diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-14 20:08:48 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-14 20:08:48 -0700 |
| commit | 295cf1be2389bf34a69bf32dfb769811d6491aa7 (patch) | |
| tree | baee10928ce918b6a4a6f081a473be3851875689 /37789-h | |
Diffstat (limited to '37789-h')
| -rw-r--r-- | 37789-h/37789-h.htm | 9499 | ||||
| -rw-r--r-- | 37789-h/images/achter.jpg | bin | 0 -> 44503 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37789-h/images/cover.jpg | bin | 0 -> 91346 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37789-h/images/ill01.jpg | bin | 0 -> 9681 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37789-h/images/ill02.jpg | bin | 0 -> 73379 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37789-h/images/ill03.jpg | bin | 0 -> 72648 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37789-h/images/ill04.jpg | bin | 0 -> 79925 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37789-h/images/ill05.jpg | bin | 0 -> 71058 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37789-h/images/rug.jpg | bin | 0 -> 25793 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37789-h/images/streepje.gif | bin | 0 -> 54 bytes |
10 files changed, 9499 insertions, 0 deletions
diff --git a/37789-h/37789-h.htm b/37789-h/37789-h.htm new file mode 100644 index 0000000..caa23ca --- /dev/null +++ b/37789-h/37789-h.htm @@ -0,0 +1,9499 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN" + "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd"> + +<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl" lang="nl"> + <head> + <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" /> + <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" /> + <title> + The Project Gutenberg eBook of Wilde Bob, by C. Joh. Kieviet. + </title> + <style type="text/css"> + +body { margin-left: 10%; margin-right: 10%;} + +h1,h2 {text-align: center; clear: both; font-weight: normal;} + +h1 {line-height: 180%; margin-top: 1em; margin-bottom: 1em;} +h2 {font-size: 100%; font-variant: small-caps; + margin-top: 2em; margin-bottom: 2em;} + +p {margin-top: .75em; text-align: justify; margin-bottom: .75em;} + +p.tp {text-align: center; font-weight: normal; line-height: 160%; + margin-top: 3em; margin-bottom: 3em;} +p.ot {font-size: 110%; font-weight: normal; text-align: center; + margin-top: 2em; margin-bottom: 2em; white-space: nowrap;} + +hr.l1 {width: 60%; margin-top: 4em; margin-bottom: 4em; + margin-left: auto; margin-right: auto; clear: both;} +hr.l2 {width: 30%; margin-top: 4em; margin-bottom: 4em; + margin-left: auto; margin-right: auto; clear: both;} +hr.l3 {width: 5em;} +p.str {background: url("images/streepje.gif") repeat-x; + margin-left: auto; margin-right: auto; + margin-top: 4em; margin-bottom: 4em;} +p.str2 {background: url("images/streepje.gif") repeat-x; + margin: auto; width: 10em;} +p.str3 {background: url("images/streepje.gif") repeat-x; + margin: auto; width: 5em;} + +table {margin-left: auto; margin-right: auto; font-size: 90%; max-width: 90%;} +td.col1 {text-align: center; white-space: nowrap;} +td.col2 {text-align: center; font-size: 110%; white-space: nowrap;} +td.col3 {text-align: center; font-size: 90%; white-space: nowrap;} + +.pagenum {position: absolute; left: 94%; font-size: 60%; text-align: right; + color: #999999; letter-spacing: 0; font-style: normal; font-weight: normal;} + +.blockquot {margin-top: 1.4em; margin-bottom: 1.4em; margin-left: 10%;} + +ol {margin-top: 0; margin-bottom: 0;} +dd, li {margin-top: 0.25em; margin-bottom: 0; line-height: 1.2em; + text-align: left;} + +.rght {float: right;} +.rght1 {float: right; margin-right: 12em;} +.rght2 {float: right; margin-right: 6em;} +.rght3 {float: right; margin-right: 3em;} + +.lft2 {padding-left: 5em;} +.lft3 {padding-left: 6em;} + +.smcap {font-variant: small-caps;} + +.center {text-align: center;} + +.caption {font-size: 90%; font-weight: normal; text-align: left; + display: table; padding-left: 1em; padding-right: 1em;} +.caption1 {font-size: 90%; font-weight: normal;} + +em.g {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -.2em; font-style: normal;} + +.f7 {font-size: 70%;} +.f8 {font-size: 80%;} +.f9 {font-size: 90%;} +.f11 {font-size: 110%;} +.f12 {font-size: 120%;} +.f14 {font-size: 140%;} + +.figcenter {margin: auto; text-align: center; + padding-top: 1em; padding-bottom: 1em;} +.figcenter1 {margin: auto; text-align: center; max-width: 400px; + padding-top: 1em; padding-bottom: 1em;} + +.centered {text-align: center; margin: auto; display: table;} +.poem {text-align: left; font-size: 90%;} +.poem br {display: none;} +.poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;} +.poem span.i0 {display: block; margin-left: 0em; + padding-left: 3em; text-indent: -3em;} +.poem span.i14 {display: block; margin-left: 8.4em; + padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + +.footnote {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 80%;} +.footnote .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right; + font-size: 80%} +.fnanchor {vertical-align: top; font-size: 70%; text-decoration: none;} + +.tnote {border: dashed 1px; margin-left: 10%; margin-right: 10%; + margin-top: 2em; padding: .5em 1em .5em 1em; font-size: 80%;} + + </style> + </head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Wilde Bob, by Cornelis Johannes Kieviet + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Wilde Bob + +Author: Cornelis Johannes Kieviet + +Illustrator: Willem Steelink + +Release Date: October 18, 2011 [EBook #37789] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WILDE BOB *** + + + + +Produced by Branko Collin, eagkw and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net + + + + + + +</pre> + + +<div class="figcenter"> +<img src="images/cover.jpg" width="426" height="600" alt="Cover" title="Omslag" /> +</div> + +<hr class="l2"/> + +<div class="figcenter"> +<img src="images/ill01.jpg" width="314" height="73" alt="C. M. Hoogenboom, +Sint-Nicolaasfeest. 1904." title="Met de hand geschreven op de eerste bladzij" /> +</div> + +<hr class="l2"/> + +<h1>WILDE BOB</h1> + +<hr class="l2"/> + +<div class="figcenter1"><a name="ill02" id="ill02"></a> +<img src="images/ill02.jpg" width="400" height="548" alt="Doch Bobje wandelde doodbedaard met groote stappen over den weg +heen en weer,.... (pag. 50)." title="" /> +<br /><span class="caption">Doch Bobje wandelde doodbedaard met groote stappen over den weg +heen en weer,.... (pag. <a href="#Page_50">50</a>).</span> +</div> + +<hr class="l2"/> + +<h1><big>WILDE BOB</big></h1> + +<p class="tp"><span class="f7">DOOR</span><br /> +<br /> +<span class="f14">C. JOH. KIEVIET</span></p> + +<hr class="l3"/> + +<p class="tp"> +<span class="smcap">Geïllustreerd door Wm. Steelink</span></p> + +<p> </p> + +<p class="tp">AMSTERDAM<br /> +<span class="f12">VAN HOLKEMA & WARENDORF</span><br /></p> + + +<p><span class="pagenum"><a name="Page_1" id="Page_1">[1]</a></span></p> + +<p class="str"> </p> + +<h2>Eerste Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Welke streken Bob uithaalde<br /> +en hoe hij ten slotte overijld het hazenpad koos.</p> + + +<p>»Dorus!»</p> + +<p>Dat was de stem van Moe. Zij stond aan de trap en +ik zat mijn huiswerk te maken op de bovenkamer.</p> + +<p>»Ja, Moe! Wat wil U?»</p> + +<p>»Dorus, ginds komt Wilde Bob aan. Laat je nu niet +door hem van je werk meêtroonen, voordat je het afhebt. +Zul je niet?»</p> + +<p>»Neen, Moe, ik zal eerst mijn werk in orde brengen, +dat beloof ik U.»</p> + +<p>»Goed, mijn jongen. Eigenlijk zag ik nog veel liever, +dat je in het geheel met dien Bob niet omging, want ik +houd hem voor een heel slecht kameraad.»</p> + +<p>»Heusch niet, Moe, echt niet! ’t Is toch zoo’n aardige +jongen. Wij houden allen evenveel van hem en hij is +wel goed ook. Slecht althans in geen geval.»<span class="pagenum"><a name="Page_2" id="Page_2">[2]</a></span></p> + +<p>»Nu, ik wil het hopen. Dus eerst je werk af, denk +daar om.»</p> + +<p>»Ja, Moe!»</p> + +<p>’t Was Zaterdagmorgen, tien uur ongeveer, toen Moe +mij dit toeriep. ’s Zaterdags hadden wij nooit school, +daarentegen wel op Woensdagmiddag, welken de kinderen +tegenwoordig meestal vrij-af hebben.</p> + +<p>Eigenlijk was Moe’s waarschuwing niet noodig geweest, +want ten eerste was het mijn vaste voornemen, niet te +gaan spelen, voordat ik mijn werk afhad, en ten tweede +had ik mijn vriend Bob, of Wilden Bob, zooals hij gemeenlijk +genoemd werd, al zien aankomen. »Eerst leeren +en dan spelen,» zei onze meester altoos, en ik was dat +volkomen met hem eens. Niet omdat ik studeeren zoo +prettig vond, o neen, maar ik was al een paar malen +naar mijne kameraden gegaan, vóór ik mijn werk afhad, +en dat had mij even zooveel malen berouwd. Want als +mijn vrije Zaterdag eindelijk al spelende voorbij gegaan +was, kon ik mijn Zondag besteden, om den verloren tijd +in te halen, en dat viel mij dubbel hard, want op dien +dag werkt niemand.</p> + +<p>Bob en ik woonden tegenover elkander, elk aan +eene zijde van de beek die ons dorp doorsneed. ’t +Was dus geen wonder, dat ik hem had zien aankomen, +te meer daar mijn raam, waarvoor ik zat te werken, +precies op zijn huis uitzicht gaf. Al ongeveer tien minuten +geleden had ik hem op zijne stelten, want het was juist +in den steltentijd, den tuin uit- en den weg zien opstappen, +en ik twijfelde niet, of zijn weg voerde naar<span class="pagenum"><a name="Page_3" id="Page_3">[3]</a></span> +mij. Want Karel Holm en ik, Dorus Volmaar, waren het +meest met hem bevriend, hoewel ik moet zeggen, dat +alle jongens veel van hem hielden.</p> + +<p>Toch kon ik mij wel begrijpen, dat onze ouders niet +zoo bijster met die vriendschap waren ingenomen, want +hij verdiende zijn bijnaam van Wilden Bob volkomen, +en hij deed veel meer kattekwaad in eene week dan alle +andere jongens te zamen in een jaar. Zoo pas nog zag +ik hem bij dokter Doreman van zijne stelten stappen en +zich vlug als een kat meester maken van de glazenspuit, +die in een emmer vol water onbeheerd voor het huis +stond. Mina, de meid, was zeker iets uit de keuken +gaan halen, dat zij vergeten had. En was het er hem +nu nog maar om te doen geweest, zich op de hoogte +te stellen, hoe zoo’n perspompje toch eigenlijk werkt, +dan was het niet erg geweest. Maar dat wist ik wel +beter, want daar kende ik Bobje te goed voor. Neen, hij +zon natuurlijk weer op iets grappigs, en dat grappige +bleef niet uit, toen de niets kwaads vermoedende Mina +om den hoek van het huis verscheen, en plotseling de +volle laag kreeg. Ik zag hoe zij van schrik de armen +omhoog sloeg en in minder dan geen tijd droop van het +water.</p> + +<p>Maar Mina is lang geen katje om zonder handschoenen +aan te pakken. In plaats van op de vlucht te gaan, +zooals Bob natuurlijk van haar verwacht had, kwam zij +heel onnatuurlijk in ijlende vaart op hem af, zoodat hij +zich genoodzaakt zag, zich met achterlating van zijne +stelten zoo spoedig mogelijk uit de voeten te maken.<span class="pagenum"><a name="Page_4" id="Page_4">[4]</a></span> +En het ergste kwam nog voor hem aan, want in zijne +haast liep hij met geweld tegen een dikken boom aan, +waarvan een blauwe plek op zijn voorhoofd het directe +gevolg was. En het indirecte gevolg was een nat pak, +want door den schok viel hij achterover op den grond +en kreeg van de dankbare Mina al het water over zijn +lichaam, dat hij nog in den emmer gelaten had. Die grap +was dus ons Bobje slecht bekomen. En zijne stelten was +hij kwijt, want Mina nam ze op en bracht ze achter +het huis in veiligheid.</p> + +<p>Ik zag uit mijn raam, hoe Bob overeind scharrelde en +op een eerbiedigen afstand bleef wachten, of het de +beleedigde Mina ook behagen mocht, hem zijne houten +onderdanen terug te geven. Maar Mina maakte bedaard +haar werk af, stak daarna dreigend de vuist tegen Bob +op en ging naar binnen.</p> + +<p>Toen beschouwde Bob de zaak blijkbaar als afgedaan, +want hij stak zijne handen in zijne broekzakken en vervolgde +zonder stelten zijn weg naar mij.</p> + +<p>Dergelijke ontmoetingen had Bob den geheelen dag +door, van den morgen tot den avond. Maar zijn humeur +leed er niet erg onder. Hij was daarvoor aan zulke +afstraffingen te zeer gewoon en het was zijne gewoonte, +als hij hier of daar min of meer onaangename ervaringen +had opgedaan, te zeggen: »Wie kaatst moet den bal +verwachten.» ’t Was alleen maar jammer, dat dit kaatsen +bij hem nooit eens ophield, want hij was in zijn hart +werkelijk een goede jongen. Er waren er wel op het +dorp, die lang zoo berucht niet waren als hij, jongens<span class="pagenum"><a name="Page_5" id="Page_5">[5]</a></span> +met wie wij van onze ouders volgaarne mochten omgaan +en die toch inderdaad veel slechter waren dan Bob. In +elk geval, wij, jongens, hielden dol veel van hem, en als +hij, naar wij meenden, onverdiend beschuldigd werd, +zooals Moe straks deed, dan achtten wij het onzen plicht, +hem met al de kracht te verdedigen, waarover wij +beschikken konden.</p> + +<p>Bob was de zoon van onzen nieuwen notaris, en hij +woonde nog maar een paar maanden op het dorp. De +vorige notaris was in den verschenen herfst overleden, +en Bob’s vader was diens opvolger. Eigenlijk heette hij +Robert Adrianus de Wild, maar thuis noemden zij hem +nooit anders dan Bob, en wij, jongens, hadden van Bob +de Wild al spoedig Wilden Bob gemaakt, welke naam +volkomen bij hem paste.</p> + +<p>Enkele minuten na Moe’s waarschuwing hoorde ik zijn +bekend fluitje op den weg. Want wij schelden nooit bij +elkander aan. Karel Holm, Bob en ik hadden afgesproken, +dat wij dit nooit doen zouden, want het was veel aardiger +om een zeker signaal te hebben, waarmede wij elkander +konden roepen, zonder dat anderen daar nu juist altoos +erg in moesten hebben, en bovendien scheen het ons +iets bijzonder geheimzinnigs en rooverachtigs toe, wat +ons verbazend interesseerde. Zoo hadden wij dan een +bepaald signaal afgesproken, wat door ons gefloten werd. +Al spoedig konden wij zelfs in het donker wel onderscheiden, +wiens fluitje gehoord werd. Want al floten wij dezelfde +reeks van tonen, ieder van ons had toch weer zijne +bijzondere manier, waaraan hij herkenbaar was.<span class="pagenum"><a name="Page_6" id="Page_6">[6]</a></span></p> + +<p>Ik stak mijn hoofd uit het raam, want daar wij al +Juni schreven en het prachtig weêr was, had ik het +zoover opengeschoven als ik kon, en zei:</p> + +<p>»Zoo Bobbertje. Wat ben je nat!»</p> + +<p>»Dag Dorus! Ga je mee? Er zijn al verscheidene +jongens op het schoolplein.»</p> + +<p>»Eerst mijn werk af, mannetje. Ben jij er al mede klaar?»</p> + +<p>»O heden ja, een uur geleden al. Maar ik was om +vijf uur al op en ben toen dadelijk aan het werk gegaan. +Iedereen slaapt zoo lang niet als jij!»</p> + +<p>»Dank je voor het compliment. Maar zeg, wat ben je nat?»</p> + +<p>Ik zei dit natuurlijk alleen maar om hem te plagen, +want ik wist er alles van; hij behoefde mij niets te vertellen.</p> + +<p>»O ja,» zei hij kortaf, »een beetje water, anders niet. +Dat zal wel weer drogen in het warme zonnetje. Dus je +gaat niet meê?»</p> + +<p>»Maar hoe kom-je zoo nat?» hield ik vol. »’t Heeft +toch niet geregend?»</p> + +<p>»Wel neen, ’t zijn maar enkele spatjes water.....»</p> + +<p>»En waar zijn je stelten?» vroeg ik, want hij moest +den steek op mijn lange slapen terug hebben.</p> + +<p>»Och jongen, wat zeur je toch! Ik kan toch wel eens +uitgaan zonder mijne stelten.»</p> + +<p>»Ja, zeker, — natuurlijk. Maar straks had-je ze toch, +toen ik je aan den overkant zag loopen. En nu heb je +ze niet meer.»</p> + +<p>»Och, Mina, de meid van den dokter, heeft ze mij afgenomen. +Zeg Dorus, ik wou dat je dàt eens gezien hadt!»</p> + +<p>»Wat? Dat ze jou de stelten afnam?»<span class="pagenum"><a name="Page_7" id="Page_7">[7]</a></span></p> + +<p>»Neen, — zeg jô, ’t was toch zoo leuk! Ze had de +glazenspuit vóór het huis laten staan, en juist toen ze om +den hoek verscheen, gaf ik haar een stortbad, dat het +een lust was om te zien. Ha-ha-ha! Wat keek ze leelijk!»</p> + +<p>»Zoo, dat wil ik wel gelooven. En toen kwam ze op +Bobje af, en Bobje ging op de vlucht, en hij zat zóó in +den angst, dat hij niet eens den dikken boom zag, dien +hij tegenkwam, en hij bonsde er zoo hard tegenop, dat +hij een blauwen plek op zijn voorhoofd kreeg, en op den +grond tuimelde, en toen kreeg hij van de vertoornde +Mina zóóveel water over zijn baadje, dat het wel een +zondvloed geleek.»</p> + +<p>»O — zoo! dus je hebt alles gezien? ’t Staat je fraai, om +het mij dan nog te laten vertellen. Dus je gaat niet meê?»</p> + +<p>»Neen, nog niet. — En toen pakte Mina snel de stelten +van den jongeheer en verdween er mede achter het huis. +Zeg Bob, je hadt bij slot van rekening toch niet zooveel +pleizier van de grap als Mina.»</p> + +<p>»Dat is waar. Ze is goed bij de pinken, dat moet ik +zeggen. Ik wou, dat ik mijne stelten maar terug had. +Zeg, Dorus, weet jij geen middeltje, om ze weer in +handen te krijgen?»</p> + +<p>»Wel ja, jongen. Je gaat er doodeenvoudig naar toe, +en vraagt ze met een deemoedig gezicht terug. Dan krijg +je ze wel.»</p> + +<p>»Ik zou je danken. Pas op, Mina is niet pluis. Maar +nu krijg ik een plannetje. Zeg Dorus, als jij ze eens voor +me gingt vragen! Jou zal ze niets doen, want jij bent +heelemaal onschuldig aan dit zaakje.»<span class="pagenum"><a name="Page_8" id="Page_8">[8]</a></span></p> + +<p>»Juist, en daarom zal ze mij zeker de stelten ook niet +geven. Neen Bob, ’t is er haar natuurlijk om te doen, +dat je zelf komt. En dan zal ze wel niet bijzonder +vriendelijk wezen, vrees ik.»</p> + +<p>»Dat denk ik ook. — Wacht Dorus, daar komt Mietje +de Veer aan met eene stroopkan in haar hand. Daar moet +ik toch eens eene grap mede hebben.»</p> + +<p>»Och, laat haar loopen, dat domme wicht!»</p> + +<p>Maar Bob luisterde al niet meer naar me. Hij trok +zijn mond in den allervriendelijksten plooi en wachtte +op de komst van zijn slachtoffer. Zijne oogen tintelden +van plaaglust en blijkbaar was hij zoowel Mina en zijn +natte pak als zijne stelten vergeten.</p> + +<p>Mietje de Veer was een dochtertje van den schoenmaker, +en een van de domste kinderen van de geheele +school. Idioot was ze niet, want ze wist wel wat ze +deed, maar leeren kon zij niet. Nu zou ik in Bobs geval +Mietje rustig hebben laten passeeren, want ik hield er niet +van om zulke onnoozele wichten voor den gek te houden, +ten minste niet erg, maar Bob dacht daar niet over.</p> + +<p>»Dag Mietje!» zei hij op zijn vriendelijksten toon. +»Moet je van middag pannekoek eten!»</p> + +<p>»Ja Bob, dat heb je geraden.»</p> + +<p>»En lust je die graag?»</p> + +<p>»Dat zou ik meenen. Jij niet?»</p> + +<p>»Of ik. Ik zou wel je gast willen wezen, als ik mocht. +Dan bleef er voor jou geen pannekoek over, Mie.»</p> + +<p>»Waarom niet?» vroeg Mietje, die niet vlug genoeg +van begrip was om te snappen, wat hij bedoelde.<span class="pagenum"><a name="Page_9" id="Page_9">[9]</a></span></p> + +<p>»Omdat ik ze dan allemaal zou opeten!» zei Bob. +»Allemaal, hoor; misschien liet ik een halfje over voor +jou, omdat ik zooveel van je houd.»</p> + +<p>Bij die woorden boog hij zich een weinig voorover en +keek met alle aandacht in de kan. Opeens zag hij Mie +met een heel vies gezicht aan, en zeide:</p> + +<p>»O neen, — dank je. Ik zou er nu geen pannekoek +meer van willen hebben. Dank je feestelijk, Mie, eet jij +ze maar op. Akkebà!»</p> + +<p>»Akkebà — waarom?» vroeg Mietje in de grootste +verbazing, daar zij onmogelijk kon begrijpen, waaraan +die snelle omkeering bij Bob te wijten was.</p> + +<p>Nu, ik moet zeggen, dat ik er ook niets van begreep.</p> + +<p>»Moet <em class="g">die</em> stroop er op?» vroeg Bob, op de kan +wijzende, en steeds met denzelfden opgetrokken neus.</p> + +<p>»Ja zeker, — waarom zou die stroop er niet op moeten?»</p> + +<p>»Je bent een dom kind, hoor Mietje. Kijk dan eens +even in die kan!»</p> + +<p>Mietje deed het, maar zag natuurlijk niets dan de +ondoorzichtige bruin-zwarte massa.</p> + +<p>»Zie je niets?»</p> + +<p>»Ik niet!» zei Mie. »Alleen de stroop.»</p> + +<p>»Onder op den bodem, — zie je daar ook niets?»</p> + +<p>»Neen, niets, Bob, maar wat is er dan?»</p> + +<p>»Zie je daar met allebei je oogen dan die tor niet, +die er onder in ligt?»</p> + +<p>Mie keek met alle aandacht.</p> + +<p>»Neen, ik zie geen tor, en — ’t is niet waar ook. Er +zit geen tor in.»<span class="pagenum"><a name="Page_10" id="Page_10">[10]</a></span></p> + +<p>»Nu, ik wèl!» zei Bob met overtuiging. »Maar jij kunt +het beest ook niet zien, omdat je er niet doorheen kunt +kijken. <em class="g">Ik</em> zeg je, dat er een tor in zit.»</p> + +<p>»’t Is niet!» zei Mie ongeloovig.</p> + +<p>»’t Is wèl!» hield Bob vol. »Ik wil wedden, dat jij +het smerige dier op je pannekoek krijgt.»</p> + +<p>»’t Is niet!»</p> + +<p>»’t Is wèl waar! Houd dan de kan maar onderste-boven, +dan zul-je het zelf zien!» raadde Bob met het +ernstigste gezicht van de wereld aan.</p> + +<p>»’t Is toch niet waar!» zei Mie. »Je houdt me voor +den gek!»</p> + +<p>»Nu, keer de kan dan maar om, dan zullen we zien, +wie er gelijk heeft.»</p> + +<p>En waarlijk, daar liep Mietje in de val. Doodbedaard +hield zij de kan onderste-boven, natuurlijk met het gevolg, +dat de stroop op den grond terecht kwam. Bob en +zij keken met alle aandacht, of eindelijk de bewuste tor +niet volgen zou.</p> + +<p>Doch neen, toen alle stroop er uit was, bleef het torretje +absent.</p> + +<p>»Zie je nu wel!» riep Mie triomfantelijk uit. »Zie je +nu wel, dat ik gelijk had?»</p> + +<p>»Waarlijk, er zit er geen in!» zei Bob hoofdschuddend. +»Ik dacht het toch stellig, want ’t was net, +of ik het beest zag. Neen, jij hebt toch gelijk gehad. +Nu, dag Mietje, breng jij nu de stroop maar naar huis +en eet lekker!»</p> + +<p>Nu pas ging ons Mieke een licht op. Met schrik keek<span class="pagenum"><a name="Page_11" id="Page_11">[11]</a></span> +zij beurtelings de ledige kan en den strooperigen weg +aan, tot zich plotseling hare oogen met tranen vulden +en zij luid schreeuwende naar huis ging. Op grooten +afstand konden wij haar nog hooren.</p> + +<p>Maar Bob schaterde het uit van de pret.</p> + +<p>»Zeg Dorus, hoe vind je nu zoo’n domme meid? Ha-ha-ha-ha, +ik kon mijn lachen haast niet bedwingen toen +zij de kan omkeerde, en wat keek zij ernstig. Ha-ha-ha-ha! +Zóó dom heb ik het nog nooit gezien.»</p> + +<p>»Dom is het, dat is waar. Doch jou raad ik aan, om +den eersten tijd en vandaag vooral niet in de buurt van +den schoenmaker te komen, want je weet, dat hij zijn +spanriem alleraardigst weet te hanteeren. Als hij je +kreeg, zou ik je mijne broek niet graag willen leenen.»</p> + +<p>Maar Bob deed niet anders dan lachen. Hij vond het +geval allervermakelijkst en was ten volle overtuigd, dat +hij veel meer succes had gehad, dan hij met reden had +mogen verwachten.</p> + +<p>Eindelijk kwam hij tot bedaren.</p> + +<p>»Wat zei je ook weêr?» vroeg hij. »O ja, die schoenmaker, +hé? Nu ja, hij heeft me nog niet! Ik kan harder +loopen dan hij.»</p> + +<p>»Nu, ik waarschuw je, want hij zal meer dan kwaad zijn.»</p> + +<p>»Och kom, dat zal zoo’n vaart niet loopen. Dus je +gaat niet meê? Toe zeg, kom maar! Je werk komt nog +wel af, en ’t is zulk prachtig weêr. Hoor de jongens +eens joelen. Toe, zeg, kom nu!»</p> + +<p>»O neen, stellig niet. Ik maak eerst al mijn werk af +want anders moet ik het vanmiddag of morgen nog doen,<span class="pagenum"><a name="Page_12" id="Page_12">[12]</a></span> +en dat is veel onpleizieriger. Over een paar uren ben +ik klaar.»</p> + +<p>»Een paar uren nog? Wat moet je dan nog wel doen? +Ik heb er in ’t geheel maar twee uur over gewerkt.»</p> + +<p>»O ja, maar jij kunt het ook zoo vlug, veel vlugger +dan ik. Eerst moet ik nog een kaartje van Frankrijk +teekenen en dan moet ik nog drie kwartier orgelspelen. +Vóór twaalf uur ben ik dus stellig niet gereed. En hoe +eerder je nu gaat, hoe eerder ik beginnen kan, — tot +straks dus.»</p> + +<p>Deze wenk was duidelijk genoeg, naar mij dacht. Maar +Bob bleef nog staan.</p> + +<p>»Toe Dorus, wees nu niet zoo flauw en ga meê. Dan +zal ik je vanmiddag wel aan je kaartje helpen.»</p> + +<p>»Neen, ik doe het niet; ga dus maar gerust heen. En +als je <em class="g">niet</em> gaat, schuif ik het raam dicht. Ga naar +Karel Holm; die zal met zijn werk wel niet zooveel +haast maken.»</p> + +<p>»Karel is niet thuis. Hij is naar Haarlem en komt +eerst om twee uur terug. Ga je orgelspelen in de kerk, +Dorus? En heb-je al een orgeltrapper? Zeg, dat wil ik wel +voor je doen. Willen we dat afspreken?»</p> + +<p>Nu, dat mocht ik in geen geval, want de meester, +die tevens organist in de kerk was en mij in piano- en +orgelmuziek les gaf, had mij ten strengste verboden, ooit +Bob de Wild mede te nemen, om voor mij lucht te +maken. Want Bob zat overal aan, in en op. Klom hij +niet in den preekstoel, dan stond hij den voorzanger op +diens plaats in de kerk na te apen, en dat kon hij wat<span class="pagenum"><a name="Page_13" id="Page_13">[13]</a></span> +koddig, — en als hij dàt niet deed, dan klom hij zoo +hoog in den toren als hem mogelijk was. En nergens +deed hij eenig goeds, maar wel veel kwaads.</p> + +<p>Nu had de meester wel voor mij verlof gekregen om +mij op het kerkorgel te mogen oefenen, maar natuurlijk +moest ik een bedaarden jongen medebrengen om den +blaasbalg te trappen, want het was een groot orgel. En +Wilde Bob mocht mij in geen geval vergezellen. Hieruit +kan blijken, dat mijne reputatie onder de groote menschen +vrij wat beter was dan die van mijn vriend Bob, want +werkelijk werd mij door dat verlof zeer veel vertrouwen +geschonken. Natuurlijk had de onderwijzer van mij getuigd, +dat ik een bedaarde, stille jongen was, die zulk +een groot vertrouwen wel verdiende. Of ik het echter +nooit beschaamd heb, zal later blijken.</p> + +<p>Dus Bob mocht in geen geval mede, wat hij zelf niet +wist, daar ik het hem nooit gezegd had.</p> + +<p>»Ik heb al een trapper,» zei ik daarom.</p> + +<p>»Ja, — wie dan?»</p> + +<p>»Jan van der Vliet. Je weet wel, dat die altijd medegaat +en dat mijne ouders en de meester niet willen, dat +ik andere jongens meêneem. Maar ga nu, want anders +krijg ik mijn werk nooit af en kan ik zelfs van middag +niet meêspelen.»</p> + +<p>Maar Bob was boos, omdat ik hem niet medenam +naar het kerkorgel.</p> + +<p>»En als ik nu eens niet wegging?» vroeg hij plagend.</p> + +<p>»Dan schuif ik het raam dicht!» zei ik beslist.</p> + +<p>»Doe dat dan maar, want ik blijf!» klonk het antwoord.<span class="pagenum"><a name="Page_14" id="Page_14">[14]</a></span> +Maar nauwelijks had Bobje dat gezegd, of ik zag +hem schichtig omkijken en plotseling het hazenpad kiezen. +Jongen, jongen, wat liep hij! Hij keek op noch om, en +liep als een hazewind.</p> + +<p>Van zooveel veranderlijkheid had ik geen flauw begrip +en ik boog mij wat verder het raam uit om te zien, of +ik de oplossing van dit raadsel ook zou kunnen ontdekken.</p> + +<p>En waarlijk, die was spoedig gevonden in de gedaante +van den schoenmaker, die met den spanriem in de hand +met groote schreden naderde. O, o, wat keek hij kwaad, +en wat liep hij hard. Maar het eene baatte hem evenmin +als het andere, want Bob liep harder dan hij en was +spoedig in veiligheid. De schoenmaker gaf de vervolging +op, juist op de plaats, waar de kostelijke stroop op den +grond lag, en nauwelijk kreeg de brave man den vuilen +plek in het oog, of hij hief de vuist tegen den vluchteling +op en riep hem na, dat hij den deugniet wel krijgen +zou. Maar nù had hij hem toch nog niet. Onverrichter +zake moest hij naar huis terugkeeren.</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="Page_15" id="Page_15">[15]</a></span></p> +<p class="str"> </p> + +<h2>Tweede Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Waarin Bob naar de kerk gaat, een uilennest vindt, als<br /> +voorzanger fungeert en leelijk in de perikelen geraakt.</p> + + +<p>Zie zoo! Nu was mijn verleider eindelijk vertrokken +en kon ik aan mijn werk voortgaan. Alles had ik af, +behalve mijn kaartje van Frankrijk. Ik nam mijn atlas +uit de kast en een vel teekenpapier, zette mijne passerdoos +gereed en begon. Ik herinner mij nog levendig hoe +prettig ik het vond, dat juist de vrede tusschen Frankrijk +en Duitschland geteekend was, niet zoozeer omdat daardoor +aan een bloedigen oorlog een einde was gemaakt +en het bloedvergieten was opgehouden, als wel omdat +ik nu Elzas en Lotharingen niet behoefde uit te teekenen +daar die beide provinciën bij het sluiten van den vrede +aan Duitschland waren afgestaan. Alleen om dat feit +koesterde ik een diepen eerbied voor de staatsmanswijsheid +van Bismarck.</p> + +<p>De lijst was spoedig getrokken en nu begon ik de +ligging van de voornaamste punten op mijn teekenpapier<span class="pagenum"><a name="Page_16" id="Page_16">[16]</a></span> +aan te geven. Als dat gedaan was, had ik de grenzen +spoedig in orde, dat wist ik bij ondervinding. Den meesten +last veroorzaakten mij altijd de gebergten, omdat het +mijne gewoonte was, daar altoos bijzonder veel werk van +te maken. Juist zou ik met dat fijne werk beginnen, +toen mij weer het signaal van mijn vriend Bob in de +ooren klonk. Ik zag op en jawel, daar was hij al weer.</p> + +<p>Lachend keek hij naar boven.</p> + +<p>»Wat was hij kwaad!» riep hij me toe.</p> + +<p>»Geen wonder!» was mijn antwoord. »Pas maar op, +dat hij je niet krijgt, want hij is tamelijk hardhandig.»</p> + +<p>»En ik snelvoetig!» riep hij terug. »Maar ik begrijp +toch waarlijk niet, waarom hij zoo boos is. Als ik er +goed over nadenk, heb ik toch feitelijk niets gedaan, +dat niet goed was. Mietje heeft uit eigen beweging de +kan onderste-boven gehouden en de stroop er uit laten +loopen. Ik heb de kan zelfs niet aangeraakt. Je moet me +toch toegeven, dat ìk het niet helpen kan, als Mietje +domme dingen doet?»</p> + +<p>»Dat is wel mogelijk, Bob, en je weet je baantje mooi +schoon te praten. Maar ik vrees, dat De Veer er zoo +diep niet over zal nadenken, en je eenvoudig een pak +slaag zal geven, zoodra hij je te pakken heeft.»</p> + +<p>»Dat denk ik ook. Nu, gedane zaken nemen geen keer, +zal ik maar denken. Ga-je nu meê?»</p> + +<p>»O, neen — ik heb nog maar alleen de lijst en de +grenzen af, en zou juist aan de gebergten beginnen. Ga +maar gerust heen, want ik kom toch niet voor nà den +middag; dan ontmoet ik je wel.»<span class="pagenum"><a name="Page_17" id="Page_17">[17]</a></span></p> + +<p>»’t Is mooi flauw van je, om me den geheelen morgen +alleen te laten. Nu, dan ga ik maar. Atjuus!»</p> + +<p>»Atjuus, en denk om den schoenmaker!»</p> + +<p>Nu ging Bob dan eindelijk voor goed heen en zette +ik mij weer aan den arbeid. Wel moest ik af en toe eens +lachen als ik aan Bob en zijne avonturen van dezen +morgen dacht, maar ik schoot toch flink op. Om kwart +over elven was ik met mijn werk gereed. Ik flapte mijn +atlas dicht, bekeek nog eenmaal met welgevallen mijne +kaart, die er werkelijk keurig netjes uitzag, zette er met +zwierige krullen mijn naam onder en borg toen alles +behoorlijk in de kast.</p> + +<p>Met innige vreugde, dat ik met mijn werk zoo goed +opgeschoten was, ging ik naar beneden, wat voor mij +maar een oogenblik werk was, daar ik nooit van de +treden gebruik maakte, doch mij eenvoudig langs de +leuning naar beneden liet glijden, en stapte de woonkamer +binnen. Daar nam ik mijn orgelmuziek uit het +muziekkastje, welke bestond uit een enkel dik boek, +bevattende de psalmen en de evangelische gezangen, en +wilde juist de deur uitstappen, toen Moe mij toeriep:</p> + +<p>»Voorzichtig wezen met het orgel, hoor Dorus. Ik sta +doodsangsten uit, dat je er wat aan bederven zult.»</p> + +<p>»Geen nood, Moe, ik ben werkelijk zeer voorzichtig en +doe er niets aan, dat schaden kan. Ik ben er zelf veel +te bang voor.»</p> + +<p>»Dat is wel gelukkig. En dien Wilden Bob neem je +toch niet mede? Dat wil ik volstrekt niet hebben, hoor!»</p> + +<p>»Neen Moe, hij heeft het mij straks wel gevraagd,<span class="pagenum"><a name="Page_18" id="Page_18">[18]</a></span> +maar ik heb hem gezegd, dat het niet mocht en dat Jan +van der Vliet altijd met mij meêging. Bob is wel een +goede jongen, Moe, maar op het orgel zou ik hem toch +ook in het geheel niet vertrouwen.»</p> + +<p>»Nu, dan is het goed. Ga nu maar dadelijk, dan ben +je uiterlijk half een weer thuis om te eten.»</p> + +<p>»Dag Moe!»</p> + +<p>»Dag Dorus! Hier heb-je een stuiver voor Jan.»</p> + +<p>Wij aten altoos vroeg, omdat Pa bloemist was en den +geheelen dag bij de werklieden op de tuinen moest zijn. +Daar dezen allen om twaalf uur aten, was dat ook voor +ons verreweg het gemakkelijkst. Ik ging dus op weg +naar de kerk, maar sloeg halverwege gekomen een zijweg +in, om Jan af te halen. Want Jan woonde niet aan +de hoofdstraat, doch in een achterbuurtje.</p> + +<p>Hij was de zoon van een werkman, die een gebrek +aan zijn voet had en dientengevolge meestal zonder werk +was. De boeren hadden liever een flinken, stevigen kerel +dan den gebrekkigen Kees, zooals hij altoos genoemd +werd, zoodat hij alleen in den druksten tijd in het genot +van verdienste was. Tengevolge van zijne gestadige +werkeloosheid moest Trijntje, zijne vrouw, eigenlijk het +brood verdienen voor het geheele gezin, dat gelukkig +niet groot was, daar Jan alleen nog maar een klein +zusje had. Dat meisje was toen ongeveer twee jaar oud. +En daar de menschen op het dorp medelijden met het +arme gezin hadden, kreeg zij nog al vrij wat werkhuizen, +zoodat zij inderdaad een niet onaardig sommetje per week +verdiende. Was Trijn hier of daar uit werken en Jan<span class="pagenum"><a name="Page_19" id="Page_19">[19]</a></span> +naar school, dan paste vader Kees op kleine zus, wat hem +wel toevertrouwd was. Ook moest hij dan voor het +middageten zorgen, wat tengevolge had, dat sommige +spotvogels op het dorp hem wel Jan den Wasscher +noemden. Toch hadden zij vrij goed hun brood, wat wel +voornamelijk aan de flinkheid van Trijntje te danken was, +want zij was eene handige werkster en eene zindelijke +waschvrouw.</p> + +<p>Weldra had ik de eenvoudige woning bereikt. Eene +schel was er natuurlijk niet te vinden; wie de bewoners +spreken wilde, had eenvoudig maar naar binnen te +gaan. Onder den werkmansstand houdt men zich niet met +vele complimenten op. Ik drukte dus den ijzeren beugel +naar beneden, waardoor aan de binnenzijde de klink werd +opgelicht, opende de deur en stapte weldra het eenige +vertrek, dat zij bezaten, binnen. Ik trof daar alleen Jan +aan, die op den grond bezig was met zijn zusje te spelen.</p> + +<p>»Dag Dorus!» zei hij.</p> + +<p>»Zoo Jan. Ben jij maar alleen thuis?» vroeg ik, de +kleine meid niet meêtellende. »Ik kom je halen om mede +te gaan naar het orgel.»</p> + +<p>»Dat zal moeilijk gaan, want Vader en Moeder zijn +geen van beiden thuis,» klonk het antwoord.</p> + +<p>Dat was eene groote teleurstelling voor me, want +orgelspelen vond ik heel pleizierig en zonder Jan kon er +niets van komen.</p> + +<p>»Dat spijt me,» zei ik dan ook. »Je moeder is zeker +uit werken?»</p> + +<p>»Ja, bij den postdirecteur; daar is ze Zaterdags altijd,<span class="pagenum"><a name="Page_20" id="Page_20">[20]</a></span> +zooals je weet. En Vader is er nu toevallig ook, omdat +de tuin eens eene flinke beurt moest hebben. Mijnheer +Valk tuint zelf nooit en Vader kan het zoo netjes doen.»</p> + +<p>Die laatste woorden werden door Jan met niet weinig +trots uitgesproken, en ik herinner mij nu nog het +gewichtige gelaat, waarmede hij mij aanzag.</p> + +<p>»Ja, dat weet ik. Je vader heeft daar goed den slag +van. Maar wat moet ik nu beginnen? Bob de Wild +heeft mij wel gevraagd of hij meê mocht gaan, maar hem +mag ik niet meênemen, omdat hij zoo wild en onvoorzichtig +is. Moe heeft mij vijf centen voor je gegeven.»</p> + +<p>»Is het waar? Nu, weet je wat? Dan zal ik buurvrouw +vragen, of zij op kleine zus wil passen. Moeder +zegt altoos, dat wij geen verdiensten verzuimen moeten. +Wil jij even op zus passen, terwijl ik naar buurvrouw ga?»</p> + +<p>Ja, dat wilde ik wel, maar ik had er al spoedig +berouw van, want nauwelijk was Jan de deur uit en zag +zus zich alleen met een vreemden jongen, of zij begon +zoo geweldig te schreeuwen, dat het huis er bijna van +dreunde. Ik begreep, dat ik iets doen moest, om haar +gerust te stellen, maar ik wist niets te bedenken. Daarom +ging ik naar de kleine meid toe, voortdurend met het +hoofd knikkende, en zeide bij elken knik: »dà! — dà! — dà!» +Doch hoe dichter ik bij haar kwam, hoe harder zij +begon te schreeuwen. Ik werd werkelijk bang, dat zij er +een ongeluk van zou kunnen krijgen, en begon daarom +steeds harder te knikken en riep uit alle macht: »dà! — dà! — dà!»</p> + +<p>Maar niets baatte, zoodat ik teneinde raad het vertrek<span class="pagenum"><a name="Page_21" id="Page_21">[21]</a></span> +uit liep en naar buiten ging, om Jan te hulp te roepen. +Gelukkig kwam hij juist al terug. Hij riep mij toe:</p> + +<p>»’t Is in orde, zus kan bij buurvrouw komen!»</p> + +<p>Nu, ik vond dat voor buurvrouw een buitenkansje, +dat moet ik zeggen, en ik stelde mij voor, dat zij met +schreeuwende zus niet veel genoegen van hare vriendelijkheid +zou beleven. Doch ’t was toch voor mij althans +eene prettige boodschap, want nu kon Jan met mij meêgaan.</p> + +<p>Zus werd, schreeuwend en wel, naar buurvrouw gebracht, +de deur werd gesloten, en wij togen samen op weg +naar de kerk.</p> + +<p>Eerst moesten wij bij den koster aan, om de sleutels +te halen. Hij woonde schuin achter de kerk in een +heel net huisje. Hij noch zijne vrouw waren thuis, doch +dat was geen bezwaar, daar zijn neef ons het verlangde +kon geven. Die neef was een zusterskind van den koster. +Hij heette Arie de Zwaan. Daar hij vroeg zijne ouders +had verloren, was hij als klein kind bij den koster en +diens vrouw in huis gekomen, welke brave menschen +hem geheel als hun eigen zoon beschouwden. Zelf hadden +zij geen kinderen. O, wat omringden zij den kleinen Arie +al met bewijzen hunner liefde, wat deden zij hun best +een braven jongen, een flinken man van hem te maken. +Doch wat werden zij bitter in hunne verwachtingen +teleurgesteld, want Arie werd een rechte deugniet, die +zijn grootste genoegen vond in luieren, naar de herberg +gaan en het geld opmaken van zijne brave pleegouders. +Zelden werd eene goede daad met meer ondank beloond. +Zij hadden er ontzaglijk veel verdriet van, dat Arie zoo<span class="pagenum"><a name="Page_22" id="Page_22">[22]</a></span> +slecht oppaste, maar toch hadden zij hem nog altijd lief, +zelfs nu nog, nu hij twintig jaar oud geworden was en +nooit iets deed, dat hun vreugde gaf. Hij volgde altijd +zijn eigen zin, en wanneer zij hem ten beste raadden, +werd hij zoo brutaal mogelijk. Wanneer de menschen +over Arie van den koster, want zoo werd hij gewoonlijk +genoemd, spraken, zeiden ze altoos, dat zijne pleegouders +het »eindje» met hem nog niet beleefd hadden, waarmede +ze natuurlijk bedoelden, dat het nog eens slecht +met Arie zou afloopen.</p> + +<p>Wij vonden hem lang-uit achter het huis op het bleekveld +liggen, met den stroohoed over het gelaat, om geen +last te hebben van de insecten. Blijkbaar had hij geslapen, +maar nu werd hij wakker door onze komst.</p> + +<p>»Wat moet jelui hebben?» vroeg hij op norschen toon, +daar hij het onaangenaam vond in zijn slaapje gestoord +te worden.</p> + +<p>»Mag ik de sleutels van de kerk en het orgel hebben, +Arie?» vroeg ik zoo beleefd mogelijk, want ik had het +niet erg op hem begrepen. Hij kon iemand soms zóó +leelijk aankijken, dat men er bang van werd.</p> + +<p>»De sleutels? — Wat moet jij met de sleutels doen?» +bromde hij terug, zonder in het minst blijk te geven, +dat hij van plan was op te staan.</p> + +<p>Nu wist hij zeer goed, dat ik elken Zaterdag op het +orgel speelde. Hij vroeg dus naar den bekenden weg. +De zaak was echter, dat hij te lui was, om op te staan, +ten einde ze voor mij te halen.</p> + +<p>»’t Is bespottelijk, om zoo’n kostbaar orgel aan zulke<span class="pagenum"><a name="Page_23" id="Page_23">[23]</a></span> +kwâjongens toe te vertrouwen,» vervolgde hij. En op +beslisten toon voegde hij er aan toe: »Neen, kort en +goed, neen! Van mij krijg-je de sleutels niet. Als je orgel +wilt spelen moet je maar terugkomen, als oom thuis is.»</p> + +<p>»Is die dan niet thuis?» vroeg ik.</p> + +<p>»Neen.»</p> + +<p>»En je tante ook niet?»</p> + +<p>»Ook niet!» klonk het kortaf terug. »Ga maar gerust +heen, jongen, want van mij krijg-je de sleutels niet. Ik +wil daarvan de verantwoording niet op mij nemen.»</p> + +<p>»Maar je weet toch wel, dat ik elken Zaterdag in de +kerk kom spelen, en dat ik daartoe vergunning heb van +de kerkvoogden? Waarom mag ik dan nu niet?»</p> + +<p>Geen antwoord volgde. Arie draaide zijn hoofd van +ons af en sloot de oogen weer.</p> + +<p>»Ik weet ze wel te hangen, Arie. Mag ik ze zelf even +halen, dan behoef je er in het geheel geen moeite voor +te doen,» hield ik vol.</p> + +<p>»Ja, vooruit maar, en maak dat je wegkomt!» klonk +het barsch terug.</p> + +<p>Dat liet ik mij geen tweemaal zeggen en weldra waren +wij mèt de sleutels vertrokken.</p> + +<p>»Hè — hè, dat kostte moeite!» zeide Jan. »Hij was +weer in eene booze bui. Ik was bang van hem.»</p> + +<p>»In eene luie bui, meen je!» zei ik. »Hij was te lui +om op te staan, dat was de voornaamste reden van zijne +knorrigheid. Ik wed, dat hij ons nu al vergeten is.»</p> + +<p>Wij waren nu de kerk genaderd en openden de hoofddeur. +Want onze kerk had drie deuren, waarvan er twee<span class="pagenum"><a name="Page_24" id="Page_24">[24]</a></span> +naar de galerijen voerden, die voor de arme menschen +bestemd waren. De hoofddeur voerde naar het schip van +de kerk, maar gaf toch ook toegang tot de trap, die +naar het orgel leidde. Dat orgel was geplaatst op eene +geheel vrije ruimte, waar niemand plaats mocht nemen +dan de organist en de orgeltrapper. Natuurlijk mocht +onze meester medenemen, wien hij wilde. Er was dan +ook ruimte genoeg, althans achter het orgel, waar een +geheel vrij vak was. Van uit de kerk kon niemand zien, +wie zich op het orgel bevonden, daar de ruimte aan +weerskanten van dat instrument door groene gordijnen +was afgezet. Wij spraken altijd van »op» het orgel, +en dan bedoelden we de plaats, waar het orgel stond. +Bovenop dat instrument was voor niemand plaats, zooals +ieder begrijpen zal. Alleen stond in het midden het beeld +van koning David, op de harp spelende, en aan de beide +kanten een engel met een bazuin aan den mond, welke +beelden ik altoos bijzonder mooi vond, vooral de engelen.</p> + +<p>Zoodra wij boven gekomen waren, ontsloot ik de trappers +van den blaasbalg, nam het mahoniehouten deksel van +het klavier en zette mij tot spelen. Jan nam op de trappers +plaats en maakte lucht. Verbazend vermakelijk vonden wij +dan altijd het dalen en het stijgen van het gewichtje, dat +aan den blaasbalg bevestigd was en niet lager dalen +mocht dan tot aan een zeker teeken, want dan was de +balg vol en zou hij, wanneer met trappen werd voortgegaan, +kunnen barsten.</p> + +<p>Ik zette mij voor het klavier en begon te spelen. Om +de waarheid te zeggen gevoelde ik mij altijd nog al<span class="pagenum"><a name="Page_25" id="Page_25">[25]</a></span> +gewichtig, als ik daar zat, waarvan de reden was, dat +ik nog al klein en het orgel verbazend groot was. Bovendien +werd ik door Jan van der Vliet altijd buitengewoon +geprezen, want in zijn oog was ik een rechte duizendkunstenaar +en kon ik moeilijk door anderen in het orgelspel +worden overtroffen. Zijne bewondering voor mij was +werkelijk ongeveinsd en streelde mijne ijdelheid niet weinig. +Zoodra hij den balg »vol» had, kwam hij altoos naast +mij staan, om mijne kunststukken te bewonderen, wat +er mij gewoonlijk toe verleidde, alle registers uit te +trekken en dientengevolge een oorverdoovend geluid aan +het instrument te ontlokken. En ik moet er dadelijk +bijvoegen, dat Jan dit prachtig vond, al moest hij dan +ook tweemaal zoo hard trappen als anders. Van zachte +muziek hield hij niet. Het meest bewonderde hij nog +mijne vaardigheid in het gebruiken van het voet-pedaal, +daar hij er maar geen hoogte van kon krijgen, hoe iemand +met zijne voeten muziek kon maken en dan nog wel, +zonder er naar te kijken.</p> + +<p>Wij konden ongeveer een kwartiertje aan den gang +geweest zijn, toen plotseling de deur van ons vertrek, +als ik het zoo noemen mag, langzaam geopend werd, en +het lachende gelaat van Wilden Bob om den hoek verscheen.</p> + +<p>Ik hield midden in mijn spel op, zoo schrikte ik van +zijne komst. Ik wist te goed, hoe hij altoos vol kattekwaad +zat, om niet te vreezen, dat hij zich ook hier +niet rustig zou kunnen houden. Bovendien was het mij +ten strengste verboden hem mede te nemen, en, dat<span class="pagenum"><a name="Page_26" id="Page_26">[26]</a></span> +durf ik zeggen: ik was een gehoorzame jongen. Nu weet +ik wel, dat hij uit eigen beweging kwam en dat zijne +komst mijne schuld niet was, — maar zoover dacht ik +op dat oogenblik niet. Zoodra ik hem zag begreep ik, +dat ik al het mogelijke moest doen, om hem weer weg +te krijgen.</p> + +<p>Ik moet er zeker niet erg vroolijk uitgezien hebben, +want hij kwam lachend naar mij toe, en zeide:</p> + +<p>»Wel, wel, wat kijk-je vriendelijk! Toe zeg, speel eens +een vroolijk deuntje. Kan-je niet spelen: „Hij moppert +alweer, Hij moppert alweer, Hij moppert alweer, kiek, +kiek!”» wat in die dagen een bekend straatdeuntje was.</p> + +<p>Jan van der Vliet begon te lachen, en ik van den +weeromstuit ook.</p> + +<p>»Neen,» zeide ik, »zulke deuntjes speel ik hier niet. +Toe Bob, ga nu heen, want je houdt mij van mijn +werk af.»</p> + +<p>»Heusch niet, Dorus. Speel jij maar, dan zal ik zingen. +Zeg, ga eens eventjes van die bank af, en laat +mij eens spelen. Ik kan er ook wel wat van.»</p> + +<p>Nu, dat was niet waar.</p> + +<p>»Bob!» zei ik ernstig. »Jij blijft van het orgel af, of +ik doe het direct op slot. Ik heb moeten beloven, dat ik +niemand zou toestaan, hier gekheid te verkoopen, en +daarom kun-je mij een groot pleizier doen, door dadelijk +op te hoepelen.»</p> + +<p>»Eerst eens spelen, Dorus!» zei Bob.</p> + +<p>»Er afblijven!» was mijn antwoord. En ik liet er op +volgen:<span class="pagenum"><a name="Page_27" id="Page_27">[27]</a></span></p> + +<p>»Hoor eens, Bob, je bent mijn vriend, maar als je aan +de toetsen komt, krijgen we ruzie, daarvoor sta ik je +borg. Ik wil het bepaald niet hebben. Toe Bob, ga nu +heen.»</p> + +<p>»Wat heb-je een praats! ’t Is jou orgel toch niet? Ik +heb er evenveel over te zeggen als jij, zou ik meenen.»</p> + +<p>»Dat spreek ik niet tegen, maar als er iets ergs mede +gebeurt, krijg ik er natuurlijk de schuld van. Toe Bob, +ga nu heen.»</p> + +<p>»Neen, — ik laat me niet wegjagen. Doch speel jij +maar; ik beloof je, dat ik overal zal afblijven. Ik vind +je zeldzaam flauw.»</p> + +<p>Daar ik geen kans zag, Bob tot heengaan te bewegen, +zette ik mijn spel voort, in de hoop, dat mijn ijver hem +vervelen en tot vertrekken bewegen zou. Doch ik had +het mis, want weldra bemerkte ik, dat er tusschen Bob +en Jan eene worsteling ontstaan was, zoo hevig dat het +orgel ervan dreunde.</p> + +<p>Natuurlijk hield ik dadelijk op om te zien, wat er aan +de hand was, en nu zag ik Bobje bezig om Jan van de +trappers te dringen, ten einde er zelf op te gaan staan.</p> + +<p>»Bob!» zei ik, »als je nu niet heengaat sluit ik het +orgel, maar dan speel ik ook den geheelen dag niet met +je. Of wil je bepaald twist met me hebben?»</p> + +<p>Ik nam het deksel en legde het op het klavier, vast +besloten er nu een einde aan te maken.</p> + +<p>Bob keek me eventjes lachend aan, en zeide toen:</p> + +<p>»Maak je niet dik, Dorus, want dun is de mode. Adie, +ik wil je groeten.»<span class="pagenum"><a name="Page_28" id="Page_28">[28]</a></span></p> + +<p>Met die woorden verliet hij het orgel. Hij deed de +deur achter zich dicht en wij hoorden hem de trap afgaan.</p> + +<p>»Zie zoo, dat ruimt op!» zei Jan, die niet erg op Bob +gesteld was. »Ik liet er mij toch lekker niet afdringen, +al is hij grooter dan ik. Hij moet niet denken, dat ik +bang van hem ben.»</p> + +<p>»Och, hij meent het zoo kwaad niet,» zei ik. »Toe Jan, +trappen, dan ga ik weer spelen.»</p> + +<p>Ik zette mijne studie nu voort en was Bob weldra +geheel vergeten, tot hij plotseling als een wervelwind +kwam binnenstormen en ons toeriep:</p> + +<p>»Toe jongens, ga je eens even meê; ik heb een uilennest +gevonden. Gauw zeg, er liggen eieren in!»</p> + +<p>»Een uilennest?» vroeg ik verwonderd. »Waar is dat +dan?»</p> + +<p>»In den toren!» lachte Bob. »Of dacht je, dat ik naar +huis gegaan was? Mis mannetje, ik blijf net zoo lang +als jij. Kom, ga je meê naar boven? O, het ligt zoo +hoog, — dicht bij de galmgaten!»</p> + +<p>In een oogenblik had ik mijne zitplaats verlaten en +was ik gereed, hem te volgen, want voor een uilennest +geloof ik, dat ik zelfs mijne boterham had laten staan.</p> + +<p>»Kom Jan,» riep ik den orgeltrapper toe, »ga je meê? +Dat moeten we zien.»</p> + +<p>»Er zat een uil op te broeiën!» zei Bob. »Zeg jô, wat +schrikte ik van hem, want toen ik met mijn hoofd boven +de trap kwam, had ik zijn krommen snavel en zijne groote +ronde oogen vlak voor me. Eerst wist ik niet wat ik zag, +maar al spoedig bemerkte ik, dat het een kerkuil was.<span class="pagenum"><a name="Page_29" id="Page_29">[29]</a></span> +En wat kraste hij leelijk tegen me, toen hij wegvloog.»</p> + +<p>In een wip waren wij de trap opgeklommen tot bij +het uurwerk, doch toen moesten wij nog hooger. Eerst +duwden wij een luik omhoog en kwamen toen op een +volgende trap. Bob ging vooraan.</p> + +<p>Wat was het daar in dien toren overal vuil en stoffig; +de spinnewebben waren haast ontelbaar. En wat woei +ons een koude wind in het gelaat. Het was duidelijk +dat wij de galmgaten naderden. Spoedig kwamen wij +boven, bij de groote bel, en daar — zagen wij het nest, +met drie eieren er in! Maar de uil was weg; wij zagen +hem nergens, hoe wij ook zochten.</p> + +<p>»Zeg jongens, de eieren laten liggen!» riep Bob. »Dan +gaan we later kijken, of er jonge uilen in het nest zitten.»</p> + +<p>»Ja, laten we dat doen,» zei ik. »Dan gaan we nu +stil heen, en komen over een week of drie nog eens terug. +Willen we nu weer weggaan?»</p> + +<p>»Ja, — maar kijk eerst eens naar buiten! Zie eens, +wat Haarlem nu dichtbij schijnt te liggen! En ginds +zie ik Heemstede en daar verder Hillegom en Lisse. Wat +hebben we hier een mooi gezicht, hê?»</p> + +<p>»En dit is zeker het touw, waaraan de koster trekt +als hij moet luiden?» zei Jan.</p> + +<p>»Natuurlijk, trek er maar eens aan,» antwoordde +Bob. »Dan begint het bom-bam! bom-bam! Toe dan, +Jan.»</p> + +<p>»O neen, neen!» riep ik uit, want nu begon me mijn +gevoel van verantwoordelijkheid weer te drukken. »Niet +doen, — Jan, wat zouden de menschen wel zeggen?»<span class="pagenum"><a name="Page_30" id="Page_30">[30]</a></span></p> + +<p>»Ze zouden denken, dat er brand was!» lachte Bob. +»Zeg jongens, willen we die grap eens hebben?»</p> + +<p>»Daar komt de koster naar boven!» riep ik plotseling +op verschrikten toon uit, en tegelijkertijd liet ik mij +pijlsnel naar beneden glijden. En wat waren Bob en Jan +mij kort op de hielen, want de koster liet niet met zich +spotten. In minder dan geen tijd waren we weer beneden, +waar van den koster natuurlijk niets te zien was, daar +het eenvoudig een krijgslist van me was geweest, om +Bob van de bel weg te krijgen. Ik vertrouwde hem daar +in het geheel niet, vooral niet, toen hij brandje wilde +gaan spelen.</p> + +<p>»Waar is de koster nu?» vroeg hij, toen wij beneden +waren.</p> + +<p>»In Haarlem,» zei ik lachend. »Maar Bob, ga jij nu +heen, dan ben ik des te spoediger klaar.»</p> + +<p>»In Haarlem? Is hij dan niet thuis?» vroeg Bob.</p> + +<p>»Neen,» zei Jan, die er om lachen moest, dat ik hem +zoo leuk te pakken had. »Wat wist Bob van beenen +maken!»</p> + +<p>»Geen wonder. Nu, ik ga heen! Tot van middag dan.»</p> + +<p>Bob vertrok en ik zette mij weer aan het spelen. Maar +nauwelijks had ik weer eene bladzijde gespeeld en zweeg +het orgel een oogenblik, of daar hoorde ik van uit de +kerk een geluid, dat precies op de stem van den voorzanger +geleek.</p> + +<p>»O jé, dat is Bob weer!» dacht ik dadelijk. Ik schoof +het gordijn open, en jawel — daar stond hij met een +hoogst ernstig gezicht voor den lessenaar van den voorzanger.<span class="pagenum"><a name="Page_31" id="Page_31">[31]</a></span> +Hij trok een paar malen aan zijn boordje, zooals +de goede man ook altijd deed als hij beginnen zou, humde +en kuchte een paar malen, en mompelde toen bijna onverstaanbaar:</p> + +<p>»De gemeente gelieve te zingen»....</p> + +<p>En daarna verhief hij plotseling zijne stem, juist zooals +de voorzanger dat altoos deed, en galmde plechtig: »Den +honderdnegentienden psalm van het eerste tot het laatste +vers!»</p> + +<p>Hij galmde zoo luid, dat hij niet eens bemerkte, hoe +er eene deur achter hem geopend werd en de dominee +stil de kerk binnentrad.</p> + +<p>Ik had natuurlijk om de dwaasheid van Bob eerst gelachen, +want de honderdnegentiende psalm telt niet +minder dan acht en tachtig verzen, maar nu lachte ik +niet meer. Ik werd zoo wit als een doek van den schrik +en gaf Bob snel een teeken om hem te waarschuwen, +maar hij zag het niet. Hij verhief zijne stem nog hooger +en galmde:</p> + +<p>»Ik herzeg den honderdnegentienden psalm van het +eerste tot het laatste vers!»</p> + +<p>»Wel jou ondeugende bengel!» klonk het plotseling op +gestrengen toon achter hem. In een wip was Bob van +zijne verhevenheid af en stond tot zijn grooten schrik +van aangezicht tot aangezicht tegenover den dominee. +Deze was een doodgoed man, die wel van een grapje hield, +doch nu scheen hij zeer boos te zijn. Hij keek mij +gestreng aan, en zeide:</p> + +<p>»Jij gaat onmiddellijk naar je huis. Foei, schaam je<span class="pagenum"><a name="Page_32" id="Page_32">[32]</a></span> +je niet, om dergelijke dingen in de kerk te doen? Hebben +we je dáárvoor het gebruik van het orgel toegestaan? +Pas op, dat zulke dingen niet weer gebeuren, of het verlof +wordt ingetrokken en de toegang tot het orgel wordt je +voor goed verboden. Je kunt dadelijk vertrekken. Wees +gewaarschuwd.»</p> + +<p>Daarna keerde hij zich tot Bob, en zeide:</p> + +<p>»Jij gaat met mij mede naar de pastorie. Dergelijke +spotternij kan ik niet ongestraft laten passeeren!»</p> + +<p>»Maar dominee, — ik — ik — ik» — stotterde Bob.</p> + +<p>»Ik was een ondeugende bengel!» wil je zeker zeggen, +niet waar?» viel de dominee hem in de rede. »Daarom +juist ga je mede naar de pastorie, waar ik je zulke streken +wel zal afleeren.»</p> + +<p>»Maar dominee, ik — ik beloof u....»</p> + +<p>»Belofte maakt schuld, Bob! Beloof daarom niet lichtvaardig, +wat je niet van plan bent te volbrengen.»</p> + +<p>»Ik beloof u, dominee, dat ik het niet weer zal doen,» +zei Bob, wien het allerminst kon toelachen, eene gedwongen +visite in de pastorie af te leggen. O, o, wat zat Bobje in +de perikelen!</p> + +<p>»Ik herhaal het, Bob: Belofte maakt schuld! Wat +je niet van plan bent te volbrengen, moet je ook niet +beloven.»</p> + +<p>»Maar dominee, ik zal mijne belofte wel houden,» +mompelde Bob. »Ik beloof het u!»</p> + +<p>»Geef me daar je hand op, Bob.»</p> + +<p>Bob deed het.</p> + +<p>»Zoo, dan zal ik je voor dezen keer ongestraft laten<span class="pagenum"><a name="Page_33" id="Page_33">[33]</a></span> +vertrekken. Maar zeg mij eens, wat moet jij hier eigenlijk +doen? Mij dunkt, jij hebt hier heel geen boodschap!»</p> + +<p>»Neen, dominee, maar ik wist, dat Dorus hier op het +orgel speelde en toen kwam ik even kijken.»</p> + +<p>»En kwaad doen!» viel de dominee in. »Dus Dorus +heeft je niet mede genomen?»</p> + +<p>»Neen dominee, ik ben uit eigen beweging gekomen,» +zei Bob, die werkelijk een vijand van liegen was.</p> + +<p>»Ga nu maar spoedig heen en kom alleen terug als het +kerk is, — begrepen?»</p> + +<p>»Ja, dominee. — Dag, dominee!»</p> + +<p>De hoed vloog Bob van ’t hoofd en in een snap was +hij de kerk uit. Ik had middelerwijl het orgel gesloten +en volgde met Jan, na den dominee gegroet te hebben, +zijn voorbeeld. Spoedig waren we op weg naar huis.</p> + +<p>Eerst liepen we zwijgend naast elkander voort. Ik +bracht de sleutels naar Arie de Zwaan, die nog op het +bleekveld lag te slapen en niet weinig bromde, toen ik +hem wakker maakte. Maar daar lette ik niet veel op, +want ik was te zeer onder den indruk van het gebeurde, +om er veel om te geven.</p> + +<p>»’t Is alles jou schuld!» zei ik tegen Bob onder het naar +huis gaan. »Wat doe jij ook in de kerk te komen! Nu +krijg ik er de schuld nog van en als Pa en Moe het hooren, +volgt er nog straf op den koop toe. Ik vind het flauw +van je, — erg flauw!»</p> + +<p>Bob zei niets. Hij was er ongetwijfeld van overtuigd, +dat ik gelijk had.</p> + +<p>»En als de meester het hoort, is het nog erger. Je<span class="pagenum"><a name="Page_34" id="Page_34">[34]</a></span> +weet, hoe streng hij is. Wat moet ik nu zeggen, als hij +er over begint?»</p> + +<p>Bob antwoordde nog niet. Zwijgend liep hij naast ons +voort. Maar op eens zei hij:</p> + +<p>»Als de meester er van spreekt, geef je alle schuld aan +mij, Dorus, want jou schuld is het niet.»</p> + +<p>»Dan zeggen alle jongens, dat ik klik! En dat wil ik +niet,» was mijn antwoord.</p> + +<p>»Goed, dan zal ik het zelf wel zeggen. Ik wil niet, +dat jij in mijne plaats straf krijgt. Maar ik spreek er +niet van, voordat ik zeker weet, dat de meester er van +gehoord heeft. Dat begrijp je wel, he? Nu, ik ga naar +huis, hier langs den achterweg, want anders moet ik den +schoenmaker voorbij, en dat doe ik liever niet. Tot van +middag!»</p> + +<p>Hij sloeg met Jan het achterwegje in en ik ging den +hoofdweg langs naar huis, waar men al met het eten op +mij wachtte. Gelukkig vroeg niemand mij naar mijn orgelspel +en de meester sprak later ook niet over het geval. +Zeker heeft de dominee het gebeurde voor hem verzwegen, +of zoo hij dat niet heeft gedaan, als zijn gevoelen te kennen +gegeven, dat ik er geen schuld aan had.</p> + +<p>Eén voordeel was er aan verbonden, en wel dit — dat +Bob mij, den eersten tijd althans, in vrede naar de +kerk liet gaan, wanneer ik mij op het orgel ging oefenen. +Wel was de grootste schrik spoedig bij hem vergeten, +maar hij wist, dat hij de pastorie voorbij moest gaan om +in de kerk te komen, en dat durfde hij toch niet, althans +niet, als hij wist, dat de dominee thuis was. Want dan<span class="pagenum"><a name="Page_35" id="Page_35">[35]</a></span> +had hij veel kans, dat hij opgemerkt zou worden, en hij +twijfelde er niet aan, of den tweeden keer zou hij er niet +zoo gemakkelijk afkomen als den eersten.</p> + +<p>»Verbeeld je eens,» zei hij later tegen me, »dat de +dominee mij voor straf den geheelen honderdnegentienden +psalm had laten uitschrijven. Dat zou me eene geschiedenis +geweest zijn — acht en tachtig verzen!»</p> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_36" id="Page_36">[36]</a></span></p> + +<p class="str"> </p> + +<h2>Derde Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Waarin Bob eene uitnoodiging ontvangt van den Heer<br /> +Denappel, zijne stelten terug wil hebben en<br /> +van den regen in den drop komt. De<br /> +krijgslist van Karel Holm en mij.</p> + + +<p>Bob keerde dus langs den achterweg naar huis terug, +wat voor hem slechts een omweg was van ongeveer tien +minuten.</p> + +<p>»Op deze manier kan ik den schoenmaker mooi ontwijken,» +mompelde hij vergenoegd, terwijl hij zich de +handen wreef van plezier. »Maar toch,» liet hij er op +volgen, »toch val ik hem den eenen of anderen keer beslist +in handen, dat kan niet uitblijven. Op een dorp +ontmoeten de menschen elkander dagelijks, en dus zal ik +den schoenmaker ook wel eens onverwachts voor mij zien. +Och ja, — ik had ook veel wijzer gedaan, als ik dat domme +kind doodbedaard pannekoeken met stroop had laten eten +in plaats van pannekoeken alleen, — maar daar is nu +niets meer aan te doen. En bovendien — als ik eenmaal<span class="pagenum"><a name="Page_37" id="Page_37">[37]</a></span> +den schoenmaker tegen ’t lijf loop, is hij het heele +historietje misschien al vergeten. Wel ja, een mensch +kan toch alles niet zijn leven lang onthouden!»</p> + +<p>Die laatste gedachte scheen Bob zoo gerust te stellen, +dat hij de toekomst plotseling niet donker meer inzag, +en van pret een deuntje ging fluiten. Hij was nu Bos’ +bruggetje genaderd, en wilde er juist overgaan, toen hij +zich bij zijn naam hoorde roepen.</p> + +<p>De Heer Bos had een winkel in allerlei ijzerwaren aan +het einde van het dorp, eigenlijk op een bijzonder ongelegen +plaats, daar hij aan den overkant van het water +woonde aan den achterweg en dientengevolge moeilijk te +bereiken was. Hij had dat zelf zeer goed ingezien en +daarom een bruggetje over het water laten leggen, dat +zijn persoonlijk eigendom was en geheel door hem werd +onderhouden. Die brug werd altijd Bos’ bruggetje genoemd, +en was ten algemeenen nutte. De zaak in ijzerwaren +en landbouwgereedschappen werd eigenlijk niet +door hem alleen gedreven; hij had een compagnon, een +vrijgezel, die bij hem in pension was. Hij was ongetrouwd, +vroolijk van aard, overal een welkom gast en — een man +met een echt jongenshart, waarmede ik bedoel, dat hij +veel van jongens hield en hun dikwijls een genoegen +deed. De heer Denappel, (zoo heette hij) had nooit grooter +vermaak, dan als hij ons, jongens, eens een groot genoegen +kon doen, waarvoor hij zich dikwijls zeer veel moeite getroostte.</p> + +<p>Deze heer Denappel nu was het, die Bob geroepen had.</p> + +<p>»Dag mijnheer!» riep Bob, toen hij hem zag.<span class="pagenum"><a name="Page_38" id="Page_38">[38]</a></span></p> + +<p>»Zoo, Wild Bobje, — kom jij eens hieg!»</p> + +<p>Bob kwam. Dat de Heer Denappel onmogelijk de r +kon uitspreken en er altijd eene g van maakte, hoorden +wij al niet eens meer, zooveel hielden wij van hem. Hij +brouwde anders wel buitengewoon erg.</p> + +<p>»Waag zijn je stelten, Bobje?» vroeg hij lachend, want +hij mocht Bob graag lijden.</p> + +<p>»Die heeft de meid van dokter Doreman, mijnheer,» +zei Bob.</p> + +<p>»Zoo? — Waagom? — Hè-hè-hè-hè! Moet Mina ook +stelten leegen loopen? Hè-hè-hè-hè!»</p> + +<p>Mijnheer Denappel had een verbazend leelijk lachje over +zich, want hij lachte altijd met eene è-klank, en bovendien +sprak hij sterk door zijn neus. Geloof ook maar +gerust, dat wij hem dikwijls uitgelachen zouden hebben, +als hij — niet zoo aardig jegens ons geweest was. Nu +hielden wij veel te veel van hem, om zoo iets te doen.</p> + +<p>»Dat weet ik niet, mijnheer, maar ik ben ze kwijt, en +ik zie geen kans om ze terug te krijgen.»</p> + +<p>»Dat is leelijkeg voog je, Bob, want ik wou je juist +vgagen of je lust hebt, om mede te doen aan eene hagdloopegij +op stelten. Zou je dat niet willen?»</p> + +<p>»Niet willen! O ja, mijnheer, — asjeblieft, heel graag. +Wanneer doen we het?»</p> + +<p>»Vandaag oveg eene week, dus op Zategdag, ’s middags +om één uug. De pgijs is een pgachtig boek van +Gobinson Cgusoë, in een mooien blauwen band, en de +tweede pgijs is de Bagon van Munchhausen, ook een +mooi boek. De degde pgijs is een pogtemonnaie, maag<span class="pagenum"><a name="Page_39" id="Page_39">[39]</a></span> +ik houd het gecht, die te geven aan wien ik wil. Nu, +hoe bevalt het je?»</p> + +<p>»Heerlijk, mijnheer, prachtig! En mag iedereen meêdoen? +En waar is het?»</p> + +<p>»Hieg, op den achtegweg, en iedegeen mag meedoen. +Noodig jij alle jongens maag uit in mijn naam, wil je +dat doen?»</p> + +<p>»Met alle genoegen, mijnheer!»</p> + +<p>»En zouden ze eg lust in hebben?»</p> + +<p>»Of ze, dat kan u begrijpen!»</p> + +<p>»Mooi, mooi. Maak jij nu maag, dat je je stelten tegug +kgijgt, want andegs gaat de pget jou neus voogbij, hè-hè-hè-hè! +Dag Bob!»</p> + +<p>»Ja mijnheer, wist ik maar hoè!»</p> + +<p>»O, Bob, zeg maag, dat je haag wel eens een pleizieg +zal doen, doog bij voogbeeld de glazen eens te helpen +wasschen, als ze dat doen moet, — hè-hè-hè-hè? — dan +zal ze je misschien je kwaad wel veggeven, hè-hè-hè-hè!»</p> + +<p>Ha zoo! Mijnheer Denappel wist er dus alles al van! +Zeker had hij eene visite bij den dokter gemaakt en +daar het gebeurde vernomen. En nu moest hij natuurlijk +Bob eens goed plagen.</p> + +<p>»Dag Bob, tot Zategdag dus! Maak maag, dat je den +pgijs wint, hoog!»</p> + +<p>Bob groette en vervolgde zijn weg, natuurlijk recht +in zijne nopjes over het aanstaande feestje.</p> + +<p>»En mijne stelten zal ik wel terugkrijgen,» mompelde +hij. »Ik mòèt ze terughebben, — dat spreekt van zelf!»</p> + +<p>Toen ik ’s middags gegeten had, ging ik dadelijk naar<span class="pagenum"><a name="Page_40" id="Page_40">[40]</a></span> +Bob en vernam van hem, wat de heer Denappel gezegd +had. Dat ik mijne stelten medegenomen had, behoef ik +niet te zeggen, want in den steltentijd liepen wij er zelfs +op, als we even eene boodschap in den winkel moesten +halen. Alleen naar de kerk mocht ik ze nooit meênemen.</p> + +<p>Bob en ik waren in den tuin.</p> + +<p>»Zeg Dorus,» zei hij op den toon van volslagen wanhoop, +»bedenk jij nu toch eens een middel, om ze terug +te krijgen. Als ik me niet oefenen kan, heb ik natuurlijk +in het geheel geen kans om den prijs te winnen. Had +ik die spuit ook maar met rust gelaten. ’t Komt alles +van dat leelijke ding.»</p> + +<p>»Ja, — en ook van je idée, om Mina nat te spuiten +in plaats van de ramen.»</p> + +<p>»Nu ja, — dat is waar, — maar hoe krijg ik ze terug? +Zie je, dat is op dit oogenblik de hoofdzaak.»</p> + +<p>»Wel, ga ze terugvragen.»</p> + +<p>»Dank je, Dorus! Wat zou ik er van langs krijgen! Ik +wed, dat ze me kopje onder in eene waschtobbe stopte!»</p> + +<p>»Best mogelijk. Zeg Bob, kunnen we van uit dat dakvenster +van jelui huis niet in den tuin van den dokter +kijken?»</p> + +<p>Opeens klaarde Bobs gezicht heelemaal op. Hij nam +zijn stroohoed van zijn hoofd en zwaaide er lustig meê +in het rond. Toen wierp hij hem hoog in de lucht en +ving hem weer netjes op zijn krullebol op, een kunststukje +waar ik erg jaloersch op was en dat ik hem maar +niet kon nadoen, niettegenstaande ik het wel al honderdmaal +geprobeerd had.<span class="pagenum"><a name="Page_41" id="Page_41">[41]</a></span></p> + +<p>»Hiep-hiep-hoera! Gevonden! — Gevonden! Dorus! +Jij bent een slimmerd, hoor! Kom jò, dan gaan we +dadelijk naar boven. Hoe dom, dat ik daar niet eerder +aan gedacht heb. Zeg Dorus, dan neem ik mijn verrekijker +mede.»</p> + +<p>»Ja, doe dat!»</p> + +<p>In een wip waren we de beide trappen opgeklommen, +want het huis van mijnheer de Wild had twee verdiepingen, +en nu kwamen we gewapend met den verrekijker +op den zolder.</p> + +<p>»Zeg jò, nog niet kijken!» zei Bob. »Eerst den kijker +goed uit elkaar halen.»</p> + +<p>Blijkbaar was hij bang, dat ik de stelten met het +ongewapende oog reeds zou ontdekt hebben, voordat hij +nog met zijn instrument gereed was, en dan zou de helft +van het genoegen verdwenen zijn, wat ook precies mijn +idée was.</p> + +<p>Spoedig stonden we nu voor het raam, dat over een +land, een tuin en een paar hagen heen, uitzicht gaf op +den tuin van den dokter. Bob hield den kijker voor het +oog en doorzocht met het gewichtig gevoel van een +soldaat, die een vijandelijk kamp verkent, het terrein.</p> + +<p>»Mis hoor!» zei Bob terneergeslagen. »Ik zie ze nergens. +Ze heeft ze zeker hier of daar weggestopt.»</p> + +<p>»Misschien wel in de keuken,» zei ik.</p> + +<p>»Ja, — of in het schuurtje. Ik althans zie ze niet. +Zoo’n akelige meid, — ’t zijn hààr stelten toch niet?»</p> + +<p>»Zeker niet! Laat mij ook eens kijken, Bob?»</p> + +<p>»Dààr!»<span class="pagenum"><a name="Page_42" id="Page_42">[42]</a></span></p> + +<p>Bob gaf mij den kijker en ik keek overal rond. Nu +was dat instrument bijna geheel niet noodig, want de +tuin lag zoo dicht bij ons, dat wij met het bloote oog +alles best konden onderscheiden. Maar die kijker bracht, +naar wij meenden, iets eigenaardigs aan onzen verkenningstocht.</p> + +<p>Eindelijk gaf ik het op.</p> + +<p>»’k Zie ze niet!» zei ik met een zucht. »Je bent je +stelten kwijt, Bobbertje.»</p> + +<p>»’t Is wat moois! Hoe moet ik nu met den wedstrijd +meêdoen, als ik geen stelten heb? Ik vind het erg flauw +van Mina. Laat mij nog eens kijken?»</p> + +<p>Maar Bob had evenmin succes als ik. Opeens echter +ontdekte ik ze met het bloote oog, waar wij ze met den +kijker niet hadden gezien.</p> + +<p>»Kijk eens, dáár, Bob, — dáár, vlak onder het keukenraam, +op den grond! Daar liggen ze!»</p> + +<p>Bob zette den kijker van zijn oog — want zonder dat +voorwerp zagen wij veel beter, hoewel wij dat natuurlijk +voor geen honderd gulden hadden willen bekennen, — en +nu zag hij ze ook.</p> + +<p>»’t Zijn ze, Dorus! Die aap! Ze heeft ze vlak onder +het keukenraam gelegd om ze goed onder haar bereik +te hebben.»</p> + +<p>Bob zette nu den kijker weer voor het oog en richtte +hem op de stelten.</p> + +<p>»Ja hoor, nu zie ik ze duidelijk; ’t zijn ze! Kijk maar, +jò, nu kan je ze pas goed zien.»</p> + +<p>Nu, dat was waar.<span class="pagenum"><a name="Page_43" id="Page_43">[43]</a></span></p> + +<p>»Maar hoe ze nu terug te krijgen, Bob?»</p> + +<p>»Dat zal ik je zeggen, — ik ga ze doodeenvoudig +halen. Ik ga over het slootje achter onzen tuin, kruip +langs den slootkant het land over, spring over de sloot +van den dokter, kruip langs de besseboomen daar ginds +naar het keukenraam en pak ze dan vlug weg. Kijk, het +bovenraam staat open. Ik wed, dat Mina boven aan het +werk is, want het is Zaterdag en dan hebben de meiden +het altoos druk. Juist, ik doe het.»</p> + +<p>»’t Is een waagstuk, Bob,» meende ik te moeten +opmerken. »Als ze je snapt, ben je er bij.»</p> + +<p>»Gloeiend, dat is zeker,» stemde Bob toe.</p> + +<p>»Of als de dokter je ziet.....»</p> + +<p>»Die is uit! Ik heb hem zien uitrijden.»</p> + +<p>»Of mevrouw! Die is toch in elk geval thuis.»</p> + +<p>»Ja, dat is waar. Nu hoor, ik waag het er toch op. +Mijne stelten moet ik terug hebben, dat begrijp je, vooral +nu mijnheer Denappel dien wedstrijd organiseert. Zeg +Dorus, houd jij hier met den verrekijker de wacht voor +het raam, en als je onraad ziet, laat je ons gewone signaal +hooren, dan kies ik dadelijk het hazepad. Doe je het?»</p> + +<p>»Natuurlijk, dat spreekt van zelf.»</p> + +<p>»Goed! Dan ga ik. Goed uitkijken, hoor! En zoodra +je maar den band van eene vrouwenmuts ziet, waarschuw +je. Kan ik daarop rekenen?»</p> + +<p>»Volkomen.»</p> + +<p>»Tot straks dan!»</p> + +<p>Bob vertrok, en ik bleef in groote spanning achter. +Den kijker hield ik voortdurend op het keukenraam<span class="pagenum"><a name="Page_44" id="Page_44">[44]</a></span> +gericht, hoewel Bob het ons beschermende dak nog niet +eens verlaten kon hebben.</p> + +<p>Een oogenblik later hoorde ik zijn signaal beneden in +den tuin, hetwelk ik onmiddellijk beantwoordde. Nu kon +ik hem zien gaan. In gebogen houding sloop hij den +tuin door, hoewel daar natuurlijk niet het minste gevaar +dreigde. Hij sprong behendig over het slootje en kroop +langs den kant langzaam verder. Ik volgde hem met +mijn kijker. Nu was hij den tuin van den dokter genaderd. +Hij behoefde maar eene sloot over te springen om +er in te komen. Doch juist op het oogenblik dat hij den +sprong wilde doen, zag ik de achterdeur opengaan en +Mina buiten verschijnen. Zij bleef een oogenblik stilstaan, +keek eens naar de lucht, nam een paar frambozen van +een struik, raapte toen de stelten op en bracht ze in +het schuurtje.</p> + +<p>Zoodra zij verschenen was, liet ik mijn waarschuwend +signaal hooren. Dadelijk maakte Bob zich zoo klein +mogelijk en hield zich onbeweeglijk aan den kant van de +sloot, tot Mina weer vertrokken was. Zelfs toen bleef +hij nog eenigen tijd zitten.</p> + +<p>Ik vertrouwde de zaak nu echter in het geheel niet +meer, en liet mijn signaal hooren, wat door Bob beantwoord +werd. Even later zag ik hem den terugtocht +aanvaarden, en weldra was hij weer bij me op den zolder.</p> + +<p>»Dat was toevallig, hè?» zei hij ernstig.</p> + +<p>»Al te toevallig, Bob,» meende ik. »Geloof gerust, dat +zij lont geroken heeft. ’t Is toch een slimmerd.»</p> + +<p>»Ja, — maar toch kan het best zijn, dat zij geen erg<span class="pagenum"><a name="Page_45" id="Page_45">[45]</a></span> +in mij heeft gehad en alleen maar trek kreeg in een +paar framboosjes. Zij heeft mij onmogelijk kunnen zien, +zou ik zeggen.»</p> + +<p>»Dat is waar. Bovendien zag ze er heel onverschillig +uit, volstrekt niet, of zij iets kwaads in den zin had. +’t Is alleen maar zoo buitengewoon opmerkelijk, dat zij nù +juist buiten kwam en de stelten in het schuurtje bracht.»</p> + +<p>»Alles goed en wèl, maar ik moet ze terug hebben,» +zei Bob. »Over een kwartier waag ik het weer.»</p> + +<p>Wij begonnen nu geduldig te wachten, tot er tijd +genoeg verloopen zou zijn om met eenige kans op succes +den tocht voor de tweede maal te ondernemen.</p> + +<p>Eindelijk ging Bob.</p> + +<p>Weer klonk in den tuin zijn signaal, — weer sprong +hij over de sloot en sloop hij langs den slootkant verder, +weer had hij den tuin van den dokter bereikt. Hij keek +even op naar mij, als om te vragen, of alles veilig was. +Ik nam het terrein op en — zweeg, want alleen in geval +van nood zou ik mijn signaal doen hooren.</p> + +<p>Wip! — daar sprong hij over de sloot in den tuin van +den dokter, en behoedzaam zag ik hem verder kruipen +onder de besseboomen door, die hem bijna geheel aan het +gezicht onttrokken. Ik zeg bijna, want soms moest hij +eene plek oversteken, waar geen boomen stonden. Hij +kroop dan bijna op zijn buik over den grond.</p> + +<p>Alles ging goed. Met arendsblikken volgde ik hem in +al zijne bewegingen, tevens goed oplettende, of er ook +onraad dreigde. Ha! nu had hij het schuurtje bereikt. +Langzaam zag ik de deur ervan opengaan, doch slechts<span class="pagenum"><a name="Page_46" id="Page_46">[46]</a></span> +zoover als noodig was, om Bob door te laten. Nu verdween +Bob in het schuurtje.....</p> + +<p>O heden! Nauwelijks was hij daarbinnen geslopen, of +de keukendeur ging snel open en daar verscheen plotseling +de vijand — Mina.</p> + +<p>Met kracht liet ik mijn signaal hooren, hoewel mijn +gewone toonreeks mij mislukte van den schrik.</p> + +<p>Mina ijlde naar het schuurtje!</p> + +<p>Ik verzamelde mijne tegenwoordigheid van geest en +floot zoo hard ik kon.</p> + +<p>Mina had de deur bereikt.</p> + +<p>Maar Bob had mijn signaal gehoord. Ik zag de deur +opengaan. Nog een oogenblik en hij zou gered zijn.</p> + +<p>Flap! Daar sloeg Mina de deur met kracht toe en +schoof er den grendel voor.</p> + +<p>Bob was gevangen.</p> + +<p>Ik zag Mina schateren van de pret, ja ik hoorde haar +zelfs lachen. Zoo’n akelige meid!</p> + +<p>In de grootste verslagenheid zag ik het aan, hoe zij in +de keuken verdween, ongetwijfeld met het stellige voornemen +Bob niet voor den laten avond uit zijne gevangenis +te ontslaan.</p> + +<p>Doch hij moest gered worden, dat stond bij mij vast. +De vraag was alleen maar, hoe dat gedaan moest worden.</p> + +<p>Hoe ik evenwel peinsde, ik zag er geen kans toe, en +besloot daarom ten einde raad naar mijn vriend Karel +Holm te gaan, die nu ongetwijfeld wel uit Haarlem +thuisgekomen zou zijn.</p> + +<p>Ik verliet daarom het huis van mijnheer de Wild en<span class="pagenum"><a name="Page_47" id="Page_47">[47]</a></span> +ging op weg naar Karels huis. Hij was de zoon van den +architect, en wel diens eenig kind. Wij hielden allen +bijzonder veel van hem, wat geen wonder was, daar hij +een echt fideel karakter bezat. Ik twijfelde dan ook niet, +of hij zou niet rusten, voor het ons gelukt was, Bob in +vrijheid te stellen. Een kameraad in den steek laten zou +hij nooit doen.</p> + +<p>Het bleek mij al spoedig dat ik mij niet vergist had, +want nog had ik zijne woning niet bereikt, toen ik hem +reeds tegenkwam.</p> + +<p>»Zoo Dorus!» klonk zijn groet.</p> + +<p>»Zoo Karel! Al terug?»</p> + +<p>»Zooals je ziet. Ik kwam juist naar je toe.»</p> + +<p>»En ik naar jou. Zeg Karel, er is iets aan de hand. +Bob zit opgesloten in het schuurtje van den dokter.»</p> + +<p>»Bob opgesloten? — In het schuurtje van den dokter?» +zei Karel in de grootste verbazing. »Wie heeft dat gedaan?»</p> + +<p>»Mina, de meid.»</p> + +<p>Nu vertelde ik hem in geuren en kleuren, wat er +gebeurd was. Eerst moest hij er om lachen, maar later +keek hij ernstig.</p> + +<p>»Ja, zie je,» zeide hij, »dan is het ook zijn eigen schuld. +Maar enfin, dat doet er niet toe, geholpen mòèt hij +worden. Wij kunnen hem niet aan zijn lot overlaten.»</p> + +<p>»Juist, Karel, precies mijn idée, — maar hoe?»</p> + +<p>»Ja, dat is de moeilijkheid. Zeg Dorus, wij moesten +den vijand van twee kanten kunnen bestoken. Wisten +wij maar eene boodschap bij den dokter te bedenken, +dan waren wij klaar. Want als er een van ons daar aanbelde<span class="pagenum"><a name="Page_48" id="Page_48">[48]</a></span> +was Mina gedwongen om open te doen. Middelerwijl +kon de ander het schuurtje ontsluiten en Bob verlossen.»</p> + +<p>»Daar zeg je zoo iets, Karel. Jongen, dat is een prachtig +idée. Hadden wij maar eene boodschap!»</p> + +<p>»Ja, maar die hebben we niet. — Maar wacht eens — ha, +daar bedenk ik wat. Je weet, dat Pa van ’t voorjaar +zoo lang ziek geweest is en geruimen tijd onder +behandeling van den dokter was?»</p> + +<p>»Zeker, dat herinner ik mij nog heel goed.»</p> + +<p>Nu — en toen heeft Pa wel een twintig drankjes +gebruikt, waarvan alle ledige fleschjes nog bij ons in het +schuurtje staan. Onlangs heb ik ze alle moeten omspoelen, +en heeft Moe tegen me gezegd, dat ze eens naar den +dokter teruggebracht moesten worden. Zeg jò, niets +belet ons, om dat nu te doen.»</p> + +<p>»Uitstekend! Zeg Karel, dan bel jij aan en terwijl Mina +dan aan de voordeur is, sluip ik den tuin in en maak +het schuurtje open. Dat wordt eene leuke historie, Karel!»</p> + +<p>»Of het. Kom, laten we dadelijk gaan.»</p> + +<p>Wij deden de fleschjes in eene ledige mand en Karel +vroeg zijne Moe verlof, ze weg te brengen, wat heel +goed gevonden werd.</p> + +<p>Samen gingen wij met ons vrachtje op weg, tot aan +de brug, waar onze wegen scheidden.</p> + +<p>»Nu ga jij door den tuin van den notaris naar het +schuurtje en als je achter het huis van den dokter gekomen +bent, laat je het signaal hooren. Tot zoolang zal +ik met aanbellen wachten. Is dat afgesproken?»</p> + +<p>»Best,» zei ik. »Maar zouden wij het fluiten van elkander<span class="pagenum"><a name="Page_49" id="Page_49">[49]</a></span> +kunnen hooren? Het huis en de tuin van den dokter +liggen tusschen ons.»</p> + +<p>»O ja, gemakkelijk! Hallo, jò, vooruit maar! Ik krijg +er zin in. Voorzichtig, hoor!»</p> + +<p>»Dat spreekt, en jij niet te vroeg bellen.»</p> + +<p>»Niet, voordat ik je signaal gehoord heb.»</p> + +<p>»Houd je goed, tot straks dan! En houd Mina wat +aan den praat, als je kunt.»</p> + +<p>»Laat dat maar aan mij over. Ga nu, Dorus!»</p> + +<p>Ik ging, en volgde natuurlijk denzelfden weg, die ons +Bobje zoo noodlottig geworden was.</p> + +<p>Zoodra ik de sloot achter dokters tuin bereikt had, +liet ik het afgesproken teeken hooren, wat dadelijk van +twee kanten beantwoord werd, namelijk van de zijde der +voordeur, waar Karel gereed stond aan te bellen, en door +Bob uit het schuurtje.</p> + +<p>Ik wachtte nu nog een oogenblik, ten einde Karel de +gelegenheid te geven om aan te bellen en Mina naar de +voordeur te lokken, en sprong over de sloot. IJlings en +in gebogen houding spoedde ik mij naar het schuurtje. +Mijn hart klopte hoorbaar, zoo verkeerde ik in angst, +dat onze krijgslist mislukken zou, en schichtig keek ik +naar alle zijden om mij heen.</p> + +<p>Bij het schuurtje gekomen richtte ik mij vlug als +eene kat op, schoof den grendel weg, en opende de deur.</p> + +<p>Op hetzelfde oogenblik stond Bob naast me, met zijne +stelten in de hand. Maar o jé, daar had me de bengel +zoo waarlijk eene oude muts van Mina opgezet en een +boezeltje van haar voorgedaan.<span class="pagenum"><a name="Page_50" id="Page_50">[50]</a></span></p> + +<p>»Dáár, pak aan!» zei hij, terwijl hij me zijn stroohoed +toewierp. En in plaats van weer over de sloot te springen +en denzelfden weg terug te gaan, dien hij gekomen was, +stapte hij doodbedaard op zijne stelten en ging met +groote schreden den tuin door, langs den stal en zoo den +weg op.</p> + +<p>Ik ijlde hem vooruit.</p> + +<p>O, o, wat leverde hij een dwaas gezicht op, met dien +boezelaar voor en die muts op, en dan op stelten.</p> + +<p>Karel stond nog aan de voordeur met Mina te redeneeren, +toen hij ons zag aankomen. Hij proestte het uit +van lachen, en o, wat keek Mina boos, toen zij bemerkte, +wat er gebeurd was.</p> + +<p>»O, jullie ondeugende bengels! Dat is afgesproken +werk! Wil jij wel eens gauw mijne muts afzetten en +dien boezelaar afdoen!»</p> + +<p><a href="#ill02">Doch Bobje wandelde doodbedaard met groote stappen +over den weg heen en weer</a>, en hij zette het ernstigste +gezicht van de wereld.</p> + +<p>Een oogenblik later kwam Mina den hoek van het +huis om, met den stoffer in de hand. Ze was meer dan +boos. Toen werd het hoog tijd voor Bob om het hazenpad +te kiezen, wat hij dan ook deed.</p> + +<p>Mina keerde naar hare keuken terug, rood van boosheid, +en wij raadden Bob aan, de beide kleedingstukken +terug te geven. Eerst had hij daar niet veel lust in, maar +toen wij zeiden, dat hij verplicht was het te doen, +maakte hij er een klein pakje van en bracht ze aan +Mina terug. Dat durfde hij gerust doen, daar hij overtuigd<span class="pagenum"><a name="Page_51" id="Page_51">[51]</a></span> +was, dat hij toch veel harder loopen kon dan zij. +Hij deed de keukendeur open en wierp het pakje naar +binnen. In hetzelfde oogenblik nam hij overhaast den +terugtocht aan, zoodat Mina zelfs geen tijd had hem een +enkel woord toe te voegen.</p> + +<p>Och, och, wat hadden wij een pret over dit voorval.</p> + +<p>»’t Was goed, dat jelui me verloste,» zei Bob, »want +ze had me beloofd, dat ik er tot donker in zou blijven. +Maar dat had zij toch mis!»</p> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_52" id="Page_52">[52]</a></span></p> + +<p class="str"> </p> + +<h2>Vierde Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Waarin Bob eerst voor mijnheer Denappel<br /> +en daarna voor visch speelt.</p> + + +<p>Wij gingen eerst met Karel Holm meê naar zijn huis, +om zijne stelten te halen, en begaven ons toen naar het +marktplein, dat midden in het dorp gelegen was, en waar +wij zeker waren, eenige jongens te vinden om mede te +spelen.</p> + +<p>Eerst had Bob niet bijzonder veel lust, om naar de +markt te gaan, omdat de schoenmaker daar wel wat te +dichtbij woonde voor het mooi, naar hij zeide.</p> + +<p>Maar toen wij er inderdaad eenige jongens van onze +klasse aantroffen, was hij het gevaar, dat hij van den +kant van den schoenmaker liep, weldra geheel vergeten. +Nu was het waar, dat deze er heel dicht bij zijne woning +had en menige jongen zou in Bobs geval zich wel tweemaal +bedacht hebben, eer hij zich daar waagde, maar het +moet gezegd worden: Bob kende geen vrees en hij was +bijna voor niets bang.<span class="pagenum"><a name="Page_53" id="Page_53">[53]</a></span></p> + +<p>Toen wij pas op de markt waren, keek hij eerst wel +een paar malen voorzichtig uit, of de gevreesde vijand +ook naderde, doch toen zijne vrees ongegrond bleek te +zijn, vergat hij weldra zijn voorzorgsmaatregel geheel en +wijdde hij zich geheel aan het spel.</p> + +<p>Zooals ik zeide troffen wij op het marktplein reeds +eenige jongens aan, met wie wij dikwijls speelden. Zoo +zagen wij daar Dirk Langeraar, den zoon van den metselaar, +Cor Valk, van den directeur van het post- en telegraafkantoor, +Karel Buurs, van den timmerman, Tines +Wobbe, Adriaan Bolt, Arie Kooi, die evenals ik zoons +van bloemisten waren en Huibert de Leeuw, van den +korenmolenaar. Allen hadden zij hunne stelten bij zich.</p> + +<p>Met een luid hoera werden wij bij onze komst begroet, +en dat wij dadelijk begonnen te vertellen, wat wij beleefd +hadden, spreekt van zelf. Wat hadden de andere jongens +er een pret in.</p> + +<p>»Zeg Bob, je hadt dien boezelaar en die muts moeten +houden,» zei Tines Wobbe, »dan hadden wij er nu nog +eens lekker pret mede gemaakt.»</p> + +<p>»’t Was al mooi genoeg!» zei Karel Holm. »Mina was +nu al genoeg geplaagd.»</p> + +<p>»Je kunt ze nooit genoeg plagen,» zei Tines met een +grijnslachje, dat wij nooit goed van hem konden uitstaan. +Eigenlijk hielden wij geen van allen van hem, want hij +ging nooit recht door zee en was ver van eerlijk. Wij +vertrouwden hem nooit, en als wij eens eene grap gingen +uithalen, die wij voor anderen niet weten wilden, hielden +we hem altoos buiten het geheim. Nu weet ik wel, dat<span class="pagenum"><a name="Page_54" id="Page_54">[54]</a></span> +wij ook zulke erg brave jongens niet waren, maar klikken +zouden wij van elkander nooit doen, — en dat deed hij +wel. Als hij kwaad tusschen ons kon stoken, zoodat wij +er eindelijk twist door kregen, had hij de grootste pret, +en dan lachte hij in zijn vuistje. Maar zelf was hij alles +behalve een held. Neen, wij hielden niet van hem, en +als we hem een poets konden bakken, zouden we het +nooit nalaten.</p> + +<p>»Jongens! Ik heb nieuws!» viel Bob de anderen in +de rede.</p> + +<p>»Goed nieuws?» klonk het terug.</p> + +<p>»Luisteg!» zei Bob, die nu plotseling de spraak van +den Heer Denappel ging nabootsen, waar hij bijzonder +goed slag van had. »Ik noodig alle jongens van het dogp +uit, vandaag oveg eene week hieg op den achtegweg te +komen, ’s middags om één uug, tot het houden van een +wedstgijd in het hagdloopen op stelten.»</p> + +<p>»Echt waar? Zeg Bob, is het echt waar?» vielen de +jongens hem vroolijk in de rede, niet weinig lachende +om den toon, waarop hij sprak. Als iemand, die het niet +wist, hem gehoord had, zou hij stellig gemeend hebben, +dat het de Heer Denappel was, zoo precies bootste Bob +hem na. Hij sprak geweldig door den neus en brouwde +zoo sterk mogelijk.</p> + +<p>»’t Is waag, hoog, volkomen waag!» zei Bob op zijn +grappigsten toon.</p> + +<p>»Hoera! Hoera! Leve mijnheer Denappel!» klonk het +opeens uit aller mond.</p> + +<p>»Sssssss! stilte!» gebood Bob. »Luisteg, jongens, ik ben<span class="pagenum"><a name="Page_55" id="Page_55">[55]</a></span> +nog niet uitgespgoken. De eegste pgijs zal bestaan in een +fgaai boek in pgachtband, genaamd Gobinson Cgusoë...»</p> + +<p>»Hoera! Hoera! Lang zal hij leven!»</p> + +<p>»Bedaag, vgiendjes, bedaag!» zei Bob met een kalmeerend +gebaar van zijne beide handen. »Eg is nog meeg. +De tweede pgijs, of zooals wij altijd zeggen de pgemie +is de Bagon van Munchhausen, ook een pgachtig boek, +maag niet in een fgaaien band.»</p> + +<p>»Hoera! Hoera! Dat wordt een mooie wedstrijd!»</p> + +<p>»Dat zou ik meenen, lieve vgienden,» vervolgde Bob. +»En dan heb ik nog een degden prijs, bestaande uit eene +fgaaie pogte-monnaie, maag — ik behoud het gecht, om +die te geven, aan wien ik wil. Heb je dat goed beggepen?»</p> + +<p>»Uitstekend, mijnheer Denappel! Uitstekend!» klonk +het lachend rondom Bob, die kolossaal veel pret had, dat +de anderen zoo om hem moesten lachen.</p> + +<p>»En waarom houdt u dat recht aan u, mijnheer Denappel!» +vroeg Dirk Langeraar aan Bob.</p> + +<p>»Mijn bgave Digk, nu vgaag je meeg, dan ik je beantwoogden +kan.» En heel vaderlijk liet hij er op volgen: +»Kleine jongetjes moeten niet naag alles vgagen, hoog +kegeltje?»</p> + +<p>»Bob, daar komt de schoenmaker om den hoek!»</p> + +<p>Als een pijl uit den boog ging Bob er vandoor. Jongen, +jongen, wat liep hij. Zijne voeten raakten bijna den +grond niet.</p> + +<p>En wij lachten, dat we schaterden, want er was niets +van waar. De schoenmaker zat hoogstwaarschijnlijk druk +schoenen te lappen, want de Zaterdag was gewoonlijk<span class="pagenum"><a name="Page_56" id="Page_56">[56]</a></span> +zijn drukste dag, daar vele menschen dan vóór den Zondag +hunne schoenen terug wilden hebben. Ik had het alleen +maar uit de grap gezegd, omdat hij zoo verbazend veel +praats had. Bob gunde zich geen tijd om te kijken, of het +wel waar was. Trouwens, daar twijfelde hij ook niet aan.</p> + +<p>Toen hij ons echter zoo verbazend hoorde lachen, begon +hij lont te ruiken. Hij bleef even staan en keek achter +zich om, en toen hij nu bemerkte, dat er niets van waar +was, kwam hij weer terug.</p> + +<p>»Heb jij me dat koopje geleverd, Dorus?» vroeg hij.</p> + +<p>»Om u te dienen, mijnheer Denappel!» zei ik.</p> + +<p>»Ben je bang voor den schoenmaker?» vroeg Tines +Wobbe. »Wat heb je hem gedaan?»</p> + +<p>»Och, ik heb gemaakt, dat hij geen stroop op zijn pannekoek +had, van middag,» zei Bob, tot groot vermaak +van de anderen. En nu vertelde hij wat hij gedaan had.</p> + +<p>»Zoo’n dom kind,» zei Cor Valk. »Maar wacht je nu +voor den schoenmaker, Bob, want er blijft geen stuk van +je heel, als hij je te pakken krijgt. ’t Is een gevaarlijke, +wat ik je zeg.»</p> + +<p>»Hij heeft me nog niet!» zei Bob met een overmoedig +lachje. »En hij zal me niet gemakkelijk krijgen ook. Zeg +Dorus, willen wij nu eens om het hardst steltloopen?»</p> + +<p>»Goed!» zei ik.</p> + +<p>Wij gingen naar den eersten paal en zouden loopen +tot den laatsten.</p> + +<p>»En dan wij?» vroeg Tines Wobbe aan Karel Holm.</p> + +<p>»Ja — laten we allen twee aan twee gaan, precies als +op den wedstrijd. Adriaan Bolt met Karel Buurs, Huib<span class="pagenum"><a name="Page_57" id="Page_57">[57]</a></span> +de Leeuw met Arie Kooi, Dirk Langeraar met Cor Valk, +en zoo verder. Vooruit, jongens, daar gaan we!»</p> + +<p>Ja, daar gingen we, en vlug ook, maar niet bijzonder +verstandig. Want we konden zeer vlug steltloopen, al +zeg ik het zelf, en we vielen niet zeer dikwijls. Maar +nu kwam Bob met zijne stelt in een gat terecht, dat hij +niet gezien had, en flap, daar viel hij tegen mij aan, +zoodat wij beiden op den grond tuimelden. En wat er +toen gebeurde, is licht te begrijpen. De andere jongens +volgden ons op den voet, en voordat zij nog goed wisten, +wat er met hen plaats greep, duikelden zij op en over +ons heen!</p> + +<p>Of dat pijn deed! Ik kreeg Tines Wobbe dwars over +mijn hoofd en Huib de Leeuw lang uit over mijne beenen, +en van Bob was in het geheel niets te zien. Hij lag +totaal onder de anderen bedolven. Dirk Langeraar kwam +boven op al de anderen terecht, en zat daar als Spinoza +op zijn voetstuk, welk standbeeld in den Haag ik gezien +had, toen ik eens met Pa in die stad was. Allerlei klaagtonen +stegen uit den levenden warhoop op.</p> + +<p>»Hè-hè!»</p> + +<p>»Au! Ga toch weg!»</p> + +<p>»Rijs op, zeg ik je!»</p> + +<p>»Wil-je wel eens van mijn hoofd gaan?»</p> + +<p>»Ik stik! Ik stik!»</p> + +<p>»Au, mijn arm!»</p> + +<p>»Mijne beenen breken!»</p> + +<p>»Je zit op mijn rug!»</p> + +<p>Spoedig evenwel waren wij opgestaan, en wonder boven<span class="pagenum"><a name="Page_58" id="Page_58">[58]</a></span> +wonder, niemand van ons had zich erg bezeerd. Bob alleen +was met zijn voorhoofd tegen een steen terecht gekomen.</p> + +<p>»’t Hindert niet erg,» zei hij, »ik had er toch al een +buil op. ’t Doet me anders wel pijn.»</p> + +<p>Nu, pijn hadden we allen, de een hier, de ander daar.</p> + +<p>»Hoe kwam dat toch?» vroeg er een.</p> + +<p>»Omdat je lui allen een schapennatuur hebt,» zei Bob.</p> + +<p>»’t Spreekwoord zegt: »Als er één schaap over den +dam is, volgen alle anderen,» en zoo ging het met jelui +ook. Toen ik viel, ging je het mij allen nadoen, net als +de schapen.»</p> + +<p>»Laten wij het overdoen.» stelde Karel voor.</p> + +<p>»Ja, overdoen! Overdoen!»</p> + +<p>»Maar niet allen vlak achter elkaar!» zei Huib.</p> + +<p>»Dat spreekt van zelf,» zei een ander. »Een ezel stoot +zich niet tweemaal aan denzelfden steen.»</p> + +<p>Wij begonnen den wedstrijd nu opnieuw, en kwamen +tot de slotsom, dat Bob en Tines Wobbe de vlugste steltloopers +waren, zoodat zij waarschijnlijk de prijzen wel +zouden winnen.</p> + +<p>»Ik doe niet meê!» zei Cor Valk. »Wij kunnen het +van Bob en Tines toch niet winnen, en dan blijf ik liever +stilletjes thuis.»</p> + +<p>»Dat is kinderachtig,» zei Karel Holm. »Wij doen mede +om een prettigen middag te hebben, en natuurlijk ook om +wat te winnen. Maar de pret is toch de hoofdzaak.»</p> + +<p>»Bovendien kan Bob of Tines vallen, en daardoor niets +winnen,» zei ik.</p> + +<p>»Ook mogelijk! Ook kunnen zij opvolgende nummers<span class="pagenum"><a name="Page_59" id="Page_59">[59]</a></span> +trekken, zoodat zij tegen elkander moeten loopen. Daar +is vooruit niets van te zeggen.» zei Huib de Leeuw.</p> + +<p>»Zeg, jongens, willen wij nu eens wat anders gaan +spelen?» vroeg Bob.</p> + +<p>»Ja, — wat dan?»</p> + +<p>»Verstoppertje?»</p> + +<p>»Ja, ja, verstoppertje! Dat is goed! Wie zal hem +wezen?»</p> + +<p>»Ik wel!» zei Karel Holm. »De eikeboom is honk, +en wij mogen niet verder dan tot aan den schoenmaker +aan de eene en de brug aan de andere zijde. Is dat +afgesproken?»</p> + +<p>»Goed, niet verder dan de brug en den schoenmaker! +Niet kijken, Karel, — over drie honderd tellen heb je +het recht om te komen.»</p> + +<p>Karel ging met de beide handen voor de oogen tegen +den dikken boom staan, die midden op het marktplein +stond, en begon te tellen. Hij hoorde de jongens in +alle richtingen verdwijnen, maar kijken deed hij natuurlijk +niet. Dat zou hij niet gedaan hebben, al had hij er een +gulden mede kunnen verdienen, want daarvoor was hij +veel te eerlijk.</p> + +<p>Toen hij tot driehonderd geteld had, gaf hij zijne +nadering door een luiden kreet te kennen en ging zoeken. +Zoodra hij iemand zoo nabij gekomen was, dat hij hem +tikken kon, was die de zoeker voor het volgende spel, +maar wij zorgden wel, dat dit niet gebeurde. Als wij +bemerkten, dat hij ons ontdekt had, sprongen wij vlug +te voorschijn en trachtten eerder dan hij den boom te<span class="pagenum"><a name="Page_60" id="Page_60">[60]</a></span> +bereiken, waardoor wij het recht verkregen, bij het +volgende spel weer schuil te gaan.</p> + +<p>Het gelukte hem Dirk Langeraar te tikken, waardoor +deze aangewezen werd, om tweede zoeker te worden. +Wij vermaakten ons kostelijk met dit spel, vooral toen +de avond langzamerhand begon te vallen en het donker +werd. Het zoeken ging toen ver van gemakkelijk, en wij +wisten uitstekende schuilhoeken te vinden.</p> + +<p>Ook Bob begon zich toen vrijer te bewegen, want daar +hij het huis van den schoenmaker niet durfde naderen, +uit vrees van gesnapt te worden, kon hij zich tot nog +toe maar alleen in de richting van de brug verschuilen. +En juist aan den anderen kant waren de mooiste plekjes. +Maar nu was het grootste gevaar voor hem voorbij, en +langzamerhand begon hij zich minder in de richting van +de brug en meer in die van des schoenmakers woning +te begeven. Wat was daar eene heerlijke gelegenheid +om zich te verschuilen! In de eerste plaats lag er op een +erf eene omgekeerde schuit, die door den scheepmaker +op de helling getrokken was om gekalefaat te worden. +Bob had zich daar al driemaal verscholen, eer hij ontdekt +werd en eene nieuwe plaats op moest zoeken. Toen vond +hij een prachtig plaatsje bij het schuthok, waar hij met +zijne gewone brutaliteit midden tusschen een boschje +brandnetels ging zitten, die daar reeds eene flinke hoogte +hadden bereikt. Dáár zocht niemand hem, zooals van +zelf spreekt, want al meende de zoeker soms, dat hij zich +daar wel verscholen kon hebben, dan ontbrak hem nog +meestal de moed, om zich een pad door die lastige<span class="pagenum"><a name="Page_61" id="Page_61">[61]</a></span> +planten te banen. Bob had dit wel gedaan, maar het +had hem ook een flink aantal blaren bezorgd, die hem +niet weinig pijn deden. In elk geval had hij de voldoening, +dat niemand hem vinden kon, al liepen zij ook +vlak langs hem heen. Dat amuseerde hem buitengewoon. +Eindelijk werd hij gevonden door Karel Holm, die stellig +niet minder moed bezat dan Bob. Toen deze hem overal +gezocht en nergens gevonden had, zei hij tot de andere +jongens:</p> + +<p>»Wil ik jelui eens wat zeggen? Hij mòet hier in dat +brandnetelboschje zitten, want geen enkele plaats dan +deze heb ik ondoorzocht gelaten.»</p> + +<p>»Ga kijken, — dan weet je het!» raadde ik hem aan +met een leuk gezicht. Want ik dacht aan de brandnetels, +die zeer dicht op elkander gegroeid waren. Als +Bob er zich tusschen verscholen had, moest hij er naar +mijne meening even nauw door ingesloten zijn als de +bewoners van Luilekkerland door den rijstebrijberg.</p> + +<p>»Welnu, — denk je, dat ik niet durf, Dorus?» vroeg +hij met een overmoedig lachje.</p> + +<p>»Ik weet het niet, Karel, maar — jij liever dan ik!» +zei ik lachend.</p> + +<p>»Wat Bob kan, kan ik ook!» zei Karel. »Hij moet +hier zitten! Vooruit, daar gaat hij!»</p> + +<p>En waarlijk! Daar ging Karel met de ellebogen vooruit +de brandnetels in. Links en rechts bogen de stengels op +zijde en met groote schreden drong Karel er tusschen +door. Het moet hem ongetwijfeld veel pijn gedaan +hebben, en wij stonden gereed om een luid hoera aan te<span class="pagenum"><a name="Page_62" id="Page_62">[62]</a></span> +heffen, zoodra wij hem hoorden kermen. Maar neen, +daar hadden wij geen kans van, want Kareltje gaf geen +kik, wel een weinig tot onze teleurstelling, tot opeens +zijne stem van uit het midden der brandnetels tot ons +doordrong en wij hem hoorden roepen:</p> + +<p>»Gevonden! Ha, ha, baasje, dat had je niet gedacht. +Nu is het jou beurt om te zoeken. Jou slimme rot!»</p> + +<p>Een geweldig kraken van stengels die platgetrapt +worden werd nu hoorbaar, en toen verscheen Karel, +gevolgd door Bob, aan den rand van het boschje.</p> + +<p>»Wat zat ik daar heerlijk!» zei Bob op triomfantelijken +toon. »Wel driemaal ben jelui vlak langs mij heengegaan, +zonder mij te vinden!»</p> + +<p>»’t Is ook aangenaam, om vol blaren te komen,» zei +Tines Wobbe. »Ik gun je de pret.»</p> + +<p>»Pret had ik, Tines, vooral toen ik zag, dat je er zoo +graag in wilde kijken en toch niet durfde. Kom jongens, +verbergt je; ik zal je zoeken.»</p> + +<p>Fffft! Als de wind vlogen wij weg en in korten tijd +hadden wij allen een schuilhoek gevonden. Bob liet een +schellen kreet hooren en begon te zoeken. Nu was hij +een behendig zoeker en een vlug looper. Ik geloof wel, +dat hij de vlugste was van ons allen, behalve Tines +Wobbe, die ook een echte snelvoeter was. En Karel +Holm was de derde van den bond. Als die drie jongens +voor de aardigheid eens om het hardst liepen, wist men +nooit wie het winnen zou, vóór zij den eindpaal hadden +bereikt. Het kleinste ongelukje was voor ieder van hen +voldoende, om het te verliezen.<span class="pagenum"><a name="Page_63" id="Page_63">[63]</a></span></p> + +<p>’t Was dus geen wonder, dat Bob er weldra een getikt +had. Dezen keer was Cor Valk de zoeker.</p> + +<p>En nu gelukte het Bob een plaatsje te vinden, waar +men hem, naar hij dacht, stellig nooit zoeken zou. ’t Was +wel eene gewaagde, ja, zelfs zeer gewaagde onderneming +van hem, maar — het gevaar dat hem dreigde van den +kant van den schoenmaker was hij nu al geheel vergeten. +En als hij er nog aan dacht, zocht hij zich diets +te maken, dat dit zoo erg niet was.</p> + +<p>Welk plaatsje had hij dan gevonden?</p> + +<p>De schoenmaker was een groot liefhebber van visschen, +niet met den hengel, maar met netten. Eigenlijk was hij +zoowel visscherman als schoenmaker. Als hij het met +schoenlappen niet druk had en dientengevolge over veel +vrijen tijd beschikken kon, ging hij altijd uit visschen, +en zocht daarmede in het onderhoud van zich en zijn +groot gezin te voorzien. Menigmaal trok hij er nog laat +in den avond op uit, om nog een stuivertje te verdienen. +Hij had een eigen bootje, geheel voor dat doel ingericht, +en was ook in het bezit van een flink aantal netten, +waarmede hij menig vischje verschalkte.</p> + +<p>Vóór zijn huis, aan den kant van het water had hij +ook nog een groote vischkaar, waar hij de gevangen +visch in bewaren kon. Die kaar was niet anders dan een +groote bak, rondom van gaatjes voorzien, zoodat het +water er in doordringen kon. Midden in de grootste +zijde was een plank of luik, dat hij er uit kon nemen, +om er de gevangen visch in te doen. Door den bak in +het water te leggen, drong dit door de vele gaatjes naar<span class="pagenum"><a name="Page_64" id="Page_64">[64]</a></span> +binnen, en bleef de visch in leven. Eens in de week +verkocht hij den gevangen voorraad aan een opkooper, +die gewoonlijk Zaterdags bij de visschers rondging, om +zijne levende koopwaar in ontvangst te nemen.</p> + +<p>Zooals te begrijpen is, was nu dus de vischkaar ledig +en lag zij op het droge. Dat had Bob al lang opgemerkt, +maar zoolang het nog licht was, had hij zich niet zoo +dicht bij zijn vijand durven wagen. Nu evenwel meende +hij door de schemering genoeg beschut te zijn, om het +waagstuk te kunnen ondernemen.</p> + +<p>Hij deed het dan ook.</p> + +<p>Zoo voorzichtig mogelijk, en bijna langs den kant van +den weg voortkruipende, wist hij, zonder iets verdachts +te bespeuren, de kaar te bereiken. Hij hoorde den schoenmaker +nog druk aan den arbeid bezig, want het kloppen +van den hamer op de harde zool drong duidelijk tot +hem door.</p> + +<p>Behendig liet hij zich naar den onderkant van den +wal afglijden, want dáár lag de kaar, draaide de beide +wervels los, die het luikje vasthielden, lichtte de plank +er uit, en kroop er zelf in. Bijna was hem dit mislukt, +omdat de opening wat nauw voor hem was, maar met +eenig wringen gelukte het hem toch. Toen hij zoover +gevorderd was, legde hij met zijne beide handen de +plank weer op hare plaats, zoodat niets verried, welk +een kostbaren inhoud de kaar thans bevatte.</p> + +<p>»Zie zoo,» mompelde Bob, terwijl hij het zich zoo +gemakkelijk mogelijk zocht te maken in zijne kleine +gevangenis. »Zie zoo, — laat ze nu maar zoeken. Dit is<span class="pagenum"><a name="Page_65" id="Page_65">[65]</a></span> +nog veel mooier plaatsje dan zoo even tusschen de brandnetels. +Daar zat ik ook wel prachtig, maar kon me niet +bewegen, zonder me aan alle kanten te prikken, en hier +lig ik zoo heerlijk als een koningskind. Wie zal me hier +zoeken? En wat een leuke kijkgaatjes heb ik hier rondom +me. De vischjes hebben het nog zoo kwaad niet, als ze +zich hier bevinden. ’t Is alleen maar jammer, dat het einde +voor hen een wreede dood is. — O jé, als de schoenmaker +eens wist dat ik hier in zijne kaar zat, — wat zou dan +wel mijn einde zijn? De dood niet, — natuurlijk, maar — enfin, +’t doet er niet toe, want hij weet er niets van, +en bovendien, zoodra ik hem hoor naderen, ga ik er van +door! Als een windhond, hoor! Wat zal Cor Valk loopen +zoeken! Maar vinden, ho maar, geen sprake van! Al +zocht hij een heelen dag!»</p> + +<p>Zoo lag ons Bobje te denken en te mijmeren en van +pret wreef hij zich de handen. Maar als hij geweten +had, dat de Veer op dat oogenblik heel voorzichtig, ja +zelfs onhoorbaar naar buiten sloop en voetje voor voetje +zich naar den waterkant begaf, — wat zou hij vlug uit +zijn schuilhoek te voorschijn gesprongen en op de vlucht +geslagen zijn! O, hadden wij het maar gemerkt, welk +gevaar hem dreigde, dan zouden wij hem wel gewaarschuwd +hebben, — maar wij wisten er niets van, want +wij zaten rustig in onze schuilhoeken verborgen en dachten +aan geen schoenmaker.</p> + +<p>Op zijne teenen sloop de beleedigde man nader, met een +spotlachje op de lippen. Nu had hij den kant van de beek +bereikt. Bob hoorde hem niet; hij dacht aan geen gevaar.<span class="pagenum"><a name="Page_66" id="Page_66">[66]</a></span></p> + +<p>Nu liet de Veer zich vlug naar beneden glijden, en +vóór Bob, die hem nu wel hooren moest, gelegenheid +had kunnen vinden om op te rijzen, sprong hij met zijne +beide knieën op het luik en draaide de wervels over.</p> + +<p>»Ha, ha, jou aartsrakker!» riep hij zijn gevangene +toe. »Nu ben je gesnapt. Nu zal ik jou eens pannekoeken +met stroop laten eten, deugniet, met stroop versta je, +stroop, veel meer stroop, dan je oplust! Wat denk jij +wel, straatbengel, dat jij maar alles moogt doen?....»</p> + +<p>»Neen, de Veer, ik dacht.....»</p> + +<p>»Denken? Jij denken? Jij behoeft niet te denken, dat +zal ik nu wel voor je doen.....»</p> + +<p>»O, de Veer, ik verzoek u, laat mij asjeblieft gaan....»</p> + +<p>»Zeker, mijn jongen, zal ik je laten gaan! Wacht maar +een oogenblik, dan zal ik de kaar aan den paal vastbinden, +anders drijf je misschien te ver weg, en daarna zal +ik je laten gaan, hoor, dat beloof ik je.»</p> + +<p>»Ach de Veer, asjeblieft, ik zal het nooit weer +doen......»</p> + +<p>»Dat is ook niet noodig, jongen, ìk zal het nu wel doen.»</p> + +<p>»O toe, laat me er asjeblieft uit, de Veer, heusch, ik +heb er spijt van en ik zal de schade wel betalen.....»</p> + +<p>»Eerst zal ik jou betalen, mijn beste jongen; denk je, +dat ik den gek met me laat steken? ’t Is juist Zaterdagavond, +Bob, een bad zal je opfrisschen. Ha-ha-ha! +Mooier kon je al niet in de fuik geloopen zijn; ’t is +bepaald grappig, ’t is vermakelijk!»</p> + +<p>»Voor mij niet, de Veer, toe, laat me voor dezen keer +vrij, asjeblieft!»<span class="pagenum"><a name="Page_67" id="Page_67">[67]</a></span></p> + +<p>»Een oogenblik geduld, Bob, dadelijk ga-je, hoor! Zie zoo, +nu nog een lus, en dan zijn we klaar.»</p> + +<p>Bob, die nu begon te merken, dat zijn cipier onvermurwbaar +was, ging uit alle macht tegen de wanden +van zijne gevangenis trappen, in de flauwe hoop, dat het +hem gelukken zou nog te ontsnappen. O, o, wat had hij +er op dat oogenblik een spijt van, dat hij Mietje maar +niet ongemoeid haars weegs had laten gaan, doch zijn +berouw kwam nu, evenals altoos, te laat. En zijne pogingen +om de wanden los te trappen, waren vruchteloos. De +kaar zat stevig in elkander.</p> + +<p>»Klaar, Bob! Ha-ha, daar ga-je, hoor! Een, twee, drie, +hoepla!»</p> + +<p>Maar dat hoepla kwam te vroeg, want hoeveel +moeite de schoenmaker ook deed, Bob was te zwaar +om maar zoo luchtig in het water geworpen te kunnen +worden.</p> + +<p>»Ho, dat gaat niet, ik zal je moeten kantelen, Bob! +Houd je goed vast, hoor, mijn jongen, anders doe ik je +pijn en dat zou me spijten! Ha-ha-ha, hoe bespottelijk +dom van je, om in dit ding te kruipen! Dat vergeet ik +mijn leven lang niet!»</p> + +<p>»Ik ook niet, de Veer!» zei Bob op zijn deemoedigsten +toon. »Och toe, laat me er asjeblieft uit. Ik beloof je, +dat ik het nooit weer zal doen.»</p> + +<p>»Wat zul-je niet weer doen, Bob? Nooit weer in deze +kaar kruipen?»</p> + +<p>»Dat ook niet, — och toe, ik....»</p> + +<p>O hé, daar ging de kaar aan de eene zijde omhoog.<span class="pagenum"><a name="Page_68" id="Page_68">[68]</a></span> +De schoenmaker zette haar op de korte zijde, bij ongeluk +juist op den kant, waar Bobs hoofd lag, zoodat hij nu +een verbazend ongemakkelijke houding kreeg, namelijk +met de beenen omhoog.</p> + +<p>Bob had zich tot nog toe zeer goed gehouden, maar +nu werd het hem toch te erg. Door de luchtgaatjes, die +weldra watergaatjes zouden worden, zag hij, dat de kaar +vlak aan den kant stond.</p> + +<p>Plotseling verhief hij zijne stem met zooveel kracht, +dat wij hem allen te gelijk om hulp hoorden roepen.</p> + +<p>»Help! — Help! — Moord! — Moord!» gilde hij.</p> + +<p>»En brand!» voegde de schoenmaker er bij. »Wacht +maar, mijn jongen, wij zullen den brand wel blusschen. +Een, twee — hoepla!»</p> + +<p>Flap! Daar sloeg de kaar om en ging te water.</p> + +<p>Och, och, wat lachte die schoenmaker.</p> + +<p>Wij stonden allen op den oever, op een eerbiedigen +afstand, want hoewel wij geen kwaad hadden gedaan, +durfden wij toch niet bij den vertoornden man te komen. +Deze zag er echter niet bijzonder boos uit, want hij deed +niet anders dan lachen, — lachen zonder ophouden.</p> + +<p>»Help! — Ik — verdrink! — Help — O — o! Help!» +Bob kroop ongetwijfeld vrij raar in zijn vaartuig rond, +want het dobberde wild op en neer. Soms ging het aan +den eenen kant geheel onder water, en dan hoorden wij +van Bob niets meer, maar dan volgde er weder een geweldig +dobberen, zoodat de golven tot aan de overzijde +van de beek gingen, en dan hoorden wij hem weer om +hulp roepen.<span class="pagenum"><a name="Page_69" id="Page_69">[69]</a></span></p> + +<p>»O, — help toch! Genade! Help! Ik verdrink! Ik +stik! Brrr! Brrr! Ik.... brrr!</p> + +<p>Nu kwam ook de vrouw van den schoenmaker naar +buiten, om te zien, wat er toch aan de hand was. Ook +de buren verlieten hunne huizen, zoodat er weldra een +groote oploop ontstond.</p> + +<p>Maar toen zij vernamen, hoe Bob daar in die kaar alle +pogingen deed, om zich boven water te houden, ging er +een onbedaarlijk gelach op en scheen niemand medelijden +met hem te hebben, dan alleen vrouw de Veer. Eerst +lachte zij ook, maar spoedig ging zij naar haar man, en +begon de kaar op het droge te trekken.</p> + +<p>»Toe, Jaap, nu is ’t genoeg, laat er den jongen nu uit. +Hij heeft nu straf genoeg gehad.»</p> + +<p>»Help! Brrr! Brrr! O, ik verdrink! Brrr!» klonk het +uit de kaar.</p> + +<p>»Zoo’n grooten visch heb je er nog nooit in gehad!» +riep een van de omstanders lachend den schoenmaker toe.</p> + +<p>»Neen, daar heb je gelijk aan! Ha-ha-ha-ha! Wat +vermakelijk! Kijk dat ding eens dobberen! Ha-ha-ha!»</p> + +<p>»’t Bevalt hem er niet!» riep een ander.</p> + +<p>»Brrr! Help toch, menschen, help! Brrr! Brrr!»</p> + +<p>»Toe man, haal er den jongen nu uit! ’t Is nu mooi +genoeg, toe!»</p> + +<p>»Nu, vooruit dan maar!» zei de schoenmaker, die het +nu ook tijd begon te vinden, om er een einde aan te +maken. Nog altijd schuddende van het lachen trok hij +de kaar op het droge. Wij zagen, hoe het water door +de gaatjes in alle richtingen wegvloeide.<span class="pagenum"><a name="Page_70" id="Page_70">[70]</a></span></p> + +<p>Vrouw de Veer deed de wervels los — en daar wipte +Bob er uit, onder luid gejuich van de omstanders. Het +water droop hem uit de kleeren. Schuw keek hij een +oogenblik om zich heen, en toen glitste hij door het volk +heen, — naar zijn huis toe.</p> + +<p>Wat hadden de menschen een pret, en wat schaamde +Bob zich. Hij moest ongetwijfeld geweldig veel angst +hebben uitgestaan, want gewoonlijk was hij niet zoo heel +gauw bang of zenuwachtig. Maar nu lazen wij den angst +op zijn gelaat.</p> + +<p>Dat wij hem naliepen, spreekt van zelf. Maar hij wilde +ons niet ontmoeten. Hij snelde regelrecht naar zijn huis, +waarin hij door de keukendeur verdween. Wat daar +nog met hem voorgevallen is, hebben wij nooit vernomen.</p> + +<p>Daar het al laat begon te worden, begaven ook wij ons +naar huis. Toen ik ’s avonds op bed nog eens aan het +voorgevallene dacht, schoot ik onwillekeurig nog in den +lach om het zotte figuur, dat de dappere Bob gemaakt +had. Toch moest ik toegeven, dat hij loon naar werken +had gehad.</p> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_71" id="Page_71">[71]</a></span></p> + +<p class="str"> </p> + +<h2>Vijfde Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Waarin verteld wordt van een Zondag, die veel stof tot<br /> +spreken en voor de Van der Vliets ook veel stof<br /> +tot treurigheid gaf.</p> + + +<p>De Zondag, die nu volgde, was voor de familie Van +der Vliet een dag van groote droefheid en voor het geheele +dorp een van groote ontsteltenis. Eerst scheen het +voor de genoemde familie een geluksdag te zullen worden, +want reeds vroeg in den morgen deden zij eene gelukkige +vondst, maar al spoedig veranderde de blijdschap in groote +treurigheid.</p> + +<p>Doch laat ik u geregeld vertellen, wat er gebeurde.</p> + +<p>’t Zal ongeveer half zes in den morgen geweest zijn, toen +Trijn, de vrouw van Kees van der Vliet, ontwaakte. Nu +verliep er bij haar tusschen ontwaken en opstaan nooit meer +dan een enkel oogenblik, want zij was ijverig van aard, en +hield er niet van, Zondags nog minder dan in de week, om +laat met haar werk gereed te zijn. Integendeel, hare lijfspreuk<span class="pagenum"><a name="Page_72" id="Page_72">[72]</a></span> +was steeds: »Hoe eerder gegaan, hoe eerder gedaan,» +en die spreuk bracht zij zooveel mogelijk in toepassing. +Zoo ook nu op dezen Zondagmorgen. Zij stapte haar bed +uit, wiesch en kleedde zich, en begon daarna met ijver aan +hare gewone huiselijke bezigheden. Eerst werd de tafel +opgeknapt en waschte zij de kopjes, en daarna nam zij +stoffer en blik en begon den vloer aan te vegen. Kees +en de kinderen lagen nog in bed. Wie beschrijft +echter hare verbazing, toen zij bij de deur drie goudstukken +zag liggen, die daar blijkbaar onderdoor waren +geschoven. Eerst wist zij niet, of zij hare oogen wel kon +gelooven, of zij wakker was of droomde, en zonder eene +hand uit te steken om ze op te rapen, staarde zij met +groote oogen op den schat, die zoo onverwachts haar +deel geworden was. Want drie gouden tientjes vertegenwoordigden +voor de arme ziel een kapitaal, waarvoor +zij den diepsten eerbied koesterde. Zij was zoo gewoon +hare inkomsten slechts bij stuivers en centen te ontvangen, +dat dertig gulden voor haar een schat vertegenwoordigde, +waarmede zij bijna zoo rijk werd als een koning.</p> + +<p>Wel een paar minuten bleef zij zoo onbeweeglijk op +hare knieën voor het geld zitten, zonder het aan te +raken, maar toen begon zij langzamerhand tot kalmte +te komen. Zij raapte de geldstukken op en riep:</p> + +<p>»Kees! — Kees! —»</p> + +<p>Een dof gebrom uit de bedstede was het eenige antwoord.</p> + +<p>»Kees! — Kees dan toch!» herhaalde zij met verheffing +van stem. »Kees! Word dan toch wakker! Kijk<span class="pagenum"><a name="Page_73" id="Page_73">[73]</a></span> +eens, wat ik hier gevonden heb. — Een schat, Kees, drie +gouden tientjes!»</p> + +<p>»Hé? — Wat?» vroeg Kees, die bij het hooren van +die woorden geheel wakker werd en zijn geslaapmutst +hoofd tusschen de bedgordijnen doorstak. »Gevonden? +Drie gouden tientjes? Maar dat is onmogelijk, Trijn, dat +kan niet.»</p> + +<p>»Kan dat niet? Kijk dan maar eens hier, op mijne +hand, daar liggen ze. Drie echte, gouden tientjes, wat +ik je zeg!»</p> + +<p>In een wip was Kees nu zijn bed uit. Haastig trok +hij zijne kousen en wat kleeren aan, en zeide:</p> + +<p>»Waarlijk! Dat zijn drie gouden tientjes! Geef eens +hier, Trijn, laat eens hooren, of ze echt zijn. Er is tegenwoordig +zooveel bedrog in de wereld, dat je haast niet +te voorzichtig kunt wezen. Geef ze eens hier.»</p> + +<p>Trijn gaf ze aan haar man en deze liet ze van eene +tamelijke hoogte op de tafel neervallen, waar ze met +zulk een helderen metaalklank op neerrinkelden, dat +Jan van het ongewone geluid wakker werd. Dat ook hij +niet weinig verbaasd was, behoeft niet te worden gezegd.</p> + +<p>In geuren en kleuren vertelde Trijn, hoe zij aan het +werk was gegaan, precies zooals ze altoos gewoon was te +doen, eerst de kopjes, toen de tafel, en daarna den vloer +eene beurt gevende, tot zij plotseling het geld voor de +deur vond liggen, blijkbaar door de hand van een weldoener, +die onbekend wenschte te blijven, daar onderdoor +geschoven.</p> + +<p>»Ja vrouw, dat mag-je zeggen: een weldoener, wien<span class="pagenum"><a name="Page_74" id="Page_74">[74]</a></span> +wij niet dankbaar genoeg kunnen zijn. O, als ik wist wie +hij was, ik ging dadelijk naar hem toe, om hem te +bedanken voor zulk eene milde gift, die ons tot allerlei +dingen in staat stelt, waarover wij vroeger wel eens +mochten denken, maar waartoe wij nooit konden komen, +omdat wij te arm waren. Nu gaan wij een winkeltje +beginnen, Trijn.»</p> + +<p>»Een winkeltje? Dunkt je dat, Kees?»</p> + +<p>»Ja, een winkeltje, zeg ik. O, Trijn, wat heerlijk. Nu +kan ik toch ook wat gaan verdienen, als jij uit werken +bent, want er moet toch iemand zijn, die op den winkel +past. Ik kan je niet zeggen, hoe het mij altoos tegen de +borst heeft gestuit, dat jij eigenlijk den kost voor ons +allen moest verdienen, Trijn, en dat ik altoos maar werkeloos +moest blijven toezien, hoe jij je aftobde. Maar daar +komt nu een einde aan. Voortaan zal ook ik geregeld +mijn werk hebben, en als Jan van school gaat, dan kan +hij gaan venten. Van zelf komen de klanten niet naar +je toe, we moeten ze geregeld bezoeken. O Trijn, nu +zullen voor ons de goede dagen eindelijk ook gaan komen.»</p> + +<p>Trijn antwoordde niet. Zij stond in gedachten verzonken. +Eindelijk zeide ze:</p> + +<p>»Ja Kees, dat is alles goed en wel, en ’t is een mooi +idée van je, maar zie je, ik kan me maar niet begrijpen, +wie het toch kan zijn, die ons zulk een groot cadeau +geeft. Als er maar niet iets slechts achter schuilt. Nu ik +er goed over ga nadenken, is het me precies, of we dat +geld eigenlijk niet moesten aannemen. Ik ben er niet +geheel en al gerust over.»<span class="pagenum"><a name="Page_75" id="Page_75">[75]</a></span></p> + +<p>»Niet gerust? — Niet aannemen?» vroeg Kees vol +verwondering. »En waarom zouden wij het niet aannemen? +’t Is ons toch gegeven en we hebben het niet gestolen!»</p> + +<p>»Ja, dat is waar.»</p> + +<p>»En toen er den vorigen winter op een avond aan de +deur geklopt werd, en wij bij het opendoen niets vonden +dan eene mand vol levensmiddelen, die daar was neergezet, +hebben wij toen een oogenblik getwijfeld, of wij +dat wel zouden aannemen? Ik weet nog best, hoe blij je +toen waart, Trijn.»</p> + +<p>»Geen wonder! We hadden ook geen kruimel meer in +huis. En die mand werd ons thuisbezorgd.»</p> + +<p>»Juist, — ’t ging er precies mede als met dit geld. +Een of ander weldadig mensch heeft het in alle stilte +onder de deur doorgeschoven, wel wetende, dat wij het +van morgen zouden vinden. Wie weet, of het niet van +denzelfden gever komt, als die mand met levensmiddelen.»</p> + +<p>»Ja moeder,» zeide Jan, »of als dat lekkers, dat ons +op St. Nicolaasavond door een onbekende werd thuisgezonden.»</p> + +<p>»Jelui hebt gelijk,» zeide Trijn hoofdschuddend. »Toch +zou ik er voor zijn, er in elk geval den burgemeester +kennis van te geven. ’t Is zoo’n groote som.»</p> + +<p>»Voor òns is het eene groote som, dat is waar, maar +wie weet, welk eene kleinigheid het voor den gever is, +wie weet, over hoe grooten rijkdom hij te beschikken +heeft. Neen, Trijn, ik ben er juist voor, om er tegen +niemand van te spreken, en — —.»</p> + +<p>»Dus geheim houden?»<span class="pagenum"><a name="Page_76" id="Page_76">[76]</a></span></p> + +<p>»Juist, als niemand het weet, kan niemand het er ons +lastig over maken. ’t Is eene eerlijke zaak, waar niemand +mede noodig heeft. Wij huren een huisje dat geschikt +is, om er een winkeltje in op te zetten, en slaan voor +dit geld onzen noodigen voorraad in. Je zult zien, Trijn, +hoe aan onze armoede nu een einde komt.»</p> + +<p>»Nu, ’t is mij goed, — hoewel ik er toch eigenlijk in +mijn hart geen vrede meê heb. Wie zou ons dat geld +nu toch geschonken hebben? Ik kan het mij maar niet +begrijpen! Dertig gulden! ’t Is toch waarlijk geen kleinigheid, +om die zoo maar weg te geven.»</p> + +<p>»Ja vrouw, ’t is een raadsel, waarvan wij de oplossing +niet weten. ’t Zal echter wel eenmaal uitkomen, wie zoo +goed voor ons geweest is, daar twijfel ik niet aan.»</p> + +<p>»Wist ik het maar, Kees, dan zou ik mij veel rustiger +gevoelen. ’t Is me nu precies, of er met dit geld iets is, +dat niet richtig is.»</p> + +<p>»Gekheid! Dwaasheid, Trijn. Omdat het zulk een rijk +cadeau is, maakt ge je zenuwachtig en angstig, doch +geloof maar gerust, dat het voor ons bedoeld is. Hoe zou +het hier anders in huis komen?»</p> + +<p>»Ja, ja, — dat is waar; ik kan er niets tegen +inbrengen.»</p> + +<p>»Dus we zullen er tegen niemand over spreken? Jan, +jij houdt je ook stil, hoor!»</p> + +<p>»Ja, vader.»</p> + +<p>»Niemand behoeft er zijn neus in te steken, zeg ik +maar; en ’t is niet noodig, dat het heele dorp er zich +mede bemoeit. De menschen babbelen altijd zooveel,<span class="pagenum"><a name="Page_77" id="Page_77">[77]</a></span> +veel meer, dan ze verantwoorden kunnen, — en dat is +nu niet noodig. Wat niet weet, deert ook niet.»</p> + +<p>Met dit laatste stopwoord maakte Kees van der Vliet +een einde aan de zaak. Het geld werd opgeborgen in +een klein doosje, dat in de linnenkast werd gezet, en +moeder Trijn ging met hare bezigheden voort. Dat de +rijke vondst evenwel geen oogenblik uit hare gedachten +was, en dat zij er onophoudelijk met haren man over +sprak, behoeft niet te worden gezegd. En wat al plannen +voor de toekomst werden er gesmeed, wat al luchtkasteelen +gebouwd!</p> + +<p>Helaas, op hoe droevige wijze zouden al die illusien +worden verstoord, en hoe zou de vreugde dezer arme +lieden weldra verkeeren in droefheid. Hadden zij maar +dadelijk van hunne vondst kennis gegeven aan den +burgemeester, zooals Trijn dat had gewild, wat zouden +zij dan voor veel ellende gespaard zijn gebleven, die nu +hun deel werd.</p> + +<p>Want er was dien nacht in het dorp diefstal gepleegd. +’s Morgens om elf uur, toen de kerk uit was, ging het +gerucht daarvan als een loopend vuurtje door het dorp +rond.</p> + +<p>’t Zal ongeveer half tien in den morgen geweest zijn, +toen de Heer Valk, de directeur van het post- en +telegraafkantoor, zijne woonkamer verliet, om zich naar +het kantoor te begeven. Eerst ging hij nog een oogenblik +in den tuin, om wat frissche lucht te happen, zooals hij +dat noemde, hetgeen hij bij goed weêr elken morgen +gewoon was te doen. Na eenige oogenblikken rondwandelens<span class="pagenum"><a name="Page_78" id="Page_78">[78]</a></span> +echter werd zijne aandacht getrokken door het +zijraam van het kantoor, dat half openstond, iets wat op +dezen tijd van den dag nooit het geval was. Er was nog +niemand op het kantoor aanwezig, dus òf hij moest het +den vorigen dag vergeten hebben te sluiten, òf er had +zich iemand toegang tot het kantoor verschaft, door het +raam open te schuiven. Indien deze laatste veronderstelling +juist was, moest er gestolen zijn.</p> + +<p>De Heer Valk spoedde zich dus naar binnen en vroeg +in het voorbijloopen aan Geertje, de meid:</p> + +<p>»Ben je van morgen al in het kantoor geweest?»</p> + +<p>»Neen, mijnheer.»</p> + +<p>»Weet je het zeker?»</p> + +<p>»Ja mijnheer, zoo zeker als twee maal twee vier is.»</p> + +<p>Daarna opende hij de deur van de woonkamer, en +vroeg aan zijne vrouw:</p> + +<p>»Lize, ben jij al op ’t kantoor geweest van morgen?»</p> + +<p>»Neen, waarom vraag je dat?»</p> + +<p>»Omdat het zijraam opengeschoven is. Jij dan, misschien, +Cor?»</p> + +<p>»Neen pa, ik ook niet.»</p> + +<p>»Dan is de zaak niet in orde!» riep de Heer Valk, +terwijl hij zich met groote schreden verwijderde. Zijne +vrouw en Cor volgden hem op den voet.</p> + +<p>Hij ontsloot de kantoordeur, waarvan hij den sleutel +altoos bij zich droeg, en genadige hemel, — ja, een +enkele blik was voldoende om hem te overtuigen, dat +zijn vermoeden juist was geweest. Er moest een dief +geweest zijn. Het raam was opengeschoven, de sloten<span class="pagenum"><a name="Page_79" id="Page_79">[79]</a></span> +van zijn bureau waren geforceerd en een ijzeren geldkistje, +dat daarin geborgen was geweest, was met geweld +opengebroken. Het geld daaruit was verdwenen!</p> + +<p>Half verbrande lucifers lagen over den vloer verspreid, +en uit enkele vetdruppels kon men opmaken, dat de dief +zich van een eindje vetkaars had bediend.</p> + +<p>»Wel verschrikkelijk!» riep mevrouw Valk uit. »Wie +kan dat nu toch gedaan hebben? Hoeveel geld is er +gestolen, Eduard? Toch niet veel, hoop ik?»</p> + +<p>»’k Weet het niet, maar ik zal het even nazien,» antwoordde +de directeur, die doodsbleek zag, binnensmonds. +»Wie had dàt nu ooit kunnen denken! Zoo’n brutale +dief. Wacht, hier is het boek. Laat zien: honderd, tien, +twintig, dertig, en dertig is zestig en veertig — ’t is +precies twee honderd gulden. Ja juist, nu herinner ik +het mij: ’t is twee honderd gulden, waarvan tien gouden +tientjes, een bankje van zestig en een van veertig.»</p> + +<p>»Kijk pa, de postzegelkast is ook opengebroken.»</p> + +<p>»Waarlijk, — dat ook nog! Dat moest er nog bijkomen! +Zie eens aan, er is geen zegeltje overgebleven. Ook nog +eene schade van een vijftig gulden ongeveer. Dat +is een fraaie geschiedenis!»</p> + +<p>»’t Is verregaand brutaal!» zei mevrouw, terwijl zij de +handen van verbazing in elkaar sloeg. »Ik zou dadelijk +om den burgemeester sturen, lieve. Er moet direct werk +van deze zaak gemaakt worden.»</p> + +<p>»Dat is waar, — je hebt gelijk. Toe, Cor, ga dadelijk +naar den burgemeester en verzoek hem hier te komen. +Maar spreek tegen niemand een woord, van hetgeen hier<span class="pagenum"><a name="Page_80" id="Page_80">[80]</a></span> +voorgevallen is, begrepen?»</p> + +<p>»Ja, pa!»</p> + +<p>»En vlug, — als de wind, hoor!»</p> + +<p>»Ja, pa!»</p> + +<p>Cor vloog naar den burgemeester, en dat deze niet weinig +ophoorde van hetgeen hij vernam, kan ieder begrijpen +als ik vertel, dat er al sedert vele jaren iets dergelijks +in ons dorp niet was voorgevallen.</p> + +<p>Hij begaf zich onmiddellijk met Cor naar het postkantoor, +waar de directeur en zijne vrouw nog, doodsbleek +van ontsteltenis, bezig waren, alle laden en kasten +na te zien. Het bleek hun, dat alles van waarde verdwenen +was, terwijl daarentegen de waardelooze papieren wel +doorgesnuffeld maar verder ongeschonden gebleven waren.</p> + +<p>Dadelijk begon de burgemeester, geholpen door den +directeur, een nauwkeurig onderzoek in te stellen naar +hetgeen er gebeurd was, wat hij alles uitvoerig opschreef. +Toen hij daarmede gereed was, vroeg hij:</p> + +<p>»En zeg mij nu eens, mijnheer Valk, wien verdenkt +gij nu eigenlijk van dezen diefstal? Of hebt gij tegen +niemand eenig kwaad vermoeden?»</p> + +<p>»Neen, burgemeester, tegen niemand. Ik zou werkelijk +niet weten, wien ik noemen moest. Een klerk heb ik niet, +en onze dienstbode is de eerlijkheid in eigen persoon. Zij +kan het niet gedaan hebben. Trouwens, u kunt u daarvan +persoonlijk overtuigen door haar te ondervragen. Zij is +op dit oogenblik nog geheel onbekend met hetgeen er +gebeurd is. Hoor, zij zingt in de keuken als een lijster.»</p> + +<p>»Dat hebben er meer gedaan, die bij slot van rekening<span class="pagenum"><a name="Page_81" id="Page_81">[81]</a></span> +toch schuldig bleken te zijn. Vergun mij, dat ik haar een +oogenblik ga spreken.»</p> + +<p>De burgemeester verliet het kantoor en begaf zich +regelrecht naar de keuken, waar Geertje bezig was met +koffie malen. Zij zong daarbij het hoogste lied.</p> + +<p>Maar zoodra de burgemeester binnenstapte, op wiens +komst zij allerminst voorbereid was, hield zij dadelijk +met zingen op, en stamelde met een verlegen lachje:</p> + +<p>»Gut, mijnheer de burgemeester, komt u in de keuken? +Mijnheer en mevrouw zijn in de kamer, geloof ik, dus +als u ze spreken wil....»</p> + +<p>»Neen, meisje, ’t is mij om u te doen!» sprak de +burgemeester op gestrengen toon, terwijl hij haar diep +in de oogen keek. Maar Geertje keek hem zoo onbevangen +aan, dat hij dadelijk overtuigd was van hare onschuld.</p> + +<p>»Om mij?» vroeg zij: »Wat is er van uw dienst, +burgemeester?»</p> + +<p>»Waar ben jij van nacht geweest, meisje?»</p> + +<p>»Van nacht?» vroeg Geertje lachend, want zij scheen +die vraag zeer grappig te vinden. En op vroolijken toon +liet zij er op volgen: »Wel, op bed, burgemeester! +Waarom vraagt u dat aan me?»</p> + +<p>»Omdat er dezen nacht hier in het kantoor ingebroken +en gestolen is, Geertje!» zei de burgemeester.</p> + +<p>»Ingebroken! — Gestolen!» riep Geertje doodsbleek +uit. »Wel, verschrikkelijk!»</p> + +<p>En zonder een oogenblik langer om den burgemeester +te denken, verliet zij de keuken en ijlde naar het kantoor, +waar zij, louter van ontsteltenis, luid begon te schreien.<span class="pagenum"><a name="Page_82" id="Page_82">[82]</a></span> +Het kostte mevrouw zelfs niet weinig moeite, haar tot +bedaren te brengen.</p> + +<p>De burgemeester twijfelde nu geen oogenblik langer +aan hare onschuld. Na enkele minuten verzocht hij haar +zich weer naar de keuken te begeven, en zeide, toen zij +vertrokken was:</p> + +<p>»Zij is beslist onschuldig.»</p> + +<p>»Zooals wij u reeds vooruit gezegd hebben,» viel +mevrouw in. »Neen, wij moeten den dief ergens anders +zoeken.»</p> + +<p>»Dat merkt u terecht op, mevrouw; wij moeten hem +ergens elders zoeken. Heeft u gisteren misschien andere +menschen in uw dienst gehad?»</p> + +<p>»Gisteren? — Neen, — o ja, toch, kreupelen Kees en +zijne vrouw; hij heeft den tuin opgeknapt, en zij werkt +hier geregeld elken Zaterdag. Maar dat zijn ook doodeerlijke +lieden, die tot diefstal, en dan nog wel gepaard +met inbraak, allerminst in staat zijn.»</p> + +<p>De burgemeester was dat blijkbaar niet geheel met +haar eens, want hij zeide:</p> + +<p>»Zoo, — Kees van der Vliet en zijne vrouw. Ja, dat +zijn wel eerlijke lieden, maar toch — iemand moet het +gedaan hebben, niet waar? Wanneer wij den dief willen +snappen, schijnt het mij noodzakelijk toe, van niemand +te denken, dat hij eerlijk is. Die menschen hebben immers +geen gelegenheid gehad, zich hier gisteravond te laten +insluiten?»</p> + +<p>»O neen,» zei mijnheer Valk op beslisten toon, »daar +is geen sprake van. Zij zijn geen van beiden in het<span class="pagenum"><a name="Page_83" id="Page_83">[83]</a></span> +kantoor geweest en ik heb het zelf gesloten. Bovendien +schijnt het mij bespottelijk toe, die menschen van diefstal +te verdenken.»</p> + +<p>»Dat heeft u geheel en al mis, mijnheer Valk. In +politiezaken is eene dergelijke gedachte in het geheel +niet bespottelijk. Kan de brievenbesteller zich wellicht +hebben laten insluiten? Of is er misschien iemand anders +nog laat in het kantoor geweest?»</p> + +<p>»De postlooper komt hier nooit binnen, dan in heel +enkele gevallen. Gisteren is hij niet verder geweest dan +de deur. En bezoek heb ik niet gehad dan alleen van +Arie de Zwaan, den neef van den koster, die hier alle +avonden komt vragen, hoe laat het is. Zooals u weet, +houdt de koster de kerkklok steeds gelijk met den tijd +van het kantoor.»</p> + +<p>»Zoo, — ja, juist, dat weet ik. Nu, wat dien Arie de +Zwaan betreft, hem zou ik voor eene daad als deze niet +te goed houden, — en u?»</p> + +<p>»Ik ook niet, burgemeester. ’t Is, geloof ik, een jongmensch, +dat nergens te goed voor is. En nu ik mij goed +bedenk, herinner ik mij, dat hij nog een poosje bij mij +binnen is geweest, en dat wij een kwartiertje met elkaar +hebben staan praten over koetjes en kalfjes. Het zal +ongeveer acht uren geweest zijn, toen hij vertrok.»</p> + +<p>»Kan u mij nog meer inlichtingen geven?» vroeg de +burgemeester. »U moet wel bedenken, dat van de kleinste +kleinigheid soms het vinden van den dief kan afhangen.»</p> + +<p>»Ik heb u verder niets te zeggen.»</p> + +<p>»Dan is mijn werk hier afgeloopen. Ik geloof, dat het<span class="pagenum"><a name="Page_84" id="Page_84">[84]</a></span> +mijn plicht is, eerst een onderzoek in te stellen bij Kees +van der Vliet en daarna bij Arie de Zwaan. En het zou +mij niet verwonderen, als ik den dief vandaag nog snapte. +Mevrouw, uw dienaar! Adieu, mijnheer Valk!»</p> + +<p>Met eene buiging en een handdruk verliet het hoofd +der gemeente de woning.</p> + +<p>Onmiddellijk daarop was de burgemeester, vergezeld +van Tip, den veldwachter, naar het huisje van Kees van +der Vliet gegaan, die met zijne vrouw aan de tafel zat. +Zij dronken koffie, en waren bezig plannen te maken +over hetgeen zij zouden doen met de gevonden goudstukken. +Ook Jan was thuis, en Zus speelde op den grond. +Zoodra Trijn de beide mannen zag naderen, werd zij zoo +wit als een doek en begon zij te beven over al hare leden. +Van den diefstal hadden zij nog niets vernomen.</p> + +<p>»Daar is de burgemeester met den veldwachter,» zeide +ze tot Kees. »O God, — daar heb je ’t al. Hadden wij +het toch dadelijk maar gezegd!»</p> + +<p>»Waarom? — Wij hebben het toch niet gestolen!» zei +Kees binnensmonds. Maar toch verbleekte ook hij.</p> + +<p>Op dit oogenblik werd de deur geopend en traden de +beide mannen binnen.</p> + +<p>»Goeden morgen!» klonk hun groet kortaf.</p> + +<p>Kees stond eerbiedig op en nam zijne pet af, die hij +ook in huis steeds ophad.</p> + +<p>»Goeden morgen, mijnheer de Burgemeester! Goeden +morgen, Tip!»</p> + +<p>Hij schoof twee stoelen bij de tafel, en vervolgde:</p> + +<p>»Wil u niet gaan zitten?»<span class="pagenum"><a name="Page_85" id="Page_85">[85]</a></span></p> + +<p>De burgemeester scheen die uitnoodiging niet eens te +hooren. Hij bleef midden in de kamer staan en nam met +scherpen blik het geheele vertrek in oogenschouw. Nu +was daar niet veel in te zien, want behalve eene tafel, +enkele oude stoelen, eene groote staartklok en twee +bedsteden was er niets dan een eenvoudig geverfd linnenkastje, +dat Trijn indertijd gekocht had, toen zij als dienstmeisje +een klein spaarpotje had gemaakt. Op dat kastje +bleef eindelijk ’s burgemeesters blik rusten, en het met +den vinger aanwijzende, zeide hij tot den veldwachter:</p> + +<p>»Tip, haal dat kastje eens leeg, en bekijk alles goed. +Leg den inhoud hier uitgespreid op den grond.»</p> + +<p>Tip begon reeds het bevel uit te voeren, toen Trijn +een stap vooruit kwam, en zeide:</p> + +<p>»Maar mijnheer de Burgemeester, dat lijkt wel huiszoeking. +U denkt toch niet, dat we gestolen hebben, — dat +we dieven zijn?»</p> + +<p>»Wij zijn eerlijke menschen, mijnheer de Burgemeester,» +voegde Kees er bij, terwijl hij zich bij de linnenkast +plaatste, alsof hij Tip beletten wilde, het ontvangen bevel +uit te voeren.</p> + +<p>»Wij zijn eerlijke menschen, mijnheer, die nog nooit +iemand een cent te kort hebben gedaan.»</p> + +<p>»En daarom durven wij gerust iedereen in de oogen +zien, want wij hebben ons voor niets of niemand te +schamen,» zei weêr Trijn, terwijl haar de tranen in de +oogen kwamen.</p> + +<p>»En nu deze schande te moeten ondervinden. Wat +zullen de menschen wel zeggen, als zij het hooren?<span class="pagenum"><a name="Page_86" id="Page_86">[86]</a></span> +Wie had nu ooit kunnen denken, dat ik dìt nog eens +beleven zou!»</p> + +<p>»Doe wat ik je gezegd heb, Tip,» gebood de burgemeester. +»En gij, goede menschen,» — vervolgde hij tot +Kees en diens vrouw, »ik raad u aan, kalm en bedaard +te blijven. Ik geloof inderdaad, dat gij eerlijke menschen +zijt, en ben overtuigd, dat gij u voor niemand behoeft +te schamen. ’t Is dan ook slechts toeval, dat ik juist +bij u huiszoeking kom doen. Doch daarin steekt volstrekt +geen schande. Integendeel, wanneer ik straks van hier +ga, zonder te hebben gevonden wat ik zoek, is dat het +duidelijkste bewijs, dat gij onschuldig zijt!»</p> + +<p>»Maar wat is er dan toch gebeurd?» vroeg Trijn. »Want +ik voel me in het geheel niet gerust, burgemeester. Nu +u eenmaal hier is en dit onderzoek instelt, wil ik het u, — neen, +kàn en ’màg ik het u niet langer verzwijgen, +wat er van morgen hier gebeurd is.»</p> + +<p>»Hier iets gebeurd?» vroeg de burgemeester. En tot +Tip zeide hij:</p> + +<p>»Niets dan kleeren; leg ze hier maar op den grond, +en zoek bedaard verder. — En wàt is hier dan wel +gebeurd, vrouw Van der Vliet?»</p> + +<p>»Wel burgemeester, toen ik van morgen den vloer +aanveegde, vond ik dààr onder de deur doorgeschoven, +niet minder dan drie gouden tientjes, — hier, op deze +zelfde plek, burgemeester, zoo waar als ik ’t u zeg.»</p> + +<p>»Wat? — Hé, wat zegt u? — Drie gouden tientjes? +En hebt ge die daar gevonden, op den vloer? Dat is +al heel toevallig, moet ik zeggen.»<span class="pagenum"><a name="Page_87" id="Page_87">[87]</a></span></p> + +<p>»Ja, mijnheer de Burgemeester,» zei Kees, »ik lag nog +rustig te slapen, ziet u, omdat het Zondagmorgen was, +want dan slaap ik altoos wat langer dan in de week, +toen Trijn me wakker schreeuwde en me drie gouden +tientjes liet zien, die ze daar gevonden had.»</p> + +<p>»’t Is wel opmerkelijk, Trijn!» zei de burgemeester +met een ongeloovig gezicht, daar het geheele verhaal +hem wat onwaarschijnlijk klonk. »Er is dezen nacht +inbraak gepleegd, gevolgd door diefstal, Trijn. Vind-je +het nu zelf niet wat heel vreemd, dat hier drie gouden +tientjes onder de deur doorgeschoven worden?»</p> + +<p>»’t Is wèl kaseweel,» zei Kees hoofdschuddend. »Wonder +kaseweel<a name="FNanchor_1" id="FNanchor_1"></a><a href="#Footnote_1" class="fnanchor">[1]</a>. Dat moet ik zeggen.»</p> + +<p>Doch Trijn begon te schreien. Zij was vrij wat schranderder +dan haar echtvriend, en doorzag veel beter dan +hij de treurige gevolgen, die deze zaak voor hen kon +hebben.</p> + +<p>»Zoek goed, hoor Tip. Me dunkt, dat we hier meer +zullen vinden, dan we ons voorgesteld hebben.»</p> + +<p>»Hier vind ik een klein doosje, burgemeester, weggestopt +achter een stapeltje kleêren. Wil u het openen?»</p> + +<p>»Geef maar hier.»</p> + +<p>De burgemeester ontdeed het van het deksel, en ontwaarde +de drie goudstukken, die Trijn daar enkele uren +geleden ingelegd had.</p> + +<p>»Ha, ha! Het raadsel begint opgelost te worden,» zei +hij, terwijl hij Trijn scherp onderzoekend aankeek. »Dat +had ik niet van u gedacht, vrouw van der Vliet; ik heb<span class="pagenum"><a name="Page_88" id="Page_88">[88]</a></span> +u altoos voor eene door en door eerlijke vrouw gehouden, +niet in staat tot iets, dat slecht was. En moet ik nu +bij u gestolen geld vinden? Kom, arme ziel, want ik +heb medelijden met u, maak de zaak niet erger dan zij +al is, en zeg mij de volle waarheid. Wie weet, wat ik +dan wellicht nog voor u doen kan. Gij hebt het geld +weggenomen, niet waar? Spreek de waarheid, vrouw, en +bezwaar uw geweten niet door nog te liegen.»</p> + +<p>Trijn barstte in zenuwachtig snikken uit, zoo hevig, +dat het haar het spreken belette. Doch toen zij zichzelve +meester geworden was, riep ze uit, terwijl ze hare rechterhand +ophief, als om den hemel tot getuige te roepen:</p> + +<p>»Zoo waarachtig als er een Heer in den Hemel is, ik +ben onschuldig, mijnheer de burgemeester!»</p> + +<p>Bij het hooren van die plechtige woorden barstte ook +Jan in tranen uit, en toen Zus moeder en broeder zag +schreien, verhief ook zij hare stem. ’t Was een treurig +tooneel.</p> + +<p>De burgemeester haalde de schouders op en gaf den +veldwachter een wenk, met zijn onderzoek voort te gaan, +wat deze dan ook deed.</p> + +<p>Vrouw Van der Vliet viel op een stoel neder, bij de +tafel, en bedekte haar gelaat met haar boezelaar.</p> + +<p>»Ik ben onschuldig!» riep zij door hare tranen heen. +»Ik ben onschuldig, zoo onschuldig als dit kleine kind! +Maar u gelooft me niet, u luistert niet eens naar me. O, +had ik het u toch dezen morgen maar dadelijk gezegd!»</p> + +<p>Zij nam kleine Zus op haar schoot, en kuste haar.</p> + +<p>»Arm, onschuldig kind, arme lieveling!» schreide ze.<span class="pagenum"><a name="Page_89" id="Page_89">[89]</a></span> +»Nu zullen ze je moeder nog van je weghalen en in de +gevangenis zetten, — en wie zal er dan voor jou zorgen...»</p> + +<p>»’t Zàl niet gebeuren! Moeder, ik zal.....»</p> + +<p>Zoo riep Jan schreiend uit, terwijl hij zich met gebalde +vuisten naast zijne moeder plaatste, als om haar te +verdedigen.</p> + +<p>»Stil, kind, stil! Wij kunnen er niets tegen doen. O, +burgemeester, zoek toch maar niet langer, want gij zult +niets meer vinden, dat bezweer ik u, dan de enkele +stuivers, die Kees en ik gisteren bij mijnheer Valk hebben +verdiend. Waarachtig, mijnheer, ’t is de waarheid — ik +lieg u niets voor, niets —»</p> + +<p>De kast was nu doorzocht, en de veldwachter begon +nu de beide bedsteden te inspecteeren; daarna kwam +de provisiekast aan de beurt, die al bijzonder weinig +bevatte, en toen werd zelfs de groote klok doorzocht, +maar tevergeefs; het overige geld werd niet gevonden.</p> + +<p>De burgemeester deed nog eenmaal eene poging, om +Trijn tot bekentenis te brengen, doch zij volhardde bij +hetgeen zij gezegd had. Het geld had zij gevonden op +den vloer van hare kamer, vlak bij de deur, en hare +eenige fout was, dat zij er niet dadelijk kennis van +gegeven had. O, had zij het maar gedaan.</p> + +<p>Ook Kees werd scherp ondervraagd, doch hij kon niets +anders zeggen, dan hetgeen zijne vrouw had verklaard. +Zelfs Jan werd onder handen genomen, doch met hetzelfde +gevolg. De burgemeester maakte van zijne bevindingen +proces-verbaal op, en ging heen, het arme gezin in de +grootste verslagenheid achterlatende.<span class="pagenum"><a name="Page_90" id="Page_90">[90]</a></span></p> + +<p>Nu werd eene huiszoeking gedaan ten huize van den +koster, den oom van Arie de Zwaan. Doch hoe zorgvuldig +het geheele huis ook werd doorzocht, er werd +niets verdachts gevonden. Arie leidde den burgemeester +zelf overal rond en eigenhandig opende hij alle laden +en kasten, om het onderzoek gemakkelijker te maken, +waarbij voortdurend een eigenaardig lachje zijn gelaat +ontsierde, hetgeen den burgemeester niet ontging en hem +onaangenaam stemde.</p> + +<p>»Wat een schurkengezicht heeft hij toch!» dacht hij +bij zichzelven, maar hij wachtte zich wel, die gedachte +onder woorden te brengen.</p> + +<p>Onder het naar huis gaan, zeide de veldwachter tot +zijn meester:</p> + +<p>»Op het uiterlijk afgaande zou ik den dader eerder +hier zoeken, dan bij Van der Vliet, burgemeester.»</p> + +<p>»Ja, ik ook — maar Tip, schijn bedriegt, zooals je weet.»</p> + +<p>»Juist burgemeester, — zou dat ook nu niet het +geval zijn?»</p> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1" id="Footnote_1"></a><a href="#FNanchor_1"><span class="label">[1]</span></a> Casueel, bedoelde Kees.</p></div> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_91" id="Page_91">[91]</a></span></p> + +<p class="str"> </p> + +<h2>Zesde Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Wat er alzoo op een regenachtigen Zondagmiddag gebeurde.<br /> +Hoe Bob in een Woesten Gier veranderde, voor Pieter<br /> +een kuil groef en er ten slotte zelf in viel.</p> + + +<p>Het verhaal van hetgeen ik u in het vorige hoofdstuk +verteld heb, ging, zooals ik zeide, als een loopend vuurtje +door het dorp rond. Pa vertelde het ons in geuren en +kleuren toen hij uit de kerk kwam, en hij wist het uit +eene goede bron, want hij was den burgemeester tegengekomen, +en deze had het hem verteld.</p> + +<p>Wat was er toen op ons dorp veel stof tot spreken, en +wat hadden sommige menschen verbazend veel te zeggen +van de Van der Vliets, wier naam plotseling op aller tong +zweefde. Sommigen beweerden zelfs, dat zij ze nooit hadden +vertrouwd, dat zij altoos wel gedacht hadden, dat het slecht +met hen zou afloopen en dat zij ze voortaan zelfs voor +geen halven cent vertrouwen zouden schenken. ’t Was +eene echte dievenfamilie, waarin geen greintje goeds stak.<span class="pagenum"><a name="Page_92" id="Page_92">[92]</a></span></p> + +<p>Toen ik dat thuis vertelde, keek pa me vrij boos aan +en zeide op gestrengen toon:</p> + +<p>»Jij denkt toch zeker zoo niet, Dorus? Wees toch, +wat ik je bidden mag, nooit voorbarig in je oordeel. +’t Kan nog best uitkomen, dat die menschen even +onschuldig zijn als jij of ik. Maar de wereld oordeelt +altoos verbazend oppervlakkig en onbarmhartig. ’t Is +eene schande!»</p> + +<p>Nu, dat vond ik ook, maar wààr is het toch, dat maar +weinig menschen spraken zooals pa. Iedereen, dien ik er +over hoorde, zeide: »’t Is toch maar slecht volk, die Kees +en zijne vrouw, en ’t is maar goed, als ze achter slot en +grendel worden gezet. Zulk volk is gevaarlijk!»</p> + +<p>Zij bleven den geheelen dag binnenshuis, zelfs Jan, die +anders altoos bij zijne kameraden was, kwam niet buiten. +Wat moeten die menschen zich hebben geschaamd, vooral +toen ’s middags zich veel meer wandelaars op hun achterweg +vertoonden dan in gewone omstandigheden. Blijkbaar +wilde iedereen eens zien, hoe zij zich wel hielden, maar +niemand had er pleizier van, want de gordijntjes waren +dichtgeschoven en er was dientengevolge niemand te zien.</p> + +<p>Ik had innig veel medelijden met hen, en Karel Holm, +met wien ik ’s middags wandelde, evenzoo. Het ergerde +ons te zien, hoe de menschen allen juist voorbij het +huisje van gebrekkigen Kees gingen wandelen, en wij +waren er blij om, toen het ’s middags vrij erg begon te +regenen, zoodat iedereen huiswaarts moest keeren. Na +eenig weifelens besloten Karel en ik Bob een bezoek te +gaan brengen, dien wij nog niet gezien hadden na zijn<span class="pagenum"><a name="Page_93" id="Page_93">[93]</a></span> +onvrijwillig bad in de vischkaar. Als wij daarover spraken, +moesten wij telkens nog lachen, dat het schaterde.</p> + +<p>Bob schaamde zich zeker, want gewoonlijk was hij in +huis niet te houden. En nu was hij in geen velden of +wegen te zien. Wij besloten hem eens geducht te plagen.</p> + +<p>Nauwelijks hadden wij aangebeld, of Bob deed ons +zelf open.</p> + +<p>»Dag Dorus! Dag Karel! Kom binnen. Zeg jongens, +wat zit ik akelig opgescheept met een neef van me, die +gisteravond onverwachts met zijne Moe bij ons is komen +logeeren. Bah, ’t is zoo’n vervelende jongen. Hij ziet er +uit als een zeemlap en hij zit op zijn stoel, of hij een +stok heeft doorgeslikt. Ga-je meê, dan zal ik je hem +eens laten zien. Maar niet lachen, hoor!»</p> + +<p>Nu, die raad had een verkeerd gevolg, want nu +moesten wij juist lachen, toen wij binnen kwamen. Maar +wij wisten ons te bedwingen. Wij gaven mijnheer en +mevrouw de Wild de hand en bogen zoo deftig als wij +konden voor Bobs tante, die wij mevrouw Van Koorde +hoorden noemen. Daarna gaven wij ook neef eene hand, +die door Bob aan ons werd voorgesteld als Piet van Koorde.</p> + +<p>»Met uw verlof, lieve neef,» klonk het afgemeten uit +den mond der tante, »mijn zoon heet Pieter, en geen +Piet. Ik verzoek u wel, zijn naam voluit te noemen. +Ik houd niet van dergelijke afkortingen.»</p> + +<p>»Juist, tante, dat meende ik ook te zeggen: Pieter +van Koorde. Neem me niet kwalijk, als ’t u belieft.»</p> + +<p>Wij keken Bobs tante eens aan, en zagen dat zij eene +buitengewoon statige dame was, die zoo recht als eene<span class="pagenum"><a name="Page_94" id="Page_94">[94]</a></span> +kaars op haar stoel zat. Zij scheen ons bijna te deftig +toe, om zich te bewegen. En haar zoontje, die evenals +zij lang, bleek en mager was, geleek in alle opzichten op +zijne deftige moeder.</p> + +<p>»Rechtop zitten, Pieter! Hoe dikwijls heb ik u dat +al niet gezegd!» zeide mevrouw van Koorde, met een +gestrengen blik op haar zoon.</p> + +<p>»Ja, Mama!» klonk het antwoord, en Pieter rekte zich +nog langer uit, dan hij al deed.</p> + +<p>Bob keek ons van ter zijde aan en knipoogde tegen +ons met een leuk gezicht, zoodat wij ons lachen bijna +niet konden houden.</p> + +<p>Mijnheer de Wild merkte dat gelukkig op en kwam +ons te hulp.</p> + +<p>»Wel jongens,» vroeg hij ons lachend, »heb jelui gisterenavond +ook in de vischkaar van den schoenmaker gezeten, +evenals Bob?»</p> + +<p>Wij lachten nu eens ferm uit, en Karel zeide:</p> + +<p>»Neen, mijnheer, — dank u! Dat laten we aan Bob +over.»</p> + +<p>Plotseling klonk het uit den mond der tante:</p> + +<p>»Maar broeder Marinus, hoe kunt ge nu toch uw zoon +bij zulk een vreeselijken naam laten noemen? Hij heet +toch immers geen Bob, — wat ik afschuwelijk vind, maar +Robert.»</p> + +<p>»Ja Tante,» zei Bob, »ik heet Robert Adrianus de Wild, +maar de jongens noemen mij altijd Wilden Bob. Vind +u dat zoo’n leelijken naam?»</p> + +<p>»Rechtop zitten, Pieter! — Wilden Bob! O, verschrikkelijk!<span class="pagenum"><a name="Page_95" id="Page_95">[95]</a></span> +’k Wou niet graag, dat mijn jongen zoo genoemd +werd. Bob is al erg genoeg, maar Wilde Bob! ’t Is +afschuwelijk, — ik zou het niet dulden, broeder Marinus!»</p> + +<p>»Wat zal ik er van zeggen?» zei mijnheer de Wild met +een licht schouderophalen. »De jongens noemen hem +nu eenmaal zoo, en ik kan er weinig aan veranderen.»</p> + +<p>»Zeg Bobbertje!» viel Karel Holm in. »Hoe beviel +het je gisteren in die vischkaar?»</p> + +<p>Mevrouw van Koorde sloeg hare oogen van ontzetting +ten hemel.</p> + +<p>»Bobbertje!» mompelde zij, »Bobbertje! ’t Wordt waarlijk +nog erger! Mijne ooren doen er pijn van. Zit toch +rechtop, Pieter, en houd den mond gesloten, zooals het +behoort.»</p> + +<p>»Ja, Mama!» zei Pieter, die onbeweeglijk op zijn stoel zat, +met het hoofd in volslagen rust boven zijn staand boortje.</p> + +<p>»En wat praat ge toch van eene vischkaar?» vroeg +tante aan mevrouw de Wild, die met een glimlachje naar +het gesprek zat te luisteren.</p> + +<p>»Och, Bob — Robert wil ik zeggen, — is gisteren bij +het verstoppertje spelen in eene vischkaar gekropen, die +aan den kant van het water lag, en toen is de schoenmaker +gekomen en heeft hem in het water geworpen.»</p> + +<p>»Dat is eene beleediging van dien man, lieve,» hernam +Tante met verontwaardiging. »Ik zou dien man aanklagen +bij het gerecht. Hoe durft zoo’n schepsel zoo iets doen? +Hoewel ik moet zeggen, dat het van Robert ook eene vrij +zonderlinge keuze was, om in eene vischkaar te kruipen. +Ik zou mijn jongen, als ik hier woonde, zoo maar niet<span class="pagenum"><a name="Page_96" id="Page_96">[96]</a></span> +met Jan en alleman op de straat laten spelen. Niet waar, +Pieter, jij houdt niet van dergelijke spelletjes?»</p> + +<p>»Neen, Mama!»</p> + +<p>»En jij gaat liever met mij wandelen, niet waar?»</p> + +<p>»Veel liever, Mama!»</p> + +<p>Tante keek met een triomfantelijken glimlach om zich +heen. O, zij wist het wel, dat haar Pieter een door en +door fatsoenlijke jongen was.</p> + +<p>»Ja, lieve,» vervolgde zij tot hare schoonzuster, »dat +is nu zijn liefste werk. En dan moest u eens zien, hoe +lief hem zijn glacé-handschoentjes staan en hoe zwierig hij +met zijn wandelstokje zwaait. Toe Pieter, haal je rottinkje +eens uit de porte-manteau en laat hem eens zien.»</p> + +<p>»Ja, Mama!»</p> + +<p>Pieter stond op en kwam weldra met zijn rotting terug, +die nu natuurlijk van hand tot hand ging, en door iedereen +bewonderd werd, wat van zelf spreekt.</p> + +<p>»Hij zwiept lekker!» zei Bob, die hem zoo krom mogelijk +maakte en toen plotseling aan den eenen kant losliet, +wat het gevolg had, dat het losse eindje met kracht +tegen het linkerbeen van Pieter terecht kwam. ’t Deed +hem zeker nog al pijn, want hij sprong wel een halven +meter in de hoogte, en riep:</p> + +<p>»Au! Au!»</p> + +<p>»Excuseer! Excuseer!» riep Bob, quasi ontsteld uit, +want de deugniet had het met voordacht gedaan. »Dat +spijt me, neef Pieter. Doet het erg pijn?»</p> + +<p>»Au! Au!» zei Pieter nog eens, terwijl hij het pijnlijke +deel zonder ophouden wreef.<span class="pagenum"><a name="Page_97" id="Page_97">[97]</a></span></p> + +<p>»Ga zitten, Pieter!» zeide mevrouw van Koorde. »Neef +Robert kon het niet helpen, zegt hij immers.»</p> + +<p>Bij die woorden keek zij neef Robert echter in het geheel +niet vriendelijk aan.</p> + +<p>»Het zwiept veel erger, dan ik dacht,» zei Bob.</p> + +<p>»Het zweept, moet je zeggen, lieve neef!» zei Tante. +»Zwiepen is geen woord; dat zeggen koetsiers.»</p> + +<p>Mijnheer de Wild vond het tijd een einde aan het gesprek +te maken. Misschien was hij wel bang, dat Bob nog +meer dergelijke grappen zou uithalen. Hij zeide daarom:</p> + +<p>»’t Blijft maar regenen, jongens. Dat is jammer voor +jelui, want nu heb je huisarrest.»</p> + +<p>»Wat ik zeer goed acht, lieve broeder,» zei Tante op +haar deftigsten toon. »Ik zou niet graag zien, dat mijn +Pieter hier ook met Jan en alleman ging spelen en misschien +eindelijk ook nog in eene vischkaar kroop. ’k Heb +liever, dat hij binnen blijft.»</p> + +<p>»Juist, dat bedoel ik ook. Zou jelui niet naar de speelkamer +gaan? Daar heb je allerlei speelgoed en een tal +van boeken tot je dienst.»</p> + +<p>»Ja jongens, ga je meê?» vroeg Bob opstaande.</p> + +<p>Karel en ik volgden zijn voorbeeld, maar Pieter bleef +zitten. Blijkbaar wist hij niet, of zijne Mama het wel +goedvond, of misschien wel ontbrak hem de lust.</p> + +<p>»Ga jij niet meê?» vroeg mijnheer de Wild, toen hij +zag, dat hij bleef zitten.</p> + +<p>»Je moogt medegaan, Pieter,» zeide zijne Mama met +een genadig knikje.</p> + +<p>»Jawel, Mama!»<span class="pagenum"><a name="Page_98" id="Page_98">[98]</a></span></p> + +<p>Pieter stond op en volgde ons de trap op, naar Bobs +kamer, waar Karel, Bob en ik weldra als drie gekken +over den vloer lagen te rollen, daarbij schuddende van +het lachen.</p> + +<p>Pieter stond ons in de grootste verbazing aan te staren.</p> + +<p>»Waarom lach-jelui zoo?» vroeg hij min of meer beleedigd.</p> + +<p>»Om je mooie boordje!» grinnikte Karel.</p> + +<p>»En om je prachtigen wandelstok!» lachte Bob.</p> + +<p>»Omdat je er zoo aardig uitziet!» zei ik.</p> + +<p>»Jelui bent niet wijzer!» zei Pieter. »In de stad zijn +wij natuurlijk anders gekleed, dan hier op dit dorpje, en +dat ook onze manieren fijner zijn, dan hier, spreekt van +zelf. Je moest eerder huilen dan lachen.»</p> + +<p>»Kan jij boksen?» vroeg Bob, die plotseling voor zijn +neef kwam staan, en hem met zijne beide vuisten op +zijne borst ging stompen.</p> + +<p>»Au! Neen, — boksen — au — kan ik niet. Au! — Au!»</p> + +<p>»Dan zal ik het je leeren! Toe jô, stomp terug, of +jij krijgt alles alleen. Zóó moet je doen!»</p> + +<p>»Au! — Au!» riep Pieter, die niet wist, waar hij zich +bergen zou. »Houd-op, Robert, au! Ik doe — au! — jou +immers — au! — ook niets!»</p> + +<p>»Neen, dat doe je juist niet, en dat is dom van je. +Je moet terugboksen, neef, of er blijft niets van je heel, +zelfs je boordje niet!»</p> + +<p>»Houd maar op, Bobbertje,» riep Karel zijn vriend toe. +»Zoo is er toch geen aardigheid aan; hij verroert geen +vin. Wat zullen we eens gaan doen?»</p> + +<p>Bob hield met boksen op.<span class="pagenum"><a name="Page_99" id="Page_99">[99]</a></span></p> + +<p>»Een mooi spelletje?» vroeg hij. »’t Is jammer, dat +het zoo regent, anders konden we in den tuin om het +hardst gaan loopen op onze stelten. Maar nu weet ik +niets. Wat wil jij graag doen, neef Pieter?»</p> + +<p>Bob drukte vooral sterk op de laatste lettergreep.</p> + +<p>»Je houdt me voor den gek, Robert,» zei hij.</p> + +<p>»Zeg jij maar gerust Bob, hoor!» klonk het terug. +»Maar weet jij geen mooi spelletje?»</p> + +<p>»Ik niet; wij spelen nooit.»</p> + +<p>»Zoo, — zeg jongens, ik weet wat. Wacht maar even, +dan zal ik je eens laten zien, wat ik vanmorgen in eene +oude kist op den zolder gevonden heb. ’t Is wat prachtigs!»</p> + +<p>»Wat dan?» vroegen wij.</p> + +<p>»Ja, wacht maar, — dan zal ik het je laten zien. ’t Is +bepaald nog iets uit den jongen tijd van Pa, want tegenwoordig +doet hij er niet meer aan.»</p> + +<p>Bob ging naar de kast, waarin hij al zijne schatten +bewaarde, en kwam weldra te voorschijn met eene prachtige +pijp. Deze bestond uit een mooien kop, die het model +had van een Turk, met een langen baard en een breeden +tulband, en daarin was een lange steel van bamboes +gestoken. ’t Was werkelijk eene bijzonder mooie pijp, die +indertijd stellig veel geld moest gekost hebben. De steel +bestond uit wel vijf deelen, die in elkander geschroefd +konden worden. Ik had nog nooit zoo’n lange pijp gezien.</p> + +<p>»Vind-je haar niet prachtig?» riep hij ons toe, terwijl +hij het mondstuk tusschen de lippen nam en smakte als +een oude smoker.</p> + +<p>»Bijzonder mooi, Bob. Zou die van je Pa geweest zijn?»<span class="pagenum"><a name="Page_100" id="Page_100">[100]</a></span></p> + +<p>»Ik denk het wèl, want Pa rookte vroeger eene pijp. +Tegenwoordig niet meer, omdat hij er niet goed tegen +kan. Zeg, jongens, willen we eens rooken?»</p> + +<p>»Bah, rooken!» zei neef Pieter met een vies gezicht, +waarop de diepste minachting te lezen stond. »Wat zou +Mama wel zeggen, als zij het zag?»</p> + +<p>»Mama ziet het niet!» zei Bob leuk. »En als jij het +niet verklapt, komt niemand het te weten. Je bent toch +geen klikspaan, hoop ik?»</p> + +<p>»Neen, — klikken doe ik niet.»</p> + +<p>»Dat is de eerste deugd, die ik in je opmerk,» zei Bob, +met zijn bekend knipoogje tegen ons. »Willen we het +doen, jongens?»</p> + +<p>»Heb-je tabak?» vroeg ik.</p> + +<p>»Dat zou ik meenen, — een ons fijne tabak, van de +fijnste, die ik krijgen kon. Zie maar eens hier.»</p> + +<p>Bob verdween weer in de kast en kwam met een +zakje tabak terug, hetwelk hij met een trotsch gebaar +omhoog hield.</p> + +<p>»Dat is portorico!» zei Karel. »Zwaardere tabak +bestaat er niet.»</p> + +<p>»Best mogelijk,» zei Bob, »maar ze rookt uitstekend.» +Hij begon nu de pijp te stoppen, wat hem nog ver van +handig afging. Hij had er al zijne aandacht en zijne +beide handen voor noodig, en het duurde wel driemaal +zoo lang als noodig was.</p> + +<p>»Zie zoo,» zei hij, toen hij eindelijk klaar was, »nu gaan +we met ons vieren op den vloer in een kring zitten, en +rooken als Turksche pacha’s. Hier heb ik een doosje lucifers.»<span class="pagenum"><a name="Page_101" id="Page_101">[101]</a></span></p> + +<p>»Maar ik doe niet meê,» zei Pieter. »Rooken is vergif +en staat bovendien in het geheel niet fatsoenlijk.»</p> + +<p>»Dan zullen wij het onfatsoenlijk doen, Pietje!» zei +Bob. »Weet je, wat jij intusschen wel kunt doen?»</p> + +<p>»Nu, wat dan?»</p> + +<p>»Wel, trek je glacé-handschoentjes aan, neem je stokje +in de hand en wandel dan met een heel trotsch gezicht +om ons heen. Dan ben jij de heer en wij stellen de arme +duivels voor, op wie jij dan uit de hoogte neerziet. Dat +kan prachtig worden. Kom Dorus en Karel, het spel gaat +beginnen. Wij nemen een lucifer,» — Bob voegde de +daad bij het woord, — »schrappen hem aan, — en +pmmm, pmmm, pmmm, wat drommel, die tabak wil niet! +Hoe kan dat nu wezen? Vanmorgen ging het zoo best.»</p> + +<p>»Laat mij eens probeeren!» zei Karel.</p> + +<p>Bob gaf hem de pijp.</p> + +<p>Maar Karel, die er veel verstand van had, want als +zijn Pa en zijne Moe het niet zagen, rookte hij wel eens +een cigaretje, — Karel kon het ook niet.</p> + +<p>»De pijp zit verstopt. Je hebt er de tabak veel te vast +ingedrukt,» zei hij.</p> + +<p>»Dan moet ze er weer uit,» zei Bob.</p> + +<p>Hij nam zijn mesje en maakte den kop weer leeg. +Piet, die intusschen wat rondgeloopen en ons met een +schuin oog bespied had, kwam langzamerhand wat +naderbij en nam eindelijk ook in den kring plaats.</p> + +<p>Bob knikte hem goedkeurend toe, stopte de pijp +opnieuw, schrapte nogmaals een lucifer aan, en ha — daar +dwarrelden de rookwolken omhoog.<span class="pagenum"><a name="Page_102" id="Page_102">[102]</a></span></p> + +<p>Wij staarden het bedrijf van onzen vriend Bob met +bewondering aan, hetgeen hij, geloof ik, zelf ook deed.</p> + +<p>»Nu zijn we Indianen, die de vredespijp rooken!» riep +hij ons opgetogen toe, want hij was in het gelukkige +bezit van eene sterke verbeeldingskracht.</p> + +<p>»Ooah!» riep hij uit. »Wat wil mijn bleeke broeder?»</p> + +<p>Bij die woorden keek hij neef Piet met groote oogen +aan en blies hem dichte rookwolken in het gelaat, zoodat +de bleeke broeder begon te hoesten en te proesten van +belang. Nu was de gegeven naam op Piet volkomen +van toepassing, want hij had eene verbazend bleeke +gelaatskleur, iets wat van Karel of mij niet gezegd kon +worden. Wij hadden kleuren als boeien!</p> + +<p>Piet antwoordde niet op Bobs vraag, wat tengevolge +had, dat hem eene tweede groote rookwolk werd toegeblazen +en het Indianen-opperhoofd hem nogmaal toevoegde:</p> + +<p>»Ooah! Waarom zwijgt mijn bleeke broeder? Wat +wenscht hij? Mijn bleeke broeder spreke!»</p> + +<p>»Kuche — kuche — kuche — niets — ik — kuche +ik wensch niemendal! — Hè, je doet me bijna stikken!» +riep Piet, terwijl hij met zijne beide handen den rook +van zich afweerde.</p> + +<p>Karel en ik gierden het uit van de pret. Doch Bob +bleef onverstoorbaar doorrooken.</p> + +<p>»Ooah!» zeide hij, »mijn bleeke broeder is verstandig; +hij is geen klapachtige vrouw, die zijne geheimen verraadt. +Mijn broeder is een groot opperhoofd en een wijs man. Pffff!»</p> + +<p>Bij dit pfff blies hij den armen Piet weer zulk eene<span class="pagenum"><a name="Page_103" id="Page_103">[103]</a></span> +geduchte rookwolk toe, dat bijna niets meer van hem +te zien was. Daarna reikte hij hem de pijp toe en zeide +op plechtigen toon:</p> + +<p>»Dat mijn broeder de pijp des vredes rooke!»</p> + +<p>»Wat? — Ik rooken?» riep Piet verschrikt uit, maar +toch keek hij de pijp met begeerige blikken aan. »O, neen, +dat doe ik niet — dat heb ik nog nooit gedaan!»</p> + +<p>»Verlangt mijn broeder den strijd?» riep Bob met +woedende blikken uit, terwijl hij de vuisten balde en ze +zijn neef vlak onder den neus hield.</p> + +<p>»Strijd? O neen, — geen strijd!» zei Piet, die nog aan +de bokskunst van Bob dacht.</p> + +<p>»De Woeste Gier is een groot opperhoofd!» zei Bob, +op zichzelven wijzende. »Hij heeft vele scalpen en de +jonge krijgslieden zingen zijn lof. Hij wenscht met zijn +bleeken broeder de vredespijp te rooken.»</p> + +<p>Nogmaals hield hij Piet de pijp voor. Deze greep hem +aan en — rookte, tot groot vermaak van ons alle drie, +want wij begrepen heel goed, wat Bob in zijn schild +voerde. En al hadden wij het niet begrepen, dan zou +zijn geheimzinnig knipoogen het ons wel verraden hebben.</p> + +<p>Het scheen Piet, nu hij eenmaal aan den gang was, +uitstekend te bevallen, want hij dampte, dat het een +lust was, om te zien. Hij werd nu zelfs grappig, want +hij blies Bob groote rookwolken in het gelaat en zeide:</p> + +<p>»Het bleeke opperhoofd groet zijn broeder den Woesten +Gier, wiens dapperheid over de geheele wereld bekend is. +Het bleeke opperhoofd biedt hem zijn vriendschap aan.»</p> + +<p>Nu, dat viel ons mede van Piet. Wij hadden niet<span class="pagenum"><a name="Page_104" id="Page_104">[104]</a></span> +gedacht, dat hij zoo goed mede kon doen. Wij knikten +hem daarom goedkeurend toe, wat hem blijkbaar niet +onwelgevallig was, althans, hij begon nog veel sterker +te dampen, zoodat de kamer wel een rookhol geleek, +en vervolgde:</p> + +<p>»Wanneer keert mijn roode broeder naar zijne wigwam +weder?»</p> + +<p>En plotseling uit zijn rol vallende, zeide hij:</p> + +<p>»Zeg Bob, dat rooken valt me bijzonder meê. ’t Gaat +heel gemakkelijk, en ’t smaakt goed. Volstrekt niet erg +bitter, zooals ik altijd dacht.»</p> + +<p>»Zoo, is ’t waar? En wanneer wordt het onze beurt?» +vroeg Karel. »Of ben je van plan, de heele pijp leeg te +rooken?»</p> + +<p>»Ik heb tabak genoeg, Karel,» zei Bob. »Als de pijp +leeg is, stoppen we haar weer, en dan kan-je zooveel +rooken als je wilt.»</p> + +<p>En plotseling zijne knieën optrekkende en het hoofd +daarop doende rusten, vervolgde hij weer als Indianen-opperhoofd:</p> + +<p>»Als de zon driemaal in de zee zal zijn neergedaald, +zal de Woeste Gier terugkeeren naar zijn wigwam; dan +zullen de jonge krijgers hunne oorlogsliederen zingen.»</p> + +<p>»Gaat mijn broeder ten strijde?» vroeg Piet, steeds +voortdampende.</p> + +<p>»De bleeke mannen hebben onze jachtvelden betreden +en hebben mijne roode kinderen gedood!» zei Bob somber.</p> + +<p>»O, dat zij vreezen voor onze wraak! De roode mannen +zijn dapper. Zij vreezen den dood niet.»<span class="pagenum"><a name="Page_105" id="Page_105">[105]</a></span></p> + +<p>»Zeg Bob,» zei Piet opeens, en zijne oogen stonden ver +van vroolijk. »Ik geloof nooit, dat dit beste tabak is. Er +komt zulk een vreemde smaak aan.»</p> + +<p>»Malligheid! De tabak is wel goed, maar de rooker +deugt niet. Je kunt er niet tegen, neefje, denk ik.»</p> + +<p>»Of ik!» zei Piet, die weer dapper begon te trekken, +en nogmaals ons allen de rookwolken in het gelaat blies. +Maar spoedig hield hij er mede op.</p> + +<p>»Ah bah!» zeide hij, terwijl hij de pijp met alle teekenen +van afkeer neerwierp. »Wat smaakt dat leelijk!»</p> + +<p>»En eerst vond je het zoo lekker?» zei Karel lachend.</p> + +<p>»Eerst, — o ja, maar ’t wordt hoe langer hoe leelijker. +Bah, wat word ik akelig.»</p> + +<p>Piet stond op en begon onrustig door de kamer te +loopen. Hij was nu in den volsten zin van het woord +een bleekgezicht, want hij had geen kleur meer op zijn +gelaat. En wat stonden zijne oogen flets!</p> + +<p>Voortdurend hoorden wij hem diepe zuchten slaken. +Blijkbaar werd hij meer en meer onpasselijk. Nu moet +ik eerlijk zeggen, dat wij niet veel medelijden met hem +hadden, en dat wij hem geducht voor den gek hielden.</p> + +<p>»Wat doet mijn bleeke broeder vreemd!» zei Bob +plagend. »Zoekt mijn bleeke broeder iets?»</p> + +<p>»Hij zoekt eene pijp!» zei Karel. »Hij wenscht de +vredespijp te rooken.»</p> + +<p>»Loop rond!» zei Piet nijdig, »als jelui voeldet, wat ik +voel, hier — in mijne maag, dan zou je zoo grappig niet +zijn. Ah bah, wat word ik misselijk!»</p> + +<p>»Pas dan op je schoone boordje, Pieter,» was de vriendelijke<span class="pagenum"><a name="Page_106" id="Page_106">[106]</a></span> +raad van Bob, die de pijp opnieuw stopte, en +haar aan Karel en mij gaf, opdat ook wij gelegenheid +zouden hebben, er van te genieten.</p> + +<p>»Trek je handschoenen aan, Pieter, en neem je rotting +in de hand, dan maak je een prachtig figuur,» zei Karel +dampende.</p> + +<p>»O, — wat ben ik ziek,» zuchtte Pieter, die onrustig +de kamer op- en neerliep. »Die ellendige tabak! Ik +wou, dat ik ze nooit gezien had.»</p> + +<p>»’t Smaakt heerlijk!» zei Karel, groote rookwolken uitblazende.</p> + +<p>»Dat schijnt wel,» zei ik. »Wanneer kom ik nu aan +de beurt?»</p> + +<p>»Asjeblieft, hier heb je haar. Je moet flink doortrekken, +Dorus, dan gaat het ’t best.»</p> + +<p>Dien raad volgde ik getrouw op, en Bob en Karel knikten +mij goedkeurend toe.</p> + +<p>»Je doet het best,» zei Bob. »Echt lekker, hè?»</p> + +<p>»Ja, — maar een beetje bitter,» merkte ik op. Eigenlijk +vond ik het afschuwelijk, maar wijl mijne kameraden het +zoo heerlijk vonden, ontbrak mij de moed, om dat te +bekennen. Dus rookte ik dapper voort.</p> + +<p>Toch speet het mij niets, toen Bob zeide:</p> + +<p>»Nu ben ik weer aan de beurt!»</p> + +<p>Ik reikte hem de pijp over, en weldra dampte mijn +vriend als een fabrieksschoorsteen.</p> + +<p>»Wel neef Pieter,» vroeg hij, »hoe gaat het je nu?»</p> + +<p>»Ik ga dood, — ik ben doodziek. O, — ach, — hê — wat +ben ik ellendig.»<span class="pagenum"><a name="Page_107" id="Page_107">[107]</a></span></p> + +<p>»Jongetjes als jij moeten ook niet rooken,» spotte Bob.</p> + +<p>»En wat zit je krom, Pieter. Rechtop zitten, mijn +jongen.»</p> + +<p>Wat hadden wij eene pret om de benauwde gezichten, +die Pieter trok. Wij schaterden soms van ’t lachen.</p> + +<p>»Hier, Karel, jou beurt!» zei Bob opeens, veel spoediger +dan wij dachten. En het scheen mij toe, of hij een klein +weinigje bleek werd.</p> + +<p>»Neen, Bob,» zei Karel, »dat is te vroeg. Ga gerust +je gang nog een poosje.»</p> + +<p>»Pak aan,» zei Bob kortaf. »’t Is eerlijk jou beurt.»</p> + +<p>»O, — ik weet geen raad!» zuchtte Pieter. »Als Mama +nu toch eens hier kwam.»</p> + +<p>»Pak aan, Karel, ’t is jou beurt,» herhaalde Bob, daar +Karel er edelmoedig op bleef aandringen, dat Bob nog +een poosje genieten zou.</p> + +<p>Schoorvoetend nam Karel de pijp aan, en rookte, maar +och, hij trok lang zoo hard niet meer als eenige oogenblikken +geleden, en hij zag er in het geheel niet opgewekt +uit.</p> + +<p>Opeens ging mij een licht op. Bob en Karel hadden, +evenals neef Pieter, te veel gerookt en begonnen er de +gevolgen van te ondervinden.</p> + +<p>»Nu jij weer, Dorus,» zei Karel op zijn gulsten toon, +terwijl hij mij de pijp toereikte, maar och, wat begon hij +bleek te zien.</p> + +<p>»Die zich aan een ander spiegelt, spiegelt zich zacht,» +zegt het spreekwoord,» zei ik leuk. »Als ik mij niet bedrieg, +hebben Karel en Bob een even naar gevoel in hunne<span class="pagenum"><a name="Page_108" id="Page_108">[108]</a></span> +maag als neef Pieter, en daar ik mij nog heel lekker bevind, +zal ik zoo vrij zijn, mijne beurt te laten voorbijgaan. +Ha-ha-ha-, nu wordt de zaak bepaald grappig.»</p> + +<p>»Ook ziek?» vroeg Pieter met een zuur-zoeten glimlach. +»Dat doet me pleizier. Wil jij nu mijne handschoenen +te leen, Bob, dan kan Karel mijn rotting krijgen.»</p> + +<p>»Dank je!» zei Bob. »Bah, wat word ik draaierig.».</p> + +<p>»Ik ook!» zuchtte Karel. »Ik ben — ik voel me erg +onpasselijk. Ik ga naar buiten.»</p> + +<p>»Dan ga ik meê,» zuchtte Bob. »O foei, wat is het +hier benauwd.»</p> + +<p>»Naar buiten? Ik ga ook,» zei Pieter. »Hier weet ik +me geen raad.»</p> + +<p>»Dan zal ik jelui gezelschap houden,» zei ik lachend, +want daar ik minder gerookt had dan de anderen, was +ik vrij wel in orde. En och, wat had ik een pret over Bob, +die zoo mooi een kuil gegraven had voor neef Pieter, en +geëindigd was, met er zelf in te vallen.</p> + +<p>’t Regende nog, dat het goot, dus moesten wij onze +toevlucht nemen tot het priëel, wat wij ook deden. Maar +nauwelijks hadden mijn drie vrienden zich van benauwdheid +op de banken uitgestrekt, waar zij lagen te zuchten +en te stenen, om zelfs een bevroren hart te doen smelten, — o +heden, daar kwam mevrouw van Koorde aan, die eens +kwam zien, wat haar zoontje uitvoerde.</p> + +<p>»Wel Pieter,» klonk het streng uit haar mond, »wat +lig je daar onbehoorlijk op die bank. Ga recht-op zitten, +dadelijk!»</p> + +<p>Pieter gehoorzaamde.<span class="pagenum"><a name="Page_109" id="Page_109">[109]</a></span></p> + +<p>»Maar kind, wat zie je doodsbleek! Scheelt er iets aan?»</p> + +<p>»Ja Mama! — ik ben ziek, och, toch zoo ziek!»</p> + +<p>»En jij ook, Karel, en jij Robert, je ziet allen doodsbleek! +Je hebt toch niets gegeten, dat verkeerd was?»</p> + +<p>»Neen tante, heusch niet! Pfff, wat ben ik benauwd!»</p> + +<p>»Goede hemel! Hier moet iets gebeurd zijn, iets vreeselijks. +De dokter moet komen, dadelijk, vóór het te laat +is. Pieter, mijn lieveling, wordt het iets beter?»</p> + +<p>»Neen Mama, nog niets. ’t Wordt nog veel erger!»</p> + +<p>Mevrouw ijlde naar binnen, maar weldra kwam zij terug, +gevolgd door mevrouw en mijnheer de Wild.</p> + +<p>»Wat is hier aan de hand, Bob?» vroeg de laatste. +»De volle waarheid, hoor jongen, zooals ik dat van je +gewoon ben.»</p> + +<p>»Ja, Bob, spoedig, spreek, eer het te laat is!» zei zijne +Moe, wie ook de angst op het gelaat te lezen stond.</p> + +<p>»Pa, — wij hebben — de vredespijp gerookt,» zei Bob. +»Pfff, wat ben ik ziek.»</p> + +<p>Mijnheer de Wild begon onbedaarlijk te lachen.</p> + +<p>»Gerookt? De vredespijp gerookt? Ha-ha-ha! Dat +is vermakelijk! Je wist toch, dat je niet rooken mocht? +Mooi zoo, ’t kon niet beter. Die pijp, die vredespijp heeft +je mooi te pakken. Dat ding past zelf de straf toe, die +bij het misdrijf behoort. ’t Is niets, vrouw, en beste zuster, +maak je ook maar niet ongerust, ’t zal van zelf wel beter +worden! Ha-ha-ha! ’t Is meer dan grappig!»</p> + +<p>»Foei, Pieter, foei» zei zijne Mama, »hoe kon je je zelven +zoozeer verlagen, om te gaan rooken? Je moest je schamen!»</p> + +<p>»Ja Mama!» zei Pieter met een diepen zucht.<span class="pagenum"><a name="Page_110" id="Page_110">[110]</a></span></p> + +<p>»Kom, kom!» sprak mijnheer de Wild. »Zij hebben +straf genoeg. Heusch, vooreerst zullen zij die vredespijp +wel met vrede laten. Kom, laten we naar binnen gaan.»</p> + +<p>Karel Holm stond ook op.</p> + +<p>»Ik ga naar huis,» zei hij, toen de familie weg was.</p> + +<p>»Adieu! Tot morgen!»</p> + +<p>»En ik — ik ga naar bed!» zei Pieter. »Ik ben doodziek.»</p> + +<p>»En wat doet de Woeste Gier?» vroeg ik plagend aan +Bob.</p> + +<p>»Loop naar de Mookerheide!» duwde Bob mij toe.</p> + +<p>»Dank je, dan ga ik liever naar huis,» was mijn antwoord.</p> + +<p>Zoo gingen wij ieder onzes weegs.</p> + +<p>Maar pret had ik, dat moet ik zeggen.</p> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_111" id="Page_111">[111]</a></span></p> + +<p class="str"> </p> + +<h2>Zevende Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Hoe ons viertal uit zwemmen ging en doornat thuiskwam.<br /> +Een vechtpartijtje en eene vreeselijke spookgeschiedenis.</p> + + +<p>Een paar dagen later liep ik na schooltijd op mijne +stelten door het dorp, toen ik Karel Holm ontmoette, +die ook zijne houten onderdanen bij zich had. Samen +gingen wij Bob afhalen, die, zooals hij dat noemde, nog +altoos met neef Pieter opgescheept zat.</p> + +<p>»Kom je niet spelen?» vroegen we.</p> + +<p>»Spelen, — dat mag Pieter niet; zijne Mama wil het +niet hebben. Maar hij mag wel wandelen.»</p> + +<p>»Nu, laten we dan gaan wandelen,» zei ik.</p> + +<p>»Ja, dat is goed,» merkte Karel op, »maar zeg, Pieter, +dan moet je je rotting thuislaten, hoor. Anders ga ik +niet meê!»</p> + +<p>Dat vond Pieter goed, en daar hij geen stelten had, +besloten wij, de onze ook maar bij Bob te laten en te +voet onze reis door het leven te vervolgen.<span class="pagenum"><a name="Page_112" id="Page_112">[112]</a></span></p> + +<p>Maar dat wandelen begon ons al spoedig te vervelen, +en Karel zeide:</p> + +<p>»Zeg jongens, — ik weet wat. Laten we gaan zwemmen. +’t Is mooi weer, warm zelfs, al is het nog vroeg in het +jaar (we schreven, zooals ik zeide, begin Juni), en een +bad zal ons goed doen.»</p> + +<p>»Best,» zei ik. »Waar gaan we het doen?»</p> + +<p>»Bij de hut, achter in het land,» zei Bob. »Daar gaan +we immers altijd!»</p> + +<p>»Afgesproken!» zei Karel. »Dezen kant op, jongens.»</p> + +<p>»Dat is te zeggen,» zei Pieter, »zwemmen kan ik niet, +en ik weet niet, of Mama het wel hebben wil.»</p> + +<p>»Ga het dan eerst vragen,» raadde Karel aan.</p> + +<p>»Neen, Pieter, niet vragen!» zei Bob. »Ik zou in jou +geval maar niet gaan zwemmen en toeschouwer blijven.»</p> + +<p>»Ja, dat is ook goed,» zei Pieter, die al niet zoo vervelend +meer was als eerst. Hij was bij Bob onder +goede leiding.</p> + +<p>Wij gingen dus naar de ons bekende plaats achter in +het land. Een smal pad voerde daarheen. ’t Was er zeer +eenzaam, want er stond slechts eene enkele hut, die +bewoond werd door een arbeidersgezin, bestaande uit +man, vrouw en drie jongens. ’t Was eene zeer onzindelijke +familie, en de jongens zagen er altoos zóó vuil uit, +dat niemand met hen spelen wilde. Zij kwamen zeer +ongeregeld ter school, soms kwamen zij zelfs wel in geen +maand. Tengevolge daarvan waren zij natuurlijk zeer +achterlijk, wat hunne vorderingen betrof. Op het schoolplein +beleefden zij ook niet veel genoegen, want zij<span class="pagenum"><a name="Page_113" id="Page_113">[113]</a></span> +werden door ons allen voor den gek gehouden en +geplaagd, zoodat er dikwijls vechtpartijen tusschen de +andere jongens en hen ontstonden. Wij leefden altoos +met hen op den voet van oorlog.</p> + +<p>Toen wij nu de hut voorbijliepen zagen wij de jongens +van Visbeen, zoo heetten zij, achter in hun tuin spelen, +en zij zagen ons ook, maar zij lieten ons ongemoeid +voorbijgaan. Trouwens, dat was hun ook geraden, want +wij waren met ons vieren tegen hen met hun drieën. +Zij liepen dus veel kans, het onderspit te moeten delven.</p> + +<p>Een paar minuten verder lag de beek, waar wij in +den zomer gewoon waren ons bad te nemen.</p> + +<p>Karel, Bob en ik begonnen ons te ontkleeden, wat ons +maar een minimum van tijd kostte, en sprongen toen vlug +te water. Diep was het er niet, want het water kwam +ons niet hooger dan de borst, zelfs op de diepste plaats.</p> + +<p>Neef Pieter zat aan den oever naast onze kleêren, en +volgde met belangstelling onze evolutiën in het natte +element. Die waren inderdaad ook wel bezienswaardig. +Wij hoosden elkander met water, dat er geen haartje +van ons droog bleef, of wij sloegen met onze vlakke +handen zoo geweldig op watervlak, dat de droppels hoog +boven onze hoofden spatten. Dan weer deden we krijgertje, +en hadden nooit grooter pret, dan als wij een ander bij +de beenen konden pakken, waarvan het steêvaste gevolg +was, dat hij voor-over kopje-onder gedompeld werd. Soms +sprong Bob op mijn rug en klauterde Karel op dien van +Bob, wat een heel vrachtje was, dat kan ik verzekeren. +Ik was dan »het fundament, waarop het geheele gebouw<span class="pagenum"><a name="Page_114" id="Page_114">[114]</a></span> +rustte,» zei Karel dan, wiens vader architect was. Maar +o jé, als dan het fundament instortte! Dan zonk het +geheele gebouw onder water en kwamen wij alle drie +even later weer hoestende en proestende boven.</p> + +<p>»Wat gaat dat heerlijk!» riep Pieter ons toe, terwijl +hij opstond en zich van zijne kleêren begon te ontdoen. +»Ik kom er ook in; hier verveel ik me, en ’t schijnt me +zóó prettig toe. Jelui komt er toch nog niet uit?»</p> + +<p>»O neen,» zei Bob, terwijl hij met eene behendige +beweging Karels voet greep en hem eene duikeling liet +maken, »nog lang niet, Pieter, kom er maar bij! Er +is nog ruimte genoeg hier, en water ook.»</p> + +<p>Het duurde dan ook maar kort, of Pieter stapte met +zijn rechterbeen in het water, en hij deed het angstvallig +genoeg, om ons te doen zien, dat het voor hem +een zeer ongewoon werk was.</p> + +<p>»Hê,» zei hij, zijn voet weer schielijk terugtrekkende, +»wat is dat koud!»</p> + +<p>»O jô, stap er maar flink in, des te spoediger is dat +voorbij. Wij voelen geene koude meer, nietwaar, jongens?»</p> + +<p>»Geen sprake van!» klonk ons antwoord. »Stap er maar +in, Pietje. Heusch, het zal je meêvallen.»</p> + +<p>»Maar ’t is zoo koud,» zei Piet weifelend.</p> + +<p>»Niet zoo koud, als ongekleed aan den oever te +staan,» zei Bob. »Maar je moet het zelf weten, hoor.»</p> + +<p>Pieter stak opnieuw zijn voet in het water, en toen +eenmaal zijn eene been tot aan de knie verdwenen was, +volgde schoorvoetend zijn andere.</p> + +<p>»Brrr,» zei hij. »Wat is het koud.»<span class="pagenum"><a name="Page_115" id="Page_115">[115]</a></span></p> + +<p>Hij beefde inderdaad over zijn geheele lichaam.</p> + +<p>Karel en Bob besloten aan zijn weifelen een kort +einde te maken. Snel liepen zij op hem toe en grepen +hem, vóór hij de vlucht had kunnen nemen, ieder bij +een arm. Toen werd hij met geweld meêgetrokken.</p> + +<p>»Brrr — hè — hè — hè — brrr!» rilde hij. »Lh-ha-ha-haat +me lho-hos!» zei hij smeekend. »Ik verdrink!»</p> + +<p>»Geen nood, Pieter, we zullen je wel vasthouden,» zei +Bob. En toen zij midden in de beek waren, vervolgde +hij tot Karel, met een geheimzinnig knipoogje:</p> + +<p>»Nu moet hij gedoopt worden, Karel. Eén, twee — drie, +daar gaat Pieter!»</p> + +<p>»O nh — he — heen! Niet onder-dompelen!» smeekte +Piet. Maar dat baatte hem niet. Door vier sterke armen +aangegrepen, dook hij plotseling kopje-onder. En nauwelijks +kwam zijn hoofd als een natte poedel weer boven +water, of daar ging hij voor de tweede maal, nog vóór +hij gelegenheid had gehad, een enkel woord te uiten.</p> + +<p>»Driemaal is scheepsrecht!» riep Bob.</p> + +<p>En daar ging Pietje voor de derde maal.</p> + +<p>»Zie zoo, dat zal hem goed doen,» zei Bob. »Nu ben-je +hier burger geworden, Pietje!»</p> + +<p>»Brrr — pfff — o — wat — nat! Brrr! Pfff!» kermde +Piet, die nu zijne vrijheid terug kreeg en hulpeloos +midden in de beek bleef staan. Hij durfde zich blijkbaar +niet bewegen en gevoelde zich te midden van zooveel +vloeistof in het geheel niet op zijn gemak.</p> + +<p>Dat duurde echter maar kort, want wij ontzagen hem +niet. Pof, daar werden hem door Karel, die ongemerkt<span class="pagenum"><a name="Page_116" id="Page_116">[116]</a></span> +onder water naar hem toegeloopen was, plotseling de +beide beenen onder het lichaam weggetrokken, en verdween +Piet, zonder een kik te geven en volgens mijne vaste +overtuiging zonder het zelf te weten, totaal onder water.</p> + +<p>»Wat was dat? Brrr, pfff! Wat was dat?» vroeg hij +ontsteld. »Er trok me iets aan de beenen!»</p> + +<p>»’k Weet het niet!» zei Karel, die zich al weer een +heel eind verder bevond.</p> + +<p>»Wat kan dat toch geweest.....»</p> + +<p>O hé, daar verdween Piet alweer! Nu had Bob hem +denzelfden dienst bewezen. Och, och, wat moesten wij +toch lachen. Maar nu begon Pietje toch te begrijpen, +dat wij een loopje met hem namen. Hij vroeg niets meer, +maar begon zich langzaam te bewegen. En nu hij +bemerkte, dat hij dit zeer gemakkelijk kon doen, kreeg +hij er zelfs schik in. Nu duurde het nog maar kort, of +hij danste in het water van pleizier.</p> + +<p>»Wat is men licht in het water, zoo licht als een +veêrtje,» zei hij. »’k Vind het hier heerlijk.»</p> + +<p>»Krijgertje doen?» vroeg ik.</p> + +<p>»Ja wel, ik ben hem!» zei Bob.</p> + +<p>Nu werd het een loopen, draven en zwemmen, van +wat ben je me! De golven liepen hoog tegen den wal +op, zooveel drukte maakten we. En in het vuur van ons +spel verwijderden we ons veel verder van onze kleeren, +dan voorzichtig genoemd mocht worden. Trouwens, +we dachten aan geen gevaar en allerminst aan de Visbeentjes, +met wie wij toch steeds op een vijandigen voet +stonden.<span class="pagenum"><a name="Page_117" id="Page_117">[117]</a></span></p> + +<p>Wij dachten pas aan hen, toen wij hen aan den oever +zagen verschijnen, — maar toen was het laat.</p> + +<p>»Gooi in het water — die kleeren!» hoorden wij een +van hen zeggen.</p> + +<p>»Durf je niet?» vroeg een ander. »Ik wèl!»</p> + +<p>»En dan graszoden er bovenop, dan zinken ze!» zei +de derde met een grijnslach. »Maar vlug dan, want ze +komen al terug!»</p> + +<p>Ja, dat deden we juist, en wel zoo snel als we konden, +want we begrepen zeer goed, welk gevaar ons dreigde. +Die jongens waren tot alles in staat.</p> + +<p>Bob meende ze nog angst aan te jagen, door hen te +bedreigen met alles, wat onpleizierig is, of althans ze +daardoor een oogenblik op te houden, ten einde tijd te +winnen.</p> + +<p>»Als je ’t hart hebt, om onze kleêren aan te raken!» +riep hij hun toe. »Wacht je dan voor de gevolgen!»</p> + +<p>Maar zij waren onvermurwbaar.</p> + +<p>Met eene vlugge beweging werden al onze kleeren in +het water geworpen en groote graszoden daarop gegooid, +om ze te doen zinken.</p> + +<p>In een oogenblik waren Bob, Karel en ik op den wal, +om ons zoo mogelijk te wreken, maar helaas, tot onze +groote spijt zetten de plaaggeesten het op een loopen +en brachten zich in hun huis in veiligheid. Wat waren +wij kwaad!</p> + +<p>»Als ik ze in handen krijg, wrijf ik ze tot mosterd!»</p> + +<p>»Dan gooi ik ze te water met kleêren en al aan!» +voorspelde Karel. »Die apen!»<span class="pagenum"><a name="Page_118" id="Page_118">[118]</a></span></p> + +<p>»Waren het maar apen!» zei ik. »Dan konden wij ze +naar Artis sturen en dan hadden wij er geen last aan. +’t Is eene mooie geschiedenis: al ons goed is door- en +doornat. Wat moeten we nu doen?»</p> + +<p>»En wat zal Mama wel zeggen,» kreunde Pieter, die +niet zwemmen mocht. Wij hadden daar geen zorg over, +want wij hadden permissie. »Al mijne kleeren zijn +gezonken! Wat moet ik nu beginnen?»</p> + +<p>»Ze opvisschen, jô,» zei Bob. »Dat is het eenige, wat +ons overschiet.»</p> + +<p>»En dan?»</p> + +<p>»Ze aantrekken!»</p> + +<p>»Maar ze zijn slijknat!» steende Pieter, wien het huilen +nader stond dan het lachen.</p> + +<p>Wij stapten in het water en begonnen onze eigendommen +op te duiken.</p> + +<p>»Hier heb ik mijn hemd al vast!» zei ik, met iets +wits boven de oppervlakte verschijnende.</p> + +<p>»Dat zou je wel willen,» zei Bob grinnekend. »’t Is het +mijne, Kareltje. Hier heb ik een borstrok! Van wien is +die? Van mij is hij niet, dat zie ik wel.»</p> + +<p>»O, ’t is de mijne,» snikte Pieter, die hoe langer hoe +bedroefder werd.</p> + +<p>»Leg hem maar op den kant,» zei Bob.</p> + +<p>»Ik heb twee schoenen!» riep Karel.</p> + +<p>»En ik eene kous!» juichte ik.</p> + +<p>»Gooi alles maar op een hoop,» zei Bob, »dan kunnen +we het straks wel sorteeren.»</p> + +<p>»Eene broek!»<span class="pagenum"><a name="Page_119" id="Page_119">[119]</a></span></p> + +<p>»Nog eene!»</p> + +<p>»En eene blouse! Weer twee schoenen!»</p> + +<p>»Hier is een hemd!»</p> + +<p>Al dergelijke kreten wisselden elkander af. Over het +geheel bekeken wij de zaak nog al van den vroolijken +kant. Trouwens, het was ook onze schuld niet, en wij +zouden er stellig geen straf voor oploopen. Alleen Pieter +kon er het vroolijke niet van inzien. De tranen liepen +hem eindelijk langs de wangen, en hij stond aan den +oever te midden van onze natte kleeren, als het beeld +der wanhoop.</p> + +<p>»Och, och, wat moet ik toch beginnen?» jammerde +hij. »Was ik maar niet met jelui meêgegaan en had ik +maar niet gezwommen!»</p> + +<p>»Kom Pietje, zeur nu niet, asjeblieft, want daar komen +we niet verder meê. Help liever de kleêren uitzoeken, +want alles ligt door elkaar.»</p> + +<p>»En moeten we dat nu zoo nat en wel aantrekken?» +vroeg Piet op schreiënden toon, terwijl hij zijn flanellen +hemd tusschen vinger en duim omhoog hield, om ons +te doen zien, hoe het water er uitdroop.</p> + +<p>»We zullen je wel helpen, wacht maar even. Kijk, +neem jij nu het ondereinde, dan zal ik den anderen kant +nemen,» zei Bob, die medelijden met hem begon te +krijgen. »Mooi zoo, nu draai jij van links naar rechts +en ik in de tegenovergestelde richting. Ferm zoo, — toe +maar, zoo stijf als je kunt. Zie je, zoo wringen wij er +al het water uit, tot er bijna geen droppeltje inblijft.»</p> + +<p>»Dat is een goed voorbeeld, Karel!» zei ik. »Laten wij<span class="pagenum"><a name="Page_120" id="Page_120">[120]</a></span> +het ook doen. Droog worden onze kleeren er wel niet +door, maar het meeste water raken wij er toch door kwijt.»</p> + +<p>»Accoord, Dorus!» zei Karel. »Ik ben tot je dienst. +Hier heb ik eene pantalon. Pak aan, jij de pijpen en ik +het boveneinde. En nu — draaien maar. Ha, wat loopt +dat water er uit! Toe maar, Dorus, draaien, draaien, zoo +hard je kunt. Zoo gaat het goed!»</p> + +<p>»Jammer, dat we geen mangel hebben!» riep Bob.</p> + +<p>»Of een strijkijzer!» zei ik.</p> + +<p>»Dat hindert niet!» zei Karel. »Als het maar droog +wordt!»</p> + +<p>»Ja, — zoo droog, dat Mama er niets van merkt!»</p> + +<p>»Neen Piet, daar behoef je niet op te rekenen, hoor. +Of je moet je een paar uren te bleeken leggen!»</p> + +<p>»Nu de kousen!» zei ik, toen we de pantalon weer in +haar fatsoen gebracht hadden, althans voor zoover ons +mogelijk was.</p> + +<p>Zoo kreeg elk kleedingstuk eene beurt, en ten laatste +waren we zoover gevorderd, dat we ons weer konden +aankleeden. Brrr, wat was dat natte goed koud! Piet +had het er ’t kwaadst mede. Hij rilde, dat de Visbeenen +hem bij de hut wel hooren konden, en die akelige jongens +stonden ons in den tuin nog uit te lachen op den +koop toe.</p> + +<p>»Hoe wou ik, dat ik ze eens te pakken kon krijgen,» +zei Bob met gebalde vuisten. »Wat zou ik ze trakteeren!»</p> + +<p>»En ik!» riepen Karel en ik. »Niets liever dan dat!»</p> + +<p>»Kom jongens, zijn we klaar? Laten we dan gaan!» +zei Bob.<span class="pagenum"><a name="Page_121" id="Page_121">[121]</a></span></p> + +<p>»Ja,» zei Karel, — »en we moeten hard loopen, om +warm te worden. Ik ben door en door koud!»</p> + +<p>»Uitstekend! Vooruit, — daar gaan we!»</p> + +<p>Ja, daar gingen we, zoo hard we konden. Eerst was +het wel een zeer onaangenaam gevoel, al die natte +kleêren, maar daar was nu eenmaal niets aan te veranderen.</p> + +<p>In gestrekten draf, en zonder de hut en hare bewoners +met een enkelen blik te verwaardigen, keerden we huiswaarts, +door en door boos op de laffe jongens, die ons +deze poets gespeeld hadden. Wij vonden het eene verbazend +flauwe aardigheid, waartoe wij ons nooit zouden +geleend hebben.</p> + +<p>Plotseling hoorden wij een luid gejuich achter ons, dat +aangeheven werd door de Visbeentjes, en weldra bemerkten +wij, dat we door hen achtervolgd werden. Ook scholden +zij ons uit, voor alles wat leelijk was, wat wij ook nooit +deden. Schelden vonden wij een kinderachtig vermaak, +waarboven wij ons verheven achtten.</p> + +<p>Uit een en ander maakten wij op, dat de Visbeenen +aan onzen snellen aftocht eene geheel verkeerde uitlegging +gaven. Blijkbaar verkeerden zij in den waan, dat wij bang +voor hen waren en daarom overijld het hazenpad kozen.</p> + +<p>»Ik geloof, dat zij ons achtervolgen!» zei ik.</p> + +<p>»Hoor ze eens schelden, die dappere Visbeenen!» smaalde +Karel, die erg boos op hen was.</p> + +<p>»Au!» zei Piet, zich haastig bukkende, »daar krijg ik +een steen op mijn hoofd! Ze gooien!»</p> + +<p>»Laat ze hun gang maar gaan!» raadde Bob aan. »Ze<span class="pagenum"><a name="Page_122" id="Page_122">[122]</a></span> +schijnen te meenen, dat wij bang voor hen zijn. Niet +te hard loopen, jongens, opdat ze wat naderbij komen. +Als ze dan dicht genoeg bij ons zijn, draaiën we ons +eenklaps om, en geven hun de straf, die hun eerlijk +toekomt.»</p> + +<p>Die raad was goud waard. Wij namen den schijn aan, +alsof we bang waren en aan onze vervolgers trachtten +te ontkomen, die daardoor hun moed voelden wassen en +niet ophielden met schelden en gooien.</p> + +<p>»Nog eventjes!» zei Bob. »Ik zal tot drie tellen, hoor. +Bij den derden tel keeren we ons eensklaps om en overvallen +hen. Wat zullen ze vreemd opkijken. Nu, — daar +gaat hij!»</p> + +<p>»Een!»</p> + +<p>Bob wachtte een oogenblik.</p> + +<p>»Twee!»</p> + +<p>Wij hielden onze vaart wat in, en waren gereed om +te zwenken.</p> + +<p>»Drie! Valt aan!»</p> + +<p>Eensklaps maakten wij rechtsomkeert en ijlden onze +vervolgers tegemoet, die iets dergelijks in het geheel +niet verwacht hadden en ons bijna in de armen vlogen. +Wat was dat een leuk gezicht.</p> + +<p>O, wat hadden zij nu graag den dans willen ontspringen, +en wat deden zij daartoe hun best, — maar ’t was +te laat.</p> + +<p>In minder dan geen tijd hadden Bob, Karel en ik +ieder een van de vijanden te pakken, terwijl Pieter +toeschouwer bleef en niet ophield, ons aan te moedigen.<span class="pagenum"><a name="Page_123" id="Page_123">[123]</a></span> +Dat laatste was echter niet noodig, want wij waren boos +genoeg, om hen niet te ontzien. Och, och, wat hebben +we die jongens toen een zeldzaam pak slaag gegeven. +Nu, ze hadden het dubbel en dwars verdiend. Telkens +probeerden zij om te ontvluchten, maar dat ging niet. +Wij sloegen hen links en rechts om de ooren, zoodat zij +het uitschreeuwden van pijn en angst.</p> + +<p>»Dáár! Dáár!» riep Bob bij elke versnapering, die +hij zijn vijand toediende. »Als je nog meer wilt hebben, +moet je het maar zeggen. Ik heb eene gulle bui vandaag!»</p> + +<p>Eindelijk gelukte het aan twee van de drie aan onze +handen te ontsnappen en hun heil in de vlucht te zoeken. +Maar de derde kwam er het allerslechtst af. Eerst had +Karel hem een geducht pak slaag gegeven, zoo erg, dat +de jeugdige Visbeen er de sterretjes van voor de oogen +kreeg, en toen pakte Karel hem met zijne krachtige armen +beet en wierp hem pardoes in eene sloot, die langs het +landpad liep. Het gaf een plomp van belang en het water +spatte ons om de ooren. Karel had gedurende de geheele +afstraffing geen woord gesproken, maar toen zijn vijand weer +met zijn hoofd boven den kant van den sloot uitkwam, +knikte hij hem vriendelijk toe, en zeide tot hem:</p> + +<p>»Dat had ik je in mijne gedachten beloofd, weet je?»</p> + +<p>»Hê, ’t spijt me, dat ik het ook niet gedaan heb!» +zei Bob.</p> + +<p>Schreeuwende ging de jongen naar zijn huis, en wij +vervolgden onzen tocht. Wij waren van dat vechtpartijtje +heerlijk warm geworden en waren zeer tevreden +over onszelven.<span class="pagenum"><a name="Page_124" id="Page_124">[124]</a></span></p> + +<p>»Daar hebben we ze lekker te pakken gehad!» lachte Bob.</p> + +<p>»Ze hadden het dubbel verdiend!» sprak Karel. »Ik +denk, dat ze ons voortaan wel met rust zullen laten, als +we weer gaan zwemmen.»</p> + +<p>»Dat zullen ze ongetwijfeld!» meende ik.</p> + +<p>Wij waren nu het dorp genaderd en sloegen na een +korten groet ieder den weg in naar onze woning. Daar +Bob, Karel en ik van onze ouders toestemming hadden +om in de beek te gaan zwemmen, behoefden wij niet te +vreezen, dat wij straf zouden krijgen. Eerst had het wel +eenige moeite gekost, om die toestemming te verwerven, +maar nadat Pa de bewuste plaats zelf onderzocht had en +tot de slotsom gekomen was, dat daar geen gevaar te +vreezen was, hadden wij het gevraagde verlof verkregen. +Voor Pieter evenwel was de zaak veel erger, want zijne +Mama was vreeselijk bang voor dergelijke vermaken en +bovendien — hij had het gedaan, zonder verlof te vragen, +iets, wat wij nooit deden.</p> + +<p>’t Was dus geen wonder, dat zijne Mama zeer boos +was, en hem tot straf dadelijk naar bed zond. Bovendien +mocht hij den volgenden avond niet naar buiten, tot +groote ergernis van Bob, die nu ook verplicht was, thuis +te blijven. Nu hadden Karel en ik wel naar hen kunnen +gaan, maar — wij werden niet toegelaten. Bob en Pieter +moesten dus elkander maar zien te troosten. Dat deed +Bob dan ook op eene heel vreemde manier. Daar hij +gemerkt had, dat Pieter ’s avonds in het donker nog al +bang was, maakte Bob zich meester van een zwavelstok +en ging daarmede naar de slaapkamer van Pieter. Daar<span class="pagenum"><a name="Page_125" id="Page_125">[125]</a></span> +teekende hij met het gezwavelde einde, juist op eene +plaats, waar Pieter het wel moest zien, een groot doodshoofd +op het behangsel. Zoolang het licht was, bleef +dat vriendelijke beeld onzichtbaar, maar in het donker +grijnsde het den toeschouwer allerakeligst aan.</p> + +<p>Bob stelde zich daar heel wat genoegen van voor, en +vond het alleen maar jammer, dat Karel en ik niets van +die grap zouden genieten.</p> + +<p>Den geheelen avond vermaakten hij en Pieter zich +samen in den tuin. Nu eens tolden zij, of waren zij aan +het knikkeren, dan weer vingen zij vlinders, of trachtten +zich meester te maken van de weinige meikevers, die al +te voorschijn waren gekomen.</p> + +<p>Pieter had die diertjes nog nooit gezien en stelde zich +voor, er in Amsterdam veel genoegen van te kunnen +beleven, als hij ze daar had. Wie weet, hoe ’n voordeeligen +handel hij misschien nog wel in dat artikel zou kunnen +drijven, want hij twijfelde niet, of al zijne schoolkennissen +zouden er graag een willen hebben.</p> + +<p>»Zeg Bob, zou je er mij eenige willen zenden, als ik +weer thuis ben? Je zoudt me daar een bijzonder groot +genoegen mede doen.»</p> + +<p>»Meikevers zenden?» vroeg Bob, met eene ondeugende +flikkering in zijne oogen, want hij dacht er aan, welk +een vreeselijken afkeer zijne deftige Tante van die +onschuldige diertjes had. »Aan jou?»</p> + +<p>»Ja, aan mij. Ik zou er graag eenige van je hebben, +als ’t mogelijk is.»</p> + +<p>»’k Beloof het je, hoor! Je kunt er op rekenen. Ik<span class="pagenum"><a name="Page_126" id="Page_126">[126]</a></span> +zal ze je sturen met den looper. Die gaat toch elken +Zaterdag naar Amsterdam, dan komt het niet zoo duur. +Voor een dubbeltje of drie stuivers heb-je ze thuis.»</p> + +<p>»Dat is dan afgesproken,» zei Pieter.</p> + +<p>Eindelijk begon de avond te vallen en werd het tijd +om naar binnen te gaan. En na nog een poosje in de +huiskamer te hebben vertoefd, gingen zij naar bed. Hunne +slaapkamers lagen naast elkander, en de ledikanten waren +slechts door een houten beschot gescheiden.</p> + +<p>Eerst maakten zij nog wat grappen op Pieters slaapkamer, +omdat daar licht aangestoken was. Bob ging +zomers altijd in donker naar bed.</p> + +<p>»Zeg Pietje, willen wij nog eens eene pijp rooken?» +vroeg Bob lachend. »Ik heb nog wel tabak.»</p> + +<p>»Dank je hartelijk,» zei Piet met alle teekenen van +den grootsten afkeer. »Die eerste pijp zal ik niet licht +vergeten. Och, och, als ik er aan denk, word ik nu +nog ziek.»</p> + +<p>»Wel te rusten dan!» zei Bob.</p> + +<p>»Slaap lekker!» was Pieters wensch.</p> + +<p>Bob lag spoedig in bed, afwachtende de dingen, die +komen zouden. Eindelijk hoorde hij in de andere kamer +beweging aan de lamp, want het was erg gehoorig, en +daarna het kraken van Pieters ledikant.</p> + +<p>Het bleef geruimen tijd stil. Zou Piet het doodshoofd +misschien niet zien? Maar neen, dat kon niet; als hij +zijne oogen open had, mòèst hij het zien. Doch wellicht +had hij zijne oogen gesloten, en dan kwam er van de +grap niets. Opeens hoorde hij het ledikant van Pieter<span class="pagenum"><a name="Page_127" id="Page_127">[127]</a></span> +weer zacht kraken. Hij hoorde ook, hoe zijn neef zich langzaam, +uiterst langzaam oprichtte in bed. In zijne gedachten +zag Bob al, hoe neef Pieter de oogen stijf gericht hield +op het schrikwekkende beeld, en hij lag te schudden in +zijn bed van ’t lachen.</p> + +<div class="figcenter1"> +<img src="images/ill03.jpg" width="400" height="544" alt="In zijne gedachten zag Bob al, hoe neef Pieter de oogen stijf gericht +hield op het schrikwekkende beeld,.... (pag. 127)." title="" /> +<br /><span class="caption">In zijne gedachten zag Bob al, hoe neef Pieter de oogen stijf gericht +hield op het schrikwekkende beeld,.... (pag. 127).</span> +</div> + +<p>Hoor, daar werd zacht, bijna onhoorbaar tegen het +schot getikt. Hij tikte zacht terug.</p> + +<p>»Bob!» werd er gefluisterd. »Bob!»</p> + +<p>»Wat is er?» riep Bob tamelijk luid terug.</p> + +<p>»Ssss! — Ssss! — ’t Is hier niet — in orde, Bob!» +hoorde hij Piet fluisteren.</p> + +<p>»Dieven?» vroeg Bob terug.</p> + +<p>»Neen — erger, Bob. Een — spook.»</p> + +<p>»Kom dan hier!» zei Bob zacht. »Wat zie je?»</p> + +<p>»Een gloeiend doodshoofd! Hu — zoo akelig. Ik durf +niet, Bob. Kom jij hier!»</p> + +<p>»Dank je!» zei Bob. »Ik blijf liever hier!»</p> + +<p>’t Werd weer stil in Pieters kamer.</p> + +<p>Maar die stilte duurde niet lang. Bob, die moeite had, +om niet in een schaterlach uit te barsten, hoorde opnieuw +een heel zacht kraken van het ledikant, daarna een schuifelen +over den vloer, en toen werd zijne deur geopend +en kwam Piet binnensluipen.</p> + +<p>»O Bob,» zei hij, en zijn plaaggeest hoorde, hoe hij +beefde van angst, »wat afschuwelijk. Een doodshoofd is +er, een gloeiend doodshoofd, dat mij voortdurend aangrijnst. +O, Bob, wat moet ik nu beginnen? Ik beef van +angst.»</p> + +<p>»Kruip diep onder de dekens, Piet, en laat hem grijnzen,»<span class="pagenum"><a name="Page_128" id="Page_128">[128]</a></span> +was Bobs hardvochtige raad. »Wat doe je ook je +oogen open te houden, als je op bed ligt; dan behooren +zij gesloten te zijn.»</p> + +<p>»O neen, dáár durf ik niet weer heen!» zuchtte Pieter; +»voor geen geld ga ik dáár slapen! ’t Is afschuwelijk, +Bob.»</p> + +<p>»Wat wil je dan?»</p> + +<p>»Kan ik niet bij jou slapen, Bob? Toe maar, asjeblieft.»</p> + +<p>»Onmogelijk, Piet. Dit is maar een één-persoons ledikant. +We kunnen er onmogelijk met ons beiden in.»</p> + +<p>»Toe maar, Bob, ik zal me zoo klein maken als ik maar +kan; toe Bob, asjeblieft?»</p> + +<p>»Onmogelijk. Maar ga naar Pa; die is stellig nog op, +en zal ongetwijfeld een onderzoek instellen.»</p> + +<p>»O, — maar dan moet ik alleen de trap af!» zuchtte +Piet, bevende van ontsteltenis bij de gedachte, dat hij +zich alleen en in donker naar beneden moest begeven.</p> + +<p>»Jij bent ook overal bang voor,» zei Bob. »Ik wed, +dat er niet eens iets op je kamer is, om bang voor te +wezen.»</p> + +<p>»O ja, Bob, echt waar, ga dan zelf maar kijken, dan +zul-je het zien. Een afschuwelijk doodshoofd! Hu, ’t is +om te rillen.»</p> + +<p>Bob vond, dat de grap nu lang genoeg geduurd had.</p> + +<p>»Ga dan maar meê, bang Pietje,» zei hij, terwijl hij +lachend uit zijn bed sprong.</p> + +<p>Hij liep regelrecht naar Pieters slaapkamer, tot groote +verbazing van zijn neef, die zich maar niet begrijpen kon, +waar hij al dien moed vandaan haalde.<span class="pagenum"><a name="Page_129" id="Page_129">[129]</a></span></p> + +<p>»Waar is nu het spook?» vroeg hij.</p> + +<p>»Aan den muur!» klonk het benauwd uit Piets mond.</p> + +<p>»’t Is niets, hoor Piet, kom maar hier,» zei Bob lachend. +»Je hebt je weer eens leelijk te pakken laten nemen, +neefje. Ha-ha-ha-ha!»</p> + +<p>Pieter kwam behoedzaam nader.</p> + +<p>»Dáár is het, — dáár, vlak voor je!» zei hij huiverend, +toen hij om den hoek van de deur keek.</p> + +<p>»Och, bange Piet, dat prentje heb ik er van middag +opgeteekend met een zwavelstok. Kijk, hier heb-je nog +een tweede spook!»</p> + +<p>Bob nam den zwavelstok, dien hij op den grond had +neergelegd, en teekende met enkele strepen een tweede +doodshoofd, niet weinig lachende om de vrees van Pieter-neef. +Deze kwam nu ook naderbij en zeide, niet zonder +schaamte:</p> + +<p>»Hé Bob, doe je dat met een zwavelstok? Dat is een +aardig kunstje, waarvan ik nog nooit gehoord had. Dat +moet ik ook eens leeren.»</p> + +<p>»Ben je nu nog bang, Pietje?» vroeg Bob. »Of wil ik +Pa roepen?»</p> + +<p>»O neen, dank je! Maar waarom plaag jij me toch +altoos zoo, Bob?»</p> + +<p>»Omdat ik het bij Karel of Dorus niet behoef te probeeren, +Piet; zij zijn er niet vatbaar voor, zie je, en jij +wel. Dat is de reden. Slaap lekker, Piet!»</p> + +<p>»Goeden nacht!»</p> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_130" id="Page_130">[130]</a></span></p> + +<p class="str"> </p> + +<h2>Achtste Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Hoe Bob uit hengelen ging en door de verschijning van<br /> +twee vreemdelingen zijn tijd bijna vergat. Hoe hij in<br /> +figuurlijken zin steentjes moest gaan tellen en het in<br /> +eigenlijken zin deed. De berenleider en zijn metgezel.</p> + + +<p>Een paar dagen later had Bob zijn tijd bijna verhengeld. +Hij was bijzonder vroeg opgestaan, had inderhaast +ontbeten, en was met zijn hengel over den schouder even +buiten het dorp gewandeld, om eens prettig vóór schooltijd +nog een paar uurtjes te visschen. Pieter lag nog te +bed. Die stond nooit voor half acht op. Eerst had Bob +nog wel eens moeite gedaan, om hem ook tot opstaan +te bewegen, maar toen hij bemerkte, dat Piet ’s morgens +veel liever op bed bleef, had hij die moeite gestaakt.</p> + +<p>Bob hengelde dus geheel alleen, en vermaakte zich +kostelijk, want de baars wilde dien morgen buitengewoon +goed bijten, en het gelukte hem, menig vischje te verschalken. +Hij vermaakte zich zóó goed, dat hij zijn tijd +geheel vergat en niet aan de school dacht, vóór het bijna<span class="pagenum"><a name="Page_131" id="Page_131">[131]</a></span> +te laat was. Om negen uur ging de school aan, en de +torenklok wees al tien minuten voor negenen, eer hij er +aan dacht.</p> + +<p>»O heden!» mompelde hij. »’t Is al bijna te laat, maar +als ik hard loop, kan ik er nog juist op tijd zijn. ’t Is +echt jammer, dat ik nu moet ophouden, want de baars +bijt van morgen bijzonder goed.»</p> + +<p>Hij slingerde zijn snoer om den stok en wilde zich +juist naar school begeven, toen zijne aandacht getrokken +werd door een kermiswagen, die langzaam het dorp +naderde.</p> + +<p>Bob bleef staan.</p> + +<p>Een kermiswagen was een voorwerp, dat hem altoos +buitengemeen boeide. Hij vond dat een zeer belangwekkend +vervoermiddel. Toch zou hij er de school niet om +vergeten hebben, — want de meester was erg streng, dat +wist hij bij ondervinding, — indien hij niet had opgemerkt, +dat naast dien wagen een groot, log dier liep, een dier, +dat nog veel belangwekkender was dan de wagen, want +het was niets meer of minder dan een groote, bruine +beer. Bij de verschijning van dat beest vergat Bob de +geheele school.</p> + +<p>Zoodra de berenleider het eerste huis van dorp bereikt +had, begon hij op eene dwarsfluit te spelen en verhief +bruintje zich op hetzelfde oogenblik op zijne achterpooten. +Het logge beest scheen zoo waar te dansen, tot groot vermaak +van Bob. De kermiswagen was doorgereden. Dat +onzen Bob het scheiden moeilijk viel, behoef ik niet te +zeggen. Wij zaten allen al op de schoolbanken, en waren<span class="pagenum"><a name="Page_132" id="Page_132">[132]</a></span> +al begonnen te lezen, toen zijne plaats nog ledig bleef.</p> + +<p>»Waar blijft Bob de Wild van morgen?» vroeg de +meester. Doch wij wisten het niet.</p> + +<p>»Hij is toch niet ziek?» klonk weer ’s meesters vraag. +Weer moesten wij het antwoord schuldig blijven.</p> + +<p>»Lees maar door, Anna!»</p> + +<p>Juist begon Anna het bevel op te volgen, toen de +deur geopend werd en Bob, rood van het harde loopen, +binnen kwam.</p> + +<p>»Dag meester,» klonk het zacht van zijne lippen.</p> + +<p>»Dag Bob. Waar kom jij zoo laat vandaan?»</p> + +<p>»Van buiten, meester.»</p> + +<p>»Ja, dat spreekt vanzelf. Maar waarom kom je zoo laat?»</p> + +<p>Bob keek zwijgend voor zich op den grond.</p> + +<p>»Ik hoor niets, Bob. Kun-je niet spreken?»</p> + +<p>»Ik was aan het hengelen, meester, en.....»</p> + +<p>»Ha zoo, heb jij je tijd verhengeld? Dat is ferm van +je, niet waar, Bob?»</p> + +<p>Bob mompelde zoo iets van: »Kon ’t niet helpen,» +maar veel verstonden wij er niet van.</p> + +<p>»Niet helpen?» vroeg de meester gestreng. »Dat is eene +kinderachtige uitvlucht, Bob, waar zich alleen flauwe +zielen achter verschuilen. Je kunt gaan zitten, maar moet +om twaalf uur nablijven. ’t Spijt me wel, maar ik kan +er niets aan doen.»</p> + +<p>Bob nam plaats. Hij en ik zaten dicht bij elkander. +Eerst deed hij, of hij met aandacht las, maar weldra +gaf hij ons door allerlei teekens te kennen, dat er iets +bijzonders aan de hand was.<span class="pagenum"><a name="Page_133" id="Page_133">[133]</a></span></p> + +<p>»Daar kwam ik goed af. Ik was bang, dat ik steentjes +zou moeten tellen,» fluisterde hij ons toe. Wij deden ook, +of wij de les geregeld volgden, maar inderdaad ontging +ons geen woord, van hetgeen Bob zeide.</p> + +<p>Wij wisten wel, wat hij met »steentjes tellen» bedoelde. +In het portaal was geen planken vloer; die bestond daar +uit mooie glimmende tegels, welke aan elkander gemetseld +waren. Nu had de meester de gewoonte, als hij +heel boos op een van de leerlingen was, hem in het +portaal te zetten, wat hij den patiënt gewoonlijk beval +met de woorden:</p> + +<p>»Ik kan je hier vanmorgen niet langer gebruiken, +jongen. Ga jij maar steentjes tellen.»</p> + +<p>Dat was eene zware straf voor ons, want wie eenmaal +in het portaal terecht kwam, moest er den geheelen +morgen blijven, en kreeg dan nog zooveel strafwerk na +schooltijd, dat er van zijn speeluur niets overschoot.</p> + +<p>Bob was er dus van overtuigd, dat de meester hem +zeer genadig behandeld had, door hem geen steentjes te +laten tellen, alias in het portaal te zetten.</p> + +<p>»Die volgt!» zei de meester. »Bob, ik geloof, dat je +slecht oplet. Pas op, dat ik je niet nog meer straf +moet geven.»</p> + +<p>Bob keek strak in zijn boek, en de volgende leerling +begon te lezen. Maar Bobs aandacht was in het geheel +niet bij zijn werk. Onophoudelijk moest hij aan den beer +en diens eigenaar denken, en zijn nieuws brandde hem +op de tong. Naar het lezen luisterde hij niet; hij hoorde +bijna niet eens, dat er gelezen werd.<span class="pagenum"><a name="Page_134" id="Page_134">[134]</a></span></p> + +<p>»Jongens!» fluisterde hij Karel en mij toe.</p> + +<p>Wij waren geheel oor, maar zorgden wèl, niet uit ons +boek op te zien.</p> + +<p>»’k Heb nieuws!» fluisterde Bob weer.</p> + +<p>»Bob de Wild, lees verder!» gebood de meester.</p> + +<p>O heden, dat was mis voor Bob. Zijne oogen dwaalden +van boven tot beneden op de bladzijde, waar wij aan het +lezen waren, maar hij vond den laatsten zin, dien hij +gehoord had, niet.</p> + +<p>»Je krijgt eene slechte aanteekening, Bob de Wild,» +klonk het gestreng uit ’s meesters mond. »Je straf om +twaalf uur wordt verdubbeld. Lees verder, Jacob de Haas.»</p> + +<p>Jacob de Haas, het eenige joodje, dat wij op school +hadden, ging met lezen voort, en Bob keek stijf in zijn boek.</p> + +<p>»Waarom leest dat Joodje (want zoo noemden wij +Jacob de Haas altijd) ook niet wat harder?» mompelde +hij. »Dan zou ik het wel geweten hebben. Wacht maar, +dat zal ik hem om twaalf uur wel betaald zetten. — O +jé, waar is het nu ook al weer? Wacht, dáár!»</p> + +<p>»Die volgt!» klonk het weer.</p> + +<p>Nu was een meisje aan de beurt. Anna van Egge +heette zij en zij las een weinig binnensmonds. Wij moesten +altoos goed toeluisteren, om haar te kunnen volgen. +Maar Bob luisterde dien morgen al bijzonder slecht. +Zooals hij ons later vertelde, moest hij onophoudelijk +aan dien beer denken. Ook brandde hij van verlangen, +om het ons te vertellen, want hij wist, dat het voor ons +een belangwekkend nieuwtje was.</p> + +<p>»Jongens!» fluisterde hij weer.<span class="pagenum"><a name="Page_135" id="Page_135">[135]</a></span></p> + +<p>Wij knikten bijna onmerkbaar, ten teeken, dat wij +luisterden, maar wij zagen niet op.</p> + +<p>»Er is een berenleider op het dorp,» hoorden wij Bob +lispelen.</p> + +<p>Dat was nieuws naar ons hart. Ook wij begonnen +onoplettend te worden, wat het lezen betrof, maar niet +wat het nieuws van Bob aanging.</p> + +<p>»Met een beer?» vroeg Karel Holm zacht, terwijl zijne +oogen flikkerden van pleizier.</p> + +<p>»Ja, — een grooten, bruinen beer.»</p> + +<p>»Waar is hij?» waagde Karel nog eens te fluisteren.</p> + +<p>»Bij den ontvanger zag ik hem. Hij kan dansen.»</p> + +<p>»Ho!» beval op dat oogenblik de meester, en Anna +van Egge hield met lezen op. »Bob! Je let in het geheel +niet op, en ik zie mij genoodzaakt je streng te straffen. +Vervolg eens, waar Anna gebleven is!»</p> + +<p>’t Was doodstil in de klasse. Van ganscher harte +hoopten wij, dat Bob een gelukkig oogenblik in zijn leven +zou hebben en toevallig bij het goede woord zou beginnen, +want wij hoorden aan de stem van den meester, dat hij +slechts met moeite zijne drift kon bedwingen. Eene +geduchte straf zou anders stellig Bobs deel zijn.</p> + +<p>Doch Bob had zulk een gelukkig moment in zijn leven +niet, en dat kòn ook niet, omdat hij de verkeerde bladzijde +voor zich had. Hij had vergeten, om te slaan, omdat +hij niet oplette. Eerst zocht hij overal, om het goede +woord te vinden, doch toen zijne zoekende blikken het +nergens ontmoetten, begon hij maar op goed geluk af. +Och, och, wat had hij het ver mis!<span class="pagenum"><a name="Page_136" id="Page_136">[136]</a></span></p> + +<p>»Daar is het niet, ondeugd!» zei de meester boos. »Je +bent waarlijk niet eens op de goede bladzijde. Welke geest +is er dezen morgen in je gevaren? Eerst kom je te laat +op school, en dan gedraag je je zóó, dat je zelfs den zachtmoedigsten +mensch driftig zoudt maken!»</p> + +<p>Nu, dat was niet waar, want onze meester was ver +van zachtmoedig. Integendeel, hij was algemeen bij ons +gevreesd om zijne strengheid. Wij hoorden, hoe hij hoe +langer hoe driftiger werd, en eindelijk gebeurde, wat +wij al sedert lang hadden zien aankomen. Daar verhief +’s meesters rechterarm zich in de hoogte en strekte hij +zijne hand gebiedend uit naar de deur.</p> + +<p>»Ga uit de klasse, jongen, ik kan je hier niet langer +gebruiken. Ga steentjes tellen!»</p> + +<p>Bob bleef zwijgend zitten.</p> + +<p>»Hoor je me niet, Bob? Ga steentjes tellen, zeg ik.»</p> + +<p>»Meester, ik zal beter opletten,» zei Bob.</p> + +<p>»Te laat, Bob! Ten derden male zeg ik: ga steentjes +tellen!»</p> + +<p>Die laatste uitdrukking was oorspronkelijk als eene grap +bedoeld, maar wij vonden haar in het geheel niet grappig. +Bob ook niet, want hij moest allerminst lachen op dit +oogenblik. Hij stapte de bank uit en ging met neergeslagen +oogen naar het portaal. Hij deed de deur achter +zich dicht.</p> + +<p>’t Werd weer stil, nu zelfs doodstil in de klasse. De +meester keek erg boos.</p> + +<p>»Ga voort, Anna van Egge!» gebood hij.</p> + +<p>En korten tijd daarna was het weer:<span class="pagenum"><a name="Page_137" id="Page_137">[137]</a></span></p> + +<p>»Die volgt!»</p> + +<p>Zoo las de geheele klas. Toen werden de boeken opgeborgen +en begon de rekenles.</p> + +<p>Wij deden onze uiterste best, uit vrees, dat ook wij +straf zouden oploopen. En toen nu de meester zag, hoe +flink wij opletten, begon zijn gelaat ook wat vriendelijker +plooi aan te nemen. Hij was wel streng, maar niet onbillijk, +en tot zijne eer moet ik zeggen, dat hij zulke zware +straffen altoos met grooten tegenzin oplegde. Wij konden +altoos aan hem zelf zien, dat het hem pijn deed.</p> + +<p>Intusschen stond Bob diep verslagen in het portaal. +Weg was ineens al de pret, die hij zich van het middaguur +voorgesteld had, als de beer althans dan nog niet +vertrokken zou zijn. Daarvoor behoefde evenwel niet +bijzonder veel vrees te bestaan, want ons dorp was te +groot, om door een berenleider op een enkelen morgen +»afgewerkt» te kunnen worden.</p> + +<p>»En dan kan ik hier in die nare school blijven en strafwerk +maken, terwijl alle jongens de grootste pret hebben,» +morde Bob, die erg boos was op den meester. »Hij is +ook altoos zoo streng. Maar ik weet, wat ik doe: ik loop +weg, ja, dat doe ik. De meester kan schoolhouden, wien +hij wil, maar mij snapt hij niet, want den beer moet ik +zien, het koste wat het wil!»</p> + +<p>Toen Bob over dit besluit echter een weinig dieper +doordacht, waarmede hij eigenlijk had moeten aanvangen, +begon hij hoe langer hoe meer te beseffen, dat hij daar +toch ook zeer weinig genoegen van zou beleven, want de +meester zou hem stellig voorbeeldeloos straffen en bovendien<span class="pagenum"><a name="Page_138" id="Page_138">[138]</a></span> +zou zijn Pa hem ook terdege onderhanden nemen.</p> + +<p>Neen, dat ging toch niet, zooals hij zelf zeer goed inzag.</p> + +<p>»Ik wou, dat de meester mij voor dezen keer maar +eens vrijliet,» mompelde Bob, »maar dat zal hij wel niet +doen, want dat doet hij bijna nooit. Enfin, ’t is eenmaal +zoo; er zit niet anders op, dan mijn lot met gelatenheid +te dragen. Waar zou de beer nu zijn? Wacht, misschien +kan ik hem zien, — door het raam. Laat ik kijken!»</p> + +<p>Bob deed, wat hij zeide, en waarlijk — na eenig zoeken +ontwaarde hij bruintje voor het huis van dokter Doreman. +Hij zag, hoe vele menschen naar het verscheurende dier +stonden te kijken.</p> + +<p>»Ha! Wat wou ik graag daarbij zijn,» zuchtte Bob. +»En nu steentjes te moeten tellen! ’t Is afschuwelijk! +Kijk, nu gaat hij verder. Zou hij den achterweg opgaan? +Dan kan ik hem niet meer zien. Ja — neen, — ja toch, +daar gaat hij den hoek om. Nu is hij weg. Dat is jammer. — Steentjes +tellen! Hoe komt de meester daar +toch aan? ’t Is toch eigenlijk eene gekke uitdrukking. +Meester zeide niet, dat ik in het portaal moest gaan staan; +hij gebood alleen maar: ga steentjes tellen. Als ik dat dus +deed en hem straks ging zeggen, hoeveel er waren, zou +ik precies gedaan hebben, wat meester bevolen had. Dat +zou leuk wezen. Weet je wat, ik doe het! Zou ik mijn +decimetertje in den zak hebben? Laat eens voelen — ja, +daar is het. Wacht, nu zal ik het eens netjes uitrekenen. +Eerst meten, hoe lang de gang is.»</p> + +<p>Bob knielde op de tegeltjes neer en mat de lengte van +zijn kerker. Weldra wist hij, wat hij weten wilde.<span class="pagenum"><a name="Page_139" id="Page_139">[139]</a></span></p> + +<p>»Dus twintig meter. Laat ik dat goed onthouden.»</p> + +<p>»Nu de breedte.»</p> + +<p>Bob mat weer.</p> + +<p>»Breed twee meter, precies op den kop,» zeide hij. »De +gang heeft dus eene oppervlakte van twintig maal twee +vierkante meter, of veertig vierkante meters. Mooi, +dat schiet al aardig op. Nu elk tegeltje meten. Kijk, +precies twintig centimeters lang en breed. Dat geeft dus +eene oppervlakte van vierhonderd vierkante centimeters. +De gang is groot veertig vierkante meter, of vier maal +honderd duizend vierkante centimeters. Dat gedeeld door +vierhonderd, — wel, kijk — dat is precies duizend tegeltjes. +Dat is een mooi getal. Kom, nu ga ik het den +meester zeggen; hij heeft mij bevolen de steentjes te +tellen en dat heb ik gedaan, dus ik ben zoo gehoorzaam +geweest, als maar verlangd kan worden.»</p> + +<p>Tot ons aller verbazing ging plotseling de deur open +en trad Bob binnen. Ook de meester kon er blijkbaar +geen begrip van krijgen, wat er aan de hand was. Hij +staarde Bob met groote oogen aan.</p> + +<p>»Wat moet jij hier doen?» vroeg hij op gestrengen toon.</p> + +<p>Bob stak beleefd den wijsvinger op en zeide doodleuk:</p> + +<p>»Meester, ik ben klaar! Er zijn er duizend.»</p> + +<p>Eerst begrepen wij geen van allen, wat hij bedoelde, en +de meester begreep het ook niet.</p> + +<p>»Klaar?» vroeg hij. — »Er zijn er duizend? Wat — duizend?»</p> + +<p>»Meester,» zei Bob doodleuk, »ik heb de steentjes geteld, +zooals u bevolen had. Er zijn er duizend.»<span class="pagenum"><a name="Page_140" id="Page_140">[140]</a></span></p> + +<p>Plotseling schoten wij allen (alleen Bob en de meester +uitgezonderd) in een schaterlach om die leuke grap, en +toen wij zagen, hoe de meester zich vergeefs inspande, +om zijn gelaat in een ernstige plooi te houden, want +hij wilde niet lachen, werd het met ons nog erger. Wij +konden niet tot bedaren komen.</p> + +<p>Opeens gaf de meester het op, en begon ook hij te +lachen, bijna even smakelijk als wij. En toen wij eindelijk +wat tot stilte kwamen, zei hij gul, zoodat het duidelijk +was, dat hij Bob zijne misdaden vergaf:</p> + +<p>»Zoo Bob, zijn er duizend? Heb-je ze goed geteld?»</p> + +<p>»Uitgerekend, meester,» zei Bob. »De vloer heeft eene +oppervlakte van veertig vierkante meters en elk tegeltje +is vierhonderd vierkante centimeters groot. Er moeten +er dus duizend zijn.»</p> + +<p>»Heel goed, Bob,» zei de meester, die telkens weer +in den lach schoot, »dat sluit. Dank-je wel voor de +moeite. Ga nu maar zitten, doch — let beter op.»</p> + +<p>»Ja meester,» zei Bob, niet weinig in zijne nopjes, dat +hij zoo mooi van zijne zwaarste straf ontheven was. Hij +lette verder dan ook zeer goed op en gaf den meester +in het geheel geen reden tot klagen meer.</p> + +<p>Zoo werd het twaalf uur, en wij kregen verlof om naar +huis terug te keeren. ’t Is te begrijpen, dat wij ons dat +geen tweemaal lieten zeggen, want het bericht van den +beer had, ondanks ’s meesters strengheid, al sedert lang +de ronde door de geheele klas gedaan. Nauwelijks waren +wij het portaal uit, of onder een luid gejuich trokken +wij op den beer af.<span class="pagenum"><a name="Page_141" id="Page_141">[141]</a></span></p> + +<p>Maar Bob bleef zitten, om zijn strafwerk te maken.</p> + +<p>»Wat moet ik doen, meester?» vroeg hij met een berouwvol +gelaat.</p> + +<p>De meester keek hem vriendelijk aan, want hij hield +bijzonder veel van den wilden Bob.</p> + +<p>»Mij beloven, dat je voortaan beter op je tijd zult +passen, Bob,» zei hij, den deugniet op den schouder +kloppende.</p> + +<p>»Dat beloof ik, meester,» zei Bob, die lont begon te +ruiken en wiens hartje klopte van hoop, dat hij ontslagen +zou worden.</p> + +<p>»Ga dan maar heen, Bob.»</p> + +<p>»Asjeblieft meester. Dag meester.»</p> + +<p>En weg vloog Bob! Hij had ons al ingehaald, vóór +wij den beer bereikt hadden.</p> + +<p>»Ik mocht vrij!» juichte hij al in de verte. »Hij is op +den achterweg!»</p> + +<p>Met die laatste woorden bedoelde hij den beer natuurlijk, +en met ons allen begaven wij ons daarheen.</p> + +<p>Ha, daar zagen wij hem!</p> + +<p>’t Is te begrijpen, dat wij op een eerbiedigen afstand +bleven! Wat had dat dier geduchte klauwen, en wat +zagen wij een sterk gebit, als hij den grooten muil opende. +Gelukkig dat hij een stevigen leeren muilband aan had; +dat stelde ons eenigszins gerust.</p> + +<p>De berenleider viel ons niet meê, want wij hadden +gehoopt, dat hij iemand zou zijn, dien wij niet verstaan +konden, een Italiaan of een Zigeuner of zoo iemand. +Maar hij bleek een echte Hollander te zijn, die onze taal<span class="pagenum"><a name="Page_142" id="Page_142">[142]</a></span> +evengoed sprak als wij zelf. Dat konden wij hooren aan +hetgeen hij af en toe tot den beer zeide.</p> + +<p>»Hallo! Op! Op!» gebood hij telkens, als de beer zijn +tocht op vier voeten wilde voortzetten. En dan ging het +logge beest weer overeind en huppelde zoo bevallig als +een jonge olifant. Dan kreeg hij van zijn meester een +stok over den schouder en moest marcheeren als een +soldaat. Zijn geleider blies voortdurend op de dwarsfluit +verschillende dansdeuntjes en — maakte goede zaken, +naar wij opmerkten. Want bijna nergens werd hij voorbij +gestuurd, zonder dat men hem iets gaf. Nu was een beer +op ons dorp eene te zeldzame verschijning, om niet de +algemeene bewondering op te wekken.</p> + +<p>Het spreekt van zelf, dat wij de twee vreemdelingen +zoolang volgden, als ons mogelijk was, — anderhalf uur +laat zich niet lang plagen, wanneer men in dien tijd nog +middagmalen moet, wat met mij althans het geval was. +En om half twee moesten wij weer present zijn, wilden +we geen straf oploopen.</p> + +<p>Wij waren er dan ook allen op onzen tijd, Bob incluis!</p> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_143" id="Page_143">[143]</a></span></p> + +<p class="str"> </p> + +<h2>Negende Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Hoe wij den beer plaagden, toen Flip uit was, en<br /> +hoe de beer wraak nam. De heldendaden van<br /> +Pieter-neef en van Tip, den veldwachter.<br /> +Hoe Bob berenleider werd.</p> + + +<p>Bob had niet zulk eene vrees behoeven te koesteren, +dat hij den beer niet weer ontmoeten zou, want het +beest en diens meester vertoefden nog wel langer dan +eene geheele week op ons dorp. Och, och, wat hebben +wij eene pret met dat dier gehad.</p> + +<p>In den kermis wagen woonde eene familie, die door +het vertoonen van de poppenkast het dagelijksch brood +trachtte te verdienen. Eerst meenden wij, dat de berenleider +ook tot de familie behoorde, maar daarin hadden +wij ons vergist. Wel was hij zooals ons al spoedig bleek +zeer met den poppenkastman bevriend, en reisden zij zooveel +mogelijk in elkanders gezelschap ons vaderland door.</p> + +<p>Elken dag deed de poppenkast de ronde door het dorp +of bezocht zij een van de omliggende plaatsen, en trok +ook de berenleider er op uit met zijn viervoetigen makker,<span class="pagenum"><a name="Page_144" id="Page_144">[144]</a></span> +om een stuivertje te verdienen, maar den wagen lieten +zij staan, en ’s avonds keerden allen weer naar het marktplein +terug, waar het voertuig stond. Dan werd de beer +aan een van de palen op het marktplein met een vrij +lang, naar het scheen zeer sterk touw vastgebonden, zoodat +hij zich eenige beweging kon veroorloven. Wij vroegen +ons menigmaal af, waar toch de berenleider ’s nachts +wel mocht slapen, daar hij bij niemand op het dorp om +een onderkomen had verzocht, doch eindelijk hoorden +wij vertellen, dat eene groote mand, die wel bijna eene +manslengte had en overdag onder den wagen was vastgebonden, +hem tot ledikant diende. ’s Avonds maakte +hij die mand los, legde zijn beddegoed (wat niet van de +fijnste qualiteit was) wat terecht, en — begaf zich dan +ter ruste. Voor dieven behoefde hij om twee redenen +niet te vreezen, want ten eerste had hij zoo weinig eigendommen, +dat het wel niemand in de gedachten zou +komen, hem te gaan bestelen, en in de tweede plaats +had hij een schildwacht voor zijn bed, die niet licht +door een anderen zou worden overtroffen. De beer namelijk +ging elken avond vlak voor de mand liggen en liet, +zoodra hij maar iets hoorde, een vervaarlijk gebrom hooren.</p> + +<p>Dat brommen, — o, wat waren wij er eerst bang voor. +Want het spreekt van zelf, dat alle jongens van het dorp +’s avonds bij bruintje te vinden waren. Onze stelten zelfs +lieten wij er voor liggen. Ge begrijpt, dat we eerst op +een eerbiedigen afstand bleven, uit vrees dat hij ons +aangrijpen, verscheuren en verslinden zou. Maar toen wij +zagen, hoe vertrouwelijk zijn meester met hem omging, en<span class="pagenum"><a name="Page_145" id="Page_145">[145]</a></span> +hoe bedaard en goedig het dier er uitzag, begon onze vrees +van lieverlede te bedaren en onze moed te klimmen.</p> + +<p>Bob was de eerste, die hem wat naderbij durfde komen, +hoewel hij natuurlijk zorg droeg, dat de beer hem niet +grijpen kon. Hij wierp hem een stuk brood toe, dat door +het dier gretig werd verslonden.</p> + +<p>Toen wij dat eenmaal gezien hadden, overstelpten wij +bruintje bijna met onze weldaden, en werden wij meer +en meer vertrouwd met het dier, hoewel wij toch zorgden, +niet te dicht in zijne nabijheid te komen.</p> + +<p>Maar langzamerhand ontaardde onze moed in overmoed +en begonnen wij hem te plagen. Wij sarden hem, als zijn +meester er niet bij was, met lange stokken, waarmede wij +hem op den kop of op de ruige vacht tikten, wat hij eerst +eenige oogenblikken goedig toeliet, doch daarna plotseling +met een woest gebrom beantwoordde. Och, och, wat +wisten wij van beenen maken. Pieter-neef, die ook in ons +gezelschap was, zag doodsbleek van den schrik en liep, of +de dood hem op de hielen zat. Nu, zoo erg was het +met ons niet, maar — wij kozen toch ook het hazenpad.</p> + +<p>»Hè, wat bromde hij daar!» zei Bob, die het eerst +stilstond. »Gelukkig, dat hij aan een touw lag, want +anders had hij stellig een van ons allen verscheurd!»</p> + +<p>De boosheid van den beer duurde echter niet lang; +hij keerde weer in zijn vorigen toestand van vadsige rust +terug, en wij gingen voort met plagen.</p> + +<p>»Wil jelui dat wel eens laten, jongens!» gebood ons de +vrouw, die in den wagen woonde, — doch daar wij wisten, +dat haar man zoowel als de berenleider niet thuis waren,<span class="pagenum"><a name="Page_146" id="Page_146">[146]</a></span> +toonden wij ons vrij ongezeggelijk, wat ons heel leelijk +stond, dat moet ik zelf bekennen.</p> + +<p>Toch hielden wij na een poosje met ons plagen op, +niet omdat wij medelijden met bruintje hadden, o neen, +maar omdat de burgemeester het marktplein opkwam, om te +zien, of de beer ook gevaar kon opleveren voor de eerzame +burgers en burgeressen, die hij onder zijne hoede had.</p> + +<p>Natuurlijk bleef ook hij op een eerbiedigen afstand van +het lieve dier staan.</p> + +<p>»Zeg eens, vrouwtje!» riep hij de vrouw uit den kermiswagen +toe. »Waar is de berenleider?»</p> + +<p>»Hij is met mijn man naar Haarlem, mijnheer de +burgemeester,» klonk het antwoord.</p> + +<p>»En moet dat ongure beest dan al den tijd, dien zijn +meester afwezig is, zonder toezicht blijven?» zei de +burgemeester op gestrengen toon.</p> + +<p>»Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester. Flip is +niet thuis.»</p> + +<p>»Flip — wie is dat?»</p> + +<p>»Dat is de man van den beer, mijnheer de burgemeester. +Maar hij is niet thuis.»</p> + +<p>»Zoo, — ja, dat heb je zooeven al gezegd. Maar kan +dat dier zoo geen kwaad?»</p> + +<p>»Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester,» zei de +vrouw, die het buskruit niet scheen uitgevonden te +hebben, »Flip is niet thuis.»</p> + +<p>»Zoo, hm! hm!» kuchte de burgemeester. »Ik bedoel, +vrouw, of dat touw sterk genoeg is, om den beer te +houden, als hij soms boos mocht worden.»<span class="pagenum"><a name="Page_147" id="Page_147">[147]</a></span></p> + +<p>»Ik zou het u niet kunnen zeggen, mijnheer de burgemeester, +maar straks komt Flip wel thuis, dan kan u het +hemzelven vragen. Hij is nu met mijn man naar Haarlem.»</p> + +<p>»Zoo, ja — dat weet ik al. Dus je denkt, dat het +touw sterk genoeg is?»</p> + +<p>»Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester. Als Flip +straks thuiskomt, zal ik het hem vragen. Of u zou het +zelf kunnen probeeren.»</p> + +<p>»Dank je,» zei de burgemeester, die blijkbaar niet veel +lust had, bruintje zoo nabij te komen.</p> + +<p>»Nu, het ziet er nog al sterk uit, maar als Flip, of +hoe die man heeten mag, aanstonds terug komt, moet +je hem zeggen, dat hij dadelijk bij me moet komen.»</p> + +<p>»Ik zal het hem zeggen, mijnheer de burgemeester!»</p> + +<p>Zoodra het hoofd onzer gemeente vertrokken was, +begonnen wij den beer weer te plagen, ja zelfs te sarren, +en ’t was verbazend hoe hevig hij dan soms kon gaan +brullen. Als wij het al te erg maakten, rukte hij aan +zijn touw, om los te komen, en dan wisten wij van +beenen maken.</p> + +<p>Het touw bleek echter heel sterk te zijn, zoodat wij +eindelijk al niet eens meer op de vlucht gingen, al was +hij ook nog zoo woedend. Wij bleven doodkalm staan, +natuurlijk buiten het bereik van zijne klauwen, maar toch +dicht genoeg bij, om met sarren voort te kunnen gaan. +Zelfs Pieter-neef begon, nu hij zag, dat het beest toch +niet los kon komen, dapper te worden en plaagde den +beer het meest van allen.</p> + +<p>Hij sloeg hem met een langen stok op zijn kop, en als<span class="pagenum"><a name="Page_148" id="Page_148">[148]</a></span> +het beest dan tegen hem bromde en met geopenden muil +aan zijn touw rukte, stak hij hem den stok tusschen de +geweldige tanden. Dan had hij geen grooter pret, dan +als de beer op den stok beet, en hem al brommende heen +en weder schudde. Wat trok en rukte Pieter dan aan den +stok, om hem weer los te krijgen, maar de beer hield vast.</p> + +<p>Bob haalde eene leuke grap met hem uit. Hij haalde +uit de schuur een vaatje, waarin de bodem niet al te +stevig meer bevestigd zat, en schoof dat bruintje toe. +Toen nam hij eene kleine occarino uit den zak, en begon +daar eenige deuntjes op te spelen. O, wat moesten wij +lachen, toen de beer zich plotseling op zijne achterpooten +verhief en op zijne gewone bevallige manier begon te +huppelen, precies, zooals hij dat bij zijn meester gewoon +was. En toen Bob hem een paar stukjes brood toewierp, +konden wij duidelijk opmerken, dat hij Bob als een goed +vriend begon te beschouwen, want hij volgde hem +overal, waar hij liep, althans voor zoover zijn touw hem +dat toeliet.</p> + +<p>Maar het was er Bob om te doen, dat hij op het vaatje +zou gaan staan, wat hij voor zijn meester somtijds ook +moest doen.</p> + +<p>»Allo! Ho — hop! Op! Op!» riep hij den beer toe, +en weer begon hij op de occarino te spelen. Eerst +huppelde de beer nog eenigen tijd rond, en toen, waarlijk, +daar naderde hij het vaatje en zette er een poot op. +Toen den tweeden poot, daarna voorzichtig den derden +en eindelijk stond hij er geheel op.</p> + +<p>Een uitbundig gejuich uit wel vijftig jongensmonden<span class="pagenum"><a name="Page_149" id="Page_149">[149]</a></span> +was zijn loon, en de beer, die zich daardoor naar het +scheen, gestreeld gevoelde, begon op de maat van Bobs +muziek, zoo goed en zoo kwaad dat ging, op het vaatje +te dansen. Dat had hij niet moeten doen, want daarvoor +was de bodem te zwak. Plotseling hoorden wij een gekraak, +de vier pooten zakten naar beneden, en daar rolde de beer +onderste-boven. Och, och, wat maakte hij eene vreemde +buiteling, en wat deed hij wanhopige pogingen, om zijne +pooten uit hun kluister te bevrijden. Doch dat gelukte +hem niet, want zij zaten in de kleine ruimte stijf tegen +elkander gedrukt. Hij kon er geen beweging in krijgen.</p> + +<p>Wat hadden wij verbazend veel pret. Ons joelen klonk +over het geheele dorp!</p> + +<p>De beer werd hoe langer hoe wilder, en toen het arme +dier daar zoo hulpeloos lag, werd Pieter-neef hoe langer, +hoe moediger. Hij ging vlak bij den beer staan en sloeg +hem met zijn stok.</p> + +<p>Maar o hemel, daar vlogen de duigen van het tonnetje +opeens krakend uit elkander, en sprong de beer onder luid +gebrom overeind, vlak voor Pieter-neef, die van angst +en schrik zijne bezinning geheel kwijt raakte en stokstijf +bleef staan.</p> + +<p>»Ga achteruit! Ga achteruit!» schreeuwden wij hem toe, +want wij dachten niet anders of hij zou verscheurd worden.</p> + +<p>Hij gehoorzaamde werktuiglijk. Zonder zijn starenden +blik van het dier af te wenden, liep hij voetje voor voetje +achteruit, gevolgd door het beest, dat met wijd geopenden +muil een vervaarlijk gebrom uitstiet. De haren rezen ons +ten berge van schrik.<span class="pagenum"><a name="Page_150" id="Page_150">[150]</a></span></p> + +<p>Opeens kon Pieter-neef niet verder, want hij werd +gestuit door een lantaarnpaal, waar hij met den rug +tegen terecht kwam. De beer kon niet verder van het +touw. Toen sprong hij met reuzenkracht op en krak — het +touw brak en de beer was los. Dat gaf een ontzettenden +schrik onder den jongenstroep. Onder den kreet +»De beer is los! De beer is los! De beer is los!» sloegen +allen op de vlucht.</p> + +<p>Neen, allen niet, want Pieter-neef kon niet. Hij stond +met den rug tegen den lantaarnpaal en durfde geen voet +verzetten. De beer liep brommend om hem heen. En Bob +ook niet. Die meende eens heel slim te handelen, door +met zijne gewone behendigheid in den grooten eikeboom +te klimmen, die midden op het marktplein stond.</p> + +<p>Och, och, wat zag die Pieter doodsbleek. Wij zagen, +hoe hij beefde van schrik en ontsteltenis. En de beer liep +voortdurend met kleine pasjes om hem heen, terwijl hij +hem aan alle kanten besnuffelde.</p> + +<p>Ik geloof, dat Pieter op dat oogenblik wel voor hem +op de knieën had willen vallen, als dat had kunnen baten.</p> + +<p>»Help! Help!» klonk de kreet van de verschrikte +jongens, die op een eerbiedigen afstand stonden af te +wachten, wat er verder gebeuren zou. Niemand van hen +twijfelde er aan, of Pieter zou straks door het geplaagde +dier worden aangegrepen en — opgepeuzeld.</p> + +<p>Alleen Bob gevoelde zich boven in den top van den +eikeboom volkomen veilig en zeer goed op zijn gemak.</p> + +<p>»Ga op de vlucht!» riep hij Pieter toe, die nog altijd +tegen den lantaarnpaal stond.<span class="pagenum"><a name="Page_151" id="Page_151">[151]</a></span></p> + +<p>»’k Durf — niet — o — help!» kreunde Piet.</p> + +<p>»Stel hem voor, de vredespijp met je te rooken,» +plaagde Bob, die schik in het geval begon te krijgen.</p> + +<p>»O — Bob!» was alles, wat Piet antwoordde.</p> + +<p>»Of sla hem met je stok op zijn kop, als zoo even!» +ging zijn plaaggeest voort.</p> + +<p>Nu hield de beer stand, vlak voor Pieter. Wij zagen, +hoe hij hem vlak in het bleeke gezicht keek. Pieter +staarde wederkeerig bruintje wezenloos in het gelaat. De +beer zag er op dat oogenblik inderdaad veel verstandiger +uit dan zijn slachtoffer.</p> + +<p>Och, wat beefde Pieter. De ruitjes van de lantaarn +hoorden wij er van rinkelen.</p> + +<p>O hemel!</p> + +<p>Daar verhief de beer zich, vlak voor Pieter, plotseling +op de achterpooten en wilde zijne klauwen op Pieters +schouders leggen.</p> + +<p>Van den schrik maakte Piet eene driftige beweging met +zijn hoofd in achterwaartsche richting, maar daar stond +de lantaarnpaal, en nu stootte hij zijn hoofd zoo hevig, +dat hij van den weeromstuit voorover buitelde en terecht +kwam — in de harige armen van den beer. Daar stonden +zij om zoo te zeggen snoet tegen snoet! ’t Was zulk +een bespottelijk gezicht, die twee elkander daar zoo innig +te zien omarmen, dat Bob van het lachen bijna uit den +boom buitelde.</p> + +<p>Pieter-neef gaf een schreeuw, die ons door merg en +been drong, en wij twijfdelden niet, of nu zou de beer +hem verslinden. O, welk een vreeselijk drama stelden<span class="pagenum"><a name="Page_152" id="Page_152">[152]</a></span> +wij ons daar reeds van voor. Griezelig in hooge mate, — maar +toch uiterst belangwekkend.</p> + +<p>Maar neen, wij hadden het mis. Pieters kreet wekte +in het teedere gemoed van den beer zeker zachtere +aandoeningen, dan waarvoor wij hem vatbaar achtten, +want hij keek hem even aan, liet hem daarna los, ging +weer op vier pooten staan en begon zich langzaam te +verwijderen. Pieter verwaardigde hij met geen enkelen +blik meer.</p> + +<p>Meer dood dan levend bracht deze zich, struikelend +en strompelend, bijna zonder te weten wat hij deed, in +veiligheid, en toen hij ver genoeg van den beer verwijderd +was, om hem niet meer te vreezen, zette hij het op een +loopen, zoo snel zijne voeten hem konden dragen. Loopen — loopen, +dat hij deed, o, ’t was potsierlijk. Wij schaterden +van het lachen, maar hij keek niet op of om. Hij +holde voort, de brug over, — naar huis. Wij hebben hem +den geheelen avond niet terug gezien.</p> + +<p>Intusschen ontstond er een verbazende oploop op het +marktplein, want het gerucht, dat de beer losgebroken +en de berenleider niet thuis was (voor zoover wij bij een +man als Flip van »thuis zijn» kunnen spreken) ging als +een loopend vuurtje door het dorp rond. Zelfs Jan van +der Vliet, dien wij na de treurige gebeurtenis van den +laatsten Zondagmorgen nog niet buiten hadden gezien, +kwam ook toeloopen. Maar tot mijne ergernis moest ik +opmerken, dat de meeste jongens niets met hem te maken +wilden hebben en hem alleen lieten staan. Ik zag, dat +hij de tranen in de oogen kreeg, en had veel medelijden<span class="pagenum"><a name="Page_153" id="Page_153">[153]</a></span> +met hem. Ik ging daarom naast hem staan en zeide:</p> + +<p>»Kijk eens, Jan, de beer is los, en Bob zit in den +eikeboom.»</p> + +<p>»Waar is zijn baas, Dorus?» vroeg Jan met een blijden +lach, omdat ik even vriendelijk jegens hem was als altoos, +en hij pinkte tersluiks de tranen weg, die zijn beide +oogen verduisterden.</p> + +<p>»Die is naar Haarlem,» zei ik. »Zie eens, wat komt +er een oploop.»</p> + +<p>»Ja, — geen wonder; maar waarom komt Bob den +boom niet uit? Een beer kan immers klimmen?»</p> + +<p>Hemel, ja, daar had ik niet aan gedacht. Als Bob nu +maar in vredesnaam stil bleef zitten, zoodat de beer +geen erg in hem kreeg, want anders kon het wel eens +bitter slecht met hem afloopen.</p> + +<p>»Je hebt gelijk, Jan,» zei ik angstig. »Maar hoe zou +Bob er uit moeten komen? Je ziet toch wel, dat de beer +voortdurend onder den boom heen en weer loopt?»</p> + +<p>»Ja, dat is waar. ’t Is een benauwd half elfje voor +hem, en ik zou niet graag in zijne plaats willen zijn.»</p> + +<p>»Ik ook niet, Jan.»</p> + +<p>»Kijk, daar komt Tip ook, de veldwachter. Hij heeft +waarlijk eene revolver in de hand. Zou hij hem dood +gaan schieten?»</p> + +<p>»Ik weet het niet. Dat zou jammer wezen van het +arme dier, want hij doet tot nog toe niemand kwaad.»</p> + +<p>»Ja, — en ook voor zijn meester, want die zou met +hem meteen zijne broodwinning verliezen,» merkte Jan op.</p> + +<p>Intusschen werd de oploop met de minuut grooter.<span class="pagenum"><a name="Page_154" id="Page_154">[154]</a></span></p> + +<p>Wel honderden menschen vormden een grooten cirkel +om het beweegbare middelpunt, dat gevormd werd door +den beer, die doodkalm onder den boom heen en weer +bleef loopen. ’t Was aardig te zien, welk eene golving +er onder al die menschen kwam, als de beer zich eens +wat verder van den boom verwijderde.</p> + +<p>Dan ontstond er eene geweldige opschudding en onder +den kreet: »De beer komt! De beer komt!» sloegen zij +op de vlucht.</p> + +<p>Eindelijk verscheen ook de burgemeester op het marktplein. +Hij ging regelrecht naar Tip, dien hij met gefronste +wenkbrauwen en een toornigen blik aanzag, en +zeide op boozen toon:</p> + +<p>»Daar hebben wij het leven nu al gaande, Tip. ’t Is +me wat moois, — dat afschuwelijke beest hier midden +op het dorp.»</p> + +<p>»Ja burgemeester!» zei Tip, die er met zijne revolver +in de hand verbazend krijgshaftig en moorddadig uitzag.</p> + +<p>»Is die man nog niet thuis?»</p> + +<p>»’k Weet het niet, burgemeester. Wil ik het even +vragen? De beer is er nu niet dichtbij.»</p> + +<p>»Ja, — ga het vragen!» gebood de burgemeester, doch +opeens van gedachten veranderende, vervolgde hij:</p> + +<p>»Of neen, wacht even, ik zal het zelf doen. Houd jij +intusschen dat beest goed in het oog, terwijl ik bij den +wagen sta. Begrepen?»</p> + +<p>Tip sloeg aan en zeide dapper:</p> + +<p>»Verlaat u op mij, burgemeester. Ik zal over u waken. +Ga gerust.»<span class="pagenum"><a name="Page_155" id="Page_155">[155]</a></span></p> + +<p>De burgemeester, die aan de menschen eens wilde toonen, +dat hij volstrekt niet bang was, baande zich een weg +door den kring en ging met groote schreden op den +wagen af. Maar zie, daar kreeg plotseling bruintje het in +zijn hoofd, om ook naar den wagen te gaan, wat voor +den burgemeester een allesbehalve aangenaam voornemen +was. Inderdaad was hij niet bang van aard, maar om +ongewapend een beer tegemoet te gaan als dat strikt +genomen niet noodig is, achtte hij te veel gevergd, en +hij keerde daarom, tot groot vermaak van de omstanders, +naar Tip terug.</p> + +<p>Nu klonk dat lachen den burgemeester in het geheel niet +aangenaam in de ooren, want het scheen wel, of de menschen +hem uitlachten, en die gedachte maakte hem erg boos.</p> + +<p>»Tip!» gebood hij kortaf, »ga dat beest grijpen en +vastbinden!»</p> + +<p>»Jawel, burgemeester,» zei Tip, op militaire wijze de +hand aan de pet brengende.</p> + +<p>Maar Tip was vlugger met beloven dan met doen; +hij talmde zoo lang, dat de burgemeester kortaf tot hem +zeide:</p> + +<p>»Je hebt mijn bevel toch verstaan, Tip?»</p> + +<p>Tip krabde zich verlegen achter het oor en hield +den blik met eene eigenaardige uitdrukking, die veel +op angst geleek, op den beer gericht. Nu durfde hij +in het geheel niet bekennen, dat hij bang was, maar +tevens was hij vast besloten, het bevel van zijn meester +in geen geval op te volgen. Om tijd te winnen, zeide +hij, bij wijze van waarschuwing:<span class="pagenum"><a name="Page_156" id="Page_156">[156]</a></span></p> + +<p>»Ik ga, burgemeester, — maar als hij nu eens voor mij +op de vlucht gaat en zich op de menschen werpt? Wat +dan, burgemeester? Ik zou in een dergelijk geval niet +voor de gevolgen durven instaan. Niet dat ik bang ben, +in het geheel niet, burgemeester, maar ziet u, we moeten +toch altoos zorgen, dat de openbare veiligheid geen +gevaar loopt.»</p> + +<p>»Je hebt gelijk, Tip. Dat die akelige Flip nu ook juist +niet thuis is. Tip! Ik wil dat beest niet langer hier +midden in het dorp hebben, — begrepen, Tip!»</p> + +<p>»Ik zal er voor zorgen, burgemeester,» zei Tip, die +verbazend in zijne nopjes was, dat hij van de opdracht, +om den beer te vangen, ontslagen was.</p> + +<p>»Zie Tip, daar gaat hij weer naar den boom. Ga jij +nu naar den wagen, en vraag aan die vrouw, of Flip nog +niet haast thuis komt.»</p> + +<p>»Ja wel, burgemeester.»</p> + +<p>Tip stapte uit den kring en ging, met zijne revolver +gewapend, op den wagen af. O, wat nam hij groote +stappen, en wat keek hij schuin naar bruintje. De menschen +schoten allen in een lach, tot groote ergernis van Tip.</p> + +<p>Om eens duidelijk te toonen, dat hij volstrekt niet bang +was, zette hij een verbazend hooge borst, en bleef een +oogenblik doodkalm, naar het scheen, in den kring staan, +spelende met het wapentuig, dat hij in de hand hield. +Bijna was het hem gelukt, den menschen in den waan +te brengen, dat hij een buitengewone held was, die zich +door eene kleinigheid als een losgebroken beer volstrekt +geen angst liet aanjagen, toen plotseling het beest hem<span class="pagenum"><a name="Page_157" id="Page_157">[157]</a></span> +in het oog kreeg en met hooge sprongen spelende op +hem af kwam.</p> + +<p>O hé, daar zakte de hooge borst in en verdween de +moedige trek op Tips gelaat. Op het volgende oogenblik +zette Tip, met revolver en al, het op een loopen, zoo hard +hij kon. De beer keerde bedaard naar den boom terug. +Wat werd die arme Tip uitgelachen! En toch was hij +niets banger dan iemand van de omstanders, want allen +hielden zich op een eerbiedigen afstand.</p> + +<p>Bob, die zich in den top van den hoogen boom volkomen +veilig achtte, had er ook niet weinig pret in, en +begon te zingen:</p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„O moeder, de beer is los;<br /></span> +<span class="i0">Hoor dat beest eens brullen!<br /></span> +<span class="i0">Snijd hem neus en ooren af,<br /></span> +<span class="i0">Dan hebben wij wat te smullen!”<br /></span> +</div></div></div> + +<p>Wij hoorden hem nauwelijks, of wij begonnen dapper +meê te zingen, tot groote pret van Bob. Maar de beer +had ons Bobje nu ook opgemerkt en — vlug als eene kat +klauterde hij den boom in.</p> + +<p>Dat vond Bob allesbehalve prettig, en wij zagen het +allen ook met angst aan.</p> + +<p>»Hij klimt in den boom! Hij klimt in den boom! Hij +zal Bob verscheuren!» klonk het van alle kanten, en de +burgemeester vond het meer dan tijd, om een einde aan +de zaak te maken.</p> + +<p>»Tip, schiet dat beest dood!» gebood hij. »Spoedig, of +het kost een menschenleven.»<span class="pagenum"><a name="Page_158" id="Page_158">[158]</a></span></p> + +<p>»Jawel, burgemeester,» zei Tip.</p> + +<p>Beiden begaven zich nu onder den boom. De beer +klauterde rustig steeds hooger, tot grooten schrik van +Bob, die het hoogste punt al had bereikt.</p> + +<p>»Schiet hem dood!» herhaalde de burgemeester.</p> + +<p>Maar Tip had niet veel lust om te schieten, want hij +wist, dat hij op de revolver volstrekt geen meester was.</p> + +<p>»Als ik misschiet, komt het beest stellig op mij af,» +dacht hij bij zichzelven, maar hij zeide het niet en zag +er weer zeer dapper uit.</p> + +<p>»Schiet dan!» gebood de burgemeester. »Straks heeft +hij dien jongen bereikt, en dan is het te laat! Schiet!»</p> + +<p>Tip legde aan, maar het wapen beefde hem in de hand +en hij durfde niet schieten.</p> + +<p>»Je beeft, Tip! Je bent een lafaard!» zei de burgemeester.</p> + +<p>»Maar — als ik misschiet, mijnheer de burgemeester, +en in plaats van den beer den jongen tref — wat dan?»</p> + +<p>»Je bent een lafaard, Tip!» herhaalde de burgemeester.</p> + +<p>»Klim in den boom en snel den jongen te hulp! +Dadelijk! Ik gebied het je, Tip!»</p> + +<p>Tip begon te klimmen, maar of de stam te dik voor +hem was, of dat hij al wat stijf begon te worden, weet +ik niet; zeker is het, dat Tip bleef waar hij was, aan +den voet van den boom.</p> + +<p>Intusschen volgden honderden oogen in den grootsten +angst den beer op zijn tocht naar boven. Bob kon zich +onmogelijk redden. Hij kon niet hooger — en niet lager +ook. Zooals hij ons later vertelde, verkeerde hij op dat<span class="pagenum"><a name="Page_159" id="Page_159">[159]</a></span> +oogenblik in doodsangst, tot hem plotseling een eenvoudig +middel tot redding in de gedachten kwam.</p> + +<p>De beer had thans den tak bereikt, waarop Bob zich +bevond. Bob meende dat zijn laatste oogenblik gekomen +was, toen hij opeens bemerkte, dat de beer hem in het +geheel niet onvriendelijk aankeek. Daar herinnerde Bob +zich dat hij nog een stuk brood voor den beer in den zak +had; en nauwelijks had hij dat bedacht, of hij haalde het +te voorschijn en stak het hem toe. Bruintje at het met +graagte op en liet een zacht gesnor hooren, als om hem +te bedanken.</p> + +<p>Bob begreep, dat hij van dit oogenblik gebruik moest +maken, om zich in veiligheid te brengen. »Die waagt, die +wint!» mompelde hij. Hij greep den beer bij het afgebroken +touw, blies een kort deuntje op zijne occarino, en +zei toen met gebiedende stem:</p> + +<p>»Hallo! Hop! Terug! Hallo! Terug! Hallo!» Meteen +rukte hij aan het touw, zooals hij den berenleider had +zien doen, als hij den beer iets gebood.</p> + +<p>Inderdaad — het beest gehoorzaamde, zooals hij dat +bij zijn meester gewoon was. En nauwelijks bemerkte +Bob, dat de beer ontzag voor hem had, of hij klom naar +omlaag, den beer steeds bij het touw vasthoudende.</p> + +<p>»Hallo! Hallo! Hop! Hop!» klonk het uit den boom, +en alle menschen hielden zich doodstil, om te zien, hoe +dit af zou loopen.</p> + +<p>Daar kwam bruintje naar beneden klauteren, gevolgd +door Bob, die niet weinig trotsch op zijne heldendaad was. +Nu hadden zij den grond weer bereikt.<span class="pagenum"><a name="Page_160" id="Page_160">[160]</a></span></p> + +<p>Bob blies op zijne occarino.</p> + +<p>»Hallo! Op! — Op!» gebood hij.</p> + +<p>En zie, onder een daverend gejuich van de toeschouwers +ging bruintje op zijne achterpooten staan en begon te +dansen. Bob voerde den dansenden kolos langzaam naar +den wagen, bond vlug de einden van het touw stevig +aan elkander, wierp den beer het laatste stukje van zijn +brood toe, — en ging bedaard heen.</p> + +<p>»Hoera voor Bob,» riep ik vol bewondering uit.</p> + +<p>En plotseling klonk het over het geheele marktplein, +en ik moet zeggen, dat oud en jong meêdeden, uit volle +borst:</p> + +<p>»Hoera! Hoera voor Wilden Bob! Hoera voor Bob!»</p> + +<p>Juist op dat oogenblik kwam de berenleider uit de +stad terug. De burgemeester trad dadelijk op hem toe.</p> + +<p>»Kunt ge dat beest niet beter vastleggen? Hij brengt +het geheele dorp in beroering en maakt het hier in +hooge mate onveilig.»</p> + +<p>Flip nam eerbiedig de pet van het hoofd, en zeide:</p> + +<p>»’t Beest is niet gevaarlijk, mijnheer de burgemeester.»</p> + +<p>»Niet gevaarlijk! Wilt ge nu praatjes gaan verkoopen? +’t Is toch een verscheurend dier?»</p> + +<p>»In naam, ja burgemeester, maar inderdaad heeft hij +nog nooit vleesch geproefd. Ik heb hem zelf opgefokt, +mijnheer de burgemeester, maar hij heeft nooit anders +dan brood van me gehad. Dat is de waarheid!»</p> + +<p>»Zoo, — nu, dat kan mij niet schelen. ’t Is een gevaarlijk +dier, een hoogst gevaarlijk dier. Indien ge hem niet +beter kunt vastleggen, moet ge morgen bij zonsopgang<span class="pagenum"><a name="Page_161" id="Page_161">[161]</a></span> +uit het dorp vertrekken. Dan kan ik u hier geen langer +verblijf toestaan. Hebt ge dat goed begrepen?»</p> + +<p>»Ik zal hem aan den ketting leggen, mijnheer de burgemeester, +en ik sta er u borg voor, dat hij niet meer +loskomt.»</p> + +<p>»Doe dat, — en wees gewaarschuwd,» zei de burgemeester +heengaande. Tip volgde hem met lang geen +opgeruimd gelaat. Hij begreep wel, dat hij in het geheel +geen kranig figuur gemaakt had.</p> + +<p>Maar Bob was onder ons, jongens, een held geworden +van het zuiverste water. Wij hadden den diepsten eerbied +voor hem gekregen en achtten hem tot de grootste +heldendaden in staat.</p> + +<p>En heel ver hadden we dat niet mis. Maar Pieter-neef +hebben we den volgenden dag geducht uitgelachen, en +dat had hij ook wel verdiend.</p> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_162" id="Page_162">[162]</a></span></p> + +<p class="str"> </p> + +<h2>Tiende Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Een Zaterdag, die voor Jan van der Vliet verdrietig begon<br /> +en prettig eindigde. Hoe mijnheer Denappel ons onthaalde,<br /> +Bob eene edelmoedige daad verrichtte en<br /> +Tines Wobbe met een pijnlijk oorbelletje<br /> +getooid werd.</p> + + +<p>Den volgenden dag was het Zaterdag, — de Zaterdag +waarop wij onzen wedstrijd op stelten zouden houden bij +den Heer Denappel. Wat stelden wij ons veel genot +van dat feestje voor.</p> + +<p>’s Morgens moest ik natuurlijk eerst mijn huiswerk +afmaken en mijn gewonen tocht naar het orgel doen. +Bob liet mij gelukkig dezen keer met rust, want hij vermaakte +zich met Karel Holm en Pieter-neef (die van +zijne Mama meer en meer verlof begon te krijgen, om +met de dorpsjongens om te gaan) op de markt bij den +kermiswagen.</p> + +<p>Toen ik met mijn huiswerk gereed was, ging ik Jan +van der Vliet afhalen, die als gewoonlijk, den blaasbalg<span class="pagenum"><a name="Page_163" id="Page_163">[163]</a></span> +voor mij zou trappen. Ik vond Kees en Trijn aan de tafel +zitten, moedeloos en bleek. Ik zag, dat Trijn tranen in de +oogen had en dat zij in dien korten tijd zeer afgevallen +was. Ik groette beleefd en vriendelijk, zooals altoos, en +zei, dat het mooi weertje was, want iets anders wist ik +niet te zeggen, en Kees zei ook, dat het mooi weertje +was. Verder werd er niet gesproken, want Jan was spoedig +gereed om mij te vergezellen.</p> + +<p>Eerst sprak Jan ook niet, maar toen wij dicht bij den +koster waren, zei hij op eens:</p> + +<p>»Ik wou, dat ik dood was!»</p> + +<p>En meteen begon hij te schreiën.</p> + +<p>Ik wist niet, wat ik zeggen moest, en zei daarom niets.</p> + +<p>»Ja, — dood!» herhaalde Jan. »O Dorus, je weet niet +hoe treurig het bij ons in huis is. Vader zit den ganschen, +langen dag stil bij de tafel, zonder een woord te spreken, +en Moeder doet niets dan schreien, — schreien van den +morgen tot den avond. En als ik ’s nachts wakker word, +hoor ik haar ook nog dikwijls snikken. En toch zijn Vader +zoowel als Moeder onschuldig, Dorus! Als zij dat niet +waren, zou ik het toch moeten weten, niet waar?»</p> + +<p>»Ja, dat denk ik ook, Jan,» zei ik.</p> + +<p>»Zeker, dat zou ik,» vervolgde Jan. »Dan zou ik het +weten. Maar Vader en Moeder zeggen, dat zij het niet +gedaan hebben, en ik hoor hen er samen wel over praten, +als ik op bed lig en als zij denken, dat ik slaap. En +dan hoor ik het ook, dat zij onschuldig zijn, en dat het +geld bepaald met voordracht onder onze deur geschoven +is, om zoo de verdenking op ons te doen vallen. O, ’t<span class="pagenum"><a name="Page_164" id="Page_164">[164]</a></span> +is afschuwelijk, Dorus, en ik kan het bijna niet langer +aanzien, dat Moeder wegkwijnt van verdriet. Ik wou, +dat ik dood was, Dorus.»</p> + +<p>Wij stonden beiden stil, dicht bij het kostershuis.</p> + +<p>»Dood zijn, Jan?» zei ik. »Dat is het ergste van alles. +Neen, je moet den moed niet laten zakken, en probeeren +je ouders te troosten. Als zij onschuldig zijn, zal dat +eenmaal blijken.»</p> + +<p>»Ach ja, ’t is wel vriendelijk van je, Dorus, om dat te +zeggen, maar eergisteren zijn Vader en Moeder voor den +Officier van Justitie geweest, en die heeft hen ondervraagd, +en zij konden best aan hem merken, dat hij niet aan +hunne onschuld geloofde. En ’t is ook waar, dat zij den +schijn tegen zich hebben, — dat moet ik zelf zeggen. Ik +geloof, dat het slecht zal afloopen, Dorus.»</p> + +<p>»Je kunt niet weten, hoe het nog uitkomt,» zei ik. +»Maar willen we nu de sleutels gaan halen?»</p> + +<p>Zwijgend gingen wij verder. De koster was in den +tuin aan het werk, en Arie de Zwaan zat op een bankje +achter het huis.</p> + +<p>»Zoo, kom je de sleutels halen?» vroeg hij aan mij. En +Jan aanziende vervolgde hij met een grijnslachje, dat hem +erg leelijk maakte:</p> + +<p>»Wel kijk, daar hebben we Jan van de dievenfamilie +ook. Je moogt wel op je porte-monnaie passen, Dorus.»</p> + +<p>Ik zag, dat Jan doodsbleek werd en de vuisten balde.</p> + +<p>»Dat is laster, — gemeene laster!» siste hem tusschen +de lippen door.</p> + +<p>»Kijk, kijk zoo’n klein kereltje zich al eens boos maken,»<span class="pagenum"><a name="Page_165" id="Page_165">[165]</a></span> +lachte Arie sarrend. »Niets uit de kerk meênemen, hoor +kleine langvinger.»</p> + +<p>»Kom Jan, laten we gaan,» zei ik, want ik had medelijden +met hem.</p> + +<p>Maar Jan wilde niet. Zonder een woord te spreken +vloog hij op Arie toe, krabde hem in het gelaat, en +schopte en sloeg hem overal, waar hij hem raken kon. +De arme jongen huilde van verontwaardiging, nu hij zóó +over zijne ouders hoorde spreken.</p> + +<p>Dat viel Arie tegen en het deed hem zeker veel pijn. +Want hij stond driftig op en wierp Jan met een ruk +achterover op de straat, en hij keek heel boos.</p> + +<p>»Jou kleine adder!» riep hij Jan toe, »die grappen zal +ik je afleeren!»</p> + +<p>Hij kwam met groote schreden op Jan af, maar ik +plaatste mij tusschen hen en duwde Jan voort. De strijd +was veel te ongelijk. Hoe zou Jan het kunnen uithouden +tegen een volwassen man als Arie de Zwaan?</p> + +<p>»We zullen op je letten, kleine langvinger, pas op, dat +je niets mee neemt uit de kerk!» riep Arie hem nog +na. »Wij weten te goed, dat het muist wat van de +katten komt.»</p> + +<p>»Laat hem praten, Jan, en stoor er je niet aan,» zei +ik, om Jan te troosten.</p> + +<p>»De valschaard! Wat denkt hij wel? Maar bang ben +ik niet van hem!» zei Jan schreiend om den hoon, die +zijn ouders was aangedaan.</p> + +<p>Wij gingen nu de kerk binnen, en ik begon te spelen. +Maar Jan kwam niet bij me staan, zooals hij gewoonlijk<span class="pagenum"><a name="Page_166" id="Page_166">[166]</a></span> +deed. Hij bleef op de trappers en telkens hoorde ik hem +snikken. Hij was geheel en al in de war.</p> + +<p>Ook mijne aandacht was niet bij het spel. Telkens +moest ik aan die arme menschen denken, die onder zoo +ontzaglijk veel verdriet gebukt gingen en toch geheel +onschuldig waren. Want daaraan twijfelde ik, na Jans +woorden, niet langer.</p> + +<p>Ik was blij, toen mijn studietijd om was en ik naar huis +kon gaan. De sleutels bracht ik alleen terug, want ik +vond het beter, dat Jan maar niet meeging. Dat vond +hij trouwens zelf ook beter.</p> + +<p>»Doe je straks mede aan den wedstrijd?» vroeg ik hem +onder het naar huis gaan.</p> + +<p>»Ik moest maar thuisblijven,» zei hij met een diepen +zucht. »Veel lust heb ik er nu toch niet in, nu wij zooveel +narigheid hebben, en de jongens zien mij liever niet +dan wel.»</p> + +<p>»Dat geloof ik niet,» zei ik, om hem te troosten, maar +ik wist, dat het waar was.</p> + +<p>»Zeg dat niet, Dorus, ik heb het gisteren zelf gezien. +Jij alleen bent net als altijd, Dorus, en dat vind ik mooi +van je. Dat zal ik nooit vergeten.»</p> + +<p>»En Bob dan? — En Karel Holm?» vroeg ik. »Zij +zullen je ook niet uit den weg gaan.»</p> + +<p>»Neen hoor, — daar kun je op rekenen, Jan!» hoorden +wij plotseling eene stem zeggen van achter eene haag, +die langs den weg stond. En toen we goed toekeken, +zagen we Bob, die daar stil was weggekropen, om ons +af te wachten. Hij kwam nu te voorschijn.<span class="pagenum"><a name="Page_167" id="Page_167">[167]</a></span></p> + +<p>»Kom jij maar gerust, hoor Jan, en als er één jongen +is, die het je lastig maakt, krijgt hij met mij te doen!»</p> + +<p>Die woorden kwamen er zoo gul uit, dat het mij in +mijn hart goed deed. En Jan klaarde er ook heelemaal +van op.</p> + +<p>»Zou ik het doen?» vroeg hij weifelend, en wij zagen +duidelijk, hoe graag hij wilde.</p> + +<p>»Zeker, — doen!» zei Bob op zijn beslisten toon. »Als +je het niet doet, dan ben ik boos op je. Ik kom je +afhalen, hoor Jantje, tot straks!»</p> + +<p>Dat was fideel van Bob.</p> + +<p>»Ik ook!» riep ik Jan nog na, die al op den Achterweg liep.</p> + +<p>»Goed. — Ik doe meê!» klonk zijn antwoord.</p> + +<p>Wij hielden woord.</p> + +<p>Bob en ik haalden Jan af en met ons drieën stapten +we, op stelten natuurlijk, den Achterweg op, waar wij de +jongens in de verte al hoorden joelen.</p> + +<p>Ha, de vlaggen wapperden vroolijk in den wind! Wat +was dat een mooi gezicht. Wij huppelden bijna op onze +stelten van pleizier, en zelfs Jan werd er vroolijk van.</p> + +<p>»Wat is mijnheer Denappel toch vriendelijk!» zei hij +opgetogen. »’t Is een man, zooals er maar weinig zijn.»</p> + +<p>Dat waren wij volkomen met hem eens. Wij zagen hem +in de verte al druk rondloopen, om alles in orde te brengen.</p> + +<p>»Aan elk einde van de baan staat zeker eene vlag,» +zei Bob. »Jongens, wat ben ik nieuwsgierig, wie den +prijs zal winnen.»</p> + +<p>»Jij natuurlijk,» zei Jan.</p> + +<p>»Ja, of Tines Wobbe,» zei Bob. »Die kan het ook vlug.»<span class="pagenum"><a name="Page_168" id="Page_168">[168]</a></span></p> + +<p>»Doet Pieter niet meê?» vroeg ik.</p> + +<p>»Ja, hij is er al. Pa heeft hem een paar nieuwe stelten +cadeau gegeven, waar hij heel blij mede was. Maar winnen +zal hij het wel niet, want hij kan het nog niet vlug. +Doch dat hindert niets; hoe meer zieltjes, hoe meer vreugd, +zeg ik maar.»</p> + +<p>Wij hadden nu de kampplaats bereikt, waar eene buitengewone +drukte heerschte. Zoo doodsch en stil als het +gewoonlijk op dit gedeelte van den Achterweg was, zoo +levendig was het er thans. De jongens, allen op stelten, +liepen en sprongen door elkander heen; hun lachen en joelen +klonk ver in het rond en de vlaggen wapperden vroolijk.</p> + +<p>Opeens werd het stil onder den troep, want Tines Wobbe +zei op luiden toon, zoodat iedereen het verstaan kon, en +met een minachtenden trek op het gelaat:</p> + +<p>»Moet hij ook meêdoen?»</p> + +<p>Bij die woorden wees hij op Jan van der Vliet, en de +wijze, waarop hij dat woordje <em>hij</em> uitsprak, deed ons +allen pijn. Ik zag, hoe Jans vroolijkheid ineens verdween +en dat hij bleek werd van schaamte. Juist wilde ik voor +hem in de bres springen, toen Bob van zijne stelten +stapte en vlak voor Tines ging staan.</p> + +<p>»Ja, Tines Wobbe, hij zal ook meêdoen. Ik wil hopen +dat je daar niets tegen hebt?»</p> + +<p>»Als hij meêdoet, ga ik naar huis!» zei Tines, en +smalend liet hij er op volgen: »Met zulk volk houd ik +mij niet op. Ik denk, dat mijnheer Denappel er ook +niet op gesteld zal zijn, dat hij aan den wedstrijd deelneemt.»<span class="pagenum"><a name="Page_169" id="Page_169">[169]</a></span></p> + +<p>»Dus als Jan meedoet, zullen we van jou gezelschap +verstoken zijn, Tines Wobbe?» vroeg Bob. »Wel, jongen, +ga dan maar dadelijk naar huis, want Jan blijft hier en +doet ongetwijfeld meê. Ik ben het overigens volkomen +met je eens, dat jij veel te goed voor hem zijt, dus — dag +Tines!»</p> + +<p>Bob nam zijn hoed voor Tines af en maakte eene diepe +buiging voor hem, waarom wij allen moesten lachen.</p> + +<p>»Dat zou jij wel willen, hê Bob?» zei Tines, die er +toch eigenlijk niet veel lust in had, om den wedstrijd in +den steek te laten. »Dan was jij vrij zeker van den prijs!»</p> + +<p>»Juist, Tines. Praat nu maar niet langer, en ga heen. +Dag Tines!»</p> + +<p>»Voor jou ga ik niet, Bobbertje. Jij hebt hier niets +te zeggen, voor zoover ik weet.»</p> + +<p>Nu was Bobbertje een naam, dien Bob alleen maar +door zijne beste vrienden kon hooren uitspreken. Zoodra +het een scheldnaam werd, ergerde hij er zich vreeselijk aan.</p> + +<p>»Bobbertje!» zei hij driftig. »Zeg dat nog eens, als +je durft!»</p> + +<p>»Dat durf ik wel, Bobbertje!» zei Tines sarrend.</p> + +<p>Flap! Daar kreeg hij een klap om zijne ooren, dat het +klonk als eene klok.</p> + +<p>Flap! Daar kreeg Bob er een terug, die ook niet +mis was.</p> + +<p>’t Werd eene formeele vechtpartij. Gelukkig, dat juist +op dit oogenblik mijnheer Denappel verscheen en de +vechtenden scheidde.</p> + +<p>»Ho, ho, vgiendjes, wat is hieg te doen?» vroeg hij<span class="pagenum"><a name="Page_170" id="Page_170">[170]</a></span> +vriendelijk. »Mag ik eg jelui aan heginnegen, dat ik je +niet uitgenoodigd heb, om hieg te komen vechten? Je +bent abuis, vgiendjes, geheel abuis. We zijn hieg bij +elkandeg gekomen, om een pgettigen wedstgijd op stelten +te houden. Was je dat veggeten?»</p> + +<p>Bob en Tines lieten elkander los, en Bob zeide:</p> + +<p>»Ja mijnheer, dat weet ik wel, maar Tines....»</p> + +<p>»Wel kijk, daag hebben wij onzen vgiend van deg +Vliet ook. Daag ben ik zeeg blij om, zeeg blij. Geef +mij de hand, jongen.»</p> + +<p>O, wat werd Jan verheugd bij die hartelijke woorden, +en wat keek Tines Wobbe leelijk op zijn neus. Wij hadden +er groote pret van.</p> + +<p>»En nu niet meeg vechten, hoog. Komt, jongens, ’t +is tijd om te loten. Maag eegst mag ik jelui zekeg wel +tgakteegen op een glaasje heeglijken appelwijn?»</p> + +<p>»Wat graag, mijnheer, wat graag!» klonk het rondom, +en allen gingen wij mede naar den tuin, waar een paar +tafeltjes en eenige banken voor ons gereed stonden. Ook +was daar een groote glazen kom, waarin mijnheer Denappel +de nummers deed, netjes opgerold en in een ringetje +gestoken, opdat alles eerlijk in zijn werk zou gaan. +Zoodra wij den appelwijn genoten hadden, begon de +loting. Dat was een gewichtig oogenblik, want van de +loting hing heel veel af. Wij waren met ons twaalven; +niet, dat het aantal jongens niet grooter was; o ja, er +waren er wel vijftig, maar de anderen waren nog te +jong, om aan den wedstrijd deel te nemen. Zij waren +alleen maar toeschouwers, en verhoogden als zoodanig de<span class="pagenum"><a name="Page_171" id="Page_171">[171]</a></span> +feestvreugde niet weinig. Ook waren zij wel terdege de +gasten van mijnheer Denappel, evengoed als wij. Als er +appelwijn geschonken werd, of als er taartjes gepresenteerd +werden, waren zij er bij als de kippetjes.</p> + +<p>Hier volgt het lijstje van de nummers, die getrokken +werden:</p> + +<div class="centered"><ol> +<li>Pieter van Koorde.</li> +<li>Jan van der Vliet.</li> +<li>Adriaan Bolt.</li> +<li>Tines Wobbe.</li> +<li>Huibert de Leeuw.</li> +<li>Dorus Volmaar.</li> +<li>Karel Holm.</li> +<li>Bob de Wild.</li> +<li>Cor Valk.</li> +<li>Dirk Langeraar.</li> +<li>Arie Kooy.</li> +<li>Karel Buurs.</li> +</ol></div> + +<p>Ik had het vrij goed getroffen, want Huibert de Leeuw +was niet bijzonder vlug op de stelten, zoodat ik het +gemakkelijk van hem winnen kon. Maar Jan van der +Vliet was nog veel gelukkiger geweest, want Pieter van +Koorde kon er maar weinig van, terwijl Jan er juist +tamelijk vlug op was. Voor Bob en Karel was het erg +jammer, dat zij juist tegen elkander moesten loopen, +hoewel het moeilijk vooruit te zeggen was, wie van hen +het winnen zou. Bob was er iets vlugger op dan Karel, +dat is waar, maar als Bob het ongeluk had te vallen, +was hij verloren.<span class="pagenum"><a name="Page_172" id="Page_172">[172]</a></span></p> + +<p>»Komt jongens, we gaan beginnen!» riep mijnheer +Denappel, toen hij onze namen in volgorde opgeschreven +had. »Wie twee gitten veglogen heeft, is dood, — goed +begepen?»</p> + +<p>»Best begrepen, mijnheer. Wij zijn klaar.»</p> + +<p>»Numego 1 en 2!» riep mijnheer Denappel, zich bij +de vlag plaatsende aan het begin van de baan. Aan het +andere einde, waar de vlag een seinpaal vormde, stond +een van zijne bedienden, die na elken rit de vlag zou +doen zwenken naar den kant van den winner.</p> + +<p>Pieter van Koorde en Jan van der Vliet stonden gereed.</p> + +<p>»Een — twee — dgie!» riep mijnheer Denappel, en +bij den derden tel ging het voorwaarts.</p> + +<p>Och, och, wat huppelde Pieter nog raar op die stelten, +en wij moesten er smakelijk om lachen, maar toch +vonden wij het flink van hem, dat hij meedeed.</p> + +<p>»Pieter-neef is zoo kwaad nog niet,» zei Bob vrij +eigenwijs, »als hij lang bij ons blijft, zal hij wel opknappen.»</p> + +<p>Een oogenblik later ging de vlag over naar de zijde +van Jan. Deze had het dus gewonnen, en Pieter kreeg +een streepje.</p> + +<p>»Numego dgie en vieg!» klonk het nu.</p> + +<p>Adriaan Bolt en Tines Wobbe waren nu aan de beurt.</p> + +<p>Nu, wij konden wel vooruit zeggen, wie van deze twee +het winnen zou, want tegen Tines Wobbe kon bijna +niemand loopen. De vlag maakte even later bekend, dat +wij goed gezien hadden, en Adriaan Bolt kreeg ook een +streepje.</p> + +<p>»Numego vijf en zes!»<span class="pagenum"><a name="Page_173" id="Page_173">[173]</a></span></p> + +<p>Nu was ik aan de beurt.</p> + +<p>»Niet al te hard, Dorus!» zei Huibert, »want dan +lachen ze me uit, als ik het zoo ver verlies.»</p> + +<p>»Je zult er met eere afkomen!» riep ik hem toe, en +inderdaad won ik het met slechts een kleinen voorsprong, +maar ik had ook bij lange na zoo hard niet geloopen, +als ik kon.</p> + +<p>Nu volgden Bob en Karel. Dat beloofde een mooien +toer, want zij konden het beiden best.</p> + +<p>»Een — twee — dgie!» riep mijnheer Denappel, en +daar gingen ze. O, o wat liepen die twee. ’t Scheen +bijna, of zij geen stelten onder de voeten hadden, en +langen tijd bleven zij precies gelijk. ’t Was prachtig, om +te zien.</p> + +<p>Tik, daar sloegen opeens de stelten van Bob tegen +elkander, Bob maakte eene buiteling, — en kreeg een +streepje.</p> + +<p>Toen kwamen Cor Valk en Dirk Langeraar, ook een +paar, dat aan elkander gewaagd was. Maar Cor Valk +won het toch, en van de laatste twee was Karel Buurs +de baas. Nu hadden wij allen èèn loop gedaan, en we +zouden aan den tweeden beginnen.</p> + +<p>»Maag eegst een taartje en een kleine vegfgissching.» +riep mijnheer Denappel ons toe. Ik geloof, dat de brave +man evenveel pret had als wij. En wat kwamen er een +toeschouwers. ’t Werd een feest van belang!</p> + +<p>Nu begon de wedstrijd nog belangwekkender te worden, +want wie thans weer een streepje kreeg, mocht niet +meer meêdoen.<span class="pagenum"><a name="Page_174" id="Page_174">[174]</a></span></p> + +<p>Pieter van Koorde was de eerste doode, en wij omringden +hem met ernstige gezichten, om hem te condoleeren. +Toen volgde Adriaan Bolt, en daarna Huibert +de Leeuw. Bob won den tweeden rit, zoodat hij en +Karel Holm er nu ieder een gewonnen hadden; zij +moesten dus nog eenmaal kampen. Datzelfde was het +geval met Cor Valk en Dirk Langeraar. Eindelijk kreeg +ook Arie Kooy zijn tweede streepje.</p> + +<p>Nu volgden de kampritten. Allen waren wij nieuwsgierig +naar den uitslag.</p> + +<p>»Numego acht en negen!» riep mijnheer Denappel.</p> + +<p>Karel en Bob stonden gereed, en nauwelijks hoorden +zij het woordje »dgie», of daar gingen zij. Ha, ’t was +een lust hen te zien gaan! Langen tijd bleven zij gelijk, +tot eindelijk Karel Holm een klein weinigje begon te +winnen. Wij rekten de halzen uit, om te zien, wie het +eerst bij den eindpaal zou zijn. Bob spande zich bovenmatig +in, maar Karel bleef voor, tot hij opeens struikelde +en viel. En nog vóor hij kon opstaan had Bob de vlag +bereikt en was Karel dood.</p> + +<p>Vijf minuten later trof Dirk Langeraar hetzelfde lot +en trad Cor Valk als overwinnaar uit het strijdperk.</p> + +<p>Op dit oogenblik gingen de zes dooden dicht bij elkander +zitten, en hieven een jammerlijk gehuil aan. Mijnheer +Denappel schrikte er van en spoedde zich dadelijk naar +de plaats, vanwaar het misbaar opging.</p> + +<p>»Wel vgiendjes, — wel vgiendjes, wat scheelt eg aan, +wat is eg?» vroeg hij ontsteld.</p> + +<p>En toen jammerde de geheele troep in koor:<span class="pagenum"><a name="Page_175" id="Page_175">[175]</a></span></p> + +<p>»We zijn dood! — We zijn dood! O, o, we zijn dood!» +Wij moesten geweldig lachen om die dwaasheid, en +mijnheer Denappel niet het minst.</p> + +<p>»Agme jongens,» zei hij op medelijdenden toon, »wat +is dat jammeg, want ik meende juist nog een glaasje +appelwijn en een taagtje te pgesenteegen. Maag nu +behoef ik dat bij jelui niet te doen.»</p> + +<p>»We zijn al weer levend!» klonk het dadelijk uit zes +monden tegelijk, en de zes dooden liepen om het hardst +naar de tafel in den tuin, waar de versnaperingen rondgedeeld +werden.</p> + +<p>Wij waren nu nog met ons zessen overgeschoten, in +deze volgorde:</p> + +<div class="centered"><ol> +<li>Jan van der Vliet.</li> +<li>Tines Wobbe.</li> +<li>Dorus Volmaar.</li> +<li>Bob de Wild.</li> +<li>Cor Valk.</li> +<li>Karel Buurs.</li> +</ol></div> + +<p>Jan en Tines waren nu dus het eerst aan de beurt, +en wij durfden gerust voorspellen, dat Jan het verliezen +zou. Hij was wel een goed steltlooper, maar Tines was +de vlugste van ons allen. Toch hadden wij ons vergist, +want beide keeren had Tines het ongeluk te vallen, +terwijl Jan harder scheen te loopen, dan wij ooit van +hem gezien hadden.</p> + +<p>»Numego dgie en vieg!» riep mijnheer Denappel, en +nu moest ik tegen Bob draven.</p> + +<p>»Houd je goed, Dorus!» riepen sommigen mij toe.<span class="pagenum"><a name="Page_176" id="Page_176">[176]</a></span> +Vooral Tines Wobbe, die nu ook dood was, scheen Bob +de overwinning in het geheel niet te gunnen. Hij +moedigde mij met luider stem aan, mijn leven zoo duur +mogelijk te verkoopen.</p> + +<p>Bob keek hem eens met een schuin oog aan, +en zei:</p> + +<p>»Hij gunt mij niet veel goeds, Dorus. Wat zou hij +lachen als ik het verloor.»</p> + +<p>»Laat hem, Bob. Wij zullen er eerlijk om kampen, +en elkaar niet boos aankijken, als het straks beslist is, +hoe die beslissing ook zijn moge.»</p> + +<p>»Natuurlijk,» was het eenvoudige antwoord.</p> + +<p>»Klaag?» riep mijnheer Denappel. »Vooguit dan. Eén-twee-dgie!»</p> + +<p>Ik liep, wat ik loopen kon, en maakte naast Bob lang +geen gek figuur, want ik bleef hem kort op de hielen.</p> + +<p>Tines Wobbe riep mij voortdurend toe:</p> + +<p>»Houd vol, Dorus! Je wint! Je wint! Houd vol!»</p> + +<p>Maar het mocht niet baten. Twee keeren achtereen +werd ik door Bob verslagen. Ik was dood.</p> + +<p>Van het laatste tweetal bleef Cor Valk de baas, zoodat +er nu nog maar drie overbleven, en wel Jan van +der Vliet, Bob de Wild en Cor Valk.</p> + +<p>Eerst moesten Jan en Bob loopen.</p> + +<p>»Nu zal Jan den prijs winnen,» fluisterde Bob mij toe. +»Als ik het tegen hem verlies, schieten hij en Cor Valk +alleen over en van Cor kan hij het wel winnen.»</p> + +<p>»Dus je wilt het hem laten winnen?»</p> + +<p>»Ja,» zei Bob, »ik zou zoo graag willen, dat hij den<span class="pagenum"><a name="Page_177" id="Page_177">[177]</a></span> +eersten prijs won, al was het alleen maar, om Tines +Wobbe te plagen.»</p> + +<p>»Maar dan win jij niets?» zei ik. »En je loopt het +hardst.»</p> + +<p>»Dat hindert niet. Ik wil Tines nu eens echt boos +zien worden.»</p> + +<p>»Neen Bob, dat weet ik wel beter. ’t Is volstrekt +niet, omdat je Tines kwaad wilt maken, maar omdat je +medelijden met Jan hebt. Dàt is de reden.»</p> + +<p>»Gekheid!» zei Bob heengaande. »Je hebt het mis, +hoor Dorus, heelemaal mis!»</p> + +<p>Jan en Bob stonden gereed, en na de gewone drie tellen +staken zij af. Jan liep wat hij loopen kon, al was het +dan ook niet, om te winnen, want hij wist wel, dat Bob +sneller liep dan hij. Zijne verbazing kende dus bijna geen +grenzen, toen hij bemerkte, dat Bob wel dicht bij hem, +maar toch steeds achter hem bleef en het maar niet +scheen te kunnen winnen.</p> + +<p>»Kijk eens,» riepen de jongens, die zich verwonderden +over hetgeen zij zagen, »kijk eens, Jan wint het van +Bob! Houd je goed, Bob, houd je goed. — Kijk, Bob +verliest — nog een oogenblik — wel heb ik van mijn +leven, Bob heeft het verloren! Hoe is dat mogelijk?»</p> + +<p>»Ik lijk wel moede te worden,» zei Bob, toen de jongens +hem bestormden met de vraag, hoe dit mogelijk was.</p> + +<p>»Dat is vreemd» zei Jan, »want ik ben in het geheel +niet moê.»</p> + +<p>Nu volgde de tweede rit, en — met denzelfden uitslag. +Bob had twee streepjes en was dus dood.<span class="pagenum"><a name="Page_178" id="Page_178">[178]</a></span></p> + +<p>Thans moesten na eene kleine pauze Jan en Cor Valk +om den eersten en den tweeden prijs kampen, en de +uitkomst was, zooals Bob die voorspeld had. Jan won +den eersten en Cor den tweeden; zoodat alles heel anders +was afgeloopen, dan wij gedacht hadden.</p> + +<p>Wat was Jan van der Vliet blij!</p> + +<p>»Toch kan ik het mij niet begrijpen, Bob,» zei hij, +»want jij loopt toch veel beter dan ik.»</p> + +<p>»Wacht maar, Jantje,» zei Bob, die er ook zeer verheugd +uitzag, nu zijn list zoo goed gelukt was, »ik zal +het later wel eens beter overdoen, dat beloof ik je!»</p> + +<p>»Nu naag den tuin,» zei mijnheer Denappel. En wij +volgden hem allen, om getuigen te zijn van de prijsuitdeeling.</p> + +<p>Hij plaatste zich achter de tafel en liet Jan en Cor +tegenover hem staan. Daarachter stonden wij allen op +een hoop gedrongen. ’t Werd nu stil, en mijnheer +Denappel zeide:</p> + +<p>»Waagde Vgiendjes! Ik heb een gecht pgettigen middag +gehad en met vgeugde heb ik gezien, dat je op de stelten +gechte bazen bent. ’t Spijt me wel, dat ik voog iedeg +van jelui geen pgijs beschikbaag heb, want ik zou eg je +gaag allen een geven. Dat kan nu eenmaal niet. Hieg +heb ik een pgachtig boek in een fgaaien band, en dat +boek geef ik jou, Jan van deg Vliet, omdat ik tot mijne +vgeugde gezien heb, dat jij vlugste van allen zijt. Hieg, +mijn jongen, lees eg pgettig in! Het heet Gobinson Cgusoë.»</p> + +<p>Met een hoog rood gelaat van blijdschap nam Jan het +prachtige boek aan.<span class="pagenum"><a name="Page_179" id="Page_179">[179]</a></span></p> + +<p>Mijnheer Denappel drukte hem de hand en Jan betuigde +zijn dank.</p> + +<p>»En hieg heb ik den tweeden pgijs, Cog Valk, een +boek, waagin je de avontugen kunt lezen van den Bagon +van Munchhausen. Dat boek heb jij eeglijk gewonnen; +ziedaag, neem het van mij aan, en lees het met pleizieg.»</p> + +<p>Ook Cor nam onder dankbetuiging zijn prijs in bezit.</p> + +<p>»En nu heb ik hieg nog een fgaaie pogte-monnaie,» +vervolgde mijnheer Denappel, »en ik beggijp, dat je +nieuwsgiegig zijt, aan wien ik die zal geven. Dit voogwegp +is geen pgijs, vgiendjes, die doog dezen of genen +gewonnen is, neen, — ’t is een cadeau, dat ik geef, aan +wien ik wil. En nu geef ik haag aan Bob de Wild, +omdat die agme jongen zóó bijzondeg moede gewogden +is dezen middag, dat hij op het laatst lang zoo hagd +niet meeg kon loopen als in het eegst. ’t Is dus uit +medelijden, dat hij dit geschenk van mij kgijgt.»</p> + +<p>Hij reikte de porte-monnaie aan Bob over en knipoogde +bijna onmerkbaar tegen hem. Ik zag het en +begreep nu zeer goed, dat hij opgemerkt had, hoe Bob +met voordacht Jan den prijs had laten winnen, wat hij +zeker eene mooie daad van Bob vond.</p> + +<p>Bob bedankte hartelijk voor het mooie geschenk en +was er zeer blijde mede. Hij deed de beugels open en +dicht, en zeide tegen ons:</p> + +<p>»’t Is eene beste, hoor haar maar eens flink dichtknippen.» +En haar Tines bij het oor houdende zeide hij: +»Luister maar, Tines, je kunt het best hooren.»</p> + +<p>Tines luisterde, maar hoorde niets. Wel voelde hij<span class="pagenum"><a name="Page_180" id="Page_180">[180]</a></span> +plotseling eene hevige pijn in zijn oorlelletje, en dat was +geen wonder, want Bob had zijn cadeau er zoo dicht +bijgehouden, dat het vel er tusschen geknipt zat. O, o, +wat schreeuwde Tines benauwd, en met de porte-monnaie +aan het oor, sprong hij als een wilde door den tuin rond.</p> + +<p>’t Was een dwaas gezicht, waarover wij verbazend veel +pret hadden. Bob stond te schudden van het lachen, en +ik geloof zelfs op dit oogenblik nog, dat de ondeugd het +er om gedaan had.</p> + +<p>Mijnheer Denappel verloste Tines van het pijnlijke +oorbelletje en gaf het Bob terug, daarbij dreigend den +vinger tegen hem opstekende.</p> + +<p>Wij bleven nu nog prettig een paar uren in den tuin +spelen, en vertrokken pas toen het al donker begon te +worden. Ons luid: Lang zal hij leven! Hoezee! Hoezee! +ter eere van mijnheer Denappel, weerklonk over het +geheele dorp.</p> + +<p>’t Was een heerlijke middag geweest.</p> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_181" id="Page_181">[181]</a></span></p> + +<p class="str"> </p> + +<h2>Elfde Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Van een klein bakkertje en een grooten wagen. Hoe wij<br /> +eene wandeling door het bosch maakten en Burts ontmoetten.<br /> +Onze vlucht en de gevolgen daarvan.<br /> +Pieter komt tot de ontdekking, dat het in<br /> +het bosch spookt.</p> + + +<p>’t Zal een dag of drie later geweest zijn, toen wij met +ons vieren, Bob en zijn neef Pieter, Karel Holm en ik, +eene wandeling maakten door het dorp. Pieter zou den +volgenden dag weer met zijne Mama naar Amsterdam +terug keeren. Ik zeg, dat wij eene wandeling maakten, +maar dat is eigenlijk niet geheel juist, want we stonden +heel dikwijls stil, b.v. als Bob zich verbeeldde, een grooten +visch aan de oppervlakte van het water te zien zwemmen, +of als Karel dacht, in het kreupelhout langs den +weg een egel te zien, of als wij een meikever meenden +te hooren brommen en vruchteloos naar het onschuldige +diertje uitzagen, met het vaste voornemen, om hem te +vangen, als ons dat mogelijk was. Soms ook zaten wij<span class="pagenum"><a name="Page_182" id="Page_182">[182]</a></span> +vertrouwelijk aan den kant der beek, en staarden naar +de kabbelende golfjes en luisterden naar het suizelen +van het riet, of maakten kleine scheepjes van de bladen +daarvan, die wij op het water lieten drijven.</p> + +<p>Opeens begon Bob te lachen, zonder dat wij de reden +daarvan konden bevroeden.</p> + +<p>»Waar heb jij zoo’n pret over, Bob?» vroeg ik.</p> + +<p>»Ach,» zei hij, »zie je ginds dien grooten broodwagen +wel, daar bij het huis van Wobbe?»</p> + +<p>»Ja wel,» zei Karel, »maar het grappige daarvan zie +ik nog niet in.»</p> + +<p>»Neen, ik ook niet,» zei ik.</p> + +<p>»Dat wil ik wel gelooven,» hernam Bob. »Nu moet +je straks eens kijken, als de bakker terugkomt. Dat +mannetje is zoo klein als de wagen groot is, en als hij +nu brood uit dien wagen moet krijgen, gaat hij op de +ijzeren trede staan, die je daar ziet, en duikt bijna +geheel in zijne kar weg.»</p> + +<p>»En is dat nu zoo grappig?» vroeg ik.</p> + +<p>»Kijk,» zei Bob, »daar komt hij weer. Flap! Het deksel +doet hij open, en wip — nu staat hij op de trede. +Ha-ha, daar gaat hij weer voorover, den wagen in. Zie +je nu wel, hoe grappig! Hij verliest bijna zijn evenwicht. +Je zoudt zeggen, wat moet zoo’n klein manneke nu met +zoo’n grooten wagen doen? Als hij een klein beetje hulp +krijgt, wipt hij voorover op zijne bollen en stoeten. +Ha-ha-ha!»</p> + +<p>Nu, ’t was inderdaad wel grappig te zien, hoe het +kleine bakkertje zijne brooden uit den wagen opdiepte.<span class="pagenum"><a name="Page_183" id="Page_183">[183]</a></span> +Maar bijzonder sterk interesseerde de zaak ons toch niet. +Alleen Bob vond het verbazend grappig.</p> + +<p>»Zeg jongens,» riep hij ons toe, »ik kan het heusch +niet laten, hoor. Ik moet hem een handje helpen!»</p> + +<p>»Om eene duikeling in de wagen te maken?» vroeg +Karel, wien het plan ook wel min of meer toelachte.</p> + +<p>»Natuurlijk!» zei Bob.</p> + +<p>»Ik zou het je afraden,» zei Pieter. »Ik acht het eene +gevaarlijke onderneming.»</p> + +<p>»Gevaarlijk is ze nooit, want als ik het deksel dicht +doe, kan hij er nooit meer uit!» zei Bob. »Dan is het +Hugo de Groot in de boekenkist! Ik ga, jongens, die +grap moet ik hebben.»</p> + +<p>Wij stonden op, om te zien, hoe het zou afloopen.</p> + +<p>Bob ging regelrecht op den wagen af. De bakker was +weer bij een huis aangegaan, om zijne waar te verkoopen, +maar weldra kwam hij terug.</p> + +<p>Ja, daar ging het deksel weer open en stapte hij op +de trede. Een oogenblik later verdween zijn bovenlijf +in de kar. Zie, hij moest zelfs op de teenen gaan staan, +om in alle hoeken te kunnen komen.</p> + +<p>Dit oogenblik had Bob afgewacht. Vlug als de wind +gaf hij den braven man een duwtje — en, o heden, wat +was het een bespottelijk gezicht — daar duikelde de +bakker voorover in zijn wagen. In het volgende oogenblik +was het deksel dicht.</p> + +<p>Och, och, wat moest die Bob geweldig lachen! Een +paar vrouwtjes, die het tooneeltje van achter hare ramen, +waar zij kousen zaten te stoppen, hadden aangezien,<span class="pagenum"><a name="Page_184" id="Page_184">[184]</a></span> +kwamen verontwaardigd naar buiten snellen. Wij vonden +het ook wel grappig — maar toch zouden wij ons nog +wel eens bedacht hebben, eer wij het gedaan hadden.</p> + +<p>Bob zette het op een loopen, zooals van zelf spreekt. +Hij behoefde niet bang te wezen, dat de bakker +niet uit zijne gevangenis verlost zou worden, want +het gebeurde midden in het dorp, zoodat verscheidene +menschen het hadden gezien. Bovendien steeg er zulk +een jammerlijk gehuil uit den wagen op, dat men het +wel hooren moest.</p> + +<p>»Wel, wel, wat een portale jongen!» zei een van de +vrouwtjes, die naar buiten gekomen waren. »Je zoudt +zeggen, waar haalt de jongen de portaligheid vandaan?»</p> + +<p>Zij zette hare handen in de zijden en schudde bedenkelijk +met het hoofd.</p> + +<p>»Ja buurvrouw,» was het antwoord, »dat mag je zeggen, +m’n lieve mensch. Wil je wel gelooven, dat ik er beduusd +van ben? De schrik zit me nog door me heele lijf, zoowaar +als ik hier voor je sta.»</p> + +<p>»Hoor me dien man eens aangaan!» zei weer de eerste, +zonder evenwel eene hand uit te steken, om hem te helpen.</p> + +<p>»’t Is eene schande, dat zeg ik maar, en die jongen groeit +op voor galg en rad. Help maar eens kijken!»</p> + +<p>»’t Is zeker wilde Bob wel weer geweest?» vroeg de +andere.</p> + +<p>»Help! Help!» klonk het onophoudelijk uit den wagen, +uit welke noodkreten wij duidelijk konden opmaken, dat +het den kleinen bakker volstrekt niet beviel in zijn Luilekkerland.<span class="pagenum"><a name="Page_185" id="Page_185">[185]</a></span></p> + +<p>Op dit oogenblik kwam Bob zoo brutaal mogelijk terugloopen. +De aardigheid scheen hem lang genoeg geduurd +te hebben, want met eene behendige beweging maakte +hij het deksel los en lichtte het een weinig op. Op hetzelfde +oogenblik verscheen het verschrikte hoofd van den +bakker boven den rand, daarna zijn bovenlijf — en nu +zette Bob het voor de tweede maal op een loopen, zoo +snel als hij kon. Hij vloog langs ons heen.</p> + +<p>»Komt jongens!» riep hij ons toe. »Loopen, hoor, +want als hij je krijgt, zal het je niet bevallen.»</p> + +<p>Nu, wij waren doodonschuldig aan de geheele zaak, dat +kan niemand ontkennen, maar toen wij zagen, welke booze +blikken de bakker op ons wierp en hoe hij naar zijne +zweep zocht, vonden wij het geraden, ook het hazenpad +te kiezen. Wij volgden daarom Bob meer overhaast dan +eervol en hadden hem weldra ingehaald.</p> + +<p>Het laatste huis van het dorp hadden wij spoedig achter +ons en zonder een bepaald plan te hebben sloegen wij +een smal pad in, dat naar het bosch van Baron van den +Kasteele voerde. Dat de bakker ons niet meer vervolgde, +hadden wij al sedert lang opgemerkt. Wij vertraagden +dus onzen gang en liepen doelloos verder.</p> + +<p>Zoo kwamen wij aan den ingang van het bosch, waar +op een bordje, dat aan een hoogen iep was getimmerd, +de woorden »Verboden Toegang» te lezen stonden.</p> + +<p>»Willen wij er ingaan?» vroeg Karel. »’t Ziet er daar +zoo echt prettig uit.»</p> + +<p>»Mij goed!» zeiden Bob en ik.</p> + +<p>»Maar er staat »Verboden Toegang!» op dat bordje,»<span class="pagenum"><a name="Page_186" id="Page_186">[186]</a></span> +zei Pieter, op de waarschuwende woorden wijzende. +»Zouden we er geen kwaad mede kunnen?»</p> + +<p>»Och kom, wees wijzer,» zei Bob. »Dat bordje doelt +alleen op stroopers, die hier wel eens komen. Wij gaan +er geen kwaad doen.»</p> + +<p>Pieter keek zijn neef Bob met een wantrouwigen blik +aan. Blijkbaar was hij daarvan niet erg zeker.</p> + +<p>»Kom, Pieter, niet zeuren,» zei Karel. »Als we den +boschwachter tegen komen, waarvan wij natuurlijk niet +veel gevaar loopen, omdat het bosch zoo groot is, zullen +wij er ons zonder murmereeren weer uit laten jagen, dat +is alles. Dan heeft de goede man alle redenen tot tevredenheid +en kan hij niet anders getuigen, dan dat wij brave +jongens zijn.»</p> + +<p>Die woorden van Karel kwamen ons zeer juist voor, +en ook Pieter scheen er door overtuigd te zijn, want na +enige weifeling volgde hij ons het bosch in.</p> + +<p>Wat was het daar heerlijk. De boomen verhieven +hunne zacht wuivende kruinen hoog in de lucht en wij +baadden ons als het ware in de geur van het jonge groen, +dat ons omgaf. Wat stak dat lichte voorjaarsgroen prachtig +af tegen den donkeren achtergrond van de sparren en +dennen, die daar in grooten getale werden gevonden. Wij +hoorden de nachtegalen slaan en de ooievaars klepperen. +O, ’t was er verrukkelijk!</p> + +<p>Manmoedig stapten wij in het bosch voort, doch — al +hielden wij ons zeer heldhaftig en al riepen wij Pieter +om ’t hardst toe, dat hij gerust meê kon gaan en geen +vrees behoefde te koesteren, toch waren wij zelf ook niet<span class="pagenum"><a name="Page_187" id="Page_187">[187]</a></span> +geheel op ons gemak, want de Baron was een lastig man, +en zijn boschwachter, die Burts heette, was zelfs algemeen +gevreesd.</p> + +<p>Al spoedig begon het terrein heuvelachtig te worden, +zoodat wij berg-op, berg-af gingen. Nu eens zaten wij +op den top van een hooge duin, vanwaar wij een prachtig +gezicht hadden op de omgeving, dan weer lagen wij te +rusten in eene vallei, die aan alle zijden door heuvels +ingesloten was. In een van die valleiën vonden wij een +pas gegraven kuil, die zoo diep was, dat het water er +wel ruim een meter hoog in stond. Over den kuil lag +eene plank.</p> + +<p>»Wat zou dat zijn? Waartoe zou de Baron dien kuil +gegraven hebben?» vroeg Bob, die midden op de plank +stond en met een langen tak van een boom peilde, hoe +diep het gat wel zou zijn.</p> + +<p>»Ik weet het niet,» zei ik.</p> + +<p>»Ik geloof, dat de Baron eene waterleiding wil aanleggen +naar zijne villa,» zei Karel. »Het zou best kunnen +zijn, dat die hier gemaakt wordt.»</p> + +<p>»Wel mogelijk,» zei Bob. »Pas op, Karel, niet zoo +dringen, want als ik van de plank val, ben ik doornat.»</p> + +<p>Maar Karel hield niet op, en nu begonnen die twee eene +stoeipartij, waaraan wij weldra allen meêdeden. Wij waren +evenwel zoo verstandig de plank te verlaten, want niemand +van ons had lust een nat pak te halen. Al stoeiende +werden wij hoe langer, hoe wilder. Wij zaten elkander +na tegen de hoogten op en lieten ons dan weer van +boven-af neerrollen, wat wij buitengewoon vermakelijk<span class="pagenum"><a name="Page_188" id="Page_188">[188]</a></span> +vonden. Soms renden wij, zoo hard wij loopen konden, +van de hoogte af naar omlaag, de plank over en dan +weer tegen den tegenoverliggenden heuvel op, zoodat +wij zwoegden van inspanning. Wij vermaakten ons +kostelijk en waren weldra zoowel den baron als zijn +boschwachter vergeten.</p> + +<p>Kwaad deden wij niet, althans in het eerst niet, maar +dat zou veranderen. Bob kon nooit ergens afblijven, en +zoo ook nu niet. Toen wij eenige keeren in vollen draf +over de plank gegaan waren, begon Bob de plank van +den kuil te trekken en sleepte haar tegen de helling op. +Daar zette hij haar op het einde en liet haar balanceeren. +Het is te begrijpen, dat zij telkens omviel en +dan met geweld tegen den grond terecht kwam. Dat +spelletje werd zoo dikwijls herhaald, tot wij een hevig +gekraak hoorden, waardoor het ons allen duidelijk werd, +dat zij gebroken was.</p> + +<p>»Stuk!» zei Bob.</p> + +<p>»Ja, stuk, Bobbertje!» zei Karel op leuken toon. »Daar +heb je eer van.»</p> + +<p>»Laten we vluchten,» zei Pieter in grooten angst. +»Als de baron komt en ziet, wat we gedaan hebben, +zal het nog slecht met ons afloopen.»</p> + +<p>»Niet zoo bang wezen, Pieter,» zei Bob. »Zeg jongens, +die plank is niet stuk, kijkt maar.»</p> + +<p>»Hij is niet in twee stukken gevallen, dat is waar,» +zei ik. »Maar toch is ze stuk, Bob. Je kunt het duidelijk +zien.»</p> + +<p>»Ja, dat kan ik niet ontkennen. Nu, gedane zaken<span class="pagenum"><a name="Page_189" id="Page_189">[189]</a></span> +nemen geen keer, en met den besten wil is het mij niet +mogelijk, deze plank weer heel te maken. Toe Dorus, +help mij eens, door het andere einde op te nemen. Dan +leggen wij haar weer netjes over den kuil en niemand +kan zien, dat zij stuk is.»</p> + +<p>»En als er nu iemand komt en er over loopt?» vroeg +Karel.</p> + +<p>»Dan breekt de plank en krijgt hij een nat pak,» zei +Bob. »Dat lijdt geen twijfel.»</p> + +<p>»Maar dat is een leelijke streek,» zei Karel. »Je moet +dat niet doen, Bob, — ik heb het liever niet.»</p> + +<p>»Maar wat dan?» vroeg Bob. »Wij kunnen de plank +toch niet hier laten liggen?»</p> + +<p>»Ik weet er wat op,» zei Pieter. »Hier heb ik een +stukje krijt. Laten wij er aan de beide einden opschrijven +dat ze stuk is. Wanneer dan iemand komt om er over +te loopen, wordt hij gewaarschuwd.»</p> + +<p>»Als het ten minste niet gaat regenen,» meende Karel. +»Maar je hebt gelijk, Pieter, — laten wij het er +duidelijk opschrijven.»</p> + +<p>Bob nam nu het stukje krijt, en schreef aan elk einde +met duidelijke letters:</p> + +<p>»Deze plank is gebroken.»</p> + +<p>»Zie zoo,» zei hij vol zelfvoldoening over zijne daad, +»dat is duidelijk, dunkt me. Wie er nu toch nog over +loopt, moet er zelf de gevolgen maar van dragen. Toe +Dorus, help eens even een handje.»</p> + +<p>Wij droegen de plank nu naar beneden en legden haar +weer precies, zooals we haar gevonden hadden.<span class="pagenum"><a name="Page_190" id="Page_190">[190]</a></span></p> + +<p>»Willen we nu verder gaan?» vroeg Pieter, die zich in +het bosch nog in het geheel niet op zijn gemak gevoelde.</p> + +<p>Wij vonden zijn voorstel goed, en klommen over den +heuvel. Daarna kwamen wij weer in eene vallei, die rondom +diep was uitgespit en klommen aan den anderen kant tegen +eene zeer steile helling op, zóó steil, dat wij ons aan het +kreupelhout moesten ophijschen om er tegen op te komen.</p> + +<p>En nauwelijks was Bob met zijn hoofd boven den top, +of hij fluisterde ons toe, dat wij geen gedruisch moesten +maken, en heel zacht naar boven klimmen.</p> + +<p>»Daar zijn konijnen aan het spelen,» zei hij zacht.</p> + +<p>Wij bereikten nu ook de hoogte, die zoo smal was, +dat wij ons moesten vasthouden, om niet achteruit naar +beneden te glijden.</p> + +<p>»Wat zijn ze vlug, he? Kijk die dingen eens springen!»</p> + +<p>’t Was inderdaad een aardig gezicht, die diertjes zoo +geheel in vrijheid te zien huppelen en spelen. Er waren +er zeker wel twintig.</p> + +<p>»’t Is hier het konijnenland,» zei Karel. »Kijk, die +groote, daar ginds achter de struiken, is zeker de koning.»</p> + +<p>»En die heuvel is hunne stad,» zei Bob. »Zie je die +holen daar wel? Dat zijn de poorten, die toegang tot +de stad verleenen. ’t Is toch wel grappig, zulk eene +konijnen-kolonie.»</p> + +<p>»Ik wou, dat ik een geweer had,» zei Pieter. »Wat +zou ik ze raken!»</p> + +<p>»Jij?» zei Bob lachend. »Misschien schoot je ons wel +dood en jezelven er bij, maar een konijn raakte je niet, +zou ik durven voorspellen.»<span class="pagenum"><a name="Page_191" id="Page_191">[191]</a></span></p> + +<p>»Jij ook niet,» zei Pieter boos. »Jij kunt evenmin +schieten als ik.»</p> + +<p>»Had ik maar pijl en boog bij me,» zei Karel. »Dan +zou ik het toch eens probeeren. Een geweer maakt te +veel leven. Het zou onze tegenwoordigheid verraden; +maar met pijlen konden we het wagen.»</p> + +<p>»Zouden we geen boog kunnen maken?» vroeg Bob.</p> + +<p>»Niet doen, Bob, niet doen!» zei Pieter. »Laten we +nu verder gaan. ’t Wordt hoog tijd.»</p> + +<p>»Nog eventjes,» zei Bob. »We zitten hier nog zoo +prettig.»</p> + +<p>»Zitten?» vroeg Karel. »Hangen zou beter gezegd +zijn, want ik word moe van het vasthouden. Kijk, daar +komen nog meer konijnen uit de holen. Hoe komen er +zooveel bij elkaar, zou je zeggen.»</p> + +<p>»’t Is geen wonder, dat hier wel eens stroopers komen,» +merkte ik op. »Zij kunnen hier altoos op eene goede +vangst rekenen.»</p> + +<p>»Hoe vangen zij die dieren?» vroeg Pieter.</p> + +<p>»Ze graven de holen uit en kruipen er in, zoover ze +kunnen. Dan grijpen zij ze met de handen.»</p> + +<p>»En die ontsnappen langs nevengangen komen in de +stroppen terecht, waarmede de uitgangen afgezet zijn,» +vulde Karel aan. »’t Moet wel een aardig werkje zijn, +dunkt me.»</p> + +<p>»Aardig wel, maar gevaarlijk, want als de heuvel +instort, wordt de strooper onder het zand bedolven en +moet sterven.»</p> + +<p>»Ook kan hij gesnapt worden door Burts, den boschwachter,<span class="pagenum"><a name="Page_192" id="Page_192">[192]</a></span> +zei Bob. »En dat is ook niet bijzonder prettig, +want dan is gevangenisstraf het einde.»</p> + +<p>»Pang!» klonk plotseling een zwaar schot in onze onmiddellijke +nabijheid. »Pang!» daar viel een tweede schot.</p> + +<p>Een geweldige schrik overviel ons, want wij waren er in +het geheel niet op voorbereid. Drie van ons, Bob, Karel +en ik sprongen van schrik overeind en stonden plotseling +in de onmiddellijke nabijheid van den gevreesden Burts. +Maar de vierde, onze waarde Pieter-neef, was van den schrik +als het ware verlamd. Hij had geen kracht meer om zich +aan de struiken vast te houden en onder het slaken van +een akeligen kreet rolde hij hals over kop naar beneden.</p> + +<p>»Ha-ha, knaapjes!» bulderde de boschwachter ons toe. +»Daar heb je jezelven leelijk verraden. Was maar stil +blijven zitten, dan had ik je stellig niet opgemerkt, maar +nu ben je in mijne macht. Hoe heet je?»</p> + +<p>Burts haalde een boekje uit zijn zak te voorschijn, om +onze namen op te schrijven.</p> + +<p>»Hoe heet je?» vroeg hij op gestrengen toon, en hij +keek Bob strak in de oogen. Wat zag die man er barsch uit. +Zijne knevels schenen mij toe om te krullen van boosheid.</p> + +<p>»Hoor je me niet? Hoe heet je?» herhaalde hij zoo +barsch mogelijk.</p> + +<p>»Vluchten, jongens!»</p> + +<p>Dat was het eenige antwoord, hetwelk aan Bobs mond +ontsnapte. En hij voegde de daad bij het woord. Met +eene vlugge beweging liet hij zich naar beneden rollen, +waar hij dicht bij Pieter-neef terecht kwam, die nog +kermend van ontsteltenis in het zand lag te spartelen.<span class="pagenum"><a name="Page_193" id="Page_193">[193]</a></span></p> + +<p>»Wat is er?» vroeg Bob, die nooit een makker in den +steek liet, en haastig bij hem neerknielde.</p> + +<p>»O, ik ben getroffen,» steunde Pieter.</p> + +<p>»Waar? — Zeg, Pieter, — waar?» vroeg Bob angstig.</p> + +<p>»Is hij weg, Bob?» vroeg Pieter, schuw om zich heen +ziende.</p> + +<p>»Neen, — maar jij moet maken, dat je wegkomt!» +antwoordde Bob. »Zeg Pieter, — wáár ben je getroffen?»</p> + +<p>»Dat weet ik niet, — o dat weet ik niet!» jammerde +Piet.</p> + +<p>»Dan is het ook niet waar! Vooruit, vlucht, daar komt +de boschwachter aan! Vooruit, Pieter, gauw?»</p> + +<p>»De boschwachter? O — O!» steunde Pieter, overeind +krabbelende. »Waar — waar is hij, Bob?»</p> + +<p>»Loopen!» zei Bob. »Als een haas! Ik zal hem wel +een oogenblik ophouden! Maar haast je!»</p> + +<p>Pieter begon nu te begrijpen, dat het ernst was, en +dat was trouwens te zien ook, want de boschwachter +verscheen nu boven op den heuvel. Eerst had hij Karel +en mij een oogenblik achtervolgd, maar toen hij bemerkte, +dat wij hem te vlug waren, keerde hij terug en trachtte +Bob in zijne macht te krijgen.</p> + +<p>Pieter klom aan de andere zijde tegen de helling op +en verdween uit het gezicht. Bob vreesde echter, dat +Burts hem spoedig achterhalen zou, want Pieter was +niet erg bij de hand in dergelijke zaken. Hij besloot +daarom, den boschwachter eenigen tijd op te houden, +ten einde zijn neef en ook ons gelegenheid te geven, +een goed heenkomen te zoeken.<span class="pagenum"><a name="Page_194" id="Page_194">[194]</a></span></p> + +<p>Hij bleef dus in de vallei rondloopen, tot Burts hem +vrij dicht genaderd was. Nu moest zijne bekende vlugheid +hem redden.</p> + +<p>»Ha, deugniet, daar heb ik je nu!» hoorde hij Burts zeggen.</p> + +<p>»Mis, man, nog niet,» dacht Bob, maar hij zeide niets. +Als een haas zoo vlug klauterde hij tegen de hoogte op. +Hij raakte bijna den grond niet aan. Maar Burts was +vlugger, dan hij dacht, zoodat hij duidelijk merkte, dat +deze hem begon in te halen.</p> + +<p>»Krijgen zàl ik je!» hoorde hij hem zeggen.</p> + +<p>Nu had Bob den top bereikt, en hij bemerkte, dat +hij thans de vallei weer genaderd was, waar de nieuwe +waterleiding moest komen.</p> + +<p>Als een bal liet hij zich naar beneden rollen, en hij +had het geen oogenblik later moeten doen, want reeds +strekte Burts de hand uit, om hem bij de beenen te +grijpen. Nu ontsnapte Bob hem.</p> + +<p>Deze liep op den put toe, die midden in de vallei +lag, met het voornemen, de plank over te loopen en +aan den overkant weer omhoog te klauteren. Dat de +plank stuk was, herinnerde hij zich al niet meer, en +juist wilde hij er den voet op zetten, toen hem de met +krijt geschreven letters in het oog vielen.</p> + +<p>»O ja, omloopen!» mompelde Bob. Hij hoorde Burts +met groote schreden naderen, maar durfde zich geen +oogenblik tijd gunnen, om eens achter zich te kijken.</p> + +<p>»Nu ontsnap je mij niet meer, kleine schelm!» hoorde +hij zijn vervolger roepen, en deze voorspelling stemde +onzen Bob verre van aangenaam.</p> + +<div class="figcenter1"> +<img src="images/ill04.jpg" width="400" height="550" alt="Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak.... (pag. 195)." title="" /> +<br /><span class="caption1">Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak.... (pag. 195).</span> +</div><p><span class="pagenum"><a name="Page_195" id="Page_195">[195]</a></span></p> + +<p>Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak achter zich, +welk gekraak gevolgd werd door een geweldigen plons, +als van iemand, die in het water viel. En plotseling +ging Bob een licht op. Ongetwijfeld was Burts, om hem +den pas af te snijden, op de plank gestapt, niet wetende, +dat deze gebroken was. En nu moest zonder twijfel de +lange Burts er doorgezakt en in den kuil gevallen zijn. +Bob hoorde, hoe er in het water geplast werd, en hoe +de boschwachter pogingen deed, om tegen den hoogen +kant op te springen.</p> + +<p>Nu durfde Bob wel een oogenblik stilstaan, en omkijken. +Ja waarlijk, daar zag hij het hoofd van den vertoornden +boschwachter boven den rand van den put uitkomen, en +hij zag ook, hoe diens beide handen zich aan den rand +vastklemden en hoe hij poogde, er uit te springen. Wel +een paar malen mislukte hem dit en zakte de man, die hoe +langer hoe toorniger werd, tot aan zijn middel in het +water terug.</p> + +<p>’t Was zoo’n koddig gezicht, dat Bob het uitschaterde +van de pret. En dat lachen maakte Burts nog boozer. +Hij spande al zijne krachten in, sprong nogmaals omhoog +en ja, nu gelukte het hem, zich op den kant te werken. +O, o, wat droop het water hem uit de kleêren! Bob kon +niet tot bedaren komen van het lachen.</p> + +<p>Maar nu kwam Burts met groote schreden op hem +af; het was den man aan te zien, dat zijne woede geen +grenzen kende.</p> + +<p>»Nu wordt het mijne beurt!» riep hij Bob met beide +vuisten dreigend toe. Maar Bob wachtte hem niet af.<span class="pagenum"><a name="Page_196" id="Page_196">[196]</a></span> +Vlug als eene kat klauterde hij omhoog en was weldra +verdwenen. En Burts klauterde hem wel na, maar och, +doornat als hij was, viel dat werkje hem erg moeilijk, +en toen hij, eindelijk op de hoogte gekomen, van Bob +geen spoor meer kon ontdekken, gaf hij de vervolging +geheel en al op. Hij keerde naar huis terug, om droge +kleêren te gaan aantrekken.</p> + +<p>En Bob verliet zoo spoedig mogelijk het bosch langs +denzelfden weg, dien hij het ingekomen was. Aan den +uitgang werd hij aangenaam verrast, door daar Karel en +mij te vinden. Wij zaten daar al enkele minuten op hem +en Pieter te wachten.</p> + +<p>Wel, wel, wat moesten wij lachen, toen Bob ons vertelde, +wat er met Burts gebeurd was. ’t Is misschien +wel niet mooi van ons, maar wij verheugden ons toch +buitengewoon in de poets, die hem gespeeld was. ’t Was +dan ook een akelige man, van wien niemand hield.</p> + +<p>»En nu is hij doornat naar huis gegaan, denk ik,» zoo +besloot Bob, grinnekend van pret, zijn relaas. »Neen +jongens, ’t zou me wat waard geweest zijn, als jelui het +had kunnen zien, want het was een eenig schouwspel. +Ik zal het mijn leven lang niet vergeten. Maar apropos, +waar is Pieter-neef?»</p> + +<p>»Die is er nog niet,» zei ik. »Wij dachten, dat hij gelijk +met jou zou komen. Heb-je hem niet gezien?»</p> + +<p>»Neen, die malle jongen lag aan den voet van den +heuvel te jammeren, dat hij getroffen was door die schoten +van Burts, en dat werd bijna mijn ongeluk. Want ik +heb hem gezegd, dat hij het totaal mis had en zoo snel<span class="pagenum"><a name="Page_197" id="Page_197">[197]</a></span> +mogelijk beenen moest maken, om uit de handen van +Burts te blijven. Maar dat alles hield mij zoo lang op, +dat ik zelf bijna het kind van de rekening werd. Waar +zou hij nu blijven?»</p> + +<p>»Vermoedelijk in het bosch,» zei Karel leuk. »Hij +zal wel komen, maak je maar niet ongerust. Kom een +poosje op je gemak bij ons zitten, en laten wij geduldig +afwachten. Misschien is hij wel hier of daar +weggekropen.»</p> + +<p>Bob deed het en nu bleven wij eenige minuten wachten, +maar Pieter-neef bleef onzichtbaar. Wij begonnen ons +eindelijk een beetje ongerust te maken, want de avond +begon te vallen en de zon zou weldra ondergaan. Dat +laatste juist was het, wat wij vreesden, want dan zou +het in het bosch al spoedig zeer donker worden, zoodat +het iemand als Pieter moeilijk zou vallen, den rechten +weg te vinden om er uit te komen.</p> + +<p>»Wil ik jelui eens wat zeggen?» zei Bob eindelijk. »Ik +geloof, dat Pieter-neef verdwaald is.»</p> + +<p>»Dat zou erger zijn,» vond Karel.</p> + +<p>»Het ergste, wat hem overkomen kon,» meende ik.</p> + +<p>»Als het waar is, wat ik vermoed, zal hij doodsangsten +uitstaan, vrees ik,» hernam Bob.</p> + +<p>»Ongetwijfeld!» zei Karel. »Het loopt hem hier in ’t +bosch ook in het geheel niet meê. Ik denk, dat hij van +middag zijn pleizier wel op kan.»</p> + +<p>»Ja, — hij treft het slecht. Maar zeg, wij kunnen hem +niet aan zijn lot overlaten, niet waar?»</p> + +<p>»Neen, dat gaat niet!» stemde Karel toe.<span class="pagenum"><a name="Page_198" id="Page_198">[198]</a></span></p> + +<p>»Natuurlijk niet!» zei ik. »Wij moeten hem trachten +op te sporen.»</p> + +<p>»Dat is gemakkelijker gezegd, dan gedaan,» zei Bob. +»’t Bosch is heel groot en er zijn een tal van paden en +lanen in. Wie weet, hoe ver hij in zijn angst al afgedwaald +is.»</p> + +<p>»Laten we gaan,» stelde ik voor. »We moeten langer +geen tijd verliezen.»</p> + +<p>»En Burts dan?» vroeg Karel.</p> + +<p>»Burts zal van avond wel thuis blijven. Hij gaat bepaald +vroeg naar bed, want na een bad is men altijd +slaperig,» zei Bob. »Ga je mede?»</p> + +<p>Wij sprongen op en volgden Bob ten tweeden male +het bosch in.</p> + +<p>»Zou het niet noodig zijn, dat wij ieder een verschillenden +kant uitgingen?» vroeg ik. »Dan hebben wij veel +meer kans, om hem spoedig te vinden.»</p> + +<p>»Laten wij eerst eenigen tijd bij elkander blijven, want +als wij scheiden, kunnen wij elkander ook niet meer terug +vinden,» zei Karel.</p> + +<p>»Zou ik hem durven roepen?» vroeg Bob. »Of zou dat +met het oog op Burts gevaarlijk zijn?»</p> + +<p>»Dat is het zeker,» zei ik. »Hoe harder je roept, hoe +meer kans om gesnapt te worden.»</p> + +<p>»Nog niet roepen,» vond Karel. »Dat kunnen we wel +doen, als het geheel donker is, maar nu is het nog te +gevaarlijk. Wat wordt het al duister hier in het bosch, +vindt-je niet?»</p> + +<p>»Over een half uur is het geheel donker,» zei Bob.<span class="pagenum"><a name="Page_199" id="Page_199">[199]</a></span></p> + +<p>»’t Is te hopen, dat wij hem voor dien tijd gevonden +hebben.»</p> + +<p>»’t Is eene mooie geschiedenis,» zei ik, wel een beetje +onrustig, nu het zoo laat werd, eer ik thuis kon zijn. +Want het was een vaste regel bij ons, dat wij vóór donker +binnen moesten zijn. Pa hield daar streng de hand aan.</p> + +<p>Wij brachten nog ruim een half uur zoekende door, +zonder evenwel eenig spoor van Pieter te ontdekken.</p> + +<p>Het werd thans hoog tijd om naar huis terug te keeren, +waar men zeker al ongerust over ons lange uitblijven +begon te worden. Maar daar stond tegenover, dat het +hoogst onaangenaam voor ons was, zonder Pieter naar +huis te moeten gaan.</p> + +<p>Bob was daartoe dan ook in het geheel niet te bewegen.</p> + +<p>»Ik blijf hier,» zei hij op zijn gewonen beslisten toon. +»Ga gij beiden maar naar huis terug en zeg aan Pa, wat +er gebeurd is. Vraag hem, eenige menschen te zenden, +om mij bij het zoeken te helpen. Of weet je iets beters?»</p> + +<p>Neen, dat wisten wij niet, maar om op deze wijze +terug te keeren, vonden wij ook onaangenaam.</p> + +<p>»Laten wij eerst eens boven op een heuvel gaan staan +en zoo hard roepen als we kunnen,» zei Karel. »Of de +boschwachter ons hoort of niet, is mij thans geheel onverschillig. +Wij kunnen Pieter niet aan zijn lot overlaten.»</p> + +<p>»Je hebt gelijk,» zei Bob. »Laten we gaan.»</p> + +<p>Wij beklommen den top van eene hooge duin en verhieven +in koor onze stemmen. ’t Was gelukkig zeer stil +in de natuur, zoodat men ons ver in den omtrek moest +kunnen hooren.<span class="pagenum"><a name="Page_200" id="Page_200">[200]</a></span></p> + +<p>»Pieter! — Hallo! — Hallo! — Pieter!» weerklonk +het uit drie monden tegelijk, en onze stemmen klonken +ons daar van dien top des heuvels en in de stille duisternis +van den vallenden nacht geheimzinnig in de ooren. De +vogels in de takken der boomen schrikten er van wakker +en vluchtten ijlings heen. Nachtuilen deden hun gekras +hooren en sommigen van hen lachten op eene allerakeligste +manier, precies als menschen, maar op een +vreemden toon. Ik moet eerlijk bekennen, dat mij bij +het hooren daarvan eene rilling door de leden voer.</p> + +<p>Nogmaals lieten wij ons krachtig geroep hooren. Daarna +bleven wij stil staan, om te luisteren. Hoe hoopten wij, +dat eenig antwoord onze gehoorvliezen zou doen trillen.</p> + +<p>Doch wij luisterden tevergeefs.</p> + +<p>»Nog eens roepen, jongens,» zei Bob. »Den moed nog +niet opgeven.»</p> + +<p>Weer klonk ons roepen door de nachtelijke stilte, en +weer luisterden wij, of wij iets mochten vernemen.</p> + +<p>Opeens zei Bob:</p> + +<p>»Luister, jongens, ik hoor iets!»</p> + +<p>Wij luisterden.</p> + +<p>»Hoor, — daar is het weer!» fluisterde Bob ons toe.</p> + +<p>»Ja, — ik hoor het ook,» zei ik. »Dat moet Pieter +zijn. ’t Komt van dien kant.»</p> + +<p>Bij die woorden wees ik naar den uitgang van het bosch.</p> + +<p>»Laten we hem tegemoet loopen,» zei Karel, »en dan +straks nog eens roepen. Dan hooren we hem misschien +reeds beter.»</p> + +<p>Dat deden we, en na enkele minuten geloopen te hebben<span class="pagenum"><a name="Page_201" id="Page_201">[201]</a></span> +beklommen wij opnieuw een heuvel en lieten weer ons +geroep hooren.</p> + +<p>»Pieter! — Hallo! — Hallo! — Pieter!»</p> + +<p>Wij schreeuwden met bijna bovenmenschelijke kracht, +en luisterden daarna, of we Pieters antwoord hoorden.</p> + +<p>Ja, daar vernamen wij het reeds vrij duidelijk. Ongetwijfeld +waren wij elkander tegemoet geloopen. Dat +gaf moed!</p> + +<p>»Voorwaarts, jongens, we bewegen ons in de goede +richting!» riep Bob ons opgetogen toe. »’t Is toch wel +aardig, hê, zoo’n nachtelijk tochtje door een bosch. ’t Is +zoo geheimzinnig!»</p> + +<p>Met moed gingen wij thans verder, steeds roepende, +om Pieter de gelegenheid te geven, ons tegemoet te komen.</p> + +<p>Nu werd zijn geluid voortdurend duidelijker, en eindelijk — ha, +daar vonden wij hem. O, wat zag hij bleek +van den doorgestanen angst. Hij beefde over zijn geheele +lichaam.</p> + +<p>»Goddank! Goddank!» fluisterde hij ons toe. »O, wat ben +ik blij, dat jelui me niet aan mijn lot hebt overgelaten.»</p> + +<p>»Nu dadelijk naar huis!» zei ik. »Er zal toch al wat +voor me opzitten, als ik thuis kom.»</p> + +<p>Met vluggen pas zochten wij den uitgang van het +bosch op en weldra hadden wij het dorp bereikt.</p> + +<p>Pieter begon meer en meer tot zichzelven te komen, +maar wij merkten toch duidelijk, dat hij een vreeselijken +angst had uitgestaan.</p> + +<p>»’t Was verschrikkelijk, daar in het bosch,» zeide hij +zacht en met eene huivering, »en wat was het er donker,<span class="pagenum"><a name="Page_202" id="Page_202">[202]</a></span> +griezelig donker. En het spookt er ook, want telkens +hoorde ik menschen, die mij op eene allerakeligste wijze +uitlachten. O, als ik dat geluid weer hoorde, was het of +ik door den grond heenging van schrik. Ik ga nooit, nooit +weer met jelui mede, als je weer naar het bosch gaat.»</p> + +<p>»Och, — dat waren uilen!» zei Bob. »Wees wijzer, +jongen!»</p> + +<p>Wij waren nu de brug genaderd, waar onze wegen +scheidden. Met een haastigen groet begaven wij ons ieder +naar onze woning, waar Pa mij alles behalve vriendelijk +ontving. Wel knikte hij goedkeurend, toen ik vertelde, +dat wij niet zonder Pieter naar huis wilden terugkeeren, +maar hij zeide gestreng:</p> + +<p>»Wat moest je in dat bosch doen? Je weet immers, +dat de toegang daar verboden is? Als de boschwachter +jelui opgepakt en achter slot en grendel gezet had, zou +je naar behooren gestraft geweest zijn.»</p> + +<p>»Och,» zei Moe, die een goed woordje voor mij wilde +doen: »’t Komt alles van dien wilden Bob. Dat is ook in +het geheel geen goed kameraad voor hem. Ga naar +bed, Dorus!»</p> + +<p>Ik ging, maar toch was ik het niet geheel met Moe +eens wat Bob betrof.</p> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_203" id="Page_203">[203]</a></span></p> + +<p class="str"> </p> + +<h2>Twaalfde Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Het vertrek van Pieter, en hoe wij hem met ons drieën<br /> +een cadeautje en een gedicht stuurden. Hoe Mevrouw<br /> +van Koorde en haar dienstmeisje op de vlucht<br /> +werden gejaagd en Pieter het verloren<br /> +terrein heroverde.</p> + + +<p>Den volgenden morgen al vroeg kwam Pieter bij ons, +om afscheid te nemen. Bob vergezelde hem en vertelde +mij, dat Pieters Mama wel zeer ongerust was geweest, +maar dat zij toch geen straf hadden ontvangen.</p> + +<p>Ik ging met hen mede terug, want het werd spoedig +schooltijd en dan dienden Bob en ik present te zijn. Bij +het afscheid nemen zei Pieter:</p> + +<p>»Dus je denkt er om, Bob, mij eenige meikevers te +zenden? Je zult me daar een groot genoegen mede doen.»</p> + +<p>»Je kunt er vast op rekenen.»</p> + +<p>Wij gingen nog even naar binnen, om ook Mevrouw +van Koorde goede reis te wenschen.</p> + +<p>»Dag Robert,» zei ze, hem op de beide wangen kussende.<span class="pagenum"><a name="Page_204" id="Page_204">[204]</a></span> +»Kom je nu ook eens bij ons in Amsterdam +logeeren? Maar daar zijn geen bosschen en losloopende +beren, hoor neefje.»</p> + +<p>Bob lachte eens.</p> + +<p>»Ik wil heel graag, Tante,» zeide hij. »Mag ik dan +komen als het vacantie is? Ik stel me daar heel wat +jool van voor.»</p> + +<p>»Jool?» herhaalde Tante. »Pret moet je zeggen, Robert, +dat is veel fatsoenlijker. Dag Dorus, adieu!»</p> + +<p>Bob en ik begaven ons nu regelrecht naar school, want +het werd hoog tijd. Maar wij kwamen toch nog vroeg +genoeg. Op het schoolplein spraken wij nog even met +Jan van der Vliet, die er zeer treurig uitzag.</p> + +<p>»Is er slecht nieuws?» vroegen wij hem.</p> + +<p>»Zeer slecht, — ’t kon niet slechter,» zei Jan met een +diepen zucht. »We hebben vanmorgen een brief ontvangen, +waarin Vader en Moeder beiden gedagvaard worden, om +voor de rechtbank te verschijnen. ’t Is verschrikkelijk!»</p> + +<p>»Dat is het,» zei Bob, »maar Jan, zij kunnen toch +immers nog vrijgesproken worden?»</p> + +<p>»Kunnen, ja, dat is waar, — maar dat zal niet gebeuren, +jongens. Zij hebben den schijn tegen zich, en uit de dagvaarding +blijkt, dat de Officier van Justitie hen voor +schuldig houdt. De kans op vrijspraak is zeer gering.»</p> + +<p>Op dit oogenblik ging de schoolbel en moesten wij naar +binnen. Maar wij zagen al spoedig, dat er iets bijzonders +aan de hand was, want de hoofdonderwijzer was nog +niet aanwezig en meester de Jong, die altijd in een +ander lokaal les gaf, stond voor onze klasse. Nu gebeurde<span class="pagenum"><a name="Page_205" id="Page_205">[205]</a></span> +het hoogst zelden, dat de hoofdonderwijzer afwezig was, +maar die enkele keeren waren voor ons feestdagen. +Meester de Jong zal het echter wel geen prettige dagen +gevonden hebben, want wij konden hem dan geducht plagen.</p> + +<p>Wij hadden nog maar pas op onze banken plaats +genomen, of de hoofdonderwijzer trad binnen. Het was +echter duidelijk aan zijne kleeding te zien, dat hij uitging. +Hij was zelfs geheel in het zwart gekleed, alsof +hij naar eene begrafenis moest.</p> + +<p>»Dorus, kom eens even hier,» riep hij me toe.</p> + +<p>Hij nam mij mede naar een hoek van het lokaal en +zeide: »Dorus, ik moet voor enkele dagen op reis. Er +is eene zuster van mij overleden. Wil jij nu Zondag +het orgel voor mij bespelen in de kerk.»</p> + +<p>»Zeker, meester, met genoegen.»</p> + +<p>»Dank je, Dorus. En kan ik er op aan, dat er niets +onbehoorlijks zal geschieden.»</p> + +<p>»Ja meester, daar kan u op aan.»</p> + +<p>»En dat je geen jongens meê zult nemen naar het +orgel?»</p> + +<p>»Ik beloof het u, meester.»</p> + +<p>»Uitstekend. Ik twijfel niet, of het zal wel goed gaan. +Je speelt maar bedaard en rustig, hoor Dorus, en laat +je niet in de war brengen. Trek ook vooral niet te veel +registers uit.»</p> + +<p>Even later vertrok de meester, na den onderwijzer de +hand te hebben gegeven en een groet tot ons allen te +hebben gericht. En nog geen kwartier later moest Bob +al schoolblijven.<span class="pagenum"><a name="Page_206" id="Page_206">[206]</a></span></p> + +<p>Het ligt evenwel niet in mijne bedoeling, te vertellen +hoe wij dien schooldag passeerden. Genoeg zij het te +weten, dat Bob zoowel ’s morgens als om vier uur na +moest blijven, en geen klein poosje, dat beloof ik je. +Ik ben er zeker van, dat meester de Jong blij was, toen +de schooluren voorbij waren, en ik moet zeggen, dat dit +voor ons geen groote eer was. Want meester de Jong +was een doodgoed man, die ons veel te zacht behandelde. +Als hij wat strenger voor ons geweest was, zouden wij +het hem lang zoo lastig niet gemaakt hebben.</p> + +<p>»Wat zullen we gaan doen?» vroeg Karel Holm, toen +Bob, hij en ik ’s avonds bij elkander waren.</p> + +<p>»Meikevers voor Pieter-neef vangen?» vroeg Bob.</p> + +<p>»Dat is goed. Er vliegen er nog in overvloed. Hoeveel +moet hij er hebben?»</p> + +<p>»Een twintig is genoeg,» zei Bob, »maar ik zou het leuk +vinden, als wij er hem een paar honderd konden sturen. O, +o, wat zou ik er graag bij willen zijn, als hij die ontvangt.»</p> + +<p>»Doen?» vroeg Karel Holm, en zelf het antwoord +gevende, liet hij er op volgen: »Ja, — doen.»</p> + +<p>Wij gingen met eene leege sigarenkist naar den tuin +van den notaris, wapenden ons met ragebollen en dergelijke +werktuigen en begonnen onze jachtpartij, wat we +in het geheel niet onaardig vonden. En hoe meer kevertjes +we vingen, hoe grooter onze lust werd.</p> + +<p>Eindelijk was onze kist vol; er zaten niet minder dan +driehonderd gevangenen in.</p> + +<p>»Morgen gaat de looper,» zei Bob. »Dan zullen we +Pieter zijn cadeautje sturen.»<span class="pagenum"><a name="Page_207" id="Page_207">[207]</a></span></p> + +<p>»Maar hoe?» zei Bob. »In dat kistje gaan ze spoedig +dood.»</p> + +<p>»Dat is waar. Weet je wat, in een mandje dan. +Wij hebben wel een mandje, dat daarvoor heel geschikt +is, in het schuurtje staan. Dan kunnen ze onmogelijk +doodgaan door gebrek aan lucht. En zeg, jongens, nu +moesten we er een gedichtje bij kunnen doen. Wat zou +dat leuk wezen.»</p> + +<p>»Dat kan wel,» zei Karel. »We kunnen toch met ons +drieën wel een versje maken. Zoo bijzonder mooi behoeft +het ook niet te wezen.»</p> + +<p>»Goed! Afgesproken! Eerst zullen we de kevers in de +mand doen, en dan het gedicht fabriceeren. Laten we gaan.»</p> + +<p>Ha, wat gonsden en bromden die beestjes, toen we ze +uit de kist in de mand deden. ’t Was goed, dat er geen +jongejuffrouw bij ons was, want zij zou het zeker buitengewoon +griezelig gevonden hebben, al die torren!</p> + +<p>Nu namen we een dichten doek en bonden dien er +zorgvuldig omheen, zoodat er geen enkele ontsnappen kon.</p> + +<p>»Mooi zoo,» zei Bob met een tevreden knikje, »dat +zaakje is in orde. Nu ons gedicht nog, en dan brengen +wij ze naar den looper. Kom maar meê, dan gaan we +naar de speelkamer.»</p> + +<p>Zoo gezegd, zoo gedaan.</p> + +<p>Bob nam een vel papier en een potlood en ging tusschen +ons aan de tafel zitten.</p> + +<p>»Begin nu maar, jongens,» zei hij. »Ik ben klaar.»</p> + +<p>»Begin nu maar?» herhaalde Karel lachend. »Alsof dat +zoo gemakkelijk is? Ik weet geen begin.»<span class="pagenum"><a name="Page_208" id="Page_208">[208]</a></span></p> + +<p>»Ik ook niet!» zei ik.</p> + +<p>»Dat is flauw,» zei Bob. »Eerst zeg je, dat je het +best kunt doen, en nu het er op aankomt, trek je je +terug.»</p> + +<p>»Nu, hier heb ik al vast één regel,» zei Karel. »Schrijf +maar op, Bobbertje, en mopper niet zoo.»</p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„Zie Pieter, wat ik zenden zal!”<br /></span> +</div></div></div> + +<p>»Dat is een beste regel!» riep Bob opgetogen uit. »Zie +je wel; dat je het wel kunt? ’t Kon niet beter. Nu den +tweeden regel; toe Dorus, jou beurt.»</p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„Driehonderd roovers in getal!”<br /></span> +</div></div></div> + +<p>zei ik. »Dat rijmt immers?»</p> + +<p>»Prachtig, Dorus, prachtig! Driehonderd roovers in +getal, dat komt er uitstekend bij. ’t Zijn ook echte roovers.»</p> + +<p>»Nu jij een regel, Bob! Ieder op de beurt.»</p> + +<p>»Ja,» zei Bob, »je kunt ze niet uit je mouw schudden. +Ik weet geen regel.»</p> + +<p>»’t Is anders gemakkelijk genoeg, want jij behoeft +nergens op te rijmen,» zei ik.</p> + +<p>»Daar heb je gelijk aan; nu, dan weet ik er wel een. +Luister maar:</p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„’t Geschenk is wel niet heel veel waard.”<br /></span> +</div></div></div> + +<p>»Is die goed?»</p> + +<p>»Heel goed,» zei Karel peinzende om een rijmwoord +op »waard» te vinden.</p> + +<p>»Waard — wat rijmt daar zoo al op?» vroeg hij. »O +ja, waard, paard, staart, taart, haard, baard, aard, gaard, +er zijn rijmwoorden genoeg. Ha, ik weet er al een:<span class="pagenum"><a name="Page_209" id="Page_209">[209]</a></span></p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„’t Is een geschenk uit onzen gaard.”<br /></span> +</div></div></div> + +<p>Dat rijmt goed, hè?»</p> + +<p>»Heel goed,» zei Bob schrijvende. »Gaat maar door, +jongens, ’t gaat best. Jou beurt, Dorus.»</p> + +<p>»Ik ben klaar,» zei ik. »Luister maar:</p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„Zij vliegen vroolijk in het rond.”<br /></span> +</div></div></div> + +<p>»Dat is waar,» zei Karel. »En dan kan dus volgen:</p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„Of kruipen langzaam op den grond,”<br /></span> +</div></div></div> + +<p>want dat doen ze ook dikwijls.»</p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„En brommen haast den heelen nacht,”<br /></span> +</div></div></div> + +<p>vervolgde Karel, die het weer gemakkelijk had, daar hij +geen rijmwoord behoefde te zoeken.</p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„Zeg Pieter, had je dat gedacht?”<br /></span> +</div></div></div> + +<p>zei ik, want deze regel schoot mij opeens te binnen.</p> + +<p>»Dat zijn nu al twee coupletten, en alle goede dingen +bestaan in drieën, dus nu het laatste nog. ’t Is mijne +beurt, niet waar?» zei Bob.</p> + +<p>»Ja, jou beurt,» zei Karel.</p> + +<p>»Wist ik nu nog maar wat,» vervolgde Bob. »Wacht, +laat mij eens even bedenken. Misschien komt het wel.»</p> + +<p>En na een oogenblik toevens vervolgde hij:</p> + +<p>»Ha, ik ben klaar. Luister:</p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„Wel neefje, ben je nu tevreê?”<br /></span> +</div></div></div> + +<p>»Goed gedaan, Bob. Nu moet ik weer. Wat rijmt er +zoo al op vreê? Wacht: wee, meê, zee, thee, dat zijn er +wel al genoeg. In orde, hoor.</p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„En valt het aantal je niet meê?”<br /></span> +</div></div></div> + +<p>»Goed zoo!» zei Bob, die elken regel opschreef. »Nu<span class="pagenum"><a name="Page_210" id="Page_210">[210]</a></span> +nog twee regeltjes en we zijn klaar. Jou beurt, Dorus.»</p> + +<p>»Ja wel, je hebt goed praten. Ik weet heusch niet +meer op ’t oogenblik. Jelui moet me helpen denken. +Wacht, ik weet er al een:</p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„Me dunkt, je hebt nu overvloed.”<br /></span> +</div></div></div> + +<p>»Nu jij weer, Bobbertje, den laatsten regel.»</p> + +<p>»Ja, dat komt mooi uit, Dorus, met dat woord overvloed, +want dat rijmt op gegroet. De laatste regel kan +dus zijn:</p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„Ontvang ten slotte onzen groet.”<br /></span> +</div></div></div> + +<p>Is dat niet een prachtig slot? Wacht, nu zal ik het +in het net overschrijven en het jelui eens voorlezen.»</p> + +<p>Bob deed het, en las:</p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i14">Waarde Pieter!<br /></span> +</div><div class="stanza"> +<span class="i0">„Zie Pieter, wat ik zenden zal:<br /></span> +<span class="i0">Driehonderd roovers in getal.<br /></span> +<span class="i0">’t Geschenk is wel niet heel veel waard,<br /></span> +<span class="i0">’t Is een cadeau uit onzen gaard.<br /></span> +</div><div class="stanza"> +<span class="i0">Zij vliegen vroolijk in het rond,<br /></span> +<span class="i0">Of kruipen langzaam op den grond,<br /></span> +<span class="i0">En brommen haast den heelen nacht.<br /></span> +<span class="i0">Zeg Pieter, had-je dat gedacht?<br /></span> +</div><div class="stanza"> +<span class="i0">Wel neefje, ben je nu tevreê?<br /></span> +<span class="i0">En valt het aantal je niet meê?<br /></span> +<span class="i0">Me dunkt, je hebt nu overvloed.<br /></span> +<span class="i0">Ontvang ten slotte onzen groet.”<br /></span> +</div><div class="stanza"> +<span class="i14 smcap">Karel Holm.<br /></span> +<span class="i14 smcap">Dorus Volmaar.<br /></span> +<span class="i14 smcap">Bob de Wild.<br /></span> +<span class="pagenum"><a name="Page_211" id="Page_211">[211]</a></span> +</div></div></div> + +<p>»Wat is dat best gegaan, hé?» vervolgde Bob, die +het vers in eene enveloppe deed en deze dichtplakte. +»Dichten schijnt me toch niet erg moeilijk toe. Me +dunkt, als we het wat meer deden, zouden we het spoedig +tot eene groote hoogte brengen. Ik vind dit gedicht +althans uitmuntend geslaagd. En jelui?»</p> + +<p>Nu, wij waren dat volkomen met hem eens. Wij +bonden de enveloppe, met de proeve onzer kunst, met +een touwtje aan de beide ooren van de mand vast, +zoodat het adres netjes bovenop kwam te liggen, en +brachten ons geschenk gezamenlijk naar den looper. +Deze bekeek het adres, en las overluid:</p> + +<p class="center">»Jongeheer Pieter van Koorde,<br /> +<span class="lft2">Keizersgracht No. 234</span><br /> +<span class="lft3">Amsterdam.»</span><br /></p> + +<p>»In orde Bob,» zei hij. »Dat adres is mij bekend; ik +heb er voor je Pa al meer dan eens wat moeten bestellen. +Is het franco?»</p> + +<p>»De geadresseerde zal de vracht betalen,» zei Bob +deftig, en na gegroet te hebben gingen wij het dorp in.</p> + +<p>Weinig konden wij op dat oogenblik vermoeden, dat +diezelfde meikevertjes in Amsterdam zooveel moeite en +ontsteltenis zouden veroorzaken, zooals wij later hoorden, +dat zij gedaan hadden.</p> + +<p>Want toen de looper het mandje met zijn levenden +inhoud in de beste orde aan het opgegeven adres had +afgeleverd, was Pieter-neef niet thuis, omdat het onder +schooltijd was. De meid bracht het dus bij Mevrouw Van +Koorde, die de boven-voorkamer als woonkamer gebruikte.<span class="pagenum"><a name="Page_212" id="Page_212">[212]</a></span></p> + +<p>»Binnen,» zei Mevrouw, toen Mientje had aangetikt.</p> + +<p>»Mevrouw, hier is een mandje van den looper. ’t Kost +een dubbeltje vracht, Mevrouw.»</p> + +<p>»O, — ziehier het geld. Zet het mandje maar hier op +de tafel.»</p> + +<p>Mientje gehoorzaamde.</p> + +<p>»Zeker van mijn broeder,» zei Mevrouw. »Wat kan +hij mij te sturen hebben? Maar neen, — ik ben abuis. +’t Is voor Pieter, zie ik. Daar staat duidelijk: Jongeheer +Pieter van Koorde. Jammer, dat hij naar school is. Wat +kan daar toch inzitten?»</p> + +<p>Mevrouw tilde het mandje eens op en vond, dat het +erg licht was.</p> + +<p>»En een brief in de enveloppe,» zeide ze, na deze met +de vingers betast te hebben. »Ik ben nieuwsgierig, wat +hem gezonden kan worden. Weet je wat? Ik kon best +het mandje openen en eens zien, wat het bevat. Den +brief moet Pieter zelf maar openmaken. Dat is wèl zoo +aardig voor hem. Wel, ik moet zeggen, dat de mand +goed dichtgemaakt is, — heel zorgvuldig zelfs. Ik zal +het touwtje maar losknippen.»</p> + +<p>Zij ging naar hare werkmand en kwam met de schaar +terug.</p> + +<p>»Knip-knip!» ging het en het touwtje viel aan stukken +op de tafel. Mevrouw nam den doek en lichtte dien op.</p> + +<p>Genadige hemel! Wie beschrijft haar schrik bij het +zien van die honderden wriemelende, gonzende en brommende +meikevers! Van ontsteltenis gaf zij een hevigen +gil en vlug ijlde zij naar het schelkoord, waaraan zij<span class="pagenum"><a name="Page_213" id="Page_213">[213]</a></span> +zenuwachtig begon te rukken. Zonder ophouden, met +den blik stijf op de noodlottige mand gericht, bleef zij +doorschellen.</p> + +<p>De beestjes, die nu de vrijheid zoo onverwacht terug +gekregen hadden, begonnen daar dadelijk gebruik van te +maken, door tegen de mand op te klauteren en over +den rand te gaan loopen. Zij spreidden af en toe de +vleugeltjes uit met het vaste voornemen, straks het +luchtruim in te snellen. Sommige begonnen zelfs al te +vliegen, en het was een gegons en gebrom, dat Mevrouw +Van Koorde het bijna op hare zenuwen kreeg van angst. +Zij durfde geen voet naderbij komen en deed niets dan +schellen.</p> + +<p>Nu ging de deur open en trad Mientje, ook al verschrikt +door het bellen, haastig binnen.</p> + +<p>»O, Mevrouw, wat is er?» vroeg zij angstig. »Is er +brand, Mevrouw?»</p> + +<p>»Neen, neen, nog erger! Toe Mientje, spoedig, neem +die mand en breng haar dadelijk weg — naar buiten. +Dadelijk, asjeblief.»</p> + +<p>Nu was Mientje gewoon, de bevelen harer meesteres +stipt uit te voeren; zij liep dus naar het mandje, op welks +ongewonen inhoud zij in het geheel niet verdacht was, +en greep het bij de ooren. Maar op hetzelfde oogenblik +begonnen een paar meikevers tegen hare bloote armen +op te kruipen, zoodat zij thans de beestjes wel moest +opmerken. Doodsbleek van schrik uitte zij een hevigen +angstkreet en liet plotseling de mand met alles, wat +daarin was, op den grond vallen. Zelf vluchtte zij tot<span class="pagenum"><a name="Page_214" id="Page_214">[214]</a></span> +in den versten hoek van de kamer, waar zij in stomme +verbazing de gevolgen van hare daad stond aan te staren.</p> + +<div class="figcenter1"> +<img src="images/ill05.jpg" width="400" height="543" alt=".... en liet plotseling de mand met alles, wat daarin was, op den +grond vallen. (pag. 213)." title="" /> +<br /><span class="caption">.... en liet plotseling de mand met alles, wat daarin was, op den +grond vallen. (pag. 213).</span> +</div> + +<p>De meikevers, door den schok verschrikt, spreidden thans +de vleugels uit en begonnen, gonzende en brommende, +door de kamer te vliegen, tot ontzetting van de beide +vrouwen, die het niet durfden wagen, hunne hoeken te +verlaten.</p> + +<p>Wat maakten die diertjes, die vruchteloos zochten naar +een groen blaadje, want zij hadden gedurende de reis +geduchten honger gekregen, eene ongewone drukte in die +deftige kamer! Er was weldra geen plaatsje meer, waar +geen kever te vinden was.</p> + +<p>»O mevrouw, die afschuwelijke torren!» riep Mientje, +die beefde als een espenblad.</p> + +<p>Mevrouw stond met beide armen te zwaaien, om zich +de ongenoode gasten van het lijf te houden, want zelfs +op de linten van hare muts schenen zij het gemunt te +hebben. Wel drie hadden zich daar een plaatsje weten +te veroveren, en zaten er gezellig de vleugeltjes uit te +spreiden en weer dicht te slaan. Eén liep er haar op den +schouder en vier kropen tegen haar boezelaar op.</p> + +<p>»Domme meid! — Ga weg, afschuwelijk dier! — Hoe +kon je nu zoo dom — koest, beest, koest, — zijn, om +die mand, — sss — sss; — te laten vallen!»</p> + +<p>»O mevrouw, — ga weg — ga weg, — bah, wat +afschuwelijke dieren! — kijk eens, ze kruipen tegen den +spiegel op — o foei, hu, er zit er een in mijn hals, — en +tegen de lamp — en o, mevrouw, de gordijnen — ksss, +ksss — zitten vol! ’t Is afschuwelijk.»<span class="pagenum"><a name="Page_215" id="Page_215">[215]</a></span></p> + +<p>»Mientje, hier houd ik het niet langer uit — o foei, +ze zitten me op mijn hoofd, en ah bah, daar kruipt er +een in mijn mouw. Mientje, hu, hu, haal dat beest er +uit! — Haal het er uit, zeg ik!»</p> + +<p>»Ik durf niet, — dat durf ik niet!»</p> + +<p>En op een draf, met haar boezelaar over het hoofd, +nam Mientje, schreiende van schrik, de vlucht, de kamer +uit en naar beneden.</p> + +<p>Een oogenblik daarna werd zij gevolgd door Mevrouw, +die echter zoo verstandig was, de deur achter zich dicht +te trekken.</p> + +<p>Daar stonden ze, bleek van ontsteltenis, zonder te +weten, wat zij moesten doen, om van deze meikeverplaag +verlost te worden.</p> + +<p>Maar ook hier waren zij niet vrij, want in de vlucht +hadden zij er enkele medegenomen, die op hare kleeren +zaten.</p> + +<p>»O Mientje, — wat voel ik daar in mijn hals?» riep +Mevrouw huiverend uit, nu zij daar een eigenaardig gekriewel +opmerkte, — »wat voel ik daar, Mientje!»</p> + +<p>»O Mevrouw, dat is er weer een! Maar ik haal er +hem niet af, Mevrouw, — voor duizend gulden niet! — Hu, +wat een akelige beesten!»</p> + +<p>Met eene weergaloos vlugge beweging streek Mevrouw +nu zelf met hare hand langs den hals, en in hetzelfde +oogenblik verhief zich het kevertje vroolijk gonzend +omhoog, regelrecht op Mientje af. Deze wist niet waar +ze zich bergen zou, en liep wel twintigmaal om de tafel +heen.<span class="pagenum"><a name="Page_216" id="Page_216">[216]</a></span></p> + +<p>»Mientje, ga den kruier halen! Hij moet al die beesten +vangen. Hoe komt die nare Robert er toe, om die torren +naar ons te zenden? Maar wacht, ik zal hem een brief +schrijven, die hem niet bevallen zal, dien stouten bengel. +Mientje, spoedig, zeg dat de kruier direct moet komen!»</p> + +<p>Maar dat was niet noodig, want op dit oogenblik werd +er gescheld.</p> + +<p>»Ha, dat zal Pieter zijn,» riep Mevrouw verheugd uit. +»Hij zal ons misschien wel van die beesten kunnen verlossen.»</p> + +<p>Inderdaad, zij had goed geraden; het was Pieter, en +deze was niet weinig uit zijn humeur toen hij hoorde, +wat er gebeurd was.</p> + +<p>»Maar Mama,» riep hij teleurgesteld uit, »dat zijn geen +torren, het zijn meikevers, die Bob mij gestuurd heeft, +omdat ik hem dat verzocht had. En nu zijn ze alle +weg!»</p> + +<p>»Weg?» herhaalde zijne Mama. »Weg? De hemel +gave, dat het waar was. Weg? De voorkamer boven +zit vol; er is geen plaatsje te zoeken, waar niet van die +beesten zitten. Ik zag er zelfs een in de melkkan vallen.»</p> + +<p>»En in den suikerpot, Mevrouw,» zei Mientje, »daar +zaten er ook in! Hu, ik ga niet meê, hoor jongeheer, +voor geen geld! Ik moet er niets, niemendal van hebben.»</p> + +<p>»Dat is ook niet noodig!» bromde Pieter. »Geef mij +den langen stoffer maar, dan zal ik ze wel vangen. En +Mama, heeft u geen kistje voor me? Een sigarenkistje, +of zoo iets?»</p> + +<p>»Waarvoor?» vroeg Mevrouw. »Toch niet, hoop ik,<span class="pagenum"><a name="Page_217" id="Page_217">[217]</a></span> +om er die akelige beesten in te doen? Ik wil het volstrekt +niet hebben, Pieter, volstrekt niet, heb je mij goed verstaan? +Schuif de ramen open en jaag ze naar buiten. +Ik wil die beesten onder mijne oogen niet meer hebben.»</p> + +<p>»Maar Mama, Bob heeft ze toch voor mij gestuurd?»</p> + +<p>»Zeker, dat heeft hij en ze hebben mij nog een dubbeltje +aan den looper gekost ook. Doch dat verandert +aan de zaak niets, Pieter. Gooi die beesten het raam +uit! En nu geen woord meer, asjeblief!»</p> + +<p>Pieter begreep, dat het zijne mama ernst was, en met +tranen in de oogen ging hij, gewapend met een langen +stoffer, naar boven, om de ontsnapte diertjes te vangen.</p> + +<p>Toch moest hij lachen, toen hij zag, hoe de geheele +kamer als het ware met meikevers bevolkt was. Geen +plekje zag hij, of er was een meikever. ’t Was zulk een +bespottelijk gezicht, dat hij het uitschaterde van het lachen. +De deur had hij achter zich gesloten en hij hoorde, hoe +zijne Mama en Mientje daar achter stonden te wachten +op het oogenblik, dat de kamer weer vrij zou zijn.</p> + +<p>Eerst las Pieter op zijn gemak het gedicht van zijne +drie vrienden, stak het na de lezing in zijn zak, en ging +daarna op de jacht. De ramen had hij open geschoven, +en weldra zag hij, hoe de gejaagde kevers bij drommen +naar buiten vlogen. Het was nog lang geen gemakkelijk +werkje, om ze naar buiten te krijgen, want telkens, als +hij dacht, dat hij nu eindelijk den laatsten had gehad, +kwamen er uit de plooien van de gordijnen weer +andere te voorschijn. Ja, zelfs vele dagen daarna werd +Mevrouw telkens nog opgeschrikt door de onverwachte<span class="pagenum"><a name="Page_218" id="Page_218">[218]</a></span> +verschijning van een meikever, die haar onmiddellijk de +vlucht deed nemen naar Mientje, maar deze was niet te +bewegen, om hem te vangen.</p> + +<p>Nog jaren daarna kon Mevrouw haar neef Bob niet +ontmoeten, of zij begon telkens weer over die meikevers +te spreken en dan kon zij geen woorden genoeg +vinden, om haar schrik en ontsteltenis te beschrijven.</p> + +<p>Maar Pieter was, tot zijne innige spijt, slecht van +zijne meikevers afgekomen.</p> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_219" id="Page_219">[219]</a></span></p> + +<p class="str"> </p> + +<h2>Dertiende Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Hoe ik mijne betrekking als organist vervulde en wat<br /> +Bob in den toren vond. Hoe in het eene huis<br /> +vreugde en in het andere droefheid kon<br /> +heerschen om eenzelfde gebeurtenis.</p> + + +<p>’t Werd Zondagmorgen. Ik was al vroeg wakker, +want de enkele malen, dat ik voor den meester het orgel +moest bespelen als er dienst was, sliep ik nooit bijzonder +rustig. De wetenschap, dat ik als organist moest optreden, +stemde mij altoos min of meer zenuwachtig en deed mij +ook nu vroeg ontwaken.</p> + +<p>Spijt behoefde ik daar echter niet over te gevoelen, +want het was bijzonder prachtig weêr. De dauw lag als +een luchtig gaas over het veld en deed blad en twijg +schitteren in de gulden ochtendstralen van de zon. Een +heerlijke geur vervulde de lucht en ik vond het verrukkelijk, +langzaam rond te wandelen door onzen tuin, waar +de glinsterende dauwdroppels wel diamanten schenen. +De vogels sjilpten zoo vroolijk op het dak, de hanen<span class="pagenum"><a name="Page_220" id="Page_220">[220]</a></span> +kraaiden elkander zoo gezellig hun morgengroet toe, het zonnetje +scheen zoo heerlijk. ’t Was een genot, buiten te zijn.</p> + +<p>’t Werd langzamerhand drukker en levendiger om mij +heen. De huizen werden meer en meer geopend, als om +te bewijzen, dat de bewoners waren opgestaan, en hier +en daar klonk uit de mij omringende tuinen een lied of +een vroolijke lach. De hanen werden kalmer, het zonnetje +rees langzaam hooger en verdreef met hare stralenbundels +den dauw, die niet dan onwillig scheen op te trekken, de +vogels fladderden van boom tot boom, en de bijtjes bewogen +zich al gonzende van de eene bloem naar de andere.</p> + +<p>Hoor, daar was de melkboer reeds. Van huis tot huis +kon ik hem volgen, want overal opende hij de achterdeur +en riep: »Mel-lek!» En de laatste lettergreep rekte hij +wel tweemaal zoo lang uit als noodig was.</p> + +<p>Nu waren ook mijne broertjes en zusjes ontwaakt. Ik +hoorde hun gesnap en gebabbel zelfs in den tuin, dien +zij weldra onder vroolijk gejuich binnenstormden.</p> + +<p>»Je moet komen ontbijten, Dorus!» klonk het mij toe. +»Moe heeft het gezegd.»</p> + +<p>Nu, dat bericht behoefde niet herhaald te worden, want +eene flinke boterham was mij nooit onwelkom. En toen +het ontbijt afgeloopen was, ging ik weer in den tuin om +het eerste gelui af te wachten. Bij ons werd er altoos +tweemaal geluid, den eersten keer om halfnegen, en den +tweeden keer een uur later, als de kerk aanging.</p> + +<p>Hoe meer het uur van aanvang naderde, des te minder +begon ik mij op mijn gemak te gevoelen. Niet, omdat +ik bang was, dat ik het er niet goed zou afbrengen,<span class="pagenum"><a name="Page_221" id="Page_221">[221]</a></span> +o neen, in het geheel niet, want ik speelde toen de psalmen +en de gezangen al vrij vast. Ik weet zelf niet, waarom +ik er altoos zoo tegen opzag; ik denk, dat het gevoel +van verantwoordelijkheid mij drukte.</p> + +<p>Eindelijk drongen de klokketonen tot mij door. Dat +gelui stemde mij altoos, zoo jong als ik was, min of meer +ernstig, en wanneer het de doodsklok was, die geluid +werd, huiverde ik zelfs dikwijls.</p> + +<p>Een kwartiertje later nam ik mijne muziekboeken uit +het kastje en zei tegen Pa en Moe, dat ik vast vooruitging, +om alles in gereedheid te brengen.</p> + +<p>»Hoor eens, Dorus,» zei Pa, »geen grappen maken +daarboven, hoor, en geen jongens meênemen. Zorg er +voor, dat niemand merkt, dat de meester er niet is. +Laat alles ordelijk en naar behooren gaan.»</p> + +<p>»Ja Pa!» was mijn antwoord, en toen ging ik.</p> + +<p>»Zorg, dat ik mij niet over je behoef te schamen!» +riep Pa mij nog na.</p> + +<p>Onderweg kwam ik Bob tegen.</p> + +<p>»Zoo Dorus,» zei hij, »ga je naar de kerk?»</p> + +<p>»Ja, ik ga naar de kerk.»</p> + +<p>Dat ik dien morgen als organist moest optreden, verzweeg +ik hem, want dan wist ik zeker, dat hij ook boven +zou komen. Maar Bobje wist het al. Hij vervolgde:</p> + +<p>»Ik kom ook, Dorus. De meester is er immers niet?»</p> + +<p>Ik had veel lust om te zeggen, dat de meester er wèl +zou zijn, maar van liegen en veinzen had ik een onoverwinnelijken +afkeer, dus zeide ik het niet.</p> + +<p>»Ik ben van morgen organist, Bob,» zei ik op beslisten<span class="pagenum"><a name="Page_222" id="Page_222">[222]</a></span> +toon, »en de meester komt niet! Ik heb eerst den meester +en nu nog mijn Pa moeten beloven, dat ik geen jongens +zou meênemen, en ik doe het niet ook. Als je komt, +zal ik den koster verzoeken, je te verwijderen.»</p> + +<p>»Erg vriendelijk van je, Dorus,» zei Bob knorrig, »erg +vriendschappelijk, dat moet ik zeggen.»</p> + +<p>»Waarom ga je niet beneden zitten? Daar heb je +immers eene plaats?»</p> + +<p>»Ja, maar ik zit veel liever boven. Daar kan ik nog +eens heen en weer loopen, weet je, en dat kan ik in de +kerk niet doen. Dus mag ik niet?»</p> + +<p>»Neen, je moogt niet. Ik heb het beloofd en die belofte +zal ik houden. Je doet ook altijd zulke dwaze dingen. +Maar nu moet ik gaan, of ik ben niet op tijd gereed. +Tot van middag!»</p> + +<p>Bob scheen echter boos, want hij ging zonder groeten +verder. Nu, dat hinderde niet. Hij was wel eens meer +boos, maar dat ging vanzelf weer over. Hij zou mijne +weigering ook nu wel spoedig vergeten zijn.</p> + +<p>Ik had nu de kerk bereikt en ging naar boven, waar +de koster de sleutels van het orgel al had neergelegd. +Eenige minuten later kwam hij mij het orgelbriefje +brengen, waarop te lezen stond, welke liederen er dien +morgen gezongen zouden worden.</p> + +<p>Uit dat briefje bleek mij, dat alles zou zijn, zooals +gewoonlijk. Er stond althans niets bijzonders op vermeld, +en er zou ook nu, volgens den gewonen gang van zaken, +viermaal gezongen worden. Dat de melodiën niet bijzonder +moeilijk waren, zag ik al met een enkelen oogopslag,<span class="pagenum"><a name="Page_223" id="Page_223">[223]</a></span> +want het waren alle bekende gezangen, die dikwijls +opgegeven werden.</p> + +<p>Toen alles gereed stond, kwam Potman, de orgeltrapper +boven. Potman was een oude sukkel, die door de diakonie +onderhouden werd en er nog een duitje bijverdiende met +orgeltrappen.</p> + +<p>»Zoo Dorus,» zei hij, »moet jij van morgen spelen? +Komt de meester niet?»</p> + +<p>»De meester is uit,» zei ik, »en nu moet ik spelen.»</p> + +<p>»Zoo, zoo, nu, dat is je toevertrouwd. Er zal wel veel +volk ter kerk komen, denk ik, want het is prachtig +weêr. Kom, ik zal maar gaan zitten.»</p> + +<p>Potman ging naar de andere zijde van het orgel, waar +zijn stoel stond, en nauwelijks was hij weggegaan, of +Jan van der Vliet kwam binnen. Die had eene vaste +plaats bij ons, en als de meester zeide, dat er geen jongens +boven mochten komen, was Jan daarvan stilzwijgend +uitgezonderd. Trouwens, Jan zou ook geen dwaze dingen +gaan doen, zooals Bob. Als deze boven zat, wierp hij +altoos propjes papier naar beneden, die dan op de hoofden +der menschen terecht kwamen, of hij maakte grappen +tegen de jongens, die op de galerijen zaten, want gij +moet weten, dat het eene groote kerk was met twee +galerijen, die op dezelfde hoogte van het orgel waren +aangebracht. Wanneer de collectanten van de eene galerij +naar de andere moesten gaan, kwamen zij altoos onze +afdeeling over en namen dan meteen onze giften in +ontvangst.</p> + +<p>»Morgen Dorus!» zei Jan.<span class="pagenum"><a name="Page_224" id="Page_224">[224]</a></span></p> + +<p>»Morgen Jan!» was mijn antwoord, en ik zag, dat zijn +gelaat droevig stond. Hij schoof de gordijntjes een weinig +ter zijde, zoodat hij in de kerk kon zien, en staarde op +de bank, waar ’s Zondags altoos zijne ouders zaten, want +zij waren trouwe kerkgangers. Hunne plaatsen bleven +nu evenwel ledig, en toen ik Jan aanzag, ontdekte ik +tranen in zijne oogen. Onze blikken ontmoetten elkander, +en wij schenen daarin elkanders gedachten te kunnen lezen.</p> + +<p>»Ze durven niet. Ze schamen zich!» fluisterde hij mij +toe, en zijn mond plooide zich zenuwachtig. Ik zag, dat +hij moeite deed, om niet te schreien.</p> + +<p>Ik antwoordde niets, want ik wist niet, wat ik zeggen +moest. Hoe kon ik den armen jongen troosten, nu +morgen de rechtbank wellicht het schuldig over hen zou +uitspreken? Hoe kon ik hem troosten, nu binnen korten +tijd de gevangenisdeur wellicht achter hen zou worden +gesloten en Jan alleen met zijn zusje in de armelijke +woning achterbleef?</p> + +<p>Neen, ik kon hem niet troosten, want iedereen zeide, +dat zij wel veroordeeld zouden worden.</p> + +<p>»En dan toch onschuldig?» dacht ik, terwijl ik Jan vol +medelijden aanzag. »Maar — dat zou verschrikkelijk zijn.»</p> + +<p>Op dit oogenblik begon de koster voor de tweede maal +te luiden, en werd het drukker in de kerk.</p> + +<p>Daar kwam dokter Doreman binnen, die bijna nooit +verzuimde, maar ook bijna nooit tot aan het einde van +den dienst bleef, omdat hij gewoonlijk midden onder de +preek bij een patient geroepen werd, want hij had een +verbazend drukke praktijk.<span class="pagenum"><a name="Page_225" id="Page_225">[225]</a></span></p> + +<p>En daar kwam notaris de Wild binnen, met zijne vrouw. +Of Bob ook meegekomen was? Hoe ik ook keek, ik +ontdekte hem nergens. Misschien was hij nog boos op me?</p> + +<p>De drukte beneden werd nog grooter, want het was +nu half tien. En de meeste menschen komen precies op +tijd of te laat.</p> + +<p>Nu kwam ook de voorzanger in de kerk. Ik zag hem +weldra plaats nemen voor zijn lessenaar en opzoeken, +wat er gezongen moest worden. Het luiden hield op, de +voorzanger kuchte, trok zijn das recht, hoewel deze +volstrekt niet scheef zat, en daar begon hij, zacht en +onduidelijk:</p> + +<p>»De gemeente gelieve te zingen —» maar nu verhief +zijne stem zich, zooals de man dat gewoon was te doen, +plotseling wel eene quinte hooger, en klonk het helder +en duidelijk, zoodat iedereen hem kon verstaan: »van +den twee en veertigsten psalm, het eerste veers.» Hij +zei altoos veers en nooit vers; waarom hij dat deed, +weet ik niet.</p> + +<p>»Ik herzeg: van den twee en veertigsten psalm, het +eerste veers.» En nu begon hij op een galmenden toon, +dien niemand mooi vond, het opgegeven vers voor te +lezen. Ik zat gereed om te gaan spelen, dat spreekt +vanzelf, en de orgeltrapper was evenzoo op zijne post. +Jan stond achter mij, om te zien wat ik deed. Zoodra +de voorzanger geëindigd had, speelde ik mijn preludium, +wat heel goed ging, trok daarna eenige registers uit en +speelde het koraal, waarmede de gemeente instemde. +Jan, die anders altoos uit volle borst meêzong, scheen<span class="pagenum"><a name="Page_226" id="Page_226">[226]</a></span> +nu geen zingenslust te hebben, althans hij deed niet +mede, en het scheen mij toe, dat hij zuchtte.</p> + +<p>Eerst beefde ik wel een beetje, toen ik begon te spelen, +maar dat bedaarde spoedig en ik gevoelde mij verder goed op +mijn gemak. Het ging dan ook tot het einde toe zeer goed.</p> + +<p>Nu las de voorzanger een gedeelte uit den bijbel voor, +en toen nam de dominee, die onder het zingen den kansel +beklommen had, het woord.</p> + +<p>Spoedig werd het tweede gezang opgegeven. Ik speelde +het zoo goed, dat ik er niet aan twijfelde, of er zouden +maar weinig menschen zijn, die opmerkten, dat de gewone +organist niet tegenwoordig was. Dat stemde mij recht +prettig.</p> + +<p>Midden onder het gezang evenwel verdween plotseling +al mijne vreugde, want de deur werd geopend, en zonder +eenig gedruisch te maken trad Bob binnen. Dat vond ik +flauw van hem. Hij wist, dat zijne tegenwoordigheid bij +het orgel in het geheel niet gewenscht, ja, zelfs verboden +was, en nu kwam hij toch. Wat moest nu de meester +wel van mij denken, als hij het hoorde? En wat zou Pa +zeggen, als ik thuis kwam? Want deze zou het ongetwijfeld +wel te weten komen. En bovendien, welke dwaze +dingen zou Bob misschien weer gaan uithalen, — want +dat deed hij immers altijd?</p> + +<p>Toch kon ik er niets aan veranderen. Hij was er nu +eenmaal, en hoe moest ik hem tot heengaan bewegen? +O ja, ik kon naar beneden gaan en den koster waarschuwen, +maar dan zagen alle menschen mij; wat zou +dat dus eene opschudding veroorzaken. Neen, ik kon er<span class="pagenum"><a name="Page_227" id="Page_227">[227]</a></span> +niets aan doen, en dat wist Bob wel. Juist daarom had +hij zoo lang gewacht.</p> + +<p>Hij kwam doodbedaard achter mij staan en keek naar +mijn spel. Maar plotseling stak hij de hand uit, om ook +een of twee toetsen neer te drukken, wat afschuwelijk +geklonken zou hebben. Ik schrikte er van.</p> + +<p>»Niet doen! — Niet doen!» riep ik hem haastig toe, +en gelukkig was Bob zoo vriendelijk, dezen keer mijn +zin eens te doen. Lachend trok hij zijne hand terug. +Maar nu begon hij met zijn voet op het pedaal te drukken, +wat mij duidelijk werd, daar de bas plotseling door +eene onbekende oorzaak vreeselijk valsch begon te klinken. +Ik onderzocht dadelijk, of ik mij ook vergist en +een verkeerden toets neergedrukt kon hebben, maar dat +was niet zoo. Mijn spel was goed. Toen ontdekte ik, +dat Bob het deed, en weer fluisterde ik hem toe:</p> + +<p>»Laat het dan toch, Bob. Je maakt me in de war!»</p> + +<p>Wat was ik blij, toen ook het tweede gezang ten einde +was. Ik maakte alles gereed voor het derde en wendde +mij daarna tot Bob, die doodbedaard op een stoel was +gaan zitten.</p> + +<p>»Zoo,» zei ik zacht, maar daarom niet minder boos, +»ben je daar toch?»</p> + +<p>»Zooals je ziet,» zei Bob. »En ik ga niet weg ook, +al kijk je me nog zoo nijdig aan.»</p> + +<p>»Ik vind het leelijk van je, Bob — erg leelijk!» zei +ik weer. »Als ik den koster roep, word je dadelijk +weggestuurd.»</p> + +<p>»Ja, dat weet ik wel, maar je haalt hem niet, Dorus.<span class="pagenum"><a name="Page_228" id="Page_228">[228]</a></span> +Doch wees nu maar bedaard, — ik beloof je, dat ik in +het geheel geen kwaad zal doen en stil zal blijven zitten. +Is het nu goed?»</p> + +<p>Hij lachte mij vriendelijk toe, terwijl hij dat zeide. +De oolijkerd wist wel, dat hij gelijk had. Ik draaide +mij boos van hem af en ging voor mijne muziek zitten, +om die nog eens door te zien.</p> + +<p>Inderdaad hield Bob zich eenigen tijd zeer bedaard, +zoodat ik volstrekt geen reden had, om ontevreden over +hem te wezen. Toch deed ik nog net, of ik erg boos +op hem was en bleef met mijn rug naar hem toezitten. +Want ik wilde mij volstrekt niet met hem bemoeien, +daar ik wist, dat hij direct de geheele hand zou nemen, +als ik hem maar een vinger toestak. Ik wilde hem in +het geheel niet aanmoedigen.</p> + +<p>Na een klein kwartier echter begon de stoel, waarop +hij plaats genomen had, verdachte geluiden voort te +brengen en telkens geducht te kraken, wat mij het +duidelijke bewijs was, dat Bob onmogelijk langer stil +kon zitten.</p> + +<p>»Nu zal het lieve leventje beginnen,» dacht ik, doch +ik bleef op mijne muziek turen en verwaardigde hem +met geen blik.</p> + +<p>Het gekraak werd evenwel telkens erger, zoodat ik +wel omkijken moest, en nu zag ik Bobje boven op de +leuning zitten met zijne voeten op de zitting, en hij +maakte allerlei leelijke grimassen tegen den ouden Potman, +die hem heel boos zat aan te kijken.</p> + +<p>»Bob, wees toch stil!» gebood ik, want ik twijfelde<span class="pagenum"><a name="Page_229" id="Page_229">[229]</a></span> +niet, of men zou beneden in de kerk het leven kunnen +hooren, dat hij maakte.</p> + +<p>»Houd je kalm, Dorus,» zei Bob. »Kijk dien ouden +Potman eens boos wezen! Ik geloof, dat hij me wel zou +willen opeten.»</p> + +<p>En weer begon hij grimassen te maken en op de +leuning heen en weer te schommelen, zoodat de stoel er +van kraakte.</p> + +<p>»Bob, houd nu op en ga heen. Toe, asjeblief, Bob!»</p> + +<p>Nu mijn dreigen niet hielp, begon ik hem te smeeken, +want ik twijfelde niet langer, of hij zou me in groote +ongelegenheid brengen. »Aanstonds breekt de stoel nog,» +zei ik er waarschuwend bij. En nauwelijks had ik die +woorden uitgesproken, of krak, krak! daar brak de leuning +middendoor en viel Bob met een slag op den grond. +Het bloed steeg mij naar het hoofd van den schrik en +ik keek snel naar beneden, of de menschen in de kerk +het hadden gehoord. Ja, een enkele zag even naar boven, +maar daar het orgel boven de groote vestibule stond, +had men er daar minder van gehoord, dan ik vreesde.</p> + +<p>Toch had het gebeurde een gevolg, waarover ik mij +zeer verheugde, want Bob had in allerijl het hazenpad +gekozen; zeker vreesde hij, dat de koster naar boven zou +komen.</p> + +<p>Nu werd het zoo rustig boven als ik maar wenschen +kon, want Jan van der Vliet zat doodbedaard op een +stoel achter mij te luisteren naar de preek van den +dominee, hetgeen ik nu ook ging doen. Want tot nog +toe had mijn vriend Bob mijne aandacht daar totaal van<span class="pagenum"><a name="Page_230" id="Page_230">[230]</a></span> +afgeleid. En de oude Potman ging, als gewoonlijk, zijn +slaapje doen. Bob was nog geen drie minuten weg, of +de oude man zat al te knikkebollen.</p> + +<p>Het duurde echter maar kort, of ik hoorde iemand +met groot gedruisch de trap afklimmen, die naar den +toren voerde. Dat moest Bob wezen, het kon niet anders. +Zeker was hij weer naar het uilennest wezen kijken. +Maar hoe kwam hij er nu toch toe, om zoo hard naar +beneden te komen stormen? Hij wist toch, dat er kerk +was? Of wilde hij mij met voordacht in ongelegenheid +brengen? Dat vond ik slecht van hem.</p> + +<p>Daar werd de deur driftig opengeworpen en kwam +Bob met niet weinig gedruisch binnenstappen. Zijn gelaat +was hoogrood gekleurd en hij maakte ontzaglijk veel +leven. Blijkbaar was hij zoowel den dominee als alle +kerkgangers vergeten.</p> + +<p>»Ssst! Ssst!» fluisterde ik hem toe, met mijn vingers +tegen den mond.</p> + +<p>»Jan, ga mee! Dorus, jij ook!» zei hij gejaagd. »Ik +heb het geld gevonden van den diefstal, — al het geld!»</p> + +<p>In een oogwenk stonden wij naast hem, en Jan werd +doodsbleek.</p> + +<p>»Het geld! — Van den diefstal?» stamelde hij. »Spot +er niet mede, Bob, want dat zou laag en laf wezen.»</p> + +<p>»Ik spot niet! Gerust niet! Gaat maar mede. ’t Ligt +boven in den toren, onder het uilennest, je weet wel, +dat nest, dat we onlangs hebben gevonden. Komt, dan +zal ik het je wijzen!»</p> + +<p>Bob ging ons voor, en zonder meer aan het orgel te<span class="pagenum"><a name="Page_231" id="Page_231">[231]</a></span> +denken volgde ik hem. Dat ook Jan naar boven ging, +behoeft niet te worden gezegd.</p> + +<p>Halverwege de trap dacht ik echter aan het derde +gezang, dat nu volgen moest, maar naar mijne berekening +was het daarvoor nog te vroeg. Ik zou toch spoedig +weer naar beneden komen, maar eerst moest ik dat +geld eens zien.</p> + +<p>Vlug klommen wij de trap op. Wij gingen de klok +voorbij, die regelmatig tikte, en hadden weldra het nest +bereikt.</p> + +<p>»Kijk, — hier onder!» zei Bob. »Zie je wel, dat de +eieren er nog precies zoo liggen als toen? De vogels +zijn ongetwijfeld gestoord door den dief, want zie maar, +hier ligt het geld!»</p> + +<p>Bob lichtte nu het nest op, en waarlijk, — daar lag +het gestolene; een briefje van zestig gulden, een van +veertig, en zeven gouden tientjes. Alleen de drie gouden +tientjes, die bij Van der Vliet onder de deur door geschoven +waren, ontbraken er aan. En bovendien lagen +daar nog eenige honderden postzegels van verschillende +waarde, zoodat wij niet behoefden te twijfelen, of dit het +geld van den diefstal was.</p> + +<p>Jan schreide en lachte tegelijk. De goede jongen was +geheel in de war.</p> + +<p>»Daar is het! Daar is het!» juichte hij. »Nu zal de +onschuld van mijne ouders aan het licht komen. O Bob, +dat heb ik aan jou te danken!»</p> + +<p>»Maar wat moeten we nu doen?» vroeg Bob.</p> + +<p>»Alles precies laten liggen, zooals het ligt, en dadelijk<span class="pagenum"><a name="Page_232" id="Page_232">[232]</a></span> +den burgemeester gaan waarschuwen,» zei ik. »En spreek +er tegen niemand......»</p> + +<p>Maar eensklaps bestierven de woorden mij op de lippen, +want — daar klonk mij plotseling gezang in de ooren. +Eerst begreep ik niet, wat er gebeurde, maar weldra ging +mij een licht op. ’t Was kerkgezang — en dat nog wel zonder +orgelbegeleiding. Door de verrassing van het gebeurde, +had ik het orgel vergeten, en nu — was het te laat!</p> + +<p>Van schrik kon ik niet spreken, en met open mond +staarde ik mijne beide vrienden aan.</p> + +<p>»Mooi zoo, Dorus!» zei Bob. »Dat ziet er pleizierig +voor je uit. ’t Is zeker het derde gezang?»</p> + +<p>Ik knikte toestemmend en kreeg de tranen in de oogen, +tranen van spijt en berouw. Zonder een oogenblik langer +te dralen ijlde ik naar beneden, naar het orgel, — maar +wat kon ik er doen? De menschen zongen reeds onder +leiding van den voorzanger, en ik kon onmogelijk zoo +maar invallen. Potman keek mij aan en schudde bedenkelijk +met het hoofd. Hij vond mij zeker erg slecht.</p> + +<p>En ik — schreide tranen van verdriet.</p> + +<p>Nu werd de deur geopend en trad Pa binnen. Hij had +de kerk onder het zingen verlaten, en kwam kijken, wat +er gebeurd was.</p> + +<p>Zijn gelaat stond zeer ernstig.</p> + +<p>»Waarom speel-je niet, Dorus?» vroeg hij.</p> + +<p>Vol schaamte hield ik mijne oogen op den grond gericht, +maar ik antwoordde niet.</p> + +<p>»Waarom speel je niet, Dorus?» herhaalde Pa zacht, +maar dringend.<span class="pagenum"><a name="Page_233" id="Page_233">[233]</a></span></p> + +<p>»Ik was er niet, Pa.»</p> + +<p>Ik zag, dat mijn antwoord Pa bedroefde.</p> + +<p>»Dat spijt me van je, Dorus!» zei hij zacht. »Dat spijt +me meer, dan je wellicht vermoedt. Ik vertrouwde je +zoo geheel, Dorus.»</p> + +<p>Ach, wat speet het mij, Pa zoo teleurgesteld te +hebben.</p> + +<p>»Waar was je dan?» vroeg hij even later.</p> + +<p>»Pa, ik was in den toren. Bob......»</p> + +<p>»Bob? Ik had je immers verboden, jongens mede te +nemen? Dorus, — Dorus! Wat val je me tegen.»</p> + +<p>»Ik heb hem niet meegenomen, Pa!» zei ik schreiende. +»Hij is zelfs gekomen ondanks mijn verbod. En ik kon +hem niet weg krijgen.»</p> + +<p>»En wat moest je in den toren doen? Het was je +plicht hier te blijven. ’t Is niet alleen stout van je geweest, +maar ook dom, erg dom, Dorus.»</p> + +<p>»Ach Pa, u weet alles niet. Bob was in den toren +gegaan, en daar heeft hij al het geld gevonden en de +postzegels, die bij mijnheer Valk gestolen zijn. En toen +hij ons dat kwam zeggen, zijn Jan en ik met hem naar +boven geklommen, om het te zien. En Pa, toen — toen +was ik het derde gezang vergeten, — ik dacht er in het +geheel niet meer aan, totdat ik opeens hoorde zingen.»</p> + +<p>»Het geld gevonden en de postzegels?» zei Pa, die een +en al verbazing was. »Dat zeg je immers?»</p> + +<p>»Ja, Pa.»</p> + +<p>»En waar zijn die jongens nu?»</p> + +<p>»Nog in den toren, Pa. Toe, ga er als het u belieft<span class="pagenum"><a name="Page_234" id="Page_234">[234]</a></span> +dadelijk heen, want zij weten niet, wat zij er mede moeten +doen.»</p> + +<p>Ik deed de deur voor Pa open en meende hem voor +te gaan. Maar Pa zeide:</p> + +<p>»Jij blijft hier op je post, — begrepen, Dorus?»</p> + +<p>»Ja, Pa.»</p> + +<p>Beschaamd keerde ik naar mijn klavier terug, dat ik +zoo schandelijk verlaten had. Het gezang was nu geëindigd, +en ik zocht de muziek gereed voor het laatste +zingen. De dominee begon aan het tweede gedeelte van +zijne predikatie.</p> + +<p>Wat had ik een flater begaan! En wat zou ook de +meester boos op mij zijn. Eerst moest ik daar onophoudelijk +over denken, doch al spoedig gingen mijne gedachten +zich bezig houden met hetgeen in den toren gevonden +was, en ik bedacht, hoe heerlijk dat moest zijn voor Van +der Vliet en zijne vrouw, wier onschuld nu zoo duidelijk +aan het licht gekomen was. Want het was niet aan te +nemen, dat zij dat geld daar zouden hebben verstopt. Zij +kwamen immers nooit in den toren?</p> + +<p>Maar wie kon dan de dader geweest zijn? Vruchteloos +spande ik mij in, om het antwoord op die vraag te vinden. +Tot mij opeens in de gedachten schoot, dat dit niemand +anders kon zijn dan Arie de Zwaan, de neef van den +koster, bij wien al eenmaal huiszoeking was gedaan.</p> + +<p>Ik hoorde, hoe iemand de trap afkwam. De deur +ging open en Bobs gelaat verscheen om den hoek.</p> + +<p>»Wees maar niet bang, Dorus, ’t zal best voor je afloopen, +hoor. Nu dat geld hier gevonden is, zullen de menschen<span class="pagenum"><a name="Page_235" id="Page_235">[235]</a></span> +over het orgel bijna niet denken. En je Pa is niets boos. +Dag! Ik ga den burgemeester halen. Je Pa heeft het +mij bevolen.»</p> + +<p>En weg was hij. Ja, hij had gelijk. Nu dat geld ontdekt +was, zou mijne domme daad spoedig op den achtergrond +gedrongen zijn. Maar dat nam niet weg, dat ik toch +het vertrouwen van mijne ouders en den onderwijzer +ernstig moest hebben geschokt, en dat deed mij veel verdriet. +Van de preek hoorde ik dien morgen weinig of +niets, want mijne gedachten kon ik er onmogelijk bijhouden. +Ik hoorde bijna niet eens, dat de dominee amen zeide.</p> + +<p>Eindelijk werd de slotzang opgegeven.</p> + +<p>Ik speelde dien zoo goed ik kon, om mijne fout zooveel +mogelijk te herstellen, en terwijl de menschen de kerk +verlieten, gaf ik mijn mooiste stuk ten beste.</p> + +<p>Juist op dat oogenblik kwam Bob terug in gezelschap +van den burgemeester en van Tip, die heel gewichtig +keken en met groote schreden door eene zijdeur de kerk +binnenstapten. O, wat waren de kerkgangers nieuwsgierig +naar hetgeen zij daar gingen doen, maar niemand werd +daarbinnen toegelaten. Dat ik naar boven in plaats van +naar huis gegaan was, spreekt vanzelf.</p> + +<p>Zoodra de burgemeester bij het uilennest aangekomen +was, moest Bob alles vertellen, wat er gebeurd was. En +hij was tot mijne vreugde zoo eerlijk, om zelfs te zeggen, +dat hij tegen mijn zin bij het orgel gekomen was en +daar een stoel had gebroken; dat hij daarna de vlucht +had genomen, uit vrees, dat de koster komen zou om +hem weg te jagen, en naar boven geklommen was, om<span class="pagenum"><a name="Page_236" id="Page_236">[236]</a></span> +nog eens naar het uilennest te kijken, dat wij daar voor +eenigen tijd ontdekt hadden.</p> + +<p>»Is dat alles waar?» vroeg de burgemeester.</p> + +<p>»Ja mijnheer, volkomen waar!» stemden wij toe.</p> + +<p>Pa gaf mij stilzwijgend eene hand, ten bewijze, dat +hij mijne fout vergaf.</p> + +<p>Maar Bob zag het, en hij zeide tegen Pa:</p> + +<p>»Ja mijnheer, Dorus heeft in het geheel geen schuld, +want hij had mij verboden te komen. Maar toen ik +zag,» aldus vervolgde hij tot den burgemeester, »dat de +vogels weggegaan waren, zeker omdat zij door iemand +waren opgejaagd, kreeg ik lust, om het nest eens van +onderen te bekijken en daar ontdekte ik dat geld en +de zegels. Arie de Zwaan heeft dat alles daar zeker +verstopt.»</p> + +<p>»Stil jongen,» zei de burgemeester. »Ik vraag je geen +namen, want daar weet je immers niets van?»</p> + +<p>Maar ik zag, dat hij knipoogde tegen Pa, en dat die +beide heeren een bijna onzichtbaar glimlachje niet bedwingen +konden.</p> + +<p>»Hoe wist je, dat de vogels gestoord waren in het +broeien?» vroeg de burgemeester.</p> + +<p>»Omdat ik voelde, dat de eieren koud waren, mijnheer,» +antwoordde Bob. »Arie de Zwaan — o, ik bedoel, de +dief is hier zeker dikwijls geweest, want anders zouden +de uilen niet zoo bang geworden zijn, dat zij de eieren +in den steek lieten.»</p> + +<p>»Zoo, — hm, ja, dat kan wel zijn. Nu, ik heb alles +hier gezien en zal er proces-verbaal van opmaken. Jelui<span class="pagenum"><a name="Page_237" id="Page_237">[237]</a></span> +moet van middag om één uur bij me op het raadhuis +komen, alle drie, goed begrepen?»</p> + +<p>»Ja burgemeester.»</p> + +<p>»Je kunt nu gaan, maar vergeet het niet, hoor: om +één uur. Het gevondene zal ik meênemen.»</p> + +<p>Wij verlieten den toren en gingen in druk gesprek +huiswaarts. Toen wij voorbij de kosterswoning kwamen, +zagen wij, hoe Arie de Zwaan, die zeker den burgemeester +en den veldwachter voorbij en in den toren had zien +gaan, onrustig voor het huis heen en weer liep. Zoodra +hij ons zag, vroeg hij:</p> + +<p>»Wat is er in den toren te doen, jongens?»</p> + +<p>»Daar heb je den dief, geloof dat gerust,» fluisterde +Bob ons toe. »Wat ziet hij bleek!»</p> + +<p>En luid antwoordde hij:</p> + +<p>»In den toren? Op dit oogenblik niets.»</p> + +<p>Dat was volkomen waar, want wij zagen den burgemeester, +Pa en Tip juist naar buiten komen.</p> + +<p>De burgemeester gaf Pa de hand en begaf zich, door +den veldwachter gevolgd, regelrecht naar de kosterswoning, +waar Arie hen in zenuwachtige spanning afwachtte. +Dat hij zenuwachtig was, konden wij best aan zijne +gejaagde bewegingen zien.</p> + +<p>De koster en diens vrouw kwamen juist uit hun huis, +toen de burgemeester Arie genaderd was. Wij zagen, +hoe hij hem de hand op den schouder legde, en wij +hoorden hem zeggen: »In naam der wet, Arie de Zwaan, +neem ik u gevangen.»</p> + +<p>Verschrikkelijk, wat vonden wij dat pijnlijk. Wij zagen<span class="pagenum"><a name="Page_238" id="Page_238">[238]</a></span> +hoe Arie’s tante haar gelaat met de handen bedekte en +in tranen uitbarstte.</p> + +<p>»Komt, jongens,» zei Pa zacht, want die was ons nu +genaderd, »komt, laten we naar huis gaan. Dat is een +treurig schouwspel, niet waar?»</p> + +<p>Zonder spreken vervolgden wij onzen weg. Maar Jan +ijlde ons vooruit, om zijne ouders de blijde boodschap +te brengen. Wat zal in de eenvoudige woning groote +vreugde hebben geheerscht!</p> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_239" id="Page_239">[239]</a></span></p> + +<p class="str"> </p> + +<h2>Veertiende Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Besluit.</p> + + +<p>Het geheele dorp was dien dag verder in rep en roer, +over hetgeen er gebeurd was. Er werd bijna over niets +anders gesproken dan over Bobs vondst en de gevolgen +daarvan. Dat die vooral voor de Van der Vliets hoogst +gewichtig waren, is gemakkelijk te begrijpen.</p> + +<p>En wat bracht de gevangenneming van Arie de Zwaan +eene geweldige opschudding teweeg. Overal zag men de +menschen voor de ramen of op de straat verschijnen, +toen hij tusschen den burgemeester en den veldwachter +naar het raadhuis werd gevoerd, waar hij voorloopig in +het gevangenhok werd opgesloten. Met neergeslagen +oogen liep hij tusschen zijne bewakers voort, ongeboeid, +dat is waar, maar toch scherp bewaakt.</p> + +<p>’s Middags maakte Kees van der Vliet met zijne vrouw +eene wandeling door het dorp. Hun gelaat straalde van +vreugde, en zij liepen met het hoofd fier omhoog. Ieder +die hen tegenkwam, maakte een praatje met hen, en<span class="pagenum"><a name="Page_240" id="Page_240">[240]</a></span> +allen féliciteerden hen met de gunstige wending, die de +zaak genomen had.</p> + +<p>’t Was grappig te hooren, hoe de menschen zeiden, +dat zij altoos wel aan hun onschuld hadden geloofd, en +die vroeger het meeste van hen te zeggen hadden gehad, +waren nu de eersten, die het tegenovergestelde betuigden.</p> + +<p>Arie de Zwaan ontkende tegenover den burgemeester +met groote beslistheid, dat hij den diefstal had gepleegd, +en wat de burgemeester ook deed, hij bleef halsstarrig +bij die verklaring.</p> + +<p>’s Middags om twee uur, nadat wij op het raadhuis +waren geweest, waar de burgemeester ons het proces-verbaal +had voorgelezen, werd Arie de Zwaan per rijtuig +en onder strenge bewaking naar Haarlem gevoerd, waar +hij in de gevangenis werd opgesloten. En toen hij den +volgenden dag voor den Officier van Justitie werd gebracht +legde hij eene volledige bekentenis af. Ja, hij had ’s nachts +het raam weten open te schuiven en al het aanwezige +geld gestolen, en om de verdenking van zich af te +werpen, had hij de drie gouden tientjes bij Van der +Vliet onder de deur doorgeschoven, daar hij gezien had, +dat deze met zijne vrouw dien dag bij den Directeur +hadden gewerkt.</p> + +<p>De rechtbank veroordeelde hem tot eene langdurige +gevangenisstraf. Zijn oom en tante, de koster en diens +vrouw, waren zeer bedroefd over het slechte gedrag van +hun neef. Toen hij later uit de gevangenis terugkeerde, +hebben zij hem voortgeholpen om naar Amerika te emigreeren. +Hier wisten zij geen raad meer met hem.<span class="pagenum"><a name="Page_241" id="Page_241">[241]</a></span></p> + +<p>Over de slechte wijze, waarop ik mijne taak als organist +had waargenomen, werd zeer weinig gesproken. +Bob had het goed geraden: door het vinden van het +geld werd over mijne afwezigheid op dat gedenkwaardige +oogenblik niet meer gedacht. Zelfs de meester liet er +niets van blijken, toen hij teruggekeerd was, en later +heeft hij mij nog meer dan eens verzocht, als hij weer eens +van huis moest, zijne betrekking voor hem waar te +nemen. Daaruit kon ik tot mijne groote vreugde opmaken, +dat hij mij zijn vertrouwen niet onwaardig keurde.</p> + +<p>Maar Bob ging nooit weer met mij mede.</p> + +<p>Dat kon hij ook niet, want korten tijd daarna heeft +hij tot onze groote spijt het dorp verlaten. De reden +daarvan was, dat zijne Moe ernstig ziek werd, zoodat +men voor het behoud van haar leven vreesde. Dokter +Doreman deed alles, wat in zijn vermogen was om haar +beter te maken, doch zijne pogingen waren vruchteloos. +Eindelijk werd er besloten, een professor te raadplegen. +Deze kwam en raadde na een ernstig onderzoek aan, +naar eene andere woonplaats te verhuizen, liefst naar +een hoog gelegen dorp in Gelderland. Hij twijfelde niet, +of daar zou zij hare verloren gezondheid terugvinden.</p> + +<p>Och, wat was Bob in dien tijd stil en bedaard, want +hij had zijne Moe innig lief. Wij zagen hem bijna niet +meer op de straat en van spelen met ons was geen +sprake. Hij was altoos thuis, waar hij de geliefde zieke +met de teederste zorgen omringde.</p> + +<p>Zijn Pa besloot, den raad van den professor op te +volgen. Hij kon er echter niet toe besluiten, de lieve<span class="pagenum"><a name="Page_242" id="Page_242">[242]</a></span> +patiente alleen naar het vreemde oord te laten gaan. +Daarom nam hij zijn ontslag als notaris en vestigde zich +metterwoon te Oosterbeek.</p> + +<p>Het speet ons meer, dan ik zeggen kan, dat Bob ons +ging verlaten. Hij had nog geen vol jaar bij ons op +het dorp gewoond, maar toch hielden wij allen innig +veel van hem. Dat bleek het duidelijkst bij zijn vertrek. +Sommige jongens stortten er zelfs tranen om.</p> + +<p>Maar Karel Holm en mij speet het ’t meest van allen, +want wij hadden het meest met hem omgegaan.</p> + +<p>»Dag Bob,» zeiden we bij het afscheid nemen, en onze +oogen waren vochtig, evenals de zijne: »Het ga je goed, +jô. ’t Spijt me, dat je heengaat.»</p> + +<p>»Mij niet minder; dag Dorus! dag Karel! Maar ’t is +om Moe, weet je. Als ik haar maar behouden mag.»</p> + +<p>En hij mocht haar behouden; de professor had het goed +ingezien. Van het oogenblik af, dat zij de Geldersche +lucht inademde, begon zij te herstellen, en nog geen +drie maanden daarna schreef Bob ons, dat zij volkomen +beter was en hare krachten bijna geheel had teruggekregen.</p> + +<div class="blockquot"><p>»En jongens,» zoo eindigde hij zijn brief, »in de +volgende zomervacantie mag je beiden hier komen +logeeren, zeggen Pa en Moe. Vindt je dat niet +heerlijk? Ik kan je niet zeggen, hoe blij ik ben. +Zeg jongens, dan zullen wij nog eens echt pret +maken.</p> + +<p> +<span class="rght1">Adieu!</span><br /> +<span class="rght2">Je vriend</span><br /> +<span class="rght3">BOB.»</span><br /> +</p> +</div> +<hr class="l1"/> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_243" id="Page_243">[243]</a></span></p> + + +<p class="center"><b>KAPITEIN MARRYAT’s Jongensboeken.</b></p> + +<p class="str2"> </p> + +<p class="center f14"><b>De Geïllustreerde Werken van KAPITEIN MARRYAT.</b></p> + +<p class="center"><b>De meest aanbevolen, meest boeiende en fraaiste +boeken voor onze Jongens.</b></p> + +<p class="center">KAPITEIN MARRYAT is de Jongens-auteur bij uitnemendheid.</p> + +<p class="str3"> </p> + +<div class="blockquot"> +<p><cite>Het Handelsblad</cite> zegt:</p> + +<p class="f9">„met gejuich worden zijne boeken steeds begroet. Slechts bewondering, +geen critiek wordt zijn deel.”</p> + +<p><cite>Het Vaderland</cite> zegt:</p> + +<p class="f9">„<span class="smcap">Marryat</span> veroudert niet en blijft steeds even aantrekkelijk.”</p> + +<p><cite>De Portefeuille</cite> noemt deze boeken:</p> + +<p class="f9">Gezonde en zeer gewilde jongenslectuur. <span class="smcap">Marryat</span> was een onderhoudend +verteller, die nooit iets aanstootelijks schreef, maar voortdurend +wist te boeien.</p> +</div> + +<p>De werken van KAPITEIN MARRYAT zijn verschenen in +2 uitgaven.</p> + +<p>A. De <b>groote geïllustreerde uitgave met twaalf platen</b>, +geteekend door <span class="smcap">Johan Braakensiek</span> en <span class="smcap">Jos. Scheidel</span>. Hierin +zijn nog voorhanden:</p> + +<p><b>De zoon van den Strooper</b> — <b>Snarley Yow</b> — <b>Frank +Mildmay</b> — <b>Onder de Hottentotten</b> — <b>Stuurman Flink</b> — <b>Rattlin +de Zeeman</b> — <b>Japhet de Vondeling</b> — <b>Het Spookschip</b> — <b>Jack +Rustig</b>.</p> + +<p class="center f9">Prijs in geïllustreerd omslag ƒ 1.50, gebonden ƒ 1.90.</p> + +<hr class="l3"/> +<p>B. De <b>goedkoope geïllustreerde uitgave</b>. Elk deel in +groot formaat hiervan is versierd met 8 platen en bevat ruim 350 +bladzijden druks. — Verschenen zijn:</p> + +<p><b>Pieter Simpel</b> — <b>Het Koningskind</b> — <b>Arme Jaap</b> — <b>Jacob +Eerlijk</b> — <b>De Kinderen van het Woud</b> — <b>De Landverhuizers +van Canada</b> — <b>De Zwerver</b> — <b>De Kaper uit +de vorige eeuw</b> en <b>Percival Keene</b>.</p> + +<p class="f9">Prijs van ieder deel in een door <span class="smcap">Johan Braakensiek</span> geteekend +omslag ƒ 0.90, prachtig gebonden ƒ 1.25.</p> +<hr class="l2"/> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_244" id="Page_244">[244]</a></span></p> + +<p class="center f14"><b>Geïllustreerde Werken van MARK TWAIN.</b></p> +<p class="str2"> </p> + +<p class="center"><span class="f12">De Lotgevallen van Tom Sawyer,</span><br /> +<span class="f9">6e herziene druk met platen van <span class="smcap">Johan Braakensiek</span>.</span></p> +<hr class="l3"/> +<p class="center"><span class="f12">De Lotgevallen van Huckleberry Finn</span><br /> +<span class="f9">(TOM SAWYER’S MAKKER).</span><br /> +<span class="f9">2e druk met ruim 50 illustratiën.</span></p> +<hr class="l3"/> +<p class="center"><span class="f12">De Reisavonturen van Tom Sawyer,</span><br /> +<span class="f9">met 30 fraaie platen.</span></p> +<hr class="l3"/> +<p class="center"><span class="f12">Prins en Bedelknaap.</span><br /> +<span class="f8">2e druk met ruim 50 illustratiën.</span></p> + +<div class="blockquot"> +<p><cite>Het Handelsblad</cite> zegt:</p> + +<p class="f9">De boeken van <span class="smcap">Mark Twain</span> wemelen van leuke zetten, die ook +ouderen met plezier kunnen lezen.</p> +</div> + +<p>De prijs van bovenstaande vier werken van MARK TWAIN is +ingenaaid ƒ 1.50, geb. ƒ 1.90 per deel.</p> + +<p class="str3"> </p> + +<p class="center f14"><b>Jongensboeken van G. A. Henty,</b></p> + +<p class="center">vertaald door <b>H. Th. CHAPPUIS</b>.</p> + +<p class="center f9"><b>Goedkoope geïllustreerde uitgave.</b></p> + +<p class="center"><b>Als Nihilist naar Siberië, Roodhuiden en Grensroovers, +Cowboys en Goudzoekers.</b></p> + +<p>Alle geïllustreerd. <span class="rght">Prijs ingen. ƒ 0.90, geb. ƒ 1.25.</span></p> + +<hr class="l3"/> + +<p class="center f11"><b>Historische Werken van C. Joh. Kieviet.</b></p> + +<div class="center"> +<table border="0" cellpadding="4" cellspacing="0" summary="Historische werken van C. Joh. Kieviet"> +<tr><td class="col2">FULCO DE MINSTREEL.</td> +<td class="col2">IN WOELIGE DAGEN.</td></tr> +<tr><td class="col1">Een verhaal uit den tijd van<br /> +Graaf <span class="smcap">Jan I</span>.</td> +<td class="col1">Een verhaal uit de jaren<br /> +1345-1351.</td></tr> +<tr><td class="col3">Met platen van <span class="smcap">Joh. Braakensiek</span>.</td> +<td class="col3">Met platen van <span class="smcap">L. R. W. Wenckebach</span>.</td></tr> +<tr><td class="col3">Prijs in geïll. omsl. ƒ 1.50,</td> +<td class="col3">Prijs in geïll. omsl. ƒ 1.50,</td></tr> +<tr><td class="col3">in prachtband ƒ 1.90.</td> +<td class="col3">in prachtband ƒ 1.90.</td></tr> +</table></div> + +<p> </p> + +<div class="figcenter"> +<img src="images/rug.jpg" width="90" height="600" alt="Rugzijde" title="" /> +</div> +<div class="figcenter"> +<img src="images/achter.jpg" width="430" height="600" alt="Achterkant kaft" title="" /> +</div> + +<div class="tnote"> +<p><b>Opmerkingen van de bewerker:</b></p> + +<p>Duidelijke drukfouten zijn gecorrigeerd, zoals b.v. “mêe” +i.p.v. “meê”, en “stellen” i.p.v. “stelten”.</p> + +<p>Geneste dubbele aanhalingstekens zijn gestandaardiseerd tot »„...”», +waar dat nodig was voor de duidelijkheid.</p> + +<p>Overigens is de originele spelling en interpunctie ongewijzigd +overgenomen, ook ongebruikelijke woordvormen en inconsequent gebruik +van trema’s en accenten.</p> +</div> + + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Wilde Bob, by Cornelis Johannes Kieviet + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WILDE BOB *** + +***** This file should be named 37789-h.htm or 37789-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/7/7/8/37789/ + +Produced by Branko Collin, eagkw and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/37789-h/images/achter.jpg b/37789-h/images/achter.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f82a4d0 --- /dev/null +++ b/37789-h/images/achter.jpg diff --git a/37789-h/images/cover.jpg b/37789-h/images/cover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b08d6e2 --- /dev/null +++ b/37789-h/images/cover.jpg diff --git a/37789-h/images/ill01.jpg b/37789-h/images/ill01.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9046cc7 --- /dev/null +++ b/37789-h/images/ill01.jpg diff --git a/37789-h/images/ill02.jpg b/37789-h/images/ill02.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f9bea47 --- /dev/null +++ b/37789-h/images/ill02.jpg diff --git a/37789-h/images/ill03.jpg b/37789-h/images/ill03.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f6759a4 --- /dev/null +++ b/37789-h/images/ill03.jpg diff --git a/37789-h/images/ill04.jpg b/37789-h/images/ill04.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d274c53 --- /dev/null +++ b/37789-h/images/ill04.jpg diff --git a/37789-h/images/ill05.jpg b/37789-h/images/ill05.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7f2f2bb --- /dev/null +++ b/37789-h/images/ill05.jpg diff --git a/37789-h/images/rug.jpg b/37789-h/images/rug.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f2687ee --- /dev/null +++ b/37789-h/images/rug.jpg diff --git a/37789-h/images/streepje.gif b/37789-h/images/streepje.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..402d13a --- /dev/null +++ b/37789-h/images/streepje.gif |
