den middag N., +na den middag F. Zie ook Nefasti dies.--2) de romeinsche kalender, +d. w. z. de opteekening der dies fasti, nefasti, intercisi, comitiales, +met vermelding der op iederen dag vallende feesten, spelen en offers, +waarbij nog aanteekeningen gevoegd waren omtrent geschiedkundige +gebeurtenissen, en omtrent den op- en ondergang van verschillende +sterrenbeelden. Deze kalender werd opgemaakt door de pontifices; een +gedeelte daarvan, de dies fasti, is voor het eerst door Cn. Flavius +(zie Flavii no. 2) in 304 uitgegeven. Een dichterlijke bewerking heeft +Ovidius gegeven in zijn Fasti, die de eerste 6 maanden van het jaar +behandelen. Verder verdienen vermeld te worden de fasti Praenestini van +M. Verrius Flaccus (zie Verrius).--Een aanwijzing van de voornaamste +romeinsche vaste feest- en gedenkdagen ten tijde van Augustus vindt men +achter in dit werk.--3) de lijsten van jaarlijks wisselende ambtenaren +(fasti consulares, praetorii), van de priesters (fasti sacerdotales, +fasti fratrum arvalium), en van de in ieder jaar gevierde triumfen +(fasti triumphales). Van hetgeen nog uit de oudheid over is, zijn wel +het meest bekend de zoogenaamde Fasti Capitolini, een chronologische +lijst van de consuls, censoren, dictatoren en magistri equitum, die +in 34 aan den buitenmuur van de regia werd aangebracht. Later (in +12) werd een relaas van zegetochten (fasti triumphales of beter acta +triumphorum (zie acta)) op afzonderlijke pijlers hieraan toegevoegd. + +Fatui, Fatuae, misvormde en soms onnoozele menschen, die in de +huishouding der rom. grooten als huisnarren gebruikt werden. Dwergen, +nani, nanae, waren tot dit doel ook zeer in trek. + +Fatum, de uitdrukkelijk uitgesproken en onherroepelijke wil der goden +ten opzichte van den mensch, dus zijn geheel levenslot, gelukkig +of ongelukkig, in het bijzonder de dood. Het meervoud beteekent de +afzonderlijke beschikkingen van het noodlot betreffende een persoon +of zaak; ook = Parcae. Vgl. moira. + +Fatuus, naam van Faunus als orakelgevend god. De heiligdommen, waar +zijne orakels (droomorakels) gegeven werden, waren gewoonlijk in +boschrijke streken.--Volgens een verhaal zou hij zich eens door Numa +hebben laten dronken maken, en toen gedwongen zijn hem de geheimen +der godenwereld te openbaren. + +Fauna, zie Faunus en Bona Dea. + +Faunus, zoon van Picus, een oud-italisch veld- en boschgod, beschermer +van landbouw en veeteelt, en dus den menschen welgezind, hoewel hij +er vermaak in vindt hen in stille bosschen of in hun slaap (Incubus) +te plagen en te verschrikken. Als orakelgevend god wordt hij Fatuus +genoemd.--V. s. was hij een koning van Latium geweest, en door +Heracles gedood, toen hij dezen aan Mercurius wilde offeren, zooals +hij met vreemdelingen placht te doen.--Zijn voornaamste feest zijn de +Lupercalia (z. a.); een ander landelijk feest zijn de Faunalia, die +den 5den December werden gevierd; het was een dag van vroolijkheid, +waarop zelfs slaven en vee vrijheid genoten; men offerde bokken, +wijn, melk en wierook. F. had een tempel op de Insula Tiberina, +z. Domitii no. 2. Zijn dienst werd in den keizertijd verdrongen +door dien van Silvanus.--Nevens hem staat Fauna (Fatua), eene godin, +die dezelfde eigenschappen heeft als hij, en zijne vrouw of dochter +genoemd wordt. Faunus werd reeds vroeg voor denzelfden gehouden en +eveneens afgebeeld als Pan, en onder den invloed van deze meening +sprak men ook van Fauni, soms kinderen van hem en Fauna genoemd, +en ongeveer gelijk aan de grieksche satyrs. + +Fausta, 1) dochter van L. Cornelius Sulla. Zij is driemaal gehuwd +geweest, de tweede maal met T. Annius Milo.--2) de gemalin van +Constantijn den Gr., die door hem in 326 n. C. gedood werd. + +Faustina, naam der gemalin van Antoninus Pius en van hare dochter, de +gemalin van Marcus Aurelius. Beiden waren vrouwen van een losbandig +karakter. Ter eere van de eerste Faustina wijdde Antoninus Pius in +141 een tempel aan de Via Sacra te Rome, die na zijn dood ook aan +hem werd gewijd. Een deel van den tempel bestaat nog. + +Faustulus, de herder, die de kinderen Romulus (z. a.) en Remus vond, +en aan zijn vrouw Acca Larentia (z. a.) bracht. + +Faventia, thans Faënza, stad in Gallia Cisalpina, aan de via Aemilia +gelegen. + +Favonius (M.), bewonderaar en naäper van Cato van Utica, tegenstander +van het eerste driemanschap, vooral van Pompeius toen deze machtig +was, hoewel hij na diens vlucht toch zijne zijde koos. Na Pompeius' +dood schonk Caesar aan Favonius vergiffenis; doch deze sloot zich +later bij Caesars moordenaars aan, werd in den slag bij Philippi (42) +gevangen genomen en op last van Octavianus omgebracht. + +Favonius, de Westenwind, later de Noordwestenwind. Met het waaien +van dezen zachten wind begint in Italië de lente (1ste helft van +Februari). In Zwitserland Föhn geheeten. Zie Windstreken. + +Favorinus, Phaborinos, rhetor onder keizer Hadrianus, uit Arelate in +Gallië, leerling van Dio Chrysostomus en bevriend met Plutarchus en +Fronto, schrijver van verschillende grieksche werken over allerlei +onderwerpen. + +Febris, koortsafwerende godin, die te Rome drie tempels had, waar +genees- en toovermiddelen tegen de ziekte te verkrijgen waren. + +Februus, oud-italisch god der lijkoffers, die aangeroepen werd om de +Larvae of spoken van de menschen af te houden. Naar hem was de maand +Februarius genoemd, waarin men na de Lupercalia geen vroolijk feest +vierde en niets van belang begon. V. a. was die maand genoemd naar +de februa, zie Lupercalia. + +Feciales = Fetiales. + +Felix, agnomen van L. Cornelius Sulla (Cornelii no. 52).--Felix +(Antonius), zie Antonius Felix. + +Felsina, oude naam van Bononia (Bologna), toen de Etruscers nog in +het Po-dal woonden. + +Fenestella (C.), ten tijde van Augustus en Tiberius, geschiedkenner +en annalist. + +Fenni, de Finnen. Ze worden door Tacitus geschilderd als een wild +volk, dat uitsluitend van de jacht leeft, en slechts hutten kent +van rijshout. + +Fennius Rufus, zie Faenius Rufus. + +Fenus (van den stam fe- = phyo, evenals tokoi van tikto). De +rentevoet was oudtijds zeer hoog, wat in verband stond met het +gevaar, uitgeleende geldsommen te verliezen. Bij de Grieken is ons +niets bekend van wettelijke regeling dezer zaak; bij de Rom. vindt +men de eerste bepaling aangaande rente in de wetten der twaalf +tafelen. Deze wetten stelden een fenus unciarium als wettig maximum +vast. Waarschijnlijk beteekent dit, dat de rente 1 uncia van de as += 1/12 (= 8 1/3 %) bedroeg voor het jaar van 10 maanden, zoodat de +rente per 12 maanden 10 % is. Doch hetzij de wet niet streng genoeg +was, hetzij men ze wist te ontduiken, men hield zich er niet aan, +althans in 357 achtten de volkstribunen M. Duillius en L. Maenius +(Menenius) het noodig, nogmaals het fenus unciarium door eene wet +vast te stellen, en de plebs nam de lex Duillia Maenia (Menenia) +gretig aan. Tien jaar later werd de wettelijke rente met de helft +verminderd, fenus semiunciarium. Het doel schijnt te zijn geweest, +door lagen rentevoet de menschen af te schrikken, geld tegen rente +uit te leenen; althans de lex Genucia ne fenerare liceret, van den +volkstribuun L. Genucius, in 342, verbood dit geheel en al. Maar men +kon het schulden maken niet voorkomen, het handelsverkeer werd door de +wet bemoeilijkt, zij was niet te handhaven, en de woeker herleefde, +in weerwil van nog verschillende wetten. Sulla hernieuwde de wet van +357, zie Corneliae (leges) van L. Cornelius Sulla, 88, no. 6. Het +handelsverkeer met Griekenland en het Oosten bracht eene nieuwe +renteberekening in zwang, n.l. met maandelijksche centesimae. De +usura centesima was 1 % 's maands, usurae semisses 1/2 %, trientes +1/3 %, quadrantes 1/4 %, sextantes 1/6 %, unciae 1/12 %. Interest op +interest heette anatocismus, anatokismos. Bankinstellingen waren den +Rom. niet onbekend; in 352 werd tijdelijk eene staatsbank opgericht +onder beheer van quinqueviri mensarii. + +Feralia of parentalia, een feest te Rome ter eere der afgestorvenen, +wier geesten, naar men geloofde, in die dagen hunne oude woonplaatsen +mochten bezoeken. Het feest begon 13 Februari en duurde negen +dagen. Men bracht offers aan de schimmen van bloedverwanten en +versierde de graven. Zie ook Caristia. + +Ferentarii, lichte, ongeregelde troepen, die met werpschichten en +steenen gewapend waren en op de vleugels dienst deden en den strijd +openden. + +Ferentina, godin van het latijnsche verbond, dat zijne vergaderingen +placht te houden bij een aan haar gewijd bosch aan den voet van den +Albaanschen berg. + +Ferentinum, stad der Hernici, in Latium, een tijdlang in de macht +der Volscen. + +Ferentum, Ferentium, Ferentinum, stad in Zuid-Etrurië, geboorteplaats +van keizer Otho. + +Feretrius, bijnaam van Jupiter, wien de spolia opima gewijd +werden. Zijn tempel was door Romulus gebouwd en door Augustus +vernieuwd. + +Feriae werden vooral die godsdienstige feesten genoemd, die meer +dan één dag duurden. Feriae statae (stativae) waren feesten, die +jaarlijks op vaste dagen terugkeerden, conceptivae die, waarvan de +dagen ieder jaar door de pontifices worden vastgesteld en afgekondigd +(indicere). Dit zijn de landbouwfeesten, waarvan de viering van +den stand van het gewas afhankelijk is, o.a. de Sementivae, en de +Ambarvalia. Feriae imperativae zijn feesten, die ten gevolge van +buitengewone gebeurtenissen (overwinningen of prodigia) door den +senaat worden uitgeschreven, b.v. de supplicationes. + +Feriae Latinae, groote feesten op den Albaanschen berg ter eere +van Jupiter Latiaris. De viering behoorde plaats te vinden onder +voorzitterschap der consuls, zoodra mogelijk na de aanvaarding van +hun ambt. Waren zij verhinderd, dan werd er meestal een dictator voor +aangewezen. Rome was in die dagen bijna verlaten (zie ook praefectus +urbi). + +Feronia, italische godin, vooral vereerd aan den voet van den berg +Soracte, waar haar de eerstelingen der veldvruchten geofferd werden +en druk bezochte markten gehouden werden. Zij was eene godin der +vrijheid, en slaven, die zich in haar tempel te Anxur (Tarracina) +het hoofdhaar lieten afscheren, werden vrij. Ook een bron bij Anxur +was haar gewijd.--V. s. is zij dezelfde als Persephone. + +Feroniae lucus, heilig woud met drukke marktplaats bij de etruscische +stad Capena aan den voet van den berg Soracte. Ook bij Anxur in Latium +lag een bosch aan Feronia gewijd. + +Fescennium, oude stad der Falisci, in Zuid-Etrurië, juiste ligging +onbekend; hiernaar hebben de versus Fescennini, boertige, niet altijd +kiesche bruiloftsliederen, hun naam. + +Festi (dies) waren dagen, die aan eene godheid gewijd en dus feestdagen +waren. Gewone dagen waren dies profesti. Van een dies intercisus of +naar een oudere schrijfwijze endotercisus, in den rom. kalender door +EN aangeduid, was het middelste gedeelte feestdag. + +Festuca, roedje, stokje, zie manumissio. + +Festus. 1) Porcius Festus, procurator van Judaea, opvolger van +Antonius Felix, 59-61 na C.--2) Sex. Pompeius Festus, taalkundige +waarschijnlijk uit de 3de eeuw n. C., schreef een werk in 20 boeken +de significatione verborum, ontleend aan een ouder en nog uitgebreider +woordenboek van Verrius Flaccus. Van het werk van Festus zijn slechts +groote brokstukken over; van het geheel bezitten wij een uittreksel, +door zekeren monnik Paulus Diaconus onder de regeering van Karel den +Gr. vervaardigd.--3) Rufus Festus, z. Rufus no. 3.--4) Rufus Festus +Avienus, z. Avienus. + +Fetiales, priestercollegie te Rome, welks taak het was, bij +oorlogsverklaringen, vredesverdragen en verbonden de voorgeschreven +godsdienstige plechtigheden te vervullen. Zoolang het rom. gebied +nog klein was, werden zij ook als herauten uitgezonden, om van de +naburen herstel van grieven te vorderen (clarigatio) of den oorlog +te verklaren, waartoe zij naar de grenzen gingen en een werpspies +in het vijandelijke land slingerden. Toen het Rom. gebied hiertoe te +groot werd, werd de vijandelijke grond voorgesteld door eene mand met +aarde, bij den tempel van Bellona geplaatst (zie columna bellica). De +woordvoerder der fetiales werd pater patratus genoemd. Zij waren als +gezanten onschendbaar, en droegen, wanneer zij eene zending vervulden, +takken van heilig loof (verbena) of heilige kruiden (sagmina), op +het Capitool geplukt. + +Fibrenus, riviertje in Latium, bij Arpinum. Juist daar, waar het in +den Liris uitstroomt, lag het ouderlijk huis van Cicero. + +Fibula, perone, porpe, gesp, nestel. Terwijl in het Myceensche +tijdperk de kleederdracht meer overeenstemt met de tegenwoordige, +vindt men reeds in het Homerische tijdperk en verder gedurende de +geheele oudheid een wijze van kleeding, die van de onze geheel afwijkt; +de meeste kleeren worden eenvoudig omgeslagen om het lichaam, en dan +op één of beide schouders of op de borst met een gesp of nestel, het +best te vergelijken met onze veiligheidsspeld, vastgestoken. Alleen +bij de toga is de fibula niet in gebruik. Ook als ceintuurgesp en +als haarnaald komt de fibula voor. + +Ficana, stadje in Latium aan de via Ostiensis, door Ancus Marcius +verwoest. + +Ficul(n)ea, latijnsch stadje, verwoest door Tarquinius Priscus. + +Ficus Ruminalis, zie Rumina. + +Fidenae, Phidenai, stad in Latium, 8 kilometer ten Noorden van Rome, +op een rots aan den Tiber, tegenover de Cremera-beek gelegen. De stad +hoorde oorspronkelijk tot het bondgenootschap van Alba (de populi +Albenses), maar sloot zich meestal bij Veii aan, tot ze in 426 (door +den dictator Mam. Aemilius Mamercinus) veroverd en vernietigd werd. + +Fidentia, rom. kol. in Gallia Cispadana aan de via Aemilia, tusschen +Parma en Placentia. + +Fides, godin der goede trouw, afgebeeld als eene ernstige vrouw, in +het wit gekleed, gekroond met olijf- en laurierbladeren, met een korf +met vruchten of korenaren in de hand. Zij had verscheiden tempels +te Rome; in den oudsten, die bij het Capitolium lag en volgens de +sage door Numa gewijd was, werd zij als F. publica populi Romani +vereerd. In werkelijkheid is de tempel eerst gebouwd in 254 of 250, +maar de dienst was ouder. Haar wezen was verwant met Dius Fidius +(z. a.). Het zinnebeeld der trouw waren twee in elkaar gelegde handen. + +Fidius, z. Dius Fidius. + +Fiducia is eene zaak van vertrouwen, een nevencontract bij de +vrijwillige overgaaf van iets, waarbij de ontvanger beloofde, het +ontvangene terug te zullen geven. Zoo verkoopt een vader, die zijn +zoon wil emancipeeren, dezen driemaal aan een pater fiduciarius, +onder belofte, dat deze hem telkens weder zal vrijlaten. Ook gebeurde +het wel, dat een erflater zijne nalatenschap geheel of ten deele +door een schijnkoop aan een ander verkocht, onder belofte, dat de +emptor fiduciarius over de erfenis volgens den wensch des erflaters +zou beschikken. Dit middel werd te baat genomen om zekere gedeelten +eener erfenis te doen uitkeeren aan personen, die naar de wet geen of +slechts een beperkt erfrecht hadden, b.v. vreemdelingen en vrouwen. Het +nakomen van zulk eene belofte was wel een heilige plicht, doch het +strenge oude recht gaf geene dwangmiddelen aan. Ook bij het geven van +onderpand kwam fiducia te pas, n.l. dat de pandnemer bij aflossing +der schuld het pand zou teruggeven. Hier echter was, bij weigering, +eene actio fiduciae mogelijk. Als rechtsterm komt fiducia ook wel in +de beteekenis van pand voor. + +Figulus, familienaam in de gens Marcia, z. Marcii no. 12 en 13. + +Figulus (P. Nigidius), zie Nigidius. + +Fimbria, familienaam in de gens Flavia, z. Flavii no. 3-5. + +Firmicus Maternus (Julius), schreef eerst als Neo-Platonicus een werk +over astrologie (matheseos libri) in 337 n. C. verschenen. Later ging +hij tot het Christendom over en schreef een werk de errore profanarum +religionum, dat aan de keizers Constantius en Constans was opgedragen, +en waarin hij hen aanspoorde de heidenen te vervolgen. + +Firmum, zeestad en lat. kolonie (sedert 264) in Picenum. + +Firmus (Claudius), papyrusfabrikant in Alexandrië, maakte oproer onder +de regeering van keizer Aurelianus (273 n. C.); het oproer werd echter +spoedig gedempt en Firmus gedood. + +Fiscus, eigenlijk een uit biezen of teenen gevlochten mand tot +verschillend gebruik. Het schijnt, dat de Rom. geldmanden gebruikten +in plaats van geldkisten; althans wij vinden fisci ook gebezigd +tot verzending van geld, evengoed als tot bewaring er van. Vandaar +beteekent fiscus ook wel de schatkist van den staat = aerarium. Onder +de keizers krijgt fiscus, in tegenstelling van aerarium, de beteekenis +van private kas des keizers, waarin ten laatste de meeste belastingen +gestort werden. Eindelijk neemt het woord ook de beteekenis aan van +opbrengsten aan den fiscus, dus van belasting. + +Flaccus, familienaam in de gentes Fulvia (z. Fulvii no. 4-9) en Valeria +(z. Valerii no. 19, 20, 22-25, 41). Ook de dichter Horatius droeg +dezen naam. + +Flagellum, flagrum. Een flagellum was een geeselwerktuig, bestaande +uit touwen met knoopen er in, die aan een steel bevestigd waren; een +flagrum had kettingen met ijzeren knoppen er aan. Flagellum caedit, +secat, scindit; flagrum pinsit, rumpit. + +Flamen. De flamines te Rome waren 15 in getal, priesters van even +zooveel godheden. Er waren drie flamines maiores, priesters van +Jupiter, Mars en Quirinus, flamen Dialis, Martialis, Quirinalis. De +overige waren minores, zooals de fl. Volcanalis, Carmentalis, +Floralis, Pomonalis, enz. De voornaamste was de fl. Dialis, die de +toga praetexta, de sella curulis en een lictor had en ook zitting had +in den senaat. In zijn openbaar en huiselijk leven was hij aan een +groot aantal dikwerf lastige voorschriften gebonden. Hij mocht geen +leger onder de wapenen zien, geen knoop of ongebroken ring hebben, +daar dit zinnebeelden van slavernij waren. Elke dag was voor hem een +feestdag; hij mocht dus geen menschen aan den arbeid zien, en wanneer +hij over de straat ging, liepen praeclamitatores voor hem uit en +riepen den menschen toe, hun werk te staken tot de priester voorbij +was. Zijne vrouw, flaminica Dialis, was priesteres van Juno. Zijn +huwelijk moest per confarreationem gesloten zijn; echtscheiding was +hem verboden; stierf zijne vrouw, dan moest hij zijne waardigheid +nederleggen. Sedert den dood van L. Cornelius Merula in 87 (Cornelii +no. 44) is dit ambt 75 jaar lang onbezet gebleven. Na Caesars dood +werd een flamen Caesaris gekozen; de vergode keizers kregen ook +ieder hun flamen. De naam werd door de ouden afgeleid van filum, +draad, omdat de flamines nooit zich geheel blootshoofds aan het volk +mochten vertoonen, en derhalve, wanneer zij niet de priestermuts +(apex, albogalerus) droegen, zich een wollen draad om het hoofd +wonden. Tegenwoordig leidt men het woord af van flare = aanblazen +van het offervuur. De keus was in de hand van den pontifex maximus; +de voorgedragene werd comitiis calatis aangenomen en gewijd. Weigering +baatte niet veel. De benoeming was voor het leven, doch zoo men tegen +de voorschriften zondigde, moest men het ambt nederleggen. + +Flaminia (lex) van den volkstribuun C. Flaminius in 232, ter verdeeling +van gronden in Picenum en Gallia onder arme rom. burgers. Zie +Agrariae leges. + +Flaminia (via), van Rome naar Ariminum (Rimini) (z. Flaminii no. 1 +en 2). + +Flaminica, echtgenoote van een flamen. + +Flaminii, plebejisch geslacht. 1) C. Flaminius, volkstribuun in 232, +dreef onder hevigen tegenstand van den senaat zijn akkerwet door +(zie lex Flaminia). Als praetor van Sicilia (227) maakte hij zich +daar zeer bemind. In 223 was hij consul en versloeg de insubrische +Galliërs aan den Addua (Adda), en bracht den oorlog ten einde, zonder +zich aan het senaatsbesluit, dat hem terugriep, te storen. In 220 was +hij censor, legde de via Flaminia aan (zie echter no. 2) en bouwde +in den campus Martius te Rome den circus Flaminius. In 217 was hij +andermaal consul, doch verliet Rome om het bevel tegen Hannibal op zich +te nemen, alvorens aan al de voorgeschreven vormen en plechtigheden +te hebben voldaan. Bij het meer Trasimenus door Hannibal in eene +bergengte gelokt en ingesloten, sneuvelde hij met het grootste deel +van zijn leger.--2) C. Flaminius, zoon van no. 1, streed in Hispania +(210) onder P. Cornelius Scipio (den lateren Africanus maior), en +later als praetor in 193. In 187 was hij consul. V. s. was hij de +aanlegger van de via Flaminia.--3) C. Flaminius was in 67 aedilis +curulis, in 66 index quaestionis inter sicarios.--4) C. Flaminius, +een van de deelnemers aan de samenzwering van Catilina. Bij hem hield +Catilina zich na zijn vlucht uit Rome eenigen tijd op in agro Arretino. + +Flamininus, familienaam in de gens Quinctia, z. Quinctii no. 8 en 9. + +Flammeum,--eigenlijk een adjectief, waarbij het subst. velum moet +gedacht worden--bruidssluier, rood of hooggeel van kleur en van groote +afmetingen, zoodat hij tot op de voeten hing. Aldus gesluierd, werd +de bruid naar de woning van den bruidegom geleid, waar deze haar van +het flammeum ontdeed. Schertsend bij dichters: flammea conterere, +bruidssluiers verslijten = hertrouwen. Ook de flaminica droeg, als +ze in functie was, een flammeum. + +Flavia (lex), z. Flavii no. 6 en Agrariae leges. + +Flavii, een plebejisch geslacht, afkomstig uit Etruria. Echter +komen onder dezen naam ook familiën voor uit andere streken van +Italia. 1) M. Flavius, volkstribuun in 327 en 323, stelde in 323 +voor, de bevolking van Tusculum voor haar ontrouw voorbeeldig te +straffen. Tusculum had zich namelijk bij de Samnieten aangesloten. Door +smeekbeden bij het volk slaagden de Tusculaners er in, het onweder +af te wenden.--2) Cn. Flavius, zoon van een vrijgelatene, scriba +of klerk bij den aedilis App. Claudius Caecus, werd door hem in den +senaat opgenomen en wist zich voor het jaar 304 tot aedilis curulis +te doen verkiezen. In deze hoedanigheid maakte hij een rechtskalender +openbaar, waarin zoowel de rechtsdagen (dies fasti) waren aangewezen, +als ook een aantal vormen en formules (legis actiones), die men in +acht moest nemen bij het aanbrengen en behandelen van verschillende +zaken. Deze verzameling, die door hem op houten borden (alba) op het +forum werd openbaar gemaakt, draagt den naam van ius Flavianum.--3) +C. Flavius Fimbria, een homo novus, consul in 104. Hij werd later +wegens afpersingen aangeklaagd, maar vrijgesproken.--4) C. Flavius +Fimbria, aanhanger van Marius en Cinna, zoon van no. 3, liet in +86 in Asia, als legaat van den consul L. Valerius Flaccus, dezen +vermoorden om zelf het bevel te kunnen voeren. Vervolgens voerde hij +niet zonder geluk en beleid den oorlog tegen Mithradates, totdat in +85 Sulla in Asia kwam. Na vergeefsche pogingen om Sulla uit den weg +te ruimen door zijn eigen troepen verlaten, liet hij zich door een +slaaf dooden (84).--5) Flavius Fimbria, broeder van no. 4, streed +onder den consul C. Norbanus in 83 tegen Sulla. Hij stierf door +sluipmoord.--6) In Cicero's tijd komen nog een aantal Flavii voor, +als L. Fl., rom. ridder, getuige tegen Verres,--L. Fl., praetor in 59, +een vriend van Cicero, in 60 als volkstribuun voorsteller eener lex +agraria ten gunste van Pompeius' veteranen, welke wet echter niet tot +stand kwam,--C. Fl., een vriend van Cicero's schoonzoon Piso,--C. Fl., +een vriend van Brutus, bij Philippi gesneuveld.--7) Flavius Scaevinus, +senator tijdens keizer Nero, nam aan de samenzwering van Piso deel +(65).--8) Uit de gens Flavia waren ook de drie achtereenvolgende +keizers Vespasianus, Titus en Domitianus; de laatste wordt dichterlijk +Flavius ultimus geheeten.--9) Flavius Clemens, z. Vespasianus aan +het slot.--10) Flavius Sabinus, z. Sabinus no. 3. + +Flavius Josephus, Iosephos, in 37 na C. uit een joodsch +priestergeslacht te Jerusalem geboren. Hij genoot eene geleerde +opvoeding, ging vervolgens naar Rome, waar hij de gunst verwierf van +Nero's gemalin Poppaea Sabina; na zijn terugkeer brak weldra de opstand +zijner landgenooten uit, waarbij hij zich aansloot. Hij organiseerde +den opstand in Galilaea, maar werd na de inname van de vesting Iotapata +gevangen genomen. Later door Vespasianus in vrijheid gesteld, woonde +hij het beleg van Jerusalem door Titus bij, en wijdde zijne verdere +dagen te Rome aan de wetenschap. Hij heeft o. a. eene geschiedenis +van den joodschen oorlog geschreven, en eene joodsche geschiedenis +van de schepping tot 66 na C. Van belang is ook zijn geschrift contra +Apionem (z. Apion) of: Peri tes ton Ioudaion archaiotetos, waarin +hij de aanvallen van verschillende schrijvers tegen het Jodendom +tracht te weerleggen, en de oude en hooge beschaving van het oude +volk tracht te bewijzen. + +Flavus, broeder van den vorst der Cheruscen Arminius, diende in het +rom. leger. + +Flevo lacus, het meer Flevo, waaruit later de Zuiderzee is +ontstaan. Door dit meer liep de noordelijke Rijnarm, die zich door +het Flevum ostium (het Vlie) in zee stortte. + +Flora, godin der bloemen en der lente, wier dienst door Titus Tatius +ingevoerd was, had een tempel bij den Circus Maximus. Men hield haar +voor dezelfde als Chloris. + +Floralia, Flora-feesten van 28 April tot 1 Mei. Zij komen het eerst +voor in 238, bij de inwijding van den tempel van Flora. Sedert 173 +worden zij jaarlijks gevierd, z. Ludi. Alles werd op dit feest met +bloemen versierd, terwijl men zich aan dartele, uitgelaten vroolijkheid +overgaf. De vrouwen droegen op die dagen bonte kleeren. + +Florentia, thans Florence, ital. Firenza, stad en rom. kolonie in +Etruria, aan den Arnus (Arno). + +Florus, schrijver van een Epitome rerum Romanarum, een beknopt +overzicht der rom. geschiedenis van den koningstijd tot Augustus. Hij +leefde ten tijde van Hadrianus en is dus waarschijnlijk identisch +met P. Annius Florus, een dichter, die met keizer Hadrianus bevriend +was. In dat geval is de naam Julius Florus van het beste handschrift +verschreven voor Publius, en Anneus (Annaeus) van de andere voor +Annius.--Onder de vrienden van den dichter Horatius komt een +Julius Florus voor, die Tiberius tweemaal op zijne krijgstochten +vergezelde. Quinctilianus spreekt van een beroemd redenaar Julius +Florus uit Gallia, terwijl in den gallischen opstand tijdens de +regeering van Tiberius een derde Julius Florus als een der heftigste +opstandelingen wordt genoemd bij de Treviren (21 n. C.). Toen de +opstandelingen verslagen waren, maakte hij zich van kant. + +Focus, hestia, de haardstede, eenvoudig bestaande uit eene ijzeren +plaat of een steenen vloertje, waarop het vuur brandde, was eene +heilige plaats. De vluchteling, die zich daar nederzette, was +onschendbaar. Als de algemeene focus der stad Rome gold de tempel +van Vesta, Hestia. + +Foedus, z. Civitates foederatae. + +Foedus ferire, icere. Deze uitdrukkingen komen hier vandaan, dat bij +het bezweren van een verdrag, de woordvoerder der fetiales (z. a.), +de pater patratus, met een steenen hamer een big doodsloeg, met de +bede, dat het rom. volk, zoo het willens en wetens valschelijk tegen +het verdrag handelde, door Jupiter evenzoo mocht getroffen worden. + +Foenus = Fenus. + +Fonteii, plebejisch geslacht uit Tusculum. 1) Ti. Fonteius (Crassus) +was in 212, toen P. en Cn. Cornelius Scipio in Hispania sneuvelden, +legaat van den eerstgenoemden en voerde met L. Marcius Septimus +(Marcii no. 17) het bevel over het leger tot aan de komst van P. Scipio +(Africanus maior).--2) Fonteius werd in 91 als legaat met den proconsul +Servilius door eene bende uit Asculum vermoord. Dit was het signaal +voor het uitbreken van den bondgenootenoorlog.--3) M. Fonteius, +zoon van no. 2, was legaat in Hispania, en later propraetor in Gallia +Narbonensis geweest, toen hij door M. Plaetorius van afpersingen werd +beschuldigd (69). Cicero verdedigde hem, waarschijnlijk tevergeefs.--4) +P. Fonteius adopteerde P. Clodius Pulcher, opdat deze volkstribuun +zou kunnen worden.--5) C. Fonteius Capito herstelde te Brundisium met +Maecenas de verstandhouding tusschen Octavianus en Antonius (37). De +dichter Horatius maakte de reis daartoe mede.--6) C. Fonteius Capito, +consul 12 na C., vervolgens (23/24) proconsul in Asia.--7) Fonteius +Agrippa, onder Vespasianus proconsul in Asia (68 n. C.), vervolgens +in Moesia (69), sneuvelde tegen de Sarmaten. + +Forceps, tang of Forfex, schaar. In de krijgskunst verstond men +hieronder eene slagorde in den vorm eener V, die men aan den cuneus +of wigvormige slagorde van den vijand tegenoverstelde. In den slag +bij Cannae voerde Hannibal deze manoeuvre uit tegen den cuneus der +Romeinen, maar hij misleidde den vijand door in den beginne zijn +centrum te laten vooruitrukken, en eerst in de hitte van den strijd +zijn flanken zoodanig te laten zwenken, dat de forfex tot stand kwam. + +Fordicidia, feest op 15 April gevierd. Op het Capitolium en in iedere +curia werd eene drachtige koe, vacca forda, aan Tellus geofferd. Het +ongeboren kalf werd tot asch verbrand, die door de Vestaalsche maagden +bewaard werd om bij de Palilia tot reinigingsmiddel te dienen. + +Forentum, liefelijk gelegen stadje aan den berg Vultur, op de grens +van Apulia en Lucania, ten Z. van Venusia. + +Forfex, z. forceps. + +Formiae, Phormiai, stad in het land der Aurunci in zuidelijk Latium +aan de via Appia en aan zee gelegen, in 188 door het plebiscitum +Valerium met het volledig burgerrecht begiftigd. De omstreken leverden +uitstekenden wijn en waren zeer gezocht voor buitenplaatsen. Ook +Cicero had er eene, zijn Formianum. + +Formio, kustriviertje t. Z. van Tergeste (Triest), ten tijde van +Varro de oostelijke grens van Italië. Augustus heeft Istria bij Italië +gevoegd, en de grens verschoven tot aan de Arsia. + +Formula, ingevoerd door de lex Aebutia van ± 200 en de leges Juliae +van Augustus, ter vervanging der oude legis actiones. De praetor +gaf aan den iudex een formulier, eene soort van instructie, waarin +hij aanwees, wat recht was en hoe de rechter uitspraak moest doen, +zoowel voor het geval, dat deze den klager in het gelijk, als dat +hij hem in het ongelijk stelde. Het definitief vaststellen van de +formula noemde men litis contestatio (z. a.), een naam ontleend aan +het oude legis actio-proces. De gevallen, waarvoor de praetor eene +formula gaf, stonden in diens edict vermeld. Voor de in iure cessio +en de processen der XViri en Centumviri bleven de vormen van het +legis actio-proces bestaan. + +Fornacalia, een feest, dat oudtijds te Rome gevierd werd door hen, die +gezamenlijk een oven (fornax) hadden voor het roosteren van de spelt, +farris torrendi feriae, hetgeen aan het stampen (pinsere) voorafging; +ook later, toen ieder een molen had, bleef het feest bestaan en +sprak men van een dea Fornax. Het feest werd in de afzonderlijke +curiae op verschillende dagen in Februari gevierd. Zij, die op dit +feest verzuimd hadden te offeren, of niet wisten tot welke curia zij +behoorden, konden dit verzuim herstellen op de Quirinalia, 17 Februari, +welke dag hierom feriae stultorum heette. + +Fornix, z. Arcus no. 2. + +Fornix Fabianus = Fabianus Fornix. + +Fortuna, ook Fors Fortuna, godin van het toeval, dat zoowel gelukkig +als ongelukkig zijn kan. Haar dienst was, naar men zeide, door Servius +Tullius ingesteld, die haar twee tempels gewijd had. Zij was oudtijds +vooral een landelijke godheid, en werd overigens het meest door vrouwen +vereerd, tegelijk met Mater Matuta en Pudicitia. Daar het lot van +den mensch voor een groot deel van het toeval afhangt, werd zij later +zeer algemeen vereerd, en had zij een groot aantal bijnamen, naar de +personen die, de plaatsen waar en de omstandigheden waaronder zij om +hare gunst baden, of naar de eigenschappen, die men haar toekende: +Publica, Privata, Patricia, Equestris, Virilis, Muliebris, Primigenia +(z. a.), Redux, Blanda, Dubia, Brevis, enz.--Later hield men haar +voor dezelfde als Tyche en werden haar ook dezelfde attributen gegeven. + +Fortunatae insulae, hai makaron nesoi, de plaatsen, waar volgens +grieksche opvatting de zielen der afgestorvenen, vooral der helden +en groote mannen, verblijf hielden, later geïdentificeerd met de +Canarische eilanden ten W. van Afrika. + +Forum, agora. Het forum bij uitnemendheid te Rome was het forum +Romanum, aan den voet van den Capitolijnschen berg gelegen en zich +uitstrekkende in Z. O. richting. Dit forum was het middelpunt van +het verkeer; dáár werden de rechtszaken behandeld, dáár waren de +wisselkantoren, dáár kon men op gezette tijden van den dag elkander +spreken. Tijdens den bloei der stad was dit forum omgeven met groote +gebouwen, als: het Vulcanal, den tempel der Concordia, de curia +Hostilia, de regia, waar de pontifex maximus woonde, den tempel van +Vesta, enz. Men vond er de rostra, de columna rostrata, den gulden +mijlpaal, milliarium aureum, standbeelden. Ten N. hiervan lag het +comitium, de plaats, waar oudtijds de curiaatcomitiën werden gehouden +(z. a.). Daar het plein op den duur voor het handelsverkeer te klein +werd, kwamen er van lieverlede andere marktpleinen (fora venalia) bij: +forum boaaium, suarium, piscarium, (h)olitorium (groenmarkt). Bovendien +legde Caesar ten N. van het forum Romanum een nieuw plein aan, +het f. Iulium of Caesaris, met een tempel van Venus Genetrix en +een beeld van Caesars paard. In aansluiting hieraan werden door +sommige keizers nog andere fora aangelegd, als: het forum Augusti, +het f. Vespasiani met den Vredestempel, het f. Nervae, en vooral +het prachtige f. Traiani, met het paard van Traianus, de grootsche +basilica Ulpia er aan grenzende en daarachter de Traianuszuil en de +tempel van Traianus.--In de rom. legerplaatsen had men ook een forum +naast (later vóór) de veldheerstent, bij de tenten der legaten.--In +de provinciën, en ook in Italia, hadden enkele plaatsen, die in het +bijzonder als marktplaatsen waren aangelegd (zie hieromtrent vicus +no. 3) den naam forum, o. a. Forum Appii, aan de via Appia in de +pontijnsche moerassen (Pomptinae paludes), Forum Clodii, in Liguria, +aan de kust, ten N. W. van Luca, Forum Iulii (Fréjus) op de kust van +Narbonensis, Forum Hadriani op het eiland der Batavieren. + +Fosi, germaansch volkje, verwant met de Cheruscers. + +Fossa, elke gracht of kanaal. Fossa Corbulonis, door Corbulo op +het eiland der Batavieren aangelegd ter verbinding van Rijn en +Maas waarschijnlijk de Vliet van Leiden naar Delft; Fossa Drusiana, +waarschijnlijk de Vecht, die bij Fectio (Vechten onder Bunnik) van +den (Krommen) Rijn afboog, en in den Flevo lacus, de latere Zuiderzee +uitmondde. Fossa Mariana, eigenlijk een nieuwe Rhônemond, door Marius +gegraven, ten O. der oude monden, die verzand waren. + +Framea, de lange, dunne lans, met smalle, scherpe ijzeren punt, +der Germanen. Ze gebruikten die zoowel om te werpen als om te stooten. + +Franci, het bekende germaansche volkenverbond der Franken, voor het +eerst vermeld omstreeks 240 na C. Het ontstond aan den Beneden-Rijn en +op onze grenzen uit de Sygambren, Bructeren, Chamaven, Chasuariërs of +Chattuariërs, Amsivariërs; hierin zijn later de Batavieren opgegaan. In +de 5de eeuw worden ze onderscheiden in de Salische Franken (zie Salii), +en de Ripuarische Franken (zie Ripuarii). + +Fregellae, volscische stad in Latium aan den Liris, door de Samnieten +± 330 verwoest, waarop de Romeinen in 328 op eenigen afstand bij den +overgang van den Liris een latijnsche colonie Fregellae stichtten, +hetgeen een van de oorzaken was van het uitbreken van den tweeden +samnietischen oorlog. Na den Caudijnschen vrede verwoest, wordt het +later weer opgebouwd, en een machtige stad, die Rome trouw terzijde +staat, tot de stad in 125 opstond en door den Praetor L. Opimius +verwoest werd. + +Fregenae, etruscische zeestad, op de grens van Latium, sedert 245 +rom. kolonie. + +Frentani, Phrentanoi, samnietisch volk aan de Adriatische zee. Hun +gebied grensde aan Apulia. + +Frento, grensriv. tusschen het land der Frentani en Apulia. + +Fretum Gaditanum, straat van Gibraltar. + +Fretum Siculum, straat van Messina. + +Frigidarium, de zaal voor koude baden in een rom. badhuis. Zie balneum. + +Friniates, zie Briniates. + +Frisiavones of kleine Friezen, de tegenwoordige Westfriezen; ze +behoorden tot het romeinsche rijk, en dienden in de rom. legers. + +Frisii, het bekende volk der Friezen, sedert Drusus schatplichtige +bondgenooten der Rom. In 28 n. C. stonden zij op, wegens de +afpersingen van den primipilus Olennius, die de schatting van +ossenhuiden moest invorderen. Zij versloegen den stadhouder van +Germania inferior, L. Apronius, doch werden in 47 door Cn. Domitius +Corbulo onderworpen. Later namen zij deel aan den bataafschen opstand +onder Civilis. + +Frontinus (Sex. Iulius), consul in 75, 98 en 100 na C., 76-77 proconsul +in Britannia, waar hij de Silures onderwierp. In 97 onder Nerva was +hij curator aquarum, eene aanzienlijke betrekking. Wij bezitten twee +geschriften van hem: Strategematon libri III (een vierde boek, dat +er bij gevoegd is, is niet van hem) en de aquis urbis Romae. + +Fronto (M. Cornelius), uit Cirta in Africa, beroemd redenaar en +advocaat onder Hadrianus en Antoninus Pius, leermeester van Marcus +Aurelius en L. Verus. De brieven en vertoogen, die nog van hem overig +zijn en die in 1815 door den kardinaal Angelo Mai te Milaan ontdekt +zijn, hebben door hunne droogheid en gebrek aan smaak 's mans roem +niet verhoogd. + +Frumentariae (leges), zie annona. + +Frusino, hernicische stad in Latium, een tijd lang in het bezit der +Volscen; na den opstand van 306 is het een praefectura (z.a.); het +lag aan de via Latina. + +Fucentia (Alba), zie Alba Fucentia. + +Fucinus lacus, een vrij groot meer zonder zichtbare uitwatering, in +het gebied der Marsen, een vergaderbak van bergriviertjes. Daar het +door zijne overstroomingen dikwijls groote schade aanrichtte, liet +keizer Claudius een afwateringskanaal (emissarius) door de bergen +boren. Dit werk gelukte niet, en spoedig raakte het kanaal weder +verstopt. In 1855-1875 heeft de italiaansche bankier prins Torlonia +een dieperen afvoertunnel doen boren, zoodat thans de bodem van het +meer grootendeels is drooggelegd en in bouwland herschapen. + +Fucus, blanketsel, was in de oudheid zeer in gebruik. De wenkbrauwen +werden zwart geverfd, met eene zwavelverbinding van antimonium, +de wangen rood met menie of met het sap eener zekere korstmosplant, +de huid werd wit gemaakt met cerussa of loodwit, psimythos, terwijl +de aderen aan de slapen blauw werden gekleurd. + +Fufia (lex) de auspiciis, zie servare de caelo. + +Fufia (lex) de religione. Toen P. Clodius Pulcher in 61 van +heiligschennis beschuldigd was, omdat hij in vrouwenkleederen de +aan mannen ontzegde sacra der Bona Dea had bijgewoond, en toen de +consuls hadden voorgesteld, de rechters door den praetor te doen +kiezen, stelde Clodius' vriend, de volkstribuun Q. Fufius Calenus, +voor, de rechters op een andere wijze te doen aanwijzen, in de hoop +dat er dan meer gelegenheid tot omkooping zou zijn, hetgeen gelukt is. + +Fufia (lex) iudiciaria, van denzelfden, doch als praetor, 59. Deze +wet bepaalde o.a., dat de drie decuriën van rechters (zie lex Aurelia +iudiciaria) in afzonderlijke bussen zouden stemmen. Ook stelde zij +vast, hoeveel helpers iemand mocht medenemen, die in eenige provincie +een onderzoek naar gepleegde afpersingen ging instellen. + +Fufidii, plebejisch geslacht, waarvan bij Cicero e. a. enkele leden +vermeld worden. + +Fufii, plebejisch geslacht, waarschijnlijk uit Cales. 1) Q. Fufius +Calenus, tegenstander van Tib. Sempronius Gracchus.--2) Q. Fufius +Calenus (zie de beide leges Fufiae) bewerkte de vrijspraak van +Clodius. Later bewees hij diensten aan Caesar, en was in Gallia en +Hispania diens legaat. In 47 was hij consul. Na Caesars dood sloot +hij zich bij Antonius aan. Hij stierf in 40.--3) Fufius Geminus, in +34 stadhouder van Pannonia onder Augustus.--4) Q. Fufius Geminus, +gunsteling van Livia, op bevel van Tiberius omgebracht (30 of 31 +n. C.). + +Fulcinii, plebejisch geslacht. C. Fulcinius, rom. gezant, werd in 438 +door de Fidenaten omgebracht. Onder keizer Tiberius komt een zekere +Fulcinius Trio als delator voor; o.a. klaagde hij in 16 n. C. Libo +(Scribonii no. 9), in 20 Piso (Calpurnii no. 7) aan; als vriend van +Seianus was zijn positie na diens val geschokt, en toen hem een proces +dreigde, benam hij zich het leven (35 n. C.). + +Fulgur condere, zie bidental. + +Fullo, voller, die kleederen wiesch en opmaakte. De stoffen werden +in groote kuipen met water, loog en urine gewasschen, waarbij het +stampen vervangen werd door treden met de bloote voeten. Dan werden +zij ingewreven met vollersaarde, creta fullonica, vervolgens gedroogd, +gezwaveld, gekaard, geborsteld en geperst. + +Fulvia (rogatio), de civitate sociis Italicis danda, wetsvoorstel +van M. Fulvius Flaccus (125), om het burgerrecht aan de italiaansche +bondgenooten te geven. Het werd niet aangenomen. + +Fulvii, plebejisch geslacht, waarschijnlijk uit Tusculum. 1) +M. Fulvius Paetinus, consul 299, versloeg de Umbriërs en veroverde +Nequinum (z. Narnia)--2) Cn. Fulvius Maximus Centumalus, versloeg +in 298 als consul de Samnieten bij Bovianum, en streed later als +propraetor tegen de Etruscers.--3) Cn. Fulvius Centumalus, overwon +als consul in 229 met een groote vloot de Illyriërs onder koningin +Teuta. Zijn zoon, die den zelfden naam draagt, sneuvelde in den +tweeden punischen oorlog te Herdonia tegen Hannibal (210).--4) +Q. Fulvius Flaccus, consul in 237, 224, 212, en 209, streed in zijne +eerste twee consulaten tegen de Galliërs en Liguriërs, in zijn derde +tegen den Carthager Hanno. In 211 veroverde hij met Appius Claudius +Pulcher (zie Claudii no. 8). Capua. Hij was pontifex maximus en in +210 dictator.--5) Cn. Fulvius Flaccus, broeder van no. 4, werd als +praetor door Hannibal te Herdonia in Apulië verslagen (212) en in het +volgend jaar veroordeeld tot ballingschap; hij ging naar Tarquinii.--6) +Q. Fulvius Flaccus, zoon van no. 4, in 182 praetor, in 181 propraetor +van Hispania Tarraconensis, beoorloogde de Celtiberiërs. In 179 was hij +consul en behaalde hij een overwinning op de Liguriërs. Later sloeg +hij in een vlaag van krankzinnigheid de hand aan zichzelf. Hij was +pontifex maximus en in 174 censor. Een neef van hem, ook Q. Fulvius +Flaccus geheeten, was consul suffectus in 180, en bracht 7000 Apuani +(z. a.) naar Samnium over.--7) M. Fulvius Flaccus, door Cicero een +middelmatig redenaar genoemd, consul in 125, aanhanger van C. Gracchus, +kwam met zijne beide zoons in 121 met Gracchus om. Van hem is de +rogatio Fulvia de civitate sociis Italicis danda, die echter niet +in stemming kwam (125).--8) Ser. Fulvius Flaccus, consul in 135, +versloeg de Illyriërs. Hij behoorde onder de redenaars.--9) C. Fulvius +Flaccus, consul in 134, streed tegen de opgestane slaven in Sicilia, +doch bracht den oorlog niet ten einde.--10) Ser. Fulvius Paetinus +Nobilior, consul in 225, versloeg met zijn ambtgenoot M. Aemilius +Paullus de Carthagers ter zee op hunne eigen kust bij het Hermaeische +voorgebergte, promunturium Mercurii 254, zij verloren echter daarna +hun vloot in een storm.--11) M. Fulvius Nobilior, streed als praetor +in 193 en volgende jaren in Hispania en overwon als consul in 189 +de Aetoliërs. In 179 was hij censor. Hij heeft fasti geschreven. Hij +was een vriend en beschermer van Q. Ennius, die hem in zijne annales +verheerlijkt heeft.--12) M. Fulvius Nobilior, zoon van no. 11, +consul in 159.--13) Q. Fulvius Nobilior, ook een zoon van no. 11, +consul in 153, verschafte aan Ennius het rom. burgerrecht in 184, +toen hij triumvir coloniae deducendae was. Hij was de eerste, die het +consulaat op den 1sten Januari aanvaardde.--14) Fulvia, dochter van +M. Fulvius Bambalio, was eerst gehuwd met P. Clodius Pulcher, later +met C. Curio en ten derden male met M. Antonius. Zij was eene hevige +vijandin van Cicero. Zij haalde in 41 haar zwager L. Antonius over, +oorlog met Octavianus te beginnen, bellum Perusinum, (zie Antonii +no. 4 en 6).--15) Fulvia, minnares van Q. Curius, zie Curii no. 2. + +Fundanii, plebejisch geslacht. 1) C. Fundanius Fundulus klaagde als +volkstribuun in 249 den consul P. Claudius Pulcher (Claudii no. 7) +aan, die tegen de auspicia met de Carthagers bij Drepana ter zee had +gestreden en verslagen was, en in 246 als aedilis plebis diens zuster, +omdat ze het volk hevig beleedigd had. In 243 streed hij als consul +tegen Hamilcar Barcas, en weigerde hem na den slag een wapenstilstand +voor het begraven der lijken.--2) C. Fundanius, eerst aanhanger +van Pompeius, ging tot de partij van Caesar over.--3) M. Fundanius, +in 66 door Cicero verdedigd. + +Fundi, municipium in Latium aan de via Appia, met cyclopische muren. In +188 kreeg het, met Formiae en Arpinum volledig burgerrecht. De omtrek, +ager Caecubus (z. a.), was beroemd om zijn voortreffelijken wijn. Nabij +Fundi lag een diep meer, lacus Fundanus genoemd. + +Furca, gaffel of gavel, groote tweetandige vork, als hooivorken, +enz.--Als strafwerktuig voor slaven is de furca een houten blok +in den vorm eener <, dat om den hals werd gelegd, terwijl de armen +aan de beide einden van den vork werden vastgebonden. Slaven, die +gekruisigd of gehangen moesten worden, werden zóó ter strafplaats +geleid; vandaar is furcifer als scheldwoord = galgebrok. + +Furia (lex) testamentaria, uit de eerste helft der 2de eeuw, dat +niemand een grooter legaat dan van 1000 as mocht aanvaarden, op straffe +van het meerdere vierdubbel te moeten teruggeven. Uitgezonderd zijn +de naaste bloedverwanten. + +Furia Atilia (lex) van de consuls L. Furius Philus en Sex. Atilius +Serranus in 136, dat de consul C. Hostilius Mancinus, die den +vernederenden vrede met de Numantijnen had gesloten, aan de vijanden +zou worden uitgeleverd. + +Furia Caninia (lex) de manumissionibus, onder Augustus, beperkte de +overdreven vrijlatingen van slaven bij testament. + +Furiae, z. Erinnyes. + +Furii, patricisch geslacht, uit Tusculum. 1) P. Furius Philus, +overwon als consul in 223 de Galliërs. Hij was in 214 censor, +doch stierf gedurende zijn ambt, waarop zijn ambtgenoot de censuur +nederlegde.--2) L. Furius Philus, consul 136. Zie lex Furia Atilia.--3) +Sp. Furius Medullinus Fusus, consul 481, streed gelukkig tegen de +Aequers.--4) Sp. Fur. Medullinus Fusus, consul 464, streed tegen de +Aequers met afwisselend geluk.--5) Agrippa Fur. Medullinus Fusus, +consul 446, versloeg de Volscers.--6) L. Fur. Medullinus, consul +413 en 409 en zevenmaal consulairtribuun, overwon de Volscers.--7) +L. Fur. Medullinus, leverde als legaat van M. Furius Camillus +tegen diens wil slag aan de Volscen en werd door Camillus nog +van den ondergang gered. In 381 waren beiden ambtgenooten als +consulairtribuun.--8) Sp. Fur. Medullinus, consulairtribuun in 378, +verwoestte het volscische land.--9) M. Furius Camillus, in 403 censor, +daarna bij herhaling consulairtribuun, in 396 dictator, behaalde +grooten roem in den strijd tegen de Faliscers en vooral in 396 door +de verovering van Veii. Van verduistering van buit beschuldigd, +ging hij in 391 in ballingschap. Toen echter Rome door de Galliërs +was ingenomen, riepen de belegerden op het Capitool zijne hulp in, +en benoemden hem, schoon afwezig, tot dictator. Den aftrekkenden +Galliërs bracht hij, volgens het latere verhaal, eene gevoelige +nederlaag toe, waarvoor hij den naam van pater patriae ontving. Hij +hield de verhuizing van het volk naar Veii tegen, liet Rome met +spoed herbouwen en legde zijn ambt toen neder. Later was hij nog bij +herhaling consulairtribuun en nog driemaal dictator. Hij versloeg de +Volscers, Aequers, Etruscers en in 367 nogmaals de Galliërs. In 365 +stierf hij aan de pest, 82 jaar oud. Veel van deze verhalen omtrent +Camillus worden door sommige geleerden voor verdicht gehouden. Aan +Camillus wordt een verandering in het krijgswezen toegeschreven, +zie Acies.--10) Sp. Furius Camillus, zoon van no. 9, was in 365 de +tweede praetor.--11) L. Furius Camillus, ook een zoon van no. 9, +was in 350 dictator, en weigerde toen hardnekkig, een plebejer tot +consul te laten kiezen, waarop hij zelf tot consul voor 349 gekozen +werd, met App. Claudius Crassinus (Claudii no. 4).--12) L. Furius +Camillus en C. Maenius, consuls in 338, genoten de zeldzame eer, dat +hun triumftocht over de onderworpen Latijnen door ruiterstandbeelden op +het forum vereeuwigd werd.--13) Een nazaat van deze Furii Camilli is: +M. Furius Camillus, consul 8 n. C., versloeg als proconsul van Africa +(17 n. C.) de Numidiërs, die onder leiding van Tacfarinas opgestaan +waren, en verwierf de insignia triumphalia.--14) Furius Camillus +Scribonianus, of L. Arruntius Camillus Scribonianus, consul 32 n. C., +liet zich als legatus Illyrici bij het begin van de regeering van +keizer Claudius door zijn troepen tot keizer uitroepen, maar werd +reeds binnen vijf dagen vermoord. In zijn val werd o.a. Caecina Paetus +meegesleept.--15) Verder vindt men onder de Furii nog de Aculeones,--de +Bibaculi, waaronder een zekere M. Fur. Bib., een dichter ten tijde +van Caesar, dien Horatius in zijn verzen bespotte; hij was te Cremona +geboren, hij was, evenals Catullus, een tegenstander van Caesar, +en ook van Augustus; beiden heeft hij in zijn epigrammen bespot,--de +Purpureones, waaronder L. Fur. Purpureo, die in 200 als praetor de +Galliërs overwon en in 196 consul was,--de Pacili, die ook nog een paar +consuls hebben opgeleverd, en de Crassipedes. Een dezer laatsten is +na den dood van C. Piso Frugi een tijd lang met diens weduwe Tullia, +Cicero's dochter, verloofd geweest.--16) A. Furius Antias, uit Antium, +vriend van Q. Lutatius Catulus (consul in 102), dichtte Annales. + +Furnii, plebejisch geslacht. 1) C. Furnius, volkstribuun in 50, +een vriend van Cicero, aanhanger van Caesar en later van Antonius, +vergezelde dezen in den parthischen oorlog en was in 35 stadhouder van +Asia. Hij verzoende zich later met Octavianus en was in 29 consul. Hij +had naam als redenaar.--2) C. Furnius, zoon van no. 1, onderwierp in +dienst van Augustus de Cantabriërs (25-23). + +Furrina, romeinsche godin, wier beteekenis reeds aan de ouden onbekend +was. Haar feest, de Furrinalia, werd den 25en Juli gevierd. + +Fustuarium, zware lijfstraf in het rom. leger. Wanneer door den +krijgsraad deze straf over een soldaat was uitgesproken, raakte zijn +centurio hem met een stok aan, waarop de andere soldaten met knuppels +en steenen zoo op den schuldige aanvielen, dat deze er meestal onder +bezweek. + + + + + + +G. + + +Gabali, Gabaleis, volksstam in Gallia Aquitanica, in de bergstreek, +waar de Oltis (Lot) en de Elaver (Allier) ontspringen. Zij waren aan +de Arverners onderhoorig. + +Gabii, Gabioi, oude en eenmaal machtige stad van Latium, volkplanting +van Alba Longa. Zij werd volgens de overlevering door Tarquinius +Superbus op verraderlijke wijze veroverd. Later heeft Rome met +Gabii een verbond gesloten, waarbij de burgers onder de cives Romani +werden opgenomen, maar Gabii zijn eigen gemeentebestuur behield. In +Cicero's tijd was het stadje geheel vervallen. De steengroeven +van Gabii leverden de bouwstof (tufsteen, bij de Rom. soms tophus, +tgw. peperino geheeten) tot den herbouw van Rome na den grooten brand +onder keizer Nero. + +Gabinia (lex) tabellaria van den volkstribuun A. Gabinius (139), +waarbij voor verkiezingen in de comitiën de geheime stemming door +middel van tabellae of tesserae werd ingevoerd. Zie Tabellariae +(leges). + +Gabiniae (leges) van A. Gabinius, volkstribuun in 67: 1) de uno +imperatore etc., om aan Pompeius het opperbevel op te dragen tegen de +zeeroovers;--2) de versura, misschien uit den tijd van zijn consulaat +(58), een verbod om te Rome aan civitates in de provinciën geld te +leenen. Deze wet is een doode letter gebleven. Men denke slechts aan +de woekerrente, die M. Brutus (Junii no. 9) te Salamis op Cyprus wist +te bedingen. + +Gabinii, plebejisch geslacht. De belangrijkste leden hiervan zijn: +1) A. Gabinius, volkstribuun in 139, de voorsteller der eerste +lex tabellaria.--2) A. Gabinius, aanhanger van Pompeius, en als +volkstribuun in 67 voorsteller der wet, om aan P. het opperbevel op +te dragen tegen de zeeroovers. In 66 was hij diens legaat in den +mithradatischen oorlog. In 58 was hij consul, in 57 ging hij als +proconsul naar Syria, dat hij schandelijk bestuurde, terwijl hij in +strijd met een senaatsbesluit Ptolemaeus Auletes op den troon van +Aegypte herstelde. Te Rome teruggekeerd, werd hij van verschillende +zijden aangeklaagd, maar met behulp van Pompeius ontkwam hij aan eene +veroordeeling wegens hoogverraad, doch niet wegens afpersingen. Na +Pompeius' dood kreeg hij van Caesar verlof uit zijne ballingschap +terug te keeren; hij diende Caesar vervolgens in Illyricum en stierf, +terwijl hij te Salonae door de Pompeiani belegerd werd (47), Cicero, +tot wiens verbanning hij had medegewerkt, was een verbitterd vijand +van hem, hoewel hij hem éénmaal verdedigd heeft. + +Gabinus cinctus, een bijzondere wijze om de toga op te schorten, zonder +van een gordel gebruik te maken. Hierbij werd de slip van de toga, +die anders over den linker schouder naar achteren werd geslagen, +strak om het middel getrokken, zoodat daardoor een gordel werd +gevormd, waardoor de plooien der toga omhoog konden worden gehaald +en dus opgeschort. Bij deze dracht bleven ook de armen vrij. Men +gebruikte ze bij bijzondere godsdienstige handelingen; waarschijnlijk +is ze uit Gabii overgenomen in den tijd, toen die stad nauw met Rome +verbonden was. Een oorlogskleed, waarvoor het vaak gehouden wordt, +is het nooit geweest. + +Gabreta silva, Gabreta hyle, in Germania, thans het Bohemerwoud. + +Gadara, ta Gadara, groote sterke stad in Palaestina ten Z. O. van +het meer Gennesareth. + +Gadera of Gades, ta Gadeira, oude volkplanting der Carthagers in +Baetica, thans Cadix. De Puniërs noemden het Gadir. In 206 sloot het +zich bij Rome aan, en werd het civitas foederata. Door Caesar werd +Gades met het burgerrecht begiftigd; het werd nu een municipium onder +den naam Augusta Iulia urbs Gaditana. + +Gadrosia, Gadrosia = Gedrosia. + +Gaea, Ge, Gaia, Ge de Aarde als godin. Zij is de oudste der goden, +daar zij onmiddellijk uit den Chaos ontstaan is, en heeft een zeer +talrijk kroost. Terstond na hare geboorte bracht zij Uranus, Pontus +en de bergen voort, daarna werd zij bij Uranus moeder van de Titanen, +Cyclopen en Hecatonchiren, bij Pontus van Nereus, Thaumas, Phorcys, +Ceto en Eurybia, uit het bloed van Uranus' (z. a.) wonden bracht zij +de Erinyen en Giganten ter wereld, terwijl ook de autochthonen als +hare kinderen beschouwd worden. Zij is de godin die alle leven doet +ontstaan, de menschen voedt en hen in hunne jeugd doet opgroeien +(Kourotrophos), maar die ook alles wat geleefd heeft weder in haar +schoot opneemt. Ook is zij eene orakelgevende godin en had zij het +eerst het orakel van Delphi bezeten. Later werden hare eigenschappen +grootendeels overgebracht op Rhea Cybele, Demeter, Hestia, e.a.--Bij +de rom. werd eveneens Tellus als godin vereerd. + +Gaesati, Gaisatai, keltische huursoldaten, die in 222 door den consul +M. Claudius Marcellus bij Clastidium (ten Z. van den Padus of Po) +verslagen werden. Zij droegen hun naam vermoedelijk naar eene soort +werpspies, gaesum, waarvan de Rom. zich ook wel bediend hebben. Het +waren Kelten van over de Alpen, die door de Galliërs uit de Po-vlakte, +vooral door de Bojers en Insubriërs, in dienst werden genomen. + +Gaesum, gaison, zie Gaesati. + +Gaesus of Gaeson, Gaison, rivier in Ionia, die bij kaap Mycale in +zee valt. + +Gaetuli, Gaitouloi, halfwilde inwoners van Gaetulia, een uitgestrekt +binnenland van Afrika, ten Z. van Numidia en Mauretania. + +Gaius, beroemd rom. jurist, uit den tijd van Hadrianus en de +Antonijnen, schrijver der bekende Institutionum libri IV, uitgegeven +in 161 n. C. en in 1816 door Niebuhr in de bibliotheek te Verona +ontdekt. Andere werken van hem zijn verloren gegaan. + +Gaius Caesar, zie Caligula. + +Galaesus, Galaisos, riviertje bij Tarentum. De schapen, die in de +weiden aan zijne oevers graasden, waren bekend om de fijnheid en +witheid hunner wol. + +Galanthis = Galinthias. + +Galatae, Galatai, zie Celtae. + +Galatea, Galateia, dochter van Nereus en Doris, z. Acis. + +Galatia, Galatia, ook Gallograecia geheeten, Galatia he Hellenis +(onder Galatia alleen kan ook Gallia worden verstaan), landschap in het +binnenland van Asia minor. Omstreeks 278 had Nicomedes I van Bithynia, +om zich tegen Pergamus en Syria staande te houden, drie kleine +rondzwervende gallische stammen in dienst genomen: de Tolistoboii, +de Tectosages en de Trocmi. Toen Nicomedes hen niet meer noodig had, +trokken zij een tijd lang al plunderend in Azië rond, tot het ± 235 +aan de naburen gelukte, hen in het naar hen genoemde Galatia bijeen +te drijven en daartoe te beperken. Tot Galatia behoorde destijds nog +een gedeelte van N.W.-Phrygia, van den mons Dindymus af, dat den +Galaten echter in 180 door de Rom. werd afgenomen. De hoofdsteden +waren: Pessinus, Ancyra (thans Angora) en Tavia. Zie Deiotarus. In 25 +werden Isauria en Lycaonia met Galatia tot ééne rom. provincie Galatia +vereenigd. Wanneer de apostel Paulus zijn brief richt tais ekklesiais +tes Galatias, dan zijn daarmede de gemeenten in dat deel van Lycaonia +bedoeld, dat in zijn tijd bij Galatia hoorde, n.m. Antiochia Pisidiae +of ad Pisidas (z. Antiochia no. 3), Iconium, Lystra en Derbe, waar +hij het Evangelie verkondigd had (46/47 n. C.). In het eigenlijke +Galatia vond men geen of weinig Joden, bij wie Paulus steeds het +eerst aanklopte, en eerst heel laat Christelijke gemeenten. Deze +meening wordt echter niet algemeen gedeeld. + +Galba, familienaam in de gens Sulpicia (Sulpicii no. 9, 11-17). + +Galba (Ser. Sulpicius), rom. keizer van Juni 68 tot Januari 69 na +C. Hij was van aanzienlijke geboorte en achtereenvolgens veldheer en +stadhouder aan den Rijn, in Africa, in Hispania. Toen de voornaamste +generaals besloten hadden aan Nero's gruwelen een eind te maken, +werd Galba tot keizer uitgeroepen. Door strengheid en door aan de +soldaten het gewone geschenk bij zijne troonsbeklimming te onthouden, +wekte hij verbittering. Salvius Otho maakte hij tot zijn vijand, door +C. Calpurnius Piso Licinianus (Calpurnii no. 13) als troonopvolger +aan te nemen. Galba's troepen werden door die van Otho verslagen en +hijzelf in een soldatenoproer vermoord (15 Jan.). + +Galea, helm. De rom. galea was van leder vervaardigd en voorzien van +stormbanden (bucculae) met metalen schubben. De centuriones droegen +er een vederbos (crista) op van roode of zwarte pluimen. + +Galenus (Claudius), Galenos, geb. 129 n. C. te Pergamus, studeerde in +zijne vaderstad, te Smyrna, Corinthe en Alexandrië in de geneeskunde, +en werd een van de beroemdste geneesheeren der oudheid. Sedert +162 leefde hij bijna voortdurend te Rome als lijfarts van Marcus +Aurelius, Lucius Verus en Commodus. Hij stierf omstreeks 200, en liet +een buitengewoon groot aantal (ongeveer 250) grootere en kleinere +geschriften na, waarvan vele nog bewaard gebleven zijn. Deze werken, +die voornamelijk de geneeskunde met hare hulpwetenschappen in alle +onderdeelen behandelen, hadden nog in de 16de eeuw groot gezag; van +vele bestaan latijnsche, arabische en hebreeuwsche vertalingen. Zijne +werken op wijsgeerig en grammatisch gebied, waarvan het meeste +verloren gegaan is, bevatten vele wetenswaardige bizonderheden over +de geschiedenis van die wetenschappen. + +Galepsus, Galepsos, stad op de chalcidische landtong Sithonia. + +Galerius, voluit C. Galerius Valerius Maximianus, uit Illyria, +schoonzoon van Diocletianus en door dezen 1 Maart 293 tot Caesar of +kroonprins aangenomen. Na den afstand van Diocletianus volgde hij dezen +in de waardigheid van Augustus op over de oostelijke helft van het rijk +(305 na C.). Hij stierf in 311 na C., na eerst een tolerantie-edikt +voor de Christenen te hebben uitgevaardigd. + +Galerius Trachalus, consul in 68 na C., een uitstekend redenaar. Men +zeide, dat hij de steller was der redevoeringen, die keizer Otho +uitsprak. + +Galerus, muts van bont of vilt, ook wel valsche haartooi van +vrouwen. Zie ook albogalerus. + +Galesus = Galaesus. + +Galilaea, Galilaia, het noordelijke gedeelte van Palaestina, ten +W. van den Jordaan en het meer Gennesareth. Dit gewest, dat door +de Israëlieten meer in naam dan in werkelijkheid veroverd werd, +en waar de kanaänietische stammen niet werden uitgeroeid, kreeg den +naam Gelil-hag-gojim, distrikt der heidenen, welke naam tot Galilaea +verbasterd is. Steden: Capharnaum, Magdala, Tiberias en Taricheae aan +het meer van Gennesareth, verder Sepphoris (Diocaesarea), Bethlehem, +Nazareth, Megiddo. Galilaioi noemt keizer Julianus de Christenen. + +Galinthias, Galinthias, dochter van Proetus, vriendin van Alcmene. Toen +Ilithyia op bevel van Hera de geboorte van Heracles belette, kwam +Gal. met uitgelaten vreugde verhalen, dat Alcmene reeds een zoon ter +wereld gebracht had, zoodat Ilithyia misleid werd en haar tegenstand +opgaf. Tot straf werd Gal. in een wezel veranderd, doch door de +Thebanen werden haar te gelijk met Heracles offers gebracht. + +Gallaecia, vroeger Callaecia, thans de spaansche provincie Galicia, in +het N.W. van Hispania, met eene ruwe bevolking. De Gallaeci, Kallaikoi, +stonden bij de Romeinen in slechten reuk. De stad Brigantium, thans +Coruña, had een grooten vuurtoren. + +Galli, z. Rhea (Cybele). + +Gallia, Galatia of Keltike, het land der Galliërs. 1) Gallia +Cisalpina, dat gedeelte van N. Italia, dat gedeeltelijk door +keltische of gallische stammen bewoond werd, die omstreeks 400 +door de vruchtbaarheid en het klimaat van Italië waren aangelokt +om over de Alpen te trekken en zich in de vlakte van den Po neer te +zetten. Het werd onderscheiden in G. Transpadana en G. Cispadana. Na +eene worsteling van een halve eeuw (240-191) moesten de cisalpijnsche +Galliërs, waaronder de Bojers, Insubriërs en Cenomanen de voornaamste +stammen waren, zich aan Rome onderwerpen. In 89 kreeg Cispadana, omdat +het in den bondgenootenoorlog trouw gebleven was, het rom. burgerrecht +door de lex Pompeia van den consul Cn. Pompeius Strabo en werden de +steden dus municipia. In 49 viel door eene lex Iulia van C. Julius +Caesar hetzelfde aan Transpadana te beurt. Niettemin bleef Cisalpina +tot in 43 provincie en had men dus het vreemde verschijnsel van +eene provincie, bevolkt met rom. burgers. Augustus voegde Cisalpina +met Liguria, het land der Veneters, Histria en de italiaansche +Alpenhellingen bij Italia en vormde er de 8ste, 9de, 10de en 11de +regio uit.--2) Gallia Transalpina, tusschen de Alpen, den Rijn, +den Oceaan en de Pyrenaeën. Het Z.O. gedeelte, ten N. van den sinus +Gallicus, werd reeds in 122 tot provincie gemaakt onder den naam Gallia +Narbonensis, naar de hoofdstad Narbo Martius, thans Narbonne, de eerste +rom. kolonie buiten Italië. Dit gedeelte wordt ook wel kortweg Gallia +provincia geheeten, waaruit de naam Provence is ontstaan. Het overige +gedeelte van Transalpina, door Caesar onderworpen, werd onderscheiden +in: Aquitania in het Z.W., Gallia propria, ook wel Gallia Celtica +geheeten en Belgica. Onder Augustus werd eene nieuwe indeeling in +4 provinciën tot stand gebracht: 1 Narbonensis, 2 Aquitania (z.a.), +dat aanmerkelijk werd uitgebreid, 3 Lugdunensis, naar de hoofdstad +Lugdunum, thans Lyon, 4 Belgica, dat ook naar het Z.O. werd vergroot, +met Durocortorum, thans Rheims, tot hoofdplaats. Verder werd, na +de terugroeping van Germanicus in 17 n. Chr., eene strook lands op +den linker Rijnoever van een eind boven Argentoratum (Straatsburg) +tot aan zee als militaire grens van Gallia gescheiden en tot twee +provinciën gevormd: Germania superior, met Mogontiacum (Mainz), en +Germ. inferior, met Colonia Agrippina (Keulen) tot hoofdstad. De naam +Germania werd gegeven, omdat deze strook bijna geheel met germaansche +stammen bevolkt was, die in verschillende tijdperken over den Rijn +waren gestoken en zich in Gallia hadden genesteld. Na Constantijn +vindt men eene geheel andere verdeeling in 17 provinciën.--Het aantal +volkjes en stammen in Gallia was zeer groot; tot de hoofdvolken +behoorden de Volcae, de Arverni, de Aedui, de Sequani, de Helvetii, +de Bituriges, de Aulerci.--3) Gallia braccata is een bijnaam voor +G. Narbonensis, omdat de inwoners daar lange broeken droegen, welke +dracht den Rom. vreemd was.--4) Gallia comata = Transalpina, omdat +de bewoners de haren lang droegen.--5) Gallia togata = Cisalpina, +sedert de inwoners als rom. burgers de toga mochten dragen. + +Gallienus (P. Licinius Egnatius), rom. keizer 260-268 na C. In 253 +was hij door zijn vader Valerianus tot Caesar benoemd, en toen V. door +de Perzen was gevangen genomen, volgde Gallienus hem op, zonder zich +verder veel om zijns vaders lot te bekommeren. Hoewel het hem aan +bekwaamheden niet ontbrak, regeerde hij slecht en gaf hij zich aan +allerlei onmatigheid over. Van verschillende zijden drongen de barbaren +over de grenzen, alom stonden tegenkeizers op (het zoogenaamde tijdperk +der 30 tyrannen), en eindelijk viel Gallienus zelf door sluipmoord. + +Gallinaria, eil. bij de ligurische kust, rijk aan hoenders. Gallinaria +silva, een bosch op de kust van Campania, aan de grens van Latium, +tijdens de burgeroorlogen en in den keizertijd berucht om zijne +onveiligheid. + +Gallio, naam van twee rhetoren, ten tijde van Nero. De oudste, +L. Iunius Gallio, was een vriend van Ovidius en van Seneca rhetor, +en adopteerde den broeder van den wijsgeer Seneca. Deze broeder, +die nu Iunius Annaeus Gallio heette, werd onder Nero ter dood gebracht. + +Gallograecia = Galatia. + +Gallonii, plebejisch geslacht. 1) P. Gallonius, een befaamde lekkerbek +te Rome, tijdgenoot van Laelius, ± 140.--2) C. Gallonius, aanhanger van +Pompeius en door dezen in 49 tot praefectus van Gades (Cadix) benoemd. + +Gallus, Gallos, rivier in Galatia, zijtak van den Sangarius. + +Gallus, familienaam in een aantal gentes, o.a. bij de Aquillii, +Asinii, Caninii, Sulpicii (Sulpicii no. 10). Er komen onder dezen +naam twee stadhouders van Aegypte voor: Aelius Gallus (zie Aelii) +en C. Cornelius Gallus (zie Cornelii no. 59). Het was deze laatste, +die zich om het leven bracht, toen hij door Augustus tot ballingschap +was veroordeeld. + +Gallus (C. Vibius Trebonianus), rom. keizer 251-253 na C., vroeger +generaal van keizer Decius en medeplichtig aan diens vermoording, kocht +van de Gothen op smadelijke wijze den vrede. Onder zijn bewind werd +het rijk geteisterd door invallen van Perzen en Gothen, door oproeren +en pest. Hij nam zijn zoon C. Vibius Afinius Gallus Veldumnianus +Volusianus als Caesar tot mederegent aan, doch beiden sneuvelden op +een tocht tegen Aemilianus, opgestaan veldheer in Pannonia. + +Gallus (Constantius), oudere broeder van keizer Julianus, Caesar van +351-354 n. C., toen keizer Constantius II hem liet ombrengen. + +Gamala, vesting in Palaestina aan het meer Gennesareth. + +Gambrium, Gambreion, stad in Aeolis, aan den Caïcus. + +Gamelion, Gamelion, 7de maand van het Attische jaar (Jan.-Febr.), +z. Annus. + +Gandarae, Gandaridae, Gandarai, Gandaridai, twee indische volksstammen +in het Indusgebied. De Gandarae wonen in de landstreek Gandaritis +in de vallei van den Cophen, de Gandaridae in Pendschab, tusschen de +rivieren Acesines en Hydraotes. + +Gangra, hoofdstad van Paphlagonia; later Germanopolis genoemd. + +Ganus, Ganos, sterkte in Thracia aan de Propontis, door koning Seuthes +aan de 10000 Grieken overgegeven. + +Ganymedes, Ganymedes, ook Catamitus, zoon van Tros en Callirrhoë, +de schoonste aller stervelingen, die door de goden in den hemel werd +opgenomen om schenker van Zeus te zijn; tot vergoeding kreeg zijn +vader van Zeus een span goddelijke paarden. Volgens latere verhalen +werd hij door Zeus bemind en door diens arend of door hemzelf onder +de gedaante van een arend ontvoerd. Hij werd als Waterman onder de +sterren opgenomen. + +Garamantes, Garamantes, zachtaardige volksstam in de oase Phazania, +thans Fezzan, in Libya (Afrika). Hunne bloeiende hoofdstad heette +Garama. Zij leefden van landbouw, veeteelt en handel. Garamantis +dichterlijk = afrikaansch. + +Gargaphia, Gargaphia, dal en bron ten N.O. van Plataeae. + +Garganus mons, Garganon oros, thans monte Gargano, boschrijk, in zee +vooruitspringend gebergte op de kust van Apulia. + +Gargara of -rus of -rum, ta Gargara, to Gargaron, de zuidelijke top +van den berg Ida in Troas, met de stad Gargara, aan de Adramyttische +golf gelegen, aan den voet. + +Gargarenses, Gargareis, mythisch volk aan den Caucasus, alleen uit +mannen bestaande. Ten einde kinderen ter wereld te brengen, leefden +de Amazonen een paar maanden 's jaars met hen, zonden dan de jongens +naar de vaders en behielden de meisjes. + +Gargettus, Gargettos, demus in Attica ten N. van den Hymettus, +geboorteplaats van Epicurus, die hierom wel Gargettius wordt genoemd. + +Garites, Gates, volk in het O. van Aquitania, in het tegenwoordige +dép. Gers. + +Garsauritis, landstreek van Cappodocia (z.a.). + +Garum, eene marinadesaus, uit het bloed en de ingewanden van zekeren +zeevisch bereid. O. a. gebruikte men ze bij oesters. + +Garumna, Garounas, rivier in zuidelijk Gallia, thans de Garonne. + +Garumni, volksstam aan de Garumna. + +Gauda, numidische prins, die in het rom. leger tegen Jugurtha diende, +en later waarschijnlijk het rijk Numidia kreeg. + +Gaudus = Gaulus. + +Gaugamela, Gaugamela, vlek in Assyria. Tusschen deze plaats en Arbela +had de derde en beslissende slag plaats tusschen Alexander d. Gr. en +Darius Codomannus (331). + +Gaulus, Gaulos, thans Gozzo, eilandje bij Melite (Malta), aldus +geheeten naar zijn ronden vorm. + +Gaurus (mons), ook Gaurani montes, vulkanisch gebergte in Campania, ten +N. van Cumae, met uitgebrande, in meren herschapen kraters, waaronder +het Avernus-meer. Bij dezen berg behaalden de Rom. in 343, in den +zoogenaamden eersten samnietischen oorlog eene groote overwinning op +de Samnieten. Deze geheele oorlog is echter verzonnen. Zie Cornelii +no. 5. Langs de hellingen werd een heerlijke wijn geteeld. + +Gauzanitis, Gauzanitis, landstreek in N.O. Mesopotamia, aan den +Chaboras. + +Gaza, Gaza, zuidelijke grensvesting in het land der Philistijnen, eene +der vijf steden van dit volk, en een der sleutels van Palaestina. Zie +ook Cadytis. Alexander de Gr. belegerde de stad vijf maanden lang. In +96, in het tijdperk der Maccabaeën, werd zij door Alexander Jannaeus +een jaar lang belegerd en na de inneming verwoest. Zij werd herbouwd, +in 66 n. C. door de Joden verwoest, doch later opnieuw opgebouwd.--Ook +in Sogdiane lag eene stad, met name Gaza. + +Gazaca of Gaza, Gazaka, hoofdstad van Media Atropatene. + +Ge, Ge = Gaea. + +Gebenna = Cebenna. + +Gedrosia, Gedrosia, het zuidoostelijkst gewest van het perzische +rijk, aan de zeezijde. Op zijn tocht door Gedrosia verloor Alexander, +vooral door gebrek aan water, een groot gedeelte van zijn leger. + +Geganii, patricisch geslacht te Rome, waarschijnlijk afkomstig uit +Alba Longa. In de eerste helft der republiek komen eenige hooge +overheidspersonen uit deze gens voor, met den familienaam Macerinus. + +Geisericus, Gezerichos, Gizerichos, Geiserik, koning der Vandalen, +en stichter van het Vandaalsche rijk in N.-Afrika in 429 n. C. Zie +Vandali. + +Geison is de vooruitspringende daklijst aan den dorischen tempel. Aan +den voorkant en de achterzijde vindt men een horizontaal en twee +opstaande geisa, die samen het bekende gevelveld vormen, dat bij +rijk versierde tempels met beeldwerk gevuld was. Door het sterk +vooruitspringen van de daklijsten was dit beeldwerk voor den regen +beschut. Aan de lange zijden heeft men een overhangend geison, als +voortzetting van het schuins afloopende dak. + +Gela, Gela, bloeiende, machtige stad op de Zuidkust van Sicilia, +rhodisch-cretensische kolonie, in 689 gesticht aan een riviertje +van gelijken naam. De omstreken, campi Geloi, brachten veel koren +voort, vooral tarwe, vandaar wordt Gela pyrophoros genoemd. Het werd +spoedig overschaduwd door zijne eigene volkplanting Agrigentum, in 581 +gesticht. Nadat de tyran Gelo omstreeks 485 de helft der bevolking +naar Syracusae had overgebracht, kwijnde Gela; van 466 af was het +zelfstandig. In 405 werd het door de Carthagers verwoest. Timoleon +bracht er nieuwe bewoners uit Ceos; in 280 werd de stad voor de tweede +maal en nu voor goed vernietigd door Phintias, tyran van Agrigentum. + +Gelanor, Gelanor, zoon van Sthenelus, was koning van Argos toen +Danaüs in het land kwam, die evenals G. van Inachus afstamde en +op dien grond aanspraak op de regeering maakte. Terwijl het volk +vergaderd was om in deze zaak een besluit te nemen, kwam een wolf +de kudde van G. aanvallen en verscheurde den stier, waarop het volk, +hierin een voorteeken ziende, ten gunste van Danaüs besliste. + +Gelduba, sterkte in het land der Ubiërs of Agrippinensers, tusschen +Vetera en Novaesium, thans Gelb. + +Geleontes, zij die tot de eerste der vier oude attische phylen +behoorden. + +Gellias, Gellias, v.a. Tellias, Tellias, rijk inwoner van Agrigentum, +bekend om zijne geestigheid en mildheid. Toen zijne vaderstad in 405 +door de Carthagers werd ingenomen, stak hij den tempel van Pallas in +brand om hem voor ontwijding te behoeden, en kwam zelf daarbij om. + +Gellii, een geslacht, uit Samnium afkomstig. 1) Gellius Statius, +veldheer der Samnieten, in 305 door de Romeinen gevangen genomen.--2) +Gellius Egnatius, zie Egnatii no. 1.--3) L. Gellius Poplicola, +consul in 72, niet zonder talent als redenaar, overwon eerst in den +slavenoorlog den aanvoerder Crixus, doch werd vervolgens met zijn +ambtgenoot Cn. Cornelius Lentulus Clodianus (Cornelii no. 49) door +Spartacus verslagen. In 70 trad hij met denzelfden Lentulus als censor +zeer streng op. Er werden toen 64 senatoren van de lijst geschrapt. In +67 was hij legaat van Pompeius in den zeerooversoorlog. Cicero +stond bij hem in hooge achting. Een broeder van hem, ook Gellius +Poplicola geheeten, was een hevig tegenstander van Cicero en een +vriend van P. Clodius.--4) L. Gellius Poplicola, zoon van no. 3, +werd beschuldigd zijn vader naar het leven te hebben gestaan, +doch vrijgesproken. Later komt hij onder de vijanden van Brutus +en Cassius en onder de aanhangers van Antonius voor. Hij was in 36 +consul.--5) Cn. Gellius, annalist omstreeks 130.--6) Aulus Gellius, +rom. taalgeleerde, geb. omstreeks 130 n. C., een man van veelzijdige +studie en ontwikkeling. Zijne Noctes Atticae, een werk, gedurende +zijn verblijf te Athene in de winternachten begonnen, bevatten veel +wetenswaardigs op allerlei gebied. + +Gelo, Gelon, van Gela, zoon van Dinomenes, bevelhebber der ruiterij +onder Hippocrates, regeerde sedert diens dood (491) over zijne +vaderstad. Toen de aristocraten van Syracuse, door het volk verdreven, +zijne hulp inriepen, bracht hij hen terug en maakte hij zich van de +regeering over die stad meester (485), terwijl hij Gela aan zijn +broeder overliet. Hij verplaatste inwoners van Camarina, Gela en +Megara naar Syracuse, breidde zijne heerschappij binnen korten tijd +over bijna geheel Sicilië uit, en kreeg zulk een groote macht, dat hij +in den perzischen oorlog op het opperbevel over de Grieken aanspraak +maakte. Hijzelf werd echter in dienzelfden tijd door de Carthagers +aangevallen, doch behaalde met zijn bondgenoot Theron van Agrigentum +in 480 bij de Himera een schitterende overwinning op het carthaagsche +leger onder Hamilcar. Hij stierf in 478 na eene gematigde, gelukkige +en vreedzame regeering, en werd na zijn dood als heros vereerd. + +Geloni, Gelonoi, scythische of sarmatische volksstam tusschen Don en +Wolga, getatoueerd en daarom door Vergilius picti genoemd. + +Gemelli colles, bergketen in het binnenland van W. Sicilia. + +Geminii, geslacht uit Tusculum afkomstig. + +Gemoniae (scalae) of Gradus gemitorii, een natuurlijke of in de +rots uitgehouwen trap, die naar den Tiber leidde. Hierheen werden de +lijken gebracht van hen die in de gevangenis terecht gesteld waren, +waarna ze later met haken in den Tiber werden gesleept. + +Genabum, later Aureliani civitas, z. a. + +Genauni, raetische volksstam in het dal van den Beneden-Inn, die +gewoon waren alle mannelijke krijgsgevangenen, jong en oud, om te +brengen. Drusus overwon hen (15 en 14). + +Genava of Geneva, thans Genève, stad der Allobrogen, gelegen aan het +punt, waar de Rhodanus (Rhône) uit den lacus Lemannus stroomt. + +Genesia, gedenkdag van een gestorvene, samenvallend met diens +verjaardag; verjaardag van een sterfgeval, de afgestorvene werd dan +door zijne bloedverwanten herdacht. Ook een algemeene gedenkdag der +dooden, te Athene de 5de Boëdromion. Z. Nekysia. + +Genetrix, bijnaam van Venus te Rome, als stammoeder van de gens Iulia. + +Genii, goddelijke wezens, die den mensch gedurende zijn geheel leven +begeleiden, beschermen en van het kwade terughouden. Ieder mensch had +zijn Genius, die grooteren invloed op zijn leven uitoefende dan de +andere goden, wier werkkring zooveel uitgebreider is. Men offerde hem +op verjaardagen en over het algemeen bij gewichtige gebeurtenissen +wijn, wierook en bloemen, en meende hem te dienen door het leven +vroolijk te genieten (Genio indulgere) en te beleedigen door het +tegenovergestelde (Genium defraudare). Aan booze Genii of aan Genii, +die den mensch zoowel ten kwade als ten goede leiden, schijnt men +niet algemeen geloofd te hebben. Zij werden gewoonlijk voorgesteld +als schoone jongelingen met vleugels. De Genii der vrouwen heeten +Iunones.--Ook aan volken, geslachten, steden en plaatsen kende men +soms een Genius toe; laatstgenoemde werden dikwijls afgebeeld als +slangen, die van een altaar vruchten eten. Vgl. Daemon. + +Gennesara, limne Gennesaritis, het meer Gennesareth of Kinnereth of +meer van Tiberias, in Galilaea. Het wordt door den Jordaan gevormd. + +Gens, to genos, in den rom. staat geslacht, op gemeenschappelijke +afstamming berustende. De leden van eene gens waren gentiles, en het +recht, dat men aan dit lidmaatschap ontleende, heette ius gentilicium +of gentilitatis. Oorspronkelijk werden alleen de patriciërs geacht tot +een geslacht te behooren; deze geslachten waren reeds sinds Tarquinius +Priscus onderscheiden in gentes maiores en g. minores (de later in +het patriciaat opgenomene). Later had men ook plebejische gentes, +en zelfs meermalen in dezelfde gens plebejische en patricische takken +of familiae. + +Gentius, Gentios, Genthios, koning der Illyriërs, een woest vorst, +aan dronkenschap verslaafd. Door zijne zeerooverijen en zijn verbond +met Perseus van Macedonia wikkelde hij zich in een oorlog met Rome, +die met zijne eigene gevangenneming en die zijner familie en den +ondergang van zijn rijk eindigde, in 168. + +Genua, Genoua, thans nog Genua, voorname stad aan de ligurische golf +(sinus Ligusticus), vóór den tweeden punischen oorlog door de Romeinen +bezet, in 205 door de Carthagers verwoest, later rom. municipium. + +Genuciae (leges), van den volkstribuun L. Genucius, 342, 1) dat beide +consuls plebejers zouden mogen zijn; 2) ne foeneraere liceret, een +verbod, om geld tegen rente uit te leenen (z. Fenus); 3) een lex de +magistratibus: ne quis eundem magistratum intra decem annos caperet, +neu duos magistratus uno anno gereret. + +Genucii, patricisch geslacht met plebejische takken, waarvan +verschillende leden als volkstribunen en krijgstribunen en consuls +voorkomen. De volkstribunen T. of P. Genucius in 476 en Cn. Genucius +in 473 waren warme voorvechters eener akkerwet; de laatste werd trots +zijne onschendbaarheid door sluipmoord omgebracht. In 445 komen de +Genucii voor als tegenstanders der wetsvoorstellen van Canuleius. De +verhalen omtrent deze personen zijn geheel verzonnen. De familiën dezer +gens zijn voornamelijk: de Augurini, de Aventinenses en de Clepsinae. + +Genusus, rivier in Illyria, ten Z. van Dyrrachium. + +Geomoroi, zij die tot de tweede van de drie phylen behoorden, waarin +Attica door Theseus verdeeld werd. In lateren tijd worden in vele +staten met dien naam adellijke grondbezitters aangeduid. + +Gepidae, volk van gothischen stam, dat, toen de andere Gothen naar +de Zwarte Zee trokken, aan de Weichsel achter bleef. Het maakte in +450 na Chr. deel uit van Attila's scharen, vestigde zich in 454 in +Dacië en werd in 565 door de Longobarden onder Alboïn vernietigd. + +Geraestus, Geraistos, kaap en stad op de Zuidpunt van Euboea, met +een Poseidontempel. Geraesticus portus echter was niet op Euboea, +maar de haven der aziatisch-ionische stad Teos. + +Geranea, Geraneia, kraanvogelberg, bergketen op de corinthische +landengte. Over dit gebergte liep de scironische weg, een vrij +gevaarlijk pad van Megaris naar Corinthus, naar den roover Sciro +genoemd, die de reizigers uitplunderde en in zee wierp, totdat Theseus +hem met gelijke munt betaalde. + +Gerastus, Gerastos = Geraestus. + +Gerenia, Gerenia, oude stad van Messenia, waar Nestor werd opgevoed, +die hiernaar Gerenios genoemd werd. Zie ook Enope. + +Gereonium (Gerunium), stad in het land der Frentani, ten zuiden van +Larinum. Ligging onzeker. Voor de muren van G. heeft Hannibal den +winter van 217/216 doorgebracht. + +Gergis, Gergithus, Gergis, Gergithos, stad der Teucri in Troas, na +den ondergang van Troje gebouwd. Het lag waarschijnlijk ten O. van +Ilium, v. a. echter ten Z. daarvan. Een tweede Gergis of Gergithium +vond men in het gebied van Lampsacus. + +Gergovia, sterke vesting der Arverni, in het tegenw. Auvergne, +waarvoor Caesar het hoofd stiet. Het lag in de nabijheid van hunne +hoofdstad Augustonemetum (Clermont). + +Germalus = Cermalus. + +Germani, Germanoi, bewoners van Germania, niet te verwarren met +Germanii. + +Germania, Germania, het land tusschen den Rijn en de Weichsel of +Vistula, en tusschen den Donau en de Noord- en Oostzee, ook wel magna, +barbara, transrhenana bijgenaamd in tegenstelling der rom. provinciën +Germ. superior en inferior op den linkeroever van den Rijn. Deze +laatste provincies behoorden oorspronkelijk tot de tres Galliae, en +waren dus ingedeeld bij Belgica, maar werden na de terugroeping van +Germanicus (17 n. C.) daarvan afgescheiden. Zie Gallia. Ofschoon de +rom. legioenen onder Caesar, Drusus, Tiberius, Varus, Germanicus in +Germania trachtten door te dringen, gelukte het niet er vasten voet +te houden. De naam Germani, Germanoi, was door de Galliërs aan de +overrijnsche volken gegeven. + +Germanicus Caesar was de zoon van Drusus en Antonia minor en +een broeder van den lateren keizer Claudius. Keizer Tiberius was +zijn oom van vaderszijde en nam hem tot zoon aan. Hij werd in 15 +geboren. Nog bij het leven van Augustus maakte hij onder Tiberius de +veldtochten mede tegen de opgestane Pannoniërs en Dalmatiërs en tegen +de Germanen. Bij den dood van Augustus had hij het opperbevel over de +rom. legioenen aan den Rijn, dempte een soldatenoproer en streed nu +eens meer, dan eens minder gelukkig tegen de Chatten en Marsen. In 15 +en 16 na C. drong Germanicus bij herhaling in Germania door, versloeg +Arminius en begroef in het Teutoburgerwoud het gebeente van Varus' +legioenen. In 17 riep Tiberius hem terug en zond hem naar het O., +waar hij in 19 stierf, volgens gerucht aan vergif, hem vanwege den +syrischen stadhouder Cn. Piso toegediend. Germanicus werd om zijne +edele hoedanigheden diep betreurd en Tiberius zag zich genoodzaakt, +Piso aan de algemeene verbittering op te offeren, zie hieromtrent +Calpurnii no. 7. Bij zijne gemalin Agrippina had Germanicus negen +kinderen, waaronder den lateren keizer Caligula en Agrippina, de +moeder van Nero. Germanicus was ook redenaar en dichter. De naam +Germanicus was hem bij senaatsbesluit gegeven. Zie ook Iulii onder e. + +Germanii, Germanioi, perzische volksstam. Zie Carmania. + +Germanopolis, zie Gangra. + +Gerousia, raad der ouden in aristocratische staten. Te Sparta bestond +die raad uit 28 leden en de beide koningen; de leden moesten ouder +dan 60 jaar zijn en bekleedden hun ambt levenslang. De raad sprak +recht over sommige zware misdaden, en besliste omtrent wetten en +besluiten, of zij aan de goedkeuring van het volk zouden onderworpen +worden. Oorspronkelijk de hoogste macht in den staat, werd de raad +echter in latere tijden door de ephoren overvleugeld. + +Gerrha, Gerra, stad der Gerrhaei, Gerraioi, op de N.O. kust van +Arabia aan de Perzische golf. De Gerrhaeërs waren een handelsvolk, +uit Chaldaea afkomstig. + +Geryon, -ones, Geryon, -yones, -yoneus, zoon van Chrysaor en +Calirrhoë, een monster met drie hoofden of drie lichamen, die over +het eil. Erythea in het verre Westen regeerde. Hij hield daar groote +kudden, die om hare schoonheid beroemd waren, en die Heracles op last +van Eurystheus roofde, nadat hij den reus Eurytion en den tweekoppigen +hond Orthrus, die ze bewaakten, gedood had. G. snelde hem na, maar +werd eveneens verslagen. + +Gesoriacus portus, later Bononia, thans Boulogne aan het Kanaal, +stad der Morinen in Gallia Belgica, het gewone punt van overvaart +naar Britannia. + +Geta (P. Septimius Antoninus) volgde in 211 na C. met zijn broeder +Caracalla hun vader Septimius Severus als keizer op, doch werd reeds +in 212 in de armen zijner moeder door Caracalla vermoord. + +Getae, Getai, een thracisch volk, dat met de Daci verwant is, en +ten O. van hen woonde. Door de grieksche schrijvers worden de Daci +ook gewoonlijk Getae genoemd. Volgens Strabo onthielden zij zich +van dierlijk voedsel. Latere schrijvers verwarren hen met de Gothen, +die nadat de Romeinen het land verlaten hadden, een tijdlang in Dacië +gewoond hebben (zie Gothi en Dacia). + +Gigantes, Gigantes, zonen van Gaea, geweldige reuzen met lange haren +en baard en draken in plaats van voeten. Nauwelijks geboren, begonnen +zij een strijd tegen de olympische goden; zij vereenigden zich op de +phlegraeische vlakte, stapelden bergen op elkander en trachtten, door +brandende boomstammen naar den Olympus te werpen, de goden van daar te +verjagen. Zeus, die door een orakel wist dat deze vijanden niet door +goden alleen konden overwonnen worden, riep Heracles te hulp en nu +werden alle Giganten gedood of werden eilanden en vuurspuwende bergen +op hen geworpen.--V. s. had ook Dionysus tot de nederlaag der Giganten +medegewerkt, door met zijne Satyrs op de kampplaats te verschijnen, +allen op ezels rijdende, die zoo vreeselijk begonnen te balken, dat +de vijanden de vlucht namen.--Bij Homerus zijn de Giganten een aan de +goden verwant volk, dat wegens zijne boosheid door Zeus verdelgd werd. + +Gigonus, Gigonos, kaap en stad op Chalcidice aan de Thermaeïsche golf. + +Giligammae, Giligammai, volksstam op de kust van Libye, in Marmarica +en Cyrenaïca. + +Gisco, Giskon, naam van eenige carthaagsche veldheeren. Een was de +zoon van Hamilcar, die in 480 bij de Himera op Sicilia sneuvelde +tegen Gelo van Syracusae. Een andere Gisco, zoon van Hanno, streed +in 340 tegen Timoleon. Een derde, bevelhebber van Lilybaeum in 241, +werd na den eersten punischen oorlog door de muitende huurtroepen +gevangen genomen en ter dood gemarteld. + +Glabrio, familienaam in de gens Acilia. + +Gladiatores, zwaardvechters, in den regel krijgsgevangenen, die in +zwaardvechtersscholen door vecht- of schermmeesters geoefend werden +en dan door hunne eigenaars verhuurd werden om bij lijkstaties, +feesten, openbare spelen ten genoegen der toeschouwers op leven en +dood met elkander te vechten. Het gebruik om gladiatoren te laten +vechten is van Etruscischen oorsprong, en het eerst in Rome ingevoerd +in 264, als lijkspelen; als openbare spelen voor het eerst in 105, +zie Ludi aan het einde. De Rom. waren tuk op bloedige spelen en deze +waren een krachtig middel voor eerzuchtigen om zich de gunst van +den grooten hoop te verwerven. Uit een opvoedkundig oogpunt werden +deze spelen aanbevolen, om een krijgshaftigen zin op te wekken en in +den strijd de gevoelszenuwen te stalen. In de oefenscholen gaf men +voorzichtigheidshalve den zwaardvechters slechts houten wapenen ten +gebruike, terwijl deze verblijven als gevangenissen waren ingericht, +met de noodige voorzorgen tegen ontvluchting. Er waren verschillende +soorten van zwaardvechters, op verschillende wijze gewapend, ten einde +aan de spelen de noodige verscheidenheid bij te zetten. Hierbij eene +afbeelding van de gladiatorenkazerne te Pompeii. Oorspronkelijk was +het een zuilengang geweest, die bij het aangrenzende theater hoorde; +later, waarschijnlijk in den tijd van Nero, werd het gebouw voor het +aangegeven doel geschikt gemaakt, door de zuilengangen met kleine +slaapkamers, twee rijen boven elkaar, te omgeven. Het middenterrein +diende voor oefeningen. Een van de cellen diende als gevangenis. + +Glaesariae insulae, ook wel Electrides insulae geheeten = +Barnsteen-eilanden, de voor onze en de duitsche kust liggende +Noordzee-eilanden, waarvan het meest bekende was Burchana (Borkum). + +Glaesum (glas), het germaansche woord voor barnsteen (sucinum, +elektron), dat deels op de Noordzee-eilanden aanspoelde (zie vorig +artikel), deels aan de kusten der Oostzee gewonnen werd, in het land +der Aestii. + +Glanis = Clanis. + +Glauce, Glauke, 1) eene van de Nereïden.--2) = Creusa no. 4.--3) +haven bij het voorgebergte Mycale. + +Glaucia, familienaam in de gens Servilia. + +Glaucias, Glaukias, 1) beroemd geneesheer, schreef commentaren op +Hippocrates.--2) van Aegina, beroemd beeldhouwer omstreeks 500. + +Glaucus, Glaukos, 1) Pontios, een visscher van Anthedon, die eens +na het proeven van tooverkruiden zich gedrongen gevoelde in zee te +springen en onder de zeegoden werd opgenomen.--V. a. had hij tot de +Argonauten behoord, en was hij bij een gevecht tegen de Tyrrheniërs +in zee gevallen en in een zeegod veranderd; hij wordt ook bouwmeester +of stuurman van de Argo genoemd. Hij is vooral de god van schippers +en visschers, wien hij in gevaren gaarne hulp verleent, en werd aan +de kusten vereerd als een orakelgevend god; zelfs Apollo zou hij in +de kunst van voorspellen onderwezen hebben. Hij wordt gewoonlijk +voorgesteld als een grijsaard, wiens lichaam in een vischstaart +eindigt.--2) zoon van Sisyphus en Merope, koning van Corinthe of van +Potniae. Hij versmaadde de macht van Aphrodite, die zich wreekte door +zijne paarden razend te maken, toen hij aan de lijkfeesten van Pelias +deel nam, zoodat zij hem van den wagen afwierpen en verscheurden. Hij +gold na zijn dood voor een daemon (Taraxippos), die bij de isthmische +spelen de paarden schuw maakte.--3) achterkleinzoon van den vorigen, +zoon van Hippolochus, als aanvoerder der Lyciërs een van de dapperste +bondgenooten der Trojanen, gastvriend van Diomedes.--4) zoon van +Minos en Pasiphaë, viel als kind bij het spelen in een vat met honig, +zoodat niemand wist waar hij gebleven was. Polyidus, een waarzegger +uit Corinthe of Argos, werd door Minos gedwongen te openbaren waar het +kind te vinden was, en toen hij niet voldoen kon aan den tweeden eisch +van den koning, dat hij den doode het leven zou teruggeven, werd hij +met het lijk in een gewelf opgesloten. Plotseling naderde eene slang, +Polyidus doodde haar, waarop een tweede slang aankwam met een kruid in +den bek, waardoor zij de eerste slang deed herleven. Polyidus legde +nu het kruid ook op den dooden knaap met hetzelfde gevolg. Eindelijk +werd hij nog door Minos gedwongen, Glaucus de kunst van waarzeggen te +leeren, maar vóór zijn vertrek bewerkte hij dat Gl. die kunst weder +vergat. Zooals hij voorspeld had, sneuvelde Gl. later voor Troje.--5) +van Chius, beroemd beeldhouwer uit de 7de eeuw, uitvinder van het +soldeeren en van verscheiden verbeteringen in het bewerken van metaal. + +Gnathia = Egnatia. + +Gnidus = Cnidus. + +Gnomische poëzie, gedichtjes, die in korten en bondigen vorm +een zedelijk beginsel, eene uit de ondervinding geputte les en +dgl. verkondigen. Zulke uitspraken (gnomai) komen bij alle dichters +voor, maar werden door sommige grieksche dichters als een afzonderlijke +dichtsoort behandeld; de voornaamste dichters zijn Solon, Phocylides +en Theognis; de Rom. hielden zich weinig er mede bezig. + +Gnossus, Gnosus = Cnosus. + +Gnostici, gnostikoi worden de schrijvers genoemd, die in de 1ste +en 2de eeuw de waarheid der christelijke leerstellingen, behalve +door het gezag der openbaring, ook door wijsgeerige bewijsgronden +trachtten te betoogen. De kerk heeft een harden strijd moeten voeren +met deze afwijking van de christelijke leer. De geschriften der +Gn. zijn grootendeels te loor gegaan; alleen vindt men vele citaten +bij de kerkvaders. + +Gobryas, Gobryas, 1) een van de zeven Perzen, die den valschen +Smerdis onttroonden, later schoonzoon van Darius Hystaspis, maakte den +veldtocht tegen de Scythen mede. Hij was de vader van Mardonius.--2) +veldheer van Artaxerxes Mnemon. + +Golgi, Golgoi, stad in het binnenland van Cyprus, ten O. van Idalium, +sicyonische kolonie. + +Gomphi, Gomphoi, vesting in Thessalia op de grens van Epirus, ten +Z.W. van Tricca, door Caesar verwoest, later herbouwd. + +Gon(n)us of -i, Gon(n)os, -oi, stad der Perrhaebiërs aan den ingang +van het dal Tempe, nabij den Peneus, in Thessalia. Het was eene +belangrijke vesting. + +Gordianus, naam van drie rom. keizers, vader, zoon en kleinzoon. 1) +en 2) M. Antonius Gordianus Africanus, vader en zoon. In 235 na +C. was keizer Alexander Severus gedood in een opstand onder den ruwen +krijgsman Maximinus, die zich van het gezag meester maakte. Tegen hem +riep het leger in 238 in Africa den ouden, tachtigjarigen Gordianus als +keizer uit, een rijk, beschaafd man, verwant met de Antonijnen, en niet +alleen als proconsul in Africa, maar ook in Italia en te Rome algemeen +geacht. Hij nam zijn zoon tot mederegent aan; doch deze sneuvelde reeds +na twee maanden in een slag tegen den stadhouder van Numidia, waarop +ook de vader zich het leven benam.--3) M. Antonius Gordianus Pius Felix +was van moederszijde een kleinzoon van no. 1. Na den dood van zijn oom +en zijn grootvader, waren door den senaat M. Clodius Pupienus Maximus +en D. Caelius Calvinus Balbinus tot keizers uitgeroepen, terwijl de +jonge Gordianus, 13 jaren oud, op verlangen des volks den titel van +Caesar kreeg. In dezen tijd beginnen de invallen der Gothen met de +verwoesting van de stad Istrus in Maesia Inferior. Nog in het zelfde +jaar 238 werden Pupienus en Balbinus door de praetorianen omgebracht +en Gordianus tot Augustus uitgeroepen. Door de wijze raadgevingen van +zijn minister Timesitheus, die ook zijn schoonvader werd, regeerde +hij 6 jaren niet zonder geluk, tot hij in het begin van 244 op een +veldtocht tegen Sapores van Perzië aan den Euphraat dicht bij Circesium +door zijn praefectus praetorio, M. Julius Philippus, vermoord werd, +die daarop tot Augustus werd uitgeroepen. + +Gordium, Gordieum, Gordion, Gordieion, oude hoofdstad der phrygische +koningen, ten tijde van Augustus in Iuliopolis verdoopt, aan den +Sangarius. Zie Gordius. + +Gordius, -ias, Gordios, Gordias, een phrygisch landbouwer, op wiens +ploeg zich eens een arend zette, wat verklaard werd als een teeken +dat hij eenmaal de koninklijke waardigheid zou verkrijgen. Toen +kort daarna de Phrygiërs bij binnenlandsche onlusten het orakel om +raad vroegen, werd hun bevolen hem tot koning te kiezen, dien zij +zouden ontmoeten, terwijl hij op een wagen naar den tempel van Zeus +reed. G. was de eerste, die aan deze voorwaarde voldeed, hij werd tot +koning uitgeroepen en werd de stamvader van een nieuw vorstenhuis. Hij +bouwde de stad Gordium, die residentiestad bleef, en wijdde daar den +wagen, waarop hij gezeten was toen hij tot koning werd uitgeroepen, +en waaraan de kunstig gelegde gordiaansche knoop was, die volgens +een orakel door een toekomstig beheerscher der wereld zou losgemaakt +worden, en dien Alexander de G. doorhakte. + +Gordyaei, Gordyaioi, krijgshaftige bevolking van Gordyene. De oude +naam leeft nog voort in Koerden. Gordyaei montes, geb. van Gordyene, +in het Z. van Armenia. + +Gordyene = Corduene. + +Gordys, Gordys, zoon van Triptolemus, die zijn vaderland verliet en +zich in het naar hem genoemde landschap Gordyene nederzette. + +Gorgias, Gorgias, 1) van Leontini, kwam reeds tamelijk bejaard (hij +was ± 483 geboren) in 427 als gezant naar Athene, en trok daar zeer +de aandacht door zijne kunstige en sierlijke redevoeringen. Kort +daarna deed hij een reis door Griekenland, en verwierf overal door +zijne openbare redevoeringen (epideixeis) en door zijn onderwijs +in de redekunst, roem en geld. Hij stierf te Larissa in Thessalië, +geruimen tijd na Socrates, misschien eerst 375. Hij was een der +eerste sophisten en hield zich ook met wijsbegeerte bezig; in zijn +werk peri tou me ontos e peri physeos komt hij tot het besluit dat +niets in werkelijkheid bestaat, dat men, al bestond er iets, het toch +niet zou kunnen leeren kennen, en dat men, al ware ook dit zoo, zijne +kennis toch niet aan anderen zou kunnen mededeelen. De welsprekendheid +kan dus volgens hem niet dienen tot het verkondigen van een waarheid, +die niet bestaat of althans niet te vinden is, maar is het werktuig om +persoonlijke meeningen, juist of onjuist, ingang te doen vinden. Hij +is de schepper van de Grieksche woordkunst, en van de verschillende +redefiguren (Gorgieia schemata); er zijn nog twee redevoeringen van +hem over, Helenes enkomion en Palamedes, die lang voor onecht zijn +gehouden.--2) atheensch rhetor, gedurende eenigen tijd leermeester +van Cicero's zoon, schrijver van een werk over rhetorische figuren, +waarvan een latijnsch uittreksel van Rutilius Lupus bestaat. + +Gorgidas, Gorgidas, Thebaan, boeotarch in 378. Rondom hem en zijn +vriend Epaminondas vereenigden zich onder de oligarchische regeering +een aantal jongelieden, die na het herstel der democratie in den +oorlog tegen Sparta uitmuntten, en uit welke Pelopidas later de +zoog. heilige schare vormde. + +Gorgobina, stad der Bojers, ergens tusschen den Liger (Loire) en den +Elaver (Allier), naar welke streek dit volk met Caesars goedvinden +verhuisd was. + +Gorgones, Gorgous, Gorgones, drie dochters van Phorcys en Ceto, +wier namen zijn Stheno, Euryale en Medusa (z. a.). Zij wonen nabij +de Hesperiden en worden voorgesteld als vreeselijke wezens met +slangen in plaats van haar op het hoofd, een gordel van slangen, +groote slagtanden, vleugels en koperen klauwen; wie haar aanzag +werd versteend. Later werden zij echter als schoone jonkvrouwen +afgebeeld, vooral Medusa. Bij Homerus komt slechts ééne Gorgo voor, +wier schrikverwekkend hoofd op de Aegis staat. + +Gorgopis, Gorgopis, meertje bij Corinthus. + +Gortyn of -tyna, Gortyn, -tyna, eene der hoofdsteden van Creta, in het +Z. van het eiland. In 1884 is hier een belangrijk opschrift ontdekt, +dat een gedeelte bevat van het stadrecht van Gortyn uit ± 400, voor +de geschiedenis van het grieksche recht van het hoogste belang. + +Gortynia, Gortynia, stad in het macedonische gewest Emathia. + +Gothi, Gothones, Gotthoi, Skythai, een van de Oost-Germaansche +volkeren; zij woonden in de eerste eeuw na Chr. aan den rechter oever +van de Beneden-Weichsel (Vistula), maar waren daarheen gekomen uit +Scandinavië (Gothland); ze werden--in tegenstelling met de meeste +Germanen--door koningen geregeerd. Tusschen 150 en 230 na Chr. zijn ze +in vele afdeelingen langzamerhand naar de Noordkust van de Zwarte Zee +verhuisd, en hebben door die verhuizing waarschijnlijk de aanleiding +gegeven tot den Markomannenoorlog (166-180), daar de stammen die +daaraan hebben deelgenomen, door de Gothen voor zich uitgedreven +zijn. In de 2de helft der 3de eeuw splitsen ze zich in Oost-Gothen +(Austrogoti, Ostrogothi) of Grutungi, en in West-Gothen (Visigothi) +of Tervingi. Een 3de gedeelte van den stam, de latere Gepiden, was +aan de Weichsel achter gebleven. Sedert ongeveer 257 zijn Oost- en +West-Gothen meester van Dacië, en blijven daar wonen tot ongeveer 376. + +De eigenlijke Gothentochten, eerst te land, later ter zee, beginnen +in 238, en duren tot 269, toen keizer Claudius Gothicus hen bij +Naissus (Nisch) versloeg. Omstreeks 376 na C. dwongen de Hunnen de +Oostgothen, zich met hen te vereenigen; doch de Westgothen vroegen +aan keizer Valens eene woonplaats in het rom. rijk, en trokken, +200000 strijdbare mannen sterk, met hunne gezinnen den Donau over, +om zich in Moesia en Thracia te vestigen, waarheen nog eene schaar +Oostgothen hen volgde. De hebzucht en het bedrog der rom. ambtenaren +was oorzaak van een oorlog, waarin Valens (z. a.) omkwam. De Gothen +plunderden en verwoestten nu het Balkan-schiereiland, totdat in +382 keizer Theodosius de Groote hen tot onderwerping dwong. Onder +de regeering van Arcadius begonnen de geschillen en plunderingen +opnieuw; zie Alaricus. Alariks opvolger Ataulf voerde de Westgothen +naar Gallia, waar in 415 Wallia een westgothisch rijk stichtte met +Tolosa (Toulouse) tot hoofdstad.--Toen in 453 met Attila's dood het +Hunnenrijk uiteenspatte, trokken ook de Oostgothen over den Donau +en bleven zich in de Donaugewesten ophouden, tot zij in 495 onder +hunnen koning Theodorik Italië veroverden. Als oudste overblijfsel +van germaansche taal bezitten wij nog eene gothische bijbelvertaling +van bisschop Ulfilas uit de vierde eeuw. De Gothen behoorden als +Christenen tot de Arianen. + +Gothini = Cotini. + +Gracchus, familienaam in de gens Sempronia (Sempronii no. 7-13). + +Gradivus, bijnaam van Mars, als god die in den strijd vooraan gaat. Hij +had een tempel voor de Porta Capena te Rome. + +Graeae, Graiai, drie dochters van Phorcys en Ceto, die alleen den +weg naar de Gorgonen, hare zusters, kenden; hare namen zijn Dino, +Pephredo en Enyo. Zij hebben een schoon, blozend gelaat, maar grijze +haren, en met elkander slechts één oog en één tand. Soms worden zij +als zwanen voorgesteld. Zij wonen aan den westelijken rand der aarde, +waar noch zon, noch maan schijnt. Z. Perseus. + +Graecia. De oude Grieken noemden hun land Hellas (z. a.), de Rom. gaven +er als provincie den naam Achaia aan. Den algemeenen naam Graeci +(Graïci) ontleenden de Rom. aan de Graï, een volksstam uit Boeotia, +(uit het gebied van Tanagra en Oropus), die samen met kolonisten +uit Chalcis, Eretria en Cyme (aan de O.-kust van Euboea), Cumae in +Campania gesticht hebben. Graïci is ook de naam van een griekschen stam +in Epirus. V. a. hebben de Rom. de naam Graeci aan dezen stam ontleend. + +Graecia magna, he megale Hellas, naam voor Beneden-Italië, wegens het +groote aantal grieksche volkplantingen aldaar, die nagenoeg de geheele +kust in bezit genomen hadden. Onderlinge veeten ondermijnden de macht +dezer staatjes, die bovendien aan den eenen kant door Syracusae, +aan den anderen door de lucanische Samnieten werden bedreigd. Op +het laatste oogenblik verbonden de grieksche steden zich nog onder +hegemonie der stad Thurii, doch de slag bij Laüs in 390 leverde het +land in handen der Samnieten, en, voor zoover de grootere steden nog +vrij bleven, werd hun gebied toch beperkt tot den bodem der stad. In +272 was geheel Zuid-Italië aan de Rom. onderworpen. + +Graecostasis, een eenigszins verhoogd, open terras, locus substructus, +aan de Z. zijde van het Comitium, grenzende aan het Forum, tegenover +de Curia Hortilia. De gezanten van Grieken en andere volken wachtten +er het oogenblik af, dat de rom. senaat hun audiëntie zou verleenen. + +Graecus, Graikos, zoon van Thessalus, koning van Phthia, aan wien de +Grieken hun naam (Graeci) ontleenen. + +Graii, dichterlijk = Graeci. Zie echter ook Graecia. + +Graioceli, volksstam in Gallia Transalpina, aan de Grajische Alpen, +nabij den M. Cénis. + +Grammateus, schrijver, klerk. De schrijvers der magistraten, deels +door hen zelf gekozen, deels hun door het volk toegevoegd, waren +meestal lieden van geringen stand, soms zelfs staatsslaven. Dit +was echter niet het geval met den gr. tes boules, die door den raad +verkozen werd, den gr. kata prytaneian, die voor iedere prytanie door +het lot werd aangewezen, en den gr. tes poleos, die door het volk +werd verkozen.--Bij het achaeïsch en aetolisch verbond behoorden de +grammates tot de hooggeplaatste ambtenaars. + +Gramme, linea alba, een met krijt besmeerd touw, dat over de renbaan +gespannen was, totdat alle paarden in eene rij ervoor stonden; als de +wedren begon, werd het touw snel weggetrokken. De inrichting diende +om te beletten dat een paard vroeger afging dan de andere. + +Grampius mons, beter Graupius mons, gebergte in Britannia Barbara, +waar Agricola zijne laatste, zoo schitterende overwinning behaalde, +alvorens keizer Domitianus hem terugriep. Dit is het eenige +gebergte in Britannia waarvan de naam bij een rom. schrijver vermeld +wordt. Aardrijkskundigen uit de 18de eeuw hebben ten onrechte op een +gedeelte der Highlands dezen naam overgebracht (Grampian mountains), +die in het land zelf niet gehoord wordt. + +Granicus, Granikos, rivier in Mysia, uitstroomende in de Propontis +(zee v. Marmara). Aan deze rivier behaalde Alexander d. Gr. zijne +eerste overwinning op de Perzen, in 334, en L. Licinius Lucullus in +73 de zege op Mithradates. + +Granii, een plebejisch geslacht. 1) Granius Flaccus, oudheidkundige +ten tijde van Caesar of Augustus, schreef de indigitamentis en de iure +Papiriano.--2) M. Granius Marcellus, proconsul van Bithynia, werd +in 15 n. C. door zijn quaestor Caepio Crispinus aangeklaagd wegens +majesteitsschennis, maar vrijgesproken. Of hij ook vrijgesproken is +van afpersing, waarvan hij ook aangeklaagd was, staat niet vast.--3) +Granius Licinianus, romeinsch geschiedschrijver, waarschijnlijk uit +den tijd der Antonijnen, van wiens annales eenige fragmenten over zijn. + +Graphe, schriftelijke aanklacht, in het bizonder, in tegenstelling +met dike, aanklacht wegens een vergrijp tegen de maatschappelijke +orde of tegen den staat. Ieder burger, die in het volle bezit zijner +rechten was, niet alleen de betrokken persoon, konde als aanklager +optreden, hij werd echter, indien niet een vijfde van de rechters +voor veroordeeling stemde, met 1000 drachmen beboet, en verloor het +recht iemand wegens eene soortgelijke zaak aan te klagen (z. ook +Anakrisis). Op eene veroordeeling volgde geldboete, atimie of +doodstraf.--Vgl. dike. + +Gratiae, z. Charis. + +Gratianopolis, vroeger Cularo, thans Grenoble, stad der Allobrogen +in Gallia Transalpina. + +Gratianus (Fl.), geb. te Sirmium in 359 n. C., oudste zoon van +keizer Valentianus I, sedert 367 mederegent en in 375 opvolger zijns +vaders in het W. des rijks, terwijl zijns vaders broeder Valens het +O. bestuurde (364-378 n. C.). Gratianus was een veelbelovend jongeling, +om zijne zachtheid en reinheid van zeden algemeen bemind. Ausonius, +de dichter der Mosella, was zijn leermeester geweest. Afwisselend +hield Gratianus zich in Italia en Gallia op, waar hij dan meestal in +de civitas Trevirorum (Trier) verblijf hield. Hij was een ijverig +Christen, en hij onttrok aan den ouden godsdienst en de priesters +daarvan den steun van den staat. Hij stond sterk onder den invloed +der geestelijkheid, vooral van bisschop Ambrosius van Milaan. Hij +had te kampen met de Lentienses, een afdeeling der Alemannen, die +hij in 378 bij Argentovaria (Argentaria, ten Z. van Straatsburg) +versloeg. In 383 brak in Britannia een opstand in het leger onder +Maximus uit en toen deze laatste in Gallië geland was, werd Gratianus +door zijn troepen bij Parijs verlaten en op de vlucht te Lyon vermoord. + +Gratidii, plebejisch geslacht uit Arpinum. 1) M. Gratidius, een bekwaam +redenaar en een man van fijne beschaving, sneuvelde in den oorlog +van M. Antonius (den redenaar) tegen de cilicische zeeroovers, in +102. Zijne zuster Gratidia was Cicero's grootmoeder.--2) M. Gratidius +was onder Q. Cicero legaat in Asia, 61-59.--3) M. Marius Gratidianus, +zoon van no. 1 en door zekeren Marius (niet den bekenden) als zoon +aangenomen, werd door Sulla vogelvrij verklaard en door Catilina +vermoord. + +Gration, Gration, een van de Giganten, door Artemis gedood. + +Gratius (Grattius), afkomstig uit Falerii en daarom Faliscus +bijgenaamd, rom. dichter, tijdgenoot en vriend van Ovidius. Van hem is +nog een leergedicht over de jacht, getiteld Cynegetica, grootendeels +bewaard gebleven. + +Graupius mons, zie Grampius mons. + +Graviscae, oude stad in Etruria, tot het gebied van Tarquinii +behoorende, sedert 181 rom. kolonie, bekend door goeden wijn, doch +ook door haar vochtig en koortsig klimaat (gravis aër), tengevolge +van de verpestende uitwasemingen der Maremmen. + +Gregorius, Gregorios, 1) uit Neocaesarea, bijgenaamd Thaumatourgos, +geb. omstreeks 213 n. C., was een leerling van Origenes, en werd door +zijn invloed tot het Christendom bekeerd; hij heeft als bisschop zeer +veel gedaan voor de uitbreiding van het Christendom in Pontus. Van +hem zijn nog verscheidene geschriften over.--2) van Nazianzus, +bijgenaamd ho Theologos, studeerde te gelijk met Basilius, die daar +zijn vriend werd, en met Julianus te Athene, ongeveer 354 n. C. Hij +heeft vele geschriften van theologischen inhoud, maar ook gedichten en +brieven nagelaten. Bij hem komt sterk tot uiting de innige vermenging +van Christendom en het beste deel der antieke beschaving. Voor +de geschiedenis van belang zijn zijne Invectivae in Julianum. Hij +is gestorven omstreeks 390.--3) van Nyssa, broeder van Basilius, +bisschop van Nyssa. Ook van hem zijn vele geschriften over. + +Groma, een woord uit de taal der augurs, misschien verbasterd uit het +grieksche gnomon. 1) een werktuig om den grond op te meten, Gromatici +zijn landmeters. De voornaamste schrijvers over landmeetkunde, +agrimensores of gromatici, zijn: Frontinus, Balbus, Hyginus (misschien +twee verschillende schrijvers), en Siculus Flaccus.--2) het punt, +vanwaar men bij het afbakenen eener ruimte voor eene legerplaats, +eene stad, enz. de opmetingen begon. + +Grudii, een volk in Belgium, ergens aan den Scaldis (Schelde), +misschien bij het tegenwoordige dorp Groede in Staats-Vlaanderen. + +Grumentum, aanzienlijke stad in het hart van Lucania aan de via +Popilia. + +Gruthungi (Greuthungi), naam der Oost-Gothen tijdens hun verblijf in +Dacië (± 257-± 376 n. C.). + +Gryllus, Gryllos, 1) vader van Xenophon.--2) zoon van Xenophon, +sneuvelde in den slag bij Mantinea; de Atheners beweerden, dat hij +het was, die Epaminondas doodelijk gewond had. + +Gryneus, bijnaam van Apollo, naar de aeolische stad Grynia, waar hij +een tempel had. + +Grynia, Grynium, Gryneia, Gryneion, oude havenstad in aziatisch Aeolis, +met een tempel en een orakel van Apollo Gryneus. + +Gryps, Gryphus, Gryps, griffioen, een fabelachtig dier met het lichaam +van een leeuw, den kop en de vleugels van een arend. Zij bewaken +het goud van het verre Oosten of Noorden en voeren om dat goud een +eeuwigen strijd tegen de Arimaspen (z. a.). + +Gugerni of Guberni, germaansch volk aan den linkeroever van den Rijn +tusschen Keulen en het eiland der Batavieren. Ze dienden veel in de +romeinsche legers, vooral onder den naam Traianenses (naar Colonia +Traiana, Xanten). Men neemt veelal aan, dat ze afstammen van de door +Tiberius naar den linkeroever van den Rijn verplaatste Sygambren +(z. a.). + +Gulussa, Golosses, tweede zoon van den numidischen vorst Masinissa, +broeder van Micipsa en vader van Massiva. + +Gymnetes, eigenlijk lichtgewapenden, in Argos een gedeelte van de +onderworpen oude inwoners, die ongeveer in denzelfden toestand waren +als de heloten in Sparta en als lichtgewapenden dienden. + +Gynaikeion, z. Gynaeceum. + +Gynaikonomoi, Gynaikokosmoi, ambtenaars, door Demetrius Phalereus +aangesteld, om te zorgen voor de handhaving van de wetten op de +weelde. Deze wetten bevatten bepalingen over feestmaaltijden, de +inrichting van woningen, den opschik van vrouwen, e. dgl. + +Gustatio, het gebruiken van eenige spijs tusschen de eigenlijke +maaltijden in; zie verder Coena. + +Guttones = Gothi. + +Gyara (plur.) of Gyarus, Gyaros, een arm eiland uit de groep der +Cycladen, ten Z. van Andrus gelegen, onder de rom. keizers als +verbanningsoord gebruikt. + +Gyas, Gyes, een van de Centimani. + +Gygaeus lacus, Gygaia limne, meertje in Lydia ten N. van Sardes, +aan de overzijde van den Hermus, later Coloë, Koloe, geheeten. Aan +de oevers van dit meer waren de graven der oude lydische koningen. + +Gyges, Gyges, gunsteling van den lydischen koning Candaules. Door de +hulp van diens gemalin, en volgens een verhaal onder bescherming van +een tooverring, die hem onzichtbaar maakte, doodde hij Candaules, +en maakte hij zich omstreeks 685 van de regeering meester. Hij was +de stamvader van het geslacht der Mermnaden. Hij breidde zijn rijk +uit en trachtte vriendschappelijke betrekkingen met Griekenland aan +te knoopen, hoewel hij later de aziatische Grieken aan zich zocht +te onderwerpen. Hoewel hij zich in het begin van zijne regeering +genoodzaakt had gezien den koning van Assyrië te huldigen, hielp +hij Psammetichus zich van het assyrische rijk onafhankelijk te +maken. Waarschijnlijk sneuvelde hij in een oorlog tegen de Cimmeriërs. + +Gylippus, Gylippos, spartaansch veldheer, werd in 414 met een leger en +eene vloot naar Sicilië gezonden, om de Syracusanen tegen de Atheners +te ondersteunen. Vooral zijn beleid veroorzaakte de vernietiging der +atheensche legermacht, hij verzette zich echter tegen het ter dood +brengen van Nicias en Demosthenes. Later maakte hij zich schuldig aan +diefstal van buitgemaakte goederen en moest hij uit Sparta vluchten. + +Gymnasiarchia, Gymnasiarchia, eene liturgie, die de verplichting +medebracht om hen, die zich voor den fakkelwedloop oefenden, te +onderhouden en waarschijnlijk ook gedurende den tijd van oefening te +bezoldigen. Er waren te Athene tien gymnasiarchen, één uit iedere +phyle.--In den keizerstijd was de gymnasiarch iemand die toezicht +hield op de gymnasia en de daar gehouden oefeningen. + +Gymnasium, Gymnasion, plaats voor oefeningen in de gymnastiek. Een +gymnasium vond men in elke grieksche stad, en groote steden hadden er +gewoonlijk meer dan één. Oorspronkelijk waarschijnlijk zeer eenvoudige +inrichtingen in de open lucht, trokken de gymnasia, bij de groote +belangstelling die de Grieken voor de gymnastiek gevoelden, een groot +aantal bezoekers, die er kwamen hetzij om zich te oefenen, hetzij +om naar de oefeningen van anderen te zien. Zoo werd het gymnasium +een middelpunt van het publiek leven, en werd het ook door velen +bezocht, die alleen tijdverdrijf of gezellig verkeer wenschten, en +zoo was dit ook de plaats, waar wijsgeeren, rhetoren, enz., zich bij +voorkeur ophielden, daar zij wisten hier altijd talrijke toehoorders +te vinden. Bij den aanleg van een gymnasium moest dus met dit drukke +bezoek rekening gehouden worden, en dientengevolge werd een groot +deel van de ruimte bestemd voor doeleinden, die niet onmiddellijk met +gymnastische oefeningen in verband staan. Op vorenstaande schets, +waarvan het donkergetinte de overblijfsels van het gymnasium te +Ephesus voorstelt, waaruit men door beschrijvingen der ouden zich +gemakkelijk eene voorstelling van het geheel kan maken, is C het +Ephebeum, een groote zaal, bestemd voor de oefeningen der jongelieden, +R R R waarschijnlijk speelzalen, en wel de langwerpige ruimte het +sphaeristerium, ingericht voor het balspel, T T oefenplaatsen in de +open lucht, rondom met verhoogde voetpaden voor de toeschouwers, +W de renbaan met een groot aantal verhoogde zitplaatsen voor de +toeschouwers, X X X, A en S open zuilengangen met plaatsen voor +openbare voordrachten (exedrae), B een overdekte zuilengang, V V V +beplante wandelplaatsen; de overige vertrekken zijn kleed-, bad- en +stookkamers, bewaarplaatsen, enz. De door zuilen ingesloten ruimte +A A A A (peristylium) heeft een omtrek van twee stadiën. + +Gymnesiae insulae = Baleares. + +Gymnopaediae, Gymnopaidiai, een groot feest, gedurende verscheiden +dagen in de maand Juli te Sparta met muziek, dans en gymnastiek +gevierd. De oorspronkelijk godsdienstige beteekenis van dit feest +raakte reeds vroeg op den achtergrond; sedert den slag bij Thyrea +(omstreeks 540) herdacht men op die dagen de 300 in dien slag +gesneuvelde Spartanen. Het waren de eenige dagen, waarop de burgers +vreemdelingen ontvingen, die gewoonlijk in groote menigte kwamen +toestroomen. + +Gymnosophistae, Gymnosophistai, eene secte van indische wijsgeeren, +die naakt in de bosschen leefden; wanneer zij oud of ziekelijk werden, +lieten zij zich levend verbranden. + +Gynaeceum, Gynaikeion, Gynaikonitis, het gedeelte van het huis, dat +meer bizonder door de vrouwen bewoond werd, en waar vreemde mannen +niet werden toegelaten; het lag gewoonlijk in het achterste gedeelte +van het huis of op een bovenverdieping. In het eerste geval lagen de +verschillende vertrekken, evenals in het mannenverblijf, rondom eene +aule. Zie Oikia. + +Gyndes, Gyndes, een zijtak van den Tigris, die boven Ctesiphon in +den Tigris valt. Cyrus leidde, volgens het naieve verhaal, op zijn +tocht naar Babylon het water van den Gyndes in 360 kanalen af. + +Gyrtone, Gyrton, -one, oude stad in het thessalische landschap +Pelasgiotis, aan den Peneus. De bewoners heetten oudtijds Phlegyae, +Phlegyai. + +Gytheum of -ium, Gytheion, -ion, aan de Laconische golf, belangrijke +zeestad en oorlogshaven der Spartanen. In 455 werd hier de spartaansche +vloot door den Athener Tolmidas vernield, en in 371 werden de +vruchtbare en wijnrijke omstreken door Epaminondas verwoest. + + + + + + +H. + + +Hades, Haides, Aides, Aidoneus, Plouton, Pluto, Dis, zoon van Cronus +en Rhea, kreeg na de overwinning op de Titanen bij de verdeeling +der heerschappij de onderwereld voor zijn deel, waar hij als een +onderaardsche Zeus (Zeus katachthonios) met Persephone heerscht. In +de oudste tijden stelde men zich voor dat hijzelf met zijne beroemde +zwarte paarden (klytopolos) de schimmen der afgestorvenen van de aarde +kwam halen, later werd Hermes de geleider der zielen (psychopompos), +terwijl Hades ze in zijn rijk opneemt en goed opgesloten houdt, opdat +zij niet uit hun somber verblijf ontsnappen. Als onderaardsch god +is hij de schenker van den rijkdom, die hetzij als metaal, hetzij in +den vorm van gewassen uit de aarde voortkomt, vandaar de naam Pluto, +dien hij in het dagelijksch leven en in de mysteriën draagt. Zijn +helm maakte den drager onzichtbaar. Er zijn van H. weinige mythen, +ook neemt hij in den eeredienst geen belangrijke plaats in, vandaar dat +hij ook door de kunst zelden afgebeeld werd; men stelde zich hem voor +gelijkend op Zeus en Poseidon, maar met donkere trekken en over het +voorhoofd hangende haren, hij draagt den sleutel der onderwereld en +wordt door Cerberus vergezeld. De cipres en narcis waren hem gewijd, +men offerde hem zwarte schapen, terwijl men het hoofd afwendde; +als men tot hem bad, sloeg men met de handen op den grond. + +Hadranum = Adranum. + +Hadria = Adria. + +Hadrianopolis, Adrianou polis, thans Adrianopel, bloeiende stad in +Thracia aan den Hebrus (Maritza), door keizer Hadrianus gesticht, +en beroemd om hare wapenfabrieken. Ook in Phrygia en in Cyrenaïca +vond men steden van dezen naam. + +Hadrianus (P. Aelius), in 76 na C. te Italica in Spanje geboren, was +na zijns vaders dood onder opzicht van Traianus opgevoed. Tijdens de +troonsbeklimming van Traianus diende Hadrianus in Moesia. Zelf was +hij een bloedverwant van den keizer en huwde eene bloedverwante van +dezen. Hij vergezelde hem op zijne krijgstochten in Dacia en Pannonia +en maakte zich bij Traianus zóó onmisbaar, dat deze besloot hem tot +zijn opvolger te bestemmen. Volgens het gewone verhaal overleed +Traianus echter, voordat de noodige schikkingen gemaakt waren, +zonder een testament na te laten, doch wist de keizerin Plotina te +bewerken, dat Hadrianus als opvolger werd erkend (117). V. a. heeft +Traianus hem nog op zijn doodsbed geadopteerd. Hadrianus begon met +drie provinciën in het O., Armenia, Assyria en Mesopotamia, die over +den Euphraat lagen, prijs te geven, en dezen stroom als grensrivier +aan te nemen. Hij zocht geen oorlog, maar streefde er naar, in vrede +te regeeren, de schatkist te stijven, de belastingen te verminderen, +en een goed regent te zijn. Hij doorreisde, grootendeels te voet, +zijn gebied van het eene einde tot het andere. In 122 n. C. legde hij +in Britannia ter bescherming tegen de invallen der Caledoniërs het +Vallum Hadriani aan (z. a.). Onbekrompen bevorderde hij wetenschap +en kunst, stelde bezoldigde onderwijzers aan, en legde veel ten +koste aan openbare werken en prachtige gebouwen. Zoo stichtte +hij te Rome den grooten tempel van Roma en Venus, het Athenaeum +(z. a.), het Mausoleum Hadriani (thans, uitgebreid, de Engelsburg) +over den Tiber; hij stichtte bij Tibur (Tivoli) eene villa, die +eene afspiegeling van zijn geheele rijk moest worden en waar niet +slechts kunstvoorwerpen werden aangebracht, maar ook natuurtooneelen +uit de provinciën werden nagebootst; in het onmetelijke park vond +men bouwwerken uit allerlei landen. Athene, zijne lievelingsstad, +had veel verfraaiingen aan hem te danken, evenals ook nog andere +steden in meerdere of mindere mate. Hij stichtte ook nieuwe steden, +en liet Jerusalem herbouwen, waarheen hij eene rom. kolonie zond en +waaraan hij den naam gaf van Aelia Capitolina. Toen hij echter op de +plaats, waar Salomo's tempel had gestaan, een tempel voor Jupiter +Capitolinus liet bouwen (130 n. C.), brak een vreeselijke opstand +los, die eerst na een driejarigen oorlog (132-134) door 's keizers +veldheer Julius Severus werd bedwongen en die aan bijna 600000 Joden +het leven kostte. Ondanks zijne goede eigenschappen kan men Hadrianus +toch menige zwakheid tegenover gunstelingen, en, waar zijne ijdelheid +gekrenkt werd, meer dan ééne daad van willekeur en wreedheid ten +laste leggen. Geene kinderen hebbende, nam hij L. Ceionius Commodus +(die na zijn adoptie L. Aelius Caesar heette) tot zoon en opvolger +aan en na diens dood T. Aurelius Fulvus Boionius Arrius Antoninus, +die na zijn adoptie Imp. T. Aelius Caesar Antoninus heette en hem +als Antoninus (Pius) opvolgde. Hadrianus stierf te Baiae in 138. + +Hadrumetum = Adrumetum. + +Haedi, twee sterren uit het sterrebeeld van den Voerman (Auriga), +wier op- en ondergang storm en regen aankondigden. + +Haedilia, heuvel bij het landgoed van Horatius. + +Haedui = Aedui. + +Haemodes = Emodi montes. + +Haemon, Haimon, 1) zoon van Pelasgus, naar wien Haemonia, het latere +Thessalië, heette.--2) zoon van Lycaon, stichter van Haemonia in +Arcadië.--3) zoon van Creon, z. Antigone. V. s. werd hij door de +sphinx gedood. + +Haemonia, Haimonia, mythische en dichterlijke naam voor Thessalia +(zie Haemon). Haemonius = thessalisch; Haemonia puppis = de Argo, +het schip der Argonauten; Haemonius iuvenis = Iason; Haemonius heros = +Achilles; Haemoniae artes = tooverkunsten. + +Haemonides, priester van Apollo en Diana, die onder Turnus streed en +door Aeneas gedood werd. Van zijne prachtige wapenrusting werd een +zegeteeken ter eere van Mars opgericht. + +Haemus, Haimos, zoon van Boreas, koning van Thracië, die zich en +zijne gemalin Rhodope in zijn overmoed Zeus en Hera noemde. Daarom +werden zij in bergen veranderd, die hunne namen behouden hebben. + +Haemus, Haimos, thans Balkan, gebergte tusschen Moesia en Thracia. Een +der passen, de westelijke, droeg den naam van porta Traiani. + +Hageladas = Ageladas. + +Halae, naam van twee demen in Attica. De eene, Halai Araphenides, +met een tempel van Artemis, lag aan de Oostkust; de andere, Halai +Aixonides, lag in het Z. + +Halcyone = Alcyone. + +Halcyonium mare = Alcyonium mare. + +Hales, Haleis, gen. -entos, riv. in Lucania, die bij Velia in zee +stroomt; ook een riviertje op het eiland Cos. Eene derde, Hales, +bekend om haar ijskoud water, liep langs Colophon, in Ionia, in de +Icarische zee uit. + +Halesa, Alaisa, rivier en handelsstad, later rom. municipium op de +N. kust van Sicilia. + +Halesus, Halaesus, bloedverwant van Agamemnon, die naar Italië kwam +en een dapper bondgenoot van Turnus werd in den strijd tegen Aeneas; +hij werd door Pallas gedood. V. s. was hij de stichter van Falerii. + +Halex, gen. -ecis, Halex, riv. in het land der Bruttii, grens tusschen +het gebied van Rhegium en dat van Locri Epizephyrii. + +Halia, z. Ekklesia. + +Haliacmon, Haliakmon, rivier in Macedonia, die eerst naar het Z. en +dan naar het N.O. stroomt en zich in de Thermaeische golf ontlast. + +Haliartus, Haliartos, oude stad in Boeotia aan den zuidelijken rand +van een meertje, dat bij hoogen waterstand met het Copaïsche meer +ineenvloeide. Xerxes verwoestte de stad, die herbouwd werd, en voor +welker muren Lysander in 394 sneuvelde. In den oorlog tegen Perseus +verwoestten de Rom. haar andermaal (171). Sedert dien tijd is het +met haar bloei voor goed gedaan. + +Halias, gen. -ados, Halias, zuidelijke punt van Argolis, met eene +visschersbevolking. Halies en een stadje Halice, Halike, ten Z. van +Hermione. + +Halicarnassus, Halikarnassos, beroemde stad in Caria, oorspronkelijk +lid der aziatisch-dorische hexapolis; het dialekt is echter deels +dorisch, deels ionisch; de moederstad Troezen was ionisch, vóór de +oude bevolking door de Doriërs verdrongen werd; geboorteplaats der +geschiedschrijvers Herodotus en Dionysius. Onder de latere perzische +koningen werd het in plaats van Mylasa de residentie der satrapen +van Caria. Hier was één van de zeven wonderen der wereld, n.l. het +praalgraf van Mausolus (zie Mausoleum). De stad kreeg een gevoeligen +knak door de verwoesting door Alexander den Gr. + +Halicyae, Halikyai, Al., rom. municipium op Sicilia, ten O. van +Lilybaeum, tusschen Selinus en Segesta. + +Halirrhothius, Halirrothios, zoon van Poseidon en Euryte, vervolgde +Alcippe, de dochter van Ares en Agraulus, met zijne liefde en werd +daarom door Ares gedood. Poseidon klaagde Ares bij de rechtbank der +twaalf goden aan, die op den Areopagus eene zitting hielden en den +aangeklaagde vrij spraken. + +Halitherses, Halitherses, zoon van Mastor, waarzegger op Ithaca, +die Telemachus tegen de vrijers van Penelope steunde. + +Halizones, Halizones, volk in Bithynië, bondgenooten der Trojanen. In +hun land waren de bijen tam en leefden in gemeenschap met de menschen. + +Halmydessus = Salmydessus. + +Halmyris, Halmyris limne, zoutmeer ten Z. der Donaumonden. + +Haloa, Haloa, feest ter eere van Dionysus, Demeter en Persephone, +op denzelfden tijd als de kleine Dionysia te Athene en Eleusis gevierd. + +Halonesus, Halonesos, ook met -nn geschreven, eilandje in de Aegaeische +zee tusschen Peparethus en Scirus, om welks bezit een heete strijd +ontstond tusschen de Atheners en Philippus van Macedonia. + +Halteres, halteres, springstokken en springgewichten, halters, die men +hij het springen en andere gymnastische oefeningen in de handen hield. + +Haluntium = Aluntium. + +Halus, Halos, stad in Phthiotis, tot het gebied van Achilles +behoorende. + +Halycus, Halykos, rivier op Sicilia, die op de zuidkust bij Heraclea +Minoa in zee valt. + +Halys, Halys, thans Kisil-Irmak = roode rivier, de grootste stroom +van Asia minor, die op den Antitaurus ontspringt, achtereenvolgens +naar het Z.W., N.W., N. en N.O. stroomt en ten laatste in den Pontus +Euxinus valt. Deze rivier is geschiedkundig bekend als de grens +tusschen de rijken van Croesus en van Cyrus; later vormde hij met +den mons Taurus een tijd lang de grens van Asia minor. + +Hamadryades, Hamadryades = Dryades. + +Hamaxitus, Hamaxitos, stadje aan de Z.W.-kust van Troas, waarvan de +inwoners door Lysimachus gedwongen werden, naar Alexandria Troas te +verhuizen. In den omtrek werden zoutgroeven gevonden. + +Hamaxobii, Hamaxobioi, nomadisch volk nabij de Palus Maeotis (zee +van Azow). + +Hamilcar, Amilkas, naam van verschillende carthaagsche veldheeren. 1) +zoon van Mago en vader van Gisgo. Hij sneuvelde in 480 aan de +Himera bij de zware nederlaag, die Gelo van Syracusae den Carthagers +toebracht.--2) Ham., die in 309 bij het beleg van Syracusae sneuvelde, +terwijl Agathocles de Carthagers in hun eigen gebied bestookte.--3) +veldheer op Sicilia in den eersten punischen oorlog, door de Rom. in +Afrika (258) krijgsgevangen gemaakt. Later strijdt hij weer tegen +de Numidiërs en Mauretaniërs, die opgestaan waren.--4) Hamilcar, +bijgenaamd Barcas = bliksem, de vader van Hannibal. In 247 naar Sicilia +gezonden, hield hij zich zes jaar tegen de Rom. staande, terwijl zijne +vloot bij herhaling op de italiaansche kusten stroopte. Na den vrede +dempte hij met Hanno den opstand der carthaagsche huurtroepen in +Africa (241-238) en stak kort daarna naar Hispania over, waarheen +hij zijn negenjarigen zoon Hannibal medenam. In acht jaar tijds +(237-229) onderwierp hij het grootste gedeelte des lands aan +Carthago, totdat hij in den winter van 229/8 in een gevecht tegen +de Vettonen sneuvelde. Hij liet drie zoons na: Hannibal, Hasdrubal +en Mago.--5) carthaagsche generaal, die in 218 op Melite (Malta) +door de Rom. gevangen werd genomen.--6) carth. veldheer, die in 200 +in Gallia Cisalpina het bevel voerde en den oorlog, ook na den vrede, +op eigen hand voortzette, totdat hij in 197 sneuvelde. + +Hamippoi, bij de Boeotiërs een troep voetknechten, waarvan iedere man +aan een ruiter toegevoegd was, met dezen in en uit het gevecht ging, +en naast hem te voet streed. In de eerste helft der vierde eeuw werd +ook bij het atheensche leger zulk een corps ingevoerd. + +Hammon = Ammon. + +Hannibal, Annibas, naam van verschillende carthaagsche veldheeren. 1) +zoon van Gisco, stierf in 406 op Sicilia aan de pest.--2) veldheer in +den eersten punischen oorlog, die Agrigentum zeven maanden tegen de +Rom. verdedigde (261), en later als vlootvoogd bij Mylae in 260 door +den consul Duillius verslagen werd.--3) een zoon van Hamilcar no. 3, +die in 250 het ingesloten Lilybaeum te hulp kwam, en later in den +oorlog met de carthaagsche huurtroepen omkwam.--4) oudste zoon van +Hamilcar Barcas, in 237, negen jaar oud, met zijn vader naar Hispania +gegaan, nadat deze hem den Rom. eeuwigen haat had laten zweren. Eerst +diende Hannibal onder zijn vader, na diens dood (229/8) onder zijn +zwager Hasdrubal; toen deze in 221 was vermoord, werd Hannibal door het +leger tot aanvoerder uitgeroepen. De carthaagsche senaat bekrachtigde +deze keus, ofschoon niet zonder heftige tegenkanting der partij van +Hanno. Hannibal, die het veldheerstalent van zijn vader met het +staatsmansbeleid van zijn zwager vereenigde, onderwierp spoedig +geheel Hispania, en volvoerde toen, door het met Rome verbonden +Saguntum te belegeren, zijn plan om Rome tot eene oorlogsverklaring +te drijven. Ten einde den vijand op diens eigen bodem aan te tasten, +trok H. met een groot leger, en een aantal olifanten, langs onbekende +en dikwerf ongebaande wegen over de Alpen en kwam na ontzaggelijke +verliezen met nog geen 30000 man in Italië (herfst van 218). Bijna +onmiddellijk hierop versloeg hij aan den Ticinus den consul +P. Cornelius Scipio (Cornelii no. 11), bij de Trebia den anderen +consul Tib. Sempronius Longus (Sempronii no. 14), en in 217 bij het +Trasimeensche meer den consul C. Flaminius. Tegenover den dictator +Q. Fabius Maximus, die den slag ontweek, richtte H. niet veel uit, +doch des te verschrikkelijker was de nederlaag der Rom. bij Cannae, +in 216, onder de consuls L. Aemilius Paullus en C. Terentius Varro. Nu +ging Zuid-Italië en ook Capua voor de Romeinen verloren. Toch kwam +H. niet verder, daar hij niet voldoende door Carthago gesteund werd, +en de Romeinen juist nu alle krachten inspanden. Eindelijk ontbood +hij in 208 zijn broeder Hasdrubal uit Spanje, die echter in 207 door +de beide consuls C. Claudius Nero en M. Livius Salinator bij den +Metaurus verslagen werd en sneuvelde. Meer en meer moest Hannibal +zuidwaarts trekken, totdat hij in 203 geroepen werd om Carthago zelf +te verdedigen tegen P. Cornelius Scipio. De slag bij Zama (202) viel +ten voordeele der Rom. uit. Nog eenige jaren bestuurde H. na den vrede +Carthago, zoodat het weer tot bloei kwam, maar werd in 195 (v. a. 196), +genoodzaakt te vluchten, en begaf zich toen tot koning Antiochus van +Syria, dien hij tot een oorlog met Rome overhaalde, zie Antiochus +no. 5. H. ried den koning te vergeefs aan, de Romeinen in hun eigen +land aan te vallen. Toen ook Antiochus het onderspit had gedolven, +week H. naar Bithynia tot koning Prusias (190). Ook hier vervolgden hem +de Rom. met onverzoenlijken haat, en uit vrees, dat Prusias voor hun +herhaalden aandrang zou zwichten en hem in hunne handen zou leveren, +maakte H. in 183 door vergif een einde aan zijn leven. + +Hanno, Annon, carthaagsche naam. 1) Hanno de zeevaarder, die tusschen +466 en 450 een ontdekkingstocht langs de Westkust van Afrika deed, +waarvan de beschrijving, in het Grieksch vertaald, onder den titel +periplous nog bestaat.--2) veldheer in den strijd tegen Agathocles van +Syracusae, sneuvelde in 310.--2a) veldheer op Sicilia in het begin +van den eersten punischen oorlog, die te Messana voor de Rom. moest +wijken en daarom te Carthago ter dood werd gebracht. Een andere Hanno +werd in 262 bij Agrigentum verslagen, toen hij met een groot leger +tot ontzet van die stad was opgedaagd.--3) Hanno de Groote, stadhouder +van Libya, kon in 241 den opstand der huurtroepen niet onderdrukken, +en zag toen Hamilcar Barcas boven zich gesteld. Hierom vatte hij een +doodelijke haat op tegen het geslacht der Barcini. Tegen Hamilcar en +Hannibal was Hanno het hoofd der vredespartij. Na den slag bij Zama was +Hanno onder de gezanten, die te Rome om vrede kwamen verzoeken.--4) +Bovendien komen onder de generaals van Hannibal nog Hanno's voor, +en ook een op Sicilia in 211. + +Harii, germaansche stam, tot de Lugii, de latere Vandalen, behoorend, +aan den bovenloop van de Viadua (Oder). + +Harma, Harma, vlek in Boeotia ten N.W. van Tanagra. + +Harmatus, Harmatous, kaap en stad in aziatisch Aeolis, aan de Zuidkust +van Troas, tegenover Methymna. + +Harmodius, Harmodios en Aristogiton, twee jonge Atheners, verbitterd +door eene beleediging, welke Hipparchus de zuster van Harmodius had +aangedaan, vormden het plan de Pisistratiden te vermoorden. Het gelukte +hun op de Panathenaea in 514 Hipparchus te dooden, maar Harmodius werd +op de plaats zelve door de lijfwacht afgemaakt, en Aristogiton werd +gevat en door Hippias ter dood gebracht, nadat hij op de pijnbank +de vrienden van den tyran als deelgenooten van de samenzwering had +aangegeven. Zij werden, hoewel ten onrechte, als martelaars voor +de vrijheid beschouwd; henzelf werd bijna goddelijke eer bewezen, +terwijl hunne afstammelingen verscheiden voorrechten genoten. + +Harmonia, Harmonia, dochter van Ares en Aphrodite. Toen zij met +Cadmus trouwde, kwamen alle goden op hare bruiloft, en kreeg zij +o.a. geschenken van Aphrodite een kleed en een halssnoer, die later +vele ongelukken te weeg brachten. Z. Amphiaraus en Alcmaeon. + +Harmostai, 1) twintig magistraten te Sparta, belast met het toezicht +over de perioeci.--2) bevelhebbers der bezettingen, die de Spartanen +na den peloponnesischen oorlog naar de afhankelijke staten zonden, +om tot steun voor de oligarchische partijen te dienen, z. dekarchiai. + +Harmozea, Harmozeia, stad en omstreken in Carmania aan de invaart +der perzische golf. + +Harpagium, -gea, Harpagion, ta Harpageia, stadje in Mysia aan den +Propontis, vanwaar Ganymedes door den adelaar van Zeus werd weggevoerd. + +Harpago als belegeringswerktuig is een lange houten staak of steel, +aan welks uiteinde verscheidene ijzeren haken zaten en waarmede men de +tinnen of de borstwering van den stadsmuur trachtte los te rukken. In +een scheepsgevecht is het een enterhaak, manus ferrea. + +Harpagus, Harpagos, 1) z. Cyrus. Wegens zijne ongehoorzaamheid liet +Astyages zijn zoon dooden en hem bij een feestmaal het vleesch van +het kind voorzetten.--2) veldheer van Darius Hystaspis. + +Harpalus, Harpalos, 1) Macedoniër, leefde langen tijd aan het +hof van Philippus, werd om onbekende redenen verbannen, doch door +Alexander d. G. teruggeroepen en tot schatmeester aangesteld. In die +hoedanigheid volgde hij Alex. naar Azië, doch moest in 332 wegens een +of ander vergrijp vluchten; hij keerde echter terug, toen de koning +hem volledige vergiffenis geschonken had. Te Babylon, waar hij het +beheer over onmetelijke schatten had, gaf hij zich gedurende Alex.'s +tocht naar Indië aan buitensporige weelde over, zoodat hij bij diens +terugkomst het raadzaam achtte te vluchten; met 5000 talenten en 6000 +huurlingen ging hij naar Athene, om zijn geld en zijne troepen voor +een oorlog tegen Alex. aan te bieden. De Atheners wezen hem eerst af, +later ontvingen zij hem echter (z. Demosthenes), maar toen Antipater +hem opeischte, nam hij de vlucht naar Taenarum en van daar naar Creta, +waar hij vermoord werd.--2) grieksch sterrenkundige, die reeds vóór +Meton pogingen deed den griekschen kalender te regelen. + +Harpalyce, Harpalyke, dochter van den thracischen koning Harpalycus, +die door haar vader van jongs af als man werd opgevoed; zij muntte uit +in alle kunsten van den oorlog en was zoo vlug, dat zij de snelste +paarden kon inhalen en zelfs over water loopen kon. Na den dood van +haar vader leefde zij met eenige makkers in de wouden van roof, totdat +zij door herders omsingeld, gevangen genomen en gedood werd. Bij het +verdeelen van den buit, dien men bij haar vond, ontstond zulk een +twist tusschen de herders, dat verscheidene van hen gedood werden; +daarom meende men dat de goden vertoornd waren over den dood van Harp., +men beschouwde haar als een goddelijk wezen en trachtte door offers +en feesten haar schim te verzoenen. + +Harpasus, Harpasos, riv. in Caria, die langs de stad Harpasa stroomde +en zich in den Maeander stortte. Eene andere rivier van denzelfden +naam, ook Acampsis geheeten, liep op de oostelijke grens van Armenia +in den Pontus Euxinus uit. + +Harpocrates, Harpokrates, een aegyptisch god, die met den vinger op +den mond wordt afgebeeld en daarom voor den god der stilzwijgendheid +gehouden wordt. Hij schijnt dezelfde te zijn als Horos. + +Harpocration (Valerius), Harpokration, grieksch taalkundige van +Mendes, wiens leeftijd onbekend is, schrijver van een Lexikon ton +deka rhetoron, een taal-, oudheid- en geschiedkundig woordenboek op +de werken der attische redenaars. + +Harpyiae, Harpuiai, godinnen van den stormwind, Aëllo en Ocypete, +dochters van Thaumas en Electra; men stelde zich voor dat menschen, +die spoorloos verdwenen waren, door haar waren weggeroofd. Later komen +zij in grooter aantal voor (Celaeno, Thyella, e. a.) als kwelgeesten, +die bijv. den blinden Phineus zijne spijzen ontrooven of ze door hare +aanraking verontreinigen, totdat Zetes en Calaïs haar verjagen en +vervolgen tot de Strophadische eilanden, waar zij beloven Phineus niet +meer lastig te zullen vallen. V. a. werden zij bij die gelegenheid +gedood. Zij worden afgebeeld half als vrouw, half als roofvogel, +soms met uitgehongerd gelaat en met klauwen aan handen en voeten. + +Harudes of Charudes, Charoudes, germ. volk in het leger van Ariovistus +(58). Hun eigenlijke woonplaats is op de Chersonesus Cimbrica +(Jutland), waar ze naast de Cimbren wonen. + +Haruspices. In kritieke gevallen werden door den rom. senaat haruspices +uit Etruria ontboden, waar de leer der divinatio het meest tot een +volledig stelsel ontwikkeld was. Hunne taak was het dan, uit de +ingewanden der offerdieren uit te vorschen, of de goden al dan niet +gunstig gezind waren. Zie extispicium. In gewone gevallen deden de +rom. priesters zelf hunne waarnemingen. Deze haruspices behoorden tot +den Etruscischen adel. Van hen te onderscheiden zijn de particuliere +haruspices, die zich sinds de 2de eeuw te Rome vestigden en voor +geld waren te raadplegen of als mercennarii in dienst traden van +ambtenaren. Hun gezag werd door den senaat niet erkend. + +Hasdrubal, Asdroubas, carthaagsche naam. 1) zoon van Hanno, in den +eersten punischen oorlog met ruim 30000 man en 130 olifanten naar +Sicilia overgestoken (251), doch in 250 bij Panormus (Palermo) door +L. Caecilius Metellus (Caecilii no. 2) verslagen.--2) schoonzoon van +Hamilcar Barcas, dien hij in 228 als carthaagsch opperbevelhebber +in Hispania opvolgde. Hij stichtte Carthago nova (thans Carthagena), +en sloot met de Rom. een verdrag, waarbij de Iberus als grensrivier +tusschen beide staten werd aangewezen en tevens de onzijdigheid van +Saguntum werd erkend. In 221 werd hij uit persoonlijke wraakzucht door +een Hispaniër vermoord.--3) zoon van Hamilcar Barcas en broeder van +Hannibal. Toen Hannibal naar Italië trok, nam Hasdrubal het bevel in +Hispania op zich (218) en handhaafde zich met roem tegen de gebroeders +P. en Cn. Cornelius Scipio, die in 211 sneuvelden. In 211 echter +verscheen een jongere Scipio, de latere Africanus maior, in Hispania; +Carthago nova ging voor Hasdrubal verloren; zie verder Cornelii +no. 13. Op de roepstem zijns broeders trok hij in 208 naar Italia, +waar hij echter door de beide consuls M. Livius Salinator (Livii no. 7) +en Claudius Nero (Claudii no. 22), die zich ongemerkt vereenigd hadden, +werd aangevallen bij Sena Gallica aan den Metaurus. Hasdrubal sneuvelde +(207). Het afgehouwen hoofd werd over den wal van Hannibals legerplaats +geworpen, om hem aldus bericht te geven van zijns broeders dood.--4) +zoon van Gisco, onderbevelhebber van no. 3, die tot 206 in Hispania +streed, vervolgens in Africa oorlog voerde, eerst tegen Masinissa, +daarna tegen de Rom. Hij was niet gelukkig in den oorlog; men weet aan +hem de nederlaag van Hannibal bij Zama en hij moest door vergif een +einde aan zijn leven maken. Door zijne dochter Sophonisbe aan koning +Syphax ten huwelijk te geven, haalde hij dezen tot een bondgenootschap +met Carthago over.--5) behalve de reeds genoemde komen er in den +tweeden punischen oorlog nog meer Hasdrubals voor, o. a. in 215 +op Sardinia.--6) veldheer in 151 tegen Masinissa en in den derden +punischen oorlog tegen de Rom. Hij zegevierde over den rom. consul +M'. Manilius, doch moest later voor Scipio de wijk nemen naar den +burg. Hijzelf gaf zich ten laatste over en werd als gevangene naar +Italia gevoerd, waar hij stierf. Zijne vrouw en kinderen stortten +zich in de vlammen.--7) Zie Clitomachus no. 2. + +Hasta, lans. Hasta pura, lansschacht zonder punt (cuspis), een +eereteeken voor soldaten wegens betoonden moed. Bij verkooping van +buit werd eene hasta in den grond gestoken; evenzoo had de praetor +eene hasta naast zich staan bij gerechtelijke verkoopingen; vanhier +de uitdrukkingen sub hasta venire, bona hastae subicere en dgl. Ook +het gerechtshof der centumviri had eene hasta in den grond geplant. + +Hasta = Asta. + +Hastati, oorspronkelijk soldaten, die met eene lans gewapend +waren. Toen echter het rom. voetvolk voor het grootste gedeelte +gewapend werd met de kortere, doch zwaardere werpspeer, die den naam +van pilum droeg, (sedert den tijd van Camillus, zie acies) ging de +naam hastati over op de jongere manschap; uit de soldaten van rijperen +leeftijd werden de principes gevormd en uit de oudgedienden de pilani +of triarii. De hastati en principes droegen, behalve zwaard en schild, +ook het pilum, terwijl de pilani in plaats daarvan de hasta kregen. Zie +centuria. + +Hatra, zie Atrae. + +Hatria, zie Adria. + +Hattuarii (Attuarii), zie Chasuarii. + +Hebe, Hebe, dochter van Zeus en Hera, godin der jeugd. Toen Heracles +onder de goden was opgenomen, kreeg hij haar tot gemalin en werd zij in +hare betrekking als schenkster der goden door Ganymedes vervangen. Zij +werd op vele plaatsen vereerd, meestal in vereeniging met Hera of +Heracles; soms wordt zij Ganymeda of Dia genoemd. + +Hebraei = Iudaei. + +Hebron, Hebron, oude stad in Palaestina, ongeveer ten Z. van Jerusalem. + +Hebrus, Hebros, thans Maritza, voorname rivier van Thracia, met breede +zijstroomen en een uitgebreid stroomgebied. Hij ontspringt op den +mons Rhodope (Despoto-dagh) en den Scomius en valt met twee armen +bij Aenus in zee. Aan den Hebrus werd Orpheus door de thracische +Bacchanten vermoord. + +Hebudae = Ebudae. + +Hecabe, Hekabe, dochter van Dymas of Cisseus of Sangarius, tweede +vrouw van Priamus, moeder van Hector, Paris (z. Aesacus), Cassandra +en vele andere kinderen, die zij allen tengevolge van den trojaanschen +oorlog zag omkomen of in slavernij wegvoeren. Zij zelve werd als slavin +aan Odysseus gegeven. Den dood van haar zoon Polydorus wreekte zij +door de zonen van Polymnestor te dooden en hemzelf de oogen uit te +krabben. Het voorgebergte Cynossema werd als haar graf beschouwd, en +ter verklaring van dien naam verhaalde men, dat zij na hare wraakneming +op Polymnestor in een hond veranderd en in zee gesprongen was, of +dat de Grieken, daar zij hen met scheldwoorden placht te overladen, +haar den naam van teef gegeven hadden, of dat zij haar om diezelfde +reden gesteenigd, maar onder den steenhoop inplaats van haar lijk +dat van een hond gevonden hadden. + +Hecaërgus, -ge, Hekaergos, -erge, vèrtreffende, bijnaam van Apollo +en Artemis. + +Hecamede, Hekamede, van Tenedus, dochter van Arsinoüs; toen Achilles +het eiland veroverde, werd zij aan Nestor tot slavin gegeven. + +Hecataeus, Hekataios, 1) van Miletus, zoon van Hegesander, de +eerste geschiedschrijver genoemd, daar hij de eerste was, die verder +ging dan eene omschrijving in proza van mythen en legenden, en in +zijne werken, Periodos ges en Geneelogiai, de resultaten van zijne +onderzoekingsreizen in verre landen neerlegde. Herodotus heeft geregeld +van zijn werk gebruik gemaakt, maar hem ook dikwijls bestreden. Bij den +opstand van de Ioniërs tegen de Perzen trad hij als een der leiders op, +maar zijn wijze raadgevingen werden niet opgevolgd.--2) van Abdera, +geschiedschrijver, die geruimen tijd bij Ptolemaeus in Alexandrië +gewoond heeft. Hij was een leerling van Pyrrho; hij heeft geschreven +over de poëzie van Homerus en Hesiodus, en verder een romantische +geschiedenis van Aegypte, en een werk over de Hyperboraei. Hij schrijft +in denzelfden geest als zijn jongere tijdgenoot Euhemerus. Excepten +uit zijne werken vinden we bij Diodorus Siculus. Op zijn naam is ook +nog een joodsch werk over de Joden overgeleverd dat van veel later +tijd is.--3) tyran van Cardia ten tijde van Alexander d. G. + +Hecate, Hekate, dochter van Zeus en Hera of Demeter of Pheraea, de +dochter van Aeolus, of van Perses en Asteria. Zij was de eenige van het +geslacht der Titanen, die aan Zeus trouw bleef, daarom schonk hij haar +na zijne overwinning macht in den hemel, op aarde en op zee. In haar +drievoudig gebied werkt zij heilrijk, en geeft zij haren vereerders +wijsheid en geluk. Maar tevens is zij ook godin der onderwereld en als +zoodanig wordt zij het meest vereerd en heeft zij ook aandeel aan de +mysteriën; zij was het die de schaking van Persephone had gezien, aan +Demeter bericht er van gegeven had en haar bij het zoeken naar hare +dochter had geholpen. Zij is vooral de godin der spoken, die zij des +nachts uit de onderwereld doet opstijgen om de menschen te kwellen +en angstig te maken; zij zelve zwerft 's nachts, door de schimmen +der afgestorvenen en door zwarte honden begeleid, over de graven en +beschermt de tooverheksen bij hare bezweringen en bij het bereiden +van hare toovermiddelen.--Hec. was waarschijnlijk oorspronkelijk +de godin der nieuwe maan, daarom wordt zij soms geïdentificeerd met +Artemis, die zelve ook Hecate genoemd wordt.--Zij had slechts weinige +tempels, maar talrijke beelden (hekataia, hekatesia) en altaren op +marktpleinen, voor de poorten en de deuren der huizen; vooral op +driesprongen plaatste men beelden van haar met drie hoofden of drie +lichamen (Enodia, Trioditis, Trivia, Trikephalos, Trimorphos, Triceps, +Triformis). Men offerde haar honden, zwarte lammeren en honig en op den +laatsten dag der maand plaatste men bij hare beelden allerlei spijzen, +die door arme lieden werden weggehaald. Zij wordt beschreven als +eene vreeselijke gestalte met slangen inplaats van haren en voeten, +een paarde-, een honde- en een leeuwekop, enz.; afgebeeld wordt zij +echter soms onder eene eenvoudige menschelijke gedaante, meestal met +drie hoofden of drie lichamen; hare attributen zijn honden, slangen, +touwen, sleutels, fakkels, dolken, appels, enz.--Bij de Romeinen +werd zij vooral in den keizertijd vereerd. Diocletianus stichtte te +Antiochië een heiligdom voor haar, waarin men met 365 trappen afdaalde. + +Hecato, Hekaton, van Rhodus, stoicijnsch wijsgeer in de 2de eeuw, +leerling van Panaetius, stond bij zijne tijdgenooten en bij lateren +in hoog aanzien. Van zijne talrijke werken is weinig bewaard gebleven. + +Hecatombaeon, Hekatombaion, 1ste maand van het Attische jaar (midden +Juli-midden Augustus), z. Annus. + +Hecatompylus, Hekatompylos, hoofdstad van Parthyaea of Parthyene, +later residentiestad der parthische koningen, totdat zij hun residentie +naar Ctesiphon overbrachten. + +Hecatonnesi, Hekatonnesoi, de 100 eil., eene eilandengroep aan de +Adramyttische golf, tusschen Lesbus en de aziatische kust. + +Hector, Hektor, oudste zoon van Priamus en Hecabe, echtgenoot van +Andromache, vader van Astyanax, een man die aan teedere liefde voor +vrouw en kind, voor ouders en medeburgers, buitengewonen heldenmoed +paarde, waarvan hij, als leider der verdediging van Troje tegen +de Grieken, onder bescherming van Apollo schitterende bewijzen +gaf. Gedurende den tijd dat Achilles uit wrok tegen Agamemnon zich +van den strijd onthoudt, brengt H. de Grieken geducht in het nauw, +zelfs dringt hij tot hunne schepen door en begint hij die in brand te +steken. Wel gelukte het Patroclus in de wapenrusting van Achilles de +Trojanen op de vlucht te jagen, maar hijzelf werd door H. gedood. Toen +H. kort daarna door Achilles (z. a.) verslagen was, beschermden Apollo +en Aphrodite zijn lijk tegen de smadelijke behandeling van zijn vijand, +totdat het op bevel van Zeus zelf aan Priamus teruggegeven en plechtig +begraven werd. + +Hecuba = Hecabe. + +Hegelochus, Hegelochos, 1) een tooneelspeler, die eens bij de opvoering +van een treurspel de woorden galen' horo uitsprak als galen horo, wat +groot gelach verwekte en niet spoedig vergeten werd.--2) bevelhebber +der vloot van Alexander d. G. gedurende de eerste jaren van zijne +veldtochten, onderwierp Tenedus, Chius e. a. eilanden. + +Hegemon, Hegemon, 1) van Thasus, dichter van de oude attische comedie, +ook bekend door zijne parodieën op de gedichten van Homerus.--2) +atheensch staatsman ten tijde van Demosthenes, behoorde tot de +macedonische partij. + +Hegemone, Hegemone, 1) bijnaam te Sparta en in Arcadië aan Artemis +gegeven.--2) eene van de Charites. + +Hegemonia, in het algemeen leiding, voorzitterschap, in het bizonder de +eerste rang onder staten, die gemeenschappelijke belangen te verdedigen +hebben. De staat, die de hegemonie had, leidde de beraadslagingen over +die belangen, voerde in den oorlog de verbonden troepen aan, bepaalde +hoeveel iedere staat aan geld en manschappen moest bijdragen, enz. + +Hegesias, Hegesias, 1) cyrenaeisch wijsgeer, leefde in de 3de eeuw +te Alexandrië. In zijn werk, Apokarteron, leert hij dat genot het +doel van het leven is, dat de mensch echter niet hopen kan dit doel +ooit te bereiken, en dat het dus beter is te sterven dan het leven te +verdragen. Vele van zijne leerlingen (Hegesiakoi) pleegden inderdaad +zelfmoord, vandaar dat hij den bijnaam Peisithanatos kreeg.--2) +redenaar en sophist van Magnesia, omstreeks 300, wordt, hoewel hij +tal van navolgers had, wegens zijn gezwollen en gemaakten stijl door +de ouden streng gelaakt. Hij is de schepper van den Aziatischen +stijl (Asianismus). Als geschiedschrijver wordt hem gebrek aan +waarheidsliefde verweten. + +Hegesilochus, Hegesilochos, 1) leider eener oligarchische partij op +Rhodus, die in 356 met de hulp van Mausolus van Carië de democratie +omverwierp en de regeering in handen nam; hij maakte zich berucht door +zijne losbandigheid. Na den dood van Mausolus werd de democratie +hersteld.--2) rhodisch staatsman, in 171 voorstander van een +bondgenootschap met de Rom. tegen Macedonië. + +Hegesinus, Hegesinous, van Pergamus, leerling van Euander en zijn +opvolger als hoofd der academische school, leeraar van Carneades. + +Hegesippus, Hegesippos, 1) atheensch redenaar, vriend en partijgenoot +van Demosthenes; van hem is waarschijnlijk de redevoering peri +Halonnesou, die onder de werken van Demosthenes tot ons gekomen is.--2) +oudste schrijver over kerkgeschiedenis, tijdens Marcus Aurelius. Zijn +werk, 5 boeken Hypomnemata, is verloren, maar wordt vaak geciteerd door +Eusebius.--3) of Egesippus, naam, waaronder in de ME. de latijnsche +vertaling van Flavius Josephus (z.a.) geciteerd wordt, die uit de +4de eeuw n. C. dateert, en aan Ambrosius wordt toegeschreven. + +Hegesistratus, Hegesistratos, 1) zoon van Pisistratus, regeerde na +het verdrijven der Mytilenaeërs over Sigeum.--2) Samiër, zoon van +Aristagoras, kwam uit naam der Samiërs de hulp der grieksche vloot +inroepen en bewoog Leotychides naar Samus te zeilen, wat aanleiding +gaf tot den beroemden slag bij Mycale (479). + +Hekatoncheires = Centimani. + +Hektemoroi, waren oudtijds in Attica boeren, die gepachten grond +bebouwden, en vijf zesden van de opbrengst aan den grondeigenaar +moesten afstaan. Bij niet-vervulling van deze verplichting werden +zij met hun zoons diens lijfeigenen. + +Helena, Helene, 1) dochter van Zeus of Tyndareos en Leda, beroemd +door hare weergalooze schoonheid. Reeds op zeer jongen leeftijd werd +zij door Theseus geschaakt en naar Aphidnae gebracht, maar spoedig +door hare broeders, de Dioscuren, bevrijd. Later dongen zooveel +jongelingen naar hare hand, dat Tyndareos haar aan niemand durfde +geven, uit vrees dat onder de mededingers een geweldige strijd zoude +ontstaan; op raad van Odysseus nam hij eindelijk allen den eed af, +dat zij den uitverkorene niet zouden bestrijden, maar integendeel tegen +aanvallen en beleedigingen zouden verdedigen. Helena koos nu Menelaus +tot echtgenoot en kreeg bij hem eene dochter, Hermione. In zijne +afwezigheid liet zij zich schaken door Paris, den zoon van Priamus, +en nam zij vele schatten naar Troje mede. Dit was de aanleiding +tot den trojaanschen oorlog, waaraan de meeste grieksche vorsten, +gedeeltelijk door hun eed gebonden, deel namen. Wegens hare schoonheid +wordt zij ook te Troje, in weerwil van de rampen van den oorlog, +algemeen geëerd en bewonderd; niettemin had zij berouw over haar +misstap en verlangde zij naar haar vaderland terug. Na den dood +van Paris huwde zij met Deïphobus, een anderen zoon van Priamus, +dien zij v. s. bij de inneming van de stad aan de Grieken in handen +leverde. Toen Menelaus haar terugvond, wilde hij haar eerst dooden, +maar hare schoonheid redde haar, hij nam haar mede naar Sparta, +waar zij nog lang met hem in vrede en geluk leefde, en na haar dood +in hetzelfde graf met hem bijgezet werd.--V. a. was zij met Paris in +Aegypte gekomen, waar Proteus haar en de geroofde schatten terughield +en na den oorlog aan Menelaus teruggaf. Een schijngestalte vergezelde +Paris naar Troje, daar de oorlog volgens beschikking van het noodlot +gevoerd moest worden.--V. a. was zij na den dood van Menelaus door hare +stiefzonen verjaagd en naar Rhodus gevlucht, waar zij, als oorzaak van +den grooten oorlog, aan een boom werd opgehangen; na haar dood werd +zij daar vereerd als Helena Dendritis.--Nog werd verhaald dat zij in +het leven teruggeroepen werd en naar het eiland Leuce verplaatst, waar +zij met Achilles huwde en hem een zoon Euphorion baarde.--2) dochter +van Paris en Helena.--3) dochter van Aegisthus en Clytaemnestra.--4) +(Flavia Iulia), moeder van Constantijn d. G., Christin.--5) dochter +van Constantijn d. G., gemalin van keizer Julianus. + +Helena, Helene, vroeger Cranaë, rotseilandje bij de Zuidspits van +Attica. Zie ook Illiberis. + +Helenus, Helenos, zoon van Priamus en Hecabe, beroemd waarzegger. Hij +werd door de Grieken gevangen genomen of liep tot hen over, en +openbaarde hun op welke wijze Troje genomen kon worden. Na het +eindigen van den oorlog ging hij met Neoptolemus naar Epirus; toen +deze gestorven was, huwde hij Andromache en kreeg hij een deel van +het rijk, waarin hij een vesting bouwde, geheel naar het model van +Troje. Hij liet de regeering aan Molossus, den zoon van Neoptolemus +en Andromache, na.--V. a. vluchtte hij, toen Neoptolemus Hermione +tot vrouw nam, met Andromache en Molossus naar Molossië. + +Helepolis, helepolis, een door Demetrius Poliorcetes uitgevonden +belegeringswerktuig; het was een verplaatsbare toren met negen of +minder verdiepingen, beneden van een stormram voorzien en op de hoogere +verdiepingen ingericht tot het werpen van lichtere projectielen. Iedere +verdieping had van buiten een galerij met borstweringen voorzien en +het geheel was met ijzer beslagen. + +Helia = Velia. + +Heliadae, Heliadai, zeven zonen van Helius en Rhode. Zij hadden van hun +vader vernomen dat de godin Athena de plaats, waar men haar het eerst +zou offeren, tot haar woonplaats zou kiezen, daarom haastten zij zich +haar een offer te brengen, doch vergaten het te verbranden, zoodat +zij hun doel niet bereikten. Zij waren zeer bekwaam in sterrenkunde +en scheepvaart en boven allen muntte Tenages uit, waarom zijne +broeders hem uit afgunst doodden en, toen hun misdaad ontdekt werd, +naar verschillende landen vluchtten. Zij werden als heroën vereerd +door de Rhodiërs, die ook Heliaden genoemd worden, en tot aandenken +aan hen de gewoonte behielden het offer niet te verbranden. + +Heliades, Heliades, zusters van Phaëton, die zijn dood onophoudelijk +beweenden. Hare tranen veranderden in barnsteen, en zijzelve werden in +boomen veranderd, waaruit een vocht vloeit, dat, wanneer het gestold +is, tot barnsteen wordt. + +Heliaia, de rechtbank der gezworenen (heliastai) te Athene. Jaarlijks +werden door het lot 6000 burgers boven de 30 jaar, die in het +bezit hunner burgerrechten waren, 600 uit elke phyle, als heliasten +aangewezen, die in 10 sectiën van 500 verdeeld werden, terwijl 1000 +als plaatsvervangers overbleven. Voor ieder proces wordt een zeker +aantal rechters bepaald, men vindt rechtbanken vermeld van 200, 300, +400, soms van 1000 of 1500 leden, zeer zelden kwamen alle 6000 bij +elkander. Voor het bijwonen der zittingen werden de rechters sedert +Pericles betaald, z. Dikastikon. + +Helice, Helike, oude hoofdstad van Achaia, met een beroemden +Poseidon-tempel. Bij eene vreeselijke aardbeving in 373 werd de stad +door de zee verzwolgen. In hare plaats werd Aegium hoofdstad van den +achaeischen bond. + +Helicon, Helikon, berg in het Z. van Boeotia, aan de Muzen geheiligd, +rijk aan bosch, dat door grasrijke weiden wordt afgewisseld, met +vruchtbaren bodem en vele bronnen. Onder de bronnen zijn beroemd: +Aganippe en Hippocrene, de paardebron, door den hoefslag van Pegasus +te voorschijn geroepen. Heliconiades = de Muzen. + +Heliodorus, Heliodoros, 1) ho periegetes, omstreeks 150, Athener, +die de acropolis in 15 boeken beschreef, een werk, dat bijna geheel +verloren gegaan is.--2) rhetor te Rome, vriend van Horatius.--3) +Syriër, rhetor te Rome en secretaris van Hadrianus, later praefect +van Aegypte.--4) schrijver van een werk over metriek.--5) van Emesa, +v. s. bisschop van Tricca, schreef omstreeks 400 na C. een griekschen +roman Aithiopika, bevattende de liefdesavonturen van een Thessaliër +Theagenes en eene aethiopische prinses Chariclea. + +Heliogabalus of Elagabalus, Heliogabalos. De eigenlijke naam was Varius +Avitus Bassianus. Hij was verwant met de Severi op de volgende wijze: + + + L. Septimius Iulia, Iulia Maesa + Severus, geh. met | | + rom. keizer Sept. zusters | + 193-211 Severus | + \ / \ | / + \----------\ /----------/ \----------\ /----------/ + V V + Caracalla, Geta, Soaemis, Mammaea, + 211-217. 211-212. geh. m. geh. m. + Varius Gessius + Marcellus. Marcianus + | | + Heliogabalus | + Alex. Severus. + + Verwantschap van Heliogabalus met de Severi. + + +Heliogabalus was priester van den zonnetempel te Emesa in Syria. Door +zijne groote gelijkenis op (M. Aurelius Antoninus) Caracalla, kwam +Iulia Maesa op het denkbeeld, den schoonen, doch onbeteekenenden +knaap, die slechts 14 jaar oud was, voor een zoon van Caracalla te doen +doorgaan. Zóó werd hij onder den naam M. Aurelius Antoninus tot keizer +uitgeroepen (218-222). Hij beging als keizer allerlei laffe dwaasheden, +stelde o. a. een senaat voor vrouwen in, onder wiens bestuur de modes +zouden geregeld worden, en gaf zich onbeteugeld aan uitspattingen +en wellust over, terwijl hij zich overigens geheel door zijne moeder +Soaemis liet beheerschen. Hij had zijn neef, den edelen Alex. Severus, +tot mederegent aangenomen (221); toen hij echter dezen naar het leven +stond, werd hijzelf met zijne moeder door de soldaten omgebracht. + +Heliopolis, Heliou polis, stad in Coelesyria tusschen den Libanon +en den Antilibanon, ook Baälbek = Baälsstad genoemd, eene prachtige +stad, de hoofdzetel van den Baälsdienst. Antoninus Pius liet hier +een schoonen tempel voor Jupiter bouwen.--2) stad in Aegypte, aan het +begin der Nijldelta, hoofdzetel van den aegyptischen zonnedienst. De +stad leed veel door den veldtocht van Cambyses. In den griekschen +tijd is de stad vervallen. + +Helius, Helios, Sol, zoon van Hyperion en Thea of Euryphaëssa, +broeder van Selene en Eos, de zonnegod. Iederen morgen komt hij in het +uiterste Oosten uit den Oceaan op en voert zijn schitterenden wagen, +bespannen met vier paarden, die zoo vurig zijn, dat zelfs Zeus ze niet +kan besturen, langs den hemel, om 's avonds in het Westen weder in den +Oceaan neder te dalen, van waar hij v. s. des nachts in een gouden boot +slapend naar het O. terugkeert. Hij is, daar hij met zijne stralen +overal doordringt, alziend (panderkes) en dus alwetend, daarom werd +hij bij plechtige verzekeringen en eeden als getuige aangeroepen. Op +het eiland Thrinacia weidden zijne dochters, Phaethusa en Lampetie, +voor hem 7 kudden runderen en 7 kudden schapen, elke van 50 stuks, +een getal dat nooit grooter of kleiner werd, en op vele plaatsen, +waar hij vereerd werd, vond men aan hem gewijde kudden. Zijne kinderen +waren o.a. Aeetes, Circe en Phaëthon.--Hel. werd vrij algemeen in +Griekenland vereerd, vooral op Rhodus, waar zijn 100 voet hoog beeld +stond, de zoogenaamde colossus van Rhodus, het werk van Chares. Men +offerde hem witte paarden, verder rammen, stieren en geiten; de haan +en de arend waren hem gewijd. Op zijne afbeeldingen draagt hij een +stralenkrans en een wijden mantel en heeft hij een wereldbol in de +hand, soms staat hij op zijn wagen. Vgl. Apollo. + +Helium ostium, de zuidelijke mond van den Rijn, de oude Maasmond, +die toen veel breeder was dan tegenwoordig. + +Hellanicus, Hellanikos, van Mytilene, jongere tijdgenoot van Herodotus, +logograaf, wiens vrij talrijke werken verloren gegaan zijn. Hoewel +hij veel gereisd en veel gestudeerd had, wordt hem door sommige oude +schrijvers gemis aan oordeel en onnauwkeurigheid verweten. + +Hellanodikai, een commissie van burgers uit Elis, belast met de +regeling van en het toezicht op de olympische spelen, zij fungeerden +tevens als kamprechters. Aanvankelijk was dit aan één persoon +opgedragen, later vindt men 2, nog later 9, 10 of 12 rechters vermeld. + +Hellas, Hellas. In Homerus' tijd was Hellas alleen de naam eener stad +in het zuid-thessalische landschap Phthiotis of Phthia, het gebied van +Achilles. In het historische tijdperk is Hellas = Graecia, n. l. 1) +Midden-Griekenland, thans Livadia,--2) de Peloponnesus,--3) de door +ligging en beschaving tot Griekenland behoorende eilanden. Epirus en +Thessalia, samen ook wel Noord-Griekenland genoemd, werden door de +oude Grieken niet tot Hellas gerekend. Daar de Grieken hun land niet +als één geheel beschouwden, maar als een complex van verschillende +staatjes en volken, hadden zij voor Hellas geene bepaald aangegeven +aardrijkskundige grens, en daar ook buiten Hellas Grieken woonden, +is de uitdrukking he pasa Hellas niet altijd juist te bepalen, +en meermalen = al wat Grieksch is. In engeren zin is Hellas alleen +Midden-Griekenland, met de landschappen Attica, Megaris, Boeotia, +Locris, Doris, Phocis, Aetolia en Acarnania. Als rom. provincie heette +Griekenland Achaia. + +Helle, Helle, dochter van Athamas (z. a.) en Nephele. Door hare +moeder van den dood gered, vluchtte zij met haar broeder Phrixus +uit hun vaderland en verdronk in de zee, die naar haar Hellespont +genoemd wordt. + +Hellen, Hellen, zoon van Deucalion en Pyrrha, of van Zeus en Dorippe, +vader van Dorus, Aeolus en Xuthus, stamvader der Hellenen. + +Hellenes, Hellenes. Vóór Homerus bestaat er geen gemeenschappelijke +volksnaam voor de bevolking van Griekenland. In verschillende +streken komen verschillende stammen voor: Abantes, Curetes, Caucones, +Leleges, Epei, Dryopes, Danaï, Dolopes, Myrmidones, welke laatsten bij +Homerus ook Hellenen worden genoemd naar hunne stad Hellas. Mettertijd +verdwijnen deze stammen door samensmelting, verhuizing, enz., en komen +twee andere namen, Pelasgi en Hellenes, er voor in de plaats. Beide +stammen kwamen uit Thessalia, de Pelasgen het eerst. De Hellenen +drongen de Pelasgen weder op den achtergrond en de naam Hellenen +werd de algemeene volksnaam.--Als gemeenschappelijke naam der Grieken +bezigt Homerus wel den naam Achaei, waarschijnlijk waren deze in zijn +tijd de voornaamste stam. De grieksche schrijvers evenwel splitsen de +Hellenen weder in vier stammen: Aeoles, Achaei, Iones, Dores. Het is +hier de plaats niet, over de afkomst en onderlinge verhouding dezer +stammen gissingen te maken. De Ioniërs en Doriërs werden allengs +de hoofdstammen. + +Hellenismus, de algemeen gebruikelijke naam voor de Grieksche +beschaving na Alexander den Groote. De oostersche volkeren hebben +de Grieksche beschaving overgenomen en vervormd, en wederom invloed +uitgeoefend op de eigenlijk Grieksche beschaving. Hellenistisch wordt +de kunst, de poëzie, de geschiedbeschrijving, de philosophie en de +godsdienst zoowel van de Grieken als van de oostersche volkeren. + +Hellenotamiai een college van 10 door de volksvergadering gekozen +atheensche ambtenaars, die de bijdragen der bondgenooten moesten +innen en de bondskas beheerden. Deze bijdragen beliepen in +den peloponnesischen oorlog ongeveer 1300 talenten; de kas werd +aanvankelijk op Delus, sedert 454 op voorstel van Pericles te Athene +bewaard. Zie Pericles. + +Hellespontus, Hellespontos, zee van Helle, die volgens de mythe +daar zou verdronken zijn, thans de straat der Dardanellen. Ook het +aziatische kustland langs de zeeëngte en zelfs nog verder oostwaarts +wordt somtijds Hellespontus genoemd. In den lateren keizerstijd +was dit ook de naam der rom. provincie, die uit Troas en een deel +van Mysia gevormd was en Cyzicus tot hoofdstad had.--Hellespontias, +een van den Hellespont komende wind. + +Helli, Helloi = Selli. + +Hellomenum, Hellomenon, havenstad aan de O.-zijde van het eiland +Leucas. + +Hellopia, Hellopia = Ellopia. + +Hellotia, Hellotia, 1) feest te Corinthe ter eere van Athena, die +hier den bijnaam Hellotis had.--2) feest op Creta ter eere van Europa, +die hier onder den naam Hellotis goddelijke eer genoot. + +Helmantica = Salmantica. + +Helorus of -um, Heloros, -on, stad aan de Oostkust van Sicilia ten +Z.Z.W. van Syracusae, aan den mond van de rivier Helorus. + +Helos, Helos, stadje aan de Laconische golf, te midden van moerassen +gelegen; vandaar de naam. De ouden leidden, op den klank af, den +naam Heloten van deze stad af. Ook eene lage streek in Elis aan den +Alpheus droeg dezen naam. + +Helotes, Heilotes, Heilotai, de afstammelingen der vroegere bewoners +van Lacedaemon, die door de dorische veroveraars van vrijheid en +goederen beroofd waren en als staatsslaven aan particulieren ten +gebruike gegeven werden, voor wie zij als lijfeigenen het land +bebouwden. Van de opbrengst van het land hadden zij een bij de wet +bepaalde hoeveelheid aan hunne heeren af te staan, het overige was +voor hen, zoodat zij onder gunstige omstandigheden eenig vermogen +konden verwerven. Het was den heeren niet geoorloofd hen te dooden of +buitenslands te verkoopen, ook mochten zij niet zonder toestemming +van den staat vrijgelaten worden. Daarentegen kregen zij somtijds +van staatswege de vrijheid voor dapperheid, in den oorlog betoond, +waarin zij als lichtgewapenden, zeer zelden als hoplieten, later +ook als matrozen dienden. Z. Neodamodeis. Het burgerrecht kregen +zij hoogst zelden. Z. echter Mothakes. In 464 stonden zij na eene +groote aardbeving op en trokken zij zich in de vesting Ithome terug, +vanwaar zij 10 jaar lang een oorlog voerden, die eindigde met hun +vrijen aftocht uit de Peloponnesus. Hun groot aantal boezemde den +Spartanen voortdurend vrees voor dergelijke voorvallen in, die zich +in strenge, soms gewelddadige maatregelen uitte. Z. krypteia. + +Helvaeones of Helvecones, germaansche stam tot de Lugii, de latere +Vandalen, behoorend, tusschen Viadua (Oder) en Vistula (Weichsel). + +Helvetii, Helouetioi, een machtig keltisch volk tusschen den mons Iura +(Jurageb.), den Rhodanus (Rhône) en den Rhenus (Rijn), verdeeld in vier +pagi of kantons, waarvan twee, de pagus Tigurinus en de p. Verbigenus +nader bekend zijn. Z. ook Toygeni. De Helvetiërs sloten zich aan bij +de Cimbren; de Tiguriners brachten in 107 onder Divico den rom. consul +L. Cassius Longinus (Cassii no. 3) eene beslissende nederlaag toe; +Cassius sneuvelde en zijn leger moest onder het juk doorgaan. Een +ander gedeelte der Helvetiërs keerde na de nederlaag der Cimbren in +101 weder naar hun land terug. In 58, bij Caesars komst in Gallia, +ondernamen de Helvetiërs weder een groote volksverhuizing, doch +werden door Caesar met ontzaggelijk verlies teruggeslagen; van de +263000 menschen bleven slechts 110000 over. Sedert dien tijd begon +men den ager Helvetiorum met rom. sterkten te bezetten. Na den dood +van keizer Otho, toen de Helvetiërs Vitellius niet wilden erkennen, +werden zij als wilde dieren opgejaagd en vervolgd. De ager Helvetiorum +behoorde tot Belgica, en strekte zich oorspronkelijk tot aan de +Bodensee uit. Sedert de indeeling van het rijk door Diocletianus +behoorde het oostelijke gedeelte en de geheele Bodensee tot Raetia. + +Helvidii, rom. geslacht, uit Samnium afkomstig. 1) P. Helvidius +Rufus, bij Cicero vermeld, een vriend van Cluentius.--2) Helvidius +Priscus dempte met veel beleid in 51 na C. de onlusten in Cappadocia; +v. s. is dit dezelfde als no. 3.--3) C. Helvidius Priscus, schoonzoon +van Thrasea Paetus, was een man van republikeinsche gezindheid en +een beoefenaar van wetenschap en wijsbegeerte, vooral van die der +Stoicijnen. Onder Nero bekleedde hij de quaestuur, de praetuur +en het volkstribunaat, doch werd om zijn staatkundige gevoelens +verbannen. Hij werd door Galba teruggeroepen; Vespasianus verbande +hem nog eens, en liet hem later, omdat hij niet ophield zich tegen den +keizer vijandig te betoonen, ter dood brengen.--4) Helvidius Priscus, +zoon van no. 3, stierf onder Domitianus in den kerker, wegens een +spotdicht op den keizer. + +Helvii, plebejisch geslacht. Een uit dit geslacht, C. Helvius Cinna, +werd bij Caesars begrafenis bij vergissing vermoord door het volk, +dat het op L. Cornelius Cinna (zie Cornelii no. 40) had gemunt. Ook +een dichter van dezen naam wordt genoemd als maker van een gedicht +Smyrna, vriend van Catullus. Waarschijnlijk is het dezelfde. De moeder +van Cicero was eene Helvia, evenals de moeder van Seneca (den zoon). + +Helvii, gallisch volk tusschen den mons Cebenna en den +Rhodanus. Hoofdstad: Alba Augusta. + +Hemeroscopium, Hemeroskopeion, zie Dianium. + +Hemesa = Emesa. + +Hendeka, een college van 10 magistraten met een schrijver, die te +zorgen hadden voor het toezicht op en de bewaking van gevangenen, +voor het voltrekken van doodvonnissen, enz. Zij die op heeterdaad +betrapt waren bij eene misdaad, waarop dood- of gevangenisstraf stond, +werden voor de elfmannen gebracht, die in geval van bekentenis konden +vonnissen, en anders de zaak voor eene rechtbank brachten, waarbij +zij de instructie leidden. + +Heneti, Enetoi, volksstam aan den Parthenius in Paphlagonia, +bondgenooten van Priamus, koning van Troje. Dit volk verdween; de +ouden meenden het teruggevonden te hebben in de Veneti, in Gallia +Cisalpina. Zie Veneti. + +Heniochi, Heniochoi, zeerooversvolk op de N.O. kust van den Pontus +Euxinus, aan den Caucasus, ten N. van Dioscurias. + +Heniochos, z. Auriga. + +Henna = Enna. + +Hephaestia, Hephaistia, stad op Lemnus, aan den N.O. kant. + +Hephaestion, Hephaistion, 1) zoon van Amyntor, boezemvriend van +Alexander d. Gr. en officier in zijn leger; hij stierf te Ecbatana +en werd door Alex. met buitensporig rouwbetoon betreurd en als een +heros vereerd.--2) grammaticus te Alexandrië, schrijver van een +zeer uitgebreid werk over metriek waarvan een door hemzelf bewerkt +uittreksel bewaard gebleven is; hij leefde omstreeks 150 na C. + +Hephaestus, Hephaistos, Vulcanus, zoon van Zeus en Hera, god van +het vuur. Daar hij kreupel en leelijk was, wierp Hera hem kort na +zijne geboorte van den Olympus, hij viel in zee, waar hij 9 jaar +door Thetis en Eurynome verzorgd werd. Daarna keerde hij naar den +Olympus terug, maar toen hij eens bij een twist tusschen zijne +ouders te ijverig voor zijne moeder partij trok, greep Zeus hem bij +een been en wierp hem weder uit den hemel. Het duurde een geheelen +dag eer hij bijna levenloos op Lemnus neerkwam, waar hij vriendelijk +opgenomen en verpleegd werd. Later werd hij onder de olympische goden +opgenomen en werd hem Charis, Aglaia of Aphrodite tot echtgenoote +gegeven, maar daarmede verliest hij zijne beteekenis als god eener +natuurkracht en wordt hij de kunstvaardige werkman (Klytotechnes, +Klytoergos), die door de kracht van het vuur metalen bearbeidt +en de merkwaardigste kunstwerken ten dienste van goden en helden +vervaardigt. Zijne werkplaats wordt oorspronkelijk op den Olympus, +later onder verschillende vuurspuwende bergen gedacht, vooral op +Lemnus en Sicilië. Als kunstenaar staat hij in nauwe betrekking +tot Athena, te Athene werd voor hen beiden een feest gevierd, de +Chalkeia. De voornaamste plaats van zijn eeredienst, die overigens niet +algemeen was, was Lemnus, waar de Cabiri als zijne helpers beschouwd +werden. Afbeeldingen zijn zeldzaam, gewoonlijk wordt hij voorgesteld +als een krachtig man, in werkmanskleederen en met een hamer in de hand. + +Heptanomis, Heptanomis, het land der zeven nomoi of distrikten, +grieksche naam voor Midden-Aegypte, hoofdstad Memphis. + +Hera, Hera, Juno, oudste dochter van Cronus en Rhea, opgevoed +door Oceanus en Tethys, zuster en gemalin van Zeus, met wien zij +300 jaar heimelijk gehuwd was, voordat hij de heerschappij over de +goden verwierf en haar openlijk als zijne gemalin deed erkennen. Als +zoodanig wordt zij door goden en menschen zeer hoog geëerd, ook Zeus +zelf bewijst haar eerbied en laat haar soms over donder, bliksem +en storm beschikken. Maar haar trotsch en onbuigzaam karakter maakt +het dikwijls noodig, dat hij ook haar zijn oppermacht laat gevoelen, +en aan den anderen kant geven zijn talrijke liefdesavonturen en de +onverzoenlijke haat, waarmede zij de door hem beminde vrouwen en +hare kinderen vervolgt, dikwijls aanleiding tot de hevigste twisten, +zelfs smeedde zij eens met Poseidon en Athena eene samenzwering +tegen haar gemaal, die slechts door de tusschenkomst van Aegaeon +hunne plannen kon verijdelen. Met geweld vermag zij echter niets +tegen hem, en wanneer het haar al eens gelukte door list haar wil +tegen den zijnen door te drijven, moet zij daarvoor meestal boeten; +zoo werd zij eens, toen zij Heracles op zee bijna had doen omkomen, +door Zeus met gouden boeien aan den aether opgehangen met een zwaar +aambeeld aan iederen voet. Haar huwelijk met Zeus is ook de grondslag +van de vereering, die zij bij de menschen geniet, en treedt bij hare +feesten en plechtigheden steeds op den voorgrond; daarom is zij ook +de godin van het huwelijk (Gamelia, Zygia, Teleia) en der geboorten +(Eileithuia). Haar dienst is door geheel Griekenland verbreid, Samus +is geheel aan haar gewijd, hare lievelingssteden zijn Argos (Argeia), +Mycenae en Sparta; daarom evenzeer als uit toorn wegens het oordeel +van Paris, ondersteunt zij de Grieken krachtig in hun oorlog tegen +de Trojanen. De koekoek, de pauw, de kraai en de granaatappel waren +haar gewijd. Op hare afbeeldingen wordt zij voorgesteld met eene volle +krachtige gestalte, waardige en ernstige gelaatstrekken, groote oogen +(boopis) en zware lokken, zij zit soms op een troon, draagt een ruim +en lang gewaad, kroon of sluier, en heeft in de hand een schepter, +granaatappel, offerschaal e. dgl. + +Heraclea, Herakleia, naam van een aantal steden, waaronder de +voornaamste zijn: 1) Heraclea in Acarnania, aan de Ambracische +golf.--2) H. in het elische gewest Pisatis.--3) H. in Lucania, aan +de Tarentijnsche golf, geboorteplaats van den schilder Zeuxis, thans +Policoro. Hier behaalde Pyrrhus in 280 zijn eerste overwinning op de +Rom.--4) H. in Syria, aan de kust, ten N. van Laodicea no. 1.--5) H. in +Thracia, aan de Propontis, nabij de invaart van den Hellespont, ten +O. van Pactye.--6) Heraclea Perinthus, meer oostwaarts dan het vorige, +aan de Noordkust der Propontis gelegen, vroeger Perinthus geheeten, +eene zeer aanzienlijke stad.--7) Heraclea Pontica, op de bithynische +kust aan den Pontus Euxinus gelegen, belangrijke handelsstad, doch +welker bloei in den grooten mithradatischen oorlog geknakt werd. De +wijsgeer Heraclides (no. 5) was hier geboren.--8) Heraclea Chersonesi, +thans Sebastopol, in de Chersonesus Taurica (Krim).--9) Heraclea +Latmi, aan den voet van den berg Latmus aan de latmische golf, bij +Miletus.--10) Her. Sintice, in het macedonische gewest Sintice, +aan den Strymon.--11) Her. Lyncestis, in het maced. landschap +Lyncestis, aan de via Egnatia.--12) Her. Trachinia, in Trachis, +even ten W. van de Thermopylae, zie Trachis.--13) Her. Caccabaria, +ten O. van Massilia (Marseille). Tgw. Cavalaire.--14) Her. Minoa, +op de Zuidkust van Sicilia, ten W. van Agrigentum, misschien door +cretensische kolonisten Minoa genoemd naar Minos, overigens kolonie van +Selinus, ± 500 door Spartanen veroverd en Heraclea geheeten. Omstreeks +460 werd het carthaagsch; in 133 zonden de Rom. er een kolonie heen. + +Heracleopolis, Herakleous polis, naam van twee aegyptische +steden. Her. maior lag in Midden-Aegypte tusschen het meer Arsinoë +en den Nijl; Her. minor lag in de Nijldelta aan den pelusischen mond +en is later door de lagune Menzaleh verzwolgen. + +Heracleoticum ostium of Canobicum ostium, Herakleotikon, Kanobikon +stoma, meest westelijke Nijlmonding. + +Heracles, Herakles, Hercules, zoon van Zeus en Alcmene, de gemalin +van Amphitryo. Op den dag, die voor zijne geboorte bestemd was +liet Zeus zich in de vergadering der goden het woord ontvallen, +dat heden een man zou geboren worden, die over alle mannen van +zijn geslacht (de Persiden) zoude heerschen. Hera, die den zoon van +Alcmene reeds vóór zijne geboorte haatte, liet dit woord met een eed +bevestigen, en bewerkte toen als godin der geboorte dat op dien dag +niet Heracles, maar Eurystheus, de zoon van Sthenelus, geboren werd +(z. Galinthias). Tegelijk met Her. werd ook Iphicles, de zoon van +Amphitryo, geboren, en reeds toen zij nog in de de wieg lagen, zond +Hera twee monsterachtige slangen om de kinderen te dooden, Her. greep +ze echter en drukte ze dood. Hij werd verder door de beste leermeesters +opgevoed, o.a. door Linus, den toonkunstenaar, die hem eens voor zijn +weinige vorderingen in de muziek berispte en daarvoor een slag met de +luit kreeg, zoodat hij op de plaats dood bleef. Verschrikt door zijne +woeste kracht, zond Amphitryo hem als herder naar den Cithaeron, waar +hij tot zijn achttiende jaar bleef, en waar hij zich verdienstelijk +maakte door het dooden van een leeuw, die het gebied van Thespiae +onveilig maakte. De huid van dezen (of van den nemeïschen) leeuw +diende hem in het vervolg tot kleeding. Naar Thebae teruggekeerd, +bevrijdde hij de Thebanen van de schatting, die zij aan Erginus +(z. a.) hadden te betalen; uit dankbaarheid gaf koning Creon hem +zijne dochter Megara tot vrouw. Kort daarna eischte Eurystheus dat +hij zich, volgens het bij hunne geboorte door Zeus bezworen woord, +onder zijne bevelen zoude stellen, een eisch, die Her. zoo woedend +maakte, dat hij tot waanzin verviel, zijn eigen drie kinderen en twee +van Iphicles doodde, en voor zijn geheele omgeving gevaarlijk werd; +tot bezinning gekomen, vroeg hij vol berouw het orakel van Delphi, +door welk middel hij zijn schuld zou kunnen verzoenen; het antwoord +luidde, dat hij Eurystheus moest gehoorzamen, dat deze hem twaalf +werken zoude opdragen, en dat hij door de vervulling van die taak de +onsterfelijkheid deelachtig zou worden. Bij deze gelegenheid werd hij +door het orakel voor het eerst Heracles genoemd, terwijl hij tot dien +tijd den naam Alcides of Alcaeus gedragen had. Het eerste werk, dat +Eurystheus hem opdroeg, was het dooden van den nemeïschen leeuw. Daar +dit monster, een voortbrengsel van Typhon en Echidna, niet met wapenen +gedood of gewond konde worden, dreef hij het met knotsslagen in zijn +hol, greep het daar met beide handen aan en verstikte het. Toen hij +het gedoode dier naar Mycenae bracht, boezemde dit bewijs van zijne +wonderbare kracht Eurystheus zulk een schrik in, dat hij hem gebood +voortaan niet meer in zijne nabijheid te komen, maar buiten de poort +te blijven, waar Copreus hem nieuwe bevelen zoude brengen.--Vervolgens +moest hij de hydra dooden, die in de moerassen van Lerna bij Argos +huisde en den geheelen omtrek onveilig maakte. Dit was een reusachtige +slang, door Typhon en Echidna voortgebracht, met 7, 9, 50 of 100 +koppen, waarvan één onsterfelijk was. Door vurige pijlen joeg hij het +monster op, en terwijl het trachtte zich om zijn lichaam te slingeren, +hieuw hij de koppen af; maar voor elken afgeslagen kop verschenen +twee nieuwe; bovendien werd hij voortdurend in de voeten gebeten +door een grooten kreeft, die door Hera naar de kampplaats gezonden +was. Met groote moeite gelukte het hem den kreeft te vertrappen, +vervolgens schroeide hij met gloeiende boomstammen de wonden dicht, +die hij aan de hydra toebracht, zoodat geen nieuwe koppen konden +aangroeien, eindelijk begroef hij den onsterfelijken kop onder een +zwaar rotsblok. In het vergiftige bloed der hydra doopte hij zijne +pijlen.--Zijne derde onderneming was tegen het wilde zwijn, dat de +landen rondom den berg Erymanthus verwoestte. Op zijn tocht daarheen +nam hij zijn intrek bij den Centaur Pholus, die hem gastvrij ontving +en ter eere van hem een vat wijn opende, waaruit zulk een zoete geur +opsteeg, dat alle andere Centauren er door aangelokt werden. Toen +zij hem het vat wilden ontnemen, ontstond een woedend gevecht, de +Centauren werden gedood of verjaagd, en zelfs Pholus en Chiron kregen +in de verwarring tegen den wil van Her. doodelijke wonden. Het zwijn +wist hij uit het woud naar een dik besneeuwd veld te jagen, waar hij +het zoolang vervolgde, tot het uitgeput nederzonk. Daarop nam hij het +op zijne schouders en droeg het levend naar Mycenae.--Daarna eischte +Eurystheus dat hij de hinde van Cerynea, een berg tusschen Arcadië en +Achaia, levend vangen zoude. Hij vervolgde dit dier, dat aan Artemis +gewijd was, gouden horens en koperen pooten had, een jaar lang, +eer het hem gelukte het met een pijlschot in een poot te treffen en +zich er van meester te maken.--Vervolgens werd hij uitgezonden tegen +de stymphalische vogels, die zich in menigte bij de stad Stymphalus +hadden nedergezet, ijzeren klauwen, snavels en vleugels hadden, en +hunne vederen evenals pijlen afschoten. Met een koperen ratel joeg hij +ze op, daarna doodde hij sommige en verjoeg hij de overige, die naar +het eiland Aretias vluchtten, waar de Argonauten ze later vonden.--Ten +zesde haalde hij voor Admete, de dochter van Eurystheus, den gordel van +Hippolyte (z. a.), de koningin der Amazonen. V. s. zou hij op den tocht +daarheen het rijk van Amycus veroverd en aan Lycus, koning van Mysië, +die hem gastvrij ontving, gegeven hebben. Op de terugreis landde hij +op de kust van Troje en doodde er een zeemonster, waardoor hij Hesione +het leven redde (z. Laomedon).--Zijn zevende werk was het reinigen +van de stallen van Augias (z. a.).--Daarna haalde hij den stier van +Creta (z. Minos) en bracht hij hem levend naar Mycenae. Daar werd het +dier weder losgelaten en nu liep het in Attica rond, tot Theseus het +in de vlakte van Marathon ving en doodde.--Vervolgens ging hij naar +Thracië, vanwaar hij de paarden van Diomedes (z. a. no. 1) medebracht; +bij deze gelegenheid zoude hij Abdera gesticht hebben.--Het rooven van +de runderen van Geryones (z. a.), zijn tiende werk, was een van de +moeielijkste en gevaarlijkste. In voortdurenden strijd met allerlei +onbekende en woeste volken, trok hij door Europa en Libye naar het +meest westelijke punt der aarde, waar hij, ter herinnering aan dien +verren tocht, de zuilen van Heracles oprichtte. Toen hem hier de +zonnestralen te hevig kwelden, durfde hij zelfs tegen Helius zijn +boog spannen, eene vermetelheid, die de god zoo weinig kwalijk nam, +dat hij hem zijn gouden vaartuig leende, om naar Erythea over te varen, +waar hij zijne taak te vervullen had. Met zijn buit trok hij nu door +Hispanië, Gallië, Italië en Sicilië naar Griekenland terug. Ook +op deze reis moest hij zich en zijne runderen meer dan eens tegen +vijandelijke aanvallen verdedigen (z. Cacus, Eryx, Alcyoneus), allerlei +moeielijkheden werden hem door Hera in den weg gelegd, toch kwam hij +eindelijk behouden te Mycenae aan. V. s. waren hem oorspronkelijk door +het orakel slechts tien werken opgelegd, zoodat nu zijne dienstbaarheid +ten einde zoude zijn, maar Eurystheus verklaarde zich niet voldaan met +de uitvoering van het tweede en zevende werk. Want de slang van Lerna +had hij niet kunnen dooden zonder de hulp van zijn wagenmenner Iolaus +(z. a.), en Augias had hij niet kunnen dwingen hem het beloofde loon +te betalen. Daarom droeg hij hem nog twee nieuwe werken op, en wel +vooreerst drie gouden appelen uit den tuin der Hesperiden (z.a.) te +halen. Waar die tuin was, wist niemand hem te zeggen, zoodat hij lang +op goed geluk ronddwaalde, totdat hij Nereus met geweld dwong hem het +geheim te openbaren, dat hij in het verste Westen zoude vinden wat hij +zocht. De tocht daarheen was weder rijk aan gevaarlijke ontmoetingen +(z. Antaeus, Busiris, Emathion), eindelijk kwam hij aan den Caucasus, +waar hij den gier van Prometheus (z. a.) doodde en van dezen den raad +ontving de appelen niet zelf te halen, maar Atlas te verzoeken het +voor hem te doen. Atlas voldeed aan dit verzoek, terwijl Her. inmiddels +het hemelgewelf voor hem droeg, maar nu wilde hij ook zelf de appelen +aan Eurystheus brengen en zijn last intusschen op de schouders van +zijn plaatsvervanger laten rusten. Her. verklaarde zich bereid dien +wensch in te willigen, wanneer hij slechts even een kussen op zijn +schouder mocht leggen. Atlas liet zich misleiden en nam den hemel +voor een oogenblik weder op, waarna Her. zich van de appelen meester +maakte en hem liet staan.--Als laatste en moeielijkste werk werd hem +opgedragen den hond Cerberus (z.a.) uit de onderwereld te halen. Nadat +hij zich in de eleusinische mysteriën had laten inwijden, daalde hij +bij Taenarum in de onderwereld af, waar hij een algemeenen schrik +verspreidde en van Hades verlof kreeg zijne taak te vervullen.--Nu was +hij van zijne dienstbaarheid bevrijd, hij gaat naar Thebae, geeft zijne +vrouw aan zijn vriend Iolaus, en gaat daarop naar Eurytus (no. 2) +om de hand van diens dochter Iole te verwerven. Toevallig werden +omstreeks dienzelfden tijd paarden of runderen van Eurytus gestolen, +en deze zendt zijn zoon Iphitus uit om bij Her., dien hij van den +diefstal verdenkt, een onderzoek in te stellen; hierover vertoornd, +neemt Her. Iphitus mede naar den burcht van Tiryns, waar hij hem van +boven naar beneden werpt. Tot straf voor deze misdaad laat hij zich +op bevel van het delphische orakel voor drie jaar als slaaf verkoopen, +en komt hij in handen van Omphale, koningin van Lydië. In haar dienst +bevrijdde hij haar land van roovers, ook nam hij in dien tijd deel aan +de calydonische jacht en aan den tocht der Argonauten, die hem echter +in Mysië achterlieten, omdat hij niet tijdig aan boord kwam. Op zijn +terugtocht naar Lydië ontmoette hij de Cercopen (z. a.). Bij Omphale +teruggekeerd, verviel hij door zijne liefde voor haar tot zulk een +verwijfdheid, dat hij haar zijn leeuwenhuid en knots afstond en zelf +haar spinnewiel ter hand nam.--Na het verstrijken van den tijd zijner +slavernij trok hij met 18 schepen naar Troje en vervolgens naar Elis, +om zich op Laomedon (z. a.) en Augias (z. a.) te wreken; daarop ging +hij naar Pylus en doodde Neleus met al zijne zonen, behalve Nestor, +die toevallig afwezig was; Neleus had namelijk geweigerd hem na den +moord van Iphitus te reinigen. Zelfs Hades, die aan de zijde der +Pyliërs streed, werd door den held zwaar gewond. Van hier trok hij +naar Sparta en doodde hij Hippocoön (z. a.) en zijne twaalf zonen; de +regeering gaf hij aan Tyndareos terug, op voorwaarde dat zij eens op +zijne eigene nakomelingen zou overgaan. Te Calydon aangekomen, vatte +hij liefde op voor Deïanira, de schoone dochter van koning Oeneus, +die echter ook bemind werd door Achelous (z. a.); toen deze gedwongen +was van zijne aanspraken afstand te doen, huwde Her. met Deïanira en +bleef hij geruimen tijd bij zijn schoonvader wonen, totdat hij eens bij +ongeluk aan een jongen bloedverwant van dezen een doodelijken slag gaf, +waarna hij besloot zich te verwijderen. Op zijne reis naar Trachis +trok hij over de rivier Euenus, die hij doorwaadde, maar om Deïanira +er over te brengen, had hij de hulp van den Centaur Nessus noodig; +deze nam haar op zijn rug, maar toen hij haar midden op den overtocht +geweld wilde aandoen, doorschoot Her. hem met een van zijne vergiftigde +pijlen. Te Trachis werd hij gastvrij ontvangen door koning Ceyx, +voor wien hij de Dryopen onderwierp. Gedurende zijn verblijf aldaar +ondernam hij op bevel van Apollo den strijd tegen Cycnus (no. 3), en +ondersteunde hij Aegimius (z. a.) in zijn oorlog tegen de Lapithen, +bij welke gelegenheid hij Amyntor (z. a.) doodde. Eindelijk begaf +hij zich weder naar Oechalia om zich op Eurytus te wreken, hij nam +den burcht in, doodde hem en zijne zonen, en voerde rijken buit mede, +waaronder ook de schoone Iole. Toen Deianira dit vernam, herinnerde +zij zich dat Nessus haar bij zijn dood een zalf gegeven had, die haar, +naar hij beweerde, de liefde van haar gemaal zou doen herwinnen, indien +hij haar soms mocht willen ontrouw worden. Vreezende dat Iole haar +mededingster zoude worden, bestreek zij een prachtgewaad met die zalf, +en zond het aan Her. om het te dragen bij het offer, dat hij aan Zeus +wilde brengen. Her. had echter nauwelijks dit kleed aangetrokken, of +hij werd door de hevigste pijnen overvallen, zoodat hij in waanzin den +brenger er van in zee werpt; de zalf was namelijk niets anders dan het +gestolde bloed van Nessus, gevloeid uit de wond, die Her. zelf hem had +toegebracht met een zijner pijlen, en dus vergiftigd met het bloed van +de slang van Lerna. Toen hij vernam wat er gebeurd was en inzag dat +zijn einde nabij was, liet hij zich op den top van het Oetagebergte +brengen, en besteeg daar den brandstapel. Terwijl de vlam opstijgt, +daalt Athena onder donder en bliksem met een vierspan van den hemel en +voert den held naar den Olympus, waar zij met Apollo hem in den kring +der goden leidt, Hera zich met hem verzoent en Hebe hem tot gemalin +gegeven wordt.--Her., oorspronkelijk de heros der Doriërs in Thessalië, +werd in den loop der tijden de voornaamste held van geheel Griekenland; +men neemt aan dat, tengevolge daarvan, een aantal verhalen van groote +daden, aanvankelijk aan anderen toegeschreven, zich aan zijn naam +hebben vastgeknoopt, en dat ook buitenlandsche, vooral oostersche, +legenden met zijne geschiedenis verbonden zijn. Latere navorschers +hebben getracht dit te bewijzen en hebben zijne daden zelfs over +24 verschillende personen verdeeld. Men vereerde hem algemeen +in Griekenland, hetzij als heros, in navolging van hen, die zijn +hemelvaart hadden bijgewoond, hetzij als god, naar het voorbeeld van +den Athener Diomus, in zijne hoedanigheden als roemrijk overwinnaar +in al zijne ondernemingen (Kallinikos, Victor), als verdelger van +monsters en weldoener der menschheid (Alexikakos, Soter, Pacifer), als +waarzeggend god (Mantis), als beschermer van gymnasia en wedstrijden, +de oefenscholen van mannelijke kracht (Enagonios), enz. Te Athene, +Thebe e. e. werden te zijner eere bizondere feesten (Herakleia) +gevierd. De beeldende kunst stelde hem soms als kind of jongeling voor, +maar meestal als een krachtig gebouwd man, met korten hals en breede +borst, betrekkelijk klein hoofd, zwaar kort haar, gewapend met boog, +knots en leeuwenhuid. + +Heracleum, Herakleion, 1) zuidelijkste kaap van Italia, ook Herculis +promunturium geheeten, thans Spartivento.--2) kaap in Pontus, +ten O. van Amisus.--3) stad in Macedonia, nabij de thessalische +grenzen en het dal Tempe.--4) stadje in het noord-syrische gewest +Cyrrhestica, waar P. Ventidius in 38 de Parthen versloeg.--5) stad in +de Nijldelta, waarnaar de canobische Nijlmond ook de heracleotische +wordt genoemd.--6) = Herculaneum.--7) haven van Cnosus. + +Heraclidae, Herakleidai, zonen en afstammelingen van Heracles. De +kinderen, die bij den dood van den held in de Peloponnesus +achterbleven, werden reeds spoedig door Eurystheus vervolgd en +genoodzaakt in Attica een toevluchtsoord te zoeken. Theseus of +Demophon nam hen welwillend op, en toen Eurystheus met geweld hunne +uitlevering wilde afdwingen, werd zijn leger verslagen en hij door +Hyllus, den oudsten zoon van Heracles, gedood. Steunende op een +orakel, dat hun geluk op hunne onderneming beloofde, indien zij de +derde vrucht afwachtten, beproefden Hyllus en zijne afstammelingen +nog meermalen de regeering over de Peloponnesus te verwerven, totdat +Temenus, Cresphontes en Aristodemus, achterkleinzonen van Hyllus, er +in slaagden, het schiereiland te veroveren, dat zij onder elkander +verdeelden: Temenus kreeg Argos, Cresphontes Messenië, en de zonen +van Aristodemus (z. a.) Lacedaemon. Dit verhaal van de terugkomst +der Heracliden strekt om de rechten der Doriërs, die de Peloponnesus +veroverd en de oude bevolking onderworpen hadden, te steunen op de +vroeger door Heracles verworven aanspraken.--Ook de koningen van +Macedonië noemden zich Heracliden en beweerden van Temenus af te +stammen.--In Lydië regeerde gedurende meer dan vijf eeuwen een dynastie +van Heracliden, waarvan Candaules de laatste was; de stamvader van deze +dynastie zou door Heracles bij eene slavin van Jardanus verwekt zijn. + +Heraclides, Herakleides, 1) bevelhebber der ruiterij onder den +jongen Dionysius; later verbannen, nam hij deel aan de onderneming +van Dio, doch spoedig verwekte hij onrust en werd hij op last van +Dio gedood.--2) beroemd geneesheer, vader van Hippocrates.--3) +van Tarentum, zeer geleerd geneesheer in de eerste eeuw, men zegt +dat hij in zijne talrijke werken niets schreef, wat hij niet zelf +onderzocht had.--4) van Erythrae, een geneesheer die over de werken +van Hippocrates schreef. Hij leefde ten tijde van Strabo.--5) +Her. Ponticus, een rijk en aanzienlijk man van Heraclea Pontica, +woonde te Athene de lessen van Plato en Speusippus bij, en hielp zijne +vaderstad zich van den tyran Clearchus te bevrijden. Hij stierf aan +eene beroerte. Bij voorkeur beoefende hij de sterrenkunde, en hij zoude +reeds de beweging van de aarde om haar as gevonden hebben. Overigens +getuigden zijne talrijke wijsgeerige, taal- en geschiedkundige +werken van groote geleerdheid, maar weinig oordeel.--6) van Cyme, +ouder tijdgenoot van Alexander d. G., schrijver van een perzische +geschiedenis.--7) z. Heraclitus no. 3. + +Heraclitus, Herakleitos, 1) van Ephesus, omstreeks 500. Hij leefde +geheel en al voor de studie en sloeg zoowel het verzoek van zijne +medeburgers af om aan het staatsbestuur deel te nemen, als eene +uitnoodiging om aan het hof van Darius Hystaspis te komen. De +resultaten zijner studie heeft hij neergelegd in een werk (peri +physeos), dat hem bij de ouden den naam skoteinos bezorgde; de taal +er van is moeielijk te verstaan, en de daarin ontwikkelde stellingen +moeielijk te begrijpen. De grondstof van het heelal, tevens de +alwetende en albesturende goddelijke geest, is volgens Her. het vuur, +waaruit langs den weg naar beneden (hodos kato) alles ontstaat, en +waarin zich langs den weg naar boven (hodos ano) alles oplost. Maar +de stof beweegt zich in ieder voorwerp langs beide wegen te gelijk, +of eigenlijk zijn de twee wegen slechts een (hodos ano kato mie), +daarom kan men evenmin zeggen dat iets is als dat het niet is; zoowel +het eene als het andere is waar, ontstaan en vergaan zijn in alles ten +nauwste verbonden, alles is in onophoudelijke beweging en verandering +(panta rhei). De stoffelijke voorwerpen ontstaan door tweespalt in +den boezem der godheid, de geheele wereld is to hen diapheromenon +auton hauto, maar onder den invloed van liefde en vrede gaat zij +van tijd tot tijd weder in de godheid op, om daarna zich evenals +te voren er van af te scheiden. Verscheiden fragmenten van dit +werk zijn bewaard gebleven. De leer van Her. is later de grondslag +geworden van het stelsel der Stoicijnen.--2) van Tyrus, leerling van +Philo van Larisa, academisch wijsgeer.--3) ook Heraclides genoemd, +schrijver van Allegoriai Homerikai, waarin de mythen van Homerus in +den geest der stoicijnsche wijsbegeerte verklaard worden. Hij leefde +waarschijnlijk onder de eerste rom. keizers. + +Heraea, Heraia, feesten ter eere van Hera, op verschillende plaatsen +in Griekenland gevierd, vooral op Samus, Mycenae, Corinthe, en zijne +koloniën, en met bizonderen luister te Argos. + +Heraea, Heraia, 1) stad in Arcadia aan den Alpheus.--2) zie Hybla. + +Heraei montes, Heraia ore, bergketen op Sicilia, loopt van het midden +naar de Z.O. punt. + +Heraeum, Heraion, 1) de westelijkste punt der Corinthische +landengte.--2) stad aan de Propontis (zee van Marmara), ten W. van +Perinthus.--3) Her. promunturium, z. Iunonis promunturium. + +Herbessus, Herbessos, ook Erb. 1) stad der Siculi ergens bij +Syracusae.--2) stadje in het gebied van Agrigentum, op Sicilia. + +Herbita, Herbita, stad in het hart van Sicilia, ongeveer N.waarts +van Enna. + +Herculaneum of -num, Herakleion, oude oscische, later tyrrheensche, +vervolgens grieksche stad in Campania, aan den voet van den Vesuvius +aan zee gelegen, sedert 88 rom. kolonie. In 63 na C. werd het door eene +aardbeving zwaar geteisterd en zestien jaar later bij de uitbarsting +van den Vesuvius onder een lavastroom bedolven. Bij het graven van +een put in 1721 werd het ontdekt; doch eene opgraving op groote schaal +als te Pompeii is niet mogelijk, omdat op den heuvel, die zich boven +H. gevormd heeft, nu Resina ligt. Toch heeft men een schat van kostbare +voorwerpen aan het licht gebracht; in belangrijkheid en omvang kon +de stad zich echter met Pompeii niet meten, daar ze hoogstens 2500 +à 3000 inwoners kan geteld hebben. + +Hercules = Heracles. De sagen betreffende Heracles verbreidden zich +reeds vroeg over Sicilië en Zuid-Italië, en kwamen zoo ook naar Rome, +waar zijn dienst van uit Tibur is ingevoerd. Oorspronkelijk was die +dienst bij de Ara Maxima een sacrum gentilicium van de Pinarii en +Potitii (zie Pinarii); App. Claudius heeft ze tot staatsgodsdienst +gemaakt, en sedert dien tijd offert de praetor urbanus jaarlijks Graeco +ritu. Hercules werd bij de Ara Maxima vooral door de kooplieden +vereerd, die hem de decuma, het tiende van de winst beloofden; +de opbrengst werd gebruikt voor een volksmaaltijd, hetgeen ook een +grieksch gebruik is. Bij Hercules zwoeren de mannen: me hercule. Men +zocht daarom overeenkomst tusschen hem en inheemsche godheden, Semo +Sancus, Dius Fidius, enz., later werd hij meer de beschermende genius +der stad Rome (Custos, Defensor, Salutaris), ook had hij een tempel +met de Muzen gemeen. Ook offerde men bij voorkeur aan hem na gelukkig +te boven gekomen gevaren; zie verder Cacus. + +Herculis (fretum), ook fretum Herculeum, fretum Gaditanum, thans +straat van Gibraltar. Zie Columnae Herculis. + +Herculis Monoeci portus, massilische kolonie op de ligurische kust, +thans Monaco, met een tempel van Hercules Monoecus, Monoikos. + +Herculis portus, zie Cosa. + +Herculis promunturium = Heracleum no. 1, thans kaap Spartivento. + +Herculis silva, in Germania, ten O. van den Visurgis (Weser), misschien +het Süntelgebergte. + +Hercynia silva, Herkynia hyle, Herkynios drymos, algemeene naam +voor het boschrijke gebergte, dat zich, volgens Caesar 60 dagreizen +lang en 9 breed, van den Rijn tot aan de Carpathen uitstrekte +(Taunus, Spessart, Rhön, Thüringer- en Frankenwald met de noordelijke +vertakkingen naar den Harz, Fichtel, Ertsgeb., Sudeten, Reuzengeb.). In +lateren tijd, toen de verschillende gedeelten afzonderlijk genoemd +werden, bleef de naam Herc. silva nog in gebruik voor het oostelijke +gedeelte van het Reuzengebergte, een enkele maal ook voor de streken +aan den Rijn. + +Herdonia, Herdonia, stadje in Apulia ten Z. van Arpi, dat zich in +216 bij Hannibal aansloot. Het werd in 212 en 210 te vergeefs door +de Romeinen belegerd; ten slotte sloopte Hannibal de stad en voerde +de inwoners over naar Metapontum. + +Herdonii. Turnus Herdonius uit Aricia werd op last van Tarquinius +Superbus ter dood gebracht wegens opruiing der Latijnen tegen den +koning.--Appius Herdonius, een Sabijn, overrompelde in 460 met behulp +van eene schaar cliënten en vluchtelingen het Capitool, doch moest +weder zwichten en boette zijn aanslag met den dood. + +Hereditas, heredes. Om volgens het strenge rom. recht eene erfenis te +kunnen aanvaarden, moest men het commercium hebben. Bij dit erfrecht +komen een aantal uitdrukkingen voor, die hier eene korte verklaring +mogen vinden. Heredes sui zijn de erfgenamen, die bij het overlijden +in de manus of in de potestas van den afgestorvene stonden, dus +zijne echtgenoote en zijne kinderen (en somtijds kleinkinderen), +voor zoover deze niet door emancipatie of huwelijk of adoptie uit +zijne potestas waren geraakt. De vestaalsche maagden, als sui iuris +zijnde, konden nooit heredes sui zijn. De heredes sui waren de wettige +erfgenamen in den eersten graad. Ontbraken deze, dan kwamen in de +tweede plaats de agnaten van den overledene, d.w.z. zij, die vroeger +met hem onder dezelfde patria potestas hadden gestaan, zijne moeder, +broeders, zusters. Ontbraken ook deze, dan kwamen in de derde plaats +de gentiles in aanmerking. Cognaten waren dus uitgesloten, evenals +geëmancipeerde kinderen; doch het praetorische recht (z. a.) kwam hier +aan de billijkheid te gemoet door hunne rechten toch te erkennen, +en, voor zoover het dan ook geen eigendomsrecht kon geven, hun toch +het bezitrecht, bonorum possessio, toe te kennen. Overigens traden +de wettige erfgenamen slechts op voor zoover niet door wettige +testamentaire bepalingen anders was beschikt.--Hereditatis cretio +heet de uitdrukkelijke verklaring, dat men de erfenis aanvaardt.--Pro +herede gestio wordt gebezigd, wanneer men eenvoudig als erfgenaam +handelend optreedt.--Heres ex asse is de universeele erfgenaam; +ex semisse, de erfgenaam voor de helft; ex triente, die voor een +derde, enz.--De erfgenaam, die eene erfenis aanvaardde (hereditatem +adire), moest zoowel het passief, als het actief van den boedel +overnemen, ook de sacra, iets wat lastig kon wezen. Vandaar wordt de +uitdrukking heriditas sine sacris spreekwoordelijk gebezigd voor een +buitenkansje.--Vrouwen hadden slechts een beperkt erfrecht, zie lex +Voconia.--Onder de keizers verdween het agnatenrecht meer en meer, +om plaats te maken voor dat der cognaten. + +Heredium, rom. vlaktemaat = 2 iugera = ongeveer 1/2 hectare. + +Herennia (lex) van den volkstribuun C. Herennius in 60, om door +de tribuutcomitiën den bekenden P. Clodius tot de plebs te doen +overgaan. Het plebisciet ging niet door; Clodius werd eerst in 59 +plebejer door adoptie. + +Herennii, samnietisch geslacht, dat ook in Campania vertakkingen +had en ook te Rome leden telde. Sommigen worden vermeld als groote +kooplieden. Onder de juristen, van wie uittreksels in de Pandecten +zijn opgenomen, behoort Herennius Modestinus, uit de eerste helft +der derde eeuw na C., een leerling van Ulpianus.--Zekere Herennius +Senecio, ten tijde van keizer Domitianus, werd door dezen ter dood +veroordeeld, omdat hij het leven van Helvidius Priscus op vrijmoedige +wijze beschreven had.--Herennius Philo, zie Philo no. 8. + +Herillus, Herillos, van Carthago, leerling van Zeno, maakte een +onderscheid tusschen het levensdoel (telos) van den wijze, nl. kennis, +en dat van de groote menigte, hetwelk hij hypotelis noemde, en dat +in rijkdom en dgl. bestaat. + +Herilus, zoon van Feronia, koning van Praeneste, die van zijne moeder +drie lichamen gekregen had en door Euander gedood werd. + +Hermae, Hermai, vierhoekige zuilen met een kop, v. s. zoo genoemd +omdat de Pelasgen Hermes zonder handen en voeten afbeeldden. Te Athene +stonden op verschillende plaatsen in het midden van de stad en voor +de huizen zulke hermen; binnenshuis vond men ze veelal als versiering +aangebracht; in Italië werden zij vooral als grenspalen gebruikt. De +kop stelde gewoonlijk Hermes voor, een dergelijke zuil met een kop +van Athena, Heracles e. a. noemde men Hermathena, Hermeracles, enz. + +Hermaeum promunturium, Hermaia akra, naam van eenige kapen. 1) +N.O. punt van het carthaagsche gebied, door de Rom. Mercurii +prom. geheeten, thans kaap Bon.--2) N.O. punt van het eiland +Lemnus.--3) kaap aan de europeesche zijde van den thracischen Bosporus +(straat v. Constantinopel), waar Darius een brug sloeg.--4) Hermaios +lophos, heuvel op Ithaca, het eiland van Ulysses. + +Hermagoras, Hermagoras, 1) grieksch rhetor uit de 2de eeuw, die +door zijne stelselmatige behandeling der redekunst groot aanzien +verwierf. Zijne leerlingen noemden zich Hermagorei.--2) grieksch +rhetor onder Augustus en Tiberius, leerling van Theodorus van Gadara. + +Hermaphroditus, Hermaphroditos, zoon van Hermes en Aphrodite. Als knaap +baadde hij zich eens in een bron, en bekoorde door zijn schoonheid de +bronnimf Salmacis zoozeer, dat zij hem om zijne liefde smeekte. Toen +zij geen gehoor vond, bad zij dat hunne lichamen altijd tot één +verbonden mochten worden, hare bede werd verhoord, en uit hunne +vereeniging ontstond een tweeslachtig wezen half man, half vrouw. + +Hermarchus, Hermarchos, van Mytilene, leerling van Epicurus en diens +opvolger als hoofd der school. + +Hermeas, Hermeias, vriend van Aristoteles, had eenigen tijd de +regeering over Atarneus, die hem in 345 door de Perzen ontnomen werd. + +Hermes, Hermes, Hermeias, Mercurius, zoon van Zeus en Maia, geboren op +den berg Cyllene (Kyllenios), een god van alles, waarbij behendigheid, +gevatheid en list te pas komen, en beschermer van allen, die in deze +eigenschappen uitmunten. Reeds op den dag zijner geboorte stal hij +50 runderen van Apollo, en wist hij ze zoo behendig weg te leiden en +te verbergen, dat Apollo ze nauwelijks vinden kon en de tusschenkomst +van Zeus moest inroepen om ze terug te krijgen. Hij liet ze hem echter +behouden in ruil voor de lier, die Hermes gemaakt had van de schaal +eener schildpad, die hij op zijn eersten tocht had gevonden. Wegens +zijne schranderheid maakte Zeus hem heraut der goden en zendt hij hem +in menig geval uit om zijn wil ten uitvoer te brengen (Diaktoros); in +deze hoedanigheid geleidt hij ook de schimmen der afgestorvenen naar de +onderwereld (Psychopompos, Psychagogos). Voor de menschen is hij een +welwillend en zegenend god (Eriounios, Akaketa), gids bij moeielijke +en gevaarlijke ondernemingen (Hegemonios), vooral voor herauten en +gezanten, god van den koophandel, waarbij men door verstand en overleg +winst behaalt, om dezelfde reden trouwens ook van diefstal en bedrog; +ieder onverwacht voordeel, bijv. als men op weg iets vindt, is een +geschenk van hem (hermaion). Vele dingen, die het leven veraangenamen, +hebben de menschen hem te danken (Charidotes), hij geeft rijkdom +(Ploutodotes), vooral van vee (Nomios), en welbespraaktheid (Logios, +Facundus), hij is de uitvinder van de lier, veldfluit, letters, +getallen, maten, gewichten, gymnastiek (Enagonios), enz. Eindelijk +zorgt hij, evenals Apollo, voor de veiligheid op straten en wegen +(Enodios); van geen god vond men zooveel beelden op den openbaren +weg als van hem (z. Hermae).--Zijn eeredienst heeft zich van Arcadië +uit reeds vroeg over geheel Griekenland verbreid. Men offerde hem +den 4den van elke maand zwijnen, lammeren, rammen, honig, wierook, +enz. Hij wordt afgebeeld als een schoon en welgemaakt jong man met +verstandige en vriendelijke gelaatstrekken; als bode van Zeus heeft hij +soms vleugels aan de voeten (Alipes) en aan zijn breedgeranden reishoed +(petasos), in de hand heeft hij den caduceus, een tooverstaf, die hem +door Apollo geschonken was en waarvan men later een herautsstaf maakte +(Caducifer), of een geldbeurs, schildpad, harp, zwaard, enz. + +Hermesianax, Hermesianax, van Colophon, elegisch dichter ten tijde +van Alexander d. G. Van een zijner werken is een moeilijk verstaanbaar +fragment bewaard gebleven. + +Herminii, een geslacht, waarschijnlijk van etruscische afkomst. 1) +T. Herminius Aquilinus, was met Horatius Cocles een der verdedigers +van de Tiberbrug tegen de benden van Porsena (508). In 506 was hij +consul. Hij sneuvelde in 496 bij het meer Regillus.--2) Lar Herminius, +consul in 448. + +Herminius mons, Herminion oros, gebergte in Lusitania (Portugal), thans +Sierra de la Estrella, tusschen den Durius (Duero) en den Tagus (Taag). + +Hermi(n)ones, algemeene naam voor de volksstammen van Midden-Germania, +als: Cheruscers, Chatten, Hermunduren, Marcomannen, Quaden. + +Hermione, Hermione, dochter van Menelaus en Helena, was vóór den +trojaanschen oorlog door haar vader, of gedurende dien oorlog door +haar grootvader, aan Orestes verloofd; toen Menelaus echter terugkwam, +huwde hij haar aan Neoptolemus uit, volgens eene belofte, die hij dezen +voor Troje gedaan had. Daardoor ontstond een twist tusschen Orestes +en Neoptolemus, waarbij deze door Orestes, of op diens aandrijven +door de Delphiërs, gedood werd. Bij Orestes werd zij daarna moeder +van Tisamenus. + +Hermione, Hermione, stad der Dryopes aan de Z. O. kust van Argolis. + +Hermippus, Hermippos, 1) dichter der oude comedie, die in zijne stukken +vooral Pericles, Aspasia en Hyperbolus aanviel. Ook parodieën en iamben +van hem worden vermeld.--2) van Smyrna, leerling van Callimachus no. 3, +beschreef de levens van de zeven wijzen en latere wijsgeeren.--3) +van Berytus, grammaticus ten tijde van Traianus en Hadrianus. + +Hermocopidae, Hermokopidai, personen, beschuldigd van het verminken +der Hermen te Athene. Z. Alcibiades. + +Hermocrates, Hermokrates, staatsman en veldheer te Syracuse, leidde +onder groote tegenwerking van de democratische partij de verdediging +van de stad tegen de Atheners (414). Later onderscheidde hij zich +als aanvoerder van de sicilische vloot, die de Spartanen in den +peloponnesischen oorlog ondersteunde. In 410 werd hij als aristocraat +verbannen; daarop wist hij door ondernemingen tegen de Carthagers +de gunst van het volk te winnen en eene omwenteling te bewerken. Hij +werd echter niet teruggeroepen, en toen hij nu beproefde met geweld +terug te keeren, werd hij in een gevecht gedood (407). Hij was de +schoonvader van den ouden Dionysius, wiens vader eveneens Herm. heette. + +Hermodorus, Hermodoros, 1) van Ephesus, door zijne medeburgers +verbannen, hielp te Rome, naar men verhaalde, de tienmannen bij het +samenstellen der twaalf tafelen.--2) van Salamis, bouwmeester te Rome +omstreeks 140. + +Hermogenes, Hermogenes, 1) Tigellius Herm., toonkunstenaar ten +tijde van Augustus, naar het schijnt een vijand van Horatius.--2) +van Tarsus, trad reeds op zijn 15de jaar (omstreeks 170 na C.) als +rhetor te Rome op en werd algemeen bewonderd, na 10 jaar verloor +hij zijne geestvermogens; hij stierf op hoogen leeftijd. Van zijne +geschriften over de redekunst, die bij lateren veel gezag hadden, +zijn eenige bewaard gebleven. + +Hermolaus, Hermolaos, page van Alexander d. G., aanhanger van +Callisthenes no. 1. Door Alex. beleedigd, smeedde hij een aanslag +tegen diens leven, die echter ontdekt werd, waarna hij met zijne +medeplichtigen gesteenigd werd. + +Hermon, Hermon, gebergte aan de N.-grens van Palaestina, een +zuidwestelijke uitlooper van den Antilibanon. + +Hermopolis, Hermou polis, naam van twee aegyptische steden: 1) +H. maior, in Midden-Aegypte, aan den Nijl, waar de tol geheven werd +van de uit Thebaïs afkomende schepen.--2) H. minor, in de Delta aan +den Canobischen Nijlarm. + +Hermotimus, Hermotimos, van Clazomenae, had het vermogen met zijn geest +in verre landen rond te zwerven, terwijl zijn lichaam in diepen slaap +achterbleef. Bij zulk eene gelegenheid werd zijn lichaam door zijne +vijanden verbrand, zoodat de ziel niet er in terug kon keeren. Zijne +stadgenooten richtten hem een tempel op. + +Hermunduri, Hermoundouroi, suevische volksstam in Midden-Germania, +waarvan de naam nog voortleeft in den naam Thuringen. In den tijd +van Tacitus waren ze met de Romeinen bevriend. Tot aan den raetischen +limes wonende (ten Westen van de Marcomannen), mochten ze vrij de grens +passeeren, en in Augusta Vindelicorum (Augsburg) handeldrijven. Sedert +den Marcomannenoorlog worden ze niet meer genoemd, en verdwijnen zij +onder den algemeenen naam Suevi. + +Hermus, Hermos, rivier, die op den mons Dindymus in Phrygia ontspringt, +in allerlei bochten door de phrygische vlakte en vervolgens door +Lydia loopt en zich ten laatste ten N. van Smyrna in de Hermaeische +golf stort. Een zijriviertje hiervan is de Pactolus. + +Hernici, Hernikoi, klein sabijnsch volk met de hoofdstad Anagnia, +dat zich in 486 bij de Latijnen aansloot en sedert dezen tijd tot +Latium werd gerekend. V. a. dateert dit verbond eerst uit de 4de +eeuw. Zij traden toen tevens tot het rom.-latijnsche verbond toe. Toen +dit verbond uiteenspatte, werden de Hernici na herhaalde oorlogen +eindelijk in 306 geheel tot onderwerping gebracht. Zie Anagnia. + +Hero, Hero, z. Leander. + +Hero, Heron, van Alexandrië, uit de 2de helft der 2de eeuw, beroemd +wiskundige, de grootste natuurkundige der oudheid, leerling van +Ctesibius; van zijne werken zijn sommige bewaard gebleven, andere +alleen in een arabische vertaling. + +Herodes, Herodes, bijgenaamd de Groote, een Idumaeër van geboorte, +werd in 37 door M. Antonius tot koning van Judaea aangesteld. Om zijne +macht te bevestigen, huwde hij eene afstammeling der Makkabaeën, +Mariamne, die om hare schoonheid bekend was. Met rom. hulp weerde +hij de Syriërs af, nam Jerusalem in, dat hij verfraaide, en waar +hij den tempel liet afbreken en veel schooner en grooter herbouwen, +maar bleef toch bij de Joden als Edomiet en overweldiger gehaat. Hij +beging ongehoorde wreedheden, zooals den bethlehemschen kindermoord, +de uitroeiing der Makkabaeën; ook zijne vrouw en twee zijner zonen +liet hij ombrengen. Hij stierf in het jaar na Christus' geboorte +(v. a. echter 4 v. C.) en liet drie zoons na, die ieder van Augustus +een stuk van huns vaders gebied kregen. De oudste, Archelaus, werd +ethnarch van Judaea, Samaria en Idumaea; doch reeds 6 na C. werd hij +door den keizer afgezet en verbannen, en zijn land onder een procurator +bij de provincie Syria ingedeeld. De tweede zoon, Herodes Antipas, +kreeg Galilaea en Peraea als tetrarch, en werd in 39 na C. door +Caligula verbannen. Hij was het, die Johannes den Dooper aan de wraak +zijner gemalin opofferde. Om zijn slimheid wordt hij door Jezus +de vos genoemd (Lucas 13, 32). De derde, Philippus, werd tetrarch +van de overjordaansche gewesten Trachonitis, Auranitis, Batanaea, +Graulonitis en Ituraea, en bleef dit tot aan zijn dood, 34 na C. + +Herodes Agrippa I, kleinzoon van Herodes den Gr., was te Rome opgevoed +en behoorde tot de vrienden van Caligula. In 38 n. C. werd hij door +dezen over een gedeelte van Palaestina aangesteld. Keizer Claudius +voegde er in 41 het overige bij. Agrippa stierf in 44 te Caesarea, +door zijne onderdanen zeer betreurd.--Zijn zoon, Herodes Agrippa +II, werd later tetrarch van een gedeelte van Palaestina. De Joden +verdreven hem; hij nam deel aan het beleg van Jerusalem door Titus, +en hield zich vervolgens te Rome op, waar hij in 100 stierf. + +Herodes Atticus (Tib. Claudius). Zie Atticus Herodes. + +Herodianus, Herodianos, 1) Aelius Her., van Alexandrië, zoon van +Apollonius Dyscolus, kwam onder M. Aurelius naar Rome en werd +rom. burger. Van zijne talrijke werken over grieksche taalstudie, +die langen tijd zeer groot gezag hadden, is slechts een enkel +weinig belangrijk fragment over; bizonder uitvoerig behandelde hij +de prosodie, de accentenleer, enz.--2) grieksch geschiedschrijver +in de 3de eeuw na C., die een niet onbelangrijke geschiedenis van +zijn tijd, van den dood van M. Aurelius tot het begin der regeering +van Gordianus III, heeft nagelaten. Hij leefde meestal te Rome in +ondergeschikte betrekkingen. + +Herodicus, Herodikos, 1) van Selymbria, leerling van Hippocrates, +omstreeks 420, schreef als geneeskundige over gezondheidsleer en +heilgymnastiek.--2) van Leontini, broeder van Gorgias.--3) Babyloniër, +grammaticus van de pergameensche school, leerling van Crates. + +Herodorus, Herodoros, van Heraclea, logograaf omstreeks 400, verzamelde +de mythen betreffende Heracles, de Argonauten, e.a. + +Herodotus, Herodotos, 1) geb. omstreeks 484 te Halicarnassus, zoon +van Lyxes, werd reeds vroeg door den tyran Lygdamis genoodzaakt zijn +vaderstad te verlaten; hij begaf zich naar Samus, van waar hij eerst +terugkeerde om bij het verdrijven van den tyran behulpzaam te zijn; +hij was echter bij zijne medeburgers niet bemind, en ging na eenigen +tijd te Athene verblijf gehouden te hebben, waar hij veel met Pericles +en Sophocles omging, zich in 444 te Thurii vestigen, dat toen juist +door de Atheners op de plaats van het oude Sybaris gesticht was; +hier stierf hij omstreeks 424. De door Her. nagelaten geschiedenis +in 9 boeken, waaraan de alexandrijnsche geleerden de namen der Muzen +gegeven hebben, munt zoozeer uit boven de werken zijner voorgangers op +dit gebied, dat men hem niet zonder reden den vader der geschiedenis +genoemd heeft. Hij is de eerste, die zich niet tevreden stelt met +het bijeenzoeken en te boek stellen der overlevering, maar ook de +geloofwaardigheid er van onderzoekt en kritiek uitoefent, wanneer hem +dit althans niet onmogelijk wordt gemaakt door zijne onbekendheid met +de talen van de volken, die hij bezocht, of door zijn blind geloof aan +de mededeelingen van priesters, door wie hij zich bij voorkeur laat +inlichten. Hij onderscheidt zich vooral daardoor van de logografen, dat +hij zich van het begin af schijnt voorgesteld te hebben een omvangrijk +werk te schrijven, waarin wel bij gelegenheid het wetenswaardige +uit de geschiedenis van vele landen en volken wordt ingevlochten, +maar dat ten slotte toch één hoofdonderwerp heeft: den eeuwenouden +strijd tusschen Grieken en barbaren, die in de perzische oorlogen +tot eene beslissing komt. Naar dit plan loopt zijn verhaal geregeld +voort van de troonsbestijging van Gyges tot de inneming van Sestus na +den slag bij Mycale, en, hoe talrijke en soms omvangrijke episoden en +uitweidingen ook den draad er van schijnen af te breken, altijd keert +hij weder tot zijn onderwerp terug en overal blijft hij belangrijk en +onderhoudend. Als bronnen voor zijn werk heeft hij ongetwijfeld oudere +epische dichters en logografen geraadpleegd, voornamelijk echter +bevat zijn werk dat, wat hij op zijne verre reizen zelf gezien en +vernomen heeft, want Her. heeft bijna alle in zijn tijd voor Grieken +toegankelijke landen bezocht: Klein-Azië, het O. tot Babylon, de +kusten der Zwarte zee, Aegypte, Griekenland, Beneden-Italië en vele +eilanden, overal nasporingen gedaan, gedenkteekenen van oude tijden +onderzocht, enz. Aan zijn werk arbeidde hij met lange tusschenpoozen +gedurende zijn geheele leven, waarschijnlijk heeft hij er niet de +laatste hand aan gelegd en is het niet bij zijn leven uitgegeven; +wel hield hij nu en dan, bij feestelijke vergaderingen, te Olympia, +Athene, Thebe en Corinthe, onder grooten bijval voorlezingen van +enkele gedeelten. Hoewel in eene dorische stad geboren, schreef +Her., in navolging van epici en logografen, in het ionisch dialect, +dat trouwens te Halicarnassus ook gesproken werd; zijn eenvoudige, +verhalende stijl weerspiegelt als het ware zijn waarheidsliefde en +onpartijdigheid, die soms in twijfel getrokken zijn, maar bij ieder +nieuw onderzoek meer boven bedenking verheven blijken.--2) van Thebe, +overwinnaar in de isthmische spelen.--3) beeldhouwer, tijdgenoot van +Praxiteles.--4) van Tarsus, leermeester van Sextus Empiricus.--5) +beroemd geneesheer, die ten tijde van Hadrianus te Rome leefde. + +Heroöpolis, Heroon polis, stad in Aegypte aan het kanaal van Traianus +(zie Augustamnica), eene voorname stapelplaats voor den karavaanhandel +en de zetel van den Typhondienst. Naar deze stad droeg de N.W. inham +der Arabische golf den naam van sinus Heroöpoliticus. + +Herophilus, Herophilos, van Chalcedon, beroemd geneesheer te +Alexandrië ten tijde van en na Alexander d. G., groot ontleedkundige, +de grondlegger der empirische school, die door eenige van zijne zeer +talrijke leerlingen gesticht werd. + +Heros, Heros, was de naam, dien de Grieken gaven aan personen uit +oude tijden, die door hun moed, deugd en verstand als grondleggers +en verbreiders der beschaving beschouwd kunnen worden en wier groote +daden tot zegen der menschheid hadden gestrekt. Zij worden kinderen der +goden (diogeneis) genoemd, maar zijn evenals de menschen sterfelijk, +hoewel zij door hunne buitengewone eigenschappen ver boven gewone +menschen verheven zijn. Van lateren oorsprong is het geloof, dat zij +na hun dood niet naar de onderwereld afdalen, maar als halfgoden op de +eilanden der gelukzaligen een beter leven blijven leiden. Daarbij kwam +dan de voorstelling, dat zij belang bleven stellen in dat, waaraan zij +hun leven gewijd hadden, en dat zij door hun voorspraak bij de goden +trachtten te bewerken, dat hun werk ook na hun dood vruchten bleef +dragen. Daarom was het raadzaam, zich van hunne welwillendheid te +verzekeren, en daarom genoten zeer vele heroën op bepaalde plaatsen +of van wege bepaalde personen goddelijke eer; zoo vereerde bijna +iedere stad haar stichter als heros; zelden gebeurde het echter dat de +vereering van een heros algemeen werd. Men bouwde hun ter eere tempels +en altaren; de offers, die men hun bracht, verschilden echter veel +van de offers voor de goden en waren in hoofdzaak niets anders dan +doodenoffers. Het woord wordt ook als eerenaam gebruikt voor personen, +die in een of ander opzicht uitmunten. + +Herostratus, Herostratos, van Ephesus, stak den tempel van Artemis +te Ephesus in brand, ten einde zijn naam onsterfelijk te maken. Hij +werd met den dood gestraft, maar het besluit der ionische steden, +dat zijn naam niet genoemd zou mogen worden, bleef natuurlijk zonder +gevolg. Denzelfden nacht, waarin Her. zijne misdaad pleegde, werd +Alexander d. G. geboren. + +Herse, Herse, dochter van Cecrops, bij Hermes moeder van Cephalus, +z. Agraulus. + +Hersilia, gemalin van Romulus, na haar dood onder den naam Hora +Quirini als godin vereerd. + +Heruli of Eruli, Herouloi, of Er., een germaansche nomadenstam. Zij +waren uitmuntende krijgslieden en leverden huurtroepen, nu eens +aan andere Germanen, dan weder aan de Rom. Zoo vindt men ze bij +de Gothen in de derde eeuw na C.; ze woonden toen, en ook in de +vierde eeuw aan de Zuidkust van de Maeotis, in het N. van de Krim, +waar vroeger Scythen gewoond hadden, en later in Italië, waar hun +aanvoerder Odoacer in 476 het westrom. rijk vernietigde. + +Hesiodus, Hesiodos, geb. te Ascra, waarheen zijn vader uit het +aeolische Cyme verhuisd was, werd door zijn broeder Perses met behulp +van omgekochte rechters van zijn erfdeel beroofd, waarom hij zijn +vaderland verliet en zich waarschijnlijk te Naupactus vestigde; +v.s. werd hij vermoord en werd zijn lichaam naar Orchomenus +in Boeotië overgebracht. Door zijne Erga kai Hemerai, een werk, +waarvan het begin tegen zijn broeder gericht is, en dat verder lessen +bevat over landbouw, scheepvaart, enz., werd hij de schepper van het +didactische epos. Onder de andere werken, die te recht of ten onrechte +aan Hes. worden toegeschreven, is het voornaamste de Theogonia, eene +eerste poging om eenigen samenhang te brengen in de verwarde verhalen +omtrent de familiebetrekkingen der goden. Hes. leefde in de 8ste eeuw. + +Hesione, Hesione, z. Laomedon en Telamon. + +Hesperia, Hesperia, het avondland, het Westland, bij de Grieken een +naam voor Italia, bij de Rom. voor Hispania. Ter onderscheiding wordt +dit laatste ook wel Hesperia ultima geheeten. + +Hesperides, Hesperides, 3, 4 of 7 dochters van Nyx en Erebus of +van Atlas en Hesperis, bewaakten met behulp van den draak Ladon in +een tuin in het verre Westen de gouden appelen, die Gaea aan Hera +als bruiloftsgeschenk gegeven had. De drie appelen, die Heracles +op bevel van Eurystheus gehaald had, werden door Athena bij de +Hesp. teruggebracht. + +Hesperides of Hesperis, stad in Cyrenaïca, zie Berenice no. 2. + +Hesperidum insulae aan de kust van Afrika, buiten de straat van +Gibraltar. Sommige schrijvers bedoelen hiermede de Fortunatorum insulae +(de Canarische eilanden), anderen de Kaap-Verdische eilanden. + +Hesperium promunturium, Hesperion keras, voorgebergte aan de Westkust +van Afrika, tgw. kaap Verde, zie Hesperidum insulae. + +Hesperus, Hesperos, Vesper, zoon van Astraeus of Cephalus en +Eos, of van Atlas, werd, toen hij op den berg Atlas astronomische +waarnemingen deed, van de aarde weggenomen en als avondster aan den +hemel geplaatst. Hij was de vader van Hesperis en dus de grootvader +der Hesperiden. + +Hestia, Hestia, Histie, Vesta, dochter van Cronus en Rhea, godin van +den huiselijken haard. Poseidon en Apollo hadden om hare hand gedongen, +maar zij had gezworen eeuwig maagd te blijven, en had daarvoor van +Zeus de gunst verworven, dat zij aan ieder offer aandeel zou hebben, +in ieder huis als beschermende godin vereerd zou worden. De haard, +het middelpunt van het huiselijk leven, en volgens oud gebruik het +altaar der familie, was haar heiligdom, waar de huisvader haar bij +iedere gewichtige gebeurtenis offers bracht. Voor zoo heilig werd +deze plaats gehouden, dat smeekelingen en vervolgden daar een veilige +wijkplaats vonden, en dat men zwoer bij Zeus, de gastvrije tafel +en den huiselijken haard; vandaar dat smeekelingen en de heiligheid +van den eed onder bescherming van Zeus en Hestia stonden. De staat, +als een groot huisgezin beschouwd, had ook zijn gemeenschappelijken +haard in het prytaneum waar ter eere der godin (Prytanitis) een +eeuwig vuur onderhouden werd; bij het uitzenden van volkplantingen +wordt van dit vuur medegegeven, om daarmede het vuur op haar altaar +in de nieuwe stad te ontsteken.--Eigen tempels had zij weinig, maar +in vele tempels van andere goden had zij een afzonderlijk altaar, +bovendien werden haar bij het begin en het einde van ieder bizonder +plechtig offermaal plengoffers gebracht. Men offerde haar eerstelingen +der vruchten, jonge koeien, enz. Zij wordt afgebeeld met ernstige en +waardige gelaatstrekken, in een eenvoudig sluitend kleed. + +Hestiaea, Hestiaia, later Oreüs, z. a. + +Hestiaeotis, Hestiaiotis, 1) het gebied der euboeïsche stad +Hestiaea.--2) landschap in het N.W. van Thessalia. + +Hesychius, Hesychios, van Alexandrië, schrijver van een belangrijk +grieksch woordenboek, leefde waarschijnlijk op het einde der 6de eeuw +n. C. + +Hetairai, eigl. vriendinnen, in het bizonder publieke vrouwen. Door +haar vrijeren omgang met mannen bereikten zij dikwijls een trap van +geestbeschaving, waarop andere vrouwen zich op verre na niet plaatsen +konden; te Athene wisten zij dikwijls ook de voortreffelijkste +mannen te boeien. In sommige steden, bijv. te Corinthe, waren zij +als hierodouloi, aan den tempel van Aphrodite verbonden, en kwam de +opbrengst van haar bedrijf ten bate van dien tempel. Aphrodite zelve +had te Athene, Ephesus, enz., den bijnaam van Hetaira. + +Hetairiai, politieke clubs, te Athene en ook wel in andere +democratische staten vereenigingen van oligarchen, waarvan de leden +elkander onderling beschermden tegen onderdrukking van de regeerende +partij en in processen en bij verkiezingen bijstonden, en die, +wanneer de kans schoon scheen, ook medewerkten tot omverwerping +der democratie. In aristocratisch geregeerde staten bestonden +waarschijnlijk ook dergelijke clubs van vijanden der bestaande +staatsinrichting. + +Hetairoi, naam van de zware ruiterij in het macedonische leger. Zij +stonden op den rechtervleugel, en bij de veldslagen van Alexander +d. G. beginnen zij in den regel het gevecht. + +Hetruria = Etruria. + +Hiarbas of Iarbas, Iarbas, 1) zoon van Jupiter Ammon en eene +garamantische (= libysche) nymf, koning der Gaetuliërs, van wien Dido +een stuk land kocht tot den bouw van Carthago, en die vruchteloos +naar hare hand dong.--2) koning van Numidia. In den burgeroorlog van +Marius en Sulla koos hij de partij van Marius, doch werd door Pompeius +tot de overgave genoodzaakt en ter dood gebracht (81). + +Hibernia, ook Iuverna, Iverna, Ivernia, Iërna genoemd, Iouernia, +Ierne, thans Ierland. De Romeinen kenden het bij name, doch hebben +er nimmer vasten voet trachten te krijgen. + +Hiberus, zie Iberus. + +Hicetas, Hiketas, 1) tyran van Leontini, door de Syracusanen te hulp +geroepen tegen den jongen Dionysius; toen men echter merkte dat hij +zich van de stad trachtte meester te maken, vroeg men de Corinthiërs +om hulp; hij werd door Timoleon tweemaal verslagen, eindelijk gevangen +genomen en ter dood gebracht (339).--2) tyran van Syracuse, opvolger +van Agathocles, na eene regeering van negen jaar verdreven (278).--3) +van Syracuse, pythagoreïsch wijsgeer, leerde v.s. het eerst de beweging +der aarde om hare as. + +Hiëmpsal, Iampsas, 1) zoon van den numidischen koning Micipsa en neef +van Jugurtha. Terstond na zijns vaders dood (118) geraakte hij met +Jugurtha in twist en werd door dezen uit den weg geruimd, in 116.--2) +numidische prins, door Hiarbas verdreven, maar door Pompeius hersteld. + +Hiera, Hiera, 1) een der Liparische eilanden, ook Thermessa genaamd, +ten N. van Sicilia.--2) een der Aegatische eilanden, ten W. van +Sicilia.--3) eilandje in de zee tusschen Thera en Therasia, door een +uitbarsting ontstaan, in 197 of in 66. + +Hierapolis, Hierapolis, stad in Phrygia nabij de grenzen van Caria, +niet ver van den Maeander, met een tempel van Cybele. Ook eene stad +in Syria, W.-waarts van den Euphraat, vroeger Bambyce geheeten, +zetel van den eeredienst der godin Atargatis (Derceto, z. a.). + +Hierapytna, Hierapytna, grieksche stad aan de Z.-kust van Creta, +in 140 gesticht in het gebied der Eteocretes. + +Hiericus, Hierichous, Jericho = palmstad, sterke stad van Palaestina, +ten N.O. van Jerusalem. In den omtrek groeide de beroemde balsemstruik, +uit welks bast door insnijdingen de balsem werd verkregen. De weg +van Jericho naar Jerusalem liep door eene wildernis, die om haar +onveiligheid berucht was. + +Hiero, Hieron, 1) oudste broeder van Gelo, regeerde tijdens diens +leven over Gela en volgde hem, hoewel hij volgens G.'s testament +gedurende de minderjarigheid van diens zoon het regentschap zou +bekleeden, als tyran van Syracuse op (478). In het begin had hij met +veel tegenstand, zelfs van den kant van zijn broeder Polyzelus, te +kampen, en kwam het zelfs tot een oorlog met Agrigentum; de twisten +werden echter door het verstandig gedrag van H. weldra bijgelegd en +hij wist zich in de regeering te handhaven. Hij onderwierp Naxus +en Catana, versloeg als bondgenoot der Cumaeërs de Etruriërs ter +zee (474), en verjoeg den wreeden tyran Thrasydaeus uit Agrigentum +(473). Hij wordt hoog geroemd als beschermer van kunsten en letteren, +Aeschylus, Simonides, Bacchylides leefden langen tijd aan zijn hof. Hij +stierf in 467 in de door hem gestichte stad Aetna.--2) Syracusaan van +koninklijke afkomst, dapper en bekwaam legeraanvoerder, werd in 270, +toen te Syracusae een democratische opstand uitbrak, door het leger +tot veldheer gekozen, kwam door de hulp der aristocratische partij in +de stad, dempte den opstand, wist zich van de muitende huurtroepen te +ontslaan en een nieuw leger te vormen, waarmede hij de Mamertijnen +bij Mylae versloeg. Daarop werd hij tot koning uitgeroepen (264) en +poogde hij de macht van Syracusae te herstellen; inderdaad bereikte +de stad door zijne wijze regeering zekere mate van welvaart, maar in +de oorlogen tusschen de Romeinen en Carthagers kon hij niet onzijdig +blijven. Aanvankelijk koos hij de partij der Carthagers, maar reeds na +een jaar ging hij na de overwinning van App. Claudius tot de Rom. over, +verplichtte zich schatting te betalen, stond een deel van zijn gebied +af en regeerde over het overige onder romeinsche bescherming; hij +bleef de getrouwe bondgenoot der Romeinen tot zijn dood (215).--3) +beroemd vazenfabrikant in Athene, uit het begin van de 5de eeuw. + +Hierocles, Hierokles, beroemd rhetor van Alabanda, wiens voordrachten +Cicero hoorde. + +Hierodouloi, andres (gynaikes, parthenoi) hieroi (-rai), tempeldienaars +van minderen rang, die bij het brengen van offers, den priester +bijstonden, den tempel onderhielden, enz. Z. ook Hetairai. + +Hierokeryx, z. Eleusinia. + +Hieromenia, heilige maand, schorsing van alle openbare bezigheden +wegens een godsdienstig feest. In weerwil van den naam duurde de +hieromenia, gewoonlijk slechts eenige dagen, een maand alleen bij +de groote nationale feesten; in het laatste geval was er ook een +algemeene schorsing van vijandelijkheden (ekecheiria) mede verbonden. + +Hieromnemones, z. Amphictyones. + +Hieron oros, Mons Sacer, berg in Thracië, aan de Propontis, dicht +bij de Chersonesus Thracica. Hierop lag een versterking. + +Hieronica (lex) frumentaria, de door Hiero II van Syracusae +vastgestelde verordening voor de verpachting der korentienden, enz., +die door de Rom. was in stand gehouden. + +Hieronymus, Hieronymos, 1) treurspel- en dithyrambendichter, tijdgenoot +van Aristophanes, die hem om zijn hoogdravenden stijl bespot.--2) van +Rhodus, peripatetisch wijsgeer, leerling van Aristoteles, schrijver +van verscheiden philosophische en geschiedkundige werken.--3) van +Cardia, diende onder Alexander d. G., werd na diens dood in de oorlogen +tusschen zijne opvolgers door Antigonus gevangen genomen, en bekleedde +sedert onder dezen en onder zijn opvolgers tot in hoogen ouderdom +burgerlijke en militaire betrekkingen. Hij schreef eene belangrijke +geschiedenis van zijn tijd.--4) van Syracuse, kleinzoon en opvolger +van Hiero (no. 2), koos in den tweeden punischen oorlog de zijde der +Carthagers. Wegens zijne wreedheid en verkwisting gehaat, werd hij na +13 maanden geregeerd te hebben vermoord.--5) van Stridon, de kerkvader +(348-420 n. C.), leefde sedert 386 in een klooster te Bethlehem, +vertaalde den bijbel en de kroniek van Eusebius (z.a.), en schreef +een werk De viris illustribus, dat uitsluitend Christenen behandelt. + +Hierophantes, de voornaamste priester bij de eleusinische mysteriën; +de waardigheid was erfelijk in het geslacht der Eumolpiden. + +Hierosolyma (plur.), ta Hierosolyma, Jerusalem, hebr. Jerûsjalajim, +vroeger Jebus, door David op de Jebusieten veroverd en tot hoofdstad +verheven. Na Salomo bleef J. de hoofdstad van het rijk van Juda tot +aan de verovering en verwoesting door Nebukadnezar (586). Na den +terugkeer der Joden uit de babylonische ballingschap (537) werd de +stad herbouwd. In 70 na C. werd zij door Titus geheel verwoest. In +130 legde Hadrianus er eene rom. kolonie aan, Aelia Capitolina. De +stad van David bepaalde zich tot den heuvel Sion (burg) en den berg +Moryah, waarop Salomo zijn tempel bouwde. Omstreeks 700 werd de heuvel +Ophel met het Kaasmakersdal of Tyropoëon binnen den muur getrokken, +benevens de N.-waarts van Sion gelegen stadswijk Acra. Herodes Agrippa +ommuurde ook de zoogenaamde nieuwe stad, Bezetha. Ten N. en O. lag het +dal van Josaphat met de beek Kedron, en aan de overzijde de Olijfberg +(mons Oliveti). + +Hilaira, Hilaeira, eene van de dochters van Leucippus, z. Apharetidae. + +Hilarotragoedia, z. Rhinthon. + +Hilleviones, naam, dien de ouden aan de bewoners van Scandia of +Scandinavië gaven. Het zijn Germanen. Zie Scandia. + +Himation, z. Pallium. + +Himella, beek in het sabijnsche land, in den Avens uitloopende. + +Himera, Himera, naam van eene stad op de N.-Kust van Sicilia en +van twee rivieren, waarvan de eene noordwaarts stroomt en bij de +gelijknamige stad in zee valt, en de andere, zuidwaarts stroomende, +de grensscheiding vormde tusschen het gebied van Gela en dat van +Agrigentum. Dat zij denzelfden naam dragen, komt hiervandaan, +dat men oudtijds in de dwaling verkeerde, dat beide rivieren uit +dezelfde bron ontsprongen.--De stad Himera was eene volkplanting van +Zancle (Messina). In het begin der vijfde eeuw heerschte in H. zekere +Terillus. Door Thero, tyran van Agrigentum verdreven, wendde hij zich +om hulp tot de Carthagers, die een leger onder Hamilcar zonden. Toen +had in 480 de verschrikkelijke slag aan de Himera plaats, waarin +Hamilcar sneuvelde en Thero, met Gelo van Syracusae vereenigd, het +carthaagsche leger vernietigde. Later gelukte het den Himeraeërs, +met behulp van Hiero van Syracusae, zich van Agrigentum vrij te +maken. In 409 evenwel landde een carthaagsch leger van 100.000 man +onder Hamilcars kleinzonen Hannibal en Himilco op Sicilia. Selinus +viel, vervolgens Himera, daarna Agrigentum. Op de plek, waar Hamilcar +gesneuveld was, werden 3000 gevangenen als zoenoffer geslacht. Himera +werd met den grond gelijk gemaakt en aan de overzijde der rivier +eene nieuwe stad Thermae, ta Therma, gesticht. De badplaats zelf heet +gewoonlijk Thermai hai Himeraiai, de inwoners Thermitai, Thermitani. Te +Himera was de lierdichter Stesichorus (± 600) geboren; Thermae was +de geboortestad van den tyran Agathocles. + +Himerius, Himerios, van Prusa (315-386 n. C.), Grieksch rhetor en +sophist, deed verscheiden reizen en vestigde zich te Athene, vanwaar +Iulianus hem naar Antiochië liet komen en hem tot zijn secretaris +aanstelde. 24 redevoeringen van hem zijn bewaard gebleven. + +Himilco, Himilkon, naam van een carthaagsch zeevaarder, die (± +550) een tocht langs de Westkust van Europa, tot aan de tineilanden +(Cassiterides insulae) ondernam. Hij wordt als bron vermeld bij Avienus +(z.a.). Ook werd deze naam door verschillende carthaagsche veldheeren +in de sicilische en punische oorlogen gedragen. + +Hipparchos, bevelhebber der ruiterij. Te Athene was de ruiterij +over de beide vleugels van het leger verdeeld, en waren er dus twee +hipparchen, die jaarlijks bij stemming verkozen werden; bovendien was +er een hipparch voor Lemnus. In het achaeisch en aetolisch verbond +waren zij na de strategen de voornaamste ambtenaars. + +Hipparchus, Hipparchos, 1) zoon van Pisistratus, had onder de regeering +van zijn broeder Hippias veel invloed, dien hij vooral ten gunste +van dichters en letterkundigen aanwendde; hij werd in 514 vermoord +(z. Harmodius).--2) dichter der nieuwe attische comedie.--3) van +Nicaea in Bithynië, werkte 160-120 te Rhodus en Alexandrië, maar ook +in zijn vaderstad als wis- en sterrenkundige, en verwierf zeer grooten +roem door de nauwkeurigheid zijner waarnemingen en berekeningen en +door zijne ongeloofelijke werkzaamheid. Hij is de eerste Griek, +die de trigonometrie beoefend heeft. Van zijne geschriften is er +nog één op sterrenkundig gebied over. Zijne aardrijkskundige werken +(pros Eratosthenen) worden vaak door Strabo geciteerd. + +Hipparinus, Hipparinos, 1) vader van Dio.--2) zoon van den ouden +Dionysius, na Dio's dood tyran van Syracuse (353-350). + +Hipparis, Hipparis, rivier die door het moeras van Camarina, op de +Z.kust van Sicilia, stroomde. + +Hippemolgi, Hippemolgoi, een scythische nomadenstam in het N., wier +voedsel hoofdzakelijk uit paardenmelk bestond. + +Hippes, atheensche burgers uit de tweede der vier door Solon +ingestelde phylen, met een eigendom, dat 300-500 medimnen of metreten +kon opleveren; zij waren verplicht een strijdros te onderhouden en +voornamelijk deze klasse leverde ruiters voor het leger; daar de +ruiterij ten tijde van Solon echter niet meer dan 100, en nooit meer +dan 1200 man sterk was, dienden de meeste burgers ook uit deze klasse +als hoplieten. Ook de spartaansche hippes, eene koninklijke lijfwacht +van 300 man, streden te voet, eerst in den peloponnesischen oorlog +werd een werkelijk ruitercorps opgericht. Bij de Grieksche wijze van +oorlogvoeren, was de beteekenis der ruiterij gering. Antieke ruiterij +is niet in staat een charge uit te voeren. De ruiterij rijdt dus op +den vijand in, en, dichtbij gekomen, tracht ieder ruiter afzonderlijk +den vijand schade toe te brengen. Daar echter de stijgbeugel nog niet +uitgevonden was, was de ruiter niet in staat, met zijn lans krachtige +stooten toe te brengen; de lans werd dus meestal gebruikt om te werpen. + +Hippias, Hippias, 1) zoon en opvolger van Pisistratus (528). Hij +regeerde verstandig en gematigd, verminderde de belastingen, +en begunstigde dichtkunst en letterkundige studiën. Na den dood +van Hipparchus begon hij, niet gerust over de toekomst, strenger +te regeeren en maakte hij zich soms aan gewelddadige handelingen +schuldig. Inderdaad kregen kort daarna, terwijl hij bezig was +Munychia te versterken, de Spartanen van het delphische orakel het +bevel, Athene te bevrijden (z. Alcmaeonidae). Een eersten aanval +sloeg H. met behulp van thessalische ruiterij af, maar toen bij een +tweeden tocht zijne kinderen in handen vielen van Cleomenes I, die +het spartaansche leger aanvoerde, zag hij zich genoodzaakt Attica te +verlaten (510). Hij begaf zich naar Sigeum. Hij gaf echter de hoop +niet op eens terug te keeren, en knoopte daartoe betrekkingen aan met +de Lacedaemoniërs en later met Darius Hystaspis; hij volgde de Perzen +naar Attica en stierf in of kort na den slag bij Marathon.--2) van +Elis, tijdgenoot van Socrates, sophist van zeer uitgebreide kennis, +die te Athene en in andere grieksche steden openbare voordrachten +hield, waarin hij de geldigheid van conventie en geschreven recht +betwistte, en aandrong op zoo sterk mogelijke ontwikkeling van ieders +individualiteit. In de twee werken van Plato, die zijn naam dragen, +wordt hij als ijdel en oppervlakkig ten toon gesteld. + +Hippius, Hippia, Hippios, Hippia, bijnaam van Poseidon, Athena, +Hera e. a. goden en godinnen. + +Hippo, Hippon, 1) Hippo Regius, basilikos, thans Bona, op de numidische +kust aan de golf van Hippo, later rom. kolonie, met ijzermijnen in +den omtrek. In 430 n. C. werd de stad door de Vandalen verwoest.--2) +Hippo Diarrhytus, diarrytos, in dat gedeelte van het carthaagsche +gebied, dat Zeugitana heette.--3) stad der Carpetani in Tarraconensis, +ten O. van Toletum.--4) Hippo of Hipponium, als rom. kolonie Vibo +Valentia geheeten, z.a. + +Hippocentauri, Hippokentauroi, z. Centauri. + +Hippocles, Hippokles, zoon van Menippus, atheensch strateeg, trachtte +in 412 te vergeefs de peloponnesische schepen te nemen, die van Sicilië +terug kwamen. Een van de tien mannen, die tusschen de afzetting van +de 30 en het herstel der democratie te Athene de regeering in handen +hadden, draagt denzelfden naam; of het dezelfde persoon is, is onzeker. + +Hippocoon, Hippokoon, 1) zoon van Oebalus en Batea, verdreef met de +hulp zijner 12 zonen zijn broeder Tyndareos en maakte zich meester +van de regeering over Sparta; hij werd met zijne zonen door Heracles +gedood.--2) Thraciër, vergezelde Rhesus naar Troje.--3) tochtgenoot +van Aeneas, bekwaam boogschutter. + +Hippocrates, Hippokrates, 1) vader van Pisistratus.--2) Alcmaeonide, +grootvader van Pericles.--3) broeder en opvolger van Cleander als +tyran van Gela. Door de inwoners van Zancle, zijne bondgenooten, tegen +de Samiërs te hulp geroepen, breidde hij, steunend op zijn talrijk +huurleger, zijne macht door schandelijk verraad uit, onderwierp ook +Naxus, Callipolis en Leontini, noodzaakte de Syracusanen door zijne +overwinning bij de rivier Helorus (492) hem Camarina af te staan, +en sneuvelde bij een aanslag op Hybla (491).--4) zoon van Ariphron, +atheensch strateeg, sneuvelde in den slag bij Delium (424).--5) van +Chius, schrijver van het oudste leerboek der meetkunde. Hij leefde +in de 2de helft van de 5de eeuw.--6) van Cos, de beroemde grieksche +geneesheer, geb. 460. Hij behoorde tot het geslacht der Asclepiaden +en ontving het eerste onderwijs in de geneeskunde van zijn vader +Heraclides en van andere artsen in zijn vaderland; ook de sophisten +Prodicus en Gorgias worden zijne leermeesters genoemd, door sommigen +ook Democritus. Van zijn leven is weinig bekend; in zijn jeugd deed +hij groote reizen, tijdens de pest in den peloponnesischen oorlog hield +hij zich te Athene op, hij stierf in zeer hoogen ouderdom te Larisa in +Thessalië. Door nauwkeurige waarnemingen en grondig onderzoek verhief +hij de geneeskunde tot wetenschap, zijne werken werden dan ook door +Grieken, Romeinen en Arabieren ijverig bestudeerd en dikwijls van +commentaren voorzien. Vele daarvan werden echter reeds door de ouden +voor onecht gehouden, van de 72, die nu nog zijn naam dragen, worden +gewoonlijk slechts 6 als echt beschouwd; het meest bekende draagt +den naam Aphorismoi.--Ook zijne beide zonen, Thessalus en Draco, +zijn schoonzoon, Polybus, en zijne twee naar hem genoemde kleinzonen +waren artsen van naam en schrijvers van geneeskundige werken. + +Hippocrene, Hippou krene, Hippokrene, Fons Caballinus, bron op den +Helicon, ontstaan door den hoefslag van Pegasus, waarvan het water +ieder, die er van dronk, in dichterlijke geestvervoering bracht. + +Hippodamea, Hippodameia, 1) dochter van Oenomaüs (z.a.), koning van +Elis, en Asterope. Bij Pelops werd zij moeder van Atreus, Thyestes en +nog 4 of 11 zonen en 2 dochters. Zij spoorde hare zonen aan tot den +moord van Chrysippus, zoon van Pelops en Axioche, en werd daarom door +haar gemaal verstooten; zij stierf in Argolis.--2) echtgenoote van +Pirithous; op hun bruiloft ontstond de strijd tusschen de Centauren +en Lapithen.--3) = Briseis.--4) echtgenoote van Amyntor, moeder van +Phoenix.--5) dochter van Anchises, gemalin van Alcathous. + +Hippodamus, Hippodamos, van Miletus, beroemd bouwmeester ten tijde van +Pericles, de eerste die in Griekenland regelmatig gebouwde straten +aanlegde. Hij werd vooral beroemd door zijn werk aan den Piraeus, +te Thurii en te Rhodus. Ook wordt hij genoemd als de schrijver van +een ontwerp eener ideale staatsinrichting. + +Hippodromus, hippodromos, renbaan voor paarden en wagens. De +bovenstaande teekening stelt zulk een baan voor: een driehoekige +ruimte K, waarin de toebereidselen voor den wedloop gemaakt worden +en waar een altaar voor Poseidon Hippius staat, wordt aan eene zijde +afgesloten door een zuilengalerij D, aan de twee andere zijden door +eenigszins gebogen lijnen (abcd), gevormd door de stallen (oikemata) +voor de paarden en wagens; alle deelnemers plaatsten zich in een rij +voor een touw (kalodion, hysplex), dat van den top van den driehoek, +het uitgangspunt (aphesis), naar de beide zijden van de baan gespannen +was; op een gegeven teeken (een metalen arend verhief zich in de lucht) +werd dit touw weggetrokken en de wedloop begon; de baan was in twee +deelen verdeeld door een lagen aarden wal (choma) van F naar G, aan +welks verste einde een altaar van Taraxippus F stond; hier moesten +de rijders keeren en langs den anderen kant van den wal terugrijden +tot het einddoel G. De baan werd ingesloten door zitplaatsen voor +de toeschouwers AEB, die men liefst tegen een heuvel plaatste; waar +geen heuvel was, maakte men eene kunstmatige verhooging; bij E was +een uitgang. + +Hippolochus, Hippolochos, 1) zoon van Bellerophon, koning van Lycië, +vader van Glaucus.--2) zoon van Antimachus, Trojaan, door Menelaus +gedood. + +Hippolyte, Hippolyte, koningin der Amazonen; zij bezat een kostbaren +gordel, haar door Ares geschonken, dien Heracles voor Admete, de +dochter van Eurystheus, halen moest. Hipp. ontving den held goed +en was bereid den gordel te geven, maar Hera spoorde haar en haar +volk tot tegenstand aan; in den strijd, die hierdoor ontstond, viel +Hipp. V. a. werd zij, niet Antiope (z. a.), door Theseus mede naar +Athene genomen. + +Hippolytus, Hippolytos, 1) een van de Giganten.--2) zoon van Theseus +en Hippolyte of Antiope. Zijne stiefmoeder Phaedra beminde hem, en +daar hij haar geen wederliefde schonk, belasterde zij hem bij Theseus +alsof hij haar tot ontrouw had willen verleiden. In overijling bad +Theseus, dat Poseidon zijn zoon zou straffen, en deze liet, toen +Hipp. langs het strand reed, een monster uit zee opkomen, waardoor +de paarden schuw werden, op hol gingen, en hun meester voortsleepten +tot hij stierf. Artemis openbaarde echter zijne onschuld aan Theseus, +liet hem door Asclepius in het leven terugroepen, en bracht hem naar +haar heilig woud bij Aricia, waar hij onder den naam Virbius vereerd +werd.--3) Christelijk schrijver uit de eerste helft der derde eeuw, +leerling van Irenaeus, v. s. wegens kerkelijke twisten (hij was +tegelijk met Callistus bisschop van Rome) uit Rome verbannen en bij +de Christenvervolging van keizer Decius als martelaar gestorven. In +dat deel van zijne werken, dat bewaard gebleven is, vindt men vele +bizonderheden over wijsbegeerte, godsdienst en bijgeloof der ouden. + +Hippomedon, Hippomedon, een van de zeven vorsten, die met Adrastus +tegen Thebe optrokken; bij de belegering van die stad sneuvelde hij. + +Hippomenes, Hippomenes, zoon van Megareus, echtgenoot van Atalante +(z. a.). + +Hipponax, Hipponax, van Ephesus, iambograaf omstreeks 540; van zijn +leven is alleen bekend dat hij om politieke redenen naar Clazomenae +vluchtte, zie ook Bupalus. + +Hipponicus, Hipponikos, naam van verscheiden leden van een adellijk +atheensch geslacht. Hiertoe behooren: 1) iemand die zich verrijkte +door gebruik te maken van een vertrouwelijke mededeeling betreffende +de seisachtheia van Solon; men houdt dit verhaal en de persoon zelve +tegenwoordig voor verzonnen.--2) zijn kleinzoon, bijgenaamd Ammon, +behield de schatten, die hem toevertrouwd waren door een Eretriënser, +die na de verovering van zijn vaderstad naar Perzië medegevoerd werd +(490). Ook dit verhaal is verzonnen.--3) zoon van Callias no. 1 en +Elpinice (z. Cimon no. 2), sneuvelde in den slag bij Delium (424). De +vrouw van Pericles was vroeger met hem gehuwd geweest, zijne dochter +Hipparete werd de vrouw van Alcibiades.--4) zoon van Callias no. 2, +schoonzoon van Alcibiades. + +Hipponium, zie Hippo no. 4. + +Hipponous, Hipponoos, z. Bellerophon. + +Hippophagi, Hippophagoi, 1) scythisch volk in Persis.--2) volk in +aziatisch Sarmatia, de tegenwoordige Kalmukken. + +Hippotes, Hippotes, vader van Arne of van Aeolus no. 2 (z. a.). + +Hippothoon, Hippothoon, zoon van Poseidon en Alope (z. a.). Na den dood +van zijn grootvader Cercyon gaf Theseus hem de regeering over Eleusis. + +Hippothoontis, Hippothontis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking +van Attica door Clisthenes verdeeld werd. + +Hippothous, Hippothoos, 1) vader van Aepytus no. 2.--2) zoon van +Priamus.--3) van Larisa, bondgenoot der Trojanen, door Ajax no. 2 +gedood. + +Hippotoxotai, een politiemacht van bereden boogschutters te Athene; men +gebruikte hiervoor staatsslaven. In het begin van den peloponnesischen +oorlog was hun aantal 200. + +Hirpini, Hirpinoi, volk in het Z. van Samnium. Hoofdstad: Aeculanum. + +Hirrus (C. Lucceius of C. Lucilius), z. Lucilii no. 4. + +Hirtia (lex) van A. Hirtius (46). Zij sloot de aanhangers van Pompeius +van alle ambten uit. + +Hirtius (A.), uit een plebejisch geslacht, diende onder Caesar in +Gallia, en vergezelde hem later naar Aegypte. Als praetor stelde +Hirtius in 46 de hierboven vermelde wet voor. In 45 ging hij met Caesar +naar Hispania. Overigens was hij meer schrijver dan krijgsman en bracht +hij bij voorkeur zijn tijd door op zijn landgoed bij Praeneste. In 43 +was hij consul met C. Vibius Pansa. Hoewel Hirtius na Caesars dood +tot Antonius had overgeheld, gevoelde hij zich spoedig door diens +aanmatigingen afgestooten, waartoe misschien de vertrouwde omgang +met Cicero bijdroeg. Met Pansa en den jeugdigen Octavianus trok hij +tegen Antonius op, doch sneuvelde in den slag hij Mutina (Modena), +terwijl Pansa daags daarna aan zijne wonden bezweek. Het achtste +boek der Commentarii de bello Gallico is van Hirtius afkomstig; +waarschijnlijk heeft hij ook het bellum Alexandrinum geschreven. + +Hirtuleius (L.), onderbevelhebber van Q. Sertorius in Hispania, +die den rom. veldheeren in de jaren 79-76 verschillende nederlagen +toebracht, doch in 75 sneuvelde. + +Hispalis, Hispalis, thans Sevilla, aanzienlijke koopstad der +Turdetani in Baetica, aan den Baetis (Guadalquivir). Caesar maakte +er eene rom. kolonie van, Iulia Romula of Romulensis. Hispalis was +door Phoeniciërs gesticht. De Baetis was tot hier voor zeeschepen +bevaarbaar. + +Hispania, Hispania, door de Grieken Iberia genoemd, tegenw. Spanje +en Portugal, was tot in de derde eeuw den Rom. bijna onbekend. Na den +eersten punischen oorlog zochten de Carthagers zich in H. schadeloos +te stellen voor het verlies der italiaansche eilanden. In den tweeden +oorlog ging ook H. voor hen verloren. De Romeinen verdeelden het +land, voor zoover hunne heerschappij zich binnenwaarts uitstrekte, +in twee provinciën: H. citerior en H. ulterior of Baetica, naar +den Baetis (Guadalquivir). Oorspronkelijk strekte het eerste zich +slechts uit langs de kust, maar langzamerhand werd ook het binnenland +veroverd. In 180-178 werden de Celtiberiërs door Tib. Sempronius +Gracchus, den vader der beide Gracchen, onderworpen en hun land, +een groot gedeelte van het binnenland bij H. Citerior gevoegd. In +138 werd Lusitania, een landstreek in het Z.W., onderworpen, en +aan Baetica toegevoegd. De volledige onderwerping van het geheele +schiereiland had eerst in 19 plaats, toen Agrippa de Cantabriërs en +Asturiërs onderwierp. Nu werd H. in 3 provincies verdeeld: Citerior, +Ulterior Baetica en Ulterior Lusitania, waaronder ook Gallaecia en +Asturia hoorden. Nog vóór den dood van Augustus werden Gallaecia en +Asturia bij H. Citerior gevoegd, dat voortaan gewoonlijk Tarraconensis +heet, naar de hoofdstad Tarraco; de andere twee provincies heeten nu +Baetica en Lusitania. De bevolking bestond uit keltische en iberische +stammen; de Iberiërs waren donker van tint. Vooral in Baetica troffen +de Romeinen reeds een ver gevorderden trap van beschaving aan; vandaar +dat geen andere provincie in gelijke mate als Hispania rom. zeden en +gewoonten overnam. Seneca, Lucanus, Martialis, Quintilianus, Traianus, +Hadrianus waren uit Hispania geboortig. Alleen stond de bevolking +ook reeds toen bekend om hare luiheid en morsigheid. De bodem was +in het Z. uiterst vruchtbaar en leverde ook verschillende metalen en +edelgesteenten op. In het tijdperk der volksverhuizing werd Hispania +afwisselend overstroomd door Vandalen, Sueven, Alanen en Westgothen. + +Hispellum, voornaamste stad in Umbria, thans Spello. + +Hister, zie Danuvius. + +Histiaea, Histiaeotis = Hestiaea, Hestiaeotis. + +Histiaeus, Histiaios, tyran van Miletus onder perzische +opperheerschappij. Toen Darius Hystaspis in het land der Scythen +ingevallen was, verzette Hist. zich tegen het plan om de brug over den +Ister af te breken, waarvan de ondergang van het perzische leger het +onvermijdelijk gevolg zou geweest zijn. Daarvoor werd hij met land in +Thracië begiftigd, later begon Darius hem echter te wantrouwen en riep +hij hem, naar het heette uit vriendschap, tot zich naar Susa. Later +werd hij naar de kust gezonden, om den opstand van Aristagoras +(z. a.) te dempen, waartoe hij hem heimelijk zelf had aangemoedigd; +daar hij echter zag dat de satraap Artaphernes hem niet vertrouwde, +vluchtte hij. Hij werd door de Chiërs gevangen genomen, maar weder +vrijgelaten, en daar de Milesiërs weigerden hem te ontvangen, ging +hij naar Byzantium, leefde daar eenigen tijd als zeeroover en werd +eindelijk door Harpagus gevangen genomen en te Sardes door Artaphernes +ter dood gebracht (498). + +Historiae Augustae scriptores = Scriptores historiae Augustae. + +Histria, Istria, schiereiland in het N. der Adriatische zee, door de +ruwe Istri bewoond en in 177 onderworpen. Ten tijde van Varro, die +een aardrijkskundig werk geschreven heeft, behoorde het westelijk +gedeelte tot aan de Formio, bij Italië; Augustus heeft het gewest +geheel bij Italië ingelijfd. Steden: Tergeste (Triest) en Pola. + +Homeridae, Homeridai, familie of genootschap op Chius, van Homerus +afstammend of naar hem genoemd; zij hadden zich tot taak gesteld de +gedichten van Homerus ongeschonden te bewaren en de kennis er van +algemeen te maken. In lateren tijd werden ook rhapsoden zoo genoemd, +en over het algemeen zij, die zich met de gedichten van Homerus +bezig hielden. + +Homerus, Homeros, is volgens de overlevering de dichter van de Ilias +en Odyssee, de twee beroemde heldendichten, die van den grootsten +invloed waren op de beschaving der Grieken, gedurende hun volksbestaan +den grondslag van alle verdere studiën vormden, en nog tot heden als +modellen van epische poëzie beschouwd worden. Hij zou een zoon van +Maeon, arm en blind geweest zijn; van zijn leeftijd wisten de ouden +reeds niets, zoodat sommigen beweerden dat hij in de 12de eeuw, anderen +dat hij later, sommigen zelfs dat hij niet vóór de 7de eeuw geleefd +zou hebben; zeven steden beroemden zich de vaderstad van Hom. geweest +te zijn, hoewel men erkende dat in dien strijd Smyrna en Chius de beste +aanspraken konden doen gelden. De meest gezaghebbende meening was, dat +de gedichten van Homerus in het midden der 9de eeuw in Ionië ontstaan +waren.--Hoe dit zij, deze gedichten leefden gedurende vele eeuwen, +waarin de schrijfkunst slechts weinig in gebruik was, in den mond van +het volk, en hadden hunne verbreiding voornamelijk te danken aan de +rhapsoden (z. a.) die bij feestelijke gelegenheden gedeelten er van +voordroegen. Het ligt voor de hand dat sommige gedeelten meer in den +smaak vielen dan andere, en dus meer gehoord werden, dat sommige, te +lang voor eene voordracht, bekort moesten worden, dat andere, wat hun +omvang betreft juist voor de voordracht geschikt, van een passend begin +of slot moesten worden voorzien, kortom, onder deze omstandigheden +waren de gedichten lang niet in al hunne deelen even algemeen bekend, +en stonden zij op velerlei wijze aan vervalsching en verminking +bloot, totdat, naar men meent onder Pisistratus en zijne zonen, +de verspreide deelen door deskundigen verzameld en tot één geheel +verwerkt werden. Deze maatregel bevorderde de studie der gedichten van +Hom. zeer, in den bloeitijd van Athene was dan ook de kennis er van +zeer algemeen, en personen, die de geheele Ilias en Odyssee van buiten +konden opzeggen, waren niet zoo zeldzaam als men zou denken. Toen +later te Alexandria de studie der taal- en letterkunde een hooge +vlucht nam, kozen de beste alexandrijnsche geleerden, o. a. Zenodotus +en Aristarchus, de werken van Hom. ter behandeling, trachtten met veel +moeite den tekst te verbeteren, of schreven geleerde verklaringen er +bij. Reeds onder hen werd door sommigen, die daarom chorizontes genoemd +werden, de meening verdedigd, dat de Odyssee niet in denzelfden tijd +ontstaan kon zijn als de Ilias, dat tusschen beide gedichten misschien +wel eene tusschenruimte van 100 jaar lag, en dat zij dus niet van +denzelfden dichter konden zijn. Nieuwere geleerden beweren echter, +dat ook de afzonderlijke deelen van elk der beide werken te veel van +elkander verschillen, om ze aan denzelfden maker toe te schrijven, dat +bovendien zulke groote werken in een tijd, waarin de schrijfkunst zoo +weinig algemeen was, niet hadden kunnen ontstaan, of ten minste weder +spoedig hadden moeten vergeten zijn, en dat men dus moet aannemen, +dat zoowel Ilias als Odyssee vóór Pisistratus niet anders bestaan +hebben dan als afzonderlijke liederen, waarin eerst toen eenige +samenhang gebracht zou zijn. Deze meening vindt bij sommigen zooveel +bijval, dat men zelfs getracht heeft die oorspronkelijke liederen +aan te wijzen, anderen verwerpen haar geheel, terwijl nog anderen +toegeven dat beide gedichten uit de vereeniging van zulke kleinere +liederen bestaan, maar aannemen dat die vereeniging veel vroeger, +waarschijnlijk omstreeks het midden der 9de eeuw, tot stand gebracht +zou zijn door iemand die Homerus heette, of misschien juist door dat +werk den naam Homerus (samenvoeger) gekregen heeft. Tegenwoordig is +de meest algemeene meening, dat elk van beide gedichten in hoofdzaak +van denzelfden dichter is, doch dat daaraan op verschillende tijden, +deels door hemzelven, deels door anderen, grootere en kleinere stukken +zijn toegevoegd.--Behalve Ilias en Odyssee zijn nog eenige kleinere +gedichten bewaard gebleven, die werken van Homerus heeten te zijn; +deze zijn echter alle van lateren tijd en van zeer ongelijke waarde. + +Homerus latinus, z. Silii no. 7. + +Homoioi, gelijken. De wet van Epitadeus (z. a.) had tengevolge dat, +in strijd met de instellingen van Lycurgus, het grondbezit te Sparta +zich weldra in weinige handen bevond, terwijl de meerderheid der +burgers tot armoede verviel. Deze ongelijkheid van vermogen bracht +ook ongelijkheid in burgerlijke rechten mede, en nu noemden zich de +rijke grondeigenaars homoioi, in tegenstelling van de armere burgers, +hypomeiones. + +Homole, Homole, berg, aan Pan gewijd, in Thessalia, nabij het +dal Tempe.--Homole of Homolium, Homolion, stad in het N. van het +thessalische landschap Magnesia. + +Homona, Homonadenses, Homonades of Omana, Omanades, stad en roofzuchtig +bergvolk in Pisidia, in het Taurusgebergte. + +Honorius (Flavius), zoon van keizer Theodosius den Gr., die bij +de deeling des rijks het Westen kreeg, terwijl aan zijn ouderen +broeder Arcadius het Oosten werd toegewezen, 395 na C. Honorius was +een nietsbeteekenende knaap. Zijn minister en voogd Stilicho, een +voortreffelijk veldheer, wist wel de invallen van germaansche volkeren +af te weren, maar deed niets tot ontwikkeling van den jongen vorst, +hoewel deze zijne dochter had gehuwd. In 408 liet H., aan valsche +inblazingen gehoor gevende, zijn schoonvader ombrengen en nu drongen +de barbaren van alle zijden het rijk binnen en namen de eene provincie +na de andere weg. De Westgothen onder Alarik veroverden zelfs Rome. Zie +Alaricus. Eindelijk zag H. zich genoodzaakt, zijn veldheer Constantius +tot mederegent aan te nemen en hem zijne zuster Placidia, weduwe van +den westgothischen koning Athaulf, tot vrouw te geven. H. stierf zes +jaar later, in 423. + +Hopletes, burgers die tot de tweede der vier oude attische phylen +behoorden. + +Hoplitai, zwaargewapende infanteristen, het voornaamste deel van een +grieksch leger. Zij droegen een harnas, helm en beenplaten van metaal, +en waren gewapend met een kort zwaard, een langwerpig schild (aspis), +en een werpspies van ongeveer 8 voet. De taak der zwaargewapenden was +in gesloten gelederen op den vijand aan te rukken en diens slagorde +te verbreken. Zij kregen, wanneer zij in dienst waren, betaling voor +soldij en onderhoud voor zichzelven en een bediende; deze betaling +was echter in verschillende tijden en omstandigheden hooger of lager. + +Horae Quirini, zie Hersilia. + +Horae, Horai, dochters van Zeus en Themis, godinnen der orde +in de natuur en der afwisselende jaargetijden, verder ook van +maatschappelijke orde, wet en recht. Zij zijn dienaressen van +Zeus en zijn belast met het openen en sluiten van de poorten des +hemels. Gewoonlijk worden drie Horen genoemd: Eunomia, Dice en Irene, +te Athene vereerde men slechts twee: Thallo en Carpo, later nam men +vier aan in overeenstemming met het aantal jaargetijden. Tempels +hadden zij te Athene, Corinthe e. a. plaatsen.--Zij worden afgebeeld +als schoone jonge vrouwen, luchtig gekleed en met bloemen en vruchten +versierd. + +Horatiae Valeriae (leges) van de consuls M. Horatius Barbatus +en L. Valerius Poplicola Potitus, 449: 1) ut, quod tributim plebs +iussisset, populum teneret;--2) dat de volkstribunen, de plebejische +aedilen en de iudices decemviri sacrosancti zouden zijn;--3) dat geen +nieuw overheidsambt zonder provocatio in het leven zou worden geroepen, +op straffe des doods. Dit zijn geen eigenlijke wetten (leges) geweest, +maar de voorwaarden, waarop de eendracht tusschen patres en plebs +hersteld werd. Bovendien is de eerste wet, evenals de lex Publilia +Philonis van 339 v. s. een anticipatie van de lex Hortensia van +287. Aan het bestaan van de derde wet wordt door sommige geleerden +getwijfeld. Zie Valeriae leges de provocatione. Met iudices decemviri, +in de 2de wet genoemd, worden volgens de gewone opvatting de decemviri +stlitibus iudicandis bedoeld; z. echter aldaar. + +Horatii, een patricisch geslacht. 1) De drie gebroeders, die, +volgens het verhaal, onder de regeering van Tullus Hostilius +den oorlog met Alba Longa beslechtten door een strijd met de drie +Curiatii, en waarvan de eenig overgeblevene zijne zuster zou hebben +neergestooten, omdat zij haren bruidegom, een der gesneuvelde Curiatii, +beweende. V. s. is dit hoog poëtische verhaal aan een fabula praetexta +van Ennius ontleend.--2) M. Horatius Pulvillus, een der consuls uit +het eerste jaar der rom. republiek; hij wijdde den tempel van Jupiter +Capitolinus.--3) P. Horatius Cocles (de éénoogige) verdedigde de houten +paalbrug over den Tiber tegen de aandringende soldaten van Porsena, +totdat zijne medeburgers de brug achter hem hadden afgebroken. Toen +sprong hij in de rivier en kwam behouden in de stad terug, in weerwil +eener hagelbui van pijlen. Zijne medeburgers richtten voor hem een +standbeeld op en schonken hem zooveel land, als hij in een dag kon +omploegen.--4) C. Horatius Pulvillus, consul in 477, sloeg de aanvallen +der Volscen en Etruscers af, die Rome bijna hadden vermeesterd. In 457 +was hij andermaal consul en overwon toen de Aequers.--5) M. Horatius +Barbatus, consul in 449, herstelde met zijn ambtgenoot L. Valerius +Poplicola wat de tienmannen bedorven hadden, verzoende de beide standen +te Rome, bracht de beroemde leges Horatiae Valeriae (z.a.) tot stand, +en behaalde eene groote overwinning op de Sabijnen.--6) Niet tot deze +gens behoorde de beroemde dichter Q. Horatius Flaccus, de zoon van +een vrijgelatene, geboren te Venusia in het jaar 65. Zijn vader zorgde +met den meesten ijver voor zijne opvoeding en ging te Rome wonen, om +zijn zoon de beste meesters te kunnen geven. Op zijn negentiende jaar +ging H. te Athene zijne studiën voltooien. In 44 was hij krijgstribuun +in het leger van Brutus en deelde in de nederlaag bij Philippi. In +dezen burgeroorlog verloor hij zijn vaderlijk erfgoed, zoodat hij +als scriba zijn brood moest verdienen. Doch de dichters Varius en +Vergilius bevalen hem bij Maecenas aan, die hem bij zich ontbood +(38), en hem wel eerst na 9 maanden opnieuw tot zich riep, maar hem +toen ook in den kring zijner vrienden opnam, waarvan hij spoedig een +onmisbaar lid werd. Van Maecenas kreeg hij (33) een klein landgoed, +het Sabinum bij Tibur, ten geschenke, dat zijn geliefkoosd verblijf +werd. Hij stierf, kort na Maecenas, in het jaar 8, ongehuwd. Horatius +bracht als lierdichter het eerst grieksche maten van de oude Grieksche +dichters op latijnschen bodem over. Zijne levensrichting was over het +algemeen de epicureïsche; gaarne genoot hij het goede; toch kon hij ook +sober en eenvoudig leven en zich naar de omstandigheden schikken als +de beste stoicijn. In het staatkundige was de slag hij Philippi het +graf zijner idealen geweest, in Octavianus zag hij voortaan den man, +die den lang gehoopten vrede aan de wereld zou schenken. Wij bezitten +van hem: Carmina of Odae (4 boeken), Epodon liber (z. Epodus no. 3), +het Carmen saeculare, Satirae (2 boeken), Epistulae (2 boeken), +waarvan de beroemdste de Epistula ad Pisones of Ars poetica. + +Horta, eene Romeinsche godin wier tempel steeds open staat. Overigens +is van haar niets bekend. + +Horta, Hortanum, stad in Etruria, waar de Nar in den Tiber stroomt. + +Hortator of pausarius, de man, die op het schip de maat aangaf bij +het roeien, hetzij met een hamer, hetzij met de stem, soms ook met +de fluit. + +Hortensia (lex) van 287 van den dictator Q. Hortensius, ut eo +iure, quod plebs statuisset, omnes Quirites tenerentur. Hiermede +werden de plebiscita voor goed gelijk gesteld met leges, en de +voorafgaande goedkeuring der tribunicische rogationes door den +senaat afgeschaft. Eene andere lex Hortensia verklaarde de nundinae +of marktdagen tot dies fasti. + +Hortensii, een plebejisch geslacht. 1) L. Hortensius, volkstribuun in +422, een warm ijveraar voor de belangen der plebs.--2) Q. Hortensius, +in 287 tot dictator gekozen om eene secessio plebis te bezweren, de +auctor der lex Hortensia de plebiscitis.--3) Q. Hortensius Hortalus, +(geb. 114), een van Rome's grootste redenaars, de evenknie van Cicero, +en een handig en geslepen verdediger, niet altijd keurig in de keus +zijner middelen. In 69 bekleedde hij het consulaat. In den burgeroorlog +had hij onder Sulla gediend en verder bleef hij de aristocratische +partij toegedaan. Hij stierf in 50. Hij was zeer vermogend en had zijn +huis weelderig en met fijnen smaak ingericht; zijne keuken, wijnkelder +en vischvijvers waren beroemd en zijne overdreven zorg daarvoor maakte +hem wel eens tot een mikpunt van spotternij. Wij hebben geen enkel +geschrift van hem; hij dichtte ook, doch zijne verzen konden den +toets van zedelijkheid niet doorstaan. Ook schreef hij annales. Hij +was een vertegenwoordiger van den asiatischen stijl (Asianismus), +z. Hegesias no. 2.--4) Hortensia, dochter van no. 3, wordt genoemd +als een voorbeeld van vrouwelijke welsprekendheid. Zij heeft in 42 de +rechten der gehuwde vrouwen, die door een zware belasting getroffen +werden, met succes ten overstaan van de triumviri verdedigd. + +Horus, Horos, een aegyptisch god, zoon van Isis en Osiris, +waarschijnlijk de god der opgaande zon, door de Grieken voor denzelfden +gehouden als Apollo. Meer bekend bij Grieken en Rom. was echter een +jongere Horus, een zwakke zoon van Osiris en in diens ouderdom geboren, +naar men meent de god der ondergaande zon of winterzon. Onder den naam +Harpocrates (z. a.) wordt hij vooral vereerd als god van het zwijgen. + +Hospitium. Tusschen aanzienlijke familiën in verschillende steden en +gewesten bestonden vaak banden van gastvriendschap. Bij het sluiten +van zulk een band (foedus) werden de namen van beide familiën op eene +zoogenaamde tessera hospitalis geschreven, eene soort van liniaal, +zóó dat aan weerszijden een naam stond. Zulk eene tessera wordt dan +doorgebroken en elke familie ontving eene helft. Op vertoon daarvan +had men niet slechts aanspraak op herberging, maar ook, zoo noodig, +op hulp en bescherming. De band ging op de erfgenamen over en werd als +heilig beschouwd. De rom. grooten hadden zulke hospitia de geheele +wereld door. Niet slechts echter bijzondere personen sloten zulke +banden van gastvriendschap, zij komen ook voor tusschen staten, +in welk geval van weerszijden vorstelijke personen en gezanten +op staatskosten werden gehuisvest en onthaald. Dit heet hospitium +publicum. Ook bestonden er hospitia tusschen tal van civitates in +den vreemde en aanzienlijke familiën te Rome, waarmede dan tevens +aan deze familie het patronaat werd opgedragen, d. w. z. de taak om +de vreemde civitas in rechten als anderszins te vertegenwoordigen, +hare burgers te Rome te beschermen en hare belangen voor te staan, +ongeveer zooals in onze nieuwere maatschappij de consuls doen. + +Hostilia, nu nog Ostiglia geheeten, stadje aan den Padus (Po), +met een druk veer over de rivier, aan den weg van Bononia (Bologna) +naar Mantua en Verona. + +Hostilia curia, zie Curia. + +Hostilianus (Gaius Valens), Caesar onder zijn vader Decius, 249 n. C., +na diens dood (251) keizer, sterft weldra aan de pest. + +Hostilii, een oud, patricisch geslacht, waarvan enkele leden in den +tweeden en derden punischen oorlog en de oorlogen tegen Perseus en +Antiochus III voorkomen. C. Hostilius Mancinus, consul in 137, werd +door de Numantijners tot den vrede gedwongen, dien de rom. senaat +evenwel verwierp. Mancinus werd toen uitgeleverd (z. Furia Atilia +(lex)), doch de N. weigerden dit offer te aanvaarden. Later werd +M. uit den senaat gestooten. + +Hostis was oudtijds = peregrinus, terwijl in het oude fetiaalrecht +perduellis voor vijand werd gebruikt. Later beteekende hostis een +buitenlandschen vijand, perduellis een binnenlandschen, terwijl diens +handeling, hoogverraad, door perduellio wordt uitgedrukt. Wanneer +een onderworpen vijand opstaat, is hij een rebellis; wanneer burgers +oproer maken, is het eene seditio. + +Hostis iudicatio is een senaatsbesluit, waarbij van bepaalde personen +verklaard werd, dat zij zich door hun daden tot vijanden van den staat +gemaakt hadden, en dat zij dientengevolge van burgerrecht vervallen, +vogelvrij en, zoo ze ambtenaren waren, ambteloos geworden waren. Dit +besluit was vaak een toevoeging aan het senatus consultum ultimum +(z. a.), en werd door de senaatspartij gebruikt als middel om +woelingen te onderdrukken; het eerst is het toegepast tegen Ti., +daarna tegen C. Gracchus, in 100 tegen Saturninus en Glaucia. De +aan de senaatsregeering vijandige partij heeft altijd terecht de +bevoegdheid der magistraten ontkend, om aan deze onwettige verklaring +van den senaat gehoor te geven; vele van de consuls, die er zich door +hadden laten bewegen om gevangenen terecht te stellen, zijn later met +eenigen tijd van ballingschap gestraft, zooals o. a. Cicero wegens +het dooden der Catilinarii in 63 (z. Clodiae (leges) no. 5). + +Hybreos graphe, aanklacht wegens mishandeling. Het proces werd voor +de heliasten (z. Heliaia) gevoerd en de straf werd naar omstandigheden +door de rechters bepaald. + +Hylles, een van de drie dorische phylae (z. a.), naar Hyllus genoemd. + +Hunni, Hounnoi, aziatisch volk, dat oorspronkelijk in Mongolië woonde, +en ± 375 n. C. over den Rha (Wolga) drong, de Alanen en Oostgothen +onderwierp, andere volken voor zich uit dreef en vooral onder Attila, +den "geesel Gods" (zie Attila) het romeinsche rijk teisterde. Na +Attila's dood (453) viel het groote Hunnenrijk uiteen en ± 500 was +de naam van Hunnen weder verdwenen. Omtrent een vroeger optreden van +de Hunnen zie men Bactria. + +Hypaithros heette de ruimte in het midden van een tempel, wanneer +zij, zooals bij groote gebouwen soms het geval was, niet van een dak +voorzien was. Men verkeert omtrent deze quaestie nog geheel in het +duister; behalve het Pantheon te Rome zijn ons dergelijke tempels +niet bekend. Z. verder onder Templum. + +Hypaspistes, 1) schildknaap, een slaaf, die op marsch voor zijn heer +schild, helm, enz. droeg.--2) in het macedonische leger lichtgewapende +infanteristen, meer voor aanval dan voor verdediging bestemd, van een +korte lans en een lang zwaard voorzien. Uit hen werd de koninklijke +lijfwacht (agema) gekozen. + +Hypekooi, op Creta = perioikoi. + +Hypogrammateus = grammateus (z. a.) tes poleos, ook gr. tou demou of +gr. tes boules kai tou demou genoemd. + +Hypomeiones, z. Homoioi. + +Hyacinthus, Hyakinthos, 1) zoon van Amyclas en Diomede, een +buitengewoon schoon jongeling, die door Apollo en Zephyrus bemind +werd. Toen Apollo eens met hem aan de oevers van den Eurotas met +den discus speelde, dreef Zephyrus uit jaloerschheid de werpschijf +van Apollo naar het hoofd van Hyac., zoodat deze doodelijk gewond +werd. Apollo veranderde hem in de bloem, die zijn naam draagt. Te +zijner eere vierden de Spartanen jaarlijks te Amyclae een groot feest, +de Hyacinthia, dat drie dagen duurde; de eerste dag was een treurdag, +waarop men aan Hyac. in stilte offers bracht, de beide volgende dagen +hield men feestelijke optochten en wedspelen.--2) Lacedaemoniër, +die ten tijde van Aegeus te Athene woonde. Toen Minos Athene met +oorlog bedreigde (z. Aegeus), kregen de Atheners van het orakel den +raad de kinderen van een vreemdeling te offeren; zij kozen daarvoor +de dochters van Hyac. Niettemin werden zij door Minos overwonnen. + +Hyades, Hyades, Suculae, sterrenbeeld aan den kop van den Stier, +dat bij het begin van den regentijd opgaat (pluviae, tristes). Zij +worden dochters van Atlas en Aethra of Pleione, of van Oceanus of van +Melisseus genoemd, en waren de voedsters van Dionysus (nysaeische +nimfen) of van Zeus (dodonaeïsche nimfen) geweest en ter belooning +onder de sterren geplaatst. V. a. hadden zij zich dood getreurd om +het verlies van hun broeder Hyas, die op de jacht omgekomen was. + +Hyaea, Hyaia, vlek in het gebied der ozolische Locriërs. + +Hyampea, Hyampeia, een van de toppen van den Parnassus = Lycoreus. + +Hyampolis, Hyampolis, stad in Phocis bij Elatea, door Hyanten +gesticht. De stad werd eerst verwoest door Xerxes, later door Philippus +van Macedonia. + +Hyantes, Hyantes, oude bewoners van Boeotia, door de Cadmeërs naar +Phocis verdreven, waar zij Hyampolis stichtten. Een groot gedeelte +vestigde zich in Aetolia. Hyantius, Hyanteus bij dichters = boeotisch, +hyantis = aetolisch. + +Hyarotes, Hyarotes = Hydraotes. + +Hybla, Hybla, naam van drie steden op Sicilia, H. maior, he meizon +of megale, v. s. ook Hybla Geleatis (Gereatis), Hybla he Geleatis, +he Gereatis geheeten, lag aan den Aetna; H. minor, he mikra of Hybla +ta Megara, ook wel Megara Hyblaea, v.s. ook Hybla Geleatis geheeten, +lag ten N. van Syracusae, en werd Megara genoemd naar dorische +kolonisten uit Megaris. De inwoners heetten Megares Hyblaioi. In den +tweeden punischen oorlog werd het door de Rom. verwoest. Het derde, +H. Heraea, Heraia of he elatton, lag aan den weg van Syracusae naar +Gela. Uit een der drie Hybla's kwam de beroemde honig, Hyblaeum mel. + +Hyccara, (plur.), ta Hykkara, stad der Sicani op de N.kust van Sicilia, +in 415 door de Atheners veroverd en geplunderd en toen aan Segesta +afgestaan. + +Hydaspes, Hydaspes, zijtak van den Acesines, waarbij Alexander de +Gr. zijne overwinning op koning Porus behaalde. Vergilius noemt hem +minder juist Medus Hydaspes, daar het perzische rijk zich niet tot +aan dezen stroom uitstrekte. Horatius noemt hem fabulosus = alleen +bekend van hooren zeggen, n.l. bij de Rom. + +Hydraotes, Hydraotes, een zijtak van den Acesines, evenals de Hydaspes. + +Hydrea, Hydrea, thans Hydra, eilandje bij Argolis. De bevolking is +van dryopischen stam. + +Hydrochous, Hydrochoos = Aquarius. + +Hydrophoria, Hydrophoria, reinigings- en verzoeningsfeest ter eere van +Apollo of de onderaardsche goden of ter herinnering aan de slachtoffers +van den zondvloed van Deucalion, op vele plaatsen van Griekenland in +het voorjaar gevierd. + +Hydruntum of Hydrus, Hydrous, thans Otranto, stad op de kust van +Calabria, met eene uitstekende haven. + +Hygiea, Hygieia, dochter van Asclepius, godin der gezondheid. Zij wordt +gewoonlijk gemeenschappelijk met haar vader vereerd, maar staat ook +in nauwe betrekking tot Athena, die ook den bijnaam Hygiea heeft. Op +hare afbeeldingen heeft zij een slang in de hand, die zij uit een +schaal laat drinken. + +Hyginus (C. Iulius), een vrijgelatene van Augustus, geboortig uit +Hispania, opzichter der palatijnsche bibliotheek. Hij was een vlijtig +beoefenaar van taal- en oudheidkunde. Men veronderstelt, dat hetgeen +wij op naam van Hyginus bezitten, een fabularum liber en een poëticon +astronomicon niet van dezen Hyginus afkomstig is. Onder Traianus, +v.a. ± 300, komt nog een Hyginus gromaticus voor (z. Groma). + +Hylas, Hylas, zoon van Theodamas en Menodice, lieveling van Heracles, +met wien hij deelnam aan den tocht der Argonauten. Toen Hylas +in Mysië aan land gegaan was om water te scheppen, werd hij door +bronnimfen geroofd, Heracles ging hem zoeken en bleef zoo lang uit, +dat de Argonauten zonder hem vertrokken.--Ter eere van Hylas vierden +de inwoners van Prusias een feest, waarbij geofferd werd bij de bron, +waarin hij verdwenen was, en men in de bergen het zoeken van Heracles +nabootste. + +Hyle, Hyle, oud boeotisch stadje, aan het Hylische meertje. + +Hylias, Hylias, grensrivier tusschen het gebied van Croton en dat +van Sybaris in het land der Bruttii. + +Hylice, Hylike (sc. limne), meer. Zie Hyle. + +Hyllus, Hyllos, zoon van Heracles en Deïanira, de stamvader der +Heracliden (z.a.), die in de Peloponnesus regeerden. Na een eersten +inval in de Peloponnesus ging hij naar Thessalië, waar Aegimius hem +een derde gedeelte van zijn land afstond, bij een tweeden inval werd +hij door Echemus gedood. + +Hyllus, Hyllos, zijtak van den Hermus, in aziatisch Ionia. + +Hymen, Hymenaeus, Hymen, Hymenaios, zoon van Apollo en Calliope of +Urania of van Dionysus en Aphrodite, bevrijdde eens een aantal jonge +meisjes, die door zeeroovers gevangen genomen waren; daarom gedachten +deze hem, toen zij trouwden, in het bruiloftslied, en sedert dien +tijd wordt hij als een god van het huwelijk beschouwd, die in het +bruiloftslied wordt aangeroepen. Hij komt voor in gezelschap van +Aphrodite en Eros, zijne afbeeldingen gelijken op die van Eros, +ofschoon hij grooter en ernstiger voorgesteld wordt; gewoonlijk is +hij met rozen bekranst en draagt hij een fakkel en sluier in de hand. + +Hymettus, Hymettos, berg in Attica ten O. van Athenae, voor een +gedeelte met geurigen thym begroeid en hierom bekend door zijn +voortreffelijken honig. De berg is ook bekend om zijn marmergroeven. + +Hypacyris, Hypakyris, ook wel -caris, rivier in europeesch Sarmatia, +onzeker welke. + +Hypaepa, ta Hypaipa, stadje in Lydia aan de Z. helling van den +Tmolus. Het was bekend om zijne schoone vrouwen. + +Hypanis, Hypanis, naam van twee rivieren in Sarmatia, die van +tegenovergestelde zijden in den Pontus Euxinus (Zwarte zee) +stroomen. De eene heet thans de Bug, de andere, die op den Caucasus +ontspringt, de Kuban. Ook = Hyphasis. + +Hypata, Hypata of ta Hypata, bergstadje in het gebied der Aenianen +tusschen Thessalia en Hellas. In de nabijheid was de vergaderplaats +der heksen en toovenaars, de grieksche Blocksberg. De Hypataeërs +hadden den naam, bekwame toovenaars te zijn. + +Hypatia, Hypatia, de begaafde dochter van Theon (no. 3), beoefende +evenals haar vader wis- en sterrenkunde en ook wijsbegeerte; zij werd +bij een opstand van de Christenen in 415 n. C. gedood. + +Hyperbolus, Hyperbolos, atheensch demagoog van geringe afkomst, +die na den dood van Cleon als medestander van Alcibiades optrad en +veel invloed verwierf. Door de blijspeldichters wordt hij voortdurend +bitter bespot. In 417 werd hij door het ostracisme (z. a.) verbannen, +hij vestigde zich op Samus, waar hij in 411 door de oligarchische +partij vermoord werd. + +Hyperborei, Hyperboreioi, een fabelachtig volk, meer noordelijk wonende +dan de Noordewind (Boreas), en over wie deze dus nooit zijn kouden +adem liet gaan. In hun land ging de zon slechts éénmaal 's jaars op +en onder; hun land was een heerlijk land, waar alles spoedig rijpte, +hun leven was een leven van geluk, zonder ooit eenigen twist of +tweedracht. Zij konden 1000 jaar oud worden, doch meestal stortten +zij zich vóór dien tijd, des levens zat, in zee. Zij waren aan den +dienst van Apollo gewijd. Hyperboreus dichterlijk = noordsch. + +Hyperborei montes, een gebergte in het gebied of naar den kant der +Hyperborei, misschien eene duistere voorstelling van de Carpathen of +van het Oeralgebergte. + +Hyperenor, Hyperenor, een van de Sparten, zie Cadmus. + +Hyperides, Hypereides, -rides, zoon van Glaucippus, een van de tien +attische redenaars, leerling van Plato en Isocrates, in de politiek +aanhanger van Demosthenes, hoewel hij zich in de zaak van Harpalus +(z.a.) tegen hem keerde en zelfs als zijn beschuldiger optrad. Evenals +Dem. en om dezelfde redenen werd hij door Alexander na de verovering +van Thebe opgeëischt, maar niet uitgeleverd; ook aan den lamischen +oorlog nam hij deel, en na den ongelukkigen afloop er van vluchtte +hij naar Aegina, waar hij gevat en op bevel van Antipater ter dood +gebracht werd (322). Van zijne redevoeringen zijn er in de vorige +eeuw zes in Egypte teruggevonden. + +Hyperion, Hyperion, een van de Titanen, vader van Helius, Selene en +Eos. Ook Helius wordt dikwijls Hyperion genoemd. + +Hyperm(n)estra, Hyperm(n)estra, zie Danaüs. + +Hyphasis, Hyphasis, een zijtak van den Acesines. + +Hypocaustum, vertrek, waarvan de vloer verwarmd werd door buizen of +kanalen met heete lucht; vooral bij badkamers en in badhuizen werd +deze wijze van verwarming toegepast. + +Hyporchema, hyporchema, vroolijk lied ter eere van Apollo, met mimiek +en dans voorgedragen. + +Hypothebae, Hypothebai, oude stad in Boeotia, waaronder men of Potniae +of wel de benedenstad van Thebae, rondom de Cadmea of burcht verstond. + +Hypotheca, hypotheke, onderpand voor geleend geld, dat in het bezit +van den schuldenaar blijft, en wanneer hij zijne schuld niet betaalt, +ter voldoening van den schuldeischer verkocht wordt. + +Hypsipyle, -pylea, Hypsipyle, -pyleia, dochter van Thoas, koningin +van Lemnus toen de Argonauten op dat eiland landden. Zij bleven er +een jaar, en Hyps. werd bij Iason moeder van twee zonen, Thoas en +Euneus. Kort te voren hadden de vrouwen van Lemnus alle mannen in +één nacht gedood, daar deze ontrouw geworden waren en thracische +meisjes op het eiland gehaald hadden. Later ontdekte men echter, dat +Hyps. haar vader gered had, zij moest vluchten, werd door zeeroovers +gevangen genomen en aan Lycurgus, koning van Nemea, verkocht. Wegens +den dood van Opheltes (z. a.) werd zij in de gevangenis geworpen, +doch door hare beide zonen bevrijd. + +Hypsus, rivier in het W. van Sicilië, die aan de Z.-kust, dicht hij +Selinus uitmondt. + +Hyrcania, Hyrkania, smalle, onvruchtbare landstreek en perzische +provincie ten Z. en Z.O. der Caspische zee, ten Z. door bergketenen +begrensd, waar tal van wilde, verscheurende dieren werden +aangetroffen. De Hyrcaniërs hadden evenals andere volken van Iran +de gewoonte, de lijken door honden te laten verslinden. De rijken +hielden tot dit doel zelfs honden van edel ras. + +Hyrcanum mare, z. Caspium mare. + +Hyrcanus, zoon van den joodschen koning Alexander Jannaeus, uit +het geslacht der Maccabaeën, leefde in hevigen strijd met zijn +broeder Aristobulus. Deze laatste riep in 64 de tusschenkomst van +Pompeius in, doch werd, daar hij dezen trachtte te misleiden, door +P. gevangen genomen. Hyrcanus werd nu als leenvorst met den titel +van hoogepriester-ethnarch, archiereus kai ethnarches, op den troon +geplaatst, in welke waardigheid hij door Caesar in 47 bevestigd +werd. In 37 liet Antonius hem onthoofden. + +Hyrgis, Hyrgis, thans de Donetz, zijtak van den Tanaïs (Don) +in Sarmatia. + +Hyria, Hyria, 1) meer in Aetolia, ten W. van het meer Trichonis.--2) +stad in Boeotia, nabij den Euripus, vlak bij Aulis, en tot het gebied +van Tanagra behoorend.--3) stad in Italia aan den weg van Tarentum +naar Brundisium, ook Uria geheeten. + +Hyrmine, Hyrmine, ook Horminae, stad in het N. van Elis, nabij de kust. + +Hyrtacides, zoon van Hyrtacus = Nisus no. 2. + +Hysiae, Hysiai, 1) stad in het Z. van Argolis, bij de landstreek +Thyreatis of Cynuria. Zij werd in den peloponnesischen oorlog door +de Spartanen verwoest.--2) vlek in Boeotia, niet ver van het slagveld +van Plataeae. + +Hystaspes, Hystaspes, aanzienlijke Pers, vader van Darius I. Op zijne +reizen naar Indië maakte hij kennis met de leer der Brahmanen, die +hij later aan de Magiërs mededeelde. Dit verhaal heeft misschien +betrekking op een anderen Hystaspes, die de leer van Zarathustra +(Zoroaster, z.a.) ingevoerd heeft. + + + + + + +I. + + +Iacchus, Iakchos, naam van Dionysus in de eleusinische mysteriën; +hij had een tempel te Athene, en bij den feestelijken optocht naar +Eleusis ter gelegenheid van de mysteriën werd zijn beeld voor den +stoet uitgedragen. + +Iacetani, volksstam in Hispania tusschen de Pyrenaeën en den mond +van den Iberus (Ebro). Z. ook Lacetani. + +Iadera, Iadera, stad op de kust van Illyricum, in Liburnia. + +Ialmenus, Ialmenos, zoon van Ares en Astyoche, regeerde nevens zijn +broeder Ascalaphus in Orchomenus en streed voor Troje. V.s. was hij +na den trojaanschen oorlog koning van het eiland Aretias. + +Ialysus, Ialysos of Ialysos, eene der drie oudste steden van het eiland +Rhodus. Het lag in het Noorden, dicht bij het latere Rhodus. Lindus en +Camirus waren de beide andere steden. Volgens de overlevering waren +zij gesticht door Ialysus, Lindus en Camirus, drie broeders. Zie +verder Rhodus. + +Iambe, Iambe, dochter van Pan en Echo, dienstmaagd van Celeüs. Door +hare vroolijkheid wist zij het eerst de over het verlies harer dochter +treurende Demeter tot lachen te bewegen; tot belooning werd zij de +eerste priesteres van die godin en ter herinnering hieraan werden de +feesten van Demeter met scherts en spotternij gevierd. + +Iambische poëzie, een dichtsoort, voornamelijk gebruikt voor spot- +en hekeldichten (carmen maledicum). Zij heeft waarschijnlijk haar +oorsprong te danken aan het plagen en schertsen bij de feesten van +Demeter (z. Iambe) en werd door Archilochus tot een bepaalden kunstvorm +ontwikkeld. Van de epische poëzie, die tot dien tijd alleen beoefend +was, onderscheidt zij zich door eenvoudiger taal en vluggere versmaat, +daar in iederen voet de arsis tweemaal zoo lang is als de thesis.--Na +Archilochus waren de meest bekende iambografen Simonides, Hipponax, +Solon, en onder de Romeinen Catullus, Horatius, Martialis. + +Iamblichus, Iamblichos, 1) van Babylon, grieksch romanschrijver in de +2de eeuw na C. Van zijn groote roman Babyloniaka is nog een uittreksel +over.--2) van Chalcis in Coelesyria, neo-platonisch wijsgeer onder +Constantijn d. G., leerling van Porphyrius. In zijne werken tracht +hij de stelsels van Plato en Pythagoras te vereenigen, hij verdedigt +alle godsdienstige begrippen, zoowel van Grieken en Romeinen als +van verscheiden oostersche volken, tegen het Christendom en leert +dat waarzeggerij en tooverij noodzakelijk zijn om de betrekking +tusschen goden en menschen in stand te houden. Hijzelf werd door +zijne leerlingen voor een heilig wonderdoener gehouden. Hij heeft +vooral invloed gehad op keizer Julianus. + +Iamnia, Iamneia, aanzienlijke stad in het Z.W. van Palaestina, niet +ver van de zee. + +Iamus, Iamos, zoon van Apollo en Euadne. Hij werd door Aepytus +opgevoed, en toen hij volwassen was, ging hij op bevel van Apollo +naar Olympia, waar hij als waarzegger beroemd werd, en de stamvader +werd der Iamiden (Iamidai), een geslacht van priesters en waarzeggers +te Olympia. + +Iana, echtgenoote van Janus, oud-italische maangodin, waarschijnlijk +dezelfde als Diana. + +Ianiculus (mons), een der bergen van Rome, aan de overzijde +van den Tiber. Op den top lag eene versterking, arx, waar bij +volksvergaderingen eene roode vaan opgesteld en door eene wacht +bewaakt werd. Deze gewoonte dagteekende uit den tijd, toen men nog +op zijne hoede moest zijn tegen een onverwachten overval der naburige +volken. Werd de vlag weggenomen, dan moest de vergadering uiteengaan. + +Ianus, de god van deuren en poorten; vandaar heet hij Clusius +(Clusivius), sluiter, en Patulcius, opener. Daar iedere deur, om zoo +te zeggen, naar binnen en naar buiten ziet, wordt Janus afgebeeld met +twee gezichten (Janus Geminus, Biceps, Bifrons); zoo komt hij het eerst +op de munten voor, en wel op den ouden koperen as, terwijl men voor de +kleinere stukken koppen van grieksche goden nam. Verder is Janus de god +van alle begin, en de eerste maand des jaars (Januarius), en de eerste +dag van elke maand (Kalendae) is aan hem gewijd; ook het eerste uur van +den dag; vandaar heet hij Pater Matutinus. Hij waakt ook over het begin +van het leven van ieder mensch, en heet als zoodanig Consevius. Zijn +priester is de rex sacrorum, die hem o.a. op den 9 Jan. (Agonium) +een ram offert in de regia. Een tempel had Janus oorspronkelijk niet, +slechts een doorgang (Janus Geminus) aan den N.O.hoek van het forum +was hem gewijd, ook Janus Quirinus geheeten, omdat hij toegang geeft +tot de staatsmarkt, het forum Romanum. Deze doorgang moest steeds +openstaan, tenzij er nergens oorlog was. Volgens de sage heeft Numa +dezen Janus gesticht en ééns gesloten; in historischen tijd is hij +viermaal gesloten geweest, ééns in 235, na het einde van de oorlogen +op Sardinië en in Ligurië, en drie maal tijdens Augustus. Na den +zeeslag bij Mylae (260) heeft C. Duilius, de overwinnaar in dien +slag, Janus een tempel gewijd vóór de Porta Carmentalis, aan het +forum holitorium. Zijne beelden hebben gewoonlijk een sleutel in +de linkerhand, in de andere een staf zooals de portiers; bij deuren +en poorten plaatste men gewoonlijk een borstbeeld van hem met twee +aangezichten, die naar binnen en naar buiten gericht waren. Deze +aangezichten waren meestal gelijk, soms echter was het eene jong, +het andere oud, of het eene mannelijk, het andere vrouwelijk. + +Iapetus, Iapetos, zoon van Uranus en Gaea, een van de Titanen, +die deel nam aan den oorlog tegen Zeus en daarom in den Tartarus +is opgesloten. Hij was de vader van Atlas, Menoetius, Prometheus en +Epimetheus. V. a. een van de Giganten, zoon van Tartarus en Gaea. + +Iapis = Iapyx no. 2. + +Iapodes of Iapydes, Iapodes, illyrisch-keltisch bergvolk in +Illyricum, op de grenzen van Liburnia en Histria. Hun land werd +Iapydia genoemd. Zij tatouëerden zich. Onder Augustus werden zij voor +goed onderworpen. + +Iapygia, Iapygia, oude naam voor de Z.O. punt van Italia, thans Terra +d'Otranto. Bij dichters = Calabria of ook wel Apulia. + +Iapygium promunturium, Iapygia akra, ook wel prom. Sallentinum, +Z.O. kaap van Italia, thans Capo di Leuca. + +Iapyx, Iapyx, 1) zoon van Lycaon of van Daedalus, voerde eene kolonie +van Cretensers naar Iapygië, dat naar hem genoemd is.--2) geneesheer +van Aeneas.--3) de Noordwestenwind, die gunstig is voor hen, die van +Brundisium naar Griekenland varen; bij de Romeinen heet hij gewoonlijk +Favonius. Zie Windstreken. + +Iarbas, zie Hiarbas. + +Iardanus of -us, Iardanes, -os, naam van twee riviertjes, het eene +op Creta nabij de stad Cydonia, het andere in Elis ten N. van Phea. + +Iardanis, Iardanis, Omphale, dochter van den lydischen koning Iardanus. + +Iasides, Iasides, zoon of afstammeling van Iasus of Iasion, +bijv. Amphion, Palinurus, e. a. + +Iasion, Iasius, Iasion, Iasios, zoon van Zeus of Corythus en Electra, +geliefde van Demeter, die hem een zoon baarde, Plutus. Hij werd +door Zeus uit minnenijd met den bliksem gedood. Met zijn broeder +Dardanus werd hij op Samothrace in de mysteriën ingewijd, die hij +ook op Sicilië ingevoerd zoude hebben. + +Iasis, Atalante, dochter van Iasus. + +Iaso, Iaso, dochter van Asclepius, godin der geneeskunde. + +Iason, Iason, 1) zoon van Aeson, koning van Iolcus. Toen deze door +zijn broeder Pelias van de regeering beroofd was, liet hij Iason +naar Chiron brengen, die hem opvoedde. Op zijn twintigste jaar kwam +Ias. naar Iolcus terug en eischte dat Pelias de regeering aan Aeson zou +teruggeven; deze beloofde aan dien eisch te zullen voldoen, wanneer +Ias. voor hem het gouden vlies (z. Phrixus) uit Aea wilde halen; hij +gaf voor dat hem dit werk door een orakel was opgedragen, maar dat hij +zich te oud gevoelde om het ten uitvoer te brengen. V. a. had Ias. bij +zijne eerste ontmoeting met Pelias toevallig een schoen verloren, en +had deze hem de onderneming opgedragen om hem te verwijderen, daar een +orakel hem gewaarschuwd had voor iemand met één schoen. Ias. ondernam +nu aan het hoofd der Argonauten (z. a.) den hem opgedragen tocht. Toen +hij in Aea aangekomen was en aan koning Aeetes zijn verlangen had +kenbaar gemaakt, verklaarde deze zich bereid de gouden vacht te +geven, indien hij twee vuurspuwende stieren met metalen hoeven voor +den ploeg spande, daarmede een stuk gronds omploegde, in de voren +draketanden zaaide en de daaruit opgekomen mannen doodde; verder +moest hij nog een reusachtigen draak dooden, die de vacht bewaakte +en nooit sliep. Door de toovermiddelen van Medea (z. a.) was Ias. in +staat deze moeilijke taak te vervullen, en toen Aeetes uitvluchten +zocht, roofde hij met hare hulp de vacht en vluchtte hij met zijne +reisgezellen en met Medea. Aeetes vervolgde hen, doch te vergeefs +(z. Apsyrtus en Alcinous). Te Iolcus teruggekeerd, vonden zij dat +Aeson en zijn geheel geslacht door Pelias vermoord waren; door een +list van Medea werd Pelias (z. a.) gedood en Ias. gaf de regeering +vrijwillig of gedwongen aan Acastus over. Hij trok daarop met zijne +echtgenoote naar Corinthe, vatte liefde op voor Creusa (no. 4) en +huwde haar; toen zij door de wraak van Medea gedood was, bracht ook +hij zich om het leven. V. a. had hij zich eens op de landengte van +Corinthe onder de Argo te slapen gelegd, en was hij door het instorten +van het oude schip gedood.--2) tyran van Pherae, kwam omstreeks 378 +aan de regeering en maakte zich in weinige jaren van de heerschappij +over een groot deel van Thessalië meester. Hij was de bondgenoot van +de Thebanen tegen de Spartanen, ofschoon hij na den slag bij Leuctra +beide partijen tot matiging aanspoorde. Terwijl hij, naar men algemeen +geloofde, met groote plannen omging, nl. om geheel Griekenland onder +zijne heerschappij te brengen en den oorlog tegen Perzië te hervatten, +werd hij in 370 vermoord. + +Iasus, Iasos of Iassos, stad op de kust van Caria, met veel +vischvangst, aan den sinus Iassicus. In de nabijheid stond onder den +blooten hemel een standbeeld van Hestia, dat zelfs bij regen nimmer nat +werd. De stad was gesticht door Argiven, later bevolkt door Milesiërs. + +Iaxartes, Iaxartes, rivier in aziatisch Scythia, thans Syr-Daria, +uitloopende in het Aral-meer; in de oudheid nam men echter aan, +dat ze evenals de Oxus in de Caspische zee mondde; wel kende men +een Oxia palus van hooren zeggen, maar dat de Oxus en Iaxartes +hierin uitliepen, wist men niet. Z. ook Oxus. De Oxeiane limne, +door Ptolemaeus vermeld, is niet het Aral-meer, maar de lacus Oaxus, +een bronmeer in het Pamir-gebergte, waarschijnlijk het Victoriameer. + +Iazyges, Iazyges, machtig sarmatisch volk aan de palus Maeotis (zee +van Azow). Later trokken zij westwaarts en vestigden zich tusschen +de Tisia (Theiss) en den Danubius. In de 4de eeuw na Chr. komen ze +steeds als bondgenooten van de Quaden voor. + +Iberia, Iberia, 1) grieksche naam voor Hispania.--2) landschap ten +Z. van den Caucasus en ten O. van Colchis, thans Georgië, waarmede +de Rom. onder Pompeius kennis maakten. Dit zeer vruchtbare gewest +was geheel door bergen ingesloten en slechts door enkele passen +toegankelijk. De bevolking was niet oorlogzuchtig, woonde in goed +gebouwde huizen en was in kasten verdeeld. + +Iberus, Iber, rivier in Hispania, thans Ebro, een tijd lang +grensscheiding tusschen rom. en carthaagsch Hispania. + +Ibycus, Ibykos, van Rhegium, grieksch lierdichter, die eenigen tijd +aan het hof van Polycrates op Samus leefde en overigens een zwervend +leven leidde. Op eene reis naar Corinthe werd hij door struikroovers +gedood, terwijl een zwerm kraanvogels over zijn hoofd heenvloog, +die hij aanriep om zijn dood te wreken. Toen nu kort daarna weder +een zwerm van dezelfde vogels gedurende een feest over den schouwburg +van Corinthe vloog, riep een der moordenaars onwillekeurig uit: "de +kraanvogels van Ibycus!" waardoor de schuldigen ontdekt en gestraft +werden. Vandaar het spreekwoord: hoi Ibykou geranoi. Zijne gedichten +behandelden voor een deel mythische onderwerpen, beroemder echter +waren bij de ouden zijne minnedichten. + +Icaria of Icarus, Ikaria, Ikaros, vroeger Doliche geheeten, eiland in +de Aegaeïsche zee, ten W. van Samus, volgens de mythe genoemd naar +Icarus, wiens lijk hier aan land spoelde. De omliggende zee werd +Icarium mare geheeten. + +Icaris, Icariotis, Penelope, dochter van Icarius no. 2. + +Icarius, Ikarios, 1) ook Icarus of Icarion, atheensch landbouwer, +die van Dionysus den wijnbouw leerde. Toen hij eenige herders wijn +had laten proeven en zij daardoor bedwelmd geworden waren, doodden zij +hem, in de meening, dat hij hen vergiftigd had. Zijne dochter Erigone +(z. a.) zocht hem langen tijd, geholpen door haar trouwen hond Maera; +toen zij zijn lijk vond, hing zij zich aan een boom op. De goden +plaatsten Ic. als Bootes of Arcturus, Erigone als de Maagd, Maera als +Procyon (Icarius canis) aan den sterrenhemel. Vgl. Entoria.--2) zoon +van Oebalus, werd met zijn broeder Tyndareos door hun halfbroeder +Hippocoon uit Lacedaemon verdreven, maar later door Heracles +teruggebracht. Hij had de hand zijner dochter Penelope beloofd aan +dengene, die in den wedloop de overwinning zoude behalen. Odysseus +was de overwinnaar en voerde haar als zijne gade mede naar zijn rijk, +hoewel Ic. hem smeekte in Lacedaemon te blijven. + +Icarus, Ikaros, 1) zoon van Daedalus (z. a.).--2) koning van Carië, +z. Thestor. + +Iccius, een vriend van Horatius, die in 24 aan den krijgstocht van +Aelius Gallus tegen de Arabieren deelnam en later op Sicilia leefde, +waar hij misschien de landgoederen van Agrippa beheerde. Hij was een +beoefenaar der wijsbegeerte. + +Icelus, Eikelos, z. Morpheus. + +Iceni of Simeni, Simenoi, machtig volk in Britannia, in het +tegenw. Norfolk en Suffolk, het volk van koningin Boadicca (z. a.). + +Ichnae, Ichnai, 1) stad in het macedonische landschap Bottiaea, +dicht bij den Axius (Vardar).--2) stad in de thessalische landstreek +Phthiotis.--3) stad in het N. van Mesopotamia, ten N. van Nicephorium, +waar Crassus eene overwinning op de Parthen behaalde. + +Ichthyophagi, Ichthyophagoi, naam van onderscheidene van vischvangst +levende volksstammen aan de kusten der Indische zee en hare inhammen +en op de Westkust van Afrika. + +Icilia (lex) sacrata, van den volkstribuun Sp. Icilius in 492 of 471, +dat alwie een volkstribuun, die tot het volk sprak, zou belemmeren +of in de rede vallen, door een concilium plebis tot elke straf kon +veroordeeld worden. + +Iciliae (leges) van den volkstribuun L. Icilius, 1) dat de secessio +bij de dwingelandij der tienmannen niemand tot vergrijp zou worden +aangerekend (449).--2) dat de mons Aventinus, die nog ager publicus +was, aan de patricische erfpachters ontnomen en onder de plebejers +verdeeld zou worden (456). Zie Icilii. + +Icilii, plebejisch geslacht, dat tusschen 493 en 408 verscheidene +volkstribunen heeft opgeleverd en bij de secessiones in 494 en 449 +eene belangrijke rol speelde. O. a. is Sp. Icilius (v. a. Acilius) één +van de 4 volkstribunen geweest, die ten gevolge van de lex Publilia +Voleronis voor het eerst tributim in 471 zijn gekozen. De berichten +omtrent de secessiones van 494 en 449 zijn tamelijk waardeloos, en dus +ook de namen der daarbij optredende personen. Zie ook onder Duilii +no. 1. Volgens sommigen is het feit dat Sp. Icilius in 471 tribunus +plebis was, het eenige historisch betrouwbare bericht omtrent deze +familie en de op hun naam staande wetten. + +Iconium, Ikonion, volkrijke en welvarende hoofdstad van Lycaonia in +Asia minor. + +Ictinus, Iktinos, beroemd bouwmeester te Athene ten tijde van +Pericles. Tot zijne belangrijkste werken behooren het Parthenon en +de tempel van Demeter en Persephone te Eleusis. + +Icus, Ikos, een van de noordelijke Cycladen, in de nabijheid van +Peparethus. + +Ida, Ide, dochter van Melisseus, een van de beide nimfen, die Zeus +opvoedden. + +Ida, Ide, Ide, boschrijk gebergte in Troas en het achterliggende +Phrygia. Het was ook rijk aan bronnen. Idaea mater = Cybele, die +hier vereerd werd; Idaeus puer = Ganymedes. Ook op Creta was een +Ida-gebergte, met de grot, waarin Zeus was groot gebracht. + +Idaea mater, Idaia, bijnaam van Rhea Cybele, naar den berg Ida, +den hoofdzetel van haar eeredienst. + +Idaei Dactyli = Dactyli Idaei. + +Idaeus, Idaios, 1) zoon van Dardanus en Chryse, die met zijn vader +in Phrygië kwam, en op den berg Ida den dienst van Rhea Cybele +instelde.--2) trojaansch heraut.--3) zoon van Dares. + +Idalia, Idalia, bijnaam van Aphrodite, naar den berg Idalium, waar +zij een beroemden tempel had. + +Idalium, Idalion oros, phoenicische stad in het binnenland van Cyprus, +met een Aphrodite-tempel. + +Idas, Idas, een van de Apharetiden (z. a.), ontvoerde Marpessa, de +dochter van Euenus, koning van Aetolië, op een gevleugelden wagen, die +hem door Poseidon geschonken was. Euenus vervolgde hem, vergezeld door +Apollo, die eveneens het meisje begeerde, maar daar hij hem niet konde +inhalen, stortte hij zich in de rivier Lycormas, die sedert dien tijd +Euenus heet. Door Apollo in Messene gevonden, waagde Idas een gevecht +met den god, maar Zeus scheidde hen en besliste dat Marpessa moest +kiezen. Daar zij vreesde dat Apollo haar niet trouw zoude blijven, +gaf zij aan Idas de voorkeur. + +Idistavisus, vlakte aan den Visurgis (Weser), nabij de Porta +Westphalica, waar Germanicus op de Cheruscers de nederlaag van Varus +wreekte (16 n. C.). + +Idmon, Idmon, een waarzegger, die de Argonauten vergezelde, ofschoon +hij wist, dat hij onderweg zou omkomen. Hij stierf in Bithynië aan +eene ziekte of aan den beet van een slang of een wild zwijn. De stad +Heraclea was, naar het heette, rondom zijn graf gebouwd. + +Idomene, Eidomene, stad in het macedonische gewest Mygdonia, aan den +Axius (Vardar). + +Idomeneus, Idomeneus, zoon van Deucalion no. 2, koning van Creta. Als +een van hen, die naar de hand van Helena (z. a.) gedongen hadden, +trok hij later mede tegen Troje op, waar hij zich door dapperheid +onderscheidde. Op de terugreis door een geweldigen storm overvallen, +deed hij de gelofte, dat hij aan Poseidon zou offeren wat hem in zijn +vaderland het eerst zoude ontmoeten, en hij volbracht die gelofte, +ofschoon zijn eigen zoon het slachtoffer er van werd. Toen ten +gevolge hiervan door den toorn der goden een pest op Creta uitbrak, +werd Id. verjaagd; hij ging naar de kust van Calabrië, vanwaar hij +later naar Colophon ging of naar Creta terugkeerde. Zijn graf meende +men te Cnosus te vinden, waar hij met Meriones als heros vereerd werd. + +Idothea, Eidothea, dochter van Proteus. + +Idrias, Idrias, stad en landstreek in Carìa, zie Stratonicea. + +Idubeda, gebergte in Hispania, ten Z. van en ongeveer evenwijdig met +den Iberus (Ebro), een deel van het tegenw. Cantabrisch gebergte. + +Idumaea, Idymaia, Edôm, het land ten Z. van Palaestina. + +Idus, de 15de dag der maanden Maart, Mei, Juli en October, in de +overige maanden de 13de. Oorspronkelijk vielen de Idus samen met de +volle maan, daarom zijn zij in het bijzonder gewijd aan Jupiter. Zie +verder annus. + +Idylle, eidyllion, een klein gedicht, bevattende schetsen uit het +dagelijksch leven van herders en andere op het land levende personen +van lageren stand. + +Ientaculum, een licht ontbijt 's morgens vroeg voor degenen, die +niet konden wachten tot het prandium, dat later in den voormiddag +werd genomen en het karakter van een lunch droeg. + +Iërne = Hibernia. + +Ietae, Ietai, stad en berg op Sicilia, ten Z.W. van Panormus (Palermo). + +Igilium, eilandje nabij de kust van Etruria, tegenover den mons +Argentarius. + +Ignominia, het verlies van goeden naam, eene oneer of openbare +vernedering, welke men zich op den hals haalde door verkeerde +handelingen of eene minder voegzame leefwijze, die wel niet onder het +bereik der strafwetten vielen, maar toch van den kant der censoren +eene openlijke berisping of terugzetting ten gevolge konden hebben. Zie +ook infamia. + +Iguvium, Igouion, aanzienlijk municipium in het hart van Umbria, +aan de Z.W. helling van den Apenninus met een beroemden tempel van +Jupiter, thans Eugubbio (Gubbio). Onder de puinhoopen van den tempel +werden in de 15de eeuw na C. door een boer zeven koperen platen met +opschriften in het Umbrisch gevonden, die meer dan duizend umbrische +woorden bevatten en onder den naam van tabulae Eugubinae nog op het +raadhuis te Eugubbio (Gubbio) bewaard worden. + +Ilaira = Hilaira. + +Ile, troep, schaar, in het bizonder afdeeling ruiterij. De macedonische +lichte ruiterij (sarissophoroi) bestond uit 8 ilai van 128 man, +de zware uit 15 van 200 man, waarbij nog eene zestiende kwam als +koninklijke eerewacht (agema, ile basilike). + +Ilercavones, Ilergavonenses, volk in Hispania aan den mond van den +Iberus (Ebro). Hoofdstad: Dertosa (Tortosa). + +Ilerda, thans Lerida, hoofdstad der Ilergetes in Hispania. Caesar +versloeg hier Afranius en Petreius, legaten van Pompeius, in 49. + +Ilergetes, aanzienlijk volk in Hispania tusschen den Iberus (Ebro) +en de Pyrenaeën, met de steden Ilerda (Lerida) en Osca (Huesca). + +Ilia = Rea Sylvia. + +Iliades, Iliades, 1) Ganymedes, zoon van Ilus.--2) Romulus of Remus, +zoon van Ilia.--3) soms algemeen voor Trojaan. + +Ilienses, 1) inwoners van Ilium.--2) volksstam op Sardinia. + +Ilion, -um, Ilion, Ilios = Troia. + +Ilione, Ilione, dochter van Priamus en Hecabe, gehuwd met +Polymestor. Zie Polydorus no. 2. + +Ilipa, stad aan den Baetis (Guadalquivir) in Baetica, ten N. van +Hispalis (Sevilla). + +Ilis(s)us, Ilis(s)os, riv. in Attica, die op den Hymettus ontspringt +en langs Athenae stroomt. + +Ilithyia, Eileithuia, Eleutho, dochter van Zeus en Hera, godin +die de vrouwen bij het baren helpt. Soms wordt van meer dan eene +Il. gesproken; Hera en Artemis worden ook dikwijls Il. genoemd. Zij +komt overeen met de rom. Juno Lucina. + +Ilium, -on, Ilion, Ilios = Troia. + +Illiberis, Illiberis, 1) stad in Baetica, nabij de bronnen van den +Singulis (Xenil), thans Elvira.--2) stad in Gallia tusschen Narbo +Martius en de grens van Hispania, eerst aanzienlijk, later vervallen, +door Constantijn den Gr. herbouwd en naar zijne moeder Helena genoemd, +thans Elne. + +Illiturgis, Ilourgeia, belangrijke bergstad der Turduli, geheel in het +Oosten van Baetica, aan den Baetis (Guadalquivir), in 210 door Scipio +(Africanus) veroverd en verwoest, later herbouwd als Forum Iulium. + +Illurgavonenses = Ilercavones. + +Illustres, titel der hoogste klasse van ambtenaren onder Constantijn +den Gr. Hiertoe behoorden de praefecti der vier praefecturae, +waarin het rijk verdeeld was, en de zeven hoogste hofbeambten: +de quaestor sacri palatii, minister van justitie en wetgeving, de +magister officiorum of hofmaarschalk, de comes sacrarum largitionum, +minister van financiën, de comes rerum privatarum, administrateur +van 's keizers bijzonder vermogen, de praepositus sacri cubiculi of +opperkamerheer, de beide comites domesticorum (equitum en peditum) +of bevelhebbers der lijfwacht. + +Illyricum, Illyris, to Illyrikon, Illyris. Het bergland tusschen +Epirus en Histria, langs de Oostkust der Adriatische zee werd bij +de Grieken Illyris of Illyria, bij de Rom. Illyricum genoemd. Het +zuidelijke gedeelte tot aan den Drilon heette Illyris Graeca, met +de steden Dyrrhachium (Epidamnus) en Apollonia, en hoorde in den +romeinschen tijd tot Macedonia; het noordelijke heette Illyris +Barbara of Romana. Van dit laatste werd wederom het Z.O.deel +Dalmatia, het N.W. Liburnia genoemd. De rom. provincie Illyricum +omvatte het tegenw. Dalmatië met Bosnië en Herzegowina. In het jaar +8 na C. kreeg de geheele provincie den naam Dalmatia (z. a.). Onder +Diocletianus werd het geheele rom. rijk in vier praefecturen verdeeld; +de praefectura Illyrici strekte zich toen uit van den Donau tot over +geheel Griekenland; het oude rom. Illyricum behoorde er echter niet +meer toe, zoodat de residentie Sirmium juist aan een uithoek lag, +terwijl ten O. de mons Rhodope (Despotodagh) de grens vormde. + +Ilus, Ilos, 1) zoon van Dardanus en Batea, volgde zijn vader in de +regeering over Dardania op; daar hij kinderloos stierf, was zijn +broeder Erichthonius zijn opvolger.--2) zoon van Tros en Callirrhoë, +behaalde eens in Phrygië bij een wedstrijd in het worstelen de +overwinning, en kreeg als prijs 50 jongelingen en 50 meisjes benevens +een koe, met de opdracht van het orakel, om eene stad te stichten +waar de koe zich zou nederleggen. Dientengevolge bouwde hij op een +heuvel de stad Ilium, en toen hij Zeus om een teeken bad, dat hij +het orakel goed begrepen had, vond hij den volgenden morgen voor zijn +tent het Palladium.--V. s. had hij Tantalus en Pelops uit Paphlagonië +verdreven.--3) zoon van Mermerus van Ephyre, bij wien Odysseus een +middel ging halen om zijne pijlen te vergiftigen, wat hem echter +geweigerd werd.--4) = Ascanius (z. a.). Zie ook Iulus. + +Ilva, z. Aethalia. + +Ilvates, ligurisch volk, dat aan de Noordzijde van den Apenninus ten +N.O. van Genua woonde. + +Imachara, stad in het binnenland van Sicilia ten N.O. van Henna. + +Imagines, zie ius imaginum. + +Imaus, Imaon oros, zie Emodi montes. + +Imbrasia, Imbrasia, bijnaam van Hera, naar haar tempel aan de rivier +Imbrasus; ook bijnaam van Artemis. + +Imbrasus, Imbrasos, 1) rivier op het eiland Samus.--2) riviertje op +Euboea, bij Taminae uitmondend. + +Imbrus, -os, Imbros, eiland in het noordelijk gedeelte van de +Aegaeïsche zee, bergachtig en boschrijk, een zetel van den dienst +der Cabiren. Miltiades (z. a.) veroverde van uit de Chersonesus het +eiland, dat voortaan in het bezit bleef van Athene. + +Immaradus, Immarados, zoon van Eumolpus, sneuvelde met zijn vader in +den oorlog tegen Erechtheus. + +Imperator. Wanneer een veldheer eene luisterrijke overwinning had +behaald, begroetten zijne soldaten hem met den titel imperator. Zijne +lictoren doorvlochten alsdan hunne bijlbundels met lauriertakken, +terwijl hij in een omlauwerden brief (litterae laureatae) den +senaat bericht van zijne overwinning zond en achter zijn naam den +imperatorstitel voegde. Wanneer hij dan in Italia teruggekeerd was, +bleef hij met zijn leger buiten Rome gekampeerd, en verzocht den +senaat een zegetocht binnen Rome te mogen houden. Kwam hij evenwel +vóór dien tijd binnen de stad, dan verspeelde hij zijne aanspraken +en zijn titel. Niet altijd werd de triumftocht toegestaan. In dit +geval gebeurde het somtijds, dat de imperator een zegetocht op +den albaanschen berg hield, ook wel eens, dat hij tegen den wil +van den senaat onder de bescherming van één of meer volkstribunen +zijn feestelijken intocht in de stad hield. In 143 werd den consul +App. Claudius Pulcher (Claudii no. 12) de eer eener zegepraal geweigerd +en een der volkstribunen dreigde hem van zijn wagen af te rukken, +zoo hij toch den triumftocht ondernam. Toen sprong zijne dochter +Claudia, eene Vestaalsche maagd, op den zegewagen, sloeg haar arm om +haar vader heen, en niemand waagde verder eenig verzet. Zie verder +triumphus. Augustus en de volgende keizers kregen het imperatorschap +voor hun leven, dus als blijvenden titel, waarmede het veldheerschap +over al de legers van het rijk gepaard ging. Zij voeren den titel +vóór hun naam. + +Imperium, was een bestanddeel van de macht van overheidspersonen, +die geroepen konden worden om een leger aan te voeren of recht te +spreken. Verder was daaraan verbonden het ius cum populo agendi, +d.w.z. het recht om de comitia bijeen te roepen, het ius cum +patribus agendi, het recht om den senaat bijeen te roepen, en het ius +coërcitionis, het recht van bestraffing. Dit recht hadden de consuls, +de praetoren, de dictator, de magister equitum, de interrex. Ook +behoorde het bij de tijdelijk ingestelde ambten der decemviri legibus +scribundis en der tribuni militum consulari potestate. Het imperium +werd na de aanvaarding van het ambt verleend door eene lex curiata, +die den wettig gekozen ambtenaar niet mocht geweigerd worden. + +Impluvium, zie compluvium en atrium. + +Inachides, Inachides, Epaphus, kleinzoon van Inachus. Soms in het +algemeen voor een argivisch man, bijv. Perseus. + +Inachis, Inachis, Io, dochter van Inachus, ook Isis, wanneer zij met +Io vereenzelvigd wordt. Soms in het algemeen voor eene argivische of +grieksche vrouw. + +Inachus, Inachos, 1) zoon van Oceanus en Tethys, die na den watervloed +van Deucalion de vlakte van Argos bewoonbaar maakte door al het water +te vereenigen tot eene rivier, die vandaar zijn naam draagt. Hij +vestigde het argivische rijk, waarvan hij de eerste koning was. Toen +Poseidon en Hera over het bezit van Argos twistten, besliste hij ten +gunste van Hera; door den toorn van Poseidon is Argos arm aan water. De +dochter van Inachus was Io (Inachia iuvenca).--2) rivier van Argolis, +die, voor zij de kust bereiken kan, in het zand verloopt. Zij is in +den zomer droog. + +Inarime = Aenaria. + +Inaros, Inaros, lybisch koning, die onder Artaxerxes I een grooten +opstand van Aegypte tegen de Perzen verwekte, waarbij hij door de +Atheners ondersteund werd (459-454). Wel werd een perzische vloot +op den Nijl vernietigd, Memphis ingenomen en nog andere voordeelen +behaald, doch toen de atheensche vloot door Megabyzus vernietigd was +(454), kon In. zich niet lang meer staande houden, hij gaf zich over, +en werd vijf jaar later gekruisigd. + +Inauguratio, zie Augures. + +Incensus werd de burger genoemd, die zich bij den census verzuimde aan +te geven, ten einde den krijgsdienst te ontduiken. Het was volkomen +logisch dat men hem als slaaf verkocht en wellicht in den oudsten +tijd ter dood bracht, daar hij zichzelf het burgerrecht niet waardig +had gekeurd. + +Incubatio = enkoimesis. + +Incubus, z. Faunus. + +India, India. Dit land was den Grieken weinig meer dan bij naam +bekend, totdat Alexander de Gr. tot aan den Hyphasis, een der takken +van den Indus, doordrong. Seleucus Nicator, de stichter van het +Seleucidenrijk, kwam in India tot aan den Ganges en sloot met den +indischen vorst Sandracotta een verbond. Toen evenwel onder zijne +opvolgers Ariana weder verloren ging, werden de betrekkingen met +India weder verbroken. Omtrent grootte en vorm hadden de ouden zeer +onvolledige begrippen. Bij naam echter kenden en onderscheidden zij +eenige gedeelten, als India intra en extra of trans Gangem, entos +kai ektos tou Gangou, waaronder zij Voor- en Achter-Indië verstonden, +de Aurea Chersonesus (Malakka), het eiland Taprobane (Ceylon), dat zij +zich reusachtig groot voorstelden, de insula Agathodaemonis (Sumatra), +Jaba (Java), enz. + +Indibilis, vorst der Ilergeten in Hispania Tarraconensis. In den +tweeden punischen oorlog wist Scipio (Africanus) hem door eene +edelmoedige behandeling voor de rom. belangen te winnen. Indibilis +betoonde zich evenwel trouweloos, doch werd door Scipio weder in genade +aangenomen. Na diens vertrek viel hij opnieuw af, en sneuvelde toen. + +Indicetae of Indigetes, Indiketai, volk in den N.O. uithoek van +Tarraconensis. Hoofdstad: Emporium of Emporiae. + +Indigetes dii = Dii indigetes. + +Indigitamenta zijn gebedsformulieren, die door de pontifices in hun +archief bewaard werden, en waarin steeds meerdere godheden aangeroepen +werden, of ook wel ééne godheid onder meerdere namen, uit vrees de +goddelijke hulp, die men inriep, anders niet deelachtig te zullen +worden. Hierdoor werd het aantal goden van den oudsten Romeinschen +eeredienst door splitsing van de eigenschappen tot in het oneindige +vermeerderd. Zoo was Terminus (z. a.) oorspronkelijk een bijnaam van +Jupiter. Vooral bij geboorte en huwelijk, in de eerste levensjaren +van het kind en bij den landbouw werden dergelijke goden aangeroepen; +bij het zaaien o.a. 12 verschillende goden. Bovendien drukte men zich +met opzet, om geen godheid uit te sluiten, erg algemeen uit, en voegde +aan de formule nog toe: sive deus sive dea, of sive mas sive femina, +of ook wel sive quo alio numine fas est nominare. + +Induciomarus, 1) een aanvoerder der Treviri in Gallia ten tijde van +Caesar, door diens legaat Labienus verslagen en gedood (54).--2) +een hoofd bij het gezantschap der Allobroges te Rome onder Cicero's +consulaat (63). + +Indus, Indos, 1) rivier, die door Cabalia of Cibyratis stroomt en +tegenover het eiland Rhodus in zee valt.--2) rivier, thans nog Indus +geheeten, ook Sindh, ten W. van Voor-Indië, eens de grens van het +groote rijk der Perzen. Een zijtak is de Acesines, die wederom den +Hydaspes, den Hydraotes, den Zadadrus en den Hyphasis opneemt. Tot +aan den Hyphasis drong Alexander d. Gr. door. De genoemde bijrivieren +vormen den Pendsjâb, het land der vijf stroomen. + +Inessa of Inesa, oude naam der stad Aetna, aan den voet van den berg +Aetna (z. a.). + +Infamia, sterker dan ignominia, eerloosverklaring, waarmede het +verlies van enkele rechten gepaard ging als: ius suffragii, ius +honorum, de bevoegdheid om in rechten op te treden of getuigenis af +te leggen. De infamie kon een gevolg zijn van eene veroordeeling; +zij kon ook ex edicto praetoris toegepast worden wegens onteerende +handelingen of het uitoefenen van een verachtelijk bedrijf. + +Infelix arbor. Sommige boomen werden bij de Romeinen infelices arbores +geheeten, zooals bijv. de oleaster of wilde olijf. Daar zulke boomen +aan de onderaardsche goden gewijd waren, werden zij ook wel gebezigd, +om er misdadigers aan op te hangen of te kruisigen. + +Inferum, s. Tyrrhenum mare, de Tyrrheensche of Toscaansche zee, +ten W. van Italië. + +Infula, stemma, een breede, meestal wollen haarband of doek, die +om het hoofd gewonden en door een vitta (lint) vastgehouden werd, +zoodat de einden aan weerszijden afhingen. Zij was een zinnebeeld +van onschendbaarheid, en werd o. a. door de vestaalsche maagden en +later ook door de keizers gedragen. + +Ingaevones, gemeenschappelijke naam der germaansche volken, die +langs de kusten der Noordzee woonden; tot hen behoorden de Cimbren +en Teutonen, de Chauken en de Friezen. + +Ingauni, Ingaunoi, volk op de ligurische kust, met de stad Album +Ingaunum, ten Z.W. van Genua. Tgw. Albenga. + +Ingenuus, de eerste van de zoogenaamde dertig tyrannen (zie triginta +tyranni no. 2), die zich na de gevangenneming van keizer Valerianus, in +Pannonië tot Augustus liet uitroepen. Keizer Gallienus trok van Gallië +uit hem tegemoet, en versloeg hem in 258 n. C. bij Mursa in Pannonië. + +Iniuria, eerroof en persoonlijke beleediging. De wetten der XII tafelen +vermeldden twee soorten: lichamelijke beleediging (o.a. membrum ruptum, +os fractum) en spotliederen (occentatio), v. s. ook het uitspreken van +betooveringsformulieren (malum carmen incantare). Het ius praetorium +breidde echter het begrip iniuria aanmerkelijk uit en stond ook voor +andere gevallen eene actio iniuriarum toe. + +Ino, Ino, dochter van Cadmus en Harmonia, echtgenoote van Athamas +(z.a.). Na haar dood werd zij door Poseidon onder de godheden der zee +opgenomen, en onder den naam Leucothea op vele zeeplaatsen vereerd. Op +Rhodus droeg zij den naam Italia, en verhaalde men, dat zij bij +Poseidon moeder geworden was van zes zonen en eene dochter.--V.a. was +zij door de Nereïden naar de monden van den Tiber gebracht, en toen +Juno haar ook daar vervolgde, naar Rome gevlucht, waar Carmentis haar +gastvrij opnam. Op raad van deze nam zij een inheemschen naam aan, +en sedert wordt zij als Matuta (z. a.) vereerd. + +Inous, Inoos, Melicertes, zoon van Ino. + +Inquilinus, 1) de huurder van een huis, tegenover colonus, de pachter +van een stuk land. In den lateren keizertijd worden beide uitdrukkingen +dooréén-gebruikt voor den colonus.--2) de inwoner van een municipium, +die naar Rome verhuist. Zoo noemde Catilina Cicero, die uit Arpinum +stamde, hetgeen de verontwaardiging van den senaat opwekte. + +Inscriptio als rechtsterm, het opmaken van het procesverbaal eener +aanklacht en de onderteekening daarvan door den aanklager. Zie +subscriptio. + +Instaurativi (ludi), z. Ludi. + +Instita, geplooide strook of aanzetsel, onder aan het romeinsch +vrouwengewaad, waardoor dit laatste slepend werd. Vermoedelijk kon +de instita aan- en afgehaakt worden. + +Institutiones, z. Gaius. + +Insubres, Insoubroi, machtige gallische stam in Gallia Transpadana, +waarmede de Romeinen lang oorlog hebben moeten voeren. Hunne hoofdstad +was Mediolanium (Milaan). + +Insula, groot alleenstaand huis of wel een blok huizen, aan alle +zijden door straten ingesloten. Daar de huurwoningen te Rome in +groote blokken werden gebouwd, kreeg insula allengs de gewijzigde +beteekenis van huurwoning, in tegenoverstelling van domus als eigen +huis. De slaaf of vrijgelatene, wien het opzicht over het blok en het +ophalen der huur was opgedragen, werd insularius genoemd. Een enkele +maal wordt dit woord ook gebezigd voor den huurder eener woning. + +Insula Allobrogum, de vlakte tusschen de Isara (Isère) en den Rhodanus +(Rhône). + +Intemilii, volk op de ligurische kust met de stad Album Intemilium, +aan den voet der Alpes maritimae (Zee-Alpen). + +Interamna, 1) stad in het Z. van Umbria, thans Terni, aan de rivier den +Nar en aan de via Flaminia gelegen, lat. kolonie, geboorteplaats van +keizer Tacitus. De inwoners werden Interamnates Nahartes genoemd. Niet +ver boven de stad de beroemde watervallen (zie Avens).--2) stad in +Latium aan den Liris, sedert 312 lat. kolonie. + +Interamnia Praetuttiorum, stad in het land der Praetuttii in Picenum. + +Intercatia, stad der Vaccaei in Hispania, ten N. van den Durius +(Douro). + +Intercessio, tusschenkomst of verzet van een overheidspersoon te +Rome tegenover een ambtgenoot of tegenover lagere overheden en +der volkstribunen tegenover alle andere magistraten (den dictator +uitgezonderd). Zie appellatio. Hierbij deed zich het merkwaardige +verschijnsel voor, dat de praetoren, hoewel ondergeschikt aan de +consuls, toch, omdat zij onder gelijke auspiciën werden gekozen, +collegae van de consuls waren. Al waren zij nu ook collegae minores, +toch konden zij dus de comitiën, door consuls gehouden, storen. Als +rechtsterm wordt intercessio gebruikt, wanneer de eene burger ten +behoeve van den ander tusschen dezen en het gerecht treedt, bijv. door +zich borg te stellen. + +Intercidona, zie Deverra. + +Intercisi (dies), zie Festi (dies). + +Interdictum, een procesvorm, waarbij de praetor een tusschenuitspraak +deed, hetzij in den vorm van een bevel (decretum) of van een verbod +(interdictum). De naam interdictum is echter voor beide gevallen +de heerschende geworden. Het diende dikwijls tot tijdelijke +bevestiging van een bestaande toestand, bijv. tot aanwijzing, wie +in het bezit der betwiste zaak zou blijven, totdat de rechter het +vonnis had uitgesproken. Dikwijls ook diende het tot inleiding van +een proces, waarbij dan de praetor voor beide partijen een interdict +uitvaardigde, bijv. een verbod den rechtmatigen bezitter overlast aan +te doen. Hieruit ontstond dan eene actie, waarbij de eene partij de +andere beschuldigde tegen het bevel des praetors te hebben gehandeld, +en die dan door dezen naar een iudex of naar recuperatores werd +verwezen. Er zijn verschillende gevallen van interdicta. + +Internum mare, he eso of entos thalatta, door de Rom. ook dikwijls +nostrum mare genoemd, de tegenw. Middellandsche zee. + +Interpres, algemeene naam voor tusschenpersonen, onderhandelaars, +tolken, ook voor makelaars in stemmen bij verkiezingen. + +Interrex, mesobasileus. Wanneer de koning te Rome gestorven was +en geen opvolger terstond de regeering overnam, nam de senaat het +bestuur op zich en wees door het lot uit zijn midden een interrex +voor den tijd van vijf dagen aan, waarop dan een tweede, derde enz., +volgden, ieder voor vijf dagen. Elke interrex benoemde zelf zijn +opvolger. Ook onder de republiek kwam dit meermalen voor. Wanneer +b.v. beide consuls gesneuveld waren of als vitio creati hun ambt +hadden moeten neerleggen, dan keerden de auspiciën, zooals de term +luidt, tot de patres (d. w. z. de patricische leden van den senaat) +terug, en moesten er zoolang interreges optreden, totdat er een nieuwe +consulsverkiezing had plaats gehad. Daar de comitiën eenigen tijd te +voren moesten worden aangekondigd, konden de eerste interreges deze +nooit houden. Deze waardigheid is nimmer anders dan door patriciërs +bekleed. + +Intestabilis is hij, die wegens infamia niet waardig is als getuige +in rechten op te treden en ook geen ander als getuige kan oproepen. In +ruimeren zin is een homo intestabilis een gemeen, eerloos mensch. + +Inui castrum, vervallen zeestadje bij Ardea in Latium. + +Inuus, bijnaam van Faunus. + +Io, Io, dochter van Inachus, priesteres van Hera te Argos. Zeus beminde +haar, en om haar aan de jaloersche vervolgingen van Hera te onttrekken, +veranderde hij haar in een koe. Hera wist echter te verkrijgen dat +die koe aan haar werd afgestaan en liet haar bewaken door Argus +Panoptes (z. a.); toen deze door Hermes gedood was, kwelde zij haar +door een horzel, die haar voortdurend stak en razend maakte. Om aan +deze pijniging te ontkomen, zwierf Io lang door de meest verwijderde +landen der aarde, totdat zij in Aegypte hare vroegere gedaante terug +kreeg en moeder werd van Epaphus. + +Iobates, Iobates, koning van Lycië, z. Bellerophon. + +Iocaste, Iokaste, moeder en later echtgenoot van Oedipus (z. a.). Toen +zij vernam dat zij met haar zoon gehuwd was, hing zij zich op. + +Iol, zie Caesarea no. 6. + +Iolaus, Iolaos, zoon van Iphicles, wagenmenner en vriend van +Heracles. Hij was den held behulpzaam bij het bestrijden van de slang +van Lerna, door een naburig woud in brand te steken en de gloeiende +boomstammen aan te geven, waarmede de wonden van het monster +dichtgeschroeid moesten worden. Bij de eerste olympische spelen +behaalde hij de overwinning. Later trok hij met veertig zonen van +Heracles naar Sardinië, waar hij een volkplanting stichtte en bij de +woeste inwoners meer beschaafde zeden invoerde; van deze onderneming +teruggekeerd, vond hij zijn vriend nog juist tijdig genoeg om den +brandstapel voor hem op te richten, ook was hij de eerste die hem een +offer bracht.--Toen de Heracliden door Eurystheus vervolgd werden, +kwam hij uit de onderwereld terug om hen te helpen, v. s. was hij +het die Eurystheus doodde of gevangen nam. + +Iolcus, Iolkos, Iolkos, oude stad in het thessalische gewest +Pelasgiotis, aan de Pagasaeïsche golf, de plaats van vertrek der +Argonauten. + +Iole, Iole, dochter van Eurytus, koning van Oechalia, door Heracles +(z. a.) bemind; na zijn dood werd zij volgens zijn bevel de vrouw +van Hyllus. + +Ion, Ion, 1) de stamvader der Ioniërs, zoon van Xuthus en Creusa, +huwde met Helice, de dochter van den koning van Aegialus, volgde zijn +schoonvader in de regeering op, en noemde het volk Ioniërs. Door +de Atheners in hun oorlog tegen de Eleusiniërs te hulp geroepen, +wordt hij hun aanvoerder en na de overwinning hun koning; zijne +zonen waren Hoples, Geleon, Aegicores en Argades, naar wie de vier +ionische phylae genoemd zijn.--V. a. zoon van Apollo en Creusa, door +zijne moeder te vondeling gelegd, en door Hermes naar Delphi gebracht, +waar hij opgroeit en dienaar van den tempel wordt. Volgens een orakel +nam Xuthus, die Creusa tot vrouw gekregen had, maar kinderloos +gebleven was, hem tot zoon aan; Creusa, die vermoedt dat hij een +onechte zoon van Xuthus is, wil hem vergiftigen, maar Apollo redt +hem door een wonder en laat door de Pythia de verhouding tusschen +moeder en zoon openbaren.--2) van Chius, tijdgenoot van Pericles, +leefde in zijn jeugd geruimen tijd te Athene. Hij was de schrijver +van verscheiden treurspelen en andere gedichten, tevens wijsgeer en +geschiedschrijver, een man van smaak en fijne beschaving, zooals hij +in zijn dagelijkschen omgang zoowel als in zijne werken toonde. Er +zijn nog fragmenten van zijn werken over.--3) rhapsode van Ephesus, +naar wien een van Plato's werken genoemd is. + +Iones, Iones, een van de vier hoofdstammen der Grieken, die Attica, +vele eilanden in de Aegaeïsche zee en een groot deel der Westkust +van Kl. Azië bevolkt hebben. De ionische stam staat bovenaan, wat +zeevaart en handel betreft. Zie ook Ionia en Achaia. + +Ionia, Ionia, 1) oude naam voor het landschap Achaia in +de Peloponnesus, voordat de Achaeërs de Ioniërs van daar +verdreven hadden.--2) kustland met de voorliggende eilanden in +Klein-Azië. Volgens de overlevering dagteekent de eerste ionische +nederzetting aldaar, op de lydische kust, van ± 1044, toen onder +aanvoering van Codrus' zonen Neleus en Androclus eene groote +schaar naar Lydia overstak. Hier vormde zich allengs het ionisch +stedenverbond: Phocaea, Clazomenae, Erythrae, Teos, Lebedus, Colophon, +Ephesus, Priene, Myus, Miletus en de eilanden Samus en Chius. Ook de +aeolische stad Smyrna voegde zich, vrijwillig of gedwongen, hierbij. Op +kaap Mycale stond het Panionium, het gemeenschappelijk heiligdom van +Poseidon, den ionischen stamgod. Croesus dwong de ionisch-aziatische +Grieken de opperheerschappij van Lydia te erkennen; met Lydia kwamen +zij in 545 onder Perzië. In 500 stonden zij vruchteloos tegen koning +Darius I op, doch de perzische oorlogen maakten hen vrij, totdat de +vrede van Antalcidas in 387 hen opnieuw aan Perzië prijs gaf. Verder +deelden zij de lotgevallen van Klein-Azië. Ionia was het vaderland +van de dichters Homerus, Mimnermus, Anacreon, van de schilders Zeuxis, +Apelles, Parrhasius, van de wijsgeeren Thales, Anaximander, Anaxagoras, +Xenophanes, van de geschiedschrijvers Hecataeus, Dionysius Milesius, +e. a. + +Ionium mare, Ionios pontos, de zee ten W. van Griekenland en +Epirus. Het spreekt van zelf dat de uitgebreidheid eener open zee +niet binnen grenzen te bepalen is. Sommigen breiden de ionische zee +dan ook uit tot Sicilia; zelfs wordt de Adriatische zee wel Ionios +mychos genoemd. + +Iophon, Iophon, zoon van Sophocles en Nicostrate, +treurspeldichter. Hoewel zijne werken soms flauw en langdradig +genoemd worden, schijnen zij toch aanleiding gegeven te hebben tot +het vermoeden, dat zijn vader hem er bij hielp. Het verhaal dat hij +zijn vader op hoogen leeftijd voor de phratrie geroepen zou hebben, om +hem wegens zwakte van geestvermogens het beheer van zijne bezittingen +te doen ontnemen, en dat deze het onware van die bewering zou hebben +aangetoond door den rechters zijn laatste werk, den Oedipus op Colonus, +voor te lezen, is waarschijnlijk niets dan een verzinsel. + +Joppe, Ioppe, thans Jaffa, oude havenstad op de kust van Judaea +in Palaestina. + +Jordanes, Iordanes, hoofdrivier van Palaestina, de Jordaan, ontspringt +op den Hermon, vormt in zijn bovenloop het meer Merôm en verderop het +meer Gennesareth, waaruit hij met een sterk verval naar de doode Zee +(lacus Asphaltites) stroomt. + +Ios, Ios, een der cycladische eilanden, ten Z. van Naxus, met eene +stad van denzelfden naam, thans Nio. Men beweerde, dat er het graf +van Homerus te zien was. Het eiland werd door Ioniërs bewoond. + +Josephus (Flavius), zie Flavius Josephus. + +Iovianus (Flavius Claudius), uit Moesia, werd, na den dood van +Julianus in 363 na C., door de troepen tot keizer uitgeroepen, doch +stierf binnen acht maanden, op zijn terugtocht naar Constantinopel. + +Iphianassa, Iphianassa, 1) dochter van Agamemnon, waarschijnlijk +dezelfde als Iphigenia.--2) dochter van Proetus. + +Iphias, Euadne, dochter van Iphis. + +Iphicles, -clus, Iphikles, Iphiklos, 1) zoon van Amphitryo en +Alcmene, halfbroeder van Heracles en zijn metgezel bij verscheiden +ondernemingen, ook nam hij deel aan de calydonische jacht. In den +oorlog tegen Erginus gedroeg hij zich zoo dapper, dat Creon hem zijne +jongste dochter tot vrouw gaf. Hij sneuvelde in den strijd tegen +de Molioniden (z. Augias) of tegen Hippocoön (z. a.).--2) zoon van +Thestius, een van de Argonauten, nam ook deel aan de calydonische +jacht, en werd na afloop daarvan door Meleager gedood.--3) zoon van +Phylacus of Cephalus, Argonaut, beroemd door zijne snelheid in het +loopen, z. Melampus. + +Iphicrates, Iphikrates, atheensch veldheer van geringe afkomst, +werd op twintigjarigen leeftijd (393) aanvoerder der huurtroepen in +den corinthischen oorlog. Eene nederlaag, die hem door de Spartanen +toegebracht werd, leerde hem inzien, hoe weinig bruikbaar deze +troepen tegen een geregeld grieksch leger waren, en van dien tijd +besteedde hij de grootste moeite om ze behoorlijk te organiseeren, +aan krijgstucht te gewennen, geregeld te laten oefenen, enz.; ook +gaf hij hun wapenen, die meer overeenkwamen met de bestemming van +dit krijgsvolk, o. a. het kleine, ronde schild (pelte, vanwaar de +naam peltasten). Algemeen was de verwondering in Griekenland, toen +Iph. met deze peltasten eene spartaansche afdeeling (mora) hoplieten +geheel vernietigde (390). Wegens zijn verzet tegen de aanmatiging +der Argiven werd hij uit de Peloponnesus teruggeroepen, daarop ging +hij naar Thracië, waar hij den oorlog tegen de Spartanen voortzette; +de vrede van Antalcidas ontnam hem echter de voordeelen, die hij hier +behaald had. In de volgende jaren ondernam hij verscheiden tochten +naar Thracië, hij herstelde Seuthes in de regeering en beoorloogde +Cotys, later sloot hij echter een verbond met dezen en trouwde hij met +diens dochter. Hij stond aan het hoofd van een grieksch huurleger, +dat de Perzen zou helpen bij de herovering van Aegypte (374), maar +ten gevolge van een twist met Pharnabazus keerde hij onverrichter +zake terug. Daarna werd hij met eene vloot naar Corcyra gezonden, dat +door de Spartanen belegerd werd, en ofschoon deze reeds teruggeslagen +waren, toen hij aankwam, behaalde hij toch bij deze gelegenheid eenige +voordeelen. Het bevel over deze vloot was oorspronkelijk aan Timotheüs +opgedragen, en de ergernis der voornamen over diens afzetting gaf +zich lucht in eene aanklacht tegen Iph., waartegen deze zich echter +met glans verdedigde. Als bevelhebber in den thebaanschen oorlog, in +Thracië en Macedonië, richtte hij niet veel uit, en de voordeelen, die +hij door zijne politiek behaalde, waren niet duurzaam. Ten slotte werd +hem in den bondgenootenoorlog met Chares en Timotheüs het opperbevel +gegeven (356), en toen hij op aanklacht van Chares (z. a.) beboet was, +verliet hij Athene. Hij schijnt in 353 in Thracië gestorven te zijn. + +Iphidamas, Iphidamas, 1) zoon van Busiris, werd met zijn vader door +Heracles gedood.--2) zoon van Antenor. + +Iphigenia, Iphigeneia, dochter van Agamemnon en Clytaemnestra, of van +Theseus en Helena, door Clytaemnestra als kind aangenomen. Toen de +Grieken op weg naar Troje in de haven van Aulis werden teruggehouden +door een windstilte, die Artemis uit toorn tegen Agamemnon of +Menelaus gezonden had, verklaarde Calchas, dat Iph. aan Artemis +geofferd moest worden. Onder voorwendsel dat zij met Achilles zoude +trouwen, werd zij in het leger gehaald, maar toen zij reeds op het +altaar lag, stelde Artemis eene hinde in haar plaats en ontvoerde +haar naar Tauris. Daar deed zij vele jaren dienst als priesteres bij +de menschenoffers aan Artemis (z. a.) Tauropolos, totdat Orestes er +landde, zijne zuster herkende, en haar met het beeld der godin naar +Griekenland ontvoerde. Te Brauron en te Megara meende men haar graf te +vinden en werden haar offers gebracht.--V. a. was zij niet gestorven, +maar onder den naam Hecate tot godin verheven, of werd zij na haar dood +naar het eiland Leuce verplaatst, waar zij als Orsilochia met Achilles +huwde. Artemis zelve draagt op sommige plaatsen den bijnaam Iph. + +Iphimedea, Iphimedeia, -mede, dochter van Triops, echtgenoote van +Aloeus, bij Poseidon moeder van de Aloaden. + +Iphinoë, Iphinoe, eene van de Proetiden. + +Iphis, Iphis, 1) koning van Argos, zoon van Alector, vader van +Eteoclus en Euadne. Toen zijne beide kinderen dood waren, gaf hij de +regeering over aan Sthenelus, den zoon van Capaneus.--2) zoon van +Sthenelus, verloor het leven bij den tocht der Argonauten in een +gevecht tegen Aeetes.--3) z. Anaxarete.--4) dochter van Ligdus en +Telethusa. Daar haar vader voor hare geboorte gezegd had, dat hij +zijn kind zou moeten dooden, indien het eene dochter was, daar hij +geen geld had om een meisje op te voeden, gaf haar moeder voor, dat +zij van een jongen bevallen was. Iphis werd nu als jongeling opgevoed, +en toen zij volwassen was en haar vader wilde dat zij zoude trouwen, +veranderde Isis haar in een man, zoodat het bedrog niet ontdekt werd. + +Iphitus, Iphitos, 1) zoon van Eurytus, Argonaut, door Heracles +(z. a.) verraderlijk gedood.--2) zoon van Naubolus, koning van +Phocis.--3) koning van Elis, herstelde met Lycurgus de olympische +spelen. + +Ipsus, Ipsos, Ipsos, stadje in Phrygia, ten N. van Synnada, waar +Antigonus in 301 in den slag tegen Seleucus en Lysimachus sneuvelde. + +Ira, Eira, bergvesting in het N. van Messenia, die in den tweeden +messenischen oorlog elf jaar (679-668) door Aristomenes tegen de +Spartanen werd verdedigd. + +Irassa, Irasa, Irassa, vruchtbare streek en stad in Cyrenaïca. + +Iris, Iris, dochter van Thaumas en Electra, die met de snelheid +van den wind (Podenemos, Aellopous) de bevelen der goden, vooral +die van Hera, aan de menschen overbrengt. V. s. was zij bij Zephyrus +moeder van Eros. Bij latere dichters is zij de personificatie van den +regenboog. Op hare afbeeldingen heeft zij de gestalte van eene vlugge +jonkvrouw en draagt zij een schitterend kleed, gouden vleugels aan +de schouders en een staf in de hand; soms wordt zij afgebeeld met +een kan, waarmede zij aan de wolken water toevoert. + +Iris, Iris, rivier in Pontus, die langs Comana en Amasea stroomt en +zich na een bochtigen loop ten O. van Amisus in den Pontus Euxinus +(Zwarte zee) stort. + +Irus, Iros, 1) zoon van Actor, vader van Eurytion. Toen deze door +Peleus gedood was, wilde Irus het als zoenoffer aangeboden vee niet +aannemen, daar hij van geen verzoening wilde weten. Peleus liet het +daarop in vrijheid rondloopen, het werd door een wolf verscheurd, +die in een steen veranderd werd en lang op de grens van Locris en +Phocis staan bleef.--2) onbeschaamd bedelaar op Ithaca, door Odysseus +bij zijne terugkomst weggejaagd. Spreekwoord: Iro pauperior. + +Is, Is, rivier en stad in Mesopotamia, aan den Euphraat. In den omtrek +werd asphalt gevonden, waarmede de muren van Babylon waren opgemetseld. + +Isaeus, Isaios, 1) van Chalcis, een van de tien attische redenaars, +leerling van Lysias en Isocrates, leermeester van Demosthenes; zijn +onderwijs in de welsprekendheid wordt hoog geroemd. Van de talrijke +redevoeringen, die hij als pleitbezorger voor anderen schreef, zijn elf +bewaard gebleven, die alle over erfeniskwesties handelen.--2) sophist, +die onder Traianus reeds op hoogen leeftijd uit Assyrië naar Rome kwam. + +Isagoras, Isagoras, atheensch aristocraat, na de verdrijving der +Pisistratiden tegenstander van Clisthenes, dien hij door de hulp +van Cleomenes I voor korten tijd verdreef. Daarna werd hij tot +eersten archont gekozen (508) en begon hij de staatsinstellingen in +aristocratischen geest te hervormen. Weldra werd hij echter op zijne +beurt verjaagd, en de pogingen van Cleomenes om hem met geweld terug +te brengen mislukten. + +Isara, naam van twee rivieren in Gallia Transalpina, 1) een zijtak van +den Rhodanus (Rhône), thans de Isère.--2) een bijstroom der Sequana +(Seine), thans de Oise geheeten. + +Isauria, Isauria, in het Z. van Lycaonia, op de grenzen van Pisidia +en Cilicia. Het land was bergachtig en werd door een woest rooversvolk +bewoond. Wel behaalde P. Servilius Vatia (Isauricus) in 76 eene groote +overwinning op hen, en vernietigde Pompeius hunne roofschepen en +lijfde hun gebied in (65), doch geheel ten onder gebracht werden zij +niet. Zie Galatia aan het slot. Sedert de 3de eeuw na C. ondernemen +ze, verbonden met de bewoners van westelijk Cilicië, die nu ook Isauri +heeten, geregeld groote strooptochten. + +Ischolaus, Ischolaos, spartaansch veldheer, sneuvelde bij den eersten +tocht van Epaminondas tegen Sparta in een gevecht tegen Arcadiërs +(370). + +Ischys, Ischys, Arcadiër, zoon van Elatus, z. Coronis no. 1. + +Isionda, Isionda, Isinda, oude stad in het Z.W. van Pisidia. + +Isis, Isis, aegyptische hemelgodin, moeder der opgaande zon (Horus) en +gemalin der middagzon (Osiris). Zij was een van de weinige godheden, +die in geheel Aegypte vereerd werden, vandaar dat, toen men eene +verklaring poogde te vinden van de geheimzinnige mythen, die op +hare verhouding tot de zon betrekking hebben, die mythen op zeer +verschillende wijzen uitgelegd werden, waarbij aan het wezen van Isis +tal van beteekenissen werden toegeschreven, die haar oorspronkelijk +geheel vreemd waren. Zoo werd zij godin van het Nijldal, maangodin, +godin van leven en vruchtbaarheid, helpster bij geboorten, godin +van ziekte en gezondheid, koningin der onderwereld, waarvan zij de +sleutels bewaart en waar zij recht spreekt over de dooden, godin van +zee en stormen, wetgeefster, beschermster van het huwelijk en den +staat, enz. Door de Grieken werd zij daarom vereenzelvigd met Demeter, +Persephone, Hecate, Hera, Artemis, Io en vele andere godinnen, en haar +voor een groot deel geheime, dikwijls met onzedelijkheid gepaarde, +eeredienst vond bij hen vrij algemeen ingang. Ook bij de Rom. werd de +dienst van Isis tegen het einde der republiek ingevoerd en, hoewel +herhaaldelijk verboden, was hij in den keizertijd door het geheele +rijk verbreid. Een offerplechtigheid ter eere van Isis is op blz. 338 +voorgesteld.--Latere wijsgeeren zagen in Isis, wegens haar uitgebreiden +werkkring, de personificatie der grondstof van het heelal of de alles +beheerschende godheid.--Hare afbeeldingen gelijken op die van Hera, +hare attributen zijn slangen, korenaren, lotus, de halve maan, het +sistrum, e. a. + +Ismarus, Ismaros, berg en stad in het gebied der Ciconen op de +thracische kust. Bij dichters Ismarius = thracisch. + +Ismene, Ismene, dochter van Oedipus en Iocaste. Zij bleef haar vader +in zijn ongelukken getrouw en kwam hem in zijne verbanning inlichten +omtrent thebaansche toestanden. Hoewel zij haar zuster Antigone +(z. a.) had afgeraden tegen het bevel van Creon te handelen, was zij +bereid de gevolgen van hare daad mede te dragen. + +Ismenias, Ismenias, 1) rijk Thebaan, hoofd van de partij, die Sparta +vijandig gezind was, geen democraat, zooals sommige schrijvers +melden. In den corinthischen oorlog, waartoe hij, van Perzië uit +met geld ondersteund, door zijn politiek aanleiding gegeven had, +onderscheidde hij zich als veldheer. In 383 was hij polemarch, toen +echter de Spartanen, door zijn ambtgenoot Leontiades geholpen, de +Cadmea bezet hadden, werd hij gevangen genomen en als onruststoker +ter dood veroordeeld.--2) zoon van den vorigen, vluchtte bij den +dood van zijn vader naar Athene en bleef er tot 379. Hij werd met +Pelopidas te Pherae gevangen gehouden (368) en vergezelde hem bij +zijn gezantschap naar Perzië. + +Ismenus, Ismenos, riviertje in Boeotia, dat door Thebae stroomt, +het water der bron Dirce opneemt en in het meer Hylice valt. Hierna +heeten de Thebaansche vrouwen bij Ovidius: Ismenides. + +Isocrates, Isokrates, een van de tien attische redenaars. Hij was +de zoon van een rijk Athener, geb. 436, en genoot het onderwijs +van de beroemdste sophisten van zijn tijd en ook van Socrates. Zijn +vader verloor in den peloponnesischen oorlog zijn vermogen, hijzelf +verwierf zich echter grooten rijkdom, vooral door zijn onderwijs in de +welsprekendheid, dat zeer gezocht was; v.s. had hij 100 leerlingen, +die hem ieder 1000 drachmen betaalden; voor eene redevoering zou +hij eens van Nicocles 20 talenten gekregen hebben. Zijn aanzien was +groot, niet alleen bij zijne leerlingen, maar ook in wijderen kring, +zelfs met vreemde vorsten (Philippus, Euagoras, Nicocles) stond hij +in betrekking. Zelf trad hij uit bedeesdheid en wegens zijn zwakke +stem nooit in het openbaar als redenaar op, hij schreef echter voor +anderen pleitredenen, totdat hij in 388, na een kort verblijf op Chius, +te gelijk met het openen zijner school, zich in een nieuwe richting +ging bewegen als schrijver van verhandelingen, die den vorm van +redevoeringen (feestredenen, leerredenen) behouden hebben, ofschoon +zij niet bestemd zijn om voorgedragen, maar om gelezen te worden +(logoi epideiktikoi kai symbouleutikoi). De voornaamste hiervan zijn: +Panegyrikos (380), Plataïkos (373), Archidamos (365), Symmachikos e +peri eirenes (357), Areopagitikos (354), Philippos (346), Panathenaïkos +(342-339). Zijn taal is zuiver en eenvoudig, zijne perioden kunstig +samengesteld; ook worden zijne werken, waarvan 21 bewaard gebleven +zijn, als modellen van welsprekendheid geroemd, terwijl zij tevens +getuigen van zijne vaderlandsliefde en vele juiste beschouwingen +bevatten over de verwarde toestanden van zijn tijd. Over de waarde +zijner kunst, die hij voor het praktische leven zeer hoog schat en +waaraan hij, in tegenstelling met andere rhetoren, ook een zedelijke +beteekenis toekende, is hij soms in polemiek met Plato. Uit verdriet +over den afloop van den slag bij Chaeronea maakte hij, 98 jaar oud, +een einde aan zijn leven. + +Isoteles. Een metoikos, die zich op een of andere wijze jegens +den staat verdienstelijk had gemaakt, werd beloond met de +isoteleia. Daardoor werd hij, wat zijn geldelijke verplichtingen +tegenover den staat betreft, en soms ook in andere opzichten, met de +burgers gelijkgesteld. + +Issa, Issa, eilandje op de dalmatische kust, thans Lissa. De inwoners +waren flinke zeelieden; hunne booten werden lembi Issaei genoemd. + +Issedones, Issedones, groot scythisch volk in Azië, aan de grenzen +van Serica (China). + +Issus, Issos, Issoi, stad in het O. van Cilicia, aan de Issische golf, +waarbij Alexander de Gr. in 333 zijne tweede groote overwinning op +de Perzen behaalde. + +Istaevones = Istuaevones. + +Ister, Istros, leerling van Callimachus, schrijver eener Atthis, +en van vele andere werken. Er zijn alleen fragmenten over. + +Ister, Istros, zie Danuvius. + +Isthmia, Isthmia, de isthmische spelen, na de olympische en de +pythische het voornaamste feest der Grieken. Zij werden om de twee +jaar onder voorzitterschap der Corinthiërs, en na de verwoesting van +Corinthe onder dat der Sicyoniërs, op de landengte van Corinthus +ter eere van Poseidon Isthmius gehouden, en bestonden uit de +gewone wedstrijden in loopen, vechten, rijden, enz., waarbij later +voordrachten van gedichten of muziek kwamen. De overwinnaar kreeg +een palmtak en een krans van eppe. De isthmische spelen werden tot +laat in den rom. keizertijd gevierd en druk bezocht, daarom werden +hier dikwijls afkondigingen van algemeen belang gedaan; hier werden +de Grieken door T. Quinctius Flamininus en later door Nero vrij en +autonoom verklaard. + +Isthmius, Isthmios, bijnaam van Poseidon als den god, wien de +isthmische spelen gewijd zijn. + +Isthmus, Isthmos, landengte, bij uitnemendheid die van Corinthus. Op +deze landengte stond de tempel van den isthmischen Poseidon en werden +te zijner eer de isthmische spelen, ta Isthmia, gevierd. Dwars over +de landengte, tusschen de Saronische golf en de Corinthische, liep +eene soort van overtoom of rolbaan, diolkos (z. a.). Op deze wijze +werd de gevaarlijke omvaart van kaap Malea vermeden. + +Istria = Histria. + +Istropolis, Istropolis, Istros, stad op de kust van Moesia, ten Z. der +Donaumonden, kolonie van Miletus. + +Istrus, Istros = Istropolis. Zie ook Danuvius. + +Istuaevones, oude naam voor één der onderafdeelingen der Germanen, +de Rijn-Germanen, waarvan de Sicambri den voornaamsten stam vormden. + +Italia, Italia. Voordat Augustus de Alpenlanden onder Rome's +heerschappij bracht, begon Italia in het N. eerst aan den voet +der Alpen, en zelfs kon het noordelijk gedeelte, het dal van den +Po en zijne bijrivieren, geschiedkundig eerst tot Italia gerekend +worden, sedert Augustus het in zijne verdeeling van Italia in elf +regiones opnam. Wel had Gallia Cispadana in 89, Transpadana in 49 het +rom. burgerrecht gekregen, doch niettemin bleef Gallia Cisalpina nog +provincie. Ethnografisch behoorde het ook niet tot Italia, daar het +geheel door ligurische en gallische stammen was bezet. Zie Gallia +Cisalpina.--Het eigenlijke oude Italia begon eerst dáár, waar het +land zich op eenmaal versmalt, en waar zich de Rubico, vóór Sulla de +Aesis, in de Adriatische, de Macra in de Tyrrheensche zee stort. De +naam Italia wordt afgeleid van een oud umbrisch woord vitlu, rund +(vitulus), en wordt oorspronkelijk alleen gebezigd van de uiterste +Zuidpunt, de streek van het Sila-gebergte, dan van het heele Zuiden +tot aan de rivieren de Laüs en de Siris (in Lucania), en ten slotte +door de siciliaansche Grieken, de Sikeliotai, op geheel eigenlijk +Italia toegepast. In den oudsten tijd komen verschillende deelen +onder verschillende namen voor, die ook wel, vooral bij dichters, voor +het geheel worden gebezigd, als: Ausonia of Opica, oorspronkelijk de +Z.W. kust, Daunia en Iapygia aan de Z.O. kust, Oenotria, het wijnland, +Tyrrhenia of Etruria, Saturnia of Latium, terwijl de Grieken het ook +Hesperia, het avond- of Westland noemden. Onder de oudste bewoners +worden de Umbri in Midden-Italia vermeld, die ook Etruria bewoonden, +doch door de Etrusei in Umbria werden teruggedrongen. De Ausones, +Aurunci of Osci woonden in Apulia, Campania (waaruit zij door Samnieten +verdrongen werden) en in een deel van Latium. De Aborigines waren +de stamvaders der Latijnen. Dan had men den sabellischen stam, +waartoe de Sabini, Peligni, Marsi, Marrucini, Frentani, Hernici +en anderen behoorden en die zich onder den algemeenen naam van +Saunitae of Samnites over Samnium, Campania en Lucania uitbreidden. De +kustbewoners van Apulia en Calabria waren misschien van illyrischen, +de Bruttii van siculischen oorsprong. De kusten der zuidelijke helft +(Beneden-Italië, Italia inferior, Magna Graecia) waren met grieksche, +meest achaeïsche en dorische, koloniën bezet. In één woord, Italia +vertoonde het bontste mengelmoes van verschillende bevolkingen en +stammen, die elkander den bodem betwistten. Midden-Italia omvatte +de landschappen Etruria, Umbria, Picenum, Samnium, Latium, Campania; +Beneden-Italia bevatte Lucania, Bruttii, Apulia, Calabria. De namen +der XI regiones, waarin Augustus Italia verdeelde, zijn de volgende: +1o. Latium et Campania, 2o. Apulia et Calabria, 3o. Lucania et Bruttii, +4o. Samnium, 5o. Picenum, 6o. Umbria, 7o. Etruria, 8o. Aemilia, +9o. Liguria, 10o. Venetia, 11o. Transpadana. + +Italica, 1) rom. municipium in Baetica aan den Baetis (Guadalquivir), +nabij Hispalis (Sevilla), door Scipio (Africanus maior) gesticht.--2) +zie Corfinium. + +Italicum bellum, zie Marsicum bellum. + +Italus, Italos, aloud koning der Oenotriërs of der Siculi, zoon van +Telegonus en Penelope. Hij was gehuwd met Electra, dochter van Latinus, +en werd de vader van Remus of Romus. + +Itanus, Itanos, stad op de Oostkust van Creta, met purperververijen. + +Ithaca, Ithake, thans Thiaki, een der tegenw. Ionische eilanden, +het kleine, maar beroemde eiland van Ulysses, tusschen Cephallenia +en het vasteland gelegen. Tegenwoordig meenen echter vele geleerden +het Homerische Ithaca in Leucas teruggevonden te hebben. + +Ithome, Ithome, berg in het midden van Messenia, slechts van ééne +zijde toegankelijk, waarvan de Messeniërs in hun eersten oorlog +tegen Sparta (743-724) eene bergvesting maakten, die zij 10 jaar lang +verdedigden. Aan den voet van den berg legde Epaminondas in 369 de stad +Messene aan, waarvan Ithome de citadel werd. Ithome en de acropolis van +Corinthus werden de beide horens, kerata, van de Peloponnesus genoemd. + +Itius portus, to Ition, havenstad der Morini in Gallia, van waar Caesar +naar Britannia overstak, thans Calais of Wissant; v. a. identisch +met Gesoriacus portus (Boulogne s. m.). + +Iton of Itonus, Iton, Itonos, oude stad in het midden van het +thessalische landschap Phthiotis, met een beroemden tempel van Athena. + +Ituraea, Itouraia, bergl. ten N.O. van Palaestina, tusschen Batanaea +of Basan en de woestijn gelegen, ten O. van Bostra. De Ituraei waren +woeste roovers, en beroemde boogschutters. Augustus voegde Ituraea +aan het gebied van Herodes den Gr. toe; keizer Claudius deelde het +bij Syria in. + +Ityca, Ityke = Utica. + +Itylus, Itylos, zoon van Zethus en Aedon (z. a.), die door zijne +moeder bij vergissing gedood werd. + +Itys, Itys, zoon van Tereus en Procne (z. a.), die door zijne moeder +en tante gedood werd. + +Iuba, Iobas, koning van Numidia, zoon van Hiëmpsal II, welke laatste +een zoon was van Gauda. Indertijd had Hiëmpsal de party van Sulla +gekozen, was daarop door de mariaansche partij verdreven, doch door +Pompeius in zijn rijk hersteld. In 63/62, nog tijdens het leven van +zijn vader, haalde Juba zich de vijandschap van Caesar op den hals; +toen dus de burgeroorlog uitbrak, koos hij partij tegen Caesar; hij +versloeg Caesars legaat C. Curio met diens geheele leger, doch de +nederlaag der pompejaansche partij bij Thapsus in 46 noodzaakte hem +tot de vlucht, en toen nu ook de zijnen hem begonnen in den steek te +laten, bracht hij in wanhoop zichzelf om het leven. Zijn zoon Juba, +nog een kind, werd door Caesar naar Rome gebracht en ontving daar eene +zorgvuldige rom. opvoeding, zoodat hij later als geleerde grooten naam +had. Hij schreef vooral over geschiedenis en aardrijkskunde. Augustus +gaf hem in 25 het westelijk gedeelte van zijn vaderlijk rijk, het +latere Mauretania Caesariensis, en bovendien het eigenlijke Mauretania +(M. Tingitana) tot koninkrijk. Juba was gehuwd met Cleopatra Selene +(zie Cleopatra no. 11). Hij overleed in 23 n. C., en werd opgevolgd +door zijn zoon Ptolemaeus. Hij vestigde zijn residentie te Iol, +dat hij verdoopte in Caesarea (z. a. no. 6). + +Iudaea, Ioudaia, het Z. gedeelte van Palaestina, ten W. door de zee, +ten O. door den Jordaan begrensd. In later tijd werd onder dezen +naam ook wel geheel Palaestina als rom. provincie verstaan. Zie +verder Palaestina. + +Iudex. In civiele processen was het regel, dat de twistende partijen +voor den praetor verschenen. De praetor nam kennis van de zaak, +onderzocht of er eene actie in zat, d.w.z. of een der op zijn album +vermelde gevallen van rechtsvordering op het geval van toepassing +was; hij besliste echter zelf niet, of de eischende partij gelijk had +(zie echter iudicium extra ordinem). Hij stelde alleen het ius vast, +d. i. hij omschreef, wat recht was in geval de klager in zijn recht +bleek te zijn, en wat er geschieden moest ingeval dit niet bleek. De +vaststelling van den procesdag, de oproeping der getuigen geschiedden +door den praetor, doch de beslissing, de uitspraak, het iudicium, +werd door hem opgedragen òf aan een enkelen rechter, iudex, arbiter, +òf in sommige gevallen aan een college van drie of vijf rechters, +iudices recuperatores. Zulk een iudex kreeg van den praetor eene +bepaalde instructie, waarin hem voor elk geval de uitspraak was +voorgeschreven; hij had dus alleen te onderzoeken, of de eischer +zijn recht bewijzen kon. De pleidooien en het getuigenverhoor hadden +dus voor den rechter plaats. Wanneer iemand door den praetor werd +opgeroepen, om als alleenstaand rechter op te treden, nam hij een +consilium amicorum mede, ten einde hem als adviseurs ter zijde te +staan. Het gewoonterecht eischte dit. Doch zijne uitspraak was de +beslissende sententia iudicis, die geen hooger beroep toeliet. + +De iudices bij de quaestiones perpetuae speelden eene andere rol. Deze +quaestiones waren processen in strafzaken, waarbij de straf eens en +voor goed door eene wet was vastgesteld. Het kwam er dus slechts op +aan, of de schuld van den beklaagde bewezen kon worden of niet. Hier +vormden derhalve de iudices een hof van gezworenen, waar meerderheid +van stemmen gold. De wet bepaalde het aantal gezworenen, alsmede +hoeveel er door aanklager en aangeklaagde mochten gewraakt worden +(reiectio iudicum). + +Jaarlijks werd door den praetor urbanus eene lijst opgemaakt van hen, +die voor het rechtersambt in aanmerking kwamen (album iudicum). Eerst +bestond de lijst alleen uit leden van den senatorenstand; de lex +Sempronia van C. Gracchus (123) bracht hierin verandering door de +senatoren uit te sluiten en het rechtersalbum samen te stellen uit +hen, die den riddercensus hadden (zie equites). Sulla's lex Cornelia +iudiciaria (81) gaf het rechtersambt aan den senaat terug. Ten +gevolge van de reorganisatie van het strafrecht door Sulla ingevoerd, +waren er voortaan 8 quaestiones, waarbij de meeste strafdelicten +waren ingedeeld; daar er slechts zes praetoren beschikbaar waren, en +sommige quaestiones, vooral die inter sicarios, gewoonlijk gesplitst +moesten worden, wezen de praetoren voor elk van de overige een iudex +quaestionis (z. a.) aan. De lex Aurelia van L. Aurelius Cotta (70) +verdeelde de iudicia tusschen den senaat, den ridderstand en de +tribuni aerarii, zoodat bij elke quaestio perpetua het gerechtshof +uit drie afdeelingen of decuriae bestond. Caesars lex Iulia sloot de +aeraartribunen wederom uit; M. Antonius voerde wederom eene derde +decurie zonder census in, voornamelijk uit centuriones en veterani +samengesteld; Augustus nam vier decuriën aan; de leden der vierde +decurie werden ducenarii geheeten naar hun census van slechts 200000 +sestertiën. Uit de rechterslijsten werd door den praetor, wien het +aanging, voor iedere zaak het voorgeschreven aantal rechters door +loting aangewezen, sortitio iudicum. Ingeval de wet bepaalde, dat in +plaats der gewraakte rechters andere zouden geloot worden, heette dit +subsortitio. Een arbiter behoefde niet uit het album iudicum te worden +gekozen. Dikwijls gaven de twistende partijen zelf aan den praetor op, +wien zij liefst als arbiter wenschten aangewezen te zien. + +Iudex pedaneus, chamaidikastes. In het keizerstijdperk kwam de +rechtspraak meer en meer in hand der overheden, en werd het iudicium +extra ordinem de heerschende vorm. Soms evenwel werd in civiele zaken +een onderzoek opgedragen aan een hulp- of onderrechter, die pedaneus +wordt genoemd. + +Iudex quaestionis. Daar er voor de quaestiones perpetuae niet zooveel +praetoren beschikbaar waren als het getal quaestiones bedroeg, +moesten wel enkele praetoren twee rubrieken van misdaden voor hunne +rekening nemen. Zij konden zich dan wel met de instructie van twee +quaestiones belasten, maar niet altijd bij beide als voorzitter van +het gerechtshof optreden. In dit geval belastten zij een iudex met +het voorzitterschap, die dan iudex quaestionis was. Dit was sedert +Sulla geregeld een oud-aediel. + +Iudicio (in), in iure. Bij civiele gedingen moeten streng gescheiden +worden de handelingen in iure en in iudicio. In iure is al datgene, +wat voor den praetor plaats vindt; in ius ambulare, ire, venire = tot +den praetor gaan. In iudicio is alles, wat voor den rechter geschiedt. + +Iudicium domesticum. De rom. vader was rechter over zijn gezin en kon +krachtens zijn ius vitae et necis zware misdaden zijner kinderen, +ja, zijner vrouw, zelfs met den dood straffen. Wanneer hij echter +als huisrechter optrad, moest hij evengoed als elke alleen uitspraak +doende rechter (zie iudex) zich eenige buren en bloedverwanten als +consilium toevoegen. + +Iudicium extra ordinem. Aldus wordt een iudicium geheeten, wanneer +dezelfde overheid de zaak in iure en in iudicio behandelt, b.v. wanneer +de praetor zelf uitspraak doet (zie iudex). Er konden zich gevallen +voordoen, die niet naar een iudex konden verwezen worden, omdat zij +naar het strenge rom. recht niet vervolgbaar waren, b.v. van een +pupil, die nog te jong was om als rechtspersoon te kunnen optreden, +tegen zijn voogd, en waarin toch eene tusschenkomst van hoogerhand +wenschelijk was. Doch de uitspraak van eene overheid was geen vonnis, +geene sententia iudicis, maar slechts een decretum, dat herroepen +kon worden door dengene, die het had uitgevaardigd en dat ook niet +verbindend was voor diens opvolger. Onder de republiek was het iudicium +extra ordinem zeldzaam; onder de keizers werd het de heerschende vorm, +en kon men zelfs van eene overheid op eene hoogere en in het hoogste +ressort op den keizer zelven appelleeren, iets wat onder de republiek +onbekend was. + +Iudicium privatum. Dit komt, wat den aard betreft, overeen met hetgeen +bij ons een civiel rechtsgeding heet, met dien verstande, dat bij de +Rom. minder strafzaken waren dan bij ons, en dus vele zaken, die bij +ons tot strafvervolging zouden leiden, bij hen slechts tot een civiel +proces aanleiding gaven. Zie verder het begin van het artikel iudex. + +Iudicium publicum. De strafrechtpleging was in Rome oorspronkelijk +in handen van de ambtenaren (zie coercitio), maar ging voor zoover +het burgers betrof door de verschillende leges de provocatione +over op de volksvergadering. Bij res capitales werd nu de zaak +geïnstrueerd door een quaestor, en bij veroordeeling en appel op het +volk werden dan de comitia centuriata door een magistratus cum imperio +bijeengeroepen, die dan het vonnis bekrachtigden of vernietigden (zie +Contio). Bij boetezaken werden de opgelegde boeten bij overschrijding +der provocatie-grens door de tribuni en aediles plebis voor het +concilium plebis, door de magistratus populi voor de comitia tributa +gerechtvaardigd. Daar echter het volk niet tegenover alle personen +en in alle zaken een onpartijdig rechter was en het bijeenroepen der +comitiën dikwerf op groote bezwaren stuitte, riep de volkstribuun +L. Calpurnius Piso in 149 voor processen over afpersingen in de +provinciën (repetundae) de eerste zoogenaamde quaestio perpetua in het +leven. Bij zulk eene quaestio was de straf door de wet aangewezen; +het proces werd nu gevoerd voor een hof van gezworen rechters, die +nu alleen over schuld of onschuld uitspraak hadden te doen en die +voor elke zaak in het door de wet bepaalde getal door het lot werden +aangewezen (zie iudex). Allengs werd het aantal quaestiones perpetuae +uitgebreid, evenals het aantal praetoren. Ieder burger kon thans als +klager optreden. De praetor, wien de quaestio aanging, instrueerde de +zaak en was in den regel voorzitter van het hof; zoo niet, dan werd +hij als zoodanig vervangen door een iudex quaestionis (z. a.). Met +de invoering der quaestiones perpetuae ging echter niet noodzakelijk +de opheffing van het iudicium populi gepaard; de overheidspersonen, +die het ius agendi cum populo hadden, konden altijd nog eene wet tot +veroordeeling van dezen of genen voorstellen, doch uit den aard der +zaak werd deze vorm van strafgeding zeldzamer. + +Iugarius vicus, straat in Rome, die aan den zuidelijken voet van het +Capitool van de porta Carmentalis naar het forum liep. + +Iugerum, rom. vlaktemaat, 240 voet lang en 120 voet breed = omstreeks +1/4 hectare. + +Iugum, zygos. Bij de ouden liep een tweespan van paarden of andere +trekdieren onder een juk of dwarshout, dat op den nek der dieren lag +en met riemen aan het tuig werd bevestigd, terwijl het uiteinde van den +disselboom op dit juk rustte en er met een zwaren riem aan vastgebonden +was. Soms was dit juk golvend om het beter aan den nek der dieren te +doen sluiten, somtijds ook recht. Bij een vierspan liepen alleen de +beide middelste onder het juk.--Het juk, waaronder nu en dan overwonnen +legers moesten doorgaan, bestond uit twee speren, die in den grond +waren gestoken en waaraan eene derde horizontaal was vastgebonden. + +Iugurtha. Masinissa, koning van Numidia, had, voorzoover bekend is, +drie zoons: Micipsa, Gulussa en Mastanabal. Micipsa volgde zijn +vader op en regeerde van 148 tot 118. Hij had twee zoons, Hiëmpsal +en Adherbal, bovendien had hij een onechten zoon van Mastanabal, +Jugurtha, tot zoon aangenomen en tot medeërfgenaam van zijn rijk +benoemd. Aan het hoofd der numidische hulptroepen diende Jugurtha onder +P. Cornelius Scipio in 134 voor Numantia, waar hij grooten lof verwierf +om zijn moed en zijn beleid. Na Micipsa's dood ontstond er spoedig +twist tusschen de prinsen; Jugurtha, die naar de alleenheerschappij +streefde, ruimde zijne beide neven uit den weg, terwijl hij door +omkooping op groote schaal den rom. senaat de oogen deed sluiten voor +hetgeen er in Numidia gebeurde. Doch eindelijk, toen het rom. volk +over de omkoopbaarheid van den senaat oproerig begon te worden, werd +aan Jugurtha de oorlog verklaard. De eerste veldheer, die tegen hem +werd afgezonden, de consul L. Calpurnius Bestia (111), bezweek zelf +voor het numidisch goud; daarop kwam in 110 de consul Sp. Postumius +Albinus (Postumii no. 14), die al spoedig het bevel aan zijn broeder +Aulus overliet, om te Rome de comitiën te houden. Door list wist +Jugurtha zijn tegenstander te verschalken; het rom. leger moest zich +overgeven en onder het juk doorgaan. Q. Caecilius Metellus (Caecilii +no. 13), consul in 109, bestreed Jugurtha gedeeltelijk met diens eigen +wapens en noodzaakte hem, naar zijn schoonvader Bocchus, koning van +Mauretania, te vluchten. Beiden leden in 107 eene gevoelige nederlaag +door C. Marius, die Metellus in het opperbevel was opgevolgd. Bocchus, +voor zijn eigen troon bevreesd, leverde zijn schoonzoon uit aan +L. Sulla, die als quaestor in Marius' leger diende (105). Jugurtha +moest den zegetocht van Marius opluisteren, waarna men hem zes dagen +lang in den kerker met den hongerdood liet worstelen en toen worgde. + +Iulia (lex) van den consul L. Iulius Caesar (90), waarbij aan de +italiaansche bondgenooten, die bij den algemeenen opstand aan Rome +trouw gebleven waren, en evenzoo aan de Latijnen het burgerrecht +werd toegekend. + +Iuliae (leges) van C. Iulius Caesar.--1) lex de publicanis (door Caesar +in het leven geroepen in zijn eerste consulaat, in 59), dat aan de +belastingpachters in Asia het derde deel der pachtsommen zou worden +terugbetaald wegens de verliezen, die zij in den mithradatischen oorlog +hadden geleden.--2) lex agraria, zoogenaamd lex Campana, zie onder +Agrariae (leges). Deze wet, evenals de vorige, van het jaar 59, werd +door Caesar doorgedreven, niet zonder hevigen tegenstand van den senaat +en van Caesars ambtgenoot M. Calpurnius Bibulus.--3) lex de repetundis +(59), eene uitvoerige wet van meer dan 100 artikelen. O.a. beval +zij, dat de verschuldigde gelden ook op hen zouden verhaald worden, +die van den veroordeelde geld hadden ontvangen. Deze wet diende +tot grondslag voor alle latere verordeningen op dit punt.--4) +tot bekrachtiging der schikkingen, door Pompeius in Asia gemaakt +(59).--5) lex de exsulibus, van het jaar 49 gedurende Caesars eerste +dictatuur comitiorum habendorum causa. Door deze wet werden zij, +die in de laatste jaren van misdrijven waren aangeklaagd en volgens +rom. gewoonte vóór de uitspraak van het vonnis in ballingschap waren +gegaan, in hun vroegeren staat hersteld (restitutio in integrum). Het +was dus eene amnestie, waarvan echter T. Annius Milo met name was +uitgesloten. Het bestaan van deze wet wordt met recht betwist; wel +werden eenige personen, vooral eenigen, die volgens de lex Pompeia +de ambitu veroordeeld waren, teruggeroepen, maar een bepaalde wet +de reditu damnatorum is niet aan te nemen. Wel heeft M. Antonius na +Caesar's dood uit de acta Caesaris eene lex Julia de exulibus, die +natuurlijk apocryph was, gepubliceerd.--6) lex de pecuniis mutuis +s. de aere alieno. In den burgeroorlog hadden velen geleden en was +het crediet geschokt. Hierom beval de wet de benoeming van arbitri, +die de geleden verliezen zouden taxeeren, waarna dan in verhouding +daarvan een gedeelte der schulden zou worden geroyeerd. Ook deze wet +dagteekent van het jaar 49. Hiermede ging, om het oppotten van geld +te voorkomen, een bepaling gepaard, waarbij o.a. verboden werd, meer +dan 15000 denarii aan contant geld te bezitten. Een aanvulling hiervan +was de lex Julia de modo credendi et possidendi intra Italiam van 47, +waarbij de kapitalisten verplicht werden een gedeelte van hun vermogen +in grondbezit aan te leggen, en de schulden op het grondbezit drukkend, +tot een bepaald bedrag beperkt werden.--7) lex de civitate Transpadanis +danda, evenzeer van 49.--8) lex iudiciaria, tot opheffing der derde, +uit tribuni aerarii bestaande decurie rechters (zie iudex). Deze wet +is van het jaar 46, toen Caesar, na de pompejaansche partij overal +verslagen te hebben, te Rome was teruggekeerd. Hij was in dit jaar ten +derden male consul.--9) leges de vi et de maiestate, waardoor zij, +die voor deze misdaden veroordeeld werden, niet slechts met aquae +et ignis interdictio, maar bovendien met geheele of gedeeltelijke +verbeurdverklaring van hun vermogen werden gestraft. Ook van 46.--10) +lex de collegiis (46), tot opheffing der collegia, die niet van +oudsher en wettig bestonden. Er hadden zich te Rome verschillende +politieke clubs gevormd, die vooral bij verkiezingen ijverig in de weer +waren. Tegen deze vereenigingen was Caesars wet gericht. V. s. zijn +deze bepalingen bij edict vastgesteld.--11) lex de sacerdotiis (46), +waarbij enkele priestercollegiën uitgebreid werden en o. a. bekrachtigd +werd, wat toch reeds gebeurde, dat ook afwezigen tot priesters konden +gekozen worden.--12) lex sumptuaria (46), waarbij o.a. het gebruik +van draagstoelen, edelgesteenten, enz., beperkt werd, en op de markt +wachters aangesteld werden, om wat boven het verbod gekocht werd, +in beslag te nemen, ja zelfs in sommige gevallen aan lictoren en +soldaten werd gelast, in de huizen binnen te gaan en wat buiten de +perken der wet was, van tafel weg te nemen.--13) lex de provinciis +(46), dat geen stadhouder in een praetorische provincie langer +dan één, in eene consulaire langer dan twee jaar zou blijven.--14) +lex de liberis legationibus (46), onzeker van welken inhoud. Door +Cicero's lex Tullia was dit gezantschap-titulair tot den duur van één +jaar beperkt. Caesar schijnt het weder te hebben uitgebreid. Deze +wet is waarschijnlijk een onderdeel van de lex de provinciis.--15) +lex municipalis (45), eene wet op het bestuur, de inrichting, het +politiewezen, enz., der rom. municipiën. + +Iuliae (leges) van C. Iulius Caesar Octavianus, 18. 1) lex sumptuaria, +ter beperking vooral van de buitensporige uitgaven voor maaltijden +en huiselijke feesten.--2) lex de adulteriis et de pudicitia, +met strenge strafbepalingen.--3) leges de ambitu, de annona (tegen +korenwoeker), de peculatu, enz., lex de iudiciis privatis van 17.--4) +lex de maritandis ordinibus, zie lex Iulia et Papia Poppaea. + +Iulia et Papia Poppaea (lex) de maritandis ordinibus, eigenlijk de lex +Iulia van Octavianus (18), gewijzigd en uitgebreid in 9 na C. door +de consuls M. Papius Mutilus en Q. Poppaeus Secundus. Zij had tot +doel de bevordering der huwelijken, door aan het hebben van wettige +kinderen voorrechten te verbinden. Zie ius liberorum. + +Iulia Papiria (lex) de multarum aestimatione van de consuls L. Iulius +Iulus en C. Papirius Crassus (430), verving de veeboete door een boete +in geld. Ze bepaalde de waarde van een schaap op 10, van een os op +100 asses librales, zoodat de multa suprema (zie lex Aternia Tarpeia) +voortaan bedroeg 3020 a. l. Bovendien werd bepaald, dat de boete de +helft van het vermogen van den burger niet mocht overtreffen. + +Iulia Plautia (lex), dat van gestolen goed geene usucapio geldig +was. Van deze wet is niets zekers bekend; misschien zijn het bepalingen +ontleend aan twee leges de vi, de lex Julia en de lex Plautia. + +Iulia Titia (lex) de dando tutore bepaalde, dat in de provinciën door +den stadhouder de voogd zou benoemd worden voor het geval, waarin te +Rome de lex Atilia (z. a.) voorzag. + +Iuliani. 1) Salvius Iulianus, beroemd jurist te Rome, in Africa +geboren, stelde onder keizer Hadrianus op diens last het edictum +perpetuum op. In de Pandecten komt zijn naam meermalen voor.--2) +P. Salvius Iulianus, zoon van no. 1, een voortreffelijk en algemeen +bemind generaal van Antoninus Pius, werd op last van Commodus ter +dood gebracht.--3) M. Didius Severus Iulianus, had onder Antoninus +Pius en diens opvolger hooge ambten bekleed, had in Belgica met succes +tegen de Chauken en Chatten gestreden; was daarna stadhouder geweest +van Dalmatia, van Germania Inferior (± 181 n. C.) en van Bithynia en +Pontus. Toen na den dood van Pertinax de praetorianen den keizerstroon +aan den meestbiedende verkochten, werd Didius Iulianus keizer voor de +som van ongeveer 300 millioen sestertiën. Na eene regeering van 66 +dagen werd hij door den senaat afgezet en door de soldaten vermoord +(193 na C.). Zijn opvolger was Septimius Severus. + +Iulianus (Flavius Claudius), neef van Constantijn den Gr., zoon van +diens broeder Julius Constantius, geboren in 332 n. C., om zijn afval +van het Christendom gewoonlijk Apostata genoemd, was te Constantinopel, +te Nicomedea en te Athene in de letteren en wijsbegeerte onderwezen en +gevoelde reeds vroeg een afkeer van het Christendom, waarin hij was +opgevoed. Toen na den dood van Constantijn den Gr. diens drie zoons, +Constantinus, Constantius en Constans de heerschappij verdeelden, +lieten zij hunne bloedverwanten ombrengen; slechts twee neven, Gallus +en Iulianus bleven gespaard (338). Een tijdlang werd Iulianus met +zijn broeder Gallus naar een eenzaam landgoed, Macellum bij Caesarea +in Cappadocië, verbannen. In 351 werd Gallus door keizer Constantius +tot Caesar benoemd, en sedert dien tijd genoot Iulianus meer vrijheid; +in 352 is hij onder den invloed zijner neoplatonische leermeesters +heimelijk tot het Heidendom overgegaan. Constantius liet in 354 Gallus +ombrengen en zond in 355 Iulianus met den titel van Caesar naar Gallia +om de invallen der Germanen tegen te gaan. Daar voerde Iul. gelukkig +oorlog, o.a. versloeg hij in 357 de Alemannen bij Argentoratum +(Straatsburg), doch moest alle voorzichtigheid in acht blijven nemen +om niet Constantius' argwaan op te wekken. In 360 echter wierp hij +het masker af, zijn leger riep hem tot keizer uit, Constantius rukte +wel tegen hem op, doch stierf op marsch (Nov. 361), en Iulianus werd +algemeen als keizer erkend. Hij kwam er nu openlijk voor uit, dat hij +een aanhanger was van den ouden godsdienst, begunstigde de heidenen, +en zette de Christenen achteraf. Vooral zijn edikt, waarbij hij de +christelijke rhetoren en sophisten verbood, de heidensche boeken +bij hun onderwijs te gebruiken, zette kwaad bloed. Zijn plan was, +een heidensche kerk te stichten, naar het model van de Christelijke, +maar zijn theologie ontleende hij aan de leer der Neo-platonici, +terwijl zijn moraal die der Neo-cynici was. Zijne plannen vonden +zeer weinig instemming. In 363 trok hij uit op een veldtocht tegen +de Perzen, en drong door tot onder de muren van Ctesiphon, maar +moest toen langs een anderen weg terugkeeren. Bij een plotselingen +overval snelde hij, uithoofde der hitte ongeharnast ten strijde en +werd door een lanssteek doodelijk gewond. Zoo stierf hij (Juni 363) +slechts 31 jaar oud, volgens zijne vijanden met de woorden: tandem +vicisti Galilaee! Met zijn dood viel ook deze laatste poging om het +Heidendom te herstellen. Er zijn nog een aantal brieven en vele zeer +belangrijke geschriften van Iulianus overig. Hij schreef Grieksch, +en beschouwde Griekenland als zijn tweede vaderland. + +Iulii, een oud patricisch geslacht, dat onder Tullus Hostilius van +Alba Longa naar Rome verhuisde en waarvan twee familiën naam verworven +hebben, eerst de Iuli en later de Caesares. Zij leidden, althans in +lateren tijd, hun oorsprong af van Aeneas' zoon Ascanius of Iulus. 1) +C. Iulius Iulus, consul in 489.--2) C. Iulius Iulus, consul in 447, +legde met veel takt de geschillen bij tusschen de beide standen.--3) +Onder de krijgstribunen met consulaire macht komen nog eenige Iulii +Iuli voor; in 352 is een C. Iulius Iulus dictator, in 473 komt een +consul voor met den ongewonen voornaam Vopiscus, wiens kleinzoon in +393 censor was. Verder komen een enkele maal de familienamen Libo +en Mento voor.--4) L. Iulius Caesar, consul in 90 bij het uitbreken +van den bondgenootenoorlog, bezorgde door zijn lex de civitate het +rom. burgerrecht aan de trouw gebleven socii in Italia. In den oorlog +was hij niet gelukkig, zie Egnatii no. 2. In 89 was hij censor. In 87 +werd hij als aristocraat door de mariaansche partij omgebracht.--5) +C. Iulius Caesar Strabo Vopiscus, broeder van no. 4, wordt als +redenaar en dichter geprezen. Hij heeft o.a. tragedies geschreven, +maar niets van zijn werken is bewaard gebleven. Ook hij kwam in 87 +om, daar een vriend zijn schuilplaats verried.--6) L. Iulius Caesar, +consul in 64, stemde in 63 voor den dood van P. Cornelius Lentulis +Sura, zijn zwager, omdat deze tot de samenzwering van Catilina +behoorde. In 52 diende hij onder C. Iulius Caesar in Gallia. Na +diens dood behoorde hij tot de hevige tegenstanders van zijn neef +M. Antonius, die hem daarop vogelvrij verklaarde, doch later ongemoeid +liet, op voorbede van Iulia (no. 7).--7) Iulia, zuster van no. 6 en +moeder van M. Antonius, den drieman.--8) L. Iulius Caesar, zoon van +no. 6, behoorde tot de aanhangers van Pompeius, en streed ook nog in +Africa tegen Caesar, die hem echter, toen hij na Cato's dood Utica aan +Caesar had overgegeven, genade schonk. Kort hierna overleed hij.--9) +C. Iulius Caesar, grootvader van no. 11. Hij stierf plotseling, terwijl +hij bezig was zich te kleeden.--10) C. Iulius Caesar, zoon van no. 9 en +vader van no. 11, stierf ook plotseling, in 85.--11) C. Iulius Caesar, +zoon van no. 10, geb. 13 Juli 100, de bekende veldheer en dictator, +de grootste man zijner eeuw. Zijne moeder was eene Aurelia. Zijne +verwantschap met C. Marius, die met Iulia, Caesars tante, gehuwd was, +en met Cinna, wiens dochter Cornelia hij zelf had gehuwd, maakten hem +bij Sulla verdacht, vooral toen hij weigerde, zijne vrouw te verstooten +(82). Caesar achtte het derhalve geraden, zich uit Rome te verwijderen +en zich in het sabijnsche land eenigen tijd schuil te houden. Toen +Sulla's toorn eenigszins bedaard was, stak Caesar naar Asia over, +waar hij onder den praetor M. Minucius Thermus zijn eersten veldtocht +medemaakte (80). In 78 keerde Caesar naar Rome terug, op het bericht +van Sulla's dood. In 77 klaagde hij den gewetenloozen Cn. Cornelius +Dolabella (Cornelii no. 36) van afpersingen aan, en hoewel de +rechters (weder uit den senaat gekozen) Dolabella vrijspraken, +bereikte Caesar toch in zooverre zijn doel dat hij de opmerkzaamheid +op zich vestigde en de hoop der volkspartij deed herleven. Doch de +aristocratie was nog te machtig, en voorzichtigheidshalve verliet +C. andermaal Rome en ging naar Rhodus, waar hij de lessen van den +rhetor Molo in de welsprekendheid bijwoonde. Na zijn terugkeer +wendde hij alle krachten aan, om de gunst van het volk deelachtig +te worden door minzaamheid, dienstvaardigheid en mildheid. Nog +als knaap was hij door toedoen van Marius reeds tot flamen Dialis +gekozen, welke verkiezing Sulla echter in 82 ongeldig verklaarde; +achtereenvolgens werd hij nu in 73 pontifex, in 68 quaestor, in 65 +aedilis curulis, in 63 pontifex maximus, in 62 praetor urbanus. Men +verdacht er Caesar, evenals Crassus van, deel te hebben gehad aan de +Catilinarische samenzwering. Als aediel had hij schitterende spelen +gegeven en prachtige bouwwerken laten oprichten, maar ook de door +Sulla omvergeworpen zegeteekenen van Marius en Cinna hersteld; als +voorzitter van de quaestio de sicariis veroordeelde hij in 64 twee +vroegere aanhangers van Sulla, die een aantal vogelvrijverklaarden +hadden omgebracht. In 61 was hij propraetor in Lusitania en Baetica, +van waar hij met roem en rijken buit terugkeerde. In 60 sloot +hij het geheim verbond, het zoogenaamde eerste driemanschap, met +Pompeius en Crassus, en bekleedde in 59 het consulaat (zie Iuliae +(leges)). Om den band hechter te maken, gaf hij zijne dochter Iulia +aan Pompeius tot vrouw. Door de lex Vatinia van den volkstribuun +P. Vatinius werden aan Caesar Gallia Cisalpina en Illyricum als +provinciën toegewezen, waarbij de senaat nog Gallia Transalpina +voegde. Tevens werden hem 4 legioenen toegewezen. Negen jaar bracht +Caesar in Gallia door (58-49). Wel was hem het stadhouderschap slechts +voor 5 jaar opgedragen, maar de lex Trebonia van den volkstribuun +C. Trebonius in 55 had het met 5 jaar verlengd (het triumviraat was +reeds in April 56 te Luca hernieuwd). In die negen jaar onderwierp +hij geheel Gallia en Belgica en breidde in overeenstemming daarmede +zijn leger uit. De commentarii de bello Gallico leeren ons, hoe +meesterlijk hij van alle oneenigheden der Galliërs wist partij te +trekken om zegevierend voorwaarts te dringen. Iulia echter stierf +in 54 en Crassus in 53, en hiermede was de band tusschen Caesar en +Pompeius verbroken. Pompeius begon Caesars wassende macht bedenkelijk +te achten en toen de senaat aan C. beval, zijn leger af te danken +en zijn ambt neder te leggen, terwijl Pompeius weigerde hetzelfde +te doen, trok C. den 10den Januari 49 de Rubico over, het begin +van den burgeroorlog, en veroverde binnen 2 maanden geheel Italia, +terwijl Pompeius en de zijnen naar het Oosten gingen. Daarop begaf +C. zich naar Hispania, waar hij de onderbevelhebbers van Pompeius, +C. Afranius en M. Petreius bij Ilerda versloeg; vervolgens, na eerst +het consulaat aanvaard te hebben, ijlde hij in het begin van 48 naar +Epirus en Thessalia, leed wel bij Dyrrachium eene nederlaag, doch +behaalde bij Pharsalus op het sterke, door Pompeius bijeengebrachte +leger eene volkomene overwinning (6 Juni 48). Pompeius vluchtte +naar Aegypte, doch werd vermoord nog voor hij te Alexandrië aan land +stapte. Caesar regelde nu in Aegypte de troonsopvolging ten gunste +der schoone Cleopatra, en had toen nog een oorlog door te staan +met haar broeder Ptolemaeus XII, die in den Nijl verdronk (bellum +Alexandrinum, zie Cleopatra no. 10). Na vervolgens in Azië Pharnaces +van Pontus en Deiotarus van Galatia voor hunne aanhankelijkheid aan +Pompeius gestraft te hebben, kwam C. in 47 te Rome terug, doch stak +weldra naar Africa over, waar hij de pompejaansche partij vernietigde +(slag bij Thapsus 46) en het oostelijk gedeelte van Numidia, tot +aan de Ampsaga, inlijfde. In 46 hield hij te Rome een vierdubbelen +triomftocht over Gallia, Aegypte, Pontus en Africa. In dit jaar valt +ook de regeling van den rom. kalender met behulp van den sterrenkundige +Sosigenes. Nog eenmaal moest hij te velde trekken tegen Pompeius' +zonen, die in Hispania een leger op de been hadden gebracht (slag bij +Munda, 45). Hij werd met eerbewijzen overladen, en onder verschillende +titels bezat hij eene onbeperkte macht. In 49 was hij dictator, in +48 was hij consul, in 46 dictator en consul tegelijk, in 45 was hij +tot dictator voor zijn leven en consul voor tien jaar benoemd, met den +titel van imperator; als praefectus morum bezat hij censorische macht; +de keuze der overheden werd hem overgelaten; hij mocht zijne beeltenis +op de munt laten slaan, enz. Doch bij de aristocratische partij bleef +een geheime wrok bestaan, en deels uit persoonlijke eerzucht, deels uit +ijdelen waan, dat met Caesars dood de oude republiek zou herleven en de +aanzienlijke familiën weder in het bezit harer vroegere macht zouden +komen, vereenigden zich een zestigtal samenzweerders en overvielen +C. den 15den Maart 44 in den senaat, waar hij, door 23 dolksteken +doorboord, voor het standbeeld van Pompeius nederviel. Zijne begrafenis +gaf tot hevige tooneelen aanleiding, vooral toen zijne testamentaire +beschikkingen ten gunste van het volk bekend werden.--Behalve de +eerste 7 boeken de bello Gallico hebben wij van hem nog 3 boeken de +bello civili. Zijne redevoeringen en brieven, door de ouden bewonderd, +zijn verloren gegaan, evenals zijne taalkundige werken. Als veldheer, +staatsman, redenaar, kortom op welk gebied hij zich bewoog, overal +muntte hij uit. Hij had een vriendelijk en openhartig karakter, een +grenzenlooze eerzucht en ijzeren volharding.--12) Iulia, zuster van +no. 11, gehuwd met M. Attius Balbus. Eene dochter uit dit huwelijk, +Attia, huwde C. Octavius, en werd moeder van Augustus.--13) Iulia, +dochter van no. 11 en van Cornelia (Cornelii no. 42), in 59 gehuwd +met Pompeius, eene verstandige vrouw, die, zoolang zij leefde, eene +breuk tusschen haar vader en haar man wist te voorkomen. Het was eene +eenigszins vreemde verhouding, dat haar man zes jaar ouder dan haar +vader was. Zij stierf in 54 bij eene bevalling.--14) C. Octavius, later +C. Iulius Caesar Octavianus genoemd en in de geschiedenis onder den +titel van Augustus bekend, was de zoon van C. Octavius (zie hierboven +no. 12) en door zijn oudoom Caesar tot zoon aangenomen. Hij was in 63 +geboren en verloor reeds in 59 zijn vader, waarna zijne moeder Attia +met L. Marcius Philippus hertrouwde. Terwijl hij zich te Apollonia met +zijne letterkundige studiën bezig hield, ontving hij het bericht van +Caesars dood. Hij spoedde zich naar Italia, en was zoo voorzichtig, +zich van Brundisium uit door een paar rom. legioenen, die hij daar +aantrof, naar Rome te doen vergezellen. Over de gebeurtenissen, +die toen volgden, zie men Antonii no. 4 en 6, Pompeii no. 13.--Na +den slag bij Actium in 31 en den daarop volgenden dood van Antonius +en Cleopatra regelde Octavianus de zaken in het Oosten en keerde als +alleenheerscher te Rome terug. Hier werd hij met eerbewijzen overladen; +hij legde echter 13 Jan. 27 de onbeperkte macht, die hij sinds Nov. 43 +als triumvir bezat (zie Tresviri no. 9), vrijwillig neder, en gaf aan +senaat en volk de republikeinsche vrijheid terug. Drie dagen later +verleende de senaat hem den titel Augustus, en gaf hem tevens het +grootste deel der pas afgestane macht terug. Van dezen dag dateert het +Romeinsche keizerrijk of principaat. Augustus wilde slechts de eerste +der burgers, princeps civium zijn. Hij behield het consulaat, dat +hij tot 23 geregeld bekleedde, verder de tribunicia potestas, die hem +in 36 voor onbepaalden tijd, in 30 levenslang was verleend. Hierdoor +had de princeps de bevoegdheid van het tribunaat, was onschendbaar en +kon alle rechten van het ambt uitoefenen zonder beperking van tijd of +plaats. Verder verleende de senaat hem het imperium proconsulare over +alle provincies, waar legers stonden, die hij door legati pro praetore +liet besturen, en het oppertoezicht over de andere provinciën, die +onder het beheer van den senaat bleven. Verder had hij het recht een +lijfwacht te hebben, de cohortes praetoriae. Hij deelde zijn macht +met den senaat, die nu o. a. ook voor zijne leden hooggerechtshof +werd. Voor Rome brak nu een tijd van rust en vrede aan, dubbel welkom +na het eindelooze bloedvergieten der laatste 18 jaren. Onder zijne +voornaamste regeeringsdaden behooren de verdeeling van Italië in 11 +en van Rome in 14 regiones, de oprichting van cohortes vigilum en +cohortes praetoriae, de verdeeling der provinciën in keizerlijke en +senatorische (zie hierboven), de aanstelling van een praefectus urbi +en twee praefecti praetorio. De oorlogen, die hij nu voerde, hadden +geene nieuwe veroveringen ten doel, maar òf behoud van het bestaande +òf meer volledige onderwerping der volken in het rom. gebied. Zoo +brachten zijne stiefzoons Drusus en Tiberius de Alpenvolken ten +onder tot aan den Donau, om de grenzen van het rijk te bevestigen; +vervolgens trachtten zij de rom. heerschappij tussen Rijn en Elbe op +vaste grondslagen te vestigen, welk plan later door de nederlaag van +Varus in duigen viel; Agrippa onderwierp de Cantabriërs en Asturiërs in +Hispania. Zelf trok Augustus in 20 naar het Oosten en ontving van den +parthischen koning de op Crassus en Antonius veroverde veldteekenen +terug. Hij stierf te Nola in 14 na C. Zijne weduwe Livia hield zijn +dood geheim, totdat Tiberius de noodige maatregelen had kunnen treffen, +om zich in het bezit der heerschappij te stellen.--15) Voor de min +of meer verwarde familiebetrekkingen van het huis van Augustus mogen +de volgende opgaven dienen. + +Augustus is driemaal gehuwd geweest: 1) met Claudia, dochter van +den beruchten P. Clodius Pulcher, uit welk huwelijk geene kinderen +waren;--2) met Scribonia, zuster van L. Scribonius Libo, in 40, een +huwelijk uit staatkunde gesloten, dat in 39 weder ontbonden werd, +juist op den dag harer bevalling van eene dochter Iulia;--3) met +Livia Drusilla, wier vader Livius Drusus in den slag bij Philippi was +gesneuveld. Zij was gehuwd met Tib. Claudius Nero en had twee zoons, +in de geschiedenis bekend als Tiberius en Drusus. Augustus overreedde +haar man, haar aan hem af te staan en nam toen Tiberius en Drusus +als zoons aan. + +a) Augustus en Scribonia. + +Iulia, driemaal gehuwd, 1) met M. Claudius Marcellus, jong gestorven +(zie Claudii no. 37),--2) met M. Vipsanius Agrippa, gest. 12,--3) +met den lateren keizer Tiberius. + +Wegens haar ergerlijken levenswandel werd zij in 2 door haar vader +naar het eiland Pandataria en later naar Rhegium verbannen, waar zij +in 14 na C. stierf. + +Kinderen uit Iulia's tweede huwelijk. + +* C. Caesar, † 4 na C., gehuwd met Drusus' dochter Livilla. +* L. Caesar, † 2 na C. +* Agrippa Postumus, 14 na C., na Augustus' dood door Tiberius uit den + weg geruimd. +* Iulia, om haar zedeloos gedrag in 9 na C. verbannen, † 28 na C. +* Agrippina, gehuwd met Germanicus. + +De verbanning der beide Iulia's (de dochter naar het eiland Trimerus +(Trimetus) was eene deportatio. + +b) Livia en Tib. Claudius Nero. + +* Tiberius (keizer), geh. met Vipsania Agrippina, van wie hij tegen + zijn zin moest scheiden, daar Augustus hem Iulia opdrong. +* Drusus (zie Claudii, no. 26) geh. met Antonia minor, dochter v. den + drieman M. Antonius (Antonii no. 11). + +c. Tiberius en Vipsania Agrippina. + +Drusus Caesar, gehuwd met Drusus' dochter Livilla, weduwe van +C. Caesar. In overeenstemming met haar minnaar Seianus, praefectus +praetorio onder Tiberius, ruimde zij haren echtgenoot uit den weg +(23 n. C.). Zij werd met Seianus ter dood gebracht (31). + +* Germanicus, gest. 4 jaar oud. +* Tiberius, door keizer Caligula omgebracht. +* Iulia, geh. met Nero, den zoon v. Germanicus, later met C. Rubellius + Blandus (Rubellii no. 1), Op aanstoken v. Messalina werd zij + omgebracht. + +d) Drusus en Antonia minor. + +* Germanicus (z. a.), geh. met Agrippina dochter van Iulia (zie boven). +* Claudius (keizer), (zie onder). +* Livilla, geh. 1) met C. Caesar,--2) met Drusus Caesar, (zie boven). + +e) Germanicus en Agrippina + +verloren van hunne 9 kinderen drie door den dood en lieten 6 kinderen +na, n.l.: 3 dochters, Agrippina, Drusilla en Livilla, 3 zoons, Nero, +Drusus en C. Caesar. + +Van de zoons werden Nero en Drusus op last van Tiberius ter dood +gebracht; C. Caesar is de latere keizer Caligula. Nero was gehuwd met +Iulia, de kleindochter van Tiberius (zie boven). Agrippina (z. a.) is +de moeder van keizer Nero geweest. Drusilla, eigenlijk Iulia Drusilla, +werd de bijzit van haren broeder Caligula (zie Drusilla no. 2). De +jongste zuster, Iulia Livilla, werd onder Claudius op aansporing van +Messalina omgebracht. + +f) Kinderen van keizer Claudius. + +1) Uit zijn huwelijk met Plautia Urgulanilla werd een zoon Drusus +geboren, die als knaap stikte doordat eene peer hem in de keel +schoot. Eene dochter Claudia, na de echtscheiding geboren, erkende +hij niet als de zijne.--2) Uit het huwelijk met Aelia Petina had +hij eene dochter Antonia, die tweemaal gehuwd is.--3) Bij Valeria +Messalina had hij eene dochter Octavia, gehuwd met keizer Nero, en +een zoon, eerst Germanicus, doch vervolgens Britannicus geheeten, die +door Nero vergiftigd is (55).--4) Van zijne vierde vrouw, Agrippina, +de dochter van Germanicus, kreeg hijzelf geene kinderen. Haar zoon +uit een vroeger huwelijk, de latere keizer Nero, werd echter door +Claudius als zoon aangenomen. + +N.B. De afstammelingen van Tiberius en Drusus, de aangenomen zonen van +Augustus, voerden, voor zoover zij van het mannelijk geslacht waren, +allen den familienaam Caesar. De vrouwelijke leden moeten allen ook +Iulia geheeten hebben, zooals van sommige vermeld wordt. + +Iulius Tutor, aanvoerder van de Galliërs in den bataafschen opstand, +zie Civilis. + +Iuliobona, zie Caletes. + +Iulis, Ioulis, hoofdstad op het eiland Ceos. + +Iulus, Ioulos = Ascanius, zoon van Aeneas. Hij had twee zoons, +waarvan de oudste ook Iulus, de jongste Silvius heette. + +Iunia (lex), de peregrinis van den volkstribuun M. Iunius Pennus, +126. Door deze wet werd aan de peregrini het verblijf te Rome +ontzegd. Eene wet van gelijke strekking was de lex Papia, in 65. Beide +wetten worden door Cicero sterk veroordeeld. + +Iunia Licinia (lex) van de consuls D. Iunius Silanus en L. Licinius +Murena, 62. Zij verbood, wetten heimelijk in het aerarium te brengen, +hetgeen vermoedelijk beteekent, dat de nieuwe wetten voortaan onder +getuigen in het archief moesten worden gedeponeerd. + +Iunia Norbana (lex), onder keizer Tiberius, 19 na C. Deze wet bepaalde, +dat slaven, die modis minus iustis waren vrijgelaten (dus niet per +vindictam, per censum of per testamentum), niet het burgerrecht +zouden erlangen, maar een rechtstoestand zouden hebben in den trant +der vroegere latijnsche koloniën. Zulke vrijgelatenen worden Latini +Iuniani geheeten. Zie ius Latii. + +Iunii, een oud patricisch geslacht, dat, evenals de Iulii, van +trojaanschen bloede heette te zijn. Het eerst wordt genoemd--1) +M. Iunius, gehuwd met Tarquinia, eene zuster van Tarquinius +Superbus. Hij werd met zijn oudsten zoon door den koning +omgebracht.--2) L. Iunius Brutus (= de stompzinnige), zoon van +no. 1. Hij ontsnapte den dood door zich als half onwijs voor te +doen. Hij begeleidde de zonen van Tarquinius op een reis naar Delphi, +en was de éénige, die de orakelspreuk begreep, die de god hun op +hun vraag meegegeven had: wie het eerst te Rome zijn moeder kuste, +zou te Rome regeeren; hij nu kuste den grond, en werd zóó doende +later de eerste consul van Rome. Toen de verbittering des volks tegen +Tarquinius Superbus en diens zonen door de onteering van Lucretia tot +eene uitbarsting was gekomen, bewoog Brutus het leger tot den afval +en werd een van de eerste consuls. Hem trof het harde lot, dat hij +zijne beide zoons ter dood moest veroordeelen wegens samenzwering ten +gunste van den verdreven koning. In hetzelfde jaar (509) sneuvelde hij, +daar hij en 's konings zoon Aruns in den slag elkander gelijktijdig +doorstaken. Er werd een standbeeld voor hem opgericht. Deze Iunii +behooren tot het gebied der legende. + +Iunii, een plebejisch geslacht, waarvan geene verwantschap met het +vorige te ontdekken is. 1) L. Iunius Brutus, een der voorvechters der +eerste secessio plebis en in 493 een der eerste volkstribunen. Zie +echter tribuni plebis en secessio.--2) Dec. Iunius Brutus Scaeva, +consul in 325, streed voorspoedig tegen de Vestini in Samnium. De +berichten omtrent dezen veldtocht zijn niet geheel betrouwbaar.--3) +C. Iunius Bubulcus Brutus, consul in 317, 313 en 311, in 312 +magister equitum van den dictator C. Sulpicius Longus, en in 309 +van L. Papirius Cursor, in 302 zelf dictator, streed roemrijk tegen +Samnieten en Aequers, wijdde in 302 (v.a. 304) den tempel van Salus +(z. Fabii no. 24).--4) D. Iunius Brutus, bijgenaamd Callaïcus, consul +138, overwon de Callaeci (Galliciërs) in Hispania en de Lusitaniërs +(in Portugal) (138-137). Hij heeft Olysipo (Lissabon) aan den mond van +de Taag versterkt, en Valentia no. 1 gesticht. Hij wordt een vrij goed +redenaar genoemd, en was een man van fijne beschaving.--5) D. Iunius +Brutus, consul in 77, gehuwd met Catilina's vriendin Sempronia.--6) +D. Iunius Brutus, zoon van no. 5, diende onder Caesar in Gallia, +waar hij de Veneti versloeg (56) en tegen Vercingetorix streed. In +den burgeroorlog was hij admiraal van Caesar en werd door hem tot +stadhouder van Gallia Cisalpina benoemd. Toch sloot hij zich bij de +samenzweerders aan, vermoedelijk uit oprechte overtuiging. Na Caesars +dood had hij met Antonius, die hem zijne provincie betwistte, een +oorlog te voeren (bellum Mutinense, zie Antonii no. 4). Toen Octavianus +ook de moordenaars van Caesar begon te vervolgen, en het meerendeel van +Brutus' troepen afvallig werd, vluchtte hij naar M. Brutus, doch werd +onderweg door een vriend, een gallisch opperhoofd, Camillus, gevangen +genomen en op last van Antonius omgebracht.--7) M. Iunius Brutus, +rechtsgeleerde (± 136), schrijver van een werk de iure civili.--8) +M. Iunius Brutus, ook een groot rechtsgeleerde en geleerd man, stelde +als volkstribuun in 83 voor, eene sterke rom. kolonie naar Capua te +zenden, wat door Cicero zeer wordt afgekeurd. In den burgeroorlog +was hij bij de mariaansche partij. Hij verdedigde Mutina tegen +Pompeius. Na Sulla's dood sloot hij zich bij den oproerigen consul +M. Aemilius Lepidus aan, doch werd op last van Pompeius vermoord, +77.--9) M. Iunius Brutus, ook wel eens Q. Caepio Brutus geheeten, daar +hij door Q. Servilius Caepio (Servilii no. 18 z. a.) geadopteerd was, +zoon van no. 8 en van Servilia, de beroemde stiefzuster van Cato van +Utica (Servilii no. 19), ontving onder de leiding van zijne moeder en +van zijn oom eene zorgvuldige opvoeding. Bij het uitbarsten van den +burgeroorlog volgde hij eerst de vanen van Pompeius, na den slag bij +Pharsalus evenwel werd hij de gunsteling van Caesar, die om der moeder +wille den zoon van Servilia genegen was en spoedig Brutus zelven lief +kreeg om zijne voortreffelijke eigenschappen. In 45 gaf Caesar hem +het stadhouderschap over Gallia Cisalpina, waarvan Brutus zich met +onbaatzuchtigheid kweet. Ook Cicero achtte hem hoog, droeg hem zijne +geschriften Orator, de finibus bonorum et malorum en de Tusculanae +disputationes op en liet hem de hoofdrol vervullen in het werk de +claris oratoribus. In 44 droeg Caesar aan Brutus de praetura urbana op, +waardoor hij C. Cassius teleurstelde en hevig verbitterde. Door dezen +liet Brutus zich medesleepen in de samenzwering tegen zijn weldoener, +niet uit persoonlijke eerzucht, maar in den waan dat Caesars dood +de wedergeboorte der republiek zou zijn. Na den moord begaf Brutus +zich niet terstond naar zijne provincie Macedonia, maar toefde nog +in Italia, in de hoop, dat de openbare meening te Rome zich tegen +M. Antonius en Octavianus zou keeren. Eerst in Sept. ging Brutus +naar Macedonia, dat onderwijl door den senaat aan M. Antonius was +toegewezen, die deze provincie weer voor Gallia Cisalpina verruilde +(zie Antoniae leges no. 8, en Antonii no. 4 en 5), en aan zijn broeder +C. afstond. Ook later verloren Brutus en Cassius een kostbaren +tijd met niets doen, en lieten den driemannen den tijd zich te +versterken. Bij Philippi in Macedonia had de beslissende slag plaats +(herfst van 42). Brutus en Cassius hadden omstreeks 90000 man. In +den eersten slag zegevierde Brutus op Octavianus, doch Antonius op +Cassius, die zich in wanhoop liet dooden. In den tweeden slag werd +ook Brutus verslagen, waarop hij zich zelf in zijn zwaard stortte. Zie +ook Cassii no. 8. Zijne echtgenoote Porcia, Cato's dochter, liet zich +op het bericht van zijn dood door kolendamp verstikken. De grootste +fout van Brutus was zwakheid van karakter. Hij heeft boeken over +wijsbegeerte en redekunst geschreven.--10) M. Iunius Gracchanus, +vriend van C. Gracchus, aan welke vriendschap hij zijn bijnaam te +danken had, schrijver van een boek de potestatibus.--11) M. Iunius +Pennus, volkstribuun in 126, de auctor der lex Iunia de peregrinis, +tegenstander der Gracchen.--12) L. Iunius Pullus, consul 249, verloor +zijn geheele vloot door schipbreuk bij Phintias aan de Zuidkust van +Sicilia.--13) M. Iunius Brutus Pera, dictator in 216 na den slag bij +Cannae.--14) M. Iunius Silanus ging in 211 met Scipio (later Africanus +maior) naar Hispania en behaalde als onderbevelhebber overwinningen +op Mago en Hanno. Zijn zoon sneuvelde in 196 in den oorlog tegen +de Bojers.--15) D. Iunius Silanus Manlianus, een geboren Manlius +Torquatus, had zich als propraetor van Macedonia aan afpersingen +schuldig gemaakt. Toen er nu klachten bij den senaat inkwamen, +verzocht de vader T. Manlius Torquatus (Manlii no. 12) dat hem het +onderzoek zou worden opgedragen. Hij bevond den zoon schuldig en +verbande hem uit zijne oogen, waarop Silanus zich ophing (141).--16) +M. Junius Silanus, werd als consul in 109 door de Cimbren in Gallia +geheel verslagen.--17) D. Iunius Silanus, stiefvader van no. 9, +consul in 62, stemde in 63 als consul designatus het eerst voor +veroordeeling der 4 Catilinarii. Hij was een goed redenaar. Zie +Iunia Licinia (lex).--18) M. Iunius Silanus koos na Caesars dood +de partij van Antonius en werd in 25 met Octavianus consul. Hij +was een zwager van Lepidus. Hij moet niet verward worden met zijn +naamgenoot, die legaat was van Caesar in Gallia.--19) M. Iunius +Silanus, onder Caligula stadhouder van Africa en een van 's keizers +slachtoffers.--20) L. Iunius Silanus, een man van zeer braaf karakter, +werd als afstammeling van Augustus het slachtoffer van Nero's +achterdocht (65).--21) Iunius Blaesus, vader en zoon. De eerste was +onder Augustus en Tiberius bevelhebber in Pannonia. Tiberius gaf hem +den titel van imperator, welk eerbewijs na hem aan geen onderdaan +meer ten deel viel. Hij was een oom van Seianus en verloor na diens +val zijn invloed. De zoon, die onder zijn vader gediend had, maakte +zich in 36 van kant, omdat hij bij Tiberius in ongenade gevallen +was. Een kleinzoon, die zich in 69 bij Vitellius had aangesloten, +werd door dezen uit wantrouwen uit den weg geruimd.--22) L. Iunius +Arulenus Rusticus werd door Domitianus ter dood veroordeeld, omdat hij +in geschrifte den lof had verkondigd van Paetus Thrasea en Helvidius +Priscus.--23) C. Iunius (familie-naam onbekend), tijdgenoot van +Cicero, werd veroordeeld omdat hij als iudex quaestionis zich had +laten omkoopen (74).--24) L. Iunius Brutus Damasippus, gewoonlijk +verkeerdelijk L. Licinius Damasippus genoemd, z. Licinii no. 19.--25) +Q. Iunius Rusticus, z. Rusticus no. 2. + +Iuno, koningin van den hemel en de goden (Regina), later zuster en +gemalin van Jupiter, als beschermster van den romeinschen staat +(Quiritis) met Jupiter en Minerva op het Capitolium vereerd +(Capitolina). Bovenal is zij de godin der vrouwen, wien zij in +alle levensomstandigheden, in ongehuwden en gehuwden staat, bij +het huwelijk zelf en alle daarmede verbonden plechtigheden, bij +het baren van kinderen, enz., helpend ter zijde staat; vandaar hare +talrijke bijnamen, als: Virginalis, Matronalis, Iugalis, Pronuba, +Lucina e. a. Zelfs heeft iedere vrouw hare Juno, evenals ieder man +zijn Genius. Hare voornaamste feesten waren de Matronalia op 1 Maart +(Calendae feminarum) en de Nonae Caprotinae op 7 Juli (z. Caprotina); +de geheele maand Juni was haar gewijd en verder alle Kalendae. Als +Juno Moneta had zij een tempel op de arx, waar de munt geslagen werd, +die daarnaar benoemd is. Men offerde haar lammeren, witte koeien, +enz., de gans werd als een haar geheiligd dier beschouwd. Als koningin +des hemels wordt zij vereenzelvigd met de grieksche Hera en dochter +van Saturnus en Ops genoemd, ofschoon zij meer macht en een meer +uitgebreiden eigen werkkring heeft dan deze. + +Iunonis promunturium, to tes Heras akroterion, naam van twee kapen, +de eene aan de Zuidpunt van Hispania, thans kaap Trafalgar, de andere +aan de westkant der corinthische landengte, ook Heraeum prom. genaamd. + +Iupiter, de god van den hemel, de hoogste god der Romeinen, de +goede en machtige god (Optimus Maximus), die in den hemel beschikt +over licht en duisternis, storm, onweder, regen, enz. (Diespiter, +Serenus, Fulgur, later Fulminator, Tonitrualis, Pluvius), en op aarde +het lot van individuen en staten beheerscht, in hunne wederzijdsche +betrekkingen wetten, recht en goede trouw beschermt, en zijn wil door +wonderteekenen (Prodigialis) en orakels openbaart. Voornamelijk is +hij de beschermgod van den romeinschen staat (Conservator, Custos), +dien hij voor de wereldheerschappij bestemd heeft, en welks legers +hij tegenover de vijanden van de vlucht terughoudt (Stator) en +tot de overwinning leidt (Victor). Als zoodanig heeft hij met Juno +en Minerva zijn tempel op het Capitolium (Capitolinus), waar hij +door overheden en particulieren in alle gewichtige omstandigheden +aangebeden wordt, waar de consul hem offers bracht als hij ten +strijde trok en de uit den oorlog teruggekeerde overwinnaar hem +zijn fasces en lauwerkrans aanbood (Triumphalis) of hem de behaalde +spolia opima wijdde (Feretrius). Evenzoo was hij in ouden tijd de +god van het latijnsch verbond geweest (Latiaris), en werd hij later +in het bijzonder de god der romeinsche keizers. Bij het huwelijk per +confarreationem (z. a.) werd hij aangeroepen als Jupiter farreus. Ter +eere van J. Capitolinus vierde men de Ludi Romani, Capitolini, Magni +en Plebei, ter eere van J. Latiaris de Feriae Latinae. Ook de Vinalia +(z. a.) worden hem ter eere gevierd. De Idus van elke maand zijn +hem gewijd. Ook wordt hij geëerd door twee epulae Iovis op de 1sten +van September en November. Zijn bode en zinnebeeld is de arend.--Als +hoogste god werd hij vereenzelvigd met Zeus en de zoon van Saturnus +en Ops genoemd, en toen Sulla zijn tempel op het Capitolium na den +brand liet herbouwen, werd zijn beeld geheel eene navolging van dat +van Zeus te Olympia. + +Iura (mons), Ioras, Iourassos, Iourasios, thans Jura, tusschen de +Sequani en de Helvetii. + +Iurisconsulti, ook iure consulti, iurisprudentes genoemd, waren, +zooals de naam aanwijst, rom. rechtskundigen. In den oudsten tijd der +republiek was het ius civile nauw verwant met het ius sacrum. Alles +hing aaneen met vaste vormen en formulieren, die nauwkeurig moesten +worden in acht genomen, wilde men zijn proces niet verliezen. Deze +vormen waren te vinden in de libri pontificum. en werden voor de +plebs zooveel mogelijk geheim gehouden. De iurisconsulti nu gaven +inlichtingen aan hunne vrienden en cliënten omtrent de rechtsdagen en +hetgeen men had in acht te nemen. Het ius Flavianum (z. a.) maakte +aan deze geheimzinnigheid een einde en het geven van adviezen +hield op het werk van priesters en enkele bevoorrechten te zijn, +terwijl bovendien de invoering der formulae door de lex Aebutia de +rechtspraak los maakte van den vroegeren omhaal. De iurisconsulti waren +nu aanzienlijke mannen, die wetten en rechtsgeleerde boeken hadden +bestudeerd en, hetzij te huis, hetzij op het forum, op bepaalde uren +te spreken waren om adviezen te geven (respondere), als men hen kwam +raadplegen (consulere), en die ook allerlei documenten opstelden, +als testamenten, borgstellingen, contracten, aanklachten, enz. Ook +gaven zij uitlegging van wetten. Jongelingen, die als rechtsgeleerden +of pleiters wilden opgeleid worden, gingen bij zulke iurisconsulti +in de leer en woonden hunne adviezen bij. Pleiten deden deze +rechtskundigen niet. Het kon niet anders, of langzamerhand ontstond +op deze wijze eene rechtswetenschap en de studie van het recht nam +in omvang en diepte toe, naarmate de aequitas meer veld won op het +strenge ius (zie ius honorarium). Die aequitas noopte de juristen, +meer stelselmatige eenheid in het recht te brengen. Augustus kende +aan de responsa prudentium kracht van wet toe bij rechtsvragen, die +betwistbaar schenen. Er verrezen nu ook rechtsgeleerde scholen met +bepaalde leeraars (professores iuris) en studenten (studiosi), die +een leergeld of honorarium betaalden, wat bij de oude iurisconsulti +niet het geval was. + +Iüs, zie Ios. + +Ius. Over de tegenstelling van in iure en in iudicio zie men iudicio +(in). + +Ius Aelianum, een werk van S. Aelius Paetus, bijgenaamd Catus (± 200), +over de wetten der XII tafelen, met eene verklaring van duistere en +verouderde woorden en eene bijvoeging der vormen, waaraan men zich +te houden had. Z. Aelii no. 1. + +Ius civile is het positieve recht, dat de rechtsbetrekkingen tusschen +burgers onderling regelt. De volledige uitdrukking was ius civile +Romanorum, te onderscheiden van ius Quiritium. Dit laatste sluit het +rom. burgerrecht in, terwijl het eerste het specifiek rom. burgerlijk +recht omvat. + +Ius Flavianum, de door Cn. Flavius in 304 openbaar gemaakte verzameling +van formulieren en bijzonderheden, waarvan de stipte inachtneming in +rechten gevorderd werd. Zie Flavii no. 2. + +Ius gentilicium of gentilitatis, het recht om als lid eener gens +erfrechten en voogdijrechten te doen gelden, wanneer een overledene +geene heredes sui en geene agnaten had. + +Ius gentium, in theorie het bij alle volken geldende internationale +recht, ius commune omnium hominum, ius quod apud omnes populos peraeque +custoditur, quod apud omnes gentes sanctum est. In de praktijk +evenwel is het ius gentium het recht, dat de Rom. in toepassing +brachten in het verkeer met vreemde volken, een peregrinenrecht. Het +onderscheidde zich van het ius civile vooral in twee opzichten, +dat het minder gebonden was aan de wettelijk voorgeschreven vormen, +en ook niet aan het gebruik der latijnsche taal. Over de wijzigingen, +die hieruit voor het ius civile voortvloeiden, zie men het artikel +ius honorarium. Wat wij onder volkenrecht verstaan, wordt in het +Latijn beter uitgedrukt door ius belli et pacis. + +Ius honorum, verkiesbaarheid tot de onbezoldigde rom. staats- en +priesterambten, die als eerbewijzen en geschenken van de zijde des +volks werden beschouwd. Gewoonlijk verstaat men onder honores meer +uitsluitend de hooge ambten, te beginnen met de quaestuur. + +Ius honorarium of praetorium, het praetorenrecht, ontstaan uit de +edicta praetorum. Wij zullen hier met een paar voorbeelden ter +opheldering volstaan. Volgens de wetten der XII tafelen werd de +fur manifestus als slaaf het eigendom van den bestolene, tenzij hij +zich vrijkocht. De afkoopsom was echter aan willekeur overgelaten, +totdat een praetorisch edict ze op het vierdubbel van het gestolene +stelde. Of wel, het ius civile schreef nauwkeurig voor, op welke +wijzen de eigendom van verschillende zaken moest overgaan. Voor res +mancipi b.v. was eene formeele overdracht, eene mancipatio per aes et +libram, voorgeschreven, ten overstaan van libripens en getuigen. Het +ius gentium, het rom. peregrinenrecht, was echter niet zoo streng aan +vormen gebonden. Wanneer nu een rom. burger door onwetendheid eene +res mancipi had gekocht of verkregen, b.v. een paard of een ezel, +doch niet onder den wettigen vorm, maar door eenvoudige traditio, +dan kon hij strikt genomen hieraan geen recht ontleenen en stond dus +achter bij een peregrinus. Om deze onbillijkheid weg te nemen, erkende +het praetorische recht op grond der aequitas in sommige gevallen ook +onvolledige vormen als geldig. Ook onder het artikel hereditas is een +voorbeeld opgenoemd. Zóó werd het strenge ius civile met het mildere +ius gentium in overeenstemming gebracht. Het aldus verkregen goed kon +dan wel niet als dominium gerekend worden, maar het edict stond toe, +het in bonis te hebben, het feitelijk te bezitten, terwijl het dan +door verjaring (usus, usucapio) mettertijd eigendom ex iure Quiritium +kon worden. + +Ius imaginum. Van hen, die een curulisch ambt bekleed hadden, mochten +hunne gezinnen en nakomelingen wassen borstbeelden of, beter gezegd, +maskers (cerae) laten vervaardigen, die imagines genoemd werden en +in het atrium in kasten werden bewaard, terwijl naam en rang onder +elke beeltenis op een ivoren of metalen plaatje (titulus) vermeld +waren. Op huiselijke feestdagen werden deze imagines te voorschijn +gehaald en bekranst. Bij lijkstaatsies werden zij door huurlingen voor +het gelaat gedragen, alsof de voorvaderen mede ter begrafenis gingen. + +Ius italicum. De italische bodem was vrij van grondlasten en kon in +quiritischen eigendom worden bezeten. Onder de keizers werd meermalen +aan steden in de provinciën dit recht toegekend, d. w. z. de bodem +werd gelijkgesteld met italischen grond, alsof hij in Italia gelegen +ware. Natuurlijk moesten de inwoners rom. burgers zijn, daar zij +anders bij gebreke van commercium toch niets aan het ius italicum +zouden gehad hebben. De stelling mag echter niet omgekeerd worden: +als eene provinciestad de civitas heeft, dan volgt hieruit nog niet +het ius italicum. Tevens vloeit uit dit recht voort, dat de stad, +daar zij niet langer als provinciestad beschouwd wordt, aan het +rechtstreeksch bestuur van den stadhouder onttrokken wordt, en de +vrijheid eener italische stad verkrijgt. Dit recht werd alleen aan +koloniën geschonken; vandaar dat somtijds provinciesteden om het ius +coloniae verzochten, in de hoop, later het ius italicum te verwerven. + +Ius Latii. De coloniae latinae populi Romani werden als socii Latini +beschouwd. Zij hadden met Rome conubium en commercium, en hare +inwoners konden onder zekere omstandigheden het rom. burgerrecht +erlangen. Ten opzichte van dit laatste onderscheidde men een Latium +maius en minus. In de steden, welke het L. minus hadden, werd het +rom. burgerrecht verkregen door het bekleeden van een overheidsambt, in +die met het L. maius reeds door het lidmaatschap van den stedelijken +senaat, den ordo decurionum. Toen in 90 en 89 geheel Italia door +de lex Iulia en de lex Plautia Papiria het burgerrecht verkreeg, +en in 89 Gallia Cispadana door de lex Pompeia, en Transpadana in +49 door eene andere lex Iulia, verdween het ius Latii in Italië, +doch werd vervolgens aan een aantal provinciesteden toegekend als +een tusschentoestand tusschen den staat van peregrinus en dien van +civis. Zie ook lex Iunia Norbana. + +Ius liberorum. De lex Iulia et Papia Poppaea (z.a.), in het jaar +8 na C., schonk, tot aanmoediging van het huwelijk, voorrechten +aan ouders van drie of meer wettige kinderen. O.a. ontsloeg zij +vrijgeboren vrouwen na den dood harer echtgenooten van voogdij, +indien zij vier kinderen hadden. Aan mannen schonk het ius liberorum +een voorrang bij het dingen naar een ambt, een zekeren vrijdom van +lasten, enz. Meermalen echter komt het voor, dat de keizers het ius +liberorum uit gunst verleenen, zelfs aan personen zonder kinderen. + +Ius naturae, bij de Rom. synoniem met ius gentium. + +Ius Papisianum (Papirianum), eene verzameling wetten, zoogenaamd +uit den koningstijd (leges regiae), voornamelijk op den eeredienst +betrekking hebbende. Zij draagt haar naam naar zekeren Sextus +v. a. Gaius Papisius (Papirius), omtrent wien overigens niets bekend +is. Een uittreksel hiervan maakte Granius Flaccus, z. Granii no. 1. + +Ius pontificium of sacrum, het sacrale recht, in zaken, die +den godsdienst raakten, zooals het was opgeteekend in de libri +pontificum. Zie ook iurisconsulti in het begin. + +Ius postliminii. Volgens dit recht trad de rom. burger, die door +krijgsgevangenschap tijdelijk zijn burgerrecht had verloren, bij +zijn terugkeer op rom. bodem onmiddellijk weder in het bezit zijner +vroegere rechten. + +Ius praetorium = ius honorarium. + +Ius Quiritium of Quiritarium. Terwijl het ius civitatis de +staatsburgerlijke rechten van den rom. burger omvatte, heeft ius +Quiritium meer eene privaatrechtelijke beteekenis, ofschoon men dit +niet hebben kan zonder civis te zijn. Onder de keizers, toen door +de alleenheerschappij de staatsburgerlijke rechten vrij wel gelijk +nul waren geworden, krijgt civitas de beteekenis van burgerrecht +als ondeelbaar geheel, en zegt men dus van een peregrinus, die +rom. burger wordt, dat hij het ius civitatis krijgt, terwijl dan +een Latinus (zie ius Latii), die reeds een deel van het burgerrecht, +conubium en commercium, heeft en dus slechts eene aanvulling krijgt, +gezegd wordt het ius Quiritium te erlangen. + +Ius sacrum, zie ius pontificium. + +Iustina, de schoone en verstandige gemalin van keizer Valentinianus I +(364-375 na C.). Na zijn dood nam zij als regentes voor hun vierjarig +zoontje Valentinianus II, die samen met zijn halfbroeder Gratianus +tot Augustus was uitgeroepen, de regeering waar. + +Iustinus, 1) de schrijver der Historiae Philippicae (waarschijnlijk uit +de derde eeuw n. C.), die behalve een algemeen historisch overzicht, +meer in het bijzonder de geschiedenis van Macedonia bevatten. Het werk +is een uittreksel van een veel grooter werk onder denzelfden titel +geschreven door Trogus Pompeius, ten tijde van Augustus.--2) Justinus +Martyr uit Flavia Neapolis in Palaestina, was eerst heiden, maar ging +later tot het Christendom over, en onderging den martelaarsdood in +165 n. C. Hij is de schrijver van een apologie in twee deelen en +andere werken. Vele werken die hem vroeger toegeschreven werden, +zijn niet van hem. + +Iustitium, stilstand van rechtszaken en tevens van alle openbare +aangelegenheden. In tijden van nood en gevaar en algemeene +verslagenheid werd somtijds bij senaatsbesluit zulk een algemeene +stilstand van zaken afgekondigd. Onder de keizers komt zulk een +iustitium (van ius en sistere) alleen voor bij gewichtige sterfgevallen +in de keizerlijke familie. + +Iuthungi, een germaansche stam, tot de Sueven behoorend, en verwant +met de Alemannen, waarin ze later opgaan. Ze komen voor het eerst in +de 3de eeuw n. C. voor; ze woonden ten N. van Vindelicia en Raetia. + +Iuturna, oudtijds ook Diuturna geheeten, nimf van eene bron in Latium +bij de rivier de Numicus, waarvan het water genezende kracht had en +te Rome bij vele offers gebruikt werd. Jupiter beminde haar en schonk +haar tot loon voor hare wederliefde de onsterfelijkheid. Bij Janus werd +zij moeder van Fontus. Zij was de zuster van Turnus, dien zij in den +strijd tegen Aeneas bijstond, totdat Jupiter haar door de Dirae liet +verjagen. Te Rome had zij een tempel, en vierde men te harer eer den +11den Januari een feest, de Iuturnalia; bovendien werd zij in tijden +van droogte aangeroepen. De aan haar gewijde lacus Iuturnae bij den +tempel van Castor en Pollux aan den voet van den Palatinus is bij de +opgravingen van 1900-1902 weer te voorschijn gekomen. + +Iuvavum, thans Salzburg, aan den Iuvavus (Salzach), eene belangrijke +stad in Noricum. + +Iuvenalis (D. Iunius), geboren te Aquinum in Latium, genoot eene +rhetorische opleiding, doch is vooral bekend als hekeldichter onder de +regeering van Traianus. In zijne 16 satiren geeselt hij met bitteren +spot en verontwaardiging het zedenbederf van zijn tijd, doch niet +zonder zich aan rhetorische overdrijving schuldig te maken. Volgens een +verhaal, dat door sommigen betwijfeld wordt, zou hij onder Traianus +in Aegypte, waar hij een militaire betrekking bekleedde, op hoogen +leeftijd gestorven zijn. + +Iuvencus (C. Vettius Aquilius), een Spaansch presbyter, gaf in 329 of +330 n. Chr. in epische versmaat in den trant van Vergilius in 4 boeken +een bewerking der Evangeliën uit, waarbij hij vooral Matthaeus volgt. + +Iuventii, een geslacht, uit Tusculum afkomstig. 1) M. Iuventius Thalna, +in 170 volkstribuun, de eerste uit dit geslacht die het consulaat +bekleedde (163), onderwierp Corsica en bleef plotseling dood, op +het oogenblik dat hij de dankbetuiging van den senaat ontving.--2) +P. Juventius, werd als praetor door Andriscus in Macedonia verslagen, +en sneuvelde (149).--3) M. Iuventius Laterensis leed bij zijne +candidatuur voor de aediliteit in 55 eene nederlaag, en klaagde +hierop zijn gelukkiger mededinger Cn. Plancius aan van het oprichten +van onwettige kiesvereenigingen (sodalitia) tot het omkoopen van +stemmen. Cicero, schoon met Juventius bevriend, verdedigde Plancius, +aan wien hij verplichting had. Na Caesars dood werd Juventius legaat +van Lepidus, doch zag zijne troepen tot M. Antonius overloopen, en +bracht toen zichzelf om het leven.--4) schrijver van fabulae palliatae +(2de eeuw).--5) P. Iuventius Celsus, twee beroemde rechtsgeleerden, +vader en zoon, de eerste ten tijde van Vespasianus, de tweede onder +Domitianus, Nerva, Traianus en Hadrianus. + +Iuvernia, Ivernia = Hibernia (Ierland). + +Ixion, Ixion, zoon van Ares of Phlegyas, koning der Lapithen. Hij +was gehuwd met de dochter van Deïoneus, en toen deze de gewone +bruidsgeschenken van hem vorderde, noodigde Ix. hem bij zich en stortte +hij hem in een vuurpoel. Niemand wilde hem van die schuld reinigen, +maar Zeus, die hem genegen was, deed het en liet hem tot de tafel der +goden toe. Zelfs toen hij Hera met zijne liefde vervolgde, vergaf Zeus +hem, en om hem tevreden te stellen, schiep hij een wolk (Nephele) in +de gedaante van Hera, die bij Ix. moeder werd van de Centauren. Toen +hij zich echter op de gunst van Hera begon te beroemen, wierp Zeus +hem in den Tartarus, waar hij aan een vurig rad gebonden werd, dat +altijd ronddraait. + +Ixionides, Ixionides, Pirithoüs en de Centauren, zonen van Ixion. + +Iynx, Iynx, dochter van Peitho of Echo, die door toovermiddelen Zeus +had doen ontbranden in liefde voor Io. Daarom veranderde Hera haar +in een vogel, die als toovermiddel gebruikt wordt om liefde op te +wekken. Men bond hem daartoe op een rad met vier spaken, dat men onder +het uitspreken van tooverwoorden ronddraaide. Iason zou dit middel +van Aphrodite geleerd en daarmede het hart van Medea gewonnen hebben. + + + + + + +K. + + +Kakosis goneon, orphanon, etc., slechte behandeling van ouders, +familieleden, echtgenooten, pupillen, enz., mishandeling, onthouding +van onderstand en dgl. Wie zich hieraan schuldig maakte, konde door +eisangelia of apagoge voor den archont gebracht worden; de straf werd +naar omstandigheden bepaald, op k. goneon stond atimie. + +Kakotechnion dike, aanklacht wegens bedrog of valschheid, vooral in +rechtszaken, in het bijzonder knoeierij met getuigen. + +Kalendae = Calendae. + +Karchedon = Carthago. + +Karthago = Carthago. + +Katakekaumene (sc. chora), het O. deel van Lydia, aldus genoemd, +omdat de bodem van vulkanischen aard was, asphalt en lava bevatte en +hierdoor zwart van kleur was, alsof de grond verbrand was. + +Kataklesia = katakletos ekklesia, zie ekklesia. + +Katalogos, lijst van burgers, die met uitsluiting van anderen een +of ander recht of verplichting hebben. In het bizonder de lijst, +waarop aangeteekend was in hoever zij tot den krijgsdienst verplicht +waren, welke verplichting verschillend was naar verhouding van het +vermogen. Het vervullen van den dienstplicht door hen, die op deze +lijst stonden, heet ek katalogou strateuein; armere burgers, die er +niet op stonden, werden alleen in buitengewone gevallen opgeroepen. + +Katalysis tou demou, omverwerping der democratie of de poging daartoe, +werd langs den weg der eisangelia voor de rechtbank der thesmotheten +gebracht en naar goedvinden der rechters bestraft, waarschijnlijk +meestal met den dood. + +Katoikoi, z. Cleruchia, aan het slot. + +Keadas of kaiadas, afgrond in den Taygetus, ten W. van Sparta, met +bijna loodrechte wanden. Ter dood veroordeelden werden hierin geworpen, +o. a. Aristomenes, de held van den tweeden messenischen oorlog. + +Keres, (ook in het enkelvoud), godinnen van den gewelddadigen dood, +vooral op het slagveld, waar zij tot het gevolg van Ares behooren. Zij +worden dochters van Nyx, zusters van Morus en Thanatus genoemd. Later +kregen zij de beteekenis van straffende en wrekende godinnen en meer +algemeen van eene personificatie van al wat het leven vernietigt, +ziekte, kommer, enz. + +Kerkyra, Kerkyra = Corcyra. + +Keryx, heraut, iemand die een koning, ambtenaar of priester bij +zijne ambtsverrichtingen ter zijde staat, officiëele bekendmakingen +en aankondigingen heeft te doen, enz. De herauten werden als heilig +en onschendbaar beschouwd en genoten groot aanzien. In de familie +der Kerykes te Athene (z. Ceryx) waren verscheiden priesterlijke +waardigheden erfelijk, o. a. die van den keryx of hierokeryx bij de +eleusinische mysteriën. + +Klarotai, aphamiotai, lijfeigenen op Creta, waren in denzelfden +toestand als de spartaansche heloten. + +Klerouchia, z. Cleruchia, z. ook apoikia. + +Kleter, kletor, in een proces de getuige, die bij de dagvaarding +(prosklesis) van den aangeklaagde tegenwoordig geweest is, en bevestigt +dat die dagvaarding in den behoorlijken vorm heeft plaats gehad. + +Koine, he koine dialektos, gemeen grieksch, de taal, die sedert +Alexander algemeen in Griekenland en het Oosten gesproken werd, en +waarin ook de meeste boeken van het Nieuwe Testament en de Septuaginta +(z. a.) geschreven zijn. + +Kolakretai, oorspronkelijk zij, die bij groote offerfeesten van +het vleesch der offerdieren een openbaren maaltijd bezorgden, later +ambtenaars bij het financiewezen. Clisthenes beperkte hun werkkring, +en in 410 zijn zij afgeschaft; in hun plaats traden de apodektai. + +Korynephoroi, eigenlijk knotsdragers; te Sicyon lijfeigenen van +denzelfden oorsprong en in denzelfden toestand als de spartaansche +heloten. + +Kosmoi, tien magistraten op Creta, wier bevoegdheden overeenkwamen +met die der spartaansche ephoren. Een van hen, de protokosmos, gaf +zijn naam aan het jaar. + +Koureotis, de derde dag der Apaturia. + +Kriou metopon, 1) Z.W.-kaap van Creta.--2) Z. kaap der Chersonesus +Taurica (Krim). + +Krypteia, soms beschouwd als eene jacht op heloten, die van staatswege +aan de spartaansche jongelingen werd opgedragen; inderdaad eene +oefening als voorbereiding tot den krijgsdienst, waarbij de jonge +burgers het land in alle richtingen doorkruisten, vooral op de +bewegingen der heloten acht gaven, en hen bij ieder vergrijp of bij +de minste verdachte handeling terstond doodden. + +Kyrbeis, z. Axones. + +Kyria ekklesia, z. ekklesia. + +Kyrios, degene, die over iemand of iets te beschikken heeft, in het +bizonder degene, die een ander in rechten of in zijne betrekkingen +tot vreemden vertegenwoordigt, zooals de vader of voogd voor onmondige +kinderen, de man voor zijne vrouw, enz. + + + + + + +L. + + +Labarum, de keizerlijke standaard, door Constantijn den +Gr. ingevoerd. Hij bestond uit een rijk geborduurd zijden vaandel +met het monogram van J. C., hangende aan een stok in den vorm van +een kruis. + +Labda, Labda, dochter van Amphion, moeder van Cypselus. + +Labdacidae, Labdakidai, de zoon en verdere afstammelingen van Labdacus: +Laïus, Oedipus, Eteocles en Polynices. + +Labdacus, Labdakos, zoon van Polydorus en Nycteis, koning van +Thebe. Gedurende zijne minderjarigheid stond hij onder de voogdij +van zijn grootvader Nycteus, later onder die van zijn oudoom Lycus. + +Labeates, dapper volk in Dalmatia met de hoofdstad Scodra (Scutari). + +Labeo, familienaam in de gens Antistia en de gens Fabia (Fabii no. 27). + +Laberii, een plebejisch geslacht, waarvan het meest bekende lid +Dec. Laberius is (105-43), rom. ridder en beroemd mimendichter. In +weerwil van zijn rang dwong Caesar hem in 45 zelf als acteur op +te treden en zich te meten met Publilius Syrus, tooneelspeler van +beroep. Over deze diepe vernedering wreekte Laberius zich met bijtenden +spot in een proloog, die nog bestaat. + +Labicum, Labici, Labikon, oude stad van Latium, die zich met de Aequi +verbonden had en daarom door de Rom. veroverd werd. Zij lag niet ver +van Tusculum aan de via Labicana. + +Labiena (lex), zie Attia (lex). + +Labieni. 1) T. (Attius) Labienus, volkstribuun in 63 (z. Attia +(lex)), klaagde Rabirius (z. a.) aan, en was later Caesars voornaamste +legaat in Gallia, waar hij door beleid en onversaagdheid uitmuntte, +ging uit eerzucht in 49 tot de partij van Pompeius over. Na den slag +bij Pharsalus vluchtte hij naar Africa, en later na de nederlaag +van Thapsus naar Hispania, waar hij in 45 bij Munda sneuvelde.--2) +Q. (Attius) Labienus, zoon van no. 1, werd door Brutus en Cassius +naar den parthischen koning Orodes gezonden om hulp te vragen. Op het +bericht dat beiden bij Philippi waren omgekomen (42), bleef hij aan +het parthische hof, en viel met Orodes' zoon Pacorus aan het hoofd +van een parthisch leger in Syria, drong zelfs tot Caria door, doch +werd in 39 door P. Ventidius, legaat van Antonius, verslagen. Door +de Parthen verlaten, week hij naar Cilicia, waar hij op last van +Ventidius werd omgebracht.--3) Labienus, die tijdens Sulla een +werkzaam aandeel nam aan het ombrengen van vogelvrijverklaarden, +werd na Caesars dood zelf op de lijst der proscripti gebracht en +bezat moed genoeg om niet te vluchten, maar vóór zijne woning den +dood af te wachten. Daar van dezen Labienus overigens niets bekend is, +vermoedt men, dat de naam in den Griekschen tekst verschreven is.--4) +T. Labienus, geschiedschrijver en redenaar, behoorde als republikein +tot de hevigste tegenstanders van Augustus, zóó zelfs, dat sommigen +hem spottend Rabienus noemden. Toen de senaat de verbranding zijner +geschriften had bevolen, trok hij zich dit zóózeer aan, dat hij stierf. + +Labotas, Labotas, 1) koning van Sparta, vierde Agide, reg. 995-958; in +zijn tijd begonnen de twisten met Argos over Cynuria.--2) spartaansch +harmost in het thessalische Heraclea, 409. + +Labranda, ta Labranda, Labraunda, vlek in Caria ten N. van de stad +Mylasa, met een tempel van Zeus. + +Labrum, een groote steenen of metalen kuip tot allerlei gebruik, +vooral het koudwaterbekken in de heete badzaal der badhuizen. + +Labynetus, Labynetos, 1) koning van Babylon, die den vrede tusschen +Cyaxares en Alyattes (z. a.) bewerkte, waarschijnlijk dezelfde als +Nebucadnezar.--2) = Belsazar, laatste koning van Babylon, die in 538 +door Cyrus van zijn rijk beroofd werd. + +Labyrinthus, labyrinthos, gebouw, bestaande uit een ingewikkeld +stelsel van vertrekken en gangen, zoodat het moeilijk is zijn weg +er in te vinden. De naam is v.s. ontleend aan het gebouw, dat de +aegyptische koning Amenehma III aan het meer Moeris bij Arsinoë +liet bouwen (Loperohunt = paleis aan den ingang van het meer), +v. a. afgeleid van labrys, de dubbele bijl, een heilig symbool, +dat men op vele monumenten van Cnosus vindt. Waarschijnlijk was het +aegyptische lab. eene vereeniging van 12 paleizen onder één dak voor de +12 nomen of distrikten van Aegypte; het bevatte 3000 kamers, waarvan de +helft onder den grond lag en voor vreemden niet toegankelijk was. Op +Samus had Polycrates door verscheiden bouwkundigen een lab. laten +aanleggen. Ook het grafteeken van koning Porsena van Clusium wordt +een lab. genoemd. Het lab. van Creta, door Daedalus aangelegd en tot +verblijf voor den Minotaurus dienend, wordt eerst door schrijvers van +lateren tijd vermeld, vandaar de meening, dat de verhalen omtrent dit +bouwwerk mythisch zijn, en dat de uitgebreide steengroeven van Creta +er toe aanleiding gegeven hebben. Anderen meenen, dat het bij Cnosus +door Evans opgegraven paleis van Minos aanleiding gegeven heeft tot +het ontstaan van de sage. + +Lacedaemon, Lakedaimon = Sparta. + +Lacerna, ruime mantel, voor aan den hals met een gesp of haak gesloten +en vaak van een kap (cucullus) voorzien, dien men bij regen over het +hoofd trok. + +Lacetani, volk in het N.O. van Hispania Tarraconensis, in een +bergachtige streek, misschien dezelfden als de Iacetani. + +Lachares, Lachares, atheensch demagoog, kreeg na den slag bij Ipsus +als aanhanger van Cassander grooten invloed, en wierp zich na diens +dood als tyran op (297). Hij roofde, om aan geld te komen, o.a. de +gouden mantel der godin, z. Athenae p. 102. Toen Athene zich aan +Demetrius Poliorcetes overgaf, vluchtte hij naar Boeotië en werd hij +te Coronea vermoord. + +Laches, Laches, Athener, zoon van Melanopus, bevelvoerder van de vloot, +die in 427 naar Leontini gezonden werd. In 425 werd hij teruggeroepen +en door Cleon aangeklaagd, in den slag bij Delium diende hij als +hopliet. Hij was werkzaam bij de onderhandelingen over den vrede van +Nicias, en sneuvelde in den slag bij Mantinea (418). Een gesprek van +Plato over de dapperheid is naar hem genoemd. + +Lachesis, Lachesis, zij die het lot uitdeelt, eene van de Moerae, +in lateren tijd afgebeeld met een aardbol, waarop zij 's menschen +lot aanwijst. + +Laciadae, Lakiadai, demus in Attica, ten W. van Athene. + +Lacinia, bijnaam van Juno, naar haar beroemden tempel bij het +voorgebergte Lacinium. + +Lacinium promunturium, Lakinion akron, kaap in Z. Italia, bij Croton, +met een beroemden tempel van Iuno Lacinia; thans kaap Nao. + +Lacmon of Lacmus, Lakmon, noordelijkst gedeelte van het Pindusgebergte. + +Laconica, Lakonike, Z.O. gewest der Peloponnesus, het land der +Spartanen, vóór de dorische verovering door Achaeërs bewoond. De +bevolking bestond uit drie klassen: de Spartiatae of Spartani, +de afstammelingen der dorische veroveraars, die alleen het +volledige burgerrecht bezaten,--de Lacedaemonii of Perioeci, die +van de oude achaeïsche bevolking afstamden en vrij waren en in wier +handen nijverheid en handel waren,--de Helotes, die servi publici +waren. Het bestuur bestond uit twee koningen, één uit het stamhuis +der Agiden of Agiaden en één uit dat der Procliden of Eurypontiden, +uit den senaat van 28 leden en uit eene volksvergadering zonder +recht van discussie. Het hoogste gezag was echter in handen van de +5 ephori, een collegie, dat slechts voor een jaar gekozen werd, doch +waaraan zelfs de koningen gehoorzaamden. Beroemd waren de laconische +wapenen, schoeisel en mantels. Laconica was de militaire grieksche +staat bij uitnemendheid; de zoog. wetten van Lycurgus waren er +bij uitstek op aangelegd, soldaten te vormen. Onder de bijzondere +eigenaardigheden behooren: de opvoeding der knapen vanwege den +staat, de gemeenschappelijke maaltijden of syssitia, de wetten tegen +weelde. In Laconica behooren de mythen te huis van Leda en van Castor +en Pollux. + +Laconicum, z. balneum. + +Lactantius Cae(ci)lius Firmianus, uit Africa, leerling van +Arnobius, kwam tegen het einde der 3de eeuw na C. als rhetor naar +Nicomedea. Later, ± 312, werd hij door Constantijn (den Gr.), toen nog +te Trier, tot leeraar van diens zoon Crispus aangesteld. Lactantius +werd Christen, toen hij reeds op eenigsins gevorderden leeftijd was; +zijn voornaamste werk is de institutiones divinae. Om de klassieke +kleur van zijn stijl wordt hij wel eens de Cicero Christianus +genoemd. Aan hem wordt ook toegeschreven het kleine, maar belangrijke +geschrift: De mortibus persecutorum (einde 313 of begin 314), dat in +het eenige H. S. op naam staat van L. Caecilius. + +Lacunar of laquear, zoldering, waarvan de balken ruiten vormden, +zoogenaamd caissonwerk. Eigenlijk beteekent lacunar slechts de dieper +liggende vakken tusschen de balken. + +Lacus, elk groot open waterbekken; in de huishouding ook open kuipen +om olie, wijn en dgl. in op te vangen en te bewaren. Het woord wordt +ook wel gebezigd voor eene ommuurde, van boven opengelaten plek, die +met een put slechts den vorm gemeen heeft, zooals de lacus Curtius +op het forum te Rome (zie Curtii no. 2). + +Lacydes, Lakydes, van Cyrene, opvolger van Arcesilaus als hoofd der +platonische school (241-215). + +Lade, Lade, eilandje bij Miletus, dat den ingang der haven +dekte. Tegenwoordig is het door aanslibbing met den vasten wal +verbonden. Toen in 494 de Perzen Lade vermeesterd hadden, kon de stad +het niet uithouden. + +Ladon, Ladon, de draak, die de appels der Hesperiden bewaakte. + +Ladon, Ladon, naam van twee rivieren in de Peloponnesus. De grootste +ontspringt in Arcadia en stort zich dicht bij de grens van Elis in +den Alpheus; de andere, in Elis, is een zijtak van den Peneus. + +Laeëtani, Leetanoi, volk in liet N.O. van Hispania aan de kust, +met de hoofdst. Barcino (Barcelona). + +Laelaps, Lailaps, de jachthond van Cephalus, z. Cephalus en Amphitryo. + +Laelii, plebejisch geslacht, waarschijnlijk uit Tibur afkomstig. 1) +C. Laelius, de boezemvriend van Scipio Africanus maior, vergezelde +dezen op zijne veldtochten in Hispania en Africa en nam zelf een +werkzaam aandeel aan de inneming van Carthago nova (209), den slag bij +Baecula (208), de gevangenneming van Syphax (203). Hij was even goed +vlootvoogd als generaal, een man van groote kennis en geleerdheid en +groote welsprekendheid en daarbij iemand van een zeer beminnelijk +karakter. Scipio liet door hem de berichten der verovering van +Carthago nova en van den slag bij Zama naar Rome overbrengen. In 190 +was Laelius consul.--2) C. Laelius, zoon van no. 1, de boezemvriend +van Scipio Africanus minor, door Cicero als spreker ingevoerd in zijne +geschriften de amicitia, de senectute en de republica. Hij vergezelde +Scipio in 147 op diens tocht tegen Carthago en had het hoofdaandeel in +de verovering der carthaagsche binnenhaven Cothon. Als praetor streed +hij in 145 voorspoedig tegen Viriathus in Lusitania. Als consul wilde +hij in 140 de zoogenaamde licinisch-sextische akkerwet vernieuwen, +maar zag er wegens den tegenstand der aanzienlijken van af, hetgeen +hem den bijnaam Sapiens verschafte. Hij deed zijn best om grieksche +beschaving te Rome ingang te doen vinden. Hij was een geleerd man, +dichter en schrijver, en bovenal uitstekend redenaar.--3) Laelia, +twee dochters van no. 2, ook beroemd om hare welsprekendheid.--4) +D. Laelius Balbus, volkstribuun in 54, trad in 59 op als aanklager +van L. Valerius Flaccus (Valerii no. 25), die door Hortensius en +Cicero verdedigd werd. Later koos Laelius de partij van Pompeius +en voerde het bevel over diens vloot (48). Later streed hij onder +Q. Cornificius in Africa en doodde zich, toen deze gesneuveld was (42). + +Laena, chlaina, wollige of harige stof, ook een mantel, die hiervan +vervaardigd was en o. a. bij sommige offers door de flamines gedragen +werd. + +Laenas, familienaam in de gens Popilia. + +Laenii, plebejisch geslacht. Een zijner leden, M. Laenius Flaccus, +rom. ridder, te Brundisium, nam Cicero, toen hij verbannen was, +gastvrij op. Hij was ook een vriend van T. Pomponius Atticus. + +Laërtes, Laertes, zoon van Arcisius en Chalcomedusa, vader van +Odysseus, wordt genoemd als een van de deelnemers aan de calydonische +jacht en den tocht der Argonauten. Hij leefde nog toen zijn zoon na +zijne lange omzwervingen terugkwam, en werd door Athena verjongd, +zoodat hij kon medestrijden tegen de oproerige bewoners van Ithaca. + +Laërtiades, Laertiades, Odysseus, zoon van Laërtes. + +Laespodias, Laispodias, atheensch veldheer in den peloponnesischen +oorlog, werkzaam bij de oligarchische omwenteling van 411. + +Laestrygones, Laistrygones, mythisch volk van menscheneters, in het +verre Westen; later meende men hun woonplaats terug te vinden bij +Leontini op Silicië of bij Formiae. Toen Odysseus in hun land kwam, +regeerde er Antiphates (z.a.). + +Laetorii, plebejisch geslacht, waarvan verschillende leden bij Livius +voorkomen. + +Laevi, ligurische stam in Gallia Transpadana, aan den Ticinus, met +de stad Ticinum (Pavia). V. a. zijn het Kelten. + +Laevinus, familienaam in de gens Valeria. + +Lagus, Lagos, vader van Ptolemaeus I, naar wien de dynastie der +Lagiden genoemd is. + +Laïades, Laïades, Oedipus, zoon van Laïus. + +Lais, Laïs, 1) corinthische hetaere, de schoonste vrouw van haar tijd; +Diogenes en Aristippus behoorden tot hare aanbidders.--2) van Hyccara, +dochter van Timandra, leefde als hetaere te Corinthe, waar Apelles en +Hyperides haar bezochten. In Thessalië werd zij, naar men verhaalde, +vermoord door vrouwen, die haar hare buitengewone schoonheid benijdden. + +Laïus, Laios, zoon van Labdacus, koning van Thebe, leefde in zijn +jeugd eenigen tijd als balling in de Peloponnesus en kon eerst na +den dood van Amphion en Zethus in zijn vaderland terugkeeren. Hij was +gehuwd met Iocaste, die hem een zoon baarde, Oedipus; daar een orakel +voorspeld had, dat hij door zijn zoon gedood zou worden, en dat deze +daarna met Iocaste zou trouwen, gaf hij het kind aan een herder om het +op den Cithaeron te dooden. De herder volbracht zijn last echter niet, +het kind groeide op, ontmoette vele jaren later zijn vader, geraakte +met hem in twist en doodde hem zonder hem te kennen; z. Oedipus. + +Laletani = Laeëtani. + +Lamachus, Lamachos, zoon van Xenophanes, atheensch veldheer in den +peloponnesischen oorlog, een man van grooten persoonlijken moed, +ook in zijn uiterlijk en manieren geheel en al soldaat. In 437 +verdreef hij den tyran Timasilaus uit Sinope. Hij was een van de +onderteekenaars van den vrede van Nicias, en had met dezen en met +Alcibiades het opperbevel bij den tocht naar Sicilië; zijn raad om +onmiddellijk Syracusae aan te vallen werd echter niet opgevolgd. Hij +sneuvelde in een gevecht tegen de Syracusanen, 414. + +Lamia, Lamia, lybische koningin, die door Zeus bemind werd. Uit +jaloerschheid beroofde Hera haar van al hare kinderen, en sedert dien +tijd rooft zij de kinderen van anderen om ze te dooden. Daarom werd +haar naam gebruikt om kinderen bang te maken.--De naam komt ook in +het meervoud voor en beteekent dan spookachtige wezens, die kinderen +en schoone jongelingen tot zich lokken, hun bloed uitzuigen en hun +vleesch opeten. + +Lamia, familienaam in de gens Aelia, z. Aelii no. 6. + +Lamia, Lamia, thans Zeitoun, stad in het gebied der Maliërs, bekend +door den lamischen oorlog (323). + +Lamische oorlog heet de oorlog, dien de Grieken na den dood van +Alexander voerden om zich van de macedonische heerschappij te +ontslaan. De beweging ging van Athene uit, en het leger, dat voor +een deel uit huurlingen bestond en waarvoor een aantal grieksche +staten manschappen geleverd hadden, werd aangevoerd door Leosthenes, +een Athener. In het begin kon Antipater geen voldoend leger tegen hem +in het veld brengen, hij verloor een slag bij Heraclea en werd in de +vesting Lamia ingesloten. Toen echter Leosthenes gesneuveld was en +Antipater groote versterking uit Azië gekregen had, besliste de slag +bij Crannon (322) den oorlog ten nadeele van de Grieken. Daar Antipater +slechts met iederen staat afzonderlijk in onderhandeling wilde treden, +werden de Atheners en Aetoliërs door hunne bondgenooten verlaten; +Athene moest macedonische bezetting innemen, de anti-macedonische +redenaars uitleveren, eene beperkte democratie invoeren, enz. De +Aetoliërs bedongen gunstiger voorwaarden, daar Antipater spoedig +wegens den loop der zaken in Azië Griekenland verlaten moest. + +Lampadedromia, lampadephoria, lampas, lampados agon, fakkelwedloop, +te Athene en elders bij eenige feesten gehouden; de mededingers, die +soms te paard zaten, kregen elk een fakkel in de hand, overwinnaar +was hij die het eerst het doel bereikte, zonder zijn fakkel te laten +uitgaan. Het dragen van de onkosten hiervan behoorde tot de liturgieën. + +Lampetia, Lampetie, dochter van Helius en Neaera. Zij bracht aan haar +vader het bericht, dat zijne runderen op het eiland Thrinacia door +de tochtgenooten van Odysseus geslacht waren. + +Lampon, Lampon, waarzegger te Athene, door de blijspeldichters +dikwijls als huichelaar bespot, aanvoerder der atheensche kolonie, +die Thurii stichtte (444). + +Lamponium, Lamponion, aeolische stad in het Z.W. van Troas, ook +Lamponia genoemd. + +Lamponius (M.), een Lucaniër, een van de aanvoerders der italische +bondgenooten in den marsischen oorlog. Later sloot hij zich aan bij +den jongen Marius en sneuvelde in 82 bij Porta Collina. + +Lampridius (Aelius), rom. geschiedschrijver uit de 3de eeuw na C., +een van de scriptores historiae Augustae, de levensbeschrijver der +keizers Commodus, Diadumenianus (het zoontje van Opellius Macrinus), +Heliogabalus en Alexander Severus. + +Lamprus, Lampros, beroemd toonkunstenaar, v. s. leermeester van +Sophocles en Socrates. + +Lampsacus, Lampsakos, in Troas aan den Hellespont, vroeger Pityussa +geheeten, phocensische kolonie, eene der drie steden, waarvan +Artaxerxes I de inkomsten aan Themistocles schonk. Hier was de +eeredienst gevestigd van Priapus, den god der tuinen, die door +Aphrodite te Lampsacus ter wereld was gebracht. + +Lamptrae, Lamptrai, twee attische demen, de ééne aan de Z.W. kust van +Attica, niet ver ten Z.O. van kaap Zoster, de andere ten N. daarvan. + +Lamus, Lamos, zoon van Poseidon, koning der Laestrygonen, mythisch +stichter van Formiae (Lami urbs, Laestrygonia). + +Lamus, Lamos, riv. en stad in Cilicia. + +Lancia, Lankia, sterke vesting der Astures in Tarraconensis. + +Langobardi, zie Longobardi. + +Lanista, schermmeester, die gladiatores oefende en verhuurde. + +Lanuvium, Lanouion, stad in Latium, aan de via Appia en den albaanschen +berg, één van de steden van den latijnschen bond, waarmede Rome na +den slag bij den lacus Regillus het eeuwig verbond gesloten heeft, +geboorteplaats van Antoninus Pius, met een beroemden tempel van +Juno Sospita. + +Laocoon, Laokoon, zoon van Antenor of broeder van Anchises, priester +van Apollo te Troje. Hij zou na het vertrek der Grieken aan Poseidon +een dankoffer brengen, toen plotseling twee reusachtige slangen +verschenen, die hem met zijne beide zonen doodden. Dit lot was de straf +voor eene beleediging, aan Apollo aangedaan, v. s. doordat hij tegen +den wil van dien god getrouwd was, of Athena wreekte zich op deze +wijze, omdat hij aangeraden had het door de Grieken achtergelaten +houten paard te verbranden, en zelfs zijn lans er tegen geworpen +had.--De hierbij afgebeelde groep, waarvan het oorspronkelijke zich +in het museum van het Vaticaan bevindt, is het werk van drie rhodische +beeldhouwers, Agesander, Polydorus en Athenodorus, die waarschijnlijk +niet, zooals men vroeger aannam, in de laatste helft der derde, +maar in de 2de helft der eerste eeuw v. C. leefden. + +Laodamas, Laodamas, 1) zoon van Eteocles, koning van Thebe; in den +oorlog der Epigonen doodde hij Aegialeus, den zoon van Adrastus; hij +leed echter de nederlaag en sneuvelde of vluchtte met het overschot +van zijn leger naar Illyrië.--2) zoon van Antenor, door Aiax no. 2 +gedood.--3) zoon van Alcinous. + +Laodamia, Laodameia, 1) dochter van Bellerophon, bij Zeus moeder van +Sarpedon, door Artemis gedood.--2) dochter van Acastus, gehuwd met +Protesilaus. Toen zij den dood van haar echtgenoot vernam, smeekte zij +de goden zoo dringend hem slechts voor weinige uren tot haar te laten +terugkeeren, dat zij hare bede niet konden weigeren; toen de tijd, +die hem was toegestaan, verstreken was, volgde zij hem in den dood. + +Laodice, Laodike, 1) eene nimf, bij Phoroneus moeder van Niobe en +Apis.--2) dochter van Priamus en Hecabe, gehuwd met Helicaon, zoon +van Antenor.--V. a. was zij bij Acamas no. 1, moeder van Munitus, +en toen deze aan een slangebeet stierf, stortte zij zich van een +rots of werd zij door de aarde verzwolgen.--3) = Electra no. 4.--4) +moeder van Seleucus I, die haar naam aan verscheiden steden gaf. Vele +vrouwen in het geslacht der Seleuciden droegen dezen naam, o. a. de +gemalin van Antiochus II (z. a.). + +Laodicea, Laodikeia, naam van verschillende steden, door Seleucus I +naar zijne moeder Laodice genoemd. 1) L. ad mare, he epi te thalatte, +bloeiende stad op de syrische kust ten Z. van Antiochia, onder +de rom. keizers kolonie met het ius italicum.--2) L. ad Libanum, +he pros Libano, in het Z. van Coelesyria, wegens de veelvuldig +voorkomende schurftziekte Scabiosa bijgenaamd.--3) L. ad Lycum, +he pros to Lyko, aanzienlijke handelsstad in Phrygia, dicht bij +Colossae, hoofdplaats van een rom. rechtsgebied.--4) L. combusta, +he katakekaumene, in Lycaonia. + +Laomedon, Laomedon, 1) zoon van Ilus en Eurydice, koning van Troje. Hij +omgaf de stad met een muur, en bij dit werk hielpen hem Apollo en +Poseidon, hetzij vrijwillig, hetzij tot straf voor verzet tegen Zeus; +z. Aeacus. Toen het werk voltooid was, weigerde Laom. echter den goden +het bedongen loon te betalen, daarom zond Poseidon een zeemonster +dat het land verwoestte. Om den toorn der goden te bevredigen, +zou Hesione, de dochter van Laom., aan dit monster geofferd worden, +toen juist Heracles, van zijn tocht naar de Amazonen terugkeerend, +in Troje aankwam en op zich nam de jonkvrouw te redden, waarvoor +Laom. hem de goddelijke paarden van Tros (z. Ganymedes) zoude +geven. Toen het monster echter gedood was, weigerde Laom. ook +thans zijne belofte te vervullen. Heracles vertrok, maar kwam +later met schepen terug, verwoestte de stad, en doodde Laom. met al +zijne zonen, behalve Podarces.--2) van Mytilene, door Philippus van +Macedonië verbannen, maar na diens dood door Alex. teruggeroepen. Hij +vergezelde Alex. als tolk op zijne tochten en had het opzicht over +de krijgsgevangenen. Later werd hij satraap van Syrië, van waar hij +echter in 320 door Nicanor verjaagd werd. + +Laomedontiades, Laomedontiades, Priamus, zoon van Laomedon. Soms worden +ook de Trojanen of de Romeinen, als hunne afstammelingen, zoo genoemd. + +Lapathus, Lapathos, aanzienlijke stad aan de N.-kust van Cyprus. Een +ander Lapathus (gen. -untis) was een vlek aan den Noordkant van het +dal Tempe. + +Laphystius, Laphystios, bijnaam van Zeus, naar den gelijknamigen berg +in Boeotië, waar hem in ouden tijd menschenoffers gebracht werden, +z. Athamas. + +Laphystius, Laphystios, berg in Boeotia, tusschen Lebadea en Coronea, +met een tempel van Zeus Laphystius. + +Lapidei campi, zie campi lapidei. + +Lapis quadratus = Opus quadratum. + +Lapithae, Lapithai, een thessalisch volk, afstammend van Lapithes, +zoon van Apollo en Stilbe. Op de bruiloft van hun koning Pirithoüs +beproefden de Centauren, die als gasten tegenwoordig waren, de bruid +en andere vrouwen te ontvoeren, waardoor een strijd ontstond, die met +de volkomen vernietiging der Centauren eindigde. In den oorlog tegen +Aegimius werden de Lapithen op hun beurt door Heracles, bondgenoot +van Aegimius, verslagen. + +Laquear = lacunar. + +Lara = Larunda. + +Laranda, ta Laranda, aanzienlijke stad in het Z. van Lycaonia, in +het Taurusgeb., een isaurisch zeerooversnest. + +Lararium, zie Lares. + +T. Larcius Flavus, zie Lartii no. 2. + +Larentia, zie Acca Larentia. + +Larentalia, een lijkofferfeest te Rome op 23 Dec. ter eere van Acca +Larentia. + +Lares, zijn oorspronkelijk beschermgeesten van de velden, en werden +aan de compita (zie compitalia) vereerd; de Larenkapel staat daar, +waar meerdere grondstukken aan elkaar grenzen, en heeft zooveel +ingangen als er grondstukken zijn; ieder eigenaar offert op een +altaar op eigen grond. Naast de Lares compitales vindt men in elk +huis een Lar familiaris, die aan den huiselijken haard vereerd wordt, +en de beschermgeest is van het huis. Later spreekt men van Lares +(domestici). Oudtijds vond men hunne beelden in het atrium, later +bewaarde men ze in een afzonderlijke kast, lararium, die bij den ingang +van het huis of bij de slaapkamer stond. In den keizertijd worden +gewoonlijk twee Lares afgebeeld, als dansende jongelingen, en tusschen +hen in de Genius van den huisheer. Hun altaar was de huiselijke haard, +waarin men bij iederen maaltijd een deel van de spijzen als offer +voor de Lares wierp; bovendien bracht men hun offers op de Kalendae, +Nonae en Idus van iedere maand, bij alle familiefeesten, in sommige +gezinnen zelfs elken dag.--Maar niet alleen ieder huis en ieder +compitum, ook vele andere plaatsen staan onder de hoede der Lares, +die met een gemeenschappelijken naam L. publici genoemd worden. Onder +deze staan vooraan de L. urbani of praestites, beschermgoden van den +geheelen staat, Romulus, Remus, Acca Larentia e. a., verder L. viales, +militares, enz. + +Largitio, elke uitdeeling of geschenk aan het volk, o.a. spelen, +gastmalen, uitdeeling van geld, enz. Over de geregelde uitdeelingen +van koren van staatswege beneden den kostenden prijs zie men +annona. Over de buitengewone uitdeelingen op kosten der gevers zie +men congiarium. Somtijds heeft largitio de slechte beteekenis van +omkooping, vooral wanneer zij wordt aangewend tegenover de iudices +in een gerechtshof, wat slechts al te dikwijls gebeurde. + +Larinum, Larinon, stad der Frentani in Samnium, rom. municipium. De +inwoners heeten Frentani Larinates. + +Lari(s)sa, Larissa, 1) stad der Pelasgen, in het thessalische landschap +Pelasgiotis, aan den Peneus. Hier behoorde het vorstengeslacht der +Aleuaden te huis.--2) stad in het thessalische landschap Phthiotis, +tegen een berg gebouwd en vandaar kremaste, het hangende, genoemd.--3) +naam van den burg der stad Argos.--4) zeestad aan de W.-kust van Troas, +in de perzische oorlogen verwoest.--5) stad in aziatisch Aeolis, met +den bijnaam Phriconis, Phrikonis of Aigyptia.--6) stad in Lydia, +aan den Cayster, ook Ephesia bijgenaamd.--7) stad in Assyria, +ten N. van de uitmonding van den Lycus of Zapatas in den Tigris, +met muren van 100 voet hoog, ten tijde van Xenophon verlaten, de +onlangs opgegraven stad Kalach, ten Z. van Niniveh, tgw. Nimroed; +z. Ninus.--Dichterlijk Larissaeus = thessalisch. + +Larisus, Larisos, grensriviertje tusschen Achaia en Elis. + +Larius lacus, limne he Larios, vischrijk Alpenmeer, door den Addua +(Adda) gevormd, thans meer van Como. + +Lars Tolumnius, zie Tolumnius no. 2. + +Lartii, patricisch geslacht, uit Etruria afkomstig. 1) Sp. Lartius +Flavus wordt reeds in 506 als consul genoemd. In 490 komt hij andermaal +voor.--2) T. Lartius Flavus, broeder van no. 1, consul in 498, werd +door zijn ambtgenoot Q. Cloelius Siculus tot dictator benoemd. Hij was, +volgens de traditie de eerste dictator. (V. a. was hij dit reeds in +501). In de verwikkelingen tusschen patriciërs en plebejers was hij +steeds voor zachte maatregelen en kwijtschelding der schulden. + +Larunda, Lara, bronnimf, die aan Juno de minnarijen van Jupiter en +Juturna verried. Tot straf ontnam Jupiter haar de spraak en verwees +hij haar naar de onderwereld. Bij Mercurius, die haar daarheen +geleid had, werd zij moeder van de Lares Compitales.--Zij schijnt +eene oud-italische godin des doods geweest te zijn, dezelfde die op +de Feralia als Dea muta of tacita wordt aangeroepen. + +Larvae, bij de Romeinen booze geesten van afgestorvenen, die tot straf +voor een misdadig leven of wegens een verzuim bij hunne begrafenis +in de onderwereld geen rust kunnen vinden, als schrikwekkende +spookgestalten of skeletten ronddwalen, levenden door hunne +verschijning soms waanzinnig maken, en zelfs de dooden verontrusten; +z. Lemures. + +Larymna, Larymna, twee plaatsjes, boven- en beneden-L. op de kust +der opuntische Locriërs aan de Euboeische golf. + +Las, Las, oude zeestad van Laconica, aan de Laconische golf. De naam +Lapersai, bijnaam der Dioscuren, wordt door sommigen, waarschijnlijk +ten onrechte, hiermede in verband gebracht, en vertaald als verwoesters +van de stad Las. + +Lasaea, Lasaia, stad aan de Z.-kust van Creta, nabij Gortyn. + +Lasio, Lasion, grensvesting van Elis tegen Arcadia, aan den Ladon +gelegen. + +Lasthenes, Lasthenes, Olynthiër, die zich liet omkoopen om zijne +vaderstad aan Philippus van Macedonië te verraden (348). + +Lasus, Lasos, van Hermione, beroemd lyrisch dichter, die langen +tijd te Athene aan het hof van Hipparchus leefde. Vooral zijne +dithyramben werden geprezen, hoewel van hem gezegd wordt dat hij het +eerst den tekst ondergeschikt maakte aan de muzikale begeleiding. Hij +schreef ook over de theorie van muziek en poëzie, en onderrichtte +v. s. Pindarus daarin. + +Latericium (opus), z. Opus. + +Latiaris, Latialis, bijnaam van Jupiter als beschermgod van het +latijnsche stedenverbond. + +Latifundium, een landgoed van groote uitgestrektheid. Daar de ager +publicus, voor zoover de rom. staat zelf den bodem niet gebruikte, +slechts in zeer groote perceelen in erfpacht werd gegeven, kon de +kleine man, bij gebrek aan bedrijfskapitaal, zulke stukken niet in +bezit nemen. Hierbij kwam, dat de middelstand in Italia verdween. Geld +en grondbezit hoopten zich op onder een betrekkelijk gering aantal +familiën. Hierdoor ontstonden er landgoederen, zooals men er nog +in Oostenrijk-Hongarije en Schotland aantreft, zoo groot als en soms +grooter dan eene nederlandsche provincie. Vandaar de spreuk: latifundia +perdidere Italiam, het groot grondbezit heeft Italië te gronde gericht. + +Latina (via). Deze liep van Rome langs Tusculum over den mons Algidus, +verder langs Ferentinum, Fregellae en Casinum naar Campania, waar +hij zich even vóór Capua met de via Appia vereenigt. Het is één +van de oudste wegen die door de Romeinen zijn aangelegd; hij diende +oorspronkelijk om de Latijnsche bondgenooten tegen de aanvallen der +Aequi en Volsci te beschermen. + +Latini, inwoners van Latium (z. a.). + +Latini, inwoners der coloniae Latinae, zie ius Latii en coloniae no. 2. + +Latini Iuniani, zie lex Iunia Norbana. + +Latinum (nomen), zie Latium. + +Latinus, zoon van Faunus en Marica of van Odysseus en Circe, van +Telemachus en Circe, van Heracles en eene vrouw der Hyperboreërs, +koning van Latium, die Aeneas gastvrij ontving, hem land afstond om +eene stad te bouwen, en hem zijne dochter Lavinia ten huwelijk gaf. + +Latium, he Latine, landschap van Midden-Italia. Men onderscheidt Latium +vetus, het oude gebied der Latijnen, en Latium novum of adiectum, het +gebied der Aurunci, Volsci en Hernici. Oud-Latium strekt zich in oude +tijden van even benoorden den Tibermond naar het Zuiden uit tot aan +Tarracina, en wordt in het Westen begrensd door Zuid-Etrurië, in het +N. door den ager Sabinus, en verder in het N.O., O. en Z.O. door de +Aequi, Hernici en Volsci. De voornaamste steden van dit gebied waren, +behalve Rome en Alba, dat vroeg aan Rome over ging, Tibur, Praeneste, +Tusculum, Aricia, Laurentum, Antium, Ardea en Circeii. Deze steden +vormden met vele andere kleinere steden een bond, waarvan Rome het +hoofd was. Rome had sedert 493 gelijke rechten als de 30 steden van +Latium samen, zoodat er een tweeledig isopolitisch verbond bestond +met wederkeerig burgerrecht en conubium. Dit was het gevolg van den +oorlog, dien Latium na de verdrijving van Tarquinius Superbus met +Rome had gevoerd. In 486 voegden zich de Hernicers als derde lid bij +den bond. V. s. dateert dit laatste verbond eerst uit de 4de eeuw +(zie Hernici). In de 5de eeuw verliezen de Latijnen veel terrein aan +de Aequi (z.a.) en de Volsci. Aan de laatsten ging o. a. het geheele +Zuiden tijdelijk te loor, z. de artikelen Antium en Circeii. In den +loop van de 4de eeuw worden de Volsci, en verder ook de Hernici +en Aurunci onderworpen, en nu reikt Latium in het Zuiden tot aan +Campania (z.a.). Wat het Latijnsch-Hernicisch verbond betreft: in +den gallischen oorlog schijnen de bondgenooten Rome in den steek te +hebben gelaten. Het verbond werd wel hernieuwd, doch in 340 barstte +de beslissende strijd uit, die in 338 met de nederlaag der Latijnen +eindigde. Het latijnsche verbond werd ontbonden, en Rome sloot met +elke stad een afzonderlijk verdrag op verschillenden voet, naar +gelang van omstandigheden. Eenige steden werden als municipia bij +Rome ingelijfd en kregen dus het romeinsche burgerrecht, doch sine +suffragio. De overige, o. a. Tibur en Praeneste, werden afhankelijke +socii. Rome behandelde hen echter op eenigszins anderen voet dan de +bondgenooten in het overige Italia. De socii Latini, ook onder den +naam van nomen Latinum bekend, konden in zekere gevallen rom. burgers +worden, b.v. door het bekleeden van posten in hunne stad, welk +recht ook aan de latijnsche koloniën buiten Latium werd toegekend +(zie ius Latii), of wanneer zij naar Rome metterwoon verhuisden, +mits met achterlating van een stamhouder in hunne oude woonplaats. + +Latmus, Latmos, gebergte in Caria, waar de mythe te huis behoort van +Selene en den schoonen slaper Endymion. Aan den voet strekte zich de +sinus Latmicus, ho Latmikos kolpos, uit, aan welks ingang Miletus lag, +doch die thans door de aanslibbing van den Maeander grootendeels is +verdwenen. Latmius venator = Endymion. + +Latobrigi, (Latovici), keltisch volk, naburen der Helvetii, met wie +zij in 58 den verhuizingstocht ondernamen, die door Caesar belet werd. + +Latoides, Letoïdes, Apollo, zoon van Leto. + +Latois, Letois, Artemis, dochter van Leto. + +Latona = Leto. + +Latris, een groot eiland in de Oostzee, waarschijnlijk Seeland. + +Latrunculorum (ludus), een rom. spel, dat met schijven op een bord +werd gespeeld en eenige overeenkomst moet gehad hebben met een damspel +of met ons belegeringsspel. + +Laurentum, oud-latijnsche stad, aan zee, reeds in het rom.-carthaagsche +handelsverdrag van 509 genoemd, waar de sage den zetel van koning +Latinus plaatst, die tijdens Aeneas' komst in Latium heerschte. Niet +ver van daar werd toen Lavinium gesticht en genoemd naar Lavinia, +dochter van Latinus en echtgenoote van Aeneas. De Antonijnen +vereenigden beide plaatsen tot één gemeente Laurentolavinium. + +Lauretanus sinus, haven op de etruscische kust tusschen Populonia +en Cosa. + +Lauriacum, vesting aan den Donau, in Noricum, station van de +Donauvloot. + +Laurium, Laurion, -reion, berg op de Zuidpunt van Attica, met rijke +zilvermijnen, waarvan de opbrengst jaarlijks onder de burgers van +Attica werd verdeeld, totdat op voorstel van Themistocles besloten +werd ze tot aanbouw van oorlogsschepen te bestemmen. + +Lauron, Lauron, zeestad in het O. van Hispania, waarschijnlijk ten +Z. van Valencia, ten W. van den Sucro, bekend om de belegering door +Q. Sertorius en de vruchtelooze poging van Pompeius om de stad te +ontzetten. In de nabijheid kwam ook de jonge Cn. Pompeius om, na den +slag bij Munda. + +Laus, Laos, grensrivier tusschen Lucania en Bruttii, met eene +gelijknamige stad, door de Sybarieten gesticht. In ± 400 viel de stad +in handen van de Lucaniërs, en in 389 werden de inwoners van Thurii +daar door hen in een grooten veldslag verslagen, zie Graecia Magna. + +Laus Pompeii, thans Lodi Vecchio, stad der Boii in Gallia Transalpina, +ten Z.O. van Mediolanium (Milaan). Cn. Pompeius Strabo verhief ze in +89 tot een lat. kolonie, vandaar de naam; sedert 49 municipium. + +Lausus, zoon van Mezentius, koning van Caere. Vader en zoon kwamen +in den strijd tegen Aeneas om.--Een andere Lausus wordt genoemd als +zoon van den albaanschen koning Numitor. + +Lautulae, vlek in het land der Volsci tusschen Anxur of Tarracina en +Fundi. In de nabijheid werd keizer Galba geboren. + +Lautumiae, Latomiai, 1) de steengroeven, van Syracusae (z. a.), +waarvan de steenen gebruikt waren voor het bouwen van de stad. Hierin +werden in den herfst van 413 de krijgsgevangenen van het leger van +Nicias neergelaten, op elkaar gedrongen, en aan honger en dorst, en +alle onguurheid van het weer blootgesteld. Later maakte Dionysius er +een staatsgevangenis van, die in de dagen van Verres nog in gebruik +was.--2) De staatsgevangenis te Rome, naar die van Syracusae benoemd, +wel te onderscheiden van den Carcer Mamertinus (z. Carcer); ze lag +aan de Oostzijde van de Arx; misschien heeft men hier oorspronkelijk +ook steenen gebroken voor den bouw der huizen; ook de buurt in de +nabijheid heet Lautumiae, tusschen de Arx en het forum piscatorium +(macellum).--3) Ook particuliere steengroeven worden wel eens +latomiae (lapidariae) genoemd; het latijnsche woord is echter +lapicidinae. Daarin te werken komt voor als tuchtstraf voor slaven. + +Laverna, oorspronkelijk eene godin, die tot den kring der onderaardsche +goden behoort, later beschermgodin der dieven (laverniones); zij had +een altaar bij de Porta Lavernalis. + +Lavicana (via). Deze liep van Rome langs Labicum en sloot zich verderop +aan de via Latina aan. + +Lavicum = Labicum. + +Lavinia, dochter van Latinus en Amata. Ofschoon zij verloofd was met +Turnus, werd zij aan Aeneas tot vrouw gegeven, toen deze in Italië +aankwam. Dit was de voornaamste oorzaak van den oorlog tusschen Turnus +en Aeneas, die met den dood van eerstgenoemde eindigde.--V. a. was +zij de dochter van Anius en had Apollo haar de gave der voorspelling +geschonken. Aeneas bewoog haar hem te volgen, zij baarde hem een zoon, +Anius, maar stierf kort na hunne aankomst in Italië. De stad Lavinium +is naar haar genoemd. + +Lavinium, zie Laurentum. + +Lavinius, Labinios, zijriviertje van den Padus (Po), even ten W. van +den Rhenus (Rhenus no. 2), tgw. Lavino. V.s. had op een eilandje in +deze beek de bekende bijeenkomst plaats tusschen Octavianus, Antonius +en Lepidus. Zie echter Rhenus no. 2. + +Lazae, Lazi, Lazai, Lazoi, roofzieke volksstam in Colchis. + +Leaena, Leaina, atheensche hetaere, betrokken in de samenzwering van +Harmodius en Aristogiton. Zij werd gevangen genomen en op de pijnbank +gelegd, maar weigerde hardnekkig iets te verraden. Te harer gedachtenis +richtte men een beeld op, dat eene leeuwin zonder tong voorstelde. + +Leager, Leagros, Athener, zoon van Glaucon, ging met Sophanes aan het +hoofd van 10000 Atheners naar Thracië, om er op de plaats, waar later +Amphipolis stond, eene volkplanting te stichten. Toen zij echter te +ver in het binnenland doordrongen, werden zij bij Drabescus door de +Thraciërs overvallen en gedood (465). + +Leander, Leandros, een jongeling van Abydus, die iederen nacht +over den Hellespont zwom, om zijne geliefde Hero te ontmoeten, die +priesteres van Aphrodite te Sestus was. Om hem den weg te wijzen, +ontstak zij elken avond een licht op den toren van Sestus, maar in +een stormachtigen nacht woei dit licht uit en L. vond zijn dood in +de golven. Toen Hero den volgenden morgen van den toren zijn lijk +zag aanspoelen, wierp zij zich naar beneden. + +Learchus, Learchos, zoon van Athamas (z.a.) en Ino, werd door zijn +vader gedood. + +Lebadea, Lebadeia, thans Livadia, stad in Boeotia nabij de grens van +Phocis. In de nabijheid was in eene grot binnen een bosch een orakel +van Trophonius. + +Lebaea, Lebaia, oude stad ergens in het N. van Macedonia. + +Lebecii, Lebekisi, volksstam in Gallia Transpadana, met de hoofdstad +Vercellae. + +Lebedus, Lebedos, stad in aziatisch-Ionia in de nabijheid van Colophon, +eenmaal zeer bloeiend, totdat Lysimachus een gedeelte der inwoners +naar Ephesus overbracht. + +Leben, Leben, haven van Gortyn op Creta, met een tempel van Asclepius. + +Lebethrum, -thra, Leibethron, = Libethra. + +Lebinthus, Lebinthos, klein eiland in de Aegaeische zee ten O. der +Cycladen. + +Lechaeum, Lechaion, haven van Corinthus, aan de Corinthische golf, +door een dubbelen muur met de stad verbonden. + +Lectio senatus, zie Senatus. + +Lectisternium, een feestmaal, aan goden en godinnen aangeboden, +wier beelden dan op rustbedden aan tafel werden neergelegd of, +wat de godinnen betreft, op stoelen werden neergezet. Een maaltijd, +uitsluitend voor godinnen aangericht, heette sellisternium. + +Lectum, Lekton, kaap aan de Z.W.-spits van Troas, een uitlooper van +het Idageb. + +Lecythus, Lekythos, kleine vesting op het chalcidische schiereiland +Sithonia, door Brasidas in den peloponnesischen oorlog op de Atheners +vermeesterd. + +Leda, Leda, dochter van Thestius, gemalin van Tyndareos. Zeus beminde +haar om hare buitengewone schoonheid, in de gedaante van een zwaan wist +hij zich toegang tot haar te verschaffen, en zij bracht twee eieren ter +wereld; uit het eene daarvan kwam Helena, uit het andere de Dioscuren +te voorschijn. V.a. baarde zij tegelijk Helena, Clytaemnestra en de +Dioscuren, en waren Helena en Polydeuces kinderen van Zeus, de andere +twee van Tyndareos, of Helena is de dochter van Zeus en de Dioscuren +zijn kinderen van Tyndareos, of omgekeerd. + +Ledon, Ledon, plaats in Phocis, aan den Cephisus. + +Legatio libera, titulair gezant- of legaatschap. Senatoren, die +om persoonlijke redenen eene reis wilden doen, ontvingen dikwijls +van den rom. senaat den titel van legatus, die hun al de voordelen +en eerbewijzen bezorgde, waarop een werkelijk gezant van den senaat +aanspraak had, o.a. vrij vervoer en huisvesting. Om het misbruik, dat +hiervan gemaakt werd, deed Cicero als consul in 63 een wetsvoorstel tot +opheffing der liberae legationes, doch hij werd door de intercessio van +een der volkstribunen in zijn plan verhinderd. Toch slaagde hij er in, +den duur er van, die vroeger onbepaald was, tot een jaar te beperken. + +Legatus beteekent in de eerste plaats gezant, in de tweede plaats +onderbevelhebber. De veldheeren en stadhouders der provinciën kregen +3 of meer legaten mede, mannen van senatorischen rang en door den +senaat benoemd, waarbij evenwel uit den aard der zaak op den wensch +van den stadhouder of veldheer werd gelet. Zij stonden hem ter zijde +in het bestuur der provincie en werden ook dikwijls aan het hoofd van +afzonderlijke legerafdeelingen door hem uitgezonden. Moest een der +legaten als plaatsvervangend stadhouder optreden (hetgeen in den regel +echter den quaestor toekwam), dan was hij legatus pro praetore. Toen +met Augustus sommige provinciën (later alle) keizerlijk werden, en +dus de keizer de algemeene gouverneur daarvan werd, zond hij naar +de provinciën zijne stadhouders met den titel van legati Caesaris of +Augusti pro praetore, en wel naar de belangrijke provinciën met den +rang van consulares, naar de andere met dien van praetorii. Verder +kreeg toen elk legioen een legaat aan het hoofd, met den titel van +legatus legionis. Dit was een praetorius. + +Legio, legioen, in den beginne de gezamenlijke romeinsche +krijgsmacht, 3000 man voetvolk en 300 ruiters. Toen Rome grooter +werd en meer troepen te velde zond, werd legio de naam eener bepaalde +troepenafdeeling. Tijdens den tweeden punischen oorlog was de gewone +sterkte van een legioen 4200 man voetvolk en 300 man ruiterij. Het +voetvolk bestond uit vier soorten en was verdeeld in manipuli, die +ieder weder uit twee centuriae bestonden. Er waren in een legioen +10 manipels hastati en 10 manipels principes, elk van 120 man, en 10 +manipels triarii, elk van 60 man, terwijl aan elke centurie 20 velites +waren toegevoegd (zie overigens de artikelen centuria en centurio). + + + front + +==============+ + / | centuria | \ + / | prior | \ + / | 6 × 10 hast. | \ + / | 2 × 10 vel. | \ + manipulus +==============+ rechtervleugel + \ | centuria | / + \ | posterior | / + \ | 6 × 10 hast. | / + \ | 6 × 10 vel. | / + +==============+ + + Opstelling van een legioen. + + +De drie soorten van wapens waren in den slag in drie liniën opgesteld, +op deze wijze: + + + de 10 manipels hastati | | | | | | | | | | + de 10 manipels principes | | | | | | | | | + de 10 manipels triarii | | | | | | | | | | + + +Werd het legioen versterkt, dan geschiedde dit door het aantal hastati +en principes in elke centurie te versterken. Scipio had in den slag +bij Zama legioenen van 6200 man. In Caesars tijd was het legioen in +10 cohorten verdeeld; zie hierover cohors. De plaatsing dezer cohorten +in den slag was deze: + + + front + + +======+ +======+ +======+ +======+ + | | | | | | | | 1e linie, + +======+ +======+ +======+ +======+ + + +======+ +======+ +======+ + | | | | | | 2e linie, + +======+ +======+ +======+ + + +======+ +======+ +======+ + | | | | | | reserve. + +======+ +======+ +======+ + + Opstelling van cohorten. + + +De ruiterij was verdeeld in alae en elke ala weder in drie turmae; +doch allengs verdween + +de rom. ruiterij en werd vervangen door ruiterij der bondgenooten. Zie +ook castra. + +Het getal legioenen was vóór Augustus afhankelijk geweest van +de omstandigheden. In den laatsten oorlog had Octavianus er 45, +Antonius omstreeks 30 gehad, Augustus bracht dit getal gaandeweg +terug op 28. Van deze sneuvelden nog drie in het Teutoburgerwoud +onder Varus en werden niet vervangen. Elk legioen had, reeds vóór +Augustus, een nummer en dikwijls ook een bijnaam, zooals uit de +geschiedenis der burgeroorlogen blijkt. Wij laten hier de nummers en +namen volgen, waarbij men in het oog moet houden dat sommige nummers +dubbel voorkomen, een gevolg hiervan dat in de burgeroorlogen dubbele +cijfers voorkwamen en onder de monarchie de legioenen hunne oude +nummers behielden. I Germanica, II Augusta, III Augusta, III Cyrenaïca, +III Gallica, IV Macedonica, IV Scythica, V Alaudae, V Macedonica, +VI Victrix, VI Ferrata, VII zonder naam, VIII Augusta, IX Hispana, +X Fretensis, X Gemina, XI zonder naam, XII Fulminata, XIII Gemina, XIV +Gemina Martia Victrix, XV Apollinaris, XVI zonder naam, (XVII, XVIII en +XIX vielen met Varus), XX Valeria Victrix, XXI Rapax, XXII Deiotariana, +samen 28. Onder Vespasianus waren er 30, onder Septimius Severus 33, +onder Diocletianus 175. In dien tijd was echter de getalsterkte veel +geringer; in de 4de eeuw bedroeg die slechts 1000 man. + +Legis actio, de inleiding tot een proces met de daarbij voorgeschreven +formulieren en zinnebeeldige handelingen, waardoor men zijn vermeend +recht deed gelden en waaraan men zich streng had te houden. Er +waren er vijf: per sacramentum, per iudicis arbitrive postulationem, +per condictionem, per manus iniectionem, per pignoris capionem. De +geringste afwijking van de aan de wet ontleende of door de bevoegde +macht als geldig erkende formule, b.v. wanneer men in plaats van +het woord arbor te gebruiken, dat de wet aangaf, van vitis sprak +bij een klacht over beschadiging van een wijngaard, deed het proces +verliezen. De klager kon dus zijn klaagformule niet zelf opstellen, +maar moest ze telkens aan een deskundige (een pontifex) vragen; +later zijn de legis actiones in boekvorm uitgegeven, zie Flavii no. 2. + +Zie omtrent de vervanging en gedeeltelijke afschaffing van deze oude +vormen onder formula. + +Leitourgia, letourgia, z. Liturgia. + +Leïtus, Leitos, zoon van Alector, een van de Argonauten, aanvoerder +der Boeotiërs voor Troje. + +Lelantius campus, Lelanton pedion, 1) vlakte in W. Euboea, tusschen +Chalcis en Eretria, met ijzer- en kopermijnen en om die reden een +twistappel tusschen de beide steden, zie onder Chalcis. De vlakte +heet naar de rivier, die er doorstroomt.--2) vlakte aan den mond van +den Euenus in Aetolia, door aanslibbing ontstaan. + +Leleges, Leleges, een oude, waarschijnlijk aziatische volksstam, +verwant met de Cariërs, met wie ze steeds te samen genoemd worden. Ze +treden ook in Griekenland op, maar schijnen zich later opgelost te +hebben in de Hellenen. Zij waren voortreffelijke zeevaarders en tevens +zeeroovers, en waren over Z. en W. Griekenland, en over de eilanden +der Aegaeïsche zee verbreid en komen ook op Creta en in Caria voor. In +historischen tijd vindt men ze nog in Troas, namelijk in Antandrus, +Gargara en Pedasus (aan den Satnioïs gelegen). + +Lelex, Lelex, koning van Megara (Lelegeia moenia), Lacedaemon of +Leucadia, mythisch stamvader der Leleges. + +Lemannus (lacus), Lemanos limne, thans meer van Genève, door den +Rhodanus (Rhône) gevormd. In den keizertijd komt het ook voor als +lacus Losonnensis, naar de stad Losonna of Lousonna (Lausanne). + +Lemnius, Lemnios, bijnaam van Hephaestus naar het hem gewijde eiland +Lemnus. + +Lemnus, Lemnos, thans Stalimene, vroeger ook Aethalia, vrij +groot eiland der Aegaeïsche zee, tusschen Chalcidice en Asia. Toen +Hephaestus door Zeus uit den hemel was geworpen, viel hij op Lemnus +neder. Als oudste bewoners worden Sintiërs uit Thracia genoemd. Vóór +den Argonautentocht hadden de lemnische vrouwen hare mannen vermoord +(vandaar Lemnia erga); de Argonauten landden er en verwekten bij de +genoemde vrouwen de Minyers, Minyai, die later door de Pelasgen werden +verdreven. Naar dit eiland werd Philoctetes gebracht, toen hij door +zijne wond het kamp der Grieken vóór Troje verpestte. Onder Darius I +werd het aan de Perzen onderworpen, doch later door Miltiades (no. 2) +bevrijd. Het wordt dipolis geheeten naar zijne twee steden Myrina +en Hephaestia(s). De zoogenaamde lemnische aarde was eene delfstof, +die als verfstof en als geneesmiddel werd gebezigd. Bij den uitvoer +werd er tot bewijs van echtheid een merk, sigillum, ingedrukt. + +Lemonum, stad der Pictavi of Pictones in Gallia Transpadana, ten +Z. van den Liger (Loire), thans Poitiers. + +Lemovices, stam in Gallia Transpadana in Aquitania, ten N. van de +Garumna. De naam leeft nog voort in Limousin. Hoofdstad: Augustoritum +(Limoges). + +Lemovii, een germaansche stam, alleen bij Tacitus vermeld; zij woonden +aan de tegenw. Oostzee, ten Westen van de Rugii. + +Lemures, bij de Rom. de geesten der afgestorvenen. Men geloofde dat +zij den 9den, 11den en 13den Mei des nachts de plaatsen bezochten, +die zij op aarde bewoond hadden, en vierde op die dagen omstreeks +middernacht de Lemuria of Lemuralia, waarbij men door eigenaardige +plechtigheden de geesten trachtte te verzoenen en van zich af te +houden. Men offerde hen vooral boonen. Zie ook Larvae. Andere dagen, +waarop doodenoffers verricht worden, zijn de Parentalia of Feralia +(z. a.) en de Carnaria (zie Carna). Ovidius verklaart het ontstaan +van het feest uit de begrafenis van Remus, en spreekt daarom ook +van Remuria. + +Lenaea, Lenaia, eig. Dionysia tapi Lenaio, feest ter eere van Dionysus +te Athene bij het Lenaeum in de maand Gamelion (7de maand van het +Attische jaar (Jan.-Febr.)) gevierd. Het drinken en offeren van den +jongen wijn was hierbij hoofdzaak. Met klimop bekranst hield men een +grooten optocht, waarbij men, op wagens gezeten (ex hamaxon), ieder +dien men ontmoette plaagde en soms op zeer ruwe wijze bespotte. Tot de +feestelijkheden behoorde een openbare maaltijd, waartoe van staatswege +het vleesch verschaft werd. Ten slotte werden tooneelvoorstellingen +gegeven. + +Lenaeus, Lenaios, bijnaam van Dionysus, naar het Lenaeum, zijn oudsten +tempel te Athene. Vandaar Lenaeus latex = wijn. + +Lentulus, familienaam in de gens Cornelia, z. Cornelii no. 45-51. + +Leo, Leon, 1) zoon van Eurycratidas, 14de koning van Sparta uit +het geslacht der Agiden.--2) Spartaan, die eene volkplanting naar +Heraclea in Trachinië aanvoerde (426).--3) spartaansch bevelhebber +op Chius in de laatste tijden van den peloponnesischen oorlog.--4) +bevelhebber der atheensche vloot bij Samus, die zich met Diomedon tegen +de instelling van de regeering der 400 verzette (411); hij was een van +de 10 strategen, die na het ontslag van Alcibiades aangesteld werden, +en werd waarschijnlijk voor den slag bij de Arginusen krijgsgevangen +gemaakt; onder de regeering van de 30 werd hij ter dood gebracht.--5) +van Byzantium, leerling van Plato; hij was in zijne vaderstad aan de +regeering, toen zij door Philippus belegerd werd (340). Door zijn +toedoen weigerde men te Byzantium Chares te ontvangen, de hulp van +Phocion nam hij echter gaarne aan. Later wist Philippus hem bij zijne +medeburgers verdacht te maken, wat hij zich zoozeer aantrok, dat hij +zich van het leven beroofde.--Zijn werk over den oorlog tusschen zijn +vaderstad en Philippus is verloren gegaan. + +Leobotes, Leobotes = Labotas. + +Leochares, Leochares, atheensch beeldhouwer, die met Scopas aan het +mausoleum van Halicarnassus werkte. + +Leocorium, Leokorion, tempel te Athene, gewijd aan de drie dochters +van Leos, die zich vrijwillig door haar vader lieten offeren om het +land van de pest te bevrijden. + +Leocrates, Leokrates, zoon van Stroebus, atheensch veldheer in den +slag bij Plataea; na een gewonnen zeeslag en beleg onderwierp hij +Aegina aan de Atheners (457). + +Leodamas, Leodamas, atheensch redenaar van naam, leerling van +Isocrates. + +Leon, Leon, vlek ten N. van Syracusae, waar de Atheners in 415 en de +Rom. in 214 hun eerste kamp opsloegen. + +Leonidas, Leonidas, -des, 1) zoon van Anaxandridas, koning van Sparta, +opvolger van zijn broeder Cleomenes I. Met een leger van ruim 6000 +man, waaronder 300 Spartanen waren, verdedigde hij den doortocht der +Thermopylae tegen het onmetelijke leger van Xerxes. Toen Xerxes, na +vier dagen gewacht te hebben, eindelijk een aanval beproefde, werd hij +op twee achtereenvolgende dagen met groot verlies teruggeslagen, en +zelfs toen hij door het verraad van Ephialtes het leger der Grieken +in den rug viel, wilde Leonidas niet terugtrekken; hij zond de +ontmoedigde bondgenooten weg, en bleef de verdediging volhouden met +zijne 300 Spartanen, 700 Thespiërs, die vrijwillig gebleven waren, +en 400 verdachte Thebanen, die hij gedwongen had te blijven. De +Thebanen liepen zoo spoedig mogelijk over, de Spartanen en Thespiërs +sneuvelden tot den laatsten man (Juli 480). Xerxes liet het lijk van +L. onthoofden en kruisigen, bij de Grieken bleef de nagedachtenis aan +hem en de zijnen in liederen en gedenkteekenen bewaard.--2) L. II, +koning van Sparta, ambtgenoot van Agis III (z.a.).--3) twee grieksche +epigrammendichters, van wie gedichten in de grieksche anthologie zijn +opgenomen, de eene, uit Tarentum, was een tijdgenoot van koning Pyrrhus +van Epirus, de andere, uit Alexandrië, was een tijdgenoot van keizer +Nero.--4) leermeester van Cicero's zoon te Athene.--5) van Anthedon, +schilder uit de vierde eeuw, leerling van Euphranor. + +Leonnatus, Leonnatos, van Pella, diende in de lijfwacht van Philippus +van Macedonië. Als veldheer van Alexander onderscheidde hij zich +vooral in den indischen veldtocht; bij de bestorming van de hoofdstad +der Malli redde hij met Peucestas den koning het leven en werd hij +zwaar gewond. Na Alex.'s dood werd hij satraap van Klein-Phrygië, +toen hij echter op het gerucht van een opstand der Grieken Antipater +te hulp snelde, sneuvelde hij in den slag bij Lamia (322). + +Leonteus, Leonteus, 1) zoon van Coronus, vorst van Gyrtone, een +van de belegeraars van Troje. Na den oorlog zou hij met zijn vriend +Polypoetes Aspendus gesticht hebben.--2) leerling en, evenals zijne +echtgenoote Themista, ijverig aanhanger van Epicurus. + +Leontiades, Leontiades, 1) aanvoerder der Thebanen in den slag bij +de Thermopylae.--2) hoofd der oligarchische partij te Thebe, die als +polemarch de Cadmea den Spartanen in handen speelde (382). Toen Thebe +door Pelopidas bevrijd werd, werd L. gedood. + +Leontini, hoi Leontinoi, stad op Sicilia nabij de Oostkust, kol. van +het noordelijker gelegen Naxus, gelegen in eene vruchtbare streek +(Leontini campi). Burgertwisten brachten de stad in de afhankelijkheid +van Syracusae. Later werd Leontini een bondgenoot van Carthago en +werd het als zoodanig door de Rom. in den tweeden punischen oorlog +vermeesterd en geplunderd. + +Leontis, Leontis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica +door Clisthenes verdeeld werd. + +Leontium, Leontion, stad in Achaia, in het binnenland. + +Leoprepides, Leoprepides, Simonides van Ceos, zoon van Leoprepes. + +Leosthenes, Leosthenes, Athener, aanvoerder der Grieken in den +lamischen oorlog, overwon Antipater hij Heraclea en sneuvelde bij +het beleg van Lamia. + +Leotrophides, Leotrophides, lyrisch dichter te Athene, tijdgenoot +van Aristophanes. + +Leotychides, Leotychides, Leut-, 1) uit het geslacht der Eurypontiden, +ondersteunde Cleomenes I (z. a.) bij zijne kuiperijen tegen Demaratus, +en werd, nadat deze afgezet was, koning van Sparta (491). Hij was de +aanvoerder der grieksche vloot in den zeeslag bij Mycale, maar later +van verraad in een oorlog tegen de Aleuaden beschuldigd, vluchtte +hij naar Tegea (469), waar hij stierf.--2) zoon van Agis I of, naar +men beweerde, van Alcibiades; wegens dezen twijfel aan zijne echte +geboorte werd hij van de regeering over Sparta uitgesloten (398). + +Lepidus, familienaam in de gens Aemilia, z. Aemilii no. 1-5. + +Lepontii, Lepontioi, Alpenvolk in het Z. van Raetia, waarnaar een +gedeelte der Alpen nog de lepontische heet. Zij zijn met de andere +Alpenvolken in 15 onderworpen. + +Lepreum, Lepreon, oude stad in het elische gewest Triphylia. + +Leptines, Leptines, 1) broeder van den ouden Dionysius, aanvoerder der +vloot in den oorlog tegen de Carthagers. In 390 werd hij verbannen, +later werd hij echter op de meest eervolle wijze teruggeroepen; hij +sneuvelde in den slag bij Cronium (383).--2) tyran van Apollonia en +Engyum op Sicilië, werd door Timoleon gedwongen de regeering neder +te leggen en ging naar Corinthe.--3) een aanzienlijk Athener, wiens +voorstel tot intrekking van alle vrijstellingen van belastingen en +liturgieën door Demosthenes met gunstig gevolg bestreden werd. + +Leptis, Leptis, naam van twee steden. L. magna lag op de lybische +kust tusschen de beide Syrten en was eene aanzienlijke koopstad. Het +was eene phoenicische kolonie. Later werd het rom. kolonie. Keizer +Septimius Severus was er geboren. L. minor, ook door Phoeniciërs +gesticht, lag in Byzacium, in de provincie Africa. Vroeger was het +aan de Carthagers cijnsbaar, de schatting bedroeg een talent daags. + +Lerna, Lerne, moeras en meer ten Z. van Argos, waar Heracles de +lernaeïsche slang doodde. + +Lerus, Leros, klein eiland bij de carische kust, met een tempel +van Artemis. + +Lesbonax, Lesbonax, 1) grieksch rhetor onder Augustus, van wien drie +verdichte redevoeringen (declamationes) bewaard gebleven zijn.--2) +grieksch taalkundige van lateren tijd, schrijver van een werkje +peri schematon. + +Lesbus, Lesbos, eiland op de aeolisch-aziatische kust, met aeolische +bevolking, het vaderland van de dichters Alcaeus (± 600), Arion (± +625), Terpander (± 670) en de dichteres Sappho (± 600), van Pittacus, +een der zeven wijzen (± 600), van den logograaf Hellanicus (± 450), +den wijsgeer Theophrastus (± 310) e.a. Horatius noemt de lesbische lier +voor het lierdicht in het algemeen. Libri Lesbiaci heeten bij Cicero de +thans verloren gesprekken van den peripatetischen wijsgeer Dicaearchus, +die als op Lesbus gevoerd werden voorgesteld. De inwoners van Lesbus +hadden den naam, op een hoogen trap van beschaving te staan, waarmede +echter sterke weelde en zedeloosheid gepaard ging. Het eiland bracht +beroemden wijn voort. Sedert Cyrus behoorde Lesbus tot het perzische +rijk, sedert 478 tot den attischen bond. De voornaamste steden zijn: +Mytilene en Methymna, verder Antissa, Eresus, Pyrrha en Arisbe. + +Lesches, Lesches, van Mytilene, een van de cyclici omstreeks het +midden der 7de eeuw, dichter der Ilias mikra. + +Lethe, Lethe, rivier in de onderwereld, waaruit de schimmen der +afgestorvenen dronken om het verledene te vergeten. + +Leto, Leto, Latona, dochter van Coeüs en Phoebe, dus van het geslacht +der Titanen, vóór Hera gemalin van Zeus, bij wien zij moeder werd van +Artemis en Apollo.--V.a. werd zij door Zeus bemind, toen hij reeds +met Hera gehuwd was, daarom wordt zij over de geheele aarde door de +jaloersche Hera vervolgd, totdat Zeus het eiland Delus uit de zee +laat opkomen, waar zij eindelijk rust vindt, en aan den voet van +den berg Cynthus Artemis en Apollo ter wereld bracht.--Zij is eene +zachtmoedige, vriendelijke godin in donker gewaad, haar eeredienst +is gewoonlijk met die van hare kinderen vereenigd. + +Letrini, Letrinoi, vlek in Elis, tusschen de stad Elis en +Olympia. Z. Alpheus. + +Leuaci, volk in Belgica, onderhoorig aan de Nerviërs, misschien bij +het tegenw. Leuven. + +Leuca, ta Leuka, stadje aan de Z.O. spits van Calabria, bij het +promunturium Iapygium. + +Leucadia = Leucas. + +Leucae, Leukai, stadje op de aziatische kust, tusschen Smyrna en +Phocaea. Hier werd in 131 de consul P. Licinius Crassus Mucianus +(Licinii no. 11) door den pergameenschen kroon-pretendent Aristonicus +verslagen. Ook een stad in Laconica, ten Z.O. van Helos, door de +Spartanen verwoest. + +Leucas of Leucadia, Leukas, Leukadia, eiland in de Ionische zee, +thans Santa Maura, dicht aan de acarnanische kust. Oorspronkelijk hing +het door eene smalle landtong aan Acarnania vast, doch de Leucadiërs +groeven deze door. In het Z. stak kaap Leucate in zee uit. Op den +top stond een Apollo-tempel. De mythe laat hier Sappho zich in zee +storten. Op het jaarlijksche feest van den god werd een misdadiger van +boven afgeworpen, doch als hij het er levend afbracht, opgevischt en +vrijgelaten. De oude hoofdstad was Nericus, later trad de jongere stad +Leucas hiervoor in de plaats, die in de 3de eeuw zelfs als hoofdstad +van geheel Acarnania gold. Tegenwoordig houden vele geleerden Leucas +voor het Homerische Ithaca. + +Leucasia = Leucosia. + +Leuce, Leuke akte, 1) vlek en reede in Thracia aan de Propontis (zee +v. Marmara).--2) = Achillis insula.--3) voorgebergte in het Z. van +Euboea, ten W. van Geraestus. + +Leuci, volk in Belgica, ten N. van de Lingones, in het Z. van het +latere Lotharingen. Hoofdstad Tullum (Toul). + +Leucimma, Leukimme, een der beide zuidkapen van het eiland Corcyra +(Corfu). + +Leuci montes, Leuka ore, bergketen in het W. van Creta. + +Leucippe, Leukippe, 1) Oceanide, behoorde tot het gezelschap van +Persephone, toen deze door Hades geroofd werd.--2) eene van de Minyades +(z. a.).--3) dochter van Thestor (z. a.).--4) v. s. gemalin van Ilus, +moeder van Laomedon. + +Leucippides, Leukippides, Phoebe en Hilaira, dochters van Leucippus, +z. Apharetidae. + +Leucippus, Leukippos, 1) zoon van Oenomaüs, minnaar van de nimf +Daphne. Toen hij zich in vrouwenkleederen in haar gezelschap indrong, +werd hij door hare gezellinnen gedood.--2) zoon van Perieres, koning +van Messenië, vader van Phoebe, Hilaira en Arsinoë.--3) van Abdera, +Miletus of Elea, grieksch wijsgeer in de 5de eeuw, grondlegger +der atomenleer, die door zijn leerling en vriend Democritus verder +ontwikkeld werd. Bizonderheden omtrent zijn leven of leerstellingen +zijn niet bekend. + +Leuconium, Leukonion, stad in het Z. van Chios. + +Leucopetra, Leukopetra, Z.W. kaap van het land der Bruttii, ten +Z. van Rhegium. + +Leucophrys, Leukophrys, stad in Caria aan den Maeander, nabij Magnesia, +met een tempel van Artemis en een meer van steeds borrelend heet, +doch drinkbaar water. + +Leucosia, Leukosia, eiland in het Z. der golf van Paestum, aan de +Westkust van Lucania. + +Leucosyri, Leukosyroi, blanke Syriërs, naam dien de Grieken aan de +Cappadociërs gaven. In den tijd van het groot-assyrische rijk, vóór +de 15de eeuw, vestigden zich een aantal assyrische volkplantingen +aan den Pontus Euxinus (Zwarte zee). Toen nu later de Grieken deze +kust bezetten, noemden zij de bevolking Assyrioi, verkort Syrioi of +Syroi, en breidden dezen naam uit tot het nog onbekende binnenland. De +eigenlijke Syriërs in Syria waren bruinachtig van tint; vandaar tot +onderscheiding de naam van blanke Syriërs. + +Leucothea, Leukothea = Ino. + +Leucothoë, Leukothoe, dochter van den babylonischen koning +Orchamus. Apollo, die haar beminde, wist in de gedaante van hare moeder +toegang tot haar te krijgen, en toen haar vader dit vernam, liet hij +haar levend begraven. Apollo veranderde haar in een wierookplant. + +Leuctra, ta Leuktra, 1) stad in Boeotia, in het Z. bij Thespiae. Hier +versloeg Epaminondas in 371 de Spartanen.--2) stad aan de W. kust +van Laconia tusschen Cardamyle en Thalamae.--3) stad in Arcadia op +de laconische grenzen, in het gebied van Megalopolis. + +Leuctrum = Leuctra no. 3. + +Levaci = Leuaci. + +Levana, eene godin, die door de Rom. aangeroepen werd, wanneer de vader +zijn pasgeboren kind van den grond opnam, en daarmede te kennen gaf, +dat hij het als het zijne erkende. + +Lexiarchikon grammateion, z. Demos. + +Lexiarchoi, zes beambten te Athene, die toezagen dat geen onbevoegde +zich in de volksvergadering indrong, en dat niemand te laat kwam of +te vroeg wegging. + +Lexovii, Lexobioi, volksstam in Gallia in het +tegenw. Normandië. Hoofdstad Noviomagus, thans Lisieux. + +Libanius, Libanios, van Antiochië, geb. 314 n. C., studeerde te Athene +en hield daarna eenigen tijd te Constantinopel zijn verblijf, waar +hij als rhetor werkzaam was en een school stichtte, die zeer veel +leerlingen trok. Ten gevolge van de kuiperijen zijner tegenstanders +kon hij echter op den duur niet te C. blijven; in 344 vestigde +hij zich te Nicomedië, waar hij vijf jaar bleef, daarna wederom te +Constantinopel; in 354 keerde hij naar zijne geboortestad terug, waar +hij op ongeveer tachtigjarigen leeftijd stierf. Onder Iulianus, die +zeer met hem ingenomen was, en dien hij van zijn kant hoog vereerde, +was hij quaestorius. Onder zijne talrijke werken, alle in het grieksch +geschreven, zijn vele redevoeringen en brieven belangrijk voor de +geschiedenis van zijn tijd. + +Libanus, Libanos, de Libanon, een hoog, bijna ontoegankelijk gebergte +langs de phoenicische kust. De toppen zijn met eeuwige sneeuw +bedekt, vandaar de naam = witte berg. Op de hellingen vond men de +beroemde cederbosschen, aan den voet groeide de wijnstok, doch door +het roekeloos vellen der boomen is het gebergte kaal geworden. Ten +O. loopt, ongeveer evenwijdig, de nog hoogere Antilibanus. + +Libella, rom. zilveren muntstukje ter waarde van een as. De as was +van koper. + +Libentina, bijnaam van Venus, als godin van zinnelijk genot. + +Liber, oud-italisch god, oorspronkelijk een nevenvorm van Jupiter, +evenals Terminus (z. a.), vandaar Jupiter Liber geheeten; hij wordt +ook dikwijls Liber Pater genoemd en eene godin Libera staat hem ter +zijde. Reeds vroeg, sedert de invoering van den dienst van Demeter in +493 (z. Ceres), is hij met Dionysus geïdentificeerd, en tot een god +van de voortbrengende kracht der natuur geworden. Meer in het bijzonder +is hij god van den wijnbouw, en in de tijden van den wijnoogst worden +te zijner eer allerwege in de steden en op het land vroolijke feesten +gevierd. Zijne attributen en zijn eeredienst hebben veel overeenkomst +met die van Dionysus, maar bovendien maakten de Romeinen hem naar +aanleiding van zijn naam (vgl. Lyaeus) tot een god van burgerlijke +en staatkundige vrijheid; zie Liberalia. + +Libera, 1) z. Liber.--2) latijnsche naam van Ariadne, de bruid van +Dionysus of Liber. + +Liberalia, feesten ter eere van den oud-italischen god Liber (z. a.) en +zijne echtgenoote Libera. Uit den aard der zaak kenmerkten zich deze +feesten, die op het platteland gevierd werden, vooral in streken, +waar men wijn teelde, door vroolijke opgewondenheid en door eene +groote mate van vrijheid, waartoe ook de naam aanleiding gaf. Te +Rome werd op 17 Maart een lentefeest gehouden, dat denzelfden naam +droeg en waarop de jongelingen, die aan de kinderschoenen ontwassen +waren (op omstreeks 17-jarigen leeftijd) de toga virilis of libera +aannamen. Dan werden zij door hun vader en verwanten naar het forum +begeleid en aan bekenden en invloedrijke personen voorgesteld en +deden zóó hunne intrede in de wereld der volwassenen. + +Libertas, de godin der persoonlijke vrijheid; Tib. Sempronius Gracchus +(Sempronii no. 7) stichtte voor haar een tempel op den Aventinus +(238). Later werd zij ook de godin der republikeinsche vrijheid, +de libertas publica populi Romani; aan haar wijdde P. Clodius een +heiligdom op de area van Cicero's huis (58). + +Libertinus, libertus. Een vrijgelaten slaaf of slavin, libertinus, +-na, blijft tegenover den gewezen eigenaar, die nu hun patronus +is, een libertus, -ta, evenals pueri tegenover hunne ouders liberi +heeten. Deden vrijgelatenen te kort aan den eerbied, dien zij hun +patroon verschuldigd waren, dan kon de vrijlating herroepen worden. Zie +over de vrijlating zelve manumissio. + +Libethra, ta L(e)ibethra, stad in het macedonische gewest Piëria, aan +den Olympus. De stad schijnt reeds vroeg door overstrooming verwoest +te zijn. De streek was aan de Muzen geheiligd, doch de inwoners golden +voor zeer prozaïsch, vandaar het gezegde: amousoteros ton Libethrion. + +Libethrides, L(e)ibethrides, de Muzen, zoo genoemd naar den berg +Libethrius, waar haar een grot en twee bronnen gewijd waren. + +Libethrius mons, L(e)ibethrion oros, berg in Boeotia, een gedeelte +van den Helicon, bij Coronea, met een grot en bronnen, aan de Muzen +en de libethrische nymfen gewijd. + +Libicii = Lebecii. + +Libitina, oud-italiaansche godin van tuinen en wijngaarden. Servius +Tullius verordende, dat bij ieder sterfgeval in haar tempel een +geldstuk neergelegd moest worden, ten einde het aantal gestorvenen te +kunnen bepalen. Daaruit ontstond het gebruik, om in dien tempel alle +benoodigdheden voor eene begrafenis te huur of te koop aan te bieden, +en ook de personen, wier diensten daarbij vereischt werden, kon men +er vinden. Vandaar dat zij voor eene godin der begrafenissen gehouden +werd en haar naam door dichters gebruikt wordt voor begrafenis of +dood.--Later verwarde men haar met Lubentia of Libentina, een bijnaam +van Venus, die in haar lucus een aedes had. + +Libo, 1) uit Elis, bouwmeester van den tempel van Zeus te Olympia +(ongeveer 468-456).--2) rom. familienaam, o. a. in de gens Iulia +(z. Julii no. 3), de gens Livia, de gens Marcia, de gens Poetelia, +de gens Scribonia (Scribonii no. 1, 3, 7, 9). + +Libripens, de man, die bij coëmptio en mancipatio per aes et libram +de weegschaal hield. + +Liburnae of Liburnicae, sc. naves, scherpgebouwde snelvaarders, +waarmede de Liburniërs den zeeroof plachten uit te oefenen. Zij waren +uit lichte houtsoorten gebouwd. De Romeinen namen dit model over voor +een gedeelte hunner oorlogsvloot. + +Liburnia, Libournia, het N.W. gedeelte van Illyricum, het kustland +tusschen eigenlijk Dalmatia en Histria, met de hoofdstad Scardona. De +bewoners, uitstekende zeelieden, dreven met hunne snelle, lichte +schepen een uitgebreiden handel, maar ook zeeroof. Omstreeks 176 +zochten zij tegen hunne naburen bescherming bij de Rom., wien hunne +vloot zeer te stade kwam. + +Libya, Libye, dochter van Epaphus en Memphis, bij Poseidon moeder +van Agenor. Het werelddeel Libya is naar haar genoemd. + +Libya, Libye, oude naam voor het werelddeel Afrika, voor zoover het +aan de oude Grieken bekend was. Zie Africa. In engeren zin het land +ten W. van de Nijldelta en ten Z. van Cyrenaïca, waar de stam der +Libyes woonde. + +Libyci montes, to Libykon oros, het westelijke grensgebergte van +Aegypte. + +Libycum mare, Libykon pelagos, de zee langs de afrikaansche kust van +de Nijldelta tot aan Carthago. + +Libyphoenices, Libyphoinikes, de gemengde libysch-phoenicische +bevolking op de kust van het carthaagsche gebied. + +Libyssa, Libyssa, stad in Bithynia nabij de Propontis (zee v. Marmara), +met het grafmonument van Hannibal. + +Lichas, Lichas, 1) bode van Heracles, die hem uit naam van Deïanira het +vergiftigde kleed bracht, dat met het bloed van Nessus besmeerd was; +waanzinnig van pijn, verpletterde Heracles hem tegen een rots.--2) +zoon van Arcesilaus, aanzienlijk Spartaan, beroemd door zijne +gastvrijheid. Hij werd in den peloponnesischen oorlog dikwijls als +gezant gebruikt, en verzette zich tegen de al te groote toegevendheid +van de Spartanen tegenover de Perzen. + +Licinia (lex) van den praetor P. Licinius Varus (208), dat de ludi +Apollinares, in 212 ingesteld, jaarlijks op een vasten dag gevierd +zouden worden. + +Licinia (lex) tot instelling van het priestercollege der triumviri +epulones, van den volkstribuun C. Licinius Lucullus (196) (Licinii +no. 21); z. epulones. + +Licinia (lex) de sacerdotiis, eigenlijk slechts eene rogatio, daar +zij door het volk werd verworpen. De volkstribuun C. Licinius Crassus +(145) had voorgesteld, voor de priesters de coöptatio af te schaffen +en ze rechtstreeks door het volk te laten verkiezen. + +Licinia (lex) de sodaliciis van den consul M. Licinius Crassus (55), +waarbij de collegia sodalicia, kiesvereenigingen, die bij de lex +Clodia van 58 weer toegelaten waren, werden opgeheven en verboden. + +Licinia Cassia (lex) van de consuls P. Licinius Crassus en C. Cassius +Longinus (171), dat voor dit jaar, wegens den op handen zijnden oorlog +tegen Perseus geene tribuni militum door het volk mochten gekozen +worden, maar de consuls en praetoren ze zouden kiezen en aanstellen. + +Licinia Mucia (lex) de civibus redigundis van de consuls L. Licinius +Crassus (Licinii no. 12) en Q. Mucius Scaevola (95). Deze wet +verwees al de te Rome verblijf houdende socii uit Rome. Het schijnt, +dat er toen vele Italiërs te Rome aanwezig waren, die den schijn +aannamen, rom. burgers te zijn. Cicero noemt het eene lex inutilis et +perniciosa. Zij wekte groote verbittering en heeft veel bijgedragen +tot de uitbarsting van den bondgenootenoorlog. + +Liciniae Sextiae (leges) van de volkstribunen C. Licinius Stolo +en L. Sextius (367). 1) de consulatu, dat één der consuls uit +de plebs zou gekozen worden. Aan het bestaan van deze wet wordt +getwijfeld; vast staat slechts, dat L. Sextius Lateranus in 366 de +eerste plebejische consul geweest is. Herhaaldelijk komen nog twee +patricische consuls voor, zoo o.a. in 349 (zie Furii no. 11), voor +het laatst in 343.--2) agraria, dat niemand meer dan 500 iugera (agri +publici) zou bezitten. Zie Agrariae leges.--3) de X viris sacrorum, +dat in plaats van IIviri tienmannen, en deze voor de helft uit de +plebejers zouden gekozen worden. Ook aan het bestaan van deze wet wordt +getwijfeld. Zie Decemviri no. 4.--4) de aere alieno, dat het geleende +kapitaal met de genoten rente zou worden verminderd en het restant in +drie jaarlijksche termijnen zou worden afbetaald. Sommige geleerden +houden ook deze wet voor verzonnen, en wel naar den geest van den +Sullaanschen tijd, toen zulke wetsvoorstellen herhaaldelijk opdoken. + +Licinii, plebejisch geslacht, waartoe o. a. de familiën Calvus, +Crassus, Damasippus, Lucullus, Murena, Nerva, Sacerdos, Varus +behoorden. Het was afkomstig uit Etruria, de Murenae echter +uit Lanuvium. 1) C. Licinius, een der eerste twee volkstribunen +(493). V. a. heetten de twee eerste tribuni: L. Sicinius L. f. Velutus +en L. Albinius C. f. Paterculus. Zie echter ook tribuni plebis.--2) +P. Licinius Calvus Esquilinus, de eerste plebejische tribunus +militum consulari potestate (400).--3) C. Licinius Calvus Stolo, +in 376 consulairtribuun en in 368 de eerste plebejische magister +equitum.--4) C. Licinius Calvus Stolo, volkstribuun 377-367, +verschafte na tienjarigen strijd, met zijn ambtgenoot L. Sextius +den plebejers toegang tot het consulaat. Dit verhaal is niet geheel +betrouwbaar, zie leges Liciniae Sextiae. In 361 was hij zelf consul. De +patriciërs klaagden hem aan, omdat hij in strijd met zijne eigene +akkerwet, 1000 iugera staatsdomein in erfpacht bezat en hij werd tot +eene zware geldboete veroordeeld. Ook dit verhaal is niet geheel +betrouwbaar, zie Agrariae leges.--5) C. Licinius Macer, redenaar +en annalist, volkstribuun in 73. In 66, toen Cicero praetor was, +van afpersingen aangeklaagd, pleegde hij zelfmoord. Hij heeft annales +geschreven.--6) C. Licinius Macer Calvus, zoon van no. 5, als redenaar +en elegieëndichter bekend. (82-48). Hij was een vriend van Catullus +en een tegenstander van Cicero.--7) P. Licinius Crassus Dives werd +reeds jong pontifex maximus (212). In 210 was hij censor, nog voordat +hij consul was geweest. In 205 bekleedde hij het consulaat. Hij was +zeer ervaren in het ius pontificium.--8) P. Licinius Crassus, consul +in 171, werd door Perseus van Macedonia bij Sycurium in Thessalia +verslagen.--9) C. Licinius Crassus, broeder van no. 8 en diens +legaat in 171, was zelf consul in 168.--10) C. Licinius Crassus, +volkstribuun in 145, wiens rogatio de sacerdotiis verworpen werd, +nam de gewoonte aan, wanneer hij in het openbaar het woord voerde, +zich naar het volk te keeren en niet naar het senaatsgebouw, zooals +tot nog toe gebruikelijk was.--11) P. Licinius Crassus Dives Mucianus, +een geboren Mucius Scaevola, goed redenaar en jurist en kenner der +grieksche taal, vriend van Tib. Gracchus, consul in 131, vond den dood +op de vlucht na de nederlaag, hem bij Leucae door den pergameenschen +kroonpretendent Aristonicus toegebracht. Hij was pontifex maximus.--12) +L. Licinius Crassus, de beste redenaar van zijn tijd. Nog slechts +21 jaar oud, trad hij in 119 als beschuldiger van C. Papirius Carbo +op, die hierop zichzelf ombracht (Papirii no. 11). In 95 was hij +consul met Q. Mucius Scaevola (zie lex Licinia Mucia). Later was +hij propraetor in Gallia Cisalpina. Hij stierf in 91, na nog in +het vorige jaar de censuur bekleed te hebben. In Cicero's werk de +oratore komt hij als een der hoofdpersonen voor.--12a) L. Licinius +Crassus Scipio, aangenomen zoon van no. 12, z. Cornelii no. 24.--13) +Licinia, dochter van no. 12, echtgenoote van den jongen Marius, eene +zeer welsprekende vrouw. Ook eene oudere zuster bezat de gave der +redekunst.--14) P. Licinius Crassus Dives, consul in 97, censor in 89, +bracht verscheidene jaren als stadhouder in Hispania door en hield +in 93 een triumphus over de Lusitaniërs. In den bondgenootenoorlog +werd hij door M. Lamponius verslagen. Door de partij van Marius in 87 +vogelvrij verklaard, sloeg hij de hand aan zichzelf.--15) M. Licinius +Crassus Dives, zoon van no. 14, streed in den burgeroorlog onder Sulla +en verwierf door het opkoopen van verbeurdverklaarde bezittingen een +ontzaggelijk vermogen, dat hij nog langs verschillende wegen zocht +te vermeerderen en dat hij tevens aanwendde om door het leenen van +geld anderen van zich afhankelijk te maken. Als praetor verloste +hij Rome in 71 van den slavenoorlog, waarop hij tegen het volgende +jaar met Pompeius tot consul werd verkozen. Beide ambtgenooten waren +allesbehalve eensgezind; Pompeius zocht de volksgunst door het herstel +der tribunicische macht, Crassus door het volk aan 10000 tafels, op +den openbaren weg aangericht, op een feestmaal te onthalen. Caesar +trad verzoenend tusschen hen op, en in 60 kwam het zoogenaamde eerste +driemanschap tot stand, dat in April 56 te Luca hernieuwd werd. In +55 werden Crassus en Pompeius ten tweeden male consuls; aan Crassus +viel Syria als provincie ten deel. Uit hoop op roem trok hij tegen +de Parthen te velde (54). Hij trok den Euphraat over, maar werd het +volgend jaar in Mesopotamia, ten Z. van Carrhae, verslagen, waarbij +zijn jongste zoon sneuvelde. Bij Carrhae andermaal aangevallen, +werd hij bij een onderhoud met den parthischen veldheer verraderlijk +afgemaakt (53).--16) M. Licinius Crassus Dives, zoon van no. 15, +was quaestor van Caesar in Gallia; hij was waarschijnlijk gehuwd met +Caecilia Metella, van wie het bekende grafmonument aan de Via Appia is +(zie Caecilii no. 27).--17) P. Licinius Crassus Dives, zoon van no. 15, +een bekwaam generaal, was onder Caesar legaat in Gallia geweest. Hij +sneuvelde in 53 tegen de Parthen. Cicero roemt zijne kundigheden en +zijne rechtschapenheid.--18) C. Licinius Mucianus, was onder Nero +en Galba stadhouder van Syria, en ijverde voor de verheffing van +Vespasianus op den troon. Deze zond hem naar Italia, waar hij met +Domitianus het bestuur waarnam tot aan de komst des keizers. Sedert +wijdde hij zich aan de wetenschap. Hij heeft o. a. een werk uitgegeven +over hetgeen hij in het Oosten gezien had.--19) L. Licinius Damasippus, +onjuiste naam voor L. Junius Brutus Damasippus (Junii no. 24). Hij +was in 82 praetor, en liet toen op bevel van den jongen Marius, +vóór hij Rome ontruimde, de voornaamste overgebleven leden van de +optimatenpartij ombrengen. Na den slag bij Porta Collina (1 Nov. 82) +liet Sulla hem met de overige krijgsgevangenen afmaken.--20) Licinius +Damasippus, bij Cicero vermeld als liefhebber van standbeelden en +tuinen. Bij Horatius komt een Damasippus voor, die zijn vermogen heeft +doorgebracht en daarna stoicijn is geworden. Dit is waarschijnlijk +dezelfde.--21) L. Licinius Lucullus, volkstribuun in 196 en een +der eerste IIIviri epulones (zie lex Licinia).--22) L. Licinius +Lucullus, consul in 151, overviel verraderlijk in Spanje de Vaccaei, +die met de Romeinen verbonden waren; na vele moordtooneelen werd hij +genoodzaakt het beleg voor hun hoofdstad Pallantia op te geven en terug +te trekken. Het volgende jaar behaalde hij samen met Ser. Sulpicius +Galba (z. Sulpicii no. 11) eenige voordeelen op de Lusitaniërs.--23) +L. Licinius Lucullus, propraetor op Sicilia in 103, trachtte +vruchteloos den slavenopstand aldaar te onderdrukken. Later werd +hij wegens bedriegelijke handelingen veroordeeld en verbannen.--24) +L. Licinius Lucullus, zoon van no. 23, was Sulla's quaestor in diens +veldtocht tegen Mithradates en commandant van de vloot in de Aegaeische +zee. Een verzoek van Fimbria (zie Flavii no. 4) den koning in de haven +van Pitane in te sluiten, wees hij van de hand, waardoor Mithradates +ontsnappen kon. In 76 was hij propraetor in Africa. In 74 was hij +consul en kreeg als zoodanig de provincies Asia en en Cilicia, en +werd belast met het opperbevel in den nieuwen mithradatischen oorlog, +terwijl zijn ambtgenoot M. Aurelius Cotta met Bithynia het opperbevel +kreeg over de vloot. In 73 versloeg hij den koning bij Cyzicus, +verdreef hem uit de rom. provincie, veroverde vervolgens Pontus, trok +hierop (69) tegen Tigranes van Armenia, den schoonzoon en bondgenoot +van Mithradates, op en versloeg bij Tigranocerta eene aanzienlijke +overmacht. Doch Lucullus had zich vijanden gemaakt onder de societates +publicanorum, tegen wier afpersingen hij de Asiaten in bescherming had +genomen; daarbij waren er, die de leiding van den oorlog aan Pompeius +in handen wilden spelen. Het leger van Lucullus werd opgeruid en de +soldaten weigerden eenparig den winterveldtocht in het onherbergzame +Armenia voort te zetten. Lucullus moest de gemaakte veroveringen prijs +geven en werd teruggeroepen (67). Hij zeide hierop het staatsleven +vaarwel. Hij was ontzaggelijk rijk, doch in tegenstelling van zoovele +anderen streng eerlijk en niet hebzuchtig. Hij was een der beschermers +van den dichter Archias en zelf een kenner der grieksche literatuur. In +zijne jongere jaren had hij in het Grieksch den bondgenootenoorlog +beschreven. Zijne woning, landhuizen, boek- en kunstverzamelingen, +alles was even rijk en prachtig. Hij stierf krankzinnig in 56.--25) +M. Licinius Lucullus, broeder van no. 24, doch door M. Terentius Varro +tot zoon aangenomen en dus M. Terentius Licinianus Varro, ook wel +M. Terentius Varro Lucullus genoemd, was consul in 73 (z. Terentii +no. 6 en Cassia Terentia (lex)), en bestuurde vervolgens Macedonia +en onderwierp toen de Bessi, een thracische volksstam. Hij was een +vriend van Cicero en stond hem in zijn ballingschap bij. Hij had niet +de groote talenten van zijn broeder, en leefde op minder vorstelijken +voet.--26) M. Licinius Lucullus, zoon van no. 24, opgegroeid onder +de voogdij van Cato (minor) en Cicero, sneuvelde bij Philippi als +aanhanger van Brutus en Cassius.--27) L. Licinius Murena, praetor in +156 (?), kreeg den naam Murena of Muraena (= makreel) naar de door +hem aangelegde vischvijvers. Hij was één van de Xviri, die in 146 +Griekenland als provincie Achaia ingericht hebben.--28) P. Licinius +Murena, zoon van no. 27, groot oudheidkenner, sneuvelde in den strijd +tegen de partij van Marius.--29) L. Licinius Murena, ook een zoon van +no. 27, streed in 86 onder Sulla tegen den mithradatischen veldheer +Archelaus. In 84 door Sulla als stadhouder in Asia achtergelaten, +hervatte hij in 83 op eigen gezag den oorlog tegen Mithradates, doch +werd verslagen (82) en daarna door Sulla teruggeroepen. Er werd hem +echter een triumftocht toegestaan.--30) L. Licinius Murena streed +eerst onder zijn vader (no. 29), daarna onder Lucullus (no. 24) tegen +Mithradates. Als propraetor van Gallia (64) betoonde hij zich een +eerlijk en rechtvaardig bewindsman. In 63 werd hij tot consul voor het +volgende jaar gekozen, doch van ambitus beschuldigd. Cicero, Crassus +en Hortensius traden als zijne verdedigers op en hij werd glansrijk +vrijgesproken. Hij ondersteunde in 63 de veroordeeling van Catilina's +saamgezworenen.--31) C. Licinius Murena, ook een zoon van no. 29, was +in 63 legatus pro praetore van Gallia Cisalpina en liet de boden van +Catilina gevangen nemen.--32) A. Terentius Varro Murena, een geboren +Licinius, roeide in 25 het Alpenvolk der Salassers bijna uit. In +hun gebied werd toen Augusta Praetoria (tgw. Aosta) aangelegd. In 23 +liet Augustus hem, ofschoon hij een zwager van Maecenas was, wegens +samenzwering ter dood brengen.--33) Een andere tak der Licinii waren de +Nervae. Een hunner, P. Licinius Nerva, in 104 propraetor van Sicilia, +gaf aanleiding tot den tweeden slavenoorlog aldaar.--34) C. Licinius +Sacerdos, werd in 142 door den censor Scipio (Africanus minor) +van meineed beticht, doch de zaak werd niet verder doorgezet.--35) +C. Licinius Sacerdos, de voorganger van C. Verres, had zich als +propraetor van Sicilia (74) door eerlijkheid en rechtschapenheid +onderscheiden.--36) Nog een tak zijn de Vari. De voornaamste is +C. Licinius Varus, consul in 236, die de Corsen onderwierp.--37) +A. Licinius Archias, grieksch dichter uit Antiochia in Syria, zeer +bevriend met L. Licinius Lucullus, van wien hij den gentielnaam +Licinius aannam. Hij had door toedoen van Lucullus het burgerrecht +van Heraclea (in Lucania) gekregen, en toen na den marsischen oorlog +ook de Heracleoten het rom. burgerrecht erlangden, werd Archias +rom. burger. In 62 echter werd hij beschuldigd, dat hij onwettig zich +het burgerrecht zou hebben aangematigd. Cicero verdedigde hem. + +Licinius (C. Valerius), uit Dacia geboortig, rom. keizer 308-324 +n. C. Na den dood van Maximinus II Daia waren hij en zijn zwager +Constantinus (later de Groote) de eenige overgebleven keizers. Toen ook +tusschen hen de strijd ontbrandde, dolf Licinius het onderspit. Zie +Constantinus. Een jaar na zijn afzetting werd Licinius, toen hij +hoogverraad wilde plegen, te Thessalonice omgebracht (324). + +Licinus, familienaam in de gens Porcia. + +Lictores. De magistraten, die het imperium hadden, hadden lictoren in +dienst, die de fasces of roedenbundels voor hen uit droegen. Een consul +had er 12, een praetor binnen Rome 2, buiten de stad 6. De dictator +had er 24, de magister equitum 6. Wanneer er een dictator benoemd was, +hadden de consuls, althans binnen Rome, geene lictoren. De lictoren +van deze soort vormden 3 decuriae, elk van 24 man. Een andere soort +waren de lictores curiati, de 30 boden der 30 curiën. Zij maakten +ééne decurie uit. De flamen Dialis en de vestaalsche maagden hadden +ook ieder een lictor, die echter evenmin als de curiaatlictoren een +roedenbundel droeg. De lictoren van een overheidspersoon gingen één +voor één; hij, die het meeste vertrouwen genoot, was de achterste in +de rij en dus het dichtst bij den magistraat (lictor proximus). Het +was een vast gebruik, dat, wanneer de magistraat in het openbaar met +iemand sprak, deze lictor altijd tusschen beiden in bleef staan. + +Licus, zijrivier van den Donau in Vindelicia, thans Lech. + +Licymnius, Likymnios, zoon van Electryon, ging met zijn zwager +Amphitryo naar Thebae en huwde diens zuster Perimede. Hij vergezelde +Heracles dikwijls op zijne tochten, en werd door diens zoon Tlepolemus, +met opzet of bij ongeluk, gedood. + +Lide, Lide, berg in Caria, bij Pedasa. + +Ligarii, een geslacht van sabijnsche afkomst, waarvan in de +burgeroorlogen drie broeders voorkomen. Een er van is Q. Ligarius, +voor wien Cicero eene verdedigingsrede heeft gehouden. Hij was in 50 +legaat in Africa geweest en wel legatus pro praetore bij ontstentenis +van den stadhouder. Hij had echter de provincie overgedragen aan +P. Attius Varus, aanhanger van Pompeius, en had L. Aelius Tubero, die +door den senaat tot propraetor van Africa benoemd was, belet aan land +te komen. Hij streed ook nog tegen Caesars veldheer C. Scribonius +Curio, later tegen Caesar zelf, doch werd gevangen genomen en +verbannen. Cicero wist echter in eene fijn doorwrochte rede Caesar tot +genade te bewegen. Later vindt men Ligarius onder Caesars moordenaars. + +Liger, rivier in Gallia, thans de Loire. + +Ligii, Lugii, Lygii, een groote germaansche volksstam tusschen den +bovenloop van Viadus (Oder) en Vistula (Weichsel). Uit hen zijn later +de Vandalen en Burgundi voortgekomen. + +Ligula, een soort eierlepel, grooter dan de cochlear (z. a.); ook +als maat het 1/4 deel van een cyathus. + +Liguria, Ligystike, het land in Boven-Italië, tusschen den sinus +Ligusticus (golf v. Genua) en den Padus (Po). De inwoners, Ligures, +Ligyes, waren een krijgshaftig volk; het land was boschrijk en in het +Z. doorsneden door den Apenninus. Van omstreeks 240 tot op den tijd +van Augustus poogden de Rom. het land te onderwerpen; eerst in 14 +werd Liguria tot provincie gemaakt. De Liguriërs waren sterk gebruind. + +Lilaea, Lilaia, oude stad in het N.W. van Phocis, nabij de bronnen +van den Cephisus. + +Lilybaeum, Lilybaion, westelijke kaap van Sicilia, met eene +gelijknamige, uiterst sterke stad, in 390 door de Carthagers onder +Himilco gesticht, die de inwoners van het nabijgelegen Motye hierheen +overbracht, en de stad met een sterke bezetting voorzag. De Romeinen +stieten in 250 voor Lilybaeum het hoofd. Onder de rom. heerschappij +bleef Lilybaeum de zetel van een der beide quaestoren. De andere +hield te Syracusae verblijf. Thans Marsala. + +Limes imperii, in het algemeen de grens van het rom. rijk, meer in +het bijzonder de Limes Germaniae Superioris en de Limes Raetiae. Deze +grensversterking, die door de Flavische keizers begonnen en door latere +keizers afgewerkt is, begint bij Rheinbrohl, loopt zuidoostelijk naar +den Taunus, buigt dan noordelijk om, zoodat Friedberg en Wetterau +ingesloten worden, en bereikt dan naar het Zuiden ombuigend, de +Main bij Gross-Krotzenburg, die dan tot Miltenberg de grens vormt; +dan loopt de limes in een rechte lijn bijna zuidelijk tot Lorch. Tot +zoover reikt de limes Germaniae Superioris. Hier sluit zich bijna onder +een rechten hoek de limes Raetiae aan, die in een boog ten Noorden van +de Donau zich naar het Oosten richt, en boven Regensburg bij de Donau +eindigt. Men heeft in de laatste jaren tal van castella opgegraven, +waarvan het voornaamste, de Saalburg benoorden Homburg v. d. H., +weer opgebouwd is. + +Limnae, Limnai, (= moeras), stad in Messenia, op de grens van Laconia, +met een tempel van Artemis Limnatis. Hier greep de aanleiding tot +den eersten messenischen oorlog plaats, toen messenische meisjes door +spartaansche jongelingen onteerd werden.--Eene wijk in Athene en in +Sparta heette ook Limnae.--Ook een ionische stad op de W. kust van +de thracische Chersonesus. + +Limnaea, Limnaia, welvarend vlek in het N. van Acarnania, met eene +haven aan de Ambracische golf. + +Limone = Elone. + +Limonum, stad der Pictones in Gallia, thans Poitiers. + +Limus, een schort met schuine strepen, door den offerdienaar gedragen. + +Limyra, ta Limyra, stad in het Z.O. van Lycia, aan de rivier Limyrus. + +Lindus, Lindos, stad aan de O.-kust van Rhodus. Zie Ialysus. + +Lingones, Lingones, aanzienlijk gallisch volk in Gallia op het +tegenw. plateau van Langres, aan de bronnen der Mosa (Maas) en van +den Matrona (Marne). Steden: Divio (Dijon), dat door sommigen tot +het gebied der Sequani gerekend wordt, en Andematunum (Langres). + +Linternum = Liternum. + +Linus, Linos, een schoon jongeling, wiens vroege dood in zeer oude +klaagliederen (linoi) betreurd werd, waarin dikwijls de uitroep ailinos +herhaald werd. Te Argos heette hij de zoon van Apollo en Psamathe; +hij was door zijne moeder te vondeling gelegd, bij een herder opgevoed, +en toen hij opgegroeid was, door honden verscheurd. Psamathe werd, toen +de geboorte van haar kind ontdekt was, door haar vader gedood. Om de +schimmen der beide dooden te verzoenen, vierden de Argiven jaarlijks +omstreeks de hondsdagen het feest arneis of kynophontis, waarbij +lammeren geofferd en honden gedood werden, terwijl vrouwen onder het +zingen van het Linuslied een optocht hielden. De Thebanen brachten +hem jaarlijks een lijkoffer op den Helicon. Bij hen heette hij de zoon +van Hermes en de Muze Urania, en was hij een beroemd zanger, die met +Apollo een wedstrijd aanging en door hem gedood werd.--V. a. was hij +gedood door zijn leerling Heracles (z. a.). + +Lipara, Lipara, het grootste der Aeolische, Vulcanische of Liparische +eilanden, ten N. van Sicilia, waartoe het in den keizertijd behoorde. + +Lipaxus, Lipaxos, kuststad in het macedonische gewest Crossaea. + +Lipomartyriou dike, aanklacht tegen iemand, die, in strijd met eene +gedane belofte, niet als getuige verschenen is. + +Lipsydrium, Leipsydrion, vesting aan den voet van het gebergte Parnes +in Attica, ten Z.W. van Decelea, door de Pisistratiden onder leiding +van Clisthenes bezet (± 512); zij werden echter door Hippius gedwongen +het Attische land te verlaten. + +Liquentia, rivier in het noordelijk gedeelte van het gebied der Veneti, +die zich in de Adriatische zee stort. + +Liris, Leiris, grensrivier tusschen Latium en Campania, die zich +met weinig stroom bij Minturnae in zee stort; vandaar bij Horatius +taciturnus amnis. In zijn bovenloop stroomt hij langs Sora en +Fregellae, waar hij den Tolerus (Trerus) opneemt. + +Lissus, Lissos, 1) rivier op Sicilia, een zijtak van den Terias, +bij Leontini.--2) rivier in Thracia, die bij Maronea in zee valt.--3) +stad aan de zuid-dalmatische kust, in 385 door Dionysius van Syracusae +gesticht, met eene onneembare acropolis. + +Litae, Litai, godinnen van berouw en gebed. Zij volgen Ate met langzame +schreden, om het door deze bedreven kwaad weder goed te maken. + +Litana silva, bergwoud op den Apenninus in Gallia Cispadana, ten +Z.O. van Mutina (Modena). Ligging onzeker. Hier sneuvelde de consul +L. Postumius Albinus in 216 tegen de Galliërs. + +Literatus servus, een geletterde slaaf, zooals de aanzienlijken +als secretaris, voorlezer, bibliothecaris, enz., gebruikten; doch +ook gebrandmerkte slaaf, wien wegens ontvluchting of diefstal een F +(fugitivus, fur) op het voorhoofd was gebrand. + +Liternum, Liternon, ook Linternum, stad op de campaansche kust, ten +Zuiden van de rivier de Clanius, naar de stad ook wel Liternus of +Linternus genoemd. Tusschen de rivier en de stad lag langs de kust +de Literna palus. In 196 werd de stad als rom. kolonie aangelegd op +het grondgebied van Capua. Scipio Africanus maior is hier in 183 als +balling gestorven en begraven. + +Litis aestimatio, taxatie door den iudex van het voorwerp, +waarover het geding loopt, voor zoover niet op eene bepaalde som was +geprocedeerd. Bij een iudicium publicum komt een dergelijke taxatie +ook wel voor. Wanneer b.v. iemand wegens afpersingen veroordeeld +was, moest het bedrag daarvan nog getaxeerd worden, om hiernaar +de schadevergoeding vast te stellen. Dit geschiedde door dezelfde +rechters, die het vonnis hadden geveld. + +Litis contestatio, plechtige oproeping van getuigen en vaststelling +in hunne tegenwoordigheid van het punt, waarover het geding +loopt. Hiermede werden de handelingen in iure besloten. Zie ook +formula. + +Litis denuntiatio, de door keizer M. Aurelius ingevoerde inleiding +van een proces door het indienen eener schriftelijke klacht, ter +vervanging der vroegere in ius vocatio. + +Liturgia, letourgia, leit., eene uitgave ten bate van het algemeen +door een enkel persoon gedragen. Te Athene behoorden tot de gewone +(enkyklioi) liturgieën: choregie, gymnasiarchie, enz., tot de +buitengewone: de triërarchie, proeisphora en architheorie. Van +staatswege werd de persoon aangewezen, die met eene liturgie belast +werd, uitgesloten waren archonten, erfdochters, minderjarigen, en +zij wier vermogen minder dan 3 talenten bedroeg; ook bestonden er +bepalingen om te voorkomen, dat hetzelfde vermogen te dikwijls door +eene liturgie gedrukt werd, vgl. Antidosis. De liturgieën waren zeer +kostbaar, vooral daar men, tenminste in den goeden tijd, uit mildheid +of eerzucht of een streven naar de volksgunst, veel meer deed dan +eigenlijk vereischt werd; de choregie kostte soms 5000 drachmen, +de kosten van de triërarchie stegen soms tot een talent. + +Lituus, de korte van boven spiraalvormig gekromde staf der augurs, die +vrij van knoesten moest zijn. Ook de kromhoorn, die als blaasinstrument +bij de rom. ruiterij diende. + +Lityerses, Lityerses, Phrygiër, zoon van Midas, ontving de +vreemdelingen gastvrij, doch dwong hen later hem bij den oogst +te helpen en een wedstrijd in het maaien met hem aan te gaan; den +overwonnenen sneed hij het hoofd af. Heracles doodde hem en wierp +zijn lijk in de rivier de Maeander. + +Liviae (leges) van den volkstribuun M. Livius Drusus, 122, die echter +niet tot uitvoering kwamen, daar zij niet ernstig gemeend waren, +doch slechts de strekking hadden, den invloed van C. Gracchus te +ondermijnen. Zie hieromtrent verder onder Agrariae (leges). + +Liviae (leges) van den volkstribuun M. Livius Drusus in 91: 1) lex +iudiciaria, dat 1o. de senaat met 300 leden uit den ridderstand +zou aangevuld worden, en dat uit dezen verdubbelden senaat de +rechters zouden gekozen worden; 2o. er een onderzoek zou ingesteld +worden naar die rechters, die zich hadden laten omkoopen.--2) leges +agraria et de coloniis deducendis, in denzelfden trant als die van +C. Gracchus. Zie verder onder Agrariae (leges).--3) lex frumentaria, +waarbij de prijs van het koren verlaagd werd, overigens niet nader +bekend.--4) lex nummaria, dat de zilveren munt voor 1/8 met koper zou +vermengd worden.--5) lex de civitate, om aan de italiaansche socii +het rom. burgerrecht toe te kennen. De laatstgenoemde wet kwam niet +in behandeling; de overige werden door den senaat ongeldig verklaard, +omdat ze gezamenlijk in stemming waren gebracht, hetgeen verboden was, +zie Caecilia Didia (lex). + +Livii, oud plebejisch geslacht, waarin de familie Drusus de voornaamste +is. 1) M. Livius Denter, consul in 302, en na de lex Ogulnia (300) een +der eerste plebejische pontifices.--2) C. Livius Drusus, broeder van +no. 3, een uitstekend redenaar, hield, toen hij blind was geworden, +zich bezig met het geven van rechtsgeleerde adviezen.--3) M. Livius +Drusus, volkstribuun in 122, broeder van no. 2, was een tegenstander +van C. Gracchus (zie leges Liviae). In 112 was hij consul en bestreed +met goed gevolg de thracische Scordisci.--4) M. Livius Drusus, +volkstribuun in 91, zoon van no. 3, was een goed redenaar en een man +van edel karakter en onbesproken zeden. Door te groot zelfvertrouwen +gedreven, meende hij, door aan alle partijen iets te geven, ze met +elkander te kunnen verzoenen. Aan den senaat wilde hij een deel der +rechtspraak teruggeven, aan het volk landerijen en uitdeelingen van +koren, aan de bondgenooten het rom. burgerrecht verleenen (zie leges +Liviae). Vooral dit laatste wetsvoorstel stiet overal op tegenstand +(zie vooral Marcii no. 16), en Livius werd in zijn huis door een +dweper vermoord.--5) Livia, zuster van no. 4, was bij M. Porcius +Cato de moeder van Cato van Utica. Als weduwe hertrouwde zij met +Q. Servilius Caepio (Servilii no. 17). Omtrent haar dochter Servilia +z. Servilii no. 19.--6) M. Livius Macatus verdedigde in 214 Tarentum +tegen Hannibal en hield zich in den burg staande, totdat Q. Fabius +Maximus in 209 de stad heroverde.--7) M. Livius Salinator overwon als +consul in 219 met zijn ambtgenoot L. Aemilius Paullus de Illyriërs; +beiden werden wegens onregelmatigheden bij het verdeelen van den buit +(de peculatu) veroordeeld. In 207 was hij andermaal consul en versloeg +toen met zijn ambtgenoot C. Claudius Nero bij den Metaurus in Umbria +Hannibals broeder Hasdrubal. In 204 was hij censor, wederom met Nero, +bij welke gelegenheid de beide mannen, die elkander sedert vele jaren +een diepen haat toedroegen, elkander onder de aerarii brachten. Door +eene belasting op het zout te leggen, kreeg Livius in zijne censuur +den spotnaam van Salinator.--8) Livia Drusilla, dochter van zekeren +Appius Claudius Pulcher, die na zijn adoptie door een zekeren Livius +M. Livius Drusus Claudianus heette, en die in den slag bij Philippi +gesneuveld was, huwde met Tib. Claudius Nero, die haar echter aan +Octavianus op diens aandrang afstond (38). Door hare schoonheid en +haar verstand wist zij Octavianus geheel aan zich te boeien, zoodat +hij de beide zoons, die Livia van haren eersten man had, Tiberius +en Drusus, als de zijne aannam. Door Augustus werd zij bij testament +met de namen Julia Augusta in de gens Julia opgenomen. Op haar zoon +Tiberius had zij minder invloed, hoewel zij door hare maatregelen na +Augustus' dood hem de regeering had verschaft. Zij overleed in 22 na +C.--9) Over Livilla, dochter van Drusus en Antonia minor, en Livilla, +dochter van Germanicus en Agrippina, zie men Iulii op het einde.--10) +T. Livius Patavinus, niet met de gens Livia verwant, maar uit eene +aanzienlijke familie te Patavium geboren, schreef eene uitvoerige +geschiedenis van Rome van de stichting der stad af tot op den dood +van Drusus (9), in 142 boeken. Hij werkte hieraan van 27 tot aan zijn +dood. Hiervan bestaan nog I-X (tot 293), XXI-XLV (218-167) en nog zeer +enkele fragmenten. Er zijn nog inhoudsopgaven (periochae) van bijna +alle boeken over. Hij leefde 59-17 na C.--11) Livius Andronicus, +een geboren Griek, uit Tarentum, bij de verovering dezer stad door +de Rom. gevangen genomen (272) en te Rome als slaaf verkocht. Hij +kwam als zoodanig in het huis van een der Livii en nam daarom als +vrijgelatene den naam Livius aan. Hij was de eerste tooneeldichter der +Romeinen, ± 240. Ook heeft hij de Odyssee in het Latijn overgebracht, +in saturnische versmaat. Op enkele fragmenten na is alles verloren. + +Lixus, oud-phoenicische nederzetting op de atlantische kust van +Mauretanië. + +Lochos, eene afdeeling soldaten in het spartaansche leger van +onbepaalde sterkte, die echter in den regel omstreeks 100 man geweest +zal zijn. In slagorde stond de lochos gewoonlijk acht man diep, op +marsch vormde men dikwijls lochoi orthioi met smal front en groote +diepte. De hieros lochos der Thebanen bestond uit 300 man. Toen later +groote huurlegers gevormd werden, werd de indeeling in lochoi daarbij +overgenomen. Aan het hoofd van den lochos stond een lochagos. + +Locri Epizephyrii, Lokroi Epizephyrioi, eene oude stad op de kust van +Bruttium, bij kaap Zephyrium, door Ozolische Locriërs gesticht. Zelf +meenden zij, en men vindt die meening ook bij de dichters, dat zij +afstamden uit Naryx of Narycus (z. a.), een klein plaatsje in het +gebied der Opuntische Locriërs, en dat de stad gesticht was door de +volgelingen van Aiax, den zoon van Oileus, nadat deze in den storm +bij kaap Caphereus was omgekomen. Te Locri leefde in de 7de eeuw de +beroemde wetgever Zaleucus. De stad bloeide door handel en vertier +tot den tweeden punischen oorlog, toen ging zij achteruit en geraakte +allengs in verval. + +Locris, Lokris. De Locri, Lokroi, misschien van lelegischen stam, +waren door de Phocensers, die als eene wig in hun gebied indrongen, in +drie deelen versnipperd en geraakten nooit tot macht of aanzien. Aan +de Euboeïsche golf woonden de Locri Opuntii, aldus genaamd naar +de stad Opus (gen. -ntis) en de Locri Epicnemidii, naar den berg +Cnemis. Deze twee vormden echter één staat, met Opus tot hoofdstad, +en werden gezamenlijk ook wel de oostelijke Locriërs (eoioi) of hoi +pros Euboian Lokroi genoemd. Aan de Corinthische golf woonden de Locri +Ozolae, of westelijke (hesperioi) Locriërs, die meer dan de anderen +een roofzieken aard behouden hadden. Tot hun gebied behoorden de +steden Amphissa, bekend in den laatsten heiligen oorlog, en Naupactus +(Lepanto), vanwaar de Doriërs naar de Peloponnesus waren overgestoken. + +Locusta, beruchte giftmengster, die het vergif bereidde, waaraan +keizer Claudius en Britannicus stierven. Onder Galba werd zij ter +dood gebracht. + +Logeion, het tooneel in engeren zin = proskenion. + +Logistai, een collegie van 30, later 10 beambten, vroeger bij +stemming verkozen, later door het lot aangewezen, die met de euthynoi +de rekening en verantwoording der afgetreden overheidspersonen +nazagen. Zie Euthynai. + +Logographos, in het algemeen een prozaschrijver, meer in het bizonder +een schrijver van geschiedenis of van redevoeringen. Vooral geeft men +dien naam aan attische redenaars, die voor anderen pleidooien schreven; +verder aan de oudste geschiedschrijvers, die het eerst sagen en mythen, +welke tot hun tijd alleen in den mond van het volk geleefd hebben, +in eenvoudig proza te boek stelden, en dus den eersten stap deden +op het gebied der historiographie. De voornaamste zijn: Hecataeus, +Acusilaus, Charon, Xanthus, Pherecydes, Hellanicus, Damastes. + +Lollii, plebejisch geslacht uit Samnium. 1) M. Lollius Paullinus, +consul in 21, werd in 16 door de germaansche volkeren aan den Rijn +verslagen. Augustus vertrouwde hem zijn kleinzoon Gaius Caesar toe, +toen deze in het jaar 1 naar het O. ging. Hij was een vriend van +Horatius, die aan hem Carm. IV. 9 en aan zijne zoons Epist. I. 2 en 18 +richtte.--2) Zijne kleindochter Lollia Paullina werd de echtgenoote +van keizer Caligula, die haar echter weder verstiet. Later werd zij +vermoord door toedoen van Agrippina (49 n. C.).--3) Q. Lollius Urbicus, +legaat van keizer Antoninus Pius in Britannia, z. a. + +Londinium, thans Londen, reeds in het rom. tijdperk eene aanzienlijke +koopstad der Trinobantes. + +Longinus, familienaam in de gens Cassia (Cassii no. 2-12). + +Longinus, Longinos, Cassius L., geb. te Athene in het begin der 3de +eeuw na C., verwierf groot aanzien als letterkundige en wijsgeer en +gaf te Athene onderwijs in die vakken. Hij reisde veel, en leerde op +een van zijne reizen koningin Zenobia kennen, die hem tot raadsman nam +en zich op zijn aandrijven tegen de Rom. verzette; toen dus Zenobia +overwonnen was, werd L. op last van Aurelianus ter dood gebracht +(272). Van zijne talrijke werken is alleen eene verhandeling peri +hypsous bewaard gebleven, en ook deze dateert naar veler meening uit +een veel vroegeren tijd. + +Longobardi, een dappere germaansche stam aan den linkeroever van de +Beneden-Elbe; de naam is nog over in Bardewik bij Lüneburg. Tijdens +de volksverhuizing trekt een groot gedeelte van het volk zuidoostelijk +naar Donau en Theiss. In 568 n. Chr. vallen ze onder hun koning Alboin +Italië binnen, en stichten daar het Longobardische rijk. Naar hen +heet een gedeelte van Noord-Italië Lombardije. + +Longula, albaansche gemeente, onderhoorig aan Antium, vroeg door de +Romeinen verwoest. + +Longus, Longos, waarschijnlijk einde van de 2de eeuw n. C., schrijver +van een herdersroman (Poimenika ta kata Daphnin kai Chloen), die +als de beste der oude romans geprezen wordt en ook meermalen door +nieuwere schrijvers nagevolgd is. Over het leven van den schrijver +is niets bekend. + +Loretanus (portus) = Lauretanus Sinus. + +Lorica, thorax, harnas, onverschillig of het slechts uit eene +borstplaat bestond, of wel ook den rug bedekte. De harnassen +waren dikwijls van lederen riemen vervaardigd, dikwijls ook van +strooken metaal, die door middel van scharnieren over elkander konden +schuiven. Wie het echter betalen kon, nam liefst een schubbenpantser +(lorica squamata). Ook de borstweringen op muren heeten loricae. + +Lorium, dorp aan de via Aurelia in Etruria, tusschen Rome en Alsium, +sterfplaats van Antoninus Pius, die er ook was groot gebracht. + +Loryma, ta Loryma, haven op de Zuidkust van Caria, tegenover Rhodus. + +Lotis, nimf, die door Priapus met zijne liefde vervolgd werd; toen +zij hem niet meer ontvluchten konde, veranderden de goden haar op +hare bede in een lotus. + +Lotophagi, Lotophagoi, volksstam in Africa aan de kleine Syrte, een +goedaardig volk, dat van den lotusboom leefde. Door hun gebied liep +een karavaanweg. Naar hen wordt het eiland Meninx in de kleine Syrte +ook Lotophagitis genoemd. + +Loxias, Loxias, bijnaam van Apollo, naar de duistere taal, waarin +zijne orakels gegeven werden. + +Lua, Lua Mater, dochter of vrouw van Saturnus, eene godin te wier eere +de Romeinen na den slag buitgemaakte wapenen verbrandden, een offer dat +strekte tot verzoening van het vergoten bloed. Het is waarschijnlijk +een godheid, die een ongunstigen invloed uitoefent op het gezaaide. + +Luca, Louka, thans Lucca, stad aan de grenzen van Liguria en Etruria, +sedert 177 rom. kolonie. + +Lucania, Leukania, gewest van Zuid-Italia ten Z. van Samnium en +Apulia, ten N. van het land der Bruttii. Het bracht veel rundvee +voort van de zwaarste en grootste soort, zoodat de Rom. in het eerst +aan de olifanten, die Pyrrhus medebracht, den naam van lucanische +ossen gaven. De Lucaniërs, die de oude Oenotriërs verdrongen hadden, +waren van samnietischen stam. Zie Graecia magna. De kust was bezet met +grieksche volkplantingen. Na den tarentijnschen oorlog kwam Lucania +onder rom. heerschappij. Sedert den tweeden punischen oorlog is het +land vervallen. Later is het nog meer ontvolkt door den slavenoorlog +van 73-71. + +Lucanus, familienaam in de gens Annaea. + +Lucceii, plebejisch geslacht. 1) L. Lucceius geschiedschrijver van +den bondgenooten-oorlog en den eersten burgeroorlog, bevriend met +Cicero. Hij dong in 61 vergeefs naar het consulaat.--2) C. Lucceius +Hirrus, z. Lucilii no. 4.--3) Q. Lucceius, geldwisselaar te Rhegium, +getuige in het proces tegen Verres.--4) Lucceius Albinus, onder Nero +procurator van Judaea (62-65 n. C.), vervolgens om zijne afpersingen +overgeplaatst naar Mauretania, later onder Vitellius ter dood gebracht. + +Luceres of Lucerenses, een van de drie oude stamtribus van den +rom. staat. Zie Tities. + +Luceria, Loukeria, of Nuceria, stad op de apulisch-samnietische +grenzen, sedert 321 bondgenoot van Rome, herhaaldelijk door de +Samnieten ingenomen en door de Romeinen heroverd, doch in 314 of 315 +herbouwd en rom. kolonie. + +Lucetius, bijnaam van Jupiter als god van het daglicht. + +Lucianus, Loukianos, van Samosata, werd geboren omstreeks 125 n. C. Hij +was een zoon van arme ouders en leerde aanvankelijk een handwerk, +maar spoedig wijdde hij zich aan de studie der welsprekendheid, trad +toen als pleitbezorger op, en reisde door Kl. Azië, Griekenland, +Italië en Gallië, waar hij veel roem en geld verwierf door zijne +voordrachten, waarvan verscheidene bewaard gebleven zijn. Eindelijk +vestigde hij zich te Athene, waar hij zich ijverig bezig hield met de +studie der wijsbegeerte, en een aantal werken schreef, die in den vorm +van samenspraken in zuivere, eenvoudige taal en beschaafden stijl een +duidelijk beeld geven van het leven van zijn veelbewogen tijd in al +zijne uitingen. Met geestigen spot en satire hekelt de schrijver het +verval der redekunst en literatuur, de ontaarding van beschaving en +zeden, het volksgeloof en den ouden eeredienst, maar vooral het van +overal indringende bijgeloof, en hen die daarin een middel vinden om de +menigte te bedriegen, de gemaaktheid en het vertoon der stoicijnen en +cynici--hoewel hij met Demonax bevriend was--terwijl hij daarentegen, +hoewel hij persoonlijk tot de leer van Epicurus overhelt, met eerbied +spreekt over de oude wijsgeeren van elke richting. Het laatste deel +van zijn leven bracht bij in Aegypte door, waar hij een rechterlijk +ambt bekleedde. + +Lucifer, 1) = Hesperus en Phosphorus.--2) = Daduchus. + +Lucifera, 1) bijnaam van eenige godinnen van het licht: Diana, Aurora, +e. a.--2) vrouw van den Daduchus. + +Lucilii, plebejisch geslacht. 1) C. Lucilius uit Suessa Aurunca, in het +Z. van Latium (180-102), een vertrouwd vriend van Scipio Africanus +minor en van C. Laelius. Hij was de eerste rom. hekeldichter, +voorganger van Horatius, en hekelde zonder aanzien des persoons +de gebreken van zijn tijd. Hoewel zijn versbouw stroef was, werd +hij toch met graagte gelezen. Er zijn nog fragmenten van zijn +werken over.--2) Lucilius Iunior, stoicijn, vriend van Seneca +Philosophus, aan wien S. (Annaei no. 2) zijne Epistulae schreef en +meerdere werken opdroeg, beoefende met ijver de wetenschappen en +de dichtkunst. Hij is waarschijnlijk de schrijver van Aetna, een +didactisch gedicht in hexameters.--3) Q. Lucilius Balbus, ook een +aanhanger der stoische wijsbegeerte, door Cicero sprekend ingevoerd +in zijn geschrift de natura deorum.--4) C. Lucilius Hirrus, ook wel, +maar verkeerd C. Lucceius Hirrus genoemd, volkstribuun in 53, wierf +in den burgeroorlog troepen voor Pompeius en werd door dezen naar +den parthischen koning Orodes gezonden om diens hulp te winnen, maar +werd door hem een tijdlang gevangen gehouden. Na Pompeius' dood werd +L. door Caesar begenadigd, maar bij de vogelvrijverklaringen van 43 +vluchtte hij naar S. Pompeius. + +Lucina, bijnaam van Juno en Diana als godinnen, die bij de geboorte +behulpzaam zijn. + +Lucretii, oorspronkelijk patricisch geslacht, doch later met +plebejische takken.--1) Sp. Lucretius Tricipitinus was senator +en praefectus urbi onder Tarquinius Superbus. In 509 werd hij +na het sneuvelen van Brutus in diens plaats consul, doch stierf +kort daarop.--2) Lucretia, dochter van no. 1 en echtgenoote van +L. Tarquinius Collatinus, eene vrouw van buitengewone schoonheid, +werd door S. Tarquinius in hare woning overvallen en met geweld +onteerd. Na het gebeurde aan haren man en aan haar vader te hebben +medegedeeld, doorstak zij zich met een dolk. Het gevolg was de +verdrijving der koninklijke familie. Het verhaal is dichterlijk en +misschien gedeeltelijk aan een Romeinsche praetexta ontleend.--3) +Bij Livius komen onder de hooge ambtenaren in de eerste twee +eeuwen der republiek verschillende Lucretii Tricipitini voor, +ook een C. Lucretius Gallus als rom. vlootvoogd tegen Perseus +(171). Later werd hij, wegens afpersingen in grieksche steden, +tot een groote geldboete veroordeeld.--4) Q. Lucretius Ofella had +eerst tot de partij van Marius behoord, maar sloot zich bij Sulla's +komst in Italia bij hem aan, en belegerde in den burgeroorlog in 82 +den jongen Marius in Praeneste. Later liet Sulla hem op het forum +vermoorden, omdat hij consul wilde worden zonder nog daartoe bevoegd +te wezen.--5) Q. Lucretius, aanhanger van Pompeius, bracht zichzelf +om, daar hij bij de inneming van Sulmo (49) niet in Caesars handen +wilde vallen.--6) Q. Lucretius Vespillo, tijdgenoot van Sulla, +redenaar en rechtsgeleerde.--7) Q. Lucretius Vespillo, werd in 43 +op de proscriptielijst gezet, maar ontkwam, doordat zijne vrouw hem +in zijn eigen huis verborgen hield; later werd door bemiddeling +zijner vrienden zijn naam van de lijst geschrapt; in 19 werd hij +door Augustus tot consul benoemd.--8) T. Lucretius Carus (98-55), +schrijver van een rom. leerdicht de rerum natura in 6 boeken, waarin +de leer van Epicurus ontwikkeld en verdedigd wordt. Met groote kunst +heeft hij dit onderwerp op dichterlijke wijze weten te behandelen en +door fraaie tafereelen en schilderingen afgewisseld. + +Lucretilis, schilderachtige berg in het sabijnsche land, op de grenzen +van Latium en niet ver van het buitenverblijf van Horatius. + +Lucrinus (lacus), Lokrinos kolpos, N.W. inham der golf van Cumae op +de kust van Campania, door afdamming in een meer herschapen. Het was +beroemd om zijne heerlijke oesters. Augustus liet eene verbinding +van het Avernische met het Lucrinische meer tot stand brengen, en in +den dam eene doorvaart maken. Thans is er van den dam niets meer te +vinden. Daar de naam Lucrinus aan lucrum (winst) deed denken, begonnen +de censoren te Rome de publieke verpachting der staatsdomeinen met +dien der oesterbanken in het genoemde meer. Voor de badgasten te +Baiae leverde het meer een groot genot op. + +Lucullus, familienaam in de gens Licinia (Licinii no. 21-26). + +Lucumo, vorstentitel in de 12 etruscische bondsteden, etruscisch +Lauchme. + +Lucus, een heilig woud, doch ook een dikwijls voorkomende naam van +steden, evenals bij ons verschillende plaatsnamen op -bosch uitgaan. 1) +Lucus Asturum in Tarraconensis, heel in het N. van Asturia, ten N. van +Ovetum, het tegenw. Oviedo.--2) Lucus Augusti, in Callaecia, thans +Lugo.--3) Lucus Augusti, stad der Vocontii, ten O. van den Rhodanus +(Rhône), in Gallia Narbonensis.--4) Lucus Angitiae, aan den Fucinus +Lacus, tegenw. Luco. Zie Angitia. + +Lucusta = Locusta. + +Ludi. De oudste spelen der Romeinen stonden onder leiding van priesters +of priesterschappen, zóó de Consualia (z. a.) en de Equirria (z. a.); +ook de ludus Troiae (z. a.) behoort hiertoe; ze hangen samen met +oude godsdienstige gebruiken. Van geheel anderen aard zijn de door +magistraten gegeven veel belangrijker ludi votivi, zoo genoemd, +omdat de senaat zich voor het geval van den gunstigen afloop van +een oorlog door een gelofte (votum) tot het geven daarvan verplicht +had. Zij vormden oorspronkelijk een onderdeel van den triumphus, +hetgeen daaruit blijkt, dat ze beginnen met de pompa circensis, een +plechtige optocht onder leiding van den consul in triumphaal gewaad, +die van het Capitool uitging en eindigde in den circus maximus, waarop +dan de wedrennen (z. circus) begonnen. Daar er geregeld oorlogen +waren, werden de spelen al spoedig van votivi annui, waarbij het +verband met den triumphus verloren ging. Ze werden nu Romani genoemd, +terwijl buitengewone volgens gelofte gevierde feesten voortaan magni +heeten. Ze begonnen met het epulum Jovis op de Iden van September, +dan volgde den 14den Sept. de keuring der paarden (equorum probatio) +en van 15-18 Sept. de eigenlijke circusspelen. Sinds 364 werden +er tooneelvoorstellingen (ludi scenici) naar Etruscisch voorbeeld +aan toegevoegd. Deze vielen op de dagen aan de Iden van September +voorafgaande. In den aanvang waren dit pantomimische dansen onder +begeleiding van fluitspel; het eerste tooneelstuk, een werk van Livius +Andronicus werd in 240 opgevoerd. Eerst in 55 werd het eerste steenen +theater door Pompeius gebouwd. Vóór dien tijd werd telkens een houten +scena met oploopende zitbanken (spectacula, cavea) opgeslagen. De +ludi Romani stonden onder de opperleiding van den consul, maar reeds +sinds 366 hadden de aediles curules (z. aediles) de geheele regeling +in handen. + +Wanneer de ludi plebei het eerst zijn gehouden, weet men niet; +v. s. dateeren ze uit den oudsten tijd der republiek. Tot geregelde +spelen zijn ze waarschijnlijk geworden in 220, na de stichting van +den circus Flaminius, waar de wedrennen, er mede verbonden, plaats +hadden. Ook hieraan werden spoedig ludi scenici toegevoegd. Ze vallen +in de maand November. Voorzitters zijn de aediles plebis. Verder +vindt men ludi Cereales in April, ter eere van Ceres, Liber en +Libera, v. s. ontstaan tegelijk met de wijding van den Cerestempel +in 493, sinds 202 jaarlijks gevierd; slechts één dag was gewijd aan +circusspelen, de andere dagen hadden ludi scenici plaats. Ze staan +onder leiding van de aediles plebis. Evenzoo is de regeling bij de +ludi Apollinares, ingesteld in 212, die onder leiding staan van den +praetor urbanus. De ludi Megalenses (z. Megalesia), als jaarlijksche +feesten ingesteld in 191, en de l. Florales, sinds 173, zijn in +hoofdzaak l. scenici. Al deze spelen werden uit naam en op kosten +van den staat gegeven. + +De ambtenaren voegden uit eigen middelen aanzienlijke sommen hierbij, +om zoodoende de volksgunst te winnen. + +Behalve deze spelen vindt men in later tijd nog spelen ingesteld +ter herinnering aan overwinningen, zooals de ludi victoriae Sullanae +(ingesteld in 82) en de l. victoriae Caesaris (ing. in 46); dit zijn +uitsluitend l. circenses. + +In tegenstelling met de ludi staan de munera gladiatoria +(z. gladiatores). Ze gaan oorspronkelijk uit van particulieren, +gewoonlijk ter vervulling van een plicht van eerbied (munus) jegens +een afgestorvene bij diens begrafenis. Zij zijn uit Etrurië ingevoerd +en voor het eerst op het forum gegeven in 264. Eerst in 105 hebben +de consuls P. Rutilius Rufus (Rutilii no. 2) en C. Mallius Maximus ze +als buitengewone ludi van staatswege gegeven. Hetzelfde geldt van de +venationes bestiarum (z. venatio) die voor het eerst in 186 voorkomen. + +Ludi instaurativi. Dikwijls gebeurde het dat de spelen die van +staatswege gegeven werden, wegens een fout in den vorm of een +storing gestaakt werden, en dan opnieuw moesten gegeven worden. Deze +instauratio is echter alleen van toepassing op de ludi Romani en de +l. plebei. + +Ludus Troiae, een soort van wapendans te paard, die te Rome in overoude +tijden op 19 Maart (Quinquatrus) en 19 October (Armilustrium) door +knapen van aanzienlijken stand onder leiding der tribuni celerum +(z. a.) werd uitgevoerd. Vroeg in vergetelheid geraakt, werd het +spel waarschijnlijk in den tijd van Sulla opnieuw ingesteld, en +sedert wordt er nu en dan melding van gemaakt, vooral in den vroegen +keizertijd. Vergilius (Aen. V 545-603) laat op bevel van Aeneas +Ascanius met andere Trojaansche knapen op Sicilië dit spel als een +soort carousselrijden opvoeren ter eere van zijn gestorven grootvader +Anchises: "Troiaque nunc, pueri Troianum dicitur agmen" (v. 602). + +Met Troje had het spel echter oorspronkelijk niets te maken. + +Lugdunum, 1) zeer belangrijke stad van Gallia, aan de vereeniging +van den Arar (Saône) met den Rhodanus (Rhône), sedert 43 rom. kol. en +als zoodanig later Copia Claudia Augusta geheeten, thans Lyon. Onder +de keizers was L. beroemd als residentie- en akademiestad; het +had prachtige gebouwen, o. a. het paleis, waarin keizer Claudius +geboren werd (10), eene grootsche waterleiding, enz. Bij de nieuwe +indeeling van Gallia door Augustus werd Lugdunum hoofdst. van het +uitgestrekte Gallia Lugdunensis. Hier had men ook sedert 12 de ara +Romae et Augusti, waar vertegenwoordigers der 64 civitates van de +3 Galliae (Aquitania, Lugdunensis, Belgica) jaarlijks voor offers +en feesten bijeenkwamen.--2) Lugdunum Convenarum, in Aquitania, +hoofdst. der Convenae.--3) Lugdunum Batavorum, welke naam nu eenmaal +als latijnsche naam voor Leiden in zwang is gekomen, hoewel het +waarschijnlijk v. s. meer westelijk v. a. zuidwestelijk, in de duinen +bij den Haag, lag. + +Lugii = Ligii. + +Luna, noordelijkste stad van Etruria met eene prachtige haven (thans +de golf van Spezzia), sedert 177 rom. kolonie. In den omtrek waren +beroemde marmergroeven, Lunense marmor, het tegenw. cararisch marmer. + +Luna silva, in Germania, het zuidelijke gedeelte van het +tegenw. Moravische gebergte, ten N. van Vindobona (Weenen). + +Lupercal, de wolfsgrot, eene grot aan de N.W. helling van den +Palatinus, aan Faunus gewijd. + +Lupercalia, reinigings- en verzoeningsfeest ter eere van Faunus den +15den Februari gevierd. Het feest begon met het offeren van bokken +in het Lupercal, een grot aan den voet van den Palatijnschen berg; +bij dit offer raakte men twee jongelingen met het bebloede offermes op +het voorhoofd aan, waarop een ander onmiddellijk het bloed met in melk +gedoopte wol afwischte. Na het offermaal liepen de Luperci, alleen +met de huiden der geofferde bokken bekleed, door de geheele stad, +en sloegen ieder, die hen ontmoette, met riemen, die uit die huiden +gesneden waren; deze riemen heetten februa; gehuwde vrouwen plaatsten +zich gaarne op hun weg om zulk een slag te krijgen, in de hoop daardoor +haar huwelijk met kinderen gezegend te zien. Om de uitgelatenheid, +die hierbij heerschte, eenigszins tegen te gaan, bepaalde Augustus, +dat baardelooze jongelingen niet aan den tocht door de stad mochten +deelnemen.--De Luperc. werden tot het einde der 5de eeuw gevierd. + +Luperci, priesters van Faunus. Zij waren verdeeld in twee collegia van +12 leden, de L. Fabiani en de L. Quintiliani of Quinctiales, waaraan +sedert 45 ter eere van Caesar nog de L. Iulii werden toegevoegd. + +Lupiae, Loupiai, stad van Calabria, tusschen Brundisium en Hydruntum +(Otranto). + +Luppia, thans de Lippe, die bij het tegenw. Wesel in den Rijn valt. + +Lurius Agrippa (M.) werd door Octavianus tot praefectus van Sardinia +aangesteld, doch door Menas (Menodorus), legaat van S. Pompeius, +verjaagd (40). Bij Actium kommandeerde hij den rechtervleugel van de +vloot van Octavianus. + +Luscius Lavinius of Lanuvinus, blijspeldichter, tijdgenoot van +Terentius (± 175) en meermalen diens mededinger. + +Lusitania, Lousitania, ongeveer het tegenw. koninkrijk Portugal. Hier +hield de Lusitaniër Viriathus 10 jaar lang (150-140) een hardnekkigen +kamp tegen de Romeinen vol. Na zijn dood werd Lusitania onderworpen +(138); zie verder Hispania. + +Lustratio, in het algemeen eene zuivering of reiniging, +katharmos. Sommige handelingen vorderden, dat men zich, al was +het dan ook slechts door besprenkeling, reinigde, b. v. wie in +een sterfhuis was geweest, besprenkelde zich bij het heengaan met +water uit een vat, dat tot dit doel aan de deur was geplaatst. Soms +werden geheele steden, volken, enz., gezuiverd, zooals het geval +was, toen Athene na den moord van Cylon en de daarop gevolgde pest +door Epimenides van bloedschuld gereinigd werd. Dat bij zulk eene +lustratio van zware schuld ook dieren geofferd werden, spreekt van +zelf. Vóór de tempels der goden stond ook een vat met wijwater, +aqua lustralis. Men besprenkelde zich niet met de handen, maar met +een olijf-, laurier-, myrten- of rosmarijntak, dien men in het water +doopte.--Eene lustratio liberorum had kort na de geboorte plaats, bij +de meisjes op den achtsten, bij de jongens op den negenden dag. Deze +handeling, waarmede wij onzen doop eenigszins kunnen vergelijken, +gold ook als beveiligingsmiddel tegen betoovering. De dag, waarop zij +plaats had, heette dies lustricus. Bij de Romeinen werden ook vloten +door offers voor het uitzeilen gereinigd; ook komen reinigingen van +legers voor. Bij zware ziekten wendde men ook wel berookingen aan. + +Lustrum, in het bijzonder het reinigingsoffer voor het rom. volk, +dat telkens na afloop der volkstelling werd gehouden. Hierbij werden +een zwijn, een schaap en een stier geofferd en het bloed in een groot +bekken opgevangen. Dit offer droeg den naam van suovetaurilia. De +censor die de plechtigheid bestuurde, bad daarbij, ut dii immortales +res populi Romani meliores amplioresque facerent. De geijkte +uitdrukking voor het houden van het lustrum is lustrum condere. Daar +de census elke vijf jaar behoorde gehouden te worden, heeft lustrum, +de beteekenis van vijfjarig tijdperk gekregen. + +Lutatii, plebejisch geslacht. 1) C. Lutatius Catulus, consul 242, +versloeg in het begin van 241 de carthaagsche vloot bij de Aegatische +eil., en noodzaakte de Carthagers, om vrede te vragen.--2) Q. Lutatius +Cerco, broeder van no. 1, nam als consul in 241 Falerii in, en +was censor in 236, toen hij stierf. Hij genoot den roem van groote +rechtschapenheid.--3) C. Lutatius Catulus, consul 220, werd door +de Galliërs in Cisalpina in 219 met C. Servilius (Servilii no. 10) +krijgsgevangen gemaakt en 16 jaar in gevangenschap gehouden.--4) +Q. Lutatius Catulus, consul 102, versloeg als proconsul met C. Marius +in 101 de Cimbren in Gallia Cisalpina. In den burgeroorlog werd +hij als aanhanger der optimatenpartij door Marius, die hem haatte, +vogelvrij verklaard, waarop hij zich door kolendamp liet stikken +(87). Hij bezat in hooge mate de gave der welsprekendheid en daarbij +een zeer fraaie stem. Hij schreef memoires, die verloren gegaan +zijn.--5) Q. Lutatius Catulus, zoon van no. 4, gold na Sulla's dood +als hoofd der aristocratische partij te Rome; hij was echter zeer +gematigd en boezemde door zijn rechtschapen en edel karakter vriend en +vijand eerbied in. Hij was consul in het jaar van Sulla's dood (78), +(z. Plautia of Plotia (lex) de vi), en bedwong toen, met Pompeius +vereenigd, den oproerigen consul Lepidus. Later bestreed hij de lex +Manilia de imperio Cn. Pompei (66). Aan hem was het toezicht op den +bouw van den nieuwen tempel voor Jupiter Capitolinus opgedragen, en aan +de wijding daarvan in 69 ontleent hij den bijnaam van Capitolinus. Ook +heeft hij het Tabularium gebouwd. Hij was de laatste princeps senatus +tijdens de republiek. Hij overleed in 60. + +Lutetia (Parisiorum), Loukotokia, -tekia, Louketia, hoofdstad der +Parisii, thans Parijs, op een eiland in de Sequana (Seine), eene +belangrijke handelsstad. Later residentie van verschillende keizers, +o. a. van Iulianus, die hier een paleis liet bouwen. + +Lutorius Priscus, rom. ridder, die een lijkzang op Germanicus had +gedicht. Bij eene ziekte van Tiberius' zoon Drusus, had hij bij +voorbaat ook een lijkzang op dezen vervaardigd, waarvoor hij door +den senaat ter dood werd veroordeeld (21 n. C.). + +Lyaeus, Lyaios, bevrijder (van zorgen), bijnaam van Dionysus; latex +Lyaeus = wijn. + +Lybas, Lybas, de schim van Polites, no. 1 of 2, die als plaaggeest +de omstreken van Temesa door gruweldaden onveilig maakte, totdat hij +door Euthynus verdreven werd. + +Lycabettus, Lykabettos, een rotsheuvel dicht bij de muren van Athene, +ten N.O. van de stad, links van den weg naar Marathon. + +Lycaea, Lykaia, vlek in Arcadia, waarvan de inwoners door Epaminondas +werden genoodzaakt, Megalopolis te helpen bevolken. Nabij het plaatsje +lag de mons Lycaeus, Lykaion oros. + +Lycaeus, Lykaios, bijnaam van Zeus en Pan, naar den hun gewijden +berg Lycaeus. + +Lycambes, Lykambes, z. Archilochus. + +Lycaon, Lykaon, 1) zoon van Pelasgus en Meliboea of Cyllene, koning +van Arcadië. Hij en zijne 50 zonen waren berucht wegens hun snoodheid +en overmoed. Toen Zeus de aarde bezocht om zich van de boosheid der +menschen te overtuigen, noodigden zij hem aan hunne tafel en zetten +hem de ingewanden van een knaap voor, dien zij geslacht hadden. Zeus +wierp echter de tafel omver en doodde L. met al zijne zonen door den +bliksem of veranderde hen in wolven, alleen de jongste, Nyctimus, werd +door Gaea gered, vgl. Arcas.--V. s. was het deze gruweldaad, die Zeus +bewoog tot het zenden van den grooten vloed van Deucalion.--2) soms = +Arcas, kleinzoon van den vorigen.--3) zoon van Priamus en Laothoë, +door Achilles gedood.--4) koning van Lycië, vader van Pandarus. + +Lycaonia, Lykaonia, landschap in het binnenland van Asia minor, +een bijna boomloos gewest, doch door zijn weidegrond geschikt voor +schapenteelt. In het N.O. lag het groote zoutmeer Tatta. De inwoners +waren ervaren boogschutters. Z. Galatia aan het slot. + +Lycaonis, Lykaonis, Lycaonia Arctus, Callisto, dochter van Lycaon. + +Lyceum, Lykeion, oudste gymnasium van Athene, even buiten de muren +ten O. der stad en nabij den Ilisus, met fraaie wandelingen, waar +Aristoteles al wandelende zijne (peripatetische) lessen gaf. Het Lyceum +droeg zijn naam naar den nabijgelegen tempel van Apollo Lyceus. Het +werd, evenals de Academia, bij het beleg van Athene door Sulla in +86 verwoest. + +Lyceus, Lykeios, bijnaam van Apollo, als den god, die de wolven van +het vee afhoudt, of als lichtgod; v. s. = Lycius. + +Lychnidus, Lychnidos, Lychnis, stad in Illyris barbara nabij de +macedonische grenzen, hoofdstad der Dassaretae, aan de via Egnatia +gelegen en aan het meer Lychnitis, Lychnitis (meer van Ochrida). + +Lycia, Lykia, vruchtbaar landschap op de Zuidkust van Asia minor, +waarvan de bewoners bij Homerus als bondgenooten der Trojanen +voorkomen. Als bewoners komen nog voor: de Milyers, wier naam nog +in het N.O. deel, Milyas, is blijven voortleven, en de Solymers, +aan den berg Climax (z. a.) of Solyma (= trap), die als vijanden der +Lyciërs voorkomen. De eigenlijke Lyciërs, Lykioi, die in het dal +van den Xanthus wonen, noemden zich oudtijds Termilers, Termilai, +Termiles. Zij zijn van indo-germaanschen stam, met een eigenaardige +beschaving. Beroemd zijn de lycische rotsgraven. De grieksche +taal is er vroeg doorgedrongen. Lycia wist zijne vrijheid tegen +de Lydiërs te verdedigen, doch moest voor de Perzen bukken. Later +maakte het deel uit van het attische zeeverbond. Het was toen eene +republiek, uit 23 bondsgemeenten bestaande (Lykion to koinon of to +koinon Lykion ethnos). De zetel van het bestuur was Xanthus, aan de +gelijknamige rivier. Deze staatsvorm bleef, ook onder macedonische +en syrische opperheerschappij bestaan tot in 188, toen de Rom. het +gewest aan Rhodus wegschonken. In 167 werd Lycia weder vrij verklaard +(z. Rhodus); in 43 na C. werd het met Pamphylia tot ééne romeinsche +provincie gemaakt, waarvan Myra de hoofdstad werd. In Lycia behoort +het monster Chimaera te huis, welke mythe ontleend is aan den vulkaan +Chimaera aan de Oostkust. + +Lycides, Lykides, Athener, die voor den slag bij Plataeae tot vrede +met de Perzen aanried, en daarom met vrouw en kinderen gesteenigd werd. + +Lycis, -cus, Lykis, -kos, atheensch blijspeldichter, tijdgenoot van +Aristophanes. + +Lycius, Lykios, bijnaam van Apollo, naar zijn orakel te Patara in Lycië +(Lyciae sortes). + +Lycius, Lykios, Athener, zoon van Myron no. 2, beeldhouwer en +bronsgieter uit ± 440. + +Lycoleon, Lykoleon, atheensch redenaar, leerling van Isocrates. + +Lycomedes, Lykomedes, 1) koning der Dolopers op Scyrus, aan wiens +hof Achilles (z.a.) voor den trojaanschen oorlog eenigen tijd +leefde. Hij doodde Theseus door hem verraderlijk van een rots +in zee te werpen, daarom werd zijn eiland later door de Atheners +verwoest.--2) Athener, die in den slag bij Artemisium het eerste +perzische schip veroverde.--3) van Mantinea, een rijk, ondernemend +en vaderlandslievend man, die na den slag bij Leuctra de vereeniging +der Arcadiërs en de stichting van Megalopolis bewerkte. Om Arcadië +evenzeer van thebaanschen als van spartaanschen invloed vrij te houden, +trachtte hij een bondgenootschap met Athene tot stand te brengen, +maar van een reis daarheen terugkeerend, werd hij door arcadische +ballingen gedood (366). + +Lycomidae, Lykomidai, -medai, z. Lycus no. 4. + +Lycon, Lykon, 1) zoon van Hippocoön, door Heracles gedood.--2) +Trojaan, door Peneleüs gedood.--3) Athener, een van de aanklagers +van Socrates.--4) Achaeër, die in het leger van Cyrus den jongeren +diende; op den terugtocht spoorde hij zijne landgenooten tot verzet +tegen Xenophon aan, en veroorzaakte hij verdeeldheid in het leger +der Grieken.--5) van Troas, leerling van Strato en gedurende 43 jaar +(269-226) hoofd der peripatetische school. Om zijne welsprekendheid +werd hij Glykon, dulciloquus, genoemd, en stond hij in hooge gunst +hij Antigonus, Attalus en Eumenes. Zijne philosophische werken zijn +verloren gegaan. + +Lycophron, Lykophron, 1) van Cythera, vriend van Aias no. 2, door +Hector gedood.--2) zoon van Periander. Hij was bij zijn grootvader +Procles opgevoed, en van dezen vernam hij, toen hij naar zijn +vaderland zou terugkeeren, dat zijne moeder door Periander vermoord +was. Te huis gekomen, gaf hij aan zijn toorn hierover in bittere +woorden lucht, zoodat zijn vader hem uit zijn huis joeg, en later, +toen hij alle pogingen tot verzoening afsloeg, naar Corcyra liet +brengen. Toen Periander echter oud werd, en L. doof bleef voor alle +beden om terug te keeren, bood P. hem eindelijk de regeering aan, en +beloofde hij zelf op Corcyra te gaan wonen. Dit voorstel nam L. aan, +maar voordat het tot uitvoering kwam, werd hij door de Corcyraeërs, +die vreesden den dwingeland bij zich te ontvangen, gedood.--3) tyran +van Pherae omstreeks het einde van den peloponnesischen oorlog, +die onder begunstiging der Lacedaemoniërs naar de heerschappij over +geheel Thessalië streefde.--4) zwager en een van de moordenaars van +Alexander van Pherae; na diens dood regeerde hij totdat Philippus +van Macedonië hem verjoeg.--5) van Chalcis op Euboea, grammaticus +en dichter te Alexandrië, waar hij onder Ptolemaeus Philadelphus aan +de bibliotheek werkzaam was. Behalve een boek over de comoedie en een +aantal treurspelen, schreef hij een nog bewaard gebleven groot iambisch +gedicht, Kassandra of Alexandra, waarin hij door deze profetes een +groot aantal gebeurtenissen tot den tijd van Alexander d. G. laat +voorspellen. Het werk is daardoor voor mythologie en geschiedenis +belangrijk, dichterlijke waarde heeft het echter niet, bovendien is +het zoo moeilijk te verstaan, dat aan L. deswege, de bijnaam skoteinos +gegeven werd. + +Lycopolis, 1) Lykon polis, stad aan den Nijl in Thebaïs, waar eens +eene aethiopische legerschaar door wolven op de vlucht zou gedreven +zijn, thans Syoet, in Opper-Aegypte, ten Z. van Hermopolis magna.--2) +Lykou polis, stad in de Delta. + +Lycorea, Lykoreia, stad aan den Lycoreus, den naar Delphi toegekeerden +top van den Parnassus. + +Lycoris, eigenlijk Cytheris geheeten, danseres, minnares van den +rom. dichter Cornelius Gallus, later van M. Antonius. + +Lycormas, Lykormas, rivier in Aetolia = Euenus. + +Lycortas, Lykortas, van Megalopolis, na den dood van Philopoemen (183) +strateeg van het achaeisch verbond. Hoe verdienstelijk hij zich ook +in deze betrekking maakte, konde hij toch zijn gezag niet handhaven +tegen het drijven der partijen, waarvan de val van het verbond het +gevolg was.--De geschiedschrijver Polybius was zijn zoon. + +Lyctus, Lyktos, eene der oudste steden van Creta, ten Z.O. van +Cnossus. Lyctius = cretensisch. + +Lycurgus, Lykourgos, 1) zoon van Dryas, koning der thracische Edoniërs, +die zich tegen de invoering van den dienst van Dionysus verzette, +daarom door Zeus blind gemaakt werd en vroeg stierf.--V. a. werd +hij met waanzin gestraft, zoodat hij zijn eigen zoon doodde, en +daarna naar een eenzame vlakte werd gebracht, waar hij door paarden +verscheurd werd.--2) zoon van Aleüs en Neaera, koning van Arcadië, +die Areïthous doodde.--3) zwager van Adrastus, die met de zeven +vorsten tegen Thebe optrok. Hij werd na zijn dood door Asclepius +in het leven teruggeroepen.--4) zoon van Pheres, koning van Nemea, +vader van Opheltes.--5) de beroemde wetgever van Sparta. Hij leefde, +naar men aanneemt, in de 9de eeuw, en wordt niet zonder beteekenis de +zoon van Eunomus en de vader van Eucosmus genoemd. Hij behoorde tot +het geslacht der Procliden en regeerde als voogd over zijn onmondigen +neef Charilaus of Leobotas, maar door verschillende partijen verdacht +gemaakt, vond hij het raadzaam het land te verlaten. Na 10 jaar +op Creta, in Klein-Azië en Aegypte gereisd te hebben, keerde hij +naar zijn vaderland terug, waar onder de zwakke regeering van zijn +neef de burgertwisten eene gevaarlijke hoogte bereikt hadden. Met +goedkeuring van het delphische orakel voerde hij eene geheel nieuwe +staatsregeling in, geheel gegrond op de eigenaardigheden van het +dorische volkskarakter, en waarvan dan ook de voornaamste trekken in +andere dorische staten teruggevonden worden. Hij verdeelde de politieke +macht onder de koningen, den raad (gerousia) en de volksvergadering, +schreef gelijkheid van grondeigendom, gemeenschappelijke maaltijden +(syssitia) voor de burgers, strenge leefregels en eene harde, +wezenlijk militaire tucht voor, en trachtte iedere verandering te +beletten of te bemoeielijken door een aantal bepalingen, als het weren +van vreemdelingen, het verbod om te reizen, de beperking van handel +en nijverheid, enz. V. s. was de geheele wetgeving, om gemakkelijker +in het geheugen geprent te kunnen worden, in korte verzen (rhetrai) +vervat. Toen hij gereed was, liet hij zijne medeburgers zweren niets +aan zijne wetten te veranderen, voordat hij van een reis naar het +delphische orakel teruggekeerd zou zijn, en toen dit zijn werk had +goedgekeurd, eindigde hij in ballingschap zijn leven. De Spartanen +vereerden hem eeuwen lang als een god en als den grondlegger hunner +grootheid en hunner voortreffelijkheid in den oorlog. De wetgeving +van Lyc. bleef in hoofdzaak eeuwen lang in stand, en eerst na den +peloponnesischen oorlog wordt de eerste gewichtige verandering er in +vermeld. Z. Epitadeus. Het is echter niet aan te nemen dat de geheele +maatschappelijke en staatkundige inrichting van Sparta haar ontstaan +aan één persoon te danken zoude hebben, en van vele instellingen kan +men met zekerheid aantoonen, dat zij van veel lateren tijd zijn dan +dien, waarin Lyc. zou geleefd hebben. Door velen wordt betwijfeld, +dat er iemand bestaan zou hebben, die met recht de wetgever van Sparta +genoemd zou kunnen worden.--6) Athener, aanvoerder der aristocratische +partij in de burgertwisten na de wetgeving van Solon.--7) Athener, +zoon van Lycophron, geb. 390, trad bij het dreigende gevaar van +den kant van Macedonië als een krachtig verdediger der politiek van +Demosthenes en Hyperides op; vooral verwierf hij roem door zijn beheer +der financiën (338-327) en door zijne bemoeiingen tot versterking der +vloot. Ofschoon de eenige redevoering, die van hem overgebleven is, +hem niet als een van de eerste redenaars doet kennen, werd hij onder +de 10 attische redenaars opgenomen. Hij stierf in 325/4 en werd op +staatskosten begraven, nadat hem reeds bij zijn leven menig eerbewijs +van het dankbare volk was ten deel gevallen. + +Lycus, Lykos, 1) zoon van Poseidon en Celaeno, die door zijn vader een +plaats op de eilanden der gelukzaligen verkreeg.--2) zoon van Hyrieus, +vluchtte met zijn broeder Nycteus wegens een moord naar Thebe, waar +zij gastvrij ontvangen werden. Na den dood van Nycteus regeerde hij als +voogd over Labdacus, en toen deze gestorven was, over Laïus. Z. Amphion +en Antiope.--3) zoon van den vorigen of van Poseidon, vermoordde +gedurende eene afwezigheid van Heracles diens schoonvader Creon, +en bedreigde ook Megara en hare kinderen, toen Heracles terugkeerde +en hem doodde.--4) zoon van Pandion, vluchtte voor zijn broeder Aegeus +naar het land der Termilae, dat naar hem Lycië genoemd werd. Hij was de +stamvader der Lycomidae of Lycomedae, een geslacht van priesters bij +de eleusinische mysteriën.--5) zoon van Dascylus, koning van Mysië, +die de Argonauten en Heracles gastvrij opnam. Heracles veroverde voor +hem het land der Bebryces, dat naar hem Heraclea genoemd werd.--6) +uit Rhegium, leefde onder Ptolemaeus I en II, schreef een werk over +de geschiedenis van Libyë, verder over Sicilië en over Thebe. + +Lycus, Lykos, 1) rivier in Assyria, zijtak van den Tigris, ook Zabatas +genoemd.--2) rivier in Pontus, zijtak van den Iris.--3) rivier in +Phrygia, die tusschen Colossae en Laodicea een eind onder den grond +voortstroomt en in den Maeander valt.--4) riviertje in Bithynia, +bij Heraclea. + +Lydda, ta Lydda, stad in Palaestina, later Diospolis, tusschen Joppe +en Jerusalem. + +Lydia, Lydia, land in het W. van Asia minor, oudtijds Maeonia +geheeten; later heet nog het oostelijk gedeelte, aan den Boven-Hermus, +Maeonia. Lydia wordt begrensd ten N. door Mysia, ten O. door Phrygia, +ten Z. door Caria, terwijl de kust met grieksche steden bezet is. Het +was een zeer oude staat. Van ± 1600 tot ± 1300 heerschte, volgens +de latere grieksche overlevering, de dynastie der Atyaden, daarna +die der Heracliden tot ± 687, toen met Gyges, de eerste historische +persoonlijkheid, de Mermnaden op den troon kwamen. Onder dit huis +werden de grieksche steden op de kust onderworpen. De grootste macht +en uitgebreidheid bereikte het lydische rijk onder Croesus, doch toen +werd het ook in eens door Cyrus ten val gebracht en tot eene perzische +provincie gemaakt. Onafhankelijk is het daarna niet meer geweest. De +Lydiërs, Lydoi, vroeger Maeones, Meones, vóór de perzische verovering +een krijgshaftig volk, werden kunstmatig verwijfd gemaakt. Ze hebben +reeds vroeg grieksche zeden en grieksche goden overgenomen en de +grieksche taal is spoedig in hun land doorgedrongen. De Grieken +meenden, dat de Etruscers van lydische afkomst waren; vandaar bij +Vergilius Lydi = Etruscers, Lydius Thybris = de Tiber. In Lydia +behooren de mythen te huis van Tantalus en van Midas, den koning met +de ezelsooren. De hoofdstad is Sardes. + +Lydiadas, Lydiadas, tyran van Megalopolis, een dapper en heerschzuchtig +man, legde de alleenheerschappij neder, toen hij zag dat alle tyrannen +in de Peloponnesus voor het achaeisch verbond wijken moesten. Later +(233) werd hij strateeg van het verbond, maar Aratus verdrong hem. Toen +Cleomenes in het gebied van Megalopolis een inval deed (226), verjoeg +L. hem aan het hoofd zijner ruiterij, hij waagde zich echter te ver +bij het vervolgen der vijanden, werd omsingeld en gedood. + +Lydias, Lydias, ook Ludias, Loudias, rivier in Macedonia, die in +zijn loop het meer Borborus vormt en zich vroeger in den Haliacmon +uitstortte; tegenwoordig hebben deze twee stroomen ieder een eigen +monding. + +Lygdamis, Lygdamis, 1) hoofd der volkspartij op Naxus, moest voor +de aristocratische partij het veld ruimen. Hij hielp Pisistratus bij +diens pogingen om naar Athene terug te keeren, deze ondersteunde hem +later wederkeerig, en zoo gelukte het hem, zich de alleenheerschappij +over Naxus te verschaffen. Na eene regeering van 15 jaar echter werd +hij door de Spartanen verjaagd (525).--2) tyran van Halicarnassus, +vader van Artemisia (no. 1). + +Lygdamus, dichter uit den kring van Messalla, waarschijnlijk een +pseudonym, z. Albii. + +Lyncestis, Lynkestis, een der westelijke landschappen van Macedonia, +met eene illyrische bevolking, die oudtijds eigen vorsten had uit +het geslacht der Bacchiaden. De inwoners heetten Lyncestae, Lynkestai. + +Lynceus, Lynkeus, 1) zoon van Aegyptus, z. Danaüs.--2) een van de +Apharetidae (z.a.); hij had zulk een scherp gezicht, dat hij in het +binnenste der aarde kon zien. + +Lyncus, Lynkos, koning van Scythië of van Sicilië, die van Triptolemus +den akkerbouw leerde. Om zich de eer van de nieuwe uitvinding toe +te eigenen, wilde hij Triptolemus dooden, maar Demeter voorkwam hem, +en veranderde hem in een los. + +Lyra, Lyra, 1) zeer oud muziekinstrument, met 3-9 snaren bespannen, +dat men met de vingers van beide handen bespeelde, of met een plectrum +in de eene hand en de vingers van de andere. De uitvinding er van +wordt aan Hermes toegeschreven.--2) sterrenbeeld, naar men meende de +lier van Orpheus. + +Lyrische poëzie, omvat in het algemeen alle gedichten, die niet tot de +epische of dramatische poëzie behooren, in het bijzonder echter die +gedichten, die bestemd waren onder begeleiding van muziek en dans +gezongen te worden. Hiertoe behooren de melische en de chorische +poëzie, waarvan de eerstgenoemde liederen bevat, die door een +enkel persoon onder begeleiding van muziek voorgedragen werden, en +waarin de dichter, geheel anders dan in het epos of drama, aan zijne +persoonlijke gevoelens en gedachten uiting geeft, terwijl tot de andere +hymnen en gezangen behooren, die bij godsdienstige plechtigheden, +feesten, enz., door een koor onder het uitvoeren van reidansen werden +gezongen. De melische (aeolische) poëzie bloeide in de 7de en 6e eeuw, +en werd vooral door dichters van den aeolischen stam (Alcaeus, Sappho) +beoefend, de chorische (dorische) was reeds in zeer ouden tijd een deel +van den eeredienst en bleef lang in handen der Doriërs, totdat zij +in de 7de eeuw door Stesichorus, Arion e. a. tot een hoogen trap van +volmaaktheid gebracht werd en sedert overal in Griekenland beoefenaars +vond (Ibycus, Simonides, Pindarus, Bacchylides).--De Rom. hebben +eerst tegen het einde der republiek op dit gebied iets geleverd, +hun eerste lyrische dichter is Catullus, hun voornaamste Horatius. + +Lyrnessus, Lyrnessos, stad in Mysia, ten Z.O. van Adramyttium. Hier +hadden de Grieken Hippodamia, de dochter van Briseus (Briseis) buit +gemaakt. Zie Briseis. + +Lysander, Lysandros, 1) Lacedaemoniër, werd in 407 aan het hoofd van +de vloot geplaatst. Daar hij zijne macht niet tegen die der Atheners +opgewassen achtte, vermeed hij een open gevecht en trachtte hij zich +ten eerste in alle staten met de oligarchische partijen in betrekking +te stellen. Van de goede gezindheid van Cyrus, die kort te voren als +satraap aan de kust gekomen was, maakte hij gebruik om zich ruime +middelen voor het onderhoud van zijn vloot te verschaffen. Daar echter +na afloop van zijn ambtsjaar de toestand niet merkbaar veranderd was, +en hij vreesde dat zijn opvolger Callicratidas, een man van een geheel +ander karakter dan hij, zijn werk ongedaan zoude maken, liet hij dezen +door zijne vrienden en bondgenooten allerlei moeielijkheden in den +weg leggen. Toen Callicratidas in den slag bij de Arginusen het leven +verloren had, kreeg L. weder het opperbevel, ofschoon hij volgens de +wet niet voor de tweede maal den titel van opperbevelhebber (nauarchos) +voeren mocht. Door Cyrus weder ruim met geld ondersteund, zoodat hij +na afloop van den oorlog nog 470 talenten naar Sparta medebracht, +wist hij de Atheners in den waan te brengen, dat hij het weder niet +tot een slag zou laten komen; ondertusschen wachtte hij het gunstige +oogenblik af, totdat hij bij Aegospotami bij verrassing de geheele +atheensche vloot van 180 schepen konde nemen; 3000 gevangenen werden +ter dood gebracht. Alle aziatische en thracische bondgenooten van +Athene vielen nu af, overal stelde L. eene regeering van 10 mannen +in, waarvoor overal personen gekozen werden, bereid om alles te doen +wat hij wilde. Daarop belegerde en nam hij Athene, liet hij de muren +afbreken en stelde hij de regeering der 30 in, eindelijk dwong hij ook +Samus, den eenigen staat die zich nog verzette, tot overgave. L. was +toen de meest gevierde man in Griekenland, zijn roem werd door dichters +bezongen, en menige stad richtte voor hem een altaar op als voor een +god; hij had zijn doel bereikt, en Sparta tot den eersten staat in +Griekenland, zichzelf tot den eersten man in Sparta gemaakt. Maar niet +alleen dat zijn geluk veel afgunst verwekte, de middelen, die hij te +baat nam om zijne macht te handhaven, maakten hem algemeen gehaat; met +dobbelsteenen, zeide hij, bedriegt men kinderen, met eeden mannen. Toen +de 30 mannen te Athene door de atheensche ballingen bedreigd werden, +en L. hen met zijn leger kwam verdedigen, bewerkte koning Pausanias een +vergelijk tusschen de partijen, waarvan het herstel der democratie +het gevolg was. Ook in de andere staten moesten de ephoren, ten +gevolge van de luide klachten der bevolking, een einde maken aan +de regeering der 10 mannen. En toen L. later de verloren macht +poogde te herwinnen, terwijl hij Agesilaus, die door zijn toedoen +de regeering gekregen had, op zijn veldtocht in Azië vergezelde, +trad deze zoo vastberaden tegen hem op, dat L. spoedig naar Europa +terugkeerde. Door Pausanias tegengewerkt en door Agesilaus gekrenkt, +beraamde hij nu het plan tot eene omwenteling, ten einde het erfelijk +koningschap omver te werpen en de regeering voor alle Heracliden, +waartoe ook hij behoorde, toegankelijk te maken. Om zich hiervoor +steun te verschaffen, deed hij reizen naar de orakels van Delphi, +Dodona en Ammon, maar hij vond, naar het schijnt, nergens wat hij +wenschte. Zijne plannen kwamen ook niet tot uitvoering, want inmiddels +brak de corinthische oorlog uit. L. werd naar Boeotië gezonden om +zich bij Haliartus met Pausanias te vereenigen, het plan mislukte, +hetzij Pausanias te laat kwam, hetzij L. met overijling te werk ging, +en bij een aanval op Haliartus sneuvelde hij (395).--2) ephoor ten +tijde van Agis III en begunstiger van diens hervormingsplannen. + +Lysanoridas, Lysanoridas, een van de spartaansche harmosten, die in +379 de Cadmea aan de Thebanen overgaven; om zich aan de zware boete +te onttrekken, waartoe hij hiervoor veroordeeld werd, ging hij in +ballingschap. + +Lysias, Lysias, zoon van Cephalus no. 2, geb. ± 445, ging, nadat hij +eene voortreffelijke opvoeding genoten had, op den leeftijd van 15 +jaar naar de atheensche volkplanting te Thurii. Daar beoefende hij +onder leiding van Tisias welsprekendheid en wijsbegeerte, en stond hij, +gedeeltelijk ook wegens zijn aanzienlijk vermogen, in hoog aanzien. Ten +gevolge van de Athene vijandige stemming, die na den ongelukkigen +afloop van de expeditie naar Sicilië in Thurii opkwam, moest hij echter +met zijn broeder Polemarchus en 300 anderen, allen erkende aanhangers +der democratie, van daar vluchten, en keerde hij in 412 naar Athene +terug. Ook daar genoot hij, evenals zijn broeder, aller achting en +vermeerderden zij hun vermogen door eene fabriek van schilden, waarin +120 slaven werkten. Door de 30 werden zij echter hiervan beroofd, +Polemarchus werd gedood en L. moest naar Megara vluchten, van waar hij, +zooveel als zijn verminderd vermogen het toeliet, krachtig medewerkte +tot herstel der democratie. Zoodra hij teruggekeerd was, klaagde hij +Eratosthenes, een van de 30, aan wegens den moord van Polemarchus, +en de redevoering, die hij bij deze gelegenheid hield, verwierf zoo +grooten lof, dat hij besloot voortaan zijn beroep te maken van het +schrijven van pleitredenen. Zijne tijdgenooten waren zoo ingenomen +met zijn werk, dat hij 233 redevoeringen geschreven heeft, waarvan +hij alleen de genoemde zelf hield; de nog bestaande, 34 in aantal, +die echter waarschijnlijk niet alle echt zijn, munten uit door zuivere +taal, duidelijkheid, en vooral door een afwisselenden stijl, die met +zeldzame bekwaamheid steeds in overeenstemming gebracht is met het +karakter en de omstandigheden der verschillende sprekers. Door de +alexandrijnsche geleerden werd hij onder de 10 attische redenaars +opgenomen. Hij bereikte den leeftijd van 80 jaar. + +Lysicles, Lysikles, 1) atheensch demagoog, na den dood van Pericles +met Aspasia gehuwd.--2) atheensch veldheer in den slag bij Chaeronea, +op eene aanklacht van Lycurgus (no. 7) ter dood veroordeeld. + +Lysicrates, Lysikrates, Athener, die als choreeg in 334 den prijs won; +het door hem volgens gewoonte opgerichte gedenkteeken (choregikos +tripous, z. Choragus) bestaat nog; zie de afbeelding bij Athenae, +blz. 103. + +Lysimachea, Lysimacheia, bij de Rom. Lysimachia, vesting door +Lysimachus na de verwoesting van Cardia op de thracische Chersonesus +gesticht op de plaats, waar de Hellespont in de Propontis overgaat +(309). De inwoners van Cardia en Pactye en andere plaatsen in de +buurt gelegen, werden hierheen overgebracht. De plaats diende als +hoofdstad van zijn nieuw gesticht rijk. + +Lysimachus, Lysimachos, van Pella, zoon van Agathocles, geb. omstreeks +355, generaal en later vertrouwd vriend van Alexander d. G., +onderscheidde zich vooral bij den indischen veldtocht en werd bij +Sangala gewond. Na den dood van Alexander kreeg hij Thracië (323), en +had daar zooveel te doen met het bestrijden zijner barbaarsche buren, +dat hij zich lang buiten de twisten tusschen de andere veldheeren +van Alex. hield. In 316 vereenigde hij zich echter met Ptolemaeus en +Seleucus tegen Antigonus, doch deze wist hem nog lang in zijn eigen +land bezig te houden. In 309 stichtte hij Lysimachea (z. a.). In 306 +nam hij, evenals Antigonus, Ptolemaeus e. a., den titel van koning +aan. In 302 begon hij den oorlog in Azië tegen Antigonus, en hoewel hij +eerst voor de overmacht van zijn vijand moest wijken, behaalde hij in +het volgende jaar met Seleucus de groote overwinning bij Ipsus. Hij +verstiet toen zijne eerste gemalin, Amastris (no. 2), en huwde met +Arsinoë (no. 7). In 297 begon Demetrius Poliorcetes de vijandelijkheden +op nieuw en in 294 moest L. hem als koning van Macedonië erkennen, +doch na eene mislukte poging om de Geten te onderwerpen, waarbij +hij overwonnen en gevangen genomen, maar weldra weder vrij gelaten +werd, verdreef hij hem met de hulp van Ptolemaeus en Seleucus (287), +gaf de regeering aan Pyrrhus van Epirus, doch ontnam hem die weder +na een jaar. Toen hij nu zijn zoon Agathocles op aandrijven van +Arsinoë en van Ptolemaeus Ceraunus had laten vermoorden, vielen vele +bloedverwanten en getrouwen van hem af, zijn achterdocht en wreedheid +verwekte allerwege ontevredenheid, en weldra was geheel Klein-Azië +tegen hem in opstand. Haastig trok hij over den Hellespont om de +afvalligen te onderwerpen, maar in de vlakte van Corus, Korou pedion, +ontmoette hij Seleucus, tot wien de weduwe van Agathocles gevlucht was; +het kwam tot een gevecht, waarin L. overwonnen werd en sneuvelde (281). + +Lysimelea palus, Lysimeleia limne, meer bij Syracusae, vroeger Syraco +genoemd, waarvan dan de naam der stad zou afgeleid zijn. + +Lysippe, Lysippe, eene van de Proetides. + +Lysippus, Lysippos, van Sicyon, eerst smidsleerling, later beroemd +beeldhouwer, die vooral voor Alexander d. G. en diens omgeving +werkte. Alex. wilde zich door geen ander kunstenaar laten afbeelden. De +op blz. 81 afgebeelde Ares wordt voor een copie van een werk van hem +gehouden. Zijn meest bekende werk is de Apoxyomenus, waarvan het +Vaticaansche Museum een voortreffelijke copie bezit. Hij beeldde +de menschen niet af zooals ze zijn, maar zooals ze zich voordoen, +quales esse videntur. + +Lysis, Lysis, 1) Athener, leerling van Socrates; een van de gesprekken +van Plato is naar hem genoemd.--2) van Tarentum, pythagoreïsch +wijsgeer, ging na het vernietigen van het pythagoreïsch verbond naar +Thebe, en werd de leermeester van Epaminondas. + +Lysistratus, Lysistratos, 1) arm Athener, betrokken in het proces +der Hermocopiden, hij werd ter dood veroordeeld, maar vluchtte.--2) +beroemd beeldhouwer, broeder van Lysippus. + +Lysius, Lysios = Lyaeus. + +Lystra, Lystra, stad in Isauria, ten Z. van Iconium. + +Lyttus = Lyctus. + + + + + + +M. + + +Macae, Makai, naam van twee volksstammen: op de arabische kust der +Perzische golf en op de libysche kust tusschen de Syrten. + +Macar, Macareus, Makar, Makareus, 1) een van de Heliadae (z. a.), +vluchtte na den moord van Tenages naar Lesbus.--2) broeder van Canace +(z. a.).--3) een van de tochtgenooten van Odysseus.--4) een van de +Lapithen op de bruiloft van Pirithous. + +Macareis, Issa, dochter van Macar no. 1, beminde van Apollo. + +Macaria, Makaria, dochter van Heracles en Deïanira, vluchtte met hare +broeders uit de Peloponnesus naar Attica, en beroofde zich vrijwillig +van het leven, toen Eurystheus hen vervolgde, omdat een orakel op +die voorwaarde aan de Heracliden de overwinning beloofd had. + +Macaria, Makaria, oude naam van zeer vruchtbare eilanden, als +Lesbus, Rhodus, Cyprus. Ook elders dragen vruchtbare streken dezen +naam, o. a. de vlakte van Messenia, die door de rivier de Pamisus +doorstroomd wordt. + +Maccabaei, een joodsch geslacht, onder welks leiding de Joden zich +ten tijde van Antiochus IV van de syrische heerschappij bevrijdden, +en dat gedurende meer dan eene eeuw de regeering in handen had +(167-40). De laatste der M. werd door Herodes gedood. + +Maccus, een soort van domme Pierrot in de fabulae Atellanae. + +Macedonia, Makedonia. De bakermat van het macedonische rijk +is te zoeken in het landschap Emathia, ten W. van den Axius +(Vardar). Hierdoor vindt men den naam Emathia ook voor Macedonia +gebruikt. Hoewel de macedonische koningen de omliggende volken aan +hun heerschappij trachtten te onderwerpen, bleef Macedonia toch een +onbeteekenende staat tot aan de troonsbeklimming van Philippus II +in 360. Deze vergrootte zijn rijk met Paeonia, een deel van Thracia +en met het gebied der grieksche volkplantingen langs de kust en op +Chalcidice, en maakte van Maced. in de 24 jaren zijner regeering +eene machtige zee- en landmogendheid, die den Grieken de hegemonie +afdwong. Zijn zoon Alexander de Gr. zette de veroveringen op nog +grooter schaal voort. In het tijdperk der diadochen werd Maced. wel +tot het europeesche gedeelte van het groote rijk beperkt, doch bleef +toch een machtige staat, totdat de oorlog, door Philippus III tegen de +Rom. gevoerd (200-197) het in eens van Rome afhankelijk maakte. Onder +zijn zoon Perseus (179-168) werd het geheel een buit der Rom., die het +voorloopig in vier republieken splitsten (Amphipolis, Thessalonica, +Pella, Pelagonia), totdat het in 146 formeel tot rom. provincie +werd gemaakt. De eigenlijke Macedones waren Grieken, die echter in +hun ontwikkeling teruggebleven waren, daar ze door niet-grieksche, +thracische en illyrische, stammen omgeven waren. Ze werden derhalve +door de overige Grieken met minachting als barbaren beschouwd. + +Macella, kleine vesting in het W. van Sicilia, in het binnenland ten +N. van Entella gelegen. + +Macellum (van makellon, omheining), overdekte marktplaats voor eetwaren +te Rome. Er waren er twee: macellum Liviae op den Esquilijnschen, +macellum magnum op den Caelischen berg. Ook in Pompeii heeft men een +macellum opgegraven, waarvan de afbeelding op pg. 382 een voorstelling +geeft. + +Macer, naam van twee rom. dichters. De een, Aemilius Macer, uit Verona, +gest. 16, een vriend van Vergilius en Ovidius, vertaalde in latijnsche +verzen de dichtwerken van den arts Nicander (2de eeuw) van Colophon. De +ander, C. Licinius Macer Calvus (82-48), was lierdichter en een +vriend van Catullus. Zie verder Licinii no. 6. Verder maakt Ovidius +nog melding van een vriend Macer, vervaardiger van epische gedichten. + +Macestus, Makestos, rivier in Mysia, die zich met den Rhyndacus +vereenigt. + +Machaerus, Machairous, sterke grensvesting van Palaestina, in het +Z. van Peraea, ten O. der Doode Zee. Hier heeft Johannes de Dooper +gevangen gezeten. + +Machanidas, Machanidas, Spartaan, die zich in 210 van de +alleenheerschappij meester maakte en wreed regeerde; na drie jaar +viel hij in een strijd tegen het achaeïsch verbond (207). + +Machaon, Machaon, zoon van Asclepius en Epione, met zijn broeder +Podalirius aanvoerder van eenige thessalische volken in den oorlog +tegen Troje, waarin hij den dood vond. Zijne beenderen werden door +Nestor naar Griekenland medegenomen, en bij Gerenia vond men zijn +graf met een heiligdom.--Beide broeders waren vooral beroemd als +geneesheeren, en de naam van M. wordt soms spreekwoordelijk voor een +bekwaam geneesheer gebruikt. + +Machlyes, Machlyes, 1) een libysche stam aan de kleine Syrte, ten +Z. van de Tritonzee.--2) een scythische stam aan de palus Maeotis +(zee van Azow). + +Macistus, Makistos, stad in het elische landschap Triphylia. Ook een +gebergte op Euboea. + +Macra, Makres, grensriviertje tusschen Liguria en Etruria, valt +bij Luna in de Ligurische zee. Oudtijds was het met den Rubico de +Noordgrens van het eigenlijk Italië. + +Macri campi, vlakte tusschen Parma en Mutina (Modena) in Gallia +Cisalpina. + +Macrinus (M. Opellius), eerst jurist, later praefectus praetorio onder +Caracalla, vernam bij toeval, dat de keizer hem uit den weg wilde +ruimen en liet toen heimelijk Caracalla ombrengen (217 n. C.). Het +leger keurde de verheffing van Macrinus op den troon goed. Deze nam +zijn jeugdig zoontje Diadumenianus tot medekeizer aan. Na eene niet +zeer roemrijke regeering van 14 maanden (217-218) werden vader en +zoon door de oproerige troepen vermoord. + +Macro (Naevius Sertorius), praefectus praetorio onder Tiberius, +opvolger van Seianus, bracht in 37 na C. Tiberius om, doch werd met +zijne vrouw Ennia door Caligula uit den weg geruimd (38). + +Macrobii, Makrobioi, aethiopische volksstam langs den Z. oceaan. + +Macrobius (Ambrosius Theodosius), rom. taalgeleerde (± 400 na C.), +van wien nog twee werken aanwezig zijn: Saturnalia convivia, in 7 +boeken, en Commentarii in Somnium Scipionis, in 2 boeken. + +Macrones, Makrones, machtige stam aan de Z. kust van de Zwarte Zee, +in het O. van Pontus, tusschen de Mosynoeci en de Moschi. + +Mactorium, Maktorion, stad in het Z. van Sicilia, ten N. van Gela. + +Madaura of -rus, Madouros, stad in Numidia, ten Z.O. van Tipasa, +geboorteplaats van den schrijver L. Appuleius. + +Madena, distrikt van Armenia Minor. + +Maduateni, thracische stam aan den Haemus. + +Madytus, Madytos, havenstad van de thracische Chersonesus, aan den +Hellespontus. + +Maeander, Maiandros, rivier in Asia minor, ontspringt in het Z. van +Phrygia bij Celaenae, loopt met tallooze kronkelingen door Caria en +Ionia en valt tegenover Miletus in zee. De stroomgod is de grootvader +van Caeneus, die dan ook Maeandrius iuvenis wordt geheeten. + +Maeandrius, Maiandrios, regeerde na den dood van Polycrates (522), +wiens geheimschrijver hij geweest was, eenigen tijd over Samus, +toen echter na korten tijd Syloson door de Perzen teruggebracht werd +(omstreeks 516), vluchtte M. naar Sparta, waar men hem wegens de +schatten, die hij had medegebracht, gevaarlijk achtte en hem het +verblijf in de stad verbood. + +Maecenas, zie Cilnii. + +Maecius Tarpa (Sp.), kunstcriticus van grooten naam, wien door +Augustus de beoordeeling en keus der op te voeren tooneelstukken +werd opgedragen. + +Maedi, Maidoi, thracische volksstam aan den Strymon. + +Maelii, plebejisch geslacht te Rome. 1) Sp. Maelius, rom. ridder, +had in den hongersnood van 440 op groote schaal uitdeelingen van +koren onder de onvermogenden gehouden. De patriciërs, naijverig +op de genegenheid van het volk, beschuldigden hem van opruiing en +eerzuchtige bedoelingen. Op zijne weigering, om voor het gerecht +te verschijnen, werd hij door C. Servilius Ahala, mag. equitum van +L. Quinctius Cincinnatus, die tot dictator seditionis sedandae causa +benoemd was, op het forum doodgestoken (439). Het vermogen van Maelius +werd verbeurd verklaard en zijn huis met den grond gelijk gemaakt; de +open plek hierdoor ontstaan, kreeg den naam van Aequimaelium. Volgens +een oudere lezing van het verhaal stak C. Servilius Ahala als +ambteloos burger op straat Sp. Maelius dood, omdat deze naar de +alleenheerschappij streefde. Het verhaal, waarvan alleen historisch +is de terechtstelling van Maelius en het neerhalen van zijn huis, +heeft, door het sanctionneeren van den tyrannenmoord, op de latere +geschiedenis (men denke aan de vermoording van Caesar) ingewerkt.--2) +Sp. Maelius, volkstribuun in 436, vervolgde den bovengenoemden +Servilius Ahala, die den gepleegden moord met ballingschap moest +boeten.--3) Q. Maelius, was een der twee volkstribunen, die in 321 in +de bergengte van Caudium den vrede met de Samnieten hielpen sluiten +en hierom met de beide consuls werden uitgeleverd. + +Maelo, vorst der Sygambri, deed in 12 een inval in Gallia, maar werd +door Drusus teruggedreven. Zie Claudii no. 26. + +Maemacterion, Maimakterion, 5de maand van het Attische jaar +(Nov.-Dec.), z. Annus. + +Maemactes, Maimaktes, bijnaam van Zeus als god der stormen; te zijner +eer werden in de maand Maemacterion de Maemacteria gevierd. + +Maenades, Mainades, = Bacchae. + +Maenalia, Mainalia, landstreek in Arcadië, ten W. van den berg +Maenalus. + +Maenalius, Mainalios, bijnaam van Pan, naar het gebergte Maenalus, +waar hij zich bij voorkeur ophield. + +Maenalus, Mainalon oros, berg en stad in het binnenland van Arcadia, +ten ZW. van Mantinea, geliefkoosd verblijf van den god Pan. Bij +dichters: Maenalius deus = Pan, Maenalius = arcadisch, Maenalis ursa = +Callisto, Maenalii versus = herderszangen. + +Maenia (columna), zie columna Maenia. + +Maenia (lex), waarschijnlijk ± 287, v.a. van ± 300, ut in +incertum comitiorum eventum patres auctores fierent, d.w.z. dat +de patricische leden van den senaat (zie patres) vooraf de keuzen +van de volksvergadering, hoe die ook mochten uitvallen, moesten +bekrachtigen. Hierdoor werd de patrum auctoritas niet afgeschaft, +maar tot een formaliteit gemaakt. Zie ook Publiliae (leges) no. 2. + +Maenia (Menenia) (lex) agraria van den volkstribuun M. Maenius +(Menenius), ging niet door, daar zijne ambtgenooten er tegen waren +(410). Daar leges agrariae in werkelijkheid zoo vroeg niet voorkomen, +is hoogst waarschijnlijk ook deze wet, evenals de lex Cassia (zie +agrariae leges), verzonnen. + +Maenia (of Menenia) Duilia (lex), zie Fenus. + +Maenianum, balkon aan de voorzijde van een huis, genoemd naar +C. Maenius, die als censor in 318 de gebouwen aan het forum van balkons +voorzag, om bij openbare feesten meer toeschouwers te kunnen bergen. + +Maenii, plebejisch geslacht. In 482 en 410 komen Maenii onder de +volkstribunen voor met pogingen om ook de plebs aandeel aan den +ager publicus te verschaffen. De eerste historische persoonlijkheid +is C. Maenius, die in 338, als consul met L. Furius Camillus (Furii +no. 12), voorspoedig streed tegen de opgestane Latijnen, vooral tegen +Antium. In 320 was hij dictator; in 314 werd hij weder tot dictator +gekozen om eene samenspanning te Capua te onderzoeken. Toen hij echter +zijn onderzoek ook tot Rome wilde uitbreiden, verzette zich de adel, +waarop hij zijn ambt neerlegde en zich aan een rechterlijk onderzoek +onderwierp, dat glansrijk voor hem afliep. Men vertelt, dat ter eere +zijner overwinning op de Antiaten de columna Maeniana (z. a.) op het +forum is opgericht. Zie ook maenianum. In de eerste helft der 2de eeuw +moet er te Rome een gek en verkwister geleefd hebben met name Maenius, +over wien Horatius spreekt. + +Maeon, Maion, de aanvoerder der 50 Thebanen, die Tydeus een hinderlaag +legden en allen door dezen verslagen werden. M. liet hij echter op +bevel van een orakel in leven. + +Maeonia, Maionia, oude naam van Lydia (z. a.) en dientengevolge ook +dichterlijk = Etruria. + +Maeonides, Maionides, wordt Homerus soms genoemd als zoon van Maeon +of als Lydiër (Maeoniër). + +Maeonis, lydische (maeonische) vrouw, bijv. Omphale, Arachne. + +Maeotis palus, Maiotis limne, thans zee van Azow. De omwonende +scythische stammen werden met den algemeenen naam Maeotae aangeduid. + +Maera, Maira, 1) de hond van Erigone, z. Icarius.--2) dochter van +Proetus, jachtgezellin van Artemis; zij werd bij Zeus moeder van +Locrus en werd daarom door Artemis gedood.--3) dochter van Atlas, +gehuwd met Tegeates, den zoon van Lycaon. + +Maesesses = Melesses. + +Maevius, zie Bavius. + +Magaba, berg in Galatia, tusschen Ancyra en den Halys, waar Cn. Manlius +Vulso in 189 de Tectosages versloeg. + +Magas, Magas, stiefzoon van Ptolemaeus I, werd door dezen tot +stadhouder over Cyrene aangesteld, doch maakte zich onafhankelijk +(280), en wist zich ook tegen Ptolemaeus II te handhaven. Hij stierf +in 258. Zie ook Apama no. 2. + +Magdolum, Magdolon, Magdolon, stad in Beneden-Aegypte, ten Z.Z.W. van +Pelusium. + +Mageddo = Megiddo. + +Magetobriga, stad der Sequani in Gallia Transalpina. + +Magi, Magoi, een medisch geslacht van priesters, droomuitleggers +en orakelduiders, die ook in het staatkundige grooten invloed +uitoefenden. Toen de heerschappij van de Mediërs op de Perzen overging, +bleven de Magi hunne waardigheden behouden. + +Magii, plebejisch geslacht uit Campania. + +Magister admissionum, onder de latere keizers de opperkamerheer, die +belast was met de toelating en ontvangst ter audiëntie bij den keizer. + +Magister equitum, zie dictator. + +Magister officiorum, hofmaarschalk van de keizerlijke hofhouding. Deze +post behoorde tot de hooge hofambten, door Constantijn den +Gr. ingesteld. + +Magister populi, oude titel voor den dictator, als aanvoerder van +het voetvolk. + +Magister scriniorum, hoofd der keizerlijke kanselarij. Zie Scrinium. + +Magna Mater, z. Rhea Cybele. + +Magnentius (Flavius Magnus), rom. tegenkeizer in het W. des rijks, +ontrukte den troon aan Constans, die in 350 na C. vermoord werd, +doch werd door Constantius II bij Sirmium in 352 verslagen en benam +zichzelf in 353 na C. te Lugdunum (Lyon) het leven. + +Magnes, Magnes, een van de attische blijspeldichters vóór Aristophanes, +wiens werken dikwijls den eersten prijs behaalden. + +Magnesia, Magnesia, 1) oostelijk gedeelte van Thessalia, eene +betrekkelijk smalle strook lands; uitloopende in een landtong, die de +golf van Pagasae als het ware omarmt. De inwoners heetten Magnetes, +Magnetes.--2) stad in Lydia, aan den voet van den berg Sipylus +gelegen en daarom Magnesia ad Sipylum genoemd. Hier werd Antiochus +III van Syria door L. Cornelius Scipio Asiaticus (Cornelii no. 14) +in 190 verslagen.--3) stad in het lydisch-carische grensdistrikt, +nabij den Maeander, ten Z.O. van Ephesus, met een beroemden tempel +van Artemis. Dit Magnesia was eene der drie steden, waarvan Artaxerxes +de inkomsten aan Themistocles toewees. + +Magnum promunturium, kaap aan den mond van den Tagus, thans kaap +Espichel, ook een kaap in Mauretania Caesariensis, dicht bij Siga. + +Magnus portus, 1) haven in Gallaecia, thans baai van Corunha.--2) +haven in Mauretania, thans Oran. + +Mago, Magon, naam van verschillende carthaagsche staatslieden en +veldheeren, waaronder vooral drie merkwaardig zijn: 1) Mago de Groote, +± 550-500, beroemd staatsman, die de grondslagen legde tot Carthago's +grootheid en ook als generaal lauweren verwierf.--2) schrijver van een +groot werk over den landbouw, dat later op last van den rom. senaat +in het Latijn werd vertaald.--3) jongere broeder van Hannibal, die +met dezen naar Italia toog en na den slag bij Cannae naar Carthago +werd gezonden om het bericht over te brengen en versche troepen +te halen. Hij werd echter naar Hispania gezonden ter ondersteuning +van zijn broeder Hasdrubal. In 205 stak hij onverwachts van Gades in +Spanje, dat hij moest ontruimen, naar Liguria over en veroverde Genua, +doch werd in 203 in het gebied der Insubres verslagen, en toen hij +in Genua terugkwam, kreeg hij daar het bevel, naar Carthago terug te +keeren. V. s. stierf hij onderweg aan zijn wonden of door schipbreuk, +v. a. leefde hij in 193 nog. + +Magontiacum = Mogontiacum. + +Maharbal, veldheer van Hannibal, die hem na den slag bij Cannae +trachtte te overreden om rechtstreeks naar Rome op te trekken. + +Maia, Maia, Maias, 1) dochter van Atlas en Pleione, de oudste der +Pleiaden, bij Zeus moeder van Hermes.--2) italiaansche godin, soms +ook Maiesta genoemd. Zij is de gemalin van Vulcanus, maar wordt +later dikwijls met de grieksche Maia verward. De maand Mei was naar +haar genoemd, en op den 1sten van die maand bracht de priester van +Vulcanus haar een offer. + +Maiesta = Maia no. 2. + +Maiorianus (Flavius Iulianus), een der laatste keizers van het +west.-rom. rijk, 457-461 na C. Hij roeide vele misbruiken uit, waardoor +hij zich onder de ambtenaren vele vijanden maakte. Toen nu een oorlog +tegen den vandaalschen koning Geiserik ongelukkig afliep, werd het +leger onder den Sueef Ricimer tot opstand overgehaald en Maiorianus tot +afstand gedwongen. Hij stierf weinige dagen later aan eene plotselinge +ziekte. Het rijk verloor in hem een edel en doortastend vorst. + +Makaron nesoi, ver afgelegen eilanden, waar de heroën, evenals in +het Elysium, na driemaal op aarde zonder zonde geleefd te hebben, +onder de regeering van Cronus een gelukzalig leven leiden. Zie ook +Fortunatae insulae. + +Makednoi, dorische stam, eerst tijdens Deucalion in Phthiotis, later +aan den Pindus. + +Malaca, Malaka, phoenicische kol., later rom. municipium in Hispania +Baetica, thans Malaga. + +Malchus, Malchos, 1) carthaagsch veldheer, ± 600-550, had eerst op +Sicilië en Sardinië groote veroveringen gemaakt, en is daardoor de +eigenlijke grondlegger geworden van de macht van Carthago, maar toen +hij later op Sardinia eene groote nederlaag geleden had, werd hij uit +Carthago verbannen. Hij trok toen tegen Carthago te velde, nam het in, +en liet een aantal senatoren ter dood brengen. Later werd hij zelf ter +dood veroordeeld, omdat hij naar de monarchie streefde. Het verhaal is +eenigszins verward, maar toont in elk geval aan, dat het leger toen +nog uit Carthagers bestond, en geen huurleger was.--2) koning der +Nabataeërs, bondgenoot van Caesar in den alexandrijnschen oorlog.--3) +uit Philadelphia no. 2, geschiedschrijver uit de 5de eeuw n. C., +die het werk van Priscus no. 2 (z. a.) tot 480 n. C. voortzette.--4) += Porphyrius (z. a.). + +Malea, Malea, 1) kaap aan de Zuidoostkust van het eil. Lesbus.--2) +Z.O. punt van de Peloponnesus, thans kaap S. Angelo, die moeielijk +was om te varen wegens de stroomingen en riffen. + +Maleventum, vroegere naam van Beneventum. + +Maliades, Malides, Maliades, Malides, nimfen, die kudden en +vruchtboomen beschermen. + +Malis, Malis, een klein landschap aan de Malische golf, sinus Maliacus, +een N.W. inham der Euboeïsche golf. De inwoners heetten Malienses, +Malies. + +Malli, Malloi, indisch volk aan den Hydraotes, een der zijrivieren +van den Indus. + +Mallii, rom. geslacht, dat geene beroemde personen heeft +opgeleverd. Bekend is slechts geworden de onbekwame consul Cn. Mallius +Maximus, die in 105 met den proc. Q. Servilius Caepio (Servilii no. 15) +den slag bij Arausio tegen de Cimbren verloor. Zie ook Manlii no. 15. + +Malloea, Malloia, vesting in het thessalische landschap Perrhaebia. + +Mallus, Mallos, oude stad van Cilicia nabij den Pyramus. + +Maluginensis, familien. in de gens Cornelia. + +Mamercinus, familien. in de gens Aemilia. + +Mamercus, een oscische voornaam, dien wij alleen nog in de gens +Aemilia aantreffen. + +Mamertini, zonen van Mamers of Mars, campaansche huurtroepen +(zie Campania) in dienst van Agathocles, na diens dood (289) uit +Syracusae verdreven, nestelden zich toen in Messana, van waar zij +strooptochten deden. Door de Syracusanen in het nauw gebracht, riepen +de Mam. Carthagers en Rom. te hulp, hetgeen de aanleiding werd tot +den eersten punischen oorlog. Messana komt vervolgens officieel voor +onder den naam civitas Mamertinorum. Onder het stadhouderschap van +Verres speelde de stad de rol van handlangster. + +Mamertinus (Claudius), de schrijver van een dankrede aan keizer +Iulianus (gratiarum actio de consulatu suo Iuliano Imp.), gehouden in +362 n. C. Hij was door Iulianus benoemd tot comes sacrarum largitionum, +minister van finantiën, en later tot praefectus praetorio Illyrici +et Italiae. + +Mamilia (lex) van den volkstribuun C. Mamilius Limetanus, tot +instelling van een gerechtelijk onderzoek tegen hen, die zich door +Jugurtha hadden laten omkoopen (109). + +Mamilii, rom. geslacht, uit Tusculum afkomstig. 1) Octavius Mamilius, +te Tusculum, schoonzoon van Tarquinius Superbus, verleende hem na +diens verdrijving hulp en sneuvelde bij het meer Regillus, evenals +zijn zoon.--2) L. Mamilius Tusculanus, dictator van Tusculum, had +den Romeinen hulp verleend, toen de Sabijn Herdonius in 460 bij een +nachtelijken overval het Capitool vermeesterd had. Hiervoor kreeg +L. Mamilius het rom. burgerrecht.--3) Q. Mamilius Vitulus, consul in +262, veroverde Agrigentum op de Puniërs.--4) C. Mamilius Limetanus, +zie Mamilia (lex). + +Mammaea (Iulia), moeder van keizer Alex. Severus (Severi no. 2), +voor wien zij wegens zijne jeugd in den beginne als regentes optrad +en met beleid het bewind voerde. + +Mamurius Veturius, metaalwerker uit Etruria. Zie ancile. + +Mamurra, rom. ridder van geringe afkomst, maar die onder Caesar +in Gallia zijn fortuin had gemaakt en vervolgens te Rome door zijne +houding en buitensporige levenswijze aanstoot gaf. Hij was uit Formiae, +dat hierom door Horatius spottend urbs Mamurrarum wordt genoemd. + +Mancinus, familienaam in de gens Hostilia. + +Mancipatio, is de plechtige overdracht per aes et libram van eene +zaak in tegenwoordigheid van 5 getuigen en een libripens. De kooper +nam met een zeker formulier de zaak over en sloeg met een muntstuk +(raudusculum) tegen de weegschaal. Zulk een mancipatio werd wettelijk +gevorderd bij den verkoop van res mancipi. De geheele vorm was eene +nabootsing van een verkoop uit den ouden tijd, toen het geld nog werd +afgewogen. Deze handeling per aes et libram had ook plaats bij den +huwelijksvorm door coëmptio en bij de emancipatio. + +Mancipi (res). Tot de res mancipi behoorden volgens Ulpianus: praedia +in Italico solo, tam rustica, qualis est fundus, quam urbana, qualis +domus; item iura praediorum rusticorum, velut via, iter, actus, +aquaeductus; item servi et quadrupedes, quae collo dorsove domantur, +velut boves, muli, equi, asini. Van de genoemde iura of servituten +beteekent iter het recht te voet of op een rijdier over eens anders +grond te gaan, via, er met een voertuig over te rijden, actus, +er vee over te drijven, aquaeductus, er water over te leiden. Zie +verder servitus no. 1. Ulpianus voegt er nog bij, dat olifanten en +kameelen, quamvis collo dorsove domentur, geene res mancipi zijn, daar +zij tot de bestiae behooren. Res mancipi nu konden in rom. eigendom +overgaan door in iure cessio, afstand ten overstaan van den praetor, +door gerechtelijke toewijzing of adiudicatio of door eene wet, +door erfenis en door mancipatio (z. a.). Was er in plaats van de +vormelijke mancipatie eene eenvoudige traditio of overgave van hand +in hand gebezigd, dan gaf dit geen wettigen rom. eigendomstitel of +dominium. Zooals echter bij het artikel ius honorarium is aangewezen, +kon de praetor toestaan, res mancipi te bezitten, in bonis habere. Door +verjaring, usucapio, d. i. door ongestoord bezit van roerende goederen +gedurende één jaar, van onroerende gedurende twee jaren, kon men dan +toch het dominium verwerven. + +Mancipium, 1) = mancipatio.--2) het voorwerp der mancipatie, vooral +slaven, ook lasten trekdieren.--3) de betrekking van afhankelijkheid, +waarin vrijen gebracht waren door mancipatie, zooals b.v. de pater +fiduciarius verkreeg bij de emancipatio (z. a.) en zooals de pater +naturalis nog slechts over zijn zoon behield, wanneer deze na den +derden schijnverkoop weder aan hem werd teruggegeven. Of wel, wanneer +volgens het oudste schuldrecht iemand in de macht van den schuldeischer +was overgegaan. Een vrije, die in mancipio was, was wel servi loco, +maar daarom nog geen servus. + +Mandane, Mandane, dochter van Astyages, moeder van den ouden Cyrus. + +Mandela, sabijnsch dorpje nabij het landgoed van den dichter Horatius. + +Mandonius, een Hispaniër, broeder van Indibilis. Hij speelde dezelfde +rol van herhaalde onderwerping en afval, tot hij gedood werd (206). + +Mandrocles, Mandrokles, van Samus, beroemd bouwmeester, die voor +Darius Hystaspis, toen deze tegen de Scythen optrok, een brug over +den Bosporus legde; ter gedachtenis hieraan liet hij in den tempel +van Hera op Samus een schilderij ophangen, die den tocht van het +leger over de brug voorstelde. + +Mandropolis, Mandropolis, stad in het Z. van Phrygia. + +Mandubii, Mandoubioi, volk in Gallia ten W. van de Lingones. Tot hun +gebied behoorde Alesia (Alise-Ste-Reine), waar Vercingetorix door +Caesar belegerd werd. + +Manduria, Mandyrion, stad der Sallentini in Calabria, aan den weg van +Tarentum naar Hydruntum (Otranto). Hier sneuvelde de spartaansche +koning Archidamus III in 338 tegen de Lucaniërs en Messapiërs, +toen hij Tarentum te hulp kwam. In 209 werd de stad door den consul +Q. Fabius Maximus Verrucosus (Fabii no. 16) veroverd. + +Maneros, Maneros, zoon van den eersten koning van Aegypte, die jong +stierf en, evenals Adonis, Linus e. a. in klaagliederen herdacht werd. + +Manes, bij de Rom. de geesten der afgestorvenen, als goden gedacht (dii +Manes). Zij wonen in de onderwereld en komen, behalve op bepaalde +tijden, alleen dan op aarde, wanneer de levenden hen vergeten +of verzuimen hun de verschuldigde offers te brengen. Deze offers +bestonden uit koren, zout, wijn, melk, enz.--Te hunner eer vierde +men den 21sten Februari het algemeene doodenfeest Feralia, waarbij +de tempels van alle goden, die niet tot de onderwereld in betrekking +stonden, gesloten waren. + +Manetho, -thos, Manethon, -nethos, aegyptisch priester te Heliopolis, +leefde onder Ptolemaeus Philadelphus. Onder zijne talrijke geschied-, +natuur- en sterrenkundige werken behoorde ook eene geschiedenis van +Aegypte (Aigyptiaka) van de oudste tijden tot Alexander d. G., waaruit +o. a. eene volledige chronologische lijst van aegyptische koningen +bewaard gebleven is. Zijne overige geschriften zijn alle verloren. + +Mania, volgens de Romeinsche geleerden de moeder der Lares; ze heeft +echter nooit vereering genoten. Haar naam is waarschijnlijk afgeleid +van de maniae, poppen, die op de Compitalia aan de compita en voor +de huisdeuren werden opgehangen. + +Maniai heetten de Erinyes in sommige deelen van Griekenland, als +godinnen, die door hare vervolgingen tot razernij drijven. + +Maniliae (leges), van den volkstribuun C. Manilius in 66. 1) de +libertinorum suffragiis, dat de vrijgelatenen in de tribus van hunne +patroni, en dus in alle tribus zouden mogen stemmen, in plaats van in +4. Deze wet werd door den senaat ongeldig verklaard. Z. Manlia (lex) +de libertinorum suffragiis.--2) de imperio Cn. Pompei, dat het voeren +van den mithradatischen oorlog aan Pompeius zou worden opgedragen. + +Manilianae (leges) venalium vendendorum, geene wetten, maar formulieren +voor koop en verkoop, opgesteld door den kundigen jurist M'. Manilius, +consul in 149. + +Manilii, plebejisch geslacht, waarvan de meest bekende leden zijn: +1) M'. Manilius, consul in 149, ontving het bevel over het leger, dat +tegen Carthago werd afgezonden, doch kon niets uitrichten, evenmin als +zijn ambtgenoot L. Marcius Censorinus. Hij was met Laelius en Scipio +bevriend en een scherpzinnig rechtsgeleerde, die gaarne adviezen gaf +en ook rechtsgeleerde boeken schreef. Zie ook leges Manilianae.--2) +C. Manilius, volkstribuun in 66 (zie leges Maniliae) is het meest +bekend door Cicero's verdediging van het wetsontwerp de imperio +Cn. Pompei. In het volgend jaar verdedigde Cicero hem zelf in een +proces.--3) Manilius, rom. dichter ten tijde van Augustus, dichter +eener Astronomica, die nog over is.--4) L. Manilius, z. Manlii no. 15. + +Manimi, een stam der Ligii in O. Germania, tusschen Viadua (Oder) +en Vistula (Weichsel). + +Manipulus, eene afdeeling van twee centuriën soldaten, zie +cohors. Volgens de afleiding der ouden zou de standaard van den manipel +(zie vexillum) in den beginne bestaan hebben uit een handvol hooi +aan een staak gebonden. De latere vexilla der manipels hebben boven +op den stok een uitgestrekte hand. + +Manlia (lex) de vicesima manumissionum, tot invoering eener belasting +van 5%, door slaven, die vrijgelaten werden, van hunne marktwaarde te +betalen. De voorsteller dezer wet, de consul Cn. Manlius Capitolinus +Imperiosus (357) (Manlii no. 9), riep hiertoe de tribuutcomitiën +bijeen, niet te Rome, maar in zijne legerplaats bij Sutrium. De +volkstribunen echter namen maatregelen, dat dit niet ten tweede male +gebeuren kon. + +Manlia (lex) de libertinorum suffragiis, van een volkstribuun +Cn. Manlius in 58. Misschien is dit wel de lex Manilia van +66. Cn. Manlius wordt ook wel C. Manlius of Manilius genoemd. + +Manlii, rom. geslacht met patricische en plebejische takken. Voor +Manlius vindt men ook wel Mallius geschreven. 1) A. Manlius Vulso, +consul in 474, dwong de Vejenten tot het sluiten van een veertigjarig +bestand.--2) A. Manlius Vulso Capitolinus, consulairtribuun in +405 en 402, beproefde in het laatste jaar te vergeefs Veji te +vermeesteren.--3) L. Manlius Vulso Longus, consul in 256, trok +met zijn ambtgenoot M. Atilius Regulus naar Africa. Na eerst de +Carthagers bij Ecnomus te hebben verslagen, en Clupea te hebben bezet, +keerde Vulso naar Rome terug, terwijl Regulus in Africa bleef. In +zijn tweede consulaat (250) belegerde hij met zijn ambtgenoot +C. Atilius Regulus tevergeefs de stad Lilybaeum op Sicilia.--4) +Cn. Manlius Vulso, consul in 189, overwon de Galatiërs en sloot +den vrede met Antiochus III van Syria.--5) A. Manlius Vulso, consul +in 178, oorloogde minder gelukkig. De Histri maakten zich van zijn +legerkamp aan den mond van den Timavus meester, maar werden daarna +verslagen.--6) M. Manlius Capitolinus, consul in 392, redde in 389 +het Capitool van eene nachtelijke overrompeling door de Galliërs. Het +cognomen Capitolinus heeft hij echter niet om deze daad, zooals men +wel eens aanneemt, maar omdat hij op het Capitool (de arx) woonde. In +385, toen de schulden der plebejers weder zeer hoog gestegen waren, +offerde Manlius een groot deel van zijn vermogen op om plebejers uit +de schuldgevangenschap vrij te koopen. De adel beschuldigde hem van +verkeerde bedoelingen, doch de houding van het volk boezemde vrees in, +en Manlius werd vrijgesproken. Of hij hierna werkelijk plannen tot +oproer heeft voorbereid, is niet duidelijk. In eene volksvergadering te +Rome werd hij wederom vrijgesproken, doch in eene tweede buiten Rome +in een bosch gehouden, wegens hoogverraad veroordeeld. Hij werd van +de tarpejische rots geworpen, zijn huis verwoest en de voornaam Marcus +in de gens Manlia afgeschaft (384). Van dit geheele verhaal is alleen +historisch het feit van Manlius' veroordeeling wegens het streven naar +de koninklijke macht, de verwoesting van zijn huis, waarvan de grond +later aan Iuno Moneta gewijd werd, en het afschaffen van den voornaam +Marcus in de gens Manlia. Het verhaal van de ondragelijke schulden der +plebejers is eerst in den bondgenootenoorlog ontstaan, toen dergelijke +toestanden werkelijk bestonden. Zijn broeder A. Manlius Capit. was +bij herhaling consulairtribuun.--7) P. Manlius Capitolinus, in 367 +te midden der twisten over de licinisch-sextische wetsvoorstellen tot +dictator benoemd, toonde zich tegen verwachting jegens deze voorstellen +niet vijandig.--8) L. Manlius Capitolinus Imperiosus, aldus bijgenaamd +om zijne gestrengheid, dictator in 363 clavi figendi causa, wilde +ook eene lichting houden, waarvoor hij niet benoemd was, en ontging +met moeite eene veroordeeling.--9) Cn. Manlius Capit. Imper., zoon +van no. 8, consul in 359 en 357, censor in 351; z. Manlia (lex) de +vicesima manumissionum.--10) T. Manlius Imper. Torquatus, ook een +zoon van no. 8, was een uitstekend veldheer, doch een man van een +woest en streng karakter. In een tweegevecht met een reusachtigen +Galliër in den oorlog van 361 maakte hij diens gouden halsketen +buit en werd sedert Torquatus genoemd. Hij was consul in 347, 344 en +340. In zijn derde consulaat behaalde hij door de zelfopoffering van +P. Decius Mus eene schitterende overwinning op de Latijnen bij den +Vesuvius, doch liet zijn zoon, die tegen zijns vaders bevel met een +uittartenden vijand een strijd had aangevangen en hem verslagen had, +ter dood brengen. Vandaar de bekende uitdrukking Manliana imperia. Het +verhaal omtrent den slag bij de Vesuvius schijnt verzonnen, daarentegen +heeft T. Manlius de Latijnen in 340 bij Trifanum, tusschen Sinuessa en +Minturnae verslagen.--Het verhaal omtrent het ter dood brengen van zijn +zoon wordt door andere schrijvers op naam van den dictator Postumius +(431) gezet. Zie Postumii no. 4.--11) T. Manlius Torquatus, consul in +235 en 224, dictator in 208, sloot in 235, na een opstand der Sarden +onderdrukt te hebben, den Ianustempel en streed later tegen de Galliërs +(224) en de Carthagers (215). Hij was in het laatste jaar praetor, en +versloeg de verbonden Carthagers en Sarden. De Carthagers werden uit +Sardinië verdreven. Hij verloochende de onbuigzaamheid van karakter, +aan zijne familie eigen, niet.--12) T. Manlius Torquatus verstiet +zijn zoon D. Iunius Silanus (z. Iunii no. 15) uit zijne oogen wegens +afpersingen, in Macedonia gepleegd, waarop de zoon zich ophing. De +vader woonde de begrafenis niet bij (141).--13) L. Manlius Torquatus, +consul in 65, was een groot vriend van den redenaar Hortensius en +een zeer vaderlandslievend man. Hij had Catilina in 65 bijgestaan, +toen deze van knevelarij beschuldigd was, doch keerde zich van hem +af na de ontdekking der samenzwering.--14) L. Manlius Torquatus, +zoon van no. 13, was een vriend van Cicero, die hem in zijn werk de +finibus bonorum et malorum sprekend invoert. Hij was meer politiek man +dan redenaar. In 62 klaagde hij P. Cornelius Sulla aan (zie Cornelii +no. 54). In den burgeroorlog sloot hij zich aan bij de partij van +Pompeius, werd door Caesar gevangen genomen, doch weder vrijgelaten, en +sneuvelde later in Africa (47).--15) Verder komt er nog eene familie +van Manlii Acidini voor. Onder de Manlii, die zonder familienaam +(cognomen) voorkomen, behoort ook C. Manlius (of Mallius), die voor +Catilina troepen bij Faesulae verzamelde en bij Pistoria sneuvelde +(62). Verder L. Manlius (Mallius) v. a. L. Manilius, propraetor van +Gallia Narbonensis, die in 78 tegen de Sertoriani te velde getrokken +was, maar door den quaestor L. Hirtuleius, onderbevelhebber van +Sertorius in Hispania geheel verslagen was; op zijn terugkeer naar de +provincie werd de rest van zijn leger door de opgestane Aquitaniërs +vernietigd en sneuvelde zijn onderbevelhebber L. Valerius Praeconinus +(Valerii no. 25a). + +Manteia, Mantike, de kunst van het verklaren der teekens, waardoor de +godheid haar wil openbaart. Ook bij de Grieken wordt een onderscheid +gemaakt tusschen signa oblativa en impetrativa (zie Auguria). Tot de +eerste soort (semata, terata) behooren verschijnselen aan den hemel, +het vliegen of roepen van een grooten vogel (oionos) en dgl. Het zijn +in den regel alledaagsche verschijnselen, die alleen door den tijd, +de plaats of de omstandigheden, waaronder men ze waarneemt, eene +bizondere beteekenis verkrijgen, en dus gewoonlijk gemakkelijk te +verklaren zijn als voorboden van geluk of ongeluk; lag de verklaring +niet zoo voor de hand, dan riep men de hulp van een deskundige (mantis, +theopropos, oionopolos) in. Altijd was die hulp noodig bij de andere +soort van voorteekenen, waarom men de goden vroeg als een bepaald +teeken van goed- of afkeuring van een voorgenomen handeling. De meest +gebruikelijke wijze, waarop men zulk een teeken meende te vinden, was +door de (bij Homerus nog niet genoemde) beschouwing der ingewanden van +een geofferd dier (hieromanteia), waartoe men zich van de tusschenkomst +van een hieroskopos bediende. Andere middelen om den wil der goden te +vragen, zooals het waarnemen van de lijnen in de hand (cheiromanteia), +van de kringen, veroorzaakt door een in het water geworpen voorwerp +(hydromanteia), het gebruikmaken van loten (kleromanteia, sortilegium, +z. sortes), en dgl. genoten geen algemeen vertrouwen en het geloof +hieraan werd door velen min of meer als bijgeloof beschouwd. Zie +ook enkoimesis. + +Mantinea, Mantineia, eene der oudste steden van Arcadia, nabij de +argolische grenzen in eene moerassige streek aan het riviertje Ophis +gelegen, waar het des zomers drukkend heet en 's winters streng koud +was. Tot aan de perzische oorlogen bestond het uit vijf dorpen, +maar korten tijd daarna (464-459) werd de bevolking in de stad +bijeengebracht, en werd het bestuur democratisch. In 385 werd Mantinea +door de Spartanen verwoest, doch in 370 iets zuidelijker herbouwd. Door +deze verwoesting verloor M. de hegemonie over Arcadia. In 362 behaalde +Epaminondas, doch ten koste van zijn leven, bij het naburige bosch +Pelagos eene schitterende overwinning op de Spartanen. Later behoorde +M. tot het achaeïsch verbond. Toen het echter, bij de groote worsteling +met Cleomenes III van Sparta, van het verbond afviel (229) werd het +door Aratus, den strateeg der Achaeërs, zwaar gestraft. Ter eere +van den macedonischen koning Antigonus Doson werd het in Antigonea +herdoopt. Keizer Hadrianus, die er een prachtigen tempel voor zijn +lieveling Antinoüs liet bouwen, gaf aan de stad haar ouden naam terug. + +Mantius, Mantios, zoon van Melampus, vader van Clitus (no. 1) +en Polyphides. + +Manto, Manto, dochter van Tiresias. Toen Thebe door de Epigonen was +ingenomen, werd zij met een deel van den buit aan den delphischen +Apollo gebracht. Op bevel van het orakel werd zij naar Colophon +gezonden, om er den tempel en het orakel van Apollo Klarios te +stichten. Zij huwde daar met een Cretenser, Rhacius, die den tempel op +zijne kosten liet bouwen, en werd bij hem moeder van Mopsus.--V. a. was +zij ook in Italië gekomen, en had zij bij Tiberis een zoon gekregen, +Ocnus, die de naar haar genoemde stad Mantua stichtte. V. a. is echter +deze stad naar een andere Manto, dochter van Heracles, genoemd. + +Mantua, Mantoua, oude stad op een eil. in den Mincius (Mincio), +reeds door de Etruscers bewoond, toen zij nog als Rasennae in het +Po-dal woonden. Sedert 89 lat. kolonie, sedert 49 municipium. In het +nabijgelegen dorpje Andes was Vergilius geboren. + +Mantus, de god der onderwereld bij de Etruriërs, gewoonlijk afgebeeld +als een zeer groot gevleugeld wezen met woeste trekken, gewapend met +een zwaard of hamer. + +Manubiae (van manu habere), in het algemeen buit, in het bijzonder +echter dat gedeelte, dat de overwinnende veldheer te zijner beschikking +kreeg en dat meestal door hem werd aangewend tot stichting van een +tempel, een zuilengang of eenig ander openbaar werk. In ongunstigen +zin wordt het woord ook gebezigd van den buit, dien een stadhouder +zich door afpersingen verwerft.--In het enkelvoud beteekent manubia +in de taal der augurs een bliksemstraal. Zie Auguria no. 2. + +Manumissio, vrijlating van slaven. Deze kon op verschillende wijze +plaats vinden;--1) vindicta of festuca. De heer bracht zijn slaaf +voor den praetor; diens lictor of een ander trad dan als assertor +(z. a.) op, raakte het hoofd van den slaaf met een roedje (festuca, +vindicta) aan, en zeide: hunc hominem liberum esse aio ex iure +Quiritium. Daar nu de eigenaar niet tegensprak, verklaarde de praetor +den man voor vrij.--2) censu. De meester liet zijn slaaf bij den census +in de burgerlijsten inschrijven.--3) testamento. Door deze drie wijzen +van vrijlating werd de slaaf niet alleen vrij man, maar ook burger. Als +vierde wijze voegde Constantijn de Gr. er de vrijlating in de kerk +(in ecclesia) bij. Een feitelijke toestand van vrijheid, doch zonder +burgerrecht, was het gevolg van de manumissio inter amicos, binnenshuis +in tegenwoordigheid van een vijftal vrienden als getuigen,--per +mensam, doordat de eigenaar den slaaf als een vrij man aan tafel +noodigde,--per epistulam of onderhandsche schriftelijke verklaring, +zie lex Iunia Norbana. De lex Aelia Sentia (4 na C.) en de lex Furia +Caninia beperkten het recht van vrijlating. De libertini werden alleen +in de vier tribus urbanae ingeschreven (zie echter lex Manilia). + +Manus is eigenlijk de macht van den echtgenoot over zijne vrouw, +waardoor zij hem als eene dochter, filiae loco, toebehoort, en waardoor +al wat zij bij het huwelijk medebrengt of later verwerft, het zijne +wordt. De manus was het gevolg van een huwelijk, dat gesloten was door +confarreatio of door coëmptio, van een huwelijk door usus alleen dan, +wanneer er verjaring (usucapio) had plaats gehad, doordat de vrouw +gedurende een vol jaar geen trinoctium buiten de echtelijke woning +doorgebracht had. Terloops zij hier opgemerkt, dat de coëmptio op +zich zelve wel manus, maar nog geen huwelijk tot stand brengt; zij +moet met het huwelijk gepaard gaan. De beteekenis van manus wordt +ook wel uitgebreid tot anderen, die in iemands potestas en vooral, +die in iemands mancipium zijn. + +Manus iniectio. Wanneer een gedaagde onwillig bevonden werd om met +den eischer voor den praetor te verschijnen, dan kon de eischer in +tegenwoordigheid van getuigen de hand aan hem slaan en hem met geweld +medevoeren. Ook kon zulk eene manus iniectio in sommige andere gevallen +plaats grijpen, b. v. wanneer de verliezende partij weigerachtig of +onmachtig was aan het vonnis te voldoen, of wanneer men op heeterdaad +betrapt werd, b. v. een fur manifestus. De legis actio per manus +iniectionem is eene aanvullingsactie waarbij de eischer den praetor +vergunning vraagt, om zonder verdere in ius vocatio den onwillige +te grijpen. + +Maracanda, ta Marakanda, groote hoofdstad van Sogdiana. Thans +Samarkand. + +Maraces, Marakoi, volksstam in Aetolia. + +Marathon, Marathon, vlek op de O.kust van Attica, aan eene vlakte, die +de marathonische werd genoemd. Dáár joeg Theseus den marathonischen +stier. In de nabijheid, in een niet te breede vallei, behaalde +Miltiades in 490 de beroemde overwinning op de Perzen. + +Marathus, Marathos, oude bloeiende koopstad in het N. van Phoenice +tegenover Aradus. + +Marathusa, Marathousa, eilandje op de kust van aziatisch Ionia, +nabij Clazomenae. + +Marcellus, familienaam in de gens Claudia (Claudii no. 30-38). + +Marcellus Empiricus, een Galliër van geboorte, lijfarts van keizer +Theodosius den Grooten, schrijver van een nog bestaand werk, +medicamentorum liber. + +Marcia (aqua), waterleiding te Rome, die om haar heerlijk water +geroemd werd. Zij was in 144 aangelegd door den praetor Q. Marcius Rex. + +Marcia (lex) de censura, dat niemand ten tweeden male censor zou kunnen +worden. Deze wet is aangenomen op verzoek van C. Marcius Rutilus, +die in 265 ten tweede male censor was en dit voor het vervolg wilde +voorkomen. De voorsteller van de wet is onbekend. + +Marcia (lex) de Liguribus deditis. M. Popilius Laenas, consul in 173, +had een onrechtvaardigen oorlog begonnen tegen den ligurischen stam der +Statielli, die geen aanleiding hadden gegeven. Hij had verscheidene +duizenden gedood of als slaven verkocht. De volkstribunen M. Marcius +Sermo en Q. Marcius Scylla (172) deden met goedvinden van den senaat +een wetsvoorstel om Laenas in staat van beschuldiging te stellen. De +wet werd aangenomen, en Popilius ontsnapte alleen aan een veroordeeling +door de partijdigheid van den praetor. + +Marcia (lex) agraria, van L. Marcius Philippus, volkstribuun in 104 +(zie Marcii no. 15), tot verdeeling van land onder arme burgers. De +wet werd niet aangenomen. + +Marcia Atinia (lex). De vrede met Philippus van Macedonia was in 197 +gesloten. M. Claudius Marcellus (Claudii no. 31) echter, voor het +volgende jaar tot consul benoemd en begeerig den oorlog te heropenen, +trachtte den senaat voor te spiegelen, dat de vrede van de zijde van +Philippus slechts bedrog was. Daarom lieten de volkstribunen Q. Marcius +Rex en C. Antinius Labeo den vrede door een plebisciet bekrachtigen. + +Marcia Porcia (lex), z. Maria (Marcia) Porcia (lex). + +Marciana carmina, een boek met voorspellingen van zekeren beroemden +waarzegger Marcius, dat in 213 ontdekt was en waarin de noodlottige +afloop van den slag bij Cannae was voorspeld. De voorschriften van +het tweede carmen werden door den senaat opgevolgd. + +Marciana Silva, vroeger Abnoba mons geheeten, het tegenw. Schwarzwald, +in het Z.W. van Germania. + +Marcianopolis, Markianopolis, stad in Moesia inferior, even ten Z. van +Odessus dicht bij de kust. Traianus had ze naar zijne zuster Marcia +aldus genoemd. + +Marcianus, Markianos, 1) aardrijkskundige uit Heraclea in Pontus, +± 400 na C., ontwerper van een periplous der bekende wereld, met +afstandswijzer.--2) Aelius Marcianus, rom. jurist, wiens werken zijn +uitgekomen na 217 n. C. (dood van keizer Caracalla).--3) Felix Capella +Marcianus, ± 470 na C. uit Madaura in Africa, schrijver eener soort +van encyclopaedie der zeven vrije kunsten, onder den titel Satira of +Satiricon.--4) Zie Theodosius no. 3. + +Marcii, een geslacht met verschillende takken, als Rex, Rutilus +(later Censorinus), Crispus, Figulus, Philippus, Tremulus e. a. De +eerste drie zijn patriciërs, de andere plebejers. 1) Numa Marcius +volgde koning Numa Pompilius naar Rome en was diens raadsman bij +de regeling van den eeredienst.--2) Ancus Marcius, vierde koning +van Rome, kleinzoon van no. 1. Zie Ancus Marcius.--3) Cn. Marcius, +bijgenaamd Coriolanus naar de verovering van Corioli in het gebied +der Volscen. Volgens de overlevering zou hij bij gelegenheid van +een hongersnood de plebejers door honger hebben willen dwingen tot +afschaffing van het volkstribunaat (491). Dientengevolge verbannen, +zocht hij hulp bij de Volscen, bracht aan het hoofd van een volscisch +leger Rome tot op het uiterste in het nauw en liet zich slechts door +de smeekbeden zijner moeder Veturia en zijner vrouw Volumnia bewegen +om af te trekken. Volgens sommigen zou hij niet lang daarna door de +Volscen vermoord zijn, volgens anderen op hoogen leeftijd als balling +gestorven zijn.--4) Q. Marcius Rex, consul in 118, oorloogde tegen +de Stoeni, een Alpenvolk in Liguria. Onder zijn consulaat werd Narbo +(Narbonne) in Gallia Transalpina gekoloniseerd als Narbo Martius.--5) +Q. Marcius Rex, consul in 68, zwager van P. Clodius. Daar zijn +ambtgenoot L. Caecilius Metellus in zijn ambtsjaar stierf en diens +benoemde opvolger nog voor de aanvaarding van zijn ambt overleed, +liet men Rex verder alleen regeeren. Na afloop van het consulaat werd +hij als proconsul naar Cilicië gezonden. Toen hij na zijn terugkeer +zich ad urbem bevond, wachtende op den triumphus, werd hij in 63 +door den senaat naar Etruria gezonden, om den Catilinariër Manlius +te keer te gaan.--6) C. Marcius Rutilus overwon in 357 als consul de +Privernaten (in Latium). In 356 was hij de eerste dictator uit de plebs +en zegepraalde over de Etruscers. In 352 was hij andermaal consul, met +P. Valerius Poplicola. Dit consulaat is merkwaardig doordat er toen, om +aan den algemeenen schuldnood te gemoet te komen, eene soort staatsbank +werd opgericht (zie quinqueviri mensarii). In 351 was Rutilus de +eerste plebejische censor. In 344 en 342 bekleedde hij nogmaals het +consulaat.--7) C. Marcius Rutilus, zoon van no. 6, werd als consul +in 310 door de Samnieten verslagen en was censor in 294. In 265 was +hij wederom censor, wat hem den bijnaam Censorinus verschafte. Hij +berispte het volk, dat het ten tweeden male het censorschap aan +denzelfden persoon had opgedragen, en verzocht het volk eene wet +hiertegen te maken (zie lex Marcia).--8) L. Marcius Censorinus, +belegerde als consul in 149 met zijn ambtgenoot M.' Manilius te +vergeefs Carthago. Hij wordt als een wetenschappelijk man geroemd.--9) +C. Marcius Censorinus, redenaar, koos in den burgeroorlog partij +voor Marius. Hij werd echter eerst door Pompeius verslagen bij Sena, +en vervolgens bij Praeneste door Sulla, in wiens handen hij viel +en die hem ter dood liet brengen (82).--10) L. Marcius Censorinus, +aanhanger van Antonius, nam deel aan den mutinensischen oorlog. Later +was hij propraetor van Achaia.--11) Q. Marcius Crispus, een dapper +krijgsman, met Cicero bevriend, belegerde met L. Staius Murcus op +bevel van Caesar Q. Caecilius Bassus (Caecilii no. 28) te Apamea, +maar stond in 43 de legioenen, waarover hij in Syria het bevel voerde, +aan Cassius af.--12) C. Marcius Figulus was in den oorlog tegen Perseus +(169) rom. vlootvoogd. Voor het jaar 162 werd hij tot consul verkozen, +doch moest evenals zijn ambtgenoot P. Cornelius Scipio Nasica Corculum +(Cornelii no. 20) als vitio creatus, zijn ambt nederleggen. In 156 +bekleedde hij werkelijk het consulaat en werd hij door de Dalmatae +verslagen.--13) C. Marcius Figulus, consul in 64.--14) Q. Marcius +Philippus, consul in 186. Hem en zijn ambtgenoot Sp. Postumius +Albinus werd opgedragen een onderzoek in te stellen naar de geheime +vereenigingen, tengevolge waarvan de Bacchanaliën bij Senaatsbesluit +in geheel Italia verboden werden. In een oorlog tegen de ligurische +Apuani werd hij in een bosch in een hinderlaag gelokt en leed hij +een zware nederlaag, waarnaar de plek Marcius saltus is genoemd. In +171 werd hij met A. Atilius Serranus (Atilii no. 8) als gezant naar +Griekenland en Macedonia gezonden. Hij wist Perseus om den tuin +te leiden en tot een wapenstilstand te bewegen, waardoor de Rom., +die met hunne toebereidselen voor den oorlog niet gereed waren, tijd +wonnen, terwijl Philippus de Grieken op Rome's hand bracht. Openlijk +beroemde Philippus zich in den senaat op zijn sluwe handelwijze, en de +groote meerderheid juichte hem toe. In 169 was hij andermaal consul +en bracht Perseus eenige gevoelige verliezen toe. Het einde van den +oorlog moest hij echter in 168 aan den nieuwen consul L. Aemilius +Paullus overlaten.--15) L. Marcius Philippus, volkstribuun in 104, +consul in 91, was in het eerst een van de mannen der volkspartij +(zie Marcia (lex) agraria); uit den tijd van zijn tribunaat is zijn +gezegde, dat er in den staat geen tweeduizend welgestelden waren, wat +Cicero een capitalis oratio et ad aequationem bonorum pertinens noemt; +later verzoende hij zich met de optimaten en werkte als consul mede om +de wetten van M. Livius Drusus te doen opheffen. Later was hij aan de +zijde van Sulla en vervolgens een voorstander van Pompeius, die bij hem +in hoog aanzien stond. Hij was een zeer kundig man en een uitstekend +redenaar, die vooral de gave bezat, onvoorbereid het woord te kunnen +voeren.--16) L. Marcius Phillippus, zoon van no. 15, huwde met Attia, +de moeder van Octavianus, wiens stiefvader hij dus werd. Hij was zoowel +met Caesar als met Cicero bevriend en koos in den burgeroorlog niet +openlijk partij.--17) L. Marcius Septimus, rom. ridder, redde in 212, +toen P. en Cn. Cornelius Scipio in Hispania sneuvelden, het rom. leger +van den ondergang. Hij hield met T. Fonteius Crassus het bevel tot +aan de komst van P. Scipio (Africanus maior) en streed ook onder +hem nog met roem.--18) Q. Marcius Tremulus, consul in 306, streed +zegevierend tegen de Samnieten en de Hernicers.--19) Marcius Macer, +veldheer van keizer Otho.--20) Q. Marcius Turbo Fronto Publicius +Severus, onder Hadrianus stadhouder van Judaea, van Mauretania en +later bevelhebber der lijfwacht.--21) Marcius, waarzegger ten tijde +van den tweeden punischen oorlog, z. Marciana carmina. + +Marcodurum, vlek der Ubii, ten W. van Colonia Agrippina (Keulen), +thans Duren. + +Marcomanni = grensbewoners, een suevische stam, schijnen eerst +aan den Moenus (Main) te hebben gewoond. Omstreeks het begin onzer +jaartelling veroverden zij onder aanvoering van Maroboduus Boiohaemum +(Boheme). Marbod, een man van doorzicht en van groote heerschzucht, +die te Rome aan het hof van Augustus was opgevoed, wist bij zijn +volk een éénhoofdig bestuur en rom. krijgstucht in te voeren, en +bracht een groot volkenverbond tot stand. Zijne heerschzucht bracht +hem echter in een oorlog met de Cheruscers onder Arminius, later +(18 n. C.) werd hij zelf door zijn eigen volk verdreven en week naar +Ravenna uit, waar Tiberius hem liet wonen en waar hij ook gestorven +is. Zijn werk bleef echter in stand, en de bond van Marcomannen +werd later een van de geduchtste vijanden van het rom. rijk. Vooral +tijdens de regeering van Domitianus en van Marcus Aurelius (166-172 +en 178-181) werden er bloedige oorlogen gevoerd, totdat Commodus in +181 den vrede kocht. Ook in lateren tijd hadden de Donaulanden van +hunne strooptochten te lijden, doch door zware verliezen tegen de +Gothen werd hunne macht gebroken en wordt hun naam alleen nog onder +de legerscharen van den Hunnenvorst Attila gevonden. + +Mardi = Amardi. + +Mardonius, Mardonios, zoon van Gobryas, schoonzoon van Darius +Hystaspis, werd in 493 door Darius met een leger naar Griekenland +gezonden, maar moest onverrichter zake terugkeeren, daar zijn vloot +schipbreuk leed en zijn leger in Macedonië teruggeslagen werd. Hij +was het, die later Xerxes tot den veldtocht tegen Griekenland dreef, +en toen deze na den slag bij Salamis naar Azië terugkeerde, bleef +M. op zijn verzoek met een groot leger achter. Nadat hij vergeefs +getracht had met Athene onderhandelingen aan te knoopen rukte hij +in het voorjaar van 479 van Thessalië uit weder voorwaarts en nam +hij Athene in; vervolgens legerde hij zich in Boeotië en leverde +hij bij Plataeae den beroemden veldslag, waarin hij na een dappere +verdediging sneuvelde. + +Marea, Marea, stad in het W. der Nijldelta, ten ZZW. van Alexandria, +beroemd door den krachtigen wijn, die in den omtrek werd geteeld, +vinum Mareoticum. Zij lag aan een groot meer, Mareotis lacus, dat door +Nijlarmen en kanalen werd gevoed en van de zee slechts gescheiden was +door de landtong, waarop Alexandria gebouwd was, zoodat deze stad er +een reusachtigen binnenhaven aan had. + +Mareotis, Mareotis, zie Marea. + +Maresa, Maresa, Marissa, sterkte in Z. Palaestina aan den weg van +Jerusalem naar Ascalon, dicht bij Eleutheropolis. + +Margala (Margana), stad in Triphylia, in Elis. De inwoners heeten +Marganes. + +Margiana, Margiane, gewest in het O. gedeelte van het Perzische rijk, +tusschen Parthyaea en Bactriane, doorsneden door de rivier Margus +(Murghâb). + +Margites, Margites, personificatie van verwaande domheid, die in +grieksche sprookjes voorkomt, de held van een klein komisch epos, dat +ten onrechte aan Homerus, door anderen aan Pigres, werd toegeschreven. + +Margus, Margos, 1) rivier in Moesia Superior die dicht bij Viminacium +in den Hister (Donau) valt, tgw. Morava.--2) z. Margiana. + +Maria (lex) de suffragiis ferendis van C. Marius, toen hij in +119 volkstribuun was. Deze wet strekte om, door het vernauwen der +bruggetjes in de volksvergadering, te voorkomen, dat personen zich +er op plaatsten om de stemmenden lastig te vallen of te controleeren, +hoe zij stemden. + +Maria (Marcia) Porcia (lex) de triumphis, van de volkstribunen +L. Marius (Marcius) en M. Porcius Cato in 62, dat de imperatores, +die een zegetocht wenschten te houden, de waarheid der door hen +verstrekte opgaven bij den praetor moesten bezweren. + +Mariaba, zie Saba. + +Mariamme, Mariamme, stad in Coelesyria ten W. van Emesa. + +Mariana fossa, zie fossa. + +Mariandyni, Mariandynoi, niet-thracische volksstam in het O. van +Bithynia, bij Heraclea. + +Marica, nimf, echtgenoote van Faunus en moeder van Latinus, of moeder +van Faunus; zij had een tempel en heilig bosch bij Minturnae; wat +eenmaal in dat bosch gebracht was, mocht er niet weder uitgehaald +worden. + +Marii, plebejisch geslacht. 1) C. Marius, in 156 in het dorp Cereate +bij Arpinum uit ouders, die tot den boerenstand behoorden, geboren, +gaf reeds vroeg bewijzen van groote krijgsmanstalenten. In 134 +diende hij onder Scipio in den numantijnschen oorlog. In 119 ging +hij als volkstribuun door zijne lex de suffragiis de kuiperijen +der aanzienlijken bij de verkiezingen te keer. Zijn huwelijk met de +adellijke Julia, de tante van Caesar, verschafte hem de praetuur, en +in 114 was hij propraetor in Hispania, waar hij door rechtvaardigheid +en handhaving van tucht en veiligheid zich de algemeene achting +verwierf. In den jugurthijnschen oorlog bewees hij als legaat groote +diensten aan Metellus (109 en 108) en werd voor 107 tot consul gekozen, +vooral omdat hij tot de volkspartij behoorde en de optimaten door hunne +omkoopbaarheid hun eigen aanzien hadden ondermijnd. In 105 bracht hij +den oorlog ten einde en voerde Jugurtha gevankelijk mede naar Rome. Hij +triumpheerde 1 Jan. 104. Hierna werd hij, daar Italië door de Cimbren +en Teutonen bedreigd werd, vier jaar achtereen (104-101) tot consul +gekozen. De Teutonen en Ambronen versloeg hij in 102 bij Aquae Sextiae +(Aix in Provence), de Cimbren in 101 bij Vercellae. Hierna werd hij +ten zesden male consul (100). In dit consulaat verbond hij zich met +den woelzieken volkstribuun L. Appuleius Saturninus en den praetor +C. Servilius Glaucia en werkte mede om zijn tegenstander Metellus +Numidicus te doen verbannen, die de akkerwet van Saturninus weigerde +te bezweren. Vervolgens verloochende hij in het oogenblik van gevaar +ook Saturninus en Glaucia. Daar hij begreep, slechts in oorlogstijd +de man van beteekenis te zijn, vertrok hij vervolgens naar Azië om +met Mithradates van Pontus onderhandelingen aan te knoopen. In den +bondgenootenoorlog verwierf hij zich nieuwe lauweren (90-89). In 88 +barstte de mithradatische oorlog uit, doch tot groote teleurstelling +van Marius ontging hem zoowel het opperbevel als het consulaat; beiden +werden aan Sulla opgedragen. Dit was Marius te veel; door eene wet van +den volkstribuun P. Sulpicius Rufus liet hij zich door het volk met het +veldheerschap bekleeden, doch Sulla, die Italië nog niet verlaten had, +keerde met zijn leger naar Rome terug, Sulpicius werd gedood, Marius +en een aantal anderen werden vogelvrij verklaard. Met zijn zoon zwierf +hij als gejaagd wild rond; bij Minturnae werd hij gevangen genomen +en ontsnapte ter nauwernood aan den dood. Hij stak naar Africa over, +waar hij op de puinhoopen van Carthago rondzwierf. Inmiddels keerden +de zaken te Rome; Cinna, hoewel eerst verdreven en als consul afgezet, +keerde met Marius terug en beiden werden voor het jaar 86 tot consul +verkozen. Doch reeds op den 13den dag van zijn consulaat bezweek +Marius, evenwel niet zonder eerst nog zijne wraakzucht op de optimaten +te hebben botgevierd. Zijne asch werd later op Sulla's last opgegraven +en in het water van den Anio geworpen.--2) C. Marius, aangenomen zoon +van no. 1, woest en wreed als zijn vader in diens laatste levensjaren, +deelde diens vlucht en kwam met hem terug. In 82 was hij consul. Sulla +versloeg hem bij Sacriportus, en Ofella (Lucretii no. 4) belegerde +hem in Praeneste. Toen hij de stad niet houden kon en zijne vlucht +mislukte, bracht hij zich zelf om.--3) M. Marius Gratidianus, zie +Gratidii.--4) M. Marius, een groot vriend van Cicero; hunne villa's +te Pompeii lagen dicht bij elkander.--5) C. Amatius, Pseudo-Marius +geheeten, een bedrieger, die zich voor een zoon of neef of kleinzoon +van no. 1 uitgaf, door Caesar als bedrieger weggejaagd en later +door M. Antonius ter dood gebracht werd.--6) Marius Celsus, veldheer +onder Galba en Otho.--7) L. Marius Maximus, bekleedde in het begin +der derde eeuw na C. vele hooge ambten, hij was o. a. proconsul van +Africa en later van Asia, en in 223 voor de tweede maal consul. Hij +schreef onder Alexander Severus biografiën van de keizers, van Nerva +tot Elagabalus, in den trant van Suetonius. Excerpten hiervan zijn +over in het werk der Scriptores historiae Augustae. + +Marinus, Marinos, 1) beroemd ontleedkundige aan het einde der +eerste eeuw n. C., wiens werken verloren zijn.--2) van Tyrus, een +aardrijkskundige in de 2de eeuw na C., de eerste die de ligging van +plaatsen naar lengte- en breedtegraden bepaalde. Ptolemaeus heeft +van zijne werken dikwijls gebruik gemaakt. + +Maris, Marisus, Maris, Marisos, thans Marosj, riv. in Dacia, zijtak +der Tisia (Theiss). Herodotus en Strabo meenden, dat het een zijtak +was van den Donau. + +Marium, Marion, stad op de NW. kust van Cyprus, waarschijnlijk het +latere Arsinoe. + +Marmarica, Marmarike, thans Barca, landstreek op de Noordkust +van Afrika tusschen Aegypte en Cyrenaïca. Hierin ligt het +Ammonium. Gewoonlijk wordt Marmarica tot Cyrenaïca gerekend. + +Marmessus, Marmyssus, Mermessos = Marpessus no. 1. + +Maro, zie Vergilii. + +Maroboduus, zie Marcomanni. + +Marobudum, Maroboudon, eens de hoofdstad der Marcomanni, thans Budweis. + +Maron, Maron, 1) zoon van Euanthes, Oenopion, Silenus of Dionysus, +priester van Apollo te Ismarus, waar hij later zelf een heiligdom +had.--2) zoon van Orsiphantus, een van de dapperste Spartanen, die +in den slag bij de Thermopylae sneuvelde. + +Maronea, Maroneia, ionische volkplanting in het gebied der Cicones +op de thracische kust, beroemd om zijn heerlijken wijn. De stad wordt +ook Orthagorea genoemd. + +Marpessa, Marpessa, gemalin van Idas (z. a.), moeder van Cleopatra +no. 2. + +Marpessa, -sus, Marpesos, -ssos, 1) dorp in het gebied van Gergis +in Troas, geboorteplaats van ééne der Sibyllen.--2) berg op +Parus. Marpesia cautes = parisch marmer. + +Marrubium of -vium, stad der Marsi aan den lacus Fucinus. Marruvia +gens = Marsi. + +Marrucini, Marroukinoi, klein, doch dapper volk in Samnium aan de +Adriatische zee, ten O. der Vestini. Hoofdstad: Teate. + +Marruvium = Marrubium. + +Mars, italiaansche god vooral van den oorlog, wien de maand Maart +gewijd is, dien men als Mars Silvanus en Averruncus aanriep, te wiens +eere het feest der Ambarvalia in Mei door de landlieden met offers en +vroolijke optochten gevierd werd, en die ook in het lied der fratres +arvales bezongen werd. Bij het houden van het lustrum werd het bekende +offer van zwijn, ram en stier, de suovetaurilia, aan hem gebracht, en +de romeinsche burgers zijn daarvoor op het Marsveld (campus Martius) +als exercitus opgesteld. Wanneer de grieksche godenleer in Italië +doordringt, wordt Mars vereenzelvigd met den griekschen Ares, en +bij het lectisternium (zie aldaar) van 217 werd het beeld van Venus +(Aphrodite) naast het zijne geplaatst. Hij gaat de rom. legers voor +in den strijd (Gradivus), zegent hunne wapenen (Quirinus), voert +hen tot de overwinning (Victor) en brengt op die wijze ook den vrede +terug (Pacifer); als vader van Romulus en Remus is hij als het ware +de vader van het rom. volk (Pater, Marspiter), dat hij voortdurend +blijft bewaken (Custos, Conservator). Wanneer een leger ten oorlog zou +trekken, ging de aanvoerder in den ouden tempel van Mars in de regia en +riep daar zijne bescherming in, terwijl hij tegen de heilige lans, het +symbool van den god, en tegen de ancilia sloeg. Ook de oefeningen in +den wapenhandel, de gladiatorengevechten en ruiterlijke spelen stonden +onder zijne bescherming, en de oudtijds daarvoor bestemde plaats was +naar hem genoemd (Campus Martius). De wolf, de specht, de stier en het +paard waren hem geheiligd. Zijn dienst wordt waargenomen door een eigen +priester, den flamen Martialis.--Hij wordt gewoonlijk afgebeeld als +een jong strijder met helm en lans, soms op een strijdwagen zittend. + +Marsacii, een volksstam aan of bij een der monden van den Rijn, +misschien in Zeeland, wonend. + +Marsi, Marsoi, 1) samnietisch volk op de grenzen van Latium, rondom +het meer Fucinus, in eene streek, geheel door bergen ingesloten. In +304 tot een bondgenootschap met Rome gedwongen, bewaarden zij een +diepen haat tegen de Rom., die in den bondgenootenoorlog, in 90, +tot uitbarsting kwam. Hunne hoofdstad was Marruvium. Zij bezaten +veel kennis van geneeskrachtige kruiden en stonden bekend als goede +wondheelers, als slangenbezweerders en ook als toovenaars; vandaar +Marsa naenia = tooverspreuk. De mythe laat hen dan ook afstammen +van een zoon van Circe.--2) germaansch volk aan de tegenw. Ruhr, +bondgenooten der Cherusci tegen Varus. Germanicus dreef hen terug, +en sedert verdwijnt hun naam. + +Marsicum bellum, aldus genaamd omdat de Marsi er het hoofdvolk +van waren, ook wel bellum Italicum of bellum sociorum genoemd. De +trotschheid, waarmede Rome na Carthago's val de italische bondgenooten +bejegende, had diepen wrok opgewekt, die nog werd aangevuurd, toen +de pogingen van M. Livius Drusus en anderen, om hun het burgerrecht +te verschaffen, verijdeld werden. Een aantal volken van samnietischen +stam, Marsen, Paeligners, Lucaniërs, Campaniërs, vereenigde zich tot +een bond, zij maakten Corfinium tot hunne bondshoofdstad onder den +naam Italica, en kozen een senaat, twee consuls en 12 praetoren. Twee +jaar lang werd er met verbittering gestreden. Slag op slag werd +geleverd. De voornaamste aanvoerders der bondgenooten waren Pompaedius +Silo, C. Papius Mutilus, Vettius Cato, Pontius Telesinus, Marius +Egnatius. Onder de rom. veldheeren onderscheidden zich Cn. Pompeius +Strabo (consul in 89) en L. Cornelius Sulla, eerst als praetor, in +88 als consul. Reeds in den winter van 90 waren de Romeinen door den +dreigenden afval van Umbria en Etruria genoodzaakt, door de lex Julia +van den consul L. Julius Caesar aan de trouwgebleven bondgenooten, +die het wenschten, het burgerrecht te geven. In het begin van 89 volgde +daarop de lex Plautia Papiria van de volkstribunen M. Plautius Silvanus +en C. Papirius Carbo, die het burgerrecht schonk aan alle Italianen +ten zuiden van de Po, die zich binnen 60 dagen bij den praetor urbanus +opgaven. Verder de lex Pompeia van Cn. Pompeius Strabo, waarbij het +ius Latii aan de Transpadani gegeven werd. Deze maatregelen braken +het verzet. Toch duurde de strijd ook nog in 88 voort. Midden-Italië +was een toonbeeld van verwoesting; honderdduizenden waren omgekomen, +Samnium was bijna ontvolkt, vooral Sulla had er op onmenschelijke +wijze huis gehouden. + +Marsigni, suevische volksstam in het O. van Germania, ten noorden +van den Mons Asciburgius (het Reuzengebergte). + +Marsus (Domitius), zie Domitii no. 19. + +Marsyas, Marsyas, 1) zoon van Olympus, een Phrygiër, die de fluit +vond, welke Athena had weggeworpen. Hij waagde het met Apollo, die de +cither bespeelde, een wedstrijd aan te gaan, en toen hij de nederlaag +leed, werd hij levend gevild. De huid werd in een hol bij Celaenae +opgehangen en bewoog zich, naar men zeide, vroolijk, wanneer zij op +de fluit hoorde spelen.--V. s. had hij ook tot het gevolg van Dionysus +behoord.--2) van Pella, stiefbroeder van Antigonus, met Alexander den +G. opgevoed, later veldheer onder Demetrius Poliorcetes, schrijver +eener macedonische geschiedenis (Makedonika).--3) van Philippi, zoon +van Critophemus, geschiedschrijver van lateren tijd dan de vorige, +ofschoon zij dikwijls met elkander verward worden. + +Marsyas, Marsyas naam van twee rivieren die beide in den Maeander +vallen. De eene ontsprong volgens Xenophon op de markt van Celaenae +in Phrygia, de andere stroomde door Caria. + +Martialis (M. Valerius), epigrammendichter, te Bilbilis in Hispania +geboren ± 40 na C., begaf zich, toen hij 24 jaar oud was, naar Rome en +kwam bij Nero en diens opvolgers in gunst, vooral bij Domitianus, die +hem het ius trium liberorum schonk en nog andere gunsten verleende. Na +Nerva's dood keerde hij naar Bilbilis terug; eene rijke dame, Marcella, +schonk hem daar een landgoed, waar hij ± 100 na C. overleed. Zijne 14 +boeken met Epigrammata waren bij zijne tijdgenooten zeer in trek. Zie +apophoreta. Aan de 14 boeken gaat een liber spectaculorum vooraf, +in de handschriften epigrammaton liber geheeten. + +Martianus (Aelius), zie Marcianus no. 2. + +Martianus (Felix Capella), zie Marcianus no. 3. + +Marus, noordelijke zijrivier van den Donau, die tegenover Carnuntum +daarin valt, tgw. March. + +Maruvium = Marrubium. + +Mascas, Maskas, zijtak van den Euphraat, in Mesopotamia. + +Masinissa, Mas(s)anasses, koning der Massylii in O. Numidia, +zoon van koning Gala, was te Carthago opgevoed en met de grieksche +en rom. letterkunde bekend geworden. In het begin van den tweeden +punischen oorlog was hij met hart en ziel aan de zijde van Carthago, +waartoe zijne verloving met Sophonisbe, dochter van Hasdrubal, den +zoon van Gisco, veel bijdroeg. Daarentegen was Syphax, koning der +Massaesylii in W. Numidia, met de Rom. verbonden. Masinissa streed +onder Hasdrubal, Hamilcars zoon, in Hispania tegen den rom. veldheer +Scipio. De Carthagers zochten ook Syphax voor zich te winnen, hetgeen +hun ook gelukte door hem de schoone Sophonisbe, Masinissa's verloofde, +tot vrouw te geven. Inmiddels had Scipio na zijne overwinning bij +Baecula (210) onderhandelingen met M. aangeknoopt, en had deze met de +hem eigene schranderheid den staat van zaken doorzien, en begrepen +dat de vriendschap van Rome voor hem voordeeliger zou wezen dan +de overheersching door Carthago, welks zaken hij ook achteruit zag +gaan. Het verlies zijner hartstochtelijk beminde Sophonisbe vervulde +hem met bitteren haat jegens Carthago. Ondertusschen was zijn vader +gestorven, diens opvolger en neef Capusa door een overweldiger +Mezetulus vermoord, en toen M. naar zijn vaderland terugkeerde, had +hij met Mezetulus, Syphax en de Carthagers te kampen en moest zich +als gejaagd wild in eene grot in het gebergte schuil houden. Evenwel, +de kans keerde; hij herwon een gedeelte van zijn erfland, en toen +Scipio in 204 in Africa landde, verbond hij zich met hem. Syphax werd +tweemaal verslagen en moest zich gevangen geven; in M's handen viel +ook Sophonisbe. Om deze voor rom. gevangenschap te behoeden, wilde +M. haar tot vrouw nemen, doch toen Scipio haar zonder genade opeischte, +liet M. haar den gifbeker drinken. Na den slag bij Zama kreeg M. het +grootste gedeelte van Syphax' rijk en regeerde nog ruim eene halve +eeuw, tot 149. Daar de grenzen tusschen zijn gebied en dat van Carthago +niet nauwkeurig bepaald waren, vond hij gelegenheid de Carthagers +bij herhaling met allerlei eischen en strooptochten lastig te vallen, +wat door de Rom., niettegenstaande Carthago's billijke klachten, niet +werd tegengegaan. Eindelijk greep de verbitterde stad zelve naar de +wapenen (149), waardoor de derde punische oorlog ontbrandde. + + + Masinissa. + | + -------------------------------------- + | | | + Micipsa Gulussa Mastanabal + | | | + ------------------ | | + | | | + Adherbal Hiëmpsal Massiva Jugurtha + | + afstammeling: + Juba. + + Afstammelingen van Masinissa. + + +Masistius, Masistios, aanvoerder der perzische ruiterij onder Xerxes, +sneuvelde kort voor den slag bij Plataeae. + +Masias mons, Masion oros, grensgebergte van Armenia en Mesopotamia. + +Massaesylii, Massaisylioi, volk in W. Numidia. + +Massagetae, Massagetai, ruw en woest nomadenvolk tot de Iraniërs +behoorend; in de tijden van Cyrus woonden ze in de steppen tusschen de +Caspische zee en het Aralmeer; in de dagen van Alexander den Groote +woonden ze ten W. en N.W. van Sogdiane, aan den rechteroever van +den Oxus. + +Massicus (mons), berg in het N.W. van Campania, die de grens vormt +tusschen Campania en Latium, beroemd door zijn heerlijken wijn. + +Massilia, Massalia, thans Marseille, eene volkplanting der Phocensers, +ongeveer 600 gesticht, reeds vroeg vrijwillig en dus door een foedus +aequum met Rome verbonden. Massilia was een belangrijke koopstad, +waar letteren en wetenschappen in hooge mate bloeiden, zoodat Cicero +ze het gallische Athene noemde. Daarom was M. een geliefkoosd verblijf +van rijke rom. ballingen. In den strijd tusschen Caesar en Pompeius +koos de stad, die aan beiden verplichting had, in het eerst geen +partij. Toen echter de aristocratie de onzijdigheid verbroken had door +eene vloot van Pompeius op te nemen, werd M. door Caesar belegerd en na +hardnekkige tegenweer en twee zeegevechten ingenomen. Het moest zware +oorlogslasten dragen, doch bleef eene civitas libera et foederata en +door handel bloeiende. + +Massiva, 1) numidische prins, neef van Masinissa.--2) kleinzoon van +Masinissa, te Rome door toedoen van Jugurtha vermoord. + +Massylii, Massylioi, volk in het O. van Numidia. + +Mastanabal, Mastanabas, jongste zoon van Masinissa en vader van +Jugurtha. + +Mastarna, z. Servius Tullius. + +Mastiani, zie Bastetani en Bastuli. + +Mastusia, Mastousia akra, 1) berg in Ionia, aan welks helling de +stad Smyrna was gebouwd.--2) de zuidelijkste punt van de thracische +Chersonesus. + +Masurius Sabinus, beroemd jurist onder Tiberius en volgende keizers, +overleden onder Nero. Naar hem heet de school van C. Ateius Capito +de sabiniaansche. + +Matiana, Matiane, Matiene, het N.W. gedeelte van Media, het latere +Atropatene (z.a.). + +Matieni, plebejisch geslacht. + +Matinus, uitspringend gedeelte van den mons Garganus in Apulia, +nabij Horatius' geboorteplaats Venusia. + +Matisco, stad der Aedui in het O. van Gallia Transalpina, aan den Arar +(Saône), thans Mâcon. + +Matius, 1) C. Matius, rom. ridder uit den tijd van Caesar en Cicero, +die hem beiden oprecht liefhadden en hoogachtten. Hij was een der +edelste en oprechtste figuren van zijn tijd en dikwijls de raadsman +van Caesar, bij wien hij ook Cicero's voorspraak was.--2) Cn. Matius, +dichter van mimi, uit de 1ste eeuw. Er zijn nog fragmenten van over. + +Matralia, z. Matuta. + +Matrimonium. Een wettig huwelijk kon slechts gesloten worden, +wanneer beide partijen het conubium hadden. De oudste vorm voor een +rom. huwelijk was de confarreatio, daarna kwam de coëmptio in zwang; +van beide huwelijksvormen was de conventio in manum het gevolg. De +coëmptio echter op zich zelve constitueerde het huwelijk niet; dit +geschiedde door de nuptiae, waarbij men openlijk ten overstaan van +familie en bruiloftsgasten elkander tot man en vrouw aannam, wat bij +de confarreatio ten overstaan van priesters geschiedde. Nuptiae zonder +coëmptio waren dus ook geldig, er volgde geene manus uit. Zulk een +huwelijksvorm werd usus genoemd. De manus kon dan wel verworven worden +door een onafgebroken samenleving van een jaar. Een echtverbintenis +kan verbroken worden door een handeling, overeenstemmende met den vorm, +waaronder zij gesloten was, zie divortium. Uit een matrimonium iustum +of legitimum volgde de patria potestas over de kinderen. + +Matrona, thans Marne, zijtak der Sequana (Seine). Matrona mons, +zie Alpes. + +Matronalia, feest ter eere van Juno Lacina den 1sten Maart (Calendae +feminarum) gevierd, waarbij getrouwde vrouwen in haar tempel op den +Esquilinus om huwelijksgeluk baden en haar bloemen wijdden. + +Mattiacae (aquae), thans Wiesbaden. + +Mattiaci, germaansche volksstam, in het tegenw. Nassau, binnen +den limes Germaniae Superioris wonende. In hun gebied hadden de +Rom. sterkten aangelegd. De naam van één dezer castella is nog over +in Castel tegenover Maintz. De Mattiaci behoorden tot de Catti. + +Mattium, thans Maden, hoofdstad der Catten, aan de Adrana (Eder). + +Matuta, Mater Matuta, godin van den dageraad en geïdentificeerd met +Ino Leucothea. Bij haar feest op 11 Juli, Matralia genoemd, droegen +de vrouwen de kinderen van hare zusters, en baden eerst voor deze, +en daarna voor haar eigene, daar Ino het kind van hare zuster Semele +had opgevoed. In werkelijkheid zal dit wel een overblijfsel zijn uit +den tijd, dat men een andere opvatting had omtrent bloedverwantschap. + +Matutinus (Pater), z. Ianus. + +Mauretania of Mauritania, Mauritania, he Maurousion ge, het tegenw. Fez +en Marokko met een stuk van Algerië, tot aan de rivier de Muluccha +(z.a.). Het was rijk aan wild en tam gedierte, bosschen en in de +oudheid ook aan koren. Het werd bewoond door een krijgshaftige +bevolking, de Mauri of Maurusii, die niet zwart van kleur was, +niet donkerder van tint dan de bewoners van zuidelijk Europa +zijn. Eerst in den jugurthijnschen oorlog kwamen de Rom. met hen +in aanraking. Tijdens Caesar heerschten over Mauretania Bocchus +(z.a.) en Bogudes. In 25 werd het samen met West-Numidia aan Juba +II (z.a.) als koninkrijk geschonken. Onder keizer Claudius werd het +(in 42 n. C.) ingelijfd. Het eigenlijke Mauretania, met de hoofdstad +Tingis (Tanger) werd M. Tingitana genoemd, het vroegere West-Numidia +heette M. Caesariensis naar de hoofdstad Caesarea, vroeger Iol. + +Mauri, Maurusii, Mauroi, Maurousioi, bewoners van Mauretania. De naam +Mauri is afkomstig van de Romeinen. + +Mausoleum, Mausoleion, het prachtige praalgraf, dat bij Halicarnassus +voor Mausolus gesticht was door zijne weduwe Artemisia (z. a.). Op +een eenigszins langwerpig voetstuk of onderbouw van ± 37 voet hoog +verrees een tempel, omgeven door 36 corinthische zuilen. Op deze +rustte een pyramidaal dak, van boven afgeknot en gekroond door een +marmeren vierspan. Het geheel was rijk met beeldwerk versierd. Het +werd door de ouden onder de zeven wonderen der wereld gerangschikt +en kostte drie jaren tijds, terwijl de uitstekendste kunstenaars er +aan arbeidden.--De Rom. gebruikten den naam mausoleum ook voor andere +prachtige grafgebouwen, als: het mausoleum Augusti en het mausoleum +Hadriani, welk laatste, schoon ontdaan van zijne versieringen en in een +kasteel veranderd, nog te Rome bestaat onder den naam van Engelsburg. + +Mausolus, Mausolos, -sollos, vorst van Carië (377-353), ondersteunde +Rhodus, Chius, enz., in den bondgenootenoorlog tegen Athene. Naar +hem is het Mausoleum (z.a.) genaamd. + +Mavors = Mars. + +Maxentius (M. Aurelius Valerius), rom. keizer 306-312 na C., zoon van +Maximianus. Toen Diocletianus en Maximianus in 305 hunne keizerlijke +waardigheid neerlegden, werden Constantius Chlorus en Galerius, die +Caesars waren, tot den rang van Augustus verheven en Valerius Severus +en Maximinus Daia tot Caesars benoemd. Constantius Chlorus stierf +in 306, zijn zoon Constantinus werd Caesar in plaats van Severus, +die Augustus werd. Maxentius, over zijne uitsluiting verbitterd, +maakte zich te Rome van de regeering meester. Zijn vader kwam hem te +hulp, doch daar dezen nu ook weder de lust tot heerschen bekroop en +hij evenals de zoon weder den titel van Augustus aannam, ontstond er +twist en Maximianus werd door Maxentius verdreven. Maxentius maakte +zich spoedig veracht en gehaat, en Constantinus trok tegen hem op +en versloeg hem in 312 bij den pons Milvius, ten N. van Rome. Op de +vlucht verdronk Maxentius in den Tiber. + +Maximianus (M. Aurelius Valerius), bijgenaamd Herculius, een ruw maar +bekwaam soldaat, van geringe afkomst, klom door zijne wapenfeiten op en +werd door Diocletianus in 285 na C. tot Caesar en in 286 tot Augustus +benoemd. Hij streed in Gallia tegen de Bagauden, die hij onderwierp +(285), aan den Rijn tegen Franken, Alamannen en Burgundi, en in +Afrika. In 305 na C. legde hij, schoon niet vrijwillig, doch onder +den drang van Diocletianus, met dezen zijne waardigheid neder. Zie +verder Maxentius. Toen Maximianus door zijn zoon verdreven was, nam +hij de wijk naar zijn schoonzoon Constantinus; doch toen hij dezen +naar het leven stond, liet C. hem in 310 na C. ter dood brengen. + +Maximinus (Iulius Verus), een Thraciër van reusachtigen lichaamsbouw +en een dapper krijgsman, bij het leger zeer bemind, stond aan het +hoofd van den opstand der Rijntroepen tegen Alexander Severus (235 na +C.) en werd tot keizer uitgeroepen. Hij vocht flink tegen Germanen, +Daciërs en Sarmaten, maar zijn woestheid en wreedheid, waaraan hij nu +vrijen teugel vierde, verbitterde volk, senaat en zelfs de troepen. De +senaat verklaarde hem in 238 vogelvrij en hij werd met zijn zoon en +mederegent L. Julius Verus Maximinus door zijne eigene troepen in +zijn legerkamp vóór Aquileia vermoord. + +Maximinus (Galerius Valerius), heette oorspronkelijk Daia, maar +kreeg zijn lateren naam van zijn oom, keizer Galerius, die hem +adopteerde. Hij werd in 305 n. C. door Diocletianus tot Caesar benoemd +en kreeg het bestuur over het Oosten. Hij was een nietswaardig vorst, +zeer bijgeloovig, en een verbitterd vervolger van de Christenen. Bij +de verwarring, door Maxentius teweeggebracht, nam ook hij den titel +van Augustus aan, in 310. In 313 werd hij te Adrianopel door Licinius +verslagen en stierf te Tarsus in Cilicia. + +Maximus, familienaam in een aantal gentes, vooral in de gens Fabia +(Fabii no. 14-23) voorkomende. Zie ook gens Valeria (Valerii no. 14 +en 16). + +Maximus (Magnus Clemens), een Hispaniër, wierp zich in 383 na C. in +Britannia als tegenkeizer tegen Gratianus op. Na de vermoording +van Gratianus werd hij door Theodosius als keizer in het W. erkend, +onder voorwaarde dat de 12-jarige Valentinianus II, het zoontje van +Gratianus, Italia en Africa zou behouden. Toen Maximus in 387 deze +voorwaarde wilde schenden, zond Theodosius zijn veldheer Arbogastes, +een Frank, tegen hem af, die hem versloeg en ter dood bracht (388) +en Val. II in de heerschappij herstelde. + +Maximus (Petronius), rom. senator, bracht in 455 na C. Valentinianus +III om en dwong diens weduwe Eudoxia, hem te huwen. Toen Eudoxia +vernam, dat Maximus de moordenaar van V. was, riep zij den vandaalschen +koning Geiserik uit Africa te hulp (dit bericht is onjuist). Geiserik +kwam, plunderde Rome uit en sleepte duizenden gevangenen, ook Eudoxia +met twee dochters, naar zijne hoofdstad Carthago mede. Vóór zijne +aankomst in Rome echter was Maximus reeds door het verbitterde volk +vermoord. + +Maximus Ephesius, nieuw platonisch wijsgeer, die te Ephesus en te +Constantinopel leerde. Men zeide dat hij Iulianus van het Christendom +afvallig gemaakt had, en op grond hiervan werd hij door den proconsul +Festus ter dood veroordeeld. + +Maximus Tyrius, een van de voorloopers der nieuw-platonische +school, leefde onder de Antonijnen als leeraar der wijsbegeerte en +welsprekendheid in Griekenland en te Rome. 41 verhandelingen van hem +zijn bewaard gebleven. + +Maxyes, Maxyes, een volksstam in Africa aan het Triton-meer; zij +beweerden, volgens het verhaal van Herodotus, van de Trojanen af te +stammen, verfden zich met menie, en lieten het haar alleen aan de +rechterzijde groeien. + +Mazaca, ta Mazaka = Caesarea ad Argaeum. + +Mazaetullus, zie Mezetulus. + +Mazaeus, Mazaios, perzisch veldheer onder Darius Codomannus; hij +liet de Macedoniërs ongehinderd over den Euphraat trekken, maar +streed dapper bij Arbela; toen de slag echter in het voordeel der +Macedoniërs beslist was, trok hij zich naar Babylon terug en gaf +hij die stad zonder tegenstand over; daarvoor maakte Alexander hem +satraap van Babylonië. Hij stierf kort daarna (328). + +Mecone, Mekone, oude naam van Sicyon. + +Mecyberna, Mekyberna, havenstad van Olynthus op Chalcidice, ten +O. van Olynthus. + +Medaura = Madaura. + +Medea, Medeia, dochter van Aeetes en Idyia, berucht door hare +tooverkunsten. Uit liefde voor Iason (z. a.) gaf zij hem de middelen +aan de hand om de gouden vacht meester te worden en daarna vluchtte +zij met hem uit haar vaderland en werd zij zijne gemalin. Toen Iason +Iolcus belegerde, wist zij in de stad te komen en bewerkte zij op +listige wijze den dood van Pelias (z. a.). Daardoor werd Iolcus +genomen, Iason moest echter spoedig weder het land verlaten en ging +met haar naar Corinthe, waar zij geruimen tijd gelukkig leefden en +drie kinderen kregen. Toen Iason haar echter verstiet om met Creusa +(no. 4) te huwen, ruimde zij deze door hare toovermiddelen uit den +weg en doodde zij hare eigen kinderen om zich op Iason te wreken; +daarna vluchtte zij naar Athene, waar zij bij Aegeus een zoon kreeg, +dien zij Medus noemde, maar weldra moest zij ook van hier vluchten +daar zij Theseus belaagde; zij ging met haar zoon naar Aria, waarvan +de bewoners sedert Mediërs genoemd werden. Na haar dood werd zij in +het Elysium geplaatst en huwde zij met Achilles. + +Medeon, Medeon, naam van verschillende steden. 1) in Acarnania bij de +Ambracische golf.--2) op de kust van Phocis, in den heiligen oorlog +verwoest.--3) in Boeotia aan het Copaïsche meer.--4) in Dalmatia bij +Scodra (Scutari). + +Media, Media, hoogst belangrijk en volkrijk land van Azië, in het +N.W. van Ariana. Deioces (709) wordt als de stichter van het medische +rijk genoemd en van de hoofdstad Ecbatana. De oude hoofdstad was +Rhagae. Dit rijk breidde zich ook buiten Media uit, o. a. over het +stamverwante Persis. Met Cyrus ging de heerschappij van het medische +vorstenhuis in het perzische over (560). Alexander d. G. splitste Media +in twee gewesten: Groot-Medië en Atropatene. Bij dichters is dikwijls +Medoi, Medi = Perzen, Medi ook wel = Parthen, Medum flumen = Euphraat. + +Mediae murus, to Medias teichos. Deze muur, 20 parasangen lang, +100 voet hoog, 20 voet dik, uit gebakken steen opgetrokken en van +poorten voorzien, liep van den Euphraat tot den Tigris, van boven +Sipphara naar Sittace, en boven het kanalengebied van Babylonia en +vormde de scheiding tusschen Mesopotamia en Babylonia, om dit laatste +tegen invallen van die zijde te dekken. Volgens de overlevering heeft +Semiramis, in werkelijkheid Nebucadnezar den muur gebouwd, om Babylon +tegen aanvallen der Meden te beveiligen. + +Medimnus, medimnos, grieksche inhoudsmaat voor droge waren = 52.5 L. + +Mediolanum, Mediolanion (de lat. uitgang -ium komt slechts voor bij +het tegenw. Milaan), naam van verschillende gallische steden. 1) +in Gallia Transpadana, thans Milaan, dat in opschriften steeds +Mediolanium heet. Sedert 89 lat. kolonie, sedert 49 municipium. In +den keizertijd is het zeer belangrijk; in de 4de eeuw n. Chr. is het +een der residentiesteden, en woonplaats van den praefectus praetorio +Italiae.--2) in Gallia Transalpina bij de Santones, thans Saintes; +bij de Eburovices, thans Evreux; bij de Bituriges.--3) ook bij de +Ordovices, in Britannia. + +Mediomatrici, volksstam in Belgica, aan de Mosella (Moezel). Hoofdstad +Divodurum (Metz). + +Medion = Medeon no. 1. + +Medius Fidius, zie Dius Fidius. + +Medma, grieksche kolonie aan de Westkust van het land der Bruttii, +aan een gelijknamig riviertje. + +Medoacus, Medoakos, rivier in Gallia Transpadana, die langs Patavium +(Padua) stroomt en zich in de lagunen der Adriatische zee stort, +thans Brenta. + +Medobriga, Mundobriga, stad in Lusitania, dicht bij den mons Herminius, +ten N. van den Tagus (Taag). + +Medocus, Medokos, vorst der Odrysen, vriend van Alcibiades, in 389 +door Thrasybulus tot een bondgenootschap met de Atheners overgehaald. + +Medon, Medon, 1) zoon van Oileus, vluchtte wegens een moord naar +Phylace; voor Troje werd hij door Aeneas gedood.--2) zoon van Codrus, +wordt de eerste der atheensche archonten genoemd, waarschijnlijker is +het echter dat hij de koninklijke waardigheid van zijn vader erfde, +en dat onder zijne regeering het archontaat als een afzonderlijk ambt +is ingesteld. Hij was de stamvader der Medontiden, in welk geslacht +de waardigheid van archont tot 714 erfelijk bleef.--3) lacedaemonisch +beeldhouwer omstreeks 600. + +Meduli, volkje in Aquitania, aan den mond der Garumna aan den linker +oever, omstreeks het tegenw. Medoc. + +Medulli, volkje aan de Alpenhellingen in Gallia Narbonensis, aan de +bronnen der Druentia (Durance), ten N. der Caturiges. + +Medullia, oude latijnsche stad tusschen den Tiber en den Anio. + +Medullinus, familienaam in de gens Furia. + +Medus, Medos, rivier in Persis, stroomt langs Persepolis. + +Medusa, Medousa, eene van de Gorgonen, de eenige die sterfelijk was, +door Perseus (z.a.) onthoofd. Uit haar romp kwamen Chrysaor en het +paard Pegasus (Medusaeus equus) te voorschijn, die Poseidon bij haar +verwekt had. Haar hoofd werd door Athena op de aegis geplaatst. + +Mefitis = Mephitis. + +Megabates, Megabates, perzisch veldheer, die op raad van Aristagoras +(z.a.) door Darius Hystaspis uitgezonden werd om Naxus te veroveren; +om Aristagoras tegen te werken verried hij het plan aan de Naxiërs, +zoodat de onderneming mislukte. + +Megabazus, Megabazos, 1) veldheer van Darius Hystaspis, die den +tocht naar Scythië medemaakte en na den terugkeer van Darius Thracië +onderwierp.--2) zoon van Megabates, aanvoerder van de vloot van +Xerxes.--3) werd door Artaxerxes I naar Griekenland gezonden om de +Spartanen tot een inval in Attica te bewegen, toen de Atheners den +opstand van Inaros ondersteunden; hij moest echter onverrichter +zake terugkeeren. + +Megabyzus, Megabyzos, 1) een van de saamgezworenen tegen den gewaanden +Smerdis.--2) zoon van Zopyrus, een van de veldheeren van Xerxes, +onder Artaxerxes I satraap van Syrië, overwon Inaros en de met hem +verbonden Atheners, en maakte een einde aan den opstand van Aegypte +(454). Ontevreden over de handelwijze van den koning tegenover de +overwonnenen, stond hij op en, hoewel hij zich spoedig met Artaxerxes +verzoende, bleef hij altijd verdacht; hij werd verbannen, ging naar +Creta, doch kwam heimelijk naar Susa terug, waar hij eindelijk weder +in genade aangenomen werd. + +Megacles, Megakles, 1) Alcmaeonide, atheensch archont tijdens den +opstand van Cylon, wiens aanhangers hij in strijd met zijne belofte +liet dooden.--2) kleinzoon van den vorigen, aanvoerder der gematigde +partij in de burgertwisten na Solon's vertrek uit Athene, moest voor +Pisistratus vluchten (560), kwam daarna terug, en dwong op zijn beurt +Pisistratus tweemaal Athene te verlaten, doch moest eindelijk voor goed +voor zijn vijand het veld ruimen (537).--3) kleinzoon van den vorigen, +zoon van Clisthenes no. 2, grootvader van Alcibiades, overwinnaar in +de pythische spelen, tweemaal door het ostracismus verbannen.--4) +kleinzoon van no. 2, oom van Pericles.--5) vriend van Pyrrhus van +Epirus, sneuvelde in den slag bij Heraclea. + +Megaera, Megaira, eene van de Erinyen. + +Megalesia, of ludi Megalenses, feesten, in April gevierd ter eere der +magna mater, Cybele. Zij gingen vergezeld van tooneelvoorstellingen, +en wedrennen, en duurden zes dagen, gedurende welke men elkander +wederkeerig ter maaltijd noodigde. De patricische vrouwen verrichtten +daarbij nagenoeg dezelfde plechtigheden als de plebejische bij de kort +daarop volgende Cerealia (z.a.). De priesters van Cybele, de Galli, +hielden dan optochten door Rome. De Ludi Megalenses zijn ingesteld +in 204, en met de inwijding van den tempel der Magna Mater op den +Palatinus in 191 annui geworden (z. Ludi). + +Megalopolis, Megale polis, Megalopolis, stad in het Z. van Arcadia, +in 371 door Epaminondas gesticht als grensvesting tegen Sparta en +kunstmatig bevolkt met de inwoners van bijna veertig naburige plaatsen, +zoodat het tusschen 60- en 70000 inwoners telde. Later trad de stad +tot het achaeïsch verbond toe (zie Lydiadas), doch werd in 226 door +Cleomenes van Sparta ingenomen en verwoest. Ofschoon zij binnen +weinige jaren herbouwd werd, kwam zij toch niet meer tot bloei, +maar verviel meer en meer. Megalopolis was de geboorteplaats van +Philopoemen en Polybius. + +Megalophanes, Megalophanes, z. Ecdemus. + +Megapenthes, Megapenthes, 1) zoon van Proetus, regeerde over Tiryns, +maar ruilde zijn rijk met Perseus en werd zoo koning van Argos.--2) +zoon van Menelaus, verdreef na den dood van zijn vader zijne +stiefmoeder Helena uit Sparta. + +Megara, Megara, dochter van Creon no. 3, gehuwd met Heracles en later +met Iolaus. + +Megara (gen. Megarae en -orum), ta Megara, hoofdstad van het staatje +Megaris, op den Isthmus, met de havenstad Nisaea en den burcht +Alcathoë. Megara was de geboorteplaats van den dichter Theognis en den +wijsgeer Euclides, den leerling van Socrates.--Over Megara op Sicilia, +zie Hybla. + +Megareus, Megareus, gewoonlijk Menoeceus, zoon van Creon no. 2, benam +zich vrijwillig het leven, toen Thebe door de zeven vorsten belegerd +werd, dewijl Tiresias voorspeld had, dat slechts door het offer van +een der Sparti de Thebanen in den oorlog overwinnaars konden zijn. + +Megareïus, Hippomenes, zoon van Megareus. + +Megarici, wijsgeeren uit de megarische school, z. Euclides no. 3. + +Megaris, Megaris, klein gewest van Griekenland, aan en op den Isthmus, +eerst door Ioniërs bevolkt, doch door de Doriërs veroverd. Het staatje +lag dikwijls met Athene overhoop en had het dan meestal zwaar te +verantwoorden, wanneer de Atheners door afsluiting der grenzen den +invoer en het verkeer stremden. Dit was te gemakkelijker, omdat Megaris +van Attica door een bergrij gescheiden was, waardoor een pas liep, +in de rotsen uitgehouden, terwijl de bergpas, die over den Cithaeron +naar Boeotia voerde, niet zonder gevaar was. + +Megasthenes, Megasthenes, 1) van Chalcis, stichter van Cumae in +Campanië.--2) vriend en raadsman van Seleucus Nicator, door dezen +veelal voor zendingen naar het buitenland gebruikt. Zoo kwam hij +dikwijls in Indië, waar hij de bouwstoffen verzamelde voor een werk +over Indië (Indika), waarvan nog enkele fragmenten bestaan. Aan hem +danken wij de berichten over de Indische kasten, over Boeddhisten +en Brahmanen. + +Meges, Meges, zoon van Phyleus, voor Troje aanvoerder der Epeërs of +van de troepen uit Dulichium en de Echinaden. + +Megiddo, Mageddo, oude stad in Palestina, in het Z.W. van Galilaea. In +de nabijheid ontstond later uit eene rom. legerplaats de stad Legio. + +Megista, Megiste, eilandje en havenstad op de kust van Lycia. + +Megistias, Megistias, waarzegger uit Acarnanië, behoorde tot het +leger van Leonidas en sneuvelde bij de Thermopylae. + +Megistus, Megistos = Macestus. + +Mela (M. Pomponius), uit Hispania, schrijver van een aardrijkskundig +werk de chorographia of de situ orbis in 3 boeken. Hij leefde in den +tijd der keizers Caligula en Claudius. Zijn werk is waarschijnlijk +eerst na 46 n. Chr. uitgekomen. + +Melae of Meles (gen. -ium), vlek in Samnium. + +Melaena, Melaina, kaap aan de Noordpunt van den berg Mimas, in Ionia, +ook Promonturium Atrum geheeten. + +Melampus, Melampous, zoon van Amythaon en Idomene. Toen hij eens +als kind in slaap gevallen was, kropen slangen over zijn lichaam en +likten zijne ooren; sedert dien tijd verstond hij de taal der vogels +en kon hij de toekomst voorspellen. Zijn broeder Bias dong naar de +hand van Pero, de dochter van Neleus, die door haar vader beloofd was +aan dengene, die hem de runderen van Iphiclus uit Thessalië zoude +brengen. Nadat Bias hiertoe vergeefsche pogingen had aangewend, +ondernam Mel. het, ze voor hem te halen, maar voorspelde dat hij +ze eerst zou krijgen, na een jaar in de gevangenis doorgebracht +te hebben. Inderdaad werd hij door Iphiclus gevangen genomen, maar +toen hij na eenigen tijd verzocht naar een ander huis verplaatst te +worden, omdat hij van houtwormen gehoord had dat de balken van dat, +waarin hij zich bevond, geheel doorgeknaagd waren, zoodat het spoedig +zoude instorten, en toen deze voorspelling inderdaad bewaarheid werd, +erkende Iphiclus zijne voortreffelijkheid als ziener, en nadat Mel. hem +de middelen had aan de hand gedaan, waardoor zijn huwelijk met kinderen +gezegend zou worden, gaf hij hem de runderen vrijwillig mede. Eenigen +tijd woonde Mel. nu in Messene, later genas hij de vrouwen van Argos +van waanzin (z. Proetides); tot belooning kreeg hij, evenals Bias, +een derde van het rijk, en huwde hij met Iphianassa, de dochter van +koning Proetus.--V. s. had Mel. den dienst van Dionysus in Griekenland +ingevoerd. + +Melanchlaeni, Melanchlainoi, (zwartmantels), nomadenvolk in aziatisch +Sarmatia. + +Melanchrus, Melanchros, tyran van Mytilene, door Pittacus, Alcaeus +en twee broeders van dezen gedood. + +Melanippe, Melanippe, 1) dochter van Chiron, die aan Aeolus hare liefde +schonk. Toen zij moeder worden zou, vluchtte zij uit vrees voor haar +vader; op haar gebed werd zij door Artemis in een paard veranderd.--2) +moeder van Aeolus (z. a.) en Boeotus.--3) eene Amazone, zuster van +Hippolyte. Heracles nam haar gevangen, en liet haar niet vrij, voordat +de koningin hem haar gordel gegeven had.--4) eene van de Meleagrides. + +Melanippides, Melanippides, twee dithyrambendichters van Melus, +grootvader en kleinzoon; met den laatsten, die op het einde der 5de +eeuw leefde, begint het verval van deze dichtsoort. + +Melanippus, Melanippos, 1) Thebaan, zoon van Astacus, gedroeg +zich dapper bij de verdediging van Thebe tegen de zeven vorsten; +hij versloeg Tydeus (z. a.), maar werd door Amphiaraus gedood.--2) +een van de zonen van Agrius, die Oeneus van de regeering beroofden, +waarvoor hij door Diomedes gedood werd.--3) zoon van Theseus en +Periguna, de dochter van Sinis, overwinnaar in de nemeïsche spelen. + +Melanthius, Melanthios, 1) geitenhoeder van Odysseus, maakte zich +gedurende de afwezigheid van zijn heer aan ontrouw schuldig, en +werd hij diens terugkomst op wreede wijze gedood.--2) aanvoerder der +atheensche troepen, die aan Aristagoras van Miletus te hulp gezonden +werden.--3) atheensch treurspeldichter, zoon van Philocles no. 1, +vriend van Cimon.--4) van Rhodus, leerling van Carneades, bekend om +zijn aangename wijze van voordragen.--5) schilder van de sicyonische +school, leerling van Pamphilus. Hij leefde in de 4de eeuw. + +Melantho, Melantho, 1) dochter van Deucalion, bij Poseidon moeder +van Delphus.--2) een van de dienstmaagden in het huis van Odysseus, +zij werd bij zijn terugkomst wegens haar ontrouw gedood. + +Melanthus, Melanthos, zoon van Andropompus, koning van Messene, werd +door de Heracliden verdreven en ging naar Attica. Toen Xanthus, de +koning der Boeotiërs, een inval in Attica had gedaan, waagde Mel. een +tweegevecht met hem, wat de atheensche koning Thymoetes geweigerd +had te ondernemen. Gedurende het gevecht verscheen Dionysus achter +Xanthus, en toen Mel. hem verweet dat hij niet alleen was, keerde +X. zich om, en van dit oogenblik maakte zijn tegenstander gebruik om +hem te doorsteken. Mel. werd koning van Attica, en ter herinnering +aan de door bedrog behaalde overwinning werd, naar men zegt, het +feest der Apaturia ingesteld. + +Melas, Melas, naam van verschillende rivieren, die donker van kleur +waren. 1) in Thracia, die ten W. der thracische Chersonesus in den +sinus Melas, Melas kolpos, valt.--2) in het thessalische landschap +Phthiotis, zijtak van den Apidanus.--3) in Malis, stroomde langs +Heraclea in de malische golf uit.--4) in Boeotia, tusschen Orchomenus +en Aspledon, ontlast zich in het Copaïsche meer.--5) op Sicilia bij +Mylae.--6) op de grenzen van Pamphylia en Cilicia. + +Melcarth, Melikarthos, phoenicisch zonnegod, door de Grieken met +Heracles geïdentificeerd; hij werd vooral te Tyrus vereerd. Zie +Melicertes. + +Meldae of Meldi, Meldai, -doi, gallisch volk bij de Sequana en den +Matrona, met de hoofdstad Iatinum (Meaux). + +Meleager, Meleagros, 1) zoon van Oeneus en Althaea, geducht +speerwerper, nam deel aan den Argonautentocht en was de aanvoerder van +de calydonische jacht. Toen deze jacht was afgeloopen, ontstond over +den kop en de huid van het gedoode dier, den prijs der overwinning, +een bloedigen strijd tusschen de Aetoliërs en de Cureten; zoolang +Mel. medestreed, behielden de Aetoliërs de overhand, maar toen +zijne moeder hem vervloekte, omdat hij een van hare broeders in +het gevecht verslagen had, trok hij zich terug, en de nood was +hoog bij de Aetoliërs gestegen, eer hij zich door de beden zijner +gemalin liet bewegen zich weder bij de strijdenden te voegen. Hij +redde zijne landgenooten, maar werd zelf door Apollo met een pijl +gedood.--V. a. waren op den zevenden dag na zijne geboorte de Moerae +in de kamer zijner moeder gekomen en hadden gezegd, dat hij sterven +zoude, zoodra een op den haard liggend stuk hout verbrand zoude +zijn. Daarop nam Althaea het blok haastig uit het vuur en bewaarde +het zorgvuldig. Na afloop van de calydonische jacht vereerde Mel. de +schoone Atalante, die het zwijn de eerste wond had toegebracht, met de +huid van het dier, maar de broeders van Althaea ontnamen haar die met +geweld, waarop Mel. hen doodde. Hierover vertoornd, wierp zijne moeder +het stuk hout op het vuur, waarop Mel. spoedig stierf.--2) veldheer +van Alexander den Gr., bewerkte dat na diens dood Philippus Arrhidaeus +tot koning uitgeroepen werd, door wien hij hoopte nevens Perdiccas de +grootste macht in handen te krijgen. Deze doorzag echter zijn plan en +liet hem met zijne aanhangers bij eene wapenschouwing dooden.--3) zoon +van Ptolemaeus Lagi, regeerde na den dood van Ptolemaus Ceraunus twee +maanden over Macedonië; daarna werd hij wegens zijne onbekwaamheid +weggejaagd.--4) van Gadara, geestig epigrammendichter, maakte ook +eene bloemlezing van oudere epigrammen; hij leefde omstreeks 80. + +Meleagrides, Meleagrides, vier zusters van Meleager, waarvan twee +aanhoudend den dood van haar broeder beweenden, totdat zij door +Artemis in parelhoenders veranderd werden. + +Meles, gen. -etis, Meles, kustriviertje bij Smyrna; in eene bij de +bron gelegen grot zou Homerus zijne werken hebben gedicht. Vandaar +Melesigenes = Homerus, en bij Tibultus Meleteae chartae = de gedichten +van H. + +Melesses (Maesesses), een afdeeling der Bastetani, in het Z. van +Tarraconensis, met de hoofdstad Oringis (Orongis), en met zilvermijnen +in zijn gebied. + +Melete, Melete, eene van de boeotische Muzen. + +Meletus, Meletos, 1) Athener, verdacht van oligarchische gezindheid +en betrokken in het Hermocopidenproces.--2) een van de aanklagers van +Socrates. V. s. werd hij kort na Socrates ter dood veroordeeld.--3) +tragisch dichter, einde van de vijfde eeuw, misschien de vader van +no. 2. + +Melia, Melia, 1) nimf, dochter van Oceanus, bij Inachus moeder van +Phoroneus en Aegialeus of Phegeus.--2) nimf, bij Poseidon moeder van +Amycus.--3) dochter van Oceanus, door Apollo geschaakt en bij hem +moeder van Ismenius en Tenerus. + +Meliades, Meliades, Meliai, nimfen, ontstaan uit de bloeddruppels +van den verminkten Uranus; zij worden ook voedsters van Zeus genoemd. + +Melibocus mons, het Harz-gebergte. + +Meliboea, Meliboia, 1) Oceanide, bij Pelasgus moeder van Lycaon.--2) +dochter van Niobe, de eenige die niet door Artemis gedood werd. Zie +Chloris no. 2. + +Meliboea, Meliboia, zeestad van het thessalische landschap Magnesia, +aan den voet van den Ossa gelegen, woonplaats van Philoctetes, +Meliboeus dux. + +Melicertes, Melikertes, zoon van Athamas (z. a.) en Ino, na zijn dood +onder den naam Palaemon onder de godheden der zee opgenomen, door de +Romeinen met Portunus geïdentificeerd. Velen meenen dat hij dezelfde +is als de phoenicische god Melcarth. V. s. waren de isthmische spelen +oorspronkelijk als lijkfeesten voor Mel. ingesteld, maar later door +Theseus aan Poseidon gewijd. + +Melinno, Melinno, lyrische dichteres uit Locri Epizephyrii, die +misschien tegen het einde der eerste eeuw leefde. Van haar bestaat +nog een kort gedicht, dat soms aan Erinna wordt toegeschreven. + +Melische poëzie, z. Lyrische poëzie. + +Melissa, Melissa, eene nimf, die den menschen het gebruik van honig +leerde. Soms worden nimfen in het algemeen melissai genoemd, en ook +de priesteressen van Demeter en van de ephesische Artemis dragen +denzelfden naam. + +Melisseus, Melisseus, koning van Creta, vader van Adrastea en Ida, +de opvoedsters van Zeus. + +Melissus, Melissos, 1) Thebaan, zoon van Telesiades, overwinnaar in +de nemeïsche spelen.--2) van Samus, admiraal in den oorlog tegen +Athene; Pericles leed eenmaal door hem eene nederlaag (441). Als +wijsgeer behoorde hij tot de eleatische school; hij was een leerling +van Parmenides, en trachtte in zijne geschriften de eenheid, +eeuwigheid, onveranderlijkheid en onbewegelijkheid van het bestaande +te bewijzen.--3) C. Mel., van Spoletium, vrijgelatene van Maecenas, +schrijver van kluchten (ineptiarum libellus).--4) Aelius Mel., +romeinsch grammaticus, schrijver van een werk de loquendi proprietate, +leefde in de 2de eeuw na C. + +Melita, Melite, thans Malta, eil. tusschen Sicilia en Africa, +beroemd door het melitensisch lijnwaad en bekend door de catuli +Melitaei of maltezer schoothondjes. Het eil. was eerst phoenicisch, +toen carthaagsch, daarna rom.--Ook een eilandje op de dalmatische kust. + +Melitaea, Melitaia, -iteia, oude stad in het thessalische gewest +Phthiotis; aan den Enipeus. + +Melitene, Melitene, stad en landschap in het O. van Cappadocia. + +Mellaria, naam van twee steden in Baetica, de ééne ten N. van Corduba, +in Baeturia, de andere aan het fretum Gaditanum (straat van Gibraltar). + +Melleirenes, aanstaande eirenes, spartaansche jongelingen van 18 tot +20 jaar. + +Mellepheboi, aanstaande epheboi, atheensche jongelingen van 15 tot +16 jaar. + +Mel(l)on, Mel(l)on, rijk Thebaan, moest vluchten toen de Cadmea door +de Spartanen bezet werd (382). Later beijverde hij zich zeer voor de +bevrijding van Thebe en was hij tegelijk met Pelopidas boeotarch. + +Melodunum, stad in Gallia op een eiland, door de Sequana (Seine) +omspoeld, in het gebied der Senones, thans Melun. + +Melpomene, Melpomene. Muze van muziek en zang, in het bizonder van +het treurspel. Zij wordt afgebeeld met een tragisch masker in de hand +en een krans op het hoofd. + +Melus, Melos, thans Milo, eiland in de Aegaeische zee, tot de Sporaden +gerekend, doch zeer W. en nabij de Cycladen gelegen. Door de ouden +werd het rond of appelvormig genoemd, en de naam afgeleid van melon, +appel; dezen vorm heeft het schijnbaar, wanneer men van het W. het +eiland nadert, in werkelijkheid is het alles behalve rond. Het heeft +een diepen inham, waaraan de gelijknamige stad lag. De bevolking +was dorisch. In den peloponnesischen oorlog werd het eil. door de +Atheners geblokkeerd en uitgehongerd (416), vandaar spreekwoordelijk +limos Melios. Na de overgaaf werden de mannen omgebracht, en vrouwen +en kinderen als slaven verkocht, en atheensche kolonisten er heen +gezonden. De bodem van het eiland was warm door vulkanische werking, +doch de opstijgende zwaveldampen waren zeer hinderlijk. + +Memmia (lex) van den volkstribuun C. Memmius in 111, dat Jugurtha +onder vrijgeleide naar Rome moest ontboden worden, om te verklaren, +wie geld van hem hadden aangenomen. + +Memmii, plebejisch geslacht, dat van Aeneas' tochtgenoot Mnestheus +beweerde af te stammen. 1) C. Memmius, volkstribuun in 111, zette +het volk op tegen de optimaten, die de eer van Rome veil hadden voor +het goud van Jugurtha, en bewerkte dat de senaat een leger tegen hem +afzond. Toen hij in 100 met den woesten C. Servilius Glaucia naar het +consulaat dong, werd hij door dezen en diens medestander Saturninus +in de volle volksvergadering om het leven gebracht.--2. C. Memmius, +ten onrechte Gemellus genoemd, volkstribuun in 66, praetor in 58 +en vervolgens propraetor in Bithynia, werd later wegens omkooping +veroordeeld en ging in ballingschap naar Griekenland, waar hij in +47 stierf. Hij was een goed redenaar. Aan hem droeg Lucretius zijn +gedicht de rerum natura op. Hij stond in geregelde briefwisseling met +Cicero.--3) C. Memmius, stiefzoon van Sulla en volkstribuun in 54, +klaagde A. Gabinius en C. Rabirius Postumus aan, die door Cicero werden +verdedigd.--4) P. Memmius Regulus steunde Macro bij zijn pogingen +om Seianus ten val te brengen. Later was hij proconsul van Achaia, +Macedonia en Moesia (sedert 36 n. C.). Caligula dwong hem zijne vrouw +Lollia Paullina aan hem af te staan. Hij stierf in 61. + +Memnon, Memnon, 1) zoon van Tithonus en Eos, kwam met de Aethiopiërs +van het Oosten (z. Aethiopes) Priamus te hulp en verrichtte +vele heldendaden, o. a. doodde hij Antilochus; eindelijk werd +hij door Achilles verslagen. Om Eos te troosten, gaf Zeus hem de +onsterfelijkheid. Uit zijn brandstapel stegen vogels op (Memnonides), +die ieder jaar zijn graf bezoeken en daar te zijner eere een wedstrijd +houden.--Door eene verwarring tusschen de oostelijke en westelijke +Aethiopiërs zijn vele verhalen omtrent M. ontstaan, die moeielijk +met elkander zijn overeen te brengen; zijn graf toonde men aan den +Hellespont, in Phoenicië en in Aethiopië, en verscheiden kolossale +gebouwen werden naar hem genoemd, o. a. de koningsburcht van Susa +Memnonia, en vooral een reusachtig beeld bij Thebe in Aegypte, +waarvan door een aardbeving het bovenste gedeelte afgebroken was, +en dat sedert dien tijd, wanneer het door de opgaande zon beschenen +werd, een geluid gaf als een springende snaar. Uit het onderzoek van +de nog bestaande overblijfsels van dit beeld is gebleken, dat het den +oud-aegyptischen koning Amenophis III (omstreeks 1500) voorstelde.--2) +van Rhodus, bekwaam aanvoerder der grieksche huurtroepen van Darius +Codomannus. Bij den inval van Alexander den G. stelde hij voor +Klein-Azië prijs te geven, met de vloot Alexander van Europa af te +snijden, en in Griekenland en Macedonië bewegingen tegen hem in het +leven te roepen; zijn raad werd echter niet opgevolgd. Na den slag +bij den Granicus verdedigde hij Miletus en Halicarnassus, veroverde +hij als bevelhebber der vloot Chius, Lesbus, enz., en stelde hij zich +in betrekking met Agis; reeds was hij op het punt naar Europa over +te steken, toen hij bij het beleg van Mytilene ziek werd en stierf +(334).--3) schrijver van eene geschiedenis van het pontische Heraclea, +waarvan enkele fragmenten bestaan. Hij leefde in de tweede eeuw na C. + +Memphis, Memphis, oude belangrijke stad van Aegypte, even boven het +begin der Nijldelta, 5 uren gaans in omtrek, met prachtige tempels en +paleizen. Vooral de god Phtha en de stier Apis werden hier vereerd. In +den omtrek vond men een aantal pyramiden. + +Men, Men, 1) maangod bij de Phrygiërs.--2) = Menes. + +Menae, Menai, bergstad der Siculi, aan den weg van Catana naar Gela, +geboorteplaats van Ducetius. In de nabijheid lag de bron Menaïs, +waarbij de inwoners zwoeren. + +Menaechmus, Menaichmos, 1) van Naupactus, beeldhouwer omstreeks +500.--2) van Sicyon, tijdgenoot van Alexander den G., beeldhouwer +en geschiedschrijver.--3) wiskundige, van wiens werken een fragment +bewaard is. Van zijn leven is niets bekend. + +Menaenum, Menainon, stad der Siculi, ten W. van Syracusae, stichting +van Ducetius. + +Menalippe = Melanippe. + +Menander, Menandros, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen +oorlog, nam deel aan den tocht naar Sicilië en aan den slag bij +Aegospotami.--2) zoon van Diopithes, geb. 342, vriend van Theophrastus, +Epicurus en Demetrius Phalereus. Hij is de voornaamste dichter +der nieuwe attische comedie en schreef, naar men meent, meer dan +100 stukken, waarvan de juiste karakterteekening, de goed gevonden +toestanden en de beschaafde toon geroemd worden. Slechts achtmaal +werd hem een prijs toegekend, toch waren zijne werken zoo bekend, +dat Ptolemaeus Lagi hem trachtte over te halen naar Alexandrië te +komen; hij bleef echter te Athene, waar hij, 52 jaar oud, in het bad +verongelukte. Van zijne comedies zijn sommige door Terentius e. a. in +het Latijn bewerkt. Tal van verzen uit zijne werken worden door +lateren geciteerd; ook zijn nog zeer onlangs belangrijke fragmenten +van sommige stukken van hem gevonden.--3) van Ephesus, schrijver +eener geschiedenis van Phoenicië.--4) leerling van Diogenes no. 2. + +Menapii, Menapioi, belgisch volk, dat door de Usipetes en Tencteri van +den Rijn tot over de Mosa (Maas) werd gedrongen, te midden van bosschen +en moerassen. Het castellum Menapiorum is òf het tegenw. Kessel op +den linker Maasoever tusschen Roermond en Venlo, òf, daar de Menapii +later meer westelijk wonen, Cassel in het Departement du Nord, dat +ook wel voor een Castellum Morinorum aangezien wordt. Verder ligt in +hun land Turnacum, tgw. Doornik. + +Menas, Menas = Menodorus. + +Mende of Mendae, Mende, Mendai, kolonie van Eretria, op het +chalcidische schiereiland Pallene, aan de golf van Thermae. + +Mendes, gen. -etis, Mendes, stad in de Nijldelta aan den mendesischen +rivierarm, zetel van den eeredienst van den God Mendes, die als +zinnebeeld der voortbrengende natuurkracht onder de gedaante van een +bok werd voorgesteld en door de Grieken met Pan werd vereenzelvigd. + +Mendesium ostium, Mendesion stoma, een van de Nijlmonden, ten O. van +den Phatnitischen mond gelegen. + +Mene, Mene = Selene. + +Menecles, Menekles, beroemd rhetor van Alabanda, wiens voordrachten +Cicero hoorde. + +Meneclidas, Menekleidas, thebaansch volksredenaar, vijand van +Epaminondas en Pelopidas, wegens zijn kuiperijen tot geldboete +veroordeeld. + +Menecrates, Menekrates, 1) wijsgeer der eleatische school, leerling van +Xenophanes, schrijver van aardrijkskundige werken.--2) van Syracuse, +geneesheer ten tijde van Philippus van Macedonië, die zich door zijne +ijdelheid belachelijk maakte.--3) verdienstelijk geneesheer onder +Tiberius.--4) vrijgelatene van Pompeius, aanvoerder van de vloot van +Sextus Pompeius; in een zeeslag bij Cumae werd zijn schip genomen en +hij stortte zich in zee.--5) citharoede, in groot aanzien bij Nero. + +Menedemus, Menedemos, 1) veldheer van Alexander d. G.--2) van Eretria, +zoon van Clisthenes, leerling van Plato en Stilpo, daarna leeraar +der wijsbegeerte te Eretria, en stichter der eretrische school. Hij +bekleedde er aanzienlijke staatsambten, maar werd van verraad +beschuldigd en vluchtte naar Antigonus Gonatas. Zijne leefwijze was +eenvoudig en zijn omgang aangenaam, bij voorkeur hield hij zich bezig +met de studie van oude dichters.--3) van Lampsacus, cynisch wijsgeer +van de uiterste richting.--4) rhetor te Athene omstreeks 94.--5) +Macedoniër; die door zijn gastvriend Iulius Caesar het romeinsche +burgerrecht kreeg. + +Menelai portus, Menelaios limen, havenstad in het O. van Cyrenaica, +in het gebied der Gilligammae, volgens de mythe door Menelaus +gesticht. Hier stierf Agesilaus van Sparta in 358 op den terugweg +uit Aegypte. + +Menelaium, Menelaion, berg in Laconica ten Z.O. van Sparta, bij +Therapne, met een heiligdom voor Menelaus. + +Menelaus, Menelaos, 1) zoon van Atreus of Plisthenes, broeder +van Agamemnon (z. a.), gehuwd met Helena (z. a.), de dochter van +Tyndareos, van wien hij de regeering over Sparta erft. Aan den +trojaanschen oorlog neemt hij met 60 schepen deel, hij gaat met +Odysseus naar Troje om Helena terug te vorderen, maar deze eisch wordt +afgewezen. In den oorlog verricht hij onder bescherming van Athena +en Hera vele heldendaden, hij overwint Paris in een tweegevecht, +ofschoon Aphrodite zijn vijand uit zijne handen redt, strijdt met +Hector en Aeneas, verdedigt het lijk van Patroclus en begeeft zich +met het houten paard in de stad. Op zijn terugreis wordt hij bij +kaap Malea door een storm overvallen, die hem naar Aegypte drijft, +en eerst nadat hij 8 jaar rondgezworven had, keerde hij in zijn rijk +terug. Hier leefde hij nog lang met Helena in vrede, rijkdom en geluk, +eindelijk werd hij met haar naar het Elysium verplaatst. Niettemin +werd hun graf bij Therapne getoond, waar te hunner eer een tempel +was en spelen gevierd werden.--2) onechte zoon van Amyntas II; daar +Phillippus hem niet vertrouwde en zijn leven bedreigde, ging hij bij +de Atheners in dienst.--3) broeder van Ptolemaeus Lagi, verdedigde +Salamis op Cyprus tegen Demetrius Poliorcetes, doch moest zich na eene +langdurige en dappere verdediging overgeven (306).--4) van Marathus, +onderwees Ti. Gracchus in de welsprekendheid.--5) beeldhouwer uit +den tijd van keizer Tiberius. Van hem is de bekende groep Orestes en +Electra, vroeger in Villa Ludovisi, tgw. in het Museo Nazionale te +Rome.--6) van Alexandria, beroemd wis- en sterrenkundige, omstreeks +100 n.C. Hij heeft zich vooral bezig gehouden met trigonometrie en +sphaerische astronomie. + +Menenia (lex) agraria, z. Maenia (Menenia) (lex) agraria. + +Menenia of Maenia Duilia (lex), zie Fenus. + +Menenia Sestia (lex) van de consuls T. Menenius Lanatus en P. Sestius +Capitolinus in 452, eene wet omtrent de multa suprema, zie Aternia +Tarpeia (lex); omtrent den inhoud is verder niets zekers bekend. + +Menenii, patricisch geslacht, doch met een plebejischen tak. 1) Agrippa +Menenius, consul in 503, behaalde eene overwinning op de Sabijnen +en wist volgens de overlevering in 494 door zijne toespraak (fabel +van de maag en ledematen) de uitgeweken plebejers tot den terugkeer +naar Rome te bewegen. Het geheele verhaal omtrent de uitwijking is +onhistorisch, zie hieromtrent secessio plebis. Hij stierf arm en werd +op staatskosten begraven. Dikwijls wordt hij Menenius Agrippa genoemd, +doch Agrippa is hier vóórnaam.--2) T. Menenius Lanatus was consul in +477, in welk jaar de Fabii bij de Cremera werden verslagen. Ook hij +zelf streed niet voorspoedig tegen de Etruscers. Na zijn consulaat +klaagden twee volkstribunen hem aan wegens gebrek aan voorzorg, en +het volk veroordeelde hem tot eene geldboete. Menenius kon dit niet +verkroppen en liet zich doodhongeren.--3) T. Menenius Lanatus (ook +C. of L.), consul in 452, trok zich, naar men zegt, het veldwinnen +der plebejers tegenover de patriciërs zóó sterk aan, dat hij ernstig +ziek werd. Het was juist in het jaar, dat de lex Terentilla de legibus +scribendis werd uitgevoerd. + +Menes, Menes, van Pella, onder Alexander d. G. satraap van Syrië, +Phoenicië en Cilicië. + +Menes, Men, Menes, eerste koning van Aegypte, stichter van Memphis. + +Menesaechmus, Menesaichmos, atheensch redenaar, tegenstander van +Demosthenes en Lycurgus. + +Menestheus, 1) zoon van Peteos, stiet met de hulp der Tyndariden +Theseus van den troon en voerde de Atheners voor Troje aan, waar +hij sneuvelde.--2) zoon van Clytius, tochtgenoot van Aeneas.--3) +zoon van Iphicrates, atheensch veldheer. + +Menesthius, Menesthios, twee strijders in het leger der Grieken voor +Troje; de eene was een zoon van Areïthous en Philomedusa, de andere +van den riviergod Spercheus en Polydora, zuster van Achilles. + +Menestratus, Menestratos, 1) Athener, aangeklaagd van een samenzwering +tegen de oligarchische partij (404). Hij noemde zijne medeplichtigen +en werd daarom vrijgesproken, doch na de wederinvoering der democratie +werd hij met den dood gestraft.--2) beeldhouwer, van wien beroemde +standbeelden in den tempel van Artemis te Ephesus stonden. + +Menexenus, Menexenos, 1) leerling van Socrates, naar wien een der +werken van Plato genoemd is.--2) vriend van Socrates, leerling van +den sophist Ctesippus.--3) zoon van Socrates. + +Meninx, MEeninx = Lotophagitis, z. Lotophagi. + +Menippe, Menippe, en Metioche, dochters van Orion, door Aphrodite met +schoonheid begaafd, door Athena in de kunst van weven onderwezen. Toen +haar vaderland Aonië door de pest ontvolkt werd, offerden zij +zich vrijwillig aan de onderaardsche goden om hen te verzoenen, en +doorstaken zij zich de keel met een weverspoel. Persephone en Hades +veranderden haar in kometen. + +Menippus, Menippos, 1) tyran van Oreüs, werkte in het belang +van Philippus van Macedonië tegen de Atheners.--2) veldheer van +Philippus III (V) in zijn oorlog tegen de Rom.--3) dienaar van +Antiochus d. G., die als gezant te Rome kwam en de Aetoliërs tegen de +Rom. ophitste.--4) van Gadara, vroeger slaaf, later cynisch wijsgeer, +een befaamd woekeraar, die zich na een belangrijk geldverlies van +het leven beroofde (± 270). Zijne eigenaardige hekelschriften, in +proza met verzen doormengd, vonden veel bijval en werden door Varro +in het Latijn nagevolgd (Satyrae Menippeae, z. Terentii no. 1).--5) +van Stratonicea, volgens het oordeel van zijn vriend Cicero de beste +aziatische redenaar van zijn tijd.--6) van Pergamus, schrijver van +een grieksch werk over aardrijkskunde, onder Augustus. + +Menodorus, Menodoros, ook Menas, Menas, genoemd, vrijgelatene van +Cn. of diens zoon S. Pompeius en admiraal van den laatste. Hij +liep in 38 tot Octavianus over, aan wien hij zijne schepen +uitleverde. Octavianus verhief hem tot den ridderstand en stelde +hem tot legaat op zijne vloot aan. Inmiddels verhief S. Pompeius +een ander vrijgelatene, Menecrates, tot vlootvoogd en zond dezen op +Menodorus af. Bij Cumae raakten de beide vloten slaags, het schip van +Menecrates werd genomen en deze sprong in zee en verdronk. Later ging +Menodorus weder tot Pompeius over en vervolgens opnieuw tot Octavianus. + +Menoeceus, 1) Menoikeus, vader van Creon, Iocaste en Hipponome.--2) +z. Megareus. + +Menoetiades, Menoitiades, Patroclus, zoon van Menoetius no. 2. + +Menoetius, Menoitios, 1) zoon van Iapetus en Asia, om zijn overmoed +door Zeus met den bliksem gedood en in den Tartarus geworpen.--2) +zoon van Actor en Aegina, vader van Patroclus, Argonaut, vriend van +Heracles, wien hij v. s. het eerst een offer bracht.--3) weidde de +kudden van Hades op het eiland Erythea en verried aan Geryones, dat +Heracles zijne runderen geroofd had. Daarom viel Heracles hem aan, +toen hij hem in de onderwereld ontmoette; Persephone kwam echter +tusschenbeide, zoodat M. er met een wond afkwam. + +Menon, Menon, 1) vorst van Pharsalus, in den peloponnesischen oorlog +bondgenoot der Atheners.--2) Thessaliër, een van de veldheeren van +den jongeren Cyrus. Op den terugtocht na den slag bij Cunaxa, werd +hij door Tissaphernes verraderlijk gevangen genomen en gedood. Hij +wordt door Xenophon als heerschzuchtig en gewetenloos beschreven. Een +der gesprekken van Plato is naar hem genoemd.--3) bevelhebber +der thessalische ruiterij in den lamischen oorlog, grootvader van +Pyrrhus.--4) geneesheer, leerling van Aristoteles. + +Menophanes, Menophanes, veldheer van Mithradates, die in den eersten +mithradatischen oorlog Delus plunderde en verwoestte. + +Mentes, Mentes, 1) aanvoerder der Ciconen in den trojaanschen +oorlog.--2) aanvoerder der Taphiërs, gastvriend van Odysseus. Onder +zijne gedaante kwam Athena Telemachus bezoeken. + +Mentor, Mentor, 1) van Ithaca, zoon van Alcimus, vertrouwd vriend +van Odysseus, die hem bij zijn vertrek naar Troje de zorg voor zijn +huis opdroeg. Athene nam dikwijls zijne gedaante aan, wanneer zij +als beschermster van het huis van Odysseus optrad.--2) van Rhodus, +broeder van Memnon no. 2, bevelhebber der grieksche troepen bij +den opstand van Sidon tegen Perzië; door zijn verraad moest de stad +zich aan Artaxerxes Ochus overgeven (351). Daarna was hij satraap in +Klein-Azië en droeg hij veel bij tot de herovering van Aegypte. Hij +stierf kort voor den inval van Alexander d. G. + +Menyllus, Menyllos, bevelhebber der macedonische bezetting in Munychia +na den lamischen oorlog, vriend van Phocion. + +Mephitis of Mefitis, godin, die in Italië vereerd werd op verscheidene +plaatsen, waar onzuivere dampen uit den grond opstegen. + +Mercurii promunturium = Hermaeum pr. + +Mercurius, god van handel en winst, oorspronkelijk misschien in het +bijzonder van den graanhandel, in alle opzichten geïdentificeerd met +Hermes. Zijn voornaamste feestdag viel op den 15den Mei, die tevens +de feestdag was van het koopmansgild, dat tegelijk met de invoering +van zijn eeredienst uit Zuid-Italië (in 495) was opgericht. + +Merenda, een lichte maaltijd, waarvan de gewone tijd zeer verschillend +wordt opgegeven. Misschien aten de boeren vroeger dan de stedelingen +en gebruikten zij dit maal tegen den avond; in de stad gebruikte men +het dan waarschijnlijk in den voormiddag, en valt het wellicht samen +met het prandium. + +Meriones, Meriones, vriend en wapenbroeder van Idomeneus (z. a.), +uitmuntend als boogschutter en speerwerper. + +Mermnadae, Mermnadai, de laatste dynastie der lydische koningen, +van Gyges tot Croesus. + +Meroë, Meroe, een priesterstaat met gelijknamige hoofdstad in +Aethiopia tusschen de beide Nijltakken Astaboras (Atbara) en Astapus +(Bahr-el-Azrek of blauwen Nijl). De ouden meenden, dat het rijk op +een eiland lag; vandaar vindt men Insula Meroë nog op middeleeuwsche +kaarten geteekend. In de eerste eeuw werd de hier heerschende +priesterkaste door de onderhoorige negerstammen uitgemoord en ging +de stad te gronde. + +Merope, Merope, 1) Oceanide, bij Helius of Clymenus moeder van +Phaëthon.--2) eene van de Heliades.--3) dochter van Atlas, gemalin +van Sisyphus. In het sterrenbeeld der Plejaden is zij de ster, die den +minsten glans heeft, omdat zij zich uit schaamte over hare liefde voor +een sterveling het gezicht bedekt.--4) gemalin van Polybus, pleegmoeder +van Oedipus.--5) dochter van Cypselus, gemalin van Cresphontes. Toen +deze door Polyphontes gedood was, werd zij gedwongen den moordenaar +te huwen. + +Meropis, Meropis, oude naam van het eil. Cos. + +Merops, Merops, 1) koning van Cos. Uit verdriet over den plotselingen +dood zijner gemalin wilde hij zich van het leven berooven, maar Hera +plaatste hem als adelaar onder de sterren.--2) koning van Aethiopië, +gehuwd met Clymene no. 3.--3) koning van Percote, beroemd waarzegger, +wiens zonen voor Troje door Diomedes gedood werden. + +Merula, familienaam in de gens Cornelia. + +Mesambria, Mesambrie, 1) stad der Cicones in Thracia, aan de Aegaeïsche +zee.--2) = Mesembria. + +Mesaulos, gang tusschen het mannen- en het vrouwenverblijf, die in +het midden met een deur afgesloten kan worden. + +Mesembria, Mesembria, belangrijke koopstad, kolonie van Byzantium +en Chalcedon, gesticht na den ionischen opstand, in Thracia, aan den +Pontus Euxinus (Zwarte zee) tusschen Apollonia en Odessus. + +Mesogaea, Mesogaia, streek in het binnenland van Attica, vooral ten +N. en O. van Athene. + +Mesogis, Mesogis = Messogis. + +Mesomedes, Mesomedes, vrijgelatene en gunsteling van keizer Hadrianus, +dichter van eenige epigrammen en van een hymnus, die met de oude +muzieknoten bewaard gebleven is. + +Mesopotamia, Mesopotamia, een louter geografische naam, in het +Seleucidentijdperk gegeven aan de landstreek tusschen den Euphraat +en den Tigris van de armenische grenzen tot aan den medischen muur, +dus tot aan Babylonia. Vóór dien tijd werd dit land eenvoudig als +een deel van Assyria of van Syria beschouwd, zonder eigen naam. Het +noordelijk gedeelte werd door de rivier Chaboras in twee deelen +gesplitst, Osroene ten W., Mygdonia ten O. + +Mespila, eene groote, doch verlaten stad, zes uren gaans in omtrek; +waarschijnlijk de overblijfselen van het voormalige Niniveh, +z. Ninus. Uit een bericht bij Xenophon, de eenige plaats, waar de +naam Mesp. voorkomt, blijkt, dat de inwoners van die streek in X.'s +tijd niets meer wisten van het vroegere assyrische rijk. + +Messa, Messa, oude laconische havenstad, op de middelste Zuidspits +der Peloponnesus, aan den Westkant gelegen. + +Messala of Messalla, familienaam in de gens Valeria (Valerii no. 16, +26-29). Vipstanus Messala, zie Vipstani. + +Messalina, 1) Valeria Messalina, gemalin van keizer Claudius, zie +Valerii no. 33.--2) Statilia Messalina, derde gemalin van Nero, +z. Statilii no. 6. + +Messana, Messana, doch gewoonlijk Messene, op Sicilia, thans Messina, +allereerst Zancle geheeten, daar de haven door eene sikkelvormige +landtong gevormd werd. Het was gesticht door Siciliërs, en werd in de +achtste eeuw gekoloniseerd door euboeïsche Chalcidiërs en Cumaeërs. Na +de verwoesting van Miletus in 494 door de Perzen, vonden scharen +Milesiërs en Samiërs hier een toevluchtsoord. Kort daarop maakte +Anaxilaus, tyran van Rhegium, zich van Zancle meester en noemde het +Messana, naar de Messeniërs, die hij in de stad opnam. In 396 werd de +toenmaals bloeiende stad door de Carthagers verwoest. Dionysius de +oude, tyran van Syracusae, liet ze spoedig herbouwen. Na den dood +van Agathocles maakten diens huurbenden, de Mamertini, zich van +haar meester (vóór 283) en vermoordden grootendeels de mannelijke +bevolking. Zie verder Mamertini. Messana bleef eene aanzienlijke stad; +de ruime haven kon 600 schepen bevatten. + +Messapia, Messapia, oude grieksche naam voor Calabria. + +Messapium, Messapion, berg aan de O. kust van Boeotia bij de stad +Anthedon. + +Messapus, 1) Boeotiër, die naar Italië ging, en naar wien Calabria den +naam Messapia heeft.--2) een Latijn, zoon van Neptunus, paardentemmer, +onkwetsbaar door vuur of staal. + +Messene, Messene, stad, door Epaminondas in 369 aan den voet van den +berg Ithome als hoofdstad van het bevrijde Messenia gesticht. + +Messenia, Messenia, Z.W. gewest der Peloponnesus, in de oudheid +bekend om zijn heerlijk klimaat, daar het in M. reeds zomer was, +wanneer het in Laconica nog lente, in Arcadia nog winter was. Door +de dichtbegroeide grensgebergten lag het tegen de koude winden +beschut. Als oudste bewoners komen Leleges voor, waarbij later Argivi +en Aeoles kwamen. In den Z.W. hoek woonden Dryopes. Bij de dorische +volksverhuizing werd ook M. een dorische staat, met Stenyclarus tot +hoofdstad. In de beide messenische oorlogen echter werd M. door de +Spartanen veroverd, en de Messeniërs, die niet uitweken, werden tot +Heloten gemaakt. In 464 stonden de Messeniërs op, bij gelegenheid +dat Sparta door eene aardbeving zwaar geteisterd was. De strijd +duurde jaren lang, tot eindelijk de opstandelingen onder beding van +vrijen aftocht de wapens neerlegden. Grootendeels trokken zij naar +Naupactus (Lepanto), dat hun door de Atheners werd ingeruimd. Na den +peloponnesischen oorlog van daar verdreven, verstrooiden zij zich in +verschillende richtingen. In 369 werd Messenia tot aan den Pamisus +door Epaminondas vrij gemaakt; de ballingen, door hem uitgenoodigd, +bevolkten de nieuwe hoofdstad Messene, en sedert dien tijd bleef het +gewest onafhankelijk tot aan de rom. overheersching in 146. + +Messenische oorlogen heeten drie oorlogen, waarvan de eerste de +onderwerping van Messenië aan Sparta ten gevolge had, de andere +twee voortkwamen uit mislukte pogingen der Messeniërs om zich +te bevrijden. De eerste mess. oorlog (743-724, v. a. 730-710) +ontstond naar aanleiding van geschillen over grenzen, roof van +menschen en vee, enz., en begon met een nachtelijken aanval der +Spartanen op Amphea, waarvan de meeste inwoners gedood werden. Daar +de krijgskans den Messeniërs over het algemeen niet gunstig was, +trokken zij zich in het sterke Ithome terug, en onder de leiding van +Aristodemus (z. a.) brachten zij van hier uit den Spartanen dikwijls +gevoelige slagen toe; na zijn dood werd echter Ithome genomen, vele +Messeniërs verlieten het land, de overige kwamen in den toestand van +heloten.--Het duurde echter niet lang voordat zij nog eene poging +waagden om zich uit dien toestand te bevrijden. Te Andania begon +de heldhaftige Aristomenes (z. a.) een opstand, waarbij zich in een +oogenblik het geheele messenische volk aansloot, en die eerst na een +langdurigen en moeielijken oorlog, den tweeden mess. oorlog (685-668, +v. a. 660-643 of 645-630), bedwongen kon worden. Niet alleen werden +de Messeniërs nu bijgestaan door Achaeërs, Argiven en Arcadiërs, +maar bovendien heerschte onder de Spartanen verdeeldheid en bestond +er gevaar voor een algemeenen opstand der perioeken en heloten. Toen +zij zich echter onder den invloed der bezielde gedichten van Tyrtaeus +(z. a.) weder tot eendrachtige samenwerking verbonden hadden, toen +de arcadische koning Aristocrates de zaak der Messeniërs verried, +en over het geheel de bondgenooten van dezen den langdurigen oorlog +begonnen moede te worden, hadden de zaken weder denzelfden loop +als vroeger: de Messeniërs trokken zich terug in de vesting Ira, +en toen deze eindelijk ingenomen was, was de oorlog tot hun nadeel +beslist. Ook nu verlieten weder velen het land. In hoeverre de gang +van zaken in deze beide oorlogen werkelijk geweest is, zooals hier +is beschreven, is wegens den aard der bronnen waardoor wij kennis +ervan hebben, moeielijk te beoordeelen.--Toen in 464 Sparta door eene +verschrikkelijke aardbeving tot den uitersten nood gebracht was, +stonden de afstammelingen der oude Messeniërs op en begonnen zij +den derden mess. oorlog. In de oude stad Ithome verschanst, boden +zij den Spartanen lang weerstand, zelfs de Atheners, die onder Cimon +den belegeraars te hulp gekomen waren, konden hen niet tot overgave +dwingen. Eindelijk bedongen zij vrijen aftocht uit de Peloponnesus, +en gaven de Atheners hun de stad Naupactus tot woonplaats (455). + +Messiae (leges), van den volkstribuun C. Messius in 57: 1) tot +terugroeping van Cicero;--2) om de cura annonae aan Pompeius op te +dragen. Geen van beide wetten kwam echter in behandeling. De eerste +werd noodeloos door de lex Cornelia de restituendo Cicerone (z. a.), +de andere werd voorkomen door de lex Cornelia Caecilia (z. a.); +zie verder Messii no. 1. + +Messii, plebejisch geslacht. 1) C. Messius volkstribuun in 57, +bevorderde de terugroeping van Cicero uit diens ballingschap en +deed eene mislukte poging om Pompeius als praefectus annonae met +bijna onbeperkte macht over leger, vloot, schatkist en provinciën te +bekleeden. Later sloot hij zich aan bij Caesar.--2) Messius Maximus, +vriend van den jongen Plinius. + +Messogis, Messogis, grensgebergte tusschen Lydia en Caria. + +Mestra, Mestra, dochter van Erysichthon no. 2. Door honger gekweld, +verkocht haar vader haar als slavin, zij had echter van Poseidon +het vermogen gekregen, zich in allerlei gedaanten te veranderen, en +hiervan maakte zij gebruik om telkens tot haar vader terug te keeren +en zich opnieuw te laten verkoopen. + +Meta, eindpaal in den circus (z. a.). + +Metabus, vader van Camilla (z. a.). + +Metagenes, Metagenes, 1) dichter der oude comoedie, tijdgenoot van +Aristophanes.--2) van Cnosus, uitvinder van den ionischen bouwstijl +en medewerker bij den bouw van den tempel van Artemis te Ephesus, +waarvan het plan door zijn vader Chersiphron gemaakt was.--3) Athener, +onder Pericles bouwmeester van den tempel te Eleusis. + +Metagitnion, Metageitnion, 2de maand van het Attische jaar +(Aug.-Sept.), z. Annus. + +Metanira, Metaneira, gemalin van Celeüs, moeder van Demophoön (z. a.). + +Metapa, ta Metapa, stad in Aetolia aan het meer Trichonis. + +Metapontum of -tium, Metapontion, meest oostelijke stad in Lucania +aan de golf van Tarentum, volgens sommigen door Nestor, volgens +anderen door Epeus gesticht. In werkelijkheid is de stad in de 7de +eeuw door Achaeërs gesticht. Hier is Pythagoras gestorven; Cicero +heeft zijn graf nog gezien. De Lucaniërs verwoestten de stad, die +echter herbouwd werd. Door den tarentijnschen oorlog viel zij in +handen der Rom., in 212 in die van Hannibal. Toen deze naar het land +der Bruttii moest terugtrekken, nam hij de inwoners mede. Sedert kwam +de stad in vergetelheid. + +Metapontus, Metapontos, koning van Icaria, pleegvader van Aeolus +(z. a.) en Boeotus. + +Metaurus, Metauros, 1) rivier van Umbria, waarbij Hannibal's broeder +Hasdrubal in 207 verslagen werd en sneuvelde.--2) rivier op de W.-kust +van het land der Bruttii. + +Metellus, familienaam in de gens Caecilia. + +Methana, Methana, landtong en stad in Argolis, tusschen Troezen en +Epidaurus, tegenover het eiland Aegina. + +Methone, Methone, 1) stad op de Z.W.-spits van Messenia, thans +Modon.--2) stad in Macedonia, in het landschap Pieria, aan de golf +van Therma, bij welker beleg aan Philippus het rechteroog werd +uitgeschoten.--3) in ouden tijd eene stad in het thessalische gewest +Magnesia, aan de Pagasaeische golf.--4) = Methana. + +Methydrium, Methydrion, stad in het hart van Arcadia, op een steile +rots. + +Methymna, Methymna, tweede stad van Lesbus, op de N.-kust gelegen, +om haar wijn beroemd, geboorteplaats van den zanger Arion en den +logograaf Hellanicus. Om hare trouw aan Athene werd zij in 406 door +de Spartanen voor een gedeelte verwoest. + +Metii = Mettii. + +Metilia (lex) van den volkstribuun Metilius in 217, waarbij de +magister equitum M. Minucius Rufus in macht gelijk werd gesteld met +den (pro)dictator Q. Fabius Maximus Verrucosus, over wiens wijze van +oorlogvoeren tegen Hannibal men ontevreden was. + +Metilii, plebejisch geslacht. M. Metilius, volkstribuun in 217, +z. Metilia (lex). + +Metioche, Metioche, dochter van Orion, zuster van Menippe (z. a.). + +Metionidae, Metionidai, Daedalus, Eupalamus en v. s. ook Sicyon, +zonen van Metion, een zoon van Erechtheus, beroofden Pandion van de +regeering, doch werden later door diens zonen verdreven. + +Metiosedum = Melodunum. + +Metis, Metis, dochter van Oceanus en Tethys. Zij bezorgde het +braakmiddel, waardoor Cronus gedwongen werd zijne kinderen, die hij +verslonden had, uit te braken. Zeus nam haar tot gemalin, maar daar +hij door een orakel vernam, dat haar kind hem in wijsheid en macht +zoude overtreffen, verslond hij haar, waarna uit zijn hoofd Pallas +Athena geboren werd. + +Metoikos, iemand, die metterwoon in een vreemden staat gevestigd +is. Te Athene was hun aantal te allen tijde groot, in 309 bedroeg +het 10000 volwassen mannen. Zij waren verplicht een burger tot +patroon (prostates) te nemen, die hen in hunne betrekkingen tot den +staat of de burgers, bijv. bij processen, vertegenwoordigde, en een +jaarlijksche belasting (metoikion) van 12 drachmen te betalen. Wie deze +verplichtingen niet nakwam, stond bloot aan eene graphe aprostasiou +of eene apagoge metoikiou. Zij waren verder dienstplichtig, hoewel zij +slechts bij uitzondering voor den dienst te velde schijnen opgeroepen +te zijn, werden met liturgieën belast, en moesten bij sommige feesten +bepaalde diensten doen. Grondeigendom konden zij niet verkrijgen, +de handel was echter bijna geheel in hunne handen.--Een metoikos en +iedere vreemdeling, die zich de rechten van een burger aanmatigde, +konde deswege met de graphe xenias aangeklaagd en na veroordeeling +als slaaf verkocht worden. Daarentegen werd dikwijls een met., die +zich jegens den staat verdienstelijk had gemaakt, van alle of sommige +van bovengenoemde verplichtingen vrijgesteld; z. isoteleis. + +Meton, Meton, bouwmeester en sterrenkundige te Athene. Door een +cyclus van 19 jaren, waarin 235 maanden of 6940 dagen zouden zijn, +trachtte hij de verschillen tusschen het zonnejaar en het maanjaar te +vereffenen. Deze tijdrekening zoude beginnen met den 13den Scirophorion +432, het schijnt echter, dat zij nooit algemeen in gebruik geweest is. + +Metreta, metretes, amphoreus metretes, grootste grieksche maat voor +natte waren, ongeveer = 39,4 L. + +Metrodorus, Metrodoros, 1) beroemd rhapsode.--2) van Lampsacus, +leerling of aanhanger van Anaxagoras.--3) van Chius, aanhanger van de +leer van Democritus en leermeester van Anaxarchus.--4) van Lampsacus, +de voornaamste leerling van Epicurus, schrijver van vele wijsgeerige +werken, die verloren gegaan zijn. Hij stierf nog vóór Epicurus +(277).--5) van Stratonicea, leerling van Carneades, behoorde eerst +tot de epicureïsche, later tot de academische school.--6) van Scepsis, +academisch wijsgeer, staatsman in dienst van Mithradates Eupator, wiens +levensgeschiedenis hij beschreef. Hij had den bijnaam Misoromaios en +was beroemd om zijn buitengewoon sterk geheugen.--7) vrijgelatene van +Cicero, verdienstelijk geneesheer.--8) grieksch epigrammendichter, +schrijver van aardrijks- en sterrenkundige werken, waarschijnlijk +onder Constantijn den Gr. + +Metronomoi, te Athene 10 door het lot aangewezen beambten, die toezicht +hadden op maten en gewichten. + +Metroon, te Athene de tempel van Rhea Cybele, waarin het archief +(ta demosia grammata) bewaard werd. + +Metropolis, Metropolis, naam van verschillende steden. 1) in Acarnania, +ten O. der Ambracische golf.--2) in Thessalia, tusschen de rivieren +Peneus en Europus.--3) in Lydia, tusschen Smyrna en Ephesus.--4) +in Phrygia Maior, tusschen Apamea Cibotus en Synnada. + +Mettii of Metii, oud latijnsch geslacht. 1) Mettius (Mettus) Fuffetius, +dictator van Alba Longa, nam den voorslag van Tullus Hostilius aan, +om den strijd tusschen Alba en Rome te doen beslissen door het bekende +gevecht tusschen de Curiatiussen en Horatiussen. Ten gevolge hiervan +moest Alba zich onderwerpen. In den strijd tusschen Rome en Veii hield +Mettius zich echter op trouwelooze wijze buiten den strijd, waarop +Tullus Hostilius hem door paarden vaneen liet scheuren.--2) Mettius +Curtius, z. Curtius.--3) M. Mettius werd door Caesar tot Ariovistus +gezonden, doch door dezen verraderlijk gevangen gehouden, en kreeg +eerst na Ariovistus nederlaag zijne vrijheid terug (58).--4) Mettius +Pompusianus, onder keizer Domitianus, had hij zich door waarzeggers +laten diets maken, dat hij tot groote dingen was bestemd. Op den +wand zijner kamer had hij een wereldkaart laten schilderen en hij +bestudeerde ijverig Livius. Uit argwaan hierover liet de keizer hem +ter dood brengen. + +Metragyrtes, bedelpriester van de Meter ton theon, vgl. agyrtes. + +Mettus Fuffetius, z. Mettii. + +Metulum, Metoulon, hoofdstad der Iapydes in Liburnia. + +Mevania, oude sterke stad in Umbria aan den weg van Rome naar Ancona, +beroemd om het schoone rundvee, dat daar werd aangefokt. + +Mezentius, koning van Caere. Turnus kwam tot hem om hulp, toen hij +door Aeneas overwonnen was, of Mez. vluchtte naar Turnus, toen zijn +volk hem om zijn wreedheid verdreven had. Te zamen zetten zij den +oorlog voort, en in een gevecht werd Mez. door Aeneas of Ascanius +gedood. Hij had van Turnus den wijnoogst van een jaar tot loon voor +zijne hulp gevorderd, Aeneas wijdde echter dien oogst aan Jupiter en +overwint door de hulp van dezen. Zie ook Vinalia no. 1. + +Mezetulus of -tolus, of Mazaetullus, voornaam Numidiër, die zich +van de regeering meester maakte, doch door Masinissa weder verdreven +werd. Op bevel van dezen keerde hij later weder naar zijne woonsteden +terug. Zie ook Masinissa. + +Micare, een spel, nog in Italië bekend onder den naam van Morra. Het +wordt door twee personen gespeeld. Beide spelers houden de rechterhand +gesloten, openen ze plotseling tegelijk onder het opsteken van een of +meer vingers en noemen tevens elk een cijfer. Heeft b.v. de een twee, +de andere drie vingers omhoog gestoken en een der spelers het getal 5 +genoemd, zoo heeft hij gewonnen. Heeft geen van beiden het juiste getal +geraden, dan sluit men de hand weder en beproeft het opnieuw. Een man, +in wien geen bedrog is, wordt spreekwoordelijk gekarakteriseerd met +de woorden: dignus est, quicum in tenebris mices. + +Micipsa, Mikipsas, zoon van Masinissa, volgde dezen in 148 als koning +van Numidia op, en nam overeenkomstig zijns vaders wil zijne jongere +broeders Gulussa en Mastanabal als mederegenten aan. De drie broeders +regeerden samen eendrachtig en getrouw aan het bondgenootschap met +Rome, hoewel zij in den derden punischen oorlog met het zenden van +hulptroepen aan de Rom. eenigszins omzichtig te werk gingen. Toen +echter Gulussa en Mastanabal overleden waren, sloot Micipsa zich enger +bij Rome aan en zond hun bij herhaling hulpbenden naar Hispania. Hij +overleed in 118 en liet de regeering na aan zijne twee zoons Adherbal +en Hiëmpsal en zijn neef Jugurtha. + +Micon, Mikon, 1) van Aegina, beeldgieter en schilder, tijdgenoot van +Polygnotus.--2) van Syracuse, beeldgieter onder Hiero II. + +Micythus, Mikythos, 1) z. Anaxilaus.--2) Thebaan, die zich liet +omkoopen om te beproeven Epaminondas voor de belangen van Perzië +te winnen. + +Midas, Midas, zoon van Gordius en Cybele, koning van Phrygië. Toen +Dionysus op zijn tochten ook in dat land kwam, verdwaalde Silenus in +de tuinen van M. of werd hij gevangen, doordat hij uit een bron dronk, +waarvan het water met wijn gemengd was, totdat hij bedwelmd in slaap +viel. M. onderhield zich 10 dagen lang met hem en bracht hem daarna +bij Dionysus terug. De god, verheugd dat hij zijn getrouwen makker +terugzag, stond M. toe een gunst te vragen, en deze wenschte, dat +alles in goud zoude veranderen, wat hij aanraakte. Zijn verlangen werd +bevredigd, maar daar ook de spijzen, die hij wilde nuttigen, zoodra hij +ze aanraakte in goud veranderden, zou hij van honger gestorven zijn, +indien Dionysus hem niet op zijn verzoek het middel had gegeven om +zich van die noodlottige eigenschap te bevrijden; daartoe baadde hij +zich in de rivier Pactolus, die sedert rijk aan goudzand werd. M. was +ook scheidsrechter in een muzikalen wedstrijd tusschen Apollo en +Pan, en daar hij het fluitspel van Pan boven de tonen van Apollo's +lier verkoos, kreeg hij tot straf van Apollo ezelsooren. Om deze +te verbergen, vond hij de groote phrygische muts uit, alleen zijn +barbier kende het geheim, maar deze had zich onder eede verbonden +het aan niemand mede te deelen. Toch konde hij er niet geheel van +zwijgen, daarom groef hij een gat in de aarde en fluisterde daarin: +koning Midas heeft ezelsooren! Later groeide op die plaats een riet, +dat dezelfde woorden fluisterde, telkens wanneer het door den wind +bewogen werd. Uit wanhoop hierover bracht M. zich om het leven. + +Midea, Midea, stad in het binnenland van Argos, ten O. van Mycenae. + +Milanion, Meilanion, z. Atalanta. + +Miletis, Byblis, dochter van Miletus. Miletis urbs, Tomi, volkplanting +van de stad Miletus. + +Miletus, Miletos, Cretenser, zoon van Apollo en Area of Deïone. Om +aan den achterdochtigen Minos te ontsnappen, vluchtte hij met Sarpedon +naar Caria, waar hij de stad Miletus stichtte. + +Miletus, Miletos, eene der aanzienlijkste en schoonste steden +van aziatisch Ionia, geboorteplaats van de wijsgeeren Thales, +Anaximander en Anaximenes, van de logografen Cadmus en Hecataeus, +van Aspasia. Miletus bestond uit een buiten- en een binnenstad, +het had vier havens, door eilanden gedekt, van welke laatste Lade +het voornaamste was. Het was oorspronkelijk een carische stad, +die door de Ioniërs gekoloniseerd werd. Reeds vroeg heeft het door +zeehandel gebloeid. Van hier uit zijn in de 7de eeuw 90 koloniën of +handelsneerzettingen gesticht, vooral in de Propontis en den Pontus +Euxinus; de voornaamste zijn: Abydus, Cyzicus, Sinope, Istrus en +Olbia. Miletus was de ziel van den ionischen opstand in 500 en werd tot +straf in 494 door de Perzen verwoest. Dit lot trof de stad ten tweede +male, toen Alexander d. Gr. het op de Perzen veroverde (334). Beroemd +was de milesische wol (vellera Milesia bij Vergilius).--Ook op de +N-kust van Creta lag in ouden tijd eene stad van den zelfden naam. + +Milichius, Meilichios, vergevingsgezinde, bijnaam van Zeus. + +Milo, familienaam in de gens Annia (Annii no. 3). + +Milo, Milon, van Croto, beroemd worstelaar, die 32 maal bij de groote +feesten den prijs won. Hij droeg eens te Olympia een vierjarig rund +door de renbaan en at het op één dag geheel op. In den oorlog tegen de +Sybarieten stond hij aan het hoofd van zijne medeburgers. Op hoogen +leeftijd vond hij in een bosch een halverwege gespleten boom, waarin +een wig stak, hij trachtte den boom met zijne handen geheel in tweeën +te trekken, maar de wig ging los, zijn handen raakten vastgeklemd, +en hij werd door wilde dieren verscheurd. + +Miltiades, Miltiades, 1) zoon van Cypselus, voornaam Athener, +tegenstander van Pisistratus, ging in 559 op verzoek van de Dolonci +naar de Chersonesus en werd hun vorst. Van uit de Chersonesus veroverde +hij Lemnus en Imbrus.--2) zoon van Cimon, den broeder van den vorigen, +werd in 518 door de Pisistratiden naar de Chersonesus gezonden om de +regeering over het rijk van zijn oom te aanvaarden. Hij huwde met de +dochter van een thracischen vorst, en volgde Darius I bij zijn tocht +tegen de Scythen. Zijn voorstel om, door het afbreken van de brug +over den Ister, Darius den terugtocht af te snijden, stuitte af op den +tegenstand van Histiaeus. Na den ongelukkigen afloop van den ionischen +opstand keerde hij naar Athene terug (494), hij werd aangeklaagd, +omdat hij in de Chersonesus tyran geweest was, maar vrijgesproken, +en in 490 werd hij als een van de strategen gekozen. Bij de landing +der Perzen lieten zijne ambtgenooten het bevel geheel aan hem over, en +door gebruik te maken van de plaatselijke gesteldheid en spoedig aan +te vallen won hij den beroemden slag bij Marathon. Daarna ondernam +hij een tocht om de eilanden te straffen, die zich bij de Perzen +hadden aangesloten; hierin was hij echter niet gelukkig, en bij het +beleg van Parus werd hij gekwetst en moest hij onverrichter zake +terugkeeren. Zijne vijanden, vooral de Alcmaeoniden, klaagden hem +nu aan wegens misbruik van het in hem gestelde vertrouwen, hij werd +tot een boete van 50 talenten veroordeeld, en daar hij deze niet +konde betalen, werd hij in de gevangenis gezet, waar hij na korten +tijd stierf. + +Milto, Milto, zie Aspasia no. 2. + +Milvius pons, brug over den Tiber, een eind boven Rome, op het punt, +waar de via Flaminia de rivier kruiste en de via Clodia zich van de +via Fl. afscheidde. Ten Noorden van deze brug versloeg Constantijn +de Groote in 312 n. Chr. keizer Maxentius. + +Milyas, Milyas, het N. O. bergland van Lycia, oorspronkelijk de naam +van het geheele land. De inwoners heetten Milyae, Milyai. + +Mimallones, -lonides, Mimallones = Bacchae. + +Mimas, Mimas, berg in Ionia op een schiereiland tegenover het eiland +Chius. + +Mimnermus, Mimnermos, van Colophon, elegisch dichter en musicus +(eerste helft van de 6de eeuw), van wiens minnezangen sommige schoone +fragmenten over zijn; hij is echter zwaarmoedig en sentimenteel, +en naar aanleiding van een op rijperen leeftijd opgevatte maar +onbeantwoorde liefde, bejammert hij vooral de kortheid van de jeugd +en de lasten van den ouderdom. + +Mimus, mimos, eene soort van comoedia, doch niet bestemd om op +het tooneel te worden opgevoerd. Sophron van Syracusae, ± 430, was +er de schepper van. Zijne stukjes, die hoog geroemd werden, gaven +maatschappelijke toestanden, zeden en karakters weer, en waren geheel +uit het leven gegrepen. Bij de vroolijke Siciliërs waren zulke losse +opvoeringen bij landelijke feesten zeer in zwang. De mimen van Sophron +geraakten door Plato ook te Athene bekend, en het genre werd hierdoor +meer en meer verbreid. Ook Italia had zijn mimus, die oorspronkelijk +bestond in een dialoog, dikwijls voor de vuist voorgedragen en +met toepasselijke aardigheden gekruid, en die in dezen vorm nog +lang dienst deed bij begrafenissen van rom. grooten, als wanneer +eenige mimen-acteurs (ook mimi genoemd), in den begrafenisstoet +losse voorvallen uit het leven van den overledene opvoerden. Toen +keizer Vespasianus begraven werd, wiens zuinigheid door het volk +voor gierigheid werd uitgekreten, vroeg opeens de archimimus, die +'s keizers persoon voorstelde, hardop, hoeveel de begrafenis wel +kostte. "Tien millioen sestertiën", was het antwoord. "Ge hadt er +mij liever honderdduizend moeten geven en mijn lijk in den Tiber +werpen."--In den laatsten tijd der republiek werd het schrijven van +mimen een bepaalde tak van letterkunde en werden zij op het tooneel +als nastukjes, exodia, opgevoerd. Het waren echter in hoofdzaak slechts +schetsen, waarvan de uitwerking aan de vertooners was overgelaten. De +naam is ontleend aan het werkwoord mimeisthai; een mimos is eigenlijk +een nabootser. + +Mina, mna, het 60ste deel van een talent = 100 drachmen. + +Minatii, een plebejisch geslacht. + +Mincii = Minicii. + +Mincius, thans Mincio, komt uit Raetia, vormt in zijn loop den lacus +Benacus (Gardameer), stroomt langs Mantua en valt dan in den Padus +(Po). + +Mindarus, Mindaros, werd in 411 opperbevelhebber der peloponnesische +vloot. Hij leed eerst eene nederlaag tegen Thrasyllus en Thrasybulus +bij Abydus, en toen Alcibiades weder aan het hoofd van het leger stond, +versloeg deze hem in het begin van het volgende jaar te land en ter +zee in den grooten slag bij Cyzicus, waarin M. zelf sneuvelde. + +Mindii, plebejisch geslacht. + +Minerva, romeinsche godin van wijsheid en kennis, geïdentificeerd met +de grieksche Athena, en waarschijnlijk daardoor ook als oorlogsgodin +beschouwd, maar in de eerste plaats beschermster van kunsten, +wetenschappen en handwerken. Onder hare tempels was de voornaamste +die op het Capitolium, waarin zij gemeenschappelijk met Jupiter en +Juno vereerd werd. Bovendien had ze een tempel op den Aventinus, +waarvan de stichtingsdag samenviel met haar voornaamste feest, de +Quinquatrus (z. a.). Pingui Minerva of crassa M., op boersche wijze; +sus Minervam, een zwijn, dat M. wil onderrichten, een domme betweter. + +Minervae promunturium, Athenas akron, steil en scherp vooruitspringend +voorgebergte op de kust van Campania tegenover het eil. Capreae, +eene van de plaatsen, die de mythe als verblijf der Sirenen aanwees. + +Minicii, rom. geslacht, dat eerst in den keizertijd wordt genoemd en +waarvan enkele leden met het cognomen Fundanus voorkomen. + +Minio, riviertje van Etruria, dat ten Z. van de stad Graviscae in +zee valt. + +Minius, Minios, rivier in het N.W. van Hispania, thans Minho, +aldus genoemd, omdat men beweerde, dat hij minium of menie met zich +voerde. Een andere naam is Baenis. + +Minoa, 1) zie Heraclea Minoa.--2) eil. in de Saronische golf bij de +havenstad Nisaea (zie Megara), waarmede het door eene brug verbonden +was.--3) kaap en stad bij Epidaurus Limera in het Z.O. van Laconica. + +Minois, Minois, Ariadne, dochter van Minos. + +Minoïus, -nous, Minoios, -noos, van Minos afstammend, in het algemeen +cretensisch. + +Minos, Minos, 1) zoon van Zeus en Europa, later door Asterion +(z.a.) aangenomen, dien hij als koning van Creta opvolgde. Hij geldt +voor den grondlegger der vroege zeemacht van Creta en van de beroemde, +oude cretensische staatsregeling. Na zijn dood werd hij rechter in +de onderwereld.--2) kleinzoon van den vorigen, eveneens koning en +wetgever van Creta. Hij beweerde dat hij door de goden tot de regeering +geroepen was; om dit te bewijzen, nam hij aan te toonen, dat ieder +gebed van hem verhoord zou worden. Hij bad nu, dat Poseidon een stier +uit de golven zoude doen opkomen, dien hij hem dan offeren zou; de +stier verscheen inderdaad en M. werd koning. Hij offerde echter niet +den beloofden stier, maar een minder schoonen, en hierover vertoornd +boezemde Poseidon aan Pasiphaë, de gemalin van M., eene onnatuurlijke +liefde voor het dier in, waarvan de Minotaurus de vrucht was; daarna +maakte hij het razend, zoodat het groote verwoestingen aanrichtte, +totdat het door Heracles gevangen werd. M. voerde oorlog tegen Athene +(z. Aegeus) en maakte het voor korten tijd schatplichtig. Toen Daedalus +(z.a.), die voor hem het labyrinth gebouwd had, uit Creta gevlucht +was en bij Cocalus op Sicilië een schuilplaats gevonden had, kwam +M. hem daar opeischen; Cocalus deed alsof hij aan zijn eisch wilde +voldoen en ontving hem vriendelijk, maar liet hem in een al te warm +gemaakt bad stikken.--In de oudste mythen schijnt slechts van één +persoon van den naam Minos sprake te zijn. De verhalen omtrent den +grooten bloei en macht van het rijk van M., worden door opgravingen +van den laatsten tijd te Cnosus en Phaestus (z.a.) bevestigd. + +Minotaurus, Minotauros, een monster met een stierekop, voortgebracht +door Pasiphaë en een stier (z. Minos), dat in het labyrinth van +Creta opgesloten gehouden en met menschenvleesch gevoed werd. Theseus +doodde het. + +Minthe, Menthe, Minthe, eene door Hades beminde nimf, door Demeter +of Persephone in een kruizemunt veranderd. De berg Minthe bij Pylus +was naar haar genoemd. + +Minturnae, Mintournai, stad in het Z. van Latium aan den mond van +den Liris, in het oude gebied der Aurunci, in 296 rom. kol. De via +Appia liep er langs. De slechte uitwatering der rivier vormde hier +de beruchte moerassen aan de kust, paludes Minturnenses. Dáár hield +Marius zich eenige dagen schuil, tot hij ontdekt werd, en slechts +door een gelukkig toeval (een Cimbrische slaaf zou tot beul dienen, +en schrikte daarvoor terug) den dood ontkwam. Bij de stad was een +bosch en grot, aan de nimf Marica gewijd. + +Minucia (lex) van den volkstribuun M. Minucius, in 216 na den slag +bij Cannae, toen er eene groote geldcrisis te Rome heerschte. De wet +strekte tot tijdelijke instelling eener mensa publica of staatsbank, +onder beheer van triumviri mensarii. + +Minucia (lex), van een volkstribuun Minucius Rufus, van 121, tot +opheffing van de colonia Iunonia, in 122 door C. Gracchus op de +plaats van het oude Carthago gesticht. Zie onder Agrariae leges: +Lex Sempronia agraria van C. Gracchus. + +Minucii, rom. geslacht, patricisch en plebejisch. 1) M. Minucius +Augurinus, consul in 497 en 491.--2) L. Minucius Esquilinus Augurinus, +consul in 458, werd door de Aequi ingesloten en door den dictator +L. Quinctius Cincinnatus ontzet. Hij werd vervolgens door den dictator +in zijn consulaat geschorst òf genoodzaakt het neer te leggen. In +450 was hij een der decemviri legibus scribundis. In 439 was hij het, +die Sp. Maelius aanklaagde.--3) M. Minucius Rufus, consul in 221, in +217 magister equitum van den dictator Q. Fabius Maximus Verrucosus, +werd door de lex Metilia (z. a.) met den dictator in gezag gelijk +gesteld. In onberaden drift liet hij zich door Hannibal tot een slag +verleiden en zou verloren zijn geweest, zoo Fabius niet tijdig te hulp +ware geschoten. Toen echter zag Minucius zijn ongelijk in en stelde +zich vrijwillig weder onder het opperbevel van Fabius. Hij sneuvelde +in 216 bij Cannae.--4) Q. Minucius Rufus, consul in 197, zegevierde +over de Liguriërs en Bojers, maar niet te Rome, maar op den mons +Albanus.--5) M. Minucius Rufus, consul in 110, overwon als proconsul +in 109 de thracische Scordisci en bouwde de porticus Minucia.--6) +Q. Minucius Thermus, consul in 193, streed tegen de Liguriërs. In 189 +sneuvelde hij onder den consul Cn. Manlius Vulso tegen de Galaten.--7) +Onder den praetor Minucius Thermus, die Mytilene belegerde en innam +(81-80), verrichtte Caesar zijn eersten krijgsdienst.--8) Minucius +Thermus, in 62 volkstribuun, later (51 en 50) propraetor van Asia, +behoorde onder de vrienden, met wie Cicero briefwisseling hield. In +den burgeroorlog was hij aan de zijde van Pompeius.--9) L. Minucius +Basilus was legaat van Caesar in Gallia; later was hij een van Caesars +moordenaars; in 43 werd hij door zijn eigen slaven vermoord.--10) +Minucius Felix, een beroemd advocaat te Rome, die in het einde der +2de (v.s. in het begin der 3de) eeuw n. Chr. een dialogus Octavius +geschreven heeft, waarin op zeer scherpzinnige wijze de vooroordeelen +tegen het Christendom worden te berde gebracht en weerlegd. + +Minyades, Minyades, Leucippe, Arsippe en Alcathoë, dochters van Minyas, +weigerden aan den dienst van Dionysus deel te nemen. Tot straf maakte +de god haar waanzinnig, zoodat Leucippe haar eigen zoon doodde; daarna +bleven zij in razernij door de bergen zwerven, totdat zij door Hermes +in vleermuizen veranderd werden. + +Minyae, Minyai, oud-grieksch volk, uit Thessalia onder aanvoering van +Minyas naar Boeotia verhuisd, waar Orchomenus hunne hoofdstad was. Zij +leverden het grootste aantal deelnemers aan den Argonautentocht. Ook +zonden zij eene kolonie naar Lemnus, die echter later weder naar het +eiland Thera en naar het Z. van Elis verhuisde. + +Minyas, Minyas, koning van Orchomenus in Boeotië, mythisch stamvader +der Minyers. Hij was de eerste, die een schatkamer liet bouwen, +waarvan men nog overblijfsels meent te vinden. + +Mirmillones, rom. zwaardvechters, die een gallischen helm droegen, +waarvan de kam met een visch van metaal was versierd. + +Misenum, Misenon, kaap van Campania bij Cumae. Augustus liet hier +eene haven aanleggen als station voor de vloot der Tyrrheensche +zee. Hierdoor ontstond aan de kust een stadje, dat thans verdwenen +is. Zie Misenus. + +Misenus, Misenos, 1) tochtgenoot van Odysseus.--2) vriend van Hector, +bekwaam trompetter, later tochtgenoot van Aeneas; hij daagde de +Tritonen tot een wedstrijd uit, en werd door een van hen gedood. Naar +hem is kaap Misenum genoemd. + +Missio, ontslag, b.v. uit den krijgsdienst, honesta, eervol, wegens +volbrachten diensttijd, causaria, wegens ziekte of lichaamsgebreken, +ignominiosa, wanneer men werd weggejaagd. Ook van zwaardvechters, +die door de gunst van het volk of door de keizerlijke genade ontslagen +en in vrijheid gesteld werden, wordt missio gebruikt, vandaar in het +latere Latijn sine missione pugnare = op leven en dood vechten, geen +kwartier geven.--In bona missio, lastgeving van den praetor om zich +in het bezit te stellen van eens anders goed, dus inbeslagneming, +executie. + +Missus, zie Circus. + +Mithradates (aldus volgens de pontische munten, bij de oude +schrijvers Mithridates, Mithridates, een dikwijls voorkomende naam +in het O. Vooral in het pontische koningshuis is deze naam beroemd +geworden. Als stichter van het groote pontische rijk wordt Mithradates +I genoemd, 337-302. Hij onderwierp zich aan Alexander d. G., doch +werd door Antigonus gedood. Zijn zoon en opvolger, M. II, Ktistes +bijgenaamd, hield zich tegen Alexanders opvolgers staande en vergrootte +zijn gebied (282-266). M. V (IV) Euergetes (150-120) was bondgenoot der +Rom. en ondersteunde hen in den oorlog tegen Aristonicus van Pergamum +en kreeg daarvoor Groot-Phrygia. Zie echter Aquillii no. 1. Hij +sneuvelde bij Sinope. Op hem volgde in 120 zijn zoon Mithradates +VI (V) Eupator, de verbitterde vijand van Rome. Uit vrees voor de +aanslagen zijner moeder brachten trouwe vrienden den 10-jarigen knaap +na zijns vaders dood in het gebergte in veiligheid. Toen hij 20 jaar +oud was, stelde hij zich aan het hoofd van het rijk, strafte zijne +moeder en allen, die tegen hem hadden saamgespannen, en begon toen +zijne veelomvattende plannen voor te bereiden. Hij was een man van +ongemeene geestkracht, van een ijzersterk gestel, onvermoeibaar, +bestand tegen ontberingen en uitspattingen, een goed redenaar, die +22 talen sprak, geslepen van aard, een man, die geen middelen en geen +menschenlevens ontzag. Hij schiep zich een machtig leger en eene vloot, +maakte rondom veroveringen en vermeesterde Cappadocia en Bithynia. Den +Rom., die gedurende zijne minderjarigheid hem Groot-Phrygia hadden +afgenomen, droeg hij een doodelijken haat toe. Toch waagde hij niet +terstond den strijd, doch gaf bij herhaling toe aan de eischen van +Rome, om Capp. en Bith. te ontruimen. Terwijl echter de proconsul +M'. Aquillius (Aquillii no. 2) op trotschen toon het verzoek van +Mithradates om zich tegen Bithynia te mogen verdedigen, afsloeg, +stookte de rom. staatkunde Nicomedes III van Bith. heimelijk op, +invallen in Pontus te doen. Eindelijk, in 88, barstte de bom. Met een +ontzaglijk leger, versterkt door de hulptroepen van zijn schoonzoon +Tigranes van Armenia, veroverde hij in korten tijd de rom. provincie +Asia. Op een bevel des konings, van Ephesus uit gegeven, werden op +één dag 80000 Rom. en Italianen, mannen, vrouwen en kinderen, door de +verbitterde Aziaten gedood. Slechts Magnesia, Cos en Rhodus bleven aan +Rome getrouw, terwijl daarentegen Athene en andere grieksche steden in +Europa de zijde van M. kozen. De veldheer Archelaus scheepte zich naar +Griekenland in, waar hij echter door Sulla bij Chaeronea en daarna bij +Orchomenus in Boeotia werd verslagen (86), terwijl C. Flavius Fimbria +den koning uit Asia grootendeels verdreef. De tijdsomstandigheden +beletten Sulla zijn verblijf in Asia te rekken, hij sloot dus vrede +met M. op deze voorwaarden: het gebied des konings werd tot Pontus +beperkt, de krijgsgevangenen werden door hem vrijgelaten, de vloot +uitgeleverd en 3000 talenten betaald (voorjaar van 85). Daar M. echter +niet rustig bleef, hernieuwde de proconsul L. Licinius Murena in 83 +den oorlog, dien hij echter op Sulla's bevel moest staken (81). In +74 achtte M. zich weder strijdvaardig en de oorlog ontbrandde ten +derden male. M. knoopte betrekkingen aan met Sertorius in Hispania +en met de zeeroovers, doch te vergeefs; Sertorius werd vermoord, +en M. door L. Licinius Lucullus niet slechts uit de prov. Asia, maar +zelfs uit Pontus verdreven, zoodat hij naar Armenia vluchtte. Daar +Tigranes zijne uitlevering weigerde, rukte Lucullus Armenia binnen, +doch moest door een oproer van zijn leger alle veroveringen prijs geven +(zie Licinii no. 24). De lex Manilia (z. a.) droeg het voleindigen +van den oorlog aan Pompeius op en deze bracht aan Mithradates den +genadeslag toe, zoodat de koning, toen vergif niet werken wilde, +waaraan hij zijn lichaam uit voorzorg van jongs af had gewend, zich +door een slaaf liet doodsteken (voorjaar van 63). Zijne grenzenlooze +wreedheid, die met zijne tegenspoeden nog toenam, had zijn eigen volk, +zelfs zijn eigen zoon Pharnaces, van hem vervreemd. + +Mithras, Mithras, perzische god van de zon en van het goede, die +sedert het einde der romeinsche republiek ook in het Westen vereerd +werd. Zijn dienst werd door Domitianus en Traianus officieel te Rome +ingevoerd en was later zeer algemeen. Hij wordt gewoonlijk afgebeeld +als een jongeling in oostersche kleederdracht, geknield op een stier, +wien hij een mes in de keel stoot. + +Mithridates = Mithradates. + +Mithrines, -renes, Mithrines, -renes bevelhebber van Sardes, die +deze stad na den slag bij den Granicus aan Alexander d. G. overgaf +en daarvoor satraap van Armenië werd. + +Mitra, een vrouwenkap van dichte stof, in eene punt uitloopende, +die dan als een zak naar achteren hing. + +Mitylene, Mitylene = Mytilene. + +Mnasalcas, Mnasalkas, van Sicyon, een van de epigrammendichters der +grieksche anthologie; hij leefde omstreeks het midden der 3de eeuw. + +Mnaseas, Mnaseas, van Patrae, leerling van Eratosthenes, schrijver +van een geschied- en aardrijkskundig werk. + +Mnasippus, Mnasippos, werd in 373 met een spartaansche vloot naar +Corcyra gezonden om er de aristocratische partij te ondersteunen. Hij +had de stad reeds bijna door honger tot de overgave gedwongen, +maar zijn hebzucht veroorzaakte ontevredenheid in zijn eigen leger, +en toen de Coryraeërs dit bemerkten, deden zij een uitval, waarbij +Mn. sneuvelde. + +Mneme, Mneme, geheugen, eene van de boeotische Muzen, dikwijls voor +dezelfde gehouden als Mnemosyne. + +Mnemonides, de Muzen, dochters van Mnemosyne. + +Mnemosyne, Mnemosyne, dochter van Uranus, godin van het geheugen, +bij Zeus moeder van de Muzen. + +Mnesarchus, Mnesarchos, leerling van Panaetius, hoofd der stoicijnsche +school (110-90). + +Mnesicles, Mnesikles, bouwmeester van de propylaeën op de acropolis +van Athene. + +Mnesilochus, Mnesilochos, 1) een van de 30 te Athene.--2) zoon van +Euripides, tooneelspeler. + +Mnesimachus, Mnesimachos, geestig blijspeldichter uit het middelste +tijdperk der attische comoedie. + +Mnestheus, tochtgenoot van Aeneas, de mythische stamvader van de +Memmii. + +Mnevis, Mneuis, een heilige stier der Aegyptenaars, te Heliopolis op +dezelfde wijze vereerd als Apis te Memphis. + +Mnoitai, Mnotai, lijfeigenen van den staat op Creta. + +Moabitis, Moabitis, het land van Moab, ten O. der Doode zee. + +Modius, rom. maat, ongeveer = 1/12 hectol. + +Moenus, rivier in Germania, thans Main. + +Moera, Moira, het den mensch beschoren deel of levenslot. Soms blijft +de Moera volkomen een afgetrokken begrip en is dit levenslot eenvoudig +door den wil der goden bepaald, dikwijls wordt zij echter als persoon +gedacht, bekleed met eene geheimzinnige macht, waaraan ook de goden +onderworpen zijn; hare beschikkingen zijn in hoofdzaak onherroepelijk, +toch kunnen zij door goden en menschen, die met de uitvoering er +van belast zijn, in sommige opzichten gewijzigd worden of kan men de +vervulling er van eenigen tijd tegenhouden. In lateren tijd nam men +aan dat er drie Moerae waren: Clotho, Lachesis en Atropus, dochters +van Nyx of van Zeus en Themis, soms met een gemeenschappelijken +naam Kataklothes, spinsters, genoemd, omdat zij den levensdraad van +den mensch afspinnen, den tijd van zijne geboorte en van zijn dood +bepalen en hem zijn lot toedeelen, waarbij zij dikwijls schijnbaar +met wreedheid te werk gaan, maar ten slotte toch altijd de eeuwige +wereldorde handhaven en beschermen. Zij worden meestal beschreven +als leelijke oude vrouwen, maar afgebeeld als eerwaardige jonkvrouwen +met ernstige gelaatstrekken. Eene soortgelijke personificatie van het +noodlot is Aisa, die echter meer dan de Moerae altijd een afgetrokken +begrip gebleven is. + +Moeris, Moiris, gwl. Atticista genoemd, grieksch grammaticus onder +Hadrianus, schrijver van een woordenboek, waarin atticismen (Lexeis +Attikai) door later gebruikelijke uitdrukkingen verklaard worden. + +Moeris, Moirios limne, meer in Aegypte, eigenlijk een laagliggend dal, +tgw. Fajûm geheeten, dat met behulp van een kanaal en zware dijken +in een ontzaggelijk waterbekken herschapen werd door koning Amenemha +III. In het midden stonden twee reuzenbeelden van den koning en diens +gemalin, en aan den ingang het reusachtige paleis Lo-pe-ro-hunt (zie +Labyrinthus). Onder Ptolemaeus Philadelphus werd het meer grootendeels +drooggelegd en met Grieksche kolonisten bevolkt. Hier zijn in den +laatsten tijd tallooze papyri gevonden. In de middeleeuwen zijn de +dammen bezweken en heeft het water een nieuw bekken gevormd. + +Moero, Moiro, dichteres uit Byzantium op het einde der 4de eeuw; +van hare talrijke werken zijn twee epigrammen bewaard gebleven. + +Moesia, het land tusschen den Ister (Donau) en den Haemus (Balkan), +sedert Tiberius rom. provincie. De inwoners heetten Moesi, Mysoi. Het +gewest werd verdeeld in Moesia superior en inferior. Onder Aurelianus +werd er eene nieuwe prov. tusschen gevoegd, Dacia Aureliani (z. a.). + +Mogontiacum, thans Mainz, reeds onder de Rom. eene belangrijke vesting, +hoofdstad van Germania Superior. + +Moliones, -onidae, z. Actoriones. + +Molo, Molon, z. Apollonius no. 3. + +Molois, gen. -entis, Moloeis, beekje nabij Plataeae in Boeotia, +dat in den Asopus valt. Daaraan stond een tempel van Demeter. + +Molorchus, Molorchos, tuinier bij Nemea, die Heracles vriendelijk +ontving en hem goeden raad gaf, toen hij den nemeïschen leeuw ging +bestrijden. + +Molossi, Molossoi, aanzienlijk volk in Epirus; eerst alleen in het +O., aan de bronnen van den Arachthus, ten N. O. van Dodona gevestigd, +breidden zij onder het huis der Aeaciden hun gezag over geheel Epirus +uit. De naamheros van dit volk was Molossus, door Pyrrhus, den zoon +van Achilles, bij Andromache verwekt (zie Helenus). De hoofdstad +was eerst Passaron; later, onder Pyrrhus, sedert 294, Ambracia +(z. a.). Bekend waren de groote molossische doggen. + +Molossus, Molossos, zie Molossi. + +Molus, Molos, zoon van Deucalion, vader van Meriones. + +Molycreum, -cria, Molykreion, -kria, stad in Aetolia aan de invaart +der Corinthische golf, kolonie van Corinthus. + +Momus, Momos, zoon van Nyx, personificatie van spotternij en +vitzucht. Toen hij in Aphrodite eene schoonheid vond, waarop hij geen +aanmerking konde maken, barstte hij van spijt. + +Mona, naam van twee eilanden tusschen Ivernia (Ierland) en +Britannia. 1) Anglesey, dat eerst door Suetonius Paulinus, en later +wederom door Agricola veroverd werd; het was de hoofdzetel van den +Druidendienst.--2) het tegenwoordige Man, dat bij latere schrijvers +Monapia heet. + +Moneta, 1) latijnsche naam voor Mnemosyne.--2) de waarschuwende, +bijnaam van Juno. In den oorlog tegen Pyrrhus had zij namelijk de +Romeinen, die geldgebrek hadden, gewaarschuwd den strijd rechtvaardig +te voeren, in welk geval het hun aan geld niet ontbreken zou. Naar +aanleiding hiervan werd een tempel voor Juno M. gesticht, waar sedert +dien tijd het geld gemunt werd. In werkelijkheid is de tempel reeds +in 344 gewijd, op de plaats waar vroeger het huis van M. Manlius +Capitolinus gestaan had. Het verhaal is dan later ontstaan, ter +verklaring van het feit, dat de tempel van Juno Moneta voor het slaan +van munt gebruikt werd. + +Monoeci portus, zie Herculis mon. p. + +Monoecus, Monoikos, bijnaam van Heracles op de kust van Ligurië, +in het tegenwoordige Monaco. + +Monopterus, monopteros, tempeltje in den vorm van een open koepel, +dus zonder cella. + +Mons Sacer = Sacer Mons. + +Monstrum, zie Auguria. + +Mopsium, Mopsion, heuvel en stad in Thessalia tusschen Tempe en +Larissa. + +Mopsopia, Mopsopia, oude naam voor Attica naar een overouden koning +Mopsopus of Mopsops. Bij dichters mopsopius = atheensch, attisch. + +Mopsucrene, Mopsou krene, stad in Cilicia, ten N. van Tarsus. + +Mopsuestia, Mopsou hestia, stad in Cilicia aan den Pyramus, in de +aleïsche vlakte, aleion pedion. + +Mopsus, Mopsos, 1) zoon van Ampyx of Apollo en Chloris, Lapithe, +nam deel aan de calydonische jacht en vergezelde de Argonauten als +waarzegger; op dezen tocht stierf hij in Lybië aan een slangebeet. Hij +werd als heros vereerd.--2) zoon van Rhacius of Apollo en Manto, +beroemd waarzegger (z. Calchas en Amphilochus). Hij had te Colophon +en te Mallus tempels, waar orakels gegeven werden. + +Mora, bij de Spartanen sedert den derden messenischen oorlog eene +afdeeling zware infanterie, waarschijnlijk in den regel 600 man +tellend, doch niet altijd van dezelfde getalsterkte. Zes morai vormden +het hoplietenleger. + +Morbus comitialis, vallende ziekte, aldus genoemd, omdat, wanneer +iemand staande de comitiën een toeval kreeg, deze gestaakt moesten +worden. + +Morgantium, Morgantia, Morgantion of -tine, oude stad in het binnenland +van Sicilia, ten Z. W. van Centuripae, gesticht door een uit Italia +verdreven stam der Morgetes, Morgetes. + +Morgetes, Morgetes, een afdeeling der Oenotri in Zuid-Italia. Zie +Morgantium. + +Morini, Morinoi, volk in Belgica, aan het tegenw. nauw van Calais. Uit +hunne haven Itius portus was de overvaart naar Britannia het kortst. + +Moriones, misvormde dwergen, dikwijls kunstmatig mismaakt en verwrongen +en verstompt, halve idioten, die bij aanzienlijke Rom. als narren +werden gehouden. + +Mormo, Mormo, Mormolyke, spook in vrouwengestalte, waarmede men +kinderen bang maakte. + +Morpheus, Morpheus, zoon en dienaar van Hypnus, die den menschen in +den droom verschijnt en daarbij altijd eene menschelijke gedaante +aanneemt. Hij wordt voorgesteld als een bejaard, ernstig man met +vleugels aan het hoofd. Zijne broeders Icelus en Phobetor verschijnen +in den droom als dieren, Phantasus als een levenloos voorwerp. + +Morsimus, Morsimos, Athener, zoon van Philocles, arts en +treurspeldichter, als zedeloos mensch en slecht dichter door +Aristophanes gehekeld. + +Morychus, Morychos, atheensch treurspeldichter, wegens zijne +middelmatige poëzie en zijn weelderig leven door Aristophanes scherp +gehekeld. + +Mosa, rivier in Belgica, thans de Maas. Een arm van deze rivier +vereenigde zich met een Rijnarm, de Waal; deze vereeniging, confluens +Mosae et Rheni, had echter niet plaats bij het tegenw. Woudrichem, +want deze laatste verbinding is in de middeleeuwen gegraven, maar +tusschen Dreumel en Rossum. Een andere Maasarm liep zelfstandig naar +zee, en vormde het Helium ostium. + +Moschi, Moschoi, volk in Colchis, waarnaar een Z.W. tak van den +Caucasus den naam draagt van Moschicus mons. + +Moschion, Moschion, 1) atheensch treurspeldichter, jonger tijdgenoot +van Euripides, dien hij in zijne werken schijnt nagevolgd te +hebben. Wegens zijn zedeloos leven wordt hij door de blijspeldichters +bespot.--2) geneesheer, dikwijls door Galenus aangehaald.--3) atheensch +beeldhouwer in het midden der 2de eeuw. + +Moschus, Moschos, van Syracuse, bucolisch dichter, jonger tijdgenoot +van Theocritus, van wien nog eenige werken overgebleven zijn. + +Mosella (= Maasje), rivier in Belgica, thans de Moezel, door Ausonius +bezongen. + +Mosynoeci, Mosynoikoi ( = torenbewoners), volksstam op de kust +van Pontus, die in suikerbroodvormige huizen woonde. De grieksche +schrijvers vertellen allerlei merkwaardigs van hunne ruwe zeden. Hun +hoogste genot was lekker eten en drinken. Wanneer hun koning zijn +waardigheid niet naar behooren bekleedde, lieten zij hem van honger +sterven. + +Mothakes, Modones, kinderen van spartaansche burgers en vrouwen uit +den Helotenstand; zij waren vrij en hadden dikwijls het burgerrecht, +ook werden zij met de jonge Spartanen opgevoed. Somtijds kregen zij +het burgerrecht en sommige mothakes, bijv. Lysander en Callicratidas, +bekleedden hooge waardigheden. + +Mothone = Methone. + +Mutuca, stad in het Zuiden van Sicilia. + +Motye, Motye, oude stad op de N.W. kust van Sicilia, op een eilandje, +dat met een brug aan het groote eiland verbonden was. De stad was +afwisselend phoenicisch, carthaagsch, syracusaansch en wederom +carthaagsch, tot Hamilcar de inwoners in 396 naar Lilybaeum overbracht. + +Moxoene, landschap van Armenia, ten Z. van het meer Thospites. + +Mucia (lex) van den volkstribuun P. Mucius Scaevola in 142, tot +gerechtelijke vervolging van den praetor L. Hostius Tubulus, die zich +had laten omkoopen. + +Mucii, oud plebejisch geslacht. 1) C. Mucius Cordus had in 508 een +aanslag gewaagd op koning Porsena, die Rome belegerde, doch in plaats +van den koning had hij diens schrijver doorstoken. Om te doen zien, +hoe weinig hij den folterdood vreesde, stak hij de rechterhand in +de vlam van een offervuur en verhaalde den koning, dat hij door het +lot als de eerste was aangewezen van 300 jongelingen, die gezworen +hadden, P. naar het leven te staan, zoo hij niet aftrok. Aldus het +verhaal. Mucius verkreeg van de zijnen den naam Scaevola (= linksch), +benevens een stuk land, de Mucia prata.--2) P. Mucius Scaevola was +in 175 de eerste consul uit deze gens, en hield een zegetocht over de +Liguriërs. Zijn broeder Q. was consul in 174.--3) P. Mucius Scaevola, +zoon van den vorigen P. (no. 2), consul in 133, pontifex maximus sedert +131 of 130, eerst verdacht de plannen van Tib. Gracchus te begunstigen, +was later een voorstander der optimatenpartij. Hij muntte uit door +redenaarstalent en groote rechtskennis. Hij heeft waarschijnlijk +de annales maximi uitgegeven, z. annales.--4) P. Licinius Crassus +Mucianus, broeder van no. 3. Zie onder de Licinii no. 11.--5) +Q. Mucius Scaevola, zoon van no. 3, volkstribuun in 106, consul in 95 +en pontifex maximus, bekleedde zijne meeste ambten tegelijk met den +redenaar Crassus; hij was een streng eerlijk en rechtvaardig man, +en bestuurde in 95 en 94 de provincie Asia zóó, dat de inwoners te +zijner eer een jaarlijksch feest, Mucia, instelden. De tolpachters, aan +wier woeker hij paal en perk stelde, durfden hem niet aan te tasten, +maar veroordeelden zijn vriend, den legaat P. Rutilius Rufus. In +82 werd hij op last van den jongen Marius vermoord. Hij was een +uitstekend rechtsgeleerde en groot redenaar.--6) Q. Mucius Scaevola, +bijgenaamd de augur, consul in 117, zoon van den in no. 2 vermelden +Q., was een man van gematigde beginselen, een verklaard vijand van +geweld, o. a. tegen Gracchus; ook verzette hij zich tegen Sulla's +verlangen om de beide Mariussen, vader en zoon, met nog 10 anderen +tot vijanden van den staat te verklaren (88). Hij was altijd bereid, +met raad en daad hen bij te staan, die zijne hulp behoefden. Zijne +uitnemende rechtskennis was eene reden, dat aanzienlijke jongelieden, +o. a. Cicero en Atticus, er eene eer in stelden, zijne leerlingen te +mogen zijn. Cicero voert hem in meer dan één geschrift als spreker +in.--7) Q. Mucius Scaevola, zoon van no. 6, ook augur, was een +groot vriend van Cicero en vergezelde diens broeder Quintus in 59 +naar Asia.--8) Mucia Tertia, dochter van Q. Mucius Scaevola no. 5, +halve zuster van Q. Metellus Celer en Q. Metellus Nepos, was de derde +vrouw van Cn. Pompeius Magnus, doch werd wegens echtbreuk met Caesar +door hem verstooten. Later huwde zij met M. Aemilius Scaurus. Zij +trachtte in den burgeroorlog Octavianus met haren zoon S. Pompeius +te verzoenen.--9) Muciae, twee dochters van no. 6, beroemd om hare +sierlijke taal. + +Mugillanus, familienaam in de gens Papiria (Papirii no. 10). + +Mulciber, die week en smeedbaar maakt, bijnaam van Vulcanus. + +Mulsum, een drank, bereid uit most of wijn en honig. + +Mulucha, Molochath, grensrivier tusschen Mauretania, het rijk +van Bocchus, ten W. en Numidia, het rijk van Jugurtha, ten O.; +in den keizertijd grens tusschen Mauretania Tingitana ten W. en +M. Caesariensis ten O. + +Mulvius pons = Milvius pons. + +Mulus Marianus, een door Marius uitgevonden draagtoestel voor de +bagage der soldaten. Hij bestond uit een staak, die waarschijnlijk +met riemen op den rug werd vastgemaakt en waaraan van boven een plank +bevestigd was om er den last op vast te binden. + +Mummii, plebejisch geslacht, waarvan 1) in 187 twee volkstribunen, +Q. en L., voorkomen, tegenstanders van M. Porcius Cato, toen deze +de Scipiones (Cornelii no. 13 en 14) aanviel.--2) L. Mummius, een +goedhartig en eerlijk, maar ruw en onbeschaafd man, die als consul +in 146 naar Achaia werd gezonden en na de Achaeërs bij Leucopetra op +den Isthmus verslagen te hebben, Corinthus veroverde, dat trouwens +reeds door het grootste gedeelte der inwoners verlaten was. Van de +achtergeblevenen werden velen vermoord, anderen als slaven verkocht, +de stad werd geplunderd en aan de verwoesting prijs gegeven. Bij zijne +terugkomst kreeg Mummius een zegetocht en den bijnaam Achaicus. In +142 was hij censor met Scipio Africanus minor; hij geraakte echter met +hem in twist.--3) Sp. Mummius, broeder en legaat van no. 2, was meer +beschaafd, hij had eenigen naam als redenaar en was de stoicijnsche +wijsbegeerte toegedaan. Hij is de eerste Romein, die brieven in +dichtmaat schreef, waarin hij op grappige wijze zijn wedervaren te +Corinthe verhaalde. + +Munatii, plebejisch geslacht, dat eerst tegen het einde der +rom. republiek naam maakte. 1) L. Munatius Plancus, vriend en legaat +van Caesar in Gallia, een man, schijnbaar van verzoenende gezindheid, +die na Caesars dood zich bij Antonius en Lepidus aansloot, doch +voor de moordenaars amnestie bepleitte. Toch was het de zucht om uit +eigenbelang alle partijen te vriend te hebben, die hem dreef, en de +vrees zichzelf te benadeelen maakte hem veeltijds besluiteloos. In +44 en 43 bestuurde hij Gallia comata en stichtte toen Rauraca, later +Augusta Rauracorum geheeten, en Lugdunum (no. 1). In 42 was hij consul, +in 40 voor Antonius landvoogd van Syria, waar hij afpersingen pleegde; +vervolgens liep hij tot Octavianus over, voor wien hij later den titel +Augustus bedacht. Zijn bijzonder leven was ver van smetteloos. Horatius +wijdde hem een ode.--2) Cn. Munatius Plancus, broeder van no. 1, +diende eerst onder Caesar en later onder zijn broeder, doch moest +wegens ziekte naar huis terugkeeren.--3) T. Munatius Plancus Bursa, +broeder van no. 1 en 2, volkstribuun in 52, ijverde voor Clodius +en tegen Milo. Daarom trad Cicero als aanklager tegen hem op en hij +werd veroordeeld. Later werd hij door Caesar teruggeroepen. In den +Mutinensischen oorlog diende hij onder Antonius.--4) L. Plautius +Plancus, door een Plautius geadopteerd, broeder der drie vorigen, +kwam om bij de vogelvrijverklaringen onder het tweede driemanschap. + +Munda, 1) stad in Baetica, ergens in den omtrek van Corduba (Cordova), +bekend door de overwinning van Scipio op de Carthagers (214) en +van Caesar op de zonen van Pompeius (45).--2) stad der Celtiberi in +Tarraconensis.--3) rivier in Lusitania, thans Mondego. + +Mundobriga = Medobriga. + +Mundus is een kuil (fossa), waarvan men vooronderstelt, dat hij met +de onderwereld in verbinding staat. Gewoonlijk is deze kuil gesloten; +slechts op 24 Augustus, 5 October en 8 November wordt hij geopend; +men spreekt dan van mundus patet; de schimmen der afgestorvenen +hebben dan gelegenheid de aarde weder te bezoeken. Vooral wordt de +naam mundus gebruikt voor een kuil, die bij de stichting van Roma +quadrata in het midden van de stad werd aangelegd, en waarin men de +eerstelingen van allerlei veldvruchten wierp; de plaats lag vóór +den lateren Apollotempel op den Palatinus, en het altaar er bij +heette ook Roma quadrata. Een andere mundus vond men op het forum, +n. m. de lacus Curtius, zie Curtii no. 2. Hierin werden jaarlijks +geldstukjes geofferd. + +Municipium, stad, die bij Rome is ingelijfd, waarvan dus de burgers +het rom. burgerrecht hebben, doch die tevens haar zelfstandig +gemeentebestuur heeft behouden (zie daartegenover praefectura). De +inwoners deelden in alle lasten der Romeinen, vooral dienstplicht en +belasting, en hadden het commercium en conubium of één van beide, +maar misten het ius suffragii et honorum. Ze hadden dus de civitas +sine suffragio, en heetten municipes, d. w. z. qui munia capiunt, +die de lasten op zich nemen (zonder de lusten). Tot deze steden +behoorden o. a. Tusculum, Cumae, Fundi en Formiae. Langzamerhand +kregen ze alle het volledig burgerrecht, zie Valeria (lex) van den +volkstribuun Valerius Tappo (188). Na den oorlog met Pyrrhus hebben +de Romeinen de civitas sine suffragio niet meer verleend, maar de +verovering van Italia voltooid door het stichten van kolonies. Toen +echter door de lex Iulia (90) en de lex Plautia Papiria (89) geheel +Italia het burgerrecht verkreeg, werden alle zelfstandige steden van +Italia municipia. Sedert dien tijd, vooral onder de keizers, werden +verschillende steden in de provinciën tot municipia verheven. In den +regel stonden aan het hoofd twee jaarlijksche overheden, duumviri iuri +dicundo, eene enkele maal vindt men ook aedilen of een dictator. In +den keizertijd bestond het stedelijk bestuur uit vier ambtenaren, +n. m. II viri iuri dicundo en II viri aediles, die somtijds één +college vormden. Verder had men een gemeenteraad, senatus, ordo +decurionum of curia genoemd, die in den regel uit 100 leden bestond; +aan het hoofd hiervan stonden de decemprimi. De senaat werd om de vijf +jaar aangevuld bij den census door de II viri of III viri censoria +potestate, gewoonlijk quinquennales genoemd. De burgerij (populus) +was ingedeeld in tribus of in curiae, en kwam tributim of curiatim +samen voor wetgeving, magistraats- en priesterkeuzen, evenals te +Rome in de comitia. In bijna alle municipia vindt men pontifices en +augures, door de comitia voor hun leven gekozen, verder flamines, die +voor den tijd van één jaar door den gemeenteraad werden benoemd, en +den eeredienst der geconsacreerde keizers, of van den nog regeerenden +keizer verrichtten, flamines Augusti of Augustales geheeten. Hiervan +onderscheiden waren de sexviri of seviri Augustales, die de spelen +en offers, die ze gaven, zelf bekostigden. In den regel waren het +libertini, en daar ze na afloop van het jaar hun eererechten behielden, +vormden ze een bevoorrechten stand, ordo seviralium of ordo Augustalium +geheeten. Met het priestercollege der sodales Augustales te Rome +(zie sodales) hadden de Augustales in de municipia niets gemeen dan +den naam. + +Munimentum Corbulonis, versterking in het land der Friezen, door +Corbulo aangelegd. + +Munus (gladiatorium), z. Ludi aan het slot, en Gladiatores. + +Munychia, Mounychia, de oostelijkste en kleinste der drie oorlogshavens +van Athene. De haven lag aan den voet van den heuvel Munychia, die +een sterke vesting vormde. Dichterlijk munychius = atheensch. + +Munychia, Mounychia, feest ter eere van Artemis Munychia, te Athene +den 16den Munychion gevierd; men offerde haar koeken, die met lichtjes +bezet waren en de volle maan voorstelden. De slag bij Salamis werd +tegelijk hiermede herdacht. + +Munychion, Mounychion, 10de maand van het Attische jaar (April-Mei), +z. Annus. + +Munychus, Mounychos, 1) aanvoerder der Minyers, die, door de Thraciërs +uit Orchomenus verdreven, zich in Attica vestigden.--2) = Munitus, +z. Laodice no. 2. + +Murcia, een godin, die een sacellum had in den Circus Flaminius te +Rome, maar wier beteekenis reeds vroeg vergeten was; men noemde haar +nu Myrtea, myrtengodin, en identificeerde haar met Venus. + +Murena, familienaam in de gens Licinia (Licinii no. 27-32). + +Murgantia, 1) stad in Samnium.--2) = Morgantium. + +Murrha of murra, eene stof, waaromtrent reeds bij de ouden verschil van +gevoelen bestond. Men had er allerlei vaatwerk van, murrhina vasa, als: +bekers, vazen, schepnappen, enz., waarvoor fabelachtige sommen werden +betaald. Zij waren licht en broos. V. s. heeft men hier te doen met +chineesch porselein, uit het verre Oosten aangevoerd. Anderen denken +aan vloeispaath. + +Mursa, Moursa, stad in Pannonia Inferior, aan den Dravus, dicht bij +de monding in den Donau. Tgw. Essek. + +Mus, familienaam in de gens Decia. + +Musa, beroemd arts. Zie Antonii no. 14. + +Musae, Mousai, godinnen van het gezang, later ook van poëzie, kunst +en wetenschap. In de oudste tijden sprak men van slechts ééne Muze, +later worden er drie genoemd, Melete, Mneme en Aoede, wier dienst +door de Aloaden aan den Helicon zou ingevoerd zijn; gewoonlijk +neemt men echter negen Muzen aan, terwijl aan iedere een bepaalde +werkkring wordt aangewezen. Hare namen zijn: Clio, Euterpe, Thalia, +Melpomene, Terpsichore, Erato, Poly(hy)mnia, Urania en Calliope; zij +zijn dochters van Zeus en Mnemosyne, v. a. van Uranus en Gaea en zijn +geboren in Pieria (Pierides, Pimpleides). Inderdaad is de dienst der +Muzen van dit land naar Boeotië aan den Helicon overgebracht, waar haar +geliefkoosde plaats bleef (Helikoniades) en waar zij meer dan elders +vereerd werden; hier hadden zij beelden en tempels, hier waren de +haar gewijde bronnen Aganippe en Hippocrene en werd door de Thespiërs +te harer eere het groote feest Mouseia gevierd. Niettemin verbreidde +zich haar eeredienst over geheel Griekenland, vooral naar plaatsen, +die rijk aan bronnen waren, en naar deze verschillende plaatsen hebben +zij een groot aantal bijnamen.--Als godinnen van het gezang staan +zij in betrekking tot Apollo, als godinnen der dramatische poëzie +tot Dionysus, te Rome hadden zij een tempel gemeenschappelijk met +Hercules. Over hare attributen zie de namen der verschillende Muzen. + +Musaeus, Mousaios, 1) mythisch zanger, priester en waarzegger +in Attica, dikwijls zoon of leerling van Orpheus genoemd. Zijne +voorspellingen werden ten tijde der Pisistratiden door Onomacritus +verzameld en vervalscht.--2) van Ephesus, dichter van een episch +gedicht Perseis e. a.; hij leefde aan het hof te Pergamum.--3) dichter +van een bevallig epos over Hero en Leander; hij leefde laat in den +romeinschen keizerstijd, misschien eerst in het begin der 6de eeuw. + +Musagetes, Mousagetes, bijnaam van Apollo als aanvoerder der Muzen. + +Musculus, belegeringswerktuig, een schutdak, van voren schuin naar +den grond afloopende, tot beschutting der soldaten, die eene mijn +moesten graven. + +Museum, Mouseion, tempel der Muzen of aan haar gewijd gebouw; +bijzonder een gebouw te Alexandrië, waar de geleerden, die aan de +bibliotheek werkzaam waren, woning en onderhoud vonden, het middelpunt +der alexandrijnsche studiën. Bij de burgertwisten onder Aurelianus +werd het verwoest. + +Musicanus, Mousikanos, indisch vorst, die zich aan Alexander +d. G. onderwierp, en door hem in het bezit van zijn rijk bevestigd +werd. Toen hij later afviel, werd hij gevangen genomen en ter dood +gebracht. + +Musonius Rufus (C.), stoicijnsch wijsgeer uit den rom. ridderstand, +geboortig uit Volsinii, van een zóó edel karakter, dat Vespasianus, +toen hij de wijsgeeren uit Rome verbande (71 n. C.), hem uitzonderde +en in hooge achting hield. Hij was door Nero als verdacht aan de +samenzwering van Piso in 65 naar het eiland Gyarus verbannen, maar +na diens dood teruggekeerd. Hij was de leermeester van Epictetus. Hij +schreef in het Grieksch. Enkele fragmenten zijn er nog over. + +Mustius (C.), rom. ridder, een van Cicero's vrienden. + +Musulani, dappere volksstam in Numidia. + +Muta, z. Larunda. + +Muthul, rivier in Numidia, zijrivier van den Bagradas, bij de +verdeeling als grens aangenomen tusschen Jugurtha's gebied en dat +van Adherbal. In het dal van deze rivier, versloeg Metellus Numidicus +(Caecilii no. 13) Jugurtha in 108. + +Mutina, Moutine, thans Modena, fraaie, welvarende stad in Gallia +Cisalpina, aan de via Aemilia, sedert 183 rom. kol. Bellum Mutinense +wordt de oorlog genoemd van 44-43, toen na Caesars dood M. Antonius +D. Brutus uit zijn stadhouderschap van Gallia Cisalpina wilde +ontzetten. Zie Antonii no. 4 en Iunii no. 6. + +Mu(t)tines of Myttones, een Libyphoenix, valt van de Carthagers af +en speelt Acragas den Romeinen in handen (210), waardoor Sicilië +voor de Carthagers verloren gaat. Later wordt hij Romeinsch burger, +en heet nu M. Valerius Mutines. + +Mutinus, -tunus Tutunus, god der vruchtbaarheid, geïdentificeerd +met Priapus. + +Mutusca, Mutuesca, zie Trebula no. 2. + +Mycale, Mykale, voorgebergte op de aziatische kust tegenover het +eiland Samus, bekend door de overwinning, die de Grieken in 479 onder +Leotychides en Xanthippus te land en ter zee op de Perzen behaalden. + +Mycalessus, Mykalessos, oude boeotische stad, tot het gebied van +Tanagra behoorende. Op deze plek zou de koe het eerst geloeid hebben +(mykasthai), welker spoor Cadmus volgen moest. In 413 werd de stad +verwoest door thracische huurbenden in atheenschen dienst. + +Myceensch tijdperk noemt men het tijdperk, dat op het aegaeische +(z. a.) volgt en duurt tot de vestiging der Doriërs in de +Peloponnesus. De bloeitijd van deze cultuur is vóór-grieksch, en wordt +ook wel cretensisch genoemd (2500-1500); hierop volgt dan 1500-1000 +de eigenlijk myceensche of achaeische cultuur. Hoewel uit dit tijdperk +geen geschreven geschiedenis over is, stellen overblijfselen, in groote +hoeveelheid gevonden te Mycenae, Tiryns, in Argolis, op de Cycladen +en Creta, ons in staat ons den toen heerschenden beschavingstoestand +voor te stellen. Groote gebouwen, paleizen en koningsgraven, en +tal van kunstvoorwerpen in brons, goud en zilver, wijzen, bij het +vorige tijdperk vergeleken, op aanmerkelijken vooruitgang in kunst +en nijverheid. + +Mycenae, Mykenai, stad in Argolis, de rijkszetel van Agamemnon en +destijds de voornaamste stad van Griekenland. Toen echter de Doriërs +in de Peloponnesus vielen en Argolis grootendeels vermeesterden, +taande de luister van Mycenae, hoewel het nog een afzonderlijk staatje +bleef. Toen Mycenae zich bij Sparta had aangesloten, werd het in 468 +door de bewoners van Argos aangevallen en verwoest, daar de bevolking +door den honger de plaats ontruimen moest. Mycenae had cyclopische +muren; eene der poorten, waarvan nog overblijfsels bestaan, wordt +de leeuwenpoort genoemd. Bij dichters is Mycenaeus dux = Agamemnon, +Mycenis = Iphigenia. + +Mycene, Mykene, dochter van Inachus. + +Mycerinus, Mykerinos, koning van Aegypte omstreeks de 30ste eeuw, +bouwde een pyramide, kleiner maar schooner dan die van zijne +voorgangers Cheops en Chephren. + +Myci, Mykoi, volk in het perzische landschap Gedrosia. + +Myconus, Mykonos, ook Mycone, eil. van de Cycladengroep, ten N.O. van +Delus. Spreekwoordelijk mia Mykonos = allemaal één pot nat, hetzij +omdat de inwoners den naam hadden, allen kaalhoofdig te zijn, of +wegens hun hebzucht en inhaligheid. Ook staan ze spreekwoordelijk +bekend als klaploopers. + +Mygdon, Mygdon, 1) koning der Bebryciërs, door Heracles op zijne reis +naar de Amazonen gedood.--2) zoon van Acmon, vader van Coroebus, koning +der Phrygiërs, streed met Otreus en Priamus tegen de Amazonen. Naar +hem Mygdones = Phrygiërs, Mygdonius = phrygisch. + +Mygdonia, Mygdonia, 1) landschap in Macedonia ten O. van den Axius +(Vardar) en ten N. van Chalcidice.--2) streek ten Z. der Propontis +in Phrygia en Bithynia, bevolkt door Mygdoniërs uit Thracia, zie +Mygdon no. 2.--3) streek in het N.O. van Mesopotamia, Anthemusia, +Anthemousia, bloemengaard, genoemd. + +Mygdonius, rivier in N.O. Mesopotamia, stroomt langs Nisibis en valt +in den Chaboras (z.a.). + +Myia, Muia, 1) dochter van Pythagoras en Theano, gehuwd met den +worstelaar Milo.--2) dichteres van Thespiae, v. s. dezelfde als +Corinna.--3) spartaansche dichteres, van wie lofzangen op Apollo en +Artemis vermeld worden. + +Mylae, Mylai, kolonie van Zancle, gesticht ± 715, vesting en havenstad +op de N.kust van Sicilia. In de nabijheid behaalde Duillius in 260 de +overwinning ter zee op de Carthagers en Agrippa in 36 op S. Pompeius. + +Myla(s)sa, ta Mylassa, welvarende stad in het binnenland van Caria, +oude koningsresidentie. + +Mylitta, Mylitta, babylonische godin van bevruchting en voortplanting, +moeder van het heelal, door de Grieken voor dezelfde gehouden als +Aphrodite Urania. + +Myndus, Myndos, dorische kolonie in Caria nabij Halicarnassus. De +stad was klein en had groote poorten. Toen Diogenes ze bezocht, gaf +hij den raad, de poorten toch gesloten te houden, opdat de stad er +niet uit zou loopen. + +Myon, Myonia, Myon, Myonia, stad der ozolische Locriërs, ten N. van +Amphissa, hoog gelegen aan een gevaarlijke bergpas, die naar Aetolia +voerde. + +Myonnesus, Myonnesos (= mosseleiland), kaap en stad in Ionia aan de +golf van Ephesus. Hier werd in 190 de vloot van Antiochus III van +Syria door L. Aemilius Regillus vernietigd. + +Myoparo, myoparon, een licht, zeer snel loopend kaperschip. + +Myos Hormus, myos hormos (= mosselhaven), belangrijke koopstad in +Aegypte aan de Arabische golf, ongeveer tegenover de Zuidspits van +Petraea. + +Myra, ta Myra, aanzienlijke stad van Lycia, in den keizertijd hoofdstad +van de provincie Lycia et Pamphylia, met de havenstad Andriace. + +Myrcinus, Myrkinos of Myrkinos, versterkte stad in Thracië, in het +land der Edoniërs, ten N. van Amphipolis. De stad was gesticht +door Histiaeus van Miletus, doch werd spoedig door de Edoniërs +veroverd. Aristagoras sneuvelde hier, toen hij trachtte de plaats te +herwinnen, in 497. + +Myriandus, Myriandrus, Myriandos, Myriandros, phoenicische volkplanting +in Syria, aan de golf van Issus, een belangrijke handelsplaats. + +Myrina, Myrina, 1) eene der steden van den aeolischen bond op de kust +van Mysia, nabij Cyme.--2) stad op Lemnus. + +Myrlea, Myrleia, stad aan de Propontis in Bithynia, aan den Cianus +sinus, door de Colophoniërs gekoloniseerd, door koning Prusias I (± +200) vergroot en naar zijne gemalin Apama in Apamea verdoopt. + +Myrmecides, Myrmekides, van Miletus, leefde ten tijde van Pericles +te Athene als vervaardiger van fijne kunstwerken in ivoor en metaal. + +Myrmidones, Myrmidones, het volk van Achilles. Volgens de sage was +het eiland Aegina door de pest ontvolkt en veranderde Zeus op de bede +van Aeacus de mieren (myrmekes) in menschen. Onder Aeacus' zoon Peleus +zouden zij naar Thessalia getogen zijn, naar het landschap Phthiotis. + +Myro, Myro = Moero. + +Myron, Myron, 1) tyran van Sicyon, grootvader van Clisthenes +no. 1.--2) van Eleutherae, beroemd beeldhouwer te Athene uit de +eerste helft der 5de eeuw, leerling van Ageladas. Hij werkte bij +voorkeur in metaal, zijne beelden van menschen en dieren muntten uit +door natuurlijkheid. Vooral beroemd was zijne Koe en de Marsyasgroep; +zijn Discobolus is op blz. 238 afgebeeld.--3) van Priene, beschreef +de geschiedenis van den eersten messenischen oorlog. Hij leefde in +de 2de eeuw. + +Myronides, Myronides, zoon van Callias, een van de veldheeren der +Atheners bij Plataeae, overwon de Corinthiërs bij Megara (457) en de +Boeotiërs bij Oenophyta (456), waarna hij in bijna geheel Boeotië de +democratie weder invoerde; van een krijgstocht naar Thessalië moest +hij echter onverrichter zake terugkeeren. Als gematigd democraat +streefde hij meer naar de ontwikkeling van Athene als landmacht dan +als zeemacht. + +Myrrha, Myrra, dochter van Cinyras en bij hem moeder van Adonis. + +Myrrhina, Myrrine, ook Byrsine geheeten, dochter van Callias, gemalin +van Hippias no. 1. + +Myrsilus, Myrtilus, Myrsilos, Myrtilos, 1) zoon van Hermes, wagenmenner +van Oenomaüs (z. a.), dien hij aan Pelops verried. Pelops had hem tot +loon voor zijn verraad de helft van het rijk van Oenomaüs beloofd, maar +om zich van deze belofte te ontslaan, wierp hij M. in zee. Door Hermes +werd deze als voerman onder de sterren geplaatst.--2) = Candaules.--3) +tyran van Mytilene, tijdgenoot van Alcaeus, die hem in zijne gedichten +aanvalt.--4) van Methymna, geschiedschrijver in het begin der 3de eeuw. + +Myrsinus, Myrsinos, stad der Epeërs bij de N.W. kust van Elis, later +Myrtuntium geheeten. + +Myrtea, z. Murcia. + +Myrtis, Myrtis, van Anthedon, lyrische dichteres, leermeesteres van +Corinna en Pindarus genoemd. + +Myrtoum (mare), Myrtoon pelagos, dat gedeelte der Aegaeïsche zee, +dat tusschen de buitenrij der Cycladen en Griekenland ligt. De naam +schijnt ontleend aan het eilandje Myrtus, Myrtos of Myrto ten Z. van +Euboea, dicht bij Geraestus. + +Myrtuntium, Myrtontion = Myrsinus. + +Myrtus, Myrtos, of Myrto, eiland, zie Myrtoum mare. + +Mys, Mys, bekwaam graveur, toreutes, te Athene ten tijde van Pericles; +hij maakte o. a. het schild bij de Athena Promachus van Phidias. + +Myscellus, Myskellos, van Argos, zoude volgens een orakel eerst +kinderen krijgen, wanneer hij een stad gebouwd had op een plaats, +waar hij het bij helderen hemel zou zien regenen. In Italië gekomen, +begon zijne vrouw, wanhopende aan de mogelijkheid hiervan, bitter +te weenen, en M., hierin de vervulling van het orakel ziende, +stichtte de stad Croton. Later keerde hij naar Argos terug, waar hij +aangeklaagd werd omdat hij tegen de wet zijn vaderland verlaten had, +maar Heracles veranderde de zwarte boonen, waarmede de rechters hem +ter dood veroordeeld hadden, voor de opening van de stembus in witte, +zoodat hij vrijgesproken werd. + +Myscon, Myskon, aanvoerder der Syracusanen in den oorlog tegen Athene. + +Mysia, Mysia, landstreek in het N.W. van Asia minor, bevolkt door den +thracischen stam der Mysi, Mysoi. Mysia heeft nooit een afzonderlijken +staat, noch eene perzische satrapie uitgemaakt; vandaar dat de +grenzen niet te bepalen zijn. Het noordelijke gedeelte langs de +Propontis (zee van Marmara) is Mysia minor, he mikra, ook Phrygia +ad Hellespontum geheeten, omdat het onder den satraap van Phrygia +stond. Het binnenland ten Z. hiervan was Mysia maior, he megale. Het +oude trojaansche gebied werd Troas, Troas, genoemd. Langs de W.-kust +strekte zich Aeolis uit. In het Z.W. had men de landstreek Teuthrania, +Teuthrania, de bakermat van het latere rijk van Pergamus. Mysius dux += Telephus. + +Myson, Myson, door sommigen in plaats van Periander onder de zeven +wijzen van Griekenland gerekend. + +Mistagogus, mystagogos, z. Eleusinia; alg. een gids, die vreemdelingen +rondleidt, om hun de merkwaardigheden van een plaats te toonen. + +Mysteria, mysteria, godsdienstplechtigheden, die alleen voor ingewijden +toegankelijk zijn en waarvan de bizonderheden en de beteekenis voor +niet-ingewijden streng geheim gehouden moeten worden. Zij bevatten +niet alleen de gewone godsdienstige handelingen, offers, gebeden, +enz., maar kenmerken zich door mimische en dramatische voorstellingen +van de geschiedenis of van eene gebeurtenis uit de geschiedenis +van den god, te wiens eere zij gevierd werden. Deze voorstellingen, +gepaard met het vertoonen van bepaalde voorwerpen, die als het ware +den god vertegenwoordigden (symbolen), waren er op ingericht om bij de +geloovigen eene enthusiastische gemoedsbeweging te veroorzaken, waarin +zij zich werkelijk in tegenwoordigheid van den god waanden en waardoor +zij zich buitengemeen gelouterd en gesticht gevoelden. Dat de mysteriën +dienstbaar gemaakt werden aan het verbreiden van een of ander dogma, +dat buiten het volksgeloof stond, is niet waarschijnlijk; wel schijnen +zij ten doel gehad te hebben het geloof aan de onsterfelijkheid der +ziel te bevestigen en het vertrouwen op te wekken, dat de ingewijden +hiernamaals boven anderen bevoorrecht zouden zijn. De beroemdste +mysteriën waren die van Demeter te Eleusis (z. Eleusinia), als bizonder +heilig golden ook de samothracische mysteriën der Cabiri, ook Dionysus, +Sabazius, Aphrodite, Cybele, Isis, Osiris, Mithras e. a. werden op +deze wijze vereerd.--De mysteriën zijn zeer oud en worden beschouwd +als overblijfsels van pelasgischen eeredienst; een tijd lang door de +helleensche godsvereering op den achtergrond gedrongen, herleefden +zij vooral door den invloed der Orphici omstreeks het einde der +7de eeuw. Later, bij het verval van het oude geloof, gelukte het +ook eene dergelijke vereering van vreemde godheden ingang te doen +vinden, die soms, in weerwil van de tegenwerking van den staat, +groote populariteit verwierven. + +Mystes, mystes, ingewijde van den laagsten graad bij de mysteriën, +z. Eleusinia. + +Mystrum, mystron, grieksche maat voor natte waren, het 4de gedeelte +van een cyathus. + +Mytilene, Mytilene, machtige en bloeiende hoofdstad van het eiland +Lesbus, aan de O.-zijde gelegen, de geboorteplaats van Pittacus, +Sappho, Alcaeus, Hellanicus, thans Metelin. De stad kreeg een +gevoeligen knak in 427, toen zij voor haren afval van het atheensche +zeeverbond getuchtigd werd (zie Cleon). In den oorlog van Alexander +den Gr. werd M. door de Perzen ingenomen, doch door Alex. heroverd. In +80 werd ze na een langdurig beleg door M. Minucius Thermus (Minucii +no. 7) ingenomen, en streng gestraft voor haar afval en heulen met +Mithradates. De stad had twee havens. + +Myus, gen. -untis, Myous, stad in Caria aan de monding van den +Maeander, de kleinste stad van het ionisch verbond, eene der drie +steden, waarvan de inkomsten door Artaxerxes I aan Themistocles werden +toegewezen. Door de sterke aanslibbing geraakte Myus meer en meer van +de zee verwijderd en werd ten slotte verlaten, daar de inwoners naar +Miletus verhuisden. + + + + + + +N. + + +N. Zie Nefasti (dies). + +Naarmalcha (Nahar Malcha), zie Regium flumen. + +Nabalia = Navalia. + +Nabataei, Nabataioi, machtig volk van Arabia Petraea, waren eerst +nomaden, doch vestigden zich allengs in het land der Edomieten, +Midianieten en Amalekieten, en breidden hunne heerschappij ook +over Arabia felix uit. Petra was hunne hoofdstad. Zij werden nu een +handelsvolk, hun bodem leverde kostbare specerijen en kruiderijen op, +terwijl zij ook een belangrijken veestapel onderhielden. Hunne vorsten +(Aretas, Jonathan) komen eerst als vrienden, later als vijanden der +Maccabaeën voor, hetgeen aan Pompeius aanleiding verschafte, in 64 +een inval in hun gebied te doen. Hun koning Malchus II komt eerst als +vriend van Caesar, later als bondgenoot der Parthen, en na eene zware +bestraffing weder met Octavianus verbonden voor. Traianus vernietigde +hun rijk (105 n. C.). + +Nabis, Nabis, maakte zich kort na den dood van Machanidas (207) van +de heerschappij over Sparta meester, en regeerde als een hebzuchtig +en wreed dwingeland. Hij was eerst met de Romeinen verbonden, hoewel +Philippus in den tweeden macedonischen oorlog trachtte hem voor zich +te winnen; later maakte echter zijn optreden tegenover de andere +peloponnesische staten de tusschenkomst der Romeinen noodzakelijk, en +werd hem door Flamininus zijn geheele rijk buiten Sparta ontnomen. Kort +daarna begon hij, om het verloren gebied terug te winnen, een oorlog +tegen het achaeïsch verbond, waarin hij eene overwinning ter zee +behaalde, doch weldra werd hij door Philopoemen verslagen en daarop +door den aanvoerder zijner aetolische bondgenooten vermoord (192). + +Nabonassar, koning van Babylon, onder assyrische opperheerschappij. In +zijn tijd (26 Febr. 747) begon eene nieuwe jaartelling (aera van +Nabonassar), die in het Oosten vrij algemeen werd. + +Nabonedus = Labynetus no. 2. + +Nabopolassar, assyrisch stadhouder van Babylon (625-604), viel van +Assyrië af en veroverde Niniveh met de hulp van Cyaxares, waarna de +bondgenooten het assyrische gebied onder elkander verdeelden. + +Naeniae, neniae, treurzangen, die bij de begrafenissen van aanzienlijke +personen gezongen werden, hetzij door de bloedverwanten, hetzij +door gehuurde klaagsters, praeficae. Later krijgt het woord ook de +beteekenis van tooverzang en van slaapdeuntje. + +Naevii, plebejisch geslacht. 1) Cn. Naevius, Campaniër van geboorte, +tooneeldichter, de eerste, die fabulae praetextae (zie praetexta) +gedicht heeft, en schrijver van een epos in saturnische maat over +den eersten punischen oorlog. Naar griekschen trant tastte hij in +zijne stukken de aanzienlijkste mannen aan, o. a. de Metellussen en +de Scipio's waardoor hij zich eerst gevangenisstraf, later verbanning +op den hals haalde. Van hem is o. a. de bekende versregel afkomstig: +fató Metélli Római fíunt cónsulés, waarop door de Metelli geantwoord +werd: dabúnt malúm Metélli Naévió poétae. Zie Caecilii no. 3. Hij +overleed te Utica in vrij hoogen ouderdom omstreeks 200.--2) de andere +bekende Naevii, waarvan enkele bij Livius en bij Cicero voorkomen, +zijn van weinig belang. Een er van, Sex. Naevius, een man van geringe +afkomst, komt als aanklager voor tegen P. Quinctius, die door Cicero +verdedigd werd (Quinctii no. 10). Een ander, P. Naevius Turpio, +wordt door Cicero als handlanger van Verres aan de kaak gesteld.--3) +Naevius Sertorius Macro, z. Macro. + +Nahanarvali (Naharvali), ligysche stam in Germania, aan de Viadua +(Oder). + +Nahar Malcha (Naarmalcha), zie Regium flumen. + +Naiades, Naïades, Naïdes, nimfen van rivieren (Potameides), bronnen +(Krenaiai, Pegaiai) en beken (Limnades). Zij bezitten de gave der +profetie, beschermen dichtkunst en gezang en voeden door de kracht +van het water menschen, dieren en planten (Kourotrophoi, Nomiai, +Karpotrophoi). Dikwijls worden zij als opvoedsters van verschillende +goden genoemd. + +Naï(s)sus, Naïs(s)os, stad in Moesia Superior aan den Margus (Morawa), +geboorteplaats van Constantijn den Gr.; tgw. Nisch. + +Namatianus (Claudius Rutilius), rom. dichter, uit den tijd van keizer +Honorius. Het van hem gedeeltelijk bewaard gebleven gedicht de reditu +suo uit het jaar 416 geeft een beschrijving van zijn reis van Rome +naar zijn vaderland Gallië, die, vooral om den tijd waarin die reis +valt, historisch belang heeft. + +Namausus = Nemausus. + +Namnetae of -tes, Namnetai, gallisch volk aan den mond van den +Liger. Hoofdstad: Condivincum (Nantes). + +Nanno, Nanno, fluitspeelster, die door Mimnermus bemind werd, maar +zijne liefde niet beantwoordde. + +Nantuatae of -tes, Nantouatai, ligurisch of raetisch volk aan den +lacus Lemannus (meer van Genève). + +Napaeae, Napaiai, nimfen der dalen, gewoonlijk tot de Oreaden gerekend. + +Naparis, Naparis, linkerzijtak van den Ister (Donau) in het +tegenw. Rumenië. + +Napata, Napata, in Aethiopia aan den Nijl, bloeiende hoofdstad van het +rijk van Napata, waar tijdens Augustus de koningin Candace regeerde. De +stad werd in 22 door den stadhouder van Aegypte, C. Petronius, +veroverd, doch niet behouden. Zij is het zuidelijkste punt, dat +de Rom. bereikt hebben. Het noordelijkste gedeelte van het rijk, +van af Hiera Sycaminos, is toen bij het Romeinsche rijk ingelijfd, +onder den naam Nubia Inferior. + +Nar, Nar, rivier met geelachtig zwavelig water in het Z. van Umbria, +die tusschen Horta en Ocriculum in den Tiber valt. + +Naragara, ta Naragara, stad in Numidia, waar Hannibal en Scipio vóór +den slag bij Zama een onderhoud hadden. + +Narbo, Narbon, thans Narbonne, eene bloeiende stad der Volcae +Tectosages in Gallia aan de Middellandsche zee, sedert 118 als +rom. kolonie Narbo Martius genoemd, later hoofdstad van Gallia +Narbonensis. De stad lag aan den Atax (Aude), waarnaar de bewoners +Atacini werden genoemd. + +Narbonensis (Gallia), het Z.O. gedeelte van Gallia Transalpina, +naar de hoofdst. Narbo. + +Narcissi fons, Narkissou pege, bron in Boeotia bij Thespiae, waar +narcissen in menigte groeiden. + +Narcissus, Narkissos, 1) zoon van Cephissus en Liriope, een +buitengewoon schoon jongeling. Hij was volstrekt ongevoelig voor liefde +en deed door zijne hardvochtigheid de schoone Echo, die hem beminde, +wegkwijnen; maar Nemesis liet hem tot straf hiervoor zijn eigen beeld +in het water zien en op zichzelven verliefd worden, zoodat hij van +ijdel verlangen verteerde; uit medelijden veranderden de goden hem in +een narcis.--2) vrijgelatene en secretaris (ab epistulis) van keizer +Claudius, op wien hij bijna onbeperkten invloed had, waarvan hij +dikwijls in zijn eigen belang gebruik maakte. Hij was overigens een +zeer bekwaam man. Hij veroorzaakte den val van Messalina, maar werd +later door Agrippina uit Rome verwijderd en kort daarna vermoord.--3) +gladiator, die keizer Commodus in het bad wurgde; onder Didius Iulianus +werd hij met de andere moordenaars van Commodus ter dood gebracht. + +Naristi (v. s. Varisti), suevische stam in het N.O. van het +tegenw. Beieren. + +Narnia, Narnia, stad in Umbria aan den Nar, eene sterke vesting op +eene steile rots, sedert 299 lat. kolonie, vroeger Nequinum geheeten. + +Narona, rom. kolonie in Dalmatia. + +Narthacium, Narthakion, berg en stad in Thessalia, in het N. van +Phthiotis, niet ver van Pharsalus, waar in 394 Agesilaus, uit Azië +terugkeerende, de Thessaliërs versloeg, die hem den weg versperden. + +Narthex, een plant, waarvan de dikke, knoestige, rietachtige stengel +veel brandbaar merg bevatte; volgens het verhaal zoude Prometheus +daarin het vuur uit den hemel gehaald hebben. Van den stengel werden +veelal doozen voor verschillende doeleinden gemaakt. In zulk een +doos, na den slag bij Issus onder den buit gevonden, placht Alexander +d. G. de door Aristoteles bewerkte uitgave van Homerus te bewaren, +die vandaar he ek tou narthekos ekdosis genoemd wordt. + +Narycus, -cium of Naryx, Narykos, Naryx, misschien het zelfde +als het latere Pharygae, Pharygai, stad der opuntische Locriërs, +geboorteplaats van Ajax, den zoon van Oileus (Narycius heros). Zie +ook Locri Epizephyrii. + +Nasamones, Nasamones, een ruwe libysche volksstam aan de groote Syrte +(golf v. Sydra). + +Nasica, bijnaam in de familie Scipio. Zie Cornelii no. 19, 20, 22-25. + +Nasidienus, een plomp en praalziek parvenu bij Horatius voorkomende. + +Nasidii, plebejisch geslacht, waarvan een paar leden als aanhangers +der pompejaansche partij voorkomen. + +Naso, familienaam der Ovidii. + +Nasus, 1) Nesos, eilandje met kasteel in de rivier Achelous in +Acarnania.--2) Nasos = Ortygia, een der vijf gedeelten van Syracusae. + +Natatio, groote zwemvijver, hetzij in de open lucht, hetzij in een +badhuis. + +Nauclides, Naukleidas, spartaansch ephoor, die met Pausanias no. 2 +naar Attica gezonden werd en met hem medewerkte tot het herstel der +democratie. Later werd hij door Lysander wegens zijn weelderig leven +aangeklaagd. + +Naucrates, Naukrates, leerling van Isocrates, hield bij de lijkfeesten +van Mausolus een wedstrijd met Theopompus en Theodectes als lofredenaar +van den overledene. + +Naucratis, Naukratis, milesische volkplanting uit de 2de helft van +de 7de eeuw en aanzienlijke handelsstad in de Nijldelta, onder de +aegyptische koningen de eenige plaats, waar zich de Grieken mochten +vestigen. Zij lag aan den linkeroever van den Canobischen Nijlarm. + +Naucraticum ostium = Heracleoticum ostium. + +Naucydes, Naukydes, van Argos, beroemd beeldhouwer, leerling van +Polycletus (± 420). + +Naukraria. In oude tijden was de burgerij van Attica in 48 naukrariai, +verdeeld, 12 in iedere phyle, en had iedere naukraria de verplichting +een schip en twee ruiters te leveren; als administratieve afdeelingen +worden zij dikwijls met de latere demoi vergeleken. De hoofden der +naucrariën, naukraroi, hadden vóór Solon grooten invloed, maar de +instelling van den raad der 400 ontnam hun een groot gedeelte van hun +bevoegdheid. Sedert Clisthenes waren er 50 naucrariën, 5 in iedere +phyle, die alleen dienden tot het innen en beheeren van de gelden +voor de vloot. + +Naulochus, Naulochos, havenstadje in het N.O. van Sicilia. Hier +versloeg M. Agrippa in 36 S. Pompeius in een grooten zeeslag. + +Naumachia, vertooning van een scheepsstrijd, geen spiegelgevecht, +maar een strijd in werkelijkheid. De bemanning bestond uit gevangenen +en zwaardvechters. Caesar was de eerste, die het rom. volk hierop +vergastte; hij liet hiertoe op den campus Martius een tijdelijke +vijver graven, die vervolgens weder werd gedempt. Augustus liet er +een graven van 59 meter breedte en negen maal zoo lang. Claudius +liet het Fucinische meer met zitplaatsen omringen; Nero liet het +strijdperk van het amphitheater vol water loopen. Later kwamen er te +Rome vaste gebouwen voor scheepsgevechten. Zulk een gebouw werd ook +naumachia genoemd. + +Naumachius, Naumachios, grieksch dichter van later tijd; van zijn +gedicht over de plichten der vrouw zijn eenige fragmenten bewaard. + +Naupactus, Naupaktos, versterkte havenstad in Locris aan de +Corinthische golf, waar de Heracliden hunne vloot bouwden, om naar +de Peloponnesus over te steken. Na de perzische oorlogen kwam zij in +het bezit der Atheners, die er in 455 Messeniërs in opnamen. De stad +wisselde nog meermalen van bezitters en werd achtereenvolgens weder +locrisch, achaeïsch, thebaansch, macedonisch en opnieuw locrisch. Thans +Lepanto of Epacto. + +Nauplia, Nauplia, havenstad in Argolis, aan de Argolische golf. + +Naupliades, Naupliades, Proetus of Palamedes, zonen van Nauplius. + +Nauplius, Nauplios, 1) zoon van Poseidon en Amymone, stichter +van Nauplia.--2) afstammeling van den vorigen, bekwaam zeeman +en sterrenkundige, Argonaut.--3) koning van Euboea, bij Clymene +no. 5 vader van Palamedes en Oeax. Vertoornd over de behandeling, +die Palamedes voor Troje had ondervonden, zond hij Oeax uit om de +vorsten, die voor Troje lagen, bij hunne gemalinnen van ontrouw te +beschuldigen of geruchten omtrent hun dood te verspreiden. Toen de +Grieken op de terugreis van Troje voorbij Euboea kwamen, stak hij op +kaap Caphareus vuren aan, waardoor zij misleid werden en vele schepen +op de kust verloren gingen. Velen verdronken of werden door N. en de +zijnen gedood. + +Nauportus, Nauportos, rivier (Laybach), rechter zijtak van den Savus, +en stad (Ober-Laybach) in Pannonia. + +Nausicaa, Nausikaa, dochter van Alcinous, vond Odysseus, toen hij na +het verlies van zijn schip op de kust der Phaeaciërs geworpen was. Zij +ontving hem vriendelijk en geleidde hem naar het hof van haar vader. + +Nausicles, Nausikles, atheensch demagoog, bevelhebber van de troepen, +die den Phocensers te hulp gezonden werden (352). Aanvankelijk +met Aeschines bevriend, was hij later een hevig bestrijder der +macedonische partij. + +Nausinous, Nausinoos, zoon van Odysseus en Calypso. + +Nausiphanes, Nausiphanes, van Teos, einde van de 4de eeuw, wijsgeer +uit de school van Democritus, leerling van Pyrrho, leermeester van +Epicurus. + +Nausithous, Nausithoos, 1) zoon van Poseidon en Periboea, koning der +Phaeaciërs, verhuisde met zijn volk, dat door de Cyclopen bedreigd +werd, van Hyperea naar Scheria.--2) zoon van Odysseus en Calypso.--3) +stuurman van Theseus. + +Nautaca, Nautaka, stad in het perzische gewest Sogdiana. + +Nautii, patricisch geslacht, waarvan eenige leden in de oorlogen tegen +Volscen, Aequers, Sabijnen en Samnieten voorkomen. Als hun stamvader +gold Aeneas' tochtgenoot Nautes, die het trojaansche Palladium naar +Italië overbracht. + +Nautodikai, te Athene rechters in handelszaken (dikai emporon), +tevens belast met de instructie bij de graphe xenias. Kort na 403 +werden hunne bevoegdheden op de thesmotheten overgedragen. + +Nava, thans Nahe, rivier, die bij Bingium (Bingen) in den Rijn valt. + +Navalia, 1) een scheepswerf in Rome, aan den Tiber, aan het Campus +Martius.--2) sterkte aan den mond van eene rivier in ons land, +misschien aan den mond van de Fossa Drusiana. + +Navius, zie Attii. + +Naxus, Naxos, 1) het grootste eiland der Cycladen, om zijne +vruchtbaarheid Klein-Sicilië genaamd, beroemd door zijn wit marmer +en zijn wijn en aan Dionysus geheiligd (mythe v. Ariadne). Andere +namen van het eiland zijn Dia en Strongyle. Als oudste bewoners +komen Cariërs en Cretensers voor; later werd het eiland van Attica +uit gekoloniseerd door Ioniërs. In 490 werd het door de Perzen te +vuur en te zwaard verwoest. Het maakte vervolgens deel uit van het +atheensche zeeverbond; doch toen het zich trachtte te verzetten, +verloor het ± 467 zijne vrijheid en ook zijne beteekenis. In 376 +werd de spartaansche vloot door den Athener Chabrias bij Naxus +verslagen.--2) eerste grieksche kolonie op Sicilia, in 735 door +euboeïsche Chalcidiërs gesticht, in 403 door Dionysius van Syracusae +verwoest, waarna in 358 het overschot der verstrooide bevolking in +de nabijheid eene nieuwe stad Tauromenium stichtte, thans Taormina. + +Nazarius, rhetor in Gallia, ten tijde van Constantijn den Grooten. Van +hem is een panegyricus op Constantijn uit het jaar 321 over. De +panegyricus uit 313, die wel eens aan hem wordt toegeschreven, is +van Eumenius. + +Nazianzus, Nazianzos of Nazianzos, stad in Cappadocia. Z. Gregorius +no. 2. + +Neaera, Neaira, nimf, bij Helius moeder van Phaëthusa en Lampetia. + +Neaethus, Neaithos, rivier in Bruttium, bij Croton, waar de gevangene +trojaansche vrouwen de grieksche schepen zouden in brand gestoken +hebben. + +Neandria, Neandria, Neandreia, aeolische stad in Troas. Hier is in +de laatste jaren een tempel opgegraven, die om zijn eigenaardigen +vorm en het daar gevonden (aeolische) kapiteel van groot belang is +voor de kunstgeschiedenis. + +Neanthes, Neanthes, van Cyzicus, tijdgenoot van Attalus I, +schrijver van verscheiden door de ouden met lof vermelde werken +over geschiedenis. + +Neapolis, Neapolis, naam van niet minder dan 13 steden, terwijl +bovendien een gedeelte van Syracusae dezen naam droeg. Het beroemdst +is Neapolis in Campania, thans Napoli of Napels. De stad bestond +uit twee afzonderlijk ommuurde deelen, Palaepolis en Neapolis, +en heette Parthenope, voordat de Cymaeërs haar met eene kolonie +bevolkten. Omstreeks 325 werd de stad door Samnieten in bezit +genomen, in 290 werd zij rom. kolonie, later rom. municipium. Om +zijne verrukkelijke ligging en zijne fijne grieksche beschaving lokte +Neapolis een groot getal aanzienlijke Romeinen, zoodat de omtrek +met buitenplaatsen bezaaid was, terwijl de warme bronnen er een druk +bezochte badplaats van maakten. Romulus Augustus, de laatste keizer +van het westrom. rijk, overleed hier. + +Nearchus, Nearchos, 1) Athener, in 340 als gezant naar Macedonië +gezonden.--2) zoon van Androtimus, door Philippus uit Macedonië +verbannen, maar na diens dood teruggeroepen door Alexander, met wien +hij reeds als kind bevriend was geweest. Hij ging met Alexander naar +Azië en werd satraap van Lycië en Pamphylia. Ook vergezelde hij den +koning naar Indië en voerde hij het bevel over de vloot, die den weg +van den Indus tot den Euphraat onderzocht (325); zijne beschrijving +van dezen tocht is door lateren dikwijls gebruikt. Een voorgenomen +tocht om de kasten van Arabië en Africa te onderzoeken bleef door +den dood van Alex. onuitgevoerd. N. schijnt later bevelhebber over +de vloot gebleven te zijn en tot de partij van Antigonus behoord +te nebben.--3) pythagoreïsch wijsgeer, na de inneming van Tarentum +vriend en leermeester van den ouden Cato. + +Nebrodes montes, Neurode ore, bergketen op Sicilia, die zich langs +de Noordkust van de straat van Messina tot aan de helft van het +eiland voortzet. + +Nebucadrezar, Nabokodrosoros, zoon en opvolger van Nabopolassar, +koning van Babylonië (605-562). Hij verdreef de Aegyptenaars, die +onder koning Necho reeds tot den Euphraat doorgedrongen waren, bijna +uit geheel Azië, veroverde Syrië, Judaea en Tyrus, bevorderde handel +en beschaving en versterkte en verfraaide Babylon. + +Necho, Nekos, zoon en opvolger van Psammetichus, koning van Aegypte +(610-595). Hij liet door Phoeniciërs een zeetocht om de kusten van +Africa doen en begon den aanleg van een kanaal, dat de Middellandsche +zee met de Arabische golf moest verbinden. Ook onderwierp hij Syrië, +Judaea en Phoenicië, maar op zijne verdere tochten tegen Mesopotamië +werd hij door Nebucadrezar verslagen, zoodat hij bijna al het veroverde +land in Azië weder verloor. + +Nectanabis, Nektanabis, -tanebos, 1) de vierde koning van Aegypte, +nadat dit land zich onder de regeering van Artaxerxes II van Perzië +onafhankelijk gemaakt had. Hij wist zich staande te houden tegen +het groote leger, dat Artaxerxes omstreeks 380 onder Pharnabazus en +Iphicrates gezonden had om Aegypte weder te onderwerpen.--2) N. II, +stond op tegen zijn neef Tachos, den zoon en opvolger van den vorigen, +en maakte zich met behulp van Agesilaus van de regeering meester +(360). Aanvankelijk verdedigde hij zich met goed gevolg tegen Perzië, +maar toen hij meende ook zonder grieksche generaals zelf den oorlog te +kunnen voeren, was hij tegen de perzische troepen onder Mentor niet +bestand. Toen zijne zaak hopeloos stond, vluchtte hij naar Aethiopië +(344). Hiermede eindigde de zelfstandigheid van Aegypte. + +Nectar, nektar, godendrank, z. Ambrosia. + +Neda, Neda, grensriviertje tusschen Messenia en Triphylia. + +Nedon, Nedon, kustrivier in oostelijk Messenië, stroomt in de +Messeensche golf uit. + +Nefasti (dies), in den rom. kalender met de letter N aangeduid, zijn +dagen bestemd voor offers of godsdienstige handelingen. Het zijn dus de +zelfde dagen als de dies festi (z. festi (dies)). Zie ook fasti (dies). + +Neïon, Neïon, een gedeelte van het gebergte Neritum, op Ithaca. + +Neïth, Neith, aegyptische godin, vooral te Saïs vereerd, door de +Grieken met Athena geïdentificeerd. Zij wordt voor eene personificatie +der grondstof van het heelal of voor eene godin van het vuur gehouden, +v. a. is zij de zelfde als Isis. Hare beelden hebben dikwijls eene +giere- of leeuwekop. Bij haar jaarlijksch feest brandde men in ieder +huis in Aegypte een lamp met olie en zout gevuld. + +Nekromanteion, Nekyom., plaats, waar een doodenorakel is. Door offer +en gebed riep men de dooden op, waarna men ging slapen en meende +dat de opgeroepene in den droom zou verschijnen om het gevraagde +orakel te geven, of door middel van een priester liet men den doode +ondervragen. De bekendste plaatsen waren te Ephyra aan de rivier +de Acheron in Epirus, bij Heraclea Pontica, te Cumae in Italië, +bij Magnesia aan den Maeander en bij Hierapolis in Phrygia. + +Nekysia, Nemeseia, algemeene gedenkdag der dooden, te Athene de 5de +Boëdromion, dus = Genesia. + +Neleïades, Neleiades, Nestor en Antilochus, zoon en kleinzoon van +Neleus. + +Neleus, Neleus, 1) zoon van Poseidon en Tyro. Hij en zijn +tweelingbroeder Pelias werden te vondeling gelegd en door herders +opgevoed, terwijl Tyro met Cretheus, koning van Iolcus, huwde. Later +vernamen de broeders hunne afkomst, en na den dood van Cretheus +geraakten zij in twist over de opvolging, waarvan het gevolg was dat +N. naar Messenië trok, waar zijn oom Aphareus hem de regeering over +Pylus schonk. Toen Heracles na den moord van Iphitus bij N. kwam met +het verzoek hem van zijne schuld te reinigen, weigerde deze hem dit; +daarom trok Heracles later tegen hem op en doodde hem met al zijne +zonen behalve Nestor. V. a. stierf hij te Corinthe, nadat hij een +gelukkigen oorlog tegen de Epeërs gevoerd had.--2) zoon van Codrus, +door zijn broeder Medon uit Attica verdreven, stichter van Miletus +e. a. ionische steden. + +Nelides, Neleides = Neleïades. + +Nemausus, Nemausos, thans Nîmes, belangrijke stad der Volcae Arecomici, +in Gallia Narbonensis. Er worden nog belangrijke overblijfselen van +rom. bouwkunst aangetroffen: een tempel met corinthische zuilen (maison +carrée; een afbeelding vindt men onder Templum), een waterleiding +op drie rijen bogen boven elkander rustende (Pont du Gard), een +gedeelte van een amphitheater, enz. Onder de keizers was N. eerst +eene rom. kolonie met het ius Latii, later een rom. burgerkolonie. + +Nemea, Nemea, 1) dal in Argolis tusschen Cleonae en Phlius, waar +Heracles den leeuw versloeg en waar de nemeïsche spelen werden +gehouden. De bevolking is van dryopischen stam.--2) rivier op de +grens van Sicyon en Corinthia. + +Nemea, Nemea, Nemeia, de nemeïsche spelen, ingesteld ter nagedachtenis +van Archemorus (z. a.), later ter eere van Zeus Nemeaeus om de twee +jaar onder voorzitterschap der Cleonaeërs of Argiven in het dal Nemea, +later in Argos, gevierd. Zij bestonden uit de gewone wedstrijden in +loopen, rijden, worstelen, gymnastiek, poëzie en muziek; de prijs der +overwinning was een krans van eppe- of van olijftakken. Als nationaal +feest kregen zij eerst in de 6de eeuw, sinds 573, eenige beteekenis. + +Nemesianus (M. Aurelius Olympius), rom. dichter uit de 3de eeuw na C., +geboren te Carthago. O. a. schreef hij een leerdicht over de jacht, +Cynegetica, waarvan nog een gedeelte over is. + +Nemesis, Nemesis, dochter van Nyx, godin der gerechtigheid, die aan +ieder mensch loon naar werken geeft, vooral eene wrekende godin, die +trotschheid, overmoed en over het algemeen het overschrijden van de aan +de menschelijke natuur gestelde grenzen straft. Zij wordt gewoonlijk +afgebeeld met vleugels, met strenge en ernstige gelaatstrekken, en +met een toom, zwaard of geesel in de hand. Beroemd was haar kolossaal +beeld te Rhamnus, door Agoracritus (z. a.) gemaakt. + +Nemetacum, hoofdstad der Atrebates in Belgica, thans Atrecht of Arras. + +Nemetae of -tes, germaansch volk op den linker Rijnoever, met de +hoofdstad Noviomagus (Spiers). De Nemetae, Triboci en Vangiones woonden +reeds ten tijde van Caesar op den linker Rijnoever, en worden genoemd +als hulptroepen van Ariovistus. + +Nemetocenna = Nemetacum. + +Nemetum, Nemossos, z. Augustonemetum. + +Nemorensis lacus, zie Aricia. + +Nemossus, Nemossos, z. Augustonemetum. + +Neniae = naeniae. + +Neobule, Neoboule, z. Archilochus. + +Neocaesarea, Neokaisareia, groote en prachtige hoofdstad van Pontus +Polemoniacus, aan den Lycus. + +Neocles, Neokles, vader van Epicurus, ging met atheensche cleruchen +naar Samus, waar hij eene school hield. + +Neodamodeis, van staatswege vrijgelaten heloten. Zij waren tot den +krijgsdienst verplicht en werden na den peloponnesischen oorlog vooral +voor krijgstochten naar Azië gebruikt. + +Neokoros, opzichter van een tempel, oorspronkelijk een tempeldienaar +van minderen rang, belast met het onderhouden van den tempel en de +tempelgoederen. Later was het een aanzienlijke eerepost, en in den +keizertijd stelden geheele steden in het Oosten er een eer in zich +neokoroi, van den tempel des keizers te mogen noemen. + +Neon, Neon, oude stad in Phocis aan den Parnassus, eerst door Xerxes +verwoest, doch door de inwoners op eenigen afstand herbouwd en Tithorea +genoemd naar den nabijgelegen bergtop van dien naam. In den heiligen +oorlog werd ook deze stad verwoest, doch ook weder opgebouwd. + +Neontichus, Neon teichos, 1) aeolische stad op de kust van Mysia, +aan den Hermus.--2) kasteel op de thracische kust aan de Propontis, +nabij de Chersonesus. + +Neophron, Neophron, van Sicyon, dichter van 120 treurspelen, waarvan +slechts weinige fragmenten bewaard zijn. Euripides zoude in zijne +Medea een gelijknamig stuk van N. tot voorbeeld genomen hebben; in +werkelijkheid is het juist andersom, zooals blijkt uit de fragmenten, +die onlangs van zijne Medea teruggevonden zijn. + +Neo-platonici, eene school van wijsgeeren die sedert de 3de eeuw +na C. bloeide. Zij trachtten door wijsgeerige bespiegeling aan den +ouden godsdienst steun te geven tegen de meer en meer uit het Oosten +indringende godsdiensten. Zij sloten zich voornamelijk bij de leer +van Plato aan, doch waren ook onder den invloed van andere oudere en +nieuwere wijsgeeren; zelfs waren er, die beweerden dat de leer van +Plato en van Aristoteles in den grond der zaak dezelfde was. Voor een +deel maakten zij hunne wijsbegeerte onmiddellijk dienstbaar aan de +bestrijding van het Christendom (syrische school), lateren hielden +zich voornamelijk bezig met het verklaren der werken van Plato en +Aristoteles (atheensche school). De stichter der oorspronkelijke +(alexandrijnsch-rom.) school was Ammonius Saccas, wiens leerling +Plotinus het stelsel in zijne geschriften uitvoerig verklaarde; van +de syrische school is de voornaamste vertegenwoordiger Iamblichus, +van de atheensche Proclus. + +Neoptolemus, Neoptolemos, 1) oorspronkelijk Pyrrhus geheeten, zoon +van Achilles en Deidamea, werd bij zijn grootvader Lycomedes opgevoed, +en na den dood van Achilles naar Troje gehaald, omdat voorspeld was, +dat zonder hem de stad niet genomen konde worden. Met zijne komst +wordt de oorlog als het ware vernieuwd, vandaar de naam N. Hij is +even dapper als zijn vader, maar ruw en hardvochtig; met het houten +paard komt hij in de stad, doodt Polites voor de oogen van diens +vader, daarna verslaat hij Priamus zelf bij het altaar van Zeus, +hij werpt Astyanax van den muur en offert Polyxena op het graf van +zijn vader. Bij het verdeelen van den buit krijgt hij Andromache +(z. a.). In Phthia teruggekomen, huwt hij niet Hermione. V. a. had +zich Acastus gedurende zijne afwezigheid van de regeering over Phthia +meester gemaakt, daarom ging N. van Troje naar Epirus en vestigde +zich daar; eerst later ging hij naar Phthia terug, waar hij Peleus +de regeering teruggaf, terwijl hij zijn land in Epirus aan Helenus +overliet. Kort na zijn huwelijk met Hermione (z. a.) werd hij te +Delphi gedood; hij werd in den tempel begraven en als heros vereerd; +zijn schim streed met de Delphiërs tegen de Galliërs, die gekomen +waren om den tempel te plunderen.--2) een van de schuldigen aan den +dood van Philippus van Macedonië, vluchtte bij de troonsbestijging +van Alexander d. G. naar Azië en sneuvelde bij de verdediging van +Halicarnassus tegen Alexander.--3) werd koning van Epirus, toen Pyrrhus +door Cassander verdreven was (302), toen deze echter door Ptolemaeus +Lagi teruggebracht werd, moest N., die om zijne wreedheid gehaat was, +wijken; kort daarna trachtte hij Pyrrhus te dooden, maar deze voorkwam +hem en liet hem zelven uit den weg ruimen (296). + +Nepet, Nepete, stad in het Z. van Etruria, kort na de inneming van +Veii latijnsche kolonie, later municipium. + +Nephele, Nephele, 1) de onsterfelijke gemalin van Athamas (z. a.), +later door hem verstooten, moeder van Phrixus en Helle.--2) z. Ixion. + +Nepheleis, Helle, dochter van Nephele. + +Nepos, bijn. van Metelli in de gens Caecilia (Caecilii no. 14 en 16). + +Nepos (Cornelius), zie Cornelii no. 58. + +Neptunine, Thetis, kleindochter van Neptunus. + +Neptunius mons, het oostelijk gedeelte der Nebrodes montes op Sicilia, +bij Messana. + +Neptunus, god van het water en van alle vochtigheid van den bodem, +later god der zee, aanvankelijk te Rome weinig vereerd. Eerst door +griekschen invloed werd zijn dienst meer algemeen, hij werd nu +met Poseidon geïdentificeerd en voornamelijk als god van paarden en +ruiterlijke oefeningen (N. equester) beschouwd. Hij had een tempel in +den Circus Flaminius, zijn feest, de Neptunalia, werd den 23sten Juli +te Rome of te Ostia gevierd. Op dit feest, dat nog in den christelijken +tijd voorkomt, bouwde men loofhutten, umbrae, skiades. Zie ook Consus. + +Nequinum, oude naam van Narnia. + +Neratii, een plebejisch geslacht, waarvan een paar leden onder de +regeering van Traianus en Hadrianus als mannen van invloed voorkomen. + +Nereides, Nereides, Nereïdes, 50 of 100 dochters van Nereus en Doris +(vandaar ook Dorides), nimfen der zee, vooral der Aegaeïsche zee, +op welker bodem zij eene grot bewonen, die als zilver schittert en +waar alles van goud of zilver is. Zij zijn goede en hulpvaardige +zeegodinnen, die de schippers in den nood bijstaan. Men beeldde ze +af als schoone jonkvrouwen, weinig of niet gekleed, dikwijls met +dolfijnen of andere zeemonsters tot bevallige groepen vereenigd. + +Nereine, Nereine, Thetis, dochter van Nereus. + +Nereius, Achilles, kleinzoon van Nereus. + +Nereus, Nereus, zoon van Pontus en Gaea, een god der zee, in het +bizonder der Aegaeïsche zee, waar hij met zijne dochters, de Nereïden, +woont. Hij is een vriendelijk grijsaard, die allerlei gedaanten kan +aannemen en de toekomst kan voorspellen, ofschoon hij niet altijd +geneigd is vragen daaromtrent te beantwoorden; Heracles moest hem in +den slaap overvallen, om hem te dwingen de ligging van den tuin der +Hesperiden te openbaren. Hij wordt soms afgebeeld met het lichaam +van een visch, waaraan alleen hoofd en armen menschelijk zijn, en +gewoonlijk met zeewier in plaats van haar. + +Nericus, Nerikos, oude hoofdst. v. Leucadia. + +Nerigos, verkeerde lezing voor Berrice, een groot eiland waarschijnlijk +aan de Westkust van Schotland. + +Nerii, een plebejisch geslacht, onbelangrijk. + +Nerio, -ria, -riene, gezellin van Mars, later als zijn gemalin +beschouwd. + +Neritum, -us, Neriton, -os, berg aan de Westzijde van Ithaca. Neritius +dux = Ulysses. + +Nero, familienaam in de gens Claudia (Claudii no. 22-27, 29). + +Nero, rom. keizer 54-68 na C., zoon van Cn. Domitius Ahenobarbus +en Agrippina, de dochter van Germanicus. Hij heette eigenlijk +L. Dom. Ahenob., doch toen zijne moeder met haar oom keizer Claudius +huwde (zie over deze verwantschap het art. Iulii op het einde), +werd hij door zijn stiefvader als zoon aangenomen en heette nu Nero +Claudius Caesar Augustus Germanicus. Na de vermoording van Claudius +deed Agrippina met behulp der praetorianen haren 17-jarigen zoon +den troon bestijgen ten koste van zijn stiefbroeder Britannicus. In +de eerste 5 jaar regeerde Nero onder de leiding van zijn leermeester +L. Annaeus Seneca en van A. Afranius Burrus, praefectus praetorio, als +een goed vorst. Daarna echter gaf hij zich teugelloos over aan wellust, +bloeddorst en dwaasheden. Britannicus werd op zijn last omgebracht, +evenzoo zijne deugdzame gemalin Octavia en zijne heerschzuchtige moeder +(59). Hij huwde toen de schoone, doch zedelooze Poppaea Sabina, die +hem door haar man M. Salvius Otho (later keizer) werd afgestaan. Den +brand, die een groot deel van Rome in de asch legde (64 n. C.), bezigde +hij als voorwendsel om eene gruwelijke vervolging der Christenen te +beginnen. De samenzwering van Calpurnius Piso (Calpurnii no. 12) kostte +door hare ontdekking een aantal aanzienlijke en brave mannen het leven +(65), ook Seneca en de dichter Lucanus werden er in betrokken. De +prachtige herbouw van Rome, de bouw van het paleis met gouden dak +(domus aurea Neronis) en de dolzinnigste feesten en slemppartijen +verslonden schatten, terwijl de keizer zijne waardigheid door het +slijk sleurde door in het openbaar als wagenmenner, tooneelspeler en +zanger op te treden, ja zelfs eene kunstreis te doen door Griekenland +(66). Eindelijk barstte er in Gallia een opstand uit onder Julius +Vindex, in Hispania onder Ser. Sulpicius Galba. Door de zijnen +verlaten, door den senaat vogelvrij verklaard, liet Nero, toen hij +geen uitweg meer zag, zich door een slaaf doorsteken. De algemeene +vervloeking vervolgde hem nog na zijn dood. + +Neronia, zie Artaxata. + +Nerthus, germaansche godin, die op een eiland in de Oostzee vereerd +werd. Haar dienst vormde het sacrale middelpunt voor de in de +nabijheid wonende volkeren, de Reudigni, Aviones, Anglii, Varini, +Eudoses, Suardones en Nuithones. + +Nerulum, Neruli, stad in het Z. van Lucania aan de via Popilia. + +Nerva, familienaam in de gentes Cocceia, Licinia (Licinii no. 33), +Silia (Silii no. 2 en 4). + +Nerva (M. Cocceius), uit Narnia in Umbria, rom. keizer 96-98 na C., +leefde te Rome onder de regeering van Nero en diens opvolgers. Onder +Domitianus is hij een korten tijd verbannen geweest. Na den moord van +D. werd N. tot keizer uitgeroepen. Door een verstandig bestuur won +hij de gunst der burgers. Hij heeft de finantiën van den staat, die +zeer in de war waren, geregeld, en drukkende belastingen afgeschaft +of verminderd. Hij heeft het forum Nervae transitorium met den tempel +van Minerva, reeds door Domitianus begonnen, afgemaakt, en daaraan +zijn naam gegeven. Om zijne hooge jaren en zijn zwak gestel nam hij +den voortreffelijken M. Ulpius Traianus, die toen legatus van Germania +superior was, tot zoon en opvolger aan. Hij stierf na eene regeering +van anderhalf jaar (Jan. 98). + +Nervii, belgisch volk aan den Sabis (Sambre) in het tegenw. Henegouwen +en Namen met de hoofdstad Bagacum (Bavay). Zij konden 50000 gewapenden +in het veld brengen en brachten Caesar zeer in het nauw, doch werden +in een wanhopigen strijd bijna geheel uitgeroeid. Zij beweerden, +misschien niet ten onrechte, van de Germanen af te stammen. + +Nesactium of Nesartium, stad in Istria, in 177 door de Romeinen onder +den consul C. Claudius Pulcher (Claudii no. 10) veroverd en verwoest, +later herbouwd. + +Nesiotes, Nesiotes, atheensch beeldhouwer, ouder tijdgenoot +van Phidias. Met zekeren Critias of Critius maakte hij een nieuw +gedenkteeken voor Harmodius en Aristogiton, nadat het oude door Xerxes +medegenomen was. + +Nesis, Nesis, bekoorlijk eilandje bij Pausilypum (Posilippo), op de +kust van Campania. + +Nessonis, Nessonis, meer in Thessalia, ten O. der stad Larissa. + +Nessus, Nessos, z. Heracles. + +Nessus, Nessos = Nestus. + +Nestor, Nestor, zoon van Neleus en Chloris, koning van Pylus. Hij +onderscheidde zich in den oorlog van zijn vader tegen de Epeërs; toen +Heracles zijne broeders doodde, bleef hij alleen gespaard, daar hij +zich toen bij de Gereniërs bevond. Ook beoorloogde hij de Arcadiërs, +hielp de Lapithen in hun oorlog tegen de Centauren, en nam deel aan +de calydonische jacht en den Argonautentocht. Op hoogen leeftijd, +toen hij reeds twee menschengeslachten had zien voorbijgaan, trok hij +mede naar Troje, waar hij zich nog als dapper held gedroeg, maar vooral +invloed had door zijn wijze raadgevingen, zijn rijpe ervaring en zijne +innemende welsprekendheid. Na afloop van den oorlog keerde hij gelukkig +naar Pylus terug, waar hij zijn verder leven genoeglijk doorbracht. + +Nestus, Nestos, rivier in Thracië, die op het Rhodope gebergte +ontspringt en bij Abdera in zee valt. Sedert Philippus vormt de Nestus +de grens tusschen Macedonië en Thracië. + +Netum, Neeton, stad in het gebied van Syracusae en ten Z.W. daarvan +gelegen. + +Neuri, Neuroi, volk aan de bronnen van den Tyras (Dniëstr) en den +Hypanis (Bug). Zij konden tooveren en zich in wolven veranderen. + +Nexum of Nexus, in het algemeen plechtig aangegane verbintenis; in +engeren zin het aangaan eener schuld per aes et libram, waarbij de +schuldenaar zijn lijf verpandde. Terwijl de addicti (z. ald.) ten +gevolge van een rechterlijk vonnis aan den schuldeischer worden +toegewezen, is dit bij de nexi niet het geval. De nexus kon door +den schuldeischer gedwongen worden voor hem te werken servi loco; +hij mocht echter niet verkocht of ter dood gebracht worden. Het nexum +werd afgeschaft door de lex Poetelia Papiria van 326. Echter wordt +de addictus dan ook wel eens nexus (of vinctus) genoemd. + +Nicaea, Nikaia, dochter van Antipater no. 1, na Alexander's dood +eenigen tijd met Perdiccas gehuwd, later gemalin van Lysimachus. + +Nicaea, Nikaia, naam van verschillende steden. 1) stad in Bithynia aan +het meer Ascania. Zij was door Antigonus gesticht op de plaats van +het vroegere Ancore, en Antigonea genoemd; Lysimachus vergrootte ze +en gaf er naar zijne gemalin den naam Nicaea aan. Zij was eene van de +residenties der bithynische koningen en eene drukke handelsplaats. In +325 na C. werd hier de eerste christelijke kerkvergadering gehouden, +waarop de leer van Arius veroordeeld werd.--2) stad op de indische +grenzen aan den Hydaspes, door Alex. d. Gr. gesticht ter eere zijner +overwinning op Porus.--3) aan den Caucasus Indicus (Hindoe-Koh) += Cabura.--4) locrische vesting, die den bergpas der Thermopylae +beheerschte.--5) volkplanting van Massilia, op de ligurische kust, +thans Nizza. + +Nicander, Nikandros, van Colophon, grammaticus, dichter en geneesheer, +van wien nog twee geneeskundige leerdichten bewaard zijn. Zijn +voornaamste werk, de Heteroioumena, is door Ovidius in zijne +Metamorphosen veel nagevolgd. Hij leefde in het midden der 2de eeuw. + +Nicanor, Nikanor, 1) zoon van Parmenion, veldheer onder Alexander +d. G., streed aan het hoofd der hypaspistai bij den Granicus, bij +Issus en Gaugamela; hij stierf in 330.--2) stadhouder van Alexander in +Indië. In de twisten na den dood van Alexander hield hij de zijde van +Antigonus.--3) van Stagira, bevelhebber der vloot onder Alexander; na +diens dood mengde hij zich in de oorlogen tusschen zijne veldheeren, +eindelijk werd hij op bevel van Cassander verraderlijk gedood.--4) +van Alexandria, grieksch grammaticus ten tijde van Hadrianus, die +vooral over de leer der interpunctie (stigme) schreef, waarom men +hem schertsend stigmatias (gebrandmerkte) noemde. + +Nicarchus, Nikarchos, naam van twee grieksche epigrammendichters. + +Nicephorium, Nikephorion, sterke vesting in Mesopotamia aan den +Euphraat, ten Z. van Edessa, door Alex. den Gr. of door Seleucus +I aangelegd. + +Nicephorius, zijtak van den Chaboras, stroomde dicht langs +Tigranocerta. + +Nicephorus, Nikephoros, bijnaam van Zeus als god der overwinning. + +Nicer, zijtak van den Rijn, thans Neckar. + +Niceratus, Nikeratos, 1) zoon van Nicias no. 1, rijk en aanzienlijk +Athener, werd door de 30 gedood.--2) zoon van Euctemon, van Athene, +beroemd beeldhouwer uit de eerste helft der tweede eeuw, die vooral +te Pergamum werkzaam was. + +Nicias, Nikias, 1) zoon van Niceratus, reeds vroeg gunstig bekend +als veldheer, kwam na den dood van Pericles aan het hoofd der +oligarchische of der gematigd democratische partij, die vrede met +Sparta wenschte. Hij was zeer rijk en mild, bovendien zeer eerlijk +en bedachtzaam, daarom genoot hij het volle vertrouwen van het volk, +maar zijne besluiteloosheid en gemis aan zelfstandigheid beletten hem +eenigen invloed uit te oefenen, bovendien was hij zeer bijgeloovig en +liet hij zich geheel beheerschen door priesters en waarzeggers. In +het begin van den peloponnesischen oorlog streed hij meermalen met +geluk, het was echter voor zijn roem schadelijk, dat hij de inneming +van Sphacteria aan Cleon (z. a.) overliet. Na Cleon's dood werd +vooral door zijn toedoen een vrede (vrede van N.) gesloten, welks +voorwaarden echter door verschillende omstandigheden nooit ten volle +vervuld werden. Hoewel hij zich met alle macht tegen de onderneming +naar Sicilië verzette, werd hij met Alcibiades en Lamachus aan het +hoofd ervan gesteld (415), en daar Alcibiades terstond teruggeroepen +werd en Lamachus spoedig sneuvelde, had hij alleen de leiding van de +zaken in handen. Het mislukken der onderneming is dan ook, hoewel hem +misschien inderdaad de middelen ontbraken, om haar tot een goed einde +te brengen, toch ook voor een groot deel aan zijne besluiteloosheid +te wijten; zelfs van de voordeelen, die hij behaalde, verzuimde hij +partij te trekken, en toen hem eindelijk op zijn dringend verzoek +uit Athene versterking onder Demosthenes gezonden werd, verzette hij +zich tegen de plannen van dezen, en liet hij uit bijgeloovige vrees +voor een maansverduistering (27 Aug. 413) het juiste oogenblik voor +den aftocht voorbijgaan, zoodat aan het leger na het verlies van de +geheele vloot ten slotte niets anders overbleef dan over land af te +trekken. Na een marsch van weinige dagen, waarbij zij honger, dorst +en herhaalde aanvallen der vijanden te verduren hadden, moesten zij +zich overgeven; het geheele leger werd gevangen genomen, en beide +veldheeren werden ter dood gebracht.--2) rhetor te Thurii, leeraar +van Lysias.--3) Athener, een van de beroemdste grieksche schilders, +tijdgenoot van Alexander d. G.; Praxiteles liet zijne mooiste +marmerwerken door hem beschilderen; dit gebeurde door encaustiek +(z. encaustica); vele van zijne werken vond men later te Rome.--4) +lijfarts van koning Pyrrhus, die aan Fabricius aanbood den koning voor +geld te vergiftigen.--5) van Miletus, geneesheer en epigrammendichter, +vriend van Theocritus.--6) Nic. Curtius, van Cos, grammaticus, vriend +van Cicero, Dolabella en Pompeius. + +Nicochares, Nikochares, atheensch blijspeldichter uit het +overgangstijdperk, jonger tijdgenoot van Aristophanes. + +Nicocles, Nikokles, 1) zoon en opvolger van Euagoras I, regeerde +over Salamis op Cyprus 374-360.--2) koning van Salamis ten tijde +van Alexander d. G., ook Nicocreon genoemd.--3) vorst van Paphus, +die tot de partij van Antigonus behoorde, leed de nederlaag tegen +een leger van Ptolemaeus en werd met zijne familie gedood (310). + +Nicocreon, Nikokreon, z. Nicocles no. 2 en Anaxarchus. + +Nicolaus, Nikolaos, van Damascus, grieksch geschiedschrijver, +vriend van Herodes d. G., onderwijzer van de kinderen van Antonius +en Cleopatra. Hij schreef, behalve verscheiden kleinere werken, een +zeer uitgebreide algemeene geschiedenis, waarvan betrekkelijk weinig +bewaard gebleven is. + +Nicomachus, Nikomachos, 1) zoon van Machaon en Anticlea, regeerde +met zijn broeder Gorgasus over Pherae. Beiden waren ook bekwame +geneesheeren en kregen als zoodanig na hun dood een tempel, waar +zij als heroën vereerd werden.--2) schrijver (grammateus) te Athene, +wien tegen het einde van den peloponnesischen oorlog werd opgedragen +een duidelijk of verbeterd afschrift van de wetten van Solon te +maken. Wegens misbruiken, in die betrekking gepleegd, werd hij later +aangeklaagd door iemand, voor wien Lysias de pleitrede schreef.--3) +van Stagira, lijfarts van Amyntas II, vader van Aristoteles; ook een +zoon van Aristoteles heette N.--4) treurspeldichter, die eens in den +tragischen wedstrijd eene overwinning op Euripides behaalde.--5) +van Thebe, beroemd schilder op het einde der vierde eeuw, zoon en +leerling van Aristodemus. Sommige van zijne werken werden later naar +Rome overgebracht.--6) van Gerasa, wiskundige omstreeks 100 na C., +van wien nog een werk over rekenkunde en een over muziek bestaan. Hij +hield zich ook met wijsbegeerte bezig en was een aanhanger der +nieuw-pythagoreïsche school. + +Nicomedea, Nikomedeia, hoofdst. van Bithynia aan de golf van Astacus, +in 264 door Nicomedes I gesticht op de plaats van het oude Astacus +(z. a.), later een geliefkoosd verblijf van Diocletianus en van +Constantijn den Gr. Hannibal bracht zich hier in 183 door vergif om +het leven; de geschiedschrijver Arrianus werd er ± 90 na C. geboren. + +Nicomedes, Nikomedes, 1) zoon van Zipoetes, verdreef met de hulp der +Galliërs zijn broeder, die hem de regeering over Bithynië betwistte +en stichtte Nicomedea; hij regeerde 281-246.--2) Nic. II Epiphanes +(149-128/115) doodde zijn vader Prusias en regeerde wreed; hij was +geheel van de Rom. afhankelijk.--3) Nic. III Euergetes, opvolger van +den vorigen, moest in 95 Paphlagonia en Cappadocia aan Mithradates +afstaan en stierf kort daarna.--4) Nic. IV Philopator, werd door +zijn stiefbroeder Socrates met hulp van Mithradates verdreven (91), +maar door M.' Aquilius in 90 weder op den troon geplaatst, en liet +zijn rijk bij testament aan de Rom. na (74). + +Nicon, Nikon, van Tarentum, een van hen die deze stad aan Hannibal +overgaven (212); bij de herovering door de Rom. sneuvelde hij dapper +strijdend (209). + +Niconia, Nikonia, -nion, stad in Scythia aan den Tyras (Dniëstr). + +Nicophemus, Nikophemos, Athener, vriend en strijdmakker van Conon en +gedurende diens afwezigheid zijn plaatsvervanger als bevelhebber over +de vloot. Om onbekende redenen werd hij ter dood veroordeeld. + +Nicopolis, Nikopolis, naam van onderscheidene steden. 1) prachtige stad +in het Z. van Epirus aan de invaart der Ambracische golf, door Augustus +gesticht ter nagedachtenis aan zijne overwinning bij Actium. Voor de +spelen die daar om de 4 jaar plaats hadden, zie Actia.--2) stad in +Thracia aan den Nestus.--3) stad in Moesia inferior aan den N.-kant van +den Haemus, door Traianus gesticht ter herinnering aan een overwinning +op de Daciërs (102), dicht bij het tegenwoordige Tirnova.--4) stad +in Armenia minor aan den Lycus, gesticht door Pompeius ter eere van +zijne overwinning op Mithradates (65).--5) stad in de Nijldelta nabij +Alexandria, door Augustus aangelegd. + +Nicosthenes, Nikosthenes, fabrikant en schilder van vazen in +zwartfigurigen stijl; hij hoort tot den overgangstijd (laatst van de +6de eeuw); er zijn ook enkele roodfigurige vazen uit zijne fabriek +of van zijne hand bewaard gebleven. + +Nicostratus, Nikostratos, 1) zoon van Menelaus en Piëris.--2) +atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, streed op Corcyra +en in Argolis.--3) bevelhebber van een troep argivische huurlingen +onder Artaxerxes Ochus. + +Niger (C. Pescennius), zie Pescennius Niger (C.). + +Nigidius Figulus (P.), een zeer geleerd vriend van Cicero en een +beoefenaar der pythagoreïsche wijsbegeerte, ervaren in astrologie en +divinatio. Hij schreef verschillende werken: de extis, de auguriis, +de diis e.a. Caesar verbande hem (46). + +Nilus, Neilos, de bekende riv. de Nijl, waaraan Aegypte zijne +vruchtbaarheid te danken heeft. Bij Homerus draagt hij den naam +Aegyptus (ho Aigyptos). Hij had zeven mondingen of ostia (stomata): +Pelusiacum, Taniticum, Mendesium, Phatniticum, Sebennyticum, +Bolbitinum en Canobicum. De laatste werd ook wel ostium Heracleoticum +of Naucraticum geheeten. Deze Nijlarmen waren door een net van kanalen +verbonden, terwijl nog weer andere kanalen in zee uitliepen. + +Niniveh, stad = Ninus. + +Ninnii, plebejisch geslacht uit Campania. Er komt een volkstribuun +L. Ninnius Quadratus voor als hevig tegenstander van P. Clodius +Pulcher, den vijand van Cicero. + +Ninus, Ninos, de mythische stichter van het assyrische rijk, wien de +verovering van Babylonië, Medië, Klein-Azië en Batrië en de stichting +van Niniveh toegeschreven worden. Hij stierf na een regeering van +52 jaar en werd opgevolgd door Semiramis, die hij kort te voren tot +vrouw genomen had. + +Ninus, Ninos, hoofdst. van het oud-assyrische rijk, ook Niniveh +geheeten, aan den rechteroever van den Tigris gelegen, tegenover de +tegenw. stad Mossoel. De stichting wordt toegeschreven aan Ninus en +Semiramis; in 606 werd het door Cyaxares en Nabopolassar, koningen +van Medië en Babylonië, in den opstand tegen het assyrische rijk +ingenomen en verwoest. De Grieken hebben het dus nooit gekend (zie +Mespila), en hoewel Niniveh ongetwijfeld groot en sterk is geweest, +zijn toch waarschijnlijk de berichten overdreven, die er eene stad +van 480 stadiën (16 uren gaans, evenals Babylon) in omtrek van +maken. Er bleef in verloop van tijd van Niniveh geen spoor over (in +den keizertijd wordt de stad echter wederom vermeld), totdat in 1843 +na C. de fransche consul te Mossoel, de heer Botta, en van 1845 tot +'47 de Engelschman Layard door opgravingen in den omtrek van Mossoel, +Khorsabad en Nimroed een schat van bouw- en kunstwerken aan het licht +brachten met allerbelangrijkste opschriften in spijkerschrift, waardoor +de oud-assyrische geschiedenis voor een aanzienlijk gedeelte ontsluierd +is. Niniveh bestond, zooals uit de opgravingen is gebleken uit drie +steden, die dicht bijeen lagen, 1º. het eigenlijke Niniveh, het +Mespila van Xenophon; 2º. Kalach--het Larissa door Xenophon genoemd, +tgw. Nimroed; 3º. een stad ten N. van Niniveh, Dur-Sarrakin geheeten. + +Ninyas, Ninyas, zoon van Ninus, z. Semiramis. + +Niobe, Niobe, 1) dochter van Phoroneus en Laodice, bij Zeus moeder +van Argus en Pelasgus.--2) dochter van Tantalus en Taygete of Dione, +gemalin van Amphion. Trotsch op haar talrijk en bloeiend kroost--zij +had 7 zonen en 7 dochters (bij Homerus 6 z. en 6 d.), allen door +schoonheid uitmuntend--durfde zij beweren dat haar meer eer toekwam +dan aan Leto, die slechts twee kinderen ter wereld had gebracht. Om +haar voor dezen overmoed te straffen, doodden Apollo en Artemis +al hare kinderen op denzelfden dag. N. zelve versteende van smart +of werd na lang rondzwerven door Zeus op haar gebed in een rots +veranderd. Zoo staat zij nog op de hoogten van den Sipylus, steeds +tranen vergietend over het ondervonden leed.--De rots, die door de +ouden voor de versteende Niobe gehouden werd, meent men dicht bij +Magnesia gevonden te hebben. + +Niphates, Niphates = sneeuwgebergte, bergketen in Armenia, ten N. van +de meren Thospitis en Arsissa. + +Nireus, Nireus, zoon van Charopus en Aglaia, na Achilles de schoonste +der Grieken voor Troje. + +Nisaea, Nisaia, haven van Megara, door lange muren, die door de +Atheners in 460 gebouwd waren, met Megara verbonden. + +Nisaei campi, Nisaion pedion, vruchtbare hoogvlakte in Media, +bekend door het voortreffelijke nisaeische paardenras en de groote +koninklijke stoeterijen. + +Nisibis, Nisibis, oude en volkrijke stad aan den Mygdonius, in +het N.O. van Mesopotamia (Mygdonia). Het was een stapelplaats voor +den karavaanhandel, en werd onder de Seleuciden Antiochia Mygdonia +genoemd. Als grensvesting speelde N. later een belangrijke rol in de +oorlogen met de Parthen en het Nieuw-Perzische rijk. + +Nisus, Nisos, 1) zoon van Pandion, broeder van Aegeus, koning van +Megara, stichter van Nisaea. Toen Minos tegen Attica zou optrekken, +verbond N. zich met Aegeus, en nadat deze overwonnen was, veroverde +Minos ook Megara en belegerde hij Nisaea. Uit liefde voor den +belegeraar trok Scylla, de dochter van N., haar vader een gouden of +purperen haarlok uit, waarvan het behoud van zijn leven afhing; daarop +stierf hij onmiddellijk en de stad werd veroverd, vgl. Comaetho. Hij +werd in een zeearend veranderd en in deze gedaante vervolgt hij zijne +dochter (z. Scylla) onophoudelijk.--2) zoon van Hirtacus, tochtgenoot +van Aeneas, beroemd door zijn vriendschap voor Euryalus. Te zamen deden +ze een nachtelijke aanval op het leger der Rutuliërs en sneuvelden +na er een geduchte slachting aangericht te hebben. + +Nisyrus, Nisyros, rotsachtig eiland met gelijknamige stad ten Z. van +Cos, met warme baden. De bevolking was dorisch. + +Nitiobriges, Nitiobriges, volksstam in Aquitania. Hoofdstad Aginnum +(Agen) aan den Garumna. + +Nitocris, Nitokris, 1) koningin van Babylonië, aan wie vele +bouwwerken toegeschreven werden, die in werkelijkheid door Nebucadrezar +uitgevoerd zijn, daarom wordt zij gewoonlijk voor de gemalin van dezen +gehouden.--2) koningin van Aegypte, van wie verhaald wordt, dat zij, +om haar broeder en voorganger, die door samenzweerders vermoord was, +te wreken, de hoofdschuldigen tot een feest in een onderaardsche zaal +noodigde, die zij vervolgens onder water liet zetten. Om aan de wraak +van het volk te ontkomen, doodde zij zich zelve. + +Nitrariae of Nitriae, Nitriai, groote sodameren in eene vallei +(vallis Nitria) ten N. W. van Memphis gelegen. + +Nixi (di), drie godheden, die hulp verleenden bij de geboorte, en +wier knielende beelden op het Capitool te zien waren. + +Nobiles of optimates heetten bij de Rom. die familiën, die het ius +imaginum hadden, omdat hunne voorzaten curulische ambten hadden +bekleed. + +Nobilior, familienaam in de gens Fulvia (Fulvii no. 10-13). + +Nola, Nola, belangrijke stad in Campania, ten N.O. van den +Vesuvius. Marcellus behaalde hier in 215 eene overwinning op +Hannibal. Hier is Augustus gestorven. + +Nomen. De Grieken hadden geene geslachts- of familienamen. Het +kind ontving één enkelen naam naar de keuze der ouders. Het +eenige middel ter onderscheiding was, dat men den naam des +vaders en in officieele stukken ook den naam van den demus er bij +voegde, b. v. Demosthenes Demosthenous Paianieus, Theophrastos +Theodorou. Bij de Rom. onderscheidde men vooreerst nomen of +geslachtsnaam en praenomen, vóórnaam, b.v. P. Cornelius. De +verschillende familiën van een zelfde geslacht onderscheidden zich +door een derden naam of cognomen, als: Scipio, Cossus, Cinna, Sulla, +Lentulus, Dolabella, enz. Soms vond men nog een vierden naam of +agnomen, waardoor weder een tak der familie werd aangewezen, als: +Africanus, Nasica. Bij adoptie nam de geadopteerde officieel het +nomen gentilicium en het cognomen en dikwijls ook het praenomen van +zijn adoptiefvader aan, doch voegde er dan een adjectief aan toe, +aan zijn vroegeren geslachtsnaam ontleend, b.v. P. Licinius Crassus +Mucianus, P. Cornelius Scipio Aemilianus Africanus minor. Gebeurde +dit evenwel op eenigszins gevorderden leeftijd, dan werden zij ook +dikwijls nog bij hun ouden naam genoemd. Vrijgelatenen namen vóór- en +geslachtsnaam aan van hun vroegeren meester, terwijl zij als cognomen +hun slavennaam behielden, als: P. Terentius Afer, de bekende dichter, +vrijgelatene van P. Terentius Lucanus. Vrijgelatenen van steden +vormden een nomen uit den naam der stad, b.v. P. Pisaurius Achilles +(v. Pisaurum). Meisjes kregen geen naam, zij werden slechts aangewezen +door een gentieladjectief, Cornelia, Tullia, enz.; soms voegde men er +den naam van vader of echtgenoot bij. Zoo was Cicero's dochter Tullia +Ciceronis, zijne vrouw Terentia Ciceronis. Had een vader slechts twee +dochters, zoo noemde hij ze maior en minor; waren er meer, dan werden +zij eenvoudig genummerd: prima, secunda, tertia, enz. Toch komen er in +ouden tijd ook vrouwelijke voornamen voor, als: Aula, Lucia, Publia, +Rutila, Caesellia e. a. Tegen het einde der rom. republiek kwam het +in zwang, aan de meisjes twee adjectieven als naam te geven, hetzij +beide aan de namen van den vader ontleend, als: Caecilia Metella, +hetzij aan die der beide ouders, b.v. Valeria Attia, dochter van +zekeren S. Attius Atticus en Valeria Sextina, hetzij aan andere +familiebetrekkingen, als: Iulia Agrippina, Iulia Drusilla, Iulia +Livilla, de drie dochters van Germanicus. Zeer zeldzaam zijn drie +of vier namen, als: Livia Medullina Camilla, Lucia Baebia Sallustia +Crescentilla. In den keizertijd begint het verschil tusschen nomen +gentilicium en nomen familiae te slijten, en gebruikt men ze door +elkaar. In de 3de en 4de eeuw n. Chr. komt naast de gewone namen het +signum op, een soort herkenningsteeken, of clubnaam, die eerst vooral +tusschen ambtenaren een soort band vormt, en later den eigenlijken +naam verdringt. Het zijn meest groepnamen op ius en ia, van latijnsche +en grieksche woorden afgeleid, b.v. Gaudentius van gaudens, Asterius +van aster. De personen hiermede bedoeld, behooren tot een zelfde +vereeniging, die een bepaald signum, teeken, heeft aangenomen. + +Nomenclator, een slaaf, wiens taak het was, de aanzienlijke +en invloedrijke personen te Rome van aangezicht en bij naam te +kennen. Hij, die naar eenig ambt dong, begaf zich geregeld naar het +forum, om zijne candidatuur aan te bevelen, en daar de beleefdheid +vorderde, dat men de burgers bij hun naam aansprak, moest de +nomenclator zijn meester de namen influisteren. In huis moest hij de +bezoekers aandienen. + +Nomentanus (L. Cassius), een groote lekkerbek bij Horatius. Een andere +Nomentanus wordt door den dichter om zijne wijsheid geprezen. + +Nomentum, Nomenton, latijnsche stad ten N.O. van Rome. De poort en +de weg, die er heen voerden, heetten porta en via Nomentana. + +Nominis delatio, de aangifte bij den praetor van den persoon, dien +men wenscht aan te klagen, dus: aanklacht. + +Nominis receptio, het aannemen eener klacht door den praetor. + +Nomius, Nomios, bijnaam van Apollo, Pan, Hermes en Aristaeus als +herdersgoden. + +Nomophylakes, te Athene een college van 7 mannen, door Ephialtes +ingesteld en toegerust met de meeste bevoegdheden, die hij aan den +Areopagus ontnomen had. Deze betrekking werd in 403 afgeschaft en +eerst door Demetrius Phalereus weder in het leven geroepen.--Ook +verscheiden dorische staten hadden nom., die vooral moesten toezien +dat in raads- of volksvergaderingen geen onwettig besluit genomen +werd. Op Corcyra waren zij controleurs van het geldelijk beheer der +magistraten, evenals de atheensche logisten. + +Nomothetai, z. epicheirotonia no. 1. + +Nonacris, Nonakris, vlek en bergstreek in het N. van Arcadia. Hier +ontsprong de Styx. Nonacrius heros = Euander, Nonacria virgo = +Callisto, Nonacria = Atalanta. + +Nonae, zie annus. + +Nonii, plebejisch geslacht. Nonius Asprenas, gunsteling van Caesar, +die door Catullus bespot wordt. Hij was proconsul in 46, en legaat +van Caesar in Africa en Hispania. + +Nonius Marcellus, rom. taalgeleerde uit Numidia, waarschijnlijk tegen +het midden der 3de eeuw na C. + +Nonnus, Nonnos, van Panopolis, omstreeks 400 na C., bezong in +een episch gedicht de daden van Dionysus; later ging hij tot het +Christendom over en leverde hij in denzelfden vorm eene paraphrase +van het evangelie van Johannes. Beide werken zijn bewaard gebleven. + +Nora, 1) Nora, oude stad op de Z.kust van Sardinia.--2) ta Nora, +bergslot in Cappadocia, waar Eumenes door Antigonus werd belegerd. + +Norba, Norba, 1) sterke vesting in Latium ten Z.O. van Rome, in +492 rom. kolonie in het gebied der Volscen; hier werden na den +tweeden punischen oorlog de carthaagsche gijzelaars bewaard. In +den burgeroorlog werd het door Sulla's troepen verwoest.--2) Norba +Caesarea, rom. kolonie in Lusitania, aan den Tagus, thans Alcantara, +met eene rom. brug, op welker midden een triumfboog van Traianus staat. + +Norbani, eene rom. familie, uit Norba afkomstig. 1) C. Norbanus, +volkstribuun in 95, trad toen als aanklager op van Q. Servilius Caepio +(consul 106), die in 105 door de Cimbren was verslagen. Hij werd +wegens die aanklacht in 94 door P. Sulpicius Rufus lege Appuleia +maiestatis aangeklaagd, maar vrijgesproken. Cicero noemt Norbanus +seditiosum et inutilem civem. Hij was praetor op Sicilië in 88, +en consul in 83. Hij werd door Sulla vogelvrij verklaard, leed in +den burgeroorlog twee nederlagen (82) en vluchtte naar Rhodus, +waar hij zich zelf van kant maakte.--2) C. Norbanus Flaccus was +legaat van Antonius en Octavianus in den strijd tegen Brutus en +Cassius; in 38 was hij consul, in 34 hield hij een zegetocht over +de Hispaniërs.--3) Hiervan te onderscheiden is C. Norbanus Flaccus, +consul 24, waarschijnlijk de zoon van den voorgaanden.--4) onder +Domitianus en Traianus komt een L. Appius Norbanus Maximus voor. + +Noreia, Noreia, hoofdstad der Taurisci in Noricum, aan den Murius +(Mur), thans Neumark in Stiermarken. Hier werd in 113 de consul +Cn. Papirius Carbo door de Cimbren verslagen. + +Noricum, Norikon, sedert 16 een der rom. Donau-provinciën, tusschen +den Donau en de Alpen, van den Aenus (Inn) af tot aan den mons Cetius +(Wienerwald) bij Vindobona (Weenen). De inwoners, Taurisci, van +celtischen stam, waren een nijver volk en dreven over Aquileia een +niet onbelangrijken handel met Italia. De bodem was rijk aan metalen; +het norische staal en de wapenfabrieken van Lauriacum (Lorch, aan den +Donau) waren vermaard. Ook veeteelt en zoutwinning waren bronnen van +bestaan. In de jaren 15-13 werden al de gewesten tusschen Alpen en +Donau tot rom. provinciën gemaakt. + +Nortia, etrurische godin van het noodlot, voornamelijk te Volsinii +vereerd. + +Nossis, Nossis, lyrische dichteres uit Locri, omstreeks 300. Eenige +epigrammen van haar zijn bewaard gebleven. + +Nostoi, epische gedichten betreffende de avonturen van verschillende +grieksche vorsten op hun terugreis van Troje. + +Nota censoria, ook notatio, animadversio censoria, openbare bestraffing +door de censoren, als: het schrappen van onwaardige senaatsleden van de +lijst (senatu movere, eicere) of van ridders uit de ridderlijsten, het +overbrengen van burgers uit eene tribus rustica in eene tribus urbana +of wel onder de aerarii (tribu movere, in aerarios referre). Stellig +bewijs van schuld was niet noodig; de persoonlijke overtuiging der +censoren was voldoende; zij behoorden het echter eens te zijn. + +Notarius, snelschrijver, verslaggever, geheimschrijver of secretaris. + +Nothoi, buiten huwelijk geboren kinderen, of zij, wier ouders tot twee +verschillende staten zonder epigamia behoorden. De laatstgenoemden +kregen, althans te Athene, vrij gemakkelijk het burgerrecht, totdat +in 457 een wet van Pericles bepaalde, dat alleen kinderen van een +atheenschen vader en moeder dit recht zouden mogen hebben. De buiten +huwelijk geborenen waren van alle familierechten uitgesloten; zij +konden van het vermogen van hun vader slechts een bij de wet bepaald +deel (notheia) erven, dat niet meer dan 1000 drachmen kon bedragen. + +Notium, Notion, stadje van Aeolis, later haven van Colophon op de +aeolisch-mysische kust. + +Notus, Notos, de Zuidenwind, zie Windstreken. + +Novaesium = Novesium. + +Novaria, thans Novara, stad der Insubres in Gallia Transpadana. Sedert +89 had de stad het ius Latii, sedert 49 was het municipium. + +Novemdiale sacrum, een huiselijk reinigingsoffer op den negenden +dag na eene begrafenis. Hiermede gepaard ging een maaltijd, coena +novemdialis of feralis. Ook een godsdienstig feest van negen dagen, +dat somtijds ten gevolge van prodigia door den senaat werd bevolen. + +Novempopulana (provincia), zie Aquitania. + +Novensiles of Novensides Dii, zie Di(i) Novensides. + +Novesium, stad der Ubii aan den Rijn, tevens kwartier van een legioen, +thans Neuss tegenover Dusseldorf. + +Novii, oud geslacht uit Capua afkomstig. Omstreeks 90 leefde er een +blijspeldichter Novius; hij was dichter van Atellanae fabulae (z. a.), +evenals zijn tijdgenoot L. Pomponius. + +Noviodunum, keltische naam van verschillende steden in Gallia +Transalpina. 1) stad der Bituriges Cubi, tusschen Genabum (Orléans) en +Avaricum (Bourges).--2) stad der Aedui, thans Nevers aan de Loire.--3) +stad der Suessiones = Augusta Suessionum, thans Soissons.--4) stad +der Helvetii, aan den lacus Lemanus (meer van Genève), thans Nyon. + +Noviomagus, keltische stedennaam in Gallia Transalpina. 1) bij de +Bituriges Vibisci in Aquitania.--2) bij de Leuci in Belgica aan +de Mosa (Maas).--3) bij de Nemetes aan den Rhenus (Rijn), thans +Spiers.--4) Ulpia Noviomagus, kolonie door keizer Traianus gesticht, +bij de Batavieren, thans Nijmegen. Deze nederzetting is waarschijnlijk +ontstaan in de nabijheid van het kamp, dat de Romeinen in 70 n. C. ten +Z. van het verbrande Batavodurum (z. a.) hebben opgericht. + +Novus (homo), de eerste eener rom. familie, die tot een curulisch ambt +gekozen wordt en dus zijne nazaten tot den rang van nobiles verheft. + +NP. Zie fasti (dies). + +Nuceria, Noukeria, 1) Alfaterna bijgenaamd, stad in het Z. van +Campania, door Hannibal in 216 ingenomen en verbrand, later +herbouwd.--2) stad in het hart van Umbria, met den bijnaam Camellaria, +aan de via Flaminia.--3) stad in Apulia = Luceria. + +Nuithones, germaansch volk aan den rechteroever van den Albis (Elbe), +behoort tot die volkeren, die de godin Nerthus vereeren. + +Numa Pompilius, Noumas, tweede koning van Rome (± 715-679), een +Sabijn uit de stad Cures, die door wijsheid en godsvrucht de ruwe +zeden der eerste Rom. verzachtte en den openbaren godsdienst regelde +overeenkomstig den raad en de voorschriften der nimf Egeria, met wie +hij vertrouwelijken omgang had. Godsdienstige instellingen van hoogen +ouderdom werden door de Rom. in den regel aan Numa toegeschreven. + +Numantia, Noumantia, in Hispania Tarraconensis, aan den Durius +(Douro), hoofdstad van den celtiberischen stam der Arevaci, v. a. der +Pelendones. De stad was door hare ligging op eene hooge en steile, +slechts van ééne zijde toegankelijke rots zoo sterk, dat zij muren +ontberen kon. In 143 bewerkte Viriathus, de aanvoerder der Lusitaniërs, +dat de Arevacers zijne zijde kozen. Toen ontbrandde de Numantijnsche +oorlog. De proconsul Q. Caecilius Metellus Macedonicus behaalde in +het begin (142) groote voordeelen op de Celtiberiërs; doch toen hij +vernam, dat zijn persoonlijke vijand Q. Pompeius (consul in 141) hem +in het bevel zou opvolgen, ontsloeg hij de soldaten die vertrekken +wilden, liet de voorraadschuren onbewaakt aan plundering over, liet +de bogen en pijlen der cretensische boogschutters aan stukken breken +en de olifanten doodhongeren. Pompeius werd dan ook in 141 door de +Numantijnen verslagen en sloot met hen een verdrag (140), dat door +den senaat echter niet bekrachtigd werd. Nadat in 138 de proconsul +M. Pompilius Laenas en in 137 de consul C. Hostilius Mancinus het +onderspit hadden moeten delven en de laatste een schandelijken vrede +had moeten sluiten (zie Hostilii), werd in 133 Scipio Africanus +minor tegen N. afgezonden. Na een merkwaardig beleg van 15 maanden +viel het in zijne handen en werd geheel verwoest. De verschillende +kampen en versterkingen, die Scipio voor deze belegering om de stad +had opgeslagen, zijn niet lang geleden opgegraven. + +Numenius, Noumenios, 1) aegyptisch gezant te Rome, 167.--2) van Apamea +in Syrië, omstreeks het einde der 2de eeuw n. C., vereenigde in zijn +werken de leer van Pythagoras met die van Plato tot een nieuw stelsel, +dat volgens zijn beweren echter, hoewel minder duidelijk, reeds +bij Plato te vinden was. Hij was een van de voornaamste voorloopers +der neo-platonici, Plotinus heeft van zijne werken dikwijls gebruik +gemaakt. + +Numerianus (M. Aurelius Numerius), jongste zoon van keizer Carus, +vergezelde dezen op zijn veldtocht tegen de Parthen, waarbij Carus +omkwam (283 na C.). Met zijn ouderen broeder Carinus volgde hij +zijn vader op, doch werd in 284 omgebracht door zijn schoonvader, +den praefectus praetorio Arrius Aper. + +Numerii. De naam Numerius was in Italia zeer algemeen. Q. Numerius +Rufus, volkstribuun in 57, was tegen de terugroeping van Cicero, +doch kwam hierdoor zelf in moeielijkheden. Cicero bespot hem in zijne +oratio pro Sestio. + +Numicii, rom. geslacht, waarvan een paar leden in de volscische en +samnietische oorlogen voorkomen. + +Numicius of Numicus, Noumikios, kustriviertje van Latium, valt bij +Ardea in zee. + +Numidia, Nomadia, Noumidia, het afrikaansche kustland, van de +rom. provincie Africa af tot aan de rivier Muluchath. De naam van de +bewoners, Numidae, wordt door de ouden afgeleid van Nomades, Nomades, +zwervers. Hoofdstammen waren de Massaesylii en de Massylii. De kust +was bezet met phoenicische volkplantingen, die later in de macht van +Carthago overgingen. Na Carthago's val kreeg koning Masinissa van +de Rom. de geheele kust bij zijn gebied. Hij slaagde er in, zijne +Numidiërs aan vaste woonplaatsen te gewennen en ze op een hoogeren +trap van beschaving te brengen (zie Masinissa). Het O. gedeelte, tot +aan den Ampsaga, werd in 46 door Caesar tot provincie gemaakt onder +den naam Nova Africa; doch ook de naam Numidia bleef in gebruik. Het +westelijk gedeelte kwam in 25 met Mauretania aan Juba; het werd in 37 +n. C. bij het Romeinsche rijk gevoegd, en heette voortaan Mauretania +Caesariensis. De Numidiërs waren stoute ruiters en hunne paarden van +een uitmuntend ras. + +Numisii, een rom. geslacht van weinig belang. + +Numistro, stad heel in het N. van Lucania, op de grenzen van +Zuid-Samnium. + +Numitor, Nometor, koning van Alba Longa, vader van Rea Silvia, door +zijn broeder Amulius van den troon gestooten, doch later door zijne +kleinzonen Romulus en Remus hersteld. + +Numitorii, rom. geslacht, afkomstig uit Etruria. + +Nummus of numus, in het algemeen geldstuk, in het bijzonder de +sestertius. De (nummus) aureus of solidus was gelijk aan 100 +sestertiën. Nummi adulterini = valsch geld. + +Numonii, rom. geslacht met den familienaam Vala. + +Nymphagogos, z. Paranymphos. + +Nuncupare, v. nomen capere, iets met name noemen, duidelijk en +ondubbelzinnig uitspreken; vandaar vota nuncupare, zijn wensch +uitspreken, geloften doen. Nuncupatio is ook het plechtig aangaan +eener verbintenis ten overstaan van getuigen. + +Nundinae, marktdag, eigenlijk de eerste dag van de week, die mundinum +heette. Zie Trinundinum. Tusschen twee marktdagen lagen 7 andere +dagen in; van den eenen marktdag tot den volgenden verliepen dus +volgens romeinsche telling 9 dagen, vandaar de naam = novemdinae. + +Nuntiatio, zie augures. + +Nuptiae, bruiloft. Deze had in het huis van de bruid plaats. Na de +sluiting van het huwelijk (z. Confarreatio en Coëmptio) verwijderde +de man zich en haalde daarna de bruid met een stoet van vrienden +in optocht (pompa nuptialis) uit haar huis; men droeg fakkels +(hierdoor werd fax het symbool van het huwelijk), strooide noten en +zong liederen voor Hymenaeus. De jonge vrouw legde in de straat, waar +zij zou wonen, een geldstuk op het sacellum van den Lar Compitalis; +aan het huis gekomen droeg de man haar over zijn drempel. + +Nursia, sabijnsche stad aan den Nar, geboorteplaats van Q. Sertorius. + +Nurtia = Nortia. + +Nycteis, Nykteis, dochter van Nycteus, moeder van Labdacus, ook +Antiope, als dochter van Nycteus. + +Nyctelius, Nyktelios, bijnaam van Dionysus naar de nachtfeesten, +Nyktelia, die te zijner eer gevierd werden. + +Nycteus, Nykteus, zoon van Hyrieus, koning van Thebe, z. Lycus, +Labdacus en Antiope. + +Nyctimene, Nyktimene, dochter van Epopeus, koning van Lesbus; uit +schaamte over de liefde, die zij voor haar vader, of v. a. haar +vader voor haar, had opgevat, verborg zij zich in het diepste der +wouden. Athena veranderde haar in een nachtuil. + +Nyctimus, Nyktimos, zoon en opvolger van Lycaon no. 1. Onder zijne +regeering kwam de groote overstrooming van Deucalion over de aarde. + +Nymphae, Nymphai, dochters van Zeus, godheden van minderen rang, +personificaties van het leven der natuur in al zijne verschillende +uitingen. Iedere berg, iedere rivier, iedere boomsoort heeft bijzondere +nimfen, in lateren tijd stelde men zich zelfs voor, dat iedere boom een +eigen nimf had, die dan met den boom ontstond en stierf. Overigens zijn +zij onsterfelijk, betoonen zij zich vriendelijk en herbergzaam voor de +menschen, die haar gebied betreden, en sluiten zij zich gaarne aan bij +de hoogere goden, die bij voorkeur in de vrije natuur leven, zooals +Artemis en Dionysus. Soms hebben zij zitting in de vergadering der +goden op den Olympus.--Men onderscheidt ze in: zeenimfen (Oceanides, +Nereïdes), rivier- en bronnimfen (Naïades), bergnimfen (Oreades), +dalnimfen (Napaeae), boschnimfen (Alseïdes), boomnimfen (Dryades, +Hamadryades), soms heeten zij naar de plaats, waar zij zich ophouden: +Acheloïdes, Cithaeronides, Nyseïdes, Dodonides, enz.--Zij genoten +goddelijke vereering vooral in wouden en grotten, bij rivieren en +bronnen, maar ook in vele steden hadden zij prachtige heiligdommen, +nympheia. Men offerde haar geiten, lammeren, melk en olie. Zij +werden afgebeeld als schoone jonge vrouwen, licht of niet gekleed, +gewoonlijk met een of ander attribuut, dat hare beteekenis duidelijk +maakt.--Ook sommige andere goddelijke wezens, die onsterfelijk zijn +en meer dan menschelijke macht hebben, worden nimfen genoemd, ofschoon +zij niet tot het leven der natuur in betrekking staan, bijv. Calypso, +Circe, e. a. Ook in Rome worden Nymphae, oudtijds Lymphae geheeten, +als godheden van het water en van de bronnen, vereerd; ze hadden een +tempel op het Campus Martius; hier hadden de Censoren hun archief. + +Nymphaeum, Nymphaion, 1) kaap en haven op de illyrische kust, nabij +Apollonia.--2) kaap in de taurische Chersonesus (Krim).--3) kaap van +het voorgebergte Acte, een uitlooper van het Athosgebergte. + +Nympheum, nympheion, gebouw, aan de waternimfen gewijd en versierd met +zuilen en beelden. Daarbinnen stroomden een of meer fonteinen, omgeven +door zitplaatsen, waar men bij groote hitte eene aangename koelte +kon genieten. Te Rome vond men verscheidene nymphea (ook nymphaea, +nymphaia, geschreven). Zulk een nympheum was ook het zoogenaamde +Septizonium (z. a.). + +Nymphidius Sabinus (C.), verklikker onder Nero, die zich tot +bevelhebber der lijfwacht wist op te werken. Na Nero's dood werd hij +door zijne eigene soldaten vermoord, toen hij hen van Galba afvallig +zocht te maken. + +Nymphis, Nymphis, van Heraclea in Pontus, geschiedschrijver ten +tijde van Ptolemaeus Euergetes, van wiens werken weinige fragmenten +bewaard zijn. + +Nymphodorus, Nymphodoros, van Syracuse, schrijver van twee +aardrijkskundige werken ten tijde van Ptolemaeus Philadelphus; eenige +fragmenten van een werk over de merkwaardigheden van Sicilië zijn +bewaard gebleven. + +Nysa, Nys(s)a, de plek waar Dionysus door nimfen werd opgevoed. Deze +nimfen worden Nyseides, Nyseides, genoemd en de god zelf Nyseus, +Nyseus. Men zocht dit Nysa in verschillende oorden, in India, +Aethiopia, Caria, Pisidia, Cappadocia, Thracia, Boeotia, op Naxos, +overal waar bergen of steden met den naam Nysa voorkwamen en waar de +god op zijne tochten geweest was. De belangrijkste steden van dien +naam zijn:--1o. Nysa ad Maeandrum, stad in Carië, ten O. van Tralles, +gesticht in de 3de eeuw. Belangrijke ruïnen uit den keizertijd zijn +nog over.--2o. Nyssa in Cappadocia, aan den Halys, z. Gregorius no. 3. + +Nyseides, Nyseides, nimfen van Nysa, opvoedsters van Dionysus. + +Nyseus, Nysius, Nysigena, Nyseus, Dionysus, naar zijne geboorteplaats +Nysa. + +Nysiades = Nyseides. + + + + + + +O. + + +Oanis, Oanis, riviertje op de Z.kust van Sicilia bij de stad Camarina. + +Oaracta, ta Oarakta, vruchtbaar eiland in de Perzische golf op de +kust van Carmania. + +Oarus, Oaros, rivier ergens in Sarmatia, die volgens Herodotus in +de Palus Maeotis (zee v. Azow) zou vallen, O.waarts van den Tanaïs +(Don). Bedoeld is de Rha (Wolga). + +Oaxus, Oaxos, stad midden op Creta, ook Axus genoemd, aan de rivier +Oaxes. + +Obe, z. Phyle. + +Obeliscus, obeliskos, hooge, vierhoekige zuil, die naar boven +toe gelijkmatig dunner wordt en aan den top op eenmaal in eene +pyramidale spits uitloopt. Oorspronkelijk behooren deze zuilen, in het +Nederlandsch ook naalden genoemd, in Aegypte te huis, waar zij uit +graniet, marmer of kalksteen in één stuk gehouwen werden. De hoogte +wisselt van 50 tot 150 voet. Vele obelisken zijn met hiëroglyphen +beschreven. Na de verovering van Aegypte door de Perzen schijnt het +houwen van obelisken gestaakt te zijn; verscheidene er van zijn met +groote kosten naar Rome en in de vorige eeuw zelfs naar Londen, +Parijs en New-York overgebracht. In Aegypte stonden zij voor de +tempelgebouwen. Bij eene obelisk behoort een vierkant voetstuk, +rondom ongeveer een voet breeder dan het ondereind der naald. + +Obelus, obelos, een dwarsstreepje, waarmede de alexandrijnsche +grammatici in hunne uitgaven van oude schrijvers onechte of verdachte +plaatsen aanduidden. + +Obligatio, de band tusschen twee personen of partijen, van wie de een +creditor is en eene vordering heeft, en de andere debitor is en onder +zekere verplichting ligt. Obligationes ex contractu ontstaan uit eene +op wettigen grondslag rustende overeenkomst, obligationes ex delicto +uit een wederrechtelijk vergrijp tegen de rechten van een ander, +waarvoor deze dan vergoeding of voldoening kan vorderen. Verder kent +het Romeinsche recht nog obligationes ex variis causarum figuris, +waartoe o. a. hoort de aansprakelijkheid van den rechter, die een +partijdig vonnis heeft geveld. + +Obnuntiatio, mededeeling der augurs, dat de auspiciën ongunstig +zijn. Zie de artikels divinatio en servare de coelo. + +Obolos, grieksche munt, vroeger van zilver, later van brons, het 6de +deel van een drachme. Ob. nekrou, z. Charon. + +Obrima, Obrimos, zijtak van den Maeander in Phrygia. + +Obrimopatre, zij, wier vader machtig is, bijnaam van Athena. + +Obsequens (Iulius), schrijver van een werkje over wonderteekenen, +prodigia, waarvan nog een gedeelte over is. Hij leefde waarschijnlijk +in de 4de eeuw na C. + +Obucola, Oboukola, stad in Baetica, ten O. van Hispalis (Sevilla). + +Ocalea, Okaleia, dochter van Mantineus, gemalin van Abas, moeder van +Acrisius en Proetus. + +Ocalea, Okalee, riviertje en vlek in Boeotia ten W. van het meer +Copais. + +Oceanides, -ninae, Okeanides, -ninai, -nitides, 3000 dochters van +Oceanus en Tethys, nimfen der zee. + +Oceanus, Okeanos, zoon van Uranus en Gaea, de oudste der Titanen, +die zich aan het heerschende godengeslacht heeft onderworpen en door +hen met liefde en zorg behandeld wordt, maar geen aandeel heeft aan de +regeering der wereld, afgezonderd leeft en niet bij de vergaderingen +der goden komt. Bij Tethys is hij de vader van de 3000 stroomgoden +en 3000 Oceaniden. Hij is de god van den grooten stroom (Oceaan), +volgens ouderen eene rivier, volgens lateren een zee, die aarde en +zeeën insluit, waaruit alle wateren der aarde hun oorsprong hebben, en +zon, maan en sterren oprijzen. Aan deze zijde van den Oceaan wonen de +vrome Aethiopiërs en ligt het Elysium, aan gene zijde heerscht eeuwige +duisternis en is de ingang naar het rijk van Hades.--In latere tijden +onderscheidde men verschillende deelen van den Oceaan, bij voorkeur +gaf men dien naam aan den Atlantischen Oceaan (Oc. Occidentalis), +maar ook de Erythraeïsche, Hyperboreïsche, Aethiopische e. a. worden +genoemd. Over het algemeen verbindt men aan het woord Oceanus het +begrip van eb en vloed. + +Occelus of Ocellus Lucanus, Okkelos of Okellos ho Leukanos, +pythagoreïsch wijsgeer uit onzekeren tijd; het hem toegeschreven werk +peri tes tou pantos physeos is waarschijnlijk eerst uit de 1e eeuw +voor C. + +Ocelum, stad der Graioceli in de Grajische Alpen. + +Ocha, berg in het Z. van Euboea, bij de stad Carystus. + +Ochus, Ochos, bijnaam van Artaxerxes III. + +Ochus, Ochos, 1) linker zijrivier van den Oxus, tgw. Sangalak.--2) +rivier in Hyrcania, die in de Caspische zee uitstroomt, tgw. Atrek. + +Ocnus, Oknos, zoon van Tiberis en Manto, stichter van Mantua. V. a. was +hij een zoon of broeder van Auletes, den stichter van Perusia, en +had hij Felsina, het latere Bononia, gesticht. + +Ocriculum, Okrikola, welvarend municipium in Umbria aan den Tiber en +de via Flaminia, thans Otricoli. + +Octavia (lex) frumentaria ter verhooging van den korenprijs en +gedeeltelijke opheffing der lex Sempronia. Zie Annona en Octavii no. 5. + +Octavianus, zie Iulii no. 14. + +Octavii, rom. gesl., uit Velitrae afkomstig, dat reeds in den +koningstijd naar Rome verhuisde. 1) Cn. Octavius, rom. vlootvoogd +in den tweeden punischen oorlog (205 en 202). In 192 werd hij als +gezant naar Griekenland gezonden, om Antiochus tegen te werken.--2) +Cn. Octavius, zoon van no. 1, was in 168 rom. vlootvoogd tegen koning +Perseus, die zich op Samothrace aan hem moest overgeven. Van den buit +bouwde hij de porticus Octavia te Rome. In 165 was hij consul; in +162 werd hij te Laodicea vermoord, terwijl hij met een staatkundigen +last in Azië vertoefde.--3) M. Octavius, in 133 volkstribuun met +Ti. Gracchus, verzette zich tegen diens akkerwet en werd op diens +voorstel door het volk afgezet. Zie Sempronii no. 10.--4) Cn. Octavius, +consul in 87, trachtte als hoofd der optimatenpartij Cinna te keer te +gaan en verdreef hem zelfs uit Rome; toen echter Cinna Rome bestormde, +werd Oct. vermoord.--5) M. Octavius, zoon van no. 4, bewerkte als +volkstribuun eene inkrimping der korenwet van C. Gracchus, zie Octavia +(lex) frumentaria.--6) L. Octavius, consul in 75.--7) M. Octavius +was in den burgeroorlog vlootvoogd van Pompeius; hij verdreef Caesars +legaat P. Cornelius Dolabella uit Illyria en nam C. Antonius gevangen +(49). Later belegerde hij tevergeefs A. Gabinius te Salona. Na den slag +bij Pharsalus wordt hij door een gedeelte zijner manschappen verlaten, +hij lijdt een nederlaag tegen P. Vatinius, en vlucht met de rest van +zijn vloot.--8) C. Octavius, geroemd om zijn goedheid en braafheid, +praetor in 61, vernietigde in 60 het overschot van Catilina's benden +en bestuurde daarna met grooten lof Macedonia, waar hij tegen de +Thraciërs streed (60/59). Hij was de vader van keizer Augustus. Hij +stierf in het begin van 58 te Nola.--9) C. Octavius, zoon van no. 8, +geb. in 63, was vier jaar oud, toen zijn vader te Nola overleed. Hij +was de latere keizer Augustus. Zie Iulii no. 14.--10) Octavia, +dochter van no. 8, eerst gehuwd met C. Claudius Marcellus en daarna +(40) met M. Antonius, den drieman, won aller harten door haar edel +en zacht karakter. Zij droeg er veel toe bij om eene uitbarsting +tusschen haar man en haar broeder Octavianus te voorkomen. Doch +Antonius, naar het Oosten vertrokken, verwaarloosde haar, zooals hij +te voren Fulvia had gedaan, en liet zich in 32 van haar scheiden. Zij +stierf in 11, diep betreurd als een toonbeeld van eene rom. vrouw +en moeder. Zij liet de porticus Octaviae bouwen, waarvan nog enkele +brokstukken over zijn. Daar zij nog een oudere zuster had, wordt zij +ook wel minor bijgenaamd. Haar zoon, de in 23 gestorven M. Marcellus +(Claudii no. 37), om wien zij tot haar dood gerouwd heeft, was de +eerste man van Augustus' dochter Julia.--11) Octavia, dochter van +keizer Claudius uit diens derde huwelijk met Valeria Messalina, huwde +in 53 na C. met keizer Nero. Hare strenge zeden konden hem echter +niet behagen. Ze werd eerst door Nero verstooten, daarna verbannen +naar Pandataria en vermoord (62). Zij was zeer geliefd bij het volk, +en na Nero's dood leverde zij de stof voor een tragedie Octavia, +die onder de geschriften van Seneca bewaard gebleven is. + +Octodurus, tgw. Martigny, stad der Veragri, in het tegenw. kanton +Wallis. + +Octogesa, stad der Ilergetes aan den Iberus in Hispania. + +Ocypete, Okypete, een van de Harpyiën. + +Ocyrhoe, Okyroe, dochter van Chiron en Chariclo, eene wijze profetes; +zij werd in een paard veranderd. + +Odenathus, Odenathos, aanzienlijk burger van Palmyra, die zich in +het zoogenaamde tijdperk der 30 tyrannen tot vorst verhief (261 +na C.), den perzischen koning Sapores uit Syrië verjoeg, en door +den rom. keizer Gallienus als mederegent erkend werd. In 267 werd +hij door een bloedverwant omgebracht. Zijne weduwe, de schoone en +begaafde Zenobia nam nu als beheerscheres van het Oosten de teugels +van het bewind in handen. + +Odessus, Odessos, milesische kolonie in Thracia aan den Pontus Euxinus +(Zwarte zee), thans Varna. + +Odeum, odeion, gebouw voor muzikale wedstrijden, gebouwd op de wijze +van een theater, doch van een dak voorzien. Pericles liet het eerste +odeum te Athene bouwen. Bij het beleg der stad door Sulla in 86 brandde +het af, doch werd op kosten van den cappadocischen koning Ariobarzanes, +Philoromaeus bijgenaamd, weder opgebouwd. Herodes Atticus gaf aan +Athene een tweede odeum ten geschenke, het prachtigste der oude wereld; +het kon 8000 personen bevatten. Ook te Corinthus bouwde Herodes er +een. Na dat van Athene was het odeum van Patrae het prachtigste. Het +eerste odeum te Rome was dat van Domitianus. + +Odoacer, een Rugiër, die bij een opstand der rom. huurtroepen zich aan +hun hoofd stelde, den laatsten keizer van het westrom. rijk, Romulus +Augustulus, afzette, en een koninkrijk Italië stichtte, 476 na C. In +493 werd hij ten val gebracht door Theodorik, koning der Oostgothen. + +Odomanti, thracische volksstam aan den mons Orbelus, tusschen den +Strymon en den Nestus. + +Odrysae, Odrysai, het machtigste volk van Thracia, uitstekende ruiters +met voortreffelijke paarden. Hun grootste macht bereikten zij onder +de achtereenvolgende koningen Teres, Sitalces, met wien de Atheners +in 431 een verbond tegen Perdiccas van Macedonië sloten, en Seuthes +I. Diens neef Seuthes II riep de hulp in der 10000 Grieken, die met +Xenophon huiswaarts keerden. Twisten over de opvolging brachten den +staat later wel in een zekere afhankelijkheid van Macedonië, maar toch +bleef hij zelfstandig bestaan, ook nog onder de Rom., tot hij eindelijk +in 46 n. C. onder den naam Thracia bij het rijk werd ingelijfd. + +Odysseus, Odysseus, Ulixes, zoon van Laërtes of Sisyphus en +Anticlea, koning van Ithaca, Same en Zacynthus. Ook hij had naar +de hand van Helena gedongen, en toen aan Tyndareos een goeden +raad gegeven (z. Helena), uit dankbaarheid daarvoor was deze zijn +voorspraak bij Icarius, toen hij diens dochter Penelope tot vrouw +begeerde. Toen de trojaansche oorlog uitbrak, was O. verplicht mede +op te trekken; v.s. had hij door geveinsde krankzinnigheid getracht +zich aan die verplichting te onttrekken, maar was deze list door +Palamedes (z.a.) ontdekt. Hij ging dus met 12 schepen naar Troje +en toonde zich daar een dapper en volhardend krijgsman, maar vooral +onderscheidde hij zich door schranderheid, tegenwoordigheid van geest +en welsprekendheid. Daarom werd hij vooral gaarne gebruikt, waar +deze eigenschappen te pas komen, als onderhandelaar of verspieder, +en luistert men met aandacht naar zijn raad. Vóór het begin van den +oorlog werd hij naar Troje gezonden om Helena terug te eischen, +hij weet Achilles (z.a.) op te sporen, als deze zich op Scyrus +verborgen houdt, bij den strijd om de wapenen van Achilles behaalt +hij de overwinning op den grooten Aiax, en het houten paard, waardoor +eindelijk Troje genomen werd, was van zijne vinding. Maar bovenal +is hij beroemd door vele gevaren en avonturen, die zijne terugreis +bemoeilijkten en die het onderwerp uitmaken van de Odyssea van +Homerus. Tien jaar lang zwierf hij over de zee en door verre landen, +eer hij zijn vaderland weder bereikte. Reeds was hij tot kaap Malea +gekomen, toen een storm hem naar het land der Lotophagen dreef, waar +sommige van zijn makkers zoo door den smaak van de zoete lotusvrucht +bekoord werden, dat zij met geweld naar de schepen teruggedreven +moesten worden. Daarna landde hij bij de Cyclopen, hier beroofde +hij den woesten menscheneter Polyphemus (z.a.) van het gezicht, +waarom hij sedert voortdurend door den toorn van Poseidon vervolgd +werd. Op het eiland van Aeolus werd hij goed ontvangen, en bij zijn +vertrek kreeg hij een zak mede, waarin alle winden opgesloten waren +behalve de Westenwind, zoodat de vaart zeer voorspoedig was, maar +in het gezicht van Ithaca openden sommige schepelingen den zak, de +winden ontsnapten en een geweldige storm dreef het schip weder naar +het eiland van Aeolus terug. Vervolgens kwam hij bij de Laestrygonen +(z. Antiphates) en bij Circe (z.a.), op wier raad hij over den Oceaan +zeilt en in het voorportaal der onderwereld de schim van Tiresias over +zijne verdere lotgevallen ondervraagt. Langs het eiland der Sirenen, +tusschen Scylla en Charybdis doorzeilend, komt hij op Thrinacia, +waar zijne tochtgenooten, door den uitersten honger gedreven, +zich in weerwil van zijne dringende vermaningen aan de kudden van +Helius vergrijpen. Deze beklaagt zich bij Zeus, die het schip van O., +zoodra het weder in zee is, door een bliksemstraal verbrijzelt en alle +schepelingen doet omkomen, behalve O. zelf, die op een plank naar het +eiland Ogygia drijft. Daar wordt hij ontvangen door Calypso (z.a.), +en zeven jaar blijft hij, hoewel door heimwee verteerd, bij haar; +als zij hem eindelijk op uitdrukkelijk bevel der goden laat gaan, +vaart hij 18 dagen lang gelukkig op een door hem zelf vervaardigd +vlot; daarna merkt Poseidon hem op, en in een vreeselijken storm +wordt het vlot verbrijzeld, maar door de hulp van Ino Leucothea komt +hij, met verlies van alles, zelfs van zijne kleederen, op het eiland +Scheria. Van uitputting valt hij in slaap, en zoo wordt hij gevonden +door Nausicaa, die hem naar het hof van haar vader Alcinous, koning +der Phaeaciërs, brengt. Nadat hij hier eenige dagen eene gastvrije +ontvangst had genoten, zich bekend gemaakt en zijne lotgevallen +verhaald had, wordt hij eindelijk, met geschenken overladen, naar +zijn vaderland teruggebracht. Daar verneemt hij dat zijne moeder van +verdriet over zijne lange afwezigheid gestorven is, dat zijn vader +zich uit de stad teruggetrokken heeft, dat sedert drie jaar meer +dan 100 edele jongelieden naar de hand van Penelope dingen, en in +afwachting van hare beslissing in zijn huis brassen en zwelgen en zijn +vermogen verteren, en eindelijk dat Telemachus, die in den laatsten +tijd begonnen is zich krachtiger tegen hen te verzetten, nauwelijks +voor hunne lagen veilig is. Door Athena, zijne trouwe beschermster, +als oude bedelaar vermomd, maakt hij zich voorloopig alleen aan zijn +zoon bekend, dan gaat hij naar zijn huis en komt er juist wanneer +Penelope, die nog steeds op de terugkomst van haar gemaal hopend, +tot nu toe aan hare vrijers geen beslissend antwoord gegeven heeft, +zich eindelijk gedwongen ziet eene keuze te doen. Zij verklaart dat +zij hem tot echtgenoot zal nemen, die den boog van O. kan spannen, +en als niemand daartoe in staat is, vraagt O. zelf, nog steeds als +bedelaar vermomd, of hij het beproeven mag; zij stemt toe, en zoodra +hij den boog in handen heeft, doodt hij met de hulp van Telemachus +en eenige getrouwe dienaars al de overmoedige vrijers. Daarna maakt +hij zich bekend, terwijl Athena een oproer stilt, dat door den moord +der vrijers dreigde te ontstaan.--Over zijne verdere lotgevallen zijn +de berichten verschillend. V.s. doodde hem zijn eigen zoon Telegonus +(z.a.), zonder hem te kennen, v.a. was hij naar Italië gegaan en had +daar verscheiden steden gesticht. + +Oea, Oia, 1) vlek op het eiland Thera.--2) stad op de kust van Africa, +tusschen de beide Syrten. + +Oeager, Oiagros, koning van Thracië, v.s. vader van Orpheus en +Linus. Vandaar Oeagrius = thracisch. + +Oeagrides, Oiagrides, de Muzen, als zusters, van Orpheus, den zoon +van Oeager. + +Oeanthe, -ea, Oianthe, Oiantheia, stad der Locri Ozolae aan de westkust +van de golf van Crisa. + +Oeax, Oiax, zoon van Nauplius no. 2. + +Oebalia, de burcht van Tarentum. Zie Oebalus. + +Oebalides, Oibalides, Hyacinthus of de Dioscuren (Oebalii fratres), +afstammelingen van Oebalus. Soms alg. = Spartaan. + +Oebalus, Oibalos, 1) zoon van Cynortas of Perieres, koning van Sparta, +vader van Tyndareos. Naar hem wordt Helena Oebalia pellex en Tarentum +Oebalia arx genoemd.--2) zoon van Telon, verliet het eil. Capreae, +waar zijn vader over de Teleboërs regeerde, en vestigde een nieuw +rijk in Campanië. + +Oechalia, Oichalia, naam van verschillende steden, als: 1) in +Thessalia aan den Peneus, tusschen Tricca en Pelinna, de zetel van +den door Heracles gedooden Eurytus.--2) in het N. van Messenia.--3) +in Trachis.--4) nabij Eretria op Euboea.--5) in Aetolia. + +Oeclides, Oikleides, zoon van Oecleus, Amphiaraus. + +Oecus, eene zaal in een rom. huis, zonder lichtopening in de +zoldering. Het licht moest dus door vensters naar binnen vallen of +het vertrek moest op een peristylium of veranda uitkomen. Ze diende +als pronkzaal (z. domus) of als triclinium. + +Oedipus, Oidipous, Oidipodes, zoon van Laius en Iocaste. Wegens +een onheilspellend orakel (z. Laius) gaf zijn vader hem kort na +zijne geboorte aan een herder, met bevel het kind op den Cithaeron +te dooden. Door medelijden bewogen, volbracht de herder dien last +echter niet, maar gaf het kind aan een anderen herder, die het medenam +naar Corinthe en het aan zijn heer, den kinderloozen koning Polybus, +gaf. O. groeide op in de meening dat hij een zoon van Polybus was, +maar toen hij volwassen was geworden, werd hem eens bij een feest +toegevoegd, dat hij zich voor een ondergeschoven kind wat al te trotsch +gedroeg. Deze woorden griefden hem, en daar hij op zijne vragen om +inlichtingen van iedereen ontwijkende antwoorden kreeg, besloot hij +het delphische orakel over zijne afkomst te gaan ondervragen. Ook hier +kreeg hij echter op deze vraag geen antwoord, maar de Pythia herhaalde +tot hem, wat eens tot Laius gezegd was: dat hij zijn vader zou dooden, +met zijne moeder zou trouwen en met haar een geslacht zou verwekken, +dat goden en menschen tot gruwel zou zijn. In de onzekerheid, of +hij niet misschien toch een zoon van Polybus en diens echtgenoote +was, besloot hij in ieder geval niet naar Corinthe terug te keeren, +en onverschillig waarheen hij zich begeven zoude, sloeg hij den weg +naar Thebe in. Op een smallen bergweg kwam hem een reiziger te gemoet, +die op een wagen gezeten was en door eenige dienaars begeleid werd; +wijken was moeielijk, er ontstond een twist, waarbij O. den reiziger en +zijn geheel gezelschap doodde, behalve één man die ontvluchtte. Daarna +kwam hij in Thebe aan en vond het land in de grootste verwarring: de +koning was kort te voren op reis aangevallen en gedood, en bovendien +werd het land geteisterd door de Sphinx (z. a.), die reeds talrijke +slachtoffers gemaakt had. In deze omstandigheden nam Creon, de broeder +der koningin, voorloopig de regeering in handen en maakte bekend, +dat hij, die het land van de Sphinx zou verlossen, met de hand van +Iocaste en de koninklijke waardigheid zou beloond worden. O. lost +het raadsel van de Sphinx op en wordt zoo koning van Thebe, maar +tevens huwt hij, zooals het orakel voorspeld had, met zijne moeder; +dat hij de moordenaar van Laius is, kan hij niet vermoeden, want de +eenige man, die het bericht van diens dood in de stad gebracht heeft, +beweert dat hij door een rooverbende den dood gevonden heeft; op deze +wijze wil hij het n.l. doen voorkomen, dat hijzelf niet uit lafheid, +maar voor de overmacht gevlucht is. Lang regeert O. gelukkig en tot +heil van het land, bij Iocaste krijgt hij vier kinderen: Eteocles, +Polynices, Antigone en Ismene. Na vele jaren wordt het land echter +door een verschrikkelijke pest bezocht, en in den hoogsten nood +zendt O. zijn zwager Creon naar Delphi, ten einde Apollo om raad te +vragen. Het antwoord luidt dat de toorn der goden op het land zal +blijven drukken, totdat de moordenaar van Laius verbannen of ter dood +gebracht zal zijn. Vol ijver begint O. zijne nasporingen om hem te +vinden, maar niemand kan hem inlichtingen geven dan de man, die bij +den moord tegenwoordig is geweest, toevallig dezelfde die hem als kind +op bevel van Laius had moeten dooden. Terwijl deze man ondervraagd +wordt, komt een bode uit Corinthe den dood van Polybus berichten, +deze bode is dezelfde, die O. als kind van den anderen herder had +overgenomen en naar Corinthe gebracht, en door de elkander aanvullende +verklaringen van deze twee personen ontdekt O. eindelijk, hoe de oude +orakels vervuld zijn. Hij steekt zich in wanhoop de oogen uit, terwijl +Iocaste zich ophangt. Ofschoon hij in het begin gewenscht had, volgens +het bevel der goden, uit het land verbannen te worden, weet Creon hem +tot bedaren te brengen, en zoolang deze regeert, blijft O. inderdaad +te Thebe. Toen echter zijne beide zonen volwassen waren geworden, +behandelden zij hun vader met minachting, en spoedig dwongen zij +hem het land te verlaten. O. vloekt zijne zonen en terwijl zij zich +alleen om de bevrediging hunner heerschzucht bekommeren, begint hij, +oud en blind, een zwervend leven, waarbij hem zijne dochter Antigone +trouw vergezelt en ook Ismene hem nu en dan diensten bewijst. Wel +verklaarde een later orakel, dat het land, waar het graf van O. zich +zou bevinden, groot en bloeiend zou worden en door Thebe niet te +overwinnen zou zijn, en trachtten daarom Creon en Polynices hem te +bewegen naar zijn vaderland terug te komen, maar O., die intusschen +bij Theseus in Attica vriendelijk opgenomen is, wil hiervan niets +weten. Met de goden verzoend, eindigt hij zijn leven zacht in het +woud der Eumeniden op den heuvel Colonus bij Athene, zijn graf is +alleen aan de koningen van Attica bekend en is een onderpand van +heil voor hun land.--Volgens de oudste verhalen was de naam van zijne +moeder Epicaste, en regeert hij na de ontdekking zijner gruweldaden, +hoewel door de Erinyen gekweld, tot het einde van zijn leven over +Thebe. Nadat Epicaste zich opgehangen had, nam hij Euryganea tot +vrouw, en deze was de moeder zijner vier kinderen. Later zoude hij +haar verstooten en Astymedusa tot vrouw genomen hebben. + +Oeneis, Oineis, eene van de 10 phylen, waarin de bevolking van Attica +door Clisthenes verdeeld werd. + +Oeneon, Oineon, havenstad der Locri Ozolae. + +Oeneus, Oineus, zoon van Portheus of Porthaon, koning van Calydon +en Pleuron, de eerste die den wijnbouw in Aetolië invoerde, waartoe +Dionysus hem zelf den eersten wijnstok gaf. In zijn tijd had de +calydonische jacht plaats. De zonen van zijn broeder Agrius zetten hem +gevangen en gaven de regeering aan hun vader, Diomedes doodt echter +na zijne terugkomst van Troje Agrius met de meeste van diens zonen +en geeft de regeering aan zijn grootvader terug, die haar echter aan +zijn schoonzoon Andraemon afstaat.--Op eene reis in de Peloponnesus +werd hij door de in leven gebleven zonen van Agrius gedood. Diomedes +begroef hem in Argos, op de plaats die naar hem Oenoë genoemd werd. + +Oeniadae, Oiniadai, oude kustst. van Acarnania aan den mond van den +Achelous, die ze in den winter onder water zette. De burcht, Nasus, +Nesos (z. a.), lag op een eilandje in een meertje. + +Oenides, Oineides, Meleager en Diomedes, zoon en kleinzoon van Oeneus. + +Oenoanda, Oinoanda, stad in Cabalia, op de grenzen van Lycia. + +Oenoë, Oinoe, 1) attische demus bij Eleutherae, tot de hippothoönsche +phyle behoorende, grensvesting tegen Boeotia.--2) attische demus der +phyle Aeantis, bij Marathon.--3) corinthische sterkte aan de golf van +Corinthus.--4) vlek in Argolis, ten W. van Argos.--5) stadje in Elis +aan den Ladon, oudtijds Ephyra geheeten. + +Oenomaüs, Oinomaos, zoon van Ares, koning van Pisa. Daar hem voorspeld +was, dat hij zou sterven wanneer zijne schoone dochter Hippodamea +trouwde, maakte hij bekend, dat hij hare hand slechts aan dengene +zou geven, die hem in den wedren overwon. Daar hij van Poseidon +paarden gekregen had, die alle andere in snelheid overtroffen, +was hij zeker dat deze voorwaarde niet vervuld konde worden. Reeds +velen, die om Hippodamea aanzoek gedaan hadden, waren op deze wijze +door O. overwonnen en gedood, totdat Pelops den wagenmenner van O., +Myrtilus, omkocht om zwarte was in plaats van pinnen in de assen +van den wagen van zijn heer te steken, daardoor viel de wagen van +O. om, hij werd door zijne paarden voortgesleept en kwam jammerlijk +om.--V. a. overwon Pelops hem niet door verraad, maar door de hulp van +Poseidon, die hem paarden geschonken had, nog vlugger dan die van O. + +Oenone, Oinone, 1) oude naam van Aegina.--2) dochter van den riviergod +Cebren, gemalin van Paris, bij wien zij een zoon had, Corythus +(z. a.). Toen Paris doodelijk gewond was, liet hij zich hij haar +brengen, daar zij hem konde genezen, maar vertoornd over zijne ontrouw, +weigerde zij. Maar toen hij gestorven was, wierp zij zich van smart +op den brandstapel, waarop zijn lijk lag, en verbrandde zij met hem. + +Oenophyta, ta Oinophyta, vlek in Boeotia aan den Asopus, waar de +Atheners in 456 de Boeotiërs versloegen. + +Oenopia, Oinopia, oude naam van het eil. Aegina. + +Oenopion, Oinopion, zoon van Dionysus of Rhadamanthys en Ariadne, die +van Creta naar Chius verhuisde en daar den wijnbouw invoerde, z. Orion. + +Oenotria, Oinotria = wijnland, oude naam voor Lucania en Bruttii, en +dichterlijk voor geheel Italia. De Oenotri zijn de oudste bewoners +dezer streken; ze werden door de Grieken, die zich aan hun kusten +vestigden, onderworpen. Een gedeelte der Oenotri vindt men nog later +op Sicilia, zie Morgantium. Zie ook Oenotrus. + +Oenotropi, -pae, Oinotropoi, dochters van Anius, die van Dionysus het +vermogen hadden gekregen om alles wat zij wilden in wijn, v. a. in +wijn, koren en olie, te veranderen. Haar vader konde door deze +gave het grieksche leger voor Troje negen jaar lang van het noodige +voorzien. Later trachtte Agamemnon de meisjes met geweld naar Troje +te brengen, doch Dionysus veranderde ze in duiven. + +Oenotrus, Oinotros, jongste zoon van Lycaon, verhuisde uit Arcadië +naar Italië, waarvan een deel naar hem Oenotria genoemd werd. + +Oenus, Oinous, rivier in Laconica, die boven Sparta in den Eurotas +valt. + +Oenussae, Oinoussai, 1) vijftal eilandjes tusschen Chius en de +aziatische kust (het Mimasgebergte).--2) eilandengroep ten Z. van +Messenia. + +Oeonus, Oionos, zoon van Licymnius, bondgenoot van Heracles in +den oorlog tegen Augias, eerste overwinnaar in den wedloop bij de +olympische spelen. In Sparta werd hij door de zonen van Hippocoön +gedood, later werd er een gedenkteeken voor hem opgericht. + +Oëroë, Oeroa of Oeroe, riviertje en eilandje bij Plataeae in Boeotia. + +Oesyme, Oisyme, thasische kolonie op de thracische kust, tusschen +den Nestus en den Strymon. + +Oeta, Oite, zijtak van het Pindusgeb., die zich ten Z. van Thessalia +tot bij de Malische golf uitbreidt en waarvan de Callidromus met +den pas der Thermopylae en de Cnemis eene voortzetting zijn. Het is +een woest gebergte, bijna 6000 voet hoog. Op den Oeta liet Heracles +zich verbranden. + +Oetaei, Oitaioi, thessalische volksstam aan het Oetagebergte, ten +W. van Doris en Malis. + +Oetylus, Oitylos, havenstad in Laconica aan de Messenische golf met +een tempel van Serapis. + +Ofella, familienaam in de gens Lucretia, (Lucretii no. 4). + +Ofilii. A. Ofilius, een bekwaam rechtsgeleerde, tijdgenoot van Cicero +en vriend van Caesar. Een andere Ofilius komt voor in den oorlog van +Octavianus tegen S. Pompeius. + +Ogulnia (lex) van de volkstribunen Q. en Cn. Ogulnius (300), dat er +in plaats van 6 patricische pontifices en 6 (v. a. 5) patr. augurs 9 +pontifices en 9 augurs zouden gekozen worden, en dat hiervan 5 plaatsen +door plebejers moesten bezet worden. Hieruit blijkt duidelijk, dat +reeds in 300 de aanzienlijke plebejers de macht in handen hadden. + +Ogulnii. Van deze familie zijn slechts twee broeders bekend; +zie Ogulnia lex. Als aedilen lieten zij in 296 van de boeten, aan +woekeraars opgelegd, bronzen beelden tot versiering van Rome gieten, +o.a. van Romulus en Remus, door de wolvin gezoogd. Zie hieromtrent +Rumina. Q. Ogulnius was een dergenen, die in 293 naar Epidaurus werden +gezonden, zie Aesculapius. + +Ogygia, Ogygia, 1) het eiland van Calypso, de navel der zee genoemd, +waarmede waarschijnlijk bedoeld wordt, dat het zoo ver mogelijk van +ieder vastland verwijderd was.--2) oude naam van Thebe. + +Ogyges, Ogygus, Ogyges, Ogygos, een attische of boeotische koning +uit zeer ouden tijd, onder wiens regeering het land door een groote +overstrooming geteisterd werd. Een van de poorten van Thebae heette +de Ogygische, ook een woud en heuvel in de nabijheid van de stad +droegen dien naam.--Ook worden Ogygische nimfen genoemd, die voor +dezelfde gehouden worden als de Erinyen. + +Oicles, -cleus, Oikles, -kleus, kleinzoon van Melampus, vader van +Amphiaraus. Hij vergezelde Heracles op diens tocht tegen Laomedon +en sneuvelde daarbij. V.a. zoude hij echter behouden van Troje +teruggekomen zijn en sedert in Arcadië gewoond hebben. + +Oiclides, Oikleides, Amphiaraus, zoon van Oicles. + +Oikia, Oikos, huis. Hoewel de inrichting van de huizen bij de +Grieken, evenals overal, naar de beschikbare ruimte en de behoeften +der bewoners verschillend geweest moet zijn, kan men zich toch, +gebruik makende van de mededeelingen van oude schrijvers, zeer in +het algemeen een denkbeeld vormen van hun aanleg. Eigenaardig is +aan de grieksche huizen ten eerste, dat een betrekkelijk groot deel +van de door muren ingesloten ruimte onoverdekt blijft, ten tweede, +dat de vertrekken verdeeld zijn in een afdeeling voor mannen, waar +ook vreemden ontvangen, gastmalen gegeven worden, enz., en eene +afdeeling voor vrouwen, waar geen vreemde komt en de eigenlijke +zetel van het huiselijke leven is. In de huizen, of liever paleizen, +die Homerus beschrijft, komt men van de straat door een met dubbele +deuren gesloten gang (prothyron) op een open plaats (aule), omgeven +door vertrekken voor slaven, stallen en dgl. Aan beide zijden van de +voordeur was eene zuilengalerij (aithousa aules) en aan de overzijde +eene dergelijke, maar doorloopende en waarschijnlijk ruimere, galerij +(aithousa domatos), waarachter het eigenlijke woonhuis (doma, domos; de +aule met de galerijen, enz., heeten met elkander prodomos) lag. Achter +deze galerij ligt het mannenvertrek (megaron), vanwaar een kleine gang +(prothyron) naar de overige vertrekken (thalamoi) van het huis geleidt; +onder deze is een het gewone verblijf van de huisvrouw met hare +slavinnen, terwijl de verdere ruimte en, waar deze niet voldoende is, +ook een bovenverdieping (hyperoon) slaapkamers, voorraadkamers, enz., +bevat. Van de voorgalerij loopt verder een gang langs de geheele diepte +van het huis, waarop de verschillende aan die zijde gelegen vertrekken +een uitgang hebben.--Van een atheensch huis uit den hellenistischen +tijd kan het plan op deze bladzijde eene voorstelling geven. Daarop is +a de voordeur (auleios thyra), b een gang (thyron, pylon, thyroreion), +met een portierswoning aan de eene en een stal aan de andere zijde, c +de open plaats (aule) der mannenafdeeling (andronitis), aan alle vier +zijden door zuilengangen omgeven (vandaar ook peristylion), rondom +welke de mannenvertrekken (andrones, oikoi, 1-9) gelegen zijn. Uit +deze aule, leidt een gang d (mesaulos, metaulos z.a.) naar de aule, +e, van het vrouwenverblijf (gynaikeion, gynaikonitis, deze aule heeft +slechts aan drie zijden zuilengangen, terwijl aan de vierde zijde +in het midden een vertrek f ligt, dat naar de aule geheel open is, +waarschijnlijk de eigenlijke huiskamer (parastas, prostas); naast dit +vertrek zijn twee slaapkamers (thalamos en amphithalamos, g); aan de +andere zijden van de aule zijn verschillende andere vrouwenvertrekken, +geheel achter in het huis zijn vertrekken h, waar de vrouwen arbeiden, +en door de achterdeur i (kepaia thyra) komt men in den tuin of op +straat.--Het behoeft niet gezegd te worden dat dit plan, dat geheel +en al berust op soms niet volkomen duidelijke aanwijzingen bij oude +schrijvers, in de werkelijkheid vele en belangrijke wijzigingen konde +en moest ondergaan,--al ware het slechts omdat daarbij op eene ruimte +gerekend is, die soms onvoldoende, maar zeer dikwijls ook niet noodig +en niet beschikbaar moet geweest zijn. In vele gevallen wordt melding +gemaakt van een bovenverdieping, die in groote huizen alleen gediend +kan hebben als verblijf voor slaven, bergplaats, enz., maar waarheen +in kleinere het geheele vrouwenverblijf verplaatst is, zoodat dit in +het geheel geen afzonderlijke aule had. Zeer groote afwijkingen toont +bovenstaand plan van de overblijfsels van een particuliere woning, +op Delus gevonden, waarvan de indeeling volstrekt niet met die van +bl. 437 te vergelijken is, alleen is in B de gang te herkennen, +terwijl C de open plaats geweest moet zijn, die klein en smal is +en geene sporen van zuilen meer vertoont, bij F was een waterput, +de bestemming van de overige ruimten is niet nader te bepalen. Dat +dit echter geen armoedig huis geweest is, mag men uit den smaakvol +met ionische zuilen versierden voorgevel veilig besluiten. + +Oikoumene (ge), eigenlijk het bewoonde gedeelte van de aarde; men +veronderstelde, dat de keerkringen wegens de hitte onbewoonbaar +waren. In engeren zin beteekent oik. het aan de Grieken, later aan +de Romeinen bekende of door hen beheerschte gedeelte der aarde, +orbis Romanus, orbis terrarum antiquis notus. + +Oileus, Oileus, koning der Locriërs, een van de Argonauten, bij +Eriopis vader van Aiax, bij Rhene van Medon. + +Oionopoloi, Oionistai, waarzeggers, die de toekomst voorspellen uit +wonderteekenen (terata), voornamelijk uit het verschijnen van vogels, +de omstandigheden, waarin deze zich vertoonen, de richting, waarin +zij vliegen, enz. + +Olba, Olbe, stad in het binnenland van Cilicia Trachea, ten N. van +Soli, in den hellenistischen tijd zetel van het priestergeslacht der +Teucriden; hier vond men den tempel van Zeus Olbios, Zeus Olbios, +waarvan nog vele overblijfselen bewaard gebleven zijn. + +Olbia, Olbia, 1) stad op de Oostkust van Sardinia, de meest gewone +landingsplaats der Rom.--2) kuststad in Gallia Narbonensis, door +Massilia (Marseille) gesticht. Tgw. Eoubes.--3) vesting in Pamphylia, +in den hoek der Pamphylische golf.--4) stad in Bithynia, ook Astacus +genoemd, z. a.--5) stad in Scythia, ook Borysthenis geheeten, aan de +monden van den Borysthenes (Dniepr) en den Hypanis (Bug). + +Olcades, Olkades, kleine volksstam in Hispania, in het gebied der +Oretani, aan den bovenloop van den Anas (Guadiana). + +Olcinium, illyrische zeestad, ten W. van Scodra, thans Dulcigno. In den +oorlog tegen Gentius (168) schaarde zij zich aan de zijde der Romeinen. + +Olearas = Oliarus. + +Olen, Olen, mythisch dichter, uit Lycië of uit het land der +Hyperboreërs afkomstig, de eerste die op Delus orakels van Apollo +verkondigde, uitvinder van de epische versmaat. Op Delus werden +oude hymnen van hem bewaard, waarvan de inhoud voor zeer belangrijk +gehouden werd. + +Olennius, primipilaris, d.i. eerste centurio bij de pilani of triarii, +onder keizer Tiberius, in 28 na C. naar de Friezen gezonden om de +schatting van runderhuiden te innen, bracht hen tot opstand door zijne +hebzucht. Hij eischte huiden van oerossen of wilde stieren, die bijna +uitgeroeid waren, en daar de Friezen geene zoo groote huiden konden +leveren, werd hierdoor eene bron van afpersingen geopend. + +Olenus, Olenos, bewoner van den Ida, wiens gemalin Lethaea zich +beroemde schooner te zijn dan alle godinnen; voor dezen overmoed +werden beiden in steenen veranderd. + +Olenus, Olenos, 1) eene der 12 achaeïsche bondssteden, aan de golf van +Patrae (Patras).--2) oude stad in Aetolia, ten W. van den Aracynthus, +zetel van Oeneus, door de Aetoliërs verwoest.--Dichterlijk Olenius = +achaeisch of aetolisch, Olenia capella = de geit Amalthea. + +Oliarus, Oliaros, eil. van de groep der Cycladen, ten W. van Parus, +thans Antiparo. De beroemde grot wordt bij de ouden niet vermeld en +schijnt hun dus niet bekend te zijn geweest. + +Oligyrtus, Oligyrtos, bergvesting in N.O. Arcadia, ten Z. van +Stymphalus. + +Olisipo, Olisipon, stad in Lusitania, thans Lissabon, zie Junii no. 4. + +Olizon, Olizon, stad in het Z. van het thessalische landschap Magnesia, +tegenover het eil. Euboea. + +Ollius (T.), de vader der schoone, maar beruchte Poppaea Sabina, +Nero's tweede vrouw. Ollius was een vriend van Seianus en werd in +diens val medegesleept. Zijne dochter droeg niet den naam van haar +eigen vader, maar van haar moeders vader. + +Ollius, thans Oglio, rechterzijtak van den Padus (Po), die in zijn +loop den lacus Sebinus (lago d'Isea) vormt. + +Oloösson, Oloosson, stad der Perrhaebi in het N. van Thessalia. + +Olophyxus, Olophyxos, stad aan den berg Athos met eene gemengde +bevolking van Thraciërs, Pelasgen en Grieken (Chalcidiërs). + +Olpae, Olpai, Olpe, sterkte in Acarnania, op een heuvel aan de Oostkust +der Ambracische golf gelegen. + +Oltis, rechter zijtak van den Garumna. + +Olurus, Olouros, 1) vesting in Achaia bij Pallene op de sicyonische +grenzen.--2) ook Oluris en Dorium geheeten, stad in het N. van +Messenia. + +Olympia, he Olympia, was niet zoozeer eene stad, als wel eene +verzameling van tempels met de noodige worstelperken, loop- en +renbanen voor de spelen, alles in een liefelijk oord ten N. van de +rivier Alpheus en ten O. van de beek Cladeüs gelegen te midden van +plataan- en olijfboomen. In het eigenlijke tempelgebied (he Altis), +gedeeltelijk door muren omgeven, lagen ook het Heraeum, de oude +tempel van Hera (vroeger van Zeus en Hera) met daarvoor het groote +altaar van Zeus, en de nieuwe Zeus-tempel uit de 5de eeuw, waarvoor +Phidias het Zeus-beeld gemaakt heeft, vele schatkamers (thesauroi) en +vele wijgeschenken en standbeelden. Buiten de Altis vond men o. a het +Gymnasium, de Palaestra en het Stadium. Op kosten van het Duitsche rijk +is Olympia in 1875-1881 volledig opgegraven. Oorspronkelijk behoorde +dit tempelgebied tot de stad Pisa (z. a.), doch toen de Eleërs Pisa +verwoest hadden, wilden zij evenmin de vestiging eener zelfstandige +gemeente te Olympia als den herbouw van Pisa toestaan. Zie ook Elis. + +Olympia, ta Olympia, de olympische spelen, oorspronkelijk een feest +ter eere van den pelasgischen Zeus, later verbonden met lijkfeesten +ter nagedachtenis van Pelops, vervolgens door Heracles vernieuwd, +en eindelijk door Lycurgus van Sparta en Iphitus van Elis voor goed +geregeld. Het was het grootste nationale feest der Grieken, waaraan +sedert het einde der 7de eeuw ook Grieken uit Azië, Italië en Sicilië +deelnamen, en waarbij alle grieksche staten officieel vertegenwoordigd +waren. De wedstrijd bestond aanvankelijk alleen uit een wedloop, +waarbij achtereenvolgens gevoegd werden: diaulos, dolichos, worstelen +en pentathlon, rijden met vierspan, paardrijden en pankration, +wedloop in wapenrusting (hoplites dromos), rijden met tweespan. Wegens +het talrijke bezoek was het hier ook de meest geschikte plaats tot +het voordragen van redevoeringen, gedichten, enz., en tot het doen +van afkondigingen van algemeen belang; eerbetuigingen aan bizondere +personen of staten werden hier bekend gemaakt, enz. De feesten werden +om de vier jaar des zomers in de Altis gevierd; oudtijds--men zegt tot +472--liep alles in één dag af, later duurden de feesten vijf dagen. Uit +naam van de Eleërs, die het beheer over de feestviering hadden, werd in +alle grieksche staten eenigen tijd te voren het naderen van het feest +door drie aanzienlijke Eleërs, spondophoroi bekend gemaakt, en op deze +bekendmaking volgde een stilstand in alle oorlogen tusschen grieksche +staten (ekecheiria); van heinde en ver kwamen feestgezantschappen, +de beroemdste gymnasten van Griekenland als mededingers, en tallooze +toeschouwers toestroomen. De kamprechters, hellanodikai, hadden streng +toe te zien, dat geen onwaardige aan een wedstrijd deelnam. Eerst nadat +men hen had overtuigd dat men een vrijgeboren Griek van onberispelijk +levensgedrag was en dat men zich minstens 10 maanden in een gymnasium +geoefend had, kreeg men verlof naar den prijs mede te dingen. Deze +bestond in een palmtak en een krans van den heiligen olijfboom in +de Altis, door een knaap, wiens beide ouders in leven waren, met +een gouden mes afgesneden, terwijl de overwinnaar het recht kreeg +zijn standbeeld in de Altis te laten plaatsen. Hoe groote waarde men +aan zulk een prijs hechtte, blijkt uit de eer, die den overwinnaar +(Olympionikes) ook buiten het tooneel van den wedstrijd te beurt viel; +in zijn vaderstad werd hij met gejuich ontvangen en van alle lasten +vrijgesteld en had hij een eereplaats (proedria) bij alle feesten, de +voornaamste dichters bezongen zijn roem, enz.--Sedert 776 begon men te +Olympia lijsten van de overwinnaars aan te leggen, dit jaar geldt dus +voor het eerste der eerste olympiade (Olympias) en is het begin van +de in Griekenland meest algemeene tijdrekening naar Olympiaden. Ook de +meest gebruikelijke afstandsmaat, het stadium, heeft naam en lengte van +de renbaan van Olympia.--Hoewel de olympische feesten met het einde +van de onafhankelijkheid van Griekenland veel van hunne beteekenis +verloren, werden zij nog lang daarna met grooten luister gevierd; +in 394 na C. werden zij op bevel van Theodosius d. G. opgeheven. + +Olympiades, Olympiades, de Muzen, naar haar verblijf op den Olympus. + +Olympias, Olympias, 1) dochter van Neoptolemus van Epirus, huwde met +Philippus van Macedonië en werd moeder van Alexander d. G. Met haar +hartstochtelijk en heerschzuchtig karakter konde zij niet dulden, +dat Philippus eene andere vrouw, Cleopatra, huwde, zij verliet hem, +ging naar Epirus terug, en laadde door haar gedrag zware verdenking +op zich, dat zij aan het vermoorden van haar vroegeren echtgenoot +medeplichtig was. Gedurende de afwezigheid van Alexander was zij +wegens hare aanmatiging voortdurend in twist met Antipater, en na +Alexander's dood (v. a. reeds in 330) vond zij het raadzaam naar Epirus +te vluchten. In 319 riep de zwakke Polyperchon haar terug om den jongen +Alexander op te voeden, en nu nam zij bloedige wraak op de partij van +Antipater, ook Arrhidaeus en diens gemalin werden gedood. Maar toen +Cassander uit de Peloponnesus terugkwam en haar in Pydna belegerde, +moest zij zich na eene moedige en standvastige verdediging overgeven, +en werd zij door Cassander, in strijd met zijn gegeven woord, ter +dood gebracht (315).--2) z. Olympia. + +Olymp(i)eni, Olymp(i)enoi, bewoners van het gewest Olympene in Mysia. + +Olympieum, Olympieion, ook -pieion, 1) tempel van Zeus Olympius, +zooals er in verschillende steden vermeld worden.--2) stadje op +Sicilia vlak bij Syracusae, ten Z. van de monding van den Anapus, +naar zulk een tempel genoemd en ook wel Olympium geheeten. + +Olympiodorus, Olympiodoros, 1) zoon van Lampon, dapper lochaag der +Atheners in den perzischen oorlog.--2) atheensch archont, veldheer +tegen Cassander (304) en tegen Demetrius Poliorcetes (287).--3) van +Alexandrië, neo-platonisch wijsgeer uit de school van Iamblichus, +leermeester van Proclus.--4) neo-platonisch wijsgeer uit de school van +Proclus, schrijver van commentaren op verscheiden werken van Plato.--5) +van Thebe in Aegypte, leefde te Byzantium in het begin der 5de eeuw na +C. en schreef eene geschiedenis van zijn tijd, waarvan een uittreksel +bewaard is gebleven. + +Olympius, -pia, Olympios, -pia, bijnaam van verscheiden goden en +godinnen, naar hun woonplaats op den Olympus. + +Olympus, Olympos, 1) mythisch zanger en fluitspeler, leerling van +Marsyas, die zich aan een wedstrijd met Pan waagde.--2) beroemd +fluitspeler, musicus en liederendichter op het einde der 8ste eeuw. + +Olympus, Olympos, naam van onderscheidene bergen. 1) op de grenzen +van Macedonia en Thessalia, in de mythologie de woonplaats der meeste +goden, 6-7000 voet hoog en van boven met eeuwige sneeuw bedekt.--2) in +Mysia, ten Z. der stad Prusa (Brussa).--3) in Galatia, ten Noorden van +Pessinus, op de grenzen van Bithynië. Hier versloeg Cn. Manlius Vulso +(Manlii no. 4) de Galaten in 189.--4) vulkaan met gelijknamige stad aan +de Oostkust van Lycia.--5) op den staart van het eiland Cyprus.--6) +in het Z. van hetzelfde eiland.--7) in Laconica bij Sellasia.--8) +op Euboea, ten N. van Eretria.--9) in het Z. van het eiland Lesbus. + +Olynthus, Olynthos, grieksche kolonie op Chalcidice aan den +sinus Toronaicus, de belangrijkste van alle volkplantingen aan +de macedonische kust. In den peloponnesischen oorlog nam het de +inwoners van Potidaea en andere kleinere plaatsen in zich op en kon +hierdoor lang zijne zelfstandigheid handhaven, totdat het zich in 379 +aan de Spartanen moest overgeven. In 349 werd de stad aangevallen +door Philippus van Macedonia, wel zocht de redenaar Demosthenes in +zijne drie olynthische redevoeringen de Atheners tot het zenden van +tijdige hulp aan te sporen, doch de Atheners draalden tot het te laat +was. Philippus verwoestte de stad (herfst van 348), die niet herbouwd +werd, en verkocht de inwoners als slaven. + +Olysipo = Olisipo. + +Ombrius, Ombrios, bijnaam van Zeus als regengod. + +Omana, Omanades, zie Homona, Homonadenses. + +Omen, zie auguria. + +Omphale, Omphale, dochter van Iardanus, koningin van Lydië, bij +wie Heracles als slaaf diende. Zij werd bij hem moeder van Lamus +en Agelaus. + +Onatas, Onatas, zoon van Micon no. 1, beroemd beeldgieter en schilder, +uit de eerste helft van de 5de eeuw. + +Onca, Onka, bijnaam van Athena, naar haar heiligdom te Oncae bij Thebe. + +Onchesmus, Onchesmos, haven in Chaonia (Epirus), tegenover het +eil. Corcyra (Corfu). + +Onchestus, Onchestos, 1) oude stad in Boeotia, in het gebied van +Haliartus.--2) rivier in Thessalia, die bij Cynoscephalae ontspringt, +en met een grooten omweg uitstroomt in het meer Boebeis. + +Oneus mons, Oneion oros, Oneia ore, ezelsberg, aan het Z. uiteinde der +landengte van Corinthus, bij Cenchreae, een sleutel tot de Peloponnesus +en daarom een dikwijls hevig betwist strategisch punt. + +Onesicritus, -crates, Onesikritos, -krates, van Aegina, leerling van +Diogenes den cynicus. Hij ging met Alexander d. G. naar Azië, werd als +gezant naar een indisch volk gezonden, en was later opperstuurman op +de vloot van Nearchus. Hij schreef eene geschiedenis van zijne tochten +en van de daden van Alexander, aan welke echter door de ouden weinig +vertrouwen geschonken werd. + +Onochonus, Onochonos, rivier in het gewest Thessaliotis in Thessalia, +zijrivier van den Peneus, tusschen den Pamisus en den Enipeus. V. a. = +Onchestus no. 2. + +Onomacles, Onomakles, een van de atheensche strategen, die in 412 +bij Miletus eene overwinning op de Peloponnesiërs behaalde. + +Onomacritus, Onomakritos, Athener, tijdgenoot der Pisistratiden, een +van de verzamelaars en bewerkers van de gedichten van Homerus. Hij +verzamelde ook orakels van Musaeus en Orpheus, maar daar hij deze door +interpolaties vervalschte, werd hij door Hipparchus verbannen. Hij +verzoende zich echter later met de Pisistratiden, en werkte door +zijne voorspellingen mede om Xerxes tot den oorlog tegen Griekenland +te bewegen. + +Onomarchus, Onomarchos, na den dood van Philomelus (354) aanvoerder +der Phocensers in den heiligen oorlog. Hij plunderde den delphischen +tempel, overwon Philippus van Macedonië tweemaal, en voerde den oorlog +over het geheel met geluk, in 352 werd hij echter door Phillippus in +Thessalië verslagen, bij welke gelegenheid hij sneuvelde. + +Onosander, Onosandros, platonisch wijsgeer omstreeks 60 na C., +schrijver van eenige werken over krijgskunde. + +Onuphis, Onouphis, stad in de Nijldelta, in het distrikt of den +nomus Onuphitis. + +Onusa, stad aan de kust van Spanje, ten Noorden van Carthago Nova. + +Opellius Macrinus (M.), zie Macrinus (M. Opellius). + +Ophelion, Ophelion, 1) atheensch blijspeldichter, waarschijnlijk +uit het middelste tijdperk der comedie.--2) grieksch schrijver +over geneeskunde en natuurlijke historie.--3) zoon van Aristonidas, +beeldhouwer omstreeks 160, van wien een beeld bewaard is gebleven. Ook +een schilder van dien naam komt voor; misschien is dit dezelfde. + +Ophel(l)as, Ophel(l)as, generaal van Ptolemaeus Lagi, veroverde Cyrene +(322) en regeerde er eerst als stadhouder, later onafhankelijk. Hij +verbond zich met Agathocles tot een oorlog tegen Carthago, maar werd +spoedig daarop door zijn bondgenoot trouweloos vermoord (308). + +Opheltes, Opheltes, de eigenlijke naam van Archemorus (z. a.). + +Ophion, Ophion, 1) een van de oudste Titanen, die met zijne gemalin +Eurynome nog vóór Cronus regeerde, doch door dezen verdreven en in +den Tartarus of den Oceanus geworpen werd.--2) een van de Giganten. + +Ophis, Ophis, riviertje in Arcadia bij Mantinea. + +Ophiuchus, Ophiouchos, Serpentarius, Anguifer, Anguitenens, een +sterrenbeeld, voorstellend een man, die een slang bij den kop houdt, +welke tusschen zijn beenen ligt. Men zag daarin Asclepius, Heracles, +Carnabon, Triopas, Phorbas, Polyidus of nog anderen. + +Ophiusa, Ophiousa = het slangeneiland, 1) eiland in de Propontis +(zee van Marmara).--2) een der Pityusae, ook Colubraria genoemd.--3) +oude naam zoowel van Rhodus als van Cyprus; dichterlijk Ophiusius = +cyprisch.--4) oude naam van Tenus. + +Ophryneum, Ophryneion, stadje in Troas aan den Hellespont, dicht bij +Rhoeteum, met een aan Hector gewijd bosch. + +Opici, Opikoi, of Osci, oud-italisch volk. Zie Italia. + +Opiconsivia, -siva, feest, ter eere van Ops Consiva den 25sten Augustus +te Rome gevierd. + +Opilius (Aurelius), vrijgelatene, leeraar in wijsbegeerte, rhetorica +en grammatica, omstreeks 90, eerst te Rome, later te Smyrna. Van +zijne werken is niets overgebleven. + +Opimii, plebejisch geslacht. 1) L. Opimius verwoestte als praetor +in 125 de opgestane stad Fregellae. In 121 was hij consul en deed +toen aan het hoofd der optimatenpartij den gewapenden aanval op +C. Gracchus, waarbij deze met 3000 zijner aanhangers omkwam. In +120 werd hij hiervoor zonder succes aangeklaagd door P. Decius, en +was hij censor; in 115 als gezant tot Jugurtha gezonden, liet hij +zich door dezen omkoopen, waarvoor hij later veroordeeld werd en te +Dyrrachium in armoede stierf. Het jaar 121 was een beroemd wijnjaar; +vandaar dat men nog lang sprak van vinum Opimianum.--2) Q. Opimius +werd in 74 veroordeeld en door den praetor C. Verres van zijn geheele +vermogen beroofd, omdat hij als volkstribuun de lex tribunicia van +Sulla had overtreden.--3) M. Opimius, praef. equitum onder Pompeius +(48), ontsnapte met enkelen in Macedonië aan gevangenneming door de +soldaten van Cn. Domitius Calvinus (Domitii no. 15). + +Opis, Opis, handelsstad aan de samenvloeiing van den Physcus en +den Tigris. + +Opitergium, rom. kolonie in het land der Veneti, tusschen Verona +en Aquileia. + +Oppia (lex) sumptuaria, van den volkstribuun C. Oppius, in 215. Zij +verbood den vrouwen o.a. meer dan een halve uncia aan gouden sieraden +te hebben, of bonte gewaden te dragen, of binnen den omtrek eener stad +in een rijtuig te rijden tenzij bij godsdienstige plechtigheden. In +195 werd zij afgeschaft. + +Oppianus, Oppianos, 1) uit Cilicië, tijdgenoot van M. Aurelius, +dichter van een didactisch epos, Halieutika, over het leven der +visschen, vischvangst, enz., dat hij aan den keizer opdroeg, en +dat bij dezen, evenals bij zijne andere tijdgenooten, buitengewoon +grooten bijval vond. Hij stierf reeds op zijn 30ste jaar.--2) uit +Syrië, tijdgenoot van Caracalla, dichter van een dergelijk werk over +de jacht, Kynegetika. + +Oppidum Batavorum, z. Batavodurum. + +Oppii, plebejisch geslacht waarvan verscheidene leden vermeld +worden. 1) Sp. Oppius Cornicen, een van de tien mannen van 450, die, +volgens het verhaal, met App. Claudius Crassinus zelfmoord pleegde.--2) +Q. Oppius, proconsul van Asia, viel bij de verovering van Klein-Azië +in handen van Mithradates Eupator, en kreeg eerst door Sulla zijne +vrijheid terug.--3) onder de vertrouwelingen van Caesar komt een +C. Oppius voor, die te Rome een tijd lang veel invloed had en zich +later bij Octavianus aansloot.--4) Oppius Sabinus, legaat van Moesia +onder keizer Domitianus, werd door Decebalus verslagen, en sneuvelde +(± 86 n. C.). + +Oppius (mons), een van de bergen van het Septimontium (zie Roma), +gelegen in het Z. van de regio Esquilina. + +Ops, rom. godin van vruchtbaarheid en overvloed, later gemalin van +Saturnus. Oorspronkelijk is zij eene godin van den oogst, en hoort +zij bij Consus, hetgeen uit den naam van haar feest, Opiconsivia, +blijkt. Haar andere feest, de Opalia, werd op 19 December gevierd. Als +godin der zaadvelden had zij den bijnaam Consiva. Zij werd later +dikwijls verward met Fauna, Maia, Bona Dea of geïdentificeerd met +Rhea Cybele of Demeter. + +Opson, Opsonium, Obs-, toespijs, alles wat bij het brood genuttigd +wordt, vleesch, kaas, vruchten, maar vooral visch, de voornaamste +lekkernij der ouden, waaraan veel geld besteed werd. + +Opteria, geschenken, die de jonggehuwde vrouw van haar echtgenoot, +bloedverwanten en vrienden kreeg, wanneer zij zich voor het eerst na +het huwelijk zonder sluier vertoonde. + +Optimates, de aristocratie te Rome, tegenovergesteld aan de populares, +de volkspartij. In engeren zin = nobiles. + +Optio, luitenant of adjudant, die in den beginne door den centurio +of decurio zelf uit zijne manschappen gekozen werd (optare). Later +ging de keus op de krijgstribunen over. + +Opus quadratum, incertum, reticulatum, latericium. Met deze woorden +duidt men in den Romeinschen tijd verschillende wijzen van bouwen +aan. Terwijl de Grieken naast prachtige bouwwerken van gehouwen steen +en marmer, vooral lucht- of zonsteenen gebruikt hebben voor huizen en +tempels (zelfs het Heraeum te Olympia was van zonsteen opgetrokken op +een onderbouw van natuursteen), hebben de Romeinen naast natuursteen, +waarvan de lapis Tiburtinus (Travertino) de beste soort is, vooral +veel baksteen voor de kern hunner reusachtige gebouwen gebruikt. Het +opus quadratum der Romeinen is een bouw uit vierhoekige steenblokken, +op elkaar gelegd zonder eenige verbinding. Het opus incertum geeft +de oudste wijze van metselen weer. In een soort kalk van bijzondere +sterkte werden allerlei steenen, vooral veldkeien, ingevoegd; alles +werd dan later met een dikke laag kalk overdekt, die weer door +het aanbrengen van een laag fijnere kalk, de italiaansche stucco, +gelegenheid tot beschildering aanbood. Deze wijze van bouwen vindt +men in de geheele eerste eeuw vóór Christus. Iets later komt het +opus reticulatum op. Dit zijn vierkante baksteenen, op de scherpe +kant gezet, en zoodanig aan elkaar gemetseld, dat de voegen schuine +lijnen in twee richtingen vormen, die den indruk van een net maken. Dan +volgt in het begin van den keizertijd het opus latericium, dat is een +baksteenbouw, die slechts in zoover van den onzen verschilt, dat de +Romeinsche baksteenen platter, langer en breeder zijn dan de onze. + +Opus, Opous, hoofdstad der Opuntische Locriërs aan de golf van Euboea, +de geboorteplaats van Patroclus. + +Orbelus, Orbelos, gebergte in Paeonia ten W. van den Strymon. + +Orbi et orbae. Volgens de opgaven bij den census verkregen, werd +door de censoren aangelegd een register van belastingschuldigen, +waarop voorkwamen: 1o. de mannelijke burgers, die in een tribus waren +ingeschreven, en onderhevig waren aan het tributum (z. a.). 2o. de +aerarii (z. a.). 3o. de orbi et orbae. Orbi zijn de mannelijke weezen +beneden 15 jaar, die door sterfgeval sui iuris zijn geworden, en +onder voogdij staan. Orbae zijn de vrouwelijke weezen en de weduwen, +die sui iuris waren. Samen betaalden zij het benoodigde voor het aes +equestre en het aes hordearium (z. a.). + +Orbilius Pupillus, uit Beneventum, eerst klerk, vervolgens soldaat, +ten slotte schoolmeester te Rome. Bij hem ging Horatius school, +die hem plagosus noemt, ter herinnering aan de klappen, die Orbilius +uitdeelde. Orbilius stierf in den ouderdom van bijna 100 jaar. Hij was +een verdienstelijk man, die echter veel met geldgebrek te kampen had. + +Orbis, in het algemeen een kring of schijf, o. a. ook een rond +tafelblad uit één stuk; bij het leger een vierkant of carré, doch +niet hol, maar geheel met manschappen opgevuld. + +Orbius (P.), praetor in Asia in 63, door Cicero als bekwaam, schoon +niet welsprekend, jurist geprezen. + +Orbona, oud-romeinsche godin, die aangeroepen werd door ouders, die +kinderen verloren hadden en weder kinderen wenschten te krijgen. Zij +had een altaar bij den tempel der Lares. + +Orcades insulae, Orkades nesoi, de Orkney-eilanden ten N. van +Schotland. + +Orchamus, Orchamos, vader van Leucothoë. + +Orchestra, orchestra, in het algemeen een dansplaats, in het +bizonder de plaats waar de dithyrambische koren ter eere van +Dionysus zongen en dansten. In den schouwburg is de orch. de ruimte +tusschen de zitplaatsen der toeschouwers en het tooneel, waarop bij +tooneelvoorstellingen een houten stelling opgeslagen werd, die even +hoog of weinig lager was dan het tooneel en op welke de plaats van het +koor was. In rom. schouwburgen werd ook de orchestra door zitplaatsen +ingenomen; hier zaten de senatoren. + +Orchia (lex) sumptuaria, van den volkstribuun C. Orchius in ± 181. Zij +beperkte het getal gasten bij maaltijden. + +Orchomenus, Orchomenos, 1) oude en rijke hoofdstad van westelijk +Boeotia, bij Homerus Minyeios geheeten naar de Minyers en hun +koning Minyas, aan den Cephi(s)sus gelegen. Het bestond reeds in +den myceenschen en vóór-myceenschen tijd. Tijdens den trojaanschen +oorlog was Orch. reeds niet meer zoo machtig als vroeger; later +kwam het onder de hegemonie der Thebanen, die het in 367 zelfs +verwoestten. Hoewel Philippus van Macedonia de stad liet herbouwen, +werd zij van geene beteekenis meer.--2) oude stad in Arcadia, bij +Homerus polymelos genoemd. + +Orcini, slaven die bij testament rechtstreeks waren vrijverklaard +en wier patroon dus in den Orcus was. Spottend noemt Cicero aldus +de nieuwbakken senatoren, die door Antonius, zoogenaamd uit Caesars +aanteekeningen, in den senaat werden gebracht. + +Orcus, bij de Romeinen de god der onderwereld = Hades, ook de +onderwereld zelf. + +Ordessus, Ordessos, thans Sereth, zijtak van den Ister (Donau) in +het tegenw. Walachije. + +Ordovices, volk in Britannia, in het N.W. van het tegenw. Wales. + +Oreades, Oreiades, Orodemniades, bergnimfen, komen vooral dikwijls +als gezellinnen van Artemis voor. + +Orestae, Orestai, volk in Epirus, in het gewest Orestis, later bij +Macedonia ingelijfd. De sage leidt den naam af van Orestes, die tot +dit volk zou gevlucht zijn. Het is een illyrischen stam. + +Orestea, Oresteia, bijnaam van Artemis, wier beeld Orestes uit Tauris +naar Griekenland had overgebracht. + +Orestes, Orestes, 1) zoon van Agamemnon en Clytaemnestra. Bij het +vermoorden van zijn vader was hij nog een kind, en daar ook zijn +leven gevaar liep, zond zijne zuster Electra hem heimelijk naar +Phocis, waar hij bij zijn oom Strophius opgevoed werd. De zoon van +Strophius, Pylades, werd zijn trouwe vriend en stond hem in zijn +verder leven in alle moeilijkheden en gevaren trouw ter zijde. Met +hem kwam hij na acht jaren naar Mycenae terug, nadat hij eerst zelf +het gerucht had verspreid, dat hij bij een wedren verongelukt was, +en te zamen doodden zij Aegisthus en Clytaemnestra. Maar ofschoon +O. door Apollo zelf tot die daad was aangemoedigd, werd hij door de +Erinyen zijner moeder vervolgd, hij verviel tot razernij en dwaalde +langen tijd rond zonder rust te vinden. Eindelijk begaf hij zich op +raad van Apollo naar Athene en riep hij daar de hulp der godin Athena +in, deze bracht hem voor de opzettelijk hiervoor bijeengebrachte +rechtbank van den Areopagus, die sedert bestaan bleef, en voor +deze rechtbank werd nu O. door de Erinyen aangeklaagd, door Apollo +verdedigd. Toen bij de stemming bleek dat evenveel rechters voor +vrijspraak als voor veroordeeling gestemd hadden, wierp Athena een +wit steentje (calculus Minervae) in de bus, zoodat O. vrijgesproken +was. De Erinyen waren verzoend en kregen onder den naam van Eumenides +een heiligdom in Attica.--V.a. moest O., om van zijn waanzin genezen +te worden, naar Tauris gaan en van daar het beeld van Artemis naar +Griekenland brengen. Zoodra hij daar met Pylades aankwam, werden +zij gevangen genomen om aan Artemis (z. a.) geofferd te worden, +maar toen zij voor het altaar stonden, bleek het dat de priesteres, +die het offer zou verrichten, Iphigenia (z. a.), de zuster van O., +was. Na de herkenning verschafte zij hun door list de middelen om te +ontvluchten, zij zelve ging mede en, om aan het bevel van Apollo te +voldoen, namen zij ook het beeld der godin mede.--V. a. had Orestes +gedurende den tijd van zijne razernij in Arcadië rondgezworven, en +niet ver van Megalopolis was de plaats van zijne genezing (Ake) met een +heiligdom der Eumeniden.--Naar Mycenae teruggekeerd, doodde hij Aletes +(z. a.) en regeerde hij na dien tijd lang en gelukkig. Hij huwde met +Hermione, zond spartaansche volkplantingen naar Aeolis, en sloeg den +eersten inval der Heracliden onder Hyllus af. Op hoogen ouderdom stierf +hij te Tegea aan een slangebeet, zijne beenderen werden later naar +Sparta overgebracht. In beide steden werd hij als heros vereerd.--2) +zoon van den thessalischen vorst Echecratides, werd omstreeks 450 +verbannen; de Atheners ondernamen een veldtocht tegen Pharsalus om +hem terug te brengen, maar moesten onverrichter zake terugkeeren. + +Oresthasium, Orestheum of Oresteum, Oresthasion, Orestheion, -steion, +stad in het Z. van Arcadia, ten O. van het latere Megalopolis. + +Orestheus, Orestheus, 1) zoon van Lyeaon, stichter van Oresthasium, +het latere Oresteum.--2) zoon van Deucalion, koning der Aetoliërs en +der aangrenzende Locriërs. Zijn hond bracht een kluwen ter wereld, +dat hij in de aarde liet begraven; in het voorjaar ontsproot daaruit +een wijnstok, naar welks ranken (ozoi) de Locriërs zich Ozolai noemden. + +Oretani, Oretanoi, aanzienlijke volksstam in Hispania aan den +Boven-Anas (Guadiana) tot aan het brongebied van den Baetis +(Guadalquivir). Hoofdstad: Castulo. + +Oreüs, Oreos, vroeger Hestiaea, stad aan de N.W. kust van Euboea, +door Pericles in 445 gestraft met verdrijving der inwoners, waarna +het met 2000 atheensche cleruchen werd bevolkt. Als strategisch punt +speelde het in de oorlogen der diadochen en later eene gewichtige rol. + +Orgeones, heetten te Athene de personen, die met elkander zekere +offers brachten en plechtigheden verrichtten, welke niet van +staatswege uitgingen. Ze bestonden al in den tijd vóór Solon. Later +verdwijnt het verschil tusschen hen en de deelnemers aan een thiasos +(z.a.) (thiasotai) of eranos (z.a.) (eranistai). + +Orgetorix, aanvoerder der Helvetiërs, die het plan ontwierp tot +de groote verhuizing van dit volk in 61, doch van streven naar de +alleenheerschappij beticht werd en, om de doodstraf te ontgaan, +een einde aan zijn leven maakte. + +Orgia, Orgia, werden de mysteriën genoemd met het oog op +enthusiastische gemoedsbeweging, die deze geheime plechtigheden bij de +deelnemers te weeg brachten; ook de luidruchtige feesten van Dionysus +(z.a.). + +Oribasius, Oreibasios, van Pergamus of Sardes, beroemd geneesheer, +lijfarts en raadsman van keizer Iulianus. Door Valens en Valentinianus +verbannen, verwierf hij door zijne kunst ook onder de barbaren groot +aanzien, en eindelijk moesten de keizers toegeven aan het algemeen +verlangen, hem terugroepen, en zelfs de door hem geleden verliezen +vergoeden. Hij was de schrijver van een uittreksel uit alle beroemde +geneeskundige werken, waarvan een gedeelte in Latijnsche vertaling +bewaard gebleven is, en waarvan hij later zelf weer een uittreksel +gemaakt heeft. Ook heeft hij een Hypomnema, memoires, geschreven, +waarin hij de herinneringen van zijn omgang met Julianus heeft te +boek gesteld. Hiervan heeft Eunapius gebruik gemaakt, waaruit later +wederom Zosimus geput heeft. + +Oricum, -us, Orikon, -os, grieksche zeestad in het Noorden van Epirus +nabij de Ceraunische bergen. + +Origenes, Origenes, 1) de kerkvader, zoon van Leonidas, geb. 185 +na. C. te Alexandrië, gest. 254 te Tyrus, leerling van Clemens +Alexandrinus. Nadat hij zich in zijne jeugd met taalkundige en +wijsgeerige studiën had bezig gehouden en v. s. ook de school van +Ammonius Saccas bezocht had, verdedigde hij in verscheidene werken +(z. ook Celsus) het Christendom, ook op gronden, aan de oude grieksche +wijsgeeren ontleend. Zijn buitengewone werkzaamheid verwierf hem +den naam van adamantinos.--2) neo-platonisch wijsgeer, leerling van +Ammonius Saccas, leermeester van Longinus. + +Orion, Orion, 1) zoon van Hyrieus of Poseidon, of v. a. uit de aarde +geboren. Hij was een geweldig jager, buitengewoon schoon, en zoo +groot dat zijn hoofd ver boven de wolken reikte en hij veilig door +het diepste der zee konde gaan. De Pleiaden vervolgde hij zeven jaar, +totdat Zeus ze uit medelijden onder de sterren opnam. Op Chius werd +hij door Oenopion, wiens dochter Merope hij onteerd had, dronken +en vervolgens blind gemaakt; op raad van Hephaestus begaf hij zich +toen naar het paleis van Helios, waar hij zijn gezicht terugkreeg; +hij keerde naar Chius terug om zich op Oenopion te wreken, maar deze +hield zich onder de aarde verborgen. Later werd Eos op hem verliefd, +zij ontvoerde hem naar Delus, maar dit verwekte bij de goden zooveel +ergernis, dat zij aan Artemis last gaven hem te dooden.--V. a. doodde +Artemis hem, omdat hij haar of de nimf Upis met zijne liefde vervolgde, +of omdat hij beweerd had beter den discus te kunnen werpen dan +zij. V. a. werd hij gedood door de steken van een schorpioen, dien +Gaea op hem had afgezonden, omdat hij gezegd had, dat hij al het +wild van de aarde zou uitroeien.--Hij werd in volle wapenrusting aan +den sterrenhemel geplaatst.--2) van Thebe in Aegypte, schrijver van +een etymologisch werk en van een bloemlezing van spreuken uit oude +grieksche dichters; hij leefde waarschijnlijk in het midden der 5de +eeuw na C. + +Oritae, Oreitai, volk in het perzisch landschap Gedrosia, aan de +Zuidkust, aan de grens van India, uit India afkomstig. + +Orithyia, Oreithuia, dochter van Erechtheus. Zij werd door Boreas +geschaakt en naar Thracië gebracht, waar zij bij hem moeder werd van +Calais, Zetes en Cleopatra. + +Ormenis, Ormenis, Astydamea, kleindochter van Ormenus. + +Ormenium, Armenium, Orminium, Ormenion, Armenion, Orminion, stadje +in Thessalia, in de buurt van Pherae en Iolcus. + +Ormenus, Ormenos, kleinzoon van Aeolus, stichter van Ormenium in +Thessalië. + +Orneae, Orneai, oude argolische stad nabij de grenzen van Phliasia. + +Orneatae, Orneatai, eigenlijk inwoners van Orneae, schijnt de +gemeenschappelijke naam geworden te zijn van de oude bevolking van +Argolis, die na de verovering der Doriërs in denzelfden toestand kwam +als de lacedaemonische perioikoi. + +Oroanda, Oroanda, bergstad in Isauria. + +Orobiae, Orobiai, stad in het N. van Euboea, aan de Euboeïsche golf. + +Orobii, stam in Gallia Transpadana; in hun gebied ligt Bergomum. + +Orodes, naam van twee parthische koningen. Orodes I of Arsaces XIV +(57-37) voerde tegen de Rom. den oorlog, waarin Crassus bij Carrhae +omkwam (53). Later (39 en 38) zag hij zijne legers door Ventidius +Bassus vernietigd, terwijl zijn zoon Pacorus sneuvelde. Door een +anderen zoon, Phraates, werd hij vermoord.--Orodes II of Araces XVII +(5-6 na C.) was een wreedaard en werd spoedig omgebracht. + +Orontes, Orontes, 1) perzisch edelman, vergezelde den jongen Cyrus op +diens tocht tegen Artaxerxes, en werd wegens pogingen tot verraad ter +dood gebracht.--2) schoonzoon van Artaxerxes II, tijdens den tocht +der 10.000 Grieken satraap van Armenia, later (381) aanvoerder van +een leger tegen Euagoras; in 361, toen hij satraap van Aeolis en +Ionia was, viel hij met andere satrapen, o.a. Maussolus, van den +koning af, maar verried hen spoedig. In 349 viel hij nogmaals af, +en verbond zich toen met Athene. + +Orontes, Orontes, rivier in Syria, ontspringt in het dal tusschen +den Libanus en den Antilibanus, en stroomt langs Emesa, Apamea en +Antiochia naar zee. + +Orontobates, Orontobates, vorst van Carië, verdedigde zich lang tegen +Alexander d. G., maar moest zich eindelijk aan Ptolemaeus overgeven +(333), z. Ada. + +Oropus, Oropos, havenstad aan den Euripus, op de grenzen van Attica +en Boeotia, hoofdplaats van de Grai (z. Graecia). De stad was bij +voortduring een twistappel tusschen de beide staten, ten slotte +bleef zij aan de Atheners. Hier was de beroemde tempel van Amphiaraus +(z. a.). + +Orosius (Paulus), christelijk presbyter uit Tarraco in Hispania, +schrijver eener beknopte wereldgeschiedenis, die nog bestaat: +Historiarum libri VII adversus paganos. Het werk kwam uit omstreeks +420 na C. + +Orospeda, gebergte in Hispania, thans Sierra Sagra, aan de bronnen +van den Tader (Segura). + +Orpheus, Orpheus, zoon van Oeager of Apollo en de Muze Calliope, +broeder of leerling van Linus. De invloed van zijn liefelijk gezang dat +hij met de heerlijke tonen zijner lier begeleidde, was zoo groot, dat +hij daardoor niet alleen de menschen tot zachtheid en meer beschaafde +zeden bracht, maar zelfs wilde dieren konde temmen en ook de onbezielde +natuur er door bewogen werd. Daarom waagde hij het ook na den dood +zijner gemalin Eurydice naar de onderwereld af te dalen om haar terug +te vragen, en inderdaad wist hij door zijn spel en gezang Persephone +te bewegen zijn verzoek toe te staan. Eurydice mocht hem volgen, +maar op voorwaarde dat O. niet naar haar omzag, voordat zij de aarde +bereikt zouden hebben. O. konde zich echter niet zoo lang bedwingen, +hij zag om, en Eurydice moest naar de onderwereld terugkeeren. In zijn +droefheid leidde O. nu een eenzaam en zwervend leven, hij kwam ook +in Azië en Aegypte, en voerde na zijn terugkomst bij de thracische +stammen wetten en godsdienst in. Op hoogen leeftijd maakte hij nog +den tocht der Argonauten mede en redde hij zijne reisgenooten door de +macht van zijn spel uit vele gevaren. Kort daarna werd hij door een +troep Maenaden verscheurd, v.s. omdat hij sedert den dood van Eurydice +als vrouwenhater bekend stond. Zijn hoofd en zijne lier werden in den +Hebrus geworpen en dreven naar Lesbus, zijne overige lichaamsdeelen +werden door de Muzen bijeen gezocht en te Libethra begraven; de lier +werd onder de sterren geplaatst.--Aan O. werd ook de instelling +van de zgn. orphische mysteriën toegeschreven, die sedert de 7de +eeuw bestonden; deze mysteriën verkondigden de van het volksgeloof +afwijkende leer, dat de ziel door zonde van haar oorspronkelijken +toestand van reinheid vervallen is, en dat zij door deugd en een +ascetisch leven (bios Orphikos) daartoe kan terugkeeren; zoolang +dit niet geschied is, verschijnt zij in verschillende lichamelijke +omhulsels telkens weder op aarde; de god, wiens hulp men vooral inriep +om verlossing en zaligheid deelachtig te worden, was Dionysus-Zagreus, +wiens bloed voorgesteld werd door den slok wijn, dien de ingewijden +dronken.--De gedichten, die den naam van Orpheus dragen (Orphika), +zijn op eene enkele uitzondering van vrij laten tijd en van ongelijke +waarde. Maar ook die, welke aan de ouden bekend waren, werden reeds +vroeg door velen als onecht beschouwd, en sommigen, o. a. Aristoteles, +betwijfelden of O. wel ooit bestaan had. + +Orrhoene = Osroene. + +Orsilochia, z. Iphigenia. + +Orta = Horta. + +Orthagoras, Orthagoras, Sicyoniër van lage afkomst, die zich met de +hulp van de volkspartij tot tyran opwierp (665) en wijs en gematigd +regeerde. + +Orthagorea = Maronea. + +Orthia, Orthia, bijnaam van Artemis (z. a.) te Sparta. + +Orthrus, Orthros, de hond van Geryones (z. a.). + +Ortona, Orton, 1) havenstad der Frentani in Samnium.--2) stad +in Latium, in de nabijheid van Corbio, aan de N.O. zijde van het +Albaansch gebergte. + +Ortygia, Ortygia = kwartelland, 1) deel van Syracusae (z. a.).--2) +oude naam van het eiland Delus; Ortygia dea = Diana, Ortygiae boves, +de runderen van Apollo.--3) heilig bosch bij Ephesus. + +Orxines, Orsines, Orxines, perzisch veldheer, die bij Gaugamela +streed, afstammeling van Cyrus. Terwijl Alexander in Indië was, +regeerde O. als satraap over Persis, bij de terugkomst van den koning +werd hij op ware of valsche beschuldigingen van gewelddadigheden en +knevelarij opgehangen. + +Osca, Oska, voorname stad der Ilergetes in Tarraconensis, thans Huesca +in Arragon. + +Oschophoria, Oschophoria, oschophoria, feest ter eere van Athena, +Dionysus en Ariadne, naar men zeide door Theseus bij zijne terugkomst +van Creta ingesteld, te Athene den 7den Pyanepsion gevierd. Twintig +epheben, met wijnranken beladen, hielden een wedloop, en de tien +overwinnaars kregen een schaal met een drank, pentaploa, uit wijn, +honing, kaas, meel en olie gemengd. + +Osci, oud-italisch volk (zie Ausones en Italia). Later geven de +Romeinen den naam Osci aan de samnietische veroveraars van Campania +en aan hun stamgenooten in het achterland. Hunne taal bleef als +plattelandsdialect in een gedeelte van Midden- en Beneden-Italië lang +in wezen; vandaar oscus = boersch, lomp; ludi Osci waren landelijke +kluchtspelen. + +Oscines, zie Auguria. + +Osi, volksstam waarschijnlijk van Keltischen oorsprong in Germanië +wonende, ten Oosten van Bohemen, en onderworpen aan Quaden en Sarmaten. + +Osiris, Osiris, aegyptisch zonnegod of god van den Nijl, broeder en +echtgenoot van Isis, vader van Horus. Zijn broeder Typhon sloot hem in +een kist, die hij in den Nijl wierp, en toen hij bemerkte, dat Isis de +kist gevonden had, nam hij des nachts het lichaam er uit, sneed het in +14 stukken en verstrooide ze naar alle kanten. Isis zocht de stukken +weder bij elkander en begroef ze op Philae of te Abydus. O. verscheen +daarna aan Horus en spoorde hem tot den strijd tegen Typhon aan, +waarin deze na eene lange verdediging volkomen overwonnen werd. + +Osismii, Osismioi, keltisch volk in het W. van het tegenw. Bretagne. + +Osroene, Osroene, gewest in Mesopotamia ten W. van den Chaboras, +met de hoofdstad Osroë of Edessa. + +Ossa, Ossa, Pheme, Fama, personificatie van het los gerucht, bode +van Zeus. + +Ossa, Ossa, gebergte in het N. van het thessalische kustland Magnesia, +5000 voet hoog. Ten Z. hing de Ossa met den Pelion samen; ten N. was +hij van den Olympus gescheiden door het dal Tempe. + +Ostentum, zie auguria. + +Osteodes, Osteodes = Ustica no. 2. + +Ostia, havenstad van Rome aan den linker Tibermond, door Ancus +Marcius gesticht. Het had een bloeienden handel en groote zoutketen, +salinae. Door Marius verwoest, herrees het nog prachtiger dan +te voren. Toen echter keizer Claudius aan den rechter riviermond +eene betere haven, portus Augusti of portus Romanus, aangelegd had, +verplaatste zich Ostia's handel, alleen de zoutwinning bleef. Tusschen +de genoemde riviermonden lag de insula sacra. + +Ostippo, Astapa, Astapa, stad in Baetica, niet ver van Munda. + +Ostorii, rom. geslacht. 1) Ostorius Scapula, sedert 47 na C. legatus +pro praetore van Britannia, streed daar met geluk tegen Caractacus +die in zijn handen viel, maar later begon zijn voorspoed te tanen, +hetgeen hij zich zoozeer aantrok, dat hij ziek werd en stierf.--2) +M. Ostorius Scapula, zoon van no. 1, diende met roem onder zijn +vader. In 62 na C. benam hij, uit vrees voor Nero's bedreigingen, +zichzelf het leven. + +Ostracismus, Ostrakismos, verbanning door stemming met scherven, door +Clisthenes ingevoerd. Te Athene werd jaarlijks in eene daarvoor bij de +wet aangewezen volksvergadering aan het volk de vraag voorgelegd, of +het wenschelijk was, iemand door het ostracismus te verbannen. Werd die +vraag bevestigend beantwoord, dan werd in eene volgende vergadering, +waarin minstens 6000 stemmen moesten uitgebracht zijn, beslist, +wien dit lot zou treffen, ieder schreef een naam op een scherf, +en degene, die de meeste stemmen gekregen had, moest voor 10 jaar +Attica verlaten. Deze maatregel moest strekken om de democratie +tegen aanslagen van eerzuchtigen te beveiligen, de verbanning door +het ostracismus is dus geen straf, en gaat niet gepaard met verlies +van goederen of rechten, en daar zij alleen tegenover aanzienlijke en +invloedrijke burgers doeltreffend kan zijn, is zij eerder als eer dan +als schande te beschouwen. De grenzen, binnen welke zoo iemand zich +gedurende den tijd van zijne verbanning mocht vestigen, waren bepaald +door een wet van 480, die echter niet streng gehandhaafd schijnt te +zijn.--Nadat, door kuiperijen van Alcibiades en Nicias, Hyperbolus +door het ostracisme verbannen was (417), werd deze instelling niet +meer toegepast. + +Otacilii, rom. geslacht. 1) M. Otacilius Crassus, consul in 263, +dwong met zijn ambtgenoot M. Valerius Maximus (Valerii no. 16), +den syracusaanschen koning Hiero tot den vrede.--2) T. Otacilius +Crassus, broeder van no. 1, consul in 261, streed ook op Sicilia.--3) +T. Otacilius Crassus, praetor op Sicilia in 217 en propraetor in 216, +streed, met Hiero verbonden, tegen Carthago en ondernam een strooptocht +naar Africa. Later werd hij nogmaals stadhouder van Sicilia en deed +opnieuw strooptochten op de carthaagsche kust. Hij trachtte tweemaal +te vergeefs consul te worden.--4) Otacilius Crassus, aanhanger van +Pompeius, bezoedelde zijn naam door het ombrengen van weerlooze +gevangenen uit de tegenpartij (48).--5) L. Otacilius Pilitus, zie +L. Voltacilius Pilutus. + +Otanes, Otanes, 1) hoofd van de samenzwering der zeven perzische +edelen, die den valschen Smerdis van den troon stieten.--2) opvolger +van Magabazus no. 1, als veldheer van Darius, veroverde verscheidene +Grieksche steden, en ook Lemnus en Imbrus. + +Otho, familienaam in de gens Salvia. + +Otho (M. Salvius), rom. keizer van Jan. tot April 69 na C., geb. 32, +behoorde in zijne jeugd tot de vrienden van Nero, wiens uitspattingen +hij ook deelde en aan wien hij zijne schoone, maar zedelooze gemalin +Poppaea Sabina overliet. Als stadhouder van Lusitania was hij 10 +jaar lang een rechtvaardig bestuurder. Bij Nero's dood omhelsde hij +de partij van Galba, tegen wien hij echter uit gekrenkte eerzucht +in opstand kwam, waarop hijzelf tot keizer werd uitgeroepen. Door de +legioenen aan den Rijn werd echter Vitellius tot keizer gekozen. Otho +leed bij Bedriacum eene zware nederlaag, en benam zich hierop te +Brixellum het leven, niet uit vrees, maar om den strijd te doen +eindigen. + +Othryades, Othryades, -das, 1) Panthoüs, zoon van Othrys.--2) de eenig +overgeblevene van de 300 Spartanen, die tegen evenveel Argiven een +beslissenden strijd om het bezit van Cynuria zouden leveren (550). Van +de Argiven waren bij het vallen van den nacht twee overgebleven, die +naar huis snelden om hunne overwinning te berichten, maar O. bleef +als overwinnaar op het slagveld. Daardoor was de twist niet beslecht +en werd den volgenden dag een slag geleverd, waarin de Spartanen +overwonnen. O. wilde echter zijne wapenbroeders niet overleven, en +bracht zichzelf een doodelijke wonde toe. V. a. had hij vooraf op de +buitgemaakte wapenrustingen met bloed zijn naam geschreven. Bij de +Gymnopaediën werd zijn heldhaftig gedrag in liederen herdacht. + +Othryoneus, Othryoneus, thracisch vorst, die Priamus te hulp kwam en +daarvoor Cassandra tot vrouw zoude krijgen. Hij werd door Idomeneus +gedood. + +Othrys, Othrys, boschrijk gebergte in het Z. van Thessalia, in het +gewest Phthiotis. + +Otrera, Otrera, koningin der Amazonen, bij Ares moeder van Penthesilea +en Hippolyte. V. s. stichtte zij met Antiope den tempel van Artemis +te Ephesus. + +Otus, Otos, een van de Aloaden. + +Otys, Otys, vorst van Paphlagonië, verbond zich met Agesilaus tegen +den perzischen koning. + +Ovatio, een kleine triumftocht, elatton thriambos, die somtijds aan een +veldheer werd toegekend, wanneer zijne verdiensten niet groot genoeg +schenen voor een werkelijken zegetocht. De veldheer reed dan niet op +een triumfwagen, maar was te voet of te paard, hij droeg geen lauwer-, +maar een myrtenkrans, geen veldheersmantel, maar eene toga praetexta, +hij offerde geen stier, maar slechts een schaap. + +Ovidius Naso (P.), den 20 Maart 43 te Sulmo uit eene ridderfamilie +geboren, toonde reeds vroeg een buitengewonen aanleg voor de +dichtkunst. Zijn vader had hem door eene zorgvuldige opvoeding den +weg willen banen tot hooge eereambten, doch rhetorische oefeningen en +staatszaken vielen niet in den smaak van den zoon, die gemakkelijker +dicht dan ondicht schreef. Ovidius bekleedde dan ook slechts +ondergeschikte ambten, namelijk dat van triumvir capitalis en van +decemvir stlitibus iudicandis. Hij wijdde zich liever geheel aan de +dichtkunst. Hij schreef treurspelen, die verloren zijn gegaan, doch +waarvan de Medea algemeenen lof verwierf, schreef zijne Heroïdes, +Amores, Medicamina faciei, Ars amatoria, Remedium amoris, en zijn +groot dichtwerk, Metamorphoseon libri XV. In 9 na C. werd hij door +Augustus naar Tomi in Moesia verbannen, aan de onherbergzame kusten van +den Pontus Euxinus. Over de reden dezer verbanning (relegatio) ligt +een sluier, men weet alleen, dat hij (volgens hem zelven onschuldig) +verwikkeld was geworden in de uitspattingen van Augustus' kleindochter +Iulia. Uit het oord der ballingschap schreef hij nog zijne Tristia, +Epistulae ex Ponto, Ibis, Halieutica en de half voltooide Fasti. Deze +laatste waren reeds vóór zijne verbanning gedicht, maar werden eerst +na Augustus' dood met eene opdracht aan Germanicus uitgegeven. Andere +gedichten van hem zijn verloren. Hij stierf in 17 na C. te Tomi, +waar hij ook begraven is. + +Ovile of saeptum, afgesloten ruimte, die gebruikt werd voor de +stemmingen der comitia centuriata op den Campus Martius, ten einde te +zorgen, dat elke burger in zijne afdeeling stemde. De omheining bestond +waarschijnlijk uit paal- en traliewerk ter halve manshoogte, en had +zooveel uitgangen (pontes) als er centuriae tegelijk stemden. Aan +het einde van elke pons stond de uit teenen gevlochten stembus, +z. Maria (lex) de suffragiis ferendis. De saepta werden telkens +weder afgebroken, totdat Caesar op den Campus Martius marmeren saepta +liet bouwen. + +Ovinia (lex), een plebiscitum waarschijnlijk van ± 320 ut censores +ex omni ordine optimum quemque iurati in senatum legerent, droeg de +lectio senatus, die tot dien tijd door de consuls werd verricht, aan +de censoren op. Met de ordines, waaruit de censoren de keuze moesten +doen, zijn de verschillende klassen der gewezen curulische ambtenaren +bedoeld. Reeds spoedig (± 300) is ook aan de gewezen aediles plebis +toegang tot den senaat verleend; eerst in ± 102 werden de volkstribunen +(z. Atinia (lex) en in 81 (z. Corneliae leges van 81 aan het einde) +de quaestoren in den senaat opgenomen. Zoodoende werd de senaat +indirekt door het volk gekozen, terwijl de taak der censoren zich +bepaalde tot het uitstooten der onwaardigen (senatu movere, eicere, +legendo praeterire). Terwijl de consuls tot nu toe in de eerste plaats +patriciërs hadden gekozen, werd nu de senaat in hoofdzaak plebejisch, +daar het meerendeel der ambtenaren tot dien stand behoorde. + +Oxathres, Oxathres, broeder van Darius Codomannus, streed roemrijk +bij Issus; later onderwierp hij zich aan de Macedoniërs. + +Oxines, Oxines, kustrivier in Bithynia, die zich in den Pontus +Euxinus stort. + +Oxiones, wilde, half mythische stam in het Noorden van Europa. Volgens +andere lezing heeten ze Etiones. + +Oxus, Oxos, beter Oxos, thans Amoe-Darja of Gihon, groote rivier in +Midden-Azië, die op den Paropanisus ontspringt en zich in het meer +Aral, Oxia palus, uitstort. In ouden tijd moet ook een arm naar +de Caspische zee gestroomd hebben. Deze liep uit in het bekken +Sary-Kamisch, dat toen veel hooger gevuld was, en stroomde dan, +tusschen den Grooten en Kleinen Balkan doorloopend, uit in de +Koschu-odek-baai tegenover het eiland Ogurschinsk. Vóór Alexander +den Groote wordt hij bij de oude schrijvers Araxes genoemd. Over +deze rivier, waarvan de verlande stroom den naam Usboi draagt, +trok Cyrus om de Massageten te bestrijden. Hij heeft in de oudheid +als scheepvaartroute gediend: Indische waren gaan langs den Oxus +naar de Hyrcanische zee (het zuidelijk gedeelte der Caspische zee), +vandaar naar het land der Albani, en langs de rivier den Cyrus naar +de Zwarte zee. Zie verder Iaxartes. + +Oxyartes, Oxyartes, 1) = Oxathres.--2) bactrisch edelman, die zich lang +tegen Alexander verdedigde. Na zijne onderwerping maakte Alexander +hem satraap van de landen aan den Paropanisus, waar hij zich ook na +Alexander's dood staande hield. Hij was de vader van Roxane. + +Oxydracae, Oxydrakai, dapper indisch volk aan beide oevers van den +Acesines. + +Oxylus, Oxylos, zoon van Haemon, den koning van Aetolië. De +Heracliden, die volgens de uitspraak van het orakel voor hun inval in +de Peloponnesus een gids met drie oogen moesten zoeken, vonden dien +gids in den eenoogigen O. met den muilezel, waarop hij gezeten was, +toen zij hem ontmoetten. Na de verovering van de Peloponnesus kreeg +hij Elis tot belooning. + +Ozolae, Ozolai, zie Locris. + + + + + + +P. + + +Paches, Paches, atheensch veldheer, die het afvallige Mytilene tot +overgave dwong (427) en bij verrassing Notium bezette. Te Athene +teruggekeerd, werd hij aangeklaagd, en doodde hij zich zelf voor +het gerecht. + +Pachynum of -us, Pachynos, Z.O. kaap van Sicilia, thans kaap +Passaro. De aangrenzende baai werd portus Pachyni genoemd. + +Paconii, rom. geslacht, waarvan onder de eerste keizers enkele leden +voorkomen. + +Pacorus, Pakoros, parthische koningsnaam in de dynastie der +Arsaciden. 1) De voornaamste is de parthische prins, die door zijn +vader Orodes I in 52 en 51 tegen Syria werd afgezonden, doch door +C. Cassius, quaestor van den in 53 gesneuvelden Crassus, verslagen +werd. In 40 veroverde Pac. Syria, Phoenice, Palaestina en Cilicia met +behulp van den rom. uitgewekene Q. Attius Labienus, doch P. Ventidius +Bassus versloeg de Parthen bij herhaling, Labienus sneuvelde in 39 en +Pac. in 38, de laatste juist op de verjaardag van Crassus' dood.--2) +een koning Pacorus regeerde tijdens Domitianus en Traianus. + +Pactolus, Paktolos, riviertje in Lydia, ontspringt op den Tmolus, +stroomt langs Sardes en valt in den Hermus. Oudtijds voerde het veel +goudstof mede, weshalve het chrysorroas werd genoemd. Hier behoort +de mythe van koning Midas te huis, die zijn goudmakende kracht aan +de bron van den P. moest afspoelen. + +Pactye, Paktye, stad aan de O. kust der thracische Chersonesus, +verblijf van Alcibiades. Zie ook Lysimachea. + +Pactyes, Paktyes, een Lydiër, die voor Cyrus de schatten van Croesus +beheerde. Hij verwekte een opstand tegen den perzischen stadhouder, +maar bij het aanrukken van een perzisch leger vluchtte hij; na een +poos gezworven te hebben kwam hij op Chius, van waar hij aan de Perzen +uitgeleverd werd. + +Pactyica, Paktyïke, land der Pactyes, oostelijk gewest van het +perzische rijk, ten Z. van den Paropanisus, een onderdeel van het +latere Arachosia. De Pactyes zijn de tegenwoordige Afghanen. + +Pacuvii. 1) Pacuvius Calavius bekleedde tijdens den tweeden punischen +oorlog te Capua de hoogste waardigheid en werkte mede om Hannibal +binnen te halen. Zijn zoon daarentegen wapende zich met een dolk om +Hannibal te vermoorden, maar liet zich door zijn vader van dat plan +afbrengen.--2) M. Pacuvius, zusterszoon van Ennius, te Brundisium ± 220 +geboren, was schilder en vooral treurspeldichter. Hij volgde grieksche +modellen, met name Sophocles en Euripides, en schreef ééne comoedia, +doch 12 tragoediae, waaronder ééne praetexta, Paullus getiteld, +waarvan vermoedelijk L. Aemilius Paullus, die den slag bij Pydna won, +de hoofdpersoon was. Zijne laatste jaren sleet hij te Tarentum, +waar hij in 132 stierf.--Later komen er nog andere Pacuvii voor, +o. a. in Caesars leger in Gallia. Ook wordt er een Pacuvius vermeld, +die tijdens keizer Tiberius na Piso (Calpurnii no. 7) eerst als legatus +van Cn. Sentius, daarna tot 32 voor L. Aelius Lamia, dien Tiberius +dwong te Rome te blijven, Syrië bestuurd heeft. Hij was berucht om +zijn losbandige levenswijze. + +Padaei, Padaioi, een nomadenvolk in het N.W. van India, dat rauw +vleesch at en zelfs ouden van dagen en zieken opat. + +Padus, rivier in Gallia Cisalpina, thans de Po. Hij stortte zich in zee +door 7 mondingen, waarvan enkele door menschenhanden waren gegraven: +Padusa, Spineticum ostium, ost. Sagis, Volane, ostia plena en fossae +Philistinae. Zie ook Eridanus. + +Padusa, thans niet meer bestaande Po-arm, die langs Ravenna liep. Zie +Padus. + +Paean, Paian, Paion, Paieon, 1) de geneesheer der goden. Verder +bijnaam van verschillende goden, wanneer men hen om genezing van +ziekte of bevrijding van smart aanroept, zoo van Apollo, Asclepius, +Dionysus, Thanatus e. a.--2) een lied, waarin Apollo onder den naam +Paean aangeroepen en geprezen wordt; later werden met dien naam lof- +en dankliederen ter eere van verschillende goden aangeduid, in het +bizonder de liederen die men in den oorlog bij den aanval en na de +overwinning zong. + +Paeania, Paiania, demus van Attica, ten O. van den Hymettus, +geboorteplaats van den redenaar Demosthenes (Paianieus). + +Paeanius, Paianios, sophist, die het Breviarium van Eutropius in het +Grieksch vertaalde (380 n. C.). + +Paedagogus, paidagogos, een slaaf, die met de opvoeding van de kinderen +zijns meesters belast was; hij behoefde hun geen onderwijs te geven, +maar zijne taak was, hen overal te vergezellen en op hun gedrag toe +te zien. Bij de Romeinen, die zich meer zelf met de opvoeding hunner +kinderen bezig hielden, vond dit grieksche gebruik eerst in lateren +tijd en slechts bij enkelen ingang. + +Paeligni = Peligni. + +Paemani, germaansche stam in Belgica aan de Mosa (Maas), bij het +tegenw. Luik. + +Paenula, een regenmantel, alleen met eene opening om het hoofd door +te steken, overigens gesloten en van achteren van een kap voorzien. + +Paeon, Paion, Paieon, z. Paean. + +Paeon, Paion, zoon van Endymion, broeder van Epeus (z. a.); v.s. was +Paeonië naar hem genoemd. + +Paeones, Paiones, thracisch volk aan den bovenloop van den Axius. + +Paeonia, Paionia, het land der Paeones, gewest in het N. van Macedonia +(z. a.). + +Paeonia, Paionia, of Paeonidae, Paionidai, demus van Attica, ten +N. van Acharnae. + +Paeonius, Paionios, 1) van Ephesus, bouwmeester in de 5de eeuw, +werkte mede bij de voltooiing van den tempel van Artemis te Ephesus +(± 400) en bouwde den tempel van Apollo Didymeus bij Miletus.--2) van +Mende, bekwaam beeldhouwer in de 5de eeuw, van wien een beroemd beeld, +voorstellend de godin der overwinning (Nike), hoewel niet ongeschonden, +te Olympia is opgegraven. Onjuist is het, dat ook een deel van de +(eveneens bewaard gebleven) beeldhouwwerken ter versiering van den +tempel van Zeus te Olympia van Pae. zouden zijn. V. s. zijn deze +beeldhouwwerken van Panaenus (z. a.), die in Olympia gewerkt heeft. + +Paeoplae, Paioplai, paeonische stam aan de macedonische kust, aan +den Strymon en den mons Pangaeus. + +Paestum, Paiston, vroeger Posidonia, stad op de lucanische kust aan +den sinus Paestanus (golf van Salerno), kolonie van Sybaris, in 524 +gesticht. ± 400 viel de stad in handen van de Lucaniërs, en heette +voortaan Paestum. In 273 brachten de Rom. er eene kolonie van Latijnen +heen. Paestum was beroemd om zijne rozenteelt. Men vindt er nu nog de +overblijfselen van drie grieksche tempels, die voor de geschiedenis der +grieksche bouwkunst van groot belang zijn. Onder Templum vindt men een +afbeelding van den meest bekenden, den zoogenaamden Poseidonstempel. + +Paesus, Paisos, stad en rivier in Troas, aan het begin van de +Propontis. De stad is door Milete gesticht. + +Paetus, een familienaam, die in verschillende gentes voorkomt, en als +adjectief lonkend beteekent. 1) beroemd rechtsgeleerde, zie Aelii.--2) +echtgenoot der heldhaftige Arria, zie Caecinae.--3) vriend van Cicero, +zie Papirii no. 14.--4) senator onder Nero, zie Thrasea. + +Pagae, Pegae, Pagai, Pegai, versterkte havenstad in Megaris aan de +Corinthische golf. + +Paganalia, door Servius Tullius ingesteld, feesten door de inwoners +van iederen pagus gevierd. Ze behooren tot de feriae conceptivae, +zie feriae. + +Pagani, zie pagus. + +Pagasae, Pagasai, stad in het Z. van Thessalia, in het landschap +Pelasgiotis, dicht bij de grens van Magnesia, aan den sinus Pagasaeus +(golf v. Volo). Dichterlijk Pagasaeus = thessalisch. + +Pagus, landelijk distrikt, plattelandsgemeente. Soms behoorden de pagi +tot het gebied eener stad en kan het woord door dorp worden overgezet, +somtijds ook hadden zij eene grootere uitgebreidheid en vormden zij +een zelfstandig geheel, overeenkomende met hetgeen wij een kanton +of distrikt zouden noemen. De inwoners waren pagani. De dorpen, +vlekken en gehuchten in zoo'n distrikt heetten vici (zie vicus +no. 3). Te Rome werden de bewoners der vroegere buitenwijken ook +pagani genoemd. Paganus beteekent ook: boersch, landelijk; onder de +keizers wordt de naam gebezigd in tegenstelling met milites, en bij +de kerkelijke schrijvers = heidenen. + +Paiderastia, knapenliefde, eene betrekking tusschen een volwassen man +en een knaap, die medebracht, dat zij zooveel mogelijk in elkanders +gezelschap waren, dat de man door goede voorbeelden en lessen een +gunstigen invloed op de zedelijke ontwikkeling van den knaap trachtte +uit te oefenen, en dat de knaap zich naar het voorbeeld van den man +trachtte te vormen. Deze verhouding bestond vooral in dorische staten, +in het bijzonder op Creta, waar de knaap evenals eene bruid uit het +huis zijner ouders geroofd werd, na twee maanden vrijgelaten werd, +maar zich dikwijls levenslang bij den man aansloot, waaruit soms +de innigste vriendschap en broederschap, vooral in den oorlog, +ontstond.--De man heette op Creta philetor, te Sparta eispnelas +(inblazer), de knaap op Creta kleinos (geroemde), te Sparta aitas +(toehoorder).--Werd van zulk een verkeer op onzedelijke wijze misbruik +gemaakt, wat in oude tijden slechts zelden schijnt voorgekomen te zijn, +dan konde de man gestraft worden met atimie, verbanning of zelfs met +den dood, de knaap werd van openbare betrekkingen en van godsdienstige +feesten uitgesloten. In lateren tijd verloor de zaak echter geheel en +al hare oorspronkelijke beteekenis en ontaardde zij tot eene door en +door onzedelijke verhouding, in welken vorm zij ook bij de Romeinen, +vooral in den keizertijd, ingang vond. + +Paidonomos, te Sparta en op Creta een magistraat, die met het toezicht +op de opvoeding der knapen belast was; hij werd bijgestaan door de +bidyoi, en onder hem stonden de mastigophoroi, om door hem opgelegde +straffen te voltrekken. + +Paistike, landstreek in het N. van Thracia. + +Palaegambrium, Palaigambreion, stad in Aeolis aan den Caicus. + +Palaemon, Palaimon, z. Melicertes. + +Palaepolis, Palaipolis, zie Neapolis. + +Palaephatus, Palaiphatos, 1) van Abydus, vriend van Aristoteles, +schrijver van verscheiden geschiedkundige werken, die op enkele +fragmenten na verloren gegaan zijn.--2) Aegyptenaar of Athener, wordt +geroemd als schrijver van verscheiden thans verloren mythologische +werken. Waarschijnlijk is van hem ook een nog behouden werkje peri +apiston, dat op de wijze van Euhemerus, van wien P. een tijdgenoot +schijnt geweest te zijn, allegorische of historische verklaringen van +verscheiden mythen bevat. Het is langen tijd als schoolboek gebruikt. + +Palaerus, Palairos, zeestad in het N.W. van Acarnania. + +Palaescepsis, Palaiskepsis, zie Scepsis. + +Palaeste, Palaiste, kustplaats in het N.W. van Epirus, bij de +Acroceraunische bergen, waar Caesar landde, toen hij tegen Pompeius +optrok. + +Palaestina, Palaistine = land der Philistijnen, Philistaei, +Philistaioi, die langs de kust der Middellandsche zee van de +aegyptische grenzen N.waarts tot aan den berg Carmel woonden. Later +werd de naam uitgebreid over het binnenland, tot zelfs over het +transjordaansche gedeelte van het joodsche land. Over zijne geheele +uitgestrektheid werd Pal. verdeeld in de volgende landschappen: +ten W. van den Jordaan: Galilaea in het N., Samaria in het midden +en Judaea in het Z. Het overjordaansche land werd Peraea geheeten; +het N. gedeelte werd Batanaea of Basan (het weeke, vruchtbare land) +genoemd en langs de rivier meer in het bijzonder Gaulonitis; het +Z. deel heette Galaäditis (het harde, ruwe land). Onder Salomo had +het rijk der Israëlieten zijne grootste uitgebreidheid, het reikte +toen tot aan den Euphraat. Nog bij Salomo's leven echter ging Syria +weder verloren, en na zijn dood splitste zich de staat in twee deelen; +het rijk der 10 stammen, dat in 722 door Salmanezer werd vernietigd, +en dat van Juda, waaraan Nebukadrezar in 588 een einde maakte. Onder +Cyrus werd het land perzisch, onder Alexander d. G. macedonisch. Na +diens dood kwam het in den beginne onder Aegypte, was een tijd lang +een twistappel tusschen dit rijk en Syrië, tot het eindelijk onder +Antiochus III aan Syrië bleef. De poging van Antiochus IV Epiphanes, +om den mozaischen eeredienst met geweld door den griekschen te +doen verdringen, had een opstand ten gevolge, en van 130 tot 64 +vormde Pal. nogmaals een vrijen staat onder het vorstenhuis der +Maccabaeën. Broedertwisten tusschen Aristobulus en Hyrcanus hadden de +inmenging der Rom. ten gevolge. Zie verder Herodes en Herodes Agrippa. + +Palaestra, palaistra, het gedeelte van een gymnasium, dat meer bepaald +tot beoefening der gymnastiek bestemd is. Soms wordt de naam echter +voor afzonderlijke gebouwen gebruikt, die weinig van de gymnasia +schijnen te verschillen, en waarschijnlijk meer in het bizonder door +athleten van beroep bezocht werden. + +Palaetyrus, Palaityros, zie Tyrus. + +Palamedes, Palamedes, zoon van Nauplius en Clymene, een wijs, dapper +en rechtvaardig man, wien de uitvinding van vuurtorens, maten en +gewichten, eenige letters, dobbelspel e.a. toegeschreven wordt. Toen +Odysseus zich poogde te onttrekken aan zijne verplichting om deel +te nemen aan den tocht tegen Troje, werd P. met anderen gezonden om +hem daartoe te nopen. Zij vonden Odysseus, terwijl hij in geveinsde +waanzinnigheid ploegde met een ploeg, waarvoor hij een os en een ezel +gespannen had, en zout in plaats van koren in de voren zaaide. P. legde +den jongen Telemachus voor den ploeg, en daar Odysseus vermeed +over het kind heen te rijden, toonde hij dat zijne krankzinnigheid +slechts voorgewend was. Daardoor verbitterd, bewerkte Odysseus zijn +ondergang. Hij liet namelijk voor Troje een brief onderscheppen, +dien hijzelf geschreven had, maar die schijnbaar door Priamus aan +P. gericht was, en waaruit blijken moest, dat P. had aangeboden de +Grieken voor geld te verraden. Toen de inhoud van dezen brief bekend +gemaakt was, en men in de tent van P. een som gelds gevonden had, +waarvan in den brief sprake was, maar die door Odysseus zelf daar +verborgen was, was het hem gemakkelijk zijn vijand door het volk ter +dood te doen veroordeelen, vooral daar ook Agamemnon en Diomedes, +naijverig op den roem van P., zijn dood wenschten.--Hij had later +een heiligdom op de kust van Klein-Azië, tegenover Lesbus. + +Palatinus, bijnaam van Apollo, naar zijn tempel op den mons Palatinus. + +Palatinus (mons), een der heuvels van Rome. Op dezen heuvel heeft +het oudste Rome, Roma quadrata, gelegen. Het N.W. gedeelte van den +berg heette Cermalus, terwijl de ten N. gelegen Velia ook bij deze +oudste nederzetting behoorde. Op of bij den Palatinus lagen zeer oude +heiligdommen, o.a. het Lupercal; ook vond men er tot in late tijden +de met stroo gedekte Casa Romuli. In den laatsten tijd der republiek +woonden hier vele aanzienlijke Romeinen, o.a. M. Tullius Cicero, +Crassus, Hortensius, Catilina en Clodius. Uit iets lateren tijd is +nog over een particulier huis, gewoonlijk het huis van Livia, de +eerste keizerin van Rome, genoemd. In den keizertijd werd de geheele +berg eigendom van de keizers, die er hun verschillende paleizen (het +woord is van palatium afgeleid) gebouwd hebben. Bekend zijn vooral de +domus Augustana, met daarnaast den Apollo-tempel en de bibliotheek, +de domus Tiberii, het paleis der Flavische keizers, het Stadium, +door Domitianus of één der latere keizers in den berg uitgegraven, +en het Septizonium, door Septimius Severus gebouwd. + +Pale, lucta, luctatio, het worstelen, een van de voornaamste spelen +bij de grieksche feesten. De worstelaars trachtten elkander op den +grond te werpen, en alle middelen waren daartoe geoorloofd behalve +slaan; daarbij lette men echter zeer op bevalligheid in houding en +bewegingen. Zoodra een van beiden viel, liet zijn tegenstander hem +opstaan, en eerst wanneer de een den ander driemaal op den grond +geworpen had, was de strijd beslist; later werd het gevecht echter, +wanneer een van beiden neergeworpen was, op den grond voortgezet, +totdat hij geen kans zag zich weder op te richten en zich overwonnen +moest verklaren. De worstelaars hadden hun lichaam met fijn zand +bestrooid en de grond van het worstelperk was met zand bedekt. + +Palenses, Pales, inwoners der stad Pale, Pale, in het W. van het +eiland Cephallenia. + +Pales, eene godin of een god der romeinsche herders die de kudden +vruchtbaar maakte en voedde, zie Palilia. + +Palibothra, Palibothra, groote en bijzonder sterke hoofdstad der +Prasii in India, aan den Ganges, bij het tegenw. Patna. + +Palice, Palike, stad der Siculi, door Ducetius gesticht (453/2), +ten N.W. van Syracusae, bij het heiligdom der Palici (z. a.). + +Palici, Palikoi, daemonen, die op Sicilië vereerd werden, tweelingzonen +van Zeus en een sicilische nimf. Uit vrees voor de jaloerschheid van +Hera had hun moeder zich voor hunne geboorte onder de aarde verborgen, +maar zoodra zij geboren waren, opende de aarde zich en werden zij door +het daglicht beschenen. Ten N.W. van Syracusae (zie Palice) waren +twee aan hen gewijde, kleine, diepe meren met warm water, waaruit +zwaveldampen opstegen. Wie van een misdaad beschuldigd was en zijne +onschuld durfde bezweren, werd bij een van deze meren gebracht, zijn +eed werd op een schrijftafeltje geschreven en dit werd in het water +geworpen. Bleef het drijven, dan was de aangeklaagde vrijgesproken, +zonk het, dan gold de eed voor valsch, en de meineedige werd +onmiddellijk in den krater van den Aetna geworpen of van het gezicht +beroofd. In de nabijheid was de tempel der P., waar slaven, die door +hunne meesters hard behandeld werden, een toevluchtsoord vonden. + +Palilia, feest ter eere van Pales den 21sten April door romeinsche +herders gevierd. Men stak stroovuren aan, dreef het vee driemaal er +om heen, en sprong zelf driemaal er over, om vergiffenis te verwerven +voor onopzettelijke verontreiniging van heilige wouden en bronnen. Het +was een uitgelaten vroolijk feest en gold tevens als gedenkdag van +de stichting van Rome. + +Palimbothra = Palibothra. + +Palindikia, anadikia, tweede behandeling van een proces. Men konde +nl. vernietiging van een vonnis vragen (palindikein, anadikazesthai), +wanneer dit door een openbaar scheidsrechter (z. diaitetes) was +uitgesproken, of wanneer men bij verstek (z. eremos dike) of op grond +van valsche getuigenissen (z. pseudomartyrion dike) veroordeeld was. + +Palinodia, een gedicht, waarin men herroept wat in een vroeger +gedicht gezegd is, ook in het algemeen het herroepen van een vroeger +gezegde. Beroemd is de pal. van Stesichorus (z.a.). + +Palinurus, Palinouros, stuurman van Aeneas, viel bij de naar hem +genoemde kaap Palinurum, ten Z. van Velia, in zee; hij zwom aan land, +maar werd door de Lucaniërs gedood. Op bevel van een orakel werd hij +later eervol begraven en werden lijkspelen te zijner eere ingesteld. + +Palla, 1) vrouwengewaad, een overkleed, dat men omwierp en dat tot +op de voeten afhing, doch bij nimfen en jageressen door de dichters +meermalen wordt geschilderd als slechts tot de knie reikende. De +rom. dames gebruikten het dikwijls in plaats der meer deftige +stola.--2) bij goden, heroën, dichters en zangers, een dergelijk +gewaad, tot op den grond hangende en dikwijls slepende, ten einde +hun een rijziger gestalte te geven. + +Pallacopas, Pallakopas of Pallacottas, Pallakottas, zijkanaal van +den Euphraat in de richting der arabische woestijn, waar het doodliep. + +Palladium, Palladion, een beeld van Pallas Athena of van Pallas, +de dochter van Triton, door de godin Athene zelve gemaakt en door +Zeus aan Ilus (z.a.) of aan Dardanus gegeven. Het was een staande +houten beeld, drie el hoog, met aaneengesloten voeten, het hield in de +rechterhand een speer, in de linker een spinrokken. Toen de Grieken +door Helenus vernomen hadden, dat Troje niet genomen konde worden, +zoolang het Palladium binnen zijne muren was, slopen Odysseus en +Diomedes in de stad en roofden het. Zoo kwam het naar Argos of Athene +(z. Diomedes en Demophon). De Rom. beweerden echter dat Aeneas het +naar Italië had medegebracht, zij bewaarden het in den tempel van +Vesta, waar zelfs de pontifex maximus het niet zien of aanraken mocht. + +Palladius (Rutilius Taurus Aemilianus), rom. schrijver van een +uitvoerig werk over den landbouw in 14 boeken, vermoedelijk uit de +4de eeuw na C. + +Pallantia, dochter van Euander, geliefde van Heracles; naar haar is +de Mons Palatinus genoemd. + +Pallantia, Pallantia, hoofdst. der Vaccaei in Hispania Tarraconensis, +thans Palencia, aan den Pisoraca (Pisuerga), een zijtak van den Durius +(Douro). + +Pallantias, -tis, Aurora, kleindochter van Pallas. + +Pallantidae, Pallantidai, de 50 zonen van Pallas no. 5, die Aegeus +van de regeering beroofden, maar later door Theseus deels gedood, +deels verjaagd werden.--Ook eene atheensche familie, die van dezen +Pallas beweerde af te stammen, noemde zich zoo. + +Pallantium, Pallantion, oude stad in Zuid-Arcadia, ten W. van Tegea, +vanwaar Euander met eene kolonie naar Latium verhuisde, waar hij +ergens aan den Tiber eene gelijknamige stad zou gesticht hebben. Het +arcadisch Pallantium werd in 369 ontvolkt ten behoeve van Megalopolis. + +Pallas, Pallas, gen. -ados, 1) P. Athena z. Athena.--2) eene gezellin +van Athena, door wie zij bij ongeluk gedood werd; haar beeld was +v. s. het Palladium. Zij wordt dochter van Triton genoemd en is +eigenlijk niemand anders dan de godin zelve. + +Pallas, Pallas, gen. -antos 1) een van de Titanen, zoon van Crius en +Eurybia.--2) een van de Giganten, door Athena gedood en gevild; met +zijne huid bekleedde zij haar schild.--3) zoon van Lycaon, grootvader +van Euander, stichter van Pallantium in Arcadië.--4) zoon van Euander +(z. a.), sneuvelde door de hand van Turnus.--5) zoon van Pandion, +broeder van Aegeus, in wiens plaats hij eenigen tijd regeerde; hij +werd door Theseus gedood.--6) een vrijgelaten slaaf, broeder van +Antonius Felix, procurator van Judaea, evenals deze vrijgelatene +van Antonia minor (zijn vollen naam luidt: M. Antonius Pallas), +die zich in de gunst van keizer Claudius wist in te dringen, en +zich grooten invloed en rijkdom verwierf (hij bekleedde het ambt a +rationibus). Het huwelijk van Claudius met Agrippina en de adoptie +van Nero was voor een groot deel zijn werk. Onder Nero geraakte hij +echter op den achtergrond, hij moest zich (55 n. C.) uit het openbare +leven terugtrekken en werd in 62 ter dood gebracht. + +Pallene, Pallene, 1) W. landtong van Chalcidice.--2) demus in Attica. + +Palliata, sc. fabula, eene romeinsche comoedie, die in Griekenland +speelt en waarbij de acteurs in grieksch gewaad optraden. + +Pallium, himation, pharos, lange wollen mantel, meestal wit, bij de +Grieken door mannen en vrouwen gedragen, en wel gewoonlijk op dezelfde +wijzen als de toga der Romeinen. Het dragen van een pallium over den +chiton was echter volstrekt niet algemeen en gold bij de Romeinen +zelfs lang als een teeken van verwijfdheid, in lateren tijd was het +de geliefkoosde dracht van wijsgeeren of hen die daarvoor gehouden +wilden worden. + +Palma, rom. of lat. kolonie (123) op het eiland Balearis maior. + +Palmyra, Palmyra, of Thadmôr = palmenstad, door Salomo aangelegd in een +oase der syrische woestijn. Als middelpunt van karavaanwegen bereikte +het een hoogen trap van bloei. Gebruik makende van de verwarring in +het rom. rijk, stichtte de stadhouder Odenathus er in 260 na C. een +zelfstandig rijk, dat zich onder zijne gemalin en opvolgster Zenobia +over Syrië, Aegypte en een deel van Voor-Azië uitbreidde. Doch in +272 werd Palmyra door keizer Aurelianus ingenomen en, na een opstand, +verwoest; Zenobia werd als gevangene naar Rome gevoerd. De stad had een +prachtigen zonnetempel. In 1691 heeft men belangrijke overblijfselen +der schoone en uitgestrekte stad teruggevonden, die in het laatst +der vorige eeuw wetenschappelijk onderzocht en beschreven zijn. + +Paludamentum, witte of purperroode krijgsmantel der +rom. veldheeren. Paludatus = met den veldheersmantel bekleed. + +Palumbinum, stadje in Samnium, ligging onbekend. + +Pamisus, Pamisos, 1) zuidelijke zijtak van den Peneus in Thessalia.--2) +rivier in Messenia, stroomt door de vruchtbare vlakte Macaria.--3) +oude grensrivier tusschen Messenia en Laconica, die even ten N. van +Thalamae in de Messenische golf uitloopt. + +Pammenes, Pammenes, 1) Thebaan, tijdgenoot van Epaminondas, +onderscheidde zich in de oorlogen tegen Sparta en bleef met een +leger in de Peloponnesus om de Arcadiërs gedurende de stichting van +Megalopolis te beschermen; ook als bevelhebber over de thebaansche +hulptroepen van Artabazus no. 2 verwierf hij grooten roem (353). Toen +hij echter met de vijanden van Artabazus onderhandelingen aanknoopte, +liet deze hem gevangen nemen. Philippus van Macedonië woonde gedurende +zijn verblijf te Thebe als gijzelaar in het huis van P.--2) leeraar +der welsprekendheid te Athene, tijdgenoot van Cicero, die met lof +van hem spreekt. + +Pammerope, Pammerope, dochter van Celeüs, eerste priesteres bij de +eleusinische mysteriën. + +Pamphila, Pamphile, 1) van Cos, uitvindster van het zijdeweven. Zij +leefde in het begin der vierde eeuw.--2) aegyptische of epidaurische +vrouw, die een aantal bijzonderheden op het gebied van geschiedenis, +wijsbegeerte, rhetorica, enz., te boek stelde, zooals zij die +gedurende haar dertienjarig huwelijk uit de gesprekken van haar man +en zijne talrijke bezoekers had opgevangen of uit haar lectuur had +opgeteekend. Zij leefde ten tijde van Nero. + +Pamphilus, Pamphilos, 1) atheensch veldheer, landde in den +corinthischen oorlog op Aegina en belegerde de stad (389), daar zijne +vloot echter verjaagd werd, kwam hij in groote verlegenheid; na 5 +maanden werd hij ontzet. Hij werd veroordeeld, en stierf voor hij de +boete betaald had.--2) leerling van Plato, leeraar der wijsbegeerte +op Samus, waar Epicurus zijne voordrachten hoorde.--3) van Amphipolis, +beroemd schilder, leerling van Eupompus en leermeester van Apelles; ook +werken van hem over schilderkunst worden genoemd.--4) uit Alexandria, +grammaticus ten tijde van Nero, schreef een uitgebreid woordenboek. + +Pamphos, Pamphos, episch dichter, ouder dan Homerus, aan wien hymnen +ter eere van verschillende goden werden toegeschreven. + +Pamphyloi, naam van een der drie dorische phylae (z. phyle), zoo +genoemd naar Pamphylus. + +Pamphylia, Pamphylia, gewest aan de Zuidkust van Asia minor. De +bevolking was zeer gemengd en bestond uit inboorlingen, Ciliciërs en +Grieken, hieraan was ook de naam Pamphyli, Pamphyloi, ontleend. Het +land stond achtereenvolgens onder perzische, macedonische, syrische, +pergameensche en romeinsche heerschappij. De voornaamste steden zijn +Aspendus, Perge, Side en Attalea. + +Pamphylus, Pamphylos, zoon van Aegimius, trok met de Heracliden naar +de Peloponnesus en sneuvelde daar. + +Pan, Pan, veld-, bosch- en herdersgod, zoon van Hermes of Zeus en +Callisto of de nimf Penelope. Reeds bij zijne geboorte was hij bijna +geheel volwassen, hij had horens, een krommen neus, spitse ooren, +een staart en bokspooten (Aigipodes, Semicaper), bovendien was hij +geheel met haar begroeid. Hij beschermt kudden (Nomios), bosschen +en weiden, jacht (Agreus), visscherij en bijenteelt. Het liefst +zwerft hij in Arcadië, over de bergen (Oressibates), waar hij jaagt, +de nimfen bij den dans aanvoert (Philochoros) of zich vermaakt met +het spelen op de door hem uitgevonden herdersfluit (z. Syrinx), +waarin hij het zoover gebracht had, dat hij zelfs Apollo tot een +wedstrijd durfde uitdagen (z. Midas). De Atheners geloofden, dat +zij aan zijne hulp de overwinning bij Marathon te danken hadden, hij +kon n.l. in den strijd gewichtige diensten bewijzen, door met zijne +vervaarlijke stem den vijanden schrik en ontzetting aan te jagen; +van dit vermogen maakt hij echter ook misbruik, om bij onschuldige +reizigers of wandelaars in eenzame wouden een plotselingen (panischen) +schrik te veroorzaken. Zoo had hij ook de Titanen in hun strijd tegen +de goden door trompetgeschal op de vlucht gedreven. Met zijne kinderen +en verdere afstammelingen (Panes, Paniskoi, Panisci) sluit hij zich +gaarne bij den luidruchtigen stoet van Dionysus aan. De nimfen, die +hij met zijne liefde dikwijls hardnekkig vervolgt, ontvluchten hem +gewoonlijk of worden door de goden tegen hem beschermd.--In lateren +tijd beschouwden sommigen hem naar aanleiding van zijn naam als een +symbool van het heelal, zijn dans stelde dan de eeuwige beweging voor, +zijn horens en baard waren de zonnestralen, enz.--Pan werd vooral +in Arcadië, maar ook elders in Griekenland vereerd, aan sommige van +zijne tempels waren orakels verbonden. Te Athene hield men jaarlijks +te zijner eer een wedloop met fakkels.--Men offerde hem bokken, +lammeren, koeien, melk, honig en most; de steeneik en de pijnboom +waren hem gewijd.--De Romeinen vereenzelfdigden hem met Faunus. + +Panacea, Panakeia, dochter van Asclepius. + +Panachaicus (mons), Panachaïkon oros, berg in Achaia, ten Z. van de +invaart der Corinthische golf. + +Panactum, Panakton, grensvesting tusschen Attica en Boeotia, ten +N. van Eleusis. + +Panaei, Panaioi, thracisch volk, in den omtrek van Amphipolis +woonachtig. + +Panaenus, Panainos, beroemd schilder te Athene, broeder van Phidias, +medewerker aan de beroemde schilderij van den slag bij Marathon in +de poikile stoa te Athene. Ook het schilderwerk aan den troon van +het Zeusbeeld te Olympia was van hem. Z. ook Paeonius. + +Panaetius, Panaitios, van Rhodus, zoon van Nicagoras, geb. omstreeks +180, genoot te Athene het onderwijs van Diogenes den Babyloniër en +Antipater van Tarsus. Te Rome vond hij vele leerlingen en leefde hij +op vertrouwden voet met Laelius en den jongen Scipio, dien hij op +eene reis naar Azië en Aegypte vergezelde (140). Later keerde hij +naar Athene terug, waar hij Antipater als hoofd der stoicijnsche +school opvolgde (129), talrijke leerlingen vormde en omstreeks 112 +stierf. Hij heeft tot de verbreiding der stoicijnsche leer, vooral +te Rome, zeer veel bijgedragen en wordt vooral door Cicero dikwijls +met lof genoemd; evenwel schijnt hij het gestrenge van die leer in +vele opzichten verzacht en zich ook tot de peripatetische school +aangetrokken gevoeld te hebben. Zijne geschriften zijn grootendeels +verloren, zijn voornaamste werk peri tou kathekontos werd door Cicero +in zijn werk de officiis nagevolgd. + +Panaetolicus (mons), Panaitolikon oros, berg in het hart van Aetolia, +ten N. van den Trichonius lacus. + +Panathenaea, Panathenaia, het voornaamste feest der Atheners in het +derde jaar van iedere Olympiade, van den 24sten, v. s. van den 21sten, +tot den 28sten Hecatombaeon ter eere van Athena Polias gevierd. De +invoering er van als een landelijk feest onder den naam Athenaia wordt +aan Erichthonius toegeschreven, zijn eigenaardig karakter als feest +van de geheele attische burgerij en zijn naam had het van Theseus +gekregen, door Pisistratus waren voordrachten van gedichten van +Homerus aan de feestelijkheden toegevoegd, die later door Pericles +nog verdere uitbreiding kregen. Behalve de wedstrijden in muziek, +gymnastiek, rijden, enz., waarbij vele prijzen uit kruiken met olie +van de heilige olijfboomen bestonden, moet vooral vermeld worden +de groote optocht (pompe), waarmede aan de godin een nieuw kleed +(peplos) gebracht werd. Dit kleed was saffraankleurig, door atheensche +vrouwen geweven en met het prachtigste borduurwerk, waarvan patroon +en uitvoering van staatswege goedgekeurd moesten zijn, versierd. Het +werd als zeil aan den mast van een schip vastgehecht, en dit werd op +rollen naar de acropolis voortbewogen, gevolgd door grijsaards met +olijftakken in de handen (thallophoroi), dochters van edele burgers, +die mandjes met offergereedschap droegen (kanephoroi), terwijl stoelen +en zonneschermen haar nagedragen werden door vrouwen en dochters der +metoeci (diphrophoroi, skiadephoroi), verder volgde de ruiterij en +verdere krijgslieden in de schoonste wapenrusting, overwinnaars in de +feestspelen bij vroegere Panathenaea gevierd, eindelijk de geheele +burgerij in feestgewaad, meestal nog gezantschappen van atheensche +kolonies en andere staten. Op den optocht volgde een offerfeest, groot +genoeg om het geheele volk te onthalen.--De fries van het Parthenon was +door Phidias versierd met eene afbeelding in relief van den optocht +der Panathenaea, en een groot gedeelte van dit beeldhouwwerk is nog +bewaard gebleven.--Behalve dit groote feest werden ieder jaar kleine +Panathenaea gevierd, waarschijnlijk bestaande in wedstrijden en offers. + +Panchaea, Panchaia, fabelachtig eiland in den Erythraeïschen oceaan +tegenover Gelukkig Arabië, met een heerlijk klimaat en voortbrengselen +van verschillenden aard, z. Euhemerus. + +Pancration, pankration, worsteling en vuistgevecht tusschen +athleten. De strijders waren geheel naakt en hadden ook geen caestus. + +Panda Cela, italiaansche oogstgodin, die te Rome aan den voet van +het Capitolium een tempel had. + +Pandareüs, Pandareos, zoon van Merops, stal voor Tantalus een +gouden hond uit den tempel van Zeus op Creta, en toen Zeus hem +terugeischte, vluchtte hij naar Athene en van daar naar Sicilië, +waar hij stierf. Eene van zijne dochters was Aedon; de andere twee +werden na de vlucht van P. door de godinnen Aphrodite, Hera, Artemis +en Athena met vele goede eigenschappen begiftigd, doch toen zij zouden +trouwen, werden zij door de Harpyieën weggeroofd en aan de Erinyen +tot dienaressen gegeven. + +Pandarus, Pandaros, 1) zoon van Lycaon, aanvoerder van de lycische +bondgenooten der Trojanen, zeer bekwaam boogschutter. Toen door +de strijdende partijen vastgesteld was, dat de oorlog door een +tweegevecht tusschen Menelaus en Paris beslist zoude worden, schond +P. op aansporing van Athena dit verdrag door op Menelaus een pijl +af te schieten. Hij werd door Diomedes gedood.--2) zoon van Alcanor, +tochtgenoot van Aeneas, met zijn broeder Bitias door Turnus gedood. + +Pandataria, Pandataria, eiland op de kust van Campania, waarheen +Augustus zijne dochter Julia verbande. Ook Agrippina de oude werd +hierheen door keizer Tiberius verbannen, en stierf er in 33 n. C. den +hongerdood. + +Pandektai, zie Digesta. + +Pandemus, Pandemos, bijnaam van Aphrodite (z. a.). + +Pandion, Pandion, 1) zoon van Phineus en Cleopatra. Ten gevolge van de +valsche beschuldigingen hunner stiefmoeder Idaea, werd hij met zijn +broeder Plexippus door Phineus van het gezicht beroofd en gevangen +gehouden, z. Calais.--2) koning van Athene, vader van Erechtheus, +Butes, Procne en Philomela.--3) zoon van Cecrops, koning van Athene, +van waar hij door de Metioniden verdreven werd. Hij vluchtte naar +Megara, waar hij de dochter van koning Pylas huwde, de regeering kreeg, +en na zijn dood als heros vereerd werd. Zijne zonen waren Aegeus, +Pallas, Nisus e. a. + +Pandionis, Pandionis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van +Attica door Clisthenes verdeeld werd. + +Pandora, Pandora, de eerste vrouw, door alle goden (vandaar de +naam) met schoonheid, lieftalligheid en kunstvaardigheid begiftigd, +had van Zeus een doos gekregen, waarin alle ongelukken opgesloten +waren. Daarop liet hij haar door Hermes naar Epimetheus brengen, +die haar tegen den raad van Prometheus ontving. Uit nieuwsgierigheid +opende zij het deksel van de doos, waarop alle rampen zich over de +aarde verspreidden; alleen de hoop bleef op den bodem er van liggen, +toen P. het deksel spoedig sloot. + +Pandorus, Pandoros, zoon van Erechtheus en Praxithea, stichter eener +atheensche volkplanting op Euboa. + +Pandosia, Pandosia, 1) stad in het epirotische landschap Thesprotia +aan den Acheron.--2) stad in Lucania, ten W. van Heraclea.--3) stad +in Bruttii bij Consentia. + +Pandotira, Pandoteira, geefster van alles, bijnaam van Demeter. + +Pandrosus, Pandrosos, dochter van Cecrops, had te Athene naast den +tempel van Athena Polias een heiligdom, waarin de heilige olijfboom +stond. Athene zelve heeft ook den bijnaam Pand. + +Panegyris, panegyris, groote feestvergadering, zooals bijv. bij de +viering van de groote nationale feesten der Grieken gehouden werd. De +feestredenen (panegyrikoi logoi) bij zulke gelegenheden uitgesproken, +waren dikwijls schitterende voorbeelden van welsprekendheid en +stijl. Zij strekten meestal tot verheerlijking van het feest of de +feestvierenden, soms ook van enkele personen; in het laatste geval +waren het lofredenen, en in deze beteekenis komen Panegyrici ook bij +de Rom. voor. + +Pangaeus (mons), Pangaion oros, gebergte op de macedonische kust, +ten O. van Amphipolis, tot welks gebied het behoorde. Het leverde +goud en zilver op. + +Panhellenius, Panellenios, bijnaam van Zeus als den nationalen god +van alle Grieken. Onder dien naam had hij op Aegina een tempel, het +Panhellenium, en werden voor hem op verscheiden plaatsen feesten, +Panhellenia, gevierd. + +Panhormus = Panormus. + +Panionia, Panionia, vergadering der 12 steden van Ionië bij den +bondstempel, het Panionium, nabij Mycale gehouden en verbonden met +feesten ter eere van Poseidon. + +Panionium, Panionion, tempel van Poseidon bij kaap Mycale, bondstempel +der aziatisch-ionische steden. + +Paniscus, Paniskos, z. Pan. + +Pannonia, Pannonia, rom. Donauprovincie, door den Donau begrensd, van +omstreeks Vindobona (Weenen) af tot aan de samenvloeiing met de Tisia +(Theiss). De inwoners waren hoofdzakelijk van illyrischen stam. Er +waren echter sedert de 4de eeuw vele keltische stammen ingedrongen, +o. a. de Scordisci. Onder Augustus werd Pann. tot rom. provincie +gemaakt, maar eerst na de demping van den pannonischen opstand (6-9 +n. C.) door Tiberias werd de rom. heerschappij er bevestigd. Het +land werd ingedeeld in P. Superior en P. Inferior. In den lateren +keizertijd werd de indeeling herhaaldelijk gewijzigd, en o. a. Valeria +(zie Valeria no. 3) er van afgescheiden. + +Panomphaeus, Panomphaios, bijnaam van Zeus als den god, die door +hoorbare teekens de toekomst voorspelt. + +Panope, Panopeus, Panope, Panopeus, oude belangrijke stad in Phocis, +dicht bij de grenzen van Boeotia, later vervallen. + +Panopeus, Panopeus, zoon van Phocus, vergezelde Amphitryo op zijn +tocht tegen de Taphiërs en nam deel aan de calydonische jacht. Hij +was de vader van Epeus no. 2. + +Panoplia, de geheele uitrusting van een zwaargewapende, schild, helm, +borstharnas, scheenplaten, zwaard en lans. Deze moest ieder hopliet +zich zelf aanschaffen. Vandaar dat het aantal zwaargewapenden in de +Grieksche staten steeds tamelijk gering gebleven is, en men gerust +kan aannemen, dat ieder boerengezin, iedere familie van zeugitai, +slechts één hopliet behoefde te leveren. Z. ook hoplitai en psiloi. + +Panopolis, Panopolis, oudtijds Chemmis, Chemmis, Chemmo, oude stad +in Aegypte, aan den Nijl, stroomafwaarts van Thebae, grootendeels +door linnenwevers en metselaars bewoond. + +Panoptes, Panoptes, bijnaam van Argus naar de vele oogen, waarmede +zijn lichaam bezaaid was. + +Panormus, doch beter Panhormus, Panormos (= geheel en al haven). 1) +havenstad op Sicilia, thans Palermo, phoenicische volkplanting, +later carthaagsch, sedert 254 in handen der Rom.--2) in Achaia, +aan de invaart der Corinthische golf.--3) haven van Ephesus. + +Pansa, familienaam in de gentes Vibia, Titinia, Appuleia. + +Pantagias, Pantakyas, riviertje op de O.-kust van Sicilia, ten N. van +Syracusae, bij Trotilum. + +Pantaleon, Pantaleon, wierp zich in 660 tot tyran van Pisa op en +regeerde overmoedig. Hij beoorloogde de Eleërs en ontnam hun het +beheer over de olympische spelen. + +Panteus, Panteus, Spartaan, vriend van Cleomenes III, dien hij bij al +zijne ondernemingen getrouw ter zijde stond; hij vergezelde hem ook +na den slag bij Sellasia naar Aegypte en doodde zich te gelijk met hem. + +Pantheon, prachtige tempel, in 25 door M. Agrippa te Rome opgericht +op den Campus Martius en in de 2de eeuw n. Chr. door keizer +Hadrianus herbouwd. Het gebouw, dat nog een sieraad is van het +hedendaagsche Rome, is cirkelvormig en heeft eene middellijn van +132 voet binnenwerks. In den 19 voet dikken muur zijn 7 ruime nissen +aangebracht, waarvan het verwulfsel telkens door twee zuilen wordt +gesteund, met uitzondering van de nis over den uitgang. Het gebouw is +gedekt door een ontzaglijk koepeldak, met eene opening van 40 voet +middellijn in het midden. Het dak rust alleen op de muren. Vóór +den ingang is een ruim voorportaal aangebracht, in drie schepen +verdeeld. Het trotsche gebouw was waarschijnlijk in de eerste plaats +aan Mars en Venus gewijd als de godheden der gens Iulia, v. s. in +de eerste plaats aan Jupiter Ultor. Welke goden en heroën verder de +nissen vulden, is onbekend. + +Panthoides, Panthoïdes, Euphorbus, zoon van Panthous; ook Pythagoras, +die beweerde dat hij vroeger als Euphorbus op aarde geleefd had. + +Panthous, -thus, Panthoos, -thous, zoon van Othrys, een van de oudsten +van Troje, priester van Apollo en dapper krijgsman. + +Panticapaeum, Pantikapaion, milesische volkplanting in de taurische +Chersonesus (Krim), gewoonlijk Bosporus geheeten, later hoofdstad +van het bosporaansche rijk. Thans Kertsch. + +Pantomimus, Pantomimos, een tooneelstuk waarin de geheele handeling +door lichaamsbewegingen en gebarenspel werd uitgedrukt (saltare +fabulam). De pantomimen waren van rom. oorsprong en vielen zeer in +den smaak. De stichter van het genre is waarschijnlijk Bathyllus +(z. a. no. 2.) Keizer Nero trad er gaarne in op. + +Panyasis, Panyasis, van Halicarnassus, oom van Herodotus, werd door +den tyran Lygdamis gedood. Als episch dichter vond hij bij zijne +tijdgenooten niet veel bijval, lateren schatten hem echter zeer +hoog en sommigen stelden hem in den canon der epici onmiddellijk na +Homerus. Van zijne werken, Herakleia en Ionika, zijn weinige maar +schoone fragmenten bewaard gebleven. + +Paphia, Paphia, bijnaam van Aphrodite, naar Paphus, waar zij zich +het liefst ophield en een beroemden tempel had. + +Paphlagonia, Paphlagonia, gewest van Asia minor aan den Pontus Euxinus +(Zwarte zee), tusschen den Parthenius en den Halys, bergachtig en meer +voor veeteelt dan voor landbouw geschikt. Het leverde voortreffelijk +hout voor den scheepsbouw op. De bewoners, Paphlagones, Paphlagones, +worden reeds bij Homerus vermeld. De geschiedenis van dit landje +is van belang ontbloot. Het was achtereenvolgens lydisch, perzisch, +macedonisch, na Alexanders dood onafhankelijk. In 220 veroverden de +paphlagonische vorsten Pontus; van 180 tot 120 was Paphl. weder van +Pontus gescheiden, daarna er mede hereenigd, tot het in handen der +Romeinen viel. + +Paphus, Paphos, zoon van Pygmalion (z.a.), stamheros der stad Paphus. + +Paphus, Paphos, naam van twee aan Aphrodite geheiligde steden op de +Z.W. kust van Cyprus. Te Oud-Paphus, Palaipaphos, een phoenicische +kolonie, was de godin aan land gestegen. Dáár had zij een prachtigen +tempel, waar op 100 altaren voortdurend wierook werd gebrand. Dáár +en op Cythera was haar meest geliefdkoosd verblijf. Nieuw-Paphos, +nea Paphos, lag landwaarts in. + +Papia (lex) de virginibus Vestalibus, misschien van 65. Volgens +deze wet moest de pontifex maximus voor de keuze eener Vestalin 20 +meisjes uitkiezen, waaruit dan in een contio door het lot ééne zou +worden aangewezen. + +Papia (lex) de peregrinis, plebisciet van 65, waarbij den niet-burgers +het verblijf te Rome werd ontzegd, en straf bedreigd werd tegen hen, +die zich het burgerrecht hadden aangematigd. Zie Junia (lex). + +Papia Poppaea (lex), z. Julia et Papia Poppaea (lex). + +Papii, geslacht uit Samnium afkomstig. Bekend is vooral C. Papius +Mutilus, een van de aanvoerders der bondgenooten in den Marsischen +oorlog. Later trad hij op als een van de aanvoerders der democratische +partij, en hield hij de verdediging van Nola tegen Sulla vol tot +het jaar 80. Toen hij daarop naar zijn huis te Teanum vluchtte, +weigerde zijn vrouw Bastia hem den toegang, omdat hij op de lijst +der proscripti stond, waarop hij zich van kant maakte. + +Papinianus (Aemilius), zeer beroemd rom. rechtsgeleerde uit den tijd +van keizer Septimius Severus, bij wien hij in hoog aanzien stond en +onder wien hij als praefectus praetorio den veldtocht naar Britannia +mede maakte (208 n. C.). Hij schreef verscheidene rechtsgeleerde +werken. De voornaamste hiervan zijn de Quaestiones (37 boeken) +en de Responsa (17 boeken), die in de wetboeken van Justinianus +vaak aangehaald worden. Na Severus' dood zocht hij als bemiddelaar +tusschen Caracalla en Geta op te treden. Daarom liet Caracalla hem, +na de vermoording van Geta, ombrengen (212 n. C.). + +Papinius, zie Statii no. 7. + +Papiria (lex), waarschijnlijk van 304, dat niemand een gebouw of altaar +mocht wijden zonder goedkeuring van het volk of, volgens andere lezing, +zonder verlof van den senaat of de meerderheid der volkstribunen. + +Papiria (lex) van den volkstribuun L. Papirius, z. Tresviri no. 2. + +Papiria (lex) semiunciaria, van den volkstribuun C. Papirius Carbo +Arvina (Papirii no. 13), van 89, waarbij de as tot op een halve uncia +verkleind werd, maar de waarde dezelfde bleef = 1/4 sestertius. Z. As. + +Papiria (lex) de libertinorum suffragiis van den zelfden, werd door +Sulla opgeheven. + +Papiriae (leges) van den volkstribuun C. Papirius Carbo, 131. De eene +dezer wetten, de tribunis plebis reficiendis, bepalende dat dezen +zonder beperking herkiesbaar zouden zijn, werd verworpen. De andere, +eene lex tabellaria, voerde de geheime stemming ook bij wetgevende +comitiën in, zie Tabellariae (leges). + +Papirii, rom. geslacht, waarin de plebejische Carbones en de +patricische Crassi en Cursores de voornaamste familiën zijn. 1) +M'. Papirius Crassus was in 441 de eerste consul uit dit geslacht.--2) +L. Papirius Crassus, consul in 436, oorloogde tegen de Vejenten.--3) +L. Papirius Crassus was in 340 dictator, terwijl L. Papirius Cursor +(no. 6) zijn magister equitum was. Hij voerde echter niet veel +uit. In 336 was hij consul en evenzoo in 330, in welk laatste jaar hij +tegen de stad Privernum streed. Hij was de eerste van zijn geslacht, +die zijn naam met een r schreef, vroeger heetten zij Papisii.--4) +M. Papirius Crassus, broeder van no. 3, was dictator tegen de Galliërs +in 332.--5) L. Papirius Cursor was censor in 393. Toen zijn ambtgenoot +C. Iulius Iulus gestorven was, werd M. Cornelius Maluginensis in +diens plaats gekozen. Daar echter in den loop van dit lustrum Rome +door de Galliërs werd ingenomen, is er na dien tijd nooit meer een +censor suffectus gekozen, maar werd de censor genoodzaakt na den +dood van zijn ambtgenoot af te treden. De opgegeven reden is echter +waarschijnlijk niet de ware.--6) L. Papirius Cursor, reeds genoemd +bij no. 3, was in 325 dictator tegen de Samnieten. Toen zijn magister +equitum (z. Fabii no. 14) in zijne afwezigheid tegen zijn bevel slag +geleverd en eene luisterrijke overwinning behaald had, wilde Papirius, +die woedend was, Fabius met den dood straffen. Het leger kwam in verzet +en Fabius vluchtte naar Rome, waarheen Papirius hem volgde. Senaat, +volksvergadering, tribunen, alles moest er aan te pas komen, eer de +dictator zich liet vermurwen. Hij koos echter een anderen mag. eq., +L. Pap. Crassus (no. 3). Het leger was hierover zoo verbitterd, +dat het in den volgenden slag met opzet den dictator eene nederlaag +bezorgde. Hierop matigde Papirius zijne strengheid, en met zijne +soldaten verzoend, behaalde hij eene beslissende overwinning. Dit +verhaal is niet geheel betrouwbaar. In 320 was hij consul, en wischte +de schande van de nederlaag bij Caudium (321) uit, door de Samnieten +te verslaan. De berichten hieromtrent zijn tamelijk waardeloos. In +315 en 313 bekleedde P. nogmaals het consulaat; in 310--de Fasti +Capitolini geven ten onrechte het jaar 309--was hij dictator. Hij +was een uitstekend veldheer.--7) L. Papirius Cursor, zoon van no. 6, +bracht samen met zijn ambtgenoot Sp. Carvilius Maximus als consul +in 293 den Samnieten, in 272 den Tarentijnen beslissende nederlagen +toe en maakte een einde aan den oorlog met Tarentum; de berichten +hieromtrent zijn echter niet betrouwbaar. Hij bouwde in 293 een +nieuwen tempel voor Quirinus.--8) C. Papirius Maso, consul in 231, +had de Corsen overwonnen, de senaat echter weigerde hem de eer van +een zegetocht. Toen was Maso de eerste, die een triumftocht op den +albaanschen berg hield.--9) Papiria, dochter van no. 8, was de vrouw +van L. Aemilius Paullus, den overwinnaar bij Pydna, en de moeder van +Scipio Africanus minor.--10) L. Papirius Mugillanus, consul in 444, +censor in 443, maakte zich in 420 als interrex verdienstelijk door een +twist te bezweren tusschen senaat en volkstribunen.--11) C. Papirius +Carbo, volkstribuun in 131, een begaafd redenaar, geraakte over zijn +wetsvoorstel de tribunis plebis reficiendis (zie Cornelii no. 18 en +Papiriae (leges)), in hevigen strijd met Scipio Africanus minor en +werd later van medeplichtigheid aan diens dood verdacht (129). Zie +omtrent hem ook onder Agrariae leges, Lex Sempronia agraria van +den volkstribuun Tib. Gracchus van 133. In 120 sloot hij zich als +consul bij de senaatspartij aan, maar werd toch na den afloop van +zijn consulaat door L. Licinius Crassus (zie Licinii no. 12) wegens +deelneming aan de woelingen der Gracchen aangeklaagd, waarop hij zich +door vergif van kant maakte.--12) Cn. Papirius Carbo, broeder van +no. 11, consul in 113, werd bij Noreia door de Cimbren verslagen.--13) +C. Papirius Carbo Arvina, zoon van no. 11, werd als aanhanger van +Sulla op last van den jongen Marius omgebracht. Z. Papiria (lex) +semiunciaria.--14) Cn. Papirius Carbo, aanhanger van Marius, was in +85 en 84 consul met L. Cornelius Cinna, na wiens dood hij alleen het +consulaat bekleedde. In 82 was hij opnieuw consul, maar, bij herhaling +in 83 en 82 door Sulla verslagen, vluchtte hij naar Sicilia, waar hij +in handen van den jongen Pompeius viel, die hem liet ombrengen.--15) +L. Papirius Paetus was een van Cicero's vrienden, hij had een afkeer +van de politiek.--16) M. Papirius, romeinsch ridder, die bij een +schermutseling op de via Appia door de schuld van Clodius omkwam +(58). De aanleiding tot deze schermutseling was het ontsnappen uit +de hechtenis van Tigranes (zie Tigranes no. 2). + +Pappus, Pappos, van Alexandrië, leefde ten tijde van Diocletianus, en +schreef verscheiden werken over aardrijkskunde en Oneirokritika. Een +belangrijk meetkundig werk van hem, Mathematike Synagoge, is bewaard +gebleven. + +Papus, familienaam in de gens Aemilia. + +Parabasis, parabasis, z. Comoedia. + +Parabolon, -bolion, het geld, dat bij de rechtbank gedeponeerd wordt +door iemand, die van een vonnis appelleert. + +Parabyston, een gebouw, in een afgelegen wijk van Athene gelegen, +waar de elfmannen geheime zittingen hielden. + +Paracheloitis, Parachaloitis, vruchtbare landstreek aan den mond van +den Achelous, in Aetolia. + +Paraebates, Paraibates, van Alexandrië, cyrenaeïsch wijsgeer, +leermeester van Hegesias. + +Paraetacene, Paraitakene, perzisch = bergland; 1) op de grenzen van +Persis en Media.--2) in het N.O. van Bactriana. + +Paraetonium, Paraitonion, aegyptische havenstad op de kust van +Marmarica, met Pelusium de sleutels van Aegypte, cornua Aegypti, +genoemd. + +Paragraphe, exceptie van niet-ontvankelijkheid eener aanklacht, +door den aangeklaagde opgeworpen. De verliezende partij moest aan de +tegenpartij de epobelia betalen, wanneer hij minder dan een vijfde +der stemmen kreeg. + +Parakatabole, eene geldsom, die bij sommige processen door den +aanklager als waarborg gestort werd. Won hij het proces, dan werd +hem het geld teruggegeven, anders verviel het aan de staatskas of +aan de tegenpartij. + +Paralia, Paralia, eene smalle strook lands op Attica's Westkust, +van kaap Sunium tot nabij de havens van Athene. De Paraliërs vormden +tijdens Solon de middenpartij, de gematigde partij tusschen de +aristocratische Pediaeërs en de democratische Diacriërs. + +Paralii, Paralioi, eigenlijk bewoners van de Paralia, die gedurende de +burgertwisten ten tijde van Pisistratus de gematigde partij vormden; +vandaar werd de naam ook aan die partij als zoodanig gegeven. + +Paralus, Paralos, 1) = Paralia.--2) kuststreek van Malis. + +Paralus, Paralos, een schip dat door den atheenschen staat gebruikt +werd om gezanten bij feesten of godsdienstige plechtigheden naar de +plaats hunner bestemming te brengen, boodschappen over te brengen +naar de vloten, die in zee waren of in vreemde havens lagen, enz. De +bemanning werd Paraloi genoemd. + +Paranomon graphe, aanklacht wegens het voorstellen van een wet of +volksbesluit, dat met de bestaande wetten in strijd is. Zoodra men +met een eed (hypomosia) verklaarde, dat men iemand wegens zulk een +wetsvoorstel wilde aanklagen, werd de behandeling van het voorstel +geschorst, totdat over de aanklacht beslist was. De zaak werd voor +de archonten behandeld, de straf was niet bij de wet bepaald, maar in +ieder geval verloor hij, die driemaal op zulk een aanklacht veroordeeld +was, het recht om wetten of besluiten voor te stellen.--Zelfs wanneer +het voorstel reeds tot wet verheven was, kon men nog gedurende een +jaar eene graphe paranomon tegen den voorsteller indienen, na dien tijd +kon hem persoonlijk geen straf meer treffen, en kon het doel van zulk +eene graphe slechts zijn, de wet om genoemde reden te doen intrekken. + +Paranymphos, iemand, die een jonggehuwd paar vergezelt, wanneer de +man op den avond van den bruiloftsdag zijne vrouw van haar huis naar +het zijne brengt, gewoonlijk een van de naaste bloedverwanten.--Was +de man reeds vroeger getrouwd geweest, dan kwam hij zijne vrouw +niet zelf halen, maar werd zij hem door een bloedverwant of vriend, +nymphagogos, gebracht. + +Parapotamii, Parapotamioi, stad in Phocis op de boeotische grenzen, +aan den linkeroever van den Cephisus. + +Parapresbeias graphe, aanklacht tegen iemand, die van zijne betrekking +van gezant ten nadeele van zijne lastgevers misbruik maakt. Zulke +zaken werden voor de euthynen behandeld, het bepalen van de straf +was aan de rechters overgelaten. + +Parasange, parasanges, perzische maat, ook door grieksche schrijvers +dikwijls gebruikt om afstanden te bepalen; 1 par. = 30 stadiën, +ongeveer een uur gaans. + +Parasitus, parasitos, helpers of ondergeschikten van overheidspersonen +en priesters; in de comedie een klaplooper, iemand die voor een goed +maal zich tot allerlei diensten laat gebruiken en zich de spotternijen +van gastheer en gasten laat welgevallen. + +Parastades, zie Antae. + +Parastas, z. Oikia. + +Parastasis, eene kleine som geld, misschien een drachme, die men bij +het indienen eener graphe deponeerde, als het ware als onderpand dat +de aanklacht ernstig gemeend was. + +Parauaea, landstreek in het N. van Epirus, in het binnenland. + +Parcae, romeinsche naam der schikgodinnen, geheel geïdentificeerd +met de Moerae. + +Paredroi, bijzitters, aan verschillende overheidspersonen toegevoegd +om hen van een deel hunner werkzaamheden te ontlasten, bijv. aan de +archonten, euthynen e. a. + +Parengraptoi, wederrechtelijk als burgers ingeschrevenen, +z. Diapsephisis. + +Parentalia, zie feralia. + +Parilia = Palilia. + +Paris, Paris, zoon van Priamus en Hecabe. Na zijne geboorte gaf +zijn vader hem aan een herder om hem op den Ida te vondeling te +leggen (z. Aesacus), hij werd echter door een berin gezoogd, en +toen de herder na vijf dagen het kind nog gezond en wel vond, nam +hij het mede en voedde hij het met zijn eigen zoon op. P. groeide +als een schoon jongeling onder de herders op; wegens de dapperheid, +waarmede hij meermalen de kudden tegen roovers verdedigde, gaf men +hem den naam Alexander. Hij trouwde met Oenone, leefde gelukkig +met haar, en werd na verloop van tijd ook weder door zijne ouders +herkend. Kort daarna kwam Hermes hem uit naam van Zeus de opdracht +brengen om als rechter op te treden in een strijd tusschen Hera, +Athena en Aphrodite. Daar namelijk op de bruiloft van Peleus en +Thetis alle goden en godinnen genoodigd waren behalve Eris, die men +uit vrees voor onaangenaamheden uitgesloten had, wreekte deze zich +door onder de gasten een gouden appel te werpen met het opschrift: +aan de schoonste. Op dezen appel maakten nu de genoemde drie godinnen +aanspraak, en weldra ontbrandde tusschen hen een hevige twist, die +nu op raad van Zeus door P. beslecht zou worden. Hera beloofde hem +indien de beslissing gunstig voor haar was, rijkdom en macht, Athena +wijsheid en krijgsroem, Aphrodite de schoonste vrouw. P. gaf den appel +aan Aphrodite, en van dien tijd vervolgen de beide andere godinnen hem +en alle Trojanen met bittere vijandschap. Hij gaat daarop naar Sparta, +waar hij gastvrij ontvangen wordt, en gedurende eene afwezigheid van +Menelaus schaakt hij de schoone Helena en voert hij haar mede naar zijn +vaderland, in alles geholpen door Aphrodite, die op deze wijze hare +belofte vervulde. De trojaansche oorlog is hiervan het gevolg. In dien +oorlog toonde hij zich over het algemeen onstandvastig en verwijfd, +en hoewel hij soms dapper strijdt en o.a. ook Achilles doodt, haat +het volk hem als de oorzaak van den oorlog. Kort voor de inneming +van Troje werd hij door Philoctetes gedood. Z. Oenone. + +Parisii, volksstam aan de Sequana. Hoofdstad: Lutetia Parisiorum, +in den lateren keizertijd residentiestad, thans Parijs. + +Parium, Parion, havenstad in Mysia, milesische kolonie aan de Propontis +bij den Hellespont, sedert den tijd van Augustus rom. kolonie. Aan +de stichting hadden ook kolonisten uit Erythrae medegewerkt. + +Parma, Parma, stad der Boii in Gallia Cispadana, sedert 183 +rom. kolonie, aan de via Aemilia. De parmaansche schapenwol was +beroemd. + +Parmenides, Parmenides, van Elea, geb. omstreeks 540, uit een rijk +en aanzienlijk geslacht, aanhanger van Xenophanes, met wien hij +nog persoonlijk bekend was. Van zijn leven is weinig bekend, als +man van edel karakter, diepzinnig denker en verstandig wetgever was +hij in zijn vaderstad hoog geëerd; reeds tamelijk bejaard kwam hij +te Athene, waar hij den jongen Socrates ontmoette.--Het leerdicht +van P., waarvan slechts weinige fragmenten bewaard gebleven zijn, +heeft voornamelijk ten doel de eenheid en onveranderlijkheid van +het heelal te betoogen. Slechts het zijn bestaat, het niet-zijn, +dus ook het worden en te niet gaan, bestaat niet; het zijnde bestaat +in den vorm van een bol, eeuwig, onveranderlijk, overal aan zichzelf +gelijk. Veelheid en afwisseling is slechts een ijdele vertooning, +waarin de menschen door zinsbedrog iets waars meenen te erkennen, +het ware inzicht in de eenheid van het bestaande kan men alleen door +denken verkrijgen, zelfs het denken en dat, waarop de gedachte zich +richt, is hetzelfde. P. was, naar het schijnt, de eerste, die de +goden als personificaties van natuurkrachten enz. verklaarde. + +Parmenio, Parmenion, 1) Macedoniër, een van de bekwaamste +generaals van Philippus en Alexander. Hij overwon de Illyriërs, +onderhandelde met de Atheners over den vrede van 346, stond later +aan het hoofd der macedonische troepen op Euboea, en werd in 336 +naar Azië gezonden om toebereidselen te maken voor den oorlog tegen +Perzië. Onder Alexander voerde hij het bevel over het voetvolk, +dikwijls vermaande hij Alexander tot voorzichtigheid en gematigdheid, +maar zijne raadgevingen vonden weinig ingang. Na den slag bij Arbela, +waarin hij den linkervleugel aanvoerde, gaf Alexander hem het bestuur +over Medië, na den dood van Philotas meende hij echter diens vader +niet langer te moeten vertrouwen en liet hij hem heimelijk uit den +weg ruimen.--2) Macedoniër, dichter van eenige grieksche epigrammen, +waarschijnlijk tijdgenoot van Augustus.--3) een bouwmeester, die door +Alexander bij de stichting van Alexandrië gebruikt werd. + +Parmeniscus, Parmeniskos, leerling van Aristarchus, schreef commentaren +op Homerus en de tragici. + +Parnassides, Parnasides, de Muzen, naar haar verblijf op den Parnassus. + +Parnassus, Parna(s)sos, gebergte in Phocis, aan Apollo, Dionysus en +de Muzen geheiligd. Naar de twee hooge, meestal met sneeuw bedekte +bergspitsen Lycorea of Hyampea en Tithorea (Lykoreia, Hyampeia, +Tithorea) werd de Parnassus dikwijls de tweetoppige genoemd. Van +boven was hij met dennebosschen bedekt, in de laagte tierden mirten, +laurieren en olijven. Het gebergte was rijk aan kloven, valleien, +bronnen en beken. Men vond er Delphi met zijn tempel en orakel, de +bron Castalia, de Corycische grot, de rotsen Phaedriades, van waar +tempelroovers en godslasteraars in den afgrond werden geworpen. Onder +den naam Cirphis scheidde zich een zijtak naar het Z. af. Door een +diep ravijn tusschen beide bergen in stroomde de Plistus en liep de +weg van Delphi naar Daulis met een zijweg naar Stiris. Op den daardoor +gevormden driesprong (schiste hodos) versloeg Oedipus zijn vader Laïus. + +Parnes, gen. -ethis, Parnes, -ethos, een woest en ruw boschrijk +gebergte in N.W. Attica. Bovenop stonden altaren en een standbeeld +van Zeus Parnethius. + +Parnon, Parnon, bergketen tusschen Laconica en de landstreek Cynuria +of Thyreatis. + +Parochos, naam, die soms aan den paranymphos gegeven wordt, omdat +hij met het jonggehuwde paar op denzelfden wagen zat. + +Parodia, parodia, verdraaiing van een algemeen bekend gedicht, zoodat +door eene kleine verandering in de woorden een geheel andere zin +ontstaat, liefst iets belachelijks. In de blijspelen van Aristophanes +zijn op deze wijze een aantal verzen van verschillende dichters, +voornamelijk van Euripides, geparodiëerd. + +Parodos, het eerste optreden van het koor in een tooneelstuk, ook +de deur ter zijde van de orchestra door welke het binnenkomt, verder +het lied dat bij het eerste optreden gezongen wordt. + +Paropanisus, Paropanisos, soms Paropamisus, het hooggebergte aan +de bronnen van den Oxus en den Indus. Het W. deel draagt nog dezen +naam, het O. gedeelte wordt Hindoe-Koh geheeten. Het is hetzelfde +gebergte als de Caucasus Indicus. De omwonende volksstammen werden +Paropanisadae genoemd. + +Paropus, Paropos, stadje op Sicilia nabij Himera. + +Paroreatae, Paroreatai, met de Caucones de oudste bewoners van het +triphylische bergland in Elis. + +Parorea, -ia, Paroreia, streek in het N.O. van Epirus, in Molossis, +aan de grens van Macedonia. + +Paros = Parus. + +Parrhasia, Parrasia, stad en landstreek in het Z.W. van +Arcadia. Parrhasius = arcadisch. + +Parrhasis, arcadische vrouw, in het bijzonder bijnaam van Callisto. + +Parrhasius, Parrasios, 1) z. Parrhasia.--2) van Ephesus, een van de +beroemdste grieksche schilders, leefde in het begin der 4de eeuw te +Athene. Vooral de levendigheid en bevalligheid in de gelaatstrekken +zijner beelden worden geroemd. Hij was zeer overmoedig en trotsch, +droeg een purperen mantel, kroon en met goud versierden staf. Hij +ging eens een wedstrijd aan met Zeuxis, en terwijl deze een tros +druiven zoo natuurlijk schilderde, dat de vogels er op toevlogen, +bedroog P. zijn mededinger zelven met een geschilderd gordijn, dat +deze voor een werkelijk gordijn hield, zoodat hij op het punt stond +het te willen wegschuiven. + +Parthaon, Parthaon, zoon van Agenor en Epicaste, koning van Calydon +en Pleuron, vader van Oeneus. + +Parthaonides, Meleager, kleinzoon van Parthaon. + +Partheni = Parthini. + +Parthenia, parthenia, -neia, hymnen, die door een koor van jonkvrouwen +met begeleiding van fluitspel gezongen worden, terwijl het zich +op feestdagen in optocht naar een tempel begaf. Als dichters van +Parthenia zijn bekend Alcman, Pindarus, Simonides e.a. + +Partheniae, partheniai, zonen van spartaansche vrouwen en heloten, +geboren gedurende de lange afwezigheid der Spartanen in den eersten +messenischen oorlog. Daar hun niet de rechten van burgers gegeven +werden, verlieten zij hun vaderland; zij gingen onder aanvoering van +Phalanthus naar Italië en stichtten Tarentum. + +Parthenium, Parthenion, stad in de mysische landstreek Teuthrania, +ten Z. van den Caicus. + +Parthenius, Parthenios, 1) episch dichter van Chius, naar men zeide +afstammeling van Homerus.--2) van Nicaea in Bithynië, werd in den +mithradatischen oorlog gevangen en naar Rome gebracht (72). Hij werd +spoedig vrijgelaten en bleef, na een kort verblijf te Neapolis, te Rome +wonen, waar hij met Cornelius Gallus bevriend werd. Vergilius leerde +bij hem Grieksch. Hij schijnt vooral elegieën gedicht te hebben, +bewaard gebleven is een werk onder den titel Erotika pathemata, +bevattende 36 liefdesgeschiedenissen in proza, dat vooral waarde +heeft door de vele fragmenten van alexandrijnsche geleerden, die +met opgave van bronnen er in opgenomen zijn.--3) grammaticus in +de 1ste eeuw na C.--4) gunsteling van Domitianus, nam deel aan de +samenzwering, die den keizer het leven kostte; onder Nerva werd hij +bij een soldatenoproer gedood. + +Parthenius mons, Parthenion oros, bergketen op de arcadisch-argolische +grenzen, ten N.O. van Tegea, met een heiligdom van Pan. + +Parthenius, Parthenios, rivier in het W. van Paphlagonia. + +Parthenon, Parthenon, de beroemde tempel van Pallas Athena, de maagd +(parthenos). Zie Athenae. + +Parthenopaeus, Parthenopaios, zoon van Ares, Milanion of Meleager +en Atalanta, een van de zeven vorsten die met Adrastus tegen Thebae +optrokken. + +Parthenope, Parthenope, eene van de Sirenen. + +Parthenope, Parthenope, oude naam voor Neapolis (Napels). + +Parthenus, Parthenos, 1) bijnaam van de maagdelijke godin Athena, +waarnaar haar beroemde tempel, het Parthenon te Athene, genoemd +was.--2) het sterrenbeeld de Maagd, waarin men Erigone no. 1 meende +te herkennen. + +Parthia, Parthia, Parthyaia, Parthyene, het land der Parthen +(Parthi, Parthoi), ten O. van Media gelegen, over het algemeen +woest en onvruchtbaar. De Parthen waren van oorsprong een turanisch +nomadenvolk en uiterst geoefende ruiters en tevens voortreffelijke +boogschutters. Terwijl zij schijnbaar vluchtten, keerden zij zich op +hunne paarden om en troffen met goed gemikt schot den vervolgenden +vijand (fugaces Parthi). Eerst waren zij onderworpen aan het perzische +rijk, vervolgens aan het macedonische, daarna aan het syrische. Doch +tijdens koning Antiochus II Theos stonden de Parthen op (248) en +stichtten een eigen rijk, dat, in den beginne klein, zich allengs +door veroveringen van den Indus tot aan den Euphraat uitbreidde +(± 150). Zij bleven een barbaarsch volk, maar hunne vorsten namen, +evenals de andere oostersche koningen, de hellenistische beschaving +aan. Hunne 31 koningen hadden allen, behalve hun bijzonderen naam, nog +dien van Arsaces. In plaats van het, oude Hecatompylus werd Ctesiphon +tot hoofdstad verheven. De Parthen betoonden zich verbitterde vijanden +van het rom. rijk. In 227 na C. maakte een Pers, Artaxerxes, zoon van +Sassan, zich van het bewind meester en stichtte zoo het nieuw-perzische +rijk onder de dynastie der Sassaniden. + +Parthini of Partheni, Parthinoi, Parthenoi, illyrisch volk bij +Dyrrachium. Stad: Parthus. + +Parthiscus, bij latere schrijvers de naam van den Tisia (Theiss). + +Parthyaea, Parthyene = Parthia. + +Parus, Paros, thans Paro, eil. van de groep der Cycladen, beroemd +door het schitterend witte marmer, Parius lapis, uit den berg +Marpessus. Oudtijds heette het Minoa, ook Demetrias. De eerste +iambendichter, Archilochus, was er geboren. Geschiedkundig is het +o.a. bekend door de vergeefsche expeditie van Miltiades. In 1627 +werd hier eene marmeren plaat gevonden met 93 regels historische en +letterkundige aanteekeningen. Zij werd aangekocht door lord Thomas +Arundel en door diens kleinzoon Henry Howard in 1667 aan de bibliotheek +van Oxford ten geschenke gegeven, waar zij nog is (marmor of chronicon +Parium, Arundelium of Oxoniense). + +Paryadres, Paryadres, gebergte in het O. van Pontus, langs de grens +van Armenia minor, eene voortzetting van den mons Moschicus. + +Parysatis, Parysatis, stiefzuster en gemalin van Darius Nothus, onder +wiens regeering zij grooten invloed had, zoodat de spartaanschgezinde +politiek van den koning in den peloponnesischen oorlog aan haar +werd toegeschreven; ook haar zoon Artaxerxes Mnemon beheerschte zij +geheel en al, ofschoon zij duidelijk genoeg liet blijken, dat zij +aan haar anderen zoon, Cyrus, de voorkeur boven hem gaf, o. a. door +de wreedheid waarmede zij allen vervolgde, die aan zijn dood schuld +schenen te hebben. Wegens het vergiftigen van Statira, de gemalin +van Artaxerxes, werd zij eenigen tijd van het hof verwijderd. + +Pasargada of -dae, Pasargada, -dai, oude hoofdstad van Persis, benoemd +naar de Pasargadae (z.a.). De stad lag in den Z.O. hoek van Persis, +aan de grens van Carmania. Hier was het graf van Cyrus. + +Pasargadae, Pasargadai, de edelste stam der Perzen, waartoe ook de +Achaemeniden behoorden. + +Pasicrates, Pasikrates, vorst van Soli op Cyprus, die zich aan +Alexander d. G. onderwierp. + +Pasinu (Spasinu) Charax, zie Charax. + +Pasion, Pasion, een geldwisselaar, die als metoeke te Athene leefde +en wegens zijne mildheid jegens den staat het burgerrecht kreeg; +zijne strenge eerlijkheid was in geheel Griekenland bekend. Hij stierf +in 370. + +Pasiphaë, Pasiphae, 1) dochter van Helius en Perseis, gemalin van Minos +(z. a.), moeder van den Minotaurus.--2) eene godin, die te Thalamae +no. 2 een tempel had, waar droomorakels gegeven werden. + +Pasiphaeia, Phaedra, dochter van Pasiphaë. + +Pasiteles, Pasiteles, beroemd beeldhouwer, bronsgieter en ciseleur +uit Zuid-Italië, werkte in de 1ste eeuw te Rome. Hij heeft ook over +kunst geschreven. Hij was de leermeester van Stephanus. + +Pasitelides, Pasitelides, spartaansch veldheer in den peloponnesischen +oorlog. In 422 werd hij harmost van Torone, maar het volgende jaar +namen de Atheners die stad weder, en P. werd krijgsgevangen gemaakt. + +Pasithea, Pasithea, 1) eene van de Charites.--2) Nereïde.--3) Najade, +gemalin van Erichthonius, moeder van Pandion. + +Pasitigris, Pasitigris = kleine Tigris, thans Karoen, zijrivier van +den Tigris, door Susiane stroomende. De benedenloop heet Eulaeus. + +Passaron, Passaron, oude molossische hoofdstad in Epirus, in 169 door +de Rom. vermeesterd. + +Passieni. 1) L. Passienus Rufus, consul in 4, verwierf als proconsul +van Africa de ornamenta triumphalia, en was de beste redenaar van zijn +tijd.--2) C. Passienus Crispus, zoon van no. 1, schatrijk vriend van +Seneca. Hij was met Nero's tante Domitia gehuwd, doch liet zich van +haar scheiden om de tweede man van Agrippina te worden. Deze laatste +liet hem, naar verhaald wordt, kort daarna van kant maken. + +Passus, rom. lengtemaat = 2 gradus of stappen = 5 rom. voeten = +1,478 meter. Mille passus = 1478,70 meter of ongeveer 16 minuten gaans. + +Pataeci, Pataikoi, dwergachtige godenbeelden, waarmede de phoenicische +schepen aan voor- of achtersteven versierd waren. + +Patala = Pattala. + +Patara, ta Patara, aanzienlijke zeestad in Lycia met een orakel van +Apollo Patareus (Patareus), die er vereerd werd. + +Patavium, Pataouion, thans Padua, stad in het land der Veneti, in +Gallia Cisalpina aan den Medoacus minor (Brenta). Haar gebied strekte +zich tot aan zee uit, zij kon 20000 man te velde brengen. Tijdens +Augustus gold het na Rome voor de rijkste stad van Italië. Het is +de geboorteplaats van Livius. De sage schrijft de stichting aan den +Trojaan Antenor toe. + +Paterculus, zie Velleii. + +Pater patratus, de woordvoerder onder de fetiales (z. a.). + +Patmus, Patmos, eil. op de aziatische kust, tot de Sporades behoorend, +ten Z. van Samus. + +Patrae, Patrai, Patreis, eene der 12 achaeische bondssteden, thans +Patras, aan de invaart der Corinthische golf. + +Patres zijn de (adellijke) hoofden der gentes, die gedurende den +koningstijd en ook later te Rome zitting hadden in den Senaat. Patres +conscripti, de titel waarmede later vaak de senatoren worden +toegesproken, beteekent dus: patricische en (later) bijgevoegde +(plebejische) senatoren. De patres onder de senatoren hadden bijzondere +voorrechten: 1o. het recht om uit hun midden een interrex te verkiezen +(z. a.), hetgeen voor de laatste maal gebeurd is in 52; 2o. het +recht om door de patrum auctoritas de wetten en keuzen der comitia +te bekrachtigen, m. a. w. de patres konden alle wetten en keuzen der +comitia vernietigen, zoo deze in strijd waren met de auspicia of 's +lands wetten. Van de wetten, die dit recht waardeloos maakten, zijn +twee bekend: de lex Publilia Philonis en de lex Maenia. Voortaan gaat +de patrum auctoritas over op den geheelen senaat (senatus auctoritas), +die echter alleen de wetgeving in de com. centuriata kon beletten. Men +verwarre deze senatus auctoritas niet met het senaatsbesluit, dat +door intercessio getroffen was. + +Patricii, de rom. geboorte-adel. Samen met den koning bestuurden zij +den staat; alleen zij hadden oorspronkelijk zitting in den senaat +(zie patres). Ze zijn in verschillende gentes verdeeld, die ieder een +zeker aantal clientes hadden. Ze worden onderscheiden in ouderen en +jongeren adel, patres maiorum et minorum gentium; volgens de traditie +stammen de jongere geslachten uit Alba Longa. Ook tijdens de republiek +zijn nog de Claudii onder de patriciërs opgenomen. Caesar in 45 en +Augustus in 29 (krachtens de lex Saenia van 30) en ook latere keizers +hebben het patriciaat aangevuld door plebejische geslachten in den +adelstand op te nemen. Onder Constantijn den Gr. werd het patriciaat +aan hooge ambtenaren als persoonlijke adelstitel geschonken, zonder +erfelijk te zijn. + +Patrii dii, goden, wier dienst men van zijne voorouders in engeren +zin geërfd heeft, die dus alleen door een enkel geslacht of stam +vereerd werden. Hiertoe behooren dus de Penates, enkele godheden, +van wie sommige edele familiën beweerden af te stammen, e. dgl. + +Patrimi matrimi, kinderen die nog een rom. vader en eene rom. moeder +hebben, dus wier ouders cives en nog in leven zijn, en die nog onder +de patria potestas staan. Bij sommige godsdienstige plechtigheden werd +de bijstand van zulke kinderen als camilli en camillae vereischt. Ook +het meisje, dat tot vestaalsche maagd werd uitverkoren, moest patrima +matrima zijn. + +Patrocles, Patrokles, vriend van Seleucus I. Als bevelhebber over +diens vloot in de Caspische zee verzamelde hij bouwstoffen voor +belangrijke werken over de omliggende landen en volken. + +Patroclus, Patroklos, zoon van Menoetius, den koning van Opus. Nog +zeer jong doodde hij bij ongeluk zijn speelmakker Clysonymus (z. a.), +en om hem aan de wraak van diens bloedverwanten te onttrekken, +bracht Menoetius hem bij Peleus. Hij werd met Achilles opgevoed, +werd zijn boezemvriend en wapenbroeder, ging met hem naar Troje en +werd daar door Hector gedood, z. Achilles. + +Patronus, beschermheer. 1) In den oudsten tijd het patricische +familiehoofd, onder wiens hoede en toezicht de cliënten stonden. De +cliënt was verplicht den patroon eerbied te betoonen, bij gewichtige +familiezaken diens raad in te winnen, met en voor hem de wapenen +te dragen; hij moest ook, wanneer de dochter van den patroon huwde, +bijdragen tot den bruidschat, en evenzoo tot den losprijs, wanneer de +patroon uit vreemde krijgsgevangenschap moest worden losgekocht. De +patroon moest zijnerzijds den cliënten hulp en bescherming verleenen +en in rechtszaken voor hen optreden. De band was heilig: patronus +si clienti fraudem fecerit, sacer esto.--2) Causarum patronus, +niet advocatus, is de advocaat, die in rechtsgedingen pleit.--3) ook +steden, gewesten en provinciën hadden dikwijls te Rome hunne patroni +onder wier bescherming zij zich stelden en die hunne belangen moesten +behartigen. Zoo waren o. a. de Marcelli patronen van Sicilië. Dit +patronaat komt eenigermate overeen met de hedendaagsche instelling +der consulaten. + +Pattala, Pattalene, Pattagla, Pattalene, het Delta-land van den Indus, +met de stad Pattala. + +Patulcius, bijnaam van Janus (z.a.). + +Patumus, Patoumos, stad aan den Nijl, van waar Necho een kanaal liet +graven naar de Arabische golf = het latere Heroöpolis. + +Paul(l)inus, familienaam bij de Suetonii. + +Paul(l)us, familienaam in de gens Aemilia (Aemilii no. 8-10). + +Paulus, Paulos, de Apostel der Heidenen. Hij was te Tarsus in +Cilicia geboren uit Joodsche ouders, en heette oorspronkelijk Saulus, +Saulos, maar zijn vader was reeds Romeinsch burger, hetgeen hem zijn +geheele leven door uit allerlei moeilijkheden heeft geholpen. Hij +werd door zijn vader voor zijn opvoeding naar Jeruzalem gezonden, +en behoorde tot de secte der Pharisaeën. Oorspronkelijk heeft hij de +Christenen te Jeruzalem vervolgd, maar op weg naar Damascus, om ook +daar de Christenen te vervolgen, is hij tot het Christendom bekeerd +(± 30 n. C. of later). Hij heeft een tijd lang te Antiochia gewoond, +waar toen reeds een Christengemeente was. Zijne zendingsreizen vallen +ongeveer in de jaren 46-47, 48-51 (in Athene einde 49, te Corinthe +begin 50 tot Juli 51), en 52-57. Op aanklacht der Joden is hij te +Jeruzalem gevangen genomen, onder het procuratorschap van Felix, en +heeft 2 jaren (tot 59) te Caesarea gevangen gezeten. Toen hij zich bij +den opvolger van Felix, Festus, op zijn Romeinsch burgerrecht beriep, +is hij met vele andere gevangenen in den winter van 59/60 naar Rome +gevoerd (schipbreuk en verblijf te Malta Nov. 59). In Rome is hij in +custodia militari geweest, maar mocht een eigen huurhuis bewonen en +prediken. Wat na 62 met hem gebeurd is, is niet zeker overgeleverd. Men +meent, dat hij in 64 met Petrus door Nero terecht gesteld is. Zijn +brieven en de Handelingen der Apostelen, waarin zijn leven beschreven +wordt, zijn niet alleen belangrijk uit een godsdienstig oogpunt, maar +ook een buitengewoon belangrijke bron voor de cultuurgeschiedenis van +de 1ste eeuw n. C. Paulus sprak en schreef, zooals waarschijnlijk +de meeste Joden van zijn tijd, behalve Philo en Flavius Josephus, +in de koine (z.a.). + +Paulus (Diaconus), z. Festus no. 2. + +Paulus (Iulius), rom. jurist onder de regeering der Severi. Met +Papinianus was hij lid van het consilium principis, met Ulpianus +praefectus praetorio. Hij heeft ontzaglijk veel geschreven, doch in +wijze van voorstelling staat hij achter bij Papinianus en Ulpianus. + +Paulus (Iulius of Claudius), broeder van Civilis, onder keizer Nero +ter dood gebracht onder beschuldiging van rebellio. + +Pausanias, Pausanias, 1) zoon van Cleombrotus, regeerde over Sparta +als voogd van Plistarchus, den zoon van Leonidas. Hij verwierf grooten +roem als opperbevelhebber van het grieksche leger in den slag bij +Plataeae (479), tuchtigde daarna Thebe, dat met de Perzen geheuld +had, onderwierp Cyprus en veroverde Byzantium. Hier geraakte hij +weldra onder den invloed van perzische zeden en gewoonten, hij nam +de kleeding en de manieren van een perzisch satraap aan, en maakte +zich door zijn overmoed zoo gehaat, dat ook daardoor de grieksche +bondgenooten zich van Sparta afscheidden en de hegemonie aan Athene +aanboden. Hij knoopte met Xerxes onderhandelingen aan, vroeg zijne +dochter ten huwelijk, en bood aan hem de heerschappij over Griekenland +te bezorgen. Van verschillende kanten aangeklaagd, dat hij zich meer +als tyran dan als strateeg gedroeg, werd P. teruggeroepen, en ofschoon +hij vrijgesproken werd, werd hem het opperbevel ontnomen. Op eigen +gezag keerde hij echter naar Byzantium terug, en door de Atheners van +daar verdreven, zette hij van Colonae uit zijne onderhandelingen met +Xerxes voort, totdat hij opnieuw teruggeroepen werd (469). Wederom +waren er duidelijke bewijzen dat hij met den perzischen koning heulde, +ook werd gezegd dat hij de Heloten tot opstand aangespoord had, toch +durfden de ephoren hem nog niet te straffen, totdat zij door een van +de vertrouwden van P. een brief van hem aan Xerxes in handen kregen en +in de gelegenheid gesteld werden hem met eigen mond den inhoud er van +te hooren bevestigen. Toen hij gevangen genomen zou worden, vluchtte +hij in den tempel van Athena Chalcioecus, daar werd hij ingesloten, +het dak werd van den tempel afgenomen, de deuren dichtgemetseld en +zoo stierf hij van honger. Op het oogenblik, waarop hij den geest +zoude geven, werd hij uit den tempel gedragen om het heiligdom niet +te bezoedelen (468).--De geheimzinnigheid, waarmede deze zaak op echt +spartaansche wijze door de ephoren behandeld werd, is de oorzaak, dat +reeds in de oudheid velen aan het verraad van P. getwijfeld hebben, +en ook sommige nieuweren zijn van meening, dat de ephoren zelf het +gerucht er van verbreid hebben om de ware beweegredenen van hunne +handelwijze, welke die dan ook mogen geweest zijn, te bedekken.--2) +kleinzoon van den vorigen, had de koninklijke waardigheid gedurende +de ballingschap van zijn vader Plistoanax (444-426), en volgde hem na +zijn dood op (408). Gedurende de burgertwisten te Athene na afloop van +den peloponnesischen oorlog, werd hij met een leger gezonden om de 30 +tegen Thrasybulus te helpen; in plaats daarvan bewerkte hij echter, +hetzij uit sympathie voor de atheensche democraten of om Lysander +tegen te werken, dat de democratie hersteld werd en de 30 Athene +moesten verlaten. Reeds dit werd hem toen zeer kwalijk genomen, en +toen hij nu in het begin van den corinthischen oorlog door te laat +op de afgesproken plaats te komen de oorzaak was van de nederlaag +bij Haliartus (395), werd hij in staat van beschuldiging gesteld; +hij vluchtte naar Tegea, waar hij in 385 stierf.--3) Macedoniër, die +Perdiccas II vruchteloos de regeering betwistte (450).--4) koning van +Macedonië, die door Amyntas onttroond werd (393).--5) Macedoniër, die +na den dood van Perdiccas III (360) aanspraak op de regeering maakte; +hij werd door de Thraciërs ondersteund, maar toen Philippus hen voor +zich had gewonnen, moest P. van zijne eischen afzien.--6) een van +de lijfwachten van Philippus van Macedonië, dien hij om persoonlijke +grieven vermoordde; hij vluchtte, maar werd gevat en gekruisigd.--7) +ho periegetes, een Lydiër, die onder Hadrianus en de Antonijnen te +Rome leefde. Hij beschreef in 10 boeken eene reis door het grootste +gedeelte van Griekenland, waarbij hij vooral let op oude gebouwen +en gedenkteekenen en hunne godsdienstige of artistieke beteekenis; +daarnevens vermeldt hij verscheiden geschied- en aardrijkskundige +bijzonderheden. Of hij inderdaad alle plaatsen zelf bezocht heeft, die +hij beschrijft, is twijfelachtig; in ieder geval heeft hij niet alleen +zijn eigen waarnemingen te boek gesteld, maar ook oudere schrijvers +als bronnen gebruikt. Het werk is ontstaan tusschen 161 en 177.--8) +van Caesarea in Cappadocië, leerling van Herodes Atticus, leeraar +der welsprekendheid te Athene en te Rome in de tweede eeuw na C. + +Pausias, Pausias, van Sicyon, beroemd schilder kort voor Alexander +d. G., die vele leerlingen vormde; hij wordt genoemd als de eerste, die +de zolderingen met bloemen, kinderfiguren en arabesken beschilderde. + +Pausilypum, Pausilypon, (smartverdrijvend = Sans souci) (Posilippo) +heerlijke villa ten W. van Napels, door Vedius Pollio aan Augustus +vermaakt. Agrippa liet daar een onderaardschen gang uithouwen, thans +de grot van Posilippo genaamd. + +Pauson, Pauson, arm caricatuurschilder te Athene, tijdgenoot van +Aristophanes. + +Paxi, Paxoi, twee eilandjes tusschen Corcyra en Leucas, thans Paxo +en Antipaxo. + +Peculatus, verduistering van staats- of tempeleigendom. + +Peculium, wordt het vermogen genoemd, dat de paterfamilias aan +een zoon in potestate of aan een slaaf toestond te verwerven of te +bezitten. Hij kon het hem echter te allen tijde ontnemen. Peculium +castrense is wat de zoon zich verwerft, terwijl hij in krijgsdienst +is; quasi castrense, terwijl hij een openbaar ambt bekleedt. Augustus +bepaalde, dat de filius familias de vrije beschikking zou hebben over +het peculium castrense. + +Pedaneus, zie iudex pedaneus. + +Pedanii, plebejisch geslacht. Over den geneesheer Pedanius Dioscorides +zie Dioscorides. + +Pedarii zijn sedert de lex Ovinia (z.a.) die senatoren, die geen +curulisch ambt bekleed hadden. De voorzitter was niet verplicht hun +meening te vragen, zoodat in den regel hun rol zich bepaalde tot +het deelnemen aan de stemming: ibant pedibus in sententiam alienam; +vandaar hun naam. + +Pedasa, ta Pedasa, stad in Caria, ten O. van Halicarnassus. + +Pedasus, Pedasos, 1) oude stad der Leleges in het zuiden van Troas, +aan den Satniois.--2) stad in Messenia, later Methone, thans Modon. + +Pediaei, Pediaioi, eigenlijk bewoners van de Pedias, het vlakke land +in het Noorden en Noordwesten van Attica, meest rijke grondeigenaars; +in de burgertwisten ten tijde van Pisistratus vormden zij voornamelijk +de oligarchische partij, vandaar wordt de naam ook aan die partij +als zoodanig gegeven. + +Pedias, Pedias, het vlakke gedeelte van Attica ten N. en N.W. van +Athene, waar de groote grondbezittingen gelegen waren. De Pediaeërs, +Pediaioi, vormden in Solons tijd de aristocratische partij. + +Pedia (lex) van den consul Q. Pedius in 43, tot vogelvrijverklaring +(aqua et igni interdictio) van Caesars moordenaars. + +Pediea, Pedieia, vlek in Phocis ten N. van den Cephissus. + +Pedii, eene familie, die in den laatsten tijd der rom. republiek +opkwam. Q. Pedius, zusterszoon van Caesar, diende onder hem in Gallia +en was in 45 legaat in Hispania. In 48 bekleedde hij de praetuur. Na +Caesars dood stond Pedius het hem gemaakte legaat aan Octavianus af +en werd toen in 43 diens medeconsul, zie Pedia lex. Hij stierf reeds +in ditzelfde jaar. + +Pednelissus, Pednelissos, stad in Pisidia. + +Pedo Albinovanus (C.), episch dichter, vertrouwd vriend van +Ovidius. Hij schijnt eene Theseis te hebben geschreven, terwijl van een +gedicht over Germanicus nog een fragment bij Seneca (de beschrijving +van een tocht op de Noordzee) wordt gevonden. Ook moet hij epigrammen +hebben gedicht. + +Peducaea (lex), plebisciet van Sex. Peducaeus, volkstribuun in +113. In het voorgaande jaar waren drie vestaalsche maagden van +incestus beschuldigd; het college der pontifices had slechts +ééne, Aemilia, veroordeeld en de beide andere, Marcia en Licinia, +vrijgesproken. Laatstgenoemde was op schitterende wijze verdedigd +door L. Crassus. De lex Ped. beval een nieuw onderzoek, met het gevolg +dat ook Marcia en Licinia veroordeeld werden. + +Peducaei, 1) zie Peducaea lex.--2) Sex. Peducaeus, stadhouder van +Sicilia in 75, onder wien Cicero als quaestor te Lilybaeum werkzaam +was, een man van groote rechtvaardigheid, die zich algemeene liefde +en achting verwierf.--3) S. Peducaeus, zoon van no. 2, een geleerd +man, wiens oordeel door T. Pomponius Atticus op hoogen prijs werd +gesteld. In de burgeroorlogen was hij op de zijde van Caesar en +van Octavianus. + +Pedum, oude stad van Latium, aan de via Labicana. + +Pegae = Pagae. + +Pegasides, Pegasides, z. Pegasus. + +Pegasus, Pegasos, een gevleugeld paard, door Poseidon bij Medusa +(z. a.) verwekt. Het steeg terstond na zijne geboorte ten hemel op +en draagt voor Zeus den donder en bliksem, later stond Zeus het +aan Eos af en eindelijk werd het onder de sterren geplaatst. Het +werd door Bellerophon (z. a.) gevangen, toen het aan de bron Pirene +dronk, of hij kreeg het van Athena of Poseidon. Toen de Helicon, +in verrukking gebracht door het gezang der Muzen, opsprong, bracht +P. den berg op bevel van Poseidon met een hoefslag tot rust, en deed +met denzelfden slag de bron Hippocrene ontspringen, waaruit de Muzen +en dichters drinken om zich in geestvervoering boven het aardsche te +verheffen. Denzelfden oorsprong en dezelfde eigenschap hebben ook de +bronnen Hippocrene te Troezen en Pirene te Corinthe, vandaar worden +zij en verder ook de Muzen zelve Pegasides (Pegasides) genoemd. + +Pela, Pele, eil. op de ionische kust bij Clazomenae. + +Pelagones, Pelagones, paeonische volksstam in Macedonia, die eerst +aan de boorden van den Axius (Vardar) woonde, doch van daar naar het +W. van Paeonia verhuisde, welke nieuwe woonplaats naar hen Pelagonia +werd geheeten. Geheel in het N. van Thessalia lag nog eene pelagonische +tripolis, uit de steden Azorus, Pythium en Doliche bestaande. + +Pelargikon (teichos) = Pelasgikon (teichos). + +Pelasgi, Pelasgoi. De grieksche schrijvers nemen aan, dat er vóór de +eigenlijke Hellenen in verschillende deelen van Griekenland, vooral +in de Peloponnesus, in Thessalië en Epirus, en ook aan de Westkust van +Klein-Azië en in Italië een volk gewoond heeft, dat Pelasgi heette. In +werkelijkheid hebben ze alleen in Thessalia, aan de Peneus gewoond, +waar het gewest Pelasgiotis naar hen genoemd is. + +Pelasgia, Pelasgia, oude naam voor Griekenland, voor de Peloponnesus +en voor Lesbus. + +Pelasgikon, Pelargikon (teichos), een oude versterking aan den westkant +van de Acropolis, behoorende tot het oudste gedeelte van Athene. + +Pelasgiotis, Pelasgiotis, gewest van Thessalia ten Z. van den Peneus, +met de hoofdstad Larisa of Larissa, genoemd naar de Pelasgen. + +Pelasgis, Pelasgis, bijnaam van Hera en Demeter als oude pelasgische +godinnen. + +Pelasgus, Pelasgos, 1) mythisch stamvader der Pelasgen. Zijne +afstamming wordt zeer verschillend opgegeven: als zijn vader worden +genoemd Zeus, Poseidon, Phoroneus, Arestor e. a., als zijne moeder +Niobe of Larissa, gewoonlijk wordt hij echter als autochthoon +beschouwd. Hij zoude Parrhasia, Argos in de Peloponnesus of in +Thessalië gesticht hebben, den landbouw in Argos ingevoerd hebben, +enz.--2) koning van Argos, bij wien Danaüs en zijne dochters een +toevlucht zochten. Hij verdedigde hen tegen Aegyptus, maar werd +overwonnen en verliet het land. + +Peletai = Hektemoroi. + +Peleus, Peleus, zoon van Aeacus en Endeis. Hij of zijn broeder +Telamon doodde bij het spelen met den discus een zoon van Aeacus +en Psamathe, Phocus, daarom waren beiden genoodzaakt uit Aegina te +vluchten. Nadat zij aan den tocht der Argonauten hadden deelgenomen, +werd hij gastvrij opgenomen door Eurytion, koning van Phthia, die +hem van zijn schuld reinigde, hem zijne dochter Antigone tot vrouw +gaf en een deel van zijn rijk afstond. Hij leefde hier eenigen tijd +gelukkig, maar daar hij bij de calydonische jacht het ongeluk had +zijn schoonvader te dooden, moest hij opnieuw vluchten; hij begaf +zich naar Iolcus, z. Acastus. Op bevel der goden werd hem nu, daar +Antigone (z. a.) gestorven was, de Nereïde Thetis tot gemalin gegeven, +en toen zij hem onder allerlei gedaanten trachtte te ontvlieden, +leerde Chiron hem de kunst om telkens dezelfde gedaante aan te nemen +als zij, zoodat zij zich na langen strijd aan hem moest overgeven. Op +de bruiloft waren alle goden en godinnen tegenwoordig, behalve Eris, +z. Paris. P. regeerde sedert gelukkig over Phthia, doch toen hij +Thetis stoorde bij hare pogingen om hun zoon Achilles onsterfelijk te +maken, verliet zij hem en keerde zij naar de zee terug. Na den dood van +Achilles werd P., die toen reeds zeer oud was, uit zijn rijk verjaagd, +later door Neoptolemus in de regeering hersteld, doch toen na diens +dood Orestes Phthia veroverde, moest hij weder in ballingschap gaan +en zoo eindigde hij zijn leven. In de onderwereld werd hij bij Aeacus +en Achilles geplaatst.--V. a. verzoende Thetis zich met hem na den +dood van Neoptolemus, en volgde hij haar naar de diepte der zee, +waar hij aan hare zijde voortleeft. + +Peliades, Peliades, de dochters van Pelias (z. a.). + +Pelias, Pelias, zoon van Poseidon en Tyro, maakte zich na den dood +van Cretheus, die met Tyro gehuwd was, van de regeering over Iolcus +meester. Om alleen te kunnen regeeren verdreef hij zijne broeders +Neleus (z. a.) en Aeson (z. a.) en zond hij Iason uit om het gulden +vlies te halen. Maar toen deze van Colchis terugkwam, wist Medea +de dochters van P., Pisidice, Pelopea en Hippothoë, te overreden +haar ouden vader een verjongingskuur te laten ondergaan. Nadat zij +bewijzen van haar tooverkunst gegeven had, sneden de zusters op haar +bevel P. in stukken, die zij kookten, doch toen dit geschied was, +weigerde Medea hare verdere hulp. De Peliaden vluchtten daarop naar +Mantinea in Arcadië. + +Pelides, Peleides, Achilles en Neoptolemus, zoon en kleinzoon van +Peleus. + +Peligni, sabijnsch volk in Midden-Italia, met de hoofdstad Corfinium +(z. a.). Met de Vestini en Marrucini hadden zij gemeenschappelijk de +havenstad Aternum. + +Pelinna of -naeum, Pelinna, -naion, versterkte stad ten N. van den +Peneus, in het thessalische landschap Hestiaeotis.--Ook de naam van +een gebergte in het Noorden van Chius. + +Pelion, Pelion, woest en boschrijk gebergte in het thessalische +landschap Magnesia, een der bergen, die door de Giganten opeengestapeld +werden (de Ossa en de Olympus waren de andere), toen zij den hemel +wilden bestormen. Op den top stond een tempel van Zeus Actaeus met +de grot van den Centaur Chiron in de nabijheid. + +Pelium, stad der Dassaretae in zuidelijk Illyria. + +Pella, Pella, 1) oude stad van Macedonia in het distrikt Bottiaea, +nabij het meer Borborus, dat door den Ludias wordt gevormd. Philippus +van Macedonia maakte er zijne residentie van. Alexander de Gr. werd +er geboren.--2) stad in Peraea, niet ver O.-waarts van den Jordaan, +tegenover Scythopolis, door Alexander Jannaeus verwoest, later door +Pompeius herbouwd. + +Pellana, ta Pellana, stad aan den Eurotas in Laconica, ten N. van +Sparta. + +Pellene, Pellene, de meest oostelijke der 12 bondssteden van Achaia, +met de haven Aristonautae. + +Pelopea, Pelopeia, dochter van Thyestes, bij wien zij moeder werd +van Aegisthus. + +Pelopidae, Pelopidai, afstammelingen van Pelops: Atreus, Thyestes, +Agamemnon e. a. + +Pelopidas, Pelopidas, zoon van Hippocles, rijk en edel Thebaan, +moest als aanhanger der democratische partij bij de bezetting der +Cadmea door de Spartanen Thebe verlaten, en vluchtte naar Athene +(382). Weldra trad hij aan het hoofd der uitgewekenen, en onder +zijne leiding kwam de omwenteling tot stand, waardoor de Spartanen +verdreven werden en de democratie hersteld werd (379). Daarop werd hij +tot boeotarch gekozen. Als aanvoerder der heilige schaar versloeg hij +twee spartaansche morae bij Tegyra (375) en nam hij deel aan den slag +bij Leuctra (371); met zijn vriend Epaminondas deed hij een inval in +de Peloponnesus, evenals deze werd hij aangeklaagd, omdat zij tegen de +wet 4 maanden te lang de betrekking van boeotarchen hadden behouden, +maar beiden werden vrijgesproken (369). Toen de thessalische steden +de hulp van Thebe tegen Alexander van Pherae inriepen, ging P. met +een leger naar Thessalië en dwong hij Alexander zijne voorwaarden +aan te nemen; daarop trok hij naar Macedonië als scheidsrechter in +de twisten over de troonopvolging en nam hij Philippus als gijzelaar +mede naar Thebe. Doch nieuwe woelingen noodzaakten hem nogmaals +tot een tocht naar het Noorden, door zijne huurtroepen verlaten kon +hij nu in Macedonië niets uitrichten, en toen hij als gezant naar +Thessalië ging, werd hij zelfs door Alexander gevangen genomen (368) +en eerst losgelaten, toen Epaminondas met een leger aanrukte. Te Susa +werd hij als gezant eervol ontvangen, ofschoon zijne pogingen om door +den perzischen koning den vrede te laten voorschrijven geen gevolg +hadden (367). Eindelijk trok hij ten derden male naar Thessalië om +Alexander te beoorlogen, bij Cynoscephalae kwam het tot een slag, +waarin de Thebanen de overwinning behaalden, doch toen P. een aanval +op Alexander zelf deed, werd hij door diens lijfwachten gedood (364). + +Peloponnesische oorlog (431-404) wordt de oorlog genoemd, dien de +Spartanen met hunne bondgenooten, meest peloponnesische staten, +tegen Athene voerden, om een einde te maken aan de zich sedert de +perzische oorlogen steeds meer en meer uitbreidende macht van dien +staat. De naaste aanleiding tot den oorlog was, dat de Corinthiërs, +die met de Corcyraeërs in oorlog waren over Epidamnus, de Atheners +als bondgenooten der Corcyraeërs tegenover zich vonden. Daarin +zagen zij een vredebreuk, zij ondersteunden de Potidaeërs, die +in hetzelfde jaar (432) van Athene afvielen en drongen bij eene +bondsvergadering te Sparta op oorlog aan. Ofschoon koning Archidamus +tegen overijling waarschuwde en Pericles voorstelde alle geschillen +door een scheidsgerecht te laten beslissen, werd tot den oorlog +besloten, indien Athene de gestelde eischen niet inwilligde. Deze +eischen, gedurende de onderhandelingen nu en dan veranderd, bevatten +eindelijk niet minder dan de vrijheid en autonomie van alle grieksche +staten, m. a. w. het opgeven van de atheensche hegemonie. Op raad +van Pericles werd dit geweigerd en tot den oorlog besloten. De +eerste periode wordt de archidamische oorlog (431-421) genoemd, +naar koning Archidamus, die bijna ieder jaar met een leger in Attica +viel om het land te verwoesten. Van hun kant plunderden de Atheners +de kusten van de Peloponnesus. Athene heeft in het tweede en derde +jaar van den oorlog veel te lijden door eene verschrikkelijke pest, +de bondgenooten blijven over het geheel trouw, alleen Mytilene valt af, +het wordt echter door Paches tot overgave gedwongen en wreed gestraft +(428). Van atheensche zijde onderscheidden zich in dit tijdperk: +Pericles, die echter reeds in 429 stierf, Demosthenes, Nicias, Cleon, +van spartaansche zijde Brasidas. Nadat in den slag bij Amphipolis (422) +zoowel Brasidas als Cleon gesneuveld waren, kreeg in beide staten de +vredespartij meer invloed en werd een vrede gesloten, waarbij alles +ongeveer zoude blijven zooals het voor den oorlog geweest was. Met +dezen zoogenaamden vrede van Nicias begint echter eigenlijk een tweede +tijdperk van den oorlog (421-413). De bondgenooten der Spartanen, +ontevreden over de vredesvoorwaarden, beletten op allerlei wijzen +de uitvoering er van, en de Atheners, hierdoor verbitterd, zochten +van die ontevredenheid gebruik te maken om zich in de Peloponnesus +zelve bondgenooten tegen Sparta te verwerven. Dit gelukte hen met +Argos, Elis en Mantinea, en in 417 verloor dit bondgenootschap +bij Mantinea een grooten slag tegen de Spartanen onder Agis I; +mettertijd sloten echter alle peloponnesische staten zich weder bij +Sparta aan, behalve Argos. Op Sicilië leden de Atheners ontzaglijke +verliezen tegen de Syracusanen, die door een spartaansch leger onder +Gylippus werden bijgestaan, en nog voordat zij daar de beslissende +nederlaag geleden hadden (413), was ook in Griekenland de oorlog +weder uitgebroken. Zoowel het bondgenootschap met Argos als de tocht +naar Sicilië was voornamelijk het werk geweest van Alcibiades, die +ook in het derde tijdperk, den deceleïschen oorlog (413-404), een +belangrijke rol speelde. De Spartanen bezetten Decelea, stellen zich +in betrekking met Tissaphernes en verplaatsen den oorlog grootendeels +naar Azië. De atheensche vloten behalen verscheiden overwinningen +(Abydus, 411, Cyzicus, 410, Arginusae, 406), maar de Spartanen, door +Pharnabazus en vooral door Cyrus met geld ondersteund, herstellen +telkens de geleden verliezen; als daarentegen de atheensche vloot bij +Aegospotami door Lysander genomen wordt (405), zijn de hulpmiddelen +der Atheners uitgeput, alle bondgenooten vallen af, de stad wordt vier +maanden door Lysander en Agis belegerd en wordt eindelijk door honger +gedwongen zich over te geven (404). De lange muren worden geslecht, +de schepen uitgeleverd, de verbannenen komen terug en 30 mannen worden +gekozen om eene nieuwe staatsregeling te ontwerpen. + +Peloponnesus, Peloponnesos, thans Morea, het bekende groote +schiereiland, dat het Z. deel van Griekenland vormt en door de +corinthische landengte met het N. deel samenhangt. Het omvatte de +landschappen Achaia, Elis, Messenia, Laconica, Arcadia, Argolis, +Corinthia, Sicyonia en Phliasia. + +Pelops, Pelops, zoon van Tantalus. Om de alwetendheid der goden +op de proef te stellen, slachtte zijn vader hem en zette hij den +goden de gebraden stukken als spijs voor. Zijne misdaad werd echter +ontdekt en de knaap werd in het leven teruggeroepen, alleen Demeter +had in verstrooidheid een stuk van zijn schouder opgegeten, dat bij +zijne wedergeboorte door een stuk ivoor vervangen werd. Als opvolger +van zijn vader geraakte hij in oorlog met den trojaanschen koning +Ilus, hij streed ongelukkig en werd uit zijn land verdreven. In Pisa +gekomen, verwierf hij de hand van Hippodamea, de dochter van Oenomaüs +(z. Myrsilus), en volgde hij zijn schoonvader in de regeering op. Hij +regeerde zoo roemrijk, dat het geheele schiereiland, dat vroeger +Apia of Pelasgia heette, naar hem Peloponnesus genoemd werd; aan de +olympische spelen zette hij zooveel luister bij, dat hij soms als de +stichter er van beschouwd werd. De vloek, dien Tantalus door zijne +misdaden op zich geladen en dien P. door den moord van Myrsilus nog +verzwaard had, rustte echter op zijn geslacht en veroorzaakte onder +de Pelopiden vele ongelukken en gruweldaden. Nog bij het leven van +P. ontstond oneenigheid in zijn gezin; zijn zoon Chrysippus werd door +Atreus en Thyestes gedood en P. verjoeg daarom zijne gemalin en zijne +talrijke zonen. Hij stierf te Pisa en kreeg te Olympia een tempel, +waar hem jaarlijks offers gebracht werden. + +Pelor, Pelor, Peloros, een van de vijf Sparten, z. Cadmus. + +Peloris, -rus, -rum, -rias, Peloris, Peloros, Peloron akron, thans +kaap Faro, N.O. kaap van Sicilia. + +Pelso (lacus), de Plattensee in Pannonia. + +Peltae, Peltai, oude, welvarende stad van Phrygia aan den Maeander. + +Peltastai, lichtgewapende infanterie, zoo genoemd naar hun licht +halvemaanvormig schild (pelte); verder droegen zij een linnen harnas, +een werpspies en degen en een lange lans. Iphicrates verbeterde hunne +wapening, onderwierp hen aan tucht en aan geregelde oefeningen, +vormde hen tot behoorlijk georganiseerde afdeelingen en verhoogde +daardoor hunne bruikbaarheid zeer. + +Pelusiacum ostium, Pelousiakon stoma, oostelijkste monding van +den Nijl. + +Pelusium, Pelousion = slijkstad, stad aan den oostelijken Nijlmond te +midden van moerassen gelegen, doch juist hierdoor zeer sterk en een +der sleutels van Aegypte. Vandaar, dat de stad en haar omtrek in de +oorlogen der Assyriërs en der Perzen tegen Aegypte en ook nog later +eene belangrijke rol speelt. + +Penates, familiegoden der Rom., eigenlijk goden van de voorraadskamer +(penus) van het Rom. huis; ze worden gewoonlijk Di Penates = goden +van de voorraadskamer genoemd, en Vesta wordt dikwijls als ééne er +van beschouwd; het zijn dus Di familiares. Hun dienst hangt nauw +samen met dien van Vesta en de Lares. Evenals deze werden zij aan den +huiselijken haard vereerd en kregen zij hun deel van alle maaltijden, +die door het huisgezin gebruikt werden; zij worden beschouwd als de +personificatie van het intiem huiselijk leven.--Ook de staat had zijne +penates, die maiores of publici genoemd worden in tegenstelling van de +andere, die minores of privati heeten. De P. van Rome waren, zooals +men sedert Caesar en Augustus algemeen aannam, door Aeneas uit Troje +naar Lavinium, van daar door Ascanius naar Alba Longa medegenomen, +en na de verovering van die stad naar Rome overgebracht, zij werden +in een geheime kast in den tempel van Vesta bewaard. Bovendien hadden +zij een tempel op de Velia. + +Peneis, Daphne, dochter van den riviergod Peneus. + +Peneleos, Peneleos, zoon van Hippalmus en Asterope, een van de +Argonauten en aanvoerder der Boeotiërs in den trojaanschen oorlog. Hij +werd door Eurypylus no. 4 gedood. + +Penelope, Penelope, -peia, dochter van Icarius en Periboea, gemalin +van Odysseus. Toen bij het lange uitblijven van haar gemaal zich het +gerucht van zijn dood verbreidde, kwamen de edelste jongelieden uit de +omliggende landen naar Ithaca om naar hare hand te dingen. Zij bleef +echter steeds op de terugkomst van Odysseus hopen en wenschte dus +geen bepaald antwoord op al die aanzoeken te geven, daarom bedacht zij +een list, ten einde de minnaars tot uitstel te bewegen. Zij beloofde +namelijk een keus te doen, wanneer het lijkkleed van Laërtes gereed +zou zijn, dat zij bezig was te weven, maar wat zij bij dag aan dit +kleed afwerkte haalde zij des nachts weder uit. Toen deze list door +hare dienstmaagden aan de minnaars verraden was en zij sterker op eene +beslissing aandrongen, kwam Odysseus juist van pas terug, hij doodde +de minnaars en leefde verder met P. gelukkig tot zijn dood. Daarna +huwde zij met Telegonus, den zoon van Odysseus en Circe en eindelijk +werd zij naar de eilanden der gelukzaligen verplaatst.--V. a. had +zij de huwelijkstrouw niet ongeschonden bewaard, was zij daarom door +Odysseus verstooten en had zij zich over Sparta naar Mantinea begeven, +waar men haar graf toonde. + +Penestae, Penestai, 1) lijfeigenen in Thessalië, personen die van +de vroegere bewoners van dat land afstamden. Zij waren rechtens in +denzelfden toestand als de Heloten in Lacedaemon, doch waren niet +het eigendom van den staat, maar van particulieren.--2) illyrische +stam ten N. van den Lychnitis lacus, onderdeel van de Dassaretae; +hoofdstad Uscana. + +Peneus, Peneios, 1) hoofdstroom van Thessalia, die op den Pindus +ontspringt, tal van zijtakken opneemt en door het liefelijk dal +Tempe tusschen den Olympus en den Ossa naar de golf van Thermae +stroomt. Het kristalheldere water van deze rivier is meermalen door +dichters bezongen. Als riviergod is Peneus een zoon van Oceanus en +Tethys en de vader van Daphne en Cyrene.--2) rivier in Elis. + +Penius, rivier in Colchis, die in den Pontus Euxinus (Zwarte zee) valt. + +Pentaëteris, pentaeteris, de helft van eene ennaëteris. + +Pentakosiomedimnoi, atheensche burgers der eerste klasse volgens +de indeeling van Solon; hiertoe behoorden zij, wier grondeigendom +jaarlijks minstens 500 medimmen of metreten opbracht, een opbrengst, +die eene waarde heeft van 500 drachmen en een kapitaal van 1 talent +vertegenwoordigt. + +Pentapolis, Pentapolis, 1) in het aziatische Doris de bond der 5 +steden Ialysus, Camirus, Lindus, Cos en Cnidus, die door de toetreding +van Halicarnassus eene hexapolis werd.--2) in Cyrenaica de steden +Cyrene, Berenice, Arsinoë, Ptolemais en Apollonia.--3) in het land +der Philistijnen: Gaza, Gath, Ascalon, Azotus, Jamnia. + +Pentathlum, Pentathlon, Quinquertium, een wedstrijd in vijf +afdeelingen: springen (halma, saltus), loopen (dromos, cursus), +worstelen (pale, lucta), werpen met de schijf (diskos, discus), +vuistgevecht (pygme, pugilatus); later voegde men er werpen met de +speer (akontisis, iaculatio) bij. Om den prijs te krijgen moest men +in iedere afdeeling overwonnen hebben. + +Pentekontaëtie noemt men het ongeveer vijftig jaren lange tijdperk +tusschen den perzischen en den peloponnesischen oorlog. + +Penteleum, Penteleion, sterkte in het N. van Arcadia, aan den berg +Penteleia, Penteleus mons. + +Pentelicus, Pentelikon oros, berg in Attica, beroemd om zijn marmer +(pentelesios lithos), ook Brilessus, Brilessos, geheeten. + +Penthesilea, Penthesileia, dochter van Ares en Otrera, koningin der +Amazonen, die na den dood van Hector den Trojanen te hulp kwam. Zij +werd door Achilles gedood, die echter zelf weende bij het gezicht +van haar jeugd, schoonheid en heldenmoed. + +Pentheus, Pentheus, zoon van Echion en Agave, volgde Cadmus als +koning van Thebe op. Hij verzette zich tegen het invoeren van den +dienst van Dionysus, en toen hij zich naar den Cithaeron begaf om +een feest der Bacchanten te verbieden, werd hij door zijn moeder en +de overige vrouwen, die hem in razernij voor een wild dier hielden, +gedood en verscheurd. + +Penthilus, Penthilos, zoon van Orestes en Erigone no. 2, stichter +eener volkplanting op Lesbus. Hij wordt de stamvader genoemd van de +Penthiliden, eene familie, die tot het midden der zevende eeuw op +Lesbus de koninklijke waardigheid bezat. + +Pentri, de eenige samnietische volksstam, die na den slag bij Cannae +aan Rome trouw bleef. Hoofdstad: Bovianum. + +Peparethus, Peparethos, eil. in de Aegaeische zee ten Z.O. van +Thessalia, door de Chalcidiërs gekoloniseerd, beroemd om zijn wijn. + +Pephredo, Pe(m)phredo, eene van de Graeae. + +Peplum, -plus, peplos, -plon, een kleedingstuk bij de Grieken, dat in +vorm overeenkwam met de romeinsche palla en ongeveer op dezelfde wijze +gedragen werd. In de oudste tijden schijnt het alleen door vrouwen, +later ook door mannen gedragen te zijn. Bijzonder beroemd is de peplos +van Athena, z. Panathenaea. + +Peraea, Peraia, 1) het overjordaansche gedeelte van Palaestina.--2) +he peraia ton Rhodion, het carische kustland tegenover Rhodus.--3) +he peraia Tenedion, mysische kuststreek tegenover Tenedus.--4) +kolonie van Mitylene op de kust van Mysia. + +Percote, Perkote, oude stad in Mysia aan den Hellespont. + +Perdiccas, Perdikkas, 1) een afstammeling van den Heraclide Temenus +uit Argos, vluchtte met zijne broeders naar Illyrië, en stichtte +van daar uitgaande het macedonische rijk, waarvan hij de eerste +koning werd, omstreeks 700. V. a. was hij de opvolger van Caranus +(z. a.).--2) P. II, zoon van Alexander no. 5, regeerde na den dood +van zijn vader (454) met zijne broeders Alcetas en Philippus, sedert +436 alleen. De uitbreiding van de atheensche macht op de kusten van +zijn rijk maakte hem tot een natuurlijk vijand der Atheners, toch +durfde hij slechts zelden openlijk tegen hen optreden, en in den +peloponnesischen oorlog stond hij bij afwisseling aan hunne zijde +of aan die van hunne vijanden. Hij regeerde tot 413.--3) P. III, +zoon van Amyntas II, deelde na den dood van zijn broeder Alexander +no. 6 het rijk met Ptolemaeus Alorites, zijn zwager (369); nadat +deze vermoord was (365) regeerde hij tot 360, hij sneuvelde in een +slag tegen de Illyriërs.--4) dapper veldheer en vertrouwd vriend +van Alexander d. G. Hij onderscheidde zich bij het beleg van Thebe, +bij de slagen aan den Granicus, bij Issus en bij Gaugamela en op den +tocht naar Indië. Alexander overhandigde hem op zijn sterfbed zijn +zegelring. Na den dood van Alexander werd besloten dat P. in naam van +Alexanders nog ongeboren zoon en van Philippus Arrhidaeus het rijk +zou besturen. Hij liet Meleager (z. a.) en diens aanhangers dooden, +huwde met Nicaea, de dochter van Antipater, en trachtte op alle wijzen +zijne macht te bevestigen. Maar de andere veldheeren toonden zich +weinig geneigd zijn gezag te erkennen, en weldra was alleen Eumenes +aan P. en het koninklijke huis trouw gebleven, terwijl daarentegen +Antigonus, wegens ongehoorzaamheid voor het gerecht gedaagd, naar +Europa vluchtte en zich met Antipater, Craterus en Ptolemaeus tegen +P. verbond. Deze verstiet nu Nicaea en trad in het huwelijk met +Cleopatra, de dochter van Philippus, vooreerst wendde hij zich tegen +Ptolemaeus, en toen hij bij eene poging om den Nijl over te trekken +zich met groot verlies moest terugtrekken, brak een opstand uit onder +de door zijne strengheid verbitterde soldaten, vele officieren vielen +van hem af en eenige drongen in zijne tent en doodden hem (321). + +Perdix, Perdix = Talos no. 1. + +Perduellio. In het oude fetiaalrecht is perduellis = vijand, terwijl +hostis synoniem met peregrinus was. Onder perduellio verstaat +men vijandige handelingen van den burger tegenover den staat, +b. v. pogingen tot omwenteling, verstandhouding met den vijand, +ook overloopen, desertie enz. Daar de volkstribunen sedert de lex +Hortensia van 287 het recht hebben, politieke misdrijven te vervolgen, +wordt perduellio sedert dien tijd slechts weinig genoemd; zie duumviri +perduellioni iudicandae. + +Peregrinus, de buitenlander, de vreemdeling, in tegenstelling met +den rom. burger. Zie omtrent hun rechten ius gentium. + +Peregrinus Proteus, Peregrinos Proteus, van Parium, cynisch wijsgeer, +vestigde zich, na een tijd lang een zwervend leven geleid te hebben, te +Athene. Hij wendde alle middelen aan om de aandacht van het publiek te +trekken, en toen hij met dit doel had bekend gemaakt dat hij zich bij +de feesten te Olympia zou laten verbranden, drongen zijne aanhangers +op de vervulling zijner belofte aan, en was hij genoodzaakt zijn woord +te houden (164 n. C.). Hij was ook een tijdlang Christen geweest. Hij +is vooral bekend door de satire van Lucianus: de morte Peregrini. + +Peremne auspicari. Auspiciën verloren hunne kracht bij het +overschrijden van een water, tenzij daarbij zekere vormen in acht +werden genomen en een formulier werd uitgesproken. Dit heette peremne +auspicari en moest ook plaats hebben, wanneer men, om op den Campus +Martius comitiën te houden, den amnis Petronia, een beekje aan den +voet van den Capitolinus, moest overgaan. + +Perenna, zie Anna Perenna. + +Perfectissimi, titel der ambtenaren van den vierden rang, door +Constantijn d. Gr. ingevoerd. + +Perga, Perge, stad in het binnenland van Pamphylia, met een beroemden +tempel van Artemis. + +Pergama, ta Pergama, de burcht van Troje, ook wel de stad +zelve. Neptunia Pergama, omdat Neptunus met Apollo voor koning Laomedon +de muren der stad had gebouwd. + +Pergamum, Pergamon, beroemde stad in het mysische gewest Teuthrania, +ten N. van den Caicus. Na den dood van Alexander d. Gr. behoorde +het tot het gebied van Lysimachus, totdat in 284 diens schatmeester +Philetaerus afvallig werd en te P. een eigen rijkje stichtte, dat +hij in 263 aan zijn neef Eumenes I naliet. In 188, na den syrischen +oorlog, kreeg Eumenes II van Rome het grootste gedeelte van het door +Antiochus afgestane land. Attalus III vermaakte in 133 zijn rijk en +zijne schatten aan het rom. volk. Zijn onechte broeder Aristonicus +weigerde dezen afstand te erkennen, doch werd verslagen, gevangen +naar Rome gevoerd en ter dood gebracht. Het rijk van Pergamus werd de +rom. provincie Asia (129). De vorsten van P. waren groote beminnaars +van kunst en wetenschap geweest. Van de bouw- en beeldhouwwerken, +door de Duitschers daar opgegraven, is vooral beroemd het groote +Zeusaltaar, in de 2de eeuw gesticht, waarvan het beeldhouwwerk naar +Berlijn is overgebracht. In de geschiedenis der beeldhouwkunst neemt +de Pergameensche kunst een afzonderlijke plaats in. De bibliotheek van +P. bevatte 200000 boekrollen. Ook de nijverheid bloeide; fabricatie van +manufacturen en weeldeartikelen werd op groote schaal gedreven. Het +perkament, charta pergamena, ontleende zijn naam aan de stad. De +bibliotheek werd later op last van M. Antonius naar Alexandria +overgebracht. + +Pergamus, Pergamos, 1) = Pergama.--2) = Pergamum.--3) stad op Creta +bij Cydonia, sterfplaats van Lycurgus. + +Periaktoi, twee driehoekige prisma's, waarvan de zijden als coulissen +beschilderd waren; het geheele lichaam draaide om een spil, zoodat +op deze wijze de drie verschillende zijden bij afwisseling voor de +toeschouwers zichtbaar konden gemaakt worden. Z. theatrum. + +Periander, Periandros, zoon van Cypselus, geb. 668, volgde zijn +vader in de regeering over Corinthe op (627). Aanvankelijk regeerde +hij gematigd, hij gaf wetten tegen weelde en overdaad, bevorderde +handel en scheepvaart door het aanleggen van kanalen, het stichten van +volkplantingen enz., beschermde kunsten en wetenschappen en liet de +stad met prachtige bouwwerken versieren. Kort voor zijn dood besliste +hij als scheidsrechter een geschil tusschen Athene en Mytilene over het +bezit van Sigeum. Nadat hij echter door zijne mishandelingen den dood +zijner gemalin Melissa veroorzaakt had, waardoor hij zich een oorlog +met zijn schoonvader Procles, tyran van Epidaurus, op den hals haalde, +gaf hij zich, naar men wil, aan dronkenschap over en vertoonden zich +bij hem blijken van gekrenkte geestvermogens. Uit achterdocht bedreef +hij de grootste wreedheden, hij omgaf zich met eene lijfwacht van 200 +man, woedde vooral tegen den adel en deed zijn best om de dorische +eigenaardigheden bij zijn volk uit te roeien. Zie ook Lycophron. Door +allen verlaten en door wroeging gefolterd stierf hij, 585. Dat hij +tot de zeven wijzen behoord zou hebben, wordt reeds door de ouden +tegengesproken. Als zijn spreuk wordt aangehaald: melete to pan, +voorzorg is alles. + +Periboea, Periboia, 1) Najade, die hare onsterfelijkheid prijs gaf om +met den arcadischen koning Lelas te trouwen.--2) gemalin van Polybus, +die Oedipus als zoon aannam en opvoedde.--3) dochter van Hipponous, +gemalin van Oeneus, moeder van Tydeus.--4) Najade, gemalin van Icarius, +moeder van Penelope.--5) of Eriboea, dochter van Alcathous, gemalin +van Telamon, moeder van Aiax. + +Pericles, Perikles, 1) Athener, zoon van Xanthippus, van moederszijde +met de Alcmaeoniden verwant, genoot in zijne jeugd het onderwijs van +Zeno van Elea, den toonkunstenaar Damon en vooral van Anaxagoras, +mannen, met wie hij ook op lateren leeftijd zeer bevriend bleef. Nadat +hij zich in verscheiden veldtochten onderscheiden had, trad hij in +469 als staatsman op, en wel als tegenstander van de aristocratische +en spartaansch gezinde partij, die onder de leiding van Cimon +stond. Sedert deze door het ostracismus verbannen was (460), was +P. de eerste man in den staat en hij bleef dit ook na de terugkomst +van Cimon. Gewoonlijk behoorde hij tot de strategen, soms was hij ook +met het beheer der financiën en der openbare bouwwerken belast, maar +zijn grooten invloed had hij vooral te danken aan zijne persoonlijke +eigenschappen; zijn politiek doorzicht en zijne overredende +welsprekendheid maakten hem tot een volksleider in den goeden zin van +het woord. Zijn doel was in Athene aan de democratische instellingen +de grootst mogelijke uitbreiding en ontwikkeling te geven en het tot +den eersten, zoo mogelijk tot den heerschenden, staat in Griekenland te +maken. Om aan alle burgers niet alleen gelijke rechten te verschaffen, +maar hen ook in staat te stellen die rechten inderdaad uit te oefenen, +werd de macht van den Areopagus beperkt, waarbij P. persoonlijk +echter slechts eene ondergeschikte rol speelde (z. Ephialtes), +de werkkring van de heliaea uitgebreid, aan den eenen kant door +liturgieën de grootste lasten op de schouders der rijken gelegd, +aan den anderen kant door het invoeren van betaling voor rechters +enz. de armeren verlicht en tot het gebruiken hunner burgerrechten +aangemoedigd. Daar de democratie in zijn tijd haar glanspunt bereikte, +worden hem een aantal wetten in democratischen geest toegeschreven, +waarvan echter waarschijnlijk vele reeds voor of eerst na hem zijn +ingevoerd. Kunst en wetenschap moedigde hij ten zeerste aan, de +voornaamste kunstenaars van Griekenland zochten Athene op en vonden +er werk, het Parthenon, het Odeum, de Propylaea, e.a. onsterfelijke +kunstwerken zijn in dezen tijd gebouwd, grootendeels onder leiding +van Phidias, den vriend van P.--Zijn streven om Athene's macht ook te +land uit te breiden veroorzaakte reeds vroeg een oorlog met Sparta +(457), die, hoewel de slag bij Tanagra verloren werd, aanvankelijk +voor Athene gunstig verliep; toen in 451 door tusschenkomst van Cimon +een vijfjarige wapenstilstand gesloten werd, was Aegina onderworpen, +Megara met Athene verbonden, Boeotië, Locris en Phocis gedwongen +geworden zich bij Athene aan te sluiten, zelfs waren eenige gelukkige +tochten naar de Peloponnesus en naar Acarnanië gedaan. Maar weldra +verhief zich de oligarchische partij in Boeotië tegen dezen toestand, +en toen Tolmides tegen den raad van P. den slag bij Coronea waagde +en verloor (447), vielen ook Locris, Phocis, Megara en Euboea af, +en deden de Spartanen een inval in Attica. Wel wist P. hen door +omkooping tot den aftocht te bewegen en veroverde hij Euboea weder, +maar bij den dertigjarigen vrede (445) werd Athene gedwongen al +zijne bezittingen in de Peloponnesus op te geven en Boeotië, Megara, +Locris en Phocis uit den bond te laten treden. Daarentegen veranderde +langzamerhand de betrekking van Athene tot de zeestaten, zoodat deze +van bondgenooten tot onderhoorigen werden; P. uitte onverholen de +meening, dat zij aan Athene gehoorzaamheid en schatting schuldig +waren, terwijl Athene daarentegen verplicht was hen te helpen en te +verdedigen. De meeste staten misten de middelen om zich tegen deze +aanspraken te verzetten, daar zij de gewoonte hadden aangenomen voor +de verdediging van den bond geld in plaats van soldaten te geven; +die het niettemin beproefden, werden met geweld ten onder gebracht, +zooals Euboea, Aegina, Samus. Sedert 454 werd de bondskas te Athene +bewaard en als Atheensch eigendom beschouwd en behandeld. Een +middel, waardoor P. staten van twijfelachtige trouw aan Athene +verbond en tevens arme burgers verzorgde, was het uitzenden van +cleruchieën; bijna 5000 atheensche burgers kregen op deze wijze in +verschillende deelen van Griekenland grondbezit. Maar P. zag wel +in, dat Athene vroeg of laat zijne heerschappij, hoe hecht zij ook +gevestigd scheen, zou moeten verdedigen, daarom nam hij reeds sedert +het begin van den dertigjarigen vrede alle mogelijke maatregelen +tegen den onvermijdelijken oorlog, en toen deze oorlog eindelijk +uitbrak, had Athene 300 schepen, een leger van 30000 hopliten +en 8000 talenten in kas, terwijl de jaarlijksche inkomsten 1000 +talenten bedroegen. Hij ried daarom aan de eischen der Spartanen +(z. Pelop. oorlog) af te wijzen, den oorlog moedig te ondernemen en +voorzichtig te voeren. Wel vond hij verbitterden tegenstand bij de +aristocratische grondeigenaars en bij de boeren, die van een oorlog de +grootste schade zouden ondervinden; wel trachtten zijne tegenstanders, +die hemzelf niet durfden aanvallen, aan hunne verbittering lucht te +geven door aanklachten tegen Anaxagoras, Aspasia en Phidias, maar P., +steunend op het vertrouwen van het volk, hield vol en, hoe moeilijk de +tijden ook waren, het bleef naar hem luisteren. Eerst toen door oorlog +en pest de nood op het hoogst gestegen was en de ontevredenheid een +offer zocht, waagde men het P. van slecht beheer der staatsgelden +te beschuldigen, inderdaad werd hij tot een geldboete veroordeeld +(430), doch spoedig keerde het vertrouwen van het volk terug en werd +hij opnieuw tot strateeg verkozen. In het volgende jaar stierf hij, +v.s. aan de pest.--2) onechte zoon van den vorigen bij Aspasia. Ter +eere van zijn vader gaf het volk verlof hem onder de burgers op te +nemen; hij was een van de atheensche vlootvoogden, die na den slag +bij de Arginusae ter dood veroordeeld werden. + +Periclymenus, Periklymenos, 1) zoon van Neleus en Chloris no. 3, +Argonaut, was zeer sterk en konde verschillende gedaanten aannemen; +bij de verwoesting van Pylus werd hij door Heracles gedood.--2) zoon +van Poseidon en Chloris no. 4, Thebaan, die bij den oorlog der zeven +tegen Thebe Parthenopaeus doodde en Amphiaraus op de vlucht vervolgde. + +Perideipnon, een maaltijd, door de bloedverwanten van een gestorvene +na zijne begrafenis in het sterfhuis gehouden. + +Perieres, Perieres, zoon van Aeolus, koning van Messenië, vader van +Aphareus en Leucippus. + +Perigune, Perigoune, dochter van Sinis, bij Theseus moeder van +Melanippus. + +Perilaus, Pirilaos, 1) zoon van Icarius en Periboea, v. s. aanklager +van Orestes bij den Areopagus.--2) of Perillus, kunstenaar van +Agrigentum, maakte een koperen stier, waarin een mensch kon verbrand +worden, en die zoo gemaakt was, dat het geschreeuw van het slachtoffer +op het gebrul van een stier geleek. Hij bood dien stier voor eene +aanzienlijke som aan Phalaris aan, maar deze nam de eerste proef met +den kunstenaar zelf. + +Perillus, Perillos, z. Perilaus no. 2. + +Perinthus, Perinthos, bloeiende volkplanting (559) van Samus, op +de thracische kust aan de Propontis (zee v. Marmara) gelegen. Zij +verdedigde zich met goed gevolg tegen Philippus van Macedonië. Later +Heraclea Perinthus. + +Perioikoi, afstammelingen van de oude bevolking der peloponnesische +staten, wien door de dorische veroveraars de vrijheid en gedeeltelijk +ook hun grondeigendom gelaten was. Zij misten het burgerrecht en +moesten schatting opbrengen. In Lacedaemon is de naam Lacedaemoniërs +soms in het bizonder op hen toepasselijk, terwijl daarentegen de +heerschende Doriërs zich Spartanen noemen. + +Peripatetici, Peripatetikoi, wijsgeeren uit de school van Aristoteles +(z.a.). + +Periphas, Periphas, 1) attisch autochthoon, die nog vóór Cecrops +over Attica regeerde en wegens zijne wijsheid en goedheid als een +god vereerd werd. Hierover vertoornd, wilde Zeus hem met den bliksem +dooden, maar op de bede van Apollo veranderde hij hem in een arend.--2) +een Aetoliër, die voor Troje door Ares gedood werd.--3) een Griek, die +bij de verovering van Troje den burcht innam.--4) heraut van Aeneas. + +Periphetes, Periphetes, zoon van Hephaestus en Anticlea, een berucht +roover, die met een ijzeren knots de reizigers doodde, die in zijne +handen vielen. Theseus doodde hem in de nabijheid van Epidaurus en +ontnam hem de knots. + +Peripoloi waren te Athene belast met de bezetting der grensvestingen +en de bewaking van het land. Zij hadden eene lichte wapenrusting en +werden slechts bij uitzondering buitenslands gezonden. De dienst der +per. gold als eene voorbereiding voor den werkelijken krijgsdienst +en was daarom aan de epheben opgedragen. + +Peripterus, peripteros, is een tempel, wanneer er eene kolonnade aan al +de vier zijden om heen loopt. Staan de zuilen aan de zijkanten en den +achterkant ter halverwege in den muur dan zegt men pseudoperipterus. + +Peristasis noemt men de zuilengangen rondom den dorischen tempel, +zie columna. + +Peristylium, peristylion, een ruimte, rondom ingesloten door zuilen, +die binnen de muren staan. Het komt eerst sedert den hellenistischen +tijd voor, z. Domus en Oikia.--2) = Peristasis. + +Permessus, Permessos, beekje in Boeotia, ontspringt op de zuidelijke +helling van den Helicon en stroomt langs Thisbe en Leuctra. + +Pero, Pero, de schoone dochter van Neleus en Chloris, gemalin van Bias, +z. Melampus. + +Pero, laars van ruw of ongelooid leder. + +Perone, z. Fibula. + +Perperena, Perperena, vlek in Mysia, ten Z. van Adramyttium. + +Perpernae, ook Perpennae. 1) M. Perperna werd samen met L. Petillius +door den illyrischen koning Gentius, tot wien zij als gezanten +kwamen, gevangen gehouden, totdat de praetor Anicius hen met een +leger kwam bevrijden (168).--2) M. Perperna, consul in 130, overwon +den pergameenschen kroonpretendent Aristonicus. Hij overleed te +Pergamum.--3) M. Perperna, consul in 92, censor in 86.--4) M. Perperna, +een laatdunkend en onbekwaam man, koos in den burgeroorlog de partij +van Marius en werd praetor. Toen Sulla zegevierde, week hij naar +Sicilië, van waar Pompeius hem verjoeg. In 78 was hij onderbevelhebber +van den oproerigen consul Mam. Aemilius Lepidus, na wiens nederlaag +hij naar Hispania tot Sertorius vluchtte. Door zijne afkomst achtte +hij zich ver boven Sertorius verheven en zoo nam hij deel aan +eene samenzwering, waardoor S. vermoord en P. tot aanvoerder werd +uitgeroepen (72). Hij werd echter spoedig door Pompeius verslagen en +gevangen genomen, trachtte nog door eene laaghartigheid zijn leven +te redden, doch werd ter dood gebracht. + +Perrhaebi, Perraiboi, krijgshaftig volk in het Noorden en in het +Oosten van Thessalia, en ook in het N. van Euboea wonend. + +Perranthes, berg in Epirus, bij Ambracia, ten O. van den Arachthus. + +Persaeus, Persaios, 1) z. Perses.--2) van Citium, slaaf, later leerling +van Zeno, leefde als stoicijnsch wijsgeer aan het hof van Antigonus +Gonatas, die hem veldheer maakte en aanvoerder van het macedonische +garnizoen van Corinthe. Hij sneuvelde in den strijd tegen Aratus +(± 243). + +Perse, Perseis, Perse, Perseis, dochter van Oceanus, gemalin van +Helius, moeder van Aeetes, Circe, Pasiphaë, e. a. + +Persephone, Persephone, -phoneia, Persephassa, Pherreph-, Kore, +Proserpina, dochter van Zeus en Demeter, gemalin van Hades, die +in de onderwereld over de schimmen der afgestorvenen regeert. Na +Homerus treedt hare verhouding tot Demeter meer op den voorgrond dan +die tot Hades, zelfs is zij in de mysteriën de bruid van Iacchus +en heeft Hades haar slechts door geweld tot gemalin gekregen en +door list behouden. Toen zij nl. eens op de vlakte van Nysa of bij +Enna bezig was bloemen te plukken, opende zich plotseling de aarde, +en uit de opening verscheen Hades, op zijn gouden met vier zwarte +paarden bespannen wagen gezeten, en ontvoerde haar in weerwil van +haar tegenstreven. Zeus had hem hiertoe zijne toestemming gegeven, +maar Demeter, die niet wist waar hare dochter gebleven was, zocht deze +vruchteloos negen dagen en nachten, totdat zij van Helius vernam, dat +zij toch niet in P.'s tegenwoordig verblijf zou kunnen doordringen; +in toorn trok zij zich van het gezelschap der goden terug, terwijl +alle groei op aarde ophield. Eindelijk was Zeus genoodzaakt P. door +Hermes uit de onderwereld te laten terughalen, maar Hades geeft +haar, voordat hij haar laat gaan, de pit van een granaatappel, het +zinnebeeld van het huwelijk, zoodat zij niet voor goed het sombere +rijk van haar gemaal kan verlaten, maar er een derde van het jaar +moet doorbrengen. Intusschen had Demeter, bewogen door de gastvrije +ontvangst van Celeüs, door Triptolemus de kennis van den landbouw +onder de menschen laten verbreiden en de eleusinische mysteriën +ingesteld. In dezen mythus is P. blijkbaar het zinnebeeld van het +jaarlijks terugkeerende afsterven en herleven der plantenwereld, +waaraan in de mysteriën verder de beteekenis gegeven werd van eene +zinnebeeldige voorstelling van verlossing uit den dood. De nauwe +betrekking, die tusschen P. en hare moeder gedacht wordt te bestaan, +wordt uitgedrukt door den veelal aan beide godinnen gemeenschappelijken +eeredienst, door hare gemeenschappelijke bijnamen (Despoina, Megale +thea), en vooral door den naam Kore (de jonkvrouw, dochter), die P. in +de mysteriën droeg. Onder den invloed van de mystiek der Orphici werd +zij later dikwijls verward met Hecate, Gaea, Rhea e.a.--Zij wordt +afgebeeld als koningin der onderwereld met schepter en kroon, of als +de bruid van Iacchus met klimopkrans en fakkels, of eenvoudig als de +jonge dochter van Demeter; tot hare attributen behooren de narcis, +papaver en korenaren. + +Persepolis, Persepolis, heilige hoofdstad van het landschap Persis, +door Darius aangelegd, aan den Medus, dicht bij zijn uitmonding in den +Araxes. De burcht met het koninklijk paleis, de schatkamer en de graven +der perzische koningen, was door een driedubbelen muur omgeven. De +stad werd door Alexander d. Gr. geplunderd en gedeeltelijk verwoest. + +Perses, Perses, 1) of Persaeus, zoon van Crius en Eurybia, vader +van Hecate.--2) zoon van Helius en Perseis.--3) zoon van Perseus en +Andromeda, mythisch stamvader der Perzen.--4) broeder van Hesiodus +(z.a.).--5) bij latijnsche schrijvers = Perseus van Macedonië. + +Perseus, Perseus, 1) zoon van Zeus en Danaë (z. Acrisius). Hij werd +door koning Polydectes van Seriphus opgevoed, maar toen hij opgegroeid +was, wenschte deze zich van hem te ontslaan, hetzij omdat hij hem voor +zijne regeering gevaarlijk achtte, hetzij omdat hij Danaë in zijne +macht wilde brengen. Door valsche voorspiegelingen wist hij P. de +belofte te ontlokken, dat hij desnoods het Medusahoofd voor hem zoude +halen, en daarna drong hij op de vervulling van die belofte aan. Door +de hulp van Hermes en Athena kwam P. bij de Graeae (z.a.), maakte zich, +terwijl zij sliepen, van haar oog en tand meester en dwong haar dus hem +den weg te wijzen naar de woning der nimfen, die hem de middelen konden +verschaffen om zijne onderneming tot een goed einde te brengen. Van +de nimfen kreeg hij gevleugelde schoenen, een tasch en den helm van +Hades, Athena voegde er een spiegel en Hermes een sikkel bij. Met +deze uitrusting kwam hij bij de Gorgonen (z. a.) aan de overzijde van +den Oceaan, hij vond ze slapend en sloeg Medusa het hoofd af, terwijl +hij, om niet versteend te worden, het gelaat afwendde en haar in den +spiegel zag; toen de andere Gorgonen ontwaakten en hem wilden grijpen, +maakte hij zich door den helm onzichtbaar. Met het afgehouwen hoofd +in zijn tasch, nam hij met zijne gevleugelde schoenen over Afrika +den terugtocht aan. Door de versteenende kracht van het Medusahoofd +wreekte hij zich op Atlas, bevrijdde hij Andromeda en verdedigde hij +zich tegen Phineus en diens aanhangers, eindelijk kwam hij op Seriphus +terug, toen Polydectes op het punt stond Danaë tot een huwelijk te +dwingen; tot straf veranderde hij ook dezen door het gezicht van het +Medusahoofd in steen, waarop hij diens broeder Dictys koning over +het eiland maakte. Met Danaë en Andromeda keerde hij nu naar Argos +terug, maar nadat hij door een ongelukkig toeval zijn grootvader +gedood had, ruilde hij zijn rijk tegen dat van zijn achterneef +Megapenthes; zoo werd hij koning van Tiryns, van waar uit hij Midea +en Mycenae stichtte. Hij was de stamvader der Persiden, tot welke +o. a. ook Heracles behoorde. Tusschen Argos en Mycenae, op Seriphus +en te Athene had hij een heiligdom. Met Andromeda werd hij onder de +sterren geplaatst.--2) onechte zoon van Philippus III (z. a.), voerde +reeds op jeugdigen leeftijd oorlog tegen de Illyriërs, en later, toen +zijn vader met de Rom. in bondgenootschap was, tegen de Aetoliërs. In +178 volgde hij zijn vader als koning van Macedonië op. Aanvankelijk +regeerde hij wijs en gematigd, met de Rom. sloot hij vriendschap, +maar daar hij wel inzag dat een oorlog met hen onvermijdelijk was, +rustte hij zich ijverig daarvoor toe, hij vergrootte zijn leger, +zorgde voor een ruimen voorraad van levensmiddelen en geld, verbond +zich met Illyriërs, Thraciërs e. a., en trachtte zich in Syrië, +Boeotië en Aetolië aanhangers te verwerven. In 171 brak de oorlog uit, +die aanvankelijk ten gevolge van de onbekwaamheid der rom. veldheeren +door P. met geluk gevoerd werd, maar met hoeveel overleg hij ook zijne +maatregelen genomen had, op het oogenblik van handelen miste hij de +vastberadenheid om zijne met zorg beraamde plannen uit te voeren, +van zijne overwinningen wist hij geen gebruik te maken, en door +zijne gierigheid vervreemdde hij zijne soldaten en bondgenooten van +zich. In 168 kreeg de consul L. Aemilius Paullus het opperbevel over +het rom. leger, en nadat deze de krijgstucht door gepaste maatregelen +hersteld had, behaalde hij in den slag bij Pydna eene beslissende +overwinning. P. vluchtte met zijne schatten naar Samothrace, maar +gaf zich terstond over, toen de Rom. hem vervolgden; hij moest den +triumftocht des consuls opluisteren, en bracht de weinige overige +jaren van zijn leven als gevangene te Alba Fucentia door. + +Persicus sinus, ho Persikos kolpos, tegenwoordig nog als de Perzische +golf bekend. + +Persii. De beroemdste van dit geslacht is de dichter A. Persius +Flaccus, te Volaterrae in Etruria in 34 na C. uit den ridderstand +geboren, een leerling van den stoicijn Annaeus Cornutus en een vriend +van den dichter Lucanus. Hij was ook bevriend met Seneca en Thrasea +Paetus. Van zijne gedichten zijn zes satiren tot ons gekomen. Hij +had zich Horatius en Lucilius tot voorbeeld gekozen. In 62 stierf +hij aan eene maagkwaal. + +Persis, Persis, Persike, de bakermat van het groote perzische rijk, +ten Z. van Media. De Persae, Persai, waren in drie kasten verdeeld +de edelen, de landbouwers, de nomadische herdersstammen. Uit Media +kwam de priesterkaste der Magiërs. + +Persona, het tooneelmasker. De afmetingen der oude theaters waren +van dien aard, dat bij de tooneelspelers van mimiek geen sprake +kon zijn; men kon deze toch niet waarnemen. Om deze reden droegen de +spelers maskers, die geheel berekend waren op het effekt en waaraan de +toeschouwers terstond konden zien, welke soort van rol zij voorstelden, +waarmede de haartooi of pruik dan in overeenstemming moest wezen. Zoo +waren b.v. de maskers voor goden, heroën, vorsten hoog van maaksel, +zoodat zij den speler grooter en verhevener lieten schijnen. Voor het +treurspel had men ten minste 25 verschillende typen, 6 voor senes, +7 voor jongelieden, 9 voor vrouwen, 3 voor slaven; voor het blijspel +worden 43 typen vermeld. Figuranten, personae mutae, hadden maskers +met gesloten mond. + +Pertinax (P. Helvius), rom. keizer 193 na C. Hij begon zijne loopbaan +als letterkundig leeraar, trad vervolgens in den krijgsdienst, werkte +zich omhoog, verkreeg in 176 het consulaat, doch viel later (182) +bij Commodus in ongenade en werd verbannen, maar weder teruggeroepen, +waarna hij nog in Britannia en Africa diende. Daarop was hij voor de +tweede maal consul met Commodus in 192. Toen Commodus den 31 Dec. 192 +vermoord werd, werd Pertinax door de soldaten tot keizer uitgeroepen, +doch reeds 28 Maart door de praetorianen omgebracht, daar hij de +krijgstucht poogde te verscherpen. + +Perusia, Perousia, eene der 12 etruscische bondssteden, op een +heuvel ten O. van het Trasimeensche meer nabij den Tiber gelegen, +o. a. bekend door den oorlog, Bellum Perusinum in 41, toen Fulvia, +de vrouw van den drieman M. Antonius, haar zwager L. Antonius tot +een oorlog tegen Octavianus wist te bewegen. L. Antonius werd toen te +Perusia door Octavianus belegerd. Bij de inneming der stad staken de +verbitterde soldaten van Oct. haar in brand; zij werd echter herbouwd; +thans Perugia. + +Perzische oorlogen (492-449). Verbitterd door den opstand der ionische +Grieken onder Aristagoras, verstoord door de hulp, die Athene en +Eretria aan de opstandelingen verleend hadden, en bovenal begeerig +om na den mislukten tocht tegen de Scythen zijn rijk aan een anderen +kant door verovering uit te breiden, besloot Darius I een leger naar +Europa te zenden. Zijn schoonzoon Mardonius, die over dit leger het +bevel voerde, onderwierp de Macedoniërs en veroverde Thasus, maar +keerde daarop naar Azië terug, daar zijn vloot bij den Athos schipbreuk +geleden had en zijn leger door de Thraciërs verslagen was. Darius gaf +echter zijn voornemen niet op, maar zond twee jaar later een leger van +100000 man onder Datis en Artaphernes over zee naar Griekenland, die +op Euboea landden en Eretria innamen, maar in den slag bij Marathon +tegen 9000 Atheners, versterkt door 1000 Plataeërs en aangevoerd +door Miltiades, de nederlaag leden en terugkeerden (490). Nieuwe +toerustingen van Darius werden door zijn dood afgebroken, en zijn +opvolger, Xerxes, konde eerst na het onderdrukken van een aegyptischen +opstand aan den oorlog tegen Griekenland denken, dien hij aanvankelijk +gaarne geheel had opgegeven, maar waartoe hij aangespoord werd door +Mardonius, de Pisistratiden en de thessalische Aleuaden. Nadat hij een +brug over den Hellespont had laten slaan en de landengte van den Athos +had laten doorgraven, trok hij in 480 met een ontzaggelijk leger van +800.000 man voetvolk en 80.000 ruiters en eene vloot van 1200 schepen +naar Griekenland. De peloponnesische staten (behalve Argos), Athene +en eenige andere besloten zich te verdedigen, Thessalië, Thebae en +de eilanden hadden zich reeds vroeger onderworpen. De Thermopylae +werden bezet door ruim 6000 man onder Leonidas, de vloot van 271 +schepen lag bij Artemisium. Een driedaagsche zeeslag bleef onbeslist, +maar na de nederlaag bij de Thermopylae trok de vloot zich terug naar +Salamis. Intusschen trok Xerxes door Midden-Griekenland naar Athene, +dat door de burgers verlaten was, en toen nu de Peloponnesiërs +verder wilden terugtrekken en zich tot de verdediging van de +landengte van Corinthe wilden bepalen, bewoog Themistocles, ten +einde dit plan te verijdelen, Xerxes door list de grieksche vloot, +die nu 366 schepen sterk was, in te sluiten. In den nu noodzakelijk +geworden slag behaalden de Grieken eene schitterende overwinning +(September 480), Xerxes ging met de overblijfselen van zijne vloot, +ongeveer 300 schepen, naar Azië terug, terwijl hij Mardonius met +300.000 man in Thessalië achterliet. Nadat deze daar overwinterd +had, rukte hij in het volgende jaar weder Griekenland in, Athene werd +weder door de burgers verlaten en door Mardonius ingenomen, waarop hij +zich in Boeotië legerde. De Grieken, 110.000 man sterk en aangevoerd +door Pausanias, ontmoetten hem bij Plataeae, en behaalden weder eene +luisterrijke overwinning (479); Mardonius sneuvelde met het grootste +deel van zijn leger, en slechts 40.000 man konden zich in behoorlijke +orde terugtrekken. Op denzelfden dag versloeg de grieksche vloot van +120 schepen onder Leotychides en Xanthippus de Perzen bij Mycale, +en daarmede was de oorlog naar Azië overgebracht. De Grieken, in +het vervolg meestal aangevoerd door Cimon, gingen nu aanvallend te +werk, en behaalden o. a. aan den Eurymedon eene groote overwinning te +land en ter zee (466). De Perzen werden uit geheel Europa verjaagd, +de aziatische Grieken werden van hen onafhankelijk, en sedert 449 +vertoonde zich geen perzisch oorlogsschip in de Aegaeïsche zee. Of +op deze voorwaarden een formeele vrede gesloten is, is onzeker, +z. Cimon.--De in dit artikel genoemde getallen, aangevende de sterkte +der perzische legermacht, berusten op opgaven van oude schrijvers en +worden door vele nieuweren sterk overdreven geacht. Zie hieromtrent +het artikel taxis. + +Pes als maat, rom. voet = 0,295 meter. + +Pescennius Niger (C.) was in 190 na C. bevelhebber in den dacischen +oorlog, werd in 191 door Commodus naar Syrië gezonden en na den dood +van Pertinax door zijne troepen tot keizer uitgeroepen (293). Hij +was een bekwaam en dapper generaal, doch werd door zijn mededinger +Septimius Severus bij Issus verslagen en op de vlucht gedood (194). + +Pesseia, een spel, dat veel overeenkomst heeft met ons damspel. Men +speelde het met steenen (pessoi) op een bord (pessa), dat in 36 vakken +(chorai, poleis) verdeeld was. + +Pesssinus, Pessinous, belangrijke stad van Galatia, waar zich een beeld +van Cybele bevond, dat uit den hemel was gevallen. Ten gevolge eener +uitspraak der sibyllijnsche boeken werd dit beeld in 204 naar Rome +overgebracht en daarmede de dienst der Magna Mater aldaar ingevoerd. + +Petalismus, petalismos, instelling te Syracuse, gelijk aan het +ostracismus te Athene. De stemmen werden op bladeren (petala) van +een olijfboom geschreven, vandaar de naam. + +Petasmata, gordijnen, die soms gebruikt werden om kamerdeuren te +vervangen. + +Petasus, petasos, hoed met breeden rand, gewoonlijk bij de chlamys +gedragen. + +Petelia, Petelia, stad op de Oostkust van het land der Bruttii, even +ten N. van Croton, volgens de sage door Philoctetes gesticht, en bekend +door de hardnekkige, ofschoon vruchtelooze verdediging tegen Hannibal. + +Peteon, Peteon, vlek in Boeotia, in het gebied v. Thebe. + +Peteos, Peteos, zoon van Orneus, door Aegeus uit Attica verdreven, +stichtte Stiris in Phocis. + +Petilia = Petelia. + +Petilii = Petillii. + +Petillia (lex), plebisciet van 187, gericht tegen de gebroeders +Scipio, Asiaticus en Africanus maior, tot instelling van een onderzoek +de pecunia capta ablata coacta ab rege Antiocho. Dit is geen wet, +maar een eisch, door twee tribuni plebis Q. Petillius Ateius(?) en +Q. Petillius Spurinus (Petillii no. 1) in den senaat ingesteld. De +eisch werd afgewezen. + +Petillii, plebejisch geslacht. 1) Q. Petillius Spurinus liet als +praetor urbanus in 181 een aantal voorgewende boeken van Numa +Pompilius, die in den grond gevonden waren, verbranden. In 176 +sneuvelde hij als consul tegen de Liguriërs. Z. ook Petillia (lex).--2) +L. Petillius, zie Perpernae no. 1.--3) Q. Petillius Cerealis, een +ervaren generaal, slaagde in 70 na C. er in, den opstand der Batavieren +onder Civilis tot een einde te brengen. Vervolgens onderwierp hij +als stadhouder van Britannië de Brigantes, die opgestaan waren. + +Petra, Petra, 1) bloeiende stad van Arabia Petraea, ten Z. van +Palaestina, halverwege tusschen de Doodenzee (Asphaltites lacus) +en den Aelaniticus sinus, in eene door steile bergwanden omgeven +vlakte gelegen en slechts toegankelijk door bergkloven. Door zijne +ligging was Petra het middelpunt van den handel tusschen Aegypte, +Syrië en Arabië. Het was met de hoofdstad Bostra de belangrijkste stad +van Arabia Petraea.--2) bergvesting in Sogdiana.--3) stad der Maedi +in Thracia.--4) plaats bij Dyrrachium in Illyria.--5) stad in het +macedonische landschap Pieria.--6) stadje (demus) in Corinthia.--7) +vlek in het gebied van Elis.--8) stad op Sicilia, ten N.N.W. van Henna. + +Petreii, plebejisch geslacht. M. Petreius, legaat van den consul +C. Antonius, versloeg in 63 de benden van Catilina bij Faesulae. Van +54-49 was hij legaat van Pompeius in Hispania, streed in 49 tegen +Caesar en moest een verdrag sluiten. Na Pompeius' dood verzamelde hij +troepen in Africa, en benam zich na de nederlaag bij Thapsus het leven. + +Petrinum, berg en landgoed bij Sinuessa op de grens van Campania +in Latium. + +Petrocorii, gallisch volk ten N. van de Garumna (Garonne) in het +tegenw. Périgord. Hoofdstad Vesunna (Périgueux). + +Petronii. 1) C. Petronius, stadhouder van Aegyptus onder Augustus, +veroverde Napata, de hoofdstad der aethiopische vorstin Candace, +in 23, en noodzaakte haar zelve in 21 zich te onderwerpen. Hij legde +in Aegypte verschillende kanalen aan, om de productiviteit van het +land te vergrooten, en onderdrukte een opstand te Alexandria.--2) +P. Petronius, was onder Tiberius en Caligula eerst stadhouder in Asia, +later legaat in Syria en trok zich de belangen der Joden aan. Hij +kreeg o. a. bevel, het standbeeld van Gaius (Caligula) in den tempel +te Jerusalem te plaatsen, maar verzocht den keizer op zijn besluit +terug te komen (39 n. C.).--3) P. Petronius Turpilianus was onder +Nero generaal in Britannia (61 na C.). Hij werd door Galba zonder +vorm van proces gedood (69).--4) C. Petronius Arbiter, proconsul van +Bithynia onder Nero, was een van diens vertrouwelingen, doch in 66 +na C. hij den keizer zwart gemaakt en van verraad beticht, opende +hij zich op reis eene ader en stierf. Volgens Tacitus schitterde +hij aan het hof als volleerd hoveling en ceremoniemeester, arbiter +elegantiae. Hieraan heeft P. zeker den bijnaam Arbiter te danken; +het beroemde, gedeeltelijk tot ons gekomen en in romantischen vorm +geschreven Satyricon van Petronius Arbiter wordt thans algemeen +aan hem toegewezen. Het is eene fijn geteekende en uit het leven +gegrepen schets van de toenmalige zeden in verschillende standen. Een +meesterstuk in dit opzicht is het gastmaal van den rijken parvenu +Trimalchio.--4) T. Petronius Secundus, was in 95 na C. stadhouder +van Aegyptus. In 96 was hij praefectus praetorio, en nam toen deel +aan den moord op Domitianus, maar werd zelf het slachtoffer van de +verbittering der praetorianen.--5) M. Petronius Sura Mamertinus, +consul 182 n. C., schoonzoon van Marcus Aurelius, door Commodus +omgebracht.--6) Petronius Didius Severus, vader van keizer Didius +Iulianus.--7) Petronius Maximus, zie Maximus (Petronius). + +Peuce, Peuke, eiland, gevormd door de beide zuidelijke Donaumonden +en bewoond door de Peucini, een bastarnischen stam. + +Peucestes, Peukestes, -tas, veldheer van Alexander d. Gr. Bij de +bestorming van de hoofdstad der Malli redde hij den koning het +leven, daarvoor werd hij tot satraap over Persis aangesteld. Door +het aannemen van perzische taal, kleeding en zeden maakte hij zich +bij zijne onderdanen bemind, maar wekte hij de ontevredenheid der +Macedoniërs op. Na den dood van Alexander streed hij als bondgenoot +van Eumenes tegen Antigonus, na den val van Eumenes gaf hij zich aan +Antigonus over, die hem zijne satrapie ontnam. + +Peucetia, Peuketia, Z.O. helft van Apulia, bewoond door de Peucetii, +Peuketioi. + +Peucetius, Peuketios, broeder van Oenotrus, dien hij naar Italië +volgde; v. s. is Peucetia naar hem genoemd. + +Peucini, Peukenoi, bastarnische volksstam aan de Donaumonden. Zie +Peuce. + +Pezetairoi, naam van de zware infanterie in de macedonische legers. Zij +waren ingedeeld in zes of meer taxeis, die weder verdeeld waren +in lochoi. + +Phacium, Phakion, stad in Pelasgiotis in Thessalia, ten O. van Crannon. + +Phacusa, Phakousa, stad in de Nijldelta aan den Pelusischen arm. + +Phaea, Phaia, heette het wilde zwijn van Crommyon, dat door Theseus +gedood werd. + +Phaeaces, Phaiakes, een mythisch volk, dat vroeger in Hyperea +gewoond had, maar daar het veel van de naburige Cyclopen te lijden +had gehad, naar Scheria verhuisd was, waar Odysseus op het einde van +zijne zwerftochten gastvrij ontvangen werd en van waar hij naar zijn +vaderland werd teruggebracht. Zij zijn lievelingen der goden, rijk +en vooral ter zee machtig. Scheria wordt door de ouden voor Corcyra +gehouden, dat vandaar Phaeacia tellus genoemd wordt. + +Phaeax, Phaiax, 1) atheensch veldheer, ging in 422 naar Sicilië, +om de volkspartij van Leontini tegen de Syracusanen te ondersteunen, +maar keerde terug zonder veel uitgericht te hebben. Als staatsman was +hij een tegenstander van Alcibiades, hoewel zij samenwerkten om de +verbanning van Hyperbolus te bewerken.--2) bouwmeester te Agrigentum +op het einde der 4de eeuw. + +Phaeca = Pheca. + +Phaedo, Phaidon, van Elis, vriend en leerling van Socrates. Na diens +dood leefde hij in zijne vaderstad als leeraar der wijsbegeerte en +stichtte hij een eigen school, de elische genoemd, die in richting +niet veel van de megarische verschilde. Plato noemde zijn samenspraak +over de onsterfelijkheid der ziel naar hem; zijn werken zijn alle +verloren gegaan. + +Phaedra, Phaidra, dochter van Minos en Pasiphaë, gemalin van Theseus, +moeder van Acamas en Demophon. Na den door haar veroorzaakten dood +van Hippolytus (z. a.) beroofde zij zich van het leven. + +Phaedriades, Phaidriades, twee steile, kale rotsen ten N.O. van Delphi, +behoorende tot den Parnassus (z. a.), die een kloof vormen. In de +nabijheid vindt men de bron Castalia. + +Phaedrus, Phaidros, 1) leerling van Socrates, bevriend met Hippias +en met Plato, die een van zijne werken naar hem noemde.--2) hoofd der +epicureïsche school te Athene, leermeester van Cicero, eerst te Rome +(90), later te Athene (79/78).--3) van Pieria, kwam als slaaf naar +Rome, maar werd door Augustus vrijgelaten. Hij schreef eene latijnsche +bewerking van de fabels van Aesopus in iambische verzen. Bovendien +heeft hij eigen novellen en anekdoten gedicht. Wegens te recht of +ten onrechte in zijn werk gevonden politieke toespelingen schijnt hij +onder Tiberius vervolgd en gestraft te zijn, maar later weer vrij te +zijn gekomen. + +Phaënna, Phaenna, eene van de Charites bij de Spartanen. + +Phaesana, Phaisana, stad in Z. Arcadia. + +Phaestus, Phaistos, 1) stad op de Z. kust van Creta, bij Gortyna. De +opgravingen der laatste jaren hebben hier, evenals te Cnosus, +belangrijke overblijfselen uit zeer ouden tijd aan het licht gebracht, +zie Cnosus en Creta.--2) stad in het N. van Thessaliotis.--3) stad +der ozolische Locriërs, met een Apollo-tempel. + +Phaëthon, Phaethon, 1) bijnaam van Helius.--2) zoon van Helius en +Clymene, ging, om allen twijfel aan zijne goddelijke afkomst weg te +nemen, naar het paleis van den zonnegod en vroeg hem om een teeken, +waardoor hij door ieder als zijn zoon erkend zou worden. De god +zwoer bij den Styx hem iederen wensch te zullen toestaan. Ph. vroeg +nu verlof voor een enkelen dag den zonnewagen te mogen besturen, +en hoewel zijn vader hem dringend vermaande van dien vermetelen +wensch af te zien, moest hij zijn eed gestand doen. Inderdaad was de +jongeling niet in staat de vurige paarden in bedwang te houden, de +geheele aarde raakte in brand, en om grootere onheilen te voorkomen, +zag Zeus zich genoodzaakt hem met den bliksem te dooden, waarop hij +uit den wagen in den Eridanus viel.--3) zoon van Eos en Cephalus, +door Aphrodite ontvoerd en tot bewaker van haar tempel aangesteld. + +Phaëthontiades = Heliades. + +Phaëthusa, Phaethousa, dochter van Helius en Neaera, weidde met hare +zuster Lampetië de kudden van haar vader. + +Phagres, Phagres, oude sterke stad in Macedonia, dicht bij den Strymon +en den mons Pangaeus. + +Phaininda, een balspel, waarbij men op het oogenblik van werpen aan +den bal eene geheel onverwachte richting gaf, de andere spelers liepen +dan om het hardst om den bal te halen. + +Phalaecus, Phalaikos, zoon van Onomarchus, opvolger van Phayllus als +aanvoerder der Phocensers in den heiligen oorlog. Toen Philippus Phocis +onderwierp (346), ging Ph. met zijne huurtroepen naar de Peloponnesus +en van daar naar Creta, waar hij bij het beleg van Cydonia gedood werd. + +Phalanthus, Phalanthos, stichter van Tarentum (z. Partheniae), stierf +te Brundisium en werd als halfgod vereerd. + +Phalanx, phalanx, het leger in slagorde. De gewone slagorde bij +de Grieken was zoo, dat de troepen in even lange gelederen achter +elkander stonden. De diepte der phalanx was gewoonlijk 8 man, doch +werd naar omstandigheden gewijzigd; de beroemde macedonische phalanx +was 16 rijen diep, in den slag bij Leuctra trok Epaminondas zijne +troepen op den linkervleugel samen, zoodat deze eene diepte van 50 man +kreeg en met onweerstaanbare kracht den rechtervleugel der Spartanen, +waar de koning stond, kon doorbreken. + +Phalara, ta Phalara, haven van Lamia aan de Malische golf. + +Phalarica, een groote brandpijl, met werk, pek, enz. omwonden, die uit +een catapulta naar de vijanden geschoten werd. De pijl was voorzien +van een drie voet lange ijzeren punt. + +Phalaris, Phalaris, van Astypalaea, werd uit zijne vaderstad verbannen +en ging naar Agrigentum, waar hij door zijn rijkdom tot hoog aanzien +kwam. Onder voorwendsel dat hij een tempel voor Zeus wilde laten bouwen +verzamelde hij eene menigte werklieden; daarop gaf hij hun wapenen, +en op dit leger steunende wierp hij zich tot tyran op (570). Hij +onderwierp verscheiden naburige staten en regeerde hebzuchtig en wreed +(z. Perilaus). Na eene regeering van 16 jaar werd hij bij een opstand +gedood. De brieven, die zijn naam dragen, zijn onecht, v. s. eerst +uit den tijd der Antonijnen. + +Phalasarna, ta Phalasarna, havenstad op de W.kust van Creta, met +een Artemistempel. + +Phalces, Phalkes, zoon van Temenus, maakte zich van de regeering over +Sicyon meester. Hij en zijne broeders doodden Temenus, omdat deze de +regeering over Argos aan hun zwager Deïphontes overgegeven had. + +Phalera (plur.) en phalerae, ta phalara, lederen, met metalen +schubben bedekte stormband en wangbedekking aan den helm. Verder bij +de Rom. metalen medailles op de borst der soldaten, tot belooning +uitgereikt, ook metalen sieraden aan het hoofdstel of borsttuig +der paarden. + +Phalerum, of -us, Phaleron, -os, de oudste en meest oostelijke der +havens van Athene, eigenlijk een open baai, die echter door haar +beschutte ligging een veilige ligplaats aanbood voor schepen. + +Phalinus, Phalinos, van Zacynthus, kwam als bekwaam krijgskundige +in de gunst van Tissaphernes, die hem na den slag bij Cunaxa naar de +Grieken zond om met hen te onderhandelen. + +Phaloria, Phaloria, vesting geheel in het W. van Hestiaeotis in +Thessalia, aan den Peneus. + +Phanae, Phanai, Zuidkaap en haven van het eiland Chius, met een +Apollotempel. + +Phanagoria, Phanagoreia en -ria, grieksche stad op den aziatischen +oever van den Bosporus Cimmerius (straat v. Jaffa), later hoofdstad +van het bosporaansche rijk. + +Phanes, Phanes, bij de Orphici = Eros. + +Pha(e)nias, Pha(i)nias, 1) van Eresus, leerling van Aristoteles, +vriend van Theophrastus, schrijver van werken over geschiedenis, +wijsbegeerte en natuurwetenschappen, waarvan slechts enkele fragmenten +bewaard zijn.--2) een van de bevelhebbers der atheensche vloot in +den corinthischen oorlog. + +Phanocles, Phanokles, grieksch elegieëndichter, die waarschijnlijk in +den alexandrijnschen tijd leefde. Van zijn werk, Erotes, zijn slechts +kleine fragmenten bewaard gebleven. + +Phanodemus, Phanodemos, schrijver eener Atthis, waarvan eenige +onbeduidende fragmenten bewaard gebleven zijn. Hij was waarschijnlijk +een Athener. + +Phanote, vesting in Chaonia in Epirus, ten N. van Phoenice. + +Phantasus, Phantasos, zoon van Hypnus, broeder van Morpheus (z. a.). + +Phaon, Phaon, z. Sappho. + +Pharae, Pharai, 1) eene der bondssteden van Achaia, in het binnenland, +ten Z.O. van Olenus, met een oud orakel van Hermes; de inwoners +werden Pharaes genoemd.--2) (Pharis), stad in Laconica, waarvan de +inw. Pharitai heetten, ten Z. van Sparta.--3) (Pherae), stad in het +Oosten van Messenia, dicht bij de Messenische golf, aan de Nedon; +inw. Pharaitai. + +Pharax, Pharax, Spartaan, die onder Lysander in Azië streed als +vlootvoogd (397) en als spartaansch gezant te Athene (369) genoemd +wordt. + +Pharis, Pharis = Pharae no. 2. + +Pharmacusa, Pharmakoussa, 1) eilandje bij Miletus, waar Caesar in +handen der zeeroovers viel.--2) Pharmacusae, twee eilandjes bij +Salamis. + +Pharnabazus, Pharnabazos, satraap van Phrygië aan den Hellespont, +ondersteunde sedert 413 de Spartanen krachtig tegen de Atheners, +maar sloot in 410 vrede met laatstgenoemden. In den oorlog, dien de +Spartanen later tegen Perzië voerden, had vooral zijne satrapie van +de aanvallen van Thibron, Dercylidas en Agesilaus te lijden. Daarom +zorgde hij voor het uitrusten eener vloot, die hij onder het bevel +van Conon stelde, en na den slag bij Cnidus (394) verklaarde hij de +grieksche zeestaten onafhankelijk, landde hij in de Peloponnesus en +droeg hij bij tot den herbouw der atheensche muren. Hij verliet echter +weldra Europa en kort daarna ook zijne satrapie, daar hij aan het +hof geroepen werd om met de dochter des konings te trouwen. Van een +krijgstocht naar Aegypte, in vereeniging met Iphicrates ondernomen, +kwam hij onverrichter zake terug. + +Pharnaces, Pharnakes, 1) koning van Pontus (183-157), zoon van +Mithradates IV. Hij trachtte zijn gebied uit te breiden ten koste +van Pergamus, Bithynia en Cappadocia en vestigde zijne residentie +te Sinope. Ten laatste echter moest hij de gemaakte veroveringen +weder opgeven. De stad Pharnacia werd door hem gesticht.--2) zoon +van Mithradates VI of den Gr. van Pontus. Door de wantrouwendheid +zijns vaders van dezen vervreemd, spande hij met de Rom. tegen zijn +vader samen. Hiervoor werd hij als onafhankelijk vorst van het door +Mithradates veroverde kustland ten O. en N.O. van den Pontus Euxinus +erkend, het zoogenaamde Regnum Bosporanum (63). In den strijd evenwel +tusschen Pompeius en Caesar zocht hij de bezittingen van zijn vader te +heroveren; doch Caesar voorkwam hem door een snellen tocht, versloeg +hem bij Zela (48) en joeg hem naar den Cimmerischen Bosporus terug +in zoo korten tijd, dat hij aan den rom. senaat den afloop in deze +beroemde drie woorden kon berichten: veni, vidi, vici. Pharnaces +sneuvelde daarna in den strijd tegen zijne opgestane onderdanen +(47).--3) perzisch satraap, omstreeks 430. + +Pharnacia, Pharnakeia, stad op de kust van Pontus, door koning +Pharnaces (z. a. no. 1) gesticht, eene zeer sterke stad. Zie verder +Cerasus. Pharnacia heet tegenwoordig weder Kerasunt. + +Pharos, lange mantel van fijn linnen, door mannen en later ook door +vrouwen gedragen. + +Pharsalus, Pharsalos, stad in het N. van Phthiotis, aan den Apidanus, +ten Z. van den Enipeus met een beroemden Thetistempel en eene sterke +acropolis. Hier had in 48 de groote en beslissende slag plaats tusschen +Caesar en Pompeius. + +Pharus, Pharos, 1) eilandje op de aegyptische kust, waar Menelaus bij +zijn terugkeer uit Aegypte door tegenwinden werd opgehouden. Alexander +verbond het door een dam van zeven stadiën, heptastadium, met de vaste +kust en de stad Alexandrië. Op het eene uiteinde van het eiland liet +Ptolemaeus II Philadelphus een marmeren vuurtoren bouwen, die onder +de zeven wonderen der wereld werd gerekend.--2) eiland op de kust +van Dalmatia, thans Lesina. Er lag eene stad op van denzelfden naam, +door Aemilius Paullus verwoest. + +Pharygae, Pharygai, z. Tarphe en Narycus. + +Phaselis, Phaselis, dorische handelsplaats op de kust van Lycia, met +drie voortreffelijke havens. Het werd als een van de hoofdplaatsen der +zeeroovers in 78 door P. Servilius Vatia (Servilii no. 20) verwoest. + +Phaselus, phaselos, een klein, licht en snelloopend vaartuig, v.s. zoo +genoemd, omdat zij het eerst te Phaselis gebouwd werden, v. a. omdat +zij den vorm van een snijboon (phaselus) hadden. + +Phasiani, Phasianoi, volksstam in Colchis aan den Phasis. + +Phasis, Phasis, rivier in Colchis, die op het Moschische gebergte +ontspringt en in den Oosthoek van den Pontus Euxinus (Zwarte Zee) +valt. Het dal van den Phasis is zeer vruchtbaar, doch de kust is +moerassig: de huizen waren er op palen gebouwd. De colchische Phasis +moet niet verward worden met den armenischen, veel langeren Phasis of +Araxes, die zich in de Caspische zee stort. Aan of nabij den mond van +den colchischen Phasis lag de stad Phasis, kolonie van Miletus. Naar +deze plaats hebben de fazanten hunnen naam aves Phasianae. + +Phasis, een soort van graphe, aangewend tegen hen, die de wetten op +den handel overtraden, ontrouwe voogden, onrechtmatige bezitters van +staatseigendom e. a. De aanklager kreeg bij veroordeeling een deel +van dat, wat de veroordeelde betalen of afstaan moest. + +Phatniticum, Phatneticum ostium, Phatnitikon stoma, een der Nijlmonden, +tusschen den Sebennitischen en den Mendesischen Nijlmond gelegen. + +Phayllus, Phayllos, 1) van Croton, beroemd kampvechter, die met een +op eigen kosten uitgerust schip aan den slag bij Salamis deelnam.--2) +opvolger van zijn broeder Onomarchus als aanvoerder der Phocensers in +den heiligen oorlog (352). Daar hij geen geld ontzag, bracht hij een +groot leger op de been, ook werd hij door Atheners, Lacedaemoniërs +en Achaeërs ondersteund; hij werd echter herhaaldelijk verslagen en +stierf reeds in 351. + +Phazania, Phazania, z. Garamantes. Tgw. Fezzan. + +Phea, Phea, Pheia, landtong met haven en vlek in Elis. + +Pheca, Phaeca, kasteel bij Gomphi in Thessalia. + +Phegea, Phegeia, z. Psophis. + +Phegeis, Alphesiboea of Arsinoë, dochter van Phegeus. + +Phegeus, Phegeus, 1) koning van Psophis, werd met zijne zonen door +de zonen van Alcmaeon (z. a.) gedood.--2) Trojaan, priester van +Hephaestus, door Diomedes gedood.--3) tochtgenoot van Aeneas. + +Pheiditia, bij de Spartanen = syssitia. + +Phelleus, Phelleus, bergstreek in Attica. + +Phellus, Phellos, oude stad in het Zuiden van Lycia, met cyclopische +muren. + +Pheme, Pheme = Ossa. + +Phemius, Phemios, zanger aan het hof van Odysseus. Hij zong ook +bij de maaltijden der minnaars van Penelope, maar daar hij hiertoe +gedwongen was geworden, spaarde Odysseus zijn leven op voorspraak van +Telemachus.--V. s. was Ph. een schoolmeester te Smyrna, die Homerus +als zoon aannam, waarom deze zijn naam in de Odyssee vereeuwigde. + +Phemonoë, Phemonoe, dochter van Apollo, de eerste Pythia, vandaar soms +algemeen = profetes. Men zeide, dat zij den hexameter had uitgevonden. + +Pheneüs, Pheneos, oude stad in Arcadia met een gelijknamig meer, door +herhaalde overstroomingen gevormd, aan den voet van den berg Cyllene. + +Pherae, Pherai, 1) = Pharae no. 3.--2) thessalische stad in het +Z.O. van Pelasgiotis, met de havenplaats Pagasae. In den mythischen +tijd was zij de zetel van koning Admetus, later van de tyrannen Iason +en Alexander. + +Phereclus, Phereklos, bekwaam bouwmeester, gunsteling van Athena, +bouwde o. a. het schip, waarop Paris Helena ontvoerde. + +Pherecrates, Pherekrates, tooneelspeler, later voortreffelijk dichter +der oude attische comedie, ouder tijdgenoot van Aristophanes. Van +zijne 16 of 18 stukken bestaan nog slechts enkele fragmenten. Het +metrum Pherecrateum is naar hem genoemd. + +Pherecydes, Pherekydes, 1) van Syrus, een van de oudste grieksche +wijsgeeren, de eerste grieksche schrijver van een wijsgeerig werk +(Heptamychos, v. a. Pentemychos, peri physeos kai theon) en een van de +eerste grieksche prozaschrijvers. Hij wordt een tijdgenoot van Alyattes +en een van de leermeesters van Pythagoras genoemd, overigens is weinig +van hem bekend.--2) van Lerus, gewoonlijk de Athener genoemd, logograaf +in de 5de eeuw, die de mythische geschiedenis van Griekenland, in het +bizonder van Attica, in een aantal werken beschreef, waarvan slechts +enkele fragmenten bewaard gebleven zijn. + +Pherenicus, Pherenikos, thebaansch democraat, wiens vader Cephisodotus +vele Atheners, die voor de 30 gevlucht waren, bij zich opgenomen had, +werd op zijne beurt te Athene gastvrij opgenomen, toen hij voor de +Spartanen uit Thebae wijken moest. + +Pheres, Pheres, zoon van Cretheus en Tyro, mythisch stichter van +Pherae in Thessalië. + +Pheres, Pheres, naam door Homerus aan de Centauren gegeven. + +Pheretiades, Pheretiades, Admetus, zoon van Pheres. + +Pherinium, kasteel in Thessalia. + +Pherne = proix. + +Pherrephassa, Pherrephassa = Persephone. + +Pherusa, Pherousa, eene Nereïde. + +Phidias, Pheidias, Athener, zoon van Charmides, leerling van Hegias +en Ageladas, de beroemdste kunstenaar uit den tijd van Pericles, +wiens vriend hij was, en die alle groote werken tot verfraaiing +van Athene door hem of onder zijne leiding liet uitvoeren. Hijzelf +maakte bij voorkeur kolossale godenbeelden van goud en ivoor, waarin +hij op de gelukkigste wijze bevalligheid en verhevenheid wist te +doen gepaard gaan. Bovenal beroemd zijn zijne Athena Promachus, +staande tusschen de Propylaeën en het Parthenon, zoo hoog dat men +van Sunium het bovenste gedeelte er van konde zien, zijne Athena +Parthenus van ivoor en goud, 26 el hoog, zijn Zeus te Olympia, het +beroemdste kunstwerk der oudheid. Dit beeld was 40 voet hoog en zat op +een troon van 12 voet. Het lichaam was van ivoor, doch zijn mantel, +die van de heupen in sierlijke plooien neerhing, was van goud met +ingewerkte bloemen, ook zijne sandalen waren van goud. Om het hoofd +had hij een olijfkrans van groene steenen. In de rechterhand hield hij +een beeld van de godin der overwinning, eveneens van goud en ivoor +gemaakt, in de linkerhand zijn schepter, op welks punt een arend +zat. Om den rijk met beeldhouwwerk versierden troon dansten Horen en +Chariten. Het geheel maakte een onuitsprekelijken indruk van majesteit +en goedheid. In de overblijfsels van het Parthenon zijn enkele door of +onder den onmiddellijken invloed van Ph. vervaardigde werken bewaard +gebleven.--Ph. stond dikwijls bloot aan de aanvallen van Pericles' +vijanden. Met glans verdedigde hij zich tegen de beschuldiging, dat hij +van het goud, voor de Athena Parthenus bestemd, zoude gestolen hebben, +maar eene later tegen hem ingebrachte aanklacht wegens heiligschennis +liep slechter voor hem af. Hij stierf in de gevangenis of te Olympia +(432). + +Phidippides, Pheidippides, de atheensche renbode, die bij den eersten +inval der Perzen in Attica (490) naar Sparta gezonden werd om hulp +te vragen, en in 2 dagen den afstand van 1140 stadiën aflegde. + +Phidon, Pheidon, koning van Argos in de zevende eeuw, een krachtig +en verlicht heerscher, die de heerschappij van Argos over de geheele +Peloponnesus uitbreidde. Na zijn dood verloor Argos echter spoedig +weder de door hem gevestigde macht. Van meer blijvend gevolg waren +zijne maatregelen tot bevordering van het verkeer tusschen de staten +onderling, onder welke vooral genoemd worden het slaan van gemunt +geld en de invoering van een algemeen geldend stelsel van maten +en gewichten. + +Phigalia, Phigalia, oude stad in het Z.W. van Arcadia. Zij had haar +roem vooral te danken aan den beroemden tempel van Apollo Epicurius, +door den vermaarden atheenschen bouwmeester Ictinus, den schepper van +het Parthenon, in het tot Phigalia behoorende vlek Bassae gebouwd. Van +dezen tempel staan nog 36 zuilen met de architraven; een gedeelte +van de fries der cella, den strijd der Centauren met de Lapithen en +der Amazonen met de Grieken voorstellende, is in het Britsch Museum +te zien; zie blz. 159. + +Philadelphia, Philadelpheia, 1) stad in oostelijk Lydia aan den voet +van den Tmolus, bij herhaling het tooneel van aardbevingen.--2) stad +in Palaestina, in Peraea, de oude hoofdstad van Ammon, Rabbath Ammon, +naar Ptolemaeus II Philadelphus verdoopt.--3) stad in het binnenland +van W. Cilicia. + +Philadelphus, Philadelphos, bijnaam van Ptolemaeus II en Attalus II. + +Philae, Philai, eiland in den Nijl aan de Z. grens van Aegypte, +met prachtige tempels en de graven van Isis en Osiris. + +Philaeni, zie arae Philaenorum. + +Philaeus, Philaios, zoon van Aiax no. 2 en Tecmessa, stond de +heerschappij over Salamis aan de Atheners af, waarvoor hij atheensch +burger werd. Hij was de stamvader der Philaiden, waartoe ook Miltiades +behoorde. + +Philammon, Philammon, mythisch zanger uit Thracië, zoon van +Chrysothemis of van Apollo en Chione, vader van Thamyris en +Eumolpus. Hij hielp de Delphiërs in een oorlog tegen de Phlegyers en +sneuvelde daarbij. + +Phileas, Phileas, van Athene, tijdgenoot van Hecataeus, schrijver +van een aardrijkskundig werk, waarvan slechts weinige fragmenten +bewaard zijn. + +Philemon, Philemon, 1) arm, vroom, oud man in Phrygië, die met +zijne vrouw Baucis gastvrijheid bewees aan Zeus en Hermes, toen +deze als vermoeide reizigers bij verscheiden rijken en voornamen een +schuilplaats gevraagd hadden, maar overal afgewezen waren. Daarvoor +werd die geheele streek door het water verzwolgen, alleen de hut +van Ph. bleef staan en werd in een prachtigen tempel veranderd, +terwijl Zeus beloofde hem een verzoek te zullen inwilligen. Daarop +verzocht Ph. met zijne vrouw tot bewaarder van den tempel aangesteld +te worden en tegelijk met haar te sterven. Na verloop van jaren werd +hij in een eik, zij op hetzelfde oogenblik in een linde veranderd.--2) +van Syracusae of Soli, kwam jong naar Athene en trad omstreeks 330 als +dichter der nieuwe comedie op. Tegenover de stukken van Menander, die +uitmuntten door karakterteekening, behaalden die van Ph., waarin vooral +de levendige handeling boeide, dikwijls den prijs. Op uitnoodiging +van Ptolemaeus leefde hij eenigen tijd te Alexandrië, daarna keerde +hij echter naar Athene terug, waar hij op hoogen leeftijd stierf +(262). Van zijne 97 stukken zijn slechts fragmenten bewaard, twee ervan +zijn beter bekend door de latijnsche bewerking van Plautus.--3) zoon +van den vorigen, dichter der nieuwe comedie, schrijver van 54 stukken. + +Philetaerus, Philetairos, 1) dichter van 21 blijspelen, die deels +tot het tweede, deels tot het derde tijdperk der attische comedie +behooren.--2) van Tium, geb. 343, diende onder Perdiccas, Antigonus +en Lysimachus; deze vertrouwde hem de bewaking van den burcht van +Pergamus toe, waarvan Ph. zich in 284 meester maakte. Onder de oorlogen +der diadochen wist hij zich in zijn nieuw gevestigde regeering te +handhaven, en bij zijn dood (263) liet hij het rijk Pergamus aan zijn +neef Eumenes I achter. + +Philetas, Philetas, van Cos of Rhodus, tijdgenoot van Philippus en +Alexander, beroemd grammaticus en dichter, leeraar van Ptolemaeus +Philadelphus, Theocritus en Zenodotus. Hij muntte uit in de +erotische elegie en wordt door de Rom., vooral door Propertius, +dikwijls nagevolgd. + +Philinus, Philinos, 1) attisch redenaar, tijdgenoot van +Demosthenes.--2) van Agrigentum, beschreef met groote partijdigheid +voor de Carthagers de geschiedenis van den 1sten punischen oorlog.--3) +van Cos, beroemd geneesheer en schrijver van geneeskundige werken, +stichter eener empirische school van geneeskunde omstreeks 240. + +Philippi, Philippoi, stad in het macedonische gewest Edonis, aan den +berg Pangaeus gelegen, door Philippus gesticht op de puinhoopen van de +thasische volkplanting Crenides. Bij Philippi sneuvelden in 42 Brutus +en Cassius. De eerste christengemeente in Europa werd te Ph. gesticht. + +Philippides, Philippides, beroemd dichter der nieuwe comedie, +gunsteling van Lysimachus; van zijne 44 stukken zijn slechts +onbeduidende fragmenten bewaard gebleven; nu en dan slaat hij daarin +nog den vrijmoedigen toon der oude comedie aan. + +Philippopolis, Philippopolis, stad in Thracia aan den Hebrus +(Maritza), door Philippus van Macedonia gesticht, op de plek van het +vroegere Eumolpias. Onder de Rom. werd het de hoofdstad der provincie +Thracia. Thans Philippopoli. + +Philippus, familienaam in de gens Marcia (Marcii no. 14-16). + +Philippus (M. Iulius), Arabs bijgenaamd, was de zoon van een arabisch +Bedoeinenhoofd; door Gordianus III werd hij in 243 na den dood van +Timesitheus tot bevelhebber der praetorianen aangesteld. Nadat hij in +244 Gordianus III had laten vermoorden, werd hij door de soldaten tot +Augustus uitgeroepen. Hij sloot vrede met de Perzen en vierde in 248 +met grooten luister het feest van Rome's 1000-jarig bestaan. In 249 +verloor hij bij Verona het leven tegen Decius, die door de pannonische +legioenen tot rom. keizer was uitgeroepen. + +Philippus, Philippos, 1) zoon van Argaeus, koning van Macedonië +621-588, sneuvelde in een oorlog tegen de Illyriërs.--2) zoon +van Amyntas II en Eurydice, geb. 382. Als jongeling werd hij door +Pelopidas, toen deze de macedonische aangelegenheden geregeld had, +als gijzelaar naar Thebe medegenomen, waar hij drie jaar ten huize +van Epaminondas of van Pammenes doorbracht. Na den dood van zijn +ouderen broeder Perdiccas III nam hij in naam van diens minderjarigen +zoon de regeering in handen; wel werden de aanspraken van andere +pretendenten door de Thraciërs en Atheners ondersteund, maar door +toegeven en beloften wist Ph. deze volken te winnen, zoodat zijne +tegenstanders zich genoodzaakt zagen hem in het onbetwist bezit der +regeering te laten. Nadat hij door gelukkige oorlogen tegen Illyriërs +en Paeoniërs het rijk had uitgebreid, werd hij door de edelen tot +koning uitgeroepen. Van toen af werkte hij met standvastigheid en +beleid tot het bereiken van zijn doel: de grieksche staten onder +macedonische hegemonie tot de verovering van het perzische rijk +te vereenigen. Voorloopig wijdde hij zich aan het ordenen der +binnenlandsche aangelegenheden, hij voerde eene nieuwe slagorde, +de zoogenaamde macedonische phalanx, in, gewende zijne troepen aan +strenge krijgstucht, en versterkte de inkomsten van het rijk door +de ontginning der goudmijnen van den Pangaeus, die door een oorlog +met de Thraciërs in zijn bezit waren gekomen. Inmiddels hield hij +voortdurend het oog op Griekenland gevestigd, wel inziende dat de +verdeeldheid der uitgeputte staten hem spoedig genoeg de gelegenheid +zoude aanbieden om handelend op te treden. Zijne handelwijze was ook +ten volle voor de bestaande toestanden berekend; hoewel een bekwaam +krijgskundige, deed hij meer door geld en beloften, door omkooperij +en bedrog, dan door de wapenen. Athene liet hem Amphipolis, Potidaea, +en Methone nemen; door de Aleuaden te hulp geroepen tegen de tyrannen +van Pherae, drong hij in Thessalië; ook vond hij gelegenheid zich in +den heiligen oorlog (z. Phocis) te mengen en zelfs scheen het dat hij +na eene overwinning op Onomarchus (352) een inval in Phocis wilde doen, +maar hierin verhinderd door de Atheners, die een leger en eene vloot +naar de Thermopylae zonden, keerde hij naar zijn land terug en wendde +hij zich weder tegen Thracië, waar hij aan de atheensche belangen +veel afbreuk deed. Ondertusschen trachtte hij in de Peloponnesus, +op Euboea en elders partijen voor zich te vormen, eindelijk viel hij +Olynthus aan, dat, door de Atheners te laat en onvoldoende ondersteund, +door verraad in zijne handen viel (348). Met de Atheners sloot hij +nu vrede, maar, hetzij hij hen door bedriegelijke beloften en het +omkoopen van sommige hunner gezanten (Aeschines, Philocrates) wist te +misleiden, hetzij de Atheners voor het oogenblik niet in staat waren +het te beletten, de loop der gebeurtenissen was deze, dat hij nog +gedurende de onderhandelingen nieuwe veroveringen in Thracië maakte, +ongehinderd door de Thermopylae kwam, geheel Phocis onderwierp en +ontwapende, de oppermacht van Thebe in Boeotië bevestigde, en zich +in plaats der Phocensers in het Amphictyonen-verbond liet opnemen +(346). Hiermede voorloopig tevreden, richtte Ph. zich weder tegen +de barbaarsche naburen van zijn rijk, maar sedert 342 hervatte hij +zijne vijandige handelingen tegen Athene, hij veroorzaakte onlusten op +Euboea, viel de steden op de Chersonesus aan en bedreigde Perinthus +en Byzantium. Phocion en Diopithes beletten hem wel eenig belangrijk +voordeel te behalen, maar voordat de oorlog, dien de Atheners eindelijk +verklaarden, beslist was, werd door de Amphictyonen besloten tot +bestraffing der Locriërs van Amphissa (z. a.), en de uitvoering van +dit besluit aan Ph. opgedragen. Hij kwam met een groot leger naar +Griekenland, maakte spoedig een einde aan de op zichzelf onbeduidende +zaak, die waarschijnlijk alleen in zijn belang op touw gezet was, maar +bezette tevens Elatea in Phocis, van waar hij Thebe en Athene bedreigde +(herfst van 339). Door toedoen van Demosthenes sloten nu deze beide +staten een verbond, maar na eenige onbeduidende voordeelen leden hunne +troepen bij Chaeronea een volkomen nederlaag (Aug. 338). Ph. behandelde +de overwonnenen gematigd, en riep te Corinthe eene vergadering van +afgevaardigden uit alle grieksche staten bijeen, waar tot den oorlog +tegen Perzië onder het opperbevel van Ph. besloten werd. Maar terwijl +hij zich met de voorbereiding van dien oorlog bezig hield, werd hij +op de bruiloft zijner dochter Cleopatra, misschien met medeweten van +zijne gemalin Olympias en hare aanhangers, door Pausanias, een van +zijne lijfwachten, vermoord (336). Hij werd door zijn zoon Alexander +opgevolgd.--3) z. Arrhidaeus.--4) zoon van Cassander, regeerde na den +dood van zijn vader korten tijd over Macedonië.--5) Ph. III (of V), +zoon van Demetrius II, opvolger van Antigonus Doson (221). Hij besteeg +den troon op zeventienjarigen leeftijd en regeerde aanvankelijk met +bekwaamheid en rechtvaardigheid; hij voerde niet zonder geluk een +oorlog tegen het aetolisch verbond, die in 217 tot een einde gebracht +werd wegens het gevaar van de inmenging der Romeinen in de zaken van +Griekenland. Toen werd op een vergadering te Naupactus besloten tot +eene vereeniging van alle gr. staten onder leiding van Ph. Doch door +zijn gewelddadig optreden, door daden van roekelooze dwingelandij, +zooals het vermoorden van Aratus (213), had hij zich, reeds voor +het tot een botsing met de Rom. kwam, zoovele vijanden gemaakt, +dat hij in die vereeniging slechts weinig steun vond. In den tweeden +punischen oorlog sloot hij een verbond met Hannibal, doch in plaats +van dezen krachtig te ondersteunen tergde hij slechts de Romeinen +door aanvallen op hunne bondgenooten, Pergamus, Rhodus, Aetolië +e. a. De Romeinen brachten eene vereeniging van Ph.'s vijanden tot +stand en wikkelden hem in een oorlog, die echter spoedig, nadat de +Macedoniërs eenige onbeduidende voordeelen behaald hadden, eindigde +(205). Maar Ph. ging voort de Rom. op de oude wijze te verbitteren, +hij vereenigde zich met Antiochus, begon een oorlog tegen Aegypte, +enz.; zoodra dus de vrede met Carthago hun de handen vrij liet, +verklaarden zij hem den oorlog, dien Ph., in het begin door het +achaeisch verbond e. a. grieksche staten gesteund, niet zonder talent +en geluk voerde. Toen echter de veldheer T. Quinctius Flamininus +den Grieken vrijheid en onafhankelijkheid beloofd had, verlieten zij +de zijde van Ph., en kort daarna verloor hij den beslissenden slag +bij Cynoscephalae (197). Hij moest zijne bezettingen uit de grieksche +steden terugtrekken, leger en vloot verminderen, 1000 talenten betalen, +enz. Sedert dien tijd was hij als het ware de speelbal der Rom., die +hem nu eens eenige meerdere vrijheid in zijne bewegingen lieten, dan +weer hem voor zijne daden ter verantwoording riepen en op alle wijzen +krenkten. Hij was te zeer ontmoedigd om zich door Hannibal of Antiochus +tot een nieuw bondgenootschap tegen de Rom. te laten overhalen, hij +streed zelfs als hun bondgenoot tegen de Aetoliërs, maar zijn steeds +toenemende haat tegen hen wendde zich tegen zijn eigen onderdanen, +en eindelijk liet hij zelfs zijn zoon Demetrius als romeinsch gezind +ombrengen, die als gijzelaar te Rome geleefd had en het vertrouwen +van het volk en den senaat genoot. Maar weldra bemerkte hij dat zijn +onechte zoon Perseus, die hem tot die daad had aangespoord, slechts +ten doel had gehad zichzelven door den dood van Demetrius den weg +tot den troon te banen, en van verdriet over het gebeurde stierf hij +(178).--6) Pseudo-Ph. z. Andriscus.--7) van Opus, leerling van Plato, +bezorgde na diens dood de uitgave van een of twee zijner werken.--8) +zoon van Herodes den Groote z. a. + +Philiscus, Philiskos, 1) van Abydus, werd door den satraap Ariobarzanes +naar Griekenland gezonden (368) om een vrede tusschen de oorlogvoerende +staten tot stand te brengen; daar zijne pogingen zonder gevolg bleven, +ondersteunde hij Lacedaemoniërs en Atheners met huurtroepen tegen +de Thebanen. Beide staten gaven hem het burgerrecht. Later werd hij +stadhouder aan den Hellespont, waar hij wegens misbruik van macht +vermoord werd.--2) van Miletus, leerling van Isocrates, schrijver van +redevoeringen e. a. werken. Hij was de leermeester van Timaeus en +Neanthes.--3) van Aegina, leerling van Diogenes, v.s. leermeester +van Alexander d. G.--4) van Corcyra, treurspeldichter, door de +Alexandrijnen in de tragische pleias opgenomen. Hij leefde onder +Ptolemaeus II. + +Philistaei, Philistaioi, de Philistijnen, z. Palaestina. + +Philistides, Philistides, wierp zich met hulp der Macedoniërs tot tyran +van Oreüs op (342). Hij trachtte met Athene vriendschapsbetrekkingen +aan te knoopen, maar zijne gezanten werden afgewezen en door een +atheensch leger onder Phocion werd Oreüs bevrijd en Philistides gedood. + +Philistion, Philistion, 1)grieksche mimograaf uit Bithynië, onder +Augustus.--2) geleerd arts en geneeskundig schrijver, dikwijls door +Galenus aangehaald. + +Philistus, Philistos, rijk Syracusaan, bloedverwant van den ouden +Dionysius, wien hij bij het verkrijgen der regeering en later +ter zijde stond, totdat hij in 386 het wantrouwen van den tyran +opwekte en verbannen werd. Door den jongen Dionysius teruggeroepen +(366), kreeg hij weder veel invloed, en de verbanning van Dio wordt +hem toegeschreven. Toen deze terugkwam, werd Ph., die het bevel +over de vloot voerde, na een ongelukkig gevecht gevangen genomen +en door het volk gedood (356). Gedurende zijne verbanning schreef +hij in Adria, aan den mond van de Po, eene geschiedenis van Sicilië +(Sikelika), waarop hij later nog een vervolg gaf. In het beschrijven +der gebeurtenissen van zijn tijd toont hij groote partijdigheid voor +Dionysius; wegens zijne duidelijk merkbare nabootsing van Thucydides +wordt hij een Thucydides in 't klein (pusillus Th.) genoemd. Van dit +zoo belangrijke werk zijn slechts enkele fragmenten over. + +Philo, familienaam in de gens Publilia en de gens Veturia (Veturii +no. 7 en 8). + +Philo, Philon, 1) Athener, die door de 30 verdreven werd en zich te +Oropus vestigde. Later kwam hij naar Athene terug, waar hij tot lid +van den raad verkozen werd.--2) van Amphipolis, door Philippus van +Macedonië verbannen (358).--3) zwager van Aeschines, in 347 lid +van het gezantschap, dat met Philippus ging vrede sluiten.--4) +bekwaam architect, die het groote arsenaal in den Piraeus +bouwde (omstreeks 300) en over onderwerpen, zijn vak betreffend, +schreef.--5) van Byzantium, leerling van Ctesibius, schrijver van +een werk over werktuigkunde, voornamelijk over de toepassingen +daarvan op het krijgswezen, waarvan een gedeelte bewaard gebleven +is.--6) van Larisa in Thessalië, leerling van Clitomachus en zijn +opvolger als hoofd der academie, soms stichter der vierde academie +genoemd. Gedurende den oorlog met Mithradates vluchtte hij naar Rome, +waar hij zich vele vrienden verwierf; Cicero ging veel met hem om.--7) +geleerde Jood van Alexandrië, geb. omstreeks 25. In zijn talrijke, +deels geschiedkundige, maar meest wijsgeerige, geschriften streeft +hij naar een vereeniging van joodsche godsdienstleer en grieksche +wijsbegeerte; door allegorische verklaring van het O.T. vindt hij +daarin de verschillende stelsels der grieksche scholen, vooral de +academische en stoicijnsche, terug. Reeds bejaard kwam hij naar +Rome (40 n. C.), om zich bij Caligula over onderdrukking zijner +geloofsgenooten te beklagen. Verslag van die Jodenvervolgingen en +van zijn gezantschapsreis heeft hij gegeven in zijne geschriften: +eis Phlakkon en Presbeia pros Gaion.--8) Herennius Ph., van Byblus, +beroemd grammaticus, schrijver van verscheiden werken, waaronder een +over het aanleggen van bibliotheken. Hij leefde in de tweede eeuw +n. C. Zie Sanchoniathon. Zie ook Ammonius no. 3. + +Philochorus, Philochoros, Athener, die in zijne talrijke werken, +waarvan vele fragmenten bewaard zijn, de geschiedenis en oudheden van +Attica met grondige geleerdheid en scherpzinnigheid behandelde. Door +latere schrijvers wordt hij dikwijls aangehaald en hoog geprezen. Als +tegenstander der Macedoniërs werd hij op last van Antigonus Gonatas +gedood (261). + +Philocles, Philokles, 1) atheensch treurspeldichter, wordt bespot als +een onhandig navolger van Aeschylus, zijn oom. Toch behaalde hij eens +den prijs tegen Sophocles. Hij zou 100 stukken geschreven hebben.--2) +atheensch admiraal, een van hen, door wier onbekwaamheid de atheensche +vloot bij Aegospotami genomen werd. Hij zelf werd gevangen genomen +en door Lysander ter dood gebracht. + +Philocrates, Philokrates, 1) atheensch veldheer, veroverde in +den peloponnesischen oorlog het eiland Melus (416).--2) Athener, +aan Euagoras van Cyprus te hulp gezonden met eene vloot, die door +de Lacedaemoniërs genomen werd (390).--3) Athener, een van de +onbeschaamdste handlangers van Philippus van Macedonië; de voor +Philippus voordeelige vrede van 346 was door hem voorgesteld en +wordt dikwijls naar hem genoemd. Later door Hyperides aangeklaagd, +nam hij de vlucht (343). + +Philoctetes, Philoktetes, zoon van Poeas en Demonassa, koning van +Meliboea, vriend van Heracles, die hem op den brandstapel, welken +niemand dan Ph. had willen aansteken, zijn boog en pijlen te geschenke +gaf. Hij trok met zeven schepen mede naar Troje, maar toen de Grieken +op het eiland Chryse geland waren om aan Athena te offeren, werd hij +door een slang gebeten, en sedert was hij door zijne klachten en door +de ondragelijke lucht van de wond zoo hinderlijk, dat men hem op raad +van Odysseus op Lemnus aan wal zette en achterliet. Daar leefde hij +eenzaam en met ondragelijke pijnen tot het tiende jaar van den oorlog, +toen een orakel verklaarde dat Troje alleen door de pijlen van Heracles +kon genomen worden. Odysseus en Neoptolemus werden gezonden om hem +te halen, en hoewel Ph. eerst niet naar hen wilde luisteren, volgde +hij hen eindelijk op bevel van Heracles zelf. Zijn wond werd door +Asclepius of Machaon genezen, met een zijner pijlen doodde hij Paris +en spoedig moest Troje vallen. V. s. verdwaalde hij op de terugreis +naar Italië, waar hij Petelia stichtte. + +Philocyprus, Philokypros, koning van Soli op Cyprus, die door Solon +bezocht en in zijne gedichten geprezen werd. + +Philodemus, Philodemos, van Gadara, epigrammendichter en geleerd +epicureïsch wijsgeer, tijdgenoot van Cicero. Behalve een dertigtal +epigrammen zijn ook van zijne wijsgeerige werken aanzienlijke +fragmenten bewaard, die te Herculaneum gevonden zijn. + +Philoetius, Philoitios, de herder der runderen van Odysseus, die hem +behulpzaam was bij het dooden der minnaars van Penelope. + +Philolaus, Philolaos, 1) van Corinthe, wetgever der Thebanen.--2) van +Croton of Tarentum, tijdgenoot van Socrates, pythagoreïsch wijsgeer, +de eerste die de leer van Pythagoras te boek stelde; slechts weinige +fragmenten zijn bewaard gebleven. V. s. was hij de eerste, die leerde +dat de aarde zich om hare as beweegt. + +Philomela, Philomele, z. Procne. + +Philomelus, Philomelos, van Ledon, spoorde de Phocensers tot tegenweer +aan, toen zij door de Amphictyonen in den ban gedaan waren, en werd +hun veldheer in den daarop gevolgden heiligen oorlog. Daar hij noch +bij Sparta, noch bij Athene de verwachte hulp vond, moest hij zijn +kracht in huurtroepen zoeken, en om deze te kunnen betalen, plunderde +hij den tempel te Delphi (356). Na eenige kleine overwinningen op de +Thebanen en Locriërs leed hij eene groote nederlaag, waarop hij zich +in een afgrond stortte (354). + +Philometor, Philometor, bijnaam van Ptolemaeus VI. + +Philonides, Philonides, atheensch blijspeldichter, onder wiens naam +het eerste stuk van Aristophanes werd opgevoerd, daar deze zich te +jong achtte om voor het publiek op te treden. Ook als tooneelspeler +trad hij in de stukken van Aristophanes op. + +Philonoë, Philonoe, 1) dochter van Tyndareos en Leda, door de gunst +van Artemis onsterfelijk gemaakt.--2) dochter van Iobates, gemalin +van Bellerophon. + +Philopappus (Antiochus), Philopappos, afstammeling der koningen van +Commagene, liet ten tijde van Traianus een marmeren gedenkteeken te +Athene oprichten, waarvan nog overblijfsels bestaan. + +Philopator, Philopator, bijnaam van Ptolemaeus IV. + +Philopoemen, Philopoimen, van Megalopolis, geb. 253, om zijn +heldenmoed en liefde voor de vrijheid "de laatste der Grieken" +genoemd, onderscheidde zich reeds als soldaat, toen zijne vaderstad +door Cleomenes III belegerd werd (223), en later in den slag bij +Sellasia. Na een verblijf van eenige jaren op Creta, waar hij in een +burgeroorlog medestreed, keerde hij naar zijn vaderland terug, en in +208 werd hij tot strateeg van het achaeïsch verbond gekozen, welke +betrekking hij later nog zevenmaal bekleedde. Als zoodanig voerde hij +gepaste hervormingen in het krijgswezen in en wist hij den Achaeërs +een nog ongeëvenaarde geestdrift voor hunne zaak in te boezemen, hij +behaalde eene groote overwinning op Machanidas bij Mantinea (207); +Argos, dat het verbond had verlaten, omdat dit zich met de Romeinen had +vereenigd, werd genoodzaakt weder toe te treden. Ofschoon hij in een +zeeslag overwonnen werd, versloeg hij de Lacedaemoniërs later weder te +land, en na den dood van Nabis dwong hij Sparta tot het verbond toe +te treden (192). Maar toen deze stad na eene poging tot afval door +hem ingenomen en van hare muren ontdaan was, wendden de Spartanen +zich tot de Rom. om hulp. Door hun steun wist nu eene oligarchische +partij onder Dinocrates ook den afval van Messenië te bewerken, en +toen Ph., hoewel hij ziek was, kwam toesnellen, joeg hij wel in het +eerst Dinocrates op de vlucht, maar nadat zijn paard gevallen was en +hij daardoor zich ernstig bezeerd had, werd hij gevangen genomen en +reeds den volgenden nacht gedwongen den giftbeker te drinken (183). + +Philostratus, Philostratos, 1) atheensch sophist in de 2de eeuw na C., +schreef o. a. 43 treurspelen en 14 blijspelen. Van al zijne werken is +niets bewaard. Tegenwoordig wordt echter de kleine dialoog Neron, die +onder de werken van Lucianus is opgenomen, aan hem toegeschreven.--2) +Flavius Ph., zoon van den vorigen, leefde eerst te Athene, later te +Rome in de omgeving van Julia Domna en Caracalla. Van zijne talrijke +werken zijn o. a. bewaard eene romantische levensbeschrijving van +Apollonius van Tyana, levensbeschrijvingen van grieksche rhetoren in +den rom. keizertijd en andere van minder belang.--3) de jonge Ph., +schoonzoon van den vorigen, leefde te Athene, bezocht Rome en stierf op +Lemnus. Van zijne werken bezitten wij nog eene rhetorische beschrijving +van eene verzameling schilderijen.--4) kleinzoon van no. 3, schrijver +van eene niet zeer gelukkige navolging van laatstgenoemd werk. + +Philotas, Philotas, 1) zoon van Parmenio, officier en vriend +van Alexander d. Gr., bij wien hij zich echter later door zijne +vrijmoedigheid gehaat maakte. Daar hij geene aangifte gedaan had +van eene samenzwering tegen het leven van Alex., die hem ter oore +gekomen was, werd hij als medeplichtige daaraan beschouwd, ter dood +veroordeeld en gesteenigd (330).--2) bevelhebber der macedonische +bezetting in Thebe onder Alexander d. Gr.; na diens dood werd hem +Cilicië als satrapie gegeven, doch in de daarop volgende oorlogen +geraakte hij in gevangenschap. + +Philoxenus, Philoxenos, 1) van Cythera, beroemd dithyrambendichter, +vroeger slaaf, later leerling van den jongen Melanippides. Hij +reisde door Griekenland, Italië, Sicilië en Klein-Azië en stierf te +Ephesus (380). Wegens zijne vrijmoedige afkeuring van de gedichten +van Dionysius I had hij te Syracuse eenigen tijd in de gevangenis +doorgebracht.--2) onder Alexander d. G. schatmeester voor de +westelijke provinciën, later opvolger van Philotas no. 2 als satraap +van Cilicië.--3) van Eretria, beroemd schilder omstreeks het einde +der 4de eeuw. Vooral bekend was zijne schilderij van den slag bij +Issus. Een copie hiervan is waarschijnlijk het beroemde mozaiek uit +Pompei.--4) geleerd grammaticus van Alexandrië, leefde in de 1ste +eeuw te Rome. Hij was een tijdgenoot van Varro, die veel aan hem te +danken had. + +Philus, familienaam in de gens Furia (Furii no. 1 en 2). + +Philyra, Philyra, Oceanide, bij Cronus moeder van Chiron; uit smart +over de gedaante van haar zoon veranderde zij in een lindeboom. + +Philyrides, Philyrides, Chiron, zoon van Philyra. + +Phineus, Phineus, 1) broeder van Cepheus, door Perseus met het +Medusahoofd versteend, omdat hij van zijne verloofde Andromeda geen +afstand wilde doen.--2) zoon van Agenor, koning van Salmydessus, +had bij Cleopatra twee zonen, wien hij op aandrijven zijner tweede +gemalin, Idaea, de oogen liet uitsteken. Daarvoor werd hij door +de Harpyieën gekweld, die zijne spijzen wegroofden of bezoedelden, +totdat de Argonauten bij Ph. landden en de Harpyieën door Zetes en +Calaïs verjaagd werden.--Ph. had van Apollo de kunst van voorspellen +geleerd, maar had daarvan roekeloos gebruik gemaakt, waarom hij door +Zeus van het gezicht beroofd werd. + +Phintias, Phintias, 1) zie Damon.--2) tyran van Agrigentum. + +Phintias, Phintias, stad aan de Zuidkust van Sicilia, door Phintias, +tyran van Agrigentum, gesticht. + +Phla, Phla, eilandje in het Tritonische meer in Africa, ten W. der +groote Syrte. + +Phlegethon, Phlegethon = Pyriphlegeton. + +Phlegon, Phlegon, van Tralles, vrijgelatene van Hadrianus, schrijver +van eenige onbeduidende werken over geschiedenis. Het eenige, dat +bewaard is, heeft slechts zekere belangrijkheid door de daarin bevatte +aanhalingen van oudere schrijvers. + +Phlegra, Phlegra, oude naam van het schiereiland Pallene op Chalcidice, +waar Zeus de Giganten door zijn bliksems vernietigde. + +Phlegraei campi, zie campi Phlegraei. + +Phlegyae, Phlegyai, een rooversstam, die den delphischen tempel wilde +plunderen, en door Zeus met donder en bliksem vernietigd werd. + +Phlegyas, Phlegyas, zoon van Ares en Chryse, mythisch stamvader der +Phlegyers. Toen zijne dochter Coronis bij Apollo moeder geworden +was van Asclepius, stak hij in toorn den tempel van Apollo in +brand. Daarvoor doodde de god hem met zijn pijlen en moet Ph. in +de onderwereld onder een rotsblok zitten, dat steeds dreigt op hem +te vallen. + +Phliasia, Phliasia, gebied van Phlius. + +Phlius, gen. -untis, Phlious, stad in de Peloponnesus, ten Z. van +Sicyon. Het had slechts een klein gebied. + +Phlyax, Phlyakes. Bij de dorische comoedia, vooral op Sicilia, +is niet, zooals in Attica, de satire, maar het humoristische +element de hoofdzaak (z. Epicharmus); de eenvoudigste vorm +hiervan is de phlyax, terwijl de spelers ook phlyakes heeten. In +deze stukjes worden in plaatselijk dialekt sprookjes en mythen +geparodieerd (z. Sopater no. 1). Men vindt ze in later tijd vooral in +Zuid-Italië. Waarschijnlijk staan de Atellanae fabulae (z. a.) onder +hun invloed. Vgl. ook Mimus en Rhinton. + +Phobetor, Phobetor, zoon van Hypnus, broeder van Morpheus (z. a.). + +Phocaea, Phokaia, noordelijkste der aziatisch-ionische steden, eene +belangrijke handelsstad met twee havens, gedekt door het eilandje +Bacchium, dat rijk was aan tempels en prachtige gebouwen. De inwoners +(Phocaei, Phokaes, terwijl de bewoners van Phocis Phocenses, Phokes, +genoemd worden) waren onder de eersten, die koloniën stichtten, +o.a. Massilia (Marseille). Toen Cyrus' veldheer Harpagus de grieksche +steden op de aziatische kust veroverde, weken de Phocaeërs uit naar +Alalia op Corsica (zie Aleria); een gedeelte stichtte toen Elea of +Velia op de W.kust van Lucania. Later keerde echter het meerendeel +uit Corsica naar Phocaea terug. In den syrischen oorlog werd Ph. door +de Rom. geplunderd (190). + +Phoceae, Phokeai, sterkte in het gebied der sicilische stad Leontini. + +Phocion, Phokion, Athener van geringe afkomst, leerling van +Plato. Wegens zijne dapperheid en bekwaamheid herhaaldelijk tot +strateeg gekozen, won hij den slag bij Tamynae (349/8), verjoeg hij +de tyrannen Philistides en Clitarchus, nam hij Oreüs en Eretria in +(341), en verdedigde hij Byzantium tegen Philippus en Megara tegen de +Thebanen. Maar terwijl hij dus in het veld voor de belangen van Athene +tegen Macedonië streed, was hij bij zichzelf overtuigd, dat het volk +van zijn tijd voor de vrijheid ongeschikt was, en dat op den duur +tegenstand tegen Philippus vruchteloos moest zijn. Daarom was hij, +in tegenstelling met Demosthenes, altijd voor vrede, ried hij na den +slag bij Chaeronea tot het aannemen der voorwaarden van Philippus, +en trachtte hij na diens dood de democratische bewegingen te Athene +tegen te houden. Zijne eerlijkheid bleef ondertusschen boven allen +twijfel verheven; wat Philippus en na hem Alexander hem ook mochten +aanbieden, Ph. nam nooit geschenken of gunsten van hen aan, wel +bewerkte hij, dat Alexander de redenaars vrijliet, wier uitlevering +hij geëischt had, ofschoon hijzelf voor de inwilliging van dien eisch +gestemd had. Het uitbreken van den lamischen oorlog zocht hij met +alle kracht te beletten, en ook het aanvankelijk gunstig verloop er +van stelde hem niet gerust; toen de oorlog ongelukkig voor de Grieken +was afgeloopen, ging hij met Demades naar Antipater om over den vrede +te onderhandelen. In weerwil van de harde voorwaarden van den vrede, +stond Ph. nu eenige jaren aan het hoofd van den staat, maar toen +Antipater gestorven was, Polyperchon het herstel der oude toestanden +beloofde, en Ph. zich hiertegen trachtte te verzetten, werd het volk +ontevreden, vooral toen hij, hoewel gewaarschuwd, niet belette dat +de bevelhebber der troepen van Antipater den Piraeus innam. Bij de +nadering van Alexander, den zoon van Polyperchon, werd Ph. gevangen +genomen, van verraad aangeklaagd en door de geheele volksvergadering +ter dood veroordeeld (318). Hij was 81 jaar oud geworden. Kort daarna +werd voor hem een standbeeld opgericht. + +Phocis, Phokis, bergachtig en niet vruchtbaar landschap van +Midden-Griekenland. In de geschiedenis is het het meest bekend door de +zoogenaamde heilige oorlogen. Over den eersten z. Crissa. Crisa werd +verwoest en zijn gebied aan den delphischen god gewijd (± 590). De +tweede oorlog had in 355 plaats, toen de Phocensers een stuk der +crisaeïsche vlakte hadden bebouwd. Tot een boete veroordeeld die zij +niet konden betalen, maakten zij zich van de delphische tempelschatten +meester en wierven huurtroepen, die spoedig hun zelven te machtig +werden. Philippus van Macedonia, door de Thebanen te hulp geroepen, +drong in 346 Phocis binnen, het huurleger sloot een verdrag en liet de +Phocensers aan hun lot over, die het nu ontgelden moesten. Zij werden +uit het Amphictyonenverbond gestooten en hun plaats daarin werd aan +Philippus gegeven. Zie verder ook Amphissa. De Parnassus met den +delphischen tempel lag wel in Phocis, doch Delphi behoorde er niet +toe, maar was een gemeenschappelijk gebied der Amphictyonen. In de +stad Daulis behoort de mythe te huis van het zusterpaar Philomela +en Procne. De bewoners van Phocis worden Phocenses, Phokes, genoemd +(zie Phocaea). + +Phocus, Phokos, 1) zoon van Poseidon, verhuisde van Corinthe naar +het land, dat naar hem Phocis genoemd wordt.--2) zoon van Aeacus en +Psamathe, werd door Telamon en Peleus gedood. + +Phocylides, Phokylides, van Miletus, gnomisch dichter uit de 6e eeuw; +de korte fragmenten (gnomen), die van zijne werken bewaard zijn, +zijn ernstig en eenvoudig; een langer gedicht, dat zijn naam draagt, +is van veel lateren tijd. + +Phoebe, Phoibe, 1) bijnaam van Artemis.--2) dochter van Uranus en Gaea, +bij Coeüs moeder van Asteria en Leto, vóór Apollo bezitster van het +orakel van Delphi.--3) eene van de Leucippides.--4) dochter van Leda. + +Phoebeum, Phoibeion, vlek bij Sparta, met een tempel der Dioscuren. + +Phoebidas, Phoibidas, spartaansch veldheer, liet zich, toen hij met +troepen op weg was naar Olynthus, door de oligarchische partij te Thebe +overhalen om de Cadmea te bezetten (382). Hij werd wel teruggeroepen +en beboet, omdat hij zonder voorkennis der regeering gehandeld had, +doch later werd hij als harmost naar Thespiae gezonden, in welke +betrekking hij bij een aanval der Thebanen sneuvelde (378). + +Phoebus, Phoibos, bijn. van Apollo en Helius. + +Phoenice, Phoinike, handelsstad in Chaonia in Epirus, ten N. van +Buthrotum, hoofdstad van den epirotischen bond, zie Epirus. + +Phoenice of -cia, Phoinike, het smalle kustland ten N. van Palaestina, +tusschen de Middellandsche zee en den Libanon, een land, bloeiende +door zeevaart, handel en nijverheid, waaronder de glasfabricatie, +de purperververijen, weverijen en metaalfabrieken de hoofdtakken +waren. In dien bloeitijd waren de bosschen van den Libanon nog niet +geveld en ondervond het land, wat klimaat en bodem betrof, nog den +weldadigen invloed daarvan. Het land vormde niet één staat, maar een +bond van steden, waaronder Tyrus en Sidon de meest beroemde waren. De +Phoeniciërs (Phoenices, Phoinikes) strekten hunne tochten uit tot +ver langs de kusten van den Atlantischen oceaan, doch de kennis, +op die tochten opgedaan, behoorde tot de staatsgeheimen en ging met +hen verloren. + +Phoenicus, gen. -untis, Phoinikous, naam van verschillende steden, +o. a. 1) in Ionia, aan den voet van den Mimas, tegenover het eiland +Chius.--2) een zeerooversnest in Lycia, door P. Servilius Vatia in +78 vernield. Eigenlijk is het een in zee uitstekend gebergte aan de +O.-kust van Lycia = Olympus no. 4.--3) op de Zuidkust van Messenia.--4) +op het eiland Cythera. + +Phoenix, Phoinix, 1) vader of broeder van Europa, mythisch +stamvader der Phoeniciërs.--2) zoon van Amyntor en Cleobule, een +van de calydonische jagers. Op aansporen van zijn moeder knoopte +hij liefdesbetrekkingen aan met een vrouw, die door Amyntor bemind +werd, waarvoor zijn vader hem vervloekte en wegjoeg. Hij vluchtte +naar Peleus, werd de opvoeder en vriend van Achilles en ging met +hem naar Troje.--3) van Colophon, iambendichter tegen het einde der +4de eeuw. Van hem zijn enkele gedichten, moraliseerende choliamben, +in een papyrus teruggevonden.--4) fabelachtige heilige vogel der +Aegyptenaren. Over de wijze, waarop hij sterft, waren verschillende +verhalen in omloop, het meest gewone is, dat hij, na een leven van 500 +(of 1461, of 7006) jaar, op een door hemzelf gemaakten brandstapel +den dood vindt en daarna verjongd uit de asch herboren wordt. + +Phoenodamas, Phoinodamas, Trojaan, wiens dochter door Laomedon +(z. a.) geofferd zou worden aan het door Poseidon gezonden zeemonster +en die daarom een opstand verwekte, zoodat Laomedon zijn eigen dochter +moest offeren. Hij was de vader van Segesta, de moeder van Acestes. + +Pholoë, Pholoe, grensgebergte tusschen Arcadia en Elis, zijtak van +den Erymanthus. + +Pholus, Pholos, Centaur, die Heracles gastvrij ontving. Toen de andere +Centauren Heracles lastig vielen, ontstond een gevecht, waarin bij +ongeluk ook Ph. door Heracles gedood werd. + +Phorbas, Phorbas, zoon van Lapithes en Orsinome, werd ingevolge +een orakel door de Rhodiërs uit Thessalië geroepen om hun eiland +van slangen te zuiveren. Daarvoor werd hij later door hen als heros +vereerd. Hij stond Alector van Elis tegen Pelops bij, en kreeg daarvoor +een deel van zijn land en zijne zuster Hyrmine; zijn afstammelingen +werden koningen van Elis. Hij plunderde den delphischen tempel en +werd door Apollo zelf gewond. + +Phorcides, Phorcynides, Phorkides, de Gorgonen en Graeën, dochters +van Phorcys. + +Phorcys, -cus, Phorkys, -kyn, -kos, 1) zoon van Pontus en Gaea, een +van de zeegoden, vader van de Gorgonen, de Graeën, de Hesperiden, +den draak Ladon en de nimfen Thoosa en Scylla.--2) aanvoerder der +Phrygiërs in den trojaanschen oorlog, door Aiax gedood. + +Phorminx, het oudste snareninstrument der Grieken, had veel +overeenkomst met de lier en harp. Bij het bespelen hing het aan een +band of riem over den schouder. + +Phormio, Phormion, 1) verdienstelijk atheensch veldheer in het begin +van den peloponnesischen oorlog, behaalde o.a. bij Naupactus eene +overwinning op een sterkere vloot der Spartanen (429).--2) van Ephesus, +peripatetisch wijsgeer, wilde Hannibal theoretisch onderricht in de +krijgskunst geven. Vandaar spreekwoordelijk voor iemand die anderen +iets wil leeren, wat hij zelf minder goed verstaat. + +Phoroneus, Phoroneus, zoon van Inachus, koning van de Peloponnesus, die +den dienst van Hera invoerde, de menschen in steden vereenigde en hun +het gebruik van vuur leerde. Hij werd in Argos als heros vereerd. Naar +hem werden de Argiven Phoronidae, en zijne zuster Io Phoronis genoemd. + +Phosphorus, Lucifer, Eous, Phosphoros, Phaesph., Heosph., 1) de +morgenster, zoon van Astraeus of Cephalus en Eos.--2) bijnaam van de +lichtgodinnen Artemis, Hecate, Eos. + +Phraates, Phraates, naam van eenige parthische koningen uit het huis +der Arsaciden. Zie Arsaces. + +Phragandae, thracische stam op de macedonische grenzen. + +Phraortes, Phraortes, zoon en opvolger van Deïoces, regeerde over Medië +(647-625); hij onderwierp de Perzen e. a. volken, maar sneuvelde in +een strijd tegen de Assyriërs. + +Phrataphernes, Phrataphernes, satraap van Parthië onder Darius +Codomannus; hij streed in den slag bij Gaugamela, maar onderwierp +zich daarna aan Alexander. Deze liet hem zijne satrapiën Parthia en +Hyrcania, die hij gedurende zijn verder leven behield. + +Phratria, oudtijds eene afdeeling van den atheenschen adel. Door +Clisthenes werd het aantal phratriën uitgebreid, en ook niet-adellijke +burgers erin opgenomen. Tot Clisthenes waren in iedere phyle drie +phratriën, in welke verhouding zij tot de latere phylae stonden is +niet bekend. Ieder burger moest tot eene phr. behooren, jonggeboren +kinderen werden op de Apaturia (z. a.) in de phr. van hun vader +ingeschreven, terwijl de medeleden (phratores, phrateres) tegen de +inschrijving van onechte kinderen of om andere redenen onbevoegden +moesten waken. Vrouwen gingen bij huwelijk in de phr. van haar man +over. Ook verrichtten de leden eener phr. zekere gemeenschappelijke +godsdienstige plechtigheden. + +Phrixa, Phrixa of -ai, stad in Elis ten Z. van den Alpheus. + +Phrixus, Phrixos, zoon van Athamas (z. a.) en Nephele. Door zijne +moeder wonderdadig van den dood gered, vluchtte hij naar Aea, waar +hij den ram, die hem overgebracht had, aan Zeus offerde en de gouden +vacht aan Ares wijdde. Hij huwde met Chalciope, de dochter van Aeetes. + +Phrontis, Phrontis, zoon van Onetor, stuurman van Menelaus. Apollo +doodde hem op de terugreis van Troje, ten einde Menelaus op te houden. + +Phrygia, Phrygia, gewest van Asia minor, ten O. van Lydia. Men +onderscheidde Phrygia minor of Phrygia ad Hellespontum (zie Mysia), +waartoe ook Troas behoorde, en Phrygia maior. Onder de Rom. werd +alleen het laatste met den naam van Phrygia bedoeld. De Phrygiërs +waren een uitgebreid volk, dat reeds vroeg op beschaving en kunst kon +bogen, doch op dit gebied bleef stilstaan, sedert zij door Croesus +lydische, en later met de Lydiërs perzische onderdanen werden. Onder +hun eigen koningen, de Gordiussen en Midassen, hadden zij eenmaal een +machtig rijk uitgemaakt, dat zich zelfs over Lydia uitstrekte. Zij +noemden zichzelven autochthonen, doch reeds bij de ouden heerschte +de meening, dat de Phryges in den voorhistorischen tijd uit Thracia +waren overgekomen. Eene phrygische eigenaardigheid was het uithouwen +van woningen en zelfs steden in rotsen. Bij de rom. dichters is +dikwijls Phrygius = trojaansch, Phryges = Trojanen, bij Vergilius +zelfs = Romeinen. + +Phrygia Mater = Rhea Cybele. + +Phrygius of Phryx, Phrygios, rivier in Lydia, zijtak van den Hermus. + +Phryne, Phryne, van Thespiae, een schoone hetaere, die ten tijde +van Alexander d. Gr. te Athene leefde, zeer rijk was, en tot model +diende voor de cnidische Aphrodite van Praxiteles en voor de Aphrodite +Anadyomene van Apelles. Praxiteles plaatste haar beeld naast dat van +Aphrodite in den tempel van Eros te Thespiae. + +Phrynichus, Phrynichos, 1) Athener, zoon van Polyphradmon, een van +de oudste treurspeldichters, behaalde zijne eerste overwinning in +511. Hij was de eerste die vrouwenrollen in zijne stukken bracht en +v. s. ook de eerste die zijne stukken tot trilogieën en tetralogieën +vereenigde. Den meesten roem behaalde hij door de schoonheid der +lyrische partijen. Zijne Miletou alosis, waarin de inneming van +Miletus na den ionischen opstand bezongen werd, trof de Atheners zoo, +dat het stuk verboden en de dichter met 1000 drachmen beboet werd +(496). In 476 werden zijne Phoinissai, ook een historisch stuk, +opgevoerd.--2) blijspeldichter te Athene, zoon van Eunomides, +tijdgenoot van Aristophanes, door wien hij dikwijls bespot wordt.--3) +tooneelspeler en danser, tijdgenoot van Aristophanes.--4) Athener, +zoon van Stratonides, speelde als bevelhebber der vloot bij Samus eene +zeer dubbelzinnige rol bij de onderhandelingen over de terugkomst van +Alcibiades. Onder de regeering der 400 werd hij als veldheer afgezet, +maar vreezende voor de wraak van Alcibiades, sloot hij zich niettemin +bij de oligarchische partij aan; door deze werd hij met Antiphon +als gezant naar Sparta gezonden om over vrede te onderhandelen; +bij zijne terugkomst werd hij door zekeren Thrasybulus van Calydon +op straat vermoord (411).--5) grammaticus uit de tweede eeuw n. C., +schrijver van een woordenboek van attische woorden en uitdrukkingen, +waarvan eenige uittreksels bewaard zijn. + +Phrynis, Phrynis, van Mitylene, beroemd dithyrambendichter tegen het +einde der 5de eeuw. + +Phtha(s), Phtha, Phthas, aegyptisch god, vooral te Memphis vereerd, +door de Grieken met Hephaestus geïdentificeerd. Hij wordt afgebeeld +als een dwerg met stok en zweep, soms met een valkekop. + +Phthia, Phthia, 1) = Phthiotis.--2) stad in Phthiotis, de zetel +van Peleus en Achilles, waarschijnlijk in den omtrek van het latere +Thebae Phthiotides. + +Phthiotis, Phthiotis, bij Homerus Phthia, het Z. O. gewest van +Thessalia, oudtijds ook wel als Achaia bekend, het stamland der +Achaeërs. Hier behoorde Achilles te huis. + +Phyle, bij de Grieken eene afdeeling van het volk, waarvan de leden +oorspronkelijk door werkelijke of vooronderstelde gemeenschappelijke +afkomst of door gemeenschappelijke woonplaatsen in nauwere betrekking +tot elkander stonden. In Attica worden uit den mythischen tijd +vele indeelingen vermeld, waarvan de beteekenis niet duidelijk is; +de zoog. indeeling van Theseus in Eupatridai, Geomoroi, Demiourgoi +berust blijkbaar op verschil van standen. Tot aan Solon had men de +gewone ionische verdeeling in 4 phylae (Geleontes, Hopletes, Argadeis, +Aigikores), die aan Ion toegeschreven wordt. Solon verdeelde de burgers +naar hun vermogen in 4 klassen met verschillende staatkundige rechten: +Pentakosiomedimnoi, Hippes, Zeugitai, Thetes, de oude ionische phylen +bleven voor godsdienstige doeleinden daarnevens bestaan, ook toen +Clisthenes eene geheel nieuwe verdeeling in 10 phylae invoerde, +waaraan hij de namen van inheemsche heroën gaf. Deze phylae waren +geene plaatselijke eenheden, maar werden uit drie trittyes (z. a.), +dus uit dikwijls ver van elkander verwijderde demen samengesteld, +ten einde in dezelfde phyle personen van verschillende afkomst +en stand te vereenigen. Aan het hoofd van iedere phyle stonden +epimeletai. Voor het leger en den raad leverde iedere phyle een +gelijk aandeel. Bij de 10 phylae werden in 301 nog twee gevoegd, +die naar Antigonus en Demetrius genoemd werden, in 221 kwam eene +dertiende er bij, die naar Ptolemaeus (Euergetes) heette, kort +daarop werden de beide eerstgenoemde opgeheven, maar in 200 werd het +aantal weder op 12 gebracht door toevoeging van eene, die den naam +van Attalus kreeg (z. ook Phratria).--In de dorische staten is de +dorische bevolking overal in 3 phylae verdeeld: Hylles, Pamphyloi, +Dymanes, zoo genoemd naar den zoon van Heracles en de beide zonen van +Aegimius; de niet dorische bevolking vormt, waar zij eenig aandeel +aan het burgerrecht heeft, eene afzonderlijke phyle, zooals in Argos +en Sicyon. Iedere phyle is in 10 obae (obai) verdeeld. Waarop hier de +verdeeling berustte is onbekend, v. s. zijn zoowel phylae als obae +plaatselijk van elkander gescheiden, ofschoon ten minste in Sparta +ook eene plaatselijke indeeling in 5 komai bestond. + +Phylobasileus, bestuurder eener phyle in den tijd voor Clisthenes +of Solon; ook toen deze phylen alleen voor den eeredienst beteekenis +behouden hadden, bleef de waardigheid van phylob. bestaan. + +Phylace, Phylake, stadje in Phthiotis, ten O. van den Enipeus, +geboorteplaats van Protesilaus. + +Phylacus, Phylakos, 1) zoon van Deïon en Diomede, vader van Iphicles +no. 3, stichter van Phylace.--2) heros, die den delphischen tempel +tegen de Galliërs beschermde en daarvoor te Delphi een heiligdom had. + +Phylarchus, Phylarchos, van Athene, Sicyon of Naucratis, tijdgenoot +van Aratus, schreef eene geschiedenis van de jaren 272-220 in 28 +boeken. Zijn werk wordt, voor zoover men uit de weinige fragmenten kan +opmaken ten onrechte, door Polybius en Plutarchus streng veroordeeld; +toch maakte laatstgenoemde er veel gebruik van. + +Phyle, Phyle, sterk kasteel in Attica aan de Zuidwestelijke helling +van den Parnes, 3 uur afstands ten N. van Athene. In den tijd der 30 +te Athene (404-403) bezette Thrasybulus aan het hoofd der atheensche +ballingen deze sterkte en maakte zich van daar uit van den Piraeus +meester. + +Phyleus, Phyleus, zoon van Augias, een van de deelnemers aan de +calydonische jacht, werd door zijn vader verjaagd, omdat hij voor +Heracles partij getrokken had. Deze bracht hem later in zijn vaderlijk +rijk terug, maar hij liet het aan zijn broeder Agasthenes over en +ging naar Dulichium. + +Phyllidas, Phyllidas, Thebaan, die in weerwil van zijne democratische +gezindheid gedurende de spartaansche bezetting geheimschrijver der +polemarchen werd. Hij begunstigde de samenzwering van Pelopidas en +noodigde de polemarchen Archias en Philippus in zijn huis tot een +feest, waarbij zij door de saamgezworenen gedood werden. + +Phyllis, Phyllis, z. Demophon no. 2. + +Phyllis, Phyllis, landstreek aan den mons Pangaeus. + +Phyllus, Phyllos, stad in Thessaliotis, bij den Enipeus, met een +Apollo-tempel. Dichterlijk: Philleius = thessalisch. + +Physcon, Physkon, dikbuik, bijnaam van Ptolemaeus VII. + +Physcus, Physkos, 1) zijtak van den Tigris, die zich bij de stad Opis +met den hoofdstroom vereenigt.--2) berg in Bruttii, bij Croton.--3) +haven op de Z. kust van Caria. + +Phytalus, Phytalos, een heros van Eleusis, die Demeter op hare +zwerftochten gastvrij ontving. Tot belooning leerde zij hem het +kweeken van den vijgeboom. + +Phyxius, Phyxios, beschermer der vluchtelingen, bijnaam van Zeus bij +de Thessaliërs. + +Picentes, Piceni, bewoners van Picenum. + +Picentia, tgw. Vicenza, hoofdstad der Picentini, nabij de golf van +Paestum (golf van Salerno). + +Picentini, een gedeelte der Picentes, dat uit Picenum naar het Z.O. van +Campania was verhuisd. + +Picenum, Pikentine, kustland van Italia aan de Adriatische +zee, tusschen Umbria en Samnium gelegen. De bewoners, Piceni, +Picentes, waren van sabijnschen stam. In 268 werden zij door de +Rom. onderworpen. Een gedeelte der Piceners werd daarna naar Campania +overgebracht en zette zich aan den sinus Paestanus (golf v. Salerno) +neder, waar zij naar hunne hoofdstad Picentia den naam Picentini +kregen. + +Pictavi, zie Pictones. + +Picti, in de 4de eeuw n. Chr. voor het eerst voorkomende naam van +een volksstam in het Noorden van Schotland; ze woonden ten N. van +de Firth of Forth, terwijl de Scoti, die tegelijk met hen optreden, +in Zuid-Schotland en Ierland wonen. + +Pictones of Pictavi, machtig gallisch volk in het +tegenw. Poitou. Hoofdstad: Limonum (Poitiers). + +Pictor, zie Fabii no. 24 vv. + +Picumnus, italiaansche god van den landbouw, die het bemesten der +landerijen zou uitgevonden hebben. Hij was de broeder van Pilumnus +(z. a.). + +Picus, veld- en boschgod der Romeinen, wiens dienst reeds vroeg +verouderd was. Hij wordt de zoon van Saturnus, de gemaal van Pomona of +van de nimf Canens, de vader van Faunus genoemd. Daar hij de liefde +van Circe onbeantwoord liet, veranderde zij hem in een specht. Hij +wordt voorgesteld als een specht op een zuil zittend, of als een +jongeling met een specht op het hoofd. + +Pieria, Pieria, 1) landschap van Macedonia op de grenzen van +Thessalia, in het N. door den Haliacmon, in het O. door de golf van +Thermae begrensd. Dit Pieria was de zetel van den Muzendienst (zie +Pierides), aan wie de berg Pierus geheiligd was. De Pieriërs waren +een thracische stam; in de 7de eeuw werden zij door de Macedoniërs +verdreven en vestigden zij zich aan den Strymon, in den omtrek van +den mons Pangaeus, ook deze streek kreeg toen den naam Pieria.--2) +landstreek in het N. der syrische kust, tusschen de golf van Issus en +den Orontes, aan den berg Pieria, een uitlooper van den Amanus.--3) +(of Pierium, Pierion), berg in het W. van Thessalia. + +Pierides, Pierides, de Muzen, naar hare geboorteplaats Pieria. + +Pierus, Pieros, koning van Emathia, vader der Emathides. + +Pierus, Pieros, berg in het W. van Thessalia = Pieria no. 3. + +Pignoris capio. Wanneer een rom. burger zijne verplichtingen niet +nakwam, waren er gevallen, waarin de praetor aan de benadeelde +partij verlof gaf, een of ander eigendom van den nalatige in pand te +nemen. Kwam de laatste dan binnen zekeren tijd zijne verplichtingen +nog niet na en loste hij dus het pand niet in, dan konde de ander +het verkoopen en zich uit de opbrengst schadeloos stellen. + +Pigres, Pigres, zoon of broeder van Artemisia no. 1, v. s. dichter +der Batrachomyomachie, zie ook Margites. + +Pigrum mare, de gestolde zee, zie Cronium mare. + +Pilani, zie hastati. + +Pilentum, een vierwielige, door twee paarden getrokken, overdekte wagen +(currus arcuatus), waarin flamines, Vestales en matronae naar offers +en spelen reden. + +Pileus, pilos, vilten hoed of liever muts voor mannen, bij +verschillende volken in verschillende fatsoenen in gebruik. De +Rom. droegen den pileus zelden, althans in de stad; bij goed weder +gingen zij meest blootshoofds, bij regen trokken zij zich een kap +of cucullus over het hoofd. Slaven mochten geen hoofddeksel dragen; +vandaar dikwijls ius pilei = libertas. + +Pilorus, Piloros, stadje op het chalcidische schiereiland Sithonia, +aan den sinus Singiticus. + +Pilum, de beroemde rom. werpspies, niet lang, slechts ongeveer 2 meter, +maar zwaar en met een scherp gestaalde van weerhaken voorziene punt. De +schacht was zoo in het ijzer (of omgekeerd) bevestigd, dat zij bij +pogingen om de speer ergens uit te rukken, licht afbrak, evenals +de fijne punt, zoodat de vijand het wapen niet kon terugwerpen. De +rom. soldaten waren in het gebruik van dit wapen zeer geoefend. De +aanval begon in den regel met het werpen van het pilum; door schilden +van hout- of teenwerk drong het met gemak heen, reeg ze zelfs aan +elkaâr, en noodzaakte dan door zijne zwaarte den vijand zich te +ontblooten, terwijl onmiddellijk de aanval met het zwaard volgde. + +Pilumnus, 1) landelijke godheid der Rom., die den Italianen het +dorschen, eig. het stampen (pinsere), van het koren geleerd had. Hij +was een broeder van Picumnus; in een huis, waar een kind geboren was, +werd gedurende de eerste dagen voor beiden in het atrium een bed +gespreid, zie ook Deverra.--2) z. Danae. + +Pimpleae, Pimpleides, Pimpleides, bijnaam der Muzen, naar de stad +Pimplea in Piërië of naar een bron van dien naam aan den Helicon. + +Pinara, ta Pinara, stad in Lycia aan den berg Cragus. + +Pinaria (lex) annalis van den volkstribuun M. Pinarius Rusca. Deze +wet is een voorlooper van de lex Villia annalis (z. a.) van 180. + +Pinaria Furia Postumia (lex) van de drie consulairtribunen L. Pinarius +Mamercinus Rufus, L. Furius Medullinus Fusus en Sp. Postumius Albus +Regillensis, 332. Deze wet verbood bij het dingen naar eenig ambt de +toga kunstmatig wit te maken. De wet is spoedig in onbruik geraakt. + +Pinarii, oud rom. geslacht, dat met een ander oud geslacht, de Potitii, +in het erfelijk bezit was van een priesterambt van Hercules, dat +in overouden tijd door Euander zou zijn ingesteld. Volgens de sage +kwamen bij het eerste offermaal de Pinarii te laat aan tafel en werd +hun ten eeuwigen dage als boete opgelegd, bij de offermaaltijden eerst +te verschijnen, wanneer een gedeelte reeds genuttigd was. In 312 en 311 +stierven de Potitii uit, omdat zij den dienst door servi publici hadden +laten waarnemen, terwijl de censor Appius Claudius, op wiens raad dit +was geschied, volgens het latere verhaal door den vertoornden halfgod +met blindheid werd geslagen. In werkelijkheid heeft App. Claudius den +eeredienst van Hercules aan de Ara Maxima, die een sacrum gentilicium +van de Potitii en Pinarii was, tot staatsgodsdienst gemaakt, waarbij +het offer verricht werd door den praetor urbanus. Enkele leden van +de gens Pinaria komen als overheden en legeraanvoerders voor. Onder +Cicero's vrienden worden twee broeders vermeld, T. en L., doch ook +een tegenstander, L. Pinarius Natta, die als pontifex, ten gevalle +van zijn zwager P. Clodius, het huis van Cicero aan den dienst der +goden wijdde, waardoor Clodius zocht te verhinderen, dat de plek +ooit weder in Cicero's bezit zou terugkeeren. Nog een L. Pinarius, +met Caesar verwant, kreeg van Antonius het bevel in Africa, doch ging +later tot de partij van Octavianus over. + +Pinarus, Pinaros, rivier in Cilicia, die op den Amanus ontspringt en +in de golf van Issus valt. + +Pincius (mons), ook collis hortorum geheeten, thans monte Pincio, +heuvel, onmiddellijk ten N. van Rome gelegen en door keizer Aurelianus +grootendeels binnen den nieuwen vestingmuur getrokken. + +Pindarus, Pindaros, Thebaan, de grootste lyrische dichter der Grieken, +geb. 522. Hij was uit het geslacht der Aegiden, waartoe vele bekwame +toonkunstenaars behoord hadden, verder genoot hij het onderwijs +van Lasus van Hermione en van Myrtis en Corinna. Algemeen geëerd en +bemind, had hij in alle deelen van Griekenland vrienden, die hij nu +en dan bezocht, o. a. Hiero, Theron, de Aleuaden; ook bij de groote +nationale feesten was hij dikwijls tegenwoordig, overigens leefde +hij rustig in zijne geboorteplaats, waar hij na 442 stierf. Van +zijne talrijke lierdichten van alle soort zijn bewaard gebleven 45 +zegezangen ter eere van overwinnaars bij groote feesten, waarvan +hij het oudste reeds op twintigjarigen leeftijd dichtte. Zij munten +uit door krachtige en afwisselende taal, rijkdom en verhevenheid van +gedachten en verscheidenheid van versbouw. Van zijne andere werken +(hymnen, partheniën, enz.) hebben wij slechts fragmenten. + +Pindenissus, Pindenissos, stad der Eleutherocilices in het Amanusgeb., +door Cicero veroverd (51). + +Pindus, Pindos, 1) grensgebergte tusschen Epirus en Thessalia, waarvan +de Lacmon of Lacmus het hoogste gedeelte is.--2) eene der steden van +de dorische tetrapolis, in het landschap Doris, ook Acypha geheeten. + +Pinna, hoofdstad der Vestini, die ten Z. van Picenum tusschen +de Apennijnen en de Adriatische zee woonden. De stad lag in eene +heerlijke omgeving. + +Pirae(e)us, Peiraieus, de havenstad van Athene, door Themistocles +aangelegd, en later door Pericles verder afgewerkt. Toen Themistocles +een moderne vloot van triëren wilde bouwen, was de open bocht van +Phaleron als oorlogshaven niet meer geschikt. Daarom richtte hij het +schiereiland Piraeus als havenstad in, en omgaf het met stevige muren; +Munichia, de heuvel ten Oosten, werd hiervan de burcht. De stad had +3 havens, de westelijke, de eigenlijke Piraeus, diende voornamelijk +voor het handelsverkeer. De invaart werd bewaakt door twee torens +en kon door zware kettingen worden afgesloten. Aan de andere, +de oostelijke, zijde van de stad vond men de oorlogshavens Zea en +Munichia. De stad was volgens het plan van Hippodamus van Milete +aangelegd met rechte straten, die elkaar rechthoekig sneden. Men vond +er verder scheepswerven, een groot korenmagazijn, een groote beurs +(to deigma), een arsenaal (skeuotheke), een theater, enz. Een tijd +lang, in de 4de eeuw, was de bevolking van den Piraeus even talrijk +als die van Athene zelf. De wegen, die van den Piraeus naar Athene +voerden, lagen tusschen de lange muren, ta makra teiche, ta skele, +besloten. Oorspronkelijk waren er twee muren, één naar de N.-zijde van +den Piraeus, één naar Phaleron; maar Pericles liet nog een tusschenmuur +bouwen, en nu liet men den Phalerischen muur vervallen. + +Piraeus, Peiraios, open haven op de Oostkust van Corinthia, nabij de +grens van het gebied van Epidaurus. De Atheners hielden hier in 412 +eene spartaansche vloot ingesloten. + +Piraicus of Pyreicus, bekwaam genreschilder (rhyparograaf), +waarschijnlijk uit den hellenistischen tijd, wiens schilderijen om +hunne zorgvuldige bewerking bij de Rom. zeer gezocht waren. + +Piraticum bellum. In het bijzonder wordt hieronder verstaan de +bekende tocht van Pompeius in 67 tegen de zeeroovers ondernomen (zie +Gabinia lex). Wel waren nu en dan verschillende kuststreken, waarvan +de inwoners zeeroof dreven, getuchtigd, doch eerst in 67 werd tot +een algemeenen maatregel besloten. Pompeius, wien de beschikking was +gegeven over zooveel strijdkrachten als hij meende noodig te hebben, +slaagde er in, door eene drijfjacht op groote schaal van de straat +van Gibraltar tot aan de kusten van Cilicia den zeeroof voor het +oogenblik uit te roeien, meer dan 1000 roofschepen te vernielen, +werven en roofnesten te verwoesten en de Middellandsche zee weder +voor rom. schepen veilig bevaarbaar te maken. + +Pirene, Peirene, nimf, dochter van Obalus, treurde om den dood van +haar zoon, totdat zij in een bron veranderde, die haar naam draagt en +bij welke Bellerophon het gevleugelde paard Pegasus opving, terwijl +het zijn dorst leschte. De bron lag binnen de muren der acropolis van +Corinthus. Dichterlijk Peirenes asty en Pirenis Ephyre = Corinthus, +Peirenaios polos = Pegasus. + +Pirisabora, sterke vesting in Babylonia, aan den Euphraat, ten +N. van Babylon. + +Pirithous, Peirithoos, zoon van Zeus of Ixion en Dia. Op zijne +bruiloft met Hippodamea ontstond de geweldige strijd tusschen de +Centauren en Lapithen, daar eerstgenoemden de bruid en andere vrouwen +wilden ontvoeren. Later hielp hij Theseus bij het schaken van Helena, +hijzelf wilde Persephone ontvoeren en daalde daarvoor met Theseus in +de onderwereld af, doch Hades klonk hen aan een rots vast, waarvan +alleen Theseus na eenigen tijd door Heracles weder losgemaakt werd. + +Pirus, Peiros, Pieros, hoofdriviertje van Achaia, dat zich ten W. van +Olenus in de golf van Patrae stortte. + +Pirustae, Piroustai, roofziek volk in Illyris, dat zich in 168 in +den oorlog tegen Gentius bij de Rom. aansloot. + +Pisa, Pisa, stad in Elis, even ten N. van den Alpheus nabij Olympia +gelegen. Pisa voerde met het landschap Elis een langen strijd over +het bestuur van het olympische tempelgebied, tot het de nederlaag +leed en verwoest werd (572). + +Pisae, Pisai, nabij de samenvloeiing van den Anser en den Arnus +(Arno). De stad behoorde oorspronkelijk niet tot Etruria, waartoe +ze later gerekend wordt. Ze had reeds vroeg handel met Griekenland, +en een flinke marine, om zich tegen de ten N. wonende Liguriërs te +kunnen verdedigen. In 180 werden op haar gebied de kolonien Luna en +Luca aangelegd. Sedert Augustus is het rom. kolonie. In de nabijheid +zijn heete bronnen, aquae Pisanae. Thans Pisa. + +Pisander, Peisandros, 1) van Camirus, episch dichter omstreeks +het midden der 7de v. a. der 6de eeuw. In zijne Herakleia werd +Heracles voor het eerst voorgesteld als de held, die met buitengewone +lichaamskracht begaafd, alleen met knots en leeuwenhuid gewapend, +zijne twaalf werken volbrengt. In den alexandrijnschen canon werd +hij na Homerus en Hesiodus genoemd.--2) Athener, de grootste ijveraar +voor de oligarchische omwenteling van 411. Na den val van de regeering +der 400, waartoe hij behoord had, vluchtte hij naar de Spartanen te +Decelea.--3) van Laranda, episch dichter onder Alexander Severus. Er +zijn nog fragmenten over. + +Pisatis of Pisaea, Pisatis, Pisaia, het land van Pisa (z. a.), het +middengedeelte van Elis. + +Pisaurum, Pisauron, oude stad in Umbria, in den ager Gallicus, aan +den mond van den Pisaurus, rom. kolonie sinds 184. Thans Pesaro. + +Pisces, Ichthyes, het sterrenbeeld de Visschen. Men verhaalde, dat +het de visschen waren, die Isis of Derceto gered hadden, toen zij in +zee gevallen was. + +Pisidia, Pisidia, bergachtig gewest op de Z.kust van Voor-Azië, +ten N. van Pamphylia, lang als een stuk hiervan beschouwd. De +inwoners, Pisidae, Pisidai, waren een dapper volk, dat, in zijn +bergen verschanst, lang alle vreemde overheersching afsloeg, en +slechts noode het hoofd boog voor Rome. + +Pisidice, Peisidike, eene van de dochters van Pelias. + +Pisistratus, Peisistratos, 1) zoon van Nestor en Anaxibia, vergezelde +Telemachus op zijne reis van Pylus naar Sparta.--2) Athener, zoon +van Hippocrates, uit het geslacht der Philaiden, bloedverwant +van Solon. Nadat deze uit Athene vertrokken was, trad P. in het +openbaar op (571), hij voegde zich bij de partij der Diacriërs, en +door zijne groote bekwaamheden werd hij weldra als de leider er van +erkend. Nadat hij eenmaal, vooral door de verovering van Nisaea, de +gunst van het volk verworven had, wist hij, onder voorwendsel dat hij +ternauwernood aan een aanslag zijner vijanden ontsnapt was, in weerwil +van Solon's tegenspraak, te bewerken dat hem een lijfwacht gegeven +werd, waarmede hij zich van de acropolis en van de alleenheerschappij +meester maakte (560). Doch weldra vereenigden zich de beide andere +partijen, de Pediaeërs onder Lycurgus en de Paraliërs onder den +Alcmaeonide Megacles, tegen hem; hij moest Athene verlaten en bleef +vijf jaar in ballingschap. Toen echter weder tusschen Lycurgus en +Megacles oneenigheid ontstond, bood laatstgenoemde aan P. de hand ter +verzoening en gaf hem zijne dochter ten huwelijk, en zoo kwam P. weder +in feestelijken optocht in de stad terug, begeleid, naar het heette, +door de godin Athena zelve, die door eene schoone en groote vrouw werd +voorgesteld. Na korten tijd geraakte hij weder met zijn schoonvader in +onmin, en weder moest hij uit de stad wijken; hij ging naar Eretria, +en nu duurde het elf jaar eer hij zich door bondgenootschappen met +Argos, Thebae e. a. genoeg versterkt had om een gewapenden inval in +Attica te wagen, die het gewenschte gevolg had; tot aan zijn dood +(528) bleef hij nu in het ongestoord bezit der regeering, die daarna +onbetwist op zijn zoon Hippias overging. Ofschoon hij in de laatste +periode eenigszins strenger regeerde, was zijne heerschappij ver van +drukkend, hij handhaafde recht en wet, hield de instellingen van Solon +in stand, bevorderde vooral de stoffelijke welvaart van het volk en +beschermde kunsten en wetenschappen. O. a. werden onder zijne regeering +voor het eerst de gedichten van Homerus tot een geheel vereenigd. + +Piso, familienaam in de gens Calpurnia (Calpurnii no. 1-13). + +Pissuthnes, Pissouthnes, satraap van Lydië, betoonde zich voor en +gedurende den peloponnesischen oorlog een vijand der Atheners. In 414 +kwam hij in opstand tegen den koning en werd hij door Tissaphernes +gevangen genomen en ter dood gebracht. + +Pistor, bakker, bijnaam aan Jupiter gegeven, omdat, volgens het aardige +verhaal van Ovidius, op zijne ingeving de belegerden op het Capitolium +aan de Galliërs brood toewierpen en hen daardoor in den waan brachten, +dat zij overvloed van spijs hadden. + +Pistoria, Pistoria, stadje in het N. van Etruria; in de nabijheid +sneuvelde Catilina (62). + +Pitane, Pitane, 1) vlek of buitenwijk van Sparta, met een tempel van +Artemis.--2) havenstad van Aeolis, tegenover Lesbus. + +Pithecusa, Pithekousa, oude naam voor Aenaria, z. a. + +Pithoigia, de eerste dag der Anthesteria (z. a.). + +Pitholeon, een Rhodiër, die te Rome woonde, hij maakte onbeduidende +verzen, waarin hij Grieksch en Latijn dooreenmengde. Hij is identisch +met Pitholaus, z. Voltacilius Pitholaus, wiens naam door Horatius +eenigszins gewijzigd is, omdat die niet in de maat paste. Hij +beschimpte in zijn liederen Caesar. + +Pithon of Python, Pithon, Peith., Pyth. 1) zoon van Agenor, bevelhebber +van een legerkorps bij Alexanders tocht naar Indië, waar hij als +stadhouder achtergelaten werd. Later nam hij deel aan de krijgstochten +van Antigonus; hij sneuvelde in den slag bij Gaza (312).--2) zoon van +Crateas, behoorde tot de lijfwacht van Alexander. Bij de verdeeling +van het rijk kreeg hij een deel van Medië, hij trok met Perdiccas naar +Aegypte en veroorzaakte mede den opstand, die diens dood ten gevolge +had. Daarop werd hij op voorstel van Ptolemaeus tot rijksbestuurder +benoemd (321), doch deze betrekking moest hij spoedig aan Antipater +afstaan. Zijne pogingen om in de oostelijke provinciën een eigen rijk +te stichten mislukten, hij moest Antigonus en Seleucus helpen bij +het beoorlogen van Eumenes, en daar hij in het leger van Antigonus +aanhangers zocht te winnen voor zijne persoonlijke bedoelingen, +liet deze hem dooden (316). + +Pittacus, Pittakos, van Mytilene, een van de 7 wijzen van Griekenland, +wiens spreuk was: kairon gnothi, let op het juiste oogenblik, voerde +zijne medeburgers aan in den oorlog, dien zij met de Atheners, om +het bezit van Sigeum voerden, en behaalde door list eene overwinning +op den atheenschen veldheer Phrynon (607). In de later ontstane +burgertwisten stond hij, als hoofd der volkspartij, tegenover zijn +vroegeren vriend Alcaeus, eindelijk werd hij tot aesymnetes gekozen +(omstreeks 595), eene waardigheid, die hij 10 jaar lang met wijsheid +en rechtvaardigheid bekleedde en op 70-jarigen leeftijd vrijwillig +nederlegde. Sedert dien tijd schijnt hij zich van het openbare leven +teruggetrokken te hebben; tien jaar daarna stierf hij. + +Pittheis, Aethra, dochter van Pittheus. + +Pittheus, Pittheus, zoon van Pelops, koning van Troezen, grootvader +van Theseus, die bij hem werd opgevoed. + +Pityocamptes, Pityokamptes, pijnboombuiger, bijnaam van Sinis (z. a.). + +Pitys, Pitys, eene nimf, die door Pan bemind werd, en toen zij hem +niet konde ontvluchten, op haar gebed door de goden in een pijnboom +werd veranderd. + +Pityus, g. -untis, Pityous, pijnboomstad, belangrijke grensstad in +Pontus, aan den N.O.-hoek van den Pontus Euxinus, aan den voet van +den Caucasus; in den lateren keizertijd ballingsoord. + +Pityusa, Pityoussa = het pijnboomrijke, oude naam van Lampsacus, +van Salamis en van Chius. + +Pityusae insulae, Pityoussai, pijnboomeilanden, op de kust van +Hispania, twee eilandjes, thans nog Pityusen geheeten: Ebusus (Iviza) +en Ophiusa = slangeneiland (Formentera). + +Pius, zie Metelli no. 17 en 18 in de gens Caecilia en Antoninus Pius. + +Placentia, thans Piacenza, aanzienlijke handelsplaats in Gallia +Cispadana aan de samenvloeiing van de Trebia met den Padus (Po). In +219, vóór het uitbreken van den tweeden punischen oorlog, stichtten de +Rom. te Placentia en te Cremona lat. koloniën. In 200 werd Plac. door +de Galliërs verwoest, doch spoedig daarop door de Rom. herbouwd, +en in 190 evenals Cremona met vele nieuwe kolonisten versterkt. In +90 kreeg de stad het Rom. burgerrecht. + +Placia, Plakia, oude pelasgische volkplanting aan de Propontis, +ten O. van Cyzicus. + +Placus, Plakos, oostelijke uitlooper van het Idagebergte. Aan den +voet daarvan lag Thebe. + +Plaetoria (lex) van den volkstribuun M. Plaetorius, waarschijnlijk +in 242, v. a. na 227, dat een praetor binnen Rome niet meer dan twee +lictoren mocht hebben. + +Plaetoria (lex), uit het jaar 191 of vroeger, waarbij jongelieden +beneden 25 jaar, die reeds sui iuris waren, toch onder curateele +gesteld werden. Zie curatio. + +Plaetorii, plebejisch geslacht. 1) M. Plaetorius Cestianus, was in +66 te gelijk met Cicero praetor. In 69 trad hij op als aanklager van +Fonteius, die door Cicero verdedigd werd.--2) Plaetorius Rustianus +kwam na den slag bij Thapsus (46) te gelijk met Q. Metellus Scipio op +de vlucht om.--3) Plaetorius (Platorius) Nepos, vertrouwde van keizer +Hadrianus, doch in diens laatste regeeringsjaren uit achterdocht door +hem vervolgd. + +Planasia, Planasia, eiland tusschen Corsica en Etruria, waarheen +Augustus' kleinzoon Agrippa Postumus verbannen werd. + +Plancii. 1) Cn. Plancius, rom. ridder uit Atina, verdedigde als een +der aanzienlijkste publicani met nadruk hun verzoek om vermindering +van pacht (59).--2) Cn. Plancius, zoon van no. 1, diende eerst onder +Metellus op Creta, bewees later als quaestor van Macedonia groote +diensten aan Cicero in diens ballingschap en werd in 54 door hem in +een proces de ambitu met goed gevolg verdedigd. Zie Iuventii no. 3. In +46 leefde hij als aanhanger van Pompeius in ballingschap te Corcyra. + +Planctae, Planktai, vuurspuwende en in rook gehulde rotsen, tegen +welke de schepen, door een onweerstaanbare strooming getrokken, +te pletter slaan. Zij bevinden zich volgens Homerus in de nabijheid +van Scylla en Charybdis, v. s. staan zij aan den westelijken ingang +der sicilische zeeëngte, v. a. zijn het de Aeolische of Liparische +eilanden. Zij worden dikwijls met de Symplegades verward. + +Plancus, familienaam in de gens Munatia. + +Plataeae, ook -taea, Plataiai, -taia, beroemde stad in Boeotia, aan de +Noordzijde van den Cithaeron. Plataeae stond vijandig tegenover Thebae +en sloot zich sedert ± 519 nauw bij Athene aan. Terwijl Thebe zich +aan de Perzen onderwierp, leverde Pl. in den slag bij Marathon (490) +1000 man hulptroepen aan de Atheners. Xerxes verwoestte de stad in +480 op aansporing der Thebanen. Bij de puinhoopen had in 479 de slag +plaats, waarin de perzische veldheer Mardonius sneuvelde en waartoe +de Plataeërs weder 600 man leverden. Pl. werd herbouwd en door de +Grieken ontslagen van Thebe's hegemonie. Na een vruchtelooze poging +der Thebanen om Plataeae te overrompelen, werd de stad in het begin +van den peloponnesischen oorlog, omdat zij zich niet tegen Athene +wilde verklaren, door de Spartanen ingesloten en na vergeefsche +pogingen om ze in te nemen door honger tot de overgaaf genoodzaakt +(427). Een deel der bevolking ontkwam en vestigde zich te Scione op +het schiereiland Pallene. In 383 werd Pl. nogmaals herbouwd, doch +in 372 door de Thebanen op nieuw verwoest. Onder macedonisch bestuur +herrees het weder. + +Platanistas, eene ruimte bij Sparta, aan den Eurotas, met +plataanboomen beplant en met standbeelden van heroën versierd, en +door de spartaansche jongelingschap tot lichaamsoefeningen gebezigd. + +Platea, Platea, eiland op de kust van Cyrenaïca. + +Plato, Platon, 1) Athener, zoon van Ariston en Perictione, +geb. 427, aanvankelijk Aristocles genoemd, kreeg later door zijn +gymnastiekmeester Ariston of door Socrates den naam Plato, de +breede. Uit een edel geslacht gesproten, door de beste leermeesters +onderwezen, dichterlijk van natuur, beproefde hij reeds jong zijne +krachten in de poëzie, terwijl hij tevens kennis maakte met de stelsels +van Heraclitus, Parmenides, Anaxagoras e. a. Op zijn 20ste jaar +leerde hij Socrates kennen, van hun omgang is weinig bekend, alleen +weten wij, dat P. spoedig de voortreffelijkste leerling van Socrates +was en dat hij aan zijn leermeester met de grootste genegenheid en +eerbied verknocht was. Na den dood van Socrates ging hij vooreerst +met vele andere van diens aanhangers naar Megara, maar weldra ging +hij, door de zucht naar kennis gedreven, reizen doen naar Cyrene, +Aegypte en Italië. In Italië kwam hij in aanraking met de volgelingen +van Pythagoras, op Sicilië leerde hij door zijn vriend Dio den ouden +Dionysius kennen, wiens ongenade hij zich echter spoedig door zijne +vrijmoedigheid op den hals haalde en die hem als slaaf liet verkoopen +(z. Pollis). Door Anniceris losgekocht en naar Athene teruggekeerd +(388), begon hij zijne voordrachten in de Academie (z. a.), die hij de +volgende 20 jaar onafgebroken met den grootsten bijval voortzette. Toen +hij echter van Dio eene uitnoodiging ontving om naar Syracusae te +komen en daar als leider en raadsman van den jongen Dionysius op +te treden, nam hij die gaarne aan, daar zich nu, naar hij meende, +eene gunstige gelegenheid aanbood om door een wijsgeerig gevormd +vorst sommige van zijne theorieën in praktijk te doen brengen. De +zaak kwam echter geheel anders uit. Dio viel spoedig in ongenade +en werd verbannen en ook voor P. werden de toestanden te Syracusae +onhoudbaar. Met moeite kreeg hij verlof te vertrekken (365) en op een +latere reis naar Syracusae, ondernomen met het doel om eene verzoening +tusschen Dionysius en Dio te bewerken (361), kwam hij zelfs door het +wantrouwen van den tyran in levensgevaar en had hij zijn behoud alleen +aan den invloed van Archytas te danken. Het overige van zijn leven +wijdde hij nu uitsluitend aan het onderwijs der wijsbegeerte, totdat +hij, nog krachtig werkzaam als leeraar en schrijver, in den ouderdom +van 80 jaar overleed.--Te midden van de veelheid en afwisseling der +zinnelijk waarneembare voorwerpen zoekt P. het eene en onveranderlijke +in de idee (idea, eidos); de ideeën zijn nl. de geheel op zichzelf +staande eigenschappen der stoffelijke dingen, zelve niet aan stof, +tijd of plaats gebonden, zij zijn, hoewel geen afgetrokken begrippen, +toch niet zinnelijk waarneembaar, maar de kennis er van is alleen te +bereiken door de dialektiek (dialektike), de kunst, die leert van het +bizondere tot het algemeene op te klimmen en omgekeerd weder tot het +bizondere af te dalen. De individuën staan in betrekking met de ideeën +of zijn afbeeldingen er van, toch kent P. aan de ideeën zelf nu en +dan zekere mate van persoonlijkheid toe, en over de idee van het goede +spreekt hij als over de hoogste godheid zelf. De wereld is niet eeuwig, +maar door den schepper (demiourgos) uit ongeordende stof (apeiron) +tot een goed geordend geheel (kosmos) gemaakt. De menschelijke ziel +is onsterfelijk en bestaat uit drie deelen: verstand (logistikon, +nous), moed (thymoeides), begeerte (epithymetikon). Het hoogste goed +bereikt men door het streven naar gelijkheid met het absoluut goede, +en daartoe moet ieder deel der ziel zijn eigenaardige deugden hebben, +resp. wijsheid, dapperheid en zelfbeheersching, die met elkander +vereenigd de hoogste deugd, rechtvaardigheid, vormen. Deze leer en +hare toepassingen op staatsinrichting, opvoeding, kunst, enz. heeft +P. gedurende eene bijna veertigjarige werkzaamheid onderwezen, deels +in gesprekken op de wijze van Socrates, deels in samenhangende +voordrachten, deels ook door zijne werken; deze laatste zijn, +naar men gelooft, alle bewaard gebleven, daarentegen zijn onder +die, welke zijn naam dragen, sommige zeker onecht; bijna alle zijn +geschreven in den vorm van gesprekken van Socrates. De belangrijkste +dialogoi zijn: Apologia, Kriton, Ion, Protagoras, Menon, Gorgias, +Euthydemos, Symposion (385), Phaidon, Politeia (ongeveer 380-370), +Phaidros, Timaios. Zijn laatste werk zijn de Nomoi. Hij werd in +de oudheid als de eerste der wijsgeeren beschouwd, en zijne leer, +hoewel uitgebreid en dikwijls gewijzigd, vond nog tot in de laatste +tijden van het heidendom talrijke aanhangers, totdat Iustinianus in +529 n. C. alle onderwijs in de wijsbegeerte verbood. Zijn opvolger +als hoofd der academie was Speusippus, de zoon zijner zuster.--2) +Athener, hooggeschat blijspeldichter, tijdgenoot van Aristophanes; +van zijne 28 stukken zijn talrijke fragmenten bewaard. + +Platorius Nepos, zie Plaetorii no. 3. + +Plautia of Plotia (lex) de vi, waarschijnlijk op verzoek van den consul +Q. Lutatius Catulus (Lutatii no. 5) door een volkstribuun Plautius in +78 gemaakt, ook wel lex Lutatia geheeten, waarbij een afzonderlijke +rechtbank (quaestio perpetua) werd ingesteld ter bestraffing van +opstand, samenrotting, het vormen van benden gewapenden, het vernielen +van huizen, enz., hetgeen alles onder het begrip vis werd samengevat. + +Plautia (lex), aangenomen na het jaar 77, waarbij aan de volgelingen +van Lepidus (Aemilii no. 3) vergund werd, in het vaderland terug te +keeren. De voorsteller van de wet is onbekend. + +Plautia Papiria (lex), van de volkstribunen M. Plautius Silvanus en +C. Papirius Carbo, in 89, gaf aan de burgers van italische civitates +foederatae bezuiden den Po gelegenheid, zich, mits binnen 60 dagen, +bij den praetor urbanus als rom. burgers te doen inschrijven. + +Plautiae leges, 1) iudiciaria, van den volkstribuun M. Plautius +Silvanus, 89, dat uit elke der 35 tribus door het volk 15 mannen als +rechters zouden gekozen worden.--2) lex Plautia agraria, zie Agrariae +(leges). + +Plautii of Plotii. 1) C. Plautius Proculus, consul in 358, streed met +succes tegen de Hernici.--2) C. Plautius Venno Hypsaeus, consul in 347 +en 341, streed in 341 tegen de Privernaten en Antiaten. In dat jaar +moesten hij en zijn ambtgenoot, nog voordat hun ambtsjaar verstreken +was, hunne waardigheid nederleggen, daar de senaat den op handen +zijnden latijnschen oorlog aan versche mannen wilde opdragen.--3) +C. Plautius Decianus, consul in 329 en 328, hield een zegetocht over de +Privernaten. Hij verschafte hun daarop het Romeinsche burgerrecht.--4) +C. Plautius, Venox bijgenaamd wegens het opsporen van aderen (venae) +voor een waterleiding in 312, was met App. Claudius (Caecus) censor +in 312. Toen er 18 maanden van hunne censuur verstreken waren, legde +Plautius zijn ambt neer; Claudius daarentegen bleef in functie, +om de groote bouwwerken, die hij onder handen had, de via Appia en +de aqua Appia, af te maken. Het verhaal van hun oneenigheden, en dat +Claudius Plautius zou om den tuin geleid hebben, is onhistorisch.--5) +M. Plautius Silvanus, volkstribuun in 89; zie Plautiae leges.--6) +P. Plautius Hypsaeus, quaestor van Pompeius in 66, werd in 52 wegens +ambitus veroordeeld.--7) A. Plautius was ook in 66 legaat van Pompeius +en in 56 volkstribuun.--8) M. Plautius Silvanus, met Augustus consul +in het jaar 2, voerde onder Tiberius voorspoedig oorlog in Pannonia +en Dalmatia (6-9 n. C.). Als belooning verwierf hij de ornamenta +triumphalia. Hij is misschien dezelfde als Silvanus, die, wegens +geweld, tegen zijne vrouw gepleegd, onder Tiberius gedagvaard, zich de +aderen opende (24 n. C.).--9) Plautius Lateranus, onder Nero, werd in +de samenzwering van Piso betrokken en onderging met standvastigheid +den dood.--10) Plautius, rechtsgeleerde onder Vespasianus, van +wien verschillende geschriften in de Pandecten worden vermeld.--11) +A. Plautius veroverde als legatus Augusti pro praetore in 43 n. C. en +volgende jaren het zuidelijk gedeelte van Britannia, en vierde +in 47 eene ovatio; hij was de laatste, wien die eer te beurt viel, +zonder keizer te zijn of tot de keizerlijke familie te behooren.--12) +L. Plautius Plancus, z. Munatii no. 4. + +Plautus (T. Maccius), te Sarsina in Umbria geboren ongeveer twee +en een halve eeuw vóór C. Hij kwam reeds vroeg naar Rome, waar hij +zich in eene ondergeschikte betrekking bij een troep tooneelspelers +verhuurde. Later, toen hij zijn fortuintje of zijne spaarpenningen +door speculaties verloren had, moest hij als bakkersknecht den kost +verdienen. Middelerwijl schreef hij blijspelen, waarvan nog een 20tal +overig is. Er waren er in de oudheid veel meer, maar de meeste daarvan +werden reeds vroeg voor onecht gehouden. De stukken, die over zijn, +zijn alle echt, de meeste zijn uit het begin van de 2de eeuw. De +meest bekende zijn: Amphitruo, Aulularia, Captivi, Miles Gloriosus, +Mostellaria, Pseudolus, Trinummus. Zij ontmoetten grooten bijval +en getuigen van groot talent. Evenals die zijner voorgangers Livius +Andronicus en Naevius zijn zij naar grieksche modellen bewerkt. Plautus +is echter geen slaafsch navolger of vertaler, maar bewerkt zijne stof +op vrijere manier, zoodat hij er eene Romeinsche kleur aan geeft. Zijn +taal is levendig, pikant door geestige antwoorden en woordspelingen, +terwijl tal van koddige toestanden en grappige tooneelen telkens de +lachspieren in beweging brengen. Plautus stierf in 184. + +Plebiscitum, besluit in een concilium plebis genomen. De gelijkstelling +van plebiscita met leges geschiedde volgens de overlevering door de +lex Horatia Valeria (449), de lex Publilia (339), de lex Hortensia +(287). Zie echter Horatiae Valeriae (leges). + +Plebs, het niet-patricische gedeelte van den rom. populus. Ze zijn +vrij, maar hebben oorspronkelijk geen deel aan het bestuur van den +staat. Gedeeltelijk zijn het landbouwers, en dan misschien ± 457 +uit de cliënten ontstaan (zie clientes), gedeeltelijk is het dat +deel van de stedelijke bevolking, dat zich met handel en industrie +bezig hield. Door hare numerieke meerderheid en de macht, die zich +uit de onschendbaarheid der volkstribunen ontwikkelde, gelukte het +aan de plebs na langen en hardnekkigen strijd zich in de hoofdzaken +gelijkstelling met de patriciërs te verwerven, zelfs in sommige +opzichten (b.v. plebiscita, consulaat, censuur) voorrechten boven +den adel. Deze strijd liep af in 287, toen door de lex Hortensia de +plebiscita kracht van wet kregen voor het geheele volk. De afscheiding +der beide standen werd opgeheven door de lex Canuleia de conubio (445). + +Plectrum, plektron, een staafje van hout, ivoor of metaal, waarmede +men bij het bespelen van de citer de snaren tokkelde. + +Pleiades, Pliades, Pleiades, Pleiades, dochters van Atlas en Pleïone +of Aethra, die door den reus Orion vervolgd werden, totdat zij +op haar bidden door Zeus eerst in duiven (peleiades) veranderd en +later aan den sterrenhemel geplaatst werden. Daar schitteren zij als +het Zevengesternte (Vergiliae), met welks opkomst (einde April) de +gunstige tijd voor de scheepvaart begint, en dat door zijn ondergang +(26 October) de winterstormen aankondigt.--V. a. waren zij onder de +sterren opgenomen, nadat zij zich van het leven beroofd hadden uit +smart over den dood harer zusters, de Hyaden, of over het lot van +haar vader. + +Pleias, Pleias, een groep van 7 treurspeldichters, die in den +alexandrijnschen tijd onder Ptolemaeus II bloeiden. + +Pleïone, Pleione, dochter van Oceanus en Tethys, bij Atlas moeder +van de Pleiades. + +Pleminius (Q.), legatus van P. Cornelius Scipio, gedroeg zich +in 205 als bevelhebber van Locri zeer wreed jegens de bevolking +(zie Sergii no. 2). Door de Locrensers bij den senaat aangeklaagd, +werd hij naar Rome gevoerd en daar gevangen gehouden. In 194 had hij +een plan beraamd, om de stad op vele plaatsen tegelijk in brand te +laten steken, om in de verwarring te kunnen ontsnappen. Het plan werd +verraden en Pleminius gedood. + +Plemmyrium, Plemmyrion, kaap op Sicilia, juist aan den mond der haven +van Syracusae, tegenover Ortygia. + +Plemochon, een plengoffer, waarmede de viering der eleusinische +mysteriën besloten werd. Men gebruikte daarvoor schalen van +eigenaardigen vorm en plengde uit de eene naar het Oosten, uit de +andere naar het Westen. + +Plethrum, plethron, het zesde deel van een stadium. + +Pleumoxii, klein belgisch volk, waarschijnlijk in de tegenw. provincie +Westvlaanderen. + +Pleuron, Pleuron, zeer oude aetolische stad, ten W. van Calydon, door +Demetrius Poliorcetes verwoest, waarop de inwoners iets noordelijker +een Nieuw-Pleuron bouwden, waarvan de ruïnen nog over zijn. + +Plexippus, Plexippos, 1) zoon van den arcadischen koning Choricus, +uitvinder van het worstelen.--2) oom van Meleager, die hem bij de +calydonische jacht doodde. + +Plinii. 1) C. Plinius Secundus, ter onderscheiding van no. 2 maior +bijgenaamd, in 23 na C. te Novum Comum (Como) geboren, bekleedde +verschillende ambten in Germania, Hispania en Italia en was bij +keizer Vespasianus zeer gezien. Bij de uitbarsting van den Vesuvius +in 79 was hij admiraal van de te Misenum gestationneerde vloot der +Tyrrheensche zee. Bij zijne pogingen om menschenlevens te redden en +de uitbarstingsverschijnselen te bestudeeren, kwam hij zelf om, in de +nabijheid van Stabiae. Hij had den naam, suae aetatis doctissimus te +zijn, en heeft dan ook veel geschreven, waarvan echter nog slechts +één groot werk over is: Naturalis historiae of Naturae historiarum +l. XXXVII, eene encyclopedie, die van zijn rustelooze werkzaamheid en +veelzijdigheid getuigt, doch tevens bewijst, dat hij meer verzamelaar +was dan streng wetenschappelijk onderzoeker.--2) C. Plinius Caecilius +Secundus, bijgenaamd minor, geb. te Novum Comum in 62 na C., neef en +aangenomen zoon van no. 1 en onder diens oogen opgevoed, leerling van +Quintilianus, was een der beminnelijkste en rechtschapenste mannen +van zijn tijd, een talentvol redenaar, een voorstander der letteren +en een trouw vriend van Traianus. Er bestaat van hem eene belangrijke +en lezenswaarde verzameling brieven, waaronder ook eene ambtelijke +correspondentie, die hij als stadhouder der provincie Bithynia-Pontus +met den keizer voerde (111-113), alsmede eene lofrede (Panegyricus) +op den keizer. Van de briefwisseling van Plinius met keizer Traianus +is vooral beroemd Plinius' brief omtrent de Christenen, en Traianus' +antwoord daarop. Ten onrechte heeft men aan de echtheid dezer brieven +getwijfeld. Waarschijnlijk stierf Plinius omstreeks 114. + +Plinthine, Plinthine, westelijke grensstad in Beneden-Aegypte aan de +naar de stad genoemde golf. + +Plistarchus, Pleistarchos, zoon van Leonidas, neef en pupil van +Pausanias no. 1. + +Plisthenes, Pleisthenes, vader, zoon of broeder van Atreus, v. s. vader +van Agamemnon en Menelaus, z. Atreus. + +Plisthenidas, Pleisthenides, Agamemnon of Menelaus, als zonen van +Plisthenes. + +Plistia, vlek in Samnium, aan de Campaansche grens, in een dal tusschen +de bergen Tifata en Taburnus. + +Plistoanax, Pleistoanax, -tonax, zoon van Pausanias no. 1, volgde +nog als kind Plistarchus als koning van Sparta op. Hij was nog zeer +jong, toen hij met Cleandridas een inval in Attica deed (446), en +daar Pericles hen bewoog terug te trekken, werd Cleandridas ter dood +veroordeeld, P. echter beboet en verbannen. Eerst 19 jaar later werd +hij op bevel van het delphisch orakel teruggeroepen; hij deed zijn +best een einde aan den peloponnesischen oorlog te maken en sloot in +421 met Nicias den vrede. Hij stierf in 408. + +Plistus, Pleistos, riviertje in Phocis, waarin het water der bron +Castalia vloeide en dat zich in de golf van Crisa stortte. + +Plotae, Plotai = Strophades. + +Plotiae (leges), zie Plautiae (leges). + +Plotii, ook wel Plautii geschreven, rom. geslacht, waarvan het +meest bekend is 1) Plotius Tucca, dichter en vriend van Vergilius, +die met L. Varius de uitgaaf der Aeneis bezorgde.--2) Marius Plotius +Sacerdos, een latijnsch grammaticus uit den tijd van Diocletianus, +van wien een weinig belangrijke ars grammatica in 3 boeken over is; +het derde boek handelt over de metriek. + +Plotina (Pompeia), de geprezene echtgenoote van keizer Traianus, wien +zij met raad en daad ter zijde stond om hem den last der regeering +te helpen torschen. Aan haar vooral had Hadrianus zijne adoptie +door Tr. te danken; hij eerde haar dan ook na haar dood (122) door +een tempel. + +Plotinus, Plotinos, van Lycopolis, geb. 205 na C., werd in 232 leerling +van Ammonius Saccas, volgde 10 jaar later het leger van Gordianus +naar Perzië om met de oostersche wijsbegeerte bekend te worden, welk +doel hij echter door den ongelukkigen afloop van dien krijgstocht niet +bereikte. In 244 trad hij als leeraar der neo-platonische wijsbegeerte +te Rome op, waar hij door zijn geestdrift en zijne strenge zeden vele +leerlingen vond. Zelfs wist hij bijna van Gallienus de vergunning +te verkrijgen, om in Campania eene nieuwe stad, Platonopolis, te +stichten, waar men geheel naar de wetten van Plato zoude leven, +doch dit plan mislukte door velerlei tegenwerking. Hij stierf in +270. Zijne 54 verhandelingen, het beste dat over de neo-platonische +leer geschreven is, door zijn leerling en biograaf Porphyrius in 6 +Enneaden uitgegeven, bevatten vele gedachten die door latere, ook +christelijke, schrijvers zijn opgenomen en uitgewerkt. + +Plynteria, eene plechtigheid, die te Athene den 25en Thargelion plaats +had; een zeer oud beeld van Athena Polias werd dan gesluierd naar het +strand gebracht en in zee afgewasschen. De dag werd als een treurdag +beschouwd, waarop men geen zaak van belang begon. + +Plutarchus, Ploutarchos, 1) tyran van Eretria, die de hulp der Atheners +inriep tegen Clitarchus, die door Philippus van Macedonië gesteund +werd. Een atheensch leger onder Phocion herstelde hem in de regeering +(350), maar om zijn verraderlijk gedrag liet men hem verder aan zijn +lot over en weldra werd hij weder verdreven.--2) van Chaeronea, +studeerde te Athene en kwam, na Griekenland en Italië bereisd te +hebben, te Rome, waar hij de gunst van Traianus en Hadrianus genoot; +hij werd consul en kreeg een soort oppertoezicht over alle magistraten +van Griekenland, tegen het einde van zijn leven werd hij procurator +van Griekenland. Hij stierf in zijne geboortestad als priester van +Apollo, ongeveer 70 jaar oud, omstreeks 120 na C. Van zijne werken +zijn vooral bekend de biografieën, Bioi paralleloi, waarin telkens +op de levensbeschrijving van een Griek die van een Romein, en daarna +meestal eene vergelijking (synkrisis) tusschen beiden volgt; wij +bezitten daarvan nog 23 paren en 4 alleenstaande. De onpartijdigheid +van den schrijver en de liefde, waarmede hij zijn onderwerp behandelt, +maken de levensbeschrijvingen tot eene aantrekkelijke lectuur, ofschoon +hij zonder eenige kritiek alle mogelijke bizonderheden betreffende +de beschreven personen mededeelt, en allerlei anekdoten opneemt, +die dikwijls meer zedekundige strekking dan geschiedkundige waarde +hebben. Bovendien zijn nog van hem bewaard gebleven een zeventigtal +verhandelingen op het gebied van zedekunde, wijsbegeerte, letterkunde, +antiquiteiten, enz., die in weerwil van hun verschillenden inhoud den +gemeenschappelijken titel van Ethika, Moralia, dragen. In al zijne +werken toont hij zich een beschaafd en buitengewoon belezen man, +die met recht een van de beste schrijvers van zijn tijd genoemd is. + +Pluteus, houten scherm op raderen, bij belegeringen gebruikt om +soldaten of werklieden tegen pijlen enz. te dekken. + +Pluto, Plouton, z. Hades. + +Pluvius, regengever, bijnaam, waaronder Jupiter bij langdurige droogte +te Rome werd aangeroepen. + +Pnyx, Pnyx, heuvel binnen Athene, ten W. van de Acropolis, plaats +der volksvergaderingen. + +Podalirius, Podaleirios, z. Machaon. Op de terugreis van Troje door +een storm naar de kust van Carië gedreven, vestigde hij zich daar +metterwoon. + +Podarces, Podarkes, 1) z. Priamus.--2) zoon van Iphicles, na den +dood van zijn broeder Protesilaus voor Troje aanvoerder der troepen +uit Phylace. + +Podarge, Podarge, eene van de Harpyieën. + +Podium, balcon in den circus enz. Zie Amphitheatrum. + +Poeantiades, Poiantiades, Philoctetes, zoon van Poeas. + +Poeas, Poias, een van de Argonauten, vriend van Heracles en vader van +Philoctetes. V. s. had hij met zijn zoon den brandstapel voor Heracles +aangestoken en daarvoor diens boog en pijlen ten geschenke gekregen. + +Poecile, Poikile, zuilengalerij te Athene (z. a.). + +Poeni, naam waarmede de Carthagers bij de Rom. genoemd werden. + +Poeninus mons, zie Alpes. + +Poetelia (lex), de ambitu, van den volkstribuun C. Poetelius in 358, +de eerste wet, die ambitus strafbaar stelde. + +Poetelia Papiria (lex) van 326, van de consuls C. Poetelius +Libo Visolus en L. Papirius Mugillanus, ut pecuniae creditae bona +debitoris, non corpus obnoxium esset. Tengevolge hiervan kon wel het +vermogen, maar niet langer de persoon des schuldenaars voor schulden +aansprakelijk gesteld worden. Het nexum (z. a.) verviel nu, en de +schuldeischer moest nu den schuldenaar voor den praetor brengen. Liet +nu de praetor de addictio (z. a.) volgen, dan kwam de schuldenaar +als addictus in de macht van den eischer. Ook dan wordt hij wel eens +nexus of vinctus genoemd. + +Poetelii, rom. geslacht, bijna alleen bekend door een paar wetten. + +Poetovio, sterke vesting aan den Dravus, in Pannonia, dicht bij de +grens van Noricum; in den vroegen keizertijd een der hoofdkwartieren +van de pannonische legers. + +Pogon, Pogon, haven van Troezen in Argolis. + +Poikilmata, Poikiliai, beeld- of snijwerk ter versiering van muren +en plafonds, v. a. stukadoorwerk. + +Pola, Pola, thans nog zoo geheeten, oude, drukke handelsstad aan de +Adriatische zee in Istria. Men vindt er nog aanzienlijke overblijfselen +van rom. bouwwerken. + +Polemarchos, 1) te Athene de derde archont (z. archontes).--2) te +Sparta de hoogste officier na den koning, later de bevelhebber eener +mora.--3) in de steden van Boeotië en van het aetolisch verbond de +hoogste burgerlijke overheden. + +Polemo, Polemon, 1) zoon van Andromenes, werd met zijne drie broeders +van medeplichtigheid aan de samenzwering van Philotas tegen Alexander +verdacht; hij vluchtte, doch nadat zijn broeder Amyntas (no. 2) +vrijgesproken was, keerde hij terug. Na den dood van Alexander behoorde +hij tot de partij van Perdiccas.--2) zoon van Megacles, onder Alexander +bevelhebber der bezetting van Pelusium.--3) zoon van Theramenes, +onder Alexander bevelhebber der vloot in Aegypte.--4) van Laodicea, +werd door Antonius tot belooning voor bewezen diensten met een deel +van Pontus begiftigd (39), later veroverde hij op bevel van Agrippa +geheel Pontus en werd hij met de regeering daarover beloond, ook had +hij reeds Klein-Armenië gekregen en eindelijk werd hij door Augustus +ook koning van Bosporus gemaakt (14).--5) zoon van den vorigen, werd na +den dood van zijne moeder Pythodoris, die sedert den dood van Pol. I +de regeering in handen gehad had, door Caligula als koning erkend (38 +na C.), doch een deel van zijn rijk (Bosporus) werd hem door Claudius +(41), het overige door Nero ontnomen (63).--6) Athener, wijdde zich, +nadat hij een zeer losbandig leven geleid had, met grooten ijver aan +de studie der wijsbegeerte en stond na den dood van zijn leermeester +Xenocrates aan het hoofd der academie (314-270). Hij beval vooral een +leven in overeenstemming met de natuur aan; de dialektiek stond bij hem +op den achtergrond.--7) ho periegetes, geb. in Troas, maar atheensch +burger, beschreef in zijne op grondig onderzoek berustende en door +latere schrijvers dikwijls aangehaalde werken de plaatsen, gebouwen, +kunstwerken en vooral inscripties (vandaar zijn bijnaam stelokopas), +die hij op zijne vele reizen te zien kreeg. Hij leefde ten tijde van +Ptolemaeus V.--8) Antonius P., van Laodicea, geb. omstreeks 86 n. C., +sophist, gaf onder Traianus en later met grooten bijval te Smyrna +onderwijs, ook kwam hij verscheiden malen als gezant naar Rome. Om aan +de kwellingen van de jicht te ontkomen, liet hij zich in een grafkelder +opsluiten, waar hij den hongerdood stierf. Twee lijkredenen van hem +zijn bewaard. Hij is waarschijnlijk ook de schrijver van een grieksch +werkje over gelaatkunde, dat bewaard gebleven is. + +Polemonium, Polemonion, stad op de kust van Pontus, op de plaats van +het oude Side gesticht door koning Polemo I (zie Polemo no. 4). Naar +de stad werd het middelste gedeelte van Pontus Pontus Polemoniacus +genoemd. + +Poletai, te Athene 10 beambten, die de verpachtingen en verkoopingen +der eigendommen van den staat bezorgden. + +Polias, Polias, bijnaam van Athena als stedenbeschermster, in welke +hoedanigheid zij vooral te Athene vereerd werd. + +Polichne, Polichne, 1) stad in het N. O. van Laconica.--2) stad +in het N. van Messenia, ten W. van Andania.--3) stad op het eiland +Chius.--4) stad op Creta bij Cydonia.--5) stad in aziatisch Ionia +nabij Clazomenae. + +Poliorcetes, Poliorketes, bijnaam van Demetrius no. 1. + +Polis, Polis, sterkte der ozolische Locriërs op de aetolische grenzen, +in het gebied van Hyaea. + +Polites, Polites, 1) zoon van Priamus en Hecabe, uitmuntend door +zijne snelheid in het loopen. Bij de verovering der stad werd hij +voor de oogen van zijn vader door Neoptolemus gedood.--2) een van de +tochtgenooten van Odysseus. Zie Lybas. + +Politorium, oude latijnsche stad, door Ancus Marcius veroverd en +verwoest. + +Poliuchus, Poliouchos = Polias. + +Pollentia, 1) stad in het N. van Picenum = Urbs Salvia.--2) stad der +Bagienni (Bagenni) in Liguria.--3) rom. kolonie op het eil. Balearis +maior. + +Pollex als rom. maat = 1/12 voet. + +Pollicem premere, vertere. Wanneer een gladiator in een tweestrijd +wel gevallen, maar niet doodelijk gewond was, en door het opsteken +van den wijsvinger de toeschouwers om lijfsbehoud smeekte, en deze +zich lieten vermurwen, dan staken zij de vuist omhoog met ingesloten +duim, pollice presso; strekte daarentegen het publiek de vlakke hand +uit met den duim naar omlaag gekeerd, pollice verso, dan moest de +overwinnaar den overwonnene den doodsteek toebrengen. + +Pollio, zie Asinii en Vedius. + +Pollis, Pollis, Spartaan, werd als gezant naar Dionysius van +Syracuse gezonden, en liet zich door dezen overreden om Plato op +zijne terugreis mede te nemen en op Aegina als slaaf te verkoopen +(388). Als bevelhebber eener spartaansche vloot werd hij door Chabrias +bij Naxus verslagen (376). Hij kwam om bij de verwoesting van Helice +door een aardbeving (373). + +Pollux, Polydeukes, 1) z. Dioscuri.--2) Iulius P., van Naucratis, +door Commodus tot leeraar der rhetorica te Athene aangesteld, schreef +o. a. een woordenboek, Onomastikon, dat voor de kennis van grieksche +taal en oudheden van belang is. + +Polus, Polos, 1) van Agrigentum, sophist uit de school van Gorgias, +door Plato gegispt om zijn al te gekunstelden stijl.--2) leerling +van Empedocles, schrijver van een werk over de rechtvaardigheid.--3) +tooneelspeler te Athene ten tijde van Demosthenes. + +Polyaenus, Polyainos, 1) van Lampsacus, een wiskundige, die deze studie +echter geheel opgaf, toen hij een leerling van Epicurus geworden +was.--2) Macedoniër, schrijver van een werk, getiteld Strategemata, +dat echter niet alleen krijgslisten, maar ook een aantal daden van +list en bedrog op ieder ander gebied beschrijft. Het werk is opgedragen +aan M. Aurelius en L. Verus. + +Polyanthes, Polyanthes, Corinthiër, in den peloponnesischen oorlog +(413) bevelhebber eener vloot, later een van de leiders der +anti-spartaansche partij te Corinthe. + +Polybiades, Polybiades, opvolger van Agesipolis als bevelhebber van +het spartaansche leger in den oorlog tegen Olynthus; door honger +noodzaakte hij de Olynthiërs om vrede te vragen (380). + +Polybius, Polybios, 1) van Megalopolis, zoon van Lycortas, +geb. omstreeks 201, reeds vroeg onder de leiding van zijn vader +en diens vriend Philopoemen tot staatsman en veldheer gevormd. Met +hart en ziel toegewijd aan de belangen van het achaeïsch verbond, +voorzag hij wel de gevaren, die van den kant van Rome dreigden, in +den oorlog tusschen Rome en Macedonië ried hij als hipparch strenge +onzijdigheid aan, maar na den val van Perseus zag hij in dat men +zich niet op dit standpunt konde houden, en daar de romeinschgezinde +partij weldra de overhand kreeg, moest hij zich terugtrekken. Bij +de Rom. om zijne vroegere houding verdacht, behoorde hij tot de 1000 +Achaeërs, die in 166 als gijzelaars naar Rome medegenomen werden. In +het huis van Aemilius Paullus opgenomen, in vriendschappelijk +verkeer met de voornaamste Romeinen, voelde hij langzamerhand zijne +vroegere vijandschap plaats maken voor bewondering, en kwam hij +tot de overtuiging, dat, bij de goed geordende staatsregeling en +legerorganisatie der Romeinen, hunne macht, vooral voor zijn door +partijstrijd verdeeld vaderland, onweerstaanbaar moest zijn. In 150 +kreeg hij, evenals de andere gijzelaars, door bemiddeling van zijn +vriend Scipio Aemilianus vergunning om naar zijn vaderland terug te +keeren, maar reeds een jaar later volgde hij hem naar Africa, waar +hij hem bij de belegering van Carthago vele diensten bewees. Kort na +de verovering van Corinthe keerde hij naar de Peloponnesus terug, en +door zijn invloed wist hij in vele gevallen het lot der overwonnenen +te verzachten. Van de Romeinen kreeg hij de opdracht de verschillende +steden te bezoeken, den nieuwen regeeringsvorm te helpen invoeren, +en het volk voor de nieuwe toestanden te winnen, een opdracht, die +hij tot groote tevredenheid van alle partijen vervulde. Misschien +was het door deze bemoeiingen dat hij op de gedachte kwam een werk +te schrijven, dat zijne landgenooten tot berusting zou aansporen +door hen te wijzen op de natuurlijke en onvermijdelijke toeneming +van de rom. macht, en hun de oorzaken daarvan aan te toonen. Dit plan +bracht hij, terwijl hij te Rome woonde en meermalen ten dienste er van +reizen deed, ten uitvoer door het beschrijven der rom. geschiedenis +sedert het begin van den tweeden punischen oorlog tot de inneming van +Corinthe. Nadat dit werk voltooid was, keerde hij naar Griekenland +terug, waar hij in 120 aan de gevolgen van een val van zijn paard +overleed.--Zijn werk, dat van veel politieke kennis en zorgvuldige +bronnenstudie getuigt, is het eerste voorbeeld van eene pragmatische +behandeling der geschiedenis--de uitdrukking pragmatike historia is +van hemzelf,--daar hij niet slechts de gebeurtenissen vermeldt, maar +ook oorzaken en gevolgen er van nauwkeurig mededeelt. Zijn dikwijls +ruwe stijl, niet gevormd door rhetorische studiën, is niet zonder +grond door sommigen soldatenstijl genoemd. Van de 40 boeken, waaruit +zijne geschiedenis oorspronkelijk bestond, zijn alleen de eerste 5 +volledig bewaard gebleven.--2) geleerd en invloedrijk vrijgelatene +van Claudius, wien hij bij zijne studiën behulpzaam was. + +Polybus, Polybos, 1) koning van Corinthe, bij wien Oedipus opgevoed +werd.--2) koning van Thebe in Aegypte, die Menelaus gastvrij +ontving.--3) koning van Sicyon, grootvader van Adrastus. + +Polycaste, Polykaste, dochter van Nestor, v. s. gemalin van Telemachus. + +Polycletus, Polykleitos, van Sicyon, beroemd beeldhouwer, +jongere tijdgenoot van Phidias, dien hij nog overtrof wat betreft +nauwkeurigheid en getrouwheid aan de natuur, terwijl hij daarentegen +in phantasie zijn mindere was en hem dus in het maken van godenbeelden +niet konde evenaren. De Herakop, op blz. 305 afgebeeld, is misschien +eene copie naar P.'s beroemd Herabeeld. Andere bekende beelden zijn +de Diadumenus, de Doryphorus en zijn Amazone, waarvan copiën over +zijn. Een geschrift van hem, Kanon, handelde over proporties, ter +verklaring van zijn Doryphorus. + +Polyclitus, Polykleitos, een van de invloedrijkste vrijgelatenen van +keizer Nero, die een zeer verderfelijken invloed op hem uitoefende. Hij +werd in 61 n. C. met een buitengewone volmacht naar Britannia gezonden, +om een onderzoek in te stellen naar het bestuur van den stadhouder +Suetonius Paulinus en naar den toestand van de provincie. Als gevolg +hiervan werd Suetonius teruggeroepen. + +Polycrates, Polykrates, 1) van Samus, wierp zich, na omverwerping +van de bestaande aristocratie, tot alleenheerscher op, waarbij hij +eerst door zijne broeders Syloson en Pantagnotus geholpen werd, +die hij echter spoedig op den achtergrond drong. Hij was bekend +door zijn rijkdom, macht en voortdurend geluk, hij omgaf zich met +aziatische weelde, dichters, o. a. Anacreon, werden gastvrij door hem +ontvangen, verder verschafte hij zich een groote vloot en maakte hij +Samus tot de aanzienlijkste zeemogendheid in de Aegaeïsche zee. Doch +toen zijne vloot, aan Cambyses te hulp gezonden, van hem afviel, was +het met de heerschappij ter zee gedaan, hoewel hij de opstandelingen +onderwierp. In 522 werd hij door den satraap Oroetes, wien hij bij +zijne eerzuchtige plannen in den weg stond, verraderlijk naar Magnesia +gelokt en daar gekruisigd.--2) atheensch sophist, die eenige jaren na +den dood van Socrates diens veroordeeling in een geschrift trachtte +te rechtvaardigen. + +Polycritus, Polykritos, van Mende, geneesheer aan het hof van +Artaxerxes Mnemon. Of deze, of een naamgenoot van hem was de schrijver +van een uitvoerige geschiedenis van Sicilië, die verloren gegaan is. + +Polydamas, Polydamas, 1) trojaansch held en waarzegger, uitmuntend +door wijsheid en welsprekendheid, vriend en raadsman van Hector.--2) +officier van Alexander d. G., die, hoewel een vertrouwd vriend van +Parmenio, het bevel om hem te dooden naar Medië overbracht. Parmenio +werd verraderlijk overvallen en afgemaakt. + +Polydectes, Polydektes, 1) of Polydegmon, die velen opneemt, bijnaam +van Hades.--2) koning van Seriphus, z. Perseus.--3) koning van Sparta, +broeder van den wetgever Lycurgus. + +Polydeuces, Polydeukes = Pollux. + +Polydora, Polydora, dochter van Meleager, door sommigen de gemalin +van Protesilaus genoemd in plaats van Laodamia no. 2. + +Polydorus, Polydoros, 1) zoon van Cadmus en Harmonia, vader van +Labdacus.--2) jongste zoon van Priamus bij Laothoë, door Achilles +gedood. In andere verhalen is zijne moeder Hecabe, en wordt hij +tegen het einde van den trojaanschen oorlog door zijn vader aan den +thracischen koning Polymestor toevertrouwd. Begeerig naar de groote +schatten, die Priamus zijn zoon had medegegeven, doodt Polymestor hem +na den val van Troje en werpt zijn lijk in zee, het wordt echter op +het strand geworpen en toevallig door Hecabe gevonden en herkend, +die nu uit wraak Polymestor de oogen uitsteekt en zijne kinderen +doodt.--V. a. was zijne zuster Ilione de gemalin van Polymestor en had +zij P. buiten weten van haar echtgenoot verwisseld met haar eigen kind, +Deïpylus of Deïphilus. Toen nu de Grieken van Polymestor eischten, +dat hij P. zou dooden, en hem daarvoor een huwelijk met Agamemnon's +dochter Electra en groote geschenken beloofden, doodde hij zijn +eigen zoon, later werd hij door P. met de hulp van Ilione gedood.--De +pijlen waarmede P. gedood was, groeiden boven zijn graf tot een dicht +myrtenbosch op.--3) zoon van Hippomedon, een van de epigonen.--4) +koning van Sparta in den eersten messenischen oorlog.--5) broeder +en opvolger van Iason van Pherae, stierf kort na het aanvaarden der +regeering plotseling, naar men meende door de hand van zijn broeder +Polyphron.--6) een van de drie beeldhouwers van de Laocoongroep, +z. Laocoon. + +Polyeuctus, Polyeuktos, atheensch staatsman en redenaar, vriend en +partijgenoot van Demosthenes, was betrokken in het proces betreffende +het geld van Harpalus. + +Polygnotus, Polygnotos, van Thasus, zoon van Aglaophon, een der +beroemdste schilders van Griekenland, vriend van Cimon, door de +Atheners wegens zijn talent met het burgerrecht begiftigd. Zijne +werken overtroffen die van zijne voorgangers in natuurlijkheid en +ongedwongenheid. Onder zijne groote schilderijen zijn vooral beroemd +de slag bij Marathon in de Poikile Stoa te Athene en de verovering +van Troje te Delphi. + +Polyhymnia, Polymnia, Muze der hymnen-dichtkunst, wordt afgebeeld met +ernstige gelaatstrekken en een nauwsluitend kleed, maar gewoonlijk +zonder bepaalde attributen. + +Polyidus, Polyidos, -eidos, 1) achterkleinzoon van Melampus, beroemd +waarzegger, z. Glaucus no. 4.--2) beroemd dithyrambendichter in de +eerste helft der 4de eeuw; ook als treurspeldichter wordt hij genoemd. + +Polym(n)estor, Polym(n)estor, z. Polydorus no. 2. + +Polymnestus, Polymnestos, 1) vader van Battus, den stichter van +Cyrene.--2) van Colophon, een van de oudste dichters van liederen, die +bij de fluit gezongen werden en van de daarbij behoorende fluitmuziek +(aulodia, z. tibia). Hij leefde in het midden der 7de eeuw. Dat hij +berucht zou zijn geweest om zijne onzedelijke gedichten, en derhalve +zulke gedichten Polymnesteia genoemd werden, berust op een verkeerde +interpretatie van een antieken tekst. + +Polymnia = Polyhymnia. + +Polymnis, Polymnis, Thebaan, vader van Epaminondas. + +Polynices, Polyneikes, zoon van Oedipus en Iocaste, broeder van +Eteocles (z. a.), schoonzoon van Adrastus (z. a.). + +Polyperchon = Polysperchon. + +Polypemon, Polypemon, de eigenlijke naam van Procrustes. + +Polyphemus, Polyphemos, 1) vriend van Heracles, met wiens zuster hij +gehuwd was, nam aan den Argonautentocht deel, maar werd met Heracles +in Mysië achtergelaten. Hij stichtte er de stad Cius en sneuvelde +later tegen de Chalybiërs.--2) zoon van Poseidon en de nimf Thoosa, +Cycloop, met één oog in het midden van zijn voorhoofd. Toen Odysseus +en diens makkers in zijn land aangekomen waren en bij ongeluk in zijne +woning een schuilplaats gezocht hadden, hield hij hen opgesloten en +verslond hij 's morgens en 's avonds twee van hen. Nadat dit reeds +driemaal geschied was, gelukte het Odysseus hem dronken te maken +en stak hij hem in den slaap zijn eenig oog uit met een gloeiend +gemaakten puntigen paal. Daarop ontsnapten zij met het vee van den +Cycloop, die echter bijna nog hun schip door het werpen van groote +rotsblokken verbrijzelde.--Zie ook Acis. + +Polyphontes, Polyphontes, een Heraclide, die koning Cresphontes van +Messenië doodde, daarna diens weduwe Merope tot een huwelijk dwong +en zich van de regeering meester maakte, maar later door Aepytus +gedood werd. + +Polypoetes, Polypoites, z. Leonteus. + +Poly(s)perchon, Poly(s)perchon, veldheer onder Alexander d. G., dien +hij op al zijne tochten vergezelde. Na den dood van Alexander nam hij +eenigen tijd voor Antipater gedurende diens afwezigheid de regeering +over Macedonië waar, en toen Antipater stierf, benoemde hij P. tot +zijn opvolger (319). Hierover ontevreden, verbond zich Cassander met +Antigonus en Ptolemaeus, en P. zocht nu voornamelijk steun bij de +democratische partij in Griekenland en wist ook Olympias (z. a.) voor +zijne belangen te winnen. Een tocht naar Griekenland liep ongelukkig +voor hem af, terwijl Cassander (z. a.) zich in zijne afwezigheid in +Macedonië vestigde. P. verbond zich nu na afwisselende gevechten met +Antigonus, hield zich in de Peloponnesus tegen Cassander staande, en +kwam eindelijk naar Macedonië terug (317), maar het duurde niet lang, +of hij moest weder voor Cassander vluchten. Na eenige pogingen om +in de Peloponnesus eene onafhankelijke regeering te vestigen, stelde +P. zich aan het hoofd der partij van Heracles, den zoon van Alexander +en Barsine; door de Aetoliërs geholpen, rukte hij op Macedonië aan, +maar toen hij zich door de beloften van Cassander liet overhalen om +Heracles te vermoorden (309), vielen al zijne aanhangers van hem +af. Toch wist hij een groot gedeelte van de Peloponnesus terug te +veroveren; in 303 verloor hij echter alles behalve Messenië, waar +hij waarschijnlijk spoedig gestorven is. + +Polyxena, Polyxene, jongste dochter van Priamus en Hecabe, werd na +de inneming van Troje op het graf van Achilles geofferd. Uit liefde +voor haar zou Achilles beloofd hebben tot de Trojanen over te gaan +of den vrede te bewerken, maar toen hij voor het huwelijk of voor de +vredesonderhandelingen in de stad kwam, werd hij verraderlijk door +Paris gedood. Bij de verdeeling van den buit verscheen nu zijn schim en +eischte het offer van P.--V. a. was omgekeerd P. op Achilles verliefd +geweest en doodde zij zichzelve na de inneming der stad op zijn graf. + +Polyxenus, Polyxenos, aanzienlijk Syracusaan, gehuwd met de zuster +van den ouden Dionysius, met wien hij later in vijandschap geraakte, +waarom hij Syracuse verliet. In 387 was hij bevelhebber geweest eener +vloot, die Dionysius aan de Spartanen te hulp zond. + +Polyxo, Polyxo, 1) beroemde waarzegster, vertrouwde van Hypsipyle.--2) +gemalin van Tlepolemus no. 1. Daar haar echtgenoot voor Troje +gesneuveld was, doodde zij Helena, toen deze na den dood van Menelaus +naar Rhodus kwam. + +Pomerium, de heilige grens van Rome, eigenlijk de onbebouwde, door +steen en palen of cippi afgebakende singel binnen en buiten den +stadsmuur. Hierbij valt evenwel op te merken, dat de mons Aventinus en +de mons Capitolinus wel binnen den muur van Servius Tullius lagen, maar +toch buiten het pomerium. Men spreekt daarom van urbs (de eigenlijke +stad) et Capitolium. Ook toen in later tijd de muur verviel, bleef het +pomerium als grens der eigenlijke urbs toch bestaan. Door Sulla werd +het pomerium uitgelegd zonder dat er een nieuwe muur werd opgetrokken, +en na hem geschiedde dit nog meermalen. Het pomerium was ook de grens +der auspicia urbana. + +Pometia, zie Suessa. + +Pomoerium, minder goede schrijfwijze voor pomerium. + +Pomona, romeinsche godin der boomvruchten. Hare bevalligheid wekte +de liefde van alle Satyrs en Faunen, van Silvanus, Picus, Priapus en +Vertumnus op, doch zij weigerde hen aan te hooren, totdat Vertumnus +onder de gedaante van een oude vrouw zijn aanzoek zoo dringend +bij haar aanbeval, dat zij besloot zijne gemalin te worden. Haar +dienst werd te Rome waargenomen door een afzonderlijken priester, +den flamen Pomonalis. + +Pompa, pompe, feestelijke optocht, gewoonlijk ter eere van de goden +gehouden. De voornaamste optocht werd te Athene gehouden bij de +Panathenaea, te Rome bij de ludi circenses. + +Pomp(a)edius Silo (Q.), een van de dapperste veldheeren der +bondgenooten in den marsischen oorlog. Toen hij in 88 sneuvelde +(zie Caecilii no. 17), was ook de kracht van den strijd gebroken. + +Pompeia (lex) van 89, van den consul Cn. Pompeius Strabo (zie +Pompeii no. 9), dat aan de transpadaansche Galliërs, die in den +bondgenootenoorlog aan Rome trouw gebleven waren, het ius Latii +(z. a.) zou verleend worden. + +Pompeiae (leges) van Cn. Pompeius Magnus. 1) lex tribunicia (70) +tot herstel van de macht der volkstribunen.--2) lex iudiciaria, dat +de rechters ex amplissimo censu zouden gekozen worden, d. w. z. allen +riddercensus zouden hebben (een afzonderlijke census voor de senatoren +bestond nog niet), met behoud echter van de drie ordines der lex +Aurelia. Deze wet valt in Pompeius' tweede consulaat (55).--3) de +vi en de ambitu, uit zijn derde consulaat (sine collega) in 52, +gedeeltelijk tot invoering van een korteren vorm van procedure, +gedeeltelijk tot verzwaring der straffen.--4) de iure magistratuum +(52), dat niemand afwezig naar een ambt mocht dingen (uitgezonderd +Caesar).--5) de provinciis, dat niemand eene provincie zou mogen +aanvaarden binnen vijf jaar na het nederleggen van zijn ambt. + +Pampeiani, een familienaam, die eerst onder de keizers voorkomt. 1) +Sex. Vetulenus Civica Pompeianus, oom van L. Verus.--2) Tib. Claudius +Pompeianus, met de dochter van Marcus Aurelius gehuwd, had het bevel +in den oorlog tegen Germanen en Marcomannen, doch trok zich onder de +regeering van Commodus uit het staatkundig leven terug. Pertinax (193 +na C.) bood hem tweemaal aan het bewind aan hem over te dragen, doch +Pomp. weigerde.--3) Claudius Pompeianus Quintianus, zoon van no. 2, +onder Commodus wegens samenzwering ter dood veroordeeld (183).--4) +Claudius Pompeianus, zoon van no. 2 en kleinzoon van keizer Marcus +Aurelius, werd door Commodus vermoord. + +Pompeii, aanzienlijk plebejisch geslacht. 1) L. Pompeius, hield zich +als krijgstribuun met een kleine legermacht staande tegen koning +Perseus van Macedonia (171), tot de consul P. Crassus met zijn leger +hem ontzette.--2) Q. Pompeius, consul in 141, voerde een weinig +eervollen oorlog tegen de Numantijnen en ontkwam ternauwernood het +gevaar, wegens het sluiten van een verdrag (140) aan hen te worden +uitgeleverd. Zie Numantia. Hij was een gevierd redenaar. In 131 was +hij censor (zie Censor). Pompeius was van een zeer geringen stand en +auctor nobilitatis van zijn geslacht. Hij was een tegenstander van +Tib. Gracchus.--3) Q. Pompeius Rufus ijverde als volkstribuun in 100 +voor de terugroeping van Q. Caecilius Metellus Numidicus (Caecilii +no. 13) uit de ballingschap. In 88 was hij te gelijk met Sulla consul, +doch werd in diens afwezigheid op aansporing van Cn. Pompeius Strabo +(consul in 89), wiens leger hij moest overnemen, door de soldaten +vermoord (88).--4) Q. Pompeius Rufus, zoon van no. 3 en schoonzoon van +Sulla, kwam in 88 om bij de troebelen van Sulpicius.--5) Q. Pompeius +Rufus, zoon van no. 4 en van Sulla's dochter, was een aanhanger van +Cn. Pompeius Magnus, doch in 52 werd hij verwikkeld in de woelingen na +den dood van P. Clodius en werd hij verbannen. Zie Caelii no. 4. In +de ballingschap leed hij gebrek.--6) Pompeia, dochter van no. 4 en +derde gemalin van Caesar (67), werd in 61 door hem verstooten wegens +ongeoorloofde betrekkingen met Clodius.--7) Q. Pompeius Bithynicus +richtte in 74 Bithynia (z. a.) tot provincie in, en ontleende +hieraan zijn bijnaam. Hij was een vriend van Cicero. Hij kwam in 48 +om, tegelijk met zijn bloedverwant Cn. Pompeius Magnus.--8) A. of +Q. Pompeius Bithynicus, zoon van no. 7, leverde als stadhouder van +Sicilia dit gewest in 43 aan Sex. Pompeius Magnus over, maar werd door +hem omgebracht.--9) Cn. Pompeius Strabo, in 104 quaestor op Sardinia, +in 90 rom. veldheer in den bondgenootenoorlog, was in 89 consul. Van +hem is de lex Pompeia van 89. Toen in 88 de consul Q. Pompeius Rufus +zijn leger wilde overnemen, liet hij hem door zijne soldaten ombrengen +en bleef zelf aan het hoofd. In 87 leverde hij voor de poorten van Rome +aan Marius en Cinna een slag, die onbeslist bleef. Kort daarop stierf +hij, door den bliksem getroffen. Hij had groote veldheerstalenten, +doch een laag en wreed karakter.--10) Sex. Pompeius, broeder van no. 9, +leefde slechts voor de studie.--11) Cn. Pompeius, bijgenaamd Magnus, +de bekende tijdgenoot en mededinger van Caesar, zoon van no. 9, werd, +evenals Cicero, in 106 geboren. Beiden dienden in den marsischen +oorlog onder Pompeius' vader, wien de zoon in 87 het leven redde door +de ontdekking van een complot onder de soldaten. In den burgeroorlog +wierf Pompeius in Picenum, waar zijne familie groote bezittingen had, +op eigen kosten en die zijner vrienden drie legioenen, waarmede hij +zich bij Sulla voegde (83). Hij versloeg in 82 bij Sena Gallica de +legaten van Cn. Papirius Carbo, nam Praeneste in en bracht de partij +van Marius en Cinna in Sicilia en Africa ten onder, waarbij hij den +titel van imperator verwierf. Middelerwijl had Sulla hem de hand +zijner stiefdochter Aemilia aangeboden (eene dochter van M. Aemilius +Scaurus en Caecilia Metella) en hem den bijnaam Magnus gegeven. Wel +was Pompeius gehuwd met Antistia, doch van deze scheidde hij. Aemilia +stierf echter weldra, en P. huwde ten derde male met Mucia, derde +dochter van Q. Mucius Scaevola, die hij echter later verstiet wegens +overspel met C. Julius Caesar. Na den burgeroorlog wist P. aan Sulla +de eer van een zegetocht af te dwingen, ofschoon hij nog ambteloos +burger en alleen rom. ridder was. Na Sulla's dood bedwong hij den +oproerigen consul M. Aemilius Lepidus (77), doch weigerde vervolgens +zijn leger af te danken en verlangde met proconsulaire macht naar +Hispania te worden gezonden, waar Q. Caecilius Metellus Pius (Caecilii +no. 17) vruchteloos de overblijfselen der mariaansche partij onder +Q. Sertorius trachtte te vernietigen. Het geluk diende Pompeius; +Sertorius viel door samenzwering (zie Perperna) en met zijn dood was +de strijd beslist (72). Op zijn terugtocht (71) vernietigde P. eene +bende van 5000 zwaardvechters, die aan Crassus ontkomen, een goed +heenkomen uit Italia zochten. Met Crassus werd hij voor het jaar 70 +tot consul verkozen. Daags voor het aanvaarden van zijn ambt hield +hij den hem toegekenden triumftocht, om dit nog te kunnen doen als +rom. ridder. Daar hij echter den senaat van zich vervreemd had, +begreep hij elders een steun te moeten zoeken, om zijne eerzucht +te bevredigen. Onder hevige twisten met zijn ambtgenoot herstelde +hij door zijne lex Pompeia de vroegere macht der volkstribunen. De +belooning bleef niet uit. Door de lex Gabinia (67) en de lex Manilia +(66) werd hem achtereenvolgens het bevel in den zeerooveroorlog en in +den oorlog tegen Mithradates opgedragen. De zeeschuimerij werd voor +het oogenblik uitgeroeid; Mithradates en zijn schoonzoon Tigranes +van Armenia, reeds door Lucullus uitgeput, waren spoedig onschadelijk +gemaakt, Syria en Palaestina werden onder rom. gezag gebracht. In 62 +kwam P. in Italia terug en vierde een schitterenden zegetocht. De +senaat evenwel weigerde de beschikkingen van P. in het Oosten te +bekrachtigen (60). Hierdoor gekrenkt, sloot hij zich bij Caesar en +Crassus aan, en het verbond, het zoogenaamde eerste driemanschap, +werd bezegeld door een nieuw huwelijk van P. met Caesars dochter +Julia (59). Pompeius zag nu zijne beschikkingen door den senaat +goedgekeurd. Terwijl Caesar in Gallia was, werd P. in 55 andermaal +met Crassus consul en kreeg Hispania tot provincie met verlof, het +door legaten te laten besturen en zelf te Rome te blijven, in naam +om het oog te houden op mogelijke woelingen van mededingers. Dit +was zijn ongeluk: hij was krijgsman, geen staatsman. Julia wist, +zoolang zij leefde, botsingen tusschen haar echtgenoot en haar +vader te voorkomen, doch toen zij in 54 overleden was en Crassus +in 53 was omgekomen, waren alle banden tusschen Pompeius en +Caesar verbroken. Pompeius wist geene andere taktiek te volgen dan +achter de schermen woelingen aan te stoken. Rome verkeerde in een +staat van volkomen regeeringloosheid, en zoo werd na den dood van +P. Clodius, op voorstel van den senaat, Pompeius tot consul zonder +ambtgenoot gekozen (52), met opdracht de orde te herstellen en met +de macht zich, als hij het geraden achtte, een ambtgenoot toe te +voegen. Metellus Scipio, die ook naar het consulaat had gedongen, +zag zich door deze wending teleurgesteld, doch sloot zich weldra +bij Pompeius aan en werd diens schoonvader en medeconsul. Pompeius +zocht nu zijn verderen steun bij de optimatenpartij. In het ijdel +zelfvertrouwen, dat hij de macht in handen had, trad hij nu met +allerlei willekeurige handelingen en eischen tegen Caesar op. Deze +echter was op alles voorbereid en overrompelde Pompeius, die met +het meerendeel der partij naar Griekenland week, waar hij 6 Juni 48 +door Caesar bij Pharsalus eene beslissende nederlaag leed. Met zijne +vrouw Cornelia en zijn zoon Sextus vluchtte hij naar Aegypte, doch +werd in de koninklijke boot, waarmede Ptolemaeus XII hem eershalve +van boord liet halen, door diens voogd Achillas verraderlijk van +achteren vermoord, ten aanschouwen zijner betrekkingen en vrienden, +die aan boord waren gebleven.--12) Cn. Pompeius Magnus, oudste zoon +van no. 11 uit diens derde huwelijk, zette den oorlog tegen Caesar +voort, doch werd in 46 bij Thapsus in Africa en in 45 bij Munda in +Hispania verslagen en op de vlucht achterhaald en omgebracht.--13) +Sex. Pompeius Magnus, jongere broeder van no. 12, van dezelfde moeder +(Mucia), deelde zijns broeders lotgevallen tot aan diens dood. Uit +Africa en Hispania verdreven, verzamelde hij de overblijfselen zijner +partij ter zee. Na Caesars dood (44) verkeerde hij met den rom. staat +half op voet van vrede, half op voet van oorlog. Bij de verdeeling +van het rijk tusschen Octavianus, Antonius en Lepidus eischte +Sextus Pompeius ook zijn aandeel en bedreigde met zijne machtige +vloot den rom. korenaanvoer. Daar met zulk een tegenstander rekening +moest worden gehouden, werden hem Sicilia, Sardinia, Corsica en de +Peloponnesus afgestaan (39). Doch de goede verstandhouding kon niet +duurzaam zijn; van de eilanden uit kon P. met zijne machtige vloot +Italië met hongersnood bedreigen, terwijl het den driemannen er om te +doen moest zijn, elken mededinger onschadelijk te maken. Eindelijk +barstte de bom voor goed; aan Agrippa, den admiraal van Augustus, +gelukte het, de vloot van Pompeius bij Naulochus te vernietigen +(36). Deze laatste vluchtte naar Azië. Toen hij daar echter plannen +tegen Antonius op touw zette, werd hij te Miletus omgebracht.--14) +Sex. Pompeius, consul in 14 na C. en later stadhouder van Asia, +was een vriend van Ovidius, die verscheiden brieven aan hem gericht +heeft.--15) Pompeius Varus was een oud krijgsmakker van Horatius in +den slag bij Philippi.--16) Pompeius Grosphus, rijk grondbezitter op +Sicilia, behoorde tot de vrienden van Horatius.--17) Pompeius Festus, +zie Festus.--18) Pompeius Trogus, zie Trogus. + +Pompeii, Pompeioi, Pompeia, oude stad van Campania, bloeiend +rom. municipium, aan den mond van den Sarnus. Evenals de overige +plaatsen aan den sinus Cumanus, was ook Pompeii een geliefkoosd +zomerverblijf voor rijke Rom. In 63 na C. had het veel te lijden door +eene aardbeving, doch het verrees uit zijne puinhoopen schooner dan +te voren. In 79 echter, bij de uitbarsting van den Vesuvius werd het +bedolven onder een regen van asch, zand en puimsteen. In 1689 werd +de stad toevallig ontdekt. In het begin der 18de eeuw is men met de +uitgravingen begonnen, doch met weinig kracht en zonder geregeld +plan. Eerst in de 19de eeuw is de opdelving van regeeringswege +met nadruk ter hand genomen en de kleinste helft der stad bloot +gelegd. Behalve houtwerk en daken zijn openbare en bijzondere gebouwen +vrij goed bewaard gebleven. Ten gevolge van deze opgravingen kunnen +we nu duidelijk de volgende perioden in de geschiedenis der stad +onderscheiden. De stad is gesticht door Osci (zie Campania), die +onder den invloed staan der Grieken van Cumae, Dicaearchia (Puteoli) +en Parthenope (Napels); uit deze periode zijn de overblijfselen van +den griekschen tempel (6de eeuw). Vervolgens is de stad verwoest en +weer opnieuw opgebouwd door de Etrusci, die weer later wijken moeten +voor de Samnieten, onder wie de stad een tijdperk van grooten bloei +beleeft (200-80). In 80 wordt de stad romeinsch municipium, gaat eerst +achteruit, en begint eerst weder tot bloei te komen sedert den tijd +van Augustus. Bij de uitbarsting had ze ongeveer 25.000 inwoners. + +Pompeiopolis, latere naam van Soli. + +Pompelo, Pompelon, hoofdstad der Vascones in Hispania Tarraconensis, +thans Pampeluna. + +Pompilii, een weinig bekend geslacht. Over koning Numa Pompilius zie +Numa. Onder de Catilinarii komt ook een Pompilius voor.--M. Pompilius +Andronicus, een Syriër van geboorte, grammaticus uit den tijd van +Sulla en Cicero, trok zich uit Rome terug naar Cumae, omdat hij bij +anderen achtergesteld werd, en schreef daar een werk over de Annalen +van Ennius (Annalium Enni Elenchi), dat door Orbilius werd uitgegeven. + +Pomponii, een plebejisch gesl. 1) Q. Pomponius, volkstribuun in +395, verzette zich tegen de verhuizing der plebs naar Veji en +beliep daarvoor eene geldboete.--2) M. Pomponius, een vriend van +C. Gracchus, kwam met dezen om.--3) L. Pomponius Bononiensis, ± 90, +beroemd atellanendichter.--4) Cn. Pomponius, beroemd als redenaar, +kwam in den burgeroorlog van 82 om het leven.--5) T. Pomponius Atticus, +Cicero's vriend, een merkwaardige figuur in zijn tijd, omdat hij geheel +vrij wist te blijven van partijschap en om zijn beminnelijk karakter, +zijne ongemeene beschaving en zijne milddadigheid bij alle partijen +gezien was, bij Sulla en bij den jongen Marius, bij Cicero en bij +Antonius. Hij heeft nooit naar eenig ambt gedongen. Te Athene, waar hij +een tijd lang verblijf hield, richtte men standbeelden voor hem op. Hij +stierf in 33, 77 jaar oud. Van zijne werken is niets overgebleven. Hij +schreef o. a. annalen in het Latijn en eene geschiedenis van Cicero's +consulaat in het Grieksch. Zijne levensbeschrijving vindt men bij +Cornelius Nepos, terwijl er ook eene rijke verzameling brieven van +Cicero aan hem bestaat.--6) Pomponius Graecinus was een vriend van +Ovidius.--7) L. Pomponius Flaccus, broeder van no. 6, bekleedde onder +Tiberius verschillende hooge posten. Hij was consul in 17 n. C., +daarna stadhouder van Moesia, en later van Syria, waar hij in 33 +of 35 gestorven is.--8) P. Pomp. Secundus, handlanger van Seianus, +ontkwam in 31 n. C. den dood, doordat zijn broeder hem gevangen +liet zetten. Gaius liet hem vrij (37); onder Claudius streed hij +(in 50) als legatus p. p. Germaniae Superioris tegen de Chatten, +en verkreeg de insignia triumphalia. Zijn vriend, Plinius de oude, +heeft zijn leven beschreven. Onder de keizers worden nog genoemd: +Q. Pomp. Secundus, onder Caligula, Pomponius Labeo, Pomp. Bassus, +e. a.--9) Sex. Pomponius, beroemd jurist onder Hadrianus en Antoninus +Pius.--10) Pomponius Mela, geograaf, zie Mela.--11) Pomponius +Porphyrio, zie Porphyrio.--12) Pomponia Graecina, vrouw van A. Plautius +(Plautii no. 11), werd in 57 n. C. aangeklaagd van het deelnemen aan +vreemde eerediensten, waaronder v. s. het Christendom te verstaan +is. De behandeling van de zaak werd aan haar man overgelaten, die +haar vrijsprak. + +Pomptinae Paludes, moerasstreek van Latium, die langs de Volscerbergen +zich uitstrekt tot aan Anxur en Circeii. Het is oorspronkelijk zeebodem +geweest. Duinen beletten de afwatering der riviertjes Amasenus en +Ufens, die de streek langzaam gevuld hebben. In de vroege oudheid +waren de moerassen nog tamelijk beperkt van omvang; later zijn ze +langzamerhand, niettegenstaande alle pogingen om het water te doen +wegstroomen, grooter geworden, zoodat in de middeleeuwen de via Appia, +die er in 312 in rechte lijn doorheen gevoerd is, onbegaanbaar was +geworden. + +Pomptinus (C.) hielp als praetor in 63 Cicero bij het ontdekken der +Catilinarische samenzwering, voerde later (62/61) als propraetor den +oorlog tegen de Allobroges, verkreeg slechts met groote moeite de eer +van een triumf (54), en ging in 51 met Cicero als legaat naar Cilicia. + +Pontes, smalle bruggetjes met leuningen, waarover slechts één +persoon tegelijk kon gaan, ten einde gedrang bij de stembus of bij +het uitreiken der stemtafeltjes te voorkomen. Z. ovile, en Maria +(lex) de suffragiis ferendis. + +Pontia, Pontia, bijnaam van Aphrodite, Thetis, de Nereïden +e. a. zeegodinnen. + +Pontia, het grootste der insulae Pontiae op de kust van Latium +tegenover Formiae; oorspronkelijk volscisch gebied, sedert 313 +lat. kol., onder de rom. keizers een verbanningsoord. + +Ponticus, rom. episch dichter en vriend van Ovidius. + +Pontifices, rom. priestercollege, belast met het toezicht over den +godsdienst. Aan hun hoofd stond de pontifex maximus, aan wien de +geheele priesterschap ondergeschikt was, al stonden ook in rang de rex +sacrorum en de drie flamines maiores boven hem. Hij was lid van den +senaat en woonde in de Regia, het oude koningshuis. Als deskundigen +werden de pontifices geraadpleegd in alle zaken, het ius divinum +betreffende. Onder hunne gewone godsdienstige verplichtingen behoorden +het opmaken en afkondigen van den kalender, het verrichten van zekere +offers (zie Argei), het onderhoud van de paalbrug (pons sublicius) +over den Tiber, de wijding der hooge priesters en der vestaalsche +maagden. Als teekenen hunner waardigheid droegen zij den apex en +de infula. Vóór de lex Ogulnia (300) waren er eerst drie, later 6 +pontifices, allen patriciërs, doch deze wet bepaalde het aantal op 9, +waarvan er 5 plebejers moesten zijn. De p. maximus werd reeds in de +3de eeuw uit den boezem van het college gekozen door eene gedeeltelijke +volksvergadering, n.l. door 17 van de 35 tribus, hiertoe door het lot +aangewezen. De verkiezing van nieuwe leden had plaats door cooptatio, +totdat de lex Domitia (104) voorschreef, dat ook deze verkiezing door +17 tribus zou plaats hebben en dan voor den vorm de aldus voorgedragen +persoon door het college zou worden gecoöpteerd. Sulla herstelde de +cooptatio, en bracht het aantal pontifices op 15. De lex Attia (of +Labiena) van 63 voerde de lex Domitia weder in, zie Attia lex. Sedert +Augustus behoorde de waardigheid van pontifex maximus tot de attributen +des keizers; in den regel werd zij hem bij senaatsbesluit opgedragen. + +Pontii. 1) Gavius C. Pontius, zoon van C. Pontius Herennius, +veldheer der Samnieten, sloot in 321 het rom. leger in de bergengte +van Caudium in, waar het de wapenen moest afleggen en onder het +juk doorgaan. In 292 werd hij verslagen en gevangen genomen door +den rom. consul Q. Fabius Maximus Gurges en, na diens triumftocht +te hebben opgeluisterd, te Rome onthoofd.--2) Pontius Telesinus, +samnietisch veldheer in den bondgenootenoorlog, later met de partij +van Marius verbonden, sneuvelde in 82 vóór de poorten van Rome. Een +broeder, evenzoo geheeten, kwam in hetzelfde jaar bij de inneming van +Praeneste om.--3) Pontius Cominius, een jong Romein, beklom om van den +senaat het verlof te verwerven tot het terugroepen van Camillus, dien +de soldaten te Veii tot dictator wenschten, in 390 met levensgevaar +de rots van het Capitool, dat door de Galliërs belegerd werd. De +Galliërs vonden zijn spoor en zouden den burg overrompeld hebben, +zoo niet de ganzen onraad hadden bespeurd.--4) L. Pontius Aquila, +hevig vijand van Caesar en deelgenoot der samenzwering tegen hem, +sneuvelde als legaat van D. Brutus in den mutinensischen oorlog, +in 43. Hij was een goed bekende van Cicero.--5) Pontius Pilatus, +landvoogd van Judaea, onder wien Jezus Christus gekruisigd werd (6 +April 30), werd na een tienjarig bestuur in 36 na C. afgezet. Omtrent +zijn dood waren later vele verhalen in omloop. O. a. wordt verteld, +dat hij zichzelf van kant gemaakt heeft. + +Pontinius = Pomptinus (C.) + +Pontus, Pontos, personificatie der zee, zoon van Aether en Gaea, +en bij Gaea weder vader van Nereus, Thaumas, Phorcys, Ceto en Eurybia. + +Pontus, Pontos. Het noordelijkste gedeelte van Cappadocië werd onder +de perzische heerschappij als een afzonderlijke satrapie beheerd, +en heette sedert dien tijd Cappadocia ad Pontum, of ook wel kortweg +Pontus. Het was rijk aan zwaar timmerhout, dat voor den scheepsbouw +zeer gezocht was, het leverde ook ijzer en staal (chalyps, in het land +der Chalybes); in het W. bracht het veel graan voort. In 363, onder +de regeering van den perzischen koning Artaxerxes II, gelukte het den +satraap Ariobarzanes in Pontus een zelfstandig rijk te stichten, dat +later het oppergezag van Alexander den Gr. en vervolgens van Seleucus +erkende, maar tegen het einde der derde eeuw onder paphlagonische +vorsten zich verhief en zijn hoogsten bloei bereikte onder Mithradates +VI Eupator, den grooten vijand der Rom. Toen deze in 63 door Pompeius +verslagen was, werd Pontus, waartoe destijds ook Paphlagonia behoorde, +versnipperd. Een deel van het paphlagonische binnenland, met de +hoofdstad Gangra, werd aan de afstammelingen van vroegere vorsten +afgestaan, doch in 7 met Bithynia vereenigd. Een ander gedeelte, ten +Z. der stad Amasea, werd aan Deiotarus, koning van Galatia, geschonken +en Pontus Galaticus geheeten. Een ander gedeelte, in het midden, met +de kuststreek tusschen Side (het latere Polemonium) en Trapezus werd +door Antonius aan Polemo (z. a. no. 4), een kleinzoon van Mithradates +VI, gegeven en Pontus Polemoniacus genoemd. Het oostelijke deel kwam +aan Cappadocia als Pontus Cappadocicus. Het westelijke kustland van +Side tot aan den Parthenius werd in 63 bij Bithynia ingelijfd. + +Pontas Euxinus, de tegenwoordige Zwarte zee. Om de onherbergzaamheid +harer kusten, voordat deze met grieksche volkplantingen bezet waren, +werd deze zee oudtijds axenos, axeinos, maar vervolgens ominis causa +euphemistisch Pontos Euxeinos genoemd. + +Popilia (via), 1) van Capua naar Regium, in 159 door den censor +M. Popilius Laenas aangelegd.--2) van Ariminum over Ravenna naar +Aquileia, in 132 door den consul P. Popilius aangelegd. + +Popi(l)lii, plebejisch geslacht. 1) M. Popillius Laenas, consul in +359, onderdrukte door zijn krachtige taal een opstand der plebs tegen +den senaat. Later bekleedde hij het consulaat nog driemaal, in 356, +in 350, in welk jaar hij een inval der Galliërs afsloeg, (v. s. heeft +deze inval plaats gehad in 348 of 349) en in 348.--2) M. Popillius +Laenas, consul in 173, overwon de Liguriërs. Wegens zijne onbillijke +hardheid tegen de overwonnenen ontging hij slechts ternauwernood +eene veroordeeling. Zie Marcia (lex) de Liguribus deditis.--3) +C. Popillius Laenas, broeder van no. 2, consul in 172, werd in 168 +als gezant tot den syrischen koning Antiochus IV Epiphanes gezonden, +die bezig was Aegypte te veroveren. Hij gelastte den koning namens den +romeinschen senaat, Aegypte onverwijld te verlaten. Toen Antiochus een +tijd van beraad vroeg, trok Popillius met zijn staf, dien hij in de +hand had, om den koning een kring en verbood hem op ruwen toon dezen +te verlaten, alvorens antwoord te hebben gegeven. Hierdoor ontsteld, +gaf de koning toe.--4) M. Popillius Laenas, consul in 139, streed in +het volgende jaar ongelukkig tegen de Numantijnen.--5) P. Popillius +Laenas, consul in 132, vervolgde de aanhangers van Tib. Gracchus +met groote gestrengheid. C. Gracchus bewerkte uit weerwraak in +123 zijne verbanning, waaruit hij door de lex Calpurnia van 121 +teruggeroepen werd. Hij heeft als consul de via Popilia aangelegd, +die Aquileia met Ariminum verbond.--6) C. Popillius Laenas, zoon van +no. 5, was in 107 legaat van den consul L. Cassius Longinus (Cassii +no. 3), die in den slag tegen de Tiguriners (een deel der Helvetiërs) +sneuvelde. Popillius kocht voor het overschot van het leger vrijen +aftocht en gaf gijzelaars. Hiervoor werd hij bij zijne terugkomst te +Rome door den volkstribuun C. Caelius aangeklaagd. Hij begaf zich +vrijwillig in ballingschap.--7) Popillia, moeder van Q. Lutatius +Catulus, was de eerste rom. vrouw, op wie bij hare begrafenis +eene lijkrede werd uitgesproken.--8) P. Popillius. zoon van een +vrijgelatene, werd in 70 wegens ambitus veroordeeld.--9) C. Popillius +Laenas, ook de zoon van een vrijgelatene, voerde als krijgstribuun +de soldaten aan, die Cicero op zijne vlucht najoegen en vermoordden. + +Popina, zie caupona. + +Poplicola, familienaam in de gens Valeria (Valerii no. 1, 5, 6, 10-12) +en de gens Gellia (Gellii no. 3 en 4). + +Poppaei. 1), C. Poppaeus Sabinus, consul in 9 na C., werd in 12 +stadhouder van Moesia en kreeg later onder Tiberius nog Achaia en +Macedonia als provinciën er bij, die hij tot aan zijn dood (35) +bleef besturen. Wegens zijne overwinning op de Thraciërs werden hem +in 26 de insignia triumphalia. toegekend.--2) Q. Poppaeus Secundus, +broeder van no. 1, ook consul in 9 na C., hoewel niet te gelijk met +zijn broeder, was een van de makers der lex Iulia et Papia Poppaea.--3) +Poppaea Sabina, dochter van no. 1, om hare schoonheid beroemd, door den +haat der keizerin Messalina tot zelfmoord gedreven (47).--4) Poppaea +Sabina, dochter van no. 3 en van T. Ollius (z. a.), eene vrouw van +buitengewone schoonheid, in tweede huwelijk de vrouw van M. Salvius +Otho, die haar in ruil voor het stadhouderschap van Lusitania aan +Nero afstond. Haar ter wille verstiet Nero zijne gemalin Octavia, +doch drie jaar later gaf hij Poppaea in hare zwangerschap een trap, +waaraan zij bezweek (65). Zij beschermde de Joden. + +Populonia, -ium, Popylonion, oude stad van Etruria, die reeds in +de 6de eeuw munten sloeg, doch niet eene van de 12 bondssteden, +aan zee gelegen. De stad was belangrijk door haar ijzerhandel (zie +Aethalia). Zij werd door Sulla verwoest en niet herbouwd, haar haven +echter werd door de Rom. opnieuw ingericht en verbeterd. Ten N. van +de stad lag de badplaats Aquae Populoniae. + +Porciae (leges) de provocatione, drie in getal, van drie verschillende +Porcii, zonder dat men aangegeven vindt van welke Porcii zij afkomstig +zijn. Zij vallen tusschen den tweeden punischen oorlog en den tijd +der Gracchen. Eéne is waarschijnlijk van P. Porcius Laeca, tribunus +plebis in 199, of van M. Porcius Laeca, praetor in 195. Al deze +drie wetten bedreigden de overheid, die een rom. burger in strijd +met de provocatio had laten kerkeren, geeselen of ter dood brengen, +met zware straffen. Bovendien strekten zij de provocatio uit over de +burgers in het geheele rijk. + +Porcii, plebejisch geslacht. De familiën der Licini en der Laecae +hebben geene geschiedkundig belangrijke personen opgeleverd, wel +daarentegen die der Catones. 1) M. Porcius Cato, bijgenaamd maior of +censorius, was in 234 te Tusculum geboren. Op zeventienjarigen leeftijd +nam hij deel aan den oorlog tegen Hannibal, in 209 deed hij als miles +dienst in het leger van Fabius Maximus (Fabii no. 16), die Tarentum +heroverde. Zijne quaestuur valt in 205 en wel op Sicilia en in Africa, +waarheen hij P. Scipio begeleidde. Over Sardinia terugkeerend bracht +hij van daar Q. Ennius mede naar Rome. Als praetor in 198 bestuurde hij +Sardinia. In 195 was hij consul. Als proconsul bedwong hij een opstand +in Hispania, nam daarna deel aan den syrischen oorlog (o. a. droeg +hij als krijgstribuun zeer bij tot de overwinning bij de Thermopylae +191), en werd in 184 censor. Hij stierf in 149, gezond van geest en +lichaam. Cato was een ouderwetsch Romein, sterk gekant tegen alles +wat niet nationaal was en dus ook tegen grieksche letteren en kunst, +in welk opzicht hij lijnrecht tegenover de Scipio's stond. Ook als +democraat en verdediger van de rechten van den kleinen boeren- en +burgerstand bestreed hij met groote heftigheid de Scipio's en hun +aanhang. Met groote gestrengheid ging hij als censor tegen alles +te keer, wat in zijne oogen naar weelde zweemde of de eenvoudigheid +van zeden kon ondermijnen. Hij was een man van strenge tucht en van +stipte rechtvaardigheid, behalve waar het Carthago gold, getuige +zijn onophoudelijk: censeo Carthaginem esse delendam. Geen tegenstand +ontmoedigde hem; tot zijn dood toe bleef hij de kampioen voor het oude, +hoewel hij op zijn ouden dag toch nog grieksch ging leeren. Hij is de +eerste romeinsche prozaschrijver geweest. Van zijne talrijke werken en +redevoeringen is, behalve fragmenten, slechts één werk overgebleven: +de agri cultura of de re rustica. Hij heeft ook een geschiedkundig +werk geschreven onder den titel van Origines, dat van Rome's stichting +tot op Cato's tijd moet geloopen hebben. De disticha Catonis zijn +niet van hem, maar uit de 3de eeuw n. C. Als censor bouwde hij de +basilica Porcia.--2) M. Porcius Cato, zoon van no. 1, een bekwaam +rechtsgeleerde en een veelbelovend jong man, stierf vóór zijn vader +in 152.--3) M. Porcius Cato Licinianus, zoon van no. 2, was consul in +118.--4) C. Porcius Cato, zoon van no. 3, werd als consul in 114 door +de Scordisci verslagen, werd later beschuldigd zich door Jugurtha te +hebben laten omkoopen, en ging in ballingschap.--5) L. Porcius Cato, +sneuvelde als consul in 89 in den bondgenootenoorlog.--6) M. Porcius +Cato, vader van Cato Uticensis (no. 8), stierf terwijl hij candidaat +was voor de praetuur.--7) C. Porcius Cato, een vrij woelziek persoon, +behoorde onder de vrienden van P. Clodius en was eerst een tegenstander +van Pompeius, doch verzoende zich met dezen.--8) M. Porcius Cato, +bijgenaamd Uticensis, zoon van no. 6, was een der edelste karakters +uit de laatste halve eeuw der republiek. Hij werd geboren in 95, was +in 65 quaestor urbanus, en beheerde toen de finantiën van den staat +op voortreffelijke wijze; hij werd voor het jaar 62 tot volkstribuun +gekozen, en werkte in het laatst van 63 mede, om de vier aanhangers +van Catilina ter dood te doen veroordeelen. Als voorvechter der +aristocratie kantte hij zich met kracht tegen het streven van Caesar, +Pompeius en Crassus, doch bracht door zijn tegenstand juist een nauwere +aansluiting tusschen de drie te weeg. In 58 werd hij tijdelijk uit Rome +verwijderd, zie Clodiae leges no. 7. Hij kweet zich voortreffelijk +van de hem opgedragen taak. In den burgeroorlog koos Cato de partij +van Pompeius, die hem echter om zijne republikeinsche gezindheid met +koelheid bejegende en zijne raadgevingen in den wind sloeg, zoodat +Cato zich naar Rhodus begaf. Na Pompeius' nederlaag en dood en na +den slag bij Thapsus sloot Cato zich binnen Utica op, met het plan +zich tegen Caesar te verdedigen. De aanwezige Rom. deelden echter +zijn moed niet. Cato liet nu allen die weg wilden, aan boord zijner +vloot gaan en toen deze uitgezeild was, stiet hij zich, na eerst in +Plato's Phaedo gelezen te hebben, het zwaard in de borst. De wond was +niet terstond doodelijk; hij rukte echter het aangelegde verband af +en liet zich doodbloeden, daar hij den ondergang der republiek niet +overleven wilde (April 46).--9) M. Porcius Cato, zoon van no. 8, was +bij zijns vaders dood aanwezig. Hij verzoende zich met Caesar, ging +na diens dood tot Brutus over en sneuvelde bij Philippi.--10) Porcia, +zuster van no. 9, de waardige dochter van een heldhaftigen en edelen +vader, was eerst met M. Calpurnius Bibulus (Calpurnii no. 17) en na +diens dood met M. Brutus (Junii no. 9) gehuwd.--11) M. Porcius Latro, +beroemd rhetor onder Augustus, uit Hispania afkomstig, leermeester +van Ovidius en vriend van Seneca (den vader).--12) M. Porcius Laeca, +deelgenoot aan de samenzwering van Catilina. In zijn huis had de +samenkomst plaats, waar besloten werd, den daarop volgenden morgen +Cicero te vermoorden.--13) Porcius Festus, z. Festus no. 1. + +Poristai, beambten bij het financiewezen te Athene, van wier +werkkring en bevoegdheid niets naders vermeld wordt, dan dat zij voor +de inkomsten van den staat te zorgen hadden. Misschien dienden zij +alleen in buitengewone gevallen tot bijstand van den tamias. + +Porphyreon, Porphyreon, stad in Phoenice, ten N. van Sidon. + +Porphyrio (Pomponius), uitlegger van Horatius uit de 3de eeuw na +C. Zijn commentaar op Horatius is nog grootendeels bewaard gebleven. + +Porphyrio, Porphyrion, een gigant, een van de aanvoerders bij de +Gigantomachia, werd door Heracles verslagen. + +Porphyrius, Porphyrios, van Batanea in Syrië, geb. 233 na C., ontving +zijne eerste opleiding te Tyrus, en kwam later naar Athene, waar +hij de leerling werd van Longinus, die zijn oorspronkelijken naam +Malchus in P. vertaalde. 30 jaar oud ging hij naar Rome, waar hij 6 +jaar lang met den grootsten ijver de lessen van Plotinus volgde. Tot +herstel zijner gezondheid bracht hij vervolgens 5 jaar op Sicilië +door, daarna keerde hij naar Rome terug en na den dood van Plotinus +trad hij als leeraar der wijsbegeerte op. Hij stelt zich voornamelijk +ten doel de leer van Plotinus te verdedigen en te verklaren, en te +bewijzen dat deze in den grond der zaak hetzelfde geleerd heeft als +Plato en Aristoteles. Zijn voornaamste leerling was Iamblichus. Op +vrij hoogen leeftijd trouwde hij met Marcella, een arme weduwe met +zeven kinderen; hij stierf in 304. Zijne veelomvattende geleerdheid, +de duidelijkheid en nauwkeurigheid van zijne werken, en vooral zijne +eerlijkheid werd algemeen, ook door zijne tegenstanders, erkend; +ook hebben zijne werken tot laat in de middeleeuwen grooten invloed +op de studie der wijsbegeerte gehad. De meeste er van, o.a. een in 15 +boeken kata Christianon, zijn verloren gegaan; van die, welke bewaard +gebleven zijn, zijn de voornaamste het leven van Plotinus en dat van +Pythagoras en zijne verklaringen van Homerus. + +Porrima, z. Carmenta. + +Porsenna of Porsena, Porsenas, koning of lars der etrurische stad +Clusium, belegerde op verzoek van den verdreven Tarquinius Superbus de +stad Rome. Hoewel hij Tarq. niet op den troon terugbracht, moesten +de Rom. toch door afstand van grond den vrede verkrijgen. Het +volksverhaal echter vermeldt, dat P., door den moed van Horatius +Cocles en van Mucius met bewondering en ontzag vervuld, onverrichter +zake aftrok. Dit is de gewone voorstelling. Volgens oudere berichten +heeft P. de stad ingenomen, en is ze een tijdlang aan hem onderworpen +geweest; de Romeinen mochten geen ander ijzer gebruiken dan wat ze +voor den landbouw noodig hadden. + +Portentum, zie auguria. + +Porthaon, -theus, Porthaon, -theus = Parthaon. + +Porthmus, Porthmos, haven in het gebied van Eretria op Euboea, aan +de Z.-kust, ten O. van die stad. + +Portuensis (via), van Rome naar Portus Augusti. + +Portunus, Portumnus, oorspronkelijk een god van de deuren en poorten, +evenals Janus, later havengod bij de Rom., had te Rome een tempel +bij de haven van den Tiber, waar jaarlijks den 17den Augustus de +Portumnalia gevierd werden. Hij werd afgebeeld met een sleutel in de +hand. Later werd hij geheel geïdentificeerd met Palaemon. + +Portus Augusti, de nieuwe haven aan den mond van den Tiber, door +keizer Claudius ten N. van Ostia aangelegd. + +Portus Herculis, zie Cosa. + +Porus, Poros, vorst van een indisch rijk tusschen den Hydaspes en +den Acesines, trachtte Alexander den overtocht van den Hydaspes te +beletten, maar werd met zijn groot leger verslagen (326). Getroffen +door zijn edel karakter, liet Alexander hem de regeering behouden en +vergrootte hij zijn gebied nog door toevoeging van een naburig rijk, +waarover een anderen P. regeerde. Hij werd later (318) door Eudemus, +den bevelhebber der grieksche troepen in Indië, verraderlijk gedood. + +Porus, Poros of Porinos lithos, tufsteen, waarvan de tempel van Delphi, +behalve de voorgevel, en ook die van Zeus te Olympia gebouwd was. De +voorgevel van den Delphischen tempel was van marmer, Parios lithos, +z. Delphi en Alcmaeonidae. + +Poseidon, Poseidon, -daon, Neptunus, zoon van Cronus en Rhea, kreeg +bij de verdeeling der heerschappij over het heelal de regeering over de +zee, op welker bodem hij met Amphitrite en hunne kinderen zijn gouden +paleis bewoont. Hij omvat en steunt de geheele aarde (Gaieochos), +heerscht over alle godheden en veroorzaakt alle verschijnselen der zee, +met zijn drietand doet hij naar verkiezing stormen opsteken en bedaren, +rotsen splijten, de aarde schudden (Ennosigaios, Enosichthon), eilanden +uit zee oprijzen; als hij op zijn wagen, bespannen met paarden met +koperen hoeven, over de zee rijdt, dan leggen de golven zich neder en +vormen voor hem een effen vlakte, terwijl zeemonsters opduiken en om +hem heen dartelen. Voor allen, die met de zee in betrekking staan, +is hij een beschermend god, daarentegen vervolgt hij met alle macht +hen, die zijn toorn opgewekt hebben. Zoo moet bijv. Odysseus jaren +lang op zee rondzwerven, omdat hij P.'s zoon Polyphemus blind gemaakt +heeft, zoo was hij een onverzoenlijk vijand van de Trojanen, wegens de +trouweloosheid van Laomedon (z. a.); zelfs tegen Zeus durft hij zich +soms verzetten en eens spande hij zelfs met Hera en Athena samen om hem +te boeien (z. Aegaeon).--De dienst van P. was over geheel Griekenland +verbreid en van vele steden beweerde men dat zij door een van zijne +talrijke zonen gesticht waren, het meest werd hij echter natuurlijk +vereerd in kuststreken en op eilanden, in de Peloponnesus vooral op +de landengte van Corinthe, waar te zijner eer de isthmische spelen +gevierd werden, en op de Noordkust, verder in de ionische steden van +Klein-Azië (z. Panionia), enz. Toch was zijne vereering vroeger nog +meer algemeen geweest, toen hij als god van het water in het algemeen, +dus ook van bronnen, rivieren, enz., ook in het binnenland als +bevruchtend en voedselgevend god beschouwd werd. Vandaar verscheiden +verhalen van zijne twisten met andere goden over het bezit van een +of ander land, bijv. met Athena (z. a.) over Attica en Troezen, niet +Hera over Argolis (z. Inachus). Onder de dieren zijn hem de dolfijn +en de stier, maar vooral het paard, gewijd. In vele verhalen wordt +hij met paarden in betrekking gebracht (z. Balius en Oenomaüs), hij +zou het paard geschapen en den menschen geleerd hebben zich er van te +bedienen (Hippios), hij wordt de vader genoemd van de paarden Arion +en Pegasus. Daarom schept hij ook behagen in wedrennen met paarden en +wagens, zooals op verscheiden plaatsen, vooral te Onchestus en op de +landengte van Corinthe, te zijner eere gehouden werden. Men offerde hem +stieren, liefst zwarte, evers, rammen, soms ook paarden. De denneboom, +die hout voor den scheepsbouw levert, was hem heilig. Zijne beelden +gelijken veel op die van Zeus, hoewel zijne trekken scherper en zijne +haren gewoonlijk verward zijn; hij is kenbaar aan zijn drietand of aan +den dolfijn, die hem vergezelt, ook is hij dikwijls in het gezelschap +van Amphitrite e. a. zeegodheden. Dichters noemen hem donker van haar +(Kyanochaites). + +Posideon, Poseideon, 6de maand van het Attische jaar (Dec.-Jan.), +z. Annus. + +Posideum, Poseideion, -deion, 1) stad op de grens van Cilicia en Syria, +tegenover Cyprus.--2) stad in Cassiotis (Syria). + +Posidippus, Poseidippos, 1) van Cassandrea, een van de beste dichters +der nieuwe attische comedie. Hij schreef ongeveer 40 stukken, +waarvan een, Didymoi genaamd, waarschijnlijk door Plautus in zijn +Menaechmi is nagevolgd. Hij trad voor het eerst op omstreeks 287.--2) +grieksch epigrammendichter, ongeveer gelijktijdig met den vorigen, +waarschijnlijk van Sicilië. + +Posidium = Posidonium. + +Posidonia, Poseidonia, oude naam van Paestum. + +Posidonium, Poseidonion, Z.W. kaap van het chalcidische schiereiland +Pallene. + +Posidonius, Poseidonios, 1) van Olbiopolis, geschiedschrijver uit +de eerste helft van de 2de eeuw.--2) van Apamea, gewoonlijk naar +zijn verblijf op Rhodus de Rhodiër genoemd, geb. omstreeks 135, was +een leerling van Panaetius. Na diens dood reisde hij naar Italië, +Hispanië, enz., en trad daarna als hoofd der stoicijnsche school +op Rhodus op. Hij wordt de geleerdste onder de stoicijnen genoemd +en trachtte de leer van Plato en Aristoteles met de stoicijnsche te +vereenigen. Cicero en Pompeius woonden zijne voordrachten bij. Ook aan +de staatszaken nam hij deel en in 86 kwam hij als gezant naar Rome. Van +zijne talrijke werken over geschiedenis en natuurwetenschappen, +waaronder een vervolg op Polybius in 52 boeken was, zijn slechts +fragmenten bewaard. Hij heeft een ontzaglijken invloed gehad op de +denkrichting van zijn tijd en van latere geslachten. + +Possessio, het feitelijk bezit eener zaak, in tegenstelling van +dominium of eigendom volgens streng rom. recht. Zie bonorum possessio. + +Postliminium, zie ius postliminii. + +Postumia (via), in Gallia Cisalpina, van Genua over Cremona en +Mantua naar Aquileia. Deze weg is in het jaar 148 door den consul +Sp. Postumius aangelegd. + +Postumii, patricisch geslacht, misschien van etruscischen +oorsprong. 1) P. Postumius Tubertus, consul in 505 en 503, +bracht den Sabijnen zware nederlagen toe, hoewel hij eenmaal zelf +verslagen werd.--2) A. Postumius Albus Regillensis, consul in 496, +legde zijn consulaat neder om tot dictator benoemd te kunnen worden +(v. a. was hij dictator in 498) en behaalde toen op de Latijnen de +schitterende overwinning bij het meer Regillus. Zijn zoon Sp. was +een der drie mannen, die in 454 naar Griekenland gezonden werden +om aldaar de wetten te bestudeeren.--3) A. Post. Albus Reg., zoon +van no. 2, consul in 464, overwon de Aequers.--4) A. Postumius +Tubertus, dictator in 431, bracht aan de Aequers en Volscers eene +schrikkelijke nederlaag toe bij den berg Algidus. Het verhaal, dat +T. Manlius Capitolinus Imperiosus (zie Manlii no. 10) zijn zoon zou +hebben ter dood gebracht wegens ongehoorzaamheid, wordt door oudere +schrijvers op naam van dezen Postumius gesteld.--5) M. Post. Albus +Regill. werd als consulairtribuun in 426 door de Vejenten verslagen en +hiervoor met een geldboete gestraft.--6) P. Post. Albinus Regill., +consulairtribuun in 414, werd door zijn troepen gesteenigd.--7) +Sp. Postumius Albinus, consul in 334 en 321 met T. Veturius Calvinus, +zie Veturii no. 6.--8) L. Postumius Megellus, consul in 305, 294 en +291, versloeg bij herhaling Samnieten en Etruscers en hield tweemaal +een triumftocht tegen den wil van den senaat onder de bescherming van +eenige volkstribunen.--9) L. Post. Megellus, zoon van no. 8, consul in +262, veroverde de stad Agrigentum op Sicilia.--10) L. Post. Albinus, +consul in 234 en 229, overwon de Liguriërs en de Illyriërs, doch +sneuvelde in 216 toen hij consul designatus was, in de Litana Silva +tegen de Bojers.--11) Sp. Post. Albinus, zoon van no. 10, consul in +186, werd door den senaat belast met een onderzoek naar de Bacchanalia +(z. a.). Zie ook Marcii no. 14.--12) A. Post. Albinus, consul in 180, +voerde in 174 met strengheid de censuur, terwijl Sp. Post. Albinus +Paullulus (misschien zijn broeder) consul was. Een L. Post. Albinus +(wellicht een derde broeder) was in 173 consul en gaf den eersten stoot +aan de oprichting van tabernae voor rom. ambtenaren op reis.--13) +A. Post. Albinus, een der 10 gezanten, die in 146 de provincie +Achaia moesten organiseeren, schreef eene geschiedenis van Rome in +het Grieksch.--14) Sp. Post. Albinus, consul in 110, voerde in den +oorlog tegen Jugurtha niets uit. Zijn broeder A. Post. Albinus, +die als legaat onder hem diende, nam het legerbevel op zich, toen +Sp. naar Rome vertrok om de comitia te houden, doch werd door Jugurtha +verslagen, waarna het rom. leger onder het juk moest doorgaan.--15) +Behalve deze Romeinsche Postumii, wordt er ook nog melding gemaakt van +een Etruscisch zeeroover, Postumius genaamd, die in het jaar 342 (339) +met twaalf kaperschepen als vriend de haven van Syracusae binnenliep, +maar door Timoleon terechtgesteld werd. + +Postumus (M. Cassianius Latinius), één van de zoogenaamde dertig +tyrannen (zie triginta tyranni II). Toen keizer Gallienus uit +Gallië tegen Ingenuus (z. a.) optrok, vielen de Franken in Gallië +en Spanje, en plunderden o.a. Tarraco, maar werden daarop door +Postumus verslagen, die vervolgens (winter van 258/59 n. C.) zich +tot keizer liet uitroepen, en den jongen Valerianus, den zoon van +Gallienus, te Keulen liet vermoorden. Vijf jaar lang (259-264) heeft +hij Gallië tegen de Franken verdedigd, maar het rechtsrijnsche gebied +is waarschijnlijk in dien tijd aan de Alamannen verloren gegaan. Toen +Postumus door de generaals van Gallienus in het nauw werd gebracht, +nam hij tot mede-keizer Victorinus aan (waarschijnlijk begin van +268). Hij heerschte als keizer, evenals zijne opvolgers Victorinus +(268-269) en Tetricus (270-273), over Gallië, Britannië en Spanje, +en wilde een afzonderlijk westersch rijk stichten. Zijne regeering +was voor Gallië een tijdperk van vrede en bloei. Postumus werd, +nadat hij een anderen pretendent, Lollianus, had overwonnen, door +zijn soldaten te Mainz vermoord (268/9). + +Postvorta, z. Carmenta. + +Potamides, Potamides, rivier- en stroomnimfen. + +Potentia, 1) stad in Picenum, sedert 184 rom. kolonie.--2) stad in +het Noorden van Lucania, aan de grens van Apulia. + +Potidaea, Potidaia, Poteidaia, corinthische volkplanting op de +landengte, die Pallene met Chalcidice verbindt, sterke vesting. In den +perzischen oorlog sloeg P. de aanvallen der Perzen af en trad tot het +atheensch verbond toe. In den peloponnesischen oorlog viel het af, +doch moest zich weder aan de Atheners overgeven, die tot straf de +inwoners dwongen de stad te verlaten (430/29) en van Potidaea eene +cleruchie maakten. In 356 werd Pot. door Philippus van Macedonia +veroverd en verwoest, doch om de gunstige ligging liet Cassander het +onder den naam Cassandrea herbouwen. + +Potidania, Potidania, vesting in Aetolia op de locrische grenzen. + +Potitii, zie Pinarii. + +Potniades, Potniades, bijnaam van de Eumeniden en de Bacchanten; +ook de paarden van Glaucus no. 2 worden zoo genoemd. + +Potniae, Potniai, eerwaardigen, bijnaam van Demeter, Persephone en +de Erinyes. + +Potniae, Potniai, stadje in Boeotia aan den weg van Thebae naar +Plataeae, aan den Asopus. Men vertelde, dat het gras van de weiden +in den omtrek de paarden razend maakte. Z. Glaucus no. 2. + +Practius, Praktios, riviertje in Troas, dat langs Percote in den +Hellespont uitstroomt. + +Praecones bij de Rom. moeten niet op ééne lijn gesteld worden met de +kerykes bij de Grieken. Een praeco was niets meer dan een openbaar +omroeper, die ook gebruikt werd om iets af te kondigen of in de +volksvergadering met luider stem voor te lezen. Zij riepen de comitia +en soms ook den senaat te zamen. Zie apparitores. + +Praefecti zijn in het algemeen allen, die ergens over gesteld zijn; zoo +heet b.v. de scheepskapitein praefectus navis, de admiraal praefectus +classis, het hoofd der roeiers, pr. remigum enz. Eenige praefecti +echter zijn er, die hieronder eene afzonderlijke vermelding behoeven. + +Praefecti aerario, twee ambtenaren, die door sommige keizers, als +Augustus, Tiberius, Caligula, Nero, met het administratief beheer +van het aerarium belast waren, in plaats der quaestores urbani, +totdat het aerarium met de keizerlijke schatkist (fiscus) samensmolt. + +Praefecti Capuam Cumas, ook IV viri in Campaniam of IV viri iuri +dicundo geheeten, werden sedert 318 naar de campaansche steden Capua, +Cumae, Casilinum, Volturnum, Liternum, Puteoli, Acerrae, Suessula, +Atella en Calatia gezonden om recht te spreken. Ook voor andere deelen +van het romeinsch gebied werden door den praetor, niet door het volk, +praefecti iuri dicundo benoemd, die in zijn naam recht spraken. Zie +Praefectura. + +Praefecti iuri dicundo, zie Praefectura. + +Praefecti sociorum. Evenals over een rom. legioen zes tribuni militum +stonden, stonden over elk legioen italische socii, ala geheeten, +zes praefecten, die door de rom. legeraanvoerders werden aangesteld. + +Praefectura. Het geheele Romeinsche burgergebied, met uitzondering van +de coloniae Romanae, wier overheden zelf mochten rechtspreken, en van +Latium, was in districten (praefecturae) verdeeld, en de rechtspraak +was daar opgedragen aan een voor elke praefectura jaarlijks door +den praetor urbanus te benoemen praefectus iuri dicundo. Alleen de +praefecti voor N.W. Campania, de Praefecti Capuam Cumas (z. a.) werden +in de comitia tributa gekozen.--Onder Constantijn den Gr. kregen de +4 groote deelen, waarin het rom. keizerrijk gesplitst werd, ook den +naam praefecturae. + +Praefectus Augustalis of praef. Aegypti, de keizerlijke stadhouder +van Aegypte. + +Praefectus praetorio, bevelhebber der door Augustus ingestelde cohortes +praetorianae of keizerlijke garde. Onder Augustus waren er twee, +later afwisselend één, twee of eene enkele maal drie. + +Praefectus Urbi(s). Toen de consuls nog de eenige hooge overheden te +Rome waren, stelden zij, wanneer beiden de stad moesten verlaten, +onder den titel praef. Urbis of Urbi een stadhouder aan. Met de +instelling der praetuur in 366 werd deze maatregel overbodig, daar de +praetor urbanus nu in zoodanig geval als plaatsvervanger der consuls +optrad. Eénmaal 's jaars echter, tijdens de feriae Latinae, die op den +albaanschen berg gevierd en door alle overheden bijgewoond werden, werd +in de alsdan bijna verlaten stad een jongeling van aanzienlijken huize +met het politietoezicht belast onder den titel praef. Urbi feriarum +Latinarum causa.--Augustus stelde onder den naam van praef. Urbi een +vasten gouverneur van Rome aan, wiens politietoezicht en rechtsmacht +zich later tot op 100 mijlen buiten Rome uitstrekte. + +Praefectus vigilum, kommandant der nacht- en brandwacht te Rome. + +Praeficae, gehuurde vrouwen, die bij de begrafenissen van aanzienlijke +lieden jammerden en klaagzangen aanhieven. + +Praeneste, Prainestos, thans Palestrina, oude stad van Latium, op +eene rots gelegen en door zijne hooge ligging koel en een aangenaam +zomerverblijf (frigidum Praeneste). Er was een beroemde Fortuna-tempel +met een orakel. De weg, die van Pr. over Gabii naar Rome liep, +heette via Praenestina. Praeneste was na 338 een civitas foederata, +en bekleedde onder het nomen Latinum een bevoorrechte plaats. In +216 weigerde de stad het romeinsche burgerrecht, dat de senaat haar +aanbod wegens de dappere verdediging van Casilinum. In 82 werd de +stad door Sulla belegerd, en door den jongen Marius verdedigd. Kort +na den slag bij de Porta Collina (1 Nov. 82) gaf het zich over, +en werd toen uitgeplunderd en zwaar gestraft. Later bracht Sulla er +eene kolonie heen. + +Praerogativa, een woord, dat bij de comitia centuriata te huis +behoort. In het eerst stemden de 18 riddercenturiën het eerst en +werden hierom praerogativae genoemd; na de hervorming dezer comitia +werd door het lot eene centurie der eerste klasse aangewezen om voor +te stemmen, die dan centuria praerogativa was. Z. ook principium. + +Praes, zie vas. + +Praesenteius (P.), onderbevelhebber van Q. Pompaedius Silo in den +marsischen oorlog. + +Praesus, Praisos, Prasos, stad in oostelijk Creta, in het gebied der +Eteocretes, in 140 door de Grieken van het eiland vernietigd. + +Praetexta, toga met purperen rand omweven, zooals te Rome de curulische +overheden en kinderen droegen. + +Praetexta, n.l. fabula, eene tragoedia, die op rom. bodem speelt +en waarin de spelers, die de hoofdrollen vervullen en beroemde of +hooggeplaatste Rom. voorstellen, de toga praetexta dragen. In het +algemeen zag men te Rome niet gaarne Rom. ten tooneele gevoerd. + +Praetor, hegemon, strategos. In 367, toen de lex Licinia Sextia den +toegang tot het consulaat voor de plebejers had opengesteld, werd voor +de civiele rechtspraak het praetorsambt in het leven geroepen. In 337 +werd ook de praetuur voor plebejers opengesteld; de eerste plebejische +praetor was Q. Publilius Philo. In 241 werd het getal praetoren op +twee gebracht; de een, die nu praetor urbanus genoemd werd, was belast +met de rechtspraak tusschen rom. burgers, de andere, praetor inter +peregrinos, met die tusschen burgers en peregrini. Over den aard dezer +rechtspraak zie iudex. Praetor iudicem dat, ius dicit, rem iudicatam +addicit. De pr. urb. trad tevens bij afwezigheid van beide consuls +als hun plaatsvervanger op. Hij is de collega minor der consuls, en +wordt evenals deze in de comitia centuriata gekozen onder voorzitting +van een consul of dictator; hij heeft het ius cum patribus agendi en +het ius agendi cum populo. Na den eersten punischen oorlog kwamen er +(in 227) 2 praetoren bij als stadhouders van Sicilia en Sardinia en +na de verovering van Hispania (in 197) nog 2. Welk praetorschap aan +ieder ten deel zou vallen, werd door het lot beslist. Door Sulla +en Caesar werd het aantal praetoren achtereenvolgens tot 8, 10, +14 en 16 vermeerderd. Sedert de invoering der quaestiones perpetuae +(zie iudicium publicum en iudex) in 149 werd het gewoonte, dat de +praetoren gedurende hun ambtsjaar te Rome bleven en eerst daarna +een stadhouderschap kregen (zie provincia). Krachtens hun imperium +konden de praetoren ook een leger aanvoeren. Hunne insignia waren de +sella curulis, de toga praetexta en 2 lictoren binnen Rome (zie lex +Plaetoria), daarbuiten 6. Wanneer een praetor op het forum zijn ambt +uitoefende stond zijn zetel op eene verhevenheid, tribunal. Praetor +is ook de oudste en algemeene naam voor stadhouder, zie propraetor. + +Praetoriani, zie cohortes praetoriae. + +Praetorium, de ruimte in de legerplaats, 200 voet lang en 200 +voet breed, waar de tent van den veldheer was opgeslagen, ook de +veldheerstent zelf. + +Praetorium Agrippinae, rom. vesting in het land der Bataven, gesticht +ten tijde van keizer Claudius, tgw. Arentsburg bij Voorburg. Hier was +tevens een station van de romeinsche Rijnvloot. De Fossa Corbulonis, +gegraven in 47 n. C. (de tegenwoordige Vliet) loopt hierlangs. + +Praetutii of Praetutiani, een stam in het Z. van Picenum. + +Praevaricatio (van varus, krom) is het heulen van een aanklager met den +beschuldigde. Daar bij de Rom. in rechten het non bis in idem gold, +zocht een schuldige, die eene ernstige aanklacht vreesde, wel eens +een zijner vrienden te bewegen hem aan te klagen, natuurlijk met het +doel om door scheeve of verdraaide behandeling der zaak de aanklacht +te verliezen en den schuldige te hooren vrijspreken. Het bewijs van +praevaricatio was moeielijk te leveren; werd zij echter bewezen, +dan was eerloosheid er het gevolg van en kon de aanklacht door een +ander worden opgevat. + +Praktores, beambten bij het financiewezen te Athene, die boeten +e. dgl., voor zoover zij ten bate van den staat kwamen, moesten innen. + +Prandium, ontbijt, doch niet zooals wij in den ochtend gebruiken, +dat ientaculum heet en niet algemeen in zwang was, maar een soort +van lunch omstreeks den middag (12 uur). + +Prasiae, Prasiai, 1) stad op de Oostkust van Laconica.--2) demus aan +de Z.O. kust van Attica. + +Prasias lacus, Prasias limne, meer in Thracië, door den +Strymon. gevormd, even ten N. van Amphipolis. + +Prasii, Prasioi, machtig indisch volk aan den Ganges, met de hoofdstad +Palibothra. Omstreeks 300 bracht hun koning Sandracottus een leger +van ± 500000 man met 3000 olifanten op de been. + +Pratinas, Pratinas, van Phlius, een van de oudste treurspeldichters te +Athene, tijdgenoot van Aeschylus. Hij wordt de eerste dichter genoemd, +die te Athene een satyrdrama liet opvoeren. + +Praxagoras, Praxagoras, Athener, schrijver eener geschiedenis van +Constantijn den Groote, van Alexander en van de koningen van Attica, +die bijna geheel verloren zijn. Hij leefde in de 4de eeuw n. C. + +Praxilla, Praxilla, van Sicyon, lyrische dichteres omstreeks het +midden der 5de eeuw. + +Praxiphanes, Praxiphanes, van Mytilene of van Rhodus, leerling van +Theophrastus, later zelf leeraar der peripatetische wijsbegeerte, +hield zich voornamelijk met grammatische studiën bezig.--Een ander +van denzelfden naam wordt onder de leermeesters van Epicurus genoemd. + +Praxiteles, Praxiteles, Athener, een van de grootste beeldhouwers, +wiens beelden uitmuntten door schoonheid van vormen en bevalligheid +van stand (± 350). Een van zijne meesterstukken was de Aphrodite, +die hij voor de Cnidiërs maakte. Een Hermeskop van Pr. is op blz. 311 +afgebeeld. + +Prelius lacus, moeras op de etruscische kust, ten Z.W. van Rusellae. + +Prexaspes, Prexaspes, een gunsteling van Cambyses, op wiens bevel +hij Smerdis doodde. Na den dood van Cambyses (522) maakte hij, om +den valschen Smerdis te ontmaskeren, zijne daad aan het volk bekend, +terwijl hij op een toren stond, daarop wierp hij zich naar beneden. + +Priamides, Priamides, Hector, Paris e. a. zonen van Priamus. + +Priamus, Priamos, 1), zoon van Laomedon en Strymo. Toen Heracles +Troje had ingenomen, werd hij gevangen genomen, maar door zijne zuster +Hesione vrijgekocht, vandaar werd zijn oorspronkelijke naam Podarces +in Pr. (van priasthai) veranderd. Na het vertrek van Heracles volgde +hij zijn vader op, hij ondernam als bondgenoot der Phrygiërs een +krijgstocht tegen de Amazonen, huwde met Arisbe, later met Hecabe, en +leefde met het talrijk kroost (50 zoons en 50 dochters), dat hij bij +deze en andere vrouwen had, gelukkig en tevreden, totdat de trojaansche +oorlog uitbrak, die hem eerst van bijna al zijne zonen beroofde en hem +eindelijk regeering en leven kostte. Aan den oorlog neemt hij wegens +zijn hoogen leeftijd persoonlijk geen deel, slechts tweemaal komt hij +buiten de stad, eerst om een verdrag te sluiten, waarbij de oorlog +door een tweegevecht tusschen Paris en Menelaus beslist zou worden, +later onder geleide van Hermes, om van Achilles de uitlevering van het +lijk van Hector af te smeeken. Toen de Grieken de stad binnendrongen, +zocht de grijze koning met zijn vrouw en dochters een schuilplaats bij +het altaar van Zeus, maar toen hij zijn zoon Polites door Neoptolemus +zag dooden, slingerde hij zijne lans naar den vijand, die daarop in +woede op hem toeliep en hem met zijn zwaard doorstak.--2) zoon van +Polites no. 1, tochtgenoot van Aeneas. + +Priapus, Priapos, zoon van Dionysus, Hermes, Pan of Adonis en Aphrodite +of Chione, een god van wijn- en tuinbouw, van vee- en bijenteelt, +ook van visscherij, vooral te Lampsacus vereerd, van waar zijn dienst +zich over het overige Griekenland schijnt te hebben uitgebreid. De +Rom. identificeerden hem met Mutinus. Zijne beelden werden veelal +in tuinen en wijnbergen geplaatst om als vogelverschrikker te +dienen. Men offerde hem de eerstelingen der vruchten, melk, honig, +bokken en ezels. Hij wordt soms afgebeeld als een knaap, soms als +een grijsaard, gewoonlijk met vruchten, een snoeimes of een horen +van overvloed in de hand. + +Priene, Priene, aziatisch-ionische stad op de zuidelijke helling van +den berg Mycale en aan de Latmische golf. In de 4de eeuw is de stad +zeer regelmatig herbouwd, en, nu ze door de Duitschers opgegraven is, +geeft ze een goed denkbeeld van een hellenistische stad. De wijsgeer +Bias was hier geboren. + +Primigenia, bijnaam van Fortuna, waaronder zij vooral te Praeneste +vereerd werd. Zij werd daar als de oudste dochter van Jupiter, maar +later als de moeder van Jupiter en Juno beschouwd en had een beroemd +orakel, dat geraadpleegd werd door het werpen met eikenhouten staafjes, +waarin ouderwetsche letters gesneden waren. + +Primipilus, Primus Pilus, zie centurio. + +Primus, zie Antonii no. 15. + +Princeps, de oorspronkelijke keizerstitel, door Augustus aangenomen +als natuurlijke princeps senatus. + +Princeps inventutis. Degenen, die bij het opmaken der ridderlijsten +door de censoren bovenaan geplaatst waren, werden principes +inventutis genoemd. Onder Augustus werden zijne beide kleinzoons C. en +L. Caesar door de ridderschap tot principes inventutis uitgeroepen, +en vervolgens werd het gebruikelijk dat de vermoedelijke troonopvolger +dezen titel voerde. + +Princeps senatus. Hij, die bij het opmaken van de lijst der senatoren +door de censoren als de meest waardige bovenaan werd geplaatst, werd +princeps senatus genoemd. Het was een groot eerbewijs, en zoolang het +gebruikelijk bleef, in senaatszittingen den princeps het eerst naar +zijn gevoelen te vragen, was deze waardigheid niet van belang ontbloot. + +Principes, zie centuria. + +Principium. Bij de comitia curiata en tributa stemden alle afdeelingen +tegelijk. Als nu de stemmen geteld waren, kwamen de rogatores +(stemopnemers) op het templum (de spreekplaats), waar de voorzitter +der vergadering zich bevond, bijeen. Nu werd bij loting vastgesteld, in +welke volgorde elke afdeeling den uitslag zou mededeelen. De naam van +de eerstgevraagde afdeeling, zoowel bij de curiae als bij de tribus, +heette principium, en werd, als het een wet gold, met den naam van +den burger, die daarin het eerst gestemd had (qui primus scivit) +aan het hoofd van de wet vermeld. Z. ook praerogativa. + +Priscianus, van Caesarea, rom. taalgeleerde te Constantinopel (± +500 na C.), wiens institutiones grammaticae in de middeleeuwen nog +lang als latijnsche spraakleer werden gebezigd. + +Priscus, 1) zie Helvidius Priscus.--2) een Thraciër, die door +Theodosius II als keizerlijk gezant tot Attila werd gezonden en +eene geschiedenis van het rom. rijk en van de oorlogen met Attila +schreef. Er zijn nog fragmenten van over.--3) Attius Priscus, schilder +onder de regeering van Vespasianus. + +Privernum, oude volscische stad in Latium, reeds vroeg door de Rom. tot +kolonie gemaakt. Het lag aan den Amasenus en had belangrijken wijnbouw. + +Privilegium (van privus en lex), 1) eene wet, die tegen één enkelen +persoon gericht is, zooals de lex Clodia tegen Cicero.--2) een +wet of besluit ten gunste van één persoon of van enkele personen, +vandaar voorrecht. + +Probole, te Athene een aanklacht bij de volksvergadering, waarop echter +alleen eene voorloopige veroordeeling konde volgen; daarna werd de +zaak voor een van de gewone rechtbanken gebracht. De pr. werd alleen +in bizonder ernstige gevallen toegepast, de uitwerking er van bestond, +naar het schijnt, alleen in den invloed, dien zulk een uitspraak van +het volk op de rechters uitoefende. + +Probouleuma, praeadvies van den raad, eene voorloopige voordracht, +waarop de goedkeuring der volksvergadering gevraagd werd. + +Probouloi, 1) in oligarchisch geregeerde staten eene commissie uit +den raad om de aangelegenheden die voor den raad kwamen, vooraf te +onderzoeken en praeadvies erover uit te brengen.--2) een college van +10 mannen, te Athene na de nederlaag op Sicilië (413) ingesteld, om in +den daardoor veroorzaakten nood te voorzien. Zij werkten in het belang +der oligarchie en waren twee jaar later met alle macht behulpzaam bij +het invoeren van de regeering der 400.--3) de afgevaardigden bij de +bondsvergadering der 12 ionische staten. + +Probus. 1) M. Aurelius Probus, rom. keizer (276-282 na C.), geb. te +Sirmium (232), een man van geringe afkomst. Van zijn militaire +loopbaan vóór zijn verheffing tot keizer is niets zekers bekend. Hij +was een uitstekend keizer, die de Alemannen en de met hen verbonden +Longiones, Franken en Burgundiërs terugdrong en aan het van alle +zijden bedreigde rom. rijk aldus verademing schonk. Hij herstelde +de Rijngrens, en beschermde de steden aan den Rijn, door aan de +overzijde castella, observatieposten, op te richten. Hij overwon de +tegenkeizers Proculus en Bonosus, verplaatste 100000 Bastarners naar +het bijna ontvolkte Thracia en had eindelijk rondom vrede. Daar hij +echter ook in vredestijd de soldaten arbeid liet verrichten en hen +gebruikte om langs den Donau moerassen droog te leggen en wijngaarden +aan te leggen, en omdat hij zich had uitgelaten, dat hij eenmaal +geen soldaten meer hoopte noodig te hebben, brak er een oproer uit, +waarin hij werd doodgeslagen.--2) M. Valerius Probus, uit Berytus, +beroemd rom. taalgeleerde tijdens Nero. + +Procas (Silvius), koning van Alba Longa, vader van Numitor en Amulius. + +Prochyta, eiland op de kust van Campania, bij kaap Misenum, thans +Procida. + +Procilii. Cicero vermeldt twee mannen van dezen naam, een +volkstribuun, die in slechten roep stond en veroordeeld werd, en een +geschiedschrijver. Overigens zijn beiden onbekend. + +Proclea, Prokleia, dochter van Laomedon, gehuwd met Cycnus no. 2, +moeder van Tenes en Hemithea. + +Procles, Prokles, zoon van Aristodemus no. 1, regeerde na den dood +van zijn vader met zijn broeder Eurysthenes over Lacedaemon; hij is +de stamvader van het koninklijk geslacht der Procliden. + +Proclus, Proklos, van Constantinopel, geb. 410 na C., beroemd +neo-platonisch wijsgeer uit de atheensche school, aan welker hoofd +hij geruimen tijd stond. Hij wordt beschreven als een edel en waardig +man, die zeer streng en matig leefde, zijn aanzienlijk vermogen aan +liefdadige werken besteedde, en zijn best deed aan het heidendom +door de wijsbegeerte nieuwen steun te verschaffen. Hij stierf in +485.--Pr. was een zeer vruchtbaar schrijver, behalve commentaren +op Plato bezitten wij van hem taal-, wis- en sterrenkundige werken +en gedichten. + +Procne, Prokne, dochter van Pandion, gehuwd met Tereus, bij wien zij +moeder was van Itys. Eens ging Tereus naar Athene om zijn schoonvader +te bezoeken, en Pr. verzocht hem, als hij terugkwam, hare zuster +Philomela mede te brengen. Tereus deed dit, maar onderweg onteerde +hij zijne schoonzuster, en opdat zij deze daad niet aan Procne konde +verraden, hield hij de zusters van elkander gescheiden en sneed hij ten +overvloede aan Philomela de tong uit. Toch vond deze middel, door een +kunstig weefsel hare zuster op de hoogte van het gebeurde te brengen; +om zich te wreken doodden zij gezamenlijk den kleinen Itys, en zetten +zij zijn vleesch aan Tereus als spijs voor. Toen deze bemerkte wat +zij gedaan hadden, vervolgde hij beide zusters met een bijl om ze te +dooden, maar op het oogenblik dat hij haar zoude inhalen, werd hij +in een hoppe of een havik veranderd, Procne werd een nachtegaal en +Philomela een zwaluw of omgekeerd. + +Proconnesus, Prokonnesos (reeëneiland), eiland en stad in de +Propontis, door de Milesiërs gesticht, met beroemde marmergroeven, +thans Marmara. Zie Cyzicus. + +Proconsul of pro consule. Wanneer de consuls hun ambtsjaar volbracht +hadden en naar hunne provinciën gingen als stadhouders, waren zij +eigenlijk privati, maar de senaat verlengde hun imperium en bekleedde +hen voor het bestuur hunner provincie met consulaire macht. Zie +prorogatio. Er waren enkele belangrijke provincies, die bij voorkeur +aan consuls werden opgedragen en waarvan de stadhouder, ook al was +hij geen consul geweest, toch pro consule werd uitgezonden. Toen +Pompeius den senaat dwong, hem naar Hispania te zenden, om in den +oorlog tegen Sertorius den proconsul Metellus ter zijde te staan, +moest de senaat hem wel met een consulair imperium bekleeden en pro +consule laten uittrekken. Zie ook propraetor. + +Procopius, vriend en bloedverwant van keizer Iulianus, bevelhebber +van het leger in Mesopotamia, liet zich onder keizer Valens tot keizer +uitroepen (365 na C.), maar werd reeds spoedig (366) door zijn leger +in den steek gelaten, en door de zijnen aan Valens uitgeleverd. + +Procris, Prokris, dochter van Erechtheus, gehuwd met Cephalus. + +Procrustes, Prokroustes, uitrekker, bijnaam van Damastes of Polypemon, +een wreed roover, die bij Eleusis woonde. Hij had twee bedden, een +zeer lang en een zeer kort, wanneer nu een vreemdeling in zijne handen +viel, dan legde hij hem op een van die bedden, lange personen bracht +hij op de maat van het korte bed door een stuk van hen af te snijden, +korte rekte hij in het lange zoo lang uit, totdat zij stierven. Theseus +doodde hem. + +Proculeius Varro Murena (C.), rom. ridder, wien door Augustus was +opgedragen, Cleopatra als gevangene naar Rome over te brengen. Horatius +prijst hem, omdat hij zijn vermogen gedeeld had met zijne broeders, +die in den burgeroorlog alles verloren hadden. Hij bracht zichzelf, +toen hij ziek werd, door vergif om het leven. + +Proculi. 1) Julius Proculus verhaalde aan het rom. volk, dat Romulus +in een onweder ten hemel was gevaren.--2) Sempronius Proculus, beroemd +rom. jurist uit de school van Q. Antistius Labeo, naar wien diens +volgelingen Proculiani worden geheeten. In de Pandecten vindt men +nog uittreksels uit zijne werken. Hij leefde ten tijde van Nero.--3) +Proculus beproefde in 280 na C. een opstand tegen keizer Probus, +hij moest echter de wijk nemen naar de Franken, die hem uitleverden, +waarna Probus hem ter dood liet brengen. + +Proculiani, zie Proculi no. 2. + +Procuratio, 1) de werkzaamheid van een procurator.--2) het nemen van +maatregelen om ongelukken en rampen af te weren, die door prodigia +en portenta werden aangekondigd. + +Procurator, degene die voor een ander eene zaak bezorgt, de +zaakwaarnemer, in het huiselijk leven de huishouder, de slaaf die de +geheele huishouding bestuurde. Onder de keizers werd in de keizerlijke +provinciën het geldelijk beheer opgedragen aan procuratores Caesaris, +die dus de vroegere quaestoren vervingen en ook wel belast werden met +het stadhouderschap over kleine provinciën, die als onderdeelen eener +grootere werden beschouwd. Zoo was b.v. Pontius Pilatus procurator +van Judaea, dat als een aanhangsel van Syria werd gerekend. Ook de +bestuurders van verschillende takken van het financiewezen droegen wel +dezen naam, b.v. procurator rei privatae, bestuurder van 's keizers +vermogen, procurator metallorum, enz. Voor deze betrekkingen werden +gewoonlijk equites genomen. + +Procyon, Prokyon, z. Canis minor. + +Prodictator of pro dictatore. Het eenige bekende geval van iemand, +die, zonder eigenlijk den titel van dictator te hebben, toch met deze +waardigheid werd bekleed, is dat van Q. Fabius Maximus in 217. Zie +dictator. + +Prodicus, Prodikos, 1) uit Phocaea, episch dichter uit zeer ouden +tijd, aan wien eene Minyas werd toegeschreven.--2) van Iulis op +het eiland Ceos, beroemd sophist, kwam als gezant naar Athene, +en vond er zooveel bijval, dat hij er zich vestigde. Hij stond +in vriendschappelijke betrekking met Socrates, Xenophon, Plato, +Euripides, Isocrates en vele andere mannen van naam, waaronder +sommige zijne leerlingen genoemd worden. Hij besteedde vooral veel +studie aan de verschillende beteekenissen van synonieme woorden, +met een spitsvondigheid, waarmede Plato dikwijls den spot drijft; +overigens spreekt deze van hem altijd met groote achting, sophoteros +Prodikou was een soort van spreekwoordelijke uitdrukking. Bekend +is zijne allegorie van Heracles op den tweesprong (z. Xenophon's +Memorabilia II 1. 21 sq.); overigens is niets van hem bewaard gebleven. + +Prodigium, zie auguria. + +Prodikos, de voogd van een minderjarig koning te Sparta, die in naam +van zijn pupil de regeering uitoefende. + +Prodomus, prodomos, zie templum. + +Proedria, 1) het recht vooraan te zitten, in het bizonder in den +schouwburg, een recht dat te Athene als eerbewijs verleend werd aan +aanzienlijke of verdienstelijke personen, ook vreemdelingen.--2) +voorzitterschap, in het bizonder het voorzitterschap van den raad +en de volksvergadering te Athene. Dit werd vroeger bekleed door den +epistates (z. Prytaneis), maar sedert omstreeks 378 door een van de +proedroi, waarvan bij het begin van iedere prytanie 9 door het lot +werden aangewezen, nl. een uit iedere phyle behalve die, welke de +prytanie had. + +Proeisphora, het voorschieten van de eisphora. In iedere symmorie +waren 15 van de rijkste leden verplicht om, wanneer eene eisphora +uitgeschreven werd, in spoedeischende gevallen het geheele aandeel +der symmorie voor te schieten, waarbij zij natuurlijk het recht hadden +het voorgeschotene van hunne medeleden terug te vorderen. + +Proërna, Proherna, Proerna, stad in het W. van het thessalische +landschap Phthiotis. + +Proërosia, Proerosia, feest bij het begin van den bloeitijd, den +13en Boëdromion te Eleusis uit naam van alle grieksche staten ter +eere van Demeter gevierd. + +Proetides, Proitides, de drie dochters van Proetus: Lysippe, Iphianassa +en Iphinoë; zij werden met waanzin gestraft, omdat zij zich schooner +genoemd hadden dan Hera of omdat zij den dienst van Dionysus veracht +hadden. Terwijl zij, in den waan dat zij koeien waren, door bosschen +en weiden ronddwaalden, sloeg de kwaal ook op andere vrouwen van +Argos over. Zij werden door Melampus (z. a.) genezen. + +Proetus, Proitos, z. Acrisius en Bellerophon. V. s. verjoeg hij +Acrisius uit Argos en werd hij door Perseus met het Medusahoofd +versteend. + +Profesti (dies), werkdagen, zie Festi (dies). + +Progam(e)ia, ook proteleia gamon, een plechtig offer, dat men, +alvorens zich in den echt te begeven, aan de beschermgoden van het +huwelijk bracht. + +Proix, bruidschat, werd aan den man in vruchtgebruik, niet in eigendom +gegeven. Daar een huwelijk zonder bruidschat tot de zeldzaamheden +behoorde, vereenigden rijke lieden zich soms om arme meisjes aan een +bruidschat te helpen. + +Proklesis, de eisch om zekere documenten over te leggen, die als +bewijsstukken in een proces moesten dienen. Werd die eisch door +een van de partijen aan zijn tegenpartij gedaan, dan behoefde deze +daaraan niet te voldoen, ofschoon hij natuurlijk door eene weigering +zijne zaak in een ongunstig licht stelde; waren echter de bedoelde +stukken in handen van een ander, dan konde deze, naar het schijnt, +gedwongen worden er een afschrift van te laten nemen. + +Proletarii, van proles afgeleid. Het zijn de arme burgers, die geen +belasting betalen en dus den staat niet dienden met hun geld, maar +alleen door het verwekken van kinderen. Hun vermogen bedroeg minder +dan 4000 as. Zij, die een hoogeren census hadden, heetten adsidui of +locupletes. De prol. werden slechts bij uitzondering opgeroepen om +te dienen. Eerst Marius nam hen en de capite censi in het leger op, +dat zoodoende een huurleger werd. + +Prologus, prologos, in een tooneelstuk het gedeelte, dat bij wijze +van inleiding de toestanden uiteenzet en aan de eigenlijke handeling +voorafgaat; in stukken, waarin koren optreden, het gedeelte, dat aan +de parodos voorafgaat. + +Promachus, Promachos, 1) zoon van Parthenopaeus, een van de +Epigonen.--2) zoon van Aeson, werd met zijn vader door Pelias gedood, +terwijl Iason afwezig was.--3) bijnaam van Athena, van Heracles te +Thebae, van Hermes te Tanagra. + +Prometheus, Prometheus, zoon van Iapetus en Clymene, waagde het +de wijsheid van Zeus op de proef te stellen. Na de overwinning +der Titanen, tegen wie Pr., ofschoon hij tot hen behoorde, Zeus +had geholpen, zoude vastgesteld worden, welke offers den goden +toekwamen. Pr. doodde nu, als vertegenwoordiger der menschen, een +stier, en wikkelde het vleesch en de ingewanden in de huid, terwijl hij +de beenderen met vet bedekte, daarop verzocht hij Zeus zelf te kiezen, +en hoewel deze zijn list doorzag, koos hij het slechtste deel. Tot +straf voor de bedriegelijke bedoeling van Pr. ontnam hij echter den +menschen het vuur, maar Pr. stal het weder van den Olympus en bracht +het op aarde terug. Nog meer vertoornd, strafte Zeus de menschen +nu door hun Pandora (z. a.) te zenden. Pr. echter werd aan een rots +geklonken, waar een arend hem iederen dag aan de lever knaagt, die +echter 's nachts weder aangroeit.--In andere verhalen heeft Pr. ook +nog door andere weldaden, aan de menschen bewezen, den toorn van +Zeus opgewekt, die juist het plan had opgevat het menschengeslacht te +verdelgen. Niet alleen had hij hun het vuur gebracht, maar ook door +hun vele kunsten te leeren (bouwkunst, sterrenkunde, letters, cijfers, +geneeskunde, waarzeggen) trachtte hij hen tot hoogere beschaving +te leiden. Daarvoor aan een rots vastgeklonken, verklaarde hij, +dat hij alleen door de mededeeling van een geheim Zeus konde redden +van een gevaar, dat eens zijne regeering zoude bedreigen, en daar +hij hardnekkig weigerde dit geheim te openbaren voordat Zeus hem van +zijne boeien bevrijd zou hebben, werd hij met de rots in den Tartarus +geworpen. Daar hij ook nu niet toegaf, werd hij na lange jaren weder +op aarde teruggebracht en nu werd de arend gezonden, die aan zijn +lever knaagde, wat niet zou ophouden voordat een onsterfelijke in zijn +plaats wilde sterven. Na 30 jaar was Chiron (z. a.) hiertoe bereid, +en nu doodde Heracles met toestemming van Zeus den arend en bevrijdde +Pr. Deze openbaarde nu van zijn kant het bedoelde geheim, nl. dat Zeus, +wanneer hij met Thetis huwde, bij haar een zoon zou krijgen, die hem +van de heerschappij zoude berooven.--V. s. had Pr. bij het ontstaan +van de wereld of na den watervloed van Deucalion den mensch uit aarde +en water geschapen. Aan zijn zoon Deucalion had hij den raad gegeven +een schip te bouwen, waarmede hij zich bij de komende overstrooming +zou kunnen redden.--Op vele plaatsen genoot Pr. goddelijke eer, +dikwijls in vereeniging met Athena en Hephaestus; te Athene had hij +een heiligdom in de Academie, waar jaarlijks een feest (Prometheia) +te zijner eer gevierd werd; het voornaamste van dit feest was een +wedloop met fakkels. + +Promulgatio (rogationis), het openlijk bekendmaken van een +wetsvoorstel, zie Trinundinum. + +Promulsis, zie coena. + +Pronaia, bijnaam van Athena te Delphi, waar haar tempel vóór het +groote heiligdom van Apollo stond. + +Pronaos, pronaos, zie templum. + +Pro(n)ni, Pronnoi, stad aan de O.-zijde van het eiland Cephallenia. + +Pronuba, 1) bijnaam van Juno, als huwelijkstichteres.--2) bruidsdame, +wier taak het was, van de zijde der bruid het noodige in orde te +brengen en haar in het huwelijksleven in te leiden. Voor pronubae +koos men liefst jonggehuwde vrouwen van onbesproken gedrag. + +Propertius (Sex.), vermoedelijk in of omstreeks 50 te Asisium +(Assisi) in Umbria geboren, was reeds vroeg vaderloos en werd door +eene der landverdeelingen van Octavianus van zijn vaderlijk erfgoed +beroofd. Naar Rome gekomen, ontbrandde hij in liefde voor de schoone +Hostia, die hij in zijne minnedichten onder den naam van Cynthia +bezong. Hoewel zij hem door hare wispelturigheid en ontrouw meermalen +grievend leed aandeed, bleef de liefde voor haar in het hart van +Pr. geworteld. Zijne elegieën, fijn gepenseeld, dragen de sporen +van gloeiende bezieling en vereenigen natuur en kunst in zich. Door +veelvuldige zinspelingen op oude mythen is hij echter dikwerf moeilijk +te begrijpen. Hij stierf jong, waarschijnlijk in of omstreeks het +jaar 15. + +Propoetides, meisjes van Amathus, die de godheid van Aphrodite +loochenden en tot straf daarvoor in steenen veranderd werden. + +Propontis, Propontis, de Voorzee (vóór den Pontus Euxinus), thans +zee van Marmara. + +Propraetor of pro praetore. Wat van de consuls is gezegd, die als +stadhouders door den senaat met consulair imperium werden bekleed +(zie proconsul), geldt ook voor de praetoren, die na het verstrijken +van hun ambtsjaar pro praetore naar hunne provinciën gingen. Daar +echter de algemeene naam voor stadhouder praetor is, geldt de titel pro +praetore ook van hem, die een stadhouderschap tijdelijk waarneemt. Kwam +b. v. een stadhouder te overlijden en viel dan zijn quaestor in zijne +plaats in, dan was deze quaestor pro praetore, d. w. z. quaestor met +stadhouderlijke macht. Zoo vindt men ook wel eens een legatus pro +praetore. In den keizertijd is dit de titel van de stadhouders der +groote keizerlijke provincies, die voor den keizer het bewind voerden, +zie legatus. + +Propylaea, Propylaia, zie Athenae. + +Proquaestor of pro quaestore, hij, die tijdelijk het ambt waarneemt +van een overleden of tusschentijds afgetreden quaestor. Daar hiervoor +door den stadhouder meestal een legatus wordt aangewezen, draagt +deze den titel: legatus pro quaestore. Enkele malen vindt men ook, +dat het ambt van een quaestor door prorogatio verlengd wordt (zie +hierover proconsul), denkelijk wanneer er quaestoren te kort kwamen. In +zoodanig geval was de titularis proquaestor. + +Prorogatio, is het verlengen van iemands ambt. Voor de eerste maal +is dit voorgekomen in 326, toen het volk op verzoek van den senaat +besloot, dat de consul Q. Publilius Philo ook na afloop van zijn +ambtstijd het imperium zou behouden met den titel pro consule. Sedert +dien tijd werd door de prorogatio imperii dikwijls in een tekort aan +beschikbare ambtenaren voorzien. In den beginne werd het imperium +verlengd door een volksbesluit, sedert den tweeden Punischen oorlog, +v. a. sedert 250, meest door den senaat. Door Sulla werd de prorogatio +van het consulaat en de praetuur tot regel gemaakt. Zie Proconsul +en Propraetor. + +Prorsa, z. Carmenta. + +Proscenium, proskenion, het tooneel in engeren zin, d. i. de door +achter- en zijwanden begrensde ruimte. + +Proschium, Proschion, vroeger Pylene, Pylene, stad in Aetolia aan +den Zuidkant van den berg Aracynthus. + +Proseleni, Proselenoi, z. Arcadia. + +Proselytoi, proselyten, Jodengenooten. Van af de 3de eeuw maken de +Joden, evenals de aanhangers van andere Oostersche godsdiensten, +veel propaganda voor hun geloof, en telkens vindt men er melding +van gemaakt, dat velen, ook in Rome, zooals blijkt uit de Romeinsche +dichters, zooal niet geheel tot het Jodendom over gingen, toch zich +nauw daarbij aansloten, en enkele gebruiken, zooals de Sabbathviering, +overnamen. Zij worden in het N. T. proselytoi, die zich aangesloten +hebben, of ook wel sebomenoi, -ai (ton Theon), Godsdienstigen, +genoemd. Zij blijken zeer toegankelijk voor het Christendom, en hebben +de verspreiding daarvan in de Heidenwereld bevorderd. + +Proserpina = Persephone. De dienst van Proserpina en Dis werd in +Rome ingevoerd tengevolge van een uitspraak der Sibyllijnsche boeken, +zie Ceres, Terentini ludi en Terentum. + +Proskephalaion kussen, ook om te zitten en om op de rustbanken, +waarop men bij den maaltijd aanlag, den linkerarm tot steun te dienen. + +Prosklesis, z. kleter. + +Proskynesis, z. Adoratio en Adulatio, door de Grieken als een teeken +van uiterste slaafschheid beschouwd. De wensch van Alexander d. Gr., +om de pr. ook bij Grieken en Macedoniërs in te voeren, vond veel +tegenstand. + +Prosodia, prosodia, hymnen, onder begeleiding van fluitspel door een +koor gezongen, wanneer het zich op feestdagen in optocht naar een +tempel begaf. + +Prosopitis, Prosopitis, eiland en provincie (nomos) in de Zuidspits +der Nijldelta. + +Prostates, z. metoikos. + +Prostaxis, z. atimia. + +Prostimema, z. dike. + +Prostoa, de vier overdekte zuilengangen, die de aule van een woonh)is +omgeven, v. a. alleen de galerij, die aan de zijde van den ingang +gelegen is, of deze met de tegenoverliggende. + +Prostylus, prostylos, z. templum en vergelijk de teekening bij +Amphiprostylus. + +Protagoras, Protagoras, van Abdera, een der beroemdste grieksche +sophisten (485-416). Nadat hij zich met taalstudie en rhetorica +beziggehouden had en de stelsels der oudere wijsgeeren grondig +bestudeerd had, trad hij als leeraar op. Hijzelf was de eerste, +die zich sophist noemde en liet zich voor zijn onderwijs 100 minae +betalen. Hij loochende het bestaan van absolute, objectieve waarheid +en leerde, dat voor den mensch alles was zooals het hem toescheen. Te +Athene, waar hij zich sedert 450 meestal ophield, vond hij grooten +bijval, v. s. werd hij door Pericles naar Thurii gezonden om er de +wetten te herzien. Daar hij in een van zijne werken gezegd had, dat +hij niet wist of er goden waren en dat een menschenleven te kort was om +zulk een duistere zaak te onderzoeken, werd hij als atheïst aangeklaagd +en veroordeeld. Zijn werk werd op de markt verbrand, en v. s. werd +hij verbannen. Hij begaf zich naar Sicilië, maar verdronk op reis. + +Prote, Prote, eiland en reede op de W. kust van Messenia. + +Protesilaus, Protesilaos, zoon van Iphiclus, koning van Phylace, +nam deel aan den tocht tegen Troje. Hij was de eerste, die bij de +aankomst van de vloot aan land sprong, maar hij werd terstond door +Hector gedood. Te Elaeus was zijn graf met een rijken tempel, ook te +Phylace had hij een heiligdom, z. ook Laodamia. + +Proteus, Proteus, een oude zeegod, die op het eiland Pharus de +robben van Amphitrite weidt. Hij bezit de gave der voorspelling, +maar hij geeft zijne voorspellingen niet dan gedwongen, en tracht +door allerlei gedaanteverwisselingen te ontsnappen aan hen, die hem +ondervragen. Zie ook Helena.--V. a. was hij koning van Pharus, zoon +van Poseidon, echtgenoot van Psamathe, of hij was naar Thracië gegaan +om daar met Torone in het huwelijk te treden, maar wegens het slecht +gedrag zijner zonen, Tmolus en Telegonus, had hij Poseidon verzocht +naar Aegypte te mogen terugkeeren. + +Prothesis nekrou, tentoonstelling van een lijk. Op den dag vóór de +begrafenis werd het lijk, nadat het gewasschen, gekleed en bekranst +was, in het voorste gedeelte van het huis op een bed gelegd, met de +voeten naar de huisdeur gericht. Bloedverwanten en vrienden kwamen +den afgestorvene dan het laatste bezoek brengen, en zongen te zijner +eere plechtige klaagliederen. + +Protis, Protis, van Phocaea, stichter van Massilia en stamvader van +het geslacht der Protiaden aldaar. + +Protogenea, Protogeneia, dochter van Deucalion en Pyrrha, gehuwd met +Locrus, bij Zeus moeder van Opus. + +Protogenes, Protogenes, van Caunus, uit de 2de helft van de 4de eeuw, +een van de beroemdste grieksche schilders. Tot zijn 50ste jaar moest +hij door handwerk in zijn onderhoud voorzien, eerst toen gelukte +het Apelles de aandacht op hem te doen vestigen. Hij kocht namelijk +eenige schilderijen van Pr., en deed alles om het vermoeden op te +wekken, dat hij ze voor zijn eigen werk wilde laten doorgaan. Zijn +voornaamste werk was de Ialysus als jager voorgesteld, dat later in +den Vredetempel te Rome was en bij den brand van dien tempel verloren +ging. Toen Demetrius Poliorcetes Rhodus belegerde, waar Pr. woonde +en werkte, liet hij de werkplaats van den kunstenaar, die buiten de +stad gelegen was, door eene wacht beschermen, en dikwijls bracht hij +er zelf een bezoek. Zelfs liet hij zich de overwinning ontsnappen, +doordat hij niet er toe konde besluiten de stad van die zijde aan te +vallen, waar de Ialysus van Pr. zich bevond. + +Protomachus, Protomachos, 1) atheensch veldheer in den slag bij de +Arginusen, ging vrijwillig in ballingschap, om aan het proces tegen +hem en zijne ambtgenooten te ontkomen.--2) aanvoerder der ruiterij +onder Alexander den Grooten. + +Provincia, de door wet, senaatsbesluit of sortitio aan een ambtenaar +cum imperio toebedeelde werkkring of het terrein van werkzaamheid. De +senaat bepaalde gewoonlijk den ambtskring (provincia) der consuls; de +praetoren lootten na hun benoeming, wie van hen als praetor urbanus +de provincia urbana, wie de provincia peregrina (de rechtspraak +onder vreemdelingen) zou hebben, wie als voorzitter van één of meer +quaestiones zou optreden. Later beteekent provincia voornamelijk +ambtskring buiten Italië, en gaat dan in de beteekenis van wingewest +over. + +Provocatio, beroep op de volksvergadering als rechter en wel op de +centuriaatcomitiën in lijfstraffelijke zaken en op de tribuutcomitiën +of het concilium plebis bij boeten boven een zeker bedrag. Zie leges +Valeriae, leges Porciae, lex Aternia Tarpeia, lex Iulia Papiria. Het +recht van provocatio was ingesteld als waarborg tegen willekeur en +mishandeling van de zijde der magistraten. De provocatie geldt niet +voor vrouwen en vreemdelingen, en is beperkt tot de banmijl, de grens +van het imperium domi. Na de instelling der quaestiones perpetuae +werden de iudicia populi uitzondering, doch zij bleven toch bestaan, +evenwel niet zóó, dat men van een eenmaal gewezen vonnis op het volk +kon appelleeren. Zie echter Antoniae (leges) no. 6. De rom. republiek +kende geen appèl van gevelde vonnissen; het komen in hooger beroep +dagteekent uit den tijd der keizers. + +Proxenos, de gastvriend van een staat, niet zonder grond met onze +tegenwoordige consuls vergeleken, daar hij in zijn staat de belangen +waarnam van den staat, welks pr. hij was. In den staat, dien hij +vertegenwoordigde, genoot hij daarvoor ook zekere voorrechten boven +andere vreemdelingen.--De proxenia van een bepaalden staat wordt soms +door vele geslachten heen in dezelfde familie gevonden. + +Proxenus, Proxenos, 1) Boeotiër, leerling van Gorgias, vriend van +Xenophon, een van de aanvoerders der grieksche troepen onder den jongen +Cyrus. Na den slag bij Cunaxa werd hij door Tissaphernes verraderlijk +gevangen genomen en ter dood gebracht.--2) van Tegea, vijand van Sparta +en ijveraar voor den bouw van Megalopolis. Bij de partijtwisten in +zijne vaderstad verloor hij het leven.--3) van Aphidna, atheensch +veldheer tegen het einde van den heiligen oorlog (347). + +Prudentius Clemens (Aurelius), uit Hispania geboortig, de beste +rom. christendichter, leefde in de tweede helft der vierde eeuw na C. + +Prusa, Prousa, ook Prusias, Prousias, geheeten, 1) ad Olympum, +aanzienlijke stad van Bithynia, door Prusias I aan den voet van +den mysischen Olympus naar een plan van Hannibal gesticht, thans +Brussa.--2) ad Hyppium, kuststadje in het W. van Bithynia aan de +rivier Hyppius, zie Cius. + +Prusias, Prousias, 1) koning van Bithynië, regeerde, nadat hij zich +door gelukkige oorlogen van de Galliërs en andere vijanden bevrijd +had (213), met kracht en beleid en vergrootte zijn rijk door de +verovering van Heraclea en andere steden. In den oorlog tusschen de +Rom. en Antiochus koos hij de partij van eerstgenoemden, doch later +verleende hij een schuilplaats aan Hannibal. Hij werd echter gedwongen +hem aan de Romeinen uit te leveren, zie Hannibal no. 4. Hij stierf +kort daarna.--2) zoon en opvolger van den vorigen, was geheel en al +afhankelijk van de Rom. en sloot op hun bevel vrede met Attalus II, +dien hij met geluk beoorloogd had. In 143 werd hij door zijn zoon +Nicomedes gedood. + +Prusias, Prousias = Cius. + +Prytaneia, z. Prytanis. + +Prytaneia, zekere som, die beide partijen in eene dike voor den aanvang +van het proces moesten storten tot vergoeding van de proceskosten, +vandaar pr. tithenai tini, iemand aanklagen. Voor zaken, beneden 100 +drachmen geschat, werden geene pr. betaald, bij hoogere schatting +stonden de pr. in zekere verhouding tot de som in kwestie. De +verliezende partij moest den winner ook zijne pr. vergoeden. + +Prytanis, de eerste, voorste, in verscheiden staten naam van +de opperste magistraten. Te Athene noemde men prytaneis de 50 +raadsleden, die tijdelijk met het dagelijksch bestuur belast waren +(z. boule). Iedere phyle had de prytanie op haar beurt, zooals +dit bij het begin van het jaar door loting was aangewezen. Deze +betrekking zelve en de tijd, gedurende welken dezelfde prytanen aan +het bestuur zijn (35 of 36, in schrikkeljaren 38 of 39 dagen), heet +prytaneia, de phyle, waartoe zij behoorden, phyle prytaneuousa. De +prytanen zijn den geheelen dag met elkander in den Tholos, in oudere +tijden in het Prytaneum, waar zij ook gemeenschappelijk hunne +maaltijden gebruiken. Voor iederen dag wordt uit hun midden door +het lot een epistates aangewezen, die voorzitter is van de raads- +en volksvergadering (z. echter proedria) en de sleutels van den +burcht en van het archief en het staatszegel in bewaring heeft.--Zie +ook naukraria. + +Prytaneum, Prytaneion, een gebouw te Athene, waar aanzienlijke +vreemdelingen en verdienstelijke burgers hunne, van staatswege +verstrekte, maaltijden hielden.--Oorspronkelijk hielden ook de prytanen +hier hunne zittingen en maaltijden. + +Psamathe, Psamathe, 1) Nereïde, bij Aeacus moeder van Phocus.--2) +z. Linus.--3) z. Proteus. + +Psammenitus, Psammenitos, zoon van Amasis, laatste koning van Aegypte, +werd na eene regeering van 7 maanden door de Perzen bij Pelusium +verslagen en moest zich aan Cambyses overgeven (525). Cambyses maakte +hem stadhouder van Aegypte, maar toen kort daarna een opstand uitbrak, +waaraan Ps. schuldig geacht werd, werd hij ter dood veroordeeld. + +Psammetichus, Psammetichos, 1) een van de vorsten, die onder assyrische +opperheerschappij over Aegypte regeerden, wist zich door middel van +ionische en carische troepen, hem uit Lydië te hulp gezonden, van +Assyrië onafhankelijk te maken (663) en bemachtigde daarna het geheele +rijk. Een inval der Scythen kocht hij door groote geschenken af, +overigens breidde hij zijne macht ook buiten Aegypte uit en ondernam +hij zelfs veldtochten naar Azië, waar hij Azotus na een oorlog van 29 +jaar (640-611) innam. Gelijk hij zijne verheffing aan vreemde hulp +verschuldigd was, zoo bleef hij gedurende zijne geheele regeering +een beslist voorstander van het vrije verkeer van vreemdelingen in +zijn rijk, vooral begunstigde hij den handel en bevorderde hij de +vestiging van Grieken en Phoeniciërs in Aegypte, ook bleef hij steeds +grieksche en carische troepen in dienst houden. Deze nieuwigheden, +waarmede samenhangt de verplaatsing der residentie van Memphis naar +Sais, veroorzaakten groote verbittering, en velen uit de soldatenkaste, +men spreekt van 240,000, verhuisden naar Aethiopië, maar Ps. liet zich +niet van den eenmaal ingeslagen weg afbrengen en had de voldoening, +gedurende zijne lange regeering den bloei en de welvaart van zijn rijk +steeds te zien toenemen. Hij stierf in 609.--2) Ps. II of Psammis, +kleinzoon van den vorigen, koning van Aegypte 594-588.--3) Ps. III += Psammenitus. + +Psammis, Psammis = Psammetichus II. + +Psarus, Psaros, rivier in Cilicië, ten O. van Tarsus. + +Psephizesthai, stemmen door middel van steentjes (psephoi), die in +een urn (hydria) geworpen werden, doch dikwijls in het algemeen voor +besluiten, ook wanneer dit door het opsteken der handen (cheirotonia) +geschiedt. Ieder volksbesluit heet psephisma. + +Pseudomartyrion dike, aanklacht tegen iemand, door wiens valsch +getuigenis men een proces verloren heeft. De veroordeeling van +den aangeklaagde had niet noodzakelijk de vernietiging van het +oorspronkelijk vonnis ten gevolge, maar konde aanleiding geven tot +een palindikia. + +Psiloi, algemeene naam voor lichtgewapende troepen: boogschutters, +slingeraars, enz., te onderscheiden van de peltastai of lichtgewapende +infanterie. Verder verstaat men onder psiloi de oppassers of +bedienden der hoplitai. Ieder hopliet had een oppasser, om wanneer +hij door zijn zware wapenrusting vermoeid was, op marsch zijn schild +en speer te dragen, verder voor het dragen, requireeren en koken +van de levensmiddelen. In Sparta gebruikte men daarvoor heloten, +in Attica moest ieder hopliet zelf voor zijn oppasser zorgen, dien +hij dus meestal uit zijn familie of buren koos. Daar ze ook nu en +dan krijgsdiensten moeten verrichten en tot hun taak ook behoort het +wegvoeren van gewonden en van gevangenen, plundering en verwoesting +van het vijandelijk land, zijn ze licht gewapend, met een dolk of +bijl of korte speer. + +Psophis, Psophis, sterke stad in het N.W. van Arcadia. Het had eene +acropolis met cyclopische muren. Vroeger heette het Phegea, Phegeia. + +Psychagogos, Psychopompos, bijnaam van Hermes, die de zielen der +afgestorvenen naar de onderwereld geleidt. + +Psychomanteion, Psychopompeion, plaats, waar men de geesten van +afgestorvenen door een psychomantis kon laten oproepen om hen over +de toekomst te ondervragen, de antwoorden ontving men gewoonlijk in +den droom. + +Psyche, Psyche, personificatie van de ziel des menschen; zij was de +jongste van drie koningsdochters, en zoo schoon, dat de menschen haar +de hulde brachten, die zij aan Aphrodite verschuldigd waren. Hierover +vertoornd, liet de godin door een orakel aan hare ouders het bevel +geven, haar op eene eenzame rots te brengen, daarna zond zij Eros +om haar met een van zijne pijlen liefde voor den leelijksten en +gemeensten man te doen opvatten. Maar op het oogenblik dat Eros zijn +pijl zou afschieten, wondde hij zichzelven er mede, en bekoord door +hare schoonheid, verplaatste hij haar naar een lusthof, waar hij +haar iederen nacht bezocht. Echter verbood hij haar ooit pogingen +te doen om hem te zien of te leeren kennen, en aanvankelijk bedwong +Ps. haar nieuwsgierigheid, maar na eenigen tijd wisten hare afgunstige +zusters twijfel bij haar op te wekken, en zij besloot zich zekerheid +omtrent den persoon van haar minnaar te verschaffen. Zoodra hij in +slaap gevallen was, ontstak zij een lamp, maar door zijne schoonheid +getroffen, liet zij, terwijl zij zich te ver over hem heen boog om hem +goed te beschouwen, een druppel heete olie daaruit op zijn schouder +vallen, de god ontwaakte, verweet haar haar gebrek aan vertrouwen +en verliet haar. Ontroostbaar over dit verlies, dwaalde Ps. over de +geheele aarde rond om haar minnaar te zoeken, ten slotte wendde zij +zich tot Aphrodite zelve, die haar wel vergiffenis beloofde, maar haar +eerst een aantal zware beproevingen oplegde, waaronder zij bezweken +zoude zijn, indien niet Eros zelf, bij wien de oude liefde herleefd +was, haar geholpen en gesterkt had. Ten slotte werd Aphrodite verzoend, +de beide minnenden hereenigd, Ps. werd op den Olympus opgenomen en +door Zeus met de onsterfelijkheid beloond.--Ps. wordt dikwijls in +vereeniging met Eros afgebeeld als een vlinder of als een jonkvrouw +met vlindervleugels. + +Psylli, Psylloi, oud-libysch volk in het binnenland van Cyrenaica; +ze stonden bekend als slangenbezweerders. + +Psyra, Psyria, Psyra (ta), Psyria (he), eilandje ten W. van Chios. Daar +het eilandje geen wijn voortbracht, zei men van geheelonthouders: +Psyra ton Dionyson agontes. + +Psyttalia, Psyttaleia, rotseilandje in de zeeëngte tusschen Salamis +en de kust van Attica, v.s. Hagios Georgios, v.a. Lipsokutali. + +Pteleum, Pteleon, naam van onderscheiden steden; in het thessalische +gewest Phthiotis tegenover de invaart van de Pagasaeische golf, +in Elis Triphyliaca, in aziatisch Ionia bij Erythrae, en ook elders. + +Pterelaus, Pterelaos, koning der Taphiërs, z. Comaetho. + +Pteria, Pteria, district en stad in Cappadocia, vroeger hoofdstad +van het rijk der Hethiten. + +Pteron, pteroma, noemt men de zuilen van de voor- en achterzijde van +grieksche tempels. + +Ptolemaeus, Ptolom., Ptolemaios, 1) Alorites, zie Alexander no. 6 en +Perdiccas no. 3.--2) neef van Antigonus, wiens plannen hij eenigen +tijd krachtig ondersteunde (315-312), later knoopte hij echter +betrekkingen aan met Pt. van Aegypte, die hem vergiftigde (309).--3) +van Epirus, zoon van Pyrrhus, nam gedurende den tocht van zijn vader +naar Italië de regeering waar. Na eene schitterende overwinning ter +zee nam hij Corcyra, hij versloeg Antigonus Gonatas en sneuvelde bij +den tocht van zijn vader naar de Peloponnesus (272).--4) Pt. Lagi +(Lagides), onder Philippus van het macedonische hof verbannen, werd +door Alexander bij zijne lijfwacht geplaatst. Hij had een eervol +deel aan alle ondernemingen van Alexander, streed bij Issus, nam +Bessus gevangen, onderwierp Sogdiana, en behaalde roem in de indische +oorlogen. Hij had ook bij den koning en bij het geheele leger grooten +invloed en na Alexanders dood was hij het vooral, die de verdeeling +van het rijk doorzette. Voor zijn aandeel kreeg hij Aegypte, door de +verovering van Cyrene breidde hij zijn gebied uit, terwijl hij den +aanval van Perdiccas op zijn rijk met beleid afweerde (321). In de +nu volgende oorlogen tusschen de vroegere veldheeren van Alexander +stond Pt. aanvankelijk met Antigonus, Seleucus e.a. tegenover Eumenes, +nadat deze echter gevallen was, behoorde hij steeds tot de vijanden +van Antigonus. Gedurende deze oorlogen kwam Pt. nu eens in het bezit +van Phoenicië, Palaestina, Coele-Syrië en sommige eilanden, dan weder +verloor hij deze veroveringen geheel of gedeeltelijk; in 312 behaalde +hij een groote overwinning op Demetrius Poliorcetes bij Gaza, in 306 +werd hij door Demetrius bij Salamis op Cyprus verslagen. Eindelijk +sneuvelde Antigonus in den slag bij Ipsus (301), en toen Demetrius, +na korten tijd met zijne tegenstanders verzoend te zijn geweest, den +oorlog hernieuwde, werd hij door Seleucus gevangen gemaakt (287). Op +het voorbeeld van Antigonus en Demetrius had ook Pt. den koningstitel +aangenomen (306), en toen hij in het volgende jaar Demetrius gedwongen +had het beleg van Rhodus op te breken, gaven de dankbare Rhodiërs hem +den bijnaam van Soter (Soter), dien hij sedert bleef voeren. Zijne +onderdanen behandelde Pt. met wijze gematigdheid en tegenover hun +godsdienst en eigenaardige gebruiken toonde hij groote toegevendheid, +toch bevorderde hij grieksche taal en beschaving op alle wijzen, alle +voorname betrekkingen waren in handen van Grieken, in het leger en op +de vloot waren slechts weinige Aegyptenaren, en de hoofdstad Alexandrië +was meer een grieksche dan eene aegyptische stad, en wel eene van +de voornaamste steden der grieksche wereld, waarheen de koning niet +alleen door begunstiging van handel en scheepvaart talrijke kooplieden +lokte, maar waar ook reeds toen de voornaamste grieksche kunstenaars en +geleerden werkten. Pt. zelf schreef eene geschiedenis van Alexander, +een werk, dat door Arrianus als voornaamste bron gebruikt werd. Hij +gaf in 285 de regeering aan zijn zoon over en stierf twee jaar later, +84 jaar oud.--5) Pt. Ceraunus (Keraunos), oudste zoon van den vorigen, +geraakte met zijn vader in oneenigheid en vluchtte naar Thracië bij +Lysimachus. Na den dood van Agathocles (no. 2) moest hij vluchten; +hij ging naar Syrië, spoorde Seleucus tot een veldtocht tegen +Lysimachus aan, en wist van hem de belofte te verkrijgen, dat hij +hem op den aegyptischen troon zoude herstellen. Maar toen Seleucus, +nadat hij Lysimachus verslagen had, op weg was naar Macedonië, werd +ook hij door Pt. vermoord. Door zijn krachtig optreden wist Pt. het +leger van Seleucus voor zich te winnen en maakte hij zich van de +regeering over Macedonië meester (280), maar reeds het volgende jaar +sneuvelde hij in een oorlog tegen de Galliërs.--6) Pt. II Philadelphus +(Philadelphos, zusterlievend), zoon en opvolger van Pt. Lagi, was +evenals zijn vader een groot begunstiger van kunst en wetenschap; +aan het Museum en de groote boekerij, beide reeds door zijn vader +begonnen, legde hij groote sommen ten koste. Hij verstiet zijne +gemalin Arsinoë, de dochter van Lysimachus, en trouwde met zijne +zuster Arsinoë. Cyrene moest hij aan zijn afvalligen halfbroeder +Magas laten, daarentegen voerde hij tegen Syrië een langdurigen, maar +over het geheel gelukkigen oorlog, die eindigde met het huwelijk van +zijne dochter Berenice met Antiochus II. Het gelukte hem echter niet +in Griekenland en Macedonië vasten voet te krijgen, zijne pogingen +daartoe leidden tot een oorlog, waarin hij ter zee door Antigonus +Gonatas verslagen werd. Ook met Rome knoopte hij betrekkingen aan. In +het belang van handel en wetenschap bevorderde hij tochten naar Indië +en het Zuiden en trachtte hij vooral met Aethiopië betrekkingen aan te +knoopen. Zijne laatste levensjaren werden verbitterd door den dood van +Arsinoë en Berenice (z. Antiochus no. 3) en door ziekte, hij stierf in +247 op den leeftijd van 63 jaar.--7) Pt. III Euergetes (Euergetes), zoo +genoemd omdat hij de godenbeelden, vroeger door de Perzen geroofd, naar +Aegypte terugbracht, zoon en opvolger van den vorigen, en evenals hij +steeds werkzaam in het belang van kunst en wetenschap en niet minder +van den handel, dien hij trachtte te bevorderen door het stichten +van koloniën in Aethiopië en Arabië. Kort na het aanvaarden der +regeering begon hij een oorlog tegen Syrië, waarbij hij het geheele +land tot den Euphraat veroverde en zelfs tot den Indus voortrukte; +wel werd hij door een opstand in Aegypte gedwongen terug te keeren, +maar toch bedong hij bij den vrede (242) de overgave van de kusten van +Klein-Azië en Syrië. Hij heroverde Cyrene en ondersteunde het streven +van het achaeïsch verbond en later van Cleomenes III tegen Macedonië, +waardoor hij in vijandschap met Antigonus Doson kwam, die echter +spoedig door eene verzoening gevolgd werd. Cleomenes vond bij hem een +zeer gunstig onthaal en zelfs maakte hij toebereidselen om hem met een +leger naar Europa terug te zenden, maar zijn dood (221) maakte daaraan +een einde.--8) Pt. IV Philopator (Philopator) of Tryphon (Tryphon), +zoon en opvolger van den vorigen, een gewetenloos dwingeland, die +zijne regeering inwijdde met het vermoorden van verscheiden zijner +naaste bloedverwanten en van Cleomenes III, en haar overigens aan zijne +gunstelingen Agathocles en Sosibius overliet, terwijl hij zich soms +bezig hield met de studie van Homerus en zelf een treurspel dichtte, +maar zich gewoonlijk aan dronkenschap en allerlei uitspattingen +overgaf. Het zwaar onderdrukte volk kwam in opstand en werd met de +grootste gestrengheid gestraft, en ook de Joden, die in groot aantal +te Alexandrië woonden en van den vorigen Pt. vele gunsten genoten +hadden, werden met groote onverdraagzaamheid behandeld. De herhaalde +aanvallen van Antiochus den Gr. werden wel door de groote overwinning +bij Raphia (217) afgeslagen, maar op den duur bleek het noodig tegen +dezen vijand bij Rome steun te zoeken, terwijl men aan den anderen kant +de uitbreiding van Rome door een bondgenootschap met Macedonië zocht +tegen te werken. Pt. stierf in 205.--9) Pt. V Epiphanes (Epiphanes), +zoon en opvolger van den vorigen, was bij den dood van zijn vader +eerst 4 jaar oud. Reeds dadelijk bij het begin zijner regeering brak +in Alexandrië een hevig oproer uit, waarbij de gunstelingen van Pt. IV, +o.a. Sosibius, vermoord werden, ook de eigenlijke Aegyptenaren, vooral +de soldatenkaste, kwamen in opstand en hier en daar verhieven zich +inheemsche vorsten. Gedurende de minderjarigheid des konings maakten +Syrië en Macedonië zich van een aantal buitenlandsche bezittingen van +Aegypte meester, en eerst de tusschenkomst der Rom. behoedde Pt. voor +nog grootere verliezen. Nadat met Antiochus een vrede gesloten was +(198), later bevestigd door het huwelijk van diens dochter Cleopatra +met Pt., werd de aegyptische opstand deels met geweld, deels door +toegevendheid onderdrukt, ofschoon Thebe zich eerst in 186 overgaf. Ook +nadat Pt. in 196 plechtig de regeering aanvaard had, bleef hij een +werktuig in de handen zijner elkander na Aristomenes (z.a.) snel +afwisselende ministers, en langzamerhand gingen alle bezittingen +behalve Cyrene en Cyprus verloren. Terwijl Pt. zich tot een nieuwen +oorlog met Syrië voorbereidde en daarvoor het bondgenootschap der +Aetoliërs zocht, stierf hij, vermoedelijk door vergift (181).--10) +Pt. VI Philometor (Philometor), zoon en opvolger van den vorigen, +was bij den dood van zijn vader eerst 6 jaar oud, en regeerde onder +voogdij zijner moeder Cleopatra. Na haar dood (173) begonnen de +ministers van Pt. een onberaden oorlog tegen Syrië, dien Antiochus +IV gaarne aannam. Deze won een grooten slag bij den berg Casius, +veroverde Pelusium en drong ver in Aegypte door. Pt. vluchtte en de +Alexandriërs riepen zijn broeder onder den titel Pt. VII Euergetes +II tot koning uit. Wel nam Antiochus nu den schijn aan alsof hij de +rechten van Philometor tegen Euergetes wilde verdedigen, en bracht hij +Philometor naar Memphis terug, maar toen hij door onlusten in zijn +rijk gedwongen was naar Syrië terug te keeren en de broeders zich +gedurende zijne afwezigheid door toedoen van hun zuster Cleopatra +(no. 6) inderdaad verzoenden, hervatte hij den oorlog krachtiger +dan te voren en reeds stond hij voor Alexandrië, toen hij door de +tusschenkomst van Rome gedwongen werd den oorlog te eindigen en +de reeds gemaakte veroveringen terug te geven (168). Doch spoedig +ontstonden twisten tusschen de beide broeders, die eenmaal zelfs zoo +hoog liepen, dat Philometor naar Rome moest vluchten (164); de senaat +liet hem wel terugbrengen en het rijk tusschen de beide broeders +verdeelen, maar daarmede was de vrede niet hersteld, daar Euergetes +voortdurend aanvallen op het aandeel zijns broeders deed. Philometor +toonde in al deze moeilijkheden een waardig en vast karakter, ook +tegenover Rome, dat met opzet de broedertwisten gaande hield. In +146 stierf hij in Syrië aan de gevolgen van een val van zijn paard, +nadat hij Alexander Balas verdreven en Demetrius Nicator op den troon +hersteld had.--11) Pt. VII Euergetes II Physcon (Physkon, dikbuik), +broeder van den vorigen (zie boven), kreeg na diens dood de regeering +over het geheele rijk. Hij dwong de weduwe van Philometor, Cleopatra, +hem te huwen en vermoordde haar zoon Pt. Eupator, daarna liet hij +een aantal burgers van Alexandrië dooden of verbannen, eindelijk nam +hij de dochter van Cleopatra tot tweede vrouw. In 130 werd hij door +een oproer gedwongen met zijn tweede vrouw naar Cyprus te vluchten, +terwijl Cleopatra tot koningin uitgeroepen werd, uit wraak doodde hij +zijn eigen zoon en zond hij diens aan stukken gesneden lijk aan zijne +moeder. Toch gelukte het hem deels door geweld, deels door overleg, +drie jaar later terug te komen, zich met Cleopatra te verzoenen, zich +op zijne tegenstanders te wreken en belangrijken invloed te krijgen +in de syrische aangelegenheden. Overigens stelde ook hij veel belang +in kunst en wetenschap, hij bestudeerde ijverig Homerus en schreef +werken over geschiedenis en aardrijkskunde. Hij stierf in 116.--12) +Pt. VIII Soter II Lathyrus (Lathyros), zoon van den vorigen en de +jongere Cleopatra, werd op verlangen van het volk door zijne moeder +tot mederegent aangenomen. In 107 werd hij door haar gedwongen te +vluchten, hij ging naar Cyprus en van daar naar Syrië, maar na de +vlucht van zijn jongeren broeder (z. no. 13) werd hij teruggeroepen +(89). Thebe, waar de oud-aegyptische bevolking in opstand gekomen +was, werd na drie jaar ingenomen en verwoest (85). Overigens regeerde +hij rustig tot zijn dood (80).--13) Pt. IX Alexander regeerde na de +verdrijving van zijn broeder Pt. Lathyrus met zijne moeder en liet +zich geheel door haar beheerschen. Toen hij zich evenwel persoonlijk +door haar bedreigd zag, doodde hij haar; hij moest echter voor de +woede van het volk vluchten en sneuvelde kort daarna in vreemden +krijgsdienst.--14) Pt. Apion (Apion), onechte zoon van Pt. Physcon, +kreeg na den dood van zijn vader Cyrene; toen hij stierf, liet hij +zijn land bij testament aan de Rom. na (96).--15) Pt. X Alexander +II, zoon van Pt. Alexander, huwde op bevel van Sulla na den dood +van Pt. Lathyrus met diens eenige dochter Berenice, die vroeger met +Pt. Alexander gehuwd was geweest, en werd zoo koning. Na drie weken +doodde hij Berenice, waarna hij door het volk gedood werd.--16) Pt. XI +of XIII Auletes (Auletes, fluitspeler), onechte zoon van Pt. Lathyrus, +vandaar ook wel Nothus genoemd, maakte zich na den dood van den vorigen +van Aegypte meester. Alleen door den steun der rom. legers in Azië +konde hij zich tegen de herhaalde opstanden van zijn volk staande +houden, terwijl hij weder, om dien steun te koopen, steeds drukkender +belastingen moest opleggen. In 58 werd zijn broeder door de Rom. uit +Cyprus verjaagd, en toen het volk zich daartegen wilde verzetten, maar +Pt. weigerde zich aan hun hoofd te stellen, werd hij verjaagd, en zijne +dochter Berenice tot koningin uitgeroepen (z. Archelaus no. 5). Drie +jaar later werd hij door den proconsul A. Gabinius teruggebracht, +waarna hij bloedige wraak nam en ook Berenice liet dooden. Hij +stierf in 52.--17) Pt. XII Dionysus, oudste zoon en opvolger van den +vorigen. In de twisten met zijne zuster Cleopatra, met wie hij volgens +den wil zijns vaders de regeering moest deelen, werd hij een tijd lang +door Caesar gevangen gehouden. Weder in vrijheid gesteld, hervatte +hij den strijd, maar hij werd verslagen en verdronk, naar men zeide, +in den Nijl (47), ofschoon anderen later beweerden dat hij zich gered +had en te Aradus woonde.--18) Pt. XIII Puer, jongere broeder van den +vorigen, na wiens dood hij door Caesar tot mederegent van Cleopatra +werd aangesteld, die hem in 43 liet dooden.--19) Pt. Philadelphus, +zoon van M. Antonius en Cleopatra, regeerde tot den dood van zijn vader +over Syrië en Voor-Azië.--20) zoon van Juba II en Cleopatra no. 11, +koning van Mauretania, hielp de Rom. in den oorlog tegen Tacfarinas +en ontving tot belooning daarvoor groote eerbewijzen. Door Caligula +werd hij naar Rome genoodigd en kort daarna, omdat het volk hem te +veel oplettendheid bewees, ter dood gebracht (40 na C.). Zijn rijk +werd ingelijfd.--21) Pt. Chennos, waarschijnlijk een tijdgenoot van +Nero, schreef in verschillende werken, in proza en verzen, allerlei +bizonderheden uit geschiedenis en mythologie, die, voor zoover +men kan nagaan, louter verzinsels van hem zijn.--22) Claudius Pt., +beroemd wis-, aardrijks- en sterrenkundige, tijdgenoot van Antoninus +Pius. Door zijne wetenschappelijke waarnemingen, waarvan hij de +vruchten in een aantal werken nederlegde, vestigde hij de aardrijks- +en sterrenkunde op zuiver wiskundigen grondslag en bracht hij die +wetenschappen tot eene hoogte, die in vele eeuwen niet overtroffen +is. Zijne werken, door Theon (no. 3), Pappus e. a. van commentaren +voorzien en voor een groot deel in het Latijn en Arabisch vertaald, +zijn voor een deel bewaard gebleven, de voornaamste daarvan zijn: +Geographike Hyphegesis, de hoofdbron voor de kennis der oude geografie, +Megale Syntaxis tes Astronomias (arab. Almagest), zijn astronomisch +hoofdwerk, bevattende de leer van de beweging der sterren, e. a.--23) +Verschillende grammatici, rhetoren en geschiedschrijvers van den +alexandrijnschen tijd en later droegen den naam Pt., hunne werken +zijn alle verloren. + +Ptolemais, naam van verschillende steden, door Ptolemaeën gesticht +of herdoopt, waaronder 1) het vroegere Ace of Acco, thans St. Jean +d'Acre, op de kust van Palaestina.--2) Pt. Hermii, aan den linker +Nijloever in Thebaïs.--3) stad aan de arabische golf, Theron (Theron) +bijgenaamd, uitgangspunt voor de jacht op olifanten.--4) havenstad +van Barca in Cyrenaica. + +Ptoliporthus, Ptoliporthos, 1) zoon van Telemachus en Nausicaä, ook +Perseptolis genoemd.--2) stedenverwoestend, bijnaam van Ares, Enyo, +Achilles, Odysseus e. a. + +Ptoum, Ptoon, gebergte in Boeotia, aan de Oostzijde van het meer +van Copais, met een beroemden tempel van Apollo, waaraan een orakel +verbonden was. Bij de opgravingen is veel archaisch beeldwerk voor +den dag gekomen. + +Ptychia, Ptychia, eilandje in de Ionische zee tusschen Corcyra en +de kust. + +Publicani, telonai, pachters der indirecte belastingen in de +provinciën. Daar voor de pacht, die terstond voldaan moest worden, +groote kapitalen vereischt werden, ontstonden er vennootschappen, +societates publicanorum (zie equites). De vertegenwoordiger van +zulk eene vennootschap werd manceps geheeten, ook wel auctor. Daar +de ridders de kapitalisten waren en tevens sedert 123 de rechters +uit hun midden werden gekozen, was het voor de stadhouders dikwijls +zeer moeielijk de knevelarijen der publicani te keer te gaan, zonder +zich bij hunne terugkomst eene of andere aanklacht op den hals te +halen. Ook toen sedert Sulla de iudicia niet meer uitsluitend bij de +equites waren, bleven deze toch door hunne geldmacht een lichaam in +den staat, waarmede de stadhouders rekening moesten houden. + +Publicia (lex), een plebisciet, onzeker van welk jaar, tot beperking +van het spelen en dobbelen bij de Saturnalia. + +Publicii, plebejisch geslacht, uit Latium afkomstig. L. en M. Publicius +Malleolus stichtten in 238 als aedielen den tempel van Flora uit +boeten, die zij opgelegd hadden, en legden van het overschot een weg +naar den mons Aventinus aan (ten N.), clivus Publicius genoemd. + +Publicius clivus, zie Publicii. + +Publicola = Poplicola. + +Publilia (lex) van den volkstribuun Publilius Volero in 471, ut plebeii +magistratus tributis comitiis fierent, d. w. z. dat de plebs tributim +mocht bijeenkomen voor het verkiezen van plebejische ambtenaren, +z. verder Tribuni plebis. + +Publiliae (leges) van den dictator Q. Publilius Philo in 339: 1) +dat de plebiscita voor alle burgers verbindend zouden zijn; v. s. is +dit een anticipatie van de lex Hortensia van 287.--2) dat de patres +vóór de stemming over wetsvoorstellen in de centuriaatcomitiën den +uitslag zouden goedkeuren (ut ante initum suffragium patres auctores +fierent); hierdoor werd de patrum auctoritas (zie patres) tot een +bloote formaliteit gemaakt.--3) dat één der censoren voortaan uit de +plebs moest gekozen worden. + +Publilii, rom. geslacht, ten deele patricisch, ten deele plebejisch. 1) +Publilius Volero had in 473 twisten met de consuls gehad en zich +vruchteloos om hulp tot de volkstribunen gewend, die de consuls +niet durfden of wilden weerstreven. Immers was kort geleden een der +volkstribunen, Cn. Genucius, door sluipmoord omgebracht. In 472 werd +Volero tot volkstribuun gekozen, en stelde toen aan het volk zijne lex +Publilia voor (z. a.). De tegenpartij wist de zaak op de lange baan +te schuiven, doch Volero werd voor 471 herkozen en de wet ging door, +na heftige tooneelen, waarbij het tusschen Volero en een der consuls +bijna tot handtastelijkheden kwam.--Ten gevolge van deze wet werden er +in dit jaar 4 tribuni plebis gekozen. Zie Tribuni plebis. Wat omtrent +Publilius Volero zelf verteld wordt, lijkt niet zeer geloofwaardig te +zijn.--2) Q. Publilius Philo (zie leges Publiliae), was in 339 consul +en werd door zijn ambtgenoot tot dictator in den latijnschen oorlog +benoemd; in 337 was hij de eerste plebejische praetor, in 332 censor, +in 327, 320 en 315 weder consul. Publilius Philo was ook de eerste +consul, aan wien het volk op verzoek van den senaat, na afloop van +den ambtstijd, het imperium liet behouden met den titel pro consule +(326). Hij streed roemrijk tegen de Samnieten.--3) Publilia was +de naam van Cicero's tweede vrouw. Zij was met haar veel ouderen +echtgenoot niet gelukkig en het kwam tot eene scheiding (45). Haar +broeder Publilius en Cicero's vriend T. Pomponius Atticus regelden +daarbij de geldzaken. + +Publilius Syrus, een vrij gelaten slaaf, uit Syrië geboortig, +tijdgenoot van Cicero, schreef mimen, die zeer gewild waren, en +waaruit nog eene verzameling spreuken overig is. Hij trad zelf ook +op als mimus, zie Laberii. + +Pudicitia, personificatie der kuischheid. Zij werd door patricische +vrouwen in een tempel aan het Forum Boarium vereerd, maar toen +de patricische Virginia van den dienst van P. werd uitgesloten, +omdat zij met een plebejer gehuwd was, richtte zij een afzonderlijk +heiligdom voor P. ten dienste der plebejische vrouwen op (296). Van +toen af onderscheidde men eene P. patricia en eene P. plebeia. + +Pugilatus, het vuistgevecht, dat tot de gymnastische wedstrijden +behoorde en overeenkomst had met het engelsche boksen, met dit verschil +evenwel, dat de ouden zich daarbij van den caestus bedienden (z. a.). + +Pylagorai, z. Amphictyones. + +Pylartes, die de poorten (der onderwereld) gesloten houdt, bijnaam +van Hades. + +Pulcher, familienaam in de gens Claudia (Claudii no. 7-10, 12-17). + +Pulchrum promunturium, zie Apollinis promunturium. + +Pulvinar, het kussen, ook de sofa, waarop de beelden der goden rustten +bij een lectisternium (z.a.). Later werd het woord ook gebezigd +voor rustbanken en zitplaatsen van hooggeplaatste personen. Zoo werd +b.v. de keizerlijke loge in den circus en het amphitheater ook wel +Pulvinar genoemd. + +Punische oorlogen worden de drie oorlogen genoemd, die Rome met +Carthago voerde, en waarvan de eerste (264-241) met den afstand van +het carthaagsche deel van Sicilia, de tweede (218-202) met Hannibal's +nederlaag en Carthago's vernedering, de derde (149-146) met Carthago's +ondergang eindigde. + +Pupienius Maximus (M. Clodius), een handwerkerszoon, die van +soldaat tot de hoogste ambten opklom en zich een uitstekend generaal +betoonde. In 238 na C. werden hij en Balbinus (z.a.) door den senaat +tot keizers uitgeroepen, doch door de praetorianen, wien deze keus +niet beviel, vermoord. + +Pupia (lex), onzeker van welken tijd. Zij verbood senaatszittingen +te houden op dagen, voor de comitiën bestemd, alsmede in de maand +Februari, behalve tot het verleenen van audiëntie aan gezantschappen. + +Pupii, een plebejisch geslacht. Bij Horatius wordt een dichter +Pupius bespot als maker van lacrimosa poëmata.--M. Pupius Piso Frugi +Calpurnianus, z. Calpurnii no. 5. + +Pupinius ager, Pupinia, dorre streek van Latium, ten O. van Rome, +in de nabijheid van het gebied van Tusculum. Het is het gebied der +oude tribus Pupinia. + +Pura, Poura (= stad), hoofdstad van het perzische gewest Gedrosia. + +Pyromanteia, het voorspellen van de toekomst uit het branden van +een offervuur, eene kunst, die, naar men beweerde, door Amphiaraus +was uitgevonden. + +Pyrriche, een bij fluitspel uitgevoerde dans, een soort ballet, waarbij +de dansers gewapend zijn en de bewegingen van strijders nabootsen. De +Cureten, de Dioscuren, Dionysus of Athena worden als de uitvinders +er van genoemd. De pyrr. werd te Sparta bij de Gymnopaedia, te Athene +bij de Panathenaea uitgevoerd, te Rome werden in den keizertijd door +knapen dergelijke vertooningen gegeven. + +Puteal, zie Bidental. + +Puteoli, Pouteoloi, vroeger Dicaearchia geheeten, haven van Cumae, +in 528 aan de golf van Cumae (golf v. Napels) door inwoners van Samos +gesticht, welke golf later ook wel sinus Puteolanus werd genoemd. De +stad kwam in 421 in handen der Samnieten, in 318 (v. a. in 338) werd +ze romeinsch. In 194 werd ze rom. kolonie en kreeg haren naam naar +de minerale bronnen in den omtrek, hetzij dan van putere wegens den +stank der zwavelbronnen, hetzij van puteal. Een in zee uitgebouwde +dam vormde eene ruime haven terwijl de kust met prachtige villa's was +bebouwd. Cicero had hier een landgoed, zijn Puteolanum, waar hij zijne +Quaestiones academicae schreef, ook Lucullus had hier eene villa en +keizer Hadrianus werd er begraven. In 410 na C. werd P. door Alarik +verwoest, in 455 door den Vandaal Genserik, in 545 door de Gothen +onder Totilas, doch telkens werd het herbouwd en heet thans Pozzuoli. + +Pyanepsia, Pyanepsia, een feest, den 7den Pyanepsion te Athene gevierd +ter eere van Apollo en Athena, later ook ter gedachtenis aan Theseus, +een soort afscheid van den zomer. Het ontleende zijn naam aan het +koken en eten van een gerecht van boonen en andere peulvruchten. Zie +ook eiresione. + +Pyanepsion, Pyanepsion, 4de maand van het Attische jaar (Oct.-Nov.), +z. Annus. + +Pydna, Pydna, stad in Macedonia, in het landschap Pieria, nabij de +golf van Thermae. Philippus van Mac. maakte er een sterke vesting +van. Bij Pydna werd koning Perseus in 168 door L. Aemilius Paullus +(Aemilii no. 10) verslagen. + +Pygela, Pygela, later Phygela, stadje aan de aziatisch-ionische kust, +even ten Z. van Ephesus, met een Artemistempel. + +Pygmaei, Pygmaioi, zoo groot als een vuist, een volk van dwergen, +wier land men aan de kusten van den Oceaan, aan de bronnen van den +Nijl, in Indië of het hooge Noorden plaatste, maar wier bestaan +door de ouden reeds geloochend werd, terwijl weder sommige nieuwere +reizigers gelooven hen terug te vinden in een afrikaansch volk van +kleine menschen nabij den evenaar. Volgens Homerus e. a. dichters +trekken de kraanvogels jaarlijks uit om hunne korenvelden te plunderen +en kunnen de P. zich slechts met moeite tegen deze vijanden verdedigen. + +Pygmalion, Pygmalion, 1) z. Dido.--2) koning van Cyprus, werd verliefd +op een door hemzelf gemaakt ivoren vrouwebeeld; op zijn gebed bezielde +Aphrodite het beeld, waarna P. met de zoo geschapen vrouw huwde en +bij haar vader werd van Paphus. + +Pylades, Pylades, 1) zoon van Strophius, neef en getrouw vriend van +Orestes (z. a.), met wiens zuster Electra hij huwde.--2) beroemd +balletdanser (pantomimus) onder Augustus, door wien hij om zijn +overmoedig gedrag tegenover het publiek uit Italië verbannen werd. + +Pylae, Pylai (= poorten), naam van verschillende bergpassen. Zonder +adjectief = Thermopylae. + +Pylene, Pylene, oude stad in Aetolia, later Proschium. + +Pylus, Pylos, 1) stadje in Elis aan den Peneus.--2) stad in het +eleïsche gewest Triphylia, eenmaal de zetel van den grijzen Nestor.--3) +stad op de Westkust van Messenia, in den peloponnesischen oorlog +bekend door de blokkade van het nabijgelegen eiland Sphacteria +(426). Door de ligging van dit eiland had Pylus eene der schoonste +havens van Griekenland, thans de baai van Navarino genoemd. + +Pyracmon, een Cycloop. + +Pyramides, pyramides, de bekende steengevaarten in Aegypte, welke +in verschillende groepen in een gedeelte van Midden-Aegypte langs +den linker Nijloever liggen. Zij zijn alle vierzijdig, met de vier +zijden naar de vier hemelstreken gekeerd. De grootste zijn die, +waarvan de bouw door Herodotus aan de koningen Cheops, Chephren en +Mycerinus wordt toegeschreven. De Rom. volgden enkele malen voor hunne +grafgebouwen den pyramidenbouw op kleine schaal na, zie Cestius no. 1. + +Pyramus, Pyramos, een babylonisch jongeling van buitengewone +schoonheid, beminde de even schoone Thisbe en werd door haar bemind, +maar hunne ouders, die in vijandschap met elkander leefden, wilden in +hun huwelijk niet toestemmen. Lang zagen de minnenden daarom elkander +slechts door een spleet in den gemeenschappelijken muur tusschen beider +huizen, eindelijk spraken zij af elkander bij het graf van Ninus te +ontmoeten. Nauwelijks was Thisbe op de afgesproken plaats verschenen, +of zij werd verschrikt door net naderen van een leeuw, zij vluchtte +en verloor in de verwarring haar sluier, dien de leeuw vond en met +zijn muil, nog bevlekt door het bloed van pas verscheurde runderen, +verscheurde. Kort daarop kwam ook P. en toen hij den bloedigen sluier +zag, meende hij, dat Thisbe door een wild dier verscheurd was, hij trok +zijn zwaard en doodde zich. Te laat keerde Thisbe terug, zij vond haar +minnaar reeds dood en bracht zich nu ook met zijn zwaard om het leven. + +Pyramus, Pyramos, vrij breede rivier in het O. van Cilicia, die in +Cataonia ontspringt, door den Taurus heenbreekt en bij Mallus in +zee valt. + +Pyrasus, Pyrasos, oude, later verwoeste stad in het thessalische +landschap Phthiotis, met een aan Demeter geheiligd bosch. + +Pyrenaei montes, Pyrenaia ore, het scheidingsgebergte tusschen Gallia +en Hispania, thans nog de Pyreneën geheeten. + +Pyrene, Pyrene, 1) bij Herodotus vermelde keltische stad nabij de +bronnen van den Ister (Donau).--2) = Pyrenaei montes. + +Pyrenes promunturium, ook prom. Veneris geheeten, thans kaap Creuz, een +oostelijke uitlooper der Pyrenaeën, met een tempel van Venus Pyrenaea. + +Pyretus, Pyretos, zijtak van den Ister, thans de Pruth. + +Pyrgi, Pyrgoi, 1) stad in het eleïsche gewest Triphylia op de +messenische grenzen, volkplanting der Minyers.--2) oude stad met +cyclopische muren in Zuid-Etruria, later havenstad van Caere, +aan de via Aurelia. Pyrgi werd in 384 door Dionysius van Syracuse +geplunderd. In de 2de eeuw was het rom. kolonie. Beroemd was de rijke +tempel van Ilithia of Leucothea. + +Pyrgoteles, Pyrgoteles, beroemd steensnijder, die uitsluitend het +recht had het portret van Alexander den Gr. te graveeren. + +Pyrgus, Pyrgos = Pyrgi no. 1. + +Pyriphlegethon, Pyriphlegethon, geweldige vuurstroom, die den Tartarus +omgeeft. + +Pyrrha, Pyrra, dochter van Epimetheus en Pandora, gemalin van Deucalion +(z. a.). + +Pyrrha, Pyrra, 1) stad op het eil. Lesbus aan een inham, den Euripus +Pyrrhaeus, later bij een aardbeving door een vloedgolf vernietigd.--2) +stad en kaap in het thessalische landschap Phthiotis, aan de golf +van Pagasae. Twee kleine nabijgelegen eilandjes heetten Pyrrha en +Deucalion. + +Pyrrhi castra, Pyrrou charax, sterkte in het N. van Laconica, uit +eene oude legerplaats ontstaan, door Pyrrhus opgeslagen, toen deze +in 272 in de Peloponnesus viel. + +Pyrrho, Pyrron, van Elis, geb. omstreeks 360, gest. omstreeks 275, +volgde, nadat hij verschillende grieksche wijsgeeren, o. a. Stilpo, +gehoord had, met zijn vriend Anaxarchus Alexander op diens tochten naar +Azië, waar hij ook met de gymnosophisten en magiërs kennis maakte. Hij +kwam tot het besluit dat voor en tegen ieder stelsel evenveel te zeggen +is, en dat ieder stelsel in zichzelf aan groote tegenstrijdigheden +lijdt; daarom achtte hij de kennis van het wezen der dingen voor den +mensch onbereikbaar (akatalepsia) en leerde, dat derhalve de wijze zich +van een oordeel moet onthouden (epoche). Alleen in deugd en gemoedsrust +(ataraxia) bestaat het geluk. De aanhangers van P. noemen zich, in +tegenstelling met de dogmatikoi, gewoonlijk skeptikoi, ook aporetikoi, +ephektikoi, zetetikoi, of eenvoudig Pyrroneioi. + +Pyrrhus, Pyrros, 1) = Neoptolemus.--2) koning van Epirus, die van +Achilles beweerde af te stammen. Na veel strijd kwam hij in 307 aan +de regeering, na vijf jaar werd hij echter bij een opstand verjaagd, +hij ging naar Demetrius Poliorcetes, streed dapper in den slag bij +Ipsus, ging daarna naar Alexandrië, waar hij met een stiefdochter +van Ptolemaeus I trouwde, en keerde, door zijn schoonvader met geld +en troepen ondersteund, naar zijn land terug, eerst na den dood van +Neoptolemus (no. 3) kreeg hij echter weder de regeering over het +geheele rijk (296). Nu trachtte hij zijn gebied uit te breiden door +verovering van de naburige landen, zelfs van Macedonië; hij vond steun +bij de vijanden van Demetrius, en inderdaad werd hem na den val van +dezen (287) de kroon aangeboden, maar zij werd hem weldra ontnomen +door Lysimachus, tegen wien hij zelfs Epirus verdedigen moest. Vol +vreugde gaf hij daarom gehoor aan de uitnoodiging der Tarentijnen, +die zijne hulp tegen Rome inriepen, en hopende door dezen oorlog +vergoeding voor het verlies van Macedonië te vinden, ging hij met +een groot leger naar Italië (281). Hij versloeg de rom. legers bij +Heraclea (280) en bij Asculum (Ausculum, 279), maar intusschen leed +hij op zijn beurt onherstelbare verliezen, van de Tarentijnen kon +hij alleen door de uiterste strengheid eenige medewerking krijgen, +de waardige en heldhaftige houding der Rom. boezemde hem eerbied en +vrees in, en eindelijk begon P. aan het slagen zijner onderneming te +wanhopen. Hij verliet daarom Italië (278), waar hij echter zijn zoon +Alexander met een leger achterliet en ging naar Sicilië om Syracuse +tegen de Carthagers te helpen; overal met vreugde ontvangen, dwong +hij de vijanden het beleg van Syracuse op te breken en ontnam hij +hen hun geheel gebied op Sicilië behalve Lilybaeum, maar toen het hem +niet gelukte hen ook van daar te verdrijven, begonnen de Siciliërs te +wankelen, en toen P. toebereidselen maakte voor een landing in Afrika, +brak er zelfs een opstand tegen hem uit en sloten vele steden zich +weder bij de Carthagers aan. Nogmaals door de Tarentijnen dringend +te hulp geroepen, greep hij gretig deze gelegenheid aan om uit zijn +moeilijken toestand bevrijd te worden, hij ging naar Tarentum, maar +werd door M'. Curius Dentatus v.s. bij Beneventum, v.a. in Arusinis +Campis in Lucania verslagen en tot den terugtocht genoodzaakt (275). In +zijn land teruggekeerd, deed hij plotseling een aanval op Macedonië, +en het gelukte hem spoedig een groot deel er van onder zijne macht te +brengen, maar op uitnoodiging van den Spartaan Cleonymus liet hij zijne +veroveringen daar varen en keerde hij zich naar de Peloponnesus. Een +aanval op Sparta mislukte, en toen P. op den terugtocht Argos wilde +bezetten en de troepen van Antigonus Gonatas en van de Spartanen te +gelijk met hem in de stad drongen, ontstond er een hevig straatgevecht, +waarin P. een dakpan of een steen op het hoofd kreeg, neerviel en +afgemaakt werd (272). Hoewel hij om zijn persoonlijken moed, zijn +ridderlijk karakter en zijn ijver, ja zelfs om zijn uiterlijk, dat +aan Alexander d. Gr. herinnerde, hij zijne troepen zeer bemind was, +had hij door gemis aan volharding geen zijner ondernemingen tot een +goed einde gebracht. Hij was de schrijver van eenige werken over +krijgskunde, die verloren gegaan zijn. + +Pythagoras, Pythagoras, 1) beroemd grieksch wijsgeer, van wiens +leven en leer echter betrekkelijk weinig met zekerheid bekend +is. Hij wordt een zoon van Mnesarchus genoemd, werd waarschijnlijk +op Samus omstreeks 580 geboren, zou een leerling van Thales, Bias, +Anaximander en Pherecydes geweest zijn, en groote reizen, o.a. naar +Aegypte en Babylon, gedaan hebben. Ongeveer 50 jaar oud kwam hij te +Croton en stichtte hij daar onder de aristocratische partij een bond, +waarvan de strekking was het invoeren van allerlei hervormingen op +zedelijken, wijsgeerigen en godsdienstigen grondslag en de vestiging +eener streng aristocratische staatsinrichting. Inderdaad gelukte +het zijn aanhangers, bezield door den ernst en ijver van P., niet +slechts te Croton, maar in verscheiden steden van Beneden-Italië +het staatsbestuur in hun geest te hervormen en grooten invloed te +verkrijgen en in meerdere of in mindere mate meer dan een eeuw te +behouden (vgl. Archytas).--De eigenlijke leerlingen van P. leefden +met elkander in gemeenschap van goederen en onder inachtneming van +zeer strenge leefregels en allerlei ceremoniën; eerst na velerlei +beproevingen, langdurig zwijgen, enz., kon men in hun verbond worden +opgenomen. Hij had onder hen zoo groot gezag, dat de woorden autos epha +(hijzelf, de meester, heeft het gezegd) voor velen een afdoend argument +waren, hijzelf zou zich daarentegen uit bescheidenheid den naam van +philosophos gegeven hebben, terwijl zij, die zich met wijsgeerige +studiën bezig hielden, zich vroeger sophistai of sophoi noemden. Van +zijne leer is weinig met zekerheid te zeggen, daar zij grootendeels +opzettelijk geheim gehouden werd; P. zelf heeft, naar het schijnt, +niets geschreven; alle werken die onder zijn naam en misschien met +een enkele uitzondering (z. Philolaus no. 2), alle die onder den naam +zijner leerlingen bewaard gebleven zijn, zijn onecht. Hij of zijne +volgelingen zochten het wezen der dingen in het getal; evenals zich +daarin het begrensde en onbegrensde, het onevene en evene tot eene +harmonie vereenigen, zoo zijn volgens hen in alle dingen tegengestelde +elementen door getal en maat harmonisch vereenigd. Bij de toepassing +van dit beginsel werden vooral de wiskundige wetenschappen (theorema +van P.), de muziek en de astronomie (harmonie der sferen) beoefend; +ook bij zedelijke begrippen namen formules de plaats van definities in, +zooals bijv. de rechtvaardigheid door een kwadraatgetal voorgesteld +werd. Waarschijnlijk heeft P. zelf slechts den grond gelegd tot dit +stelsel, waarop dan door zijne leerlingen verder voortgebouwd is, van +hemzelf is echter de leer der zielsverhuizing (vgl. Euphorbus).--Ook +over het einde van P. zijn de berichten verschillend; v.s. werd hij +bij een opstand der democratische partij verjaagd en vluchtte hij naar +Metapontum, waar hij op 80- of 90-jarigen leeftijd stierf, v.a. werd +bij dien opstand het gebouw, waarin hij en zijne leerlingen vereenigd +waren, in brand gestoken en kwam hij met 300 zijner aanhangers daarbij +om (500).--2) van Rhegium, beroemd beeldhouwer uit de eerste helft +der 5de eeuw, hij maakte voornamelijk athletenbeelden van metaal, +die door standen en verhoudingen uitmuntten. + +Pytheas, Pytheas, 1) atheensch demagoog, vroeger partijgenoot, later +tegenstander van Demosthenes; in den lamischen oorlog vluchtte hij naar +Antipater.--2) van Massilia, beroemd zeevaarder en aardrijkskundige +ten tijde van Alexander d. G., die ontdekkingsreizen deed langs de +westelijke en noordelijke kusten van Europa. Zijne reisbeschrijvingen, +waarin hij tevens dikwijls aardrijkskundige onderwerpen behandelde +en sterrenkundige waarnemingen mededeelde, werden ten onrechte door +velen als fabelachtig beschouwd. + +Pythia, Pythia, z. Delphi. + +Pythia, Pythia, de pythische spelen, om de vier jaar, en wel ieder +derde Olympiadenjaar, tegen het einde van den zomer in de vlakte van +Crissa gevierd ter eere van Apollo, die na het dooden van den draak +Python zelf dit feest zou ingesteld hebben, z. Pytho. Het bestond +oorspronkelijk alleen uit een muzikalen wedstrijd, later kwamen er naar +het voorbeeld der olympische spelen andere wedstrijden bij. De prijs +was een lauwerkrans. Kamprechters waren oorspronkelijk de Delphiërs, +later de Amphictyonen. De P. behooren tot de groote nationale +feesten en waren na de olympische spelen het meest in aanzien; zij +werden steeds zeer druk bezocht en nog laat in den rom. keizertijd +gevierd.--Vele steden vierden ook in hun eigen gebied feesten ter +eere van den pythischen Apollo, die eveneens P. genoemd werden. + +Pythius, Pythios, 1) bijnaam van den delphischen Apollo, naar den +door hem gedooden draak Python.--2) een Lydiër, de rijkste man van +zijn tijd, die Xerxes met zijn leger op zijn tocht naar Griekenland +onthaalde en hem zijne schatten aanbood. Maar toen hij verzocht dat +een van zijne vijf zonen van den krijgsdienst zou vrijgesteld worden, +liet Xerxes dezen in stukken snijden.--3) = Pythodorus no. 2, z.a. + +Pytho, Pytho, oude naam van Delphi en van de landstreek rondom den +Parnassus. Apollo versloeg hier den draak Python en stelde hierna +de pythische spelen in. In werkelijkheid zijn de pythische spelen +ingesteld in 582, kort nadat tengevolge van den heiligen oorlog met +Crisa het heiligdom van Delphi in de macht der Amphictyonen gekomen +was (590). + +Pythocles, Pythokles, atheensch redenaar van de macedonisch gezinde +partij; hij werd te gelijk met Phocion ter dood gebracht. + +Pythodorus, Pythodoros, 1) onbekwaam atheensch veldheer op Sicilië +(425), werd na zijn aftocht van daar verdacht zich te hebben laten +omkoopen en werd verbannen.--2) beroemd bouwmeester en schrijver +over bouwkunst ten tijde van Alexander d. G. Hij bouwde den tempel +van Athena Polias te Priene, en werkte ook mede aan den bouw van het +Mausoleum.--3) twee beeldhouwers, die in de 1ste eeuw na C. aan het +keizerlijk paleis op den Palatinus werkten. + +Python, Python, een reusachtige draak, na de overstrooming van +Deucalion uit het op aarde achtergebleven slijk geboren. Hij bewaakte +het delphische orakel voor Gaea, maar werd door Apollo, toen deze +het in bezit nam, gedood. + +Pyxus, Pyxous = Buxentum. + + + + + + +Q. + + +Q. Rex. C. F. Zie regifugium. + +Quadi, een suebische volksstam, die meestal samen met de Marcomannen +genoemd wordt en in het tegenw. Moravië en omliggende streken +woonachtig was. O. a. namen zij deel aan den grooten strijd, dien de +Marcomannen van 166-175 na C. tegen Marcus Aurelius voerden, en ook in +later tijd werden de rom. grenzen nog menigmaal door hen bestookt. Ze +komen dan steeds voor in verbond met de in de Donau-Theiss-vlakte +wonende Sarmaten (Iazyges), zie Iazyges. Tegen het einde der 4de eeuw +na C., in het tijdperk der volksverhuizing, verdwijnen zij geheel. + +Quadrans, kleine rom. koperen munt = 3 unciae of 1/4 as. Men vindt +er nog met verschillende stempels, doch als algemeen kenmerk dragen +zij drie knopjes, overeenstemmende met het getal onsen. + +Quadrigati, z. Bigati. + +Quadruplatores, meer gebruikelijke naam der delatores onder de +rom. keizers. + +Quaesitor, zie quaestor. + +Quaestiones perpetuae, zie iudicium publicum en iudex. De eerste +quaestio perpetua was de qu. repetundarum, in 149 door de lex Calpurnia +in het leven geroepen. + +Quaestor, tamias. Oorspronkelijk is dit woord hetzelfde als quaesitor, +welke naam in zwang bleef voor hem, die met de leiding van een +gerechtelijk onderzoek werd belast. Onder de rom. koningen komen +quaestores parricidii voor, die niet slechts in zaken van moord, +maar in het algemeen in res capitales werkzaam schijnen geweest te +zijn als openbare aanklagers. Onder de republiek komen er reeds +vroeg twee quaestores voor, die door de consuls benoemd werden, +en hun ondergeschikt waren. Sedert 447 werden zij in de comitia +tributa gekozen, zoodat ze magistratus populi werden. Sedert 421 +werden er 4 benoemd, en wel promiscue de plebe ac patribus, waarvan +twee te Rome bleven (quaestores urbani), en twee de consuls in +den oorlog vergezelden. In 267 werd het getal op acht gebracht, +waarvan 4 voor Italia, in 81 door Sulla op twintig, in 45 door +Caesar op veertig. Het lot wees aan, welke twee als quaestores +urbani of quaestores aerarii te Rome zouden blijven en naar welke +provincie elk der overige zou gaan. Daar dus het lot den stadhouder +en zijn quaestor samenbracht, bestond er tusschen hen een vinculum +pietatis als tusschen vader en zoon, en was bij ontstentenis van den +stadhouder de quaestor diens aangewezen plaatsvervanger. Overigens +was hij belast met de boekhouding der staatsgelden in de provincie, +evenals zijne ambtgenooten te Rome. De quaestores urbani of aerarii +waren belast met het opsporen en vonnissen van halsmisdaden van +niet-politieken aard (zie Contio). Zij oefenden deze rechtspraak +uit als lasthebbers der consuls; bovendien waren zij werkzaam ten +behoeve van de schatkist (aerarium) en toen door de instelling der +quaestiones perpetuae langzamerhand hun crimineele rechtspraak verviel, +werd het beheer der schatkist hun voornaamste bezigheid. Zij mochten +geene uitbetalingen doen dan op een bevelschrift van den senaat, +uitgezonderd aan de consuls, wanneer deze te Rome waren. Zij inden +de belasting der burgers (tributa), der bondgenooten (stipendia), de +inkomsten der bezittingen van den staat (vectigalia), verder de boeten +(bona damnatorum) en de opbrengst van den oorlogsbuit (manubiae). Zie +verder aerarium. Aan de quaestores urbani was ook opgedragen de +zorg voor het onthaal van vreemde vorsten en gezanten. Uit den aard +der zaak werd het werk voornamelijk verricht door een personeel van +vaste klerken (scribae), aan wier hoofd de sex primi stonden, maar +de quaestoren hadden de verantwoordelijkheid. Sedert de quaestuur de +primus gradus ad honores was geworden, werd dit ambt door betrekkelijk +jonge menschen bekleed. Daar men tien dienstjaren bij het leger moest +tellen (die echter niet onafgebroken moesten worden uitgediend), was +de leeftijd van 27 jaren, zooals bij de Gracchen het geval was, wel de +vroegste voor de quaestuur. Eerst sedert het jaar 81 (lex Cornelia de +magistratibus) hadden de quaestoren na afloop van hun ambtsjaar zitting +in den senaat. De quaestoren aanvaardden hun ambt op 5 December. + +Quaestor Caesaris of principis, zie candidatus principis. + +Quaestor sacri palatii, onder keizer Constantijn den Gr. de eerste +der hooge hofambtenaren, als het ware de rijkskanselier, tot wiens +ressort wetgeving en justitie behoorden. + +Quaestorium, de woning of de tent van den quaestor. Zie castra. + +Quat(t)uorviri. 1) Quattuorviri iuri dicundo. In sommige municipia vond +men duumviri iuri dicundo (z. a.) en twee aedielen, die dan gezamenlijk +met bovenstaanden naam worden aangeduid.--2) Quattuorviri viis in urbe +purgandis, eene commissie van vier leden, belast met de zorg voor de +reinheid der straten en het onbelemmerd verkeer te Rome binnen den +kring van den ouden muur van Servius Tullius. Het ambt bestond nog +in de 3de eeuw n. C. Zij behoorden tot de zoogenaamde vigintisexviri +(vigintiviri).--3) Zie praefecti Capuam Cumas. + +Quinarius, rom. zilveren munt = 1/2 denarius, ter waarde van 5, +later van 8 as. + +Quinctii, patricisch gesl. 1) T. Quinctius Capitolinus Barbatus, +een dapper held, consul in 471, 468, 465, 446, 443 en 439, streed bij +herhaling tegen de Aequers, Volscen en andere naburen van Rome.--2) +L. Quinctius Cincinnatus (= krullebol) was consul suffectus in 460. Na +afloop van het jaar trok hij zich op zijne landhoeve terug, doch werd +in 458 als dictator geroepen om den door de Aequers ingesloten consul +L. Minucius Esquilinus Augurinus te ontzetten. In 16 dagen tijds had +hij de Aequers schitterend verslagen en een triumftocht gehouden, +waarop hij onmiddellijk de dictatuur neerlegde en weder naar zijne +hoeve terugging. Op 80-jarigen leeftijd, in 439, werd hij andermaal +tot de dictatuur geroepen, om de onlusten te bedwingen, die door +of tegen Sp. Maelius verwekt waren. Op zijn last werd Maelius door +den magister equitum C. Servilius Ahala omgebracht. Zie hieromtrent +Maelii no. 1.--3) K. Quinctius Cincinnatus, zoon van no. 2, een +rijzig en sterk jongeling, die zich in den oorlog onderscheiden had, +doch heftig en opvliegend, zoodat hij zelfs beschuldigd werd zijn +ouderen broeder in een twist te hebben doodgeslagen, deed in 461, bij +den strijd over de lex Terentilia, met andere jonge adellijken een +aanval op de volkstribunen en de plebs. Hij zag zich genoodzaakt in +ballingschap te gaan; zijn vader moest de boete voor hem betalen.--4) +T. Quinctius Pennus Cincinnatus was consul in 431 en 428.--5) +T. Quinctius Cincinnatus Capitolinus, consulair-tribuun in 388 en 384, +veroverde in 382 als dictator in tien dagen tijds Praeneste en negen +andere steden en legde op den 20sten dag zijn dictatuur neder.--6) +T. Quinctius Pennus Capitolinus Crispinus was in 361 dictator tegen +de Galliërs.--7) T. Quinctius Pennus Capit. Crispinus had in 214 en +212 met roem op Sicilia en bij Capua gestreden, doch werd in 208 als +consul met zijn ambtgenoot M. Claudius Marcellus door Hannibal in een +hinderlaag gelokt en stierf aan de bekomen wonden.--8) T. Quinctius +Flamininus diende eerst in Beneden-Italië onder Marcellus (208) +en werd in 198, nog geen volle 30 jaar oud, consul. Als proconsul +versloeg hij in 197 het macedonische leger bij Cynoscephalae, +waarna hij op de isthmische spelen van 196 de Grieken voor vrij +verklaarde. Vervolgens bedwong hij (195) Nabis, tyran van Sparta, +regelde de grieksche aangelegenheden en hield in 194 te Rome een +driedaagschen zegetocht. In 189 was hij censor. De senaat zond hem +in 183 naar Prusias van Bithynia, om de uitlevering van Hannibal te +eischen.--9) L. Quinctius Flamininus, broeder van no. 8, was in 197 +zijn legaat, in 192 was hij consul, in 184 werd hij door den censor +M. Porcius Cato uit den senaat gestooten.--In lateren tijd vindt men +eenige plebejische Quinctii of Quintii, z. a.--10) P. Quintius, voor +wien Cicero in een causa privata eene pleitrede hield (81).--11) +L. Quintius, in 74 volkstribuun en tegenstander van den consul +L. Licinius Lucullus, dezelfde, die in het proces van Cluentius +tegen Cicero optrad.--12) Quintius Scapula verwekte in Hispania den +oorlog tegen Caesar, doch kwam na den slag bij Munda (45) te Cordula +om.--13) T. Quinctius Atta, gestorven 77, dichter van fabulae togatae +(z. togata no. 2). Er zijn nog enkele fragmenten van over. + +Quinctilianus, minder goede schrijfwijze voor Quintilianus, daar in +zijn tijd in namen als Quintus en dgl. de c weinig meer geschreven +werd. + +Quinctilii, zie Quintilii. + +Quinctilis, oude naam voor Juli (zie annus). + +Quincunx, zeldzaam voorkomende koperen rom. munt van 5 unciae = +5/12 as. Behalve met den stempel was zij met vijf knopjes of puntjes +gemerkt, op de wijze van de vijf op onze dobbelsteenen. Hiernaar +droeg deze figuur ook den naam van quincunx. Wanneer bijv. soldaten +of boomen in quincuncem staan, staan zij als in onderstaande figuur. + + + . . . . . . + . . . . . + . . . . . . + . . . . . + . . . . . . + + Opstelling in quincuncem + + +Quindecimviri, 1) sacrorum of sacris faciundis, zie decemviri +sacrorum.--2) buitengewone commissiën, bijv. agris dividundis; het +getal 15 was niet standvastig; commissiën van 3, 5 of 10 leden komen +veel meer voor. + +Quinquatrus, een feest ter eere van Minerva, jaarlijks te Rome +van 19 tot 23 Maart gevierd. Het was een feest van kunstenaars +en handwerkslieden, vooral van de fullones, van onderwijzers en +scholieren; op den eersten dag (dies natalis Minervae) werden +aan de godin onbloedige offers gebracht, den tweeden, derden en +vierden dag werden gladiatorenspelen gegeven, den vijfden dag vierden +voornamelijk de trompetters feest en werden hunne instrumenten gewijd +(tubilustrium). Bij de Q. minores of minusculae (13 Juni) speelden +daarentegen de fluitspelers de hoofdrol. + +Quinquennales (viri), in de rom. municipia de naam van twee of drie +overheidspersonen, wier werkkring met dien der censoren te Rome +overeenkwam en die ook om de vijf jaren werden gekozen. Zie Municipium. + +Quinqaertium = Pentathlum. + +Quinqueviri, buitengewone commissiën, uit vijf leden bestaande, +b. v. agris dividundis, muris turribusque reficiendis, enz. Quinqueviri +mensarii komen in 352 voor, toen bij gelegenheid eener finantiëele +crisis, op het initiatief der consuls P. Valerius Poplicola en +C. Marcius Rutilus eene staatsbank (mensa) onder beheer van Vviri +tijdelijk werd opgericht, die op voldoend onderpand voorschotten +verleende. Een dergelijk geval had in 216 plaats (zie lex Minucia), +doch toen onder beheer van IIIviri. + +Quintana (via), zie castra. + +Quintii, zie Quinctii. De spelling zonder c kwam in den laatsten +tijd der Rom. republiek op en werd onder het keizerrijk de meest +gebruikelijke. + +Quintilianus (M. Fabius), uit Calagurris (Calahorra) in Hispania, +omstreeks het jaar 35 n. C. geboren. Hij genoot zijne opleiding te +Rome, waar hij vervolgens optrad als pleiter en bezoldigd leeraar in +de welsprekendheid. Hij verwierf zich grooten naam. Twintig jaar lang +vervulde hij het leeraarsambt, en toen hij het neerlegde, ± 91 na C., +schonk keizer Domitianus hem de ornamenta consularia. Hierna schreef +hij zijn beroemd werk de institutione oratoria in 12 boeken, een +volledig leerboek der rhetorica, rijk van inhoud, zuiver en duidelijk +van taal en voorstelling. Van de op zijn naam staande declamationes +zijn alleen de 145 kleine misschien van hem; de 19 groote zijn onecht. + +Quintilii of Quinctilii. 1) P. Quinctilius Varus (= krombeen), praetor, +streed in 203 in Gallia Cisalpina zegevierend tegen Hannibals broeder +Mago.--2) S. Quintilius Varus streed in het begin van den burgeroorlog +met Domitius Ahenobarbus (Domitii no. 8) tegen Caesar. Caesar nam +hem gevangen, doch stelde hem weer in vrijheid.--3) P. Quintilius +Varus, zoon van no. 2, consul in het jaar 13, werd later stadhouder +van Syria, van waar hij in 6 na C. naar Germania werd gezonden. Zijn +onberaden ijver om rom. taal en instellingen in te voeren was oorzaak, +dat hij met drie legioenen in het Teutoburger woud door den Cheruscer +Arminius overvallen en zijn leger geheel vernietigd werd (Sept. 9 +na C.).--4) Quintilius Varus uit Cremona, een vriend van Vergilius +en Horatius, stierf in 23.--5) Onder de keizers Marcus Aurelius en +Commodus komen nog twee broeders Quintilii voor, die in 178 tegen de +Germanen streden. Commodus bracht hen om. + +Quintus, Kointos, van Smyrna (Smyrnaeus), dichter van een episch +gedicht in 14 zangen, ta meth' Homeron, bevattende de geschiedenis van +den trojaanschen oorlog na den dood van Hector. Hoewel vrij langdradig +en zonder eenheid, is het werk niet zonder verdiensten. Hij leefde +vermoedelijk in de 4de eeuw na C. Naar Calabrië, waar het handschrift +van zijn gedicht gevonden is, wordt hij dikwijls Calaber genoemd. + +Quirinalia, een feest ter eere van Quirinus, dat op den 17 Februari +te Rome werd gevierd. Zie ook Fornacalia. + +Quirinalis (collis), een der bergen, waarop Rome was gebouwd, zie Roma. + +Quirinius (P. Sulpicius), zie Sulpicii no. 21. + +Quirinus, een van de oudste Romeinsche goden, in beteekenis +overeenkomend met Mars. Later meende men, dat Q. een sabijnsche godheid +was, wiens dienst door Numa naar Rome werd overgebracht; gewoonlijk +wordt hij voor denzelfden gehouden als de onder de goden opgenomen +Romulus (z. a.). Zijn oudste tempel te Rome lag op den mons Quirinalis, +terwijl zijn dienst werd waargenomen door den flamen Quirinalis en +door een afzonderlijk college van Salii (de Salii Agonenses), door +Tullus Hostilius ingesteld. Q. is ook een bijnaam van Janus (z. a.). + +Quirites. De oorsprong van dezen naam is zeer onzeker. Sommigen hebben +hem afgeleid van de stad Cures in het sabijnsche land, anderen van +een oud woord quiris of curis = speer. Doch wat ook de beteekenis +zij, de herhaaldelijk voorkomende uitdrukkingen populus Romanus +Quiritium of populus Romanus Quirites geven genoegzame aanwijzing, +dat Quirites als volksnaam der rom. burgers gold. Daar nu deze naam +vooral den rom. burger aanwijst in de uitoefening zijner burgerrechten, +dus in vredestijd, zoo schijnt hieruit eene tegenstelling geboren te +zijn tusschen Quirites als vreedzame burgers en milites, te meer daar +sedert Marius het gros van het leger meer en meer uit beroepssoldaten +was saamgesteld. + + + + + + +R. + + +Rabirii. 1) C. Rabirius, bejaard rom. senator, werd in 63 door den +volkstribuun T. Labienus van hoogverraad (perduellio) beschuldigd, als +medeplichtig aan den moord op den volkstribuun L. Appuleius Saturninus +in het jaar 100. Het proces werd gevoerd voor het oude hof der duumviri +perduellionis; Rabirius werd ter dood veroordeeld, doch beriep zich op +het volk. Hij werd door de redenaars Hortensius en Cicero verdedigd, +doch zou vermoedelijk, uit wrok tegen den senaat, ook door de comitiën +veroordeeld zijn, indien niet de praetor Q. Metellus Celer de roode +vaan (vexillum russeum) van den Janiculus had doen wegnemen tengevolge +waarvan de volksvergadering moest uiteengaan. De aanklacht werd echter +niet weder opgevat.--2) C. Rabirius Postumus, zoon van C. Curtius, +neef en aangenomen zoon van no. 1, rom. ridder, was in Aegypte in +dienst van koning Ptolemaeus XI Auletes geweest. A. Gabinius was in 54 +beschuldigd en veroordeeld, op grond dat hij, als stadhouder van Syria, +zich door den in een opstand verdreven koning voor 10000 talenten had +laten omkoopen om hem op den troon van Aegypte te herstellen. Daar uit +de bezittingen van Gabinius de boete, die gelijk was aan de ontvangen +som, niet kon gevonden worden, werd Rabirius, die ook een deel van het +geld had ontvangen, aangesproken voor het tekort. Schoon Cicero als +verdediger van Gabinius, nu ook voor Rabirius pleitte, werd deze toch +veroordeeld en ging in ballingschap. Zijn verblijf te Alexandrië was +alles behalve vlekkeloos geweest. Later diende hij onder Caesar.--3) +C. Rabirius, episch dichter van naam onder Augustus, bezong den slag +bij Actium. + +Racilius (L.), volkstribuun in 58, trok tegen P. Clodius voor Cicero +partij. + +Racotis, Rhakotis, oud vlek in Aegypte, dat bij de stichting van +Alexandrië in den kring dezer stad werd getrokken en er eene wijk +van werd. + +Raeda, zie rheda. + +Raetia, Rhaitia, welke spelling boven Rhaetia wordt verkozen, strekte, +met het noordelijker Vindelicia vereenigd, zich uit van de Alpen tot +aan den Donau en van den Rijn tot den Aenus (Inn). De oude Raeti werden +voor stamverwanten der Etruscers gehouden, door keltische stammen +teruggedrongen. Ten tijde van Augustus (15 voor Chr.) en niet dan +na een hevigen strijd, werden de woeste bergbewoners door Drusus en +Tiberius met de Vindelici tot onderwerping gebracht, en met de reeds +vroeger onderworpen Vallis Poenina vereenigd tot een nieuwe provincie +Raetia et Vindelicia. Er waren weinig steden. Tridentum (Trente) +(z. a.) was oorspronkelijk een raetische stad, maar kwam later aan +de keltische Cenomanes. Raetia en Vindelicia vormden de westelijkste +rom. Donauprovincie; de Vindelici zijn Kelten, de Raeti niet. + +Rambacia = Rhambacia. + +Ramnes of Ramnenses, eene der drie oude stamtribus van Rome, +z. echter Tities. + +Raphia, Rhapheia, -ia, havenstad van Palaestina ten Z. W. van Gaza. + +Rase(n)na, Rhasenna, naam die de Etruscers zichzelf geven. + +Ratiaria, stad aan den Donau in Moesia Superior, later hoofdstad van +Dacia Ripensis. + +Ratomagus = Rotomagus. + +Raudii campi = Campi Raudii. + +Rauraci of Raurici, Rhaurakoi, volk in Gallia Transalpina, naburen der +Helvetiërs, met wie 25000 hunner medetrokken bij hun verhuizingstocht +tijdens Caesars aankomst in Gallia. Ze woonden in de omstreken van +Basel. Hoofdplaats: Augusta Rauracorum = Augst bij Basel. + +Ravenna, Rhabenna, stad nabij de Adriatische zee ten Z. van den Padus +(Po) in Gallia Cisalpina. Het lag te midden eener moerassige streek +en had gebrek aan drinkbaar water, daarom werd van de bewoners gezegd: +sitiunt vivi, natant sepulti. De stad was met grachten doorsneden. Haar +bloei dagteekent van den tijd, dat Augustus ze tot het station maakte +van de vloot der Adriatische zee en hiervoor eene groote haven liet +aanleggen (± 22). Reeds door hare ligging sterk, werd Ravenna nu +eene vesting van den eersten rang. Daarom verlegde keizer Honorius +zijne residentie hierheen en dit bleef zoo ook onder de volgende +keizers, en na den val van het west-rom. rijk ook onder Odoacer en +de oostgotische koningen. + +Rea Silvia, ook Ilia genoemd, dochter van Numitor, werd door haar +oom Amulius aan den dienst van Vesta gewijd, opdat zij kinderloos +zou sterven. Toen zij moeder van Romulus en Remus was geworden, +werd zij v. s. levend begraven, v. a. gevangen gezet, maar na den +dood van Amulius bevrijd, of wel in den Tiber geworpen en door den +stroomgod tot echtgenoote genomen. + +Reate, Rheaton, -ate, oude stad der Aborigines in Midden-Italië, later +door de Sabijnen vermeesterd en tot hunne hoofdplaats gemaakt. Zij lag +aan de via Salaria in eene uiterst liefelijke vallei. Zie verder Avens. + +Rebilus, familienaam in de gens Caninia. + +Recitationes. Tijdens Augustus won de gewoonte veld, dat schrijvers, +alvorens hunne geschriften uit te geven, voor een kleiner of grooter +publiek gedeelten daarvan voorlazen, eensdeels om het oordeel der +hoorders te vernemen, anderdeels om aan de uitgaaf meer openbaarheid +te geven. + +Recognitio equitum, zie Equites. + +Recuperatores. Oorspronkelijk was dit de naam van een college van +rechters, om na een oorlog te beslissen over teruggaaf van veroverd +goed. Het was dan uit mannen van beide volken (Rom. en peregrini) +saamgesteld. Allengs werd deze vorm ook te Rome ingevoerd bij processen +tusschen Rom. en peregrini, en tusschen peregrini onderling. Daar +deze gedingen altijd in korten termijn (binnen 10 dagen) moesten +afloopen, namen de Rom. onderling ook meermalen hunne toevlucht tot +zulk een hof van arbiters, b.v. in zaken van schuldvordering. Ook +voor aanklachten tegen stadhouders wegens afpersingen werd wel van +recuperatores gebruik gemaakt, het eerst in 171 bij het proces tegen +P. Furius Philus, stadhouder van Lusitania. De iudices recuperatores +werden telkens ten getale van 3 of 5 door den praetor aangewezen. Onder +de keizers kreeg deze instelling steeds grooter uitgebreidheid. + +Rediculus Tutanus Deus, een god, die voor de Porta Capena te Rome een +tempel had; hij had, naar men zeide, toen Hannibal op Rome aanrukte, +hem door verschrikkelijke visioenen tot den terugtocht genoodzaakt. + +Redones, gallisch volk in het tegenw. Bretagne. Hoofdstad: Condate, +thans Rennes. + +Redux, bijnaam van Fortuna, als de godin, die legers en veldheeren +behouden uit den strijd terugbrengt. + +Regia, het oude koninklijk paleis van Numa, later de ambtswoning van +den pontifex maximus, aan het forum naast den Vestatempel gelegen. + +Regifugium. Het schijnt dat op den 24ste van sommige maanden door den +rex sacrificus op het comitium te Rome een offer werd gebracht. Op +den 24sten Februari, den gedenkdag van de verdrijving der koningen, +moest hij na dit offer zich in allerijl naar huis spoeden. In verband +hiermede heeft men de letters Q. REX C. F. in den rom. kalender wel +verklaard: quando rex comitium fugit. Deze letters behooren echter bij +den 24 Maart en den 24 Mei. Waarschijnlijker is dus de verklaring: +quando rex comitiavit fas of fastus, d. w. z. dat die dagen eerst +dan fasti waren, wanneer het offer van den rex op het comitium was +afgeloopen en hijzelf naar huis was gegaan. + +Regillensis, familienaam in de gens Postumia (Postumii no. 2, 3, 5, 6). + +Regillum, plaatsje in den ager Sabinus, waaruit de gens Claudia +stamde. Ligging onbekend. + +Regillus lacus, meer in Latium, ten O. van Rome, tusschen Gabii en +Lavicum, bekend door de overwinning der Rom. op de Latijnen in 498 +of 493. + +Regimen morum, zie Censor. + +Regium flumen, basileios potamos, basileia dioryx, Nahar Malcha, thans +nog Nahr el Malk, het grootste verbindingskanaal tusschen den Euphraat +en den Tigris, waarvan de bouw aan Nebukadrezar wordt toegeschreven. + +Regium Lepidi, ook forum Lepidi genoemd, stad in Gallia Cispadana, +rom. kolonie, thans Reggio d'Emilia. Zie ook Rhegium. + +Regulus, familienaam in de gens Atilia (Atilii no. 2-6). + +Relegatio, zie deportatio. + +Remi, Rhemoi, machtig gallisch volk in het Z. van Belgica, met de +steden Durocortorum (Rheims) en Durocatalaunum (Châlons-sur-Marne). + +Remmia (lex), zie Calumnia. + +Remulus, een Rutuliër, zwager van Turnus, die tegen Aeneas en de +Trojanen geweldig op zijne dapperheid snoefde, maar door Ascanius +gedood werd. + +Remuria = Lemuria, z. Lemures. + +Remus, zie Romulus. + +Repetundae, scil. pecuniae, gelden, die wederrechtelijk, b. v. door +afpersing, verkregen waren en waarvan dus de teruggaaf geëischt moest +worden. In het bijzonder was crimen repetundarum de beschuldiging +van afpersing en knevelarij, tegen den stadhouder eener provincie +ingebracht. Voor deze misdaad werd door de lex Calpurnia in 149 de +eerste quaestio perpetua ingesteld. + +Repotia, gen. -orum, nabruiloft, door den pas gehuwden echtgenoot +daags na de nuptiae gegeven. + +Repudium, echtscheiding, wanneer zij van ééne zijde kwam, dus wanneer +de man zijne vrouw verstiet. In lateren tijd kon repudium ook van de +zijde der vrouw plaats vinden. Zie divortium. + +Resaina, Rhesaina, Rhesina, stad in het mesopotamische gewest Osroene, +nabij de bronnen van den Chaboras, later Theodosiopolis. + +Rescriptum, schriftelijk antwoord des keizers op vragen betreffende +twijfelachtige of betwistbare rechtspunten, waarin hij de rechtsgronden +aangaf, waarnaar eene zaak moest beoordeeld en behandeld worden. + +Residuae, scil. pecuniae, achterhouding van gelden, aan de schatkist +verschuldigd. + +Restitutio in integrum, herstel in den vorigen toestand, kon plaats +hebben door den praetor. Het vonnis werd hierdoor niet vernietigd, +maar de gevolgen er van werden opgeheven. Dit gold echter slechts +voor civiele zaken. Wanneer iemand aqua et igni interdictus was, kon +hij alleen door de volksvergadering teruggeroepen en in zijne rechten +hersteld worden. In de burgeroorlogen matigden zij, die de macht in +handen hadden, zich dikwerf dit recht aan, en onder de keizers werd +het een keizerlijk recht, waaruit zich spoedig het begrip van gratie +(indulgentia) ontwikkelde. Eene andere rest. in int. vond plaats, +wanneer eene censorische bestraffing door volgende censoren werd +opgeheven. + +Retiarius, een zwaardvechter, gewapend met een drietand en een net, +dat hij zijne tegenpartij over het hoofd trachtte te werpen, om hem +door inwikkeling weerloos te maken. + +Reudigni, volk in het N. van Germania, op den rechteroever van den +Albis, een van de kleine volkeren, die de godin Nerthus vereeren. + +Rex, familienaam, vooral in de gens Marcia (Marcii no. 4 en 5). + +Rex, de koning. Na de verdrijving der koningen behield dit woord bij +de Rom. eene hatelijke beteekenis, met een begrip van den meester +te willen spelen. Rex heet ook de rijke Romein tegenover zijne +cliënten (z.a.). De rom. senaat verleende ook somtijds dezen titel +aan vreemde vorsten, zooals aan Deiotarus. In dit geval staat rex +vóór den eigennaam.--Rex bibendi of convivii is de president bij het +drinkgelag, zie arbiter bibendi. + +Rex sacrorum, sacrificus of sacrificulus. Na de verdrijving der +koningen werd voor het verrichten der offers, die de koning te +brengen had, onder bovenstaanden titel een priesterambt in het leven +geroepen. De rex sacrorum werd voor zijn leven gekozen door den +pontifex maximus; hij genoot groote eer, doch was voor altijd van +alle burgerlijke ambten uitgesloten. In rang was hij de eerste van +de priesterschap, toch was hij ondergeschikt aan den lager staanden +pontifex maximus. Zijne vrouw, met wie hij per confarreationem moest +gehuwd zijn, heette regina sacrorum en had ook offers te verrichten. + +Rha, Rha, rivier in Sarmatia, thans Wolga. + +Rhacius, Rhakios, z. Manto. + +Rhadamanthys, -thus, Rhadamanthys, -thos, zoon van Zeus en Europa, +werd door zijn broeder Minos van Creta verjaagd, en ging naar Ocalea +in Boeotië, waar hij met Alcmene trouwde. Toen zijn leven op aarde +geëindigd was, werd hij naar het Elysium verplaatst. Bij lateren is +hij een van de rechters in de onderwereld. + +Rhaetia = Raetia. + +Rhagae, Rhagai, aanzienlijke stad in het N. van Media. Nadat het door +eene aardbeving verwoest was, liet Seleucus Nicator het herbouwen onder +den naam van Europus. In de parthische oorlogen werd het verwoest, +en op of nabij de plek verrees Arsacia. + +Rhambacia, Rhambakia, stad der Oriten aan de kust van het perzische +landschap Gedrosia. Alexander de Gr. legde er eene kolonie aan. + +Rhamnus, Rhamnous, demus in het N. van Attica, aan de Oostkust op +eene landtong, met een tempel van Nemesis Rhamnusia. Een oudere tempel +van Themis werd waarschijnlijk door de Perzen verwoest. + +Rhamnusia virgo, Rhamnousia, he en Rhamnounti thea, Nemesis, zoo +genoemd naar haar beroemd beeld in den demus Rhamnus. + +Rhamphias, Rhamphias, Spartaan, die vóór den peloponnesischen oorlog +als gezant met Athene onderhandelde en in dien oorlog een leger in +Thessalië aanvoerde. + +R(h)ampsinitus, Rhampsinitos, oud-aegyptisch koning, door velen voor +denzelfden gehouden als Ramses III, die omstreeks 1150 stierf. Van +hem wordt verhaald dat hij levend in de onderwereld afdaalde, met +afwisselend geluk met Demeter dobbelde, en ten slotte met een gouden +handdoek op aarde terugkeerde. Zijn schatkamer werd op dezelfde wijs +bestolen als die van Hyrieus (z. Agamedes). + +R(h)amses, Rhampses, of Ramessoe, naam van verscheiden aegyptische +koningen. Vooral beroemd is Ramses II de Groote, door de Grieken +Sesostris of Sesosis genoemd, die in de 14de eeuw regeerde, zegevierend +in Libye, Aethiopië en ver in Azië doordrong, groote versterkingen, +kanalen en andere bouwwerken liet aanleggen en over het geheel Aegypte +tot den hoogsten trap van bloei bracht, die het ooit bereikt heeft. + +Rhapsodus, rhapsodos, een zanger, die bij feestelijke gelegenheden +gedichten voordraagt. Aan hen heeft men vooral het bewaren der +gedichten van Homerus (z. a.) te danken, ofschoon zij niet alleen +epische gedichten voordroegen, maar ook andere, mits alle verzen +dezelfde maat hadden. Oudtijds talrijk en geacht, gingen zij later +in beide opzichten achteruit. Zij waren kenbaar aan hun kleeding en +hadden bij hun voordrachten een staf (rhabdos of aisakos) in de hand; +in latere tijden droegen zij een rood kleed, als zij uit de Ilias, +een violet, als zij uit de Odyssee voordroegen. + +Rhea (of Cybele), Rhea, Rheia, Kybele, dochter van Uranus en +Gaea, gemalin van Cronus en bij hem moeder der groote olympische +goden Zeus, Poseidon, Hades, Hera, Hestia en Demeter. Zij werd in +Griekenland oorspronkelijk alleen als zoodanig (Meter, Magna Mater) +en gewoonlijk in gemeenschap met hare kinderen vereerd, vooral op +Creta, waar zij Zeus ter wereld gebracht en voor Cronus verborgen +zou hebben. Waarschijnlijk was het daar, dat haar dienst samensmolt +met dien van de aziatische Cybele of Cybebe, de groote godin (Megale +thea), moeder van alle leven in de natuur, ten gevolge waarvan zij +mettertijd geheel met deze godin vereenzelvigd werd en zelfs den +naam Cybele bij haar oorspronkelijken naam kreeg, terwijl bij haar +dienst overal in Griekenland meer of minder aziatische gebruiken +overgenomen werden. Deze Cybele werd algemeen in Azië vereerd met +allerlei ceremoniën, die zich kenmerkten door buitensporige woestheid +en een overmatig vertoon van droefheid en vreugde. De hoofdzetel +harer vereering was Pessinus (Pessinountia), waar haar overoud, uit +den hemel gevallen beeld (waarschijnlijk een meteoorsteen) in een +tempel aan den berg Dindymus (Dindymene) stond. Hier droeg zij den +naam Agdistis (z. a.) en vierde men jaarlijks te harer eer den dood en +het herleven van haar geliefden Atys, waarbij de opgewondenheid zoo +hoog steeg, dat de feestvierenden zich dikwijls ernstig wondden of +verminkten. Hare priesters, de Galli, waren gesnedenen en hadden een +zeker aandeel aan de regeering. De luidruchtigheid van hare feesten gaf +aanleiding tot de voorstelling, dat de godin zelve behagen schept in +het gezelschap van dienstbare geesten, die haar met geschreeuw en gegil +en oorverdoovende muziek overal op hare woeste tochten door bergen en +wouden, vergezellen. In Phrygië, waar haar dienst eveneens in groot +aanzien stond (Phrygia thea, Phrygia mater), heetten die gezellen +der godin, en eveneens hare priesters, Corybanten, op den Ida (Idaia +thea, mater Idaea) Dactyli Idaei, op Creta, waar ook hare priesters +naar hen genoemd waren, Cureten. Het geraas, dat door laatstgenoemden +bij het uitvoeren van hun wapendans (prylis, pyrriche) gemaakt werd, +werd verklaard als eene herinnering aan de pogingen van de Cureten, +om te verhoeden dat het geschrei van den kleinen Zeus door zijn vader +gehoord zou worden. Door deze voorstellingen krijgt de godin eenige +overeenkomst met Dionysus, en in sommige mythen neemt Sabazius, die +voor denzelfden als Dionysus gehouden werd, de plaats van Atys in.--Te +Rome werd de dienst van Rhea bij de rampen van den tweeden punischen +oorlog ingevoerd; in 204 werd op last der sibyllijnsche boeken het +beeld der godin in den vorm van een meteoorsteen van Pessinus naar Rome +gebracht en op den mons Palatinus een tempel voor haar gebouwd. Haar +dienst werd waargenomen door phrygische Galli onder een Archigallus, +die te Rome de luidruchtige plechtigheden van Klein-Azië herhaalden; +het aandeel, dat de eigenlijke Rom. aan hare vereering namen, +bepaalde zich tot de viering der Megalesia (z. a.), door maaltijden +en wedstrijden op het tooneel en in de renbaan. In den keizertijd +kwamen hierbij echter feesten ter gedachtenis aan Atys (22-27 Maart), +en nog later, toen men zich van het wezen van Rhea slechts verwarde en +mystieke voorstellingen maakte, ontaardde haar dienst in Taurobolia en +Criobolia, offers van stieren en rammen, waarbij men zich door den doop +met het bloed der offerdieren van zonden reinigde en als het ware op +nieuw geboren werd.--De leeuw, de eik en de den zijn haar gewijd. Zij +wordt gewoonlijk afgebeeld als eene waardige matrone, zittend op een +troon met leeuwen aan beide zijden of op een door leeuwen getrokken +wagen. Op het hoofd heeft zij een muurkroon en sluier. + +Rhea Silvia, zie Rea Silvia. + +Rhebas, Rhebas, rivier in Bithynia = Rhesus no. 1. + +Rheda, een groote reiswagen op vier wielen, ingericht voor personen +en bagage. + +Rhegium (Regium), Rhegion, thans Reggio di Calabria (niet te verwarren +met Regium Lepidi), aeolisch-messenische kolonie op de bruttische +kust, aan het fretum Siculum (straat v. Messina), de gewone plaats +van overvaart naar Sicilia. Rhegium was eene bloeiende handelsstad +der Chalcidiërs, totdat Dionysius I van Syracuse het in 387 veroverde +en vernietigde. Later werd de stad herbouwd, en kreeg ze de vrijheid +terug. In 280 had de stad veel te lijden door een oproer van eene +campaansche legerafdeeling, die als rom. bezetting in de stad +lag. Het bleef Rome trouw in den oorlog met Hannibal, en in het +bellum sociale. Aardbevingen en de rom. burgeroorlogen droegen er +verder toe bij om de plaats te ontvolken, totdat Augustus er eene +kolonie uitgelezen zeesoldaten heenzond (36). + +Rhenea, Rheneia, oudtijds Ortygia, eil. bij Delus, waarheen de lijken +van Delus werden overgebracht. + +Rhenus, Rhenos, 1) de tegenw. Rijn, ontsprong op den mons Adula (zie +aldaar), stroomde door den lacus Brigantinus (meer v. Konstanz), +splitste zich bij het eiland der Batavieren in twee armen (vandaar +Rhenus bicornis), waarvan de zuidelijke den naam Vacalis of +Vahalis (Waal) droeg en zich met de Mosa (Maas) vereenigde. Caesars +mededeeling, dat deze arm zich multis capitibus in zee stortte, werd +reeds in de oudheid als onjuist erkend. De mond heette Helium ostium +en was veel wijder dan tegenwoordig; de monding van den noordelijken +arm, die langs Traiectum (Utrecht) en Lugdunum Batavorum (z. a.) liep, +droeg geen bijzonderen naam. Een derde arm verbond den Rijn met den +Ouden IJssel en viel nog noordelijker in zee door het Flevum ostium +(vermoedelijk het Vlie). Een andere verbinding met de zee is de Vecht +geweest, die bij Fectio (Vechten onder Bunnik) van den Krommen Rijn +afbuigt en door sommigen voor de Fossa Drusiana gehouden wordt.--2) +thans de Reno, stroomt langs Bononia (Bologna) naar den Padus (Po). Op +een eil. in deze rivier zouden Octavianus, Antonius en Lepidus in 43 +hun driemanschap hebben gesloten. + +Rhesus, Rhesos, 1) zoon van Oceanus en Tethys, god van eene +gelijknamige rivier in Bithynië of Troas.--2) zoon van Strymon of +Eïoneus en eene Muze, koning van Thracië, die den Trojanen tegen +de Grieken te hulp kwam. Hij had paarden, waarvan het lot van Troje +afhing, als zij nl. in Troje voedsel of drank gebruikt hadden, was +de stad niet te nemen. Daarom overvielen de Grieken hem nog voor +hij de stad bereikte; hij werd met zijn gevolg door Diomedes gedood, +en de paarden werden door Odysseus weggevoerd. + +Rhesus, Rhesos, 1) rivier in Bithynia.--2) riviertje in Troas, zijtak +van den Granicus. + +Rhetrai, z. Lycurgus no. 5. + +Rhianus, Rhianos, van Creta, episch dichter en grammaticus in de +laatste helft der 3de eeuw; in zijne jeugd was hij slaaf geweest, +later werd hij de vriend van Eratosthenes. Als zijne werken worden +genoemd verscheiden epische gedichten en eene uitgave van Homerus. + +Rhinocolura, ta Rhinokoloura of Rhinokoloura, stad in de woestijn +tusschen Aegypte en Palaestina, dicht bij de zeekust. + +Rhinthon, Rhinthon, van Syracuse of Tarentum, tijdgenoot van Ptolemaeus +I, uitvinder der zoogenaamde Hilarotragoedia. Uit dien naam en uit +de enkele verzen, die van zijne 38 stukken zijn overgebleven, kan men +opmaken, dat het parodieën waren op oude treurspelen; iets naders is +echter hieromtrent niet bekend. Z. Phlyax. + +R(h)ipaei montes, ta Rhipaia ore, een hooge bergketen ergens in het +hooge Noorden, waarschijnlijk de Carpathen, v. s. een deel van het +Uralgebergte; ze worden ook Hyperborei montes geheeten (z. a.). + +Rhipe, Rhipe, oude stad in het W. van Arcadia, bij Stratus. + +Rhium, Rhion, zie Antirrhium. + +Rhizinium, Rhizon, Rhizon, oude versterkte stad in Dalmatia aan een +naar haar genoemde golf, sinus Rhizaeus, ten Z.O. van Epidaurus. + +Rhoda, Rhode, havenstad in het N. O. van Hispania Tarraconensis. + +Rhodanus, Rhodanos, thans de Rhône, die in zijn loop den lacus +Lemannus (meer v. Genève) vormt. Het aantal monden wordt door de ouden +verschillend opgegeven, zelfs tot zeven toe, hetgeen wel zal zijn +toe te schrijven aan de veranderingen, die de rivier zelve in verloop +van tijd in hare uitwatering heeft gebracht. Zie ook fossa Mariana. + +Rhodius, Rhodios, rivier in Troas, die op den berg Ida ontspringt en +in den Hellespont valt. + +Rhodope, Rhodope, thracische bronnimf, gemalin van Haemus (z. a.). + +Rhodope, Rhodope, hoog gebergte van Thracia, dat zich ten O. van +den Nestus en verder langs de kust tot aan den Hebrus uitstrekt, +thans Despoto-dagh. Dichterlijk Rhodopeius = thracisch, Rhodopeius +vates = Orpheus. + +Rhodopis, Rhodopis, eene hetaere uit Thracië, die ten tijde van Amasis +te Naucratis woonde; zij besteedde een tiende van haar vermogen +om ijzeren braadspeten te laten maken, die zij aan den delphischen +tempel schonk. + +Rhoduntia, Rhodountia, bergtop van den Oeta met een kasteel, niet +ver van de Thermopylae. + +Rhodus, -de, Rhodos, -de, dochter van Poseidon en Amphitrite, bij +Helius moeder van de Heliadae. Helius liet voor haar en hare kinderen +een eiland uit zee oprijzen, dat naar haar genoemd wordt. + +Rhodus, Rhodos, eiland in het Z.O. der Aegaeische zee, nabij de +dorisch-carische kust. Het had een heerlijk klimaat, bijna geen +dag ging voorbij zonder zonneschijn; onder de voortbrengselen +telde men marmer, scheepstimmerhout, wijn, vijgen en heerlijke +visch. Als oudste inwoners worden de Telchinen genoemd, die met +het eiland uit de zee waren verrezen, en de Heliaden, vervolgens +kwamen ook Phoeniciërs en Aegyptenaars. De mythe laat verder nog +vóór den trojaanschen oorlog eene dorische kolonie onder Heracles' +zoon Tlepolemus naar Rhodus komen. In den perzischen oorlog sloot +het eiland zich bij het atheensche zeeverbond aan. Het telde toen +drie stadsgemeenten: Lindus, Ialysus en Camirus, die tot de dorische +hexapolis (zie Doris no. 2) behoorden. In 411 bewerkte de aristocratie +eene omwenteling en den afval van het attische zeeverbond; een zekere +Dorilus haalde de bevolking der drie steden over tot het stichten eener +gemeenschappelijke stad Rhodus op den N.O. hoek van het eiland (408), +welke stad zich spoedig tot een ongekenden bloei verhief. Spoedig +werd de democratie weder meester en sloot zich weder bij Athene aan, +doch bezoedelde in den eersten tijd haar triomf door laagheden en +ongerechtigheid. In 358 verliet Rhodus opnieuw de zijde van Athene; +oligarchen, door de carische vorsten gesteund, maakten zich van het +bewind meester, totdat het eiland afhankelijk werd van Idrieus, tyran +van Halicarnassus. Alex. de Gr. legde macedonische bezetting op Rhodus, +doch na zijn dood maakte het zich vrij. Vruchteloos poogde Demetrius +Poliorcetes de stad in te nemen (304), z. Protogenes. Later waren de +Rhodiërs in den macedonischen, den syrischen en den mithradatischen +oorlog bondgenooten der Rom., en bewezen door hunne voortreffelijke +zeemacht uitstekende diensten. In 168 werden ze echter bestraft voor +hunne sympathie voor Macedonia; ze verloren een groot gedeelte van +hun gebied op het vasteland (zie Lycia), en werden afhankelijk +van Rome. Buiten de rom. burgeroorlogen konden zij zich niet +houden, zij kozen partij voor Caesar en moesten dit na zijn dood +door Cassius ontgelden. Sedert waren zij nu eens vrij, dan weder +ingelijfd, totdat onder Vespasianus de vrijheid voor goed verloren +ging. Omstreeks 400 na C. was Rhodus de hoofdstad der provincia +insularum, die 53 eilanden omvatte. De stad Rhodus, met twee havens, +lag amphitheatersgewijze tegen de bergen gebouwd. Zij was, even +goed als Athene, eene kweekschool van kunst en wetenschap. Vooral +beeldhouwkunst en redekunst bloeiden er, beide kenmerkten zich +door het streven naar effekt. De rhodische rhetorenschool hield +het midden tusschen aziatische gezwollenheid en attischen eenvoud; +haar stichter was de redenaar Aeschines, die, toen hij Athene moest +verlaten, zich te Rhodus vestigde. Het genus Rhodium viel over het +algemeen in den smaak der Rom. Aan beelden was Rhodus rijk, maar +vooral aan groote beelden. Het grootste was dat van Helius, aan wien +het eiland geheiligd was. Het stond naast den ingang der haven en was +meer dan 30 meter hoog; slechts weinigen konden de duimen omvatten. In +de eene, uitgestrekte hand droeg het een vuurbekken, dat des avonds +werd aangestoken. De maker was Chares van Lindus z.a. no. 2. In 278 +opgericht, werd het in 222 door eene hevige aardbeving, die bijna +de geheele stad verwoestte, omvergeworpen. Het orakel verbood, het +beeld weder op te richten. Bijna negen eeuwen bleef het aan stukken +liggen, totdat het in 672 na C. verkocht werd en op 300 kameelen +weggevoerd. Eene andere hevige aardbeving, die aan den bloei van +Rhodus den genadeslag toebracht, was die van 155 na C. + +Rhoecus, Rhoikos, van Samus, beroemd beeldhouwer en bouwmeester, +die het gieten van metalen beelden uitvond. Hij begon omstreeks 550 +het bouwen van den tempel van Hera op Samus, die echter eerst door +lateren voltooid is. + +Rhoeteum, Rhoiteion, rotsachtige kuststreek van Troas, in verschillende +kapen uitloopende, aan het Z.W. einde van den Hellespont, met eene +gelijknamige stad. Rhoeteius ductor = Aeneas. + +Rhoetus, Rhoitos, 1) of Rhoecus, een Centaur.--2) = Eurytus no. 5. + +Rhosus, Rhosos, Rhossos, zeestad van Syria aan de golf van Issus. + +Rhoxolani = Roxolani. + +Rhyndacus, Rhyndakos, groote rivier in Vóór-Azië, die op de zuidelijke +helling van den mysischen Olympus ontspringt en, met den Macestus +vereenigd, in de Propontis (zee v. Marmara) valt. + +Rhypes, Rhypes, oude achaeïsche bondstad tusschen Patrae (Patras) +en Aegium, door Augustus verwoest, die de inwoners naar Patrae +verplaatste. + +Rhytium, Rhytion, oude stad ergens in het Z. van Creta. + +Rica, vierkante doek met franje, door de rom. vrouwen bij sommige +plechtigheden als sluier over het hoofd gedragen, doch niet zóó, +dat het gelaat bedekt was. + +Ricimer, zoon van een suebisch aanvoerder, was aan het hof van keizer +Valentinianus III opgevoed. Als keizerlijk veldheer versloeg hij de +Vandalen, Alanen, Westgothen, en kreeg zooveel macht, dat hij over +den troon beschikte en keizers van het westersche rijk afzette en +aanstelde. Wij geven hier eene korte chronologische opgaaf. + +455. Valentinianus III vermoord, evenzoo zijn moordenaar Petronius +Maximus. Flavius Maecius Avitus wordt in Gallië tot keizer uitgeroepen. + +456. Ricimer zet Avitus af en stelt Maiorianus aan. + +461. R. zet Maiorianus af en stelt Libius Severus aan, die in 465 +sterft. Twee jaren zonder keizer. + +467. Keizer Leo I v. het. oost-rom. rijk en Ricimer stellen Procopius +Anthemius tot keizer aan. + +472. Ricimer trekt tegen Anthemius op, belegert en verovert Rome en +plaatst Anicius Olybrius op den troon. + +473. Dood van Ricimer en van Olybrius. Glycerius wordt keizer. + +Ricinium, ook rec., vierkante doek, die dubbel gevouwen en over het +hoofd en om de schouders geslagen werd, vooral als rouwgewaad. + +Rigodulum, stad der Treviri aan de Mosella (Moezel). + +Ripaei montes = Rhipaei montes. + +Ripuarii (Riparii), de Ripuarische of Oever-Franken, die hun naam +ontleenen aan de Ripa Rheni, den linker oever van den Rijn, vooral +de streek tusschen Rijn en Maas. De Franken, die hier en aan de +overzijde van den Rijn wonen, worden in de 6de eeuw n. C. zóó genoemd +ter onderscheiding van de Salische of Nederfranken (zie Salii). + +Riti, Rheitoi, kleine zoutmeertjes aan den heiligen weg van Athene +naar Eleusis. + +Robigus, een god, die het koren tegen roest beschermde, en wien ter +eere jaarlijks den 25sten April de Robigalia gevierd werden. Bij +Ovidius komt ook eene godin Robigo voor. + +Robur, de met zwaar eikenhout beslagen ondergrondsche verdieping van +den rom. kerker. Zie carcer. + +Rogatio, wetsvoorstel, dat nog niet tot wet is verheven. + +Roma, Rhome, de bekende stad aan den Tiber, de hoofdstad van het +rom. rijk. Of tot de bevolking oudtijds nog andere stammen hebben +behoord dan de Latijnen, is niet bekend; uit de sage omtrent den +sabijnschen maagdenroof (zie Romulus), en uit het bestaan van +sabijnsche eerediensten in Rome b.v. van Sancus, heeft men gemeend +te moeten opmaken, dat Sabijnen, op den Quirinalis wonende (zie +Capitolinus (mons)), tot de stichting hebben medegewerkt. Dit alles +is zeer onzeker. De bevolking heet Quirites (z. a.) of populus Romanus +Quirites. De oudste nederzetting vond men op den Palatinus (z. a.) en +de Velia. De eerste uitbreiding wordt gewoonlijk aangeduid met den +naam Septimontium; naast de drie oudere: Palatinus, Cermalus, Velia, +behooren hiertoe de montes: Fagutal, Oppius, Cispius en Caelius. Voor +de stad der vier regiones: Palatina, Suburana, Esquilina, Collina, +komen er dan nog bij: de Quirinalis met zijn uitlooper collis Latiaris, +de Viminalis, en de laagte Argiletum. Tevens wordt tusschen de bergen +het forum aangelegd, en de mons Capitolinus wordt arx en zetel van +den tempel van Jupiter Capitolinus. De agger Servii Tullii (zie +Servius Tullius) omvatte behalve de genoemde streken ook nog den +mons Aventinus. Zie ook pomerium. In de vallei tusschen Aventinus +en Palatinus, die wel eens vallis Murcia genoemd wordt, werd het +Circus Maximus (z. a.) aangelegd. Aan de overzijde van den Tiber lag +de mons Ianiculus, waarop een burcht lag, doch dit gedeelte ging in +den oorlog met Porsena voor een wijl verloren.--Na den gallischen +brand in 390 werd de stad ordeloos en onregelmatig herbouwd, zoodat +zij geen fraai aanzien had. Van de inwendig zoo prachtige huizen +der rijken zag men niets, daar zij ombouwd waren met winkels (zie +domus), die de straten vernauwden. Het was bij het drukke verkeer een +maatregel van veiligheid, dat men niet in een rijtuig door de straten +mocht rijden. De stad breidde zich uit buiten den muur van Servius, +en toen onder Sulla en later bij herhaling het pomerium werd verlegd +en buitenwijken binnen den kring der stad werden getrokken, ging de +muur op verscheiden plaatsen geheel verloren. Trouwens, een muur was +onnoodig geworden; welke vijand kon Rome aanvallen? Augustus verdeelde +de stad in veertien regiones. Na den grooten brand onder Nero (64 na +C.) werd Rome met zorg herbouwd, met ruime, breede straten. Latere +keizers brachten het hunne tot verfraaiing bij; Aurelianus (270-275 +na C.) omringde de stad opnieuw met een vestingmuur, die nu ook den +mons Pincius, den Campus Martius en over den Tiber den Ianiculus +omvatte. Onder de keizers was Rome een groot kunstmuseum met tal van +tempels, zegebogen, zuilengangen, prachtige badhuizen, openbare pleinen +en honderden standbeelden, uit Azië en Griekenland overgebracht. Bij +één triumftocht o.a. die van M. Fulvius Nobilior (Fulvii no. 11) +over de Aetoliërs in 187, waren meer dan 500 marmeren en metalen +standbeelden uit Griekenland naar Rome medegevoerd. Alleen standbeelden +van paarden kon men te Rome meer dan 200 zien. Er waren 31 openbare +bibliotheken, 8 of 9 circussen, 2 amphitheaters, 3 theaters, 15 of 16 +thermen, 19 basilieken enz. Door verschillende waterleidingen werd +Rome van water voorzien. De veertien regiones waren de volgende: 1) +Porta Capena, de zuid-oostelijkste.--2) Caelimontium, met het macellum +magnum.--3) Isis et Serapis, naar den tempel dezer godheden genoemd, +met het groote amphitheatrum (z.a.) Flavium, de thermae (z. a.) van +Titus en van Traianus.--4) Templum Pacis met het forum (z. a.) Pacis, +door Vespasianus aangelegd, en den tempel van Venus en Roma.--5) +Esquiliae, met het park van Maecenas.--6) Alta Semita (= Hoogstraat), +met de thermen van Diocletianus en die van Constantijn en de groote +castra praetoria (z. a.).--7) Via Lata (= Breêstraat), met de parken +van Sallustius en van Lucullus en den tempel van Flora.--8) Forum +Romanum, met het Capitolium (z. a.), comitium, verschillende tempels +en basilicae, oudtijds de curia Hostilia (z. a.), de rostra (z. a.), +de Regia (z. a.) en met nog een aantal andere fora (zie forum).--9) +Circus Flaminius. Deze regio omvatte den campus Martius (z. a.), met +de thermen en het Pantheon (z. a.) van Agrippa, de thermen van Nero, +het theatrum (z. a.) van Balbus met 30000, dat van Marcellus, ook +met 30000, dat van Pompeius met 40000 plaatsen,--de porticus Pompei +en de curia Pompei, waar Caesar den dood vond, de villa publica der +censoren, het Mausoleum Augusti, het amphitheater van Statilius +Taurus, een aantal tempels enz.--10) Palatium, eerst eene minder +aanzienlijke, oude wijk, sedert Augustus de wijk der paleizen. Zie +Palatinus (mons). Op den berg stonden een beroemde Apollo-tempel en +een der Magna Mater.--11) Circus Maximus, naar den grooten circus +genoemd.--12) Piscina publica, met de thermen van Caracalla.--13) +Aventinus, met den Diana-tempel, eene Tiberkade, losplaats voor de +schepen (emporium) en groote korenmagazijnen.--14) Trans Tiberim, +met de tuinen van Caesar, waarin Augustus eene naumachia bouwde. Tot +deze regio behoorde ook de insula Tiberina met tempels van Veiovis, +Faunus en Aesculapius.--Buiten den muur lag de mons Vaticanus; aan +den Tiberoever juist over den pons Aelius verhief zich het mausoleum +Hadriani (z. a.). Zeven bruggen voerden over den Tiber, waarvan de +pons sublicius, eene houten paalbrug, de oudste was. De muur van +Aurelianus was ruim drie uren gaans in omtrek. De bevolking van Rome +ten tijde van Augustus wordt op ongeveer 1 1/2 millioen geschat. + +Roma quadrata, zie Palatinus (mons). + +Romani (ludi), ook magni en maximi geheeten, aan Jupiter, Juno +en Minerva gewijd. Zij werden van 4 tot 19 September gevierd met +wedrennen in den circus en met tooneelvertooningen. Zie Ludi. + +Romilii, oud patricisch geslacht. T. Romilius Rocus Vaticanus, consul +in 455, versloeg de Aequers, doch werd wegens het verkoopen van den +buit met geldboete gestraft. Hij verbeurde echter de volksgunst niet +en was later een der tienmannen (451). + +Romulea, oude stad der Hirpini in Samnium, ten O. van Beneventum, +door de Rom. verwoest. + +Romulus, Rhomylos, volgens de sage met zijn tweelingbroeder Remus +de stichter van Rome. Zij waren zoons van Rea Silvia, kleinzoons van +Numitor. Hun oom Amulius beval bij hunne geboorte hen in den Tiber te +werpen, doch zij werden op wonderdadige wijze gered en door zekeren +herder Faustulus en diens vrouw Acca Larentia groot gebracht. Later +door Numitor herkend en met hunne afkomst bekend gemaakt, doodden zij +hun oom Amulius. Vervolgens besloten zij op den palatijnschen heuvel +een stad te stichten. Bij de vraag, wie der beide broeders aan de +nieuwe stad den naam zou geven, ontstond er een twist, waarin Remus +omkwam (zie Lemures). De Sabijnsche maagdenroof deed een hevigen strijd +ontstaan, die echter met verzoening en met ineensmelting der latijnsche +nederzetting op den Palatinus en de sabijnsche op den Quirinalis +(z. Roma) eindigde, onder gemeenschappelijk bestuur van Romulus +en den Sabijn Titus Tatius, welke laatste echter niet lang daarna +te Lanuvium werd vermoord. Na eene regeering van 37 jaar verdween +Romulus bij gelegenheid van een hevig onweder. Het volk vreesde dat +hij vermoord was, doch een der senatoren, Julius Proculus, verzekerde, +dat hij Romulus door diens vader Mars in een vurigen wagen ten hemel +had zien voeren en dat R. het bevel had achtergelaten, hem onder den +naam Quirinus als god te eeren. + +Romulus Augustus, om zijn jeugdigen leeftijd ook wel Augustulus +genoemd, was de laatste keizer van het west-rom. rijk. Nadat Glycerius +(zie Ricimer) in 475 n. C. door Julius Nepos was verdrongen, werd deze +laatste in 475 afgezet door zijn magister militum Orestes. Orestes +zette echter niet zichzelf de keizerskroon op, maar zette zijn zoon +Romulus Augustus op den troon. In 476 werden zij door Odoacer in +Placentia belegerd. Orestes werd gedood, het jonge keizertje afgezet +en Odoacer als koning van Italië erkend. Rom. Aug. kreeg een landgoed +in Campania. + +Rorarii, eene afdeeling lichtgewapende troepen bij de oude +rom. legers. Het waren jonge, ongeoefende manschappen, die in de acies +achter de triarii stonden: zij openden het gevecht, door tusschen de +rijen door vooruit te snellen, en trokken zich later weer naar hun +standplaats terug. De ouden verklaarden den naam hieruit, dat zij, +evenals regendruppels bij een onweder vallen, tusschen de geregelde +troepen in, nu en dan een bui van werpschichten in 's vijands rijen +wierpen. + +Roscia (lex) theatralis, waarbij aan de ridders te Rome in het theater +de 14 rijen zitplaatsen achter de orchestra (waar de senatoren +zaten) werden ingeruimd. De wet beoogde hiermede een herstel van +vroegere door Sulla opgeheven voorrechten. Hierbij werd ook de +riddercensus van 400.000 sestertiën van 2 1/2 as = f 40,000 opnieuw +vastgesteld. Deze wet was van den volkstribuun L. Roscius Otho, +67. Vandaar de uitdrukking in XIV sedere = equitem esse. + +Roscii. 1) S. Roscius uit Ameria had na de vermoording zijns vaders +zijn vermogen verloren door Sulla's vogelvrijverklaringen en werd later +door Chrysogonus, den kooper zijner familiegoederen, beschuldigd van +vadermoord, doch met gelukkigen uitslag verdedigd door Cicero.--2) +Q. Roscius Gallus, een vrijgelatene, geb. in het dorpje Solonium bij +Lanuvium, een zeer geliefd tooneelspeler in het rom. blijspel, was +een zeer schoon gebouwd man, die door nauwgezette oefening in houding +en gebaren in de tooneelspeelkunst eene te Rome ongekende hoogte +bereikte. Hij verwierf zich door zijn talent een groot vermogen, was +een zeer achtingswaardig man, zeer gezien bij aanzienlijke Romeinen, +o. a. bij Sulla en Cicero, en de lieveling van het volk. Cicero +verdedigde hem in een proces, de zaak betrof de verdeeling eener +schadevergoeding voor een slaaf, die aan Roscius was toevertrouwd om +hem als acteur op te leiden, doch die vermoord was. Roscius stierf +omstreeks 62.--3) L. Roscius Otho, volkstribuun in 67, maker der +lex Roscia theatralis.--4) L. Roscius Fabatus, aanhanger van Caesar, +bij Mutina gesneuveld, 43. + +Rosea rura (Velini), een liefelijke en vruchtbare landstreek bij Reate, +aan de oevers van den Avens en bij den lacus Velinus. + +Rostra, zie rostrum. + +Rostrum, embolon, -los, sneb of ram van een oorlogsschip, +oorspronkelijk een enkele zware balk, van voren met een metalen +dierekop voorzien en ter hoogte van den waterspiegel uit den voorsteven +vooruitstekende. Later werden het drie balken, aan de punt zwaar +met metaal beslagen, en onder den waterspiegel aangebracht, zoodat +het vijandelijk schip onder water werd lek gestooten. Toen in 338 de +volscische stad Antium hare vloot moest uitleveren, werden de snebben +er afgenomen en als zegeteeken te Rome op het forum aan het openbare +spreekgestoelte gehecht, waarnaar dit laatste den naam van rostra +verkreeg. Men stelle zich deze rostra voor als eene verhevenheid, +waarop de spreker zich vrij kon bewegen en rondom van een borstwering +of leuning voorzien. Naar een ouden gedenkpenning te oordeelen, rustte +het geheel op een gewelfden onderbouw door kleine zuilen gedragen, aan +welke zuilen de veroverde scheepssnebben bevestigd waren. Het lag aan +die zijde van het comitium, die aan het Forum grenst. Daar oudtijds +de contiones op het comitium gehouden werden, richtten de sprekers +zich naar die zijde. In 145 begonnen de sprekers zich naar het Forum +te wenden, en werden voortaan de contiones daar gehouden. Caesar liet +aan de W.-zijde van het Forum een nieuwe spreektribune bouwen, rostra +nova of Iulia, zonder echter de oude af te breken. De nieuwe had wel +geen snebben tot versiering, maar de naam rostra ging er toch op over. + +Rotomagus, havenstad der Vellocasses in Gallia, thans Rouaan. + +Roxane, Rhoxane, dochter van Oxyartes, gemalin van Alexander d. G. Kort +na den dood van haar echtgenoot bracht zij een zoon, Alexander +(z. a. no. 8), ter wereld, met wien zij na vele wederwaardigheden +door Cassander gedood werd (311). + +Roxolani, Rhoxolanoi, machtige volksstam in Sarmatia ten N. van de +Palus Maeotis (zee v. Azow). + +Rubellii, een familie die eerst onder de keizers Tiberius en Nero +voorkomt. 1) Rubellius Blandus was een gunsteling van Tiberius, die hem +zijne kleindochter Julia, weduwe van Nero (den zoon van Germanicus), +tot vrouw gaf.--2) Rubellius Plautus, zoon van no. 1, stond hoog in de +gunst bij Agrippina, keizer Nero's moeder. Zij dacht er zelfs over hem +te huwen, doch Nero verbande hem en liet hem later (62) ombrengen. Hij +was een aanhanger van de Stoa, en een vriend van Barea Soranus.--3) +Rubellius Blandus, zoon van no. 2, door Iuvenalis gehekeld als een +ijdele onbeduidende man, die trotsch was op zijn hooge afkomst. + +Rubi, stadje der Peucetii in Apulia, ten W. van Barium (Bari). + +Rubico, Rhoubikon, riviertje dat sedert Sulla de grens vormde tusschen +Gallia Cisalpina en het eigenlijke Italia. Door den R. over te trekken, +rukte Caesar Italia binnen en gaf het sein tot den burgeroorlog. + +Rubra Saxa, rotsen in Etruria bij de rivier Cremera, aan de via +Flaminia. + +Rubria (lex), tot stichting van eene kolonie op de puinhoopen van +Carthago, in 122 door een volkstribuun Rubrius in overeenstemming met +C. Gracchus tot stand gebracht. Dit was de eerste kolonie, die buiten +Italia gesticht werd. De uitvoering van de wet viel aan C. Gracchus +ten deel. De kolonie werd weer opgeheven, z. Carthago. + +Rubria (lex), de Gallia Cisalpina, in 49, tot regeling van de +rechtspleging in de gemeenten aldaar. Cisalpijnsch Gallië, hoewel reeds +met burgerrecht begiftigd, bleef nog provincie onder een stadhouder +tot het jaar 42. + +Rubrica, roode aarde, roode verf. Daar de titels der wetten en het +begin der artikelen met rood geschreven werden, heeft het woord de +beteekenis gekregen van wetsartikel, ook wel van wet. + +Rubricatus, Rhoubrikatos, 1) rivier in het O. van Hispania, even ten +Z. van Barcino (Barcelona), thans Llobregat.--2) rivier in Numidia, +die bij Hippo Regius in zee valt. + +Rubrii, 1) Rubrius, volkstribuun in 122, zie lex Rubria.--2) Twee +Rubrii, in het proces van Verres voorkomende, de één een achtenswaardig +man, de ander een handlanger van Verres.--3) L. Rubrius, aanhanger +van Pompeius.--4) Twee Rubrii komen onder de regeering van Tiberius +als beschuldigden voor.--5) Rubrius Gallus, rom. generaal onder Nero, +later op de hand van Otho en daarna van Vespasianus. + +Rubrum mare = Erythraeum mare. + +Rudiae, Rhodiai, Rhoudia, stad in Apulia tusschen Brundisium en +Venusia, later municipium. De dichter Q. Ennius was hier geboren. + +Rudis, schermstok, ook een staf, dien zwaardvechters ontvingen, wanneer +hun het geluk ten deel viel, ontslag en vrijheid te krijgen. Zij +waren dan rudiarii of rude donati. + +Rufinus, familienaam in de gens Cornelia, zie Cornelii no. 57. + +Rufinus, een Galliër, die onder keizer Theodosius den Gr. tot +bevelhebber der lijfwacht opklom. Bij de verdeeling van het rijk werd +hij minister en voogd van Arcadius, doch maakte zich door hebzucht en +gierigheid gehaat. Zijn plan om zijne dochter aan Arcadius tot vrouw +te geven, leed schipbreuk door toedoen van Eutropius. Rufinus trachtte +nu onderhandelingen met de Hunnen aan te knoopen, doch werd op last +van Stilicho, die met een leger kwam aanrukken, onder de oogen van +Arcadius om het leven gebracht (395 n. C.). + +Rufrae, stad in Samnium, tusschen Venafrum en Teanum Sidicinum. + +Rufrium, stad der Hirpini in Samnium = Rufrae. + +Rufus, familienaam in onderscheidene gentes, als: g. Annia, g. Claudia, +g. Lartia, g. Minucia (Minucii no. 3-5), g. Pompeia (Pompeii no. 3-5), +g. Pomponia, g. Rutilia, g. Sulpicia (Sulpicii no. 18-20), g. Valgia +e.a. + +Rufus, 1) arts uit Ephesus ten tijde van keizer Traianus, die +verscheiden geneeskundige werken schreef, waarvan eenige bewaard +gebleven zijn.--2) een schrijver, aan wien Plinius minor een aantal +brieven richtte.--3) Sextus Rufus, juister Rufus Festus, onder keizer +Valens schrijver van een breviarium rerum gestarum populi Romani.--4) +Rufus Festus Avienus, z. Avienus. + +Rugii, aanzienlijk volk in Germania aan de kust der Oostzee. Zij +komen onder Attila in diens leger voor. + +Rullianus, bijnaam in de gens Fabia (Fabii no. 14). + +Rullus, familienaam in de gens Servilia (Servilii no. 25). + +Rumina, romeinsche godin van zuigende kinderen en zuigend vee, had een +tempel nabij den ficus Ruminalis, waar Romulus en Remus door de wolvin +gezoogd waren, en waaronder in 296 door de Ogulnii (z. a.) een bronzen +beeld van de wolvin met de twee zuigelingen werd opgesteld. Deze +boom stond bij het Lupercal; eene andere vijgenboom, ficus Navia, +naar den wonderpriester Attius Navius (z. Attii no. 1), wiens beeld in +de nabijheid stond, benoemd, vond men later op het Comitium; ook deze +wordt gewoonlijk, nadat de andere verdord was, Ruminalis geheeten. Het +beeld van de Ogulnische wolvin is waarschijnlijk niet identisch met +de nu nog bestaande wolvin van het Capitool, die veel ouder is, en op +het Capitool heeft gestaan, waar ze in 65 door den bliksem beschadigd +werd.--Nevens haar stond een mannelijke godheid Ruminus of Iupiter R. + +Ruminalis ficus, z. Rumina. + +Rupiliae (leges) tot regeling van verschillende zaken in het bestuur +van Sicilia, van den proconsul P. Rupilius, nadat hij in 131 een +einde had gemaakt aan den slavenoorlog op het eiland. + +Rupilii, 1) P. Rupilius, uit geringen stand, doch een beschermeling +van P. Cornelius Scipio Africanus minor, bracht het in 132 tot +consul. Met gestrengheid ging hij te werk tegen de partijgenooten van +Tib. Gracchus. Aan den slavenopstand in Sicilia maakte hij gelukkig +een einde door de verovering van Tauromenium en Enna, waarbij 20000 +slaven omkwamen. Door verschillende verordeningen (leges Rupiliae) +bracht hij het bestuur van Sicilia op vasten voet (131).--2) +L. Rupilius, broeder van no. 1, dong, ondanks den steun van Scipio, +te vergeefs naar het consulaat.--3) P. Rupilius Rex, uit Praeneste, +in 43 door Octavianus vogelvrij verklaard, vluchtte naar het legerkamp +van Brutus; te Clazomenae had hij een geschil met een zekeren Persius, +wat door Horatius op geestige wijze besproken wordt in de 7de Satira +van het eerste boek. + +Rus, Rhous, beek en vlek in Megaris, met tempels en graven van heroën. + +Ruscino, Rhouskinon, rivier en stad der Sordones op de kust van Gallia +Narbonensis, nabij de Pyrenaeën. + +Rusellae, oudtijds eene der hoofdsteden van Etruria, aan de via +Aurelia, dicht bij de kust, ten O. van Vetulonia. De kolossale muren, +uit onregelmatige stukken graniet opgetrokken, bestaan nog en hebben +een omtrek van meer dan een half uur gaans. + +Rusticus, 1) familienaam, o. a. in de gens Fabia (Fabii no. 28) +en de g. Iunia (Junii no. 22).--2) Q. Iunius Rusticus, stoicijnsch +wijsgeer, leermeester en vriend van keizer Marcus Aurelius, onder +wien hij hooge ambten bekleedde. + +Ruteni, Rhoutenoi, gallisch volk op de grenzen van Gallia Narbonensis +en Aquitania. Hoofdstad: Segodunum (Rhodez) aan den Veronius (Aveyron). + +Rutilii, 1) P. Rutilius, volkstribuun in 169, klaagde C. Claudius +Pulcher tijdens diens censuur aan van perduellio, en als niet zijn +ambtgenoot Tib. Sempronius Gracchus voor hem in de bres was gesprongen, +zou hij veroordeeld zijn. Zie Claudii no. 10.--2) P. Rutilius Rufus, +door den wijsgeer Panaetius in de stoicijnsche leer onderwezen, +rom. staatsman, annalist en redenaar, was onder Scipio in den +numantijnschen oorlog (133) krijgstribuun, onder Metellus in den +jugurthijnschen oorlog legaat (109), in 105 consul, in 95 legaat +van Scaevola (Mucii no. 5) in Asia. Daar ging hij de afpersingen +der publicani te keer, doch werd uit weerwraak in 92 van knevelarij +beschuldigd, en daar de rechters uit de ridders werden gekozen, +veroordeeld. Hij was een vriend van Scipio en van Laelius. Zijn +verdere levensdagen sleet hij te Smyrna, waar hij verscheidene werken +schreef. Als redenaar had hij grooten naam.--3) P. Rutilius Lupus, +consul in 90, sneuvelde in den marsischen oorlog tegen Vettius Cato +(Scato).--4) P. Rutilius Lupus, volkstribuun in 56, later aanhanger +van Pompeius, kreeg van dezen het bestuur over Achaia.--5) L. Rutilius +Lupus, rom. rhetor ten tijde van Tiberius, schreef een werkje Schemata +lexeos in twee boeken, een vertaling van het werk van Gorgias no. 2 +(z. a.).--6) Rutilius Claudius Namatianus, zie Namatianus. + +Rutubis, havenstad aan de W.-kust van Mauretania. + +Rutuli, Rhoutouloi, oud-italisch volk in Latium, met Ardea als +hoofdstad. Zie Aeneas. Na hunne onderwerping door de Rom. verdwijnt +hun naam uit de geschiedenis. + +Rutupiae, Rhoutoupiai, haven in Zuid-Engeland, in het land der Cantii, +aan het Nauw van Calais, station voor de overvaart van uit Bononia; +het was beroemd om zijn oestercultuur. + + + + + + +S. + + +Saba of Sabae, Saba, Sabai, 1) naam van eene stad der Sabaeërs +(z. Sabaei) in Arabia Felix, ook Mariaba geheeten, die op een hoogen, +boschrijken berg was gelegen, en door den praefectus van Aegypte, +Aelius Gallus, bij diens mislukten arabischen veldtocht te vergeefs +aangevallen werd (24).--2) stad in Aethiopia aan de arabische golf. + +Sabacos, Sabakos, -kon, koning van Aethiopië, die Aegypte veroverde +en het na eene regeering van 50 jaar ten gevolge van een droomgezicht +vrijwillig verliet. Dit zou volgens het verhaal van Herodotus in de +11e eeuw geschied zijn. In werkelijkheid hebben drie aethiopische +koningen, waarvan de eerste Sabacos heette, tusschen 728 en 672 bij +tusschenpoozen over Aegypte geregeerd, onder voortdurende oorlogen +met de Assyriërs, die ten slotte het land veroverden. + +Sabaei, Sabaioi, Seba, Sheba, aanzienlijk volk in Arabia Felix, in +het tegenw. Yemen. Hun land bracht kostbare specerijen en reukwerken +voort, waarin zij een winstgevenden handel dreven. Zij golden voor +het rijkste en weelderigste volk der wereld. Van hun rijkdom waren +allerlei fabelen in omloop. + +Sabaria, Savaria, oude bojische stad, onder keizer Claudius +rom. kolonie, in Pannonia Superior, waarvan nog vele overblijfselen +aanwezig zijn (Stein am Anger). + +Sabata, 1) oud etruscisch stadje ten N.-W. van Rome aan den lacus +Sabatinus.--2) stad in Liguria, met een haven Vada Sabatia, ook wel +kortweg Vada genoemd. + +Sabatini, volksstam in Campania, aan de riv. Sabatus, een zijtak van +den Vulturnus. + +Sabatinus lacus, meertje in Etruria, ten N. W. van Rome. + +Sabazius, Sabazios, een phrygisch of thracisch god, die door de Grieken +overgenomen werd en met Dionysus vereenzelvigd werd; hij staat ook in +betrekking tot Rhea Cybele (z. a.). Soms heet hij een zoon van Zeus en +Persephone, en wordt van hem verhaald dat de Titanen hem op last van +Hera in stukken scheurden, waarbij Zeus echter zijn hart redde en aan +Athena gaf. Ook Zeus zou den naam S. gedragen hebben, maar dien bij +de geboorte van Dionysus aan dezen afgestaan hebben.--Zijne feesten +(Sabazia) overtroffen in buitensporigheid nog die van Dionysus en +Rhea Cybele. + +Sabbata, Sabbata, = Sabata no. 2. + +Sabelli, zie Sabini. + +Sabi Regnum, Sambou basileia, klein indisch rijkje van zekeren vorst +Sabus of Sambus, in India, ten W. van den Ganges, ten O. van Pattalene. + +Sabina, echtgenoote van keizer Hadrianus.--Over Poppaea Sabina zie +Poppaei no. 3 en 4. + +Sabini, Sabinoi, bergvolk in het hart van Midden-Italië, tusschen +Etruria, Umbria en Latium. Het breidde zich in den loop der vijfde +eeuw in Midden- en Zuid-Italië uit, waar het zich met de oude +oscische bevolking vermengde en zelfs de taal daarvan aannam. In +tegenstelling van de Sabijnen in de vroegere woonplaats werden de +Sabijnen in het door hen veroverde gebied Samnites genoemd, Saunitai = +Sabinitae. Evenals de naam Sabina, he Sabine, tot het gebied der oude +Sabijnen beperkt bleef, bleef ook de naam Samnium, Saunitis, tot een +gedeelte van het samnietisch gebied beperkt, hoewel de Samnieten ook +Campania (z. a.) en Lucania vermeesterden en de Hernici in Latium, de +Picentes of Piceni, de Marsi, Marrucini, Paeligni, Vestini, Frentani +ook tot denzelfden stam behoorden. Al die stammen nu van sabijnschen +oorsprong buiten het oude stamland worden gezamenlijk Sabelli genoemd +en met inbegrip der Sabijnen zelven spreekt men nog liever van +sabellischen, dan van sabijnschen stam. In het eigenlijke Samnium +onderscheidde men de Hirpini, de Pentri, de Caudini, de Caraceni, +in Campania de Picentini en Sidicini. De Sabijnen waren een krachtig, +landbouwend volk; Cicero noemt ze fortissimos viros, florem Italiae ac +robur rei publicae. De gewoonte van het ver sacrum (z. a.) bevorderde +hunne verbreiding. Omtrent den Sabijnschen maagdenroof zie Romulus +en Roma. De Sabijnen onderwierpen zich in 290 en werden cives +sine suffragio. De Samnieten en de overige Sabellen zetten den +strijd nog voort tot 272 en bogen toen ook noode het hoofd. In den +bondgenootenoorlog waren zij verbitterde vijanden van Rome, totdat +Sulla in 82 de beslissende zegepraal op Pontius Telesinus behaalde +en den strijd in verdelging deed overgaan; Samnium werd uitgemoord +en bleef braak liggen; van dezen slag heeft het zich nooit hersteld; +men zag er voortaan slechts armoedige dorpen. + +Sabiniani, naam der juristen uit de school van C. Ateius Capito. Zij +werden zoo geheeten naar een der beroemdste vertegenwoordigers dezer +school, Masurius Sabinus, ten tijde van Tiberius en Nero. + +Sabinum, landgoed ten N. van Tibur, op de grenzen van het sabijnsche +land, door Maecenas aan den dichter Horatius ten geschenke gegeven. Het +was niet groot, maar lag heerlijk in een boschrijk dal. Op het landgoed +ontsprong de bron Bandusia en vloeide de beek Digentia. + +Sabinus, 1) Sabinus, rom. dichter, tijdgenoot van Ovidius, die +o. a. antwoorden schreef op diens Heroïdes. Hij stierf op jeugdigen +leeftijd; of dit dezelfde is als Sabinus, de vriend van Horatius, +is onbekend.--2) Masurius Sabinus, uit Verona, rechtsgeleerde en +oudheidkundige onder Tiberius en Nero, zie Sabiniani.--3) Flavius +Sabinus, oudere broeder van Vespasianus, was onder Claudius stadhouder +van Moesia en onder Nero praefectus urbi te Rome. Galba ontsloeg +hem, doch Otho herstelde hem in zijn ambt. Bij den strijd tusschen de +troepen van Vitellius en Vespasianus werd hij met een aantal senatoren +en ridders op het Capitool ingesloten en door de soldaten van Vitellius +belegerd. Toen deze het Capitool in brand staken, geraakte Sabinus in +handen van het gepeupel, dat hem vermoordde.--4) Iulius Sabinus, een +aanzienlijk Trevir, ruide zijn volk tegen Vespasianus op, doch werd +gevat en ter dood gebracht.--5) Familienaam in de gentes Calvisia, +Claudia, Poppaea en Sicinia. + +Sabis, thans Sambre, zijtak der Mosa (Maas), op welks oever Caesar +in een hevigen en gevaarlijken strijd de Nerviërs versloeg. + +Sabrata, Sabrata, phoenicische volkplanting, later rom. kolonie in +Tripolitana, tusschen de beide Syrten. + +Sabrina, Sabrianas, rivier in het Z.W. van Britannia, thans Severn. + +Sabus, zoon van Sancus, de oudste koning der Sabijnen, die als een +god vereerd werd. Men schreef hem de uitvinding van den wijnbouw toe. + +Sacadas, Sakadas, van Argos, beroemd toonkunstenaar en elegisch +dichter, die driemaal bij de Pythia den prijs behaalde, omstreeks +600. Een niet nader bekend muziekinstrument wordt naar hem sakadion +genoemd. + +Sacae, Sakai, woest nomadenvolk, voortreffelijke ruiters en +boogschutters, ten O. der Massageten, in het steppenland der +tegenw. Kirghizen. Zie Bactria. + +Sacellum, kapel aan eene godheid gewijd, bestaande uit een altaar +met een muur er om, doch zonder dak. + +Sacer, aan de goden geheiligd, doch in boozen zin = aan de goden +der onderwereld gewijd en dus vogelvrij verklaard. Wie sacer was, +kon straffeloos gedood worden, zulk een vonnis heette sacratio +capitis. Zie sacratae (leges). + +Sacer (mons), 1) heuvel 3/4 uur N.O.waarts van Rome aan den Anio, +ongeveer waar de via Nomentana deze rivier kruist; v. a. bij +Crustumerium. In de rom. geschiedenis is deze berg bekend door de +eerste secessio plebis.--2) Zie Hieron oros. + +Sacerdos, familienaam in de gens Licinia zie Licinii no. 34 en 35. + +Sacra via, eene der hoofdstraten van Rome, die langs de noordelijke +helling van den mons Palatinus naar het forum liep en daarvan den +Zuidkant volgde in de richting naar het Capitool. + +Sacramentum, 1) de krijgseed, die den soldaten werd afgenomen. Hierbij +zwoeren de soldaten trouw aan den veldheer, later aan den keizer.--2) +de geldsom die bij eene legis actio per sacramentum door beide partijen +vóór het proces gedeponeerd en door den verliezer verbeurd werd. Dit +was namelijk eene der oudste vormen om een proces in te leiden, dat +men zijne tegenpartij op eene som geld daagde. Hij was afkomstig uit +het ius pontificium en het verbeurde geld werd oorspronkelijk tot +sacrale doeleinden bestemd. Vandaar dan ook de naam. + +Sacratae (leges) heeten de wetten tot waarborg van de onschendbaarheid +der volkstribunen en plebejische aedielen. Wie zich aan hen vergreep +kon voor sacer (z. a.) verklaard worden. Om dezelfde reden wordt ook de +lex Valeria Horatia de provocatione van 449 eene lex sacrata genoemd. + +Sacratio capitis, zie sacer. + +Sacriportus, 1) Hieros limen, vlek in Latium tusschen Signia en +Praeneste, waar Sulla in 82 den jongen Marius versloeg.--2) stadje +aan de golf van Tarentum, ten W. van Tarentum. + +Sacrovir (Iulius), een aanzienlijk Aeduer, trachtte onder de regeering +van Tiberius een opstand in Gallia te verwekken (21 n. C.), doch +werd reeds in het eerste gevecht verslagen en viel op de vlucht door +eigen hand. + +Sacrum promunturium, hieron akroterion, naam van onderscheiden kapen: +1) Z.W. punt van Hispania (kaap St. Vincent).--2) ergens in het Noorden +van Corsica.--3) W. spits van den Cragus in Lycia.--4) Nog een kaap +in Lycia aan de pamphylische grenzen, tegenover de Chelidonische +eilanden.--6) kaap in Pontus, ten W. van Trapezus. + +Sadocus, Sadokos, zoon van den thracischen koning Sitalces, die zijn +vader tot een bondgenootschap met Athene bewoog, en daarvoor met het +atheensch burgerrecht begiftigd werd (431). Toen een gezantschap +van Spartanen en Corinthiërs Sitalces tot het verbreken van dit +bondgenootschap trachtte te bewegen, bewerkte Sadocus, dat de gezanten +aan de Atheners werden uitgeleverd. + +Sadyattes, Sadyattes, zoon en opvolger van Ardys, koning van Lydië +615-610, zette den door zijn vader begonnen oorlog met Miletus voort, +doch kon evenmin als deze de stad innemen. + +Saeculares (ludi), eeuwfeesten van Rome's bestaan. Door een heraut +werd het volk opgeroepen tot deze spelen, quos numquam quisquam +vidisset neque spectaturus esset. Plechtige offers, lectisternia, +gebeden, optochten, wedrennen, gladiatorengevechten, venationes of +dierengevechten, het ludicrum Troiae, zang, dans, enz., wisselden +elkander af, drie dagen en drie nachten achtereen. De nachtelijke +feestviering gaf aanleiding tot ongebondenheid, daarom verbood +Augustus het bijwonen daarvan aan jongelieden van beiderlei kunne, +tenzij onder toezicht van oudere bloedverwanten. Het feest werd +besloten door een carmen saeculare, dat in den Apollotempel door 27 +jongelingen en 27 jonge meisjes werd gezongen. Zóó heeft Augustus bij +de nieuwe regeling door hem ingevoerd, het feest in 17 laten vieren, +en Horatius heeft daarvoor het carmen saeculare gedicht. Vroeger was +het meer een feest ter eere van Dis pater (Plouton) en Proserpina, +tot afwending van onheilen, die naar het nieuwe saeculum niet konden +overspringen, zooals men meende. Het feest is gevierd in 463, 363 +en 263, en daarna weder opnieuw onder den verschen indruk van de +rampen van den 1sten Punischen oorlog in 249, en dan weer in 146; +dit zijn de Terentini ludi (z. a.). De ludi saeculares van Augustus +zijn herhaald door Domitianus in 88 n. C. en door Septimius Severus +in 204 n. C., waarbij het saeculum berekend werd op 110 jaar, terwijl +daarnaast het stichtingsjaar der stad herdacht werd in 47 n. C. (800), +147 n. C. (900) en 248 (1001). + +Saenia (lex), van L. Saenius, consul suffectus in de twee laatste +maanden van 30. Door deze wet werd aan Octavianus het recht verleend, +aanzienlijke plebejers onder de patricii op te nemen. + +S(a)epinum, Saipinon, stad in Samnium, ten O. van Bovianum. + +Saepta, zie ovile. + +Saetabis, stad der Contestani in Hispania, ten Z. van den Sucro +(Xucar). De plaats was een rom. municipium, met veel vlasteelt +en weverijen. Ook wordt eene rivier van dezen naam in het Z. van +Hispania vermeld. + +Saevo mons, gebergte in Scandia, het tgw. noorweegsche Kjölengebergte. + +Sagalassus, Sagalassos, aanzienlijke stad en grensvesting in Pisidia, +op de helling van een heuvel gebouwd. De inwoners hadden den naam +van bijzondere dapperheid. + +Sagaris, Sagaris = Sangarius. + +Sagartii, Sagartioi, nomadenstam in het binnenland van Iran, ten +O. van Persis en Media. + +Sagittarius, Arcitenens, Toxotes, het sterrenbeeld de Boogschutter, +z. Chiron. + +Sagmen, gewoonlijk plur. sagmina, zie verbena. + +Sagra, Sagras, kustrivier in Bruttium, die tusschen Locri en Caulonia +in zee valt. Hier werden omstreeks 550 de Crotoniaten bloedig verslagen +door de inwoners van Locri Epizephyrii. Van hier kwam een grieksch +spreekwoord, alethestera ton epi Sagra = het is nog waarachtiger dan +het gebeurde bij Sagra. + +Sagrus, rivier in Midden-Italië, stroomt door Noord-Samnium en het +land der Frentani. + +Sagum, een wollen soldatenmantel, die op den eenen schouder door +een gesp werd vastgehouden en, uitgespreid, als deken kon gebezigd +worden. In hoofdzaak was het een groote vierkante lap, die men dubbel +vouwde en dan omsloeg. Zie de afbeelding bij fasces. + +Saguntia of Segontia, Sagountia, stad der Arevaci in Hispania, aan +een zijtakje van den Tagus, thans Siguenza. + +Saguntum, Sagounton, bloeiende stad der Edetani aan de O.kust van +Hispania, nabij het tegenw. Murviedro, aan de rivier Pallantias. Het +was, zooals men later aannam, eene volkplanting van Zacynthus (Zante), +en kolonisten uit Ardea hadden aan de stichting deelgenomen. Het +was in bondgenootschap met Rome, toen het in 219 door Hannibal werd +aangevallen en, in weerwil eener heldhaftige verdediging, ingenomen en +verwoest werd. Toen de Carthagers hierop de uitlevering van Hannibal +weigerden (Maart 218), begon de tweede punische oorlog. Later (210) +werd Saguntum door de Romeinen als kolonie herbouwd. + +Saii, Saioi, een thracische volksstam in de omgeving van Abdera. + +Sais, Sais, oude hoofdstad van Beneden-Aegypte, aan den Bolbitinischen +Nijlarm, met een prachtigen tempel der godin Neïth, het graf van +Osiris en graven der oude Pharao's. Bij genoemden tempel werd het +jaarlijksche lampenfeest gevierd, waarbij alle huizen gedurende den +nacht met een kring van brandende lampen omgeven waren. + +Saitis, Saitis, bijnaam, onder welken Athena te Lerna vereerd werd, +misschien naar Sais in Aegypte, z. Neïth. + +Sala, Salas, naam van twee rivieren in Germania, 1) de +tegenw. saksische Saale, zijtak van den Albis (Elbe).--2) de +tegenw. frankische Saale, zijtak van den Moenus (Main). Deze laatste +was grensrivier tusschen de Hermunduri en de Chatti. + +Salacia, romeinsche zeegodin, die tot den kring van Neptunus hoort; +in de grieksch-romeinsche mythologie is ze bij Neptunus moeder van +Triton. Ook bijnaam van Venus, de uit de zee geborene. + +Salaeca, Saleca, stad in het gebied van Carthago, ten Z.O. van Utica, +in 204 door Scipio Africanus Maior veroverd. + +Salaminia, Salaminia, een atheensch schip, dat voor dezelfde doeleinden +gebruikt werd als de Paralus (z. a.). + +Salamis, Salamis, gen. -inos, 1) eiland aan de W.kust van Attica, +bekend door de luisterrijke overwinning, die de grieksche vloot +in 480 op die van Xerxes behaalde. Hier heerschte tijdens den +trojaanschen oorlog Telamon, de vader van den eenen Ajax en van +Teucer. Later kwam het eiland onder Megaris en werd onder Solon door +de Atheners veroverd. In de 3de eeuw is het meestal in handen van de +Macedoniërs, tot Athene het met hulp van Aratus in 232 hernam. De oude +hoofdstad Salamis lag op de Zuidspits, de nieuwe, Salamis nova, op de +Oostkust.--2) Toen Teucer van Troje terugkeerde, zonder zijn broeder +Ajax te hebben gewroken, werd hij door Telamon verstooten. Daarop +stevende Teucer oostwaarts en stichtte op de oostkust van Cyprus eene +nieuwe stad Salamis, die de voornaamste stad van Cyprus werd. Zij +had een zeer ruime haven. In 449 behaalden de Atheners hier eene +overwinning op de perzische vloot. Onder de regeering van Constantijn +den Gr. werd zij door eene aardbeving verwoest, doch onder den naam +Constantia herbouwd en tot hoofdstad van Cyprus verheven. + +Salapia, oude daunische stad in Apulia, v. s. door Diomedes +gesticht. In den bondgenooten-oorlog werd ze verbrand en kwam niet +weder tot bloei. Ze lag in eene moerassige streek, zoodat ze op +sommige tijden bijna onbewoonbaar was. + +Salapina palus, meer bij Salapia, dat door een kanaal met de zee +verbonden en tot haven gemaakt werd. + +Salaria (via), oudste heirweg in Italië, waarlangs het zout van +de Salinae aan de monding van den Tiber naar het land der Sabijnen +(Reate) vervoerd werd. Later werd de weg door de Apennijnen verlengd +tot Truentum aan de Adriatische zee. + +Salassi, Salassoi, Alpenvolk in den N.W. hoek van Gallia Cisalpina +aan de Alpes Graiae en Poeninae. Onder Augustus werden zij minder +onderworpen dan uitgeroeid (25 v. C.); de veldheer Terentius Varro +(Licinii no. 32) liet er 26000 als slaven verkoopen. Er lagen +goudmijnen in hun gebied. Uit de legerplaats der praetoriaansche +bezetting ontstond de stad Augusta Praetoria, thans Aosta. + +Saldae, Saldai, aanzienlijke zeestad in het O. van Mauretania +Caesariensis. + +Salduba, zie Caesaraugusta. + +Sale, Sale, stad op de Z.kust van Thracia, ten W. van den Hebrus. + +Saleca = Salaeca. + +Salentini, Salentinoi, volksstam in Calabria aan de golf van +Tarentum. Ook kaap Iapygium wordt naar hen promunturium Salentinum +genoemd. + +Salernum, Salernon (Salerno), zeestad in het Z. van Campania aan den +sinus Paestanus (golf van Salerno), sedert 194 rom. kolonie. + +Salganeus, Salganea, Salganeus, stadje in Boeotia aan den Euripus, +O.waarts van Anthedon. + +Salii, frankische stam in den omtrek van het eiland der Batavieren. Ze +komen van den IJssel, en dringen in de 4de eeuw het Romeinsche rijk +binnen, en zijn de stichters van het latere rijk van Clovis. Een +hoofdbestanddeel van hen zijn v.s. de vroegere Sygambren (zie aldaar). + +Salii, rom. priestercollege, verdeeld in twee gezelschappen, elk van 12 +leden. Het oudste, waarvan de instelling toegeschreven wordt aan Numa +Pompilius (zie ancile), had zijne offerplaats op den palatijnschen berg +en droeg den naam van Salii Palatini. Het andere, ingesteld door Tullus +Hostilius, had zijn heiligdom op den Quirinalis bij de porta Collina +en heette Salii Collini (Agonenses of Agonales). De eersten waren aan +den dienst van Mars, de laatsten aan dien van Quirinus gewijd. Den +1en Maart offerde de pontifex maximus in de Regia (z. a.), waar de +heilige schilden geborgen waren, en op de volgende dagen trokken +de Salii met de ancilia al dansende de stad door, alle tempels en +altaren rond, terwijl hier en daar geofferd werd. Deze optocht duurde +verscheiden dagen; de liederen, die daarbij gezongen werden, heetten +axamenta, de plaatsen, waar de schilden 's nachts geborgen werden, +mansiones. De optochten eindigden met een prachtig feestmaal, vandaar +de uitdrukking epulae Saliares. De Saliërs droegen een priestermuts +(zie apex en albogalerus), eene geborduurde tunica (tunica picta), +een metalen borstharnas, de toga praetexta of de trabea, verder +zwaard en speer. Zij werden uit de patriciërs gekozen, hun naam +beteekent: dansers. Aan hun hoofd stond een magister Saliorum, op +hem volgde de praesul of voordanser. Bij enkele hunner offers kwam +een koor van jonkvrouwen voor, virgines Saliae, ook met borstpantser +en priestermuts, dit waren echter geene priesteressen, maar gehuurde +meisjes. + +Salinae, naam van verschillende steden, in wier nabijheid zout gewonnen +werd. Ook de zoutfabrieken droegen dezen naam (ook wel salifodinae += zoutgroeven). De pacht, die daarvoor aan den staat betaald werd, +behoorde tot de vectigalia. + +Salinator = zoutkooper, bijnaam in de gens Livia (Livii no. 7). + +Sallentini = Salentini. + +Sal(l)ustii, plebejisch geslacht. 1) C. Sallustius Crispus, geb. in +86 te Amiternum in het sabijnsche land, gaf zich in zijne jeugd nogal +aan verkwisting en uitspattingen over. Als volkstribuun was hij in +52 vijandig gezind tegen Milo en diens verdediger Cicero. Door den +censor App. Claudius Pulcher werd S. in 50 uit den senaat gestooten, +doch Caesar bezorgde hem in 49 de quaestuur en bracht hem in den +senaat terug. In 47 maakte Caesar hem tot stadhouder van Numidia, +waar S. door afpersingen zijn fortuin herstelde, waarvan hij te Rome +de prachtige horti Sallustiani op den Collis hortorum (M. Pincio) +deed aanleggen. Slechts met moeite ontsnapte hij door Caesars invloed +aan eene aanklacht. Na Caesars dood trok hij zich uit de staatszaken +terug en wijdde zich aan letterkundigen arbeid. Wij hebben nog van hem +twee volledige geschriften: Catilina en Jugurtha of Bellum Iugurthinum, +alsmede fragmenten zijner 5 libri Historiarum. Wat verder op zijn naam +staat, is onecht. De stijl van S. is gevormd naar dien van Thucydides, +kernachtig en pittig. Zijne beschouwingen zijn pessimistisch, als +van iemand, die de genietingen der wereld heeft leeren kennen en op +lateren leeftijd tot inkeer is gekomen. Hij stierf in 35 of 34.--2) +Cn. Sallustius, een vriend van Cicero.--3) C. Sallustius Crispus, +achterneef en aangenomen zoon van no. 1, en erfgenaam van diens +vermogen, zeer gezien bij Augustus en Tiberius. Horatius droeg hem +eene ode op.--4) Flavius Sallustius, vicarius urbis Romae, werd door +keizer Julianus tot praefectus praetorio Galliarum (361) en consul +(363) benoemd. Hij trachtte te vergeefs Iulianus door middel van +een brief van den veldtocht tegen Perzië af te houden. Een andere +Sallustius uit dien tijd, wiens ware naam was Saturninus Secundus +(Sallustius, juister Salutius, is in dezen tijd een signum, zie nomen), +was praef. praet. Orientis, en begeleidde Iulianus op den tocht naar +Perzië. Hij was ambtenaar in Gallia geweest, toen Julianus daar tegen +de Germanen streed; Julianus had met hem vriendschap gesloten, en +toen keizer Constantius hem daarom terugriep (359) had Julianus tot +hem een troostrede, or. IV gericht, die nog over is. Na den dood van +Iulianus wilde men hem tot keizer benoemen, maar hij weigerde. Hij +is waarschijnlijk de schrijver van een werk peri theon kai kosmou. + +Salluvii, de machtigste der ligurische stammen op de kust van +Gallia Narbonensis, tusschen de Alpen en den Rhodanus (in het +tegenw. Provence). In hun gebied werd in 600 door de Phocencers +Massilia gesticht. Na langen strijd werden zij in 122 aan Rome +onderworpen door den proconsul C. Sextius Calvinus, die in hun gebied +Aquae Sextiae stichtte (Aix). + +Salmacis, Salmakis, z. Hermaphroditus. + +Salmanassar, Salmanasares, naam van eenige assyrische koningen. De +beroemdste is S. IV, die gedurende zijne korte regeering (726-722) +een einde maakte aan het rijk Israël, koning Hosea gevangen nam en +Samaria veroverde. + +Salmantica, stad der Vettones in Hispania aan den Termes, een zijrivier +van den Durius (Douro), thans Salamanca. + +Salmone, Salmone, 1) overoude stad in het elische gewest Pisatis aan +den Enipeus.--2) = Salmonium. + +Salmoneus, Salmoneus, zoon van Aeolus en Enarete, ging van Thessalië +naar Elis en stichtte daar de stad Salmone. Hij waagde het zich met +Zeus gelijk te stellen, en bootste daartoe door kunstmiddelen bliksem +en donder na, maar Zeus doodde hem met den bliksem, wierp hem in den +Tartarus en verwoestte de door hem gestichte stad. + +Salmonis, Tyro, dochter van Salmoneus. + +Salmonium of Samonium, kaap aan de N.O. punt van Creta. + +Salmydessus, Salmydessos, stad en kuststreek van Thracia aan den +Pontus Euxinus, berucht door strandroof. + +Salo, rechterzijtak van den Iberus (Ebro) in Hispania, die langs de +stad Bilbilis stroomt. + +Saloë, zie Sipylus. + +Salona of -nae, Salona, -nai, hoofdstad van Dalmatia, rom. kolonie, +sterk door hare ligging, met slechts één toegang aan de landzijde door +den nabijgelegen bergpas Clissura. In de nabijheid, bij Spalatum, +lag de prachtige villa van Diocletianus, waarvan nog overblijfsels +aanwezig zijn. Door de Gothen werd Salona verwoest. Het bleef echter +ook onder het byzantijnsche keizerrijk een zeer belangrijke havenstad. + +Salsa (mola), speltmeel met zout vermengd, waarmede de offerdieren +vóór het slachten werden bestrooid. + +Salus, personificatie van gezondheid en welvaart. De Salus publica +populi Romani had sedert 302 een tempel op den Quirinalis (zie Fabii +no. 24), die in de plaats kwam van een ouder heiligdom; men bad tot +haar bij het begin van het jaar, maar moest eerst door middel van het +augurium Salutis vragen of zulk een gebed geoorloofd was. De zaak +is echter zeer onduidelijk overgeleverd. Nevens deze Salus werd in +den keizertijd ook de Salus Augusta aangebeden.--Hare afbeeldingen +gelijken veel op die van Fortuna. + +Salustii = Sallustii. + +Salutatio matutina, morgengroet of morgenbezoek, door vrienden en +cliënten aan aanzienlijke personen gebracht. Dit bezoek had plaats +in de eerste paar uren na zonsopgang. Zie clientes. + +Salutius, z. Sallustii no. 4. + +Salvidieni. Q. Salvidienus Salvius Rufus, van onaanzienlijke geboorte, +was een groot vriend van Octavianus, vergezelde hem naar Apollonia, +was later in den burgeroorlog zijn legaat, doch werd op zijn bevel +ter dood gebracht wegens het aanknoopen van geheime onderhandelingen +met Antonius. + +Salvii. 1) Salvius, volkstribuun in 43, verzette zich tegen het +senaatsbesluit, waardoor Antonius (in den mutinensischen oorlog) +tot vijand van den staat werd verklaard. Toch was hij met Cicero +een der eerste slachtoffers der proscriptie.--2) Salvius, voorlezer +en bibliothecaris van T. Pomponius Atticus.--3) M. Salvius Otho, +grootvader van keizer Otho, was uit Etruria afkomstig en kwam onder +Augustus door Livia's invloed in den senaat.--4) L. Salvius Otho, zoon +van no. 3, een gunsteling van Tiberius, zeer streng op het punt van +krijgstucht, was stadhouder in Africa en ontdekte eene samenzwering +tegen Claudius.--5) M. Salvius Otho, zoon van no. 4, rom. keizer. Zie +Otho.--6) L. Salvius Otho Titianus, oudere broeder van no. 5, streed +voor dezen tegen Vitellius bij Bedriacum, doch werd verslagen en +gevangen genomen. Hij bleef echter gespaard.--7) C. Salvius Liberalis, +redenaar, door Plinius minor zeer geprezen.--8) Salvius Iulianus, +zie Iuliani.--9) Salvius, aanvoerder in een slavenopstand op Sicilia +in 104, zie Tryphon. + +Salyes, Salyes = Salluvii. + +Samara, rivier in Belgica, de Somme. + +Samaria, Samareia, of Schomrôn (= wachtpost), stad in het midden van +Palaestina, door koning Omri gesticht als hoofdstad van het rijk +van Israël, ter vervanging van het oude Sichem als residentie. Na +den val van het rijk bleef het oude gebied van den stam van Ephraïm +en den halven stam van Manasse onder den naam Samaritis of Samaria +bekend. Tijdens de Makkabaeën ging het zuidelijke gedeelte aan Judaea +verloren. De stad Samaria lag op een heuvel midden in een groot dal; +in 722 werd zij verwoest door den assyrischen koning Salmanassar, +in 307 onderging zij hetzelfde lot door Ptolemaeus I Lagi, en later +nogmaals door den Makkabaeër Hyrcanus. Door Herodes den Gr. werd zij +vergroot en verfraaid, en ter eere van Augustus Sebaste, Sebaste, +genoemd. Over het landschap zie men verder Palaestina. + +Samarobriva, stad der Ambiani in Belgica, aan de Samara (Somme), +thans Amiens. + +Sambuca, sambyke, 1) snareninstrument van zeer verschillende +afmetingen, eenigszins overeenkomende met onze harp.--2) +belegeringswerktuig, vermoedelijk eene valbrug, die uit een +belegeringstoren werd neergelaten op de muren der belegerde stad. + +Sambus, zie Sabi regnum. + +Same, of -us, Same, -os, zie Cephallenia. + +Samia, Samia = Samicum. + +Samicum, Samikon, stad in het Z. van Elis, in Triphylia. + +Saminthus, Saminthos, plaatsje in Argolis, ten N.W. van Mycenae. + +Samnietische oorlogen. Bij de oude geschiedschrijvers worden 3 oorlogen +van de Romeinen met de Samnieten vermeld. De eerste samnietische +oorlog van 343 tot 341 heeft echter nooit plaats gehad, daar in dien +tijd de Romeinen en Samnieten ten nauwste met elkaar verbonden waren, +en de Samnieten de Romeinen hielpen om de Volscen en andere stammen +te onderwerpen, en ook aan den oorlog tegen den Latijnschen bond +(340-338) hebben deelgenomen. Er worden drie overwinningen uit het +jaar 343 verzonnen: bij den Gaurus mons (z.a. en Cornelii no. 5), in +de Caudijnsche passen en bij Suessula. De tweede (in werkelijkheid +de eerste) Samn. oorlog is gevoerd van 328 of 326-304, waarin de +voornaamste gebeurtenis is de nederlaag der Romeinen in de Caudijnsche +passen in 321 (zie Caudium), waarna de oorlog een paar jaar gestaakt +werd. De laatste oorlog duurde van 299 of 298 tot 290, en eindigde +met de volledige onderwerping van Samnium (z. echter Sabini) en de +inlijving van het sabijnsche land. + +Samnites, Samnium, zie Sabini. + +Samonium = Salmonium. + +Samosata, ta Samosata, versterkte hoofdstad van Commagene, aan den +Euphraat, geboorteplaats van Lucianus. + +Samothrace, Samothrake, thans Samothraki, eiland op de thracische kust +tegenover de monding van den Hebrus (Maritza), met een hoogen berg, +Saoce, Saoke. Het eiland was vooral bekend door de vereering der Cabiri +(z. a.). + +Sampsiceramus, spotnaam, door Cicero aan Pompeius gegeven, naar een +nietsbeduidend koninkje te Emesa in Syria. + +Samus, Samos, thans Samo, machtig eiland op de ionisch-aziatische +kust, eerst bevolkt door Lelegers en Cariërs, later door Ioniërs +en Doriërs. Het was reeds vroeg eene aanzienlijke zeemogendheid; de +Samiërs waren de eersten, die triëren bouwden (704). Na vele twisten +tusschen adel en volk, maakte in ± 540 Polycrates zich van het bestuur +meester. Zijne regeering was een tijdperk van grooten bloei. Kort na +zijn dood werd het eiland, niet zonder tegenstand en verwoesting, +aan de Perzen schatplichtig en onder Polycrates' jongeren broeder +Syloson geplaatst. Onder Syloson's zoon Aeaces namen de Samiërs +wel deel aan den ionischen opstand (500), doch liepen na den slag +bij Lade tot den vijand over. Als lid van het attische zeeverbond +bewaarde Samus later eene zekere mate van onafhankelijkheid, totdat +in 440 bij een geschil tusschen Samus en Miletus de Atheners te +gebiedend optraden, waarop het eiland de gehoorzaamheid opzegde. Na +een beleg van negen maanden slaagde Pericles er in, den opstand te +bedwingen; de vestingwerken werden geslecht, de vloot uitgeleverd, +den Samiërs een zware boete opgelegd en een gedeelte van het eiland +tot cleruchieën gemaakt. In den peloponnesischen oorlog bleef Samus +aan Athene trouw, doch na den slag bij Aegospotami moest het voor +Lysander zwichten en spartaansche bezetting opnemen, terwijl de +atheensche kolonisten verdreven werden. In 394 kwam het opnieuw +bij Athene, in 390 weder bij Sparta, daarna aan Perzië, in 365 werd +het heroverd door de Atheners, die er in 352 weder 2000 cleruchen +heenzonden. In 322 werd het door Perdiccas den Atheners ontnomen, +in 319 door Polyperchon hun teruggegeven, en sedert veranderde het +nog herhaaldelijk van meester, tot het eindelijk door Rome in den +mithradatischen oorlog bij de provincie Asia werd ingelijfd. Door +Octavianus werd het wel eene civitas libera, doch bloei en welvaart +waren reeds lang verdwenen. Het eiland was ongemeen vruchtbaar, zoodat +men zelfs spreekwoordelijk zeide, dat de kippen er melk gaven: pherei +Samos kai ornithon gala. Bouw- en beeldhouwkunst stonden er eenmaal +op hoogen trap, en de stad Samus, aan de Zuidoostkust gelegen, +en amphitheaterswijze van het strand tegen heuvels oploopende, +gold voor eene van de fraaiste en sterkste steden der oudheid. Tal +van overblijfselen getuigen nog van den vroegeren tijd. Beroemd was +ook het kostbare samische aardewerk. Samus was het vaderland van +den decoratieschilder Agatharchus, den beeldhouwer en metaalgieter, +tevens goud- en zilverwerker Theodorus, van de wijsgeeren Pythagoras +en Melissus, de dichters Aeschrion en Choerilus e. a. De voornaamste +godheid van het eiland was Hera, aan wie een zeer oude en beroemde +tempel, door Rhoecus gebouwd, gewijd was. + +Sana, Sane, Sane, naam van twee steden van Chalcidice, de eene op +de Westkust van het schiereiland Pallene, de andere ten N. van de +doorgraving van den berg Athos, aan den Singiticus sinus. + +Sanchoniathon, Sanchun., Sanchouniathon, van Berytus, schrijver van +eene zeer oude phoenicische geschiedenis, die door Herennius Philo +(Philo no. 8) in het Grieksch vertaald werd. Men vermoedt dat Philo +de schrijver en niet de vertaler van dit werk was, en dat de naam +S. niets dan een verdichtsel van hem is. + +Sancus, Semo S., zie Dius Fidius. + +Sandalium, sandal(i)on, sandaal, bestond uit een zool met een +bovenleder (zygon), dat de teenen en het voorste gedeelte van den +voet bedekte. + +Sandon, assyrisch heros, door de Grieken met Heracles geïdentificeerd. + +Sandrocottus, Sandracottas, Sandrokottos, Sandrakottas, machtig koning +van Palibothra, met wien Seleucus Nicator betrekkingen aanknoopte. + +Sangala, Sangala, stad in het gebied der Cathaei in India. + +Sangarius, Sangarios, aanzienlijke rivier van Asia minor, die in het +O. van Phrygia op den berg Adoreus ontspringt, door Galatia, langs en +door Bithynia stroomt en in den Pontus Euxinus valt. Evenals de Halys +stroomt hij achtereenvolgens in de meest verschillende richtingen. + +Sangus = Sancus. + +Sanherib, Sanacharibos, koning van Assyrië, 704-681. Ten gevolge +van oproerige bewegingen in Judaea en Phoenicië, die door Aegypte +ondersteund werden, trok hij naar het Westen (701), maar eene pest +richtte in zijn leger binnen kort zoo groote verwoestingen aan, +dat hij terug moest trekken. Hij werd door een van zijne zonen gedood. + +Sannyrion, Sannyrion, dichter der oude attische komedie, tijdgenoot +van Aristophanes. + +Sanquinii, geslacht, dat eerst in den romeinschen keizertijd voorkomt, +onder Tiberius en Caligula. Bekend is vooral Q. Sanquinius Maximus, +consul saffectus waarschijnlijk in 25 n. C., stierf als legatus pro +praetore van Germania Inferior in 47. + +Santones, -ni, Santones, -noi, volksstam in Gallia aan den Carantonus +(Charente). Hun naam leeft nog voort in dien der landstreek +Saintonges. Steden: Mediolanum (Saintes), Condate (Cognac). + +Sapaei, Sapaioi, thracische stam ten O. van den mons Pangaeus. + +Sapientes Septem, hoi heppa sophoi, de zeven wijzen van Griekenland, +zeven tijdgenooten (7e en 6e eeuw), die door scherpzinnigheid en +wijsheid uitmuntten en wier kort geformuleerde spreuken als algemeen +geldige lessen van levenswijsheid beschouwd werden: Bias, Chilo, +Cleobulus, Periander (v.a. Myson), Pittacus, Solon en Thales. + +Sapis, Sapis, kustriviertje in Gallia Cispadana, dat ten Z. van +Ravenna in de Adriatische zee valt. + +Sapores, Sapores, naam van twee koningen uit het nieuw-perzische +vorstenhuis der Sassaniden. 1) S. I (241(2)-273 na C.) voerde zware +oorlogen tegen de Rom. en nam in 259 keizer Valerianus bij een +onderhoud verraderlijk gevangen. Valerianus, die tot zijn dood toe +(268) gevangene bleef, moest den perzischen koning tot voetbank dienen, +wanneer deze te paard steeg. S. veroverde verder Syria, verwoestte +Antiochia, Tarsus in Cilicia en drong in Cappadocia door. Door +Odenathus en Zenobia werd hij echter in zijne veroveringen gestuit en +naar zijn eigen gebied teruggedreven.--2) S. II (310-379 na C.) was +mede een hevig vijand van Rome en vervolgde de Christenen. Het was +in den oorlog tegen hem dat keizer Iulianus omkwam (363 na C.). + +Sappho, Sappho, van Mytilene of Eresus op Lesbus, beroemde lyrische +dichteres omstreeks 600. Daar zij tot de adelspartij behoorde, moest +zij, evenals Alcaeus, omstreeks 596, haar vaderstad verlaten, en heeft +toen een tijd lang op Sicilië geleefd. Later keerde zij terug. Zij +onderwees te Mytilene jonge meisjes in muziek en poëzie. Overigens +is van haar leven weinig of niets bekend, en de geruchten omtrent +haar onzedelijken levenswandel blijken even weinig grond te hebben +als het verhaal van hare onbeantwoorde liefde voor Phaon, die haar +eindelijk zou hebben doen besluiten, zich van de Leucadische rots +in zee te werpen.--Hare gedichten, meest in de naar haar genoemde +sapphische versmaat geschreven, waarvan, behalve een vrij groot aantal +fragmenten, slechts twee volledig bewaard zijn gebleven, munten uit +door dichterlijken gloed en schoone taal, en worden door de ouden +terecht hoog geprezen. + +Saraceni, Sarakenoi, rondzwervende stam in Arabia Felix. + +Sarangae, Sarangai, zie Drangiane. + +Sarapis = Serapis. + +Sardanapalus, Sardanapalos, wordt gewoonlijk de laatste koning van +Assyrië genoemd. Van hem wordt verhaald, dat hij na een wellustig en +verwijfd leven, door den Mediër Arbaces en den Babyloniër Belesys +aangevallen, zich na een tweejarige heldhaftige verdediging in +Niniveh met al zijne vrouwen en schatten liet verbranden, omstreeks +888. Inderdaad was de naam van den laatsten assyrischen koning +Saracus, en werd Niniveh omstreeks 606 door Nabopolassar en Cyaxares +ingenomen. De naam S. is, naar men vermoedt, dezelfde als Assurbanipal, +die kort te voren (667-626) niet zonder roem over Assyrië regeerde. + +Sardes (plur.), Sardeis, oude beroemde hoofdstad van Lydia, aan den +voet van den Tmolus in het liefelijke dal van den Pactolus gelegen. In +± 500 werd de lichtgebouwde en grootendeels met stroo gedekte stad door +de Ioniërs in brand gestoken. Dit lot onderging zij ook later door +den syrischen koning Antiochus den Gr. (192). Ook werd zij tijdens +keizer Tiberius door eene aardbeving verwoest. De burcht, die het +paleis en de schatkamers bevatte, werd voor onneembaar gehouden. Er +zijn nog enkele verstrooide overblijfselen van Sardes aanwezig. Sedert +de verwoesting door den mongoolschen veroveraar Timoerlenk of Tamerlan +is de stad niet meer opgebouwd. + +Sardi, Sardooi, inwoners van Sardinia, een gemengd ras, traag en ruw, +en bij de ouden als trouweloos en boosaardig aangeschreven, zoodat +zij op de slavenmarkten weinig geld opbrachten en goedkoop waren +(Sardi venales). Zij gingen in dierenhuiden gekleed (Sardi pelliti). + +Sardica = Serdica. + +Sardinia, Sardo, het tegenw. eiland Sardinië in de Tyrrheensche zee, +hetwelk de Carthagers na den eersten punischen oorlog met Corsica +moesten afstaan (238). Op de kust lagen phoenicische, carthaagsche +en tyrrheensche volkplantingen. Het bezit van het eiland, zoowel door +Rome als door Carthago, bepaalde zich eigenlijk tot het kustland. Het +hart des lands, het bergland der Montes insani, werd nooit geheel +onderworpen, en gedurig worden krijgstochten der Rom. tegen de +Sardi (z. a.) vermeld. In 450 na C. kwam het eiland in handen der +Vandalen. Het land was niet onvruchtbaar, doch aan landbouw werd weinig +gedaan. Er waren schapen, die op geiten geleken; op de kusten werden +veel konijnen gevangen, verder leverde het land graan, boomvruchten, +zilver en ijzer op. De sardinische honig was eenigszins bitter, +evenals de corsicaansche; vandaar: amarior melle Sardo. Er groeide +een klimplant, Sardonia herba, met giftige eigenschappen, die een +stuipachtig vertrekken van den mond te weeg bracht, risus Sardonius. + +Sardonius of -nicus (risus), sardonisch lachen, zie Sardinia. + +Sardus, Sardos, zoon van Maceris, voerde eene kol. uit Libye naar +het eiland Ichnusa, dat naar hem Sardo (Sardinië) genoemd werd. + +Sarepta, Sarapta, stad van Phoenice, met beroemden wijn, tusschen +Tyrus en Sidon. + +Sarissa, saris(s)a, een lans, bij de macedonische infanterie in +gebruik. Onder Alexander den Gr. was de sar. hoogstens 5 1/2 M. lang, +later beproefde men langere, er worden zelfs sar. van bijna 7 1/2 +M. vermeld. Ook bij de ruiterij had men een corps sarisophoroi. + +Sarmatia, Sarmatia. Sarmaten, Sarmatae, Sarmatai, was de naam +van een uitgebreiden volksstam ten O. van den Beneden-Tanais +(Don). Daarnaar is door den aardrijkskundige Pomponius Mela (± +50 na C.) de benaming Sarmatia in gebruik gekomen voor het land +tusschen de Vistula (Weichsel) en den Tyras (Dniëster) ten W., den Rha +(Wolga) ten O., den Caucasus met de aangrenzende zeeën ten Z. en het +mare Suevicum of Sarmaticum (Oostzee) ten N. Als scheiding tusschen +europeesch en aziatisch Sarmatia werd gewoonlijk de Tanais aangenomen +(zie Europa). Sarmatia werd bovendien bewoond door een aantal groote +volksstammen: Venedae (Wenden), Peucini, Bastarnae, Iazyges, Roxolani, +Alauni of Alani, waartusschen een aantal kleinere woonden. + +Sarmaticae portae, Sarmatikai pylai, bergpas in den Caucasus, die +van Iberia noordwaarts naar Sarmatia voerde. + +Sarmatici montes, het W. gedeelte der Alpes Bastarnicae, de +tegenw. kleine Karpathen. + +Sarmaticum mare, Sarmatikos okeanos, de Oostzee, bij dichters ook +wel de Zwarte zee. + +Sarmizegethusa, Sarmizegethouse, koninklijke residentie van koning +Decebalus van Dacia, later na de verovering door Traianus rom. kolonie, +colonia Ulpia Traiana Augusta. + +Sarnus, Sarnos, rivier in Campania, die langs Nuceria stroomde en +bij Pompeii in zee viel. Door de uitbarstingen van den Vesuvius is +de loop gewijzigd. + +Saronicus sinus, Saronikos kolpos, thans golf van Egina, tusschen +Attica, den Isthmus en Argolis. + +Sarpedon, Sarpedon, 1) zoon van Zeus en Europa, geraakte in twist +met zijn broeder Minos en vluchtte met Miletus (z. a.) naar koning +Cilix, dien hij tegen de Lyciërs bijstond. Later werd hij koning der +Lyciërs. Hij beleefde drie menschengeslachten.--2) zoon van Zeus +en Laodamea, koning der Lyciërs, kwam als bondgenoot van Priamus +naar Troje, waar hij vele dappere daden verrichtte en eindelijk door +Patroclus gedood werd. Zeus liet zijn lijk naar Lycië brengen om daar +begraven te worden. + +Sarpedon(ium) promunturium, Sarpedonia akra, 1) kaap van Thracia +tegenover het eil. Imbrus.--2) kaap van Cilicia nabij Seleucia. + +Sarrastes, oude stam in Campania aan den Sarnus. + +Sarsina, Sarsina, stad in Umbria, later rom. municipium, nabij de +grenzen van Cispadana, aan den Sapis. + +Sarte, Sarte, stad op het chalcidische schiereiland Sithonia. + +Sarus, Saros, belangrijke rivier, die in Cataonia op den Antitaurus +ontspringt, door de stad Comana stroomt, door den Taurus breekt, +langs de cilicische stad Adana vloeit en ten Z. van Tarsus in zee valt. + +Saso, Sason, rotsig eilandje op de illyrische kust tegenover kaap +Acroceraunium, een zeer gezochte schuilhoek en landingsplaats voor +zeeroovers. + +Saspires, -ri, Saspeires, -roi, scythisch volk in de gebergten van +N.W. Armenia. + +Sassanidae, Sassanidai. In 227, v. a. in 224 na C. wierp Artaxerxes +(zie Artaxerxes no. 4), parthisch veldheer, den troon der Arsaciden +omver, en stichtte het nieuw-perzische rijk. Naar Sassan, Artaxerxes' +grootvader, die van de oud-perzische koningen beweerde af te stammen, +werd het nieuwe vorstenhuis dat der Sassaniden genoemd. Zooveel +mogelijk had een terugkeer plaats tot oudperzische zeden en +instellingen; zoo herleefde o. a. de leer van Zoroaster en de titel +"koning der koningen". Reeds Artaxerxes geraakte met de Rom. in oorlog +en de Nieuw-Perzen betoonden zich even verbitterde vijanden van Rome +als vroeger de Parthen. Het sassanidische rijk bestond tot in 631, +toen de Arabieren Perzië veroverden. + +Sassula, stad in Latium, aan Tibur onderhoorig; ligging onbekend. + +Satala, ta Satala, aanzienlijke stad en strategisch punt in het +N.O. van Armenia minor, van waar vier wegen naar de kust van den Pontus +Euxinus (Zwarte zee) liepen. Het was een der sleutels van Pontus. + +Saticula, Satikola, stad en sedert 313 lat. kolonie in Samnium op +een berg aan de campaansche grens. + +Satira, oud satura, eigenlijk: een allegaartje. Eene lanx satura was +een schotel met allerlei spijzen gevuld, oorspronkelijk quae referta +variis multisque primitiis sacris Cereris inferebatur. Vervolgens +werden gedichten van verschillenden, weinig samenhangenden inhoud +met dezen naam bestempeld en wordt de naam satura toegepast op de +fescennische kluchten en de atellaansche boertspelen. Ennius bracht +eene wijziging hierin. Zijne saturae hadden wel de oude afwisseling +van vorm en maat, doch waren van meer ernstigen inhoud. Den grooten +overgang echter tot het hekeldicht vormen de satiren van Lucilius +(180-103), die in zijne schilderingen een critiseerenden toon aansloeg +en aan Horatius tot voorbeeld heeft gestrekt. Zoo werd de satire +een soort van causerie met hekelenden toon, bij Horatius vroolijk en +luimig, bij Persius en Iuvenalis scherp of bitter. Niet alle satiren +waren in versmaat, M. Terentius Varro (116-27) schreef proza en poëzie +dooreen, door hem zelven saturae Menippeae genoemd, omdat hij de voor +ons verloren geschriften van den cynischen wijsgeer Menippus tot +voorbeeld nam. De varroniaansche satirenvorm vond o. a. navolging +bij Seneca en in het Satyricon van Petronius, doch de hekelende +strekking, die aan Varro's geschriften vreemd was gebleven, kreeg +de overhand. In de grieksche literatuur komt de satire niet voor; +vandaar zegt Quintilianus: satira quidem tota nostra est. + +Satniois, Satnioeis, riviertje in het Z. van Troas, dat bij Hamaxitus +in de Aegaeische zee valt. + +Satrae, Satrai, vrijheidslievend volk in Thracia tusschen den Strymon +en den Nestus. + +Satricum, 1) stad in Latium nabij Antium, oorspronkelijk latijnsch, +488 volscisch, vaak door de Rom. hernomen en weer verloren, in 346 +verwoest.--2) municipium aan den Liris, valt in 321 van de Romeinen af, +en sluit zich aan bij de Samnieten; in 319 wordt de stad heroverd en +ontwapend. Deze stad wordt vaak met de vorige verward. + +Satrii. 1) Satrius Secundus verried Seianus.--2) Satrius Rufus, +redenaar ten tijde van Domitianus en Nerva, een vriend van Plinius +minor. + +Saturae palus, moeras in Latium bij het promunturium Circeium, ontstaan +door de gebrekkige uitwatering van den Nymphaeus, een riviertje, +dat bij Norba ontspringt. + +Satureium, -rium of -rum, stadje ten Z.O. van Tarentum, bekend door +een fijn paardenras. + +Saturius (P.), de advokaat van L. Fannius Chaerea, de tegenpartij +van Q. Roscius Comoedus (Roscii no. 2). + +Saturnalia, feest ter eere van Saturnus, jaarlijks te Rome van 17 tot +23 December gevierd. De grieksche wijze van viering van dit feest is +ingevoerd in 217. Sedert offerde men aan den god Graeco ritu. Het +feest werd beschouwd als eene herinnering aan de gouden eeuw, toen +Saturnus op aarde leefde. Allerwege heerschte vroolijkheid, men liet +allen arbeid rusten, gaf elkander maaltijden en geschenken, en zelfs +de slaven genoten op die dagen vrijheid en werden soms zelfs door +hunne heeren bediend, ter gedachtenis aan de gelijkheid van standen +onder Saturnus' regeering. De geschenken, die men elkander gaf, waren +vroeger meestal waskaarsen en poppen van aardewerk (z. Sigillaria), +later voorwerpen van grootere waarde. + +Saturnia, 1) oude dichterlijke naam voor Italia, meer in het bijzonder +voor Latium (zie Saturnus).--2) oude stad van Etruria, rom. kolonie +sedert 183, vroeger Aurinia geheeten.--Zie ook Saturnius. + +Saturninus, 1) familienaam in de gentes Appuleia, Sentia, Volusia.--2) +Aelius Saturninus werd van den capitolijnschen berg geworpen, omdat +hij een spotdicht op keizer Tiberius had gemaakt (23 n. C.).--3) +Aponius Saturninus versloeg in 69 onder Otho, als bestuurder van +Moesia, de Rhoxolani, die een inval gedaan hadden, diende later onder +Vespasianus, en verloor bijna het leven in een soldatenoproer.--4) +een der zoogenaamde 30 tyrannen, die in 260 na C., na de gevangenneming +van keizer Valerianus door de Perzen, allerwege tot rom. keizer werden +uitgeroepen.--5) generaal onder Aurelianus en Probus, in 280 na C. in +Syria tot keizer uitgeroepen en eerst na hevigen strijd overwonnen +en door de troepen vermoord. + +Saturnius, -a, Jupiter, Neptunus, Pluto, Juno en Vesta, kinderen +van Saturnus. + +Saturnus, oud-italisch god van zaadvelden en landbouw. Wegens sommige +punten van overeenkomst tusschen hem en Cronus, met wien hij later +geheel vereenzelvigd werd, verhaalde men dat hij, door Jupiter van den +troon gestooten, na lange omzwervingen in Italië aangekomen en door +Janus gastvrij ontvangen was; daarvoor had hij landbouw en beschaving +ingevoerd en was zijne regeering een tijd van vrede, overvloed en +geluk, dien men de gouden eeuw noemde. Zie ook Saturnalia.--In den +tempel, dien hij gemeenschappelijk met zijne gemalin Ops aan den voet +van het Capitolium had, werd de schatkist bewaard. + +Satyri, Satyroi, wezens, die tot de omgeving van Dionysus behooren +en evenals hij het rijke, weelderige leven der natuur voorstellen, +maar op ruwe en grof zinnelijke wijs. Zij verheugen zich in drinken, +dansen, spelen en muziek, gaarne zijn zij in gezelschap der nimfen, +die zij dikwijls tevergeefs met hunne liefde lastig vallen, en +jagen zij den eenzamen wandelaar in de stille bosschen vrees en +schrik aan. Hun voorkomen wordt als half dierlijk beschreven; zij +hadden stompe neuzen, borstelig haar, spitse ooren en een staart; in +oudere kunstwerken worden zij dikwijls zoo voorgesteld, maar latere +kunstenaars gaven hun eene jeugdige en bevallige gestalte en schoone, +maar schalksche gelaatstrekken.--Bij de romeinsche dichters zijn zij +gelijk aan Panen, Faunen en dgl. + +Satyrica fabula, drama satyrikon, een tooneelstuk, dat op het grieksch +tooneel na het treurspel opgevoerd werd, opdat de toeschouwers in +vroolijke stemming den schouwburg zouden verlaten, z. Tetralogia. Deze +stukken waren in den trant van treurspelen bewerkt, de hoofdpersonen +waren ook de bekende epische en tragische helden, maar het koor bestond +uit satyrs, die lichamelijk en zedelijk zulk een tegenstelling met +die helden vormden, dat uit hunne ontmoeting lachwekkende toestanden +geboren moesten worden. Deze dichtsoort werd door Pratinas te Athene +ingevoerd.--De Cyclops van Euripides is het eenige satyrdrama, dat +wij nog in zijn geheel bezitten. + +Satyrus, Satyros, 1) S. I, koning van Bosporus, bondgenoot der +Atheners (407-393).--2) S. II, koning van Bosporus, sneuvelde na eene +korte regeering in een oorlog tegen zijn broeder Eumelus (310).--3) +tooneelspeler te Athene, tijdgenoot van Demosthenes.--4) peripatetisch +wijsgeer uit de 2de eeuw, schrijver van levensbeschrijvingen van +beroemde mannen.--5) grammaticus, leerling van Aristarchus, tijdgenoot +van den vorigen.--6) geleerd geneesheer, leermeester van Galenus, +schrijver van commentaren op Hippocrates.--7) naam van een of twee +epigrammendichters. + +Sauconna, latere naam voor den Arar (Saône). + +Saufeius (L.), vriend van T. Pomponius Atticus te Rome, die hem hielp +om zijne bezittingen terug te krijgen, die hij in de troebelen na +Caesar's dood verloren had. + +Sauromatae = Sarmatae, zie Sarmatia. + +Savaria = Sabaria. + +Savo, 1) langzaam voortstroomende rivier in Campania tusschen den +Liris en den Volturnus.--2) = Sabata no. 2.--3) stad bij de Zee-Alpen, +aan zee, ten W. van Genua. + +Sa(v)us, Saos, zijtak van den Ister (Donau), thans Sau of Save, +in het Z. van Pannonia. + +Saxa, zie Decidius Saxa. + +Saxa rubra, zie Rubra saxa. + +Saxum Tarpeium, zie Tarpeii en Capitolinus (mons). + +Saxones, Saxones, germaansch volk tusschen den Albis (Elbe) en de +Oostzee in het tegenw. Holstein gevestigd en eerst omstreeks 285 na +C. als zeeschuimers opgetreden. Later vormden zij de kern van een +verbond der volken van N.W. Germania (z. Chauci), dat zich ook in ons +land uitstrekte tot aan de Isala, die de grensrivier tegen de Franken +was. Een gedeelte van het volk vestigde zich samen met de Angili en +de Jutten in de 5de eeuw n. Chr. in Engeland. + +Scaea porta, Skaiai pylai, poort aan de Westzijde van Troje, die naar +het grieksche leger leidde. + +Scaeva, 1) een rom. centurio, die onder Caesar met roem in Britannia +streed en in de burgeroorlogen een kasteel bij Dyrrachium met grooten +moed verdedigde.--2) bij Horatius een verkwister, die zijne oude +moeder vergiftigde. + +Scaevola, familienaam in de gens Mucia. + +Scalae Gemoniae, zie Gemoniae scalae. + +Scaldis, rivier in Belgica, thans Schelde. + +Scamander, Skamandros, 1) rivier in de trojaansche vlakte, om zijn +gele kleur ook Xanthos genoemd. Hij ontsprong op het Idagebergte bij +Scepsis, vereenigde zich dicht bij den mond met den Simoïs, waarna +zij bij kaap Sigeum in zee vielen. De monding was reeds vroeg bijna +dichtgeslibt, zoodat er een kanaal naar zee moest gegraven worden.--2) +zie Egesta. + +Scamandrius, Skamandrios, de eigenlijke naam van Astyanax. + +Scandea, -ia, Skandeia, haven aan de O.-zijde van het eiland Cythera +(Cerigo). + +Scandia, Scandinavië, waarvan de ouden een zeer onjuiste of onvolledige +kennis hadden. Zij kenden eenige eilanden, Scandiae insulae, waarvan +het grootste op de Zuidspits van Zweden schijnt te doelen (het +tegenw. Scania, Skone, Schonen). De bewoners heetten Hilleviones, +en zijn van germaanschen stam. + +Scandila, Scandira, eilandje in het W. der Aegaeische zee, bij +Peparethus. + +Scantia Silva, bosch in Campania, met bronnen (aquae Scantiae), +in welker nabijheid ontvlambare gassen uit den bodem opstegen. + +Scapte Hyle, Skapte hyle, thracisch kuststadje nabij den mons Pangaeus, +aan Thasus behoorende. Uit de nabijgelegen goudmijnen trokken de +Thasiërs 80 talenten 's jaars. Thucydides (de geschiedschrijver) die +hier ook bezittingen had, bracht er van 423 tot 403 de jaren zijner +ballingschap door. + +Scaptensyla = Scapte Hyle. + +Scaptia, oude, vroeg verdwenen stad van Latium. + +Scaptii, rom. geslacht. M. Scaptius haalde Cicero, die toen proconsul +van Cilicia was, over, het geschil over geleende gelden, dat tusschen +M. Brutus en de stad Salamis op Cyprus gerezen was en dat Cicero ten +gunste van Salamis wilde beslissen, niet af te doen, maar aan zijn +opvolger, die op Brutus' hand was, over te laten. + +Scapula, zie Quinctii no. 12. + +Scardona, Skardona, hoofdst. van Liburnia, in het Z. gelegen, aan +den Titius. + +Scardus mons, Skardon oros, grensgebergte tusschen Illyria ten W. en +Dardania en Paeonia ten O. + +Scarphe, Scarphea, Skarphe, -pheia, stad der epicnemidische Locriërs, +het knooppunt der wegen naar de Thermopylae. + +Scatinavia = Scandia. + +Scaurus, familienaam in de gentes Aurelia (Aurelii no. 10) en Aemilia +(Aemilii no. 11-14). + +Sceleratus campus, een plein of veld buiten de porta Collina te Rome, +waar vestaalsche maagden, die hare gelofte van kuischheid geschonden +hadden, levend begraven werden. Voordat de kluis werd dichtgemetseld, +werd er, behalve spijze, ook eene brandende lamp in geplaatst, +waardoor de dood nog werd verhaast. + +Scena, skene, eigenlijk de achter- en zijwanden van het tooneel, in +ruimeren zin het geheele tooneel met inbegrip van het proscenium en +de ruimte er achter en er naast; hoi epi skenes, de tooneelspelers; +ta apo skenes, liederen, die door de tooneelspelers, niet door het +koor, gezongen werden. + +Scenitae, Skenitai (= tentbewoners), algemeene naam der nomadische, +onder tenten levende stammen in Arabia en Meroë. + +Scepsis, Skepsis, oude stad in het binnenland van Troas, door Trojanen +gesticht, later milesische kolonie. Toen later een groot gedeelte der +bewoners naar Alexandria Troas was overgebracht, heette de oude stad +Palaescepsis, Palaiskepsis. + +Sceptici, Skeptikoi, z. Pyrrho. + +Schedius, Schedios, naam van twee aanvoerders der Phocensers voor +Troje, beiden door Hector gedood. + +Scheria, Scheria, het eil. der Phaeaces (z. a.). In later tijd vond +men dit eiland terug in Corcyra (z. a.). + +Schiste hodos, de driesprong, waar Oedipus zijn vader Laius doodde; +volgens Aeschylus bij Potniae aan den Cithaeron, volgens Sophocles +in Phocis, in de buurt van Daulis (z. Parnassus). + +Schoeneus, Schoineus, zoon van Athamas en Themisto, koning in Boeotië, +vader van Atalante. + +Schoenus, Schoinos, vlek in Boeotia, aan het meer van Hyle. + +Schoenus, Schoinous (= biezenstad), 1) eene der havens van Corinthus, +aan de Oostkust van den Isthmus, ten N. van Cenchreae.--2) vlek in +het hart van Arcadia, bij Methydrium. + +Scholium, scholion, aanteekening op den rand van een handschrift; +zulke aanteekeningen bevatten critische opmerkingen, verklaringen van +moeilijke plaatsen, enz. Veelal waren het uittreksels uit de werken van +alexandrijnsche geleerden, en bij het copieeren van het handschrift +werden zij dikwijls mede overgeschreven. De scholia, die in de nog +bestaande handschriften gevonden worden, zijn van zeer ongelijke waarde +en in de meeste gevallen is het onbekend van wien zij afkomstig zijn. + +Sciapodes, Skiapodes, fabelachtig volk in Libye; zij hadden zulke +groote voeten, dat zij die, wanneer zij zaten, als zonneschermen +konden gebruiken. + +Sciathus, Skiathos, eiland en stad in de Aegaeïsche zee nabij de +kusten van Euboea en van het thessalische kustland Magnesia, door +de Chalcidiërs gekoloniseerd, in 200 door de Macedoniërs verwoest, +later een schuilhoek voor de zeeroovers. + +Scidrus, Skidros, kleine grieksche stad aan de Westkust van Italia, +in Lucania, ten O. van Pyxus (Buxentum). + +Scillus, Skillous, stad in het elische gewest Triphylia, aan den +Selinus, een zijtakje van den Alpheus. Xenophon bracht er een gedeelte +zijner ballingschap door en stichtte er een tempel voor Artemis, +in het klein gelijkende op dien te Ephesus. + +Scione, Skione, stad van Chalcidice op het schiereiland Pallene. + +Scipiades, iemand uit de familie der Scipio's, dichterlijk woord. + +Scipio, familienaam in de gens Cornelia z. Cornelii 6-26. + +Sciras, Skiras, bijnaam van Athena van onzekere beteekenis, +vgl. Scirophoria. + +Sciritis, Skiritis, eene woeste bergstreek in het N. van Laconica, +genoemd naar het stadje Scirus, ten N. van Sparta, aan den weg naar +Tegea. De inwoners, Sciritae, Skiritai, vormden in het spartaansche +leger een afzonderlijk korps, meest van 600 man (Skirites lochos), +dat de eereplaats aan den rechtervleugel innam, op marsch de voorhoede +vormde en op de gevaarlijkste plaats gelegerd was. + +Sciron, Sk(e)iron, 1) een berucht roover, die op de Scironische +rots tusschen Attica en Megaris woonde, de voorbijgangers dwong hem +de voeten te wasschen en hen daarna in zee schopte, waar zij door +een schildpad werden verslonden. Theseus deed hem op dezelfde wijze +omkomen.--2) zoon van Pylas, schoonzoon van Pandion. Hij betwistte +Nisus de heerschappij over Megara, maar Aeacus, als scheidsrechter +ingeroepen, kende Nisus de regeering en Sc. het opperbevel in den +oorlog toe. + +Scironides, Skironides, een van de atheensche strategen, die in 412 bij +Miletus eene overwinning op de Lacedaemoniërs en Milesiërs behaalde; +onder de 400 werd hij afgezet. + +Scirophoria, Skirophoria, feest ter eere van Athena Sciras den 12den +Scirophorion te Athene gevierd. Bij den feestelijken optocht van den +burcht naar Eleusis liepen de priesteressen dier godin en de priesters +van Erechtheus en Helius onder een groot wit zonnescherm (skiron), het +zinnebeeld van bescherming tegen de hitte der aanstaande hondsdagen. + +Scirophorion, Skirophorion, 12de maand van het Attische jaar +(Juni-Juli), z. annus. + +Scirtus, Skirtos, (= de huppelende), waterrijke rivier met sterk +verval, die langs Edessa stroomt, en na zich met den Bilechas (Belias) +vereenigd te hebben, bij Nicephorium in den Euphraat valt. + +Scirus, Skiros, zie Sciritis. + +Scodra, Skodra, hoofdstad der Labeates, een aanzienlijke stad en +sterke vesting met vele rom. inwoners aan de Z. grens van Dalmatia, +aan den lacus Labeatis, tgw. Scutari. + +Scodrus = Scardus. + +Scoedises, Skoidises = Scordiscus. + +Scolatium, stad in het land der Bruttii, dicht bij den Sinus +Scylleticus, sedert 122 rom. kolonie. + +Scolium, skolion, skolion melos, een bizonder soort van liederen, +door de Grieken aan tafel gezongen. De naam wordt afgeleid van de +willekeurige volgorde, waarin zulke liederen door de gasten gezongen +werden, terwijl bij andere tafelliederen, vooral bij godsdienstige +gezangen, ieder op zijn beurt of allen met elkander zongen. Anderen +denken aan eigenaardigheden in metrum of melodie. Beroemd is onder de +scolia, die bewaard gebleven zijn, dat van Callistratus op Harmodius +en Aristogiton. + +Scollis, Skollis, gebergte in Acrorea. + +Scolus, Skolos, 1) vlek in Boeotia ten O. van Erythrae, op de helling +van den woesten Cithaeron aan den Asopus gelegen, zóó naargeestig, dat +men zeide: eis Skolon met' autos imen, met' allo hepesthai. Hier zou +Pentheus door de Bacchanten verscheurd zijn.--2) vlek nabij Olynthus. + +Scomius, Skomion oros, hoog gebergte in Thracia, dat zich, O.waarts +van den Scardus, van den Haemus afscheidt. + +Scopadae, Skopadai, een adellijk geslacht dat te Crannon in Thessalië +regeerde, totdat de tyrannen van Pherae zich verhieven. + +Scopas, Skopas, 1) een van de Scopadae, beroemd door zijn rijkdom, +bij wien Simonides langen tijd doorbracht. Bij een feestmaal kwam +hij met al zijne gasten om door het instorten van de zoldering der +eetzaal; alleen Simonides werd op wonderdadige wijze gered.--2) een +van de Scopadae, van wien verhaald wordt dat hij met den jongen Cyrus +bevriend was, en dat hij Socrates een toevluchtsoord aanbood.--3) +van Parus, beroemd beeldhouwer en bouwmeester. Hij maakte bij +voorkeur groepen in marmer, die door afwisselende, maar altijd +bevallige standen uitmuntten. Vooral beroemd was van hem de groep +van Nereïden en Tritonen, die, door Thetis en Poseidon geleid, aan +Achilles zijne nieuwe wapenrusting komen brengen. Zijn bloeitijd valt +omstreeks 380, op hoogen leeftijd (350) werkte hij nog mede aan het +mausoleum van Halicarnassus. Hij is het meest bekend door zijne koppen, +waarvan de oogen diep liggen en naar boven gericht zijn. Hiermede +komt het hartstochtelijk element in de grieksche beeldhouwkunst op, +het dwepende, zooals steeds in tijden, waarin men ontevreden is met +de bestaande toestanden. + +Scordisci, Skordiskoi, keltische volksstam in Pannonia op beide oevers +van den benedenloop van den Savus. + +Scordiscus, Skordiskos, of Scoedises, gebergte op de grenzen van +Armenia en Armenia minor. + +Scordus = Scardus. + +Scorpius, het sterrenbeeld de Schorpioen, de onder de sterren +verplaatste schorpioen, die Orion gedood had. + +Scoti, Schotten, zie Picti. + +Scotussa, Skotoussa, 1) oude stad in het thessalische gewest +Pelasgiotis, niet ver van Cynoscephalae. Pelopidas behaalde hier +in 364 eene overwinning op Alexander, tyran van Pherae.--2) stad in +Macedonia ten O. van den Strymon. + +Scribae, zie apparitores. + +Scriboniae (rogationes), van den volkstribuun C. Scribonius Curio, +in 50. Het waren slechts voorstellen, die echter niet in behandeling +kwamen of verworpen werden. 1) de intercalando, over het inlasschen +eener maand. Dit was meer een verzoek aan de pontifices, dan +een wetsvoorstel. Het verzoek werd gedaan om tijd te winnen voor +het doen aannemen zijner rogationes, wat vóór 1 Maart 50 moest +gebeurd zijn. Toen het afgewezen werd, ging hij tot de partij van +Caesar over, zie Scribonii no. 6.--2) viaria, over het onderhoud +der openbare wegen, misschien ook een voorstel tot tolheffing.--3) +alimentaria, over korenuitdeeling.--4) om het gebied van koning Juba +tot rom. staatseigendom te verklaren. + +Scribonianus (Furius Camillus of L. Arruntius Camillus), zie Furii +no. 14. + +Scribonii, plebejisch geslacht, waarvan de Libones en Curiones +de voornaamste familiën zijn. 1) L. Scrib. Libo, volkstribuun in +216 en praetor in 204.--2) C. Scrib. Curio bouwde als aediel met +zijn ambtgenoot Cn. Domitius Ahenobarbus (Domitii no. 2) in 196 +den Faunus-tempel te Rome.--3) L. Scrib. Libo, drong in 149 als +volkstribuun, gesteund door den 85-jarigen M. Porcius Cato (maior), +op bestraffing van Ser. Sulpicius Galba (Sulpicii no. 11) aan, die +zich tegenover de Lusitaniërs aan woordbreuk had schuldig gemaakt en +verraderlijk hen, die zich ongewapend hadden overgegeven, had laten +neerhouwen.--4) C. Scrib. Curio, een der voortreffelijkste redenaars +van zijn tijd, praetor in 121.--5) C. Scrib. Curio, zoon van no. 4, +minder goed redenaar dan zijn vader, was volkstribuun in 90 en diende +in 84 onder Sulla tegen Mithradates; in 76 was hij consul; later +versloeg hij als proconsul van Macedonia de Moesiërs en Dardaniërs +en was de eerste rom. veldheer, die tot aan den Donau doordrong. Hij +was een man van den ouden stempel en van strenge zeden, evenwel in het +staatkundige niet onpartijdig. Hij was het, die Verres geluk wenschte +met de verkiezing van Hortensius tot consul. In de zaak van Catilina +stond hij aan Cicero's zijde. Later was hij een vurig tegenstander van +Caesar. Hij stierf in 53.--6) C. Scribonius Curio, zoon van no. 5, +weder een uitstekend redenaar, doch verkwistend en trouweloos van +aard. Eerst was hij republikeinsch gezind doch in zijn volkstribunaat +(50), (zie Scriboniae rogationes no. 1), ging hij tot de partij van +Caesar over, v. s. door dezen omgekocht. Toen de onderhandelingen +schipbreuk leden en het bekende senaatsbesluit tegen Caesar was +aangenomen, nam Curio met C. Caelius en de tribunen M. Antonius en +Q. Cassius in Jan. 49 de wijk naar Caesar. Hij diende hem vervolgens +in Africa, en sneuvelde daar tegen Juba.--7) L. Scrib. Libo was +een aanhanger van Pompeius, met wiens zoon Sextus zijne dochter was +gehuwd. Hij streed in 49 als vlootvoogd tegen Caesar en bracht in 39 de +overeenkomst tusschen Sextus Pompeius en het driemanschap tot stand. In +34 was hij consul. Hij was bevriend met Cicero.--8) Scribonia, +zuster van no. 7, was de tweede vrouw van Octavianus en de moeder +van Iulia, zie Iulii no. 14. Toen deze verbannen werd, trok zij met +haar dochter mede.--9) L. Scrib. Libo Drusus wekte de ijverzucht van +Tiberius op en werd door Fulcinius Trio van tooverij aangeklaagd. Om +eene veroordeeling te ontgaan, pleegde hij zelfmoord (16 n. C.).--10) +een drietal Scribonii werden door Caligula en Nero omgebracht.--11) +Scrib. Largus was in 43 na C. geneesheer van keizer Claudius op diens +reis naar Britannia. Hij schreef een werk compositiones medicamentorum, +een receptenboek, dat gedeeltelijk bewaard is. + +Scrinium, eene ronde doos, tot bewaring van handschriften, die daarin +opgerold naast elkander werden gezet. Onder de keizers heetten +de bureaux der keizerlijke kanselarij scrinia. Zij waren tijdens +Constantijn den Gr. vier in getal: scrinium memoriae, scr. epistularum, +scr. libellorum supplicum, scr. dispositionum. Aan het hoofd van elke +afdeeling stond een magister en onder hem een proximus, beiden tot +de spectabiles behoorende. + +Scriptores historiae Augustae, een zestal schrijvers uit den tijd van +Diocletianus en Constantijn, met name Aelius Spartianus, Vulcatius +Gallicanus, Trebellius Pollio, Flavius Vopiscus, Aelius Lampridius +en Iulius Capitolinus. Hunne, later tot een bundel saamgevoegde +levensbeschrijvingen van rom. keizers loopen van 117-285 na C. Zij +beginnen met het leven van Hadrianus en eindigen met dat van Carinus. + +Scriptura, weidegeld, dat betaald werd bij het inschrijven van vee +op de pascua publica, d. z. de weidegronden, die tot het romeinsche +staatsdomein behoorden. + +Scripulum of Scrupulum, zeer klein gewicht, het 1/24 eener uncia. + +Scultenna, zijtak van den Padus (Po), die op geringen afstand O.waarts +van Mutina stroomt. + +Scutala, Scyt-, skytale, een stok, zooals de spartaansche overheden +voor geheime correspondentie gebruikten. Een smalle witte strook werd +stijf om den stok gewonden en overdwars beschreven; daarop werd de +strook alleen verzonden, zoodat het geschrevene alleen kon gelezen +worden, wanneer de strook om een stok van gelijke dikte gewonden +werd. Ieder ambtenaar, die buitenslands ging, kreeg daarom zulk een +stok mede. + +Scutum, thyreos, langwerpig vierkant gebogen schild van het +rom. voetvolk, omstreeks M. 1,20 lang en M. 0,80 breed, van hout +gemaakt, met leder overtrokken, van een metalen rand voorzien en in +het midden van een metalen knop of plaat om de slagen op te vangen. De +verschillende legioenen hadden de schilden met verschillende kleuren +en distinctieve figuren versierd. + +Scylace, Skylake, oude nederzetting der Pelasgen aan de Propontis, +ten O. van Cyzicus. + +Scylaceum of -cium, Scylletium, Skylakion, grieksche stad op twee +heuvels aan de Oostkust van het land der Bruttii, aan den sinus +Scylacius, Skylletikos kolpos, gelegen, thans Squillace. + +Scylax, Skylax, 1) van Caryanda, een logograaf, die op last van +Darius Hystaspis eene onderzoekingsreis langs de aziatische kust +van den Indus tot de Roode zee deed. De nog bestaande periplous tes +thalasses tes oikoumenes, die op zijn naam staat, is van veel lateren +tijd.--2) van Halicarnassus, vriend van Panaetius, als staatsman, +wis- en sterrenkundige en toonkunstenaar beroemd. + +Scylla, Skylla, 1) dochter van Poseidon en de nimf Crataeïs, een +vreeselijk blaffend monster met 12 voeten en 6 lange halzen, ieder met +een kop met 3 rijen puntige tanden. Zij woont in het diepe hol van eene +aan zee staande, hemelhooge, door wolken omhulde rots, en tegenover +haar op een andere rots woont een ander monster, Charybdis, die drie +maal daags het zeewater met schepen en al wat er in is inzwelgt en het +ook driemaal daags weder uitbraakt. Toen Odysseus tusschen de beide +rotsen doorvoer, hield hij zijn schip zoo ver mogelijk van Charybdis +af, maar daardoor kwam hij te dicht bij Sc., die met hare muilen 6 +van zijne tochtgenooten wegroofde en verslond.--Sc. was vroeger een +schoone zeenimf geweest, die door Glaucus of Poseidon bemind werd, uit +jaloerschheid gaf Circe of Amphitrite haar hare latere afgrijselijke +gedaante. Charybdis was eene dochter van Poseidon en Gaea, die aan +Heracles eenige runderen ontroofd had, en daarvoor door Zeus met +den bliksem in zee geslingerd was.--In lateren tijd verklaarde men +de twee monsters als twee gevaarlijke rotsen aan de beide zijden van +de sicilische zeeëngte.--2) dochter van Nisus (z. a.), die haar vader +aan Minos verried. Uit afschuw voor hare daad liet Minos haar aan zijn +schip vastbinden en door het water meesleuren, zoodat zij verdronk; +of zij sprong in zee om het schip van Minos te volgen en werd in een +zeevogel veranderd, die altijd door haren in een zeearend veranderden +vader vervolgd wordt. + +Scyllaeum, Skyllaion, 1) stad en kaap in het land der Bruttii, waarbij +het monster Scylla zich ophield, ten N. van Rhegium. Anaxilas, tyran +van Rhegium, legde hier eene versterkte haven aan.--2) kaap in Argolis +bij Troezen. + +Scyllaeum fretum = fretum Siculum. + +Scylletium, Skylletion = Scylaceum. + +Scymnus, Skymnos, van Chius, een geograaf van onbekenden tijd, +misschien uit de 2de eeuw, schrijver eener Periegesis. Het nog +bestaande gedicht, dat dien titel en den naam van Sc. draagt, +is misschien eene metrische bewerking van zijn werk, dat in proza +geschreven was. + +Scyrus, Skyros, eiland en stad ten O. van Euboea, waar volgens de +sage Thetis haar zoon Achilles aan het hof van koning Lycomedes +in meisjeskleederen verborg. De bewoners waren Dolopes, die wegens +zeeroof door de Amphictyonen bestraft werden. In 474 (of 473), na de +vermeestering van Scyrus, ontdekte Cimon er het gebeente van Theseus, +dat naar Athene werd overgebracht en in het Theseum bijgezet. Scyrus +bleef onder Athene tot in den macedonischen oorlog, in 196 echter +gaven de Rom. het aan Athene terug. + +Scytala = Scutala. + +Scythia, Skythia. Bij Herodotus is Scythia het land ten N. van +den Pontus Euxinus (Zwarte Zee) tusschen den Ister en het land +der Agathyrsi (thans Zevenbergen) ten W. en den Tanais (Don) ten +O. Latere schrijvers breiden de grenzen oostwaarts uit. De bewoners, +Scythae, Skythai, waren dapper en vrijheidslievend en alle pogingen +der perzische koningen om hen te onderwerpen, mislukten. Zij hadden +geene steden of dorpen, maar leefden in wagens. Zij bestonden uit +een onbekend aantal stammen; het talrijkst waren de Sk. basileioi +of krijgslieden, voorts had men herders en ook landbouwende +stammen. Omstreeks 600 deden de Sc. een inval in Klein-Azië en +Europa, doch werden na ruim een kwart eeuw door Cyaxares weder +verdreven. Omtrent den tocht door Darius tegen hen ondernomen, +z. Darius no. 1 en Histiaeus. Na 500 laten de Sc. niets van zich +hooren, tot op den tijd van Mithradates. Na Traianus verdwijnt de +naam Scythen uit Europa en verhuist naar Azië. Ptolemaeus (± 150 +na C.) spreekt van een Scythia intra en extra Imaum. De Grieksche +schrijvers van de 3de en 4de eeuw n. Chr. duiden met den naam Skythai +vaak de Gothen aan, die zich in de 3de eeuw n. Chr. aan de Zwarte +Zee hadden gevestigd (zie Gothi).--Zie ook toxotai. + +Scythini, Skythinoi, volk op de W. grens van Armenia, door wier gebied +Xenophon en de 10000 Grieken een tocht van vier dagmarschen maakten. + +Scythopolis, Skythopolis, aanzienlijke stad van Palaestina, op de +grenzen van Galilaea en Samaria, een weinig ten W. van den Jordaan +gelegen, met eene zeer gemengde bevolking. + +Sebaste, Sebaste, 1) stad op een eilandje aan de cilicische kust, door +koning Archelaus (zie Archelaus no. 7) gesticht ter eere van Augustus, +omdat de Rom. Cilicia aspera bij zijn rijk hadden gevoegd.--2) stad +in het binnenland van Phrygia.--3) = Cabira.--4) zie Samaria. + +Sebastea, Sebasteia, stad in Pontus in het brongebied van den Halys, +door Pompeius tot stad verheven onder den naam Megalopolis, in den +keizertijd onder den naam Sebastea zeer belangrijk als hoofdstad van +Armenia minor. + +Sebastopolis, Sebastopolis, latere naam van Dioscurias. + +Sebennyticum ostium, Sebennytikon stoma, een der Nijlmonden, gelegen +tusschen den Bolbitinischen en den Phatnitischen Nijlmond. + +Sebennytus, Sebennytos, distrikt en stad in de Nijldelta aan den +sebennytischen Nijlarm. + +Sebethus, beekje bij Neapolis. + +Sebinus lacus, in Gallia Transpadana, door den Ollius (Oglio) gevormd, +thans lago d' Iseo. + +Secessio plebis, uitwijking der plebs uit Rome onder bedreiging een +eigene stad te zullen stichten. De eerste uitwijking, naar den Mons +Sacer, die echter niet historisch is, had plaats in 494 ten gevolge +van verdrukking en van strenge toepassing van het schuldrecht (ius +nexus) en eindigde door de instelling van het volkstribunaat (zie +tribuni plebis). Bij de tweede secessio, in 449, rukte het leger, +dat op den Algidus stond, op naar den Aventinus, en toen werd, na +onderhandelingen tusschen de strijdende partijen, een overeenkomst +gesloten, waarbij de tienmannen (zie decemviri legibus scribundis) +aftraden, en het consulaat hersteld werd (zie verder Horatiae Valeriae +(leges). Bij de derde secessio plebis in 287 week het volk gewapend +uit naar den Ianiculus; als gevolg hiervan kwam de lex Hortensia +(z.a.) tot stand. Ook de tweede secessio wordt door sommige geleerden +voor onhistorisch gehouden. + +Sectio bonorum, openbare gerechtelijke verkooping in naam van +den staat, b.v. bij verbeurdverklaringen. De verkoop had sub +hasta plaats en geschiedde aan den meestbiedende. De kooper was nu +aansprakelijk voor de schulden van den boedel en daar hij meestal op +speculatie kocht, trachtte hij de gekochte massa weder in perceelen +te verkoopen. Aan deze verbrokkeling is de naam sectio zijn ontstaan +verschuldigd, de kooper heette alsdan sector. Bij bonorum emptio +(z.a.) in den faillieten boedel had auctio plaats, geen sectio. + +Secundi, 1) rom. familienaam, o.a. bij de Plinii.--2) Iulius Secundus, +zeer geprezen redenaar ten tijde van keizer Vespasianus, een der +sprekers in Tacitus' dialogus de oratoribus.--3) Secundus Carrinas, +rhetor, door Caligula uit Rome verbannen, benam zich te Athene uit +armoede het leven. + +Secutor, zwaardvechter met zwaard en schild, die veeltijds tegen den +retiarius vocht. + +Sedetani = Edetani. + +Seduni, volksstam aan den Boven-Rhodanus (Rhône) in het +tegenw. Zwitserland in den omtrek van het tegenwoordige Sion of Sitten. + +Sedusii, germaansch volk in het leger van Ariovistus. + +Segesama, Segesama, stad der Murbogi in Hispania Tarraconensis, +ten N.O. van Pallantia (Palencia). + +Segesta, Segetia, Seia, Semonia, rom. godinnen, die het zaad onder de +aarde en het reeds opgeschoten koren beschermden. Hare namen mochten +alleen in de open lucht uitgesproken worden. + +Segesta, Segeste = Egesta. + +Segestes, cheruscisch opperhoofd, schoonvader van Arminius, die zijne +dochter had geschaakt. Segestes was tegen Arminius vijandig gezind +en had vruchteloos Varus gewaarschuwd, dat er verraad broeide (9 na +C.). Later (15) riep hij tegen zijn schoonzoon de hulp van Germanicus +in, die hem een woonplaats aanwees op den linker Rijnoever. + +Segestus, -tes = Acestes. + +Segetia, z. Segesta. + +Segimerus, Segimeros, Segimeros, Segimer, 1) vader van Arminius, +nam deel aan den strijd tegen Varus.--2) broeder van Segestes, +onderwierp zich aan Germanicus in 15 na C. + +Segimundus, Siegmond, zoon van Segestes, was Romeinsch priester te Ara +Ubiorum, toen de opstand der Cheruscen uitbrak (9 na C.), en vluchtte +toen naar zijn vaderland. In 15 werd hij door zijn vader uitgeleverd, +en door Germanicus in genade aangenomen. + +Segni, germaansche volksstam in Belgica tusschen de Eburones, die +aan de Mosa (Maas), en de Treviri, die aan de Mosella (Moezel) woonden. + +Segobriga, Segobriga, in Hispania Tarraconensis, 1) hoofdstad der +Celtiberi, aan den bovenloop van den Sucro gelegen.--2) stad der +Edetani, ten N.W. van Valentia (Valencia). + +Segodunum, Segodounon, 1) hoofdstad der Ruteni in Aquitania, thans +Rhodez.--2) stad der Hermunduri in Germania, misschien Würzburg aan +den Main. + +Segontia, Segontia = Saguntia. + +Segontiaci, volksst. in het Z. van Britannia. + +Segovia, Segoubia, stad der Arevaci in Hispania Tarraconensis, ten +W. van de Iuga Carpetana, thans nog Segovia geheeten. + +Seguntia, zie Saguntia. + +Segusiani, Segousianoi, gallische volksstam in Lugdunensis, ten W. van +den Rhodanus (Rhône), die hen van de Allobroges scheidde. + +Segusiavi = Segusiani. + +Segusini, alpenvolkje aan de Cottische Alpen, onderdanen van koning +Cottius (z. a.). Hoofdstad: Segusio (Susa), waar nog een triumfboog +bestaat, door Cottius ter eere van Augustus opgericht. + +Segusio, zie Segusini en Cottiae Alpes. + +Seia, z. Segesta. + +Seianus (L. Aelius), zie Aelii no. 8. + +Seii. 1) M. Seius wist als aediel in 74 bij eene groote duurte +maatregelen te nemen om toch aan het volk te Rome goedkoop graan +te leveren.--2) M. Seius, misschien zoon van no. 1, een vriend +van D. Iunius Brutus.--3) Q. Seius Postumus werd door P. Clodius +vergiftigd, omdat hij weigerde, hem zijn huis te verkoopen.--4) +L. Seius Strabo, praefectus praetorio in 14 n. Chr. vader van L. Aelius +Seianus, die nog in 14 zijn ambtgenoot werd (z.a.).--5) L. Seius +Tubero, was in 16 na C. legaat onder Germanicus, in 18 met hem consul. + +Seisachtheia, afschudding van lasten, een maatregel, door Solon +genomen tot verlichting der arme burgers, die tengevolge eener +verkeerde wettelijke regeling steeds dieper bij de rijken in schuld +geraakten, hoe langer hoe minder in staat waren hunne schuldeischers +te voldoen, en ten slotte dikwijls hunne bezittingen en zelfs hunne +vrijheid verloren. Solon verklaarde alle hypotheken en misschien ook +alle andere schuldvorderingen vervallen.--V. a. bestond de seis. in +verlaging van den muntstandaard (zoodat 100 nieuwe drachmen de waarde +hadden van 73 oude) en van den rentevoet, doch het is niet aan te +nemen, dat deze maatregelen de beoogde, en ook werkelijk bereikte, +gevolgen konden hebben. + +Selene, Selene, Mene, Luna, godin der maan, dochter van Hyperion en +Theia, zuster van Helius en Eos. Haar wagen is met witte paarden of +koeien bespannen. Zij werd als maangodin dikwijls verward met Artemis, +Hecate of Persephone, evenals Artemis draagt zij den naam Phoebe, +en ook onderscheiden hare beelden zich van die van Artemis alleen +door meer bekleeding en door een sluier van eigenaardigen vorm. + +Seleucia, Seleukeia, naam van verschillende steden, meest door Seleucus +I gesticht. 1) Sel. ad Tigridem, he epi tou Tigretos, eigenlijk niet +onmiddellijk aan de Tigris, maar aan een zijkanaal gelegen. De muren +waren gebouwd in den vorm van een adelaar met uitgespreide vlerken. Het +was eene uiterst bloeiende handels- en fabrieksstad met eene bevolking +van ongeveer 600000 zielen, Babyloniërs, Grieken, Macedoniërs, +Joden. Kunsten en wetenschappen werden er vlijtig beoefend. In 116 na +C. werd de stad wegens oproer door Traianus getuchtigd en gedeeltelijk +door brand vernield. Door L. Verus werd zij in den Parthischen oorlog +in 165 andermaal voor een groot gedeelte verwoest. Overvleugeld +door het nabijgelegen Ctesiphon, ging S. voortdurend achteruit +en was tijdens Iulianus geheel verlaten (363).--2) Sel. Pieria, +he en Pieria, in Syria, aan zee gelegen ten N. der monding van den +Orontes, met eene ruime en veilige haven. Als vesting was het schier +onneembaar. Er bestaan nog belangrijke ruïnen en catacomben van, +nabij Kapse.--3) Sel. ad Belum, he pros Belo, kleine vesting in Syria +aan den berg Belus, in het Orontesdal, tusschen Emesa en Apamea.--4) +stad in het N. van Palaestina, ten N. van het meer Samachonitis.--5) +Sel. Tracheotis, he Tracheia, in Cilicia aspera, aan den Calycadnus +(Saleph), met een orakel van Apollo en jaarlijksche spelen ter eere +van Zeus Olympius. De wijsgeeren Athenaeus en Xenarchus waren hier +geboren.--6) stad in het N. van Pisidia.--7) stad in het Z. van het +perzische gewest Margiane, aan den bovenloop van den Margus, door +Alexander den Gr. onder den naam van Alexandria gesticht, later door +barbaren verwoest, doch door Antiochus I, Seleucus' zoon, herbouwd. + +Seleucis, Seleukis, de schoonste provincie van Syria, ook Tetrapolis +geheeten naar hare vier steden: Antiochia (Epidaphnes), Seleucia +(Pieria), Apamea (ad Orontem) en Laodicea (ad Libanum). + +Seleucus, Seleukos, 1) S. I. Nicator (Nikator), zoon van Antiochus en +Laodice, verwierf onder Alexander d. Gr. vooral in Indië grooten roem +als een van de aanvoerders der phalanx. Bij de tweede verdeeling van +het rijk kreeg hij Babylonië tot satrapie en spoedig breidde hij zijn +gebied uit, maar met Antigonus in twist geraakt, moest hij vluchten en +begaf hij zich naar Ptolemaeus (316). Na den slag bij Gaza waagde hij +het echter met een klein leger terug te keeren, hij nam Babylon in +(1 Oct. 312, begin van de aera der Seleuciden) en veroverde weldra +ook zonder veel moeite Susiana en Medië. In de nu volgende oorlogen +wist hij zich tegen Antigonus met roem staande te houden, terwijl hij +in Indië, nu als vriend, dan als vijand, zelfs verder dan Alexander +doordrong en met den machtigen Sandrocottus voortdurend in betrekking +stond. Hij was de eerste onder de diadochen, die den koningstitel +aannam en hij besliste den slag bij Ipsus (301) door zijne olifanten, +waarna hij Syrië, Mesopotamië, Armenië en een groot deel van Klein-Azië +aan zijn rijk toevoegde. Toen hij eindelijk ook Demetrius Poliorcetes +in handen gekregen had, konde hij rustig over zijn groot rijk regeeren, +dat het grootste gedeelte van Alexanders veroveringen omvatte en zich +van den Indus tot de Middellandsche zee uitstrekte. Nog op 77-jarigen +leeftijd ondernam hij, aangespoord door Ptolemaeus Ceraunus, een +veldtocht tegen Lysimachus; hij behaalde de overwinning, maar werd +bijna aan de grens van Macedonië, dat hij nu wilde in bezit nemen, +door Ptolemaeus verraderlijk gedood (281). S. wordt na Alexander de +grootste krijgs- en staatsman van zijn tijd genoemd. Hij bevorderde +in zijn rijk grieksche beschaving, kunst en wetenschap, talrijke +(v.s. 75) nieuw gestichte steden in alle deelen van het land werden +met Grieken en Macedoniërs bevolkt, ook zijn leger bestond uit Grieken +en Macedoniërs. Daarentegen waren de Aziaten van alle aanzienlijke +en invloedrijke betrekkingen uitgesloten. In het belang van handel en +wetenschap liet hij de landen van den Ganges en de Caspische zee door +Megasthenes en Patrocles bereizen en onderzoeken.--2) S. II Callinicus +(Kallinikos), zoon en opvolger van Antiochus II, 247-226. Bij het +begin zijner regeering deed Ptolemaeus Euergetes, om den moord zijner +zuster Berenice (z. Antiochus no. 3) te wreken, een inval in Syrië, +waardoor een groot deel van het rijk verloren ging; vele jaren had +hij tegen den opstand van zijn broeder Antiochus Hierax te kampen; +verscheiden provincies, later een deel der bactrische en parthische +rijken, scheidden zich af en maakten zich onafhankelijk, eindelijk +maakte Attalus van Pergamus van deze verwarde toestanden gebruik om +zijn rijk ten koste van Syrië te vergrooten. Na een ongelukkig gevecht +tegen Attalus vluchtend, viel S. van zijn paard en stierf.--3) S. III +Ceraunus (Keraunos), zoon en opvolger van den vorigen, maakte krachtige +toebereidselen tot herovering van het onder zijn vader verlorene, +maar werd spoedig vermoord (223).--4) S. IV Philopator (Philopator), +zoon en opvolger van Antiochus d. G., werd na een zwakke regeering +(187-175) door zijn rentmeester Heliodorus vermoord.--5) S. V, oudste +zoon van Demetrius Nicator, kort na het aanvaarden der regeering door +zijne moeder vermoord (125).--6) S. VI Epiphanes (Epiphanes), zoon +en opvolger van Antiochus VIII, voerde oorlog tegen zijn oom en neef +(z. Antiochus no. 11 en 12) en kwam te Mopsuestia om het leven (95). + +Selge, Selge, belangrijke pisidische bergvesting, een weinig ten +N. der pamphylische grenzen aan den Eurymedon gelegen. De inwoners, +die den naam hadden af te stammen van Lacedaemoniërs, waren zeer +krijgshaftig en onderhielden steeds eene aanzienlijke krijgsmacht, +waarmede zij hunne onafhankelijkheid handhaafden. + +Selinus, Selinous, naam van onderscheidene steden en rivieren = +klimopstad, klimoprivier. 1) stad op de Z.W. kust van Sicilia op een +heuvel ten Westen van een gelijknamig riviertje. In een strijd met +Egesta, riep Sel. de hulp van Syracuse in, Egesta die van Athene, +hetgeen aanleiding gaf tot den grooten tocht der Atheners tegen +Syracuse. In 409 werd Selinus door de Carthagers geplunderd en +verwoest, doch herbouwd; in 249 werden de inwoners door de Carthagers +naar Lilybaeum overgevoerd en Sel. andermaal aan verwoesting prijs +gegeven. Het was ± 625 gesticht door Doriërs uit Megara Hyblaea. Zeer +belangrijke ruïnen vooral van dorische tempels zijn nog over.--2) +rivier in het elische distrikt Triphylia, zijtak van den Alpheus, +langs de stad Scillus stroomende.--3) rivier in Achaia, die tusschen +Aegium en Helice in zee valt.--4) riviertje in Mysia, nabij Pergamus, +zijtak van den Caicus.--5) zeestad in het W. van Cilicia, later +Traianopolis, de sterfplaats van Traianus. + +Sella (curulis), zie Curulis. + +Sellasia, Sellasia, stad in Laconica ten N. van Sparta, aan de rivier +Oenus. Hier werd Cleomenes III in 221 verslagen door Antigonus Doson. + +Selleis, Selleeis, 1) rivier bij Ephyra in Thesprotia, v. s. in +Elis.--2) rivier nabij Sicyon.--3) riv. in Troas, bij Arisbe, die in +den Hellespont uitstroomt. + +Selli, Selloi, Helloi, priesters van het orakel van Zeus te Dodona, +die uit het ruischen der bladeren van den heiligen eik de toekomst +voorspelden. Zij waren gewoon op den blooten grond te slapen en +hunne voeten niet te wasschen. Helli of Selli is ook de naam van de +oorspronkelijke bevolking van Hellopia; zie Epirus. + +Sellisternium. Daar het voor vrouwen niet welvoegelijk werd geacht, op +rustbedden aan tafel te gaan liggen, zaten zij aan tafel aan. Bij een +maaltijd, uitsluitend voor godinnen aangericht (zie lectisternium), +werden er, om de beelden op te plaatsen, stoelen (sellae) om de +tafel geplaatst. + +Sely(m)bria, Sely(m)bria, stad op de thracische kust aan de Propontis +(zee v. Marmara), oude volkplanting van Megara, thans Selivri. + +Sembella, zilveren munt ter waarde van 1/2 libella of as. De semissis, +ook = 1/2 as, was van koper. Door sommigen wordt het bestaan der +zilveren sembella als muntstuk betwijfeld. + +Semele, Semele, dochter van Cadmus en Harmonia, bij Zeus moeder +van Dionysus. Hera, die jaloersch op haar was, kwam tot haar onder +de gedaante van haar oude voedster en overreedde haar om Zeus te +verzoeken, zich in zijne volle majesteit aan haar te vertoonen, +zooals hij Hera bezocht. Daar Zeus haar vooraf beloofd had iederen +wensch van haar te zullen vervullen, konde hij niet anders dan aan +haar verzoek voldoen, maar toen hij haar te midden van donder en +bliksem verscheen, verbrandde S. door den gloed. Haar ongeboren kind +werd echter door Zeus gered (z. Dionysus), en later werd zij onder +den naam Thyone onder de onsterfelijken opgenomen. + +Sementinae, -tivae, rom. feest, na afloop van den zaaitijd op twee +door een week gescheiden dagen van Januari ter eere van Ceres en +Tellus gevierd, zie Feriae. + +Semiramis, Semiramis, dochter van Derceto (z. a.), gehuwd met den +assyrischen landvoogd Menon of Onnes, trok bij het beleg van Bactra +door haar schoonheid en heldhaftigheid de aandacht van koning Ninus, +die haar tot vrouw nam en bij wien zij moeder werd van Ninyas. Na den +dood van haar gemaal nam zij voor haar zoon de regeering in handen, +en gedurende haar geheel verder leven bleef zij die behouden; eerst +toen zij na eene regeering van 42 jaar gestorven of van de aarde +verdwenen was, volgde Ninyas haar op. Zij stichtte Babylon, liet +talrijke verbazingwekkende versterkingen, kanalen en bouwwerken +aanleggen en drong met hare legers zegevierend tot ver in Libye +door, ook ondernam zij een krijgstocht naar Indië, die echter +ongelukkig afliep.--V. s. hebben deze berichten, hoe overdreven ook, +betrekking op de babylonische, v. a. assyrische koningin Sammuramat, +die omstreeks 800 eenigen tijd voor haar minderjarigen zoon regeerde, +krijgstochten ondernam naar Syrië, Phoenicië, Palaestina en Medië en +den dienst van babylonische goden in Assyrië invoerde. + +Semis(sis), koperen munt = 6 unciae of 1/2 as, aan de eene zijde +gestempeld met een Jupiters-, Juno-, of Minerva-kop en de letter S, aan +den anderen kant met den voorsteven van een schip. Zie ook Sembella. + +Semnones, de machtigste der suebische volksstammen, ten N. der +Hermunduren, in het tegenw. Thuringen tusschen den Albis (Elbe) en den +Viadus (Oder). In hun gebied was in een heilig woud de vergaderplaats +van de afgevaardigden van den suebischen volkenbond. + +Semo Sancus, zie Dius Fidius. + +Semones, goddelijke wezens van sabijnschen oorsprong, wier dienst +door de Rom. werd overgenomen, in beteekenis gelijk aan de Genii. + +Semonia, z. Segesta. + +Semonides, waarschijnlijk juistere schrijfwijze dan Simonides. + +Sempronia (lex) de pecunia credita, van den volkstribuun M. Sempronius +Tuditanus (Sempronii no. 20) in 193. Door deze wet werden de rente- +en woekerwetten van Rome ook van toepassing gemaakt op de latijnsche +socii. + +Sempronia (lex) agraria van den volkstribuun Tib. Sempronius +Gracchus. Zie agrariae leges. + +Semproniae (leges) van den volkstribuun C. Sempronius Gracchus in +123 en 122. 1) lex agraria, zie agrariae leges.--2) lex frumentaria, +tot verkrijgbaarstelling van goedkoop koren, tegen 5/6 as den modius, +zie annona.--3) lex de civitate Italicis sociis danda; de bedoeling +was aan de Latini het burgerrecht, aan de andere socii de Latinitas +te verleenen; het plan hiertoe wordt reeds aan Tib. Gracchus +toegeschreven; ook ditmaal is de wet niet aangenomen.--4) lex, +ne de capite civium iniussu populi iudicaretur, eene vernieuwing, +vermoedelijk eene verscherping der leges Porciae. Deze wet was +oorspronkelijk gericht tegen P. Popilius Laenas (Popilii no. 5, +z. a.), die dan ook in ballingschap gegaan is.--5) lex iudiciaria, +die de iudicia aan de equites gaf, zie iudex en equites.--6) lex de +provinciis consularibus, dat de senaat jaarlijks nog vóór de comitiën +de consulaire provinciën moest aanwijzen.--7) lex de provincia Asia a +censoribus locanda, een wet, die de censoren verplichtte de belastingen +van de provincie Asia (het rijk van Pergamum) te verpachten; deze +wet was voor Asia een groote ramp, zie publicani.--Nog andere wetten +worden vermeld, die vermoedelijk slechts bij een ontwerp gebleven zijn, +of waarvan de inhoud duister is. + +Sempronii, rom. geslacht, waarvan alleen de Atratini +patricisch zijn. 1) A. Sempronius Atratinus, consul in 497 en +491.--2) L. Sempr. Atratinus, consul in 444, censor in 443.--3) +S. Sempr. Atratinus, consul in 423, voerde een ongelukkigen oorlog +tegen de Volscen. In 422 hierom aangeklaagd, werd hij vrijgesproken, +maar in 420 wederom aangeklaagd en tot eene boete veroordeeld.--4) +A. Sempr. Atratinus, was bij herhaling consulairtribuun, in 425, +420 en 416. Hij was een zoon van no. 2.--5) L. Sempr. Atratinus, +consul in 34, was in den burgeroorlog vlootvoogd van Antonius, doch +verliet diens zijde nog voor den slag bij Actium. Later sloeg hij +levensmoede de hand aan zich zelf.--6) C. Sempr. Blaesus, consul in +253, ondernam met zijn ambtgenoot Cn. Servilius Caepio een tocht naar +Africa. Zij voerden niet veel uit, leden op de tehuisreis schipbreuk +en verloren 150 schepen. In 244 was Blaesus andermaal consul.--7) +Tiberius Sempr. Gracchus, consul in 238, versloeg de Liguriërs en +bezette Sardinia en Corsica.--8) Tib. Sempr. Gracchus, zoon van no. 7, +consul in 215, behaalde met een leger, grootendeels bestaande uit +slaven, wien de vrijheid beloofd was (volones), eene overwinning op +Hannibals onderveldheer Hanno bij Beneventum (214). In 213 was hij +ten tweeden male consul, maar in het begin van 212 werd hij door Mago +in een hinderlaag gelokt en sneuvelde.--9) Tib. Sempr. Gracchus was +in 190 in den syrischen oorlog legaat van L. Cornelius Scipio; in +187 was hij volkstribuun en trad toen als verdediger der gebroeders +Scipio op (zie Cornelii no. 13). In 180 ging hij als praetor naar +Hispania, streed zegevierend tegen de Celtiberiërs en hield in 178 +een luisterrijken triumftocht. In 177 was hij consul en bevocht hij +de Sarden. In 169 was hij censor en in 163 nogmaals consul. Hij was +gehuwd met de edele Cornelia, dochter van P. Corn. Scipio Africanus +maior. Van 12 kinderen behield hij slechts 3 in leven; de gebroeders +Tib. en C. Gracchus en eene dochter Sempronia, later de echtgenoote +van Scipio Africanus minor.--10) Tib. Semp. Gracchus, zoon van no. 9, +diende in 146 onder zijn zwager Scipio in Africa en in 136 in den +numantijnschen oorlog onder den proconsul C. Hostilius Mancinus. Over +land naar Rome terugkeerende, werd hij getroffen door de ellende der +armere klasse, terwijl de rijken grooter grondbezittingen hadden, dan +zij konden bebouwen. In 133 trad hij als volkstribuun met eene akkerwet +op, eene vernieuwing, eenigszins verzacht, van een nimmer uitgevoerde +vroegere wet (zie agrariae leges). Toen zijn ambtgenoot M. Octavius, +ondanks de smeekingen van Gracchus, zich tegen de behandeling bleef +verzetten, stelde Gr. aan het volk voor, Octavius af te zetten. Dit +geschiedde, doch aan de onschendbaarheid van het volkstribunaat was +hierdoor een zware slag toegebracht. Toen hij nu ook voorstelde, de +rijke erfenis van Attalus III van Pergamus niet in de schatkist te +storten, maar onder de onvermogende burgers te verdeelen, opdat zij +bij den te verkrijgen grond ook eenig bedrijfskapitaal zouden hebben, +besloot de senaatspartij geweld te bezigen. Ten einde zich voor het +volgende jaar tot volkstribuun te doen herkiezen, had Gr. met zijne +aanhangers tijdig post gevat op het Capitool, doch werd door een +aantal senatoren en gewapenden onder aanvoering van Scipio Nasica, +bijgenaamd Serapio (zie Cornelii no. 21) overrompeld en met 300 +der zijnen omgebracht. Zijn lijk werd in den Tiber geworpen.--11) +C. Sempr. Gracchus, broeder van no. 10, doch bijna 10 jaren jonger, +hernieuwde als volkstribuun in 123 de pogingen zijns broeders (zie +agrariae leges) en zocht door verschillende wetten (zie Semproniae +leges) de optimatenpartij te fnuiken (123 en 122). Deze echter +slaagde er in, een anderen volkstribuun, M. Livius Drusus, over te +halen, om door fraaie beloften en schoonklinkende woorden Gracchus' +invloed bij het volk te ondermijnen. Dit ging te gemakkelijker, omdat +Gr. als triumvir coloniae deducendae naar Carthago was vertrokken, +zie Rubria (lex). Voor 121 werd Gr. niet herkozen. Een der nieuwe +tribunen, Minucius Rufus (z. Minucia (lex) van 121), stelde nu voor, +al de sempronische wetten in éénen adem op te heffen. Toen hierover +zou gestemd worden, bezette Gr., die het plegen van geweld voorzag, +met eene gewapende menigte den Aventijnschen berg, doch werd door +den consul L. Opimius, aan het hoofd van senaat en ridderstand, +verdreven. Omstreeks 3000 zijner aanhangers vielen in en na den +strijd. Gr. zelf liet zich, om niet in handen zijner vijanden te +vallen, door een slaaf dooden.--12) Sempronia, zuster van no. 10 en +no. 11, gehuwd met Scipio Africanus minor (Cornelii no. 18).--13) +Tib. Sempronius Gracchus werd door Augustus verbannen wegens +ongeoorloofden omgang met diens dochter Julia. Tiberius liet hem ter +dood brengen (14 n. C.). Hij is misschien de door Ovidius (Ex Ponto IV, +16, 31) genoemde tragische dichter Gracchus.--14) Tib. Sempr. Longus, +consul in 218 bij het uitbreken van den tweeden punischen oorlog, +veroverde Melite (Malta) en wilde naar Africa oversteken, toen hij op +het bericht van Hannibals nadering werd teruggeroepen. Hij werd door +H. bij de Trebia verslagen. In 215 versloeg hij den Carthager Hanno in +Zuid-Italië bij Grumentum.--15) Tib. Sempr. Longus, zoon van no. 14, +consul in 194, overwon de Bojers.--16) P. Sempr. Sophus, consul in 304, +onderwierp de Aequi. In 301 was hij magister equitum van den dictator +M. Valerius Corvus, in 299 (v. a. in 300) censor. In deze hoedanigheid +vermeerderde hij het aantal tribus met twee. Hij was een der oudste +iurisconsulti.--17) P. Sempr. Sophus, consul in 268, voltooide de +onderwerping van Picenum. In 252 was hij censor met M.' Valerius +Maximus Messa(l)la (Valerii no. 16); zij stieten 15 senatoren uit den +senaat.--18) P. Sempr. Tuditanus ontkwam als krijgstribuun in 216 na +dapperen strijd aan het bloedbad bij Cannae, was in 213 praetor, in +209 censor, in welke hoedanigheid hij Q. Fabius Maximus (Cunctator) +tot princeps senatus benoemde. In 204 streed hij als consul bij +Croton voorspoedig tegen Hannibal.--19) C. Sempr. Tuditanus leed +als praetor in 197 eene nederlaag door de Hispaniërs en stierf aan +de bekomen wonden.--20) M. Sempr. Tuditanus, volkstribuun in 193 +(zie Sempronia (lex) de pecunia credita), consul in 185, overwon +de Apuanische Liguriërs.--21) C. Sempr. Tuditanus diende in 146 +onder L. Mummius in Griekenland en was consul in 129. Hij schreef een +geschiedkundig werk.--22) Sempr. Asellio, geschiedschrijver, schreef de +geschiedenis van zijn tijd, vanaf den Numantijnschen oorlog, toen hij +onder P. Scipio Africanus krijgstribuun was (134), tot op Livius Drusus +(91).--22) C. Sempr. Rufus, een vriend van Cicero.--23) Sempr. Densus, +centurio bij de lijfwacht, trachtte, bij het oproer tegen Galba, +diens aangenomen opvolger C. Calpurnius Piso Licinianus met eigen +lijfsgevaar te beschermen.--24) Sempronia, echtgenoote van D. Iunius +Brutus (Iunii no. 5), deelgenoote van de samenzwering van Catilina. + +Sena, 1) Sena Gallica, Sene, thans Senigaglia, stad der senonische +Galliërs, op de umbrische kust aan den mond der riv. Sena gesticht, +sedert 283 rom. kolonie. In de nabijheid, aan den Metaurus, sneuvelde +Hannibals broeder Hasdrubal in 207.--2) Sena Iulia, Saina, thans Siena, +rom. kolonie in Etruria, ten Z. van Florentia.--3) Sena, eil. aan +de W.punt van Gallia, thans Sein, met een orakel onder toezicht van +negen maagden, die door het volk voor toovenaressen werden gehouden. + +Senaculum, plaats waar de senatoren te Rome zich verzamelden totdat het +uur der zitting aanbrak. Het lag aan de N.W. zijde van het Comitium, +naast het Vulcanal. + +Senatus, boule. In den koningstijd werd de koning in het bestuur +bijgestaan door een raad der ouden (senatus, consilium regium), +door hem zelven uit de patricische geslachten gekozen; de leden, +patres (z. a.), waren oorspronkelijk ten getale van 100, later van +300. Bij het begin van de republiek ging de keuze der leden (lectio +senatus) over op de consuls, die in de eerste plaats patriciërs kozen; +eerst sedert de instelling der tribuni militum consulari potestate +komen waarschijnlijk ook plebejers onder de senatoren voor, die dan +conscripti geheeten hebben (zie patres). De lex Ovinia (z. a.) draagt +de keuze op aan de censoren, terwijl de leden oud-ambtenaren en voor +het meerendeel plebejers zijn. De curulische overheden behielden +voortaan na het einde van hun ambtsjaar zitting in den senaat +tot aan den eerstvolgenden census en kwamen dan natuurlijk in de +eerste plaats voor senatoren in aanmerking. Tot zóó lang waren zij +geene senatoren, maar personen, quibus in senatu sententiam dicere +licebat. In ± 300 hebben ook de aediles plebis dit recht gekregen, +terwijl het plebiscitum Atinium (zie Atinia (lex)) dit zittingsrecht +ook tot de volkstribunen uitbreidde. Sedert Sulla (zie Corneliae +leges van 81, aan het slot) werden ook de quaestoren in den senaat +toegelaten. Recht van zitting had ook de flamen Dialis. Sulla hief de +lectio senatus geheel op door de bepaling, dat jaarlijks 20 quaestoren +moesten gekozen worden, die in den senaat zitting zouden nemen en +houden. Met het herstel der censuur (70) kwam ook de lectio senatus +terug, en terstond werd een aantal onwaardigen van de lijst geschrapt +(senatu movere, eiicere). P. Clodius Pulcher zocht in 58 dit recht +van uitstooting te beperken (zie Clodiae leges no. 4). Wat het getal +betreft, schijnt de normale sterkte steeds op 300 te zijn gebleven, +totdat Sulla het aantal op 600 bracht (zie Corneliae leges van 81 +aan het slot). Zeker echter is het, dat de vergadering nooit door +zooveel leden werd bijgewoond. De drukst bezochte senaatsvergadering +(senatus frequentissimus) tijdens de republiek, waarvan wij kennis +dragen en waarin Cicero's terugroeping uit de ballingschap ter tafel +werd gebracht, telde 417 leden. Natuurlijk waren er altijd een aantal +senatoren in dienst van den staat afwezig als stadhouders, legaten, +enz. Caesar bracht het getal op 900, Antonius op 1000, welk getal later +door Augustus op 600 werd teruggebracht. De werkkring van den senaat +omvatte wel in het algemeen alles wat in het belang van den staat +was, doch er waren vooral drie zaken, waarin de senaat zelfstandig +handelde: de eeredienst, het finantiewezen en de buitenlandsche +aangelegenheden. Onder het keizerrijk veranderde de toestand. De +volksvergadering hield op te bestaan en hare rechten gingen over op den +senaat; bovendien werd de senaat gerechtshof bij belangrijke politieke +processen tegen hooggeplaatste personen; doch naarmate de absolute +macht der keizers toenam, moest de beteekenis van den senaat lager +zinken. Vóór Augustus was er geen maatstaf van vermogen vastgesteld +voor de waardigheid van senator. Augustus stelde een census senatorius +van 1 millioen sestertiën vast.--De zittingen moesten gehouden worden +in een templum (z. a.); de voornaamste plaats was de curia Hostilia +aan het forum. Wanneer overwinnende veldheeren hunne aanvraag om +een triumftocht aan den senaat voordroegen, geschiedde dit in den +Bellona-tempel, buiten de stad. Ook tal van andere vergaderplaatsen +worden genoemd, als: de tempel der Eer, der Trouw, der Eendracht, +die van Jupiter Capitolinus, van Jupiter Stator (waar Cicero zijne +rede tegen Catilina uitsprak), de curia Pompei, het theatrum Pompei +(waar Caesar werd omgebracht) enz. In enkele gevallen ook kwam de +senaat onder den blooten hemel, sub divo, bijeen, b. v. wanneer het +prodigium gemeld werd, bovem locutam esse. De zittingen waren wel niet +voor het publiek toegankelijk, doch de deuren van het gebouw bleven +geopend en in de zaal waren ook scribae, herauten en dgl. aanwezig, +tenzij bij eene geheime zitting. Het recht om den senaat bijeen te +roepen (cogere, vocare senatum) viel niet samen met het recht om hem +te leiden (habere, consulere senatum, agere cum patribus, referre +ad senatum) en senaatsbesluiten te maken. Beide rechten waren deel +van het imperium; maar in de 3de eeuw is het ius agendi cum patribus +ook aan de volkstribunen gegeven, niet echter het recht den senaat +bijeen te roepen. De overheidspersoon, die den senaat bijeengeroepen +had, gewoonlijk de consul, die de maandbeurt had, bij afwezigheid +van beide consuls de praetor urbanus, bracht de aan de orde zijnde +punten ter tafel (dit heet relatio) met de formule: quod bonum faustum +felix fortunatumque sit populo Romano Quiritium. Referimus ad vos, +patres conscripti, enz. Na de zaak te hebben ingeleid, vroeg hij: +de ea re quid fieri placet? en noodigde dan de senatoren, quibus ius +sententiae dicendae erat, in bepaalde volgorde (die echter niet in +alle tijden dezelfde is geweest) uit, hunne meening te zeggen, op deze +wijze: quid censes, M. Tulli? Allen waren verplicht te antwoorden, +en de eerst gevraagde senator moest omtrent het aan de orde zijnde +onderwerp een voorstel doen. Daartoe stond hij op en hield een rede +(stans sententiam dicebat). Zijn conclusie leidde hij in met censeo +of decerno of mihi placet. Hij, die daarop gevraagd werd, kon met +het gedane voorstel (sententia) instemmen, of een ander voorstel +doen. Hij kon echter ook zoolang sproken als hij verkoos en kon +ook, als hij over de voorgestelde zaak had uitgesproken, over elke +andere zaak het woord voeren: men denke aan Cato's praeterea censeo +Carthaginem esse delendam. Daar een senaatsbesluit vóór zonsondergang +behoorde genomen te zijn, werd dit middel wel eens gebezigd om het +nemen van een besluit te verhinderen (diem dicendo consumere). De +ambtenaren werden niet naar de rij af gevraagd, maar allen hadden +het recht het woord te nemen, wanneer het hun behaagde. Na afloop +van de discussies rangschikt de voorzitter de verschillende adviezen +(pronuntiabat sententias) en liet dan daarover één voor één stemmen +(discessio z. a.). Zie verder pedarii. Was nu de agenda afgehandeld, +dan konden de andere ambtenaren, die het ius relationis hadden, de +leiding overnemen, maar bepaalden zich dan gewoonlijk bij zaken, die +tot hun werkkring behoorden (referre de singulis rebus). Het recht om +den algemeenen politieken toestand ter sprake te brengen (referre de +republica) kwam alleen toe aan dengene, die den senaat bijeengeroepen +had. Deze had ook het recht van intercessio tegen iederen ambtenaar, +die de leiding van hem overgenomen had, ook tegen de volkstribunen, +die van het ius referendi het meest gebruik maakten. De grond van +dit recht van intercessio was deze, dat de magistraat, die de leiding +overnam, alienis auspiciis handelde. + +Senatus auctoritas, senatus consultum. Een rechtsgeldig senaatsbesluit +heet senatus consultum. Het werd op schrift gebracht door den +voorzitter, die hierbij bijgestaan werd door eenige senatoren, qui +scribendo adfuerunt. Werd een besluit door intercessio getroffen, +dan heette het senatus auctoritas; het werd, hoewel het niet +voor uitvoering vatbaar was, toch opgeteekend. De intercessio kon +uitgeoefend worden door magistraatspersonen, qui eadem potestate qua +ii qui senatus consultum facere vellent, maioreve essent, en door de +tribuni plebis. Z. ook senatus aan het einde. Een senatus consultum +tacitum is een besluit, in eene geheime zitting genomen. Omtrent +de senatus auctoritas, vereischt voor wetsvoorstellen in de +com. centuriata zie men patres. + +Senatus consultum ultimum was de uiterste maatregel, waartoe de +senaat overging, wanneer de staat door binnenlandsche onlusten of een +buitenlandschen vijand naar zijn meening in gevaar verkeerde. Het +was een uitnoodiging aan de in het besluit genoemde ambtenaren, +in den vorm videant consules, (enz.) ne quid respublica detrimenti +capiat. Zij verzocht hen, op eigen gezag alle naar omstandigheden +noodige maatregelen te nemen, die in hun bevoegdheid lagen, zooals +vormen van een leger met buitengewone lichtingen, bevelen uitvaardigen +aan burgers en bondgenooten, met geweld de rust herstellen, enz. Zie +ook hostis iudicatio. + +Senatus municipalis. In de rom. municipia had men een gemeenteraad, +senatus genoemd, wiens leden decuriones heeten en die ook wel ordo +decurionum wordt genoemd. In den regel bestond hij uit 100 leden. + +Seneca, familienaam, zie Annaei. + +Senecio, familienaam, zie Herennii. + +Senogallia = Sena Gallica. + +Senones, Senones, machtige gallische volksstam aan de Sequana +(Seine) in het latere Isle de France en Champagne. Hunne hoofdstad +was Agedincum (Sens in Champagne). Een gedeelte van dit volk trok ± +400 de Alpen over naar Italië en stichtte daar aan de Adriatische zee +de stad Sena, gewoonlijk Gallica bijgenaamd. Het waren deze Galliërs, +die in 390 de Romeinen aan den Allia versloegen en het Capitool +belegerden. In 283 werden zij door den consul P. Cornelius Dolabella +Maximus verslagen en zoo goed als vernietigd. Z. Ager Gallicus. + +Sentia Aelia (lex), zie Aelia Sentia (lex). + +Sentii. 1) C. Sentius overwon in 89 als praetor de Thraciërs, na +eerst zelf door hen te zijn verslagen.--2) C. Sentius Saturninus, +vriend van den jongen Sex. Pompeius, consul in 29, toonde zich uiterst +gestreng tegen afpersingen en ambitus. In 7 werd hij stadhouder van +Syria en hield toen den census in Iudaea, later (4 en 5 n. C.) was +hij legaat van Augustus in Germania.--3) C. Sentius Saturninus, een +zoon van no. 2, consul in de eerste helft van het jaar 4 na C., zie +Aelia Sentia (lex). In de tweede helft van ditzelfde jaar vindt men +als consul suffectus Cn. Sentius Saturninus, die in 19 na C. legaat +in Syria was.--4) Sentius Augurinus, een vriend van Plinius minor. + +Sentinum, Sentinon, versterkte stad in Umbria aan den Aesis. Hier +versloegen in 295 de Romeinen de vereenigde Samnieten, Galliërs +en Etruscers. Consuls waren toen Q. Fabius Maximus Rullianus (zie +Fabii no. 14) en P. Decius Mus, die volgens het verhaal zich ten +doode wijdde. + +Sepias, Sepias, Z.O. punt van het thessalische landschap Magnesia. + +Sepinum = Saepinum. + +Seplasia, eene straat te Capua, met parfumeriewinkels. + +Sepphoris, Sepphoris = Diocaesarea. + +Septem aquae, "de 7 meren", landstreek bij Reate in het sabijnsche +land. + +Septempeda, Septempeda, rom. municipium in het N. van Picenum, op de +grens van Umbria. + +Septemviri epulones, zie epulones. + +Septentrio, Aparktias, de Noordenwind, zie Windstreken. + +Septimii, rom. geslacht, waarvan in Cicero's tijd en later eenige +leden voorkomen, echter niet belangrijk genoeg voor afzonderlijke +vermelding. Aan het einde van de 2de eeuw na C. komt een dichter +Septimius Serenus voor. Zie ook Dictys no. 2. + +Septimius Geta, rom. keizer, zie Geta. + +Septimius Severus, rom. keizer, zie Severi. + +Septimontium, het zeven-heuvelenfeest, jaarlijks in Dec. te Rome +gevierd, oorspronkelijk alleen door dat gedeelte van de bevolking, +dat het Septimontium (zie Roma) vormde. + +Septizonium, paleis (z. echter ook Nympheum) door keizer Septimius +Severus aan de Z.O. zijde van den Palatinus opgericht. Het had drie +verdiepingen kolonnades, elke voorzien van eene kroonlijst, die op +de via Appia uitzagen. Paus Sixtus V liet het gebouw afbreken om aan +de zuilen een andere bestemming te geven. Ook keizer Titus had een +dergelijk gebouw laten oprichten. + +Septa = saepta, zie ovile. + +Septuaginta, hoi hebdomekonta, worden bij verkorting de 72 Joden +genoemd, die volgens het verhaal op last van Ptolemaeus Philadelphus +te Alexandrië het O.T. in het Grieksch hebben vertaald. Deze vertaling +was in de Hellenistisch-Joodsche en in den Oud-Christelijke wereld +algemeen in gebruik. De schrijvers van het Nieuwe Testament citeeren +deze uitgave, nooit den Hebreeuwschen bijbel. De taal is de Koine, +maar met belangrijke afwijkingen; men zou dit het Joden-Grieksch +kunnen noemen. + +Septunx = 7/12 as. Een muntstuk van deze waarde bestond niet. + +Sequana, rivier in Gallia, thans Seine. + +Sequani, keltisch volk, een der hoofdstammen van Gallia +Transalpina, aan de Westzijde van het Juragebergte, vijanden van de +Aeduërs. Hoofdstad: Vesontio (Besançon). + +Serapeum, Serapeion, Serapis-tempel. Beroemd was vooral het Serapeum +te Alexandrië in Aegypte, met een aanzienlijke bibliotheek, dat in +379 n. C. door Theophilus van Alexandria vernietigd werd. + +Serapion, Serapion, 1) van Alexandrië, stichter eener empirische +geneeskundige school, omstreeks 220.--2) van Antiochië, beroemd +wiskundige en aardrijkskundige, waarschijnlijk tijdgenoot van +Eratosthenes no. 2. + +Serapis, Sarapis, een god, wiens beeld door Ptolemaeus I naar +aanleiding van een droomgezicht uit Sinope gehaald werd en wiens +eeredienst hij in Aegypte invoerde. Hij werd beschouwd als eene +vereeniging van Osiris en Apis, als een god der afgestorven zielen, +heer van gezondheid en ziekte. Zijn dienst vond ook ingang bij de +Grieken en Rom., die hem met Zeus, Hades of Asclepius vereenzelvigden. + +Serbouis lacus, Serbonis limne, een langgestrekt, ondiep zoutmeer ten +O. van Aegypte langs de kust, in Casiotis. Daarvóór lag de Casius mons +(z. Casius no. 1), en ten W. Pelusium, de grensvesting van Aegypte. + +Serdica, Serdike, aanzienlijke stad in het N.O. van Thracia, nabij +de grenzen van Moesia en Dardania, in de bergstreek, waar de Scomius +zich van den Haemus afscheidt. Tgw. Sophia. Sedert Diocletianus +behoorde dit gedeelte van Thracia, als Dacia mediterranea, tot de +Praefectura Illyricum. Attila verwoestte de plaats, die echter weder +werd opgebouwd. + +Serenus Sammonicus (Q.), geleerde onder de regeering van Septimius +Severus en Caracalla, die een groote bibliotheek had; op last van +den laatstgenoemde werd hij ter dood gebracht. Zijn zoon, die den +zelfden naam droeg, schreef als leek een receptenboek in hexameters, +dat tot de lievelingslektuur van Alexander Severus behoorde, en nog +in de middeleeuwen veel werd gelezen. + +Seres, bewoners van Serica (z. a.). + +Sergestus, een van de tochtgenooten van Aeneas, door de rom. Sergii +als hun stamvader beschouwd. + +Sergii, aanzienlijk patricisch geslacht. 1) L. Sergius Fidenas, +consul in 437, verwierf zich zijn cognomen door zijne zegepraal +op de Fidenaten en Vejenten.--2) M. Sergius, krijgstribuun in 205, +ging met zijn ambtgenoot P. Matienus de schandelijke roofzucht der +rom. bezetting te Locri Epizephyrii te keer en werd hiervoor door +den rom. propraetor Q. Pleminius onder allerlei martelingen ter dood +gebracht.--3) M. Sergius Silus, overgrootvader van no. 5, onderscheidde +zich door moed in den tweeden punischen oorlog.--4) M. Sergius Silus, +zoon van no. 3, was onder Aemilius Paullus bevelhebber der ruiterij in +den oorlog tegen Perseus.--5) L. Sergius Catilina, achterkleinzoon van +no. 3, toonde van jongs af een diep bedorven karakter. Hij bezat groote +geestesgaven en was merkwaardig gehard tegen ontbering en inspanning, +doch paarde daaraan een zeldzame gave van verleiding tot het kwade. Hij +was een van Sulla's handlangers geweest bij de proscripties (zie +Gratidii no. 3), werd in 77 quaestor, in 68 praetor en wilde in 65 +naar het consulaat dingen, doch zag zich hierin verhinderd door eene +aanklacht wegens afpersingen. Toen smeedde hij eene samenzwering, +die echter door zijn eigen ongeduld mislukte. Toen hij in 64 niet tot +consul verkozen was, beraamde hij een tweede complot met een groot +aantal Rom. van aanzienlijken huize, voor een deel even berooid en +in schulden gedompeld als hij zelf. Het doel was niets minder, dan +de tegenstanders, den consul M. Tullius Cicero in de eerste plaats, +om te brengen, Rome op verschillende punten in brand te steken en +Italië en de provinciën onder elkander te verdeelen. Er waren te Rome +en elders duizenden onder het volk, die niets te verliezen hadden en +bij oproer en omwenteling althans de kans hadden iets te winnen. De +onbedachtzaamheid van een der samenzweerders was oorzaak, dat het plan +nog tijdig Cicero ter oore kwam, die hierop door zijne waakzaamheid +de uitvoering er van voorkwam (63) en Catilina noodzaakte, Rome te +verlaten en zich naar het leger te begeven, dat hij in het N. van +Etruria in de bergen bij Faesulae verzameld had. Eenige hoofden der +samenzwering bleven echter te Rome, en knoopten onderhandelingen aan +met een gezantschap der Allobrogen, die juist te Rome waren om den +senaat de grieven van hun volk kenbaar te maken. De brieven, die zij +den gezanten medegaven, werden echter door Cicero onderschept, waarop +de saamgezworenen in hechtenis werden genomen en, overeenkomstig het +gevoelen van de meerderheid van den senaat, doch tegen Caesars raad, in +den kerker door worging ter dood gebracht. Catilina zelf sneuvelde kort +daarop na dapperen strijd in een slag bij Pistoria tegen de troepen +van den legaat M. Petreius. De geheele loop der samenzwering is op +meesterlijke wijze door Sallustius te boek gesteld.--6) C. Sergius +Orata, een bekende lekkerbek en fijnproever, omstreeks het jaar 100. + +Serica, Serike, het land der Seres, Seres, en der Sinae, Sinai, +China. Het land der Sinae ligt ten Zuiden van Serica, en grenst aan +den Sinus Magnus (de Zuid-Chineesche zee) en aan India trans Gangem; +het is dus Zuid-China, terwijl Serica het binnenland en het Noorden +van China (Mongolië en Mandschoerije) inneemt. Bij de ouden was het +volk der Chineezen slechts bij naam uit de verhalen van oostersche +kooplieden bekend. Zij hadden den naam, een zacht en goedaardig volk +te zijn, dat echter den omgang met andere volken vermeed en niet +gemakkelijk vreemden toeliet. Ammianus Marcellinus (390 na C.) had +ook van den chineeschen muur gehoord. Ook wist men, dat Serica het +vaderland was der zijdewormen; vandaar sericum = zijde. Zijden stoffen, +vestes sericae, waren onder het keizerrijk ook te Rome niet onbekend. + +Seriphus, Seriphos, een klein eiland, tot de groep der Cycladen +behoorende, rotsig en onvruchtbaar, maar rijk aan metalen, o. a. ijzer +en magneet. Hier laat de mythe de kist aanspoelen, waarin Danaë was +opgesloten (zie Acrisius en Perseus en Dictys no. 1). Later vestigde +zich op S. eene ionische kolonie. In den perzischen oorlog weigerde +S. den Perzen schatting te betalen. Onder de rom. keizers werd het +een verbanningsoord. Aristoteles vermeldt het bestaan van kikvorschen +die niet kwaakten; vandaar Seriphios batrachos = een stomme, iemand +die niet spreekt. + +Sermyle, Sermyle, stad op de chalcidische landtong Sithonia. + +Serranus, familienaam in de gens Atilia (Atilii no. 7-9). + +Serrati, z. Bigati. + +Serrium, Serreion, kaap en kasteel op de thracische kust, tegenover +het eil. Samothrace. + +Sertorius (Q.), geb. te Nursia in het sabijnsche land, had zich +eerst op de studie van recht en redekunst toegelegd, diende als +soldaat onder Marius in den strijd tegen de Cimbren en Teutonen +(105-102) en vervolgens in Hispania onder T. Didius (97) als +krijgstribuun. Als quaestor in Gallia Cisalpina onderscheidde hij zich +in 91 door onvermoeiden ijver en in den marsischen oorlog door moed en +krijgstalent, en verloor op het slagveld een oog. In den burgeroorlog +was hij de partij van Marius toegedaan, en als praetor zelfs aanvoerder +van een der vier legers, die in 87 Rome bestormden. Hij verafschuwde +echter uit den grond van zijn hart de wreedheden, door Marius en +Cinna bedreven. Na den dood van deze beiden wanhoopte Sertorius aan +de verdere verdediging van Italië en Rome tegen Sulla en begaf hij +zich naar Hispania Citerior (83), welk gewest hem als praetor door +het lot was toegewezen. Sulla zond hem den proconsul C. Annius Luscus +achterna. Wel verdedigde een legaat van Sertorius, Iulius Salinator, +met moed den toegang tot de Pyrenaeën, doch na diens vermoording +zag Sertorius zich genoodzaakt voor Luscus te wijken en zocht in +Mauretania een toevluchtsoord. Van daar verdreven doolde hij op zee +rond, doch Luscus versloeg zijne vloot. Andermaal in Mauretania geland, +was hij gelukkiger (hij veroverde o. a. Tingis (Tanger)), totdat +een gezantschap der Lusitaniërs, die in opstand waren tegen Rome, +hem het bevel over hunne strijdkrachten kwam aanbieden. Toen begon +Sertorius een guerilla; van alle zijden stroomden hem hispanische +troepen toe, leger op leger der Rom. werd verslagen, de opstand +breidde zich voortdurend uit, en Q. Caecilius Metellus Pius (Caecilii +no. 17) kon dien niet meester worden. Doch ook Pompeius die in 76 +met een leger ter ondersteuning van Metellus naar Hispania trok, +kon evenmin Sertorius verslaan, en stelde toen een prijs op diens +hoofd. Niet om dit bloedgeld te verdienen, maar alleen uit naijver +en trotschheid smeedde een der onderbevelhebbers van Sertorius, de +optimaat M. Perperna, die het niet kon dulden aan een man van nederige +afkomst te moeten gehoorzamen, een complot, en S. werd in 72 op een +gastmaal vermoord. Hiermede was ook de kracht van den oorlog gebroken. + +Servare de caelo = signa observare de caelo. Deze uitdrukking +wordt in het bijzonder gebezigd voor het nemen van auspiciën met +de bedoeling de comitiën te storen. Bij de signa impetrativa kon +men twee wegen inslaan; men kon in het algemeen een teeken van de +goden vragen; men kon echter ook een bepaald teeken vragen en de +overige veronachtzamen. Wie dus bepaald een goedkeurend teeken afbad, +had slechts te wachten totdat hij zulk een teeken zag en had met de +overige, die hij niet gevraagd had, niets te maken. Maar evenzoo kon +men ook om een storend teeken vragen. Al wat naar onweder zweemde, +een verwijderd gerommel, dat voor donder kon doorgaan, een schijn +van weerlicht, kon te baat genomen worden om de comitiën te storen, +en reeds de aankondiging van een overheidspersoon, se servaturum de +caelo esse werd als storing beschouwd. De voorzitter had echter het +recht, een ambtenaar van minderen rang te verbieden, obnuntiatio aan +te wenden. Hij deed dit geregeld door aan de oproeping ter vergadering +toe te voegen: ne quis magistratus minor de caelo servare velit. De +leges Aelia et Fufia (± 156) regelden de obnuntiatio. Waarschijnlijk +bepaalde de lex Aelia, dat zoodanige storing niet slechts door hoogere +overheden tegenover lagere, maar ook door overheden van gelijken rang +tegenover elkander zou mogen geschieden (zelfs hadden de praetoren +als collegae minores de obnuntiatio tegenover de consuls) en door de +volkstribunen tegenover alle. Het belangrijke dezer wet lag vooral +hierin, dat nu ook volkstribunen elkander in het doordrijven van +wetten konden belemmeren; want de wet verklaarde uitdrukkelijk de +bovengenoemde verklaring voor eene afdoende obnuntiatio, waaraan +onmiddellijk gehoor moest worden gegeven. Ook waren nu de concilia +plebis aan de obnuntiatio onderworpen. De lex Fufia bevestigde de +lex Aelia en stelde strafbepalingen vast voor het aanwenden der +obnuntiatio op dagen voor kiescomitiën bepaald. De lex Clodia (58) +hief de bovengenoemde wetten voor de wetgevende comitiën op, doch werd, +daar Clodius de obnuntiatio in den wind had geslagen, door velen niet +als geldig erkend, hetgeen schromelijke verwarringen veroorzaakte. + +Servi, z. servitus. + +Servilia (lex) agraria, van den volkstribuun P. Servilius Rullus +(63). Zie onder Agrariae leges. + +Servilia (lex) de repetundis, van den volkstribuun C. Servilius +Glaucia (zie Servilii no. 23). De wet is gemaakt kort voor 111. Ze +beoogde een verscherping van de procedure bij crimen repetundarum +en een nadere uitwerking van de lex iudiciaria van C. Sempronius +Gracchus. O. a. verwierf volgens deze wet een Latinus, die +een rom. burger met goeden uitslag van afpersingen aanklaagde, +zelf het rom. burgerrecht. Ook werd door deze wet de ampliatio +(z. a.) afgeschaft en vervangen door de comperendinatio. + +Servilia (lex) iudiciaria van den consul Q. Servilius Caepio van 106 +(Servilii no. 15), waarbij de iudicia tusschen senatoren en ridders +in gelijke verhouding werden verdeeld. + +Servilii, oud geslacht, uit Alba Longa afkomstig. 1) P. Servilius +Priscus Structus, consul in 495.--2) Sp. Serv. Priscus Structus, +consul in 476.--3) C. Serv. Structus Ahala, magister equitum van +den dictator L. Quinctius Cincinnatus (439), doodde Sp. Maelius, +die weigerde voor den dictator te verschijnen. Later moest +hij hiervoor in ballingschap gaan. Zie Maelii no. 1 en 2.--4) +Q. Serv. Priscus Structus veroverde in 435 als dictator Fidenae, +waarnaar hij den bijnaam Fidenas kreeg. In 418 was hij opnieuw +dictator en overwon toen de Aequers.--5) C. Serv. Structus Axilla +was drie jaren achtereen consulairtribuun, 419-417. In 418 was +hij magister equitum van no. 4.--6) C. Serv. Structus Ahala, in +408 mag. eq. van den dictator P. Cornelius Rutilus Cossus, was een +hevig tegenstander der volkstribunen.--7) Q. Serv. Ahala, dictator +in 360, versloeg de Galliërs, die voor Rome waren verschenen.--8) +P. Serv. Geminus, consul in 252 en 248, streed, volgens een niet geheel +betrouwbaar bericht, voorspoedig op Sicilia tegen de Carthagers. Hij +en zijn tweelingbroeder Q. geleken zoo sprekend op elkander, dat zij +bijna niet te onderscheiden waren. Hieruit ontstond de familienaam +Geminus.--9) Cn. Serv. Geminus, consul in 217, sneuvelde in 216 bij +Cannae.--10) C. Serv. (Geminus), volkstribuun in 209, consul in 203, +bevrijdde zijn vader, die in 218 bij het stichten eener kolonie door +de Bojers krijgsgevangen was gemaakt (zie Lutatii no. 3). In 202 was +hij dictator comitiorum habendorum causa.--11) M. Serv. Pulex Geminus, +consul in 202, een dapper krijgsman, voerde in 202 en 201 het bevel in +Etruria en streed in 181 tegen de Liguriërs.--12) Cn. Serv. Caepio +was consul in 203, tegelijk met no. 10.--13) Cn. Serv. Caepio, +consul in 169, had drie zoons, die het consulaat hebben bekleed. De +oudste ging door adoptie in de gens Fabia over, zie Fabii no. 19.--14) +Cn. Serv. Caepio, ook een zoon van no. 13, consul in 141, was in 125 +een gestreng censor.--15) Q. Serv. Caepio, zoon van no. 14, consul +in 106 (zie lex Servilia iudiciaria), werd in 105 als proconsul door +de Cimbren bij Arausio verslagen. In 95 werd hij wegens wangedrag in +dien oorlog en onwettige plundering (men beschuldigde hem namelijk, de +tempelschatten van Tolosa (z. a.) verduisterd te hebben), aangeklaagd +en tot verbanning veroordeeld, terwijl zijne bezittingen verbeurd +verklaard en gerechtelijk verkocht werden. Z. Norbani no. 1.--16) +Q. Serv. Caepio, derde zoon van no. 13, consul in 140, verbrak +het verdrag, dat zijn broeder Q. Fabius Maximus Servilianus (Fabii +no. 19) met de Lusitaniërs gesloten had, en bewerkte dat Viriathus +door sluipmoord werd omgebracht.--17) Q. Serv. Caepio, kleinzoon van +no. 16, was een heftig tegenstander van L. Appuleius Saturninus (100), +en ook van M. Livius Drusus (91), toen deze den ridderstand de iudicia +poogde te ontrukken. In den marsischen oorlog lokte Pompaedius Silo +hem in eene hinderlaag, waar hij sneuvelde.--18) Q. Serv. Caepio, +zoon van no. 17, stierf nog jong in Asia. Hij nam zijn zusterszoon +M. Iunius Brutus (Iunii no. 9) als zoon aan, die hiernaar soms +Q. Caepio Brutus wordt genoemd.--19) Servilia, dochter van no. 17, +was gehuwd met M. Iunius Brutus, den vader van Caesars moordenaar. Zij +was eene stiefzuster van Cato van Utica, en stond bekend als eene +zeer schrandere, ontwikkelde vrouw, wier invloed in staatszaken +niet gering was. Eene zuster van haar was gehuwd met L. Licinius +Lucullus.--20) P. Serv. Vatia, consul in 79, tuchtigde in 78 en 77 +de cilicische en lycische zeeroovers op eene nadrukkelijke wijze, +drong vervolgens in den Taurus door, beoorloogde de Isauriërs (76) +en verwierf zoo den bijnaam Isauricus.--21) P. Serv. Vatia Isauricus, +zoon van no. 20, in 48 Caesars medeconsul, een zachtzinnig man, +sloot zich na Caesars dood bij Cicero aan tegen Antonius.--22) +P. Serv. Casca, volkstribuun in 43, bracht aan Caesar den eersten +dolkstoot toe en werd daarbij zelf door Caesar met een schrijfstift +aan de hand gewond. Zijn broeder C. Serv. Casca, behoorde wel tot +de saamgezworenen, doch niet rechtstreeks tot de moordenaars.--23) +C. Serv. Glaucia, tribunus plebis kort voor 111 (z. Servilia (lex) +de repetundis), praetor in 100, een slecht, beginselloos mensch, +zeer geslepen, bevorderde de plannen van Marius en Saturninus en +werd met Saturninus om het leven gebracht.--24) P. Serv. Globulus, +vriend van Cicero, volkstribuun (66) en later praetor in Asia.--25) +P. Serv. Rullus, volkstribuun in 63; zie onder Agrariae (leges): +lex Servilia agraria. + +Servitus, 1) servituut, in den regel zakelijke rechten, die men op +eens anders grond of erf heeft en waarvoor zoodanig erf dienstbaar +is. Men onderscheidde ze in servitutes praediorum rusticorum, die op +landerijen rustten, en servitutes praediorum urbanorum, op gebouwde +eigendommen. Tot de eerste, die res mancipi (z. a.) zijn, behoorden: +actus, het recht om vee over eens anders land te drijven, iter, het +recht te voet of op een rijdier over eens anders grond te gaan, via, +er met een voertuig over te rijden, aquaeductus, het recht om over +vreemden grond water te leiden. Het servituut van via sloot dat van +actus en iter in, bij via was een bepaalde rijweg aangewezen. Onder +de tweede soort worden o. a. vermeld: ius tigni immittendi, het recht +om balken in 's buurmans muren te leggen, ius proiiciendi, het recht +om een bovenbouw over eens anders grond te laten uitspringen, ius +stillicidii en fluminis, het recht van afvoer van regen- en ander +water, ius luminum, het recht om licht te ontvangen zonder dat de +buurman dit mag betimmeren. Servitutes personarum zijn diensten +waartoe een bepaald persoon krachtens overeenkomst is verplicht.--2) +toestand van slavernij. Volgens het rom. recht is diegene slaaf, qui +iustam servitutem servit. Hij was wel een mensch, doch geen persoon, +slechts eene res, die zijn meester toebehoort. Men werd slaaf door +geboorte of door verlies zijner vrijheid, in het laatste geval door +krijgsgevangenschap of door de capitis deminutio maxima (vgl. verna, +ius postliminii en capitis deminutio). De eigenaar was onbeperkt +heer en meester over zijne slaven; slechts kon eene al te wreede +behandeling door de censoren bestraft worden; onder de keizers kwam +hierin verandering. Vrijverklaring heette manumissio (z. a). Servi +publici waren slaven in dienst van den staat. Zie ook Douleia.--3) +servitus poenae, eerst onder de keizers in zwang gekomen voor personae +humiles, die veroordeeld werden ad opus publicum, tot dwangarbeid +bij openbare werken, ad metalla, tot dwangarbeid, in de mijnen, +steengroeven en dgl., ad bestias, om in het amphitheater tegen de +wilde dieren te vechten. + +Servius, 1) rom. vóórnaam, vooral in de gens Sulpicia voorkomende, +zoodat men wel eens Servii = Sulpicii gebruikt vindt.--2) +Servius Clodius (Claudius), romeinsch ridder, een man van groote +geleerdheid; hij was een ijverig taalkundige en maakte vooral studie +van Plautus. Hij bezat een uitgebreide bibliotheek, die na zijn +dood door zijn bloedverwant L. Papirius Paetus (Papirii no. 14) +aan Cicero ten geschenke werd gegeven. Hij was een schoonzoon +van L. Aelius Stilo Praeconinus (Aelii no. 7).--3) Servius Maurus +Honoratus, taalgeleerde op het einde der 4de eeuw na C., gaf te Rome +onderwijs in grammatica en rhetorica en heeft ons o. a. een uitvoerigen +commentaar op Vergilius nagelaten, met een schat van oudheidkundige en +mythologische ophelderingen en tal van fragmenten uit thans verloren +geschriften van verschillende schrijvers. + +Servius Tullius, zesde koning van Rome. Volgens de overlevering was hij +de zoon eener slavin Ocrisia, eene krijgsgevangene uit de latijnsche +stad Corniculum, en was hij in het paleis van Tarquinius Priscus te +Rome geboren. Eens zagen Tarq. en diens gemalin Tanaquil het hoofd +van den slapenden knaap door een stralenden lichtkrans omgeven en +daarop namen zij hem als kind aan. Hij wies op als een edel jongeling, +de lieveling van goden en menschen, hij huwde 's konings dochter en +werd na diens dood door het overleg van Tanaquil zijn opvolger. In +een nog bewaard fragment eener redevoering van keizer Claudius wordt +een ander verhaal medegedeeld, uit etrurische bron geput. Onder de +regeering van Tarquinius Priscus zou een Etruscer, met name Mastarna, +een aanhanger van Caeles Vibenna, met eene schaar uitgewekenen naar +Rome zijn gekomen en zich op den Caelischen berg hebben neergezet +en vervolgens zijn naam tegen dien van Servius Tullius verwisseld +hebben.--Na zijne troonsbeklimming trad S. T. spoedig als hervormer +op. Vooreerst trok hij drie heuvels binnen den kring der stad, +n.l. den Quirinalis, den Esquilinus en den Viminalis, en omringde nu +het geheel door een kolossalen muur. Wat in verschillende deelen van +Rome nog over is van den zoogenaamden agger Servii Tullii behoort +tot twee bouwperioden; de oudste muurbrokken zijn waarschijnlijk +uit de 6de eeuw, de jongere gedeelten uit den tijd der samnietische +oorlogen. Hij verdeelde vervolgens het terrein binnen de stad in 4 +wijken of tribus (z. a.) en het omliggende gebied in een zeker aantal +regiones, ook meestal tribus (rusticae) genoemd. Ten tweede bracht hij +een verbond tot stand tusschen Rome en Latium, met een bondsheiligdom, +den Diana-tempel op den Aventinus. Ten derde maakte hij eene nieuwe +indeeling van het volk, op timocratisch beginsel berustende, in +klassen en centuriën (zie centuria), zonder dat daarbij op afkomst +werd gelet. Zoo ontstonden de comitia centuriata. De patriciërs waren +den hervormingsgezinden koning moede, die al te zeer naar de zijde +der plebejers overhelde. Er vormde zich eene samenzwering, aan welker +hoofd 's konings schoonzoon L. Tarquinius stond, en S. T. werd na eene +43-jarige regeering (578-535) vermoord. Zoo luidt de overlevering; +in hoeverre in deze verhalen waarheid schuilt, is niet meer na te gaan. + +Sesamus, stad in Paphlagonia, zie Amastris no. 2. + +Sesos(tr)is, Sesos(tr)is, naam, door de Grieken aan Ramses II +(z. a.) gegeven. + +Sessa Aurunca = Suessa Aurunca. + +Sestertius, voor Semistertius, derdehalf = 2 1/2 as, de meest +algemeene zilvermunt en de algemeene rekenmunt bij de Rom. In het +schrijven werd hij aangeduid door LLS (libra libra semis), later IIS +of HS. Het dwarsstreepje is slechts een verbindingsstreepje. Bij de +munthervorming in 217 (zie as) werd de waarde van den sestertius op 4 +as bepaald. Eigenlijk is sestertius een adjectief en is de volledige +naam nummus sestertius; vandaar wordt ook meermalen alleen het woord +nummus gebezigd. Eene som van 1000 sestertiën, mille sestertium +(= sestertiorum) werd kortweg sestertium geheeten, waaruit zich +een nieuw onzijdig substantief vormde, d.v. decem sestertia = 10000 +sestertiën. Bij de veelvouden van 100000 echter bleef sestertium als +onverbuigbaar woord staan met een multiplicatief telwoord. Zoo is +dan b.v. eene som van quingenti sestertii = 500 sestertiën, quingenta +sestertia = 500 × 1000 sestertiën, quinquies sestertium = 5 × 100000 +sestertiën. Wanneer echter geldsommen geschreven worden met cijfers en +het teeken HS (dat voor al de drie beteekenissen geldt), moet men uit +den zin de bedoeling afleiden. Een liggend streepje boven de cijfers +b.v. CC duidt aan, dat men het getal met 1000 moet vermenigvuldigen; +staan de cijfers tusschen drie streepjes (twee staande rechts en links, +en één liggend van boven, b.v. |CC|), dan worden honderdduizenden +bedoeld. Die streepjes worden echter niet altijd geschreven. + +Sestii = Sextii. + +Sestinum, stad in het umbrische bergland, aan den N.O. kant der +Apennijnen. + +Sestus, Sestos, stad op de thracische Chersonesus aan den Hellespont, +tegenover Abydus. Nabij deze plaatsen sloeg Xerxes eene schipbrug +over de zeeëngte. Te Sestus woonde Hero (zie Leander). + +Sesubii = Esubii. + +Setabis = Saetabis. + +Setia, Setia, stad in Latium, ten Z.O. van Rome met belangrijken +wijnbouw. Het hoorde oorspronkelijk tot den latijnschen bond, kwam +later onder de Volscen, maar werd in 382 of 379 latijnsche kolonie. + +Seuthes, Seuthes, 1) koning der odrysische Thraciërs, opvolger van +Sitalces.--2) zoon van Maesades, trachtte het gebied waaruit zijn +vader verdreven was, door de hulp der 10.000 Grieken onder Xenophon +te heroveren. + +Severi. Vier rom. keizers hebben dezen naam gedragen. 1) L. Septimius +Severus, rom. keizer 193-211 na C., geb. te Leptis in Africa, +was onder Marcus Aurelius en Commodus achtereenvolgens stadhouder +in Gallia en Pannonia. Na den dood van Pertinax werd hij door zijne +legioenen te Carnuntum (aan den Donau) tot keizer uitgeroepen. Terstond +trok hij naar Rome op, waar zijn mededinger Didius Iulianus, die de +regeering van de praetorianen gekocht had, bij zijne nadering werd +vermoord. Hierop trok hij naar het O. op tegen zijn tweeden mededinger +Pescennius Niger, die bij Cyzicus, Nicaea en Issus verslagen werd +(194), en veroverde na een langdurig beleg Byzantium (196). De derde +mededinger was Clodius Albinus, veldheer in Britannia, die reeds op +marsch naar Italië was, maar bij Lugdunum (Lyon) verslagen en op +de vlucht gedood werd (197). Aldus meester van het rijk geworden, +zuiverde hij den rom. senaat, richtte eene nieuwe lijfwacht op (de +oude had hij reeds na den dood van Iulianus ontbonden), en voerde +een streng militair despotisme, eene soldatenregeering, in. Daarna +trok hij tegen de Parthen te velde, veroverde en vernietigde hunne +hoofdstad Ctesiphon (198) en keerde in 202 naar Rome terug, dat hij +met prachtige bouwwerken verfraaide, terwijl hij zich beijverde, +door een wijs en gematigd bestuur de herinnering aan zijne vroegere +gestrengheid uit te wissen. In 208 trok hij met zijn beide zoons +Caracalla en Geta naar Britannia, waar hij den bestaanden wal tegen de +Caledoniërs door een sterken muur verving (zie Britannia). Hij stierf +in 211 te Eboracum.--2) M. Aurelius Severus Alexander, geboren te +Arca Caesarea in Phoenicia, werd door zijn neef, keizer Heliogabalus +(z. a.), als zoon aangenomen, bij welke gelegenheid zijn eigenlijke +naam Alexianus in Alexander veranderd werd (221 n. C.). Spoedig echter +haalde de genegenheid van het leger hem den haat van den tyran op +den hals, die hem herhaaldelijk zocht te vermoorden, tot hij zelf +door de woedende soldaten werd omgebracht (222), waarop Alex. Sev., +13 jaar oud, doch zorgvuldig onderwezen en opgevoed onder de leiding +zijner voortreffelijke moeder Julia Mammaea en zijner brave grootmoeder +Julia Maesa, door senaat, volk en leger als keizer werd erkend. Hij +verhoogde het aanzien en de macht van den senaat. Hij trachtte het +binnenlandsch beheer te verbeteren en de uitspattingen van den door +Heliogabalus ingevoerden syrischen eeredienst tegen te gaan, doch hij +wilde ook de verslapte krijgstucht herstellen, hetgeen oorzaak was, dat +zijn staatsdienaar Ulpianus in 228 voor zijne oogen werd vermoord. In +232 voerde hij oorlog tegen den nieuw-perzischen koning Artaxerxes I; +in 234 trok hij op tegen de Germanen, die over den Rijn stroopten, +doch hij werd in een soldatenoproer met zijne moeder vermoord, waarop +Maximinus tot keizer werd uitgeroepen.--3) Flavius Valerius Severus, +een Illyriër, werd in 305 na C. door Galerius tot Caesar benoemd en in +306 tot Augustus, doch in den strijd tegen Maxentius werd hij in 307 +door zijne troepen verlaten en te Ravenna vermoord.--4) Libius Severus, +rom. keizer 461-465 na C., door Ricimer (z. a.) op den troon gezet. + +Severi. 1) Cornelius Severus, episch dichter, vriend van Ovidius.--2) +Iulius Severus, generaal van keizer Hadrianus in den oorlog +tegen de Joden, die onder leiding van Bar-Kochba waren opgestaan +(132-134 n. C.), zie Hadrianus; later was hij stadhouder van Syria +Palaestina.--3) Sulpicius Severus, omstreeks 400 na C., een Christen, +schreef eene historia sacra van de schepping tot op zijn tijd. + +Severiana (via), van Ostia over Antium naar Tarracina. + +Severus mons, rots in het Sabijnsche land op de grenzen van Picenum. + +Sevir of Sexvir, meest VIvir of IiiiiIvir geschreven, lid van een +college van 6 leden. 1) aanvoerder van de equites Romani equo publico, +in den keizertijd; ze worden voor een jaar benoemd; het eerst komen +ze voor tijdens keizer Augustus (2 v. C.).--2) lid van het bestuur +der Augustales in de municipiën; zie municipium. + +Sevo mons = Saevo mons. + +Sextans = 2 unciae = 1/6 as. + +Sextarius, rom. maat, iets meer dan een halve liter, het 1/48 deel +eener amphora, het 1/16 van een congius. + +Sextia (rogatio) van P. Sextius in 57, tot terugroeping van Cicero +uit de ballingschap, kwam niet in behandeling. + +Sextii of Sestii, dezelfde naam, hoewel men soms de eene schrijfwijze +hoven de andere ziet voorgetrokken. 1) P. Sestius Capitolinus +(v. a. Capito) Vaticanus, consul in 452 (z. Menenia Sestia (lex)) en +in 451 een der decemviri legibus scribundis.--2) L. Sextius Sextinus +Lateranus, in 366 de eerste consul uit de plebs ten gevolge der +Lex Licinia Sextia, waartoe hij zelf had medegewerkt. Zie Licinii +no. 4.--3) C. Sextius Calvinus, consul in 124, voerde voorspoedig +oorlog in Gallia Transalpina en stichtte de badplaats Aquae Sextiae +(Aix).--4) T. Sextius diende van af 54 als legaat onder Caesar in +Gallia. Later ontnam hij in dienst van Octavianus, de provincie +Africa aan Q. Cornificius, die in den strijd sneuvelde (42). Na +den slag bij Philippi moest hij Numidia afstaan aan den legaat +van Octavianus, C. Fuficius Fango, maar veroverde het weer na den +Perusijnschen oorlog. In 40 gaf hij de provincie en zijn troepen +over aan Lepidus.--5) P. Sextius of Sestius, quaestor in 63, zuiverde +Campania van de Catilinarii, dwong den consul C. Antonius aan Catilina +slag te leveren, hetgeen Ant. evenwel door zijn legaat Petreius liet +doen, en schaarde zich als volkstribuun in 57 geheel aan de zijde van +Cicero. Door zijn vijand P. Clodius werd hij in 56 van geweldenarij en +omkooping aangeklaagd doch door Cicero verdedigd en vrijgepleit. Bij +het begin van den burgeroorlog volgde hij Pompeius en ging eerst later +tot Caesar over.--6) L. Sestius, zoon van no. 5, volgde na Caesar's +dood eerst de vanen van Brutus, doch werd niettemin in 23 door +Augustus tot consul suffectus benoemd. Aan hem is gericht Horatius' +ode I. 4.--7) Q. Sextius, een aanzienlijk Romein, een senatorszoon, +onder Augustus, om zijne eenvoudige levenswijze zeer geacht, stichtte +te Rome eene wijsgeerige school vermoedelijk op stoicijnsche en +pythagoreïsche beginselen. Hij schreef in het Grieksch. Ten onrechte +neemt men wel eens aan, dat een verzameling spreuken van een zekeren +Sextus, die later in het Latijn vertaald is, maar waarvan het origineel +in 1880 teruggevonden is, van hem afkomstig is. Dit is het werk van +een Christen uit de 2de of 3de eeuw. Na Sextius trad zijn zoon als +hoofd der school op, daarna geraakte zij spoedig in verval. + +Sextilii, een rom. geslacht, dat geen mannen van beteekenis heeft +opgeleverd. 1) P. Sextilius (v. a. Sextius), propraetor van Africa, +verjoeg den als balling ronddolenden Marius uit zijne provincie.--2) +C. Sextilius Rufus, admiraal van Cassius in 43.--3) Sextilia, moeder +van keizer A. Vitellius, eene vrouw van strenge, oud-romeinsche zeden. + +Sextilis, vroegere naam der maand Augustus. + +Sextula = 1/6 uncia = 1/72 as. + +Sextus Empiricus, arts en sceptisch wijsgeer omstreeks 200 n. C. Van +zijne werken zijn bewaard gebleven Pyrroneiai hypotyposeis, eene +uiteenzetting van de leer van Pyrrho en Pros tous mathematikous, +waarin hij bezwaren ontwikkelt tegen de grondstellingen van iedere +wetenschap en ieder wijsgeerig stelsel. + +Sibuzates, volksstam in Aquitania, bij het tegenw. Sobousse aan +den Adour. + +Sibylla, Sibylla, een geheimzinnig vrouwelijk wezen, dat in +verschillende landen en in verschillende tijden voorkomt, in eenzame +holen woont en van Apollo de gave der voorspelling heeft. Gewoonlijk +nam men aan dat er meer dan ééne S. was, in latere tijden sprak +men van tien. De meest bekende is de S. van Cumae, die onder +verschillende namen voorkomt (Herophile, Demophile, Demo, Deïphobe, +Amalthea), uit Azië naar Italië kwam, zeer oud was en reeds aan +Aeneas de toekomst voorspelde. Eene verzameling van hare profetieën, +in het Grieksch opgesteld, werd door Tarquinius Priscus voor eene +groote som gelds gekocht. De verzameling, libri Sibyllini genoemd, +werd bewaard door IIviri (sedert 367 Xviri, sedert Sulla XVviri) +sacrorum of sacris faciundis, die in buitengewone omstandigheden, +vooral bij prodigia, van den senaat bevel kregen de boeken te +raadplegen (adire libros). Vooral door den invloed van deze boeken +werd de rom. godsdienst met vele grieksche elementen vermengd. Toen +zij bij den brand van het Capitolium (83) verloren gingen, werden +overal sibyllijnsche orakels opgezocht, en eene nieuwe verzameling +aangelegd, waaruit echter onder Augustus en Tiberius een aantal als +onecht verwijderd werden. De sibyllijnsche boeken behielden lang hun +invloed en zelfs de oudste Christenen ontzeiden hun niet alle gezag, +eerst onder Stilicho werden zij verbrand.--De nu nog bestaande Chresmoi +Sibylliakoi zijn van verschillende tijden en uiteenloopenden inhoud, +grootendeels bevatten zij als profetieën ingekleede historische +verhalen. + +Sibyrtius, Sibyrtios, onder en na Alexander d. Gr. satraap van +Arachosië en Gedrosië, later verbond hij zich met Eumenes, dien hij +echter verliet om tot Antigonus over te gaan. + +Sycambri = Sygambri. + +Sicania, Sicani, Sicanus, zie Sicilia. + +Sicanus, Sikanos, een van de strategen van Syracuse in den atheenschen +oorlog. + +Sicca, de vriend van Cicero, op wiens landgoed hij in zijn ballingschap +een schuilplaats vond. + +Sicca Veneria, Sikka, aanzienlijke stad in Numidia ten O. van den +Muthul; het behoort later tot Africa Vetus (Zeugitana). + +Siccii, zie Sicinii. + +Sichaeus, z. Dido. + +Sicilia, Sikelia, het bekende eiland Sicilië bij Italië. In +den mythischen tijd was het de woonplaats der Cyclopen en der +menschenetende Laestrygonen. In den historischen tijd vindt men +als oudste bewoners de Sicani, Sikanoi, vermeld, volgens Thucydides +afkomstig uit Iberia, waar zij aan de boorden eener rivier Sicanus, +Sikanos, later Sucro geheeten, zouden gewoond hebben, hetgeen +tegenwoordig op taalkundige gronden wordt tegengesproken. Later +vindt men hen slechts in de westelijke helft, terwijl het oostelijk +gedeelte bevolkt is door Siculi, Sikeloi, een door de Oscers uit Italia +verdreven volk. Niet onwaarschijnlijk is het, dat Sicani en Siculi tot +één stam behooren, die met de Latijnen verwant is. De grens tusschen +beide stammen is de rivier de Himera. In den Westhoek vindt men nog een +klein gebied bezet door Elemi, Elymoi, die over zee waren gekomen. De +mythe laat deze Elymers afstammen van Trojanen (zie Elymus), doch +de namen hunner steden Segesta, Entella, worden op de oostligurische +kust ook aangetroffen, terwijl met Eryx en den Venusdienst de haven +portus Veneris in Liguria overeenkomt. Op de kusten van het zoo +vruchtbare en uitstekend gelegen eiland vestigden zich een aantal +volkplantingen: phoenicische, carthaagsche, ionische en dorische. De +afstammelingen der grieksche kolonisten noemden zich Sikeliotai. Naar +de drie meest vooruitspringende kapen, Lilybaeum ten W., Pelorum ten +N.O., Pachynum ten Z., wordt het eiland bij dichters ook Trinacria, +Trinakria, geheeten, ook Sicania is een dichterlijke naam. Terwijl het +W. gedeelte in de macht der Carthagers kwam, breidde de machtige stad +Syracuse haar gezag over het O. deel uit. Beide mogendheden streefden +naar het bezit van het geheele eiland en bloedige worstelingen waren +hiervan het gevolg. In den eersten punischen oorlog verloor Carthago +zijn deel aan de Rom.; West-Sicilia werd toen de eerste rom. provincie +(241), het overige bleef syracusaansch tot aan den val van Syracuse +in 212. Beide deelen bleven, ofschoon één stadhouder hebbende, onder +rom. bestuur toch in zooverre administratief gescheiden, dat zij +elk een afzonderlijken quaestor hadden (één te Lilybaeum en één te +Syracuse), en dat in het syracusaansche gedeelte de tiendregeling in +stand bleef, zooals deze door koning Hiero II (260-215) was vastgesteld +(lex Hieronica frumentaria). De gemeenten in dit gedeelte werden +civitates decumanae genoemd en hare korentienden werden op het eiland +zelf verpacht; de gemeenten in het vroegere carthaagsche gedeelte, +waarvan de tienden te Rome met andere vectigalia door de censoren +verpacht werden, heetten civitates censoriae. In Cicero's tijd waren +Messana, Tauromenium en Netum civitates foederatae, Centuripae, Halesa, +Segesta, Panormus en Halicyae civitates liberae et immunes. Van de +verschillende civitates, 63 in getal, hadden alleen de burgers van +Centuripae recht van grondbezit over het geheele eiland. Sicilia +was door zijn graanbouw van groote waarde voor de Rom., die er +jaarlijks ontzaggelijke hoeveelheden koren uit trokken; terecht was +het aan Demeter geheiligd; thans is door de onverschilligheid der +latere bevolking de toestand geheel anders geworden. Berucht zijn de +afpersingen, door C. Verres gepleegd (73-71) en reeds van dit tijdstip +af openbaart zich bij de bevolking een zekere onwil, om verder hunne +akkers te bebouwen en zich te laten uitmergelen. Sicilia heeft een +aantal beroemde mannen voortgebracht, o.a., Theocritus, tijdgenoot +van Hiero II en den vader der bucolische poëzie. Bij Vergilius is +Siculus pastor = Theocritus, Sicelides Musae = de Muzen van het +herdersdicht.--De zee ten O. van het eiland heette mare Siculum; +door sommigen werd zij als een gedeelte der ionische zee beschouwd, +v. a. strekte zij zich tot Creta uit. + +Sicinii. 1) T. Sic. Sabinus, consul in 487, zegepraalde over de +Volscen.--2) C. Sic. Bellutus voerde het volk in 494 naar den Mons +Sacer en werd een der eerste volkstribunen (493).--3) C. Sicinius +of Siccius was onder de eerste volkstribunen, die krachtens de lex +Publilia Voleronis (471) door de plebs tributim werden gekozen. In het +volgende jaar klaagde hij met M. Duilius den trotschen App. Claudius +Sabinus, consul in 471, aan; deze stierf echter vóór den afloop +van het proces. Het verhaal van dit proces en van Claudius' dood is +geheel verzonnen. Zie Claudii no. 2.--4) L. Sic. of Siccius Dentatus, +bijgenaamd de rom. Achilles, een man die door zijne schitterende +wapenfeiten meer dan 300 militaire onderscheidingen had verworven, +120 gevechten had bijgewoond en 45 wonden in de borst had gekregen, +volkstribuun in 454, was een warm strijder voor de rechten der +plebejers. In 450 lieten de tienmannen hem in den oorlog tegen de +Aequers in eene hinderlaag vallen, waar hij sneuvelde. Dit verhaal is +verzonnen, met het doel de tienmannen van het jaar 450 als tyrannen +voor te stellen.--5) Cn. Sicinius, praetor in 183, werd in 172 met +een leger naar Macedonia gezonden.--6) C. Sicinius, door Cicero onder +de goede redenaars gerangschikt, overigens niet nader bekend.--7) +Cn. Sicinius, volkstribuun in 76, wendde vergeefsche pogingen aan om +de macht van het tribunaat te herstellen. Zijne vijanden wisten hem +uit den weg te ruimen. + +Sicinnis, sikin(n)is, de dans van het satyrdrama. + +Sicinus, Sikinos, eiland der Sporaden, ten Z. van de Cycladengroep +gelegen en om zijn wijnbouw vroeger Oenoë genoemd. + +Sicoris, Sikoris, thans Segre, zijtak van den Iberus (Ebro), stroomt +langs Ilerda (Lerida). + +Siculi, Sikeloi, zie Sicilia. + +Siculum fretum, thans straat van Messina. Zie ook Scylla. + +Siculus. 1) Calpurnius Siculus, bucolisch dichter uit Nero's tijd, +schrijver van 7 Eclogae.--2) Siculus Flaccus, rom. landmeter uit de +2de eeuw na C., schrijver van een werkje de condicionibus agrorum, +z. Groma.--3) Diodorus Siculus, zie Diodorus no. 3. + +Sicyon, Sikyon = augurkenstad, hoofdstad van het kleine peloponnesische +gewest Sicyonia, Sikyonia, aan den Z.O. hoek der Corinthische golf +gelegen. Volgens de overlevering was na Argos Sicyon de oudste +staat van Griekenland. Bij de dorische volksverhuizing kwam het +onder de Doriërs, in wier bezit het bleef. Het staatje, dat te +onbeduidend was om eenig gewicht in de schaal te leggen, stond van ± +670 tot 576 onder de zeer dragelijke heerschappij der Orthagoriden, +wier laatste telg Clisthenes was, de schoonvader van den Athener +Megacles. Hierna werd de regeeringsvorm een tijd lang democratisch, +totdat er onder den invloed van Sparta weder tyrannen kwamen. Eerst +sedert 249 vervulde Sicyon weder eene rol (zie Aratus) als lid van +het achaeisch verbond. Onder rom. heerschappij verviel het meer en +meer.--De sicyonische schilderschool (Eupompus, Pamphilus, Pausias) +kenmerkte zich door wetenschappelijke behandeling. De beeldhouwschool +legde zich minder toe op het scheppen van godenbeelden, dan van +schoone menschenfiguren. Onder de sicyonische beeldhouwers zijn vooral +beroemd Polycletus (z. a.) en Lysippus (z. a.), die ook een kundig +metaalgieter was. + +Sida, Side, Side, 1) aeolische kolonie op de kust van Pamphylia, +hoofdzetel van den dienst van Athena, die er werd afgebeeld met een +granaatappel (side) in de hand. De bevolking is grootendeels van +phoenicischen oorsprong.--2) havenstad in Pontus, later Polemonium +(z. a.).--3) vroeg vervallen stadje aan de Z.O. spits van Laconica. + +Sidero, Sidero, tweede gemalin van Salmoneus, wreede stiefmoeder van +Tyro, door wier zonen Neleus en Pelias zij gedood werd. + +Sidicini, een oscische volksstam in Campania (z.a.); hun stad heet +Teanum Sidicinum. + +Sidon, Sidon, de oudste en lang de machtigste der phoenicische steden, +eene sterke vesting met een dubbele haven. Door handel, zeevaart, kunst +en nijverheid en door het uitzenden van talrijke volkplantingen verhief +Sidon zich tot een hoogen trap van bloei, totdat het door het jongere +Tyrus overschaduwd werd. De sidonische schepen waren uitstekende +zeilers, de sidonische zeelieden in hun tijd de beste der wereld. De +nijverheid bloeide vooral door glasfabrieken en door de weverijen, +waar de kostbare sidonische gewaden werden vervaardigd. Van oudsher +stond Sidon onder erfelijke koningen, die ook onder de perzische en +de macedonische opperheerschappij aan het bewind bleven. In 675 was +Sidon door Assarhaddon van Niniveh vernietigd, maar als assyrische +kolonie weer opgebouwd. Sedert de 5de eeuw begint de grieksche +invloed er door te dringen. De 17 sarkophagen van de koningen van +Sidon, die in 1887 terug gevonden zijn, en zich nu in het Museum +te Constantinopel bevinden, zijn door grieksche kunstenaars van den +eersten rang vervaardigd. De verwoesting door den perzischen koning +Artaxerxes III Ochus (± 350), tot straf voor haren afval, bracht aan +de stad een onherstelbaren slag toe. + +Sidonius Apollinaris, voluit C. Sollius Apollinaris Modestus Sidonius, +in 428 na C. te Lugdunum (Lyon) geboren, bisschop van Clermont, +schrijver eener verzameling brieven en van enkele gedichten in vrij +gezwollen stijl, doch belangrijk voor de kennis van zijn tijd. + +Sidus, Sidous = granaatappelstad, sterke vesting in Corinthia, ten +O. van Corinthus. + +Sidussa, Sidoussa, vlek in Lydia in het gebied der ionische stad +Erythrae. + +Siga, Siga, handelsstad en rom. municipium op de kust van Mauretania +Caesariensis. + +Sigambri = Sygambri. + +Sigeum, Sigeion, kaap en stad in Troas, iets ten zuiden der invaart +van den Hellespont. In de nabijheid was het graf van Achilles. + +Sigillaria (van sigillum, deminutief van signum), het beeldjesfeest, +te Rome op 21 en 22 Dec. gevierd. Men gaf godenbeeldjes ten geschenke, +uit klei gebakken of uit metaal vervaardigd. Ook werden bontgekleurde +kaarsen en gebak in verschillende vormen weggegeven. Het schijnt vooral +een kinderfeest te zijn geweest. Er was te Rome eene beeldjesstraat, +via sigillaria, waar men winkels van zulke beeldjes had. Het feest +hing met de Saturnalia (z. a.) samen. + +Sigma, eene sofa in den vorm van een hoefijzer, aldus genoemd naar +den ouden vorm der grieksche letter, C. Dit sigma of stibadium +kwam in gebruik, toen de vierkante tafels door de ronde werden +verdrongen. Vgl. triclinium. + +Signia, thans Segni, stad in Latium aan den Oostkant der volscische +bergen, door Tarquinius Superbus gesticht en bekend door een tempel +van Jupiter Urius, door hard cement (opus Signinum), lekkere peren +en wrangen wijn. Van de cyclopische muren bestaan nog overblijfselen. + +Signum. Onder de verschillende beteekenissen van dit woord zijn er +vier, die hier behooren vermeld te worden, 1) beeld eener godheid, +nooit van een mensch, daar van menschenbeelden het woord statua +wordt gebezigd.--2) onderscheidingsteekenen van de verschillende +afdeelingen van het leger te velde, standaarden, waarvan de hierbij +gevoegde gravure er eenige te aanschouwen geeft. Vóór Marius +hadden de drie afdeelingen van het rom. voetvolk verschillende +standaarden, een wolf, een minotaurus, een everzwijn en een paard, +terwijl een adelaar met uitgespreide vlerken de standaard van het +legioen was. Marius schafte de genoemde bijzondere standaarden af +en behield alleen den legioensadelaar. Doch naast den standaard had +nog elke manipel zijn bijzonder onderscheidingsteeken, bestaande in +een geopende hand boven op een lans bevestigd, terwijl de cohorte +waarschijnlijk de afbeelding van een of ander dier voerde. De stok +is versierd met kransen en kronen (zie corona), waarschijnlijk in +den strijd verworven. Bij den legioensadelaar evenwel ontbreken +v. s. deze sieraden; hoogstens vindt men dezen dan getooid met een +vexillum, een lap doek. Het vexillum, vaandel, behoort vooral bij de +ruiterij te huis. Verder ziet men onder de signa ook een paar angues +of dracones. In de legerplaats werd vóór het praetorium eene verhooging +van zoden of aarde aangebracht, en daarin werden de legioenstandaarden +in den grond geplant. Het uittrekken er van was het sein tot den +marsch. Zat de stok zeer vast in den grond, zoodat de vaandeldrager, +signifer, hem slechts met groote moeite er uit kon trekken, dan gold +dit voor een slecht voorteeken. Aan de onderscheidingsteekenen te +velde zijn verschillende zegswijzen ontleend, als: signa in hostem +inferre = op den vijand aanrukken, signa conferre = handgemeen worden, +slaags raken, signa proferre = voorwaarts rukken, signa referre = +zich terugtrekken, signa transferre = zich overgeven, signa movere = +opbreken, signa figere = zijn leger opslaan, e. a.--3) Zie auguria.--4) +In de 3de en 4de eeuw na Christus een soort clubnaam. Zie onder nomen. + +Sigrium, Sigrion, kaap aan de Westkust van het eiland Lesbus. + +Sigynnes, Sigynnes, een half mythisch volk, volgens Herodotus ten +N. van den Ister (Donau) woonachtig. Sommigen willen hierin de +voorvaderen der Zigeuners zien. + +Sila, Sila, boschrijk gebergte in Bruttium, een deel der Apennijnen, +dat het beroemde bruttische pek opleverde. + +Silanion, Silanion, beroemd beeldgieter te Athene, tijdgenoot van +Alexander d. Gr. + +Silanus, familienaam bij de Iunii (Iunii no. 14-20) en de Turpilii. + +Silarus, Silaros, 1) grensrivier tusschen Campania en Lucania, valt +bij den mons Alburnus ten N. van Paestum in zee. Aan den Silarus werd +de zwaardvechtersveldheer Spartacus in 72 door Crassus verslagen.--2) +rivier in Gallia Cispadana, die ten O. van Bononia (Bologna) naar +den zuider Po-arm stroomt.--Beide rivieren heeten thans nog Silaro. + +Silenus, Seilenos, zoon van Hermes of Pan en eene nimf, de leermeester, +opvoeder en trouwe metgezel van Dionysus, de oudste der Satyrs. Hij +wordt afgebeeld als een vroolijk, oudachtig mannetje met stompen +neus, kaal hoofd en buitengewoon dikken buik. Hij houdt van zang en +muziek, maar vooral van wijn, steeds is hij in een roes, zoodat hij +gewoonlijk op een ezel moet rijden of zich door andere Satyrs moet +laten ondersteunen, daar zijne beenen slechts zelden in staat zijn hem +te dragen. Zijne attributen zijn een wijnzak, beker, thyrsusstaf en +krans van klimop.--Onder den invloed der mysteriën kreeg ook S. eene +hoogere beteekenis. Als leermeester van Dionysus werd hij beschouwd als +een wijze en profeet, ver verheven boven het ijdele streven der gewone +menschen, en werd hij ook op geheel andere wijze afgebeeld.--Soms +worden alle oudere Satyrs Silenus genoemd, ter onderscheiding draagt +dan de opvoeder van Dionysus den naam van Papposilenus. + +Silicernium, lijkmaal ter eere van een afgestorvene, hetzij op den dag +der begrafenis, hetzij eenige dagen later gegeven. Ook als scheldwoord +gebezigd = een afgeleefde oude vent, een oude sul. + +Silicius Coronas (P.), rom. senator, die in de rechtbank, door +Octavianus ingesteld om de moordenaars van Caesar te vonnissen, +openlijk ten gunste van die moordenaars, met name van Brutus, het +woord voerde en hiervoor later door Octavianus op de proscriptielijsten +werd geplaatst. + +Silii, plebejisch geslacht. 1) T. Silius diende onder Caesar in Gallia +en werd in 56 door de Veneti (op de kust van Bretagne) gevangen +gehouden.--2) P. Silius Nerva, in 51 propraetor van Bithynia, +een vriend van Cicero.--3) A. Silius, bevriend met Cicero en met +Atticus.--4) P. Silius Nerva, consul in 20, was eerst legatus pro +praetore van Hispania citerior, en streed daarna voorspoedig tegen +de Alpenbewoners, de Norici (16), de Pannoniërs en de Dalmaten.--5) +C. Silius, consul in 13 na C., voerde eenige jaren het bevel in +Germania en nam deel aan de tochten van Germanicus. Ook onderdrukte +hij in 21 den opstand van Sacrovir. Hij laadde echter den argwaan +van Tiberius op zich; door dezen van knevelarij beschuldigd, bracht +hij zichzelf om het leven (24).--6) C. Silius, zoon van no. 5, werd +onder Claudius met den dood gestraft wegens ongeoorloofden omgang +met Messalina, 48 na C.--7) Tib. Catius Silius Italicus, rom. dichter +en redenaar, 25-100 na C., was in 68 consul en later stadhouder van +Asia, en wijdde zich daarna op zijn landgoed aan de letterkunde. Hij +schreef een epos, Punica, in 17 boeken, dat in 1415 te St. Gallen +ontdekt is en over den tweeden punischen oorlog handelt; het verraadt +wel studie, doch weinig genie. Waarschijnlijk is ook aan hem toe te +schrijven een uittreksel uit de Ilias in hexameters gedicht, in de +M. E. bekend als Homerus latinus of Pindarus Thebanus. Daar Silius +aan eene ongeneeslijke kwaal leed, liet hij zich doodhongeren, ten +einde van zijn lijden bevrijd te worden. + +Silis, beekje in het land der Veneti, dat zich bij Altinum in de +Adriatische zee stort. + +Silloi, z. Timon no. 2. + +Silures, Silyres, machtig en dapper volk in het W. van Britannia, +in het Z.O. van het tegenw. Wales, met de steden Isca en Venta. Zij +verdedigden zich hardnekkig tegen de Romeinen. Ze zijn donker van +gelaatskleur, en hebben krulhaar; ze behooren niet tot de Kelten, +maar waarschijnlijk tot de Iberiërs. + +Silvanectes, volksstam in Belgica ten Z. der Suessiones. Hoofdstad: +Augustomagus, tgw. Senlis. + +Silvanus, familienaam in de gens Plautia (Plautii no. 5 en 8). + +Silvanus, rom. bosch- en veldgod, beschermer van planten, kudden en +van de grenzen der akkers. Hij heeft veel overeenkomst met Pan en +Faunus, houdt van muziek, is voor landlieden over het algemeen een +weldoend god, jaagt daarentegen gaarne den menschen schrik aan en is +daarom vooral voor kraamvrouwen te vreezen (z. Deverra). Te zijner +eere vierde men in den herfst een oogstfeest, waarbij men hem de +eerstelingen der vruchten, korenaren en melk offerde. + +Silvium, stad in Apulia op de lucanische grenzen, aan den weg van +Venusia naar Tarentum. + +Silvius, zoon of stiefbroeder van Ascanius, volgde hem in de regeering +over Alba Longa op; hij was de stamvader der albaansche koningen. + +Simbruini colles, heuvelstreek in het Z. van het land der Aequi, later +tot Latium behoorende, nabij het land der Marsen, tusschen Sublaqueum +en Treba. In de nabijheid lagen de Simbruina stagna, waterbekkens, +waarin zich verschillende bronnen en beken ontlastten, die door keizer +Claudius gebruikt werden tot voeding der aqua Marcia en door Nero voor +zijne schoone villa Sublaquensis. Thans zijn die kommen uitgedroogd, +doordat de beken zich een anderen weg gebaand hebben. + +Simeni, Simenoi = Iceni. + +Simmias, Simmias, 1) van Thebe, leerling van Philolaus, later vriend +van Socrates en Plato.--2) zoon van Andromenes, broeder van Polemo +no. 1.--3) epigrammendichter in den alexandrijnschen tijd. + +Simois, Simoeis, 1) een der beide riviertjes bij Troje; zie +Scamander.--2) op Sicilia; zie Egesta.--3) rivier in Epirus, +onzeker waar. + +Simonides, Simonides, 1) van Amorgus, beroemd jambendichter, jonger +tijdgenoot van Archilochus. Van zijne werken bestaan nog eenige +fragmenten, waaronder twee vrij lange.--2) van Iulis op Ceos, geb. 556, +een van de grootste grieksche lierdichters. Hij leefde eenigen tijd +aan het hof van Hipparchus te Athene, daarna in Thessalië bij de +Aleuaden en Scopaden (514), vervolgens kwam hij naar Athene terug, +waar hij met zijne elegie op de gesneuvelden bij Marathon den prijs +behaalde. Zijne laatste levensjaren bracht hij in gezelschap van +vele andere voortreffelijke dichters, o. a. Pindarus, bij Hiero te +Syracuse door, waar hij in 468 stierf. Hij was een zeer vruchtbaar +dichter, vooral een meester in treurzangen en epigrammen; 56 maal +behaalde hij in wedstrijden den eersten prijs. Van zijne werken zijn +slechts enkele fragmenten bewaard, die door fijn gevoel en schoone +taal uitmunten. Hij geldt ook als de uitvinder der herinneringskunst +(mnemonike), volgens zijn eigen getuigenis was zijn geheugen op zijn +80ste jaar nog onverzwakt. + +Simpulum, een lepel met langen, rechtopstaanden steel, om den wijn +over het offer te gieten. Spreekwoord: fluctus excitare in simpulo = +veel geschreeuw om weinig wol. + +Simpuvium, een offergereedschap, misschien = simpulum. + +Sinae, Sinai, zie Serica. + +Sinai, Sina, een van de hoogste toppen der Zwarte bergen in het Z. van +Arabia Petraea. + +Sinda, Sinda, 1) hoofdstad der Sindi, een volk in Sarmatia aan de +invaart der Palus Maeotis (zee van Azow).--2) hoofdstad der Sindi +of Sindae, een volk op de kust van India extra Gangem, in het +tegenw. Achter-Indië.--3) stad in Pisidia. + +Sindi, Sindoi, zie Sinda no. 1 en 2. + +Sindus, Sindos, stad in Macedonia aan de golf van Terma, ten W. van +Therma (Thessalonica). + +Singara, ta Singara, vesting in Mesopotamia tusschen den Chaboras en +den Euphraat, rom. kolonie. In de oorlogen tusschen keizer Constantius +II en Sapores II, koning van Perzië, werd de stad tweemaal (in 348 en +360 n. C.) door Sapores ingenomen, en na den dood van Keizer Iulianus, +door Iovianus met vele andere steden voor goed aan Perzië afgestaan +(363). + +Singidunum, Singidounon, sterke vesting aan de samenvloeiing van den +Ister (Donau) en den Savus, thans Belgrado. + +Singiticus sinus, golf van Singus (z. a.) tusschen de chalcidische +landtongen Acte en Sithonia. + +Singulis, linker zijrivier van den Baetis in Baetica. + +Singus, Singos, stad op de chalcidische landtong Sithonia. + +Sinis, Sinis, zoon van Polypemon of Poseidon, een roover, die op +de landengte van Corinthe woonde; hij was gewoon de reizigers die +hij beroofd had, aan twee naar elkander toe gebogen pijnboomen vast +te binden (Pityokamptes); als hij dan de boomen losliet en zij hun +oorspronkelijken stand hernamen, werden de slachtoffers uit elkander +gescheurd. Theseus doodde hem op dezelfde wijze. + +Sinnius Capito, rom. grammaticus uit den tijd van Augustus. + +Sinon, Sinon, zoon van Aesimus of Sisyphus, bloedverwant van +Odysseus. Hij liet zich bij den geveinsden aftocht der Grieken door +de Trojanen gevangen nemen en overreedde hen, het houten paard in +de stad te halen, voorwendende dat het behoud van de stad daarvan +afhing. Hij was het ook die 's nachts het paard voor de Grieken opende. + +Sinope, Sinope, oudste en voornaamste der grieksche volkplantingen +aan den Pontus Euxinus (Zwarte zee), door Miletus op de kust van +Paphlagonia gesticht (± 750), in het midden der 7de eeuw verwoest door +de Cimmerii (z. a.), en in 632 herbouwd. De stad werd door handel +en zeevaart spoedig zeer machtig, en zond op hare beurt tal van +koloniën uit langs de kust van den Pontus Euxinus, terwijl zij haar +eigen gebied (Sinopis) tot aan den Halys uitbreidde. Mithradates +VI van Pontus maakte Sinope tot residentiestad. Door Lucullus werd +het veroverd en geplunderd, doch het kwam den slag weder te boven, +nadat het in 45 eene rom. kolonie was geworden onder den naam Iulia +Caesarea Felix Sinope. Het had twee havens en was de geboorteplaats +van den cynischen wijsgeer Diogenes en den blijspeldichter Diphilus. + +Sintice, Sintike, gewest van Macedonia op den rechteroever van den +Beneden-Strymon, bewoond door een thracischen stam, de Sinti, Sintoi, +met de stad Heraclea Sintica. + +Sinties, Sinties, oudste bewoners van Lemnus, ook op Samothrace. Strabo +brengt hen in verband met de Sinti, zie Sintice. + +Sinuessa, bloeiende handelsstad in Latium aan de kust nabij de grenzen +van Campania en den mons Massicus, rom. kolonie sedert 296. In den +omtrek lagen warme bronnen, aquae Sinuessanae. De stad dreef een +levendigen wijnhandel. + +Sion, Sion, berg, die een deel uitmaakte van Jerusalem. + +Siparium, in tegenstelling van aulaeum, een klein scherm: bij +mimi werden achter het aulaeum een of twee siparia gebruikt, die +niet neergelaten, maar opgerold werden. Ze zijn waarschijnlijk een +herinnering aan den tijd, dat de mimus nog een poppekastvertooning +was. De mimi traden op vóór het siparium (de siparia). + +Siphae, Siphai, dorisch Tipha, haven aan de Zuidkust van Boeotia, +tot het gebied van Thespiae behoorende. + +Siphnus, Siphnos, eiland der Cycladen met eene stad van denzelfden +naam. Het was rijk aan edele metalen; van het tiende deel der opbrengst +legden de Siphniërs een schatkamer te Delphi aan. Toen echter in het +zenden der tienden een verzuim had plaats gegrepen, drong de zee in die +mijnen door, die aan de kust lagen, en vernielde ze. Toch bleef er nog +genoeg over, om de welvaart te doen voortduren. Evenals de bewoners van +Seriphus en Melos, weigerden ook die van Siphnus den Perzen schatting +op te brengen. Voor de bondskas van het attische zeeverbond bracht +Siphnus 3600 drachmen 's jaars op. Op zedelijk gebied stond het in +slechten naam; vandaar siphniazein, leven als een Siphniër. + +Sipontum, Sipuntum, Sipous, stad en sedert 194 rom. kolonie in Apulia +aan den mons Garganus, eene aanzienlijke havenplaats, later vervallen. + +Sipylus, Sipylos, vulkanisch gebergte in Lydia, dat zich van den +Tmolus afscheidt en langs den linkeroever van den Hermus naar de +kust loopt. Het was rijk aan metalen. In het gebergte zou de oude +hoofdstad van Lydia gelegen hebben, Tantalis of Sipylus, reeds vroeg +bij gelegenheid eener aardbeving verzonken en in het meer Saloë of +Sale herschapen. + +Siraces of -ci, Sirakes, -koi, 1) machtig sarmatisch volk ten N. van +den Caucasus. Zij werden door koningen geregeerd. In 50 na C. geraakten +de Rom. met hen in oorlog.--2) volksstam in N.W. Armenia. + +Sirbonis lacus, Sirbonis he limne, lagune aan de aegyptische kust, +tusschen den oostelijken of pelusischen Nijlmond en de judaeïsche +grensstad Rhinocolura. Het meer was diep en rijk aan asphalt. Thans +is het grootendeels uitgedroogd. + +Siredones, Seiredones = Sirenes. + +Sirenes, Seirenes, twee of drie nimfen, die op een bloemrijk +eiland wonen en door haar betooverend gezang de voorbijvarenden +onweerstaanbaar naar het strand lokken, waar zij op de klippen +schipbreuk lijden. Op de Argonauten echter bleef haar gezang +zonder uitwerking, daar Orpheus een lied zong, waarvoor zij moesten +verstommen. Eveneens ontsnapte Odysseus aan het gevaar, door de ooren +zijner tochtgenooten met was dicht te stoppen en zich zelf aan den mast +te laten binden. Daarop wierpen de S. zich in zee en veranderden zij +in rotsen.--Zij worden dochters van Phorcys of van Achelous genoemd, +hare namen zijn Aglaopheme, Thelxiepea en Molpe, of Parthenope, +Ligea en Leucosia; als hare woonplaats beschouwde men kaap Pelorum, +de Sirenusae of Capreae. Zij werden oudtijds afgebeeld als groote, +logge vogels met vrouwenhoofden, later als vrouwen met vleugels en +pooten van een vogel; hare beelden worden dikwijls als grafornamenten +gebruikt. Men verhaalde dat zij gezellinnen van Persephone geweest +waren en hare gedaante gekregen hadden om deze beter te kunnen zoeken, +of als straf, omdat zij den roof van Persephone niet verhinderd hadden. + +Sirenusae, Seirenoussai, ook Sirenum scopuli, drie onbewoonde eilandjes +op de campaansche kust, ten Z. van het schiereiland van Surrentum, +volgens de mythe eenmaal het verblijf der Sirenen. + +Siris, Siris, rivier van Lucania, die zich in de golf van Tarentum +stortte. Aan den mond lag een gelijknamige, bloeiende stad, die ± +550 door de inwoners van Croton, Sybaris en Metapontum (Metapontion) +verwoest werd. Ruim een eeuw later werd de stad door de Tarentijnen +herbouwd, niet echter op de oude plaats, die ongezond was, maar op +de nabijgelegen hoogten, en Heraclea genoemd. Siris bleef slechts +haven. Aan den Siris (bij Heraclea) behaalde Pyrrhus in 280 zijne +eerste overwinning op de Rom. + +Sirius, Seirios, z. Canis maior. In verscheiden deelen van Griekenland +werden bij het opkomen van Sirius offers gebracht en godsdienstige +plechtigheden verricht, om de verderfelijke gevolgen van de verzengende +hitte der hondsdagen af te weren. + +Sirmio, stadje aan den lacus Benacus (Gardameer) in Gallia +Transpadana. Catullus had in den omtrek eene villa. + +Sirmium, Sirmion, stad in Pannonia aan den Savus (Save), sterke +vesting met groote wapenfabrieken, hoofddepôt der Rom. in den +dacischen oorlog. De stad was gesticht door de Tauriscers en werd +onder de Rom. de hoofdstad der provincie en onder Diocletianus die +van de praefectura Illyrici. + +Sisapon, Sisapon, belangrijke stad in Baetica, met zilver- en +tinmijnen, ten N. van Corduba (Cordova), thans Almaden. + +Siscia, Siskia, ook Segesta, thans Sissek, sterke vesting en +aanzienlijke handelsplaats op een eiland, door den Savus en de Colapis +gevormd. Het was de ligplaats der Savusvloot. + +Sisenna, zie Cornelii no. 56. + +Sistrum, seistron, een rammelaar, bij den dienst van Isis in +gebruik. Het instrument bestond uit een metalen beugel met gaten, +waardoor aan de uiteinden gekromde metalen staafjes gestoken waren; +bij het schudden sloegen de omgebogen einden van die staafjes tegen +den beugel en zoo werd het geluid voortgebracht. + +Sisyra, een grove, maar warme mantel, vooral bij landlieden in gebruik. + +Sisygambis, Sisygambis, moeder van Darius Codomannus, werd na den +slag bij Issus door Alexander gevangen genomen en met buitengewone +oplettendheid door hem behandeld. Na den dood van Alexander stierf +zij vrijwillig den hongerdood. + +Sisyphides, Sisyphides, Odysseus, zoo genoemd als zoon van Sisyphus. + +Sisyphus, Sisyphos, zoon van Aeolus en Enarete, gehuwd met Merope +(no. 3), stichter en koning van Corinthe. Ter gedachtenis aan +Melicertes, wiens lijk hij aan het strand vond, stelde hij de +isthmische spelen in. Hij was de hebzuchtigste aller menschen en ontzag +niets in zijn streven om winst te behalen. Over het algemeen wordt hij +als een zeer slecht mensch voorgesteld: hij verried de geheimen der +goden, deed strooptochten in Attica, beroofde en vermoordde reizigers, +maakte aan Asopus bekend, dat Zeus diens dochter Aegina geschaakt had, +enz. Zelfs toen de Dood hem kwam halen, wist S. dezen op listige wijze +in boeien te slaan, zoodat niemand meer stierf, totdat Hades zelf +kwam en den gevangene bevrijdde. Nu moest S. sterven, maar vooraf +gaf hij aan zijne vrouw bevel hem niet te begraven; na eenigen tijd +beklaagde hij zich hierover bij Hades en kreeg hij verlof naar de +aarde terug te keeren om zijne vrouw te straffen, hij maakte echter +van dat verlof misbruik en keerde niet naar de onderwereld terug, +totdat Hermes kwam en hem met geweld medenam. Wegens al deze misdaden +moet hij in de onderwereld een zwaar rotsblok tegen een hoogen berg +opwentelen, dat telkens, wanneer het doel bijna bereikt is, weder +naar beneden stort.--V. s. had hij, om zich te wreken op Autolycus, +die runderen van hem gestolen had, diens dochter Anticlea verleid, +en was zij bij hem moeder geworden van Odysseus. + +Sitace, Sitake, volkrijke stad van Babylonia, aan den Tigris, +stroomopwaarts van Seleucia en Ctesiphon, maar nog binnen den medischen +muur, hoofdstad van het distrikt Sitacene, Sitakene. + +Sitalces, Sitalkes, zoon en opvolger van Teres, vergrootte het door +zijn vader gestichte rijk der odrysische Thraciërs en was eenigen +tijd een bondgenoot der Atheners. Hij sneuvelde in een slag tegen de +Triballi, 424. + +Sitella, vaas met betrekkelijk wijden buik en langen, nauwen hals, +zooals in de comitiën te Rome gebruikt werd om de voorstemmende +tribus aan te wijzen. Hiertoe werden plankjes (tesserae) met de namen +der tribus in de vaas geworpen en dooreengeschud. Vervolgens werd de +sitella met water gevuld en de tessera, die het eerst aan den mond te +voorschijn kwam, wees de tribus aan, waarvan de stem het eerst werd +publiek gemaakt of waaruit de voorstemmende centurie zou genomen +worden. Ook de urn, waarin de indices bij de quaestiones perpetuae +hunne stemtafeltjes (tabellae) werpen, heet sitella. + +Siteresion, kosten van onderhoud en verpleging, die aan de atheensche +soldaten boven hun soldij betaald werden. Als minimum wordt door +Demosthenes gerekend 2 obolen per dag voor een voetknecht, 1 drachme +voor een ruiter. + +Sitesis, voeding op staatskosten, genoten te Athene allen of bijna +allen, die in dienst van den staat waren. Bovendien onthaalde de staat +in het Prytaneum vreemde gezanten, herauten, enz.; ook aan enkele +burgers, die zich jegens den staat verdienstelijk gemaakt hadden, +werd een plaats aan de tafel in het Prytaneum gegeven, wat in den +bloeitijd van Athene als een groote eer beschouwd werd. + +Sithonia, Sithonia, de middelste der drie landtongen van Chalcidice, +tusschen de Toronaeïsche en Singitische golven. + +Sitonai, ambtenaars te Athene, wier taak het was te zorgen, dat steeds +in de staatsmagazijnen genoeg koren in voorraad was om te beletten, +dat de prijzen door de korenkoopers te zeer opgejaagd werden. + +Sitones, bij Tacitus een germaansch volk in Scandinavia, met eene +vrouwenregeering. Het is echter een Finsche stam, die ten N. van de +Suiones (de Zweden) het Midden en Noorden van Scandinavië bewoonde. + +Sitophylakes, ambtenaars te Athene, belast met het toezicht op de +uitvoering der korenwetten. Er waren 5, later 25, voor de stad, en 5, +later 15, voor den Piraeus. + +Sittace = Sitace. + +Sittii. P. Sittius Nucerinus, vriend van P. Cornelius Sulla, werd vóór +het uitbarsten der catilinarische samenzwering naar Hispania gezonden, +doch na zijne terugkomst van medeplichtigheid beticht. Hij ontvluchtte +naar Afrika (62) en diende daar in de legers der afrikaansche vorsten, +tot hij in den burgeroorlog de partij van Caesar koos, Juba's +troepen hielp verslaan en na den slag bij Thapsus de overblijfselen +van het pompejaansche leger verstrooide. Caesar stelde hem aan als +stadhouder over een gedeelte van Numidia; na Caesars dood werd ook +Sittius vermoord. + +Skythai, z. toxotai. + +Skytale, z. Scutala. + +Skytalismos, doodstraf door middel van een knods of knuppel. Deze +wijze van terechtstelling is in een tijd van hevige beroering (± +370) door het volk te Argos op 1000 (v. a. 1200) aanzienlijke burgers +toegepast, terwijl ten laatste ook de demagogen, die het volk daartoe +aangezet hadden, aldus werden terechtgesteld. + +Smerdis, Smerdis, broeder van Cambyses, die hem uit jaloerschheid +door Prexaspes liet dooden. Terwijl Cambyses nog in Aegypte was, +gaf een magiër Gaumata, Gometes, zich voor Smerdis uit, op wien +hij inderdaad sprekend geleek, en maakte zich van de regeering +meester. Hij werd door het volk erkend, en Cambyses stierf voordat hij +hem had kunnen straffen, maar na 7 maanden werd de gewaande Smerdis +(Pseudo-Sm.) ontmaskerd (z. Prexaspes) en door zeven edele Perzen, +waaronder ook Darius Hystaspis was, gedood. + +Smilis, Smilis, van Aegina, een van de oudste grieksche beeldhouwers, +waarschijnlijk uit de eerste helft van de 6de eeuw; hij wordt een +leerling van Daedalus genoemd. + +Smintheus, Smintheus, bijnaam van Apollo, waarschijnlijk naar de +stad Sminthe in Troas. Men leidde echter den naam gewoonlijk af van +sminthos (muis), omdat de muis het zinnebeeld der voorspellingskunst +is, of omdat Apollo een van zijne priesters van muizen bevrijd zou +hebben. Of hij had aan Teucriërs, die onder leiding van Scamander uit +Creta verhuisden, een orakel gegeven, dat zij zich moesten vestigen, +waar zij last zouden hebben van uit de aarde geborenen. Toen zij +nu in Troas geland waren en vonden, dat muizen aan hunne bogen en +schilden geknaagd hadden, bleven zij daar en stelden zij den dienst +van Apollo Sm. in. + +Smyrna, Smyrna = Myrrha. + +Smyrna, Smyrna, aeolische kolonie van Cyme, eene der meest beroemde en +welvarende steden van Klein-Azië, ± 700 door de Ioniërs vermeesterd +en sedert lid van het ionisch-aziatisch verbond gebleven. Omstreeks +600 werd het door den lydischen koning Sadyattes verwoest, en het +duurde tot na den dood van Alexander den Gr., eer door toedoen van +Antigonus een nieuw Smyrna verrees, iets zuidelijker gelegen dan +het oude. Lysimachus maakte er vervolgens eene van de prachtigste +steden der oudheid van, met rechte en goed geplaveide straten. Ook +onder rom. heerschappij bleef Smyrna eene bloeiende plaats en was +het een conventus. In 178 na C. werd het door eene aardbeving hevig +geteisterd, doch op last van keizer M. Aurelius hersteld. Smyrna +beweerde de geboorteplaats te zijn van Homerus, voor wien in het +Homereum een standbeeld was opgericht. Ook was er een fraaie tempel +van Cybele. De tapijtweverijen van Smyrna waren reeds in de oudheid +beroemd. De aanliggende golf heette Smyrnaeus sinus. Thans heet de +stad zoowel Smirna als Ismir. + +Soccus, een pantoffel van lichte stof, het eigenaardig schoeisel van +tooneelspelers en dansers in het blijspel. Ook buiten het tooneel werd +de soccus door de Grieken zeer algemeen gebruikt, bij de Rom. echter +in den regel alleen door vrouwen. + +Sociale bellum, opstand der italiaansche bondgenooten tegen Rome in +de jaren 90 en 89. Zie Marsicum bellum. + +Socii, bondgenooten. Volgens de overlevering reeds in den +koningstijd, en in elk geval sedert 493 is Rome door een foedus +aequum met de Latijnen, en later met de Hernici verbonden geweest, +zie Latium. Later, toen Rome langzamerhand geheel Italia veroverde, +werd de afhankelijkheid, waarin de verschillende steden en staten +gebracht werden, uitgedrukt door het woord socii, waarbij dan het +nomen Latinum een bevoorrechte plaats innam. De staten, waarmede +Rome een foedus sloot, heetten civitates foederatae, en behielden +hun souvereiniteit; ze hadden eigen bestuur, eigen rechtspleging +en het recht om munt te slaan. Zij mochten geen betrekkingen met +het buitenland onderhouden; in elk verdrag kwam de bepaling voor: ut +eosdem quos populus Romanus amicos atque hostes habeant. Zij betaalden +geen belasting, maar waren verplicht troepen, en de staten aan zee +ook schepen, te leveren. De afhankelijkheid waarin zij stonden ten +opzichte van Rome werd uitgedrukt door de formule: maiestatem populi +Romani comiter conservanto. Door hun verstandig en gematigd optreden +wisten de Romeinen de socii aan zich te binden; en deze politiek +heeft het hun mogelijk gemaakt, op den duur de nederlagen van den +2den punischen oorlog te boven te komen. In de 2de eeuw beginnen ze +echter de socii, wier hulp men niet meer noodig heeft, te onderdrukken, +hetgeen dan ten slotte uitloopt op den bondgenooten-oorlog, die Italië +ontvolkt heeft, zie Marsicum bellum. De provinciën, wier toestand door +eene wet geregeld was, werden niet tot de socii gerekend. Overigens +waren er ook buiten Italië socii als civitates foederatae (z. a.), en +koningen wien de titel socius et amicus populi Romani was verleend, +doch ook dan was meestal het bondgenootschap slechts een zachtere +vorm van afhankelijkheid. Buitenlandsche volken zijn exterae nationes, +doch waar in engeren zin van socii et exterae nationes gesproken wordt, +moet men onder de laatsten de bewoners der rom. provinciën verstaan en +onder socii de latijnsche en italische bondgenooten. Zelfs werd deze +benaming nog wel voor de italiaansche civitates gebezigd, ook nadat +deze in de jaren 90-88 het burgerrecht hadden verkregen en de naam +socii dus strikt genomen op haar niet meer van toepassing was.--In +de rom. legers waren vóór 90 de troepen der italiaansche civitates +onder den naam van socii aanwezig; andere hulptroepen heetten auxilia +(z. a.). + +Socii navales. De dienst ter zee stond bij de Rom. in minachting, +daarom werd de bemanning der vloot uit de armste burgers +genomen. Allengs kwam het bemannen en proviandeeren der vloot +meer en meer ten laste der socii (z. a.), die natuurlijk hiervoor +het uitschot hunner bevolking en ook vrijgelaten slaven leverden, +hetgeen niet strekte om den zeedienst te verheffen. De rom. marine +was in den eersten punischen oorlog zeer belangrijk, later liet men +ze vervallen (zie classis) en bediende men zich veelvuldig van de +vloten van verbonden volken, zooals de Rhodiërs e. a. + +Socrates, Sokrates, Athener, zoon van den beeldhouwer Sophroniscus en +Phaenarete, geb. 470. In zijne jeugd genoot hij de gewone atheensche +opvoeding, hij trachtte zich te ontwikkelen door het lezen van +dichters en wijsgeeren en zocht met hetzelfde doel gaarne den omgang +van beschaafde en verstandige lieden, in een bepaalde school gevormd +werd hij echter niet. Hij leerde de kunst van zijn vader, en nog meer +dan vijf eeuwen later wees men op de acropolis te Athene een groep, +die voor het werk van S. gehouden werd. Hij streed mede in de slagen +bij Potidaea, Delium (z. Alcibiades) en Amphipolis, in 406 was hij lid +van den raad en verzette hij zich tegen de onwettige behandeling van +het proces der veldheeren uit den Arginusenslag. Als wijsgeer heeft +hij meer dan iemand anders invloed uitgeoefend op zijne vrienden en +leerlingen niet alleen, maar ook op zijne tijdgenooten in het algemeen, +zelfs op de geheele geschiedenis der philosophie. Zonder met een +uitgewerkt wijsgeerig stelsel op te treden, wekte hij bij allen met wie +hij omging de zucht tot wetenschappelijk onderzoek op het gebied der +zedeleer op, waarbij hij uitging van de eenvoudige stelling dat deugd +kennis is en dus geleerd kan worden, dat alzoo niemand vrijwillig, +maar slechts uit onwetendheid, verkeerd handelt. Het hoogste dat +men bereiken kan, tevens de noodzakelijke voorwaarde voor praktische +voortreffelijkheid, is dus zelfkennis, en de eerste stap om daartoe +te komen is het zich bevrijden van verkeerde meeningen. Daartoe +trachtte hij nu hen, die met hem omgingen, langs een eigenaardigen +weg te leiden. Hijzelf erkende dat hij niets wist, terwijl hij nu +voorgaf te willen leeren van hen, die beweerden wel iets te weten +(socratische ironie, eironeia), bracht hij door de inrichting van +zijne gesprekken en vragen ieder tot het bewustzijn, dat diens +vermeende kennis slechts schijn was en iederen vasten grondslag +miste. In overeenstemming hiermede noemde hij zich ook geen leeraar +en liet hij zich, ook om zijne vrijheid niet aan banden te leggen, +voor zijn onderwijs niet betalen, ook had hij in den eigenlijken zin +van het woord geen leerlingen, maar iedereen, dien hij er geschikt toe +achtte, overviel hij met zijne vragen en dwong hij tot de erkentenis +van zijne onwetendheid. In zijne handelingen beweerde hij geleid te +worden door eene inwendige goddelijke stem (daimonion), die hem van +het verkeerde terughield. Maar terwijl velen zich door zijne streng +logische redeneering aangetrokken gevoelden en erkenden, dat hij den +juisten weg voor wijsgeerige studiën aanwees, terwijl verder velen, +vol bewondering voor zijn levenswandel, zijn zelfbeheersching, +standvastigheid, matigheid, trouw, vaderlandsliefde en godsvrucht, +zich met liefde en eerbied bij hem aansloten, was het aantal nog veel +grooter van hen, die in hem alleen een lastig en eigenwijs mensch +zagen, die al wat van ouds voor waar erkend was op losse schroeven +zette en de gemoederen voortdurend in beroering bracht; men beschouwde +hem als een van de sophisten, en juist de groote bijval, dien hij vond, +maakte hem in het oog van het oppervlakkige volk tot den gevaarlijksten +onder hen. Als zoodanig werd hij door Aristophanes in een van zijne +comedies, de Nephelai, aan aller bespotting prijs gegeven. Eindelijk +werd hij, reeds 70 jaar oud, door Meletus, Anytus en Lycon aangeklaagd +wegens het verachten der van staatswege erkende goden, het invoeren van +nieuwe godheden en het verleiden der jeugd. Met een kleine meerderheid +van stemmen werd hij schuldig bevonden; daar echter de aanklagers +de doodstraf geëischt hadden, en S. daartegen de geringe som van +30 minen aanbood (zie timema), daarbij bewerende, dat hij eigenlijk +verdiend had op staatskosten in het Prytaneum onderhouden te worden, +verbitterde hij door zijne onverschilligheid de rechters en werd hij +met eene grootere meerderheid ter dood veroordeeld. Met de grootste +kalmte en opgeruimdheid dronk hij den giftbeker (399). + +Sodales, sodalitas, sodalicium. Sodales zijn kameraden, deelgenooten +van een disch, leden van een krans, van een gezelschap en dgl. Eene +sodalitas is dus eene broederschap, een genootschap, en evenzoo +sodalicium. Beide woorden, doch vooral het laatste, komen echter +ook in slechten zin voor, en beteekenen dan een geheime of verboden +vereeniging, een politieke club. Vooral bij verkiezingen speelden +zulke clubs door omkooping en andere ongeoorloofde middelen dikwijls +eene groote rol. Ook priestercollegiën voor den dienst eener bepaalde +godheid of tot het vieren van bepaalde feesten vormen eene sodalitas, +o. a. de Salii, de fratres arvales.--De sodales Titii waren, naar +het heet, door Romulus ingesteld om de gedachtenis aan koning Titus +Tatius in eere te houden. Voor de vereering van Augustus werd na +diens dood te Rome een college, van sodales Augustales ingesteld +(niet te verwarren met de Augustales in de municipiën). Later kreeg +men ook sodales van andere vergode keizers. + +Sodoma, ta Sodoma, Sodom, welvarende stad in het vruchtbare dal Siddim, +die met Gomorra en nog andere steden door eene vulkanische uitbarsting +werd verdelgd, terwijl de geheele landstreek verzonk en in een meer +veranderd werd (lacus Asphaltites, Doode zee). + +Sogdiane, Sogdiane, N.O. provincie van het perzische rijk, bergachtig +doch niet onvruchtbaar. De Sogdii of Sogdiani, Sogdioi, Sogdianoi, +waren een vrij ruw volk, in verschillende stammen verdeeld. Hoofdstad: +Maracanda (Samarkand). + +Sogdi(an)us, Sogdios, Sogdianos, zoon van Artaxerxes I, besteeg den +troon na het vermoorden van zijn halfbroeder Xerxes II, doch werd na +eene korte regeering door zijn broeder Darius vermoord (425). + +Sol, latijnsche naam voor Helius. + +Solanus of Subsolanus, de Oostenwind, zie Windstreken. + +Solarium, 1) zonnewijzer, een werktuig, omstreeks 500 door Anaximander +of Anaximenes in Griekenland ingevoerd en in 291 door L. Papirius +Cursor of in 264 door M. Valerius Messala naar Rome overgebracht, +waar er een op het forum werd geplaatst. In 159 verving P. Scipio +Nasica den zonnewijzer door een wateruurwerk, dat nu den vreemden +naam kreeg van solarium ex aqua. In tegenstelling daarvan heet een +werkelijke zonnewijzer solarium descriptum.--2) terras met borstwering +of leuning boven op het platte dak van een huis, veeltijds met planten +versierd, in later tijd ook wel overdekt, doch aan alle zijden open. + +Soleae, sandalen, bestaande in eene zool, met een riem dwars over den +voet, de gewone dracht der Rom. in huis. Ook de hoeven van last- en +trekdieren werden beschermd door soleae sparteae, kleine mandjes uit +sparte of biezen gevlochten, die om de pooten sloten en met riempjes +werden vastgebonden. Was, om het spoedige slijten tegen te gaan, zulk +eene solea van een metalen zooltje voorzien, dan was zij eene solea +ferrea, aan hoefijzers schijnt men niet te moeten denken. In tijdperken +van weelde onder de keizers worden ook wel soleae argenteae, zelfs +aureae, voor dieren vermeld.--De solea lignea was een voetkluister +voor misdadigers. + +Soli, Soloi, 1) voorname stad, atheensche kolonie op de cilicische +kust ten Z.W. van Tarsus. Tigranes II van Armenia (96-56) verwoestte +ze en bracht de inwoners over naar Tigranocerta; Pompeius herbouwde +ze en bevolkte ze met gevangen zeeroovers, terwijl zij tevens den +naam kreeg van Pompeiopolis. Dit Soli was de geboorteplaats van den +stoicijn Chrysippus, en de dichters Aratus en Philemon.--2) havenstad +op het W. gedeelte der Noordkust van Cyprus.--Van het eerstgenoemde +Soli wordt het woord soloecismus afgeleid voor spreken met taalfouten. + +Solidus, zie Aureus. + +Solinus (C. Iulius), uit de 3de eeuw na C., schreef eene +geografisch-historische schets der oude wereld onder den titel +Collectanea rerum memorabilium, wat de geographie betreft, bewerkt +naar Plinius' Nat. Historia. Later heeft dit werkje den naam van +Polyhistor gekregen. + +Solis fons, Heliou krene, bron in de libysche woestijn nabij de oase +Ammonium. Des middags was het water koud, te middernacht kokend heet. + +Solitaurilia = Suovetaurilia. + +Solium, stoel met hooge massieve rechtopstaande rugleuning en +met armleuningen. Hij werd als troonzetel gebruikt door goden en +koningen. Ook de rom. rechtsgeleerden hadden de gewoonte, wanneer +zij te huis adviezen gaven, op een solium plaats te nemen. Vandaar +de uitdrukking a subselliis in otium soliumque se conferre = de rol +van pleiter laten varen en zich bepalen tot het geven van adviezen. + +Solois, Soloeis, 1) ver vooruitspringende met bosch begroeide kaap +in Mauretania aan den Atlantischen oceaan.--2) = Solus. + +Solon, Solon, zoon van Execestides, afstammeling van Codrus, ondernam +reeds vroeg als koopman verre reizen, waarbij hij meer dan gewone +kennis en beschaving opdeed. In het openbare leven onderscheidde +hij zich het eerst door de herovering van Salamis, waartoe hij zijne +medeburgers aanspoorde, nadat het eiland kort te voren ten gevolge +van een ongelukkigen oorlog aan Megara was afgestaan, ook in den +heiligen oorlog tegen Cirrha trad hij op den voorgrond. Zijn grootsten +roem heeft hij echter verworven door zijne wetgeving, die een einde +maakte aan de verwarde toestanden te Athene, aan de verdeeldheid +en partijtwisten, die door Draco's wetgeving en door Cylon's poging +om de alleenheerschappij te verkrijgen ten top gestegen waren. S., +in 594 tot eersten archont verkozen, trad als bemiddelaar tusschen +de verschillende partijen op en deed door zijne wijze wetten rust +en tevredenheid terugkeeren. Tot oogenblikkelijke verlichting van +het verarmde volk diende de seisachtheia en eene amnestie voor hen, +die volgens de schuldwetten hun burgerrecht verloren hadden; verder +werd op dit gebied bepaald, dat men niet meer zijne persoonlijke +vrijheid voor schulden zou kunnen verliezen. Vervolgens verdeelde +hij de burgerij, waarin nu ook de vrije bewoners van het platteland +werden opgenomen, in 4 klassen (z. phyle), door welke verdeeling +de staatkundige rechten der burgers, maar ook hunne verplichtingen +tegenover den staat, van het vermogen afhankelijk gemaakt werden, en +de voorrechten van den adel werden opgeheven. Alleen uit de eerste +klasse werden de archonten en leden van den Areopagus gekozen, +de vierde was van alle openbare ambten uitgesloten. Door een +aantal bepalingen werden de bevoegdheden van de volksvergadering, +de overheden, regeeringslichamen, rechtbanken, enz., nauwkeurig +vastgesteld (z. o. a. Areopagus, Boule), het geheele staatsleven en +alle maatschappelijke betrekkingen geregeld. Van groot belang is vooral +ook zijne regeling van het attische privaatrecht. Omtrent de opstelling +der wetten z. axones.--Om het volk te dwingen zich aan de nieuwe +wetten te gewennen, liet hij zweren dat in 10 jaar geen verandering +er in gebracht zoude worden. Hijzelf begaf zich gedurende dien tijd +weder op reis. Wel ontbrandde in zijne afwezigheid de partijstrijd +opnieuw en werden in 589 en 584 zelfs geen archonten verkozen (z. ook +Damasias), wel zag hij spoedig na zijne terugkomst, in weerwil van zijn +verzet, de hoogste macht in handen van Pisistratus vallen, maar zijne +wetten bleven toch voor het grootste gedeelte van kracht en de latere +democratische staatsinrichting van Athene heeft zich geleidelijk uit de +door S. in het leven geroepen toestanden ontwikkeld.--Ook als dichter +toonde S. meer dan gewone talenten, vooral beroemd is zijne elegie, +waarmede hij de Atheners tot de herovering van Salamis aanspoorde; +wij bezitten van zijne gedichten, die door de Atheners ook lang na +zijn dood in hooge eer gehouden werden, nog vrij talrijke fragmenten, +meest van staatkundigen of wijsgeerigen inhoud. Als een van de 7 +wijzen had hij tot spreuk meden agan.--Hij stierf in 559 op den +leeftijd van omstreeks 80 jaar. + +Solonius ager, streek in Latium, ten Z.O. van Ostia, die zich tot +het grondgebied van Lanuvium uitstrekte. + +Solus, Soluntum, Solous, Soloeis, oude havenstad op de N.-kust van +Sicilia, carthaagsche volkplanting, ten O. van Panormus (Palermo). + +Solygia, Solygeia, vlek in Corinthia op den berg Solygius, ten Z. van +Cenchreae. + +Solyma, ta Solyma, 1) = Climax.--2) = Hierosolyma. + +Solymi, Solymoi, oud volk in Lycia. Zie Climax. + +Sontiates, Sotiatai, volk in Aquitania ten Z. van den Garumna +(Garonne), voortreffelijke ruiters en mijnwerkers. + +Sontius, thans Isonzo, rivier in Venetia, die bij Aquileia in den +sinus Tergesticus (golf van Triëst) valt. + +Sonus, Sonos, aanzienlijke rivier van India, die op den mons Vindius +(Vindhya) ontspringt en bij Palibothra in den Ganges valt. + +Sopater, Sopatros, 1) van Paphus, kluchtspeldichter ten tijde van +Alexander d. G.; de weinige fragmenten, die van zijne werken over zijn, +zijn het eenige, dat wij van deze dichtsoort bezitten, z. Phlyax.--2) +van Apamea, neoplatonisch wijsgeer, leerling van Iamblichus, werd op +bevel van Constantijn d. G. ter dood gebracht, omdat hij propaganda +maakte voor den heidenschen godsdienst. + +Sophaenetus, Sophainetos, van Stymphalus, een van de aanvoerders +der grieksche troepen van den jongen Cyrus, waarschijnlijk dezelfde, +van wien eene Kyrou Anabasis genoemd wordt. + +Sophene, Sophene, landschap in het Z.W. van Armenia, door den Euphraat +van Cappadocia gescheiden. Hoofdstad: Arsamosata. + +Sophistae, sophistai, in het algemeen geleerden; de naam werd +toegepast op hen die in een of ander vak van wetenschap uitmuntten, +of er eene bepaalde studie van maakten. Ook wijsgeeren werden oudtijds +zoo genoemd, Pythagoras zou zichzelf het eerst den naam van philosophos +gegeven hebben. Ten tijde van en na Pericles traden in vele grieksche +steden, vooral te Athene, onder den naam van sophisten mannen op als +leermeesters in alles wat voor het praktische leven, vooral voor den +staatsman en redenaar noodig is. Zij vonden grooten bijval, ook bij de +uitstekendste mannen van hun tijd, vormden vele leerlingen en lieten +zich goed betalen. Daarentegen vonden vele voorstanders van het oude, +dat men de wetenschap verlaagde, door haar aan praktische doeleinden +dienstbaar te maken, en welsprekendheid, als eene kunst aangeleerd, +werd altijd met wantrouwen beschouwd; men meende dat zij zoo tot niets +konde dienen, dan om met een schijn van wijsheid te pronken en recht en +waarheid te verdraaien. En inderdaad, hoewel vele oudere sophisten zich +op wetenschappelijk gebied verdienstelijk gemaakt hebben (Protagoras, +Gorgias, Hippias, Prodicus), waren hunne navolgers over het algemeen +niets anders dan rhetoren, wier onderwijs zich grootendeels tot de +mededeeling bepaalde van allerlei kunstjes, waardoor men, misbruik +makend van de leer van Protagoras over het betrekkelijk juiste van +iedere meening, zoowel voor als tegen iedere zaak kon spreken. De +tegenstand, dien de sophisten van Socrates en diens leerlingen, +vooral van Plato, ondervonden, is de oorzaak geweest, dat men hen lang +ten onrechte als aanhangers eener wijsgeerige richting met zekere +gemeenschappelijke leerstellingen beschouwd heeft, en dat men hun, +naar aanleiding van de weinige uitdrukkingen van sophisten, die bekend +zijn, een voor zedelijkheid en godsdienst verderfelijk stelsel heeft +toegedicht, dat zij in werkelijkheid nooit verkondigd hebben. + +Sophocles, Sophokles, 1) Athener, zoon van den rijken Sophillus, +geb. 496 of 497. Van zijn leven is weinig bekend, onder zijne vrienden +worden Herodotus en Pericles genoemd. In den samischen oorlog was hij +te gelijk met dezen strateeg en even te voren had hij het ambt van +Hellenotamias bekleed. Algemeen bemind en geprezen stierf hij in 406 +of 405, na zijn dood werden hem door de Atheners dezelfde eerbewijzen +toegekend als aan Aeschylus, en op zijn graf werd jaarlijks van +staatswege geofferd (z. ook Iophon).--Als treurspeldichter wordt +hem in ouden en nieuwen tijd eenstemmig de eerste rang toegekend; +evenals Homerus ho poietes heette, zoo wordt S. dikwijls door de ouden +eenvoudig ho tragikos genoemd. Reeds bij zijn eerste optreden (468) +vertoonde zijne wijze van behandeling der stof zoo groote afwijking +van die van Aeschylus, dat het toekennen van den prijs door de groote +opgewondenheid der voorstanders van beide richtingen bemoeielijkt werd; +ten slotte behaalde S. de overwinning. Door een derden tooneelspeler +toe te voegen aan de twee, waarvoor de stukken van Aeschylus berekend +waren, is hij in staat de handeling belangwekkender, de dialogen +meer afwisselend te maken. Zonder in het alledaagsche te vervallen, +staan de personen in zijne stukken ons nader dan bij Aeschylus; de +geheele handeling ontwikkelt zich als van zelf en de afloop wordt +op natuurlijke wijze voorbereid door de voortreffelijk geschilderde +karakters, die hij soms door welberekende tegenstellingen nog scherper +doet uitkomen; ook in hun taal, hoewel altijd edel en verheven, +is alle duisterheid en onduidelijkheid vermeden. Met zijne 115 +(v. a. 123 of 130) stukken behaalde hij 20 of 24 maal den eersten en +zeer dikwijls den tweeden prijs. Wij bezitten er van nog 7 stukken in +hun geheel, benevens een groot aantal fragmenten. Het zijn de volgende: +Antigone (441), Oedipus Tyrannus, Aias, Trachiniae, Electra (± 413), +Philoctetes (409), Oedipus Coloneus.--2) kleinzoon van den vorigen, +treurspeldichter.--3) atheensch veldheer, werd in 425 met eene vloot +naar Sicilië gezonden en ondersteunde de democratische partij in de +burgertwisten op Corcyra; later werd hij, onder vermoeden dat hij +zich door de Siciliërs had laten omkoopen, verbannen. + +Sophonisbe, Sophonisbe, dochter van den carthaagschen veldheer +Hasdrubal (z. a. no. 4). Zij koesterde een onverzoenlijken haat tegen +Rome. Daarom ook eischte Scipio hare uitlevering (zie Masinissa), +uit vrees dat Masinissa's trouw tegen Sophonisbe's inblazingen op +den duur niet bestand zou zijn. + +Sophron, Sophron, van Syracuse, z. Mimus. + +Sophronistai, opzichters over de atheensche epheben, die op het gedrag +der jongelieden toezicht hielden. Jaarlijks werden door iedere phyle +drie candidaten, boven de 40 jaar oud, voor dit ambt aangewezen, +en uit ieder drietal werd een door het volk verkozen. Zij werden van +staatswege met een drachme per dag bezoldigd. + +Sopianae, stad in Pannonia Inferior, ten N. van den Dravus. + +Sora, Sora, volscische stad in Latium aan den Liris, met sterke muren +en een sterken burcht. De Rom. hadden er eene latijnsche kolonie +heengezonden, doch in 315 hadden de Soraners de kolonisten omgebracht +en zich bij de Samnieten aangesloten, eene daad, waarvoor zij in 314 +zwaar moesten boeten. In 303 werd Sora andermaal lat. kolonie. + +Soracte, genit. -is, berg in het Z.O. van Etruria nabij den Tiber. Op +den top, die ook wel eens nog in den zomer met sneeuw bedekt was, +stond een tempel van den god Soranus, tot wiens eer daar op sommige +tijden feesten werden gevierd, en aan den voet een tempel van Feronia. + +Soranus, 1) een sabijnsch god, die op den Soracte vereerd werd en +gewoonlijk voor denzelfden gehouden werd als Apollo, maar die in +werkelijkheid tot de goden der onderwereld moet gerekend worden. Bij +zijn jaarlijksch feest gingen zijne priesters, die tot het geslacht der +Hirpi Sorani behoorden, met de ingewanden der offerdieren in de hand, +blootsvoets over brandende hoopen hout. Zij waren van den krijgsdienst +en andere staatslasten vrijgesteld.--2) Zie Barea Soranus.--3) +geneesheer en schrijver over geneeskunde onder Traianus en Hadrianus. + +Sordice, een meer in Gallia Narbonensis, dicht bij de rivier Ruscino, +aan den voet der Pyrenaeën, dat met een dikke korst modder of veen +bedekt was. + +Sordidatus, in eene toga sordida gehuld, als beschuldigde, om het +medelijden der rechters op te wekken. + +Sordones, kleine stam in Gallia Narbonensis. Hoofdstad: Ruscino. + +Sortes, eene soort orakel door het lot. Eiken plankjes, waarop spreuken +en teekens waren ingesneden, waren tot een bundel saamgebonden. Door +een knaap werden zij getrokken en dan het antwoord er uit opgemaakt +(Sortilegium, kleromanteia). Door droogte krompen zij wel eens, ook +sleten zij door het gebruik af, en dan gebeurde het wel, dat er een +plankje van zelf uit den bundel viel (sortes sua sponte attenuatae). De +meest beroemde dezer orakels waren die van den Fortuna-tempel te +Praeneste en van Caere. + +Sosibius, Sosibios, 1) uit Sparta, geschiedschrijver en chronograaf ten +tijde van Ptolemaeus Philadelphus.--2) leermeester van Britannicus, +een werktuig van Messalina, later door toedoen van Agrippina ter +dood gebracht. + +Sosigenes, van Alexandrië, peripatetisch wijsgeer en sterrenkundige, +schreef o. a. commentaren op eenige werken van Aristoteles en hielp +Julius Caesar bij het verbeteren van den rom. kalender. + +Sosii. 1) C. Sosius, praetor in 49, werd in 37 door Antonius belast +met den oorlog tegen Antigonus, zoon van den Maccabaeër Aristobulus +(z. a.), die met de hulp van den parthischen kroonprins Pacorus het +bestuur over Judaea vermeesterd had. Sosius versloeg Antigonus en +bracht hem ter dood, zoodat Herodes I (z. a.) bezit van den troon +kon nemen. In den burgeroorlog was hij op de zijde van Antonius, +doch verzoende zich na den slag bij Actium met Octavianus.--2) +Q. Sosius Senecio, consul onder Traianus, was een begunstiger van +Plutarchus, die verscheidene levensbeschrijvingen aan hem opdroeg.--3) +Q. Sosius Falco, na den dood van Commodus mededinger van Pertinax +naar de keizerskroon; zoo P. hem niet het leven had gered, zou hij +zijn pogen met den dood bekocht hebben.--4) de gebroeders Sosii, +bij wie Horatius zijne geschriften uitgaf. + +Sosilus, Sosilos, Lacedaemoniër, leermeester en vriend van Hannibal, +wiens daden hij beschreef. Polybius spreekt over zijn werk een +ongunstig oordeel uit. + +Sosipater, Sosipatros, dichter der nieuwe attische comedie. Van een +van zijne stukken is een vrij groot fragment bewaard gebleven. + +Sosiphanes, Sosiphanes, van Syracuse, treurspeldichter ten tijde van +Philippus en Alexander. Hij schreef 73 stukken, behaalde 7 maal den +eersten prijs, en werd in de alexandrijnsche pleias opgenomen. + +Sosistratus, Sosistratos, 1) Syracusaan, hoofd der oligarchische partij +na den dood van Timoleon, werd door Agathocles verbannen en ging naar +Agrigentum.--2) tyran van Agrigentum die, door Syracuse aan te vallen, +den Carthagers aanleiding gaf zich in de grieksche aangelegenheden +te mengen. Toen tegen hem de hulp van Pyrrhus ingeroepen werd, moest +S. vluchten (278). + +Sositheus, Sositheos, van Alexandrië in Troas, trad te Athene +en Alexandrië in Aegypte als treurspeldichter op en werd in de +alexandrijnsche pleias opgenomen. Zijn bloeitijd was omstreeks 280. + +Sospita, redster, bijnaam van Juno, waaronder zij vooral te Lanuvium +vereerd werd en te Rome een tempel had. + +Sosthenes, Sosthenes, een Macedoniër van geringe afkomst, die +koning Antigonus Gonatas dwong de regeering neder te leggen, zich +aan het hoofd van het leger stelde en de Galliërs uit het land joeg +(280). In het volgende jaar sneuvelde hij echter bij een nieuwen +inval der Galliërs. + +Sostratus, Sostratos, 1) een zeeroover die zich ten koste van de +Atheners van het eiland Halonesus meester maakte, van waar hij door +Philippus van Macedonië verdreven werd.--2) Macedoniër, ter dood +gebracht als medeplichtige aan de samenzwering van Hermolaus.--3) +van Cnidus, beroemd bouwmeester, die o. a. den vuurtoren op Pharus +bouwde.--4) beroemd geneesheer te Alexandria uit de 2de helft der +eerste eeuw, vooral beroemd als chirurg. Er zijn nog fragmenten van +zijn werken over. + +Sosus, Sosos, van Pergamus, uitvinder van de ingelegde +mozaiek-vloeren. Een nabootsing van zijn duiven op den rand van een +schaal vindt men in het capitolijnsch Museum te Rome. Ze stamt uit +de villa Hadriani. + +Sotades, Sotades, van Maronea, schrijver van onzedelijke gedichten van +mythologischen inhoud (versus Sotadei). Hij leefde onder Ptolemaeus +Philadelphus, en naar men verhaalde werd hij in zee geworpen, omdat +hij het huwelijk van den koning met diens zuster Arsinoë bespot had. + +Soter, Soteira, 1) bijnaam van verscheiden goden en godinnen, +waarbij men hen aanriep, als men om redding uit nood of gevaar +bad. Vooral wordt die naam aan Zeus gegeven, maar ook aan Poseidon, +Apollo, Dionysus, Hera, Artemis e. a.--2) bijnaam van Ptolemaeus I +en Demetrius III. + +Soteria, Soteria, feest ter eere van Apollo, jaarlijks te Delphi +gevierd, ter herinnering aan den inval der Galliërs in 279, die door +de hulp van Apollo afgeweerd was. + +Sotion, Sotion, 1) van Alexandrië, wijsgeer uit de school der Sextii, +leermeester van Seneca, en schrijver van een werk van gemengden +inhoud, Keras Amaltheias.--2) van Alexandrië, peripatetisch wijsgeer +en letterkundige in de 2de eeuw. + +Sottiates = Sontiates. + +Spalatum, thans Spalatro, vlek nabij Salona in Dalmatia, met eene +prachtige villa van Diocletianus, waar deze keizer zijne laatste +levensjaren sleet. + +Sparta, Sparte, of Lacedaemon, Lakedaimon, de hoofdstad van Laconica, +bij Homerus he koile Lakedaimon geheeten, omdat het in een kom van +bergen gelegen was. Het was op onderscheidene heuvels gebouwd aan +den rechteroever van den Eurotas. Tot 206 was de stad niet ommuurd, +doch niettemin sterk door hare ligging. Aan een der hoogste heuvels, +waarop de tempel van Athena Chalcioecus stond, werd de naam Acropolis +gegeven. In dezen tempel stierf Pausanias den hongerdood. Aan den voet +der Acropolis lag de agora met de perzische gaanderij (stoa persike), +die uit den perzischen buit was gebouwd en waarvan het dak door beelden +van Perzen op de wijze van caryatiden werd gedragen. Aan den Eurotas +lag de Platanistas, eene door platanen belommerde oefenplaats der +spartaansche jongelingschap. Tijdens den trojaanschen oorlog regeerde +te Sparta Menelaus; het bekleedde toen geene voorname plaats onder +de steden van de Peloponnesus en stond verre achter bij Argos. Na +de dorische volksverhuizing kwam Sparta aan de beide zoons van den +Heraclide Aristodemus, de tweelingbroeders Eurysthenes en Procles. De +zoon van Eurysthenes was Agis, naar wien het ééne koninklijke stamhuis +genoemd wordt. De dorische stam was krijgshaftig en door de wetten +van Lycurgus werd Sparta de militaire staat bij uitnemendheid van +Griekenland. Dit ondervond Messenia (z. a.), en ook Athene dolf, +grootendeels door eigen schuld, in den peloponnesischen oorlog het +onderspit (404). Sedert dien tijd liet Sparta, niet altijd door +eerlijke middelen, zich in Griekenland overwegend gelden, tot het +door Epaminondas gefnuikt werd (371). Van nu af begon het tijdperk +van verval, terwijl de toenemende oligarchie de macht in handen van +enkele familiën bracht. Vruchteloos trachtte het zich tegen Macedonia +aan te kanten. De pogingen van Agis III (z. a.), om eene hervorming +tot stand te brengen, mislukten; beter slaagde Cleomenes III (z. a.), +doch Aratus van Sicyon vreesde de macht van een herboren Sparta en +de slag bij Sellasia (221) maakte een einde aan de regeering van +Cleomenes. Met hem nam het huis der Heracliden een einde. Van nu +af was Sparta overgeleverd aan de tyrannie; berucht zijn Machanidas +(210-207) en Nabis (207-192). In 192 dwong Philopoemen, de strateeg +van het achaeïsch verbond, Sparta tot dit verbond toe te treden, +en in 189 werd het wegens poging tot afval streng gestraft en werd +het overblijfsel der lycurgische wetgeving afgeschaft. De onderdrukte +wrok der Spartanen verschafte den Rom. eene welkome gelegenheid om in +Griekenland op bedekte wijze het twistvuur aan te blazen, totdat het +land in 146 rom. provincie werd. Sparta bleef eene civitas libera.--Zie +ook Laconica. + +Spartacus, Spartakos, een Thraciër, achtereenvolgens herder, soldaat, +roover, gevangene, zwaardvechter. Met omstreeks 70 metgezellen +ontsnapte hij in 73 uit eene zwaardvechterskazerne te Capua. Reeds +terstond behaalden zij eenig voordeel op de militie van Capua en +bereikten den Vesuvius, doch zagen zich daar weldra ingesloten +door 3000 man onder den propraetor C. Claudius Glaber, die den +eenigen destijds bestaanden uitweg bezette. De zwaardvechters echter +vlochten ladders van op den berg groeiende wilde wijngaardranken, +kwamen daarlangs aan den steilen kant van den berg naar beneden, +en vielen Claudius zoo onverhoeds op het lijf, dat zijn legioen de +vlucht nam. Van alle zijden stroomden nu weggeloopen slaven toe; ook +de praetor P. Varinius en zijne legaten Furius en Cossinius werden +totaal verslagen. De slaven hadden zich nevens Spartacus nog twee +aanvoerders gekozen, Crixus en Oenomaüs. De laatste schijnt reeds +vroeg gesneuveld te zijn, tusschen de beide overige ontstond een +ernstig verschil van gevoelen. Spartacus wilde zoo spoedig mogelijk +met de zijnen, meest Thraciërs en Galliërs, Italië verlaten om +naar hun vaderland terug te keeren; Crixus daarentegen had zich +met 30000 man van hem afgescheiden om te moorden en te plunderen, +daar zij niet wilden heengaan zonder den buit van Italië mede te +nemen. Crixus sneuvelde in 72 met twee derden van zijn leger tegen +den Consul L. Gellius Poplicola en den propraetor Q. Arrius, doch +Spartacus versloeg eerst den anderen consul Cn. Cornelius Lentulus, +daarna Gellius en toen den proconsul van Cisalpina, C. Cassius. Na +deze overwinning liet Spartacus bij een lijkfeest voor Crixus 300 +rom. krijgsgevangenen als gladiatoren vechten. Hij had toen nog +120000 man bij zich, waarmede hij reeds tot aan den Padus (Po) was +gekomen; thans echter weigerden zij zijne plannen verder te volgen, +hij moest weder zuidwaarts trekken, doch kreeg nu te doen met den +praetor M. Licinius Crassus, die er in zes maanden tijds in slaagde, de +slaven in Lucania te verslaan, waarbij Spartacus met 60000 der zijnen +volgens Livius of 12500 volgens Plutarchus sneuvelde (71). Zijn lijk +werd niet gevonden. Zesduizend gevangenen werden langs den weg van +Rome naar Capua gekruisigd, vijfduizend anderen, die met versnelde +marschen de Alpen zochten te bereiken, liepen juist Pompeius in den +mond op diens terugkeer uit Hispania. + +Spartarius Campus = Campus Spartarius. + +Sparti, Spartoi, z. Cadmus. + +Spartianus (Aelius), een der scriptores historiae Augustae, schrijver +der levens van eenige keizers nam. van Hadrianus, Marcus Aurelius, +Verus, Septimius Severus, Pescennius Niger en Macrinus. Ze zijn +later overgewerkt. + +Spartocus, Spartokos, naam van een vijftal koningen der tweede dynastie +van het bosporaansche rijk, van 438-284. + +Spartolus, Spartolos, stad op Chalcidice, ten W. van Olynthus. + +Spasinu (Pasinu) Charax, zie Charax. + +Spectabilis, titel der tweede klasse van ambtenaren onder Constantijn +den Gr. + +Spectio, z. auguria. + +Speculatores, 1) spionnen in den oorlog.--2) lichte troepen, die op +verkenning worden uitgezonden = exploratores.--3) ordonnansen.--4) +bereden lijfwachten. + +Spercheus, Spercheios, aanzienlijke rivier ten Z. van Thessalia, +in het gebied der Dolopers en Aenianen, die zich in de Malische +golf stort. Als riviergod is hij een der zoons van Oceanus en Gaea, +en bij Polydora, dochter van Peleus, de vader van Menesthius. + +Sperthias, Sperthias, z. Bulis. + +Spes, personificatie van de hoop. Zij had te Rome verscheiden tempels, +de oudste hiervan was tijdens den eersten punischen oorlog aan het +forum olitorium gebouwd, waar men haar den 1sten Augustus offers +bracht. Zij wordt afgebeeld als een schoone, jonge vrouw, die met de +linkerhand haar lang gewaad een weinig opheft, en in de rechterhand +een ontluikende bloem draagt. + +Speusinioi, z. toxotai. + +Speusippus, Speusippos, zoon eener zuster van Plato, werd door zijn +oom met veel liefde en zorg opgevoed; naar het schijnt vergezelde hij +hem op een zijner reizen naar Sicilië, waar hij kennis maakte met de +leer van Pythagoras, waaruit hij het een en ander overnam. Na Plato's +dood stond Sp. aan het hoofd der academie, maar wegens lichaamszwakte +kon hij slechts tot 339 als leeraar werkzaam zijn, en in 334 maakte hij +door een vrijwilligen dood een einde aan zijn lijden. Hij was ongeveer +60 jaar oud geworden. Van zijn talrijke werken, die Aristoteles voor +3 talenten kocht, is niets bewaard gebleven. + +Sphacteria, Sphakteria, eilandje op de messenische kust, thans Sfagia, +bekend in den peloponnesischen oorlog (zie Pylus no. 3 en Cleon). + +Sphaeria, Sphairia, eilandje op de kust van Argolis, nabij Troezen +en Calauria. + +Sphaeristerium, sphairisterion, zaal voor het bij de ouden zoo +geliefkoosde bal- of kaatsspel, zooals men in de grieksche gymnasiën, +de rom. badhuizen en ook in de huizen en op de buitenplaatsen der +rijke Rom. vond. + +Sphagia, Sphagia = Sphacteria. + +Sphendale, Sphendale, vlek in het N.O. van Attica, tusschen den berg +Parnes en de kust. + +Sphendonetai, funditores, slingeraars, lichtgewapenden, die met een +slinger van leder, soms van biezen, in de oudste tijden van wol, +looden kogels of groote steenen naar de vijanden wierpen. Onder de +Grieken muntten de Rhodiërs uit door behendigheid en zekerheid in +het behandelen van dit wapen, in de rom. legers dienden daarvoor +vooral Balearen. + +Sphettus, Sphettos, vlek in het Zuiden van Attica, aan den weg van +Athene naar Sunium. + +Sphinx, Sphinx, dochter van Typhon en Echidna of van Orthrus en +Chimaera, een monster met het hoofd en de borst eener vrouw en verder +de gedaante van een leeuw met vleugels. Zij zat op een rots nabij +Thebe en gaf den voorbijgangers een raadsel op, wie het niet kon +oplossen, werd gedood. Het raadsel luidde: Welk wezen heeft nu eens +vier, dan weer twee, dan weer drie voeten, en gaat langzamer naarmate +het meer voeten heeft? Oedipus vond de oplossing (mensch), waarop de +Sph. zich van de rots in de diepte stortte.--De aegyptische sphinxen +hebben eveneens de gedaante van een leeuw, maar zijn ongevleugeld en +hebben het hoofd van een man. + +Sphodrias, Sphodrias, spartaansch veldheer, die in 378 harmost van +Thespiae was en een aanval op den Piraeus deed. Toen deze aanval +mislukt was, werd wel beweerd, dat Sph. zich door de Thebanen daartoe +had laten omkoopen, om de Atheners in een oorlog met Sparta te +wikkelen, doch toen hij daarvoor te Sparta werd aangeklaagd, wist +Agesilaus zijn vrijspraak te bewerken. Hij sneuvelde in den slag +bij Leuctra. + +Spina, Spina, 1) stad aan den zuidelijken mond van den Padus +(Po), welke monding naar de stad ostium Spineticum heet. De stad +is waarschijnlijk oorspronkelijk umbrisch, maar reeds vroeg door +Etruriërs bezet; ze is evenals Adria uitvoerhaven voor barnsteen.--2) +stad in Gallia Transpadana aan den Addua (Adda). + +Spina, zie circus. + +Spino, beek bij Rome, niet nader bekend. + +Spinther, bijnaam van eenige Lentuli in de gens Cornelia, z. Cornelii +no. 50. + +Spitamenes, Spitamenes, generaal van Darius Codomannus, medeplichtige +van Bessus. Ook nadat hij dezen uitgeleverd had, zette Sp. den oorlog +tegen Alexander voort, zelfs wist hij scythische volksstammen tot een +bondgenootschap te bewegen; toen echter zijne zaak hopeloos stond, +werd hij door de Scythen gedood en zijn hoofd aan Alexander gezonden. + +Spithradates, Spithrid., Spithridates, satraap van Ionië en Lydië +onder Darius Codomannus, werd in den slag bij den Granicus, terwijl +hij op Alexander zelf een aanval deed, door Clitus gedood. + +Spolatum = Spalatum. + +Spoletum, -tium, Spoletion, thans Spoleto, umbrische stad aan de via +Flaminia, in 241 lat. kolonie. In den burgeroorlog had het veel van +Sulla te lijden en in later tijd van de Gothen. + +Spolia opima. Onder spolia verstaat men de wapenrusting, die de +overwinnaar den verslagen vijand ontneemt. Deze spolia worden +opima genoemd, wanneer de eene veldheer den anderen in den strijd +eigenhandig doodt. Zoo behaalde Romulus de spolia opima in den strijd +tegen de latijnsche Caeninensers, evenzoo de consul A. Cornelius +(Cornelii no. 3) in 428 op den vejentischen koning Tolumnius, en in +222 de consul M. Claudius Marcellus (Claudii no. 30) op den gallischen +aanvoerder Virdumarus in den slag bij Clastidium. + +Spondophoroi, zie Olympia (ta Ol.). + +Sporades, Sporades, de eilanden, die in de Aegaeische zee tusschen +Creta, Rhodus, de kust van Asia en de Cycladen verspreid liggen. + +Sportula, een mandje met eetwaren, zooals de clientes (z. a.) ontvingen +bij de salutatio matutina. Later werd het een geschenk in geld, en +kreeg sportulae de beteekenis van emolumenten, zooals presentiegelden +en dgl. + +Spurinae, etruscisch geslacht. 1) Spurina (Spurinna), een haruspex, +zou Caesar in den ochtend van den moord gewaarschuwd hebben, dat hem +een onheil dreigde.--2) Vestricius Spurina, streed in 69 n. C. voor +Otho tegen Vitellius, overwon later als legatus Germaniae Inferioris +de Bructeri; hij maakte ook latijnsche en grieksche gedichten. De +gedichten, die op zijn naam staan, zijn onecht. + +Staberii. 1) L. Staberius, aanhanger van Pompeius had het bevel te +Apollonia op de epirotische kust, doch ontruimde het bij Caesar's +nadering in 48.--2) Staberius Eros, latijnsch taalkundige, schrijver +van een werk de proportione, leermeester van Brutus en Cassius.--3) +Staberius, een rijkaard bij Horatius, overigens geheel onbekend. + +Stabiae, oude stad aan de campaansche kust, ten Z. van Pompeii, door +Sulla in den marsischen oorlog in 90 verwoest. Het herleefde later +als villa-dorp, maar hoorde toen tot het grondgebied van Nuceria. In +79 n. C. werd het bij de uitbarsting van den Vesuvius onder de asch +bedolven. Later komt het weer voor als badplaats, tgw. Castellamare +di Stabia. + +Stadium, stadion, de renbaan in een gymnasium, ook de enkele wedloop, +waarbij men eenmaal de baan afliep. Als afstandsmaat is het st. 600 +gr. voet, ongeveer 182 m.; naam en lengte heeft deze maat van de +renbaan te Olympia. + +Stagirus, Stageiros, ook Stagira, ta Stageira, kolonie van Andrus, +in het N.O. van Chalcidice, geboorteplaats van Aristoteles, op +wiens verzoek Philippus van Macedonia de door hem verwoeste stad +liet herbouwen. + +Staienus, naam in de gens Aelia, zonder historisch belang. In Cicero's +oratio pro Cluentio komt zekere C. Aelius Paetus Staienus voor, +die een schurkachtig voogd en een omkoopbaar rechter was, en de som, +waarmede hij ook andere rechters zou omkoopen, in zijn eigen zak stak. + +Staius Murcus (L.), veldheer van Caesar, belegerde met Q. Marcius +Crispus (Marcii no. 11), Q. Caecilius Bassus (Caecilii no. 28) te +Apamea ad Orontem, maar sloot zich in Maart 43 bij Cassius aan, en +werd als vlootvoogd naar de Adriatische zee gezonden, waar hij den +overtocht van Antonius en Octavianus niet wist tegen te gaan. Na +den dood van Brutus en Cassius sloot hij zich met zijn vloot bij +Sex. Pompeius aan, die hem echter spoedig liet ombrengen. V.a. was +zijn naam Statius Murcus. + +Staphylus, Staphylos, zoon van Dionysus of Theseus en Ariadne of van +Dionysus en Erigone, een van de Argonauten. + +Stasanor, Stasanor, van Cyprus, onder Alexander satraap van Ariane +en Drangiane, na Alexanders dood van Bactria en Sogdiane, waar hij +zich in weerwil van de aanvallen van Antigonus staande hield. + +Staseas, van Neapolis, peripatetisch wijsgeer, met Cicero bevriend. + +Stasicrates, Stasikrates, z. Dinochares. + +Stasinus, Stasinos, van Cyprus, waarschijnlijk uit de 8ste eeuw, een +van de cyclici, wien door sommigen een episch gedicht (Kypria epe) +werd toegeschreven, dat de gebeurtenissen van de bruiloft van Peleus +tot aan het begin der Ilias behandelde. + +Stata Mater, eene godin, die te Rome aangeroepen werd tot afwering +van branden. Zij was in beteekenis verwant met Vulcanus en Vesta; haar +beeld stond op het forum, waar 's nachts te harer eer een vuur brandde. + +Stater, stater, oorspronkelijk lydische gouden munt ter waarde van +ongeveer 22 attische drachmen. Zij was niet slechts in Griekenland +algemeen gangbaar, maar werd ook door vele grieksche staten geslagen +en uitgegeven. + +Statielli, -ellates, -ellenses, kleine ligurische volksstam, tusschen +den Padus (Po) en de Apennijnen, met de badplaats aquae Statiellae. + +Statii. 1) Statius Albius Oppianicus, rom. ridder, die zijn zwager +en twee van zijn eigen zoons om het leven bracht, en zijn stiefzoon +A. Cluentius Habitus trachtte te vermoorden, om zich diens fortuin toe +te eigenen. Door Cluentius aangeklaagd, poogde hij zijn rechters om te +koopen (zie Staienus), doch moest zich door vrijwillige ballingschap +aan het vonnis onttrekken (74).--2) Statius Albius Oppianicus, zoon van +no. 1, beschuldigde Cluentius (z. a.), dat deze den ouden Oppianicus +had pogen te vergeven.--3) Statius Sebosus, rom. zeevaarder, ontdekker +der Canarische eilanden, en schrijver over aardrijkskunde, leefde +in de eerste helft van de eerste eeuw n. C.--4) L. Statius Murcus, +z. Staius Murcus.--5) M. Statius Priscus, rom. veldheer, veroverde ± +163 na C. de armenische hoofdstad Artaxata.--6) Statius, vrijgelatene +van Q. Cicero, die veel invloed op hem had.--7) P. Papinius Statius +(± 45-96 na C.), te Neapolis geboren, doch te Rome opgevoed, beroemd +improvisator, dichter van twee epische gedichten, Thebais, in 12 +boeken, en Achilleis (onvoltooid), alsmede van 5 boeken mengelpoëzie +onder den naam Silvae.--8) Statius Caecilius, zie Caecilii no. 31.--9) +Statius Gellius, zie Gellii no. 1. + +Statilii. 1) Statilius, een dapper marsisch krijgsman, die aan Rome +trouw bleef, toen zijne landslieden tot Hannibal overgingen.--2) +L. Statilius, een van de saamgezworenen van Catilina, die Rome in +brand zou steken.--3) Statilius, aanhanger van Cato van Utica, +die zich bij Cato's dood ook van het leven wilde berooven, doch +door zijne vrienden hierin verhinderd werd en later bij Philippi +in de handen zijner vijanden viel en gedood werd.--4) T. Statilius +Taurus, legaat van Octavianus, streed in 36 tegen Sex. Pompeius op +Sicilia, veroverde na de afzetting van Lepidus Sicilia en Africa, +streed in 34/33 in Dalmatia tegen de Dalmaten, stond aan het hoofd der +landingstroepen bij Actium (31), onderwierp later (29) de Cantabriërs, +Asturiërs en Vaccaeërs in Hispania, was in 26 consul, en werd in 25 +door Augustus tot praefectus urbi benoemd. Uit eigen fondsen bouwde +hij in 30 te Rome het eerste steenen amphitheater. Hij was een groot +vriend van Augustus.--4a) T. Statilius Sisenna Taurus, consul in +16 n. C.--5) T. Statilius Taurus, consul 44 n. C., een rijk man, +wiens moeder eene Valeria Messalina (Corvina) was, werd om zijne +schatten aangeklaagd van knevelarij en tooverij (Z. Tarquitii), op +aanstoken van Agrippina, de gemalin van keizer Claudius. Hij benam +zichzelf het leven (53).--6) Statilia Messalina, dochter van no. 5, +huwde in 65 n. C. met Vestinus. Over dit huwelijk was keizer Nero +woedend en hij liet hem in zijn huis vermoorden (zie Vestini no. 2), +waarna hij Statilia tot vrouw nam. Later verloofde zij zich met Otho, +wiens dood hem belette haar tot keizerin te verheffen. + +Statira, Stateira, 1) gemalin van Artaxerxes Mnemon, door hare +schoonmoeder Parysatis vergiftigd.--2) gemalin van Darius Codomannus, +werd na den slag bij Issus door Alexander gevangen genomen en stierf +kort daarna.--3) z. Barsine no. 1. + +Statonia, oude stad in Etruria ten N. van Volci, aan het riviertje +Albinia en den lacus Statoniensis, ten W. van den lacus Volsiniensis. + +Stator, bijnaam van Jupiter, oorspronkelijk beteekenend: hij, die +de vluchtende legers tot staan brengt; later gaven de Rom. er de +beteekenis aan van instandhouder, bevestiger. + +Statorii. Q. Statorius, in 213 centurio onder de Scipio's in Hispania, +ging naar koning Syphax, om diens leger in den wapenhandel te oefenen. + +Stellas (Stellatis) campus, vruchtbare streek in het N. van Campania +nabij den ager Falernus. Oorspronkelijk maakte deze streek een +onderdeel uit van den ager Campanus (het land van Capua), maar in 211 +werd ze ervan afgescheiden. In 59 bij de lex Iulia agraria werd ook de +ager Stellas evenals de overige ager Campanus met kolonisten bevolkt. + +Stemmata, soort van loofwerk, waarmede de imagines maiorum tot een +stamboom vereenigd werden. + +Stentor, Stentor, een van de Grieken voor Troje, beroemd door zijn +sterke stem. Hij kon zoo hard schreeuwen als 50 andere mannen. + +Stenyclerus, Stenykleros, oude stad in Messenia, eenmaal de residentie +der messenische koningen uit de Doriërs. + +Stephanus, Stephanos, beeldhouwer te Rome, uit de 2de helft der +eerste eeuw. + +Steropes, Steropes, een van de Cyclopen. + +Stertinii. 1) L. Stertinius, als proconsul in 199 naar Hispania +gezonden, bracht in 196 een buit van 50000 pond zilver naar Rome.--2) +Stertinius, een stoicijnsch wijsgeer, bij Horatius in gesprek met +Damasippus.--3) Q. Stertinius, een bekwaam arts onder de eerste +keizers, evenals zijn broeder.--4) L. Stertinius, legatus van +Germanicus, versloeg in 15 en 16 na C. de Bructeren en Angrivariërs +en onderwierp Segimerus no. 2.--5) L. Stertinius Avitus, dichter +tijdens Domitianus, een vriend van Martialis. + +Stesagoras, Stesagoras, volgde zijn oom Miltiades no. 1 op en werd na +eene korte regeering gedood. Hij was een oudere broeder van Miltiades +no. 2. + +Stesichorus, Stesichoros, van Himera, een van de beroemdste grieksche +lierdichters, 640-555. In een van zijne gedichten noemde hij Helena de +oorzaak van al de rampen, die uit den trojaanschen oorlog voortgekomen +waren; tot straf daarvoor werd hij blind en hij kreeg het gezicht +niet terug, voordat hij in eene palinodie (z. a.) verklaard had, +dat slechts eene schijngestalte Paris naar Troje vergezeld had. Om +politieke redenen moest hij uit Himera vluchten; zijn graf was te +Catana nabij de naar hem genoemde poort.--Van zijne door de ouden +hooggeprezen werken, waarvan slechts fragmenten bewaard zijn, hebben +de meeste, wat hun inhoud betreft, veel overeenkomst met het epos; +hij tracht echter in de oude mythen en sagen een zedelijke beteekenis +te vinden en de rechtvaardigheid van het goddelijk wereldbestuur aan +te toonen. + +Stesicles, Stesikles, aanvoerder van een troep lichtgewapenden, door +de Atheners aan Corcyra te hulp gezonden, toen dit door Mnasippus +belegerd werd (373). + +Stesimbrotus, Stesimbrotos, van Thasus, leefde ten tijde van Cimon en +Pericles te Athene als sophist en hield zich vooral met de verklaring +van de gedichten van Homerus bezig. Zijne levensbeschrijvingen van +Themistocles, Pericles e. a. schijnen weinig geloofwaardig geweest +te zijn. + +Stheneboea, Stheneboia, zie Antea. Naar haar wordt Bellerophon +Stheneboius heros genoemd. + +Sthenelus, Sthenelos, 1) zoon van Perseus en Andromeda, koning van +Mycenae, vader van Eurystheus.--2) zoon van Capaneus en Euadne, +een der epigonen (z. Adrastus), vriend en krijgsmakker van Diomedes +voor Troje.--3) zoon van Androgeos, volgde Heracles op diens tocht +tegen de Amazonen; later regeerde hij met zijn broeder Alcaeus over +Thasus.--4) vader van Cycnus, naar hem wordt de zwaan Stheneleis +volucris genoemd.--5) treurspeldichter te Athene, door Aristophanes +e. a. om zijne weinig verheven gedichten bespot. + +Sthen(n)is, Sthen(n)is, van Olynthus, beroemd beeldgieter ten tijde +van Alexander d. G. + +Stheno, Sthe(i)no, eene van de Gorgonen. + +Stibadium = Sigma. + +Stigma, het brandmerk, dat op het voorhoofd werd ingebrand, b.v. K +voor calumniatores volgens eene zekere lex Remmia, F voor weggeloopen +slaven, fugitivi, of voor dieven, fures. Het schijnt, dat men zich +niet altijd met ééne letter vergenoegde. Ook werd het merk niet altijd +ingebrand, maar ook wel met een scherp gepunt werktuig ingegrift, +zóó dat het litteeken bleef. Op deze wijze werden onder de latere +keizers ook recruten en dwangarbeiders op den arm gemerkt. + +Stigmatias, stigmatias, een gemerkte slaaf; zie stigma. + +Stilicho, Stelichon, een Vandaal in rom. krijgsdienst, die het +onder Theodosius den Gr. zoover bracht, dat hij met 's keizers +nicht en aangenomen dochter Serena huwde. In 395 n. C. vertrouwde +Theodosius hem de voogdij over den jeugdigen Honorius toe (z. a.), die +achtereenvolgens Stilicho's beide dochters tot vrouw kreeg. Stilicho +verdedigde het westersche rijk met krachtige hand tegen de Germanen en +tegen den Gothenvorst Alarik, totdat hij ten gevolge van hofkabalen +in 408 op last van zijn keizerlijken schoonzoon in diens paleis +werd omgebracht. + +Stilo Praeconinus (L. Aelius), z. Aelii no. 7. + +Stilpo, Stilpon, van Megara, scherpzinnig wijsgeer uit de megarische +school in de tweede helft der 4de eeuw, leermeester van Zeno. Hij +bestreed de ideënleer van Plato. + +Stilus, de metalen schrijfstift, waarmede men op de wastafeltjes, +tabulae ceratae, schreef. Het boveneinde was plat, om het geschrevene, +zoo het niet beviel, te kunnen uitwrijven. Vandaar de dichterlijke +uitdrukking stilum vertere. + +Stimula, oud-italische godin, die vooral bij vrouwen hevige +hartstochten opwekt, later geïdentificeerd met Semele. Zij had een +gewijd bosch buiten Rome aan den Tiber, waar de later door den senaat +verboden Bacchanalia gevierd werden. + +Stipendium, 1) de soldij, misthos, die te Rome tijdens het beleg van +Veii werd ingevoerd, en niet in termijnen werd uitbetaald, maar eens +in het jaar, op het einde van den veldtocht of van het dienstjaar, +na aftrek van hetgeen de staat voor wapening en onderhoud had +uitgegeven. Later werd de soldij naar dagen berekend, en bedroeg +in den tijd van Polybius 5 lichte asses, sedert Caesar 10 asses = +ruim f0.26. De praetoriani kregen van Augustus eerst 20 asses, later +2 denarii = f0.84. De socii (z. a.) ontvingen geen stipendium, doch +werden kosteloos van het noodige voorzien.--2) de directe belastingen +(wel te onderscheiden van vectigalia) in de provinciën, waar de +belastingplichtigen stipendiarii werden genoemd. Twee provincies, +Sicilia en Asia (van de lex Sempronia tot Caesar) betaalden tributum +soli (z. a.) in plaats van stipendium. + +Stiris, Steiris, stad in het Z. van Phocis. + +Stoa, zuilengang, 1) st. basilike of basileios of he tou basileos, +het ambtslokaal van den archon basileus (z. archontes) te Athene. Aan +dit gebouw ontleenen de basilicae (z. a.) hun naam en hun vorm.--2) +st. poikile, z. het artikel Athenae p. 103, en Zeno no. 3. + +Stobaeus (Johannes), Ioannes Stobaios, van Stobi, leefde waarschijnlijk +omstreeks 450 n. C. Eene door hem ten behoeve van zijn zoon aangelegde +verzameling van uittreksels uit meer dan 500 grieksche dichters +en prozaschrijvers is voor het grootste gedeelte bewaard gebleven, +en is van groot belang voor de kennis van oudere schrijvers, wier +werken overigens verloren gegaan zijn. + +Stobi, Stoboi, hoofdstad van het macedonische gewest Paeonia, ongeveer +aan de samenvloeiing van den Erigon met den Axius, in de vierde eeuw +na C. door de Gothen verwoest. + +Stoechades insulae, Stoichades nesoi, groep van vijf eilandjes op de +kust van Gallia Narbonensis, tot het gebied van Massilia behoorende, +thans Iles d' Hyères. + +Stoeni, ligurisch volk, tot de Euganei behoorend, in 118 door +Q. Marcius Rex onderworpen. Waarschijnlijk woonden ze ten N. van +Verona. + +Stoici, Stoikoi, hoi ek tes stoas, stoicijnen, wijsgeeren uit de +school van Zeno (z. a. no. 3). + +Stola, het bovenkleed eener rom. dame, dat rondom tot op de voeten +hing en waaraan nog een rand, instita, kon gehaakt worden, die van +achteren een sleep vormde. De stola had korte mouwen. Aan meretrices +en adulterii damnatae was het dragen der stola ontzegd; deze waren +verplicht zich in het openbaar in de toga te vertoonen. Daar bij +huiselijke bezigheden de stola hinderlijk kon zijn, droegen de dames +een gordel (cingulum), ten einde haar kleed te kunnen opschorten. + +Stolo, familienaam in de gens Licinia (Licinii no. 3 en 4). + +Strabo (= scheele), familienaam in onderscheidene gentes, als +g. Fannia, g. Iulia (Julii no. 5), g. Pompeia (Pompeii no. 9). + +Strabo, Strabon, van Amasea, geb. 66, wijdde zich, na grondige +studie van wijsbegeerte en geschiedenis, geheel aan de beoefening +der aardrijkskunde. Te dien einde ondernam hij groote reizen +door Griekenland en Klein-Azië, ging hij westwaarts tot Sardinië, +zuidwaarts tot Aethiopië, ook bezocht hij Rome, waar hij zich lang +schijnt opgehouden te hebben, en bereisde hij Aegypte in gezelschap van +Aelius Gallus. De vruchten van zijn onderzoek heeft hij nedergelegd in +een groot werk, Geographika, in 17 boeken, dat bijna volledig bewaard +gebleven is, en voor de oude aardrijkskunde van het hoogste belang +is. Het bevat, behalve de eigenlijke aardrijkskunde, vele bizonderheden +over geschiedenis, staatsinrichting, zeden en gewoonten der beschreven +landen. Van zijne Hypomnemata historika, een uitvoerig werk in ten +minste 43 boeken, is slechts weinig bewaard gebleven. Str. stierf in +19 na C. + +Strategos. Te Athene werd omstreeks 500 het opperbevel over het +leger aan den polemarchos ontnomen en opgedragen aan een collegie +van 10 jaarlijks door het volk te verkiezen strategoi. Zij waren de +hoogste militaire overheid, hadden het geheele beheer van leger en +vloot in handen en kregen, door het belangrijke van hun betrekking, +weldra ook op politiek gebied grooten invloed. Aanvankelijk hadden zij +waarschijnlijk allen gelijke bevoegdheden, tenzij door volksbesluit of +onderlinge overeenkomst aan een van hen het opperbevel was opgedragen; +in lateren tijd (ongeveer sedert 350) werden hun bij hun verkiezing +speciale werkzaamheden toegewezen, en vindt men bijv. een str. epi +ten phylaken tes choras, een str. epi tas symmorias, enz.--Zie ook +achaeïsch verbond. + +Strato, Straton, van Lampsacus, leerling van Theophrastus en na +diens dood (287) gedurende 18 jaar hoofd der peripatetische school, +beroemd door zijne omvangrijke geleerdheid en scherpzinnigheid. Hij +beoefende vooral de natuurwetenschappen en verklaarde het ontstaan +van het heelal uitsluitend uit de werking van natuurkrachten (vandaar +zijn bijnaam Physikos, maar behandelde in zijne talrijke geschriften +ook alle andere onderdeelen der wijsbegeerte. Hij stierf in 270. + +Stratocles, Stratokles, 1) atheensch redenaar, tegenstander van +Demosthenes.--2) atheensch veldheer in den oorlog tegen Philippus van +Macedonië.--3) van Amphipolis, riep voor zijne vaderstad vruchteloos +de hulp der Atheners tegen Philippus in en werd daarom later door +dezen verbannen. + +Stratonice, Stratonike, dochter van Demetrius Poliorcetes, gehuwd +met Seleucus Nicator en later met diens zoon Antiochus (z. a. no. 2). + +Stratonicea, Stratonikeia, 1) voorname stad in het binnenland van +Caria, door den syrischen koning Antiochus I Soter (z. a.) gebouwd +en ter eere zijner vrouw aldus genoemd. De stad en ook de omgeving +heette vroeger Idrias. Bij deze stad stond de carische bondstempel +van Zeus.--2) stad aan den Caicus in Mysia, later Adrianupolis +(Hadrianupolis) geheeten. Hier nam M. Perperna den kroonpretendent +Aristonicus gevangen (130). + +Stratonicus, Stratonikos, 1) Athener, bekwaam toonkunstenaar, die +vele leerlingen had. Hij was beroemd door zijne geestigheid, waarmede +hij echter aan koning Nicocles van Salamis aanstoot gaf, die hem ter +dood liet brengen.--2) van Cyzicus, een van de beeldhouwers, die de +gevechten van Attalus en Eumenes tegen de Galliërs in beeld brachten +(± 200). + +Stratonis turris, Stratonos pyrgos, zie Caesarea no. 2. + +Strattis, Strattis, 1) tyran van Chius ten tijde van de perzische +oorlogen.--2) dichter der oude comedie, jonger tijdgenoot van +Aristophanes. + +Stratus, Stratos, 1) sterke hoofdstad van Acarnania, in het binnenland +ten W. van den Achelous gelegen, ± 260 door de Aetoliërs veroverd, +en sedert in hun bezit.--2) stad in het W. van Arcadia, op de grenzen +van Elis, in het gebied van Thelpusa, dat daarover gedurig met Elis +strijd voerde.--3) = het latere Dyme, in Achaia. + +Strenae, 1) nieuwjaarsgeschenken bij de Rom. vanwaar het fransche +étrennes.--2) = omen. + +Striglis, Strigilis, stlengis, xystris, een krabber, waarvan men zich +in Grieksche en Romeinsche badhuizen bediende, om na het worstelen, +of na het heete luchtbad, het vuil en zweet van de huid te verwijderen: +zie balneum. + +Strombichides, Strombichides, atheensch veldheer in het laatste +gedeelte van den peloponnesischen oorlog, heroverde Lampsacus, dat +van Athene afgevallen was (411). Hij verzette zich tegen den vrede +van Theramenes (z. a.); daarom werd hij nog vóór het sluiten van +den vrede op een valsche aanklacht van oligarchische zijde gevangen +genomen en onder de 30 ter doodgebracht. + +Strongyle, Strongyle, 1) het noordelijkste der Liparische eilanden +ten N. van Sicilia, thans Stromboli.--2) oude naam van Naxus. + +Strongylion, Strongylion, atheensch beeldgieter op het einde der 5de +eeuw, vooral beroemd door zijne paarden en stieren. + +Strophades, Strophades, ook Plotai geheeten, twee eilandjes in de +ionische zee, ten Z.O. van Zacynthus (Zante). Zij behoorden tot +het gebied van Cyparissia op de messenische kust en waren rijk aan +wijn. Toen Calais en Zetes, zonen van Boreas, de Harpyieën vervolgden, +staakten zij bij deze eilanden de vervolging en keerden toen om; +vandaar de naam (van strephein). + +Strophium, strophion, lange strook lijnwaad, soort van sjerp, die +koordvormig werd ineengedraaid en door vrouwen en meisjes over het +hemd om het lichaam werd gebonden tot steun voor de borsten. Tot +dergelijk doel werd ook het mamillare gebezigd, een platte band, +soms van zacht leder, doch op het bloote lijf gedragen. + +Strophius, Strophios, 1) koning van Phocis, gehuwd met eene zuster +van Agamemnon, z. Orestes.--2) kleinzoon van den vorigen, zoon van +Pylades en Electra. + +Stryme, Stryme, stad der Thasiërs op de thracische kust aan den +mons Ismarus. + +Strymon, Strymon, belangrijke rivier van Macedonia, vóór Philippus +grensrivier tegen Thracia. Hij ontsprong op den Scomius en liep aan +de Oostzijde van Chalcidice in de Strymonische golf uit. Niet ver +van den mond lag Amphipolis. + +Stubera, Styberra, stad in Pelagonia, het Z. W. gedeelte van het +macedonische gewest Paeonia, tusschen den Axius (Vardar) en diens +zijrivier Erigon. + +Stymphalus, Stymphalos, stad in het N.O. van Arcadia aan den mons +Stymphalus en aan het stymphalische meer. Hier verdreef of doodde +Heracles (z.a.) de stymphalische vogels. Het water liep door +onderaardsche kanalen af. + +Styra, ta Styra, stad in Z. W. Euboea; de bevolking is van dryopischen +stam. + +Styx, Styx, 1) arm van den Oceaan, die onder de aarde stroomt en +negenmaal rondom de onderwereld loopt. De nimf van deze rivier is +eene dochter van Oceanus en Tethys, gehuwd met den Titan Pallas; +zij woont aan den ingang van den Tartarus in een grot met zilveren +kolommen. Toen de Titanen tegen Zeus opstonden, was zij de eerste die +hem hare kinderen, Zelus, Nice, Cratus en Bia, te hulp zond; daarom +beloonde Zeus haar door te bepalen, dat de eed bij de Styx voor de +goden heilig en onschendbaar zou zijn, terwijl hare kinderen op den +Olympus bleven wonen.--2) rivier in noordelijk Arcadië, tegenwoordig +Mavronera, waarvan het water volgens de ouden doodelijk is en alles +verteert behalve ezels- of paardenhoeven. + +Suardones, germaansche volksstam in het N. van Germania, op den +rechteroever van den Albis (Elbe); ze behooren tot die volkeren, +die de godin Nerthus vereeren. + +Sub novis, sub veteribus. Langs een gedeelte der lange zijden van +het forum stonden twee rijen vaste kramen of winkeltjes. Die aan +den Zuidkant waren de oudste en de weg daarlangs werd sub veteribus +geheeten, terwijl de weg langs de winkels aan de Noordzijde sub novis +werd genoemd. + +Subertum, stad in het hart van Etruria, waarschijnlijk ten O. van +den lacus Volsiniensis; juiste ligging onbekend. + +Sublaqueum, stad der Aequi, aan den Boven-Anio. In den keizertijd +behoorde dit gebied tot Latium. In de nabijheid lag de prachtige +villa van Claudius en Nero. + +Sublicius (pons), houten paalbrug, in het bijzonder de oude Tiberbrug +te Rome, in den oorlog tegen Porsena afgebroken. Toen zij weder +herbouwd werd, geschiedde dit zonder er bouten of spijkers in te slaan; +zij was zoo ineengevoegd, dat men ze in geval van nood geheel uiteen +kon nemen. + +Subscriptio, de onderteekening eener aanklacht, in engeren zin de +onderteekening door de medeaanklagers, terwijl dan de onderteekening +door den hoofdbeschuldiger inscriptio werd genoemd (z. a.). + +Subsolanus of Solanus, de Oostenwind, zie Windstreken. + +Subucula, ondertunica, meest van wol en van mouwen voorzien. + +Subura, buurt van Rome met een zeer drukke winkelstraat, die van +het forum in N.O. richting liep. De derde regio van Servius Tullius +heette Suburana. + +Sucro, rivier in het O. van Hispania, die ten Z. van Valentia in +zee valt, thans Xucar, met eene gelijknamige stad in het gebied der +Edetani. De rivier heette vroeger Sicanus, zie Sicilia. + +Sudatio, Sudatorium, zie balneum. + +Sudeti montes, Soudeta ore, het W. gedeelte der tegenw. Sudeten, +met het Ertsgebergte. + +Suebi, uitgebreide en machtige volkenbond in Germania, een groot +gedeelte van de latere Hoogduitschers. Hun land was in 100 gouwen +verdeeld, waarvan elk 1000 krijgers kon leveren. Hun roem was, alles +rondom hen zoover te verwoesten, dat zij geene naburen hadden. Onder +Ariovistus neemt een gedeelte van het volk bezit van de door de +Helvetiërs verlaten streken ten Zuiden van den Main, en dringt dan ook +in den Elzas door, waar Caesar ze in 58 verslaat. Ook de Semnones in +Midden-Germania (tusschen Elbe en Spree) behoorden er toe. Bij Tacitus +wordt O. Germania tusschen de Donau en de Oostzee Suebia genoemd. Hun +naam leeft nog voort in Zwaben. In de 3de eeuw n. Chr. vormt een +gedeelte van de Suebische stammen (vooral de Semnones) den nieuwen +volkerenbond der Alamannen (z. a.). + +Suebicum mare, de Oostzee. + +Suessa. 1) Suessa (Sessa) Aurunca, stad der Aurunci in Latium, aan +den mons Massicus, col. lat. sedert 313, geboorteplaats van den +dichter Lucilius.--2) Suessa Pometia, stad der Volsci in Latium, +door Tarquinius Priscus veroverd, later door de Rom. verwoest. De +ligging is onzeker. + +Suessetani, volksstam in Tarraconensis, nabij den Iberus (Ebro), +in wier gebied de stad Corbio ligt. + +Suess(i)ones, machtig volk in het Z. van Belgica dat 50000 man op +de been kon brengen en wier koning Divitiacus niet slechts over een +aanzienlijk deel van Gallia heerschte, maar zelfs over een deel van +Britannia. Hoofdstad: Nuviodunum, later Augusta Suessionum geheeten, +thans Soissons. + +Suessula, stad in Campania tusschen Calatia en Nola. + +Suetonii. 1) C. Suetonius Paulinus, beroemd veldheer, werd in 41 na +C. stadhouder van Mauretania en drong dieper dan een zijner voorgangers +in de binnenlanden van Africa door. In 59 werd hij naar Britannia +gezonden, waar hij na een bloedigen strijd den opstand van Boudicca +dempte, doch reeds in 61 werd hij, ten gevolge van lasterlijke +beschuldigingen, door Nero teruggeroepen (zie Polyclitus). Later +streed hij voor Otho in den slag bij Cremona (69), doch onderwierp +zich na diens dood aan Vitellius, waarbij hij op niet zeer eervolle +wijze den schijn aannam, als zou door zijn opzettelijk toedoen Otho +den slag hebben verloren.--2) C. Suetonius Tranquillus leefde ten +tijde van Domitianus, Traianus en Hadrianus. Door den invloed van +zijn vriend Plinius (minor) verkreeg hij van Traianus verschillende +ambten, maar hij viel bij Hadrianus in ongenade, nadat hij onder dezen +een post bij de kanselarij had bekleed als magister epistularum (zie +scrinium). Zijn verder leven sleet hij met letterkundigen arbeid. Hij +schreef de levens der eerste 12 keizers (van Caesar tot Domitianus), +waarin hij zonder chronologische volgorde in eenvoudigen, helderen +stijl tal van kleine bijzonderheden mededeelt (de vita Caesarum libri +VIII), voorts over taalgeleerden, rhetoren, enz., alsmede de levens +van Terentius, Horatius, Persius, Lucanus, Juvenalis, Plinius, samen +behoorende tot een werk de viris illustribus. + +Suevi = Suebi. + +Suffectus is de overheidspersoon, die voor de rest van het ambtsjaar +gekozen wordt, wanneer het ambt binnentijds openviel, b.v. door +overlijden. + +Suffetes, titel der twee hoogste overheden te Carthago, die +de uitvoerende macht bezaten, in den senaat het voorzitterschap +bekleedden en somtijds ook het leger aanvoerden. Hun ambt werd hun, +althans in den beginne, slechts voor één jaar opgedragen. + +Suffibulum, lange witte sluier, die van het hoofd naar achteren over +den rug afhing en onder de kin met een gesp (fibula) werd vastgehecht, +en die tot de dracht der vestaalsche maagden behoorde. Ook droegen +de priesters dit kleedingstuk bij het offeren. + +Suffragia (sex), naam van 6 der 18 rom. riddercenturiën, vermoedelijk +de drie dubbelcenturiën van Tarquinius, Ramn(ens)es, Titi(ens)es en +Lucer(ens)es priores en posteriores. Welk verschil er tusschen deze zes +en de overige XII centuriae equitum was, blijkt niet. Waarschijnlijk +waren de sex suffragia een tijd lang uitsluitend patricisch, de +overige gemengd. + +Sugambri = Sygambri. + +Synkletos ekklesia, z. ekklesia. + +Suillii. P. Suillius Rufus, schoonzoon van Ovidius, was eerst +quaestor van Germanicus geweest, en werd in 24 na C. verbannen wegens +omkoopbaarheid, doch kreeg onder de regeering van Claudius verlof +naar Rome terug te keeren en wist toen wederom grooten invloed +te verwerven. Zijne geldzucht dreef hem er toe, als verklikker en +valsche aanklager tegen aanzienlijke mannen op te treden, totdat Nero +zelf hem bij den senaat beschuldigde (58) en hij met ballingschap +en verbeurdverklaring van een gedeelte zijner bezittingen werd +gestraft.--2) M. Suillius Nerulinus, zoon van no. 1, consul in 50 na +C., werd na de veroordeeling zijns vaders van afpersingen beschuldigd, +doch door Nero vrijgesproken. Onder Vespasianus was hij proconsul +van Asia. + +Suiones, de tegenwoordige Zweden, bij Tacitus de naam der bewoners +van Scandinavia, als goede zeevaarders bekend, wier schepen voor en +achter gelijk gebouwd waren, zoodat zij in beide richtingen konden +varen. Zie Scandia. + +Sykophantes werd te Athene iemand genoemd, die uit winstbejag anderen +met processen lastig viel. Bij de overmatige, tegenover sommige +standen soms onrechtvaardige gestrengheid der atheensche rechters, +konde een onbeteekenende of zelfs een geheel valsche aanklacht voor +den aangeklaagde dikwijls lastig of gevaarlijk worden en daarom vond +men het gewoonlijk veiliger een sycophant af te koopen, wanneer hij +met een aanklacht dreigde, dan zich aan een proces te wagen. Meende +men het boos opzet van een syc. te kunnen bewijzen, dan kon men hem +bij den raad of het volk of, door de graphe sykophantias, bij de +thesmotheten aanklagen. + +Sulla, familienaam in de gens Cornelia (Cornelii no. 52-54). + +Sylloges, beambten of buitengewone commissarissen bij het financiewezen +te Athene, wier werkkring niet nader bekend is, alleen wordt van +hen vermeld, dat zij verbeurdverklaarde goederen der oligarchen in +beslag namen. + +Sulmo, Soulmon, 1) thans nog Sulmo, paelignische stad, de +geboorteplaats van Ovidius, die het gelidis uberrimus undis noemt naar +de koele bergstroompjes en bronnen in den omtrek. In den burgeroorlog +werd het door Sulla verwoest, doch later herbouwd als kolonie.--2) +volscische stad in Latium, die in de eerste eeuw na C. reeds geheel +verdwenen was. + +Sulpiciae (leges) van den volkstribuun P. Sulpicius Rufus (Sulpicii +no. 18) van 88, 1) tot terugroeping der ballingen, n.l. van hen, +die na de woelingen van M. Livius Drusus in 91 en na de lex Varia +de wijk hadden genomen.--2) dat de nieuwe italiaansche burgers +(na den marsischen oorlog) en de vrijgelatenen over al de 35 tribus +zouden worden verdeeld.--3) dat geen senator meer dan 2000 drachmen +schuld zou mogen hebben (de inhoud dezer wet wordt alleen in het +Grieksch vermeld).--4) dat niet Sulla, doch Marius het bevel in den +mithradatischen oorlog zou voeren. Deze wetten werden, toen Sulla met +zijn leger in de stad binnendrong, door den senaat ongeldig verklaard. + +Sulpicii, patricisch geslacht. 1) Ser. Sulpicius Camerinus Cornutus, +consul in 500, bewerkte in 496 de hernieuwing van het verbond met +Latium.--2) Ser. Sulp. Camer. Corn., consul in 461, tegenstander der +lex Terentilla de legibus scribundis. In 454 was hij een der drie +mannen, die naar Griekenland gezonden werden tot het bestudeeren +der wetten aldaar.--3) Ser. Sulp. Camerinus, consul in 393, kantte +zich sterk tegen het ontworpen plan der plebejers om naar Veii te +verhuizen.--4) Q. Sulp. Longus, consulairtribuun in 390, liet de wacht, +die de beklimming van het Capitool door de Galliërs niet had bespeurd, +van de rots afwerpen.--5) Ser. Sulp. Praetextatus, consulairtribuun in +377 en 376, ontzette den burg van Tusculum, die door de Latijnen werd +belegerd.--6) C. Sulp. Peticus, consul in 364, 361, 355, 353 en 351, +dictator in 358, versloeg in 361 de Hernicers, in 358 de Galliërs, +in 351 de Tarquiniërs, die gedwongen werden vrede te sluiten.--7) +C. Sulp. Longus, consul in 337, 323 en 314, versloeg in 314 de +Samnieten.--8) C. Sulp. Paterculus, consul in 258, voerde op Sardinia +oorlog tegen de Carthagers.--9) P. Sulp. Galba Maximus werd voor het +jaar 211 tot consul gekozen zonder eenig ander curulisch ambt te hebben +bekleed; hij beschermde met zijn ambtgenoot Cn. Fulvius Centumalus en +den proconsul Q. Fulvius Flaccus Rome tegen eene overrompeling door +Hannibal. In 203 was hij dictator comit. habend. causa en in 200 +andermaal consul. De oorlog tegen Philippus van Macedonia werd hem +toen opgedragen, waarin hij het volgende jaar door den toenmaligen +consul P. Villius Tappulus werd vervangen.--10) C. Sulp. Gallus was in +168 krijgstribuun in het leger van Aemilius Paullus en voorspelde de +maansverduistering in den nacht vóór den slag bij Pydna (21/22 Juni +168, volgens den Juliaanschen kalender); tegenwoordig neemt men aan, +dat hij die maansverduistering niet voorspeld, maar uitgelegd en +verklaard heeft. In 166 was hij consul en overwon de Liguriërs. In +164 werd hij belast met een onderzoek naar de klachten, tegen Eumenes +van Pergamus ingebracht. Dat hij de sterrenkunde beoefende, is uit +het bovenstaande reeds gebleken; ook was hij ervaren in de grieksche +letterkunde.--11) Ser. Sulp. Galba, krijgstribuun, zocht uit haat +tegen L. Aemilius Paullus, de volkstribunen over te halen om diens +zegepraal te beletten. In 151 en 150 voerde hij als propraetor oorlog +in Lusitania; hij werd eerst verslagen en pleegde later schandelijke +woordbreuk, toen hij ongewapende krijgsgevangenen verraderlijk liet +neerhouwen. Onder de weinigen die ontkwamen, behoorde Viriathus. Om +deze reden werd Galba in 149 door den volkstribuun L. Scribonius +Libo (Scribonii no. 3), ondersteund door den 85-jarigen M. Cato, +aangeklaagd. Hij ontging de veroordeeling slechts door bidden en +smeeken. Hij was consul in 144 met L. Aurelius Cotta, z. Aurelii +no. 3. Hij was de beste redenaar van zijn tijd, hoewel ook Libo +in dit opzicht niet gering te schatten was.--12) Ser. Sulp. Galba, +zoon van no. 11, consul in 108, was in 100 onder de tegenstanders van +Saturninus.--13) C. Sulp. Galba, zwager van C. Gracchus, was een goed +redenaar. Hij werd in 110 veroordeeld, omdat hij zich door Jugurtha +had laten omkoopen.--14) Ser. Sulp. Galba diende in 90 als legaat +voorspoedig tegen de opgestane bondgenooten.--15) P. Sulp. Galba +was aediel tegelijk met Cicero, doch tevergeefs diens mededinger +naar het consulaat.--16) Ser. Sulp. Galba, legaat van Caesar in +Gallia, dong in 49 vergeefs naar het consulaat en was later onder +Caesars moordenaars. In den mutinensischen oorlog streed hij onder +Hirtius tegen Antonius. Toen het driemanschap gesloten was, werd +hij veroordeeld.--17) Ser. Sulp. Galba, rom. keizer, zie Galba.--18) +P. Sulp. Rufus, een der meest beroemde redenaars van zijn tijd, riep +in 94, toen hij nog de rechten van den senaat verdedigde, C. Norbanus +(z. Norbani no. 1) voor het gerecht en vocht later als legaat met roem +in den bondgenootenoorlog (89). Hij ging daarop tot de plebs over, +en liet zich voor 88 tot volkstribuun kiezen, om aan de bondgenooten +het volle genot van het burgerrecht te kunnen verschaffen (zie leges +Sulpiciae); toen Sulla met zijn leger in Rome binnendrong, nam hij de +vlucht, doch werd achterhaald en omgebracht.--19) Ser. Sulp. Rufus, +voortreffelijk jurist en redenaar en kundig staatsman, was in 65 +praetor en in 51 consul. Toen de burgeroorlog tusschen Caesar en +Pompeius tot uitbarsting kwam, bleef hij een tijd lang besluiteloos, +totdat hij eindelijk Caesars partij koos, door wien hij later +als proconsul naar Achaia gezonden werd. Na Caesars dood weifelde +hij opnieuw, bij welke partij hij zich zou aansluiten. Hij stierf +kort daarop (43), 81 jaar oud, in de legerplaats van Antonius voor +Mutina, waarheen hij door den senaat gezonden was om eene schikking te +bewerken. Als grondig wetenschappelijk rechtsgeleerde had hij in zijn +tijd vele leerlingen; hij was ook een vruchtbaar schrijver. Beroemd is +zijn troostbrief aan Cicero bij het overlijden van diens dochter Tullia +(45).--20) Ser. Sulp. Rufus, zoon van no. 19, door Cicero als een braaf +en talentvol jongeling geprezen, diende onder Caesar in Gallia.--21) +P. Sulp. Quirinius, consul in 12, onderwierp, als stadhouder van Syria +± 5, een volksstam in de bergen van Cilicia, vergezelde Augustus' +kleinzoon C. Caesar naar Armenia (1/2 n. C.), en was later wederom +stadhouder van Syria. Als zoodanig heeft hij in 6 n. C. een census +gehouden in Judaea, waarvan ook het N. T. gewag maakt. Hij heet daar +Cyrenius, Kyrenios. Hij was een vriend van Tiberius, stierf kinderloos +in 21 en werd op staatskosten begraven. Hij behoorde niet tot het +patricisch geslacht der Sulpicii, maar stamde uit Lanuvium.--22) +C. Sulp. Apollinaris, in het tijdperk der Antonijnen, taalkundige, te +Carthago geboren, leermeester van keizer Pertinax en van Aulus Gellius +(Gellii no. 6), wijdde zich vooral aan de studie van Vergilius.--23) +Sulpicia, dochter van no. 20, en nicht van M. Valerius Messala +Corvinus (Valerii no. 28), dichteres, z. Albii.--24) Sulpicia, +erotische dichteres onder Domitianus. Het kleine gedicht Satira, +dat haar naam draagt, is niet door haar geschreven.--25) Sulpicius +Severus, zie Severi no. 3. + +Summanus, oorspronkelijk waarschijnlijk een bijnaam van Jupiter, later +als een afzonderlijk god van nachtelijke onweders en luchtverschijnsels +beschouwd. Hij had een tempel bij den Circus Maximus, waar hem den +20sten Juni een offer gebracht werd. + +Symmoriai, afdeelingen, waarin sedert 377 de atheensche burgerij +voor de heffing der eisphora verdeeld was. In iedere phyle waren +twee symm., die ieder 60 van de rijkste burgers bevatten, de minder +vermogenden werden zoo bij de verschillende symm. ingedeeld, dat +iedere afdeeling een ongeveer gelijk belastbaar vermogen had. Werd +nu eene eisphora uitgeschreven, dan werd de symm. in haar geheel +belast, de rijkste leden waren tot de proeisphora verplicht en +konden van hunne medeleden de bijdragen innen, die door de hegemones +of epimeletai ton symmorion vastgesteld werden. In 358 werd eene +dergelijke inrichting bij de triërarchie ingevoerd (z. synteleia, +maar ondoelmatig bevonden, weshalve zij door eene wet van Demosthenes +omstreeks 340 werd opgeheven. + +Symposion, z. deipnon. + +Sumptuariae (leges), wetten tegen de weelde. De voornaamste zijn: de +lex Oppia van 215, Orchia van ± 181, Fannia van 161, Didia van 143, +Aemilia van 115, Cornelia van 81, Iulia van 46, Iulia van 18. Keizer +Tiberius verzette zich tegen het vaststellen van nieuwe en strengere +wetten, daar hij inzag, dat deze toch niet hielpen. + +Syndikoi, 1) te Athene zij, die ten voordeele van eene der beide +partijen in een proces voor de rechtbank het woord voeren. Volgens de +wet moest wel ieder zijn eigen zaak verdedigen, maar met toestemming +van de rechters mocht men, na zelf gesproken te hebben, ook anderen tot +zijne verdediging laten optreden. Het was den syndikos (ook synegoros +genoemd) verboden, zich voor zijne redevoering (synegoria) te laten +betalen.--2) z. epicheirotonia no. 1.--3) eene buitengewone commissie, +na de verdrijving der 30 aangesteld om het verwarde financiewezen +te regelen. In het bizonder schijnt het hun taak geweest te zijn te +onderzoeken, wie onder de 30 zich ten onrechte van staatsgoederen +had meester gemaakt of van het zijne beroofd was. + +Synegoros, -goria, z. syndikoi; ook de bijzitters der logisten +heetten synegoroi. + +Sunici, Sunuci, germaansche volksstam in Belgica tusschen de Treviren, +Ubiërs en Nerviërs. + +Sunium, Sounion, Zuidkaap van Attica, sedert 415 zeer versterkt en van +twee havens voorzien. Binnen de, thans nog grootendeels bestaande, +muren stond een beroemde Athena-tempel, 300 voet boven de zee. Naar +eenige nog overeind staande zuilen daarvan heet het voorgebergte +thans kaap Colonne. + +Synoikia, ook metoikia, feest, te Athene den 16den Hecatombaeon +gevierd, ter herinnering aan de vereeniging van alle bewoners van +Attica tot één staat (synoikismos). + +Synomosia = hetairia. + +Synteleia, onderafdeeling eener symmoria. Wanneer aan eene symmoria +een triërarchie was opgelegd, dan werd zij in evenveel synteleiai, +verdeeld als er schepen noodig waren, zoodat iedere synt. voor één +schip te zorgen had. Ieder lid der symm. werd door de epimeletai bij +eene of andere synt. ingedeeld, en wel zóó, dat iedere groep ongeveer +hetzelfde vermogen vertegenwoordigde. + +Suovetaurilia, een offer, bestaande uit een ever, ram en stier, bij +bijzonder plechtige gelegenheden, bijv. na afloop van den census, +aan Mars gebracht. + +Superum mare, de Adriatische zee. + +Supparus, -parum, -parum, een schoudermanteltje, een soort linnen +tunica, meest door vrouwen over de subucula gedragen, zonder mouwen. + +Supplicatio, openbare verootmoediging voor het aangezicht der goden, +boete-, bede- of dankdag, al naar gelang groote rampen of gevaren of +wel luisterrijke overwinningen er de aanleiding toe waren. Zulk eene +supplicatio duurde oorspronkelijk slechts één dag, vervolgens meer +dagen, totdat er ten laatste feesten voorkomen van 30 en 40 dagen. Zulk +een bededag ging gepaard met offers, met omgangen door de stad, ook +processies van vrouwen, onder het zingen van lofliederen ter eere der +goden, met godenmaaltijden (zie lectisternium). Enkele malen gelastte +de senaat ook het houden van een openbaren maaltijd. Het bevelen +(decernere) van zulke dagen behoorde als eene zaak van godsdienst +geheel tot de bevoegdheid van den senaat, die echter zich liet +adviseeren door de deskundige priestercollegiën, in de eerste plaats +dat der pontifices. + +Sura, bijnaam van eenige Lentuli in de gens Cornelia (Cornelii no. 48). + +Surena, bij de Parthen de eerste grootwaardigheidsbekleeder na den +koning, die dezen hij de kroning de kroon op het hoofd zette. De rang +is het best te vergelijken bij dien van een turksch grootvizier. + +Surrentum, Sourrenton, oude campaansche stad op het promunturium +Minervae, tusschen de golven van Puteoli (g. v. Napels) en van +Paestum (g. v. Salerno). De omliggende Surrentini colles leverden +voortreffelijken wijn op. Thans Sorrento. + +Susa, ta Sousa = leliënstad, hoofdstad van het gewest Susiane, +ontleende zijn naam aan de tallooze leliën, die in den omtrek +groeiden. Sedert Cyrus werd Susa om zijn warm klimaat de gewone +winterresidentie der perzische koningen; in den zomer was het er +ondragelijk heet, daar het land juist open lag voor de winden, die, +uit Afrika komende, over de arabische zandwoestijnen heen streken. De +huizen waren smal en diep, zonder bovenverdieping, van boven met +eene laag aarde bedekt, op de wijze van kazematten. De plaats had +geene muren, maar een sterken burg, ta Memnonia, waarin zich het +paleis en de schatkamers bevonden. Sedert 1850 na C. zijn hier vele +beeldwerken en andere overblijfselen opgegraven. De stad was wijd +uiteen gebouwd, zoodat zij, volgens verschillende opgaven, 120-200 +stadiën (4-6 2/3 uur gaans) in omtrek had. Hier traden Alexander de +Gr. en zijne officieren met perzische vrouwen in den echt. + +Susarion, Sousarion, van Megaris, vestigde zich in Attica en trad +hier voor het eerst met het megarische blijspel op, omstreeks 570. + +Susiane, Sousiane, Sousis, perzisch gewest tusschen den Beneden-Tigris +en het Zagrusgeb. ten O. In overouden tijd bestond hier een +zelfstandige staat, die zelfs over Babylon en Assyria moet geheerscht +hebben, doch in het midden der 7de eeuw zijne onafhankelijkheid +verloor. De oudste naam, waaronder de Grieken het kenden, was +Cissia, Cyssia of Cossia, naar de roofzieke Cissaei of Cossaei, +die de bergpassen naar Media beheerschten en zelfs de perzische +koningen voor hun doortocht tol lieten betalen. In de vlakte woonden +de Elymaei, vreedzame landbouwers. In de bergen was het klimaat ruw, +over dat van de vlakte zie men Susa. + +Syssitia of phiditia, oudtijds andreia, de verplichte +gemeenschappelijke maaltijden van mannen in dorische staten, vooral +op Creta en te Sparta bekend. Zij waren verdeeld in gezelschappen +van ongeveer 15 personen, waarin men alleen met algemeene stemmen +aangenomen werd. Op Creta werden deze maaltijden grootendeels door +den staat bekostigd, te Sparta gaf daarentegen ieder deelnemer +zijn bijdrage, deels in spijzen, deels in geld; wie deze bijdragen +niet leverde of de maaltijden niet geregeld bijwoonde, verloor +zijn burgerrecht. Het hoofdgerecht was de zwarte soep (haimatia, +melas zomos), verder gebruikte men brij, vleesch, kaas, vruchten en +wijn. Buitengewone lekkernijen, zooals wild, brood e. dgl. (epaikla), +kreeg men door vrijwillige bijdragen, zij mochten niet voor geld +gekocht zijn. Op Creta was in iedere stad een gebouw (andreion) +voor deze maaltijden bestemd. + +Suthul, kasteel in Numidia, waar Jugurtha's schatten geborgen lagen. + +Sutrium, Soutrion, stad in Etruria, latijnsche kolonie sedert 383, +aan den weg van Rome naar Volsinii, ten O. van den mons Ciminius. + +Svardones = Suardones. + +Sybaris, Sybaris, een monster, dat de omstreken van den Parnassus +verwoestte en door Eurybates gedood werd. Z. Alcyoneus. + +Sybaris, Sybaris, beroemde grieksche stad aan een gelijknamig riviertje +(zie Crathis), op de kust van Lucania aan de golf van Tarentum, +omstreeks 720 door Achaeërs en Troezeners gesticht. Het dreef een +levendigen handel en kon met zijne 25 onderhebbende steden 300000 +(?) man tegen Croton in het veld brengen. De verwijfdheid evenwel +der inwoners, zóó groot dat zij spreekwoordelijk is geworden, werd de +oorzaak van den val der stad. In 510 werd Sybaris door de Crotoniaten +verwoest. Zie verder Thurii. Tengevolge van de twisten bij de stichting +van Thurii verhuisden de afstammelingen der oude Sybarieten, die tot +nu toe in Laüs en Scidrus gewoond hadden, naar een streek aan de Traïs, +waar ze Sybaris nova stichtten. + +Sybota, ta Sybota, eilandjes op de kust van Epirus, tegenover de +Zuidpunt van Corcyra, waarbij in 432 de zeeslag tusschen de Corcyraeërs +en de Corinthiërs voorviel, het voorspel van den peloponnesischen +oorlog. + +Sychaeus = Sichaeus. + +Sycurium, Sykourion, Sykyrion, plaats aan den voet van den Ossa, +in Pelasgiotis (Thessalia). Hier werd C. Licinius Crassus (Licinii +no. 8) in 171 door Perseus van Macedonia verslagen. + +Syene, Syene, tegenwoordig Assoean, stad aan den Nijl, tot Aegypte +behoorende, juist aan de aethiopische grenzen gelegen even beneden den +eersten waterval. Wegens de ligging juist onder den kreeftskeerkring +trok de aardrijkskundige Eratosthenes een zijner parallelcirkels over +deze plaats. Onder de rom. keizers was Syene grensvesting. + +Syennesis, Syennesis, titel der vorsten van Cilicië, door de Grieken +als eigennaam beschouwd. + +Sygambri, Sygambroi, ook Sicambri, Sugambri, machtige germaansche +volksstam in Germania op den rechter Rijnoever tusschen Colonia +Agrippina (Keulen) en de Luppia (Lippe). Onder de regeering van +Augustus werden zij door Drusus en Tiberius overwonnen en door den +laatsten gedeeltelijk naar den linker Rijnoever overgebracht (9), +v. s. in de streek tusschen Rijn en Maas, waar ze dan later onder den +naam Gugerni (z. a.) voorkomen, v. a. werden ze naar Nederland naar den +IJssel of naar de landen ten Zuiden van Waal en Maas verplaatst. Ze +verdwijnen dan een poos uit de geschiedenis, doch komen v. s. later +weder te voorschijn, als hoofdbestanddeel van de Salische Franken. + +Syllium, Syllion, bergvesting in Pamphylia, ten N.W. van Aspendus. + +Syloson, Syloson, jongere broeder van Polycrates, met wien hij +aanvankelijk over Samus regeerde. Later ging hij naar Aegypte en leerde +hij Darius Hystaspis kennen, die hem na den dood van Polycrates de +regeering over Samus teruggaf (omstreeks 516). + +Symaethus, Symaithos, rivier op Sicilia, die ten W. van den Aetna +naar het Z.O. stroomt en ten Z. van Catana in zee vloeit. Symaethius +heros bij Ovidius = Acis. + +Syme, Syme, eilandje in de dorische golf op de kust van Caria met +eene gelijknamige stad en acht havens. Vroeger heette het Aegle en +Metapontis, en kreeg den naam Syme naar eene dochter van Ialysus. + +Symmachus (Q. Aurelius), gevierd rom. redenaar uit den tijd van +Theodosius den Gr., proconsul in Africa in 373 na C., praefect van +Rome in 384 en 385, consul in 391, was een ijverig kampioen voor het +herstel der oude goden, waartegen Ambrosius, bisschop van Milaan, +in het strijdperk trad. Wij bezitten van hem nog eene verzameling +brieven in 10 boeken en fragmenten van eenige redevoeringen. + +Symphoniaci, n.l. servi, een muziekkorps, dat aanzienlijke Romeinen +er als huiskapel op nahielden. + +Symplegades, Symplegades, z. Cyaneae insulae. + +Symposium, symposion, z. Convivium en deipnon. + +Synesius, Synesios, wijsgeer uit Cyrene, geb. omstreeks 370 na C. In +410 ging hij, niet zonder gemoedsbezwaren, tot het Christendom over en +werd bisschop van Cyrene. Zijne wijsgeerige en godsdienstige werken, +die voor een gedeelte bewaard gebleven zijn, behooren tot de beste +voortbrengselen der letterkunde van dien tijd. + +Synnada, ta Synnada, stad in het O. van Phrygia, met rijke +marmergroeven. Het werd eerst onder de Rom. belangrijk als zetel +van een conventus en vervolgens als hoofdstad der provincie Phrygia +salutaris. + +Synthesis, een gemakkelijk gewaad van griekschen snit, waarvan men +alleen weet, dat het in huis en vooral aan tafel werd gedragen. + +Syphax, koning der Massaesylii in Numidia, werd in 213 de bondgenoot +der Rom. tegen Carthago en werd door Masinissa, die op Carthago's +hand was, tijdelijk uit zijn rijk verdreven. Hierdoor en door den dood +der gebroeders P. en C. Scipio in Hispania ging het verbond te niet, +doch het werd hersteld door den jongeren Scipio (Africanus maior), die +tijdens zijn verblijf in Hispania in persoon Syphax opzocht, op welke +reis hij bijna in handen der Carthagers was gevallen. Doch de Carthager +Hasdrubal (no. 4) wist door de hand der schoone Sophonisbe, die reeds +met Masinissa verloofd was, Syphax te winnen, zoodat deze tot de zijde +der Carthagers overging, terwijl daarentegen Masinissa hun verbitterde +vijand werd en op zijn beurt door Syphax werd verjaagd. Toen Scipio +in Africa landde, beschikte Syphax over een leger van 60000 man, +waarbij zich zijn schoonvader met 30000 man carthaagsche troepen +aansloot. Het gelukte Scipio echter, Syphax driemaal te verslaan en ten +slotte nam Masinissa hem gevangen (203); hij moest de zegepraal des +overwinnaars opluisteren en stierf als gevangene te Tibur. Masinissa +wilde Sophonisbe redden door zelf haar te huwen, doch tevergeefs. + +Syracusae, Syrakousai, thans Siragossa, de aanzienlijkste stad +van Sicilia, met Agrigentum de oogen des lands genoemd, omstreeks +735 door Doriërs onder aanvoering van zekeren Archias van Corinthe +gesticht. Tijdens zijn grootsten bloei had Syr. eene bevolking van een +half millioen en een omtrek van 6 uren gaans. Het bestond eigenlijk +uit vijf afzonderlijk ommuurde steden. Het oudste gedeelte was het +eiland Ortygia ook wel alleen Nasus (dorisch = nesos) geheeten, met +de bron Arethusa, de tempels van Athena en Artemis, en het paleis +van Hiero, waar later de rom. praetoren verblijf hielden. Door +een dam, later door een brug, was dit gedeelte met het vaste land +verbonden. Men kwam dan in Achradina, het fraaiste gedeelte, op de +steile hoogte langs de kust gebouwd, met prachtige gebouwen, als: +het theater, het prytaneum, den tempel van Zeus Olympicus. Tijdens +den peloponnesischen oorlog bestond de stad nog slechts uit deze +beide kwartieren. Aan Achradina sloten zich later Tyche en Neapolis +aan. Tyche droeg zijn naam naar den tempel der Tyche en was het meest +bevolkte deel der stad. Neapolis, ook Temenites (z. a.) geheeten, +had vele tempels en het grootste theater van Sicilia. Dan kwam nog +Epipolae, op een bergrug gelegen en van buiten ongenaakbaar, met de +kasteelen Euryalus en Labdalum. Nabij Achradina vond men de groote +steengroeven of catacomben, lautumiae, die tevens tot gevangenis +dienden. Daar Ortygia aan den ingang eener baai lag, vormde zich +daarachter een natuurlijke haven, de groote haven genoemd, die 2 2/3 +uur gaans in omtrek was en waarvan de ingangen met kettingen konden +worden afgesloten. Aan den anderen kant, ten N.O. lag de kleine +haven, Portus Laccius of Marmoreus, met werven, arsenalen, enz.--De +geschiedenis van Syracusae is eene aaneenschakeling van oorlogen, +burgertwisten, omwentelingen, tyrannieën. De regeering was eerst +aristocratisch; omstreeks 500 joegen het volk en de slaven de rijken +uit de stad, doch Gelo, tyran van Gela, bracht de verdrevenen terug en +maakte zich van Syr. meester (485). Onder Gelo en diens broeder Hiero +I werd de stad machtig en bloeiend door het overbrengen van inwoners +uit andere veroverde plaatsen. Een derde broeder, Thrasybulus, +speelde den dwingeland, doch werd verdreven. Over den oorlog met +Athene z. Nicias. In den strijd tegen Carthago, toen in 410 een +leger van meer dan 100000 man op Sicilia landde, vertrouwde Syr. het +legerbevel aan een burger, Dionysius, toe, die zijne macht misbruikte +om zich tot tyran op te werpen (405). Hij bouwde ook op Ortygia eene +acropolis. In 367 werd hij opgevolgd door zijn zoon Dionysius II, +die in 344 door Timoleon werd verdreven; Syr. ademde weer vrij en +de Carthagers werden bij den Crimisus geheel verslagen (339). Weldra +echter dook opnieuw de tyrannenheerschappij op; o. a. kwamen aan het +bewind Agathocles (317-289), Hicetas (289-280), Hiero II (270-215), +de trouwe bondgenoot der Romeinen, die den titel van koning aannam. Na +zijn dood geraakte Syr. in onmin met Rome en werd na een tweejarig +beleg in 212 door M. Claudius Marcellus veroverd. Sedert dien tijd ging +de stad achteruit, zoodat, toen Augustus er eene kolonie heenzond, +Ortygia voldoende ruimte aanbood. Behalve de wis- en werktuigkundige +Archimedes (gest. 212) waren ook de dichters Theocritus en Moschus +te Syr. geboren. + +Syria, Syria. Onder dezen naam verstond men oudtijds het oostelijke +kustland der Middellandsche zee, van de golf van Issus tot Aegypte, +met inbegrip van Phoenicië en Palaestina, en landwaarts in tot aan +de woestijn. Neemt men Phoenicië en Palaestina er af, dan blijft +voor Syria in engeren zin het volgende over: Commagene in het N.O., +Syria superior en Coelesyria. Het land was arm aan water; de grootste +rivieren zijn de Orontes en de Jordaan, Syrië bestond oudtijds uit +verschillende rijkjes, die herhaaldelijk met de Israëlieten in oorlog +waren en evenals de rijken van Israël en Juda de prooi werden van +Assyrië en Babylonië en daarmede onder Perzië kwamen. Na den dood +van Alex. d. Gr. ontstond het machtige Seleucidenrijk, dat bijna het +geheele aziatische gedeelte van Alexanders rijk omvatte. Bithynia, +Paphlagonia, Pontus en Cappadocia erkenden Seleucus' opperhoogheid, +Pergamus stelde zich in 284 onder zijne bescherming. Onder Seleucus' +zoon Antiochus I Soter (280-261) ging het gezag over de genoemde +vasalstaten verloren; onder Antiochus II Theos (261-247) het geheele +oosten van het rijk, waaruit twee nieuwe staten, Bactrië en Parthië +ontstonden; Antiochus III de Groote (224-187) verloor aan de Rom. wat +hij nog in Voor-Azië bezat; daarentegen won hij Phoenicië en Judaea +van Aegypte (200), welke gewesten hij echter niet behield. Onder +Antiochus IV Epiphanes (175-164) werden Phoenicia en Palaestina +wel opnieuw veroverd, doch in den opstand der Maccabaeën vochten +de getergde Joden zich vrij. Van nu af aan is Syrië een rijk van +ondergeschikt belang. In 70 werd het door Tigranes van Armenië +veroverd; twee jaar later, toen Tigranes verslagen was, werd door +L. Licinius Lucullus wel nog een Seleucide op den troon van Syrië +geplaatst, Antiochus XIII, doch Pompeius zette dezen eenvoudig af en +gaf hem Commagene, met de bewering, dat na de nederlaag van Tigranes de +door dezen verdreven Seleuciden niet billijkerwijze over Syrië konden +blijven heerschen. Syria werd nu rom. provincie (63). Het werd niet +dadelijk geheel bij Rome ingelijfd; enkele distrikten, als Chalcidene, +Emesa, Abilene, Damascus, werden nog voor korter of langer tijd aan +schijnkoninkjes afgestaan (zie ook Palaestina), doch ten tijde van +Hadrianus was alles voor goed ingelijfd. Syria werd toen gesplitst in +Syria Coele of Magna Syria, ook kortweg Syria genoemd, Syria Phoenice +en Syria Palaestina, het laatste met Caesarea tot hoofdstad. In 430 na +C. was Syria aldus verdeeld: Syria I met Antiochia, S. II met Apamea, +Phoenicia I met Tyrus, Ph. II met Damascus, Palaestina I met Caesarea, +Pal. II met Scythopolis, Pal. III met Petra tot hoofdstad. + +Syria dea, Syria theos = Dercetis en Astarte. + +Syriae portae, zie Amanus. + +Syrinx, Syrinx, dochter van den riviergod Ladon. Toen zij voor Pan +vluchtte, die haar met zijne liefde vervolgde, werd zij op hare +bede door haar vader in riet veranderd, waaruit Pan zich de eerste +herdersfluit sneed, die haar naam kreeg. Deze fluit (fistula) bestaat +uit 7 of meer rietpijpen van ongelijke lengte of dikte, met was +aan elkander verbonden. De herders maakten zich zulk een instrument +gewoonlijk zelf en bespeelden het dikwijls met groote bekwaamheid. + +Syrma, syrma, slepend tooneelgewaad, door de tooneelspelers gedragen, +die goden of heroën voorstelden. Zij schenen door deze dracht grooter. + +Syrtes, Syrteis, twee inhammen op de kust van het tegenw. Tripoli; +de Syrtis magna heet thans golf van Sidra, de Syrtis minor golf van +Cabes; de naam komt van syrein. + +Syrtica regio, Syrtike, het kustland tusschen de Syrten, ook +Tripolitana genaamd naar de steden Leptis, Oea en Sabrata. + +Syrus (Publilius), zie Publilius Syrus. + +Syrus, Syros, thans Syra, een der Cycladische eilanden, bij Homerus +Syrie genoemd en door hem afgeschilderd als rijk aan koren, wijn +en vee. + + + + + + +T. + + +Tabae, Tabai, 1) stad in het perzisch-medische distrikt Paraetacene, +aan den heerweg van Persepolis naar Ecbatana.--2) bergstad aan de +O. grens van Caria. + +Tabella, zie tabula. + +Tabellariae (leges), de 4 wetten, waarbij geheime stemming met +stembordjes, tesserae of tabellae, in de comitiën werd ingevoerd. 1) +lex Gabinia, van een overigens onbekenden volkstribuun A. Gabinius, +voor de kiescomitiën, in 139.--2) lex Cassia, van den volkstribuun +L. Cassius Longinus, 137, voor rechterlijke comitiën, behalve +in zaken van perduellio.--3) lex Papiria, van den volkstribuun +C. Papirius Carbo, 131, voor wetgevende comitiën.--4) lex Caelia van +den volkstribuun L. Caelius, 107, ook voor perduellio. Zie ook tabula. + +Tabellarius, postbode. De ouden kenden geene geregelde postverzending, +doch menschen, die geregeld in betrekking stonden met het buitenland of +die een werkkring in de provinciën hadden, hielden er eigen tabellarii +op na, die de correspondentie over en weer brachten en dan ook voor de +vrienden hunner patroons brieven medenamen, zoodat er op deze wijze +een vrij levendig brievenverkeer tusschen Rome en de verschillende +deelen des rijks plaats had. De stadhouders hadden hunne koeriers, +statores. Augustus organiseerde eene keizerlijke koerierpost, waartoe +op verschillende punten wisselplaatsen, mutationes, waren gevestigd, om +versche paarden te verkrijgen, en op sommige halten gelegenheid was te +overnachten, mansiones. Behalve de keizerlijke koeriers, speculatores, +en ambtenaren in dienst, mocht niemand van de postrijtuigen gebruik +maken zonder speciale schriftelijke vergunning, diploma.--De perzische +koningen hadden eene uitstekend ingerichte koerierpost te paard. De +dépêches werden in vollen ren van het eene station naar het andere +overgebracht, waar steeds een koerier, angareus, met een gezadeld +paard gereed stond om de dépêches van den aankomenden koerier over +te nemen en onverwijld verder te brengen. + +Tabernae, naam van onderscheidene pleisterplaatsen aan de +rom. heerwegen, o.a. tusschen Argentoratum (Straatsburg) en Noviomagus +Nemetum (Spiers), thans Rheinzabern en ééne ten O. daarvan, thans +Bergzabern in den Elzas, en een versterking ten W. van Straatsburg, +op weg naar Decempagi (Dieuze), gewoonlijk Tres Tabernae geheeten, +tegenw. Zabern in den Elzas. Tres Tabernae was verder eene halteplaats +in Latium aan de via Appia, tusschen Aricia en Forum Appii, een andere +halte van dezen naam lag in Gallia Transpadana tusschen Placentia +(Piacenza) en Mediolanium (Milaan). + +Tablinum, een vertrek in rom. huizen, in den regel achter het atrium +gelegen en oudtijds ingericht tot bureau van den heer des huizes, +tot familie-archief en dgl., later ook tot andere doeleinden gebezigd, +o. a. ook wel voor eetvertrek. + +Tabula, tabella, tessera. Tabula is een plank of houten bord, +tabella is er een verkleinwoord van, tessera een vierkant plaatje +of blokje, onverschillig van welke stof, evengoed een plankje als +een kubus. De drie benamingen werden niet streng gescheiden. Tabula +picta, schilderij, ook landkaart. Tabula votiva, eene schilderij, +welke iemand, die uit een groot gevaar gered was, van deze redding +liet vervaardigen en als dankbewijs in den tempel van eene of andere +godheid ophing, of wel eene plechtige, op eene tabula geschreven +dankbetuiging aan de reddende godheid. Tabulae ceratae zijn met was +bestreken plankjes, op de manier van dichtslaande leitjes, zooals ze +vroeger in Indië veelvuldig werden gebezigd. Men gebruikte ze voor +briefwisseling, zij werden met een draad, linum, kruiswijze omwonden +en de knoop werd verzegeld. Tabulae heetten ook de rekenborden, +die de kinderen op school gebruikten, zooals bij ons leien in +gebruik zijn. Tabulae publicae zijn alle openbare oorkonden en +bekendmakingen, b.v. tabulae proscriptionum, aankondiging van publieke +verkoopingen, in de burgeroorlogen de openbaar gemaakte lijsten van +vogelvrijverklaarden. Tabulae accepti et expensi, boek van ontvangst en +uitgaaf, kasboek. Tabulae Caeritum, de lijsten der aerarii (z.a.). Ook +de groote marmeren of koperen platen, waarop dikwerf wetten en +besluiten werden gebeiteld of gegrift, worden tabulae genoemd, vandaar +de naam leges duodecim tabularum. De stembordjes of stemplankjes bij de +comitia en iudicia worden soms tabellae, doch meest tesserae geheeten; +bij het stemmen over wetsvoorstellen beteekende A antiquo = ik ben +voor het oude, dus = tegen, V. R. uti rogas = zooals gij voorstelt, +dus = vóór. Bij rechterlijke comitia was L libero, D damno. Bij +de quaestiones perpetuae had men nog bovendien N. L., non liquet, +waardoor men te kennen gaf, nog niet voldoende te zijn ingelicht, +zie Acilia lex de repetundis. Bij de eigenlijke stemming gebruikte +men voor vrijspraak en veroordeeling: A absolvo, C condemno. Over de +tessera frumentaria zie men het artikel annona. Ook het toegangsbewijs +voor het theatrum, den circus en dgl. heette tessera. Tesserae zijn +ook dobbelsteenen, zie alea. Tessera hospitalis is het bewijs van een +verbond van gastvriendschap tusschen twee familiën in verschillende +plaatsen; op een plankje werden de namen der beide familiën geschreven, +een aan elken kant, vervolgens werd het middendoor gebroken en kreeg +elke familie de helft; op vertoon van dit stuk was men zeker van eene +gastvrije ontvangst. Tessera militaris was eene, waarop het wachtwoord +geschreven stond; degenen, die dit woord moesten weten, teekenden ze +voor gezien, en zoo kwam zij bij den bevelhebber terug; ook bevelen +in het legerkamp werden dikwerf op deze manier gegeven. Bij een zoo +veelvuldig gebruik werd niet altijd de vierzijdige vorm bewaard; +eene tessera theatralis, te Pompeii gevonden, heeft den vorm van een +penning met het opschrift: + + + CAV. II + CVN. III + GRAD. VIII. + CASINA + PLAVTI + + +d. w. z. cavea II = 2de rang, cuneus III = 3de sector, gradus VIII = +8ste rij, voor de Casina (eene comoedia) van Plautus. + +Tabularium, het rijksarchief. Voor de foedera was er een archief +op het Capitool, voor alles wat het geldelijk beheer betrof, was +het archief, met het aerarium vereenigd, in een achtergebouw van +den Saturnustempel. Het archief der volkstribunen was evenzoo in +den tempel van Ceres, hier werden de plebiscita en senatusconsulta +bewaard. Na den brand van het Capitool in 83 werd er in 78 door +Q. Lutatius Catulus (zie Lutatii no. 5) een algemeen rijksarchief +gebouwd (tabularium) in de inzinking tusschen de twee toppen van het +Capitool, met den voorkant naar het forum, op welks grondslagen in de +Middeleeuwen het tegenwoordig stadhuis van Rome (Palazzo del Senatore) +is opgetrokken. Het keizerlijk archief heet tabularium Caesaris. + +Tabularum (leges XII), de eerste verzameling geschreven wetten, op +twaalf tabulae gegrift, waarvan volgens de overlevering 10 in 451 +en 450 onder de decemviri werden vervaardigd en de laatste twee in +449 onder het consulaat van M. Horatius Barbatus en L. Valerius +Poplicola. Zij waren fons omnis publici privatique iuris en +bleven voor het burgerlijk recht tot het einde toe de grondslag der +rom. wetgeving, waaraan de edicten der praetoren (zie ius honorarium) +zich aansloten. Tot meer dan twee eeuwen na C. stonden zij te Rome +op het forum ten toon gesteld. Wat wij er echter van weten, berust op +aanhalingen en uitleggingen van rom. rechtsgeleerden en is gedeeltelijk +van jongeren datum. + +Taburnus, een bergrug op de grenzen van Samnium en Campania, waardoor +de bergpas van Caudium aan de Zuidzijde werd begrensd. De noordelijke +helling was ruw, de zuidelijke daarentegen rijk aan vruchtboomen. + +Tacfarinas (gen. -atis), een Numidiër, die eerst onder Tiberius in de +rom. gelederen diende, doch deserteerde en een opstand verwekte (17 na +C.), welke eerst onderdrukt werd, doch weder opvlamde (19) en eerst met +groote inspanning in 24 door P. Cornelius Dolabella werd onderdrukt. + +Tachompso, Tachompso, half aegyptische stad in het aethiopische +distrikt Dodecaschoenus, op een eiland in den Nijl gelegen, +doch overschaduwd en in verval geraakt door den aanwas van de +tegenoverliggende stad Pselchis. + +Tachos, Tachos, zoon en opvolger van Nectanabis I. Geholpen door +grieksche troepen onder Agesilaus (361) en Chabrias wist hij eenigen +tijd weerstand te bieden aan de aanvallen van Perzië, maar toen zijn +neef Nectanabis II tegen hem opstond en Agesilaus zich bij dezen +aansloot, onderwierp T. zich aan Artaxerxes, aan wiens hof hij zijn +verder leven doorbracht. + +Tacitus (M. Claudius), rom. keizer, geb. te Interamna, in 275 na C. op +meer gevorderden leeftijd door den senaat als opvolger van Aurelianus +verkozen, een ernstig, fijn beschaafd en waardig man. Hij werd na een +voorspoedigen veldtocht tegen de Gothen, die van uit Zuid-Rusland +langs de Oostkust van de Zwarte Zee in Klein-Azië gevallen waren, +door zijn soldaten, na eene regeering van 6 maanden, waarschijnlijk +te Tyana, vermoord (276). Hij regeerde geheel naar den zin van den +senaat, waartoe hij behoord had. + +Tacitus (P. Cornelius), beroemd rom. geschiedschrijver, schoonzoon +van Cn. Iulius Agricola, met wiens dochter hij in 78 na C. huwde. In +80 of 81 werd hij quaestor, vervolgens aediel of volkstribuun, +in 88 praetor en in 97 (onder Nerva) consul. Dat hij ook, evenals +keizer Tacitus, die hem onder zijne voorzaten rekende, te Interamna +in Umbria geboren is, is niet waarschijnlijk, hoewel er in die stad +(thans Terni) in 1514 een gedenkteeken voor hem is opgericht. In 89 +verliet hij met zijne vrouw Rome, naar men vermoedt als legatus pro +praetore provinciae Belgicae, en keerde daarheen in 93 wegens het +overlijden van zijn schoonvader terug. In 111 of 112 was hij proconsul +van Asia. Hij was bevriend met den jongen Plinius. Tacitus heeft zijn +naam vereeuwigd door zijne geschriften: 1º. Dialogus de oratoribus, +waarschijnlijk in 81 nog in ciceroniaanschen stijl geschreven, in den +vorm van een gesprek een zeer belangrijke verhandeling bevattend over +de geschiedenis der romeinsche litteratuur. 2º. de vita et moribus +Cn. Iulii Agricolae, in 98 uitgegeven, een levensbeschrijving van +zijn schoonvader, en een historisch-geographische bespreking van +Britannia bevattend. 3º. Germania of de origine situ moribus ac +populis Germanorum, uitgegeven in 98; het eerste deel bespreekt in +het algemeen den oorsprong en de zeden der Germanen, het tweede de +verschillende volksstammen. 4º. Historiae, waarschijnlijk 14 boeken, +uitgegeven na elkaar in de jaren 104-111; ze beschreven de geschiedenis +van Galba tot aan den dood van Domitianus. Over zijn nog: boek I-IV +en het begin van V, waarin de jaren 69 en 70 (gedeeltelijk) behandeld +worden. 5o. ab excessu Divi Augusti libri XVI, ook annales geheeten, +van den dood van Augustus tot op dien van Nero, waarvan echter slechts +boek I-IV in hun geheel, V en VI met eene groote gaping, van XI een +gedeelte, XII-XV weder geheel en XVI gedeeltelijk over zijn. Ze zijn +geschreven en uitgegeven in de jaren 115-117. De stijl van Tacitus +is levendig en kernachtig, doch door zucht tot beknoptheid menigmaal +duister. In weerwil zijner waarheidsliefde wordt hij door sommigen +niet altijd billijk in zijne waardeering van enkele keizers geacht, +met name jegens Tiberius. Het is er Tacitus niet in de eerste plaats +om te doen, de waarheid mede te deelen, maar om de gebeurtenissen, +door anderen beschreven te stiliseeren. Aan hem moet men vooral +zijn woordkunst bewonderen. Zijne geschriften hebben niet slechts +eene wetenschappelijke, maar ook eene zedelijke strekking, die +hij (ann. III. 65) uitdrukt in de woorden: quod praecipuum munus +annalium reor, ne virtutes sileantur, utque pravis dictis factisque +ex posteritate et infamia metus sit. + +Tader, rivier in het Z. van Hispania Tarraconensis, niet ver ten +N. van Carthago Nova, tgw. Segura. + +Tadii, rom. geslacht, waarvan een paar leden in het proces tegen +Verres als diens vrienden voorkomen. + +Taenarum, Tainaron, thans kaap Matapan, de middelste Zuidpunt van +de Peloponnesus. Daar stond een tempel van Poseidon Asphaleios, +ook als vrijplaats beroemd. In de nabijheid was eene grot, die een +van de toegangen tot de onderwereld was en waardoor Heracles het +monster Cerberus naar boven bracht. Ook zou hier Arion (z. a.) door +zijn dolfijn aan land zijn gebracht. Er lag ook eene stad Taenarus +of Taenarium; in den omtrek vond men aanzienlijke marmergroeven. + +Tagae, Tagai, stad in Parthia op de grenzen van Hyrcania, ten W. van +Hecatompylus. + +Taephali of -lae, westgothische stam, die in de 4de eeuw n. C. in +Dacia woonde. + +Tages, zoon van een genius, kleinzoon van Jupiter, kwam eens bij +Tarquinii, terwijl een boer bezig was zijn land om te ploegen, +als knaap uit een diepe vore te voorschijn. Op het geroep van den +verschrikten landman kwamen velen toesnellen; T. onderwees hen in +de etruscische voorspellingskunst (haruspicina) en stierf terstond +daarop. Sommige van zijne lessen waren opgeteekend in de Acheruntici +libri. + +Tagos, in Thessalië titel van den opperbevelhebber van het leger, +later ook van den hoogsten overheidspersoon. + +Tagus, Tagos, rivier in Hispania, thans de Taag (Tajo, Tejo), rijk +aan stofgoud, visschen en aan den mond met oesterbanken. + +Taifali = Taephali. + +Talaonides, Tala(i)onides, Adrastus, zoon van Talaüs. + +Talassio, -sius, romeinsch huwelijksgod, die bij het geleiden van de +bruid naar het huis van haar echtgenoot luide werd aangeroepen. Men +verhaalde dat iemand, die bij den sabijnschen maagdenroof het schoonste +meisje gegrepen had, om haar tegen aanranding te vrijwaren voorgewend +had, dat zij voor Talassius, een aanzienlijk en algemeen bemind +Romein, bestemd was. Maar het volk, dat zijn list doorzag, hield hem +bij zijn woord en allen hielpen hem nu het meisje naar T. brengen, +terwijl men schertsend luide riep: Talassio. + +Talaüs, Talaos, zoon van Bias en Pero, koning van Argos, een van de +Argonauten, vader van Adrastus, Eriphyle e. a. + +Talentum, talanton, oorspronkelijk de weegschaal, vervolgens een +bepaald gewicht = 26.2 kilo, eindelijk een geldsom, overeenkomend met +de waarde van dit gewicht in zilver. Men rekent het attische talent = +f2820, het aeginetische en babylonische = 1 2/3, het euboeïsche = +1-7/18 att. tal. Het talent was verdeeld in 60 minen, de mina in +100 drachmen. + +Talos, Talos, 1) zoon eener zuster van Daedalus, vond verscheiden +werktuigen uit, waarom zijn oom afgunstig werd op zijn roem en hem +verraderlijk van de acropolis wierp. V. a. was zijn naam Perdix.--2) +een koperen reus, die slechts één ader had, welke van het hoofd tot de +voeten liep en daar met een pen gesloten was. Hij was door Hephaestus +of Zeus aan Minos of Europa geschonken om Creta te bewaken; dagelijks +liep hij driemaal om het eiland heen, en als hij vreemdelingen zag, +maakte hij zich in een groot vuur gloeiend en drukte hij hen in +zijne armen dood. Toen de Argonauten op Creta landden, doodde Medea +hem door de pen uit zijn ader te trekken, zoodat hij doodbloedde; +v. a. doodde Poeas hem met zijne pijlen. + +Talthybius, Talthybios, heraut van Agamemnon, te Sparta en Argos als +heros vereerd. Van hem was het geslacht der Talthybiaden (Talthybiadai) +te Sparta afkomstig, waaruit de herauten genomen werden; z. ook Bulis. + +Talus, dobbelsteen, zie alea. + +Tamassus, Tamasus, Tama(s)sos, stad op Cyprus, beroemd om hare +kopermijnen, door sommigen voor het homerische Temesa gehouden. + +Tamesa of -sis, Tamesa, rivier in Britannia, thans de Theems. + +Tamias, in 't algemeen rentmeester, penningmeester. Te Athene was +sedert het einde der vierde eeuw de t. of epimeletes tes koines +prosodou, ook kortweg ho epi te dioikesei genoemd, een soort minister +van financiën, die het beheer over de geheele schatkist voerde; hij +werd door volkskeuze aangewezen en bekleedde zijn ambt vier jaar. Zijn +departement was in talrijke onderafdeelingen verdeeld, waarvan ieder +een eigen kas en een eigen beheerder had, die eveneens t. heette. + +Tamna, Tamna, groote, welvarende hoofdstad der Catabani in het +Z. W. van Arabia felix, volgens het verhaal met 65 tempels en met +een levendigen handel in specerijen en myrrhe. + +Tamos, Tamos, een Aegyptenaar, onder Tissaphernes stadhouder van Ionië, +later bevelhebber der vloot van den jongen Cyrus. + +Tamphilus, familienaam in de gens Baebia. + +Tamynae, Tamynai, Tamynai, euboeïsche stad tot het gebied van Eretria +behoorende, aan de Z. kust, ten O. van Eretria gelegen, in welker +nabijheid Phocion den eretrischen tyran Callias versloeg. + +Tanager, rivier in Lucania met een gedeeltelijk onderaardschen loop, +bij Forum Popilii. Hij stroomt naar het N. en valt in den Silarus. + +Tanagra, Tanagra, beroemde en belangrijke stad van Boeotia, aan +den Asopus gelegen, niet ver van de grens van Attica. In den omtrek +groeide de beste wijn van Boeotia. In 457 werden de Atheners hier +door de Spartanen verslagen. + +Tanais, 1) rivier in Sarmatia, thans de Don, door de ouden als +grensrivier tusschen Europa en Azië aangenomen. Dikwijls wordt deze +stroom verward met den Jaxartes (Syr-Daria). Hij valt in den N.O. hoek +der Palus Maeotis (zee van Azow).--2) stad, milesische volkplanting, +aan den Zuidermond van bovengenoemde rivier. + +Tanaquil, Tanakyllis, gemalin van den rom. koning Tarquinius +Priscus. Later schijnt zij met een rom. godin van het spinnen +vereenzelvigd en te Rome onder den naam Gaia Caecilia vereerd te zijn. + +Tanarus, rechter zijrivier van den Padus (Po), stroomt langs Pollentia +en Hasta (Asta), en valt boven Clastidium in den Padus. + +Tanaüs = Tanus. + +Tanetum, Taneton, stad der Boii in Gallia Cispadana, tusschen Parma +en Mutina. + +Tanfana, Tamf., germaansche god of godin, had een tempel in het gebied +der Marsi, die in 14 na C. door Germanicus verwoest werd. + +Tanis, Tanis, stad in de Nijldelta, op den rechteroever van den +Tanitischen Nijlarm, hoofdplaats van het distrikt Tanites, residentie +van eene der oude aegyptische dynastieën. + +Taniticum ostium, Tanitikon stoma, een van de Nijlmonden, ten W. van +den Pelusischen Nijlmond gelegen. + +Tannetum = Tanetum. + +Tantalides, Tantalides, Pelops, Atreus, Thyestes, Agamemnon en Orestes, +zoon en verdere nakomelingen van Tantalus. + +Tantalis, Tantalis, Niobe en Hermione, dochter en achterkleindochter +van Tantalus. + +Tantalus, Tantalos, 1) zoon van Zeus of Tmolus en Pluto, zeer rijk +koning van Phrygië, Lydië, Paphlagonië, Argos of Corinthe, genoot in +hooge mate de gunst der goden, zoodat hij zelfs bij hunne maaltijden +en vergaderingen werd toegelaten. Maar door zijn geluk overmoedig +geworden, verried hij hunne geheimen, of hij stal nectar en ambrosia +van hun tafel om die aan de menschen te geven, ook liet hij door +Pandareüs een gouden hond uit den tempel van Zeus stelen en zwoer +hij later, dat hij hem niet gekregen had; z. ook Pelops. Tot straf +voor zijne misdaden moet hij in de onderwereld in een water staan, +dat tot zijne lippen reikt, terwijl de heerlijkste vruchten boven +zijn hoofd hangen, maar wanneer hij van het water of de vruchten +tracht te genieten, dan wijken zij onmiddellijk totdat zij buiten +zijn bereik zijn, zoodat hij altijd door honger en dorst gekweld +wordt. V. a. hangt steeds boven zijn hoofd een zwaar rotsblok, +dat dreigt hem te verpletteren.--Zijn rijkdom en zijn straf zijn +spreekwoordelijk geworden: Tantalou talanta, chremata, dipsa. De +vloek van zijne misdaden rustte op zijne kinderen, Pelops en Niobe, +en op zijn geheel geslacht (Pelopiden).--2) een van de twee zonen van +Thyestes, door Atreus (z. a.) gedood.--3) zoon van Amphion en Niobe. + +Tanus of Tanaüs, Tanos, Tanaos, rivier in Thyreatis of Cynuria, +op de grenzen van Argolis. + +Tanusii, rom. geslacht, waarvan één lid tijdens Sulla's proscripties +door Catilina werd omgebracht en een ander, Tanusius Geminus, de +samenzwering van Catilina in een historisch werk behandelde, waarin +ook van Caesar als deelgenoot werd gesproken. Z. Volusii. + +Taochi, Taochoi, volksstam in het N.O. van Pontus, aan de grens van +Armenia, ten Z. van de Moschi. + +Taphiae insulae, Taphion nesoi, vroeger Teleboae insulae, Teleboon +nesoi, geheeten, eene eilandengroep in de ionische zee tusschen +het eiland Leucas en de acarnanische kust, oudtijds bewoond door de +zeevarende Taphiërs of Teleboërs. Homerus noemt het grootste dezer +eilanden Taphus, Taphos, later heette het Taphius, Taphious. + +Taphius, Taphios, zoon van Poseidon en Hippothoë, stichter van de +stad Taphus op het eiland van dien naam. + +Taphrae, Taphrai, Taphros (= gracht), vestingwerk tot afsluiting van +den hals der Chersonesus Taurica, op het smalste gedeelte der landengte +(thans landengte van Perekop). + +Taphrus, Taphros (= gracht, kanaal), 1) = Taphrae.--2) de doorvaart +tusschen Sardinia en Corsica, fretum Gallicum (straat v. Bonifacio). + +Taphus, zie Taphiae insulae. + +Taprobane, Taprobane, oude naam voor het eiland Ceylon. + +Tapuri, Tapouroi, wilde volksstam in Hyrcania. + +Taras, Taras, zoon van Poseidon, kwam van kaap Taenarum naar Italië +en stichtte Tarentum. + +Taras = Tarentum no. 2. + +Taraxippos, een rond altaar in de renbaan te Olympia, staande op een +plaats, waar de paarden dikwijls schichtig werden, naar men meende +door den invloed van den geest van Myrtilus of Oenomaüs, die daar +begraven was; z. ook Glaucus no. 2. + +Tarbelli, Tarbelloi, volk in Aquitania, tusschen den Aturus (Adour) +en de Pyrenaeën. Hoofdstad: Aquae Tarbellicae. + +Tarchon, Tarchon, Tarkon, zoon of broeder van Tyrrhenus, stichter +van 12 steden in Etrurië, waarvan eene naar hem Tarchonium (later +Tarquinii) heette. Hij hielp Aeneas in zijn strijd tegen Turnus. + +Tarentini ludi = Terentini ludi. + +Tarentum, 1) = Terentum.--2) Taras, thans Taranto, Tarente, voorname +stad in het Z. van Italia, aan een inham in den N.O. hoek van den +sinus Tarentinus gesticht door Iapygiërs, doch later gekoloniseerd +door de uit Sparta verdreven Partheniae onder aanvoering van +Phalanthus (707), vandaar bij Horatius de benaming Lacedaemonium +Tarentium. Tarentum, in eene allerbekoorlijkste streek gelegen, +machtig door zeevaart, handel en nijverheid, verhief zich spoedig +boven de andere grieksche volkplantingen van Magna Graecia, doch +verviel ook tot een weelderigheid, die zijn ondergang ten gevolge +had. De houding der Tarentijnen gedurende de samnietische oorlogen +bracht hen in botsing met Rome. Zij riepen Pyrrhus, koning van Epirus, +te hulp, die echter na twee overwinningen en ééne nederlaag Italia +moest verlaten (275). De strijd, thans al te ongelijk, eindigde in +272 met de verovering der stad, die daarbij half werd verwoest. In +212 trachtten de tarentijnsche gijzelaars te Rome te ontvluchten, +doch werden bij Tarracina achterhaald, teruggebracht en, na gegeeseld +te zijn, van de Tarpejische rots geworpen. Op het bericht hiervan +zwoeren eenige aanzienlijke jongelingen te T. samen, en hun verraad, +geholpen door de zorgeloosheid van den rom. bevelhebber, speelde +de stad aan Hannibal in handen. De burcht bleef echter in het bezit +der Rom. In 209 werd T. door de Rom. heroverd en geplunderd, terwijl +alles, wat de soldaten ontmoetten, over de kling werd gejaagd en 30000 +inwoners als slaven werden verkocht. In 122 werd er door C. Gracchus +eene rom. kolonie heen gebracht, en dank zij hare ligging, verhief +de stad zich weder tot een ongemeenen bloei, doch met de welvaart +keerden ook weelderigheid en verwijfdheid terug (molle Tarentum). + +Tarichea, -cheae, Taricheia, -cheai, stad in Galilaea aan den +westelijken oever van het meer van Tiberias of Gennesareth. De +hoofdbron van bestaan was het zouten van visch, taricheuein, vandaar +de naam. + +Tarne, Tarne, stad in Maeonia, bij Homerus vermeld. + +Tarpa, zie Maecius Tarpa. + +Tarpeii. 1) Sp. Tarpeius, bevelhebber van den burcht op den +capitolijnschen berg in den oorlog na den sabijnschen maagdenroof, zou, +volgens de sage, Rome aan de Sabijnen hebben willen overleveren, doch +werd door Romulus met zijne dochter Tarpeia ter dood gebracht. Volgens +een ander verhaal zou Tarpeia de Sabijnen hebben binnengelaten, onder +belofte dat deze haar zouden geven wat zij aan den linkerarm droegen, +waarmede T. een gouden armband bedoelde. Toen zij echter het Capitool +bezet hadden, wierpen zij hunne schilden, die zij ook aan den linkerarm +droegen, op het meisje, dat daaronder verpletterd werd. De steile +rots, op welks top dit gebeurd was, aan den zuidhoek van het Capitool, +kreeg en behield den naam saxum Tarpeium. Van deze rots werden soms +ter dood veroordeelde staatsmisdadigers afgeworpen. Zie Capitolinus +(mons).--2) Sp. Tarpeius Montanus Capitolinus, consul in 454; zie +lex Aternia Tarpeia. + +Tarpeium (saxum), zie Tarpeii no. 1 en Gemoniae scalae, en Capitolinus +(mons). + +Tarpeius, bijnaam van Jupiter Capitolinus, naar de Tarpejische rots +nabij zijn tempel. + +Tarphe, Tarphe, locrische stad in een boschrijke streek aan den berg +Cnemis, bij Homerus vermeld, met een tempel van Hera. Later Pharygae, +Pharygai. + +Tarquinii, een etruscisch geslacht. 1) L. Tarquinius Priscus, vijfde +koning van Rome. Volgens de sage zou hij de oudste zoon geweest zijn +van den te Tarquinii gevestigden Corinthiër Demaratus (z. a. no. 2), +op raad zijner echtgenoote Tanaquil zou hij naar Rome verhuisd zijn en +daar zijn etrurischen naam Lucumo tegen dien van Tarquinius verwisseld +hebben. Op zijn tocht, toen hij Rome reeds in het gezicht had, was een +arend op hem toegevlogen, had hem den hoed afgenomen en dien weder op +zijn hoofd laten vallen, waaruit Tanaquil hem een luisterrijke toekomst +voorspelde. Te Rome maakte hij zich door vriendelijkheid en mildheid +bemind en won het vertrouwen van Ancus Marcius, die hem tot voogd over +zijne zonen benoemde. Na Ancus' dood nam Tarq. echter zelf bezit van +den troon, met goedkeuring van senaat en volk. Hij verfraaide Rome, +liet o. a. den circus maximus en de beroemde cloacae bouwen (volgens +sommige nieuweren zijn de cloacae eerst in het begin der 2de eeuw +aangelegd), legde op den Capitolinus de fundamenten van den grooten +tempel van Jupiter, Juno en Minerva, nam nieuwe geslachten onder +de patriciërs en 100 nieuwe leden in den senaat op (patres minorum +gentium), verdubbelde het getal equites, oorloogde voorspoedig tegen +Sabijnen en Latijnen, stelde de ludi Romani in, enz. Na eene 38-jarige +regeering (616-579) werd hij door de zoons van Ancus Marcius vermoord +en door Servius Tullius (z. a.) opgevolgd. Hetzij Tarquinius Priscus +langs vreedzamen weg op den troon is gekomen, hetzij de Etruscers als +veroveraars zijn opgetreden, met zijne troonsbeklimming treedt eene +etrurische dynastie op, en etrurische invloed op de rom. instellingen, +vooral wat koninklijke praal en godenvereering betreft, is niet +te loochenen.--2) L. Tarquinius Superbus, laatste koning van Rome +(534-510), schoonzoon van Servius Tullius, beklom den troon door eene +omwenteling, die aan Servius het leven kostte. Hij bracht ook het +zijne bij tot verfraaiing der stad, en voltooide o. a. den tempel op +het Capitool; hij breidde door list zoowel als door kracht van wapenen +het rom. gebied uit, versloeg de Volscen, maakte Rome tot hoofd van het +latijnsche verbond en stichtte tot teeken daarvan op den Aventinus den +bondstempel van Diana. Doch hij regeerde als een dwingeland, ontzag de +patriciërs evenmin als de plebejers en stoorde zich aan senaat noch +wetten. De overmoed zijner zoons, waarvan een, Sextus, de kuische +Lucretia met geweld onteerde, deed de maat overloopen; Tarquinius, +die juist de stad Ardea belegerde, vond bij zijne terugkomst de poorten +van Rome gesloten en de koninklijke waardigheid afgeschaft. Hij zocht +eerst hulp bij de etrurische steden Tarquinii en Veii, daarna bij +koning Porsena van Clusium, vervolgens bij zijn schoonzoon Mamilius +Octavius, dictator van Tusculum, die de Latijnen tot het verleenen +van bijstand overhaalde. De slag bij het meer Regillus verijdelde +ook deze laatste hoop en de verdreven koning begaf zich naar Cumae, +waar hij overleed. De andere Tarquinii verhuisden naar Caere, waar hun +familiegraf in 1847 ontdekt is. Toch vindt men ook later nog Tarquinii +in Rome.--3) L. Tarquinius Collatinus, aldus genoemd omdat hij te +Collatia, een uur gaans van Rome, woonde, bekleedde na de onteering en +den zelfmoord zijner gemalin Lucretia (zie Lucretii no. 2) in 509 met +L. Iunius Brutus het eerste consulaat. Toen echter het volk besloot, +dat al wie tot de gens Tarquinia behoorde, met verbanning zou worden +getroffen, legde T. zijn ambt neder en trok naar Lavinium. + +Tarquinii, Tarkynia, oude, beroemde stad in Etruria, aan de kust en de +via Aurelia gelegen, wellicht eenmaal het hoofd der 12 etruscische +bondssteden. Door de oorlogen met Rome geraakte de stad in een +staat van verval, waaruit zij zich niet weder verhief. De necropolis +der plaats (bij Corneto) heeft bij de opgravingen nog merkwaardige +vondsten opgeleverd. + +Tarquitii, een rom. geslacht van weinig beteekenis. Vermeld zij +slechts Tarquitius Priscus, de aanklager van T. Statilius Taurus +(Statilii no. 5), wiens legatus hij geweest was. In 61 n. C. werd +hij zelf wegens knevelarij veroordeeld. + +Tarracina, Tarrakine, latere naam van Anxur (z. a.), thans Terracina. + +Tarraco, Tarrakon, massilische volkplanting aan de hispanische kust, +N.O.waarts van de monding van den Iberus (Ebro). In den tweeden +punischen oorlog werd het door de Scipio's zeer versterkt en tot een +hoofdarsenaal gemaakt. Onder Augustus werd het de hoofdplaats der +provincie Hispania Tarraconensis. Thans Tarragona. + +Tarsus, Tarsos en -soi, oude hoofdstad van Cilicia, aan den Cydnus +in eene heerlijke streek gelegen, de geboorteplaats van den apostel +Paulus. Het was eene groote, welvarende stad, waar de studie van +letteren en wijsbegeerte bloeide, en die ook onder rom. heerschappij +belangrijk bleef, ofschoon zij meermalen te lijden had door de +invallen van roofzieke bergstammen, de Isauriërs. Ter eere van +C. Julius Caesar nam zij den naam Iuliopolis aan. Keizer Iulianus +(Apostata) werd er begraven. + +Tartarus, Tartaros, rivier in Gallia Transpadana, thans Tartaro. Hij +stroomt tusschen Athesis en Padus, en stort zich vervolgens te midden +van moerassen in zee. Aan deze rivier lag Atria (Adria). + +Tartarus, -ra, Tartaros, -ra, de onderaardsche diepte, waar de +Titanen, Cyclopen, Danaïden, Tantalus, Ixion e. a. hunne straffen +wegens ernstige vergrijpen tegen de goden ondergaan, even ver +beneden als de hemel boven de aarde, de woonplaats der Erinyen, +Nyx e. a., door eeuwige duisternis bedekt. Soms algemeen = de +onderwereld. Gepersonifiëerd is T. de zoon van Aether en Gaea, de +vader van Typhoëus, Echidna en de Giganten. + +Tartessus, Tartessos. Dit is de oude naam voor Baetica, het +stroomgebied van de Baetis (Guadalquivir), die zelf ook Tartessus +genoemd wordt. De bewoners, Iberiërs, in het oude Testament Tarschisch, +bij de Grieken Tartessii, (Tartes(s)ioi), bij de Romeinen Turti +geheeten, splitsen zich later in de twee stammen der Turduli (in +het binnenland) en der Turdetani (aan de kust). De hoofdstad van +het land, ook Tartessus geheeten, lag op een eiland aan den mond der +Guadalquivir. Het land voerde al in de hooge oudheid edele metalen, +vooral zilver, uit. Bovendien zochten de inwoners met hun zeilschepen, +die beter dan de phoenicische tegen eb en vloed bestand waren, de tin- +en zilvermijnen van het N.W. van Spanje, en later de Cassiterides +insulae (z. a.) op. Hun handel maakte hen rijk en welvarend. + +Taruenna, thans Thérouanne, stad der Morini, een volksstam op de +tegenw. vlaamsche kust. + +Tarusates, volksstam in Aquitania, in de tegenw. Landes. + +Tarutius, een geleerd wijsgeer, wiskunstenaar en astroloog, een vriend +van Varro en Cicero. + +Tatianus, Tatianos, bijg. ho Syros, een Assyriër, die in de laatste +helft der 2de eeuw n. C. leefde, en na het bestudeeren der grieksche +wijsbegeerte tot het Christendom overging, dat hij in verscheiden +geschriften verdedigde. Hij hield eenigen tijd te Rome verblijf; na den +dood van Justinus Martyr (in 167 onthoofd) keerde hij naar het Oosten +terug, waar men hem later vindt als hoofd eener naar hem genoemde secte +(Tatianoi), die zich door een streng ascetisch leven onderscheidde. + +Tatius (Titus), koning der Sabijnen, die na den sabijnschen maagdenroof +op Rome lostrok, maar na de verzoening tusschen Sabijnen en Rom. vijf +jaren gezamenlijk met Romulus over de vereenigde Tities en Ramnes +regeerde, tot hij bij een offer te Lavinium of te Laurentum vermoord +werd. + +Tatta, groot zoutmeer op de grenzen van Lycaonia, Cappadocia en voor +een klein gedeelte ook van Galatia. + +Tauchira, Taucheira, stad op de kust van Cyrenaica, met een beroemden +tempel van Cybele, later Arsinoë geheeten. + +Taulantii, Taulantioi, illyrische volksstam bij Epidamnus (Dyrrachium). + +Taüm, baai aan de Oostkust van Caledonia (Schotland), thans Firth +of Tay. + +Taunus mons, gebergte in Germania, in het latere Nassau, thans nog +Taunus geheeten, bij Aquae Mattiacae (Wiesbaden). + +Tauranitium, distrikt van Armenia, ten N. van Tigranocerta, ten +O. grenzende aan het meer Thospitis. + +Taurasia, hoofdstad der Taurini, sedert Augustus rom. kol. onder den +naam Augusta Taurinorum, thans Turijn. + +Taurentum, -roëntium, -rois, Tauroeis, sterk kasteel in het gebied +van Massilia (Marseille), op de kust van Narbonensis. Tgw. Tarente. + +Tauri, Tauroi, wilde, ruwe volksstam in het Z.W. van de Chersonesus +Taurica, de tegenw. Krim, terwijl in het vlakke Noorden Scythen +woonden. Zij stonden onder een koning en leefden van roof en +oorlog. Aan hunne godin (Taurica dea, Taurione, Tauropolos), +die door de Grieken met Artemis vereenzelvigd werd, brachten zij +menschenoffers. Schipbreukelingen en krijgsgevangenen werden tot offers +bestemd, vooral als het Grieken waren. Wanneer de koning overleed, +werden zij, die hem het liefst waren, met hem begraven. + +Taurii ludi, taurische spelen, door Tarquinius Superbus ingesteld ter +gelegenheid eener pest, tot verzoening der onderaardsche goden Dis en +Proserpina, ook werden Apollo als afweerder der pest en Diana Lucina, +benevens Jupiter en Juno aangeroepen. Het offer had 's nachts plaats +vóór de Porta Carmentalis. De spelen zelf werden gehouden in het Circus +Flaminius. De eenige keer, dat ze in historischen tijd gevierd zijn, +was in het jaar 186. + +Taurica dea, Taurione, Tauro, Tauropolos, Artemis, zoo genoemd naar +haar tempel in Tauris, waar haar menschenoffers gebracht werden, +z. Iphigenia. + +Taurini, Taurinoi of Taurinoi, ligurische volksstam ten Z. van den +Padus (Po). Hoofdstad Taurasia (Turijn). In hun gebied lag de saltus +Taurinus, waardoor de Galliërs en later Hannibal trokken bij hun +inval in Italië. + +Taurisci, keltische stam in Noricum, waarvan de naam nog voortleeft in +het duitsche woord Tauern. Later worden ze gewoonlijk Norici genoemd. + +Tauriscus, Tauriskos, beeldhouwer van Tralles; van hem en zijn +broeder Apollonius, is een beroemd werk, de farnesische stier, +bewaard gebleven. + +Taurobolia, z. Rhea (Cybele). + +Tauroëntium, Taurois = Taurentum. + +Tauromenium, Tauromenion, thans Taormina, aanzienlijke stad aan de +Oostkust van Sicilia op den berg Taurus gelegen. Na de verwoesting van +het nabijgelegen Naxus in 358 door Dionysius I van Syracuse vestigden +zich de overgebleven Naxiërs in T., dat hierdoor aanmerkelijk werd +vergroot. In den sicilischen slavenopstand (141-132) had T. veel +te lijden. In Cicero's tijd was het eene civitas foederata, doch in +de burgeroorlogen moest het boeten voor zijn heulen met S. Pompeius +en werd er eene kolonie van rom. veteranen heengezonden. Nog vindt +men er belangrijke overblijfselen van het gedeeltelijk in de rotsen +uitgehouwen theater, dat meer dan 30000 toeschouwers kon bevatten. + +Taurus, familienaam bij de Statilii (Statilii no. 4 en 5). + +Taurus, Tauros, het sterrenbeeld de Stier, werd gehouden voor den +stier, die Europa ontvoerd had, of dien Poseidon aan Minos had +geschonken. + +Taurus, Tauros, thans nog Taurus of Ala-Dagh geheeten, groote bergketen +in Asia minor, die op de kust van Lycia bij kaap Chelidonium begint +en door Pisidia en langs de N. grens van Cilicia loopt. Van daar +gaat een tak als Antitaurus N. O. waarts, doorsnijdt Cappadocia en +Armenia minor, om zich aan den mons Moschicus aan te sluiten, die +weder de verbinding met den Caucasus vormt. De andere tak behoudt den +naam Taurus en blijft in oostelijke richting doorloopen tot aan de +samenhangende meren Thospitis en Arsissa. De Euphraat breekt in zijn +loop door het gebergte heen. Een zijtak van den Taurus vormt de Amanus +(z. a.). De Taurus is tot aan zijn top met bosch begroeid. + +Tavium, -via, Taouion, -ia, hoofdstad der keltische Trocmi in het +O. van Galatia, aan het kruispunt van verschillende groote wegen +gelegen en hierdoor belangrijk als stapel- en handelsplaats. Men vond +er een tempel en een kolossus van Zeus. + +Taxiarchoi, te Athene 10 officieren, een uit iedere phyle. Zij voerden +het bevel over de door hun phyle geleverde troepen; in rang volgden +zij terstond op den opperbevelhebber. + +Taxila, ta Taxila, hoofdstad van den indischen vorst Taxiles ten tijde +van Alexander den Gr., tusschen den Indus en den Hydaspes gelegen. + +Taxiles, Taxiles, koning van Taxila, onderwierp zich aan Alexander +d. G. en voerde later voor hem tijdelijk het bewind over een deel +van Indië. + +Taxis, de opstelling van een Grieksch leger vóór den slag. In den +Trojaanschen oorlog, zooals die door Homerus beschreven wordt, valt +het gevecht gewoonlijk uiteen in vele tweegevechten der basilees, +die met hun strijdwagens vóór de infanterie uitrijden, en het voetvolk +in vele phalanges opgesteld, heeft in het geheel geen invloed op den +uitslag van den strijd. In den historischen tijd zijn de strijdwagens +verdwenen, en het Grieksche leger bestaat uit één aanééngeschakelde +slaglinie (z. phalanx) van dichtopeengeplaatste zich met hun schilden +dekkende hopliten (z. hoplitai), die gewoonlijk 8 man diep opgesteld +worden. + +Naast dit hoofdwapen had men dan nog de hulpwapens der hippes, toxotai, +peltastai, en andere psiloi (zie onder deze artikelen). Talrijk waren +deze burgerlegers niet; bij Marathon stonden hoogsten 5000 hopliten +tegenover 4000 Perzen; bij Plataeae, de grootste slag, dien de vrije +Grieken ooit geleverd hebben, stonden 20000 man tegen 18000 Perzen +en op de hand der Perzen strijdende Grieken.--Ieder hopliet had tot +zijn bediening een oppasser (z. psiloi). De hopliten waren, behalve +in Sparta de 2000 eigenlijke Spartiaten, geen beroepsoldaten. Maar +de algemeene voorliefde voor sport, ten minste bij de welvarenden, +maakte dat ze met geringe voorbereiding bekwaam waren voor het leveren +van een gevecht. Men naderde elkaar tot op 100 à 150 voet, en dan viel +men in draf aan. Daar nu alleen de linkerzijde door het schild gedekt +was, had elk grieksch leger de neiging, zich naar rechts te keeren, +om zoodoende een aanval in zijn rechterflank te vermijden. Ook +stonden op den rechtervleugel steeds de beste troepen. Zoodoende +kwam het vaak voor, dat de rechtervleugel van beide partijen het +won, en na het verslaan der linkervleugels met omgekeerd front +met elkaar afrekende. Eerst Epaminondas heeft met deze dwaze wijze +van vechten gebroken, en, door zijn kerntroepen 50 man diep op den +linkervleugel op te stellen (zie Phalanx) bij Leuctra de macht van +Sparta gebroken. Zie ook hamippoi. Omtrent de legers van Philippus en +Alexander van Macedonië zie men de artikelen: pezetairoi, hetairoi, +sarissa (het verschil tusschen hetairoi en sarissophoroi bestaat +daarin, dat de eersten van adel zijn). + +Voor de uitrusting van den soldaat zie men onder: panoplia. + +Taygete, Taygete, eene van de Pleiaden, bij Zeus moeder van Lacedaemon +en Eurotas. V. a. werd zij door Artemis in eene hinde veranderd om +haar aan de vervolgingen van Zeus te onttrekken. + +Taygetus, -um, Taygetos, -on, ruw en woest grensgebergte tusschen +Laconica en Messenia, in kaap Taenarum (Matapan) uitloopende, met +loodmijnen en marmergroeven. + +Teanum, Teanon, 1) Teanum Apulum, in het N. van Apulia nabij de kust, +aan den Frento.--2) Teanum Sidicinum, stad der Sidicini, geheel in +het N. van Campania, met warme baden. + +Tearus, Tearos, rivier in Thracia, waarvan het water eene genezende +kracht uitoefende op huidziekten. De Tearus was een zijtak van den +Agrianes, die zich op zijne beurt in den Beneden-Hebrus stortte. + +Teate, hoofdstad der Marrucini, op een steilen heuvel gelegen, niet +ver van de Adriatische zee. + +Tecmessa, Tekmessa, dochter van den phrygischen koning Teuthras. Zij +werd door Aiax, den zoon van Telamon, op een strooptocht gevangen +genomen en werd bij hem moeder van Eurysaces. + +Tectosages, Tektosages, een hoofdstam der keltische Volcae in het +Z. van Gallia Narbonensis, met de hoofdstad Tolosa (Toulouse). Ook +Narbo Martius (Narbonne) lag in hun gebied. Een gedeelte van dit volk +vindt men na verschillende zwerftochten in het W.-deel van Galatia +(z. a.) in Asia minor; hoofdstad: Ancyra. + +Tegea, Tegea, belangrijke stad in het Z.O. van Arcadia in het +landschap Tegeatis, Tegeatis, met een krijgshaftige bevolking, +die herhaaldelijk hare vrijheid verdedigde tegen de aanslagen van +Sparta. Bij de Thermopylae en bij Plataeae gaven zij bewijzen van +groote dapperheid. Uit haat en naijver tegenover Mantinea koos Tegea +in den peloponnesischen oorlog partij voor Sparta, waaraan het ook +in den corinthischen oorlog trouw bleef; de slag bij Leuctra evenwel +(371) maakte de Tegeaten voor hunne eigene toekomst bezorgd en zij +sloten zich bij Epaminondas en de Thebanen aan. Later verloor Tegea +veel van zijn gewicht. Tegeaea, Atalante, dochter van Iasus uit Tegea. + +Tegyra, Tegyra, stad in Boeotia, ten N. van het meer Copais, met een +tempel van Apollo. + +Teichopoioi, eene commissie te Athene, die het toezicht had over de +werken tot onderhoud en vernieuwing van de stadsmuren, en de daarvoor +bestemde gelden beheerde. + +Telamon, Telamon, zoon van Aeacus en Endeis. Na den moord van zijn +stiefbroeder Phocus vluchtte hij naar Salamis, hij huwde met de +dochter van koning Cychreus en volgde hem in de regeering op. Hij +nam deel aan den tocht der Argonauten en aan de calydonische jacht, +ook volgde hij Heracles op zijne tochten tegen de Amazonen en tegen +Laomedon en was hij de eerste die den muur van Troje beklom. Tot loon +voor zijne dapperheid werd hem de schoone Hesione, de dochter van +Laomedon, gegeven. Hij werd bij haar vader van Teucer en Trambelus, +bij eene andere gemalin, Eriboea, van Aiax. De stad Telamon in Etrurië +was door hem op zijn terugreis van den Argonautentocht gesticht. + +Telamon, stad aan de kust van Etruria, ten N.W. van Cosa. + +Telamoniades, -nius, Telamoniades, -nios, Aiax en Teucer, zonen +van Telamon. + +Telchin, Telchin, zoon of v. a. vader van koning Apis (z. a.) + +Telchines, Telchines, een priestergeslacht, dat in overoude tijden +van Creta naar Cyprus en van daar naar Rhodus trok. Zij worden zonen +van Thalassa en opvoeders van Poseidon genoemd. Zij waren groote +kunstenaars en uitvinders van de meeste handwerken, vooral waren zij +bekwaam in het bearbeiden van metaal, vandaar dat zij dikwijls met de +Cyclopen en idaeïsche Dactylen en verder met de Cureten en Corybanten +verwisseld werden. Ook waren zij machtige toovenaars, doch daar +zij hun macht ten nadeele van goden en menschen gebruikten, werden +zij door Apollo of door Zeus gedood.--V. a. verlieten zij Rhodus, +omdat zij eene overstrooming voorzagen, en begaven zij zich deels +naar Sicyon, deels naar Teumessus.--Naar hen wordt Rhodus Telchinis, +Creta en Sicyon Telchinia genoemd. + +Telchinia, Telchinia, oude naam van Creta en Sicyon. + +Telchinius, -nia, Telchinios, -nia, bijnaam van Apollo, Hera en Athena, +wier eeredienst door de Telchinen op Rhodus was ingevoerd. + +Teleboae, Teleboai, z. Taphilae insulae. + +Teleboas, Teleboas, zijtak van den Euphraat, in Armenia. + +Teleclides, Telekleides, dichter der oude attische comedie, +tegenstander van Pericles. + +Telegonus, Telegonos, 1) z. Proteus.--2) zoon van Odysseus en +Circe. Door zijne moeder uitgezonden om Odysseus te zoeken, landde +hij bij toeval op Ithaca, waar hij, door honger gedreven, begon te +plunderen en veel schade aanrichtte. Odysseus en Telemachus trokken +hem te gemoet, en in den strijd, die hierop ontstond, doodde T. zijn +vader zonder hem te kennen. Later huwde hij met Penelope en trok hij +naar Italië, waar hij Tusculum en Praeneste stichtte. + +Telemachus, Telemachos, zoon van Odysseus en Penelope, was nog een +zeer jong kind, toen zijn vader naar Troje vertrok. Toen deze 20 jaar +afwezig was geweest, ging T., op raad en gedeeltelijk onder geleide +van Athena, Nestor en Menelaus bezoeken om inlichtingen omtrent zijn +vader in te winnen. Bij zijne terugkomst ontkwam hij gelukkig aan +een hinderlaag, hem door de vrijers van Penelope gelegd; kort daarop +vond hij zijn vader weder on hielp hij dezen bij de wraak, die hij +op de vrijers nam. Na den dood van zijn vader ging hij met Telegonus +naar Aeaea, hij huwde met Circe en kreeg bij haar een zoon, Latinus, +die echter v. a. een zoon van Odysseus en Circe was. Of hij huwde +met de dochter van Circe, Cassiphone, die hem doodde, nadat hij hare +moeder had omgebracht. V. a. huwde hij met Nausicaa, de dochter van +Alcinous, of met Polycaste, de dochter van Menelaus, en had hij bij +eene van deze beide een zoon, Ptoliporthes. Ook wordt nog verhaald, +dat hij naar Italië gegaan zou zijn, en dat daar zijne dochter Roma +met Aeneas huwde. + +Telemus, Telemos, zoon van Eurymus, waarzegger bij de Cyclopen. + +Teleontes, v. s. betere lezing voor Geleontes. + +Telephanes, Telephanes, 1) van Sicyon, een van de oudste grieksche +teekenaars.--2) bekwaam metaalgieter van Phocis of Phocaea, weinig +populair, omdat hij voor Darius en Xerxes werkte of omdat hij in +Thessalië woonde. + +Telephassa, Telephassa, echtgenoote van Agenor, vergezelde haar zoon +Cadmus op zijne tochten, totdat zij in Thracië stierf. + +Telephus, Telephos, zoon van Heracles en Auge, werd na zijne geboorte +te vondeling gelegd en door herders opgevoed. Toen hij volwassen +was, ging hij op raad van het delphische orakel naar Mysië, waar +hij zijne moeder vond, met de dochter van koning Teuthras trouwde +en zijn schoonvader in de regeering opvolgde. Toen de Grieken op hun +tocht naar Troje bij vergissing een inval in Mysië deden, werden zij +door T. teruggeslagen, maar hijzelf struikelde over een wijnstok en +werd door Achilles gewond. Bij deze gelegenheid vernamen de Grieken +wie hij was, maar aan hun verzoek om mede tegen Troje op te trekken +weigerde hij te voldoen, daar hij met een dochter van Priamus, +Astyoche of Laodice, gehuwd was. De Grieken vertrokken daarop, maar +werden door een storm naar hun vaderland teruggedreven. Daar de wond +van T. niet genezen wilde, raadpleegde hij een orakel en ontving +hij tot antwoord, dat alleen degene, die de wond had toegebracht, +haar ook konde genezen. Hij begaf zich nu als bedelaar verkleed naar +Griekenland en bad Agamemnon, terwijl hij met den kleinen Orestes +in de armen als smeekeling aan den haard zat, hem te helpen. Daar +Agamemnon intusschen een orakel had gekregen, dat alleen met de +hulp van T. Troje konde genomen worden, bewerkte hij bij Achilles +dat deze aan zijne bede zoude voldoen; door een weinig roest van de +lans, waarmede de wond was toegebracht, genas zij terstond, waarop +T. den Grieken de noodige inlichtingen gaf, zonder echter zelf aan den +tocht deel te nemen.--Hij werd te Pergamus en op den berg Parthenius, +waar hij te vondeling gelegd was, als heros vereerd. + +Teles, Teles, Cynicus uit het midden van de 3de eeuw. + +Telesia, Telesia, stad in Samnium, ten N. W. van Beneventum. Hier +was Pontius Telesinus, de beroemde veldheer in den marsischen oorlog, +geboren. + +Telesilla, Telesilla, van Argos, beroemde lierdichteres. Toen de +spartaansche koning Cleomenes een inval in Argos deed, omstreeks 510, +trok zij hem aan het hoofd der argivische vrouwen te gemoet en vuurde +zij door hare liederen de mannen tot dapperheid aan. Van hare gedichten +is zeer weinig bewaard gebleven. + +Telesphorus, Telesphoros, zoon van Asclepius, een genezing aanbrengend +god, soms ook bijnaam van Asclepius. + +Telestes, Telestes, 1) laatste koning van Corinthe, 758-747.--2) van +Selinus, beroemd dithyrambendichter omstreeks het midden der 4de eeuw. + +Telete, ieder zoenoffer of godsdienstige handeling, die van zonde +bevrijdt, in het bizonder wordt de inwijding in mysteriën zoo genoemd +met het oog op hun van schuld reinigende kracht. + +Teleutas, Teleutas, z. Teuthras. + +Teleutias, Teleutias, broeder van Agesilaus, voerde met roem het bevel +over de spartaansche vloot in den corinthischen oorlog. In 382 werd +hem het opperbevel in den oorlog tegen Olynthus opgedragen, waar hij +het volgende jaar door onbezonnenheid een slag verloor en sneuvelde. + +Tellenae, Tellenai, oude stad in Latium, vermoedelijk een paar uren +gaans van Rome naar den kant van Antium of van Ardea gelegen, door +Ancus Marcius verwoest. + +Telliadae, Telliadai, oud beroemd geslacht van waarzeggers in Elis. + +Tellias, Tellias, z. Gellias. + +Tellumo, z. Tellus. + +Tellus mater, bij de Rom. de godin van het bouwland, later +gelijkgesteld met de grieksche Gaea. Aan haar zijn de Fordicidia +(z. a.) gewijd. Als voortbrengster van alle voedsel is zij nauw +verwant met Ceres. Ter eere van beide godinnen te samen worden de +feriae sementivae (z. a.) gevierd. Tellus behoort oorspronkelijk ook +tot de goden van de onderwereld; onder den invloed van de grieksche +Demeter komt hiervoor later Ceres in de plaats. Nevens Tellus stond +een mannelijk wezen van geheel gelijken aard, Tellumo. + +Telmessus, Telmessos = Telmissus. + +Telmissis, Telmissis, kaap in Lycia, zie Telmissus no. 1. + +Telmissus, Telmissos, 1) stad aan de Westkust van Lycia aan de +Telmissische golf en nabij kaap Telmissis, een uitlooper van den +Anticragus. Er zijn o. a. nog overblijfselen van een theater en +van grafkelders, in de rotsen uitgehouwen.--2) stad in Pisidia, +ook Termessus geheeten, sterke vesting, aan een bergpas in den +Taurus gelegen. + +Telo Martius, havenstad in Gallia Narbonensis aan de Middellandsche +zee, thans Toulon. + +Telonai, te Athene pachters der staatsinkomsten. Voor de behoorlijke +betaling der pachtsom werden borgen gesteld, bleef de betaling +niettemin achterwege, dan verloor de schuldenaar zijne burgerrechten, +ofschoon hem uitstel gegeven werd tot de 9de prytanie; had hij dan +echter nog niet betaald, dan werd de schuld verdubbeld, en indien zij +niet terstond betaald werd, werden zijne goederen verbeurd verklaard, +bovendien kon de nalatige pachter gevangen genomen worden. Deze +straffen troffen, naar het schijnt, zoowel den pachter als zijne +borgen.--Voor zaken, die veel kapitaal vereischten, vereenigden zich +dikwijls verscheiden pachters tot een vennootschap onder het bestuur +van een telonarches of archones. + +Telonus, onzekere lezing voor Tolenus. + +Telphusa, Telphou(s)sa, Telphou(s)sa, stad in het N.W. van Arcadia +aan den Ladon, die haren naam heeft gekregen naar een stroomnimf, +dochter van den stroomgod Ladon. + +Telus, Telos, klein eiland, tot de Sporaden gerekend, halverwege +tusschen de eilanden Rhodus en Cos, met dorische bevolking. + +Telys, Telys, tyran van Sybaris, toen de stad door de inwoners van +Croton verwoest werd. + +Temenitis of -tes, Temenitis, -ites, bergkruin met een aan Apollo +gewijde plek of temenos, waarnaar de geheele kruin ook Temenos werd +genoemd en Apollo ook wel Temenites wordt bijgenaamd. Deze plaats +werd vervolgens onder den naam Neapolis bij Syracusae getrokken. + +Temenus, Temenos, oudste zoon van Aristomachus, een van de Heracliden, +die de Peloponnesus veroverden. Bij de verdeeling van het schiereiland +kreeg hij de regeering over Argos, die zijne nakomelingen, de +Temeniden (Temenidai), bleven behouden. Hij werd door zijn eigen +zoon gedood, omdat hij zijn dochter en haar echtgenoot Deiphontes +boven hem begunstigde. Ook de koningen van Macedonië noemden zich +afstammelingen van T., zie Perdiccas no. 1. + +Temesa, Temese, 1) zie Tamassus.--2) ook Tempsa, Tempsa, genoemd, +oude ausonische stad op de Westkust van Brutii, iets ten N. van Terina +en den sinus Terinaeus, sedert 194 rom. kolonie. + +Temnus, Temnos, 1) stad in het aeolisch-aziatische kustland, aan +den Hermus, een eind boven de monding gelegen, onder keizer Tiberius +door eene aardbeving verwoest.--2) Temnon oros, gebergte in Mysia, +dicht bij de grenzen van Lydia. + +Tempe, ta Tempe, eene meestal smalle vallei of bergkloof in het +N.O. van Thessalia, tusschen den Olympus ten N. en den Ossa ten Z., +thans de bergpas van Lycostomo. Door dit dal stroomt de Peneus naar +zee. Voordat Poseidon door eene aardbeving dezen uitweg voor de +wateren van Thessalië opende, zou dit gewest een groot meer zijn +geweest. Xerxes beweerde dat, zoo de Thessaliërs zich niet hadden +willen onderwerpen, hij het dal Tempe slechts door een dam had +behoeven af te sluiten, om hen allen te doen verdrinken. Wegens hare +stoute en verhevene, doch tevens liefelijke en bekoorlijke natuur is +deze vallei door de ouden veelvuldig geprezen. Dichters hebben den +naam ook op andere liefelijke dalen toegepast, b.v. Heloria Tempe = +het dal van den Helorus op Sicilia, Heliconia Tempe in Boeotia, enz. + +Templum, temenos, elke afgebakende en van de omringende ruimte +afgescheiden plaats. Bij de Rom. heet aldus het waarnemingsveld, dat +de augur onder het uitspreken van een zeker formulier aan den hemel met +zijn staf afbakent, zie auguria. Op aarde verstaan de Rom. er eene plek +gronds onder, die onder zekere vormen tot gewijden grond is gemaakt +en van de omliggende ongewijde ruimte zichtbaar is afgescheiden, +onverschillig hoe, hetzij door een muur, een wal, een staketsel, ja +zelfs door een andere ligging van het plaveisel. Zoo was o.a. eene +rom. legerplaats een templum, evenzoo het comitium; een tempel werd +eerst tot templum wanneer hij volgens bepaalde regelen gewijd was +(zie aedes).--Wat de tempelgebouwen betreft, zij stonden altijd op +een vierzijdig voetstuk, waartoe men langs een of meer zijden met +trappen opklom. Was het voorportaal, pronaos, of prodomos geheeten, +aan drie zijden open, dan heette de tempel prostylus, prostylos. Was +het alleen aan de voorzijde open, dan was de tempel een antentempel, +zie antae. Loopt er een zuilengang rondom den tempel (zie blz. 101 +en 102), dan heet deze peripterus, peripteros; waren er ter zijde +in plaats van zuilen alleen pilasters tegen den muur aangebracht, +die dus alleen tot versiering dienden en niet om het dak te dragen, +dan noemde men dit pseudoperipterus, pseudoperipteros. Deze laatste +vorm werd door de Rom. boven den anderen verkozen. Soms had men achter +den tempel, die dan naos amphiprostylos heet, nog een achterbouw, +opisthodomos, onder hetzelfde dak, doch met een afzonderlijken ingang, +welk gedeelte wel gebezigd werd tot bewaarplaats van zaken, niet met +den godsdienst in verband staande, als staatsarchieven, schatkist en +dgl. Vroege grieksche tempels hebben in plaats van een opisthodomos +een adyton, zie adytum. Ook had men dubbeltempels, zooals dien van +Roma en Venus te Rome, twee tempels, geheel aan elkander gelijk, +onder één dak, met de achterzijde tegen elkander gebouwd, zoodat +de beelden elkander den rug toekeeren. De gesloten binnenruimte van +den eigenlijken tempel heette de cella, naos, sekos. Bij de Grieken +was deze meestal langwerpig, bij de Rom. in navolging der Etruscers +een kwadraat, dikwijls groot genoeg voor senaatsvergaderingen. Een +voorbeeld van een griekschen dubbeltempel, uit twee niet gelijke +gebouwen bestaande levert het Erechtheum op, waarvan de plattegrond op +blz. 102 te zien is. De Rom. bouwden ook nog ronde tempels met gewelfd +koepeldak, zooals het Pantheon (z. a.), soms peripteri, soms ook als +geheel open koepels, alleen bestaande uit het voetstuk en het door +zuilen gedragen dak, die monopteri heetten. Eene groote, dubbele deur +verleende toegang tot den tempel, gaf deze geen licht genoeg, dan werd +er in het dak eene schuine opening gelaten, die het licht liet vallen +op het godenbeeld; was de hoogte van het dak boven den beganen grond te +hoog voor de lengte van eene zuil, dan plaatste men twee rijen zuilen +boven elkander, zoodat de tweede door den architraaf der benedenrij +gedragen werd, zooals in de bijgevoegde teekening van een tempel +te Paestum is te zien. Een driedubbele tempel was die van Jupiter, +Juno en Minerva op het Capitool, waarvan hiervóór de plattegrond is +weergegeven volgens het vermoeden van den italiaanschen bouwkundige +L. Canina. Het voetstuk vormt een zuiver kwadraat, langs drie zijden +zijn trappen. De aan drie zijden open voorhal gaf toegang tot de drie +cellae, waarvan de middelste voor Jupiter was bestemd. Ten slotte is +hier nog bijgevoegd eene afbeelding van den buitengewoon goed bewaard +gebleven tempel te Nemausus (Nîmes), door Agrippa gebouwd. + +Tempsa = Temesa no. 2. + +Tempyra, ta Tempyra, vlek in Thracia, dicht bij de kust, ten W. van +Doriscus. Bij T. lag een enge bergpas. + +Tenc(h)teri, Tenkteroi, Tenkteroi, germaansch volk, meestal met de +stamverwante Usipetes verbonden. Door de Suebi opgejaagd, trokken zij +over den Rijn naar Gallia, doch werden door Caesar teruggedreven en +vestigden zich toen aan den rechteroever (tusschen Ruhr en Sieg). Zij +waren uitstekende ruiters. + +Tenea, Tenea, stad tusschen Corinthus en Mycenae met een Apollo-tempel. + +Tenedus, Tenedos (= Tennou hedos, zie Tenes of Tennes), eiland met +een gelijknamige stad en twee havens, tegenover de kust van Troas +gelegen. Er was een beroemde tempel van Apollo Smintheus. In de +perzische oorlogen werd T. eerst perzisch, later een trouwe bondgenoot +van Athene, doch door den vrede van Antalcidas opnieuw aan Perzië +prijsgegeven, door Alex. d. Gr. vrij verklaard, later rom. + +Te(n)nes, Te(n)nes, zoon van Cycnus (z. a. no. 2). Hij werd op Tenedus +als heros vereerd en had er een tempel, waar de naam van Achilles niet +mocht worden genoemd en geen fluitspeler mocht binnentreden, omdat +een fluitspeler bij Cycnus valsche getuigenis tegen T. had afgelegd. + +Tensa, thensa, een praalwagen, met goud en ivoor versierd en van een +hemel voorzien, waarin bij plechtige optochten, o. a. bij de opening +der ludi Romani en der Megalesia, de beelden van verschillende +godheden, op matrassen en kostbare spreien uitgestrekt, door de +straten en over het forum te Rome werden gevoerd. + +Tentyra, ta Tentyra, hoofdstad van den nomus Tentyritis in +Boven-Aegypte, stroomafwaarts van Thebae. De inwoners waren bekend +als voortreffelijke krokodillenjagers. Thans Denderah met belangrijke +overblijfselen, o. a. van de tempels van Isis en Hathor. In dien van +Hathor (1ste eeuw n. C.) heeft men den beroemden dierenriem gevonden, +die thans te Parijs is. + +Tenus, Tenos, een der cycladische eilanden, tusschen Delus en Andrus, +met een beroemden tempel van Poseidon, die het eiland bevrijd had +van de talrijke slangen, waarnaar het oudtijds Ophiussa heette. De +hoofdstad heette ook Tenus. Hier zou de dichteres Erinna geboren zijn. + +Teos, Teos, ionische stad op de aziatische kust, ten Z. van Clazomenae +en ten N.W. van Ephesus, geboorteplaats van den lierdichter Anacreon, +daarom spreekt Horatius van Teia fides = anacreontische lier. Omstreeks +het midden der 6de eeuw verhuisde een groot gedeelte der inwoners, +de perzische heerschappij moede, deels naar het verwoeste Abdera, +dat zij herbouwden, deels naar Phanagoria. Teos had twee havens. + +Tepidarium, zie balneum. + +Teredon, Teredon, stad in Babylonia aan den Euphraat nabij de Perzische +golf, belangrijke stapelplaats voor den arabischen handel, vooral +voor wierook. + +Terentia Cassia (lex) frumentaria van 73, z. Cassia Terentia (lex). Het +koren, dat voor deze uitdeelingen noodig was, moest door Sicilië +geleverd worden tegen een vastgestelden prijs. + +Terentianus Maurus, uit Africa, leefde in de 2de helft van de 3de +eeuw na C., en schreef een werk in dichtmaat in 4 boeken: de litteris, +syllabis, pedibus et metris. + +Terentii, rom. geslacht, misschien van sabijnsche afkomst, dat +geen andere vermeldenswaardige familie heeft opgeleverd, dan de +Varrones.--1) C. Terentius Varro, de zoon van een slachter, die eerst +in zijns vaders vleeschhal werkzaam was, maar als voorvechter van +de rechten des volks door dit laatste tot verschillende ambten werd +verheven en in 216 consul werd. Door zijne onberadenheid verloor hij +den noodlottigen slag bij Cannae, waaruit hij zelf ter nauwernood met +een gevolg van 70 ruiters ontkwam. Toch betuigde de senaat hem dank, +dat hij niet aan het behoud van den staat wanhoopte, en droeg hem in +215 het bevel in Picenum op.--2) A. Terentius Varro, streed in 184-182 +als propraetor zegevierend tegen de Celtiberiërs in Hispania.--3) +A. Terentius Varro werd in 75 aangeklaagd wegens afpersingen, +in Asia gepleegd en had zijne vrijspraak slechts te danken aan +de schaamtelooze wijze, waarop zijn verdediger en bloedverwant, de +redenaar Q. Hortensius Hortalus, de rechters omkocht. Daar Hortensius +echter de rechters niet te best vertrouwde, liet hij de stembordjes +met was van verschillende kleur bestrijken, zoodat hij kon zien, +welke stem ieder in de bus wierp.--4) M. Terentius Varro Reatinus, +uit Reate in het sabijnsche land (116-27), een der geleerdste mannen +van zijn tijd en een vruchtbaar schrijver, was volkstribuun en in +67 legaat van Pompeius in den zeerooversoorlog; in 49 streed hij in +Hispania tegen Caesar, met wien hij zich na den slag bij Pharsalus +verzoende. Vervolgens leefde hij stil en afgezonderd geheel voor de +wetenschap, doch had de grievende smart, bij de vogelvrijverklaringen +van Octavianus zijne kostbare boekerij te zien plunderen en vernielen, +terwijl hij ter nauwernood zijn leven redde. Om zijne buitengewone +werkzaamheid als schrijver wordt hij door Cicero polygraphotatos +genoemd. Het aantal zijner werken beliep meer dan 74. De voornaamste +zijn: de lingua Latina in 24 boeken, waarvan er 6 vrij volledig zijn +bewaard gebleven, antiquitates rerum humanarum (25b.) et divinarum +(16 b.), over Italia en Rome en den ouden godsdienst loopende, waarvan +belangrijke gedeelten bij Augustinus voorkomen, hebdomades of imagines, +700 beeltenissen van beroemde mannen, met schetsen uit hun leven, +waarvan er telkens 7 bijeengevoegd waren, vandaar de titel hebdomades +(het werk was verdeeld in 15 boeken), de ora maritima, waaruit Plinius +voor het geographische gedeelte van zijn encyclopaedie geput heeft, de +re rustica, door hem op zijn 80ste jaar geschreven en dat nog bestaat, +satirae Menippeae, in 150 boeken over allerlei onderwerpen, waarvan +slechts fragmenten bewaard zijn, zie Satira.--5) P. Terentius Varro +Atacinus (zie Atax), in 82 geboren te Narbo, een uitstekend kenner der +grieksche letteren, maakte gedichten, o. a. de bello Sequanico, eene +Argonautica (naar Apollonius Rhodius), en schreef ook een sterrenkundig +werk. Verder moet hij nog satiren en elegieën gedicht hebben.--6) +M. Terentius Varro Lucullus of M. Terentius Licinianus Varro, consul in +73, zie Licinii no. 25 en lex Cassia Terentia.--7) A. Terentius Varro +Murena, zie Licinii no. 32.--8) Terentia, echtgenoote van Cicero, +zette haar man tot strengheid tegen de Catilinarii aan. Na Cicero's +terugkeer uit zijne ballingschap waren zijne geldelijke omstandigheden +in de war. Huiselijke oneenigheden waren hiervan het gevolg, die zóó +hoog liepen, dat zij eindigden met eene scheiding (46).--9) Terentia, +echtgenoote van Maecenas, leefde eenigen tijd van haren man gescheiden, +doch verzoende zich weder met hem.--10) P. Terentius Afer, beroemd +blijspeldichter, was in 185 te Carthago geboren en reeds vroeg als +slaaf te Rome in het bezit van den senator P. Terentius Lucanus +gekomen, in wiens huis hij den naam Afer droeg. Om zijne schoone +gestalte en zijn voortreffelijken aanleg liet zijn meester hem +een goede opvoeding geven en liet hem vervolgens vrij. Het eerste +stuk, dat de dichter den aedielen ter opvoering aanbood, de Andria, +opgevoerd in 166, moest hij eerst aan het oordeel van den gevierden +dichter C. Caecilius Statius onderwerpen. Diens onverdeelde goedkeuring +verzekerde het welslagen van Terentius, wiens karakter en beschaving +hem bovendien de achting en vriendschap verwierven van Scipio (later +Africanus minor) en diens vriend Laelius. In 159 stierf Terentius op +een reis door Griekenland. De zes stukken, die wij van hem bezitten, +Andria, Hecyra, Heautontimorumenos, Ennuchus, Phormio, Adelphoe, +behooren tot de fabulae palliatae en zijn naar grieksche modellen +bewerkt, vooral naar Menander, in zooverre echter, dat Ter. niet +grieksche stukken gewoon vertaalde, maar uit verschillende blijspelen +verschillende karakters overnam en daaruit wat hem aanstond tot +één geheel verwerkte. Zijne stukken, op het tooneel vertolkt door +den beroemden acteur Ambivius Turpio, oogstten grooten bijval, +doch het ontbrak hem niet aan benijders, waaronder een overigens +onbekende dichter voorkomt, Luscius Lanuvinus, door Terentius een +malevolus vetus poëta genoemd. O. a. strooide men uit, dat zijne +aanzienlijke vrienden Scipio en Laelius hem bij het maken zijner +stukken hielpen, welk verwijt Ter. zich echter niet tot schande, maar +tot eer rekent. Van zijne stukken bestaan nog de officiëele didascalia +(z. a.), alsmede een commentaar van Aelius Donatus. + +Terentilla (lex) of v.s. lex Terentilia tot het bekomen van geschreven +wetten, de legibus scribendis, van den volkstribuun C. Terentillus +(of -lius) Arsa (Harsa). Het wetsvoorstel werd in 462 voor het eerst +in het concilium plebis te berde gebracht, doch eerst in 454 door de +patriciërs aangenomen. Zie tabularum (leges XII). + +Terentini ludi, spelen ter eere van Dis en Proserpina, gedurende de +rom. republiek viermaal gevierd op het Terentum of Tarentum, eene +vulkanische plek op den campus Martius te Rome, met wedrennen en +lectisternia. Zij zouden bij gelegenheid eener pest in 509 ingesteld +zijn door den consul P. Valerius Poplicola. Volgens een ander verhaal, +zou een Sabijn, Marius Valesius Tarentinus op de bovengenoemde plek +diep onder den grond een altaar van Dis en Proserpina ontdekt hebben, +ook tijdens het heerschen eener pest. In werkelijkheid zijn deze +spelen voor het eerst gehouden in 249, volgens een uitspraak der +Sibyllijnsche boeken, en moesten zij elke 100 jaar herhaald worden, +hetgeen in 146 en tijdens Augustus gebeurd is. Zie Saeculares ludi. + +Terentum, zie Terentini. + +Tereus, Tereus, zoon van Ares en Bistonis, koning der Thraciërs in +Daulis (Phocis); z. Procne. + +Tergeste, Tergeste, stad in Histria, thans Triëst aan den sinus +Tergestinus, reeds onder de Rom. eene belangrijke handelsplaats, +sedert Vespasianus rom. kolonie. + +Tergiversatio, intrekking eener aanklacht door den aanklager (van +tergum vertere). + +Terias, Terias, riviertje op de Oostkust van Sicilia, dat dicht bij +Leontini langs stroomde. + +Terillus, Terillos, tyran van Himera, werd door Theron van Agrigentum +verdreven. Op zijn verzoek zonden de Carthagers een groot leger om +hem in de regeering te herstellen, dat echter door Theron en Gelo +volkomen verslagen werd (480). + +Terina, Terina, Tereina, kol. van Croton aan de Westkust van het +land der Bruttii, door Hannibal verwoest en niet weder opgebouwd. De +aanliggende golf heette sinus Terinaeus, Terinaios kolpos, ook sinus +Hipponiates naar de stad Hipponium. + +Teriolis, ook Teriola castra, sterkte in Raetia. Hiervan wordt de +naam Tyrol afgeleid. + +Termera, ta Termera, dorische stad in Caria, aan den mond van den +sinus Ceramicus, tegenover het eil. Cos. + +Termerus, Termeros, een roover in Thessalië, die met zijn +sterk voorhoofd zijn tegenstanders den schedel placht te +verbrijzelen. Heracles doodde hem. + +Termes, Termentia, Termesos, stad der Arevaci in Hispania +Tarraconensis, in het brongebied van den Durius (Douro), ten Z.W. van +Numantia. De Rom. stieten bij herhaling het hoofd voor de sterke, +op eene hoogte gelegen stad. In 98 noodzaakten zij de inwoners, hunne +woonplaats te verlaten en in de vlakte eene nieuwe stad te bouwen. + +Termessus = Telmissus no. 2. + +Termilae, Termilai, Termiles, oude, inheemsche naam voor de Lyciërs, +zie Lycia. + +Terminalia, zie Terminus. + +Terminus, romeinsch god der grenssteenen. Men offerde hem bij het +plaatsen van een nieuwen grenssteen, en op zijn feestdag, de Terminalia +(23 Februari), kwamen buren bij den gemeenschappelijken grenssteen bij +elkander en brachten er een offer, dat door een gemeenschappelijken +maaltijd besloten werd. Ook van staatswege werden op dien dag aan de +grenzen Terminalia gevierd. Toen bij het bouwen van het Capitolium +het beeld van Terminus in den weg stond, verboden de auspicia het +te verplaatsen, het bleef daarom in den tempel van Jupiter staan, +die vandaar eveneens als een beschermer der grenzen (J. Terminalis of +Terminus) beschouwd werd. In werkelijkheid was Terminus een nevenvorm +van Jupiter, die dus zelf als beschermer der grenssteenen (termini) +optreedt. + +Terpander, Terpandros, van Antissa op Lesbus, de eigenlijke schepper +der grieksche muziek en uitvinder der citer met 7 snaren. Op bevel van +het orakel van Delphi werd hij naar Sparta geroepen om er burgertwisten +te beslechten en sedert dien tijd schijnt hij er gebleven te zijn. Hij +behaalde o. a. den prijs bij den eersten muzikalen wedstrijd ter +gelegenheid der Carnea (z. Carneus), 676. Sparta was in de 7de +eeuw, na de verovering van Messene, de plaats waar muziek het meest +beoefend werd. + +Terpsichore, Terpsichora, Muze van reidansen en koorzangen; zij wordt +gewoonlijk afgebeeld in dansende houding, met een lier en een plectrum +in de handen. + +Terracina = Tarracina. + +Tertullianus, 1) beroemd rom. jurist en schrijver van onderscheidene +juridische geschriften, tijdgenoot van Papinianus, ± 200 na +C.; v. s. is deze identisch met no. 2.--2) Q. Septimus Florens +Tertullianus, uit Carthago, (± 150 tot 230 n. Chr.), één der eersten, +die het Christendom in vele latijnsche geschriften verdedigd +heeft. Zijn stijl is vurig en heftig, maar duister. + +Teruncius, rom. gewicht en zilveren muntstukje = 3 unciae of 1/4 as. + +Tervingi, naam der Visi-Gothi of West-Gothen, tijdens hun verblijf +in Dacia (± 257-± 376). + +Tessera, zie tabula. + +Testa, zie Trebatius. + +Testamentum. Er zijn oudtijds in Rome drie soorten van testamenten:--1) +het testamentum in comitiis calatis (zie comitia), waartoe tweemaal +in het jaar (waarschijnlijk op 24 Maart en 24 Mei) gelegenheid werd +gegeven. Oorspronkelijk gold dit slechts voor de patriciërs.--2) +het testamentum in procinctu, dat de soldaten vóór den slag konden +maken, en waarbij het leger getuige was.--3) het testamentum per aes et +libram, waarbij de erflater door mancipatio (z. a.) zijn goed tegen een +schijnprijs verkocht aan den erfgenaam, later aan een tusschenpersoon +(familiae emptor), die na den dood van den erflater de nalatenschap +volgens diens wil verdeelde. Het werd langzamerhand gebruik dezen wil +op schrift te brengen (tabulae testamenti), en de praetor gaf aan zulk +een geschreven testament rechtskracht, ook al waren de formaliteiten +der mancipatio daarbij verzuimd, indien het stuk maar voorzien was +van de zegels van zeven getuigen (testamentum praetorium), zie cera +en de afbeeldingen op bl. 161 en 162. Zie verder hereditas. + +Testudo, schildpad, 1) een muziekinstrument, eene soort van lier of +citer, vermoedelijk in den oudsten vorm eene met snaren bespannen +schildpadschaal, hetgeen later weder de kunstenaars op het denkbeeld +gebracht kan hebben, onder de snaren een klankbodem aan te brengen.--2) +een schutdak, gevormd doordat eene afdeeling soldaten de schilden +boven hun hoofd aaneengesloten hielden en aldus voortmarcheerden om +tegen projectielen van belegerden beveiligd te zijn. De rom. soldaten +waren hierin zóó geoefend, dat soms boven op dit schildendak eene +andere afdeeling strijders post vatte.--3) een schutdak van balken, +waaronder de stormram werkte, testudo arietaria, zie aries. + +Tethys, Tethys, dochter van Uranus en Gaea, bij Oceanus moeder der +Oceaniden en riviergoden. + +Tetradrachmum, tetradrachmon, attische zilveren munt ter waarde van +4 drachmen. + +Tetrakosioi, een raad van 400 personen, die gedurende eenige maanden +van het jaar 411 te Athene de regeering in handen had. Ontevredenheid +en mismoedigheid wegens den loop, dien de peloponnesische oorlog begon +te nemen, vooral wegens het ongelukkig einde van de onderneming tegen +Sicilië, had reeds vroeger bij velen het verlangen naar een of andere +verandering in het staatsbestuur doen ontstaan, en bij de verkiezing +der probouloi (z. a.) in 413 had, naar het schijnt, de oligarchische +partij een belangrijke overwinning behaald. Van den daardoor verkregen +invloed wist men, voor zoover de omstandigheden het toelieten, behendig +gebruik te maken om de gemoederen op de voorgenomen omwenteling voor te +bereiden, en toen er geruchten verspreid werden, dat door Alcibiades, +die toen bij Tissaphernes in hoog aanzien stond, een bondgenootschap +met den koning van Perzië tot stand gebracht zou kunnen worden, mits +de regeering in oligarchischen zin veranderd was, achtte men het tijd +handelend op te treden. Aan Pisander (z. a.) en de zijnen gaf het volk, +hoewel met grooten tegenzin, volmacht om met Alcibiades en Tissaphernes +te onderhandelen, en ofschoon deze onderhandelingen tot niets leidden, +meende de oligarchische partij nu niet te moeten terugtreden. Te +Athene hadden zich ondertusschen de oligarchische clubs (hetairiai, +z. a.) vereenigd en voerden er in het duister een soort schrikbewind, +de hevigste voorstanders der democratie werden heimelijk uit den +weg geruimd en den anderen daardoor zoo groote schrik aangejaagd, +dat de volksvergadering bij de terugkomst van Pisander alles aannam +wat hij wilde. Wel werd vooreerst slechts besloten, dat de probouloi, +voor deze gelegenheid ten getale van 30, zouden belast worden met het +doen van de noodige wetsvoorstellen, en bepaalde zich ook de door hen +voorgestelde verandering tot de opheffing der graphe paranomon, maar +de oligarchen, zonder twijfel hierop voorbereid, kwamen terstond na +aanneming daarvan met verschillende voorstellen voor den dag, waarvan +de strekking was, dat zoolang de oorlog duurde geen ambt meer bezoldigd +zou worden, dat de regeering voorloopig zou berusten in handen +van een raad van 400, dat de volksvergadering tot de meergegoeden, +minstens 5000 personen, beperkt zou worden en bijeengeroepen, wanneer +de raad het noodig vond. Deze raad werd aldus saamgesteld: het volk +wees 5 mannen aan, die op hun beurt 100 kozen, van welke ieder zich 3 +moest coöpteeren. Doch hoewel dit alles gereedelijk werd aangenomen, +was de nieuwe toestand niet van langen duur. De vloot, die bij Samus +lag, verklaarde zich reeds dadelijk tegen de regeering der 400, +riep Alcibiades uit de ballingschap terug, en liet zich slechts met +moeite door dezen weerhouden van pogingen tot gewelddadig herstel +van den ouden regeeringsvorm. Ook in de stad zelve openbaarde zich +spoedig groote ontevredenheid; de 5000 werden nooit ter vergadering +opgeroepen, van het beloofde bondgenootschap met Perzië zag men niets +komen, en in plaats van den oorlog krachtig te voeren, trachtten de +400 met Sparta te onderhandelen. Het duurde niet lang of ook onder +henzelf ontstond verdeeldheid; de meesten (Phrynichus, Pisander, +Antiphon) bleven pogingen doen tot het verkrijgen van een vrede, op +welke voorwaarden dan ook, en werden zelfs wel niet geheel zonder grond +van verraderlijke plannen beschuldigd, anderen, waaronder Theramenes, +die niet zoo ver wilden gaan of, bij den te verwachten omkeer van +zaken, de gunst van het volk niet wilden verbeuren, onthielden zich +van al wat verdacht kon schijnen en traden zelfs in het openbaar +tegen hunne ambtgenooten op. Toen nu onder deze omstandigheden Euboea +inderdaad door verraad verloren ging, kwam het tot een uitbarsting, de +400 werden na eene regeering van vier maanden afgezet, de verdachten +onder hen vluchtten, en de oude toestanden werden hersteld, ofschoon +nog eenigen tijd de volksvergadering tot 5000 (v. a. 9000) personen +beperkt en eenige ultra-democratische instellingen afgeschaft bleven. + +Tetralogia, tetralogia. Te Athene was het sedert Phrynichus of +Aeschylus gebruikelijk, dat ieder dichter, die bij den tragischen +wedstrijd naar den prijs mededong, vier stukken ten tooneele bracht; +deze vier stukken werden te zamen tetralogie genoemd. Drie er van +waren eigenlijke treurspelen en vormden eene trilogie, het vierde was +een satyrdrama (z. satyrica fabula). De oudere dichters behandelden +gewoonlijk in de drie treurspelen, en soms ook in het satyrdrama, +mythen, die in nauw verband met elkander stonden; bij Sophocles en +lateren is er tusschen de verschillende deelen der tetralogie geen +samenhang. De Agamemnon, Choëphori en Eumenides van Aeschylus zijn +de eenige thans nog bewaard gebleven treurspelen, die eene trilogie +vormen, zij hebben achtereenvolgens tot onderwerp: den moord van +Agamemnon, de wraak van Orestes, de verzoening der wraakgodinnen +van Clytaemnestra. Het bijbehoorend satyrdrama Proteus is verloren +gegaan. Van geen andere tetralogie bezitten wij nu nog meer dan +één stuk. + +Tetrapolis, vierstedenverbond; 1) in Attica de vlekken Oenoë, Marathon, +Probalinthus en Tricorythus.--2) in Doris de stadjes Erineüs, Boeüm, +Pindus en Cytinium.--3) in Syria de steden Antiochia, Apamea, Laodicea +en Seleucia.--4) in Lycia: Cibyra, Oenoanda, Bubon en Balbura. + +Tetrica rupes, steile, woeste berg in het sabijnsche land nabij de +grenzen van Picenum. + +Tetricus (P. Esuvius), een der zoogenaamde 30 tyrannen onder de +rom. keizers, regeerde van 270-274 na C. over Gallia en Hispania, +doch riep, toen hij met boerenopstanden en muiterij onder zijn +troepen te kampen had, Aurelianus heimelijk te hulp. In den slag bij +Durocatalauni (Châlons-sur-Marne) werden toen de opstandelingen door +Aurelianus verslagen (274) en Tetricus afgezet. + +Tettarakonta, z. dikastai. + +Teucer, Teukros, 1) zoon van den riviergod Scamander en de nimf Idaea, +eerste koning van Troje, naar wien de Trojanen Teucriërs genoemd +worden. Hij nam Dardanus gastvrij bij zich op en gaf hem zijne dochter +Batea of Arisbe tot vrouw. V. a. kwam hij met Scamander van Creta +en werden zij door Dardanus in Troas ontvangen, waar zij den dienst +van Apollo Smintheus instelden.--2) zoon van Telamon en Hesione, +de bekwaamste boogschutter onder de Grieken voor Troje. Toen hij na +de inneming van Troje naar zijn vaderland terugkeerde, werd hij door +Telamon verstooten, omdat hij den dood van Aiax niet had gewroken, +hij ging naar Cyprus en stichtte daar de stad Salamis, waar zijne +nakomelingen de regeering behielden. V. s. keerde hij na den dood +van zijn vader nogmaals naar zijn vaderland terug, maar werd nu +door Eurysaces, den zoon van Aiax, verdreven, waarop hij zich naar +Gallaecia in Hispania begaf. + +Teucri, Teukroi, dichterlijke naam der Trojanen, naar Teucer. + +Teumessus, Teumessos, berg en stad in Boeotia ten N.O. van Thebae. + +Teuta, Teuta, koningin van Illyrië, die na den dood van haar gemaal +Agron (231) de voogdij voerde over haar minderjarigen zoon Pinnes. De +Rom. zonden de gebroeders C. en L. Coruncanius als gezanten tot +haar om op beteugeling van den zeeroof aan te dringen, doch Teuta +werd zoo toornig over hunne vrijmoedige taal, dat zij een van beiden +liet vermoorden. Daarop volgde een wreedaardige oorlog, 229-228. Door +het verraad van Demetrius van Pharus, Teuta's stadhouder op Corcyra, +moest zij om vrede vragen, oorlogsschatting betalen, het zuidelijk +gedeelte van haar gebied (meest veroverd land) afstaan ten behoeve +van Demetrius (z. a. no. 7) en ook de voogdij aan hem overgeven. + +Teutates, Theut., gallisch god, wien soms menschenoffers gebracht +werden, door de Rom. met Mercurius vergeleken. + +Teuthrania, Teuthrania, het Z.W. gedeelte van Mysia, aldus genoemd naar +eene oude stad Teuthrania, de residentie der oude mysische koningen, +aan den Caicus door Teuthras gesticht. + +Teuthras, Teuthras, 1) koning van Mysië, die Auge en later Telephus +gastvrij opnam.--2) of Teleutas, vader van Tecmessa.--3) een van de +tochtgenooten van Aeneas. + +Teutobochus (Teutobodus), vorst der Teutones in den slag bij Aquae +Sextiae tegen Marius (102). + +Teutoburgiensis silva, het tegenw. Teutoburgerwoud, waar in 9 na +C. Varus met drie legioenen door den Cheruscer Arminius overvallen +en verslagen werd. + +Teutones, -ni, Teutones, een germaansche volksstam, in 102 door +C. Marius vernietigd. Ze woonden in de nabijheid der Cimbren, en worden +reeds in de 4de eeuw genoemd als opkoopers van het barnsteen, dat +op de Noordzee-eilanden en vooral op Borkum (zie Glaesariae Insulae) +gewonnen werd. Evenals van de Cimbren was ook van de Teutonen bij den +uittocht van 113 een gedeelte in het land achter gebleven. Zie verder +Cimbri. V. s. zijn de Teutones identisch met de keltische Toygeni, +een gouw der Helvetii. + +Texuandri of Toxandri, waarschijnlijk een afdeeling der Menapii, +woonden in Braband, in de latere gouw Toxandria. + +Thaenae, stad in het Z. van Africa vetus, aan de kust. + +Thais, Thaïs, eene om haar schoonheid beroemde hetaere van Athene, +ging met Alexander d. G. naar Azië, en werd na zijn dood de bijzit +van Ptolemaeus Lagi. V. s. zou zij Alex. aangespoord hebben Persepolis +in brand te steken. + +Thala, Thala, groote stad in Numidia, in het Z.O. aan den rand +der woestijn; later behoorde het tot Africa vetus; het ligt in den +N.W. hoek van Byzacium. + +Thalamae, Thalamai, 1) stad in Messenia, aan de Messenische golf nabij +Pherae.--2) stad aan de Westkust van Laconië, aan diezelfde golf, +eenigszins zuidelijker.--3) sterkte in Acrorea, in Elis. + +Thalassio, -sius = Talassio. + +Thales, Thales, van Miletus (640 of 624-546), de eerste der grieksche +wijsgeeren, nam als grondstof van het bestaande het water aan, +waarop volgens hem de aarde, die den vorm van een schijf heeft, +drijft. Hij wordt ook de grondlegger van de grieksche wis- en +sterrenkunde genoemd en zoude de zonsverduistering van 28 Mei 585 +voorspeld hebben. Hij hielp Croesus op zijn tocht tegen Cyrus bij het +afdammen van de rivier Halys en stelde de vorming van een ionischen +bondsstaat voor ter verdediging tegen de aanvallen der Perzen. Als +een van de zeven wijzen, onder welke hij de wijste genoemd wordt, had +hij tot spreuk, ti dyskolon; to gnonai heauton. ti d' eukolon; to allo +hypotithesthai. Geschriften heeft hij waarschijnlijk niet nagelaten. + +Thaletas, Thaletas, beroemd lierzanger en toonkunstenaar van Creta, +die op bevel van het delphische orakel naar Sparta geroepen werd om +na een pest de stad door godsdienstige plechtigheden te reinigen. Hij +bleef er verder verblijf houden en voerde er verscheiden godsdienstige +gezangen in, door dans begeleid. Hij leefde waarschijnlijk op het +einde der 7de eeuw, hoewel hij soms een vriend van den wetgever +Lycurgus genoemd wordt. + +Thalia, Thaleia, 1) de Muze van het blijspel, wordt afgebeeld met +een comisch masker en een thyrsusstaf in de hand en een klimopkrans +op het hoofd.--2) moeder der Palici. + +Thalia, Thalia, eene van de Charites. + +Thallo, Thallo, te Athene eene van de Horae. + +Thallophoroi, z. Panathenaea. + +Thalna, familienaam in de gens Iuventia. + +Thamugadi, stad door Traianus aangelegd in de provincie Numidia of +Africa Nova, ten N. van het Audusgebergte. De stad, die onder het +woestijnzand bedolven was, is in de laatste jaren der vorige eeuw +door de Franschen weer opgegraven, en wordt om zijn goed bewaard +gebleven gebouwen uit den keizertijd het afrikaansche Pompeii +genoemd. Tgw. Timgad. + +Thamyris, Thamyris, Thamyras, zoon van Philammon en de nimf +Argiope, oud-thracisch zanger, een van de oudste grieksche epische +dichters. Nadat hij bij de pythische spelen verscheiden overwinningen +had behaald, werd hij zoo trotsch, dat hij de Muzen tot een wedstrijd +durfde uitdagen, hij werd overwonnen en tot straf van het gezicht en +van de gave van het gezang beroofd. + +Thapsacus, Thapsakos (= vadum), aan den Euphraat, belangrijke oude +stad en de zuidelijkste plaats waar de rivier nog te doorwaden was +voor kameelen. Seleucus Nicator herdoopte het in Amphipolis. Th. was +eenmaal de noordelijkste stad in het rijk van Salomo. + +Thapsus, Thapsos, 1) stad op de kust van Byzacium in Africa propria, +bekend door de overwinning, die Caesar in 46 op het pompejaansche +leger en op Juba behaalde.--2) megarensische volkplanting op de +Oostkust van Sicilia ten N. van Syracuse. + +Thargelia, Thargelia, het voornaamste feest der Atheners ter eere +van Apollo, den 6en en 7den Thargelion, de geboortedagen van Artemis +en Apollo, gevierd. Oorspronkelijk een feest ter eere van het rijpen +der veldvruchten of v. a. tot afwering van booze geesten, werd het +later hoofdzakelijk een reinigings- en verzoeningsfeest, waarop men +nog tot in de zesde eeuw twee ter dood veroordeelde misdadigers +onder fluitspel buiten de stad voerde en als zoenoffers voor den +geheelen staat ter dood bracht. Overigens was het een vroolijk feest, +waarbij men den tocht van Theseus naar Creta en zijne overwinning op +den Minotaurus herdacht. Ter herinnering hieraan vertrok jaarlijks +omstreeks denzelfden tijd een schip uit Athene, om een feestgezantschap +naar Delus te voeren, dat daar aan Apollo offers brengen moest.--Ook +in de ionische koloniën werden de Th. gevierd. + +Thargelion, Thargelion, 11de maand van het Attische jaar (Mei-Juni), +z. Annus. + +Thasus, Thasos, eiland nabij de thracische kust tegenover den mond +van den Nestus, een eiland, rijk aan wit marmer en hout, oudtijds +ook aan koren, wijn en goud. De goudmijnen, door de Phoeniciërs +ontdekt, zijn geheel uitgeput. Het werd in de 7de eeuw van uit Parus +gekoloniseerd. De Thasiërs onderwierpen zich in 492 aan de Perzen, +doch traden later tot het attische zeeverbond toe, waarvan zij wel in +465 en 411 poogden af te vallen, doch zonder ander gevolg dan dat hun +eiland in 463 door Cimon, in 407 door Thrasybulus heroverd werd. Na +den peloponnesischen oorlog legde Sparta de hand op het eiland, +later kwam het onder Macedonia. + +Thaumantias, Thaumantias, -tis, Iris, dochter van Thaumas. + +Thaumas, Thaumas, zoon van Pontus en Gaea, een zeegod, bij de Oceanide +Electra vader van Iris en de Harpyieën. + +Thaumacia, Thaumakia, zeestad aan de kust van Magnesia, in Thessalia. + +Thea, Theia, dochter van Uranus en Gaea, bij haar broeder Hyperion +moeder van Helius, Eos en Selene. + +Theaetetus, Theaitetos, van Sunium, leerling van Socrates, naar wien +Plato een van zijne dialogen genoemd heeft. + +Theagenes, Theagenes, 1) van Thasus, zoon van Heracles of van +Timosthenes, een priester van Heracles. Hij muntte uit door +buitengewone lichaamskracht en behaalde bij alle wedstrijden +de overwinning, zoodat hem op vele plaatsen standbeelden werden +opgericht. Ook op Thasus stond zulk een beeld, en toen Th. gestorven +was, ging een zijner vijanden des nachts naar dit beeld en geeselde +het, totdat het van zijn voetstuk viel en den man verpletterde. Toen +echter de Thasiërs het beeld daarom in zee geworpen hadden, kwam er +hongersnood in het land, en deze eindigde eerst, toen het beeld door +visschers weder opgehaald en op bevel van een orakel op zijn oude +plaats hersteld was.--2) van Rhegium, wordt genoemd als de eerste, die +over Homerus geschreven heeft. Hij was een tijdgenoot van Cambyses.--3) +van Nisaea, wist zich den steun der armere burgers tegen de rijken en +edelen te verzekeren en maakte zich zoo van de tyrannie over Megara +meester, later werd hij echter verdreven. Hij was de schoonvader van +Cylon, dien hij bij zijn aanslag met troepen steunde.--4) veldheer +der Atheners in den slag bij Chaeronea. + +Theano, Theano, 1) eene van de Danaiden.--2) dochter van Cisseus, +gemalin van Antenor, priesteres van Athena te Troje.--3) echtgenoote, +dochter of leerlinge van Pythagoras, aan wie eenige werken over +zijn leven en leer toegeschreven werden.--4) priesteres te Athene, +die weigerde te gehoorzamen aan het bevel, dat alle priesters en +priesteressen Alcibiades zouden vervloeken. + +Theatrum, theatron. Na hetgeen onder het artikel amphitheatrum over +de zitplaatsen is gezegd, zal de inrichting van het theater der ouden +gemakkelijk te begrijpen zijn uit achterstaande teekeningen, waarvan +de eene den plattegrond van het theater te Herculaneum voorstelt, +de andere een gedeelte der overblijfselen van het theater te Aspendus +in Pamphylia. Op de eerste ziet men de concentrische rijen zitbanken +(B B), door de trapsgewijze oploopende tusschenpaden (a a) in wiggen +(cunei, kerkides) afgedeeld. Deze cunei hebben uitgangen (b b) op +de rondloopende corridors, diazomata (A A, zie de afbeelding bij +balteus). C is de orchestra, orchestra, bij de Grieken bestemd voor +de reidansen der koren, te Rome sedert 194 tot zitplaatsen voor +de senatoren dienende; c is de lage voormuur van het tooneel D D, +waarvan de gemetselde achterwand drie openingen (e e e) heeft; dat +deze achterwand niet recht doorloopend, maar gebogen is, zal aan den +smaak van den bouwmeester hebben gelegen. Het tooneel vóór dezen wand +heette scena, skene, en wordt ook proscenium, proskenion, genoemd +in tegenstelling van de ruimte (E E) daarachter, het postscenium, +(wij zouden zeggen: achter de schermen), waar zich kleedkamers, +bergplaatsen en machineriën bevonden. De ruimte onder het tooneel +was het hyposkenion; moesten er schimmen of riviergoden opstijgen, +dan kwamen zij uit deze benedenruimte langs een trap of ladder, den +zoogenaamden charonischen trap charoneioi klimakes, door een luik op +het tooneel. Paraskenia zijn de zijwanden van het tooneel, rechts en +links. Ook had men toestellen, waarmede men goden uit de zoldering +liet nederdalen; vandaar de uitdrukking deus ex machina, om een knoop +door te hakken en het stuk tot een slot te brengen, wanneer geene +natuurlijke ontknooping mogelijk was. De ruimten f zijn misschien +eereplaatsen of loges voor personen van rang geweest. De achterwand +van het tooneel en ook het postscenium waren met verdiepingen, zooals +de tweede teekening te zien geeft. De gemetselde uitstekken, die men er +op aantreft, dienden tot bevestiging van het houten raamwerk, waarop de +schermen of coulissen gespannen waren. Het tooneel had dus eene groote +breedte, doch eene geringe diepte. De ruimte vóór het achterscherm +(dat natuurlijk uit verschillende naast elkander geplaatste stukken +bestond), heette vermoedelijk pulpitum, logeion. De zijschermen +waren op eene eigenaardige manier ingericht. Zij heetten periaktoi, +versurae, en bestonden uit vertikale driehoekige prisma's, die op een +spil draaiden en dus drie verschillende decoraties vertoonden, terwijl +het achterscherm door verschuiving werd veranderd. Het theologeion was +een zweeftoestel, van waar in sommige stukken een god uit den hoogen +zijn wil verkondigde. Over enkele verschillen tusschen het rom. en +grieksche theater, b.v. dat de ruimte voor het publiek bij het eerste +juist een halven cirkel vormde, bij het tweede nog over de middellijn +vooruitsprong, kunnen wij hier heenstappen. Te Athene begon men met +den bouw van het eerste steenen theater in het begin der 5de eeuw, +nadat de houten zitplaatsen en stellingen, waarop men tot dien tijd +de voorstellingen aanschouwd en gegeven had, waren ingestort. Te Rome +heeft het lang geduurd, eer er een steenen theater gebouwd werd. Bij +ludi scenici werd er een tooneel van hout opgeslagen en na afloop der +feesten weder afgebroken. Zitplaatsen waren niet aangebracht, men moest +staan of een stoel medebrengen. In 174 lieten de censoren Q. Fulvius +Flaccus (Fulvii no. 6) en A. Postumius Albinus (Postumii no. 12) eene +vaste steenen scena bouwen. Twintig jaar later beproefden de censoren +M. Messalla en C. Cassius Longinus (Cassii no. 6) aan de helling van +den Palatinus een steenen theater te bouwen, doch P. Cornelius Scipio +Nasica, die op dat tijdstip nog consul was (ten tweeden male) liet het +afbreken en de materialen publiek verkoopen, terwijl bij senaatsbesluit +het zitten bij tooneelvoorstellingen werd verboden. In 146 verrees +een volledig theater met zitplaatsen, doch wederom van hout en slechts +tijdelijk. Eerst in 55 liet Pompeius een geheel steenen theater bouwen +met 40000 zitplaatsen, in 13 verrees het tweede, door L. Cornelius +Balbus (Cornelii no. 29) bekostigd en voor 30000 personen ingericht, +en later het theatrum Marcelli, door Augustus aan de nagedachtenis +van zijn schoonzoon gewijd, ook met 30000 plaatsen. De toeschouwers +zaten in de open lucht; later spande men zeilen boven hun hoofd uit +(zie amphitheatrum). Te Athene werd een entree van 2 obolen geheven +(zie theorikon); te Rome betaalde men geen entree, want de spelen waren +geschenken, aan het volk aangeboden; evenwel moest men een bewijs van +toegang (tessera, zie onder tabula) hebben. Het voorscherm werd bij het +begin der voorstelling niet opgehaald, maar zakte weg en werd bij het +einde weder omhoog getrokken (zie aulaeum), vandaar aulaeum manere = +tot het einde toe blijven, het einde afwachten. + +Thebaansche oorlog, 1) de oorlog, door Adrastus (z. a.) en zijne +bondgenooten tegen Thebe gevoerd om Polynices in diens rechten te +herstellen.--2) de oorlog tusschen Thebe en Sparta, die volgde op +de verdrijving der Spartanen uit de Cadmea en de omverwerping der +oligarchische regeering te Thebe (378). In dezen oorlog, waarvan het +doel was de oppermacht van Sparta te fnuiken, werden de Thebanen in het +begin bijgestaan door de Atheners, later door de meeste peloponnesische +staten; toen het echter bleek, dat de Thebanen naar de hegemonie +streefden, koos Athene de zijde der Spartanen, en de verdeeldheden +onder de Peloponnesiërs maakten, dat het bondgenootschap met hen +weinig waarde had. Wel behaalden de Thebanen in de groote slagen +bij Leuctra (371) en Mantinea (362) schitterende overwinningen, deed +Epaminondas tweemaal (369 en 362) een tocht naar Sparta, werden de +Messeniërs in hun land teruggebracht en eene nieuwe hoofdstad Messene +gebouwd, vereenigden de Arcadiërs zich tot één staat en stichtten +zij de bondsstad Megalopolis, maar hoezeer de Spartanen door dit +alles vernederd werden, het gelukte Thebe niet zich tot den eersten +staat van Griekenland te verheffen. Na den dood van Epaminondas en +Pelopidas was er niemand om hen op te volgen, en bij den vrede (362) +werden alle grieksche staten autonoom verklaard. + +Thebae, Thebai, 1) oudtijds Thebe, hoofdstad van Boeotia, aan de +rivier Ismenus en de bron Dirce, met den burcht Cadmea, volgens +de sage door Cadmus gesticht. De stad lag in eene heuvelachtige, +bronrijke en vruchtbare streek, zeer geschikt voor paardenfokkerij; +zij was ommuurd door een hoogen, zwaren muur, waarvan de steenen op de +tonen van Amphions gouden lier zichzelven hadden opeengestapeld. Zij +had zeven poorten en wordt hiernaar heptapylos genoemd. Buiten de +Electrische poort lagen de zeer heilige tempel van den ismenischen +Apollo en de tempel van Amphiaraus (z. a.). Aan den laatsten was een +droomorakel verbonden, waartoe echter den Thebanen de toegang was +ontzegd, omdat zij op de vraag, of zij den heros als waarzegger of +als strijdmakker hebben wilden, het laatste hadden verkozen. Thebae +was de geboorteplaats van Heracles, van Amphion, van Tiresias, van +Oedipus, ook Semele, de moeder van Dionysus, behoorde er te huis. Tot +den mythischen tijd behooren de oorlog der zeven vorsten tegen Thebe +(zie Adrastus) en die der Epigonen. In den perzischen oorlog gaf +Thebe zich gewillig aan Xerxes over. In den peloponnesischen krijg +koos het als bittere vijandin van Athene de partij van Sparta. De +overrompeling der Cadmea door den Spartaan Phoebidas in 383 en de +daarop gevolgde instelling eener oligarchische regeering bracht een +ommekeer te weeg, en na de bevrijding der stad in 379 was het Thebe, +dat onder de leiding van Epaminondas en Pelopidas Sparta's overmacht +gevoelig fnuikte (slagen bij Leuctra, 371, en bij Mantinea, 362). Later +liet het zich eerst door Philippus van Macedonia om den tuin leiden, +doch sloot zich op het laatste oogenblik nog bij Athene aan, hoewel +vergeefs (nederlaag bij Chaeronea, 338). Bij de troonsbeklimming +van Alexander den Gr. viel Thebe af (334); tot straf werd het door +Alex. verwoest, op de tempels en het gewezen huis van den dichter +Pindarus na. Van de 40000 inwoners werden 6000 gedood en 20000 als +slaven verkocht. Cassander liet wel in 316 de stad herbouwen, doch +zij had in 290 weder veel te lijden van Demetrius Poliorcetes en in +86 van L. Cornelius Sulla. Thans Thiva.--2) groote stad van Aegypte, +volgens Diodorus Siculus de oudste stad ter wereld, aan den Nijl, +hoofdstad van Opper-Aegypte, later Diospolis magna, Diospolis he +megale, geheeten. Het was de residentie van de aegyptische koningen +van verschillende dynastieën. Het was rijk aan grootsche en prachtige +tempels, paleizen en andere gebouwen. Boven alles muntte de tempel +van Ammon uit, van waar een weg tusschen twee rijen sphinxen, elk +van 100 stuks, naar het paleis van Amenhotep of Amenophis III (zie +Memnon no. 1) voerde. Thebae had, volgens het verhaal, 100 poorten, +en werd hekatompylos genoemd, en was 140 stadiën = 4 2/3 uur gaans in +den omtrek. Het had een drukken handel. Aan den tegenoverliggenden +rechter Nijloever lag de necropolis, waar men ook nog tempels en +paleizen aantrof. Na de plundering door Cambyses was het met Thebe's +grootsten bloei gedaan. Tusschen de puinhoopen liggen thans 4 dorpen, +Luxor en Karnak op den rechter-, Goernah en Medinet-Aboe op den +linkeroever van den Nijl.--3) stad in het thessalische landschap +Phthiotis, Thebai Phthiotides, havenstad, aan de golf van Pagasae. + +Thebais, Thebaïs, 1) Boven-Aegypte, van de aethiopische grenzen (24° +N.B.) tot omstreeks 27 2/3° N.B. Het omvatte dus in lengte ongeveer +de helft van het aegyptische Nijldal.--2) het gebied der stad Thebae +in Boeotia. + +Thebe, Thebe, stad in Mysia, aan den boschrijken berg Placus en daarom +hypoplakie geheeten. Andromache was hier geboren, evenals Chryseis, +die buit gemaakt werd, toen Achilles de stad verwoestte. Thebe lag +landinwaarts achter de golf van Adramyttium, waar men later nog den +Thebanus campus, to Thebes pedion, had. Zie ook Thebae no. 1. + +Theches, Theches, een der toppen van den Paryadres op de +pontisch-armenische grenzen, vanwaar de 10000 Grieken onder Xenophon +het eerst de zee in het gezicht kregen. + +Thelepte, stad in het binnenland van Africa vetus, in Byzacium, +ten Z. van Thala. + +Thelpusa, Thelpousa = Telphusa. + +Thelxion, Thelxion, zoon van koning Apis (z. a.). + +Themis, Themis, dochter van Uranus en Gaea, bij Zeus moeder der Moerae +en Horae, godin van wet en orde, die zoowel op den Olympus als in +de vergaderingen der menschen recht en orde handhaaft. Zij is de +verstandige raadgeefster van Zeus, zit bij hem, wanneer hij zijne +besluiten neemt, en verkondigt zijn wil als orakelgevende godin, +vóór Apollo was zij in het bezit van het delphische orakel. Hare +beelden gelijken op die van Pallas Athena, gewoonlijk heeft zij een +horen van overvloed en een weegschaal in de handen. + +Themiscyra, Themiskyra, water- en grasrijke vlakte, tot het gebied +der stad Amisus in Pontus behoorende, tusschen de rivieren Iris +en Thermodon gelegen, en als het gebied der Amazonen beschouwd. De +stad Themiscyra, aan den mond van den Thermodon, was in Augustus' +tijd reeds verdwenen. + +Themiso, Themison, tyran van Eretria, tijdgenoot van Demosthenes, +ontnam den Atheners bij verrassing in vredestijd Oropus; later werd hij +door de Thebanen aangevallen, maar door de Atheners tegen hen geholpen. + +Themista, Themista, uit Lampsacus, vriendin en volgelinge van +Epicurus. Leonteus no. 2. + +Themistius, Themistios, van Paphlagonië, leeraar van en schrijver +over rhetorica en wijsbegeerte (ongeveer 317-390 n. C.), leefde +meestal te Constantinopel. Hij stond in hoog aanzien bij de keizers +Constantius en Iulianus en bekleedde verscheiden hooge betrekkingen; +onder Theodosius werd hij praef. urbi (384); tot zijne leerlingen +behoorde ook de latere keizer Arcadius. Van zijne werken zijn 34 +redevoeringen en 4 paraphrasen op Aristoteles bewaard gebleven. + +Themisto, Themisto, dochter van Hypseus. Athamas nam haar tot vrouw, +toen hij Ino verstooten had, toen hij echter later vernam, dat Ino nog +leefde, liet hij deze terughalen. Hierover vertoornd, wilde Th. Ino's +kinderen des nachts dooden en liet hen daarom in het zwart kleeden, +terwijl zij haar eigen kinderen witte kleederen aantrok, doch Ino, +die het plan bemerkt had, verwisselde heimelijk de kleederen, zoodat +Th. in het donker haar eigen kinderen om het leven bracht; toen zij +dit ontdekte, doodde zij ook zichzelve. + +Themistocles, Themistokles, Athener, zoon van Neocles. In zijn +jeugd weinig geacht om zijn losbandig leven en misschien ook omdat +zijn moeder een vreemdelinge was, trad hij, toen hij begon zich aan +staatszaken te wijden, door zijne buitengemeene begaafdheden spoedig op +den voorgrond. Hij was de eerste die inzag, dat de toekomstige macht +van Athene op de zee berustte, daarom werd reeds in 493 onder zijn +archontaat met den aanleg van den Piraeus begonnen, en overreedde hij +het volk om de opbrengst van de zilvermijnen in Laurium, die vroeger +verdeeld werd, voor het bouwen eener vloot te besteden. Het verzet, dat +deze maatregelen bij de meer behoudende partij vonden, moest opgegeven +worden, toen Aristides in 483 door het ostracisme verbannen was. Bij +de nadering van Xerxes tot strateeg gekozen, deed Th. in de eerste +plaats zijn best om te zorgen, dat de verdediging door alle grieksche +staten eendrachtig volgens een vast plan en vooral op zee zou gevoerd +worden; de houten muur, die volgens het delphische orakel Athene tot +redding zou strekken, was naar zijne verklaring de vloot. Toch werd +hij gezonden om in vereeniging met een spartaansch leger de Tempepassen +te bezetten, toen de Grieken zich echter wegens de ongeschiktheid van +het terrein van hier teruggetrokken hadden, voegde hij zich met de +atheensche schepen bij de vloot, die bij Artemisium lag. In weerwil +van de verliezen, die deze vloot door een hevigen storm leed, werd +hier op aanmoediging van Th. drie dagen lang tegen de Perzen slag +geleverd, maar hoewel deze slag onbeslist bleef, moest men zich na +de nederlaag der Spartanen bij de Thermopylae terugtrekken. Bij den +terugtocht trachtte Th. nog door list de Ioniërs in het perzische leger +onschadelijk te maken. Te Athene teruggekeerd, bewerkte hij nu dat +de Atheners hun stad verlieten, hun vrouwen, kinderen en bezittingen +naar Salamis en Troezen overbrachten, en zich op de vloot bij Salamis +begaven. Toen nu Athene door de Perzen ingenomen en verbrand was, +en men op aandringen der Corinthiërs en andere Peloponnesiërs op +het punt stond de voordeelige positie bij Salamis op te geven om +zich tot de verdediging van de Peloponnesus te beperken, maakte Th., +nadat hij zich vruchteloos met alle macht tegen dit plan verzet had, +de uitvoering er van door list onmogelijk. Hij liet namelijk Xerxes +in het geheim verwittigen, dat de Grieken op het punt waren zich +te verspreiden en dat hem daardoor de gelegenheid zou ontsnappen, +hen in één slag ten onder te brengen. Hierdoor aangemoedigd, waagde +Xerxes den aanval, de grieksche vloot werd omsingeld en tot tegenweer +genoodzaakt en won den beroemden zeeslag bij Salamis (Sept. 480). Door +nieuwe boodschappen, waarin den Grieken het plan toegedicht werd, +de brug over den Hellespont af te breken, wist Th. daarop Xerxes tot +een overhaasten terugtocht uit Europa te bewegen. Nadat hij nog de +eilanden, die met de Perzen geheuld hadden, had getuchtigd, hield hij +zich meer met binnenlandsche aangelegenheden bezig. Op zijn raad werd +Athene met muren omgeven, terwijl hij door list en met levensgevaar +den tegenstand der Spartanen tegen dezen maatregel verijdelde; ook +werd de Piraeus vergroot en versterkt. Th. was toen op het toppunt +van zijn roem, maar met het terugkeeren van rustiger tijden stak zijn +tegenpartij het hoofd weder op; vooral wegens de vijandige houding, +die hij tegen Sparta aannam, trachtte men hem onschadelijk te maken, +hij werd beschuldigd van oneerlijkheid, knevelarij en persoonlijke +eerzucht, en eindelijk bracht men het zoo ver, dat hij door het +ostracismus verbannen werd. Hij ging naar Argos, maar na eenige jaren +werd hij van medeplichtigheid aan de plannen van Pausanias beschuldigd, +waarop hij zich te Argos niet meer veilig achtte; hij vluchtte naar +Corcyra, van daar afgewezen naar Admetus, koning der Molossers, +die zorgde dat hij veilig naar Pydna kwam (± 466), van waar hij naar +Ephesus overstak. Hij wendde zich nu tot Artaxerxes, beriep zich op +zijne diensten, aan Xerxes bewezen, en beloofde hem zijne medewerking +bij de onderwerping van Griekenland; de koning overlaadde hem met +gunstbewijzen en gaf hem de steden Magnesia, Lampsacus en Myus +voor zijn levensonderhoud. Maar voordat van perzische zijde weder +iets tegen Griekenland was ondernomen, stierf Th. (omstreeks 459), +v. s. door eigen hand, omdat hij zijne beloften aan Artaxerxes niet +konde of wilde vervullen. Zijn gebeente werd door zijne vrienden +heimelijk naar Attica overgebracht en daar begraven. + +Themistogenes, Themistogenes, van Syracuse, wordt door Xenophon +genoemd als de schrijver van een werk over den krijgstocht van den +jongen Cyrus en den terugtocht der 10000 Grieken. Men gelooft, dat +met dit werk de Anabasis van Xenophon zelf bedoeld is, en dat de +schrijver het uit bescheidenheid onder een vreemden naam aanhaalt. + +Theoclymenus, Theoklymenos, van Hyperesia in Argolis, een waarzegger, +die wegens een moord naar Lacedaemon vluchtte, waar hij Telemachus +ontmoette. Met dezen ging hij naar Ithaca, waar hij de terugkomst +van Odysseus, enz. voorspelde. + +Theocritus, Theokritos, van Syracuse (v. a. van Cos), studeerde +te Alexandrië en genoot wegens zijne geleerdheid en dichterlijk +talent hooge gunst bij Ptolemaeus Philadelphus en bij Hiero +II. Uitgaande van eenvoudige sicilische herdersliedjes, werd hij +de schepper van een nieuwe dichtsoort, de bucolische poëzie of het +herdersdicht, hij dichtte een aantal tafereelen (Eidyllia boukolika), +meest uit het leven van sicilische herders en landlieden, waarvan +ongeveer 30 bewaard gebleven zijn, die door dramatische inkleeding, +natuurlijkheid en eenvoud, door het ongekunstelde van taal en metrum +vol aantrekkelijkheid zijn. Th. stierf omstreeks 245, op den leeftijd +van 60 jaar. + +Theodectes, Theodektes, van Phaselis, leerling van Isocrates, Plato en +Aristoteles, beroemd als redenaar, maar vooral als treurspeldichter. In +den tragischen wedstrijd bij de lijkfeesten van Mausolus (352) +behaalde hij den eersten prijs. Van zijne talrijke werken is bijna +niets bewaard gebleven. + +Theodericus of Theodoricus, Theoderik, 1) koning der Westgothen +(418-451 na C.), die in den slag op de catalaunische velden tegen +Attila sneuvelde.--2) koning der Westgothen (452-466), zoon van no. 1, +een beschaafd vorst, begunstiger van kunst en wetenschap, door zijn +broeder Eurik omgebracht. + +Theodorus, Theodoros, 1) van Samus, zoon, leerling en medewerker +van Rhoecus (z. a.), tevens beroemd goud- en zilversmid, hij +maakte o. a. den ring van Polycrates.--2) van Byzantium, rhetor en +sophist, tijdgenoot van Socrates.--3) van Cyrene, beroemd wiskundige, +leermeester van Plato.--4) ho atheos, cyrenaisch wijsgeer, die wegens +ongeloof uit Athene verbannen, naar Alexandrië bij Ptolemaeus I +ging.--5) van Gadara, een rhetor, wiens lessen Tiberius gedurende +zijn verblijf op Rhodus hoorde. Zijne leerlingen noemden zich naar +hem Theodoreioi. + +Theodosia, Theodosia, bloeiende volkplanting van Miletus in de +taurische Chersonesus (Krim), thans Kaffa of Feodosia. + +Theodosiopolis, Theodosioupolis, zie Resaïna. + +Theodosius (Flavius), 1) Hispaniër van geboorte, werd door +keizer Valentinianus I in 367 na C. naar Britannia gezonden, dat +gedeeltelijk in opstand was. Hij versloeg de Britten, dreef de +Schotten in hun bergland terug en herstelde den wal van Agricola +of van Hadrianus. Later dempte hij nog een opstand in Africa (373), +die echter opnieuw uitbarstte, waarop Theod. hem andermaal, thans met +groote gestrengheid, onderdrukte. In 376 werd hij vermoord, op last +van keizer Gratianus, die hem haatte.--2) Theodosius I of de Groote, +rom. keizer 379-395 na C., in 346 te Cauca in Hispania geboren, zoon +van no. 1. Nog jong vergezelde hij reeds zijn vader op diens tochten +naar Britannia en Africa en leerde onder hem de krijgskunst. In 378 +zond Gratianus hem naar Thracië tegen de Gothen en in 379 nam hij +hem tot medekeizer aan. Bij herhaling versloeg Theod. de Gothen. In +380, na eene ziekte, nam Theod. in zijne residentie Thessalonica het +Christendom aan. Hij kon niet verhinderen dat Gratianus in Britannia +vermoord en Maximus (z. a.) tot keizer werd uitgeroepen; hij erkende +dezen zelfs als medekeizer, doch toen Maximus aan Gratianus' zoontje +Valentinianus II Italië wilde ontnemen (387), zond Theod. den Frank +Arbogastes tegen hem af; Maximus werd verslagen en ter dood gebracht +(388). Theod. stelde nu den 17-jarigen Valentinianus II tot keizer +over het geheele Westen aan, begaf zich in 389 als diens voogd naar +Rome, waar hij het heidendom met geweld onderdrukte, en strafte in +390 met gruwzame wreedheid den moord, te Thessalonica in een oproer +op een zijner bevelhebbers gepleegd, eene daad, waarvoor bisschop +Ambrosius van Milaan den keizer den toegang tot de kerk belette en +waarover Theod. zelf groot berouw had. In 392 werd Valentinianus door +Arbogastes vermoord en Eugenius in het W. op den troon geplaatst. Met +zijne voortreffelijke veldheeren Stilicho, een Vandaal, en Gaenas, +een Goth, versloeg Th. Arbogastes en Eugenius bij Aquileia (394), +Eug. werd ter dood gebracht, Arb. sloeg de hand aan zichzelf. In 395 +stierf Theod. te Milaan. Het rijk kwam nu aan zijne beide zonen, +Arcadius en Honorius, en door den twist van beider ministers, +Rufinus en Stilicho, kwam nu feitelijk een deeling van het rijk tot +stand, die op den duur den ondergang van het West-Romeinsche rijk +ten gevolge heeft gehad.--3) Theodosius II, zoon van Arcadius en +dus een kleinzoon van no. 2, volgde in 408, slechts acht jaar oud, +zijn vader op, onder regentschap van den veldheer Anthemius, die +de invallen der Hunnen afweerde. De zuster van den jongen keizer, +Pulcheria, eene vrome en geleerde vrouw, nam diens opvoeding ter +hand, zijn zwak karakter was oorzaak, dat hij feitelijk zijn leven +lang onder hare voogdij bleef. Zijne regeering werd gekenmerkt door +voortdurende godsdiensttwisten, ongelukkige oorlogen met de Vandalen +in Afrika, opstanden in Palaestina en Syrië en een zware brand te +Constantinopel. In 438 had de plechtige afkondiging plaats van den +codex Theodosianus, eene verzameling van wetten en verordeningen sedert +Constantijn den Gr. De keizer huwde in 421 met Athenais, als Christin +gedoopt met den naam Aelia Eudocia, z. Athenais no. 2; 's keizers +dochter Eudocia werd in 437 de bruid van Valentinianus III, keizer van +het W., den zoon van Constantius en Placidia. Theodosius II stierf in +450, na zich eenige jaren van te voren van zijne vrouw te hebben laten +scheiden en na in zijne laatste regeeringsjaren veel last te hebben +gehad van de invallen van Attila, den Hunnenvorst. Na zijn dood werd +Pulcheria tot keizerin uitgeroepen, die tot 454 leefde, kloosters en +kerken stichtte en haar geheele vermogen aan de armen vermaakte. In +453 huwde zij in het belang van het rijk--doch zonder de vroeger door +haar afgelegde gelofte van kuischheid te schenden--met Marcianus, +een Thraciër, die tot 457 regeerde, en een wakker en beleidvol man was. + +Theodotus, Theodotos, 1) voerde voor Lysimachus het bevel over Sardes +en gaf die stad aan Seleucus over.--2) bevelhebber eener vloot van +Antigonus, verloor een zeeslag tegen Ptolemaeus I (315).--3) Aetoliër, +veldheer van Ptolemaeus in den oorlog tegen Antiochus III.--4) +leermeester van Ptolemaeus XI, gaf den raad Pompeius te vermoorden, +moest daarom voor Caesar vluchten en viel eindelijk in handen van +Brutus, die hem ter dood liet brengen (43). + +Theognis, Theognis, 1) van Megara, leefde omstreeks het einde der +6de eeuw. Hij behoorde tot den rijken adel en was met hart en ziel +aristocraat; bij eene democratische omwenteling verloor hij zijne +goederen en werd hij uit zijn vaderland verdreven, waar hij eerst na +lange jaren als balling te hebben rondgezworven terugkeerde. Hij gaf +aan zijne ontevredenheid over de bestaande toestanden lucht in een +aantal elegieën, waarin hij zich dikwijls met groote bitterheid over +zijne tegenpartij beklaagt; wij bezitten daarvan nog een vrij groot +aantal uittreksels, voor het meerendeel korte staat- en zedekundige +spreuken (gnomen); vele daarvan zijn echter niet van Th., maar zijn of +omgewerkt of bij latere uitgaven toegevoegd.--2) een van de triakonta +te Athene, ook als treurspeldichter genoemd. + +Theologeion, z. theatrum. + +Theomestor, Theomestor, van Samus, streed in den slag bij Salamis +aan de zijde der Perzen en werd wegens zijne dapperheid door Xerxes +tot tyran over Samus aangesteld. + +Theomnestus, Theomnestos, 1) van Naucratis, academisch wijsgeer, wiens +lessen M. Brutus bijwoonde (43).--2) van Sardes, maakte verscheiden +beroemde metalen beelden van athleten, jagers, enz. Hij leefde +waarschijnlijk in den hellenistischen tijd. + +Theon, Theon, 1) van Samus, verdienstelijk schilder omstreeks 300.--2) +van Smyrna, wiskundige onder Hadrianus; hij schreef ook commentaren op +Plato.--3) van Alexandrië, wis- en sterrenkundige onder Theodosius I, +schrijver van verscheiden werken over wiskunde en eenige gedichten. Hij +was de vader van Hypatia.--4) Aelius Th., van Alexandrië, platonisch +wijsgeer, schrijver van verscheiden commentaren op oude schrijvers +en van een nog bestaand leerboek der rhetorica, Progymnasmata. Hij +leefde waarschijnlijk in de eerste eeuw n. C. + +Theonoë, Theonoe, 1) = Idothea.--2) dochter van Thestor (z. a.). + +Theophanes, Theophanes, van Mytilene, volgeling en raadsman van +Pompeius, die hem met het rom. burgerrecht begiftigde en wiens +krijgsdaden hij beschreef. + +Theophrastus, Theophrastos, van Eresus, geb. 372, leerling van Plato +en later van Aristoteles. Deze laatste, die hem de voorkeur gaf +boven al zijne andere leerlingen, benoemde hem tot zijn opvolger, +tot voogd over zijn zoon en tot erfgenaam zijner bibliotheek, ook +zou hij den oorspronkelijken naam Tyrtamus in Th. veranderd hebben +wegens zijn uitmuntende voordracht. Na den dood van den meester (322) +stond Th. 35 jaar, door talrijke leerlingen bemind en bewonderd, aan +het hoofd der peripatetische school, totdat hij in den ouderdom van +85 jaar stierf. Zonder zijne zelfstandigheid op te offeren, liet hij +zijn onderwijs voornamelijk strekken tot verklaring en ontwikkeling +van het stelsel zijns leermeesters. Van zijne talrijke geschriften +bezitten wij nog 30 karakterschetsen (ethikoi charakteres) en eenige +werken over plantkunde, mineralogie, enz. (peri phyton historias, +peri aition phyton, e. a.). + +Theopompus, Theopompos, 1) koning van Sparta, onder wiens regeering de +eerste messenische oorlog gevoerd werd; v. s. stelde hij het ephoraat +in.--2) van Chius, geb. omstreeks 380, verliet als knaap met zijn vader +Damasistratus, die verbannen was, zijn vaderland, kwam te Athene, +waar hij het onderwijs van Isocrates genoot, en trad in vele steden +als pleitbezorger en feestredenaar op. Bij de lijkfeesten ter eere +van Mausolus behaalde hij als redenaar den eersten prijs. Later wijdde +hij al zijn tijd en een groot deel van zijn vermogen aan de beoefening +der geschiedenis, en legde hij de vruchten van zijn onderzoek neer in +twee werken (Hellenika, Philippika), die bijna geheel verloren zijn +gegaan, zoodat wij niet in staat zijn te beoordeelen, of men hem met +recht de hardheid van zijn oordeel over personen verwijt; wel meent +men bij hem sporen te vinden van groote partijdigheid voor Alexander +d. G. Door den invloed van Alex. in zijn vaderstad teruggeroepen, +moest hij deze echter later weder verlaten, daar hij door zijn trotsche +houding zijn staatkundige tegenstanders zoozeer verbitterde, dat hij +voor de openbare rust gevaarlijk scheen (306). Hij ging naar Aegypte, +waar hij echter bij Ptolemaeus geen gunstig onthaal vond. Van zijne +verdere lotgevallen is niets bekend. Een onlangs in Egypte gevonden +fragment van een geschiedkundig werk wordt door velen aan Th., door +anderen aan Cratippus toegeschreven.--3) atheensch blijspeldichter, +jonger tijdgenoot van Aristophanes. + +Theoria, een gezantschap, dat uitgezonden wordt om den staat bij +godsdienstige feesten te vertegenwoordigen, in zijn naam te offeren, +een orakel te ondervragen, enz. + +Theorikon, het entréegeld in den schouwburg te Athene, ten bedrage +van 2 obolen (diobelia) per persoon. Voor de arme burgers betaalde de +staat sedert Pericles dit geld, ten minste bij de Dionysusfeesten, +later maakten ook rijkere aanspraak er op en werd het ook op andere +feesten gegeven, zoodat het theorikon een zeer drukkende last voor +den staat werd; ten slotte werden alle overschotten van den gewonen +dienst in de kas van het theor. gestort. Eerst kort voor den slag +bij Chaeronea, toen door geldgebrek de verdedigingsmiddelen geheel +verwaarloosd waren, gelukte het Demosthenes het volk te bewegen dit +geld liever voor oorlogstoerustingen te bestemmen. + +Thera, Thera, vroeger Calliste geheeten, thans Santorin, een der +Sporaden, ten Z. van Naxus gelegen. Met Therasia vormt het als het ware +den wand van een ontzaggelijk kratermeer, dat met de zee in verbinding +staat. In voorhistorischen tijd is de krater tot uitbarsting gekomen, +en daarna ingezakt. In historische tijden zijn er in dit bekken +uitbarstingen geweest in 197/6 v. C. en in 46/47 n. C., misschien +ook in 66 v. C. In 197 of in 66 is het kleine eilandje Hiera, in 46 +n. C. is Thia uit zee opgerezen. Cyrene in Afrika was eene kolonie +van Thera (631). + +Theramenes, Theramenes, van Athene, Chius of Ceos, zoon of aangenomen +zoon van den Athener Hagnon, een beschaafd en welsprekend, maar +hebzuchtig en karakterloos man, was een van hen, die in 411 bij de +invoering van de regeering der 400, waartoe hij ook zelf behoorde, +den meesten ijver betoonden. Door deze regeering in zijne verwachtingen +teleurgesteld en waarschijnlijk ook wel inziende, dat zij niet lang zou +kunnen blijven bestaan, stelde hij zich aan het hoofd der democraten +om haar omver te werpen; door deze verandering van partij haalde hij +zich den spotnaam cothurnus (z. a.) op den hals. Gedurende eenigen +tijd behoorde hij nu tot de gematigde volkspartij en verwierf hij +grooten invloed; na den slag bij de Arginusen was hij het voornamelijk, +die bewerkte dat de strategen ter dood veroordeeld werden, omdat zij +verzuimd hadden de in dien slag verongelukten uit zee op te visschen, +ofschoon hij wellicht aan dit verzuim meer schuld had dan zij. Toen +Athene na den slag bij Aegospotami door Lysander belegerd werd, wist +Ther. door schoone beloften te verkrijgen, dat hij afgevaardigd werd +om over den vrede te onderhandelen, hij bleef echter opzettelijk zoo +lang weg, dat de belegerden zich eindelijk door honger genoodzaakt +zagen alles toe te geven. Daarna werd hij een van de 30, doch toen hij +zich tegen de gewelddadige handelingen zijner ambtgenooten verzette, +en men vreesde, dat hij dezelfde rol als vroeger zoude spelen, +beschuldigde Critias hem van hoogverraad, en toen deze bemerkte, +dat de verdediging van Th. op den raad indruk maakte, liet hij +hem met geweld naar de gevangenis sleepen en ter dood brengen. Als +slachtoffer van de 30 en door de vastberadenheid, waarmede hij den +giftbeker dronk, heeft hij na zijn dood een populariteit verworven, +die hij door zijn leven niet verdiend had. + +Therapnae en -ne, Therapnai, -ne, 1) stadje in Boeotia aan den weg +van Thebae naar de rivier Asopus en naar Attica.--2) stadje niet ver +ten O. van Sparta, met de graven van Menelaus en Helena en een tempel +der Dioscuren, die v. s. daar geboren zouden zijn. + +Theras, Theras, afstammeling van Polynices, wiens vader koning van +Thebe geweest was, maar op bevel van een orakel naar Lacedaemon was +verhuisd. Hij bracht eene volkplanting van Lacedaemoniërs en Minyers +naar het eiland Calliste, dat sedert dien tijd Thera genoemd werd. + +Therasia, Therasia, zie Thera. + +Theres, Theres = Pheres. + +Therma, ta Therma, 1) grieksche stad in Macedonia, aan de golf van +Therma, den sinus Thermaicus, ten W. van Chalcidice. Op de plaats van +dit Therma stichtte Cassander omstreeks 315 eene nieuwe stad, die hij +naar zijne gemalin Thessalonica noemde, eene sterke vesting met goede +haven, thans Saloniki. Dit werd eene bloeiende handelsplaats, vooral +onder de Rom., door hare ligging aan de via Egnatia. Zij werd in 168 de +hoofdstad van een der vier distrikten, waarin toen Macedonia gesplitst +werd, later werd zij hoofdst. der prov. en is zelfs wel keizerlijke +residentie geweest.--2) warme bron bij Lechaeum in Corinthia.--3) += Thermum. + +Thermae, Thermai, stad aan de Noordkust van Sicilia, bevolkt met de +overgebleven inwoners van het door de Carthagers verwoeste Himera +(z. a.). De naam Thermae komt van de warme bronnen, die de stad tot +eene zeer gezochte badplaats maakten. + +Thermae. Onder dezen naam verstond men warme bronnen met de daardoor +gevoede badhuizen, vervolgens ook elk badhuis, waar men nevens koude +baden ook warme kon nemen. In zoover is thermae dus synoniem met +balneae (zie balneum). Sedert het tijdperk van Augustus evenwel +wordt thermae meer in het bijzonder gebezigd van de prachtige +badinrichtingen der Rom., die volgens het model van een grieksch +gymnasium (z. a.) waren aangelegd, doch op veel grooter schaal, +en waar men nevens allerlei soort van baden ook conversatiezalen, +zalen voor voorlezingen, bibliotheken, gelegenheid tot balspel en +gymnastische oefeningen, wandelparken, gaanderijen, enz., aantrof. Van +drie zoodanige gebouwen zijn te Rome nog belangrijke overblijfselen +aanwezig, n.l. van dat van Titus op den Esquilijnschen berg, van dat +van Diocletianus op den Quirinalis, waarvan ééne enkele zaal door +Michel Angelo in eene ruime kerk werd herschapen, en van de thermae +Antoninianae van Caracalla. In deze laatste vond men o. a. eene +rotonde van 50 meter doorsnede, gedekt met eene flauw gewelfde +zoldering, een meesterstuk van bouwkunst. Daarachter volgden twee +zalen, elk van 56 M. lang en 22 M. breed, aan welker uiteinden weder +kleinere zaaltjes waren, door kolonnades van de groote gescheiden. De +bijgevoegde teekening geeft een gezicht op de groote middenzaal, +zooals deze er vermoedelijk heeft uitgezien. De hier genoemde ruimten +vormden slechts het middengedeelte, ter weerszijden strekten zich +nog kolossale vleugels uit. + +Thermaicus sinus, zie Therma no. 1. + +Thermessa = Hiera no. 1. + +Thermodon, Thermodon, 1) beek in Boeotia, die bij Tanagra in den Asopus +uitliep.--2) rivier in het W. van Pontus, kort van loop, doch breed, +aan welker oevers de Amazonen zouden gewoond hebben; zie Themiscyra. + +Thermopylae, Thermopylai, een enge bergpas, de toegangsweg van +Thessalia naar Locris en het oostelijk Hellas. Op sommige plaatsen was +hij zoo smal, dat twee wagens elkander niet konden passeeren. Voor een +gedeelte liep hij tusschen de uitloopers van het Oetagebergte en een +moeras aan den binnensten hoek der Malische golf, terwijl hij door den +Spercheus en nog een paar kleinere stroompjes werd doorsneden. Waar +de pas naar de zijde van Anthela breeder werd, stonden de tempels van +Demeter en van Amphictyon. In dezen pas sneuvelde in 480 Leonidas met +zijne getrouwen. Door de aanslibbing der kust en den geheel veranderden +loop van den Spercheus is de pas aanmerkelijk van gedaante veranderd. + +Thermum, Thermon, ook ta Therma, sterke en fraaie hoofdstad van +Aetolia ten tijde van het aetolisch verbond, door Philippus III (V) +van Macedonië verwoest (218 en 206). + +Thermus, familienaam in de gens Minucia (Minucii no. 6-8). + +Theron, Theron, tyran van Agrigentum, 487-472, wordt geprezen als +een zacht en wijs vorst, en versloeg met Gelo de Carthagers bij +Himera, 480. + +Thersander, Thersandros, zoon van Polynices en Argea, een der Epigonen, +kreeg de regeering over Thebe. Later trok hij met de Grieken naar +Troje, hij sneuvelde echter bij den inval in Mysië door de hand van +Telephus. V. a. was hij een van hen, die met het houten paard in de +stad gekomen waren. Te Elaea in Mysië werd hij als heros vereerd en het +geslacht der Emmeniden te Agrigentum beweerde van hem af te stammen. + +Thersites, Thersites, de leelijkste van alle Grieken voor Troje, +die er een boosaardig genoegen in vond de aanvoerders te beschimpen, +waarom hij algemeen gehaat was. Achilles doodde hem, toen hij aan +het lijk van Penthesilea de oogen wilde uitsteken. + +Theseidae, Theseidai, afstammelingen van Theseus, bij dichters = +Atheners. + +Theseus, Theseus, de nationale held der Atheners, wiens lotgevallen in +menig opzicht op die van Heracles gelijken, hoewel hij niet zoo grooten +roem verwierf als deze. Hij was de zoon van Aegeus en Aethra en was te +Troezen geboren en opgevoed. Toen Aegeus hem als kind daar achterliet, +verborg hij zijn zwaard en sandalen onder een grooten steen en droeg +hij aan Aethra op hun zoon met deze herkenningsteekenen naar Athene te +zenden, wanneer hij sterk genoeg was om den steen te verplaatsen. Op +zestienjarigen leeftijd was hij hiertoe in staat en terstond ondernam +hij de reis naar zijn vader. Op weg doodde hij Periphetes, Sinis, +Sciron, Cercyon en Procrustes (z. deze art.), verder nog het wilde +zwijn van Crommyon, een reusachtig dier, dat de grenzen van Megaris +en Attica onveilig maakte. Eindelijk kwam hij bij Aegeus en bijna had +hij hier door de lagen van Medea, die zijn invloed vreesde, den dood +gevonden; toen hij echter zijn zwaard trok, herkende zijn vader hem +en Medea moest vluchten. Th. bezorgde zijn vader de regeering terug, +die hem door zijne neven, de Pallantiden, ontnomen was, daarna doodde +hij den stier van Marathon (z. Heracles bl. 307), dien hij aan Apollo +offerde. Hij liet zich vrijwillig opnemen onder de 14 jongelieden, +die als offer voor den Minotaurus naar Creta gezonden moesten worden, +en door de hulp van Ariadne (z. a.), die liefde voor hem opvatte +en hem een kluwen touw verschafte, waardoor hij een uitweg uit het +labyrinth kon vinden, doodde hij het monster, waarmede Athene van de +schatplichtigheid aan Creta bevrijd werd. Door een misverstand benam +Aegeus (z. a.) zich het leven, toen het schip van Creta terugkwam, en +Th. volgde hem op. Hij bewerkte de vereeniging van de verschillende +gemeenten van Attica tot één staat met Athene als hoofdstad +(synoikismos) en stelde ter herinnering aan dit feit de Panathenaea +in; ook wordt hem de verdeeling van het volk in 3 phylae (z. phyle) +toegeschreven. Vervolgens vergezelde hij Heracles op diens tocht tegen +de Amazonen (z. a.) en ontvoerde hij Antiope (z. a.) of Hippolyte, die +bij hem moeder werd van Hippolytus, na haar dood huwde hij met Phaedra +(z.a.), bij wie hij twee zonen kreeg, Acamas en Demophon. Hij nam ook +deel aan de calydonische jacht en den Argonautentocht, verleende een +schuilplaats aan Oedipus, toen deze uit Thebe verjaagd was, en dwong +de Thebanen de gesneuvelde medestrijders van Adrastus op eervolle +wijze te laten begraven. Zijn vriend Pirithous stond hij bij in den +strijd tegen de Centauren en door zijne dapperheid verschafte hij hem +de overwinning. Met behulp van Pirithous schaakte hij Helena (z.a.), +toen hij echter wederkeerig zijn vriend zoude helpen bij de ontvoering +van Persephone en daartoe met hem in de onderwereld afgedaald was, +liet Hades beiden vastgroeien aan een rots, waarop zij zich vermoeid +nedergezet hadden. Wel werd Th. kort daarna door Heracles bevrijd, +maar in zijne afwezigheid was Helena met Aethra door de Dioscuren +ontvoerd, en had Menestheus zich van de regeering meester gemaakt, +terwijl het volk, ontevreden over het lot van Hippolytus (z. a.) en +over zijne lange afwezigheid, hem niet weder wilde erkennen. Verbitterd +verliet hij Athene en ging hij naar Scyrus, waar hij door koning +Lycomedes verraderlijk vermoord werd. Hij werd te Athene als heros +vereerd, zijn gebeente werd op bevel van het delphische orakel door +Cimon naar Athene teruggehaald (465) en een prachtige tempel werd te +zijner eer opgericht. De achtste dag van iedere maand was hem gewijd, +zijn voornaamste feest, de Theseia, viel op den 8sten Pyanepsion. + +Thesmia, Thesmophoros, bijnamen van Demeter, die door invoering van +den akkerbouw de menschen tot zachtere zeden en een geregeld leven +onder vaste wetten gebracht had. + +Thesmophoria, Thesmophoria, feest ter eere van Demeter Thesmophoros +en hare dochter in vele deelen van Griekenland met groote plechtigheid +gevierd, vooral te Athene, in Arcadië en Argolis, op Sicilië e. e. Te +Athene begon het den 9den of 10den Pyanepsion en duurde het vijf +dagen; het werd uitsluitend door gehuwde vrouwen gevierd, terwijl +het aan mannen ten strengste verboden was er bij tegenwoordig te zijn. + +Thesmothetai, z. Archontes. + +Thespiades, Thespiades, 1) de Muzen, zoo genoemd naar Thespiae, +waar zij hooge vereering genoten.--2) de dochters van Thespius. + +Thespiae, Thespiai, bij Homerus Thespeia, oude aanzienlijke stad in +Boeotia aan den voet van den Helicon, door Xerxes verbrand (480), doch +na den slag bij Plataeae herbouwd. Eros, die hier zou geboren zijn, +had hier een tempel met een standbeeld, door Praxiteles gebeiteld. In +374 sloopten de Spartanen de muren van Thespiae, waarna het een plaats +van minderen rang werd. + +Thespis, Thespis, Athener, tijdgenoot van Solon en Pisistratus, +de eerste die bij de Dionysusfeesten de dithyrambische koorliederen +door gesprekken tusschen het koor en een tooneelspeler liet afwisselen +en daardoor de grondlegger werd van het treurspel. In 534 voerde hij +het eerst te Athene een treurspel op. Hijzelf was zoowel dichter als +tooneelspeler, v. s. trad hij reeds geblanket, later gemaskerd, op. + +Thespites = Thospites. + +Thespius, Thespios, zoon van Erechtheus, mythisch stichter van +Thespiae, vader van 50 dochters, bij welke Heracles 50 zonen verwekte, +waarvan later 40 naar Sardinië gezonden werden om er een volkplanting +te stichten. + +Thesproti, Thesprotoi, een van de hoofdstammen van Epirus, die +eerst het geheele zuidelijke deel bewoonden en in wier gebied het +orakel van Dodona lag. Zij woonden meest in open vlekken en dorpen en +waren ten tijde van Homerus nog het eenige hoofdvolk van Epirus. De +Molossers, die later in Epirus kwamen, verdrongen de Thesprotiërs +uit het binnenland, zoodat dezen slechts de kuststreek behielden, +welke naar hen Thesprotia heet. + +Thessalia, Thessalia, vroeger ook Hellas, Aeolis, Haemonia, Pelasgia, +Pyrrhaea (naar de vrouw van Deucalion) geheeten, lag tusschen +Macedonia, Epirus, Midden-Griekenland en de zee. Het was een land +vol schilderachtige natuurtafereelen, zeer geschikt voor veeteelt en +paardenfokkerij, vruchtbaar aan olie en wijn, aan geneeskrachtige, +maar ook aan vergiftige planten en aan tooverkruiden. Als oudste +bewoners komen o. a. Pelasgen (z. a.) voor, in de vlakte van Larisa +of Larissa, ook Pelasgikon Argos geheeten, verder worden als oudste +stammen genoemd Myrmidones, Hellenes, Achaei in Phthiotis, Magnetes +in Magnesia. Tijdens de volksverhuizing zijn uit Illyria de Thessali, +Thessaloi, in de vlakte van den Peneus en zijn bijrivieren ingedrongen, +en hebben langzamerhand de oorspronkelijke bevolking onderworpen +en tot een soort van heloten onder den naam Penestae, Penestai, +gemaakt. Later zijn ook de bergstammen, de Perrhaebi, Magnetes en +Achaei onderworpen, en soms zijn ook de Dolopes, Aenianes en Malii +van hen afhankelijk. Thessalia bestond uit de volgende landschappen: +1) Hestiaeotis met Perrhaebia, 2) Pelasgiotis, 3) Magnesia, 4) +Thessaliotis, 5) Phthiotis. Het was in verschillende staatjes verdeeld, +die samen een bond vormden. Aan het hoofd van dezen bond stond in +tijden van oorlog soms een legeraanvoerder, die koninklijke macht had, +tagos of basileus geheeten. De adel, geharnast en op geharnaste paarden +gezeten, vormde eene zware ruiterij; het voetvolk, licht gewapend, +bestond uit Penesten. Nu en dan stonden enkele streken, o. a. het +gebied van Pherae, onder tyrannen, doch de thessalische adel, wiens +liefhebberij in ridderspelen en strooptochten gelegen was, was te +bandeloos en wispelturig, om een monarchalen regeeringsvorm op den +duur mogelijk te maken. In Thessalia behooren de mythen te huis van +Deucalion en Pyrrha en van de Centauren. + +Thessaliotis, Thessaliotis, landschap van Thessalia, ten N. van de +Dolopes en van Phthiotis, vroeger Aeolis geheeten. + +Thessalonica, Thessalonike, zie Therma no. 1. + +Thestiades, Thestiades, Iphicles en Meleager, zoon en kleinzoon +van Thestius. + +Thestias, Thestias, Leda en Althaea, dochters van Thestius. + +Thestius, Thestios, zoon van Ares of Agenor en Demonice of Andronice, +koning van Aetolië, vader van Iphicles, Leda, Althaea e. a. + +Thestor, Thestor, zoon van Idmon en Laothoë, vader van Calchas, +Leucippe en Theonoë. Deze laatste wordt nog zeer jong zijnde door +zeeroovers weggevoerd en verkocht aan den carischen koning Icarus, +wiens liefde zij wint. Th. gaat op reis om haar te zoeken, maar valt +ook in de handen van zeeroovers en wordt eveneens aan Icarus verkocht; +deze geeft hem als slaaf aan Theonoë, die hem niet herkent. Eindelijk +gaat ook Leucippe op bevel van een orakel in manskleederen naar Carië, +Theonoë wordt op haar verliefd en daar hare liefde onbeantwoord blijft, +geeft zij aan Th. bevel den vreemdeling te dooden. Als deze nu in +zijn droefheid hierover zijn lot bejammert, herkennen vader en dochter +elkander door sommige uitdrukkingen, waarop Icarus alle drie naar hun +vaderland terugzendt, na hen met rijke geschenken begiftigd te hebben. + +Thestorides, Thestorides, Calchas, zoon van Thestor. + +Thetes, atheensche burgers van de laagste klasse volgens de verdeeling +van Solon, zij die jaarlijks minder dan 150 medimnen of metreten van +hun grond oogstten. Vóór Aristides konden zij geen overheidsambten +bekleeden en dienden zij alleen als lichtgewapenden of op de vloot, +en ook nog veel later kon niet licht iemand uit deze klasse archont +worden. + +Thetis, Thetis, eene Nereïde, die door Zeus en Poseidon bemind werd; +daar echter Prometheus voorspeld had, dat zij een zoon zoude ter wereld +brengen, die grooter zou worden dan zijn vader, gaven zij haar tegen +haar wil ten huwelijk aan Peleus (z. a.), bij wien zij moeder werd +van Achilles. Zij verleende in de onderzeesche woning van haar vader +een schuilplaats aan Dionysus, toen hij door Lycurgus vervolgd werd, +en aan Hephaestus, toen hij door Zeus uit den hemel geworpen was. Ook +verijdelde zij eens een samenzwering, door Hera, Poseidon en Athena +tegen Zeus gesmeed (z. Aegaeon). Op hare smeekingen liet Zeus, toen +Achilles door Agamemnon beleedigd was, de Grieken voor Troje tot den +hoogsten nood komen, totdat aan Achilles eene schitterende voldoening +gegeven was. + +Thettai, z. epikleros. + +Theudoria, stad der Athamanes in het Z.O. van Epirus. + +Theveste, stad in het binnenland van de provincie Numidia of Africa +nova, aan de grens van Byzacium, in den keizertijd tot bloei gekomen. + +Thia, 1) = Thea.--2) eilandje in de zee tusschen Thera en Therasia, +ontstaan door een uitbarsting in het jaar 46 n. C. + +Thiasus, thiasos, z. Dionysus. Verder noemde men zoo alle +vereenigingen, die gemeenschappelijke offers of andere godsdienstige +plechtigheden verrichtten, ook deze plechtigheden zelve. + +Thi(m)bron, Thi(m)bron, 1) spartaansch veldheer, werd in 399 met +een leger naar Klein-Azië gezonden om de grieksche steden tegen +Tissaphernes te verdedigen. Wel behaalde hij eenige voordeelen, +maar daar hij de tucht in zijn leger niet wist te handhaven, werd +hij spoedig door Dercylidas vervangen. In 391 voerde hij weder het +bevel over een leger in Azië en sneuvelde hij in een gevecht tegen den +perzischen generaal Struthas.--2) Spartaan, die Harpalus vermoordde, +zich aan het hoofd stelde van de door dezen geworven huurtroepen +en daarmede Cyrene veroverde, maar door aegyptische troepen onder +Ophellas verslagen en ten slotte gekruisigd werd (322). + +Thinae, Thinai, aanzienlijke handelsplaats in het tegenw. China, +waarschijnlijk in het N., in het land der Seres. + +Thisbe, Thisbe, z. Pyramus. + +Thisbe, Thisbe, oude stad van Boeotia, ten Z. van den Helicon, dicht +bij de kust der Corinthische golf. Bij Homerus heet het polytreron +naar de massa wilde duiven, die tusschen de rotsen nestelden. + +Thmuis, Thmouis, gen. -eos, stad in de Nijldelta tusschen den +Mendesischen en den Phatnitischen arm. + +Thoana = Dana. + +Thoantea, bijnaam van de taurische Artemis, naar Thoas, koning +van Tauris. + +Thoantias, Thoantias, Hypsipyle, dochter van Thoas. + +Thoas, Thoas, 1) zoon van Borysthenes, koning van Tauris, onder wiens +regeering Iphigenia priesteres van Artemis was.--2) koning van Lemnus, +vader van Hypsipyle. Toen alle mannen van Lemnus door de vrouwen van +dat eiland gedood werden (z. Hypsipyle), werd hij alleen door zijn +dochter gered en verborgen gehouden; later werd hij echter gevonden +en ter dood gebracht. V. a. ontkwam hij naar Tauris of Oenoë.--3) +zoon van Iason en Hipsipyle. + +Tholos, koepelvormig gebouw, te Athene een gebouw met koepeldak, +waar de prytanen hunne zittingen en maaltijden hadden. + +Thonis, Thon, Thonis, Thon, koning van Aegypte, bij wien Menelaus op +zijn terugreis van Troje gastvrij ontvangen werd. + +Thoon, Thoon, een Gigant, die bij de Gigantomachie door de Moerae +gedood werd. + +Thoosa, Thoosa, dochter van Phorcys en Ceto, bij Poseidon moeder +van Polyphemus. + +Thorax, Thorax, 1) bergrug in Messenië.--2) berg in Lydia. + +Thoria (lex), zie agrariae leges. + +Thoricus, Thorikos, attische demus aan de Oostkust van Attica's +Zuidspits, een weinig ten N. van kaap Sunium. + +Thospites, Thespites (lacus), ook Arsissa genoemd, groot meer in +Armenia Maior, tgw. meer van Wan. + +Thracia, Thrake, Threikie, het land ten N. der Aegaeïsche zee en der +Propontis tot aan den Pontus Euxinus, met grieksche volkplantingen +bezet, overigens door krijgshaftige en roofzieke, eeuwig twistende, aan +dronkenschap verslaafde, doch niet onbeschaafde stammen bewoond. Ten +gevolge van hunne verdeeldheden werden zij gemakkelijk door de Perzen +onderworpen. Na de nederlagen der Perzen in Griekenland gelukte het aan +een thracisch vorst, Sitalces, zijn volk, de Odrysen (z. a.), tot het +heerschende te maken en een thracisch rijk te stichten (zie Sitalces en +Seuthes). Onder Philippus en Alex. den Gr. lijfde Macedonia het eene +stuk van Thracia na het andere in, doch na den dood van Lysimachus +ging de macedonische overheersching allengs te gronde en werd Thracië +weder een tooneel van verwarring, totdat het land voor en na onder +de Rom. kwam. De Rom. gaven aan de streek tusschen den Donau en den +Haemus den naam van Moesia (z. a.). De voornaamste volken van Thracia +waren de Cicones aan de Zuidkust, de Odrysae aan den Hebrus, de Bessi +in het Haemusgebergte. In Thracia behoort de mythe van Orpheus te huis. + +Thracium, Thrakion, een plein in Byzantium. + +Thrasea Paetus (P. Clodius), senator onder de regeering van Nero, +gevoelde een diepen afkeer van den keizer en onttrok zich sedert 63 +n. C. op in het oog loopende wijze aan alle staatszaken, feestmalen +en openbare samenkomsten. Zelfs het theater meed hij. Zijne vijanden +maakten hem bij den keizer verdacht en hij werd door den senaat +veroordeeld. Men liet hem de keus van zijn dood, waarop hij zich de +aderen liet openen en met stoicijnsche kalmte stierf (66), naar het +voorbeeld van Cato van Utica, op wien hij vroeger eene lofrede had +geschreven. Zijne vrouw Arria was eene dochter der heldhaftige Arria, +die met Caecina Paetus gehuwd was. + +Thraso, Thrason, 1) Athener, die de thebaansche vluchtelingen +bijstond bij het verdrijven van de Spartanen uit de Cadmea.--2) +beroemd beeldgieter ten tijde van Alexander d. G.--3) in de nieuwe +comedie komt geregeld de rol voor van een snoevend soldaat, die den +naam Th. (Durfal) draagt. + +Thrasybulus, Thrasyboulos, 1) tyran van Miletus, vriend van +Periander van Corinthe. Hij werd 11 jaar lang door Sadyattes en +Alyattes beoorloogd, maar wist laatstgenoemde door list tot vrede +te bewegen.--2) tyran van Syracuse, opvolger van Hiero, werd binnen +het jaar van de regeering ontzet (466) en stierf als balling bij de +Locriërs.--3) z. Phrynichus no. 4.--4) Athener uit den demus Stiria +(ho Steirieus), zoon van Lycon, was in 411 een van de bevelhebbers +der atheensche vloot op Samus en verzette zich met zijn ambtgenoot +Thrasyllus hevig tegen het instellen van de oligarchie der 400. In de +volgende jaren streed hij met roem, vooral in den slag bij Cynossema, +ook was hij als triërarch bij den slag bij de Arginusen. Hoewel hij +met Theramenes de opdracht kreeg om de verongelukten in dien slag +op te visschen, schijnt hij in het daarover gevoerde proces niet +betrokken geweest te zijn. Als hoofd der democratische partij werd +hij onder de 30 verbannen, hij ging naar Thebe, doch keerde weldra +met een zeventigtal aanhangers terug en bezette bij verrassing de +vesting Phyle. Na eenige gelukkige gevechten tegen de partij van +de 30 nam het aantal zijner strijders dagelijks toe, en weldra zag +hij zich in staat den Piraeus te nemen. Toen de 30 ook hier een +slag tegen hem verloren hadden, zonden zij naar Sparta om hulp, +maar door toedoen van koning Pausanias (z. a. no. 2) werd vrede +gesloten en de democratie hersteld. Th. trok met de zijnen Athene +binnen en bewerkte eene verzoening tusschen de partijen, terwijl +hij eene amnestie liet bezweren. In den corinthischen oorlog met een +vloot naar de Aegaeische zee gezonden, herstelde hij den atheenschen +invloed te Byzantium, op Thasus, Lesbus, enz.; toen zijne soldaten +zich te Aspendus aan gewelddadige handelingen hadden schuldig gemaakt, +overvielen de inwoners dier stad des nachts zijn kamp en ontstond er +een gevecht, waarbij Th. gedood werd (389). Dat hij zich gedurende +zijn laatsten veldtocht aan verduistering van gelden en onderdrukking +der bondgenooten zou schuldig gemaakt hebben, zooals na zijn dood +gezegd werd, is niet bewezen.--5) Athener uit den demus Collytus (ho +Kollyteus), nam met den vorigen deel aan de bevrijding van Athene. In +388 viel hij met acht schepen in handen van Antalcidas. Na den vrede +van Antalcidas is hij een van de leidende personen in den staat, +en aan zijne gematigde politiek is voor een deel het tot stand komen +van den tweeden attischen zeebond te danken. + +Thrasydaeus, Thrasydaios, 1) zoon van Theron en diens opvolger als +tyran van Agrigentum, na een korte regeering om zijne wreedheid +verdreven (473). Z. Hiero no. 1.--2) Eleër, aanvoerder der +democratische partij tijdens den oorlog tusschen Sparta en Elis (400). + +Thrasyllus, Thrasyllos, 1) bevelhebber der atheensche vloot in 411, +verzette zich evenals Thrasybulus tegen de regeering der 400 en +behaalde met dezen de overwinning bij Cynossema. Ook in de volgende +jaren onderscheidde hij zich en na het vertrek van Alcibiades kwam +hij weder aan het hoofd van de vloot; na den slag bij de Arginusen +werd hij met zijne ambtgenooten ter dood veroordeeld.--2) van Rhodus, +astroloog, die te Rome woonde en Tiberius zijne kunst leerde, doch +later in ongenade viel. + +Thrasymachus, Thrasymachos, 1) van Chalcedon, kwam in 430 naar Athene, +waar hij zich op wijsbegeerte en rhetorica toelegde. Als redenaar +wordt hij geroemd. Plato laat hem de stelling verdedigen, dat wat +voor de machthebbenden voordeelig is, recht genoemd wordt.--2) van +Corinthe, leermeester van Stilpo. + +Thrasymedes, Thrasymedes, zoon van Nestor en Anaxibia, die met zijn +vader naar Troje trok en behouden terugkeerde. + +Threnodoi, personen, die zich verhuurden om bij begrafenissen of +lijkfeesten klaagliederen (Threnoi) te zingen of ze met de fluit +te begeleiden. + +Thria, Thria, vlek in Attica, nabij Eleusis. De omtrek werd de +thriasische vlakte genoemd, Thriasion pedion. + +Thriae, Thriai, gevleugelde jonkvrouwen, die op den Parnassus +woonden en de gave der voorspelling hadden, waarin zij ook Hermes +onderrichtten. + +Thrinacia, Thrinakia, mythisch eiland, door de latere Grieken voor +Sicilië gehouden en gelijk gesteld met Trinacria, Trinakria; z. Helius +en Odysseus. + +Thronium, Thronion, hoofdstad der epicnemidische Locriërs aan +het riviertje Boagrius. In den heiligen oorlog werd het door de +huurtroepen der Phocensers onder Onomarchus geplunderd en verwoest, +doch later herbouwd. + +Thryoessa, Thryoessa = Thryum. + +Thryum, Thryon, stad in Elis aan den Alpheus, het latere Epitalium. + +Thucydides, Thoukydides, 1) Athener uit den demus Alopece, zoon van +Milesias, na den dood van Cimon hoofd der aristocratische partij, +moest het onderspit delven voor Pericles en werd in 442 door het +ostracisme verbannen.--2) Athener uit den demus Halimus, zoon van +Olorus, van thracische afkomst, was in 423 bevelhebber eener vloot aan +de kusten van Thracië en Macedonië; daar hij Amphipolis niet tijdig +tegen Brasidas beschermd had, werd hij van verraad beschuldigd, en +om zich aan het vonnis te onttrekken, ging hij in ballingschap. Hij +leefde nu ongeveer 20 jaren als balling te Scapte Hyle, waar hij rijke +goudmijnen bezat, en deed reizen naar Sicilië, Italië en Macedonië; +eerst bij het einde van den peloponnesischen oorlog werd hij naar +Athene teruggeroepen, doch weinige jaren later stierf hij. Gedurende +en na zijne ballingschap hield hij zich bezig met het verzamelen van +bouwstoffen voor en het schrijven van zijne beroemde geschiedenis +van den peloponnesischen oorlog, welk werk hij echter bij zijn dood +slechts tot den slag bij Cynossema (411) afgewerkt had. Th. is de +eerste geschiedschrijver, die door hem zelf beleefde gebeurtenissen +beschreef, en kan als de eerste attische prozaschrijver van beteekenis +beschouwd worden. Zijn diep inzicht in den samenhang en de oorzaken der +gebeurtenissen, zijne soms als redevoeringen of brieven ingekleede +fijne en juiste schetsen van toestanden, zijn waarheidsliefde +en streven naar onpartijdigheid, zijn kernachtige en gedrongen, +soms harde en duistere, taal en stijl, als het ware een spiegel van +den ernst, waarmede hij zijn taak opvatte, maken zijne geschiedenis +(xyngraphe) tot een meesterwerk van den eersten rang, zooals het dan +ook te allen tijde door ouderen en nieuweren beoordeeld is. + +Thule, Thoule, een eil. ergens in het hooge Noorden, door +den massilischen zeevaarder Pytheas ontdekt en door de ouden +voor het noordelijkste bekende land der aarde gehouden (ultima +Thule). Waarschijnlijk is het één der Shetlands-eilanden (Unst of +Mainland). + +Thumelicus, Thoumelikos, zoon van Arminius en Thusnelda, zie Arminius. + +Thyoskoos, waarschijnlijk een priester, die niet aan een bepaald +heiligdom verbonden is, maar aan particulieren bij familieoffers, +lijkoffers en dgl. zijn bijstand verleent. + +Thurii, Thourisi. Na de verwoesting van Sybaris (z. a.) in 510 +door de Crotoniaten schijnt de overgebleven bevolking verstrooid +te zijn geraakt, tot zij in 443 in vereeniging met eene door +Pericles uitgezonden atheensche volkplanting, waarbij zich ook de +geschiedschrijver Herodotus bevond, een paar uren landwaarts in eene +nieuwe stad Thurii stichtten, die bestemd scheen om een steunpunt +voor atheenschen invloed en atheensche handelsbetrekkingen in Italië +en op Sicilië te worden, en die onder de wetgeving van den beroemden +Charondas alras tot bloei kwam (zie echter Sybaris aan het slot). De +stad bleef Athene niet trouw; alleen in 413 kwam ze Athene tegen +Syracuse te hulp; kort daarna streed ze weer tegen Athene. In de 4de +eeuw was Thurii een bolwerk tegen de voortdringende Lucani en Bruttii, +tot het in 282 onder romeinsche bescherming kwam. Hannibal plunderde +de stad in 204 en bracht een deel der bevolking naar Croton over. In +193 zonden de Rom. er eene kolonie heen en gaven aan de plaats den +naam Copia, die echter spoedig weder in onbruik geraakte. Later werd +Thurii een municipium. Omtrent den ondergang van Thurii zijn geene +bijzonderheden bekend. + +Thusnelda, Thousnelda, dochter van Segestes, en vrouw van Arminius, +(z. a.). + +Thyades, Thy(i)ades = Bacchae. + +Thyamia, Thyamia, sterke vesting op de grenzen van Sicyonia en +Phliasia, een twistappel tusschen Sicyon en Phlius. + +Thyamis, Thyamis, rivier in Epirus, ontspringt in het N. des lands, +vormt later de grensscheiding tusschen de distrikten Cestrina +(v. a. Chaonia) en Thesprotia en valt tegenover het eiland Corcyra +(Corfu) in zee. + +Thyamus, Thyamos, berg in Acarnania, loopt van den Z.O. hoek der +Ambracische golf naar den Achelous. + +Thyatira, ta Thyateira, aanzienlijke stad aan den Phrygius in Lydia, +ten N.W. van Sardes, met beroemde purperververijen. Hier ontstond +eene der eerste christengemeenten. + +Thybris, dichterlijk = Tiberis. + +Thyella, Thyella, eene van de Harpyieën. + +Thyestes, Thyestes, z. Atreus en Agamemnon. + +Thyia, Thuia, dochter van Castalius of Cephissus, bij Apollo moeder +van Delphus. Zij was de eerste, die de orgia ter eere van Dionysus +invoerde; de Thyades zijn naar haar genoemd. + +Thymbra, Thymbra, oude stad van Troas, aan het riviertje Thymbrius, +een zijtakje van den Scamander. Hier stond een tempel van Apollo +Thymbraeus. + +Thymbrara, ta Thymbrara, stad en landstreek aan den Pactolus in +Lydia, de verzamelplaats der aan Perzië schatplichtige volken van +Voor-Azië. De ligging is niet juist bekend. + +Thymbris, Thymbris, 1) = Tiberis.--2) bron en riviertje op Sicilia.--3) +zijrivier van den Sangarius. + +Thymbrium, Thymbrion, stadje in Phrygia naar den kant van Lycaonia, +met de bron van Midas, die de koning met wijn had laten vermengen, +om een Satyr te vangen. + +Thymbrius, Thymbrios, zie Thymbra. + +Thymele, thymele, oorspronkelijk het altaar van Dionysus, dat in +het attische theater in het midden van de orchestra stond, later de +orchestra zelve, waarnaar de personen, wier plaats in de orchestra +was, thymelici genoemd werden.--In de rom. schouwburgen, die geen +orchestra hadden, noemde men thymele de plaats, waar de muzikanten +stonden. Later werd ook het tooneel zelf zoo genoemd, en kregen allen, +die bij de voorstelling medewerkten, den naam van thymelici. + +Thymoetes, Thymoites, 1) een Trojaan, die op denzelfden dag, waarop +Paris geboren werd, een zoon kreeg. Daar door waarzeggers voorspeld +was, dat op dien dag een kind zoude geboren worden, dat den ondergang +van Troje zoude bewerken, liet Priamus het kind van Th. dooden. Uit +wraak gaf deze later den raad, het houten paard binnen de muren +te halen.--2) zoon van Oxyntes, laatste koning van Attica uit het +geslacht van Theseus (zie Melanthus). + +Thyni, Thynoi, thracisch volk bij Salmydessus aan den Pontas Euxinus +(Zwarte zee), waarvan een gedeelte met de verwante Bithyni den +thracischen Bosporus overstak en zich in het latere Bithynia vestigde. + +Thynias, Thynias, 1) kaap en stad op de Oostkust van Thracia ten +N. van Salmydessus.--2) eiland op de Noordkust van Bithynia. + +Thyone, Thyone, z. Semele. + +Thyoneus, Thyoneus, Dionysus, zoon van Thyone. + +Thyraeum, Thyraion, stad in Z.-Arcadia, ten N. van Megalopolis. + +Thyrea, Thyrea, -eas, hoofdstad van het distrikt Thyreatis of Cynuria +(z. a.). Toen in 431 de bewoners van Aegina door de Atheners werden +verdreven, ruimden de Spartanen hun Thyrea in, doch in 424 werd dit +door de Atheners veroverd en verwoest en werden de inwoners weggevoerd. + +Thyreatis, Thyreatis, zie Thyrea. + +Thyreum, -ium, Thyreon, Thyrreion, stad met kasteel in het N. van +Acarnania, plaats der bondsvergaderingen. + +Thyrsus, thyrsos, een lange stok, met klimopbladen, wijngaardloof of +ook met een dennenappel versierd. Bij de feesten van Dionysus droeg men +zulk een staf, en ook de god zelf werd gewoonlijk er mede afgebeeld. + +Thysdrus, Thysdra, Thysdros, versterkte stad, waarvan nog schoone +bouwvallen overig zijn, in Byzacium, een uur of drie van de kust +verwijderd, Z.waarts van Hadrumetum. + +Thyssagetae, Thyssagetai, uitgebreid jagersvolk in Sarmatia Asiatica, +ten O. eener uitgestrekte woeste streek. Zij woonden waarschijnlijk +achter den Rha (Wolga). + +Thyssus, Thyssos, stad van Chalcidice, aan den Westkant van het +schiereiland Acte, met een halfbarbaarsche bevolking. + +Tiara, tiara, een zachte en buigzame muts of tulband, het gewone +hoofddeksel bij de Perzen e. a. aziatische volken. Alleen de koning +droeg de tiara recta = cidaris. Zie apex. + +Tibarani, volksstam in Cilicia in het Amanusgeb., nabij de stad +Pindenissus, tot de Eleutherocilices behoorende. + +Tibareni, Tibarenoi, een vreedzame, landbouwende volksstam aan de +Noordkust van Pontus bij de stad Cotyora, ten O. van het promunturium +Iasonium. + +Tiberias, Tiberias, stad in Galilaea, aan de Westzijde van het meer +Gennesareth, gebouwd door Herodes Antipas (zie Herodes), en naar keizer +Tiberius genoemd. In de nabijheid waren warme bronnen. Vespasianus +verwoestte de stad, die echter herbouwd werd, lang de zetel eener +joodsche akademie was en waarvan nog aanzienlijke bouwvallen bestaan, +ten Z. van het tegenw. Tiberias. + +Tiberinides, de nimfen van den Tiber. + +Tiberinus, de riviergod van den Tiber, oorspronkelijk een koning van +Alba Longa, die in de Albula verdronken was en zijn naam aan de rivier +gegeven had. Hij werd te Rome hoog vereerd, had een heiligdom op het +Tibereiland en een standbeeld op het Capitolium. Den 7den Juni werd +door visschers te zijner eere een feest aan de overzijde der rivier +gevierd, en den 8sten December werden hem offers gebracht. Hij wordt +voorgesteld als een grijsaard in een zeegroen gewaad, met een krans +van biezen op het hoofd en een horen van overvloed in de hand. + +Tiberis, Tiberis, de bekende Tiber, de rivier van Rome, ontspringt +op den Apenninus bij Tifernum in het gebied der etruscische stad +Arretium en neemt een aantal zijrivieren op, waarvan de voornaamste +zijn: de Clanis, die dicht langs Clusium loopt, de Nar in Umbria, +de Allia (nederlaag in 390), de Cremera (dood der Fabii in 477), de +Anio. Door zijne bijrivieren wordt het water van den Tiber troebel, +daarom wordt hij door de dichters flavus genoemd, terwijl hij naar zijn +oorsprong ook Tyrrhenus, Tuscus wordt geheeten en ook wel Lydius naar +den vermeenden lydischen oorsprong der Etruscers. De oudste naam was +Albula, na het verdrinken van koning Tiberinus (z. a.) geeft de sage +aan den stroom zijn nieuwen naam. Vóór Rome vormt hij door splitsing +in twee armen de insula Tiberina, door bruggen met de beide oevers +verbonden (pons Fabricius, pons Cestius) en versierd met de tempels +van Aesculapius en den god Tiberinus. Aan zijn mond vormde de rivier +weder een eiland, aan Venus geheiligd en insula sacra geheeten. Aan +den linkermond lag Ostia, aan den rechter Portus Augustus of Portus +Romanus, eene stichting van keizer Claudius. + +Tiberius, geb. in 42, rom. keizer, 14-37 na C. Hij was een zoon +van Tib. Claudius Nero en Livia Drusilla. Voluit was zijn naam +ook Tib. Claudius Nero. Toen zijne ouders van elkander gescheiden +waren en Livia de derde gemalin van Augustus was geworden, werden +den jongen Tib. en diens broeder Drusus verschillende betrekkingen +opgedragen. In 15 voerden zij samen het bevel in den oorlog tegen +de Alpenvolken (zie Claudii no. 26), en in 13 werd Tib. consul. Hij +was gehuwd met Vipsania Agrippa, doch moest haar in 11 verstooten, +op uitdrukkelijk verlangen van Augustus, die hem zijne eigene dochter +Iulia opdrong (zie Iulii no. 14). Deze echt was niet gelukkig. Van 12 +tot 9 voerde Tib. het bevel tegen de Pannoniërs, in 8 volgde hij zijn +broeder Drusus in Germania op, streed daar ook in het volgende jaar, +en kreeg in 6 de tribunicia potestas, maar zijn huwelijk met Iulia +bracht hem in onaangenaamheden met Augustus, zoodat Tib. zich nog +in datzelfde jaar naar Rhodus begaf en zich aan lichaamsoefeningen +en studie overgaf. Eerst in 2 n. C. keerde hij vandaar terug. Na +den dood van Augustus' kleinzoons, L. en C. Caesar werd hij in +4 n. C. samen met M. Agrippa Postumus door Augustus geadopteerd, +en tot opvolger aangewezen, maar moest tevens zijn neef Germanicus, +Drusus' zoon, adopteeren. Nu begonnen de veldtochten opnieuw; eerst +streed hij in 4 en 5 in Noord-Germania, en drong tot aan de Elbe door, +daarna trok hij tegen Maroboduus, koning der Marcomannen, op (5), +vervolgens (6-8) moest hij den pannonischen opstand onder Bato dempen, +daarna in Germania de nederlaag van Varus wreken. Met veel beleid +drong hij in het hart van Germania door, waarna hij het bevel aan +Germanicus overdroeg, en verder te Rome de rechterhand van Augustus +werd. Toen deze in 14 stierf, wist Livia zijn dood geheim te houden +totdat Tib. bezit van de regeering had genomen. Tib. wist natuurlijk +dat het meerendeel der aristocratie te Rome deze erfopvolging, die +de kroon op de monarchie drukte, met leede oogen aanzag; dit moest +wel zijn van nature achterdochtig gemoed met wantrouwen en argwaan +vervullen. Toch trachtte hij in zijne eerste regeeringsjaren gematigd +te zijn, doch versterkte intusschen zijne macht door het kies- en +stemrecht van het volk geheel op den senaat over te brengen, zich +persoonlijk met eene lijfwacht te omgeven, eene wet uit te vaardigen +tegen majesteitsschennis, terwijl hij op aansporen van zijn praefectus +praetorio L. Aelius Seianus de praetoriaansche cohorten, tot dusver bij +de burgers ingekwartierd, in eene vaste legerplaats, castra praetoria, +vereenigde. Inmiddels werd hij somberder en ergdenkender, vooral +na den dood van zijn zoon Drusus (23) en vervolgde met bloedige +gestrengheid zijne ware of vermeende tegenstanders onder de oude +rom. geslachten. Seianus voedde die somberheid, die ten slotte +menschenhaat werd, zoodat Tib. in 26 zich terugtrok op het eilandje +Capreae en alles aan Seianus overliet, die nu in naam des keizers uit +den weg ruimde wat hem in den weg stond en het plan koesterde, Tiberius +op te volgen. Eindelijk gingen Tib. de oogen open, en Seianus werd +gevangen genomen, bij den senaat aangeklaagd en ter dood veroordeeld +(18 Oct. 31). Nu nam Tib. zelf weder de regeeringszaken ter hand, +zonder evenwel naar Rome terug te keeren. In 37 werd hij ernstig ziek +en bij deze gelegenheid smoorde de nieuwe praefectus, Sertorius Macro, +in overleg met C. Caesar (Caligula), den bejaarden keizer onder de +kussens van zijn bed (16 Maart). Tiberius was een uitstekend regent, +onder wiens bestuur vooral de keizerlijke provincies gebloeid hebben. + +Tiberius Julius Alexander, geboren Jood uit Aegypte, geraakte te Rome +in groot aanzien, werd rom. ridder en werd in 46 na C. door keizer +Claudius als procurator naar Judaea gezonden. Later diende hij onder +Corbulo in Azië (63). Daarna was hij stadhouder van Aegypte en dempte +hij een opstand in Alexandria (66), onder Vespasianus werd hij weder +naar Judaea gezonden en voerde hij onder 's keizers zoon Titus het +bevel in het leger aldaar. Hij was een man van groot gezag, door ieder, +die hem kende, geëerd en geacht. + +Tibia, aulos, de fluit, welk muziekinstrument in de oudheid zeer in +gebruik was en bij godsdienstige plechtigheden gebezigd werd. De +oudste fluit was de rietfluit, later werd zij uit verschillende +houtsoorten vervaardigd, de Etruscers maakten ze ook van metaal. De +syrinx, syrinx, was de Pansfluit, uit 7 of 9 rietpijpjes van afnemende +lengte vervaardigd, die van onderen in eene dwarspijp uitloopen. De +god zou deze het eerst hebben gesneden uit het riet, waarin de door +hem vervolgde stroomnimf Syrinx veranderd was. Hieruit ontstond de +dubbelfluit, twee fluiten aan één mondstuk verbonden, welk stelsel +men echter weder liet varen voor twee afzonderlijke fluiten, beide +tegelijk door denzelfden persoon geblazen. De fluiten waren soms +recht, soms gebogen, soms evenals onze klarinetten in een beker +uitloopende, met gaten voorzien en vervolgens verbeterd door het +aanbrengen van kleppen. De dwarsfluit, tibia obliqua, plagiaulos, +werd, evenals bij ons, van ter zijde geblazen, doch ook met een opgezet +mondstuk. Men had korte en lange, hooge en lage fluiten. Evenals men +bij de Grieken de fluiten van hoogen toon vrouwelijke, die van lagen +toon mannelijke noemde, onderscheidden de Rom. tibiae sinistrae, hooge +fluiten (diskant) en dextrae, lage (bas), omdat, wanneer de speler een +stel ongelijke fluiten bespeelde, de basfluit met de rechterhand werd +geregeerd. Dit waren dan tibiae impares, doch men had ook tibiae pares, +een stel van twee gelijke fluiten, beide diskant of beide bas. Blijkens +de didascalia der blijspelen van Terentius werd b.v. de Andria begeleid +tibiis paribus dextris et sinistris, dus door twee stel fluiten, de +Eunuchus tibiis duabus dextris, de Heautontimorumenos eerst tibiis +imparibus, later duabus dextris, de Hecyra tibiis paribus, de Phormio +tibiis imparibus. De Adelphi werden begeleid door tibiae Serranae, +die tot de pares gerekend worden, doch waarvan het karakteristieke +onbekend is. De fluitspelers hadden dikwerf een lederen band om mond +en wangen; door twee gaten stak men de beide mondstukken. Deze band +diende om eene te sterke ademhaling bij het blazen tegen te gaan en +een zachter toon te verkrijgen. Men had niet alleen fluitspelers, +tibicines, maar ook fluitspeelsters, tibicinae.--Te Athene, waar +ieder welopgevoed mensch de cither of lier kon bespelen, was het +fluitspel slechts korten tijd in aanzien; men liet het gewoonlijk +aan fluitspeelsters van beroep (auletrides) over. + +Tibiscus, Tibiskos, linker zijrivier van den Ister (Donau) in Dacia, +thans de Temes. + +Tibisis, Tibisis, bij Herod. een rechter zijtak van den Ister (Donau) +in Moesia, onbekend welke. + +Tibullus, rom. dichter, zie Albii. + +Tibur, thans Tivoli, tegen de helling van een berg liggende en daarom +door Horatius supinum genoemd, schilderachtig gelegen aan beide oevers +der watervallen van den Anio, een geliefkoosd uitspanningsoord der +Rom. met vele villa's in den omtrek. Ook Horatius had niet ver vandaar +zijn landgoed. Tibur, bijna ten O. van Rome gelegen, gold voor eene +overoude stad, waarvan de stichting aan de kleinzoons van Amphiaraus +(z. Tiburtus) werd toegeschreven. Keizer Hadrianus (z.a.) liet in de +vlakte aan den voet van de stad zijne beroemde villa aanleggen. De +inwoners werden Tiburtes genoemd. De steengroeven in de buurt leveren +den bekenden lapis Tiburtinus, tgw. Travertino geheeten. + +Tiburtus, de stroomgod van de rivier Anio; hij wordt door lateren een +zoon of kleinzoon van Amphiaraus genoemd en zou met zijne broeders +Coras en Catillus Tibur gesticht hebben. + +Tichium, Teichion, stadje in Aetolia. + +Tichius, Teichious, kasteel bij Trachis op een top van den Oeta, +niet ver van de Thermopylae. + +Tichiusa, Teichioussa, sterkte op het grondgebied van Miletus. + +Ticinum, oude keltische stad in Gallia Cisalpina, thans Pavia, aan de +rivier Ticinus gelegen, niet ver van de plaats waar deze zich met den +Padus (Po) vereenigt. Door de Hunnen werd T. verwoest (452 n. C.), +doch onder de heerschappij der Oostgothen kwam het weder tot bloei. + +Ticinus, tak van den Padus (Po), op den mons Adula +(z. a.) ontspringende, thans Ticino. Hij loopt door den lacus Verbanus +(Lago Maggiore). Aan den rechteroever van deze rivier bij Victumalae, +behaalde Hannibal in 218 zijn eerste overwinning in Italië op de +Romeinen. + +Tifata (mons), ta Tiphatena ore, berg in Campania ten O. van Capua, +op de grenzen van Samnium, met een beroemden Diana-tempel. + +Tifernum, 1) stad in Umbria, vlak aan de etrurische grenzen, bij de +plaats waar de beide beken, die den Tiber vormen, zich vereenigen; +hiernaar heet deze plaats Tifernum Tiberinum. Even ten N. hiervan lag +op etruscisch gebied de villa, Tusci genaamd, van Plinius Secundus +(minor).--2) stad in Umbria aan den bovenloop van den Metaurus, +Tifernum Metaurense.--3) stad in Samnium aan den Tifernus. + +Tifernus, 1) gebergte in Noord-Samnium, tgw. Montagna del Matese.--2) +rivier in Samnium, die van den Tifernus mons door het gebied der +Frentani in zee stroomt. + +Tigellinus (C. Sofonius of Ofonius), van Agrigentum, in 39 n. C. door +Caligula verbannen, onder Claudius begenadigd, wist door zijne +liefhebberij voor wedrennen de gunst van Nero te verwerven en werd +door dezen tot praefectus praetorio benoemd in plaats van Burrus, +die overleden was (62). Tigellinus was een der booze geesten, die +Nero tot doodvonnissen en gruwelen aanspoorden. Toen Galba tot keizer +was uitgeroepen, liep T. tot dezen over, doch kocht slechts voor eene +groote som gelds zijn leven van den consul T. Vinius vrij. Na Galba's +val werd hij ter dood veroordeeld en sneed zich met een scheermes de +keel af of liet dit doen. + +Tigellius, 1) een Sardiniër en hierom Sardus bijgenaamd, om zijne +geestige scherts en zijn talent als zanger zeer gezien bij Caesar +en later bij Augustus, door Horatius als een uiterst grillig mensch +afgeschilderd.--2) Tigellius Hermogenes, v. s. een aangenomen zoon +van no. 1, z. Hermogenes Tigellius. + +Tigranes, Tigranes, koningsnaam in Armenia (z. a.). 1) T. II, 97-56, +zoon van Ardasches of Artaxias, breidde het rijk naar verschillende +kanten uit, en veroverde o. a. in 83 het syrische rijk, na den dood +van Antiochus XII. Hij stichtte eene reusachtige nieuwe hoofdstad +Tigranocerta (z. a.). De eisch, hem door de rom. gedaan, dat hij hun +zijn schoonvader Mithradates VI van Pontus zou uitleveren, prikkelde +hem om diens partij te kiezen. Zoo wikkelde hij zich in een oorlog +met Rome en zag zich door Lucullus bijna uit zijn rijk verdreven +(68). Wel schonk de muiterij in diens leger hem eenige verademing, +doch Pompeius noodzaakte hem in 66 den vrede te koopen tegen afstand +van de meeste veroverde gewesten, zoodat T. slechts Armenië en het +op de Parthen vermeesterde Gordyene behield. Hiermede was de macht +van het armenische rijk gebroken, het werd beurtelings een speelbal +van Rome en van Parthië.--2) derde zoon van no. 1, kwam tegen zijn +vader in verzet en zocht hulp bij Pompeius, die hem echter met vrouw +en dochter gevangen naar Rome voerde en daar zijn zegetocht liet +opluisteren. Met hulp van den tribuun P. Clodius (Claudii no. 17) +ontsnapte hij in 58 uit de hechtenis.--3) T. III, zoon van Artavasdes +I, werd in 20 door Augustus op den troon van Armenia geplaatst, na +den dood van zijn anderen broeder Ardasches of Artaxias, die door de +Parthen tot koning van Armenië verheven was. Na den dood van dezen +Tigranes plaatsten de Armeniërs op eigen gezag zijn zoon T. IV en zijne +dochter Erato op den troon, doch Augustus nam hiermede geen genoegen +en wilde hem door Tiberius laten afzetten (6), maar doordat Tiberius +zich in dien tijd naar Rhodus terug trok, bleef de zaak slepen, +en eerst in 1 liet Augustus door middel van C. Caesar zijn invloed +gelden. Armenië wierp zich in de armen van Parthië, doch Arsaces XVI +Phraataces waagde geen ernstigen strijd met Rome. Inmiddels kwam +Tigranes IV in een veete om.--4) er regeerden vervolgens nog vier +koningen van dezen naam over Armenia, afgewisseld door andere. T. V, +door Nero op den troon gezet (60 na C.), werd verdrongen door den +Parth Tiridates (z. a.) in 63. Hiermede kwam Armenië aan de Arsaciden, +en deze overleefden hier de parthische. + +Tigranocerta, ta Tigranokerta = Tigranes-stad, door Tigranes +(96-56) van Armenia als nieuwe, reusachtige residentie gesticht en +met de inwoners van veroverde cappadocische en cilicische steden +bevolkt. Zij lag in het distrikt Arzanene of in Zabdicene nabij +de rivier Nicephorius ten Z. van den mons Masius. Nog was zij niet +voltooid, toen Lucullus er een gedeelte van verwoestte (69). Later +diende zij den Rom. als grensvesting tegen de Parthen, doch sedert +de 3de eeuw na C. komt de naam niet meer voor. + +Tigris, Tigres of Tigris = pijl, aldus genoemd om zijne stroomsnelheid, +thans nog onder denzelfden naam bekend, ontspringt in Armenia uit +verschillende bronnen. De beide hoofdarmen, waarvan de oostelijke een +gedeeltelijk onderaardschen loop heeft, vereenigen zich eenige uren +boven de grens van Mesopotamia. Vervolgens loopt hij als oostelijke +grensrivier van Mesopotamia en Babylonia naar de perzische golf. Zijne +monden vereenigen zich met die van den Euphraat. Hunne delta schijnt +echter aan wisselingen onderhevig te zijn geweest, want over hunne +samenvloeiing en over de vraag, wat eigenlijk de hoofdstroom is, +waren de ouden het niet eens. De Tigris neemt door zijrivieren tot +aan zijn mond in breedte toe; de Euphraat mist zulk een toevoer en +verliest door verdamping en aftapping zooveel water, dat hij van den +Chaboras tot aan Babylon 1/4 van zijn breedte verliest. + +Tigurini, zie Helvetii. Hun hoofdstad heette Aventicum. + +Tillii. 1) L. Tillius Cimber was een der moordenaars van Caesar +en gaf het sein tot den aanval door Caesar de toga open te rukken, +toen hij een weigerend antwoord op een verzoek om genade voor zijn +broeder ontving. Later bestuurde hij Bithynia en streed vervolgens +als admiraal onder Brutus en Cassius.--2) Tillius, tribuun en senator, +door Horatius gehekeld wegens gemis aan beschaving. + +Tilphossium, Tilphusium, Tilphossion, Tilphousion, berg en stad in +Boeotia, met de aan Apollo geheiligde bron Tilphossa (Tilphusa) en +een grafteeken van Tiresias. Zij lag ten Z. van het Copaïsche meer +tusschen Coronea en Haliartus. + +Timaeus, Timaios, 1) van Locri, pythagoreïsch wijsgeer. Plato genoot +eenigen tijd van hem onderwijs en noemde een zijner dialogen naar +hem. Een nog bestaand werkje peri psychas kosmo werd vroeger ten +onrechte aan hem toegeschreven.--2) van Tauromenium, geb. 352, werd +door Agathocles uit Sicilië verdreven (317), leefde 50 jaar te Athene +en kwam toen naar Sicilië terug, waar hij in 256 stierf. Gedurende +zijne ballingschap hield hij zich met de studie der geschiedenis bezig +en schreef hij o. a. een groot werk over de geschiedenis van Sicilië +van de vroegste tijden tot 264. Dit werk, dat thans nog slechts uit +enkele fragmenten bekend is, was met veel zorg naar de beste bronnen +bewerkt, maar de overmatig scherpe kritiek, waaraan de schrijver +zoowel oudere schrijvers als historische personen onderwerpt, was de +oorzaak dat het door de ouden, vooral door Polybius, zeer ongunstig +beoordeeld werd, en den schrijver de bijnaam van epitimaios (vitter) +werd gegeven.--3) platonisch wijsgeer uit de 3de eeuw na C., schrijver +van een woordenboek op de werken van Plato, waarvan een gedeelte +bewaard gebleven is. + +Timagenes, Timagenes, van Alexandrië, slaaf van Faustus Sulla, gaf +later te Rome met grooten bijval onderwijs in rhetorica. Door zijne +kwaadsprekendheid zag hij zich ten slotte genoodzaakt de stad te +verlaten en trok zich terug naar Tusculum. Zijne talrijke geschriften +waren grootendeels van geschiedkundigen inhoud. + +Timagoras, Timagoras, Athener, werd als gezant naar Artaxerxes +gezonden, bij wien hij ook Pelopidas ontmoette. Daar hij meer in het +belang van dezen dan van Athene werkte, werd hij bij zijne terugkomst +aangeklaagd en ter dood veroordeeld. + +Timandra, Timandra, dochter van Tyndareüs, gemalin van Echemus. Bij +Phyleus werd zij moeder van Euander. V. s. waren door hare bemoeiingen +de Heracliden uit de Peloponnesus verdreven en had zij Hyllus gedood. + +Timanthes, Timanthes, van Sicyon, beroemd schilder, tijdgenoot +van Zeuxis en Parrhasius. Vooral zijn offerdood van Iphigenia werd +geprezen. + +Timarchus, Timarchos, Athener, die met Demosthenes eene graphe +parapresbeias tegen Aeschines (z. a.) indiende. Voordat de zaak echter +in behandeling kwam, klaagde Aeschines hem aan wegens zijn onzedelijk +leven, ten gevolge waarvan Tim. van zijn burgerrecht beroofd werd +en niet meer als aanklager konde optreden. V. a. hing hij zich op, +voordat het proces tegen hem afgeloopen was. + +Timavus, korte doch onstuimige bergstroom van Istria, die na een +onderaardschen loop dicht bij de kust weder te voorschijn komt en +zich met kracht in de golf van Tergeste (Triëste) werpt. Oudtijds +hield men deze rivier voor de bron der Adriatische zee. + +Timema, 1) het vermogen van een atheensch burger, zooals het ten +behoeve der klassenindeeling van Solon geschat werd; ook de klasse, +waartoe hij ingevolge die schatting behoort.--2) het voor de eisphora +belastbare gedeelte van het vermogen, dat voor de verschillende +klassen verschillend was. Van burgers der eerste klasse was het +geheele vermogen belastbaar, van die der tweede 5/6, van die der +derde 5/9, theten waren vrij van het betalen der eisphora.--3) de +door den aanklager geëischte straf, ook de opgelegde straf zelve, +wanneer deze in geldboete bestaat. Tegen den eisch van den aanklager +kon de aangeklaagde, wanneer hij schuldig bevonden was, voorstellen +dat hem een andere straf zou opgelegd worden (antitimasthai). De +rechters konden geen andere straf opleggen, dan die door eischer of +aangeklaagde voorgesteld was. + +Timocles, Timokles, verdienstelijk attisch blijspeldichter uit het +overgangstijdperk, tijdgenoot van Demosthenes. + +Timocrates, Timokrates, z. Tithraustes. + +Timocreon, Timokreon, van Ialysus, lyrisch dichter en athleet, +vroeger gastvriend van Themistocles, dien hij echter later in zijne +gedichten met bitteren spot vervolgde. Ook met Simonides van Ceos was +hij in vijandschap en beiden uitten hunne gezindheid tegen elkander +in bijtende satiren. Verdacht van heulen met de Perzen, werd hij uit +zijne vaderstad verbannen; v. s. ging hij naar Perzië, waar hij aan +het hof gastvrij ontvangen werd. + +Timolaus, Timolaos, hoofd der volkspartij te Corinthe, een der +voornaamste bewerkers van den corinthischen oorlog. + +Timoleon, Timoleon, een edel Corinthiër, was uit liefde voor de +vrijheid behulpzaam bij het dooden van zijn broeder Timophanes, die +zich door huurtroepen van de alleenheerschappij had meester gemaakt +(365/364). Daar deze daad door vele zijner medeburgers afgekeurd werd, +en zijn moeder een volkomen afkeer van hem gekregen had, leefde hij +vele jaren in afzondering, totdat de Syracusanen, wier staat door +voortdurende burgeroorlogen met volkomen ondergang bedreigd werd, +te Corinthe om hulp kwamen vragen (345). Met een klein leger niet +zonder gevaar naar Sicilië overgestoken, landde hij bij Tauromenium +en won hij bij Adranum een slag tegen Hicetas; daarna bezette hij +een deel van Syracuse en verjoeg hij achtereenvolgens de Carthagers +uit de haven, Dionysius uit Ortygia en Hicetas uit Achradina. Wel +keerden de Carthagers met een leger van 80000 man terug, maar in den +slag bij de rivier Crimisus leden zij een volkomen nederlaag (339), +zoodat zij gedwongen waren een vrede te sluiten, waarbij de rivier +Halycus als grensscheiding werd aangenomen. Tim. regelde daarna +de inwendige toestanden te Syracuse en vernietigde alle sporen der +tyrannie, duizenden Corinthiërs kwamen op zijne uitnoodiging zich +op Sicilië vestigen en kregen er grondbezit, de wetten werden in +democratischen geest herzien, ook uit vele andere steden werden +de tyrannen verdreven en de vreemde huurtroepen afgedankt, en +allerwege heerschte op het eiland een lang niet gekende rust en +vrede. Rechtvaardig en bescheiden, in weerwil van den overwegenden +invloed, dien hij als bevrijder en weldoener van den staat genoot, +leefde hij, nadat hij zijn ambt had neergelegd (337), nog eenigen tijd +als ambteloos burger, algemeen bemind en geëerd te Syracuse. Daar +werd op zijn graf een gedenkteeken, het Timoleonteum, opgericht en +werden hem jaarlijks lijkoffers gebracht. + +Timolus = Tmolus. + +Timomachus, Timomachos, 1) atheensch veldheer, die in 367 Epaminondas +moest beletten over den Isthmus te trekken en in 361 de opdracht +kreeg, met een vloot de thracische kusten te verdedigen; beide keeren +kweet hij zich zoo slecht van zijn taak, dat hij ten laatste ter dood +veroordeeld werd.--2) van Byzantium, beroemd schilder in de eerste +eeuw. Twee van zijn beroemdste schilderijen, de Medea en de razende +Ajax, werden door Caesar naar Rome gebracht. + +Timon, Timon, 1) Athener, een welgesteld en beschaafd man, die ten +tijde van den peloponnesischen oorlog leefde en zich ten gevolge +van bittere ervaringen uit de maatschappij terugtrok, vanwaar hij +den naam van menschenhater (misanthropos) kreeg.--2) van Phlius, +geb. 320, sceptisch wijsgeer, leerling van Stilpo en Pyrrho, gaf in +verschillende steden onderwijs in de welsprekendheid en stierf te +Athene, 90 jaar oud. Van zijne zeer talrijke werken waren het meest +beroemd zijn spotdichten (silloi) in hexameters, waarin verschillende +wijsgeeren en wijsgeerige stelsels geparodiëerd werden. + +Timophanes, Timophanes, z. Timoleon. + +Timotheüs, Timotheos, 1) Athener, zoon van Conon. Hij kwam met zijn +vader in 393 naar Athene terug, en onderscheidde zich sedert het +begin van den thebaanschen oorlog als veldheer en staatsman door +dapperheid en bekwaamheid. In 375 veroverde hij Corcyra, waarbij hij +zich door zachtheid en gematigdheid roem verwierf, en behaalde hij +nog verscheiden overwinningen in de Ionische zee, waarna een vrede +tot stand kwam, die echter spoedig weder verbroken werd. Toen in 373 +Corcyra door Mnasippus belegerd werd, werd aan T. weder opgedragen +de belegerden te gaan ontzetten; daar hij echter den geschikten tijd +verzuimde, werd het opperbevel hem ontnomen en aan Iphicrates gegeven, +zelfs werd hij deswege gerechtelijk vervolgd, maar vrijgesproken. Nadat +hij eenigen tijd in perzischen dienst tegen Aegypte gestreden +had, keerde hij naar Athene terug, en door een aantal gelukkige +ondernemingen in de Aegaeïsche zee en aan den Hellespont bevestigde +hij de atheensche macht ter zee. Ten slotte in den bondgenootenoorlog +door Chares (z. a.) van verraad beschuldigd, werd hij teruggeroepen +en tot een boete van 100 talenten veroordeeld (354), waarop hij zich +naar Chalcis begaf, waar hij kort daarna stierf. Na zijn dood werd de +boete tot 10 talenten verminderd, en aan zijn zoon Conon toegestaan, +deze som tot verbetering der muren te besteden.--2) van Miletus, +beroemd toonkunstenaar en dithyrambendichter, gestorven in 357, +die het aantal snaren van de citer van 7 tot 11 (v. a. van 8 tot 9) +vermeerderde. Een van zijne dithyramben is eenige jaren geleden in +Egypte gevonden.--3) een van de beeldhouwers, die aan de versiering +van het Mausoleum werkten.--4) Athener uit het geslacht der Eumolpiden, +door Ptolemaeus I naar Alexandrië geroepen om de eleusinische mysteriën +daarheen over te brengen. + +Timouchoi, titel der 600 leden van den raad van Massilia. + +Tingis, Tingis, thans Tanger, oud-phoenicische stad in Afrika aan +het fretum Gaditanum (straat v. Gibraltar), door Augustus tot een +vrije stad gemaakt, door Claudius tot rom. kolonie en tot hoofdstad +der provincie Mauretania Tingitana verheven. + +Tingitana, zie Mauretania. + +Tipasa, Tipasa, stad op de grenzen van Africa vetus en Numidia, +in het binnenland ten Z. van Hippo Regius gelegen. + +Tipha, Tipha, zie Siphae. + +Tiphys, Tiphys, de stuurman der Argonauten. + +Tiresias, Teiresias, zoon van Eueres en Chariclo, uit het geslacht +der Sparti, beroemd waarzegger te Thebe. Hij komt vooral voor in +de sage van Oedipus en zijne zonen, maar was toen reeds zeer oud, +zelfs zeide men dat hij reeds ten tijde van Cadmus geleefd had. Hij +had namelijk eens, als scheidsrechter bij een twist tusschen Zeus en +Hera ingeroepen, Hera in het ongelijk gesteld, waarvoor zij hem met +blindheid strafte, maar Zeus gaf hem ter vergoeding een buitengewoon +lang leven en de gave der voorspelling.--V. a. was zijne blindheid +door Athena veroorzaakt, die hij in het bad bespied zou hebben, op +de beden zijner moeder stelde zij hem echter later schadeloos door +hem de gave te verleenen de stem der vogels te verstaan, en hem een +stok te geven, waarmede hij even zeker kon gaan als een ziende. Ook +werd verteld dat hij op zijn zevende jaar de geheimen der goden aan +de menschen geopenbaard had, en daarvoor met het verlies van zijn +gezicht gestraft was.--T. bracht in de geschiedenis van Oedipus de +waarheid aan den dag, gaf door zijne voorspellingen aanleiding tot +de zelfopoffering van Menoeceus (z. a.), en gaf bij den oorlog der +Epigonen aan de Thebanen den raad de stad te verlaten. Hijzelf werd +met zijne dochter Manto door de overwinnaars gevangen genomen en naar +Delphi gezonden, maar op weg stierf hij bij de bron Tilphusa, waar men +nog laat zijn graf toonde; te Thebe had hij een cenotaphium. T. is +de eenige, die ook na den dood zijn verstand behield en de toekomst +voorspellen konde. Te Orchomenus had hij in oude tijden een beroemd +orakel, dat echter eens na een pest plotseling verstomde. + +Tiribazus, Tiribazos, satraap van Artaxerxes II in Armenië, later +opperbevelhebber van het perzische leger in Klein-Azië, in welke +hoedanigheid hij de Spartanen begunstigde en veel bijdroeg tot het +tot stand komen van den vrede van Antalcidas. Daarna voerde hij +het bevel over eene vloot, die tegen Euagoras oorlog voerde (386); +door zijn ambtgenoot verdacht gemaakt, werd hij gevangen genomen, +maar met glans vrijgesproken en weder naar Cyprus gezonden, waar +hij evenwel niets konde uitrichten. Toen Artaxerxes, die beloofd +had hem zijne dochter tot vrouw te geven, die belofte niet hield, +nam T. deel aan de samenzwering van Darius (z. Artaxerxes II), en +toen deze ontdekt was, werd hij ter dood gebracht. + +Tiridates, Tiridates, parthische en armenische koningsnaam. 1) +Arsaces II Tiridates (248-211) breidde het door zijn broeder Arsaces I +gestichte staatje uit en werd de grondlegger der parthische macht. Zie +Arsaces.--2) Tiridates, een Parth, trad als mededinger op van den +ontaarden koning Arsaces XV Phraates IV, den moordenaar van zijn eigen +vader Arsaces XIV Orodes I. Tiridates werd tot koning uitgeroepen (± +34), doch met scythische hulp door Phraates weder verdreven, waarop +Tir. hulp zocht bij Augustus (26). Er kwam echter een vergelijk +tot stand, waarbij Phr. de kroon behield.--3) Tiridates, broeder van +Arsaces XXIII (of XXIV) Vologeses I, werd door dezen met het veroverde +Armenië begiftigd, doch de Rom. kwamen tusschenbeide, Vologeses werd +verslagen, en Tir. kreeg Armenië wel, maar als rom. vasal uit de hand +van Nero (66 na C.).--Er zijn nog meer armenische vorsten van dezen +naam geweest, waaronder Tir. III of de Groote, die omstreeks 300 het +christendom in zijn rijk invoerde. + +Tiro (M. Tullius), vrijgelaten slaaf van Cicero (de vrijlating +had plaats in 53), een uitstekend en bekwaam man, die dan ook een +vertrouwd vriend van zijn vroegeren meester werd, dien hij altijd +als een vader bleef eeren en liefhebben. Hij bezorgde na Cicero's +dood o. a. de uitgaaf van diens brieven. Zelf schreef hij ook over +verschillende onderwerpen. Hij verbeterde de stenografische teekenen +en afkortingen, die de rom. snelschrijvers gewoon waren te bezigen, +en die naar hem notae Tironianae worden geheeten. + +Tirocinium fori, de intrede in de wereld van jongelingen omstreeks +hun 17de jaar op het feest der Liberalia (z. a.). + +Tiryns (gen. -this), Tiryns, oude stad met cyclopische muren in Argos, +eens de zetel van Proetus en van Perseus. Kort voor den perzischen +oorlog hadden de Argiven bij Tiryns door de Spartanen eene bloedige +en zware nederlaag geleden, waarvan het gevolg was, dat de Gymnesii of +argivische heloten zich van het bestuur te Argos meester maakten. Toen +echter de zonen der gesneuvelden mannen waren geworden, joegen zij de +Gymnesii uit de stad Argos. Deze vermeesterden nu Tiryns, doch werden +ook hier door de Argiven vervolgd en bestormd, bij welke gelegenheid +T. verwoest werd (± 465). Het lag van Argos Z.O.waarts. + +Tisaeus mons, Tisaion oros, hooge berg in het thessalische landschap +Magnesia, die den zuidrand der golf van Pagasae vormt. + +Tisamenus, Tisamenos, 1) zoon van Orestes en Hermione, koning der +Achaeërs, viel in den strijd tegen de Heracliden.--V. a. had hij na de +overwinning der Doriërs zijn volk naar Aegialea gevoerd en was hij daar +in een strijd tegen de Ioniërs gesneuveld. Zijn gebeente werd later +op bevel van een orakel naar Sparta gebracht.--2) een waarzegger uit +Elis, de eenige vreemdeling die te Sparta het burgerrecht kreeg. Hem +was namelijk voorspeld, dat hij vijf overwinningen zoude behalen, +en daar hij nu bij de wedspelen telkens verslagen werd, begreep +men, dat hier andere overwinningen bedoeld werden. Daarom namen de +Spartanen hem bij den inval van Xerxes als burger op, en inderdaad +was hij in hun leger bij de overwinning van Plataeae en nog bij vier +andere gevechten, waarin zij overwinnaars bleven. + +Tisia of Tisianus, de Theiss, zijrivier van de Donau. Bij latere +schrijvers is de naam Parthiscus. + +Tisias, Tisias, van Syracuse, leerling van Corax, leeraar der +welsprekendheid en schrijver van een werk daarover, gaf onderwijs +te Syracuse, Thurii en Athene. Gorgias, Lysias en Isocrates worden +zijne leerlingen genoemd. + +Tisiphone, Tisiphone, 1) eene van de Erinyes.--2) dochter van Alcmaeon +(z. a.) en Manto. + +Tissaphernes, Tissaphernes, satraap van Lydië onder Darius II +en Artaxerxes II. In den peloponnesischen oorlog sloot hij door +bemiddeling van Alcibiades een verbond met de Spartanen, zonder dat +hij echter veel meer voor hen deed dan hulp beloven; zelfs knoopte +hij in 411 onderhandelingen met de Atheners aan, die echter zonder +gevolg bleven. Tegen Cyrus, zijn vijand, bracht hij verscheiden malen +beschuldigingen bij het hof in, waaraan echter door den invloed van +Parysatis weinig of geen gehoor gegeven werd. In den slag bij Cunaxa +was hij een van de veldheeren bij het koninklijke leger, na den dood +van Cyrus bood hij den Grieken zijn geleide aan op den terugtocht, +maar nam vijf van hunne aanvoerders, die hij in zijn tent gelokt had, +verraderlijk gevangen. Voor deze diensten werd de satrapie van Cyrus +bij zijn gebied gevoegd, maar toen hij ook de ionische steden trachtte +te onderwerpen, zonden de Spartanen een leger naar Azië om dit te +beletten (396), z. Agesilaus no. 1. Door list en onderhandelingen hield +T. zich nog eenigen tijd staande, toen echter Agesilaus de overwinning +aan den Pactolus behaald had, werd hij afgezet en onthoofd (395). + +Titanes, Titanes, de 6 zonen en 6 dochters van Uranus en Gaea: Oceanus, +Coeus, Crius, Hyperion, Iapetus, Cronus, Thea, Rhea, Themis, Mnemosyne, +Phoebe, Tethys. Onder aanvoering van hun jongsten broeder, Cronus +(z. a.), beroofden zij Uranus van de wereldheerschappij en toen later +Zeus op zijn beurt Cronus van den troon trachtte te stooten, wilden de +Titanen dit beletten, en er ontstond een vreeselijke oorlog, dien zij +van den Othrys, Zeus met de zijnen van den Olympus voerden. De strijd +eindigde met de overwinning van Zeus, doch eerst nadat hij de Centimani +uit den Tartarus verlost en tot zijn hulp opgeroepen had. De Titanen, +die zich niet tegen Zeus verzet hadden, behielden hunne waardigheden, +de andere werden in den Tartarus geworpen, maar na verloop van +tijd, toen de nieuwe wereldorde op vaste grondslagen gebouwd was, +weder verlost, waarop zij zich met Zeus verzoenden.--Men meent in de +Titanen eene personificatie van ruwe natuurkrachten te zien, terwijl +de regeering van Zeus, in tegenstelling met hen, de heerschappij van +recht en wet in de wereld voorstelt.--Ook de afstammelingen der Titanen +dragen soms denzelfden naam, in het bijzonder worden zoo genoemd +Helius, de zoon van Hyperion, en Prometheus, de zoon van Iapetus. + +Titania, Titania, dochter of vrouwelijke afstammeling van een Titan, +bijv. Hecate, Leto, Circe e. a. + +Titanides, Titanides, de vrouwelijke Titanen, dochters van Uranus en +Gaea (z. Titanes). + +Titaresius, Titaresios, later ook Europus genoemd, zijtak van den +thessalischen Peneus, stroomt door Perrhaebia. + +Tithonus, Tithonos, zoon van Laomedon. Hij was de echtgenoot van Eos, +die hem zoo innig beminde, dat zij Zeus om onsterfelijkheid voor hem +vroeg. Zeus voldeed aan haar verlangen, doch daar zij vergeten had +ook eeuwige jeugd voor hem te vragen, kromp hij van ouderdom ineen, +totdat Zeus hem uit medelijden in een krekel veranderde. + +Tithorea, Tithorea, 1) de N.W. kruin van den tweetoppigen Parnassus +in Phocis. De andere top heette Lycoreus of Hyampea.--2) stad aan +den berg, zie Neon. + +Tithraustes, Tithraustes, opvolger van Tissaphernes als satraap in +Klein-Azië (395). Hij sloot met Agesilaus een wapenstilstand en +zond, terwijl deze tegen Pharnabazus oorlog voerde, den Rhodiër +Timocrates met 50 talenten naar Griekenland, die met dit geld de +Thebanen, Corinthiërs en Argiven in staat stelde een oorlog tegen +Sparta te beginnen, waardoor het noodzakelijk werd Agesilaus terug +te roepen. Volgens sommige berichten was Timocrates door Pharnabazus +uitgezonden. + +Titia (lex), zie tresviri no. 8 (IIIviri reipublicae constituendae). + +Tities of Titienses is de naam van één der drie riddercenturiën, +(de andere heeten Ramnes en Luceres), die volgens de overlevering +door Romulus ingesteld zijn. Later heeft men ten onrechte gemeend, +dat het geheele volk in Ramnes, Tities en Luceres was ingedeeld (dit +zijn dan de 3 stamtribus), en de Tities in verband gebracht met koning +Titus Tatius (zie Tatius). + +Titii (sodales), zie Sodales. + +Titii. 1) Sex. Titius, volkstribuun in 99, stelde eene akkerwet +voor, die echter niet in behandeling kwam wegens den tegenstand van +den consul M. Antonius. Later werd hij wegens onwettige handelingen +veroordeeld, o. a. omdat hij in zijn huis het beeld van L. Saturninus +had (zie Appuleii no. 1). Hij noemde zichzelf Cassandra, omdat +niemand aan zijne voorspellingen geloof sloeg. Als redenaar was hij +niet onverdienstelijk.--2) C. Titius, ongeveer een tijdgenoot van +no. 1, redenaar en treurspeldichter.--3) P. Titius, volkstribuun in +43, maker van de lex Titia.--4) M. Titius, viel in 40 in handen van +Sex. Pompeius, die hem weder vrijliet. Later diende hij onder Antonius +in Azië tegen de Parthen. Toen Sex. Pompeius nu naar Azië gevlucht was, +werd Titius tegen hem afgezonden, die hem gevangen nam en te Miletus +liet ombrengen (35). Dit laatste maakte Titius algemeen veracht. Later +streed hij onder Octavianus tegen Antonius en in 31 was hij consul, +in 8 legatus van Syria.--5) Titius, een jong, veelbelovend dichter, +een vriend van Horatius, vergezelde in 20 Tiberius naar Azië.--6) +Titius Sabinus, een vriend van Germanicus, een der slachtoffers van +Seianus (28 na C.).--7) Titius Proculus, met zijn vriend C. Silius +(Silii no. 6) onder keizer Claudius ter dood gebracht (48 n. C.).--8) +Titius Iulianus, legaat in Moesia in 69 na C., dapper krijgsman. + +Titinii. 1) L. Titinius Pansa Saccus, consulairtribuun in 400 en 396, +patriciër.--2) C. en M. Titinius, broeders, volkstribunen in 193, +later waarschijnlijk samen praetor (178), C. als praetor urbanus, +M. als stadhouder van Hispania.--3) Titinius, rom. dichter van +fabulae togatae, van wien enkele fragmenten overig zijn, die wat +karakterschildering betreft aan Terentius doen denken.--4) Q. Titinius, +een rijk vriend van Cicero. Zijn zoon Pontius Titinianus, was in 49 aan +Caesars zijde.--5) Titinius, centurio onder Cassius in 42 en door hem +gedurende den slag bij Philippi naar Brutus gezonden om berichten in +te winnen. Toen hij terugkeerde, had Cassius, die verslagen was, zich +reeds laten dooden, waarop ook Titinius de hand aan zichzelf sloeg. + +Titius, Titos, rivier in Dalmatia (Illyria), die Liburnia scheidt +van het eigenlijke Dalmatia, en bij Scardona in zee valt. + +Titurii. Q. Titurius Sabinus, onder Caesar legaat in Gallia, sneuvelde +bij den opstand der Eburones (z. a.). + +Titus, rom. keizer 79-81 na C., voluit Titus Flavius Vespasianus, was +de zoon van Vespasianus en Flavia Domitia of Domitilla (zie Domitii +no. 22). Met uitstekende gaven naar geest en lichaam toegerust, +deed hij reeds vroeg het beste van zich hopen. Hij diende eerst in +Germania en vervolgens onder zijn vader in Britannia en later in het +Oosten. Toen Vespasianus in 69 tot keizer werd uitgeroepen, nam Titus, +die in Judaea aan het hoofd van een legioen stond, het opperbevel +over en maakte door de inneming van Jeruzalem aan den joodschen oorlog +een einde, (70). Te Rome gekomen, werd hij door het volk met gejuich +ontvangen en door zijn vader tot mederegent aangenomen (71). Het +scheen echter, dat hij deze verheffing niet kon verdragen; zijne +lichtzinnigheid en uitspattingen aan den eenen, en wreede strengheid +aan den anderen kant, verwekten bij het rom. volk angstige bezorgdheid +voor de toekomst. Nauwelijks echter was hij zijn vader in 79 als +keizer opgevolgd, of hij was alleen streng tegenover zichzelven en de +deelgenooten zijner vroegere uitspattingen. Hij liet geen doodvonnis +vellen en aan samenzweerders tegen zijn persoon schonk hij edelmoedig +vergiffenis. Bekend zijn zijne woorden: diem perdidi, toen hij een +dag had laten voorbijgaan zonder eene weldaad te bewijzen. Door het +dankbare volk werd hem de naam gegeven: deliciae generis humani. En +wel was er onder zijne kortstondige regeering gelegenheid om zijne +goedertierenheid te betoonen, want zware rampen troffen Italië: de +geweldige uitbarsting van den Vesuvius (79), eene zware pestziekte en +een hevige driedaagsche brand te Rome (80). Overal, waar te helpen of +te troosten viel, verscheen hij, hulp en troost brengende. Hij droeg +ook het zijne bij tot verfraaiing van Rome, voltooide het door zijn +vader begonnen Colosseum (zie amphitheatrum), en liet o. a. de thermae +Titi en den nog bestaanden, hoewel van zijn vierspan beroofden boog +van Titus (zie arcus) bouwen. Zijn overlijden wekte groote droefenis. + +Tityus, Tityos, zoon van Gaea of van Zeus en Elara, een geweldige +reus, die op Euboea woonde. Daar hij Leto belaagde, werd hij door +Apollo en Artemis met pijlen of door Zeus met den bliksem gedood. In de +onderwereld ligt hij in zijn geheele ontzaggelijke lengte op den grond +uitgestrekt, terwijl twee gieren onophoudelijk aan zijn lever knagen. + +Tium, Tius, Tion, -os, milesische kolonie op de kust van Bithynia, +ten O. van Heraclea Pontica. + +Tlepolemus, Tlepolemos, 1) zoon van Heracles en Astyoche, doodde +zijn oom Licymnius, hetzij bij ongeluk of met opzet, en vluchtte naar +Rhodus, waar hij Lindus, Ialysus en Camirus stichtte. Later nam hij +deel aan den tocht tegen Troje, waar hij door dapperheid uitmuntte, +maar door Sarpedon gedood werd.--2) adellijk Macedoniër, werd in 325 +door Alexander tot stadhouder van Carmanië benoemd en maakte zich in +zijne provincie zoo bemind, dat Antigonus zelfs het niet waagde hem +aan te vallen, hoewel hij een bondgenoot van Eumenes was geweest. + +Tlos, Tlos, stad in het binnenland van Lycia. + +Tmarus = Tomarus. + +Tmolus, Tmolos, ook Timolus, Timolos, 1) gebergte in Lydië, met de +bronnen van den Cayster en den Pactolus. Er groeide veel wijn, in +oude tijden vond men er ook goud. De god van den berg, bij Pluto of +Omphale vader van Tantalus, wordt als scheidsrechter in een muzikalen +wedstrijd tusschen Apollo en Pan genoemd.--2) zie Proteus. + +Toga, het overkleed van den rom. burger in vredestijd, dat men +buitenshuis droeg en waarvan het gebruik aan ballingen ontzegd was. De +toga was van geelachtig witte wol geweven, toga pura. De toga praetexta +had een roodpurperen rand en werd door hooge overheden en knapen +gedragen. Toga picta is eene toga, die met borduursel is versierd, +en werd soms bij zegetochten en spelen gedragen, misschien evenwel +eerst onder het keizerrijk. Toga candida, zie candidatus. Toga pulla, +van donkere stof, als rouwgewaad. Toga sordida, ongewasschen toga +(zie fullo), die men als beschuldigde aantrok, om op het medelijden +der rechters te werken. De wijze, waarop de toga gedragen werd, was +aan mode onderhevig. Oorspronkelijk had zij den vorm van een halven +cirkel, doch zij werd met den tijd ruimer, zoodat zij ten slotte een +geheelen cirkel, en wellicht nog meer, besloeg. Deze ruime toga werd +ongeveer aldus omgeworpen. Men wierp ze eerst over den linkerschouder, +trok ze onder den rechterarm door en sloeg ze dan weder over den +linkerschouder, die dus dubbel bedekt was. Nu kwam het er echter +op aan, de plooien sierlijk te verdeelen. Het gedeelte, dat onder +den rechterarm doorging, moest natuurlijk dubbel gevouwen worden, +anders zou het op den grond hebben gesleept. Hierdoor ontstond op +de borst een plooi, sinus genoemd, die als zak dienst kon doen. Om +den linkerarm te gebruiken, die geheel bedekt was, moest men aan die +zijde de toga omhoog trekken en over den arm laten hangen, zoodat de +hand vrij bleef. De plooien werden met haken en knoopen vastgehouden +en versierd met kwastjes, soms met gewichtjes bezwaard om de plooien +omlaag te houden. + +Togata, 1) mulier, eene meretrix, daar lichte vrouwen te Rome +niet de stola, het damesgewaad, mochten dragen, maar in de toga +moesten gaan. Of zij deze op dezelfde wijze als de mannen droegen, +is niet bekend.--2) fabula, een blijspel, dat op rom. bodem speelt, +in tegenstelling der palliata, waarvan de handeling in Griekenland +voorvalt. + +Tolbiacum, stad in Belgica aan den weg van Colonia Agrippina (Keulen) +naar Augusta Trevirorum (Trier), thans Zulpich. + +Tolenus, riviertje in het sabijnsche, dat zich in den Avens, een +zijtak van den Nar, stort. + +Tolerus, zie Trerus. + +Toletum, versterkte hoofdstad der Carpetani in Hispania aan den Tagus +(Taag), met beroemde staal- en wapenfabrieken, thans Toledo. + +Tolistoboii of -bogi, Tolistoboioi, -bogioi, een der drie gallische +stammen in Galatia (z. a.), waar Pessinus hunne hoofdstad was. + +Tolmides, Tolmides, atheensch veldheer, deed in 455 met de vloot +een tocht langs de kusten van de Peloponnesus, overwon de Sicyoniërs +en bracht de door de Spartanen overwonnen Messeniërs naar Naupactus +over. In 447 trok hij naar Boeotië, waar door de verdreven aristocraten +woelingen veroorzaakt werden, hij veroverde Chaeronea, maar werd kort +daarop bij Coronea door de ballingen overrompeld en met een groot +deel van zijn leger gedood. + +Tolosa, Tolossa, thans Toulouse, stad in Gallia Narbonensis in het +gebied der Tectosages aan den Garumna (Garonne), door den rom. veldheer +Cn. Servilius Caepio in 106 geplunderd. Als rom. kolonie heette de +plaats Palladia. + +Tolumnius, 1) een augur, die met Turnus tegen Aeneas streed en +sneuvelde, toen hij door een onverwachten aanval den wapenstilstand had +geschonden.--2) Lars Tolumnius, koning van Veii, die vier rom. gezanten +om het leven liet brengen (wier standbeelden nog in Cicero's tijd op +het forum stonden) en door den consul A. Cornelius Cossus in 428 met +eigen hand in den strijd gedood werd. + +Tomarus, Tomaros, gebergte in Epirus nabij Dodona. + +Tomi, Tomis (gen. -idis), Tomoi, Tomis, stad in Moesia aan de kust van +den Pontus Euxinus (Zwarte zee), volkplanting van Miletus. Hierheen +werd de dichter Ovidius in 9 n. Chr. door Augustus in ballingschap +gezonden. + +Tomyris, Tomyris, koningin der Massageten, die door Cyrus beoorloogd, +werd. Nadat deze door list eene overwinning had behaald, velen van +haar volk gedood en haar zoon gevangen genomen had, wist zij hem in +een hinderlaag te lokken en liet zij hem dooden (529). + +Tonans, de dondergod, bijnaam van Jupiter. + +Toranii. C. Toranius, quaestor in 73, streed onder Varinius in 71 +tegen Spartacus, was ± 65 aedilis plebis met C. Octavius, werd na +diens dood voogd over den lateren Octavianus; later was hij bij de +partij van Pompeius, na wiens dood hij te Corcyra verblijf hield. Hij +kwam in 43 om bij de vogelvrijverklaringen, uit hebzucht verraden +door zijn zoon, ook C. Toranius geheeten, die vervolgens de erfenis +zijns vaders verkwistte en als balling arm stierf. + +Torboleti, zie Turdetani. + +Toronaeus sinus, Toronaios of Toronaïkos kolpos, de golf tusschen de +schiereilanden Pallene en Sithonia. + +Torone, Torone, aanzienlijke stad op het chalcidische schiereiland +Sithonia, aan de golf van Torone, Toronaeus sinus, Toronaïkos kolpos. + +Torquatus, bijnaam in de gens Manlia (Manlii no. 11-14). + +Toxaris, Toxaris, een Scyth, die met Anacharsis te Athene kwam, +daar algemeene achting genoot, en ook als geneeskundige naam verwierf. + +Toxandri, zie Texuandri. + +Toxotai, 1) boogschutters, komen in de grieksche legers niet veel voor; +zij behooren tot de lichte troepen, gymnetes. Te Athene was hun aantal +in de vijfde eeuw 1600, die tot de klasse der theten behoorden. Ook +bereden boogschutters (hippotoxotai) worden vermeld.--2) een corps +van 300, later 600, nog later 1200 staatsslaven, demosioi, die te +Athene als politieagenten dienst deden. Zij hadden een kazerne aan +de markt, later bij den Areopagus. Zij worden ook Skythai, of naar +zekeren Speusinus, die het corps georganiseerd zou hebben, Speusinioi, +genoemd. Hunne aanvoerders heetten toxarchoi. + +Toygeni, Toygenoi, een keltische stam, gouw der Helvetii, +v. s. identisch met de Teutones. + +Trabea (Q.), oud rom. blijspeldichter in de eerste helft der tweede +eeuw. + +Trabea, mantel met horizontale purperen strepen, door de rom. koningen, +door de augurs en bij plechtige gelegenheden door de equites gedragen. + +Trachinia, Trachinia, zie Trachis. + +Trachis, Trachis, Trachin, oude stad in het Z. van Thessalia in het +land der Maliërs, in welker nabijheid de mythe den dood van Heracles +op den brandstapel plaatst. In den peloponnesischen oorlog stichtten +de Spartanen, 12 minuten gaans van de oude stad, een nieuw Trachis, +Heraclea Trachinia genoemd, Herakleia he en Trachinia. In 394 maakten +de Boeotiërs zich er meester van. In 191 werd het door den rom. consul +M'. Acilius Glabrio in den syrischen oorlog verwoest. + +Trachonitis, Trachonitis, zandige bergstreek in Syria, ten Z. van +Damascus, later tot Peraea gerekend. + +Tragia, Tragia, eilandje ten Z. van Samus, waar de Samiërs in 440 +door Pericles ter zee verslagen werden. + +Tragoedia, tragodia. Het grieksche treurspel heeft zijn oorsprong +te danken aan den dithyrambus, en is dus een onderdeel van de +Dionysusfeesten, de naam tragodia is afgeleid van den bok (tragos), +die gedurende het feestgezang geofferd werd. Thespis wordt algemeen +als de schepper van het treurspel genoemd: terwijl namelijk vroeger +de dithyrambische koorzangen afgewisseld werden door voordrachten +van den koorleider, verving Th. in zijne werken, die overigens in +inhoud en waarschijnlijk ook in vorm niet veel van den dithyrambus +verschilden, deze verhalende voordrachten door gesprekken tusschen +een tooneelspeler en het koor. Daarmede was de eerste stap van +lyrische tot dramatische poëzie gedaan; daar dezelfde tooneelspeler +door verandering van kleeding en masker in verschillende rollen konde +optreden, was het reeds nu mogelijk sommige zeer eenvoudige handelingen +af te spelen. Op dezen grondslag werd nu door sommige dichters +na Thespis (Phrynichus, Choerilus, Pratinas e. a.) voortgebouwd, +en eindelijk bereikte het treurspel zijn hoogsten bloei onder de +handen van Aeschylus, Sophocles en Euripides. Niet slechts dat hunne +stukken als dichterlijke voortbrengselen, volgens de meening der +ouden en voorzoover wij het kunnen beoordeelen, zoowel die van hunne +voorgangers als van hunne tijdgenooten en navolgers overtroffen, maar +door het laten optreden van meer tooneelspelers (waarbij echter de +regel gold, dat niet meer dan drie tegelijk op het tooneel mochten +zijn) en ook door het vereenigen der stukken tot trilogieën en +tetralogieën, werd het hun mogelijk de handeling meer omvangrijk en +afwisselend te maken, aanvulling door verhalen werd steeds minder +noodig, terwijl voor de opvoering gewichtige hulpmiddelen gevonden +werden in zorgvuldig gekozen decoraties en costumes. Voor het koor is +echter onder deze omstandigheden geen plaats meer als medewerker, zijne +gezangen verminderen in omvang en beteekenis en dienen nog slechts om +den dialoog door zang en dans af te wisselen, zij vormen niet meer +een bestanddeel van de handeling zelve, maar begeleiden haar met de +opmerkingen en raadgevingen van een "ideaal toeschouwer". Den inhoud +hunner stukken ontleenen de treurspeldichters aan de oude mythen, deze +behandelen zij zoo, dat uit een gegeven toestand de gebeurtenissen +zich volgens de wetten der noodzakelijkheid en in overeenstemming +met de karakters der handelende personen ontwikkelen, totdat de +catastrophe bereikt wordt, een keerpunt, dat den overgang van geluk +tot ongeluk of omgekeerd vormt. In de richting, door de drie groote +meesters aangewezen, werkten gedurende de geheele oudheid talrijke +navolgers, doch geen van hen schijnt meer dan een kortstondigen bijval +gevonden te hebben, terwijl de stukken van Aeschylus, Sophocles en +vooral Euripides nog vele eeuwen na hun dood herhaaldelijk werden +opgevoerd.--Het rom. treurspel, waarvan Livius Andronicus de eerste +dichter was, is op weinige uitzonderingen na in vorm en inhoud eene +navolging van het grieksche gebleven, sommige Rom. schreven zelfs +stukken in het Grieksch. + +Traiana (via), een nieuwe weg, door Traianus in 109 n. C. aangelegd, +van Beneventum over Aequum Tuticum, Aecae en Canusium naar Brundisium. + +Traianopolis, Traïanopolis, 1) latere naam voor Doriscus, in Thracia +aan den mond van den Hebrus gelegen.--2) latere naam voor Selinus, +zeestad in het W. van Cilicia. + +Traianus (M. Ulpius), rom. keizer 98-117 na C., was in 53 na C. te +Italica in Hispania geboren. In den parthischen oorlog diende hij onder +zijn vader (zie Ulpii no. 1), in 91 werd hij consul en vervolgens +werd hij door Nerva (einde 96 of begin 97) tot legatus van Germania +Superior benoemd. Kort daarop (herfst v. 97) nam Nerva hem tot zoon +en troonsopvolger aan. Toen Nerva stierf (Jan. 98), was Traianus in +Germania; hij bleef daar tot 99, en kwam toen naar Rome. Ofschoon +in het leger opgegroeid, was Traianus een uitstekend vorst. In 101 +trok hij te velde tegen de Daciërs, die hij in 102 tot vrede dwong; +koning Decebalus schond echter zijn woord, zoodat in 105 de strijd +opnieuw ontbrandde, om in 107 met de onderwerping van Dacia en den +zelfmoord van Decebalus te eindigen. Deze oorlog werd vereeuwigd door +het beeldwerk aan de columna Traiani (z. a.) te Rome. In 114 trok +Trai. te velde tegen de Parthen, veroverde Armenia en Mesopotamia +in 115 en 116, nam de stad Ctesiphon in en zakte met een vloot den +Tigris af tot aan den mond. Ziekte noopte hem tot den terugtocht; +hij droeg het opperbevel over aan den landvoogd van Syria, Hadrianus +(z. a.) en overleed in 117 in Cilicia, te Selinus, welke stad ter +gedachtenis hieraan den naam ontving van Traianopolis. Behalve +veldheer, was Trai. ook een voortreffelijk regent. Aan alles wijdde +hij zijn aandacht, de briefwisseling met Plinius minor, stadhouder van +Bithynia, levert er bewijzen van. Alom liet hij wegen, kanalen, havens, +waterleidingen aanleggen. Ook aan de opvoeding van arme knapen liet +hij zich gelegen liggen. Hij ondersteunde kunstenaars en geleerden en +beschreef zelf den dacischen oorlog. Te Rome legde hij het prachtige +forum Traiani aan met de basilica Ulpia. Bij het volk was hij zeer +bemind, zoodat het hem den eernaam optimus gaf. Later werd het wel +als welkomstgroet bij de intrede van een nieuwe keizer gebezigd: +"Wees nog gelukkiger dan Augustus en nog beter dan Traianus!" + +Traiectum, later met de bijvoeging ad Rhenum, stad der Batavieren, +thans Utrecht. + +Trais, Traeis, kustrivier in het land der Brutii, waaraan in ± 440 +Sybaris nova gesticht werd. + +Tralles, Tralli, volksstam in Illyria. + +Tralles, Tralleis, vroeger Anthea, Antheia, geheeten, bloeiende +koopstad in het N. van Caria, op eene hoogte aan den voet van den +Messogis ten N. van den Maeander gelegen, met een nog hooger gelegen +burcht. Het riviertje Thebais stroomde er door, de Eudon er langs. In +den tempel der Nice of Victoria stond een standbeeld van Iulius +Caesar. Onder de regeering van Augustus en Tiberius werd Tralles bij +herhaling door aardbevingen geteisterd. + +Transvectio equitum, plechtige optocht der romeinsche equites +in feestgewaad (de trabea) van den tempel van Mars of Honos naar +den Castortempel en daarna naar het Capitool, op 15 Juli. Hieraan +namen alleen de equites equo publico deel. In den keizertijd had de +transvectio steeds met veel luister plaats. + +Trapezites, z. argentarius. + +Trapezus, gen. -untis, Trapezous, 1) stad in het Z. van Arcadia aan +den Alpheus.--2) stad aan den Pontus Euxinus (Zwarte zee) in het +O. van Pontus, thans Trebisonde, kolonie van Sinope. Door de Rom., +waarschijnlijk door Pompeius, tot een vrije stad verklaard, door +Traianus en Hadrianus begunstigd, bereikte het een hoogen bloei. + +Trasimen(n)us of Trasumen(n)us lacus, thans meer van Perugia, in het +O. van Etruria, tusschen de steden Cortona, Clusium en Perusia. In +de engte tusschen dit meer en de cortonensische bergen sneuvelde de +consul C. Flaminius in 217 tegen Hannibal. + +Traulantii, volksstam in Illyria, ten O. van Dyrrachium en Apollonia. + +Trausi, Trausoi, thracisch volk in het O. gedeelte van het +Rhodopegebergte. + +Treba, stadje in Latium in het oude gebied der Aequi nabij de grenzen +der Marsi. + +Trebatius Testa (C.), jurist en schrijver van rechtsgeleerde werken +ten tijde van Augustus, bij wien hij in hooge achting stond. Als +jongmensch reeds had hij zich mogen verheugen in de welwillendheid +van Cicero en de gunst van Caesar. Later behoorde hij ook onder de +vrienden van Horatius. + +Trebellii. 1) L. Trebellius, volkstribuun, verzette zich in 67 +vruchteloos tegen de lex Gabinia.--2) L. Trebellius, volkstribuun +in 47, bestreed aanhoudend de voorstellen van zijn ambtgenoot +P. Cornelius Dolabella, en werd later tot aediel verkozen door +de hulp der optimaten, die Caesar wegens zijne bescherming van +Dolabella wilde ergeren. Na Caesars dood ging hij tot Antonius +over.--3) M. Trebellius, streed in 36 na C. tamelijk voorspoedig in +Azië.--4) L. Trebellius Maximus, onder Nero consul, later stadhouder +van Britannia, maakte zich door zijne hebzucht zóó gehaat, dat hij +de vlucht moest nemen.--5) Trebellius Pollio, een van de schrijvers +der historiae Augustae, levensbeschrijver van de beide Valeriani, +de beide Gallieni, de 30 tyrannen, Claudius II. Hij leefde onder +Diocletianus en Constantius Chlorus. + +Trebia, Trebias, zuidelijke bijrivier van den Padus (Po), waarmede +hij zich bij Placentia vereenigt. Aan deze rivier behaalde Hannibal +in 218 de overwinning op den rom. consul Tib. Sempronius Longus. + +Trebianus, vriend van Cicero en aanhanger van Pompeius, in 45 door +Caesar weder in genade aangenomen. + +Trebonia (lex) van den volkstribuun L. Trebonius in 448, tot +afschaffing der coöptatie, die er plaats had, wanneer de verkiezing +van volkstribunen niet in één dag afliep. Bij de coöptatie n.l. kwamen +wel eens misbruiken voor, daar de patriciërs gemakkelijker op de +coöpteerende tribuni dan op de plebs konden inwerken. + +Trebonia (lex) van den volkstribuun C. Trebonius in 55, om aan de +beide consuls van dat jaar een stadhouderschap voor den tijd van vijf +jaar op te dragen, en wel aan Pompeius over Hispania en aan Crassus +over Syria. Tevens werd door diezelfde wet Caesars bewind in Gallia +voor vijf jaar verlengd. + +Trebonius (C.), in 55 volkstribuun, was de voorsteller der lex Trebonia +(z. a.), in 54 was hij legaat van Caesar in Gallia, waar hij tot +49 bleef. In 48 was hij praetor en in 47 werd hij als propraetor +naar Baetica gezonden, doch door de Pompejanen verdreven. In 45 +werd hij consul suffectus, terwijl Asia hem als provincie werd +toegewezen. In 44 was hij heimelijk tot de saamgezworenen tegen +Caesar toegetreden. Naar Azië vertrokken, ondersteunde hij Cassius, +doch werd in 43 door Dolabella te Smyrna in zijn bed vermoord. Hij +was zeer met Cicero bevriend. + +Trebula, naam van drie steden, 1) in Campania op de grens van Samnium, +ten O. van Cales.--2) Mutusca (Mutuesca) bijgenaamd, in het sabijnsche +land aan de via Salaria ten Z. van Reate.--3) Suffenas bijgenaamd, +ook bij de Sabijnen, onzeker waar. + +Tremellii. 1) Cn. Tremellius Flaccus bracht in 204 het beeld der Magna +Mater uit Pessinus in Galatia naar Italië over.--2) Cn. Trem. Scrofa, +vriend van Cicero, Atticus en Terentius Varro Reatinus, schreef +over landbouw. + +Treres, Treres, thracisch volk aan den berg Scomius, later verdwenen. + +Trerus, rivier in Latium in het land der Hernici, stroomt bij Fregellae +in den Liris uit; tgw. Tolero of Sacco. Misschien is de naam Tolerus +juister. + +Tresviri of Triumviri, commissiën van drie leden, tot de magistratus +minores behoorende (met uitzondering van no. 4 en no. 8). Meerendeels +waren het commissiën van tijdelijken aard, wier werkkring genoegzaam +blijkt uit hun titel.--1) Tr. agris dandis assignandis, wanneer +er ager publicus te verdeelen viel.--2) Tr. capitales of nocturni, +sedert het jaar 289. Zij werden oorspronkelijk door den praetor urbanus +benoemd, maar na 242, ingevolge eene lex Papiria van den volkstribuun +L. Papirius in de comitia tributa gekozen. Zij waren belast met het +toezicht op de kerkers en met het voltrekken der strafoefeningen binnen +de muren daarvan; ook oefenden zij politietoezicht uit en konden aan +slaven en vreemdelingen politiestraffen opleggen, zelfs laten geeselen, +hetgeen dan plaats had bij de columna Maenia (z. a.).--3) Tr. coloniae +deducendae, zie colonia op het einde.--4) Tr. epulones, niet tot de +magistraten behoorende, doch een priestercollege, zie epulones.--5) +Tr. locorum publicorum persequendorum, enkele malen benoemd om te +onderzoeken, wie zich wederrechtelijk stukken van het staatsdomein +hadden toegeëigend.--6) Tr. mensarii, commissarissen der tijdelijke +staatsbank, die door de lex Minucia in 216 na den slag bij Cannae werd +opgericht, om in de oogenblikkelijke geldcrisis te voorzien. Zie ook +onder Quinqueviri.--7) Tr. monetales of IIIviri A. A. A. F. F. (aere +argento auro flando feriundo), de muntmeesters, zie Moneta.--8) Tr. rei +publicae constituendae, het bekende driemanschap van Octavianus, +Antonius en Lepidus, in 43. Door eene lex Titia van den volkstribuun +P. Titius kregen zij den bovengemelden titel voor den tijd van +ongeveer vijf jaar (27 Nov. 43-31 Dec. 38), welke termijn in 38 met +nog vijf jaar verlengd werd. Hunne macht was zoo goed als onbeperkt; +o.a. ontleenden zij aan de lex Titia het recht om de magistraten te +benoemen; het was eene driehoofdige dictatuur. Het driemanschap van +Caesar, Pompeius en Crassus was nooit door eene wet bekrachtigd en +was dus geen eigenlijk triumviraat. + +Tretus, Tretos, berg en pas, waardoor de wegen van Argos naar Cleonae +en van Mycenae naar Nemea liepen, aldus genoemd naar de vele holen +en spelonken. Hier zou de nemeïsche leeuw zich hebben opgehouden. + +Treveri, -iri, machtig en dapper volk in Belgica, met de hoofdstad +Augusta Trevirorum (Trier) aan de Mosella (Moezel). Zij hadden eene +voortreffelijke ruiterij. Met de Rom. waren zij trouw verbonden, +met de Germanen waren zij meest in oorlog. Het waren Kelten, maar +zij beweerden van de Germanen af te stammen. + +Triakas, 1) de dertigste dag na eene begrafenis, waarop de rouw +ophield, werd met een offer en maaltijd gevierd.--2) oude naam voor +een atheensch geslacht, hetzij omdat 30 geslachten eene phratria +vormden, of v. s. omdat een geslacht gemiddeld 30 personen bevatte.--3) +afdeeling der Spartaansche burgerij, waarschijnlijk gevormd uit twee +tafelgezelschappen (z. syssitia). + +Triakonta. Toen Athene zich na afloop van den peloponnesischen oorlog +aan Lysander had moeten overgeven, werd in eene volksvergadering door +Theramenes het voorstel gedaan, 30 mannen te kiezen, die de wetten +zouden herzien en in overeenstemming met de tijdsomstandigheden +zouden wijzigen. Het volk, dat in den laatsten tijd de hevigste +voorstanders der democratie, bijv. Cleophon, door allerlei kunstgrepen +had zien uit den weg ruimen, durfde zich, nu Lysander nog met zijn +leger en vloot aanwezig was, niet tegen dit voorstel verklaren, +en verkoos 30 mannen van bekende oligarchische gezindheid. Hoewel +met een bepaalde opdracht gekozen, schijnen de 30 nooit gepoogd te +hebben zich daarvan te kwijten, maar maakten zij van de macht, die +hun gegeven was, zulk een misbruik, dat de acht maanden van hunne +regeering lang als de verschrikkelijkste tijd in de geschiedenis +van Athene genoemd werd. In het eerst hielden zij, naar het heette, +eene zuivering onder de burgerij, en lieten zij erkende sycophanten +en andere dergelijke algemeen gehate personen door den raad, dien +zij evenals de overheidsambten met hunne handlangers bezetten, ter +dood veroordeelen, maar steunende op eene spartaansche bezetting, +op spartaansch geld, en vooral op den invloed van Lysander, gingen +zij weldra op dien weg verder en meenden zij zich alles te kunnen +veroorloven. Slechts aan 3000 burgers (hoi en to katalogo), en aan +deze nog slechts in schijn, werd eenig aandeel aan de staatszaken +gegund, de overige werden ontwapend, onderwijs in welsprekendheid en +wijsbegeerte werd onder streng toezicht gesteld, de kostbare werven +werden voor 3 talenten als afbraak verkocht, enz. Doodvonnissen, +verbanningen, verbeurdverklaring van goederen waren aan de orde van +den dag; in het geheel werden, naar verhaald wordt, 13-1500 personen +ter dood gebracht en meer dan 5000 verbannen. En niet alleen politieke +tegenstanders werden getroffen, maar om zich geld te verschaffen, ten +einde de spartaansche bezetting te kunnen betalen, lieten zij velen +ombrengen alleen om zich hunne bezittingen toe te eigenen; zoo besloten +zij eens, onder voorwendsel dat er onder metoikoi een oproerige geest +heerschte, 30 (v. a. 10) van hen te dooden en hunne goederen verbeurd +te verklaren. Wel verzetten zich sommige meer gematigden onder hen, +vooral Theramenes, tegen deze geweldadigheden, maar de tegenpartij, +onder welke Critias de voornaamste was, behield de overhand; en toen +de oppositie van Theramenes gevaarlijk begon te worden, werd hij op +wederrechtelijke wijze als verrader ter dood veroordeeld. Doch wat hij +voorspeld had gebeurde: de ballingen vereenigden zich en onder leiding +van Thrasybulus bezette een zeventigtal van hen eerst het fort Phyle, +en nadat zij de troepen van de 30, die hen trachtten te verjagen, +teruggeslagen hadden, nam hun aantal met den dag toe, en weldra konden +zij zich van den Piraeus meester maken. Toen zij nu ook in een slag +bij Munychia, waarin o. a. Critias sneuvelde, overwinnaars gebleven +waren, trokken de 30 zich naar Eleusis terug, waarvan zij zich kort +te voren verzekerd hadden door de geheele weerbare bevolking met +list gevangen te nemen en ter dood te laten brengen. Daar wachtten +zij vooreerst den loop der gebeurtenissen af, maar toen kort daarna, +in weerwil van Lysanders tusschenkomst, door toedoen van Pausanias +(no. 2) de democratie hersteld was, en men in de stad vernam dat zij +te Eleusis een leger van huurlingen op de been trachtten te brengen, +trok de geheele bevolking van Athene tegen hen te velde, en nog voor +het tot een gevecht kwam, vielen de meesten van de 30 in handen hunner +vijanden en werden gedood. + +Triarii of pilani, zie de artikels centuria, cohors, hastati en legio. + +Triarius (C.), legaat van L. Licinius Lucullus in den mithradatischen +oorlog, behaalde eerst overwinningen op den koning, maar werd in 67 +bij Zela door hem geheel verslagen. + +Triballi, Triballoi, machtige thracische stam in Moesia inferior, +naburen van de Treres. Zie Abdera. + +Triboc(c)i, -es, germaansch volk op den linker Rijnoever, omstreeks +Argentoratum (Straatsburg). + +Tribon, een korte mantel van grove stof, oorspronkelijk door +de Spartanen gedragen, maar ook in andere staten door hen, die +spartaansche zeden en kleederdracht wilden nabootsen; in latere tijden +was tr. als een uiterlijk kenmerk van armoede en eenvoud de gewone +kleeding van stoicijnen en cynici en van hen, die daarvoor wilden +gehouden worden. + +Tribunal, eene verhevenheid van hout of steen, desnoods van aarde +of zoden, waarop de praetor zat, wanneer hij zitting hield om zijne +ambtsbezigheden uit te oefenen. Tot het ius dicere was het niet +bepaald noodig, dat hij op zijne sella curulis op het tribunal had +plaats genomen: hij kon, als hij iemand wilde gerieven, dat evengoed +onderweg of van den beganen grond (de plano) doen. Te Rome stonden +vaste tribunalia op het forum, eerst één, later meer, toen er onder +verschillende praetoren verschillende zaken tegelijk konden worden +behandeld. Deze tribunalia stonden in de open lucht, de iudices zaten +op subsellia op den vlakken grond. Toen men echter de rechtszaken +naar de basilicae overbracht, maakte men eene ruimere verhevendheid +aan het einde der zaal, waarop de rechters zaten; misschien echter +zat de praetor dan toch nog iets hooger. + +Tribuni aerarii of Curatores tribuum. Aan het hoofd van elke tribus +stonden tien in Rome wonende bestuurders, die door de censoren voor +een lustrum benoemd werden. Zij hadden elk eene lijst van de tot hunne +tribus behoorende burgers, van welke lijst een tweede exemplaar in +het aerarium berustte. Tot ± 250 inden zij het tributum (z. a.), +en betaalden de soldij uit (vandaar hun naam, van aes afgeleid); +na dien tijd kwam die functie aan de quaestoren. Ook indien zij +het aes equestre en het aes hordearium, dat door de orbi et orbae +(z. a.) werd opgebracht. Door de lex Aurelia iudiciaria van 70 kregen +zij met senatoren en ridders aandeel aan de iudicia. + +Tribuni militum. Aan het hoofd van elk legioen stonden zes +krijgstribunen. A en B kommandeerden het legioen twee maanden lang +afwisselend om den anderen dag; daarna ging het bevel voor twee +maanden op C en D over, dan op E en F, waarna A en B weder aan de +beurt kwamen. In den bloeitijd der republiek bestond een consulair +leger uit twee legioenen rom. burgers, behalve de socii. Wanneer +dus de consuls hunne legers wierven, waren er 24 krijgstribunen +noodig. Tien hunner moesten tien dienstjaren tellen en werden +seniores genoemd; de 14 andere moesten vijf dienstjaren hebben en +werden iuniores geheeten. Het eerste en het derde legioen telden elk +2 seniores en 4 iuniores, het tweede en het vierde elk 3 seniores en +3 iuniores. Eerst kozen de veldheeren zelven hunne tribunen, doch +in 366 vindt men voor het eerst 6 van de 24 door het volk gekozen, +en in 311 bepaalde de lex Atilia Marcia (z. a.), dat er seni deni, +dus 16 van de 24 door het volk moesten gekozen worden. Nog vóór den +2den Punischen oorlog werd dit getal op 24 gebracht. In 171, bij het +uitbreken van den oorlog met Perseus, liet het volk de keus geheel aan +de consuls over, en dit kan wel meer gebeurd zijn. De door de consuls +gekozen heetten rufuli, de andere a populo. De tribunen waren belast +met de werving, waartoe de dienstplichtigen tribusgewijze werden +opgeroepen; het lot bepaalde, welke tribus het eerst aan de beurt +kwam. De dienstplichtigen werden vier aan vier opgeroepen. Uit het +eerste viertal hadden de tribunen van het eerste legioen de eerste +keus, uit het tweede die van het tweede legioen, enz. De hervormingen +van Marius gaven een geheel anderen loop aan de zaken, daar van dien +tijd af uit de proletariërs vrijwilligers in massa toestroomden. De +Grieken vertalen tribunus militum door chiliarchos. + +Tribuni militum consulari potestate. Toen in 449 de eene lex Canuleia +(z. a.) doorging, werd het andere wetsvoorstel, dat n.l. één der +consuls uit de plebs zou mogen gekozen worden, terzijde geschoven +door bij wijze van proefneming het consulaat te schorsen. Daar het +krijgstribunaat zoowel voor plebejers als voor patriciërs toegankelijk +was, besloot men zulke tribunen te kiezen, die dan met consulaire +macht zouden worden bekleed. Voor het jaar 444 werden er nu 3 gekozen, +allen patriciërs, die evenwel, als zijnde vitio creati, hun ambt +moesten nederleggen. Toen liet de senaat weder consuls kiezen, +evenals de volgende vijf jaren. Dit geheele verhaal is verzonnen; +vast staat alleen, dat in 438 de eerste 3 consulairtribunen in de +Fasti consulares (z. a.) voorkomen. De vele oorlogen en de uitbreiding +van den staat maakten waarschijnlijk nu en dan een vergrooting van +het aantal ambtenaren noodig. Van 437 tot 435 vindt men consuls, +van 434 tot 432 tribunen en zoo gaat het afwisselend voort, totdat +er van 391 tot 367 (het jaar der lex Licinia Sextia de consulatu, +z. a.) geen consuls meer gekozen werden. Van 426 af vindt men 4 +consulairtribunen, van 405 af 6, in 381-379 telkens 8, dan weder 6 +en een enkele maal 5. Vóór 400 werd geen enkele plebejer gekozen, en +uit enkel plebejers hebben de consulairtribunen nooit bestaan. Met +de aanneming der licinisch-sextische wet verviel de reden van hun +bestaan. De consulairtribunen hadden den werkkring der consuls, doch +voor het houden van den census werd in 445 een afzonderlijk ambt, +de censuur, ingesteld. + +Tribuni plebis, demarchoi, volgens de overlevering in 494 na de +secessio plebis als auxilium voor de plebs ingesteld, sacrosancti +en alleen uit de plebs verkiesbaar. Waarschijnlijk zijn voor het +eerst 4 tribunen gekozen in het jaar 471 (v. a. 466) volgens de lex +Publilia, door de 4 stedelijke tribus. In 457, toen waarschijnlijk +de landelijke bevolking vrij gemaakt werd, en er 16 (17) landelijke +tribus bij kwamen, werd het getal op 10 gebracht. Liep de verkiezing +niet in één dag af, dan vulden de gekozenen hun getal door coöptatie +verder aan, totdat de lex Trebonia (z. a.) dit verbood. In den beginne +hadden zij geen toegang tot den senaat, totdat de lex Atinia, van ± +102, hen in den senaat opnam. Op hunne onschendbaarheid steunende, +ontzagen de volkstribunen zich dikwijls niet, geweldige maatregelen +te nemen wanneer de aristocratie van geen toegeven wilde weten. Er +zijn voorbeelden, dat zij volksvergaderingen en verkiezingen beletten, +dat zij de lichting van troepen verhinderden, enz., maar ook dat zij na +afloop van hun ambtsjaar door de plebs zelve tot geldboete veroordeeld +werden. De tribuni plebis vervolgden vergrijpen tegen hun persoon +of tegen de plebs. Daar zij aan de provocatie onderworpen waren, +werden, sedert de leges XII tabularum, bij een halszaak voor hen door +tusschenkomst van een magistratus cum imperio de comitia centuriata +bijeengeroepen. Vóór dien tijd brachten zij, volgens de overlevering, +halszaken voor het concilium plebis. Sedert de lex Hortensia (287) +werden de tribunen competent voor politieke misdrijven, waarvoor +vroeger II viri perduellionis benoemd werden. Auspiciën hadden zij in +den beginne niet, later echter kregen zij het ius de caelo servandi, +maar werden daarmede ook onderworpen aan obnuntiatio (zie servare +de caelo). De hulp van een volkstribuun inroepen, heette tribunum +appellare; hunne woningen moesten daarvoor dag en nacht openstaan +en zij zelven mochten geen etmaal buiten Rome doorbrengen, evenwel +vindt men eene enkele keer volkstribunen in een rom. leger. Terwijl +uit het ius auxilii zich de intercessio of ongeroepen tusschenkomst +ontwikkeld had, ontnam Sulla door zijne lex Cornelia tribunicia +(z. a.) hun de bevoegdheid tot intercessie alsmede het recht om wetten +zonder voorafgaande goedkeuring van den senaat voor te stellen, terwijl +volgens die wet het bekleeden van het volkstribunaat iemand voor goed +van alle verdere ambten uitsloot. Deze laatste bepaling werd reeds in +75 door de lex Aurelia tribunicia opgeheven, terwijl Pompeius, die de +volkstribunen tot bereiking zijner oogmerken noodig had, hun in 70 door +zijne lex Pompeia het ius legum ferendarum teruggaf. De tribuni plebis +aanvaardden hun ambt op den 10den December.--Van de keizers gaf reeds +Augustus het voorbeeld, dat hij zich met de tribunicia potestas liet +bekleeden. Het volkstribunaat overleefde zich zelf en bestond nog na +Constantijn den Gr., natuurlijk zonder macht tegenover den keizer. De +volkstribunen hadden geene insignia; hunne boden heetten viatores. + +Tribuni vigilum. Over elke der zeven door Augustus ingestelde cohortes +vigilum (nachtwacht en brandweer) stond een tribunus, over alle zeven +een praefectus. + +Tribunus celerum, bevelhebber van het rom. ruiterkorps (zie celeres), +waarvan de instelling op naam van Romulus is geboekt. + +Tribus. Evenals phyle bij de Atheners, heeft ook tribus bij de +Rom. eene dubbele beteekenis. Vooreerst wordt het woord gebezigd van de +drie stamtribus, waaruit de rom. staat schijnt ontstaan te zijn: Tities +of Titienses (deze worden altijd voorop genoemd), Ramnes of Ramnenses, +Luceres of Lucerenses. Zie echter Tities. Na de indeeling van het +rom. gebied door Servius Tullius in tribus en regiones krijgt het +woord eene plaatselijke beteekenis. De namen der vier tribus urbanae +(binnen Rome's muren) waren: Suburana, Esquilina, Collina, Palatina. De +namen der regiones, bij analogie tribus rusticae geheeten, die volgens +de overlevering in 505 bestonden, zijn: Aemilia, Camilia, Cornelia, +Fabia, Galeria, Horatia, Lemonia, Menenia, Papiria, Pollia, Pupinia, +Romilia, Sergia, Veturia, Voltinia. Het aantal regiones, 26 onder +Servius Tullius, was dus verminderd, men kan aannemen door afstand +van grondgebied aan Porsena. Uit de overeenkomst van verschillende +namen met nomina gentilicia mag men ook tot samenhang besluiten; +zoo zal b.v. in de tribus Aemilia het grondbezit der gens Aemilia +hebben gelegen. Allengs kwamen er weder nieuwe tribus bij: in 504 als +20ste de tribus Claudia, sabijnsch, ten N. van den Anio,--in 495 als +21ste de tr. Crustumina, de eerste die een plaatselijken naam droeg +naar de oude latijnsche stad Crustumerium,--in 387 in Zuid-Etruria +de vier tr. Stellatina om Falerii, Tromentina, Sabatina om Sabate +en Arnensis aan het riviertje Aro, dat uit het meer Sabate stroomt +en bij Fregenae in zee uitmondt (dit zijn de eerste tribus, waarvan +de stichting historisch vaststaat),--in 358 in het volscische land +Pomptina rondom Antium en Publilia (Poplilia),--in 332 in Noord-Latium +Maecia en Scaptia,--in 318 Falerna (in den ager Falernus in Campania) +en Ufentina aan den Ufens in Latium,--in 299 Aniensis, rondom Tibur en +Praeneste, en Terentina, ook in het aequisch gebied, in 241 Velina +in het sabijnsche land om Reate, en als 35ste Quirina om Cures, +v. s. echter zonder afgebakende grens, als algemeene tribus met het +oog op latere inlijvingen. Bij deze 35 is het gebleven. Toen na den +marsischen oorlog Italia het burgerrecht kreeg, werden de nieuwe +burgers oorspronkelijk bij 8 der bestaande tribus ingedeeld. Zoo +behoorden de steden Hadria, Neapolis en Brundisium tot de tribus +Maecia, die haren naam droeg naar het vlek Maecium bij Lanuvium. Reeds +in 87 (z. Corneliae leges van L. Cornelius Cinna) werden echter de +nieuwe burgers over alle tribus verdeeld. De tribus rusticae stonden +meer in eere dan de urbanae; vrijgelatenen werden dan ook gewoonlijk +alleen in de laatste ingeschreven. Om stemrecht te hebben moest men +in eene tribus ingeschreven zijn (zie aerarii), ook om eene tessera +frumentaria te bekomen (zie annona). + +Tributum, 1) de belasting, volgens het belastbaar vermogen (ex censu) +door rom. burgers te betalen, wanneer de staat geld noodig had, +b.v. tot het voeren van een oorlog, en die teruggegeven werd, wanneer +de middelen daartoe aanwezig waren, b.v. uit de oorlogsschatting +van overwonnen vijanden. Deze belasting werd oorspronkelijk slechts +geheven van res mancipi (z. a.), totdat Appius Claudius (Claudii +no. 5) als censor het geheele vermogen tot grondslag voor de belasting +aannam. Het tributum simplex was 1 per mille, duplex 2 p. m.; het +hoogst bekende is triplex. Sedert de verovering van Macedonia in +167 werd het tributum tijdens de republiek niet meer uitgeschreven; +slechts éénmaal komt het vóór, tijdens het consulaat van Hirtius en +Pausa, in 43. Een paar malen wordt er, in tijden van grooten nood, +van een tributum temerarium gesproken, waarbij ieder inbrengt, wat +hij te missen heeft.--2) de directe belasting in de provinciën Asia +(van de lex Sempronia tot Caesar) en Sicilia, een soort grondbelasting, +tributum soli of agri. Ook het stipendium der andere provincies wordt +wel eens tributum genoemd. + +Tricaranum, Trikaranon, drietoppige berg met kasteel op de grenzen +van Argolis en Phliasia, een twistappel tusschen beide staten. + +Tricasses, volk in Gallia Transalpina aan de Sequana (Seine) en den +Matrona (Marne) met de stad Augustobona (Troyes). + +Tricastini, volk in Gallia Narbonensis aan den Isara (Isère). Stad: +Augusta Tricastinorum. + +Tricca, Trikka, stadje in het thessalische gewest Hestiaeotis, +met een zeer beroemden tempel van Asclepius, aan den voet van den +Pindus. Thans Trikkala. + +Trichonium, Trichonion, vlek in Aetolia ten Z. van het meer Trichonis, +Trichonis limne. + +Tricesima, zie Castra. + +Tricipitinus, familien. in de gens Lucretia (Lucretii no. 1-3). + + + medius lectus. + +-------------+-------------+-------------+ + | imus locus | medius | summus | + |(consularis).| locus. | locus. | + | | | (Servilius | + | (Maecenas). | (Vibidius). | Balatro). | + | | | | + +-------------+-------------+-------------+-------------+-------------+ + |summus. | 1 2 3 | | + |(Nomentanus, | +-----------------------------+ | imus. | s + i |anders | 7 | | 6 | | u + m |de gastheer).| | | | (Varius). | m + u | | | | | | m + s +-------------+ | | +-------------+ u + | medius. | | | | medius. | s + l | | 8 | | 5 | | + e |(Nasidienus).| | Mensa. | | (Viscus | l + c | | | | | Thurinus). | e + t +-------------+ | | +-------------+ c + u | imus. | | | | summus. | t + s | | | | | | u + . | (Porcius). | 9 | | 4 | (Fundanius).| s + | | | | | | . + +-------------+ +-----------------------------+ +-------------+ + + Triclinium. + + +Triclinium, eene tafel om te eten, met drie aanligsofa's, ook wel het +eetvertrek zelf. Op elke sofa behoorden, althans wanneer men gasten +had, niet meer dan drie personen aan te liggen. De dischgenooten lagen +met den linkerarm op kussens gesteund. De drie sofa's of lecti werden +summus, medius en imus geheeten, terwijl men ook op iederen lectus +een locus summus, medius en imus onderscheidde. Aan de linkerzijde +(het boveneind) van elken lectus was somtijds eene leuning om dáár het +afschuiven der kussens te voorkomen. De eereplaats was het benedeneinde +(locus imus) van den lectus medius, deze plaats werd ook locus +consularis geheeten. Op de beide andere lecti was de locus summus +de eerste plaats. De plaats van den gastheer was de locus summus op +den lectus imus, in de onmiddellijke nabijheid van den voornaamsten +gast. De cijfers op nevenstaande teekening wijzen de volgorde der +plaatsen aan; tevens is de plaatsing der gasten bij den maaltijd +van Nasidienus aangegeven (Hor. Sat. II 8), waarbij Nomentanus +op verzoek van den gastheer diens plaats heeft ingenomen. Of de +lecti nu evenwel juist zoo geplaatst waren, is eene andere vraag, +daar de dischgenooten in de schuinte aanlagen. Te Pompeii heeft men +afbeeldingen en gemetselde onderstellen gevonden, waardoor de volgende +plaatsing aangewezen wordt. Het in gebruik komen van ronde tafels +voerde tot den doorloopenden lectus, in den vorm van een hoefijzer, +sigma geheeten (z. a.). + + + +===================+ +=========-+ + | | | | + | Medius. | | | + | | | | + +===================+ | | + | Summus. | + +=======+ +========+ | | + | | | | | | + | | | Mensa. | | | + | | | | | | + | Imus. | +========+ +=========-+ + | | + | | + | | + +=======+ + + Triclinium. + + +Tricorii, volksstam in Gallia Narbonensis aan den voet der Alpen. + +Tricostus, familienaam in de gens Verginia (Verginii no. 1-4). + +Tridentum, tgw. Trente, aan den Athesis (Adige, Etsch), oorspronkelijk +een raetische stad, kwam later aan de keltische Cenomani. De bevolking +is raetisch gebleven. In 24 werd het door de Romeinen bezet. De +bewoners der omstreken heeten Tridentini. + +Triens, als munt en als gewicht = 4 unciae = 1/3 as. + +Trierarchia, trierarchia, de kostbaarste van alle liturgieën, was +de verplichting om een door den staat aangewezen oorlogsschip van +tuig te voorzien, een jaar lang te onderhouden en de bemanning te +werven. De triërarch voerde gewoonlijk het bevel over het door hem +uitgeruste schip en moest ook zorgen voor de uitbetaling der soldij +en de verdeeling der levensmiddelen, die door den staat verstrekt +werden. De kosten beliepen soms een talent. Zie verder symmoriai. + +Trieteris, trieteris, de helft eener pentaëteris, het vierde deel +eener ennaëteris. + +Trifanum, vlek in de buurt van Sinuessa, waar in 340 de tegen Rome +verbonden Latijnen door den consul T. Manlius Torquatus Imperiosus +(Manlii no. 10) verslagen werden. + +Trifolinus ager, vruchtbare landstreek in Campania, rijk aan wijn. + +Triginta tyranni.--1) De 30 tyrannen te Athene, zie triakonta.--2) +Naar het voorbeeld van Trebellius Pollio worden de verschillende +pretendenten naar de rom. keizerskroon, die onder en na het bewind +van den zwakken Gallienus allerwege opdoken, ook met den naam van +30 tyrannen bestempeld. Trebellius Pollio heeft er 32 opgenoemd, +waaronder twee vrouwen, Zenobia en Victoria. Verschillende echter +kunnen niet eens keizers genoemd worden. + +Trilogia, trilogia, z. tetralogia. + +Trimerus, Trimetus, het grootste der Diomedeae insulae, z. a. + +Trinacria, Trinacris, Trinakria, Trinakris = Sicilia. + +Trinobantes, volksstam in Britannia, ten N. van den Theemsmond, +die zich vrijwillig aan Caesar onderwierp. Hoofdstad: Camalodunum +(Colchester). + +Trinundinum of Trinum nundinum, een termijn van drie nundina +of weken van 8 dagen, dus 24 dagen (v. a. een tijd, waarin drie +nundinae (marktdagen) vallen, dus van 17-23 dagen), die voor het +samenroepen der comitia moest in acht genomen worden. Werd de +vergadering bijeengeroepen om te stemmen over een wetsvoorstel, +dan werd dit wetsvoorstel tegelijkertijd bekend gemaakt (promulgatio +rogationis). Zie Caecilia Didia (lex). + +Triobolon, z. dikastikon. + +Triocala, Triokala, sterke bergvesting in W. Sicilia aan de rivier +de Triocala, die ten W. van Heraclea Minoa in zee valt. + +Triones (Septem), ook Septentrio, eig. de zeven ploegossen, z. Arctus. + +Triopas, Triopas, Triops, koning van Thessalië, die naar Carië +verhuisde en daar Cnidus stichtte. Hij liet een heilig woud van +Demeter omhakken om op de plaats een paleis te bouwen. Tot straf werd +hij door een slang gedood en met de slang als Ophiuchus (z. a.) onder +de sterren geplaatst. Hij was de vader van Erysichthon no. 2. + +Triopium, Triopion, kaap in Caria op de Chersonesus Cnidia; hier +werden wedstrijden gehouden ter eere van Apollo Triopius. Zie Cnidus. + +Triphylia, Triphylia, Z. gedeelte van Elis (z. a.). + +Tripolis, Tripolis, 1) stadje in Asia aan den Maeander, op de grenzen +van Phrygia, Lydia en Caria.--2) stad aan de kust van Pontus aan een +gelijknamig riviertje, tusschen Polemonium en Trapezus.--3) stad op +de phoenicische kust, gesticht door de drie steden Sidon, Tyrus en +Aradus, en eigenlijk bestaande uit drie steden, wel zeer dicht bij, +doch niet onmiddellijk aan elkander en elk met haar eigen muren.--4) +thessalisch distrikt met de steden Azorus, Pythium en Doliche, in +het N. van Perrhaebia.--5) arcadisch distrikt met de steden Callia, +Dipoena en Nonacris, in het midden van Arcadia.--6) laconisch distrikt +aan de arcadische grenzen.--7) kust van Libya (Afrika) tusschen de +beide Syrten, met de steden Leptis, Oea en Sabathra. + +Triptolemus, Triptolemos, zoon van Celeüs en Metanira, uitvinder van +den ploeg. Uit dankbaarheid voor de goede ontvangst, die zij bij Celeüs +genoten had, gaf Demeter, nadat hare plannen met Demophon (z. a. no. 1) +mislukt waren, aan Tr. een met draken bespannen wagen en een aantal +graankorrels, met opdracht de kennis van den landbouw over de geheele +aarde te verbreiden. In de vele gevaren, die deze tocht opleverde +(z. Carnabon, Lyncus), genoot hij de bescherming der godin, en toen +hij na zijne terugkomst door zijn vader met den dood bedreigd werd, +dwong zij dezen van de regeering afstand te doen. Tr. volgde hem op +en stelde de Thesmophoria in. Hij had op verscheiden plaatsen altaren +en te Eleusis een tempel.--Soms wordt van hem hetzelfde verhaald als +van Demophon, of wordt hij een zoon van zekeren Eleusis genoemd. + +Tripudium, 1) een godsdienstige wapendans, zooals o. a. de Salii +uitvoerden, hetzij met herhaald driemaal stampen of door telkens drie +passen voorwaarts en dan weder één of twee achteruit te doen.--2) +zie auguria no. 3. + +Triquetra (= driehoekig sc. insula) = Sicilia. + +Tritaea, Tritaia, eene der 12 achaeïsche bondssteden, aan de arcadische +grenzen aan den voet van den Erymanthus. + +Tritea, Triteia, Triteai, stad in Phocis aan de locrische grenzen, +ten N. van den Cephisus. + +Trito, Trito, Tritogeneia, bijnaam van Athena, naar hare geboorteplaats +bij het meer Tritonis in Libye of bij de rivier Triton in Boeotië. + +Triton, Triton, zoon van Poseidon en Amphitrite of Salacia, die +met zijn vader en moeder in een gouden paleis op den bodem der zee +woont. In latere verhalen wordt meestal gesproken van een groot aantal +Tritons, wezens van monsterachtig voorkomen, met een lichaam dat +in een grooten staart uitloopt, groen haar, breeden mond met groote +tanden, schubben en kieuwen, enz. Gewoonlijk hebben zij een groote +schelp in de handen, die zij als trompet gebruiken (T. canorus); +en door welker geluid zij op bevel van Poseidon de onstuimige golven +tot bedaren brengen. + +Tritonia = Trito. + +Tritonis, een van de zoutzeeën in Libye, in de nabijheid van de +kleine Syrte. + +Tritopatores, drie zeer oude daemonen, die in Attica vereerd +werden. Zij worden zonen van Zeus en Persephone genoemd, hunne +namen worden zeer verschillend opgegeven. Soms heeten zij de eerste +schepselen, soms goden van den wind of goden van het huwelijk en +den kinderzegen. + +Trittys, het derde gedeelte eener attische phyle, vóór Clisthenes, +naar het schijnt, hetzelfde als phratria. Clisthenes verdeelde het +grondgebied van Athene in 30 trittyes, 10 in en om de stad, 10 in +Paralia en 10 op het land. Iedere phyle bevatte drie trittyes, eene +van ieder tiental. Vier naukrariai vormden een trittys. + +Triumphus, thriambos. De hoogste eer voor een overwinnend veldheer was, +een zegetocht binnen Rome te mogen houden. Daar hij, op straffe van +zijne aanspraken als imperator (z. a.) te verliezen, niet binnen de +stad mocht komen, verleende de senaat hem gehoor buiten het pomerium, +meest in den tempel van Bellona. Werd het verzoek toegestaan, zoo +had de zegetocht ongeveer op deze wijze plaats. Voorop ging eene +afdeeling cornicines, daarop volgden priesters en offerknechten met +offerdieren met vergulde horens en omkranst, hierachter volgden wagens, +lastdieren en dragers met behaalden buit, goud, zilver, kostbaarheden, +standbeelden, met borden, waarop de namen der veroverde plaatsen, +de gewonnen veldslagen, het getal der gedoode vijanden vermeld +waren. Hierna kwamen de gevangenen geboeid, gevangen vorsten met +hunne familie in hun volle praal met de kroon op het hoofd en met +gouden ketenen gekluisterd, dan de lictoren met omlauwerde fasces, en +achter hen de veldheer op zijn zegewagen. Een beeld der overwinning, +dat achter op zijn zegewagen stond, hield een gouden krans boven +'s veldheer's hoofd. Naast den wagen gingen zijne bloedverwanten en +achter den wagen de staf- en hoofdofficieren, terwijl de troepen den +trein sloten. Tot de bijzonderheden behoort nog, dat op den zegewagen +ook een slaaf stond, die den triumphator gedurig toesprak: Bedenk dat +gij een mensch zijt. De stoet trok de stad door en langs de sacra via +den weg op naar het Capitool. Op het forum splitste zich de stoet, de +gevangenen werden weggevoerd, het leger ging uiteen, de veldheer bracht +in den capitolijnschen tempel een plechtig offer aan Jupiter. Op het +feestmaal, dat den dag besloot, waren ook de consuls genoodigd, doch +dezen verschenen nooit, omdat de etikette dan zou gevorderd hebben, +dat zij, daar hun imperium het hoogste was, als hoofdpersonen de +eereplaats innamen.--Eene ovatio is eene kleine zegepraal, z. a. + +Triumviri, zie tresviri. + +Trivia, bijnaam van Hecate of Diana, als godin der driesprongen. + +Trivicum, een vlek in Z.-Samnium in het land der Hirpini, aan de via +Appia nova. + +Troas, Troas, het land van Troje, het N.W. deel van Mysia, aan den +Hellespont. Het land was golvend, doorsneden door de uitloopers van +het Idagebergte en door de riviertjes Satnioïs, Rhodius, Simoïs, +Scamander, Thymbrius. Vóór de kust lag het eiland Tenedos. + +Trocmi, een der drie gallische stammen in Galatia en wel in het O., +hoofdstad Tavia. + +Troesmis, Troismis, vesting aan den Donau in Moesia Inferior, +tgw. Iglitza. + +Troezen, Troizen, stad in het Z.O. van Argolis, met eene havenstad +Pogon tegenover het eiland Calauria. Oorspronkelijk was de stad +waarschijnlijk ionisch, later dorisch. Theseus was hier geboren +en opgevoed. + +Trogilium, Trogilion, uiterste punt van het voorgebergte Mycale +tegenover Samus. Ook een eilandje, dat daarvoor ligt. + +Trogilus, Trogilos, baai en haven ten N. van Syracuse. + +Troglodytae, Trogodytae, Troglodytai, "holbewoners", zooals men in +verschillende streken der aarde aantrof, in den Caucasus, in Lybia +en elders. In het bijzonder komen onder dezen naam bewoners der +aethiopisch-aegyptische kust aan de Arabische golf voor. + +Trogus (Pompeius), uit een gallisch geslacht, dat door Cn. Pompeius +Magnus het rom. burgerrecht had verkregen, leefde ten tijde van +Augustus en schreef een uitgebreid geschiedkundig werk, waarvan +later Justinus (z. a.) onder den titel Historiae Philippicae een +uittreksel vervaardigde. Ook moet Trogus over natuur- en dierkunde +hebben geschreven. + +Troia, Troie, -a, of Ilium, hoofdstad van Troas, door de Grieken +tien jaar lang belegerd en eindelijk door list genomen en verwoest +(1184). De stad lag in de vlakte tusschen de stroompjes Simoïs +en Scamander. Op den burcht Pergamum (ook -mus en -ma) vond men +tempels van Pallas Athena en Apollo en andere heiligdommen. Slechts +ééne poort is bij name bekend, de Scaeïsche, pylai Skaiai = +linkerpoort. Later is door Aeoliërs een nieuw Troje, novum Ilium, +neon Ilion, gebouwd. Schliemann en Dörpfeld hebben bij Hissarlik +sporen van het oude Troje teruggevonden: van de vele nederzettingen, +die opgegraven zijn, is de zesde van onderen, het homerische Troia, +de belangrijkste. De muren, die nog gedeeltelijk over zijn, stemmen +overeen met die van Tiryns en Mycenae; men vindt er 3 torens, 3 poorten +en een uitvalpoortje.--2) stad in het kustland van Epirus tegenover +Corcyra, door Helenus gesticht.--3) stad in het land der Veneti, +ten N. der Adriatische zee, gesticht door Antenor. + +Troiae (ludus of ludicrum), z. Ludus Troiae. + +Troilus, Troilos, zoon van Priamus of Apollo en Hecabe, uitmuntende +door dapperheid, werd door Achilles gedood. + +Trojaansche oorlog, de oorlog, door de Grieken tegen Troje gevoerd +om de schaking van Helena door Paris (z. a.) te wreken. Hetzij uit +zucht naar roem, hetzij gebonden door een eed (z. Helena), namen de +meeste grieksche vorsten aan den krijgstocht deel en brachten zij +een leger op de been van 100.000 man, dat in 1186 schepen naar Azië +overgebracht werd. Als opperbevelhebber werd Agamemnon verkozen, +nevens hem onderscheidden zich Menelaus, de beide Aiaxen, Diomedes, +Nestor, Odysseus, maar vooral Achilles, aan de zijde der Trojanen en +hun bondgenooten boven allen Hector, verder Aeneas, Sarpedon e. a. Daar +telkens groote afdeelingen van het leger op plundertochten uitgezonden +moesten worden, om in de behoefte aan levensmiddelen te voorzien, +vorderde men met het beleg slechts weinig. In het 10de jaar scheen +de overgave der stad nog even ver verwijderd als bij de aankomst der +Grieken, zelfs scheen zich de krijgskans ten gunste van de Trojanen +te wenden, toen Achilles, door Agamemnon beleedigd (z. Briseis) +zich een tijd lang aan den strijd onttrok. Maar toen hij, om den +dood van Patroclus te wreken, zich weder onder de strijders mengde, +viel Hector reeds denzelfden dag onder zijne handen, en hoewel +hijzelf ook kort daarna sneuvelde, was nu het lot der belegerde +stad beslist. Eerst werden ingevolge orakelspreuken Neoptolemus en +Philoctetes naar het oorlogstooneel gehaald en het Palladium geroofd, +en toen ook nu nog geweld niets vermocht, nam men list te baat. Het +grieksche leger trok in schijn af, maar liet een groot houten paard, +door Epeus vervaardigd, achter, waarin zich Odysseus met een aantal +strijders verborgen hielden. Door zekeren Sinon (z. a.) lieten de +Trojanen zich, hoewel tegen den raad van velen hunner, overreden +het houten paard binnen de muren te halen, des nachts kwamen de +Grieken uit het paard te voorschijn en openden de poorten voor het +inmiddels teruggekeerde leger, waarop de stad verwoest en de meeste +inwoners gedood werden.--De trojaansche oorlog en de lotgevallen +der grieksche helden op hun terugtocht naar het vaderland hebben +aan Homerus en de cyclici rijke stof voor hunne gedichten geleverd, +en zijn daardoor de meest algemeen bekende gebeurtenissen uit het +grieksche heldentijdperk geworden. + +Tropaeum, tropaion, een zegeteeken, door een leger op het slagveld +opgericht, wanneer het de vijanden op de vlucht geslagen had. Door +na den slag de oprichting van een tropaeum toe te laten en verlof te +vragen om de gesneuvelden van het slagveld te halen en te begraven, +erkende men als het ware de nederlaag geleden te hebben. Het +tropaeum bestond uit een hoop buitgemaakte wapenen soms aan een +boomstam opgehangen, waaraan men vooraf min of meer een menschelijke +gedaante gegeven had. In latere tijden waren tropaea in het algemeen +gedenkteekenen, ter eere eener overwinning of van een overwinnaar +opgericht. + +Trophonius, Trophonios, broeder van Agamedes (z. a.). Oorspronkelijk +is hij geen heros, maar een orakelgod (v. d. ook Zeus Trophonios +geheeten), die evenals Amphiaraus (z. a.) in een onderaardsch hol +huist. Hij had een orakel in een hol nabij Lebadea, dat vooral in +latere tijden in hoog aanzien stond. Na verscheiden dagen van vasten, +reinigingen, enz., werd men des nachts met een honigkoek in de handen +in dit hol nedergelaten, en kreeg men daar in den slaap de gevraagde +openbaringen. + +Tros, Tros, 1) zoon van Erichthonius no. 2 en Astyoche, naar wien +de stad Troje genoemd is. Hij was de vader van Ilus, Assaracus en +Ganymedes.--2) Trojaan, door Achilles gedood. + +Trosmis, Trosmis, = Troesmis. + +Trossuli, v. s. een woord van etruscischen oorsprong = equites. Het +verdrong voor de ridders in actieven dienst het woord celeres en +was ten tijde der Gracchen nog in gebruik. In later tijd beteekent +trossulus een fat, een pronker.--Een plaatsje Trossulum komt in +Etruria voor, ten Z. van Volsinii. + +Trotilum, Trotilon, stadje op Sicilia, ten N. van Syracuse, aan +de kust. + +Truentum, stad in Picenum aan den mond van den Truentus, de rivier +die langs Asculum stroomt. De stad heet ook castrum of castellum +Truentinum. + +Trutulensis portus, haven op de kust van Britannia, van waar Agricola +uitvoer om het eiland rond te varen, ten N. van de Firth of Forth. + +Tryphon, Tryphon, 1) veldheer van Alex. Balas, verdedigde de +aanspraken op de regeering van diens zoon Antiochus VI tegen +Demetrius Nicator. Later liet hij Antiochus vermoorden en besteeg +hij zelf den troon (142), wat de Rom., door zijne schitterende +geschenken bewogen, oogluikend toelieten. Toen echter Antiochus +Sidetes door de Rom. begunstigd werd, moest Tr. vluchten, hij ging +naar Armenië, waar hij weldra den dood vond (137). Zijn eigenlijke +naam was Diodotus, Tr. werd hij genoemd om zijn weelderig leven.--2) +bijnaam van Ptolemaeus IV.--3) aanvoerder in den slavenopstand op +Sicilia van 104; zijn eigenlijke naam was Salvius. Na zijn dood werd +zijn onderaanvoerder Athenio (z. a.) zijn opvolger.--4) grammaticus in +Alexandria, ten tijde van Augustus, schrijver van verscheiden werken +over grieksche dialecten.--5) uitgever van de gedichten van Martialis. + +Trysa, Trysa, stad in het Z. van Lycië, in het binnenland, in de +nabijheid van Myra, met het uit de 4de eeuw stammende Heroon, Heroon, +van Gjölbaschi, waarvan het beeldhouwwerk naar Weenen is overgebracht. + +Tuba, een metalen blaasinstrument, recht van vorm op de wijze eener +bazuin of lange spreektrompet. Zij gaf een dieperen klank dan de +gebogen hoorn. + +Tubantes, een germaansch volk, bevriend met de Cheruscers, dat +zijn naam heeft nagelaten in Twente (= Tubantia) in Overijsel. Ten +tijde van Germanicus waren zij naar de streek tusschen Lippe en Ruhr +verhuisd en trokken nog verder Z.O.waarts. Zij losten zich op in den +bond der Franken. + +Tubero, familienaam in de gens Aelia. + +Tubertus, familienaam in de gens Postumia. + +Tubilustrium, de vijfde of laatste dag der Quinquatrus (z. a.), waarop +de tubae der tubicines sacrorum gewijd werden, omdat de tuba aan +Minerva geheiligd was. Een ander tubilustrium wordt op 23 Mei vermeld. + +Tucca, familienaam in de gens Plotia. + +Tuder, oude stad in Umbria, rom. kolonie op een heuvel aan den Tiber. + +Tuditanus, familienaam in de gens Sempronia (Sempronii no. 18-21). + +Tuisco, god en stamvader der Germanen, uit de aarde geboren. + +Tulingi, volksstam in Gallia, naburen der Helvetii. + +Tullia, de gemalin van Tarquinius Superbus, de ontaarde dochter van +Servius Tullius, die over haars vaders lijk zou gereden zijn. Zie +over andere van dezen naam het art. Tullii. + +Tulliae (leges) van M. Tullius Cicero, consul in 63. 1) de ambitu, +tot verscherping der bestaande strafbepalingen. O. a. verbood deze +wet, binnen den termijn van twee jaar voor het dingen naar eenig +ambt zwaardvechtersspelen aan het volk te geven, tenzij om aan +testamentaire bepalingen te voldoen. De straf na veroordeeling was +tienjarige ballingschap.--2) de liberis legationibus, waarbij de duur +er van tot een jaar werd beperkt, zie legatio libera. + +Tullianum, ondergrondsch kerkergewelf, dat slechts licht en toegang +had door eene opening in de zoldering. Zie carcer. + +Tullii, een oud geslacht, althans 1) M. Tullius werd onder +Tarquinius Superbus met verdrinking gestraft wegens het mededeelen van +geheimen.--2) M'. Tullius Longus, consul in 500.--3) M. Tullius Cicero, +die dezen bijnaam kreeg wegens het verbouwen en verkoopen van erwten, +een man van strenge, ouderwetsche zeden, was de grootvader van den +redenaar. Hij stierf in 106, kort na diens geboorte.--4) M. Tullius +Cicero, zoon van no. 3, woonde deels te Rome, deels te Arpinum. Hij +was een wetenschappelijk man, die zich aan de opvoeding zijner zoons +veel liet gelegen liggen.--5) M. Tullius Cicero, zoon van no. 4, +werd den 3den Jan. 106 op een landgoedje bij Arpinum geboren. Hij +genoot van den dichter Archias (zie Licinii no. 37) onderwijs in de +letteren, en later van den rechtsgeleerde Q. Mucius Scaevola (zie +Mucii no. 6) in de studie van het recht. Ook de redenaar L. Licinius +Crassus (zie Licinii no. 12) had nog een aandeel in de vorming van +den jongeling en hield een oog op diens opvoeding, doch overleed, +toen Cicero eerst 15 jaar was. In de philosophie volgde Cicero de +lessen van den epicurist Phaedrus, vervolgens van den academischen +wijsgeer Philo van Larisa, die in 88 naar Rome was gekomen, en van +den stoicijn Diodotus, in de welsprekendheid die van den griekschen +rhetor Molo (zie Apollonius no. 3). Na ernstige, onverpoosde oefening +trad hij in 81 in een civiel proces voor P. Quinctius op en in 80 in +eene causa publica voor Sex. Roscius van Ameria (zie Roscii) tegen +Sulla's vrijgelatene en gunsteling Chrysogonus. Wegens redenen van +gezondheid ondernam hij nu eene reis naar Griekenland, en vertoefde een +paar jaren (79-77) te Athene, in Klein-Azië en op Rhodus, en hoorde +de lessen van den academicus Antiochus van Ascalon (zie Antiochus +no. 21), den epicurist Zeno (z. Zeno no. 5), den rhetor Demetrius +Syrus (zie Demetrius no. 10), den stoicijn Posidonius (z. a.) en +zijn vroegeren leermeester Molo. Geoefend en hersteld kwam hij te +Rome terug en werd in 75 quaestor te Lilybaeum op Sicilia, in welke +betrekking hij het bewijs gaf van onkreukbare eerlijkheid en zich ook +jegens Rome verdienstelijk maakte door bij de heerschende schaarschte +voor ruimen toevoer van koren uit Sicilia te zorgen. In 70 nam hij het +proces op zich tegen C. Verres (z. a.), ofschoon deze den steun genoot +der machtige Metelli (zie Caecilii no. 19, 20 en 21) en verdedigd +werd door den beroemden pleiter en consul designatus Q. Hortensius +Hortalus (zie Hortensii no. 3). In 69 was Cicero curulisch aediel, +in 66 praetor (repetundarum), in 63 consul. In dien tusschentijd +hield hij zijne studiën bij en trad hij bij herhaling als redenaar +en pleiter op. Als praetor hield hij de oratio de imperio Cn. Pompei +(pro lege Manilia). Als consul gelukte het hem, de samenzwering van +Catilina (z. Sergii) te onderdrukken, wiens medeplichtigen hij, als op +heeterdaad betrapt (zie o. a. Cornelii no. 48), zonder vorm van proces +ter dood liet brengen. De senaat kende hem den eerenaam pater patriae +toe, doch in 58 werd hij door den woelzieken volkstribuun P. Clodius +Pulcher (zie Claudii no. 17) met eene uitsluitend tegen hem gerichte +wet getroffen (zie Clodiae leges no. 5) en moest hij in ballingschap +gaan, terwijl zijn huis door het volk werd omvergehaald. De lex +Cornelia van den consul P. Corn. Lentulus Spinther riep hem in 57 +terug; zijn huis werd op kosten van den staat herbouwd. Vooreerst +trok Cicero zich nu van de staatszaken terug; in 52 verdedigde hij +T. Annius Milo, beschuldigd wegens den moord van Clodius, doch zonder +gunstig gevolg; in 51 werd hij zeer tegen zijn zin als proconsul +naar Cilicia gezonden. Bij zijne terugkomst brak juist de strijd uit +tusschen Caesar en Pompeius; na lange aarzeling koos Cicero de partij +van den laatste. Na den slag bij Pharsalus en Pompeius' dood ontving +hij zijdelings van Caesar eene uitnoodiging om terug te keeren en +werd met welwillendheid en voorkomendheid ontvangen. Huiselijk leed +en droefheid over den ondergang der republiek bogen Cicero ter neder +en hij trok zich op zijne landgoederen terug, waar hij in de studie +der wijsbegeerte troost zocht. Na Caesars dood evenwel (44) meende +hij, dat er een nieuwe dag van vrijheid zou aanbreken en kantte hij +zich met hevigheid (in zijne zoogenaamde orationes Philippicae) +tegen de willekeurige handelingen van Antonius (no. 4). Toen nu, +wat Cicero niet schijnt verwacht te hebben, Octavianus en Antonius +de handen ineensloegen en zich met Lepidus tot IIIviri rei publicae +constituendae lieten benoemen (43), was ook Cicero's lot beslist, hij +werd vogelvrij verklaard; dit bericht ontving hij op zijn landgoed bij +Tusculum, hij maakte zich wel op tot de vlucht, doch werd onderweg +nabij zijn Formianum door ruiters onder den krijgstribuun Popilius +Laenas, dien Cicero vroeger in een proces met goed succes verdedigd +had, achterhaald en, toen hij zijn hoofd buiten den draagstoel stak, +door den centurio Herennius doorstoken (Dec. 43). Hoofd en hand +werden hem afgehouwen en op last van Antonius aan de rostra te Rome +genageld. Cicero is tweemaal gehuwd geweest, doch van beide vrouwen +gescheiden, van Terentia (zie Terentii no. 8) om geldelijke redenen, +van Publilia (zie Publilii no. 4) wegens verschil van leeftijd en +aard. Uit zijn eerste huwelijk had hij een zoon en eene dochter, +die vóór hem stierf en wier dood hij zich sterk aantrok. Cicero is +voorzeker de grootste redenaar der Rom. geweest, als staatsman was +hij niet zelfstandig genoeg; in voorspoed kinderachtig ijdel, was +hij in tegenspoed zwak en terneergeslagen. Hij was de eerste zijner +familie, die een curulisch ambt bekleedde, een homo novus. Ofschoon +uit eene ridderlijke familie, was hij bij zijn optreden niet rijk, +hij verwierf zich echter (steeds door eerlijke middelen) een groot +vermogen, zoodat hij niet slechts een prachtig huis te Rome bezat, +maar ook verschillende landgoederen, waarvan zijn Tusculanum het +meest bekende is. Zijne werken zijn van verschillenden aard: a) +redekundige werken: Brutus de claris oratoribus (in 46 uitgegeven), +Orator, een beeld van den idealen redenaar (46), de Oratore (55), +en een paar kleinere werkjes. Van zijne redevoeringen, omstreeks 120 +in getal, is de grootste helft geheel of grootendeels bewaard. b) +staatkundige werken zijn de Republica (54), en de Legibus (51). c) +zedekundige werken: de Officiis (44), Cato maior de senectute (44), +Laelius de amicilia (44). d) wijsgeerige geschriften: Academica, de +Fato, de Finibus bonorum et malorum (45), Tusculanae disputationes +of quaestiones (44). e) den eeredienst betreffende: de Natura deorum +en de Divinatione (44). f) Zijne uitgebreide correspondentie is na +zijn dood door zijn vrijgelatene Tiro (z. a.) uitgegeven en vormt +de volgende bundels: Epistulae ad diversos of ad familiares (16 b.), +ad Atticum, met wien hij tijdens zijn verblijf te Athene eene innige, +levenslange vriendschap had gesloten (16 b.), ad Q. fratrem (3 b.), ad +M. Brutum (2 b.) en één brief ad Octavium. Veel van hem, ook gedichten +en grieksche geschriften, is verloren gegaan.--6) Tullia, de innig +geliefde dochter van no. 5, geb. in 76, eerst verloofd met Piso Frugi +(zie Calpurnii no. 11), later (50) gehuwd met den lichtmis Dolabella +(zie Cornelii no. 38), welk huwelijk in 46 ontbonden werd; ze stierf +in 45. Haar vader noemt haar effigies oris, sermonis, animi mei, ook +deliciae nostrae. Na den dood van Piso (57) is Tullia ook een tijd +lang verloofd geweest met Furius Crassipes.--7) M. Tullius Cicero, +zoon van no. 5, veroorzaakte door zijne lichtzinnige leefwijze zijn +vader veel zorg en kommer. Aan zijne opvoeding werd de meeste zorg +besteed; hij hoorde de beroemdste wijsgeeren en rhetoren. Na den slag +bij Philippi (42), waarin hij onder Brutus diende, sloot hij zich bij +Sex. Pompeius aan, doch hij verzoende zich later met Octavianus en werd +in 30 consul.--8) L. Tullius Cicero, broeder van no. 4 en dus een oom +van den redenaar, en zijn zoon, ook L., wijdden zich ook aan de studie +van welsprekendheid en wetenschappen.--9) Q. Tullius Cicero, jongere +broeder van no. 5, aediel in 65, praetor in 62 en daarna (61-58) +propraetor in Asia, diende 54-52 onder Caesar in Gallia als legaat en +in 51 in Cilicia onder zijn broeder. In 48 streed hij bij Pharsalus aan +de zijde van Pompeius. In 43 vielen hij en zijn zoon als slachtoffers +der driemannen. Q. hield zich, evenals zijn beroemde broeder, met +litterarische studiën bezig; hij schreef annales en tragoediae. Nog +over is een verhandeling de petitione consulatus. De zoon, ook Q., +was meer op de hand van Caesar geweest. Op zijn gedrag was veel aan te +merken en zijne wispelturigheid was oorzaak, dat hij, zoodra hij zich +teleurgesteld zag, van de eene partij naar de andere overliep.--10) +Er komen nog verschillende Tullii voor, M. Tullius Decula, consul in +81, L. Tullius, een van Cicero's legaten in Cilicia en een vriend van +Atticus, e. a. Over Cicero's vrijgelatene M. Tullius Tiro, zie Tiro. + +Tullius (v. a. Iulius) Valentinus, aanvoerder der Treviri in den +opstand tegen Domitianus, door de Rom. gevangen genomen en ter dood +gebracht. + +Tullum, hoofdstad der Leuci, tgw. Toul. + +Tullus, familienaam in de gens Volcatia. + +Tullus Hostilius, derde koning der Rom. (679-640), breidde door +gestadige oorlogen zijn gebied uit (o. a. onderwerping van Alba Longa, +na den strijd der Curiatii, later verwoesting der stad en straf van +Mettius Fuffetius). Volgens de sage werd hij door den vertoornden +Jupiter Elicius, dien hij door bezweringen wilde dwingen, met den +bliksem getroffen. + +Tumultus, alarm, plotseling oorlogsgevaar door onverhoedschen aanval, +een niet vooraf aangekondigde oorlog, akeryktos polemos, ook een +plotseling oproer. Milites tumultuarii, in haast bijeengeraapte +soldaten, ongeregelde troepen. + +Tunes, gen. -etis, Tunis, Tynes, versterkte stad ten W. van Carthago, +aan den mond eener thans geheel verdwenen rivier. Door aanslibbing +en duinvorming is Tunis thans geheel van de zee afgesloten geraakt. + +Tungri, germaansch volk in Belgica, waarschijnlijk ontstaan uit de +samensmelting van Eburonen, Aduatucers en andere stammen tusschen +Scaldis (Schelde) en Mosa (Maas). Hoofdstad: Aduatuca, later Tungri +geheeten (Tongeren in belgisch Limburg), waarschijnlijk verschillend +van het Aduatuca, bij Caesar vermeld (z. a.). + +Tunica, chiton (z. a.), het onderkleed bij de Rom., een soort van +hemd. Men onderscheidde de tunica interior of subucula, het onderhemd, +en het indusium of intusium, dat over het andere werd gedragen. De +vrouwen droegen om het middel een gordel. Men had dit kleedingstuk +in verschillende lengten, met en zonder mouwen, terwijl men bij koud +weder er zelfs nog meer dan twee over elkander kon aantrekken, Augustus +droeg er soms vier. De mannen in huisgewaad en de arbeiders aan het +werk droegen slechts de tunica, geen toga. De senatoren droegen eene +tunica met breede purperstreep van voren van den hals tot aan den zoom +(latus clavus, tunica laticlavia), de ridders eene met twee smalle +strepen (angustus clavus, tunica angusticlavia). + +Turdetani, Tourditanoi, voornaam volk in Baetica, aan beide oevers +van den Baetis (Guadalquivir), ongeveer van den Singulus (Xenil) tot +in het Z. van Lusitania (Portugal). Zij waren zeer beschaafd, hadden +geschiedboeken, dichtkunst, beoefenden wetenschappen, enz. Zij waren +geen krijgshaftig volk. Voornaamste stad: Hispalis (Sevilla). Zie +Tartessus. Ook over de Zuidkust van Lusitania (den Cuneus) zijn ze +verbreid. Verder komen er Turdetani voor in de omstreken van Saguntum, +die echter door sommige schrijvers Torboleti genoemd worden. + +Turduli, Tourdouloi, volk in Baetica, verwant met de Turdetani en +oostwaarts van hen wonende. Voornaamste stad: Corduba (Cordova). Zie +Tartessus. + +Turia, kustrivier in het O. van Tarraconensis, die door het gebied +der Edetani liep en bij Valentia in zee viel; thans de Guadalaviar. + +Turma, oorspronkelijk een afdeeling van 30 man rom. ruiterij, in 3 +decuriën verdeeld en onder 3 decuriones, van wie de eerste de geheele +turma kommandeerde; later eene schaar, een escadron ruiterij uit de +auxilia, zonder bepaalde getalsterkte. + +Turnus, 1) zoon van Daunus en Venilia, kleinzoon van Danaë, koning +der Rutuliërs. Lavinia, de dochter van Latinus, was met hem verloofd, +en toen nu haar vader hare hand aan Aeneas schonk, trachtte T. zich +met geweld van wapenen hierover te wreken. Hij voerde den oorlog +met groote dapperheid, maar viel eindelijk in een tweegevecht tegen +Aeneas.--2) rom. satirendichter onder en na Nero, die door lateren +met lof vermeld wordt. + +Turones of -ni, volk in Gallia aan den Liger (Loire), met de hoofdstad +Caesarodunum (Tours). + +Turpilii. 1) Sex. Turpilius, rom. blijspeldichter, een tijdgenoot van +Terentius, die ook grieksche modellen, vooral Menander, volgde. Van +15 zijner stukken zijn fragmenten over. Hij overleed in 103.--2) +T. Turpilius Silanus was praefectus fabrum in 108 onder Q. Caecilius +Metellus (Numidicus). Bij de verovering van Vaga door Jugurtha was +hij de eenige Romein, die gespaard bleef; hij werd daarom later van +verraad beticht en ter dood gebracht. + +Turpio, zie Ambivius. + +Turrigera, Turrita, bijnaam van Rhea Cybele, naar de muurkroon, +waarmede zij gewoonlijk afgebeeld wordt. + +Turris, 1) ambulatoria, belegeringstoren, zooals de Rom. in den regel +bouwden, wanneer zij voor eene stad het beleg hadden geslagen. Zij +hadden onderscheiden verdiepingen, inwendig door trappen verbonden, +met eene valbrug en met borstweringen, zooals dit beschreven is +bij Helepolis. Zij waren op raderen of op rollen en waren dus +verplaatsbaar, vandaar de naam.--2) als eigennaam, b.v. Turris +Stratonis = Caesarea Palaestinae, Turris Hannibalis op de Oostkust +van het carthaagsche gebied. + +Tuscia, Tusci = Etruria, Etrusci. + +Tusci, villa van Plinius Secundus (minor), zie Tifernum no. 1. + +Tusculum, thans Frascati, sterke latijnsche stad, ten O.Z.O. van Rome +op een hoogen rug van den mons Algidus gelegen, volgens de mythe door +Telegonus, zoon van Ulysses en Circe, gesticht, reeds vroeg (380, +v. a. echter eerst 338) rom. municipium. In den omtrek waren tal van +buitenplaatsen van rom. grooten, o. a. had Cicero er zijn Tusculanum. + +Tuscus (vicus), eene straat te Rome, die van het Velabrum naar het +forum Romanum (Zuidzijde) liep. + +Tusdra = Thysdrus. + +Tutanus Rediculus, zie Rediculus Tutanus Deus. + +Tutela. Bij de rom. tutela onderscheidt men de tutela impuberum +en de tutela muliebris. De eerste wordt uitgeoefend over kinderen +beneden 15 jaar. De voogd had alleen het beheer over het vermogen +van den pupil, maar niet krachtens zijne voogdij het bestuur over de +opvoeding. Het volledig geldelijk beheer heet gestio en had plaats +zoolang de pupil niet ouder dan 7 jaar was, doch dan verkreeg de +pupil zelf bevoegdheden, mits onder bekrachtiging (auctoritas) van den +voogd. De tutela mulierum was van anderen aard. Daar eene vrouw geene +rechtspersoonlijkheid had, had eene, die niet in potestate patris, noch +in manu mariti was, een tutor noodig, wiens bekrachtiging (auctoritas) +vereischt werd bij handelingen, die in rechten geldig moesten zijn, +b.v. vervreemding van res mancipi, het maken van een testament, +het aangaan van een huwelijk door confarreatio en coëmptio. De +vestaalsche maagden, als zijnde sui iuris, waren vrij van tutela, +evenzoo die vrouwen (sedert Augustus), die volgens de lex Iulia et +Poppaea het ius liberorum hadden. De voogdij was een recht van den +naasten bloedverwant (proximus agnatus), tenzij de overledene bij +testament er anders over beschikt had. Daar de agnatenvoogdij voor +beide partijen somtijds veel onaangenaams had, verzon men een middel +om daaraan te ontkomen. Men kon de voogdij overdoen, b.v. door eene +in iure cessio voor den praetor, de nieuwe voogd heette dan tutor +cessicius. Doch ook de coëmptio per aes et libram liet zich er op +toepassen, de vrouw ging dan door coëmptio in de macht van een ander, +een emptor fiduciarius, over, doch niet om te huwen--want de coëmptio +op zichzelve zonder nuptiae constitueerde nog geen huwelijk. De +emptor had nu de vrouw in mancipio en kon haar vrijlaten en haar +haar vermogen in eigen beheer laten. Dit is de coemptio cum extraneo +fiduciae causa.--Eene tutela is dativa, wanneer bij testament een voogd +is aangewezen, optiva, wanneer de vrouw er zelve een mocht kiezen. Was +er geen rechthebbende op de voogdij, dan benoemde de praetor urbanus +onder medewerking van de grootste helft der volkstribunen een voogd +(tutela Atiliana, zie lex Atilia en lex Iulia Titia). + +Tutunus (Mutunus), zie Mutinus Tutunus. + +Tyana, ta Tyana, oude, sterke stad in het Z.W. van Cappadocia aan den +voet van den Taurus gelegen, aan den weg naar de Ciliciae portae. Het +was de geboorteplaats van Apollonius no. 7. Misschien is dit wel +dezelfde stad, die elders Dana (z. a.) of Thoana heet. + +Tyche, Tyche, of Fortuna, dochter van Oceanus en Tethys of van Zeus +en Promethea, godin van toeval en geluk. Zij wordt afgebeeld met +verschillende attributen: gewoonlijk heeft zij een muurkroon op het +hoofd en een horen van overvloed in de hand, soms heeft zij een roer +of een bol in de handen of staat zij op een bol.--In latere tijden werd +zij op verschillende plaatsen als beschermster van den staat vereerd. + +Tyche, Tyche, een der onderdeelen van de stad Syracusae (z. a.). + +Tydeus, Tydeus, zoon van Oeneus en Periboea, moest wegens een moord +uit zijn vaderland vluchten. Hij ging naar Argos, waar Adrastus hem +van den moord reinigde en hem zijne dochter Deipyle ten huwelijk +gaf. Met Adrastus (z. a.) ondernam hij nu den tocht tegen Thebe, +waar hij zich door groote dapperheid onderscheidde; eens doodde hij +alleen 50 Thebanen, die hem een hinderlaag gelegd hadden, alleen hun +aanvoerder Maeon liet hij in leven. Hij werd door Melanippus doodelijk +gewond, en toen hij op het punt was te sterven, verscheen Athena om +hem met goedvinden van Zeus onsterfelijk te maken. Amphiaraus echter +hieuw Melanippus het hoofd af en bracht dit aan T., die het doorsneed +en het vleesch of de hersens verslond. Vol afschuw over zoo groote +ruwheid wendde Athena zich af en liet hem sterven. Hij werd door +Maeon begraven. + +Tydides, Tydeides, Diomedes, zoon van Tydeus. + +Tyle, Tyle, stad in het N. van Thracia, aan de Z.-zijde van den Haemus. + +Tylus, Tylos, eiland in de Arabische golf nabij de arabische kust, +met parelvisscherij. + +Tympaneae, Tympaneai = Typaneae. + +Tymphe, Tymphe, gebergte in het N.O. van Epirus, evenwijdig aan de +macedonische grens loopende. Het achterliggende land heette Tymphaia, +de bewoners Tymphaioi. + +Tymphrestus, Tymphrestos, gebergte op de grenzen van Aetolia en het +gebied der Dolopes, met de bronnen van den Spercheus. Het verbindt +den Oeta met den Pindus. + +Tyndareüs, Tyndareos, -reos, zoon van Perieres en Gorgophone of van +Oebalus en Batea, werd door zijn broeder Hippocoon uit Sparta verdreven +en vluchtte naar Aetolië, waar koning Thestius hem zijne dochter Leda +ten huwelijk gaf, bij wie hij vader werd van Castor, Pollux, Helena, +Clytaemnestra e. a. (z. Leda). Hij werd door Heracles op den troon +van Sparta hersteld, en toen Castor en Pollux onder de onsterfelijken +waren opgenomen, gaf hij de regeering aan zijn schoonzoon Menelaus, +of v. a. liet hij zijn rijk uit dankbaarheid aan Heracles. + +Tyndarides, Tyndarides, Castor en Pollux, zonen van Tyndareüs. + +Tyndaris, Tyndaris, Helena en Clytaemnestra, dochters van Tyndareüs. + +Tyndaris of -rium, Tyndaris, Tyndarion, stad op de Noordkust van +Sicilia, ten W. van Messana, omstreeks 400 door Grieken gesticht, +later gedeeltelijk door de zee verzwolgen. + +Typaneae, Typaneai, stad in Elis Triphyliaca, ten N. van Pylus, +bij de grens van Arcadia. + +Typhoeus, -phon, Typhoeus, -phos, -phon, -phaon, jongste zoon van +Tartarus en Gaea, een verschrikkelijk monster met 100 vuurspuwende +drakekoppen, fonkelende oogen en geweldige stem, zoo groot, dat hij +met het hoofd tot aan de sterren reikt. Bij Echidna (z. a.) was hij de +vader van een aantal monsters. Hij deed een aanval op de goden om hun +de heerschappij der wereld te ontnemen, en daar zij zich niet tegen +hem opgewassen achtten, vluchtten zij naar Aegypte, waar zij zich +verborgen hielden of de gedaante van dieren aannamen. Alleen Zeus +durfde den strijd aangaan, maar T. overwon hem, sneed hem de pezen +van handen en voeten uit, en legde hem daarop in een hol in Cilicië; +Hermes en Pan roofden echter de pezen en brachten ze weder in het +lichaam van Zeus, waarop deze zich oprichtte, T. met den bliksem +(Typhoia tela) verpletterde en in het land der Arimi in Cilicië onder +den grond bedolf, of hem tot in Sicilië vervolgde, waar hij eindelijk +den Aetna (Typhois Aetna) op hem wierp. + +Tyrannio, Tyrannion, 1) eigenlijk Theophrastus, grieksch grammaticus +van Amisus, werd door Lucullus als krijgsgevangene uit den +mithradatischen oorlog naar Rome gebracht, doch werd later vrijgelaten +en verwierf door zijn onderwijs roem en rijkdom. Hij ordende ook +de bibliotheek van Apellicon (z. a.), die door Sulla naar Rome was +overgebracht.--2) eigenlijk Diocles, een Phoeniciër, leerling van den +vorigen. Hij was slaaf geweest van Terentia, de vrouw van Cicero, +en stond ook later nog met Cicero in betrekking. Hij maakte vooral +veel studie van de werken van Aristoteles, waarover hij verscheiden +werken schreef. + +Tyras, Tyras, 1) later ook Danastris, riv. van Sarmatia, thans +Dniëster.--2) stad aan den mond daarvan, thans Akkierman. Zie Tyritae. + +Tyriaeum, Tyriaion, stad in Lycaonia, nabij de phrygische grenzen. + +Tyrii, Tyrioi, 1) de inwoners van Tyrus.--2) bij rom. dichters de +Carthagers, als van tyrischen oorsprong, zie Dido. + +Tyritae, Tyritai, milesische kolonisten aan den mond van den Tyras. + +Tyro, Tyro, dochter van Salmoneus en Alcidice, bij Poseidon moeder +van Pelias en Neleus (z. Enipeus), bij Cretheus van Aeson, Pheres +en Amythaon. + +Tyrrheni, Tyrseni, Tyrrenoi, Tyrsenoi, z. Etruria. Op Lemnus en +Imbrus komt een volksstam voor, die door de Grieken Tyrseni genoemd +werd. Herodotus noemt dezen echter Pelasgi. + +Tyrrhenia, Tyrrenia = Etruria. Tyrrhenum mare = mare inferum, de +Tyrrheensche of Toscaansche zee. + +Tyrrhenus, Tyrrenos, Tyrs., zoon van den lydischen koning Atys, +bracht eene pelasgische kolonie uit Lydië naar Italië en gaf zijn +naam aan Tyrrhenië (Etrurië); v. a. is hij een zoon van Heracles en +Omphale of van Telephus en eene Amazone Hiera. + +Tyrrh(e)us, herder van koning Latinus. Ascanius doodde op de jacht +een tam hert, dat aan T. behoorde, wat aanleiding gaf tot den oorlog +tusschen Aeneas en de Latijnen. In de hut van T. werd Silvius, de +zoon van Aeneas en Lavinia geboren. + +Tyrtaeus, Tyrtaios, elegisch dichter, die ten tijde van den tweeden +messenischen oorlog te Sparta leefde. Hij wordt soms een Spartaan of +een Milesiër genoemd, maar volgens het meest bekende, doch weinig +geloofwaardige, verhaal was hij een Athener. De Spartanen zouden +namelijk van het delphische orakel den raad gekregen hebben, te Athene +een aanvoerder tegen de Messeniërs te vragen, waarop de Atheners hun +T., een kreupelen schoolmeester, zouden gezonden hebben, die echter +door zijne liederen den gezonken moed der Spartanen deed herleven, +zoodat de krijgskans spoedig keerde. De gedichten van T. werden +langen tijd door de Spartanen en andere Doriërs hoog in eere gehouden, +wij bezitten er van nog slechts weinige overblijfsels. + +Tyrtamus, Tyrtamos, de oorspronkelijke naam van Theophrastus. + +Tyrus, Tyros, de meest vermaarde stad van Phoenicië, overvleugelde hare +moederstad Sidon. De stad lag eerst op het vasteland, doch op zekeren +tijd bouwden de Tyriërs eene nieuwe stad (in het O. T. Zor genaamd = +rotsen) op de vóór de kust liggende eilandjes, die door koning Hiram +reeds door een dam onderling verbonden waren. De stad is belegerd door +den Assyrischen koning Salmanezer IV (727-723), en toen is Oud-Tyrus, +Palaityros, ingenomen. Door Sanherib (705-682) is ook Tyrus zelf +ingenomen en schatplichtig geworden. Na den val van Niniveh kwam het +in de macht van Nebukadrezar. Het stond toen op met al de naburige +staten, en werd 13 jaar (586-573) te vergeefs belegerd. Later kwam het +onder Perzische heerschappij, maar bleef nu bloeiend. Ook Palaetyrus +bleef als voorstad van Nieuw-Tyrus bestaan. In 387 werd Tyrus door +Euagoras no. 1 stormenderhand ingenomen. Alex. de Gr. belegerde Tyrus +7 maanden lang, en wierp een zwaren dam door de engte, die Nieuw-Tyrus +van het vasteland scheidde. In 332 nam hij de stad in en beval niemand +te sparen behalve hen die in de tempels de wijk hadden genomen; 2000 +Tyriërs werden gekruisigd, 30000 werden als slaven verkocht, doch de +Sidoniërs wisten nog 15000 aan boord hunner schepen te bergen en te +redden. Wel herstelde Tyrus zich gedeeltelijk van den slag en bleven +de purperververijen, weverijen en metaalfabrieken bloeien, ook onder +rom. heerschappij, doch het kreeg in Alexandria eene mededingster, die +het in de schaduw stelde. De dam, door Alexander aangelegd, is door +aanslibbing eene landengte geworden. Van de tyrische volkplantingen +is Carthago de beroemdste geworden. + + + + + + +U. + + +Ubii, germaansch volk, met de Rom. bevriend en bij hunne naburen, de +Sueven, gehaat, op den rechter Rijnoever van den Laugona (Lahn) tot +beneden het tegenw. Keulen. Octavianus liet hen in 38 door zijn legatus +pro praetore M. Vipsanius Agrippa naar den linkeroever overbrengen, +waar hun oppidum Ubiorum later (50 n. Chr.) den naam Colonia Agrippina +(z. a.) kreeg, waarna zij zelven Agrippinenses werden geheeten. De +hun ingeruimde grond behoorde vroeger aan de Treveri. + +Udaeus, Oudaios, een van de Sparten, z. Cadmus. + +Ufens, riviertje in Latium, dat met den Amasenus vereenigd nabij +Tarracina in zee valt en door gebrekkige uitwatering de pomptijnsche +moerassen heeft gevormd. De een noemt den Ufens een zijtak van den +Amasenus, de ander juist omgekeerd. + +Ulixes, Ulysses = Odysseus. + +Ulpia Traiana, zie Castra Vetera. + +Ulpia Noviomagus, zie Noviomagus no. 4. + +Ulpiani. 1) Domitius Ulpianus, uit Tyrus, beroemd jurist ten tijde +van keizer Alexander Severus, wiens vriend en raadsman hij was en +onder wien hij hooge ambten bekleedde. In 228 n. C. werd hij als +praefectus praetorio des nachts in het paleis overvallen en vermoord +door de soldaten, die over de strenge tucht ontevreden waren. Van +zijne talrijke geschriften (o. a. ad edictum praetoris in 81 boeken, +ad edictum aedilium curulium in 2 boeken, en ad Masurium Sabinum, +in 51 b.) zijn slechts weinige fragmenten over, doch in de pandecten +zijn vele uittreksels overgenomen.--2) Ulpianus van Emesa, schrijver +van rhetorische werken en o. a. ook van scholia op Demosthenes, +onder Constantijn den Gr. + +Ulpii, rom. geslacht uit Italica in Baetica. 1) M. Ulpius Traianus, +vader van den keizer, was door adoptie onder de Ulpii gekomen. Hij +onderscheidde zich onder Vespasianus als generaal in den joodschen +oorlog en later als stadhouder van Syria tegen de Parthen (76 +n. C.).--2) M. Ulp. Traianus, rom. keizer 98-117 na C.; zie +Traianus.--3) Ulp. Marcellus, bekwaam jurist in het tijdperk der +Antonijnen.--4) Ulpius Crinitus, adoptiefvader van Aurelianus. + +Ultor, wreker, 1) bijnaam van Jupiter als straffend god.--2) bijnaam +van Mars, wien door Octavianus bij Philippi een tempel beloofd +werd voor de wraak op de moordenaars van Caesar. Van dezen tempel, +die eerst in 2 ingewijd kon worden en aan het Forum Augusti stond, +zijn nog eenige zuilen overgebleven. + +Ulubrae, onbeduidende plaats in Latium, aan de Pomptinae paludes, +slechts bekend door de scherts van Cicero over de menigte kikvorschen, +die in den omtrek kwaakten. + +Umbilicus. De bladen der boekrollen werden geplakt aan een hollen +stok of dunnen houten cylinder, waarom zij bij het wegbergen werden +opgerold. Door dezen cylinder liep een andere stok, die aan beide +zijden uitstak en daar van knoppen (cornua, umbilici) was voorzien. Aan +den knop kon men het handschrift vasthouden bij het lezen. + +Umbra. Een genoodigde bij een feest of maaltijd mocht bij de Rom. een +ongenooden gast medebrengen, die dan zijne umbra werd genoemd. Een +aanzienlijke gast bracht er wel eens twee mede. + +Umbria, Ombrike, gewest van Midden-Italia tusschen Cisalpina, Etruria, +het sabijnsche land en de Adriatische zee. De Umbrii, Ombrikoi, hadden +vroeger ook Etruria bewoond, doch waren door de Etruscers daaruit +verdrongen, terwijl later de gallische Senones aan den anderen kant +hun land binnendrongen. In 308 werd Umbria door de Rom. onderworpen +en na de uitroeiing der Senones in 280 weder met hun gebied vergroot. + +Uncia, als munt en gewicht 1/12 as. Ook dikwijls gebruikt voor 1/12 +in het algemeen, b.v. heres ex uncia, erfgenaam voor 1/12. + +Unelli = Venelli. + +Unxia, bijnaam van Juno als huwelijksgodin; de naam heeft betrekking +op de gewoonte, om de deurposten van het huis, dat door een jonggehuwd +paar betrokken zou worden, te zalven. + +Upis, Oupis, 1) bijnaam van Artemis als helpster van barende +vrouwen.--2) bijnaam der rhamnusische Nemesis. + +Urania, Ourania, 1) muze van de sterrenkunde, gewoonlijk afgebeeld +met een hemelbol in de hand.--2) bijnaam van Aphrodite (z. a.).--3) +nimf, dochter van Oceanus en Tethys. + +Uranidae, Ouranidai, de Titanen, zonen van Uranus. + +Uranus, Ouranos, oudste zoon en later echtgenoot van Gaea, werd bij +haar vader van de Titanen, Cyclopen en Hecatonchiren. Hij was de +eerste beheerscher van het heelal, en daar hij vreesde door zijne +kinderen van de heerschappij beroofd te zullen worden, wierp hij +de Cyclopen en Hecatonchiren in den Tartarus. Doch Gaea, hierover +vertoornd, zette de Titanen tegen hun vader op, en onder leiding van +Cronus (z. a.) ontnamen zij hem de heerschappij. Het bloed, dat uit de +wonden vloeide, die Cronus zijn vader toebracht, viel deels in zee en +verwekte daar het schuim, waaruit Aphrodite geboren werd; uit dat, wat +op de aarde viel, ontstonden de Erinyen, Giganten en melische nimfen. + +Urbigenus = Verbigenus. + +Urbinum, naam van twee umbrische steden. 1) Metaurense, ten N. van +den Metaurus in het binnenland gelegen, thans Urbino.--2) Hortense, +rom. municipium, ten Z. van Vettona, en in de nabijheid van Mevania. + +Urbs Salvia, stad der Pollentini, in het N. van Picenum, zie Pollentia +no. 1. + +Uria, Ouria, bij Herod. Hyria, oude hoofdstad van Iapygia aan den +weg van Brundisium naar Tarentum = Hyria no. 3. + +Urium, Ourion, zeestad in het landschap Daunia, in Apulia, ten N. van +den Mons Garganus, aan den Sinus Urias, wel te onderscheiden van Uria +of Hyria, dat in het binnenland ligt. + +Urius, Ourios, bijnaam van Zeus, den schenker van gunstigen wind +op zee. + +Uscana, versterkte hoofdstad der Penestae in Illyris graeca, aan den +bovenloop van de rivier Drilon. + +Usipetes, germaansch volk, verbonden met de Tencteri, deelden in de +lotgevallen dezer laatsten. + +Usipii = Usipetes. + +Ustica, 1) kleine heuvel in het sabijnsche, nabij het landgoed van +Horatius.--2) = Osteodes, Osteodes, eilandje ten N. van Sicilia. + +Usucapio, usus, verkrijging van eigendom (dominium) door verjaard +bezit (possessio).--Usucapio pro herede. Eene onbeheerde erfenis +werd als gemeen goed beschouwd, waardoor de erfgenamen genoodzaakt +waren ze ten spoedigste te aanvaarden; zoolang dit niet was geschied, +kon ieder zich zaken er van toeëigenen. Onder de keizers hield dit op. + +Utica, Ityke, oude tyrische volkplanting, aan denzelfden inham +gelegen als het jongere Carthago. Het was omstreeks 1170 gesticht, +het omringende land was zeer vruchtbaar en de nabijzijnde bergen waren +rijk aan metalen. Utica bleef tegenover Carthago een onafhankelijke +stad, hoewel het natuurlijk den druk der machtige zusterstad niet +ontgaan kon. In den tweeden punischen oorlog stond het Carthago bij, +doch in den derden koos het beslist partij voor Rome; daarvoor kreeg +het een aanzienlijk gedeelte van het carthaagsche gebied en werd het +tot hoofdstad der provincie Africa verheven. In de burgeroorlogen koos +Utica de zijde van Caesar; Cato (Uticensis), die er het bevel voerde +en van geene overgaaf wilde hooren, bracht zich toen om het leven +(zie Porcii no. 8). Door Augustus zeer begunstigd, genoot Utica lang +een grooten bloei. Later is het verwoest door de Arabieren, doch er +zijn nog uitgebreide ruïnen van overgebleven. + +Uxellodunum, sterke stad der Cadurci in Aquitania, op eene steile rots, +die van drie zijden door den Oltis (Lot) werd omspoeld. Omtrent de +juiste ligging is men het niet geheel eens. + +Uxentis, eiland aan de W.punt van Gallia, thans Ouessant. + +Uxentum of Uzentum, stad der Sallentini in Calabria, geheel in het +Z. op den weg naar het promunturium Sallentinum. + +Uxii, Ouxioi, een der roofzuchtige stammen in het gebergte, dat +Susiane van Persis en Media scheidt. Zij betwistten Alex. den Gr. den +doortocht. + +Uxor is elke wettig gehuwde rom. vrouw. Om mater familias te wezen, +moest de vrouw in manu mariti zijn, anders was zij uxor tantummodo. + + + + + + +V. + + +Vacalus = Vahalis. + +Vacatio munerum, zie Beneficiarius (miles) en Commeatus. + +Vacca, Vaga, Ouaga, 1) aanzienlijke handelsstad in de provincie Africa, +op de grenzen van Numidia, ten Z.W. van Utica, waarvan het eene goede +dagreis verwijderd was. Tijdens den Jugurthijnschen oorlog behoorde +het aan Jugurtha, en werd het door Metellus verwoest, later werd het +eene rom. kolonie.--2) stad in Byzacene, ten Z.W. van Hadrumetum. + +Vaccaei, volk in Hispania Tarraconensis aan den bovenloop van den +Durius (Douro) tusschen de Celtiberiërs en de Asturiërs. Zij bebouwden +den grond in gemeenschap. Zij waren een dapper volk, waarmede de +Carthagers veel last hadden. Hoofdstad: Pallantia. + +Vacuna, sabijnsche godin van den landbouw. Men bracht haar offers, +wanneer men in het begin van den winter van den arbeid op het veld +of uit den oorlog huiswaarts keerde, daardoor kreeg zij de beteekenis +van eene godin van rust en verpoozing van den arbeid (litare Vacunae += vacuum esse). Soms wordt zij geïdentificeerd met Ceres, Minerva, +Venus, Diana of Bellona, soms ook met Victoria. Zij werd vooral te +Reate en Tibur vereerd. + +Vada, 1) gen. -ae, sterkte der Batavieren, die op zeer verschillende +plaatsen wordt gezocht, aan de Waal bij Wamel of Druten, of bij +Wadenoijen in den Tielerwaard. Wageningen is het stellig niet +(zooals men weleens gemeend heeft), daar geen Rom. plaatsen ten +N. van den Rijn gevonden worden.--2) gen. -orum = wadden, naam van +enkele kustplaatsjes, als: Vada Volaterrana op de etruscische kust +in het gebied der stad Volaterrae aan de door het riviertje Caecina +gevormde moerassen,--Vada Sabatia, op de kust van Liguria, haven of +reede der stad Sabata of Savo (Savona). + +Vadimonis lacus, een klein rond meer in Etruria nabij den Tiber, +een eind boven Horta. Het water was zwavelig en droeg kleine +drijvende eilandjes. Het was eene heilige plek, die den Etruscers +tot vergaderplaats diende. Bij dit meer werden zij in 309 door den +dictator L. Papirius Cursor (Papirii no. 6) en in 283 door den consul +P. Cornelius Dolabella Maximus (Cornelii no. 35) verslagen. + +Vadimonium, borgstelling, de belofte om op den bepaalden dag voor +den praetor of den rechter te verschijnen, waarbij oorspronkelijk, +ten einde preventieve hechtenis te ontgaan, het stellen van een +borg werd gevorderd, die bij wegblijven voor een zekere som gelds +aansprakelijk bleef. De grootte der borgstelling hing af van den aard +van het geding, doch mocht het bedrag van 100000 as niet te boven +gaan. Hieraan zijn verschillende uitdrukkingen ontleend: vadimonium +sistere, zijn borgtocht gestand doen, verschijnen; vad. deserere, den +borgtocht in den steek laten, wegblijven; vad. imponere, borgstelling +eischen; vad. concipere, de borgstelling formuleeren; vad. differre, +de vervulling der belofte op de lange baan schuiven. + +Vaga = Vacca. + +Vagienni of Bagienni, ligurisch volk ten Z. der Taurini, met de +hoofdstad Augusta Vagiennorum (Bagiennorum). + +Vahalis, de tegenw. rivier de Waal. + +Valens (Flavius), rom. keizer in het O., 364-378 na C. Na den dood +van Iovianus in 364 werd Flavius Valentinianus I, zoon van zekeren +Gratianus, een Pannoniër, tot keizer uitgeroepen. Hij nam zijn jongeren +broeder, den bovengenoemden Valens, tot medekeizer aan en vertrouwde +hem het O. deel des rijks toe. Valens had met vele moeielijkheden te +kampen; aan de eene zijde bedreigden de Perzen zijn gebied, aan den +anderen kant de Gothen, terwijl een bloedverwant van den vroegeren +keizer Iulianus, met name Procopius, die waarschijnlijk zelf op den +troon had gehoopt, in opstand kwam, en tot overmaat van ramp eene +hevige aardbeving in 365 groote streken van zijn rijk teisterde. De +opstand werd in 366 onderdrukt, Procopius werd onthoofd en de Gothen +in 369 tot vrede gedwongen. Met Perzië bleven de grensgeschillen +slepende. Valens zelf was vrij goedhartig, doch zijn schoonvader +Petronius maakte zich zeer gehaat en de ontevredenheid hierover +uitte zich in samenzweringen tegen den keizer. In 375 verzochten de +Westgothen, door de Hunnen opgejaagd, om eene wijkplaats ten Z. van den +Donau. Onder Fritigern en Alavisus trokken 200000 strijdbare mannen met +hunne gezinnen de rivier over en kregen woonplaatsen in Thracia. Eene +schaar Oostgothen onder Alatheus en Saprax volgde hen. De hebzucht +en trouweloosheid van den rom. stadhouder Lupicinus, die de Gothen +aan den bittersten hongersnood prijs gaf en hunne aanvoerders op een +maaltijd te Marcianopolis poogde om te brengen, hadden een opstand +ten gevolge. Valens snelde van Antiochië naar Constantinopel om zich +in persoon aan het hoofd van het leger te stellen; hij werd echter bij +Hadrianopolis geheel verslagen en moest gewond de vlucht nemen in eene +boerenhut, die door de Gothen in brand werd gestoken, zoodat de gewonde +keizer in de vlammen omkwam (378). Zijn eenig zoontje Valentinianus +was reeds in 372 overleden. Zijn opvolger was Theodosius de Groote. + +Valentia, 1) stad der Edetani in Hispania aan de Middellandsche zee, +door D. Brutus in 138 gesticht, door Pompeius in den oorlog tegen +Sertorius verwoest, later herbouwd, thans Valentia.--2) stad der +Cavari in Gallia Narbonensis, rom. kol., aan den Rhodanus (Rhône), +thans Valence.--3) stadje in Calabria ten Z.Z.O. van Brundisium, +ook Valentium, Valetium of Balesium geheeten.--4) Vibo Valentia, +lat. kol. op de kust van het land der Bruttii, het oude Hippo +of Hipponium, onder Augustus met uitgebreide werven en tuighuizen +voorzien.--5) het zuidelijk gedeelte van Britannia barbara of Caledonia +(Schotland), waarschijnlijk de streek tusschen de twee wallen (zie +Britannia), door Theodosius den Gr. (379-395 na C.) voor korten tijd +tot rom. prov. gemaakt. + +Valentinianus, naam van drie rom. keizers. 1) Val. I (L. Flavius), zoon +van Gratianus, een Pannoniër, werd in 364 na den dood van Iovianus +keizer en nam zijn broeder Valens tot mederegent voor het O. aan, +terwijl hij zelf het W. bleef besturen. Hij had tot nog toe meest +in lagere officiersrangen gediend, o. a. in Gallia, onder Julianus; +hij was een man van een indrukwekkend uiterlijk, een rechtschapen +mensch, een wakker krijgsman, in weerwil zijner gestrengheid bij +het leger zeer gezien. In 367 benoemde hij zijn zoon Gratianus +tot medekeizer voor het W. Hij had veel te doen met de grenzen te +beschermen en de invallen der Alemannen, Quaden, Sarmaten, Saksers, +Picten en Scoten af te slaan. Hij versterkte inzonderheid door eene +linie van verschansingen de open ruimte tusschen Rijn en Donau. In 375 +overleed hij aan eene beroerte te Brigetio in Pannonia. Hij was een +begunstiger der wetenschappen en stichtte scholen.--2) Val. II, zoon +van no. 1, geb. in 371, werd bij zijns vaders dood door de hovelingen +tot keizer uitgeroepen onder den invloed zijner moeder Iustina, +en door zijn halfbroeder, den edelen Gratianus, bereidwillig als +medekeizer erkend. In 383 werd Gratianus door Maximus (Magnus Clemens) +omgebracht, die hem opvolgde onder voorwaarde, dat Italië en Africa +aan den twaalfjarigen Val. zouden blijven. Toen Maximus echter ook +dezen bedreigde, zond Theodosius de Gr. een leger te hulp onder den +Frank Arbogastes, die Maximus versloeg en ter dood liet brengen. In +392 evenwel bracht Arbogastes ook Valentinianus om, te Vienna (Vienne +aan den Rhône), toen de jonge keizer aan de willekeurige handelingen +van den heerschzuchtigen Frank paal en perk wilde stellen. Arbogastes +plaatste daarop Eugenius op den troon, die echter in 394 bij Aquileia +door Theodosius werd verslagen, gevangen genomen en ter dood gebracht, +terwijl Arbogastes de hand aan zichzelven sloeg.--3) Val. III (Flavius +Placidus), rom. keizer 425-455 na C., zoon van Constantius III en van +Placidia, de zuster van keizer Honorius. Constantius had zich in 420 +door Honorius tot medekeizer laten aannemen, doch was reeds in 421 +gestorven, waarna Placidia en haar zoon door Honorius verbannen werden +en naar Constantinopel trokken. Toen Honorius in 423 stierf, maakte een +der hooge ambtenaren, Johannes, zich van den troon meester. Ardacurius +echter en Aspar, generaals van den oost-rom. keizer Theodosius III, +brachten den vierjarigen Val. met diens moeder naar Rome en plaatsten +hem op den troon. Placidia werd regentes. De voornaamste steunpilaar +harer regeering was de veldheer Aëtius, die het wankelende rijk +tegen Westgothen en Vandalen verdedigde. Sedert 427 leefde Aëtius +in hevigen twist met een ander generaal, Bonifacius, stadhouder van +Africa. Het gelukte Aëtius zijn mededinger den voet te lichten, die +in 429, door wraakzucht gedreven, de Vandalen onder Geiserik naar +Africa riep, waarop aldaar het vandaalsche rijk ontstond. De keizer +zelf zag zijn leven lang met onverschilligheid het rijk afbrokkelen +en leefde slechts voor zijne uitspattingen. Gallia, Hispania en +Britannia waren reeds onder zijn vader verloren gegaan. In 450, na den +dood zijner moeder, werd het west-rom. rijk door de Hunnen bedreigd, +doch het gelukte Aëtius, met behulp der Westgothen en Franken Attila +bij Châlons-sur-Marne in 451 te verslaan. Aëtius werd uit wantrouwen +in 454 op last van Val. omgebracht, doch reeds in 455 onderging de +keizer hetzelfde lot door de hand van Petronius Maximus (z. a.), +wiens vrouw hij onteerd had. + +Valentinus (Tullius of Iulius), zie Tullius Valentinus. + +Valeria, 1) stad der Celtiberi in Hispania, aan den Sucro.--2) = +Varia (z. a.).--3) sedert keizer Galerius de oostelijke strook van +Pannonia langs den Donau, welk stuk als eene afzonderlijke provincie +Valeria van Pannonië gescheiden werd. + +Valeria (lex) de provocatione van den consul M. Valerius Corvus +(Valerii no. 13) in 300, zie Valeriae (leges) de provocatione. + +Valeria (lex) van den volkstribuun Valerius Tappo, (188), waarbij aan +de steden Formiae, Fundi en Arpinum, die de civitus sine suffragio +hadden, het volle burgerrecht verleend werd; de inwoners van Formiae +en Fundi werden in de tribus Aemilia, die van Arpinum in de tribus +Cornelia opgenomen. Langzamerhand werd dit voorrecht ook aan de andere +municipia (z. a.) verleend. + +Valeria (lex) de aere alieno, van den consul L. Valerius Flaccus +(Valerii no. 24) in 86, waarbij de schuldenaars hunne schulden konden +afdoen door betaling van 1/4 der hoofdsom. + +Valeria (lex) de Sulla dictatore, van den interrex L. Valerius +Flaccus (Valerii no. 22) in 82, om Sulla tot dictator voor zijn +leven te benoemen. Hierbij werden alle handelingen van Sulla als +consul en proconsul, en wat hij in het Oosten had vastgesteld, +goedgekeurd, tevens de proscriptiones, bonorum sectiones, en +agrorum assignationes. Hem werd alle macht over leven en goed +zijner medeburgers verleend, en de macht om wetten te maken en het +staatsbestuur te regelen, onder den titel dictator legibus scribundis +et reipublicae constituendae. + +Valeria (via), van Rome over Tibur (welk eerste gedeelte via Tiburtina +heette), Carseoli, Alba Fucentia naar het gebied der Paeligni, en +verder langs den Aternus tot aan de Adriatische zee. + +Valeriae (leges) van den consul P. Valerius Poplicola in 509 na de +verdrijving der koningen. 1) de provocatione: ne quis magistratus civem +Romanum adversus provocationem, necaret neve verberaret.--2) dat aan +den slaaf Vindicius, die de samenzwering ten gunste van Tarquinius +ontdekt had, vrijheid en burgerrecht zouden geschonken worden.--3) +de perduellione, waarbij het streven naar alleenheerschappij met +doodstraf werd bedreigd. Deze wetten zijn verzonnen, daar P. Valerius +Poplicola, zoo hij al bestaan heeft, toen geen consul geweest is. Zie +Valerii no. 1. + +Valeriae (leges) de provocatione. Het verdient opmerking, dat er drie +wetten hierover bestaan van drie verschillende Valerii. De eerste +(509) stelde wel het ius provocationis ad populum in, doch bevatte +geen voldoende strafbepaling tegen schending daarvan. De tweede (lex +Horatia Valeria, 449) verbood voor het vervolg ooit weder eenig nieuw +ambt zonder provocatio in het leven te roepen. De derde (300) van +den consul M. Valerius Corvus onderwierp misschien den dictator aan +de provocatio. De eerste wet is apocryph, daar er toen geen Valerius +consul geweest is, maar ze heeft bestaan vóór de lex Aternia Tarpeia +van 454. V. s. bestond de provocatio reeds in den koningstijd, en +benoemde daarom de koning, om zich niet aan de vernedering bloot te +stellen, dat zijn uitspraak door het volk werd vernietigd, voor elke +kapitaalzaak afzonderlijk twee mannen, qui de perduellione iudicarent +(II viri perduellionis). V. a. is de provocatio eerst ingesteld door +de wet van Valerius Corvus, en zijn beide vorige wetten, evenals de +lex Aternia Tarpeia, verzonnen. + +Valeriae Horatiae (leges), zie Horatiae Valeriae (leges). + +Valerianus. 1) P. Licinius Valerianus, rom. keizer 253-259 na C., +had zich onder Alexander Severus en diens opvolgers in den oorlog +onderscheiden en was stadhouder van Raetia, toen hij in 253 door zijne +soldaten tot keizer werd uitgeroepen. In de laatste 18 jaren, na de +vermoording van Alex. Severus door C. Julius Verus Maximinus, had het +rijk niet minder dan 11 keizers en tegenkeizers gekend: Maximinus, +Gordianus I en II, Pupienus Maximus, Caelius Balbinus, Gordianus +III, Philippus Arabs, Decius, Trebonianus Gallus, Hostilianus, +Aemilianus. Het was ook Valerianus niet gegeven, orde te brengen in +den toestand van verwarring. In 259 werd hij bij een onderhoud met den +perzischen veldheer verraderlijk gevangen genomen en tot zijn dood toe +(268) gehouden. Het verhaal luidt, dat hij den perzischen koning tot +voetbank moest dienen, wanneer deze te paard steeg.--2) Valerianus, +jongere zoon van no. 1, werd met zijn halfbroeder Gallienus in 268 +voor Milaan vermoord.--3) P. Licinius Cornelius Valerianus, zoon +van Gallienus, werd door het krijgsvolk te Colonia Agrippina aan den +tegenkeizer Postumus in handen geleverd en op last van dezen omgebracht +(259). + +Valerii, een patricisch geslacht van sabijnschen oorsprong; onder +Romulus en Titus Tatius zou een zekere Volusus Valerius naar Rome +gekomen zijn. 1) P. Valerius Poplicola, waarschijnlijk eene geheel +legendaire figuur, waarvan zeer jonge berichten het volgende vertellen: +hij was een der mannen, die het koningshuis hielpen verdrijven. Reeds +in het eerste jaar (509) der republiek nam hij als consul de plaats +in van L. Tarquinius Collatinus en bekleedde dezelfde waardigheid +nogmaals in 508, 507 en 504. Zijn bijnaam had hij te danken aan +zijn eerbied voor de rechten en de souvereiniteit des volks, die +hij o. a. betoonde door de instelling der provocatio ad populum +en het weglaten der bijlen uit de fasces binnen het pomerium. Hij +streed roemrijk tegen de Etruscers, Vejenten en Sabijnen en stierf in +503. Zie Valeriae (leges) de provocatione.--2) M. Valerius Volusus, +broeder van no. 1, nam ook deel aan de oorlogen tegen Porsena, de +Sabijnen en de Latijnen, was in 505 consul en in 494 dictator, in +welke hoedanigheid hij alles aanwendde om eene schikking tusschen de +patriciërs en de uitgeweken plebs tot stand te brengen. Dit geheele +verhaal is verzonnen, zie secessio plebis, tribuni plebis, Menenii +no. 1.--3) P. en M. Valerius, zoons van no. 1, onderscheidden zich +in den slag bij het meer Regillus in 496.--4) L. Valerius Volusus +Potitus, verzette zich tegen de lex Cassia agraria in 486, zie +Agrariae leges en Cassii no. 1. Hij was consul in 483 en 470.--5) +P. Valerius Poplicola, consul in 475, zegepraalde over de Vejenten +en Sabijnen. In 460 sneuvelde hij in zijn tweede consulaat bij de +herovering van het Capitool, dat door den Sabijn Herdonius des nachts +door overrompeling ingenomen was.--6) L. Valerius Poplicola Potitus, +zoon van no. 5, legde in 449 met zijn ambtgenoot M. Horatius Barbatus +de geschillen bij, die door de willekeur der tienmannen ontstaan +waren en zegepraalde over de Aequers.--7) C. Valerius Potitus +Volusus, consulairtribuun in 415, 407 en 404, en consul in 410.--8) +L. Valerius Potitus, zoon van no. 6, consulairtribuun in 414, 406, +403, 401 en 398, streed bij herhaling overwinnend tegen Vejenten, +Volscen en Faliscers.--9) L. Valerius Potitus, nog jong, in 392 +tot consul gekozen, overwon de Aequers bij den berg Algidus.--10) +L. Valerius Poplicola, consulairtribuun in 394, 389, 387, 383 en +380.--11) P. Valerius Potitus Poplicola, consulairtribuun in 386, +384, 380, 377, 370 en 367.--12) M. Valerius Poplicola, consul in 355 +en 353, streed tegen de Tiburtijnen en Volscen.--13) M. Valerius +Corvus verkreeg zijn bijnaam door een tweegevecht in 349 met een +reusachtigen Galliër, dien hij overwon doordat zich op diens helm een +raaf nederzette en hem in het gezicht met vleugels en snavel sloeg +en pikte. In 348 was hij consul, schoon eerst 23 jaar oud, en later +nog in 346, 343, 335, 300, en als suffectus voor de zesde maal in +299, terwijl hij tweemaal dictator was, in 342 en 301. Hij behaalde +verscheidene overwinningen op naburige volken, o. a. op de Samnieten in +343 bij den berg Gaurus. Deze overwinning is echter verzonnen, evenals +de geheele eerste samnietische oorlog. Zoo groot was het ontzag voor +zijn naam, dat zijne benoeming tot consul in 300 de Etruscers van een +oorlog afschrikte. Toch was hij meer een voorstander van zachte dan +van strenge maatregelen. Hij stierf algemeen geacht en bemind in den +ouderdom van 100 jaar.--14) M. Valerius Maximus, consul in 312, streed +in dit jaar, en ook later als legaat, met roem tegen de Samnieten.--15) +P. Valerius Laevinus, consul in 280, verloor den slag bij Heraclea +tegen Pyrrhus.--16) M. (M'.) Valerius Maximus Messalla of Messala, +consul in 263, behaalde met zijn ambtgenoot M. Otacilius Crassus +op Sicilia eene zegepraal op de Carthagers en hun bondgenoot Hiero +van Syracuse. Hij bracht van Catana den eersten zonnewijzer naar +Rome. Omtrent zijn censuur zie Sempronii no. 17.--17) P. Valerius +Falto, consul in 238, werd in Gallia Cisalpina eerst door de Bojers +en Liguriërs verslagen, doch eindigde met hen te overwinnen.--18) +M. Valerius Laevinus, streed in 215 als praetor tegen de Carthagers, +en werd in 214 tegen Macedonië uitgezonden, in 210 was hij consul +en veroverde hij Agrigentum op de Carthagers, terwijl hij in 208 en +207 met eene vloot op 's vijands kusten stroopte. In 205 bracht hij +het beeld van de Magna Mater van Pessinus naar Rome.--19) L. Valerius +Flaccus, in 195 consul met M. Porcius Cato (maior), overwon de Bojers +en Insubriërs in Cisalpina en woonde in 191 onder M'. Acilius Glabrio +den slag bij aan de Thermopylae tegen Antiochus III van Syria. In +184 was hij censor met zijn vriend Cato.--20) C. Valerius Flaccus, +broeder van no. 19, een losbol, werd tegen zijn zin tot flamen Dialis +gekozen en gewijd, en wijzigde toen zijne manier van leven geheel en +al, zoodat hij een ingetogen mensch werd. Het was in onbruik geraakt, +dat de flamen Dialis in den senaat zitting nam; gesteund door de +volkstribunen, doch met hevige tegenkanting van de senaatsleden, +nam Flaccus weder zitting. In 199 werd hij aedilis curulis; daar de +priester van Jupiter geen eed mocht zweren, legde zijn broeder dezen +namens hem af.--21) C. Valerius Laevinus was in 189 de voorspraak +der Aetoliërs, toen het de vaststelling der vredesvoorwaarden gold; +in 176 bestreed hij als consul de Liguriërs.--22) L. Valerius Flaccus +was in 100 consul met C. Marius, met wien hij echter volstrekt niet +samenwerkte. Hij was in den Sullaanschen tijd princeps senatus, en werd +in 82 na den dood der consuls tot interrex benoemd, zie Valeria lex +de Sulla dictatore.--23) C. Valerius Flaccus, consul in 93, bestuurde +Gallia en overwon de Galliërs; hij was later een aanhanger van Sulla, +en bracht in 81 den Celtiberiërs eene zware nederlaag toe.--24) +L. Valerius Flaccus werd in 99 aangeklaagd door C. Appuleius Decianus, +was consul suffectus in 86 in plaats van C. Marius (z. lex Valeria de +aere alieno) en liet zich ook het bevel in den mithradatischen oorlog +opdragen tegenover Sulla. Hij werd echter in 85 te Nicomedea door +zijn legaat C. Flavius Fimbria vermoord.--25) L. Valerius Flaccus, +zoon van no. 24, vergezelde zijn vader naar Azië, en diende later in +Cilicië en op Creta. In 63 maakte hij als praetor zich verdienstelijk +jegens den staat tegenover de Catilinarii. Hierop kreeg hij Azië als +provincie. In 59 wegens afpersingen aangeklaagd, werd hij schitterend +door Cicero verdedigd en vrijgesproken.--25a) L. Valerius Praeconinus, +legatus van L. Mallius (Manlii no. 15), sneuvelde in 78 in een strijd +tegen de opgestane Aquitaniërs.--26) M. Valerius Messala Niger, consul +in 61, een uitstekend redenaar.--27) M. Valerius Messala, neef van +no. 26, werd, ofschoon met veel bedekte en openlijke tegenwerking, +tot consul voor het jaar 53 gekozen. In 51 werd hij door toedoen +van Pompeius van omkooping beschuldigd, doch door den redenaar +Q. Hortensius Hortalus vrijgepleit. In den burgeroorlog koos hij +Caesars partij.--28) M. Valerius Messala Corvinus, uitstekend redenaar +en goed letterkundige, streed bij Phillippi aan de zijde van Cassius +en Brutus, doch ging later over tot Octavianus. In 34 onderwierp hij +de Salassers in de Alpen, in 31 was hij consul, in 27 overwon hij de +Aquitaniërs, waarna hij praefectus urbi te Rome werd. Hij was zeer +bevriend met den dichter Tibullus, die hem in 31 zou vergezellen in +den oorlog van Octavianus tegen Antonius, doch ziek te Corcyra moest +achterblijven. Ook had hij met Horatius omgang. Hij zelf schreef +ook, o. a. in het grieksch over de burgeroorlogen, en latijnsche +redevoeringen; ook schijnt hij verzen te hebben gemaakt.--29) +M. Valerius Messala Messallinus, zoon van no. 28, aan wien Ovidius +van Tomi uit eenige gedichten heeft gericht, consul in 3, werd naar +Germania gezonden, en later naar Dalmatia om den opstand van Bato +te onderdrukken. Omtrent zijn broeder, door adoptie tot de Aurelii +overgegaan en M. Aurelius Cotta Maximus Messalinus genoemd, zie Aurelii +no. 8.--30) C. Valerius Triarius was admiraal van Pompeius in den +oorlog tegen Caesar en sneuvelde in 48 bij Pharsalus. Cicero voert hem +in zijn werk de Finibus bonorum et malorum sprekende in.--31) Valerius +Asiaticus uit Gallia was een hoofdpersoon bij den moord van Caligula, +die hem zwaar had beleedigd. Door zijn rijkdom werd hij onder keizer +Claudius het slachtoffer der beruchte Messalina (Valerii no. 33). Hij +liet zich de aderen openen (47 n. C.).--32) Valerius Asiaticus, +zoon van no. 31, ondersteunde tijdens Nero den gallischen opstand +van Vindex. Later sloot hij zich aan bij Vitellius, wiens schoonzoon +hij werd.--33) Valeria Messalina, echtgenoote van keizer Claudius, +eene der meest zedelooze en gewetenlooze vrouwen, die de geschiedenis +kent, wilde ook de aanzienlijkste rom. vrouwen dwingen haar ontuchtig +voorbeeld te volgen. Zij spaarde niemand, die haar hebzucht of haar +haat had opgewekt, ook hare verwanten niet. De zwakke Claudius liet +zich geheel door haar leiden, totdat eindelijk haar ontrouw hem de +oogen opende en hij haar ter dood liet brengen (48).--34) L. Valerius +Catullus Messalinus, een berucht verklikker onder Domitianus, die +zelfs toen hij blind was dit bedrijf nog voortzette. + +Onder de schrijvers, die den naam Valerius dragen, komen de volgende in +aanmerking.--35) Q. Valerius Soranus, uit Sora in Latium, redenaar en, +naar het schijnt, een dichter van naam, door Cicero echter om zijne +uitspraak van het Latijn berispt. Hij werd door Pompeius in 82, toen +hij volkstribuun was, terechtgesteld.--36) Valerius Antias, uit Antium +in Latium, leefde ten tijde van Sulla en schreef zeer onbetrouwbare +annales van Rome's stichting af tot op diens tijd. Livius heeft er +veel uit geput.--37) Valerius Cato, uit Gallia Cisalpina, had in den +sullaanschen burgeroorlog zijn vermogen verloren en moest, om in zijn +onderhoud te voorzien, les geven in taal- en dichtkunde. Hij is met +C. Licinius Macer Calvus (Licinii no. 6) de aanvoerder van de nieuwe +richting in de poëzie, de neoterici, waartoe ook Catullus behoorde. Of +de gedichten Dirae en Lydia, die op zijn naam staan, van hem zijn, +is niet uit te maken.--38) Q. Valerius Catullus, rom. dichter, werd +ongeveer in 84 te Verona geboren uit eene vermogende familie. Van +zijn leven is weinig bekend. Hij leefde op vriendschappelijken voet +met Cicero, Hortensius, Cornelius Nepos e. a. In 57 vergezelde hij +den praetor C. Memmius Gemellus naar Bithynia en bezocht op deze reis +in Troas het graf van zijn diep door hem betreurden broeder. Hij bezat +eene villa bij Tibur en eene te Sirmio bij Verona aan den lacus Benacus +(Garda-meer). Onder den naam Lesbia bezingt hij Clodia, de zuster van +den tribuun P. Clodius Pulcher en echtgenoote van Q. Metellus Celer +(zie Claudii no. 18), die hij hartstochtelijk beminde totdat haar +wangedrag hem afstiet. Hij stierf waarschijnlijk in 54. Wij hebben van +hem nog 116 grootere en kleinere lyrische gedichten en epigrammen. Het +meest munt hij uit in erotische poëzie. Zijn verzen, soms wat +ouderwetsch getint, zijn rijk aan gevoel en liefelijke gedachten, +eenvoudig doch keurig van taal. Hij was de eerste rom. lierdichter, +die grieksche versmaten bezigde.--39) Valerius Maximus, niet tot +de patricische gens Valeria behoorende, verkeerde in behoeftige +omstandigheden, totdat Sex. Pompeius (consul 14 n. C.) zich zijn lot +aantrok. Tusschen 26 en 32 na C. schreef hij zijn eenig werk Factorum +et dictorum memorabilium libri IX, een werk zonder letterkundige waarde +wat den stijl betreft, waarin daden en gezegden onder verschillende +rubrieken gesorteerd zijn. Zie Cornelius Nepos (Cornelii no. 58). Toch +is het werkje in verschillende tijden veel gelezen en hebben anderen +er uit geput en er weder uittreksels van gemaakt.--40) M. Valerius +Probus, zie Probus no. 2.--41) C. Valerius Flaccus (Setinus Balbus), +episch dichter uit den tijd van Vespasianus. Hij heeft 8 boeken +Argonautica gedicht, bewerkt naar het gedicht van Apollonius Rhodius +(z. a. no. 1). Hij is gestorven, kort voor 92 na C.--42) M. Valerius +Mutines z. Mut(t)ines. + +Valgii 1) A. Valgius streed in Hispania onder Caesar, doch liep tot de +pompejaansche partij over.--2) C. Valgius Rufus, een vertrouwd vriend +van Horatius, een geleerd en veelzijdig ontwikkeld man, ook schrijver +en elegieëndichter. Uit zijne werken de tralatione (van rhetorischen +aard), de rebus per epistulam quaesitis (taalkundige onderzoekingen) +hebben Plinius, Gellius e. a. veel geput en aangehaald. Ook schreef +hij een onvoltooid leerdicht de herbarum viribus, dat door Plinius +met lof vermeld wordt. Horatius ontried hem het dichten van elegieën +en, ofschoon Tibullus vleiend van hem zegt: aeterno propior non alter +Homero schijnen de ouden hem toch slechts eene zeer bescheiden plaats +onder de dichters te hebben aangewezen. + +Vallis Poenina, de Zuidkant van het meer van Genève en het +Boven-Rhône-dal (tgw. Wallis, Valais). De streek vormde een onderdeel +van de kleine provincie Alpes Graiae et Poeninae, die later tot Raetia +behoorde. Hier woonden vier, waarschijnlijk ligurische of raetische +stammen: Nantuates, Veragri, Seduni en Viberi of Uberi. + +Vallum Antonini, grenswal in Schotland tegen de invallen der +noordelijke volkeren aangelegd door keizer Antoninus Pius in 142 +n. C., tusschen de Firth of Clyde en de Firth of Forth, zie Bodotria +en Britannia. + +Vallum Hadriani, grenswal in Noord-Engeland tegen de invallen der +Caledoniërs aangelegd door keizer Hadrianus in 122 n. C., tusschen +den Solway Firth en den mond van de Tyne. Z. Britannia. + +Vandali of Vandili, Ouandaloi, een germaansch volk, dat een tijd +lang aan het tegenw. Reuzengebergte woonde, dat dan ook wel Vandalici +montes wordt genoemd. Vervolgens trokken zij naar Dacia en ten tijde +der groote volksverhuizing naar Hispania, waar zij nog hun naam in +(W)andalusië hebben achtergelaten. In 429 n. C. staken zij (zie +Valentinianus III) naar Africa over onder hun koning Geiserik en +stichtten er een vandaalsch rijk met Carthago tot hoofdstad. Geiserik +schiep eene vandaalsche zeemacht, die de schrik werd der Middellandsche +zee, veroverde Sardinia, Corsica en Sicilia en deed in 455 eene +landing in Italië, zie Maximus (Petronius). Bij deze gelegenheid werd +Rome vreeselijk geplunderd; wat waarde had, werd meegesleept, doch de +schepen met Rome's kunstschatten beladen, vergingen door storm voor zij +Carthago hadden bereikt. Na Geiseriks dood in 477 verzwakte de macht +der Vandalen voortdurend, totdat hun rijk onder den laatsten koning, +Gelimer, in 534 door Iustinianus' veldheer Belisarius vernietigd werd. + +Vangiones, germaansch volk op den linker Rijnoever in +Belgica. Hoofdstad: Borbetomagus, thans Worms. + +Vannius. Na de verdrijving van Maroboduus (zie Marcomanni), werden +aan een gedeelte van zijn volk in de streek tusschen Marus (March) +en Cusus (Waag) woonplaatsen aangewezen, onder een koning uit het +volk der Quaden, genaamd Vannius (18 n. C.). Deze breidde zijn +rijk voortdurend uit, tot hij in 50 door Vibilius, den koning der +Hermunduren en door Vangio en Sido, de zonen zijner zuster, verdreven +werd, en een toevlucht vond in het Romeinsche rijk. Het Rijk van +Vannius bleef echter bestaan, en kwam nu aan de bovengenoemde neven, +die aan het Rom. rijk trouw bleven. De onderdanen worden gewoonlijk +Suevi genoemd, hetgeen de algemeene stamnaam is. + +Varagri = Veragri. + +Vardaei, z. Bardiaei. + +Vargunteii. 1) L. Vargunteius, rom. senator, handlanger van Catilina, +belastte zich met de taak, Cicero te vermoorden.--2) Vargunteius, +legaat van Crassus, sneuvelde in den parthischen oorlog. + +Varia, schilderachtig gelegen vlek aan de via Valeria ten N.O. van +Tibur, op een heuvel aan den Anio. Tot de buurtschap behoorde het +landgoed van Horatius. + +Varia (lex) de maiestate van den volkstribuun Q. Varius Hybrida, dat +een gerechtelijk onderzoek moest worden ingesteld, wie de italische +bondgenooten tot het opvatten der wapenen hadden opgeruid (91). Dit +was olie in het vuur, en hierop ontbrandde dan ook de marsische oorlog. + +Varii. 1) Q. Varius Sucronensis, uit Sucro in Hispania, meer +bekend onder den bijnaam Hybrida, dien het volk hem gaf, omdat zijn +burgerrecht door sommigen werd betwijfeld, stelde als volkstribuun +in 91 de heillooze lex Varia de maiestate voor, waardoor de italische +bondgenooten, die zich reeds gewapend hadden om Rome het burgerrecht af +te dwingen en die op enkele plaatsen reeds tot oproer waren gekomen, +zóó verwoed werden, dat zij Rome den ondergang zwoeren. Hij was +een goed redenaar. Hij was, naar men zeide, medeplichtig aan den +moord van zijn ambtgenoot M. Livius Drusus en werd ook beschuldigd +van vergiftiging van Q. Caecilius Metellus Numidicus (Caecilii +no. 13). Later werd hij krachtens zijn eigen wet veroordeeld, +ging in ballingschap en werd op wreedaardige wijze vermoord; hoe, +is niet bekend.--2) Varius Cotyla (= wijnvat) was een deelgenoot +der drinkgelagen van Antonius, die hem echter eens aan een maaltijd +door zijne slaven liet geeselen. Later komt hij als bevelhebber eener +legerafdeeling in den mutinensischen oorlog voor.--3) L. Varius Rufus, +rom. dichter uit den kring van Maecenas, een vriend van Catullus +en Vergilius en ook van Augustus. Aan hem en Plotius Tucca droeg +Vergilius op zijn sterfbed de uitgaaf zijner Aeneis op. Varius +was ook werkzaam voor de toelating van Horatius in den kring van +Maecenas. Als treurspeldichter stond hij hoog aangeschreven; zijn +Thyestes werd opgevoerd bij de spelen ter viering van de overwinning +bij Actium en door Octavianus met een geschenk van een millioen +sestertiën beloond. Hij was vooral beoefenaar der epische poëzie, +Maeonii carminis ales, zooals Horatius hem noemt. O. a. schreef hij +een gedicht de morte en een Panegyricus Augusti. Nagenoeg alles van +hem is verloren gegaan.--4) Varius Avitus Bassianus = Heliogabalus. + +Varini, volk in Germania aan de kust der Oostzee, in het +tegenw. Mecklenburg, behoorende tot die volkeren, die de godin +Nerthus vereerden. + +Varinii, een onberoemd geslacht. + +Varisti, zie Naristi. + +Varro, familienaam in de gens Terentia en de gens Visellia. + +Varus (= krombeen), familienaam in verschillende gentes. Zie +Alfen(i)us, Attii (no. 4), Quinctilii. + +Varus, thans Var of Varo, tusschen Nicaea (Nizza, Nice) ten O. en +Antipolis (Antibes) ten W., grensrivier tusschen Gallia Narbonensis +en Italia (Liguria). + +Vas, hij die borg blijft, dat een gedaagde ter terechtzitting zal +verschijnen; zie vadimonium. Een borg voor het nakomen eener aangegane +verbintenis wordt praes genoemd. + +Vasarium, eigenlijk gereedschapsgeld, de som, die aan den stadhouder +eener provincie werd uitgekeerd voor zijne uitrusting. + +Vascones, volksstam tusschen den Iberus (Ebro) en de Pyrenaeën, in de +tegenw. baskische gewesten (Biscaye, Guipuscoa, Navarre). Hoofdstad: +Pompelo (Pampeluna). Als eene bijzonderheid vindt men opgeteekend, +dat zij blootshoofds ten strijde togen. Ook in Aquitania woonden +stamgenooten, ofschoon onder andere namen. Hun naam leeft nog voort +in de namen Basken en Gascogne. Het W. deel der Pyrenaeën heette naar +hen Vasconum saltus. + +Vaticanus (mons), een berg aan de rechterzijde van den Tiber, doch +nooit in den kring van het oude Rome opgenomen. De wijn, die er +groeide, was bekend als slecht. + +Vatiniae (leges) van den volkstribuun P. Vatinius in 59. 1) de imperio +C. Caesaris, waarbij aan Caesar bij plebisciet Illyricum en Gallia +Cisalpina als provinciën toegewezen werden. Deze wet werd doorgedreven +niettegenstaande heftig verzet van den consul M. Calpurnius Bibulus, +wiens ambtgenoot Caesar zelf was. De senaat voegde er nog Transalpina +bij, uit vrees, dat ook deze provincie (die destijds nog alleen uit +Narbonensis bestond) anders ook nog door het volk aan Caesar ten deel +zou vallen.--2) de alternis consiliis reiciendis, waarbij vermoedelijk +aan den aanklager en den beklaagde nog eene tweede wraking van +rechters werd toegestaan, wanneer de eerstgewraakte reeds door andere +vervangen waren (zie iudex).--3) omtrent de uitzending eener kolonie +door Caesar naar Comum, als voorpost tegen de Alpenbewoners.--4) +rogatio de L. Vettii iudicio; deze ging niet door, zie Vettii no. 3. + +Vatinii. 1) P. Vatinius uit Reate beweerde in 168 van de Dioscuren de +gevangenneming van koning Perseus vernomen te hebben.--2) P. Vatinius, +afstammeling van no. 1, een der fortuinzoekers uit Caesars tijd, had +in 63 de quaestuur op niet zeer eervolle wijze bekleed en was in 59 +volkstribuun. Als zoodanig diende hij Caesar (zie Vatiniae leges), +met wien hij in 58 naar Gallia ging. Later te Rome wegens knevelarij +aangeklaagd, die hij als quaestor had bedreven, wist hij met behulp +van Clodius de rechters door geweld schrik in te boezemen. In 56 trad +hij in de zaak van P. Sestius tegen dezen en diens verdediger Cicero +op, doch werd onmiddellijk daarna door Cicero in eene opzettelijke +redevoering ontmaskerd. In 55 werd hij praetor; in 54, wel niet +ten onrechte, van omkooping hiertoe beschuldigd, werd hij ter wille +van Caesar door Cicero verdedigd. Ook in het vervolg bleef Vatinius +Caesar trouw. In den burgeroorlog versloeg hij in het begin van 47 +de Pompeiani bij het eiland Tauris, en verjoeg ze uit de Adriatische +zee. In 45 ging hij als proconsul naar Illyria, maar na Caesar's dood +gaf hij de provincie over aan Brutus. + +Vecta of Vectis, eiland op de Zuidkust van Britannia, thans Wight. + +Vectigal. Onder vectigalia verstaat men de indirecte belastingen +en wat men betaalt voor het gebruik van staatseigendommen. Hiertoe +behoorden o. a. 1) portorium, haven-, brug- en weggelden en in- en +uitvoerrechten.--2) scriptura, het weidegeld dat bij het inscharen +van vee op de weidegronden van het staatsdomein (pascua publica) +werd betaald.--3) verpachtingen van het vischrecht en van houtkap +in de bosschen van den staat, van concessies voor ontginning en +exploitatie van mijnwerken, krijt-, zout- en steengroeven.--4) +vicesima manumissionum, 5% van de getaxeerde waarde, bij vrijlating +van slaven te betalen. Deze belasting was ingevoerd door de lex +Manlia van 357.--5) sinds den keizerstijd, vicesima hereditatum, +een successierecht van 5% bij erfenis, wel te verstaan van erfenissen +ex iure Quiritium; daarom gaf Caracalla in 212 na C. aan alle vrije +inwoners het burgerrecht, om over het geheele rijk dit recht te kunnen +heffen.--6) de pacht voor het gebruik van ager publicus en in de +provinciën de decumae van tiendplichtige landerijen.--7) centesima +rerum venalium, een verkooprecht op alles wat binnen Italië werd +verkocht, eene instelling van Augustus.--8) accijns op eetwaren, +door Caligula ingesteld.--9) quinguagesima mancipiorum venalium, +een overgangsrecht bij verkoop van slaven, van 2%, door Augustus +ingevoerd, door Claudius verdubbeld.--10) een entreegeld voor de +publieke privaten, onder den naam vectigal foricarum et urinae, +ingevoerd door Vespasianus.--11) eene belasting op de nijverheid, +patentbelasting, van Alexander Severus.--12) vectigal ex aquaeductibus +voor het uit de waterleidingen naar de huizen afgevoerde water; +cloacarium voor het recht van waterloozing in de openbare riolen, +enz.--Voorzoover zij er toe geschikt waren, werden de vectigalia +door de censoren verpacht summis pretiis. Ominis causa werd een begin +gemaakt met de oesterbanken in den lacus Lucrinus. Neemt men vectigalia +in den meer algemeenen zin van staatsinkomsten, dan kan hiertoe ook +de rechtstreeksche belasting, stipendium (z. a.), uit de provinciën +worden gebracht. In de provinciën Sicilia en Africa was het stipendium +geheel vervangen door tienden. Italia was van grondbelasting geheel +vrij (zie ook ius italicum). Over het tributum der rom. burgers, dat +niet tot de eigenlijke belastingen kan gerekend worden, zie tributum. + +Vectones = Vettones. + +Vedius Pollio, vrijgelatene, rom. ridder, een nietswaardig +mensch, ontzaggelijk rijk, verkwistend en meedoogenloos. Bij zekere +gelegenheid, dat Augustus bij hem te gast was, werd diens bescherming +ingeroepen door een slaaf van Vedius, die wegens het breken van +een voorwerp van murrha (z. a.) door zijn meester veroordeeld was +om in den vischvijver geworpen te worden en tot spijs voor de alen +te dienen. Augustus gelastte toen aan zijne lictoren, alle murrha +in het huis stuk te slaan. Vedius Pollio stierf in 15, na Augustus +tot erfgenaam van het grootste gedeelte zijner bezittingen benoemd +te hebben, o. a. van zijne prachtige villa Pausilypum (Zonderzorg, +Sans-Souci) tusschen Neapolis en Puteoli. + +Vegetius Renatus (Flavius) schreef aan het einde van de 4de eeuw na +C. een epitome rei militaris, eigenlijk eene compilatie, zooals de +schrijver zelf erkent, van verspreide berichten en mededeelingen, +die hij bij verschillende oudere schrijvers heeft aangetroffen, +aangevuld met hetgeen hij aan de keizerlijke verordeningen heeft +ontleend. Ofschoon dikwijls oud en nieuw zijn dooreengeward, heeft +het werk, bij gebrek aan andere en betere krijgskundige geschriften, +voor ons eene niet geringe waarde. Waarschijnlijk moet een werk over +veeartsenijkunde van een zekeren P. Vegetius Renatus, uit denzelfden +tijd, ook aan hem worden toegeschreven. + +Veiento (A. Fabricius), werd onder Nero in 62 n. C. verbannen, omdat +hij in schotschriften senatoren en priesters beschimpt had. Onder +Domitianus was hij als delator berucht. Hij was consularis. + +Veii, Oueioi, oude en machtige etruscische stad op eene hoogte +aan de rivier de Cremera, met flinke muren, waarvan nog sporen +aanwezig zijn. Het uitgebreide gebied werd ager Veiens of Veientanus +genoemd. Daar Veii en Rome slechts ruim drie uren van elkander lagen, +moest Rome's opkomst spoedig eene botsing uitlokken. Reeds onder de +regeering van Romulus wordt een oorlog met Veii vermeld. Ten laatste +werd het in 396, volgens de overlevering, na een tienjarig beleg, +door M. Furius Camillus ingenomen, geplunderd en verwoest. Het gebied +der stad werd ager publicus, maar reeds in 387 werden hier 4 nieuwe +tribus ingericht, n.m. de tribus Stellatina, Tromentina, Sabatina en +Arniensis. Veii had een beroemden Juno-tempel. + +Veiovis, Vediovis, Vedius, een rom. god, wiens naam door de ouden +verklaard wordt als jonge Jupiter of verdervende Jupiter. Hij had +sedert 192 een heiligdom tusschen het Capitolium en den burcht, op de +plaats van het oude asyl van Romulus, en, sedert 194, een op de insula +Tiberina. In eerstgenoemden tempel stond zijn beeld van cypressenhout, +jeugdig van gestalte, met een bundel pijlen in de hand en een geit +naast zich. Den 7den Maart werd hem een geit geofferd. Wegens de +pijlen, die tot zijne attributen behooren, werd hij soms met Apollo +geïdentificeerd; in werkelijkheid behoorde hij tot den kring der +onderaardsche godheden. + +Velabrum, straat of buurt in Rome van den mons Palatinus in de +richting naar den Tiber, door den vicus Tuscus met het forum Romanum +verbonden. Op het Velabrum waren winkels van fijne gerechten of +lekkernijen, waar men ook koks kon huren. + +Velauni of Vellani = Vellavi. + +Veleda, profetes uit den stam der Bructeren ten tijde van +Vespasianus. Bij hare landslieden en de omringende stammen werd zij +vereerd als een hooger wezen. In den opstand van Civilis oefende zij +een grooten invloed uit. Later werd zij door de Rom. gevangen genomen +en naar Rome gevoerd. + +Velia, Ouelia, ook Helia en Elea, bij Herodotus Hyele genoemd, op de +kust van Lucania. Zie Elea. + +Velia, buurt van Rome, eigenlijk een rug, die den mons Palatinus met +den mons Esquilinus verbond. Van de Velia daalde de Sacra via af naar +het forum Romanum. De Velia maakte een deel uit van Roma quadrata +(zie Palatinus (mons)). + +Velinus (lacus), meertje in het Sabijnsche land, tgw. Lago di +Piedilugo, gevormd door den Avens (z. a.). + +Velinus (portus), de haven van Velia of Elea. + +Velites, lichtgewapenden in het rom. leger, zie centuria. Zij werden +uit de arme burgers gelicht, hadden harnas noch helm, maar slechts +een mantel en een vilten muts, en waren gewapend met een klein rond +ruiterschild (parma), een zwaard en een aantal (soms zeven) lichte +werpschichten (hastae velitares, veruta) met dunne, scherpe stalen +punt. Zij deden dienst als tirailleurs en namen ook de plaats en de +wapenen der gesneuvelden over. In het legerkamp waren zij des nachts +onder den blooten hemel langs den binnenkant van den wal en vóór de +poorten gelegerd. Sedert Marius ook de capite censi in de gelederen +der geregelde troepen opnam, hing het van lichamelijke geschiktheid +af, of men bij deze of bij de velites werd ingedeeld, hoewel uit den +aard der zaak deze toch uit de geringeren werden genomen. + +Velitrae, thans Velletri, latijnsche stad ten Z. van het albaansch +gebergte, langen tijd in handen der Volsci, sedert 393 of 338 +municipium sine suffragio. Het is de stamplaats der Octavii. + +Vellaunodunum, stad der Senones in het midden van Gallia, tusschen +Genabum (Orléans) en Agedincum (Sens). + +Vellavi, volksstam in de bergstreek der Cevennes. + +Velleda = Veleda. + +Velleii. 1) C. Velleius, rom. senator, door Cicero in zijn werk de +natura deorum als vertegenwoordiger der epicureïsche wijsbegeerte +ingevoerd.--2) C. Velleius Paterculus, een vriend van Pompeius, benam +zich het leven, in 41, toen Octavianus tegen zijne woonplaats Neapolis +(Napels) optrok.--3) C. Velleius Paterculus, rom. geschiedschrijver, +kleinzoon van no. 2, uit een rij van aanzienlijke voorouders gesproten, +diende onder C. Caesar en onder Tiberius in verschillende veldtochten, +werd in 6 na C. quaestor en in 15 praetor. Hij schreef eene beknopte +rom. geschiedenis in 2 boeken (ad M. Vinicium consulem) in 30 na C., +van Rome's stichting tot op dat jaar. Dat dit werk niet anders dan +hoogst oppervlakkig zijn kan, spreekt van zelf. De tekst berust op +slechts één enkel handschrift, dat na de verschijning der eerste +uitgaaf weder is zoek geraakt. Van het tweede boek is ook slechts +een gedeelte over. + +Vell(i)ocasses, gallisch volk aan den mond der Sequana +(Seine). Havenstad: Rotomagus (Rouaan). + +Venafrum, stad in Samnium ten O. van Casinum (in Zuid-Latium) gelegen, +wordt sedert Augustus tot Campania gerekend. De stad lag op eene +hoogte, 5 kilometer van den Vulturnus, te midden van olijfbosschen. De +olijfolie van Venafrum was om hare fijnheid beroemd. + +Venatio. Onder de geliefkoosde schouwspelen der Rom. behoorden de +dierengevechten in het amphitheater. Met ontzaggelijke kosten werden +hiertoe uit verschillende gewesten wilde dieren aangevoerd, als: +leeuwen, tijgers, olifanten, rhinocerossen, enz., die men tegen +elkander liet vechten. Zoo bracht Pompeius bij één feest o.a. 600 +leeuwen in de arena. Ook liet men menschen tegen dieren vechten, zulke +menschen werden bestiarii genoemd en waren soms voor loon gehuurd, +auctorati, soms veroordeelden, ad bestias damnati. Gehuurde vechters +waren natuurlijk gewapend, veroordeelden nu en dan. Gedurende de +christenvervolgingen werden gewoonlijk de veroordeelden bij hoopen +weerloos in het strijdperk gedreven, soms wel aan palen vastgebonden, +en werden vervolgens de wilde dieren op hen losgelaten, om hen voor +de oogen der duizenden van toeschouwers te verscheuren. + +Venedae, -di, Ouenedai, aanzienlijk sarmatisch volk ten O. der Vistula +(Weichsel) aan den sinus Venedicus, Ouenedikos kolpos (golf van +Riga). Nog in de middeleeuwen komt dit volk in Polen en Oostpruisen +en ook westelijker voor onder den naam van Wenden. + +Venelli, volksstam in Gallia aan het Kanaal op het tegenw. schiereiland +Cotentin. + +Veneti, Ouenetoi, 1) gallisch volk op de kust van het tegenw. Bretagne, +met de stad Dariorigum of Venetae (Vannes), en op de kust de insulae +Veneticae (Ré, Oléron enz.). Zij waren een zeevarend en handeldrijvend +volk en onderhielden een levendig verkeer met Britannia.--2) een +volk in het N.O. van Italië, ook Enetoi genoemd, waarvan de afkomst +den ouden onbekend was. Men meende in hen het verdwenen paphlagonisch +volk der Heneti (z. a.) terug te vinden. Waarschijnlijk waren zij van +illyrischen stam. Hun land, o. a. met de steden Patavium (Padua), +Altinum en Aquileia, was buitengewoon welvarend door nijverheid en +handel. Zij waren niet krijgszuchtig en onderwierpen zich reeds vroeg +(215) aan de Rom., om bij hen steun te vinden tegen hunne gallische +naburen. Hun gebied, Venetia, komt in het algemeen, wat de ligging +betreft, overeen met dat der latere republiek Venetië. De invallen +van Gothen en Hunnen waren voor hen een groote ramp, zie hieromtrent +Altinum. + +Venetus lacus = Brigantinus lacus. + +Venilia, moeder van Turnus, zuster van Amata, gemalin van Neptunus +of Faunus. + +Vennones, een woest Alpenvolk in Raetia aan de bronnen van den Athesis. + +Vennonius, geschiedschrijver ten tijde der Gracchen. + +Venta, naam van enkele steden in Britannia. 1) V. Belgarum, in het Z., +thans Winchester, nabij Clausentum (Southampton).--2) V. Icenorum, +in het O., nabij het tegenw. Norwich.--3) V. Silurum, in Wales, +ongeveer tegenover het tegenw. Bristol. + +Ventidius Bassus (P.), een man van geringe afkomst, doch van groote +bekwaamheid. In den marsischen oorlog waren zijne ouders onder de +gevangenen uit Picenum, die in 89 den triumftocht van den consul +Cn. Pompeius Strabo moesten opluisteren. Zijn vader werd vervolgens +ter dood gebracht. Toen Bassus een man was geworden, voorzag hij +eerst in zijn onderhoud door aan overheden, die naar de provinciën +gingen, paarden, muildieren en wagens te leveren. Caesar, die hem +had leeren kennen, hief hem uit zijn stand op en bracht hem in den +senaat. Hij diende onder Caesar in Gallia en in den burgeroorlog, +koos na Caesars dood de zijde van Antonius, drong bij Cicero aan dat +deze zich tijdig uit de voeten zou maken, en wierf in Picenum een +leger om Antonius te steunen. Na het sluiten van het driemanschap +in 43 werd hij consul (als suffectus voor Q. Pedius). In 39 ging hij +als legaat van Antonius naar Syria en bracht in dit en het volgende +jaar den Parthen drie gevoelige nederlagen toe, waarbij de parthische +prins Pacorus, zoon van Orodes I, sneuvelde. Hij genoot daarvoor de +eer van een zegetocht. Z. ook Labieni no. 2. + +Venus, italiaansche lentegodin, vooral beschermster der tuinen en +van de groenteteelt, onder griekschen invloed geheel vereenzelvigd +met Aphrodite en dus geworden tot eene godin van schoonheid en +liefde. Haar dienst was afkomstig uit Ardea. Oorspronkelijk had +zij te Rome twee tempels, één in den lucus van Libitina (z. a.), +één bij het Circus maximus, en de stichtingsdag van den laatsten +is de 19de Augustus, de feestdag der holitores (groenteboeren), +die Venus speciaal vereeren. In den tweeden punischen oorlog werd, +volgens voorschrift van de Sibyllijnsche boeken, de geheel grieksche +eeredienst van V. Erycina (Erucina) uit Sicilië naar Rome overgebracht; +men offerde haar den 23sten April; een eeuw later werd de dienst +ingesteld van V. Verticordia (feestdag 1 April). Sulla vereerde haar +onder den naam V. Felix (dit is de V. Pompeiana, de stadsgodin van +Pompeii), Pompeius als V. Victrix, maar haar dienst kwam vooral in +hoog aanzien en het aantal aan haar gewijde tempels nam aanmerkelijk +toe, sedert zij als de moeder van Aeneas en dus als de stammoeder van +het rom. volk beschouwd werd, en nog meer toen Caesar en Augustus, +en naar hun voorbeeld ook latere keizers, haar als de moeder van de +gens Iulia vereerden. Omtrent V. Cloacina en V. Murcia, zie Cloacina +en Murcia. Zie verder Aphrodite. + +Venusia, schilderachtig gelegen stad van Apulia, dicht aan de +lucanische grenzen nabij de rivier Aufidus en den mons Vultur gelegen, +geboorteplaats van Horatius. Oorspronkelijk was V. eene stad der +Samnieten geweest. Sedert 291 lat. col. + +Ver sacrum. Bij italiaansche volken, vooral bij de Sabijnen, gebeurde +het meermalen, dat in tijden van pest, misgewas en andere rampen al +wat in de eerstvolgende lente zou geboren worden, aan de goden werd +gewijd. De dieren, die in zulk eene gewijde lente geboren werden, +werden geofferd, de menschen echter, als zij volwassen waren, over de +grenzen gezonden om zich elders als volksplanters neer te zetten. Als +de romeinsche senaat tot een ver sacrum besloot, moest dit besluit +door het volk bekrachtigd worden. + +Veragri, raetisch of ligurisch volk aan de poeninische Alpen in +Helvetia, in het tegenw. kanton Wallis. Hoofdplaats Octodurus +(Martigny). + +Veranii. 1) Veranius, een vriend van Catullus, die zijn geluk +vruchteloos in Hispania ging beproeven.--2) Q. Veranius, legaat van +Germanicus, klaagde Cn. Piso (Calpurnii no. 7) aan.--3) Q. Veranius, +consul in 49 na C. en in 58 stadhouder van Britannia, waar hij stierf. + +Verbanus lacus, Ouerbanos limne, thans lago Maggiore, waardoor de +Ticinus stroomt, in Gallia Transpadana. + +Verbena = herbena, heilige kruiden, op het Capitool gegroeid, ook +sagmina geheeten. Ook takken van heilige boomen, als myrten, olijf- +en laurierboomen, geplukt tot eenig heilig gebruik, werden verbena +geheeten. Smeekelingen, gezanten en vooral de fetiaal-priesters +omkransten zich het hoofd met zulke heilige kruiden of gewassen; +ook bezigde men ze tot het versieren van altaren, godenbeelden, +offerdieren, enz. + +Verbigenus pagus, zie Helvetii. + +Vercellae, thans Vercelli, hoofdstad der Lebecii in Gallia Transpadana, +sedert 89 met het ius Latii, sedert 49 rom. municipium. Op de +nabijgelegen Campi Raudii vernietigde C. Marius in 101 de Cimbren. + +Vercingetorix, een aanzienlijk Galliër uit de Arverni, het hoofd +van den grooten gallischen opstand tegen Caesar in 52. Hij versloeg +Caesar bij Gergovia, maar daarna sloot Caesar hem met zijn leger +op in Alesia. Hij moest zich overgeven en werd te Rome na Caesar's +triumphus in 46 ter dood gebracht. + +Veretum, Ouereton, stadje in Calabria, nabij het promunturium +Salentinum. + +Vergelius of Vergellus, een beek, die door het slagveld van Cannae +stroomde. + +Vergiliae, z. Pleiades. + +Vergilii. 1) M. Vergilius, volkstribuun in 87.--2) C. Vergilius, +61-58 propraetor van Sicilia, een groot vriend van Cicero. Later +(47) verdedigde hij Thapsus tegen Caesar.--3) P. Vergilius Maro, de +beroemde dichter der Aeneis, was in 70 op een landgoed zijns vaders, +te Andes bij Mantua geboren. Eerst ging hij in het naburige Cremona +school, later als jongeling volgde hij lessen te Mediolanium (Milaan), +vervolgens ging hij in 53 naar Rome, waar hij met Alfenus Varus +(zie Alfenus) het onderricht genoot van den epicureïschen wijsgeer +Siro. Daarna keerde hij naar zijn vaderlijk landgoed terug en dichtte +hij enkele zijner Eclogae of herderszangen. Toen echter Octavianus +na den slag bij Philippi (42) de veteranen door eene toewijzing van +landerijen beloonen wilde en daartoe ook de omstreken van Cremona en +Mantua had uitgekozen, zag ook Vergilius zijn goed door een vreemde in +bezit nemen (41). Door bemiddeling echter van C. Asinius Pollio, die +met 7 legioenen in het gebied der Veneti stond en de landverdeeling +bestuurde, had deze inbezitneming geen verder gevolg en beloofde +Octavianus aan Vergilius, dat zijn landgoed ongemoeid zou blijven. Doch +op Asinius Pollio volgden Alfenus Varus en Antonius Musa, en opnieuw +zag V. zich in zijn bezit bedreigd. Hij beloofde Varus te zullen +bezingen, als deze zijn grondbezit spaarde. Uit de omstandigheid, dat +de 6de Ecloga aan Varus is gericht en dat V. toch van zijn landgoed +werd beroofd, mag men misschien het besluit trekken, dat Varus zelf +het hem wel liet behouden, maar niet verhinderde dat een ander het +hem ontnam. Het gedicht van Verg. getuigt dan ook niet van groote +geestdrift. Hij ging naar Rome, doch Octavianus was elders. Door +tusschenkomst van aanzienlijke vrienden (misschien bij Varus) werd +hem de teruggaaf van zijn goed beloofd, doch toen hij er heen was +gegaan, zou hij door den nieuwen bezitter, zekeren centurio Arrius, +doodgestoken zijn, ware hij niet ijlings in den Mincius gesprongen +(40). Eenige maanden bleef hij te Rome en in den omtrek, tot hij +eindelijk, vermoedelijk door tusschenkomst van Maecenas, zijne goederen +terug kreeg. Het is ook niet onwaarschijnlijk, dat Varus hem nu ten +slotte het rustig bezit waarborgde en daarvoor met een gedicht door den +dichter werd beloond. Na door zijne Eclogae of Bucolica naam gemaakt +te hebben, begon V. te Rome zijne Georgica in 4 boeken, een leerdicht +over akkerbouw, boomkweekerij, vee- en bijenteelt, dat eigenlijk zijn +meesterwerk is, waaraan hij 7 jaar werkte, 37-30. Hij voltooide het +te Napels, een geliefkoosd verblijf voor hem, uit hoofde zijner zwakke +gezondheid. Intusschen of onmiddellijk daarna begon hij aan zijn epos +Aeneis, waarvan hij in 23 het 2de, 4de en 6de boek voor Augustus en +diens omgeving voordroeg. Voor zijne gezondheid en tot ontspanning +ondernam hij in 19 eene reis naar Griekenland, ontmoette daar Augustus +en keerde met dezen naar Italië terug. Te Brundisium aangekomen, was +hij zóó ziek, dat hij daar moest blijven en er binnen weinige weken +overleed. Volgens zijn verlangen werd zijn lijk naar Napels vervoerd +en is hij aan den weg naar Puteoli begraven. Hij had eerst gelast, +dat zijn onvoltooid epos (zie over den inhoud het art. Aeneas) +verbrand moest worden, doch liet zich verbidden om de uitgaaf aan +zijne vrienden Plotius Tucca en Varius Rufus toe te vertrouwen, +onder voorwaarde dat zij het geheel onveranderd zouden laten, opdat +ieder zou kunnen zien, dat de dood hem belet had er de laatste hand +aan te leggen. Menige plaats komt er in voor, die de dichter, zoo de +tijd hem gegeven ware, aangevuld of gewijzigd zou hebben. V. bleef +bij zijn volk steeds in hooge eer; in de middeleeuwen hield men hem +voor een toovenaar en, voor zoover dit voor een heiden mogelijk was, +voor een heilige. Aan het gewaande graf van V. werden zelfs wonderen +vastgeknoopt. De groote verdienste der Aeneis is deze, dat daarin met +onmiskenbaar talent van vorm en uitdrukking een nationaal-rom. epos op +homerische leest is geschoeid. Bovendien diende het tot verheerlijking +van Augustus en zijne familie. Het werd dan ook met vooringenomenheid +op de rom. scholen gelezen en verklaard. Op de Bucolica en Georgica +schreef Valerius Probus (1e eeuw na C.) een commentaar, terwijl wij +ook den rijken commentaar op Vergilius van Servius Maurus Honoratus +(4de eeuw na C.) (z. Servius no. 3) bezitten. Zie ook Donatus (Tiberius +Claudius). Enkele kleinere gedichten op naam van Vergilius (Culex, +Moretum e. a.) worden door sommigen niet aan hem toegeschreven. + +Verginii, een deels patricisch, deels plebejisch geslacht. 1) +Opiter Verginius Tricostus, consul in 502, streed tegen de Latijnen +en sneuvelde in 487 tegen de Volscen.--2) T. Verginius Tricostus +Caeliomontanus, consul in 496, nam deel aan den slag bij het meer +Regillus.--3) Proculus Verginius Tricostus Rutilus, consul in 486, +was een tegenstander der akkerwet van zijn ambtgenoot Sp. Cassius +Viscellinus (zie Cassii no. 1).--4) verder komen er tot 435 nog +een achttal Verginii Tricosti onder de consuls voor met de toenamen +Rutilus, Esquilinus, Caeliomontanus, waarbij ook de vóórnamen Opiter +en Proculus nog eenmaal terugkomen. Ook vindt men er twee onder de +consulairtribunen.--5) A. Verginius bewerkte in 457, dat het getal +volkstribunen op 10 werd gebracht. Hij zelf bekleedde dit ambt 5 +jaar achtereen.--6) L. Verginius doodde volgens de overlevering in +449 zijne dochter Verginia, opdat zij niet in handen van den tienman +App. Claudius zou vallen, en gaf hiermede het sein tot de tweede +secessio plebis. Daarop werd hij tot volkstribuun verkozen.--7) +A. Verginius, rom. rechtsgeleerde, omstreeks 100.--8) L. Verginius +Rufus, legatus pro praetore van Germania Superior onder Nero en Otho, +wees na den dood van Vindex (z. a.) en in 69 na C. na den dood van +Otho het aanbod zijner troepen van de hand, hem tot keizer uit te +roepen. In zijn sterfjaar, 97, was hij met keizer Nerva consul. Tacitus +hield eene lijkrede op hem. Hij was een vaderlijke vriend voor den +jongeren Plinius. Hij maakte ook gedichten. + +Verna of vernaculus is een slaaf, die in zijns meesters huis geboren +is. Uit den aard der zaak waren zij in den regel vrijpostiger dan +gekochte slaven.--Vernaculae legiones zijn troepen, bestaande uit +personen, die bij de werving nog geen Romeinsche burgers waren, +maar dit recht verkregen, zoodra zij ingelijfd waren; dus = milites +libertini. + +Verolamium, hoofdstad der Catuvellauni, ten N.W. van Londinium +(Londen), thans Old-Verulam, rom. municipium. + +Veromandui, zie Viromandui, welke schrijfwijze beter is. + +Verona, stad in Gallia Transpadana aan den Athesis, eerst aan de +Euganei, later aan de Cenomani toebehoorende, sedert 89 met het +ins Latii, sedert 49 een bloeiend rom. municipium, geboorteplaats +van Catullus en Vitruvius. Verona, thans nog aldus geheeten, was +de schoonste stad van Cisalpina. Het marmeren amphitheater, onder +Diocletianus gebouwd, dat 22000 toeschouwers bevatten kon, is nog +vrij goed bewaard gebleven. + +Verres (C.) was in 82 quaestor van den consul Cn. Papirius Carbo +in Cisalpina, doch liep tot de partij van Sulla over, de kas +medenemende. Toch kreeg Sulla van het geld niet veel te zien, daar +Verres beweerde dit te Ariminum (Rimini) te hebben achtergelaten, +waar het bij de verwoesting der stad verloren zou zijn gegaan. Zijne +verantwoording was merkwaardig. "Ontvangst HS 2235417; uitgaaf +aan soldij, koren enz. HS 1635417; saldo te Ar. achtergelaten HS +600000." In 80 ging Verres als legaat van Cn. Cornelius Dolabella naar +Cilicia, waar hij weldra na den dood van den quaestor C. Malleolus +proquaestor werd. Zijn reis daarheen was een rooftocht. In Griekenland +en Azië liet hij, zelfs bij dag, de tempels openbreken en beelden en +kostbaarheden er uit wegvoeren. Toen Dolabella later van afpersingen +was aangeklaagd, had V. de onbeschaamdheid als getuige tegen hem +op te treden. Met een deel van den geroofden buit wist hij zich +tegen 74 tot praetor te doen verkiezen. Zijne praetuur (de praetura +urbana) was, zooals men denken kan, eene bespotting van het recht, +eene onafgebroken reeks van rechtsverkrachtingen. In 73 werd hij +propraetor van Sicilia, waar hij drie jaar bleef. In die drie jaar +mergelde hij de provincie uit. Behalve dat hij den landbouwers +hun koren afperste en hun dan het graan, dat zij moesten leveren, +uit hun eigen voorraad duur verkocht, om ten slotte nog het geld, +dat de senaat hem tot aankoop van koren toezond, in zijn eigen zak +te steken, waren ook geen kunstwerken of kostbaarheden voor hem +veilig. Hij hield er spionnen op na om na te speuren, wie iets in +bezit had, wat van zijne gading kon zijn. Op verzoek der Siciliërs +trad Cicero in 70 als aanklager op en beschuldigde Verres voor 40 +millioen sestertiën op Sicilië gestolen en afgeperst te hebben. Ten +spijt van alle kuiperijen van Verres en diens machtige vrienden +(zie Tullii no. 5), handelde Cicero met zooveel voortvarendheid en +doortastendheid en overstelpte hij Verres met zooveel onwederlegbare +bewijzen, dat diens verdediger Hortensius het pleit opgaf en Verres +zich in ballingschap naar Massilia (Marseille) begaf. + +Verrius Flaccus (M.), rom. taalgeleerde onder Augustus en Tiberius, +leermeester van de kleinzonen van Augustus, schrijver van een groot +alphabetisch geordend werk de verborum significatu (zie Festus +no. 2), ook geciteerd als libri rerum memoria dignarum, en van de +Fasti Praenestini, waarvan nog fragmenten over zijn. + +Verticordia, bijnaam aan Venus (z. a.) gegeven, wegens haar invloed op +het menschelijk hart. In 114 werd haar een tempel gewijd met de bede, +dat zij de vrouwen van onkuischheid zou afhouden. + +Vertumnus of Vortumnus, god van verandering of afwisseling, in het +bijzonder van de afwisseling der jaargetijden, die de vruchten doet +rijpen, maar verder ook van de veranderingen in de gezindheid der +menschen, van ruilhandel, enz. Hij zelf bezat het vermogen allerlei +gedaanten aan te nemen en maakte daarvan gebruik, toen hij de liefde +van Pomona trachtte te winnen, wat hem eerst gelukte, nadat hij, als +oude vrouw vermomd, gehoor bij haar had gekregen. Hij had een beeld +in den vicus Tuscus, waarom hij voor een oorspronkelijk etrurisch god +gehouden werd, en een tempel aan den voet van den Aventinus; deze +tempel was door M. Fulvius Flaccus na zijn verovering van Volsinii +gesticht. Vortumnus was waarschijnlijk de hoofdgod van Volsinii; zie +ook Voltumna. Men bracht hem offers op den 13 Augustus. Men verwarre +dezen god niet met Volturnus (z. a.). + +Verulae, hooggelegen stad der Hernici in Latium. + +Verulamium = Verolamium. + +Verus (L. Aurelius), zoon van L. Aelius Verus (zie Annii no. 6), +jongere broeder en mederegent van keizer Marcus Aurelius en indertijd +met dezen door Antoninus Pius tot zoon aangenomen. Vóór zijn adoptio +heette hij L. Ceionius Commodus, en hij wordt nog vaak door de +schrijvers Commodus genoemd. Hij was te veel overgegeven aan een +weelderig en gemakkelijk leven om iets te beteekenen. Zijne regeering +(als zij dezen naam verdient) duurde van 161 na C. tot 169, toen +hij stierf. In 162 trok hij naar het Oosten, om tegen de Parthen te +strijden, die in het rijk gevallen waren. Hij bleef echter in Antiochia +achter, en liet den oorlog, die van 161-166 duurde, door zijne legaten +voeren. Door de verovering van Artaxata (163) werd Armenia tot een +rom. vazalstaat. Ten gevolge van de veldtochten van Avidius Cassius +(zie Cassii no. 18) werd in 166 de vrede met Vologeses gesloten, +kwam Osroene onder rom. invloed en werd Carrhae rom. kolonie. Daarna +trok Verus met M. Aurelius tegen de Marcomannen, maar stierf in 169 +te Altinum. + +Vesbius, Vesevus = Vesuvius. + +Vescelia, stad der Oretani in Hispania Tarraconensis, in het gebied +van den Anas (Guadiana). + +Vescia, verdwenen stad der Aurunci of Ausones in Latium in eene +liefelijke streek, ager Vescinus, die tusschen den Liris en den mons +Massicus lag. + +Veseris, een vlek of een riviertje (dit is onzeker) in Campania aan +den Vesuvius. + +Vesevus = Vesuvius. + +Vesontio, thans Besançon, hoofdstad der Sequani in Gallia aan den +Dubis (Doubs), die zoo de stad omspoelde, dat hij haar bijna geheel +insloot, terwijl het openliggende gedeelte afgesloten werd door een +berg, waarop de burcht lag. Er zijn tal van overblijfsels uit den +rom. tijd aanwezig. + +Vespasianus (T. Flavius), romeinsch keizer 70-79 na C., in 9 na +C. te Reate in het sabijnsche land geboren, was de zoon van Flavius +Sabinus en Vespasia Polla. Hij ging reeds vroeg in krijgsdienst, was +krijgstribuun in Thracia, quaestor van Creta en Cyrenaica, daarna te +Rome aediel en vervolgens praetor, en werd door Claudius als legatus +legionis naar Germania en in 43 naar Britannia gezonden. In 51 was +hij consul, trok zich toen uit vrees voor Agrippina een tijd lang +uit het openbare leven terug, totdat in 59 Nero hem als proconsul +naar Africa zond. In 66 werd hem door Nero opgedragen, den opstand +in Judaea te dempen, en deze taak was nog niet volbracht, toen hij +in den zomer van 69 door zijn leger tot keizer uitgeroepen en door +het geheele Oosten erkend werd. Na de overwinning bij Cremona en den +dood van Vitellius kwam V. in 70 onder groot gejuich van het volk te +Rome. Hij regeerde zacht en gematigd, wat het inwendig bestuur betreft, +doch krachtig, wat de bescherming der grenzen en de tucht in de legers +aangaat. De Parthen ontzagen hem en lieten hem met rust, zijn zoon +Titus voltooide de onderwerping der Joden en zijn veldheer Petillius +Cerealis dempte den gevaarlijken opstand der Batavieren. Door eene +naar den zin der Rom. te groote zuinigheid (zie mimus) stijfde hij de +uitgeputte schatkist. Hij heeft veel gebouwd, zie o.a. Amphitheatrum +aan het einde. Na den terugkeer van Titus hield V. met dezen een +luisterrijken zegetocht over de Joden. Door hem werd in 76 of 77 +Agricola naar Britannia gezonden. In 79 stierf V. op de badplaats Aquae +Cutiliae. Zijn zoon Titus volgde hem op.--V. had twee broeders. Omtrent +Flavius Sabinus, zie Sabinus no. 3. De andere broeder, Flavius Clemens, +huwde met zijne nicht Domitilla, eene dochter van Vespasianus en van +de vrijgelatene Flavia Domitia. Domitianus liet hem later ombrengen, +evenals den zoon van Sabinus. + +Vesperna, avondeten in den ouden tijd, z. coena. + +Vesta, godin van den huiselijken haard en het haardvuur, in +beteekenis gelijk aan de grieksche Hestia, maar door de Rom. hooger +in eere gehouden dan deze door de Grieken. Zij werd in ieder huis +gemeenschappelijk met de Laren en Penaten vereerd, maar had bovendien +een zeer heiligen tempel bij de regia, waar op haar altaar een +eeuwig vuur brandde, dat als het haardvuur van den geheelen staat +beschouwd werd, en waarheen de rom. vrouwen jaarlijks den 9den Juni +(Vestalia) in processie trokken. Deze Vestalia werden echter niet +alleen door de rom. vrouwen gevierd, maar het was ook de feestdag +der bakkers en molenaars. Het heilige vuur werd jaarlijks den 1sten +Maart met bijzondere plechtigheid vernieuwd, ging het bij ongeluk +eens uit, dan werd dit als een zeer slecht voorteeken beschouwd, +en moest het door het wrijven van hout opnieuw ontstoken worden. In +het binnenste van den tempel van Vesta, de penus Vestae geheeten, +werden behalve den door de Vestaalsche maagden bereiden offervoorraad +(zie hieromtrent onder Vestales), ook volgens de overlevering het +Palladium en de Penaten van den staat bewaard, die door Aeneas van +Troje naar Lavinium gebracht waren; ook in deze stad had zij een zeer +oud heiligdom, waar de hoogere rom. magistraten kort na de aanvaarding +van hun ambt gingen offeren. Te Rome werd de dienst van Vesta met +groote nauwgezetheid waargenomen door zes maagdelijke priesteressen, +die aan zeer strenge tucht onderworpen waren, maar daarentegen in +hoog aanzien stonden en buitengewone voorrechten genoten (z. Vestales). + +Vestales, ook virgines Vestae geheeten, vestaalsche maagden. In +den Vesta-tempel, de heilige haardstede van den rom. staat, werd de +dienst door zes priesteressen waargenomen. De voornaamste taak der +dienstdoende Vestalin was te zorgen dat het vuur in den tempel niet +uitging; doch bovendien hadden de priesteressen nog andere plichten te +vervullen, o. a. het bereiden van het gezouten offermeel (mola salsa), +waarmede de offerdieren bestrooid werden, het bewaren van bloed en asch +van sommige offers, die later als reinigingsmiddelen dienst moesten +doen, het opzenden van gebeden voor volk en staat, later ook voor den +keizer en diens gezin, enz. Ging het vuur uit, dan werd de nalatige +priesteres door den opperpontifex gegeeseld. Slechts éénmaal 's jaars, +den 1en Maart, den dag waarop oudtijds het jaar begon, moest het +vuur uitgaan, om dan vernieuwd te worden. Nooit mocht het van buiten +ingebracht worden, het moest in den tempel zelf door wrijving van +hout ontstoken worden. Evenals het vuur een zinnebeeld van reinheid +is, moesten ook Vesta's priesteressen hare maagdelijke kuischheid +bewaren; anders werden zij levend in een graf ingemetseld, terwijl +ook haar verleider met den dood gestraft werd. Volgens de lex Papia +(z. a.) koos de pontifex maximus, wanneer er een plaats als Vestalin te +vervullen viel, naar goedvinden 20 meisjes uit, niet jonger dan zes en +niet ouder dan tien jaar; deze moesten vrij van lichaamsgebreken zijn, +hare ouders, vader en moeder, nog in leven zijn en per confarreationem +gehuwd zijn. Uit deze 20 werd door het lot ééne aangewezen en door +den pontifex maximus als vestaalsche maagd aangenomen (virginem +capere). Hoewel er enkele redenen tot vrijstelling waren, b.v. wanneer +reeds eene zuster in Vesta's dienst was of wanneer het kind reeds +aan een pontifex verloofd was of wanneer de vader tot de flamines, +augurs, XV viri sacris faciundis of septemviri epulones behoorde, +kon men zich zonder zulk een reden niet aan de keus onttrekken. Ook +konden ouders hunne dochters aanbieden. Tien jaar lang bleef de +Vestalin leerlinge in den dienst, daarna moest zij tien jaar dienst +verrichten, vervolgens tien jaar als leermeesteres der nieuwelingen +werkzaam zijn. Na die 30 jaren mocht zij huwen, hetgeen echter ongaarne +gezien werd. De virgines Vestales genoten groote eer. Zij waren sui +iuris, zij alleen mochten te Rome op een wagen rijden, bij openbare +feesten en spelen hadden zij de eereplaats. Op straat werden zij +voorafgegaan door een lictor, zelfs de consul week voor haar uit, +terwijl zijne lictoren hunne roedenbundels naar den grond gericht +hielden (fasces submittere). Wanneer zij een veroordeelde ontmoetten, +was deze vrij. Zie ook Claudii no. 12. De vestaalsche maagden droegen +over het gewone vrouwengewaad een soort van linnen jakje, verder het +suffibulum en de infula. Aan haar hoofd stond de virgo maxima. + +Vestibulum, een voorplein voor een aanzienlijk rom. huis, aan drie +zijden door muren ingesloten. In de teekening op bl. 241 is wel eene +kleine inspringende ruimte als vestibulum aangegeven, doch men vergete +niet, dat daar slechts een woning van zeer matigen omvang in eene +landstad is voorgesteld, die niet te vergelijken is met de paleizen +der rijken te Rome. + +Vestini, rom. geslacht uit den keizerstijd. 1) L. Vestinus, uit Vienna +(Vienne) aan den Rhodanus (Rhône) in Gallia, bij keizer Claudius +zeer gezien.--2) M. Vestinus Atticus, zoon van no. 1, eerst een +vriend van Nero, later van hem afkeerig. Hij bespotte en beleedigde +zelfs den keizer, die hem eerst vruchteloos in de samenzwering van +Piso zocht te betrekken, en hem ten slotte, omdat hij met Statilia +Messalina getrouwd was, in zijn eigen huis liet overvallen en om het +leven brengen (65 na C.).--3) L. Vestinus, ook een zoon van no. 1, +herbouwde voor Vespasianus het afgebrande Capitool. + +Vestini, Ouestinoi, kleine sabellische volksstam aan de Adriatische +zee, gewoonlijk in éénen adem genoemd met de verwante Marsi, Marrucini +en Paeligni, met wie zij verbonden waren. Zij werden in 301 onderworpen +door de Rom. en namen in 90 deel aan den opstand der bondgenooten. + +Vestricius Spurinna, z. Spurinae no. 2. + +Vesulus mons, thans Monte Viso, in de Cottische Alpen, een der weinige +Alpentoppen, waarvan een rom. naam bekend is. Op dezen berg ontspringt +de Padus (Po). + +Vesuvius, Vesevus, Vesbius, Ouessouios, Besbios, thans nog Vesuvius, +de bekende vulkaan bij Napels. Gedurende den geheelen tijd van +Rome's bestaan schijnt de berg in rust te hebben verkeerd tot aan de +vreeselijke en geheel onverwachte uitbarsting van 79 n. C., waardoor +o. a. Herculaneum en Pompeii bedolven werden. Door deze en latere +uitbarstingen is het uiterlijk van den berg geheel veranderd. + +Vetera, voluit Castra Vetera, rom. sterkte, in de geschiedenis van +den bataafschen opstand bekend, zeer nabij het tegenw. Xanten aan +den Rijn. Zie verder onder Castra. + +Vettii. 1) T. Vettius, romeinsch ridder, veroorzaakte in 104 in +Campania een slavenopstand.--2) P. Vettius Scato (Cato), een van +de aanvoerders der bondgenooten in den marsischen oorlog, die +den Rom. eenige nederlagen toebracht (90), doch op den duur het +onderspit moest delven. Toen de bondgenooten zich langzamerhand aan +de Rom. onderwierpen, kon Vettius er niet toe besluiten de wapens +neer te leggen, en toen zijne eigene soldaten hem aan den rom. consul +Cn. Pompeius Strabo wilden uitleveren, liet hij zich door een slaaf +dooden.--3) L. Vettius, rom. ridder, behoorde tot de Catilinarii, +maar verried daarna zijne medeplichtigen (63). Later liet hij zich door +Caesar gebruiken, om eene samenzwering tegen Pompeius te verdichten en +o. a. Scribonius Curio en diens zoon (Scribonii no. 5 en 6) en anderen +er van te beschuldigen (59). De volkstribuun P. Vatinius kwam hierop +met een wetsvoorstel voor den dag om tegen de door Vettius genoemde +personen een gerechtelijk onderzoek in te stellen. Intusschen, zóó ver +kwam het niet. Vettius was in zijne verklaringen zoo met zichzelf in +strijd, dat hij zelf in de gevangenis werd geworpen. Daar vond men +hem op zekeren dag dood, waaraan Caesar of Vatinius verdacht wordt +niet vreemd te zijn geweest.--4) Vettius Valens, beroemd geneesheer +onder Claudius.--5) Vettius Polanus, diende onder Domitius Corbulo +in Armenia, werd door Vitellius als stadhouder naar Brittannia en +door Vespasianus naar Asia gezonden. + +Vettona, klein plaatsje in Umbria, aan den bovenloop van den Tiber, +ten Z. van Perusia, tgw. Bettona. + +Vettones, Ouettones en Ouettones, aanzienlijk volk in Lusitania +tusschen den Durius (Duero) en den Tagus (Taag). Hoofdstad: +Salmantica (Salamanca). Van hen wordt verhaald, dat zij in het eerst +de rom. officieren, die zij zagen wandelen, met geweld naar het kamp +terugbrachten, omdat zij meenden dat men krankzinnig moest wezen, +om zich noodeloos zoo te vermoeien. + +Vetulonia, Ouetoulonion, eene der 12 etrurische bondssteden, niet +ver van de kust, ten N. van Rusellae. De stad is vroeg vervallen; +ze lag in de beruchte koortsstreek der Maremmen. In de nabijheid +waren warme bronnen, aquae Vetuloniae. Volgens het verhaal zouden +de Rom. de fasces, sella curulis, toga praetexta en tuba aan de +Vetuloniërs ontleend hebben. + +Veturii. 1) Veturius Mamurius, beroemd wapensmid, zie ancile.--2) +P. Veturius Geminus Cicurinus, consul in 499, overwon de +Fidenaten, en zijn broeder T., consul in 494 de Aequers.--3) +T. Vetur. Gem. Cicurinus, consul in 462, hield een ovatio (z. a.) over +Aequers en Volscers.--4) C. Vetur. Cicur., consul in 455, overwon +ook de Aequers.--5) onder de decemviri en consulairtribunen komt +een vijftal Veturii Crassi Cicurini voor.--6) T. Veturius Calvinus +was een der consuls, die in 321 bij Caudium door de Samnieten werden +ingesloten. Hij en zijn ambtgenoot Sp. Postumius Albinus (Postumii +no. 7) werden door den senaat, die het gesloten verdrag verwierp, +aan de vijanden uitgeleverd, doch de Samnieten zonden hen naar +Rome terug. In 334 waren beiden ook te zamen consul geweest.--7) +L. Veturius Philo was consul in 220. In 217 tot dictator comitiorum +habendorum causa benoemd, moest hij als vitio creatus aftreden. In 210 +was hij censor, maar stierf tijdens de censuur.--8) L. Veturius Philo, +misschien een zoon van no. 7, onderscheidde zich in 207 als legaat +in den slag bij den Metaurus, in 206 was hij consul en onderwierp +Lucania weder. In 202 diende hij onder Scipio in den slag bij Zama, +en bracht daarna het bericht van de overwinning naar Rome over.--9) +Veturia, moeder van Coriolanus, zie Marcii no. 3. + +Vexillum, zie signum no. 2. + +Viadus, rivier in Germania, thans Oder. + +Viatores, staatsboden in dienst van sommige rom. overheden, als: +consuls, praetoren, censoren, volkstribunen, aedielen e. a. Zij werden +gebruikt om boodschappen over te brengen, oproepingen te doen, iemand +in hechtenis te nemen. Zie verder apparitores. + +Vibii, rom. gesl. van samnietischen oorsprong. 1) C. Vibius Pansa +Caetronianus, eerst uit Rome om zijne mariaanschgezindheid verbannen, +sloot zich na zijn terugkeer bij Caesar aan, onder wien hij ook in +Gallia diende. In 51 werd hij volkstribuun, in 47 en 46 stadhouder +van Bithynia, in 45 van Gallia Cisalpina. Na Pompeius' dood was +hij voor een aantal personen bij Caesar voorspraak. Na Caesars dood +was hij in 43 consul met A. Hirtius (z. a.). In den mutinensischen +oorlog tegen M. Antonius sneuvelden Pansa en Hirtius beiden in de +nabijheid van Mutina.--2) Vibius Gallus, rom. rhetor onder Augustus, +oefende zich zoolang in het nabootsen van krankzinnigen, tot hij zelf +krankzinnig werd.--3) C. Vibius Postumus streed met goed gevolg 9 +na C. tegen de opstandelingen in Dalmatia.--4) C. Vibius Marsus was +legaat van Germanicus in het O. en bracht na diens dood Agrippina +naar Rome. Onder Claudius was hij stadhouder van Syria.--5) Vibius +Serenus was in 16 n. C. één van de aanklagers van Scribonius Libo +(Scribonii no. 9); hij werd in 24 door zijn eigen zoon bij Tiberius +aangeklaagd van hoogverraad, doch door den keizer begenadigd.--6) +Q. Vibius Crispus, redenaar ten tijde van Domitianus.--7) C. Vibius +Trebonianus Gallus, uit Perusia, rom. keizer 251-253 na C. Zie +Gallus.--8) C. Vibius Afinius Gallus Veldumnianus Volusianus, +gewoonlijk Volusianus genoemd, zoon van no. 7 en door zijn vader tot +Caesar aangenomen; zie Gallus.--9) Vibius Sequester, schrijver van een +saai werkje de fluminibus, fontibus, lacubus, nemoribus, paludibus, +montibus, gentibus, quorum apud poëtas mentio fit, leefde in de 4de +of 5de eeuw na C. + +Vibisci, zie Bituriges. + +Vibo, zie Valentia no. 4 en Hippo no. 4. + +Vibullius Rufus (L.), aanhanger van Pompeius, eerst door dezen als +onderhandelaar met Caesar gebruikt, werd in den burgeroorlog tweemaal +door Caesar gevangen genomen doch weder vrijgelaten en de tweede maal +met vredesvoorstellen tot Pompeius gezonden. + +Vica Pota, v. s. een andere naam voor Victoria, de rom. godin der +overwinning; anderen leiden haar naam af van victus en potus, zoodat +ze op eten en drinken betrekking zou hebben. Zij had een heiligdom +aan de Velia. + +Vicarius heette de slaaf van een slaaf. Wanneer toch aan een slaaf +door zijn meester het genot van eenig vermogen was toegestaan, b.v. een +deel van zijne verdiensten (zie peculium), hetgeen meermalen het geval +was met slaven, die een ambacht beoefenden en op zichzelf woonden, +dan kon zulk een slaaf op zijne beurt ook soms weder een slaaf koopen +en in zijn dienst gebruiken.--Onder Constantijn den Gr. was vicarius +de titel van een stadhouder over eene der dioecesen, waarin elke +praefectuur verdeeld was. Zie praefectura. + +Vice(n)tia, thans Vicenza, stad der Veneters tusschen Patavium (Padua) +en Verona. + +Victor, Victrix, bijnaam van Jupiter, Mars, Hercules, Venus en +Minerva. Ook sommige rom. legioenen kregen den bijnaam Victrix. + +Victor. 1) C. Iulius Victor, schrijver van een klein werkje, +ars rhetorica Hermagorae etc. Hij leefde in de 4de eeuw n. C.--2) +S. Aurelius Victor, zie Aurelii no. 12. + +Victoria, Victorina, zie Victorinus. + +Victoriati, z. Bigati. + +Victorinus (M. Piavonius), een Galliër, die onder de regeering van +Gallienus, in het zoogen. tijdperk der 30 tyrannen, in het begin van +268 n. C. door Postumus (z. a.) tot mederegent werd aangenomen, maar +in 269 of 270 te Colonia Agrippina (Keulen) met zijn zoon vermoord +werd. Een grooten invloed had tijdens zijn regeering en daarna +zijne moeder Victorina (Victoria), die eerst M. Aurelius Marius tot +keizer liet uitroepen, en toen deze door zijne soldaten vermoord was, +Tetricus (z. a.). De berichten omtrent dezen tijd zijn echter zeer +verward en onzeker. + +Victumalae, plaatsje ten W. van den Ticinus, waar in 218 P. Cornelius +Scipio (Cornelii no. 11) door Hannibal verslagen werd. + +Vicus. 1) onderafdeeling eener tribus urbana (zie tribus), dus eene +wijk. Aan het hoofd daarvan stond een magister vici. De bewoners eener +wijk hadden gemeenschappelijke godsdienstige feesten, compitalia +(z. a.), en gemeenschappelijke lares compitales.--2) naam van +sommige straten te Rome, als: vicus Tuscus, vicus Iugarius, vicus +Longus e. a.--3) buiten de stad beteekent het woord een dorp of een +vlek. Deze vici droegen den naam van fora en conciliabula, als het +markt- en gerechtsplaatsen en centra voor de lichting waren. Zij +hadden niet de rechten van een municipium; waren zij versterkt, +dan heetten zij castra of castella. + +Viduus, een god, door wien de ziel van den mensch bij zijn dood van +het lichaam gescheiden wordt. Hij had een tempel buiten Rome. + +Vienna, thans Vienne, hoofdstad der Allobroges aan den Rhodanus +(Rhône), ten Z. van Lugdunum (Lyon). + +Vigintisexviri, gemeenschappelijke naam van eenige magistraten van +lageren rang: Xviri stlitibus iudicandis, IVviri iuri dicundo of +praefecti Capuam Cumas, IIIviri monetales, IVviri viis in urbe et +IIviri viis extra urbem purgandis, IIIviri capitales. Nadat Augustus +de IVviri iuri dicundo en de IIviri viis extra urbem purgandis had +afgeschaft, werden de overigen gezamenlijk vigintiviri genoemd. + +Vigintiviri, zie vigintisexviri. + +Villa. Uit den aard der zaak waren er groote en kleine +buitenverblijven. Over het algemeen waren zij minder gebouwd met +het oog op regelmaat, dan wel op gemak en zooveel mogelijk er op +ingericht om in verschillende jaargetijden aan verschillende zijden +bewoond te worden. Men onderscheidde de villa urbana of het heerenhuis +en de villa rustica of boerderij. Het buitenverblijf van een rijken +Romein vereenigde alle gemakken in zich. Behalve woon-, slaap-, eet-, +studeer- en ontvangvertrekken had men er de onmisbare badkamers, +sphaeristeria of zalen voor het balspel, gesloten en open gaanderijen +om met alle weer beweging te kunnen nemen (zie ook cryptoporticus), +soms een of meer torens om een ruim uitzicht te genieten, verder een +wandelpark met boschjes, vijvers, volières, meermalen eene diergaarde +enz. De groote buitenplaatsen aan zee hadden dikwijls vijvers voor +zeevisch, die met eene sluis waren afgesloten. Ook gebeurde het +wel, dat er van de kust uit dammen in zee werden aangelegd om op de +daartusschen aangeplempte ruimte het heerenhuis te kunnen bouwen +met een onbelemmerd uitzicht.--De boerderij bestond in den regel +uit een of meer binnenpleinen, waaromheen de woning, de stallen +en schuren stonden. In het midden dezer binnenplaatsen (cohortes, +cortes) waren waterbekkens. In het hoofdgebouw was de woning van +den opzichter of meier (villicus), in de bijgebouwen de vertrekken +voor de slaven (zie cella), de wijn- en oliepersen (torcularia), de +wijn- en oliekelders (cella vinaria, olearia) enz. Dan behoorde er +een hoenderhof bij met allerlei soorten van hoenders, ook fazanten +en pauwen, en een duiventil. Op de boerderij was ook het ergastulum +of de slavengevangenis, een groot vertrek, niet geheel onder, maar +toch in den grond gebouwd, dat zijn licht ontving door getraliede +vensteropeningen boven in den muur.--Villa publica is de naam van +het ambtslokaal der censoren op het Campus Martius. + +Villia (lex) annalis, van den volkstribuun L. Villius in 180, waarnaar +de familie den bijnaam van Annalis kreeg. Zij bevatte bepalingen +omtrent den leeftijd, waarop men naar eenig ambt mocht dingen en de +volgorde, waarin de ambten bekleed moesten worden. Uit het voorbeeld +van Tib. Gracchus, die reeds vóór zijn 17de jaar in dienst ging en +op zijn 27ste jaar quaestor werd, en dat van Cicero, die drie jaar +in Griekenland doorbracht en op zijn 31ste jaar quaestor was, en uit +enkele andere gegevens, mag men vermoedelijk het volgende opmaken. In +den regel ging men na zijn 17den verjaardag in dienst en moest men +10 dienstjaren hebben. Had men die jaren nu achtereen uitgediend, +dan kon men reeds op zijn 27ste jaar naar de quaestuur dingen, anders +eerst later. Zes jaar na de quaestuur kon men de aediliteit of het +volkstribunaat bekleeden, drie jaar daarna de praetuur en nog drie +jaar later het consulaat. Cicero was quaestor op zijn 31ste, aediel +op zijn 37ste, praetor op zijn 40ste, consul op zijn 43ste jaar. De +genoemde ambten moesten in deze volgorde worden doorloopen. Aediliteit +en volkstribunaat schijnen op ééne lijn te hebben gestaan, zoodat +men kiezen kon, naar welk van beide men wilde dingen. + +Villicus, de opzichter der boerderij, meestal een vrijgelatene. Zie +villa. + +Villii, een plebejisch geslacht. 1) P. Villius Tappulus, consul in +199, kreeg het opperbevel in den macedonischen oorlog, doch kon niet +veel uitvoeren. Hij werd opgevolgd door T. Quinctius Flamininus. In +192 volbracht hij eene zending bij koning Antiochus van Syria, bij +welke gelegenheid hij Hannibal te Ephesus ontmoette.--2) L. Villius, +volkstribuun in 180; zie Villia lex.--3) C. Villius, deelgenoot der +plannen van Ti. Gracchus, verloor met dezen het leven.--4) L. Villius +Annalis, in 43 door de driemannen vogelvrij verklaard, werd verraden +door zijn eigen zoon, die tot belooning quaestor werd, doch later +zelf werd omgebracht door de soldaten die zijn vader hadden gedood. + +Viminacium, vesting aan den Donau, en hoofdstad van Moesia Superior. + +Viminalis (collis) = biezenheuvel, een der bergen, waarop Rome gebouwd +was, gelegen tusschen den Collis Quirinalis en den Mons Cispius. + +Vinalia, wijnfeesten.--1) V. priora, een feest, den 23sten April te +Rome gevierd, waarbij men aan Jupiter offerde en bij den tempel van +Venus jongen wijn uitgoot. Het werd later beschouwd als een herinnering +aan eene gelofte van Aeneas (z. Mezentius).--2) V. rustica, een feest, +dat den 19den Augustus in de wijnbergen gevierd werd, en waarbij de +flamen Dialis aan Jupiter een lam offerde. + +Vindelicia, Ouindelikia, sedert 15 rom. Donauprov., ten N. door den +Donau begrensd, en zich van den Aenus (Inn) in westelijke richting +uitstrekkende tot aan het land der Helvetii (de lacus Brigantinus, +meer van Konstanz of Bodensee, lag nog in Vindelicia). Ten Z. grensde +het gewest aan Raetia, waarmede het ééne provincie uitmaakte. In +later tijd maakte V. de provincie Raetia II uit. De Vindelici waren +Kelten. Hoofdstad: Augusta Vindelicorum, thans Augsburg, aan den Licus +(Lech). Aan de samenvloeiing van Donau en Inn lag Batava Castra, +thans Passau. + +Vindex (C. Iulius), een Galliër, uit een vorstelijk aquitanisch +geslacht gesproten, generaal in rom. dienst, werd door Nero +als propraetor over Gallia Narbonensis aangesteld. Over Nero's +onwaardigheid en dwingelandij verbitterd, kwam hij in 68 n. C. tegen +hem in opstand, doch niet met de bedoeling zichzelf te verheffen. Hij +droeg den Galliërs zelfs op, hem te dooden, zoo hij naar de +heerschappij streefde. Hij omhelsde de zaak van Galba. Met Verginius +Rufus, stadhouder van Germania Superior (zie Verginii no. 8), sloot +hij eene overeenkomst, doch door een misverstand geraakten beider +troepen bij Vesontio (Besançon) slaags; Vindex werd overrompeld en +benam zichzelf het leven. + +Vindex, qui vim dicit, die met geweld dreigt, n.l. in goeden zin, +als men iemand wil aanranden, dus: handhaver van het recht, wreker, +beschermer, verdediger. In rechten is vindex degene, die bij eene +in ius vocatio zich in plaats van den gedaagde stelt en bij de manus +iniectio door zijne tusschenkomst de inhechtenisneming verhindert en +de zaak van den gegrepene tot de zijne maakt, dus: bevrijder, redder, +borg. Vandaar komt vindex ook in de beteekenis van plaatsvervanger +voor. Overdrachtelijk ook: iemand die den knoop doorhakt. + +Vindicare, vindicatio. Vindicatio is oorspronkelijk de handhaving +van zijn recht (vgl. vindex), een zinnebeeldige handeling bij strijd +over eigendomsrecht. Beide partijen betraden b.v. den betwisten grond +in tegenwoordigheid van den praetor en van getuigen (superstites); +later bracht men slechts eene kluit aarde mede, die men van den +grond in kwestie had medegenomen en die vindiciae genoemd werd, +omdat zij gevindiceerd werd. Elke der partijen raakte de kluit met +het zinnebeeldige roedje, vindicta of festuca (eigl. een grashalm, op +de betwiste plaats geplukt) aan en verklaarde deze voor zijn eigendom +(vindicatio en revindicatio). In ruimeren zin is vindicatio de actie +over eigendomsrecht in het algemeen. Zij had ook plaats bij geschillen +over eigendomsrecht, alsmede in processen over vrijheid of onvrijheid, +causae liberales (zie assertor, vgl. ook manumissio). Vandaar +de uitdrukking aliquem in libertatem vindicare, iemands vrijheid +eischen, iemand bevrijden. Ook komt vindicare in de beteekenis voor +van straffen, wreken (aliquid, in aliquem); in het latere Latijn ook: +se vindicare ab aliquo, zich op iemand wreken. + +Vindicius, een slaaf te Rome, die de samenzwering ten gunste van +den verdreven koning Tarquinius Superbus aan het licht bracht en met +vrijheid en burgerrecht werd beloond; zie Valeriae leges no. 2. + +Vindicta = festuca, zie vindicare. + +Vindili = Vandali. + +Vindius mons, gebergte langs de Noordkust van Hispania, het +tegenw. Cantabrisch gebergte.--2) Ouindion oros, gebergte in India +dat Noord-Indië van Dekhan scheidt, tgw. Vindhja. + +Vindobona, keltische stad, rom. municipium in Pannonia, ligplaats +der Donauvloot; thans Weenen. Keizer Marcus Aurelius overleed hier, +180 na C. + +Vindonissa, stad der Helvetii, aan den Arurius (Aar), thans Windisch, +met belangrijke overblijfsels, o. a. van eene waterleiding en een +amphitheater. + +Vineae, schutdaken, als het ware kramen, van een stevig dak voorzien en +die aan de zijden naar verkiezing konden geopend en gesloten worden. In +den regel waren zij bij de 5 meter lang. Door een aantal zulke vineae +aan elkander te schuiven, vormden de belegeraars een overdekten gang, +waarin zij schotvrij waren en waar de stormram (zie aries) werken +kon. Van boven werden zij gedekt met gelooide of ongelooide huiden, +om te voorkomen dat zij vuur zouden vatten door de brandbare stoffen, +die de belegerden er op wierpen. + +Vinicii. 1) P. en L. Vinicius, twee broeders, van wie de eerste een +middelmatig, de tweede een goed redenaar was, vooral bedreven in +het spreken voor de vuist. De laatste was in 51 volkstribuun, in 33 +consul.--2) M. Vinicius, consul in 19, diende onder de regeering van +Augustus in Germania en Pannonia.--3) L. Vinicius, zoon van L. Vinicius +no. 1, een edel jongeling, gunsteling van Augustus.--4) M. Vinicius, +wiens vrouw eene zuster van Caligula was, hoopte te vergeefs dezen +op te volgen. Later werd hij door Messalina, wier verleiding hij +afwees, vergiftigd (46 n. C.). Velleius Paterculus droeg aan hem zijn +geschiedwerk op. + +Vinii. 1) T. Vinius werd van de proscripties der driemannen gered +door zijne vrouw en door de trouw van een vrijgelatene, T. Vinius +Philopoemen, die later door de gunst van Augustus rom. ridder werd.--2) +C. Vinius Fronto Asella, buurman van Horatius.--3) T. Vinius Rufinus, +legaat en medeconsul van keizer Galba (68 na C.), gehaat om zijne +laagheden en hebzucht, werd met Galba vermoord.--4) Vinia Crispina, +dochter van no. 3, bij haars vaders leven verloofd met Otho (keizer +in 69), kocht voor hoogen prijs het hoofd haars vaders van diens +moordenaars. + +Vipsanii. 1) M. Vipsanius Agrippa werd in 63 uit een onaanzienlijk +geslacht geboren. Door gemeenschappelijke studiën in nauwere +aanraking met Octavianus gekomen, werd hij diens boezemvriend en +intieme raadsman. Eerst onderscheidde hij zich in den perusijnschen +oorlog (zie Antonii no. 6), waarna hij praetor werd. Vervolgens +bedwong hij een opstand in Gallia, drong ook over den Rijn en werd +in 37 consul. Hij legde vervolgens een oorlogshaven bij Baiae aan +(zie Avernus lacus) en bouwde een nieuwe vloot voor de Tyrrheensche +zee. In 36 bracht hij aan Sex. Pompeius gevoelige nederlagen ter zee +toe op de sicilische kust bij Mylae en Naulochus. Met Octavianus +streed hij nog voorspoedig in Illyria en Dalmatia, en werd in 33 +aediel. Aan de overwinning bij Actium in 31 (zie Antonii no. 4) had +Agrippa als admiraal het grootste aandeel; ook de nieuwe indeeling +van Italia in het jaar 30 was zijn werk. Nog tweemaal bekleedde hij +het consulaat, terwijl hij nog verschillende veldtochten ondernam en +opstanden dempte, o. a. andermaal in Gallia, in Hispania, in Pannonia, +totdat hij in 12 overleed. Augustus liet zijne uitvaart op prachtige +wijze vieren. Agrippa is driemaal gehuwd geweest, eerst met Pomponia, +de dochter van Atticus: uit dit huwelijk is no. 5 geboren; daarna met +Marcella, zijne nicht (zie Claudii no. 38), wier broeder M. Claudius +Marcellus (Claudii no. 37) door Augustus tot zoon was aangenomen en +met diens dochter Iulia was gehuwd. Hij scheidde echter van Marcella +en huwde na den dood van Marcellus diens weduwe, waardoor hij nu de +schoonzoon van Augustus werd (22). Zijne beide zoontjes uit dit laatste +huwelijk, Gaius en Lucius, werden door Aug. aangenomen; een derde zoon +werd na 's vaders dood geboren en daarom Agrippa Postumus genoemd. Zie +de genealogie aan het einde van het art. Iulii. Agrippa was ook een +uitstekend schrijver en zeer bedreven in de aardrijkskunde. Hij liet +eene groote kaart vervaardigen van alle heerbanen en kusten in het +rom. gebied, waarvan talrijke copieën gemaakt werden (vgl. no. 4). Rome +had voor zijne verfraaiing veel aan hem te danken door den aanleg van +waterleidingen, baden, zuilengangen, tuinen, zijne grootste schepping +echter is het Pantheon (z. a.) met zijn ontzaggelijk koepeldak. Het +tegenwoordig Pantheon is echter niet van hem. Ook in de provinciën +legde hij heerwegen en bouwwerken aan, o. a. te Lugdunum (Lyon) en te +Nemausus (Nîmes).--2) Agrippa Postumus, derde zoon van no. 1, werd door +Augustus naar het eil. Planasia verbannen en later na 's keizers dood +op last van Tiberius omgebracht, 14 na C.--3) L. Vipsanius, oudere +broeder van no. 1, door Caesar in den burgeroorlog gevangengenomen, +had aan de voorspraak van Augustus zijne vrijheid te danken.--4) Polla +Vipsania, zuster van no. 1 en 3, legde den grondslag tot de grootsche +galerij, waarin haars broeders kaart op den muur was afgebeeld.--5) +Vipsania Agrippina, dochter van no. 1 uit zijn eerste huwelijk, was +gehuwd met Tiberius; op bevel echter van Augustus moest haar huwelijk +na haars vaders dood verbroken worden, opdat Tiberius (tegen zijn zin) +met Iulia zou kunnen huwen. Zij hertrouwde met C. Asinius Gallus. Zij +stierf in 20 na C. + +Vipstani. 1) C. Vipstanus Apronianus was consul in 59 na C. en in +69 stadhouder van Africa.--2) Vipstanus Messala, in den aan Tacitus +toegeschreven dialogus de oratoribus voorkomende, diende in den oorlog +van Vespasianus tegen Vitellius en onderscheidde zich door dapperheid, +onpartijdigheid en welsprekendheid. Hij beschreef ook de geschiedenis +van zijn tijd. + +Virbius, z. Hippolytus. Bij Egeria had hij een zoon, die eveneens +V. heette en onder Turnus tegen Aeneas streed. Oorspronkelijk is het +een mannelijke godheid, die met Egeria hulp verleende bij geboorte. + +Virdumaras = Viridomarus. + +Virgilii = Vergilii. + +Virginalis, Virgo, bijnaam van Juno, Fortuna, Minerva, Diana, Vesta +en Victoria. + +Virginii = Verginii. + +Virgo, Parthenos, het sterrenbeeld de Maagd, z. Astraea. + +Viriathas, een lusitanisch herder, een ware heldennatuur, was een +der weinigen, die aan het verraderlijke bloedbad van 150 ontsnapten +(zie Sulpicii no. 11). Hij werd nu eerst rooverhoofdman; door zijn +lichaamskracht en zijn beleid kreeg hij zulk een aanhang, dat hij +spoedig aan het hoofd der geheele lusitanische krijgsmacht stond en +jaren lang aan de rom. legers het hoofd bood, totdat in 141 de consul +Q. Fabius Maximus Servilianus hem eene nederlaag toebracht en in 140 +vrede met hem sloot. Doch Fabius' broeder en opvolger Q. Servilius +Caepio (consul in 140) verbrak verraderlijk den vrede en wist onder de +vrienden van V. eenigen om te koopen om dezen te vermoorden (139). Met +zijn dood was de kracht der Lusitaniërs gebroken. + +Viridomarus, aanvoerder van de door de insubrische Galliërs te hulp +geroepen Gaesaten, in 222 door den rom. consul M. Claudius Marcellus +eigenhandig in den strijd doorstoken. + +Viriplaca, misschien een bijnaam van Venus, eene godin, die vrede +sticht tusschen twistende echtgenooten. + +Viromandui, gallisch volk in het tegenw. Vermandois. Hoofdstad: +Augusta Viromanduorum (St. Quentin, ten N.N.O. van Parijs). + +Visceratio, uitdeeling van vleesch, later ook van geld onder het volk +bij de begrafenis van aanzienlijke Romeinen. Soms gaf men bij zulk +eene gelegenheid openbare maaltijden, ook wel gladiatorenspelen. + +Visellii, 1) C. Visellius Aculeo, familie van Cicero, een scherpzinnig +jurist, een vriend van den redenaar Crassus (Licinii no. 12).--2) +C. Visellius Varro, een neef van Cicero, een talentvol redenaar, die +zijn best deed om Cicero uit de ballingschap te doen terugroepen.--3) +C. Visellius Varro, was in 21 na C. legaat in Germania in den oorlog +tegen Sacrovir.--4) L. Visellius Varro, zoon van no. 3, consul in 24 +na C. + +Vistula, grensrivier tusschen Germania en Sarmatia, thans Weichsel. + +Visurgis, riv. in Germania, thans Weser. + +Vitellia, oude stad in Latium, lid van den ouden Albaanschen bond, +ten N.O. van het Albaansch gebergte. + +Vitellii. 1) P. Vitellius was onder Germanicus legaat, eerst in +Germania, later in het Oosten. Na Germanicus' dood trad hij op als +aanklager van Piso. Na den val van Seianus werd hij aangeklaagd, +opende zich de aderen, maar liet ze weer toebinden, en stierf in de +gevangenis.--2) L. Vitellius was reeds onder Tiberius stadhouder +van Syria en hield de Parthen onder streng bedwang. Hij stond ook +in gunst bij Caligula en Claudius, doch was al te gedienstig jegens +Messalina en later jegens Agrippina. Hij bekleedde samen met keizer +Claudius de censuur in 47 na C. en volgende jaren.--3) A. Vitellius, +rom. keizer, zoon van no. 2; zie Vitellius.--4) L. Vitellius, ook een +zoon van no. 2, was nog slechter dan zijn broeder de keizer. Bij de +inneming van Rome door de troepen van Vespasianus werd hij op last +van diens veldheer M. Antonius Primus (zie Antonii no. 15) gedood. + +Vitellius (A.), rom. keizer, in 69 n. C. door de legioenen aan den Rijn +als zoodanig uitgeroepen. Hij had bij Tiberius, Claudius, Caligula +en Nero in groote gunst gestaan. Door Galba naar den Rijn gezonden, +bracht hij door te groote toegevendheid de soldaten op zijne hand en +werd den 2 Jan. 69 te Keulen tot keizer uitgeroepen, 13 dagen voordat +Galba door Otho werd onttroond. Zijne troepen (zie Caecinae no. 5) +wonnen den slag bij Bedriacum op Otho's leger, waarop Otho zich van +kant maakte. Vitellius liet het bestuur over aan onwaardige hovelingen +en leefde alleen voor zijne zinnelijke lusten, waaronder onmatigheid +en zwelgerij de hoofdrol vervulden. De praetoriaansche garde werd +door hem ontbonden en een nieuwe van 20000 man gevormd. Intusschen +bleven de soldaten zonder soldij. Op eens kwam te Rome het bericht +der verheffing van Vespasianus. Vitellius scheen het gevaar gering +te achten, hoewel generaals en troepen van hem afvielen en hij +den slag bij Cremona (einde Oct. 69) verloor. Eindelijk gegrepen, +werd hij door de soldaten van Antonius Primus (zie Antonii no. 15) +met een strop om den hals door de straten gesleurd en werd zijn lijk +in den Tiber geworpen (21 Dec. 69). + +Vitruvius Pollio (M.), architect te Rome, tijdgenoot van Caesar en +Augustus, de eenige rom. schrijver over bouwkunst, die ons een werk +de architectura in 10 boeken heeft nagelaten, opgedragen aan Augustus. + +Vivarium, bewaarplaats van levende dieren, ook tot aanfokking daarvan, +zooals voor vogels en hoenders (vivarium avium of aviarium), voor hazen +(leporarium), voor veldmuizen (glirarium), slakken (cochlearium), +oesters (vivarium ostrearum), vijvers voor visschen (vivarium piscium +of piscina), enz. + +Vocates, volk in Aquitania niet ver van de spaansche grenzen. + +Vocetius mons, boschrijk gebergte, oostelijk gedeelte van den Jura. + +Voconia (lex) van den volkstribuun Q. Voconius Saxa in 169, tot +beperking van het erfrecht van vrouwen. Zij bepaalde o. a. dat iemand, +die op 100000 as gecenseerd was, geen vrouw tot heres kon benoemen; +wel kon hij haar een legaat vermaken, doch de som der legaten mocht +het aandeel van den heres of de heredes niet te boven gaan. Het doel +was, te voorkomen dat groote fortuinen in handen van vrouwen kwamen; +toch was de wet gemakkelijk te ontduiken, b.v. door een testamentum +per aes et libram. + +Voconii, een plebejisch geslacht, waartoe behooren een volkstribuun in +169 (zie lex Voconia), een legaat van Lucullus in den mithradatischen +oorlog, een rechter in het proces van Cluentius in 66. + +Vocontii, machtige keltische volksstam in Gallia Narbonensis, +met de Rom. verbonden, doch volgens eigen wetten levende, in het +tegenw. Provence en Dauphiné. + +Vogesus mons = Vosegus. + +Volaterrae, Oualaterrai, machtige etrurische zeestaat met de beide +havens Luna en Populonia. Zij was een der 12 bondssteden, en lag op +eene steile rots, waarvan de kruin slechts langs één moeielijken weg +te genaken was. De hooge en zware muren zijn nog aanwezig. In den +burgeroorlog hield de stad, die met meer andere etrurische steden +sterk mariaansch gezind was, het beleg van Sulla's troepen tot 79 +uit. Sulla zond er eene kol. van veteranen heen. Van dien tijd af +verviel de stad. De stad zelve lag een eind landwaarts in; de kust +was moerassig en gedekt door wadden, zie Vada. + +Volcae, aanzienlijke keltische volksstam in Gallia Narbonensis +tusschen de Pyrenaeën en den Rhodanus (Rhône), oudtijds zelfs over +deze rivier. Er waren twee hoofdstammen, de Arecomici ten O. met de +hoofdstad Nemausus (Nîmes) en de Tectosages met Tolosa (Toulouse) +ten W. Tectosages vond men ook in het aziatische Galatia (z. a.). + +Volcanal, Volcanalia, zie Vulcanus. + +Volcanus, betere, doch minder algemeene schrijfwijze voor Vulcanus +(z. a.). + +Volcatii. 1) een vriend van Verres.--2) Volcatius Sedigitus +(zesvingerige), ± 130, schrijver van een dichterlijken canon.--3) +L. Volcatius Tullus, consul in 66, weigerde Catilina als candidaat naar +het consulaat aan te nemen en verijdelde diens eerste samenzwering. Een +naamgenoot, misschien zijn zoon, was consul in 33.--4) C. Volcatius +Tullus, diende in 53 onder Caesar in Gallia, en in 48 bij Dyrrhachium. + +Volcei, Oulkoi, stad in Lucania, zie Volcentes. + +Volcentes, bewoners van het gebied der stad Volci, Volcei of Vulci +in het binnenland van Lucania, nabij de rivier Silarus. + +Volci, Vulci, 1) stad in Etruria ten N.W. van Tarquinii met +uitgestrekte grafgewelven. Bij Volci heeft men een groot aantal vazen +en andere voorwerpen van grieksche kunst in den grond gevonden. De +stad werd in 280 door de Romeinen onderworpen, en op haar gebied Cosa +(z. a.) gesticht.--2) stad der Volcentes (z. a.) in Lucania. + +Volero, familienaam in de gens Publilia. + +Vologeses of Volagaeses, naam van een vijftal parthische koningen uit +den tijd van Parthië's verval.--1) Arsaces XXIII (XXIV) Vol. I, 51-78 +na C., veroverde Armenia voor zijn broeder Tiridates (z. a.), doch +deze moest de kroon uit de hand van keizer Nero aannemen en daarvoor +naar Rome komen. Onder de regeering van Vol. I had Parthië veel te +lijden van invallen der Alanen, zoodat hij zich zelfs tot Vespasianus +om hulp wendde, die echter niet verleend werd. Commagene werd tijdens +zijn bestuur door de Rom. ingelijfd (72 n. C.).--2) Ars. XXVI (XXVII) +Vol. II, 130-148, van wien geene oorlogen bekend zijn.--3) Ars. XXVII +(XXVIII) Vol. III, 148-190, viel in 161 in Armenia en versloeg eerst de +uit Cappadocia te hulp gesnelde Rom., doch werd ten slotte in 163 door +L. Verus in de engte gedreven; Seleucia en Ctesiphon werden ingenomen +en Mesopotamia was veroverd, toen op eens een vreeselijke pest uitbrak, +die een eind aan den oorlog maakte (166). Zie Verus.--4) Ars. XXVIII +(XXIX) Vol. IV, 190-209, leed zware verliezen tegen Septimius Severus, +die Ctesiphon innam en plunderde, de mannelijke bevolking afmaakte en +vrouwen en kinderen wegvoerde (198). Wederom kwam ziekte den Parthen te +hulp.--5) Ars. XXIX (XXX) Vol. V, regeerde met zijn broeder Artabanus +IV van 209 tot 226, hoewel Vol. waarschijnlijk niets te zeggen had. Zij +waren de laatste Arsaciden in Parthië. + +Volscens, veldheer in het leger van Turnus, die door dapperheid +uitmuntte, maar door Nisus gedood werd. + +Volsci, oud volk in Latium, aan beide oevers van den Liris, verbitterde +vijanden der Rom., tusschen de zee en de grenzen van Samnium. Na +ruim anderhalve eeuw van telkens hernieuwden strijd moesten zij +eindelijk in 329 zich onderwerpen aan de Rom., waarna de naam der +Volscen verdwijnt. Suessa Pometia was hunne hoofdstad. Zie ook Latium. + +Volsinii, welvarende bondsstad van Etruria, op een steilen berg +gelegen. In 265 werd de stad door de Rom. verwoest, waarna de +inwoners eene nieuwe stad moesten bouwen aan den Lacus Volsiniensis +(Lago di Bolsena). Ook deze nieuwe stad werd rijk en bloeiend. In de +middeleeuwen is de oude plaats weer opgebouwd, tgw. Orvieto. + +Voltacilius Pitholaus (L.), leermeester van Pompeius, onderwijzer +in de rhetorica, de eerste vrijgelatene, die als geschiedschrijver +opgetreden is. Zijn biographieën van Pompeius en diens vader zijn +verloren gegaan. Z. ook Pitholeon. + +Voltumna, godin van den etrurischen statenbond, bij wier tempel +de bondsvergaderingen gehouden werden, waarmede offers, feesten en +jaarmarkten verbonden waren. De tempel lag tusschen Ameria, Volsinii +en Falerii. Deze godin is verwant met Vertumnus (z.a.). + +Voltur (mons), aan de grenzen van Samnium en Apulia en nabij die +van Lucania. + +Volturcius (T.), deelgenoot aan de samenzwering van Catilina, die +gevangen werd genomen en onder belofte van vergiffenis alles bekende. + +Volturnalia, zie Volturnus. + +Volturnum, 1) oude naam van Capua.--2) stad aan den mond van den +Volturnus, in 194 door de Rom. aangelegd op het gebied van Capua. + +Volturnus, thans Volturno, hoofdriv. van Campania, ontspringt diep +in Samnium en stroomt langs Casilinum naar de Tyrrheensche zee. De +vlakte ten N. heet ager Falernus, die ten Z. ager Campanus, het +grondgebied van Capua.--Volturnus is oorspronkelijk de naam van +een riviergod, die een afzonderlijken flamen had, en wiens feest, +de Volturnalia, op 27 Augustus gevierd werd. Het woord is afgeleid +van volvere, het wentelen der golven. Men verwarre dezen god niet +met Vertumnus.--Volturnus is ook de naam voor den Zuid-Oosten wind +(Eurus, tgw. Sirocco, zie Windstreken), die in Mei en Juni in Apulië +zeer heftig optreedt, en den Romeinen volgens Livius in den slag bij +Cannae veel stof in het gezicht woei. De Volturnus brengt soms regen. + +Volumnii. 1) Volumnia, echtgenoote van Coriolanus; zie Marcii +no. 3.--2) P. Volumnius Amintinus Gallus, consul in 461.--3) +L. Volumnius Flamma Violens, consul in 307 en 296, beide malen +met App. Claudius Caecus, streed (296) zeer voorspoedig tegen de +Samnieten.--4) P. Volumnius Eutrapelus, aanhanger van Antonius, van +wiens bemiddeling Cicero poogde gebruik te maken.--5) P. Volumnius, +geschiedschrijver en boezemvriend van M. Brutus. + +Volusianus (C. Vibius Afinius Gallus Veldumnianus), rom. medekeizer +251-253 na C.; zie Gallus. + +Volusii. 1) Q. Volusius, een van Cicero's beambten in Cilicia.--2) +L. Volusius Saturninus, een man van groote rijkdommen en groot aanzien, +was consul in 12 en oefende later de censoria potestas uit. Zijn zoon +en naamgenoot hield het erfgoed zijns vaders goed bijeen en stierf +in 56 na C. als praefectus urbi.--3) Volusius Proculus kreeg van +Nero de opdracht, diens moeder Agrippina uit den weg te ruimen. Tot +belooning werd hij admiraal van de vloot der Tyrrheensche zee.--4) +L. Volusius Maecianus, goed jurist onder Antoninus Pius, leermeester +van M. Aurelius.--5) Door Catullus wordt een dichter Volusius uit +Noord-Italië bespot wegens zijn boersche Annales. Door sommigen +wordt deze Volusius geïdentificeerd met Tanusius Geminus (z. a.), +waarschijnlijk ten onrechte. + +Vonones, parthische koningsnaam. 1) Arsaces XVIII Von. I, 6-16 na C., +was als gijzelaar te Rome opgevoed. Na den dood van Orodes II werd +V. tot den troon geroepen, doch door zijne rom. zeden verbeurde +hij de achting van zijn volk en moest naar Armenië en later naar +Syrië vluchten, terwijl Artabanus III koning der Parthen werd.--2) +Vonones, die met zijn zoon Meherdates te Rome leefde als gijzelaar, +totdat Meh. in 50 na C. onder den naam Arsaces XXII vruchteloos de +kroon van Parthië trachtte meester te worden.--3) Ars. XXII (XXIII) +Von. II, 51 n. C., regeerde slechts weinige maanden. + +Vopiscus (Flavius) van Syracusae, een van de schrijvers der Historia +Augusta, omstreeks 300 na C. Hij beschreef de levens van een aantal +keizers, van Aurelianus tot Carinus. + +Vortumnus = Vertumnus. + +Vosegus, beter dan Vogesus, gebergte in Gallia, de tegenw. Vogezen +(les Vosges). + +Votivi (ludi), zie Ludi. + +Vulcaniae insulae = Aeoliae insulae. + +Vulcanal (Volcanal), zie Vulcanus. + +Vulcani insula = Hiera no. 1. + +Vulcanus, Volc., rom. god van het vuur. Daar hij een god is, die brand +veroorzaakt, maar ook afweert (Mulciber = de verzachter), trachtte +men, door zekere formulieren op de muren der huizen te schrijven, zich +tegen zijn verderfelijken invloed te vrijwaren en zich van zijn hulp te +verzekeren. Om dezelfde reden bouwde men zijne tempels liefst buiten de +stad, doch in Rome zelf was hem het Volcanal gewijd, eene verhevenheid +bij het Comitium, die evenals de tempel van Vesta als het zinnebeeld +der eendracht van den staat beschouwd werd. Vandaar sprak, volgens de +traditie, de koning de volksvergadering op het comitium toe. Overigens +werd hij geheel en al met Hephaestus vereenzelvigd. Op zijn feestdag, +Vulcanalia (23 Augustus), werden in den keizertijd spelen in den +Circus Flaminius gehouden. Zie ook Maia no. 2 en Stata mater. + +Vulcatii = Volcatii. + +Vulci = Volci. + +Vulgivaga, Volg., bijnaam van Venus, = Pandemos. + +Vulsinii = Volsinii. + +Vultur = Voltur. + +Vulturcius = Volturcius. + +Vulturnum = Volturnum. + +Vulturnus = Volturnus. + + + + + + +W. + + +Windstreken. Oorspronkelijk had men slechts voor de vier hoofdwinden +bepaalde namen. 1) Boreas, Boreas, was de Noordenwind, koud maar gezond +voor de landen ten N. der Middellandsche zee, voor Afrika dikwijls +regen aanbrengend. De Boreas was vooral geducht in het Noorden van +de Adriatische zee, tgw. de bekende Bora.--2) Tegenover Boreas staat +Notus, Notos, ook Auster geheeten, de Zuidenwind, die aan Griekenland +dikwijls nevel en regen aanbracht en stormen verwekte.--3) Eurus, +Euros, ook Volturnus, was de Oostenwind, dikwijls stormachtig.--4) +tegenover Eurus stond Zephyrus, Zephyros, de Westenwind die uit de +streek der duisternis (zophos) waait, waar de zon ondergaat, en die +vooral in het voorjaar heerschte en na de winterkoude zachter weder, +maar ook vochtigheid aanbracht. Bij Hesiodus heet hij Argestes. De +Rom. noemden hem ook Favonius.--Homerus kent slechts deze vier +winden. Later echter had er eene verschuiving der vier windstreken +plaats, en kreeg men acht hoofdwinden, n.l. 1) Septentrio, Aparktias, +die rechtstreeks uit de hemelstreek der Triones of der arktos woei, dus +als Noordenwind gold.--2) Boreas of Aquilo, die een Noordoostenwind was +geworden.--3) Apeliotes, Apeliotes (van de zon, d. i. van het Oosten, +komende), de oostenwind, ook Solanus of Subsolanus geheeten.--4) +Eurus of Volturnus, die een Zuidoostenwind geworden was.--5) Notus +of Auster, die Zuidenwind bleef. In Apulia wordt de Zuidenwind +Atabulus genoemd.--6) Africus, de Zuidwestenwind.--7) Zephyrus, +Westenwind.--8) Argestes, Iapyx, Noordwestenwind, waarop de naam +Favonius overging.--Dichters evenwel bezigden nog zeer dikwijls de +namen in de oorspronkelijke beteekenis. Van acht winden klom men +tot twaalf op, door tusschen 2 en 3, 4 en 5, 5 en 6, 8 en 1 nog vier +winden in te schuiven, waardoor, met verdeeling van den horizon in +twaalf gelijke deelen, de hiervóór geplaatste windroos ontstond. + + + Septentrio, Aparktias. + | + Circius, Corus of | + Caurus, Thraskias. | Boreas, Aquilo, Borras. + | +Favonius, Iapyx, Argestes, Iapyx. | Caecias, Kaikias. + | +Zephyrus, Zephyros. ---------------+----------- Apeliotes, Apeliotes. + | + Africus, Lips. | Eurus, Volturnus, Euros. + | + Libonotos, Libophoinix. | Albus Notus, Leukonotos, + | Phoinikias. + | + Notus, Auster, Notos. + Atabulus. + + +De Libonotus wordt ook wel Libophoinix genoemd, de Albus Notus +Phoinikias, terwijl Aquilo ook wel voor den Noordenwind wordt gebruikt. + + + + + + +X. + + +Xanthippe, Xanthippe, vrouw van Socrates, wien zij, naar men zegt, +door knorren en kijven dikwijls het leven verbitterde. + +Xanthippus, Xanthippos, 1) Athener, die met en na Clisthenes +als staatsman optrad, was een van de aanklagers van Miltiades, +volgde Themistocles op als bevelhebber van de vloot, en behaalde +met Leotychides de roemrijke overwinning bij Mycale. Hij was de +vader van Pericles.--2) Lacedaemoniër, die in den eersten punischen +oorlog aan het hoofd van een troep huurlingen naar Carthago kwam en +wegens zijne bekwaamheden het opperbevel over het leger kreeg. Hij +bracht aan de Rom. eene groote nederlaag toe, maar keerde spoedig +naar zijn vaderland terug, toen hij zag dat zijn geluk de afgunst +der Carthagers opwekte. Men zeide, dat hij op de terugreis door de +carthaagsche schippers gedood was. + +Xanthus, Xanthos, 1) z. Balius.--2) koning van Thebe, door Melanthus +(z. a.) in een tweegevecht gedood.--3) van Sardes, tijdgenoot van +Artaxerxes I, schrijver eener lydische geschiedenis (Lydiaka). + +Xanthus, Xanthos, 1) riv. bij Troje, dezelfde als de Scamander.--2) +riv. in Epirus, door Helenus aldus genoemd.--3) hoofdrivier van +Lycia. Acht uren gaans boven den mond lag de stad Xanthus, met +beroemde tempels van Apollo, Leto en Sarpedon. Cyrus liet haar door +zijn veldheer Harpagus belegeren; de inwoners, geene kans op redding +ziende, brachten hunne tilbare have, vrouwen en kinderen op den burg, +staken dezen in brand en sneuvelden zelven tot den laatsten man tegen +de Perzen. Later is de stad steeds zetel van de bondsregeering, zie +Lycia. In 42 veroverden Brutus en Cassius de stad; doch de inwoners +staken ze in brand en brachten zichzelven om het leven. + +Xenarchus, Xenarchos, 1) atheensch blijspeldichter, tijdgenoot +van Demosthenes, van wiens werken nog eenige smaakvolle fragmenten +bestaan.--2) zoon van Sophron, en evenals zijn vader mimendichter. Hij +leefde onder den ouden Dionysius.--3) van Seleucia, peripatetisch +wijsgeer, die omstreeks het einde der 1e eeuw te Alexandrië, Athene en +Rome onderwijs gaf. Tot zijne leerlingen behoorde de geograaf Strabo. + +Xenelasia, eene wet, waarbij een staat aan vreemdelingen verbiedt, +zich binnen zijn grondgebied te vestigen. Zulk eene wet bestond +o. a. te Sparta. + +Xeniades, Xeniades, 1) van Corinthe, een sophist, die dikwijls onder +de sceptici genoemd wordt, daar hij het bedriegelijke der zinnelijke +waarneming en de onmogelijkheid om tot de kennis der waarheid te +geraken betoogd had.--2) z. Diogenes no. 2. + +Xenias graphe, aanklacht tegen iemand, die wederrechtelijk zijn naam +in de lijsten der burgers had doen opnemen. De zaak kwam voor de +nautodikai, later voor de thesmotheten. + +Xenios, bijnaam van Zeus, als beschermer van het gastrecht. + +Xeno, Xenon, 1) thebaansch legeraanvoerder in den peloponnesischen +oorlog (413).--2) tyran van Hermione, die zich door Aratus liet +overreden de heerschappij neer te leggen en tot het achaeïsch verbond +toe te treden.--3) een van de Achaeërs, die in 166 als gijzelaars +naar Rome gezonden werden.--Een andere X. deed te Rome moeite om de +vrijlating van die gijzelaars te bewerken.--4) Athener, epicureïsch +wijsgeer uit Cicero's tijd, door hem met lof vermeld. + +Xenoclea, Xenokleia, priesteres van Apollo te Delphi, die weigerde +aan Heracles een orakel te geven, omdat hij niet gereinigd was van +den moord van Iphitus. Heracles roofde echter haar drievoet en dwong +haar daardoor hem te antwoorden. + +Xenocles, Xenokles, 1) zoon van Carcinus, door de blijspeldichters +van zijn tijd bespot om zijne slechte treurspelen, ofschoon hij +eens tegen Euripides den prijs won.--2) aanvoerder der ruiterij bij +het leger van Agesilaus in Azië.--3) van Adramyttium, een redenaar, +met wien Cicero tijdens zijn verblijf in Azië veel omging. + +Xenocrates, Xenokrates, 1) broeder van Theron van Agrigentum, +overwinnaar in de pythische en isthmische spelen, vriend van +Pindarus.--2) van Chalcedon, geb. 396, leerling en vriend van +Plato, dien hij op de reis naar Sicilië vergezelde. Na Plato's +dood verliet hij Athene, hij keerde echter spoedig terug, volgde +Speusippus als hoofd der academie op (339), en bleef dit tot zijn +dood (314). Hij ontwikkelde de leer van Plato op eigenaardige wijze, +zoodat sommigen hem een vervalscher van die leer noemden, daar hij +stellingen van Pythagoras er in opnam en in onderwijsmethode zeer van +Plato afweek; hij was de eerste die een streng onderscheid maakte +tusschen waarnemen, meenen en weten en tusschen logica, physica en +ethica. Bij voorkeur houdt hij zich bezig met de studie der daemonen, +die volgens hem zielen van afgestorvenen zijn: zijne meer mystieke dan +wijsgeerige leerstellingen op dit gebied schijnen van grooten invloed +op lateren geweest te zijn. Hoewel hij in uiterlijk en manieren +iets terugstootends had, werd hij algemeen geacht als een streng +rechtschapen man, ook werd hij meermalen, hoewel hij een vreemdeling +was, als gezant naar Philippus en Antipater gezonden. Van zijne +talrijke werken is bijna niets over.--3) van Aphrodisias, grieksch +geneesheer en schrijver over geneeskunde in de 1ste eeuw na Chr. + +Xenoetas, Xenoitas, Achaeër, veldheer van Antiochus d. G., werd +door dezen met een leger tegen den afgevallen stadhouder van Medië +uitgezonden, maar werd door de vijanden overvallen en met het grootste +gedeelte van zijn leger gedood (221). + +Xenophanes, Xenophanes, van Colophon, geb. omstreeks 579, verliet +vroeg zijne geboortestad en zwierf door Griekenland, Sicilië en Italië, +het meest schijnt hij zich echter te Elea opgehouden te hebben. Zijn +lang leven--hij werd meer dan 92 jaar oud--wijdde hij geheel aan het +bestrijden van het volksgeloof en de algemeen aangenomen mythologie; +in zijne met innige overtuiging geschreven en door hemzelf op de wijze +der rhapsoden voorgedragen gedichten ontkende hij ten sterkste het +bestaan van goden, zooals die in de gedichten van Homerus en Hesiodus +voorkomen, die in hun handelen en streven, en ook in hun ondeugden, +geheel op menschen gelijken; ook paarden en koeien, zeide hij, zouden, +indien het hun mogelijk was godenbeelden te vervaardigen, deze maken +naar hun evenbeeld. Tegenover deze voorstellingen plaatst X. zijn +eigen leer, de eleatische, waarvan niet veel meer bekend is, dan dat +zij de eenheid, ondeelbaarheid en onvergankelijkheid van heelal en +godheid verkondigde, en die door Parmenides (z. a.) verder ontwikkeld +is. Van zijne gedichten is het een en ander bewaard gebleven. + +Xenophantus, Xenophantos, 1) Athener, vader van den dithyrambendichter +Hieronymus.--2) van Thasus, beeldgieter, die voor de Atheners een +beeld van Hadrianus maakte. + +Xenophilus, Xenophilos, bevelhebber van den burcht van Susa, die zich +na eene langdurige verdediging aan Seleucus overgaf en zich bij hem +aansloot (316). + +Xenophon, Xenophon, 1) Athener, zoon van Gryllus, geb. omstreeks +430, was in zijne jeugd de leerling en een van de trouwste +aanhangers van Socrates, ook kreeg hij van Prodicus onderwijs in de +welsprekendheid. Na den peloponnesischen oorlog noodigde zijn vriend +Proxenus hem uit, om met hem deel te nemen aan den tocht van den +jongen Cyrus. X. gaf gaarne, hoewel niet geheel met goedvinden van +Socrates, aan die uitnoodiging gehoor, maakte den tocht van Cyrus +tegen Artaxerxes mede en streed mede in den slag bij Cunaxa. Toen op +de terugreis de veldheeren der Grieken verraderlijk door Tissaphernes +gevangen genomen waren, was X. de eerste die het leger moed insprak +en tot volharding aanspoorde. Hij werd dan ook met vier anderen +verkozen om de Grieken op hun terugtocht te leiden en verwierf zich +den grootsten roem door den moed, het beleid, de zelfverloochening en +volharding, waarmede hij deze taak vervulde. In weerwil van de groote +moeielijkheden, hem door Perzen e. a. barbaarsche volken in den weg +gelegd, zonder hulpmiddelen tegen de natuurlijke hindernissen, die zich +op dien langen tocht voordeden, bracht hij het leger in vier maanden +van het binnenste van Azië naar Trapezus, van daar naar Byzantium, +waar zij bij Seuthes in dienst traden en eindelijk vereenigden +zij zich met het spartaansche leger, dat toen onder Thibron tegen +Tissaphernes en Pharnabazus oorlog voerde. Bij dit leger bleef X., +ook onder Dercylidas en Agesilaus, met wien hij zeer bevriend werd en +in wien hij het ideaal van een vorst en veldheer zag. Toen Agesilaus +naar Europa teruggeroepen werd, ging X. met hem mede en in den slag +bij Coronea streed hij onder zijn bevel tegen de Atheners en Thebanen +(394). Uit Athene verbannen--misschien wel juist om zijn deelnemen +aan dien slag--ging hij naar Sparta, en kreeg hij van de Spartanen +een landgoed bij Scillus, waar hij nu vele jaren rustig leefde, +zich bezighoudende met jacht en landbouw, en waar hij ook bijna +al zijne werken schreef. Na de nederlaag van Sparta bij Leuctra, +werd hij als vriend der Spartanen door de Eleërs uit zijne woning +verdreven. Toen later Athene en Sparta zich tegen Thebe vereenigden, +werd X. uit zijne ballingschap teruggeroepen (369), of hij toen naar +Athene teruggekeerd is, is niet zeker, hij stierf te Corinthe (354, +v. a. reeds vijf of zes jaren vroeger). Als schrijver munt X. uit +door duidelijkheid en eenvoud, ofschoon deze laatste eigenschap in +zijne geschiedkundige werken soms wel wat overdreven wordt; de ouden +prezen hem zeer hoog, men gaf hem den naam van Attike melissa en zeide +dat de godin der overreding op zijne lippen zetelde. Ten gevolge van +zijn lang verblijf buiten Athene is zijn taal niet vrij van onattische +uitdrukkingen en vormen. Zijne voornaamste werken zijn: Kyrou Anabasis, +eene uitvoerige geschiedenis van den tocht van Cyrus en den terugtocht +der 10000 Grieken, een werk, dat wegens de groote bescheidenheid, +waarmede de schrijver van zichzelf spreekt, door sommigen ten onrechte +aan een ander toegeschreven is (z. Themistogenes); Hellenika, een +geschiedenis van Griekenland, begonnen als vervolg op Thucydides en +voortgezet tot den dood van Epaminondas, een werk van groot belang +voor de geschiedenis van dien tijd, hoewel geschreven met duidelijk +merkbare voorliefde voor spartaansche politiek en instellingen +en vooral voor zijn held, Agesilaus; Kyrou paideia, een meer +wijsgeerig dan geschiedkundig werk, waarin de oude Cyrus als het +ideaal van een volmaakt vorst naar socratische zienswijze voorgesteld +wordt; Apomnemoneumata Sokratous, herinneringen aan Socrates, eene +verzameling gesprekken van den meester, bijeengebracht met het doel +om zijne nagedachtenis te verdedigen tegen den sophist Polycrates +(z. a. no. 2); Symposion, een tafelgesprek, waarbij vooral Socrates het +woord voert. Verscheiden kleinere werken, die den naam van X. dragen, +zijn deels van minder belang, deels waarschijnlijk onecht.--2) zoon +van Euripides, een van de aanvoerders der Atheners bij het beleg van +Potidaea (429).--3) van Cos, geneesheer van keizer Claudius, dien +hij ter wille van Agrippina vergiftigde.--4) van Ephesus, schrijver +van een griekschen roman onder den titel Ephesiaka, ta kata Anthian +kai Abrokomen; hij leefde waarschijnlijk in de 3de eeuw na C. + +Xenos, vreemdeling, gast, gastvriend, huurling. Het gastrecht werd +door de Grieken hoog in eere gehouden; niet alleen dat men zijne gasten +zoo goed mogelijk ontving, hun geschenken gaf, enz., maar tusschen een +gastheer en zijn gast bleef eene betrekking van vriendschap bestaan, +die soms gedurende verscheiden geslachten aangehouden werd. Tegenover +aanzienlijke vreemdelingen, gezanten e. dgl. trad soms de staat als +gastheer op.--Zij, die zich in een vreemden staat vestigden, wat te +Sparta e. e. niet geoorloofd was (z. xenelasia), werden metoikoi, +(z. a.) genoemd. + +Xerxes, Xerxes, 1) zoon van Darius Hystaspis en Atossa, werd door zijn +vader als troonopvolger aangewezen, hoewel hij een ouderen broeder had, +daar deze geboren was, voordat Darius aan de regeering gekomen was. Na +den dood van zijn vader (485) bedwong hij een opstand van Aegypte, +daarna rustte hij zich toe tot een veldtocht tegen Griekenland, van +verschillende kanten, vooral door Mardonius, daartoe aangedreven. Nadat +hij den Hellespont had laten overbruggen en den berg Athos had laten +doorgraven, ondernam hij in het voorjaar van 480 met eene ontelbare +legermacht en vloot den tocht. Hij ging door Macedonië en Thessalië, +drong in weerwil van den tegenstand van Leonidas door de Thermopylae +en trok al plunderend tot Athene voort, dat in brand gestoken werd, +terwijl zijn vloot de haven van Phalerum binnenliep. Doch na de +verpletterende nederlaag bij Salamis, die hij van een op het strand +opgerichten troonzetel aanzag, vluchtte hij haastig naar Azië terug, +en toen in het volgende jaar Mardonius bij Plataeae en zijn vloot bij +Mycale verslagen waren, zag hij van de verovering van Griekenland +voor goed af. Naar Susa teruggekeerd, gaf hij zich aan allerlei +wreedheden en uitspattingen over, totdat hij door Artabanus vermoord +werd (465).--2) X. II, zoon van Artaxerxes I, volgde zijn vader in de +regeering op (425), doch werd na weinige weken door zijn halfbroeder +Sogdianus vermoord. + +Xois, Xois, oude aegyptische stad in de Delta tusschen den Bolbitischen +en den Sebennytischen Nijlarm, zetel der 14de dynastie. + +Xuthus, Xouthos, zoon van Hellen en de nimf Orseis, werd door zijne +broeders uit Thessalië verdreven en vluchtte naar Attica, waar hij met +Creusa, de dochter van Erechtheus, huwde, bij wie hij twee zonen kreeg, +Achaeus en Ion, de stamvaders der Achaeërs en Ioniërs. Toen hij na den +dood van Erechtheus als scheidsrechter over de troonopvolging moest +beslissen en de regeering aan Cecrops toewees, werd hij ook uit Attica +door zijne zwagers verjaagd, waarop hij zich in Aegialea vestigde. + +Xynia, Xynia, stad in het Z.W. van het thessalische landschap +Phthiotis, aan het meer van gelijken naam. + +Xystus, -tum, xystos, -ton, in de grieksche gymnasia een overdekte +zuilengang, waar de athleten zich des winters oefenden, ook een +beplante wandelplaats voor de zuilengalerij der rom. landhuizen. + + + + + + +Z. + + +Zabatus, Zabatos, ook Lycus geheeten, rivier in Assyria, zijtak van +den Tigris, ontspringt in de bergen van Armenia. + +Zacynthus, Zakynthos, thans Zante, een der Ionische eilanden, in +de Ionische zee tegenover Elis gelegen, vruchtbaar en boschrijk +(thans niet meer). Het behoorde tot het gebied van Ulysses. Het +eiland leverde aardpek. De hoofdstad, ook Zacynthus geheeten, was +eene belangrijke plaats. + +Zadracarta (plur.), ta Zadrakarta, hoofdstad van het perzische gewest +Hyrcania. + +Zagreus, Zagreus, bijnaam van Dionysus, waaronder hij in de +orphische mysteriën vereerd werd. Hij wordt de zoon van Zeus en +Demeter of Persephone genoemd en was door Zeus tot beheerscher van +het heelal bestemd, doch Hera zette de Titanen tegen hem op, die hem +verscheurden en verslonden. Alleen zijn hart werd door Athena gered en +aan Zeus gebracht, die het verslond en daarna Dionysus voortbracht, +vlg. Sabazius. De schuldige Titanen werden door den bliksem tot +asch verteerd, en uit deze asch, vermengd met het bloed van Zagreus, +waren de menschen ontstaan. + +Zagrus, Zagros, gebergte tusschen Media ten O. en Susiana en Assyria +ten W. Het noordelijk gedeelte wordt ook Choathras genoemd. + +Zakoros = neokoros. + +Zaleucus, Zaleukos, wetgever der epizephyrische Locriërs, leefde +waarschijnlijk in het midden der 7de eeuw. Zijne wetten waren, naar men +verhaalde, de eerste die op schrift gebracht werden en hadden evenzeer +betrekking op het bizonder leven der burgers als op de staatsregeling. + +Zama, bijgenaamd Regia, vesting in de provincie Africa, in het N. van +Byzacene, op de grenzen van Zeugitana, 4 of 5 dagreizen ten Z.W. van +Carthago. In den omtrek werd in den herfst van 202 de beslissende +slag tusschen Scipio en Hannibal geleverd. + +Zamolxis, Zamolxis, Zalmoxis, een Gete of Thraciër, wiens geschiedenis +met vele verdichtsels doorweven is. Hij was slaaf geweest bij +Pythagoras, doch werd door dezen vrijgelaten, reisde door Griekenland, +en keerde als een wijs en rijk man naar zijn vaderland terug, waar +hij den grondslag legde van godsdienst en hoogere beschaving. Na zijn +dood werd hij als daemon vereerd. + +Zancle, Zankle, oude naam van de stad Messana op Sicilia. Zie Messana. + +Zarangae, Zarangai, bewoners van Drangiane (z. a.). + +Zariaspa (gen. -ae), ta Zariaspa, zie Bactra. + +Zea, Zea, een van de oorlogshavens van den Piraeus, aan de Oostzijde +gelegen. + +Zeilas, Zeilas, Zelas, oudste zoon van Nicomedes I. Daar zijn vader +een jongeren broeder als troonopvolger had aangewezen, ging hij +naar Armenië, van waar hij na zijn vaders dood terugkwam en zich met +geweld van de regeering meester maakte. Hij werd omstreeks 236 bij +een feestmaal door gallische soldaten vermoord. + +Zela, ta Zela, sterkte in het binnenland van Pontus, ten Z. van +Amasea, met verschillende tempels. Hier behaalde Mithradates in 67 de +overwinning op Lucullus' legaat Triarius en Caesar in 47 op Pharnaces. + +Zelia of -ea, Zeleia, oude stad in Noord-Phrygia, aan den Aesepus. Hier +trok Darius III zijn eerste leger tegen Alexander d. Gr. bijeen. + +Zeno, Zenon, 1) zoon van Polemo no. 4, door de Armeniërs tot koning +verkozen en door Germanicus als zoodanig bevestigd.--2) van Elea, +geb. omstreeks 490, leerling en vriend van Parmenides, met wien +hij naar Athene reisde. V. s. had hij een aanslag tegen een tyran, +Nearchus of Diomedon, met den marteldood moeten boeten. Hij verdedigde +in verscheiden geschriften, die alle verloren zijn, de eleatische leer +door de indirecte bewijsvoering uit het ongerijmde.--3) van Citium, +zoon van Mnaseas, geb. 336, v. a. 362. Zijn vader, die koopman was, +had ook hem voor den handel bestemd, ofschoon hij reeds vroeg de +wijsgeerige geschriften van Xenophon en Plato ijverig bestudeerd +had. Toen hij nu op den leeftijd van 22 jaar ten gevolge van een +schipbreuk te Athene gekomen was, besloot hij daar te blijven en +zich geheel aan de studie der wijsbegeerte te wijden. Hij sloot zich +eerst bij Crates, den cynicus, aan, van wiens invloed de oudere werken +van Z. talrijke blijken moeten gegeven hebben, wendde zich later tot +Stilpo, Xenocrates en Polemo, en trad omstreeks 310 met een eigen leer +op, die naar de poikile stoa, de plaats waar hij zijne voordrachten +hield, de stoische genoemd wordt. Hij stond te Athene in hoog aanzien, +vormde vele leerlingen, en werd van staatswege met een gouden krans, +en toen hij in 264 (v. s. door zelfmoord) gestorven was, met een +metalen grafteeken en een standbeeld vereerd. Van zijn werken zijn +slechts weinige fragmenten tot ons gekomen.--De bron van alle kennis +is volgens Z. zinnelijke waarneming; alleen wat zóó waar te nemen is +bestaat, terwijl eerst herhaalde waarnemingen ons in staat stellen +van het bizondere tot het algemeene te besluiten. Alles bestaat uit +twee elementen, die onafscheidelijk met elkander verbonden zijn: +stof en kracht. De kracht, die zich in het heelal werkzaam toont, +is de godheid. De stof bestaat oorspronkelijk als een zeer fijn +vuur, waaruit door verdichting lucht, water en aarde ontstaan, +en waarin eens de geheele wereld weder moet opgaan (ekpyrosis), om +later opnieuw er uit voort te komen. De ziel is aan het vuur verwant +en niet onsterfelijk, hoewel zij langer leeft dan het lichaam. Het +hoogste goed is de deugd, die men niet bereikt door bespiegeling, +maar door te leven in overeenstemming met de natuur of den goddelijken +wil. Deugd alleen is goed in den volsten zin van het woord, evenals +de ondeugd slecht is, alle andere dingen zijn onverschillig, hoewel +niet alle in gelijke mate. Genot is niet het doel van het leven, +maar is van nature met deugdzaam handelen verbonden. De ware wijze +is het volmaakste van alle wezens, hij kan zich door deugd zelfs tot +de hoogte van Zeus verheffen, hij alleen is vrij, is heer en koning, +en kan naar verkiezing ook over zijn leven beschikken.--Vooral onder +de Rom., die in 155 door Diogenes den Babyloniër met de stoische leer +kennis maakten, vond zij in de laatste tijden der republiek en onder +de keizers vele aanhangers.--4) van Tarsus, leerling van Chrysippus +en na diens dood hoofd der stoicijnsche school.--5) van Sidon, geb. ± +150, hoofd der epicureïsche school, wiens voordrachten Cicero en +Atticus gaarne hoorden.--6) van Rhodus, schrijver eener rhodische +geschiedenis, omstreeks 200. + +Zenobia, Zenobia, 1) echtgenoote van Odenathus (z. a.), nam na diens +dood in 267 na C. zelve het bewind over Palmyra in handen als regentes +voor hunne twee onmondige zoons. Te midden der verwarring in het +rom. rijk, breidde zij haar gebied uit over Syrië, Aegypte, Vóór-Azië, +totdat zij in 272 door keizer Aurelianus werd gestuit. Bij Emesa werd +de beslissende slag geleverd. Zenobia moest naar Palmyra vluchten, +dat belegerd en ingenomen werd (272), zij moest den zegetocht van +Aurelianus te Rome opluisteren, doch kreeg vervolgens een landgoed bij +Tibur, waar zij met hare kinderen hare verdere dagen sleet. Zij was +eene vrouw van zeldzame schoonheid en buitengewone gaven, zij sprak +verscheiden talen, o. a. Latijn, Grieksch, Syrisch, Aegyptisch. Zij +was een stoute paardrijdster, maar trok ook meermalen mijlen ver te +voet aan het hoofd harer troepen op. Vermoedelijk behoorde zij tot het +israëlietische geloof.--2) armenische koningsdochter, gehuwd met haar +neef Rhadamistus, die den troon van Armenië overweldigd had. Toen in 54 +na C. de Parthen onder Vologeses I en Tiridates Armenia veroverden en +Rhadamistus moest vluchten, smeekte zij haar echtgenoot haar te dooden, +opdat zij niet in handen der Parthen zou vallen. Rhadamistus bracht +haar met zijn zwaard eene wond toe en wierp haar in den Araxes. Zij +werd echter door herders gered en viel nu toch in handen van Tiridates, +die haar echter met grooten eerbied behandelde. + +Zenobius, Zenobios, grieksch sophist omstreeks 200 na C.; hij schreef +eene verzameling spreekwoorden en vertaalde de geschiedenis van +Sallustius in het grieksch. + +Zenodotus, Zenodotos, van Ephesus, leermeester der zonen van Ptolemaeus +Lagi en onder Ptolemaeus Philadelphus hoofd der bibliotheek van +Alexandrië, was een geleerd taalkundige en criticus, die vooral aan +Homerus veel studie wijdde.--Nog twee personen van denzelfden naam +komen voor als schrijvers van werken over Homerus en zijne gedichten. + +Zephyrium, Zephyrion, Westkaap, naam van onderscheidene voorgebergten, +o. a. 1) een der kapen aan de Z.O. punt van Italië, waarnaar de stad +Locri Epizephyrii, die ten N. daarvan ligt, haar naam draagt.--2) +aan de Z.W. kust van Cyprus, bij Paphus.--3) in Cilicia bij Soli.--4) +in Cyrenaica.--5) in Aegypte. + +Zephyrus, Zephyros, de Westenwind, zie Windstreken. + +Zerynthus, Zerynthos, stad op de Zuidkust van Thracia, bij Aenus, +met een Apollo-tempel en een grot van Hecate in de nabijheid. De stad +behoorde tot het vastelandsgebied van Samothrace. + +Zetes, Zetes, z. Calais. + +Zetetai, te Athene buitengewone commissarissen, die benoemd werden, +wanneer er vermoeden bestond dat een misdaad gepleegd was, zonder +dat iemand als aanklager optrad; zij moesten de zaak onderzoeken en +haar, wanneer zij daartoe grond vonden, voor den bevoegden rechter +brengen. Vooral geschiedde dit, wanneer men vermoedde dat gelden van +den staat verduisterd waren. + +Zethus, Zethos, tweelingbroeder van Amphion (z. a.). Geheel +verschillend van dezen, was hij ruw van aard en hield hij zich bij +voorkeur als jager in de bergen op. Hij was gehuwd met Aedon (z. a.). + +Zeugitai, atheensche burgers der derde klasse volgens de indeeling +van Solon, zij die jaarlijks van hunne goederen 200-300 medimnen of +metreten oogstten. Tot 458 konden zij alleen lagere ambten bekleeden, +eerst toen werd ook het archontaat voor hen toegankelijk. + +Zeugitana, Zeugitane, het noordelijk gedeelte der rom. provincie +Africa propria. + +Zeugma, Zeugma, stad in het Syrische distrikt Cyrrhestica, aan den +Euphraat tegenover Apamea. Alexander de Gr. had op dit punt eene +schipbrug over den stroom geslagen, waardoor Thapsacus (z. a.) als +punt van overgang minder gebruikt werd. Aan de syrische zijde dezer +brug stichtte Seleucus Nicator de stad Zeugma. + +Zeus, Zeus, Jupiter, zoon van Cronus en Rhea (Kronides, Kronion, +Saturnius), de hoogste god der Grieken, beheerscher van het heelal. Van +zijne oorspronkelijke beteekenis als natuurgod getuigden in lateren +tijd nog de wijze, waarop hij te Dodona, op Creta, in Arcadië +e. e. vereerd werd. Te Dodona bestond sedert zeer oude tijden een +heiligdom van Zeus (Dodonaios, Pelasgikos), met een orakel, dat +later wel door het delphische overvleugeld werd, maar toch steeds +in hoog aanzien bleef; de god verkondigde daar zijn wil door het +ruischen der bladeren van den heiligen eik, dat door zijne priesters, +de Selli (z. a.), verklaard werd; zijn dienst was nauw verbonden met +dien van Gaea, terwijl Dione (z. a.) zijne gemalin genoemd werd. Op +Creta was de jonge Zeus volgens het verhaal geboren, voor zijn vader +verborgen gehouden en door nimfen opgevoed, ook toonde men er zijn +graf; ieder jaar werd daar zijn dood en opstanding, zinnebeelden van +het jaarlijksche sterven en herleven der natuur, op orgiastische +wijze gevierd, waarbij de Cureten wapendansen uitvoerden (z. Rhea +Cybele). Hier, evenals in Arcadië, Boeotië en Thessalië werden hem in +de oudste tijden menschenoffers gebracht. Maar sedert hij de regeering +aan Cronus (z. a.) ontnomen en de Titanen (z. a.) overwonnen heeft, +is hij de god, die de orde in natuur en maatschappij in stand +houdt, hij troont op den top van den Olympus, die zich tot in de +wolken verheft en beheerscht van daar de natuurverschijnselen; +als hij de aegis zwaait (aigiochos), verwekt hij storm en onweder +(nephelegereta, kelainephes, hypsibremetes, erigdoupos), de bliksem +is zijn vreeselijk wapen (terpikeraunos, asteropetes), maar aan den +anderen kant jaagt hij ook de wolken uiteen en geeft hij helder weder +en gunstigen wind (aithrios, ourios), de Horen zijn zijne dochters en +dienaressen. Onder de menschen staat alles wat voor de heerschappij +van orde, wet en recht bevorderlijk kan zijn, onder zijne hoede; hij +beschermt het huisgezin (herkeios, ephestios), het huwelijk (gamelios, +teleios, zygios), den gast (xenios) en den hulpbehoevenden vreemdeling +(hikesios), evenals de geheele burgerij (polieus, phratrios), en de +vergaderingen, waarin zij over hare belangen beraadslaagt (agoraios, +boulaios), hij straft ongerechtigheid (alastor), waakt tegen het +schenden van den eed (horkios), kortom, hij is het die alle kwaad +van den mensch afweert (soter, alexikakos); zelfs vergunt hij hem +een blik in de toekomst te slaan en verkondigt hij hem zijn wil door +orakels, natuurverschijnsels en wonderteekens (panomphaios). Zijne +macht is grooter dan die van alle andere goden, en wanneer sommige +van hen, zooals vooral zijne zuster en gemalin Hera, zich tegen hem +trachten te verzetten, boeten zij dit met zware straffen. Alleen aan +de beschikking der Moera is ook hij onderworpen, waar deze hem niet +in den weg staat, is hij almachtig. Meer dan van eenig ander god is +zijn dienst door geheel Griekenland verbreid (Hellenios, Panellenios), +en het groote nationale feest te Olympia wordt ter eere van hem gevierd +(Olympios, enagonios), bijna ieder deel van Griekenland had als heros +een zoon van Zeus, vandaar de verhalen van zijne talrijke minnerijen +met sterfelijke vrouwen (Semele, Io, Danaë, Leda, e. a.), en van de +vele kinderen bij haar verwekt (Dionysus, Heracles, Perseus, Castor +en Pollux, enz.). Bij Hera is hij vader van Ares, Hephaestus en Hebe, +bij andere godinnen van Apollo, Artemis, Hermes, Persephone, Aphrodite, +de Muzen, de Charites, de Horen en de Moeren; Pallas Athena is door +hem alleen voortgebracht. De arend, de eik en de toppen der bergen +zijn hem gewijd. Hij werd afgebeeld als eene krachtige, majestueuze +gestalte, met vriendelijke trekken, vollen baard, dicht hoofdhaar, +gewelfd voorhoofd en groote oogen. Bovenal beroemd was het door Phidias +(z. a.) vervaardigde, tallooze malen nagevolgde, maar nooit geëvenaarde +beeld van Zeus te Olympia. + +Zeuxidamus, Zeuxidamos, 1) kleinzoon en opvolger van den spartaanschen +koning Theopompus (720).--2) vader van Archidamus II. + +Zeuxippus, Zeuxippos, Boeotiër, streed onder de Rom. tegen Philippus +III van Macedonië. Hij werd uit zijn vaderland verbannen en in weerwil +van de bemoeiingen der Rom. niet teruggeroepen. + +Zeuxis, Zeuxis, 1) veldheer van Antiochus d. G., na den oorlog tegen +de Rom. als gezant naar Rome gezonden.--2) van Heraclea in Italië, +een van de beroemdste grieksche schilders, leerling van Apollodorus +(± 400). Hij muntte vooral uit in het schilderen van vrouwenbeelden, +bovenal beroemd waren onder zijne werken eene Penelope en eene Helena, +die in den tempel van Hera Lacinia opgehangen werd. Z. Parrhasius. + +Zipoetes, Zipoites, 1) bithynisch vorst (326-281), die ten tijde van +Alexander den Gr. zijn gebied door de onderwerping van verscheiden +grieksche koloniën uitbreidde, zich ook tegen Lysimachus en Seleucus +staande hield en eindelijk (297) den titel van koning van Bithynië +aannam.--2) zoon van den vorigen, trachtte de regeering aan zijn +broeder, Nicomedes I, te ontrukken, maar werd overwonnen en gedood +(277). + +Zoilus, Zoilos, grieksch rhetor van Amphipolis, in de vierde +eeuw. Wegens zijne kleingeestige vitterijen op Homerus kreeg hij den +bijnaam Homeromastix. + +Zone, Zone, kaap en stad op de Zuidkust van Thracia in het gebied +der Cicones. + +Zopyrus, Zopyros, 1) zoon van Megabyzus, een voornaam Pers, diende in +het leger van Darius Hystaspis, toen deze Babylon belegerde. Daar de +stad niet genomen konde worden, verminkte Z. zich op gruwelijke wijze, +liep toen, onder voorwendsel dat hij door Darius zoo mishandeld was, +tot de Babyloniërs over, en nadat hij hierdoor het vertrouwen der +inwoners gewonnen had en aan het hoofd van de troepen gesteld was, +gaf hij de stad verraderlijk over. Darius beloonde hem door hem +levenslang satraap van Babylon te maken, hij werd echter later +bij een opstand gedood.--2) kleinzoon van den vorigen, nam deel +aan de samenzwering van zijn vader Megabyzus (no. 2) en vluchtte +naar Athene.--3) gelaatkundige, die beweerde dat volgens zijne +wetenschap Socrates met verscheiden ondeugden behept moest zijn, +wat deze volstrekt niet tegensprak. + +Zoroaster, Zoroastres, stichtte in zeer oude tijden den perzischen +Ormuzdienst. Sedert de Grieken met zijne leer bekend werden, gold hij +dikwijls als de eerste sterrenkundige, sterrenwichelaar en toovenaar. + +Zosimus, Zosimos, grieksch geschiedschrijver in de 2de helft der +5de eeuw n. C., schreef eene geschiedenis van den rom. keizertijd, +die niet zonder verdiensten is, maar ontsierd wordt door zijne +partijdigheid tegen het Christendom en christelijk gezinde keizers. + +Zoster, Zoster = gordelkaap, op de Westkust van Attica, een uitlooper +van den Hymettus, met altaren van Athena, Leto, Apollo, en Artemis. + +Zygia, bijnaam van Hera als godin van het huwelijk. + + + + + + +MEEST VOORKOMENDE VERKORTINGEN. + + + VOORNAMEN. + + A. Aulus. + Ap. of App. Appius. + C. Caius of Gaius. + Cn. Cnaeus of Gnaeus. + D. Decimus. + K. Kaeso. + L. Lucius. + M. Marcus. + M'. Manius. + N. of Num. Numerius. + P. Publius. + Q. Quintus. + S. of Sex. Sextus. + Ser. Servius. + Sp. Spurius. + T. Titus. + Ti. of Tib. Tiberius. + + +Voor enkele andere, verouderde en buiten gebruik geraakte voornamen, +als Agrippa, Postumus, Proculus, Opiter, Vopiscus, zijn geene +afkortingen bekend. + + + TITELS. + + Aed. Aedilis. + Cen. Censor. + Cos. Consul. + Cos. Des. Consul designatus. + Cos. II, III. Iterum, tertium consul. + D. Divus. + Dict. Dictator. + Eq. Rom. Eques Romanus. + Fl. D. Flamen Dialis. + Fl. M. Flamen Martialis. + Fl. Q. Flamen Quirinalis. + Imp. Imperator. + M. Eq. Magister equitum. + P. C. Patres conscripti. + Pr. Praetor. + Praef. Praefectus. + Proc. Proconsul. + P. M. of Pont. Max. Pontifex maximus. + Q. Quaestor. + Tr. pl. Tribunus plebis. + + + IN FORMULIEREN EN OPSCHRIFTEN. + + A. Augustus. + A. Antiquo. + A. Absolvo. + A. D. Ante diem. + A. U. Anno Urbis. + B. Bonus, bene. + B. D. Bona Dea. + B. M. Bona mente of bona memoria. + B. M. P. Bene merenti posuit. + B. V. Bene vale. + C. Condemno. + D. D. Dono dedit. + D. D. A. Do, dico, addico. + D. D. D. Dat, dicat, dedicat. + D. M. Dis Manibus. + E. I. Q. Ex iure Quiritium. + F. Filius. + F. C. Faciendum curavit. + F. F. Fecerunt of fieri fecit. + F. M. Fecit monumentum. + H. F. Heres fecit. + I. O. M. Iovi optimo maximo. + N. L. Non liquet. + O. E. B. Q. Ossa eius bene quiescant. + Pop. Populus. + P. R. Populus Romanus. + P. P. Posuerunt of publice posuit. + P. S. Plebiscitum. + Q. B. F. F. S. Quod bonum felix faustum sit. + Q. D. E. R. F. P. D. E. R. I. C. + Quod de ea re fieri placet, de ea + re ita censuerunt. + R. P. Respublica. + S. Sacer. + S. Senatus. + S. P. Q. R. Senatus populusque Romanus. + S. C. Senatus consultum. + V. R. Uti rogas. + + + IN BRIEVEN. + + S. Salutem. + S. D. Salutem dicit. + S. P. D. Salutem plurimam dicit. + S. T. V. B. E. E. V. Si tu vales, bene est, ego valeo. + S. T. E. Q. V. B. E. E. V. Si tu exercitusque valetis, bene est, + ego valeo. + + + + + + +JULIAANSCHE KALENDER. + + +D. = Dies. + +==+==============+===============+===============+==============+============== + | M. Martius. | M. Ianuarius. | M. Aprilis. | | + | ,, Maius. | ,, Augustus. | ,, Iunius. |M. Februarius.|M. Februarius. +D.| ,, Iulius. | ,, December. | ,, September. |(gewoon jaar) |(schrikkeljaar) + | ,, October. | | ,, November. | | +==+==============+===============+===============+==============+============== + 1|Kalendis. |Kalendis. |Kalendis. |Kalendis. |Kalendis. + 2|VI } |IV } (ante) |IV } (ante) |IV } (ante) |IV } (ante) + 3|V } (ante) |III} Nonas. |III} Nonas. |III} Nonas. |III} Nonas. + 4|IV } Nonas. |Pridie Nonas. |Pridie Nonas. |Pridie Nonas. |Pridie Nonas. + 5|III} |Nonis. |Nonis. |Nonis. |Nonis. + 6|Pridie Nonas. |VIII} |VIII} |VIII} |VIII} + 7|Nonis. |VII } |VII } |VII } |VII } + 8|VIII} |VI } (ante) |VI } (ante) |VI } (ante) |VI } (ante) + 9|VII } |V } Idus. |V } Idus. |V } Idus. |V } Idus. +10|VI } (ante) |IV } |IV } |IV } |IV +11|V } Idus. |III } |III } |III } |III +12|IV } |Pridie Idus. |Pridie Idus. |Pridie Idus. |Pridie Idus. +13|III } |Idibus. |Idibus. |Idibus. |Idibus. +14|Pridie Idus. |XIX } |XVIII} |XVI } |XVI } +15|Idibus. |XVIII} |XVII } |XV } |XV } +16|XVII} |XVII } |XVI } |XIV } |XIV } +17|XVI } |XVI } |XV } |XIII} |XIII} +18|XV } |XV } |XIV } |XII } |XII } +19|XIV } |XIV } |XIII } |XI } |XI } +20|XIII} |XIII } |XII }(ante) |X }(ante) |X }(ante) +21|XII } |XII }(ante) |XI }Kalendas.|IX }Kalendas.|IX }Kalendas. +22|XI }(ante) |XI }Kalendas.|X } |VIII} |VIII} +23|X }Kalendas.|X } |IX } |VII } |VII } +24|IX } |IX } |VIII } |VI } |VI } +25|VIII} |VIII } |VII } |V } |VI } +26|VII } |VII } |VI } |IV } |V } +27|VI } |VI } |V } |III } |IV } +28|V } |V } |IV } |Pridie Kalen- |III } +29|IV } |IV } |III } | das Martias. |Pridie Kalen- +30|III } |III } |Pridie | | das Martias. +31|Pridie |Pridie | Kalendas | | + | Kalendas | Kalendas |Maias, | | + |Apriles, |Februarias, |Iulias, | | + |Iunias, |Septembres, |Octobres, | | + |Augustas, |Ianuarias. |Decembres. | | + |Novembres. | | | | + + + + + + +GRIEKSCHE FEESTKALENDER. + + +Hecatombaeon. + +11-15 Olympia. +12 Nemea. +,, Cronia. +16 Synoecia. +24-28 Panathenaea. +27-28 kleine Panathenaea. + Hecatombaea. + Isthmia. + Hyacinthia. + Gymnopaedia. + + +Matagitnion. + + 7 Carnea. + Metagitnia. + + +Boëdromion. + + 2 Eleutheria. + 5 Genesia. + 6 Marathonia. + 7 Boëdromia. +12 Charisteria. +13 Proërosia. +15-23 groote Eleusinia. + Aglauria. + + +Pyanepsion. + + 6 Cybernesia (of in Munychion). + 7 Pyanepsia. +,, Oschophoria. + 8 Thesea. + 9-13 (10-14) Thesmophoria. +19-21 of 27-29 Apaturia. +30 Chalcea (z. Hephaestus). + + +Maemacterion. + +20 Maemacteria. + + +Posideon. + + kleine Dionysia. + Posidonia. + + +Gamelion. + + 8-11 (v. a. 12-15) Lenaea. +12 Nemea. +27 Gamelia. + + +Anthesterion. + + 1 Hydrophoria. +11 Pithoegia. Anthesteria. +12 Choës. +13 Chytri. +19-21 kleine Eleusinia. +23 Diasia. + + +Elaphebolion. + + 8 Asclepia. + 8-13 groote Dionysia. +14 Pandia. + Elaphebolia. + + +Munychion. + + 1 (?) Pythia. + 6 (7) Delphinia. +16 Munychia. +19 Diasia of Olympiea (?). + Adonia (v. a. in Thargelion). + Cybernesia (v. a. 6 Pyanepsion). + Isthmia (v. a. in Thargelion). + + +Thargelion. + + 6-7 Thargelia. + 7 Daphnephoria. +19 Callynteria. +19-20 Bendidea. +25 Plynteria. + Apollonia of Delia, z. Delus. + + +Scirophorion. + +12 Scirophoria. +13 Arrhephoria. +14 Diipolia. +28 Heraclea. + + + + + + +VOORNAAMSTE ROMEINSCHE VASTE FEEST- EN GEDENKDAGEN TEN TIJDE VAN +AUGUSTUS. + + +Januari. + +1. Kalendae. Solemnis votorum nuncupatio. Stichtingsfeest der tempels +van Aesculapius op het Tibereiland en van Veiovis. + +5. Nonae. + +7. Octavianus aanvaardt voor de eerste maal het imperium (eo die +primum Caesar fasces sumpsit), 43, in den mutinensischen oorlog. + +9. Agonium of Agonalia. + +11. Carmentalia, Iuturnalia. De tempel van Janus gesloten, 29. + +13. Idus. + +15. Carmentalia (2de dag). + +16. Octavianus krijgt den titel van Augustus, 26. Wijdingsdag van +den Concordia-tempel. + +21-23. Ludi Palatini, ter eere van het huis van Augustus ingesteld. + +24. Lustratio pagorum. + +27. Wijding der aedes Castorum (z. Dioscuri), 6 na C. + +30. Wijding der ara Pacis, 9. + +De fasti van Ovidius geven als dies comitiales aan: 3, 4, 7, 8, 12, +16, 28 en 31 Jan. + + + +Februari. + +1. Kalendae. Wijding van den tempel van Juno Sospita aan het forum +holitorium. + +2. Amburbium. + +5. Nonae. Augustus krijgt den titel van pater patriae, 2. Wijding +van den Concordia-tempel op de arx. + +13. Idus. Faunalia (lentefeest van Faunus). Wijding van den +Faunustempel op het Tibereiland. + +13-21. Dies Parentales. + +15. Lupercalia. + +17. Quirinalia. Stultorum feriae. + +21. Feralia (laatste der dies parentales). + +23. Terminalia. + +24. Regifugium. + +27. Equirria. + +Dies comitiales: 18-20, 22, 25 en 28 Febr. + + + +Maart. + +1. Kalendae. Matronalia. Begin van den rondgang der Salii. De +Vestatempel wordt met nieuw lauriergroen getooid en het vuur vernieuwd. + +6. Augustus wordt pontifex maximus, 12. + +7. Nonae. + +14. Equirria. + +15. Idus. Feest van Anna Perenna. + +16, 17. Rondgang en offers bij de Argei. + +17. Agonium. Liberalia. + +19. Wijding van den Minervatempel op den Aventinus. + +19-23. Quinquatrus. + +22-27. Feesten ter eere der Magna Mater en van Atys. + +23. Tubilustrium (laatste dag der Quinquatrus). + +24. Q. Rex C. F. Zie Regifugium. + +25. Hilaria (vreugdefeest over Atys). + +27. Lavatio, slot der feriae Magnae Matris. + +Dies comitiales: 3-5, 9-12, 18, 20, 21, 25, 26, 28-31 Maart. + + + +April. + +1. Kalendae. Vrouwenfeest ter eere der Fortuna civilis. + +4-10. Megalesia. + +5. Nonae, stichting van den tempel der Fortuna publica op den +Quirinalis. + +10. Wijding van den tempel der Magna Mater. + +12-19. Ludi Cereris (Cerealia). + +13. Idus. Wijding van het Atrium Libertatis en van den tempel van +Jupiter Victor. + +15. Fordicidia. + +16. Octavianus neemt den blijvenden titel van imperator aan, 29. + +21. Palilia of Parilia. + +23. Vinalia. + +25. Robigalia. + +28. Begin der Floralia (tot 3 Mei). Stichtingsdag van den Vestatempel +op den Palatinus, 12. + +Dies comitiales: 3, 4, 24, 27, 29 en 30 April. + + + +Mei. + +1. Kalendae. Laralia. Wijdingsdag van het altaar der Lares praestites +en van den tempel der Bona Dea. + +1-3. Laatste dagen der Floralia. + +7. Nonae. + +9, 11, 13. Lemuria. + +12. Ludi Martis in circo. Wijdingsdag van den tempel van Mars Ultor +in Capitolio. + +15. Idus. Offer bij de Argei. Dies Mercurii et Maiae. + +21. Agonalia. + +23. Tubilustrium. + +24. Q. Rex C. F. Zie Regifugium. + +25. Wijdingsdag van den tempel der Fortuna primigenia op den +Quirinalis. + +29. Ludi Honoris et Virtutis. Dies comitiales: 3-6, 10, 14, 17-20, +25-31 Mei. + + + +Juni. + +1. Kalendae. Geboortefeest van Juno Moneta. Dies Carnae (daar aan +Carna boonenbrij werd geofferd, werd 1 Juni ook wel Kalendae Fabariae +genoemd). Wijding van den Marstempel bij de porta Capena en van het +delubrum Tempestatis. + +3. Wijding van den Bellonatempel in de regio Circus Flaminius. + +4. Wijding van den tempel van Hercules Magnus Custos in de regio +Circus Flaminius. + +5. Nonae. Wijding van den tempel van Dius Fidius op den Quirinalis. + +7. Ludi Piscatorii. + +8. Wijding van den tempel van Mens op het Capitool. + +9. Vestalia. + +11. Matralia (ter eere van Matuta). Wijding van den door Servius +Tullius gestichten Fortuna-tempel en van den Concordia-tempel bij de +porticus Liviae. + +13. Idus. Quinquatrus minusculae (met gemaskerde optochten der +tibicines). Wijding van den tempel van Jupiter Invictus. + +15. Q. S. D. F. (quando stercus delatum fas), reiniging van den +Vesta-tempel. Eerst wanneer het vuil uit den tempel naar eene bepaalde +plaats was weggebracht, werd de dag fastus. + +19. Wijding van den Minervatempel op den Aventinus. + +20. Wijding van den Summanustempel bij den Circus maximus. + +23. Dies ater (slag bij het trasimeensche meer, 217). + +24. Feestdag der Fors Fortuna. Wijding van haar tempel. + +27. Wijding van den tempel der Lares aan het bovengedeelte der Sacra +via en van den tempel van Jupiter Stator. + +29. Wijding van den Quirinus-tempel. + +30. Wijding van den tempel van Hercules en de Muzen. Dies comitiales: +3, 4, 16-28 en 30 Juni. + + + +Juli. + +1. Kalendae. Wijding van den door Caesar gestichten tempel der +Felicitas op het Capitolium. + +4. Wijding der ara Pacis, 13. + +5. Poplifugia, ter gedachtenis, zooals men later meende, aan eene +nederlaag en vlucht in ouden tijd. Zie 8 Juli. De werkelijke beteekenis +van het feest is niet bekend. + +6-13. Ludi Apollinares. + +7. Nonae. Offer bij het altaar van Consus. Nonae Caprotinae. + +8. Vitulatio, offer van een vitulus ter herinnering aan eene +overwinning, die op de Poplifugia was gevolgd. Zie 5 Juli. + +12. Geboortedag van C. Iulius Caesar, 100. + +14-19. Mercatus, jaarmarkt. + +15. Idus. Transvectio equitum voor den tempel van Castor en Pollux. + +18. Dies ater (slag aan den Allia, 390). + +20-30. Ludi victoriae Caesaris, door Caesar vóór den slag bij Pharsalus +(48) aan Venus Genetrix beloofd en in 44 ingesteld. + +23. Neptunalia. + +25. Furrinalia. + +Dies comitiales: 10-14, 17, 18, 20, 22, 26, 31. + + + +Augustus. + +1. Kalendae. + +5. Nonae. Stichtingsdag van den tempel der Salus op den Quirinalis. + +9. Offer aan Sol Indiges op den Quirinalis. + +13. Idus. Feest van Diana op den Aventinus, een feestdag voor de +slaven. + +17. Portunalia. + +19. Vinalia rustica. + +21. Consualia. + +23. Vulcanalia. + +24. Mundus patet. + +25. Opiconsivia, feest van Ops Consiva. + +27. Volturnalia. + +28. Wijding der ara Victoriae in de curia. + +Dies comitiales: 3, 4, 7, 8, 10-12, 15, 16, 18, 20, 24, 26, 28, 31. + + + +September. + +1. Kalendae. Wijding van den door Augustus gestichten tempel van +Jupiter Tonans. + +2. Slag bij Actium, 31. + +4-19. Ludi Romani. + +5. Nonae. + +13. Idus. Inslaan van den gouden jaarspijker. Epulum Jovis. Ceresfeest. + +17. Consecratio van Augustus. + +20. Geboortedag van Romulus. + +20-23. Mercatus, jaarmarkt. + +23. Augustus geboren, 63. + +Dies comitiales: 4, 7-11, 15-22, 24-28, 30. + + + +October. + +1. Kalendae. Offer aan de Fides populi Romani op het Capitool. + +3-12. Augustalia, ludi Divo Augusto et Fortunae Reduci. + +4. Ieiunium Cereris. + +5. Mundus patet. + +6. Dies ater (nederlaag van Q. Servilius Caepio tegen de Cimbren, 105). + +7. Nonae. + +9. Wijding van den Apollotempel door Augustus gesticht. + +Offer aan Genius Publicus, Fausta Felicitas en Venus Victrix op +het Capitool. + +13. Fontinalia, bronnenfeest met bloemoffers aan de bronnen. + +15. Idus. Ludi Capitolini, ter eere van Jupiter Capitolinus. + +18. Augustus neemt de toga virilis aan, 48. + +19. Armilustrium. + +26-1 Nov. Ludi Victoriae Sullae (vóór de porta Collina, 82). + +Dies comitiales; 3-6, 9, 10, 12, 17, 18, 20-31. + + + +November. + +1. Kalendae. Voornaamste dag der ludi Victoriae. + +4-17. Ludi plebeii, misschien reeds ingesteld na de tweede secessio +plebis, 449. + +5. Nonae. + +8. Mundus patet. + +13. Idus. Epulum Jovis. + +18-20. Mercatus, jaarmarkt. + +Dies comitiales: 3, 4, 7-12, 15-28, 30. + + + +December. + +1. Kalendae. + +3. Offer aan de Bona Dea. Het feest hoort tot de feriae conceptivae, +zoodat de dag niet vaststaat. Zie Bona dea. + +5. Nonae. Faunalia. + +8. Offer aan den Deus Tiberinus op het Tibereiland. + +11. Agonalia. + +12. Offer aan Consus op den Aventinus. + +13. Idus. + +15. Consualia. + +17. Begin der Saturnalia. Vóór de invoering der juliaansche +tijdrekening duurde dit feest officieel slechts één dag, en viel op +19 Dec. In 46 werd het op drie dagen gesteld, 17-19 Dec., waarop dan +21-22 Dec. de Sigillaria volgden. Doch privatim had men reeds vroeg +het feest tot een zevendaagschen feesttijd uitgebreid, 17-23 Dec., +zoodat de Sigillaria bij de Saturnalia als het ware werden ingelijfd. + +22. Feestdag der Lares permarini. + +23. Larentalia. + +25. Geboortefeest van Sol Invictus. + +Dies Comitiales: 4, 7-10, 16, 18, 20, 22, 24-27, 30, 31. + + + + + + +LIJST DER ARTIKELS WAARBIJ EENE OF MEER AFBEELDINGEN ZIJN GEVOEGD. + + + Amphiprostylus. Fasces. + Amphitheatrum 3. Gigantes. + Amphora. Gladiatores. + Ancile. Gymnasium. + Anguis. Hera. + Antae. Heracles. + Aphrodite. Hermes 2. + Apollo. Hestia. + Ara. Hippodromus. + Arcus 2. Ianus. + Ares. Isis. + Ariadne. Iugum. + Artemis. Labarum. + Athena. Laocoön. + Athenae 4. Legio. + Atrium 2. Lyra. + Auguria. Macellum. + Aurelianus. Mausoleum. + Auriga. Mycenae. + Balneum. Niobe. + Balteus. Oikia 2. + Basterna. Pallium. + Buccina. Pantheon. + Caduceus. Persona. + Caestus. Pilum. + Calceus 2. Poseidon. + Castra 2. Scutum. + Catillum. Signum. + Cella. Silenus. + Centauri. Sistrum. + Cera 2. Strigilis. + Chlamys. Templum 3. + Circus 2. Theatrum 2. + Cohors. Thermae. + Columbarium. Tibia 2. + Columna 5. Triclinium 2. + Corona 3. Triumphus 2. + Crater. Tropaeum. + Crepida 2. Vestalis. + Demeter. Villa. + Dionysus 2. Vineae. + Diskobolia. Zeus. + Domus 2. + + + + + + +AANVULLINGEN EN VERBETERINGEN. + + +Aemilii, in te voegen tusschen no. 8 en 9: 8a) M. Aemilius Paulus, +consul in 255 met Ser. Fulvius Paetinus Nobilior (Fulvii no. 10) z. a. + +Agones, 12de regel: altha lees: athla. + +Agrariae (leges), bl. 28, kolom 2: Lex Plautia of Plotia agraria, +van onbekenden datum, moet zijn: van den volkstribuun M. Plautius +Silvanus, van 89. + +Antonii no. 13, regel 5: (52-60 n. C.) moet zijn: (52-59 n. C.), +en in den volgenden regel: In 58 liet hij, lees: in 57. + +Aretas, aan het einde. De ethnarches van Aretas is naar alle +waarschijnlijkheid geen stadhouder geweest, maar een arabisch +nomadenhoofdman of scheich. + +Arrius (Q.). Bijvoegen achter: zijne verkiezing tot consul: Hij wordt +door Catullus bespot om zijn slechte uitspraak van het Latijn. + +Asinii. Achter 1) bijvoegen: Een broer van hem wordt door Catullus +om zijn kleptomanie gehekeld. + +Calvisii. Bijvoegen: 3) Calvisius Sabinus, vrijgelatene ten tijde +van Seneca, rijk parvenu, die servi litterati hield, opdat hij met +hun geleerdheid bij gastmalen zou kunnen pronken. + +Nieuw artikel na Groma: + +Grosphus, z. Pompeii no. 16. + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK WOORDENBOEK DER GRIEKSCHE EN ROMEINSCHE OUDHEID *** + +Updated editions will replace the previous one--the old editions will +be renamed. + +Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright +law means that no one owns a United States copyright in these works, +so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the +United States without permission and without paying copyright +royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part +of this license, apply to copying and distributing Project +Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm +concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, +and may not be used if you charge for an eBook, except by following +the terms of the trademark license, including paying royalties for use +of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for +copies of this eBook, complying with the trademark license is very +easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation +of derivative works, reports, performances and research. Project +Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may +do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected +by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark +license, especially commercial redistribution. + +START: FULL LICENSE + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full +Project Gutenberg-tm License available with this file or online at +www.gutenberg.org/license. + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project +Gutenberg-tm electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or +destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your +possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a +Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound +by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the +person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph +1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this +agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm +electronic works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the +Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection +of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual +works in the collection are in the public domain in the United +States. If an individual work is unprotected by copyright law in the +United States and you are located in the United States, we do not +claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, +displaying or creating derivative works based on the work as long as +all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope +that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting +free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm +works in compliance with the terms of this agreement for keeping the +Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily +comply with the terms of this agreement by keeping this work in the +same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when +you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are +in a constant state of change. If you are outside the United States, +check the laws of your country in addition to the terms of this +agreement before downloading, copying, displaying, performing, +distributing or creating derivative works based on this work or any +other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no +representations concerning the copyright status of any work in any +country other than the United States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other +immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear +prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work +on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the +phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, +performed, viewed, copied or distributed: + + This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and + most other parts of the world at no cost and with almost no + restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it + under the terms of the Project Gutenberg License included with this + eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the + United States, you will have to check the laws of the country where + you are located before using this eBook. + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is +derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not +contain a notice indicating that it is posted with permission of the +copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in +the United States without paying any fees or charges. If you are +redistributing or providing access to a work with the phrase "Project +Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply +either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or +obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm +trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any +additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms +will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works +posted with the permission of the copyright holder found at the +beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including +any word processing or hypertext form. However, if you provide access +to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format +other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official +version posted on the official Project Gutenberg-tm website +(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense +to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means +of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain +Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the +full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works +provided that: + +* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed + to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has + agreed to donate royalties under this paragraph to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid + within 60 days following each date on which you prepare (or are + legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty + payments should be clearly marked as such and sent to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in + Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg + Literary Archive Foundation." + +* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or destroy all + copies of the works possessed in a physical medium and discontinue + all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm + works. + +* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of + any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days of + receipt of the work. + +* You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project +Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than +are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing +from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of +the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set +forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +works not protected by U.S. copyright law in creating the Project +Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm +electronic works, and the medium on which they may be stored, may +contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate +or corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged disk or +other medium, a computer virus, or computer codes that damage or +cannot be read by your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium +with your written explanation. The person or entity that provided you +with the defective work may elect to provide a replacement copy in +lieu of a refund. If you received the work electronically, the person +or entity providing it to you may choose to give you a second +opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If +the second copy is also defective, you may demand a refund in writing +without further opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO +OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of +damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement +violates the law of the state applicable to this agreement, the +agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or +limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or +unenforceability of any provision of this agreement shall not void the +remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in +accordance with this agreement, and any volunteers associated with the +production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm +electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, +including legal fees, that arise directly or indirectly from any of +the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this +or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or +additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any +Defect you cause. + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of +computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It +exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations +from people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future +generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see +Sections 3 and 4 and the Foundation information page at +www.gutenberg.org + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by +U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, +Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up +to date contact information can be found at the Foundation's website +and official page at www.gutenberg.org/contact + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without +widespread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine-readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To SEND +DONATIONS or determine the status of compliance for any particular +state visit www.gutenberg.org/donate + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. To +donate, please visit: www.gutenberg.org/donate + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project +Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be +freely shared with anyone. For forty years, he produced and +distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of +volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in +the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not +necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper +edition. + +Most people start at our website which has the main PG search +facility: www.gutenberg.org + +This website includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + |
