summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/35881-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '35881-8.txt')
-rw-r--r--35881-8.txt4998
1 files changed, 4998 insertions, 0 deletions
diff --git a/35881-8.txt b/35881-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..e8c8090
--- /dev/null
+++ b/35881-8.txt
@@ -0,0 +1,4998 @@
+The Project Gutenberg EBook of Verloving en Huwelijk in vroeger dagen, by
+Laurentius Knappert
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Verloving en Huwelijk in vroeger dagen
+
+Author: Laurentius Knappert
+
+Release Date: April 16, 2011 [EBook #35881]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VERLOVING EN HUWELIJK ***
+
+
+
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+ +----------------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+ | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+ | moderniseren. |
+ | |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
+ | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
+ | |
+ | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
+ | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
+ | |
+ | In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. |
+ | Van tekst in superscript is de superscript verwijderd; |
+ | de combinatie a met superscript o is uitgeschreven tot 'anno'. |
+ | Het zwaard-symbool is weergegeven als [overleden]. |
+ | |
+ | In het boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. |
+ | De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als |
+ | »aanhalingstekens«. |
+ | |
+ | Aan het eind van dit e-boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties. |
+ | |
+ | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit |
+ | e-boek op http://www.gutenberg.org |
+ | |
+ +----------------------------------------------------------------+
+
+
+ [Decoratieve illustratie]
+
+
+ DE MEULENHOFF-EDITIE
+ EEN ALGEMEENE BIBLIOTHEEK
+
+ [Decoratieve illustratie]
+
+ UITGEGEVEN DOOR MEULENHOFF & Co.
+ IN HET JAAR MCMXIV TE AMSTERDAM
+
+ [Illustratie: Het ongelukkige huwelijk.
+ Naar een schilderij van W. Hogarth.]
+
+
+
+
+ VERLOVING EN HUWELIJK
+ IN VROEGER DAGEN
+
+
+ DOOR PROF. Dr. L. KNAPPERT
+
+ GEÏLLUSTREERD
+
+ [Decoratieve illustratie]
+
+ UITGEGEVEN DOOR MEULENHOFF & Co.
+ IN HET JAAR MCMXIV TE AMSTERDAM
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Hoofdstuk Bladz.
+
+ Voorrede 1
+
+ I. De toestand in de 16e eeuw 7
+
+ II. De vrijage 31
+
+ III. Het wettig huwelijk 51
+
+ IV. De verloving of ondertrouw 65
+
+ V. De verloving of ondertrouw. (Vervolg) 95
+
+ VI. De bruiloft 126
+
+ VII. Echtscheiding, echtmijding en hertrouw 170
+
+ VIII. Huwelijksleven 191
+
+
+
+
+VOORREDE.
+
+
+In de volgende bladzijden hebben wij gepoogd eene korte geschiedenis
+te schrijven van de verloving en het huwelijk in vroeger dagen. Wij
+wenschen den groei, de wijzigingen, wil men, de ontwikkeling te doen
+zien zoowel in de denkbeelden en voorstellingen als in de handelingen
+en gebruiken, die met verloving en huwelijk samenhangen, in welke
+vormen zij voorkomen, wat staat en kerk voor de wettelijke regeling
+ervan hebben gedaan, hoe een huwelijk tot stand kwam en werd ontbonden,
+hoe de vaderen bruiloft vierden, welke idealen zij van het huwelijk
+koesterden en wat daarvan in de practijk verwezenlijkt werd. »De
+vaderen«, zeggen wij, want om de uitgebreidheid der stof hebben wij
+ons eene dubbele begrenzing, eene van plaats en eene van tijd, moeten
+opleggen. Maar dat wij binnen ons land blijven, beteekent niet, dat wij,
+ter verduidelijking, niet telkens ook op den toestand in andere landen
+zouden acht slaan. En dat wij bij den nieuweren tijd beginnen, toen
+Karel V over ons regeerde en de Hervorming doorbrak, zal ons niet
+beletten, zou dat niet mogen doen, de getuigenis van vroeger eeuwen
+in te roepen, waar dit noodig is ter toelichting van den samenhang der
+dingen. De schrijver zou dit boekje gaarne beschouwd willen zien als de
+samenvatting van zijne vroegere studiën over dit onderwerp of gedeelten
+ervan, waarvan de uitkomsten thans nog eens worden aangevuld, vereenigd
+en voor een ontwikkeld publiek beschreven.
+
+Deze laatste woorden bieden ons de gaarne gebruikte gelegenheid iets
+te zeggen over dusgenoemde populair-wetenschappelijke literatuur in
+het algemeen. Wij weten al te wel, hoe vele en hoe gewichtige bezwaren
+er tegen worden ingebracht, hoe er zijn, die deze soort van arbeid
+als minwaardig afkeuren en veroordeelen. Zeker dreigen hier gevaren,
+vooral deze twee, dat om der wille der bevattelijkheid met het
+wetenschappelijke de hand wordt gelicht, zoodat b.v. als zeker wordt
+genoemd, wat nog allerminst vast staat, en reeds samenhang wordt
+aangenomen, waar het onderzoek van deskundigen nog maar aarzelend
+overgangen vermoedt en uiterst flauw de verbindingslijnen ziet.
+En vervolgens, dat het populaire werk, waarvoor een zeker aantal
+lezers wordt verwacht, het wetenschappelijk boek tegenhoudt, dat geen
+uitgever vinden kon. Dit laatste valt gewis te betreuren, maar wie
+onze vaderlandsche boekenmarkt overziet, bespeurt tot zijne vreugde,
+dat zuiver wetenschappelijke arbeid daar nog in overvloed voorkomt en
+koopers vindt. En wat het eerstgenoemde betreft, er zijn populaire
+schrijvers, op wie te dezen zeker geen lichte schuld drukt. Doch
+dit is een oordeel over hen, niet over deze soort van werk. Het is
+geen onvermijdelijk kwaad. Wij voor ons durven de verzekering geven,
+dat wij nimmer, om het populaire, hebben verteld wat niet voor ons
+beste weten vast stond. Bij geschiedkundigen arbeid--als waartoe ook
+dit boekje behoort--laat des schrijvers persoonlijkheid zich nooit
+geheel ter zijde dringen, zijne beoordeeling van menschen en dingen,
+al wordt zij zelfs niet uitgesproken, kan worden vermoed en dan
+ligt het verwijt van partijdigheid voor de hand, maar dit kan ook
+bij zuivere historische wetenschap het geval zijn. Studies over de
+inquisitie, de jezuïeten, den dertigjarigen oorlog, de politiek van
+Johan de Witt, Voltaire, de groote revolutie wekken lichter gevoeligheid
+dan onderzoekingen over den luchtdruk, den ring van Saturnus, de vierde
+afmeting, praefixen, buigingsuitgangen en dergelijke. Wij zouden voor
+populair-geschiedkundigen arbeid de volgende eischen willen vaststellen:
+de stof moet uit de bronnen geput zijn--onderzocht, geschift, bewerkt
+naar de methode der zuivere, historische critiek--het resultaat
+beschreven, eerlijk, zonder bijbedoeling of strekking. Slechts dient de
+schrijver zich toe te leggen op begrijpelijkheid voor niet-vakgenooten,
+op het vermijden van kunsttermen en van, zoo niet alle, dan toch van
+zulke vreemde talen als boven het bereik van algemeen ontwikkelden
+geacht worden te liggen. Het geleerde noten-apparaat late hij geheel of
+nagenoeg ter zijde, maar hij moet in staat en bereid zijn bronnen en
+gronden desgevraagd te noemen. Levendigheid, aangenaamheid van stijl
+mogen bij dit soort literatuur worden geëischt, maar de vorm mag niet
+worden verlaagd tot een bedeksel van pooveren inhoud. De uitgever, van
+zijn kant, geve aan het boek een uiterlijk, dat door goeden smaak en
+sierlijkheid de oogen trekt en tot lezen noodigt.
+
+Aldus opgevat, heeft populaire arbeid beteekenis. Reeds omdat hij
+samenvattend is, omdat hij de vruchten biedt van het onderzoek der
+bijzonderheden, omdat hij de uit bronnen geputte kennis tot velen
+brengt. Achter zijn met lof bekroond proefschrift over Christofforo
+Suriano, 1913, plaatste dr. P. C. A. Geyl ook deze stelling, de
+XIIde: »onze geschiedenis heeft dringender behoefte aan synthetische
+werken--zelfs popularisatie-literatuur--dan aan bronuitgaven«. Dit
+schijnt mij onwedersprekelijk. Met ontzaglijke vlijt en geleerdheid
+hebben velen in de laatste jaren bronnen uitgegeven. De bewerking
+van dat materiaal is nu dringend noodig, gelijk de duizenden van
+spijkerschrift-tabletten in onze musea wachten op ontcijfering,
+gelijk de appels in het sprookje roepen: »pluk ons, pluk ons!« Dit kan
+geschieden voor vakgenooten of voor een grooter publiek. Het verschil
+ligt wezenlijk in den vorm, waarin het nagevorschte wordt beschreven.
+Maar op deze wijze kennis van het verledene bevorderen, komt dat
+niet hun ten goede, die oprecht kennis begeeren, maar zich haar niet
+zelven verwerven kunnen? Het is hetzelfde beginsel als dat van hooger
+onderwijs buiten de universiteiten. Ook daarbij dreigen de gevaren van
+te gemakkelijk verworven en daardoor gering geschatte kennis, van halve
+kennis, van verwarring van begrip en voorstelling, omdat de hoorders
+het gehoorde niet in het groote verband zien, er geen aanknoopingspunten
+voor hebben. Maar--al onthouden daarom velen zich van dezen, arbeid--het
+beginsel vindt toch ook bij anderen warme instemming.
+
+ K.
+ L.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK I.
+
+TER INLEIDING.--DE TOESTAND IN DE 16de EEUW.
+
+
+Ieder mensch heeft eene zich al uitbreidende rij van bekende of
+onbekende voorvaderen, van wier eigenschappen hij iets in eigen persoon
+met zich omdraagt. Niet anders is het met het huwelijk, met die
+misschien gewichtigste aller menschelijke instellingen. Gelijk wij
+in onze voorrede hebben gezegd: het vrijen en het trouwen hebben eene
+eeuwenlange geschiedenis, die ons het schouwspel vertoont van den
+harden strijd tusschen de ongebreidelde menschelijke driften en de
+maatschappelijke orde, die op wetten, zedelijke beginselen en godsdienst
+gebouwd is. Toen nu onze opstand tegen Spanje voor onze vaderen op bijna
+elk gebied een nieuw leven opende, zou er ook aan die geschiedenis van
+het huwelijk een nieuw hoofdstuk worden toegevoegd. Want vervallen
+was het gezag van den Spaanschen koning in het staatkundige en van
+de Katholieke Kerk in het godsdienstig-kerkelijke. Dat was eene
+geweldige ommekeer, als gevolg waarvan nu ook voor het huwelijk nieuwe
+wetten en vormen moesten gevonden worden. Intusschen was het oude
+niet eensklaps verdwenen. Integendeel. De middeleeuwen hadden tal van
+huwelijksbepalingen en trouwgebruiken met zich gevoerd, die nog uit
+den tijd der heidensche Germanen waren overgebleven. De Kerk had ze wel
+bestreden, maar volstrekt niet vernietigd, terwijl zij er hare eigene
+wetten aan had toegevoegd. Daarvan zouden de vaderen een deel veranderen
+en een deel ongewijzigd overnemen. Ook erfden zij een aantal gewoonten
+en gebruiken bij vrijage en bruiloft, die vast in het volksleven waren
+ingegroeid en die zij noch aanstonds konden noch wilden uitroeien. Maar
+nu waren die oude Germaansche inzettingen insgelijks weder de vruchten
+eener lange ontwikkeling; ze bewaarden nog herinneringen aan dien
+grijzen voortijd, toen de Germanen in halve barbaarschheid leefden,
+zooals de wilde volksstammen ongeveer van tegenwoordig. En zelfs daarvan
+waren, hoe vreemd het klinken moge, bij het begin van ons tijdvak de
+sporen niet uitgewischt. Ze zijn het zelfs nu nog niet geheel. Eindelijk
+had ook de middeleeuwsche Kerk weder haar eigen verleden. Zij steunde
+met haar rechtspraak in moeielijke huwelijksgevallen, met hare zedeleer
+en hare godsdienstige opvattingen van het huwelijk op de begrippen
+van de oude Romeinen, maar vooral op de leer der oude christenen en
+op die van Jezus-zelven. En in dat christendom was weder veel van de
+Israëlieten overgegaan. Zoo hadden de eeuwen elkander hare schatten
+overgegeven. Wel mochten wij dus zeggen, dat verloving en huwelijk hun
+stamboom tot in den nacht der eeuwen terug volgen kunnen.
+
+Intusschen de lezer vreeze niet, dat wij het zóó diep zullen ophalen. Er
+zal, ongezocht, in onze geschiedenis telkens van blijken. Voor ons doel
+is het genoeg den toestand te schetsen, zooals hij zich bij den aanvang
+onzer periode aan ons vertoont. Daar is vooreerst de Kerk, volgens wier
+theorieën en practijk een goed deel der huwelijken gesloten werd. Zij
+leerde, dat het huwelijk een sacrament was, »het heilige sacrament
+der echtschap«, al was het dan ook het minst geestelijke der zeven
+genademiddelen. Het is eene instelling tot vermenigvuldiging van wie de
+sacramenten genieten, gelijk sommigen zich uitdrukten, of, anders, om
+kinderen voort te brengen en op te voeden, om elkander door het leven
+te helpen, en om de zonden der onkuischheid te vermijden. Het schenkt
+drie genadegaven, die des geloofs, de onlosmakelijke vereeniging van
+man en vrouw, die van het kroost, de verwekking en opvoeding van het
+nieuwe geslacht, die van het sacrament, de genade door God den gehuwden
+toebedeeld. Sommige oude schrijvers, b.v. Guillaume d'Auvergne, bisschop
+van Parijs ([overleden] 1249), zien in dit laatste meer de symbolische
+beteekenis van den echt, welke den echtgenooten voortdurend hunne
+plichten jegens God voor oogen stelt. Want iedere ziel moet immers
+met God door een geestelijk huwelijk verbonden zijn. Het concilie van
+Trente, in het midden der 16de eeuw, heeft zich ook over dit onderwerp
+nog eens duidelijk uitgesproken door vast te stellen, dat het huwelijk
+sacramenteel was, d. w. z. onopzegbaar, zoodat noch echtscheiding noch
+hertrouw geoorloofd waren, monogaam d. i. alleen bestaanbaar tusschen
+één man en vrouw. Voorts heeft deze kerkvergadering de openbaarheid
+van elk huwelijk geëischt (»mit licht ende geluyt«) en de openlijke
+ondertrouw met de drie proclamatiën--alles als van ouds--gelijk zij de
+stelling handhaafde, dat de virginiteit, de ongehuwde staat ging boven
+den gehuwden, waaruit volgde, dat ook het priestercoelibaat, trots
+aangewende pogingen, als vroeger geboden bleef. Nog sprak het concilie
+haar banvloek uit, over wie zeggen zouden, dat aan de Kerk niet de
+rechtspraak toekwam over huwelijkszaken. Want huwelijksgeschillen
+plachten, waar het 't kanoniek recht gold, voor een geestelijk Hof te
+worden gebracht, waarvan de leden priesters waren, zoodat zij buiten
+wereldlijke berechting bleven. Dit alles dus was de bevestiging, van wat
+reeds eeuwen had gegolden--eervolle herinnering aan wat de Kerk had tot
+stand gebracht in eeuwen van barbaarschheid.
+
+Het kwaad was, dat de priesterschap ten onzent in de dagen van Karel V
+diep gezonken was, gelijk tal van katholieke schrijvers ons berichten,
+en ook in haar opzicht over het huwelijk deerlijk was te kort geschoten
+door geen aanteekening te houden van getrouwde paren, door niet te
+letten op verboden graden, door zelfs niet te vragen naar de namen van
+het bruidspaar. Een enkel voorbeeld daarvan geef ik uit de verslagen
+van kerkvisitatiën, door de Kerk gedaan in het bisdom Utrecht aan den
+aanvang onzer periode. Hier is, in het land van Culemborg, Cornelis
+Thonisz., wiens huwelijk »op eenen morgenstondt te drie uren voer den
+dage in presentie van heer Peeter ende heer Lubbert (vicarissen van S.
+Barbara) geschiet is, sonder voergaende geboden«. Hier is de deken van
+Brielle, die des nachts, na een hartigen dronk, Berthold Cranendonck
+trouwt, zonder zich dat den anderen dag te herinneren. Insgelijks
+in den Briel zijn Johannes Waernsz. en Maria Jansdr. getrouwd,
+niettegenstaande zij elkander in verboden graad bestonden, wat ook
+elders herhaaldelijk voorkomt. Het is duidelijk, dat door zulke grove
+verzuimen de verwarringen vele en gevallen van verlating, bigamie en
+onterving aan de orde van den dag waren.
+
+Het was er echter verre van daan, dat alle huwelijken aldus kerkelijk
+gesloten werden, zelfs dat alleen zulke huwelijken wettig zouden geweest
+zijn. Veeleer kwamen nog tal van echtvereenigingen tot stand onder
+invloed van de Oudgermaansche landsrechten in de onderscheiden gewesten.
+Wel had de Kerk ook daar de wijding door den priester altijd geëischt,
+maar de onderwerping daaraan was toch voor de wettigheid des huwelijks
+nimmer onmisbaar geacht. »Vormloos« noemden juristen en priesters zulk
+een verbintenis; met dat al waren zij nog in 16de eeuw zóó gewoon, dat
+geen overheid ze nietig durfde verklaren. Er is ons daarom aan gelegen
+deze vormlooze huwelijken nader te leeren kennen. Wij gaan het niet in
+zijne oorsprongen na--enkele daarvan komen later nog ter sprake--maar
+vermelden aanstonds, dat hier als beginsel gold, dat een huwelijk tot
+stand kwam door den bijslaap, de copula, met openlijk uitgesproken
+huwelijksbedoeling. Niet in alle gewestelijke rechten treedt dit even
+ver naar voren. Op de Veluwe werd den 14den December 1538 tusschen
+Gerrit van Wenckum en Anna van Eenschaten »een wetlijck hijlick und
+echtschap« beraamd, »geslooten ende uytgesproken eer de trouwen ende
+bijslaepen geschiet sinnen«. De vorm van het bericht doet aan een
+uitzonderingsgeval denken. Noodig was voorts, dat het huwelijk plaats
+had met kennis van de magen wederzijds. Ook had, ter versterking
+der gelofte, de bruidegom handreiking te doen van een godspenning,
+herinnering aan den, reeds bij den aanvang onzer periode, langvergeten
+vrouwenkoop. Vandaar de uitdrukking »met den penning getrouwd zijn«.
+Aldus gehuwden heetten een getrouwd man en wijf, in tegenstelling van de
+door den priester getrouwden, die genoemd werden echte, getrouwde luiden
+voor God en wereld. Van tal van andere symbolen bij het Germaansche
+huwelijk als b.v., dat de jonge man het meisje tot zijne vrouw nam door,
+in bijzijn van getuigen, zijnen mantel om haar heen te slaan, van deze
+en dergelijke bekoorlijke uitingen van het levend volksrecht gebiedt
+mijn kort bestek mij te zwijgen. Maar het zal de moeite loonen bij
+enkele dezer huwelijken »zonder veel gelaats« (zooals Huig de Groot ze
+nog noemt) tegenwoordig te zijn. Zeer zuiver vertoont het zich, nog heel
+in 1575, in het verhaal van Lutgertje Gemminck van Vorden. Zij getuigde
+voor den schout van Zutfen, dat Gerrit Keyser haar in haar ouders huis
+had getrouwd in bijzijn van magen en vrienden, met verklaring van met
+geene andere te zijn getrouwd en overreiking van een Embder gulden,
+waarop zij »thoe hoop« d. i. bijeen gegeven waren in een herberg »und
+heeft alsus mij in miinnes vaders huess beslaepenn und XXV rijdergulden
+ther morgengaven gegevenn in presentie van frunden«. Jacobus Averbeeck,
+onderpastoor van Spankeren had dit huwelijk als wettig erkend. Een paar
+volgende voorbeelden laten reeds iets vermoeden van eene ontaarding der
+instelling, al zijn ze van nog eene eeuw vroeger. In het jaar 1470
+dwongen de broeders van Nese Dibboltsdr. te Arnhem zekeren Sander
+van Huesselynck hunne zuster te trouwen, ofschoon hij dacht »noch een
+geestlick man te worden«. Want toen zij hem bij hunne zuster betrapt
+hadden, haalden zij aanstonds als getuigen Lijsbeth ten Wall en Henrick
+ten Haige, trokken hun messen, namen knuppels in de hand, grepen Sander
+vast en zeiden: »doet nu, gi moettet doch doen«. Daarop tastte Sander
+in zijn buidel, nam een daalder en reikte dien aan 't meisje over,
+zeggende: »neem aan«. Toen waren zij getrouwd. Ziethier nog eene andere
+verklaring voor de Arnhemsche schepenbank van veel later, 1542. Zekere
+Helmert Hartgerff en Arend woonden samen in de herberg »de Papegey«.
+Op een avond was de zoon van Arent, met name Joachim, thuis gekomen,
+zwaar zuchtende. Waarop Helmert hem gevraagd had, of hij gewond was, of
+iemand gewond had, of misschien iemand getrouwd had? Toen had Joachim
+geantwoord, dat hij Gooszens meid getrouwd had. Daarop vroeg Helmert,
+»waer myt dat hij oer getrouwet hadde? Sachte Joachym ein cleyn
+pennyncksken waert gewest jnd hadde nyet voel te bedieden«. Het is
+duidelijk, dat deze verbintenissen hare kracht verloren hadden en,
+naar de uitdrukking-zelve van Joachim, den zoon van Arent, niet veel te
+beduiden hadden: door de rechtsonzekerheid kwam er allerlei ellende van.
+Wil men ook dit zien toegelicht? Te Nijkerk, men schreef al 1612, wilde
+Gerrit Muilert, oud 23 jaar, huwen met Anna Henricks. Hiertegen verzette
+zich Encke Aerts, zeggende, dat Gerrit haar vóór zeven jaren met een
+buidel geld getrouwd had en daarna twee kinderen bij haar verwekt.
+Toch ging het huwelijk met Anneke het volgend jaar door. In hetzelfde
+jaar en, vermoedelijk, in denzelfden familiekring speelt nog dit
+huwelijksgeval. Casiin Rengers te Nijkerk, weduwnaar, wilde in het
+huwelijk treden met Claesje Henricks. Maar hiertegen kwam verzet van
+Griete Aerts, zeggende, dat Casiin haar met een buidel geld getrouwd
+had. Zij legde een soort huwelijkscontract over, geteekend door zijne
+neven. Casiin voerde hier tegen aan, dat Griete hem dien buidel in den
+dronk ontnomen had en dat de neven, om een vaatje bier, dat zij hun
+gegeven had, »so geattestiret«. De gereformeerde kerkeraad te Nijkerk
+bracht de zaak aan bij het Hof van Gelre en dit hooge college ontzegt
+Griete haren eisch en legt haar een eeuwig stilzwijgen op, niet,
+let wel, omdat het Hof het schenken van den penning niet meer als
+rechtsgrond wilde aanvaarden, maar omdat gedaagde had beweerd, dat
+de buidel hem in den dronk ontnomen en het tegenbewijs daarvan niet
+geleverd was. Griete had »haar gepretendeerde trouw nyet genouch
+bewesen«. Het huwelijk met Claesje Henricks, door dit proces opgeschort,
+ging 17 Maart 1616 door. Het springt in 't oog, dat de gansche, oude
+huwelijkshandel, het overreiken van den penning, de kennis der magen
+wederzijds, gedaald was tot een gewoon middel van verleiding, wel
+meest door den man, maar dat de hooge rechtscolleges het nog als
+rechtsgrond aanvaardden, als het maar wettig te bewijzen was. Werden
+deze voorbeelden ontleend aan Geldersche processtukken, door den heer G.
+Beernink uitgegeven, berichten uit andere oorden des lands en uit andere
+kringen bewijzen evenzeer, dat nog tot op 't einde der 16de eeuw zulke
+»vormlooze huwelijken« geregeld voorkwamen, waarbij, buiten den priester
+om, man en vrouw zich aan elkander gaven naar de oude practijk. In
+Friesche doopsgezinde gemeenten b.v. was het nog anno 1550 noodig zich
+hiertegen te verzetten. Wanneer, verhaalt ons een ooggetuige, »twee
+luyden malkanderen ernstelijck ende vastelijcken getrouwt ende daarop
+te samen geslapen hadden, sulcks wierde bij der gemeynte voor openbare
+hoererije geoordeelt ende verworpen«. Toch was dit een ernstig bedoeld
+huwelijk. Op deze toestanden doelt ook veel vroeger, in 1530, de
+beroemde anabaptist Melchior Hoffman, als hij 't heeft over het
+avondmaal en zegt: »Soo comt dan de hooge Heere Jezus ende neemt een
+broodt, gelijck een bruydegom een rinck ofte een stuk goudts ende geeft
+hemzelfs sijnder bruyt metten brode ghelijck hem de bruydegom der bruyt
+gheeft metten rinck«. En iets later: »...een aertsche bruyt, als sij van
+haren bruydegom den trourinck ontfangen heeft, mach spreecken, siet daer
+hebbe ick mijnen bruydegom, Jan, Claes oft Pieter«. In volle kracht
+vertoont zich het vormloos huwelijk nog in 1575 in aanzienlijken kring,
+als de Drentsche landschrijver Heimerich van Rossem trouwt met Swob
+van Roorda te Joure, van Oudfrieschen adel. In bijzijn van broeders en
+schoonzusters overhandigt van Rossem haar een met gouddraad bestikten
+neusdoek, waarin zeventien goudstukken en twee gouden ringen, welke
+laatste Swob aan haren ringvinger stak. Toen beloofde hij, dat hij haar
+nooit zou verlaten, of God en de dood mochten hen scheiden (wat de vaste
+formule was), de warschop of bruiloft werd gehouden en te zamen bestegen
+zij het huwelijksbed, het »Beilager halten« der Duitschers. En nu
+verdient het opmerking, dat, terwijl geenerlei verdere formaliteit
+plaats had, toch, bij een later gevoerd proces, tegen de wettigheid van
+dat huwelijk nooit eenig bezwaar is ingebracht.
+
+Naar twee zijden leeft in den lateren tijd de herinnering voort aan
+de rol, door het geldstuk bij het vormlooze huwelijk gespeeld. Aan den
+eenen kant werd het (wij zagen er den aanvang reeds van) een gemakkelijk
+middel tot gewone verleiding. Dat leeren ons o. a. de kluchten. In een
+van 1642 zegt het bedrogen meisje:
+
+ »Ik heb trou van sijn hant! Wacht maar wat, ik sal iens binnen
+ treden
+ En halen de penning en latense voor je oogen sien.«
+
+En nog in 1748 deze dialoog:
+
+ Hans: Aenvaerdt dees penningh. Stijn: En gij dees ring op trou.
+ Nu sijn wij alsoo vast gelijck als man en vrouw.
+
+Het oude rechtssymbool--zelf weêr herinnering aan nog ouder
+toestanden--had alle beteekenis en schoonheid verloren: het deed nog
+slechts zijn ontadelden dienst bij een huwelijk over den puthaak. Aan
+den anderen kant werd het overhandigen van den penning eene onschuldige
+bruiloftsaardigheid. Bruidegom en bruid hingen elkander de helft van een
+dukaton om den hals, als het kon een, waarop de beeltenis van Ferdinand
+en Isabella, omdat die elkander aanzagen--onbedoelde hulde aan deze
+hoogstaande vrouw. En de goudbestikte neusdoek van Heimerich van Rossem
+is niet anders dan de »knotte« van fijn neteldoek, met geldstukken er
+in, soms met amoureuse rijmpjes er op--het Friesch museum te Leeuwarden
+bezit er aardige--door den bruidegom der bruid aangeboden.
+
+Zoo vonden wij dan bij den aanvang onzer periode het
+katholiek-kerkelijke en het vormlooze huwelijk. Doch daarmede is het
+terrein der volgende geschiedenis nog allerminst voldoende verkend.
+In de derde plaats moeten wij melding maken van veelvuldig ongehuwd
+samenleven, of van wat wij daarvoor aanzien. Want de onderscheiding
+tusschen concubinaat en vormloos huwelijk zien wij niet altijd
+duidelijk, wat zelfs de betrokken personen niet altijd deden. Van de
+lagere geestelijkheid geldt dat niet. Wat men ten dage van Karel V hun
+concubinaat noemde, was dat ook voor het kerkelijk recht, maar voor
+het geweten der meesten was het een huwelijk met al de verplichtingen
+van dien, gelijk o. a. blijkt uit de testamenten en erflatingen,
+waarin zulke geestelijken vrouw en kinderen hunne goederen vermaakten.
+Natuurlijk leefden er in wezenlijk coelibaat, maar de meerderheid van
+den lageren clerus was »gehuwd« en »ofschoon zij«--naar de treffende
+woorden van den martelaar Angelus Merula--»hunne concubinen geen
+echtgenoot durfden noemen, hielden zij haar toch als zoodanig in eere«,
+of, om met een hedendaagsch grondig kenner der middeleeuwen te spreken,
+Mr. S. Muller Fz., »de vrouwen, met wie de middeleeuwsche lagere
+geestelijken leefden, waren niet de slachtoffers eener oogenblikkelijke
+zwakheid, neen, zij waren in waarheid de levensgezellinnen dier
+priesters, en de kerk mocht ze in voorbijgaande vlagen van rechtzinnige
+strengheid »concubijnen« schelden, de term »clerici uxorati« (gehuwde
+priesters) wijst op een geheel anderen band«. Hier is bovendien nog
+eene onderscheiding te maken. De majorist, d. i. de geestelijke, die
+de hoogere orden ontvangt, vooral diaconaat en priesterschap, kan geen
+geldig huwelijk aangaan. Zijn kind is dus een »filius sacrilegus«
+(in misdaad geboren). Maar de minorist, die de lagere orden ontvangt,
+legt geene gelofte van kuischheid af, hij mag een huwelijk sluiten en
+vandaar tal van »clerici conjugati« gehuwde, niet tot priester gewijde,
+theologen, die wel b.v. aan het hoofd eener parochie-kerk mochten staan,
+maar geen mis lezen en biecht hooren. Zoo was b.v. Rudolf Agricola (geb.
+17 Februari 1444) de »filius naturalis« van zulk een lageren clericus,
+maar--ongehuwd, en daarom was Rudolf toch buitenechtelijk geboren, wat
+toen niet zoo groote smet werd geacht. Voor ons doel is het genoeg vast
+te stellen, dat bij den overgang naar den nieuwen tijd ten onzent tal
+van (niet kerkelijk) gehuwde geestelijken gevonden werden. Gingen zij
+tot de nieuwe leer over, dan haastten zij zich nog niet altijd wettig
+te huwen. Wel gold de bepaling, dat zij niet tot den kerkedienst zouden
+toegelaten worden, tenzij zij »hunne concibinen of onechte vrouwen
+zullen getrouwd hebben«, maar nog in 1601 bereikt ons eene klacht uit
+classis Nijmegen, dat »sommige predikanten nog niet legitime met haeren
+wijven getrouwd« zijn.
+
+Al noemden wij de onderscheiding tusschen een vormloos huwelijk en
+ongehuwd samenleven niet immer gemakkelijk, dat er ook veelvuldig
+uiterst losse verbintenissen voorkwamen, waarvoor de naam concubinaat te
+goed is, ligt voor de hand. Want maar zeer langzaam hebben de neigingen
+tot veelwijverij van den man zich door wet en gewoonte tot monogamie
+laten dwingen, en herhaaldelijk ontsprong de onderdrukte natuur nog aan
+den band der maatschappelijke orde. Ter toelichting geef ik weder een
+paar bladzijden uit de Nijkerksche doop- en trouwboeken, wel wat later
+dan den eigenlijken aanvang onzer periode, nl. 1597 en volgende jaren,
+maar in hare simpelheid zeer teekenachtig. Aldus:
+
+ 3 Februari 1597 gedoopt:
+ Wolter, vader Maes Wolters, moeder Geert Reimers.
+ 6 Mei 1599:
+ Wolter, vader Maes Wolters, moeder Aertgen Lamberts;
+ 25 Nov. 1599:
+ Tijs, vader Maes Wolters, moeder Geert Reimers;
+ 30 Juli 1601:
+ Coep, vader Maes Wolters, moeder Aertgen Claes;
+ 5 Aug. 1602:
+ Reimer, vader Maes Wolters, moeder Niesgen Reimers.
+
+Van deze vier vrouwen is Aertgen Claes de verkoren bruid, met wie Maes,
+26 Juni 1603, huwelijksgeboden laat gaan. Echter staat daar in het boek
+achter: »non fuere copulati« (zij werden niet getrouwd). Dit is later
+weêr doorgeschrapt, »mogelijk,« teekent de uitgever dezer bescheiden
+terecht aan, »na eene echtverbintenis op het sterfbed«. Van zoo mogelijk
+nog losser zeden spreekt deze eenigszins ingewikkelde geschiedenis:
+30 November 1595 huwelijksproclamaties tusschen Elbert Claes en Rickge
+Hertgens; 17 April te voren was hun zoon Claes gedoopt. 30 Augustus 1596
+weder een kind en 31 December 1598 een derde. 18 Februari 1599 gaan
+nu de geboden tusschen deze Rickge Hertgens en Reynier Hendricksz. te
+Putten, wat niet verhindert, dat in 1601 en 1603 twee kinderen gedoopt
+worden van dezelfde Rickge en (weder van) Elbert Claes. Daarna huwt deze
+laatste eene rijke weduwe, die hem een zoon Thomas en daarna nog vier
+kinderen schenkt. 16 Aug. 1607 staat dan Reynier te Putten bij den doop
+als vader van Paul, zonder vermelding van de moeder, maar 9 Augustus
+1612 staat hij te Nijkerk in dezelfde hoedanigheid over een zoon Nael,
+waarbij thans als moeder wordt aangeteekend zoowaar alweder Rickge
+Hertgens. Zoo hield dan, zegt de uitgever ook van dit stuk, dit
+wisselzieke vrouwmensch het tweemaal met den een en tweemaal met den
+ander. Genoeg intusschen van deze dingen. Nog korter kan ik zijn over
+de eigenlijke prostitutie, over de deernen, »die in 't gemeene leven
+zaten, om goede gezellen te gerieven«, meestal dicht bij de stadswallen,
+gelokaliseerd, door tal van keuren beperkt, nooit bedwongen. Het
+onderwerp, op zichzelf van belang en met veel literatuur, eischt hier
+geene nadere beschrijving.
+
+Te midden nu van deze van ouds bestaande huwelijkstoestanden verschijnt
+als nieuwe macht het protestantisme. De Hervorming heeft zeker niet,
+als bij tooverslag, alle dingen vernieuwd, laat staan verbeterd--op
+ons gebied heeft zij ingrijpende veranderingen tot stand gebracht. Ook
+dienen wij oog te hebben voor het verschil tusschen de onderscheidene
+protestantsche groepen, lutherschen, anabaptisten, zwitsersche
+gereformeerden, nederlandsche sacramentisten, calvinisten--maar
+op één gewichtig punt stemmen zij allen overeen: zij breken met den
+ongehuwden als verheven boven den gehuwden staat en dus ook met het
+priestercoelibaat. Zij ontnemen aan het huwelijk zijn sacramenteel
+karakter, maar prijzen het meteen als den door God gewilden staat voor
+ieder. Een van de schoonste en treffendste pleidooien voor het huwelijk
+door een hervormer is de brief, waarin Heinrich Bullinger in 1527
+aanzoek doet om de hand van Anna Adlischweiler, een brief dien men
+niet zonder ontroering en bewondering lezen kan. Dit is inderdaad van
+verreikende gevolgen geweest, wat te erkennen niet blind behoeft te
+maken voor de schaduwkanten. Luther--zijn invloed in ons land bleef
+trouwens tot kleine kringen beperkt--gaf in 1519 zijne »Sermon über den
+Ehestand« (2de Zondag na Epifaniën, Joh. II 1-11, bruiloft te Kana),
+waarin hij nog geen partij kiest voor of tegen den ongehuwden staat,
+maar reeds de zedelijke waarde des huwelijks ziet in het niet slechts
+verwekken van kinderen, maar ook hen opvoeden tot Gods eer. Van 1522 is
+zijn »Sermon vom ehelichen Leben«, van 1523 zijne uitlegging van 1 Kor.
+VII en van 1524 zijn geschrift »Dat ouders hunne kinderen niet tot een
+huwelijk dwingen mogen«. Hier veroordeelt hij den ongehuwden staat, als
+mogelijk alleen voor enkele hooge geesten, voor verreweg de meesten is
+hij bron van alle kwaad. De natuurlijke drang der beide geslachten tot
+elkander vindt in het huwelijk op Gode welgevallige wijze voldoening en
+is even onergerlijk als eten en drinken. Al heeft Luther's plastische
+wijze van uitdrukking hem onwaardige beoordeeling op den hals gehaald,
+het is waar, dat hij de voldoening der geslachtsdrift als huwelijksdoel
+zeer op den voorgrond stelt, dat hij, in zijn polemiek tegen het
+huwelijk als sacrament, te weinig waarde hecht aan de officiëele
+huwelijkssluiting, het vormloos huwelijk toelaat, al is het ook waar,
+dat hij later strenger de openbare verloving en huwelijksverklaring
+eischt. Uitspraken, waaruit blijkt, hoe hij de vrouw achtte, zijn er
+vele; toch handhaaft hij in krasse termen de onderdanigheid van de vrouw
+aan den man. In dat opzicht overtreft Calvijn hem nog. Ook hij prijst
+het huwelijk boven het coelibaat, maar tegelijk is de vrouw den man
+onderworpen, in zijne macht gegeven, zij blijft in de schaduw, oefent
+geen invloed in het openbaar. Zijn warme aanhanger en leerling John Knox
+gaat nog verder in zijne veroordeeling van »the imperfections of women,
+their naturall weaknes and inordinat appetites«. Anastasius Veluanus,
+de zuiverste vertegenwoordiger van de Nederlandsch-reformatorische
+richting, zegt in zijn »Der leken wechwijzer« (1554) vooreerst, dat uit
+den bijbel duidelijk de heiligheid van dezen staat blijkt. Het doel des
+huwelijks is ook hem het verwekken van kinderen, die »kynder Godes unde
+erffgenamen des hemels sijn sollen«; voorts het middel om onkuischheid
+te mijden, want de »bekorende natuyr« laat zich niet verdringen;
+eindelijk is ook hem het huwelijk »een figuir des geestelicken echten
+staets tusschen Christus und onse gelovige sielen«. Over het huwelijk
+geeft hij voortreffelijke voorschriften, vol fijne gedachten, hij
+is gekant tegen het huwen »in heymelicken winckelen« (hoeken), daar
+men er toch in 't openbaar in leven moet, fel bestrijdt hij het
+priestercoelibaat: »het is God hoichlic bekoren« en verdedigt den
+gehuwden predikantenstand. De denkbeelden van Veluanus zijn van groot
+belang en zeker in deze landen van invloed geweest. Maar reeds een
+dertig jaar vroeger, in 1525, hoor ik den Noordnederlandschen martelaar
+»Dirck die rode cuper« dezelfde beginselen over de heiligheid des
+huwelijks ook voor den priester verdedigen, als hij verlangt, dat »een
+priester een echte wijff met kynde hebben moet eer dat hij ten outare
+gaen mach ende een bisschop seven jaeren in den echtelicken staet
+sal geweest sijn eer hij bisschop werden mach«. Wat eindelijk de
+anabaptisten aangaat, in ons land zulk eene machtige protestantsche
+strooming, de meeste hunner secten en groepen hebben het eerbaar,
+monogamisch huwelijk met kracht voorgestaan en in hunne kringen in
+practijk gebracht. Slechts de beruchte, dweepzieke munsterschen en naast
+hen de davidjoristen en de batenburgers hebben in den aanvang d. i.
+om en bij 1535 tot 1545 de veelwijverij in theorie verdedigd en in de
+practijk toegepast, aldus naar de woorden van Obbe Philipsz., »die
+Echte op rollen« zettende. Maar dit was eene korte verdwaasdheid.
+
+Al hebben wij, zij 't zeer in 't kort, op deze wijze recht laten
+wedervaren aan de verschillen onder de protestanten, wij zijn
+verantwoord, zoo wij nu ook ten slotte nog eens samenvatten en
+onderstreepen wat zij gemeenschappelijk als nieuwe beginselen en
+invloeden brachten op het terrein van het 16de-eeuwsche huwelijk, dat
+wij thans, al was 't vluchtig, hebben verkend. De hervorming brengt de
+afschaffing van het priestercoelibaat. De gehuwde staat is edeler dan de
+ongehuwde. De vrouw wordt in haar eer hersteld; zij is niet langer, naar
+middeleeuwsche kerkleer, eene verlokking tot het booze: haar lichaam als
+een vuur, uit haar oogenvensteren gluurt de dood; zij is niet langer,
+als voor de strenge devoten, de belichaming der zonde, verderfelijk
+boven alles, de poort der hel--wel te verklaren uit die ascese, die
+is angst om der ziele zaligheid, welke men op geen beter wijze wist
+te redden dan door de natuur in haat te hebben, met dat al de vrouw
+verlagend tot een minderwaardig schepsel van lagere natuur. Het
+protestantisme schept den gehuwden geestelijke, bouwt de pastorie
+als middelpunt van het gemeenteleven, waaruit in de volgende tijden
+(alsof de natuur zich wreken wilde over zoo langdurige verguizing en
+terugzetting) zoo tal van groote mannen zijn voortgekomen, het brengt de
+vrouw den man nader, tot zijn hulp geroepen. En het is, alsof zij zich
+aanstonds opmaakt, om de plaats, haar ingeruimd, te bezetten. Zij zijn
+opgeheven uit de lagere wereld der zondige dingen, welnu zoo willen zij
+naast hare echtgenooten staan in den strijd. Het is opmerkelijk, hoe
+vele vrouwen men tegenkomt op de bladzijden onzer martelaarsboeken, in
+de doopersche het meest. Toen Felistis Jansdr. in 1553 te Amsterdam zou
+verbrand worden »sag mense opt schavot komen suyver in de kleederen en
+een wit schortekleed voor... also heeft zij hare offerhande gedaan«.
+Het is mij als een zinnebeeld van de vreugde, waarmede zij haar aandeel
+in het lijden voor nieuwe goederen op zich namen. Roemt vrij de naïeve
+godsvrucht, de geduldige zelfverzaking van de vrouwen der moderne
+devotie in de vóór-reformatorische eeuw! Hooger staan prediking en
+practijk der hervorming, waardoor het der vrouw vergund werd in gezond
+en natuurlijk samenleven naast den man te staan en zij, uit de
+duisternis der vernedering, treden mocht in het licht van voller
+waardeering.
+
+Ons eerste hoofdstuk is ten einde. Wij hebben het terrein verkend,
+zooals het zich in ons vaderland van de 16de eeuw ten opzichte van
+het huwelijk aan ons voordeed. Oude en nieuwe elementen, theorieën en
+rechtspractijken, gebruiken en idealen zijn te zamen gekomen. Wat zal
+uit die mengeling geboren worden? Tegenover welke taak staat het nieuwe
+geslacht? Welke vormen zullen staat en kerk de verloving en het huwelijk
+doen aannemen? Zietdaar vragen, waarop de volgende bladzijden het
+antwoord zullen moeten geven.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK II.
+
+DE VRIJAGE.
+
+
+Tot alle vereeniging, van het wettig huwelijk af tot de losse
+verbintenis toe, leidt de vrijage. Het is de werving van den man om de
+begeerde vrouw. Vrijen beteekent ook het minnelijk omgaan met elkander
+van twee gelieven, maar ieder voelt in de taal het verschil tusschen
+»vrijen om« en »vrijen met«, gelijk bij Petrus Stastok's eerste
+minnekoozerij, zoo wreed door Rudolf van Brammen verstoord, de jongeling
+_met_ Koosje van Naslaan vrijde en misschien wel den moed zou gehad
+hebben later _om_ haar te vrijen, als de jonge wijnkooper uit de
+naburige stad hem niet vóór geweest ware. Wie eene stad wil innemen moet
+haar belegeren, wie de bruid voor zich wil innemen moet om haar vrijen
+en aan de vrijage ontkomt alleen hij, die met voorbedachten rade het
+huwelijk mijdt. Zóó waren er ook onder de vaderen, die hun goeden raad
+te berde brachten en uitriepen: »gij, o, geluckige, die noch buyten
+dien grouwelijcken staat zijt, schrik voor dezelve. Schu een vrou veel
+meerder als de vissen den angel!« Onze letterkunde bewaart--het is waar
+niet op hare fraaiste bladzijden--lange, berijmde samenspraken tusschen
+een »huwelijksbeminnenden Jacob« en eene »echthatende Maria« en andere
+grove en zoutelooze polemiek tegen het huwelijk. Maar gelukkig hield de
+natuur het tegen het »contra« met het »pro« en de grove scherts van het
+voorgeslacht spaarde zelfs de verlangende, oude vrijster niet, die op 5
+December vroeg:
+
+ »O, Sunter klaasje, goed-heylig-man
+ Trek erais je beste, moye tabbert an!
+ Wat was ik in mijn schik...«
+
+volgt eene plastische omschrijving van den huwelijken staat. Althans
+leeft hier nog de, sedert verloren, herinnering aan den H. Nicolaas
+als den »hijlic-man«, den huwelijkssluiter, sinds tot »heilig man«
+verbasterd.
+
+De vrijage dan, de bruidswerving, in haren wezenlijken aard zichzelve
+door de eeuwen heen gelijk gebleven, vertoont in hare vormen eene
+oneindige wisseling. Wij zwijgen van den grijzen vóórtijd, waarin
+volgens de meesten nog geen huwelijk, waarin de agamie was, de
+volstrekt ongeregelde geslachtsmenging, waarbij vrijage en huwelijk in
+één oogenblik samenvielen en in één oogenblik ook weêr voorbij gingen.
+Wij spreken evenmin van het roofhuwelijk, waarbij ook moeielijk aan
+voorafgaande vrijage te denken valt, zeker niet bij dien ouden vorm,
+dien wij nog kennen uit het verhaal van den roof der meisjes van Sjilo
+door de Benjaminieten, of uit dat van den Sabijnschen maagdenroof door
+de mannen van Romulus, in beeld gebracht door Bologna en later door
+Begas, of uit de verzen van Homerus, als hij zingt, van wat Hephaistus'
+kunst op het gedreven metaal van het schild van Achilles aanbracht:
+
+ »Bruiden, bij 't vlammende licht van de fakkels geroofd uit de
+ slaapzaal,
+ Werden gevoerd door de stad.«
+
+Al even weinig sprake van vrijage in onzen zin is er bij het
+koophuwelijk in dien ruwen vorm, waarin het zich o. a. vertoont--mogen
+wij Herodotus gelooven--in de dorpen van het oude Babylonië, waar de
+huwbare meisjes werden bijeen verzameld op de markt, de mannen om haar
+heen. Een heraut bood ze te koop aan, bij de schoonste te beginnen. Zij
+werden verkocht om te huwen (dus niet als slavinnen). En zoovelen als
+er rijk waren onder de trouwlustigen joegen elkander op en kochten de
+schoonsten. De leelijken werden toegewezen, aan wie met de kleinste som
+te tevreden waren. Ruwer en wreeder kan het bezwaarlijk. Daarentegen
+treedt de vrijage duidelijk naar voren bij de »Jacobshuwelijken«, zoo
+genoemd naar Jacob, die tweemaal zeven jaren diende om Rachel, want hier
+moest de vrijer dienen om de bruid, of proeven afleggen van kracht of
+behendigheid. Onze Oudgermaansche sagen bewaren ons den dichterlijken
+trek, dat de koninklijke vrijer zich vermomt en zich uitgeeft voor den
+bode zijns konings, aldus het paleis der begeerde prinses betreedt en
+zich door eigene heldendaden en die zijner dienaren, of door een lied of
+een geestig woord openbaart en de koningsdochter tot vrouw krijgt. In
+de longobardische sage van »Authari's bruidswerving« maakt de vermomde
+koning zich bekend door de kracht, waarmede hij zijn bijl in een boom
+vastwerpt. In de latere, op deze steunende, Thidhrekssage behaalt de
+(weder vermomde) koning Osantrix een reeks van overwinningen op koning
+Melias van Hunnenland. Dan wordt diens dochter Oda vóór hem gebracht.
+»Toen zette de koning Osantrix haren voet op zijn knie en deed er een
+zilveren schoen aan en hij paste, alsof hij voor haar gemaakt ware.«
+Hetzelfde geschiedt met een gouden schoen. »Toen streek de prinses zich
+over haar been en zeide, terwijl zij opzag: o God in den hemel, wanneer
+zult gij mij zoo genadig zijn, dat ik mijnen voet alzoo op den troon van
+koning Osantrix zetten mag? Toen lachte de koning en zeide: heden reeds
+is het de dag, waarop God u zoo genadig is, dat gij uwen voet op den
+troon van Osantrix, den koning van Wilkinenland, zetten moogt. Toen
+bespeurde zij dat koning Osantrix zelf gekomen was en ontving hem
+vriendelijk.« Om mijn kort bestek kan ik hier nog slechts één voorbeeld
+van zulk een vrijage bijvoegen, de allerbekoorlijkste anecdote van
+Theudelinde, de jonge weduwe van den genoemden Longobardenkoning
+Authari. Zij zal hertrouwen, en reist haren aanstaanden gemaal Agilulf
+tegemoet. Zelve reikt zij hem den welkomstbeker. »Toen hij den beker
+van haar aannam en daarbij eerbiedig zijne lippen op hare hand drukte,
+lachte de koningin en bloosde en zeide: hij behoefde hare hand niet
+te kussen, daar hij haar wel een kus op den mond geven mocht.« Wel
+terecht heeft Gibbon het in Boccacio gelaakt, dat hij in eene zijner
+vertellingen, den naam dezer Theudelinde bezoedeld heeft. Maar genoeg
+van deze oude vrijages.
+
+Het ligt voor de hand, dat hoe meer de vrouw steeg in de achting der
+mannen, hoe verder zij zich bevrijdde (of bevrijd werd) uit den staat
+harer slavernij, hoe meer zij zich harer waarde bewust werd, ook de
+vrijage grooter inspanning, fijner overleg, geduldiger toewijding
+eischte, terwijl zij bovendien haar aandeel verkreeg van de zachter
+wordende zeden. Maar altijd behield zij naar haren aard het karakter
+van voor-zich-willen-veroveren, als het belegeren van eene vesting, als
+(naar het woord van prof. Van der Vlugt) »eene taktische kunst met hare
+duizend regelen en conventiën«. Zoo spreekt Breêro van de vrijage:
+
+ »... Dan wert benadert en becingelt stracx de stee
+ Met loopgracht en met schans, met weeren en bolwerken...«
+
+en Johan de Witt laat zijn neef Jacob de Graaff den raad geven, dat hij
+zijne uitverkorene »met een jeuchdich ende brandendt hardt sal moeten
+comen aborderen, niet negligerende all 't gene de jeucht wat in 't ooge
+loopt als van cierlijcke kleederen etc.« Dit laatste behoefde niemand
+hun te raden: in zijn beste plunje gaat de vrijer tot den aanval over,
+wandelt langs het huis zijner godin, bindt, te schemeravond, ter sluik
+bloemen aan den deurklopper, staat bij het uitgaan der kerk aan de deur
+om (mocht het zijn!) liefjes groet te ontvangen. Hij kent de kracht van
+kleine geschenken, vergezeld van briefjes en verliefde rijmpjes, en soms
+waagt hij openlijker aanval en huurt een troepje speelluiden en brengt
+eene serenade voor het gesloten huis in de maanverlichte straat: schuift
+eene kleine hand daar even het gordijntje ter zijde en zien de oogen
+zijner koningin met welgevallen op den verlangenden jongman neder?
+Voorts behoeft niemand hem te leeren, dat hij de ouders zijne hulde
+betoonen moet, dat hij, als zij des avonds op de stoepbank onder de
+luifel een luchtje scheppen, met breeden armzwaai den geveerden hoed
+lichten en met een hoffelijk woord hen aanspreken zal. Misschien kan
+hij, als één hunner hem reeds genegen is, daardoor ook het hart des
+anderen vermurwen, gelijk wederom Johan de Witt van zijne eigene
+vrijage om Wendela Bicker vertelt, dat hij door »de genegentheydt van
+de vaeder 't geluck gehadt (heeft) de groote scrupule van de moeder
+te surmonteren«. Is de lieve lente in 't land gekomen, dan vraagt de
+minnaar het meisje een ganschen dag met hem uit spelevaren te gaan,
+vriendinnen en vrienden zijn van de partij, de wagen met de »dappere
+dravers« komt voor of de schuit wordt afgehuurd, en dan is er, in de
+vrije natuur, naar 's lands zeden, overvloedig gelegenheid den aanval
+te wagen op het hart van Dafne of Amaryl, met harten snijden in gladden
+beukenstam, met grasjes knoopen als symbool van den huwelijksband,
+met letters vlechten uit buigbare bloemstengels. Voor handtastelijker
+vrijage deinsden de 17de-eeuwsche jongelieden niet terug, bij iederen
+eenboogsbrug of heul klonk het »heulen, heulen« en was er het zoet
+gespeel van graag gezochte en niet te spijtig toegelaten kussen, en aan
+het zeestrand greep de vrijer het meisje om het middel en droeg haar
+een eindweegs de golven in, om het »soete, onnoosele dier« daarna met
+»sant te zouten«, weinig arcadische galanterie naar onzen smaak in het
+Batavisch arcadia der vaderen, niet door allen goedgekeurd, maar als
+proeve van kracht en behendigheid toch wel heimelijk toegejuicht.
+Helaas, dat »Draag Roosje nu in zee« het arme kind, in Bellamy's bekend
+gedicht, het jonge leven kostte. Binnenshuis, bij winteravond, waren de
+kansen niet minder schoon en tal van gezelschapsspelen, vrijer en losser
+dan onze preutscher tijden zouden toestaan, gaven aanleiding tot niet
+te misduiden liefdesverklaring en tot, bij vooruitbetaling, al vast
+ontvangen van het loon.
+
+In dit raam van algemeenheid passen nu de tallooze vormen. De aard der
+vrijage staat onder den invloed van plaatselijke zeden en gewoonten,
+zooals in het noorderkwartier en op Texel nog tot ver in de 18de eeuw
+de nachtelijke bezoeken, het kweesten, wat eigenlijk reeds niet meer is
+»vrijen om«, maar »vrijen met«, waarbij het »Galathea, zie de dag breekt
+aan«, uit hoofscher (en Hooft-sche) kringen, ook menige boersche nymf
+opschrikte, waarom het ook krieken heette en Grabner, een Duitsch
+reiziger ten onzent aan 't einde der eeuw, deftig zeggen mocht: »Nicht
+Hesperus sondern der Morgenstern ist daselbst der Stern der Liebe«.
+Overigens is het duidelijk, dat dit kweesten, waarbij de vrijer bij
+het meisje te bed ligt, door een deken gescheiden, samenhangt met de
+Duitsche »Kommnächte«, »Probenächte«, zooals ze vooral in Zwaben, in
+het Zwarte woud voorkomen, zede, die den minnaar vergunt om, tegen het
+venster harer slaapkamer opgeklommen, enkele uren van de nacht bij de
+geliefde door te brengen, zede, die op haar beurt wederom gelijkenis
+heeft over de gansche aarde en reeds door den Pruisischen raadsheer F.
+C. Fischer (1780) is onderzocht, door Grupen (1748) en vele anderen. Van
+eerbaarder en zediger vrijage bewaart de geschiedenis menig getuigenis.
+Hoe bescheiden en ingetogen is Johan Schoorl de schilder (1495-1562),
+die als leerling werkzaam is bij Mr. Jacob Cornelisz. van Amsterdam.
+Deze meester had een »seer fraey dochterken van twaelf jaer. Ende
+alhoewel deses vrouwmenschen aerdighe bevallijckheid Schoorels herte
+in liefde verwonnen hadde«, hij bedwong zich om haar jeugd, reist naar
+verre landen, en laat de kans op een goed huwelijk voorbijgaan, omdat
+het »Amsterdamsche dochterken hem geschildert was van der liefde godt in
+'t herte, waervan hij altijt de prickelinge bevoelende, niet en dacht
+dan om in consten volcomender te worden, opdat hij eyndlinghe tot sijn
+begheerte mocht comen: door welcke vijericheyt hij veel ghevordert
+heeft, schijnende of liefde consten doet leeren«. Helaas, toen hij na
+vele jaren terugkeerde, was het meisje de vrouw van een ander.
+
+Met welgevallen herinnert men zich de vrijage van Dirk Rafels
+Camphuysen, den remonstrantschen predikant, den dichter, den later zoo
+rampzaligen balling. Wij bezitten van hem eene biografie, door zijne
+vrouw gedicteerd en dr. Rademaker, die hem vóór enkele jaren afdrukte,
+maakte de menschkundige opmerking, dat de inhoud de wezenlijke
+schrijfster aanwijst: hare vrijage en haar huwelijk teekent zij
+uitvoerig, aan dien gelukkigen tijd dacht zij gedurende haar 41-jarig
+weduwschap herhaaldelijk terug. Camphuysen dan studeerde te Leiden, in
+1608, en sloot daar vriendschap met Joh. van Alendorp, een Dordtschen
+predikantszoon. »Het gebeurde«, aldus dicteert de weduwe, »dat Johannis
+soude vertrecken, en sijn suster Anneke komt tot Leyden, om het goet
+van haren broeder bij een te pakken... op dese tijd kright C. de
+eerste kennis aen dese Anneke en hij sedert die tijd al te met eens na
+Dorderegt trock, om te besoeken hetgeen hij beminde... en hij brengt het
+soo verde, dat hij met haar in beloften raakt, sulcks dat C. 's morgens
+eerst ernstig naar sijne wijse den Alderoppersten gesmeeckt en gebeden
+hadde op sijn kamer om wijsheit in dese hoog wigtijge saack; hij quam
+bij Anneke haar aanpresenteerende seekeren penning, die hij haar op
+trou gaf«. Dan wordt hij gouverneur bij Gideon van Boetselaar, heer
+van Langerak, »wat hij niet soude gedaen hebben had hij sijn huwelijck
+moogen voltrekken met de verloofde«. Want de moeder onthield haar
+toestemming, omdat C. arminiaansch was. Hij was bij de Boetselaars
+geacht »als Jozef in 't hof van Farao« en zij trachtten hem uit te
+huwelijken aan »een joffer van groot qualyteit«. »Maar alsoo het
+knagende geweeten van C. nog niet geheel en was verstorven (gelijk
+sommige ongestadige minnaers niet veel passchen op haar woorden en
+beloften, die sij aan eenige vrous persoonen gedaan hebben), soo is hij
+oock in desen een exempel geweest van volstandigheit in sijne woorden.
+Hij ondertusschen, denckende op middelen om te met een oog als woort te
+hebben van het geliefde, quam het juist te gebeuren, dat de gouvernante
+van 't hof quam te trouwen ende, mevrouwe verlegen sijnde, conseleerde
+met C., die sijn slag in dese waar nam en zeyde: kont gij die dogter
+krijgen (noemende Anneke van Alendorp) ik meen, dat gij 'n contentement
+in haaren dienst sout nemen; de joffer staat het toe en belast C.
+een brief daer na toe te senden, daer toe hij hem met weynig woorden
+liet bewilligen. Sij, den brief ontfangende en den inhoud verstaande,
+resolveert om voor goevernant te dienen, want de moeder viel haar vrij
+hard en was haar dagelijks aan, om het huwelijk te beletten. Maar gelijk
+een welgebouwd hof voor geen stormwind en plasregen komt te buigen,«
+(denkt Anneke hier aan C.'s »Uytbreydingh over Ps. CXXV«:
+
+ Wat winden dat er ruyschen, wat regen dat er plast,
+ Het hooge huis van Sion staet onbeweeght en vast..?)
+
+»soo heeft hem ook de ongeveinsde liefde gedragen. De heer en ook de
+anderen, om geen dink minder denckende, krijgen ondertusschen groot
+behaagen in dese dienstmaagd en C. had een groote lof behaalt, in voegen
+hem den heer nog een rosenobel vereerde voer zijn moeyten.« De rest laat
+zich denken. De stille minnehandel wordt ontdekt, men poogt de gelieven
+tegen elkander op te zetten, C. vraagt om uitlegging en doet of hij
+niets meer van haar weten wil »singende overluid een deuntje gelijk
+de jonge minnaers ende hovelyngen gewend waren«. Maar zij gaat hem
+na, »vernieuwende hem alles wat se om sijnentwil al had geleeden en
+uitgestaen, daer van sijn gemoet ten volle overtuigd was«. De verzoening
+is volkomen, hij verlaat het kasteel, zij »passeert van den dienst« en
+na nog een aantal lotgevallen, waarbij C. »vol moets en coragije is,
+denckende dat geen see te hoog gaan en mogt, als hij maar dat mogt
+genieten, daar alle hartstogten op gevallen scheenen«, trouwen zij
+eindelijk den 11den April 1613. Het is een verhaal als een sprookje,
+deze toch zuiver historische vrijage, al kan men er helaas niet
+bijvoegen, dat zij »daarna nog lang en gelukkig hebben geleefd«.
+
+Even zedig, even eerbaar was een eeuw later de »burgerlijke vrijage«
+tusschen Kobus en Agnietje, ons door Justus van Effen verhaald in zijn
+»Hollandschen Spectator«, vertoogen, die aan hun levendigen verhaaltrant
+de eer danken van hunne plaats in tegenwoordige bloemlezingen.
+De bescheiden en schuchtere vrijage van den braven Kobus, die met
+een grachtje om en een paar bange kusjes al den koning te rijk is
+(voorloopig!), is zeker een aardig schilderijtje van 18de-eeuwsche,
+burgerlijke zeden, waaruit de vroegere, dartele en onbeschroomde
+vrijpostigheid, die wij nog in de 17de eeuw bij den vrijer bespeuren,
+geweken is--voorzoover wij dat nu nog kunnen uitmaken. Zeker vermeed men
+in de 18de, in de kringen ook der patriciërs, de grove uitingen eener
+bloedrijke verliefdheid, en de wijze, waarop een galante petit-maître
+vrijt om de charmante godin van zijn hart, in de saletten, bij het
+speeltafeltje, is van eene onnatuurlijke gemanierdheid. Degelijk,
+oprecht, maar wat statig en koel is de vrijage in de kringen, die 't
+hart hebben van de juffrouwen Wolff en Deken, zooals van den kolonel
+Uto van Sytsama om de bedachtzame Coosje Veldenaar, die voorloopig
+zijn aanzoek afwijst: »Mijn hart is vrij« antwoordt zij hem, »maar
+ik heb geene de minste overhelling om van staat te veranderen en dat
+wel, al vorm ik mij van een op goede gronden voltrokken huwelijk geene
+schrikbeelden. Maar mijne waardige ouders kunnen mij onmogelijk missen.«
+Hij, door zoo bezonnen redeneering geenszins ontmoedigd, schrijft terug:
+»Mijne waardste! Kunt gij mij met uwe bezitting niet zegenen, schrijf
+mij dan nooit meer; voor zulke verdiensten, voor zulke begaafdheden
+is mijne rede niet bestand. En echter, alles wat gij schrijft is zoo
+billijk. Ja mijn Coosje (o, mag ik u zoo eenmaal noemen) mijn hart
+klopt van gevoel, mijne oogen vloeien over, als ik uwen brief lees.
+Edel meisje, kunt gij de mijne niet worden?« Zeker klinkt dit uiterst
+statig--maar wij moeten altijd bedenken, dat de draagkracht, de juiste
+strekking der woorden bij de voorgeslachten ons al te vaak ontsnapt. Ook
+waren zij in hunne spreektaal veel ongegeneerder dan wij thans voegzaam
+zouden achten. Wat bovendien dit bepaalde geval betreft, Betje Wolff
+was in hare jeugd bijna het slachtoffer geworden van eene zeer brutale
+vrijage, waartegen zij deze eerbare overstelt. In geen geval was een
+taal als die van kolonel van Sytsama toen onwezenlijk. Ook in het vrijen
+om de bruid openbaarden de vaderen eene bedaarde bedachtzaamheid, die
+wel nationaal moet zijn. Juist in dezen zelfden tijd, 1782, schreef de
+dichter H. van Alphen aan zijn vriend mr. J. P. Kleyn: »Haast niet, maar
+wikt. Laat de keuze van eene levensgezellin de vrugt zijn van een rijp
+beraad en van een ernstig, aanhoudend, opregt en vertrouwend gebed. Laat
+zelfs de tijd aan God over.« Het is dit nationale flegma, dat zich ook
+in de vrijage uit, dat vreemdelingen zoo opvalt. »Der Bataver ist nur
+thätig, wo er es sein musz«, schrijft een Pruisisch reiziger in ons
+land, anno 1797, en in een Fransch rapport van twee jaren vroeger luidt
+het, met wat dieper ingaan in het wezen: »son caractère est flegmatique,
+mais sensible et si ses affections ont moins d'essor et d'éclat, elles
+n'en sont que plus profondes et plus durables«. In ons laatste hoofdstuk
+komen wij hierop nog terug. Thans hebben wij over den aard der vrijage
+nog iets op te merken.
+
+Toen wij boven verhaalden van Authari's bruidswerving, herinnerden wij
+ook aan de dienaren, die de vermomde koning mede nam en die door hunne
+heldendaden zijn aanzoek kracht bijzetten. Dezen trek der oude sage
+vinden wij de eeuwen door terug. In belangrijke aangelegenheden laat
+men zich door helpers ter zijde staan, voor de rechtbank, bij een
+koopcontract, bij een tweegevecht. Desgelijks bij de vrijage. De vrijer
+zendt zijne boden vooruit, om het terrein te verkennen, om den eersten
+aanval te wagen. In de Ommelanden heette zulk een paranymf de maakman,
+in sommige streken van Friesland werd eene oude vrouw uitverkoren, om
+de gevoelens van het meisje te polsen. Het is opmerkelijk, hoe deze
+vrijage bij volmacht in krassen vorm bij de oude Friesche doopsgezinden
+voorkwam. Een, die tot hen behoord had en hen goed kende, schreef (het
+geldt het derde kwart der 16de eeuw): »dat niemandt onder haer, een
+huysvrouwe begeerende, de persoone selfs aenspreecken noch versoecken
+en mach, maer moet sulcks den Dienaren aengeven ende raedt vragen ende
+denselven voor hem aensoecken laten.« Ja zelfs moet hij er vrede mede
+hebben, als die dienaar »'t selve houwelijck haer afriedt ende een
+anderen in den sinne bracht.« Deze gewoonte moet onder de doopsgezinden
+vastgeworteld zijn geweest. Niet alleen vindt men haar nog veel later
+in ons land (gelijk immers Reynier Adriaansz, in Asselijn's blijspel,
+een paar bemiddelaars op Saartje Jansz. afzendt en eerst daarna zelf
+zich »eerbiediglijk« komt aanbieden), maar ook treft men haar aan bij
+buitenlandsche doopsgezinden. Zoo verhaalt Alfred Michiels van de
+doopsgezinden in de Vogezen anno 1858, dat zij bij huwelijksaanzoeken
+zich richten naar het voorbeeld van Abraham en Eliëzer (Genesis XXIV)
+en naar dat van den jongen Tobias, in het apocryfe boek van dien naam,
+die immers ook met behulp van den engel vrijde om Sara, de dochter van
+Raguel. Want als een jonkman bij hen huwen wil, neemt hij een diaken in
+zijn vertrouwen. Deze (hij heet »der steckelmann«) stijgt te paard en
+rijdt tot bij den put van de woning van het meisje. Die komt naar buiten
+met eene kruik in de hand, schept er water in en biedt hem te drinken
+(gelijk immers Rebekka het Eliëzer deed). Zegt zij verder niets, dan
+weet hij genoeg en rijdt weêr terug. Maar zegt zij: »kom wat dichterbij
+en laat ik ook uw paard te drinken geven,« dan haalt hij de meêgegeven
+geschenken voor den dag en vraagt tot hare ouders toegelaten te worden.
+Op deze wijze voeren deze menschen hunne vrijage naar bijbelsch
+voorbeeld.
+
+Wij keeren naar ons vaderland terug en hebben nog slechts te herinneren,
+dat een 18de eeuwsch Spectator (niet zeer geestig) voorstelt, om in
+plaats van deze helpers publieke makelaars in huwelijkszaken aan te
+stellen, die de vrijage tusschen twee jongelieden tot een goed einde
+zouden brengen. Overigens was hier te lande (anders dan b.v. in
+Frankrijk) de vrijage de zaak der gelieven-zelven. Wel was het
+prijselijk als »jonckheyt lieft met ouders raat«, zooals het oude
+rijmpje zegt, maar de ouders bedisselden het geval toch niet onder
+elkander, zij lieten het vrij, wat natuurlijk niet buitensloot, dat
+sommigen, als het eene goede partij gold, een zachten drang uitoefenden.
+Wat den bekenden Adolf, vrijheer Knigge in zijn, ook in onze taal
+overgezet »Ueber den Umgang mit Menschen«, 1785, de weinig hoffelijke
+uitroep ontlokt: »Het koppelen en bekuipen van huwelijken late men
+over aan den hemel en aan zekere klasse van oude wijven!« Wij hoorden
+daareven Anneke van Alendorp gewagen van die »ongestadige minnaers, die
+niet veel passchen op haar beloften.« Van zulke trouwelooze vrijers zijn
+onze oude liederenboekjes vol:
+
+[Illustratie: Huwelijkscontract.
+
+ Naar een schilderij van Jan Steen.]
+
+ »Dog vrijers zijn vol list en loze streken,
+ Hun woorden zijn wel honing-zoet,
+ Terwijl zij dragen in 't gemoet
+ Den angel, om te steken
+ Haar, die hen mind.«
+
+Trots deze booze ervaring verlangen de vrijsters toch naar hun
+gezelschap:
+
+ »Dit bosje weet,
+ Dat ons is leet,
+ Dat gij niet t'alle-tijdetjens,
+ Ons met uw kout
+ Gezelschap hout
+ En zit aan onze zijdetjens.
+ Uw zoet gevrij
+ En boerterij
+ Met velerhande klugjens
+ Ons zo verleyd
+ Dat, als gij scheyd
+ U volgen veele zugjens.«
+
+Had echter de vrijage het gewone, gewenschte verloop, bleek het meisje
+niet onvermurwbaar, liet zij zich eindelijk verbidden, om van staat te
+verwisselen (»wat haast hebben wij meisjes,« vraagt Alida Leevend in
+haren overmoed; »als wij getrouwd zijn, zijn onze blijde daagjes uit?«),
+dan kan de verloving, straks het huwelijk plaats hebben. Wij vragen
+allereerst naar het karakter van het wettig huwelijk, zooals het zich
+onder de Republiek aan ons voordoet.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK III.
+
+HET WETTIG HUWELIJK.
+
+
+Tegenover welke taak stond het nieuwe geslacht, vroegen wij aan het
+einde van ons eerste hoofdstuk, nadat wij de toestanden, zooals zij in
+de 16de eeuw heerschten, geschilderd hadden? Roepen wij ons duidelijk
+de moeielijkheid voor den geest. Van wien zou het gezag uitgaan in
+huwelijkszaken, zoodat de bestaande verwarring en onzekerheid zouden
+ophouden? Van de Staten der gewesten? Van de jonge, gereformeerde kerk,
+zelve nog nauwelijks (immers eerst sinds 1572 in het noorderkwartier,
+van lieverlede ook in de overige provinciën) geordend en ingericht?
+Zeker had zij nog geen wijdstrekkende autoriteit, maar van den
+beginne heeft zij zich met groote energie aan deze zaak laten gelegen
+liggen. Omdat voor haar, gelijk voor alle protestantsche Kerken,
+het sacramenteel karakter des huwelijks vervallen was, heeft zij van
+den aanvang af geijverd voor het burgerlijk, algemeen karakter der
+instelling. Wat Huig de Groot zegt, dat door het aannemen van den
+gezuiverden godsdienst alle voorrechten van geestelijken, zoo in
+rechtspleging als in andere zaken, het bijzonder burgerrecht rakende,
+ophouden, heeft zij reeds vroeger erkend ook voor 't huwelijk. Zij
+volgde daarin slechts de denkbeelden harer groote theologen: Calvijn
+achtte het huwelijk een ding, den wereldlijken rechter competeerend.
+Reeds de oudste provinciale synoden spreken zich uit, zoowel over
+de verhouding tusschen kerk en staat in 't algemeen als over het
+huwelijksrecht in 't bijzonder. Die van Rotterdam, anno 1575, begrenst
+het wederzijdsch gebied en spreekt uit, dat »onse kerckelijke regieringe
+geenszins usurpatie van het ambt van den magistraat medebrengt, maar
+dat de politische (burgerlijke) ende kerkelijcke regieringe« door God
+zijn ingesteld, zoodat het er verre van af is, dat »dit gheestelick
+ende kerckelick regiment enichsins soude het ampt ende de hoocheit
+der overheit tegenstriden ofte vercorten, dat in tegendeel 't selfde
+veelmeer dient tot befestinge vande autoriteit derselver, gelijck oock
+wederom der overheit ambt is door haar autoriteit der kerckelicke
+regieringe te beschermen ende te handthaben«. Reeds een jaar vroeger
+had art. 5 der Dordtsche kerkorde voorgeschreven: »die dienaren ende
+ouderlingen sullen wel toesien, dat sij in hare consistorische,
+classische ende sinodische vergaderinge niet en verhandelen dan 't gene
+kerckelick is«. Welnu dezelfde vergadering spreekt het uit: »Overmidts
+d'officiaelen des Antichrists int pausdom d'autoriteyt ende recht der
+overheijden in den echtscheydinghen aen sich getrocken hebben, soo sal
+de magistraet van den ministers wt Godes woort ghebeden ende vermaent
+worden, datse dien helpen, welcke in soodane saecken hare hulpe
+behoeven«. En nog algemeener de oudste gereformeerde synode hier te
+lande, die van Edam in 1572: ieder streve er naar dat »dese saecke des
+huwelijcx tot ontlastinge der kercken gebracht wordt in het burgerlijke
+regiment«. Omdat echter de berechting van huwelijksgeschillen voor de
+overheden nog nieuw was en, bij de nieuwe bedeeling, het geestelijk
+gerechtshof had »afgedaen«, heeft de kerk reeds in 1581 het wenschelijk
+geacht, dat de Staten een »houwelicxgericht« zouden instellen, »daeraen
+alle twistige houwelicxsaken« zouden opgedragen worden.
+
+Men bespeurt waarom het gaat: aan den Staat moet komen de regeling van,
+de uitspraak in huwelijksgevallen, de wetgeving in 't algemeen over
+alle huwelijkszaken. Zonder zijne sterke hand zal de verwarring nooit
+ophouden, aangezien, zegt wederom Huig de Groot, het huwelijk is de
+grondwet der burgerlijke gemeenschap en omdat, naar de woorden van
+den remonstrantschen hoogleeraar Simon Episcopius, als er geen vaste
+huwelijksordening is, »is de policie niet als eene wildernisse ende de
+familiën zijn niet als verckensschotten«. Wenschte de gereformeerde kerk
+aldus, dat het huwelijk burgerlijk zou zijn, dit hield niet in, dat zij
+afstand begeerde te doen van haar recht op huwelijkssluiting. Opvolgster
+van de oude, roomsche kerk, in zekeren zin erfgename harer functiën,
+overtuigd, dat het huwelijk voor zijne wettigheid de wijding der
+kerk behoeft--had zij reeds in de jaren der vervolging, vóór zij nog
+gevestigd was, huwelijken gesloten. Hare rondreizende predikanten
+»celebreerden houwelijcken volgende de voirs. religie« en »vougden
+na den sermoenen oik eenige persoenen als in echten t'saemen«. In
+1566, toen Margaretha hun vrije godsdienstoefening had toegestaan en
+zij enkele kerken in gebruik namen, was het dáár, dat men »bruyden
+troude«. Thans, als gevestigde kerk, handhaaft zij dit recht van
+huwelijkssluiting. Hare leden kunnen binnen hare muren een wettig,
+christelijk trouwverbond aangaan, al is men in 1573 in Noord-Holland
+zóó vrijzinnig, dat men een lidmaat toestond buiten de kerk te trouwen.
+Men moest het hem wel afraden, maar gebeurde het nochtans, dan was
+het huwelijk als echt te erkennen. Nu begon echter de moeielijkheid.
+Niet alleen toch begeerde de kerk van de overheid goedkeuring van
+hare huwelijksregeling op eigen terrein, maar, volgens het in haar
+midden sterker wordend calvinistisch beginsel, dat de wereldlijke en
+geestelijke macht samen moeten arbeiden aan den bloei der christelijke
+gemeenschap, eischte zij telkens nadrukkelijk, dat de overheid zich in
+alles, dus ook in huwelijkszaken, door die calvinistisch-gereformeerde
+gedachte zou laten leiden. Waar nu de staat zich verzet, ontstaat
+de strijd. En als wij bespeuren, dat de kerk voortdurend poogt eene
+algemeene huwelijksordonnantie te verkrijgen naar hare beginselen,
+dan zien wij daarin duidelijk een onderdeel van die worsteling om
+de oppermacht tusschen Kerk en Staat, ook in onze vaderlandsche
+geschiedenis zoo belangrijk. Het gaat op een loven en bieden. De kerk
+vraagt en de overheid, zeker gewillig het advies en de medewerking der
+kerkelijken in te roepen, geeft, maar ten halve. De kerk vraagt weêr en
+de overheid staat ook iets toe, maar geeft de teugels nimmer uit de hand
+en houdt aan zich het oppergezag. Zeker gevoelen wij bewondering voor
+deze »dienaren des Woords«, die, in hunne volstrekte afhankelijkheid
+van regenten en magistraten, toch rusteloos aanhouden om wat zij voor
+een heilig huwelijk noodig achten. Maar begrijpelijk vinden wij het
+evenzeer, dat de overheid op hare hoede was tegen een heerschzucht,
+die wezenlijk bedoelde der kerk het gezag over den staat te schenken.
+Ware het anders geweest, men zou kunnen wenschen, dat zij nog ruimer
+gelegenheid gehad hadde, haar onmiskenbaar organiseerend talent, ook op
+het gebied der huwelijksregeling, met de stukken te toonen. Laat ons dan
+zien wat langzamerhand in de Republiek tot stand kwam, door gewestelijke
+of stedelijke overheid gegeven, maar onder voortdurenden invloed der
+kerk.
+
+Reeds in 1576 hadden Baljuw en mannen van Rijnland bepaald, dat partijen
+zich of door den gereformeerden predikant moesten laten te zamen geven,
+of voor baljuw en mannen moesten verzoeken, dat hun trouw wettig
+verklaard werd. Dit was reeds eene belangrijke stap in de richting van
+orde, maar het besluit gold slechts Rijnland en ook, men durfde een
+anders gesloten huwelijk nog niet nietig verklaren. Maar vijf jaren
+later, 1 April 1580, vaardigden de Staten van Holland en Westfriesland
+hunne Ordonnantie van policie uit, waar men sub III bepalingen vindt
+»omme te voorsien op de ongeregeltheden in huwelijkszaken«. Hier moeten
+partijen verschijnen voor magistraat of gereformeerde predikanten hunner
+woonplaats, om door (voor) hen getrouwd te worden. Huwelijken niet
+volgens deze ordonnantie »gecontraheerd ende gecelebreerd« zullen
+voortaan zijn »nul ende van onwaarde«. Eene resolutie van 6 Juli gaf nog
+nadere uitlegging. Voor Zeeland volgde 8 Februari 1583 eene ordonnantie
+van den Prins van gelijke strekking, op de openbare afkondiging waarvan
+de Zeeuwsche kerk telkens aandringt. Den 6den October 1584 volgden de
+Staten van Utrecht en voerden ook het burgerlijk huwelijk in voor het
+gerecht ten stadhuize, d. w. z. voor wie dit begeerden. De anderen
+werden getrouwd door den gereformeerden predikant. Andere huwelijken
+werden niet langer erkend, terwijl als overgangsbepaling in art. 13
+der ordonnantie werd voorgeschreven, dat vroeger gesloten vormlooze of
+geheime huwelijken alsnog voor het gerecht konden worden gewettigd. De
+andere gewesten volgden (voor de Generaliteitslanden gaven de Algemeene
+Staten 18 Maart 1656 een Echtreglement) en sinds was de toestand zóó,
+dat ieder naar wet en ordonnantie moest trouwen, de gereformeerden
+in hunne kerk, de andere burgers ten stadhuize. Aan deze laatsten
+werden dan daarna hunne kerkelijke plechtigheden vrij gelaten. Van
+opmerkelijke vrijzinnigheid is een besluit van schepenen, raden en
+gezworen gemeente van Hasselt, reeds 25 Februari 1590. Omdat, heet het
+in dit merkwaardig stuk, velen, om de verscheidenheid van religie, niet
+gezind zullen wezen de huwelijken in de gereformeerde kerk te sluiten
+voor den predikant, en omdat de vrijheid van conscientie gehandhaafd
+moet blijven, besluiten wij, dat allen die bezwaar hebben tegen de kerk,
+zich zullen mogen laten afkondigen van het raadhuis en daarna getrouwd
+worden voor twee schepenen, onder aflegging van een eed en aanteekening
+in het stadsprotocol. Hoe langzaam elders weêr de nieuwe regeling
+doordrong (iedere stad was wezenlijk souverein) toont o. m. Kampen.
+Het burgerlijk huwelijk voor de doopsgezinden is aldaar ingevoerd bij
+publicatie d.d. 7 Juni 1658. Tot dien datum toe waren zij gedwongen
+geweest zich door (voor) de hervormde predikanten te laten trouwen.
+Thans kon dat ten raadhuize geschieden, maar (vreemd genoeg) de
+geboden moesten zij nog »voor den Eerb. kerckenraedt deser stadt doen
+opschrijven«. In Holland heeft men den dissenters sneller recht gedaan.
+Zoo kon de luthersche gemeente te Amsterdam in 1597 bepalen, dat wie
+wenschten te huwen eerst voor den gecommitteerde van de overheid moesten
+verschijnen, zich dan aan de voorgeschreven formaliteiten onderwerpen
+en daarna in de kerk konden worden ingezegend. Zoo is het gebleven tot
+het einde der republiek. Onder de Bataafsche Republiek openbaarde de
+nieuwe geest van gelijkheid en vrijheid (zegt Cornelis Rogge) zich
+ook in de bepaling, dat voortaan _elk_ huwelijk voor de plaatselijke
+regeering moest voltrokken worden. De inzegening bleef den geestelijken
+toegestaan, nadat hun op eene wettige wijze de voltrekking voor de
+burgerlijke regeering was gebleken.
+
+Al was dus het groote beginsel van het burgerlijk huwelijk in de
+gewestelijke ordonnantiën neêrgelegd, op tal van punten bleek telkens
+nog voorziening noodig. Onvermoeid hebben de synoden der gereformeerde
+kerk om zulke nieuwe bepalingen gevraagd en tevens om maatregelen tegen
+de ergerlijke zonden en abusen den huwelijken staat rakende. Het
+verdient alle aandacht, dat zij daarbij heeft gestreefd naar ééne wet
+voor 't gansche land, dat zij dus, te midden van het provincialisme,
+bij den zeer lossen band die de gewesten te zamen snoerde, voor die
+landséénheid opkwam, die eerst onder Napoleon gekomen is. In de 162ste
+zitting der groote, Dordtsche (na)synode besloot de vergadering H. H. M.
+te verzoeken »dat deselve door hare autoriteyt ghelieve metten eersten
+te doen stellen eene huwelijcks ordinancie... die eenpaerlick door
+alle de geunieerde provinciën mach nagekomen worden«. En art. 70 der
+Dordtsche kerkorde zegt desgelijks, dat »tot noch toe verscheyden
+ghebruycken in houwelijcksche saken alom onderhouden zijn«, maar dat
+het »nochtans wel oirbaar is ghelijckformicheyt daerinne gepleecht te
+worden«.
+
+Het is duidelijk, dat wij in ons bestek er niet aan denken kunnen
+ook maar een vluchtig overzicht te geven van de wijsgeerige en
+rechtsgeleerde theorieën ten onzent over het eigenlijk wezen des
+huwelijks. Slechts op één enkel punt wil ik wijzen: de vraag, of
+kinderbezit het eigenlijk doel des huwelijks zij? In 't algemeen reeds
+zijn er anthropologen, die beweren dat, zoomin als bij de dieren, bij
+den oermensch, bij de natuurvolken, de voortbrenging van eene nieuwe
+generatie, hoewel de onbewuste drijfveer tot geslachtelijken omgang,
+bij den man het bewuste doel, een gewild oogmerk zou zijn. Het is, zegt
+ten onzent o. a. dr. C. J. Wijnaendts Francken, slechts een secondair
+gevolg. Het behoeft niet eenmaal altijd als gevolg bekend te zijn
+geweest. Dit laatste is althans onbetwijfelbaar. Maar, zoo was nu
+de vraag, is het huwelijk niet alleen maar eene door de wet erkende
+vereeniging der beide geslachten, »eene verzameling« (zegt Huig de Groot
+en zeide ook het Rom. Recht) »van man en wijf tot een gemeen leven,
+medebrengend een wettelijk gebruik van elkanders lichaam«, doch is
+voortplanting zijn eigenlijk doel? Neen, zeide prof. C. L. Vitringa van
+Harderwijk in 't begin der 19de eeuw, neen, want anders zou de apostel
+Paulus den christenen niet het coelibaat hebben aangeraden. Ook Kant,
+de wijsgeer, stelde de verwekking van nakroost op den achtergrond,
+het doel om kinderen te verkrijgen achtte hij niet te behooren tot de
+rechtmatigheid der verbinding. Anders de protestantsche kerken, die
+hierin de roomsche slechts navolgden. Het bijbelsch gebod, aan Adam
+gegeven, »wees vruchtbaar en vermenigvuldig« gold ook voor later
+geslachten, vonden zij, en de remonstrantsche hoogleeraar Phil. à
+Limborch (1735) noemt als eerste doel des huwelijks: »de voortplanting
+en de vermeerdering van het menschelijk geslacht«. En met deze theorie
+ging het volksbewustzijn accoord. Het vroeg niet: is het wezenlijk de
+lust om kinderen te bezitten, die de menschen tot elkander brengt? Maar
+het achtte kinderbezit het natuurlijk en, zeker, gewenscht gevolg der
+vereeniging. Tegelijk was het de gereformeerde kerk, die in haar
+huwelijksformulier de schoone opvatting leerde: »Daarom sult gij ook
+niet twijfelen of de houwelicke staet en behage Godt den Heere, overmits
+hij Adam sijne huysvrouwe geschapen, selve toegebracht ende hem tot eene
+huysvrouwe gegeven heeft; daermede betuygende, dat hij nogh hedendaegs
+eenen yegelicken sijn huysvrouwe als met sijne hant toebrengt.«
+
+[Illustratie: Bruidsstoet.
+
+ Foto (verkleind) naar een miniatuur in »Der
+ Renner«, van Hugo von Trimberg (14e eeuw)
+ Ms. L. Bibliotheek.]
+
+De gansche huwelijksacte, eindelijk, moest, als van ouds, ook bij de
+nieuwe bedeeling, openbaar zijn. »De tsamenvoeginge der eheluiden,
+gelijck deselve is eene algemeene actie« behoort te geschieden »in facie
+ecclesiae« d. i. voor den priester en openlijk. De term en het gansche
+beginsel waren van Rome overgenomen. De roomsche kerk heeft altijd
+het openbaar huwelijk gewild. En dit was weder in overeenstemming
+met het Oudgermaansch recht, dat eischt, dat de vrije Friezin in des
+vrijen Friezen macht komen moest met hoorngeschal en burengejuich, met
+fakkelenbrand en vriendengezang. In 1310 b. v. verbood de bisschop van
+Utrecht, Guy van Avesnes, uitdrukkelijk niet-openbare, clandestiene
+huwelijken, dat zijn zulke »die aangegaan worden, zonder dat de
+plechtige afroeping of de behoorlijke geboden in de parochiekerk der
+trouwensgezinde personen vooraf zijn gegaan.« Ze waren wel niet ongeldig
+(wij zagen dat reeds in ons eerste hoofdstuk), maar brachten toch
+sommige nadeelen mede. Zoo had Dirk van Santhorst, uit het geslacht
+der Wassenaars, »sijn wijf mitter witte van der heylegher kercke niet
+ghetrouwet.« Daarom wilde de vrouw van Dirk van Raephorst haar den
+voorrang (»voirstain ende voirofferen ende anders voirdeel te hebben«)
+niet gunnen in de parochiekerk van Wassenaar (1338). Twee eeuwen later,
+den 2den October 1535 had George van Egmondt, ook bisschop van Utrecht,
+noodig een scherp mandaat uit te vaardigen, waarbij hij gebood:
+»... geen huwelijken te sluiten dan in 't openbaar, ten tijde der
+godsdienstoefeningen, in de kerken en niet in verborgen plaatsen,
+in bijwezen der gemeente.« Dat nochtans, ook door plichtsverzuim der
+priesters, meer nog door de taaiheid van volksgebruiken, de heimelijke,
+vormlooze huwelijken tot ver in de 16de eeuw voortduurden, hebben wij
+gezien. Maar het is duidelijk, dat ook nog bij den aanvang onzer periode
+en later maatregelen daartegen niet overbodig waren. Karel V bepaalde,
+dat een jongman onder de 25 en eene jonge dochter onder de 20 jaar niet
+mochten huwen zonder advies, raad en konsent van vrienden en magen van
+beide zijden, op verbeurte van alle aanspraak op elkanders goed, terwijl
+geen van Z. M. onderdanen bij huwelijken, zonder medeweten der justitie
+gesloten, tegenwoordig mocht zijn op boete van 100 karoliguldens. Dat
+was in 1540. Op 't einde der eeuw had nog de overheid denzelfden strijd
+te voeren, door de gereformeerde kerk gesteund, die ijverde tegen het
+trouwen in huis, »yn private huseren«, want het is »ergerlijck en
+der politie schadelijck«. Het wekte daarom in 1585 groote ergernis
+in gansch Friesland, dat Johannes Bogerman, de vader, twee freules
+Burmannia op hare state te Ferwerd getrouwd had. Zelfs het trouwen in
+huis bij zware ziekte werd nauwelijks (en dan nog met al de waarborgen
+voor openbaarheid) toegestaan. De straffen waren zwaar. Op heimelijk
+trouwen stond sinds 1580 voor beide schuldigen f50 voor de eerste maand,
+f150 voor de tweede, f200 voor de derde en bannissement. Hooge boeten
+inderdaad. Want in datzelfde jaar 1580 bedroeg het predikantstractement
+in Den Haag f360, te Dordrecht in 1594 f400, prof. Feugueray werd in
+1575 te Leiden benoemd op f500 en f100 persoonlijke toelage. Waren,
+trots al deze bepalingen, toch nog lieden in 't geheim gehuwd, dan
+trachtte de kerk hen alsnog openlijk te laten trouwen. Den 23sten
+Januari 1705 huwden in de Hollandsche gemeente te Smyrna Giovanni
+Jan Schagen en Anna Smith, weduwe Charles Pike, die vroeger voor een
+roomsch priester een geheim huwelijk hadden aangegaan. Nu werden zij
+alsnog openlijk getrouwd en wel »in 't aangezicht des doods« en dus
+waarschijnlijk (in dit geval van zwaren nood) in huis. Want nog
+dienzelfden dag overleed Schagen.
+
+Om nu de openbare en wettige huwelijkssluiting voor te bereiden diende
+de verloving of ondertrouw.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IV.
+
+DE VERLOVING OF ONDERTROUW.
+
+
+In onze wereld is verloving het eenigszins deftige woord voor
+engagement, eene voorloopige overeenkomst en verklaring van
+wederzijdsche genegenheid zonder eenige bindende kracht voor de wet.
+Dat was vroeger anders. Zij vormde toen deel der huwelijkshandeling
+en is met onzen ondertrouw te vergelijken. Naar Oudgermaansch recht
+was zij eene overeenkomst tusschen den bruidegom en dengeen, in wiens
+macht zich het meisje bevond, den vader, in 't algemeen den voogd. Deze
+verplichtte zich, tegen betaling eener som, haar den eerste tot vrouw
+te geven, die zich verbond haar te ontvangen. In den ruwen oervorm
+van het koophuwelijk kocht de a.s. echtgenoot de voogdij, eigenlijk
+het bezit, van den vader. Later wordt dat, bij de verloving, een soort
+van waarborgsom, die aan het meisje vervalt, als na twee jaren geen
+huwelijk volgt, de meta, de mundschatz. Ook verzachten zich de zeden
+aldus, dat de koophandel eerst buiten het meisje omgaat, maar dat later
+(en zóó was het in het middeleeuwsch Hollandsch recht) de toestemming
+der bruid volstrekt geëischt wordt, gelijk die van ouders of voogden.
+Van de weigering van den voogd was dan overal beroep op den rechter, in
+Friesland ook van de weigering des vaders. Hier is invloed der kerk,
+door het christendom verdwijnt het begrip koop en de toestemming der
+partijen treedt op den voorgrond. De verloving nu vormde reeds een
+sterken band. Van den kant van het meisje kon hij niet worden verbroken;
+zag de man van haar af, dan gold zij als eene weduwe. In onderscheiden
+Germaansche rechten moest ook de verlover instaan voor de gaafheid der
+bruid en hare ongereptheid en, bij gebleken bedrog, kon dus de bruidegom
+hem aanklagen. Maar, omgekeerd, brak hij de verloving af zonder bekende
+reden, dan moest hij met twaalf eedhelpers, van zijn geslacht en
+maagschap, die zweren moesten dat zijn eed rein was en niet mein,
+onder eede verklaren, dat hij geenerlei kwaad aan haar gevonden had,
+maar dat de liefde voor eene andere maakte dat hij haar verliet. Voorts
+geschiedden bij de verloving formaliteiten, die dikwijls zinnebeelden
+zijn van de macht, die de man over zijne vrouw verkrijgt, bij de
+Friezen het ronddragen van het aeftswird, bruidzwaard (waarover later
+meer), of ook het zetten van den voet op dien der bruid. Volgens
+sommigen is ook het geven van den ring teeken van eigendom. Anderen,
+gelijk wij boven in ander verband zagen, houden hem voor een herinnering
+aan de koopsom. Sommigen beweren, dat door den ring de eigenschappen van
+den man op de vrouw overgaan, door den ring draagt zij hemzelven bij
+zich. Hoe zeer de verloving als sterke band werd gedacht, blijkt ook uit
+hare geldigheid jegens derden. Wie eens anders verloofde huwde betaalde
+dubbele meta. Ontucht met eene verloofde gold als overspel.
+
+Nu komen de vaderen onder den invloed van het kanonieke, het roomsche
+kerkrecht en daardoor ook van het Oudromeinsche recht. Het kanonieke
+recht stond wel aan het Germaansche nader dan aan het Romeinsche, omdat
+het, schoon grootendeels in Italië ontstaan, op Germaansch-christelijke
+grondslagen rustte, zich aan Germaansche toestanden aansloot, maar het
+ontleende toch zooveel aan het Rom. recht, dat het zonder hulp daarvan
+niet kon verstaan worden. Nu werd in dat Romeinsche recht de verloving
+wel als minder verbindend beschouwd, dan in het Germaansche, maar
+de kerk beschouwde haar toch ook als eene acte, die reeds een band
+legde. Bij haar heet de verloving desponsatio. Zij geschiedde in
+tegenwoordigheid van den parochiepriester, van bruid en bruidegom, in
+de kerk met open deuren, in tegenwoordigheid van twee getuigen, onder
+uitreiking van een ring. Was alzoo het voorgenomen huwelijk vastgesteld,
+dan werd het op drie Zon- of Feestdagen na de mis bekend gemaakt,
+d. w. z. de geboden werden afgeroepen en wie wilde kon bezwaren tegen
+het huwelijk inbrengen. Zulk een stuk luidde b.v.: Heer Anthony Fockynck
+kapelaan in de moederkerk te Arnhem bekent, dat hij »drije sonnendage
+nae een anderen volgenden alhyer in der moderkerke proclamationes
+gedaen heeft woe dat Jan van Nijmegen ind Mesry Havesche jn der hilliger
+echtschapp vergaderen solden, weer ymantz, die meighschapp, swagerschapp
+off andere saicken wuste, dair durch die echtschapp verhynderd mocht
+worden...« die kon ze mededeelen (1550).
+
+Op dezen weg wandelde men ook in latere eeuwen voort. Ook onder de
+Republiek droeg de verloving een bindend karakter, zooals in Duitschland
+gesproken werd van »verlobte Eheleute«, zij is een nog niet geheel
+afgesloten huwelijk. »Het consent« zegt een schrijver op 't einde
+der 17de eeuw, »ende de bewilligingh van beyde partijen om t'samen te
+verbinden aan malkander in den Echten Staat, is eygentlijck het gheene
+dat het Houwelijck maekt ende waeruyt volgt, dat sodanige perzoonen zijn
+als getrouwt voor Godt... met die conditie, dat men de behoorlijcke en
+gewoonlijcke tijdt moet uyt-wachten«. Christenen mogen niet als 't vee
+te zamen komen, zegt een ander, en zij moeten in de weken der verloving
+God om een gelukkig huwelijk bidden. De wet dan schreef voor, dat de
+jongelieden moesten verschijnen voor magistraat of kerkendienaar hunner
+woonplaats en verzoeken om drie Zondaagsche of marktdaagsche geboden. Op
+gewone werkdagen mochten geen geboden gaan en evenmin natuurlijk alle
+drie in één week. Vandaar de grap van Alida Rijzig-Leevend, als de a.s.
+man van Keetje West ziek is geworden en zij daarom niet op de bruiloft
+van Chrisje Helder kunnen komen, »had hij het tot een week na zijn
+huwelijk uitgesteld, dan had gij hem voetstoots hier naar toe kunnen
+inpakken. Had gij mijn raad gevolgd: drie geboden op één dag en voor 't
+bed getrouwd«. Na slechts twee geboden mocht geen huwelijk voortgang
+hebben, ook moest de aanteekening geschieden op 't aangeven van beide
+partijen. Vorstelijke personen vroegen soms ontheven te mogen worden van
+de publieke geboden, wat vermoedelijk deftiger werd geacht. Toen in Juli
+1659 Henriëtte Catharina, dochter van Amalia van Solms in het huwelijk
+zou treden met Johan George II van Anhalt-Dessau kreeg Johan de Witt
+van de Prinsesse-douairière het verzoek om er toe te willen medewerken,
+dat er dispensatie verleend zou worden van de afkondiging der drie
+»Sonnedaegse geboden«. De Witt antwoordde 11 Juli, dat de Staten met
+algemeene stemmen het verzoek hadden ingewilligd. De voorschriften waren
+goed, maar ook hier bleek, dat goede zeden meer waard zijn dan goede
+wetten. Want het gebeurde, dat sommigen de proclamatiën wel lieten gaan,
+maar daarna toch niet trouwden, al hadden zij ook de nadrukkelijke
+gelofte afgelegd van zich niet te zullen terugtrekken. »Helaas!« roept
+prof. Van Renesse uit, in zijn toentertijd veelgelezen boekje over
+»De heilige voorsienigheid Gods in 't beleid der huwelijken« (1639),
+»men speelt met die eedzweeringen als de kinderen met hare bikkels en
+knikkers«. Ergerlijk was ook, dat, ofschoon de tijdsruimte tusschen den
+dag der laatste afkondiging en die des huwelijks was vastgesteld (in
+Amsterdam, in Leiden ééne maand, elders b.v. in sommige streken der
+Generaliteitslanden, twee weken), toch die tijd soms onbehoorlijk werd
+gerekt. Zoo lieten Wouter Hermans en Gerritje Germens te Nijkerk hunne
+geboden gaan 5, 12 en 19 November 1609, maar hun huwelijk volgde eerst
+24 Juni 1618. Bij een ander paar daar ter stede duurde het zelfs van
+1597 tot ook 1618. Gelijk de Staten daareven dispensatie verleenden voor
+de geboden van Henriëtte Catharina van Oranje, zoo konden zij dat ook
+voor anderen doen. Hielden zij geene zitting, dan (resolutie van 26
+november 1678) waren President en Raden van de Hoven en burgemeesters
+en schepenen der steden daartoe gemachtigd. Het kwam veel voor bij
+zeelui, die op uitzeilen stonden of ook bij zware zieken. Hun werd
+dan dispensatie verleend van den interval van tijd tot het gaan der
+proclamatiën, mits één gebod ging. In de koloniën volgde men zoo goed
+mogelijk de gewoonten van het moederland. Zoo vertelt een Zweedsch
+reiziger ons van de Kaap anno 1773, dat geen kolonist mocht huwen
+zonder goedkeuring van den gouverneur, dat hij het verzoek kon indienen
+des Donderdags, dat daarop des Zaterdags aan het paar een order wordt
+gegeven voor den Raad, die de verboden graden onderzoekt, waarna de
+gouverneur beveelt de geboden af te kondigen. »Zoo goed mogelijk«, zeide
+ik. Aan boord van het Compagnieschip »D'Sperwer«, waarop Joan Cunaeus
+voer bij zijne zending naar Perzië, werden ter reede van Surat, 23
+November 1651, twee Nederlandsche paren van het comptoir aldaar door
+Cunaeus' predikant in den echt vereenigd, waarbij wij van geboden niet
+hooren, al roepen wij ons daarom toch gaarne het tooneel voor oogen van
+die Nederlanders aan verre kust, begeerig naar vaderlandsche wijze hun
+huwelijk te laten sluiten.
+
+Maar wij keeren naar het vaderland terug. Voor de buitenwereld bleek
+van de verloving door het feestelijk versierde huis. De speeljonkers en
+speelmeisjes hadden hun dienst aangevangen, de spiegels, de stoelen met
+groen en bloemen versierd, of, bij eenvoudiger levensmanier, alleen
+deurknoppen en stoep van het huis der bruid groen gemaakt. In de blij
+getooide kamer zitten dan op den Zondag van het eerste gebod bruid en
+bruidegom in staatsie, ontvangen de gelukwenschen, en de dag wordt
+besloten met het commissarismaal. Dit banket draagt zijn naam naar de
+»Commissarissen tot de huwelijksche zaken«, zeer gelijkende op onze
+ambtenaren van den burgerlijken stand. In de Republiek, waar bij het
+beruchte en noodlottige particularisme, de toestanden in elk gewest, in
+elke stad verschilden, treffen wij dit college niet overal aan. Toch wel
+in de meeste steden van eenige beteekenis, soms met andere waardigheden
+verbonden, als te Groningen, waar de Heeren van de Weeskamer tegelijk
+Commissarissen van den Egten Staat waren. Ook hun getal verschilde,
+in Amsterdam waren er eerst vijf, later zeven. Deze commissarissen
+nu hielden aanteekening der geboden, zoowel van hen, die in de
+gereformeerde kerk als van wie op 't stadhuis voor schepenen
+trouwden, de afkondiging geschiedde daarna voor de eersten van het
+voorlezersbankje, voor de tweeden van de pui. Waar geen commissarissen
+waren, geschiedde de aanteekening voor schout en schepenen of
+secretaris. Te Amsterdam waren de kosten in de 18de eeuw, voor wie
+aanteekenden om in de kerk te trouwen, 8 st. voor den secretaris, 16
+voor den koster, 6 voor de voorzangers; voor wie op het raadhuis zouden
+huwen, 30 st. voor den secretaris, 30 st. voor de boden, buiten den
+gewonen tijd alles duurder. Uitspraken van commissarissen werden ten
+uitvoer gelegd bij gijzeling of bij bevel van in huis blijven, deur
+sluiten en nering staken. Uit eene instructie voor commissarissen te
+Leiden (1658) blijkt dat wie in de kerk hunne geboden gehad hadden niet
+ten stadhuize mochten trouwen--en omgekeerd, onder kerk altijd te
+verstaan de Nederlandsch-, Waalsch- en Engelsch gereformeerde. In
+Amsterdam heette de ondertrouw o. m. »voor de roode deur gaan«, omdat
+de kamer in de Oude kerk, waar Comm. Zaterdagsmiddags zitting hielden
+eene roode deur had, waarboven dit oude rijmpje, dat o. a. al in het
+Wonderboek des onzaligen David Joris (uitgave van 1551) te vinden is,
+
+ »Wel haest getrouwt, dat langhe rouwt«,
+
+wijze, maar vaak in den wind geslagen, raad. Van droeviger ondervinding
+getuigt nog de spreuk in eene Duitsche hanzestad:
+
+ »Mancher Mann laut singet,
+ Wenn man die Braut ihm bringet.
+ Wüszte er was man ihm brächte,
+ Er wohl lieber weinen möchte.«
+
+De kerkelijke ondertrouwregisters en de stadhuispuiboeken zijn hier
+beter, daar slechter, soms in 't geheel niet, bewaard, of ook hier
+nauwkeurig, daar slordig bijgehouden, door slechte berging, vocht,
+muizetanden aangevreten, terwijl wij af en toe met huivering lezen, dat
+de zoontjes van den burgemeester er hunne pennen, ja hunne nagels op
+oefenden of de domineesjuffrouw er papillotten van maakte: waaraan ze
+bezweken. Het is hartbrekend zoo meedoogenloos als menschen met oude
+papieren konden (en kunnen!) omgaan. Jacob van Lennep vertelt ons, dat
+hij eens een jonge juffrouw aantrof, met een mand naast zich, bezig de
+brieven te verscheuren en daarin te werpen van een harer ooms, die
+gezant bij de Porte geweest was. Zoo werd ook het gansche archief der
+stad Zalt-Bommel van vóór 1660 in 1831 opgeruimd, 2164 halve kilo's
+aan papier en 16 dito aan perkament. Door dezen verkoop was het
+gemeentebestuur (eere wien eere toekomt, zegt met begrijpelijke
+bitterheid De Hoop Scheffer, die ons het feit herinnert) in staat
+zich een groen tafelkleed voor de vergaderzaal en een paar witte
+gordijnen aan te schaffen. Gelukkig ontbreekt het goede niet. De
+puiaanteekeningboeken van Amsterdam b.v. zijn in voortreffelijken staat
+en wie er in bladert, ziet de geslachten der menschen langs zich
+heengaan en hem treft menige beroemde naam: »25 Aug. 1590 Jacobus
+Arminius, predikant deezer steede, geadsisteerd met Claes Fraensz.
+(Oetgens van Waveren) burgemeester deezer steede ter eenre, en Lijsbeth
+Laurensdr. oud 20 jaar, wonende op het Water in de gulde Reaal,
+geadsisteerd met Laurens Jacobsz. [Reaal] schepen en raad, haar vader
+en Geertje Pieters, moeder, ter andere zijde«; »20 Nov. 1610: Joost van
+Vondel en Maayke Wolf«; »10 Juni 1634: Rembrandt van Rijn en Saskia
+Uylenburg« en zoovelen meer, die allen als gewone menschenkinderen van
+vrijen tot trouwen gekomen zijn en zich voor commissarissen hebben laten
+aanteekenen. Wil men ten besluite van dit deel onzes hoofdstuks een
+bewijs, hoe angstig de kerk op de proclamaties acht gaf (met reden,
+waarlijk!): »Wordt gevraagd« (ter synode van Haarlem anno 1600) »wat
+men doen sal in een sake des huwlijks, waerin een seker joncman belofte
+hebbende met eene jonge dochter, henengegaan is nae de commissarissen
+der huwelijxsche zaken ende nochtans de dochter, die hij verwachtede,
+niet en is verschenen, waardoor hij, vertoornd zijnde, nae een ander
+plaetse is vertrocken, alwaer hij hem aen een ander beloeft ende twee
+huwelijcksche proclamatiën ghehadt heeft, maer en is het huwelijk
+niet bevesticht geworden, doordien dat de voorschr. dochter de derde
+proclamatie heeft opgehouden, ende is niettemin nochtans in huyshoudinge
+met de tweede getreden ende daerin soo lange gebleven, totdat de
+dochter, met welcke hij eerst beloeft was, met een ander man
+openbaarlijck is ghehuwelijckt ende nu versoect in den huwelijken
+staat bevesticht te werden«. De synode staat het toe.
+
+Bij de aanteekening nu moest eerst, als van oude tijden, de toestemming
+blijken van partijen. Vervolgens het consent der ouders. Van de oude,
+gewestelijke rechtstoestanden zij slechts kort vermeld, dat in Friesland
+minderjarigen de toestemming van ouders of voogden noodig hadden
+(zie boven blz. 66), dat in Gelderland noch in Holland het ontbreken
+van die toestemming de nietigheid des huwelijks met zich bracht, wel
+vermogensnadeelen, terwijl in hetzelfde Gelderland eerst de Echtorde van
+1597 die nietigheid uitsprak. Reeds vroeger had ook het Eeuwig Edict
+van Karel V (1540) het consent der ouders geëischt. Toch vinden wij
+herhaaldelijk zulke huwelijken vermeld b. v. »Den 21 Juny 1618 capiteyn
+de Vries getrout met Lambrecht Kanters dochter, van (ds.) Taurijn in
+de Buerkerk, tegen wil ende danck des vaders«. Jonker Lambert Kanter,
+raad der stad Utrecht, was ouderling ter synode van Dordrecht en zou
+aldaar overlijden 24 April 1619 en den 27sten plechtig worden begraven.
+Ds. Joh. Taurinus, de bekende schrijver van de »Weegschaal« was
+vurig remonstrant: zoo zal de weigering des vaders hier wel in het
+godsdienstgeschil haar oorzaak gevonden hebben. Het blijft de roem der
+gereformeerde kerk, dat zij met nadruk het consent der ouders eischte.
+Reeds in 1572 had de eerste Noordhollandsche synode uitgesproken:
+»Nyemant, die onder eens anders macht geworpen is (zal) hem vervoirderen
+hem met yemant te verloven sonder die haer wille, die sij onderworpen
+sijn, daartoe te hebben«. Ouders en vrienden moeten, stelt zij voor (en
+dit is ook regel geworden), met de jongelieden medekomen, en anders moet
+men dezen met schande afwijzen, »al waert dat sij den dienaren oyck
+veel wilden wijsmaecken«. De Dordtsche synode van 1574 spreekt zich in
+denzelfden geest uit. De kerk placht zich gaarne te beroepen op het
+voorbeeld van Simson, den richter in Israël, die »gezien hebbende eene
+vrouw te Thimnat van de dochteren der Filistijnen, zoo ging hij opwaarts
+en gaf het zijnen vader en moeder te kennen en zeide: neem mij die tot
+vrouw«. In overeenstemming daarmede de overheid in 1580: de proclamatiën
+worden niet toegelaten zonder consent der ouders. Toen de student Corn.
+Floor te Franeker in 1598 huwen wilde met eene pupil van prof. Drusius
+(het was een in die dagen berucht geval) verzocht de kerkeraad aan de
+overheid de proclamatiën op te schorten, totdat gebleken zou zijn van
+'t consent van 's jongelings moeder. Ouders, verhinderd zelven te
+verschijnen, mochten bij volmacht van hunne gevoelens laten blijken.
+Daarvoor put ik een voorbeeld uit de genoemde pui-boeken van Amsterdam.
+Op 31 Mei 1625 kwam Warner van Lennep (voorvader van het bekende
+geslacht) ter aanteekening ten stadhuize, bijgestaan door secretaris
+Valckenier (want de jongman had, afkomstig van Emmerik, in Amsterdam
+geen verwanten), vertoonend zijns vaders consent. Met hem de bruid, Sara
+van Halmael, geassisteerd door haar stiefmoeder. En dan de bijvoeging:
+»de vader heeft gezegd, dat hij de geboden niet zal schutten«. Het was
+geen consent van harte blijkbaar. Daar het woord »ouders« aanleiding gaf
+tot misverstand, bepaalden de Staten van Holland en Westfriesland in
+1671, dat de uitdrukking »ouders« in art. 3 der ordonnantie van 1580
+te verstaan zij als vader en moeder, niet grootvader of grootmoeder.
+Eindelijk, dat het voorschrift omtrent het oudersconsent langzamerhand
+zich in de zeden vastzette, blijkt o. m. uit de verbazing, waarmede
+Nederlanders in den vreemde afwijkende toestanden opmerkten. Den 4den
+Mei 1689 teekende Const. Huygens de zoon in zijn journaal aan, dat in
+Engeland een meisje van 14 jaar een goed en valide huwelijk kon sluiten
+in 't geheim en zonder het consent der ouders.
+
+[Illustratie: Kinderhuwelijk.
+
+Willem II en zijn bruid Maria van Engeland.
+
+ Naar de schildering van Van Dijck, in het Rijksmuseum, Amsterdam.]
+
+Ziehier ons de gelegenheid geboden iets te zeggen van de leeftijdsgrens.
+De verbazing van Huygens vond haar oorzaak in die 14 jaren. Want dat ten
+onzent de geboden zonder toestemming der ouders niet werden toegelaten,
+gold alleen voor jongemannen onder de 25, voor jongedochters onder de
+20. De leeftijdsgrens voor huwelijken was oudtijds in de verschillende
+gewesten verschillend, men vindt 18-14, 14-12, terwijl huwelijken onder
+deze jaren gesloten voor oneerlijk en strafbaar, niet voor nietig
+golden. Zoo nog onder Karel V. Maar onder de Republiek waren zulke
+kinderhuwelijken verboden. In Friesland en Utrecht werden ook bij de
+vrouw de 25 jaren geëischt, vóór zij het ouderlijk consent zou kunnen
+ontberen. Wie dan nochtans zulk een verboden echt sloot, mocht geen
+aanspraken op het huwelijksgoed doen gelden, verstandige bepaling ter
+bescherming van jonge, onervaren erfdochters, opdat niet een of andere
+schavuit haar hart veroveren, haarzelve schaken en voorts met haar
+en haar geld trouwen zou--wat toch telkens geschiedde. Was alzoo 14
+en 12 jaar voor man en vrouw de uiterste grens nederwaarts volgens de
+wet--hoe stond het er mee in de practijk? Wij hebben daaromtrent geene
+opzettelijke onderzoekingen onder oogen gehad, met name niet voor
+kinderhuwelijken, zooals dat o. a. in Engeland is geschied. Over het
+onderwerp in het algemeen stip ik slechts aan, dat sommigen de oorzaak
+van kinderhuwelijken vinden in den wensch der ouders om ontduiking
+hunner macht (b.v. door schaking) te vóórkomen. Zeker geldt dit
+niet voor alle dergelijke verbintenissen, zooals ze bij Hindoes en
+Australiërs, bij Balineezen en Dajaks gesloten worden, en waarvoor
+onderscheiden redenen bestaan. Ook heeft reeds wijlen de hoogleeraar
+Wilken onderscheid gemaakt tusschen wezenlijke kinderhuwelijken
+en verlovingen tusschen kinderen. Maar opmerkelijk is, dat ze in
+Engeland nog zoo laat, in de 16de en 17de eeuw, gesloten worden. Zoo
+heeft F. J. Furnivall een onderzoek ingesteld alleen voor de diocees
+Chester van 1561 tot 1566 met allerbelangrijkste uitkomsten, en wel
+zonderling klinken ons getuigenissen als dat »Harie Accars at the
+time of his marriage with his child wife Jane was »about the age
+off viij yeres and the said Jane about iiij or v yeres old««. Zulke
+kinderhuwelijken werden in alle vormen gesloten, waren in de gevolgen
+meest uiterst ongelukkig en hadden verschillende oorzaken. Uitgenomen
+enkele dergelijke verbintenissen uit staatkundige beweegredenen (toen
+Willem II met Maria Henriëtte Stuart trouwde, 12 Mei 1641, was hij nog
+geen 15, zij juist 10 jaar oud) zijn mij ten onzent op dit punt geen
+gegevens bekend. Wel voorbeelden van zeer jong trouwen. Toen Jacob de
+Witt 9 October 1616 met Anna van den Corput in den echt trad, was de
+bruid 16 jaar. In de deftige families bleef dit niet ongewoon, en in de
+nadagen der republiek vinden wij huwelijken, waarbij de jonge dochter
+15, 16 meest 17 of 18 jaar oud is. Sommigen vonden dat te jong. Mevrouw
+Helder »zoude ongaarne zien dat haare Dogter (van 18 jaar) zoo vroeg
+trouwde, als nu meer en meer de mode wordt.« In eenvoudiger kringen
+schijnt de huwelijksleeftijd ouder, 25 tot 30 jaar, omdat daar het
+wachten op den noodigen welstand meêtelt, soms ook de familieband.
+Op alle dorpen van Rijnland en Delfland, laten wij ons vertellen uit
+het derde kwart der 18de eeuw, vindt men jongelieden die 10 à 12 jaar
+gevrijd hebben, ja die niet voor hun 50ste jaar getrouwd zijn, niet uit
+al te groote koelheid, maar uit eene ongemeen sterke ouderliefde. Een
+Duitsch reiziger op 't eind der eeuw vertelt, dat in Engeland meer
+ongehuwden van 40 dan in Nederland van 25 jaren zijn.
+
+Waren de jongelieden boven de 25 en 20 en konden zij geen consent
+vertoonen, dan werden de ouders ontboden en gehoord, waarna de
+magistraat over de gegrondheid hunner bezwaren besliste. Zijn de ouders
+binnen twee weken niet verschenen, dan gold dit voor toestemming; kwamen
+zij en was de rechter het met hunne bezwaren eens, dan was er geen appel
+of reformatie, gelijk de desbetreffende bepaling van 1597 in 1663 werd
+vernieuwd. Natuurlijk kwam het ook voor, dat de rechter het niet met hen
+eens was en dan mochten de geboden voortgang hebben. Jammer, dat kerk en
+staat ook hier zich niet immer naar elkander voegen wilden, dat schouten
+en secretarissen ten platten lande zich »vaak niet wilden conformeeren
+met de politie der H.H. Staten om 't consent der ouders te verwachten«,
+oorzaak van vele landelijke drama's. Te Nieuwkoop woonde in 1595 eene
+vrouw, die met drie mannen tegelijk ondertrouwd was en nu, zonder
+consent, met den derden te Nieuwveen wilde trouwen. De predikant
+weigerde terecht. Toen liet de baljuw van Rijnland haar door zijn
+schout trouwen.
+
+ * * * * *
+
+In gegoede kringen stelde men bij de verloving ook de
+huwelijksvoorwaarden vast, waaronder ook het spelden- en het
+weduwengeld, voorts morgengave (waarover later) en bruidschat. Waar
+de bruidegom alleen zijne sterke handen en de bruid haar »eertje en
+haar kleertje« meebracht, kon de belijing achterwege blijven. Jan
+Steen heeft zulk een huwelijkscontract op een prachtig stuk vereeuwigd.
+Den huwelijkshandel tusschen de ouders der geliefden, waarbij het
+wederzijdsche goed tegen elkaâr werd opgewogen, zien wij op prenten
+vaak voorgesteld door een weegschaal, waarop de jongelui zitten.
+De plank, waarop het meisje met een schatkistje in haren schoot,
+daalt, die, waarop de jongeling met leege handen, rijst: het huwelijk
+springt af. Gelukkig, zoo men het eens werd en de mansvader (als in
+Friesland) der bruid den riem gaf met kettinkjes, waaraan sleutels,
+schaar, reukballetje en spiegeltje, als om de arbeidzaamheid en de
+schoonheidszin, der huisvrouw beide noodig, zinnebeeldig uit te drukken.
+Uit de 16de eeuw hebben wij als geschenken bij die gelegenheid: damasten
+rokken, gouden ringen, armbanden, maar ook een spinnewiel, tafellakens,
+drinkvaten, maar ook een in blauw fluweel gebonden gebedenboek met
+gouden sloten en ook--onergerlijk en natuurlijk--een wieg. In Groningen
+heette deze bijeenkomst de wijnkoop, omdat de wijnkan er lustig bij
+rondging en het contract ving doorgaans aan: »Dat ter eere Gods en
+(zelfde gedachte als bij de wieg) tot vermeerderinge des menschelijken
+geslachts een wettig huwelijk is beraamd tusschen ...« De bekende
+Groninger predikant R. Alberthoma teekende in zijn dagboek op 4 Jan.
+1753 aan: »van middag is de wijnkoop gehouden van den heer Paulus
+Chevallier, theol. prof. en onze enige dochter Margaretha Geertruid.«
+Een zeer eigenaardig geval deed zich in 1775 in de Beemster voor,
+waarvan Betje Wolff, die daar toen immers woonde, geheel vervuld was en
+er aan haren vriend, dr. D. H. Gallandat over schrijft. De schatrijke
+weduwe Agatha van Foreest--geb. Van Foreest, moeder van acht kinderen,
+werd verliefd op een armen Beemster boerenjongen, Jan Schenk, die nog
+met haar kinderen had gespeeld. Toen zij besloten was hem te trouwen,
+liet zij hare kinderen samenkomen op haar buitenplaats in de Beemster
+(de twee oudste zoons waren officier), deelde hun haar plan mede en
+beloofde, als een der huwelijksvoorwaarden, hun een millioen gulden af
+te staan. Er ontstond een zware twist,--»de degens zijn uitgeraakt en
+de Heeren hebben hunnen aanstaanden stiefvader van de Plaats gejaagd met
+vele dreigementen.« Toch heeft toen mevrouw de geboden laten vragen,
+die, na protestatie der familie, ook gegeven zijn. Daar de bruigom
+roomsch was, moesten zij van zes tot zes weken onder de geboden staan;
+het huwelijk volgde 4 Juni en werd, zeker om de ergernis, in huis
+gesloten. Het portret dezer trouwlustige dame hangt in het Westfriesch
+museum te Hoorn als No. 56. Over ergerlijk bedrog met huwelijksche
+voorwaarden ontbreken helaas de berichten niet. Men bepaalde een
+veel hooger som, welke de vrouw mede ten huwelijk bracht, dan de
+waarheid was, wees haar een douairie of lijftocht toe, grooter dan de
+wederzijdsche bezittingen samen bedroegen: bij een breuk (faillissement)
+trok de vrouw dit alles van den boedel af en voor de schuldeischers
+bleef 10% over!
+
+[Illustratie:
+
+ _De Lifde eylaes heeft nu den sack gecreghen,
+ D' ouders Weghen, haer dochter in balance,
+ Heeft den uryer soo ueel goets niet daer teghen,
+ Het houwelyck is af, hy moet uanden dance._
+
+ _Amour est refroidy, affection est morte,
+ L' Hollandois ueult la dote et la fille poiser:
+ Que si le Jeun Amant aultant des biens n' apporte,
+ Ailleurs il luy faudra sa fortune chercher._
+
+Huwelijksweegschaal.
+
+ Foto naar een prent, toegeschreven aan G. de Jode.]
+
+ * * * * *
+
+Bij den ondertrouw dienden partijen al verder over te leggen een
+»getuigenis van vrijigheid«, bewijs dat men ongetrouwd was. Tegen
+bigamie hebben kerk en staat gelijkelijk als tegen een groot en
+schadelijk euvel krijg gevoerd. In onze periode kwam de verbintenis met
+meer dan ééne vrouw als wettige huwelijksvorm reeds lang niet meer voor;
+waartoe zijne neiging ook nog iemand voeren mocht, godsdienst, recht en
+zede stempelden gelijkelijk polygamie als overtreding. Het beroep op de
+oudvaders in het O. T. wezen Beza, à Limborch, Barlaeus, Cats en wie er
+verder over geschreven hebben, af met te betoogen, dat zij dwaalden, of
+dat de veelheid der zondaren de zonde niet verontschuldigt, of dat God
+in den beginne de veelwijverij toeliet, om de aarde bevolkt te krijgen,
+maar dat zij toch niet in zijn plan lag, omdat Hij anders gemakkelijk
+uit Adam meer dan ééne Eva had kunnen scheppen. In de jaren 1535 en
+een tiental volgende was dit betoog te pas gekomen tegen munsterschen,
+batenburgers en davidjoristen, die het dubbel huwelijk in theorie
+verdedigden en in de practijk toepasten. Bekent niet Jan Pietersz.
+van Alkmaar dat »hem door den leeraar Jacob Remmes is gegeven geweest
+tot sijne tweede huysvrouwe, de voorsz. sijne eerste huysvrouwe noch
+levende, eene genoempt Nele?« Was niet de wederdooper Lourijs Lourijsz.
+van Leiden met Dorothea Pietersdr., ook in 1534, als met zijne vrouw
+naar Dordrecht gereisd, om daar te prediken, zijne eerste vrouw te
+Leiden achterlatende? Was niet Maria Barent Gerrijtsdr. uit het land
+van IJselstein, eerst getrouwd met Gerrit Kieviet, die te Amsterdam
+werd onthoofd, daarna »een van de huysvrouwen geweest van eenen Corn.
+Appelman oick van den verbonde van Batenburch, die voor sulx tot Utrecht
+geëxecuteert is geweest?« Doch de verdwaasdheid dezer ongelukkige
+schepsels heeft maar kort de toenmalige maatschappij in beroering
+gebracht. Thans dan waakten staat en kerk zoo goed mogelijk tegen dubbel
+huwelijk, al was het vaak uiterst moeielijk zekerheid van iemands dood
+te verkrijgen. Toch kon strengheid bij zoo groot gevaar geen kwaad: bij
+gebleken bigamie volgde soms doodstraf, te Amsterdam werd iemand, die
+bij het leven zijner vrouw geboden had gevraagd, gegeeseld. Omgekeerd
+heeft de overheid voor bigamie te goeder trouw genadig willen zijn
+door o. m. de wettiging der kinderen mogelijk te maken. Echter heeft
+zij geen gevolg kunnen geven aan den wensch der gereformeerde kerk,
+dat men alleen zou mogen trouwen ter plaatse waar de geboden waren
+gegaan. Dat was niet tegen te gaan. Wel echter moesten, als partijen op
+verschillende plaatsen woonden, op beide de geboden gelezen worden. Hier
+is een voorbeeld, ook voor plattelandstoestanden eigenaardig: »Edam 30
+Juni 1612 getrouwt Dirck Cornelisz. van Haakswijck (Axwijk) met Trijn
+Jansdr. van Middelije (Middelie) met goede attestatie des schoolmeesters
+tot Middelije haare wettelijke uytroepingen gehad te hebben, getrouwt
+hier te Edam in de hooytijd, dat tot haerent niet gepredickt wordt en
+daerom oock haer preddicandt van huys was«. Juist omdat het doodsbewijs
+soms zoo moeielijk te leveren viel, toonde ook de kerk vaak mededoogen.
+Zekere George Church, een Engelschman, te Rotterdam wonend, had daar,
+in 1633, eene weduwe getrouwd, Margaretha Hope, die twee mannen gehad
+had. Maar nu was het gebleken, dat de eerste dier twee nog leefde, in
+overspel met eene andere, nadat hij Margaretha »malitieuselijck« had
+verlaten. Toen George dit te weten was gekomen, had hij zich aanstonds
+van zijne vrouw afgezonderd en eene scheiding bewerkt tusschen haar en
+dien eersten man. Hij vroeg nu aan de synode van Den Briel of zijn
+huwelijk met Margaretha, vóór den datum dier scheiding, onecht was
+geweest en zij dus op nieuw moesten trouwen? Waarop de hooge vergadering
+»nemende in consideratie de onmijdelijcke onwetenheyt van den man,
+de trouwloose verlating van Margaretha Hope bij haren eersten man,
+den commer van d'een en d'ander sijde...« het huwelijk voor wettig
+verklaarde. In 1664 werd Johan de Witt om advies gevraagd in eene
+dergelijke zaak van teeren aard. Eene vrouw was getrouwd met een man,
+die op dat tijdstip in Holland nog eene andere vrouw in leven had, al
+heette het dat zij overleden was. Maar zij had reeds met dien man
+geleefd, nog vóór het gerucht van dat overlijden haar was ter oore
+gekomen, en had dus reeds niet met hem mogen huwen, volgens de wet,
+dat de overspeler met de overspeelster niet huwen mag. Bovendien kon
+zij niet aangeven, wanneer zij van dat overlijden had gehoord, wat te
+vreemder was, omdat die vrouw in een Delftsch logement verblijf hield
+en men dus van haar afsterven gemakkelijk naricht had kunnen bekomen.
+De Witt geeft nu den (zeker zeer wonderlijken) raad, dat zij de »saecke
+sooveel doenlijck secreet houden« moet, omdat anders wel eens scheiding
+zou kunnen worden bevolen. Hier was, zouden wij zeggen, geen reden voor
+mededoogen. In elk geval blijkt het gevaar voor bigamie niet
+denkbeeldig.
+
+ * * * * *
+
+Soms werd er bij den ondertrouw gelet op de mogelijkheid, dat de bruid
+»deflorata«, onteerd kon zijn. Sommige instructies schrijven voor, dat
+predikant of ambtenaar (bij opgevat vermoeden) moeten vragen of het
+bruidspaar »vleeschelijke conversatie« gehad heeft? Ook dit stuk uit de
+geschiedenis des huwelijks heeft eene lange ontwikkeling achter zich,
+maar wij kunnen er èn om de uitgebreidheid èn om de eigenaardigheid van
+het onderwerp niet lang bij stil staan. Er zijn tijden, waarin en
+volken, waarbij de ongereptheid der bruid niet slechts onnoodig, maar
+zelfs ongewenscht werd geacht zoodat zij, op velerlei, voor ons begrip
+stuitende, manier vóór het huwelijk werd gedefloreerd. Maar de regel was
+toch het omgekeerde, dat nl. de maagdelijkheid der bruid van de hoogste
+waardij werd geacht en bij het huwelijk op overtuigende wijze moest
+worden aangetoond. Wat Deut. XXII: 13-21 van de oude Israëlieten
+verhaalt, mag als vast gebruik bij tal van volken gelden, terwijl
+oude vertellingen en sprookjes dan weêr herinneren, hoe met dit bewijs
+bedrog kon worden en ook vaak werd gepleegd. Maar hiervan genoeg. In
+ons tijdperk gold het reeds lang als misdrijf zoo bij de verloving
+bleek, dat de bruid ontmaagd was, daarom, naar de volkszeden, nog
+niet altijd als schande. In Amsterdam verwezen commissarissen, als 't
+bleek, dat de bruid onteerd was, de zaak naar M. H. van den gerechte.
+Was de zwangerschap der bruid »notoirlijck« dan betaalden in de
+generaliteitslanden partijen ieder f20, waarbij de ouders voor hunne
+kinderen, vrouwen voor haar dienstmaagden instonden. Hadden nu partijen
+nochtans geen bezwaar tegen het huwelijk, dan ontstonden er natuurlijk
+geene moeielijkheden en deze soort verbintenissen waren talrijk, door
+de volksmoraal ook niet veroordeeld. »'t Is aan onze stranden,« vertelt
+ons iemand in 1773, »zeer gemeen een bruid bezwangerd te zien vóór den
+trouwdag, maar de gelieven blijven elkander getrouw«. En zoo was het
+niet alleen aan onze stranden, maar ook verder. In de bouwstoffen voor
+een beroemd geworden rapport, door baron d'Alphonse in 1813 uitgebracht
+over den staat van ons land en volk, bevindt zich ook een stuk van den
+prefect de Stassart d.d. 22 Aug. 1812, waarin o. a.: »... De families
+wachten met het vaststellen van een huwelijk, tot de jongelieden neiging
+voor elkander getoond hebben. Vandaar de nauwe betrekkingen tusschen de
+beide geslachten. Bovendien trouwen, althans in de lagere klassen, de
+meisjes niet vóór zij zwanger zijn, maar in dien toestand worden zij ook
+bijna nooit verlaten.« Bij deze uitspraak staat een aanteekening van
+J. D. Janssen, den lateren secretaris-generaal bij het departement voor
+de zaken der hervormde kerk, waarin hij dien vrijeren omgang prijst en
+voorts ontkent, dat de bedoelde meisjes zóó zijn. Hij kent geen enkele
+klasse zóó bedorven, »zelfs« niet in Den Haag, »à l'exception peut
+être de celle des domestiques, qui a en général les moeurs les plus
+dissolues«. D'Alphonse heeft toen geschreven: »il en résulte quelquefois
+quelques anticipations sur les droits de l'hymen«. Dat was weder veel te
+gunstig. Vandaar, dat het in zijne kringen aan den raadspensionaris van
+Slingeland zeer kwalijk werd genomen, dat hij, in 1726, een huwelijk
+sloot met zijne dienstmeid, Johanna van Coesveldt, een »mariage honteux«
+zegt de Fransche gezant de Fénélon, dat hem veel kwaad heeft gedaan.
+
+Maar groote moeielijkheden ontstonden als opschorsing der geboden werd
+gevraagd, door wie zeide door den bruidegom te zijn onteerd. Volgens
+den vasten regel in de Republiek, dat wie een maagd onteert haar moet
+trouwen (ducere) of geld betalen (dotare), kon de onteerde eene actie
+instellen en middelerwijl de geboden laten ophouden. Dan werd er naar
+eene minnelijke schikking gestreefd en dikwijls waren het commissarissen
+tot de huwelijksche zaken, die trachtten »partijen te accordeeren«.
+Veelal ging het afkoopen boven het trouwen. Zijn de partijen, heet het
+in een plakkaat van 1666, te zeer ongelijk van kwaliteit, dan zal de
+gedefloreerde vrouwspersoon worden gecontenteerd met een eerlijken
+bruidsschat. Doch beiden betalen f200 boete. De keuze tusschen trouwen
+of afkoopen stond meest aan den onteerder, soms aan den rechter. Besloot
+hij tot dotatie, dan mocht het meisje die ook van den vader van haren
+verleider eischen. Overigens bestond er omtrent talrijke, bijkomende
+vragen geen vaststaande rechtsovertuiging en daarom doet het te meer
+leed, dat de kerk haren invloed niet meer voor het trouwen heeft
+aangewend. Zij kon »niet verstaen, dat een vrij, ongehillichte persoon
+gehouden (sou) wesen te trouwen eene dochter, die hij beslapen heeft«.
+Beweert zij, dat hij haar trouwbeloften deed, dan zal de magistraat dat,
+door afneming van een eed, moeten beslechten. Men zou wenschen, dat de
+kerk, die herhaaldelijk blijk heeft gegeven, zich de belangen van den
+zwakke aan te trekken, ook hier krachtiger voor de, dikwijls bedrogen en
+in elk geval verlaten, vrouw ware opgekomen. Hoe zorgvuldig zij echter
+zulke gevallen onderzocht, moge blijken uit het volgend gebeurde in de
+Hollandsche gemeente te Londen. In 1570 wenschte zekere Pieter de Brune
+te trouwen, maar na de eerste proclamatie werd het bezwaar ingebracht,
+dat hij te Gent reeds aan eene andere trouwbelofte gegeven had. Geroepen
+voor den Londenschen kerkeraad, verklaarde Pieter »tbijslapen ten
+diverschen stonden gheschiedt tsijne«, maar van belofte aan die dochter
+kon geen sprake zijn, omdat »daer ghenouch gheruchte van oneerbaerheit
+achter haer ghijnck«. De kerkeraad verlangde toen eene notarieele acte
+uit Gent, ten bewijze dat genoemd meisje inderdaad »in 't openbare
+leven zat«, eene dergelijke acte te Londen, waarin hij verklaarde
+te willen trouwen, maar dat het Gentsche meisje trouwbeloften op hem
+praetendeerde, voorts eene verklaring, dat hij zich onderwerpen zal aan
+de uitspraak van »den E. Superintendent den bisschop van Londen, tsij
+(van) de duytsche consistorie«, eindelijk dat, als 't meisje te Gent
+binnen drie maanden niet verklaarde, of zij bij haren eisch volhardde,
+dan eerst Pieter zich vrij achten mocht. Alle acten in duplo ter
+toezending aan bedoeld meisje. Dit is wel een treffend voorbeeld van
+wijze herderlijke zorg. Het huwelijk schijnt intusschen niet te zijn
+doorgegaan, althans in de trouwboeken der gemeente vond ik alleen een
+Jacques de Brune, getrouwd 11 Mei 1609.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK V.
+
+DE VERLOVING OF ONDERTROUW. (VERVOLG).
+
+
+Het is er verre vandaan, dat nu alles zou zijn onderzocht, waarnaar
+volgens wet en gewoonte bij den ondertrouw een onderzoek diende te
+worden ingesteld. Het ergste moet nog komen, d. w. z. het moest
+blijken, dat partijen niet tot elkander stonden in verboden graad van
+bloedverwantschap. Ook hier weêr ligt eene geschiedenis achter ons, die
+tot in den oertijd terug reikt. Waar het matriarchaat heerschte (het
+moederrecht, waarbij naam, eigendom, voorrecht, stamverwantschap door
+de moeder overgaan, ook als de vader bekend is), waren gansch andere
+verboden graden, dan waar het patriarchaat bestond. Broeder en zuster
+van éénen vader, maar van twee moeders zijn bij het matriarchale stelsel
+niet consanguinair d. i. bestaan elkander niet in den bloede, waarom
+Abraham tot koning Abimelech zegt van Sara: »Zij is mijne zuster, de
+dochter van mijn vader, maar niet van mijne moeder en zij werd mijne
+vrouw«. In dit stelsel is een man nauw verwant aan dochters van eene
+tante van moederszijde, wat bij het patriarchale niet het geval is.
+Voorts speelt hier de opvatting van het stamverband haar rol. Soms is
+een huwelijk alleen geoorloofd in (dus met nauwer verwanten), soms
+alleen buiten den stam (dus met geen of zeer verre bloedverwanten).
+Wederom komen consanguinaire huwelijken voor tusschen zeer nauwe
+betrekkingen als broeder en zuster, waarbij dus voor de schadelijkheid
+van dergelijke verbintenissen, door sommige moderne schrijvers
+aangenomen, niet werd gevreesd. Over dit laatste punt heeft ten onzent,
+in 1888, N. P. van der Stok een lijvig werk geschreven, »Huwelijken
+tusschen bloedverwanten«, waarbij eene uitvoerige lijst van vreemde en
+eigen literatuur. Het Oudisraëlietisch recht verbood te huwen met moeder
+en stiefmoeder, met zuster, halfzuster en schoonzuster, met kleindochter
+en schoondochter, met tante en aangehuwde tante, wat van hier in het
+christelijk en mohammedaansch recht overging. Oudgermaansch recht
+verbood huwelijken tusschen ouders en kinderen, broeders en zusters.
+Jacob Grimm, de wijdberoemde grondlegger van de studie der Duitsche
+taal, van het Duitsche recht en van den Duitschen godsdienst, zegt dit
+aldus: »Ehverbot wegen zu naher verwandtschaft zwischen eltern, kindern
+und geschwistern versteht sich von selbst; die kirchengesetze dehnten es
+aus auf schwägerschaft und geistliche verwandtschaft«. En zóó is het
+ook. In den beginne ontzegde de middeleeuwsche kerk het huwelijk zóó
+ver, als verwantschap naar Germaansch recht werd aangenomen. Tot in de
+9de eeuw vormt in de Duitsche landen deze derde generatie de grens.
+Maar in 1058 breidde paus Nicolaas II het verbod uit tot de zevende
+generatie. Deze bepaling echter bracht zulk een sleep van lasten en
+moeielijkheden met zich, dat in 1215 Innocentius III er op terug kwam.
+Volgens hem was een huwelijk in op- of afgaande linie volstrekt
+onbestaanbaar; tot in den 4den graad der zijlinie ongeoorloofd. Daar
+echter man en vrouw één vleesch en bloed zijn, waren de verwanten van
+den een ook die der andere, waarom huwelijken, van wie tot elkander in
+zwagerschap stonden, insgelijks tot den vierden graad verboden waren.
+Eindelijk: doopvader en doopmoeder stonden tot den doopeling in
+ouderlijke betrekking, daarom mocht b.v. de peetdochter niet trouwen
+met den weduwnaar harer overleden peetmoeder. Dit was de geestelijke
+verwantschap, welke later door de protestantsche theologen en juristen
+zou worden ontkend, als geenerlei grond vindend in Gods woord. Volgens
+hen mochten dus peters en meters over 't zelfde kind wel trouwen. Voor
+'t overige namen deze gereformeerde en luthersche theologen eene dubbele
+verhindering aan, eene volgens het O. Tisch, goddelijk, eene andere
+volgens het Romeinsch en kanoniek, menschelijk recht, waarbij zij
+trachtten de verschillen te vereffenen. Ik denk o. a. aan Beza's
+tractaat over huwelijksbeletselen, een boek ontstaan uit academische
+lessen (1591), dat ook hier te lande, in 't Latijn, en in 't
+Nederlandsch vertaald, ijverig is gelezen en o. a. door de synode van
+Tholen in 1602 is aanbevolen, toen zij haar »Forme ende maniere van
+te ondertrouwen, dienende tot instructie voor den kerckendienaren«
+opstelde, als bij uitstek geschikt, om de »graden van bloetvrientschap
+of maeghschap in denwelcken te houwelicken van God verboden is« juist
+te leeren onderscheiden. Ik denk aan Melanchthon's verhandeling over de
+bloed- en huwelijksverwantschap, dat zich voor het beoogde doel zeer
+goed leent, want het geeft een bevattelijk overzicht van wat onder
+verboden graden te verstaan zij, met voorbeelden uit de bijbelsche
+historie, de Grieksche mythologie en de profane geschiedenis. Ook
+de Heidelbergsche hoogleeraar Hieron. Zanchius, die in zijn tijd in
+aanmerking is gekomen voor een stoel aan de jonge, Leidsche hoogeschool,
+schreef een hier te lande aanbevolen werk over verloving, huwelijk en
+echtscheiding, waarin hij ook uitvoerig handelt over de verboden graden.
+Ten onzent geeft de vermaarde theoloog Gisbertus Voetius een tractaat
+over huwelijk en huwelijksbeletselen. Welnu, deze theologen en de door
+hen voorgelichte kerkedienaren zagen wel, dat de verbodsbepalingen in de
+Schrift niet immer met die in de landswetten of in het kanoniek recht
+overeenstemden. Dus trachtten zij naar eene regeling van staatswege,
+waarbij met de bijbelsche opvatting rekening werd gehouden, middelerwijl
+zich vaak schikkende, in wat zij toch afkeurden. Wanneer de overheid een
+huwelijk toeliet in een, volgens de gereformeerde kerk verboden, graad,
+dan voltrok de predikant het niet zonder schriftelijk bevel en na de
+betrokkenen genoegzaam gewaarschuwd te hebben.
+
+De regeling van staatswege van de verboden graden van consanguiniteit
+ging langzaam en bleef onvoldoende. Nog in 1673 leggen de Staten van
+Zeeland de verklaring af, dat zij bij het vaststellen der verboden
+graden op moeielijkheden stuiten, en dat zij daarom overleg zullen
+plegen met hunne naastgelegen bondgenooten, de Staten van Holland en
+Westfriesland, met wie zij altijd dezelfde wetten hebben gehad. Deze
+laatsten nu hadden reeds in 1580 bij de vroeger genoemde ordonnantie,
+de verboden graden zoo goed mogelijk behandeld, door Zeeland gevolgd
+in 1583, door Utrecht in 1584, door Friesland in 1586, Gelderland
+1597, terwijl voor de generaliteitslanden het Echtreglement van 1656
+de graden voorschreef. Hier werd dan het huwelijk verboden tusschen:
+1º. Ouders en kinderen, opwaarts en nederwaarts; 2º. broeders en zusters
+'t zij van vollen of van halven bedde; 3º. man en schoondochter of
+kleinschoondochter, vrouw en schoonzoon of kleinschoonzoon; 4º. man en
+voordochter der overleden huisvrouw, vrouw en voorzoon van den overleden
+man; 5º. man en de weduwe zijns broeders, vrouw en den weduwnaar haars
+zusters; 6º. man en de weduwe van broeders of zusters zoon, vrouw en
+den weduwnaar van broeders of zusters dochter. De verboden graden door
+bloedverwantschap waren ook die door huwelijksverwantschap: in den
+zooveelsten graad als iemand is mijn bloedverwant, in den zooveelsten is
+zijn vrouw mijn huwelijksverwant, legt Melanchthon ons uit en Huig de
+Groot leert: »In swagerschap is verboden te huwelijken binnen de leden
+hier voren van bloede vermaant.«
+
+Wij willen nu zien, hoe deze theoretische wetsbepalingen hare
+toepassingen vonden in de practijk van het gewone leven, om de kennis
+waarvan het ons hier bovenal te doen is. Over de beide eerste graden
+bestond geen verschil. Verbintenissen tusschen neef en nicht, van ouds
+verboden, waren veelvuldig voorgekomen. »Otto Gerijts«, zegt eene
+Arnhemsche schepenaanteekening d.d. 22 Mei 1555, »heeft bij zijns ooms
+dochter geslapen ind twe kynder by haer geworven. En, so hij sulx nyet
+hefft willen laeten,« heeft de pastoor den schout met de kerkmeesteren
+in de vergadering van het kerspel te kennen gegeven, »dat zij sulx
+de werltlicke here solden laeten straffen.« De vereeniging tusschen
+neef en nicht gold tijdens de Republiek volgens kerkelijk oordeel voor
+oneerbaar: wel verbieden Gods woord en de geschreven wetten het niet,
+maar het is toch niet stichtelijk. Hier is invloed van het kanonieke
+recht, dat, zegt Beza, nog precieser zijn wil dan God in Zijn woord
+en zelfs het huwelijk verbood tusschen zusterskinderen tot den derden
+graad. Zoo mocht dan volgens gereformeerd inzicht geen huwelijk plaats
+hebben van een man met »sijns broeders wijfs dochter, dewelke is sijne
+betroude nichte«, ook niet van een man met de nicht van de vrouw, met
+wie hij geboeleerd heeft. Het is eigenaardig, dat eene Groningsche
+synode van 1613 huwelijken tusschen neef en nicht afkeurt, omdat de
+vriendschap tot andere geslachten moet worden uitgebreid. Zoo oordeelde
+ook de kerkvader Augustinus reeds, toen hij het huwelijksbeletsel der
+bloedverwantschap een uitvloeisel noemde van de goddelijke wet, die wil,
+dat niet alleen door de banden des bloeds, maar ook door die van den
+echt, de gemeenschap der menschen met elkander in den ruimsten zin
+bevestigd zal worden.
+
+Hevige beroering wekte in Groningsche doopsgezinde kringen anno 1681
+het voorgenomen huwelijk van een achterneef en achternicht. Christoffel
+Wensing, van de Vlaamsche gemeente te Groningen wenschte te trouwen met
+Antje Mennes van Appingedam en--beide vaders der jongelui waren neven!
+De kerkeraad te Groningen weigerde zijne toestemming te geven... uit
+vrees dat zulk een huwelijk bloedschande mocht zijn. Er hadden twee
+samenkomsten plaats van de oudsten en de afgevaardigden uit de naburige
+gemeenten, die telkens de zaak naar Groningen verwezen. Toen ging
+Christoffel naar Appingedam (het was intusschen al voorjaar 1683
+geworden!), vroeg dáár de voltrekking van het huwelijk, maar ontving
+eene weigering, waarop, om de zaak te beslissen, eene vergadering is
+gehouden van _alle_ Vlaamsch-doopsgezinde gemeenten, met afgevaardigden
+uit 29 gemeenten, onder wie 3 Oostfriesche. De eerste vergadering
+duurde van 6 uur 's avonds tot twee uur na middernacht, de volgende
+begon 's middags 12 uur en besloot eindelijk het geval te onderwerpen
+aan de stemming der Groninger gemeente. Een-en-vijftig stonden het
+verzoek van Christoffel toe, maar »met kommer«, drie-en-twintig waren
+er tegen. Daarop besloot deze synode in de uitspraak der Groninger
+broederschap te berusten, »met kommer en noodshalve« en onder zekere
+voorwaarden. »Zooveel had het in«, roept De Hoop Scheffer uit, die ons
+deze geschiedenis heeft verteld, »om in Groningen onder de Vlaamsche
+doopsgezinden zijn achternichtje te trouwen!« Laat ons hopen dat
+Christoffel en Antje gelukkig zijn geweest. Maar de lezer bespeurt, dat
+de gansche zaak buiten de overheid omgaat: die had het huwelijk zeker
+toegestaan. Christoffel Wensing wilde zich echter niet buiten het
+gemeenteverband stellen en moest daarvoor de lasten overhebben.
+
+De eigenlijke moeielijkheden intusschen begonnen eerst bij een huwelijk
+van den man met de betrekkingen zijner overleden vrouw en omgekeerd. In
+sommige gevallen was door de landswetten voorzien, maar er deden zich
+telkens nieuwe voor, waarover dan uitspraak moest worden gedaan, waarbij
+het oordeel der kerkelijken zijn invloed oefende. Een huwelijk tusschen
+den man en de voordochter der overleden huisvrouw was, zagen wij, in de
+ordonnantiën verboden. Toch wenschte Nicolaas Nieuwland, burgemeester
+van 's-Gravenhage, in 1626 zulk een huwelijk aan te gaan, waartoe prins
+Maurits toestemming gegeven had. Maar, terwijl er reeds twee geboden
+gegaan waren, schutten Heeren Staten het derde en, niettegenstaande
+de man bij zijne vrouw geene kinderen gehad had, sloegen zij het
+huwelijk af. Volgens de gereformeerde kerk zou de burgemeester zich
+aan bloedschande hebben schuldig gemaakt. Toen het eens te Opwierda in
+Groningen bleek, dat zekere Jan Cyess met »sijne stiefdochter boleerde«,
+werden aanstonds maatregelen genomen »daermit doch sülcke grouwelen vuth
+dem lande gewehret mochten werden.«
+
+Het huwelijk tusschen den man en de zuster der overleden vrouw was zóó
+gewoon en lag, door huiselijke omstandigheden, zóó voor de hand, dat
+de overheid, schoon het verboden was, aarzelde het te veroordeelen.
+Toch gevoelden velen het als ongeoorloofd en achtten het althans als
+»lichtveerdigheyt in den h. ehestandt«. Ja, terwijl natuurlijk het
+huwelijk verboden was van den man met de weduwe zijns broeders, gold ook
+het trouwen met de halfzuster der overleden huisvrouw in vele kringen
+voor zonde, wat zich zelfs uitstrekte tot het huwelijk met hare
+bastaardzuster. Tot deze groep reken ik ook het huwelijk tusschen
+den man en de vrouw van den broeder der overleden huisvrouw, zijne
+schoonzuster dus ook, maar verder af. De overheid liet dat soms toe,
+zooals bij een geval te Gouda in 1601. Daar was Cornelis Cornelisz.
+getrouwd geweest met Grietje Anteunisdr., Adriaan Anteunisz. haar
+broeder, met Maaike Adriaansdr. Grietje en Adriaan waren gestorven en nu
+wenschte Cornelis met Maaike te trouwen. Mocht dat? Het gevoelen was,
+dat hier de affiniteit, de zwagerschap, ver genoeg was, om het toe te
+staan, maar dat de eerbaarheid, het fatsoen er toch tegen opkwamen. Wij
+zijn niet blind voor de zorgvuldigheid der overwegingen, opdat maar de
+zuiverheid des huwelijks onbesmet zou blijven, al is het waar, dat men
+soms al te angstig was.
+
+Tot wijder kring, maar in dezelfde rubriek, is te rekenen het huwelijk
+met de tante der overleden huisvrouw. Bij zulk een geval, anno 1604,
+heerschte nog onzekerheid, al waren velen geneigd het een »abominabel
+huwelijk« te noemen. Nu gold het hier eene »bloetmoeye« en dat kon
+niet nalaten, oordeelden zij, den toorn Gods te wekken. Maar eene eeuw
+bijkans later, in 1698, was er geene onzekere jurisprudentie meer en
+weigerde de magistraat zulk eene verbintenis, zelfs waar het thans geene
+»bloetmoeye«, maar eene »coude moeye« betrof. Jacob Jansz. Knecht nl.
+koopman te Amsterdam, was weduwnaar van Catharina Peckstok en wenschte
+te hertrouwen met Maria Sarragon, zuster van Catharina's insgelijks
+overleden moeder. Na de tweede proclamatie werd de derde geweigerd.
+Knecht wendde zich tot de hooge regeering en betoogde, dat het huwelijk
+allerminst geschiedde uit ongebonden driften, maar met alle modestie
+en eerzaam overleg; dat hij met zijne eerste vrouw maar weinig maanden
+getrouwd geweest was en geene kinderen bij haar had verwekt; dat de
+bruid, eene zedige, pieuse, bejaarde dochter zich de opschorting der
+geboden zoodanig aantrok, dat zij daardoor genoegzaam in eene mijmering
+vervallen was. Het mocht alles niet baten. Bij resolutie van 25 Januari
+sloegen H. E. Gr. Mog. het verzoek af, zich beroepende op de ordonnantie
+van 1580, laatste lid nederwaarts t. w. huwelijk van eene vrouw met den
+weduwnaar van de dochter eener zuster. Op een huwelijk als dit, tusschen
+den man en zijne koude tante, achtte men ook Levit. XVIII, 14, XX, 20
+toepasselijk: »tot de vrouw van den broeder uws vaders zult gij niet
+naderen: het is uwe tante.«
+
+Mag de man trouwen met een nicht der overleden vrouw? In Holland en in
+Groningen zijn van kerkelijke zijde zulke verbintenissen veroordeeld.
+Het is waar, dat een dier gevallen was verzwaard door de omstandigheid
+dat »die voorsz. nichte in absentie sijns wijfs met den man op sijn
+bedde gelegen had,« naar zij zeide, »om sijns crancken kinds wille«.
+Toch stond het oordeel er over niet vast, en de overheid ging met hare
+beslissingen waarlijk niet over éénen nacht ijs. Den 8sten April 1638
+wendden de Staten van Utrecht zich tot de theologische faculteit,
+toen bestaande uit Gisbertus Voetius en Meinardus Schotanus, met de
+vraag: »of iemand mag trouwen met de dochter der zuster der overleden
+huisvrouw?« Dezelfde vraag legden zij voor aan de juridische faculteit,
+aan vier advocaten en aan de gereformeerde predikanten. Tot dusver
+had men zulk een huwelijk toegestaan. Voetius heeft toen het antwoord
+gesteld, dat daarna werd geteekend door Schotanus en de vijf
+predikanten. Later bleek, dat het antwoord der juridische hoogleeraren
+en van twee advokaten met het hunne geheel overéénkwam t. w. zulk een
+huwelijk is volstrekt verboden. In de vergadering der Staten is het
+stuk toen gelezen en overwogen en, naar de bedoeling ervan, het verbod
+voor de provincie Utrecht uitgevaardigd. In Holland werd dit soort van
+huwelijk verboden bij publicatie van 21 Mei 1664. Maar de Utrechtsche
+geschiedenis toont wel duidelijk, hoe omzichtig de vaderen in deze
+stoffe te werk gingen. Onder deze bepaling achtten sommigen zelfs te
+behooren het huwelijk van den man met de dochter van den halven broeder
+of de halve zuster der overleden huisvrouw, als hij dus de »coude oom«
+zijner bruid was.
+
+Wat moet men denken van een huwelijk tusschen den man en de stiefmoeder
+der overleden huisvrouw? Er was in de landswetten wel voorzien in 't
+geval, dat iemand de stief_dochter_ zijner overleden vrouw zou willen
+huwen, maar dat hij zijne aangetrouwde stief_moeder_ zou begeeren,
+daaraan had niemand gedacht. En toch, ziethier ten jare 1697 Daniël
+Hooydonck, weduwnaar van Arriaantje Bont, die de geboden vraagt met Sara
+Wallencourt, stiefmoeder der doode Arriaantje. Immers Sara was de tweede
+vrouw geweest van wijlen Abraham Bont, in leven koster der Walenkerk te
+'s-Gravenhage, die in zijn eerste huwelijk vader was van Arriaantje.
+Schepenen durfden om het zeldzame geval het derde gebod niet laten gaan.
+Daniël heeft het toen hooger gezocht en 31 Januari stonden H. E. Gr.
+Mog. den trouw toe.
+
+Het aantal mogelijke gevallen op dit gebied is als dat der sprinkhanen
+in menigte. Mag een man trouwen met de bruid van zijn overleden broeder?
+Of (ik noem alleen wat zich inderdaad heeft voorgedaan) met de zuster
+zijner gestorven bruid? Mag een jonkman trouwen met de bijzit van zijn
+oom? Op deze al bijzonder onfrissche vraag antwoordt eene synode van
+1592 terecht, dat zulk een huwelijk »nyet in Godts woordt bestaen mag«,
+wat natuurlijk ook geldt van een huwelijk tusschen een weduwnaar en de
+bijzit van zijn broeder, die bovendien nog in leven is. Maar met deze
+overwegingen hebben wij de grenzen van het gebied der verboden graden in
+eigenlijken zin reeds overschreden. Wij stappen er dus van af. Misschien
+zijn sommigen onzer lezers reeds ongeduldig geworden: zij begeeren nu
+eindelijk tot de blijde bruiloft te mogen ingaan. Zij hebben, vinden
+zij, nu genoeg stof om met Philogamos in Cats' »Weduwenhouwelijk« te
+kunnen uitroepen: »Hoe! Is het huwelijk soo lange in de werelt geweest,
+waarde man, en sijnder noch soo veele saecken omtrent die gelegentheyt
+te vinden, die heden noch in twijfel staan?« Helaas, wij zijn nog niet
+aan de bruiloft toe. Bij den ondertrouw kan nog van andere
+huwelijksbeletselen blijken.
+
+Afkeurenswaardig achtte de kerk het huwelijk tusschen een voogd of diens
+zoon en de weeze, die zijn pupil was, tenzij met toestemming der Staten.
+Dezen gaven haar in geen geval vóór de eindrekening had plaats gehad,
+wat bij de meerderjarigheid der pupillen geschiedde, meest ten overstaan
+van de vertegenwoordigers van het openbaar gezag. Huwelijksbeletsel
+was voorts krankzinnigheid. Dan melaatschheid. Ten jare 1470 was Geert
+ten Starte, burger der stad Kampen, door lepra aangetast, maar de
+stadsdokter, mr. Franck Johanssoen, gaf, na consult met vier Utrechtsche
+geneesheeren, hoop op herstel. Maar de vrouw van den patiënt beklaagde
+zich over het geld, dat de behandeling kostte en wilde ook niet langer
+met haren man samenwonen. Geert wendde zich toen tot den Raad met
+verzoek haar in beide opzichten tot rede te willen brengen, onder
+overlegging van een rechtsgeleerd advies, waarin uit bijbelsch en
+kanoniek recht werd betoogd, dat zij tot samenwoning verplicht was. Maar
+dit was niet de gewone opvatting. Als regel gold onder de Republiek,
+dat het huwelijk tusschen melaatschen en gezonden verboden was, dat
+trouwbeloften met iemand, die later blijkt lepra te hebben, van onwaarde
+zullen zijn en dat zij onderling slechts mochten trouwen met consent
+van de overheid. In geval van een voorgenomen huwelijk geschiedde te
+Amsterdam de keuring, van wie verdacht werden besmet te zijn, in de
+spreekkamer van het leprozenhuis, aan de wand waarvan die bekende
+schilderij hing, verbeeldende den »vroolijken« optocht der leprozen
+op koppermaandag. Vertoonde de gevreesde ziekte zich echter na het
+huwelijk, dan, oordeelde o. a. Cats, mocht men den band er niet om
+breken:
+
+ »Al kreegh uw wederpaer de witte laserije,
+ Al kreegh uw wederpaer de swarte rasernije,
+ Hij blijft uw man...«
+
+En nu wij toch over ziekten spreken: gelijk in het Romeinsche recht was
+ook in ons tijdperk, ook naar kerkelijk oordeel, eene »colde nature«
+voor het huwelijk een beletsel, m. a. w. men mag niet huwen, met wie
+tot den huwelijksplicht onmachtig zijn. Was dit echter gevolg van al te
+groot leeftijdsverschil, dan kon het wel door de openbare meening worden
+veroordeeld, maar moeielijk door de wet worden tegengegaan. Guicciardini
+in zijne bekende »Beschrijvinge van alle de Nederlanden« (vertaling door
+Kiliaen, 1612) heeft het er al over en vertelt ons: »'t Is schadelijck
+ende schandelijck, datter sommighe seltsame ende onbehoorlijcke
+houwelijcken worden ghemaact te weten een jongelinck met een oud wijf
+ende eenen ouden grijsaerdt met een jonck vrouwspersoon sonder noodt
+van kinderen.« Twee en een halve eeuw later hooren wij desgelijks van
+huwelijken tusschen mannen van zestig en meisjes van twintig jaren,
+maar erger nog, en gelukkig eene uitzondering, was het huwelijk in
+1683 te Appingedam tusschen een man van 96 en een meisje van 20 jaar.
+Natuurlijk geschiedde dit meest om het »heilig goud«, gelijk Jeremias
+de Decker in zijn puntdichten zegt:
+
+ »'t Geld geld nu meer als d'eer, 't goud word als God gesmeekt,
+ Men juycht als Pluto pleyt; men dut als Plato preekt«;
+
+het was daarom, dat »de bevallige Chrysofilus zich in de armen wierp van
+eene verlepte dog schatrijke weduwe, een verflenst besje«, wat Justus
+van Effen in een vertoog van 1732 hekelt, of dat een jongman, zegt
+de Spectator der studenten, »zich in het prille van zijn jeugd laat
+koppelen aan eene oude manzieke totebel, aan wie hij zich en zijne
+vermaken voor een lui en vervelend leven opoffert«. Konden noch de kerk
+(die van Zeeland wil, dat eene vrouw van 60 niet zal mogen trouwen met
+een man beneden de 40 jaren) noch de staat veel tegen dit euvel doen,
+volksgeweten en volkshumor beide hebben er zich altijd tegen gekant en
+het bespot.
+
+In een land, waar velerlei godsdiensten en kerken gevonden werden,
+als in het onze, lag ook daarin de oorsprong van huwelijksbeletselen.
+De vroeger genoemde waren alle »politiek«, raakten de burgerlijke
+gemeenschap. Maar andere, door de kerkelijken alleen voorgestaan,
+poogden zij den Staat te doen aanvaarden, opdat ze autoriteit zouden
+verkrijgen. Zoo wilden zij b.v. een verbod van 't huwelijk tusschen
+gedoopten en ongedoopten, omdat naar hunne meening zulk een echt het
+verbond Gods verijdelde en de »livrei des christendoms« wegnam. Zij
+stelden dus den eisch, dat, als een ongedoopte huwelijksproclamatiën
+vroeg, hij eerst moest worden gedoopt. Het was waar, dat iemand, om des
+huwelijks wil zich latende doopen, »gelijkewel met de wereld in 't wilde
+loopen kon«, maar de kerk kon niet meer doen dan »hem te onderwijzen in
+de leer der zaligheid, bevelende Gode de uitkomst, die een kenner der
+harten is.« Intusschen heeft de overheid ook in dezen niet toegegeven
+en bij hare huwelijkssluiting op al of niet gedoopt-zijn geenerlei acht
+geslagen. Zij had voor de gansche natie te zorgen en was, niet ten
+onrechte, van meening, dat het voor het algemeen belang en ook ter
+bevordering van het ordelijk huwelijk zelf beter was, dat ongedoopten
+wettig huwden dan onwettig samenleefden. Op de vraag, of onder
+een gedoopte ook te verstaan zij een door den roomschen priester
+gedoopte, antwoordde de kerk »ja«, daarin goed gereformeerd. Want
+de geldigheid van den ketterdoop erkend te hebben en de kerkelijke
+huwelijksbevestiging van ongedoopten verboden, heeft prof. H. H. Kuyper
+in de Dordtsche synode gewaardeerd als eene handhaving van het zuiver
+gereformeerd beginsel. Men kan daarmeê instemmen en het toch als
+willekeur veroordeelen, dat de kerk dit »ongedoopt-ongetrouwd« wilde
+uitstrekken over alle burgers des lands. Door dezelfde beginselen heeft
+de overheid zich gemeenlijk laten besturen bij de pogingen van sommige
+kerkelijken, om het huwelijk tegen te gaan tusschen gereformeerden en
+protestantsche dissenters. Over het algemeen was men in kerkelijke
+kringen ongeneigd het huwelijk aan te bevelen met iemand »drijvende
+contrarie religie«, om de groote zwarigheden, die er uit voortsproten,
+maar een huwelijksbeletsel heeft men er niet van willen maken. En de
+regeering hield zich onzijdig, verbood het in geen geval. Ten opzichte
+van de nog langen tijd aangetroffen volgelingen van David Jorisz., den
+beruchten Delftschen wederdooper (gestorven te Basel in 1556), bleef
+de kerk zich niet altijd gelijk, ofschoon zij in hare veroordeeling
+van de booze leer dezer »davidjoristen, nicolaïeten ende eenighe andere
+van den selven slach, bende ende adderengebroedsel« (zooals Joh. Becius
+zich in 1638 uitdrukte) eenstemmig genoeg was. Soms heet het, dat
+bekende hardnekkige davidjoristen niet met gereformeerden in de kerk
+mogen trouwen, zij moesten dan maar ten stadhuize gaan. Soms was men
+toegevender. Zoo woonde op het einde der 16de eeuw in Den Briel zekere
+Jacob Jansz. van Velzen, verdacht van de davidjoristische gevoelens aan
+te kleven. Toen hij nu geboden vroeg voor zijn huwelijk met Goedelieve
+Bogaert, eene weduwvrouw en zuster van Ds. Joh. Bogaert te Haarlem,
+wilde de Brielsche kerkenraad die niet laten gaan. Jacob zelf vond, als
+een vrij protestant, dat hij »in de materie des huwelijks zoo nauw niet
+behoorde gepraamt (geprangd, gedwongen) te worden« en de synode van
+Gouda in 1601 ging daarmede accoord en besloot, dat Goedelieve wel
+ernstig door haren broeder moest worden vermaand, maar dat de geboden
+in geen geval mochten worden geschut. Men ziet het telkens: de gansche
+huwelijksregeling was in staat van worden, elk voorkomend geval nagenoeg
+eischte afzonderlijk overleg.
+
+Het »trouwen aan menisten« werd ook zondig geacht. Want behalve, dat wie
+dat deden ergernis gaven aan anderen, »soo stellense oock haer selven
+in perijkel van afwijckinge vande ware gereformeerde religie, gelijck
+de droevighe ervarentheydt sulks wel heeft geleert«. Hetzelfde gevaar
+dreigde bij een echt met lutherschen. Ook hier echter kon de kerk
+slechts waarschuwen, niet verbieden. Waar zij wel tegen is opgekomen
+(o. a. in 1621), was tegen het geven van proclamatiën door lutherschen,
+waarop dan het huwelijk door gereformeerde predikanten werd bevestigd.
+Dat was, wij zagen het, bij de bestaande wetgeving ook inderdaad eene
+overtreding. Van hunne zijde waren de lutherschen, zelven in afgesloten
+kringen levende (al kwam er in den loop der jaren wel toenadering), ook
+op gemengde huwelijken weinig gesteld, en nog op 't einde der eeuw
+konden de juffrouwen Wolff en Deken ons naar het leven een luthersch
+koopman schilderen, den ouden heer Edeling, die niet wilde, dat de
+»keten van luthersche wezens in zijn geslacht in de war zou raken door
+eene gereformeerde stiefdochter«. Er kwamen, vonden de vaderen, maar
+onrustige huishoudens van, volgens het spreekwoord:
+
+ »Selden sonder kruys
+ Twee gelooven in één huis.«
+
+Helaas, dat de jonge jeugd zich aan al deze overwegingen weinig liet
+gelegen liggen. »De kinderen«, klaagde de reeds genoemde Van Renesse,
+»maken heimelijken ondertrouw, stille beloften, 't zij met woorden,
+'t zij ook met werken, en verloven haar met menschen, die in leer of
+leven kennelijk afwijken van den weg der zaligheid.« De oude man zag
+de lasten; de jonge jeugd, door de min vervuld, greep naar de lusten.
+
+Het roomsch-zijn was wel geen wettelijk huwelijksbeletsel, toch kwam
+een huwelijk tusschen roomschen en protestanten uiterst moeielijk tot
+stand--van beide zijden. Om zich te dezen voor een onjuist oordeel
+te bewaren, herinnere de lezer zich den eigenaardigen toestand in
+de Republiek, waarvan wij niet mogen nalaten met een enkel woord te
+gewagen. Het genie van Prins Willem heeft ons, onder zooveel andere
+zegeningen, ook deze gebracht, dat het staatsrecht der Vereenigde
+Nederlanden, sinds de Unie van Utrecht, het katholiek-zijn niet als
+misdrijf beschouwde, wat het protestant-zijn in katholieke landen
+wel was. Er stond bij ons geen straf op: geloofsonderzoek was daarom
+noodeloos. Het verheven beginsel is later uitnemend uitgedrukt door den
+Amsterdamschen burgemeester C. Pzn. Hooft, des dichters vader (van wien
+eens Vondel zong:
+
+ »Hoe heeft hem Amsteldam ervaren wijs en simpel,
+ Een hooft vol kreuken, een geweten zonder rimpel.«)
+
+toen hij zeide: »niemand in zijne consciëntie bezwaren, maar een ygelick
+daarin sijne vrijheydt te laten, zoo veel zonder apparent perijckel van
+de gemeene rust mach geschieden.« Even uitnemend had zich eens Hooft's
+geestelijke vader, de Leidsche hoogleeraar Franc. Junius uitgelaten:
+»Het is confusie ofte verwarringe, dat men sijnen medegesellen wetten
+wil voorschrijven, en bovenal ist onredelick dat te willen doen in
+saecken van consciëntie, daer geen ander wetgever is als Godt.«
+Ware de tijd voor deze grootsche gedachte rijp geweest, er zou om
+gewetensvrijheid in de Republiek niet hebben behoeven gestreden te
+worden; hadde zij in 't geheel niet bestaan, er ware ook geen strijd
+geweest. Thans zien wij vrijheid en dwang voortdurend om den voorrang
+kampen.
+
+Voor volstrekte godsdienstvrijheid was er ook ten onzent nog geen
+plaats, aan onze hedendaagsche opvattingen gemeten, werd er dwang
+geoefend, doch, vergeleken met alle andere landen van toen, stond de
+Republiek als oord van vrijheid bovenaan en was het lot, voor wie niet
+tot de bevoorrechte kerk behoorden, gunstig, ja te gunstiger naarmate de
+practijk nog zooveel zachter was dan de theorie. Toen ten jare 1644 de
+katholieken van Deventer over verdrukking klaagden, zeiden zij toch in
+hun verzoekschrift aan den Franschen gezant dat dit was »chose dure et
+jamais ouyë dans ces provinces, ou la liberté de conscience a toujours
+esté permise«. Vergeten mogen wij evenmin, dat vele katholieken de
+toepassing der vrijzinnige beginselen zeer moeielijk maakten. Er
+waren er, die tijdens den opstand de zijde van Oranje gekozen hadden,
+velen hadden zich onzijdig gehouden, maar er was ook eene sterke
+Spaanschgezinde partij geweest, waarvan o. a. de Leidsche patriciër
+Franc. Dusseldorp een duidelijk type is. En, toen nu in de 17de
+eeuw, in plaats van de diepgezonken geestelijkheid der 16de, jonge
+priesters optraden van onbesproken zeden en gloeiende overtuiging,
+toen vertoonde zich (het zijn woorden van Fruin) een geslacht van
+katholieken, dat, indien al niet volstrekt anti-nationaal, toch van
+eene eindelijke overwinning des Spaanschen konings herstel en bloei
+hunner kerk verwachtten. Na den vrede van Munster heeft dit alles zich
+gewijzigd--toch is dit (en zooveel meer) noodig te bedenken, ook voor
+wie de huwelijkswetgeving goed begrijpen wil. Daartoe keeren wij dan
+thans terug.
+
+Van roomsche zijde heeft eenmaal de genoemde Franciscus Dusseldorp het
+trouwen met protestanten gelijkgesteld met de zonde, in Levit. XX, 15
+vlg. met den dood bedreigd, zeggende, dat aldaar onder »beest« een
+ketter te verstaan zij, en dat de kinderen uit zulk eene vermenging voor
+muilezels moesten gehouden worden.
+
+Van protestantsche zijde onderwierp men zulke huwelijken aan strenge
+beperkingen. Als de man roomsch was, moest hij de verklaring afleggen,
+dat hij zijne vrouw nooit om overgang zou lastig vallen en dat de
+kinderen protestant zouden zijn--juist wat een roomsche nooit beloven
+mag. Toch legde b.v. in 1734 Jan Boumeester te Meppel, die wilde trouwen
+met de gereformeerde Jantje Giesbers, in handen van schout Hendrik
+Olfen, bedoelde verklaring af. Natuurlijk gebeurde ook het omgekeerde,
+dat »een papist zijne gereformeerde vrouw tot zijne religie trok.« Uit
+den aard der zaak waren de bepalingen het strengste in de roomsche
+gewesten. Nog den 3den juni 1750 vaardigden de Staten-Generaal een
+plakkaat uit voor de generaliteitslanden, over huwelijken tusschen
+personen van den gereformeerden en van den roomschen godsdienst, »welke
+meer en meer komen in te kruipen en waardoor echtgenooten en kinderen
+worden verleid, om zich te begeven tot de roomsche dwalingen«.
+
+Het plakkaat schreef voor, dat er geen huwelijksgeboden mochten
+gaan tusschen personen van beiderlei godsdienst, zoolang de jongeman
+onder de 25 en de jongedochter onder de 20 jaren was, op straffe van
+onwettigheid des huwelijks; dat alle trouwbeloften, tot heden tusschen
+de zoodanigen gewisseld, volstrekt krachteloos en zonder effect zouden
+zijn; dat alle geboden tusschen gereformeerden en roomschen boven
+25 en 20 zouden gaan van 6 tot 6 weken; dat, zoo iemand den roomschen
+godsdienst omhelsd had om te kunnen trouwen, de verloving hem eerst een
+jaar daarna zou worden toegestaan, wat ook gold voor een roomsche, die
+geveinsdelijk tot den gereformeerden godsdienst overging.
+
+Reeds vroeger, 3 Maart 1738 en 11 Mei 1739, was bepaald, dat
+gereformeerde officieren, die met roomsche vrouwen in het huwelijk
+traden, zouden worden ontslagen, wat ook over de burgerlijke ambtenaren
+werd uitgestrekt, drakonische maatregel, die eerst de Bataafsche
+Republiek in 1795 zich haasten zou op te heffen. Volstrekt verboden zijn
+deze gemengde huwelijken nooit--hoe moeielijk het was er een te sluiten,
+is ook ons reeds gebleken (boven blz. 84 vlg.) uit de geschiedenis van
+mevrouw Van Foreest.
+
+Nog moeten wij (wij naderen het einde van dit lange hoofdstuk) iets
+zeggen van de beletselen voor het huwelijk van christenen en joden.
+Spinoza zegt in de voorrede van zijn »Godgeleerd-staatkundig vertoog«
+(vertaling van Dr. W. Meyer): »Daar ons het zeldzame geluk is te beurt
+gevallen van in een gemeenebest te leven, waar aan ieder volkomen
+vrijheid van meening en van godsvereering wordt toegestaan en waar men
+niets dierbaarder en lieflijker acht dan de vrijheid...« Zoo mocht hij
+spreken, en ook vreemdelingen viel het op hoe groote vrijheid de joden
+hier genoten. Het was in den geest van prof. Franc. Junius te Leiden,
+die eens zeide: »men moet de joden onder de christenen dulden... dewijl
+het geloof een gaeve Godts en sij daerenboven onze broeders sijn van
+nature... en oock de kercke uit joden en christenen moet versaemelt
+worden.« Treffende woorden voor het jaar 1612, waarin ze zijn
+opgeteekend!
+
+[Illustratie: Huwelijksplechtigheid van de Portugeesche joden te
+Amsterdam (18e eeuw).
+
+ Naar een prent in Hurd, Gesch. v. alle Godsdiensten.]
+
+Toch was ook te hunnen opzichte de verdraagzaamheid nog niet een boven
+alles verheven wet, het was een »burgerschap van den tweeden rang«,
+zooals Dr. J. Mendels dat uitdrukt, de »joodsche natie« stond als
+afzonderlijk volk in het volk, zooals wij thans eene kolonie van Turken
+of Perzen beschouwen zouden en zij zelven hebben dat ook altijd zoo
+ingezien. Toen het jaar 1796 hun de volle vrijheid bracht, waren tal van
+joden, onder leiding hunner parnassijns, tegen deze »incorporatie«, die
+zij zich overigens volmaakt waardig hebben betoond. Ik heb dat elders
+uitvoerig verhaald. Welnu de (voor die dagen) groote vrijzinnigheid der
+landsregeering bracht er hun toe, 14 Mei 1712, der joodsche natie verlof
+te geven te trouwen ook in die graden, die bij de christenen wel, bij
+hen niet verboden waren, oom met nicht, man met de zuster der overleden
+huisvrouw, man met de weduwe zijns broeders, als deze kinderloos
+gestorven was, het leviraatshuwelijk. Het verlof werd niet voor altijd
+geschonken, maar nu en ook later bij wijze van uitzondering verleend.
+Echter kwam het ook voor, dat een rabbijn een huwelijk moest inzegenen,
+dat hij met de joodsche wet in strijd had geoordeeld.
+
+Maar wat den trouw tusschen jood en christen aanging, volgde men
+in de Republiek het kanonieke recht, dat het strengelijk verbood.
+Ook hier geen vaste wet, maar in Holland, Friesland, Gelderland werden
+overtredingen streng gestraft. Alles (ook volgens protestantsche
+theologen) ter voorkoming van geloofsverandering, waartegen reeds
+de groote Dordtsche synode gewaarschuwd had. Het is waar, dat
+zulke overgangen voorkwamen, sporadisch, en dat de joden in het
+Noorderkwartier zelfs beschuldigd werden van zich familiaar te maken
+met de landlieden en van »onder het deksel van eene bijzondere manier
+van kaasmaken« in hun huizen te komen, om hen te verleiden en tot
+huwelijken over te halen. Dit laatste was zeker niet waar, de joden
+zelven zouden er den zwaren last van gedragen hebben. Huwelijken
+tusschen hen en christenen kwamen voorts weinig voor.
+
+Anders echter stond het in West-Indië en Brazilië, waar te midden der
+kolonisten vele joden woonden, welvarend en niet zonder invloed, aan
+onze zijde strijdende tegen de Portugeezen, maar, volgens klachten, die
+bij de classis Pernambuco der Nederlandsch-hervormde kerk inkwamen, zich
+ook schuldig makend aan verboden huwelijken met christenen en aan het
+hebben van christinnen als bijzitten.
+
+Met de joden te zamen worden vaak, bij het huwelijksverbod, mohammedanen
+en heidenen genoemd. Dat kwam in ons land zelf weinig voor, maar ook
+in de koloniën, ja op onze handelskantoren in vreemd gebied trachtte
+men naar die wet te leven. Toen Johan Cunaeus--reeds boven door ons
+genoemd--zijne zending van Compagnieswege aan het hof van Issahan had
+volbracht, ging hij ook afscheid nemen van de padres Carmelieten en
+maande hen bij die gelegenheid ernstig aan om, zoo een der dienaren van
+de Compagnie met eene inlandsche vrouw in 't huwelijk wilde treden, »hun
+dat t'excuseren en plad tontseggen, ten ware schriftelijke licentie van
+den directeur verthoonde«. Een zelfde verzoek richtte Z. Exc. ook tot
+de »Capusiner padres«. Overigens is in de vaderlandsche plakkaten onder
+»heidenen« zeker vaak »zigeuners« te verstaan.
+
+Ik eindig met nog twee huwelijksbeletsels, die volgens de kerk moesten
+gelden. Voor een »dootslager noch onversount en zonder berou«. En,
+als iemand bij den ondertrouw mist van de persoon, als bij Jacob, die
+»zich verloofde (zegt Zanchius in deftig Latijn) met Lea, terwijl hij
+haar hield voor Rachel.« Het ligt voor de hand, dat zulk eene (zeker
+zeldzame) vergissing, gelijk ook voor het kanoniek recht, de verloving
+nul en van onwaarde maakte.
+
+Eerst nu is de laatste hindernis uit den weg geruimd. Eerst nu kan de
+bruiloft aangaan met gezang en gerei.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VI.
+
+DE BRUILOFT.
+
+
+Wij hebben in dit hoofdstuk eene dubbele taak, wij willen getuigen zijn
+van de voltrekking van het huwelijk, zooals de Staat die eischte en van
+de feestelijkheden aan den bruiloftsdag verbonden, naar gebruik en zede.
+Op één punt vallen zij reeds aanstonds samen: de wet wil met nadruk de
+openbare huwelijkssluiting, de volkszeden vragen het even nadrukkelijk:
+luidruchtig bruiloft vieren moet het zijn met gezang en gejuich, opdat
+de heele wereld wete, dat er een huwelijk gesloten wordt.
+
+In de tweede helft der achttiende eeuw echter begonnen de aanzienlijken
+er eene eer in te stellen, om in alle stilte te trouwen, bruid en
+bruidegom gingen zonder eenig gezelschap, ja soms ieder afzonderlijk, in
+hun daagsche pak naar kerk of raadhuis. En, om toch vooral maar deftig
+te zijn en alle opzien te mijden, kozen zij niet de Nederlandsche, maar
+de Fransche of Engelsche gereformeerde kerk, die minder bezocht waren,
+al kenden zij vaak hunne talen zóó slecht, dat de koster hun had in te
+fluisteren, als zij »oui« of »yes« moesten zeggen. Ernstige vaderlanders
+voelden deze verachting van het openbare huwelijk als eene slappe
+ontaarding, en Abraham Blankaart zegt, dat hij vreeselijk de nijd op
+dat stille trouwen heeft, alsof men zich het heilig huwelijk schamen
+moest en daarom wilde hij niet, dat Saartje indertijd in de Fransche
+of Engelsche kerk trouwen zou. Toch was dit weer niet bij allen dwaze
+deftigheid, het was ook vaak de eindelijke reactie tegen de overdaad en
+de onkieschheden eener »ouderwetsche bruiloft«.
+
+Waar in sommige steden, gelijk veelvuldig te platten lande, nog die
+nabuursplichten zich hadden gehandhaafd, waarover de heer H. Tiesing in
+den Nieuwen Drentschen Volksalmanak van 1914 ons heeft ingelicht, daar
+gingen de buren rond om het huwelijk aan te kondigen en tot de bruiloft
+uit te noodigen. In Drenthe heette zulk een bode de »broedneuger«, en
+dat moet wel eene blijde bewegelijkheid in menig stil dorp der landschap
+gegeven hebben, als de broedneuger, kleurige linten om den hoed en
+om den stok, van nieuwsgierige kinderen omjoeld, het erf opstapte en
+vroeg, vaak in een lang gedicht, dat hij met zwier voordroeg, »of 't oe
+bleeft te komen tegen aanstoande Zundag«. Jammer alleen, dat hij voor
+zijn moeite placht beloond te worden met een geldstukje, dat in een vol
+glas brandewijn lag, wat hij dus eerst moest leegdrinken, waarom hij, op
+'t einde van zijn ommegang, wel aanleiding zal gehad hebben te vragen,
+zooals in één dier gedichten staat: »Heb ik min boodschap niet wel of
+kwoalik gedoan....«
+
+In de steden waren het gemeenlijk de bedienden (bij de gegoeden), die
+de uitnoodiging overbrachten aan magen en vrienden. »De Hollanders«,
+vertelt in 1664 een Engelschman van ons volk, alsof hij het over
+Indianen heeft, »hebben geen andere vrienden dan die van hun geslacht:
+op iedere bruiloft pleegt de geheele stam te vergaderen«. Bovendien was
+reeds op andere wijze van de naderende bruiloft kond gedaan. Een knecht
+met een ruiker op zijn borst was met een slede, door een versierd paard
+getrokken, bij vrienden en kennissen eene zoete lading gaan rondbrengen
+van bruidssuikers, in zilverpapieren zakjes, met roode en groene linten
+dichtgebonden, en van de bruidstranen, den hipocras, gekruiden wijn in
+flesschen, van fijn mandewerk omvlochten.
+
+Op eene 18de-eeuwsche kinderprent (verzameling van Dr. Boekenoogen)
+ziet men zulk eene slede afgebeeld met den knecht, die de lekkernijen
+aanreikt en de fooi in ontvangst neemt, waaronder dit rijmpje:
+
+ »Het lijkt u Jan dus rond te rijden
+ Met Ipocras bij manden vol,
+ Catrijntje mag het ook wel lijden,
+ De meid is naar 't verval al dol.«
+
+Ook de apotheker, die den drank leverde, had er een zoet winstje aan.
+Wanneer men huwelijksaankondigingen is gaan rondzenden, kan ik niet
+zeggen, denkelijk sinds de helft der 18de eeuw, ook heb ik er geene
+onder de oogen gehad. Over Duitsche heeft onlangs Walter von Zuwesten
+ons verteld in »Von Fels zum Meer« met afbeeldingen. Zeer fraai was de
+huwelijksaankondiging (September 1839) van den Düsseldorfer schilder
+Adolf Schrödter en de bloemenschilderes Alwine Heuser.
+
+De taak der speelnooten, twee bruidsjonkers en twee bruidsmeisjes, was
+bij de oude bruiloften veelomvattend. Zij leiden de feestelijkheden,
+plaatsen de gasten, zorgen voor de vertooningen en mogen niet schromen
+zelven vóór te gaan in dans en lied:
+
+ »Soete gespeeltjes,
+ Zijdelingen van de bruyd,
+ Nog éénmaal u held're keeltjes
+ Met de gasten opensluyt!«
+
+Zij waren het ook, die twee dagen vóór den trouwdag den zoeten arbeid
+van het palmknoopen verrichtten, zij vlochten de buigzame twijgen van
+den maagdenpalm met vergulde en verzilverde draden tot slingers inéén
+en wonden die om spiegels en luchters en kandelaars, om stoelen en
+kasten, onder gelach en ravotten en gulle kussen. Ook zorgden zij voor
+de bruiloftskroon, twee halve hoepels kruisgewijze over een heelen
+bevestigd, met roosmarijn en loovertjes omvlochten, met gekleurde
+waaiers en vlaggetjes, en in 't midden binnenin hingen zij een paar
+cupidootjes, of twee vereende rechterhanden, of een hart met pijlen,
+of een wieg--als onbeschroomde en onergerlijke uiting van wat ieder
+van het huwelijk hoopte. Zou het wiegje binnen enkele weken noodig zijn,
+dan bleef het versieren achterwege, of vlochten de buren--bij ruwer
+zeden--de kroon van stroo. Maar waar geen oneer dreigde, zaten bruid en
+bruidegom op den grooten dag aan den bruiloftsdisch in glorie onder hun
+kroon:
+
+ »Nogh is het niet genoegh; men hangt er groene kroonen
+ Daer haar het weerde pant sal aan den dis vertoonen,
+ De solder en de balk, de muren en het bed,
+ Zijn met gestreckte palm aan alle kant beset.«
+
+Het waren de bruidsmeisjes, die het bruidsvertrek in orde brachten,
+versierden en (naar de zeden des tijds), om den bruidegom te plagen,
+de beddelakens aan het bed vastnaaiden, of zijn plaats met harde
+erwtenschillen bestrooiden.
+
+Te platten lande zorgden hier en daar de vrouwen voor het hoofdkussen
+van dat bruidsbed, brachten de veeren er voor te zamen en werden dan op
+het veerenmaal onthaald. Wij noemen maar iets uit de veelheid der
+gebruiken. In de huwelijksgeschenken heerschte natuurlijk eene oneindige
+verscheidenheid, maar als vaste zinnebeelden waren er de bruidegomspijp,
+de kop met een altaar en vuur, of met harten, of een bruidspaar er in
+gebakken, een prachtige, met strikken versierde goudsche pijp, die
+zorgvuldig, als een soort van amulet, zal worden bewaard, en waaruit de
+man telken jare op zijn trouwdag rooken zal. Hier is ook de glazen
+huwelijksbokaal op zilveren voet, die bij den bruiloftsdisch zal
+rondgaan en waaruit later, bij plechtige gelegenheden het echtpaar
+drinken zal.
+
+Allen kennen wij voorts nog die sierlijke, zilveren trouwkistjes, waarin
+de medaljes bewaard werden, bij gelegenheid van het huwelijk geslagen,
+met toepasselijke afbeeldingen en spreuken.
+
+Zoo breekt de trouwdag aan. Elke dag was toegestaan. Zeer gebruikelijk
+was de Zondag, na de middagpredikatie, omdat anders de feesten aan die
+beurt schade zouden doen. Dat men op de hooge feestdagen trouwde, vond
+geene algemeene goedkeuring; volstrekt verboden waren de vasten- en
+biddagen. Zegt niet de profeet Joël: »Bepaalt een vastendag, kondigt
+een heiligen dag af.. verlate de bruidegom zijne kamer, de bruid haar
+slaapvertrek.«
+
+De Zondag was in den aanvang ongewenscht, in Groningen nog in de 17de
+eeuw verboden, in de 18de ook daar toegestaan. Een Groningsch predikant
+teekende 19 April 1750 in zijn dagboek aan: »heden heb ik in de
+vroegpredikatie getrouwd Mons. Havinga en nigtje Radijs«. En 19 April
+viel in dat jaar op Zondag. Maandag en Vrijdag waren voor het lager
+geloof ongeluksdagen.
+
+[Illustratie: Rubens' bruid, Hélène Fourment in bruidskleed.
+
+ Naar een schilderij van Rubens.]
+
+Toen onze stadhouder Willem V in October 1767 met Frederika van Pruisen
+trouwen zou, wilde haar oom, Frederik de Groote, niet dat het op een
+Maandag geschieden zou, zeggende: »nur nicht am Montag, denn diese
+Tag ist nicht gunstig, nur wenigstens habe ich an einem Montag eine
+Bataille verloren«, dus werd het 4 October, een Zondag.
+
+Op den vastgestelden dag dan kwam de bruidegom de bruid afhalen. Zij was
+door de bruidsmeisjes gekleed en droeg het bruidskroontje, in de 17de
+eeuw op de loshangende, in 18de op de gekapte haren... maar voor 't
+overige wagen wij ons niet aan eene beschrijving van het bruidstoilet
+in zijne wisselende vormen, in elk gewest, in elken tijd verschillend,
+afhankelijk ook van den godsdienst, door de bruid beleden en natuurlijk
+ook van haar stand en vermogen.
+
+In de kunst kent ieder Rubens' portret van zijne tweede vrouw, Helena
+Fourment, in bruidstooi (1630) en nog eerder Rembrandts »Joodsche
+bruidje« (1668) in het Rijksmuseum, volgens velen niet eene »joodsche«
+bruid, maar Rembrandts zoon Titus met Magdalena van Loo, terwijl anderen
+denken aan een vader, die zijne dochter aan den bruidegom geeft; over
+de kleuren van welk stuk (»al de geestesweelde van zijne oneindig
+verdiepte kunst«) en over de houding der twee figuren Jan Veth zoo
+fraai geschreven heeft. In geen geval mag men uit dit stuk de wezenlijke
+kleeding eener joodsche bruid ten onzent opmaken: daartoe doet men beter
+de prenten te bezien in de gelijktijdige werken over »De kerkzeden en
+gewoonten der hedendaagsche jooden« of eene »Schoole der jooden« en
+dergelijke.
+
+Even verschillend natuurlijk was de wijze, waarop het paar zich ter
+kerke of ten raadhuize begaf. Bij deftige Amsterdammers in de 18de
+eeuw bestrooien kinderen hen bij het buitentreden met bloemen en
+groen, daarna gaan zij in de slede en de familie volgt in karossen. De
+overheid, altijd er op bedacht de weelde bij bruiloften te beteugelen
+of, zoo haar dit al niet gelukte (wat nooit het geval was), er althans
+voordeel uit te trekken, vroeg voor ééne karos, ten bate van het
+Aalmoezeniershuis, f25, hing ze in riemen f100, voor eene slede f2.50,
+voor twee f6.30.
+
+Bij het wegrijden strooiden de bruidsjonkers suikergoed onder de
+toegestroomde schare, en niemand minder dan Constantijn Huygens vertelt
+ons, dat, toen zijne dochter Susanna 20 April 1660 trouwde met Philips
+Doublet, heer van St. Anna-land, dit suikerstrooien geschiedde »en telle
+abondance que vous eussiez dit d'un orage de gresle, où l'on vit coups
+de poing donnez pour le butin, femmes décoiffées, filles culbutées et
+autres bouleversements estranges, le sexe à cotillon ne se souciant peu
+de ce qu'on luy faisoit, pourveu qu'il attrapast quelque poignée de
+sucre«. Dikwijls ging de stoet ook te water, te Leiden b.v. deed men
+in de 18de eeuw in een groot tentjacht »een toertje door de frissche
+gragten der stad om van boord ter kerke te gaan«. Van die jachten waren
+er vele, en de stadsregeering vroeg van elk »speelschuitje« f2.50 voor
+het Armewees- en kinderhuis. Thans zijn ze, met de frissche grachten,
+verdwenen.
+
+Bij welvarende boeren ging men in sjeesen, voorop de bruidssjees, de
+bruidegom hield de teugels en de versierde zweep in de hand, de bruid
+strooide uit een volle mand suikergoed en daarachter volgde de lange rij
+der gasten: eene blijde cavalcade, vol van kleur en leven. Dit is nog
+niet geheel uitgestorven.
+
+Maar meest ging in de dorpen de optocht te voet en het was dán, gelijk
+natuurlijk is, dat de taaiheid van oude gebruiken zich openbaarde.
+In Drenthe ging de bruidegom met zijne verwanten naar het huis der
+bruid, vroeg haar buiten te komen en daarna toog de blijde stoet,
+soms de speellui voorop, ter kerke. Het is geheel de Oudgermaansche
+bruidsopeisching, op haar beurt weder herinnering aan den vrouwenroof.
+In Noordholland begaven bruidegom en bruid zich na den trouw ieder weêr
+naar eigen huis. Dan toog de bruidegom naar de herberg en zond vandaar
+enkele vrienden om de bruid te halen. Zij kwam... maar vóór haar uit
+droegen hare gespelen allerlei spijs en drank: teeken, dat zij niet
+van honger en dorst haar ouders huis verliet. Vooral vertoont dat oude
+zich in het vangen, het schutten der bruid, dat wij kennen uit Brabant,
+Limburg, Drenthe, Arnhem, Rijnland, het spannen van een lijn, het leggen
+van een balk over den weg, beletsel, dat dan voor eene kleinigheid werd
+afgekocht.
+
+Is dit een overblijfsel uit den tijd, dat het trouwen van een vrije
+met eene lijfeigene werd tegengegaan? Aldus sommigen. Maar evenzeer
+mag men denken aan den tegenstand, den vrouwenroover geboden. Al het
+genoemde vormt daarvan de nog maar weinig samenhangende overblijfsels.
+Maar de Oudromeinsche huwelijksplechtigheid bewaarde nog tal van
+die schijndaden van geweld, het wegvoeren van de bruid uit het huis
+harer ouders, men ontrukt haar aan de armen harer moeder, men voert
+haar, luidschreeuwende, weg. Bij het huis des bruidegoms tillen de
+vrienden haar over den drempel: laatste herinnering aan het rooven.
+Ook de bruiloftsliederen wezen daarop, en de fakkels, door de
+bruidegomsvrienden gedragen, herinnerden aan den nacht, waarin men
+immers op roof uitgaat.
+
+Van deze »wegvoering naar het huis (des bruidegoms)« bewaren ook onze
+gebruiken de sporen, men verstopt de bruid, men vindt haar, men eischt
+haar op, men brengt haar in triomf naar hare nieuwe woning, men tracht
+de roof te verhinderen.
+
+ »Het schijnt alsof de maeght een krijghsgevangen waer«,
+
+rijmt Cats en dit was niet ver van de oude waarheid, gelijk ook later:
+
+ »Wegh met dat oude vuyl! In Zeeland is de bruydt
+ Geen ruyters eygen slaaf, geen rovers eygen buyt«.
+
+Maar de bruidsgang naar de kerk bewaart nog andere overoude
+herinneringen. In 1610 klaagden enkele leden ter synode van Appingedam,
+dat »bij copulatie van eheluden einer mith einem blothem schwerde
+vorahntrede.« Drie eeuwen vroeger, 1327, hadden die van den gerechte in
+datzelfde Appingedam uitdrukkelijk bepaald, dat de naaste bloedverwant
+der bruid de aangewezen man was, om met het uitgetogen, blanke zwaard
+vóór den stoet uit te gaan. Ziehier (bijna schreef ik: in levende
+lijve) het Oudgermaansche (bepaaldelijk Oudfriesche) huwelijkszwaard,
+»aeftswird«, waarvan weder Jacob Grimm ons leert: »Die friesen trugen
+der braut ein schwert vor zum zeichen, dasz der mann gewalt über ihr
+leben habe«. Oude Friesche kronieken vertellen ons hetzelfde: de
+zwaarddrager houdt het zwaard voor de deur der echtelijke woning en
+daaronder door treedt de bruid het huis binnen. In geval van overspel
+zal haar man haar met dat zwaard mogen dooden. Dat wist ook Kiliaan,
+toen hij in zijn beroemd woordenboek (1598) schreef: »Sweerdhouder, sax.
+fris. sicamb. bruydleyder, paranymphus, agnatus sponsi proximus« (d. i.
+naaste verwant van den bruidegom), in dit laatste dus verschillend van
+de Appingedammer wetten, die het zwaard, zagen wij, door den broeder der
+bruid lieten dragen. Overigens--de 17de-eeuwsche dorpelingen, over wie
+de kerkvergadering van Appingedam zich bezwaard gevoelde, waren zeker
+het rechtssymbool vergeten en droegen hun zwaard vóór de bruid uit,
+omdat dit altijd zoo gebeurd was, met die taaiheid van volksgebruiken,
+die ons zooveel uit eene lang ten onder gegane gedachtenwereld bewaard
+heeft. Wij moeten daarvan nog een treffend voorbeeld geven.
+
+Uit datzelfde Groningen en uit Drenthe weten wij, dat, althans nog in
+den aanvang der 17de eeuw, het gewoonte was »bij den kerckganck van
+brüdt ende brödegam den brudigam tho schlahen«, of ook, met eene kleine
+wijziging, hem te slaan »nae die copulatie« of ook »in der kercke
+wanneer eluyden worden gecopuleert«. Dit »brüdegomslahen« (soms is
+het de bruid, die onder het gaan van de kerk naar huis met geschilde
+berketakjes geslagen wordt) geschiedt nog heden in Westfalen, in
+den Oberpaltz, bij de Letto-Slaven, Rabelais vertelt ervan in zijn
+»Pantagruel« en zoo doet ook Olaus Magnus, de bisschop van Upsala, de
+geograaf, een tijdgenoot van Luther. Maar wat beteekent het? Heeft Kuhn
+gelijk, als hij zegt, dat de bruidegom moest voelen wat slagen zijn,
+opdat hij later zijne vrouw sparen zou? Veeleer (heeft Mannhardt
+ons doen zien) hebben wij hier een spoor van die oud-animistische
+wijsbegeerte, die leerde dat er booze geesten in den bruidegom konden
+huizen, die hem in den bruidsnacht ongeschikt tot de copula konden maken
+en dus vooraf met slagen verdreven moesten worden. Daarvan wisten de
+Groningers en Drenthen in de dagen van prins Maurits niets meer, maar
+zij sloegen den bruidegom onder den, hùn onbewusten, invloed van lang
+verdwenen, in gebruiken voortlevende, denkbeelden.
+
+ * * * * *
+
+Maar thans is de bruidsstoet aangekomen, laat ons eerst zeggen, bij de
+gereformeerde kerk. Hoe kwam daar nu het huwelijk tot stand? Hoe werd de
+verloving als een »aangevangen vereeniging« tot een »volslagen
+huwelijk«?
+
+Aanvankelijk, bij de onzelfstandigheid der vrouw naar Germaansch recht,
+trad bij den kerkelijken trouw de priester op als vertegenwoordiger van
+het meisje en gaf de bruid aan den bruidegom. Langzamerhand trad nu die
+voorstelling van de onzelfstandigheid der vrouw terug en dus ook het
+besef, dat, zoo er iemand moest gegeven worden, het de vrouw zijn moest.
+In plaats daarvan kwam nu de meening, dat beide echtgenooten gegeven
+worden aan elkander door den priester. De priester copuleerde hen,
+voegde hen te zamen, wat dan overeenkwam met zijn functie volgens
+kanoniek recht, hij reikt den ring, hoort de gelofte, zegt de gebeden
+en houdt de aanspraak en bindt te zamen. Hier is b.v. het formulier
+waarmede »op manendach post thome anno 1534« een pastoor het huwelijk
+van zekeren Claes Dirricks sloot: »Soe bynde ick u tsamen mytten bandt
+daer Godt Adam jnd Eva myt bande.«
+
+Het »trouwen door den paap« maakte dus op kanoniek standpunt het
+wettig huwelijk. Daarop slaat het weinig stichtelijke, Amsterdamsche
+straatliedje, dat bij de nadering van het Paaschfeest en na afloop der
+Dommelde metten (nachtofficie op Woensdag, Donderdag en Vrijdag van de
+Goede week) door den hondenslager en de schooljongens, nog kort vóór de
+Hervorming bij beurtzang aangeheven werd. Lelong heeft het ons echter
+niet geheel ongerept, denk ik, overgeleverd. De kerkedienaar begaf zich
+met zijn ratel, vergezeld van een groot aantal schooljongens, ook met
+ratels, op straat; voor de huizen der aanzienlijke poorters stonden zij
+stil, waarop de man riep:
+
+ »Zijt gij allegader hier?« »Ja!«
+ »Moecht gij wel goedt Hamburger bier?« »Ja!«
+ »Heeft de paap uw moeder getrouwt?« »Ja!«
+ »Zijt gij al te samen hoerekinderen?« »Neen!«
+
+Man en jongens ontvingen als loon een pint bier, dat zij uit hun mutsen
+opdronken.
+
+Het ligt nu voor de hand te meenen, dat bij de nieuwe bedeeling
+predikant en magistraat in de rechten des priesters traden en dus het
+huwelijk sloten, dat hun eene actieve, huwelijkscheppende rol werd
+toebedeeld. Maar, zegt prof. Fockema Andreae, »ik houd dat voor niet
+meer dan schijn«. De predikant treedt volgens de hervormde formulieren
+nimmer in die rol op, toch is het huwelijk voor den predikant overal
+rechtskrachtig. Attestatiën van gesloten huwelijken, door hem afgegeven
+(eene synode van Den Briel anno 1593 zegt het zeer juist), zijn
+officiëel, daar zij door een publiek persoon zijn gegeven over wat
+op eene publieke plaats verricht is. Zulke attestatiën werden dan ook
+door de Hoven aangenomen. Goed gereformeerd zeide reeds in 1566 de
+Rotterdamsche predikant Adr. Damman na de voltrekking van een huwelijk,
+dat het »bij hen geen sacrament werd geacht, maar eene belofte, die de
+contrahenten elkander doen«.
+
+Was het nu aldus bij de kerk, is het dan denkbaar, dat men voor het
+burgerlijk huwelijk, waaraan men dezelfde rechtsgeldigheid verleende,
+een samengeven _door_ den magistraat zou hebben geëischt, dat de kerk
+niet vorderde? Neen, predikant en magistraat schiepen niet door hunne
+handeling het huwelijk: partijen solemniseeren hun huwelijk zelven voor
+de gemeente of voor schepenen, waarvan akte gegeven wordt. Dit geldt van
+alle provinciën.
+
+In de onderscheiden in gebruik zijnde formulieren heerscht echter door
+slordige woordkeuze soms verwarring. Niet in het kerkelijke. Ook hier
+heeft de Dordtsche synode uniformiteit gebracht. In de 178ste zitting
+der (na)synode, 28 Mei 1619, besloten de leden, dat de »Nederlantsche
+liturgie, waarin begrepen sijn de publijcke gebeden en de formulieren
+van de bedieninghe der sacramenten, oeffeninghe der kerckelijcke
+discipline, bevestinghe der kerckendienaren ende insegheninghe des
+huwelijckx sal worden oversijen.« Dit is ook geschied, maar voor eene
+officiëele uitgave hebben zij niet gezorgd. Ten grondslag legden zij den
+tekst der Zeeuwsche kerk van 1611, terwijl eene uitgave, bezorgd door de
+Zuidhollandsche van 1737, zeer gebruikelijk is geworden.
+
+In het formulier dan »om den houwelicken staet voor de gemeente Christi
+te bevestigen« luidt het: »Overmits den gehouwden gemeynlick velerhande
+tegenspoet ende kruys van wegen de sonde is toekomende; opdat gij N.
+ende N., die uwe echtelicke verbindinge in Godts name opentlick alhier
+in de kercke wilt laten bevestigen, oock in uwe herten versekert
+zijn meugt van de gewisse hulpe Godts in uwen kruyce...« volgt eene
+uiteenzetting van het doel des huwelijks, daarna stelt de dienaar de
+vragen, waarin o. a.: »Bekent gij voor Godt en dese gemeynte, dat gij
+genomen hebt ende neemt tot uwe wettelicke huysvrouwe...« en desgelijks
+tot de bruid: ... »dat gij genomen hebt ende neemt...« en eindelijk
+geeft hij den zegen: »De Vader der barmhertigheydt, die u door sijne
+genade tot desen heyligen staet des houwelicks beroepen heeft, verbinde
+u met rechte liefde ende trouwe ende geve u sijnen segen«.
+
+Het is duidelijk: het is de bevestiging van wat beide partijen ten
+opzichte van elkander willen. De predikant neemt voor Gods aangezicht
+akte van wat partijen elkander beloven en roept daarover Gods zegen in.
+
+Thans laat ik enkele burgerlijke formulieren volgen. Te Amsterdam
+geschiedde de trouw voor twee schepenen, van wie de voorzittende schepen
+vroeg (de opgave is van 1658), nadat bruid en bruidegom elkander de hand
+hadden gegeven: »»Gij A.A. bekent aengenomen te hebben tot uwe wettige
+huysvrouwe B.B.? ende gij B.B. bekent aengenomen te hebben tot u wettige
+man, huysheer ende vooght A.A.?« Beyde geantwoort hebbende: ja, seyt
+wijders aldus: »Ende belooft malcander aen wedersijden getrouw te sijn
+en als echte man en wijff eerlick ende godsalichlick na des Heeren
+insettinge te leven, totdat u de doot scheyden sal?« Weder geantwoort
+hebbende: ja, seit dan nogh: »De Heere segene u huwelick. Gedenkt den
+armen.««
+
+Men ziet, in dit formulier, gebruikt bij den trouw van
+niet-gereformeerden, is evenmin van huwelijksschepping _door_ den
+magistraat sprake: partijen bekennen elkander aangenomen te hebben.
+De schepen neemt daarvan akte en zegt: »de Heer zegene uw huwelijk.«
+
+Te Kampen had het formulier voor den trouw ten raadhuize den volgenden
+inhoud (1658, vernieuwd 1664): »Gij bruidegom ende bruid... verklaert
+gij... met uwen vrien wille malkanderen met hande ende monde
+trouwbeloften te hebben gedaan... om malkander trouwe te houden als
+wettige man en wijff, in eendragt, minne en liefde met den anderen
+te leeven nae instellinge des Heeren en het uytwijsen van sijn heylig
+woord, alles met hulpe van den Heere, sonder wijns genadige bijstant
+wij het allerminste niet en vermogen?« Antwoord: Ja. »So wil dan God
+almagtig ul. in desen egtenstaat segenen en u verbinden met regte liefde
+en trouwe. Gaet in vrede!« Hetzelfde formulier gebruikte men ook te
+Deventer. Ook hier hetzelfde beginsel, gelijk het mede is neêrgelegd in
+het advies der Hoven omtrent de staatskerkorde van 1601, waarin deze
+verklaring: »Op huiden zijn voor schepenen van... gekomen en verschenen
+N. N. als bruidegom ter eene en N. N. als bruid ter andere zijde...
+gevende hij haar zijne mannelijke trouwe... en wederom zij hem hare
+vrouwelijke trouwe... Tot al hetwelk zij Godt almagtigh tot een getuige
+aangeroepen en gebeden hebben. Aldus gedaan bij schepenen...«
+
+Echter zijn er ook ordonnantiën op dit punt, waarin sprake is van »sich
+laten copuleeren«, zich laten »thosamen geven und conjugeren« door den
+predikant, maar men was weinig zorgvuldig in zijn woordenkeus, als in
+Zwolle, waar in één stuk sprake is van trouwen _door_ een predikant en
+_voor_ schepenen. Wezenlijk heeft overal gegolden: partijen geven zich
+aan elkander, predikant of schepenen scheppen niet het huwelijk.
+
+Omtrent die burgerlijke formulieren nog een woord. De hervormde kerk
+achtte het onbetamelijk, dat sommige secretarissen ten stadhuize het
+formulier voorlazen 't zij uit de liturgie der hervormden, 't zij
+uit die der lutherschen. Ja er waren schepenen of schouten, die een
+gebed uitspraken, die den zegen gaven, waartegen de kerk altijd heeft
+geprotesteerd. Waarom? Was zij naijverig op wat haar alleen toekwam?
+Wilde zij het huwelijk ten stadhuize neutraal houden?
+
+[Illustratie: Een huwelijksvoltrekking in een gereformeerde kerk.
+
+ Naar een prent van Bernard Picard.]
+
+De trouw in de hervormde kerk geschiedde nu gemeenlijk als volgt,
+waarbij, wat de versiering aangaat, de gegoedheid van partijen
+natuurlijk verschil maakte. Of in het koor, of in het doophek, of
+daarvóór in het midden der kerk lag een tapijt, stonden armstoelen en
+taboeretten, de poort van het doophek was vaak met groen versierd en
+in de tweede helft der 18de eeuw, de dagen der hooge kapsels, was het
+voor vele dames een zwaar stuk onder die poort door te gaan. Onder
+psalmgezang trad de staatsie (wij vertellen hier Schotel na) binnen,
+de leeraar beklom den kansel en las het straksgenoemde formulier. Dan
+liet hij bruidegom en bruid elkander de rechterhand der trouw geven en
+stelde de vragen, over het neergeknielde paar sprak hij dan den zegen
+uit, waarna het gebed volgde. Onder het gezang werd gecollecteerd.
+Daarna begaf zich de stoet, waarbij thans de man de hoogerhand had, naar
+de consistoriekamer, waar men ververschingen gebruikte. Dit was de trouw
+op zijn deftigst. Maar zeer dikwijls ging het minder statig toe, als de
+bruiloftsgasten zich niet ontzagen pratend en joelend de kerk binnen te
+treden.
+
+Alleen geordende predikanten mochten den dienst leiden. Toch kwam
+het voor, dat proponenten het deden, gelijk bij het huwelijk van
+Willem Albert van Hout en Antonia Magdalena van Breda te Hoeven
+gem. Oudenbosch, 22 Juli 1787, dat door den proponent J. M. Visser
+werd ingezegend. In Utrecht echter was dit werk ook aan proponenten
+toegestaan. Te Leiden schijnen soms zelfs voorzangers zich de inzegening
+te hebben aangematigd. De kosten waren natuurlijk afhankelijk van den
+stand van het bruidspaar, van de plaats en van de vraag, of de trouw op
+gewonen of buitengewonen tijd geschiedde. In 1788 kostte te De Bildt
+zulk eene extra-inzegening 2 dukaten aan de armen (de gouden dukaat deed
+ongeveer f5.50), tabak en pijpen, 12 flesschen malaga met een schotel
+best banket aan den kerkeraad, ½ anker wijn aan den predikant, f3 aan
+den koster.
+
+Als een voorbeeld van huwelijksinzegening in eene hervormde gemeente in
+het buitenland geven wij die in de beroemde, reeds vroeger vermelde,
+Hollandsche kerk te Londen, die ook voor deze liturgische handelingen
+zooveel heeft gedaan en voor wie Maarten Micron reeds in 1554 zijne
+»Christlicke Ordinanciën« opstelde, waarin ook »Van de ceremonie
+des huywelicx«. Nadat het paar in de trouwboeken was ingeschreven
+(ze beginnen in 1571: »Hier achtervolgen die namen der gheener die
+onser Nederduytscher gemeinte getrouwet zijne«) en de drie Zondagsche
+proclamatiën waren »uutgheropen«, had de bevestiging op den volgenden
+Zondag in den morgendienst plaats, in diezelfde prachtige kerk in
+Austin-friars, waar thans nog de gemeente samenkomt.
+
+De dienaar hield eene toespraak over het huwelijk, wees het bruidspaar
+op zijne verplichtingen en deed de vragen. Daarna legde hij hunne
+rechterhanden inéén en sprak: »God Almachtich, die u tot den huywelicken
+staet gheropen heeft, binde u te samen met den bandt der warachtigher
+liefden, opdat gij u gansche leven de groote verborghen eenicheit
+Christi ende sijnder ghemeinten uitdrucken moecht, ende wille u
+vermeerderen, ter eeren sijns naems ende uwer sielen salicheit doer
+denselven Christum Jesum. Amen.«
+
+Naar aanleiding van Matth. XIX sprak de predikant dan nog over de vaste
+onverbrekelijkheid van den huwelijksband, en de gemeente, bij monde van
+den dienaar, zegende het neêrgeknielde paar: »God wil u vruchtbaer maken
+ende ghenade gheven uwe kinderen, die hem sal believen u te gheven op te
+voeden, door leeringe ende straffinghe des Heeren. God blijve met u ende
+met ons allen.« Met psalmgezang eindigde de plechtigheid.
+
+Hoezeer wij bij ons onderwerp telkens verdacht moeten zijn op
+plaatselijke afwijkingen leert ons de huwelijksinzegening op Ameland,
+waarvan ik daarom met een enkel woord melding maak. Dit merkwaardige
+eiland was staatkundig onafhankelijk (in den 80-jarigen oorlog sluit
+het een verbond van neutraliteit met de Republiek en met Spanje) en
+even onafhankelijk was de gereformeerde kerk, eene naar inrichting en
+bestuur op zich zelve staande gemeenschap. Vandaar op Ameland groote
+verdraagzaamheid tegenover dissenters. De doopsgezinde leeraren mochten
+huwelijken voltrekken, maar alleen tusschen leden hunner eigen gemeente.
+De hervormde predikanten deden het, als bruidegom en bruid (of een van
+beiden) ongedoopt, hervormd of van eene andere doopsgezinde gemeente
+waren.
+
+Op Terschelling viel de magistraat de doopsgezinden lastig over hunne
+huwelijksinzegening, maar Gedeputeerde Staten van Friesland stelden
+hen in 't gelijk (19 Juni 1623), zoodat zij op dat eiland schijnen te
+hebben mogen doen, wat elders ongeoorloofd was, gelijk nog eens, in 1676,
+door acte van een Harlingschen notaris, de geldigheid der doopsgezinde
+huwelijksinzegening wordt bekrachtigd, d. i. dus van de door een
+doopsgezind leeraar afgegeven attestatie. Het eene gewest, de eene
+stad begunstigde de doopsgezinden meer dan de andere, zoodat het aan
+sommige gemeenten vrijstond om de huwelijken in haar eigen vergadering
+te sluiten, maar dit aan andere weder werd geweigerd. Ook schijnen de
+doopsgezinden op Terschelling, na hunne inzegening, ten stadhuize
+ingeschreven te zijn geworden. Trouwens ook in Holland heerschte
+er te dezen opzichte nog geen vaste regel en vandaar klachten over
+moeielijkheden hun in den weg gelegd, wat toch vaak slechts gehoorzamen
+was aan eene ordonnantie.
+
+ * * * * *
+
+Voor het katholieke deel der bevolking ontstonden er groote
+moeielijkheden uit de bepaling, dat geen huwelijk wettig zou zijn
+tenzij voor predikant of schepenen gesloten. Hier bracht wetsontduiking
+uitermate verwarde toestanden, toch al verward genoeg. Vooreerst kwam
+het voor, dat hervormden, om in verboden graad te kunnen trouwen of het
+consent der ouders niet kunnende erlangen, zich door pastoors lieten
+trouwen, in den waan nog bovendien, dat dit huwelijk wettig was.
+
+In 's-Hertogenbosch kwam het voor, zooals de hervormde kerkeraad in 1632
+aan de »militaire en de politijcke collegiën« klaagt, dat soldaten, die
+»met bossche vrouwspersonen comen te trouwen, gaen, om haere bruydts te
+gelieven eerst trouwen bij de papen ende comen daerna trouwen in de
+kercke«.
+
+Het was noodig, al verder, te bepalen, dat al had iemand zijne geboden
+voor een priester laten gaan, hij toch in de hervormde kerk trouwen
+moest en dat (omgekeerd), al waren de proclamatiën bij predikant of
+magistraat gegaan, het huwelijk voor den priester nochtans onwettig was.
+
+Eindelijk (het ligt voor de hand), bij de herhaalde wetsontduiking
+wat aangaat de sluiting zelve des huwelijks, werd er ook met andere
+voorschriften de hand gelicht, zoodat wij b.v. hooren klagen, dat de
+priesters in het markiezaat van Bergen op Zoom personen trouwen, die
+zij nooit zagen, zonder voorafgaande geboden, zonder oudrenconsent.
+De wetten, te dezen door H.H. Magistraten voor de generaliteitslanden
+gegeven, zijn mede een deel van hunne politiek tegen deze gewesten, die
+met harde hand, naar hun oordeel, moesten worden geregeerd.
+
+Een plakkaat van 8 April 1644 verbood roomsche priesters, die nog in
+Brabant werden geduld, lieden in ondertrouw op te nemen, ook al zouden
+zij niet van plan zijn het huwelijk zelf te sluiten. Aan die van Hulst
+en Hulster-Ambacht gaven de Alg. Staten, 31 December 1647, nog eens
+expresselijk te kennen, dat, als zij buiten de publieke kerk wilden
+trouwen (want dit mochten zij overal) hun huwelijk, na drie voorafgaande
+Zondaagsche proclamatiën, bij klokslag te doen, moest worden voltrokken
+voor (een burgemeester met) twee schepenen en secretaris, terwijl elk
+ander huwelijk onwettig zou zijn.
+
+In de landen van Overmaze (Valkenburg, Dalhem, 's-Hertogenrade) was
+1632, na de verovering van Maastricht, de gereformeerde religie
+ingevoerd, tijdelijk onderbroken door de herovering in 1635. Na den
+Munsterschen vrede verbande de regeering »alle praetense geestelijke
+personen« en in 1656 maakte ook daar het Echtreglement het huwelijk
+politiek. Toen nu bij den vrede van Nijmegen in 1678 de uitoefening van
+den katholieken godsdienst werd toegestaan, waanden die van de landen
+van Overmaze, begrijpelijkerwijze, dat nu ook het huwelijk weêr
+kerkelijk was geworden, waan, waaraan toen eene resolutie van 21
+Augustus 1683 een einde maakte.
+
+Voorzoover de roomschen in de generaliteitslanden dicht genoeg bij de
+frontieren woonden, lieten zij de plechtigheden van huwelijk (en doop)
+over de grenzen geschieden. De anderen moesten zich onderwerpen en
+overtraden de wet, als zij konden.
+
+Er is menig hard woord gezegd over deze en dergelijke maatregelen
+in de generaliteitslanden. Tot de geschiedkundige verklaring ervan
+bedenke men, dat de roomsche bevolking in de grenslanden voortdurend
+onbetrouwbaar bleek en groot gevaar opleverde voor de veiligheid der
+Republiek. Het ergste was, dat waar de schout ontbrak, het wettig
+huwelijk diende gesloten voor den predikant. Dit was hatelijk. »Nos
+pères«, zegt een hedendaagsch katholiek, »ont du se résigner alors à se
+faire marier devant le ministre protestant avant de se presenter devant
+leur curé. Ils durent passer du temple réformé à l'église catholique
+comme de nos jours on passe de la mairie à l'église«.
+
+Ook hier worde weêr bedacht, dat deze predikanten louter optraden als
+ambtenaren van den burgerlijken stand, dat zij in dat opzicht orde
+hebben gebracht in de nu getrouw bijgehouden huwelijksregisters--en dat
+zij, in zoo vijandige omgeving en met zulk eene taak, ook niet voor hun
+genoegen in de wereld waren. Daarvan is eene geschiedenis als van ds.
+Paulus Arleboutius te Tilburg (1633), een uiterst leerzaam en tegelijk
+schilderachtig voorbeeld.
+
+Eindelijk--het blijkt duidelijk, dat de katholieken toch ook de
+officiëele inschrijving wel op prijs stelden. In de Roermondsche
+trouwboeken (1632-1637, jaren, waarin die stad Staatsch was) komen de
+namen voor van tal van roomsche officieren: zij hebben daaraan als
+maatregel van burgerlijke wettigheid waarde gehecht.
+
+Keeren wij thans tot het algemeene terug, dan rest ons nog te vermelden,
+dat niet zonder reden de kerk het trouwen voor den magistraat verdacht.
+Het staat zoo onschuldig in het trouwboek te Vianen op 20 Juli 1604:
+»Compareerden joncker Balthasar van der Vecht en jonckvrouwe Theodora
+van Weer en hebben, na voorgaande geboden, voor den stadhuyse alhier
+gedaen, malcanderen bij desen getrouwt ende beloeven de een den
+anderen nyet te verlaten volgens Godts inzetten. Actum voor Michiel van
+Riemsdijk en Willem Pijll, schepenen.« Dat »hebben malcanderen getrouwt«
+is (wij zagen het) naar het juiste beginsel. Maar overigens--Vianen
+had, zoomin als Kuylenburg, een goeden naam, het waren wel-aangename
+vluchthavens voor velerlei soort van avonturiers, die daar gemeenlijk
+vriendelijke herberg en hartelijke ontvangst vonden. De magistraat zag
+er niet zoo nauw, ook waar het een huwelijk gold.
+
+En dit geldt waarlijk ook buiten Vianen. Het gelukte al te vaak eene
+overeenkomst te treffen, als het met verboden graden of getuigenissen
+van vrijigheid niet in orde was, en trouwlustigen, die wat op hun
+geweten hadden, konden voor klinkende munt al te lastig onderzoek
+afkoopen. Geldzucht (heeft Fruin eens gezegd) was de groote zonde van
+den tijd, en tal van schouten waren helaas omkoopbaar. Wat wonder,
+dat de predikanten, die op dit punt zuiver van wandel waren, dat
+trouwen voor den schout soms niet vertrouwden? Gelijk zij evenmin konden
+toestaan, dat wie anders wel in de kerk kwamen, op 't stadhuis trouwden:
+het was een »misbruijck der ordonnantie van de policye«.
+
+Op den trouwdag werden de ringen veranderd. De vrijster draagt den
+(verlovings)ring aan den linkerringvinger, dikwijls ook aan den duim,
+na haar huwelijk aan rechtervinger of -duim. Zoo was het nog op 't
+einde der Republiek. Wij durven, om ons bestek, over trouwringen niet
+uitweiden, er zijn meesterwerken van kunst bij en sommige hebben een
+Europeeschen naam, zooals de »ring van Frangipani«, ± 1514, thans te
+Augsburg, met de ingegraveerde, bekoorlijke woorden »Myt wyllen dijn
+eygen«, ring, die misschien gedragen is door Christoffel, graaf van
+Frangipani bij zijn huwelijk met Apollonia von Wellenbrug en door H.
+Thode bezongen werd. Wie deze en enkele andere ringen wil afgebeeld
+zien, kan »Die Woche« 1913, S. 1913-1916 opslaan en er de toelichtingen
+van Willy Bauer bij lezen.
+
+ * * * * *
+
+Wanneer nu aldus bruidegom en bruid zich elkander in huwelijk gegeven
+hadden volgens wet en gewoonte, wachtte thuis het bruiloftsmaal.
+
+ »Daer twee geliefden trouwen
+ Met weêrzijds vrinden raad,
+ Daer mag bij 't bruyloft houwen
+ Wel zijn een blij gelaad...«,
+
+zagen wij vroeger.
+
+Bij aanzienlijken en gegoeden was de tafel prachtig versierd met
+bloemen, met slingers, met gekleurd zand ook kunstig bestrooid. De
+suikerbakkers wedijverden in het scheppen der kunstwerken, die den disch
+zouden versieren, jachtpartijen, zeeën met schepen, waranden met dieren,
+de Hof van Eden natuurlijk met Adam en Eva, welke laatste heerlijkheid
+Cats de vraag doet stellen:
+
+ »Waerom toch voor de bruyt een hof op tafel staat?«
+
+wat hij dan beantwoordt met eene bespiegeling over Hooglied IV, 12:
+»Mijne zuster, o bruid, gij zijt een besloten hof, eene beslotene wel,
+eene verzegelde fontein,« volgens zijne en de theologie zijner dagen
+alles zinnebeeld van het huwelijk tusschen Christus en zijne kerk,
+in waarheid--dit gansche Hooglied--eene verzameling Oudoostersche
+bruiloftsliederen, in verheerlijking der zinnelijke liefde gelijk, aan
+wat in zijn eigen dagen nog aan het bruiloftsmaal gezongen werd. De
+tafel boog door onder den last der gerechten, tegen de weelde waarvan,
+tegen het aantal gasten en schotels, de overheid wel door keur bij keur
+optrad, maar zonder veel gevolg, al moest, te Groningen, de bruidegom
+zelf ten stadhuize onder eede komen verklaren, dat op zijn feest naar
+die keuren was gehandeld.
+
+Maar de vaderen hadden gezonde magen (misschien zij het ons vergund
+te verwijzen, naar wat wij over hun eten en drinken schreven in »Het
+huiselijk en maatschappelijk leven onzer voorouders«, blz. 157-164) en
+op Susanna Huygens' bruiloft zaten de gasten vijf uren aan tafel te
+midden van »la senteur des viandes« en toen kon M. du Thou, de Fransche
+ambassadeur, het niet langer uithouden en moest noodig eens opstaan
+»pour se degourdir le jarret«. Ook de kerk heeft geijverd tegen den
+overdaad, de brasserijen en de verspilling bij de bruiloften, bij de
+schouten aangedrongen op maatregelen »om de ongeregeltheden, die in
+de landsbruyloften ommegaan te bekampen«. Dubbel erg dus, dat soms
+predikanten zelven het slechte voorbeeld gaven, zooals Franc. Pontanus,
+predikant te Odoorn, door »ongeregeltheiden, bi hem alhijr binnen Assen
+begangen als sijn bruloft gecelebreert werde« (1608).
+
+[Illustratie: Het Boerenbruiloftsmaal (16e eeuw).
+
+ Naar Peter Brueghel den Oude.]
+
+Van die bruiloftsliederen gesproken--gedicht en gezongen werd er
+bij het feest uit den treure. Huwelijken, klaagde reeds de groote
+hervormer Anastasius Veluanus (1554) »beginnen met gasterijen, onkuys
+dantssen und singen...« De gasten droegen de liederenboekjes bij zich,
+duodecimo-bundeltjes, vaak prachtig gebonden, met allersierlijkste
+slootjes en bevattende minne-, bruilofts- en drinkliederen op aangegeven
+wijs. De inhoud is zeer verscheiden, oude balladen en volksliederen,
+zooals het lied van de Soudaensdochter:
+
+ »Hoord toe al die vol liefde zijt,
+ Het lust mijn geest te zingen...«
+
+of »Het daghet in den Oosten«, of »Na Oostland wil ik vaaren«; dan
+verzen aan de beste dichters van den eigen tijd ontleend, soms deerlijk
+verminkt, goede en slechte, waarin onbeschroomd het mingenot bezongen
+wordt, dat zoo straks het bruidspaar wacht, of waarin de gasten tot
+zingen en kussen worden opgewekt, kussen, geen klein deel van der
+vaderen gulle bruiloftspret, »des coups de baiser«, zegt alweêr Huygens,
+»francs et bien appuyez, enfin baisers apostoliques et de bonne foy,
+qui firent un bruit dans la sale, comparable à celuy que les chartons
+d'Anvers et de Bruxelles font avec leurs fouets, quand quelque douzaine
+de charrettes enfile les premières rues«. Dan weer plotseling tusschen
+de dartelste minneliedjes in een geestelijk: »O kerstnacht schooner dan
+de dagen« of, zooals in het »Groot Hoorns liedeboeck« eene berijming van
+Spr. XXXI, eene rijmelarij uit het Hooglied:
+
+ »Wanneer zal hij mij kussen fijn,
+ Zelfs met de kus zijns monds divijn..«
+
+dan de psalmen 23, 33, 45, 100, 128 naar Datheen, het Onze Vader berijmd
+en (met doorloopende coupletten) het Ave Maria:
+
+ »Maria, vol van gratie,
+ Uw name groeten wij
+ Met groote jubilatie,
+ Zoo is de Heer met dij..«
+
+Deze liederen mag de lezer niet verwarren met de verzen, voor eene
+bepaalde bruiloft gedicht, door de grootsten onzer zangers of door de
+pooversten onzer poëtasters, de heerlijkste kunst dus of het ellendigst
+gerijmel, vrij uit het dichterlijk gemoed geweld of nagelbijtend op
+bestelling geleverd. Sommigen zijn gemeen, ook de beste dikwijls dartel,
+Vondel is af en toe van gloeienden hartstocht en bij Hooft slaat ook
+soms, zegt Kalff, »de vlam der gezonde zinnelijkheid uit«. Verbood ons
+bestek het ons niet, wij zouden gaarne van 't schoonste afschrijven,
+zooals van Vondel op de bruiloft van J. Linnich en Kathar. de Vries:
+
+ »Hoogste wijsheid, wiens beleid
+ D'eeuwigheid
+ Van het menschdom door het paren
+ Handhaaft, en met volle vreugd
+ Onze jeugd
+ Zegent onder 't zoet vergaren...«
+
+In deze liederen zijn, naar de mode van den tijd, Venus en Cupido de
+graag aangeroepen goden, die het genot der liefde smaken doen. Zijn er
+ten onzent ook geweest, die ze juist wilden weren als beschermers van
+de grofzinnelijke liefde, als in een bruiloftslied van Philip Sydney
+(1581):
+
+ »But thou, foul Cupid, sire to lawless lust,
+ Be thou far hence with thy empoisoned dart,
+ Which, though of glittering gold, shall here take rust,
+ Where simple love, which chastness doth impart,
+ Avoids thy hurtful art?«
+
+In den loop der jaren werden de bruiloftszangen gekuischter, verzwegen
+de zangers, wat niet meer gezegd worden mocht, en in 1824 zingt Spandaw
+in een »Echtzang«:
+
+ »Gij wacht hier, bruidegom, geen dartle minnezangen,
+ Geen cithertonen, waar Idalisch vuur in gloeit..«
+
+Maar Bilderdijk kon zich niet weerhouden, bij de bruiloft van Pieter N.
+en Celia V., van woordspelingen als:
+
+ »Pietercelie, roem der hoven
+ Ja gij watert ons den mond!
+ Laat vrij Pieter Celie stoven
+ Dat gerechtje is gezond.«
+
+De vroegere, zeer openhartige zinspelingen op het te wachten kroost zijn
+op 't einde onzer periode geworden tot een »toast aan een
+bruiloftsdisch« (van C. G. Withuys):
+
+ »'k Breng een toast aan 't eerste wiegje,
+ Bruidje bloos er maar niet om!
+ 't Eerste wiegje is bij gehuwden
+ Boven alles wellekom.«
+
+Wil men zich over deze grooter ingetogenheid verheugen, het is ook waar,
+dat oudtijds onze liederen nog in den volksmond leefden, waaruit ze
+thans, helaas, verdwenen zijn. De dienstmaagd in Asselijns »Saartje
+Jansz. of de gewaande dienstmaagd« zingt onder den arbeid een
+bruiloftslied op Tromp:
+
+ »Tsa trompen en trompetten
+ Blaas op een gouden toon,
+ Nu Tromp de oorlogswetten
+ Verlaat om Venus' zoon..«
+
+Omdat bruiloftsverzen somtijds hatelijke, politieke toespelingen
+bevatten, stonden zij hier en daar onder censuur, welke taak te
+Groningen was opgedragen aan den... Rector magnificus der hoogeschool!
+Tegen het al te losse, het soms gemeene erin verzette zich al wat
+puriteinsch dacht onder de vaderen. Kan het Gode aangenaam zijn, vroegen
+zij, als men de beginselen des huwelijks zoekt in die ijdele, afgodische
+namen en grillen van Venus, Cupido en ander duivels gespuis? Wordt niet
+door zulke venusdichten eene ontuchtige manier van spreken ingevoerd en
+de jonge jeugd schrikkelijk afgetrokken in hare vrijagiën? Het was beter
+deze lichte en dartele galmen, deze venusjes en voddekens, dit »singen
+en lollen van lichtveerdige en onkuysche liedekens« te vervangen »door
+geestelijcke en stichtelijcke propoosten«. Het was slechts jammer,
+dat zij, zooals zoo dikwijls, reeds kwaad zagen, waar wezenlijk was
+onergerlijke blijdschap aan het leven en zijne volheid en dat zij,
+zooals ook vaak, met het badwater ook het kind uitgoten.
+
+Jodocus van Lodenstein zat eens aan zekeren bruiloftsdisch en zorgde,
+dat men over tafel slechts hoorde »geestelijcke gezangen of gebeden of
+stichtelijcke redenen«. En toen Jacobus Arminius, toen nog predikant te
+Amsterdam, te Leiden de bruiloft vierde van Kuchlinus met zijne tante,
+voerde hij met zijn tafelbuurman, den uitnemenden hoogleeraar Franc.
+Junius, een druk gesprek over den val van Adam, de oorzaak, de manier
+waarop en de gevolgen van dien. Men kan niet nalaten te denken, dat dit
+toch wel het andere uiterste is.
+
+Op eene bruiloft werden vertooningen gedaan en even natuurlijk, dat er
+gedanst werd, die bevallige, die statige dansen, die thans vergeten
+zijn. Ook tegen dit dansen heeft de kerk zich altijd verzet, wederom
+zonder eenig onderscheid te maken tusschen het wezenlijk wulpsche en
+gemeene èn het sierlijke, losse, gracelijke van den onergerlijken dans.
+Eens is gansch Groningen in rep en roer geweest, omdat een ouderling
+op de bruiloft zijner dochter, het was in 1772, het gewaagd had met
+zijne dame en het jonge paar een menuet te dansen. Betje Wolff heeft
+het schrikkelijke geval vereeuwigd in haar gedicht: »De menuet en de
+domineespruik«. Bij boerebruiloften was het dansen zeker niet altijd
+los en bevallig: wie den »Boerenbruiloftsdans« van Pieter Brueghel (den
+vader, gest. 1569) ziet, kan daaromtrent geene groote verwachtingen
+koesteren.
+
+Maar thans--na een poos dansens--komt het oogenblik, dat de bruid »te
+bedde gedanst« wordt. Zoo nog in de 17de, niet meer in den loop der
+18de eeuw. In de liedjes gaat dat nog kalm toe:
+
+ »Strooyt kruytjes en bloemtjes, de bruyd moet te bed!
+ Geleyt er, bereit er
+ Ontkleet haar te met
+ En kust haar goe nagt
+ En slaat dog wel agt,
+ Dat niemand haar ruste verstoort of belet!«
+
+[Illustratie: Dansend paar (16e eeuw).
+
+ Naar H. Aldegrever.]
+
+[Illustratie: Dansend paar (16e eeuw).
+
+ Naar C. Bos.]
+
+Maar in werkelijkheid ging het ruwer. Schrikt niet! Daar grijpen midden
+onder den dans de jongere gasten de bruid aan en dragen en sleuren
+haar naar het bruidsvertrek--vage herinnering aan den ouden bruidsroof.
+Wel snelt de bruidegom den troep achterna en koopt de bruid terug door
+een feestje te beloven, het »weerom-vetje« op een der komende dagen.
+Maar nu barst de storm eerst recht los. Bed, dekens, kussens, al de
+geheimen der slaapkamer begluren zij, betasten zij en eindelijk vallen
+zij op de arme bruid aan en »plukken haar als een vogel« en nemen haar
+af sluier en lint, ketting en kroon, tot hare kousebanden toe, welke
+laatste vooral als gewenschte buit, als eene oorlogstropee, worden
+meêgenomen en aan tafel vertoond. De jonge echtgenoot raakt de dolle
+bende eerst kwijt, als hij doet, alsof hij zich ontkleeden gaat. Op
+deze manier werd bij de deftigste families de bruid te bedde gedanst.
+Gelukkig nog, zoo men haar en haar echtgenoot voor 't overige van den
+nacht met rust liet! Wel mocht Edmund Spenser in zijn »Epithalamion«
+(1594) smeeken:
+
+ »Let no false treason seek us to entrap,
+ Nor any dread disquiet once annoy
+ The safety of our joy;
+ But let the night be calm, and quietsome,
+ Without tempestuous storms or sad affray,
+ Like as when Jove with fair Alcmena lay....
+ And let the maids and young men cease to sing,
+ Ne let the woods them answer, nor their echo ring.«
+
+Wel mocht nog twee eeuwen later Goethe zingen:
+
+ »Im Schlafgemach, entfernt vom Feste,
+ Sitzt Amor dir getreu und bebt,
+ Dasz nicht der List muthwill'ger Gäste
+ Des Brautbetts Frieden untergräbt...«
+
+Van huwelijksreizen wisten de vaderen niet; nog van 1800 vertelt Jacob
+van Lennep, dat zulke dwaze, onkiesche dingen toen nog niet voorkwamen.
+Den eersten morgen komen de naaste vrouwelijke bloedverwanten de
+jonge vrouw begroeten en bij 't kleeden helpen (zóó nog bij Saartje
+Burgerhart, bij Chrisje Helder), de dienstbode brengt het morgenwater
+en ontvangt haar bruidsstuk als loon. Lang vergeten was de oude
+gewoonte van te onderzoeken, naar wat wij boven (blz. 90) hebben
+aangestipt. Lang ook vergeten (sommigen hebben ontkend, dat het ooit
+bestond: zóó Karl Schmidt, zóó Bismarck) was in onze periode het recht
+van den landsheer op den eersten nacht. Wie het vroeger bestaan ervan
+nog trachten te handhaven zeggen, dat het wijst op een »tijdperk van
+overgang tusschen de vroegere, als heilig beschouwde, rechten van den
+stam én de langzaam opdagende persoonlijke rechten van den echtgenoot.
+Later wordt het dan beperkt tot enkele voornamen, nog later afgekocht,
+om eindelijk te verdwijnen.« Het is mogelijk, wij stellen ons geen
+partij; in elk geval was dit gebruik in den nieuwen tijd verdwenen.
+
+Dit geldt wezenlijk ook van de morgengave, het geschenk door den man
+den eersten morgen aan zijne vrouw gegeven. Dit werd langzamerhand eene
+som gelds, waarvan het bedrag in het huwelijkscontract werd bepaald,
+maar waarvan de oorspronkelijke beteekenis geheel verloren was gegaan.
+Op deze manier: »Eyndelick (het is een stuk van 1626) soo heeft de
+bruydegom, Johan Witten, siin toecomende huysvrouw (Johanna van Brienen)
+een morgengave ende nae morgengaevesrechten uyt siin gereedste goederen
+gegeven 1200 caroli guldens«. Ook kwam het voor, dat de morgengave niet
+was betaald en werd opgeëischt. Het volgende signaat, d.d. Putten 26
+Juni 1544, dat in zijn kortheid toch veel vertelt, lichte dat toe. Griet
+Jans spreekt aan de vier erfgenamen van haren overleden man, die haar
+schuldig zijn 12 rijderguldens »van de morgengaeve, gelick die frunde
+sulx verdedingt ind gemaeckt hebben.«
+
+Te dezer plaatse voegt nog de herinnering vooreerst aan huwelijken op
+de graven gesloten, opdat (wonderbaar taaie nawerking van den ouden
+doodenkultus) daardoor lafenis zou geboden worden aan de zielen, wier
+stoffelijk omhulsel in die groeve rustte. De schilder Maerten van
+Heemskerck bestemde in 1558 de opbrengst van een stuk land voor
+»schamele doch eerlijcke jongelieden«, die op zijn graf en dat zijner
+vrouw te Haarlem zouden trouwen.
+
+Niet minder eigenaardig was de ten onzent (maar ook reeds den Romeinen
+bekende) diepgewortelde gewoonte (voortgekomen uit de gedachte, dat de
+dood moet wijken voor wat de kweekplaats des levens is), dat, wie op weg
+naar het schavot door eene vrouw ten huwelijk werd gevraagd, van den
+dood vrij kwam. Toen den 3den Juni 1572 de jonge Theodoor Bommer te
+Gorinchem door Lumey's geuzen naar de galg werd gevoerd, redde een
+meisje hem op die wijze van den dood. Zoo erlangde 17 September 1603
+een door Maurits ter dood veroordeeld Spaansch soldaat lijfsbehoud,
+»verboden synde door eene jonghe dochter«. Ja, nog in 1672 gold het
+gebruik in de rechtspraak. Te Amsterdam zouden toen vier Fransche
+soldaten worden gehangen. »Eenige juffrouwen, met groote meedogenthijt
+ingenomen«, vroegen aan burgemeester Outshoorn pardon voor de
+»gecondemneerdens«. Daarop »den heer Outshoorn sijde of de juffrouwen
+of eenige derselve, souden genegen wesen daarmede te trouwen?« Maar
+ongelukkig kon het middel deze maal niet worden toegepast: de juffrouwen
+»antwoorden alle getrout te sijn«. Toch kwamen de Franschen er af
+met brandmerking en gewipt worden aan de wipgalg. Soms echter ging
+strengheid boven gewoonte, als toen de jonge officier Nicolaas de Maulde
+de Mensard, betrokken in de leycestersche samenzwering te Leiden, 27
+October 1587 werd terechtgesteld, niettegenstaande een »juffrouw genaemt
+Uytenbroeck« hem ten huwelijk vroeg.
+
+Na de bruiloft volgden nog de »navetjes«, ook plachten de jonggetrouwden
+bezoeken te brengen aan magen en vrienden, binnenlandsche reisjes,
+waaraan toen zooveel meer vast zat dan nu, maar waarvan nog zoo
+kinderlijk, zoo volop in de ongerepte natuur genoten werd. Dan loopen
+echter de wittebroodsweken ten einde, de speelman is van het dak, het
+gewone leven herneemt zijn eischen.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VII.
+
+ECHTSCHEIDING, ECHTMIJDING EN HERTROUW.
+
+
+Naar Germaansche rechten gaf overspel der vrouw aanleiding tot hare
+verdrijving uit de echtelijke woning en dus tot scheiding. Zij had
+inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van den man. De man daarentegen
+had geene gelijke verplichtingen, zijn omgang met andere vrouwen
+leidde niet tot echtscheiding. Hij kon alleen inbreuk maken op het
+eigendomsrecht van een anderen echtgenoot en dáárvoor worden gestraft.
+»De man kon alleen vreemd, de vrouw alleen eigen echt breken.« Voorts
+kon--wij laten ons leeren door Fockema Andreae--het huwelijk worden
+ontbonden door vredeloosheid van een der echtgenooten, door onderlinge
+overeenkomst, door verstooting door den man op zekere gronden als b.v.
+onvruchtbaarheid.
+
+De roomsche kerk stelde daartegenover haar volstrekt verbod: slechts de
+dood snijdt den huwelijksband door; toch heeft het tot de elfde eeuw
+geduurd vóór zij haar stelsel zonder beperking vermocht in practijk te
+brengen. Tegelijk werd hare rechtspraak in gevallen van echtscheiding
+telkens gehoorzamer gevolgd, ook in ons vaderland, waarmede wij hier
+vooral te maken hebben. Daarbij moeten wij onderscheiden tusschen
+scheiding van tafel en bed èn echtscheiding. De eerste was, natuurlijk
+ook alleen met medewerking van het kerkelijk gezag, geoorloofd. Toen de
+geestelijke rechtbanken hunne bevoegdheid in wereldlijke zaken verloren
+hadden, sprak de lagere rechter de scheiding van tafel en bed uit, soms
+ook een Hof, op grond van overspel, ziekte, kwaadwillige verlating of
+ook na onderlinge toestemming. In Amsterdam, kort vóór de Reformatie,
+las de pastoor van de St. Jacobs-kapel aan den Nieuwendijk de vonnissen
+der overheid in zake scheiding van bed en samenwoning van den kansel af.
+Daarna gingen partijen uit de kerk, de een door de hoofddeur, de ander
+door die in de Hasselaarsteeg, daarom ook Trouweloossteeg genoemd. Zoo
+althans vertelt Lelong.
+
+Over andere redenen heerschte niet overal gelijkheid van rechtspraak.
+Scheiding van goederen was er altijd het gevolg van. Maar de
+huwelijksband bleef bestaan en naar hereeniging moest worden getracht.
+Echtscheiding daarentegen was toegelaten op grond van overspel en van
+verlating. De toestand bij den aanvang van de nieuwe bedeeling ten
+onzent was dus, naar de woorden van Huig de Groot: »Volgens Christus'
+vermaninge wordt in dese landen geen scheydinge des egtbandts
+toegelaten, dan door de doodt van een der egtgenooten ofte door
+overspel. Alle andere willige ofte regtelijke scheydinge konnen den
+egtbandt nogte de regten daar uyt ontstaande niet verbreeken.«
+
+Vragen wij thans naar de houding der gereformeerde kerk en naar haren
+invloed te dezen. Men kan zeggen: zij heeft huwelijksscheiding zeer
+moeielijk gemaakt en aarzelend toegelaten. De gezaghebbende Geneefsche
+theoloog Beza gaf wel toe, dat wat God vereenigd had door den mensch
+niet mocht worden gescheiden, maar hij liet dit niet gelden voor zulke
+verbintenissen, die tegen Gods eigen wetten waren aangegaan. Daartoe
+rekent hij, als na het huwelijk blijkt van eene ongeneeselijke ziekte,
+geslachtelijk onvermogen, en voorts overspel, verlating en verwisseling
+(zie boven blz. 125).
+
+Latere, Nederlandsche theologen oordeelden strenger. »Ons wordt«, zegt
+prof. Van Renesse in een insgelijks reeds genoemd boek, »geen keur
+gegeven, wij mogen deze banden onzes Gods niet verscheuren en zijne
+touwen van ons werpen.« En met verontwaardiging maakt hij melding van
+»dat beklaaglijk spreekwoord«: 't geene Venus t'zamen voegt, dat scheid
+de knuppel. Het spreekwoord luidt ook, o. a. bij Campo Weyerman, den
+beruchte: »Dat Venus voegt scheidt de knuppel«. En mr. Joan de Brune
+houdt er deze bespiegeling over: »Te veel hitte verbrant en bederft de
+vlaede. Een matighe stokinghe maeckt het beste mout. 't Is wel gezeght:
+mint mij niet veel, maar mint mij langh. Heete liefde is haast kout.«
+Welke oudvaderlandsche huwelijksfilosofie Cats, al rijmend, aldus
+uitdrukt:
+
+ »Eedt te sweren op de pluymen,
+ Dat en sijn maar minne-luymen.«
+
+Ook prof. à Limborch is onverbiddelijk en zou alleen om echtbreuk
+scheiding toestaan. Als eene vrouw den man verlaat b.v. om des geloofs
+wille, mag, zegt hij, de man geen nieuw huwelijk sluiten; het oude is
+niet gebroken. In dezen geest nu, mag men zeggen, spraken ook de synoden
+zich uit. Al van den beginne oordeelen zij, dat een echt bevestigd met
+consent van ouders of voogden en ook van de jongelieden, niet mag
+verbroken worden. En als dan de overheid in een bepaald geval geen
+uitspraak wil doen (wat dikwijls voorkwam b.v. uit vrees voor een
+der partijen) dan mogen de consistories toch de echtgenooten niet
+veroorloven een nieuw huwelijk aan te gaan. Opdat niet, zeide eene
+synode in 1575 zeer correct, de hertrouwden zich op het oordeel der
+kerkeraden in plaats van op de sententie der overheid zouden gaan
+verlaten. Van ditzelfde, juiste beginsel blijkt telkens.
+
+In 1577 besloot de Alkmaarsche kerkvergadering, dat, zoo iemand
+wegens overspel geene echtscheiding van den magistraat verkrijgen kon
+en toch hertrouwen wilde, de predikanten dat huwelijk zouden mogen
+sluiten, omdat (overspel ook voor de kerk als scheidingsgrond gold en)
+de overheid er zich niet mede verkoos in te laten. Maar de volgende,
+Hoornsche, synode vernietigde dat besluit, omdat kerkedienaren niet
+den schijn op zich mochten laden zich in overheidszaken te mengen.
+En ook hierover waren de kerken het eens--altijd strijdende voor de
+vastheid des huwelijks--dat zij in geen geval lichtzinnige verlatingen
+zou bevorderen door--waar zij te beslissen had--echtscheiding te
+vergemakkelijken. In Noord-Holland stelde een oud plakkaat f300 boete
+op het uitééngaan van getrouwde personen, waarvan velen natuurlijk
+gaarne gebruik maakten, liever die som verliezend, dan in onvrede
+samenblijvend. Doch de kerk, streng, onverbiddelijk, beginselvast,
+eenzijdig wilde op geenerlei manier dit lichtvaardig bedrijf in de hand
+werken, zij vroeg H.H. Staten opheldering omtrent dit afkeurenswaardig
+stuk en gebood haren dienaren middelerwijl zulke personen te blijven
+beschouwen als nog gehuwd, en een nieuw huwelijk als overspel.
+
+En dit alles was niet maar theorie. De Haarlemsche predikant Lucas
+Hespius verhaalde eens ter synode zijner woonplaats, hoe onlijdelijk en
+hoe bedroefelijk het hem was met eene onvreedzame huisvrouw te moeten
+leven en tegelijk zijnen kerkedienst te betreden. Heeren burgemeesteren,
+voor deze zaak ter vergadering gekomen, adviseerden, liever gezegd
+schreven voor, dat Lucas drie maanden met verlof buiten Haarlem zou
+gaan. Kwam in dien tijd geene verzoening tot stand, dan zou hij moeten
+scheiden van... zijn ambt.
+
+In dezen zelfden tijd, 1597, vroeg een vrouw aan de synode van
+Schoonhoven om scheiding, zij was getrouwd met een man, die weleer
+furieus (d. i. krankzinnig) geweest, maar ten dage des huwelijks kloek
+van zinnen was. Nu was hij echter weêr furieus. Haar verzoek werd
+afgewezen en zij moest met den krankzinnige blijven leven--tenzij de
+overheid ingreep. Deze strengheid der kerk ontaardt in rigorisme.
+Want van haar is ook deze beslissing. Gevraagd »oft yemandt, eene
+onsinnige oft rasende partuere hebbend, na veel jaeren, als de saeck,
+na menschenoordeel, tot beteringe desparaet is, nyet en sal mogen
+scheyden en eene andere trouwen«, antwoordt de kerk: »men vindt nyet,
+dat sulx toegelaten moge worden ende daeromme sal deghene diet aengaat
+vermaent worden sijn cruys met gedult te dragen ende te wachten op Gods
+verlossinge«. Tot eene andere verlossing vond zij geene vrijmoedigheid
+mede te werken.
+
+Dit is zeker hard. Toch hebben wij voor dit rigorisme nog meer
+bewondering dan voor eene slapheid als die der roomsche geestelijkheid
+in de dagen van haar verval onder Karel V. Te Cats in Zeeland, laat ik
+mij door dr. J. S. Theissen vertellen in zijn boek over de regeering
+diens keizers, verslingerde zekere Pieter Yemants zich aan een meisje
+van slechte zeden. Zij trouwden voor deken en provisor van Walcheren,
+die hun echter later samenwoning verboden en te Utrecht een proces tot
+scheiding tegen hem aanhangig maakten, toen hij niet gehoorzaamde. Ook
+sloegen zij hem met den ban, toen hij de hem opgelegde boete weigerde te
+betalen. Pieter beriep zich toen op de wereldlijke overheid, want »die
+provisoer ende deken, tselve considereerende ende souckende nyet alleen
+die salicheyt vanden sielen vanden voorsz. contrahenten, maar oick mede
+die gecruyste sielen, daarmen die roode butter omme coopt« (nl. het
+geld; maar de juiste beteekenis ontsnapt mij) »ende verhopende geen
+schade, maer groote bate hier uyt te gecrigen, hebben middelen gesocht
+omme den contrahenten wederomme te onttrouwen.«
+
+ * * * * *
+
+Hoogst eigenaardige practijken treffen wij in de 16de en nog in de
+17de eeuw aan bij de doopsgezinden ten onzent, de eenig overgebleven,
+maar talrijke, groep van de vele anabaptistische uit het tweede en derde
+tiental jaren der 16de eeuw. Maar ook deze doopsgezinden waren nog in
+talrijke grootere en kleinere groepen gesplitst. Onder deze waren er,
+die met strengheid den ban toepasten d. i. de uitwijzing uit de gemeente
+en daaraan, even streng, verbonden den eisch tot echtmijding. Wanneer
+nl. een man of vrouw uit de gemeente gebannen was, dan moest zelfs de
+echtgenoot hem of haar met de gemeente mijden. De ban bracht dus (voor
+'t minst tijdelijke) echtscheiding met zich. Ik haast mij er bij te
+voegen, dat er ook zeer milde secten en personen onder hen waren, die
+(als Matthijs Servaes) niet wilden, dat echtgenooten elkander zouden
+»schouwen ende mijden«, omdat zij één vleesch zijn, en die, mèt de
+Hoogduitsche broeders op een convent van 1557, zeiden: »dat gebodt des
+Echtstants draeght veel meer (heeft grooter gezag) dan de mijdinghe«.
+
+Ook Menno Simons was aanvankelijk tegen de echtmijding. In een brief van
+12 November 1556 aan de broeders te Emden over de geruchtmakende zaak
+van Swaantje Rutgers, die weigerde haren man, schoon uit de gemeente
+gebannen, aan tafel en in bed te mijden, koos Menno de partij der vrouw
+en van wie haar gelijk gaven. Hij oordeelde, dat de afzondering uit de
+gemeente tot betering niet tot verderving gegeven is. »Daervoor wil mijn
+de bermhertighe Heere verhoeden, dat ick dat toestaen soude«, dat wie
+elkander jaren lang als echtelieden toebehoord hebben, alzoo zouden
+gescheiden worden. »Ende is derhalve mijn siel een groote smerte... dat
+men Swaan Rutgers... daarom den duivel overgeven sal.« Hij begeerde, ook
+in deze zaak, een evangelie te leeren, dat bouwt en niet breekt, dat wèl
+en niet kwalijk riekt. Later is Menno echter, onder allerlei invloeden,
+tot de strenge partij overgegaan, ofschoon hij in zijne laatste ziekte
+daarvan weder berouw had en zeide: »Hoe leet is mij, dat ick die
+echtmijdinge hebbe geconsenteerd«. Wij echter hebben met die strenge
+richting onder de doopsgezinden alleen te doen.
+
+Wanneer bij hen een huwelijk besloten was, ondervroegen de dienaars
+bruidegom en bruid vooral over den ban, of zij bij geval elkander mijden
+zouden? Zeiden zij neen, dan mocht het huwelijk niet doorgaan. De
+echtmijding, in zichzelve al bedenkelijk, voerde tot allerlei ellende
+en tot misdadige practijken, die ook buiten doopsgezinde kringen haren
+invloed gelden deden. Vooreerst--gelijk de tegenstanders opmerkten--wie
+de gave der onthouding niet heeft »ende nochtans tot afscheydinge
+gedrongen wert, hoe can die sonder sonde ende besmettinge leven?«
+Echtmijding voert tot ontucht.
+
+Dan geschiedde het menigmaal, dat man en vrouw gewelddadig gescheiden
+werden, »dat wijf van haren gebanden man heymelick ende subtijlick,
+buyten weten en willen van denselven haren man, vervoert ende
+verborgen... waardoor eenige totter doodt toe van hare huysvrouwen
+deerlijck sijn berooft ghebleven.« Uit wanhoop sloegen zij dan vaak de
+hand aan zich zelven, waarvan verscheiden voorbeelden tot ons gekomen
+zijn, of, kalmer, maar niet minder tragisch, men deelde kinderen en
+goederen en zag elkander niet weder.
+
+De ellende, door dit barbaarsche stelsel veroorzaakt, treedt ons
+duidelijk voor oogen in de geschiedenis van Dionies van Walle,
+grijnwever van beroep, wonende in de korte Koppenhincksteeg te
+Leiden. Deze man was getrouwd met eene doopsgezinde vrouw en hare
+geloofsgenooten »hadden haar mèt hare kinderen ontvoerd en nu al 14
+maanden bij zich gehouden«. Zóó luidde zijne klacht voor de Schiedamsche
+synode in 1588. Zelfs zouden zij verklaard hebben, dat Dionies zijne
+vrouw niet zou terug zien, zoolang zij vruchtbaar was. De synode, niet
+ten onrechte vertoornd over deze »menschendiverie«, gaf den man zooveel
+troost als zij kon: de magistraat te Leiden had al besloten, dat de
+vrouw met klokslag zou worden ingeroepen. Ook spreekt het van zelf, dat
+de schout de zaak onderzocht, waarbij hij den indruk kreeg, dat Maaiken
+van Rebaus, zoo heette de vrouw, minder was weggeroofd dan wel haar man
+had verlaten, zooals zij vroeger ook al eens te Haarlem had gedaan »omme
+vant kinde daer mede zij swanger was heymelijken te geleggen ten eynde
+tselve haer kint niet en soude worden gedoopt«. Zij wilde terugkeeren,
+als de man beloven wilde het kind niet gereformeerd te doopen--en daarop
+is de zaak afgestuit. Het verder verloop der geschiedenis is ons niet
+overgeleverd, maar duidelijk blijkt welk eene verwoesting de echtmijding
+in de gezinnen bracht, waarbij het er weinig toe doet of Maaiken is
+ontvoerd, dan wel in overleg met hare geloofsgenooten zelve is gegaan.
+Wel begrijpelijk zeide nog Jan Vos in een zijner puntdichten:
+
+ »Gij bant het wijf als 't met haar echte man wil eeten,
+ Zoo 't bannen duivels is, zoo moet gij duivels heeten.«
+
+Ook was het natuurlijk, dat de overheid deed wat zij kon, om het kwaad
+tegen te gaan, wat zeer moeielijk viel, omdat het 't inwendig leven der
+gemeenten raakte. De Staten van Friesland namen b.v. 8 April 1597 deze
+resolutie aan: »Alsoe eenige mennonyten hen onderwynden niet alleen
+echteluyden te scheyden, maar oock (afvalligen).. te scheyden, bannen
+ende den duyvel overgeven...« verbieden zij de toepassing van den
+ban, die tot echtscheiding voert, waarvan ook echtbreuk, wanhoop en
+dergelijke het gevolg zijn en bedreigen leeraren en vermaners, die
+er toe medewerken, de eerste maal met geldboete, daarna met eeuwige
+verbanning.
+
+Voorts hebben calvinistisch-gereformeerden en
+remonstrantsch-gereformeerden (want op dit punt trokken zij één lijn)
+de echtmijding bestreden met de pen. Petrus Bloccius veroordeelt (1567)
+»sommige, die willen verstandt hebben van den ban, drijven die so
+tyrannisch als dat se man ende wijf scheyden tegen de leer Christi,
+Matth. V, Rom. VIII..« Ook theologen als à Limborch en Episcopius
+veroordeelen de echtmijding op bijbelsche gronden; Episcopius wijdt er
+20 November 1633 eene gansche predikatie aan, later door à Limborch
+gebruikt voor zijn boek, waarin hij opsomt, waarom zij te veroordeelen
+is, de argumenten en teksten der doopsgezinden vóór de echtmijding
+uitvoerig weêrlegt en dan zegt: Wij zouden nog veel andere dingen kunnen
+noemen, »maar de tijt en onse krachten en laten het niet toe«. Dit
+gelooven wij gaarne. Zelfs het uithoudings- en verduwingsvermogen der
+vaderen voor lange predikatiën werd door dit (juiste, maar) al te lange
+vertoog op te zware proef gesteld.
+
+ * * * * *
+
+De gevoelens over hertrouw hangen met die over scheiding samen. Hertrouw
+was volgens staats- en kerkrecht geoorloofd onder zekere voorwaarden.
+Het Romeinsche zoowel als het Germaansche recht staan het tweede
+huwelijk toe met een treurtijd van een jaar, het rouwjaar, opdat er
+geen »bloedsverwarring« zou plaats hebben en er geene onzekerheid zou
+zijn, wie de vader was van het, na den dood des eersten mans, geboren
+kind, voorts ook om het openbare eerbaarheidsgevoel te eerbiedigen.
+De protestantsche theologen beriepen zich, om het geoorloofde van eene
+»huwelijksherhaling« te bewijzen op Jozef, die weduwnaar was, toen hij
+zich met Maria verloofde, zoodat God heeft gewild, dat Zijn Zoon uit
+een tweede huwelijk werd geboren! Ook de stamvader van David was immers
+uit Ruth's tweede huwelijk gesproten? Zoo het geestelijker ware bij één
+huwelijk te blijven, dan ware het coelibaat nog geestelijker. Als God
+zegt: 't is niet goed, dat de mensch alleen zij, of: vermenigvuldigt
+u, dan geldt dit ook voor een weduwnaar enz. enz. Niet-kerkelijke
+schrijvers ontleenen hunne argumenten insgelijks aan het goddelijk en
+menschelijk recht. Jacob Cats zegt, dat veroordeeling van het tweede
+huwelijk roomsch is en dus onder ons niet behoeft te gelden:
+
+ »'k En wil nogh evenwel geen menschen wederhouwen,
+ Van weder als het dient of andermaal te trouwen,
+ Al wat hier tegen wrocht is oude ketters werck,
+ Dat noyt en heeft behaeght aan Godes ware kerck,«
+
+maar hij raadt toch groote voorzichtigheid aan:
+
+ »Het is van outs gelooft, dat veeltijts nieuwe trou
+ Gedijt tot nieuwen twist of tot een nieuwen rou.«
+
+Een schoen, gevormd alreede naar den eersten voet, voegt zich met moeite
+aan den tweeden.
+
+De practijk liet zich door deze waarschuwing echter zelden tegenhouden.
+Er zijn zeker voorbeelden, van wie na een eerste huwelijk weduwnaar
+bleven, zeer bekend zijn die van Vondel en van Constantijn Huygens,
+welke laatste in zijne gedichten daarvan uitleg geeft en zegt, dat hij
+geene opvolgster wil geven aan wie met geene te vergelijken was, en dat
+zijne vrienden hem niet langer moeten aanraden te hertrouwen: hij wil
+geen slechte vrouw en een goede niet opnieuw verliezen. Het zijn verzen
+van 6 Januari 1641, 14 Februari 1642 (in 't Latijn): den 13den Maart
+1637 was Susanna van Baerle van eene dochter bevallen, den 30sten
+ziek geworden en 10 Mei overleden. Maar regel was toch de hertrouw. De
+vaderen, die zoo nadrukkelijk als huwelijksargument zich beriepen op het
+paulinisch woord, dat trouwen beter is dan branden, voerden dit ook voor
+het tweede huwelijk aan.
+
+Dit zijn geen dingen, waarover men heden ten dage openlijk spreekt;
+er was een tijd, dat men er eerlijk voor uitkwam. En wel zelden heeft
+iemand dit nobeler en treffender gedaan dan prins Willem I. In 1575 was
+hij voor de derde maal gehuwd met Charlotte van Bourbon, die hem door
+hare lieftalligheid, trouwe zorg en weinig-voor-zich-zelve-eischen
+zeer gelukkig maken en de ellende van zijn tweede huwelijk zou vergeten
+doen. Welnu, het was 7 Juli 1575 dat de prins (kort dus na zijn
+bruiloftsdag) uit Dordrecht aan zijn broeder Jan schreef: »Car, quand
+à ce que vous alléguez qu'en priant Dieu et m'efforçant j'eusse bien
+peu obtenir plus longtemps la graçe et le don de continence sans prendre
+le soubdain conseil de me marier--je ne veulx pas le desbattre; mais
+puisque le dilay n'eust peu remédier à aucuns inconvéniens par vous
+alléguez et aux aultres y eust peu beaucoup nuire, j'estyme que ce
+seroit esté peine perdu de pourchasser ceste requeste de Dieu, lequel
+ne m'a jamais promis de le donner..«
+
+Wat in de tweede plaats ook niet mag vergeten worden is de groote en
+droevige sterfte onder de vrouwen toenmaals. Wie eenmaal geleerd heeft
+op dit verschijnsel te letten, ziet het onze gansche geschiedenis
+door: de kraamvrouwensterfte is groot door de slechte verloskunde, en
+daarnaast putten de talrijke bevallingen de moeders uit. Vandaar, dat
+wij bij al die mannen, die maar eenigszins voor ons uit de vergetelheid
+in 't licht treden, staatslieden, geleerden, kunstenaars en dergelijken,
+vinden, dat zij (in den regel) twee- driemaal gehuwd zijn geweest.
+Langer kan ik bij dit punt hier niet stilstaan, omdat het niet tot ons
+eigenlijk onderwerp behoort, maar »De Rijn« van Borger bezingt, wat in
+tal van gezinnen oorzaak was van diepen rouw... én oorzaak meteen van
+eene nieuwe verbintenis.
+
+Voor de goede orde nu kwam het vooral aan op de vaststelling van den
+tijd, die tusschen eerste en tweede huwelijk verloopen moest. In 1619
+nog was het noodig te vragen, of het niet goed zou zijn, dat men eene
+orde beraamde op het hertrouwen, opdat er een goede tijd tusschen
+afsterven en hertrouwen zijn mocht? Reeds in 1583 was er bij de Staten
+van Holland en West-Friesland aangedrongen op eene wet »op 't punt der
+weduwen, die te vroeg hertrouwen«. Want wel gold, gelijk wij zeiden en
+om nog eens met Cats te spreken: »een jaar is voor den rou, dat is een
+oude wet«, maar hij laat er terecht op volgen:
+
+ ».. of immers naar de keuren,
+ Die yder lantschap heeft als eygen om te treuren.«
+
+En zoo was het ook. In Groningen gold ten jare 1639 de rouwtijd voor de
+vrouw één jaar en zes weken, of zóólang als zij van haren eersten man
+zwanger ging. Tegelijk werden dan beschermende maatregelen getroffen
+voor de kinderen uit het eerste huwelijk. In de Ommelanden mochten de
+geboden voor het tweede huwelijk niet gaan, vóórdat voor die kinderen
+gezorgd was. Desgelijks bepaalde ook het Drenthsche landrecht. Bij
+hertrouw moesten de voorkinderen door voormombers verzorgd en hun de
+goederen van eigen vader of moeder gewaarborgd worden, bij gebreke
+waarvan man of vrouw hunne bezittingen uit het eerste huwelijk verloren
+en tien goudguldens boete hadden te betalen. »Ende de predikant, die
+hier tegens de kundiging mogte doen, vijf goutguldens«.
+
+Zoo ging het ook met Nederlanders in den vreemde. In het oud-notarieel
+archief te Rome bevindt zich o. a. (volgens vriendelijke mededeeling
+van prof. Hensen te Warmond) eene door notaris Cusano opgemaakte
+akte, waarbij twee gevolmachtigden »Guiseppe Campo« d. i. à Camper
+en Guglielmo Blomaerts, burgers van 's-Hertogenbosch opkomen voor het
+kindsgedeelte uit de nalatenschap van Gerrit Ameyden, vader van den
+grooten advocaat en journalist te Rome, Dirk Ameyden (1586-1656). De
+moeder, Maria à Camper, wilde hertrouwen en deze beide burgers zorgden
+voor de belangen van het voorkind.
+
+Om naar het vaderland terug te keeren: in de ordonnantie op den
+houwelijken staat in Overijsel van 18 Juni 1603 staat voorgeschreven,
+dat als de »verknuppinghe des houwelijcks« door den dood of wettelijke
+oorzaken wordt verbroken, de hertrouw geoorloofd is, voor den man na
+drie maanden, voor de vrouw na zes. In Utrecht gold als treurtijd
+twintig weken. In Leiden mocht de weduwe niet trouwen vóór zes maanden
+na haars mans dood, tenzij zij binnen dien termijn was bevallen. Maar
+trouwde zij, zwanger zijnde van haren eersten man, dan werden zij
+en hare getuigen »arbitralijck gecorrigeerd«. In Amsterdam golden
+dezelfde zes maanden, in de generaliteitslanden moesten de weduwen
+negen maanden geduld hebben, in Zeeland (niet van overheidswege, maar
+volgens kerkelijke bepalingen) achttien weken voor weduwen, acht voor
+weduwnaars... maar vier en twintig weken, zoo zij predikant waren. Die
+moesten wat meer zelfbeheersching toonen.
+
+Omdat echtscheiding werd toegestaan o. a. bij verlating, moest ook
+hertrouw bij verlating geregeld worden. In de generaliteitslanden
+moest de verlaten vrouw vijf jaar met een ander huwelijk wachten. Zoo
+ook in Zeeland. Elders korter, maar in Overijsel ook vijf jaar. Echter
+geschiedde ook andersom: vrouwen, die van haar mannen wegliepen. In
+zulke gevallen placht de kerkeraad bij de magistraat ter plaatse verlof
+tot hertrouw te vragen, bij weigering zich te wenden tot het Hof.
+In Enkhuizen deed zich in 1599 't volgend geval voor. Daar was een
+manspersoon komen wonen, die »in Brabant sijn huysvrou int leven heeft
+gelaten... ende heeft hier 14 jaren in overspel bij een andere geseten,
+hoewel hij te vooren devoir hadde gedaan om sijn huysvrou bij hem te
+ontbieden. De vrouwe, die hij in Brabant verlaten heeft, heeft getoeft
+7 jaren, daerna is sij in 't pausdom met eenen anderen getraut, daer
+sij vijf kinderen bij heeft.« Nu had intusschen de man te Enkhuizen
+zijne »bijzittige« door den dood verloren en vroeg te mogen hertrouwen,
+»voorgevende niet te hebben donum continentiae«. De kerkeraad besloot
+toen voor hem bij de overheid verlof te vragen.
+
+Wij besluiten met eene soortgelijke geschiedenis anno 1624. In
+Dordrecht woonde iemand, wiens vrouw aan eene ongeneeselijke ziekte
+leed. Hij was toen naar Leiden gegaan en had daar eene vrouw
+»aengeslagen«, die in tien jaren van haren man, een matroos, niets had
+vernomen. Na eenigen tijd kregen zij bericht van den dood, zoowel der
+zieke vrouw als van den zeevaarder, waarop zij te Delft waren getrouwd,
+maar te Leiden blijven wonen. De man, door den kerkeraad te Leiden van
+het avondmaal geweerd, verzocht thans weêr daartoe te mogen worden
+toegelaten. En hij verklaart, dat »soo hij de vrouw verlaeten moet
+om te moogen saligh werden, dat hij liever haer, dan sijne salicheyt
+verlaeten wil, hoewel hij liever bij haer blijven soude, indien het
+buyten verlies sijner salicheyt conde geschieden«. Omdat nu het huwelijk
+reeds was gesloten, werd goedgevonden »dat men desen man, hem vroom
+dragende, met leetwesen ende schultbekenninge sal mogen aennemen.« De
+lezer heeft bespeurd, dat deze en dergelijke gevallen van verlating
+natuurlijkerwijze overgaan in gevallen van overspel. Deze dordtrechtsche
+overtreder had niet mogen trouwen. Want immers, wie bij het leven zijner
+vrouw met eene andere had geboeleerd, mocht na den dood zijner vrouw
+geene geboden met die andere laten gaan. Met deze overweging hebben wij
+ons meteen den weg gebaand tot ons laatste hoofdstuk.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VIII.
+
+HUWELIJKSLEVEN.
+
+
+Wij wenschen ten besluite eenig licht te laten vallen op het
+huwelijksleven der vaderen, het goede en het booze, maar mogen de
+belijdenis niet achterhouden, dat wij daarin maar zeer gebrekkig slagen
+zullen, met name wat betreft de eigenlijke huwelijksverhoudingen. Want
+vooreerst dient daartoe nog allerlei ruw materiaal te worden bewerkt; en
+vooral ontsnapt het beste ervan aan onze waarneming, omdat het intieme
+geluk geen openbaarheid wil en wilde, het slechte daarentegen zich aan
+ons opdringt en (b.v. door processtukken) brutaal aan den dag treedt.
+
+De rechtstoestand der gehuwde vrouw herinnerde (in hare
+ondergeschiktheid en minderwaardigheid) in onze periode nog sterk aan
+vroeger eeuwen. Naar Oudhollandsch recht was de vrouw haren echtgenoot
+onbeperkte gehoorzaamheid schuldig, hij beheert hare goederen, hij kan
+roerend goed vrij vervreemden, zijne schulden binden ook haar. Voor het
+drijven van koopmanschap behoeft zij zijne toestemming; daarentegen
+mag zij bepaalde goederen (b.v. speldegeld gelijk wij zagen) van het
+beheer door den man uitsluiten en heeft zij ook vrije beschikking
+over de benoodigdheden voor de huishouding. Zij mag niet in rechte
+verschijnen zonder toestemming van haren echtgenoot en mag als regel ook
+geen eed afleggen. Ook mist zij de ouderlijke macht. Aanvankelijk had
+zij bij den dood van haren man ook niet het recht van boedelafstand.
+Maar later kwam men haar hierin te hulp, en om te vóórkomen, dat
+de man den gemeenen boedel met schulden bezwaren zou, welke de baten
+overtroffen, kon de vrouw, bij overlijden van den man, de gemeenschap
+verlaten en den doode met de schade alleen laten blijven. Daartoe had
+zij slechts de sleutels op de doodkist te leggen en het huis uit te
+gaan, of een korenhalm weg te werpen als zinnebeeld van boedelafstand,
+waarna zij voor de betaling der schulden niet meer aansprakelijk was.
+Nog later was eene verklaring voor schepenen en twee getuigen voldoende
+met het in bewaring geven van den sleutel. In al deze dingen hebben
+Romeinsch, Germaansch en kanoniek recht eendrachtig samengewerkt.
+Want wel had de katholieke kerk verboden, om de vrouw bij overspel
+te dooden, wel had zij het verstootingsrecht beperkt, maar de
+minderwaardigheid der vrouw had ook zij, mede op bijbelsche gronden,
+haren leden ingeprent.
+
+Al verder had de man het recht zijne vrouw te tuchtigen en de bepalingen
+daaromtrent zijn van de uiterste ruwheid, niet slechts in middeleeuwsche
+keuren en handvesten, maar in ordonnanties tot op 't einde der
+republiek: eene donkere bladzijde in onze beschavingsgeschiedenis.
+Strafbaar was slechts zware mishandeling d. i. »enormelicken slaen mit
+vuysten, stocken ende diergel., met hooftwonden of andere merckelijcke
+quetsingen, indien daer bloet na volchde.«
+
+Hoe Leidsche burgers in den aanvang der 16de eeuw van dat recht
+gebruik maakten, heb ik lang geleden uit de vonnissen van de schepenbank
+te Leiden aangetoond. Vrouwenmishandeling (buiten de grenzen van het
+toen geoorloofde) scheen daar wel aan de orde van den dag, en voor
+woestaards, die zich daaraan schuldig maakten, was de toren Eversteen
+aan der stede veste bezuiden de Witte poort bestemd: »... sal geleyt
+worden beneden in eversteen ende dair blijven liggen den tijt van 14
+dagen ten exemple van alle degenen, die hoir huysvrouwen slaen...« Hier
+is Cornelis Huygen, die »mit sijne huysvrouwe seer qualicken geleeft
+heeft, hair smitende, treckende bij den hair ende onder de voet werpende
+ende hair clederen ontwien snijende.« Hier verschijnt Cornelis Florisz.
+alias Toet, die »wel droncken wesende up eenen heylighen dach omtrent
+de middach thuys gecomen is vindende een huspot opt vier staan om te
+coecken ende heeft dieselve huspot vant vier genomen ende mitte potte
+over thuys (over den vloer) geworpen, zijne huysvrouwe zeer qualicken
+toesprekende ende haer mitte schaerde vande selve pot enige gaten in
+haer hooft gesmeten ende qualicken mit hair geleeft...«
+
+Natuurlijk is dit niet de maatstaf voor den tijd: het zijn de rauwheden
+van eene door armoede gedemoraliseerde weversbevolking in eene Leidsche
+achterbuurt. Maar al ging dit de maat te buiten, ook tegen echtelijke
+tuchtiging was de vrouw de gansche periode der republiek door maar
+weinig beschermd. Wat de toestand althans niet beter maakte, was, dat de
+gereformeerde kerk, die in veel opzichten eene tuchtmeesteresse geweest
+is der onbesnoeide schare, te dezen opzichte, schoon hare dienaren
+mishandeling straften, toch ook de onderworpenheid, de onwaardigheid
+der vrouw leerde. Zij maakte de Oudtestamentische moraal van ettelijke
+eeuwen vóór Christus zonder meer gezaghebbend voor Westersche toestanden
+van 16 en 17 eeuwen n. C., en het is stuitend voor ons zedelijk gevoel
+te bespeuren, hoe b.v. de moraal van Genesis III: 16 als onomstootelijk
+bewijs geldt voor de leer, dat de man de meester, de vrouw de dienaresse
+is. De theorie, zoowel van staat en kerk, stond dus laag, al willen wij
+niet blind zijn voor kerkelijke uitspraken van hooger allooi, als daar
+is, dat de dienaren twistenden zullen trachten wederom in trouw, liefde
+en eenigheid te doen samenleven; dat een man, die met tirannie of fortse
+zijne huisvrouw van 't avondmaal afhoudt, tot beter zal vermaand houden.
+
+Om ook van elders iets te noemen: Van Limborch zegt, dat het
+vrouweplicht is haars mans gezag tegenover derden hoog te houden en om,
+als zij haren man iets verstandigs heeft aangeraden, te doen alsof het
+van hem uitging. En Barlaeus: »Acht voor een man niets liefelijker,
+niets welgevalliger, dan met eene vrouw samen te wonen, met wie hij het
+bedde en de dagelijksche gesprekken deelt, wie hij alles toevertrouwt,
+zijne hartsgeheimen vertelt, zoodat het zijne het hare en het hare het
+zijne is,« gelijk ds. Franc. Martinius van Epe, als hij uitweidt over
+het huwelijk, zegt, dat het er vooral om te doen moet zijn, dat de man
+eene andere helft voor zijne ziel vinde.
+
+Na deze algemeenere beschouwingen trachten wij thans tot enkele
+bijzonderheden te komen en beginnen met iets te zeggen over de
+tegenzijde van het huwelijk, de ontucht. »Eyntlicken nae dien oock
+klaerlick blijckt, dat die hoererie ende overspellen swaerlicken in
+swanghe gaen die welcke sonden Godt soo ernstelick in sijn woort
+verboden heeft. Wort verklaert, dat dieselve inconformiteyt van
+Godes uytgedruckte woort voort na keyserlicke ende andere des landes
+ende stede rechten, nae die grouwelickheyt des feits sonder eenige
+conniventie andere ten exempel gestraft sullen worden: alsoo anders daer
+door alle tucht, ehr ende eerbaerheyt, mitsgaders die hillicheyt ende
+onoploselijcke verknuppinghe ende bant des houwelijcken staets vergeten
+ende met voeten ghetreden wort..« Aldus in eene Overijselsche
+ordonnantie anno 1603.
+
+Bepalingen van dezen aard (maar niet altijd zoo goed gesteld) komen in
+alle gewestelijke en stedelijke keuren en plakkaten in onafzienbaar
+aantal voor. Het trekt daarbij onze aandacht, dat die plakkaten
+telkens strenger worden. De ordonnantie voor Holland en Zeeland in 1580
+herinnert er aan, dat de schandelijke zonde der ontucht den toorn Gods
+verwekt en dus moet bestreden worden. De man, in overspel betrapt, is
+verder tot alle ambten onbevoegd. Op overspel tusschen twee getrouwden
+volgde eerverlies en 50-jarig bannissement; op overspel tusschen een
+gehuwd man en eene jonge dochter stond voor de eerste maal eene boete
+van honderd caroli en bij herhaling ook 50-jarige verbanning, terwijl de
+vrouw 14 dagen te water en te brood geleid werd; zondigde een jongman
+met eene gehuwde vrouw, dan moest hij aldus 14 dagen gevangen zitten en
+werd de vrouw gebannen.
+
+In Zeeland boette hij het nog bovendien met de verbeurte van de
+helft zijner goederen. Bovendien verscheen in dat gewest in 1666
+eene aanvulling, waarbij overspel tusschen twee getrouwden gestraft
+werd met publieke schavotteering voor beiden, eeuwig bannissement en
+verbeurdverklaring van een groot deel der goederen. Weder zeven jaren
+later namen die van Zeeland nog strenger maatregelen: thans straften zij
+ook overspel met de ongetrouwde vrouw met bannissement, voor de tweede
+maal met publieke schavotteering.
+
+De Staten van Holland verviervoudigden in 1677 de boete op overspel,
+voor twee getrouwden bedroeg zij toen f1000. En daar het delict van
+overspel toenam, omdat »oock officieren van den gerechte met de
+schuldigen composeeren of transigeeren« (de oude en ingekankerde kwaal!)
+werden deze schouten bedreigd met eene boete gelijk aan het dubbel der
+genoten som, bij herhaling het viervoud en afzetting. Veel erger nog,
+dat zij herhaaldelijk overspel uitlokten, om daarna met afdreiging
+groote sommen te verdienen, euvel, dat tot den tijd onzer inlijving
+heeft voortgeduurd, zoodat de Fransche hooge ambtenaren, die er de
+weêrzinwekkende voorbeelden van zagen, het openlijk brandmerkten en op
+afschaffing aandrongen.
+
+De kerk, van hare zijde, bestreed het kwaad door streng vast te houden
+aan het oude beginsel, dat echtbreuk een huwelijksbeletsel vormt
+tusschen de schuldigen en door dezulken nimmer tot den trouw toe te
+laten. Namen zij daarmede geen genoegen, dan verwees de predikant
+hen naar de overheid. Voorts ontzegde--wij zagen het reeds in ander
+verband--de kerk het avondmaal aan wie in overspel leefden en
+liet dit verbod afkondigen ter plaatse, waar de misdaad was gepleegd.
+Hadden echter »soedanige persoonen, die bij malcanderen in onecht
+geseten hadden, kynderen bij malcanderen gecregen«, dan, besloot de
+kerk, moest men hen wel »oepentlijcken bestraffen van haer schandelijcke
+ergernisse«, maar, om der wille der kinderen, »evenwel in den huwelijken
+staet bevestigen«. De kerk doopte voorts de onechte kinderen als de
+anderen, maar dikwijls in afzonderlijke beurten.
+
+In de Generaliteitslanden waren de vroedvrouwen onder eede gehouden
+binnen een etmaal aangifte te doen van de geboorte van bastaards, met
+naam en woonplaats der moeder (zoo die protestantsch was), vermoedelijk
+opdat zij niet door den nooddoop roomsch zouden gemaakt worden.
+Maar ook in de protestantsche provinciën komt deze bepaling voor
+(in Zeeland stond op overtreding door de vroedvrouw 100 gulden en
+zelve-het-kind-moeten-houden), met het doel, dat niet door de kans op
+geheimhouding der buiten echt geborenen, verleiding of buiten huwelijk
+samenwonen zouden toenemen.
+
+Toen wij vroeger handelden over huwelijksbeletselen hebben wij
+ook gesproken van het »ten huwelijk nemen of geld betalen, ducere aut
+dotare«. Hier ter plaatse voegt nog de herinnering, dat het onderzoek
+naar het vaderschap, in het Oudgermaansch recht toegelaten, in het
+kanoniek verboden, in de Nederlandsche rechten was toegestaan, opdat
+de vader niet ontkomen zou aan de verplichting om zijne kinderen te
+onderhouden. »De kinderen buyten egt geteelt zynde«, zegt Huig de Groot,
+»moeten onderhouden worden tot gemeene kosten van vader en moeder«. Tot
+dat onderhoud werden gerekend de kraamkosten, ook de begrafeniskosten.
+Welke middelen men soms gebruikte, om den vader tot de betaling
+dier kosten te dwingen verhaalt ons Heerma van Vos met dit burleske
+geval. Laurens Mauritsz. Doucy, hoedenmaker te Amsterdam, kreeg
+een onecht kind, dat met de moeder in de kraam stierf. De verwanten
+der overleden vrouw lieten hem aanzeggen, dat, als hij niet
+aanstonds de begrafeniskosten voor zijne rekening nam, zij het
+volgend begrafenisbriefje zouden doen drukken en verspreiden: »Tegens
+Saterdag den 5den Maart 1661 wort UE. ter begraffenisse gebeden met
+Teuntgen Claes en het craemsoontgen van Laurens Mauritsz. Doucy«. De
+onderhouding moest duren tot het 18de jaar bij jongens, tot het 14de
+bij meisjes. Werd nog in de late middeleeuwen de vader vaak door een
+godsoordeel aangewezen, in onze periode was de weg aldus. De ongehuwde
+moeder mag eene actie instellen tegen den verleider, tenzij (reeds
+aanstonds) zij blijkt geweten te hebben, dat hij gehuwd was. Bij die
+actie legt zij de verklaring af, dat de aangewezene de vader is van haar
+kind, waartegen de man zich bij eede verzetten kan. Soms verzette hij
+zich daartegen inderdaad, als in een proces voor de rechtbank te Gouda,
+in hooger beroep door het Hof behandeld, waar de gedaagde, Govert
+Govertsz. Dubbelt, door de eischeresse Grietje Soutmans aangesproken
+om betaling van f50 voor kraamkosten en f1 wekelijks voor alimentatie,
+zegt, dat hij tot niets gehouden is, omdat eischeres is eene openbare
+lichtekooi en dus geen geloof verdient en hij niet gehouden is »zoo
+schandaleusen geraepten kindt van een openbare hoer naar rechten te
+alimenteeren«. Hij weigert den eed en het Hof ontzegt aan eischeresse
+haren eisch. Bekende de man omgang met haar gehad te hebben, dan werd
+hij als vader erkend, als de moeder hem het kind opzwoer. Zulk een eed
+legde zij ook vaak reeds aan de vroedvrouw af. Er zijn echter ook
+keuren, die slechts geloof hechten aan de verklaringen van den man. Dat
+onder dit stelsel--hoeveel er ook vóór pleit--afdreiging veelvuldig
+voorkwam, ligt voor de hand, vrouwen spraken drie mannen om hetzelfde
+kind aan, enz. De beslissing werd den rechter overgelaten, die wel vaak
+over Salomo's wijsheid mag te beschikken gehad hebben. Het onderzoek
+naar het vaderschap is, zooals men weet, eerst door de invoering van den
+Code Napoléon (1 Maart 1811) opgeheven. Dit weinige zij voor ons doel
+genoeg.
+
+Bij wijze van tegenstelling met dit zeer stoffelijke, herinneren
+wij aan iets zeer geestelijks: de dichterhuwelijken uit de dagen
+der sentimentaliteit, van Feith's »Julia« en dergelijke. Zulk eene
+poëtische verbintenis »zonder togt van diersche zinnen«, louter in
+»vernuftsvereeniging« om »hersenpopjes te teelen« sloten in 1772 te
+Assen mr. L. Trip en jonkvr. Barbara van Lier.
+
+Wijzen nu de telkens strengere bepalingen op een ook telkens slechter
+wordend huwelijksleven? Het is buitengemeen moeielijk tot een, ook maar
+bij benadering juist, oordeel te komen. Berichten zijn er genoeg, het
+komt er op aan ze te wikken en te wegen. De berichtgevers zelven zijn
+immers zoo verschillend. De strenge moralisten en de predikanten in
+hunne boetpredikatiën zijn uiteraard geneigd zeer donkere verven te
+gebruiken, waartegen men op zijne hoede moet zijn, maar min of meer
+oppervlakkige naturen, van wie wij ook mededeeling ontvangen, zien weêr
+te weinig van het kwaad, glijden er luchthartig overheen en, vooral,
+onthouden ons wat zij zelven niet zagen. Reizigers kunnen slecht zijn
+ingelicht, zij kunnen (waarvoor b.v. Diderot in zijne reisbeschrijving
+door ons land zeer goed oog had) het bijzondere voor het algemeene
+houden. Al verder zal een schrijver, die Franschgezind is, den invloed
+van Fransche zeden minder gevaarlijk achten en het booze ervan eer
+ontkennen, dan een, die Frankrijk houdt voor de bron van alle kwaad ook
+op huwelijksgebied. De Franschgezinde zal geneigd zijn daarentegen op
+b.v. Engeland te wijzen en te zeggen, dat de hang zijner tijdgenooten,
+om Engelsche manieren na te bootsen, ook hun huwelijksleven schade
+heeft berokkend. De patriot zal van nature geneigd zijn om bij den
+prinsgezinde donkere vlekken te speuren, en de oranjeman op zijne
+beurt het er voor houden, dat de radicale meeningen van den kees hem
+ook losser van zeden moeten maken. De patriciër zal smalen op het
+»samenhokken als beesten« van den proletariër en van den rondzwervenden
+vagebond, en de kleine man zal met grimmigheid wijzen op het bederf in
+paleizen en kasteelen. En allen zullen zij gelijk hebben en ongelijk;
+zij zullen, schoon eenzijdig, bevooroordeeld, toch stukken der waarheid
+opmerken en aan 't licht brengen. Middelerwijl moet de tegenwoordige
+onderzoeker maar zien, hoe hij den weg vindt met zooveel gidsen en
+hij mag, vooral, bij het luid rumoer der aanklagende stemmen, nimmer
+vergeten, dat het vredige, eerbare, gelukkige huwelijksleven stil en
+bescheiden is, opspraak vreest en ook geen opspraak geeft en meest
+toevallig zich ons openbaart. Wij voor ons kunnen niet meer doen, dan
+de indrukken weêrgeven, door eene waarneming, zoo nauwkeurig als ons
+mogelijk was, op ons gemaakt. Wij beginnen met het slechte en eindigen
+met het goede.
+
+Het monogame huwelijk--dat is ons wel gebleken--is de vrucht van eene
+eeuwen en eeuwen lange worsteling tegen de polygame neigingen van den
+man; het gelukkige, man en vrouw naar stof en geest gelukkig makende,
+huwelijk is bovendien het gevolg van de beste eigenschappen van
+karakter, gemoed, van zedelijke beginselen, van godsdienstige gevoelens.
+Over dit laatste punt is lezenswaard (wij maken er bij uitzondering
+melding van, waar wij in dit boekje uitsluitend onze aandacht aan het
+verledene schenken) de in 1881 door het Haagsch genootschap bekroonde
+verhandeling van dr. Carl Thönes, »Die christliche Anschauung der Ehe
+und ihre modernen Gegner«. Maar, om tot ons onderwerp terug te keeren,
+wat wonder, dat in de door ons beschouwde periode dat pleit nog niet was
+beslecht, aan al die voorwaarden nog niet was voldaan. Dat geldt niet
+van ons land alleen, het was overal zóó. Maar één factor, die ten onzent
+zeer bijzonder in rekening moet worden gebracht, is de invloed der
+gereformeerde en doopsgezinde moraal op dit punt, die bij een goed deel
+der natie zoo al geen verhevene, dan toch strenge, huwelijkszeden had
+bevorderd. In dit opzicht mochten gereformeerde theologen vrijmoedig
+hun stem verheffen, mocht de doopsgezinde W. de Vos, leeraar bij de
+Lam-isten, in 1771 eene prijsverhandeling over het huwelijk schrijven.
+Maar, gelijk hun invloed door rigoristische gestrengheid niet onverdeeld
+gezegend was, was hij ook noch algemeen noch volstrekt en zij zelven
+trouwens waren den tijdgeest onderworpen. Overziet men het tijdperk van
+Karel V tot aan koning Willem I dan neemt men zeker eene verfijning van
+zeden waar, gekuischter taal, ingetogener manieren, wat men vooral
+toetsen kan aan het karakter van de kluchten en blijspelen en van de
+liederen. Dat wil niet zeggen, dat ook de zedigheid en de eerbaarheid in
+gelijke mate waren voortgeschreden. Wat men niet meer zegt, kan men nog
+wel denken en willen, en preutschheid is nog geen zuivere ingetogenheid.
+Het huwelijksleven onderging ook den invloed van de stijgende weelde,
+maar altijd treffen wij hier bij de middellaag der kleine en gezeten
+burgerij toch liefde voor het rustig, echtelijk samenwonen. Zeker was
+onder hen, die het betalen konden, het hebben van wat Campo Weyerman
+kamerkatjes noemt niet ongewoon en ook niet zoo fel veroordeeld,
+terwijl, wie het niet betalen konden (zooals b.v. de sententieboeken der
+schepenbanken ons verraden) al te vaak buurmans huis met kwaad begeeren
+betraden. Voorts boden de groote en drukke steden te dezen meer
+gelegenheid tot zondigen dan de kleine en de dorpen; daarom en niet om
+de grooter onschuld van het platte land vinden wij ginds meer ontucht
+dan hier. Wat ook geldt van de prostitutie, die zich in de steden rauw
+en (wel gereglementeerd, maar) onbeteugeld vertoonde.
+
+Over ongelukkige huwelijken in den dieperen zin van 't woord valt het
+moeielijk te oordeelen; wij kennen allerlei voorbeelden van bazige of
+spilzieke of luie vrouwen, van brutale, zelfzuchtige, grove mannen,
+en wij maken onze gevolgtrekkingen, maar tot de fijnere oorzaken van
+mislukte echtvereenigingen dringen wij moeielijk door. Kleine trekjes
+ontbreken niet. Constantijn Huygens de zoon, in zijn rijtuig op weg van
+Den Haag naar Leiden, werd aangereden door de karos van den raadsheer
+van der Goes. Zijne vrouw, naast hem, snauwde hem toe »soo bruy je
+altijt maar toe«, en met dezen nijdigen trek om de lippen staat zij nu
+voor ons--misschien onverdiend. Want Huygens, zelf geen hoogstaand man,
+zag de kleine dingen eer dan de groote. Het door hem, gedurende den tijd
+dat hij secretaris van Willem III was, gehouden dagboek geeft ons een
+donkeren kijk op het huwelijksleven in zijne kringen, maar hij was de
+man niet, om er het goede en verhevene naast te zien en te teekenen.
+Zoodat wij ook hier tot eenige voorzichtigheid gemaand worden. De
+opzienbarende gevallen, waarin een huwelijk tot openbaar schandaal werd
+en burengerucht veroorzaakte, vormen natuurlijk uitzonderingen, maar
+er zijn toch te veel voorbeelden, om ons niet ietwat pessimistisch te
+stemmen. Hier heeft zeker het overvloedig drinken zijn boozen invloed
+doen gelden. Wie de pamfletten bestudeerd heeft, welke zijn uitgegeven
+over de gedragingen van professor Adriaan Heereboort van Leiden (1648),
+door hemzelven, zijne ongelukkige vrouw en zijnen zwager, die behoudt
+voorgoed de herinnering aan de bittere ellende, door de zeldzame ruwheid
+en walgelijke dronkenschap van dezen man over zijn huis gebracht. Maar,
+als wij alles te samen vatten, dan vertoont, in de beide eerste eeuwen
+der Republiek, het huwelijksleven zich, bij veel ruwheid, bij veel nog
+ongebreidelden hartstocht, toch onder de groote massa als een geordend
+en eerbaar samenleven van het gezin. Wij zullen daar zoo aanstonds nog
+voller licht over laten vallen.
+
+Als de 18de eeuw echter hare intrede heeft gedaan, rijzen er talrijke
+klachten over de ontheiliging des huwelijks, die wij als betrouwbaar
+moeten erkennen. Voor een deel is hier de invloed van eene weelde,
+die geen tegenwicht meer vond in vroegere robuuste kracht en energie,
+wat te erkennen nog iets anders is, dan de 18de eeuw, naar ouden trant,
+in haar geheel eene eeuw van verval te noemen, wat zij zeker niet was.
+Voor een ander deel zijn hier buitenlandsche invloeden, wat (wederom)
+te erkennen niet hetzelfde is, als alle zedenbederf uit het buitenland
+te laten indringen. Frankrijk gaf in sommige kringen den toon aan,
+maar voor Engelsche invloeden was het 18de-eeuwsche vaderland ook
+bijzonder gevoelig. En in Frankrijk was het alsof alles tegen het
+huwelijk samenspande. »Il a contre lui les relâchements, les
+accommodements de la morale sociale, la liberté chaque jour plus grande
+des habitudes privées«. Aldus De Goncourt en aldus het getuigenis o. a.
+van de talrijke mémoires van het tijdperk. En deze voorbeelden vonden
+hier navolging, het werd mode. Justus van Effen, in het tweede kwart der
+eeuw, zegt terecht (in een van zijne vroegere, Fransche geschriften):
+»La politesse des manières, qui distingue si avantageusement l'Europe
+des autres parties du monde, a introduit comme une mode le mépris de
+l'amour conjugal. Dans nos villes capitales un homme, qui y tient
+quelque rang se croiroit deshonoré s'il ne préféroit pas aux caresses
+légitimes de la plus aimable femme la tendresse étudiée et artificielle
+de quelque salope dont tout le mérite est dans les jambes ou dans le
+gosier«. Hetzelfde verschijnsel, maar anders verklaard, omschrijft de
+vrijheer Knigge, wiens »Ueber den Umgang mit Menschen«, 1788, hier reeds
+het volgende jaar eene vertaling vond: »de schuld zal voorzeker bijna
+altijd aan de vrouw liggen, wanneer een man, die in andere opzichten
+geen slegt man is, den kus, welken hij van getrouwe, zuivere en warme
+lippen, op eene eerlijke wijze en gemakkelijk in zijn huis zou kunnen
+ontvangen, met verwaarloozing van pligt en betamelijkheid bij vreemden
+haalt«.
+
+Wie ten onzent meer geneigd waren om zich naar Engelsche mode te richten
+vonden gelijke toestanden. Het voorbeeld der Georges (zoo meesterlijk
+door Thackeray geteekend) deed veel kwaad, en Hogarth's stukken, die
+ons Engelsch huwelijksleven schilderen op zijn ergst, geven geene
+uitzonderingen. Ook moeten wij het schandelijk leven gedenken, dat
+aan vele kleine Duitsche hoven geleid werd, zeker ook van invloed ten
+onzent, toen wij in den loop der eeuw voor Duitsche letterkunde en
+Duitschen geest toegankelijker gingen worden, dan vroeger het geval
+was. Onze Spectatoren, al zijn zij als zedenmeesters ietwat eenzijdig,
+overtuigen ons toch, dat het kwaad niet gering was en de juffrouwen
+Wolff en Deken geven ons in hare romans de beelden van gelukkige
+huwelijken, als bedoelde tegenhangers tegen de vele bedorven
+echtvereenigingen harer dagen. Van haar is ook een woord als dit:
+»In ons altoos drok, woelig Amsterdam zelf schijnt het niet meer zeer
+zeldzaam te zijn, getrouwde mannen veel meer met hun maitressen, dan met
+hunne vrouwen te zien... klaagde gij mij onlangs zelf niet, dat gij in
+een balcon (van de komedie) gezeten had naast de gemaintineerde van een
+getrouwd man, die zich niet schaamde haar te verzellen?« Dit alles
+drijft ons oordeel in de ongunstige richting. En uitspraken in dezen
+geest klinken van alle kanten. In eene verhandeling van Dirk van
+Hinloopen, 1793, lees ik (wel met den gewonen waan, dat oudtijds alles
+beter was, maar toch) weêr het zelfde: »Kuisheid bij jongelieden en
+getrouwheid aan den huwelijksband (waarop onze oude Batten en de voorige
+Nederlanders zoo met recht konden roemen) worden niet meer geacht«. Hoe
+voorzichtig echter wij bij voortduring moeten zijn, blijkt, als wij b.v.
+het ééne bericht door een ander kunnen controleeren. De patriotsche
+hoogleeraar Y. van Hamelsveld vertelt ons ergens: »In onze voornaamste
+koopsteden zijn huizen, in welken in eene kamer de pourtraiten van
+vrouwen, die zich ter omhelzing aanbieden, zijn opgehangen, uit welke
+men ééne naar welgevallen uitkiest. Hier zou het meer dan eens gebeurd
+zijn, dat de man zijn eigen vrouw ontmoette«. Dit werd gezegd 1790. Maar
+twee jaar later merkt Grabner op, een Duitsch officier, die ons land
+goed kende en onze boeken las: »..Van Hamelsveld vertelt wel, dat een
+Amsterdammer zijne vrouw in een bordeel vond, maar die geschiedenis heb
+ik wel 10 maal gehoord in 7 jaar. Dan is ze zeldzaam. In Londen, Parijs
+of Berlijn had men ze in de eerste 8 dagen voor 10 andere gevallen
+vergeten«. Dat is niet onverstandig geredeneerd.
+
+ * * * * *
+
+In de geschiedenis der predikkunde zijn de voorbeelden bekend van
+predikers, die het eerste gedeelte hunner leerrede altijd zetten in
+den toon van »o wee, o wee!«, maar bij het tweede gedeelte geregeld
+overgingen in dien van het »hoezee, hoezee!« Het zal den schijn wekken,
+alsof ik in de nog restende bladzijden van dit boekje dat laakbaar
+voorbeeld volg. Het is maar schijn. Want niet uit oppervlakkig
+optimisme, maar wezenlijk op grond, van wat de geschiedenis mij schijnt
+te leeren, houd ik mij overtuigd, dat in het huwelijksleven ten onzent
+als regel het goede het booze overtrof. Het kwaad, waarvan wij getuigen
+waren, is dat van bepaalde kringen. Landgenoot en vreemdeling bewijzen
+ons dat in tal van berichten, bevestigd door wat de geschiedenis van de
+maatschappij, de kunst, de wetenschap, de familie ons leert. De breede
+middellaag, wij zeiden het reeds in ander verband, der natie biedt het
+schouwspel van zuiverder zeden, »die gelukkige middenstand«, zegt Betje
+Wolff in haar »Proeve over de opvoeding«, »waarvan ik welverzekerd ben,
+dat ik daar het grootste getal brave vrouwen en tedere moeders zal
+vinden«. Het is het schouwspel van het huiselijke, het ingetogene,
+schoon niet altijd bevallige. Dezelfde Van Effen van daareven getuigt
+ook: »Le mariage, qui ouvre la carrière de la galanterie aux Françoises
+la ferme d'ordinaire aux belles de ce pays. La mode n'a pas encore
+réussi à falsifier chez nous les idées de l'amour conjugal... Les maris
+et les femmes s'aiment bourgeoisement et de toute leur âme.. ce sont des
+baisers perpétuels... et si indiscrets qu'on les entendroit quand on
+ne les verroit pas.. Nos coeurs ressemblent assez à nos tourbes, ils
+brulent lentement et longtems.. Les femmes de Hollande n'ont pas assez
+de vanité pour polir les agrémens brutes qu'elles ont reçu de la nature,
+qui n'embellit jamais tout à fait et qui laisse toujours quelque chose à
+faire à l'industrie..« Dit werd geschreven 12 September 1718. Men ziet
+het: het burgerlijke, het rustige, het weinig romantische, maar het
+eerbare. Reeds de Engelsche gezant Sir William Temple (1668.1672) had
+dien indruk van onze huisgezinnen, waar de vrouw het bestuur heeft,
+waaraan man en kinderen zich gaarne onderwerpen, waar het leven rustig,
+onbesproken voortvloeit. Gelijk uit diezelfde jaren, 1664, een ons
+overigens niet goed gezind Engelsch pamflettist getuigt van de mannen in
+Holland: »Chast and modest to their women, being strangers to the two
+formentors of lust, idleness and courtship; alwayes doing less then they
+speak and speaking less then they think«. Goed gezind was ons zeker ook
+niet Oliver Goldsmith, maar zijn getuigenis (1759) is met dat al van
+waarde: »De Engelschen« (ik geef de vertaling van dr. Barnauw) »hebben
+hunne vrouwen lief met veel hartstocht, de Hollanders met omzichtigheid.
+De Engelschen geven met hun hand hun hart, de Hollanders geven hun hand,
+maar houden wijselijk hun hart achterwege. Er schijnt weinig verschil
+tusschen een Hollandschen bruidegom en den Hollandschen echtgenoot.
+Beiden kenmerken zich door een zelfde koele, niet te overrompelen
+kalmte. Zij verwachten Elysium noch Paradijs achter het bedgordijn en
+»Yiffrow« is zoomin eene godinne in den huwelijksnacht als na tien jaren
+huwelijksintimiteit«. Dit is boosaardig en wezenlijk onwaar. Maar het is
+hetzelfde verschijnsel, van het koele, het weinig bevallige, maar het
+hechte en solidene, dat uit de schampere woorden kan worden opgemaakt.
+
+Ik geef ook nog een Franschman het woord, Diderot, ons beter gezind,
+maar de uitkomst is dezelfde. Hij dan schrijft (1773): »Presque toutes
+les femmes y (in Holland) étant sages, il y a peu d'hommes dérangés et
+de mauvais ménages. L'intérêt, le travail, l'amour du gain, l'assiduité
+aux affaires et le gout du commerce amortissent les passions; une
+femme m'a dit qu'il y avait beaucoup d'indolents, mais presque point
+d'amoureux. Le libertinage vague des hommes mariés est sévèrement puni«.
+Vriendelijk is dit ook niet, maar altijd hetzelfde beeld. Eindelijk,
+weder twintig jaren later (1792) een Duitscher, de reeds genoemde
+Grabner: »De grond voor de echtelijke gelukzaligheid ligt in de
+Nederlanden in den welstand, gelukkig temperament, zacht gedrag der
+echtgenooten. De mannen laten den vrouwen het huisregiment, behandelen
+haar met teederheid. De vrouwen zijn zorgvuldig, van onbevlekte trouw
+en maken zich aan ijdele verspilling niet schuldig«. En dan laat hij
+volgen: »worin Sie eben so sehr durch ihr gemässigtes Temperament als
+die herrschenden Sitten unterstützt werden«. Hoe gelukkig hun echt is,
+blijkt wel uit hun zilveren en gouden bruiloften. Ik sluit de rij met
+weder een landgenoot, onzen raadpensionaris Schimmelpenninck, die,
+het was 1803, op een gezegde van Napoleon: »ik weet dat gij gelukkig
+getrouwd zijt«, antwoordde: »In dat opzicht doen wij ons best trouw te
+blijven aan onze bataafsche zeden«.
+
+Ziethier een wolk van getuigen. Welnu, thans laten wij (om naast dit
+grovere nu ook aan het fijne en verhevene recht te doen) de geslachten
+der menschen langs ons geestesoog voorbijgaan, eene lange, lange rij, en
+telkens wordt onze liefderijke aandacht getrokken door wie in gelukkig
+huwelijk vergaard waren, ziel met ziel te zaam gesmolten door dat
+»krachtigste cement, dat harten bindt, waar muren breken tot puin
+in 't end«. De martelaarsbrieven der oude doopsgezinden uit de jaren
+1535 tot 1570, geschreven in het aangezicht des doods (vergelijk boven
+blz. 29), uit den kerker, gunnen ons een diepen blik te slaan in het
+geestelijk leven dezer »slachtschaapkens Christi«, hoe deze echtgenooten
+elkander liefhebben, door de scheiding op het pijnlijkst gekweld,
+elkander opbeuren en in het geloof opbouwen. Hoe zij elkander raad geven
+voor den tijd, dat zij er een van beiden niet meer zijn zullen, over de
+opvoeding der kinderen, over het weduwschap, waarbij soms van de zijde
+van den man zich de natuurlijke en menschelijke jaloezie openbaart in
+den wensch, dat de vrouw niet moge hertrouwen, hoe zij naar hun kinderen
+verlangen en telkens vragen b.v. »kus mijn lief Susanneke...« inderdaad,
+aan de edelste, echtelijke gevoelens zijn onze martelaarsboeken rijk!
+En hier is ten jare 1566, in hervormde kringen, te Souburg op Walcheren
+het echtpaar Adriaan de Decker en Petronella Pieters. De vrouw had op
+drastische wijze een Maria-beeld beleedigd (door het met haren pantoffel
+te slaan) en moest daarom sterven. De man bleef haar trouw, wilde haar
+niet verlaten en zou met haar gehangen worden, zij echter het eerst,
+omdat zij het feit had gepleegd. Toen haar de strik om den hals werd
+gelegd, sloeg hij de oogen tot haar omhoog en zeide: »O, Nelle, waertoe
+hebst dij ons in onze oude daghen gebracht«. Enkele oogenblikken later
+was hij haar in den dood gevolgd.
+
+Van trouwe huwelijksliefde bewaart aldus onze geschiedenis menig
+treffend voorbeeld, waarvan wij er onzen lezers nog een enkel in
+herinnering brengen. Het eerste is verbonden aan de Haarlemsche
+burgemeestersvrouw Brecht Engbertsdr. Proosten, die wel verdiend heeft,
+zegt Hooft (dien ik hier ga navertellen) haren naam uit het graf der
+vergetelheid te houden. Het was 1573, Haarlem overgegeven en uitgemoord,
+maar na den slag op de Zuiderzee bood de Spanjaard uitwisseling van
+gevangenen aan. Burgemeester Pieter Kies, Brechtjes man, op zijn
+eerewoord losgelaten, zou daarover met Verdugo te Amsterdam gaan
+onderhandelen. Zijne vrouw vergezelde hem. Zij voeren in een open
+schuit, en bij de waterpoort schoten eenige soldaten, bij ongeluk of met
+opzet, op hen. Een kogel trof Brechtje in den arm en bleef in 't been
+steken. Zij, die haren man kende als dapper en oploopend, verbeet zich
+»zonder hagh oft wagh te zeggen« bevreesd, dat hij woedend worden en,
+zich aan den schutter vergrijpend, in zijn gewissen dood loopen zou.
+Eerst toen haar 't bloed bij de kleederen neêrliep, ontdekte haar man
+wat was geschied, stoof op, wilde aan land... maar toen was de schuit
+al ver genoeg.
+
+Het tweede voorbeeld verplaatst ons naar 't slot Loevestein. Daar was
+in 1624 als gevangene binnengebracht Arnold Geesteranus, remonstrantsch
+predikant, omdat hij, tegen den wil der bovendrijvende partij, was
+voortgegaan met voor zijn vervolgde geloofsgenooten te prediken.
+Loevestein was vol, dus sloot men hem in een nauw en rookerig vertrek
+in een der torens. Nu was Arnold vroeger verloofd geweest met Susanna
+Oostdijk, uit eene deftige Brielsche familie, maar had haar heur woord
+teruggegeven, omdat hij haar niet aan zijn leven van zorgen en gevaren
+wilde binden. Zij van haren kant werd bovendien nog tegengehouden door
+de zorg voor eene ziekelijke moeder. Maar toen deze gestorven was en
+Susanna hoorde, dat Arnoldus levenslang op Loevestein gevangen zitten
+zou, aarzelde zij niet, snelde naar hem toe en bood hem aan, als zijne
+vrouw, zijn kerker met hem te deelen. De Staten gaven toestemming, de
+geboden werden gelezen en de oude dominee Jodocus Geesteranus van
+Gorinchem, Arnolds vader, maar contra-remonstrant, zegende het huwelijk
+in. Velen hebben het geval bezongen, o. a. Tollens:
+
+ . . . . . . . . . . . . . . . . .
+ »En na een vlugtig aantal dagen
+ Werd in de slotkerk op het koor
+ Een huwelijksouter aangedragen
+ En 't jeugdig bruidspaar knielde er voor.
+ Een diepe stilte daalde neder;
+ Geen wapen kletterde in 't portaal,
+ Geen grendelslot ging heen en weder,
+ Geen adem fluisterde in de zaal.
+ 't Was alles aandacht.......
+ Wie ooit dat grijs kasteel beziet,
+ Waar zooveel achtbre schimmen zweven
+ Waar zooveel wonders is bedreven,
+ Verzuim' hij Sannaas kerker niet!
+ En wie den voet zet op den drempel,
+ Hij tree de cel met eerbied in,
+ Want liefde en trouw en huwlijksmin
+ Had eens dien kerker tot haar tempel.«
+
+Het is ouderwetsche dichtkunst, deze ballade, daarom niet zonder
+bekoring. Tot onze vreugde valt ons te binnen, dat Geesteranus met
+zijne lotgenooten 19 Juli 1631 heeft kunnen ontvluchten en dat zijne
+dappere vrouw verlof kreeg hem te volgen.
+
+Eindelijk nog uit dezen zelfden tijd vermeld ik de Rispa-rol door de
+vrouw van Hendrik Slatius gespeeld. Deze gewezen predikant had een
+werkzaam aandeel genomen in de befaamde samenzwering tegen prins
+Maurits, was te Rolde gevangen genomen (nog is de spreekwijze niet
+onbekend: »Slatius laat zijn kan bier staan«) en 5 Mei 1623 in Den
+Haag onthoofd. Men kan er in de romanliteratuur Lodewijk Mulders »Jan
+Faessen« op nalezen. Het lichaam werd op het galgenveld bij Rijswijk op
+een horizontaal rad gelegd, waaraan ook zijne rechterhand, door den
+beul, met het hoofd, afgehouwen, gespijkerd werd. Zes dagen later, in
+den nacht tusschen 11 en 12 Mei kwam Slatius' weduwe, de zuster van een
+der andere veroordeelden Cornelis Gerritsz., en stal het lijk van het
+rad. Dit »kraaienaas« (zeggen de gelijktijdige historici) begroef zij in
+een akker bij de Geestbrug omtrent eene spade diep onder de aarde. Maar
+nog vond het geen rust. Den 16den Mei ontdekte een boer het bij het
+ploegen, hij waarschuwde het gerecht en toen sleepte men het lijk weder
+naar 't galgenveld, gelijk staat afgebeeld, in akelige ruwheid, op de
+prent uit dien tijd »Slatius komt uyt het graf«. Maar ten tweeden male
+stal de weduwe het lichaam van het rad. Toen voerde zij het per schuit
+»eenen grooten stanck van zich gevende« door Leiden naar Warmond en
+begroef het daar in een boomgaard, waar het niet meer werd verontrust en
+»mogelijk sal leggen tot d'opstanding uit de dooden«. Wat Slatius' vrouw
+aangaat, haar trouw is niet minder groot dan van Maria van Reigersberch,
+al werd zij aan onwaardiger voorwerp geschonken.
+
+En nu, om enkele bekender gestalten langs den lezer heen te voeren, hier
+zijn Jacobus Arminius en Elisabeth Reaal, Johannes Bogerman en Grietje
+Piers, Vondel met zijn Maaike Wolff, in de aandoenlijkste verzen
+herdacht:
+
+ »Hoe veer dees voeten moghten dwalen,
+ 'k Sal derwaert mijn bedruckt gesicht
+ Noch slaan, daar voor het rijsend licht
+ Uw bleeke star ging onderdalen..«
+
+en Rembrandt met Saskia, op onsterfelijk doek vereeuwigd. Langs ons
+heen gaan Dirk Volkerts Coornhert en Neeltje Simonsdr., wier »herten
+elkander liefhadden«, en Huig de Groot met Maria van Reigersberch, en
+Oldenbarnevelt met Maria van Utrecht. Daar schrijden voort, hand in
+hand, Huygens met Susanne van Baerle, zijne »sterre« (»nu 't den hemel
+soo gepast heeft, dat mijn ziel aan d'uwe vastleeft«) en Balthasar
+Bekker met Froukje Fullenius,
+
+ »hertlieve seer getrouwe,
+ Vernoegde deelgenoot in voorspoed als in rouwe..«
+
+en Jacobus Fruytier, de heftige voetiaan, maar trouw en zacht tegenover
+zijne »zeer waarde en veel geliefde huisvrouw«, Agneta Sassenraat, en
+burgemeester de Beyer van Nijmegen, die zijne gestorven vrouw zoo bitter
+beweent, en (in dat zelfde midden der 18de eeuw) de ouders der bekende
+Belle van Zuylen, en de Amsterdamsche koopman Jacob de Clercq, van wien
+zijn Zweedsche gast Ferrner getuigt, dat hij nooit gelukkiger getrouwd
+man zag...
+
+Zoo glijdt de stoet der »zwevende gestalten« voor onze oogen voorbij.
+En als op zijne verheven geleidsters zien wij op de vorstinnen, die het
+leven van de twee grootste Oranjevorsten hebben gewijd: Charlotte van
+Bourbon en Louise de Coligny èn Maria, de vrouw des konings-stadhouders,
+die, in dagboek en brieven hare reine ziel ons openlegt en die haren
+echtgenoot, met zijne zonden en afwijkingen, heeft bemind met eene
+liefde, zooals er inderdaad »geene Gods liefde naderkomt«. Zoet is ons
+de gedachte, dat, toen Willem III, groot bij zijne niet geringe fouten,
+in den morgen van 19 Maart 1702, stierf, hij op zijn borst bleek te
+dragen een zijden lint met een haarlok en een gouden ring der vrouw, die
+eindelijk ook zijne liefde gewonnen had.
+
+Geen beteren naam dan den haren konden wij schrijven aan het einde van
+dit hoofdstuk over het huwelijksleven der vaderen, het einde meteen van
+het gansche boekje, dat over hun verloven en trouwen den toegenegen
+lezer eenige kennis moge hebben aangebracht.
+
+7 Maart 1914.
+
+
+
+
+ +----------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst |
+ | aangebracht: |
+ | |
+ | Bron (B:) -- Correctie (C:) |
+ | |
+ | B: Inleiding 3 |
+ | C: Voorrede 1 |
+ | B: ons een ooggetuige. »twee |
+ | C: ons een ooggetuige, »twee |
+ | B: Anna Adlischweiler, brief dien men |
+ | C: Anna Adlischweiler, een brief dien men |
+ | B: dravers komt voor of de |
+ | C: dravers« komt voor of de |
+ | B: gezelschapsspelen, vrijer en osser |
+ | C: gezelschapsspelen, vrijer en losser |
+ | B: ende anders voirdeel te hebben) |
+ | C: ende anders voirdeel te hebben«) |
+ | B: gemeente.« »Dat nochtans, ook |
+ | C: gemeente.« Dat nochtans, ook |
+ | B: wife Jane was »»about the |
+ | C: wife Jane was »about the |
+ | B: den ondertrouw diende partijen |
+ | C: den ondertrouw dienden partijen |
+ | B: geneigd het een »abonimabel |
+ | C: geneigd het een »abominabel |
+ | B: huwelijk vader was van Ariaantje. |
+ | C: huwelijk vader was van Arriaantje. |
+ | B: Philogamos in Cat's »Weduwenhouwelijk« |
+ | C: Philogamos in Cats' »Weduwenhouwelijk« |
+ | B: nog eerder Rembrandt's »Joodsche |
+ | C: nog eerder Rembrandts »Joodsche |
+ | B: ende vooght A.A.?«« Beyde geantwoort |
+ | C: ende vooght A.A.?« Beyde geantwoort |
+ | B: wijders aldus: »»Ende belooft malcander |
+ | C: wijders aldus: »Ende belooft malcander |
+ | B: doot scheyden sal?«« Weder geantwoort |
+ | C: doot scheyden sal?« Weder geantwoort |
+ | B: armen.« |
+ | C: armen.«« |
+ | B: officieële inschrijving wel op prijs |
+ | C: officiëele inschrijving wel op prijs |
+ | B: But thou, foul Cupid, sire |
+ | C: »But thou, foul Cupid, sire |
+ | B: En dit alles niet maar theorie. |
+ | C: En dit alles was niet maar theorie. |
+ | B: alleguéz et aux aultres |
+ | C: alléguez et aux aultres |
+ | B: losgelaten, zoo daarover met Verdugo |
+ | C: losgelaten, zou daarover met Verdugo |
+ | |
+ +----------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Verloving en Huwelijk in vroeger dagen, by
+Laurentius Knappert
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VERLOVING EN HUWELIJK ***
+
+***** This file should be named 35881-8.txt or 35881-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/5/8/8/35881/
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.