summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/37790-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '37790-8.txt')
-rw-r--r--37790-8.txt13142
1 files changed, 13142 insertions, 0 deletions
diff --git a/37790-8.txt b/37790-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..2047095
--- /dev/null
+++ b/37790-8.txt
@@ -0,0 +1,13142 @@
+The Project Gutenberg EBook of Keukenboek, by H. Davidis
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Keukenboek
+
+Author: H. Davidis
+
+Release Date: October 30, 2011 [EBook #37790]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KEUKENBOEK ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ KEUKENBOEK.
+
+ Naar het Hoogduitsch
+ Van
+
+ H. DAVIDIS.
+
+
+ Vijfde druk.
+
+ Haarlem,
+ Erven F. Bohn.
+ 1873.
+
+
+
+
+
+
+
+VOORBERIGT BIJ DEN EERSTEN DRUK.
+
+
+Het is ruim een jaar geleden dat de Huisvrouw van Henriëtte Davidis,
+voor Hollandsche vrouwen bewerkt, bij de Uitgevers dezes in het
+licht kwam, en dit werkje schijnt zoo algemeen de goedkeuring van
+de dames te hebben weggedragen, dat er thans reeds een tweede druk
+noodig geworden is. Hierdoor aangemoedigd, verzochten de Uitgevers
+mij, ook van het Practisches Kochbuch van dezelfde schrijfster eene
+gewijzigde vertaling te leveren, voor het gebruik in de Hollandsche
+keuken, en met genoegen heb ik deze taak, zoo ik hoop ten gerieve
+van vele huishoudsters, volbragt.
+
+Het werk is op zichzelven wel compleet, maar toch is het eenigzins
+te beschouwen als eene uitbreiding of een vervolg van de Huisvrouw,
+naar welke de schrijfster ook herhaalde malen de lezeressen verwijst,
+zoo als dáár, waar sprake is van de slagt, en van het opdoen en
+bewaren van provisie.
+
+Men zal bij de lezing ontdekken, dat de opgaven van verscheiden
+recepten zijn ingerigt voor zeer groote partijen; waarschijnlijk
+is dit geschied met het oog op logementen, en zij kunnen voor een
+klein gezin gemakkelijk worden veranderd.--Tot nadere inlichting
+diene voorts, dat de in dit kookboek gebruikte maten en gewigten
+de Nederlandsche zijn, en bij verkorting aldus zijn aangeduid:
+p. pond, o. ons, l. lood, w. wigtje, k. kan, m. maatje. De maat die
+in Pruissen met de Nederlandsche kan overeenkomt, is iets grooter
+dan deze; het verschil is echter niet zóó aanmerkelijk, dat men bij
+het opgeven van de onderdeelen, die met een andere breuk dan onze
+maatjes zou kunnen uitdrukken, maar ik geef aan iedere huishoudster,
+die deze recepten volgt, den raad, om dáár waar kannen of maatjes te
+pas komen, eenigzins wat men noemt, eene ruime hand te hebben. Als
+men in de opgaven het woord "eijeren" zonder meer vindt, beduidt dit
+dat het eiwit er bij is gerekend.--De uitdrukking au bain marie wil
+zeggen dat men het genoemde geregt, met de pan, in eene grootere pan
+met kokend water, op het vuur moet zetten, en met een bouquet garni
+worden kortheidshalve de bekende kokskruiden bedoeld.
+
+
+1867. De Vertaalster.
+
+
+
+
+
+
+
+EEN WOORD VOOR DEN DERDEN DRUK.
+
+
+Het Keukenboek, dat reeds binnen één jaar na de uitgaaf een tweeden
+druk beleefde, heeft zich zoo goed in de gunst der Nederlandsche
+huisvrouwen staande gehouden, dat ook thans weder een derde druk werd
+noodig bevonden, en de Uitgevers hebben dus het genoegen, om het
+werk, dat in het oorspronkelijke reeds vijftien malen herdrukt is,
+opnieuw herzien, aan de huishoudsters van iederen stand aan te bevelen,
+overtuigd dat het geschikt is voor aller behoeften.
+
+
+1870. De Vertaalster.
+
+
+
+
+
+
+
+KLAGTEN.
+
+
+Hoewel door het verschijnen van dezen vijfden druk blijkt, dat het
+"keukenboek" goed is in de oogen der hollandsche huisvrouwen, zijn
+er toch sommige van die huisvrouwen, welke eenige klagten daartegen
+hebben doen hooren.
+
+Men zegt het is te omslachtig en te duur.
+
+Maar is het niet eene goede eigenschap van het boek dat iedereen er
+in kan vinden wat hij begeert?--
+
+Er is, ja, voor groote partijen, b. v. een recept van Schildpadsoep in
+opgenomen; maar even goed, voor den huiselijken disch, een recept van
+eenvoudige Groentesoep.--Een voor Rheebout; maar ook een voor Biefstuk,
+Haché of Worst.--Een voor Kabinetspudding; maar ook een voor Jan in den
+zak.--Een voor Champagnesaus; maar ook een voor Pieterseliesaus.--Een
+voor Punch impérial; maar ook een voor Limonade. Zoo vindt men er in
+alle omstandigheden wat men noodig heeft.
+
+De aanmerking overigens, dat de fijne recepten, door het gebruik van
+likeuren, vanille en veel eijeren, duur worden, is ontegenzeggelijk
+gegrond, doch men gelieve te bedenken, dat in de keuken, althans niet
+minder dan overal elders, het oude spreekwoord op zijne plaats is:
+
+
+Alle waar is naar zijn geld.
+
+
+
+
+
+
+
+INLEIDING.
+
+
+Al ware het alleen om redenen van gezondheid, is het koken in het
+huishouden volstrekt niet als eene bijzaak te beschouwen. Ieder
+jong meisje, zelfs uit den hoogeren stand, moest zich daarmede in
+zooverre bekend maken, dat zij als huisvrouw, des noods zelve de
+hand aan het werk kon slaan; of, zoo dit niet door de omstandigheden
+wordt gevorderd, moest zij er toch zooveel van weten, dat zij het
+oppertoezigt over de keuken kon houden en niet te zeer was overgeleverd
+aan de willekeur van hare dienstboden. Alles wat daarop betrekking
+heeft en in het algemeen behoort tot een spaarzaam en geschikt
+beheer van het huishouden in zijn geheelen omvang, benevens vele
+wenken voor jonge vrouwen, is te vinden in mijn werkje, getiteld: De
+Huisvrouw.--Een goed keukenboek waarop men zich verlaten kan, behoort
+tot de beste hulpmiddelen om het huishouden zuinig te besturen. De
+jonge, onervarene huismoeder, die een ongewoon geregt wil gereed
+maken, zal zeker veel meer dan noodig is gebruiken en dikwijls
+eene mislukte proef duur betalen, hetwelk zij vermijden kan door het
+opvolgen van beproefd goede recepten.--Ten einde dit doel te bereiken,
+neem ik maar terstond de vrijheid om de jonge vrouwen die dit boek
+tot leiddraad hebben gekozen, bekend te maken met de eigenschappen
+die in eene bekwame kookster worden vereischt.--De eerste voorwaarde
+om smakelijk en fijn te koken is eene onberispelijke zindelijkheid,
+die ik niet genoeg kan aanbevelen en die men zich, van den beginne
+af aan, zeer ligt tot eene gewoonte kan maken. De handen, de keuken,
+de gereedschappen, de aanregtbank en de tafel, alles moet in den grond
+schoon wezen en voor het wasschen van groenten enz., moet steeds de
+grootste zorg gedragen worden.--De tweede voorwaarde is zuinigheid, en
+men kan die even goed bij fijne geregten als bij gewone dagelijksche
+spijzen in acht nemen. Te veel boter, suiker, of kruiderijen maakt
+een schotel niet smakelijker dan hij bij een gematigd gebruik daarvan
+zou zijn; integendeel wordt hij er soms door bedorven. Spaarzaamheid
+bestaat ook daarin, dat men niets laat verloren gaan en het overschot
+van sommige spijzen doelmatig gebruikt: daar zoo iets op eene nieuwe
+wijze toebereid, dikwijls weder in een aangenaam geregt kan worden
+veranderd.--De derde goede eigenschap in haar, die over de keuken
+het oog laat gaan, is oplettendheid en overleg, voornamelijk daarin
+bestaande, dat de spijzen noch te vroeg, noch te laat op het vuur
+worden gezet. Ook moet de grootte der pannen steeds in eene juiste
+verhouding staan tot de hoeveelheid die men gereed heeft te maken,
+iets dat vooral bij vleeschgeregten van het hoogste belang is; want
+als men een klein stukje vleesch, een hoen of iets dergelijks, in
+eene groote pan wilde braden, zou men met zekerheid kunnen voorzien
+dat de proef niet zou gelukken. Ten opzigte van pannen valt ook nog
+op te merken, dat men zich voor het koken van peulvruchten vooral
+niet van verglaasd vaatwerk moet bedienen, daar zij daarin niet
+gaar worden. Men moet niet meer vuur onder het eten doen, dan juist
+noodig is voor het gaar koken, omdat hierdoor zoowel soep en vleesch,
+als groenten ligt een onaangenamen bijsmaak krijgen. Het vuur moet
+behoorlijk onderhouden worden, zoodat de spijzen noch te hard, noch
+te zacht koken, of zelfs van de kook raken, waardoor men gevaar zou
+loopen dat zij, òf aangebrand, òf ongaar op tafel kwamen.--Vóór dat men
+met de toebereiding van een geregt begint, zal men goed doen om alles
+wat daartoe noodig is, vooraf bij elkander te brengen, zoodat men niet
+door het in haast zoeken naar een of ander bestanddeel, of het wachten
+daarop, de drukte noodeloos vermeerdert, of misschien zijn geheele
+kooksel bederft; als men alles bijeen heeft, en met gemak werkt,
+kan men ook zorg dragen voor het behoorlijk opdoen van de spijzen,
+waardoor zij in ieder geval, voor het oog zeer veel winnen. Men moet er
+op bedacht wezen, dat er steeds warm water voorhanden zij, om bij het
+verkoken het ontbrekende te kunnen aanvullen, en om bij het opdoen,
+vooral van vleeschspijzen, de schotels te kunnen warmen, daar die
+nooit in den oven mogen worden gewarmd, omdat daardoor het glazuur
+zeer wordt aangetast en zij spoedig bruine en ruwe randen krijgen.--In
+de hierachter volgende recepten zijn maten en gewichten van alles zoo
+naauwkeurig mogelijk opgegeven, doch van sommige zaken, b. v. van zout,
+is het onmogelijk in ieder geval de juiste hoeveelheid te bepalen; dit
+moet dus aan het oordeel der kookster worden overgelaten en spoedig zal
+zij ook leeren, om op het oog te weten, wat daarvan in verschillende
+gevallen wordt vereischt. Twijfelt zij daaromtrent, dan is het altijd
+beter om te weinig dan te veel te gebruiken, daar men er zeer ligt nog
+iets aan toevoegen kan.--Wat de voorgeschreven kruiderijen betreft,
+kan iedereen die naar zijn smaak weglaten, of door andere vervangen,
+mits men in de hoofdzaken het recept volge. Met het gebruik van peper
+zij men inzonderheid voorzigtig, daar deze in te groote hoeveelheid
+schadelijk voor de gezondheid kan zijn. Bij den inkoop van allerlei
+provisie, kieze men steeds den besten tijd voor ieder artikel,
+waardoor men zijn huishouden een belangrijk voordeel zal doen; men
+zij bij ruimen voorraad even zuinig alsof men weinig had; men lette
+vooral op de beste soorten van alles wat men opdoet, hetzij vleesch,
+visch, gevogelte, vruchten, groente, boter, meel of kruidenierswaren;
+want, ofschoon die natuurlijk hooger in prijs zijn, dan mindere
+soorten, zal men door ondervinding leeren, dat goede levensmiddelen
+op den duur blijken goedkooper te zijn dan slechte, hoewel men er
+meer geld voor uitgeeft, terwijl zij zeker ook de gezondheid meer
+bevorderen. Men zij er ook vooral op bedacht om zijn voorraad goed te
+bewaren en tusschenbeide na te zien, opdat er niets bederve en alles
+op zijn tijd worde gebruikt (zie hierover in alle bijzonderheden
+"De Huisvrouw").--En ten slotte verzoek ik mijne lezeressen om bij
+elk hoofdstuk de voorafgaande aanmerkingen niet voorbij te zien, daar
+juist hierin de wenken vervat zijn, die moeten dienen om te voorkomen
+dat soms, door onkunde het beste recept in de toepassing mislukt.
+
+
+
+
+EENIGE BEREKENINGEN VOOR GROOTERE EN KLEINERE GEZELSCHAPPEN.
+
+Soepvleesch. Om krachtigen bouillon of goede soep te maken, rekent
+men voor een groot gezelschap 2 1/2 ons rundvleesch per persoon;
+bij een klein aantal gasten 3 1/2 ons. Van kalfsvleesch rekent men
+voor de persoon 1 1/2 ons meer.
+
+Hoenders. Van een goed hoen kan men voor 4 à 5 personen soep koken.
+
+Visch. Voor een heerengezelschap eene vischpartij gevende, moet men per
+persoon 3 1/2 ons rekenen van de volgende vischsoorten: snoek, karper,
+baars, bot, versche zalm, schelvisch en kabeljaauw. Wanneer er meer
+geregten volgen, kan men met de helft volstaan. Van gerookte zalm,
+die men bij aspersies of bloemkool voordient, neemt men per gast 1 ons.
+
+Stokvisch. Voor een stokvischmaal van 4 à 5 personen is 7 1/2 ons
+voldoende.
+
+Groenten. Van aspersies neemt men voor iedere persoon 3 1/2 ons;
+van snijboonen, erwten, tuinboonen, of jonge wortelen rekent men
+voor een dagelijksch maal, per hoofd een glad gestreken soepbord vol,
+van koolsoorten ééne kool van gewone grootte voor 2 personen.
+
+Rijst met melk gekookt. Wanneer men die als hoofdschotel neemt,
+rekent men per persoon op 1 ons rijst, anders natuurlijk minder.
+
+Klein vleesch. Als men op eene partij van twaalf gasten, bij de
+groenten klein vleesch, b. v. zwezerik, saucijzen, of gehakt,
+laat rondgaan, dan neemt men 4 zwezerikken, ieder in vier stukken
+gesneden; van saucijzen, of gehakt 1 p.--De verschillende soorten
+moeten natuurlijk te gelijk worden gepresenteerd, om aan ieder de
+keuze te laten.
+
+Groot gebraad. Indien men een stuk vleesch geeft, hetzij ossen-,
+kalfs-, of lamsvleesch, waarin beenderen zijn, dan moet men het zoo
+zwaar nemen, dat voor iedere persoon 5 ons is berekend. Zelfs wanneer
+men meer soorten van vleesch op tafel heeft, kan men moeijelijk
+minder gewigt nemen, omdat een stuk niet tot het laatst mag worden
+afgesneden.--Alleen kan de berekening iets zuiniger worden gemaakt,
+als men een stuk zonder beenderen neemt, b. v. een fricandeau.
+
+Kalkoen. Als een kalkoensche haan tot hoofdschotel moet dienen en de
+borst is gevuld, kan men er 10 à 12 personen op onthalen.
+
+Een Kapoen is toereikend voor 5 à 6 personen.
+
+Jonge hanen. Wanneer zij nog zeer klein zijn en men geeft geen ander
+vleesch, moet men voor ieder persoon op een haan rekenen; zijn zij
+grooter dan zijn 4 stuks genoeg voor 6 gasten.
+
+Jonge duiven. Zonder ander vleesch op tafel, moeten er 6 voor 4
+personen genomen worden.
+
+Een gans als hoofdschotel is genoeg voor 8 à 9 personen.
+
+Eene eend voor 3 personen.
+
+Een lendenstuk van een hert is goed voor 12 à 14 personen.
+
+Een hertebout voor 8 à 9 personen.
+
+Een gebraden haas voor 6 à 8 personen.
+
+Biefstuk wordt berekend tegen een half pond per persoon.
+
+Een ossentong met ragout is voldoende voor 8 personen.
+
+Wijn voor saus. Om schuimsaus over puddings voor 12 gasten te maken,
+gebruikt men 5 à 6 m. wijn; voor gewone wijnsaus 8 m.
+
+
+
+
+OVER HET GEBRUIK VAN VET IN DE KEUKEN.
+
+In een huishouden waar men niet alleen op de goede bereiding der
+spijzen, maar ook op spaarzaamheid let, kan onder anderen ook bij het
+gebruik van boter veel worden bezuinigd. Men kan in plaats daarvan
+runderniervet, reuzel, vogelvet, olie of afgesneden vet van ham enz.,
+gebruiken. Daar echter niet alle spijzen geschikt zijn om daarmede
+gereed te worden gemaakt en men er zeer ligt te veel van kan nemen,
+zal het mogelijk voor menigeen niet onaangenaam zijn, om dienaangaande
+hier eenigzins eene handleiding te vinden. Het spreekt van zelf dat
+goede boter aan alles den fijnsten smaak geeft, maar zij is ook het
+allerduurste vet, want ofschoon zij op sommige plaatsen niet meer
+kost dan reuzel of ossenvet, is zij daarom minder voordeelig omdat
+men er veel meer van noodig heeft. Somtijds maakt men groente klaar
+met boter en ossenvet, ieder voor de helft, en dan is het best om
+de groente eerst met het vet te laten stoven, terwijl de boter even
+vóór het opdoen, in kleine stukjes verdeeld, boven op in de pan wordt
+gelegd en voorzigtig doorgeschud, omdat men op deze manier meer den
+botersmaak in het eten blijft proeven.
+
+Bij ossenvleesch dat niet zeer vet is en waarvan men toch jus wil
+hebben, kan men zeer goed versch runderniervet, aan dobbelsteentjes
+gesneden, uitbraden.
+
+Bij kalfsvleesch is boter onontbeerlijk; men kan echter als maatregel
+van bezuiniging, eenige sneedjes versch spek (geen gerookt) onder en
+op het vleesch leggen en in de pan een mengsel van 2 deelen boter,
+tegen 1 deel zuivere reuzel te zamen braden, vóór dat het stuk vleesch
+er in wordt gelegd.
+
+Herten- en rheevleesch kan zeer goed met half boter, half versch spek
+worden gebraden; evenzoo een haas.
+
+Bij schapenvleesch kan men ook voor de helft spek bij de boter doen.
+
+Kalkoenen en kapoenen worden zeer sappig en houden bij het braden
+een heldere kleur, als men sneden lardeerspek op de borst vastbindt
+en onder in de pan legt.
+
+Hoenders, eenden, lijsters en duiven kan men als kalkoenen behandelen.
+
+Biefstuk moet met enkel boter worden gebakken.
+
+Bij ragouts en fricassée kan men de boter niet ontberen.
+
+Eene gans wordt in haar eigen vet gebraden en hetgeen daarvan
+overblijft is zeer goed voor het stoven van boerenkool te gebruiken.
+
+Voor zomergroenten moet men zich uitsluitend van boter bedienen; maar
+rapen, winterwortelen, witte kool, boerenkool, ingemaakte snijboonen
+en heerenboonen, kan men met reuzel stoven: zelfs worden deze spijzen
+daardoor naar het oordeel van velen, aangenamer van smaak, dan wanneer
+men er boter voor gebruikt.
+
+Vet van soep en afgesneden vet van een stuk gebraden rund-
+of kalfsvleesch kunnen ook zeer goed dienen voor het stoven van
+groenten, mits het laatstgenoemde eerst worde opgesmolten en door
+eene zeef gegoten.
+
+Raapolie moet voor keukengebruik worden uitgebraden; de wijze
+van handelen, die men daarbij volgen moet, vindt men in de
+"voorbereidingsmaatregelen". Daarna smelt men haar met wat boter en
+reuzel door elkaar, en zij kan dan gebruikt worden voor het stoven van
+groente of het bakken van pannekoeken.--Voor het bakken van visch is,
+om aan het baksel eene mooije bruine kleur te geven, olie bepaald
+beter dan boter; ook wordt de visch daardoor hard en knapperig.
+
+Schapenvet is eigenlijk niet in de keuken te gebruiken.
+
+De manier om allerlei vetsoorten te behandelen zal men hier achter
+vinden opgegeven en om ze te bewaren, moeten zij in een pot op eene
+luchtige plaats worden gezet, slechts bedekt met een papier, waarin
+gaten zijn gestoken.
+
+Om slaolie te bewaren zonder dat zij sterk wordt, werpe men in iedere
+flesch 2 à 3 spijslepels goed gedroogd keukenzout, zette de flesch
+open, op eene koele plaats, en schudde haar tusschenbeiden eens goed.
+
+
+
+
+HET BEWAREN VAN ALLERLEI VOORRAAD VOOR KEUKEN EN KELDER.
+
+Versch vleesch blijft in den winter het langste goed als men het op
+eene luchtige plaats ophangt; des zomers in den kelder op de steenen
+gelegd en, kan het zijn, in brandnetels gewikkeld.
+
+Gerookte hammen en worsten omwoelt men met zeer droog stroo, naait
+ze in linnen zakken en hangt ze, op eene koele, luchtige plaats op.
+
+Patrijzen kan men verscheiden weken onbedorven bewaren, als men ze,
+zoodra zij geschoten zijn, ongeplukt, diep in den haver steekt.
+
+Aardappelen. Het al te sterke kiemen ontneemt den smaak aan de
+aardappelen, en dus is het goed om ze in het voorjaar van tijd tot
+tijd te verleggen.
+
+Winter wortelen. De wortelen die men het langste wil bewaren moet men
+onder aardappelen leggen, en men zal ze dan in het voorjaar nog frisch
+en sappig vinden; ook blijven zij zeer goed als men er vlasstoppels
+tusschen legt.
+
+Koolrapen worden bewaard door ze, laag om laag, met zand op te
+stapelen.
+
+Roode en witte kool. Men graaft een kuil in den grond, waarin men
+de koolen het onderste boven naast elkander plaatst, dan bedekt men
+ze met aard, zóó, dat de stronk er even boven uitsteekt: Zoo kan men
+ze, door de vorst heen, tot het voorjaar bewaren. In de stad wonende,
+doet men best met ze, zoolang het niet vriest, op een zolder te leggen
+en ze bij invallende vorst, in den kelder te bergen.
+
+Rapen worden het best in den grond gekuild bewaard; ook blijven zij
+buiten onder eene dikke stroobedekking goed.
+
+Uijen moeten, zonder dat er iets van het loof wordt afgesneden,
+op eene luchtige plaats worden uitgespreid om te droogen. Begint
+het te vriezen, dan moeten zij op een hoop worden geschoven en men
+kan ze rustig laten liggen. De ondervinding heeft geleerd dat zij,
+op zulk eene wijze bewaard, tot April of Mei goed blijven.
+
+Aspersies. Als men niet zooveel aspersiebedden heeft dat men op één
+dag genoeg voor een maal kan steken, dan blijven de gestoken aspergies
+zeer goed als men ze, op eene beschaduwde plaats, onder de aarde legt;
+ook kan men ze twee of drie dagen in den kelder in koud water goed
+houden, mits het water éénmaal ververscht worde.
+
+Appelen en peren blijven het best als men ze op een droogen dag plukt;
+zij mogen niet afgeschud worden, omdat zij door het vallen plekken
+krijgen, die zeer ligt tot verrotting overgaan.--Als men een droogen,
+luchtigen kelder heeft, kan men ze terstond op latten, met den steel
+naar onderen, digt naast elkander leggen; anders is het geraden om ze
+op eene ruime plaats eenige weken te laten uitdampen. Men moet vooral
+niet verzuimen om ze na te zien, en iedere vrucht die aangestoken is
+oogenblikkelijk weg te nemen.
+
+Versche pruimen, die men lang bewaren wil, moet men op een zonnigen
+dag, met handschoenen aan de handen, plukken en ze in een nieuwen
+steenen pot leggen, waarin nog nooit water is geweest. Men bindt
+er eene drooge blaas overheen en legt een platten steen, die een
+geruimen tijd in de zon heeft gestaan, op den pot, dien men daarna
+rondom en bovenop geheel met droog zand bedekt. Men moet natuurlijk
+zeer gave pruimen nemen, die niet in het minste beschadigd zijn;
+zij blijven dan tot ver in het najaar goed, maar daar zij, als de
+pot éénmaal geopend is, spoedig gebruikt moeten worden, is het goed
+om eenige kleine potten te vullen, in de plaats van één grooten.
+
+Druiven blijven zeer goed, als men den afgesneden steel met lak digt
+maakt en de trossen dan over gespannen draden, op eene tochtige plaats,
+ophangt, zonder dat zij elkander aanraken.
+
+Eijeren moet men in een pot of vat leggen en er dun kalkwater over
+gieten, zóó dat zij geheel onderliggen. Men zet ze ergens waar het
+niet vriest en dan blijven zij den geheelen winter goed, vooral
+om te bakken, want voor het koken is er dit bezwaar aan verbonden,
+dat op het laatst door de werking van de kalk, de schaal bros wordt
+en dus in kokend water zeer ligt springt. Men kan ook de eijeren met
+olie of talk bestrijken om ze te bewaren. In allen geval moet men er
+zeker van wezen, dat de eijeren zeer versch zijn.
+
+Meel bewaart men het best in een zak opgehangen, of in een openstaand
+vat, waarin men tusschenbeide, met een stokje, tot op den bodem,
+luchtgaten steekt.
+
+
+
+
+
+
+
+A. ALGEMEENE VOORBEREIDINGSMAATREGELEN.
+
+
+1. Iets over het vaatwerk. Het is wel is waar genoeg bekend dat koperen
+vaten zeer nadeelig voor de gezondheid zijn, maar het zal toch niet
+overbodig geacht worden, als er voor minder geoefende huisvrouwen
+hier een enkel woord over wordt gezegd. Als men er gebruik van wil
+maken, moeten zulke ketels, schotels en wat dies meer zij, dadelijk
+na het gebruik gereinigd en vooral goed afgedroogd worden; men moet
+er geene spijzen in koken waarin zich het een of ander zuur bevindt,
+daar zich dan het vergiftige kopergroen ontwikkelt, en nimmer moet
+men iets, wat dan ook, in koper vaatwerk laten koud worden, zelfs dan
+niet wanneer het goed is vertind.--Om zulk vertinsel te onderhouden,
+dit is eene zeer kostbare zaak, en daarom bedient men zich van ijzeren
+(verglaasd of onverglaasd), van blikken of aarden pannen. In ijzeren
+vaten mag evenmin als in koperwerk iets koud blijven staan en althans
+geene zure geregten; het best bewaart men allerlei overschot op aarden
+schotels, maar niet van de allergemeenste soort, omdat ook het glazuur
+daarvan giftige bestanddeelen bevat.
+
+2. Om aarden pannen sterk te maken. De beste aarden pannen zijn die
+welke aan de buitenzijde ruw zijn, en hare deugdzaamheid is grooter,
+naarmate zij ligter wegen en helderder klank geven, als men er tegen
+klopt. Men kan ze ook nog versterken, door ze, vóór het gebruik, met
+koud water om te wasschen en dan gedurende 12 uren, in eene tobbe met
+koud water gevuld, goed ondergezet te laten staan. Daarop laat men
+ze 12 uren lang in de open lucht droogen en wrijft de buitenzijde
+in met spekzwoord. Men moet er in het begin slechts een zacht vuur
+onder doen, opdat de pannen langzamerhand aan groote hitte gewennen.
+
+3. Om nieuwe ijzeren potten uit te koken en roestige schoon te
+maken. Men wascht den pot goed uit, en vult hem tot den rand met kokend
+water, dat men afmeten moet; dan rekent men, op elf maatjes water, ruim
+twee lood vitriool en giet dit langzaam over de oppervlakte heen. Het
+water begint dan spoedig te koken, en dit duurt verscheidene uren
+voort. Als het koken opgehouden heeft, giet men het water uit den pot,
+dien men stevig met zand en asch uitboent, schoon omspoelt, afdroogt
+en herhaalde malen aan de binnenzijde met spekzwoord inwrijft. Op
+deze wijze maakt men niet alleen den pot zeer schoon, maar ook glad
+en glimmend, terwijl alles wat er in gekookt wordt wit blijft. Voor
+het eerste kooksel, dat natuurlijk nog niet geheel zuiver is, kan
+men aardappelen nemen, die men tot veevoeder gebruikt. Gedurende de
+bewerking moet de pot ergens worden nedergezet, waar geene kinderen of
+huisdieren er bij kunnen komen en waar er ook niet aan gestooten wordt.
+
+Hetzelfde doel kan men ook bereiken indien men aluin gebruikt; men
+vult den pot dan eveneens met water en werpt in ruim 2 kannen vocht
+een stuk aluin ter grootte van eene walnoot, waarna men hem eenige
+uren op het vuur laat koken, om hem vervolgens te behandelen zoo als
+hierboven is beschreven.
+
+4. Kenteekenen van oud gevogelte. Het is natuurlijk van groot belang
+dat men bij den aankoop oud en jong gevogelte kan onderscheiden, want
+hoewel men zegt dat van oude hoenders krachtiger soep wordt gekookt,
+dan van jonge, zijn zij toch als gebraad niet te gebruiken. Hier
+volgen eenige kenteekenen waarnaar men zich kan regelen: oude kippen
+en duiven kent men aan een gedrongen ligchaamsbouw, aan een hard
+borstbeen, aan eene ruime, taaije huid, stompe en afgesleten nagels;
+oude eenden en ganzen aan groote ballen onder de pooten, aan een dik
+zwemvlies en harden snavel; oude kalkoenen aan hunne roode pooten
+en een grooten sponsachtigen kam. Volgens deze teekenen kan men ook
+eenigzins wild gevogelte beoordeelen. Of het versch is--daar over
+moet grootendeels de reuk beslissen. Als de vogels, terstond nadat zij
+geschoten zijn, worden uitgehaald, kan men ze in den herfst ongeplukt,
+luchtig opgehangen, verscheidene dagen goed houden.
+
+5. Wanneer de vogels het best zijn. Kalkoenen van September tot
+December; ganzen van half October tot half Januarij; kapoenen in de
+wintermaanden; kippen gedurende den tijd dat zij niet leggen.
+
+6. Het opmaken van de vogels. Jonge hoenders en duiven moeten geslagt
+worden op den dag vóór dien waarop men ze eten wil; eenden, kapoenen
+en oude kippen één dag en een nacht van te voren; kalkoenen moet
+men twee en ganzen drie à vier dagen laten besterven. Is men echter
+genoodzaakt om een vogel spoedig te gebruiken, dan geve men hem,
+tien minuten vóór het slagten, een spijslepel sterken azijn in,
+waardoor het vleesch malsch wordt.
+
+Al het gevogelte, dat men braden wil, moet zoo spoedig mogelijk
+na het slagten, terwijl het nog warm is, worden geplukt, hetgeen
+zeer voorzigtig moet gedaan worden, zonder dat het vel scheurt. Bij
+ganzen draait men den vleugel bij het eerste gelid af, plukt eerst
+de staartvederen en de grofste van de borst, omdat men het dons
+dan afzonderlijk kan bewaren. Dan steekt men eene handvol stroo op
+den haard aan en draait den vogel daarboven naar alle kanten rond,
+om hem te zengen, steeds zorg dragende dat hij niet zwart wordt;
+voor het zengen van fijne vogels doet men best om papier te branden,
+daar zij dan zeker blank blijven. Ganzen en eenden moeten na het zengen
+worden afgewasschen in wat zemelwater, of water waarin men eenig meel
+heeft geroerd, en dan steekt men er met een scherp mes de stoppels
+uit die ligt blijven zitten. Vogels waarvan men soep wil koken,
+moeten, om zeer blank te blijven, terstond nadat zij gedood zijn,
+gedurende een kwartier in koud water worden gezet; dan schudt men ze
+af en doopt ze eenige minuten lang in heet water, hetgeen men nog eens
+herhaalt als het plukken niet gemakkelijk gaat. Hoe jonger de vogel is,
+hoe minder warm het water moet zijn, opdat het vel niet scheure. Het
+plukken afgeloopen zijnde, brengt men het gevogelte op de volgende
+wijze verder in orde. Kalkoenen en kapoenen legt men op een doek op
+den rug en met een tweeden dubbeld gevouwen doek over de borst, waar
+men met een houtje zachtjes op slaat, tot het borstbeen is ingeslagen;
+van jonge hanen drukt men het borstbeen met den duim in. Dan snijdt men
+de pooten bij het eerste gelid af, steekt oogen en ooren met een scherp
+mes uit, trekt de huid van den kam en het hoornachtige vel van den
+snavel af, haalt de tong uit, en maakt tusschen den hals en de vleugels
+eene kleine snede, waardoor men met den voorsten vinger den krop kan
+uithalen. In den buik maakt men eene dwarssnede en haalt daardoor zoo
+voorzigtig mogelijk de ingewanden uit, vooral zorg dragende dat de
+gal niet breekt; men snijdt het vet en den darm af en maakt behoedzaam
+de gal van de lever los; de maag wordt opengesneden en het witte vel
+er afgetrokken. Dit gedaan hebbende, wascht men de vogels van binnen
+en van buiten goed af, laat ze een kwartier in versch water staan en
+droogt ze af; de lucht ontneemt aan het vleesch altijd iets van zijne
+blankheid, en daarom rolt men ze in een doek tot men ze braden gaat. De
+lever, het hart en de maag legt men zoolang, om ze voor uitdroogen
+te bewaren, in den vogel. Indien men een vogel wenscht te vullen,
+moet dit geschieden vóór dat men hem opmaakt en wel op de volgende
+manier: Men steekt den voorsten vinger in de halssnede en tracht het
+vel van de borst zooveel mogelijk los te schuiven; dan doet men de
+farci er in en naait de opening digt. Om een kalkoen op te maken,
+draait men de vleugels naar den kop toe om, zoodat zij vlak op den
+rug liggen; men steekt de pooten in de dwarssnede en laat ze door de
+tweede opening weder uitkomen; vervolgens legt men den vogel op den
+rug, draait den kop om en steekt dien met een dun houten pennetje,
+in eene goede houding, vast, zorgende dat men de borst niet kwetst;
+eindelijk steekt men ook eene pen door de bouten heen om die tegen de
+zijden te bevestigen. Men kan naar verkiezing een kalkoen larderen,
+of schijven lardeerspek op de borst vastbinden. Hoenders, kapoenen en
+duiven behandelt men evenzoo; bij de twee eerstgenoemden buigt men den
+kop naar den rug over en legt dien dan, onder den vleugel door, weder
+naar voren op de borst; hoenders worden niet gevuld, noch gelardeerd;
+kapoenen en duiven naar verkiezing. Om eene gans uit te halen, maakt
+men eene snede over de lengte in het lijf, die na het vullen weder
+toegenaaid wordt; de maag en de krop haalt men, even als hierboven
+gezegd is, door de aan den hals gemaakte opening. De pooten worden bij
+het eerste gelid en de vleugels op twee vingers breedte van het lijf
+afgehakt, waarna men de gans goed wascht, een uur in het water legt
+en nog een paar dagen laat hangen. De afgekapte vleugels, de maag,
+het hart en de lever bewaart men om later met het overschot van de
+gans ragout te maken; zoo ook het bloed, dat men, met rijkelijk azijn
+vermengd, op eene koele plaats onbedekt nedergezet, gedurende eenige
+dagen goed kan houden.--Eenden worden als ganzen behandeld.--Bij
+faizanten en patrijzen laat men bij het plukken meestal een kuifje
+op den kop zitten, waarover onder het braden een stuk papier wordt
+gebonden; de pooten worden niet afgehakt, alleen snijdt men er de
+nagels af en ontdoet ze van het lederachtige vel, waartoe men ze even
+in warm water houdt, terwijl men ze zoo buigt, dat de klaauw naar
+voren komt en ze met een pennetje door de bouten vaststeekt. Hout-
+en watersnippen worden niet uitgehaald, maar overigens op dezelfde
+wijze opgemaakt; men steekt den snavel in de borst. Bij lijsters,
+leeuwerikken en vinken, die ook niet uitgehaald worden, snijdt men
+de pooten bij het gelid af, zóó, dat het knokkeltje er aan blijft,
+en men steekt ze kruisgewijze door de oogholten.
+
+7. Het larderen. Dit maakt het gebraad sappiger en geeft het tevens
+een goed oog. Het spek dat men er voor gebruikt moet versch of ligt
+gepekeld zijn en men neemt daarvan het zwoord af, waarna men er op een
+hakbord dunne schijven van snijdt, die men vervolgens op elkander legt
+om ze in smalle repen van gelijke dikte te verdeelen. Hiervan steekt
+men een reepje in de lardeernaald en haalt die door het vleesch, zoodat
+het stukje spek aan beide zijden een paar vingers breed uitsteekt;
+dan een tweede reepje juist daar naast, en zoo vervolgens tot men eene
+rij langs het geheele stuk dat men larderen wil heeft doorgestoken. Bij
+een haas lardeert men gewoonlijk eene rij aan iedere zijde langs den
+ruggegraat; wil men er buitengewoon veel werk van maken, dan voegt men
+er aan iedere zijde nog eene rij onder de vorige bij. Voor gevogelte,
+ook voor een ossenhaas, of kalfsfricandeau, staat het zeer net als
+men ze lardeert. Men moet een paar lardeernaalden van verschillende
+grootte hebben, omdat klein wild met fijnere reepjes spek bezet moet
+worden dan groote stukken vleesch, en telkens na het gebruik moet de
+naald behoorlijk worden schoongemaakt.
+
+8. Bouillon voor witte ragout. Voor een ragout voor 12 personen neemt
+men 15 ons mager, in kleine stukjes gesneden rundvleesch, zet het te
+vuur met zooveel water, dat het onderstaat, schuimt het goed en voegt
+er het volgende bij: een halve knol seldery, een gelen wortel, een
+pieterseliewortel en twee uijen, alles in stukken gesneden, en laat
+het zonder zout, goed toegedekt, gedurende 2 uren koken. Dan giet men
+den bouillon door eene haarzeef, laat hem stilstaan om te bezinken,
+giet hem later voorzigtig af, en neemt er het vet af, eer men hem
+voor ragout gebruikt.
+
+9. Bouillon voor bruine ragout. Voor 12 personen neemt men 1 1/2 ons
+spek dat aan schijven gesneden is, legt dit in een ijzeren pot die niet
+zwart afgeeft, met evenveel raauwe ham en 1 pond rundvleesch, alles
+aan repen gesneden, en voegt daarbij twee uijen, twee laurierbladen,
+een gelen wortel, een halve knol seldery, een pieterseliewortel en
+wat kruiderijen. Dit alles zet men op een zacht vuur en laat het,
+goed toegedekt, een half uur braden; het mag niet aanbranden, maar wel
+is het goed als het zich bruin aanzet aan de pan. Als het zóóver is,
+giet men er een scheut kokend water bij en herhaalt dit telkens als
+het vleesch aan de pan vastzit. Oordeelt men nu dat het bruin genoeg
+is, dan giet men er zooveel kokend water bij, totdat men denkt dat de
+hoeveelheid bouillon voldoende is, altijd rekenend op het verkoken,
+en laat het toegedekt nog één of twee uren zachtjes koken; het zout
+doet men niet in den bouillon maar in de ragout. Is na verloop van
+dien tijd het vleesch goed uitgekookt, dan giet men het door eene
+haarzeef en neemt later het bezinksel en het vet weg.
+
+10. Om morieljes te prepareren. Van versche morieljes snijdt men de
+stelen af; men wascht ze en broeit ze in kokend water, snijdt ze daarop
+in stukken en wascht ze zoolang, tot al het zand er goed uit is en het
+water er helder afkomt; dan worden zij uitgedrukt, in boter gesmoord
+en daarna in bouillon gaar gekookt. Gedroogde morieljes worden met
+koud water opgezet en daarin gedurende een uur gekookt; dan laat men
+ze uitdruipen, snijdt ze in stukken en kookt ze ten tweede male. Men
+neemt ze uit het water en wascht ze tusschen de handen, al wrijvende,
+zoolang tot zij volkomen van zand gezuiverd zijn. Voorts worden zij
+behandeld als de versche.
+
+11. Truffels moeten anderhalven dag in water staan uittrekken, dan
+wordt het bruine er afgeschild; men kookt ze in water, smoort ze in
+boter, en kan ze dan in saus of ragout gebruiken.
+
+12. Champignons. Van het bovenste gedeelte en van den steel trekt
+men het vlies af, neemt de onder aan zittende blaadjes weg en spoelt
+de champignons met koud water af. Dan zet men ze met wat boter op
+een zacht vuur, laat ze, toegedekt, in hun eigen nat gaar worden en
+doet ze zoo, met nat en al, in de ragout. Dit is de behandeling van
+versche champignons; heeft men gedroogde, dan moet men ze een uur
+lang in water laten weeken, en als ze bruin zijn, en in witte ragout
+gebruikt moeten worden, kookt men ze af, waardoor het bruine vocht
+er uit trekt; dan drukt men ze uit en kan ze in de ragout doen.
+
+13. Zwezerik. Als men zwezerik in fricassee of saus wil gebruiken,
+moet zij vooraf in koud water worden opgezet, dat men er, als het
+goed warm is geworden, afgiet; dit eenige malen herhalende, tot zij
+geheel wit is. Dan legt men de zwezerik in koud water, ontdoet haar
+van alle vellen en vliezen en snijdt de vleezige deelen in stukjes;
+zij is dan in de ragout in 10 minuten gaar.
+
+14. Kastanjes. Als men kastanjes voor ragout wil prepareren moeten
+de harde schillen er worden afgehaald en vervolgens moeten zij, met
+kokend water opgehangen, zoolang koken tot ook de binnenste bruine
+schil er gemakkelijk afgaat: dan wascht men ze in koud water. Men
+doet ze daarop in eene pan die niet afgeeft, en laat ze daarin met
+een weinig water, boter en suiker goed toegedekt gaar smoren. Zij
+kunnen dan bij het opdoen van de ragout er bij worden gevoegd.
+
+Wanneer men de kastanjes des avonds bij een boterham geeft, dan wordt
+boven in de schil een kruis gesneden en men kookt ze in water met
+wat zout gaar; ook kunnen zij worden gebraden en daartoe doet men ze,
+met wat zout, droog in een ijzeren pot; men roert er telkens in met
+een houten lepel en laat ze over het vuur hangen tot zij gaar zijn,
+waarvoor een half uur of drie kwartier uurs wordt vereischt.
+
+15. Ansjovis. Men spoelt de ansjovis eenige malen in koud water af,
+ontdoet ze van de rugvinnen en neemt ze dan bij den staart om ze
+door midden te trekken, waarna men er de ruggegraat uithaalt en de
+staartvinnen afneemt. Vervolgens laat men ze uitdruipen, en als men ze
+bij een boterham gebruiken wil, legt men de halve vischjes in schuine
+ruiten over elkander op een schaaltje en presenteert ze met olie, azijn
+en zeer fijn gehakte pieterselie. Verkiest men de ansjovis voor saus
+te prepareren, dan neemt men, als ze op deze wijze zijn behandeld,
+hetzelfde gewigt van de visch aan boter, die men goed uitwascht,
+legt dan alles te zamen op een schoon hakbord en hakt het zoo fijn
+mogelijk; als men de ansjovis alléén hakt krijgen zij een tranigen
+smaak en eene onooglijke kleur. Daarop wrijft men het haksel door
+eene zeef, en hetgeen er op blijft liggen wordt nogmaals gehakt en
+doorgewreven, tot er niets meer overblijft. Men kan dit mengsel weken
+lang bewaren, als men het in een zuiveren aarden pot doet met een
+papier er op gelegd, dat men een vinger dik met keukenzout bedekt;
+de pot mag niet worden toegemaakt en moet op eene koude plaats worden
+weggezet. Behalve het gebruik dat men er van maakt in saus of ragout,
+wordt het ook wel voorgediend op geroosterd brood als boter gesmeerd.
+
+16. Bruine boter. Men zet de boter, in een ijzeren pan, op een zacht
+vuur en roert haar zoolang tot zij bruin is; men zorge echter, dat er
+geen brandsmaak aan kome. Hetgeen men er in bruinen wil, b. v. uije
+of zoo iets, moet er niet worden ingedaan vóórdat de boter zelve eene
+goede kleur heeft.
+
+17. Om boter voor gebak te klaren. Als men botergebakken wil maken,
+moet de boter daarvoor behoorlijk worden geklaard en wel op de volgende
+wijze: Men zet ze in een ijzeren pot op een zacht vuur en laat ze
+langzaam koken; het schuim wordt er niet afgenomen, want dit zakt,
+met het zout, op den bodem, als de boter goed is en men ze niet meer
+hoort koken. De boter wordt dan van het bezinksel afgegoten en men
+kan haar in zuivere steenen potten zeer goed bewaren; men legt er,
+als zij geheel koud geworden is, een papier op en bedekt dit met eene
+dikke laag keukenzout. De potten moeten open blijven en op eene koele
+plaats staan.--Boter, die op deze wijze is bereid, is ook bijzonder
+goed voor het besmeren van vormen.
+
+18. Pieterselieboter. Bij harde vorst kan men geene pieterselie in
+het leven houden, en om dus altijd voor sausen te zijn voorzien, maakt
+men van de hierboven beschreven geklaarde boter, zooveel men wil aan
+de kook en roert er gehakte pieterselie door om ze zoo te bewaren.
+
+19. Om olie te zuiveren. Vóórdat men iets in olie bakt, moet men haar
+in een ijzeren pot te vuur zetten en er, als zij kookt, een gelen
+wortel, of eene vochtige snede roggebrood in werpen, die men er tien
+minuten mede in laat koken. Dan neemt men het brood of den wortel er
+uit, zet den pot in den gootsteen en sprenkelt er met de hand twee-
+of driemalen wat koud water in. Daar de olie met het koken sterk
+opbruischt, moet de pot ruim groot zijn, en bij het insprenkelen van
+water hoede men zich voor het spatten van de heete olie.
+
+20. Engelsche soya. Zij dient om bruine sausen krachtig te maken en
+er een kruidachtigen smaak aan te geven; men moet bij het gebruik
+daarvan zeer voorzigtig te werk gaan, daar iets te veel de saus,
+of een schotel bederft. Men doet ze in de saus als die kookt, en
+slechts bij een theelepel te gelijk.
+
+21. Kruidenazijn. Zestig stuks gepelde walnoten legt men eenige
+minuten in warm water, droogt ze met een doek af en legt ze aan lagen,
+met de volgende kruiderijen er tusschen, in een steenen pot: 1 l., 6
+w. foelie, nagelen en gember; 3 l., 3 w. wit mosterdzaad, alles fijn
+gestampt, en, des verkiezende, eenige gehakte chalotten; 4 w. witte
+heele peper, een geraspte mierikswortel, eene handvol zout en 6 of
+8 laurierbladen. Dan kookt men 11 m. goeden wijnazijn en giet dien
+daarop. Als alles koud is geworden, bindt men den pot goed digt en
+zet het te trekken; na verloop van twee of drie weken giet men het
+nat af in kleine flesschen, die men goed kurkt, en dan kan er op
+dezelfde kruiden nog eens gekookte azijn worden gegoten. Men neemt
+van dit extract 2 theelepels in een ragout voor 6 personen en dan
+behoeft men er verder niets in te doen.
+
+22. Dragonazijn. Versch geplukte dragonbladen doet men met goeden
+azijn in eene flesch, sluit die goed en laat haar in de zon staan om
+te trekken.
+
+23. Poeder voor ragout. Men neemt peper, kaneel en notemuskaat,
+van ieder 1 l., 6 w., voegt daarbij 2 w. gember en 15 nagelen, dat
+alles zeer fijn gestampt en goed dooreengemengd moet worden. In eene
+gesloten flesch bewaard, is het zeer gemakkelijk om voor het kruiden
+van soep, saus of ragout bij de hand te hebben.
+
+24. Om mosterd te maken. Men neemt wit en bruin mosterdzaad in gelijke
+hoeveelheid en maalt dit door een goed gescherpten koffijmolen, of
+stampt het zeer fijn in een mortier, waarna men het door eene haarzeef
+laat loopen. Op deze wijze verkrijgt men een zeer fijn mosterdmeel,
+en bij twee en een half ons daarvan doet men 6 l., 6 w. suiker;
+men bevochtigt dit mengsel met kokenden wijnazijn, en wrijft het
+gedurende een half uur met een houten stamper of lepel. Dan laat
+men het nog een uur goed toegedekt staan, om geheel uit te dijen,
+lengt het vervolgens aan met azijn, tot het de verlangde dikte heeft,
+en bewaart het in gesloten flesschen of aarden potten.
+
+25. Om suiker te zuiveren. Men zet suiker met water op het vuur; laat
+haar smelten, en schuimt haar zoolang af, tot zij volkomen helder is
+geworden. Zeer spoedig en bijzonder klaar kan men haar krijgen door
+er het geklopte wit van een ei in te werpen, dat al het schuim in
+zich opneemt.
+
+26. Beslag met gist voor botergebak. Een kwart pond fijn meel wordt
+met een kopje laauwe melk, 2 eijerdoijers en wat zout beslagen, dan
+voegt men er nog 3 l., 3. w. gesmolten boter, het geklopte wit van
+de eijeren en 1 l., 6 w. met melk aangeroerde gist bij. Het beslag
+moet zoo dik zijn dat het blijft hangen aan hetgeen men er indoopt,
+zoo als b. v. appelen voor beignets. Men laat het rijzen; het vleesch
+of de vruchten, die men bakken wil, worden er in gedoopt en dan vlug
+in kokende boter of reuzel gelegd, tot zij gaar en bruin zijn.
+
+27. Beslag van eijeren. Een kopje versche melk wordt met 10 en een half
+lood tarwebloem, 4 eijerdoijers en wat zout beslagen; dan wordt het
+geklopte eiwit en een spijslepel rhum er doorgeroerd en men gebruikt
+het om botergebak in te doopen vóór dat het in de boter gaat.
+
+28. Beslag van wijn. Een kopje wijn, 3 1/2 lood boter en even zooveel
+suiker worden te zamen heet gemaakt; dan roert men op het vuur 1
+o. meel er door, en als het wat bekoeld is, ook het geklopte wit van
+4 eijeren. Hetgeen men in boter of reuzel bakken wil, wordt vooraf
+met dit beslag bestreken.
+
+29. Eiwit kloppen. Om een zeer stijf schuim te krijgen, waarvan
+dikwijls het welgelukken van een baksel afhangt, moet men het wit van
+zeer versche eijeren nemen, en vooral zorgen dat er niet het geringste
+van het doijer inkomt. Men slaat het dan, op eene koude of togtige
+plaats staande, met een eijerklopper, eene garde of een paar stalen
+vorken, altijd naar denzelfden kant op een vlakken schotel, tot het
+schuim zoo dik en stijf is, dat men het kan omkeeren. Gewoonlijk
+is het in een kwartier gereed; maar eenige druppels citroensap,
+die men terstond bij het eiwit voegt, bevorderen het stijf worden
+bijzonder. Als het schuim goed is, mag men het geen oogenblik laten
+staan zonder het te gebruiken, omdat het dan waterig wordt. Wil men
+er balletjes van maken om op melksoep voor te dienen, dan klopt men
+er wat suiker door.
+
+30. Amandelen raspen. Het kost zeer veel tijd als men amandelen
+stampen wil, en daarom is het gemakkelijk eene rasp aan te schaffen,
+zoo als de banketbakkers gebruiken, en die in het klein gelijkt op
+eene suikerrasp, met een klein dopje er op, dat, met de amandelen er
+onder, over de rasp heen en weder wordt bewogen.
+
+31. Meel branden. Men legt een stuk boter in de koekepan, doet er een
+lepel meel bij en roert het tot het gaar is; het wordt gebruikt om bij
+het opdoen in soep of ragout te roeren, ten einde ze te binden. Het
+meel moet goed gaar, maar volstrekt niet aangebrand zijn.
+
+32. Het wasschen van boter. Voor sommige gebakken moet de boter,
+die dikwijls sterk gezouten is, worden uitgewasschen en men doet dit
+eenvoudig door ze met koud water te begieten en daarin met een houten
+lepel stevig door te werken.
+
+33. Het wasschen van gist. Natte gist wordt met koud water door elkaar
+geroerd en door eene zeef gegoten, waarop alle onreinheden blijven
+liggen. Als zij bezonken is, giet men het water er af en nog eens
+versch er op; zij verliest dan hare bitterheid en wordt wit. Als men
+ze een paar dagen bewaren wil, moet men ze onder water zetten en dit
+dagelijks vernieuwen, zonder ze dan echter te roeren. Drooge gist
+zet men een nacht vóór het gebruik in koud water.--Om de kracht van
+de gist te beproeven, laat men een weinigje in heet water vallen;
+stijgt ze daarin op, dan is zij goed; zakt zij daarentegen, dan kan
+men haar niet meer gebruiken; 1 l., 6 w. drooge gist staat in werking
+gelijk met een goeden spijslepel natte gist.
+
+34. Gebakken brood voor soep of spinazie. Men zet boter in de koekepan,
+en als zij braadt, werpt men er de stukjes brood in, die men er in
+omroert, tot zij bruin zijn.
+
+35. Het binden van eijeren. Als men door soep, saus, vla, of wat dan
+ook, eijeren wil roeren, moet dit zeer voorzigtig gebeuren, daar zij
+anders schiften. Hiervoor klutst men de eijeren goed in eene sauskom en
+druppelt daar langzaam, en steeds roerende, een weinig van het warme
+kooksel in; dit doet men zoolang tot de eijeren daarmede zeer verdund
+zijn; en dan giet men, omgekeerd, even langzaam en ook gestadig en
+goed naar alle kanten roerend, den inhoud van de sauskom in de pan
+met saus, die dan niet weer koken mag.
+
+36. Om braise te maken. Men neemt een goed sluitende pan, belegt den
+bodem met schijven spek, strooit er gehakt niervet over en de volgende
+kruiderijen: heele peper, nagelen, een paar stukken gember, eenige
+heele chalotten of dikke schijven uije, dragon, eenige laurierbladen
+en een paar pieterseliewortels. Hierop wordt het vleesch, dat met
+zout ingewreven moet zijn, neergelegd, om, goed toegedekt, langzaam
+gaar te smoren; als het noodig is, vult men het met wat bouillon
+aan. Kalfsvleesch, kippen en eenden zijn, aldus toebereid, bijzonder
+smakelijk; men dient ze met eene of andere saus voor, waarvoor het
+onderste uit de pan gebruikt kan worden.
+
+37. Om ganzenvet lang goed te houden. Het vet wordt 24 uren onder
+water gezet,dat men in dien tijd drie- of viermaal ververscht; dan
+wordt het stukgesneden en met wat zout langzaam gesmolten, terwijl men
+het telkens omroert. Als het helder is, neemt men het van het vuur,
+laat het door eene zeef in een aarden pot loopen en zet het acht
+dagen weg. Dan neemt men het vet van het kooksel af en zorgt dat het
+bezinksel en de gelei in den pot blijven; men zet het weder te vuur,
+met eenige geschilde zure appelen die in stukken zijn gesneden, en die
+men in het vet laat koken tot zij zacht zijn, waarop men het op nieuw
+door eene fijne zeef giet en een dag open in de potten laat staan. Den
+volgenden dag bindt men er een papier over met gaten doorstoken.
+
+38. Om ossenvet te prepareren. Hoe vaster het vet is, des te beter. Het
+wordt in stukken gesneden en vier en twintig uren in koud water
+gezet, dat men in dien tijd eenmaal ververscht. Dan hakt men het
+fijn, en voor ieder pond vet voegt men er een klein theekopje melk
+en een theelepel zout bij, waarmede men het op zacht vuur, onbedekt,
+zoo lang laat koken, tot het geheel helder is; het behoeft dan niet
+door eene zeef te loopen, maar men kan het terstond in een aarden pot
+gieten. Als het gezin niet zeer groot is, doet men best om niet meer
+dan b. v. 5 ons te gelijk gereed te maken.
+
+39. Haring. Versche haringen kan men daaraan kennen, dat zij blank
+zijn, en volstrekt niet tranig rieken en dat de oogen niet diep
+liggen; men behoeft ze vóór het gebruik slechts af te spoelen en uit
+te halen. Oude haringen moet men, nadat zij zuiver uitgehaald zijn,
+afwasschen, en dan van 2 tot 6 uren, naarmate zij zout worden bevonden,
+in water en melk laten staan om uit te trekken; dan snijdt men op den
+rug, aan weêrszijden van de ruggegraat, voorzigtig het vel door, zonder
+het vleesch te kwetsen, en haalt het er af. Van den buik snijdt men een
+zeer smal reepje af, zoodat men den haring openen kan en uitschrappen,
+waarna men hem op het hakbord legt en met een scherp mes aan mootjes
+snijdt, daarbij vooral den loop van de zijgraten volgend. De kop wordt
+opengebogen en zoo op eene schaal gezet; de mootjes schikt men schuin
+tegen elkander in, achter den kop, en eindelijk legt men den staart
+aan den visch. Gewoonlijk legt men er drie op eene schaal, kop en
+staart, om en om naast elkander; men steekt eene kleine bloem in den
+bek en versiert den rand van den schotel met pieterseliebladen. Voor
+haringsla snijdt men den visch over de ruggegraat door, neemt hem
+dan bij den staart en scheurt hem zoo in tweeën; men kan er dan de
+graat geheel uithalen. Het vleesch wordt aan fijne reepjes gesneden
+en, dooreengeroerd met koude fijngewreven aardappelen, gesnipperde
+zure appelen, gehakte uijen, hard gekookte, fijngemaakte eijeren,
+gehakte bieten en pieterselie, aangemaakt met olie en azijn (liefst
+dragonazijn) voorgediend. Men kan er een sierlijken schotel van
+maken door de haring, met de aardappelen dooreengeroerd, met eene
+vork zeer glad te strijken en dan het overige, het wit en geel van
+de eijeren afzonderlijk gehouden, in figuren er boven op te leggen,
+met dunne schijfjes van augurken langs den rand geschikt. Sommigen
+voegen er ook wel gehakte seldery bij.
+
+40. Over het gebruik van aardappelmeel. Het aardappelmeel is een
+uitstekend middel om sausen en soepen te binden, ook groenten,
+of gestoofde vruchten; maar men kan door iets te veel te gebruiken
+zeer ligt een geregt bederven en het te melig maken. Daarom moet
+men voorzigtig zijn en niet meer dan een theelepeltje te gelijk in
+de spijzen doen, omdat men er altijd bij kan voegen als het noodig
+is. Het meel moet met een weinig koud water worden aangemengd en, even
+vóór het opdoen, in de groenten of wat dan ook, geroerd worden. Voor
+schuimende sausen kan men het niet gebruiken, maar men moet zich dan
+van ander fijn meel bedienen; zoogenaamde keizersbloem is zeer aan
+te bevelen en niet hooger in prijs dan tarwemeel.
+
+41. Rijstmeel. Het is zeer gemakkelijk om eenig rijstmeel in voorraad
+te hebben, voor het geval dat men er gebruik van wil maken. Daarvoor
+wascht men de rijst in kokend water, schudt ze warm op eene zeef en
+giet er koud water overheen, waarna men ze met een schoonen doek
+afdroogt en op een platten schotel, of op een papier uitgespreid,
+in den oven laat droogen, toeziende dat zij niet geel wordt. Zij
+wordt daarop gemalen en men kan daarvoor een koffijmolen gebruiken;
+de eerste korrels rijst die er door gaan, moet men wegwerpen en de
+lade goed schoonmaken.
+
+42. Vanille. Er komt in den handel dikwijls vanille voor, waar de
+fijnste deelen reeds zijn uitgetrokken en daarom moet men er op
+letten of de stokjes die men koopt wel een sterken geur hebben; ook
+moeten zij niet glad, maar rimpelig zijn en hier en daar moet men
+er kristalachtige puntjes op vinden. Om ze goed te houden, is het
+best om ze in theelood te wikkelen en dan in eene gesloten flesch
+te bewaren. Men knipt bij het gebruik een gedeelte van een stokje
+zeer fijn, of stampt het met suiker en bindt het los en ruim in een
+neteldoeksch lapje, omdat de zwarte korreltjes dan niet in de melk,
+of wat men anders kookt, gevonden worden.
+
+43. Citroenen. Om citroenen te bewaren moet men ze in een dun papier
+wikkelen en dan, op een koele plaats, tusschen de takjes van een
+heibezem zetten. Bij het gebruik moet men er op letten dat er geene
+pitten in het sap komen, daar dit aan een geregt een bittere smaak
+geeft. De schil kan men zeer fijn af raspen en dan, vermengd met
+suiker, in eene stopflesch bewaren.
+
+44. China'sappelschillen. Bij het gebruik van china'sappelen werpt
+men gewoonlijk de schillen weg en het is dus eene zeer onkostbare
+kruiderij, als men die even als citroenschillen fijn gesneden met
+suiker bewaart; zij zijn zeer goed in appelmoes of dergelijke zaken
+te gebruiken.
+
+45. Waspapier. Indien men voor het toebinden van potten of
+flesschen geen varkensblaas bij de hand heeft, kan men zich redden
+met waspapier. Twee personen houden om dit te maken een vel dik,
+wit papier boven een stil vuur, zoodat het niet zengt en een derde
+bestrijkt het met gesmolten was.
+
+
+
+
+
+
+
+B. SOEPEN.
+
+
+1. Algemeene regelen. Voor het koken van soep zijn verglaasde of goed
+vertinde koperen pannen aan te bevelen; als echter het vertinsel
+eenigzins beschadigd is, krijgt de soep spoedig een onaangenamen
+kopersmaak, die ook nadeelig voor de gezondheid is.--Men moet vleesch
+nemen dat den vorigen dag geslagt is, en als het alleen moet dienen
+om een krachtigen bouillon te koken, zonder dat het op tafel behoeft
+te verschijnen, dan is het best een droog stuk uit den achterbout,
+zonder beenen of vet, een zoogenaamd muisje, te nemen. Verkiest men
+het echter na de soep, b. v. met eijersaus te dienen, dan zal een stuk
+met eenig vet beter voldoen. Het vleesch wordt luchtig afgewasschen;
+daarna klopt men het zooals onder afdeeling D No. 1 beschreven is en
+hangt het over met koud water, terwijl men er terstond het noodige
+water op giet en daarbij op het verkoken rekent, want soep lijdt
+er zeer door als men er moet bijgieten; is men daartoe echter soms
+genoodzaakt, dan vulle men aan met kokend water en volstrekt niet met
+koud. Ook moet men er dadelijk het zout in doen.--Het afschuimen mag
+niet verzuimd worden en, ten einde dit behoorlijk te kunnen doen,
+moet de soep op een levendig vuur aan de kook worden gebragt, omdat
+het schuim zich anders met den bouillon, vereenigt. Het is goed
+dat men de schuimspaan bij de hand houde, om het juiste oogenblik,
+wanneer het schuim rijst, waar te nemen en het er af te scheppen;
+mogt men dit oogenblik hebben laten voorbijgaan en het schuim
+doorgekookt zijn, dan giete men een weinig koud water in de pan,
+waardoor het weder eenigzins opkomt. Geschuimd zijnde, moet de soep
+goed toegedekt, zacht maar onafgebroken koken, en na verloop van een
+uur giet men den bouillon door eene zeef, spoelt het vleesch, waaraan
+zich misschien eenig schuim heeft aangezet, luchtig af en doet alles
+weder in de schoongemaakte pan, met hetgeen men er verder in koken
+wil. Pieterseliewortel en schorseneren hebben 2 of 2 1/2 uur noodig
+om gaar te worden, selderij 1 of 1 1/2 uur, prij en aspersies 1 uur,
+even als sla, wortelen en andere jonge groenten. Wenscht men de soep
+met meel te binden dan moet dit zijn gebruind (zie A No. 31), doch
+men kan ook een weinig meel met eene vork door boter kneden en het
+dan door de soep roeren; men wachte zich echter voor het inmengen van
+enkel raauw meel. Een zeer krachtigen bouillon kan men voordienen,
+zonder dat er iets in gebruikt is om dien te verdikken, maar als
+men het vleesch wil uitzuinigen, doet men er doorgaans rijst, sago,
+paarlgarst, of vermicelli in.--In eene portie voor vier personen
+doet men 2 groote spijslepels rijst, of paarlgarst, van sago, of
+vermicelli, half zooveel. Paarlgarst en sago moeten 2 1/2 of 3 uren
+koken, rijst 1 uur of 5 kwartier, vermicelli een half uur. In klare
+soep kan men balletjes koken, maar voor gebonden soep doet men beter
+om ze afzonderlijk in gezouten water te koken en ze eerst later in
+de soep te leggen, daar zij anders ligt te stijf worden.
+
+2. Blanke rundersoep. Voor eene krachtige soep rekent men bij
+een klein aantal personen 3 1/2 ons vleesch per hoofd, en als het
+gezelschap grooter is 2 1/2 ons. Men zet ze op met zooveel water, dat
+men 4 m. voor de persoon rekent en dan nog een derde van de geheele
+massa meer voor het verkoken. Als de bouillon volgens No. 1 gekookt en
+doorgezeefd is, voegt men er selderij en pieterseliewortel bij, en een
+half uur vóór het opdoen kan men er stukjes gesneden zwezerik in doen,
+gereed gemaakt volgens A No. 13. Deze soep moet 3 à 3 1/2 uur koken.
+
+3. Om rundersoep spoedig te koken. Voor 6 of 7 personen snijdt men
+1 p. vleesch in dobbelsteenen of dunne repen, bruint eenige lepels
+meel in boter, legt het vleesch daarin met eene fijngesneden uije
+en gele wortelen, ook desverkiezende, een knol seldery. Men roert
+het dooreen en giet er dan zooveel kokend water bij, als men, het
+verkoken medegerekend, noodig heeft; na verloop van anderhalf uur
+giet men het door eene zeef. Rijst wordt afzonderlijk gekookt en bij
+het opdoen in de soep gedaan, die men kruidt met notemuskaat.
+
+4. Bruine rundersoep. De bereiding van dezen bruinen bouillon vindt
+men in A No. 9 opgegeven voor ragout. Men volgt datzelfde recept,
+maar neemt voor 12 personen 3 p. rundvleesch en 2 1/2 o. raauwe ham,
+terwijl men er naar verkiezing vleesch of broodballetjes en bruine
+sago in kan koken.
+
+5. Fransche soep. Men rekent voor iedere persoon 2 1/2 o. rundvleesch,
+dat, als gewoonlijk, met water en zout over het vuur gehangen en, als
+het kookt, geschuimd wordt. Gedurende twee uren laat men het langzaam,
+maar onafgebroken, koken; dan snijdt men een kool en eenige rapen
+in stukken, en laat die met enkele aardappelen en wat schorseneren
+in de soep gaar koken. Men kleurt haar met gebruinde boter en dient
+ze voor met reepjes geroosterd brood er in, terwijl men het vleesch
+met mosterdsaus presenteert.
+
+6. Jussoep. Men smoort eene fijn gesneden uije ruim in boter, laat dan
+een paar lepels meel daarin bruin worden en giet er zooveel water bij
+als men verlangt. Dan kookt men de noodige hoeveelheid rijst daarin
+gaar en voegt er eindelijk runderjus bij.
+
+7. Kalfssoep. Van kalfsvleesch neemt men voor de persoon iets meer
+dan van rundvleesch, omdat het niet zoo krachtig is. Nadat het goed
+gewasschen is, laat men het water en zout koken, schuimt het en giet
+den bouillon na verloop van een half uur door eene zeef; men doet
+er gebruind meel, een pieterseliewortel en een paar schorseneren in
+en laat de soep toegedekt, langzaam gaar koken. Vijf kwartier vóór
+het opdoen, voegt men er in water gebroeide rijst bij, en men kan
+er naar verkiezing dan ook balletjes in koken en de groente die het
+saizoen oplevert, b. v. postelein, zuring, aspersies, of bloemkool;
+de laatstgenoemde moet echter vooruit worden afgekookt, en ten slotte
+roert men er een paar eijerdoijers en wat notemuskaat in. Indien het
+vleesch na de soep wordt gegeten, dient men het voor met saus van
+mierikswortel. Kalfssoep moet anderhalf of twee uren koken.
+
+8. Soep van kalfskop. Men laat den kop in water uittrekken, en zet
+hem dan, met water bedekt en met het noodige zout te koken, tot hij
+gaar is; dan wordt de bouillon doorgezeefd. Voor een gezelschap van 10
+personen, brandt men een ons meel in boter bruin en giet daar zachtjes
+aan 5 1/2 kan van den bouillon bij. Als de soep kookt, kruidt men
+haar met zooveel saffraan, die gedroogd en fijn gewreven is, als men
+tusschen duim en vinger houden kan, terwijl men er een klein kopje,
+niet al te sterken azijn bijgiet, met een weinig suiker verzacht. Bij
+het opdoen bindt men de soep met 5 eijerdoijers en dient gebraden
+dobbelsteentjes wittebrood er in of er bij.--De kop wordt als hij
+uit den bouillon is genomen opengehakt, de hersens in de soepterrine
+gelegd en het vleesch afgesneden, dat men, aan kleine stukjes, in boter
+braadt en na de soep voordient, met gekookte aardappelen en eenig zuur.
+
+9. Soep van zwezerik. Dit is eene zeer geschikte soep voor herstellende
+zieken. De zwezerik wordt daarvoor bereid volgens A No. 13, dan in de
+pan met boter en meel gebruind, een poosje met kalfsbouillon gekookt
+en eindelijk gebonden met een paar eijerdoijers. Als zij niet voor
+zieken dienen moet, voegt men wat foelie en notemuskaat bij de soep.
+
+10. Kippensoep. Voor 5 personen neemt men eene groote, vette kip die op
+den vorigen dag, volgens A No. 6 is geplukt en uitgehaald; men wascht
+die, in- en uitwendig en laat haar dan nog een kwartier in koud water
+liggen. Men zet het hoen met het hart en de maag er bij, in het water
+op: men voegt er een weinig zout bij en laat het dan op een levendig
+vuur koken, schuimt het, giet den bouillon door eene zeef, doet er
+wat gebrand meel en eene kluit boter ter grootte van een kippenei in
+en kookt ze dan, goed toegedekt, zacht maar onafgebroken, gedurende
+3 uren, de lever mag alleen de laatste 5 minuten medekoken. Men kan
+naar verkiezing rijst, of vermicelli in deze soep koken, maar van
+groente past er niet anders in, dan pieterseliewortels, schorseneren,
+of aspersies; balletjes van wittebrood of griesmeel zijn er zeer goed
+in, en bij het opdoen roert men een paar eijerdoijers en wat foelie
+door de soep.
+
+11. Duivensoep. De bouillon wordt gekookt als van eene kip. Men doet
+er vermicelli of gebroeide rijst in; sommigen verkiezen er ook wel
+zeer jonge worteltjes, doperwten, aspersies, of, vooruit afgekookte,
+bloemkool in. Deze soep moet gebonden, maar niet te dik zijn en ten
+minste twee uren koken. Men bindt ze met een eijerdoijer.
+
+12. Aal- of palingsoep. Men laat water, met een stuk boter en wat zout
+aan de kook komen, doet er dan jonge doperwten, fijn gesneden wortelen,
+en wat men verder wil, in, en kookt dit alles gaar. Intusschen worden
+twee of drie pond aal of paling, aan mooten gesneden, ook in water
+en zout half gaar gekookt, daarop in gestooten beschuit gewenteld en
+in de koekepan met boter gebraden. Dan neemt men de mootjes visch uit
+de pan en brandt in de boter een weinig meel, dat men vervolgens met
+peper en notemuskaat door de soep roert; men voegt er de visch ook
+weder bij en laat alles nog even koken. Bij het opdoen bindt men de
+soep met twee eijerdoijers en een spijslepel room.
+
+13. Echte schildpadsoep. Eene schildpad van middelmatige grootte is
+het best. Men hangt haar aan de achterpooten op, en als zij den kop uit
+de schaal steekt, wordt die met een scherp mes afgesneden, waarna men
+haar nog 4 uren laat hangen om uit te bloeden. Dan legt men het dier
+op een hakbord, snijdt het rondom uit de schaal en neemt voorzigtig de
+ingewanden er uit, vooral zorgende dat de gal niet breekt. De lever
+en het hart, alsmede de eijeren, indien men ze vindt, worden in koud
+water gelegd; de darmen worden dan alleen schoongemaakt, als men er
+worstjes van wil maken.--Men snijdt de voorpooten, met een goed stuk
+vleesch van de zijden af en evenzoo de achterpooten. De vinnen worden
+weggenomen. De pooten en het buikstuk moeten in kokend water worden
+gebroeid, opdat men de huid er af kunne trekken.
+
+Men wascht nu het vleesch goed af, legt het gedurende eenige uren
+in koud water, dat men eenige malen ververscht, en hangt het dan nog
+een nacht op om te luchten.
+
+Den volgenden dag zet men het vleesch en het hart, met slappen
+runderbouillon, dien men den vorigen dag gekookt heeft, en met het
+noodige zout op het vuur, schuimt het zorgvuldig, en voegt er een
+bosje dragon en thym, eenige gehakte uijen, benevens eene flesch
+witten wijn bij, waarmede men het, goed toegedekt, langzaam gaar laat
+koken. Daarna neemt men het uit den bouillon en snijdt het, als het wat
+verslagen is, netjes in lange stukken. De lever wordt niet medegekookt,
+maar in boter gaargesmoord, bij het opdoen in schijven gesneden en in
+de soepterrine gelegd. Men kan schildpadsoep opdisschen, zonder ze te
+binden, maar gewoonlijk doet men het toch. Daartoe bruint men meel in
+boter, mengt het met bouillon aan en roert het een kwartier vóór het
+opdoen in de soep. Het gesneden schildpadvleesch moet er gedurende dit
+kwartier nog in mede koken, en men kruidt dan ook de soep met kerry
+of cayennepeper en fijngestampte gember, nagelen en foelie. Men doet
+er balletjes in, die van eenig vleesch, dat men er afgehouden heeft,
+op de volgende wijze worden gemaakt: Het wordt met vrij wat ossenmerg
+zoo fijn mogelijk gehakt, dan in een mortier tot pap gestooten en
+gemengd met wittebrood, eijeren, zout, foelie, geraspte citroenschil
+en witte peper, waarop men er balletjes van rolt. Daar zij echter,
+zoo als gezegd is, in gebonden soep ligt stijf worden, is het best
+om ze er in te koken, vóór dat het meel er in gedaan wordt en ze,
+als ze gaar zijn, afzonderlijk in een weinig soep tot het opdoen warm
+te houden. Wil men schildpadsaucijsjes in de soep geven, dan voegt
+men bij een gedeelte van de farci, die voor de balletjes gereed is
+gemaakt, nog een klein glaasje cognac, een paar gehakte chalotten
+en wat geraspte lever en men stopt dit in de schoongemaakte darmen;
+men kookt ze gaar en legt ze, in schuine stukken gesneden, in de
+terrine. Allerlaatst doet men in de soep de eijeren die men in de
+schildpad mogt gevonden hebben en giet er eene flesch maderawijn in,
+waarop men alles zeer warm in de terrine op de lever en de balletjes
+giet. Eene middelmatige schildpad is in anderhalf of twee uur gaar;
+eene oude heeft drie of vierde-half uur noodig.
+
+14. Nagemaakte schildpadsoep. Een groote, versche kalfskop wordt
+goed schoongemaakt en met een ossenverhemelte, benevens eenige
+pieterselie- en gele wortelen, gaar, doch niet week gekookt en,
+koud geworden zijnde, in langwerpig vierkante stukjes gesneden. Dan
+bruint men eenige chalotten en wat meel in boter, roert dit met goeden
+bouillon in het nat van den kop, en laat hierin het gesneden vleesch,
+met fijngehakte dragon, cayennepeper en gestooten nagelen, gedurende
+een kwartier koken. Daarop giet men er eene halve flesch madera in,
+of eene halve flesch witten wijn (vin de Graves) en een flesch arak, in
+plaats van de madera; ook balletjes van kalfsgehakt en hard gekookte,
+aan dobbelsteentjes gesneden eijeren. De soep moet wel gebonden,
+maar niet dik zijn; zij mag, nadat de wijn er in is, niet meer koken.
+
+15. Hazensoep. Men maakt een haas goed schoon en bewaart het bloed;
+men houdt het vleesch van den rug afzonderlijk en hakt het andere
+aan stukken. Dit zet men te vuur met 1 of 1 1/2 p. ossenvleesch, 5
+lood uijen, eenige kruidnagelen, wat peper, gele wortelen en verdere
+soepgroenten naar verkiezing, benevens eenige sneden raauwe ham,
+en laat het alles te zamen 3 uren koken. Intusschen wordt de rug in
+stukjes gesneden en met boter en room gebraden, om, des verkiezende,
+met bijvoeging van gehaktballetjes, in de terrine te worden gelegd. Als
+de soep gaar is, giet men haar door eene zeef, roert het bloed er
+door, zet haar weder op en bindt haar met gebrand meel. Allerlaatst
+giet men er eene kwart flesch rooden wijn in (zeer lekker is portwijn)
+en doet het noodige zout in de soep, met zooveel kerry of cayennepeper
+als op de punt van een mes liggen kan.
+
+16. Engelsche konijnensoep. Het vleesch wordt aan kleine stukjes
+gesneden en in boter zacht gebraden. Dan giet men er water, of als men
+ze heeft, bouillon op, voegt er fijngesneden uijen, laurierbladeren
+en nagelen bij, waarmede men het laat koken. Als de kracht er goed
+uit is, giet men de soep door eene zeef, zet ze weder op en laat er
+wat sago in gaar koken. Men kan wat vleesch afzonderlijk houden om
+balletjes van te maken; het wordt dan fijngehakt en gekneed, met in
+melk geweekt wittebrood, boter, een ei, peper, zout en notemuskaat.
+
+17. Patrijzensoep wordt bereid als hazensoep; in plaats van balletjes,
+geeft men het borstvleesch aan dunne schijfjes gesneden en behandeld
+als de hazenrug, in de terrine.
+
+18. Lijstersoep. Men rekent eene lijster voor iedere persoon. Zij
+worden met wat zout, in boter, goed toegedekt, langzaam gebraden,
+zóódat zij zacht blijven. Dan wordt de borst aan fijne schijfjes
+gesneden en het overige in een mortier gestampt. Het laatstgenoemde
+zet men met een paar schijven seldery en wat gehakte uijen nog even
+te smoren in de boter, waarmede de vogels zijn gebraden; men roert
+er voorzigtig wat meel door en laat het dan in bouillon of water
+een uur zachtjes koken. Vervolgens neemt men het vet er af, giet
+de soep door eene zeef, zet haar nogmaals op, laat er morieljes of
+griesmeelballetjes in gaar koken, en giet ze dan, met wat notemuskaat
+gekruid, over het gebraden borstvleesch in de terrine.
+
+19. Aardappelsoep. Een stuk vleesch, berekend naar het aantal
+personen, wordt gewasschen, met het noodige zout overgehangen,
+geschuimd en dan, met uije en prij er bijgevoegd, goed toegedekt,
+gedurende 3 uren hard gekookt. Op de helft van dien tijd, doet men
+er afzonderlijk gaar gekookte aardappelen in, en na verloop van de 3
+uren wrijft men alles door eene zeef. Men zet de soep weder te vuur,
+voegt er fijn gesneden uije bij, die met meel in boter is gebruind,
+benevens wat foelie en gehakte pieterselie of seldery.
+
+20. Groentesoep. Men kneedt een goed stuk boter in zooveel meel
+als er aan kan blijven hangen en roert het in den bouillon met
+zout en de volgende groenten, die men er in laat gaar koken: jonge
+wortelen, kropsalade, zuring, spinazie en jonge erwten; seldery naar
+verkiezing. Dan wordt de soep gebonden met eijerdoijers en wat gehakte
+pieterselie er doorgeroerd. Deze soep is in vijf kwartier gereed
+(mits men den bouillon vooraf heeft gekookt) en men dient ze voor
+met dobbelsteentjes brood er in, die in boter zijn gebakken.
+
+21. Groene-erwtensoep. Men laat gedroogde groene erwten, nadat zij
+gewasschen zijn, gedurende een nacht in koud water weeken, en hangt
+ze, zonder zout, met datzelfde water over het vuur om ze zeer gaar
+te koken. Vervolgens wrijft men ze bij kleine gedeelten te gelijk
+door eene zeef, zoodat alleen de schillen daarin overblijven; als de
+massa te dik is, verdunt men haar met wat warm water. Als alles is
+doorgewreven, voegt men er pekelspek en pekelworst bij, die men eenigen
+tijd afzonderlijk heeft laten koken, met het nat dat daarop is, en als
+hierdoor de soep nog niet dun genoeg is, lengt men haar aan met warm
+water. Men voegt er dan het noodige zout bij en eene goede hoeveelheid
+fijngehakte, in boter gebakken uijen. Sommige verkiezen er ook seldery
+in en, in plaats van spek en worst, kan men rundvleesch nemen, dat
+ook afzonderlijk half gaar moet worden gekookt.--Het spek of vleesch
+gaar zijnde, dient men de soep met stukjes gebakken brood er in.
+
+22. Witte boonensoep. Deze wordt als erwtensoep gekookt, maar niet
+door eene zeef gewreven, en gebonden met gebruind meel. Er behoort
+wat peper en veel prij in te worden gedaan.
+
+23. Zuringsoep. Men bruint eene goede hoeveelheid meel in boter,
+laat jonge zuring daarin smelten en met wat zout in kalfsbouillon
+doorkoken. De soep is dan in een klein half uur gereed; zij wordt
+gebonden met eenige eijerdoijers, die men klutst met room en wat
+notemuskaat, en opgedaan met geroosterd brood in de terrine.
+
+24. Kervelsoep. Meel wordt met boter gebruind, met kalfsbouillon
+aangelengd en met gehakte kervel een half uur lang doorgekookt;
+dan met een paar eijerdoijers gebonden en met geroosterd brood in de
+terrine opgedaan.
+
+25. Kruidensoep. Men neemt zuring, postelein, basilicum, kropsalade,
+spinazie, dragon, pimpernel en bieslook; van de drie laatstgenoemde
+kruiden iets minder dan van de eersten; men wascht ze en snijdt ze
+fijn. Een goed stuk boter wordt met meel gebruind en de kruiden daarbij
+gevoegd, terwijl men er den bouillon langzaam opgietende, alles zeer
+gelijk en fijn roert; men voegt er dan wat zout, fijngehakte kervel
+en pieterselie bij, laat de soep drie kwartier uurs koken en bindt
+haar met eijerdoijers. Er kunnen eijer- of aardappelballetjes in
+gegeven worden.
+
+26. Koolsoep. Hakt een uije en een savooische kool te zamen fijn,
+smoort dit in boter gaar, doet er bouillon bij, en laat dit een
+kwartier lang met wat zout en specerijen doorkoken.
+
+27. Kerrysoep. Men neemt 1 1/2 pond mager rundvleesch en één pond
+kalfsvleesch, aan dunne repen gesneden; men wentelt het in meel en
+fruit het in de koekepan: 5 groote uijen snijdt men aan schijven en
+bruint die ook. Dit alles laat men 4 à 5 uren koken, met twee spaansche
+pepers. Dan giet men het door eene zeef, laat het koud worden en schept
+het vet er af; men maakt twee lepels meel met boter bruin, roert er
+twee lepels kerry door, en bindt daarmede de soep, die nog een half uur
+moet koken. Men geeft er hardgekookte eijerdoijers als balletjes in.
+
+28. Graauwe erwtensoep. Men neemt het nat van graauwe erwten of
+bruine boonen, kookt daarin paarlsago gaar met eene goede hoeveelheid
+fijngesneden uijen, die eerst in boter worden gefruit; men voegt er
+wat ossenjus bij en dient de soep met balletjes kalfsgehakt.
+
+29. Witte wijnsoep. Twee spijslepels tarwebloem worden met 6 versche
+eijerdoijers, met eene flesch witten wijn en eene flesch water
+dooreengeroerd, suiker naar den smaak er in gedaan, benevens eenige
+citroenschijven, waaruit men vooral de pitten moet wegnemen. Dit alles
+moet op een levendig vuur onophoudelijk met eene garde geslagen worden,
+tot het aan het koken toe is, doch het mag niet doorkoken, daar het dan
+schiften zou; men giet het dan spoedig in eene terrine waarin men wat
+foelie met wijn heeft fijngemaakt. Vervolgens legt men van het eiwit,
+dat vooraf met suiker stijf is geklopt, kleine balletjes op de soep,
+bestrooit die met suiker en kaneel en sluit de terrine terstond,
+opdat het schuim gaar worde. Men presenteert er beschuit bij.
+
+30. Schuimsoep van witten wijn. Bij de hierboven opgegeven hoeveelheid
+wijn, neemt men de eijeren met het wit en slechts één lepel bloem en
+handelt voorts als in No. 29 gezegd is.
+
+31. Sagosoep met rooden wijn. Goede sago wordt gewasschen, met heet
+water opgezet en met eenige citroenschijven gaargekookt, waarvoor 2
+of 2 1/2 uur noodig is; paarlsago is in één uur gereed. Dan giet men
+er rooden wijn in, en wel eene gelijke hoeveelheid als die, waartoe
+het water op de sago is verkookt, voegt er de noodige suiker en wat
+gestooten kaneel bij en laat de soep nog even opkoken. Men presenteert
+er beschuit bij.
+
+32. Soep van paarlgarst met witten wijn. De paarlgarst wordt met
+kokend water, met een stukje boter en met eenige citroenschijven,
+waardoor zij zeer wit en spoedig zacht wordt, op het vuur gezet,
+met weinig nat er op, terwijl men er telkens kokend water bijgiet,
+zooveel als het noodig is om uit te dijen. Zoo kookt men ze langzaam
+gedurende twee uren, en doet er dan goed gewasschen rozijnen bij,
+die men nog één uur laat medekoken. Dan voegt men een weinig zout
+bij de garst, benevens suiker en kaneel; men giet er den wijn over,
+bindt de soep met een paar eijerdoijers en doet ze op.
+
+33. Griesmeelsoep. Op 13 maatjes water neemt men 5 lood griesmeel,
+5 lood suiker, 5 lood krenten, een goeden theelepel zout, een half
+kopje witten wijn, en een eijerdoijer. Het water wordt koud, met de
+gewasschen krenten, een stukje boter en een pijpje kaneel ter lengte
+van een halven vinger, op het vuur gezet en, als het kookt, strooit
+men het griesmeel er langzaam in, voegt er de suiker en het zout bij,
+en laat het, toegedekt, matig hard koken, tot het meel niet meer
+zinkt. Dan roert men het eijerdoijer met den wijn dooreen en bindt
+daarmede de soep. In plaats van wijn kan men zich ook van citroensap
+bedienen. Deze opgave is voor 2 personen berekend.
+
+34. Schuimende biersoep. Eene kan bier, even zooveel water,
+2 spijslepels tarwebloem, 4 eijeren, 2 citroenschijven, suiker en
+kaneel naar den smaak, worden op een levendig vuur gezet en met eene
+garde geslagen, tot alles aan het koken toe is. Dan giet men het vlug
+in de terrine en presenteert er dobbelsteentjes gebakken brood bij.
+
+35. Gewone biersoep. Op eene kruik bier neemt men 4 gestampte
+beschuiten en laat dit te zamen koken; men klutst vervolgens een ei,
+met een theelepel aardappelmeel en suiker naar den smaak, en bindt
+daarmede de soep.
+
+36. Melksoep. Voor 3 personen neemt men eene kan melk, een spijslepel
+aardappelmeel, wat geraspte citroenschillen, vanille, of eenige
+jonge perzikblaadjes, 2 eijerdoijers, wat zout en suiker naar den
+smaak. Dit alles roert men op een vlug vuur, gestadig, tot het aan
+het koken toe is; dan wordt het in de terrine gegoten. Van het tot
+schuim geklopte eiwit steekt men balletjes af, die men op de soep
+legt, met kaneel en suiker bestrooit, en in de toegedekte terrine
+gaar laat worden. Indien het aan tijd om te roeren ontbreekt, laat
+men de melk koken met alles er in, behalve het meel en de eijeren,
+die men er ten slotte inroert; maar de eerstgenoemde manier is de
+beste. Men kan deze soep warm en koud, naar verkiezing, gebruiken.
+
+
+
+
+
+
+
+C. GROENTEN EN GEREGTEN VAN AARDAPPELEN.
+
+
+1. Algemeene regelen. Wat het bewaren en schoonmaken van groenten
+betreft, wordt de jonge huishoudster verwezen naar "de huisvrouw"
+van de schrijfster dezer bladen, en zij die op het land wonen, kunnen
+alle regelen van groentekweekerij in haar "tuinboek" vinden. Hier
+worden alleen wenken gegeven omtrent het koken. De groenten, die toch
+als voedingsmiddel eene belangrijke plaats bekleeden, worden dikwijls
+bij de toebereiding zeer veronachtzaamd, en dus is het niet overbodig
+om daarover het een en ander te zeggen. Dáár, waar men de groenten
+over den haard afkookt, moet er op gelet worden, dat de vlam niet te
+hoog om den pot slaat, omdat het kooksel dan een onaangenamen smaak
+krijgt; en, op een spaaroven kokende, moet men zorgen dat het vuur
+steeds gelijkmatig onderhouden worde. Alle wortelgewassen moeten
+niet alleen vóór het schoonmaken goed gewasschen worden, maar ook
+daarna nog eens worden afgespoeld; rapen en oude aardappelen laat
+men zelfs nog nadat zij gesneden en geschild zijn, eene poos in het
+water staan. Als men kokend water over het vuur heeft hangen, en de
+hoeveelheid groente, die gekookt moet worden, groot is, dan doe men
+niet alles te gelijk in den pot, omdat het water daardoor op eenmaal
+te koud zou worden, en wachte telkens, vóórdat men er meer bijvoegt,
+tot het weder aan de kook is. Op de helft van den kooktijd strooit
+men het zout gelijkmatig verdeeld over de groente. Het afkoken moet
+vlug en met den pot ongedekt geschieden; zoo mogelijk moet men het
+bijgieten van water vermijden, maar, moet het gebeuren, dan zorge men
+dat het water kokend zij. Om bij spinazie, raapstelen, enz. de groene
+kleur te bewaren, moet men het zout er terstond bijvoegen en den pot
+wel gedurende het koken openhouden, maar daarna de groente niet aan
+de lucht blootstellen. Ingemaakte groente koke men den vorigen dag af
+en zette ze des nachts in koud water, dat men den volgenden ochtend
+nog eenige malen ververscht, tot het zout er uitgetrokken is; bij het
+stoven doet men er een weinig versch zout in. Alle ingemaakte groenten
+moeten met koud water worden overgehangen.--Het binden van sommige
+groenten met meel of eijeren, mag eerst op het laatste oogenblik vóór
+het opdisschen plaats hebben.--Men moet zeer voorzigtig waken tegen
+het aanbranden, maar mogt dit soms gebeuren, dan mag men vooral niet
+roeren, doch zoodra men het bemerkt, moet men de groente uit de pan in
+eene andere overschudden en alles wat op den bodem vast is gehecht in
+de oude pan laten blijven.--In het algemeen moet men bij het koken en
+stoven de groenten luchtig behandelen en er niet meer dan hoog noodig
+is in roeren, omdat zij dan ligt moesachtig worden, en dus doet men
+beter om ze in de pan om te schudden. Hoeveel tijd er vereischt wordt
+om verschillende soorten van groenten gaar te krijgen, is moeijelijk
+te bepalen, daar dit zoowel van de hoedanigheid en hoeveelheid,
+als ook van het vuur afhangt; in sommige recepten is dienaangaande
+echter eenige bepaling opgegeven. De tijd voor het koken bestemd,
+wordt dan gerekend van af het oogenblik dat het water, waar men de
+groente in doet, kookt; voorts wordt verondersteld dat het vuur goed
+onderhouden wordt.--Groenten die afgekookt worden kan men vooraf
+zóó ver brengen, en ze dan, eer men ze stooft, gerust eenige uren
+toegedekt laten staan.--Als men overgeschoten groente wil opwarmen
+moet men ze niet op het vuur zetten, maar met de pan in eene grootere,
+die met kokend water is gevuld, eenigen tijd laten opstaan.
+
+2. Schorseneren. Men werpt de wortelen, zoodra zij zijn schoongemaakt,
+in water, waardoor een weinig meel is geroerd, omdat zij dan blank
+blijven. Daarna zet men ze met bouillon en boter te vuur, en laat ze
+in kort nat, met bijvoeging van een weinig zout, dat er eerst laat
+mag worden in gestrooid, gaar koken. Even vóór het opdoen schudt men
+er gestampte beschuit en gestooten foelie doorheen. Men kan ze ook
+nog op eene andere manier gereed maken en wel als volgt: zij worden
+met kokend water opgezet en met een spijslepel wijnazijn, benevens
+wat zout, gaargekookt; dan op een doorslag geschud. Vervolgens laat
+men ze stoven met een lepel meel dat in boter gebruind en met bouillon
+aangemengd is; men raspt er notemuskaat door en bindt ze bij het opdoen
+met een eijerdoijer.--Men mag voor schorseneren nooit een metalen
+pan gebruiken, daar zij dan blaauw worden; de tijd voor het koken is
+2 of 2 1/2 uur. Zij kunnen worden voorgediend bij kalfsfricandeau,
+fricadillen, kalfsgehakt of côteletten en jonge hoenders.
+
+3. Brusselsche spruit- of roosjeskool. Men ontdoet de kool van de
+harde bladeren en den stronk, maar zorgt daarbij dat de knopjes
+in hun geheel blijven; zij worden daarna in kokend water met zout,
+gedurende drie kwartier uurs zacht gekookt en dan voorzigtig met den
+schuimspaan op een doorslag gelegd. Dan stooft men ze eenige minuten
+met boter en voegt er, indien men ze heeft, wat bouillon bij; men roere
+er vooral niet in, en raspe er bij het opdoen notemuskaat over. Een
+zeer lekkere schotel is het ook als men er kastanjes door stooft,
+die eerst afzonderlijk gekookt, gepeld en niet te fijn gemaakt moeten
+worden.--Men geeft dit geregt bij ossentong en wildbraad.
+
+4. Boerenkool. De bladeren worden goed van de stelen afgestroopt en
+in ruim water gaargekookt, waarvoor 1 1/2 uur gevorderd wordt; men
+giet ze af en als er in het voorjaar eene sterke lucht aan de kool
+is, zet men haar daarna nog eenigen tijd in versch water. Dan wordt
+zij op een doorslag sterk uitgedrukt en zeer fijn gehakt. Men kan de
+kool dan met boter en reuzel stoven en er naar verkiezing aardappelen
+doorroeren; ook kan men een stuk pekelspek koken in kort nat en de
+gehakte kool daarin te zamen laten stoven.--Hierbij geeft men zeer
+goed ham, gerookte rib of worst.
+
+5. Koppen van spruit- of boerenkool. Deze zijn altijd iets fijner
+dan de boerenkoolbladeren. Zij worden op dezelfde wijze toebereid.
+
+6. Spinazie. De spinazie worde zoo vlug mogelijk 8 of 10 minuten lang
+afgekookt, dan terstond in koud water gezet, op een doorslag goed
+uitgedrukt en fijngehakt. Om ze te stoven voegt men er boter bij,
+eene dikke snede wittebrood, die in melk geweekt en fijngewreven is,
+benevens notemuskaat, die men er ook bij het opdoen overheen raspt. Men
+bezet den schotel met smalle reepjes gebakken brood, of belegt den
+rand met harde eijeren, die men over de lengte in achtsteparten heeft
+gesneden. De tijd van stoven is een half of drie kwart uur. Als men
+den volgenden dag ingemaakte snijboonen wil eten, zal men goed doen
+met het water, waarin de spinazie is afgekookt te bewaren; de boonen
+worden daarin bijzonder spoedig gaar.
+
+7. Postelein wordt met het water, dat erbij het wasschen aan blijft
+hangen, opgezet en gaargekookt; dan schept men ze met den schuimspaan
+uit het nat en laat ze met boter stoven. Bij het opdoen bindt men de
+saus met een eijerdoijer en raspt er notemuskaat overheen.
+
+8. Rapenloof. De jonge hartblaadjes van rapen zijn zeer goed om te
+gebruiken; men bereidt ze als boerenkool en laat ze vooral, na het
+afkoken, nog wat in versch water uittrekken.
+
+9. Melde moet na het afkoken een uur lang in koud water staan en
+wordt verder behandeld als spinazie.
+
+10. Zuring wordt evenals postelein gesmolten met het water dat er bij
+het wasschen blijft aanhangen; als zij gaar is giet men het overtollige
+nat er af, en stooft ze met boter en notemuskaat. Men kan haar bij
+het opdoen binden met een eijerdoijer en ze op tweederlei wijzen
+voordienen; hetzij met sneedjes gebakken brood in den schotel, onder
+de zuring; hetzij met gebakken eijeren (zoogenaamde kalfsoogen),
+die men er boven op legt. Zuring is in een half uur gereed. Men
+presenteert ze tegelijk met spinazie.
+
+11. Aspersies. Men snijdt de koppen van de aspersies ter lengte van
+een halven vinger en breekt er vervolgens nog twee of drie even lange
+stukjes af, zoo lang men het gemakkelijk doen kan en de aspersies
+niet taai zijn; de onderste stukjes schilt men dun af. Dan kookt men
+de aspersies en voegt er gedurende het laatste kwartier de koppen
+bij, die men afzonderlijk heeft gehouden. Als zij gaar zijn, giet
+men er het water goed af en stooft ze met boter en wat zout, zeer
+voorzigtig schuddende, opdat zij niet fijn worden; men bindt het nat
+met eijerdoijers en raspt er notemuskaat bij het opdoen overheen. Den
+rand van den schotel belegt men met doijers van hard gekookte eijeren.
+
+12. Sleep-aspersies. De aspersies worden in bosjes gebonden en in
+water, met zout, ruim gekookt, tot zij gaar zijn; maar niet te hard,
+omdat de kopjes anders geheel verkoken. Als zij gaar zijn, worden de
+bosjes op een ronden schotel gelegd, met de koppen naar het midden,
+en dan de draden, waarmede zij gebonden zijn, doorgeknipt, zoodat men
+ze netjes kan uitspreiden. Over het midden wordt notemuskaat geraspt
+en men presenteert er gewelde boter en harde eijerdoijers bij. Deze
+groente geeft men bij kalfsvleesch of wit gebraad.
+
+13. Aspersies met wortelen. Men neemt evenveel aspersies als wortelen,
+laat de laatsten een kwartier lang afzonderlijk koken, doet dan beiden
+bij elkander en handelt verder als in No. 11 gezegd is.
+
+14. Hop. De zeer jonge spruiten van hop worden in kleine bosjes
+bijeengebonden, in water met zout gaargekookt, dan op een doorslag
+gelegd en opgedaan. Men knipt de draden door, neemt ze weg en strooit
+gestampte beschuit en notemuskaat over de hop, die men met eijersaus
+voordient.
+
+15. Raapstelen. Van jonge raapstelen stroopt men het blad af, en de
+stelen, aan stukjes gesneden zijnde, worden gaargekookt, dan op een
+doorslag geschud en zoo sterk mogelijk uitgedrukt. Mogten zij reeds
+wat ouder zijn, dan zet men ze na het afkoken nog eenigen tijd in koud
+water. Vervolgens worden zij gestoofd met boter in meel fijngemaakt
+en wat melk; men raspt er bij het opdoen notemuskaat over.
+
+16. Meirapen. De rapen worden aan smalle reepjes gesneden en gaar
+gekookt; men laat ze daarna goed uitdruipen en stooft ze met een weinig
+melk, met boter in meel gekneed en zout. Men raspt er notemuskaat
+overheen. Als het loof nog zeer jong is, zijn de hartblaadjes mede
+zeer goed om bij de rapen te gebruiken.
+
+17. Julienne. Gesnipperde meirapen, jonge worteltjes, seldery en
+gehakte uijen fruit men met boter in eene casserol, dan voegt men
+er doperwten, bloemkool en kropsalade bij (de beide laatsten vooraf
+gekookt), en giet er dan bouillon van 6 ons kalfsvleesch over,
+waarmede men het anderhalf uur laat koken. Men legt bij het opdoen
+een bal kalfsgehakt midden op den schotel.
+
+18. Doperwten. De erwten worden ruim in water gekookt, dan afgegoten,
+en bij het opdoen schudt men er een weinig zout door. Sommigen
+verkiezen er gehakte pieterselie door en een weinig suiker. Men dient
+er gewelde boter bij, en kan er dan een schaaltje met pieterselie
+bij laten rondgaan.
+
+Eene andere manier om erwten te koken is door damp. Men bedient zich
+hiertoe van eene blikken bus, waarin een tweede bus hangt, die half
+zoo hoog is als de buitenste, en waarvan de bodem met zeer fijne
+gaatjes is doorgeslagen. In de binnenste bus legt men de erwten,
+en de onderste ruimte vult men met warm water, waarna men ze, goed
+gesloten, koken laat, tot zij gaar zijn.
+
+19. Jonge wortelen. De wortelen moeten twee uren vóór dat ze op
+tafel komen, met zeer weinig water en wat zout worden opgezet en
+zacht koken. Anderhalf uur later voegt men er boter bij en, als de
+wortelen zelf niet zoet zijn, ook een weinig suiker; de pieterselie
+wordt er even vóór het opdoen doorgeschud.
+
+20. Suikerpeulen. Men zet de peulen met zeer weinig kokend water op,
+laat ze daarmede zachtjes koken en doet er, als zij zacht worden,
+wat zout, boter en suiker bij, waarmede men ze nog een half uur laat
+doorstoven. In twee uren zijn zij gereed.
+
+21. Tuin- of groote boonen, ook wel roomsche of boerenboonen genoemd,
+moeten in kokend water worden opgezet, en daarin ongedekt koken, tot
+zij zinken; dan zijn zij gaar. Vervolgens schudt men ze op een doorslag
+en giet er eene kan koud water over (zijn de boonen reeds wat oud, dan
+laat men ze eenigen tijd in koud water staan), waarna men ze stooft
+met boter en wat melk, desverkiezende ook met gehakte pieterselie,
+of boonenkruid. De boonen zijn fijner van smaak als men de steeltjes
+waarmede zij aan den schil zijn vastgegroeid er afneemt. Men kan ook
+spek uitbraden en de vooruit afgekookte boonen in dat spekvet stoven;
+zij worden dan met de dobbelsteentjes spek, dooreengemengd, opgedaan.
+
+22. Koolrapen. De rapen worden aan reepjes gesnipperd, alle harde
+stukjes er goed uitgesneden, en dan kookt men ze ruim af; zoo lang
+het groen zeer jong is, kan men de hartblaadjes fijn gesneden
+ook afzonderlijk afkoken. Men stooft daarna alles te zamen, met
+bijvoeging van zout, boter, melk en notemuskaat, benevens een weinig
+suiker. Somtijds stooft men de blaadjes afzonderlijk en legt ze
+bij het opdoen als een krans op de rapen. Men kan de rapen ook zeer
+goed stoven met reuzel en met aardappelen door elkander; de laatsten
+worden, als men de rapen te stoven zet, onder in de pan gelegd. Als
+de rapen reeds oud zijn, is het goed dat zij den avond vóór dat men
+ze gebruiken wil, worden schoongemaakt en een nacht in water blijven
+staan. Zij moeten anderhalf uur koken en één uur stoven.
+
+23. Gevulde rapen. De rapen worden afgeschild, zoodat zij niet hoekig
+zijn, maar een goeden ronden vorm behouden; dan snijdt men er eene
+schijf glad af en holt elke raap zooveel mogelijk uit. Men zet ze
+daarop, met de afgesneden schijven gedurende een nacht in het water
+om uit te trekken en kookt ze den volgenden dag in water met zout
+zeer ruim af. Vervolgens vult men ze met kalfsgehakt, dat niet te
+stijf mag zijn, bindt de afgesneden schijven, als deksels, met eene
+draad er op, en zet ze naast elkander in eene platte pan te stoven,
+met boter of kalfsbouillon, onder gestadig bedruipen. Bij het opdoen
+snijdt men de draden los, roert een weinig witten wijn, wat foelie en
+eenige citroenschijven door het nat, dat men met een paar eijerdoijers
+bindt en over de rapen giet.
+
+24. Bloemkool. Als de bloemkool is schoongemaakt moet zij, zoo geen
+nacht, dan ten minsten eenige uren lang in het water staan. Dan wordt
+zij in kokend water met zout opgezet en gaar gekookt, doch langzaam,
+om het beschadigen van de bloem te voorkomen; daarom moet zij ook
+zeer voorzigtig met een schuimspaan op het doorslag worden gelegd,
+om uit te druipen. Men dekt ze toe, en legt ze bij het opdoen zóó,
+dat de bloem regtop staat, waarna men er de saus overgiet.--Men
+verkiest de kool ook wel met boter of jus gestoofd te gebruiken,
+in ieder geval raspt men er eene goede hoeveelheid notemuskaat over.
+
+25. Artisjokken moeten digt aan den steel afgesneden en de harde
+bladeren weggenomen worden; voorts worden zij zorgvuldig gewasschen
+en eenigen tijd in koud water gelegd. Men kookt ze gedurende 2 of 3
+uren in water met zout, neemt dan het dradige gedeelte van het hart
+af en presenteert ze met zoet-zure saus. (Zie hoofdstuk sausen.)
+
+26. Maïs, als groente. Om maïs als groente te gebruiken, moet men
+het plukken als de korrels wel reeds goed gevormd, maar toch nog wit
+en zacht zijn. Men ontdoet ze van de bladeren en het zijdeachtige
+omkleedsel, waarna men ze in water met zout gaar kookt en zoo, warm,
+met gewelde boter presenteert. Soms worden de kolven, na het afkoken,
+in de lengte doorgesneden en met boter op den rooster gebraden.
+
+27. Heerenboonen, ook wel princessen-, salade- of aspersieboonen
+genoemd, worden goed afgehaald, tweemaal van onder naar boven
+en tweemaal omgekeerd; vervolgens gebroken, gewasschen en dan in
+kokend water opgezet en gaar gekookt, terwijl op de helft van den
+kooktijd het zout er eerst mag worden bijgevoegd. Men schudt ze op
+een doorslag en stooft ze daarna met boter en pieterselie en bindt ze
+met een weinigje meel. Ook kan men ze warm uit het water opdisschen
+en geven er eijersaus bij. De boonen moeten anderhalf uur koken en
+een half uur stoven.
+
+28. Snijboonen. De boonen worden viermaal afgehaald, gewasschen en
+fijn gesneden. Men kookt ze niet af, maar zet ze met bijna geen water
+op het vuur; als ze half gaar zijn, voegt men er de boter en het zout
+bij, benevens een weinig suiker, en laat ze langzaam doorstoven. Er
+zijn 2 à 3 uren noodig om ze goed te bereiden.
+
+29. Harlekijn. De napluk van snijboonen, die reeds eenigzins te hard
+zijn geworden om te stoven, kunnen zeer goed gebruikt worden op de
+volgende wijze: Een stuk pekelspek of ham, mits het niet gerookt,
+maar gedroogd zij, wordt half gaar gekookt, en dan voegt men er de
+gesneden snijboonen, half zooveel gesnipperde gele wortelen en witte
+boonen bij; men laat het weder doorkoken en iets later doet men er
+goed geschilde, in vierdeparten gesneden peren, gesnipperde appelen,
+benevens aardappelen en het noodige zout bij. Men kookt het gedurende
+2 1/2 uur en, bij gebrek aan appelen, giet men een scheutje azijn
+bij de groenten.
+
+30. Savoyekool. Als de kool van de buitenste bladeren is ontdaan,
+snijdt men de krop door midden en, als de stronken er uitgenomen
+zijn, in stukken, die men wascht en dan in water met zout, ruim en
+schielijk laat koken. De kool moet dan op een doorslag uitdruipen,
+en wordt vervolgens met bouillon, of boter en notemuskaat gestoofd;
+wat melk of room maakt haar bijzonder malsch.
+
+Men kan van savoyekool ook een zeer lekkeren schotel maken op
+de volgende wijze: Een eendvogel, met schijven spek, of een bal
+kalfsgehakt, worde gebraden, dan legt men dit vleesch in een schotel
+(waarmede het op tafel moet komen) met de afgekookte kool aan vierde-
+of achtsteparten gesneden en voegt nog een paar kopjes water bij de
+jus, terwijl men zout tusschen, en gestooten beschuit over de kool
+strooit. De schotel wordt toegedekt, maar tusschenbeide moet men de
+kool bedruipen en alles zoo, gedurende ruim 1 1/2 uur, op een zacht
+vuur laten smoren.
+
+31. Roode kool. De buitenste bladeren en de grootste stronken worden
+weggenomen en voorts de kool zeer fijn gesneden. Men zet haar op
+met zeer weinig water, op een zacht vuur, en als zij half gaar is,
+voegt men er het zout en de boter bij, benevens eenige gestooten
+kruidnagelen en het een of ander om er een rinschen smaak aan te
+geven. Hiertoe kan men zich bedienen van een scheut azijn, van een
+paar gesnipperde zure appelen, of een een glas rood bessennat, naar
+verkiezing; men moet er dan ook een weinig suiker in doen. De kool
+mag niet geroerd, maar moet geschud worden en is in ruim 2 uren gereed.
+
+32. Kappertjes kool kan men als roode- of als witte kool behandelen.
+
+33. Witte kool. De kool wordt in stukken gesneden, in kokend water,
+ongedekt, zoo schielijk mogelijk afgekookt en dan op een doorslag
+geschept. Dan zet men ze te stoven met zout, reuzel en aardappelen
+onder in de pan, die er later worden doorgeroerd, of, desverkiezende
+zonder aardappelen en met boter; in allen geval strooit men er
+eenige gestampte nagelen tusschen.--Witte kool kan ook, nadat zij is
+afgekookt, bij half gaar pekelvleesch worden gevoegd en als men haar
+dan daarbij, tegelijk met kleine aardappelen, verder gaar laat koken,
+is dit een smakelijk geregt.
+
+34. Jagerkool. De witte kool wordt als roode gesneden en afgekookt;
+men braadt spek uit en bindt die saus met wat meel, kruidt ze goed met
+peper en voegt er wat azijn bij. Dan zet men aardappelen met weinig
+water en wat zout te koken, en als zij goed aan de kook zijn, legt men
+de kool er boven op, aan de kanten iets hooger dan in het midden, met
+het noodige zout er op gestrooid; midden in giet men dan de speksaus
+en laat alles goed toegedekt koken, tot men denkt dat de aardappelen
+geheel gaar zijn. Als men bij het nazien ontdekt dat alles wel gaar
+is, maar dat er nog te rijkelijk nat op is gebleven, laat men de pan
+op een levendig vuur, open staan, om te verdampen. Dan wordt de kool
+met de aardappelen dooreengeroerd en met versche braadworst opgedischt.
+
+35. Gevulde kool. Men neemt groote bladeren van witte kool, snijdt er
+de zwaarste ribben uit en kookt ze af; dan legt men op een schoonen
+doek de bladeren in het rond, vrij dik op elkander; daarop kalfs-,
+varkens-, of rundergehakt en weder wat koolbladeren, zoo, om en
+om voortgaande, tot men het fatsoen van eene groote kool heeft
+verkregen. Daarop bindt men den doek om alles heen digt en zet de
+kool in bouillon, of bij gebrek daarvan in water met zout, zoodat
+zij onderstaat, gedurende 2 uren te koken. Bij het opdoen neemt
+men haar voorzigtig uit den doek en zet haar op den schotel met de
+saus er over gegoten, die men op de volgende wijze gereedmaakt: Men
+brandt wat meel en boter in de koekepan en roert dit in het nat, waar
+men de kool heeft uitgenomen, voegt er wat notemuskaat of foelie en
+een paar citroenschijven bij en bindt ten slotte de saus met eenige
+eijerdoijers.
+
+36. Gestoofde selderij. De knollen worden goed gewasschen, dan in
+schijven gesneden en afgekookt, daarna stooft men ze in bouillon,
+met zout, boter en notemuskaat, en om er eene schoone kleur aan te
+geven, roert men ten slotte wat gebruind meel door de saus. Zij zijn
+in 1 1/2 uur goed.
+
+37. Gevulde selderij. Men rigte zich hierbij naar het recept van
+gevulde rapen (zie No. 23).
+
+38. Gestoofde uijen. De uijen moeten worden geschild, maar niet
+gesneden en half gaar gekookt, zoodat men er het overtollige nat
+kan afgieten. Vervolgens worden zij te stoven gezet (liefst in eene
+aarden pan) met bouillon, boter, zout, foelie en gestooten beschuit;
+naar verkiezing kan men er ook citroensap bijvoegen. Zij zijn in vijf
+kwartiers gereed en worden zeer goed gepresenteerd bij rolpens.
+
+39. Gefarceerde uijen. Uijen van de allergrootste soort schilt men
+en snijdt er eene schijf af, die er als zij gevuld zijn, weder op
+gebonden kan worden; zij worden half gaar gekookt en moeten goed
+afdruipen. Men holt dan de uijen voorzigtig uit en vult ze met fijn
+geprepareerd gehakt, waarna men ze toebindt. Zij worden vervolgens
+even in gefruite boter gesmoord, en na verloop van 5 minuten, voegt
+men daarbij bouillon, wat zout, peper, nagelen, een stukje foelie,
+een paar laurierbladen en citroenschijven, benevens gestooten beschuit,
+waarmede men ze te stoven zet, tot de farci gaar is, waarvoor omstreeks
+een uur vereischt wordt. Dan worden de draden doorgesneden en de
+uijen in de saus opgedaan.
+
+40. Prei. Om prei te stoven handele men even als bij gestoofde uijen is
+opgegeven (zie No. 38). Men kan ze ook gekookt geven, met rundvleesch
+en aardappelen door elkander. Het vleesch moet in dobbelsteenen worden
+gesneden en in kort nat 3 uren koken; gedurende het laatste uur voegt
+men de prei, met de aardappelen en het noodige zout, er bij.
+
+41. Prei met saus. De prei wordt in kleine stukken gesneden en, goed
+gewasschen zijnde, in water met zout gaar gekookt en afgegoten. Dan
+opgedaan met de volgende saus er over gegoten: Voor eene portie van
+5 personen neemt men 2 eijerdoijers, een goed stuk boter, een lepel
+meel, even zooveel melk, wat notemuskaat en zout; men klopt dit alles
+door elkander tot het fijn en gelijk is en lengt het vervolgens aan
+met vijf maatjes water; men voegt er voor den smaak eenige druppels
+azijn bij, en roert het op het vuur tot het dik is. Het mag niet koken.
+
+42. Prei met zuring. Men stooft de zuring volgens No. 10; de prei
+wordt gekookt en afgegoten, en daarna laat men beide groenten te zamen
+nog wat doorstoven. Indien men de zuring met eijerdoijers wil binden,
+mag dit eerst op het laatste oogenblik, vóór het opdoen, geschieden.
+
+43. Prei met brood. De prei wordt afgekookt en goed uitgedrukt;
+dan legt men ze in een schoteltje, om en om, aan laagjes, met
+gesmeerde sneedjes brood om te stoven. Men strooit er zout, peper en
+notemuskaat tusschen en gestampte beschuit er overheen. Dit is een
+van die huiselijke geregten, die op tafel worden gebragt in denzelfden
+schotel, waarin zij zijn gestoofd.
+
+44. Andijvie. De gele bladeren worden aan stukken gesneden, goed
+gewasschen, ruim afgekookt en goed uitgedrukt. Dan zet men ze te
+stoven met boter, of jus, zout en notemuskaat. Men presenteert er
+citroen bij, en kan deze groente geven bij alle fijne vleeschsoorten.
+
+45. Kropsalade. De salade wordt goed gewasschen ruim afgekookt, daarna,
+als zij niet zeer jong meer is, een uur lang in koud water gezet,
+droog uitgedrukt en fijn gehakt. Men kan ze vervolgens stoven met
+boter, zout en een weinig melk; men kan er ook zuring doorstoven, of
+ze ook aan kropjes voordienen. Hiertoe plukt men de buitenste bladen
+van de krop af en laat de hartjes in hun geheel afkoken. Men maakt
+dan de binnenste bladeren een weinig los, legt in ieder kropje een
+balletje kalfsgehakt, en zet ze vervolgens in een schoteltje langzaam
+te stoven, met bijvoeging van jus, boter, zout en notemuskaat; ook
+strooit men er gestampte beschuit over. Naar verkiezing brengt men
+ze in denzelfden schotel op tafel, of doet ze op.
+
+46. Komkommers. Men neemt gave komkommers, schilt ze, snijdt ze aan
+niet al te kleine stukken, neemt het zaad er uit, en laat ze dan gaar
+worden in water met zout, dat men aan de kook heeft gemaakt. Dan legt
+men ze op een vergiet, bruint wat meel met boter, roert er een weinig
+melk en wat noot door en laat hierin de komkommers nog een kwartier
+stoven.--Ook kan men ze stoven in bouillon met bijvoeging van wat
+boter, foelie, en gestooten beschuit, die in de koekepan gefruit is.
+
+47. Champignons. Als de champignons volgens A, No. 12 zijn schoon
+gemaakt, zet men ze, in een aarden pot, met wat bouillon, boter en
+notemuskaat op het vuur, en laat ze, goed toegedekt, een half uur
+langzaam koken. Dan brengt men ze aan het stoven met een gestooten
+beschuit, wat citroensap en een weinig aardappelmeel er doorgeroerd,
+men bindt de saus later met een eijerdoijer. Bij wit vleesch en
+gevogelte te geven.
+
+48. Gebraden champignons. Uit de goed gewasschen champignons wordt de
+stengel genomen, en in de opening die daardoor ontstaat, wordt een
+kluitje boter met wat peper en zout gestoken; men braadt ze daarop
+eenige minuten lang in boter.
+
+49. Winterwortelen. Deze worden niet geschrapt, maar dun geschild en
+aan reepjes gesneden; men fruit eenige uijen in de koekepan, roert daar
+een lepeltje meel door en het noodige zout, voegt het bij de wortelen
+en giet er een weinig kokend water op. Zoo laat men ze goed gaar koken,
+en schudt er bij het opdoen boter en gehakte pieterselie door.
+
+50. Winterwortelen met appelen. De gesnipperde wortelen zet men
+met een weinig kokend water te vuur, laat ze half gaar worden, en
+voegt er dan zout en reuzel bij, benevens eenige zure appelen, waar
+de klokhuizen goed uitgesneden zijn, en een weinig suiker. Daarmede
+laat men de wortelen geheel gaar stoven. Tegen 5 of 6 deelen wortelen
+neemt men 1 deel appelen.
+
+51. Hutspot. De wortelen worden aan stukken gesneden en met weinig
+kokend water half gaar gekookt; dan doet men er fijn gesneden uijen,
+aardappelen, boter, of reuzel en zout bij en laat alles, door elkaâr
+geroerd, een uur stoven.
+
+52. Bieten. De bieten moeten worden afgeboend en de bladeren er
+afgesneden, zonder den wortel zelven te kwetsen. Men hangt ze met
+koud water op en laat ze 1 1/2 uur goed koken; dan giet men ze, met
+het kokende nat er bij, in een pot, dien men goed sluit en waarin
+zij verder moeten gaar broeijen; men laat ze er geheel koud in worden.
+
+53. Bieten met uijen. De bieten gekookt zijnde, zoo als in No. 52 is
+gezegd, worden aan stukken gesneden; groote uijen worden insgelijks aan
+schijven gesneden, en men legt beiden, laag om laag, in een schoteltje,
+met bijvoeging van zout, peper, boter en wat azijn, zoo laat men het
+stoven en brengt het in denzelfden schotel op tafel.
+
+54. Uijen met aardappelen. De uijen worden gesneden en afgekookt;
+als zij afgegoten zijn, zet men ze te stoven, met aardappelen, reuzel
+of boter, peper, zout en azijn.
+
+55. Ingemaakte groote boonen. Zij worden den avond vóór dat men ze
+gebruiken wil, in water gezet, en dit moet men 's ochtends nog een
+paar malen ververschen. Men kookt ze dan af in water en melk; zij
+worden voorts gestoofd als versche boonen en zijn daarvan als zij
+gereed zijn, naauwelijks te onderscheiden.
+
+56. Gele herfstrapen. Zij worden gesnipperd, afgekookt en dan
+langzaam gestoofd met boter, zout, wat melk en een weinig suiker;
+bij het opdoen raspt men er notemuskaat over.
+
+57. Lange fransche rapen. De rapen worden geschild en aan stukken
+gesneden; men behoeft ze niet af te koken, maar zij kunnen met een
+weinig water te vuur worden gezet. Als zij half gaar zijn, voegt men
+er aardappelen bij en stooft alles te zamen met boter en wat melk. Bij
+het opdoen raspt men er notemuskaat over.
+
+58. Zoesterknollen worden even als fransche rapen behandeld.
+
+59. Capucijner erwten kookt men als doperwten, met dit onderscheid,
+dat men het zout er bij kan koken.
+
+60. Molsla, of paardenbloemen worden, naar verkiezing, al of niet
+afgekookt, en dan met boter en notemuskaat langzaam gestoofd.
+
+61. Suikerijlof wordt als molsla behandeld.
+
+62. Rhabarber. Van de rhabarberplanten kan men drieërlei geregten
+maken: vooreerst zijn de jonge bladeren als spinazie te gebruiken
+en worden evenzoo bereid; ten andere kan men van de bladstelen een
+moes maken, dat zeer gelijkt op gestoofde kruisbessen, maar veel
+lekkerder en zachter is. Men haalt van de stelen het buitenste dunne
+schilletje af en snijdt ze aan stukken, waarop men ze, bijna zonder
+water fijnkookt en er dan eijerdoijers en suiker doorstooft. Eindelijk
+zijn de bloemknoppen, vóór dat de stengel opschiedt, zeer goed om
+als bloemkool te koken en met saus te eten.
+
+63. Zuurkool. De kool wordt voorzigtig uit het vat gehaald en, hetgeen
+langs den rand soms niet frisch mogt zijn, er afgenomen; dan drukt men
+de pekel er stevig uit, en als de kool reeds wat oud is, wascht men
+ze af in warm water. Vervolgens wordt zij met weinig water opgezet,
+en als zij half gaar is, voegt men er het noodige zout en de boter
+bij; ook kan men er dan desverkiezende, aardappelen bij in de pan
+leggen, die er later worden doorgeroerd.--In plaats van boter, is
+het ook zeer smakelijk om een stukje pekelspek in de zuurkool mede
+te koken.--Eene andere goede manier om zuurkool klaar te maken, is,
+dat men ze laag om laag, met schijven aardappelen en braadworst in
+een schotel laat stoven: zij moet in dien schotel op tafel komen.
+
+64. Ingemaakte andijvie wordt gewasschen, den vorigen avond afgekookt,
+daarna een paar malen ververscht en dan gestoofd met boter. Men raspt
+er notemuskaat over.
+
+65. Ingemaakte snijboonen worden eerst behandeld als de ingemaakte
+andijvie en dan gestoofd met boter of reuzel. Men kan er witte boonen,
+die een nacht in water geweekt zijn, of aardappelen doorstoven;
+ook worden de witte boonen somtijds afzonderlijk gekookt en bij het
+opdoen als een krans op de groene snijboonen gelegd.
+
+66. Ingemaakte heerneboonen worden geheel als ingemaakte snijboonen
+behandeld.
+
+67. Ingemaakte raapstelen behandelt men als ingemaakte andijvie,
+maar stooft ze ook wel met aardappelen door elkander.
+
+68. Gedroogde heerenboonen. Men wascht de boontjes in warm water en
+zet ze met kokend water op, waarmede men ze een half uur laat koken;
+dan giet men dit er af en vervangt het door versch kokend water,
+waarin zij geheel gaar moeten worden; vóór het laatste half uur moet
+het zout er in worden gedaan. Als de boonen gaar zijn, worden zij op
+een doorslag geschud en als versche slaboonen gestoofd, of ongestoofd
+met zure saus gegeten.
+
+69. Gedroogde snijboonen worden even als gedroogde heerenboonen
+afgekookt en vervolgens met reuzel en, al of niet, met bijvoeging
+van aardappelen of witte boonen gestoofd. Men legt soms een rook-
+of braadworst als krans op den schotel.
+
+70. Gedroogde groene en graauwe erwten worden gewasschen, een nacht
+in water geweekt en met hetzelfde water gaar gekookt. Men dient de
+groene erwten voor met pieterseliesaus en de graauwe met jus.
+
+71. Witte en bruine boonen behandelt men als gedroogde erwten. Men
+gebruikt de witte boonen met pieterselie- of zure saus en de bruine
+met jus.
+
+72. Aardappelen. Bij het koken van aardappelen wordt dikwijls te
+weinig oplettendheid gebruikt, en toch hangt het smakelijke van dit
+geregt evenveel af van de zorg die men er aan besteedt, als van de
+soort der aardappelen zelf. Zij moeten terstond bij het schillen in
+koud water worden geworpen, gewasschen en in water blijven staan,
+tot men ze kookt. Men hangt ze in een ruimen ijzeren pot te vuur, met
+zooveel water dat zij goed onderliggen; voor versche aardappelen neemt
+men het kokend, voor oude koud, en in ieder geval zorge men voor een
+levendig vuur, zoodat zij spoedig gaar zijn. De tijd van koken hangt
+af van de soort en van den ouderdom der aardappelen; versche zijn in
+20 minuten gaar en oude hebben op het laatst wel drie kwartier uurs
+noodig.--Als men nu, door er met eene vork in te prikken, ontdekt
+dat zij gaar zijn, giet men de aardappelen zoo droog mogelijk af;
+men hangt den pot nog eenige minuten weder over het vuur en schudt
+hem dan goed heen en weder om de aardappelen geheel droog te krijgen,
+die dan kunnen worden opgedaan en, liefst in een overdekten schotel,
+ter tafel gebragt. Wanneer men, b. v. op een souper, aardappelen bij
+fijne groenten wil laten rondgaan, dan kan men ze, gekookt zijnde,
+in de schaal met gewelde boter overgieten, er noot over raspen, en ze
+zoo, goed toegedekt, gedurende een half uur op een komfoor laten staan.
+
+73. Gebakken aardappelen met worst. Men fruit fijn gesneden uije met
+meel en boter in de koekepan, kruidt dit met zout en peper, voegt er
+wat bouillon of jus bij, en bakt de worst, aan schijven gesneden,
+daar even mede op. Men neemt ze er daarop uit en laat dan groote,
+aan schijven gesneden en vooraf gekookte aardappelen ook een weinig
+daarin bakken, maar zij moeten zacht blijven. Vervolgens besmeert
+men een schotel met boter, bestrooit dien met geraspt wittebrood,
+en legt de aardappelen en de worst, laag om laag, er in; op de
+aardappelen strooit men telkens wat geraspt brood en legt er kleine
+stukjes boter op. Men laat het zoo in den oven bruinen en keert den
+schotel bij het opdoen op een anderen om.
+
+74. Aardappelen met appelen en varkenskarbonaden. Men zet de karbonaden
+ter helft met water bedekt en met wat zout, op een zacht vuur, dekt
+de pan en laat ze een goed uur koken; dan legt men kleine aardappelen
+onder in de pan, strooit er zout over en legt het vleesch er boven op,
+dat men vervolgens weder bedekt met aan vierdeparten gesneden zure
+appelen; dan giet men er een kopje water bij en laat alles te zamen
+gaar smoren. Bij het opdoen legt men het vleesch midden op den schotel,
+de appelen er over heen en de aardappelen rondom langs den rand.
+
+75. Aardappeltaart met ham. Van een ham, die niet oogelijk meer is
+om op tafel te zetten, kan men een zeer smakelijk geregt bereiden
+op de volgende wijze: De afgesneden stukken worden fijn gehakt,
+gekookte aardappelen tot moes gewreven, en dit, dooreengeroerd,
+in een vorm of schotel gelegd, dien men met boter besmeerd en met
+gestampte beschuit bestrooid heeft; telkens legt men er wat boter of
+kleine stukjes versch spek tusschen, en men kan er naar verkiezing
+ook gehakte uije bijvoegen. Zoo zet men het drie kwartier lang in
+een heeten oven. Als de vorm is omgekeerd, giet men de volgende saus
+over de taart: Op eene portie voor 4 personen neemt men 4 eijeren,
+goed geklopt en aangemengd met melk, zout en notemuskaat.
+
+76. Gestoofde aardappelen. Men kan spek uitbakken en in dat nat of in
+rundervet de aardappelen stoven, met gesneden uijen, peper, zout en een
+paar laurierbladen. Bij het opdoen giet men er een scheut azijn door.
+
+77. Gebakken aardappelen. Om groente of vleesch netjes op te doen,
+legt men er dikwijls gebakken aardappelen omheen op den schotel;
+b. v. bij lamsbout of biefstuk is dit zeer gebruikelijk. Men zoekt
+daarvoor kleine aardappelen uit, kookt ze met water en zout half gaar
+en giet ze zeer droog af. Dan bruint men boter in eene vlakke pan en
+legt de aardappelen daarin, naast elkander; men laat in de toegedekte
+pan eerst de onderste helft lichtbruin worden en keert ze vervolgens
+om, zoodat de andere helft onder komt te liggen. Hiervoor gebruike
+men echter geene vork, omdat de aardappelen gaaf op tafel moeten
+komen. Het vuur mag niet te heet zijn.
+
+78. Geroerde aardappelen. De aardappelen worden gaar gekookt, fijn
+gemaakt, door eene zeef gewreven en dan door elkaâr geroerd met melk,
+boter, zout, peper en notemuskaat; men bestrooit ze bovenop met
+gestooten beschuit en laat ze in den oven bruinen.--Als men ze uit
+den schotel wil opdoen moet hij met boter besmeerd en met beschuit
+bestrooid zijn.
+
+79. Aardappelen met appelen. De aardappelen worden zeer gaar gekookt,
+fijn gestampt en dan door elkaâr geroerd met tot moes gekookte zure
+appelen en een goede hoeveelheid boter. Men kan, als de massa te
+stijf is, er een weinig kokend water bijgieten, en ingeval de appelen
+bijzonder zuur zijn, moet er wat suiker worden bijgevoegd. Er wordt
+gestooten beschuit over den schotel gestrooid en dan laat men het
+in den oven bruinen.--Men kan in dit geregt ook peren in plaats van
+appelen gebruiken.
+
+80. Aardappelballetjes. De aardappelen worden met het noodige zout
+gaar gekookt, droog afgegoten en zeer fijn gewreven; dan klopt men
+eenige eijeren met boter, melk en notemuskaat, en roert dit door de
+aardappelen, waarvan men balletjes maakt, die men in gestooten beschuit
+wentelt en daarna in de koekepan met boter bakt. Men presenteert ze
+bij salade.
+
+81. Aardappelbollen. Men legt een soepbord vol fijngemaakte gekookte
+aardappelen op eene taartenplank, doet er 4 eijeren, met het wit,
+4 lepels melk, 4 lepels gesmolten boter en een theelepeltje zout
+bij, benevens wat tarwemeel. Dit alles kneedt men door elkander, en
+voegt er zóólang meel bij, tot het een goed, rekbaar deeg is, waarin,
+als men het doorsnijdt, zich geene gaatjes vertoonen. Hiervan maakt
+men bollen als groote aardappelen, die men ongeveer tien minuten in
+water met zout laat koken en dan afgegoten, in de koekepan met boter
+bruin bakt. In den slagttijd, kan men de bollen in rollennat koken
+en daarna met reuzel bakken.
+
+82. Aardappelen in de schil. Men kan de aardappelen, die goed
+afgeboend en gewasschen moeten zijn, met zout in water koken, dan
+droog afgieten en ze in eene toegedekte terrine op tafel brengen;
+de schil laat er zich dan gemakkelijk aftrekken, en men eet ze met
+koude boter. Echter kan men ze, desverkiezende, ook braden; men
+zet ze dan, met zout bestrooid, in een ijzeren pot droog te vuur en
+sluit het deksel stevig, zoodat de wasem niet kan ontsnappen; zoo
+moeten zij braden tot zij geheel gaar zijn en een ligt korstje hebben
+gekregen. Men neemt hiervoor kleine aardappelen, zoogenaamde poters.
+
+
+
+
+
+
+
+D. VLEESCHGEREGTEN.
+
+
+1. Algemeene regelen. Rund- en schapenvleesch moet, als men het
+braden wil, niet te versch geslagt, maar eenige dagen oud zijn; het
+is dan malscher. Kalfsvleesch kan minder lang goed blijven. Wil men
+het vleesch echter voor soep of farci gebruiken, dan geeft men de
+voorkeur aan zeer versch.--Het vleesch moet slechts luchtig worden
+afgewasschen en mag volstrekt niet in water blijven staan, omdat er
+dan te veel kracht uittrekt.--Alle vleeschsoorten, wild en gevogelte
+natuurlijk uitgezonderd, winnen zeer aan malschheid en smakelijkheid,
+als men ze onmiddellijk vóór het gebruik klopt. Ten dien einde droogt
+men het vleesch na het wasschen af, legt het op een schoon hakbord
+en slaat er met een dik, rond, glad klophout aan alle kanten zoo lang
+en zoo hard op, tot het op het gevoel eenigzins week is; dit kloppen
+moet echter altijd met overleg geschieden, zoodat het vleesch niet
+uit het fatsoen raakt.--Gezouten en gerookt vleesch zet men best met
+kokend water op; het wordt dan spoediger gaar, dan wanneer men koud
+gebruikt, en de kracht blijft er beter in. Wat bij versch vleesch
+voor soep moet worden in acht genomen, vindt men onder A, No. 1
+vermeld.--De kooktijd hangt af van de zwaarte, die een stuk vleesch
+heeft; bij gerookte ham rekent men een kwartier koken voor ieder pond
+gewicht.--Gerookt vleesch moet den avond vóór het gebruik in koud
+water worden gezet.--Hazen en gevogelte zijn het lekkerst als men ze
+in een aarden pan braadt.--Alle gebraad moet gestadig worden bedropen
+en mag niet langer te vuur staan dan tot het gaar worden noodig is;
+te weinig gebraden is het vleesch zonder geur, en te veel gebraden
+is het droog en onsmakelijk.--Moet men zich van ijzeren braadpannen
+bedienen, dan is het zeer noodzakelijk om ze iederen keer na het
+gebruik te laten uitschuren en ze op eene drooge plaats te bergen; ook
+moet men ze telkens, vóór dat het vleesch er wordt ingedaan, met koud
+water opzetten en ze, als het warm is, goed omwasschen en uitdroogen,
+ten einde zeker te zijn dat het vleesch geen onaangenamen vetachtigen
+smaak krijge, dien eene ijzeren pan er zeer ligt aan geeft.--Om den
+jus lekker te maken, moet men, als het gebraad uit de pan genomen is,
+den jus nog even over een levendig vuur hangen, een kopje water er
+bij gieten en met een kleine garde, die men alléén dáárvoor gebruikt,
+het aangezette gedeelte uit de pan losroeren; ook is het zeer aan te
+bevelen om er dan ten slotte een kopje melk bij te voegen, waardoor
+de jus zeer gebonden wordt.--De schotels moeten bij het opdoen worden
+warm gemaakt.--Zoodra het vleesch van de tafel wordt genomen is het
+zaak om het in eene vliegenkast te zetten, ten einde het voor bederf
+te bewaren.
+
+2. Ossenrib. Men kan een ossen-ribstuk naar verkiezing aan het spit,
+in den oven, of in een ijzeren spit braden; er behoort een stuk van
+den haas in te zijn gestoken. Het stuk wordt in elk geval behandeld
+volgens No. 1, dan met zout bestrooid en, indien het aan het spit wordt
+gestoken, onder gestadig bedruipen met gesmolten boter en niervet,
+gedurende 2 of 3 uren, naarmate het stuk zwaar is, gebraden. In den
+oven bereidt men het als volgt: Als het een groot stuk vleesch is,
+laat men 5 ons niervet een nacht in water staan, snijdt het dan in
+dobbelsteenen en smelt het in eene braadpan. Men legt het vleesch dan
+ook in de pan, met een stuk boter en de helft van het gesmolten vet
+er boven op; daarop zet men het onbedekt in den heetgestookten oven,
+opdat het spoedig toeschroeije, en laat het daarna, onder gestadig
+bedruipen, wat zachter braden, zonder het om te keeren; zoo dikwijls
+als het noodig is, giet men er een kopje kokend water bij, altijd langs
+de kanten van het vleesch. Het niervet maakt het gebraad bijzonder
+sappig, en wint zooveel in smaak, dat men het later even goed als
+boter in groente kan gebruiken.
+
+Om het vleesch in een ijzeren pot te braden, smelt men eveneens
+niervet, en legt er het stuk met een goeden steek boter in met wat vet
+bovenop; men laat het aan alle kanten bruin worden en giet er een paar
+kopjes kokend water bij, waarop men den pot stevig sluit en er zelfs
+eenig gewicht op legt, zoodat de damp niet kan ontsnappen. Zoo laat
+men het 2 à 3 uren zacht, maar onafgebroken braden, en keert het op de
+helft van dien tijd om. Tusschenbeide moet het vleesch bedropen worden.
+
+3. Rollade. Men neemt hiervoor een ribstuk, waar de beenderen zijn
+uitgesneden. Het wordt ingewreven met zout, peper en gestooten
+kruidnagelen, dan stijf opgerold en met nat gemaakt bindtouw
+vastgebonden; voorts gebraden in den oven, of in een ijzeren pot
+(zie No. 2). Boter behoeft er niet te worden bij gedaan.
+
+4. Ossenhaas. Nadat de haas geklopt, van het vel en het vet ontdaan
+en met twee rijen spek gelardeerd is, bestrooit men hem met zout
+en gestooten kruidnagelen.--Daarop kan men hem rijkelijk met boter
+besmeren en aan het spit steken, waar men hem, onder gestadig
+bedruipen, gedurende een uur braadt en er, als hij bijna gaar is
+een paar kopjes melk overgiet. Men kan den haas ook in den oven
+gereed maken en hem daartoe, na dezelfde voorafgaande bereiding
+als voor het spit, met boter in eene gesloten aarden pan zetten en,
+hem goed bedruipende, ruim een uur niet te hard in den oven laten
+braden. Tusschenbeide giet men er een half kopje melk of room bij,
+en bij het opdoen roert men een weinig koud water door den jus. Men
+legt somtijds den haas een nacht in azijn vóórdat men hem braadt.
+
+5. Ossenhaas als biefstuk. Men klopt den haas, neemt het vet en
+het vel er af, wrijft hem in met fijn zout en peper, en legt hem
+in eene braadpan, waarin men eene goede hoeveelheid boter heeft
+gesmolten. Daarin laat men hem, met de pan open, onder gestadig
+bedruipen, op een levendig vuur 10 minuten braden, en doet hem op (de
+schotel moet gewarmd zijn). De jus wordt met een weinig koud water
+of een lepel melk dooreengeroerd. Wanneer men er champignons in wil
+geven, moeten die eerst volgens A, No. 12 worden gereed gemaakt en
+dan eenige oogenblikken in den jus smoren.
+
+6. Gemarineerd rundvleesch. Op deze wijze braadt men zeer goed
+vleesch dat men bij boterhammen wil presenteren, en waartoe men bij
+voorkeur stukken zonder veel vet neemt, b. v. een zoogenaamde boeuf of
+muis. Men kookt bierazijn, waarbij men, als hij al te scherp zuur is,
+een weinig water giet, even op, met de volgende kruiden, berekend
+voor een stuk van 3 p.: 4 middelmatig groote uijen, fijn gesneden,
+4 laurierbladen en 8 kruidnagelen. Het wordt kokend op het gewasschen
+vleesch gegoten, dat acht dagen in deze marinade blijft staan en
+dagelijks wordt omgekeerd. Het moet ruim half onderliggen. Na verloop
+van dien tijd neemt men het uit den azijn en lardeert het met spek,
+dat in zout, peper en gestooten nagelen is gewenteld. Men maakt goed
+vet en boter, bruin in een ijzeren pot, en legt het vleesch daarin,
+tot het ook eene goede bruine kleur heeft gekregen; de pot moet
+open blijven en het vleesch gedurig heen en weder worden geschoven
+en omgekeerd. Dan giet men er kokend water bij, genoeg om het stuk
+bijna ter helft te bedekken, en sluit den pot schielijk, opdat de
+wasem niet verloren ga; men voegt er dan ook de marinade bij, en laat
+het 2 1/2 uur, langzaam maar onafgebroken, smoren; in dien tijd moet
+het eenmaal worden gekeerd, maar op het laatst telkens, voorzigtig,
+zonder dat men er in prikt, van den bodem worden opgeligt. Is het
+noodig, dan giet men er tusschenbeide nog eenig kokend water bij,
+en een kopje melk geeft aan den jus een zeer aangenamen smaak. Als
+het vleesch uit den pot is genomen, giet men den jus door eene zeef,
+laat hem dan nog even weder aan de kook komen, en geeft dien bij of
+over het gebraad.--Men kan, des verkiezende, onder het braden ook
+een soepbord vol, vooraf gefruite, uijen met jeneverbessen en 2 1/2
+ons fijngesneden spek in den pot doen, en ook in plaats van water
+een soepbord vol melk gebruiken.
+
+7. Saksisch gebraad. Voor 8 of 10 personen, wanneer men ook nog
+ander vleesch op tafel geeft, neemt men 1 pond mager ossenvleesch,
+benevens 5 ons goed doorregeld spek, en hakt dit zoo fijn mogelijk; men
+vermengt het daarna met 3 geklopte eijeren, 1 1/2 ons gesmolten boter,
+wat geraspt wittebrood, eene zeer fijn gehakte uije, notenmuskaat,
+gestooten nagelen en zout. Dit alles goed dooreen gekneed zijnde,
+geeft men het den vorm van een fricandeau en lardeert het met drie
+regels spek, waarop men het in gefruite boter legt en een half uur
+laat braden. Dan strooit men er nog wat geraspt wittebrood overheen,
+giet er zachtjes aan twee kopjes melk over, en laat het nog een half
+uur braden.
+
+8. Gepekelde ossenrollade. Op een groot stuk vleesch, het best eene
+lende, waar de beenen uitgenomen zijn, wegende 12 à 14 p. neemt men
+5 ons grof zout, 1 1/2 ons bruine suiker, twee lood gestooten nagelen
+en een spijslepel vol fijngewreven salpeter. Deze kruiderijen worden
+goed door elkander vermengd, en men wrijft er het vleesch aan alle
+kanten stevig mede in, dat men vervolgens zeer stijf ineenrolt en met
+bindtouw, digt naast elkander er om gewonden, vastbindt. Men legt het
+dan in eene houten vloot, waarin het 4 weken moet blijven liggen en
+dagelijks gekeerd en begoten worden, met het nat dat er uitdruipt. Als
+men het gebruiken wil, zet men het op met een weinig van het vocht
+waarin het staat, en verder geheel bedekt met kokend water. Zoo laat
+men het, met den pot goed gesloten, 4 uren lang zacht, maar gestadig
+koken, en daarna nog een half uur in den bouillon nabroeijen.
+
+Dit vleesch blijft lang goed en is ook koud zeer lekker.
+
+9. Ossenvleesch in bier. Een goed stuk vleesch van b. v. 4. p. wordt
+sterk geklopt, met zout bestrooid en in een pot op eenige schijven
+spek gelegd, met bijvoeging van twee uijen, een gelen wortel, wat
+laurierbladen, dragon of grof kruid. Dan bedekt men het tot over de
+helft met half en half water en bier, dat niet te sterk gehopt mag
+wezen; men giet er een kopje azijn bij en laat het, goed toegedekt,
+3 uren smoren.--Bij het opdoen neemt men het vet van den jus, die
+door eene zeef gegoten moet worden.
+
+10. Blank ossenvleesch. Een niet zeer vet ribstuk wordt geklopt,
+met water, bijna onderstaande, te vuur gezet, aan de kook gebragt
+en afgeschuimd. Dan doet men er 2 pieterseliewortels, een handvol
+schorseneren, een gelen wortel, 2 laurierbladen, 2 uijen, grof kruid
+en een goed stuk boter bij; daarmede wordt het, goed toegedekt, gaar
+gesmoord, waarvoor 3 uren vereischt worden. Gedurende het laatste
+uur voegt men er champignons, volgens A No. 12 bereid, en eenig
+wittebrood bij. Men laat den jus verkoken tot men zooveel als men
+begeert overhoudt.
+
+11. Biefstuk. De lappen biefstuk moeten een paar vingers dik zijn;
+zij worden geklopt, met zout en peper bestrooid, dan in bradende boter
+in de koekepan gelegd en op een levendig vuur gebraden. Men laat de
+stukken stil liggen, tot er aan de bovenzijde eenig bloed uitzijpelt,
+dan worden zij, zonder dat men er in steekt, omgekeerd, en weder
+zoolang gebraden, tot zich ook aan deze zijde bloed vertoont. Als
+men den biefstuk liever iets gaarder heeft, kan men ze nog een paar
+minuten in de pan laten liggen, maar niet langer, omdat zij dan droog
+en taai wordt.
+
+Men roert een kopje melk door den jus en laat dien nog even doorbraden,
+nadat het vleesch uit de pan is genomen. Als men den biefstuk met
+uijen wil geven, moet men de gesnipperde uijen een half uur vooruit
+in de koekepan met boter langzaam fruiten, terwijl men ze dikwijls
+omroert. Zijn zij bruin genoeg geworden, dan schuift men ze terzijde
+in de pan, braadt het vleesch in die uijenboter, en strijkt ze er
+overheen als het gaar is. Voor 5 ons biefstuk kan men ruim 1 lood
+zout en een half theelepeltje peper gebruiken om ze in te wrijven;
+echter niet lang vooruit, omdat het vleesch dan taai wordt. Men behoeft
+eigenlijk bij het bakken van biefstuk niet altijd boter te gebruiken;
+men make slechts de pan goed warm en legge er dan den biefstuk in,
+dien men gedurig omkeert en die dan, volgens het oordeel van velen,
+nog malscher wordt, dan wanneer men de boter er terstond bijvoegt. Als
+men met het vleesch gereed is, maakt men in de warme pan den jus,
+van bruine boter met melk.
+
+12. Gesmoorde biefstuk. De biefstuk wordt geklopt, met zout en peper
+ingewreven, in meel gerold en dan in eene naauwe pan opgezet in
+kokende boter of goed niervet, waarmede hij een uur, goed toegedekt,
+langzaam moet smoren. Dan wordt er zooveel kokend water bijgegoten,
+dat het vleesch half onderligt, en de pan stijf gesloten, zoodat de
+damp er inblijft, en op deze wijze laat men het nog een uur smoren.
+
+13. Rundergehakt met mosterdsaus. Men neemt 5 ons mager ossenvleesch,
+hakt het fijn en zoekt er goed al de vellen uit; dan hakt men 1 1/2 ons
+niervet insgelijks fijn, mengt het door elkander met zout en peper, en
+maakt er één of meer ballen van. Men maakt daarop eene stukje boter in
+eene pan kokend heet, legt de ballen daarin, en laat ze onder gestadig
+heen en weder schuiven bruin worden; men keert ze vervolgens om en laat
+ook de andere zijde bruinen. Bij het opdoen giet men er eene saus over,
+gemaakt van een lepel mosterd, een lepel melk en wat bouillon of water,
+dat men door den jus roert, waar het vleesch is uitgenomen.
+
+14. Fijn rundergehakt. Men neemt evenveel rund- als varkensvleesch,
+dat men zoo fijn mogelijk hakt, en voor 5 ons vleesch voegt men er 1
+1/2 ons boter, 2 eijeren, het wit tot schuim geklopt, en een paar in
+melk geweekte sneden wittebrood bij, waarvan de korst is afgesneden,
+met wat zout, peper, notemuskaat en foelie. Dit kneedt men dooreen,
+maakt er ballen van, en zet het in een schotel, met boter, in den
+oven gedurende 1 1/2 uur te braden.--Naar verkiezing kan men er eenige
+fijngehakte gefruite chalotten doorkneden en eenige citroenschijven,
+vooral zonder pitten, in den schotel leggen, om een aangenamen smaak
+aan de saus te geven.
+
+15. Klapribben. De ribben worden met niet te veel water en zout
+opgezet, gekookt en geschuimd; dan voegt men er wat fijngesneden uijen
+bij, benevens peper, nagelen en eenige laurierbladen, later ook een
+paar citroenschijven. Zoo laat men ze stoven tot de saus gebonden is,
+wat men nog kan bevorderen door er een weinig gestooten beschuit door
+te roeren.
+
+16. Spaansche fricco. Men neemt een ossenhaas, die goed geklopt
+wordt en in dobbelsteenen gesneden; hierover strooit men fijn zout
+en cayennepeper. Gekookte aardappelen worden aan dikke schijven
+gesnedenen goed warm gehouden, gesnipperde uijen worden in boter
+gaargesmoord (niet gebraden). Men rekent twee deelen aardappelen tegen
+een deel vleesch en van de uijen de helft van het vleesch. Dit alles
+wordt in een goed sluitenden pot laag om laag gelegd, met stukjes
+boter onder in en tusschenbeiden, en op een zacht vuur gezet. Als
+het begint te braden, roert men het voorzigtig om en wakkert het
+vuur wat aan. Intusschen mengt men eenig aardappelmeel, stijfsel,
+of parelsago met 8 maatjes rooden wijn en, als men bij het roeren
+ziet dat het vleesch eene graauwe kleur heeft aangenomen, giet men
+er dit over; daarmede laat men het goed doorkoken en doet het op.--In
+plaats van ossenhaas kan men ook biefstuk, of half en half mager rund-
+en varkensvleesch voor dit geregt gebruiken, soms legt men ook een
+laurierblad tusschen de lagen en strooit er wat gestooten nagelen
+op; ook neemt men wel melk in plaats van rooden wijn.--Men kan het
+desverkiezende in een vorm, au bain marie koken en geven het in dien
+vorm op tafel.
+
+17. Ossentong in bruinen ragout. De tong moet zoo versch mogelijk
+zijn en, geklopt zijnde, met water en zout in eene niet te grooten
+pan worden opgehangen, om drie uren lang goed te koken. Of zij
+gaar is kan men daaraan zien, dat het vel dan gemakkelijk loslaat;
+men trekt er dit geheel af, terwijl men het been er uitneemt en als
+zich achter aan de tong een stuk sponsachtig vleesch bevindt, snijdt
+men ook dit er af.--Nu kan men de tong in haar geheel laten en den
+navolgenden ragout er om heen op den schotel leggen, of men kan haar,
+desverkiezende, aan schijven snijden, zoodat zij een gedeelte van den
+ragout uitmaakt, waarmede zij dan ook nog even, b. v. een kwartier,
+door moet stoven.--Voor den ragout laat men twee lamspootjes gedurende
+twee uren koken, in het nat waar de tong in gekookt is; dan voegt
+men er 2 zwezerikken bij, en wat thijm in een doekje gebonden; na
+verloop van nog een uur legt men 3 ons kalfsgehakt, fijn gekruid en
+tot kleine balletjes gemaakt, benevens één ons ragout-saucijsjes er
+bij, en laat het nog een goed half uur te zamen koken. Daarop voegt
+men er een half ons morieljes bij, geprepareerd volgens A No. 10; men
+ontleedt de lamspootjes, snijdt de zwezerik, bindt de saus met in boter
+bruin gebrand meel, en kruidt ze met zout, peper en een weinig nagelen.
+
+18. Ossentong met eijersaus. De tong wordt gekookt volgens No. 17 en
+gediend met zure eijersaus en geraspte mierikswortel, afzonderlijk
+er bij gepresenteerd.
+
+19. Ossentong met pikante saus. De tong wordt gekookt volgens No. 17
+en dan gespleten, in eene linker- en regter helft. Vervolgens stooft
+men haar, met eene goede hoeveelheid gefruite uijen, in het nat waarin
+zij gekookt is; kruidt haar met zout, peper en nagelen, giet er even
+vóór het opdoen een bierglas rooden wijn bij en bindt de saus met
+een stuk boter, dat men in meel heeft fijngemaakt.
+
+20. Fricassée van ossentong. De tong wordt eerst gekookt volgens No. 17
+en aan stukken gesneden. Dan fruit men eene groote fijngesneden uije,
+met 2 spijslepels meel in rijkelijk boter bruin, giet het tongennat
+dat men tot de gewenschte hoeveelheid heeft laten verkoken, er bij;
+met eenige citroenschijven zonder pitten, wat peper en gestampte
+foelie, benevens een half glas witten wijn. Als dit alles kookt,
+schudt men de gesneden tong er in en laat die nog een kwartier zachtjes
+medekoken. Men kan er ook kleine gehaktballetjes bijvoegen, doch die
+moeten afzonderlijk in water met zout, of in wat tongennat gekookt
+zijn, omdat zij in de gebonden saus te stijf zouden worden. Naar
+verkiezing kan men er morieltjes, geprepareerd volgens A No. 10,
+of champignons volgens A No. 12 in koken.
+
+21. Gebraden ossentong. De tong, gekookt volgens No. 17, wordt
+gespleten en ingewreven met fijngehakte chalotten en dragon, gestooten
+nagelen, notemuskaat en zout, dat men alles eerst goed door elkaâr
+mengt; vervolgens met een geklutst ei bestreken en met beschuit
+bestrooid. Dan in boter gebraden.
+
+22. Ossentong aan schijven. De gekookte en afgehaalde tong wordt aan
+schijven van een vinger dik gesneden. Men klutst een ei met twee of
+drie spijslepels water, fijn zout en notemuskaat; daarin doopt men
+de schijven tong, wentelt ze daarop in geraspt wittebrood en bakt ze
+met boter in de koekepan.
+
+23. Charles X. Een goed sappig stuk rundvleesch, dat goed geklopt
+is, wordt rijkelijk met spek belegd of doorstoken en dan met half
+water, half azijn, benevens veel kruiderijen, uijen en boter te vuur
+gezet, om half kokend, half bradend, gaar te worden. Men laat het
+vleesch een nacht staan, snijdt het dan in schijven, bestrijkt het
+met geklutste eijerdoijers, en wentelt ze daarna in een mengsel van
+gehakte chalotten, met peper, zout en geraspt wittebrood. Vervolgens
+worden zij in boter als côtelettes gebraden.
+
+24. Croquettes. Van de overblijfsels van allerlei vleesch kan men
+croquettes maken; zelfs is het lekker om rund- of kalfsvleesch met ham
+door elkander te gebruiken. Men hakt daarvoor het vleesch zeer fijn
+en laat wat meel in boter fruiten, waarbij men eenige lepels bouillon
+of jus voegt, en waar men een paar met water geklutste eijeren op
+het vuur voorzigtig doorroert. Als deze saus goed dik is geworden,
+doet men het vleesch er in, benevens fijngehakte pieterselie en in
+boter gesmoorde chalotten, met zout naar den smaak. Dan roert men
+het op het vuur nog zoolang, tot er geen nat meer op zigtbaar is en
+alles tot een dik deeg is geworden, dat men op een schotel uitgespreid
+bekoelen laat, en waarvan men dan kleine rolletjes, als een kippenei,
+vormt. Men rolt die daarop ieder afzonderlijk in geraspt wittebrood,
+vervolgens in geklutste eijeren, eindelijk nogmaals in wittebrood
+en bakt ze in de pan in boter of reuzel.--Een zeer fijn recept is
+enkel gehakt kalfsvleesch en dit tot pap gekookt, met zout, meel,
+melk en veel notemuskaat, overigens behandeld als hierboven gezegd
+is, maar in gestampte beschuit, in plaats van brood gerold.-- Bij het
+opdoen stapelt men de croquetten op, als een pyramide en zet op den
+top een bouquet gebakken pieterselie; of men legt ze naast elkaâr op
+den schotel, met de pieterselie langs den rand. De pieterselie moet
+om mooi groen te blijven en toch knapperig te zijn, na het wasschen,
+tusschen een doek zoo droog mogelijk worden uitgedrukt en dan in eens
+in de kokende boter geworpen; het is lang genoeg als men ze daarin
+ééne minuut laat blijven, en dan worde zij er met den schuimspaan
+uitgeschept. Men laat haar, op graauw papier uitgespreid, een oogenblik
+liggen, opdat er zoo min mogelijk boter aan blijve hangen, en garneert
+dan den schotel met de takjes, die men reeds bij het wasschen van de
+dikke stelen ontdaan heeft.
+
+25. Runderrolletjes. Men snijdt ossenlappen aan lange repen, die men
+dan nog eens goed met het klophout slaat, bestrooit ze, niet al te
+dik, met een mengsel van fijn zout, gestooten nagelen en foelie, of,
+in plaats van deze kruiderijen, met eenige gestooten jeneverbessen,
+en legt daarover dunne reepjes spek. Dan rolt men de repen op en
+bindt ze met een draad vast. Men maakt boter bruin en laat de met
+meel bestrooide rollen, digt naast elkaar en goed toegedekt, daarin 10
+minuten smoren, 5 minuten op iedere zijde. Vervolgens giet men langs de
+kanten, maar vooral niet over de rollen heen, zooveel kokend water in
+de pan, tot het vleesch ruim half bedekt is; men sluit de pan en legt
+een gewigt op het deksel, en zoo laat men het, zonder die te openen,
+nog een uur op matig vuur smoren. Bij het opdoen knipt men de draden
+van de rollen af.
+
+26. Bouilli. Als men het soepvleesch niet al te zeer uitkookt,
+kan men het op verscheidene wijzen na de soep voordienen. In de
+eerste plaats kan men het eenvoudig geven met eijersaus en geraspte
+mierikswortel. Men kan het ook aan schijven snijden, die men bestrooit
+met zout, notemuskaat en gestampte beschuit en dan, in het geschepte
+vet van de soep, met bijvoeging van een paar gesneden uijen en een
+enkel laurierblad, in den goed gestookten oven bruin laat worden.--Men
+kan schijven ook eerst een nacht in azijn leggen, dan in geklutste
+eijeren, met zout en notemuskaat, en daarna in gestooten beschuit
+wentelen, om ze voorts luchtig in boter op te bakken.--Ook gestoofd kan
+men het gebruiken: het wordt dan in stukjes gesneden; en men fruit meel
+en uije in boter goed bruin; dit lengt men aan met soepvet en kruidt
+het met wat nagelen, een enkel laurierblad (hiervan niet te veel),
+zout en peper. Ten slotte voegt men er een paar lepels melk bij en laat
+in deze dikke saus het vleesch een half uur op een zacht vuur stoven.
+
+27. Haché. Men neemt hiervoor gewoonlijk het laatst overgebleven
+gedeelte van een stuk gebraad en snijdt dit in kleine stukjes, die
+men te stoven zet met den jus dien men nog heeft, of met boter, met
+vooraf gefruite uije, zout, nagelen, peper, en een klein scheutje
+azijn, de saus moet eerst geheel gereed zijn en het vleesch er maar
+een oogenblik in blijven, terwijl men even vóór het opdoen er een
+weinig aardappelmeel bijvoegt, om te binden.
+
+28. Rissole. Men kookt een stukje rundvleesch, met water en zout
+in kort nat gaar en hakt het dan zeer fijn. In den bouillon, kookt
+men rijst, die in water gebroeid is, zeer gaar en dik. Dan maakt
+men boter bruin en roert die met het vleesch en de rijst, benevens
+notemuskaat, gestooten nagelen en het noodige zout door elkander,
+en laat het zoo nog eens goed doorstoven. Op 7 1/2 ons vleesch rekent
+men 1 1/2 ons rijst.
+
+29. Ossenlappen. De ossenlapjes worden goed geklopt, in meel gewenteld,
+en dan in de koekepan met boter bruin gebraden; vervolgens gestoofd
+met zout, nagelen en gehakte chalotten of gefruite uijen.
+
+30. Ossenhaas in gelei. Men legt den haas, met twee kalfspooten,
+benevens wat uijen, kruidnagelen, foelie en laurierbladen gedurende
+eenige dagen in azijn, bedekt hem met graauw papier en keert hem
+dagelijks. Dan giet men het nat door eene zeef en braadt den haas,
+met de pooten, daarin; als deze laatsten half gaar zijn, worden zij
+er uitgenomen en men laat het vleesch verder braden, doch niet al te
+sterk. Als dit gereed is, neemt men het vleesch uit het nat, voegt er
+eenig water bij en legt er de pooten weder in: die lang en langzaam
+geheel gaar moeten koken. Men neemt ze er dan uit, laat het nat koud
+worden en schept er zorgvuldig al het vet af, waarop men het weder
+warm maakt en over den haas giet, die in een vorm of diepen schotel
+moet liggen. Koud geworden zijnde, wordt de vorm omgekeerd en men
+kan den schotel garneren met citroenschijfjes.
+
+31. Rolpens bakken. De rolpens wordt gesneden aan schijven van een
+vinger dik en, als men ze zeer fijn wil klaar maken, wentelt men ze
+eerst in geklutste eijeren en daarop in gestooten beschuit. Vervolgens
+bakt men ze in de koekepan met boter of reuzel tegelijk met schijven
+van ongeschilde zure appelen, die men bij het opdoen op stapeltjes
+tusschen het vleesch zet.
+
+Men kan ook, in plaats dat men de rolpens in eijeren wentelt, bij
+iedere schijf in de pan een lepel pannekoekbeslag voegen en ze daarin,
+op beide zijden, bakken. Sommigen verkiezen de rolpens gestoofd te
+eten, eenvoudig met boter of reuzel en wat water.
+
+32. Versche runderworst. Daar bij het braden de darm zeer ligt barst,
+is het best om de worst gedurende een kwartier in een pot met kokend
+heet water te leggen (koken mag het echter niet) zoodat zij door en
+door warm wordt. Dan bruint men boter in de pan en giet die over de
+worst op een goed gewarmden schotel.
+
+33. Het koken van pekelvleesch. Als het vleesch eenvoudig met zout is
+gepekeld, moet het, na gedurende een nacht in koud water uitgetrokken
+te zijn, ook met koud water bedekt worden overgehangen, en 3 uren
+langzaam koken. Voor het bijgieten mag evenwel het water niet koud
+zijn. Heeft het echter in een zamengestelden pekel gelegen, dan moet
+men het na het uittrekken met kokend water ophangen en ook zorgen dat
+het volstrekt niet van de kookt raakt en dat het niet langer kookt
+dan noodig is; anders wordt het flaauw van smaak.
+
+34. Gerookt vleesch. Dit wordt een nacht in het water gezet en den
+volgenden dag goed afgeboend; dan, met kokend water bedekt, te vuur
+gezet en 3 of 4 uren, langzaam gekookt. Als het gaar is, laat men het,
+goed toegedekt, nog een halfuur in het nat staan broeijen, waardoor
+het zeer aan zachtheid wint.
+
+35. Gerookte ossentong. De tong wordt even als rookvleesch geweekt en
+gaar gekookt; het vel wordt er afgetrokken, en men snijdt haar, koud
+geworden aan schijfjes, die men met pieterselie gegarneerd kan dienen.
+
+36. Kalfsrib. Men kan eene kalfsrib naar verkiezing aan het spit, in
+den oven, of in een ijzeren pot braden. In ieder geval moet zij eerst
+goed worden afgewasschen, met een schoonen doek worden afgedroogd en
+daarna met fijn zout ingewreven. Aan het spit braadt men haar, onder
+gestadig bedruipen met gesmolten boter, niet te sterk, gedurende 2
+uren, de saus wordt gemaakt, zooals hieronder, voor een rib in den
+oven gezegd wordt.--Voor den oven laat men rijkelijk boter in eene
+braadpan smelten en voegt er eenige sneden spek bij, waarop men dan
+het vleesch legt, met de ronde zijde naar boven; het moet in een,
+eerst goed heet en later wat matiger gestookten oven, onder gestadig
+bedruipen en zonder omgekeerd te worden, gedurende 2 uren braden,
+als het een groot stuk is, terwijl men een kleiner stuk, naar mate van
+het verschil, ook spoediger uit den oven moet nemen. Om te voorkomen
+dat de jus te bruin of branderig wordt, legt men van tijd tot tijd een
+stukje boter in de pan en giet er een kopje kokend water van ter zijde
+in. Een kwartier vóór het opdoen voegt men een paar kopjes melk bij
+den jus, en roert, nadat het gebraad er uitgenomen is het aanzetsel
+uit de pan met wat koud water los, waarmede men het nog een oogenblik
+laat doorkoken.--Verkiest men de rib in een ijzeren pot te braden,
+dan legt men haar daarin, even als bij het braden in den oven gezegd
+is. Men laat het vleesch, dat men, zonder er in te prikken, dikwijls
+heen en weder moet schuiven, met den pot open, aan alle kanten licht
+bruin braden; dan worden er een paar kopjes kokend water bijgegoten
+en de pan toegedekt, waarop men, het tusschenbeide begietende, verder
+handelt alsof het in den oven stond.
+
+37. Nierenhaché. De gebraden nieren worden met het vet fijngehakt, dan
+dooreengemengd met gefruite uijen, zout, notemuskaat, een lepel melk
+en een halven lepel mosterd; hiermede laat men ze nog eens doorstoven,
+en dient ze voor met geroosterd brood.
+
+38. Croquettes van kalfsnieren. De nieren worden met een zwezerik
+of een stukje vleesch fijngehakt, en dooreengeroerd met geraspte
+citroenschil en notemuskaat. Voorts laat men een stukje boter in de
+pan smelten, doet er een weinig gehakte uijen in daarop wat gestooten
+beschuit en als dit alles onder gestadig roeren gebruind is, voegt
+men er gelei van kalfsvleesch bij, benevens het sap van een citroen,
+en laat het tot eene dikke ragoutsaus verkoken. Als zij wat is bekoeld,
+roert men er een paar eijeren, het noodige zout en het gehakte vleesch
+door; men vormt er langwerpige rolletjes van, die men in gestooten
+beschuit wentelt en dan in boter bakt.
+
+39. Croquettes van zwezerik. De zwezerik wordt bereid volgens A
+No. 13 en vervolgens behandeld als voor de nierencroquettes is gezegd,
+behalve dat men er meer eijeren in gebruikt en geen citroensap, maar
+melk; geen beschuit, maar geraspt wittebrood. Ook laat men de stijf
+gekookte massa eenige uren staan, vóórdat men er rolletjes van maakt,
+die dan in beschuit gewenteld en in boter gebakken worden.
+
+40. Gesmoorde kalfskarbonaden. De karbonaden moeten goed geklopt en
+dan in een, met boter dik besmeerden schotel gelegd worden, bestrooid
+met zout, notemuskaat en gestooten beschuit, waarop men nog stukjes
+boter en citroenschijfjes legt, terwijl men er voor 1 1/2 pond
+vleesch 3 maatjes water (desverkiezende voor de helft witten wijn)
+bijvoegt.--Daarop wordt de schotel goed toegedekt en een vochtigen
+doek om den rand gelegd; zoo laat men de karbonaden gaar smoren.
+
+41. Gevulde kalfsborst. Men neemt de beenderen uit de borst en vult
+haar met de volgende farci: 6 1/2 lood gesmolten boter, 3 eijerdoijers,
+notemuskaat of citroenschillen, zout, 3 1/2 ons geraspt wittebrood,
+het tot schuim geklopt eiwit en een weinig gehakte pieterselie. Dan
+naait men de opening digt, wrijft het vleesch in met zout, en zet
+het met tamelijk veel boter in den niet al te warmen oven, om het,
+onder gedurig bedruipen, twee uren te laten braden, terwijl men er
+gaandeweg eenige kopjes melk bij giet. Bij het opdoen verzuime men
+niet om de draden door te knippen. De saus wordt dan ook met koud
+water dooreengeroerd.
+
+42. Gestoofde kalfsborst. De borst wordt goed geklopt, gewasschen,
+met een doek afgedroogd, met zout ingewreven, met wat meel bestrooid en
+in kokend heete boter langzaam aan beide zijden licht bruin gebakken,
+terwijl de pot goed toegedekt moet zijn. Dan giet men er, langs de
+kanten van den pot, zooveel kokend water bij, dat het vleesch ter
+helft bedekt is en legt er een fijn gesneden pieterseliewortel, eene
+handvol schorseneren of naar verkiezing, wat champignons bij. Men
+laat de borst 3 uren langzaam stoven, en doet een kwartier vóór het
+opdisschen wat foelie en eenige citroenschijfjes in den jus; ook voegt
+men er, als men die wat dik wil hebben, gestampte beschuit bij, roert
+er op het laatste oogenblik een paar eijerdoijers en wat koud water
+door en belegt den rand van den schotel met vleesch- of meelballetjes
+(zie hoofdstuk: balletjes.)
+
+43. Gesmoord kalfsvleesch. Een kalfsbout of borst wordt met koud
+water opgezet, en als het aan het koken toe is, afgegoten en eenige
+minuten in koud water gelegd. Dan legt men het vleesch in een pot,
+met een stuk boter, wat laurierbladen, citroenschijven en geraspte
+citroenschil, benevens het noodige zout; men giet er water en witten
+wijn, en zet het, goed toegedekt, op een niet te sterk vuur. Als het
+nat te vroeg verkookt is, moet men het met wat kokend water aanvullen,
+maar het toch altijd kort houden en het vleesch door schudden en
+schuiven voor aanbranden bewaren. Men bedruipt het dikwijls met de
+saus.--Eene andere wijze om kalfsvleesch te smoren is de volgende. Als
+het vleesch gewasschen is, droogt men het niet af, maar legt het, met
+zout bestrooid, in een pot, waarin gesmolten boter met fijngesneden
+versche jeneverbessen (18 stuks op 1 pond vleesch) is bruin gemaakt,
+zonder andere kruiderijen dan eenige citroenschijven. De pot moet goed
+worden toegedekt en het vleesch mag slechts éénmaal worden omgekeerd,
+doch men moet het dikwijls opligten, ten einde het aanzetten te
+voorkomen.
+
+44. Kalfsrollade. Men neemt lardeerspek, eenige uijen of chalotten,
+dragon, pieterselie en citroenschillen, en hakt dit alles zeer fijn
+door elkander, dan voegt men er zout, gestooten nagelen, geraspt
+wittebrood en eenige eijeren bij, benevens een paar lepels melk. Met
+deze farci bestrijkt men de binnenzijde van het stuk vleesch, dat
+men vervolgens oprolt en met bindtouw stevig vastbindt. Men zet het
+met goed wat boter op het vuur en laat het aan alle zijden bruin
+worden, waarna men er 3 maatjes kokend water langs de kanten bijgiet,
+hetgeen men wat later nog eens herhaalt; men legt een gelen wortel en
+2 laurierbladen in de saus waarmede het vleesch dikwijls moet worden
+bedropen en zoo laat men het geheel gaar worden. Bij het opdoen roert
+men de saus af met wat koud water en een kopje melk; giet haar door
+eene zeef, en laat ze desverkiezende, nog even met een paar lepels
+kappers opkoken.
+
+45. Kalfsfricandeau. De fricandeau wordt gewasschen, afgedroogd,
+geklopt, gelardeerd, met zout ingewreven, met wat meel ligt bestrooid
+en in kokende boter gelegd (naar verkiezing met een uije en een
+pieterseliewortel er bij), om, goed toegedekt, gedurende een half uur
+zacht te braden. Dan giet men van ter zijde 3 maatjes kokend water
+in de pan, die goed gesloten moet zijn, en herhaalt dit na verloop
+van een half uur nog eens. Men moet het vleesch dikwijls bedruipen,
+en als het gaar en schoon van kleur is geworden, neemt men het uit
+de saus, die moet worden doorgestoofd. Het is zeer smakelijk als men
+er truffels in kookt.
+
+46. Kalfsfricassée. Men snijdt het vleesch aan kleine dobbelsteenen,
+wascht het, brengt het, met koud water opgezet, tot aan de kook,
+schudt het dan in koud water en droogt het af. Dan legt men het met het
+noodige zout in eene pan, waarin rijkelijk boter is warm gemaakt, en
+laat het daarin, goed toegedekt, een kwartier smoren, maar niet bruin
+worden; het moet in dien tijd eenmaal worden omgeroerd. Vervolgens
+giet men er zooveel kokend water bij als men voor de saus begeert te
+hebben; men voegt er stukjes pieterseliewortel en, naar verkiezing
+champignons bij, en laat zoo het vleesch gaar, maar niet stuk
+koken. Een kwartier vóór het opdoen voegt men er het volgende bij:
+gesneden zwezerik, halfgaar gekookte aspersies, kleine saucijsjes,
+eenige citroenschijfjes, wat foelie en in boter gebruind geraspt
+wittebrood of gestooten beschuit. Bij het opdoen bindt men de saus
+met een ei.--Deze bijvoegsels kan men naar zijn smaak veranderen en
+er allerlei halfgaar gekookte groente voor nemen, zoo als bloemkool,
+schorseneren, seldery of gefruite uijen, insgelijks de kruiderijen;
+daar men even zoo goed gestooten nagelen, notemuskaat en fijngesneden
+ingemaakte augurken kan gebruiken, als het hierboven genoemde. Bij
+het gebruik van bloemkool, kookt men die het best afzonderlijk geheel
+gaar en zet ze, met de bloem naar boven, midden op den schotel,
+met de fricassée er om heen, of legt ze als rand om het vleesch.
+
+47. Kalfsfricadellen. Men maakt eene farci van geraspt wittebrood
+met eijeren, gehakte pieterselie, uije en melk, waarbij men naar
+verkiezing kruiderijen voegt, dit rolt men in kalfslapjes, welke men
+met een draad vastbindt en langzaam laat braden. Bij het opdoen knipt
+men de draden er af.
+
+48. Kalfshersens. De hersens worden goed gewasschen, de dunne velletjes
+er afgetrokken, en dan kookt men ze in water met eenige uijen, nagelen
+en wat peper, zout en azijn. Dan bruint men meel in de koekepan, roert
+daardoor wat van het nat, waarin de hersens gekookt zijn, legt ze er
+dan bij, met eenige citroenschijfjes en wat rooden wijn, laat dit even
+te zamen doorbraden, en bindt dan de saus met een paar eijerdoijers.
+
+49. Engelsche ragout van kalfskop. Een versche, goed afgeschroeide
+en in water uitgetrokken kalfskop wordt met twee ossenverhemelten
+in water met zout opgezet, goed afgeschuimd en verder gedurende 2
+1/2 uur, met chalotten, nagelen, heele peper en laurierbladeren,
+gaargekookt. Daarna wordt het vleesch van de beenderen afgenomen
+en in stukjes gesneden; 2 1/2 ons zwezerik, bereid volgens A,
+No. 13, even zooveel gebraden saucijzen, in gezouten water gekookte
+vleeschballetjes en, zoo mogelijk, de helft van een gebraden haas,
+worden er bijgevoegd. Men maakt meel in boter bruin en lengt dit
+aan met goeden runderbouillon, waarin pieterseliewortels gekookt
+zijn geweest; hierin legt men nu al het vleesch, benevens morieljes,
+champignons, kappers, citroenschijven, fijne peper, gestooten nagelen,
+zooveel cayennepeper als men tusschen duim en vinger houden kan, en
+eene kwart flesch madera.--Dit recept is voor een groot gezelschap
+berekend, en voorgediend met schijven van fijn taartenkorstdeeg,
+kan men dezen ragout in de plaats van eene pastei geven.
+
+50. Zwezerik. De zwezerikken worden met koud water opgezet, dat men,
+als het warm geworden is, twee malen ververscht, waardoor zij zeer
+blank blijven. Dan legt men ze in koud water, lardeert ze, kruidt
+ze met zout en notemuskaat en braadt ze in boter.--Of, zij worden
+afgekookt, in schijven gesneden, in eijeren, notemuskaat en gestooten
+beschuit gewenteld en in boter gebakken; men laat er ten slotte eenige
+citroendruppels op vallen.
+
+51. Gekookte kalfskop met saus. Men zet den kop eenige uren in
+water om uit te trekken, neemt de bovenlip, de ooren en de oogen
+weg, breekt de onderkaak er af, om de tong er te kunnen uitnemen,
+omdat deze, afzonderlijk gekookt, beter gaar wordt; wascht den kop,
+splijt hem en bindt hem vast weder te zamen. Dan zet men hem, geheel
+onder water, met zout te vuur, schuimt hem en laat hem gaar koken,
+met heele peper en nagelen, dragon, thijm, mariolein en pieterselie,
+uijen en laurierbladen. Als de kop gaar is, kan men hem, tot den
+tijd van opdoen, in het nat laten staan. Als men hem op den schotel
+legt, neemt men het touw er af, legt hem open, met de gespleten tong
+aan weerszijden en in boter gebakken wittebrood op de hersens. Men
+gebruikt hem met zoet-zure of met uije-wijnsaus.
+
+52. Gebakken kalfskop. Als de kop volgens No. 51 gekookt is, snijdt
+men het vleesch aan schijven, legt die in een met boter besmeerden
+schotel, strooit er wat zout tusschen en giet er het volgende over: 3
+maatjes melk, 4 eijerdoijers, notemuskaat en, desverkiezende, geraspte
+parmesaansche of zwitsersche kaas. Men laat het in den oven bakken.
+
+53. Hoofdkaas van kalfskop. De kop en het hart van een kalf worden
+een paar uren in het water gezet om uit te trekken, en dan, ter helft
+bedekt met water en zout, overgehangen en goed geschuimd. Dan voegt
+men een paar theelepels heele peper, even zooveel gestooten nagelen,
+2 laurierbladen, 3 of 4 middelmatig groote uijen en zooveel azijn er
+bij, dat het water een zuurachtigen smaak heeft. Zoo laat men den kop,
+op een niet te sterk vuur, geheel gaar koken, doet de beenderen er
+uit en giet het nat door eene zeef. Koud zijnde, wordt het vleesch aan
+dunne repen gesneden, het sap van een citroen en een goed deel van het,
+zuiver van het bezinksel afgegoten, nat er bijgevoegd, en dit te zamen
+een half uur gekookt. Het kooksel moet, als het bekoeld is, zoo stijf
+zijn dat men er dunne sneden kan afsnijden, maar al te vast mag het
+niet wezen. Als men bij den kop en het hart ook een kalfspoot kookt,
+kan men al het nat gebruiken, en de massa wordt daardoor natuurlijk
+grooter.--Nu spoelt men aarden of porseleinen vormen goed met koud
+water om, schept het mengsel er in, en bewaart het op eene koele
+plaats, tot men het wil gebruiken; men steekt dan de kanten los en
+keert den vorm op een schotel om. Indien men soms genoodzaakt is om
+deze hoofdkaas in een ijzeren pot te koken, dan moet men, om er geen
+ijzersmaak aan te krijgen, den azijn en de citroen slechts gedurende
+de laatste 5 of 10 minuten laten medekoken.
+
+54. Kalfscôtelettes. In elke côtelette moet een rib zijn, die echter
+niet te lang mag uitsteken. Het vleesch wordt langzaam geklopt;
+dan wrijft men het in met wat zout en peper, doopt het in geklutste
+eijeren met notemuskaat, wentelt het in gestooten beschuit of geraspt
+wittebrood, en legt het in de pan met kokende boter. Zoo laat men de
+côtelettes onbedekt gaar braden en keert ze slechts éénmaal om, maar
+bedruipt ze telkens. Men kan ze dan opdoen; maar ook, desverkiezende,
+ze nog eens in een aarden schotel leggen en met bijvoeging van een
+paar koppen bouillon en eenige citroenschijven, gedurende een goed
+kwartier, toegedekt in een zeer warmen oven zetten.
+
+55. Zwitsersche kalfsfarci. 4 Deelen mager kalfsvleesch hakt men
+zeer fijn, met één deel spek, en op 1 pond van dit haksel neemt men
+4 eijeren, 4 lepels gestooten beschuit, geweekt in 4 lepels melk
+of witten wijn, wat zout en notemuskaat. Dit alles kneedt men goed
+door elkander, legt den daarvan gevormden bal in gebruinde boter,
+bestrooit hem met gestooten beschuit en braadt hem in een heeten oven
+met vuur er onder.
+
+56. Gebakken kalfspooten. De pooten moeten goed geboend en geschroeid
+zijn, en worden dan gaar gekookt in water en azijn, met zout,
+heele peper, nagelen, citroensap en bouquet garni. Wil men ze niet
+terstond gebruiken, dan kan men ze in dit nat veilig eenige dagen
+laten staan. Men ontdoet ze dan van de beenderen, wentelt ze in
+geklutste eijeren en daarna in geraspt wittebrood, om ze eindelijk
+in boter te bakken. Voor de saus fruit men uijen met wat meel in de
+pan, en lengt dit aan met een gedeelte van het nat, waarin de pooten
+zijn gekookt; men voegt er een lepel azijn, een glas rooden wijn,
+wat mosterd en gesneden augurken of kappers bij, laat dit alles een
+uur koken, en giet het bij het opdoen over het gebakken vleesch.
+
+57. Kalfslever. Men kan de lever op verscheiden wijzen gereed maken. In
+de eerste plaats stooft men ze als volgt: Zij wordt goed gewasschen;
+dan trekt men het vel er af en steekt er met een puntig mes in, om
+door de openingen kleine stukjes spek, die in zout, peper en gestooten
+nagelen gewenteld zijn, in de lever te drukken. Dan laat men een goed
+stuk boter bruinen en de lever daarin even smoren, zoodat er kleur
+aan komt; men bedekt haar daarop ter helft met kokend water, voegt
+er een half soepbord gehakte uije, een paar laurierbladen, wat zout,
+gestooten nagelen en nog een stuk boter bij; laat ze zoo stoven,
+en doet er, even voor het opdoen, een lepel azijn, een glas rooden
+wijn en een weinig suiker in.--Men kan de lever ook braden. Nadat
+zij volgens het hierboven gegeven recept is gelardeerd, legt men
+haar, met kruiderijen bestrooid, in een stuk kalfsnet, dat men er
+om toeslaat. Men laat eenige fijngesneden uijen in 1 1/2 ons boter
+fruiten, en legt de lever daarin, voegt er iets later twee koppen
+bouillon, half zooveel rooden wijn en nog wat zout bij, waarmede de
+lever langzaam gaar moet braden. Bij het opdoen neemt men het net weg;
+men lengt de saus aan met wat bouillon en wat melk, en giet die over
+de lever. Zeer lekker is zij ook op de volgende wijze: Men hakt haar
+fijn en zoekt er goed alle aderen en vellen uit, waarop men ze door
+eene zeef wrijft; vervolgens roert men er 1 1/2 ons fijngehakt spek,
+1 1/2 lood krenten, 6 eijerdoijers, 6 lepels gestooten beschuit, wat
+gestooten nagelen en allerlaatst het tot schuim geklopte eiwit luchtig
+door. Nu laat men in de pan boter smelten, legt daarin een kalfsnet
+en het gehakt daarop, waarover het net wordt toegeslagen. Men dekt het
+toe, braadt het langzaam aan beide kanten, en giet er, bij het opdoen,
+de volgende saus over: Eene fijngehakte uije met een lepel meel in
+boter bruin gefruit, aangelengd met bouillon, gekruid met notemuskaat,
+gestooten nagelen, citroenschijven en een weinig suiker, en met een
+glas rooden wijn er bij even doorgekookt. Om van lever ragout te maken
+snijdt men ze aan stukken, en smoort ze gaar in boter, met gefruite
+uijen of chalotten, thym, dragon en gehakte pieterselie, waarbij
+men iets later geraspt wittebrood, notemuskaat, gestooten nagelen,
+bouillon en wijn voegt. Men kan ook de lever aan schijven snijden,
+die men in meel wentelt en in spekvet of boter, met eenige versche
+jeneverbessen, bakt; of wel, men wentelt ze in geklutste eijeren, met
+notemuskaat en zout, daarna in gestooten beschuit, en bakt ze in boter.
+
+58. Nierenbrood. Men kookt kalfs- of varkensnieren, hakt die fijn
+dooreen, met haar gewigt aan lardeerspek, met pieterselie en chalotten;
+voegt er dan 4 eijerdoijers, van één ei het wit, gesmolten boter,
+foelie, notemuskaat, zout en een gestampte beschuit bij, en mengt het
+alles tot een gelijk deeg. Dan snijdt men van oudbakken wittebrood
+sneden van goed een vinger dik, ontdoet die van de korst en snijdt ze
+in reepjes, die men even weekt in melk, met een paar eijeren geklutst,
+doch niet zoolang dat zij breken.--Hierop smeert men het deeg zoo
+dik als het brood zelf is; men legt de stukjes in een braadschotel
+met wat gesmolten boter, bestrooit ze met gestooten beschuit, legt
+nog een klein stukje boter op ieder reepje, en zet ze zoo gedurende
+1 1/2 uur in een niet al te warm gestookten oven.
+
+59. Om koud gebraad te gebruiken. Indien men een stuk koud, aangesneden
+vleesch niet op tafel wil geven, snijdt men het aan schijven, die men
+in een diepen, toegedekten schotel legt en, met den jus begoten, boven
+den wasem van een ketel kokend water of in een heeten oven zet. Het
+vleesch moet steeds met den jus bedropen worden, en heeft, naarmate
+de oven gestookt is, een half of een geheel uur noodig om door en door
+warm te worden. Men kan het dan voor versch vleesch laten doorgaan. Als
+men koud vleesch voor ragout wil gebruiken, moet de saus van gefruit
+meel met uije en boter, jus, een weinig water en azijn, met de begeerde
+kruiderijen en gesnipperde augurken,eerst geheel worden gereed gemaakt,
+en het aan dobbelsteenen gesneden vleesch er enkel goed warm in worden.
+
+60. Schapenbout of ruggestuk in marinade. Het vet en de huid worden van
+het vleesch afgenomen, dat goed geklopt en in eene vloot gelegd wordt,
+met eene goede hoeveelheid chalotten of kleine uijen, nagelen, heele
+peper en bouquet garni, benevens, eene flesch azijn. Indien men eene
+flesch rooden wijn heeft, die troebel is, of eenigzins verschaald,
+kan men er die bijgieten, ten einde eene wildkleur aan het vleesch
+te geven. In deze marinade laat men het stuk acht dagen liggen, keert
+het iederen ochtend om, en begiet het er driemaal daags mede. Daarop
+wordt de bout gelardeerd en in de braadpan gelegd, waarin men spek en
+boter heeft warm gemaakt, om op beide zijden geel te braden. Dan giet
+men er langzamerhand de marinade bij, maar als de azijn zeer scherp
+is, verzacht men dien met een weinig kokend water, en onder gestadig
+bedruipen laat men het vleesch gaar worden, waartoe ruim 2 1/2 uur
+wordt vereischt. Gedurende het laatste half uur giet men er twee kopjes
+melk in, laat de pan open, en giet bij het opdoen de saus door eene
+zeef. Men legt gebakken aardappelen rondom het vleesch op den schotel.
+
+61. Schapenbout à la royale. Men kerft de bout tot op het been, met
+slechts een paar vingers breed ruimte tusschen de kerven; daarin
+strooit men zout, peper, gestooten nagelen en gehakte uijen; men
+bindt het vleesch weder toe en braadt het.
+
+62. Schapenbout op gewone wijze. Men bestrooit het vleesch met wat
+zout, legt het in kokende boter en spek, laat het daarin eene lichte
+kleur krijgen, en giet er dan 3 deelen kokend water tegen één deel
+azijn over. Daarbij voegt men chalotten, laurierbladen, nagelen,
+peper, dragon en een bord vol gesnipperde, versche augurken. De bout
+wordt onder gedurig bedruipen, maar in eene gesloten pan, gedurende
+drie uren gebraden. Als men geen azijn gebruikt, kan men op het laatst
+een paar kopjes melk in de saus gieten, maar anders roert men er een
+lepel mosterd door, en dient dit geregt met uijesaus.
+
+63. Lamsgebraad als rheevleesch. Het ruggestuk van een jong lam wordt
+van het vel ontdaan, en dan aan alle zijden goed ingewreven met het
+volgende, dat zeer fijn gehakt en goed door elkaar gemengd moet zijn:
+chalotten, dragon, mariolein, rozemarijn, 2 à 3 laurierbladen, thijm,
+peper, nagelen, zout en 4 à 5 gekneusde jeneverbessen. Men giet er
+vervolgens half azijn en half rooden wijn op, en laat het 4 dagen
+daarin staan, het dagelijks omkeerende en dikwijls bedruipende. Dan
+wordt het gelardeerd en gebraden; gedurende het eerste uur giet men
+tusschenbeiden een half kopje kokend water in de pan, maar later doet
+men er melk bij, en laat het op een gematigden oven gaar worden.
+
+64. Lamscôtelettes worden als kalfscôtelettes behandeld.
+
+65. Ragout van lamsvleesch. Het vleesch wordt in kleine stukken
+gesneden, in kokend water met zout gelegd, geschuimd en ruim half gaar
+gekookt, met bijvoeging van laurierbladen, heele peper, nagelen, uijen
+en, als men den smaak aangenaam vindt, van een bosje venkel (hiervan
+echter niet te veel). Dan wordt het vet van het nat afgeschept, en dit
+laatste door eene zeef gegoten. Men roert er vervolgens wat gebruind
+meel door, voegt er eenige kleine Sint Jans uijen, ingemaakte augurken
+en citroenschijven (vooral zonder pitten) bij; dan legt men ook het
+vleesch weder in de pan en stooft het zoolang tot het goed gaar is;
+de stukjes moeten echter in hun geheel blijven.
+
+66. Grillade. Van een stuk koud schapenvleesch snijdt men sneden
+af, die in geklutste eijeren, zout, gestooten nagelen en het poeder
+volgens A, No. 23 gewenteld, met wat meel bestrooid en in boter of
+vet gebakken worden.
+
+67. Ham braden. Men legt eene versche ham, die met zout is ingewreven,
+acht dagen in marinade als schapenbout No. 60, en giet de helft
+daarvan, met ongeveer 2 kannen water, in de pan waarin men de ham wil
+braden; het zwoord moet boven liggen, de pan goed worden toegedekt,
+en zoo laat men haar half gaar koken. Dan giet men het nat er geheel
+af en zeeft het door; legt een stuk boter in de pan, en haalt met
+een scherp mes kruisgewijze sneden door het zwoord, terwijl men op
+ieder kruispunt een kruidnagel zet; of wel men trekt het zwoord er af,
+en bestrooit de bovenzijde dik met gestooten beschuit en notemuskaat
+dooreengemengd. Zoo moet de ham in een heetgestookten oven braden;
+men giet er langzamerhand, slechts bij halve kopjes te gelijk, het
+afgegoten nat weder bij, zeer voorzigtig van ter zijde, opdat de
+beschuitkorst knapperig en ongeschonden blijve.--Bij het opdoen wordt
+de jus met wat water dooreengeroerd, maar eerst het vet er zooveel
+mogelijk afgenomen; men snijdt er dan ook eenige citroenschijven
+in.--Indien men zich eenige moeite wil geven om eene gebraden ham
+netjes op te doen, kan men, bij het afnemen van het zwoord, de randen
+daarvan, als schulpen uitgesneden, laten zitten, en het middenste
+ontbloote gedeelte beleggen met figuren van citroenschijfjes, waarvan
+de schil met puntjes is uitgesneden. Den jus, waarvan het vet afgenomen
+is, kan men, in plaats van ze met water geroerd over de ham te geven,
+ook vermengen met citroensap en het goed geklopte wit van 6 eijeren,
+dan even aan de kook laten komen en hem vervolgens door een doek
+laten loopen. Het doorgelekte nat dat zeer klaar moet zijn, wordt,
+koud geworden zijnde, tot eene gelei, die men, aan stukjes gestoken,
+met takjes pieterselie op den rand van den schotel schikt.
+
+68. Ham als wild zwijnenvleesch. De ham wordt ingewreven en in marinade
+gezet, zoo als het lamsvleesch volgens No. 63. Daaruit genomen, legt
+men haar in eene gesloten pan met gebruinde boter, een paar kopjes
+kokend water, en verder zooveel als noodig is, van de marinade, waarin
+men haar, onder gestadig bedruipen, gedurende drie uren braden laat;
+op de helft van dien tijd wordt er een kopje melk bijgegoten, en bij
+het opdoen het vet zooveel mogelijk van den jus genomen, dien men
+met een weinig meel bindt.
+
+69. Gerookte ham koken. Men zet de ham een nacht in water om uit te
+trekken, wascht haar dan met warm water en eene handvol zemelen, spoelt
+haar helder af, en zet haar, met kokend water bedekt, de zwoordzijde
+naar boven, te vuur. Zij moet schielijk tot koken worden gebragt en
+dan, langzaam, maar onafgebroken, blijven doorkoken tot zij gaar is,
+en daarna nog een half uur in het nat blijven staan broeijen. De
+kooktijd is voor ieder pond een kwartier.--Bijzonder lekker wordt
+eene ham als men die een geheelen dag op eene heete plaat laat staan,
+waar zij echter niet kan koken, en den volgenden dag met hetzelfde
+water overhangt; zij wordt dan inwendig zeer malsch, zonder dat de
+buitenzijde stuk kookt. Als de ham gaar is, neemt men het zwoord er
+af, hetzij geheel, hetzij alleen in het midden; men bindt een geknipt
+papier om het been, en belegt den schotel met pieterselie.
+
+70. Ham met rijst. De ham wordt gekookt volgens No. 69, het vet
+er een weinig afgesneden, het zwoord weggenomen en zij dan gelegd
+op den daarvoor bestemden schotel. 7 1/2 ons rijst kookt men in
+krachtigen bouillon gaar, niet al te stijf, en zóó, dat de korrels
+in hun geheel blijven; hierdoor roert men een goed stuk boter, 4
+geklutste eijeren en, des verkiezende, 1 ons geraspte parmesaansche
+of oude witte kaas. Met dit mengsel bedekt men de ham, strijkt het
+met een mes glad, strooit er gestooten beschuit en notemuskaat over,
+en laat haar een half uur in den oven bakken.
+
+71. Ham in maderasaus. De ham wordt gekookt volgens No. 69, het zwoord
+weggenomen en het vet er, op eene dunne laag na, afgesneden. Men snijdt
+daarop de ham in dunne sneden en zet die in een diepen schotel, zóó
+naast elkander, dat de vetzijde bovenkomt; men giet er dan de volgende
+saus, die men vooraf heeft gereed gemaakt, zoo warm mogelijk overheen:
+een goede bouillon, uit 2 of 3 pond vleesch bereid, volgens A, No. 8,
+wordt gebonden met een paar lepels gefruit meel, gekruid met zout en
+citroenschijven, en daarmede doorgekookt. Dan worden er morieljes,
+truffels of champignons, gereed gemaakt volgens A, No. 10, 11 en 12,
+bijgevoegd, met de punt van een mes vol cayennepeper en eene halve
+flesch madera. Men legt rondom de ham een rand van de op volgende
+manier bereide rijst: zij wordt, zonder dat de korrels breken, gaar
+gekookt in water met zout, en een stuk boter, en dan dooreengeroerd
+met wat bouillon dien men van de saus heeft afgehouden, benevens een
+kopje madera, een kopje melk, 2 eijerdoijers en, des verkiezende,
+1 ons geraspte kaas.
+
+72. Hambroodjes. Van eene koude ham hakt men het vleesch met eenig vet
+zeer fijn door elkander, neemt tegen een soepbord daarvan, 3 eijeren,
+een paar gestooten beschuiten en wat peper. Dit smeert men aan alle
+zijden op sneden wittebrood, die in melk met eijeren geweekt zijn;
+zij worden dan in gestooten beschuit of geraspt brood gewenteld en
+in boter gebakken.
+
+73. Mecklenburger ham. Een stuk van eene gerookte ham wordt gereinigd,
+zoo als in No. 69 is gezegd, gaar gekookt, het zwoord er afgetrokken
+en dan gewikkeld in een lap niet te dun uitgerold brooddeeg, die met
+zeer fijn gehakte kruiden bestrooid is (thijm, mariolein, dragon,
+bislook en basilicum). Men slaat het deeg zóó om de ham digt dat er
+geen vet, noch damp kan doordringen; men bestrooit een braadschotel
+met meel, legt haar daarop en laat haar in den oven 2 uren bakken.
+
+74. Gevulde varkensrib. Men wrijft de rib met zout in en knakt de
+beenderen in het midden, zonder dat het vleesch gekwetst wordt;
+vervolgens legt men er aan vierdeparten gesneden, zure appelen in,
+buigt het stuk te zamen en naait het dicht. Men legt het dan in boter
+om geel te worden, giet er vervolgens kokend water bij, en laat het,
+goed toegedekt, 2 1/2 uur braden, onder vlijtig bedruipen, en, zoo
+noodig, er tusschenbeide een kopje water bijvoegende.
+
+75. Het braden van een speenvarken. Als het speenvarken goed is
+schoongemaakt, zet men het een paar dagen in een vaatje geheel onder
+karnemelk; dan snijdt men aan iederen poot de peezen door, zoodat
+men ze onder het lijf kan buigen en ze kan vaststeken of binden;
+men maakt in den hals een paar sneden door het zwoord heen, ten einde
+het uitdampen te bevorderen; men steekt er voorzigtig de oogen uit,
+wascht het af, droogt het goed aan den buitenkant, en wrijft het van
+binnen in met zout en ragoutpoeder, volgens A, No. 23.--Dan steekt
+men er over de lengte een houten pen door en legt het in de braadpan,
+waarin een weinig water wordt gegoten; men bedruipt het niet, zooals
+ander gebraad, maar bestrijkt het zeer dikwijls met spek, of met
+Genuaolie; ook wordt het eerst dan, als het lichtbruin en hard is, met
+wat zout bestrooid, daarna weder met spek bestreken, en als het gaar
+is, zonder jus opgedaan, met een citroen of china'sappel en een takje
+laurierbladen in den bek, dien men onder het braden heeft opengehouden
+door er een blokje hout in te steken. De lever en het hart hakt men
+fijn en smoort die in boter gaar; men kookt ze vervolgens met gefruite
+uije en meel, met bouillon aangelengd, gekruid met zout, notemuskaat,
+foelie en citroensap. Men dient dit bij het speenvarken rond.
+
+76. Gepekeld varkensvleesch wordt behandeld als No. 33.
+
+77. Varkensrolletjes. Goed doorwassen varkensvleesch wordt fijngehakt
+en gemengd met zout, notemuskaat en citroenschil of gehakte chalotten,
+eenige eijeren, wat geraspt brood en een weinig melk. Hiervan maakt men
+rolletjes, die met gestooten beschuit bestrooid en in boter gebakken
+worden. Men legt ze b. v. om den rand van een schotel kool.
+
+78. Biefstuk van ham. Van eene raauwe ham snijdt men schijven ter
+dikte van een vinger, legt ze gedurende een nacht in melk, en klopt
+ze op beide kanten goed met de scherpe zijde van een niet al te zeer
+geslepen mes. Daarop doopt men ze in geklutste eijeren met wat peper,
+wentelt ze in geraspt brood of gestooten beschuit en braadt ze met
+boter, in eene open pan, op een zeer zacht vuur, tot zij licht bruin
+van kleur zijn. Men moet ze dikwijls omkeeren; maar op een levendig
+vuur wordt deze soort van biefstuk hard en onaangenaam om te eten.
+
+79. Papegaaitongen. Gekookt pekelvleesch wordt aan repen gesneden,
+deze in geklutste eijeren met gestooten nagelen gedoopt, dan in meel
+gewenteld en in boter gebraden.
+
+80. Braadworst met appelen. Men snijdt 6 fijne zoete appelen in
+achtsteparten, en laat ze, met suiker en kaneel bestrooid, eenige uren
+staan; men zet tegelijk wat gewasschen krenten in eenig laauw water,
+op eene warme plaat, om uit te dijen. Dan maakt men een goed stuk
+boter in de pan warm; legt er 3 ons braadworst in, de appelen rondom,
+en de krenten benevens een weinig geraspte citroenschil er bovenop;
+zoo laat men het, toegedekt, langzaam braden. Als de stukjes appel
+aan de onderzijde zacht zijn geworden, keert men die om en neemt ze,
+naarmate zij gaar zijn, uit de pan, zonder dat zij breken. Als de
+worst gaar is, giet men een glas rhijnwijn in de saus, doet het te
+zamen op, en garneert den schotel met de appelen op den rand.
+
+81. Metworst. Als het vleesch waarmede de worst is gestopt fijngehakt
+is, legt men haar in de pan met gesmolten boter en braadt haar langzaam
+gaar; zij moet slechts eenmaal worden omgekeerd. Is daarentegen het
+vleesch aan dobbelsteentjes gesneden, dan zet men de worst met wat
+water in eene gesloten pan gedurende een uur te koken, neemt daarop,
+om het overgeblevene wat te laten verdampen, het deksel van de pan
+af, legt er een stuk boter in, en laat zoo de worst op beide zijden
+licht bruin braden, zonder dat zij hard wordt. Men kan ook ook een
+stuk boter in de pan laten smelten, de worst daarin braden en er
+vervolgens bier bij gieten, dat niet bitter mag zijn, om haar daarin
+verder zacht te laten worden.
+
+82. Om rookworst te koken. Zoolang de worst nog versch gerookt is,
+zal het voldoende blijken te zijn, haar met warm water af te wasschen
+eer men haar kookt; maar als zij reeds wat is uitgedroogd, moet men
+haar twee dagen vóór het gebruik wasschen en op eene koude plaats
+onder water laten staan.
+
+
+
+
+
+
+
+E. WILDBRAAD EN GEVOGELTE.
+
+
+1. Over wildbraad in het algemeen. Wildbraad moet, zoo als reeds
+in D, No. 1 gezegd is, slechts luchtig afgewasschen en, bloedige,
+aangeschoten stukken uitgezonderd, niet in het water worden gezet. De
+huid moet er goed worden afgehaald; daarna moet het volgens A, No. 7
+gelardeerd en op een matig vuur, met ruim boter en spek, worden
+gebraden. Wanneer men er gaande weg melk bijgiet, maakt dit èn het
+gebraad, èn de saus bijzonder lekker. Van alle wildsoorten is de kop
+het minste gedeelte en met den hals geschikt voor ragout; de tong is
+echter zeer goed om afzonderlijk gereed te maken, daarop volgen de
+borst, de schouders en de bouten; de rug is het fijnste stuk om te
+braden. Een haas blijft des winters, in het vel, in de lucht hangend,
+8 dagen zeer goed en, des verkiezende, kan men hem daarna, afgehaald,
+nog een paar dagen in azijn bewaren. Het vleesch van rheeën en herten
+kan men op de volgende manier nog langer goed houden. Men bestrooit
+de stukken met zout, maakt er met een puntig mes schuine steken in,
+en steekt daarin stukjes spek, die in zout en gestooten nagelen zijn
+gewenteld, benevens chalotten. Hierop laat men het vleesch in eene
+braadpan spoedig aan alle kanten toeschroeijen. Als het geheel koud
+is geworden, pakt men de stukken vast naast elkander in een vaatje,
+met eenige uijen, wat heele peper, versche jeneverbessen en een, aan
+schijven gesneden, citroen. Men bedekt het geheel met gekookten en
+koud geworden bierazijn, en giet er een paar vingers dik, gesmolten
+vet over. Als men er een stuk uit gebruikt, moet het vat weder worden
+toegesmolten. In deze marinade blijft het zeer lang goed en wordt
+het lekker van smaak.
+
+2. Gemarineerd wildbraad gesmoord. Men legt het stuk in een pot met wat
+van de marinade en kruiden waarin het, volgens No. 1, gelegen heeft
+en een stuk boter. Zoo laat men het, goed toegedekt, gaar smoren,
+en roert, even vóór het opdoen, wat melk en gebruind meel in de saus.
+
+3. Ragout van herten- of rheevleesch. Het vleesch wordt in stukken
+gesneden, die men in spek en boter even kleuren laat; dan giet men
+kokend water in den pot, doet er zout bij, dekt hem schielijk toe, en
+schuimt het vleesch eenige minuten later af. Daarop voegt men er het
+volgende bij: gebruind meel, geraspte citroenschil, peper, nagelen,
+eenige laurierbladen, gesneden uijen, wat augurken en azijn. Even
+vóór het opdoen giet men er een glas rooden wijn in, en verzacht de
+scherpte van den azijn door een weinig suiker.
+
+4. Ribstuk van een hert of eene rhee. Men kan het versch braden of
+eenige dagen in marinade leggen; zie D, No. 6. Daaruit genomen wordt
+het gelardeerd, nadat het vel er zuiver is afgehaald, en met spek en
+boter, gedurende 2 of 2 1/2 uren, naarmate het groot is, onder gestadig
+bedruipen, gebraden. In het eerste uur giet men er tusschenbeide een
+kopje kokend water bij, maar later gebruikt men daarvoor melk. Bij
+het opdoen roert men de jus met wat koud water dooreen.
+
+5. Herten- of rheebout wordt als ribstuk behandeld.
+
+6. Haas braden. Om een haas te braden, moet men eene daarvoor
+opzettelijk vervaardigde pan hebben, waarin het wild regtuit,
+op den buik, met de achterbouten aan weêrszijden uitgespreid, kan
+liggen. Bezit men zulk eene hazenpan niet, dan zet men den haas,
+nadat hij goed afgehaald en, volgens A, No. 7, gelardeerd is, op een
+gewonen braadschotel in den oven. Men strooit er wat zout over, voegt
+er boter bij, en braadt hem, gedurende twee uren, gestadig druipende,
+in een matig warmen oven, en met niet te veel vuur er onder. Gaandeweg
+worden er een paar kopjes melk bij gegoten.--Het bloed maakt den jus
+zeer gebonden.
+
+7. Hazenpeper. Hetgeen men van een gebraden haas heeft overgehouden,
+wordt aan stukken gesneden en dan gestoofd, met bijvoeging van het
+volgende: al den jus dien men van den haas heeft, een lepel azijn,
+een goed stuk boter, eenige vooraf gefruite uijen, zout, peper, een
+paar nagelen en een spijslepel suiker; even vóór het opdoen giet men
+er een glas rooden wijn bij.
+
+Ingeval men verkiest om van een geheelen haas terstond hazenpeper te
+maken, moet hij natuurlijk vooraf worden gebraden.
+
+8. Ragout van konijnen. Het wild wordt goed afgehaald, vervolgens in
+stukken gesneden en zoo eenige dagen gemarineerd, zie D, No. 6. Dan
+wordt het in water met zout afgekookt, geschuimd en daarna te stoven
+gezet, met zooveel van de marinade als noodig is, en eene goede
+hoeveelheid gefruite uije. De saus moet een half uur voor het opdoen
+met wat gebrand meel worden gebonden, en men voegt er dan een weinigje
+suiker bij.
+
+9. Kikkerboutjes. Als men ze braden wil, laat men ze een goed kwartier
+in het zout staan, wascht ze dan met koud water af, doopt ze in
+geklutste eijeren met notemuskaat, wentelt ze in gestooten beschuit
+en braadt ze in boter licht bruin, zoodat zij zacht blijven.--Om
+er ragout van te maken handele men als volgt: De boutjes worden met
+water, azijn en zout in een bak gelegd en met een bezem goed geslagen,
+daarna afgewasschen. Vervolgens zet men ze in gesmolten boter op,
+met wat chalotten en zout; men dekt den pot toe en laat ze zoo bijna
+gaar smoren. Dan wordt er een weinig meel over gestrooid, bouillon,
+foelie en eenige citroenschijven er bijgevoegd, en de saus bij het
+opdoen met eenige eijerdoijers gebonden.
+
+10. Kalkoen. Als de kalkoen volgens A, No. 6 is opgemaakt, wordt hij
+gelardeerd en, desverkiezende, wordt de borst gevuld met de hieronder
+volgende farci. Dit geschied zijnde, strooit men er wat zout over,
+legt dunne schijfjes spek op de borst, en zet hem met water en een
+stuk boter, goed toegedekt, op het vuur, om, in kort nat, gedurende
+een paar uren, niet te sterk, maar onafgebroken te koken, tot het
+vleesch bijna zacht is geworden. Dan giet men den bouillon er af,
+legt een goed stuk boter in de pan, wakkert het vuur wat aan, en
+laat den kalkoen zoo verder gaar worden; de kleur mag echter niet
+te bruin zijn. Men voegt er zachtjes aan den bouillon weder bij,
+en verzuime vooral het bedruipen niet. Bij het opdoen roert men
+een paar eijerlepels meel in de pan en maakt het aanzetsel met koud
+water los; ook kan men er een spijslepel melk doorroeren. Men legt
+citroenschijfjes op den rand van den schotel.
+
+Voor het vullen van de borst gebruikt men de volgende farci: 8 l.,
+3 w. gesmolten boter, 3 eijerdoijers, wat foelie en zout, een kopje
+geraspte amandelen, 2 kopjes geraspt oudbakken wittebrood, goed week
+geroerd in melk, en het geklopte eiwit er luchtig doorgemengd. Als
+men geene amandelen neemt, kan men er wat gehakte pieterselie en
+citroensap bijvoegen.--Voor een groot aantal gasten vult men doorgaans
+den geheelen kalkoen en dan wel met vleeschfarci. Daardoor hakt men
+3 o., 7 l. mager kalfsvleesch en even zoo veel goed doorregeld spek
+te zamen fijn; men mengt dit met een half kopje gesmolten boter,
+3 eijeren (van twee houdt men het wit af, dat tot schuim geslagen,
+er het allerlaatst wordt doorgeroerd), 2 ons wittebrood dat een
+dag in water is geweekt en zoo droog mogelijk wordt uitgedrukt,
+1 1/2 l. morieljes, geprepareerd volgens A, No. 10 en fijngesneden,
+4 zwezerikken, volgens A, No. 13, ook aan kleine stukjes gesneden,
+zout, notemuskaat en gehakte pieterselie; naar verkiezing kan men
+er ansjovis volgens A, No. 15 bijvoegen. Behalve op de hierboven
+omschreven wijze van braden, kan men een kalkoen ook à la braise
+(zie A, No. 36) gereed maken.
+
+11. Kalkoen in fricasséesaus. Men maakt den vogel in orde volgens
+A, No. 6. Dan zet men hem met een stuk boter en eenige chalotten
+te vuur en laat hem toegedekt, langzaam eenigzins kleuren; giet er
+vervolgens wat kokende bouillon of water bij, en doet wat geraspte
+citroenschil, foelie en dragon in de pan, waarbij men een half uur
+later eene goede hoeveelheid champignons volgens A, No. 12 voegt, om
+hem zóó, goed gedekt, gaar te smoren. Intusschen maakt men de saus
+gereed van krachtigen bouillon, waarin men bloemkool en aspergies,
+benevens een zwezerik, gaar, maar vooral niet stuk, kookt. De saus
+is in een half uur klaar; men roert er dan de jus van den kalkoen,
+waarvan men zooveel mogelijk het vet afschept, door, bindt haar met
+2 eijerdoijers, en legt er eenige citroenschijfjes zonder pitten
+in. Men legt bij het opdoen brood-, vleesch- of schuimballetjes op
+den schotel, en, met sneden van taartenkorstdeeg er bij gepresenteerd,
+kan dit geregt in plaats van eene pastei worden gegeven.
+
+12. Kapoenen worden als kalkoenen behandeld; wanneer men ze à la braise
+gereed maakt, geeft men ze met oester-, kapper- of champignonsaus
+(zie de sausen).
+
+13. Kip met rijst. Men brengt eene kip in orde als voor soep (zie B,
+No. 10), doch zet die met wat minder water te vuur, schuimt haar goed
+af, voegt er dan een stuk boter en wat foelie bij, en braadt haar
+licht bruin. Intusschen heeft men rijst in water droog gaar gekookt
+en, als de kip gaar is, en uit de pan genomen, wordt de rijst nog
+een oogenblik in den jus opgekookt; zij moet niet stijf zijn, en
+men dient dus te zorgen voor eene goede hoeveelheid jus. Men legt,
+bij het opdoen, de kip, met de rijst er omheen, op denzelfden schotel.
+
+14. Jonge kuikens worden volgens A, No. 6 opgemaakt, gelardeerd, met
+een weinig zout bestrooid en, met goed wat boter, digt naast elkander,
+in eene stevig sluitende pan gezet, om anderhalf uur, onder gedurig
+omkeeren en bedruipen, in het begin op een zwak vuur, te braden, tot
+zij zacht en licht bruin zijn geworden; dan neemt men het deksel van de
+pan af. Gedurende het laatste kwartier giet men er telkens een weinig
+melk bij en roert den jus bij het opdoen met wat koud water dooreen.
+
+15. Gebakken jonge hanen. Als de vogels goed zijn schoongemaakt, worden
+zij, over de lengte, in de helft doorgesneden en zacht gebraden. Dan
+neemt men ze uit de pan, fruit meel in de overgebleven boter, voegt
+er wat krachtigen bouillon, gehakte champignons, foelie en citroensap
+bij, en kookt dit tot eene dikke saus die men met eenige eijerdoijers
+bindt. Hiermede vult men de holte van de vogels, zet ze daarna op
+een schotel in den oven en bakt ze een kwartier.
+
+16. Jonge duiven worden gevuld met de in No. 10 het eerst opgegeven
+farci, maar zonder amandelen en gebraden als kuikens.
+
+17. Fijne fricassée van kuikens, duiven of kapoenen. De kuikens worden
+in vierdeparten, de duiven over de lengte in de helft gesneden en de
+kapoenen blijven in hun geheel; men zet ze met boter en zout op een
+zacht vuur en dekt ze goed toe. Men keert ze na een poosje om, en als
+ze een half uur gestaan hebben, voegt men er kokenden bouillon bij,
+benevens citroenschijven, foelie en een weinig gestooten beschuit,
+waarmede men ze langzaam laat stoven. Gedurende het laatste kwartier
+wordt het volgende er bij gedaan: morieljes, volgens A, No. 10,
+zwezerik, volgens A, No. 13 geprepareerd, aspersiekoppen, saucijzen,
+in gezouten water of bouillon gaar gekookte balletjes, en bij het
+opdoen oesters, die niet mogen medekoken, daar zij hierdoor hard
+zouden worden. De saus wordt met eenige eijerdoijers gebonden, en
+dit geregt kan, met sneden taartenkorstdeeg, eene pastei vervangen.
+
+18. Fricassée in rijst, als pastei. Men kookt een pond gebroeide rijst,
+in melk en wat zout, zeer stijf, en doet die op, in een diepen schotel,
+in den vorm van een pudding, maar met eene holte in het midden,
+die men vult met kuikenfricassée volgens No. 17, zonder saus. Als
+dit gedaan is, sluit men de opening met rijst, giet wat saus over
+het geheel, en laat dit in den oven, tusschenbeide bedropen, licht
+bruin worden. Bij de overige saus voegt men wat citroensap of wijn,
+bindt ze met eijerdoijers en presenteert ze bij de pastei.
+
+19. Bruine ragout van kuikens of duiven wordt gemaakt als ragout voor
+ossentong (D, No. 17).
+
+20. Hoenders à la daube. Lardeert het gevogelte met spek, dat in
+foelie en zout is gewenteld; kookt het tegelijk met een kalfspoot in
+2 derden water en 1 derde rhijnwijn, waarin wat heele peper, foelie,
+eenige laurierbladen en schijfjes citroen worden gelegd; ook giet men
+er een weinig azijn bij voor den smaak. Bedekt de borst van het hoen
+met eenige schijven spek, laat het gaar koken, doet het in een vorm
+en dient het koud. Op deze wijze kan men allerlei gevogelte bereiden.
+
+21. Gebraden eenden. De eenden worden met zout ingewreven, met een
+goede hoeveelheid boter op het vuur gezet en ongeveer 2 uren gebraden,
+tot zij zacht en lichtbruin van kleur zijn; het bedruipen mag niet
+worden verzuimd. De saus wordt gemaakt zoo als in No. 10 voor de
+kalkoenen is opgegeven. Als men de eenden vullen wil, hakt men het
+hart, de maag, en de lever fijn en vermengt dit haksel met een goed
+stuk boter, 2 eijeren, 2 ons in water geweekt en goed uitgedrukt
+wittebrood, notemuskaat en zout.--Volgens Engelsche manier vult men
+ze met uije.
+
+22. Eenden met rooden wijn. De eend wordt met boter en eenige
+fijngesneden uijen licht bruin gebraden; dan giet men er wat
+kokend water bij, benevens geraspte citroenschillen, nagelen,
+cardamom en zout; later voegt men er wat gebrand meel en bruinen
+bouillon bij, en tegen het opdoen een groot glas rooden wijn en
+eenige citroenschijven. Om het geregt nog fijner te maken, kan men
+er truffels in koken.
+
+23. Eenden op fransche manier. De lever wordt met een stukje spek
+en wat chalotten fijngehakt, een in water geweekt en goed uitgedrukt
+stukje wittebrood, 2 eijeren, wat zout en notemuskaat er bijgevoegd
+en dit alles goed dooreengeroerd. Met deze farci vult men de eend
+en naait de opening digt. Vervolgens legt men boter of spek in de
+pot, daarop een handvol pieterselie, 3 of 4 geheele uijen en eenige
+schorseneren of gele wortelen. Hierop laat men de eend gaar braden,
+roert dan wat gebrand meel, wat water en een weinig azijn in de saus,
+voegt er naar verkiezing ook een stukje suiker bij, en laat alles te
+zamen nog eenige minuten smoren.
+
+24. Gesmoorde eenden in bruine saus. Voor eene eend neemt men 5
+m. water, een stuk boter ter grootte van een ei, 6 chalotten en het
+noodige zout, waarin men den vogel, goed toegedekt, langzaam gaar
+laat smoren. Dan roert men een spijslepel gefruit meel, een glas
+rooden wijn, 6 gestooten nagelen en een weinig suiker door de saus,
+en laat alles nog een oogenblik op het vuur staan.
+
+25. Salmis des Bernardins. Eendvogels worden gebraden en warm aan
+stukken gesneden. Dan legt men ze in een schotel met den jus, benevens
+het sap van een citroen; de geraspte schil, 2 lepels rooden wijn,
+1 lepel Genuaolie, wat peper, zout en notemuskaat. Zet het zoo in
+den oven, die niet te warm mag zijn, of legt er een papier over en
+doet er wat vuur onder; het moet tusschenbeiden omgeroerd worden en
+langzaam een uur stoven.
+
+26. Gebraden gans. Als men de gans volgens A, No. 6 in orde heeft
+gebragt, vult men haar met in vierdeparten gesneden appelen,
+waardoor men wat krenten of rozijnen roert; ook wordt zij somtijds
+gevuld met gekookte kastanjes (zie A, No. 14). Men naait daarop de
+opening digt en laat de gans in de braadpan met water en zout, goed
+toegedekt, bijna gaar worden; dan braadt men haar verder in de opene
+pan, bedruipt haar dikwijls en vult de jus van tijd tot tijd met wat
+kokend water aan. Bij het opdoen trekt men de draden er uit en maakt
+de saus zooals bij den kalkoen in No. 10 is gezegd.
+
+27. Ganzenragout. Men kan op verschillende wijze ganzenragout gereed
+maken, maar in elk geval wordt de vogel in stukken gesneden, met water
+en zout te vuur gezet en goed geschuimd. Vervolgens kan men in de
+eerste plaats handelen alsof men hazenpeper maakte (zie No. 7.) Men
+kan ook op de volgende manier te werk gaan: Als het vleesch, met
+bijvoeging van een stukje spek, in kort nat is gaar gekookt, neemt
+men het er uit, giet het nat door eene zeef, en kookt er dan aan
+vierdeparten gesneden peren, met gestooten nagelen, peper en wat
+suiker in, terwijl men het met azijn vermengde ganzenbloed gebruikt
+om de saus te verdikken. Als de peren eenige malen goed omgeschud
+en gaar zijn, doet men ze op denzelfden schotel als het vleesch op,
+met brood balletjes er omheen gelegd.--Indien men van eene gans
+witte ragout wil maken, gebruikt men daarin eenige gesneden uijen,
+een paar laurierbladen, citroenschijven en peper; in plaats van het
+bloed, neemt men dan wat licht gefruit meel om de saus te verdikken,
+en bindt die ten slotte met het doijer van een ei en wat notemuskaat.
+
+28. Faisanten en patrijzen worden volgens A, No. 6 opgemaakt,
+gelardeerd of met sneden spek belegd, met wat zout bestrooid,
+en onder gestadig bedruipen; gedurende anderhalf uur, in den oven
+gebraden. Tusschenbeiden giet men er wat melk bij.
+
+29. Omwonden patrijzen. Als de patrijzen gelardeerd zijn, strooit
+men er een weinig zout over, legt nog eene snede spek op de borst
+en bindt er twee wijngaardbladeren omheen. Dan worden de vogels in
+kokende boter gelegd, waarin zij goed toegedekt, niet te sterk moeten
+braden, terwijl men er langzamerhand wat water bij giet. Na verloop
+van anderhalf uur voegt men er, bij een spijslepel te gelijk, melk
+bij en ook nog wat boter benevens eenig doorgezeefd broodkruim, dat in
+boter is gebruind. Het spek en de bladeren, die er worden afgenomen,
+dient men met, of bij de vogels voor.
+
+30. Koude patrijzen met saus. De koude patrijzen worden in vieren
+gesneden; netjes op een schotel geschikt en de volgende saus er over
+gegoten: 3 of 4 lepels Genuaolie, 3 lepels gelei van kalfspooten, 2
+lepels dragonazijn, zeer fijn gehakte chalotten en dragon wat peper
+en zout, worden te zamengeroerd, tot het eene dikke, gelijke saus
+is geworden.
+
+31. Hout- en watersnippen. Zij worden volgens A, No. 6 opgemaakt, dan
+gelardeerd of met schijfjes spek bedekt, met koude boter opgezet en
+vervolgens, toegedekt, anderhalf uur gebraden. Te gelijk roostert men
+dunne sneedjes wittebrood, en legt in de braadpan een daarvan onder
+iedere snip. Ook neemt men wel eens de ingewanden uit den vogel, hakt
+die met wat boter fijn en smeert ze met geroosterde sneedjes brood,
+die men afzonderlijk in den oven laat braden, om ze bij het opdoen
+onder de snippen te leggen.
+
+32. Lijsters. Men maakt de lijsters op volgens A, No. 6, en, als zij
+goed gewasschen zijn, legt men ze digt naast elkander in eene braadpan;
+men rekent voor 12 stuks 2 ons boter, giet daarbij een kopje water,
+strooit wat zout over de vogels, en braadt ze, toegedekt, gaar en
+bruin; zij moeten éénmaal worden omgekeerd.
+
+33. Leeuwerikken. Veelal maakt men ze gereed als lijsters; men kan er
+echter ook gekneusde jeneverbessen bijvoegen en ze opdoen met geraspt
+wittebrood, in boter gebruind.
+
+34. Vinken worden met wat zout, boter, een weinig water en gekneusde
+jeneverbessen, onder vlijtig bedruipen, goed toegedekt, langzaam
+gebraden.
+
+35. Salmis van snippen, patrijzen en lijsters. Men legt eenige sneden
+raauwe ham in een pot, het wild daarop en voegt er bij: eenige gele
+wortelen, eenige gesneden chalotten of uijen, citroenschijven en boter,
+waarmede men de vogels, goed toegedekt, kleuren laat; vervolgens
+giet men er den bouillon bij en laat ze gaar braden. Dan snijdt men
+ze in nette kleine stukken, en wat men niet goed snijden kan, stampt
+men met de lever, het hart en de ham in een vijzel, om het daarna,
+met den jus, door eene zeef te wrijven. Bij deze saus voegt men nog
+eenige gehakte chalotten, benevens wat peper, en laat het vleesch er
+nog even in stoven.
+
+
+
+
+
+
+
+F. PASTEIJEN.
+
+
+1. Algemeene regelen. Pasteijen worden in eene pastei- of eene
+taartenpan gebakken. Het deeg van de korst wordt geregeld naar
+den inhoud. Voor eene pastei van fijn gevogelte en kalfsvleesch,
+waarvan eerst fricassée is gemaakt, neemt men feuilleté (zie gebakken
+No. 2). Moet het vleesch in de pastei zelf gaar worden, dan bedient
+men zich van boterdeeg (gebakken No. 3). Dit gebruikt men ook wel voor
+eene hazen- of rheepastei, hoewel dit wild ook soms wordt voorgediend
+in eene korst van waterdeeg volgens No. 5, die dan niet wordt gegeten.
+
+2. Paté de foie gras. De groote ganzenlevers worden ieder in tweeën
+gedeeld, en de geelachtige plaats, waar de gal heeft vastgezeten,
+er uitgesneden en met melk afgewasschen: er mag volstrekt geen water
+voor gebruikt worden. Acht van deze deelen worden met stukjes van
+truffels, door middel eener lardeernaald bestoken, even als men dit
+bij het vleesch met spek doet; de vier overige stukken worden aan
+dunne schijfjes gesneden en dan fijn gestampt. Bij deze laatsten
+voegt men een spijslepel vol fijngesneden chalotten, even zooveel
+champignons en kappers, tweemaal zooveel fijn gesneden truffels, eenige
+goed gewasschen, klein gesneden ansjovis, waar de graten zorgvuldig
+zijn uitgehaald, wat zout, witte peper en notemuskaat, en stampt
+dit alles fijn. Gedurende het stampen moet er langzamerhand ook nog
+een pond spek worden bijgedaan, dat vooraf gekookt en koud geworden,
+afzonderlijk is gestampt, waarna men alles te zamen door eene zeef
+wrijft. Dan neemt men eene porseleinen terrine, bestrijkt die dik met
+boter, legt daarin wat van de farci, dan eenige van de getruffeerde
+stukken lever, met wat fijn zout en witte peper bestrooid, vervolgens
+weder farci en weder lever en zoo verder tot de terrine bijna vol is;
+de laatste laag moet farci wezen. Er moet zooveel ruimte overblijven,
+dat men 5 ons boter, met wat witte peper bekneed, over alles heen als
+eene gelijke laag kan uitspreiden, waarover nog eenige dunne schijfjes
+spek worden gelegd. Hierop sluit men de terrine met het deksel en
+plakt de randen met papier digt, waarna de pastei gedurende ongeveer
+2 uren langzaam in den oven wordt gebakken. Daar er soms vet uit de
+terrine loopt, zet men die in het begin op een oud bord en later op
+eene lage treeft in den oven.--Men kan deze opgave natuurlijk voor
+een kleiner pastei veranderen en dan is ook de baktijd korter.
+
+Dit recept is uit Straatsburg afkomstig, en de aldus bereide pasteijen
+zijn even goed als die van daar worden overgestuurd. Het volgende
+voorschrift is ook zeer de aanbeveling waard en wordt door sommigen
+verkozen, als zijnde krachtiger en minder vet dan het hierboven
+opgegeven. Daarvoor wordt 1 p., 5 o. kalfsvleesch, goed van alle
+vellen gezuiverd, met eene handvol chalotten, de geraspte schil van
+4 citroenen, 10 of 12 goed schoongemaakte ansjovis en eene handvol
+kappers, fijn gehakt; hierbij komt nog eene handvol geheele kappers,
+even zooveel geraspt wittebrood, gestooten kruiderijen zooals in het
+eerste recept, en zooveel goede witte wijn, dat alles tot eene zachte,
+gelijke massa wordt, die zich goed laat uitsmeeren. Nu maakt men van
+bijna 4 o. boter, 4 eijeren, wat water en zout, met het noodige meel,
+een stijf deeg dat men goed dooreenwerkt; men bestrijkt een schotel
+of vorm met boter, bestrooit dien met gestooten beschuit, en legt
+er een dikken lap van het uitgerolde meel in, die over den rand heen
+moet hangen. Men strooit er eenig geraspt brood over en legt er eene
+laag farci in, daarop eene laag truffels, die in wijn met kruiderijen
+zijn gekookt, vervolgens eene laag in stukken gesneden lever en zoo
+om en om, tot men met farci eindigt. Hierover legt men eene laag
+spekschijven en sluit alles met een lap deeg, bij wijze van deksel;
+het overhangende gedeelte van het onderstuk buigt men over het deksel
+heen en vormt het tot eene soort van rand. Als de pastei omstreeks 2
+uren in den oven heeft gestaan en bruin is gebakken, neemt men haar
+uit den schotel.--Men rekent voor dit recept op 2 ganzenlevers, en kan,
+des verkiezende, onder de farci ook nagelen, thijm en basilicum mengen.
+
+3. Koude hazenpastei. De haas wordt twee dagen in de azijn gelegd en
+dan van de beenderen ontdaan. Men hakt vervolgens het vleesch zeer
+fijn en goed dooreen met 5 ons mager kalfsvleesch, even zooveel mager
+varkensvleesch en even zooveel spek; alles gekruid met zout, peper,
+gestooten nagelen, notemuskaat en 4 of 5 uijen. Als alles goed door
+elkander is gekneed, voegt men er nog 5 eijerdoijers bij, doet het in
+de pasteipot, waarvan het deksel met papier moet worden digtgeplakt,
+of, om te sluiten, belegd met roggemeel; dan zet men het gedurende
+4 uren in den niet te warmen oven. Als men twee hazen heeft, braadt
+men de fijn gelardeerde ruggestukken afzonderlijk, doch zóó, dat zij
+zacht blijven; men snijdt ze dan in stukken en legt ze tusschen de
+bovengenoemde farci in de pasteiterrine.
+
+4. Koude patrijzenpastei. De patrijzen worden met wat zout en
+kruiderijen ingewreven, in wijngaardbladeren gewikkeld en in boter
+of in braise, volgens A, No. 36, gaar gesmoord en daarop in kleine
+stukken gesneden. Men maakt farci van eene kleine kalfslever, die men
+met haar gewigt aan mager kalfsvleesch en spek zeer fijn dooreenhakt,
+en kruidt met zout, notemuskaat en een weinig gestooten nagelen. Als
+men de pastei niet lang bewaren wil, voegt men er een stuk in water
+geweekt wittebrood en eenige eijeren bij. Men maakt een waterdeeg
+volgens No. 5, legt dit uitgerold in een schotel en bedekt het met
+stukjes spek; daarover spreidt men van de farci; dan volgt er eene
+laag patrijzen, met eenige citroenschijven; daarop weder farci,
+en zoo bij beurten, tot men met farci eindigt. In het midden moeten
+4 stukjes vleesch regtop worden gezet om eenigzins eene opening te
+behouden, daar de pastei, als er geen lucht in is, ligt barst. Men
+handelt verder als bij de laatste opgave in No. 2 is gezegd, en bakt
+de pastei 3 uren in den oven. Als zij gaar is, giet men in de opening,
+door een trechter, een paar kopjes goeden bouillon, zet er een papieren
+stop in, en bewaart ze, des verkiezende in den winter eenige weken.
+
+5. Wildpastei met waterdeeg. Voor eene middelmatig groote pastei laat
+men 6 maatjes water met 1 o., 3 l. boter en even zooveel nierenvet
+koken. Men neemt anderhalf p. meel op de rolplank, maakt een kuil
+in het midden en giet daarin langzamerhand het kokende vocht,
+hetwelk men alles te zamen tot een deeg verwerkt, zoo stijf, dat
+een stuk in de hoogte getrokken zijnde, blijft staan. Vooruit wordt
+het vleesch, zij het herten-, rhee- of hazenvleesch, gewasschen;
+van alle vellen en zenuwen ontdaan, in stukken gesneden en met grof
+gesneden spek gelardeerd. Dan neemt men chalotten, citroenschillen,
+dragon, basilicum, thijm, mariolein, nagelen, peper en zout, alles
+zeer fijn gemaakt en met azijn aangemengd, en wrijft het vleesch
+daarmede in; men legt het, met eenige laurierbladen en stukjes boter,
+op spekschijven in een pot en laat het, goed toegedekt, half gaar
+worden. Echter kan men het ook met bovengenoemde kruiderijen, gedurende
+24 uren laten marineren (zie D, No. 6). Een gedeelte van het vleesch
+(natuurlijk de minst mooije stukken) houdt men afzonderlijk om met
+spek en mager varkensvleesch tot farci te hakken, met bijvoeging van
+citroenschil, chalotten, dragon en kappers, geweekt wittebrood, zout,
+eenige eijerdoijers en het tot schuim geklopte wit. De verhouding is
+4 deelen wild, tegen 6 deelen varkensvleesch en 1 deel spek. Voorts
+rolt men een stuk deeg een vingerdikte uit, voor het onderblad, dat
+in de met boter bestreken pan wordt gelegd, en een ander stuk als
+eene reep, die voor den staanden rand der pastei moet dienen. Men
+bestrijkt nu den buitensten kring van het onderblad met eijeren, zet
+den rand daar op, en belegt den bodem met dunne stukjes spek. Hierop
+legt men eerst de farci, en schikt dan het vleesch, met eenige
+citroenschijven er tusschen, er boven op, niet al te vast in elkander,
+en in het midden iets hooger dan aan den kant; dan bedekt men alles
+met schijven spek. Men bestrijkt vervolgens den rand van de pastei
+ook met eijeren en legt er een lap deeg als deksel op, dien men aan
+alle zijden goed aandrukt om te sluiten; in het midden moet echter
+eene kleine luchtopening blijven, waar men een randje van deeg omheen
+legt. Verder versiert men ook de pastei, door er een rand op te maken
+en er figuren op te leggen, welke men uit het deeg steekt.--Bij het
+opdoen snijdt men een rond stuk uit het deksel, neemt het bovenste
+spek er uit en giet er wat bruine of truffelsaus in (zie sausen),
+die men er ook verder bij presenteert.
+
+6. Schotelpastei van haas of gevogelte. Van een haas snijdt men het
+vleesch af en lardeert de stukken, vogels worden met de beenderen
+in stukken gehakt, beide gemarineerd volgens No. 5, en daarna bijna
+gaar gesmoord. Dan besmeert men een schotel dik met boter, strooit er
+geraspt wittebrood over en legt het vleesch er in, met balletjes er
+tusschen van de farci in No. 5 opgegeven, benevens citroenschijven,
+en zóó, dat het in het midden wat is opgehoogd. Vervolgens giet men
+wat rooden wijn en water, benevens wat van de marinade in de braadpan,
+waar het vleesch is uitgenomen, en roert het aanzetsel daarmede los
+men zeeft het door en giet het over alles heen.--Voor eene pastei
+van middelmatige grootte wordt van 2 1/2 ons meel een deeg gemaakt
+volgens Gebakken No. 5; dit tot de dikte van een stroohalm uitgerold,
+met wat meel bestrooid, en, gemakshalve, kruisgewijze vierdubbeld
+geslagen. Men kan het dan goed over de pastei uitspreiden en langs
+den rand van den schotel, die met eiwit bestreken moet zijn, glad
+afsnijden. Van dit deksel bestrijkt men den buitenrand ook met eiwit
+en legt daarop eene rol, van het overige deeg gemaakt, die echter niet
+aan de zijden van den schotel mag vastkleven, omdat dit het deeg zou
+beletten te rijzen. In het midden van het deksel maakt men een paar
+sneden voor het uitdampen, en men bakt daarna de pastei, naarmate
+de inhoud is, vijf of zeven kwartier in den oven, bij 1 graad warmte
+(zie Gebakken No. 1). Bij het opdoen snijdt men eene schijf uit het
+deksel en giet er bruine saus in (zie de sausen), waarop men de opening
+weder digt legt. Men verbergt den rand van den schotel met een papier
+of geplooid servet en zet hem zoo op een anderen schotel op tafel.
+
+7. Pastei van verschillende vleeschsoorten. Een ossenhaas is even zeer
+voor het maken van eene pastei geschikt als wild; hij wordt daarvoor
+in stukken gesneden, gelardeerd, 8 dagen in marinade gezeten dan
+bijna gaar gesmoord (zie No. 5). Ook maakt men van 7 1/2 ons ossen-
+of kalfsvleesch eene farci volgens No. 5; van 7 1/2 ons meel een deeg
+(volgens Gebakken No. 5).--Haas en wild gevogelte wordt ook in marinade
+gezet, of het laatstgenoemde met de daarvoor gebruikte kruiderijen
+ingewreven; voor tam gevogelte neemt men alleen citroenschijven en
+notemuskaat, om het te smoren. Voorts handele men met het in orde
+brengen van de pastei geheel volgens No. 5. Verkiest men haar in een
+schotel te laten bakken, dan kan men twee breede banden of strooken
+linnen, aan weerszijden met boter besmeerd, kruisgewijze in de pan
+leggen, teneinde het gebak er gemakkelijker te kunnen uitligten.
+
+8. Kippenpastei. De korst voor eene kippenpastei wordt gemaakt van
+boterdeeg (zie Gebakken No. 3); zij wordt in een vorm gebakken (zie
+de laatste opgaven in No. 2). De inhoud bestaat uit 3 hoenders,
+die in bouillon worden afgekookt en dan in koud water gezet, om
+blank te blijven; ook kookt men 2 zwezerikken, 5 ons kalfsgehakt
+(fijn geprepareerd en tot kleine balletjes gemaakt) en 3 ons
+ragoutsaucijsjes, benevens 4 lamspootjes in den bouillon. Dit alles
+gaar zijnde, zet men het nog even in koud water. Daarna snijdt men
+alles in stukjes, laat het goed uitlekken en zet het weder te vuur
+met wat bouillon; ook voegt men er nu een ons morieljes bij. Men
+vult er dan een pastei mede en giet er de volgende saus overheen:
+18 goed geklutste eijerdoijers, dooreengeroerd met 3 lepels meel,
+een geraspte notemuskaat, het sap van een citroen, aangelengd met
+wat van den bouillon, waarin het vleesch gekookt is, en op het vuur
+geroerd tot het dik is. Men kan de korst van deze en andere fijne
+pasteijen eerst afzonderlijk bakken; men vult die daartoe met schoon
+papier in doeken gewikkeld, dat men in het midden wat verhoogd legt,
+even als men anders het vleesch doet. Zoo bakt men de pastei, en
+als zij gaar is, wordt het deksel er rond uitgesneden, en de doeken
+er uitgehaald en de ragout met de saus er ingegoten, waarop men het
+deksel er weder op legt. Men noemt dit eene blinde pastei.
+
+9. Nagemaakte schildpadpastei. Van 1 pond meel maakt men een
+feuilletédeeg (zie Gebakken No. 2); de bovenzijde en de rand van
+de korst worden met verdunde geklutste eijeren bestreken, om eene
+mooije kleur te hebben, en men bakt haar afzonderlijk volgens No. 8,
+om de pastei later met den volgenden ragout te vullen: Een, goed in
+water uitgetrokken, kalfskop wordt met water en eene handvol zout
+opgezet, geschuimd en dan bijna gaar gekookt, met bijvoeging van
+eenige uijen of chalotten, laurierbladen, heele peper en kruidnagelen;
+hiertoe wordt ongeveer 2 1/2 uur vereischt, en dan laat men hem op een
+doorslag uitlekken. Men snijdt het vleesch in langwerpige stukken en
+de tong, waarvan het vel afgetrokken wordt, aan schijven, waarna men
+dit te zamen met wat geraspte citroenschillen, witte peper, en een
+klein eijerlepeltje cayennepeper, in ruim 2 kannen goeden bouillon,
+op zacht vuur, goed toegedekt, verder gaar laat koken. Tegelijkertijd
+heeft men 2 ossenverhemelten gaar gekookt, waarvoor 3 1/2 uur noodig
+is. Ook deze worden in lange repen gesneden en bij het kopvleesch
+gevoegd eer het geheel gaar is, met wat gebrand meel, het sap van
+een citroen, eenige morieljes, truffels, champignons en zwezerik
+(volgens A No. 10-13). De kalfshersens worden afzonderlijk in bruinen
+bouillon (A No. 9) en citroensap gestoofd, eijer- of vleeschballetjes
+(zie balletjes) worden in boter gebraden en ten slotte met 1/4 flesch
+madera bij den ragout gevoegd, op het oogenblik als men er den korst
+mede vult. Dit recept is voor 18 à 20 personen berekend.
+
+10. Pastei van farci. Hiervoor wordt een feuilleté- of boterdeeg
+gemaakt van 7 1/2 ons meel, waarin men de volgende farci in een schotel
+bakt (zie No. 2 laatste opgave): 5 o. rundvleesch, 5 o. kalfsvleesch,
+5 o. mager varkensvleesch en even zooveel spek, worden zeer fijn
+gehakt met 5 lood zout, en dan goed door een gemengd met 8 tot schuim
+geslagen eijeren, notemuskaat, witte peper, eene geraspte en in boter
+gesmoorde uije, wat zeer fijngehakte dragon en basilicum, anderhalf
+ons gestooten beschuit en een paar kopjes witten wijn of water. De
+korst wordt geheel met verdunde eijeren bestreken; de baktijd is 1
+1/2 uur en, als de pastei gaar is, giet men door de gemaakte opening
+kapper-, ansjovis-, oester- of morieljesaus (zie de sausen).
+
+11. Kuikenpastei met ham farci. Voor eene partij van 14 of 18 personen
+rekent men 4 of 5 jonge hanen en 1 pond raauwe ham. De vogels worden in
+vieren gesneden en in braise volgens A No. 36 gereed gemaakt. De ham,
+waaraan niet te veel vet mag zijn, wordt fijn gehakt en vermengd met
+4 eijeren, tot struif geroerd (zie eijergeregten No. 4), een weinig
+geweekt en goed uitgedrukt wittebrood, notemuskaat, gestooten nagelen,
+2 raauwe eijeren, waarvan het wit tot schuim is geklopt, en een half
+kopje gesmolten boter. Men rolt een onderblad van roomdeeg, (Gebakken
+No. 6), legt de helft van de farci er op, en vervolgens de vogels,
+die met de overige farci worden bedekt. Voorts handele men volgens
+No. 5. Men maakt saus van het vet van de braise, van bouillon, gebrand
+meel, wat wijn, citroensap, foelie, kappers, en desverkiezende, gehakte
+ansjovis (volgens A No. 15), waarna men die met eijerdoijers bindt.
+
+12. Engelsche vleeschpastei. Men neemt voor 8 personen 2 1/2 o. meel,
+2 o. boter, 1 ei en een half kopje koud water, en maakt daarvan een
+deeg, dat men goed doorwerkt en dan in twee niet geheel gelijke deelen
+snijdt. Het kleinste gedeelte rolt men uit, snijdt het aan repen van
+drie vingers breed en belegt daarmede den rand van een diepen schotel,
+dien men vooraf met boter heeft besmeerd. Dan neemt men koud gebraden
+vleesch, of gevogelte of allerlei overschot door elkander, en snijdt
+het in stukken; men legt eenige schijven spek op den bodem van den
+schotel, het vleesch daar boven op, met zout, gestooten nagelen en
+citroenschijven er tusschen. Vervolgens worden er een paar kopjes
+bouillon bij gegoten en het andere stuk deeg uitgerold tot een rond
+blad, dat iets grooter dan de schotel is. Dit legt men over het vleesch
+heen en vormt van het overhangende gedeelte een rand. Men bestrijkt
+de geheele pastei met verdunde eijeren, maakt er 2 sneden in voor het
+uitdampen, en bakt haar 1 uur of 5 kwartier; zij moet meer warmte
+boven, dan onder hebben. Deze pastei komt op tafel in den schotel,
+waarin zij is gebakken.
+
+13. Hampastei. Van een p. tarwebloem, 2 o. boter, 1 ei en 5/4
+m. dikken room maakt men een deeg, dat men in verscheiden stukken
+snijdt, waarna men ze zoo dun mogelijk uitrolt. Dan besmeert men een
+vorm of schotel met boter en legt er een blad deeg in, waarop men
+eene laag, ter dikte van een vinger van de volgende farci legt: Een
+soepbord vol gekookte ham, waaraan niet te veel vet is, fijngehakt
+met een uije en dooreengeroerd met 6 geklutste eijeren, 5 m. room,
+benevens wat notemuskaat. Hierop volgt weder een lap deeg en zoo om
+en om, tot men met deeg sluit. Dit wordt een uur in een zeer warmen
+oven gebakken en omgekeerd op een schotel.
+
+14. Macaronipastei. Hiervoor maakt men een feuilleté- of roomdeeg
+van 1 p. meel; 4 o. macaroni wordt met bouillon of kokend water met
+zout zacht gekookt, en op een doorslag gezet om uit te lekken en
+een soepbord vol ham, met eenig vet er aan, zeer fijn gehakt. Dan
+wrijft men ruim 1 ons boter tot zij week is en roert haar dooreen
+met de macaroni, met 8 l. geraspte oude witte of parmesaansche kaas,
+6 eijerdoijers en het tot schuim geslagen wit. Men belegt een vorm of
+schotel met deeg, legt daarop eene laag ham en vervolgens eene laag
+van het mengsel, zoo bij beurten voortgaande. Voorts wordt alles met
+een lap deeg bedekt en de pastei gevormd en gebakken, zoo als bij
+No. 2 laatste opgave gezegd is.
+
+15. Pastei van zee- en riviervisch. Alle soorten van visch worden goed
+geschrapt, uitgehaald en van de graten ontdaan; dan met de lever,
+waarvan de gal zorgvuldig is afgenomen, gewasschen en in stukken
+gesneden. Men laat alles daarna eenige uren met zout bestrooid staan,
+en zet het dan een nacht in marinade, volgens No. 5, waaruit het den
+volgenden dag wordt genomen, met een doek afgedroogd en met een goed
+stuk boter in de pan gelegd, om stijf te worden. Men maakt voorts een
+feuilleté- of boterdeeg van 1 p. meel en de volgende farci: Anderhalf
+p. visch, van vellen en graten gezuiverd, wordt met zout fijngehakt
+(dan blijft zij wit), en dan met gehakte uije even gefruit in de
+boter, waarin de gemarineerde stukken zijn stijf geworden. Daarna
+mengt men het dooreen met ruim 3 o. in koud water geweekt en uitgedrukt
+wittebrood, benevens 3 eijeren, en roert alles op het vuur, tot het van
+de pan loslaat. Als het wat bekoeld is, voegt men er ruim 1 o. zacht
+gewreven boter, nog 3 eijeren, notemuskaat en fijngehakte pieterselie
+bij, en mogt de farci te stijf zijn, dan verdunt men die met wat melk
+of koud water. Nu maakt men de pastei volgens No. 5 in orde, haar om
+en om, met farci en stukken visch vullende. Men geeft er oesters- of
+ansjovissaus bij. Ook maakt men wel eene saus van de marinade, waardoor
+men bouillon, zout, notemuskaat en citroenschijfjes roert; heeft men
+lever of hom van de visch, dan doet men die, aan stukjes gesneden,
+in de saus, en bindt haar ten slotte met eijerdoijers. Men maakt
+van een weinig farci balletjes, die men groen kleurt met spinazie,
+welke door eene zeef is gewreven, en die afzonderlijk in gezouten
+water worden gekookt.
+
+16. Palingpastei wordt gemaakt als No. 15, behalve dat men de graat
+niet uit de visch haalt. Het deeg voor de korst mag voor deze pastei
+niet te vet zijn, en bij gebrek van visch om farci te maken, kan
+men geraspt brood, of gestampte beschuit tusschen de stukken paling
+strooijen.
+
+17. Zalmpastei, in een schotel. De mooten zalm worden eenige uren
+volgens No. 5 gemarineerd en in dat nat even warm gemaakt. Men maakt
+farci volgens No. 15 en van 2 1/2 o. meel een feuilletédeeg; men brengt
+de pastei in orde volgens No. 6, bakt haar 1 1/2 of 2 uren in den oven,
+en dient haar voor met dezelfde sausen als No. 15.
+
+18. Stokvischpastei. Hiervoor maakt men een boterdeeg van 1 p. meel,
+verdeelt het in 2 stukken en rolt die uit. De eene helft legt men
+in een met boter besmeerden en met beschuit bestrooiden schotel of
+vorm. Men plukt een paar soepborden vol gekookte stokvisch, aan kleine
+stukjes; men weekt ruim 3 ons wittebrood in melk en drukt het goed uit;
+men hakt eenige uijen en stampt de korsten die men van het brood heeft
+afgesneden. Nu strooit men op het onderblad eerst de gestampte korst,
+dan legt men er eene laag stokvisch op, vervolgens zout en kleine
+stukjes boter, daarop wat van de uije, van het fijngewreven brood, en
+zoo om beurten tot alles gebruikt is. Vervolgens klopt men 6 eijeren
+met ruim 2 m. melk, wat noot, zout en peper en giet dit zachtjes aan,
+met een lepel over de pastei, die men daarna bedekt met het tweede
+stuk deeg.--De pastei wordt 5 kwartier gebakken, op een warmen schotel
+omgekeerd en alléén of met pieterseliesaus voorgediend.
+
+19. Engelsche vruchtenpastei. Wat het deeg, het vormen en het bakken
+der pastei betreft, kan men zich geheel rigten naar No. 12. Men
+vult haar met in vierdeparten gesneden appelen, waartusschen men
+laagsgewijze, suiker, kaneel en geraspte citroenschillen strooit en
+als de appelen in het voorjaar wat droog zijn geworden, voegt men er
+ook citroenschijven en een paar kopjes witten wijn bij. Men kan dit
+zelfde recept ook voor pruimen of kersen volgen.
+
+20. Het bakken van kleine pasteitjes. Men neemt hiervoor feuilleté-
+of boterdeeg, en behandelt het in kleine vormpjes even als groote
+pasteijen; slechts rolt men het wat dunner uit. Sommigen worden vóór,
+anderen na het bakken gevuld; men moet de farci niet te stijf maken,
+en ze bij middelmatige warmte bakken, terwijl men er dikwijls naar
+zien moet.
+
+21. Ragoutpasteitjes. 2 1/2 o. fijngehakt kalfsvleesch of vleesch van
+gebraden vogels, wordt tot farci gemaakt, met 6 gehakte ansjovis,
+2 lepels kappers, ruim 1 o. boter, 5 eijerdoijers, ruim 1 o. in
+bouillon geweekt en uitgedrukt wittebrood, eenige lepels goeden jus,
+wat zout en het geklopte wit van 2 eijeren. Hiermede vult men de
+pasteikorsten en bakt ze een kwartier.
+
+22. Zwezerikpasteitjes. Voor 4 of 5 personen neemt men eene zwezerik,
+die men volgens A No. 13 prepareert; dan fijnhakt met eenige gefruite
+uijen en dooreenroert met in water of bouillon geweekt en uitgedrukt
+wittebrood, eenige eijeren met de helft van het wit, tot schuim
+geklopt, citroensap en schil, en een goed stuk zacht gewreven
+boter. De pasteitjes worden er vóór het bakken mede gevuld.--Het
+recept van zwezerikballetjes (zie balletjes) is ook zeer fijn om
+hiervoor te gebruiken.
+
+23. Juspasteitjes. Men smelt een steek boter in eene pan en voegt
+daarbij: 5 o. mager ossenvleesch, 5 ons mager kalfsvleesch en een
+stuk ham, zonder vet, alles in stukken gesneden; men smoort het in de
+boter gaar, doet er dan uijen, 2 kleine gele wortelen en eene knol
+seldery (alles gesnipperd) bij, benevens eenige stukjes foelie, 4
+heele nagelen en bouillon. Men laat het koken tot het vleesch zacht,
+en het nat tot op eene halve flesch verkookt is, dat door een doek
+gewrongen, een oogenblik nedergezet en dan van het bezinksel afgegoten
+wordt. Daarop klutst men 12 eijerdoijers, roert den jus daar zachtjes
+aan door, en giet alles door een haarzeef. Met dit vocht vult men,
+ter helft, kleine met boter besmeerde blikken vormpjes, of nog liever,
+hooge porceleinen koppen, die men au bain marie, en met een deksel
+met vuur er op, te koken zet, tot de inhoud stijf is geworden. Dan
+keert men de pasteitjes om op een schotel, en bestrooit ze met magere
+ham en pieterselie, zeer fijn door elkander gehakt. Men kan hiervoor
+allerlei overschot van vleesch gebruiken, en vooral is wild er zeer
+smakelijk voor.
+
+24. Oesterpasteitjes. Een stuk boter wordt zacht gewreven en daarbij
+gevoegd 2 of 3 eijerdoijers, wat citroenschil, foelie en zout; het
+nat van de oesters, gehakte champignons, kappers, gestooten beschuit
+en fijngehakt gebraden kalfsvleesch met goeden jus. Ten slotte roert
+men de helft van het eiwit, tot schuim geklopt, er door, en, mogt de
+massa nog te stijf zijn, dan verdunt men die met melk, bouillon, of
+witten wijn. Hiermede vult men de pasteikorsten en legt boven op in
+ieder 3 of 4 oesters; die in citroensap en geklutste eijeren gedoopt,
+en met zeer fijn gestooten beschuit bestrooid zijn. Zij moeten een
+kwartier bakken.
+
+25. Mince-pies. Deze engelsche pasteitjes dienen voor het dessert en
+worden op de volgende wijze gereed gemaakt: 2 1/2 o. rozijnen zonder
+pitten en evenveel krenten, worden gewasschen, dan goed gedroogd en
+met anderhalf o. niervet fijngehakt. Dit wordt vermengd met eene
+halve geraspte notemuskaat en een kopje rhum. Men legt het op het
+onderblad van het pasteitje, dat niet open is, maar met deeg bedekt
+en zonder staanden rand. Zij worden gebakken en dan als een krans,
+half op elkander liggend, op den schotel geschikt, waarna men er
+rhum overgiet, die men aansteekt en zoo worden zij vlammend op tafel
+gebragt.--Sommigen verkiezen het volgende mengsel te gebruiken: 2 1/2
+o. rozijnen, 2 1/2 o. krenten, 2 1/2 o. suiker, 4 1/2 o. gesnipperde
+zure appelen, 1/2 noot, 3 1/2 l. sucade en 1 kopje rhum; overigens
+als boven behandeld.
+
+26. Garnalenpasteitjes. De garnalen worden gestoofd, met eijerdoijers,
+melk, een weinig boter en wat notemuskaat. Hiermede worden de
+pasteitjes gevuld en gebakken. Men kan ook zeer goed kleine broodjes
+uithollen, ze van binnen met boter besmeeren en met de gestoofde
+garnalen vullen, om ze daarna langzaam in den oven, op een braadschotel
+met boter te bakken.
+
+27. Broodpasteitjes. Kleine broodjes worden uitgehold en gevuld met
+eene farci van vleesch of ham, fijn dooreengehakt met noot, zout,
+boter, eijeren, pieterselie en chalotten; dan in den oven gebakken.
+
+
+
+
+
+
+
+G. VISCH EN SCHELPDIEREN.
+
+
+1. Algemeene regelen. Alle ongezouten visch moet zoo versch mogelijk
+worden gegeten, en het is het best als zij op het strand terstond
+gedood en gekorven is. Versche visch kan men daaraan kennen, dat de
+oogen en de schubben glanzig, en de kieuwen helder rood zijn.--Wanneer
+men visschen eenige uren bewaren wil, moet men de kieuwen er uit nemen,
+en ze dan in een natten doek, op eene koude plaats, maar volstrekt
+niet in het water leggen.--Vóór het gebruik moet de visch goed
+worden geschrapt, en de ingewanden er uitgenomen, waarbij men zeer
+voorzigtig de gal van de lever moet snijden, zonder dat zij breekt,
+want de bittere smaak die daardoor ontstaat, is zelfs met wasschen
+niet weg te nemen. Dan worden de visschen zoolang van binnen en van
+buiten gewasschen tot het water er helder afkomt, en vervolgens,
+als het noodig is, in stukken gesneden.--Als men groote visschen in
+hun geheel op tafel wil brengen, moet men ze in den vischketel op
+een blikken plaat leggen, waaraan hengsels zijn, om er die te kunnen
+uitligten, en zoo de gekookte visch op den schotel te schuiven.--Het
+water wordt eerst gekookt, dan gezouten, en vervolgens doet men de
+visschen er in, die vlug koken moeten en wel goed gaar, maar toch niet
+week mogen worden; men kan de proef nemen met aan de vinnen te trekken,
+en als die gemakkelijk loslaten, zijn de visschen gaar; men laat ze
+nog eenige minuten, afgenomen, in het water staan, opdat zij des te
+beter het zout opnemen. De maat van zout kan men bepalen door met
+den vingertop even in het water te voelen: als men zich niet brandt,
+dan is er zout genoeg in.--Alle visch, die men niet met het water
+op tafel brengt, moet worden opgedaan op een diepen schotel, waarin
+een legger met gaten ligt, zoodat zij droog uitlekken kan.--Visch die
+koud met olie en azijn gegeten wordt, late men niet in het water koud
+worden, maar men neemt ze er uit, tot het nat bekoeld is: dan kan
+men ze er weder inleggen en op eene koude plaats zetten tot men ze
+gebruikt.--Het bakken van visch moet in eene open pan vlug gebeuren,
+en men discht ze warm op.--In de volgende maanden zijn de verschillende
+vischsoorten het best: zalm en aal, van Junij tot Augustus; karper, van
+September tot April; snoek van Februarij tot April; tongen en tarbot,
+gedurende de zomermaanden; schelvisch, van September tot Januarij;
+kabeljaauw, van Februarij tot Mei; schol, van April tot Junij; rog,
+in Julij en Augustus; paling, van April tot October; baars en bot,
+van Mei tot September; elft in Maart en April.
+
+2. Gekookte zalm. De goed gewasschen mooten worden eenvoudig in water
+met zout gekookt, of men kookt terstond in het water het volgende mede:
+een scheut azijn, wat heele peper, nagelen, een paar laurierbladen
+en citroenschil, en, des verkiezende, een weinig rozemarijn. De visch
+wordt er in gelegd, geschuimd en gedurende 5 minuten gekookt. Wil men
+haar warm eten, dan laat men haar nog een kwartier in het water staan
+en presenteert er gewelde boter en gehakte pieterselie bij.--Moet zij
+koud worden gebruikt, dan geeft men haar met olie, azijn en gehakte
+pieterselie.--Voor zalm neemt men minder zout dan voor andere visschen.
+
+3. Zalm met gele saus. De visch wordt gekookt, opgedaan, en dan
+giet men er de volgende saus overheen: Ruim 2 m. witte wijn, half
+zoo veel water, een goed stuk boter, 2 citroenschijven, wat foelie
+en een theelepeltje vol aardappelmeel worden te zamen gekookt en dan
+met eenige eijerdoijers gebonden; ook voegt men er kappers bij.
+
+4. Gebraden zalm. Men laat boter smelten, en doet daarin fijn gehakte
+pieterselie; chalotten, kappers en dragon, met wat peper en een weinig
+citroensap. Dit zet men te vuur, en als het warm geworden is, legt men
+de zalm er in, om er 2 uren, onder gestadig omkeeren, zonder braden
+in te blijven liggen. Vervolgens maakt men boter in de koekepan warm
+en braadt de visch daarin 10 minuten, terwijl men die aan alle zijden,
+door middel van eene penneveêr, met de marinade bestrijkt.--Voor saus
+neemt men de overige marinade met een paar glazen witten wijn, eenige
+lepels bouillon en wat citroensap, opgekookt en met een eijerdoijer
+gebonden.
+
+5. Gemarineerde zalm. Dunne mooten zalm, ter dikte van een duim, legt
+men een uur in het zout. Dan worden zij afgedroogd, met Genua-olie
+bestreken en, het best op een rooster, vlug gaar gebraden. Men legt ze
+daarna in een aarden pot, en giet er de volgende saus, die eerst koud
+moet worden, overheen: 1 k. azijn, 1 1/2 l. zout, 2 citroenschijven,
+2 laurierbladen, dragon en een weinig witte peper.--Men bindt den
+pot goed digt en kan de visch zoo bewaren.
+
+6. Gekookte paling. Men giet wat azijn over de aan mooten gesneden
+paling, en legt ze dan in kokend water, waarin men een scheut azijn,
+wat zout, laurierbladen, citroenschijven, chalotten, heele peper,
+nagelen en een klein stukje boter heeft gedaan. Na verloop van
+hoogstens een kwartier neemt men ze er uit en geeft ze warm op tafel,
+met boter en mosterd of met eene saus van mierikswortel (zie de
+sausen). De maat van zout is als voor zalm. Men kan de paling ook
+koud gebruiken, maar dan neemt men, om ze te koken, half water en
+half azijn; overigens dezelfde kruiderijen. De schotel wordt dan
+versierd met hardgekookte eijeren, augurken, bieten en citroen,
+alles aan schijfjes gesneden, benevens kappers en pieterselie. Er
+wordt remouladesaus (zie de sausen) bij gepresenteerd, of olie,
+azijn en mosterd.
+
+7. Gestoofde paling. De mooten worden een uur, met zout bestrooid,
+weggezet, dan afgespoeld en in een schotel gelegd, met eenige kopjes
+bouillon, eenige citroenschijfjes, wat gestooten foelie en beschuit;
+vervolgens toegedekt, en een uur lang, zacht gaar gesmoord.
+
+8. Gebakken paling. Men laat de mooten een nacht, met zout bestrooid,
+staan, zet ze uit te druipen en wentelt ze in gestampte beschuit,
+waarna men ze met boter in de koekepan bakt.
+
+9. Opgerolde paling. Men snijdt de mooten niet te klein, neemt er de
+graat uit, legt ze open en strooit er wat zout op. Dan maakt men een
+vulsel van 4 of 5 hardgekookte eijeren, pieterselie, chalotten, thym en
+mariolein (alles gehakt), notemuskaat en zout. Dit goed dooreengeroerd
+zijnde, besmeert men de binnenzijde van de moot daarmede, rolt haar op,
+en bindt er een draad omheen.--Men smelt boter in eene braadpan, zet de
+rollen daar regtop in, en braadt ze aan alle kanten lichtbruin. Wil men
+ze koken, dan geschiedt dit alleen in gezouten water, en men bindt de
+mooten in een doek. Men kan dit geregt, naar verkiezing, warm of koud
+op tafel geven; in het laatste geval snijdt men de mooten aan schijven,
+en dient ze met remouladesaus of sauce à la diable (zie de sausen).
+
+10. Paling in saus. De mooten worden eenige uren in zout gezet en weder
+afgespoeld. Voor 2. p. paling neemt men 1 lepel meel, dat men fruit
+in 6 1/2 l. boter; hierbij voegt men bouillon, citroenschijven zonder
+schil, 1 laurierblad en wat madera of witten wijn. Hierin kookt men den
+paling gaar, doet ze op een gewarmden schotel, en roert dan morieljes,
+kappers of champignons door de saus, die men met eijerdoijers bindt en
+over de visch giet. Men legt een rand van feuilletédeeg op den schotel.
+
+11. Gemarineerde paling. Men snijdt den paling aan mooten, wascht
+ze goed, en zet ze gedurende een nacht, met zout bestrooid, in den
+kelder. Den volgenden dag schikke men de mooten regtop en niet te
+los, aan lagen, in een keulschen pot, tusschen de lagen legt men
+spaansche peper, zonder de pitten; peperkorrels, laurierbladen,
+foelie en dragon. Men vulle den pot met kouden azijn, en late hem,
+au bain marie, koken tot de paling gaar is; men zette er onder het
+koken een passend schoteltje op en make den pot later, als hij koud
+is, met eene blaas digt.
+
+12. Blaauwe karper. Alle visschen die men blaauw wil koken, mogen
+niet worden geschrapt, maar slechts uitgehaald, wat men voorzigtig
+moet doen en ze daarbij zoo weinig mogelijk aanraken, opdat de
+lijmigheid van de schubben, waardoor de blaauwe kleur ontstaat,
+er niet afgewreven worde. Men doet best den visch op een natgemaakt
+hakbord te leggen, terwijl men hem schoonmaakt en snijdt. De karper
+wordt opengespleten en elke helft in 3 stukken gesneden; men spoelt
+ze af, legt ze op een vlakken schotel, giet er heeten azijn over,
+en laat ze toegedekt, zonder er aan te komen, een halfuur liggen;
+dan worden zij blaauw. Men hangt water over, met zout, een uije,
+eenige laurierbladen, peperkorrels en nagelen; werpt, als het hard
+kookt, den visch met den azijn er in, en laat dien er 6 minuten,
+goed toegedekt, in blijven. Dan neemt men den ketel af, al kookt de
+visch ook niet, en geeft ze warm op tafel, met boter en pieterselie
+of met mierikswortel.--Voor karpers is veel zout noodig.
+
+13. Karper met wijnsaus. De visch wordt geschrapt, uitgehaald, gesneden
+en gewasschen; men vangt het bloed op in een weinig azijn. Daarna legt
+men de stukken in eene kasserol met zout, gesneden uije, grofgestooten
+peper en nagelen, citroenschijven en een enkel laurierblad aan
+stukjes geplukt, terwijl men er wat dun wit bier of water bijgiet,
+benevens zooveel rooden wijn, dat de visch bedekt is. Men neemt er
+zooveel mogelijk het schuim af, voegt er een goed stuk boter en een
+weinig gestooten beschuit bij en laat alles zacht koken. Even vóór het
+opdoen, roert men het bloed en, desverkiezende, een weinigje suiker
+door de saus; men legt den visch op een schotel en giet de saus door
+eene zeef er over.
+
+14. Gemarineerde karper. De visch wordt gereinigd, in stukken gesneden
+en met zout ingewreven, waarmede men hem eenigen tijd laat staan,
+waarna hij met Genuaolie bestreken en op den rooster langzaam gaar
+gebraden wordt. Daarna laat men hem koud worden, kookt azijn met
+citroenschil, chalotten, heele peper, nagelen, foelie, wat zout en
+eenige laurierbladen, en giet de saus, als die ook koud is, er over.
+
+15. Gekookte baars. Bij het uithalen van de baars laat men de lever
+en de hom er in blijven. Men kookt de visch omstreeks 10 minuten in
+gezouten water, met bosjes pieterselie en eenige pieterseliewortels
+erbij. De visch komt op tafel in een diepen schotel, met het water
+waarin hij gekookt is en met de pieterselie en wortels er tusschen. Men
+presenteert er dunne boterhammetjes met zoet roggebrood bij.
+
+16. Blaauwe snoek. Men bindt de uitgehaalde visschen met den staart aan
+den kop, zonder ze veel aan te raken, maakt ze blaauw volgens No. 12,
+en kookt ze iets langer dan karper. Men doet ze op met pieterselie op
+den rand van den schotel, en geeft er saus van mierikswortel bij. De
+lever wordt er bij gekookt.
+
+17. Snoek op saksische manier. De visch wordt geschrapt, schoongemaakt,
+in stukken gesneden, in gezouten water gaargekookt en gediend met wit
+en geel van harde eijeren, benevens gehakte pieterselie, die netjes
+op een schaaltje worden geschikt, en met gebruinde boter.
+
+18. Gestoofde snoek wordt in orde gebragt volgens No. 17, dan 5
+minuten gekookt en in een schotel gelegd met de volgende saus erover,
+om 1/4 uur zacht te stoven: kappers met witten wijn, wat vischwater,
+citroensap en schil, een goed stuk boter en een weinig geraspt
+wittebrood, te zamen gekookt, vóór dat het over den visch wordt
+gegoten. Vóór het opdoen, wordt de saus met een eijerdoijer gebonden.
+
+19. Gelardeerde snoek. Men neemt hiervoor een grooten snoek, reinigt
+hem en trekt het vel er af; dan lardeert men den rug, strooit er wat
+zout over en bakt hem in rijkelijk boter, onder gestadig bedruipen,
+gedurende 1 1/2 uur in den oven. Vervolgens strooit men wat geraspt en
+gezeefd brood over den visch, voegt er gaandeweg 2 kopjes melk bij,
+en giet er, even vóór het opdoen, wat gebruinde boter over. De saus
+wordt, even als jus, met wat water door elkaâr geroerd.
+
+20. Snoek met eijersaus. De snoek wordt rond gebonden en met half
+azijn, half koud water, wat uijen, pieterseliewortel, 2 laurierbladen,
+heele peper en het noodige zout, in eene niet te groote pan op het
+vuur gezet en gekookt. Gaar zijnde, wordt hij op een gewarmden
+schotel gelegd, met de volgende saus er over: 10 eijerdoijers,
+geklutst met ruim 6 m. goeden bouillon, en dooreengeroerd met een
+lepel meel die in gesmolten boter is fijn gemaakt; dit alles roert
+men tot het kookt, voegt er dan champignons volgens A, No. 12 bij,
+benevens wat citroensap.
+
+21. Gefarceerde snoek. Anderhalf p. visch, half snoek, half paling,
+wordt gaar gekookt. Men zoekt er goed de graten uit, hakt de visch
+fijn en roert ze dooreen met 6 gestooten beschuiten, 2 eijerdoijers,
+1 1/2 kommetje gesmolten boter en, naar verkiezing, wat gehakte uije
+of het sap van een halven citroen. Vervolgens laat men het 1 1/2 uur
+stoven en geeft er kapper- of citroensaus bij.
+
+22. Aal wordt aan vingerlange mooten gesneden; deze mooten regtop in
+een schoteltje gezet en gestoofd met boter, citroensap en gestooten
+beschuit.
+
+23. Lamprei marineert men als karper (zie No. 14). Op andere wijze
+wordt zij zelden gebruikt.
+
+24. Elft kookt men in gezouten water en eet ze met pieterseliesaus;
+men kan ze marineren als paling (zie No. 11).
+
+25. Garnalen moeten levend met koud water en zout worden overgehangen
+en gaarkoken; dan roert men er in met een gloeijenden pook om ze rood
+te maken.
+
+26. Tong moet fijn gekorven worden, in water met zout gekookt en met
+pieterselie- of eijersaus gegeten.
+
+27. Schelvisch moet fijn gekorven en rond gebonden worden, in water met
+zout gekookt; men geeft er mosterdsaus bij. De lever wordt afzonderlijk
+in eene sauskom met vischwater opgedaan en gepresenteerd op sneedjes
+geroosterd brood gesmeerd, met boter, mosterd, peper en zout er over.
+
+28. Tarbot wordt aan mooten van een paar vingers dik gesneden; voorts
+gekookt en gebruikt als schelvisch.
+
+29. Kabeljaauw als tarbot.
+
+30. Gestoofde kabeljaauwstaart. De staart wordt gekookt, dan de graat
+er uitgenomen en de beide helften naast elkaâr in een schotel gelegd
+en gestoofd met een weinig van het vischwater, een glas witten wijn,
+goed wat boter, notemuskaat en citroenschijfjes, die men op den visch
+legt. Men bestrooit dien met gestooten beschuit en legt er kleine
+aardappels rondom heen. Dit geregt wordt in denzelfden schotel op
+tafel gebragt. Zeer fijn is het, om over een kabeljaauwstaart een
+oestersaus te geven. Men giet hiertoe, als de visch gaar gestoofd
+is, het nat er af, maakt wat meel en boter tot eene gebonden saus,
+waardoor men de oesters roert, voegt dit bij het nat en bindt het
+met 4 of 5 eijerdoijers. Men legt dan geene aardappels bij den visch.
+
+31. Schol kerft men niet te fijn; kookt ze in water met zout, waarin
+men een scheut azijn giet, om den visch hard te krijgen, en dient
+hem warm met zuringsaus, of koud met olie en azijn.
+
+32. Gebakken schol. Men wentelt den visch in meel, bakt hem met
+olie en laat hem koud worden op een papier, dat men op turven legt;
+op een schotel wordt hij week.
+
+33. Gebakken tongen en bot behandelt men als schol.
+
+34. Bliek kookt men in water met zout en eet ze met mosterdsaus.
+
+35. Gekookte steur. Als een steur is uitgehaald, moet men hem niet
+terstond eten, omdat hij dan nog taai is, maar men moet hem, in
+een doek geslagen, een paar dagen op de steenen in den kelder laten
+liggen. Vóór het gebruik wrijft men hem nog eenige malen met zout
+en water af en snijdt hem, naar gelang van zijne grootte, in 5 of
+meer stukken, die men na het koken, des verkiezende, in nog kleiner
+stukken verdeelt. Men hangt daarop den visch over, met koud water en
+werpt daar eene handvol brandnetels in--dit bevordert het zacht worden
+en trekt er de tranigheid uit--laat hem langzaam aan de kook komen,
+en dan onder gedurig schuimen 1 1/2 uur zacht koken. Vervolgens
+legt men hem in versch kokend water, met ongeveer 6 uijen, 1 1/2
+lood nagelen, 1 1/2 lood heele peper, benevens een bouquet garni,
+en zoo laat men hem nog een uur zachtjes koken, terwijl men het vet
+er zorgvuldig moet afscheppen. Het zout wordt er eerst dan bijgedaan,
+als de visch gaar is, en men laat hem nog een poosje in het nat liggen,
+nadat men hem heeft afgenomen. Nu maakt men de stukken zoo klein als
+men wil en geeft ze op tafel met mosterd- of pieterseliesaus.
+
+Het overschietende kan men in het vischwater, met wat azijn vermengd,
+verscheidene dagen bewaren en dan gebruiken met olie, azijn, peper
+en mosterd. Men kan die stukken ook in geklutste eijeren, met peper
+en gehakte chalotten doopen, daarop in gestooten beschuit wentelen
+en met boter in de pan bakken.
+
+36. Stokvisch koken. Zoogenaamde leng is beter dan rondvisch. Men
+snijdt eene leng in 3 of 4 stukken en zet die een nacht vóór dat men
+ze wil gebruiken in koud water; schrabt er de zwarte schubbetjes
+af en strooit op ieder stuk wat zout, rolt het stijf op en bindt
+het vast, waarna men ze 3 uren zachtjes kookt. Men presenteert er
+rijst, aardappelen en schijven gebakken uije bij, benevens boter-
+of mosterdsaus.--Van de visch die overblijft, kan men ook een
+lekkeren schotel maken, door ze te stoven met in boter gekookte uije,
+fijngewreven aardappelen, zout, peper en melk.
+
+37. Labberdaan of zoutevisch zet men eenige uren in water, om uit te
+trekken, kookt ze zacht, zonder zout, en dient ze met pieterseliesaus
+bij jonge wortelen.
+
+38. Gekookte bot. Men kookt de bot als baars (No. 15) en kan ze op
+dezelfde manier in het water opdoen. Echter wordt zij ook gebruikt
+met zuring-, eijer- of botersaus, met citroensap en mosterd.
+
+39. Makreel wordt een uur lang in sterk gezouten water, met een scheut
+azijn gelegd; dan bindt men de visschen rond en giet er heeten azijn
+over, waarna men ze in den ketel legt, waarin men water met uije,
+dragon, thym, basilicum, peper en nagelen gekookt heeft, en laat
+ze, onder gedurig schuimen en bijgieten van azijn, daarin eenige
+minuten koken. Om ze te marineren, kookt men ze op dezelfde wijze,
+maar neemt half water en half azijn; men neemt ze, gaar zijnde,
+uit het nat en legt ze, als alles koud is, er weder in, om ze te
+bewaren. Men presenteert ze met olie, azijn en pieterselie.
+
+40. Spiering. Men kan spiering gekookt met eijersaus geven, of men
+kan ze bakken in de koekepan. Zij moeten in meel worden gewenteld en
+er moet veel boter of olie voor worden gebruikt.
+
+41. Beignets van visch. Overgebleven visch hakt men fijn en roert
+ze dooreen met goed wat gesmolten boter, eenige eijeren, wat zout,
+notemuskaat, citroenschil en geraspt wittebrood. Men maakt van
+deze farci langwerpige vierkante stukjes, wentelt die in geklutste
+eijeren en daarna in gestooten beschuit, om ze met boter in de pan
+te bakken. Men legt gebakken pieterselie op den schotel.
+
+42. Caviaar broodjes. Men roostert dunne sneden brood en besmeert
+die met caviaar.
+
+43. Ansjovisbroodjes. Sneedjes wittebrood worden geroosterd; dan in
+melk en eijeren geweekt en vlug in boter gebakken. Men besmeere ze
+daarop met de onderstaande kruidensaus en legt er ansjovis op. Deze
+sneedjes schikt men als rand, half over elkander, om een schotel,
+en midden in legt men kalfsoogen (zie eijergeregten), waarna men
+de overige saus over alles heen giet. Voor de saus neemt men 4
+hardgekookte eierdoijers, zeer fijn gehakte dragon, pieterselie en
+pimpernel, ruim 1 m. bouillon, 2 lepels Genuaolie, 2 lepels wijnazijn,
+kappers, mosterd en peper; alles goed dooreengeroerd.--Men kan ook
+het voorschrift in A, No. 15 gegeven, volgen.--Ook kan men op de
+gebakken sneedjes brood de twee helften van eene ansjovis leggen,
+gescheiden door een streepje gehakte pieterselie en aan weêrszijden
+wat van de fijngemaakte eijerdoijers. Men moet er dan olie en azijn
+bij presenteren.
+
+44. Gemarineerde haring. De haringen worden, naar gelang zij zout zijn,
+2 of 6 uren in water en melk geweekt, dan uitgenomen, in versch water
+afgespoeld en op een doorslag gelegd om uit te druipen. Vervolgens
+legt men ze in een steenen pot aan lagen met heele chalotten, nagelen,
+kappers, peper, citroenschijven en eenige laurierbladen er tusschen,
+waarop men ze met azijn begiet tot zij onderliggen.
+
+45. Bokking wordt uitgehaald, van de graat ontdaan en dan opengelegd,
+met zout en peper ingewreven en in de koekepan gebakken.
+
+46. Gebakken oesters. Men druppelt een weinig citroensap op de oesters,
+wentelt ze in geklutste eijeren, met wat foelie; daarna in gestooten
+beschuit, en bakt ze dan een oogenblik in boter, maar niet te lang,
+daar zij dan hard zouden worden.
+
+47. Mosselen. Als de mosselen afgeboend en gewasschen zijn, giet men
+er wat melk over, die zij inzuigen en waardoor zij lekker worden. Dan
+schudt men ze in een net, en legt ze zoolang in hard kokend, gezouten
+water, tot de schelpen zich openen. De mosselen worden daarop uit de
+schelp genomen en gediend met boter, mosterd en citroenen.
+
+Daar er onder de mosselen dikwijls vergiftige zijn, kookt men
+er gewoonlijk slechts weinig te gelijk, en men legt er een zilver
+lepeltje bij, dat zwart wordt, indien zich eene slechte mossel bij
+het kooksel bevindt, dat dan geheel moet worden weggeworpen.
+
+
+
+
+
+
+
+H. WARME PUDDINGS.
+
+
+1. Algemeene regelen. De vorm dien men gebruiken wil, moet, als hij
+niet meer nieuw is, met water gevuld worden om te onderzoeken of hij
+goed digt is, want ook de kleinste opening zou den pudding geheel
+doen mislukken. Daarop moet hij zeer droog worden uitgeveegd en zonder
+eene enkele plaats over te slaan, met boter besmeerd en met gestooten
+beschuit of broodkorst bestrooid worden. Ook is het van zeer veel
+belang, dat hij na het gebruik terstond goed worde gereinigd en droog
+weggezet.--De massa, die men voor een pudding gereed maakt, moet goed
+geroerd worden en het eiwit, dat men er in gebruikt, moet tot schuim
+geslagen, er het laatst in gedaan worden. Men vult den vorm voor drie
+vierde gedeelten, maar, als er gist in het beslag komt, slechts ruim
+half, en daarna moet hij goed gesloten en terstond in een ketel met
+water worden gezet, dat voor gistpudding laauw en voor anderen warm
+moet wezen; het mag slechts zóó hoog in den ketel staan, dat het onder
+het koken niet over den sluitrand van den vorm kan bruisen, daar het
+binnendringende water het rijzen van den pudding zou beletten. Het moet
+onafgebroken koken, en voor het bijgieten gebruikt men steeds kokend
+water; men giet het van ter zijde langs den vorm, en stoote vooral
+niet aan den ketel, daar hierdoor de pudding zou neêrslaan. Ten einde
+het openspringen van den vorm, dat somtijds gebeurt, te voorkomen,
+legt men een paar gewigten op het deksel.--Bij een pudding waarin gist
+is gebruikt, moet men den vorm, nadat hij uit den ketel is genomen,
+een oogenblik stil laten staan en dan zeer voorzigtig openen.
+
+2. Plumpudding. 5 eijeren, het wit tot schuim geklopt, 6 l. gesmolten
+boter, 2 1/2 o. bloem, 12 l. fijngehakt niervet, 2 1/2 o. krenten,
+2 1/2 o. rozijnen zonder pitten, 6 1/2 l. suiker, 4 l. sucade,
+4 l. oranjesnippers, 1/2 notemuskaat, 1/2 bierglas brandewijn,
+1/2 bierglas witten wijn en een weinig zout.--De pudding moet 4
+uren koken; bij het opdoen met arak overgoten, die men aansteekt en
+brandend op tafel brengt. Men geeft er rhumsaus bij. Deze pudding kan,
+zonder dat het hindert, den vorigen dag worden geroerd en in den vorm
+blijven staan. Volgens een ander recept, kan men de tarwebloem door
+even zooveel gestooten beschuit vervangen.
+
+3. Rolipoli. 5 o. bloem, 2 1/2 o. boter, 1 ei, 1 lepel suiker,
+een weinig zout en een klein kopje koud water, wordt tot een
+goed deeg gekneed en tot een langen lap van een halven duim dikte
+uitgerold. Dezen bedekt men met versche of ingemaakte vruchten, ook wel
+met fijn vruchtenmoes, en rolt hem in de lengte op; daarna drukt men
+het deeg aan beide zijden digt en slaat de rol in een schoonen doek,
+waarin men haar in kokend water legt, om 2 volle uren onafgebroken
+te koken. Men snijdt haar bij het voordienen aan schijven en geeft
+er suiker bij, desverkiezende, kan men haar ook koud gebruiken.
+
+4. Engelsche appelpudding. 5 o. bloem, 2 1/2 o. fijngeschrapt niervet
+en twee volle lepels gemberpoeder, wrijft men goed dooreen en verwerkt
+het met ruim 1 m. koud water tot een stevig deeg, dat niet aan de
+handen kleeft. Daarna rolt men het uit tot een rond blad en legt
+het op een doek, waarop eenig meel is gestrooid; dan vult men het
+met vierdeparten zure appelen, met suiker en eenige heele nagelen er
+tusschen; men slaat het blad daarover te zamen en knijpt het stevig
+digt. De doek wordt er om heen gebonden, en zoo kookt men den pudding
+1 1/2 of 2 uren onafgebroken in kokend water. Men presenteert er
+suiker bij.
+
+5. Engelsche krentenpudding. 5 o. bloem, 2 1/2 o. geschrapt niervet
+en eenig zout mengt men dooreen; dan worden 3 sterk geklutste eijeren,
+ruim 2 m. melk, 6 1/2 l. suiker, bijna 2 o. krenten, evenveel rozijnen,
+wat kaneel of nagelen, en, het laatst, 1 glas rhum er doorgeroerd
+en alles in een vorm 4 of 6 uren gekookt. Men geeft er wijn- of
+rhumsaus bij.
+
+6. Rijstpudding met bitterkoekjes. 2 1/2 ons rijst wordt vooraf
+gebroeid en dan in ruim 1 k. melk, met wat citroen schillen en
+pijpkaneel, langzaam gaar en stijf, maar niet papperig gekookt. Als
+zij wat bekoeld is, roert men er ruim 1 o. gesmolten boter, evenveel
+suiker, 10 eijerdoijers en het tot schuim geklopte wit door. Dit
+mengsel legt men laagsgewijze, met 2 1/2 ons bitterkoekjes er tusschen,
+in den vorm en kookt het 2 1/2 uur. Er wordt schuimsaus bij gegeven.
+
+7. Griesmeelpudding. 3 o. 8 l. griesmeel, 7 m. melk, ruim 1 o. boter,
+evenveel gezifte suiker, 12 eijeren en 1 geraspte citroenschil zijn de
+bestanddeelen van dezen pudding. De helft van de melk wordt gekookt
+en met het overige roert men het griesmeel, dat daarop, met de helft
+van de boter, bij de kokende melk wordt gevoegd en zoo lang geroerd
+tot het van de pan loslaat. Dan smelt men de rest van de boter, en
+roert die met de eijerdoijers, de suiker en het geklopte eiwit door
+het eenigzins bekoelde meel. De pudding moet bijna 3 uren koken en
+terstond op tafel worden gebragt, daar hij, koud wordende, neerslaat
+en te vast wordt. Men geeft er schuim-, rhum- of rooden wijnsaus bij.
+
+8. Pudding van gemalen rijst. 2 o. rijstmeel, 5 m. melk, 1 o., 3
+l. krenten, 1 o. boter, 1 o. suiker, 6 eijeren en een theelepeltje
+kaneel; alles behandeld volgens No. 7.
+
+9. Kabinetspudding. Hiervoor gebruikt men 1 o., 3 l. bloem, evenveel
+suiker, evenveel boter, ruim 2 m. melk, 10 eijeren, het sap van 1
+citroen, 3 l. oranjesnippers, 6 l. grof gestampte bitterkoekjes,
+1 o. krenten en 1 o. rozijnen zonder pit.--Het meel wordt in de melk
+zeer gelijk gemengd en met de helft van de boter op het vuur geroerd,
+tot het van de pan loslaat; dan smelt men de overige boter en roert
+die met het andere en het geklopte eiwit door het meel. Men kookt
+dezen pudding 2 1/2 uur en geeft er schuimsaus bij.
+
+10. Figaro pudding. Men neemt 3 o., 7 l. rijstmeel, bijna 7 m. melk,
+1 1/2 ons boter, 14 eijeren en 1 o., 8 l. gezifte suiker. De rijst
+wordt met de melk en de helft van de boter gaar en zeer stijf gekookt;
+als ze bekoeld is, roert men er de rest van de boter en het overige in
+en verdeelt alles in 4 gelijke deelen; het eerste gedeelte kleurt
+men bruin met geraspte chocolade en kruidt het met vanille: het
+tweede kleurt men met een weinig spinaziesap en er worden eenige
+druppels oranjewater in gedaan; bij het derde voegt men een weinig
+cochenille en citroenschil, terwijl het vierde wit blijft. Het tot
+schuim geklopte eiwit wordt ook in vieren verdeeld en afzonderlijk
+in elk der vier porties geroerd, die men nu aan lagen op elkander in
+den goed besmeerden, maar niet met beschuit bestrooiden vorm legt en
+2 1/2 uur laat koken. Men geeft er wijnsaus bij.
+
+11. Krentenpudding. Ruim 1 o. boter wordt met 2 1/2 o. bloem
+dooreengeroerd; dan bij kleine stukjes te gelijk in 6 m. kokende
+melk geworpen en zoo lang geroerd tot het van de pan loslaat. Men
+laat het kooksel bekoelen en voegt er dan bij: 8 eijerdoijers, 3
+volle lepels suiker, een geraspte citroenschil of 1/2 notemuskaat,
+2 1/2 ons krenten, 1 o., 8 l. geraspt oudbakken wittebrood, en het
+laatst het geslagen eiwit, benevens een halven kelk rhum. Men kookt
+den pudding bijna 3 uren en dient hem met schuimsaus.
+
+12. Witte sagopudding. 2 o. sago wordt in melk gaar en dik gekookt;
+als zij wat verslagen is, vermengd met 1 o., 2 l. boter evenveel
+suiker, wat kaneel en citroenschil, 1 1/2 ons gestooten beschuit,
+10 eijerdoijers en het geklopte eiwit; daarop 2 1/2 uur gekookt en
+met rhumsaus gegeven.
+
+13. Bruine sagopudding. 1 o., 2 l. bruine sago wordt eenige malen
+koud en dan warm gewasschen; daarop gaargekookt met half rooden wijn,
+half water en, bekoeld zijnde, vermengd met 9 l. gesmolten boter,
+6 eijerdoijers, 6 1/2 lood gestampte beschuit, 1/2 kopje room, 1 o.,
+2 l. suiker, wat kaneel, citroenschil en het geslagen eiwit. Men
+kookt den pudding 2 uren en geeft er schuimsaus bij.
+
+14. Portugeesche pudding. 7 1/2 o. oudbakken wittebrood wordt
+van de korsten ontdaan, in melk wat geweekt en weder uitgedrukt;
+vervolgens met 6 1/2 l. ossenmerg en evenveel boter te vuur gezet
+en fijngeroerd. Als het bekoeld is roert men er 10 eijerdoijers,
+1 o. suiker, het sap en de schil van 1 citroen, 1 o. rozijnen zonder
+pit, evenveel krenten en ten slotte het tot schuim geslagen wit van
+8 eijeren, benevens 1 kelk rhum door. Deze pudding moet 2 uren koken
+en met schuimsaus gediend worden.
+
+15. Zwampudding. Men neemt 2 o. bloem, 12 eijeren, 1 o., 3 l. boter,
+evenveel suiker, de schil van 1 citroen en 2 1/2 m. melk. Men behandelt
+den pudding volgens No. 11; kookt hem 2 1/2 uur en geeft er schuim-,
+rooden wijn- of vruchtensaus bij.
+
+16. Vermicellipudding. Men neemt 5 m. melk, 1 o. 3 l. boter, evenveel
+suiker, 2 o. vermicelli, 1/2 citroenschil, 6 1/2 lood gestooten
+amandelen, waarbij 6 bittere, 1 theelepeltje foelie en 12 eijeren. De
+melk, de suiker en de helft van de boter worden aan het koken gebragt,
+dan de vermicelli er ingedaan en alles geroerd tot het van de pan
+loslaat. Vervolgens het overige in het bekoelde beslag geroerd, met
+het geslagen eiwit. De pudding moet 2 1/2 uur koken en men geeft er
+wijn- of bessensaus bij.
+
+17. Biscuitpudding. 3 o., 7 1/2 l. biscuit legt men in den vorm,
+klopt dan 10 eijeren met wit en roert die door 7 m. melk met wat
+gestampte vanille. Deze saus giet men over de biscuit en men kookt
+den pudding 2 uren, terwijl men bij het opdoen zorgt, dat hij niet
+op eene togtige plaats staat. Men kan hem ook koud op tafel geven,
+en dan laat men hem in den vorm staan om goed te bekoelen, daar hij
+dan minder ineenzakt. Men geeft er vanille- of schuimsaus bij.
+
+18. Amandelpudding. Deze pudding kan men warm of koud geven. 3 o.,
+7 1/2 l. oudbakken wittebrood wordt in melk geweekt en uitgedrukt;
+dan dooreen geroerd met 1 ons boter, 10 eijerdoijers, 2 ons suiker,
+het sap en de schil van 1 citroen, 2 1/2 ons gestooten amandelen
+en het geklopte eiwit. Het moet 2 uren koken en met schuimsaus of
+vruchtensap gegeten worden.
+
+19. Chocoladepudding kan men, naar verkiezing, warm of koud
+gebruiken. 1 o., 2 1/2 l. boter wordt gesmolten, en dan voegt men er
+2 1/2 o. suiker, 12 eijerdoijers, 2 1/2 o. gestooten amandelen, 1 o.,
+8 l. geraspte chocolade en wat kaneel of vanille bij. Men roert het
+een kwartier, kloppende, goed dooreen en mengt er dan luchtig het
+geslagen eiwit door. Wil men den pudding warm geven, dan wordt hij
+een uur bij middelmatige warmte gebakken; koud gebruikt wordende,
+moet hij 2 uren koken en met vanillesaus worden gepresenteerd.
+
+20. Vanillepudding. 6 o., 3 l. oud wittebrood, zonder korst, wordt
+in 7 m. koude melk geweekt en fijngeroerd; dan voegt men er 1 o.,
+2 1/2 lood boter, 1 o., 8 l. gestampte amandelen, 1 1/2 o. suiker,
+10 eijerdoijers en wat met suiker gestampte vanille bij. Dit alles
+roert men een kwartier lang goed dooreen, en doet er dan het geslagen
+eiwit in. Men kookt den pudding 2 1/2 uur en geeft er schuimsaus bij.
+
+21. Beschuitpudding. 3 1/2 ons beschuiten worden met boter gesmeerd
+en aan lagen in den vorm gelegd, met het volgende er tusschen:
+krenten, rozijnen, en gestooten amandelen, van elk 1 o., 1 1/2 l.;
+de bovenste laag moet beschuit wezen.--Men klutst 10 eijeren met
+het wit door 1 k. melk en voegt er 2 volle lepels suiker, benevens
+een halve citroenschil bij. Dit nat wordt zachtjes aan, met lange
+tusschenpoozen, gelijkelijk over den inhoud van den vorm gegoten,
+zoodat alles goed tijd heeft om te doorweeken. De pudding moet 2 1/2
+uur koken en wordt gediend met schuim-, rooden wijn- of vruchtensaus.
+
+22. Aalbessenpudding. 2 o. beschuit, 8 eijeren, 6 m. melk, 2 1/2
+o. aalbessen, 3 1/2 o. suiker en wat kaneel worden behandeld volgens
+No. 21, behalve dat de suiker over de bessen wordt gestrooid. Men
+kookt den pudding 2 uren en geeft hem zonder saus.
+
+23. Aardappelpudding. Koude gekookte aardappelen worden geraspt
+en dan bewogen, er moet 7 1/2 ons zijn; 1 o., 2 1/2 l. boter wordt
+gesmolten en dan 2 o. suiker, 3 l. gestampte amandelen en 8 bittere,
+12 eijerdoijers, de aardappelen, wat citroenschil en kaneel er goed
+door geroerd. Dan voegt men er 1 o., 1 1/2 l. geraspt wittebrood bij
+en ten slotte het stijfgeklopte eiwit. Men kan dezen pudding 1 uur
+bakken of 2 uren koken en geeft er schuim-, rhum- of vruchtensaus bij.
+
+24. Gerezen meelpudding. Men neemt 7 o. bloem, 2 o. krenten, 2
+o. rozijnen, 2 o. boter, 6 eijeren, 6 m. laauwe melk, 1 o., 1 1/2
+l. suiker, een citroenschil, 1/2 notemuskaat en 5 l. drooge gist.--Dit
+alles wordt te zamen goed beslagen, dan in den vorm gedaan en 2 1/2
+uur gekookt. Men kan er rhumsaus bij geven, maar ook gewelde boter
+en suiker.
+
+25. Meel- en broodpudding. 3 1/2 m. melk roert men op het vuur goed
+en gelijk dooreen met 2 1/2 o. bloem en 1 o. boter. Als het verslagen
+is, voegt men er 8 eijerdoijers, 1/2 lepeltje foelie en 2 spijslepels
+suiker bij, klopt het stevig en roert er dan 1 o., 8 l. geraspt oud
+wittebrood door, benevens het geslagen eiwit en 1/2 glas rhum. De
+pudding wordt 2 1/2 uur gekookt en gepresenteerd met peren-, pruimen-
+of appelmoes.
+
+26. Roggebroodspudding. 1 o., 8 l. boter wordt gesmolten, dan 1
+o., 8 l. suiker, 8 eijerdoijers, wat nagelen, kaneel, cardamom en
+citroenschil, 1 o., 2 1/2 l. krenten en 2 o., 3 l. geraspt en gezift
+roggebrood er doorgeroerd; daarna voegt men er het beslagen eiwit en
+1/2 glas rhum bij. Deze pudding moet 2 1/2 uur koken en men geeft er
+schuim- of rooden wijnsaus bij.
+
+27. Prinsregentpudding. Men neemt 1 o., 2 1/2 l. rozijnen, 1 o., 2
+1/2 l. krenten, evenveel gesnipperde amandelen en suiker, 14 eijeren,
+6 m. melk en 5 o., 6 1/2 l. oud wittebrood, zonder korst gewogen. Het
+brood wordt aan sneden in boter gebakken en dan in stukjes gebroken;
+verder zie men voor de behandeling No. 21. De pudding moet 2 uren
+koken en met frambozen- of bessensaus worden voorgediend.
+
+28. Broodpudding. Hiervoor gebruikt men 1 p., 6 1/2 l. oudbakken
+wittebrood, 1 o., 2 1/2 l. boter, 10 eijeren, 2 spijslepels suiker,
+1 o., 2 1/2 l. krenten, wat kaneel of citroenschil en een klein glas
+rhum of arak, 6 1/2 l. gesnipperde amandelen, het sap van 1 citroen,
+een weinig nagelen en cardamom.--Het brood wordt van de korst ontdaan,
+geraspt en op het vuur met de helft van de boter geroerd, tot het goed
+heet is; de korst wordt met de melk tot een dikken brij gekookt en
+fijngewreven. Als het gekookte wat bekoeld is, voegt men het overige
+er bij; het geslagen eiwit en de rhum het laatst; men laat den pudding
+2 1/2 uur koken en geeft er rhum- of schuimsaus bij.
+
+29. Vruchtenpudding. 1 p., 6 1/2 l. oudbakken brood wordt zonder korst
+in stukjes gebroken en met 7 m. melk en 1 o., 2 1/2 l. boter op het
+vuur geroerd tot het van de pan loslaat. Als het bekoeld is, roert
+men er 10 eijerdoijers, 2 of 2 1/2 o. suiker (naarmate de vruchten
+zuur zijn), wat citroenschil en kaneel, desverkiezende ook 1 o.,
+2 1/2 lood krenten en het geslagen eiwit door. Dit beslag legt men
+laag om laag met aan schijven gesneden zure appelen, kersen of andere
+vruchten, in den vorm, en kookt den pudding 2 uren. Men gebruikt hem
+zonder saus, met suiker.
+
+30. Druivenpudding. 3 o., 7 1/2 l. in melk geweekt en uitgedrukt
+wittebrood, 1 o., 2 1/2 l. boter, 8 eijerdoijers, 1 o., 2 1/2
+l. gestooten amandelen, 2 of 2 1/2 o. suiker, kaneel en citroenschil,
+roert men goed door elkander, en voegt er dan, luchtig roerende, het
+geklopte eiwit en een soepbord vol kleine, zeer zoete witte druiven
+bij. Men laat de pudding 2 uren koken en geeft hem met schuimsaus.
+
+31. Jan in den zak. Men neemt 5 ons kwetsen, van rijst en gort ieder
+3 o., 7 1/2 l. en een weinig zout. Een goed uitgewasschen doek wordt
+in een diepen schotel gelegd en daarin het bovengenoemde, laag om
+laag. Dan bindt men den doek digt en hiervan hangt grootendeels het
+welslagen van den pudding af; er moet ruimte blijven voor het uitdijen;
+maar bindt men den doek al te los, dan wordt het kooksel week en
+waterig. Men legt den zak nu op een bord in een ketel met kokend water
+en zout en laat hem 2 1/2 uur koken. Voor de saus kookt men melk, met
+boter, suiker en een weinig meel, alles gebonden door een eijerdoijer.
+
+32. Pudding van koud kalfsvleesch. Men neemt 8 1/2 o. zeer fijn gehakt
+kalfsvleesch, waar alle vellen goed zijn uitgezocht, 8 eijeren,
+1 o., 6 1/2 l. boter, 6 1/2 l. geraspt wittebrood, 1/2 kopje room,
+6 gehakte chalotten, wat zout en foelie. De chalotten worden gefruit
+met wat van de boter; 2 van de eijeren worden met 2 lepels water tot
+struif gemaakt (zie eijergeregten No. 4). De overige eijerdoijers en
+boter worden te zamen goed geklutst en dan alles bij elkaâr gevoegd
+(het geklopte eiwit het laatst). De pudding wordt 1 1/2 uur gekookt en
+gegeven met champignon- of bruine saus.--Wil men hem koud gebruiken,
+dan roert men eene saus van hardgekookte eijerdoijers, olie, azijn,
+suiker, kappers, mosterd, en peper.
+
+33. Stokvischpudding. 2 1/2 o. gesmolten boter, 10 eijeren, wat
+gehakte chalotten, notemuskaat, zout, 2 1/2 ons geraspt wittebrood,
+1 p., 2 1/2 o. fijngehakte stokvisch wordt dooreengeroerd en 1 1/2
+uur gekookt. De saus maakt men van gehakte en gefruite chalotten,
+met een weinig meel en bouillon of water aangemengd; gekruid met
+notemuskaat en zout, gebonden met 2 eijerdoijers en 1 lepel melk.
+
+34. Pudding à la chipolata. Men kookt 1 o. sultana rozijnen en 1
+o. krenten, en schikt die aan lagen met 1 o. biscuit à la vanille,
+benevens 1 o. snippers en sucade in den vorm. Vervolgens kookt
+men 1 k. room, en vermengt dien met 8 geklutste eijerdoijers, 2
+lepels suiker, bijna 4 l. vischlijm en 1 bierglas rhum, madera of
+marasquin. Dit giet men zoo heet mogelijk over alles in den vorm heen
+en laat het daarin koud worden.
+
+
+
+
+
+
+
+I. TIMBALES.
+
+
+1. Algemeene regelen. Timbales noemt men die geregten, die in
+den vorm of schotel waarin zij zijn bereid, op tafel komen. Men
+gebruikt hiervoor naar verkiezing blikken vormen, of ook wel
+porseleinen schotels van die soort, welke de hitte van den oven kunnen
+verdragen. Zij moeten met boter worden besmeerd en bij middelmatige
+hitte, met wat vuur er onder, worden gereed gemaakt. Men moet ze
+tusschenbeide omdraaijen, en ten einde dit gemakkelijk te kunnen doen,
+zonder te zeer aan den vorm te stooten, zet men dien op een lagen
+treeft of rooster in den oven. Wanneer men vreest dat het geregt
+bovenop te spoedig bruin wordt, legt men er een papier over; maar
+wanneer men dit doet terwijl de massa nog week is, moet men het,
+om het vastkleven te voorkomen, met wat boter besmeeren.--Bij het
+opdragen zet men den vorm op een anderen schotel en bedekt den rand
+met een op de vereischte breedte gevouwen servet.
+
+2. Bitterkoekjes in een vorm. Beschuit en bitterkoekjes, van elk 1
+o., 2 1/2 l., worden in ruim 2 m. melk gekookt tot het dik is. Wat
+bekoeld zijnde, worden er acht eijerdoijers, ruim 1 o. suiker, en
+het geklopte eiwit doorgeroerd. Dit legt men, aan lagen, in den vorm,
+met versche of ingemaakte vruchten, die met suiker en kaneel bestrooid
+zijn, er tusschen, en laat het 3/4 uur in den oven bakken.
+
+3. Sagoschoteltje. 4 o. Siamsago wordt in 2 k. melk goed gaar gekookt;
+dan roert men er een goed stuk boter, 2 1/2 ons krenten, 1 o. sucade,
+4 eijerdoijers, suiker naar den smaak, wat kaneel en het geklopte
+eiwit door; bestrooit het vervolgens met gestooten beschuit en suiker,
+legt er hier en daar kleine stukjes boter op en laat het 1 uur in den
+oven bakken. Men kan er een glas rhum ingieten, of ook, in plaats van
+krenten en sucade, er 6 1/2 l. amandelen en wat geraspte citroenschil
+bijvoegen.
+
+4. Rijst met rozijnen. 2 1/2 ons rijst wordt eenige minuten in water
+gekookt, dan afgegoten en met kokende melk te vuur gezet, om, zonder
+dat men er in roert, gaar en stijf te worden. Dan roert men er 1 o.,
+2 1/2 l. boter, evenveel suiker, evenveel rozijnen, 8 eijerdoijers,
+eenige gestooten beschuiten, wat citroenschil en kaneel, met het
+geslagen eiwit door en bakt alles 1 uur.
+
+5. Chocoladeschotel. 6 1/2 l. boter wordt gesmolten, met 6
+eijerdoijers, 1 o. suiker, 6 1/2 l. geraspte chocolade, wat vanille
+en 2 o. in melk geweekt en uitgedrukt wittebrood, door elkaar geroerd,
+dan het geslagen eiwit er in gedaan, en alles 3/4 uur gebakken.
+
+6. Gries- of rijstmeel. 2 1/2 o. griesmeel of gemalen rijst wordt
+met 2 o. boter in 6 m. melk gaar en stijf gekookt. Dan roert men er
+7 eijerdoijers, 1 o. suiker, 8 gestampte bittere amandelen, wat zout
+en het geslagen eiwit door. Men laat het 1 uur bakken, en strooit er,
+als het op tafel komt, suiker en kaneel over. Des verkiezende kan
+men er lagen van de eene of andere gelei tusschen leggen.
+
+7. Nonnenbrood. 1 o., 8 l. bloem of aardappelmeel, evenveel suiker,
+1 o., 2 1/2 l. boter, 6 1/2 l. gestooten amandelen, 4 geheele eijeren
+en 2 1/2 m. melk met wat vanille of citroenschillen, wordt op het
+vuur tot eene dikke crême geroerd. Dan smelt men nog ruim 3 l. boter,
+klutst daar 5 eijerdoijers in en roert het goed door de massa, waarbij
+men ten slotte het geslagen wit van de 5 eijeren voegt. Men bakt het
+1 uur en presenteert er vruchtenmoes bij.
+
+8. Solferino. Men laat 12 keukenbeschuiten in kokende melk weeken,
+en roert ze, terwijl ze nog warm zijn, met een steek boter goed fijn
+(de massa mag niet te dun zijn). Men voegt er 6 1/2 l. gestooten
+amandelen, 10 eijerdoijers, suiker en citroensap naar den smaak, een
+kopje vooraf geweekte rozijnen en ten slotte het geslagen wit van 5
+eijeren bij. Het wordt een uur in den oven gebakken en, als het gaar
+is, bestreken met eene goede laag bessengelei, die men weder bedekt
+met het tot schuim geklopte wit van de overige 5 eijeren, waardoor
+men wat suiker mengt. Men laat het dan nog even in den oven opstijven.
+
+9. Brood met walnoten. 30 versche walnoten stampt men, met het gele
+schilletje er aan, zeer fijn, 2 o. wittebrood zonder korst wordt in
+melk geweekt en weder uitgedrukt, 1 o., 2 1/2 l. suiker, benevens ruim
+een half kopje room goed dooreengeroerd, terwijl men er eindelijk het
+geklopte eiwit luchtig doormengt. Deze schotel moet een uur bakken
+en kan, naar verkiezing, met vanille- of schuimsaus worden gegeven.
+
+10. Fijne aardappelschotel. 1 o., 2 1/2 lood gesmolten boter, 8
+eijerdoijers, 8 o., 7 1/2 lood suiker, 1 1/2 l. gestooten amandelen,
+waaronder 6 bittere, naar verkiezing citroenschillen of kaneel,
+worden door elkaâr geroerd, dan ruim 4 1/2 o. koud geworden en fijn
+gewreven aardappelen erbij gevoegd, benevens 1 o. geraspt wittebrood
+en eindelijk het geklopte eiwit. Het moet 1 uur bakken.
+
+11. Opvlieger. 11 m. dikken zuren room klopt men terdeeg gelijk, voegt
+er dan, na elkander, 8 eijerdoijers, 4 spijslepels meel en suiker,
+kaneel, vanille of geraspte citroenschillen bij, benevens een weinig
+zout. Het laatste roert men er het tot schuim geslagen eiwit door en
+laat het drie kwartier bakken.--Men kan desverkiezende, onder in den
+schotel fijne vruchten leggen, die niet gekookt behoeven te zijn; dan
+echter neemt men in plaats van 4 lepels meel, slechts 1 lepel stijfsel.
+
+12. Opvlieger met gekookte vruchten. 5 m. zure room worden
+gelijkgeklopt en dan goed dooreengeroerd met 6 eijerdoijers,
+ruim 7 l. beschuit, 3 spijslepels suiker, wat vanille of kaneel en
+citroenschillen; dan roert men er luchtig het geslagen eiwit door
+en giet het over de eene of andere soort van gekookte vruchten;
+3/4 uur bakken.
+
+13. Kersenschotel. 3 o., 7 1/2 l. wittebrood zonder korst, worden in
+melk geweekt en op het vuur fijngeroerd. Men smelt een stuk boter ter
+grootte van een ei; voegt daarbij 9 eijerdoijers, eenige gestooten
+amandelen, wat citroenschil, een paar lepels suiker, en roert het
+dan met het brood dooreen. Eindelijk doet men er het geslagen eiwit
+bij met 3 o. kersen, waar men de pitten heeft uitgehaald en die met
+wat suiker zijn doorgeschud. Het moet 1 uur bakken.
+
+14. Gevulde appelen. Men neemt 14 fijne, zachte appelen, die men
+schilt en uitboort, zoodat zij aan de steelzijde digt blijven; de
+holte wordt met de eene of andere gelei, of ook wel met suiker en
+kaneel gevuld, en men zette ze, naast elkander, in een schotel, met
+een stuk boter, half zoo groot als een kippenei en laat ze in den oven
+zacht worden. Vervolgens smelt men de helft van 1 o., 2 1/2 l. boter,
+en roert die op het vuur met 1 o., 7 1/2 l. meel en 1/2 k. melk tot
+het van de pan loslaat. Intusschen wordt de andere helft van de boter
+gesmolten, met 6 eijerdoijers, 1 o., 7 1/2 l. suiker en wat geraspte
+citroenschil gemengd en dan bij het bekoelde kooksel gevoegd, waar men
+het laatst het geklopte eiwit doorroert. Men giet dit alles over de
+appelen, zet den schotel terstond in den oven en laat hem 1 uur bakken.
+
+15. Gewone appelprol. 2 1/2 o. meel, 6 1/2 l. boter, 2 1/4 m. melk,
+2 spijslepels suiker, 6 eijeren, wat citroenschil en 1 theelepeltje
+zout, worden behandeld volgens No. 14. Men schept een vierde gedeelte
+daarvan in een schotel, legt daarop twee soepborden vol fijngesneden
+zure appelen, die men met suiker en kaneel bestrooit en met het
+overige beslag bedekt. Het moet vijf kwartier worden gebakken.
+
+Men kan er allerlei vruchten voor gebruiken; gedroogde pruimen moeten
+worden gekookt, vóór dat men er de pitten uithaalt, en bij sappig ooft,
+zoo als b.v. aalbessen, mengt men daardoor wat gestampte beschuit;
+natuurlijk rigt men zich bij het gebruik van suiker naar de soort
+van vruchten, waarvan men zich bedient.--Men kan ook dunne, goed
+gesmeerde boterhammetjes in een schotel leggen, met eene laag appelen
+aan schijven, of met een paar eijerdoijers en suiker tot moes gekookt,
+er op; daarop eene laag krenten, wat gestooten nagelen en kaneel, en
+zoo, om en om, voortgaande, tot men met brood sluit. Ook de bovenste
+sneedjes brood moeten gesmeerd, of met stukjes boter belegd worden,
+en zoo bakt men den schotel 5 kwartier in een goed gestookten oven.
+
+16. Marmelade soufflée. Men neemt 2 1/2 ons abrikozen-, frambozen-
+of appelmoes, en roert daar het sap van 1 citroen en het zeer stijf
+geslagen wit van 12 eijeren door. Het wordt in den schotel gedaan
+en met een mes glad gestreken; daarna strooit men er wat gestooten
+amandelen over en steekt eenige malen met een mes tot op den bodem,
+waarop men het terstond in een zeer heeten oven zet, om hoogstens
+een kwartier te bakken. Het mag niet op tafel worden gebragt vóór
+dat men het wil dienen, daar het schuim spoedig weder zakt.
+
+17. Leipziger Punchschuim. Men roert 12 eijerdoijers met 1 o., 6
+1/2 l. gezifte suiker tot zij schuimen, voegt er dan het sap en de
+geraspte schil van een citroen, benevens 1 glas rhum bij, roert er
+het zeer stijf geslagen eiwit door, bakt alles 10 minuten, en geeft
+het terstond op tafel. De schotel moet rondom geel gebakken, maar in
+het midden nog zacht zijn.
+
+18. Riz à la Condé. 2 1/2 o. rijst, 1/2 o. gestooten amandelen, kookt
+men met 1 o. boter, 1 o. suiker en wat vanille goed gaar in 1 1/2
+kan melk. Men laat het wat bekoelen, roert er dan 4 eijerdoijers en
+het tot schuim geslagen wit door, waarop men de rijst, laag om laag,
+met ingemaakte abrikozen in een schotel legt en een uur laat bakken.
+
+Men kan dit ook in een vorm gereed maken, dien men omkeert; dan worden
+de abrikozen aan vierdeparten gesneden onder in en langs de kanten
+van den vorm gelegd, en men dient er eene saus bij, gemaakt van het
+abrikozennat, met wat rhum en een eijerdoijer.
+
+19. Geglaceerde beschuit. 6 1/2 m. melk, 8 eijerdoijers, wat
+citroenschil en vier spijslepels suiker worden dooreengeroerd en 3 1/2
+o. beschuit daarin geweekt. Men verdeelt het mengsel in drie, deelen,
+die men, met lagen krenten en vruchtgelei er tusschen, in den schotel
+legt. De bovenste laag beschuit bestrooit men met suiker en kaneel;
+men bedekt daarna den schotel, en zet hem gedurende drie kwartier op
+den wasem van een ketel kokend water. Na verloop van dezen tijd wordt
+het eiwit tot schuim geklopt, een lepel suiker daar door geroerd en
+het geregt daarmede bestreken, dat dan nog 10 minuten in een heeten
+oven wordt gezet.
+
+20. Rijst met appelen. 2 1/2 o. rijst word gebroeid en dan in
+melk gaar, maar niet te week, gekookt. Als zij wat verslagen is,
+roert men er 1 1/2 o. suiker, 1 o. boter en 4 eijerdoijers door. Te
+gelijk kookt men eenige Borsdorfer appelen of princessen nobles,
+in de helft doorgesneden, met half water, half witten wijn, suiker,
+citroensap en schil ook gaar. Men maakt van de rijst een opstaanden
+rand in een schotel, en legt de appelen in het midden, waarna men
+het sterk geklopte eiwit over alles heen giet en het in den oven laat
+bruin worden. Men kan desverkiezende dit geregt ook in een vorm gereed
+maken, en dien omkeeren als het op tafel wordt gebragt; maar dan wordt
+het eiwit tot schuim geklopt en terstond door de rijst gemengd; de
+appelen worden dan ook tusschen twee lagen rijst ingelegd, zóó, dat
+zij nergens aan de kanten van den vorm raken of boven uitsteken. Het
+nat, waarin de appelen gaar zijn geworden, wordt dan met suiker en
+het sap van een chinasappel nog wat opgekookt tot het geleiachtig is,
+en als saus over de rijst gegoten.
+
+21. Rijst met zwezerik. 2 1/2 o. rijst wordt gebroeid, dan in bouillon
+met wat foelie, boter en het noodige zout gaar en dik gekookt; daarna
+roert men er een glas madera door. Te gelijk wordt zwezerik in bouillon
+gaar gekookt en fijngehakt. Dan legt men de rijst en de zwezerik,
+laag om laag, in een schotel, met rijst beginnende en eindigende,
+en laat het een uur bakken.
+
+22. Macaroni. Men neemt 3 o. macaroni, die men in water met zout
+gaar kookt, 3 o. rookvleesch, dat geraspt, of ham, die zeer fijn
+gehakt wordt, benevens 3 o. parmesaansche of oude witte kaas, die
+men ook raspt. Dit alles legt men laag om laag, met stukjes boter
+er tusschen, in een schotel, en laat het omstreeks drie kwartier
+uurs in den oven zacht bakken. Men kookt ook soms de macaroni in
+bouillon.--Desverkiezende kan men tusschen de lagen ook notemuskaat
+raspen en de boter in plaats van er die tusschen te leggen, smelten,
+en gemengd met 6 m. melk en 4 geheel geklopte eijeren, het laatst
+over alles heengieten.
+
+Macaroni wordt ook wel gebruikt om met gebakken aardappelen als krans
+op een schotel gebraden rundvleesch te worden gelegd. Zij wordt dan,
+nadat zij in water met zout gaar gekookt en uitgelekt is, met wat
+boter gestoofd.
+
+23. Macaroni met poulet. 5 o. kalfspoulet zet men met warm water
+op en kookt die één uur, met wat zout en foelie; dan voegt men er
+2 1/2 o. macaroni bij en kookt dit nog één uur; vervolgens doet men
+er 2 o. gehakt, aan balletjes bij, en kookt alles tot die ook gaar
+zijn. Men legt het in een schotel, roert een lepel bloem, 2 eijeren,
+wat notemuskaat en gestampte foelie door den bouillon, giet dien over
+alles heen en laat het nog even staan om door te trekken.
+
+24. Jagerschotel. Men legt eene laag van schijven, rolpens of platte
+stukjes geprepareerd ossengehakt, ter grootte van eene handpalm, in
+een schotel, daarop schijven raauwe uijen en dan eene laag raauwe
+aardappelschijven. Op deze laatste laag legt men hier en daar een
+stukje lardeerspek of boter, en strooit er vrij wat zout en peper naar
+den smaak over. Dan legt men weder een laag rolpens en zoo voort,
+tot de schotel vol is. Men giet een kommetje warm water langs de
+kanten er in en laat het, met een weinig vuur er onder, ruim twee
+uren in den oven gaar worden.
+
+25. Rigolette. Een wittebrood (een zoogenaamd masteluintje), waar de
+korst is afgesneden, kookt men in melk en goed wat boter en suiker,
+tot een niet te dun deeg, voegt er dan 2 geklutste eijerdoijers en
+wat oranjesnippers bij en legt het, laag om laag, in een schotel met
+appelmoes, waarin men suiker, kaneel en krenten heeft gekookt. Het
+geklopte eiwit wordt over alles heen gestreken en men laat het in
+den oven bruinen.
+
+26. Poulet met kerry. 5 o. kalfspoulet wordt opgezet met zooveel water
+dat zij eene handbreed onder ligt, en met wat zout gaar gekookt; dan
+voegt men er een kommetje rijst, een halven lepel kerry en wat foelie
+bij; men laat alles gaar koken en roert er dan 2 eijeren door. Het
+moet in den oven bruin worden.
+
+27. Spaansche rijst. 2 o. rijst wordt in melk gaar gekookt, vervolgens
+roert men er 4 eijerdoijers en het wit van 1 ei, een half bierglas rhum
+en 1 o., 2 1/2 l. broodsuiker door, en laat alles zeer voorzigtig,
+steeds roerende, nog even aan de kook komen. Men legt het dan in een
+schoteltje, klopt het overige eiwit tot schuim en roert daar nog 1
+o. suiker door. Het wordt over de rijst gegoten, die dan een half
+uur in den oven moet opdroogen.
+
+28. Perenschotel. 20 Versche of gedroogde peren worden in wijn of
+bessennat, met suiker en kaneel, tot moes gekookt en in een schotel
+gelegd. 2 o. gemalen rijst kookt men met 1 1/2 k. melk en 1 o. boter
+goed gaar en roert er, als zij wat verslagen is, 4 eijerdoijers,
+het sap van 1 citroen en suiker naar den smaak bij (bij gebrek van
+versche citroenen, kan men 5 druppels citroenolie nemen.) Dit spreidt
+men, warm zijnde, gelijk over de peren en daarover het stijfgeklopte
+eiwit, waarna men den schotel in den oven licht bruin laat worden.
+
+
+
+
+
+
+
+K. OMELETTEN, PANNEKOEKEN EN WENTELSTRUIFJES VAN ALLERLEI SOORT.
+
+
+1. Algemeene regelen. Men moet voor het bakken van koeken in de
+eerste plaats eene goede ijzeren koekepan hebben, die men afzonderlijk
+daarvoor houdt en niet gebruikt voor het bakken van uijen, visch of
+iets anders. Zij moet altijd terstond na het gebruik met papier worden
+uitgeveegd, vóórdat men haar wegzet, en, heeft men haar weder noodig,
+dan moet zij even op het vuur gezet, met zout droog uitgeschuurd en
+goed afgewreven worden. Het is niet goed om een koekepan te wasschen,
+omdat het gebak dan minder gemakkelijk loslaat.--De melk voor het
+beslag moet niet koud, maar laauw zijn; ook mag niet al de melk op
+eenmaal bij het meel worden gegoten, maar telkens wat, terwijl men in
+die tusschenpoozen het beslag sterk met een houten lepel klopt.--Als
+men het eiwit afzonderlijk tot schuim slaat, worden de koeken zeer
+luchtig, en men kan dan misschien een ei minder gebruiken; maar,
+doet men het niet, dan kan men de koeken beter zoo bakken, dat zij
+van binnen zacht en uitwendig knapperig zijn; dus moet iedereen dit
+naar zijn smaak doen.--Het vuur moet middelmatig wezen.--Boter is het
+fijnst om mede te bakken; maar half boter en half reuzel is ook zeer
+goed.--Om de koeken bros te hebben, moet men niet te weinig vet in de
+pan doen, dit even laten koken en dan tot staan laten komen, zonder
+dat het echter bruin wordt; dan neemt men de pan vlug van het vuur,
+giet het beslag in de rondte met een lepel er in, en zet haar weder
+op. Men stoot er met den lepel in, tot het meel boven op droog is
+geworden en van de pan loslaat; men schudt dan ook de pan telkens. Als
+men ontdekt, dat de onderzijde bruin genoeg is, keert men de koek om,
+laat er langs den kant van de pan nog een stukje boter onder glijden,
+en bakt, al schuddende, ook de andere zijde bruin; dit keeren geschiedt
+het best met een zoogenaamd blikken koekenmes, dat eenigszins den
+vorm van een troffel heeft en zoo breed als eene hand is. De koeken
+moeten op een verwarmden schotel uit de pan worden geschoven.
+
+2. Flensjes. Op 5 o. tarwebloem neemt men 8 eijeren, een stuk boter
+en een weinig zout, dat men beslaat met 1 1/2 k. melk. Men kan er
+naar verkiezing foelie en citroenschil of foelie en kaneel in roeren,
+ook bakt men ze wel met krenten.
+
+3. Gevulde Flensjes. Men bakt de flensjes volgens No. 2, bestrijkt ze
+dan met vruchtenmoes of ook met rijstenbrij, waarover men suiker en
+kaneel strooit; dan rolt men ze op, bestrooit ze met suiker, en zet
+ze zoo op tafel.--Zeer lekker is het ook om ze met kalfsvleesch te
+vullen; het vleesch wordt daarvoor zeer fijn gehakt en dooreengeroerd
+met wat geraspt wittebrood, een goed stuk boter (gesmolten) en melk
+of bouillon; men voegt er notemuskaat, foelie en zout bij, en kookt
+het onder gestadig roeren, even door. Dan rolt men deze farci in
+de koekjes.
+
+4. Kussentjes. Men kan hiervoor het overschot van een ham gebruiken,
+dat men zeer fijn hakt en met wat melk door elkaâr roert; dan bakt
+men flensjes volgens No. 2, rolt de ham daarin en snijdt ze aan
+vingerlange stukken, die men in geklutste eijeren doopt, daarop in
+gestooten beschuit wentelt en in een pannetje met kokende reuzel
+en boter bakt, tot zij licht bruin zijn. Men legt ze, om wat uit te
+druipen, op vloeipapier of op eene snede wittebrood. Mogt de ham wat
+hard zijn, dan zet men die den vorigen avond in de melk om te weeken.
+
+5. Flensjestaart. Men bakt de flensjes volgens No. 2 en legt ze op
+den schotel met rietperenmoes, appelmoes of bessenvla tusschen ieder
+koekje gestreken. Men gebruikt ze koud en snijdt ze als een taart.
+
+6. Doubletten. 4 eijerdoijers, een opgehoopten lepel aardappelmeel,
+1 m. melk en een weinig water beslaat men te zamen, voegt er wat
+zout, wat gestampte foelie of geraspte citroenschil bij, en roert
+er op het oogenblik voor dat men gaat bakken, het stijf geklopte
+eiwit door. Het vuur moet gelijkmatig zacht zijn. Men laat een
+weinig boter in de koekepan warm worden, giet het beslag er in
+en legt er een warm gemaakt blikken deksel op. Men bakt den koek,
+zonder den pan te schudden, ongeveer 10 minuten en slechts op ééne
+zijde, tot hij van onderen licht bruin en van boven droog geworden
+is. Dan bestrijkt men hem met vruchtenmoes of gelei, slaat hem
+dubbeld en schuift hem op een langwerpigen schotel. Men bestrooit
+hem met kaneel en suiker. Desverkiezende, kan men hem hiermede
+ook inwendig bestrooijen en er dan wijn-, rhum- of vruchtensaus bij
+geven. Zooveel gepulveriseerd zout van hertshoorn, als men op de punt
+van een mes nemen kan, door het eiwitschuim gemengd, bevorderd zeer
+het rijzen.--Men neemt ook wel de dubbele opgegeven hoeveelheid van
+alles en bakt er twee doubletten van, die men dan niet dubbel slaat,
+maar met de ongebakken zijden op elkander legt en het sap van 2
+citroenen en rijkelijk suiker er tusschen.
+
+7. Omelette. 8 eijeren, 1 opgehoopte lepel bloem, ruim 2 m. warme
+melk en een weinig foelie en zout worden beslagen en in de met boter
+gewarmde pan op zacht vuur gebakken, terwijl men er met den lepel
+of een mes gedurig in steekt, tot de omelette onder bruin, en boven
+droog geworden is; zij wordt niet omgekeerd, maar met de weeke zijde
+naar boven, op een schotel geschoven. Men kan er alleen suiker over
+strooijen of er vruchtengelei over spreiden.
+
+8. Omelette aux fines herbes wordt beslagen volgens No. 7.; maar
+men roert door het beslag wat zeer fijn gehakte pieterselie, dragon
+en bieslook.
+
+9. Ham omelette beslaat men volgens No. 7, met fijngehakte gekookte
+ham door het beslag geroerd.
+
+10. Schuimomelette. 3 1/2 l. bloem, 6 eijerdoijers, ruim 2 m. melk
+voor 1/3 deel met warm water vermengd en wat zout, beslaat men lang
+kloppende, en bakt het volgens No. 7. Zoodra de omelette bovenop
+droog wordt, spreidt men het zeer stijf geslagen eiwit er over, legt
+er een warm gemaakt deksel op en laat het zóó opstijven, waarna men
+er suiker over strooit.
+
+11. Omelette soufflée. 4 lepels gezifte suiker, 4 eijerdoijers en
+een halve geraspte citroenschil worden gedurende 10 minuten sterk
+door elkaâr geroerd, dan het zeer stijfgeklopte eiwit er luchtig
+doorgemengd en alles in een met boter besmeerden schotel of op eene
+blikken besmeerde plaat, in eene vrij warmen oven, hoogstens een
+kwartier gebakken. Dan in denzelfden schotel, of met de plaat op
+eene schaal terstond op tafel gebragt, zonder dat er togt bij komt,
+daar het gebak daardoor neêrslaat.
+
+12. Spekomelette. Op ieder ei neemt men een grooten lepel melk,
+benevens eenige korrels zout en klopt dit goed dooreen; dunne schijfjes
+spek bakt men even in de pan, en giet er de eijermelk overheen. Men
+steekt er in tot de koek goed droog is en schuift hem dan op een
+schotel. Naar verkiezing roert men door de eijeren ook de kruiden
+volgens No. 8.
+
+13. Eijer-pannekoeken. 6 eijerdoijers, 6 lepels meel en bijna 7
+m. melk worden met een weinig zout er in, beslagen; even vóór het
+bakken roert men het geklopte eiwit er door.
+
+14. Bessenkoek. 4 eijeren en 3 lepels meel beslaat men met
+ongeveer 2 1/2 m. melk, en doet er een weinig zout in, benevens wat
+kaneel. Hiervan bakt men, met boter, een koek, en legt op het nog
+vloeibare beslag eene dikke laag rijpe aalbessen, die men daarna met
+1 o., 2 1/2 l. gestooten beschuit bedekt. De koek aan de eene zijde
+bruin zijnde, wordt omgekeerd; ook op den bovenkant goed gebakken en
+op den schotel dik met suiker bestrooid.
+
+15. Appelkoek. 2 soepborden vol gesnipperde appelen worden met
+suiker, citroenschillen en wat witten wijn langzaam week gekookt,
+zoodat er geen vocht meer op blijft. Dan beslaat men 6 eijerdoijers
+met twee lepels aardappelmeel, ruim 2 m. melk, wat zout en kaneel
+en het geklopte eiwit. Hiervan bakt men 2 koeken, op eene zijde;
+als de laatste gaar is, spreidt men de appelen er over en bedekt ze
+met den ongebakken kant van den eersten koek, waarna men ze op beide
+zijden nog eens laat nabakken en dan met suiker bestrooid opdoet.
+
+16. Beschuitkoek met appelen. 12 groote zure appelen worden in 1
+o., 2 1/2 l. boter, op zacht vuur gaar gesmoord. Dan giet men op 12
+gestooten beschuiten zooveel melk dat zij daarin goed kunnen weeken,
+roert er vervolgens 6 eijeren, 1 o., 2 1/2 l. krenten, twee lepels
+suiker en wat citroenschil of kaneel door; daarna de appelen met
+2 lepels rhum en eindelijk het geklopte eiwit. De koek moet op een
+zacht vuur gebakken worden.
+
+17. Wittebroodskoek met appelen. Sneden wittebrood worden in melk
+met een paar eijeren geklutst, geweekt, en in boter luchtig gebakken,
+zoodat zij inwendig zacht blijven. Dan neemt men de pan van het vuur,
+bestrijkt het brood met appelmoes, waarin krenten zijn gekookt,
+en bedekt dan alles met het deeg, dat in No. 15 opgegeven is. Men
+bestrooit den koek vóór het omkeeren met beschuit en laat hem op
+beide zijden knapperig bakken.
+
+18. Pruimenkoek. Men maakt een beslag volgens No. 10 of 14, en doet
+1/3 daarvan in de met boter gewarmde pan, waarop men de pruimen,
+zonder steenen, opengespleten naast elkander legt en dan bedekt met
+het overige beslag.--Als het meel wat opgedroogd is, dekt men de pan
+toe, tot men de koek moet omkeeren. Hij wordt met suiker en kaneel
+bestrooid en warm op tafel gebragt. Even zoo kan men koeken met kersen,
+morellen of boschbessen bakken.
+
+19. Soufflets. 2 lepels bloem roert men in 4 1/2 m. melk, en klopt het
+goed met 4 eijerdoijers, wat citroenschil en zout; dan wordt er 1 o., 2
+1/2 lood gestampte bitterkoekjes en het geklopte eiwit bijgevoegd. Men
+bakt dit deeg met boter op eene zijde langzaam, volgens No. 6, belegt
+het dan hier en daar met een stukje vruchtengelei, slaat het dubbeld
+en bestrooit het met suiker.
+
+20. Anijskoek. 6 1/2 lood geraspt wittebrood, evenveel gestooten
+beschuit, 1 opgehoopten lepel bloem, 1 lepel anijszaad, wat zout en 3
+eijerdoijers beslaat men met 4 1/2 m. melk, en roert het afzonderlijk
+geklopte wit er door. Men bakt hiervan in rijkelijk boter en reuzel
+een koek, op beide zijden bruin en bestrooit dien met suiker.
+
+21. Rijstpannekoeken. 2 1/2 o. gebroeide rijst kookt men met een stukje
+boter, wat zout, kaneel en citroenschil en 1 o., 2 1/2 l. rozijnen,
+die er iets later worden bijgevoegd, in melk goed gaar, maar dik. Als
+zij wat bekoeld is, roert men er 2 of 3 lepels suiker, wat gestooten
+beschuit, 4 eijerdoijers en het geklopte wit door, en bakt daarvan
+op zacht vuur een grooten of eenige kleine koeken. Als men in de pan
+en, vóór het omkeeren, op den koek wat gestooten beschuit strooit,
+krijgt het gebak een beter aanzien. Het wordt met suiker bestrooid
+op tafel gebragt.
+
+22. Gerezen pannekoeken. 5 o. gewarmd tarwemeel wordt beslagen met 7
+m. warme melk, 6 1/2 l. gesmolten boter, 4 eijeren, ruim 3 l. gist
+en wat zout. Dan zet men het een paar uur op eene warme plaats om
+te rijzen en bakt er koeken van. Men kan er naar verkiezing stukjes
+spek, komijnde kaas of rozijnen in leggen en doet dit, zoodra het
+beslag in de pan is gedaan. Om de koeken luchtiger te hebben, neemt
+men ook wel voor de helft gruttenmeel.--Verkiest men er koekjes van
+te bakken om bij de koffij te presenteren, dan bakt men ze in een
+kleine pan, en zeer lekker is het dan om er garnalen of een schijfje
+koud kalfsgehakt in te leggen; ook appelen aan schijven gesneden,
+krenten of rozijnen. Voor de drie laatstgenoemde soorten doet men 1
+lepel suiker en wat kaneel of foelie in het beslag.
+
+23. Pannekoeken van boekweitenmeel. Op ieder glad afgestreken kopje
+meel neemt men datzelfde kopje vol warm water en een goeden lepel
+melk, 8 w. gist en wat zout; men kan er ook krenten bijvoegen. Dit
+beslaat men stevig en laat het rijzen.
+
+24. Aardappelkoeken. 10 of 12 groote aardappelen worden raauw
+geraspt, dan 1 uur onder koud water gezet en vervolgens in een doek
+uitgewrongen. Daarna beslaat men het geraspte met 2 3/4 m. melk,
+1 o., 2 1/2 l. wittebrood, dat benevens 3 beschuiten in de warme
+melk is geweekt en fijngeroerd, 4 eijeren, 3 1/2 l. gist en wat
+zout. Het beslag moet vooral niet te dun zijn en zoolang rijzen
+tot de hoeveelheid verdubbeld is. Men bakt de koeken met boter en
+reuzel. Het water waarin de geraspte aardappelen hebben gestaan, moet
+men laten bezinken en zal dan zeer goed aardappelmeel onder in den
+pot vinden.--Bij gebrek aan gist kan men deze koeken ook zonder dat
+bestanddeel bakken, en dan is het recept als volgt: 1 kop geraspte
+aardappelen, onder water gezet, maar niet uitgewrongen, slechts
+uitgedropen op een vergiet en dan beslagen met 2 afgestreken lepels
+meel, 6 eijeren en 3 lepels melk, benevens wat zout. Op welke wijze
+men de koeken bakt, er moet, tot zij worden omgekeerd, een deksel op
+de pan gelegd.
+
+25. Wentelbeschuit. Men neemt 1 1/2 k. melk, roert daardoor 6 geklutste
+eijeren, 3 lepels suiker en wat foelie of citroenschil; hierin weekt
+men 18 keukenbeschuiten, waar de melk goed moet intrekken, zonder
+dat zij echter breken en die dan in de koekepan met boter worden
+gebakken.--Men legt slechts zooveel beschuiten te gelijk in de melk
+als men in de pan tegelijk kan bakken. Zij kunnen met suiker worden
+bestrooid of ook met roode of witte wijnsaus worden gediend.
+
+26. Arme ridders. Hiervoor neemt men sneden wittebrood, zonder korst,
+aan reepjes gesneden, geweekt als de beschuiten volgens No. 25; dan
+in geklutste eijeren gedoopt, in de pan met boter gebakken, bij het
+opdoen overgoten met een glas rhijnwijn en met suiker bestrooid.
+
+27. Karthuizer bollen. Dit zijn zeer kleine kadetjes, waar men de korst
+afraspt, die men dan weekt volgens No. 25, met gestooten beschuit
+bestrooit en in ruim boter bakt. Men presenteert er gelei bij, en
+geeft ze met wijn of vruchtenmoes.
+
+
+
+
+
+
+
+L. EIJER-, MELK-, MEEL- EN RIJSTGEREGTEN.
+
+
+1. Eijeren koken. Het water moet goed koken eer de eijeren er worden
+ingelegd. Voor zachte eijeren is het, als zij zeer versch zijn, genoeg
+om ze 3 minuten te koken; zijn zij iets ouder, dan 3 1/2 minuut. Voor
+harde eijeren rekent men 5 minuten. Als men verscheidene eijeren
+koken moet, doet men wel om ze in een netje te binden, waarmede ze
+allen tegelijk in en uit den ketel worden gedaan.
+
+2. Saksische zouteijeren. Men kookt de eijeren hard, klopt dan de
+schaal rondom stuk, zonder die er af te nemen, en legt ze daarna 24
+uren in den pekel, die zoo sterk moet zijn dat zij er op drijven.
+
+Zij worden veel gebruikt bij Beijersch bier.
+
+3. Kievitseijeren worden met koud water opgezet en als het water 2
+minuten heeft doorgekookt zijn zij goed.
+
+4. Eijerstruif. Voor ieder ei rekent men 1 lepel melk of water, wat
+zout en een klein kluitje boter. Men klopt de eijeren met de melk
+en het zout, laat in een aarden pannetje de boter even bruin worden,
+giet de eijeren er bij, en roert alles goed over den bodem strijkende,
+op het vuur tot het dik wordt. Als de pan is afgenomen, blijft men
+nog even roeren en doet de struif op, waarin men, desverkiezende,
+als men ze bij vleesch geeft, wat fijngehakte bieslook terstond door
+de eijeren kan doen.
+
+5. Spiegeleijeren of kalfsoogen. Men kookt eene handbreedte hoog water
+met zout en werpt daarin, één voor één, vlug, de eijeren, zóó, dat
+zij elkander niet raken. Zoodra het wit gestold is (hard mag het niet
+worden), neemt men ze met den schuimspaan er uit, legt ze op een bord,
+snijdt de kanten gelijk en strooit er wat zout over. Men presenteert ze
+met geroosterd brood of legt ze op spinazie en zuring. Nog lekkerder
+zijn zij, als men ze bakt in de koekepan, die eerst met boter goed
+warm moet zijn.--Als men ze als een afzonderlijken schotel wil geven,
+giet men zure saus over de warme eijeren en zet ze dan nog eenige
+minuten, goed toegedekt, in den heeten oven.
+
+6. Eijeren aan schijfjes. Hardgekookte eijeren worden aan schijfjes
+gesneden, met boter en zout gefruit en met gehakte pieterselie
+opgedischt.
+
+7. Kampersteur. Hardgekookte eijeren snijdt men in de helft door en
+giet er mosterdsaus over.
+
+8. Eijergelei. 1 k. melk, 9 eijeren en van 4 het wit, de schil van 1
+citroen, suiker en kaneel, roert men in een diepen schotel dooreen,
+zet dien toegedekt op den wasem van kokend water en laat hem staan
+tot alles dik geworden is. Koud zijnde, wordt de gelei met suiker
+bestrooid en gegeven met ingemaakte vruchten.
+
+9. Hangop. Afgeroomde zure melk zet men in de nabijheid van het
+vuur, zoodat de waterige deelen zich afscheiden, zonder dat de
+melk hard wordt en laat haar dan, in een linnen sloop opgehangen,
+uitdruipen. Vervolgens roert men haar gelijk, met wat versche room,
+suiker en kaneel er door; giet ze dan in een diepen schotel, strijkt
+ze glad, en bestrooit ze met suiker en kaneel. Zij verdikt zeer door
+het staan. Men presenteert er beschuit bij.
+
+10. Rijstebrij. Op 1 o. rijst rekent men 1 k. melk en laat die zeer
+langzaam 4 uren koken, met wat zout en eenige stukjes pijpkaneel,
+die men er, als de rijst gaar is, uitneemt; er mag niet in geroerd
+worden. Men kan dit warm en koud geven, met suiker en kaneel.
+
+11. Rijst met appelen. Men zet de gebroeide rijst met kokend water,
+een steek boter, een stukje kaneel en wat zout te vuur, en laat die
+langzaam koken. Als zij bijna gaar is, voegt men er appelen bij, die
+ook half gaar gekookt zijn, met goed wat suiker, en laat het verder
+gaar worden. Men roert er op het laatst een glas witten wijn door en
+bestrooit den schotel met suiker.
+
+12. Rijst voor ragout. 2 o. rijst wordt gebroeid en dan in bouillon
+gaargekookt, waarna men er 1 glas madera, 1 kopje melk, 2 eijerdoijers
+en wat geraspte kaas doorroert. Men legt haar als rand om den ragout.
+
+13. Gewone rijst. Men zet die op met driemaal hare hoeveelheid
+aan water.
+
+14. Melksoep met aardappelmeel. Men kookt de melk, roert er dan wat
+aangemengd aardappelmeel in, benevens een weinig zout, wat suiker,
+gestooten foelie en stukken pijpkaneel, die er later uit worden
+genomen. Men laat alles onder gestadig roeren goed doorkoken.
+
+15. Saffraansoep. Voor elk ei, dat men klutst, neemt men zooveel meel
+als het wil aannemen, maakt het met eene vork zeer fijn, en laat het
+met een weinig zout en wat tot poeder gewreven saffraan, in kokende
+melk, onder gestadig roeren, gaar worden.
+
+16. Rijstsoep. De rijst wordt met koud water opgezet, en als dit tot
+koken toe heet is geworden, giet men het er af. Men laat de helft
+van de melk koken, doet de rijst er in met wat kaneel en foelie,
+en laat haar langzaam zacht worden; dan eerst voegt men de overige
+melk, met suiker en zout er bij, en laat de soep nog een weinig
+doorkoken. Op het laatst kan men om te binden er nog een weinig
+aardappelmeel doorroeren. Voor iedere persoon rekent men op 4 1/2
+m. melk en 3 1/2 l. rijst.
+
+17. Soep van paarlgarst. De gort wordt eerst in water, met een stukje
+boter dik, maar gaar gekookt. Dan giet men de melk er bij, doet er wat
+zout in en laat het te zamen koken. Men bindt het met aardappelmeel.
+
+Dit kookt men ook zeer goed met karnemelk en de maat is die van No. 16.
+
+18. Heele gort kookt men naar verkiezing met water of karnemelk,
+volgens No. 17, maar iets langer, met viermaal hare hoeveelheid
+aan water.
+
+19. Sago kookt men volgens No. 17.
+
+20. Boekweitengort. Op 1 kop gort neemt men 4 1/2 m. karnemelk. Zoodra
+de melk warm wordt, begint men te roeren en houdt dit vol tot zij
+gaar is, waartoe 1/2 uur wordt vereischt.
+
+21. Havergort. Op 1 o. gort neemt men 1 k. zoete melk, maakt die eerst
+aan de kook, doet dan de gort er in en laat ze onder gestadig roeren
+gaar koken.
+
+22. Karnemelk met meel. Op 1 k. karnemelk neemt men 1/2 o. tarwemeel,
+dat men raauw, met de melk zeer gelijk mengt; vervolgens hangt men
+die over en laat haar, onder gestadig roeren, gaar koken. Sommigen
+verkiezen de melk dikker te hebben en nemen dan meer meel.
+
+23. Karnemelk met zuring en krenten. De melk wordt gekookt volgens
+No. 22 en de krenten er terstond ingedaan, maar de zuring moet
+afzonderlijk gesmolten en zeer fijngeroerd worden, waarna men ze goed
+mede laat doorkoken.
+
+24. Karnemelk met appelen en anijs. De appelen worden met het gekneusde
+anijszaad gaargekookt; dan giet men de volgens No. 22 met meel gemengde
+karnemelk er op en laat alles, onder gedurig roeren, gaar worden.
+
+25. Duitsche broodsoep. 4 o. gekruimeld wittebrood wordt met een goed
+stuk boter in koud water opgezet en een kwartier gekookt; dan door
+eene zeef gewreven en weder aan de kook gebragt. Daarna worden er 4
+eijerdoijers, wat notemuskaat en de noodige laauwe melk doorgeroerd,
+tot de soep de gewenschte dikte heeft.
+
+26. Eijersoep. Neemt tarwemeel en eijerdoijers, in zulke verhouding
+dooreengeroerd, dat het een droog deeg wordt, roert er dan wat zout
+en notemuskaat in en lengt het aan met bruin gefruite boter. Daarna
+verdunt men het mengsel met wijn en water, waarbij citroensap, suiker
+en kaneel is gevoegd en laat het te zamen, onder gestadig roeren,
+voorzigtig koken.
+
+27. Kunstroom. In 4 k. melk die men tot aan het koken brengt, zonder
+ze echter te laten koken, roert men een bierglas koude karnemelk en 2
+eijerdoijers. Dan zet men het op eene warme plaats om dik te worden,
+en dient het koud als room.
+
+28. Duitsche nudels. Dit zijn eigenlijk zeer smalle reepjes,
+ter breedte van een stroohalm, die men snijdt uit het volgende
+deeg. Op 4 eijeren neemt men 8 lepels melk en zooveel bloem als de
+melk kan opnemen. Dit wordt tot een glad, vast deeg gekneed en hoe
+langer men het bewerkt des te fijner worden de nudels. Het wordt
+daarna, aan verscheidene stukken, tot de dikte van een blad papier
+uitgerold en op een stok te droogen gehangen; vervolgens strooit men
+op ieder stuk een weinig droog meel, rolt het luchtig op, en snijdt
+er de gezegde smalle reepjes van, die men weder losrolt en ook laat
+droogen. Droog zijnde, worden zij in kokend water met zout gelegd,
+waarin zij ongeveer in een half uur gaar zijn; men schept ze dan
+op een doorslag en zij worden in Duitschland op verschillende wijze
+gebruikt. Zij worden b. v. in melk met boter en zout gekookt, dan met
+gestampte in boter gefruite beschuit bestrooid, en zoo bij appelmoes,
+pruimen of iets dergelijks gepresenteerd. Zeer smakelijk is een geregt
+dat men er van gereed maakt met het overschot van een ham. De nudels
+worden daarvoor gesneden op de grootte van eene speelkaart, en men
+belegt daarmede den bodem en de wanden van een met boter besmeerden
+schotel; de ham wordt fijngehakt, met wat peper en notemuskaat er
+door, en dan, aan lagen met nudelblaadjes, in den bekleeden schotel
+gelegd. Eindelijk klopt men eenige eijeren met melk door elkaâr en
+giet dit over alles heen. Het moet in een heeten oven 1 uur bakken
+en op eene schaal worden omgekeerd.
+
+
+
+
+
+
+
+M. GELEIEN EN IJS.
+
+
+1. Algemeene regelen. Als middelen om gelei op te stijven, bedient
+men zich van kalfspooten, hertshoorn, vischlijm, gélatine en van
+de zeer kortelings ingevoerde Aga-aga. Ziehier eenige woorden over
+de aanwending van deze verschillende zaken: Door het gebruik van
+vischlijm verkrijgt men de fijnste, klaarste gelei, maar ook tevens de
+kostbaarste; goede vischlijm moet, als men ze tegen het licht houdt,
+een paarlmoerachtige kleur hebben. Men knipt ze vóór het gebruik in
+kleine stukjes, zet ze in een zeer klein aarden potje, water of wijn,
+naar dat het noodig is, bedekt, een nacht te trekken; den volgenden
+morgen zet men het op een klein stukje vuur of eene warme plaat
+en laat de lijm zachtjes koken, tot zij is opgelost, dat doorgaans
+in een kwartier het geval is. Dan wordt zij door een neteldoeksch
+lapje gegoten en volgens de recepten gebruikt.--Kalfspooten zijn veel
+goedkooper en men bereidt de gelei daaruit als volgt: De pooten worden
+goed afgeschroeid en met hunne lederachtige huid zeer zuiver geboend
+en gewasschen, waarop men ze, om blank uit te trekken, eenige uren in
+laauw water legt. Vervolgens worden zij in eene aarden pan, met koud
+water, te vuur gezet; als het kookt worden zij geschuimd, afgegoten en
+met versch water bedekt, op een vlug vuur gebragt. Men laat de pooten,
+tusschenbeide roerende, 4 uren langzaam, maar onafgebroken, koken,
+tot de beenderen er uitvallen; dan neemt men die er uit, spoelt ze af,
+en giet het water, dat men hiervoor gebruikt, nog bij het nat, dat,
+als het vet er is afgeschept, door eene fijne haarzeef in een schotel
+wordt gegoten en tot den volgenden dag moet blijven staan. Vóór het
+gebruik moet het vetachtige vlies dat er opkomt en ook het bezinksel,
+voor zooverre het niet helder is, er worden afgenomen. Het nat van 6
+of 8 kalfspooten kan men tot ruim 1/2 k. laten verkoken.--Gelei van
+hertshoorn moet zeer versch worden gebruikt, terstond nadat zij gekookt
+is; van 5 o. kan men gewoonlijk 2 1/2 m. gelei verkrijgen. Men wascht
+het eenige malen, zet het met een paar k. koud water, in een aarden
+pot, te vuur, en laat het 3 à 4 uren langzaam koken, zonder er in te
+roeren, daar het dan troebel wordt. Dan laat men een paar druppels op
+een koud bord vallen, om te onderzoeken of de gelei stijf wordt, en
+als men dit voldoende acht, wordt het kooksel in eene fijne haarzeef
+of op een dubbelden linnen doek gegoten, waar men het zonder drukken
+laat uitdruipen.--Gélatine kan altijd in plaats van vischlijm worden
+gebruikt; men vindt ze rood en wit; de eerste neemt men gewoonlijk voor
+wijn- of andere gekleurde gelei. Hoe doorschijnender de stukjes zijn,
+des te beter is de kwaliteit. De verhouding is 1 1/2 l. gélatine tegen
+1 l. vischlijm. Men knipt ze aan kleine stukjes, smelt ze met water of
+wijn even als vischlijm, en maakt ze den dag vóór dat men ze gebruiken
+wil gereed; dit is vooral des zomers noodig, ten einde te zien of het
+kooksel stijf genoeg wordt om in de gelei te doen.--Een nieuw ingevoerd
+bindmiddel is de Aga-aga, uit eene japansche mossoort bereid. Het wordt
+verkocht aan lange, smalle staafjes, die zeer licht en poreus zijn en
+eene geelachtige witte kleur hebben. Het wordt als vischlijm behandeld,
+maar enkel met wijn, daar het zich in water niet oplost.--Nog is bij
+het maken van allerlei gelei op te merken, dat de vorm zeer schoon
+en bij het gebruik van binnen met beste olie, b. v. amandelolie,
+moet bestreken zijn. Als de inhoud goed stijf en koud is, maar
+toch aan den vorm kleeft, moet men een in heet water gedoopten en
+uitgewrongen doek eenige minuten om den vorm heenleggen, of dien
+(maar slechts een oogenblik) over den wasem van kokend water houden.
+
+2. Het kleuren en versieren van gelei. Somtijds verkiest men eene gelei
+geheel te kleuren, of wil men op een wit geregt gekleurde versierselen
+aanbrengen. Men kan zich daarvoor van het volgende bedienen: voor
+rood gebruikt men bessensap of nat van bieten; ook lost men wel wat
+cochenille in een weinig water op; voor geel trekt men wat saffraan
+af, en voor bruin kan men gesmolten chocolade nemen. Men voegt van
+de begeerde kleur zooveel als noodig is bij de gelei, vóór dat zij
+gefiltreerd wordt, en wanneer het voor opgelegde versiersels is, neemt
+men daarvan wat afzonderlijk om te kleuren. Dit gedeelte giet men op
+een vlakken, met koud water afgespoelden porseleinen schotel, zoodat
+het eene dunne laag is, die men koud laat worden. Hieruit snijdt men
+later figuren, waarmede men eene andere gekleurde gelei wil beleggen.
+
+3. Zure gelei voor vleesch en visch. 5, volgens No. 1 gereinigde en
+geschuimde kalfspooten, 2 p. mager, maar niet bloedig rundvleesch en
+een stuk kalfsvleesch zet men, met water bedekt en met wat zout, op
+een vlug vuur en past op het schuimen. (In plaats van kalfsvleesch kan
+men ook raauwe ham, aan dobbelsteenen gesneden, nemen, of afval van
+gevogelte, mits geene koppen, waardoor de gelei troebel wordt.) Men
+voegt er bij 2 theelepels witte peperkorrels, evenveel gestooten
+nagelen, 10 chalotten of twee groote uijen, 4 laurierbladen, 1 gele
+wortel, wat pieterseliewortels, 1 kleine knol seldery, de schil
+van 1 citroen en 5 m. goeden wijnazijn. De wortelen neemt men er na
+verloop van een uur uit, laat het vleesch gaar worden en de pooten nog
+zoolang nakoken, tot zij uit elkaâr vallen; het nat moet dan tot op 1
+1/2 k. zijn verkookt. Men giet het door eene zeef in eene porseleinen
+terrine, neemt den volgenden dag het vet en het bezinksel weg, zet de
+gelei weder op het vuur met 1/2 fl. rhijnwijn en het sap van 1 citroen,
+proevende of er nog zuur of zout moet worden bijgevoegd. Nu wordt
+het kooksel op de volgende wijze geklaard: Vóór dat de gelei kookt,
+klopt men een paar pollepels vol daarvan met het wit van 4 eijeren
+en de stukgeslagen eijerschalen door elkander, giet dit in de pan, en
+mengt het alles, telkens opscheppende en roerende, goed dooreen. Men
+laat het even opkoken, vermindert dan het vuur en laat de gelei een
+kwartier langzaam trekken, waarna men met eenige druppels op een koud
+bord de gewone proef neemt: is zij nog te slap, dan laat men haar nog
+wat verdampen; wordt zij daarentegen te taai bevonden, dan kan men
+er water, wijn of azijn bij gieten. Heeft zij de verlangde stijfheid
+bekomen, dan hangt men den filtreerzak (die van dik flanel is gemaakt,
+met een paar lussen er aan, waardoor men een stok kan schuiven) op
+eene warme plaats op; schept daarin een paar lepels van de gelei,
+en houdt het overige warm, dat men er gaandeweg bijvoegt, tot alles
+is doorgelekt op eene daaronder staande schaal. De twee eerste lepels
+vocht die er doorloopen, zijn doorgaans troebel en dat moet men nog
+eens voorzigtig in den zak gieten. Bij gebrek aan een flanellen zak
+kan men een servet uitspannen en de gelei er op scheppen, maar dit is
+niet zoo goed, omdat zij daarop spoedig koud wordt en dan niet meer
+doorlekt.--Nu giet men een weinig van het gefiltreerde in een vorm,
+en als het stijf is geworden, legt men er figuren op, waarvoor men
+citroenschijfjes, bieten en harde eijeren, aan schijven gesneden,
+ingemaakte augurken, kappers en pieterselieblaadjes kan gebruiken. Dit
+alles bedekt men weder met wat gelei, en als die koud is, legt men het
+vleesch of den visch er op en giet er de rest over, zoodat het geheel
+onder ligt, waarna men het op eene koude plaats zet om op te stijven.
+
+4. Bereiding van vleesch voor gelei. Alle vleesch dat bestemd is om
+in gelei te worden opgedischt, wascht men goed, terwijl men er al het
+vet afsnijdt. Vogels kan men, behalve eene gans, wel larderen, maar
+dan worden de uitstekende spekreepjes glad afgesneden, zoodat het spek
+geheel in het vleesch is. Eene gans en een kalkoen ontdoet men van de
+beenderen, volgens A, No. 6. Dan wordt het in een wit kokenden pot
+te vuur gezet, met half water, half azijn, of ook soms maar met 1/3
+azijn en het noodige zout; men schuimt het zorgvuldig, voegt er dan
+alles bij wat in No. 3 is opgegeven, en laat het in kort nat langzaam
+gaar worden. Als het gaar is, neemt men het uit de pan, en snijdt het
+als het koud geworden is, aan nette stukken; men kan het ook in zijn
+geheel laten, maar dan heeft men meer gelei noodig. Het nat giet men
+bij de gelei volgens No. 3 en handelt voorts geheel naar dat recept.
+
+5. Zalm in gelei. Men kookt in een aarden pot water met witte peper,
+citroenschijven, uijen, foelie, wat zout en 2 à 3 laurierbladen een
+goede poos, zoodat de kruiderijen uittrekken, giet er den azijn bij,
+en legt er dan de mooten zalm, die een uur te voren wat gezouten
+moeten worden, in, om ze gaar te laten koken. Voorts koke men van 3
+kalfspooten eene gelei volgens No. 3 en handele als daar gezegd is.
+
+6. Paling in gelei. Voor een vorm van middelmatige grootte neemt men
+2 dikke palingen, aan mooten gesneden en gekookt als de zalm, maar
+in half water, half azijn. Gelei en behandeling volgens No. 3. Men
+legt pieterselie op den rand van den schotel.
+
+7. Haas in gelei. De rug en het vleesch van de achterpooten van een
+haas worden gewasschen en dan in water met goed wat azijn, niet te
+ruim gekookt en geschuimd; dan voegt men er een aan schijven gesneden
+citroen, 8 chalotten, 2 theelepels heele peper en evenveel nagelen
+bij, en laat het vleesch daarmede gaar koken en koud worden. Men
+giet het nat door eene zeef bij de gelei, die volgens No. 3 van 4
+kalfspooten is gekookt. Tegelijkertijd maakt men eene farci als volgt:
+Een kalfslever wordt fijngehakt en door elkaâr geroerd met: 1 o.,
+2 1/2 l. spek, 2 1/2 o. mager varkens- of ander vleesch, dat men ook
+hakt, 1 kopje gestooten beschuit of geraspt wittebrood, 2 hardgekookte,
+fijngewreven eijerdoijers, 1 kopje gesmolten boter, benevens zout en
+nagelen naar den smaak. Dit alles wordt, in een besmeerden schotel, in
+den oven gaar gebakken, en, als het koud is, in dunne lange schijfjes
+gesneden, zoo ook het hazenvleesch. Voorts handele men volgens No. 3,
+en legt dit, laag om laag, in den geleivorm, met wat gelei tusschen
+iedere laag in. Des winters kan men dit, in den opstaanden vorm,
+op eene koude plaats, 10 dagen bewaren; dan op den schotel omkeeren
+en versieren volgens No. 2. Men kan er sauce à la diable bij geven.
+
+8. Kalfsvleesch à la Küstelberg. Men neemt net gesneden stukjes
+kalfsvleesch, legt die niet te stijf in een keulschen pot, met
+citroenschijven en wat nagelen er tusschen. Als de pot gevuld is,
+strooit men er het noodige zout over, giet hem verder vol met een
+mengsel van 2/3 bruinen bierazijn en 1/3 water en bindt er een blaas
+ruim over. Daarop kookt men het 3 uren au bain marie. Er moeten
+stukken met beenderen bij zijn.
+
+9. Gevulde kapoen in gelei met saus. Men maakt eene gelei van
+4 kalfspooten, volgens No. 3; neemt de beenderen uit den kapoen
+volgens A. No. 6, en vult hem met de volgende farci: de lever met
+2 1/2 o. kalfsvleesch, 3/4 o. spek fijngehakt; 1 1/2 o. geraspt
+wittebrood met 3/4 o. gesmolten boter, op het vuur dooreengeroerd,
+2 eijerdoijers, wat melk, zout, foelie, citroenschil en sap, benevens
+het geslagen eiwit. Dit alles goed door elkaâr gekneed zijnde, vult
+men den vogel daarmede, naait hem digt, slaat hem in een schoonen
+uitgebroeiden doek, en laat hem, in de gelei, goed toegedekt, 2 1/2 uur
+langzaam koken. Na verloop van dien tijd neemt men hem er uit, laat
+hem, op een vlakken schotel, 1 uur bekoelen, en legt er een plankje,
+met eenig gewigt bezwaard, op, om hem wat te drukken. Als de gelei
+gereed is, giet men een weinig daarvan in den vorm, legt den kapoen,
+met de borst naar onderen, er op, en vult den vorm verder. Wanneer
+men hem den volgenden dag op den schotel heeft omgekeerd, giet men de
+volgende saus er rondom: 1 pollepel room of 4 hardgekookte eijerdoijers
+roert men met 2 theelepels mosterd en wat suiker door elkaâr; dan
+voegt men er na elkander 4 spijslepels azijn, evenveel Genuaolie, wat
+fijngehakte dragon, peper, zout en hetgeen men van de gelei nog over
+heeft, bij. Dit alles wordt stevig geroerd en op den schotel gegoten.
+
+10. Kuikens in gelei. De vogels worden opgemaakt volgens A, No. 6,
+met zout ingewreven en in eene aarden pan, toegedekt, in gefruite
+boter gaar gesmoord; overigens handelt men volgens No. 3.
+
+11. Kalkoen in gelei. Volgens No. 9.
+
+12. Eenden in gelei. Volgens No. 9.
+
+13. Gans in gelei. De gans moet jong en niet te vet zijn, en volgens
+A, No. 6 worden in orde gebragt, dan afgekookt en volgens No. 9
+gevuld. Men maakt gelei volgens No. 3 en behandele den vogel als
+kapoen in gelei.
+
+14. Fijne wijn-gelei van kalfspooten. Deze gelei wordt in glazen
+of op schoteltjes gepresenteerd en het recept is berekend voor 36
+personen. Van 12 kalfspooten kookt men gelei volgens No. 1; dan
+zet men die op het vuur met ruim 1 1/2 k. wijn, 7 1/2 o. suiker, 1
+1/2 l. kaneel, het sap van 12 en de schil van 3 citroenen, benevens
+het niet al te stijf geklopte wit van 8 eijeren. Voorts handele men
+volgens No. 3.
+
+15. Wijngelei van Aga-aga. Eene flesch goeden witten wijn laat men,
+met 3 1/2 o. suiker, het sap van 2 citroenen en van één citroen de
+in wat wijn afgetrokken schil, goed toegedekt, warm worden, giet er
+dan een opgelost staafje Aga-aga bij, laat het te zamen tot aan het
+koken komen, giet het door een neteldoeksch lapje en in den vorm. Men
+kan deze gelei ook van witte gélatine maken, waarvan men dan 3 l., 3
+w. oplost, die men daarna tot aan de kook brengt, met 1 flesch witten
+wijn, 2 1/2 o. suiker, het sap van 2 citroenen en het aftreksel van
+de schillen; dan giet men het door een doekje.
+
+16. Gelei in eijervorm. 5 m. melk, 3 l. 3 w. opgeloste witte gélatine,
+8 w. geraspte zoete amandelen, een stukje vanille, en suiker naar den
+smaak, kookt men te zamen en giet het dan in ledige eijerschalen,
+waarin men eene zoo klein mogelijke opening heeft gemaakt; men zet
+ze om koud te worden in eijerdopjes. Dan roert men 2 o. suiker, die
+eenigzins met warm water is gesmolten, 6 l. w. opgeloste gélatine,
+en het sap van 2 citroenen, door eene fl. rhijnwijn, waarin de
+citroenschillen zijn afgetrokken. Men ontdoet de koud geworden eijeren
+van de schaal, legt ze in den geleivorm en giet den wijn, ongekookt,
+er over.
+
+17. Citroengelei wordt bereid volgens No. 14. De bestanddeelen zijn
+1/2 k. gelei van kalfspooten, 1 k. witten wijn, 3 o., 7 1/2 l. suiker,
+4 w. kaneel, eenige nagelen, het sap van 4 citroenen, de schil van 2,
+een klein weinigje saffraan, en het wit van 4 eijeren.
+
+18. Rhumgelei. 3 l., 3 w. gélatine lost men op, en vermengt ze
+met ruim 6 m. water, giet ze, als zij een weinig bekoeld is, op
+het geklopte wit en de schalen van 2 eijeren, en gaat met kloppen
+voort; dan voegt men er 2 1/2 o. suiker bij, zet de pan te vuur en
+blijft steeds kloppen. Als het begint te koken, druppelt men er het
+sap van 1 citroen in, laat alles te zamen eenige minuten doorkoken,
+giet het door een doekje, voegt er dan 3 glaasjes rhum of arak bij,
+en laat het in glazen, op schoteltjes of in een vorm koud worden.
+
+19. Gelei met vruchten. Men maakt eene wijn- of citroengelei, maar
+zoeter dan gewoonlijk, giet die gedeeltelijk in een assiet, schikt,
+als zij stijf geworden is, allerlei vruchten, als aardbeziën, kersen,
+aalbessen, frambozen, daarop; bedekt ze met gelei, laat die weder
+koud worden, en zoo gaat men voort tot de schotel vol is.
+
+20. China'sappelgelei. Men snijdt de appelen over dwars in de helft
+door, en neemt er met een lepel het binnenste voorzigtig uit, zonder
+dat er gaten in de schil komen. Dit wringt men door een neteldoekschen
+doek, en voegt er dan bij 4 kopjes sap, 2 kopjes citroensap en 1 kopje
+rhijnwijn, benevens 2 1/2 ons suiker en 2 l. gesmolten vischlijm. Het
+moet goed warm worden gemaakt en dan, door een lapje, in de ledige
+schillen loopen, die men, als de gelei koud is, in vierdeparten
+snijden kan, en zoo presenteert.
+
+21. Appelen à la dauphine. Halve appelen stooft men met rhijnwijn en
+suiker; als zij gaar zijn, giet men het nat er af en voegt er madera,
+of rhijnwijn bij, waarin men gedurende eenige dagen citroenschillen
+heeft afgetrokken (zooveel tot alles te zamen 1/2 fl. bedraagt);
+dan doet men er 1 1/2 l. gesmolten vischlijm bij, met suiker naar den
+smaak, en een weinig cochenille of bramensap, voor de kleur. Men giet
+wat gelei in den vorm, dan legt men de appelen er op, die geprikt
+worden, opdat de gelei er in zou trekken, en giet den vorm vol.
+
+22. Regelen voor het maken van ijs. Men heeft eene blikken bus
+noodig, die stevig gesloten kan worden, om dat wat men wil laten
+bevriezen, in te doen. Voorts een emmer waarin het ruwe ijs is,
+dat in kleine stukjes ter grootte van een hazelnoot gebroken moet
+worden. Eerst legt men daarvan een bodem, ter hoogte van de hand,
+in den emmer, strooit daarover een paar handen vol zout of salpeter,
+en zet de gevulde bus daarop; men legt nu ook ijs, met salpeter, er
+tusschen, goed vastgestampt, rondom, zoodat de bus vaststaat en tot
+aan den bovenrand met ijs omringd is. Men kan de bus een kwartier
+stil laten staan, maar dan steekt men een stok door den ring, die
+op het deksel vastzit, en draait haar daarmede, zonder ophouden,
+rond; om de tien minuten moet de inhoud, met een houten spaantje,
+van den kant worden losgemaakt en doorgewerkt, en zoo gaat men voort
+met draaijen, totdat de massa geheel stijf geworden, en zich als
+zeer dikke room laat roeren. De bus mag gedurende de bewerking niet
+worden opgetild. Men neemt gewoonlijk voor ijs van room, vruchtsappen,
+op 4 pond ruw ijs, 6 ons gewoon keukenzout, of half zooveel salpeter;
+voor ijs met geestrijke vochten wat meer. Als men dikwijls ijs maakt,
+moet men een emmer afzonderlijk daarvoor inrigten, aan de zijde,
+even boven den bodem, met een gat, dat met eene kurk gesloten wordt,
+waardoor men het water van het gesmolten ijs tusschen beiden kan
+laten wegloopen, om de ruimte met versch ijs aan te vullen. Het is van
+het grootste belang dat de bus altijd in draaijende beweging blijft;
+anders bevriest de inhoud, met naaden en stukken, terwijl goed ijs
+zoo gelijk als boter moet zijn. Als het ijs vroeger gereed is dan
+men het moet gebruiken, zorge men, dat het zoo weinig mogelijk aan
+de kanten van de bus raakt; giet koud water in den emmer, en dekt
+alles met een netten doek toe. Voorts zij men er op bedacht dat alle
+geuren door de koude zeer verminderen, en als men dus een mengsel
+gereed maakt, om te laten bevriezen, dat men dan van suiker, vanille,
+likeur, of wat dan ook, dubbel zooveel moet nemen als men voor vla,
+of eenig ander kooksel zou noodig hebben.
+
+23. Vanille ijs. Men laat 1/2 staafje vanille in een weinig melk
+langzaam koken, giet de melk door een doekje, en roert ze door een kan
+zoeten room, met 8 eijerdoijers en 6 spijslepels witte suiker. Men
+roert dit op het vuur dik, neemt het dan af en blijft roeren tot
+het bekoeld is, opdat er geen vlies op kome; geheel koud zijnde,
+wordt het in de ijsbus gedaan. De vanille kan tweemaal dienen.
+
+24. Kwee ijs. De goed geschilde kweeën worden in water met eenige
+stukjes pijpkaneel zeer week gekookt, en door eene fijne zeef gewreven,
+dan met de helft van hun gewigt aan suiker door elkaâr geroerd,
+en in de ijsbus gedaan.
+
+25. China's appel ijs. 2 1/2 o. suiker wordt met een goeden kop
+water gekookt en, afgeschuimd zijnde, vermengd met het sap van 8
+china's appelen en van 2 citroenen, 1 geraspte china's appelschil,
+1/2 fl. malaga en 1 l., 8 w. goede vischlijm of 1 staafje Aga-aga,
+beide in ruim 2 m. wijn opgelost.
+
+26. Frambozen ijs. Men wrijft frambozen door eene zeef, zorgende dat
+er geene pitjes doorgaan, en voegt dan bij 5 ons sap evenveel suiker,
+en het sap van 2 citroenen. Dit roert men zoo lang tot de suiker
+geheel gesmolten is, en doet het dan in de ijsbus. Evenzoo kan men
+ijs van andere vruchten maken.
+
+27. Punsch ijs. Bijna 7 m. rhijnwijn, evenveel water, 5 o. suiker, een
+stukje vanille, eene geraspte citroenschil, het sap van 4 citroenen,
+en 12 eijerdoijers, laat men, onder zorgvuldig roeren, tot aan het
+koken komen; men gaat met roeren voort tot het koud is en, als het
+in de ijsbus bevriest, giet men er telkens bij het openen van de bus,
+gaande weg, 4 kopjes arak in.
+
+28. Marasquin ijs behandelt men volgens No. 27. Het recept is 8
+m. zoete room, 8 eijerdoijers, 4 o. suiker, een geraspte citroenschil,
+wat pijpkaneel en 2 m. marasquin.
+
+
+
+
+
+
+
+N. KOUDE, ZOETE GEREGTEN.
+
+
+1. Algemeene regelen bij het maken van vladen. Verglaasde ijzeren
+pannen zijn hiervoor het beste, omdat aarden pannen niet zoo goed een
+levendig vuur kunnen doorstaan, zoo als men het gaarne voor het koken
+van vladen neemt.--Als men vanille aan groote stukken gebruikt, kan
+zij tweemalen dienen; maar men heeft daarentegen minder hoeveelheid
+noodig, als men de vanille met een weinig suiker stampt en ze in een
+neteldoeksch lapje bindt, om mede in het mengsel te koken, of uit te
+trekken.--Daar vladen zeer ligt schiften, moet men niet verzuimen
+om ze, zoodra de eijeren er in zijn, onafgebroken te roeren of te
+kloppen, tot zij aan het koken toe zijn; koken mogen zij dan echter
+niet, tenzij er benevens de eijeren vrij veel meel in is. Zij moeten
+dan vlug worden overgegoten in de daarvoor bestemde terrine, schalen
+of vormen, en geroerd worden, tot zij wat bekoeld zijn; dan kan men ze
+nog een poosje laten staan, maar roert ze toch van tijd tot tijd nog
+eens om, ten einde te verhoeden dat er een vlies op komt.--Wat het
+binden met eijeren betreft, zie men A. No. 35; omtrent kalfspooten,
+gélatine, Aga-aga, en vischlijm M. No. 1.
+
+2. Het versieren van vladen. Dikke zoete room wordt zeer stijf
+geslagen; dan voegt men er suiker en een klein scheutje arak bij, en
+steekt er met een eijerlepeltje figuren af, die men op de vlade legt.
+
+3. Wijnpudding. Eene flesch goeden rhijnwijn zet men op het vuur, met 2
+1/2 ons suiker, het sap en de schil van 1 citroen en wat pijpkaneel;
+men laat het tot aan het koken komen, en voegt er dan gelei bij,
+bereid uit 2 kalfspooten, eene staaf aga-aga, of ruim 4 lood gélatine,
+waarmede het doorkoken moet. Daarop wordt de pan afgenomen, de kaneel
+er uitgehaald, en 12 eijerdoijers er doorgeroerd. Het wordt in een
+met Amandelolie bestreken vorm gegoten, en koud met vanillesaus
+gebruikt.--Voor 24 personen.
+
+4. Rhumpudding. Bijna 7 m. zoete room worden aan de kook gebragt met
+3 o., 7 1/2 l. suiker, 2 citroenschillen, en ruim 4 l. opgeloste
+gélatine; dan 20 eijerdoijers er doorgeroerd, en eindelijk ruim 2
+m. arak. Het moet in den vorm koud worden, en met wijn of vruchtensaus
+gebruikt.--Voor 20 personen.
+
+5. Citroenpudding. 1/2 fl. witte wijn, 6 goed geklutste eijerdoijers,
+1 o., 2 1/2 l. suiker, 2 citroenen, en van 1 citroen de schil,
+ruim 1 1/2 l. opgeloste en doorgegoten vischlijm, benevens 1/2 lepel
+aangemengde stijfsel, laat men, onder gestadig roeren, te zamen tot aan
+de kook komen; men neemt dan de pan van het vuur, mengt het geslagen
+eiwit door het kooksel, en giet het in den vorm.--Voor 12 personen.
+
+6. Sagopudding. Ruim 8 l. sago wordt met citroenschillen, en
+pijpkaneel, in melk voorzigtig gaar en stijf gekookt; dan roert
+men er 1 1/2 l. opgeloste gélatine bij, benevens 5 l. suiker, en
+laat alles onder gestadig roeren, goed doorkoken. Vervolgens roert
+men 3 eijerdoijers en het geklopte wit er door, laat het in den,
+met koud water omgespoelden vorm koud worden, en geeft den pudding
+met vruchtensaus.
+
+7. Appelpudding. Een soepbord week appelmoes, dat met wijn, suiker,
+en citroenschillen is gekookt, wordt door eene zeef gewreven,
+dan vermengd met het sap van 2 citroenen en weder aan de kook
+gebragt. Vervolgens roert men er ruim 3 l. opgeloste gélatine, 1
+lepel aangemengde stijfsel, en het geslagen wit van 4 eijeren door,
+en doet het in den vorm.
+
+8. Roode pudding van rijstmeel. 5 m. bessen- of frambozensap, evenveel
+rooden wijn, met suiker naar den smaak, laat men koken, en strooit
+er dan 1 1/2 o. rijstmeel in, dat men gaar, doch niet stijf laat
+worden.--Men kan op dezelfde wijze handelen met griesmeel, en voor
+beide puddings is eene koude vanillesaus zeer geschikt om er bij
+te presenteren; ook geeft men er wel room bij, die met rooden wijn,
+suiker en een scheutje rhum dooreen is geslagen.
+
+9. Roode schuimpudding. Eene kan, met rooden wijn vermengd, bessen-
+of kersensap wordt met suiker en pijpkaneel gekookt; dan roert men
+er 1 o., 1 1/2 lood aangemengde stijfsel in, en laat alles weder
+goed doorkoken. Men neemt den pot af, voegt het stijf geslagen wit
+van 9 eijeren er bij, kookt het nog even op, en schudt het in den
+omgespoelden, en met suiker bestrooiden vorm. Men eet den pudding
+met vanillesaus.--Voor 14 personen.
+
+10. Flambri. 1 k. melk, 1 o. suiker en eenige gestooten bittere
+amandelen worden met wat vanille of citroenschil gekookt; dan 4 1/2
+l. in water opgeloste roode gélatine er doorgeroerd; de massa in een
+omgespoelden vorm gegoten en koud met vruchtensap gediend.
+
+11. Rijstpudding met citroen. 3 o., 7 1/2 l. rijst wordt gebroeid
+en in water gaar en dik, doch niet stijf gekookt, en zóó dat de
+korrels in hun geheel blijven. Men schilt twee citroenen af, kookt
+de schil in water zacht, en snijdt er dunne reepjes van. Dan zet
+men wat suiker met water te vuur, en kookt de citroenschillen, onder
+gestadig omroeren daarin, totdat zij al de suiker hebben opgenomen,
+waarna men ze laat droogen. Intusschen heeft men 1/2 k. rhijnwijn,
+met het sap van 4 citroenen en 3 o., 7 1/2 lood suiker laten koken;
+men roert er nu voorzigtig de warme rijst, en de gecandaliseerde
+schillen door, en giet alles in den omgespoelden vorm. Men versiert
+den pudding met ingemaakte vruchten en geeft er schuimsaus bij.
+
+12. Rijstpudding met vruchten. Men kookt 2 1/2 o. gebroeide rijst
+met melk, suiker en pijpkaneel gaar, en niet te stijf. Tegelijk
+kookt men gesnipperde amandelen, in een weinig water, half zacht,
+voegt er dan een paar kopjes witten wijn, wat suiker, citroensap en
+schil, krenten en aan schijven gesneden appelen bij, laat alles gaar
+worden, en bindt de saus met wat aardappelmeel. Dan legt men in een
+omgespoelden vorm eene laag rijst, daarop eene laag appelen enz.,
+tot men met rijst eindigt. Men geeft er wijn- of vanillesaus bij.
+
+13. IJspudding. 2 1/2 o. gebroeide rijst wordt met 2 1/2 k. water en
+2 1/2 o. suiker gedurende 3 uren, toegedekt, langzaam gekookt. Dan
+roert men er het sap en de geraspte schil van 3 citroenen, benevens 1
+spijslepel arak of rhum door, en laat het wat bekoelen. Men legt het
+aan lagen in den omgespoelden vorm, met kleine stukjes vruchtgelei
+er tusschen. Men geeft er vanillesaus bij.
+
+14. Pêle mêle. 1 k. melk wordt gelijk geroerd met 4 glad afgestreken
+lepels bloem, en met suiker en vanille aan de kook gebragt; dan
+worden 12 eijerdoijers voorzigtig door de melk geroerd, en alles
+in een schotel weggezet. Men doet het geslagen wit van 3 eijeren en
+2 1/2 o. frambozen- of bessengelei bij elkander, roert dit een uur
+lang, altijd naar denzelfden kant, dooreen, en giet het over de koude
+vlade heen.
+
+15. Blanc-manger. 1 k. zoeten room laat men voorzigtig koken met 20
+kleine bitterkoekjes, een stukje vanille, en 3 lepels witte suiker; als
+het goed doorgekookt is, giet men er 1 l., 2 1/2 w. gesmolten vischlijm
+bij, laat het door een neteldoekschen doek loopen, en doet het dan in
+den natgemaakten vorm.--Wanneer men het gemarmerd wil hebben, neemt men
+voor de helft gesmolten bessengelei, en giet daarvan een vingerbreed
+in den met olie bestreken vorm; daarop, nadat zij stijf geworden is,
+evenzoo hoog van de laauwe blanc-manger en gaat zoo voort tot alles
+op is. Als het koud is geworden, snijdt men het in dunne schijven,
+die men netjes op een schotel schikt.--Des verkiezende kan men
+blanc-manger ook zonder vischlijm, of een dergelijk bindmiddel gereed
+maken, en zich daarvoor naar het volgende recept rigten: 1 k. melk,
+ruim 8 l. suiker, 24 zoete en 8 bittere gestampte amandelen worden met
+wat citroenschillen gekookt; dan mengt men 7 1/2 l. stijfsel met wat
+water aan, roert er 5 eijerdoijers door, en laat alles, onder gestadig
+roeren, goed doorkoken. Dit laatste recept is voor 16 personen.
+
+16. Crême fouettée. Men neemt zoeten room, voegt daarbij suiker naar
+den smaak, benevens een gespleten staafje vanille, en laat dat een
+uur staan trekken. Dan slaat men den room, op eene koude plaats, met
+eene garde en schept het schuim dat men krijgt er af, om het op eene
+haarzeef te laten uitlekken; men zet de zeef op een schotel en giet
+den room die er uitloopt weder bij hetgeen dat men nog slaan moet; zoo
+gaat men voort, tot alles tot een stijf schuim geworden, op de zeef
+ligt; men laat er de vanille tot het laatst toe in. Het schuim wordt
+in een roomkom geschept, en met kleine gebakjes gepresenteerd. Des
+verkiezende kan men, als men de helft van het schuim gereed heeft,
+door het overige een scheut bessennat gieten en bij het opdoen witte
+en roode stukken door elkander in de kom leggen.
+
+17. Charlotte russe. 2 m. zoeten room zet men, met een stuk vanille
+op eene warme plaats, om te trekken; dan voegt men er 2 1/2 o. suiker
+bij, en laat alles even koken. Als het kooksel bekoeld is, roert men
+er 10 eijerdoijers door, en slaat het met eene garde op zacht vuur,
+tot het dik geworden is (het mag niet meer koken), dan neemt men
+het af, en giet het in eene koude schaal. Daarop wordt er 3 l., 3
+w. opgeloste gélatine bijgevoegd; men slaat het nog een poosje en,
+als de vlade koud geworden is, voegt men er het schuim van 6 1/2
+m. zoeten room, volgens No. 16 geslagen, bij. Een porseleinen vorm
+wordt met olie bestreken, met biscuit de vanille rondom belegd en
+de vlade daarin gegoten; men zet dien in koud water, dat dikwijls
+ververscht moet worden, en keert hem eerst den volgenden dag om.
+
+18. Crême à la Sultane. Men neemt 5 m. melk, 2 o. suiker, 8 eijeren,
+de schil van 1 1/2 citroen en wat pijpkaneel. De helft van de suiker
+wordt met een half glas water in eene koperen casserol op matig vuur
+donker bruin gemaakt; dan voegt men er de melk en kaneel bij, laat
+het te zamen een poosje langzaam koken, giet het door eene zeef en
+laat het bekoelen. Daarop klutst men de eijerdoijers, roert die met
+de schil van 1 citroen er door, en giet het nogmaals door eene zeef,
+in de schaal waarin het blijven moet. Men zet die in kokend water, met
+een deksel met eenig vuur er op, en laat het zóó dik worden, waarna men
+haar er uitneemt. Het eiwit slaat men tot een stijf schuim, waardoor
+de overige citroenschillen en wat suiker wordt gemengd, en hiervan
+legt men op de bekoelde vlade een rand, en iets in het midden op den
+schotel; men bestrooit het schuim met suiker, en zet het om te bruinen
+in een heeten oven, of gaat er met een gloeijende asschop overheen.
+
+19. Zwitsersche vlade. 4 1/2 m. melk, 8 eijerdoijers, 1 o., 2
+1/2 l. suiker, en een theelepel stijfsel of bloem, worden op het
+vuur tot eene vlade geroerd. Daarna belegt men eene vladeschaal met
+bitterkoekjes en bedruipt die met een weinig rhum, maar niet zóó dat
+zij geheel week worden; men verdeelt er dan de vlade over, en bedekt
+die vervolgens met eene crême fouettée (zie No. 16), gemaakt van
+5 m. zoeten room, suiker, vanille en 3 lepels rhum. Ook kan men in
+plaats van het roomschuim over alles heen te spreiden, dit ten slotte
+door de vlade roeren; maar dan neemt men slechts 2 1/2 m. room en 1
+1/2 o. abrikozenmoes, in plaats van vanille.
+
+20. Koffijvlade. Bijna 7 m. dikke zoete room tot schuim geslagen,
+1 o., 2 1/2 l. gezifte suiker, en 1 kopje koffij dat van 1 o.,
+2 1/2 l. koffij is getrokken, wordt alles kort vóór het gebruik
+dooreengeroerd.
+
+21. Kersen met schuim. Kersen waar men de pitten heeft uitgehaald,
+legt men in eene roomkom, strooit er suiker en kaneel over, en bedekt
+ze met crême fouettée, volgens No. 16.
+
+22. Russische vlade. Eene flesch rhijnwijn, ruim 3 o. suiker, de schil
+van 1 citroen, 11 eijeren, het sap van 2 citroenen en een goeden
+spijslepel met water aangemengde stijfsel roert men door elkander,
+brengt het, onder gestadig slaan met eene garde, tot aan het koken,
+en roert tot het koud is, er gaandeweg 2 m. arak in gietende.
+
+23. Citroenvlade. Het sap van 4 citroenen, van 1 citroen de schil,
+een bierglas rhijnwijn, 8 eijerdoijers en suiker naar den smaak,
+worden goed dooreengeklopt, en op het vuur dik geroerd. Men kan de
+vlade met gesnipperde sucade versieren.--Wanneer men de vlade in een
+vorm wil maken, en omkeeren, gaat men te werk als volgt: 1 fl. witte
+wijn, 2 1/2 o. suiker, het sap van 3 citroenen, en de schil van 2,
+12 eijeren, en van 4 het wit, benevens een lepel arak, worden met de
+garde onafgebroken geslagen, aan het koken gebragt, dan van het vuur
+genomen, en vlug dooreengeklopt met 3 l., 3 w. opgeloste gélatine.
+
+24. Citroenvlade met frambozen. Men maakt eene vlade volgens de
+eerste opgaven in No. 23, doch slechts met 2 citroenen, en legt die
+laagsgewijze met frambozen, die met suiker bestrooid zijn, in eene
+schaal; de laatste laag moet vlade zijn, en men versiert die met
+de mooiste frambozen die men heeft uitgezocht. Men kan dit ook met
+aardbeziën doen.
+
+25. Spaansche rijst. 2 1/2 o. gebroeide rijst wordt in een aarden
+pot met water langzaam gaar en dik gekookt, zoodat de korrels geheel
+blijven. Dan laat men 1 fl. witten wijn, met 3 o. suiker, het sap van
+2 citroenen, en van 1 de schil, te zamen warm worden, roert er ruim 2
+m. arak door, en zet alles weg om koud te worden. Men zij niet bezorgd
+wanneer het kooksel te dun schijnt te zijn, want het wordt door staan
+dikker, en mag niet al te stijf wezen. Vóór het opdoen roert men het
+met eene houten saladevork door, legt het in de schaal, en versiert
+het met gelei; ook geeft men er koude rooden wijn- of vruchtensaus bij.
+
+26. Tutti frutti. Verschillende vruchten, b. v. kersen zonder de
+pitten, geschilde, in vierdeparten gesneden appelen, pruimen waar
+de schil afgetrokken, en de pit uitgehaald is, en wat men verder
+verkiest, worden met wijn, suiker en citroenschillen gekookt en,
+met het lijmig geworden nat, in een schotel gelegd. Dan kookt men
+een blanc-manger, van 5 m. melk met vanille, ruim 1 l. stijfsel,
+6 eijerdoijers en 6 1/2 l. suiker, dien men als hij bekoeld is over
+de vruchten giet, waarna men alles met het geslagen eiwit bedekt,
+dit met suiker bestrooit en met een gloeijende schop bruint.
+
+27. Amandelvlade. 1 k. melk, 1 o., 2 l. gestooten amandelen,
+9 l. suiker, 8 eijerdoijers, 2 lepels stijfsel en vanille, of
+citroenschil worden, onder gedurig roeren, tot aan het koken gebragt,
+schielijk in de schaal gegoten, en geroerd tot het verslagen is.
+
+28. Chocoladevlade. 1 o., 2 1/2 l. chocolade laat men op den wasem
+van een ketel smelten, en kookt ze dan, gedurende 5 minuten, zachtjes
+met 1 k. melk, een stuk vanille, kaneel en suiker naar den smaak. Dan
+klutst men 10 eijerdoijers met 1 lepel stijfsel en wat van de melk,
+die men er heeft afgehouden; roert dit voorzigtig door de chocolade,
+en blijft met de garde slaan tot alles bekoeld is.
+
+29. Rijst- of griesmeel. 1 k. melk, 5 l. gestooten amandelen, 9 1/2
+l. suiker, wat pijpkaneel en citroenschil wordt gekookt; dan roert men
+1 o., 2 1/2 lood gemalen rijst, of griesmeel met een weinig melk, die
+men er afgehouden heeft, en giet die bij het kooksel; men voegt er ook
+een weinig zout bij, en laat alles, onder gestadig roeren, een kwartier
+doorkoken. Dan neemt men het af, roert er voorzigtig 4 eijerdoijers,
+en het laatst het geklopte wit door, waarna men het op een natgemaakten
+schotel giet. Men kan er allerlei wijn- of vruchtensausen bij geven.
+
+30. Stekelvarken. 1 o. gemalen rijst, 1 o. amandelpas, 1 k. melk, 2
+lepels suiker en een stukje vanille, laat men te zamen koken, tot het
+dik is; men giet het in den vorm en, als men het er koud uitneemt,
+besteekt men het met gesnipperde amandelen. Bessennat wordt, met
+engelsche paarlsago, zoo dik gekookt dat men er, als het koud is,
+stukken af kan steken, die men rondom het kopje op den schotel legt.
+
+31. Sneeuwbal in vanillesaus. Men neemt 1 k. melk en, al naar dat
+men den sneeuwbal groot hebben wil, 8-12 eijeren, 1 ons suiker, 1
+kopje gestooten amandelen, een stuk vanille, en wat pijpkaneel. De
+melk wordt met de amandelen, de suiker en de kruiderijen langzaam
+gekookt. Intusschen wordt het eiwit tot een zeer stijf schuim geslagen
+en op een platten schotel, met een mes, glad en rond tot eene soort van
+berg gevormd, dien men daarna voorzigtig op de kokende melk schuift,
+en tusschenbeide zachtjes daarmede bedruipt, tot het schuim gaar
+is, waartoe slechts eenige minuten vereischt worden. Dan neemt men
+den bal met een schuimspaan of platten lepel er uit, en legt hem
+in een diepen schotel. De eijerdoijers klutst men, en voegt ze,
+benevens een goed stuk boter, sterk roerende, bij de vanillemelk,
+die, een weinig bekoeld zijnde, rondom den sneeuwbal wordt gegoten,
+zonder dat de saus er vlekken op geeft. Men bestrooit hem met gezifte
+suiker en steekt er eene enkele bloem op. Desverkiezende kan men ook
+kleine balletjes maken en die als eene pyramide opstapelen, met de
+saus er overheen en met suiker en kaneel bestrooid.
+
+32. China's appelen in wijn. De china's appelen worden van de schil
+ontdaan, aan schijven gesneden, met rijkelijk suiker er tusschen,
+aan lagen in eene schaal gelegd, en met witten wijn overgoten. Men
+legt er een rand van aardbeziën om.
+
+33. Koude appelvlade. 5 groote gebraden appelen worden door eene zeef
+gewreven; dan voegt men er 1 o., 8 lood suiker, het sap en de schil
+van 1 citroen, het wit van 3 eijeren en 2 lepels arak bij. Men roert
+dit 2 uren lang, sterk en onafgebroken, naar denzelfden kant.
+
+34. Kersenvlade. 1 1/2 p. meikersen worden van de pitten ontdaan, en de
+helft van de pitten stampt men fijn, om ze met wat nagelen en kaneel,
+1/2 uur in een weinig water te laten koken, en daarna op eene zeef
+te schudden. Het nat dat er uitloopt, laat men met 1 glas rhijnwijn,
+met 2 1/2 ons suiker en eene geraspte citroenschil koken, en voegt er
+dan de kersen bij, om ze tot moes te koken. Daarop wrijft men dit door
+eene niet te fijne zeef, en laat het nogmaals, onder gestadig roeren,
+opkoken. Dan roert men er een lepel met wijn gemengde stijfsel door,
+en als het daarmede goed is doorgekookt, neemt men de pan af, voegt
+er 6 eijerdoijers, en later het geslagen wit bij. Men bestrooit de
+vlade met gestampte bitterkoekjes.
+
+35. Kruisbessenvlade. Men zuivert 1 p. kruisbessen van stelen en
+bloempjes, kookt ze in water gaar, en laat ze uitdruipen; dan kookt
+men 3 o., met 7 1/2 l. suiker, met 1 glas witten wijn, voegt er de tot
+moes geroerde bessen en wat kaneelwater bij, laat het te zamen koken,
+en roert er 6 eijerdoijers, met het geklopte wit, voorzigtig door.
+
+36. Aardbeziënvlade. 1 p. goede rijpe aardbeziën, van de droogste
+soort, worden gewasschen, en op eene grove zeef gelegd om uit te
+druipen; daarna er doorgewreven. Men kookt 1 glas rooden wijn met 2
+1/2 à 3 o. suiker, voegt het moes er bij, en laat het met een lepel
+aangemengde stijfsel, onder gestadig roeren, goed doorkoken. Dan neemt
+men de pan af en roert er het stijf geslagen wit van 6 eijeren door.
+
+37. Bessenvlade. 5 m. bessensap, 12 eijerdoijers, en suiker naar den
+smaak, slaat men met eene garde, op het vuur, tot het aan het koken
+toe is, neemt de pan af, en slaat er dan het zeer stijf geklopte
+schuim van 8 eiwitten door. Het is ook zeer geurig als men voor de
+helft frambozensap neemt. Men presenteert er biscuit bij.
+
+38. Frambozenschuim. 3 spijslepels frambozengelei, 3 lepels suiker, en
+het wit van 5 eijeren, worden een half uur lang met de garde geslagen,
+en gepresenteerd in glaasjes met bitterkoekjes er bij.
+
+39. Aardbeziënschuim. 1 kop aardbeziën, van de droogste soort, wordt
+door elkaâr geroerd met ruim 2 m. zoeten room en door eene zeef
+gewreven. Dan voegt men er 2 1/2 o. suiker, benevens wat kaneel,
+of geraspte citroenschil bij, slaat het tot schuim en dient het
+in glaasjes.
+
+40. Arakschuim. 1 k. zure room, 1 1/2 m. arak, of madera, en suiker
+naar den smaak, wordt tot schuim geslagen en in glaasjes gediend.
+
+41. Roomschuim. Eiwit wordt met suiker tot een stijf schuim geslagen;
+dikke zure room, met suiker en gestampte vanille, wordt insgelijks
+tot schuim geklopt; dan beiden door elkaâr geroerd, en in glaasjes
+gepresenteerd.
+
+42. Sillebub. 1 k. dikke zoete room, 2 1/2 o. suiker, het sap van 2
+citroenen, met de geraspte schillen, benevens 3 glazen witten wijn,
+worden op eene koude plaats, met de garde geslagen. Zoodra men schuim
+heeft, doet men het in een glaasje, en gaat zoo voort tot alles gereed
+is. Men kan, desverkiezende, reeds een paar uren vóór dat men met
+het kloppen begint, de verschillende bestanddeelen vermengen.
+
+43. Citroenschuim. Men meet citroensap met een kopje, en voegt er
+evenveel gekookt water bij. Op 3 1/2 kopje van dit vermengde vocht,
+rekent men 8 eijeren en het wit van 4 1/2 k. rhijnwijn en de geraspte
+schil van 2 citroenen, benevens suiker naar den smaak. Dit alles
+laat men door eene zeef loopen, zet het daarna te vuur, en slaat het
+gedurig, tot het geheel schuim is. Dan doet men het in glaasjes.
+
+44. Rouge-manger. 1 fl. bessen- of morellensap, 1/2
+fl. frambozenstroop, suiker naar den smaak en 1/2 l. gestooten kaneel,
+roert men dooreen en laat het koken. Dan voegt men er 3 l. gesmolten
+vischlijm bij, kookt het nog even, en giet het door een doek in
+den vorm.
+
+45. Rijst à la Marengo. 2 1/2 o. rijst kookt men in water op, schudt
+ze dan in koud water, en kookt ze vervolgens met melk en een weinig
+zout tot eene niet zeer dikke brij. Men laat 2 1/2 o. witte suiker
+met een kopje water koken, tot zij aan de kanten geel begint aan te
+zetten; dan plaatst men den bodem van de pan even in koud water. De
+rijst wordt kokend bij de suiker gedaan, en alles met een lepel rhum
+dooreengeroerd. Men giet het in een vorm of schotel, klopt het wit
+van 4 eijeren tot schuim, en legt dit, vermengd met 4 l. suiker en
+wat geraspte citroenschil, op de rijst. Het moet in een heeten oven
+bruin gebakken worden.
+
+46. Citroenstruif. 1 1/2 o. amandelpas, het sap van 3 of 4 citroenen,
+en de geraspte schil van 3, 4 lepels gesmolten boter, 10 eijeren
+(van 4 het wit), 5 lepels suiker, 1/2 lepel kaneel, en 2 gestampte
+beschuiten roert men dooreen. Men doet het op de schaal die men in
+den oven, met wat vuur er onder, zet, om op te stijven.
+
+47. Engelsch matrimonium. Een stukje vanille, een stuk pijpkaneel,
+en eene gesnipperde citroenschil laat men, met 2 kopjes melk, op het
+vuur trekken; dan kookt men dit met 6 m. zoeten room; 8 geklutste
+eijerdoijers roert men er van het vuur voorzigtig door, laat het dan,
+onder gestadig roeren, nog tot aan het koken komen, giet het op eene
+schaal en laat het opstijven. Men klopt 2 1/2 o. frambozenmoes, met
+het wit van 1 ei, gedurende 1/2 uur sterk door elkander, en legt dit
+op de vlade.
+
+48. Riz-Anglais. 2 1/2 o. rijst kookt men zeer ruim in water gaar,
+en wrijft ze door eene zeef; dan voegt men er 1/4 fl. rhijnwijn, 1/2
+fl. rhum, het sap van 3 citroenen en ééne geraspte schil, benevens 2
+1/2 o. suiker bij, en laat alles nog 1/4 uur koken. Dan schept men het
+in den vorm, om koud te worden. Bij het opdoen giet men de volgende
+saus, ook koud, er overheen: 1 glas rhum, het sap van 2 citroenen,
+2 lepels suiker en 4 eijerdoijers, al klutsende gekookt.
+
+49. Koude schaal van abrikozen. Men trekt de schil van de abrikozen,
+ontdoet ze van de pit en kookt ze met eenige gepelde pitten, suiker
+en kaneel, in water, niet al te zacht. De helft legt men in eene
+terrine en de andere helft wrijft men, met het nat, door eene zeef,
+voegt er evenveel witten wijn bij als er moes is, roert er goed wat
+suiker door, en giet het over de abrikozen. Men geeft er beschuit bij.
+
+50. Koude schaal van kersen. Uit een soepbord vol kersen worden de
+pitten gehaald, waarvan men een lepel vol stampt, die men met de
+kersen en 2 à 3 kruidnagelen in 1 k. water gedurende een kwartier
+kookt, vervolgens door eene zeef wrijft en door elkaar roert met 1/3
+van de hoeveelheid rooden wijn, benevens suiker en kaneel. Men legt
+er gebroken beschuit in.
+
+51. Koude schaal van aardbeziën en frambozen. De vruchten worden met
+veel suiker bestrooid, in eene terrine gelegd en zoo laat men ze een
+uur staan; dan mengt men half witten wijn, half water, met citroensap,
+suiker en kaneel en giet dit er over.
+
+52. Koude schaal van rijst of sago. 1 o., 2 1/2 l. rijst of sago
+wordt, zonder dat er in geroerd wordt, gaar en dik gekookt, zóódat
+de korrels geheel blijven, en in eene terrine geschept. Daarover
+strooit men rijkelijk suiker, kaneel, geraspte citroenschillen, en
+voegt er gekookte krenten, met het nat bij. Na verloop van een uur
+wordt 1 fl. roode wijn en 1 fl. water met de noodige suiker gemengd,
+en dit over de rijst gegoten.
+
+
+
+
+
+
+
+O. BALLETJES EN BOLLEN.
+
+
+1. Algemeene regelen. Het brood dat men bij het maken van balletjes
+gebruikt, mag niet versch wezen en ook niet in warm water geweekt
+worden, daar het dan te papperig wordt. Men legge het even in koud
+water, drukke het dan uit en wrijve het fijn.--De recepten zijn wel
+zoo naauwkeurig mogelijk opgegeven, maar bij sommige soorten van
+balletjes komt het op eene kleinigheid van meer of minder vocht aan,
+en dus zal men goed doen, door steeds van de geprepareerde massa
+zooveel af te nemen, dat men één balletje als proef kan koken, om te
+zien of er soms nog brood of water moet worden bijgevoegd. Meestal
+worden de vleeschballetjes voor soep of ragout in de, met koud water
+bevochtigde, hand gerold, maar men kan ook zeer goed eene dikke laag
+van het mengsel op een schotel spreiden en daarvan met een lepel
+stukjes afsteken, die wat rondrollen en dan in de soep werpen; de
+lepel moet dan telkens in den bouillon worden nat gemaakt. Als men
+veel balletjes te koken heeft, doet men best met ze eerst allen te
+vormen, en dan te gelijk in de soep te doen, daar anders de eersten
+te lang zouden koken. Om te zien of zij gaar zijn, moet men er één
+doorbreken; brood-, aardappel- of meelballetjes zijn goed als zij
+inwendig droog zijn, en vleeschballetjes, als men geen raauw vleesch
+meer ziet. Voor fricassées kookt men de balletjes in bouillon of
+water met zout afzonderlijk. Alle soorten moeten in een toegedekten
+pot gekookt en spoedig opgedaan worden.
+
+2. Vischballetjes. Men fruit eene fijngehakte chalotte in 1 o. boter en
+roert er dan, op het vuur, het volgende door: 1 o. geraspt wittebrood,
+2 goede lepels melk, 4 eijerdoijers en 1 eiwit; dan schept men het in
+een kouden pot, om te laten bekoelen. Intusschen wordt 2 1/2 o. visch,
+die van graten en vellen gezuiverd is, met 6 1/2 lood merg of versch
+spek en wat zout, zeer fijn gehakt, en daarna in een mortier nog fijner
+gewreven; vervolgens dooreengeroerd met het eerstgenoemde, terwijl men
+er wat foelie, witte peper en gehakte pieterselie bijvoegt. Hiervan
+maakt men balletjes en kookt die 5 minuten in bouillon.
+
+3. Balletjes voor bruine soep. 2 1/2 ons mager varkensvleesch en half
+zooveel kalfsvleesch, zonder vellen, worden zeer fijn gehakt, en dan
+dooreengeroerd met 6 1/2 l. gesmolten boter, 6 1/2 lood geweekt en
+uitgedrukt wittebrood, 2 eijerdoijers, zout, citroenschil en foelie,
+benevens ten slotte het geslagen eiwit.--De hiervan gemaakte balletjes
+worden in bouillon gaar gekookt en dan nog, des verkiezende, in
+gestooten beschuit gewenteld, en in boter luchtig opgebakken.
+
+4. Balletjes van rundvleesch. 2 1/2 o. biefstukvleesch hakt men zeer
+fijn en haalt er alle vellen uit. Dan voegt men er 6 1/2 l. gesmolten
+boter, 2 eijerdoijers, 5 l. geweekt wittebrood, foelie, notemuskaat,
+zout en het geslagen wit van 1 ei bij. Men kookt de balletjes 5
+minuten in de soep.
+
+5. Balletjes van kalfsvleesch bereidt men volgens No. 4, maar voegt
+er gehakte pieterselie bij.
+
+6. Zwezerikballetjes. Men neemt hiervoor 5 o. versch niervet en 3
+1/2 o. zwezerik, zoekt er de vellen goed uit, en stampt dit te zamen
+zoo lang tot het volkomen is vereenigd. Dan strooit men er, zooveel
+als noodig is, zout en peper over, stampt weder en voegt er een ei
+bij, roert alles goed dooreen, stampt weder en voegt er nog een ei
+bij. Voorts giet men er een lepel water in en gaat voort met stampen;
+als het water er goed is doorgedrongen, herhaalt men dit lepelsgewijze
+opgieten nog eenige malen, doch niet te spoedig na elkander, omdat
+de balletjes dan niet zacht worden. Men bestrooit eene taartenplank
+met meel, rolt de balletjes daarin, kookt ze in vleeschnat en legt
+ze bij den ragout.
+
+7. Zwamballetjes. Men neemt hiervoor 1 o., 2 1/2 l. boter, evenveel
+bloem, ruim 2 m. melk, 4 eijeren en wat foelie.--De helft van de boter
+wordt tot aan het koken gebragt, het meel met de melk aangemengd,
+benevens het wit van één ei bij de boter gevoegd, en geroerd tot
+het van de pan loslaat. Dan wordt de overige boter gesmolten, de
+eijerdoijers, de foelie en wat zout er doorgeroerd, en voorts alles
+bij de eenigzins bekoelde melk gevoegd. Eindelijk roert men er het tot
+schuim geslagen eiwit door, maakt de balletjes en kookt ze 10 minuten.
+
+8. Zwamkluiten. Het wit van 3 eijeren wordt tot schuim geklopt; dan de
+doijers langzaam er doorgeroerd, benevens 3 theelepels bloem en wat
+zout. De geheele kluit wordt op de kokende soep gelegd, kookt eenige
+minuten mede, terwijl men haar met den schuimspaan éénmaal omkeert,
+en wordt ook in de terrine met de soep opgedaan, om bij het voordienen
+in stukjes te worden verdeeld.
+
+9. Beschuitballetjes. Men smelt een stuk boter ter grootte van een
+ei, roert dit een geruimen tijd met 2 eijeren en wat notemuskaat,
+en voegt er dan, steeds roerende, langzamerhand 4 afgestreken lepels
+zeer fijn gestooten beschuit bij. De balletjes moeten allen te gelijk
+in den kokenden bouillon worden gedaan, daarin een oogenblik opkoken,
+en dan, goed toegedekt, van het vuur nog 5 minuten in den pot blijven
+staan, ten einde verder gaar te worden.
+
+10. Griesmeelballetjes. Men roert 6 1/2 l. griesmeel met ruim 1
+m. water en melk en een stuk boter, op het vuur, zoolang tot het stijf
+is. Dan smelt men nog een stuk boter, roert het met wat foelie, zout
+en 3 eijerdoijers door het bekoelde griesmeel, en voegt er ten laatste
+het geslagen wit van 2 eijeren bij. Dit wordt met een theelepeltje
+aan stukjes in de kokende soep gelegd, en 10 minuten langzaam gekookt.
+
+11. Eijerballetjes. Een uur vóór het opdoen worden ruim 2 m. bouillon
+of melk met 4 eijeren goed geklutst, en met gehakte pieterselie,
+foelie en zout, in eene met boter besmeerde pan gedaan, die men in
+kokend water zet, tot de inhoud dik, maar niet hard is geworden. Men
+legt de daarvan gevormde balletjes terstond in de terrine.
+
+12. Broodballetjes. 6 1/2 l. boter wordt gesmolten; men roert er 2
+eijerdoijers, wat foelie, gehakte pieterselie, 2 1/2 o. geweekt en
+goed uitgedrukt wittebrood, benevens het geslagen eiwit door. Men
+maakt er kleine balletjes van en laat die 5 minuten langzaam in de
+soep medekoken.
+
+13. Mergballetjes. Merg en boter worden in gelijke hoeveelheid,
+lang en zeer fijn door elkaâr gewreven; dan 3 eijeren en 1 eiwit, 2
+gestooten beschuiten, zout, wat foelie, of citroensap er door geroerd,
+en de hiervan gemaakte balletjes eenige minuten in de soep gekookt.
+
+14. Loodballetjes. 3 l. water, 3 l. boter, 3 l. bloem, worden op het
+vuur dik geroerd; dan voegt men er 2 eijerdoijers, 1 eiwit en wat
+notemuskaat bij, en laat de gevormde balletjes 10 minuten koken.
+
+15. Meelballetjes. Een stuk boter, zoo groot als een ei, wordt
+gesmolten; dan voegt men er gaandeweg bij: 2 eijerdoijers, 1 eiwit,
+notemuskaat of gehakte pieterselie, zout en 2 opgehoopte spijslepels
+bloem. Men roert dit gedurende 5 minuten goed dooreen, maakt er
+balletjes van, en kookt die 10 minuten in de soep.
+
+16. Aardappelballetjes. Men smelt een stuk boter en roert daardoor:
+2 eijerdoijers, een theeschoteltje vol geraspt wittebrood, evenveel
+gekookte, en zeer droog fijngewreven aardappelen, citroenschil, zout
+en notemuskaat; ten slotte ook het geslagen eiwit. De balletjes moeten
+10 minuten in de soep koken.
+
+17. Schuimballetjes. Men slaat eiwit met suiker tot een stijf schuim,
+steekt daar met een lepel kluitjes af, legt ze in de terrine, op de
+kokend warme wijn- of melksoep, bestrooit ze met suiker en kaneel,
+en dekt ze schielijk toe; zoo worden zij gaar.
+
+18. Egyptische bol. 3 o. beschuitbollen worden geraspt; 1 ons, 3 1/2
+l. boter wordt gesmolten; 8 eijeren, 6 1/2 l. gesnipperde amandelen,
+1 citroen met de geraspte schil er doorgeroerd, en ten laatste ook het
+brood, benevens een weinigje melk. Dit laat men een kwartier staan,
+en vormt het dan tot een bol, dien men in eene pan legt, waarin 5
+o. pruimen reeds bijna gaar zijn geworden. Men laat alles te zamen
+onbedekt 1 uur koken, en keert op de helft van dien tijd den bol met
+den schuimspaan om. Hij wordt opgedaan met de pruimen er om heen.
+
+19. Wittebroodsbollen. 3 o., 7 1/2 l. in water geweekt, en uitgedrukt
+wittebrood roert men door elkander met een stuk boter, 4 eijerdoijers,
+3 goede lepels bloem, zout, notemuskaat en eindelijk met het geslagen
+eiwit. Dit legt men, tot bollen gemaakt, op de eene of andere soort van
+vruchten, die, in ruim nat, bijna gaar gekookt zijn. Men laat ze daarin
+goed toegedekt 1/2 uur mede koken, of, indien men ze met saus verkiest
+te gebruiken, kookt men ze een kwartier in kokend water met zout.
+
+20. Aardappelbollen. 2 soepborden melige geraspte aardappelen die
+den vorigen dag gekookt zijn, 8 lepels bloem, notemuskaat, zout,
+1 kopje gesmolten boter en 6 eijeren, waarvan het wit tot schuim
+geslagen is, worden goed dooreengeroerd, en de daarvan gemaakte
+bollen kookt men een kwartier in kokend water en zout. Men giet
+er gefruite boter over. Des verkiezende kan men de aardappelen met
+een zesde deel geraspt brood vermengen en, om de boter te sparen,
+het vet van uitgebakken spek gebruiken.
+
+21. Gebakken bollen. Hiervoor heeft men noodig: 1 p. tarwemeel, 5 1/2
+m. laauwe melk, 3 eijeren, 1 kopje gesmolten boter, 3 l., 3 w. drooge
+gist en 2 spijslepels suiker. De helft van het meel beslaat men met
+melk, de eijeren, de gist en wat zout, en laat het rijzen. Dan roert
+men het overige meel, de boter en de suiker er door, klopt het goed
+en laat het weder langzaam rijzen. Voorts rolt men het deeg dik uit,
+steekt er met een naauw glas of kopje stukken af, die men nogmaals
+even laat rijzen, en kookt ze daarna 10 minuten in de boter. Men
+geeft ze bij allerlei vruchtenmoes.
+
+22. Stoombollen. Het deeg wordt bereid volgens No. 21, en als de
+bollen voor de derde maal gerezen zijn, legt men ze in eene diepe
+pan waarin rijkelijk boter is gebruind en waar men ruim 2 m. melk
+bij giet. Men dekt de pan niet alleen digt, maar legt ook nog een
+natten doek over het deksel, zoodat geen wasem kan ontsnappen. In
+10 minuten is de onderkant gaar; dan keert men de bollen om en laat,
+met open pan, de andere zijde bruin worden. Des verkiezende kan men
+de gerezen bollen ook in een schotel in den heeten oven zetten, de 2
+m. melk met suiker er over gieten, en er die geheel laten intrekken,
+waarna men ze nog eenige minuten in den vorm laat staan.
+
+23. Gebakken griesmeelbollen. 1/2 k. melk, 2 1/2 o. griesmeel, een
+stuk boter en wat zout, worden op het vuur geroerd, tot het van de
+pan loslaat. Als het wat bekoeld is, roert men er 6 eijeren en wat
+citroenschillen of foelie door, en maakt er bollen van als een ei,
+die men met gestooten beschuit bestrooit, in boter bakt en, met suiker
+en kaneel er over, bij vruchtenmoes presenteert. Ook wel alleen,
+en dan met wijn- of vruchtensaus.
+
+24. Appelbollen. Een soepbord vol gesnipperde appelen, 2 kopjes melk,
+3 o., 7 1/2 l. geraspt wittebrood, 6 eijeren met het tot schuim
+geslagen wit, een stuk boter, benevens wat zout en citroenschil,
+maakt men tot een goed deeg. Hiervan vormt men bollen, die in water
+met zout gekookt, met suiker bestrooid en met wijnsaus gegeten worden.
+
+25. Kersenbollen. 5 o. rijpe kersen ontdoet men van de pitten en kookt
+ze, zonder water, met wat suiker, citroenschil en nagelen langzaam
+gaar. Als zij bekoeld zijn, roert men er 4 eijeren en een stukje boter
+door, benevens zooveel geraspt wittebrood dat men er zamenhangende
+bolletjes van maken kan, die ook met het koken niet uit elkander
+vallen, hetgeen men met één moet beproeven. Zij worden hoogstens 10
+minuten in kort nat gekookt, en met schuimsaus gepresenteerd.
+
+26. Leverbollen. Een kalfslever wordt geklopt en door eene zeef
+gewreven; men roert er een stuk spek zoo groot als een ei, zeer fijn
+gehakt, door, benevens 4 eijeren, een half kopje water, wat zout,
+peper en notemuskaat, 1 o. wittebrood aan dobbelsteenen gesneden
+en in boter gebakken, gehakte uije en zooveel meel als noodig is
+om de bollen te doen zamenhangen, die echter zeer luchtig moeten
+zijn. Dan legt men ze met een tinnen lepel in kokend water met zout
+en moet telkens den lepel daarin warm maken, opdat de bollen er niet
+aankleven. Daarin laat men ze ruim 10 minuten koken, en legt ze dan in
+een warm gemaakten schotel; men bestrooit ze met gestooten beschuit,
+en begiet ze met gewelde boter.
+
+27. Spekbollen. Men neemt 4 kopjes meel, 4 kopjes water, 4 eijeren
+en 6 1/2 lood spek. Het laatste wordt klein gesneden en langzaam
+uitgebakken, het meel met het water aangemengd, een paar lepeltjes
+zout er bijgevoegd, en dan alles op het vuur dooreengeroerd, tot het
+van de pan loslaat. Wanneer het bekoeld is, roert men de eijeren en
+nog een kopje meel er door; men maakt er bollen van die 10 minuten
+in water met zout moeten koken.
+
+
+
+
+
+
+
+P. VRUCHTENMOEZEN, SOEPEN EN COMPOTES.
+
+
+1. Algemeene regelen. Alle vruchten, zoowel versche als gedroogde,
+moeten in eene aarden of verglaasde pan worden gekookt, daar
+zij van ijzer vaatwerk een onaangenamen smaak aannemen.--Versche
+vruchten worden dikwijls zonder water opgezet en vlug in hun eigen
+sap gaargekookt; gedroogde vruchten daarentegen moeten met rijkelijk
+water bedekt te vuur worden gebragt.--Mogt het nat met koken niet dik
+genoeg worden, dan kan men er een weinigje aardappelmeel of paarlsago
+doorroeren.--Bij het opdoen neme men de vruchten, die niet voor moes
+bestemd zijn, uit het sap; men legt ze, met een lepel, goed geschikt,
+met de grootste bovenop, op den schotel, en gebruike vooral geene
+vork om er in te prikken. De saus giet men er eerst over als zij op
+tafel worden gebragt.
+
+2. Compote van heele appelen. Goede, zachte tafelappelen van
+middelmatige grootte worden geschild en uitgeboord; dan maakt men
+er over de lengte diepe sneden in. Voorts kookt men rhijnwijn met
+veel suiker, of ook wel voor de helft witten wijn, waarbij men
+wat citroenschil en pijpkaneel voegt, terwijl het compote zeer
+verfijnd wordt, als men er een scheut aardbeziën- of frambozensap
+ingiet.--Hierin zet men nu zooveel appelen naast elkander als de pan
+kan bevatten, laat ze 10 minuten op de eene zijde koken, en keert
+ze dan met een lepel om, zoodat de andere zijde gaar wordt. Het
+vuur moet matig zijn en, als zij niet geheel onderliggen, moet men
+ze telkens bedruipen.--De appelen die week zijn geworden neemt men
+er gaandeweg uit, en vervangt ze door anderen; als het noodig is,
+giet men er op nieuw wijn met suiker bij, en ook het sap, dat uit
+de gaar geworden vruchten lekt, wordt onder in de pan gegoten. Als
+al de appelen gereed zijn, laat men het sap tot stroop verkoken,
+en giet het dan door een zeefje; de helft giet men terstond op de
+netjes geschikte vruchten, en de andere helft eerst dan, wanneer zij
+op tafel worden gebragt. Men kan op de opening van elken appel eene
+rozenbottel of wat bessengelei leggen.
+
+3. Halve appelen in vruchtensap. Fijne appelen volgens No. 2 in
+orde gebragt, kookt men met half wijn, half frambozen-, bessen- of
+morellensap, suiker en pijpkaneel, volgens datzelfde No. zacht.--Men
+kan ook water en citroensap nemen, om de appelen in te koken.
+
+4. Appelschijven. Voor een goeden schotel appelschijven neemt men
+1/2 fl. witten wijn, 4 à 5 lepels suiker, wat citroenschil en kaneel,
+en kookt dit, in eene goed sluitende pan, tusschenbeide omschuddende,
+langzaam-gaar. Bijzonder fijn wordt dit compote door bijvoeging van
+een bierglas kweesap.
+
+5. Appelen met krenten. De appelen worden aan schijven gesneden en
+in half water, half witten wijn gaargekookt, met krenten, suiker en
+pijpkaneel, benevens gesnipperde amandelen. De appelen mogen volstrekt
+niet stuk koken.
+
+6. Appelmoes. Men kan dit op verschillende wijzen bereiden, maar
+altijd moeten de appelen goed geschild en van de klokhuizen ontdaan
+worden. Hoe fijner appelen, hoe lekkerder moes. Voor het dagelijksch
+gebruik zet men de appelen te vuur, met zooveel water dat zij in de
+eerste oogenblikken niet aanbranden kunnen; men laat ze tot moes koken,
+roert het fijn, doet er suiker, kaneel en eene geraspte citroenschil
+bij, en het is gereed. Wil men er meer werk van maken, dan wrijft men
+de appelen, vóór dat de suiker enz. er in wordt gedaan, door eene zeef,
+en roert er het laatst een eijerdoijer in.--Nog fijner wordt dit geregt
+als men de appelen in wijn kookt.--Bij het opdoen moet appelmoes met
+eene vork glad gestreken en met kaneel bestrooid worden; men kan dezen
+schotel ook versieren met gesneden amandelen of ingemaakte barbarissen.
+
+7. Appelsalade. Geschilde en uitgeboorde Borsdorfer appelen worden in
+dunne schijven gesneden en evenzoo citroenen, waar men de pitten heeft
+uitgedaan. Men legt die, in afwisselende lagen, met suiker er tusschen
+gestrooid, in eene schaal; de bovenste laag moet van citroenschijfjes
+zijn. Er wordt zooveel wijn over gegoten, dat de vruchten er van
+doortrokken zijn, zonder dat er eigenlijk nat opkomt; deze salade
+moet dus eenige uren vóór het gebruik worden gereed gemaakt.
+
+8. Zoete appelen. De appelen worden in vierdeparten gesneden en
+met zeer weinig water opgezet; als zij half gaar zijn, voegt men er
+suiker en kaneel bij, een weinigje gestooten nagelen, en een klein
+stukje boter. Om er eene mooije kleur aan te geven, roert men er wat
+cochenille door, die eerst met water moet worden fijngewreven.
+
+9. Gestoofde peren. Men schilt de peren rond en laat er van den steel
+iets aanblijven, of men snijdt ze in vierdeparten, naar verkiezing;
+dan worden zij met wijn, water en wijn, of bessennat opgezet,
+benevens suiker, kaneel en gestooten nagelen. Mogt het sap te dun
+zijn, dan roert men er een lepeltje paarlsago of aardappelmeel in;
+men kleurt ze met cochenille.
+
+10. Compote van meloen. De meloen wordt aan lange stukken gesneden,
+die men schilt en in water met witten wijn, suiker en goed wat
+citroenschijven zacht kookt; het nat laat men tot op weinig verkoken.
+
+11. Compote van kweeën. De vruchten worden dun geschild, midden
+doorgesneden, en men neemt er de klokhuizen uit. Deze zet men, met de
+kweeën, in water met suiker en pijpkaneel te koken, tot alles zacht is;
+dan giet men er een glas rhijnwijn bij, neemt de vruchten uit het nat,
+dat men, zoo noodig, nog wat laat verkoken, en giet het door eene
+zeef op de kweeën. De klokhuizen maken het sap spoediger dik en de
+pitten verfraaijen de kleur.
+
+12. Charlotte campagnarde. Goede wortelen worden, nadat zij geschrapt
+zijn, met een scherp mes in het rond tot op de pit dun afgesneden,
+zoodat men reepjes van eene stroobreedte krijgt. Deze kookt men gaar
+met citroenschillen en laat ze op eene zeef uitdruipen. Op ruim 6
+o. wortelen rekent men 2 1/2 o. suiker, sap en schil van 2 citroenen en
+een klein scheutje azijn. Dit alles laat men te zamen nog even koken,
+schept de wortelen er uit, laat het nat nog even verdikken en giet
+het er over. Men geeft dit bij gebraad.
+
+13. Beschuit met bessensap. Het bessensap wordt met suiker en kaneel
+gekookt; dan legt men eene laag beschuiten op een schotel; en begiet
+ze met het sap, tot zij geheel doortrokken zijn; vervolgens legt
+men er eene nieuwe laag op, die men weder eveneens behandelt, en de
+bovenste beschuiten bestrooit men met witte suiker.
+
+14. Compote van perziken en abrikozen. De vruchten worden van schil en
+pitten ontdaan en doorgesneden. Men kookt ze 10 minuten in wat witten
+wijn, met suiker en eenige van de gepelde pitten. Dan schikt men ze
+op eene schaal, laat het nat nog wat verkoken en giet het er over.
+
+15. Compote van Reine Claudes. De pruimen worden goed afgeveegd en,
+met den steel er aan, in wat water met veel suiker, niet al te week
+gekookt; dan neemt men ze uit het nat, laat dat nog wat verkoken,
+roert er ten laatste een lepel arak door, en giet het op de vruchten.
+
+16. Compote van pruimen. Versche pruimen legt men op eene zeef,
+houdt ze daarmede eenige minuten in kokend water en trekt er dan de
+schillen af. Ook neemt men er de pitten uit; zet ze dan met suiker
+en kaneel te vuur, laat ze koken, doch niet al te week worden,
+en roert een lepel rhum door het nat.--Men kan ook rijpe pruimen,
+waar de schil is afgetrokken, een uur lang in suiker leggen, en ze
+er dan uitnemen om ze op tafel te geven.
+
+17. Pruimenmoes. De pruimen worden van schillen en pitten ontdaan,
+en in haar eigen sap gaar gekookt, dan door eene zeef gewreven en
+met geraspt, in boter gebakken brood, suiker, kaneel en citroenschil
+goed doorgekookt.
+
+18. Compote van kersen of morellen. De stelen en pitten neemt men weg,
+en stampt eenige van de laatsten, die men 1/2 uur kookt in een weinig
+water, met wat pijpkaneel en eenige nagelen. Dit nat laat men door
+eene zeef loopen, zet het te vuur met suiker, en voegt er, als het
+kookt, de kersen bij, die een kwartier moeten medekoken. Men schudt
+de pan tusschenbeiden eens om, neemt de kersen als zij goed zijn, uit
+het sap, laat dit tot stroop koken en giet het over de vruchten. Voor
+morellen rekent men op 5 o. vruchten, 1 o., 2 1/2 l. suiker, en voor
+kersen de helft.
+
+19. Dikke bessen. De bessen worden afgerist en met de helft van hun
+gewigt aan suiker gekookt, tot zij zacht, maar niet stuk gekookt zijn;
+men schudt de pan, en neemt de vruchten voorzigtig met een schuimspaan
+uit het nat, dat men nog wat tot stroop laat verdikken.
+
+20. Compote van aardbeziën. De goed gewassen en uitgelekte aardbeziën
+worden een uur vóór het gebruik, met zeer veel suiker bestrooid;
+men giet er een glas madera over en laat ze zóó toegedekt staan.
+
+21. Compote van frambozen. De frambozen worden gekookt volgens No. 19.
+
+22. Bramen. De grootste bramen worden uitgezocht; de kleine wringt
+men door een doek en zet het sap te koken, met suiker, pijpkaneel,
+nagelen en citroensap. Dan laat men de groote bramen er eenige minuten
+zacht in medekoken, neemt ze er uit, en laat het sap nog wat verdikken
+vóór dat men het over de vruchten giet.
+
+23. Compote van moerbeziën. Men zet rhijnwijn, met suiker en wat
+geraspte citroenschillen, te vuur, legt er de moerbeziën in en handelt
+volgens No. 19.
+
+24. Compote van blaauwe of boschbessen. De gewasschen en uitgelekte
+bessen worden, zonder verder water, met suiker en wat kaneel gekookt
+tot zij zacht zijn, maar niet langer; anders verliezen zij te veel
+sap. Dan legt men beschuiten op een schotel en schept de bessen
+daarop.--Ook kookt men ze wel tot moes en roert er dan, bij het opdoen,
+een lepel room door.
+
+25. Blaauwbessen op engelsche manier. Als men de bessen heeft
+gewasschen en laten uitdruipen, legt men ze in een keulschen pot,
+waarin nooit vet is geweest, met lagen suiker en kaneel, met een ruime
+hand er tusschen gestrooid. Men zet een passend schoteltje op den pot,
+en laat ze zoo au bain marie koken tot zij zacht zijn.
+
+26. Aardbeziënsoep. Men kookt gestampte beschuiten met water en wijn,
+suiker en kaneel, en roert er een weinig aangemengd aardappelmeel
+door: dan neemt men de pan af, voegt er rijpe aardbeziën bij, die
+een uur vooraf met suiker bestrooid zijn geworden. Men presenteert
+er biscuits of columbijnen bij.
+
+27. Kersen of morellensoep. Men neemt uit eenige kersen de pitten,
+stampt die fijn, en zet ze met de vruchten, benevens gestooten
+beschuit, citroenschillen en eenige nagelen, zoo lang in het noodige
+water te koken, tot de kersen zijn stukgekookt. Dan wrijft men alles
+door eene zeef, brengt het weder aan de kook, roert er dan rooden wijn,
+suiker en kaneel door, doet ze op en geeft ze met anijsbeschuitjes.
+
+28. Appelsoep. Zure appelen worden met gestooten beschuit en
+citroenschijven in water zeer gaar gekookt, dan door eene zeef
+gewreven, even met suiker, kaneel en witten wijn opgekookt en met
+een eijerdoijer gebonden.
+
+29. Gedroogde pruimen. De pruimen worden met warm water gewasschen,
+dan met ruim koud water opgezet, en op een levendig vuur gekookt,
+tot zij gezwollen zijn. Dan tempert men het vuur, giet, ingeval er
+nog te veel nat op is, er een weinig af, en laat ze een paar uren
+zachtjes smoren met suiker, pijpkaneel en citroenschillen. Bij het
+opdoen roert men een weinig paarlsago door het nat.--Men kan de pruimen
+ook, als zij gekookt zijn, een paar dagen vooruit in een keulschen pot
+stoven, met suiker en de genoemde kruiderijen, en bedekt met witten
+wijn. Daarin laat men ze tot aan het gebruik staan, maar schudt ze
+tusschenbeide om.--Soms kookt men er rozijnen door.
+
+30. Gedroogde appelen worden goed gewasschen en dan in water, wijn
+en water, of bessensap, goed onderliggend, zacht gekookt; men voegt
+er suiker, kaneel en citroenschillen bij. Als de appelen gaar en uit
+het nat genomen zijn, laat men dit nog wat verkoken, en giet het dan,
+door eene zeef, op de vruchten.
+
+31. Gedroogde peren behandelt men volgens No. 30, maar men heeft er
+doorgaans minder suiker voor noodig dan voor appelen.
+
+
+
+
+
+
+
+Q. SALADEN.
+
+
+1. Algemene regelen. Alle groene salade soorten moeten goed worden
+verlezen; van kropsalade plukt men de groene bladeren die te hard zijn
+af, de gele bladeren ontdoet men van de ribben, en het hartje snijdt
+men in stukken. Veldsalade zuivert men ook nog van de wortels. De
+laatstgenoemde wint zeer aan malschheid, als men ze een paar dagen vóór
+het gebruik in den kelder legt.--Als salade eenigzins verflenst is,
+kan men ze eenige uren in koud water zetten, maar versche salade mag
+enkel worden gewasschen; men doe dit luchtig met de hand in een emmer,
+of een diepen pot, zoodat het zand kan zinken, en herhaalt dit, tot
+het water er zuiver afkomt. Daarop moeten de bladen in een daarvoor
+opzettelijk vervaardigden salade-emmer, met gaten, zoo droog mogelijk
+worden uitgeslagen.--Het aanmaken van de salade mag niet geschieden
+vóór dat men ze op tafel zet, en men ga daarbij op de volgende
+wijze te werk: Voor kropsalade maakt men hardgekookte eijerdoijers
+(het wit naar verkiezing) op een afzonderlijk bord, met eene vork
+zeer fijn, voegt er Genuaolie bij, en roert ze tot eene gelijke pap,
+die men voorts met azijn verdunt; men voegt er een weinig zout bij,
+en giet alles over de salade, die men dan, ieder volgens zijn smaak,
+òf luchtig doorroert, òf met een lepel en vork sterk fatigueert. Men
+gebruikt van de olie een lepel meer dan van den azijn; een paar
+melige aardappelen, met de eijerdoijers te gelijk fijngeroerd, maken
+de saus zeer lekker.--Sommigen eten gaarne prij, of andere kruiden
+bij de salade, maar men doet best om er die bij te presenteren.
+
+Visch- en vleeschsaladen worden smakelijker, als men ze eenige uren
+vóór het gebruik gereed maakt.
+
+2. Salade van gevogelte. Jonge hanen worden met boter en zout langzaam
+gaar gesmoord; men laat ze koud worden, en snijdt het vleesch van de
+borst, de pooten en de vleugels af; de beenderen daarvan worden met
+den ruggegraat, den kop en met een stukje kalfsvleesch, gedurende een
+half uur goed uitgekookt; men roert er wat gebrand meel in, en giet dit
+kooksel door eene zeef. Men klutst eenige eijerdoijers met notemuskaat,
+wat witte peper en rhijnwijn, en roert dit voorzigtig door den jus,
+dien men dan over het afgesneden vleesch giet. Voorts maakt men volgens
+No. 1 eene saus van eijerdoijers, olie, azijn, gehakte dragon, wat
+mosterd en den jus, die niet in het vleesch is getrokken. Hiermede
+prepareert men hartjes van kropsalade, die in vierdeparten zijn
+gesneden, of zeer fijn gesneden krulandijvie. Dan schikt men het
+vleesch midden op den schotel en de salade er om heen. In den winter
+kan men, bij gebrek aan versche dragon, dragonazijn gebruiken.
+
+3. Gemêleerde vischsalade. Men neemt hiervoor allerlei visch,
+b. v. paling, snoek, tarbot, tongen en zalm, die men den vorigen
+dag kookt, in water met zout en peperkorrels, benevens het sap en
+de schil van 1 citroen. Eerst kookt men de paling, omdat die het
+minste zout noodig heeft; gaar zijnde, wordt zij er uit genomen,
+en men legt de snoek, met bijvoeging van zout, in den ketel, dan
+de tong, en eindelijk de tarbot, die beide nog wat meer zout dan
+snoek vereischen. De zalm kookt men afzonderlijk. De visschen mogen
+niet in het water koud worden, maar als dat àpart bekoeld is, legt
+men ze er weder in tot den volgenden dag. Dan worden de graten er
+goed uitgezocht, en men maakt alles met een vork aan kleine stukken,
+die men, met wat kappers, netjes op een schotel schikt; men kan er,
+desverkiezende, een rand van oesters om leggen. De volgende saus
+wordt geroerd en gelijkelijk over de visch verdeeld: 3 hardgekookte
+eijeren en 1 raauw doijer, een kopje krachtige bouillon, 2 lepels
+Genuaolie, 2 theelepeltjes mosterd, 1 lepel room, zout naar den smaak,
+zooveel witte peper als op de punt van een mes kan liggen en azijn
+in genoegzame hoeveelheid om de saus tot de verlangde dikte te brengen.
+
+4. Snoeksalade. De snoek wordt uitgehaald en gewasschen, maar niet
+geschrapt; dan in kokend water met zout en goed wat uijen, gelegd,
+om gaar te koken. Men laat hem, gaar zijnde, nog 10 minuten in het
+vischwater staan, opdat hij beter het zout aanneme, en legt hem dan op
+een schotel, om de schubben en het vel weg te nemen, en de graten er
+uit te halen. Kreeften worden dan ook gaargekookt in gezouten water,
+waarin men een scheut azijn giet, om de kleur te verfraaijen, en als
+zij gereed zijn, haalt men het vleesch uit de scharen en den staart,
+dat men met den snoek netjes op een schotel schikt. De volgende saus
+wordt er overgegoten: hard gekookte eijeren, met azijn aangemengd,
+roert men dooreen met chalotten en ansjovis, beiden fijn gehakt,
+en lengt ze aan met genuaolie, azijn en wat vischwater; dan roert
+men alles door eene zeef, en voegt er vervolgens mosterd en gehakte
+pieterselie bij. Als de visch onder de saus ligt, strooit men er
+kappers over, legt er een ruitwerk op van ansjovis, schoongemaakt
+volgens A, No. 15, en versiert den rand van den schotel met halve
+citroenschijven.
+
+5. Ansjovissalade. Ziet over het schoonmaken A, No. 15, en versiert
+den schotel met citroenschijven, harde eijeren aan schijfjes gesneden
+en gehakte pieterselie.
+
+6. Haringsalade. Men zie hieromtrent A, No. 39.
+
+7. Kreeftsalade. Van gekookte kreeften neemt men het vleesch, snijdt
+het in stukken, en legt het in den saladebak met hartjes van kroppen er
+tusschen, terwijl men het te zamen prepareert met een saus van harde
+eijeren, peper, zout, olie, azijn, gehakte dragon en pieterselie,
+benevens wat witten wijn. Men kan den schotel met harde eijerschijven
+en pieterselie of met stukjes brood, met kaviaar besmeerd, versieren.
+
+8. Huzarensalade. Men snijdt koud kalfs- of ossenvleesch zeer fijn,
+en wrijft koude aardappelen fijn, benevens hard gekookte eijeren;
+voorts hakt men wat ingemaakte chalotten en augurken, en roert dit
+alles dooreen met olie, azijn, peper, zout en mosterd.
+
+9. Bouilli in salade. Het vleesch wordt, koud zijnde, aan repen
+gesneden, met kropsalade in een schotel gelegd en overgoten met de
+volgende saus: olie en wat melk, gehakte uije en dragon, peper en
+zout, goed door elkaâr geroerd, en dan voorzigtig aangelengd met een
+weinig azijn.
+
+10. Fijne aardappelsalade. De aardappelen worden ongeschild met zout
+gekookt; dan trekt men de schil er af, snijdt ze warm aan dunne
+schijfjes, en laat ze, toegedekt onder kokend water staan, tot de
+saus gereed is. Men roert die van olie en rooden wijn, in gelijke
+hoeveelheid, ook evenveel azijn, indien die niet te scherp is; anders
+neemt men daarvan iets minder; voorts voegt men er wat peper en zout
+en, naar verkiezing, mosterd bij. De schijven mogen niet breken,
+en daarom legt men eene laag in een schotel, met saus bedekt tot
+zij goed doortrokken zijn; dan eene tweede laag, en zoo verder, tot
+zij allen onder de saus liggen. Men roert er gehakte uijen door en
+presenteert ze bij hoofdkaas, vleesch in gelei of warm gebraad.
+
+11. Waterkers is eene zeer gezonde salade en wordt bereid als
+kropsalade.
+
+12. Hop. Men steekt de spruiten van den hop, eer de bladeren zich
+ontwikkeld hebben, wascht ze, bindt ze aan bosjes, en kookt ze
+langzaam gaar in water met zout. Dan legt men ze op een doorslag,
+knipt de draden los, legt ze netjes in een saladebak, en giet er olie
+en azijn, in gelijke hoeveelheid, met peper en zout vermengd, over.
+
+13. Aspersiesalade wordt geprepareerd volgens No. 12.
+
+14. Kropsalade. Men zie hierover No. 1. De kruiden die men er soms
+zeer fijn gehakt doorroert zijn: dragon, pimpernel en bieslook, ook
+wel kleine prij, aan stukjes gesneden.--Men roert er ook dikwijls
+komkommers door, of geraspt gekookt rookvleesch. De salade kan
+heel aardig versierd worden met de blaauwe bloemen van bernagie,
+en de oranjebloemen van oostindische kers, die beide kunnen worden
+doorgeroerd en gegeten.
+
+15. Fransche salade noemt men iedere soort van groene salade, die
+met kleuren is opgemaakt als haringsalade (zie A, No. 39).
+
+16. Bloemensalade. Dit zijn de bloemen van O. I. kers afzonderlijk
+als salade gegeven, en luchtig dooreengeroerd met veel olie, wat
+minder azijn en een weinigje zout, dat alles vooraf dooreen is gemengd.
+
+17. Bloemkoolsalade. Gekookte en koud geworden bloemkool zet men,
+met de bloem naar boven, in een schotel, en begiet ze met eene saus,
+geroerd van olie, azijn, harde eijeren, zout en peper.
+
+18. Komkommers. De komkommers worden geschild en fijngeschaafd, of
+aan schijfjes gesneden; zij worden doorgaans luchtig dooreengeroerd
+met azijn, olie, zout en peper; een weinig gehakte dragon verfijnt
+ze zeer.--Soms voegt men er ook harde eijeren bij.
+
+Daar de komkommers door het zout zeer veel nat loslaten, zet men ze
+wel eens, een half uur vóór dat men ze gebruikt, met wat zout er
+doorgeroerd weg, en giet het uitgetrokken nat bij het prepareren
+er af, ten einde de saus niet te verslappen. Men beweert echter,
+dat zij door het verlies van hun sap minder ligt te verteren zijn.
+
+19. Boonensalade. Kleine princessenboonen worden met zout gekookt en,
+koud geworden, gediend met olie, azijn, zout en peper.
+
+20. Bietensalade. De bieten worden gekookt volgens C, No. 52, aan
+schijfjes gesneden en gegeven met olie, azijn, zout en peper.
+
+21. Roodekool salade. Roode kool wordt zeer fijn gesneden en
+dooreengeroerd met olie, azijn, zout en peper.
+
+22. Wittekool salade. Wittekool fijn gesneden, geeft men met een
+zoetzure saus.
+
+23. Andijvie salade. Goed geele krulandijvie, of bij gebrek daaraan,
+gewone andijvie, wordt zeer fijn gesneden en met warme aardappelen,
+benevens warme zoetzure saus dooreengeroerd. Des verkiezende ook
+met bieten.
+
+24. Veldsalade is eerst dan geschikt voor het gebruik, als het heeft
+gevroren; men zie over deze salade No. 1. Men prepareert ze als
+kropsalade, met bieten er doorgeroerd, of als andijviesalade volgens
+No. 23.
+
+25. Chicoreisalade. De geele scheuten van chicorei worden aan kleine
+stukjes gesneden, en met olie, azijn en zout aangemengd.
+
+26. Selderysalade. De selderyknollen worden, in water met zout, gaar,
+maar niet te week, gekookt, aan schijven gesneden en koud gegeven
+met olie, azijn, zout en peper.
+
+27. Uijensalade. De uijen worden gekookt en warm gegeven, met warme
+zoetzure saus.
+
+28. Molsalade. Dit zijn de jonge spruitjes van paardebloemen; men
+prepareert ze als kropsalade.
+
+
+
+
+
+
+
+R. SAUSEN.
+
+
+Warme Sausen.
+
+1. Algemeene regelen. De sausen moeten volstrekt niet als eene bijzaak
+worden beschouwd; het is integendeel van belang dat men er werk van
+maakt, daar een geregt beter, of minder voldoet, naarmate de saus
+goed of mislukt is. Het is niet mogelijk om alle bestanddeelen met
+maat en gewigt op te geven; de smaak en de ondervinding doen hier
+veel af. Hier volgen eenige algemeene wenken.
+
+Het meel voor lichte jussausen wordt zoo lang in de boter gefruit,
+tot het opkomt en geel ziet; voor bruine sausen roert men het met
+de boter tot het bruin is geworden. Bouillon of water giet men er
+kokend bij. Alle sausen moeten eenigzins gebonden zijn, maar mogen
+niet brijachtig en vooral niet klonterig wezen.--Bij het kruiden van
+sausen moet men steeds zorgen, dat geen der gebruikte kruiderijen
+door haar smaak al te zeer de andere overheerscht, en zout, zuur
+of prikkelende ingrediënten, moeten in goede evenredigheid worden
+aangewend. Zie over soja A, No. 20, en over het binden met eijeren A,
+No. 35. Sausen waarin men boter gebruikt, worden bijzonder zacht als
+men er op het laatst eenige stukjes koude boter inroert.
+
+2. Coulis. Dit mengsel kan men in den winter 2-3 weken goed houden,
+wanneer men het op eene koele plaats, in eene openstaande pan bewaart
+en in dien tijd éénmaal weder opkookt. Men gebruikt het om allerlei
+sausen voor vleesch spoedig te kunnen gereedmaken, en het moet zeer
+dik zijn, daar men het bij het gebruik verdunt. De jus die men hiervoor
+bezigt, moet 2 1/2 l. kalfsvleesch, een klein stuk raauwe ham, 1 uije
+of eenige chalotten, 1 selderyknol, 1 pieterseliewortel, 1 gele wortel,
+1 laurierblad, 8 nagelen en wat peperkorrels. Het vleesch en alles
+wordt fijngesneden en de kruiderijen grof gestampt; dan alles met 1
+o., 2 1/2 l. boter te vuur gezet en tusschenbeide omgeroerd. Voor een
+witte coulis voegt men er, als het geel geworden is, wat meel bij,
+laat dit ook geel worden en giet er dan terstond kokenden bouillon
+in. Voor eene bruine coulis wacht men tot alles bruin geworden is,
+doet dan het meel er in en blijft roeren tot ook dit is gebruind; dan
+voegt men er het volgende bij: bouillon of bruine jus, champignons,
+citroenschil, dragon, basilicum en pieterselie, waarmede men het 1/2
+uur kookt en dan door eene zeef wrijft.
+
+3. Bruine jussaus. Men fruit boter en doet er dan meel en eene gehakte
+uije bij, die men ook bruin laat worden, voorts voegt men er bij:
+1 gele wortel, 1/2 pieterseliewortel, dragon, nagelen heele peper
+en 1 laurierblad, waarmede men het wat laat smoren, om het daarna
+aan te lengen met bruine jus zonder vet. Men laat alles te zamen 1/2
+uur koken, wrijft het door eene zeef, brengt het weder aan de kook,
+en kruidt het dan naar verkiezing met citroensap, kappers, ansjovis
+of champignons (de laatsten geprepareerd volgens A, No. 12).
+
+4. Witte jussaus. Als No. 3,maar zonder nagelen en met licht gebruind
+meel.
+
+5. Truffelsaus. Boter en meel worden te zamen gefruit en dan met
+bruine jus verdund; dan voegt men er bij: 1 laurierblad, nagelen,
+peper, citroensap en schil, benevens 1 glas rhijnwijn. Ten slotte
+laat men truffels of morieljes, geprepareerd volgens A, No. 11 en 10,
+even in de saus doorkoken, die zeer bruin moet wezen. Een weinig soja
+maakt deze saus zeer lekker. Indien men coulis gebruikt, behoeft men
+die slechts met bouillon aan te lengen en er dan de truffels in te
+koken. Heeft men noch coulis, noch jus, zoodat men zich met bouillon
+moet behelpen, dan voege men er een weinig gebrande suiker of eenige
+korrels suikerij bij.
+
+6. Oestersaus. De baarden van de oesters laat men met wat citroenschil,
+grof gestooten witte peper en 1 laurierblad in krachtigen bouillon
+uitkoken en giet dit door eene zeef. Dan fruit men meel geel en
+voegt het bij het kooksel, benevens foelie, 1 glas wijn en het
+sap van 1 citroen, terwijl men de saus met een paar eijerdoijers
+bindt. Vervolgens doet men er de oesters bij, met het nat dat in de
+schelpen is, benevens het zout dat er nog noodig is, maar laat de
+saus niet meer koken, omdat de oesters daardoor hard zouden worden.
+
+7. Bruine ansjovissaus. Bruine coulis wordt genoegzaam met jus
+verdund; dan met 1 o., 2 1/2 l. gehakte ansjovis en citroensap even
+opgekookt. Of men fruit chalotten en meel in boter bruin en voegt er
+bij: jus of bouillon, dragon, gestooten nagelen, citroenschil en sap,
+of een weinig azijn. Dit laat men koken met kappers, morieljes en
+gehakte ansjovis.
+
+8. Witte ansjovissaus. Men kookt bouillon met citroenschil, grof
+gestooten witte peper en nagelen, benevens een paar laurierbladen. Dan
+fruit men chalotten en meel in boter, roert dit er door en giet alles
+door eene zeef. Nu brengt men de saus op nieuw aan de kook en kruidt
+ze met ansjovis, geprepareerd volgens A, No. 15, met citroensap,
+1 glas witten wijn en wat gestooten foelie. Men bindt haar eindelijk
+met 2 eijerdoijers en een stukje boter.--Wanneer men ongeprepareerde
+gehakte ansjovis gebruikt, kan men er eenige bezuinigen door de graten,
+die er zijn uitgenomen, in den bouillon mede te koken.
+
+9. Haringsaus. Een goed in water en melk uitgetrokken haring wordt
+fijn gehakt. Eenige gehakte chalotten fruit men met 2 lepels meel
+en roert er zooveel bouillon door, als voor de dikte van de saus
+gevorderd wordt. Dan laat men haar koken met wat peper, nagelen,
+2 laurierbladen, 3 citroenschijven of een scheutje azijn, en bindt
+haar met 2 eijerdoijers en een kluitje boter. Ook kan men er gehakte
+dragon, pieterselie en bieslook, benevens een lepel mosterd bijvoegen.
+
+10. Kappersaus. Men handele volgens No. 8, maar gebruike, in plaats van
+ansjovis, een kopje vol kappers, met het nat waarin zij zijn ingemaakt.
+
+11. Bruine champignonsaus. Bruine coulis met jus aangelengd, citroen
+of azijn er ingedaan en de champignons daarin gaar gekookt.
+
+12. Witte champignonsaus. Volgens No. 8, maar in plaats van ansjovis
+worden de champignons in de saus gaargekookt.
+
+13. Morieljesaus. Als de morieljes volgens A, No. 10 geprepareerd
+zijn, smoort men ze in boter zacht, voegt er dan licht gefruit
+meel bij, benevens jus of bouillon, foelie, citroenschil en zeer
+weinig citroensap of azijn. Men laat de saus koken met wat gehakte
+pieterselie en bindt haar met een paar eijerdoijers. Men geeft dit
+bij kalfsvleesch.
+
+14. Olijfsaus. Men schilt de olijven van de pit, met een dun mes,
+zoodanig af, dat zij van zelf weder zamenrollen. Men roert gebrand
+meel, jus of bouillon, citroensap en schil, foelie, gesnipperde
+augurken, heele peper, nagelen en eenige chalotten door elkander,
+laat dit alles te zamen koken, en wrijft het door eene zeef. Dan
+worden de olijven, met eenige kappers, er even in opgekookt.
+
+15. Saus van versche augurken. De augurken worden geschild, van de
+zaadhuizen ontdaan en in dobbelsteenen gesneden. Dan kookt men ze
+zacht in bouillon met azijn, chalotten, gebrand meel, zout en een
+laurierblad. Deze saus geeft men bij kalfs- en schapenvleesch.
+
+16. Zoetzure saus. Deze saus presenteert men bij artisjokken of
+versche champignons. Men roert 3 eijerdoijers en een theelepel bloem
+zeer gelijk met water, of, desverkiezende, half witten wijn; dan voegt
+men er een goed stuk boter, wat gestooten foelie, een weinig suiker,
+eenige druppels citroensap of azijn bij, en laat alles, roerende,
+op het vuur dik worden.
+
+17. Garnalensaus. Men geeft deze saus bij tongen of tarbot. 1/2 lepel
+bloem wordt met boter geel gefruit; dan gekookt met ruim 2 m. bouillon,
+wat foelie en citroensap. Als het kookt, roert men er 2 o., 1 1/2
+l. boter, benevens eene goede hoeveelheid gepelde garnalen door,
+neemt de pan van het vuur en bindt de saus met 3 eijerdoijers. De
+garnalen mogen zoo min als oesters medekoken, daar zij dan hard worden.
+
+18. Saksische vischsaus. Men fruit meel in boter, voegt er wat
+fijngehakte chalotten, een weinig vischwater, wat witten wijn, een
+weinig azijn, citroenschijven, goed wat mosterd en, naar verkiezing,
+een weinig suiker bij. Dit alles laat men langzaam doorkoken en roert
+er dan rijkelijk boter door.
+
+19. Gewelde boter. Het water wordt aan de kook gemaakt en dan boter
+er doorgeroerd, tot de saus dik genoeg is.
+
+20. Mosterdsaus. Men welt boter volgens No. 19, roert er dan eene
+goede hoeveelheid mosterd door en bindt de saus met eijerdoijers.
+
+21. Zuringsaus. Een stuk boter, ter grootte van een ei, wordt met een
+opgehoopte lepel meel gefruit; dan voegt men er eene handvol goed
+afgestroopte en kleingesneden zuringbladeren bij, en roert die tot
+zij fijn zijn. Vervolgens giet men er, onder gestadig roeren, zooveel
+bouillon bij, als voor de vereischte dikte noodig is, benevens zout,
+notemuskaat of foelie, en als het kookt, nog evenveel boter. Men
+bindt de saus eindelijk met 2 eijerdoijers.
+
+22. Mieriksaus. De mierikswortelen worden geraspt. Coulis wordt met
+wat azijn, foelie, zout en boter gekookt en dan de geraspte mierik
+er doorgeroerd, die niet mede mag koken. De saus moet zeer dik zijn;
+men geeft haar bij bouilli of gekookte ossentong.
+
+23. Pieterseliesaus. Gehakte pieterselie en tarwemeel worden, in
+gelijke hoeveelheid, met laauw water geroerd en gekookt; dan roert
+men er een goed stuk boter en allerlaatst het zout door.
+
+24. Dragonsaus bereidt men van fijngehakte dragon, even als de
+pieterseliesaus; men voegt er dan een paar druppels citroensap bij
+en bindt ze met een paar eijerdoijers.
+
+25. Kastanjesaus, om bij gerookte rib te presenteren, bereidt men
+als volgt: De gekookte kastanjes worden gepeld en dan in eene pan
+met wat gebrande suiker een oogenblik gebraden. Men maakt er dan saus
+bij volgens No. 3, maar zonder kappers, ansjovis en champignons.
+
+26. Roode wijnsaus met rozijnen. 2 lepels meel worden met een steek
+boter gefruit en dan met kokend vleeschnat of water aangelengd. Dan
+voegt men er 6 1/2 l. rozijnen, 1 kopje rooden wijn, wat azijn of
+citroensap en schil, foelie, gestooten nagelen, zout en een weinig
+suiker bij. Als men jus heeft om er in te doen, wint de smaak en de
+kleur van de saus daar zeer door. Men laat eene gekookte ossentong
+of schijven rolpens hierin stoven, tot de rozijnen zacht zijn.
+
+27. Saus bij kalfskop. Men laat eenige chalotten of een paar uijen in
+boter fruiten met 2 lepels meel; voegt er bruine jus bij, en lengt
+het met het nat van den kop aan. Dan moet de saus met 2 gele- en
+pieterseliewortels, 1 laurierblad, wat cayennepeper en citroensap, een
+half uur koken, waarna men haar door eene zeef wrijft en met bijvoeging
+van eenige citroenschijven, een stuk boter, wat azijn, suiker en zout
+nogmaals koken laat. Bij het opdoen roert men er een glas madera of
+witten wijn in; ook wel, des verkiezende, een weinig soja.
+
+28. Uijesaus. Fijngehakte uijen of chalotten worden met boter en meel
+gefruit, dan met water en een weinig azijn aangelengd; men roert er
+eene genoegzame hoeveelheid boter door en laat alles koken. Sommigen
+voegen er mosterd bij en nog anderen fruiten de uijen met het meel,
+en wrijven dit, als het tot de begeerde dikte met water of bouillon
+is aangelengd, door eene zeef, waarna de saus weder aan de kook wordt
+gebragt met citroenschijven, foelie en zout, en eindelijk gebonden
+met boter en een paar eijerdoijers.--Men roert ook door de saus,
+volgens de eerste dezer opgaven, wel eens gebakken spek aan kleine
+dobbelsteentjes gesneden.
+
+29. Bloemkoolsaus. Men maakt een stuk boter in meel fijn, en roert
+het, met zooveel meel als het aanneemt, door laauwe melk; dit zet
+men te vuur en, als het kookt, voegt men er nog een stuk boter, wat
+notemuskaat en zout bij, en bindt de saus ten slotte met een paar
+eijerdoijers. Deze saus moet zeer dik zijn.--Men kan in plaats van
+melk ook bouillon nemen.
+
+30. Aspersiesaus. Men neemt 3 eijerdoijers, of 2 eijeren met het wit;
+1 vollen theelepel meel, zeer gelijk geroerd met 2 lepels melk en
+ruim 2 m. van het aspersiewater, dan voegt men er zout, foelie of
+notemuskaat en een goed stuk boter bij, benevens een weinig azijn voor
+den smaak. De saus wordt op een levendig vuur, onder gestadig slaan
+met de garde, tot aan de kook gebragt en dan vlug afgenomen. Indien
+men er geene eijeren in wil gebruiken, neemt men wat gestooten beschuit
+om de saus dik te maken en laat het meel weg.
+
+31. Eijersaus. Men klopt 3 eijerdoijers of 2 eijeren met het wit
+en een theelepel meel met ruim 2 m. koud water en een weinig azijn;
+dan voegt men er een goed stuk boter, wat zout en notemuskaat bij en
+roert de saus op het vuur dik.
+
+32. Speksaus. Spek wordt aan dobbelsteentjes gesneden en zacht
+gebakken; vervolgens met 3 eijerdoijers, 1 lepel meel, 5 lepels azijn,
+wat water en zout door elkaâr geroerd en, onder gestadig roeren,
+dik gekookt. Deze saus laat men koud worden en geeft haar over salade.
+
+33. Citroensaus. Deze saus is zeer smakelijk over kalfsgehakt. Men
+neemt daarvoor de jus van het gehakt, waarin men een weinig meel
+roert en waar men wat citroensap en foelie bijvoegt; eindelijk bindt
+men het met eijerdoijers.
+
+34. Pikante saus. Men fruit boter en meel en lengt dit aan met
+bouillon; men voegt er 1 laurierblad, wat thym en spaansche peper
+bij, waarmede men het een kwartier kookt en dan door eene zeef
+giet. Vervolgens doet men er het sap van 1 citroen en een scheutje
+azijn in, bindt de saus met een paar eijerdoijers, en roert er
+allerlaatst wat geraspte mierikswortel door.
+
+35. Poivadre. Men wrijft 3 hard gekookte eijerdoijers zoo fijn mogelijk
+en roert ze gelijk, met 2 raauwe eijerdoijers en 2 ons gesmolten
+boter; dan voegt men er het sap van 1 citroen, wat zout en peper bij,
+zet het te vuur en giet er, al roerende, zooveel bouillon als noodig
+is, door. Als de saus aan de kook is, doet men er notemuskaat en wat
+cayennepeper in en neemt ze af.
+
+36. Kerrysaus. Men fruit gehakte uijen, boter en meel donker bruin en
+strooit er dan kerry in (de helft der hoeveelheid van het meel). Dit
+lengt men aan met jus, perst er 1 citroen in uit, legt er thym,
+moriolein en laurierbladen in, laat het koken en giet het door
+eene zeef.
+
+37. Bourgogne saus. Men fruit chalotten met boter, doet er zooveel
+coulis bij als men saus verkiest te maken, en zet dit te vuur met
+bouquet garni en gestooten kruidnagelen. Als het kookt, giet men er
+bourgognewijn in en neemt het terstond af.
+
+38. Bruine saus met wijn. Men geeft deze saus over hazenpeper of
+ossentong en neemt daarvoor de jus van het vleesch, waardoor men
+fijngehakte uijen, wat citroensap, een lepel azijn, een weinig suiker,
+wat zout en peper roert; men legt er thym en een paar laurierbladen,
+in een doekje gebonden, bij en laat alles koken. Bij het opdoen maakt
+men een stuk boter in meel fijn, bindt daarmede de saus, en giet er
+een bierglas rooden wijn in.
+
+39. Sauce aux fines herbes. Verschillende kruiden, als: pieterselie,
+dragon, thym, mariolein, basilicum, bieslook, pimpernel en zuring,
+worden zeer fijn gehakt; dan behandeld volgens No. 23.
+
+
+
+
+Koude sausen.
+
+40. Sauce à la diable. 4 hardgekookte, fijn gewreven eijerdoijers,
+6 lepels rooden wijn, 4 lepels genuaolie, 2 theelepels mosterd, het
+sap van 2 goede citroenen, wat peper, zout, gehakte chalotten en een
+weinigje suiker, worden zoo lang door elkaâr geroerd, tot de olie niet
+meer bovendrijft. Men kan in plaats van citroensap ook wel azijn nemen.
+
+41. Remoulade saus. 2 geraspte groote uijen, 3 hardgekookte en
+fijngewreven eijerdoijers, 8 theelepels mosterd, 4 spijslepels
+Genuaolie, 1 lepel suiker, ruim 2 m. azijn, peper en zout naar den
+smaak, benevens, naar verkiezing, 4 gehakte ansjovis, worden goed door
+elkaâr geroerd; dan door eene zeef gewreven, waarna men er kappers
+bijvoegt. Men geeft deze saus bij koud vleesch of kouden visch.
+
+42. Mayonnaise. Men neemt 3 hardgekookte eijerdoijers en een raauw
+doijer, roert die met 2 theelepels mosterd, 2 theelepels suiker, 1
+theelepel vol geraspte chalotten, wat zout en peper, benevens het sap
+van 1 citroen, zoolang en zoo fijn tot het er als boter uitziet; dan
+giet men er, droppelsgewijze en steeds roerende, ruim 1/2 m. Genuaolie
+bij en, als die er goed is doorgemengd, zachtjes een kopje heldere
+jus of bouillon, en zoo veel azijn als men voor de verdunning noodig
+acht. De saus moet echter lijvig zijn.--Men kan den smaak veranderen
+door er zeer fijn gehakte dragon en pieterselie door te roeren of
+ansjovis, bereid volgens A, No. 15.
+
+43. Haringsaus. Een goed uitgetrokken haring wordt van de graten
+ontdaan, dan met 3 hardgekookte eijerdoijers en eenige uijen zeer
+fijn gehakt en met peper, olie en azijn tot eene saus geroerd, om
+over koud vleesch te gebruiken.
+
+44. Kruidenmosterd. Sterke azijn wordt gekookt met gesneden uijen,
+knoflook, dragon, laurierbladen, heele peper, nagelen en zout; dan
+door eene zeef gegoten, en, als het koud geworden is, met gemalen
+mosterdzaad dooreengeroerd. Men kan deze mosterdsaus in goedgekurkte
+flesschen lang bewaren.
+
+45. Mieriksaus. Men roert 2 versche eijerdoijers, met azijn, olie,
+suiker, zout en peper een tijd lang goed door elkander en vermengt het
+dan met geraspte mierikswortel. Deze saus past bij gekookten visch,
+vooral bij karper.
+
+46. Rammenassaus. De rammenas wordt geschild en geraspt en dan met
+zout, olie en azijn tot saus, bij bouilli, geroerd.
+
+47. Zout voor pekelvleesch. Geraspte zure appelen, mosterd, Genuaolie,
+azijn, suiker en een weinig zout worden goed dooreengeroerd.
+
+48. Kruidenboter. Men neemt fijngehakte pieterselie, chalotten en
+kervel, te zamen een spijslepel vol, en vermengt dit met 1 o., 2
+1/2 l. gesmolten boter, het sap van een citroen, wat zout, peper en
+notemuskaat. Deze saus geeft men voornamelijk bij biefstuk.
+
+49. Goede saladesaus. 3 hardgekookte eijeren en één raauw doijer
+worden zoo fijn mogelijk gewreven met 1/2 lepel azijn, dan voegt men
+er, onder gestadig roeren, 1 theelepel mosterd, wat witte peper, 2
+fijngehakte chalotten, 2 theelepels gehakte dragon, een weinig zout,
+4 lepels olie en een lepel rooden wijn bij. Eindelijk lengt men de
+saus aan met zooveel azijn als men voor den smaak noodig oordeelt,
+en roert zoolang tot de olie niet meer bovenkomt.
+
+
+
+
+Wijn-, melk-, en vruchtensausen.
+
+50. Witte wijnsaus. Men roert een theelepel meel en 5 eijerdoijers,
+met 4 1/2 maat witten wijn, en voegt er dan 3 goede lepels suiker,
+wat citroenschil en eenige stukken pijpkaneel bij, terwijl men dit
+alles, onder gestadig roeren, tot aan de kook laat komen; dan giet men
+de saus in de sauskom over, en blijft het roeren nog even voortzetten.
+
+51. Witte schuimsaus. 2 groote eijeren, sterk geklopt, ruim 2
+m. witten wijn, 1 theelepel meel, 2 goede spijslepels suiker, eenige
+citroenschijfjes en wat pijpkaneel, worden te zamen, op een levendig
+vuur, met eene garde sterk geslagen, tot het schuim opvliegt (het
+mag niet koken); dan wordt het overgegoten en nog eene minuut lang
+geklopt, om het schiften te voorkomen. Men kan er na het overgieten
+een glas rhum doorroeren.
+
+52. Koude punchsaus. Wordt als No. 51 gemaakt, behalve het eiwit, dat
+er niet in wordt gedaan; men roert de saus op het vuur dik, en giet
+er, als hij koud is, 1 glas arak in.--Deze saus is voor koude puddings.
+
+53. Rhumsaus. Als No. 52, maar met rhum.
+
+54. Roode wijnsaus. Men laat 1/2 k. rooden wijn met 1 o., 2 1/2 lood
+suiker, wat pijpkaneel, eene halve citroenschil en 2 lepels frambozen-
+of bessensap, goed toegedekt, tot aan de kook komen; dan mengt men
+een weinig aardappelmeel met koud water en maakt daarmede de saus
+eenigzins gebonden.
+
+55. Roode wijnsaus met krenten. 6 1/2 l. gewasschen krenten worden
+met 1/2 aan schijven gesneden citroen (vooral zonder pitten), en wat
+pijpkaneel in 2 1/2 m. water, gedurende een kwartier, langzaam gekookt;
+dan zijn de krenten gaar. Vervolgens giet men er ruim 2 m. rooden wijn
+in, voegt er suiker bij en roert er, als de saus aan het koken toe is,
+een weinigje gemengd meel door, om de saus te binden.
+
+56. Roode schuimsaus. Als No. 51, doch in plaats van citroenschijven,
+kan men er wat vruchtensap of bessengelei in gebruiken.
+
+57. Rhijnwijnsaus. Men klopt 6 eijeren, waarvan 3 met het wit,
+goed dooreen met 4 lepels suiker, voegt er het sap en de schil van
+1 citroen, benevens wat pijpkaneel bij, en zet het met eene halve
+flesch rhijnwijn te koken; men giet er, voor het verdampen, 1 glas
+water door.--Dit slaat men met de garde tot het kookt.
+
+58. Maderasaus. Zie No. 52. Madera in plaats van arak.
+
+59. Champagnesaus. Zie No. 57.
+
+60. Vanillesaus. Een stukje vanille of wat gestampte vanille in een
+lapje gebonden, laat men een uur trekken in 1/2 k. zoeten room; dan
+roert men er 1 theelepel meel, 6 eijerdoijers en de noodige suiker
+door, en laat het, onder gestadig roeren, tot aan de kook komen. Men
+geeft deze saus, naar verkiezing, warm of koud.
+
+61. Chocoladesaus. 6 1/2 lood chocolade laat men op den wasem van
+een ketel smelten, giet er dan 1/2 k. room bij, waarin wat vanille
+heeft staan trekken; men kookt dit, onder bestendig roeren, voegt er
+dan suiker bij en bindt de saus ten laatste met 3 eijerdoijers.
+
+62. Amandelsaus. 3 1/2 l. gestooten amandelen, waaronder een paar
+bittere kunnen zijn, worden met citroenschil, in een weinig melk,
+gedurende een kwartier langzaam gekookt, en dan door eene zeef
+gegoten. Vervolgens kookt men dit met eene halve k. room en suiker,
+waarna men de saus met eijerdoijers bindt.
+
+63. Melksaus. Een glad afgestreken lepel meel fruit men met een goeden
+steek boter en roert er dan 1/2 kan melk bij. Men laat het met suiker
+en een weinigje zout koken en bindt het met een eijerdoijer.
+
+64. Koude roomsaus. Een kopje frambozen- of bessensap, of gesmolten
+gelei, wordt met ruim 2 m. zoeten room en een lepel arak vermengd,
+en dan met de garde geslagen, tot het schuimt. Men kan geene melk
+hiervoor gebruiken, omdat er dan geen schuim ontstaat.
+
+65. Warme roomsaus. De room wordt met suiker gekookt en met
+eijerdoijers gebonden.
+
+66. Bessensaus. Het bessensap wordt met wat water gemengd en dan
+met suiker en kaneel gekookt; ten laatste roert men er een weinig
+aardappelmeel of paarlsago door. Men rekent voor 1/2 k. sap op 2 1/2
+o. suiker.
+
+67. Frambozensaus. Frambozensap of gelei wordt met witten wijn en een
+weinig water, suiker en kaneel gekookt; dan met een paar eijerdoijers
+en wat paarlsago gebonden.
+
+68. Schuimsaus van vruchtensap. 4 eijeren worden goed geklutst;
+dan voegt men er 2 lepeltjes meel, 1/2 k. frambozen- of bessensap,
+benevens de noodige suiker bij, en slaat het op het vuur met de
+garde tot het schuim opkomt (koken mag het niet). Des verkiezende,
+kan men voor 1/3 deel witten wijn nemen.
+
+69. Kersensaus. Men kookt de kersen, benevens de gestampte pitten;
+wat nagelen en citroenschijven, gedurende een kwartier in eenig water,
+en wrijft dan alles door eene zeef. Dan voegt men er, naar den smaak,
+suiker, gestooten kaneel en nagelen bij, laat het weder koken en roert
+er een weinig aardappelmeel door, om te binden. Een weinig arak maakt
+de saus zeer geurig.
+
+70. Saus van gedroogde pruimen. 2 1/2 o. pruimen kookt men goed gaar,
+haalt er de pitten uit en stampt daarvan 1/3 gedeelte, dat men met de
+pruimen in 3 1/2 m. water zoolang kookt tot de eerstgenoemde tot moes
+zijn geworden. Dan wrijft men het door eene zeef, voegt er citroensap
+en schil, suiker en kaneel bij, laat het nog even opkoken, en roert
+er, als het noodig is, wat paarlsago door.
+
+Men kan deze saus ook van pruimen maken.
+
+71. Appelsaus. Zure appelen worden met eenige citroenschijven in wat
+water gekookt; dan door eene zeef gewreven en nogmaals opgekookt met
+een klein stukje boter en 1/2 kopje krenten. Voor een soepbord vol
+appelen neemt men 1/2 k. water, en bindt de saus naar verkiezing,
+met een eijerdoijer of wat meel. Men kan deze saus op dezelfde wijze
+van gedroogde appelen maken, maar dan moet men de maat van het water
+ruim verdubbelen.
+
+72. Citroensaus. Het sap van 3 citroenen wordt met water aangelengd,
+tot het ruim eene 1/2 flesch bedraagt; dan dooreengemengd met 6
+eijeren, waarvan 3 met het wit, wat pijpkaneel en de vereischte
+suiker. Men slaat het met de garde, op een levendig vuur, tot het
+kookt.
+
+73. China'sappelsaus. Men neemt het sap van 5 china'sappelen en de
+geraspte schil van 2, kookt dit met een glas madera, 3 eijeren met
+en 3 zonder wit, suiker en kaneel, onder bestendig roeren.
+
+74. Abrikozensaus. Men neemt zeer rijpe abrikozen, die men in weinig
+water gaar kookt en door eene zeef wrijft, of als men het heeft,
+abrikozenmoes. Hierdoor roert men eenige met suiker goed geklutste
+eijerdoijers, giet er een groot glas rhijnwijn door en laat het,
+onder gestadig roeren, even koken.
+
+
+
+
+
+
+
+S. TAARTEN EN ANDERE GEBAKKEN.
+
+
+1. Algemeene regelen. Voor het welslagen van taarten en allerlei gebak,
+is het zeer dienstig, om de bestanddeelen vooraf te verwarmen en ze
+te beslaan, of te kneden op eene togtvrije plaats. Alleen voor het
+feuilleté en boterdeeg is het niet zoo noodig.--Eijeren en vooral
+het wit, dat tot schuim geslagen zal worden, moeten zeer koel worden
+gehouden. Hoe men het best een vast schuim verkrijgt, is aangewezen
+in A. No. 29.--Het meel moet zoowel als de suiker, na het warmen,
+worden doorgezeefd; anders kan men geen fijn deeg bereiden.--De
+boter moet, vóór het gebruik, goed worden gewasschen en doorgekneed,
+om er alle waterige deelen uit te verwijderen, en, als zij van eene
+minder goede hoedanigheid is, moet men haar langzaam smelten en van
+het bezinksel afgieten. Om boter tot schuim te roeren, zet men haar
+een oogenblik op den wasem van kokend water, waar zij week wordt,
+zonder te smelten, en wrijft haar dan met een houten lepel tot er
+blazen op komen.--Om te voorkomen dat er soms een bedorven ei in
+een baksel mogt geraken, is het goed om de eijeren niet te breken
+boven den beslagpot, maar om ieder ei boven een afzonderlijk bord te
+openen.--Bij het gebruik van citroenen zorge men, dat alle pitten
+er goed worden uitgehaald; zij veroorzaken een bitteren smaak.--De
+vorm of pan, die men wil gebruiken, moet vooraf met boter besmeerd
+en met gestooten beschuit of gedroogd broodkruim bestrooid worden,
+zoodat men, als het deeg gereed is, daarop niet behoeft te wachten;
+bij feuilleté behoeft men zulks niet te doen, daar het door zijne
+eigene vettigheid van de pan loslaat. Voor het beslaan moet men een
+diepen pot en een vlakken houten lepel hebben, en alles dooreenslaan,
+behalve het schuim van het eiwit. Het is niet noodig altijd te kloppen;
+maar alles goed door elkaâr gemengd zijnde, kan men zich dit werk
+verligten, door den pot goed vast te zetten, den lepel met beide
+handen te vatten, en zoo, steeds naar denzelfden kant in het rond te
+roeren; dit moet echter vlug en onafgebroken geschieden; dan is men
+meestal in een kwartier gereed, terwijl zacht roeren niets helpt,
+al zet men het ook zeer lang voort. Als men in gebakken, waarin geen
+gist voorkomt, het rijzen eenigzins meer wil bevorderen dan door goed
+beslaan en het eiwit veroorzaakt wordt, kan men er eene kleinigheid
+gepulveriseerd hertshoornzout bijvoegen.--Men moet er vooral op letten
+om versche gist te gebruiken, en om er den onaangenamen smaak af te
+nemen, zette men haar een nacht van te voren onder water, dat men er
+bij het gebruik afgiet; dan mengt men ze aan met laauwe melk en wat
+suiker, die de gisting zeer bevordert. Is men bevreesd, dat de gist
+die men heeft, niet toereikend is, dan kan men er eenige gekookte,
+koud geworden, en door eene zeef gewreven aardappelen onder mengen,
+en voor iederen lepel dikke, gewasschen gist, er een lepel franschen
+brandewijn bijvoegen. Overigens moet men zich op dit hulpmiddel niet
+verlaten als de gist te oud is en hare kracht verloren heeft. Omtrent
+het beproeven van gist en de verhouding tusschen natte en drooge,
+zie men A. No. 33.--Het beslag waarin men zich van gist bedient,
+moet ten minste een kwartier zeer sterk met een houten lepel worden
+geslagen; als het een stijf deeg is, legt men het op de taartenplank en
+slaat het geducht met den lepel, vouwt het dubbel en slaat het weder,
+zoo voortgaande gedurende een kwartier; is men in het bezit van een
+baktrog, dan kan men het deeg daarin heen en weder gooijen; zoo als de
+bakkers het brood behandelen.--Na het beslaan zette men den pot neder
+om te rijzen; hetzij met eenig vuur er onder, toegedekt, op eene warme
+plaats, hetzij geheel open op de togt; beide wijzen zijn goed.--Den
+warmtegraad voor het bakken beproeft men, door een stuk papier in den
+oven te leggen; als het spoedig geel, echter niet zwart wordt, dan is
+dit de eerste graad van warmte, en deze past voor feuilleté, boterdeeg
+en beslag met gist; wordt het papier slechts langzaam geel, dan is dit
+als den tweeden graad te beschouwen, en deze is voor de meeste soorten
+van gebak voldoende; eene nog mindere warmte, zijnde de derde graad,
+is geschikt voor gebak dat sterk opdroogen moet.--Wanneer men in den
+oven van eene kookmachine bakt, dan mag er gedurende den tijd dat
+het gebak er in staat, geen koud water in den ketel gegoten worden;
+de warmte wordt daardoor gestoord en menigmaal zal dan het baksel
+mislukken. Bij de volgende recepten is zooveel mogelijk de baktijd
+opgegeven, maar daar dit toch van de warmte afhangt, zal men goed doen
+met alles te proberen, voor dat men het uit den oven neemt. Men kan
+dit gemakkelijk doen, door een stroohalm of eene breinaald op eenige
+plaatsen in het gebak te steken, en als daaraan niets blijft kleven,
+kan men rekenen dat het gaar is; het moet dan uit den oven worden
+gezet, want, vooral voor gistgebakken, is het zeer verkeerd als
+zij er te lang inblijven. Nadat het gebak uit den oven is gehaald,
+zet men het ongeveer 10 minuten lang op eene warme plaats, alvorens
+het uit den vorm te nemen, en brengt het niet terstond in eene koude
+kamer. Men heeft blikken vormen, waarvan de rand en de bodem uit elkaar
+genomen kunnen worden, en deze zijn zeer aan te bevelen, omdat men
+dan het gebakkene niet behoeft te schudden, iets, waardoor sommige
+luchtige koeken ligt neerslaan; ook blijven de opstaande randen veel
+mooijer.--De vormen moeten terstond na het gebruik zorgvuldig gereinigd
+en op eene drooge plaats verborgen worden.--Gebakken blijven het best
+als men ze in glas of porselein met sluitende deksels bewaart; ook
+zijn blikken trommels zeer doelmatig, en als men vreest dat kleine
+gebakjes week zullen worden, kan men eene doove kool er bij in den
+trommel leggen; wel zóó, dat die het gebak niet raakt, maar toch niet
+in papier gepakt. Gerezen koeken kan men na eenige dagen in een zeer
+heeten oven goed laten doorwarmen, en zij worden dan als versch.--Om
+klein gebak, zonder dat het brokkelt, vlug van de bakplaat te kunnen
+afnemen, bestrijke men deze, als zij warm is, met een stukje was; mogt
+bij ongeluk het gebak op de plaat koud zijn geworden en vastzitten,
+dan moet men die even weder warm maken.--Voor botergebakken kan
+men zich van boter alléén, of voor de helft met reuzel vermengd,
+bedienen; ook is voor sommige zaken raapolie zeer goed te gebruiken,
+het zij onvermengd, hetzij met wat reuzel er door. Over het klaren van
+boter zie men A No. 17; over het uitbakken van olie A No. 19.--Men
+moet de hoeveelheid van welk vet dan ook, niet te schraal nemen,
+daar het gebak veel aangenamer van smaak wordt als het er ruim in
+ligt, en men het overblijvende vet nog wel eens gebruiken kan, des
+noods zelfs voor niet te fijne groenten.--Het vet waarin men bakt,
+moet zoo warm zijn, dat een daarin geworpen stukje deeg terstond
+boven komt. Hoe spoediger het gebak bruin wordt, des te minder vet
+dringt er in, en nog minder is dit het geval, als men een stuk drooge
+gember onder in den pot legt. Mogt het vet al te heet zijn, dan moet
+men het even van het vuur zetten, vóór dat het deeg er in gedaan
+wordt. Gebakken, die nadat zij gevormd zijn, moeten rijzen, zoo als
+b. v. Berliner bollen, legt men aan de bovenzijde naar onder gekeerd,
+het eerst in de pot; men bedruipt ze met een lepel, en stoot ze van
+tijd tot tijd eens onder het vet. Als de bovenzijde bruin genoeg is,
+keert men het gebak om, laat het ook op den anderen kant bruinen en
+neemt het er uit. Men laat het even uitdruipen op sneden wittebrood
+of graauw papier, en bestrooit het, nog warm, met suiker.
+
+2. Feuilleté- of bladerdeeg. Men neemt 5 o. bloem, 5 o. boter,
+ongeveer 1 1/2 kopje koud water, een klein glaasje rhum of arak en 1
+ei, met het wit.--De boter wordt den vorigen avond met de hand goed
+gekneed, zoodat al het vocht er uit is en zij zeer taai is geworden;
+dan op een bord, tot eene dunne laag uitgedrukt en in den kelder
+gezet. Den volgenden dag kneedt men het meel, met het ei, het water
+en den rhum, met de hand even als brooddeeg; het mag niet te stijf
+zijn, maar toch ook niet aan de handen blijven hangen. Dan rolt men
+het tot een vingerdikte uit, legt de boter er op, slaat den lap deeg
+daarover toe, en laat het zoo, op eene koele plaats, een half uur
+rustig liggen.--Na verloop van dien tijd rolt men het uit en gebruikt
+voor het bestuiven zoo weinig raauw meel als mogelijk is.--Het deeg
+moet met een stoffertje worden afgestoft, zoodat er volstrekt geen
+meel aan kleven blijft; daarop slaat men het weder digt en laat
+het nogmaals een half uur staan, hetgeen men nog tweemalen evenzoo
+herhaalt. Vóór dat men het deeg voor de vierde maal uitrolt, snijdt
+men er een stuk voor den rand af; men rolt het grootste gedeelte
+dun uit, snijdt het rond op de verlangde grootte af, bestuift het
+een weinig met meel, slaat het kruisgewijze in vieren dubbeld, ten
+einde het gemakkelijk op de bakplaat te kunnen brengen en veegt er
+dan het meel weder goed af. Vervolgens bestrijkt men de kanten in
+het rond, waarop de rand moet staan (niet de snede) met 1 ei, of des
+noods met water, maakt van het afgesneden, ook uitgerolde stuk deeg,
+een rand daarop, en steekt er op verscheiden plaatsen met een mes in,
+opdat er geen blazen in zouden komen. Als het deeg zoo is behandeld,
+moet men het terstond in den oven zetten; anders mislukt het. Men
+bakke het bij den eersten warmtegraad, niet langer dan 1/2 uur.--Nog
+een goed recept voor feuilleté is het volgende: 3 o., 3 l. boter,
+gekneed als hierboven gezegd is; evenveel bloem, 2 lepels arak en
+rijkelijk 1/2 kopje koud water. De helft van het meel wordt met het
+water en den arak tot deeg gemaakt, daarna de andere helft met de boter
+goed gekneed en ieder dezer beide gedeelten afzonderlijk uitgerold;
+dan op elkaar gelegd en zoo nog driemaal gerold.
+
+3. Boterdeeg. Op 1 p. bloem neemt men 5 o. boter en hakt dat eerst
+goed door elkander, waarna men er twee eijeren met het wit, benevens
+een bierglas koud water en wat zout bijvoegt. Dit alles kneedt men met
+de hand tot een zacht deeg en rolt het dun uit; slaat den lap weder te
+zamen, rolt dien weder uit en herhaalt dit driemalen. Eerst de vierde
+maal wordt het deeg voor goed op de vereischte dikte uitgerold. Het
+moet bij het rollen wel onder en boven een weinig met raauw meel
+worden bestoven, opdat het niet aan rol of plank zoude kleven; maar
+toch zoo weinig mogelijk.
+
+4. Engelsch deeg voor taarten en klein gebak. 5 o. bloem, 1 o., 2
+1/2 l. gezifte suiker, evenveel gestooten amandelen, 1 eijerdoijer,
+9 hardgekookte eijeren, waarvan het geel zeer fijn wordt gehakt, 3 o.,
+3 1/2 l. gewasschen boter en zooveel witte wijn (ongeveer 2 glazen),
+dat daaruit een goed rolbaar deeg kan worden gemaakt. Hiervan maakt
+men een onder- en bovenblad, of eene met traliewerk bedekte taart.
+
+5. Taartenkorst voor den zomer. Des zomers is, bij groote warmte,
+het maken van feuilleté zeer moeijelijk, en dan is dit recept voor
+taarten- en pasteikorsten zeer aan te bevelen. Op 5 o. bloem, neemt
+men 3 o., 7 1/2 l. gewasschen boter, 2 eijeren (van 1 het wit) en 2
+lepels franschen brandewijn. Het meel wordt met de boter door elkaâr
+gehakt; dan de eijeren met een klein kopje water aangemengd benevens
+de brandewijn, er bijgevoegd; men kneedt en rolt het als feuilleté.
+
+6. Roomdeeg. 5 o. bloem, 3 o., 3 l. gewasschen boter, 1 ei, ruim 2
+m. room, 2 lepels suiker en 1/2 theelepel zout. Dit wordt behandeld als
+feuilleté, maar tusschen het kneden en het rollen moet het een nacht,
+of ten minste eenige uren, in den kelder liggen, daar men het deeg
+anders niet rollen kan. Wanneer men hiertoe geen tijd heeft, moet men
+slechts ruim de helft van de opgegevene hoeveelheid room nemen. Als
+het deeg voor pasteiën moet dienen, laat men de suiker er uit.
+
+7. Week deeg. Op 5 o. bloem neemt men 3 o., 3 l. boter, 1 o., 2
+1/2 l. gezifte suiker, 2 eijerdoijers en ruim 1/2 kopje franschen
+brandewijn of arak. De boter wordt gewasschen en op de wasem van kokend
+water week geroerd en dan, met het overige, tot een goed deeg verwerkt,
+dat men vóór het rollen een weinig laat rusten. Als men dit deeg voor
+vruchttaarten of koeken gebruikt, is 1 ons suiker voldoende.
+
+8. Gerezen gistdeeg. Hiervoor neemt men 5 ons gewarmde bloem, 2 1/2
+o. gewasschen boter, 3 eijerdoijers en 1 wit, 3 lepels suiker, 2
+1/2 m. laauwe melk, schraal 2 lepels natte of 3 l., 3 w. drooge gist
+en 1 theelepel zout. De helft van het meel roert men met de melk en
+de helft van de gist, laat het goed rijzen, en werkt er dan al het
+overige door. Het deeg wordt dan volgens No. 1. geslagen en gekneed,
+uit elkaar gedrukt en nogmaals weggezet om te rijzen. Dit is goed
+voor vruchtenkoeken.
+
+9. Bovenkorst voor vruchtenkoeken. Een klein soepbord dikke zure room
+wordt met 4 eijerdoijers, 2 lepels suiker en 1/2 lepel kaneel geklopt;
+dan roert men het tot schuim geslagen eiwit er door en, als de koek
+bijna gaar is, verdeelt men het met een lepel daarover. Als men de
+korst niet schuimig verkiest te hebben, moet het wit terstond te
+gelijk met alles door den room worden geroerd.
+
+10. Suikerglazuur voor taarten en koeken. 1 o., 2 1/2 l. gezifte
+broodsuiker wordt dooreengeroerd met het sap van 1 citroen of een
+lepel rhum en evenveel water (men kan in plaats van rhum ook arak
+nemen); dan wordt er zachtjes aan het tot schuim geklopte wit van
+1 ei bijgevoegd, terwijl men steeds naar dezelfde zijde roert, tot
+het mengsel sneeuwwit is geworden. Dit wordt over den koek gestreken,
+als hij op den schotel is koud geworden en vervolgens gedroogd, hetzij
+in de zon, hetzij in een bekoelden oven, of ook door middel van een
+gloeijende aschschop, die men er over heen en weder beweegt. In het
+laatste geval ga men echter voorzigtig te werk, opdat het glazuur niet
+geel worde. Daarna kan men deze ijsachtige bedekking nog versieren
+met strooisuiker of met zeer kleine levende bloemen en blaadjes.
+
+11. Het verwen van suikerglazuur. Als men van het witte glazuur een
+gedeelte wil verwen, mag er geen citroensap worden gebruikt, maar men
+maakt het met rhum of arak volgens No. 10. De onschadelijke kleuren,
+die men kan aanwenden, zijn chocolade, bessen- of frambozensap,
+cochenille, violensap en saffraan op brandewijn afgetrokken. Eene
+groene kleur kan men krijgen door het eiwit, waarmede het glazuur
+geroerd wordt, gedurende een nacht, met 3 l., 8 w. raauwe koffij
+in een kopje te laten staan; ook kan men het sap van gekneusde
+spinaziebladeren gebruiken. Als men fijne figuren van suiker op een
+taart wil leggen, doet men wat van de glazuur in een naauw en lang,
+stevig peperhuis, waar men van onderen een zeer klein puntje afknipt,
+en met een straaltje dat daaruit te voorschijn komt, teekent men de
+verlangde bloemen of krullen op het gebak.
+
+12. Strooisuiker om gebakken te versieren. Men legt 1 o. wit
+papaverzaad op een vlakken schotel en kookt 1 o. witte suiker die
+goed is geschuimd; nadat die eenigzins bekoeld is, giet men daarvan 1
+lepel vol op het zaad, en wrijft er met de vlakke hand zoolang over,
+tot zij bijna koud is. Dit herhaalt men tot de suiker op is. Met het
+kleuren rigte men zich naar No. 11.
+
+13. Marsepein. 5 o. geraspte amandelen, 5 o. gezifte suiker en een
+weinig oranjewater worden in een koperen casserol, op zacht vuur,
+zoolang door elkaâr geroerd, tot het deeg niet meer aan de hand kleeft;
+harder mag het echter niet worden. Dan legt men het op de met suiker
+bestoven taartenplank, rolt het uit en bestuift het, voor zooveel dit
+noodig is, met gezifte suiker. Vervolgens maakt men er eene taart van,
+of steekt er kleine figuren uit, en laat die in den bekoelden oven
+wat opdroogen; het marsepein moet echter zacht en wit blijven. Heeft
+men eene taart er van gebakken, dan kan men die met suikerbloemen en
+zeer fijne oranjesnippers versieren.
+
+14. Marseillaansche taart. 5 o. bloem, 2 o. suiker, 6 eijeren, en
+van 2 het wit, benevens 2 lepels boter, wordt te zamen tot een goed
+deeg verwerkt; dan dik uitgerold, in dobbelsteentjes gesneden en in
+geklaarde boter licht bruin gebakken. Vervolgens smelt men 8 o.,
+7 1/2 l. suiker met wat rozen- of oranjewater, en als zij kookt
+en geschuimd is, voegt men er het volgende bij: 1 ons geconfijte
+oranjeschillen, aan dobbelsteentjes gesneden, de fijngesnipperde
+schil van 1 citroen, 1 o. amandelen, waarvan 1/3 gedeelte bittere,
+aan lange reepjes gesneden, 1 1/2 l. gestooten kaneel, 8 w. gestooten
+nagelen, 6 w. gestooten cardamom, en eindelijk ook de gebakken stukjes
+deeg. Dit alles goed dooreengeroerd zijnde, drukt men het stijf in
+een gewarmden, met witte was bestreken vorm, laat het koud worden en
+keert het op een schotel om.
+
+15. Engelsche koek. 5 o. boter wordt gesmolten, van het bezinksel
+afgegoten, en men laat die daarop weder stollen. Dan wrijft men ze week
+op den wasem van kokend water, en roert er gaandeweg 12 eijerdoijers,
+6 1/2 l. gesnipperde sucade, 8 w. gestooten kaneel, 4 w. gestooten
+nagelen, 5 o. suiker en 5 ons krenten door. Deze massa beslaat men een
+half uur lang, tot er goede blazen in komen, en roert er dan luchtig
+het tot stijf schuim geklopte eiwit door; daarna 5 o. fijngestampte en
+gezifte stijfsel, en een kelk madera of arak. De koek wordt terstond
+in den oven gezet en, bij middelmatige warmte, 1 1/2 uur gebakken.--De
+stijfsel moet van de zuiverste soort zijn. Men kan, desverkiezende,
+de opgegeven kruiderijen vervangen door 1 geraspte notemuskaat.
+
+16. Bruidstaart. Men roert 5 o. boter week en voegt er, al roerende,
+gaandeweg en afwisselend, het volgende bij: 5 ons gezifte suiker,
+eene geraspte citroenschil en 1 theelepel gestooten foelie, benevens
+12 eijerdoijers en 5 o. geraspte amandelen. Dit beslaat men een
+half uur lang, en roert er dan 5 o. bloem benevens het geklopte
+eiwit door. Hiervan bakt men 4 koeken, bij den tweeden warmtegraad,
+donker geel, maar niet bruin. Om de koeken mede te bestrijken, koke
+men citroenmoes, naar het volgende recept: 1 o., 2 1/2 l. boter,
+laat men smelten, roert er op het vuur evenveel suiker, het sap van
+4 citroenen, ééne geraspte citroenschil, en 4 eijerdoijers door, tot
+het dik wordt; dan neemt men het spoedig af, blijft nog even roeren,
+en besmeert er dan 3 van de koeken mede, waarna men ze alle vier
+op elkander legt om koud te worden. Den volgenden dag snijdt men de
+kanten glad, bestrijkt den bovensten koek met glazuur volgens No. 10,
+en versiert hem verder naar verkiezing.--Om de koeken van gelijke
+grootte te krijgen, kan men ze op ronde bladen papier, zoo groot als
+de schotel, en die met boter besmeerd zijn, op de bakplaat leggen. Deze
+koek moet een paar dagen oud wezen, vóór dat men hem gebruikt.
+
+17. Weener taart. Voor 4 koeken, geheel volgens No. 16 beslagen en
+gebakken, neemt men 2 1/2 o. geklaarde boter, 2 1/2 ons gezifte suiker,
+2 1/2 o. bloem, 6 1/2 l. gestooten amandelen, de geraspte schil van
+1 citroen, en 10 eijeren. Voor het moes, dat men er tusschen spreidt,
+goede zure appelen, het sap van 1 citroen, 1 kopje arak, suiker naar
+den smaak, een stukje boter en 3 eijerdoijers. De appelen worden
+geraspt, en het daaruit geperste sap met de suiker in eene aarden
+pan gekookt, tot het eenigzins dik is; dan roert men er voorzigtig
+de eijeren, de boter en het citroensap door, neemt de pan af, en giet
+er dan arak bij. Men kan ook andere vruchtgelei gebruiken.
+
+18. Gateau de Genève. 12 eijeren worden zeer hard gekookt, de doijers
+fijngewreven en dooreengeroerd met 1 o., 2 1/2 lood geraspte amandelen,
+5 o. boter wordt schuimig geroerd, en zachtjes aan voegt men er, al
+roerende, nog 14 eijeren, waarvan 6 met het wit, 5 o. suiker, eene
+geraspte citroenschil, de geroerde amandelen en eindelijk 5 o. bloem
+bij. Van dit deeg bakt men 6 koeken, waar men het citroenmoes volgens
+No. 16, of andere gelei tusschen legt. Men snijdt den rand gelijk af
+en legt er glazuur over.
+
+19. Punchtaart. 5 o. geraspte amandelen, 3 o., 7 1/2 l. gezifte suiker,
+2 eijeren, 4 w. kaneel, 1 notemuskaat, eene geraspte citroenschil
+en 6 1/2 l. punchsiroop. De eijerdoijers worden met de suiker, de
+citroenschil, de kruiderijen en de amandelen, een half uur stevig
+geroerd; dan wordt de punch en het geslagen wit van 6 eijeren er
+doorgemengd, en men bakt er 3 koeken van, waar men confituren, aan
+dunne lagen, tusschen strijkt, die men den volgenden dag gelijk snijdt,
+glaceert en met fijne vruchten versiert.
+
+20. Beschuittaart. 3 o., 7 1/2 l. gezifte suiker, 2 1/2 o. gestampte
+en gezifte beschuit, 2 o. geraspte amandelen, 15 eijeren, 1 citroen,
+1 theelepel gestooten nagelen en 4 w. kaneel.--De eijerdoijers,
+de suiker, de amandelen, de kruiderijen en het citroensap worden
+een half uur geroerd of geklopt; dan wordt het eiwitschuim en het
+laatst de beschuit er doorgeroerd. Men zet het terstond in den oven,
+en laat het, bij den tweeden warmtegraad, 5/4 uur bakken. De warmte
+moet onder en boven dezelfde zijn, en er mag volstrekt niet aan den
+vorm worden gestooten.
+
+21. Opgerolde koek. 2 1/2 o. gezifte suiker wordt met 15 eijerdoijers
+een half uur sterk geroerd; dan 2 o. bloem en het geslagen eiwit
+er doorgemengd. Hiervan maakt men 2 langwerpige vierkante koeken,
+en bakt die op eene plaat bij twee graden warmte, gedurende 20 à
+30 minuten. Een van de beide koeken besmeert men met de eene of
+andere gelei, met moes, of confituren; de andere wordt er opgelegd,
+en alles te zamen als eene rol papier opgerold.--Bij het voordienen
+snijdt men er vingerdikke schijven af, en verdeelt die dan weder in
+kleinere stukken.
+
+22. Amandeltaart. 15 eijerdoijers worden, met het sap en de schil
+van 1 citroen, met 3 o., 7 1/2 l. suiker en 1 theelepel foelie
+een poosje geroerd; dan 5 o. zoete en 1 1/2 l. bittere geraspte
+amandelen er bijgevoegd, en deze massa, gedurende een halfuur, steeds
+naar denzelfden kant, geroerd. Dan mengt men er het tot schuim
+geslagen eiwit luchtig door, en daarna 2 opgehoopte spijslepels
+gezift aardappelmeel, of, bij gebrek daarvan, evenveel goede gezifte
+stijfsel. Men doet het beslag terstond in den vorm, en bakt het volgens
+No. 20.--De taart wordt versierd met glazuur, waarop men figuren van
+oranjesnippers legt of ingemaakte vruchten.--Het deeg wordt zeer
+luchtig, als men er, tegelijk met het aardappelmeel, een weinigje
+hersthoornzout doorroert (ongeveer 1 1/2 korrel Ned. gewigt).--Men
+kan ook naar het volgende recept een amandeltaart bakken: 3 o.,
+3 l. gezifte suiker, 3 o. zoete en 3 l., 3 w. bittere amandelen,
+14 eijeren, 3 o., 3 l. geraspt en gezift oudbakken wittebrood en 1
+citroen. Alles geroerd, gebakken en versierd volgens de eerste opgave.
+
+23. China'sappeltaart. Men maakt van 2 o. geraspte amandelen, 2 1/2
+o. gezifte suiker, 12 eijeren, waarvan het wit tot schuim geklopt
+is, 6 1/2 l. bloem en 2 lepels arak, een deeg als voor No. 22, en
+bakt daarvan 2 bladen. Het eene wordt bedekt met de onderstaande
+vlade, het andere er opgelegd en zoo gebakken.--Voor de vlade neemt
+men 6 eijerdoijers en 2 eiwitten, 2 1/2 o. suiker, het sap van 4
+china'sappelen en van 1 de schil, benevens het sap van 2 citroenen. Dit
+roert men op het vuur dik. De taart wordt geglaceerd met een glazuur,
+volgens No. 10, gemaakt van 1 o., 2 1/2 l. gezifte suiker, het sap
+van 2 china'sappelen en 1 lepel water.
+
+24. Aardappeltaart. Aardappelen worden met de schil gekookt,
+afgetrokken, en, als zij geheel koud zijn, geraspt. Dan weegt men
+ze, en neemt van het geraspte 6 o., 2 1/2 l., spreidt het op een
+vlakken schotel uit, en zet het tot den volgenden dag op eene luchtige
+plaats. Men roert 16 eijerdoijers, 3 o., 7 1/2 lood suiker, het sap
+en de schil van 1 citroen en 3 l., 3 w. geraspte bittere amandelen,
+gedurende een half uur, zeer sterk, en altijd naar denzelfden kant,
+voegt er dan langzamerhand de aardappelen bij, en mengt er eindelijk
+het tot schuim geklopte wit van 14 eijeren en 2 goede lepels gezift
+aardappelmeel luchtig door. De vorm moet terstond gevuld en in den
+oven gezet worden, waarin men het bakt volgens No. 20.--Het is een
+bepaald vereischte dat de aardappelen zeer melig zijn.
+
+25. Worteltaart. De wortelen worden in water bijna half gaar gekookt;
+als zij koud zijn tot op de pit afgeraspt, en hiervan neemt men 3
+o. Dan roert men 14 eijerdoijers, 3 o., 3 lood suiker, het sap van 1
+citroen met de geraspte schil en 6 1/2 lood geraspte bittere amandelen,
+goed door elkander; voegt er dan de wortelen bij, en roert het een
+half uur. Vervolgens mengt men er het schuim van 9 eiwitten door en
+2 goede lepels aardappelmeel.--Men bakt de taart volgens No. 20.
+
+26. Zandkoek. Men neemt hiervoor 5 o. boter, 5 o. suiker, 2 1/2
+o. bloem, 2 1/2 o. gezift aardappelmeel, 10 of 12 eijeren, naar dat
+zij groot zijn, 1 citroen, 4 lepels punch-siroop of 2 lepels arak. De
+boter wordt geklaard, afgegoten, en koud geworden zijnde, tot schuim
+gewreven en met de suiker goed geklopt. Al roerende, voegt men er dan,
+één voor één, de eijerdoijers bij, ook de geraspte citroenschil, en dan
+het meel. Als dit alles gedurende een half uur beslagen is, roert men
+er de punch, het citroensap en het geklopte schuim van het eiwit door,
+doet het terstond in den oven, en bakt het volgens No. 20.--Een weinig
+hertshoorn, zie No. 22, bevordert het rijzen.--In het begin mag de
+onderwarmte iets sterker dan de bovenwarmte zijn, doch zij moet later
+verminderd worden, en op het laatst neemt men het ondervuur geheel weg.
+
+27. Gevulde zandtaart. Men maakt een feuilletédeeg volgens No. 2, van
+2 1/2 o. bloem, en rolt het uit; daarna spreidt men er frambozenmoes
+op.--Dan roert men 2 o. boter week, voegt er 2 o. suiker en 12
+eijerdoijers bij; klopt dit te zamen een kwartier lang, en voegt er
+dan het tot schuim geslagen eiwit, 1 o., 3 lood gezifte stijfsel en
+wat notemuskaat bij. Hiermede bedekt men alles en bakt het 1/2 uur.
+
+28. Kruidkoek. Deze koek wordt gemaakt en gebakken als No. 26, doch
+men roert, tegelijk met de eijerdoijers, de volgende kruiderijen
+door de boter: 4 w. kaneel, 4 w. gestooten nagelen, 2 w. cardamom
+en eene geraspte citroenschil. Ook kan men er naar verkiezing 1 1/2
+l. gesneden sucade en evenveel oranjesnippers bijvoegen. Te gelijk met
+het geslagen eiwit, mengt men er wat hertshoornzout door. Zie No. 22.
+
+29. Biscuit. De bestanddeelen zijn: 2 1/2 o. gestampte en gezifte
+stijfsel, 5 o. gezifte suiker, 20 eijerdoijers en 10 eiwitten, het sap
+en de schil van 1 citroen, benevens gepulveriseerd hertshoornzout,
+volgens No. 22.--De stijfsel en de suiker moeten een uur voor de
+bereiding in een zacht warmen oven gezet worden.--Eerst klopt men het
+eiwit tot een zoo stijf schuim, dat het zich snijden laat, maar niet
+langer, omdat het dan korrelig zou worden. Dan slaat men met de garde
+de doijers, het citroensap, de schil en de suiker er door, en zet het
+stevig slaan ten minsten een kwartier lang voort. Vervolgens zet men
+den pot op het vuur, of op den wasem van hard kokend water, en slaat
+onafgebroken voort, tot de massa laauw warm is; men strooit er dan de
+stijfsel in, die er zoo snel mogelijk moet worden doorgeslagen, en dan
+ook even vlug het hertshoornzout. Daarna mag het beslag geen oogenblik
+blijven staan, maar moet terstond in den besmeerden en bestrooiden
+vorm worden gedaan, om volgens No. 26 te worden gebakken. Daar een
+gebak zonder boter ligt te spoedig bruin wordt, legge men er gedurende
+het eerste half uur een deksel of papier op.
+
+30. Boheemsche biscuit. Op ieder ei neemt men 1 1/2 l. suiker en 1 1/2
+l. oudbakken geraspt en gezift wittebrood. De eijerdoijers worden met
+de suiker, het sap en de schil van 1 citroen, en wat kaneel, met de
+garde, een kwartier lang sterk geslagen; dan het brood er in gestrooid
+en het eiwit er luchtig doorgeroerd. De koek wordt in een vorm een uur
+gebakken.--Als het brood ouder dan een dag is, kan men wat minder nemen
+en eene portie van 8 eijeren gemaakt, is toereikend voor 6 personen.
+
+31. Chocoladekoek. Hiervoor neemt men 14 eijeren, 2 1/2 o. gezifte
+suiker, 1 1/2 o. geraspte amandelen, 2 o. geraspte en gezifte
+vanillechocolade, 4 w. gestooten kaneel en hertshoornzout, volgens
+No. 22. De eijerdoijers en twee eiwitten worden met de suiker,
+de amandelen en de chocolade, met een garde gedurende een kwartier
+sterk geklopt; dan roert men er het overige geslagen eiwit door,
+mengt er vlug het hertshoornzout in, en laat het een uur bakken,
+volgens No. 20. Nog een goed recept is het volgende: 20 eijerdoijers,
+15 eiwitten, 6 o., 2 1/2 l. suiker, 2 1/2 ons chocolade, 2 1/2
+o. gezifte stijfsel, 6 1/2 lood snippers, 4 w. kaneel, een stukje
+gestampte vanille en een half kopje brandewijn. Eerst klopt men
+de eijerdoijers een kwartier lang met de suiker, de snippers en de
+kaneel; dan slaat men er het stijve eiwitschuim, benevens de chocolade,
+en eindelijk de stijfsel door. Als alles goed dooreen geslagen is,
+giet men er den brandewijn in, en voegt er het hertshoornzout bij. Men
+bakt den koek als zandkoek en glaceert hem volgens No. 10.
+
+32. Chocoladebiscuit. Men slaat het wit van 12 eijeren tot een stijf
+schuim, roert 15 eijerdoijers met 4 w. kaneel en wat gestampte vanille
+door elkaar, en laat dit, onder voortdurend slaan, langzaam in het
+schuim loopen. Dan strooit men er 3 o., 7 1/2 l. gezifte suiker en
+6 1/2 l. geraspte chocolade in, en daarna 2 o. gestampte en gezifte
+stijfsel; nadat deze zich goed met het overige vereenigd heeft,
+slaat men niet meer, en bakt de biscuit volgens No. 29.
+
+33. Krentenkoek. 5 o. boter wordt op den wasem van een ketel week
+gewreven, en onder stevig roeren, voegt men er 5 ons gezifte suiker,
+een geraspte citroenschil, 1 geraspte notemuskaat of een lepeltje
+gestooten foelie, benevens, één voor één, 12 eijerdoijers bij. Dit
+wordt te zamen gedurende een kwartier beslagen, en dan 1 o., 2 1/2
+l. krenten en het eiwitschuim er doorgeroerd, daarna ook zoo spoedig
+mogelijk 5 o. gezifte stijfsel en een half glas rhum of arak.
+
+34. Rijsttaart. 3 o., 7 1/2 l. rijst wordt gebroeid, en dan in melk
+gaar en dik gekookt, doch zóó, dat de korrels geheel blijven. Dan
+roert men er 2 1/2 o. suiker, 2 o. gesmolten boter, 12 eijerdoijers,
+1 o., 2 1/2 l. geraspte zoete amandelen en 12 bittere, 4 w. kaneel en
+eene geraspte citroenschil door. Eindelijk voegt men er het geklopte
+wit van 10 eijeren bij, doet alles in de taartepan, bestrooit het
+met beschuit en suiker, en laat het bij den tweeden warmtegraad
+5/4 uur bakken. Mogt de rijst soms iets te dun zijn, dan moet er,
+vóór dat het eijerschuim er bij wordt gedaan, zooveel als noodig is,
+gestooten beschuit door worden geroerd; ook kan men in plaats van
+amandelen sultansrozijnen nemen.
+
+35. Amandel knapkoek. Ruim 2 o., 3 l. bloem, 1 o., 2 1/2 lood boter,
+evenveel suiker, evenveel zoete geraspte amandelen en 6 bittere,
+benevens 2 eijeren. De boter wordt week geroerd, dan langzamerhand de
+suiker en de eijeren en de amandelen er bij gevoegd, en dit tezamen
+een kwartier beslagen. Vervolgens voegt men het meel er bij, spreidt
+het deeg in de koekepan redelijk dun uit, en bakt den koek licht
+bruin. Men bestrijkt hem met gelei.
+
+36. Kristalkoek. Men maakt een weekdeeg, volgens No. 7, en rolt dit uit
+tot 2 ronde bladen, waarvan het ééne een paar vingers grooter is dan
+het andere. 2 1/2 ons suiker smelt men in water, en kookt ze zóó, dat
+zij goed vloeibaar blijft, roert daarin 2 1/2 o. gestooten amandelen,
+benevens het sap en de schil van 1 citroen, waarna men het water laat
+bekoelen. Vervolgens spreidt men dit uit op het grootste deegblad,
+altijd een paar vingers in het rond vrij latende; dan legt men het
+kleinere blad er over heen, slaat het overstekende onderstuk er,
+bij wijze van sluitenden rand, omheen, en laat den koek, niet te
+langzaam, gaar bakken. Zoodra hij uit den oven komt, strijkt men
+het stijf geklopte wit van 2 eijeren er overheen, men snijdt een
+paar citroenen aan dobbelsteentjes en schijven, waarmede men den
+koek versiert, en strooit tusschen alles door 6 1/2 lood witte, grof
+gestooten kandij. Dan zet men den koek nog even in den oven om het
+bovenste gedeelte een weinig te laten opstijven. Alle pitten moeten
+zorgvuldig uit de citroenen worden gezocht.
+
+37. Kosterskoek. 5 o. boter, 5 o. bloem, 3 o., 7 1/2 lood suiker, 2 1/2
+o. gestooten amandelen, 9 eijeren en vruchtgelei.--De boter wordt week
+geroerd, gaandeweg de suiker, de amandelen en één voor één de eijeren
+er bijgevoegd; daarop een half uur beslagen. Vervolgens doet men er
+het meel bij, en bakt hiervan, op eene plaat, een vingerdikken koek,
+dien men, als hij koud geworden is, met suiker bestrooit en hier en
+daar met gelei belegt.
+
+38. Karmeliter koek. 11 eijeren en het wit van 9, worden te zamen
+tot schuim geklopt, en dan achtereenvolgend er bij gevoegd: 3
+o., 7 1/2 l. gezifte suiker, 2 1/2 o. amandelen, met het bruine
+schilletje, die in wat rozenwater niet al te fijn zijn gestampt,
+3 lepels kirschwasser, eene geraspte citroenschil, 4 w. kaneel en
+1 geraspte notemuskaat. Deze massa wordt, gedurende een half uur,
+sterk en gelijkmatig geroerd; dan doet men er 2 1/2 o. bloem bij,
+en bakt den koek bij den tweeden warmtegraad.
+
+39. Anijskoek. Men neemt hiervoor 10 eijeren, hun gewigt aan gezifte
+suiker, half zooveel fijngewreven stijfsel of meel, beiden gezift,
+en 5 l. anijszaad, waarvan de steeltjes zooveel mogelijk zijn
+afgewreven. De eijerdoijers worden geklopt, en dan gaandeweg de
+suiker er, onder stevig roeren, in gestrooid, welk roeren men een
+kwartier goed voortzet. Dan voegt men de stijfsel en het anijszaad er
+lepelsgewijze bij, en als alles te zamen een half uur lang is geroerd,
+wordt het tot schuim geslagen eiwit er luchtig doorgemengd. Men bakt
+het in den oven, bij matige warmte met vuur er onder, dat langzamerhand
+verminderd moet worden, gedurende drie kwartier uurs.
+
+40. Groote bitterkoek. 5 o. geraspte amandelen en 5 o. suiker worden
+gewarmd; dan van het vuur genomen en stevig door elkander gewreven,
+met het sap en de schil van 1 citroen en een weinig kaneel. Daarop
+roert men er het schuim van 7 eiwitten door, legt het op een blad van
+week deeg, volgens No. 7 bereid, en bakt den koek, bij middelmatige
+warmte, vijf kwartier, tot hij eene lichtbruine kleur heeft.
+
+41. Noga taart. Men maakt een feuilletédeeg van 5 o. bloem, en neemt
+voorts: een p. zoete amandelen, 7 1/2 o. gezifte suiker, 10 eijeren,
+de geraspte schil van 1 citroen, 5 l. snippers, 4 w. kaneel, evenveel
+gestooten nagelen, en evenveel cardamom.--Het deeg wordt uitgerold,
+en men maakt hiervan eenige, twee vingers breede ringen, waarvan
+de tweede iets kleiner dan de eerste is; en zoo telkens in grootte
+verminderend, tot de laatste zoo groot als een theekopje is. Van de
+amandelen haalt men het schilletje af, dat men gemakkelijk doet, door
+ze in heet water te leggen; de grootsten snijdt men overlangs in fijne
+reepjes, en de overige stampt men met wat eiwit fijn. Deze laatsten
+roert men dooreen met de suiker, de kruiderijen, de eijerdoijers
+en het tot schuim geklopte wit. Daarop strijkt men dit mengsel op
+de ringen, strooit de gesnipperde amandelen er over, en bakt ze op
+platen, bij eene behoorlijke warmte, die iets minder kan zijn, als
+men verkiest, om voor de ringen in plaats van deeg ouwels te nemen,
+welke men uit kleine stukken met eiwit aan elkaar kan plakken. Als
+het gebak koud is geworden, stapelt men de ringen, naar volgorde van
+grootte, op elkander, en steekt op den bovensten eene bloem.
+
+42. Zwitsersche schuimtaart. Voor de korst neemt men 3 o., 7
+1/2 l. bloem, 2 1/2 o. boter, 6 1/2 l. suiker, 1 ei, een halven
+kelk brandewijn en half zooveel koud water. Hiervan maakt men een
+deeg, dat men na het kneden even laat rusten, om het daarna des te
+gemakkelijker te kunnen rollen. Men rolt 2/3 hiervan tot een rond
+blad, en bestrijkt den buitensten kring, waarop de rand moet staan
+(niet de snede) met eiwit, legt er van het overige deeg een rand om,
+en bakt deze korst bij den eersten warmtegraad 3/4 uur. Dan vult men
+de taart met kersen, waar men de pitten heeft uitgehaald en die met
+de noodige suiker zijn vermengd, en zoo zet men haar in den oven,
+tot de kersen zacht geworden zijn. Even vóór dat de taart op tafel
+wordt gebragt, bedekt men alles met eene crême fouettée, die volgens
+No. 16 van eene halve kan room is geslagen.
+
+43. Zwabische taart. Men maakt eene taart met opstaanden rand,
+volgens No. 2, 6 of 7, naar verkiezing; zet deze in de taartenpan
+en vult haar met een dik moes van kruisbessen, aalbessen, kersen,
+appelen of pruimen, waarover men eene bovenkorst legt, bereid als
+volgt: 6 eijerdoijers worden met 1 o., 2 1/2 l. suiker, evenveel
+gestooten amandelen en eene geraspte citroenschil of wat foelie,
+een kwartier lang stevig geroerd, en dan het geslagen eiwit er bij
+gevoegd. Men bakt de taart bij den eersten warmtegraad, en als de
+bovenkorst geel is geworden, bedekke men die met papier, teneinde
+zij niet te donker van kleur worde.
+
+44. Fransche taart. Men maakt van 1 o., 2 1/2 l. bloem een week deeg,
+volgens No. 7, en verdeelt dit in twee niet geheel gelijke deelen,
+waarvan men het kleinste in een taartenvorm legt, zóó, dat de rand
+opstaat. Dan zet men 2 1/2 ons geraspte amandelen, waaronder ruim 3
+l. bittere zijn, met 2 1/2 o. suiker, op een zacht vuur, en laat ze
+zoolang doortrekken, tot zij niet meer aan de hand kleven, waarna
+men ze, om te bekoelen, op eene schaal legt. Vervolgens roert men
+er 3 lood, 3 w. fijngesneden oranjeschil, of, bij gebrek daarvan,
+eene geraspte citroenschil, met het geslagen wit van 4 eijeren door,
+en legt alles, gelijkgestreken op het deeg, dat tot aan den rand toe
+vol moet zijn. Van het overige deeg snijdt men, met het taartenradje,
+smalle reepjes, die men in schuine ruiten op de amandelen legt, en
+buigt den rand over de einden heen, zoodat die niet gezien worden. De
+taart wordt bij den eersten warmtegraad gebakken. Als de inhoud eene
+schoone gele kleur heeft gekregen, bedekt men dien met een papier,
+en laat de korst verder gaar worden, terwijl men, als de taart gereed
+is, in elke ruit wat geconfijte vruchten legt, of, afgewisseld in de
+eene ruit vruchten, in de andere crême fouettée volgens N, No. 16.
+
+45. Wellingtonstaart. Van 2 1/2 o. bloem, 1 o., 2 1/2 lood boter,
+evenveel geraspte amandelen, evenveel suiker en 2 eijeren, maakt men
+een deeg, dat men uitrolt en in den vorm legt. Dan slaat men het wit
+van 6 eijeren tot een stijf schuim, roert er 2 ons zoete en 6 stuks
+bittere amandelen, fijngehakt, benevens wat suiker door, strijkt dit
+over het deeg en bakt het vlug.
+
+46. Mergtaart. Er wordt een deeg gemaakt volgens No. 6. Voorts kookt
+men eene halve kan zoeten room, roert dien met 1 o. gestooten beschuit
+tot een dikken brij, en laat ze bekoelen. Intusschen stampt men 1 o.,
+2 1/2 lood merg, met wat koud water in een vijzel fijn; voegt het,
+benevens 1 o., 2 1/2 l. suiker, evenveel geraspte amandelen, 4 eijeren
+en wat foelie, bij den room. Hiermede bedekt men het uitgerolde deeg,
+dat met opstaanden rand in den vorm is gelegd; maakt er volgens
+No. 44 een ruitwerk over, bakt de taart bij den eersten warmtegraad,
+en geeft haar warm op tafel.
+
+47. Linzertaart. Men maakt een deeg van 2 1/2 o. geraspte amandelen,
+waaronder 3 l. bittere zijn, 2 1/2 o. bloem, evenveel suiker,
+2 o. boter, 2 raauwe en 3 hardgekookte, fijngewreven eijerdoijers,
+eene geraspte citroenschil en 2 lepels arak of rhum. Dit rolt men uit,
+zet er een rand op en bakt het gaar, waarna men het met ingemaakte
+vruchten, naar verkiezing, vult.
+
+48. Spiegelkoek. Men bakt eene taart met niet te hoogen rand van een
+deeg volgens No. 4 of 7, en maakt wijngelei van eene halve flesch
+witten of rooden wijn, dien men warm in de koud geworden korst giet,
+en dan stil laat staan om op te stijven.
+
+49. Feuilleté met citroenvlade. Van 3 o., 7 1/2 l. bloem wordt een
+feuilletédeeg gemaakt, dat men tot eene korst uitrolt, met een niet
+te lagen rand belegt en vlug gaar bakt. Dan bereidt men de volgende
+vlade, die er, even vóór dat de taart op tafel gebragt wordt, moet
+ingegoten worden. Men doet 10 eijerdoijers in een bierglas, perst
+het sap van 4 citroenen in een glas, dat even groot is, uit, en vult
+dit aan met witten wijn, tot men eene gelijke hoeveelheid heeft als
+er van de eijeren is. Dan wordt dit beide dooreengeroerd met 2 1/2
+o. suiker, de geraspte schil van 2 citroenen, het geklopte eiwit en
+ruim 1 1/2 l. opgeloste gélatine, op het vuur gezet en onafgebroken
+sterk geslagen, tot het zeer stijf is. Men neemt het dan af en zet
+het slaan voort, tot de vlade bekoeld is.
+
+50. Aardbeziëntaart met vanillevlade. Men bakt eene korst van feuilleté
+en vult die, als de taart op tafel moet komen, met de volgende vlade:
+eene halve kan room wordt met 1/3 staaf Aga-aga of een halven lepel
+stijfsel en 8 eijerdoijers, door elkaar geroerd; dan voegt men er
+1 1/2 o. suiker en wat gestooten vanille bij, en slaat het op het
+vuur, tot het aan het koken toe is. Men neemt het van het vuur, slaat
+er het geklopte eiwit door, en blijft slaan tot het niet meer warm
+is. Ondertusschen worden aardbeziën gewasschen, en nadat zij op eene
+haarzeef goed zijn uitgedropen, met 1/2 o. suiker bestrooid. Men roert
+deze door de vlade, op het oogenblik dat de korst er mede wordt gevuld.
+
+51. Kruisbessentaart. Men maakt een roomdeeg volgens No. 6, rolt
+daarvan eene niet te dunne onderkorst met staanden rand en bestrooit
+den bodem dik met gestampte beschuit; 7 1/2 o. onrijpe kruisbessen,
+die men van de stelen en kroontjes goed heeft gezuiverd, worden met
+koud water opgezet en tot aan de kook gebragt, waardoor zij veel van
+haar scherpste zuur verliezen; dan laat men ze op eene zeef uitlekken
+en, ingeval zij nog al groot zijn, moet men ze midden doorsnijden en,
+met de ronde zijde naar boven, in de korst leggen, waarna men ze met 5
+o. suiker en wat kaneel bestrooit. De taart wordt in een vorm, of op
+eene plaat, bij den eersten warmtegraad, vijf kwartier gebakken. Men
+kan, des verkiezende, de bessen ook tot moes koken, dit in de korst
+scheppen, en het ruitsgewijze met reepjes deeg beleggen. Als men
+rijpe kruisbessen uitperst, is er minder suiker noodig. Voor deze
+en alle taarten, waarin de vruchten terstond in moeten mede bakken,
+is het best om geen afzonderlijken rand op het onderblad te zetten,
+maar dit zooveel grooter te nemen, dat men er dien van het overstekende
+stuk kan aanknijpen.
+
+52. Druiventaart. Van week deeg, volgens No. 7, maakt men naar
+verkiezing, eene open taartenkorst, of men rolt er ook een bovendekblad
+voor. Men legt de korst in den taartenvorm en bestrooit den bodem dik
+met gestooten beschuit, waarop men zeer zoete witte druiven, digt
+naast elkander legt en die met suiker bedekt; zoo zet men de taart
+in den oven, en laat haar, bij den eersten warmtegraad, ongeveer vijf
+kwartier bakken. Van druiven en suiker moet men evenveel gewigt nemen.
+
+53. Aalbessentaart. Men maakt het deeg voor de korst volgens No. 6
+of 7; neemt voor het vullen 7 1/2 o. aalbessen, 5 ons suiker en wat
+gestampte beschuit. Men handelt voorts geheel volgens No. 51.
+
+54. Taart van bessen- of frambozenmoes. De korst wordt gemaakt volgens
+No. 2, 6 of 7, en behandeld volgens No. 51. Men spreidt het moes op
+de gaar gebakken korst uit, en bedekt het met het tot schuim geslagen
+wit van 8 eijeren, waardoor men 1 o., 2 1/2 l. suiker en wat gestampte
+vanille roert. Dit wordt glad gestreken en in den zacht warmen oven
+gezet, om op te droogen.
+
+55. Kersentaart. De korst wordt volgens No. 6 gemaakt, de grootste
+helft daarvan tot een onderblad met rand uitgerold en van het overige
+reepjes voor een ruitwerk bovenop gesneden. Men bestrooit den bodem met
+gestampte beschuit, ontdoet een soepbord vol kersen van de pitten, en
+roert die met 2 1/2 o. suiker en wat kaneel door elkaar, waarna men ze
+in de korst legt, zonder het sap dat er uit is geloopen; dan schikt men
+er de ruiten over, en bakt de taart, bij den eersten warmtegraad. Het
+uitgeloopen kersensap wordt met nog wat suiker stroopig gekookt en
+als alles gereed is, met een theelepeltje voorzigtig tusschen de
+ruitjes ingegoten. Indien men morellen in plaats van kersen gebruikt,
+moet men 3 o., 7 1/2 lood suiker nemen. Men kan zulk eene taart ook
+met eene bovenkorst bakken, in plaats van de overgelegde reepjes;
+hiertoe voegt men bij het uitgedropen sap zooveel zuren room, tot dit
+te zamen ruim 2 m. bedraagt, slaat dit goed dooreen met 5 eijerdoijers,
+wat suiker en kaneel, giet het over de kersen, als de taart bijna
+gaar is, en laat het te zamen verder bakken.
+
+56. Confituurtaart. Voor eene korst met opgelegden rand maakt men
+een deeg volgens No. 4 van 2 1/2 o. bloem, 1 o., 2 1/2 lood suiker,
+evenveel gestooten amandelen, 1 eijerdoijer, 4 hardgekookte eijeren,
+ruim 1 1/2 o. boter en 1 glas witten wijn; men bakt die vlug gaar. Dan
+vult men ze met confituren naar verkiezing (bijzonder lekker is
+abrikozenmoes) en glaceert de taart volgens No. 10.
+
+57. Tourte d'amour. Van 7 1/2 o. bloem maakt men een deeg volgens
+No. 6 of 7, en rolt dit uit tot 3 koeken, die men met boter besmeert,
+met suiker en kaneel bestrooit, en licht bruin bakt. Als zij koud
+geworden zijn, bedekt men den eersten koek met dik gekookte wijnvlade,
+den tweeden met bessen- of frambozengelei, en legt ze alle drie op
+elkander. Eerst den volgenden dag snijdt men de kanten gelijk, en legt
+er een glazuur over van suiker met citroensap of geraspte chocolade,
+dat men later, naar verkiezing, met sucade versiert.
+
+58. Citroentaart. Van een deeg volgens No. 2 of 7 wordt eene open
+taart gebakken; dan wordt zij met suiker bestrooid en citroenschijven,
+vooral zonder pitten, digt naast elkaar daarop gelegd, die men weder
+met suiker bedekt. Hierop legt men eene laag dunne biscuit en overgiet
+alles met een mengsel van eene halve kan dikken room, 4 eijeren,
+en suiker naar den smaak, dat met de garde goed is geslagen. Men
+zet de taart daarna nog zoo lang in den oven, tot de bovenkorst dik
+is geworden.
+
+59. Citroenkoek. Men maakt een feuilleté van 3 1/2 ons bloem. Voorts
+schilt men 4 citroenen dik af, kookt de schil in water zacht, snijdt
+die in lange reepjes, kookt 2 opgehoopte lepels suiker, met 1 lepel
+rhijnwijn of water, tot eene dikke stroop, en laat de schillen daarin
+zoolang koken, tot de suiker zich er aanzet. Vervolgens perst men de
+citroenen uit, en roert die stevig door elkander met 2 1/2 o. geraspte
+amandelen, evenveel suiker en 4 eijeren; dan voegt men er ook de
+gecandaliseerde citroenschillen bij, strijkt alles op het deeg en
+bakt het vlug.
+
+60. Rijst-citroentaart. Volgens No. 2 of 5 maakt men een deeg,
+waarvan men een onderblad uitrolt; men bevochtigt den buitensten
+kring met water, zet er den rand op vast, bakt deze korst, en laat
+haar koud worden, om haar daarna met het volgende te vullen: 2 1/2
+o. rijst wordt een nacht onder water gezet om uit te dijen, dan met
+hetzelfde water, zonder roeren, week gekookt en, om uit te lekken, op
+eene zeef geschud. Het sap van 4 citroenen wordt met de geraspte schil
+van één, door 2 1/2 ons suiker geroerd, en dan de rijst er met eene
+saladevork voorzigtig doorgemengd. De schillen der overige citroenen
+worden gecandaliseerd volgens No. 59, en, als de korst gevuld is,
+er over gestrooid. Dit recept is voor eene groote taart berekend.
+
+61. Citroen-appeltaart. 12 of 14 geraspte Borsdorfer appelen,
+8 eijerdoijers, 8 lepels gesmolten boter, 6 lepels suiker, het sap
+van 2 citroenen en van 1 de schil, wordt door elkaar geroerd; dan
+voegt men er het geslagen eiwit bij, en vult daarmede eene korst van
+feuilleté, waarvan de bodem met gestampte beschuit is bestrooid. Men
+bakt deze taart bij den eersten warmtegraad en legge er bij tijds
+een dik papier overheen, opdat zij niet te bruin worde.
+
+62. China'sappeltaart. Men neemt 2 1/2 o. suiker, 2 o. geraspte
+amandelen, 12 eijeren, 6 1/2 l. bloem en 2 lepels arak. Deze
+bestanddeelen worden geroerd als voor eene amandeltaart, en daarvan
+2 koeken gebakken. Dan worden 6 eijerdoijers, 2 eiwitten, het sap van
+4 china'sappelen en van 1 de geraspte schil, het sap van 2 citroenen
+en 1 o., 2 1/2 l. suiker, op het vuur met de garde geslagen tot het
+dik is. Men legt deze vlade op een van de koeken, bedekt die met
+den tweeden, slaat den ondersten als rand om en glaceert de taart
+met het volgende: het sap van 2 china'sappelen wordt met 1 o.,
+2 1/2 l. suiker en 1 lepel water gedurende een kwartier geroerd,
+en dan glad over den bovensten koek gestreken.
+
+63. Appeltaart. Eene appeltaart kan men op verschillende wijzen gereed
+maken. Men kan voor de korst een deeg bereiden naar verkiezing volgens
+No. 2, 3, 5, 6, of 7. Men kan ze maken met een dekblad, met geruit
+belegsel van reepjes deeg, of met eene bovenkorst, volgens No. 9,
+die men over den inhoud giet als de taart bijna gaar is. De bodem
+van de taart moet altijd met gestooten beschuit bestrooid worden, en
+men bakt die met het vulsel, ongeveer vijf kwartier, bij den eersten
+warmtegraad.--Voor het vullen kan men zich naar de volgende recepten
+rigten: de uitgeboorde appelen worden aan fijne schijfjes gesneden,
+dan met 6 1/2 lood gesnipperde amandelen, 2 citroenen, vooral zonder
+de pitten, insgelijks aan schijfjes gesneden, de noodige suiker en
+kaneel, laagsgewijze in de korst gelegd.--Of: de appelschijven worden
+met 1 o., 2 1/2 l. suiker, evenveel krenten, geraspte citroenschil
+en kaneel aan lagen in de korst gelegd. Of: de appelen worden in hun
+geheel geschild; midden doorgesneden, van de klokhuizen ontdaan, en
+dan op de ronde zijde met een scherp mes een weinig gekorven. Dit moet
+alles vlug geschieden, zoodat zij geen tijd hebben om bruin te worden,
+en dan weekt men ze in een mengsel van 1 kopje witten wijn, het sap
+van 1 citroen, wat gestooten amandelen en goed wat suiker. Men legt
+eindelijk de halve appelen, met de ronde zijde naar boven gekeerd,
+op het deeg.--Of: men snijdt de appelen in achtsteparten en kookt ze
+gaar, maar niet te week, met witten wijn, citroenschillen, suiker en
+pijpkaneel. Als zij koud geworden zijn, schikt men ze netjes in de
+korst. Het nat laat men tot eene dikke stroop verkoken en giet het,
+bij het op tafel brengen, over de appelen.--Men kan ook een goeden
+appelkoek zonder korst bakken, en wel op de volgende wijze. De
+appelen worden uitgeboord en met wat boter, goed toegedekt, op een
+zacht vuur half gaar gesmoord, dan met krenten, suiker, kaneel,
+sucade en een stukje boter volgestopt en, in den vorm, regtop naast
+elkander gezet. Vervolgens roert men 6 eijerdoijers, 1 o., 2 1/2 lood
+suiker, evenveel geraspte amandelen en een half theelepeltje gestooten
+foelie, gedurende een kwartier stevig dooreen, mengt er het geslagen
+eiwit door, verdeelt het over de appelen en bakt alles ongeveer vijf
+kwartier.--Voor eene eenvoudige appeltaart maakt men een deeg van
+5 o. bloem, 2 1/2 o. boter, 2 lepels suiker, 1 ei en 1 kopje koud
+water, dat men tot 2 ongelijke bladen uitrolt. Op het grootste legt
+men appelschijven, bestrooit die met suiker en kaneel of anijszaad,
+bedekt ze met het kleinste deegblad, en slaat den rand er om digt. In
+het bovenste deeg maakt men een paar sneden voor het uitdampen.
+
+64. Versche pruimentaart. Men maakt van deeg, volgens No. 7, met
+bijvoeging van een paar lepels suiker, eene korst met vasten rand, en
+bestrooit den bodem met beschuit. Versche pruimen zet men op eene zeef,
+zoo lang in kokend water, tot de schil er met een mes gemakkelijk kan
+worden afgetrokken (als zij al te week worden gaat het moeijelijk). Dan
+snijdt men de pit er uit, rolt iedere pruim eenigzins op en wentelt ze
+zoo in suiker, waarna men ze in kringen, langs den rand te beginnen,
+in de korst legt en ze met kaneel bestrooit. Het uitgedropen sap
+laat men met wat suiker nog een weinig verdikken, en giet het bij
+het opdragen van de taart, over de vruchten. Men bakt de taart vijf
+kwartier bij den eersten warmtegraad.
+
+65. Taart van gedroogde pruimen. Men maakt een deeg volgens No. 7.--5
+o. gedroogde pruimen, van de beste soort, worden in warm water
+gebroeid en dan, in kort nat, zeer langzaam zoo lang gekookt, tot
+men er de pitten gemakkelijk uit kan drukken. Dan worden de vruchten
+in hun eigen nat, met een halve fl. witten wijn, 2 o. suiker, het
+sap en de schil van 1 citroen, in een aarden potje, goed toegedekt,
+zachtjes gaar gekookt; gedurende het laatste kwartier voegt men er 1
+o., 2 1/2 l. krenten bij, en laat alles tot een dik moes verkoken,
+dat men, als het koud geworden is, op het deeg smeert, en daarmede
+vijf kwartier bij den eersten warmtegraad laat bakken.
+
+66. Gerezen hoek met pruimen. Men bakt een luchtig deeg van 5 o. meel,
+2 o. boter, ruim 1 m. melk, ruim 3 l. versche gist, 2 eijeren, 1 goede
+lepel suiker en een weinig zout. Dit laat men rijzen, rolt het dan dun
+uit en legt het op eene besmeerde plaat. Men bestrijkt het daarna met
+boter, strooit er suiker en kaneel overheen, en legt versche pruimen,
+waar de pitten zijn uitgedaan en die met een weinig boter vooraf
+gewarmd zijn, digt naast elkaâr opengebogen en met de binnenzijde
+naar boven gekeerd, daarop. Men bestrooit ze met suiker en kaneel,
+en ook legt men er kleine stukjes boter op. Zoo zet men den koek op
+eene warme plaats tot hij goed is gerezen, en bakt hem dan zoo vlug
+mogelijk, gaar, opdat het deeg niet te zeer uitdrooge. Men kan er
+eene bovenkorst volgens No. 9 over gieten, vóór dat hij geheel gaar is.
+
+67. Blaauwbessentaart. Men maakt eene korst met vasten staanden rand,
+volgens No. 66, bestrooit die met gestooten beschuit en behandelt deze
+taart geheel als No. 66. Er worden gewarmde blaauwbessen ingelegd,
+die men met suiker en kaneel bestrooit.
+
+68. Hamburger koek. Men neemt 1 p., 6 1/2 l. bloem, 5 o. krenten, 2
+1/2 o. boter, 9 eijeren, 1 o., 6 1/2 l. suiker, 6 1/2 l. snippers,
+eene geraspte citroenschil en 6 1/2 l. met wat melk geroerde
+gist.--De boter wordt tot schuim gewreven; dan de suiker en de
+eijeren er doorgeroerd, en vervolgens het overige. Alles wordt in een
+goed besmeerden taartenvorm gedaan, en met een mengsel van gehakte
+amandelen, suiker en kaneel bestrooit. Men laat den koek rijzen en
+bakt hem bij middelmatige warmte.
+
+69. Boterkoek. Men neemt 1 p. bloem, evenveel goed uitgewasschen boter,
+8 l. gist, 6 1/2 l. gesnipperde sucade, 2 kleine theelepeltjes zout,
+2 eijeren, 1/2 k. laauwe melk, en hakt dit met een breed mes vlug
+door elkander, want het is bij dit recept eene hoofdzaak, dat het
+deeg zoo weinig mogelijk bewerkt en gekneed worde. Men spreidt het
+met de vlakke hand op eene eenigszins warme bakplaat, ter dikte
+van een vinger uit, waarbij men de hand met niet te veel raauw
+meel mag bestuiven; dan bedekt men het met een gewarmden doek,
+en zet het ongeveer anderhalf uur op eene warme plaats, tot het
+behoorlijk is gerezen. Dit zoo zijnde, bestrooit men den koek met
+een mengsel van 3 o., 4 l. grof gestooten broodsuiker; 6 1/2 l. grof
+gestooten amandelen en 2 w. kaneel; legt 1 o., 2 1/2 l. boter, aan
+kleine stukjes verdeeld, over alles heen, en bakt den koek bij goede
+warmte een kwartier of twintig minuten. Hij mag slechts donkergeel,
+niet bruin worden, en ook volstrekt niet in den oven uitdroogen,
+maar hij moet inwendig zacht blijven. Bij het uitnemen uit den oven,
+besprenkelt men hem, nog op de plaat, met een half kopje rozenwater,
+of, indien men dien smaak niet aangenaam vindt, met witten wijn. Dit
+recept is voor een grooten koek. Men snijdt hem, bij het voordienen,
+in langwerpig vierkante stukjes.
+
+70. Norderneijer koek. Men maakt een deeg van 1 p. bloem, 1/2 k. melk,
+2 theelepeltjes zout, en 3 l., 3 w. met wat melk en suiker aangeroerde
+gist, en doorwerkt dit tweemalen gedurende het rijzen. Dan voegt
+men er 2 1/2 o. gesmolten boter, nog 5 l. aangeroerde gist en 2 1/2
+o. gewarmde krenten bij, kneedt het luchtig even door elkaâr en spreidt
+het uit volgens No. 69. Men besmeert den koek, strooit er 2 1/2 o. grof
+gestooten suiker en 4 w. kaneel over, en begiet dit met een weinig
+gesmolten boter. Hij wordt in een heeten oven 14 minuten gebakken. Men
+kan dit recept naar verkiezing veranderen, door gestooten foelie of
+geraspte citroenschillen in het deeg te mengen, of de krenten door
+sultana rozijnen te vervangen.--Dit recept is voor een grooten koek.
+
+71. Saksische spekkoek. Van 3 o., 7 1/2 l. bloem, 1 o., 2 1/2
+l. gesmolten boter, ruim 1 1/4 melk, 3 l., 3 w. suiker, evenveel
+gist, 2 eijerdoijers en een half theelepeltje zout, maakt men een
+deeg, eerst met een mes, en daarna met de hand; men klopt het stevig
+volgens No. 1, en laat het rijzen. Dan drukt men het met een houten
+lepel in de koekepan, maakt er een rand aan, en laat den koek nog
+eens rijzen. Daarna bestrooit men hem met 1 o., 2 1/2 l. spek, dat
+aan kleine dobbelsteentjes gesneden is, en wat komijn. Men bakt hem
+bij goede warmte ongeveer drie kwartier.
+
+72. Gekloofde koek. Men neemt 7 1/2 o. bloem, 2 1/2 o. boter, 2 1/2
+o. rozijnen zonder pitten, 1 o., 2 1/2 l. suiker, ruim 3 m. melk, 1/2
+o. gist, 1 1/2 theelepel zout, en kruiderijen naar verkiezing. Hiervan
+bereidt men een deeg, volgens No. 71, laat het 1 1/2 uur zacht
+rijzen, en rolt het daarna uit, tot eene lange smalle reep, van
+een paar vingers dikte. Deze reep drukt men met de taartenrol zóó,
+dat er in het midden, over de lengte, eene gleuf ontstaat, die men
+vult met 6 l. suiker, ruim 3 l. gesnipperde amandelen en 3 l. sucade;
+desverkiezende ook nog met 2 o. krenten, maar dan laat men de rozijnen
+uit het deeg weg. Nu slaat men den reep dubbeld, zoodat de beide
+zijkanten juist op elkander liggen, en legt den koek als eene halve
+maan gebogen, op de plaat, met den digtgeslagen kant naar buiten,
+waarin men eenige insnijdingen maakt. Men laat hem goed rijzen,
+bestrijkt hem dan met de geklutste eijeren, en bakt hem bij eene
+matige warmte gedurende één uur.
+
+73. Kaaskoek. Men maakt een deeg als voor No. 70, maar zonder
+krenten en rozijnen, dat men, op eene plaat, dun uitrolt en rijzen
+laat. Voorts neemt men een soepbord vol afgeroomde, zuur geworden
+melk, die bij het vuur heeft gestaan om dik te worden (dat wat men
+in Gelderland ruting noemt), roert die zeer gelijk, maar niet al te
+dun met verschen room, voegt er een kopje gesmolten boter, 2 eijeren,
+benevens suiker en kaneel, naar den smaak, bij, desverkiezende ook 2
+1/2 ons krenten. Dit mengsel verwarmt men een weinig, en smeert het
+op den koek, dien men daarna vlug gaar bakt; hij moet volstrekt niet
+uitdroogen, maar zacht blijven en versch gebruikt worden.
+
+74. Silezisch brood. Van 1 p., 8 o. bloem, 1/2 k. melk, 8 eijerdoijers,
+6 l., 6 w. gist en wat zout, maakt men een deeg, dat men op eene
+warme plaats laat rijzen; dan werkt men er 1/2 kan gesmolten boter,
+2 1/2 o. rozijnen zonder pitten, 2 o. suiker, 1 o., 2 1/2 l. gehakte
+amandelen, nog 3 l., 3 w. gist en wat geraspte citroenschil door,
+beslaat het stevig tot er blazen in komen, en laat het nogmaals
+rijzen. Vervolgens vormt men het tot een langwerpig brood, kerft
+dat op de bovenzijde met schuine sneden, bestrijkt het rijkelijk met
+gesmolten boter, en bakt het, bij den eersten warmtegraad, een half
+uur of drie kwartier.
+
+75. Duitsche Wecke. Men neemt 5 kop bloem, 6 o., 2 1/2 l. boter,
+5 o. rozijnen, 2 1/2 o. krenten, 2 1/2 o. suiker, ruim 6 l. drooge
+gist, ruim 6 l. gehakte zoete amandelen, en half zooveel bittere,
+ruim 3 l. snippers, 1 w. kaneel, 1 w. foelie, 1 geraspte citroenschil,
+3 eijerdoijers en wat zout, benevens zooveel melk als noodig is, om
+hiervan een goed stevig deeg te maken. De gist wordt met wat melk,
+1 lepel suiker en 1 lepel rhum gemengd, en de rozijnen, een poosje
+vóór het kneden, met rhum besprenkeld. Als men het meel met de melk
+en de gist door elkaar heeft geroerd, werkt men het goed door met het
+overige, behalve de rozijnen en de krenten, die men er het laatst
+doorkneedt. Men legt het deeg daarna op eene warme plaats, en als
+het gerezen is, maakt men er 2 langwerpige brooden van, en laat
+die langzaam nog eens rijzen. Dan legt men ze op besmeerd papier
+op eene blikken plaat, laat ze goed gaar bakken en bestrijkt ze,
+terstond nadat zij uit den oven komen, met gesmolten boter, waarover
+men kaneel en suiker strooit.
+
+76. Slakkenhuizen. 5 1/2 o. bloem, 4 eijeren (van 2 het wit),
+4 l. drooge of 2 1/2 lepel natte gist, 1 o., 3 l. suiker, 2 1/2
+o. gewasschen boter, 1 o., 2 1/2 l. krenten, evenveel sultana
+rozijnen en 2 m. melk. De eijeren worden geklutst, de melk en de
+met wat suiker en melk aangemengde gist er bij gegoten, waarna men
+de helft van het meel daarmede beslaat. Men laat dit een half uur
+rijzen, roert er dan nog zooveel meel door, dat men het deeg kan
+rollen, kneedt de boter er door, en gebruikt het overige meel voor
+het bestuiven; vervolgens rolt men het dun uit. Dan snijdt men het,
+met het taartenradje, aan reepen van ruim 2 vingers breed, strooit
+daarop suiker, kaneel, krenten en rozijnen, en rolt de reepen als
+slakkenhuizen op, die men naast elkaar in de besmeerde taartenpan zet,
+maar niet al te digt bij elkander, zóó, dat er eenige tusschenruimte
+blijft voor het rijzen. Als de rolletjes soms ongelijk zijn, dan zet
+men de grootsten in het midden. Men laat ze goed rijzen en bakt ze
+1 uur, bij den eersten warmtegraad. Desverkiezende kan men ook nog
+gesnipperde amandelen op de deegreepen strooijen.
+
+77. Elberfelder kransen. 1 p. bloem, 3 o., 7 1/2 l. boter, 2 1/2 ons
+suiker, 5 eijeren, 8 w. gestooten kaneel, 1 1/2 m. melk, 3 o., 7 1/2
+l. krenten of 2 kopjes gelei en 6 1/2 lood versche gist. De helft van
+het meel wordt met de melk, de eijeren en de gist beslagen; men laat
+het rijzen, en neemt dan de helft van de suiker, benevens zooveel meel
+er bij, dat het een kneedbaar deeg wordt, terwijl men er het overige
+meel en de boter zachtjes aan bijvoegt. Daarop wordt het niet al
+te dun uitgerold, de kaneel, de overige suiker, benevens de krenten
+er op gestrooid, of de gelei er over gestreken, en dan rolt men het
+voorzigtig op, de beide einden tot elkander leggend, zoodat het een
+krans vormt, dien men op eene plaat legt, rijzen laat, daarna met boter
+besmeert, en drie kwartier bij den eersten warmtegraad laat bakken.
+
+78. Dikke koek. 1 p. meel, 3 o., 7 1/2 l. boter, 2 1/2 o. rozijnen, 1
+o., 2 1/2 l. suiker, 8 of 9 eijeren, 6 m. melk, 5 l. gist en een goede
+theelepel foelie. De boter wordt tot schuim gewreven, dan zachtjes aan
+de eijeren, de suiker, de kruiderijen, als ook de melk en het meel,
+bij afwisseling er door geroerd; het laatst de aangemengde gist en
+de rozijnen. Nu wordt alles te zamen sterk beslagen, en nadat het in
+den vorm goed is gerezen, met gesmolten boter bedropen, met kaneel
+en grof gestooten suiker bestrooid, en in een goed gestookten oven
+bijna 1 uur gebakken.
+
+79. Rodonkoek. 5 o. meel, 3 o., 7 1/2 l. gesmolten boter, 2 1/2
+o. suiker, 15 eijeren, 1 geraspte citroenschil, een stuk sucade en
+3 l., 3 w. gist. Voor dit recept moeten zelfs de eijeren in laauw
+water worden gewarmd. De boter wordt met de suiker, de citroenschil
+en een halven theelepel zout geroerd; dan voegt men er beurtelings
+1 lepel meel en 1 ei bij, tot alles gebruikt is, en mengt het laatst
+de aangeroerde gist er door. Vervolgens beslaat men het tot er overal
+blazen in komen, laat het in den taartenvorm 1 1/2 uur goed toegedekt
+staan, om te rijzen, en bakt het bij middelmatige warmte 1 uur. Men kan
+in deze opgave eenige veranderingen brengen, door er, naar verkiezing,
+1 o., 2 1/2 l. gestooten amandelen of evenveel rozijnen of krenten
+in te doen en b. v. de sucade door foelie of kaneel te vervangen.
+
+80. Krentenkoek. 1 p. bloem, 4 o. krenten, 2 o. boter, 1/2 kan melk, 6
+l. gist, een kopje suiker, 2 eijeren, wat zout en foelie of kaneel. De
+melk, eijeren, suiker, boter, krenten en kruiderijen, worden met de
+helft van het meel en de helft van de gist beslagen, men laat dit
+rijzen, voegt er het overige bij, en beslaat het weder. Dan zet men
+het in den vorm nog anderhalf uur te rijzen, besmeert den koek met
+verdunde eijeren, en laat hem, in den goed gestookten oven, ongeveer
+1 uur bakken.
+
+81. Rolkoek. Men neemt 6 o., 2 1/2 bloem, 3 o., 7 1/2 l. boter,
+1 1/2 o. suiker, 3 eijeren, 5 l. gist, 1 1/2 m. melk en 1 theelepel
+zout. Dit alles roert men door elkander, maakt daarvan, eerst met een
+mes, daarna met de hand, een deeg, dat men goed slaat, volgens No. 1,
+en rijzen laat. Dit rolt men uit tot een langen reep, van ongeveer
+een vierde el breed, dien men met 2 1/2 ons krenten, 1 o., 2 1/2
+l. suiker, 4 l. sucade en 8 w. kaneel bestrooit, en dan in de breedte
+los oprolt. Het eene einde van deze rol zet men in het midden van den
+vorm, en slingert zoo rond, tot men aan het andere eind is gekomen,
+met eenige ruimte tusschen de kringen, voor het rijzen. Men zet den
+koek op eene warme plaats tot hij goedgerezen is, en bakt hem bij
+goede warmte bijna één uur.
+
+82. Gewone potkoek. 1 p. bloem, 1 o., 2 1/2 l. boter (des verkiezende
+voor de helft reuzel of uitgebakken raapolie), 1 o., 2 1/2 l. rozijnen
+of gesnipperde peren, 2 eijeren, 4 1/2 m. melk, 2 1/2 l. gist,
+een paar geraspte koud geworden aardappelen, 1 lepeltje zout en
+wat foelie. Dit alles wordt goed beslagen, en in een ijzeren pot,
+om langzaam te rijzen, 3 uren, toegedekt weggezet. Dan bakt men den
+koek op het vuur zachtjes aan gaar; als de bovenkant opgedroogd is,
+wordt hij omgekeerd, en op die zijde gebakken. Indien men er geene
+aardappelen in doet, moet men op 1/2 k. melk rekenen, en als men het
+beslag een dag vooraf kan maken en den nacht over in den kelder laat
+rijzen, zal de koek er des te beter om zijn.
+
+
+
+
+Kleine gebakjes.
+
+83. Maarschalktaartjes. Men maakt een feuilletédeeg, rolt dit ter
+dikte van een stroohalm uit, en steekt er met een glas of kopje ronde
+plaatjes af, waarop men wat van het volgende mengsel uitspreidt:
+1 ons geraspte amandelen, 1 o., 2 1/2 l. suiker en het tot schuim
+geslagen wit van 2 eijeren. Men bakt de taartjes geel, bij den
+eersten warmtegraad.
+
+84. Vruchttaartjes. Men steekt uit feuilletédeeg plaatjes volgens
+No. 83, besmeert de randen (niet de snede) met geklutste eijeren,
+en zet er randjes op. Men legt er vruchten in, die men, naar haren
+aard, met suiker en kaneel bestrooit, en bakt ze vlug gaar. Indien
+men zeer sappige vruchten, zoo als aalbessen of frambozen, neemt, dan
+moet men wat gestooten beschuit op den bodem strooijen; gebruikt men
+ingemaakte vruchten of gelei, dan worden de taartjes ledig gebakken,
+en daarna gevuld.
+
+85. Kweetaartjes. Deeg, volgens No. 2 of 7, wordt in kleine vormpjes
+gelegd. Kweeën kookt men, met de schil zeer zacht en evenveel zure
+appelen worden, ook met de schil, in heete asch gebraden; dan trekt
+men van beiden de schillen af, ontdoet ze van klokhuizen, en roert
+het vleesch dooreen met suiker, citroensap en schil. Hiermede vult
+men de taartjes; men slaat geschuimd eiwit, met suiker en vanille,
+strijkt er dit overheen, en bestrooit het met gehakte amandelen,
+waardoor suiker is gemengd. Zij kunnen eene goede hitte verdragen.
+
+86. Couverts met confituren. Een deeg, volgens No. 2 of 7, wordt
+zeer dun uitgerold en met het taartenradje aan ruiten gesneden, van
+ongeveer 15 duim in het vierkant groot. Deze ruiten besmeert men in
+het midden, ook in vierkanten vorm, niet te dik, met confituren, legt
+de vier punten tot elkander te zamen, drukt ze een weinig vast, en
+bestrijkt ze met verdunde eijerdoijers, waardoor suiker is geklutst;
+men zorge echter dat niets daarvan op de snede van het deeg komt,
+daar dit het rijzen zou beletten. De taartjes worden bij den eersten
+warmtegraad gebakken, en bij het opdoen legt men eene ingemaakte
+kers of rozenbottel op het midden, bij wijze van zegel. Men kan zulke
+couverts ook vullen met geraspte amandelen, die men dooreenroert met
+suiker, eijerdoijers, citroensap en schil, benevens het wit van de
+helft der eijeren die men gebruikt. Bijzonder lekker zijn zij ook, als
+men in elk lapje deeg een uitgeboorden appel zet, die eenige uren in
+arak of rhum met suiker heeft liggen weeken, en waarvan de ingeboorde
+opening is gevuld met krenten, suiker, kaneel en citroenschil.
+
+87. Appelplaatjes. Het deeg volgens No. 2 of 7 wordt dun uitgerold,
+dan goed besmeerd met dik appelmoes, en met een tweede blad deeg
+bedekt; daarna steekt men er met een glas rondjes uit, die men met
+ei bestrijkt, met suiker en gehakte amandelen bestrooit en in een
+heeten oven bakt.
+
+88. Stuiters. 1 o., 2 1/2 lood boter, 2 eijeren (van 1 het wit)
+en 6 1/2 lood suiker, worden door elkaar geroerd, verder beslagen
+met een half kopje rhum of brandewijn en 2 ons bloem. Hiervan vormt
+men kleine balletjes, die men op eene met was bestreken plaat zet,
+met gestooten kandij bestrooit, en bij matige warmte bakt.
+
+89. Gerezen noten. 1 o., 2 1/2 l. gewasschen boter, 5 eijerdoijers ruim
+3 l. suiker, wat citroenschil, 1 kopje dikke zure room, 2 1/2 lood
+aangeroerde gist en 3 o., 6 l. bloem, wordt beslagen, en men maakt
+er ballen van, als eene okkernoot, die men op eene met was bestreken
+plaat zet en laat rijzen. Dan legt men op iedere noot eene rozijn,
+eene ingemaakte kers of rozenbottel, bestrijkt ze aan alle zijden
+met het geslagen eiwit, bestrooit ze met grof gestooten suiker,
+en bakt ze in den heeten oven 10 minuten.
+
+90. Milaneesche boterhammen. 1 o., 2 1/2 l. boter, 2 o. suiker, 2
+1/2 o. bloem, 1 lepel dikke zure room of brandewijn en 1 ei, wordt
+tot een deeg gemaakt, dat men uitrolt, aan schuine ruiten snijdt,
+met geklutste eijeren besmeert en vlug bakt.
+
+91. Zwitsersch chocoladebrood. Men slaat het wit van 3 eijeren tot
+een stijf schuim, roert daardoor 2 o. suiker, 6 1/2 lood gestooten
+amandelen en 1/2 o. geraspte chocolade. Dit smeert men op ouwels,
+snijdt het aan reepen en bakt het in een zacht warmen oven.
+
+92. Kweebeuling. De vruchten worden in water gaar gekookt, dan door
+eene zeef gewreven, en dit moes wordt vermengd met evenveel suiker;
+men zet het op het vuur om te verdampen, tot het stijf is; dan roert
+men er geraspte amandelen, snippers, kaneel en gestooten nagelen
+door, stopt het in goed schoongemaakte schapendarmen, en bindt die
+tot kleine worstjes digt.
+
+93. Speculatie. 5 o. bloem, 5 o. suiker, 2 1/2 o. boter, 3 eijeren,
+2 w. kaneel en eene halve geraspte citroenschil worden tot een deeg
+gekneed, dat men gedurende een nacht, of ten minsten eenige uren laat
+rusten. Dan werkt men er, zoo vlug mogelijk, een weinig hertshoornzout
+door (zie No. 22), en rolt het uit ter dikte van den rug van een
+mes. Hieruit steekt men met een vorm de gewenschte figuren, die
+men op eene gewaste blikken plaat bij middelmatige warmte bakt. Een
+ander goed recept is dit: 3 o., 7 1/2 l. bloem, 2 o. suiker, 1 o.,
+2 1/2 lood boter, 1 ei, 2 lepels zure room of arak, 2 w. kaneel en
+hertshoornzout als hierboven.--Bij gebrek aan vormpjes om de koekjes
+uit te steken, kan men allerlei figuren van dun karton knippen,
+die op het deeg leggen en dat er langs afsnijden.
+
+94. Anijsbeschuitjes. Men bakt een goed aantal beschuitjes uit 1 o.,
+8 l. half bloem, half stijfsel, evenveel suiker, 6 eijeren en 1 lepel
+uitgezocht anijszaad. Het is bij dit gebak zeer noodzakelijk dat meel
+en stijfsel beiden worden doorgezift; ook dat er volstrekt niets van
+de eijerdoijers door het wit raakt, omdat het schuim zeer stijf moet
+wezen. De beschuitjes worden grooter en luchtiger als men een weinig
+hertshoornzout door het beslag doet (de in No. 22 opgegeven hoeveelheid
+op 5 o. meel). Deze aanmerkingen gelden ook voor de drie volgende
+recepten. Met de hierboven genoemde bestanddeelen handele men als
+volgt: Het eiwit wordt tot schuim geklopt, de eijerdoijers geklutst
+en langzaam in het schuim gegoten, terwijl men onophoudelijk blijft
+slaan; zoo slaat men er ook de met het anijszaad vermengde suiker, bij
+een lepel vol te gelijk, door; daarna op dezelfde wijze het meel en
+de stijfsel, en eindelijk het hertshoornzout. Men legt dit in kleine
+hoeveelheden bij elkander, op eene met was bestreken plaat; of men
+besmeert er de geheele plaat mede, om het, als het uit den oven komt,
+in stukken te snijden. Het wordt bij den tweeden warmtegraad gebakken.
+
+95. Frankforter tabletten. 2 1/2 o. half bloem, half stijfsel, evenveel
+suiker, 4 eijeren, 1/2 geraspte notemuskaat en zooveel gestooten
+nagelen als op de punt van een mes wordt genomen. De geheele eijeren
+worden met de suiker en de kruiderijen een kwartier lang beslagen, dan
+het meel er doorgeklopt en de massa op eene gewaste plaat gestreken,
+met stukjes sucade of snippers er op gelegd. Men bakt het bij den
+tweeden warmtegraad en snijdt het aan stukjes, als het uit den
+oven komt.
+
+96. Suikerplaatjes. 2 1/2 o. stijfsel, 2 1/2 o. suiker, 4 eijeren,
+eene halve citroenschil of een half lepeltje foelie. Eerst roert men
+de eijerdoijers met de suiker en kruiderijen een kwartier dooreen,
+dan het stijf geklopte wit, en eindelijk, zoo vlug mogelijk, de
+stijfsel. Men bakt het volgens No. 94.
+
+97. Chocoladeplaatjes. 2 o. gezifte suiker, 1 o., 2 1/2 lood geraspte
+en gezifte chocolade, 6 1/2 lood bloem en het wit van 4 eijeren. Het
+laatste wordt tot schuim geslagen, vlug met het overige dooreengemengd,
+en aan kleine plaatjes gebakken, volgens No. 94.
+
+98. Kaneelsterren. 5 o. suiker, 5 o. amandelen, met het bruine
+schilletje geraspt, het wit van 6 eijeren, 8 w. kaneel en eene fijn
+gesneden citroenschil. Men roert het geslagen eiwit met suiker en
+kruiderijen, gedurende een kwartier onafgebroken door elkander,
+en houdt daarvan een gedeelte afzonderlijk, terwijl men door het
+overige de amandelen roert. Dit deeg rolt men op de met meel bestoven
+taartenplank dun uit, en steekt er met een blikken vorm sterren van,
+die men daarna met het afgehouden eiwit besmeert en, op eene gewaste
+plank, langzaam bakt. Men kan ook een deeg maken van 5 o. bloem,
+3 o., 3 lood boter, 6 1/2 l. suiker, 2 eijeren, 8 w. kaneel en
+hertshoornzout, volgens No. 22. Het wordt goed doorwerkt, dun
+uitgerold, en men bestrijkt de uitgestoken sterren met geklutste
+eijeren, drukt ze in grof gestooten suiker, en bakt ze bij goede
+warmte op de plaat.
+
+99. Kaneelkrakelingen. 3 o., 7 1/2 l. bloem, 2 1/2 o. suiker, 1 o.,
+2 1/2 l. gesmolten boter, 3 eijeren, 8 w. kaneel, hertshoornzout,
+volgens No. 22, of in plaats daarvan, zooveel gezuiverde potasch,
+als op de punt van een mes kan liggen. Dit wordt alles tot een deeg
+gemaakt, de daaruit gevormde krakelingen met verdunde eijerdoijers
+bestreken, en in een niet te warmen oven gebakken.
+
+100. Pyramiden. 3 o., 7 1/2 l. bloem, 2 1/2 o. suiker, 2 o. boter,
+1 theelepel kaneel, 8 gestooten nagelen, eene halve geraspte
+citroenschil, 5 eijerdoijers en 2 eiwitten, worden tot een glad deeg
+gemaakt, dun uitgerold en in driekantige stukken gesneden, welke
+men met confituren besmeert. Voorts buigt men de drie punten, hoog
+opstaande, tot elkander, en zet ze op eene met meel bestoven plaat,
+om te bakken.
+
+101. Weener duimpjes. 2 1/2 o. bloem, 2 1/2 o. suiker, 3 eijeren,
+4 w. kaneel, 3 w. gestooten nagelen, 1 1/2 w. cardamom, 1/2 geraspte
+citroenschil en 3 stuks zeer fijn gehakte, ingemaakte okkernoten. Alles
+wordt een kwartier lang goed beslagen, behalve het meel; dan slaat
+men ook dit, lepelsgewijze, er door. Van dit beslag neemt men telkens
+een theelepel vol, wentelt dit in suiker en maakt er langwerpige
+rolletjes van, die men bij zachte warmte op de gewaste plaat bakt.
+
+102. Italiaansche koekjes. 2 1/2 o. bloem, 2 1/2 o. suiker, 2 1/2 ons
+boter, 6 eijeren, van 3 het wit en 1 lepel oranjewater. Dit beslaat
+men volgens No. 101, en bakt er, op de plaat, kleine koekjes van.
+
+103. Hertshorens. 5 o. bloem, 2 1/2 o. suiker, 2 1/2 o. geraspte
+amandelen, ruim een half kopje room, evenveel gesmolten boter en 4
+eijeren, maakt men tot een deeg, rolt het uit, snijdt er langwerpig
+ronde reepen van, die men ombuigt, aan de einden met het taartenradje
+in takken verdeelt en bakt.
+
+104. Bassumer koeken. 3 o., 3 l. bloem, 1 o., 8 l. boter, 1 o., 1
+1/2 l. suiker, 1 ei, en, naar verkiezing, wat citroenschil, foelie,
+of een paar gestooten nagelen, en een weinig kaneel. Men maakt hiervan
+een beslag, waar het meel het laatst wordt ingedaan, vormt er kleine
+balletjes van, bestrooit die met grof gestooten suiker en kaneel,
+zet ze op de gewaste plaat en bakt ze bij den tweeden warmtegraad.
+
+105. Citroenbogen. 8 1/2 o. bloem, evenveel suiker, 5 eijeren,
+1 citroen, 1 lepeltje gestooten foelie, en 6 1/2 l. amandelen. De
+eijeren, suiker, foelie, citroensap en schil worden stevig door elkaar
+geroerd, en dan ook het meel er doorheen gekneed. Vervolgens strijkt
+men het deeg, iets dikker dan de rug van een mes, op een blikken, met
+boter besmeerde plaat, bestrooit het met de gesnipperde amandelen,
+waardoor wat suiker en kaneel is geroerd. Het wordt langzaam licht
+bruin gebakken, en, als men de plaat uit den oven neemt, snijdt men
+het aan reepen van goed twee vingers breed, die men weder dwars,
+ter lengte van een palm, doorsnijdt, neemt deze stukken van de plaat
+en hangt ze schielijk, eer zij koud zijn, over een ronden stok;
+men buigt de einden naar beneden en laat ze zóó hard worden.
+
+106. Gebrande amandelen. 5 o. amandelen worden niet geschild,
+maar gewasschen en droog afgeveegd. 5 o. suiker smelt men in water
+en kookt die in een ijzeren pot; als zij wat gekookt heeft, steekt
+men er eene vork in, blaast daar tegen, en wanneer de suiker daar in
+blazen afvliegt, is zij goed. De amandelen worden er dan ingeschud,
+en men roert ze onafgebroken met een ijzeren lepel, tot zij al de
+suiker hebben opgenomen. Dan neemt men den pot af, strooit er 4
+w. kaneel in, en roert tot alles koud geworden is; daarna zet men
+het weder te vuur, en roert tot de amandelen glimmen, waarop men ze
+in een vlakken schotel schudt en ze van elkander plukt.
+
+107. Kruidamandelen. 3 o., 7 1/2 l. amandelen worden, met het
+schilletje, geraspt, en met 8 eiwitten, 3 o., 7 1/2 l. suiker, 4
+w. nagelen, 4 w. kaneel en wat geraspte citroenschillen, op zacht
+vuur zóólang geroerd, tot de massa, als men ze aanraakt, niet meer
+kleeft; dan laat men haar bekoelen, vormt er kleine amandelen van en
+bakt die bij zachte warmte.
+
+108. Pepermunt. Men kookt suiker als voor gebrande amandelen, roert er
+eenige druppels pepermuntolie door, giet dit in een stevig peperhuis,
+waar men het puntje afknipt, en laat het daar door in druppels,
+op eene gewarmde, met was bestreken plaat vallen en opdroogen.
+
+109. Baisers. Het wit van 8 eijeren wordt tot een zoo stijf schuim
+geslagen, dat men het snijden kan en dan, onder voortdurend kloppen,
+5 o. fijngezifte suiker en wat gestampte vanille er in gestrooid. Dit
+zet men, telkens bij de hoeveelheid van een theelepel vol, naast
+elkander op de gewaste plaat, strooit er suiker over, en laat het
+langzaam, bij den derden warmtegraad bakken. Ook kan men de suiker
+koken, als voor gebrande amandelen en die, als zij bekoeld is, met
+de vanille door het eiwitschuim slaan; indien de massa soms niet
+dik genoeg wordt, voegt men er nog suiker bij. Volgens deze laatste
+manier behandeld, worden de baisers vaster. Wanneer men ze met room
+wil vullen, ga men te werk als volgt: Men vormt de baisers tusschen
+twee lepels als eijeren, bestrooit ze met suiker, en zet ze op de
+plaat, in den oven, om zeer langzaam op te droogen. Als zij geheel
+droog en geelachtig van kleur zijn, neemt men ze van de plaat af en
+aan de platte onderzijde schept men er, met een lepel, het inwendige
+uit. De helft van de baisers vult men met dikken zoeten room, die met
+suiker en vanille, tot schuim geslagen is, legt van de andere helft
+er één op iedere gevulde en drukt ze luchtig op elkander.
+
+110. Baisers met gelei. 6 eiwitten worden tot stijf schuim geklopt,
+6 lepels suiker en wat geraspte citroenschil door elkaar geroerd,
+en dan, in den vorm van langwerpig doorgesneden halve eijeren, in
+een zacht warmen oven gezet, niet op eene plaat, maar op een met
+papier belegd plankje, omdat de baisers aan den onderkant niet mogen
+bakken. Men bestrooit ze met suiker, en als zij gekleurd worden,
+neemt men ze er uit, en legt ze met de onderzijden tegen elkander,
+met de gelei er tusschen.
+
+111. Amandelkoekjes. 5 o. geraspte amandelen worden met 7 1/2
+o. suiker, de schil van 1 citroen en het stijf geslagen wit van 4
+eijeren goed dooreengeroerd, dan telkens bij een lepel vol op eene
+warm gemaakte, gewaste plaat gezet, en bij zachte warmte gebakken. Men
+kan ze ook op ouwels bakken en, des noods, op papier, dat men, als zij
+uit den oven komen, aan de onderzijde met een nat penseel bestrijkt,
+zoodat het loslaat en er afgetrokken kan worden.
+
+112. Bitterkoekjes bakt men volgens No. 111, maar men neemt voor
+1/3 bittere amandelen, die niet geraspt, maar gesnipperd worden,
+terwijl men tegen 5 o. daarvan bijna 9 ons suiker rekent.
+
+113. Turons. 5 o. geraspte amandelen, 7 1/2 o. suiker, 1 geraspte
+citroenschil, 2 l. kaneel, 1/2 l. gestooten nagelen en 1 geraspte
+notemuskaat, worden met het wit van 12 eijeren door elkander gemengd,
+door een en ander, met een houten lepel, heen en weder te stooten en
+te wrijven, zonder het echter te roeren. De koekjes worden volgens
+No. 111 gebakken.
+
+114. Oranjenoten. 3 eijeren klutst men een kwartier met 2 1/2 ons
+suiker, voegt er dan 5 l. oranjeschil en evenveel snippers, beide
+fijngesneden, en 2 1/2 o. bloem bij, en roert het tot alles goed met
+elkander is vereenigd. Hiervan rolt men kleine balletjes, die op de
+plaat bij matige warmte worden gebakken. Het deeg wordt luchtiger
+door wat hertshoornzout (zie No. 22).
+
+115. Kruidnoten. Men neemt 2 1/2 o. bloem, evenveel suiker, 2 eijeren,
+6 1/2 l. grofgestooten amandelen, 4 l. sucade, 5 l. geconfijte
+oranjeschil, 2 w. nagelen, 2 w. notemuskaat, en beslaat en bakt het
+volgens No. 114.
+
+116. Pepernoten. 5 o. suiker wordt met 10 eijerdoijers een kwartier
+geroerd, 3 geraspte notenmuskaten, kaneel naar den smaak, en 5 o. bloem
+er bijgevoegd, dit alles tot kleine balletjes gerold, en die langzaam
+gebakken.--Men kan ook zeer goede pepernoten bakken naar het volgende
+recept, dat niet zoo kostbaar is: 6 o. bloem, 3 o. stroop, 1 o., 2 1/2
+l. suiker, 6 l. reuzel met 6 l. boter, door elkaar gesmolten, 1 ei,
+2 l. gezuiverde, in water of melk opgeloste potasch, 1/2 l. gestooten
+nagelen en 2 w. cardamom. Dit alles wordt goed door elkaar gewerkt,
+en dan laat men het gedurende acht dagen staan, daarna rolt men er
+balletjes van en bakt die, op de met boter besmeerde plaat, gedurende
+een kwartier bij matige warmte.
+
+117. Bazelsche honigkoek. De bestanddeelen zijn: 1/2 k. honig,
+die ten minsten een jaar oud moet wezen, 1 p., 3 o., 7 1/2 l. meel,
+7 o. suiker, ruim 2 o. amandelen met het bruine schilletje, evenveel
+oranjeschillen, evenveel snippers en de schil van 2 citroenen, alles
+grof gesneden, 5 l. kaneel, 8 w. nagelen, 2 theelepeltjes foelie, ruim
+3 l. gezuiverde potasch en een glas kirschwasser.--De honig wordt met
+de suiker op het vuur gezet, en, als het opkomt, worden de gesneden
+amandelen er eene goede poos in gebakken. Dan neemt men het af, voegt
+de overige kruiderijen er bij, en roert er, als het wat bekoeld is,
+de potasch door; daarna het kirschwasser, en eindelijk het meel. Men
+rolt het deeg, terwijl het nog warm is, ter dikte van een Ned. duim
+uit, snijdt het in langwerpig vierkante stukken, legt die digt naast
+elkander, op eene met meel bestoven bakplaat, en laat ze zoo den
+nacht over liggen.--De koeken worden bij zachte warmte gebakken,
+b. v. bij den graad die een bakkersoven heeft, nadat het brood er
+uit is genomen; zij worden warm doorgesneden, en als zij koud zijn,
+breekt men de stukken van elkander.--Men kookt de geklaarde suiker, tot
+zij zich tot een draad laat trekken, en bestrijkt de koeken daarmede.
+
+118. Bazeler lekkerli. 5 o. honig laat men op het vuur smelten, roert
+er dan 5 ons suiker en 5 o. gesnipperde amandelen door, vervolgens 5
+o. bloem, 6 1/2 l. snippers en de fijngesneden schil van 1 citroen,
+eene halve notemuskaat, wat gestooten nagelen en een halven kelk
+arak of rhum.--Men kneedt hiervan een deeg, dat men goed doorwerkt,
+en vier of zelfs acht dagen, toegedekt, laat rusten. Dan rolt men het
+tot een halve vingerdikte uit, legt het op eene gewaste plaat, bakt
+het in een zeer warmen oven, en snijdt het, nog warm, in langwerpig
+vierkante stukjes.
+
+119. Neurenberger koek. Men neemt hiervoor 5 o. bloem, 5 o. suiker, 5
+o. gesnipperde amandelen, 8 eijeren, 6 1/2 l. geconfijte oranjeschil,
+evenveel snippers, beide kleingesneden, 8 w. kaneel, 2 w. nagelen,
+evenveel cardamom en 1 1/2 l. gezuiverde, in een weinig melk of
+rozenwater opgeloste potasch.--De eijeren worden sterk geklutst,
+en met de suiker en de kruiderijen een kwartier geroerd; dan voegt
+men er langzamerhand het meel met de potasch bij, en het laatst de
+amandelen.--Men moet vooraf ouwels, zoo groot als eene speelkaart,
+hebben geknipt, waarop men het deeg uitspreidt, en zoo laat men het
+op eene plaat bij gematigde warmte bakken.
+
+120. Hijlikmaker. 1 p., 2 1/2 o. bloem, 6 o., 2 1/2 l. bruine suiker,
+3 ons, 7 1/2 lood bruine honig, 6 1/2 lood oranjeschil en even veel
+sucade, 4 w. kaneel, 1 notemuskaat, en ruim 3 lood gezuiverde, in
+water opgeloste potasch.--Het deeg wordt gemaakt volgens No. 117;
+dan laat men het een nacht over liggen, rolt het uit, bakt het op
+eene plaat, en snijdt het warm in stukken.
+
+121. Moppen. 5 o. meel, 5 o. suiker, 4 eijeren, 2 w. nagelen, 1 1/2
+l. gezuiverde, in melk opgeloste potasch. Dit wordt tot een deeg
+gemaakt en goed doorgewerkt, waarna men er balletjes van rolt, die
+men op de plaat bakt en waarop men een halven amandel of een stukje
+sucade zet.
+
+122. Bentheimer moppen. 1 p., 2 1/2 o. meel, 7 1/2 o. basterd suiker,
+2 1/2 o. boter, ruim 4 1/2 m. melk; 3 spijslepels vol gemalen komijn
+of een ander kruid, naar verkiezing, en 1 1/2 l. potasch.--De boter,
+suiker, melk en komijn worden aan de kook gemaakt, te bekoelen gezet,
+en dan roert men er de potasch door. Vervolgens kneedt men dit alles
+met het meel tot een goed deeg en vormt er een bal van, dien men in
+vingerdikke schijven snijdt; deze schijven rolt men wat uit, steekt
+er met een blikken vorm ronde plaatjes af en bakt ze met pepernoten.
+
+123. Roomkoekjes. 2 1/2 o. bloem, 2 o. boter, 1 ei, 6 1/2 l. suiker
+en ruim 3 lepels dikken zuren room, maakt men tot een deeg, dat men
+uitrolt, en waaruit men, met een glas, kleine koekjes steekt, die men
+met lichtgefruite boter bestrijkt, met suiker en kaneel bestrooit en
+op eene plaat, in den oven bakt.
+
+124. Roomkransjes. 3 o., 7 1/2 l. boter wordt met 5 o. bloem door
+elkaar gehakt en dan met 10 lepels dikken zuren room, vlug, tot een
+luchtig deeg gekneed. Men breekt er stukjes af, en maakt daar, met
+de hand rolletjes van, ongeveer eene kwart el lang, waarvan men de
+beide einden tot elkander buigt en vastdrukt; deze kransjes worden
+met geklutste eijeren of een weinig gesmolten boter bestreken, en
+met suiker en kaneel bestrooid, en bij goede warmte vlug gebakken.
+
+125. Theekoekjes. 5 o. meel, 1 o. boter, ruim 3 lood suiker, 4 eijeren,
+8 w. kaneel, 4 w. geconfijte en gestooten oranjebloesem en wat zout,
+bewerkt men tot een lijvig deeg, en rolt het tot de dikte van een
+stroohalm uit. Daarop steekt men er met een wijd bierglas plaatjes uit,
+neemt dan met een kleiner glas een schijfje uit het midden daarvan weg,
+zoodat men ringen van eene vingerbreedte overhoudt.--Deze legt men in
+eene pan met kokend water te vuur, giet er, als het weder begint op
+te koken, wat koud bij, neemt de pan af, en laat de kransjes er zoo
+lang in liggen, tot zij drijven, dan legt men ze, met den schuimspaan
+op een uitgespreiden doek. Zoodra zij afgedroogd zijn, worden zij op
+de met meel bestoven plaat gelegd, met geklutste eijeren bestreken
+en in een matig gestookten oven zoolang gebakken, tot zij van buiten
+licht bruin en van binnen geheel hol zijn geworden.
+
+126. Kleine beschuitjes. 1 p., 3 o., 7 1/2 l. bloem, 2 1/2 o. suiker,
+2 o. boter, of voor de helft reuzel, ruim 1/2 k. melk, 6 1/2 lood gist,
+3 eijeren, wat nagelen en foelie. Men beslaat, alles, behalve de boter
+en de suiker, en laat het, toegedekt, een uur rijzen; dan roert men
+ook deze beide zaken er door, kneedt het en gooit het luchtig in een
+baktrog of eene vloot heen en weder volgens No 1.--Vervolgens breekt
+men er kleine stukjes af, van omstreeks 5 of 6 lood zwaar, vormt die
+op de bakplank rond of glad, en zet ze op eene met boter bestreken
+plaat in eene warme kamer om nog eens te rijzen. Daarna schuift men ze
+in den matig warmen oven, en laat ze bijna een kwartier bakken en op
+de plaat koud worden. Dan worden zij voorzigtig, met een scherp mes,
+al zagend doorgesneden in een onder- en bovenhelft, zonder dat zij in
+het minst mogen worden platgeknepen, en, met de gesneden zijde naar
+bovengekeerd, worden zij nogmaals in den oven gezet om lichtbruin te
+bakken. Als men de beschuitjes zeer bros wil hebben en lang versch
+houden, dan moet men deze, als zij doorgesneden, gebakken en koud
+geworden zijn, nog even in den oven opwarmen.
+
+127. Amandelkransjes. 4 o. bloem, 2 1/2 o. boter, ruim 3 l. gist,
+2 1/2 m. melk en 1 eijerdoijer. Men hakt de boter door het meel,
+roert het overige te zamen, en kneedt dan alles tot een week deeg, dat
+echter niet aan de handen mag blijven hangen. Hiervan neemt men kleine
+stukjes, die men met de hand tot rolletjes maakt, daarop tot kransjes
+ombuigt en met geslagen eiwit bestrijkt. Vervolgens drukt men ze in
+een mengsel van 1 o. gehakte amandelen, suiker en kaneel, en zet ze,
+niet al te digt naast elkander, op eene plaat; en nadat zij langzaam,
+maar goed gerezen zijn, bakt men ze bij ruim den tweeden warmtegraad.
+
+128. Eijerkransjes. 5 o., 6 l. bloem, evenveel boter, 1 o., 2 1/2
+lood suiker, de doijers van 6 zeer hardgekookte eijeren en een half
+kopje arak of rhum.--De eijerdoijers worden fijngewreven en dan met
+het overige tot een deeg gekneed, waarvan men volgens No. 124 kransjes
+vormt, die men met geklutste eijeren of gesmolten boter bestrijkt en
+in een mengsel van 1 o., 2 1/2 l. suiker en wat kaneel plat drukt. Men
+bakt ze bij groote warmte.
+
+129. Spritsen. 3 o., 6 l. bloem, evenveel boter, 2 o., 3 l. suiker, 5
+eijerdoijers, het sap en de schil van 1 citroen en 4 w. kaneel. Eerst
+wordt de boter zacht gewreven, dan goed dooreengemengd met suiker,
+eijerdoijers en kruiderijen, en eindelijk ook met het meel. Men vult
+eene spuit met dit beslag en drukt het daardoor, in den vorm van eene
+S, op de bakplaat. De spritsen moeten een kwartier in een zeer heeten
+oven bakken, maar mogen niet bruin worden.
+
+130. Soezen. 5 o. water, 2 o. meel, 2 1/2 o. boter en 8 eijeren. Men
+laat de boter met het water koken, strooit er dan meel in, en roert het
+op het vuur, tot het van de pan loslaat; als het eenigzins verslagen,
+maar toch nog warm is, slaat men er voorzigtig de eijeren door, met
+een weinig foelie, of geraspte citroenschil.--Dan neemt men telkens een
+lepel vol, en legt dit, met behoorlijke tusschenruimten, op de met meel
+bestoven bakplaat; zet die, zonder ze een oogenblik te laten staan,
+in een heetgestookten oven, en laat de balletjes hoog geel bakken. Zij
+zijn spoedig klaar en men bestrooit ze met suiker. Als men ze vullen
+wil, maakt men, terstond als de soezen uit den oven komen, een kleine
+opening in de bovenzijde, en giet er een half theelepeltje suiker in,
+die met citroensap dik is geroerd; ook kan men er vruchten-marmelade in
+doen. Bij het scheppen van de soezen moet de lepel dien men gebruikt,
+telkens in koud water worden gestoken. Men kan soezen ook in kleine
+vormpjes bakken, die dan met wat boter bestreken moeten zijn, of op
+dezelfde wijze in de poffertjespan.
+
+131. Zwaanshalzen. Er wordt een deeg gemaakt als voor soezen, doch
+slechts met 6 eijeren; hiervan maakt men rolletjes van een vinger
+lang en dik, die men als eene S buigt, in grofgestooten amandelen,
+suiker en kaneel wentelt, en bij sterke hitte op de plaat bakt.
+
+132. Oubli. 5 o. bloem, 5 o. suiker, 2 1/2 o. boter, 9 eijeren, 1
+l. kaneel en wat geraspte citroenschil, worden beslagen op den dag vóór
+dien waarop men bakken wil. Men neemt van het deeg telkens een klein
+stukje van omstreeks 2 l. gewigt, en drukt dit in het oubli-ijzer,
+dat met boter besmeerd is, plat, bakt het op een goed kolenvuur,
+eenige minuten aan beide zijden en rolt het terstond uit het ijzer,
+om een dun stokje.--Een recept om oubli van eene dunnere soort te
+bakken, is het volgende: 5 ons bloem, 2 1/2 o. suiker, 1 o., 2 1/2
+l. boter, 1/2 k. melk en bijna half zooveel water, (te zamen gewarmd),
+1 ei, 1 l. kaneel, 1 theelepel foelie of, naar verkiezing, 1 lepel
+uitgezocht anijszaad. Nog fijner recept voor hetzelfde baksel is:
+2 1/2 o. bloem, 1 o., 2 1/2 l. suiker, de gesnipperde schil van eene
+halve citroen, 1 l. kaneel, een weinig nagelen, op de punt van een
+mes; 5 lood gesmolten boter, 2 lepels rozenwater, 1 ei en rhijnwijn
+tot een dun vloeibaar beslag gemaakt.
+
+133. Wafelen. 4 o., 6 l. bloem, 2 o., 3 l. boter (desverkiezende
+voor 1/3 gedeelte reuzel), 8 eijeren, 1/2 k. melk en 5 l. gist. Dit
+alles beslaat men te zamen en laat het vier uren rijzen, en op het
+oogenblik als men gaat bakken, roert men er een bierglas koud water
+doorheen. Men moet onder het bakken wat gesmolten boter en een kwastje
+bij zich hebben, om het wafelijzer telkens te besmeeren. Het ijzer
+wordt op beide zijden boven het vuur gehouden, en de wafelen worden,
+nog warm zijnde, met een weinig gesmolten boter bedropen, en met suiker
+en kaneel bestrooid. Des verkiezende, kan men in het beslag, vóór
+dat het te rijzen wordt gezet, een halven kelk arak of rhum gieten.
+
+134. Poffertjes. 5 o. bloem, 2 o. krenten, 1 o., 2 1/2 l. boter,
+8 eijerdoijers, eene halve geraspte citroenschil, 1/2 l. kaneel of
+wat foelie, 2 lepels suiker, 2 1/2 m. melk, 3 l., 3 w. drooge, of 2
+lepels natte gist en wat zout, worden te zamen beslagen en dan het
+geklopte wit van 6 eijeren er doorgeroerd, waarna het beslag anderhalf
+uur moet rijzen. Men kan desverkiezende een gedeelte van de melk door
+rozenwater vervangen. Bij het bakken legt men een klein stukje boter
+in ieder kuiltje van de poffertjespan en schept het half vol beslag,
+de poffertjes moeten, als zij aan de onderzijde lichtbruin zijn,
+worden omgekeerd; zij worden, warm zijnde, met suiker bestrooid.--Een
+goedkooper recept is het volgende: 7 o. bloem, bijna 7 m. melk, 6 1/2
+l. gist, 2 lepels suiker, wat citroenschil of foelie, 5 eijeren en wat
+zout; het wit van de eijeren wordt te gelijk met alles beslagen.--Het
+is ook zeer smakelijk om appelen in de poffertjes te bakken, en
+men maakt dan het volgende beslag: 5 o. bloem, 2 1/2 m. melk, 6 1/2
+l. boter, 6 eijeren (van 3 het wit), 5 l. gist, 6 1/2 l. krenten, een
+soepbord vol gesnipperde zure appelen, een weinig zout, het sap van
+1 citroen en de halve schil geraspt, of wat kaneel, benevens suiker
+naar den smaak. De appelen worden met een weinig boter op het vuur
+warm geroerd, zonder dat zij week worden; dan voegt men de krenten
+en kruiderijen, met de suiker er bij, en roert dit alles door het
+overige, als dat goed gerezen is, en als men begint te bakken.
+
+135. Boterbiesjes. 5 kopjes bloem, 2 kopjes boter en 1 kopje basterd
+suiker, worden goed door elkaar gemengd en platte koekjes op de plaat
+er van gebakken.
+
+136. Suikerkoekjes. 2 1/2 o. boter wascht men uit, en roert ze dan
+op den wasem van een ketel dik; daarop voegt men er 8 eijerdoijers,
+2 1/2 o. bloem, 2 1/2 o. suiker en een geraspte citroenschil bij en
+bakt het in vormpjes.
+
+137. Hernhuttertjes. 2 1/2 o. bloem, evenveel gesmolten boter, 6
+l. suiker, 1 o., 2 1/2 l. krenten, 2 l. amandelpas, wordt beslagen
+en in vormpjes gebakken, met minder onder- dan bovenwarmte. Het is
+in een kwartier gaar.
+
+138. Pompadours. 1 o., 2 1/2 l. gemalen rijst, kookt men in eene flesch
+melk gaar, en, als het koud geworden is, voegt men er bij: 3 l. zoete
+en 1 l. bittere gestooten amandelen, 6 eijerdoijers, 2 goede lepels
+suiker, 1 citroenschil, 1 o., 2 1/2 l. boter, en eindelijk het beslagen
+eiwit. Men klopt alles goed dooreen en bakt het in kleine vormpjes.
+
+139. Vanille krakelingen. 2 1/2 o. boter, 4 eijeren, 3 1/2 o. meel
+en een klein stukje vanille maakt men tot een deeg; men vormt er
+krakelingen van, die men met suiker bestrooit en op de met boter
+besmeerde plaat bakt.
+
+140. Gemberkoekjes. 2 1/2 o. bloem, 1 o., 2 1/2 l. suiker, evenveel
+boter, evenveel stroop en wat gemberpoeder, kneedt men te zamen,
+rolt het uit, maakt er koekjes van en bakt die 5 minuten op eene plaat.
+
+141. Saucijzenbroodjes. 2 kop bloem, 1/2 o. boter, 2 eijeren, 7
+l. gist en 1/2 kop melk wordt tot een deeg gekneed en uitgerold. Dit
+is eene geschikte hoeveelheid om 30 saucijzen, wegende ieder 3 l.,
+in te bakken.
+
+142. Moscovisch gebak. 2 1/2 o. suiker wordt goed dooreengeroerd met 12
+eijerdoijers, wat kaneel en notemuskaat; het wit van de eijeren wordt
+zeer stijf geslagen en er dan langzaam bij ingeroerd. Vervolgens werkt
+men het dooreen met 2 1/2 o. bloem, dat met 2 o. boter door elkaar
+is gehakt, en reeds vermengd met 2 1/2 o. krenten, 2 1/2 o. snippers
+en 1 o., 2 1/2 l. sucade. Men bakt het in besmeerde vormpjes, in een
+niet al te warm gestookten oven.
+
+143. Rommelkantjes. 7 1/2 o. bloem, 7 eijeren, 4 lepels broodsuiker,
+3 geraspte citroenschillen, 2 1/2 o. amandelpas en 5 l. gist beslaat
+men met 2 o. boter en de noodige melk tot het een niet te dik beslag
+is. Men laat het rijzen en bakt het dan in vormpjes.
+
+144. Spoedig en lekker. 5 eijerdoijers, 5 kopjes koud water, 5 kopjes
+meel en 4 kopjes gesmolten boter, beslaat men te zamen en roert er
+dan het stijfgeslagen eiwit door. Men vult de vormpjes half en bakt
+de koekjes schielijk.
+
+
+
+
+Boter- en oliegebakken.
+
+145. Berliner bollen. Men neemt 2 1/4 m. melk, 1 o., 2 1/2 l. boter,
+6 eijerdoijers en 1 wit, 5 l. gist, 5 l. suiker, benevens zooveel bloem
+als noodig is om er een luchtig deeg van te maken, dat men slaat tot
+het niet meer aan den lepel kleeft. Dan legt men het op eene met meel
+bestoven bakplaat, om te rijzen, en daarna rolt men het ter dikte
+van een vinger uit; men legt er de eene of andere vruchtengelei op,
+bedekt die weder met een lap deeg en steekt er dan schijven uit. De
+plaats waar het onder en bovenblad van zulk een bol elkander raken,
+besmeert men met geklutste eijeren, zet ze dan op papier, dat met wat
+meel bestoven is, om nog eens langzaam te rijzen. Men maakt boter
+gereed, volgens A. No. 17, en laat daar 3 of 4 bollen te gelijk in
+glijden (zie No. 1). Zij worden, nog warm zijnde, met een mengsel
+van suiker en kaneel bestrooid.
+
+146. Boterspritsen. 1 o. boter laat men in 2 o. water koken, strooit
+er dan 2 o. bloem in, en roert het op het vuur tot het van de pan
+loslaat. Dan neemt men het af, en roert door de warme massa 1 ei,
+1 lepel suiker en een halve geraspte citroenschil; men laat het
+bekoelen en voegt er dan nog 4 eijeren bij. Het wordt alles te zamen
+sterk geklopt, met eene spuit in kokende boter gespoten, geel gebakken
+en met suiker en kaneel bestrooid.
+
+147. Sneeuwballen. 2 1/2 o. bloem, 6 1/2 l. boter, 2 1/4 m. water en 9
+eijeren. Men behandelt het water, het meel en de boter volgens No. 146,
+roert in het bekoelde beslag de eijeren, en klopt het ter deeg. Dan
+neemt men tusschen twee lepels zooveel er van als men kan houden,
+en legt deze ballen in kokende boter als No. 145. Men bestrooit ze
+warm met suiker en kaneel. Het bevordert de luchtigheid van het gebak,
+als men de eijeren vooraf in laauw water eenigzins warmt.
+
+148. Boterkransjes. Ruim 4 1/2 ons bloem, 6 1/2 l. boter, evenveel
+gestooten amandelen, waaronder eenige bittere zijn, 1 1/2 m. melk, 5
+eijerdoijers, 1 eiwit, 2 lepels rozenwater, 1 lepel suiker, wat nagelen
+en cardamom, benevens 3 l., 3 w. gist. Dit wordt tot deeg gemaakt,
+dat men sterk slaat, en waarvan men volgens No. 124 kransjes rolt,
+die aan de buitenzijde hier en daar worden ingekorven en op eene met
+meel bestoven plank gelegd, om te rijzen. Men bakt ze als Berliner
+bollen en begint met die welke men het eerst gemaakt heeft. Zij worden
+warm met suiker en kaneel bestrooid.
+
+149. Vlechten. 5 o. meel, 6 1/2 l. boter, 5 l. suiker, 2 1/2 m. melk,
+3 eijeren, wat nagelen, kaneel en cardamom. Hiervan kneedt men een
+deeg en rolt het uit tot lange reepen, van een paar vingers breed;
+deze reepen snijdt men, overlangs, in drie gelijke deelen, zoodat
+zij aan het boveneinde nog even zamenhangen, en dan vlecht men ze
+luchtig door elkaâr. Men bakt ze in boter.
+
+150. Botergebladerte. Men klopt 3 eijeren met wat suiker en foelie,
+roert er zooveel meel door dat het een rolbaar deeg wordt, en
+snijdt er, nadat het dun uitgerold is, met het taartenradje allerlei
+bladfiguren uit. Men bakt die in boter of reuzel, bestrooit ze bij
+het uitnemen met suiker en kaneel, besprenkelt ze daarop goed met
+rozenwater, en bestrooit ze nog eens.
+
+151. Oliekoeken. 1 p. bloem, 4 o. rozijnen, 2 o. boter, 8 lood gist,
+7 1/2 m. melk, 4 eijeren en 2 theelepeltjes zout. Dit wordt te zamen
+goed beslagen en te rijzen gezet.--Men kookt 1 k. goede raapolie, en
+bakt deze uit volgens A No. 19.--Als het deeg behoorlijk gerezen is,
+neemt men daarvan een schepje met een ijzeren lepel, die vooraf in de
+kokende olie is gekookt, legt dit in den oliepot, met zooveel anderen
+als er plaats in kunnen vinden, stoot ze tusschenbeiden naar onderen,
+keert ze om, en neemt die, welke eene mooije kleur hebben aangenomen,
+er uit, om ze, nog warm, met suiker te bestrooijen.
+
+152. Griesmeelschijven. Men laat 1 k. melk koken, roert er 2 goede
+kopjes griesmeel, benevens 1 lepel suiker, wat geraspte citroenschil,
+kaneel, foelie en zout door; al roerende laat men het nog even
+koken, voegt er dan voorzigtig 2 eijerdoijers bij, en spreidt het,
+ter dikte van een vinger, op platte schotels uit, die met wat meel
+zijn bestoven. Als het koud geworden is, snijdt men het in langwerpig
+vierkante stukken, bestuift die aan alle zijden met wat meel, doopt
+ze in met suiker geklutste eijeren, en bestrooit ze met gestooten
+beschuit. Dan worden zij in boter gebakken. Men kan dit ook van koude
+rijstebrij maken.
+
+153. Gebakken broodjes. Kleine broodjes worden in de helft doorgesneden
+en dan goed doorweekt in melk, met eijeren, suiker, kaneel en
+foelie. Men doopt ze daarna in een beslag volgens A, No. 26, 27 of
+28, bakt ze in boter, en bestrooit ze warm met suiker en kaneel. Men
+geeft ze warm op tafel en presenteert er schuim- of vruchtensaus bij.
+
+154. Gevuld wittebrood. Van een groot wittebrood neemt men de korst
+af, snijdt het midden door en holt het uit, waarna men het wat in
+melk legt om te weeken. Vervolgens wordt het gevuld met appelmoes,
+waarin citroensap, suiker, kaneel en wijn is gekookt, benevens eenige
+eijerdoijers, wat gesnipperde amandelen en een weinig broodkruim,
+om het zeer dik te maken. Als de beide helften van het brood gevuld
+zijn, voegt men ze weder te zamen, en bestrijkt de snede met geklutste
+eijeren, om die digt te kleven. Verder doopt men het brood in een
+beslag, volgens A, No. 26, 27 of 28, en bakt het in boter licht
+bruin. Men dient het met schuimsaus, en als men het met ingemaakte
+rozenbottels versiert, is het een aardige schotel.
+
+155. Appelbeignets. Groote, zachte en sapperige appelen worden
+rondgeschild, uitgeboord en in vingerdikke schijven gesneden. Dan
+legt men ze in arak met suiker om te doortrekken, doopt ze in een
+beslag volgens A, No. 26, en bakt ze in boter. Zij worden, warm,
+in een mengsel van suiker en kaneel gewenteld.
+
+156. Amandelrolletjes. Men maakt een pannekoeken beslag van 1
+o. bloem, 2 eijeren, 1 1/2 m. dikken zuren room, evenveel warm water,
+wat foelie, of citroenschil en zout. Hiervan bakt men pannekoeken,
+en als de onderzijde goed is, schuift men den koek, zonder dien om te
+keeren, op een vlakken schotel, snijdt hem aan vingerbreede reepen,
+besmeert die met een mengsel van gestooten amandelen, suiker en
+witten wijn, te zamen op het vuur geroerd, en rolt ze op. De einden
+moeten met geklutste eijeren worden vastgekleefd en de rolletjes in
+boter gebakken.
+
+
+
+
+
+
+
+T. BROODBAKKEN.
+
+
+1. Brood van ongebuilde tarwe. 1 1/2 p. meel, 1 k. melk, 5 lood
+gist, een paplepel zout en, des verkiezende, 4 eijeren.--De melk
+wordt gewarmd, alles goed gekneed, op eene met meel niet te schraal
+bestrooide plank tot een brood gevormd, en dan in een blikken,
+goed met boter, of Genuaolie, besmeerden vorm geschoven. Het moet
+toegedekt ongeveer 1 uur op eene warme plaats staan, om te rijzen;
+dan zet men het in een goed gestookten oven (als men het in den oven
+van een kookfornuis zet, moet er vuur in de lade onder het brood
+worden gelegd).
+
+Bij goed onderhouden warmte is het brood in 2 uren gaar.
+
+2. Kadetjes. Op 1 k. melk neemt men 2 p. meel, 5 l. drooge gist en
+wat zout.--De melk wordt even gewarmd, tot zij laauw is; dan giet
+men de opgeloste gist er bij, zooveel meel, tot men een brijachtig
+deeg heeft, dat men met een weinig meel bestrooit en, toegedekt,
+op een warme plaats zet om zuur te worden en te rijzen. Als het zoo
+sterk rijst dat het bovenop barsten krijgt, voegt men het zout er bij,
+en kneedt het overige meel er door, tot het niet meer aan de handen
+blijft hangen. Daarna slaat of gooit men het deeg in eene trog (zie S
+No. 1) vormt er broodjes van, die zeer glad en vooral zonder barsten
+moeten wezen, laat ze op de plaat nog even rijzen, maakt dan in het
+midden eene insnijding, bestrijkt ze met verdunde eijeren en schuift
+ze in den goed gestookten oven.
+
+3. Boterbroodjes. Men maakt hiervoor een deeg volgens No. 2, maar
+voegt er bij het kneden 4 eijeren, benevens 1 o., 2 1/2 l. boter bij.
+
+4. Roggebrood. Men neemt 1 k. water, 2 p., 5 o. gebuild roggemeel
+en wat zuurdeeg, ter grootte van een kleinen appel. Het water wordt
+gewarmd, met het zuurdeeg en een gedeelte van het meel tot een
+dikken brij gemaakt, dien men met meel bestrooit en, een nacht over,
+op een warme plaats zet.--Den anderen morgen kneedt men er wat zout
+en het overige meel door, maakt er een lang brood van, legt dat,
+om te rijzen, op eene met meel bestrooide bakplaat, en laat het in
+den goed gestookten oven bakken.--Mogt men des morgens bevinden dat
+het deeg niet genoeg gerezen was, dan kan men er bij het kneden,
+nog wat gist doorwerken. Als men karnemelk heeft om in de plaats van
+water te gebruiken, wordt het brood smakelijker, maar dan neemt men
+slechts de helft van het opgegeven zuurdeeg.
+
+5. Geldersch Roggebrood. 4 p. roggemeel beslaat men met 1 1/2 k. laauw
+water, 1 lepel zout en 1/2 o. gist. Dit wordt met de handen goed
+doorwerkt; men vormt er een brood van, en laat het dan, op eene
+warme plaats, een uur rijzen. Het moet in een bakkersoven gedurende
+24 uren bakken.
+
+6. Om oudbakken brood als versch te maken moet men het op een soepbord
+of diepen schaal in eene pan met zooveel kokend water zetten, dat dit
+niet over den rand van bord of schaal, aan het brood kan komen. Men
+dekt de pan digt, laat het water verkoken en neemt er dan terstond
+het brood uit.
+
+
+
+
+
+
+
+U. HET INMAKEN EN DROOGEN VAN VERSCHILLENDE VRUCHTEN EN GEWASSEN.
+
+
+1. Algemeene regelen. Bij het inmaken van vruchten moet men er
+vooral op passen, dat zij zorgvuldig worden afgeveegd, daar dit een
+hoofdvereischte is om ze goed te houden.--Men mag ze ook volstrekt
+nooit in een pot koken, waarin vroeger vet is geweest, en ook de
+houten lepels die men gebruikt, moeten daarvan volkomen zuiver zijn,
+zoodat men best zal doen, met de hiervoor benoodigde gereedschappen
+afzonderlijk te bewaren, en ze elk jaar, als men inmaakt, voor
+den dag te halen. Nieuwe aarden pannen moeten eerst met koud water
+opgezet en uitgekookt worden.--Bij het inmaken in het zuur, moet men
+er op letten, dat de azijn van eene goede soort is, en als men besten
+wijnazijn te kostbaar vindt, doet men nog beter met goeden bierazijn
+te nemen dan eene mindere soort van wijnazijn. Voor kwetsen b. v. is
+bierazijn zelfs te verkiezen, daar die minder suiker vordert.--De
+brandewijn dien men voor het inmaken gebruikt moet echter fransche
+zijn.--Gedurende het koken van vruchtensappen of geleiën, mag er
+op den haard niets anders worden gekookt, dat damp of eenigen geur
+verspreidt, zoo als vleesch of groenten doen; ook mag er in het
+vuur niet van boven worden gepookt of geroerd, want, hetzij asch,
+hetzij kolenwalm, zou zeer nadeelig werken op het inmaaksel dat men
+onderhanden heeft.--Zoodra een kooksel van het vuur is genomen, en
+in flesschen of potten is gedaan, moet men die met een schoonen doek
+overdekken, opdat er niet soms vliegen of muggen invallen en gisting
+doen ontstaan; en, als het koud geworden is, mag het niet worden
+uitgesteld om alles met blazen of papier digt te maken, want indien
+men de potten ook slechts 2 dagen open liet staan, zou daardoor de
+grond worden gelegd voor hun bederf.--Alle ingemaakte vruchten moeten
+geheel met het sap bedekt zijn, en op dikkere moezen of geleiën moet
+men, als zij in de flesschen of potten geheel koud zijn geworden,
+een passend stukje postpapier leggen, dat met brandewijn geheel is
+doortrokken.--Men sluit de potten en flesschen met eene varkensblaas,
+met schoon graauw papier of met waspapier (zie A, No. 45).--Om eene
+blaas goed zuiver te hebben, legt men die eenige uren in brandewijn,
+en wrijft haar dan met zemelen af; ook kan men haar een dag in laauw
+water zetten, dat men eenige malen ververscht, waarna men de blaas
+goed uitwascht en met een doek afdroogt. Zij wordt dan nog vochtig om
+de flesch gebonden; en als men haar later, bij het openmaken, niet wil
+scheuren, legt men een met warm water bevochtigden doek een oogenblik
+om den hals van flesch of pot, om de blaas weder lenig te maken.--Een
+beproefd goed middel om alle in suiker ingemaakte vruchten te bewaren,
+bestaat daarin, dat men er geconfijte gember bijvoegt. Op ongeveer 5
+o. vruchten neemt men een stuk gember van een halven vinger lang, dat
+men in kleinere stukjes verdeelt, en met de vruchten in de geklaarde
+suiker en later in de flesschen legt.--In een klein huishouden zal
+men wèl doen door voor de vruchtensappen halve flesschen, of des noods
+groote apothekersflesschen te gebruiken, daar een flesch, die eenmaal
+aangebroken is, niet lang goed blijft.--De flesschen moeten vóór
+het vullen zeer zuiver gespoeld en van binnen goed gedroogd worden,
+liefst in de zon of de opene lucht, en het is altijd voorzigtig, om
+voor het laatste spoelen koud geworden, gekookt water te nemen, omdat
+daarin stellig geen kleine levende diertjes zijn, die, indien er een
+plekje soms niet geheel droog ware, tot het verderf van het ingemaakte
+aanleiding zouden kunnen geven. Ook is voor de zuiverheid der flesschen
+het zwavelen (zie No. 2) zeer aan te bevelen. Het gekookte vruchtensap
+moet een nacht stil blijven staan, vóórdat het in de flesschen wordt
+gedaan, omdat men het langzaam van het bezinksel kunne gieten en dit
+minder heldere gedeelte afzonderlijk houden. Bij het vullen van eene
+flesch moet men drie vingers breed onder den rand blijven; men giet
+dan een theelepeltje arak of brandewijn op het nat en sluit den hals
+met eene nieuwe kurk, die niet geheel het sap mag raken, en bij wijde
+inmaakflesschen legt men een rond geknipt stukje wit papier onder de
+kurk als men die op de flesch zet (dit papier moet zooveel grooter dan
+de kurk zijn, dat het daar langs uit de flesch steekt); men plooit het
+boven over de kurk te zamen en bindt eene blaas over alles heen. Naauwe
+flesschen, die met eene gewone kurk gesloten worden, bezorgt men
+met lak of harpuis, nadat de kurk glad is afgesneden.--Op vruchten,
+die in keulsche potten in azijn zijn ingemaakt, kan men een passend
+stukje lei, met een klein steentje er op leggen, niet zoo zwaar dat het
+drukking veroorzaakt, maar enkel voldoende om het ingemaakte behoorlijk
+onder te houden.--Voor augurken en komkommers is het bijzonder goed,
+als men er een linnen zakje, gevuld met mosterdzaad, bovenop in den
+pot legt, zoo groot, dat de geheele oppervlakte ter dikte van een
+halven vinger bedekt is.--Het geeft eene huisvrouw later veel gemak,
+als zij bij het inmaken iederen pot of iedere flesch voorziet van eene
+etiquette, waarop de inhoud is vermeld, benevens het jaartal van de
+bereiding.--Wat nu de bergplaats voor verschillende ingemaakte zaken
+betreft, kan men vruchtsappen, zoo als bessennat, frambozenazijn
+en dergelijken, zeer goed in den kelder bewaren, mits de flesschen
+regtop en op planken staan (niet op steen). Voor iets anders is dit
+echter in den winter geene geschikte bergplaats; men moet het ergens
+nederzetten, waar het droog, luchtig en koel, maar buiten de vorst
+staat; slechts in den warmsten zomertijd mag men zijne toevlugt tot
+den kelder, nemen.--Alles moet tusschenbeiden, b. v. om de zes weken,
+worden nagezien. Bevindt men dan, dat in suiker ingemaakte vruchten
+er niet goed meer uitzien, zoo kookt men een weinig azijn met suiker,
+schuimt dit, en laat er de vruchten even in doorkoken; ontbreekt het
+echter niet aan sap, dan is het voldoende om ze, met bijvoeging van wat
+brandewijn en suiker, doorwarm te maken, hetgeen men het gemakkelijkst
+doet, door de flesschen of potten open, in een pot met water, op het
+vuur te zetten en kokend heet te laten worden. Indien de azijn niet van
+de beste is geweest, kan het, vooral bij augurken, zeer ligt gebeuren
+dat men bij het nazien de oppervlakte met kaam overdekt terugvindt. In
+dat geval moet de pot geheel geledigd en goed schoongemaakt worden;
+de augurken spoelt men in koud geworden, gekookt water af, den azijn
+kookt men op en schuimt ze, terwijl men er zooveel verschen azijn als
+noodig is bijvoegt. De augurken worden bij gedeelten eenige minuten
+daarin gelegd, en moeten daarna, op een schotel uitgespreid, koud
+worden. Vervolgens doet men ze weder in den pot met azijn bedekt. Als
+de azijn slechts is verschaald, zonder dat de augurken bedorven
+zijn, neemt men verschen azijn, legt de afgewasschen augurken er in,
+benevens de op eene zeef afgespoelde kruiderijen, en als nu de azijn
+zeer heet is geworden, neemt men alles er uit, legt het in den pot,
+laat den azijn doorkoken, en giet hem, koud geworden, over de augurken.
+
+2. Het zwavelen van inmaakflesschen. Voor het behoud van alle met
+suiker ingemaakte vruchten vooral, is het zwavelen een zeer goede
+maatregel, en men handelt daarbij als volgt: De flesschen worden
+eerst zuiver gespoeld en dan ook van binnen gedroogd. Men smelt
+vervolgens wat zwavel en doopt daarin eene reep linnen, die spoedig
+hard en droog wordt. Hiervan knipt men een klein stukje af, dat men
+aan een eind ijzerdraad, van een omgebogen haakje voorzien, bevestigt;
+dit steekt men aan, en laat het brandend in de flesch zakken, waarvan
+men den hals, naarmate die wijd is, met eene kurk of een schoteltje
+bedekt. Na verloop van een kwartier haalt men den draad er uit, vult
+terstond de flesch met vruchten, en bindt haar digt. De zwavel laat
+volstrekt geen reuk of smaak achter.
+
+3. Om suiker voor confituren te klaren. Voor het inmaken van vruchten
+moet men altijd de beste witte suiker gebruiken, en dan nog moet men
+die, vóór het gebruik, in eene koperen, of bij gebrek daaraan, in eene
+verglaasde pan, met water koken en afschuimen. Als men de suiker daarna
+nog dikker wil laten koken, moet dit op een zacht vuur geschieden en
+dan niet in eene verglaasde pan, daar de glazuur er zou afspringen. Als
+men 5 o. suiker zuiveren wil, zet men die met 1/4 k. water op; maar
+heeft men meer gewigt, b. v. verscheidene ponden, dan is per pond de
+helft van het genoemde water toereikend. Zie voorts A, No. 25.
+
+4. Om het versuikeren van ingemaakte vruchten te voorkomen. Het
+versuikeren van ingemaakte vruchten ontstaat daardoor, dat de suiker
+bij het inmaken te veel verdampt was, of dat de vruchten te droog
+waren. Voor het eerste geval kan men zich wachten, en als men vruchten
+moet gebruiken, die uit haren aard niet sappig zijn, kan men het kwaad
+voorkomen, door bij de suiker, nadat de vruchten er zijn uitgenomen
+en zij zelve genoegzaam is verkookt, een stukje aluin te voegen,
+ter grootte van eene erwt, dat in een lepel water is opgelost.
+
+5. Macédoine van vruchten. Als men verschillende soorten van
+vruchten, naar mate het saizoen die oplevert, wil inmaken, legge
+men die gaandeweg in eene wijde flesch of terrine, waarover eene
+blaas gebonden kan worden, in franschen brandewijn, en voege er
+telkens met iedere 5 o. vruchten, evenveel suiker bij, terwijl men
+den brandewijn ook langzamerhand vermeerdert. Aalbessen, aardbeziën
+en frambozen worden gewasschen, en men laat ze goed uitlekken;
+andere vruchten worden schoon afgeveegd; van kruisbessen moet men de
+kroontjes afplukken en van kersen den steel kort afsnijden; perziken,
+pruimen en abrikozen snijdt men in de helft of in vierdeparten, en van
+meloen neemt men natuurlijk alleen het eetbare gedeelte, in stukjes
+gesneden. De terrine moet op eene koele plaats staan, en telkens als
+men er eene nieuwe soort van vruchten bijvoegt, worden de vorigen
+voorzigtig door elkander geroerd. Als men alles heeft verzameld,
+wordt het in verscheidene flesschen gedaan en bezorgd volgens den
+regel in No. 1 opgegeven.
+
+6. Abrikozen in brandewijn. De abrikozen moeten niet al te rijp zijn,
+zacht worden afgeschuijerd en afgeveegd, waarna men ze beprikt met een
+stalen breinaald. Dan rekent men voor 5 o. vruchten 3 1/2 o. suiker,
+vult daarmede confituurflesschen of een keulschen pot, giet die verder
+vol met brandewijn, en bindt er een papier over. Men zet ze met hooi
+er tusschen en rondom gepakt, in een ketel met water, hangt ze over
+en laat ze 1/2 uur zachtjes koken, waarna men ze met eene blaas sluit.
+
+7. Perziken en Reine Claudes. Op 5 o. vruchten 3 o., 7 1/2
+l. suiker. Nadat de suiker geklaard is, legt men de afgeveegde
+vruchten, die rijp, maar niet al te rijp moeten zijn, er in; neemt
+dan terstond de pan van het vuur, schudt de suikerstroop wat over de
+vruchten heen, en zet ze zoo weg. Na verloop van 48 uren zet men alles
+weder te vuur, laat de vruchten even zachtjes medekoken, en neemt ze er
+dan uit, terwijl men de suiker nog wat tot stroop laat verdikken. Nadat
+zij bekoeld is, doet men haar met de vruchten in eene flesch en giet
+er brandewijn op, tot zij onderliggen. Men sluit de flesschen goed,
+en als de vruchten zinken, kan men ze gebruiken. Op deze wijze kan
+men ook abrikozen inmaken.
+
+8. Mirabellen in cognac. Voor 1 p. vruchten 7 1/2 o. suiker. De
+mirabellen moeten niet te rijp zijn en worden in kokend water geschud,
+waarin men ze eenige oogenblikken laat blijven, tot zij daarin
+bovenkomen; zij mogen echter niet koken of barsten, en dan legt men ze
+op een doorslag. De suiker wordt geklaard en nog heet in eene schaal
+gegoten; men legt de uitgelekte pruimen er terstond in, om er 48 uren
+in te blijven. Na verloop van dien tijd neemt men ze er uit en legt
+ze in eene flesch; de suiker laat men stroopig koken en vermengt haar
+dan met zooveel cognac als noodig is om de vruchten te bedekken.
+
+9. Kweeën in cognac. De kweeën worden geschild, in achtsteparten
+gesneden, van de klokhuizen gezuiverd en in koud water
+geworpen. Intusschen maakt men water aan de kook, schudt daar de kweeën
+in, en laat ze mede koken, tot men ze gemakkelijk kan doorsteken; week
+worden mogen zij echter niet. Dan worden zij er met een schuimspaan
+uitgenomen en op een doorslag gelegd; als zij goed zijn uitgelekt,
+steekt men op ieder stuk een snippertje citroenschil en een stukje
+pijpkaneel. Eerst dan worden de vruchten gewogen, en op 5 o. neemt men
+3 o., 7 1/2 l. suiker, die men klaart, dan met wat van het kweeënwater
+stroopig kookt, en heet op de vruchten giet. Na 48 uren legt men de
+kweeën in flesschen, laat de suiker nog wat verdikken, giet er cognac
+bij en bedekt de vruchten daarmede.
+
+10. Morellen in brandewijn. De morellen worden afgeveegd, de stelen er
+uitgetrokken en met de helft van hun gewigt aan suiker, laagsgewijze in
+de flesschen gedaan, terwijl men er ook tusschenbeiden wat pijpkaneel
+en nagelen inlegt; daarop vult men de flesch met brandewijn en zet
+haar gesloten weg. Als de suiker is gesmolten, zijn de vruchten
+goed. Op deze wijze kan men ook kersen inmaken, maar men gebruikt
+dan iets minder suiker.
+
+11. Rijpe abrikozen in suiker. De abrikozen worden goed afgeveegd,
+door midden gebroken en van de pitten ontdaan, waarna men ze, met
+de open zijde naar boven, aan lagen, met hun gewigt aan suiker er
+tusschen gestrooid, in een porseleinen kom legt, en hierin laat men
+ze den volgenden dag, op zacht vuur, goed heet, maar volstrekt niet
+week worden. Dan laat men ze uitdruipen, en legt ze vervolgens met
+de gekraakte, geschilde pitten in eene inmaakflesch; het nat wordt
+nog wat verdikt en koud op de vruchten gegoten. Na verloop van 8
+dagen maakt men de flesschen weder open en kookt het nat nog eens
+op. Hierbij is zeer het gebruik van gember (zie No. 1) aan te bevelen.
+
+12. Abrikozen marmelade. Rijpe abrikozen worden even in kokend
+water opgekookt; dan trekt men de schil er af, breekt ze door,
+om er de pitten uit te halen en weegt ze. Men neemt hetzelfde
+gewigt aan suiker, die men klaart, en waarin men de abrikozen, met
+gesnipperde citroenschillen, naar den smaak en in goede verhouding
+met de hoeveelheid vruchten, tot een dik moes laat koken dat men met
+een zuiveren houten lepel roert. Het vuur moet zeer zacht zijn, en
+als men na verloop van 8 of 14 dagen ziet, dat op de marmelade zich
+eenig vocht heeft afgescheiden, moet zij nog eens worden opgekookt.
+
+13. Perziken in suiker behandelt men volgens No. 11; maar als men de
+suiker tot stroop kookt, voegt men er, voor 5 o., een halven kelk
+citroensap bij en giet het kokend op de vruchten. Na verloop van
+4 dagen wordt het nog eens opgekookt, en als de perziken week zijn
+geworden, er koud op gegoten, anders weder kokend.
+
+14. Appel marmelade. Men neemt op 1 p. appelen, 5 o. suiker en
+1 citroen. Borsdorfer appelen zijn hiervoor het best. Zij worden
+geschild, van de klokhuizen ontdaan en dan eerst gewogen; daarop legt
+men ze met het citroensap en de halve geraspte schil, benevens een
+weinigje saffraan, in een doekje gebonden, in de geklaarde suiker
+en kookt ze schielijk zeer week. Men neemt er dan de saffraan uit,
+roert de appelen met een houten lepel fijn, en laat ze langzaam tot
+een dik moes verkoken.
+
+15. Marmelade van Reine Claudes. Als No. 12.
+
+16. Rijpe Reine Claudes in suiker. De pruimen moeten geheel rijp,
+maar niet gebarsten zijn, en men neemt haar gewigt aan suiker. De
+suiker wordt geklaard en men laat haar bekoelen. De vruchten worden
+afgeveegd, met eene breinaald geprikt en dan, zooveel daarvan als
+naast elkaâr plaats kunnen vinden, in de bekoelde suiker gelegd,
+waarmede men ze te vuur zet en, in de onbedekte pan, even laat koken;
+men keert ze in dien tijd éénmaal om en schept ze dan voorzigtig
+op eene zeef om uit te druipen. De suiker laat men weder verslaan
+en herhaalt hetzelfde met andere pruimen, tot men ze allen gekookt
+heeft. Koud zijnde, worden zij in de flesschen gedaan, het sap er
+over gegoten, en zoo laat men ze, toegebonden, 3 dagen op eene koele
+plaats staan. Dan kookt men het nat nog eens op, tot het stroopig is,
+voegt er voor den smaak een weinig arak bij, en giet het koud op de
+vruchten. Zij behouden op deze wijze hare groene kleur.
+
+17. Drooge suikervruchten. Abrikozen, perziken en Reine Claudes, die
+volgens de opgegevene recepten in suiker zijn ingemaakt, legt men op
+eene zeef, om zoo droog mogelijk uit te druipen. Dan bestrooit men
+eene glasruit met fijne suiker, legt de vruchten daarop en strooit er
+ook weder suiker overheen, waarna men ze in de zon, of op eene warme
+plaats zet. Als de bovenkant droog is geworden, keert men ze om, zeeft
+er weder suiker over en zet ze op nieuw in de warmte. Men herhaalt dit
+tot zij geheel droog zijn en bewaart ze dan tusschen papier in doozen.
+
+18. Pruimengelei. Op 5 o. sap neemt men 2 o. suiker. Men veegt de
+kwetsen goed af, haalt de pitten er uit, en zet ze in eene aarden pan,
+met kokend water, zoolang te koken, tot er sap genoeg is ontstaan. De
+suiker smelt men in wijnazijn, klaart die en giet het sap er bij. Dan
+kookt men alles te zamen, onder zorgvuldig schuimen, zoolang, tot
+een droppel, dien men op een koud bord laat vallen, tot gelei wordt.
+
+19. Pruimen in blikken bussen. 4 p. rijpe, geheel onbeschadigde
+kwetsen, veegt men af en legt ze luchtig in blikken bussen, terwijl men
+er 3 p., 5 o. geklaarde suiker kokend opgiet. Daarna worden de bussen
+digt gesoldeerd, zooals bij het inmaken van groenten is beschreven, en
+men kookt ze een half uur in een ketel met water. De bussen moeten op
+eene koude, drooge plaats worden bewaard, en bij het gebruik giet men
+de saus kokend over de vruchten, maar geeft ze koud geworden op tafel.
+
+20. Kwetsen in suiker. De kwetsen worden in een eijernet even in
+zacht kokend water gehouden, om er gemakkelijk de schil te kunnen
+aftrekken. Dan weegt men ze, en rekent voor 1 p., 5 o. vruchten, 7 1/2
+o. suiker, die men klaart en, nadat er 8 w. klein gebroken pijpkaneel,
+12 nagelen, 6 lepels brandewijn en eenige stukjes gember doorgeroerd
+zijn, kokend op de pruimen giet. Na verloop van eenige dagen kookt men
+het sap nog eens op, giet het er weder kokend overheen, en herhaalt
+dit later nog éénmaal.
+
+21. Pruimenmarmelade. 3 p. geheel rijpe kwetsen worden volgens No. 20
+van de schil ontdaan, en de steenen er uitgehaald. Dan klaart men
+1 p. suiker met 2 1/2 m. wijnazijn, doet de pruimen daarin met 1
+l. pijpkaneel, benevens eenige stukjes gember (zie No. 1), en kookt
+alles, onder bestendig en zorgvuldig roeren, daar het moes zeer ligt
+aanbrandt, gedurende derdehalf uur, of zoolang tot er geene vaste
+deelen meer te zien zijn en de marmelade zeer dik is geworden. Na
+verloop van 8 of 14 dagen opent men den pot weder en kookt het moes
+nog ongeveer een half uur. Men kan het als compote geven, of er
+taarten en klein gebak mede vullen.
+
+22. Kersen in suiker. Men neemt voor kersen de helft van hun gewigt
+aan suiker, trekt de stelen er af, en stoot er met een pijpensteel
+de pitten uit. Vervolgens behandele men ze volgens No. 20, doch giet
+het sap niet kokend, maar laauw over de vruchten.
+
+23. Compote voor kersenkoeken. 3 p. kersen, waar de pitten zijn
+uitgedaan, 5 o. suiker, 1 l. pijpkaneel, 8 w. nagelen en 1 1/2
+m. wijnazijn worden te zamen, onder gedurig schuimen, gekookt, tot
+de vruchten zacht zijn. Deze schept men dan met een schuimspaan in
+den daarvoor bestemden pot, en laat het nat nog eene poos koken, tot
+het eenigzins gebonden is, waarna men het, toegedekt, laat bekoelen;
+dan wordt het door de kersen geroerd en de pot toegebonden. Acht
+dagen later kookt men het nat nog even op.
+
+24. Morellensap. Op 5 o. sap neemt men 2 o. suiker en 6 gepelde
+morellenpitten. Als de vruchten van de pitten zijn ontdaan, wringt men
+ze met de gestampte pitten door een doek, en weegt het sap; dan voegt
+men er de suiker bij en kookt het, terwijl men goed op het schuimen
+past, een kwartier. Men giet het in kleine gezwavelde flesschen en
+maakt er de beste vruchtsausen van.
+
+25. Kersenmarmelade. Op 2 p. kersen, zonder steelen en steenen gewogen,
+neemt men 5 o. suiker, wat kaneel en nagelen. De suiker wordt geklaard
+en dan alles te zamen dik gekookt.
+
+26. Goedkoop kersenmoes. Rijpe krieken worden van steenen en stelen
+ontdaan, en dan, zonder suiker, met eenige gestampte pitten, wat
+nagelen en een weinig wijnazijn ongeveer 2 1/2 uur gekookt, terwijl
+men ze goed roert. Daarop laat men ze koud worden en bewaart ze in
+gezwavelde flesschen of potten.
+
+27. Vruchten in haar eigen damp. Deze wijze van inmaken is zeer
+goedkoop, en daar er noch azijn, noch kruiderijen bij gebruikt
+worden, zijn deze vruchten bijzonder voor het gebruik bij ziekte
+aan te bevelen. De hiervoor best geschikte soorten zijn: onrijpe
+kruisbessen, peren, abrikozen, perziken, reine Claudes, mirabellen,
+kwetsen en kersen; de peren schilt men, snijdt men door midden,
+en haalt er het klokhuis uit; de overige vruchten veegt men met een
+zachten doek af, en van de kruisbessen plukt men de kroontjes. Daarop
+legt men ze in flesschen met een niet zeer wijden, omgebogen rand,
+zóó stijf ineen, als men kan doen, zonder de vruchten te kwetsen,
+en bindt een lapje linnen over de flesch. Hierover bindt men weder
+een goed schoongemaakte blaas, die natuurlijk zooveel grooter dan
+de linnen lap moet zijn, dat zij er overheen om de flesch kleeft,
+ten einde de lucht af te sluiten.--Nu worden de flesschen op eene
+laag hooi of schaafkrullen, en ook rondom daarmede goed opgevuld,
+zoodat zij elkander niet raken, in een ketel gezet, dien men daarop
+met koud water zoover vult, dat de flesschen er een paar duim breed
+boven uitsteken. Het water wordt langzaam aan warm gemaakt en, als het
+de kookhitte bereikt heeft, laat men het zachtjes zóólang koken, tot
+de vruchten zich zoover hebben zaamgetrokken, dat de flesschen voor
+een vierde gedeelte ledig zijn. De ketel mag niet worden toegedekt
+en het verdampte moet telkens met kokend water worden aangevuld.--Men
+neemt vervolgens den ketel af, laat de flesschen daarin koud worden,
+en bergt ze dan op eene zeer koele, drooge en luchtige plaats. Het is
+goed dat men de flesschen dikwijls naziet, want als eene daarvan niet
+geheel luchtdigt is gesloten geweest, vertoont zich op de vruchten
+al spoedig een begin van schimmel en zulk eene flesch moet dan
+terstond worden gebruikt; ook kan eene aangebroken flesch hoogstens
+2 dagen goed blijven. Daar er geen sap op de vruchten is, kan men,
+bij het openen, den hals van de flesch even in laauw water steken,
+ten einde de blaas er ongescheurd te kunnen afnemen.--Bij het gebruik,
+als men de vruchten op de schaal legt, onderzoeke men of het noodig
+is om ze met suiker te bestrooijen.--Sommigen strooijen ook lagen
+suiker tusschen de vruchten, als ze in de flesschen worden gedaan,
+en leggen er een met brandewijn bevochtigd papier op, dat vooral aan
+steenvruchten een aangenamen smaak geeft.
+
+28. Vruchten in blikken bussen. Hiervoor kan men alle soorten van
+steenvruchten en ook peren gebruiken. Abrikozen en peren worden
+geschild en de overigen goed afgeveegd. Men legt de vruchten, die
+niet geheel rijp moeten zijn, in de met soda goed schoongemaakte
+bussen, tot zij tot op drievierde van de hoogte gevuld zijn,
+en bedekt ze vervolgens met geklaarde suiker. Daarop laat men de
+bussen digtsolderen, zet ze in kokend water, neemt, na verloop van
+een kwartier, den pot af, laat ze daarin koud worden en bewaart ze
+op eene luchtige plaats.
+
+29. Tomaten. Voor 5 o. rijpe tomaten rekent men 3 o., 7 1/2 l. suiker
+en een stuk ingemaakte gember, van een vinger lang. De vruchten worden
+met kokend water overgoten, en dan trekt men er met een fijn mesje
+de schil af; men klaart de suiker, en legt daar, als zij kokend is,
+de tomaten en de fijngesneden gember in. Nadat de suiker even over
+de vruchten is heengekookt, schept men ze met een schuimspaan op
+een vlakken schotel, om eenigzins te droogen. Koud geworden zijnde,
+moeten zij op nieuw in de heetgemaakte suiker worden gelegd, en zoo
+doet men driemalen. Vervolgens legt men de tomaten in eene flesch,
+laat het nat nog wat verdikken en giet het er warm op.
+
+30. Ingemaakte kweeperen. Op 5 o. kweeperen rekent men 3 o., 7
+1/2 l. suiker, wat kaneel en eenige nagelen. De vruchten worden in
+vierdeparten gesneden, van schil en klokhuis ontdaan en dan daarmede
+te zamen in water bijna gaar gekookt. Men legt ze vervolgens op een
+doorslag, om uit te druipen, terwijl men het overige nog een uur laat
+koken, waarna het door eene zeef wordt gegoten en, met de suiker er
+in, geschuimd. Hierin laat men nu de kweeën geheel gaar koken, legt
+ze met nagelen en stukjes kaneel in de flesch, kookt het sap dik,
+en giet het laauw over de vruchten, die er goed door bedekt moeten
+zijn. Ingeval men gaarne een zuurachtigen smaak aan de kweeën heeft,
+kan men bij 5 o. sap het sap van 1 citroen voegen.
+
+31. Kweegelei. De kweeën worden afgeveegd en dan ongeschild geraspt
+tot op het steenachtige klokhuis; men wringt ze vervolgens door een
+doek en laat het sap een nacht staan om te bezinken. Dan giet men
+het voorzigtig af, en neemt voor 1/2 kan helder nat 5 o. suiker,
+die men met ruim 2 m. water klaart en kookt, tot men er een draad
+van trekken kan. Men voegt ze dan bij het nat, en legt ook, om het
+spoedige verdikken en de schoone kleur te bevorderen, de pitten,
+los in een lapje gebonden, er bij; onder zorgvuldig schuimen moet
+het een half uur koken, en men neemt de proef of het dik genoeg is
+om tot gelei te stollen, daardoor, dat men een paar druppels op een
+koud bord laat vallen, en ziet of zij dik worden.
+
+32. Ongekookte kweegelei. Men giet 5 o. van het heldere nat, dat
+men volgens No. 31 heeft verkregen, op 7 1/2 o. suiker, en slaat
+het met eene kleine garde, gedurende drie kwartier, gelijkmatig en
+naar denzelfden kant, tot er kleine blazen in komen. Het wordt dan
+in flesschen gedaan en is na eenige dagen tot gelei geworden.
+
+33. Kweemarmelade. Men kookt de vruchten in water, tot zij week
+zijn, schilt ze en raspt ze tot op het steenachtige klokhuis. Bij
+5 o. van dit geraspte voegt men 3 o., 7 1/2 l. suiker, het sap en
+de fijngesneden schil van 1 citroen, en laat het op een zacht vuur,
+onder bestendig roeren, dik worden.
+
+34. Kweebrood. De kweeën worden ongeschild in water week gekookt,
+dan geschild en tot op het klokhuis geraspt. Men weegt het geraspte,
+en neemt hetzelfde gewigt aan suiker, die men klaart en dan, met wat
+kaneel en citroenschil, bij de kweeën voegt, om alles, onder gedurig
+roeren, zeer stijf te laten koken. Daarna schept men het in papieren
+doozen en laat het in een bekoelden oven droogen. Het kweebrood moet
+zoo vast zijn, dat men het snijden kan, en om het, bij het gebruik,
+uit de doozen te krijgen, moet men die aan de buitenzijde nat maken.
+
+35. China'sappelschillen in suiker. De schil wordt in vierdeparten
+van den appel getrokken; dan in water bijna week gekookt; daarna
+een uur lang in versch water gezet, om uit te trekken en vervolgens
+afgedroogd. Voor 5 o., na het koken gewogen, klaart men 3 o., 7 1/2
+l. suiker, giet die er heet op, en laat alles zoo 24 uren staan. Den
+volgenden dag kookt men alles zoo dik mogelijk, laat het eenige dagen
+onbedekt staan, en herhaalt dit zoo dikwijls tot er geen vocht meer
+op te zien is, waarna men de schillen, op een papier gelegd, in de
+lucht hard laat droogen.
+
+36. Geconfijte barbarissen. Men neemt uitgezochte trosjes barbarissen
+en legt die in eene schaal. Hetzelfde gewigt van de vruchten neemt
+men aan suiker, die men klaart en over de barbarissen giet; niet al
+te warm, omdat dan de bessen van de stelen loslaten. Na verloop van
+48 uren laat men het sap tot stroop verkoken en, als het bekoeld is,
+doet men het met de vruchten in flesschen. Men kan hiermede taarten
+en puddings zeer aardig versieren.
+
+37. Barbarissensap. De bessen worden van de stelen geplukt; dan
+fijngewreven en door een doek gewrongen. Het sap moet tot den
+volgenden dag blijven staan en dan voorzigtig van het bezinksel in
+zuivere, drooge flesschen worden gegoten. Deze zet men gedurende
+14 dagen open in de zon of op eene warme plaats om uit te gisten;
+dan kurkt men ze en bewaart ze. Men kan dit sap voor punch of saus,
+in plaats van citroensap, gebruiken.
+
+38. Peren in suiker. Tegen 5 o. peren rekent men 3 o., 7 1/2 l. suiker
+en een stuk ingemaakte gember van een vinger lang, of bij gebrek
+daaraan, eenige stukjes drooge gember. Men moet goede, sappige en zeer
+rijpe tafelperen nemen, ze schillen, in de helft doorsnijden, van de
+klokhuizen ontdoen en afspoelen. Intusschen klaart men de suiker,
+legt de peren en de stukjes gember er in, en kookt ze, tot men ze
+goed doorsteken kan en ze eenigzins doorschijnend zijn geworden. Dan
+doet men ze, met het sap, in eene flesch, kookt het laatste na eenige
+dagen tot stroop, giet het koud op de vruchten, en bindt de flesch
+digt. Eenigen tijd daarna wordt het sap gewoonlijk weder dun, en het
+is dan, voor het behoud van het inmaaksel, noodzakelijk om het nog
+eens op te koken.
+
+39. Roode peren. Men neemt hiervoor, op 7 1/2 o. peren, 1 kan
+bramensap, 2 1/2 o. suiker en 1 l. gebroken pijpkaneel. De bramen
+worden uitgezocht, gewasschen, op eene zeef geschud, vlug geheel
+gaar gekookt en dan in een spits toeloopend linnen zakje geschept,
+opdat het sap eruit zou druipen; wringen mag men ze niet. Zoete,
+sappige en zeer rijpe peren worden geschild, in de helft doorgesneden,
+van de klokhuizen ontdaan, gewogen en gewasschen. Dan klaart men de
+suiker, giet het uitgedropen bramensap er bij, en legt er, als het
+kookt en geschuimd is, de peren, benevens de kaneel in. Zij worden,
+toegedekt, langzaam gekookt, tot men ze doorsteken kan; langer niet,
+want dan worden zij onooglijk en het sap te dik. Men neemt ze met een
+schuimspaan uit het nat en laat ze bekoelen, eer men ze daarmede in
+de flesschen legt.
+
+40. Ingemaakte walnoten. Men moet hetzelfde gewigt van de vruchten
+aan suiker nemen. De groene noten worden tegen het einde van Junij
+geplukt, als de binnenste schil nog niet verhard is, en zij moeten
+geheel onbeschadigd en zonder vlekken zijn. Men beprikt ze rondom met
+een scherp aangepunt houtje, en legt ze 14 dagen in koud water, dat
+gedurende dien tijd driemaal daags ververscht moet worden. Dan kookt
+men ze, giet, als zij half gaar zijn, het water er af, en versch er
+op, waarna zij geheel zacht worden gekookt, om nogmaals een nacht in
+versch koud water gelegd te worden. Den volgenden morgen schudt men ze
+op eene zeef, om uit te druipen, en besteekt ze op de ééne zijde met
+een stukje kaneel, op de andere met een kruidnagel; desverkiezende,
+kan men er ook een oranjesnipper in steken. De suiker wordt geklaard,
+terwijl men voor 5 ons er het sap van 1 citroen bijvoegt, en hierin
+laat men de noten eenige minuten koken. Na drie of vier dagen moet
+de suiker nog eens worden opgekookt en koud over de vruchten in de
+flesschen gegoten.
+
+41. Rozenbottels in suiker. De bottels moeten geheel rijp
+en donkerrood, maar volstrekt niet aan den boom zacht geworden
+zijn. Men legt ze in een groven, schoonen doek en wrijft ze daarin,
+om de stekels er af te krijgen; dan snijdt men de kroontjes glad af,
+en haalt er met een mesje of theelepelsteel al de pitten goed uit;
+den steel laat men er aanblijven. Dan werpt men de bottels in koud
+water, laat ze daarin ruim half zacht koken, en schudt ze op eene
+zeef. Men klaart hetzelfde gewigt van de vruchten aan suiker, en legt
+die naast elkaâr daarin, met eenige stukjes kaneel. Zij worden nu
+geheel zacht gekookt; maar mogen volstrekt niet stuk koken; iedere
+bottel moet haar goeden vorm behouden, en daarom schept men ze, als
+zij gaar zijn, voorzigtig met de schuimspaan op een vlakken schotel,
+en legt andere bottels in de suiker. Men doet ze koud in de flesschen,
+en giet de tot eene dikke stroop verkookte suiker er op.
+
+42. Marmelade van rozenbottels. De bottels worden volgens No. 41
+schoongemaakt, vervolgens in water geheel week gekookt, afgegoten
+en door eene zeef gewreven, zoodat de schillen alleen daarop
+achterblijven. Dan worden zij, met hun gewigt aan geklaarde suiker,
+op een zacht vuur, onder gestadig roeren, gekookt, tot er volstrekt
+geene waterachtige deelen meer in de marmelade zijn. Als zij koud
+is geworden, doet men ze in de flesschen, met bijvoeging van eenige
+stukjes ingemaakte gember en, bij gebrek daaraan, kan men een paar
+lepels wijnazijn door de massa roeren. Deze marmelade is bijzonder
+lekker voor het vullen van fijne gebakjes.
+
+43. Ananas voor punch. Een ananas van middelmatige grootte wordt aan
+zeer dunne schijfjes gesneden en aan lagen, met suiker er tusschen, in
+eene goed sluitende terrine gelegd; daarna met rhijnwijn overgoten. Men
+kan hiervoor rekenen op 12 fl. wijn en 7 1/2 o. suiker. Zoo laat men
+alles 6 dagen staan, kookt dan het nat gedurende 5 minuten, roert
+er een glas madera door en giet het kokend op de ananasschijven. Men
+doet het koud in de flesschen en kan er, als het noodig is, bij het
+gebruik voor punch, nog suiker bijvoegen.
+
+44. Meloen in suiker. Men snijdt den meloen aan smalle deelen, en
+schept er, met een zilveren lepel, het eetbare gedeelte uit, dat men in
+vingerlange stukken snijdt en gedurende 24 uren in wijnazijn legt. Na
+verloop van dien tijd neemt men de stukken er uit, en laat ze, met hun
+eigen gewigt aan suiker er door gestrooid, weder 24 uren staan. De
+op deze wijze gesmolten suiker giet men er dan af, zet die op het
+vuur, schuimt ze, en legt er de vruchten met wat kaneel en ingemaakte
+gember in; men kookt ze half zacht en, nadat ze er uitgenomen zijn,
+het sap tot een dikke stroop. Als alles koud geworden is, doet men
+het, met de stukjes gember er tusschen gestrooid, in de flesschen, en
+verzuime vooral niet om het nat na eenige dagen nog eens op te koken.
+
+45. Kalebassen als gember. De beste soort van kalebassen is die met
+roodachtig geel vleesch en van middelmatige grootte. Men plukt de
+vruchten als zij rijp zijn, zet ze op eene koele, luchtige plaats,
+en wacht met inmaken tot omstreeks half December. Dan wordt de schil,
+zoover die hard is, van de vrucht afgenomen, de pitten er met een
+lepel uitgehaald en het goede gedeelte aan stukjes van een vinger
+lang gesneden, die men, in hard kokend water, even laat opkoken. Dan
+laat men ze op eene zeef uitlekken, legt ze vervolgens in eene diepe
+porseleinen schaal, bestrooid met het volgende, waarvan de hoeveelheid
+is berekend voor 1 p. schoongemaakte stukken kalebas: 1 p. suiker, 1
+1/2 w. gemberpoeder, 1/2 w. gemalen witte peper en, naar verkiezing,
+wat cayennepeper, op de punt van een mes. Zoo laat men het een nacht
+toegedekt staan; den volgenden dag maakt men het sap aan de kook,
+legt de stukken vruchten er in en laat ze een oogenblik medekoken, tot
+zij eenigzins doorschijnend, maar toch niet week worden. Daarop legt
+men ze in de flesch, kookt het nat tot stroop en giet het koud over de
+vruchten. Mogt het na verloop van eenige dagen weder dun zijn geworden,
+dan wordt het opgekookt en weder koud in de flesschen gegoten.
+
+46. Gemêleerde marmelade. Van frambozen en aalbessen neemt men ieder
+5 o., perst daar het sap uit, en voegt er 1 p. kersen, benevens 7 1/2
+ons suiker bij. Deze wordt geklaard, dan de vruchten, met de helft
+van de kersenpitten, gepeld, er bij gedaan, en alles, onder gestadig
+roeren en schuimen, tot een vrij dik sap gekookt, terwijl men er op
+het laatst een half l. gestooten kaneel in doet.
+
+47. Sap van drie vruchten. Men kan een zeer verfrisschenden drank
+maken uit het sap van aalbessen, frambozen en morellen, in gelijke
+hoeveelheid. Op 5 o. sap wordt ook 5 ons suiker genomen, en de
+bereiding en bewaring is als van bessennat.
+
+48. Aardbeziën in suiker. Het gewigt van vruchten en suiker moet gelijk
+staan. Als de suiker geklaard is, legt men de aardbeziën erin, neemt de
+pan van het vuur, en schept met een lepel de suiker over de vruchten
+heen, daar die, zelfs door het minste omroeren, zouden lijden; dan
+zet men ze weg. Den volgenden dag laat men ze weder goed heet worden
+en zet ze nogmaals weg; dit herhaalt men een dag later nog eens,
+altijd zonder er in te roeren, en eindelijk schept men ze, nadat zij
+koud geworden zijn, voorzigtig in de flesschen. Het nat kookt men,
+als het noodig is, nog wat na, en giet het koud op de vruchten. Van
+alle ingemaakte vruchten gaan aardbeziën het eerst tot gisting over,
+en daarom is het zaak, er eenige stukjes ingemaakte gember bij te
+voegen; ook moet men de met blazen gesloten flesschen 8 of 14 dagen na
+het inmaken, in hooi gepakt, in een ketel met koud water overhangen,
+dit langzaam tot aan de kook laten komen, dan afnemen en de flesschen
+er in laten bekoelen.
+
+49. Aardbeziegelei. Voor 5 o. aardbeziën neemt men 5 o. suiker, waarvan
+men de helft over de vruchten, in een diepen schotel strooit, die men
+zóó een nacht over laat staan. Den volgenden dag kookt men de andere
+helft van de suiker met 2 1/2 m. roode bessensap tot stroop, voegt
+de gesuikerde aardbeziën daarbij, en kookt alles tot het gelei is.
+
+50. Marmelade van aardbeziën. Men kookt 5 o. vruchten in 7 1/2
+o. geklaarde suiker, zoolang tot zij stuk gekookt en tot een dik
+moes zijn geworden. Ook maakt men wel marmelade zonder de vruchten te
+koken; zij worden dan, au bain marie, laauw warm gemaakt, zeer fijn
+geroerd en door eene zeef gewreven. Voor 5 o. van dit moes neemt
+men 1 p. suiker, roert het een kwartier lang stevig door elkaar,
+en schept het in gezwavelde flesschen, die terstond gekurkt en met
+lak of harpuis voorzien moeten worden.
+
+51. Aardbeziestroop voor zieken. Een kop boschaardbeziën wordt
+gewasschen en op een doorslag gelegd om uit te druipen. Dan kookt men
+5 o. suiker tot eene zeer dikke parelende stroop, legt de vruchten
+er in, roert ze voorzigtig met een zilveren lepel, zonder ze te
+kwetsen, door de stroop, en laat ze daarmede heet worden (niet
+koken). Vervolgens spant men een linnen doek over eene terrine,
+schudt de aardbeziën daar luchtig op en laat het sap er uitloopen,
+zonder ze in het minste te drukken of te roeren. Als het koud geworden
+is, giet men het helder af in kleine fleschjes; het is bijzonder bij
+borstzieken zeer verkwikkend. De vruchten zelve kan men in flesschen
+bewaren en later met bessen en frambozen tot marmelade koken; voor 1
+1/2 p. versche vruchten, die men er dan bijvoegt, behoeft men slechts
+1 p. suiker te nemen.
+
+52. Moerbeziën en druiven worden in suiker ingemaakt, geheel als bij
+de aardbeziën in No. 48 gezegd is.
+
+53. Mispelen. Voor 5 o. mispelen neemt men 5 ons suiker, 2 kopjes
+brandewijn, wat citroenschil en pijpkaneel. Van de rijpe vruchten
+snijdt men de ruwe kroontjes, veegt ze met een doek af, kookt ze in
+water tot men ze doorsteken kan, schudt ze op eene zeef om uit te
+druipen, en steekt er vervolgens een stukje citroenschil en kaneel
+in. Dan klaart men de suiker, roert den brandewijn er door, en giet
+haar op de mispelen. Den volgenden dag kookt men het nat op en giet
+het weder heet op de vruchten, die men den derden dag, in het sap,
+geheel gaar, doch niet te week kookt. Men doet ze in de flesschen en
+kookt het nat tot stroop, vóórdat het er over wordt gegoten.
+
+54. Wortelen in suiker. Nadat de wortelen goed geschrapt zijn, neemt
+men de pit er uit, en snijdt het overige in zeer fijne reepjes, die
+men in water kookt, tot zij zeer zacht zijn, en dan op een doek laat
+uitdruipen. Voor 5 o. klaart men 3 o., 7 1/2 l. suiker, giet het sap
+van 3 citroenen door een zeefje daarbij, benevens de wortelen en de
+schillen van de citroenen, die echter vooraf fijngesneden en in water
+zacht moeten zijn gekookt. Men laat alles te zamen zoolang koken, tot
+er sap genoeg overblijft, om de wortelen, in de flesch, te bedekken.
+
+55. Blaauwbessen zonder suiker. Rijpe bessen worden op een zonnigen
+dag geplukt en dan in gezwavelde flesschen met wijde halzen gedaan,
+die men, ongekurkt, in een ketel met koud water, goed tusschen hooi
+gepakt, overhangt en, als het kookt, nog een kwartier laat doorkoken;
+zij moeten vervolgens in dat water koud worden. Daar de bessen onder
+het koken zeer slinken, neemt men eene van de flesschen, om daaruit
+de overige aan te vullen, tot op een paar vingers onder den rand. Men
+giet er dan een theelepel rhum of arak op, kurkt de flesschen, en
+bezorgt ze met eene blaas of met harpuis; zij worden best op eene
+donkere plaats bewaard. Bij het gebruik kan men er alleen de noodige
+suiker doorroeren of ze ook met kaneel en suiker even opkoken.
+
+56. Kruisbessen en kersen. Deze worden behandeld volgens No. 55,
+maar moeten iets langer koken.--Ook moeten zij op een zonnigen dag
+geplukt en niet gewasschen, maar afgeveegd worden. Kruisbessen neemt
+men half rijp, en ontdoet die, zonder ze te kwetsen, van stelen en
+kroontjes; kersen mogen rijp, maar niet gebarsten zijn; men trekt er
+de stelen uit.
+
+57. Kruisbessen in water. Men doet de kruisbessen, gewasschen, in goed
+gespoelde flesschen, en vult die verder met gekookt en koud geworden
+regenwater, waarna men ze kurkt en harpuist. Men zal goed doen, door
+ook voor het wasschen en spoelen zich van zulk koud geworden water te
+bedienen. Bij het gebruik kookt men de bessen even op, met wat wijn,
+suiker, kaneel en een paar eijerdoijers.
+
+58. Kruisbessen in suiker. Men neemt hetzelfde gewigt aan vruchten en
+suiker. De bessen worden goed afgeveegd, van de stelen en kroontjes
+gezuiverd, en op een zacht vuur gaar gekookt in de suiker, die met wijn
+of water tot eene dunne stroop gekookt en goed geschuimd is. Daarop
+doet men alles in de flesschen, en kookt na verloop van eenige dagen
+het nat nog eens op, dat men dan warm over de vruchten giet.
+
+59. Kruisbessen marmelade. Donkerroode, zeer rijpe kruisbessen
+veegt men af, ontdoet ze van stelen en kroontjes, drukt ze met een
+zilveren lepel fijn, en wrijft ze door een blikken zeef. Dan worden
+zij gewogen en op 5 o. moes, 2 1/2 o. tot stroop gekookte suiker,
+met wat citroenschillen of kaneel er bij gevoegd, waarmede men ze,
+gestadig roerende, tot eene stijve marmelade kookt.
+
+60. Aalbessen in suiker. De bessen worden gewasschen en, als zij zijn
+uitgelekt, rist men ze af. Men neemt hetzelfde gewigt van de vruchten
+aan suiker, die men klaart, en hierin laat men de bessen, op een
+zwak vuur, zacht, maar vooral niet stuk koken, schept ze daarna op
+een doorslag, voegt het uitgedropen nat bij het kokende, en laat dit
+nog wat verdikken. Als het koud is geworden, roert men de bessen er
+voorzigtig door, en doet alles in de flesschen.--Om de bessen eene
+schoone kleur te geven, giet men wel eens uitgeperst bessensap bij
+de geklaarde suiker, vóór dat de vruchten er worden in gedaan. Men
+neemt dan tegen 5 o. afgeriste bessen, 5 o. sap en 1 p. suiker. In
+beide gevallen moet na een paar dagen, als het nat in de flesschen
+soms dun is geworden, dit weder worden opgekookt om te verdikken.
+
+61. Bessengelei. Men zet de bessen op het vuur, laat ze goed heet
+worden en wrijft ze met een lepel fijn, waarop men ze in een puntig
+toeloopend zakje schudt, om het sap er te laten uitdruipen. Dit
+afgeloopen zijnde, laat men het tot den volgenden dag rustig staan,
+en giet het van het bezinksel af. Men zet het op een zacht vuur,
+en strooit er langzamerhand evenveel gewigt aan suiker in, als men
+aan sap heeft. Het moet gestadig langzaam geroerd worden, en als het
+even kookt neemt men het af, om het 10 minuten zeer stil te laten
+staan. Dan neemt men het vel, dat door het verkoelen ontstaan is, er
+af, doet de gelei in potjes of flesschen, en bedekt ze na verloop van
+24 uren met een papiertje, dat met brandewijn of arak is doortrokken.
+
+62. Frambozengelei. Men kan hiervoor geheel het recept No. 61 volgen.
+
+63. Bessensap. Men behoeft de bessen niet af te risten, maar kan ze met
+de stelen door een groven doek wringen. Dan giet men het sap van het
+bezinksel af, weegt het en zet het te vuur met half zooveel gewigt aan
+suiker, om het, onder bestendig schuimen, te koken tot het helder is;
+het zal dan ongeveer tot op een vierde verkookt zijn. Men neemt het
+af, laat het een nacht staan, en vult er de flesschen mede.--Even goed
+kan men het uitgewrongen bessensap, zonder suiker, ongekookt bewaren,
+mits men zorg drage, dat er hoegenaamd geene pitjes in blijven.
+
+64. Gegist bessensap. De bessen worden uitgeperst en dan zet men
+het sap weg, dat men, nadat het 5 of 6 dagen rustig gestaan heeft,
+gegist terug zal vinden. Men neemt er dan het vuile, schimmelachtige
+vel goed af, en giet het heldere nat voorzigtig van het bezinksel,
+waarna het wordt gewogen en, per 5 o., met 7 1/2 o. witte suiker
+gekookt, terwijl men nog altijd moet toezien of het ook geschuimd
+moet worden. Als het bekoeld is, doet men het in zuiver gespoelde en
+volkomen drooge flesschen. Het onderste, minder klare sap, is goed
+om terstond voor saus te gebruiken.
+
+65. Gegist frambozensap. Maakt men geheel volgens No. 64.
+
+66. Moes van zwarte aalbessen. Voor 5 o. bessen neemt men 2 1/2 ons
+suiker, die men klaart en waarin men de vruchten tot moes kookt,
+ze tusschenbeide omroerende. Zij worden koud in de potten gedaan.
+
+67. Zwarte bessengelei bereidt men volgens No. 6, maar men heeft
+slechts de helft van de daar opgegeven suiker noodig.
+
+68. Frambozenmoes. Men volgt hiervoor No. 60, slechts met dit enkele
+onderscheid, dat de vruchten niet gewasschen mogen worden.
+
+69. Frambozenmarmelade. Volgens No. 50.
+
+70. Frambozensap. De bereiding geschiedt volgens No. 63, en de maat
+van de suiker is, naarmate men het zoet wil hebben, 1 1/2 of 2 o. per
+5 o. vruchtensap.
+
+71. Frambozenazijn. Voor 2 1/2 p. frambozen neemt men 2 flesschen
+goeden wijnazijn, waarin men de vruchten een weinig fijn roert
+en dan 3 dagen laat staan; men wringt ze daarna niet al te sterk
+uit, giet het door eene zeef, en zet het, met 2 1/2 p. suiker, die
+afzonderlijk met een weinig water is gesmolten en even heeft gekookt,
+op het vuur. Als alles te zamen weder aan de kook is, laat men het
+nog 8 of 10 minuten doorkoken, roert tot het koud is, en giet het in
+flesschen, die men met een papieren stop voorziet, zóó drie dagen in
+den kelder laat staan, en daarna kurkt en harpuist.
+
+72. Blaauwbessenmoes. Men moet alleen zeer rijpe, mooije en dikke
+bessen nemen en die, na ze tweemalen gewasschen te hebben, op een
+doorslag laten uitdruipen. Voor 4 kop vruchten neemt men 5 o. suiker,
+en kookt ze daarmede in eene aarden pan, onbedekt en dikwijls roerend
+en schuimend, tot zij geheel zacht en gaar, maar niet papperig
+zijn. Men roert ze dan goed door, en zet de pan, met een doek er over
+gehangen, tot den volgenden dag weg. Dan doet men de bessen in potten
+of flesschen, en legt er een papier met brandewijn op.
+
+73. Blaauwbessen met peren. Tegen 3 kop bessen neemt men 1 kop peren,
+na het schillen gemeten, 5 o. suiker en 1 l. pijpkaneel.--De bessen
+worden gekookt volgens No. 72 en dan met een schuimspaan uit het nat
+geschept, waarin men de peren, half doorgesneden en van de klokhuizen
+ontdaan, met de in stukjes gebroken kaneel, gaar, maar niet te week
+kookt. Dan giet men alles, tegelijk met het sap, dat anders te veel
+zou verdikken, in eene terrine, om het als het bekoeld is, in de
+flesschen te doen.
+
+74. Blaauwbessen met appelen. De bessen worden behandeld volgens
+No. 73; dan kookt men in het nat wat gesnipperde zure appelen met
+citroensap naar den smaak, en wrijft die, als zij geheel gaar zijn,
+door eene zeef. Men voegt er dan de bessen weder bij, laat alles te
+zamen nog even opkoken en handele voorts volgens No. 73.
+
+75. Blaauwbessensap. Zeer rijpe bessen worden goed verlezen, gewasschen
+en tot moes gekookt, en dan laat men er door een zakje het sap
+uitdruipen, dat, bekoeld zijnde, van het bezinksel wordt afgegoten
+en met 5 o. suiker, tegen 3 kan nat, wordt gekookt, geschuimd, en
+verder behandeld als bessensap.
+
+76. Blaauwbessengelei. De bessen worden behandeld volgens No. 75. Het
+aldus verkregen heldere sap wordt gewogen en met hetzelfde gewigt
+aan suiker te vuur gezet, om onder gedurig schuimen een kwartier te
+koken. Dan neemt men de pan af, laat het kooksel rustig wat bekoelen,
+en schept er het schuim goed af, dat soms nog boven is gekomen,
+waarna men de flesschen vult.--Door te lang te koken, zou de gelei
+hare schoone roode kleur verliezen, en toch moet zij stijf genoeg
+worden, zoodat men, voor alle zekerheid, tusschenbeide de proef met
+een druppel op een koud bord moet nemen.
+
+77. Appelgelei. Men neemt fijne sappige appelen (liefst pigeons)
+die nog niet geheel rijp zijn, en veegt ze met een doek af. Dan
+worden ze in vierdeparten gesneden, van de klokhuizen ontdaan en,
+ongeschild, met zooveel water dat zij goed onderliggen, te vuur gezet
+om gaar te koken. Dit moes laat men 24 uren staan, laat het dan door
+een zakje loopen, en weegt het uitgelekte sap. Voor 1 1/2 p. daarvan
+neemt men evenveel suiker, waarmede men het kookt; later voegt men er
+een half bierglas rhijnwijn, benevens het sap van 1 citroen bij, en
+laat het verdikken, tot eenige druppels, op een koud bord gevallen,
+tot gelei stollen.--De flesschen of potten waar men het inschept,
+moeten eenigzins gewarmd worden.
+
+78. Gelei van lijsterbessen. Deze gelei is zeer verzachtend voor
+lijders aan borstkwalen. Men plukt daarvoor de bessen als zij tot
+volle rijpheid zijn gekomen, maar vooral eer zij melig worden. Men
+neemt ze van de stelen af, en kookt ze, schraal met water bedekt,
+tot alle kracht er uit is. Dan giet men het nat door eene zeef,
+weegt het, en kookt het met hetzelfde gewigt aan suiker, tot het
+stijf genoeg is om tot gelei te stollen.
+
+79. Gelei van kersappeltjes. De appeltjes worden gewasschen en, met
+koud water bedekt, opgezet om tot moes te koken, dat men daarop door
+een doek wringt. Den volgenden dag wordt het sap helder afgegoten,
+gewogen, en met de helft van zijn gewigt aan suiker, onder voortdurend
+schuimen, gedurende één uur gekookt. Dan doet men het in potjes.
+
+80. Geconfijte citroenen. Op 5 o. vruchten neemt men 5 o. suiker en een
+bierglas brandewijn. Van de citroenen raspt men de schil af en zet ze
+dan gedurende 48 uren in koud regenwater; daarna zet men ze met versch
+koud water te vuur en kookt ze tot men ze met een biesje doorsteken
+kan. Intusschen laat men ook de suiker met de geraspte schillen en
+wat water tot stroop koken; de week geworden citroenen moeten daarin
+een uur lang zachtjes koken; dan doet men alles in een keulschen pot.
+
+81. Wijnperen in brandewijn. De peren worden rond geschild, dan met
+suiker en pijpkaneel in een keulschen pot gelegd, met brandewijn
+overgoten en au bain marie gekookt.
+
+82. Rietperenmoes. Men schilt de peren vóór dat men ze weegt, en
+rekent dan voor 5 o. vruchten op 1 1/2 o. suiker. Eerst worden de
+peren afzonderlijk tot moes gekookt, dan nog eens goed doorgekookt
+met de suiker, en als het in den pot wordt gedaan, voegt men er wat
+citroensap bij.
+
+83. Bramen wascht men, smelt ze met het water dat er aan hangen
+blijft, laat ze koud worden en schept ze in flesschen, die men met
+een graauw papier toebindt, waarin verscheidene gaten moeten worden
+gestoken. Er komt een zeer onooglijk vel op de vruchten, maar men
+moet er dit volstrekt niet afnemen, vóór dat men ze gebruikt; zij
+blijven daaronder zeer goed.
+
+84. Concerf van vlierbessen. De bessen worden te vuur gezet en, onder
+gedurig roeren en kneuzen, een half uur gekookt; dan wrijft men ze door
+eene zeef. Vervolgens neemt men op 15 deelen sap, 3 deelen suiker, en
+kookt dit, op een heet vuur, zoo snel mogelijk, onder gedurig schuimen,
+zoolang tot een droppel, op een koud bord gestort, tot gelei stolt. De
+potten moeten met een papier, in brandewijn gedoopt, bedekt worden.
+
+85. Abrikozen in het zuur. Voor 2 pond rijpe, maar niet te zachte,
+abrikozen neemt men 1 p. suiker, eene halve kan wijnazijn, een half
+lood pijpkaneel en even zooveel nagelen. De azijn wordt met de suiker
+gekookt en geschuimd; dan laat men de geschilde abrikozen, die in
+de helft doorgebroken zijn en waar men de pit uithaalt, daarin door
+en door warm worden. Men laat ze daarna op een vergiet uitlekken,
+en legt ze met de gepelde pitten, de kaneel en de nagelen in eene
+flesch; den azijn kookt men nog wat dikker, en giet hem koud op
+de vruchten. Na verloop van eenige dagen kookt men hem weder op en
+herhaalt dit later nog eens.
+
+86. Kwetsen in het zuur. Voor 3 pond mooije rijpe kwetsen neemt
+men 1 p., 1 1/2 o. suiker, 1 1/2 l. pijpkaneel, 8 w. nagelen en 1
+k. goeden bruinen bierazijn, die voor het inmaken van kwetsen boven
+wijnazijn is te verkiezen. De vruchten worden afgeveegd en met een
+stalen breinaald beprikt; dan kookt men den azijn met de suiker en
+de kruiderijen, en legt de kwetsen er in, maar niet allen te gelijk,
+omdat dan die welke men er het laatst uitneemt, ligt tot moes zouden
+koken. Men laat ze er een poosje in, tot zij goed gezwollen zijn, en
+schept ze dan spoedig op een vlakken schotel, om te bekoelen; daarna
+doet men ze in den pot, dien men, met een doek bedekt, wegzet, tot het
+nog wat verdikte en koud geworden nat er over kan worden gegoten. De
+pot wordt dan toegebonden, maar na verloop van 8 dagen moet de azijn
+nog eens opgekookt, geschuimd en weder koud over de vruchten worden
+gegoten. Het geeft een aangenamen smaak aan de kwetsen als men half
+azijn en half rooden wijn voor het inmaken gebruikt.
+
+87. Morellen in het zuur. Men knipt de stelen van de morellen kort
+af en legt ze, afgeveegd zijnde, in eene flesch. Dan kookt men 2
+1/2 m. azijn met 5 o. suiker, 1 l. pijpkaneel en 1/2 l. nagelen;
+men laat dit koud worden, en giet het dan over de vruchten, die goed
+moeten onderliggen. Na eenige dagen kookt men den azijn weder op,
+en giet hem nogmaals geheel koud in de flesch.
+
+88. Peren in het zuur. Voor 4 1/2 p. vruchten neemt men 1 1/2
+p. suiker, 1 k., 2 1/2 m. wijnazijn, 1 l. kaneel en de schil van
+één citroen. De beste peren hiervoor zijn dubbelde Bergamotten,
+die volkomen rijp en zacht moeten wezen. Men schilt ze, snijdt ze in
+de helft door, haalt het klokhuis er uit, weegt ze, en werpt ze zoo
+spoedig mogelijk in koud water, opdat zij wit blijven. Nu smelt men de
+suiker in den azijn, en nadat die op het vuur goed is geschuimd, legt
+men er zooveel peren in als er naast elkander plaats kunnen vinden,
+om ze, met bijvoeging van de kruiderijen, op een levendig vuur te
+laten koken, tot men ze goed kan doorsteken; langer niet, want dan
+zouden de vruchten onooglijk van kleur worden. Als de peren zoo vlug
+mogelijk zijn gekookt, legt men ze met een lepel in de inmaakflesschen
+(men vermijde het steken met eene vork) en giet het dikgekookte nat
+er koud over. Na eenige dagen kookt men dit nog eens op en laat het
+weder bekoelen vóórdat men het in de flesschen giet. Als later de
+azijn weder dun wordt, moet men het opkoken geen dag uitstellen.
+
+89. Rozenbottels in het zuur. De bottels worden in orde gebragt,
+zooals men doet om ze te confijten, zie No. 4. Men kookt en schuimt
+azijn met suiker, doet er dan vruchten en kruiderijen in, en handele
+voorts geheel volgens genoemd recept. Voor 1 p. bottels neemt men 6
+3/4 m. azijn, 7 1/2 o. suiker, 1/2 l. kaneel en eenige nagelen.
+
+90. Meloenschillen in het zuur. Een meloen wordt geschild, en men
+schept er met een zilveren lepel het eetbare gedeelte uit. Hetgeen
+men dan overhoudt, wordt in vierkante stukjes gesneden en zoo in
+wijnazijn gezet dat het onderligt. Den volgenden dag giet men den azijn
+er af, en voegt er voor 1/2 k. ruim 6 o. suiker, 1/2 l. pijpkaneel,
+evenveel witte peperkorrels, eenige stukjes ingemaakte gember en wat
+citroenschil bij; hiermede laat men hem koken, neemt hem af, legt de
+meloenschillen er in, en schept alles te zamen in de flesschen. Dit
+herhaalt men nog tweemalen zoo, binnen het verloop van 8 dagen, en
+de laatste maal wordt de azijn tot stroop verkookt. Het geeft een
+zeer lekkeren smaak aan het zuur, als men er 1/2 l. nagelen bijvoegt;
+maar het maakt de kleur wat donker.
+
+91. Kalebassen in het zuur. Men maakt de vruchten schoon volgens
+No. 45, en brengt dan bierazijn aan de kook, waarin men de stukjes
+van de kalebas goed laat doorkoken. Er mogen niet meer tegelijk in
+worden gelegd, dan zóóveel als er op de oppervlakte van den azijn
+kunnen drijven, en als allen gekookt zijn, worden zij gewogen en tot
+den volgenden dag weggezet. Dan neemt men voor 5 o. vruchten, 3 o.,
+7 1/2 l. suiker, die men met wat wijnazijn en wat water kookt, en
+hierin laat men de stukjes, bij kleine gedeelten te gelijk, zoo lang
+medekoken, tot zij eenigzins doorschijnend zijn geworden. Daarna legt
+men ze op een vlakken schotel om koud te worden, en doet ze dan in de
+flesschen, terwijl men voorgenoemde hoeveelheid, 2 witte peperkorrels
+en 4 w. foelie er tusschen strooit. Het nat wordt er terstond over
+gegoten, en het is niet noodig om dit weder op te koken.
+
+92. Blaauwbessen in het zuur. Voor 8 kop bessen neemt men 2 p. suiker,
+1/2 l. kaneel en 1/2 kan wijn- of bierazijn. Nadat de bessen gewasschen
+en uitgelekt zijn, laat men de suiker in den azijn smelten, kookt de
+vruchten daarin goed op, en roert er de gestooten kaneel door. Den
+volgenden dag roert men de bessen nog eens door elkander, schept ze
+in potjes, en legt er een papier met brandewijn op.
+
+93. Kersappeltjes in het zuur. Voor 1 p. vruchten neemt men 5
+o. suiker, bijna 7 m. wijnazijn, 1 l. kaneel en 1/2 l. witte peper. De
+goed afgeveegde vruchten, waar men een kort steeltje aan laat blijven,
+worden in den kokenden azijn opgeweld, en als men ze er uit heeft
+genomen, laat men het nat nog wat verdampen, dat ook na eenige dagen
+op nieuw moet worden opgekookt; 1/2 l. nagelen er bijgevoegd, geeft
+aan het zuur een lekkeren smaak, doch bederft de kleur.
+
+94. Zoetzure komkommers. Men schilt de komkommers, haalt het zaad
+er goed uit, en snijdt ze in stukken, die men weegt. Voor 1 1/2
+p. vruchten laat men bijna 7 m. wijnazijn koken, met 5 o. suiker,
+1 l. pijpkaneel, 1/2 l. nagelen en 2 w. foelie. Hierin legt men de
+komkommers en kookt ze een poosje, maar zij moeten eenigzins hard
+blijven; dan worden zij in een pot gelegd, het nat nog wat verkookt,
+en niet kokend, maar toch nog warm er opgegoten. Dit moet na verloop
+van 8 dagen en later nog eens worden opgekookt.
+
+95. Heele komkommers à la Russe. Men neemt 30 komkommers waarin nog
+geen zaad is, 5 o. chalotten, 6 1/2 l. wit ongestooten mosterdzaad,
+3 l. knoflook, eene handvol basilicum, evenveel venkel en dragon,
+benevens 1 spaansche peper. De komkommers worden gewasschen en dik
+met zout bestrooid, waarmede men ze 48 uren laat staan. Dan laat men
+ze uitlekken, wrijft ze luchtig tusschen een doek af, en legt ze,
+digt naast elkander, in een steenen pot, met de genoemde kruiderijen
+er boven op. Vervolgens giet men er zooveel kokenden wijnazijn over,
+dat alles onder staat, kookt dien 14 dagen later weder op, en giet
+ze dan koud geworden op de komkommers, die in zes weken goed zijn om
+te gebruiken.
+
+96. Komkommers op gewone manier. Men veegt de komkommers droog af,
+schilt ze, ontdoet ze van het zaad en snijdt ze in stukken, die
+men, met zout bestrooid, een nacht over laat staan. Dan laat men ze
+uitdruipen, legt ze in een pot met in stukjes geknipte spaansche
+pepers, schijven mierikswortel, wat heele peperkorrels, venkel en
+dragon. Wijnazijn wordt gekookt en kokend op de komkommers gegoten.
+
+97. Augurken. Groene augurken zijn de beste; zij moeten klein en gaaf
+wezen. Men wascht ze een paar malen en schuijert er het zand en de
+scherpe puntjes af; dan zet men ze een nacht in slappe pekel. Als
+zij den volgenden dag zijn uitgelekt, zet men ze in een pot met
+mierikswortel, aan schijven gesneden, eenige stukjes drooge gember,
+wat witte peperkorrels, wat laurierbladen, eene handvol venkel en
+dragon. Dan bedekt men alles met ongekookten wijnazijn, en laat het
+zoo 14 dagen staan; na verloop van dien tijd kookt en schuimt men den
+azijn, en giet dien koud geworden op de augurken. Sommigen voegen
+er ook St. Jans uijetjes bij en, als men dit verkiest, moeten die
+met de augurken in pekel staan; men behoeft ze slechts te wasschen,
+want door het zout laat de schil los, die men er dan zeer gemakkelijk
+afnemen kan, zonder de hulp van een mes, waardoor zij altijd zwart
+gevlekt worden. Wanneer men een zakje met mosterdzaad boven op in
+den pot legt, is het niet noodig den azijn later op te koken.
+
+98. Gekookte augurken. Men laat de augurken, nadat ze goed
+schoongemaakt zijn, 24 uren in sterke pekel staan, en zet ze dan
+even zoo lang in azijn. Na verloop van dien tijd maakt men den azijn
+alléén aan den kook, doet er dan de augurken in, en laat ze gedurende
+10 minuten, onder gestadig roeren, mede koken. Vervolgens worden zij
+in een pot gelegd met de kruiderijen die in No. 97 opgegeven zijn,
+en giet men den azijn er warm op.
+
+99. Komkommers als O.-I mango. Kappers of, bij gebrek daaraan,
+ingemaakt zaad van O-I. kers, mierikswortel en chalotten snijdt
+men alles aan kleine dobbelsteentjes, en roert het door elkander,
+met grof gestooten notemuskaat, geknipte kruidnagelen, wat witte
+peperkorrels en een weinig mosterdzaad. Men neemt kleine komkommers,
+die men schoonmaakt, en waaruit men in het midden een stuk snijdt,
+ter grootte van een gulden. Door deze opening haalt men met een
+theelepelsteel de pitten en al wat er week is uit de vrucht, waarop
+men ze met zout bestrooit en zoo een nacht laat staan. Als zij den
+volgenden dag uitgelekt en wat afgedroogd zijn, vult men de binnenste
+ruimte met het hierboven genoemde mengsel, en sluit de opening weder
+met het uitgesneden stuk. Men naait een reepje nieuw linnen, van
+een paar vingers breed, om de komkommers, ten einde die gesloten te
+houden, legt ze dan in een pot, en giet er gekookten, koud geworden
+azijn over. Bij het gebruik knipt men het lapje er af.
+
+100. Mixed pickles in azijn. Men neemt mooije witte bloemkool,
+dikke, vaste brusselsche spruitjes, goed gesloten witte kool, zeer
+jonge worteltjes, kleine dunne prinsessenboontjes, jonge doperwten,
+St. Jans uijetjes of chalotten, kleine augurkjes, jonge maïskolven,
+zaad van O-I. kers en jonge tuinboontjes. De koolen, spruitjes,
+wortelen en prinsessenboontjes worden gewasschen, en de eerstgenoemde
+in stukjes gesneden; de uijen schoongemaakt volgens No. 103, de erwten
+en tuinboonen gedopt, maar niet gewasschen, en dan dit alles, ieder
+afzonderlijk, in rijkelijk gezouten kokend water geworpen, en een
+klein poosje daarin zeer zorgvuldig gekookt, zoodat het knapperig
+blijft. Dan laat men het op eene zeef afdruipen, en legt het op
+schaaltjes. De augurken en de O.-I. kers worden den vorigen avond
+gewasschen en benevens de maïskolven, die men echter niet wascht,
+met zout bestrooid, in den kelder gezet. Men laat ze den volgenden
+morgen droog uitdruipen, en schikt ze, met het gekookte, netjes in
+inmaakflesschen, met de volgende kruiderijen aan lagen er tusschen
+gelegd: schijfjes citroen, schijfjes mierikswortel, witte peperkorrels,
+dragon, venkel, laurierbladen en eenige stukjes spaansche peper. De
+bovenste laag moet uit deze kruiden bestaan, en dan wordt alles
+overgoten met raauwen azijn tot het goed onderstaat.
+
+101. Oostindische kers. Men plukt de zaden als zij nog zacht zijn;
+men wascht ze, bestrooit ze met zout, en droogt ze den volgenden
+dag tusschen een doek af, waarop men ze met heele peper, nagelen,
+veel dragon en mierikswortel er bij in een pot legt, en met azijn
+overgiet. Men kan dit zaad in allerlei sausen enz., in plaats van
+kappers gebruiken.
+
+102. Maïs in azijn. De kolven worden geplukt als zij de dikte van
+een vinger hebben, en dan, als men ze uit de omhulsels genomen heeft,
+met zout bestrooid. Zoo laat men ze een nacht staan, en laat ze dan
+uitdruipen, waarna men ze laagsgewijze in eene flesch legt, met witte
+peperkorrels, dragon, mierikswortel en basilicum er tusschen. Men
+giet er gekookten en koud geworden azijn over.
+
+103. Sint Jans Uijetjes. De uijetjes worden schoon gewasschen en dan,
+een nacht over, met zout bestrooid, weggezet, waardoor de schil loslaat
+en er zeer gemakkelijk kan worden afgenomen. Men mag daarvoor geen
+mes gebruiken, omdat zij dan zwarte vlekken krijgen, dan spoelt men
+de uijetjes af en begiet ze met kokenden azijn, waarin men ze eenige
+dagen laat staan, om vervolgens op eene zeef uit te druipen en in
+potten gelegd te worden, met witte peperkorrels, mierikswortel en
+veel dragon, aan lagen er tusschen. Vervolgens giet men er verschen,
+gekookten azijn op, en maakt den pot digt.
+
+104. Chalotten. De goed schoongemaakte chalotten worden 24 uren in
+boterpekel gezet; dan laat men ze uitlekken, en giet er koud geworden
+gekookten azijn over, men legt dragon, venkel, mierikswortel en heele
+peperkorrels tusschen de chalotten in den pot.
+
+105. Bieten. Men kieze donkerroode bieten uit, en handele met het
+schoonmaken en koken volgens C, No. 52. Dan trekt men er terstond
+de schil af, en snijdt ze, als zij koud zijn geworden, aan dunne
+schijfjes, die men in een keulschen pot legt, met peperkorrels,
+schijfjes mierikswortel, eenige stukjes gember, en zeer weinig zout;
+men kan er, des verkiezende, ook eenige laurierbladen bijvoegen. Men
+giet er vervolgens kokenden azijn op, tot zij bedekt zijn. De
+mierikswortel en gember zijn zeer noodig om de bieten goed te houden,
+en men zegt dat men ze nog langer kan bewaren, als men ze in haar
+geheel inmaakt.
+
+106. Zoetzure peren. Hiervoor zijn winterbergamotten (zoogenoemde
+mosterdperen) of pondsperen de beste soorten. Voor 14 kop vruchten
+neemt men 2 1/2 ons wit mosterdzaad, dat gemalen en dan in de koekepan
+gedroogd wordt, benevens 1 p. goede keukenstroop en bierazijn volgens
+onderstaande opgave. De peren moeten, nadat zij geplukt zijn, acht
+dagen blijven liggen, en dan worden zij, schoon gewasschen zijnde,
+ongeschild, in water ruim gekookt, tot men ze met een rietje kan
+doorsteken; maar zij mogen niet week worden. Men neemt ze er dan uit,
+en legt ze tot den volgenden morgen naast elkander op eene zuivere
+plank. Ook het water waarin zij gekookt zijn, laat men den nacht
+over rusten, en giet het den anderen dag van het bezinksel af. De
+azijn wordt met de stroop gekookt, goed geschuimd, en men laat hem
+koud worden. Dan maakt men een mengsel van 3 deelen perenwater tegen
+een deel azijn, roert het mosterdzaad daar door en giet dit op de
+peren, die men in een keulschen pot heeft gelegd, zoodat zij goed
+onderstaan. De pot wordt dan digtgebonden, en men moet hem in het
+begin dagelijks eens zachtjes schudden, opdat er geen kaam op kome;
+ook moet, na verloop van 6 dagen, het nat nog eens worden opgekookt
+en geschuimd. Een zakje met mosterdzaad boven op in den pot gelegd,
+is zeer bevorderlijk om de peren goed te bewaren.
+
+107. Ingemaakte Champignons. Men neemt kleine champignons die nog
+gesloten zijn, snijdt de stelen er af, wascht ze ongeschild in
+koud water, en laat ze op een doek droogen. Dan kookt men goed wat
+geklaarde boter (zie A. No. 17), legt de champignons er in, met wat
+witte peperkorrels en het sap van eenige citroenen, en laat ze daarin,
+onder gestadig roeren, een poosje kooken. Als zij beginnen sap los
+te laten, moet men ze afnemen en in kleine potjes leggen, met de
+boter er overgegoten, zoodat zij eenige vingersbreed onderstaan,
+en als zij geheel koud zijn, strooit men over de gestolde boter een
+dikke laag droog zout. Zij moeten op eene koude, zeer luchtige plaats
+bewaard worden.
+
+108. Champignons in azijn. Men kan hiervoor groote en kleine
+champignons nemen; men schilt ze, neemt al wat week is er af, en
+wascht ze vlug in koud water, opdat zij niet te veel water inzuigen,
+waarna men ze in een doek zooveel mogelijk afdroogt. Intusschen kookt
+men wijnazijn met peper, nagelen, laurierbladen, dragon en verscheidene
+stukken drooge gember, en laat daarin de champignons even opkoken. Dan
+legt men ze in flesschen, kookt den azijn nog wat langer en giet hem,
+koud geworden, er overheen. Na verloop van 14 dagen wordt de azijn
+nog eens opgekookt en weder koud op de champignons gegoten.
+
+109. Aspersies in het zuur. De toppen van de aspersies worden ter
+lengte van een vinger afgesneden, en dan 3 dagen in sterke boterpekel
+gelegd, waarna men ze, gedurende een kwartier, in wijnazijn laat koken
+tot zij zacht zijn. Hierin laat men ze koud worden, voorts uitlekken,
+en legt ze daarna in de potten. Men kookt verschen azijn met wat
+foelie en witte peperkorrels, en giet dien koud op de aspersies.
+
+110. Prinsessenboontjes in het zuur. De boontjes afgehaald zijnde,
+worden in water met zout gaar, maar niet te week gekookt en, als
+zij koud zijn, in een pot gelegd met wit mosterdzaad, kaneel,
+witte peperkorrels en schijfjes mierikswortel, aan lagen er
+tusschen. Onderwijl kookt men azijn met suiker, waarvan men 2 1/2
+o. voor een kan neemt, en giet dien, als hij koud geworden is, op
+de boonen, die goed moeten onderliggen en met een stukje lei worden
+bedekt. Na 8 dagen kookt men den azijn op, en giet hem koud in den pot,
+hetgeen men na verloop van weder 8 dagen nog eens herhaalt.
+
+111. Gedroogde champignons. De champignons worden goed schoongemaakt,
+doch niet gewasschen en dan aan een draad geregen, om in de zon of
+in een bekoelden oven langzaam te droogen. Men kan ze op ragouts
+gebruiken, hetzij op de gewone manier, hetzij fijngestampt.
+
+112. Gedroogde peren. De peren worden zeer goed, als men ze, wanneer
+ze reeds eenigzins zacht zijn geworden, in kokend water werpt, ze
+even laat opkomen, dan schilt en het bloempje er uitsteekt. Men legt
+ze vervolgens op teenen horden, die met papier belegd zijn, in een
+matig warmen oven, om ze langzaam, en vooral niet te hard, te laten
+droogen. Wil men ze fijner hebben, om op het dessert te gebruiken,
+dan handele men als volgt: De peren worden geschild en van de bloem
+ontdaan, waarna men ze halfgaar kookt in rhijnwijn en water, ieder
+voor de helft, met suiker, nagelen en citroenschillen. Dan legt
+men ze, op zijnde, naast elkander op eene plank, met eene andere
+plank er boven op, die men, zachtjes aan vermeerderend, met eenig
+gewigt bezwaart, tot de vruchten tot op de dikte van een vinger zijn
+platgedrukt. Vervolgens laat men ze op aarden schotels uitgespreid,
+in den fellen zonneschijn of in een matig gestookten oven, langzaam
+droogen, zonder dat zij hard worden, bestrooit ze dan met suiker,
+en bewaart ze in steenen potten. Pondsperen zijn de besten.
+
+113. Gedroogde pruimen. Men droogt ze half in den oven, drukt er dan
+de pit uit, en zet ze er weder in; zij moeten er echter niet te lang
+inblijven, maar in de lucht nog wat nadroogen. Verkiest men er de
+schillen af te halen, dan worden de vruchten in een net gebonden, en
+zóó 5 minuten lang in water gehouden, dat gekookt heeft, en nog zeer
+heet is; dan laat de schil gemakkelijk los, en men haalt er meteen
+de pitten uit. De pruimen moeten in steenen potten worden bewaard.
+
+114. Gedroogde appelen. Men neemt rijpe appelen, die door het liggen
+reeds eenigzins zacht zijn geworden, schilt ze, boort ze uit, en
+droogt ze in een matig gestookten oven.
+
+115. Gedroogde blaauwbessen. De bessen worden goed verlezen, dan dun
+uitgespreid, en eenvoudig in de zon gedroogd.
+
+116. Gedroogde kweeën. Nadat de vruchten wat zacht zijn geworden
+door het liggen, schilt men ze, en snijdt ze in achtste parten. Men
+droogt ze langzaam in een zacht gestookten oven, en gebruikt ze om
+met appelen en peren door elkaâr te stoven.
+
+
+
+
+
+
+
+V. HET INMAKEN EN DROOGEN VAN GROENTEN.
+
+
+1. Het inmaken van jonge groenten in blikken bussen. Het welslagen
+van de groenten, die op deze wijze worden ingemaakt, hangt geheel
+en al af van het sluiten der bussen; zijn deze volkomen luchtdigt
+gesloten, dan kan het ingemaakte jaren lang goed blijven, terwijl
+in het tegenovergestelde geval alles zeer spoedig bederft. Men moet
+de bussen zoo groot nemen, dat zij in één keer kunnen worden ledig
+gebruikt, want, als zij éénmaal geopend zijn, kan men den inhoud niet
+langer bewaren. De bovenrand moet zoodanig zijn ingerigt, dat men
+een rond, juist passend blikken plaatje als deksel er op kan leggen,
+niet over de bus uitstekend, maar zoo, dat het binnen den rand zakt,
+en daar een steunpunt vindt. Vóórdat men begint in te maken, moeten
+alle bussen, die reeds gebruikt zijn, door den blikslager goed worden
+nagezien, en de nieuw aangeschafte, met loog van potasch en daarna
+met heet water, worden uitgebroeid.--De groenten, die men het best
+kan inmaken, zijn doperwten, die men niet al te jong moet nemen,
+tuinboonen, snijboonen, prinsessenboonen, jonge wortelen, bloemkool
+en aspergies, alles jong en van de beste soorten. Zij worden, met
+uitzondering van de erwten en aspergies, in water met een weinig
+zout, niet te ruim, half gaar gekookt. Erwten worden gewoonlijk, in
+kort nat, niet langer dan een kwartier gekookt, en met dat nat in de
+bussen gedaan. Aspergies worden alleen gewasschen, niet gekookt, en
+dan regtop, digt ineen, in de bussen gezet, waarna men ze met kokend
+water bedekt. De overige groenten worden ook, nadat zij gekookt zijn,
+zoo warm mogelijk, en vrij stijf gepakt er in gedaan. Men moet met de
+groenten altijd een vinger breed onder het deksel blijven, en dan giet
+men zooveel van het nat in de bus, dat die ruimte tot op eene goede
+stroobreedte is verminderd; zoo moet zij blijven. Dan gaat men over tot
+het digtsolderen van de bussen, dat men door een bekwamen blikslager
+moet laten doen, en waarbij hij naauwkeurig de volgende aanwijzing
+volgen moet: Eerst wordt het deksel op het randje, waarop het steunt,
+bevestigd met een weinig soldeersel, niet meer dan noodig is om het
+even vast te houden, maar daarna moet de werkman zijn soldeersel
+druppel voor druppel op den sluitrand laten vallen, en wel zóó, dat
+die druppels, even als de pannen op een dak, elkander ter helft,
+bedekken, en er een dikke tinnen rand ontstaat. De aldus gesloten
+bussen worden dan in een grooten ketel met kokend water gezet, waarin
+zij, onafgebroken, 2 uren moeten koken, en ook koud worden. Men kan dan
+terstond beoordeelen of het kooksel goed geslaagd is, want als bodem en
+deksel van eene bus eenigzins hol, naar binnen gebogen zijn, is alles
+in orde; maar als zij daarentegen bol opsteken, is dit een bewijs dat
+er lucht in de bus is, en eene zoodanige moet opengemaakt en op nieuw
+gesoldeerd en gekookt worden. Als de bussen in het water worden gezet,
+is het zaak dat de blikslager er nog minstens een kwartier bijblijft,
+om ze gade te slaan, want de minste opening in het soldeersel is
+merkbaar door kleine blaasjes die uit de bus opstijgen. De bussen
+moeten op eene koele, zeer drooge plaats bewaard worden, en als men
+ze opent, snijdt men het deksel door, of men maakt met een gloeijende
+pook het soldeersel los. Bij het gebruik stooft men de groenten op
+de volgende wijze: Men smelt een stukje versche boter in een aarden
+of verglaasden pot, en roert daar een weinig meel in, dat men er een
+oogenblik in laat gaar worden; dan voegt men er de groenten bij met
+zooveel van het nat, als men noodig oordeelt, en een weinig zout,
+ook, waar het vereischt wordt, suiker of pieterselie, en als alles
+kokend heet is geworden, doet men het op. Aspergies worden met het
+nat en wat zout aan de kook gemaakt; dan als gewoonlijk opgedaan
+en met gewelde boter of zure saus bediend. Bloemkool wordt in het
+nat heet gemaakt en met een bloemkoolsaus (zie R, No. 29) opgedaan;
+tuinboonen worden, als zij doorwarm zijn, met wat gesmolten boter en
+pieterselie omgeschud.--Op deze wijze gereed gemaakt, zijn de groenten
+bijna als versch, maar door lang koken of opwarmen, krijgen zij een
+onaangenamen, sterken smaak. De ledige bussen moeten terstond goed
+schoongemaakt en op eene drooge plaats bewaard worden.
+
+2. Het inmaken in kruiken. Daar sommige huisvrouwen misschien opzien
+tegen de onkosten van het aanschaffen der blikken bussen om de groenten
+in te maken, volgt hier nog eene andere manier, die ten minsten voor
+snijboonen gebleken is zeer goed te zijn. De gesneden boonen worden
+zoo vast mogelijk in kruiken gepakt, die niet alleen zeer schoon,
+maar ook inwendig volkomen droog moeten wezen; men doet boven op de
+boonen in iedere kruik een theelepel zout, en bindt er een stukje
+van een blaas overheen. Dan wordende kruiken, met hooi er tusschen,
+in een ketel met koud water, over een levendig vuur gehangen, waar
+zij echter niet langer dan een uur mogen blijven; men neemt ze dan
+af en laat ze in den ketel koud worden. Daarna bezorgt men ze goed
+met lak of harpuis, en bewaart ze buiten de vorst, op eene koele en
+liefst eenigzins donkere plaats. De kruiken mogen niet worden verzet
+vóórdat men ze gebruikt; dan slaat men er den hals af, en stooft de
+boonen als versche. Hierbij is, even als bij het inmaken van vruchten,
+het zwavelen der kruiken (zie U, No. 2) zeer aan te bevelen.
+
+3. Doperwten in het zout. Tegen 3 deelen erwten neemt men 1 deel zout,
+roert dit door elkander en bindt het in een zuiver linnen zakje,
+dat men in een keulschen pot zet en met eenig gewigt bezwaart,
+b. v. zooveel als eene met water gevulde wijnflesch weegt.
+
+4. Tuinboonen. De zeer jonge boonen worden gedopt, maar niet
+gewasschen, en in goed gespoelde wijnflesschen gedaan, die men
+verder vol giet met koud geworden pekel, zoo sterk, dat er een ei op
+drijft. Zoo laat men ze anderhalven dag staan om uit te gisten, vult
+ze dan, voor zooveel noodig is, met pekel aan, kurkt en harpuist ze.
+
+5. Jonge gedroogde erwten. Zij worden gedopt en dan in kokend
+regenwater geschud, waar men ze na verloop van 5 minuten uitneemt,
+om ze, op doeken uitgespreid, te laten droogen. Vervolgens worden zij
+op papieren ramen gelegd, en verder langzaam, in een zacht gestookten
+oven, gedroogd. Om ze te bewaren hangt men ze in papieren zakjes, op
+eene luchtige en drooge plaats. Als men ze gebruiken wil, moet men ze
+'s avonds tevoren in koud regenwater zetten.
+
+6. Aspersies in boter. De aspersies moeten zeer versch wezen, en men
+maakt ze schoon, zoo als men doet als men ze kookt, legt ze dan in
+kokend water met zout in eene pan, die vooraf met zemelen uitgekookt
+moet worden, en laat ze daarin, ongedekt, gaar worden. Daarna
+spreidt men ze op een doek uit om te droogen. Nu klaart men boter
+(zie A. No. 17), giet die zorgvuldig van het bezinksel af, en legt
+er, als zij kookt, de aspersies in, die er goed in moeten doorkoken,
+en dan met de boter in potten of flesschen worden gedaan, terwijl
+men zorgen moet dat het vocht van de aspersies, dat onder in de pan
+ligt, er niet bij komt. De boter moet alles een vingerdik bedekken,
+en als zij geheel koud is, strooit men er eene even zoo dikke laag
+droog zout over.--De potten worden open, op eene drooge, luchtige
+plaats bewaard, en bij het gebruik worden de aspersies met de boter
+gewarmd, dan er uitgenomen, en, naar verkiezing, met saus voorgediend,
+of in soep en ragouts aangewend.
+
+7. Algemeene regelen bij het inmaken van herfstgroenten. Als men
+de vaten, na het vorige gebruik, goed gereinigd, gebroeid, en droog
+bewaard heeft, is het voldoende om ze voor een nieuw inmaaksel een
+nacht met warm water gevuld te laten staan, en wel op een drooge plank,
+ten einde men ontdekken kan of zij ook lekken, in welk geval men ze
+door den kuiper moeten laten nazien. Is dit niet zoo, dan kan men ze
+in de lucht droogen, om ze daarna over een test met vuur te zetten,
+waarop men eenige kruidnagelen laat branden; het vat moet over de test
+worden omgekeerd, met een blokje of iets anders aan de eene zijde er
+onder geschoven, opdat het vuur niet uitdove.--Voor groenten die bij
+het inmaken gekookt worden, gebruikt men soms koperen pannen, omdat
+de groene kleur dan beter blijft bewaard; maar indien men dit doet,
+is het niet genoeg aan te bevelen om toch vooral toe te zien, dat
+het kooksel terstond wordt uitgeschud en niet in de pan blijft staan,
+daar dit hoogst nadeelig voor de gezondheid is.--Het is de zuiverste
+manier van inmaken, als men eene sloop in het vat zet, die er goed
+van wijdte in past, en daarin de groente doet. Men slaat die ten
+slotte over alles dubbeld toe, legt er het plankje en den steen op;
+zoo doende smaakt de groente nooit naar het vat, en kan er nooit iets
+aan raken, dat ze onfrisch maakt. Mogt er kaam op komen, dan blijft
+die op de sloop liggen, en het schoonmaken en nazien van de vaten,
+dat om de 14 dagen moet geschieden, is dus zeer gemakkelijk. Bij
+die gelegenheid neemt men de kanten van het vat met schoon water af,
+en evenzoo de plank en den steen, terwijl men, als de pekel van het
+eene of andere vat te zeer is opgedroogd, dit met versche pekel,
+die koud geworden is, aanvult, want men moet steeds zorgen dat het
+inmaaksel goed onderligt.
+
+8. Snijboonen raauw ingemaakt. De beste soorten van boonen zijn
+de zoogenaamde slagzwaarden; zij moeten zeer zacht zijn en er
+satijnachtig uitzien. Men haalt ze zorgvuldig af en snijdt ze fijn,
+terwijl men tegen 100 boonen op 2 o. zout rekent. Naar verkiezing kan
+men boonen en zout door elkander roeren en zóó een nacht over laten
+staan, of men kan ze terstond in het vat pakken, met het zout er
+tusschen gestrooid. Dit moet zoo stijf mogelijk, met de hand of een
+omwonden stuk hout drukkende, geschieden, en als het vat is gevuld,
+legt men er een plankje met een paar zware steenen op; men zal dan den
+volgenden dag den inhoud zeer geslonken vinden, zoodat er nog eene
+goede massa kan worden bijgevoegd. Zoo gaat men met het aanvullen
+voort, tot de boonen niet meer zakken en goed onder de pekel staan,
+dan kan men het gewigt wat verminderen.
+
+9. Snijboonen afgekookt ingemaakt. Men brengt in een koperen ketel
+water aan het koken, en schudt de gesneden boonen daarin; zij behoeven
+er niet in door te koken en mogen er slechts eenige minuten inblijven,
+waarna men ze op een doorslag of, als men veel heeft, in eene mand
+legt en er, om ze te bekoelen, eene goede hoeveelheid koud water
+overgiet. Dan wordt de bodem van het vat met wat zout bestrooid en de
+boonen, met eenig zout er tusschen, stijf daarin gedrukt. Men kookt
+dan weder eene nieuwe portie boonen op dezelfde wijze, maar neemt
+voor elk kooksel versch water.--Als men met het afkoken gereed is,
+strooit men een laagje zout boven op alles en giet er koud water over,
+zoodat de boonen bedekt zijn. In het begin moet men niet meer gewigt
+op het plankje zetten, dan noodig is om de boonen onder te houden,
+terwijl men het later wat verzwaren kan. Men giet er na verloop van
+14 dagen het nat af, en giet er versch koud water op, hetgeen men,
+zoolang de boonen duren, telkens om de 14 dagen herhaalt. De op
+deze wijze ingemaakte boonen hebben eene bijzonder mooije kleur,
+behoeven slechts weinig zout en ook maar een korten tijd om bij het
+koken zacht te worden; ook hebben zij geen onaangenamen reuk en smaken
+geheel als versche.
+
+10. Prinsessenboonen worden goed afgehaald, gewasschen, en voorts
+behandeld als snijboonen volgens No. 8. Op 15 p. boonen neemt men
+1/2 p. zout.--Ook kan men ze eenige minuten in een koperen ketel
+met kokend water laten doorkoken en ze, als zij koud geworden zijn,
+met lagen zout er tusschen gestrooid, in het vat drukken.
+
+11. Prinsessenboonen in azijn. De boonen worden, nadat zij zijn
+afgehaald, in een koperen ketel met bruisend kokend water geworpen,
+waarin zij niet langer dan 5 minuten mogen blijven, al is het water
+van de kook geraakt, want zij worden ligt te week en zouden dan
+bederven. Daarop spreidt men ze uit om koud te worden, maar niet in
+de lucht, die de groene kleur wegnemen zou, en vervolgens legt men
+ze in een pot met goed wat mierikswortel of stukken drooge gember,
+laurierbladen, heele peper en wat nagelen. Men mengt vervolgens 2
+k. wijnazijn en 1 k. water door elkaâr, werpt er eene handvol zout
+in, en roert zoolang tot het zout gesmolten is; dan giet men het
+op de boonen, die geheel moeten onderstaan, en legt een zakje met
+mosterdzaad boven op alles in den pot (zie U, No. 1). Bij het gebruik
+worden de boonen afgekookt, en met olie en azijn als salade gegeven,
+of ook wel gestoofd als groente, met eijersaus.
+
+12. Raapstelen. De stelen worden, nadat zij gewasschen en uitgedropen
+zijn, fijngesneden en, naar verkiezing, raauw of even gekookt, als
+snijboonen met zout ingemaakt. In het eerste geval wordt het zout er
+goed doorgemengd, en alles, nadat het een nacht over gestaan heeft,
+stijf in het vat gepakt. Als men ze kookt, moet men het nat bewaren,
+tot men zeker is dat er genoeg pekel op het ingemaakte komt, ten
+einde het, zoo noodig, er nog te kunnen bijgieten.
+
+13. Zuurkool. Men neemt voor de helft vaste witte kool, en voor de
+helft gele savooi kool, die men fijn snijdt, en dan met niet te veel
+zout luchtig met de hand door elkaâr roert, tot zij vochtig wordt. Dan
+drukt men haar stijf, met een omwonden stuk hout, in het vat, en
+strooit er wat heele peperkorrels en jeneverbessen door. Indien men
+de hoeveelheid van een kopje raapolie gaandeweg tusschen de kool
+sprenkelt, wordt zij daardoor zacht en mooi van kleur.
+
+14. Andijvie. De andijvie wordt gesneden zoo als men doet om ze te
+stoven; dan wascht men ze en laat ze uitdruipen. Daarna wordt zij in
+het vat gedrukt, met zout er tusschen, waarvan de maat niet juist kan
+worden opgegeven, omdat de struiken soms zeer in grootte verschillen;
+men handele daarbij volgens zijn eigen oordeel.
+
+15. Kropsalade wordt raauw of half gaar gekookt, als andijvie
+ingemaakt.
+
+16. Postelein wordt gewasschen, en met het water dat er aan hangen
+blijft gesmolten; dan doet men ze in wijnflesschen en zorgt dat zij
+door een paar vingers breed nat zijn bedekt, waarna men ze kurkt
+en harpuist.
+
+17. Zuring maakt men even als postelein in, maar men kan die
+in flesschen met wijde halzen doen en ze met eene laag boter of
+schapenvet er boven op, bewaren. De flesschen moeten met eene blaas
+worden gesloten.
+
+
+
+
+
+
+
+W. DRANKEN EN LIKEUREN.
+
+
+1. Het wasschen, branden, malen en zetten van koffij. Mokka is de
+fijnste, lekkerste en duurste soort van koffij, maar niet de beste voor
+de gezondheid; hierop volgt de echte bruine Java-koffij, en de Minado
+staat met deze gelijk. Portorico is sterk, krachtig en aangenaam om te
+gebruiken, maar als zij te zeer gebrand is, krijgt zij een scherpen
+smaak. Domingo is minder krachtig, en dikwijls zeer onzuiver, maar
+zacht en gezond. Braziliaansche koffij is ondrinkbaar.--De goede
+smaak van koffij hangt bijna evenveel af van het branden als van de
+kwaliteit; te sterk gebrand, wordt zij scherp; te weinig gebrand,
+is de smaak onaangenaam, flaauw en eenigzins zuurachtig. Men zal
+wel doen om de koffij boonen vóór het gebruik na te zien, als men
+ze ten minste niet van een vertrouwden handelaar heeft gekocht;
+want eene enkele zwarte, schimmelachtige boon kan een geheel zetsel
+bederven. Sommigen zijn van meening, dat de koffij er beter door
+wordt, als men de boonen vóór het branden wascht; maar al was dit
+ook niet zoo, dan zal men er ten minsten dit bij winnen, dat men
+weet of de koffij geverfd is of niet. Ingeval men dit wil doen, neme
+men daarvoor koud water, wrijve de boonen vlug tusschen de handen,
+en legge die op een doorslag. Dan moet er water over worden gegoten,
+en men droogt ze met een groven, schoonen doek af, waar men de boonen
+goed mede afwrijft, om ze daarna in de zon of op eene warme plaats
+verder te laten droogen.--Voor het branden is het beter dat men eene
+trommel neemt die geschud wordt, dan eene welke men draait, omdat men
+de eerste spoediger en gemakkelijker openen kan, om telkens te zien of
+men met branden reeds den gevorderden graad bereikt heeft. Men moet
+zorgen, dat het vuur niet al te heet is, maar toch levendig brandt,
+en de trommel moet zonder ophouden duchtig worden geschud, opdat de
+boonen allen eene gelijkmatige kleur krijgen; echter mogen zij nooit
+zoover komen, dat de olie er als pareltjes uitdringt, want niet alleen
+verliest de koffij daardoor haar geur, maar men zegt ook, dat zij dan
+minder goed voor de gezondheid wordt. Als de boonen een helderbruine
+kleur gekregen hebben en gemakkelijk kunnen worden doorgebroken,
+zijn zij goed. Bij eenige oefening leert men berekenen, hoever men
+met het branden is gevorderd, en kan dan de trommel eenige minuten
+vroeger van het vuur nemen, zoodat de boonen den laatsten graad alleen
+door schudden bereiken, waardoor de koffij krachtiger blijft. Daar de
+koffij juist op het laatst zeer spoedig te donker van kleur wordt, zal
+men wel doen met een platten bak in gereedheid te houden, waarop men
+snel den trommel ledigen, en den inhoud uitspreiden en omroeren kan.
+
+Om koffij te bewaren neemt men blikken trommels of wijde glazen
+flesschen, die goed gesloten zijn, en bij het malen zorge men voor
+een goed gescherpten koffijmolen, daar fijn gemalen koffij beter
+afkookt dan grove, en ook veel helderder is. Wanneer men men voor een
+klein getal personen goede sterke koffij wil zetten, dan rekent men
+voor ieder op 1 l., maar bij een groot gezelschap kan men per hoofd
+wat minder nemen. In eene filtreerkan moet men natuurlijk het water
+langzamerhand in de bovenste bus gieten, naarmate het vorige er is
+doorgelekt, maar als men koffij kookt, moet de kan, vóórdat men de
+koffij er indoet, warm worden gemaakt, dan al het vereischte water
+er te gelijk kokend worden overgegoten, en de kan te vuur gezet,
+tot de koffij goed is doorgekookt, waarna men haar even laat staan
+om te bezinken. Room of gekookte melk maken de koffij bijzonder lekker.
+
+2. Thee. Zwarte thee is beter voor de gezondheid dan groene, en de
+allerbeste is Pecco; daarop volgt Souchon, en Congo thee is de minste
+soort. Hoe meer witte puntjes men in de thee ziet, des te beter is zij,
+want dat zijn de hartblaadjes, die de meeste kracht bevatten.--Om goede
+thee te zetten, moet men hardkokend water, en wel liefst regenwater,
+hebben. Eerst wordt de theepot daarmede gewarmd, en dan voor ieder
+persoon een goede lepel thee (bij een klein getal gasten wat meer)
+daarin gedaan, met zeer weinig water er opgegoten, en nadat de thee
+eenigen tijd daarmede heeft staan trekken, giet men den pot half vol;
+wat later vult men dien geheel. De thee mag wel op een komfoor worden
+gezet, maar men moet zorgen dat zij niet kookt. Bij het schenken moet
+men nooit water in de kopjes gieten, maar men schenke die ieder half
+zoo vol als men ze hebben wil, giete dan wat water in den pot, en vulle
+de kopjes verder aan. Als men een groot gezelschap moet bedienen,
+is het best om thee in twee potten te gelijk te zetten, zoodat die
+beurtelings kunnen worden gebruikt, en als men bij onverwacht bezoek
+nog wat thee bij het reeds eenigzins afgetrokken zetsel wil voegen,
+doe men dit op het oogenblik dat de pot is afgeschonken.
+
+3. Melkchocolade. De berekening voor chocolade is een koekje op eene
+kan melk. Men breekt het koekje aan kleine stukjes, voegt er bruine
+suiker bij, en een paar theelepeltjes water (meer niet); hiermede
+zet men het op den wasem van kokend water en, naarmate het smelt, kan
+men het een weinig aanlengen, tot het eene dikke pap is die men roeren
+kan. De melk wordt afzonderlijk opgezet, en als die kookt, roert men er
+de gesmolten chocolade, met zooveel suiker als nog noodig is, door, en
+laat alles te zamen gedurende 10 minuten, onder gestadig roeren, koken.
+
+4. Waterchocolade. Men kan bij goede chocolade 4 kopjes water op
+een koekje rekenen, zij wordt gesmolten, volgens No. 3, als men
+geene geprepareerde chocolade, maar cacao neemt, dan voegt men er
+voor de hoeveelheid van een koekje, één theelepel gestooten kaneel
+bij. Ook doet men er, in ieder geval, na het smelten, per koekje
+een klein theelepeltje aardappelmeel in. Nadat de chocolade goed
+is gesmolten en fijngewreven, giet men er, langzamerhand en steeds
+roerende, het noodige water bij, en laat ze dan op het vuur zachtjes
+dik worden. Ingeval men verkiest ze ten slotte met eijerdoijers te
+binden, dan kan het aardappelmeel achterwege blijven.
+
+5. Poederchocolade. Men neemt hiervan een goeden theelepel om een kop
+vol gereed te maken; voegt er naar den smaak suiker bij, en giet er,
+al roerende, kokend water op.
+
+6. Slemp. 1/4 kopje thee, 1 lepel gepelde garst, een weinig saffraan,
+tusschen vinger en duim genomen, 6 fijngeknipte kruidnagelen, wat
+foelie en kaneel, worden in een theepot, waarvan men de tuit met
+een papier verstopt, gedurende een uur op een warme plaat of op een
+komfoor te trekken gezet. Dan kookt men 1 1/2 k. melk, en giet het
+aftreksel van genoemde kruiderijen door een zeefje daarin, laat alles
+te zamen even goed doorkoken, en bindt het met 4 eijerdoijers.
+
+7. Kandeel. Op 1 flesch rhijnwijn en 1 flesch witten wijn,
+met pijpkaneel en suiker naar den smaak gekookt, neemt men 4
+geklutste eijerdoijers, die er zeer voorzigtig op het vuur worden
+doorgeroerd. Men laat het, steeds roerende, nog even opstaan, totdat
+de kandeel dik wordt.
+
+8. Punch impérial. Een aan fijne schijfjes gesneden ananas,
+1 fl. champagne, 1 fl. rhijnwijn, bijna 1 fl. arak, 1/2 kruik
+Seltzerwater, 1 k. kokend water, 3 o. suiker, waarop men de schil
+van eene halve citroen afraspt, 4 china'sappelen in achtste parten
+gesneden, het sap van 4 citroenen, 3 w. pijpkaneel en het derde
+gedeelte van een stokje vanille.--De vanille en kaneel laat men in
+een weinig kokend water goed uittrekken, en giet dit in den bowl,
+waarin men ook de ananas, de suiker, de china'sappelen, het citroensap
+en het overige kokende water doet. Nadat dit koud is geworden, voegt
+men den wijn, den arak en het minerale water er bij.
+
+9. Aardbeziepunch. Men neemt 1 p. aardbeziën, drukt die in een steenen
+schotel met een lepel fijn, doet ze dan in eene flesch of een pot,
+dien men goed kan sluiten, en giet er eene flesch goeden rhum op,
+waarmede men ze 2 of 3 dagen laat staan, terwijl men het mengsel in
+dien tijd verscheiden malen moet omroeren. Dan laat men het door eene
+haarzeef loopen, en wringt het overblijvende door een doek. Men kan
+dezen aardbezierhum in goed gekurkte flesschen en liggend bewaren,
+tot men hem voor het maken van punch wil gebruiken.--Hiervoor neemt
+men dan op 1 flesch het sap van 2 citroenen, 5 o. of, naar den smaak,
+meer suiker en 3 flesschen water. De suiker wordt in den bowl gelegd,
+de citroenen daarop uitgeperst; dan de aardbezierhum er opgegoten,
+en het laatst het kokende water. De punch wordt toegedekt, en men
+laat haar koud worden; zij is dan lekkerder, dan wanneer men haar
+warm gebruikt. Als men den rhum wat lang laat liggen, wordt hij wel
+eens eenigzins geleiachtig; men kan het dan met schudden wel zoover
+brengen dat men hem uit de flesch kan krijgen, en hij lost zich door
+het warme water terstond op.
+
+10. Punch van arak. 1 deel citroensap, 2 deelen suiker en 4 deelen
+arak, met 8 deelen kokend water dooreengeroerd.
+
+11. Punch van rhijnwijn. 6 fl. rhijnwijn en 3/4 fl. arak worden, met 1
+p. suiker, kokend heet gemaakt, en dan in een bowl gegoten. Sommigen
+voegen er 1/2 flesch sterke thee bij; dan echter ook het sap en de
+geraspte schil van 2 citroenen, en eene grootere hoeveelheid suiker.
+
+12. Mecklenburger Punch. Men neemt hiervoor 1 fl. sterke thee, 4
+fl. rooden wijn, 1 fl. portwijn, 1 fl. cognac, 1/2 fl. madera en 1
+p. suiker, waarop 2 citroenen zijn afgeraspt.
+
+13. Eijerpunch. 1 1/2 fl. goede roode wijn, 1/2 k. kokend water,
+2 1/2 o. suiker, waarop eene citroenschil is geraspt, het sap van 2
+citroenen, een weinig thee, notemuskaat en nagelen, 8 eijeren. Men
+laat de thee en kruiderijen in het kokende water aftrekken, en giet
+dat door een doekje bij het overige, dat op een levendig vuur met de
+garde tot schuim moet worden geslagen; koken mag het echter niet. Nadat
+de pan is afgenomen, zet men het slaan nog een poosje voort, en giet
+er intusschen wat arak, naar den smaak, bij.
+
+14. Warme wijn. Op eene flesch rooden wijn neemt men 1 1/2 ons suiker
+en 1 l. pijpkaneel. Men stopt de tuit van den ketel met een papier
+digt, en laat het zoo kokend heet worden.
+
+15. Koude eijerwijn. Men neemt voor 1/2 fl. rooden of witten wijn 3
+eijerdoijers, die men klutst met suiker en notemuskaat; dan giet men
+er zachtjes aan den wijn bij.
+
+16. Bisschop. In eene flesch rooden wijn doet men 1 ons suiker en de
+schil van 2 kleine groene oranjeappeltjes, die zoo dun mogelijk er
+is afgenomen. Men neemt de schillen er na 10 minuten uit, en kan ze
+dan later nog eens gebruiken.
+
+17. Kardinaal van china'sappelen. Op eene flesch witten wijn neemt
+men een china'sappel en 1 o. suiker.
+
+18. Kardinaal van ananas. Op een ananas, die in dunne schijven wordt
+gesneden, strooit men 1 o. suiker, en giet er een glas madera over; zoo
+zet men hem 24 uren te trekken. Daarna legt men alles in den punchbowl,
+en voegt er 8 of 12 flesschen rhijn- of moezelwijn bij, benevens 1
+flesch rooden wijn en naar verkiezing 1/2 kruik Seltzerwater.--Is het
+gezelschap niet zoo groot dat men den geheelen ananas noodig heeft,
+dan kan men het overschietende bewaren volgens U, No. 43.
+
+19. Aardbeziebowl. Men bestrooit een soepbord vol goede rijpe
+aardbeziën dik met suiker, en giet er een weinigje water op, waarmede
+men ze een uur lang, toegedekt, laat staan om te trekken; daarna
+voegt men er 4 flesschen rhijn- of moezelwijn bij, benevens eene
+halve flesch rooden wijn en even zooveel Seltzerwater.
+
+20. Parijzer kardinaalextract. Bijna 7 m. arak, de schil van 4
+china'sappelen, 6 1/2 l. grof gestooten kaneel en een stukje fijn
+geknipte vanille. Alles wordt te zamen in eene flesch gedaan, en
+men laat het bij eene zachte warmte 3 dagen trekken, terwijl men
+de flesch tusschenbeide goed omschudt; dan filtreert men het door
+filtreerpapier. Als men het gebruiken wil, neemt men van dit extract 2
+lepels op eene flesch rhijnwijn, en roert er 8 l. of 1 o. suiker door.
+
+21. Resedabowl. Men neemt een theeschoteltje vol met de bovenste
+puntjes van reseda, en giet daarop 2 flesschen rhijnwijn en 1 flesch
+rooden wijn Ahrwijn of ordinairen Bourgognewijn. Zoo laat men het
+een paar uren trekken, en roert er suiker naar den smaak in.
+
+22. Kruidenwijn. 6 1/2 l. melisse, 5 l. zwarte bessen bladeren, 1 1/2
+l. thym, 8 w. kruizemunt, 8 w. dragon, 8 w. pimpernel, 5 saliebladeren,
+8 w. lavendel, 3 citroenen, waar de pitten zijn uitgehaald, aan
+schijven gesneden, legt men te zamen in een bowl; dan voegt men er
+1 o. suiker bij, en kan er 10 flesschen half rhijn- half moezelwijn
+op gieten, waarmede men alles een half uur laat staan trekken. Dan
+neemt men de kruiden er uit, en laat alleen de citroenschijven er in
+blijven, terwijl men er tot versiering appelbloesem, blaauwe ruikende
+viooltjes of aardbeziebloemen op kan strooijen. Een eenvoudiger,
+doch ook zeer goed recept is het volgende: 8 w. citroenkruid, wat
+zwarte bessenbladeren, wat pijpkaneel, 3 citroenen aan schijven
+gesneden, 8 flesschen rhijnwijn, en 6 1/2 o. suiker.--Ook kan men
+den kruidenwijn bereiden van enkel lievevrouwen-bedstroo, dat men
+eenige dagen in eene gesloten doos heeft bewaard, en citroenen. Men
+legt er dan ook eenige stukjes china'sappel in, zonder de schillen,
+en geeft die bij het voordienen in de glazen er bij.
+
+23. Bessenwijn. Men kan hiervoor naar verkiezing roode of witte bessen
+gebruiken, en als men een vat heeft, zoo groot als een achtendeel,
+neemt men 10 p. vruchten, waarvan het sap, zonder dat men ze behoeft
+af te risten, wordt uitgewrongen. Het vat moet zuiver uitgebroeid
+en daarna gezwaveld worden, terwijl men den kraan er terstond
+insteekt. Dan giet men het sap er in met 7 p. basterdsuiker, en vult
+het vat verder aan met gekookt en koud geworden regenwater; zoo legt
+men het op een warme plaats, om te gisten, en roert er dagelijks in met
+een stokje, terwijl men het schuim er afschept en telkens het ledige
+aanvult met koud geworden water, waarvan men eene kan vol bij het vat
+moet nederzetten; dit moet altijd boordevol worden gehouden, zoodat
+alle onreinheden gemakkelijk over het spongat kunnen wegloopen. Op
+deze wijze gaat men voort tot er volstrekt geene werking meer in
+den wijn is, en de oppervlakte zich volkomen helder vertoont; dan
+maakt men het vat digt, en legt het in den kelder op eene stelling,
+waar het op kan blijven liggen tot de wijn is afgetapt. Dit doet men
+eerst in het laatst van December, en de flesschen worden goed gekurkt
+en regtopstaande bewaard. Het is zeer doelmatig om twee kraangaten in
+het vat te hebben, waarvan men eerst het bovenste gebruikt, en als
+de wijn zoover is afgetapt, kan men het tweede, dat zeer laag moet
+zijn aangebragt, in werking stellen, zonder dat men het vat behoeft
+te ligten, waardoor de wijn ligt troebel wordt. Deze wijn kan jaren
+lang goed blijven, en is zeer lekker om voor kandeel of bisschop
+te gebruiken.
+
+24. Whip. 2 fl. witten wijn, 2 1/2 o. suiker, de geraspte schil en
+het sap van 2 citroenen, 1 1/2 w. pijpkaneel en 6 geklutste eijeren,
+slaat men stevig met de garde op een levendig vuur, tot het aan het
+koken toe is; dan giet men het in den bowl, en dient het warm.
+
+25. Grog. Bij 1 deel arak of rhum voegt men 2 deelen kokend water en
+suiker naar den smaak.
+
+26. Hoppelpoppel. Men klutst 4 eijerdoijers met 1/2 geraspte
+notemuskaat, en roert er 2 1/2 m. zoeten room door; dan giet men
+er evenveel arak of rhum bij, en verzoet het met suiker, naar den
+smaak.--Men kan dezen drank ook warm geven, en dan laat men den room
+met de suiker even aan de kook komen, neemt ze af, voegt er voorzigtig
+de geklutste eijerdoijers bij, en giet er het laatst den rhum in.
+
+27. Schuimbier. Voor 1 kan bier neemt men 4 eijeren, 1 o., 3 1/2
+l. suiker en wat citroenschillen.--De eijeren worden geklopt en dan
+met de suiker en het bier goed dooreengeroerd, en op een levendig
+vuur goed met de garde geslagen, tot het aan de kook is (koken mag
+het niet, omdat het dan schiften zou.) Men neemt het dan af, en zet
+het slaan nog een oogenblik voort, eer het in de glazen wordt geschept.
+
+28. Limonade. 2 deelen water, 1 deel witten wijn en citroensap verzoet
+men met suiker, naar den smaak. Voor het gebruik in ziekte laat men
+den wijn achterwege.
+
+29. Orgeade. Een pakje orgeade, zoo als men bij den banketbakker haalt,
+roert men fijn met 1 fl. koud water, en laat het zoo eenige uren staan
+trekken, terwijl men er tusschenbeiden eens in roert en het, na verloop
+van dien tijd, door een neteldoekschen doek wringt. Indien men zich
+geene orgeade verschaffen kan, neemt men 1 o., 2 1/2 l. gepelde en
+geraspte zoete amandelen, die men op dezelfde wijze behandelt, maar
+waarbij natuurlijk de noodige suiker moet worden gevoegd. Deze drank
+blijft slechts een paar dagen goed, en men moet hem in flesschen met
+een papieren stop er op, in eene kom met koud water gezet, in den
+kelder bewaren.
+
+30. Gortwater voor zieken. De gort moet men met kokend water en eenige
+citroen schijven, zonder pitten, of een weinigje azijn, waardoor zij
+nog witter wordt, op het vuur zetten en zacht laten koken. Na verloop
+van een uur giet men het nat door eene zeef, en voegt er de noodige
+suiker bij.
+
+31. Om wei voor zieken te maken. Als men in eene streek woont waar kaas
+gemaakt wordt, kan men gemakkelijk wei bekomen, maar, indien dit niet
+zoo is, moet men, om zich daarvan te voorzien, op de volgende manier
+handelen: Men laat 1 kan melk zachtjes koken, en werpt er dan een stuk
+van eene kalfsmaag in, ter lengte van een vinger, met het water waarin
+dat stuk gedurende 12 uren heeft staan weeken. Men kookt alles te zamen
+op een zacht vuur, zoolang tot het dikke gedeelte van de melk zich
+afscheidt, dat doorgaans binnen een half uur gebeurt. Dan giet men het
+in een linnen zakje om uit te druipen.--Bij gebrek aan een kalfsmaag,
+kan men zijn doel ook bereiken door een lepel dik geworden zure melk.
+
+32. Broodwater voor zieken. Men roostert een paar sneden wittebrood,
+en giet daar kokend water op, waarin men het een oogenblik laat staan
+trekken. Dan schept men het nat er af, giet het door een zeefje, en
+voegt er, voor den smaak, wat rooden- of rhijnwijn, ook wel citroensap
+of suiker bij.
+
+33. Lait de poule voor zieken. Men klutst een ei met veel suiker,
+en lengt het dan, al roerende, aan met kokend water, tot men een
+bouillonkop vol heeft.
+
+34. Appeldrank voor zieken. Men neme 8 gewasschen en met de schil in
+vierdeparten gesneden zure appelen, het sap van 1 citroen, en de halve,
+fijngesneden schil, een stuk pijpkaneel, een half kopje rozijnen,
+en evenveel krenten. Dit alles wordt met 2 k. water zóólang gekookt
+tot de appelen week zijn, dan door eene haarzeef gegoten, en met de
+noodige suiker doorgeroerd. Men drinkt het koud.
+
+35. IJslandsch mos voor zieken. Men laat 3 1/2 l. IJslandsch mos met
+1 k. water, ongeveer 3 uren, tot op 3 kopjes verkoken. Dan wrijft men
+het door eene zeef, en drinkt het met suiker. Om gelei van IJslandsch
+mos te koken, zet men 4 1/2 lood mos met eene flesch water te vuur,
+voegt er 12 lood Boerhavensche suiker bij, en laat het tot op eene
+halve flesch verkoken.
+
+36. Violenazijn voor zieken. 3 handenvol ruikende viooltjes plukt
+men van de stelen, en doet ze in eene flesch, die men verder met
+wijnazijn vult en, goed gekurkt, gedurende eenigen tijd in de zon
+of op een warmen oven laat trekken. Dan laat men den azijn door
+filtreerpapier loopen, en bewaart hem voor het gebruik in eene goed
+gesloten flesch. Men geeft daarvan een theelepel in een klein glas
+water met suiker.--Behalve dat hij een goed middel tegen zenuwhoofdpijn
+is, geeft deze azijn ook een fijnen geur aan sausen en ragouts.
+
+
+
+
+Likeuren.
+
+37. Algemeene regelen voor het bereiden van likeuren. Men moet
+voorzien zijn van groote flesschen, met wijde halzen, waarin men den
+brandewijn kan doen, benevens datgene wat men daarop wil trekken. Men
+kan daarvoor franschen of korenbrandewijn, naar verkiezing, gebruiken,
+en zulk eene gevulde flesch moet, goed gekurkt, 3 of 4 weken in de
+zon of op eene warme plaats worden gezet, terwijl men haar dikwijls
+schudt. Als het aftrekken gedaan is, smelt en klaart men de suiker,
+giet die, als zij wat bekoeld is, bij den brandewijn, en laat alles
+door filtreerpapier loopen. Daarna bewaart men de dus bereide likeuren
+in schoone, drooge en goedgekurkte flesschen. Bij franschen brandewijn
+van 85 graden Tralles, kan men voor 1/4 deel gekookt water voegen,
+dat men bij de geschuimde suiker giet, en bij de volgende recepten is
+er op gerekend, dat 1 kan brandewijn in de opgave eigenlijk bestaat
+uit 3/4 kan brandewijn en 1/4 kan water.
+
+38. Nagellikeur. 1 k. brandewijn, 1 o., 2 1/2 l. suiker, 8 w. nagelen,
+1 1/2 l. korianderzaad, beide grof gestooten, en 20 gedroogde kersen.
+
+39. Kaneellikeur. 1 k. brandewijn, 1 o., 2 1/2 1. suiker en 1
+l. gestooten kaneel.
+
+40. Kruidenlikeur. 1 1/2 k. brandewijn, 2 1/2 o. suiker, 1 1/2
+l. venkel, anijszaad, jeneverbessen of korianderzaad, 4 w. kaneel en
+6 of 8 nagelen.
+
+41. Fransche notenlikeur. 30 stuks walnoten, die omstreeks St. Jan
+(24 Junij) geplukt zijn, stampt men fijn, voegt er 3 o. kruidnagelen,
+4 w. kaneel en 1 fl. cognac bij, waarmede men ze 7 weken lang in de
+zon zet, terwijl men de flesch dagelijks schudt. Dan filtreert men het
+door een wollen lapje, voegt er wat kandijsuiker bij, en laat de likeur
+daarmede nog eenige dagen staan, vóórdat men die in de flesschen doet.
+
+42. Aardbezielikeur. Men vult eene flesch voor de helft met aardbeziën,
+en voor de andere helft met gestooten kandij, terwijl men die verder
+vol giet met brandewijn of arak. Men zet haar, gedurende eenige
+maanden, dagelijks in de zon, giet daarna den inhoud door een flanellen
+lapje, en de likeur is gereed.
+
+43. Curaçao. 1 k. brandewijn, 1 o., 2 1/2 l. schillen van oranje- of
+china'sappelen, en 2 1/2 o. gestooten bruine kandij. De schillen worden
+in water gelegd, ten einde men gemakkelijk het geel van het wit kunne
+aftrekken; het eerstgenoemde wordt dan in kleine stukjes gesneden en
+in den brandewijn geworpen, waarmede men ze, goed gekurkt, 3 weken in
+den kelder, of 14 dagen bij kagchelwarmte laat trekken, terwijl men de
+flesch dagelijks schudt.--Daarna neemt men de schillen weg, perst ze
+goed uit, en doet nu de suiker in den brandewijn, dien men laat staan
+tot de kandij gesmolten is, en dan eerst filtreert men het door papier.
+
+44. Eau de coins. De kweeën worden goed afgeveegd, geraspt en dan
+24 uren in den kelder gezet. Vervolgens wringt men ze door een doek
+en meet het sap. Voor iedere kan daarvan rekent men 2 o., 7 1/2
+l. suiker, die men klaart, en dan met het vruchtensap gedurende een
+kwartier op zacht vuur laat koken. Men laat het kooksel een weinig
+bekoelen, en giet er dan dezelfde hoeveelheid brandewijn (ditmaal
+zonder water) bij.--Op iedere kan van dit mengsel doet men 1 1/2
+l. bittere amandelen en 2 1/2 l. ongestooten korianderzaad. Dit alles
+te zamen moet 8 dagen trekken, en van tijd tot tijd geschud worden;
+dan laat men het door filtreerpapier in kleine fleschjes loopen,
+die men goed gekurkt bewaart.
+
+45. Kersenlikeur. 1 k. brandewijn, 2 1/2 o. suiker, 5 ons kersen
+en 5 o. morellen, die in een steenen mortier, met de pitten, worden
+gestampt; 1 kopje zwarte bessen en 1/2 lood kaneel doet men te zamen
+in eene flesch om 24 uren te trekken, en dan te filtreren.
+
+46. Frambozenlikeur. 1 k. brandewijn, 3 w. kaneel, 3 o., 7 1/2
+l. suiker, en bijna 1/2 kop frambozen laat men te zamen 24 uren
+trekken, en dan filtreert men het.
+
+47. Likeur van zwarte bessen. Men rigte zich naar No. 46 maar behoeft
+slechts 2 1/2 o. suiker te nemen.
+
+48. Huile de citron. Snijdt het vleesch van 8 citroenen in stukjes,
+en laat dit 6 weken in een k. brandewijn trekken, terwijl de flesch
+dikwijls moet worden geschud. Neemt er dan den citroen uit, wringt
+dien door een lapje, en laat den brandewijn, met 1 p. suiker er bij,
+nog een paar dagen staan. Daarop wordt het door filtreerpapier in de
+fleschjes gegoten.
+
+
+
+
+
+
+
+X. HET PEKELEN EN KOOKEN VAN VLEESCH, BENEVENS HET WORSTMAKEN.
+
+
+1. Algemeene regelen voor alles wat de slagt betreft, zijn zeer
+uitvoerig te vinden in de Huisvrouw. Hier volgen eenige recepten.
+
+2. Saucis de Boulogne. Men neemt hiervoor van het beste varkensvleesch,
+en wel 5 deelen mager tegen 1 deel, of iets meer, spek; alle vellen,
+zenuwen en harde stukjes worden er zorgvuldig uitgezocht, en dan
+hakt men alles zoo fijn mogelijk, tot men, een daarvan gemaakt
+balletje doorbrekende, in 't geheel geen vaste vleeschdeelen meer
+ziet. Daarna wordt het vleesch, met het bloedige vocht dat er uit is
+geloopen, gewogen, en op 3 p. daarvan neemt men 1 o., 2 l. fijn zout,
+1 l. gestooten, zeer droog salpeter, en naarmate men de worst sterker
+gekruid begeert te hebben, ruim 2 of ruim 3 l. grof gestooten witte
+peper, benevens een klein half kopje rhum of rooden wijn. Sommigen
+voegen er eenig bloed bij, maar dit is niet aan te raden, daar het
+de worst hard en droog maakt. Het gehakte vleesch mag niet lang zoo
+blijven staan (stellig geen nacht over), omdat het dan zijne kleur
+verliest en onsmakelijk wordt. Als nu het gehakt met de kruiderijen
+goed dooreen is gewerkt, gaat men tot het stoppen van de worst over,
+waarvoor varkensdarmen het best zijn, en dat zeer voorzigtig moet
+geschieden. Men bindt den darm aan de onderzijde digt, en schuift
+hem geheel op het worsthoorntje; dan stopt men het vleesch er in,
+en drukt dit zeer voorzigtig en langzamerhand wat sterker aan, opdat
+de darm niet barste en de worst toch zoo vast mogelijk worde. In de
+luchtblazen, die men tusschen het vleesch ziet, moet men met eene
+stopnaald prikken, waarin men voor alle zekerheid een langen draad
+knoopt, om haar gemakkelijk terug te kunnen vinden. Hoe stijver de
+worst gestopt is, des te beter zal zij blijven; los gevulde worsten
+krijgen spoedig een sterken smaak, en men zal er bedorven plaatsen
+in vinden. Als de darm vol is, bindt men hem stevig digt, en als de
+worsten zeer zwaar zijn, maakt men er een kruisband omheen voor het
+ophangen. Den volgenden dag ziet men de worsten nog eens na, en mogt
+het blijken dat zij niet stijf genoeg gestopt waren, dan drukt men
+naar het midden toe den inhoud zachtjes, van beide zijden af, nog
+wat aan, en bindt er nieuwe bandjes om.--De worsten moeten vervolgens
+14 dagen in een niet te sterken rook hangen, en daaruit komende, op
+eene luchtige vorstvrije plaats, hangend worden bewaard; de geringste
+vorst bederft de kleur en den smaak. Zij worden smakelijker als men
+ze eenige maanden laat hangen, vóórdat men ze gebruikt.
+
+3. Kleine saucijsjes, om terstond te gebruiken, maakt men als volgt:
+Goed spek, vet en mager door elkaâr, wordt fijngehakt, met zout,
+foelie en zeer weinig peper gekruid, en dan in dunne darmen gestopt,
+die men tusschen ieder saucijsje een paar slagen omdraait.
+
+4. Metworst. Op 5 p. varkensvleesch 1 o., 6 1/2 l. fijn zout en 1
+1/2 lood gestooten peper. Het spek moet goed doorwassen zijn, en
+eer vet, dan mager: ook moet men het niet hakken, maar zeer fijn aan
+dobbelsteentjes snijden, omdat alle worsten die men rooken wil dan
+sapperig blijven. Dan mengt men het goed dooreen met de genoemde
+kruiderijen, en stopt het in dunne darmen, waarna men de worsten
+gedurende 3 weken in een luchtigen schoorsteen, waar niet te hard
+gestookt wordt, rooken laat.
+
+5. Pekelworst. Hiervoor kan men de opgaven van No. 3 volgen, maar het
+vleesch kan men hakken en er een weinig gestooten nagelen bijvoegen. De
+worsten worden in een vaatje onder pekel bewaard.
+
+6. Frankforter braadworst. Goed doorwassen spek, zonder zenuwen en
+nog wat vet spek erbij, wordt fijngehakt, naar den smaak gekruid
+met zout, foelie, koriander, een weinig peper en wat rooden wijn;
+voorts in varkensdarmen gestopt. Deze worst is het fijnst als men
+haar versch eet, maar ligt gerookt smaakt zij toch ook zeer goed. Zij
+wordt op eene zeer luchtige en opene plaats opgehangen.
+
+7. Leverbeuling. Op eene varkenslever neemt men 1 1/2 p. mager
+varkensvleesch en 1 p. spek. De lever wordt 10 minuten in kokend
+vleeschnat gelegd, dan door eene zeef gewreven, en met het vleesch en
+spek, dat gekookt en aan zeer kleine dobbelsteentjes gesneden moet
+zijn, door elkaâr geroerd; men kruidt het naar den smaak, met zout,
+gestooten nagelen en notemuskaat. Het wordt in varkensdarmen gestopt,
+en men laat bovenaan, met het toebinden, een paar vingersbreed ledige
+ruimte, voor het uitdijen van de lever. Daarna legt men de worsten
+een half uur in kokend water met zout, en laat ze daarin medekoken,
+terwijl men ze gedurig met een gladden houten lepel zachtjes moet
+onder houden, omdat zij anders ligt barsten. Na het koken legt men
+ze 10 minuten in koud water, waardoor zij witter worden en aangenamer
+voor het oog. De beulingen kunnen versch of gerookt, naar verkiezing,
+worden gebruikt. In het laatste geval hangt men ze 10 dagen in een
+niet te sterken rook, en ver van de hitte van het vuur verwijderd;
+later bewaart men ze op eene luchtige plaats, waar het niet vriest.
+
+8. Leverbeuling met meel. De hoeveelheid van vleesch en de behandeling
+daarvan is geheel als in No. 7, maar men voegt er 1 1/2 p. tarwemeel
+bij, en roert alles dooreen met zooveel van het nat waarin het vleesch
+gekookt is, als noodig wordt bevonden om eene zamenhangende massa te
+verkrijgen. Bij het toebinden laat men eene ledige ruimte van eene
+handbreed, en kookt de worsten drie kwartier.
+
+9. Mecklenburger worst. Mager varkensvleesch wordt zeer fijn gehakt,
+dan, naar den smaak, gekruid met zout, peper, gestooten nagelen, foelie
+en fijngehakte citroenschillen, en in dunne darmen gestopt. Men kookt
+de worsten een kwartier, doopt ze dan even in koud water, en hangt ze,
+als zij koud geworden zijn, op eene luchtige plaats buiten de vorst.
+
+10. Bloedbeuling. Het bloed moet, nog warm zijnde, met eene garde
+worden geslagen tot het koud is, en dan door eene zeef gegoten,
+waardoor het vloeibaar blijft. Vervolgens neemt men er zooveel
+van als men verkiest, en maakt dit tot een goed stevig mengsel,
+met fijngehakt varkensvleesch, mager en vet door elkander, zwoord
+en spek beiden gekookt en fijngehakt, zout, peper en nagelen, naar
+den smaak. Dit alles wordt goed dooreen gekneed; en niet te stijf in
+varkens- of runderdarmen gestopt, opdat er ruimte voor het uitdijen
+blijve; daarna een half uur gekookt en ligt gerookt.
+
+11. Tongenworst. Men neemt van alles hetzelfde als in No. 10 is
+opgegeven, maar steekt met het vullen in iedere worst de helft van
+eene overlangs doorgesneden varkenstong of een dikken reep van eene
+zeer gaar gekookte ossentong.
+
+12. Hersenworst. Men laat de hersens in water uittrekken, en haalt
+er dan het velletje af; vervolgens hakt men ze door elkander met
+wat raauwe worst of met vleesch, dat eerst afzonderlijk reeds
+is fijngehakt. Men weekt evenveel wittebrood, zonder korsten, in
+vleeschnat, drukt het wat uit, en roert het door het vleesch met
+notemuskaat, zout, nagelen, en eene uije, die in boter gebraden,
+en daarna door eene zeef is gewreven. Men stopt dit mengsel niet al
+te vast in de darmen, en deze worst eet men versch, even in boter
+opgebakken.
+
+13. Zwoordworst. Men neemt gehakt worstevleesch, gekruid met peper,
+zout, een weinig gestooten nagelen en, hoe vreemd dit ook moge
+schijnen, een theelepel gestooten kaneel, die er volstrekt niet in mag
+ontbreken; voorts zooveel als een derde deel van het vleesch bedraagt,
+zacht gekookt en gehakt zwoord, een goeden lepel bloed, twee gekookte
+en fijngesneden varkenstongen of ééne ossentong. Dit alles roert men
+goed door elkander, en gebruikt gewoonlijk de maag van het varken om
+het in te stoppen. Men laat die dan gedurende 2 uren in gezouten water,
+langzaam koken, perst haar daarop een nacht tusschen twee plankjes,
+en rookt haar 2 of 3 weken.
+
+14. Gortbeuling. 3 kop gepelde garst laat men in vleeschnat of, bij
+gebrek daaraan, in water, op het vuur zeer goed uitdijen, en dan voegt
+men er 5 o. reuzel bij. In de overgebleven kanen worden fijngesnipperde
+uijen, onder gestadig roeren, gaar gemaakt, en benevens zout, peper en
+nagelen (alles fijngestampt) eene handvol mariolein en peperkruid,
+dat beide gedroogd, fijngewreven en doorgezeefd is, bij de gort
+gedaan, waarna men er zooveel varkensbloed doorroert, dat de massa
+wat verdund en rood van kleur wordt. Als de worsten gestopt zijn,
+kookt men ze in gezouten water, zoolang tot er, als men er in prikt,
+geen bloed meer uitkomt.
+
+15. Runderworst. Rundvleesch wordt zeer gaar gekookt; dan zoekt men
+alle vellen en zenuwen er goed uit, en hakt het zeer fijn; men kruidt
+het met zout, notemuskaat en gestooten nagelen, en brengt het tot
+de gewenschte kneedbaarheid, door er goed vet vleeschnat (het liefst
+als men de slagt doet, rollennat) bij te voegen; de massa moet niet
+te stijf zijn. Men stopt de worsten in runderdarmen, kookt ze een
+kwartier in vleeschnat, legt ze daarna 5 minuten in koud water, en
+hangt ze, als zij geheel koud geworden zijn, op eene luchtige plaats.
+
+16. Balkenbrij. Dezen kan men van enkel spek of enkel rundvleesch
+maken; doch hij wordt het lekkerst als men van beiden voor de helft
+neemt. Het vleesch wordt zeer gaar gekookt; dan zoekt men er zorgvuldig
+alle beentjes en vellen uit, hakt het fijn en laat het, met het nat,
+dat men door eene zeef giet, aan de kook komen. Daarop kruidt men het
+met zout, peper en nagelen, en strooit er langzaam, onder gestadig
+roeren, zooveel boekweitenmeel in, dat de massa, nadat zij een half
+uur gekookt heeft, en het meel is uitgedijd, zóó stijf is dat zij
+van de pan loslaat. Dan schept men haar in drooge aarden schotels, en
+bewaart die op eene koele, luchtige plaats. Eene goede verhouding is:
+1 pond vleesch, het nat tot op 3 k. verkookt, en 5 ons boekweitenmeel;
+met de kruiderijen moet men niet te zuinig zijn.
+
+17. Rolpens. Op 5 p. rundvleesch, vet en mager door elkander,
+2 o. zout, 2 l. peper en evenveel gestooten nagelen. Het vleesch
+wordt aan dunne repen gesneden, de vellen er uitgezocht, en de
+kruiderijen er doorgestrooid.--Van eene pens snijdt men langwerpig
+vierkante lapjes, waar men het vleesch op legt, en die men daarna
+digt naait; zij moeten niet al te stijf gevuld worden, om het barsten
+te voorkomen. Dan hangt men de rollen, rijkelijk bedekt met water,
+waarin men een weinig zout strooit, over het vuur, en kookt ze tot
+men ze met een stroohalm doorsteken kan, waartoe ongeveer 4 uren
+worden vereischt. Men neemt ze daarna af, laat ze koud worden, legt
+ze in een steenen pot, en giet er voor twee derden azijn, voor één
+derde koud geworden, met wat zout gekookt water over; zoodat zij goed
+onderliggen. Het nat waarin zij gekookt zijn, kan men onder een bodem
+vet bewaren, om in erwtensoep of groente te gebruiken.
+
+18. Zwoordrolletjes in gelei. Het zwoord wordt zóó van het spek
+afgesneden, dat er nog een randje vet aan blijft, en dan snijdt
+men het in stukken van eene handbreedte en b. v. 3 palmen lang; ook
+snijdt men dergelijke dunne stukken van mager varkensvleesch, legt
+die op het zwoord, en strooit er zout en gesnipperde citroenschillen
+over. Dan rolt men de lapjes stijf op, bindt ze met een draad vast,
+en zet ze in een verglaasden pot te vuur, met bijvoeging van een paar
+varkenspooten en een stukje rundvleesch. Het kooksel moet met half
+water, half azijn ruim bedekt zijn, en als men het geschuimd heeft,
+laat men het met eenige laurierbladen, heele peper, piment en een
+stukje citroenschil gaar koken. Dan legt men ze in een pot, laat het
+nat door eene zeef loopen, en giet dit, als het even bezonken is, over
+de rolletjes. Bij het gebruik snijdt men de rolletjes aan schijven,
+belegt ze met wat van de gelei, en presenteert ze bij salade of brood.
+
+19. Hoofdkaas. De snuit, de pooten, de ooren en een kniestuk van het
+varken worden met 7 1/2 o. mager rundvleesch, wat zout, 1 k. azijn,
+en verder zooveel water, dat alles onderligt, in een verglaasden
+pot op het vuur gezet en, met bijvoeging van eenige laurierbladen,
+goed wat heele peperkorrels en nagelen, zóó gaar gekookt, dat het
+vleesch van de beenderen valt. Dan neemt men het vleesch uit het
+nat, en giet dit door eene zeef, waarna men het tot den volgenden dag
+wegzet. Uit het vleesch zelven neemt men de beenderen, en als het koud
+geworden is, snijdt men het aan fijne reepjes, met uitzondering van het
+rundvleesch, dat niet gebruikt wordt. Den anderen dag snijdt men het
+vet en het bezinksel van de gelei, en zet die met het fijn gemaakte
+vleesch en een tot schijven gesneden citroen, vooral zonder pitten,
+te vuur, laat het een kwartier koken, en schept het warm in vormen,
+die vooraf met koud water zijn omgespoeld. Nadat het in de vormen
+is koud geworden, giet men er wat azijn op, en bewaart ze, ongedekt,
+op eene luchtige plaats.
+
+20. Varkensribbetjes in het zuur. De ribben worden in de lengte nog
+tweemalen doorgehakt, en dan zóó gesneden, dat er telkens twee aan
+elkander blijven, en men dus vierkante stukjes heeft. Deze worden
+tegelijk met een paar varkenspooten, in half water, half azijn te
+vuur gezet en geschuimd. Dan voegt men er citroenschillen, goed wat
+heele peper, wat gestooten nagelen en eenige laurierbladen bij, en
+laat het vleesch gaar koken. Het nat wordt daarna door eene zeef,
+en nadat het bezonken is, over de ribbetjes gegoten, die men in een
+keulschen pot heeft gelegd.
+
+21. Preskop. Eene groote ossentong wordt met een halven varkenskop en
+eenig zwoord gaar gekookt; het zwoord van den kop wordt voorzigtig
+losgemaakt, zoodat het in zijn geheel blijft, en zoowel de kop als
+de tong in dunne schijven gesneden. Dan legt men een groven linnen
+doek in eene diepe schaal, maakt daarop eene versiering van versche
+laurierbladeren, en legt van het zwoord daarop. Vervolgens schikt
+men het gesneden vleesch op het zwoord, met zout, gestooten nagelen,
+peper en gesnipperde citroenschillen, aan lagen er tusschen, en daarna
+bedekt men alles weder met zwoord. De doek wordt zoo stijf mogelijk
+digtgeslagen, met een touwtje vastgebonden, en zoo legt men den preskop
+in kokend vleeschnat, om hem een kwartier te laten koken. Als hij half
+koud is, zet men hem tusschen twee met gewigt bezwaarde plankjes,
+en legt hem den volgenden dag in azijn. Het is beter om twee kleine
+dan één grooten preskop van de opgegeven hoeveelheid te maken, en,
+opdat die, welken men het langst bewaart, niet al te zuur worde,
+kan men hem 14 dagen op eene koude, luchtige plaats droog bewaren,
+vóórdat men hem in azijn zet.
+
+22. Preskop in gelei. 2 varkenssnuiten, 3 ooren, 4 pooten, benevens 2
+kalfspooten, het vierde van een ossensnuit en wat zwoord, zonder vet
+er aan, worden met half water, half azijn, gekookt en goed geschuimd;
+na het schuimen voegt men er het volgende bij: 1 fl. rhijnwijn,
+4 uijen die met kruidnagelen bestoken zijn, wat peperkorrels, en
+een, aan schijven gesneden, citroen. Hiermede laat men het vleesch
+volkomen gaar koken, zoekt de beenderen er uit, en snijdt het aan lange
+reepjes. Dan legt men de helft van het zwoord op een schoonen doek,
+en het vleesch er op, met aan schijven gesneden, gekookte bieten,
+aan lagen er tusschen, waarna men het ten slotte weder met zwoord
+bedekt. Men bindt vervolgens den doek stijf toe, zet hem tusschen
+plankjes met gewigt bezwaard, en giet het nat door eene zeef. Des
+anderen daags wordt de preskop in vingerdikke schijven gesneden,
+en in een vorm gelegd; het tot gelei gestolde nat ontdoet men van
+het vet en bezinksel, klaart het als gelei, en giet het over het
+vleesch. Bij het gebruik wordt de vorm of schotel omgekeerd.
+
+23. Varkensragout dien men bij het doen van de slagt kan maken en
+eenigen tijd bewaren. Men hakt de knieën, den snuit en eenige ribben,
+waar men het dikste spek heeft afgesneden, in kleine nette stukjes,
+schuimt ze met 2 deelen water, tegen 1 deel azijn, met wat zout er in,
+doet er goed wat nagelen, heele peper, uijen en laurierbladen bij, en
+laat het vleesch gaar, maar niet te week, koken. Gedurende het laatste
+uur moet men er wat gebrand meel doorroeren, dat met een weinig van
+het vleeschnat aangemengd wordt, en waarbij men zooveel stroop voegt,
+dat de scherpte van den azijn is getemperd (meer niet). In plaats
+van het gebrande meel kan men op het laatst ook varkensbloed met
+azijn door het vleesch roeren, waardoor men het nog beter kan goed
+houden. Het wordt in een steenen pot bewaard.
+
+24. Ossenvleesch in het zuur. Men neemt hiervoor de stukken die het
+best geschikt zijn om te braden, en bestrooit ze met zout. Na verloop
+van 2 of 3 dagen zet men ze in een grooten pot, met half wijnazijn,
+half rollennat ruim bedekt, te vuur, schuimt ze goed, en voegt er dan
+eenige laurierbladen, wat grof gestooten peper en nagelen bij. Nadat
+het vleesch een uur gekookt heeft, legt men de stukken in een pot of
+een vat, neemt het vet, dat men voor het stoven van groente gebruiken
+kan, van het nat af, en giet dit op het vleesch, dat geheel moet
+onderliggen. Als het koud is geworden, bedekt men het met een dikken
+bodem rundervet, en telkens als men een stuk uit het vat gebruikt,
+moet dit vet weder over het blijvende worden digtgesmolten. Men braadt
+het vleesch als gewoonlijk, maar voegt er eenige lepels van het nat
+waarin het gelegen heeft, benevens een kopje melk bij, en laat het
+slechts een uur smoren.
+
+25. Het smelten van het vet. Het rundervet wordt aan dobbelsteentjes
+gesneden, en in wat rollennat zóó lang gekookt tot het geheel
+gesmolten en helder is; men moet het dikwijls omroeren. Dan giet
+men het door eene zeef of een neteldoekschen lap, en bewaart het in
+keulsche potten. Heeft men geen rollennat, dan kookt men een weinig
+melk met eenige laurierbladen en wat zout, en laat het vet daarin
+uitbraden. Ook kan men het opzetten met eene handvol zout en een
+kopje water, terwijl men het zoolang kookt tot de kanen geel en het
+vet helder is.--Het plukvet van de darmen wordt eveneens gesmolten,
+maar moet vooraf in water uittrekken, dat men eenige malen ververschen
+moet. Voor reuzel volgt men de laatste opgave.
+
+26. Het pekelen van rookspek. Op 50 p. spek rekent men 2 1/2 pond fijn
+zout en 5 l. salpeter.--Voor een afzonderlijken ham van 10 p. kan men
+5 o. zout en 1 1/2 l. salpeter nemen.--Men bestrooit den bodem van de
+vleeschkuip dun met zout, wrijft de zijden spek goed in, en mengt het
+overige zout met het salpeter door elkander.--Hiermede worden nu de
+hammen zóó sterk ingewreven, tot zij geen zout meer aannemen; ook de
+overige kleinere stukken, en dan pakt men de hammen het onderste in
+de kuip, vult de hoekjes met het kleine spek, zoodat alles vast in
+elkander sluit, want van dit stevige pakken hangt zeer veel af voor
+het welslagen van de slagt. Het overige zout legt men als eene laag
+over het spek, en de zijden, ook met zout bestrooid, moeten bovenop
+liggen. De beenderen, die uit de hammen steken, moeten niet worden
+afgehakt, vóór dat men ze gebruikt, en het is ook niet goed om, zoo
+als velen doen, het vleesch van die beenderen los te maken, ten einde
+er zout en peper tusschen te stoppen.--Men laat het spek gewoonlijk
+14 dagen in de pekel liggen, hoewel sommigen het er voor houden,
+dat eene week voldoende is.--Daarna rookt men het, zoo mogelijk, op
+eene luchtige plaats, waar men tusschenbeiden de lucht kan inlaten,
+en laat het daar ten minsten acht dagen hangen.
+
+27. Om spek ongerookt te bewaren. Eene versche zijde spek wordt rondom,
+met zout, waardoor men een weinig salpeter gemengd heeft, zóólang
+ingewreven tot zij geen zout meer aanneemt. Dan wordt zij gedurende
+14 of 16 dagen in een schoon vat gelegd en, mogt de pekel door vochtig
+weder vloeibaar worden, dan begiet men haar daar dagelijks mede. Daarna
+legt men het spek op een schuin afhellende plank of tafel, en eene
+plank met gewigt er boven op, zoodat het vocht er uit kan loopen en
+het spek vaster wordt door de drukking die het ondergaat. Na verloop
+van eenige dagen hangt men het op eene luchtige plaats.
+
+28. Rookvleesch om bij boterhammen te gebruiken, of om te koken, op
+Hamburgsche manier.--Voor rookvleesch dat men raauw bij boterhammen
+wil eten, neemt men het best die stukken die men nagelhout noemt, en
+die van goed vetgemest rundvee zijn. Zulk een stuk is geheel door een
+vlies omgeven, en om het sappig te houden, moet men vooral zorgen dat
+daarin niet gesneden wordt. Voor rookvleesch dat men later koken wil,
+zijn ribstukken het best. Ieder stuk wordt afzonderlijk, naar dat het
+zwaar is, 4 of 6 minuten, langer niet, in bruisend kokend water gelegd,
+dan vlug er uitgenomen, en door eene krachtige hand, zoo heet mogelijk,
+sterk ingewreven met een mengsel van fijn zout en salpeter (op 8
+p. vleesch 1 1/2 l. salpeter), tot het geen zout meer aanneemt. Dan
+legt men het weg om geheel koud te worden, en daarna hangt men het
+in een zachten rook, zoodat er ook lucht bij kan komen. In dit geval
+kan het stuk verscheiden weken daarin blijven hangen.
+
+29. Het pekelen van rundvleesch. Men neemt hiervoor stukken waarin niet
+veel beenderen zijn. Op 50 p. vleesch neemt men 4 p. zout, en ruim 3
+l. salpeter. Het vleesch wordt daarmede sterk ingewreven en zoo vast
+in vaten gepakt, dat er geen tusschenruimte overblijft. Dan worden de
+vaten digtgekuipt, in den kelder gezet, en alle 8 dagen omgekeerd,
+zoodat het onderste boven komt. Als een vat wordt aangebroken, moet
+men altijd het bovenste stuk gebruiken, en op de rest eene plank of
+lei met gewigt leggen.
+
+30. Goede pekel voor vleesch en spek. Op 50 p. vleesch of spek neemt
+men 3 1/2 p. zout, 3 o., 7 1/2 l. kandijsuiker, 5 l. salpeter en
+15 k. water, dat men alles te zamen kookt en koud geworden op het
+vleesch giet.
+
+31. Een enkel stuk pekelvleesch. Wanneer men geene slagt aan huis
+bereddert, en toch tusschenbeide een stuk pekelvleesch wil hebben,
+kan men op de volgende wijze handelen: Men neemt b. v. een borststuk,
+laat daaruit alle beenderen snijden, en legt het 14 dagen in eene pekel
+volgens No. 30.--Als het gekookt moet worden, rolt men het stijf op,
+en bindt het stevig vast; dan legt men het in kokend water, met zooveel
+zout er in, dat het als verzoute jus smaakt, en laat het langzaam
+gaar koken, terwijl er niet in geprikt mag worden. Vervolgens legt men
+het, om koud te worden, onder een plankje, met gewigt bezwaard. Deze
+stukken zijn zeer voordeelig in het gebruik.--Ook is een staartstuk
+zeer goed. Men maakt voor 3 1/2 p. vleesch eene pekel van bijna 2
+k. water, 2 1/2 o. zout, ruim 3 l. basterdsuiker, 3 w. salpeter en
+2 lepels stroop. Als dit alles te zamen gekookt en geschuimd is,
+laat men het koud worden, en giet het over het vleesch, dat er 8 of
+9 dagen in moet blijven liggen. Bij het koken wordt het stuk, om het
+sappig te houden, met kokend water opgezet. Deze pekel blijft lang
+goed, zoodat men ze nogmaals koken, schuimen en weder gebruiken kan.
+
+32. Om pekelvleesch met houtskool te bewaren. Voor een stuk vleesch
+van 6 p. werpt men 2 handen vol zout in een ketel kokend water, laat
+het smelten, en legt het vleesch er in tot het "kruipt"; koken mag
+het niet. Zoo warm als mogelijk is, wrijft men het daarna zeer sterk
+in met 2 o. fijn zout en 1 1/2 l. gestooten salpeter; dan laat men
+het koud worden; bestrooit het rondom met gestampte houtskolen, en
+hangt het op eene drooge plaats, waar de lucht het kan bereiken. Het
+vleesch blijft op deze wijze zeer goed en heeft een aangenamen smaak.
+
+33. Gerezen ganzen. Men kan de borst en de bouten van ganzen zeer goed
+rooken; zij worden daarvoor met zout en een weinig salpeter ingewreven
+en, na verloop van 3 dagen, in den rook gehangen. Zij mogen niet langer
+dan 8 dagen hangen blijven, en er moet in dien tijd meer lucht dan
+rook bijkomen. Men gebruikt dit raauw, aan dunne schijfjes gesneden,
+bij boterhammen. Jonge gemeste ganzen rookt men op de volgende wijze:
+Men haalt ze uit, snijdt de pooten, de vleugels en den hals kort af,
+en hakt de vogels over de lengte midden door, waarna men ze inwrijft
+met veel zout en, vast in elkaâr sluitend, in een zuiver vat pakt,
+dat daarna wordt toegedekt. Hierin laat men ze niet langer dan 3 dagen
+liggen, neemt dan de halve vogels er uit, zonder het nat of het zout er
+af te schudden, en wentelt ze in drooge zemelen, tot er niets van het
+vleesch meer te zien is. Daarop hangt men ze in den rook, maar zóó,
+dat de hitte van het vuur er volstrekt niet op werkt. Na verloop van
+8 dagen neemt men ze uit den rook, hangt ze op eene luchtige plaats,
+en een poosje later veegt men er met een linnen lap de zemelen af.
+
+
+
+
+
+
+
+IJ. AZIJN.
+
+
+1. Vruchtenazijn. Afgevallen appelen en peren, mits zij niet zwart
+of rotachtig zijn (zij zouden dan een bitteren smaak aan den azijn
+geven), worden zoo klein mogelijk gestampt en dan in eene pers zeer
+droog uitgeperst. De most, dien men dus verkrijgt, wordt in open vaten
+gegoten, waarin hij 8 of 10 dagen blijft staan. De onzuiverheden,
+die door het gisten bovendrijven, worden er voorzigtig afgenomen;
+dan wordt de most in andere vaten overgegoten en op eene warme plaats
+gebragt. Nu volgt er nog eenige gisting door het opene spongat, en
+men moet eene flesch met most bij de hand houden om het overgeloopen
+vat telkens weder aan te vullen. Als er hoegenaamd geene gisting meer
+wordt waargenomen, bedekt men het spongat met een niet te dik stuk
+linnen, en laat de vaten rustig tot het voorjaar liggen, wanneer men
+den azijn aftapt. Het is een goed teeken, als zich op de oppervlakte
+een vlies vormt, en dat mag vóór het aftappen volstrekt niet worden
+weggenomen of zelfs gebroken.
+
+2. Suikerazijn. Men neemt op 5 k. water 7 1/2 o. witte suiker, kookt
+dit een half uur, onder zorgvuldig schuimen, en giet het in een open
+vat. Als het bekoeld is, besmeert men eene snede wittebrood dik met
+gist, legt er die in, en laat het 2 dagen gisten. Daarop neemt men het
+brood er uit, en giet het vocht in een ander vat over, dat op eene
+warme, drooge plaats moet liggen, terwijl men een papier over het
+spongat plakt, waarin men kleine gaatjes knipt, om de lucht toegang
+te verschaffen. Als men den azijn eene schoone kleur, als rhijnwijn,
+wil geven, dan moet men tegelijk met de suiker en het water eene
+handvol gele sleutelbloemen (primula veris) mede laat koken.
+
+3. Azijn van aalbessen. De bessen worden uitgeperst, en het sap den
+volgenden dag van het bezinksel in schoone flesschen gegoten, die
+men, om te gisten, open in de zon of op eene warme plaats zet. Men
+kurkt ze als de gisting geheel heeft opgehouden. Deze azijn geeft
+een fijnen smaak aan de salade die men er mede bereidt.
+
+4. Om azijn te keuren giet men een weinig op een zilveren lepel en
+legt dien boven het vuur; als alles verdampt, dan is de azijn zuiver;
+zoo niet, dan is zij met vitriool vervalscht.
+
+
+
+
+
+
+
+Z. AANHANGSEL.
+
+
+Onder de huisvrouwen, die deze bladen in handen krijgen, zullen er
+zeker vele wezen, die ten volle bekend zijn met alles wat tot het
+dekken, schikken en bedienen van eene goede tafel behoort; maar toch
+ook misschien wel eenige die daarvan niet zooveel ondervinding hebben,
+en echter wel eens genoodzaakt kunnen zijn, om over het een en ander
+het oog te houden. De schrijfster heeft het daarom niet ondoelmatig
+geacht om, ten behoeve van deze, hier dienaangaande eenige wenken
+te geven.
+
+1. Het dekken van de tafel. Indien men een groot gezelschap verwacht,
+zal men wel doen, met de tafel den vorigen dag reeds te dekken. Als men
+nieuw tafelgoed heeft, kan men dit ongezoomd gebruiken; het tafellaken
+moet rondom eene goede halve el afhangen en aan de punten van binnen
+met spelden eenigzins worden vastgestoken. De borden worden zoo
+ver uit elkander gezet dat elk der gasten zich gemakkelijk bewegen
+kan, zonder een ander te hinderen, en men beoordeelt dit het best
+door eenige stoelen naast elkaâr te plaatsen, en zich daarnaar te
+regelen. De servetten worden op de borden gelegd met de open zijde naar
+de linkerhand en de zelfkanten naar den rand van de tafel gekeerd;
+op ieder servet legt men een klein broodje, en slaat de bovenste
+helft daar achterover op terug, zoodat het bedekt is. Het gebruik
+om op de andere helft kaartjes met de namen der gasten te leggen,
+is niet meer zoo algemeen als vroeger, daar men het veelal aan de
+heeren overlaat om de dame naast zich te kiezen, waarin de gastheer
+hen voorgaat. De messen worden aan de regterzijde van ieder bord
+gelegd, met de snede naar het bord gekeerd, en daarnaast de lepels;
+de vorken legt men ter linkerzijde met de tanden naar onderen. Bij
+ieder couvert worden zoovele glazen gezet als men soorten van wijn wil
+schenken, niet op eene rij, maar digt bij elkander, en op de plaatsen,
+voor de heeren bestemd, zet men eene flesch met gewonen tafelwijn op
+een flesschenbakje. Voor ieder bord, of om de andere plaats, moet
+een klein glaasje staan waarin zout en peper is. Het midden van de
+tafel wordt ingenomen, hetzij door een milieu de table van zilver
+en kristal, waarop men bloemen zet, hetzij door eene bloemenmand,
+dat vooral op bruidspartijen het gebruik is. Men kan daarvoor een
+mandje met blikken bak nemen, waarin men afgesneden bloemen zet, en
+ook kan men, op een plankje, bloempotten plaatsen, die men rondom met
+mos bedekt, zoodat er van potten en plank niets te zien is. Ook kan
+men nog 2 of 4 vazen met bloemen, naarmate de tafel lang is, over de
+lengte verdeeld er op zetten.--Het is tegenwoordig zeer gebruikelijk
+om terstond het dessert op tafel te zetten en de warme spijzen van het
+buffet te laten voordienen, dat daarom is aan te bevelen, omdat dan
+alles warm op tafel komt, en in dat geval legt men bij elk bord een
+menu of gedrukt lijstje, waarop alle geregten, in de volgorde waarnaar
+zij zullen worden gepresenteerd, zijn vermeld.--Op het buffet zet men
+de stapels borden die ter verwisseling noodig zijn, en een komfoor
+om ze te warmen; de soepborden, de dessertborden, de noodige lepels,
+vorken en messen, de glazen voor madera en marasquin, de waterglazen
+en eene gevulde waterkaraf; het olie- en azijnstel en de flesschen met
+fijne wijnen die men droog afveegt, maar waar men vooral de étiquettes
+op laat blijven. Ook moet er nog eene broodmand met broodjes op staan,
+en men legt er een paar servetten neder. Ingeval er geen buffet in
+de kamer is, moet men eene afzonderlijke tafel daarvoor inrigten. Ook
+zet men er eene lamp.
+
+2. Het schikken van de tafel. Zoo als reeds gezegd is, staat midden
+op de tafel het een of ander middenstuk van bloemen of vruchten,
+dat men naar verkiezing kan inrigten en met smaak versieren; als men
+geen gas of andere hooge verlichting heeft, moeten er in het midden
+ook een aantal waskaarsen tusschen die bloemen of vruchten worden
+aangebragt, terwijl men een paar lampen wat meer aan het einde der
+tafel kan zetten. Al wordt het diner à la Russe gediend, zoodat
+alleen het dessert op tafel komt, dan kan men toch een paar koude
+vleesch- of vischgeleien ook opzetten, die, als zij gepresenteerd
+zijn, door taarten worden vervangen. Voorts zet men vruchten op
+tafel, verschillende vladen en geleiën, blanc-manger, confituren,
+compotes en bonbons; ook vruchten in brandewijn en gember.--Verkiest
+men echter de warme schotels op tafel te zetten, dan moet er gezorgd
+worden dat die goed met elkander overeenkomen, en dat er b. v. geene
+twee geregten van dezelfde soort van vleesch verschijnen: als men
+b. v. eene ossenrib als gebraad neemt, dan kan men geene ossenhaas
+in gelei nemen om later te geven, en zoo met alles.--De soep wordt
+altijd van het buffet gediend. Als een voorbeeld dat natuurlijk ieder
+naar verkiezing kan wijzigen, wordt hier het volgende menu opgegeven:
+Eerst soep, en daarna wordt madera gepresenteerd, terwijl men, als
+het saizoen zulks medebrengt, voor iederen gast een bord plaatst
+met 6 oesters in de schelp, en de achtste part van een citroen;
+ook wel caviaar op geroosterd brood; anders presenteert men den
+eenen of anderen visch. Dit alles staat niet op tafel.--Men kan een
+stuk ossenvleesch tegenover ham of kalfsvleesch zetten; côtelettes,
+zwezerik, kleine pasteitjes en croquettes of eene timbale in vier
+bij elkander behoorende schaaltjes, schuin tegenover elkaâr. Voorts
+vier verschillende groenten (aardappelen komen niet op tafel),
+twee verschillende puddings en een paar soorten van fijne compotes,
+om bij het gebraad te presenteren, benevens eenige kleine schoteltjes
+met ingemaakt zuur. Nadat het groote vleesch is voorgediend, vervangt
+men die schotels door groot gebraad, b. v. een kalkoen en een haas; in
+plaats van het kleine vleesch geeft men klein wild, zoo als snippen,
+vinken en dergelijke soorten, ook wel ragouts. Als de puddings zijn
+gebruikt, zet men op die plaats de voor het dessert bestemde taarten,
+en de groenteschalen verruilt men voor salade en visch in gelei,
+b. v. paling of zalm, ook wel gekookten zalm.--De volgorde is deze:
+Indien men na de soep geen visch geeft, wordt er eene warme pastei
+gediend, of kleine pasteitjes gepresenteerd; dan ossenvleesch met
+aardappelen; daarop het kalfsvleesch of de ham met de eene of andere
+groente; vervolgens de kleine vleeschsoorten met groenten, en dan de
+puddings. Nadat deze gebruikt zijn, volgt het gebraad of de ragout,
+eerst het witte en dan het bruine, met de compotes, of, indien men
+geene vischgeleiën geeft, laat men bij een van deze schotels ook
+wel salade rondgaan; anders volgt die daarop met den visch.--Dan
+laat men blanc-manger, wijngelei en dergelijke zaken presenteren;
+vervolgens ijs, en eindelijk volgt het dessert, waar men natuurlijk,
+behalve een paar taarten, de vruchten geeft die het jaargetijde
+oplevert, met smaak geschikt, op vruchtstandaards of in mandjes,
+met wijngaard- of dessertbladeren er tusschen. Hiervoor voldoen
+bijzonder de krullende bladeren van gekleurde boerenkool, bij welke
+men de schoonste nuances van rood, geel en groen aantreft. Heeft men
+een ananas, dan wordt die in het midden op tafel in eene vaas met
+bloemen rondom gezet. Men bezet voorts de ledige plaatsen met zoete
+vladen, kleine gebakjes, confituren, beschuit, suiker, boter en kaas,
+benevens gember of vruchten in brandewijn. Bij minder omslagtige
+partijen, waar het aantal geregten minder is, blijft toch de volgorde
+dezelfde.--Wat den wijn betreft, laat men, zoo als gezegd is, na
+de soep madera schenken, bij visch presenteert men witten wijn,
+bij het ijs marasquin; champagne en fijne roode wijnsoorten worden
+door den geheelen gang van het diner geschonken, en op het dessert
+komt daarbij ook nog rhijnwijn.--Na afloop van de tafel wordt in eene
+andere kamer koffij gediend, die natuurlijk geheel gereed moet staan,
+en, ingeval de heeren nog aan tafel blijven zitten, wordt ook daar de
+koffij gepresenteerd; de ingeschonken kopjes worden op een blad gezet,
+met suiker, room en een klein karafje met rhum erbij. De theelepeltjes
+legt men bij de suiker en een dessertlepel bij den rhum.
+
+3. Het bedienen van de tafel. Bij de best voorziene tafel kan een
+gastmaal zeer veel lijden door eene slechte bediening; en vooral de
+gastvrouw zal daarvan groote ergernis hebben; het is dus eene zaak
+van belang, dat men zijne bedienden, indien die niet dagelijks gewoon
+zijn zoo iets te verrigten, vooruit de noodige inlichtingen geve. Men
+zorge in de eerste plaats, dat zij behoorlijk gekleed en geschoeid
+zijn en witte handschoenen aantrekken.--Diegene waarop men zich het
+best kan verlaten, wordt belast met het voorsnijden en dienen aan
+het buffet, en de anderen loopen om de tafel rond. Het presenteren
+moet met de linkerhand, aan de linkerzijde van de gasten geschieden;
+het wegnemen van de gebruikte borden echter met de regterhand,
+aan de regterzijde. De knecht moet daarbij een blikken bak in de
+linkerhand hebben, waarin hij telkens de lepels, vorken en messen legt,
+terwijl hij de borden in den linker arm houdt; op hem die wegneemt,
+moet terstond een ander volgen die alles schoon weder voor de gasten
+nederzet. Dit verwisselen van borden geschiedt bij ieder geregt, en
+bij den overgang van vleesch op pudding, van pudding op visch, en dan
+weder op zoete schotels, verruilt men ook de vorken. De lepels, die na
+de soep zijn weggenomen, worden niet teruggegeven vóór dat de vladen
+aan de beurt zijn om gediend te worden: dan legt men een dessertlepel,
+die kleiner dan een gewone lepel is, op ieder bord dat men rondzet. De
+maderaglazen worden, gebruikt zijnde, weggenomen. Twee schotels die
+bij elkaâr behooren, moeten door twee bedienden, die onmiddellijk
+op elkander volgen, worden gepresenteerd, zoodat men b. v. bij het
+ossenvleesch ook terstond aardappelen, jus en ingemaakte zuren krijgt,
+en zoo met alle volgende zaken. Hij die de gasten bedient moet bij
+iederen persoon den naam noemen van het geregt dat hij aanbiedt,
+of den wijn dien hij schenkt, en met het presenteren niet altijd
+bij denzelfden gast beginnen, maar nu bij de eene dame, dan bij de
+andere. Bij eene zeer lange tafel moeten twee bedienden te gelijk
+hetzelfde geregt presenteren, en aan twee tegenovergestelde zijden van
+de tafel beginnen; de een moet dan regts en de andere links van den
+gast, bij wien hij begonnen is, vervolgen.--Tusschen het eten en het
+dessert gebeurt het meestal, dat het gezelschap even opstaat, en dan
+maken de bedienden van die gelegenheid gebruik om de tafel op nieuw in
+orde te brengen: de broodkruimels worden weggeschuijerd, de servetten
+weggenomen en de dessertborden, die kleiner dan de andere moeten wezen,
+voor de plaatsen der gasten neergezet; daarop wordt in plaats van het
+servet een zoogenaamd vingerdoekje gelegd, waar men een klein mes,
+met daarbij passenden lepel en vork, kruisgewijs bovenop legt; soms
+voegt men er ook een zeer klein broodje bij. Eenige zeer oude wijnen,
+die aan de flesch zijn aangezet, worden niet rondgeschonken, maar men
+legt er eenige op wijnsleedjes, die opgeligt worden, zoodat men den
+wijn kan schenken zonder de flesch te schudden. Deze plaatst men op
+verschillende punten van de tafel en de gasten bedienen zich zelven.
+
+4. Déjeuner à la fourchette. De tafel wordt gedekt als voor een diner,
+en de geregten kunnen ook dezelfde zijn, maar op het midden van
+de tafel zet men soms een bowl, die des winters met warme dranken,
+en des zomers met kruidenwijn gevuld is; ook kan men met den wijn
+limonade en vruchtensappen, met water aangelengd, ronddienen.
+
+5. Collation. De tafel gedekt als voor een diner, maar het gebraad,
+dat warm kan zijn, alsmede aardappelen en groenten, komen niet op
+tafel, doch worden van het buffet gediend.
+
+6. Souper. Men kan daarop alles geven, wat op een diner voorkomt,
+maar geen soep; ook behoeven de schotels niet zoo talrijk te zijn.
+
+7. Gewoon déjeuner. Men dekt de tafel met dessertborden, messen
+en vorken, zonder servetten, en plaatst er peper, zout en mosterd
+op. In het midden zet men eene taart die in stukken is gesneden,
+zonder dat het zigtbaar is; rondom schikt men boter en allerlei dat
+bij het brood past, b. v. rookvleesch, ossentong, gerookten zalm,
+hoofdkaas, gemarineerden haring, harde eijeren aan schijfjes gesneden,
+met gehakte pieterselie bestrooid, foie gras, verschen haring, kaas
+en soortgelijke zaken, zooveel men verkiest; ook vruchten. De vleesch
+soorten zijn gesneden, en op ieder schaaltje moet eene vork liggen. Het
+brood wordt aan de einden van de tafel gezet, en men plaatst er ook
+eenige kleine gebakjes op, zoo als soezen, spritsen, baisers, Berliner
+bollen, zandkoekjes of dergelijken. Men presenteert wijn, maar ook
+koffij en chocolade, die op eene andere tafel geschonken wordt.
+
+8. Thé's. De thee wordt in eene andere kamer geschonken, en op groote
+bladen gepresenteerd met suiker, melk, rooden wijn en rhum er bij;
+de kopjes worden telkens omgespoeld, en tot driemalen toe gevuld
+binnengebragt. In de pauzen tusschen het spelen of het muziekmaken,
+laat men eerst kleine gebakjes presenteren; daarna eene taart; men
+geeft hierbij wijn, bisschop of kardinaal, ook wel ijs. Wat later
+presenteert men de eene of andere vlade, waarvan porties op schoteltjes
+zijn geschept, met een theelepeltje er bij gelegd. Daarna kan men nog
+eene tweede, van de eerste verschillende, taart laten rondgaan, en
+ten slotte, geeft men kleine broodjes met rookvleesch, kaas, of wat
+men verkiest in eenige soorten er op gelegd, met eene tweede soort
+van klein gebak, b. v. Berliner bollen of iets dergelijks.--Op een
+thé dansant geeft men hetzelfde, maar presenteert als dranken: wijn,
+limonade, orgeade en vruchtensappen, terwijl men er ook china'sappelen
+en appelsalade bijvoegt, en het laatst een kop bouillon.
+
+
+
+
+
+
+
+REGISTER.
+
+
+Inleiding.
+
+
+Eenige berekeningen voor groote en kleinere gezelschappen.
+Over het gebruik van vet in de keuken.
+Het bewaren van allerlei voorraad voor keuken en kelder.
+
+
+A. Algemeene voorbereidingsmaatregelen.
+
+ 1. Iets over het vaatwerk.
+ 2. Om aarden pannen sterk te maken.
+ 3. Om nieuwe ijzeren potten uit te koken en roestige schoon te maken.
+ 4. Kenteekenen van oud gevogelte.
+ 5. Wanneer vogels het best zijn.
+ 6. Het opmaken van de vogels.
+ 7. Het larderen.
+ 8. Bouillon voor witte ragout.
+ 9. Bouillon voor bruine ragout.
+10. Om morieljes te prepareren.
+11. Truffels.
+12. Champignons.
+13. Zwezerik.
+14. Kastanjes.
+15. Ansjovis.
+16. Bruine boter.
+17. Om boter voor gebak te klaren.
+18. Peterselieboter.
+19. Om olie te zuiveren.
+20. Engelsche soya.
+21. Kruidenazijn.
+22. Dragonazijn.
+23. Poeder voor ragout.
+24. Om mosterd te maken.
+25. Om suiker te zuiveren.
+26. Beslag met gist voor botergebak.
+27. Beslag van eijeren.
+28. Beslag van wijn.
+29. Eiwit kloppen.
+30. Amandelen raspen.
+31. Meel branden.
+32. Boter wasschen.
+33. Gist wasschen.
+34. Gebakken brood voor soep of spinazie.
+35. Het binden met eijeren.
+36. Om braise te maken.
+37. Om ganzenvet lang goed te houden.
+38. Om ossenvet te prepareren.
+39. Haring.
+40. Over het gebruik van aardappelmeel.
+41. Rijstmeel.
+42. Vanille.
+43. Citroenen.
+44. China'sappelschillen.
+45. Waspapier.
+
+
+B. Soepen.
+
+ 1. Algemeene regelen.
+ 2. Blanke rundersoep.
+ 3. Om rundersoep spoedig te koken.
+ 4. Bruine rundersoep.
+ 5. Fransche soep.
+ 6. Jussoep.
+ 7. Kalfssoep.
+ 8. Soep van kalfskop.
+ 9. Soep van zwezerik.
+10. Kippensoep.
+11. Duivensoep.
+12. Aal- of palingsoep.
+13. Echte schildpadsoep.
+14. Nagemaakte schildpadsoep.
+15. Hazensoep.
+16. Engelsche konijnensoep.
+17. Patrijzensoep.
+18. Lijstersoep.
+19. Aardappelsoep.
+20. Groentesoep.
+21. Groene erwtensoep.
+22. Witte boonensoep.
+23. Zuringsoep.
+24. Kervelsoep.
+25. Kruidensoep.
+26. Koolsoep.
+27. Kerrysoep.
+28. Graauwe erwtensoep.
+29. Witte wijnsoep.
+30. Schuimsoep van witten wijn.
+31. Sagosoep met rooden wijn.
+32. Soep van paarlgarst met witten wijn.
+33. Griesmeelsoep.
+34. Schuimende biersoep.
+35. Gewone biersoep.
+36. Melksoep.
+
+
+C. Groenten en geregten van aardappelen.
+
+ 1. Algemeene regelen.
+ 2. Schorseneren.
+ 3. Brusselsche spruit- of roosjeskool.
+ 4. Boerenkool.
+ 5. Koppen van spruit- of boerenkool.
+ 6. Spinazie.
+ 7. Postelein.
+ 8. Rapenloof.
+ 9. Melde.
+10. Zuring.
+11. Aspergies.
+12. Sleepaspergies.
+13. Aspergies met wortelen.
+14. Hop.
+15. Raapstelen.
+16. Meirapen.
+17. Julienne.
+18. Doperwten.
+19. Jonge wortelen.
+20. Suikerpeulen.
+21. Tuin- of groote boonen.
+22. Koolrapen.
+23. Gevulde rapen.
+24. Bloemkool.
+25. Artisjokken.
+26. Maïs, als groente.
+27. Heerenboonen.
+28. Snijboonen.
+29. Harlekijn.
+30. Savoije kool.
+31. Roode kool.
+32. Kappertjes kool.
+33. Witte kool.
+34. Jagerkool.
+35. Gevulde kool.
+36. Gestoofde seldery.
+37. Gevulde seldery.
+38. Gestoofde uijen.
+39. Gefarceerde uijen.
+40. Prei.
+41. Prei met saus.
+42. Prei met zuring.
+43. Prei met brood.
+44. Andijvie.
+45. Kropsalade.
+46. Komkommers.
+47. Champignons.
+48. Gebraden champignons.
+49. Winterwortelen.
+50. Winterwortelen met appelen.
+51. Hutspot.
+52. Bieten.
+53. Bieten met uijen.
+54. Uijen met aardappelen.
+55. Ingemaakte groote boonen.
+56. Gele herfstrapen.
+57. Lange fransche rapen.
+58. Zoesterknollen.
+59. Capucijner erwten.
+60. Molsla.
+61. Suikerijlof.
+62. Rhabarber.
+63. Zuurkool.
+64. Ingemaakte andijvie.
+65. Ingemaakte snijboonen.
+66. Ingemaakte heerenboonen.
+67. Ingemaakte raapstelen.
+68. Gedroogde heerenboonen.
+69. Gedroogde snijboonen.
+70. Gedroogde groene of graauwe erwten.
+71. Witte en bruine boonen.
+72. Aardappelen.
+73. Gebakken aardappelen met worst.
+74. Aardappelen met appelen en varkenskarbonaden.
+75. Aardappeltaart met ham.
+76. Gestoofde aardappelen.
+77. Gebakken aardappelen.
+78. Geroerde aardappelen.
+79. Aardappelen met appelen.
+80. Aardappelballetjes.
+81. Aardappelbollen.
+82. Aardappelen in de schil.
+
+
+D. Vleeschgeregten.
+
+ 1. Algemeene regelen.
+ 2. Ossenrib.
+ 3. Ossenrollade.
+ 4. Ossenhaas.
+ 5. Ossenhaas als biefstuk.
+ 6. Gemarineerd rundvleesch.
+ 7. Saksisch gebraad.
+ 8. Gepekelde ossenrollade.
+ 9. Ossenvleesch in bier.
+10. Blank ossenvleesch.
+11. Biefstuk.
+12. Gesmoorde biefstuk.
+13. Rundergehakt met mosterdsaus.
+14. Fijn rundergehakt.
+15. Klapribben.
+16. Spaansche fricco.
+17. Ossentong in bruine ragout.
+18. Ossentong met eijersaus.
+19. Ossentong met pikante saus.
+20. Fricassée van ossentong.
+21. Gebraden ossentong.
+22. Ossentong aan schijven.
+23. Charles X.
+24. Croquettes.
+25. Runderrolletjes.
+26. Bouilli.
+27. Haché.
+28. Rissole.
+29. Ossenlappen.
+30. Ossenhaas in gelei.
+31. Rolpens bakken.
+32. Versche runderworst.
+33. Het koken van pekelvleesch.
+34. Gerookt vleesch.
+35. Gerookte ossentong.
+36. Kalfsrib.
+37. Nierenhaché.
+38. Croquettes van kalfsnieren.
+39. Croquettes van zwezerik.
+40. Gesmoorde kalfskarbonaden.
+41. Gevulde kalfsborst.
+42. Gestoofde kalfsborst.
+43. Gesmoord kalfsvleesch.
+44. Kalfsrollade.
+45. Kalfsfricandeau.
+46. Kalfsfricassée.
+47. Kalfsfricadellen.
+48. Kalfshersens.
+49. Engelsche ragout van kalfskop.
+50. Zwezerik.
+51. Gekookte kalfskop met saus.
+52. Gebakken kalfskop.
+53. Hoofdkaas van kalfskop.
+54. Kalfscotelettes.
+55. Zwitsersche kalfsfarci.
+56. Gebakken kalfspooten.
+57. Kalfslever.
+58. Nierenbrood.
+59. Om koud gebraad te gebruiken.
+60. Schapenbout of ruggestuk in marinade.
+61. Schapenbout à la royale.
+62. Schapenbout op gewone wijze.
+63. Lamsgebraad als rheevleesch.
+64. Lamscotelettes.
+65. Ragout van lamsvleesch.
+66. Grillade.
+67. Ham braden.
+68. Ham als wilde zwijnenvleesch.
+69. Gerookte ham koken.
+70. Ham met rijst.
+71. Ham met maderasaus.
+72. Hambroodjes.
+73. Mecklenburger ham.
+74. Gevulde varkensrib.
+75. Het braden van een speenvarken.
+76. Gepekeld varkensvleesch.
+77. Varkensrolletjes.
+78. Biefstuk van ham.
+79. Papegaaitongen.
+80. Braadworst met appelen.
+81. Metworst.
+82. Om rookworst te koken.
+
+
+E. Wildbraad en gevogelte.
+
+ 1. Over wildbraad in het algemeen.
+ 2. Gemarineerd wildbraad gesmoord.
+ 3. Ragout van herten- of rheevleesch.
+ 4. Ribstuk van een hert of eene rhee.
+ 5. Herten- en rheebout.
+ 6. Haas braden.
+ 7. Hazenpeper.
+ 8. Ragout van konijnen.
+ 9. Kikkerboutjes.
+10. Kalkoen.
+11. Kalkoen in fricasséesaus.
+12. Kapoenen.
+13. Kip met rijst.
+14. Jonge kuikens.
+15. Gebakken jonge hanen.
+16. Jonge duiven.
+17. Fijne fricassée van kuikens, duiven of kapoenen.
+18. Fricassée in rijst als pastei.
+19. Bruine ragout van kuikens of duiven.
+20. Hoenders à la daube.
+21. Gebraden eenden.
+22. Eenden met rooden wijn.
+23. Eenden op fransche manier.
+24. Gesmoorde eenden in bruine saus.
+25. Salmis des Bernardins.
+26. Gebraden gans.
+27. Ganzenragout.
+28. Faisanten en patrijzen.
+29. Omwonden patrijzen.
+30. Koude patrijzen met saus.
+31. Hout- en watersnippen.
+32. Lijsters.
+33. Leeuwerikken.
+34. Vinken.
+35. Salmis van snippen, patrijzen en lijsters.
+
+
+F. Pasteijen.
+
+ 1. Algemeene regelen.
+ 2. Paté de foie gras.
+ 3. Koude hazenpastei.
+ 4. Koude patrijzenpastei.
+ 5. Wildpastei met waterdeeg.
+ 6. Schotelpastei van haas of gevogelte.
+ 7. Pastei van verschillende vleeschsoorten.
+ 8. Kippenpastei.
+ 9. Nagemaakte schildpadpastei.
+10. Pastei van farci.
+11. Kuikenpastei met hamfarci.
+12. Engelsche vleeschpastei.
+13. Hampastei.
+14. Macaronipastei.
+15. Pastei van zee- en riviervisch.
+16. Palingpastei.
+17. Zalmpastei in een schotel.
+18. Stokvischpastei.
+19. Engelsche vruchtenpastei.
+20. Het bakken van kleine pasteitjes.
+21. Ragoutpasteitjes.
+22. Zwezerikpasteitjes.
+23. Juspasteitjes.
+24. Oesterpasteitjes.
+25. Mincepies.
+26. Garnalenpasteitjes.
+27. Broodpasteitjes.
+
+
+G. Visch en schelpdieren.
+
+ 1. Algemeene regelen.
+ 2. Gekookte zalm.
+ 3. Zalm met gele saus.
+ 4. Gebraden zalm.
+ 5. Gemarineerde zalm.
+ 6. Gekookte paling.
+ 7. Gestoofde paling.
+ 8. Gebakken paling.
+ 9. Opgerolde paling.
+10. Paling in saus.
+11. Gemarineerde paling.
+12. Blaauwe karper met wijnsaus.
+13. Karper met wijnsaus.
+14. Gemarineerde karper.
+15. Gekookte baars.
+16. Blaauwe snoek.
+17. Snoek op Saksische manier.
+18. Gestoofde snoek.
+19. Gelardeerde snoek.
+20. Snoek met eijersaus.
+21. Gefarceerde snoek.
+22. Aal.
+23. Lamprei.
+24. Elft.
+25. Garnalen.
+26. Tong.
+27. Schelvisch.
+28. Tarbot.
+29. Kabeljaauw.
+30. Gestoofde kabeljaauwstaart.
+31. Schol.
+32. Gebakken schol.
+33. Gebakken tong en bot.
+34. Blij.
+35. Gekookte steur.
+36. Stokvisch koken.
+37. Labberdaan en zoutevisch.
+38. Gekookte bot.
+39. Makreel.
+40. Spiering.
+41. Beignets van visch.
+42. Caviaarbroodjes.
+43. Ansjovisbroodjes.
+44. Gemarineerde haring.
+45. Bokking.
+46. Gebakken oesters.
+47. Mosselen.
+
+
+H. Warme puddings.
+
+ 1. Algemeene regelen.
+ 2. Plumpudding.
+ 3. Rolipoli.
+ 4. Engelsche appelpudding.
+ 5. Engelsche krentenpudding.
+ 6. Rijstpudding met bitterkoekjes.
+ 7. Griesmeelpudding.
+ 8. Pudding van gemalen rijst.
+ 9. Kabinetspudding.
+10. Figaropudding.
+11. Krentenpudding.
+12. Witte sagopudding.
+13. Bruine sagopudding.
+14. Portugeesche pudding.
+15. Zwampudding.
+16. Vermicellipudding.
+17. Biscuitpudding.
+18. Amandelpudding.
+19. Chocoladepudding.
+20. Vanillepudding.
+21. Beschuitpudding.
+22. Aalbessenpudding.
+23. Aardappelpudding.
+24. Gerezen meelpudding.
+25. Meel- en broodpudding.
+26. Roggebroodspudding.
+27. Prins-regentpudding.
+28. Broodpudding.
+29. Vruchtenpudding.
+30. Druivenpudding.
+31. Jan in den zak.
+32. Pudding van koud kalfsvleesch.
+33. Stokvischpudding.
+34. Pudding à la chipolata.
+
+
+I. Timbales.
+
+ 1. Algemeene regelen.
+ 2. Bitterkoekjes in een vorm.
+ 3. Sagoschoteltje.
+ 4. Rijst met rozijnen.
+ 5. Chocoladeschotel.
+ 6. Gries- of rijstmeel.
+ 7. Nonnenbrood.
+ 8. Solferino.
+ 9. Brood met walnoten.
+10. Fijne aardappelschotel.
+11. Opvlieger.
+12. Opvlieger met gekookte vruchten.
+13. Kersenschotel.
+14. Gevulde appelen.
+15. Gewone appelprol.
+16. Marmelade-soufflée.
+17. Leipziger punchschuim.
+18. Riz à la Condé.
+19. Geglaceerde beschuit.
+20. Rijst met appelen.
+21. Rijst met zwezerik.
+22. Macaronie.
+23. Macaronie met poulet.
+24. Jagersschotel.
+25. Rigolette.
+26. Poulet met kerry.
+27. Spaansche rijst.
+28. Perenschotel.
+
+
+K. Omeletten, pannekoeken en wentelstruifjes van allerlei soort.
+
+ 1. Algemeene regelen.
+ 2. Flensjes.
+ 3. Gevulde flensjes.
+ 4. Kussentjes.
+ 5. Flensjestaart.
+ 6. Doubletten.
+ 7. Omelette.
+ 8. Omelette aux fines herbes.
+ 9. Ham omelette.
+10. Schuim omelette.
+11. Omelette soufflé.
+12. Spek omelette.
+13. Eijer pannekoeken.
+14. Bessenkoek.
+15. Appelkoek.
+16. Beschuitkoek met appelen.
+17. Wittebroodskoek met appelen.
+18. Pruimenkoek.
+19. Soufflets.
+20. Anijskoek.
+21. Rijstpannekoeken.
+22. Gerezen pannekoeken.
+23. Pannekoeken met boekweitemeel.
+24. Aardappelkoeken.
+25. Wentelbeschuit.
+26. Arme ridders.
+27. Karthuizer bollen.
+
+
+L. Eijer-, melk-, meel- en rijstgeregten.
+
+ 1. Eijeren koken.
+ 2. Saksische zouteijeren.
+ 3. Kievitseijeren.
+ 4. Eijerstruif.
+ 5. Spiegeleijeren of kalfsoogen.
+ 6. Eijeren aan schijfjes.
+ 7. Kampersteur.
+ 8. Eijergelei.
+ 9. Hangop.
+10. Rijstebrij.
+11. Rijst met appelen.
+12. Rijst voor ragout.
+13. Gewone rijst.
+14. Melksoep met aardappelmeel.
+15. Saffraansoep.
+16. Rijstsoep.
+17. Soep van paarlgarst.
+18. Heele gort.
+19. Sago.
+20. Boekwijtengort.
+21. Havergort.
+22. Karnemelk met meel.
+23. Karnemelk met zuring en krenten.
+24. Karnemelk met appelen en anijs.
+25. Duitsche broodsoep.
+26. Eijersoep.
+27. Kunstroom.
+28. Duitsche nudels.
+
+
+M. Geleiën en ijs.
+
+ 1. Algemeene regelen.
+ 2. Het kleuren en versieren van gelei.
+ 3. Zure gelei voor vleesch en visch.
+ 4. Bereiding van vleesch voor gelei.
+ 5. Zalm in gelei.
+ 6. Paling in gelei.
+ 7. Haas in gelei.
+ 8. Kalfsvleesch à la Küstelberg.
+ 9. Gevulde kapoen in gelei, met saus.
+10. Kuikens in gelei.
+11. Kalkoen in gelei.
+12. Eenden in gelei.
+13. Gans in gelei.
+14. Fijne wijngelei voor kalfspooten.
+15. Wijngelei van Aga-aga.
+16. Gelei in eijervorm.
+17. Citroengelei.
+18. Rhumgelei.
+19. Gelei met vruchten.
+20. China'sappelgelei.
+21. Appelen à la dauphine.
+22. Regelen voor het maken van ijs.
+23. Vanille-ijs.
+24. Kwee-ijs.
+25. China'sappel-ijs.
+26. Frambozen-ijs.
+27. Punch-ijs.
+28. Marasquin-ijs.
+
+
+N. Koude, en zoete geregten.
+
+ 1. Algemeene regelen.
+ 2. Het versieren van vladen.
+ 3. Wijnpudding.
+ 4. Rhumpudding.
+ 5. Citroenpudding.
+ 6. Sagopudding.
+ 7. Appelpudding.
+ 8. Roode pudding van rijstmeel.
+ 9. Roode schuimpudding.
+10. Flambri.
+11. Rijstpudding met citroen.
+12. Rijstpudding met vruchten.
+13. IJspudding.
+14. Pêle-mêle.
+15. Blanc-manger.
+16. Crême-fouettée.
+17. Charlotte russe.
+18. Crême à la sultane.
+19. Zwitsersche vlade.
+20. Koffijvlade.
+21. Kersen met schuim.
+22. Russische vlade.
+23. Citroenvlade.
+24. Citroenvlade met frambozen.
+25. Spaansche rijst.
+26. Tutti frutti.
+27. Amandelvlade.
+28. Chocoladevlade.
+29. Rijst- of griesmeel.
+30. Stekelvarken.
+31. Sneeuwbal met vanillesaus.
+32. China'sappelen in wijn.
+33. Koude appelvlade.
+34. Kersenvlade.
+35. Kruisbessenvlade.
+36. Aardbeziënvlade.
+37. Bessenvlade.
+38. Frambozenschuim.
+39. Aardbeziënschuim.
+40. Arakschuim.
+41. Roomschuim.
+42. Sillebub.
+43. Citroenschuim.
+44. Rouge manger.
+45. Rijst à la Marengo.
+46. Citroenstruif.
+47. Engelsch matrimonium.
+48. Riz anglais.
+49. Koude schaal van abrikozen.
+50. Koude schaal van kersen.
+51. Koude schaal van aardbeziën.
+52. Koude schaal van rijst of sago.
+
+
+O. Balletjes en bollen.
+
+ 1. Algemeene regelen.
+ 2. Vischballetjes.
+ 3. Balletjes voor bruine soep.
+ 4. Balletjes van rundvleesch.
+ 5. Balletjes van kalfsvleesch.
+ 6. Zwezerikballetjes.
+ 7. Zwamballetjes.
+ 8. Zwamkluiten.
+ 9. Beschuitballetjes.
+10. Griesmeelballetjes.
+11. Eijerballetjes.
+12. Broodballetjes.
+13. Mergballetjes.
+14. Loodballetjes.
+15. Meelballetjes.
+16. Aardappelballetjes.
+17. Schuimballetjes.
+18. Egyptische bol.
+19. Wittebroodsbollen.
+20. Aardappelbollen.
+21. Gebakken bollen.
+22. Stoombollen.
+23. Gebakken griesmeelbollen.
+24. Appelbollen.
+25. Kersenbollen.
+26. Leverbollen.
+27. Spekbollen.
+
+
+P. Vruchtenmoezen, soepen en compotes.
+
+ 1. Algemeene regelen.
+ 2. Compote van heele appelen.
+ 3. Halve appelen in vruchtensap.
+ 4. Appelschijven.
+ 5. Appelen met krenten.
+ 6. Appelmoes.
+ 7. Appelsalade.
+ 8. Zoete appelen.
+ 9. Compote van meloen.
+10. Compote van kweeën.
+11. Charlotte campagnarde.
+12. Beschuit met bessensap.
+13. Compote van perziken en abrikozen.
+14. Compote van reine Claudes.
+15. Compote van pruimen.
+16. Pruimenmoes.
+17. Compote van kersen of morellen.
+18. Dikke bessen.
+19. Compote van aardbeziën.
+20. Compote van frambozen.
+21. Bramen.
+22. Compote van moerbeziën.
+23. Compote van blaauwe of boschbessen.
+24. Blaauwbessen op engelsche manier.
+25. Aardbeziënsoep.
+26. Kersen- of morellensoep.
+27. Appelsoep.
+28. Gedroogde pruimen.
+29. Gedroogde appelen.
+30. Gedroogde peren.
+
+
+Q. Saladen.
+
+ 1. Algemeene regelen.
+ 2. Salade van gevogelte.
+ 3. Gemêleerde vischsalade.
+ 4. Snoeksalade.
+ 5. Ansjovissalade.
+ 6. Haringsalade.
+ 7. Kreeftensalade.
+ 8. Huzarensalade.
+ 9. Bouilli in salade.
+10. Fijne aardappelsalade.
+11. Waterkers.
+12. Hopsalade.
+13. Aspersiesalade.
+14. Kropsalade.
+15. Fransche salade.
+16. Bloemensalade.
+17. Bloemkoolsalade.
+18. Komkommers.
+19. Boonensalade.
+20. Bietensalade.
+21. Roode koolsalade.
+22. Witte koolsalade.
+23. Andijviesalade.
+24. Veldsalade.
+25. Chicoreisalade.
+26. Selderysalade.
+27. Uijesalade.
+28. Molsalade.
+
+
+R. Sausen.
+
+Warme Sausen.
+
+ 1. Algemeene regelen.
+ 2. Coulis.
+ 3. Bruine jussaus.
+ 4. Witte jussaus.
+ 5. Truffelsaus.
+ 6. Oestersaus.
+ 7. Bruine ansjovissaus.
+ 8. Witte ansjovissaus.
+ 9. Haringsaus.
+10. Kappersaus.
+11. Bruine champignonsaus.
+12. Witte champignonsaus.
+13. Morieljesaus.
+14. Olijvensaus.
+15. Saus met versche augurken.
+16. Zoetzure saus.
+17. Garnalensaus.
+18. Saksische vischsaus.
+19. Gewelde boter.
+20. Mosterdsaus.
+21. Zuringsaus.
+22. Mieriksaus.
+23. Pieterseliesaus.
+24. Dragonsaus.
+25. Kastanjesaus.
+26. Roode wijnsaus met rozijnen.
+27. Saus bij kalfskop.
+28. Uijesaus.
+29. Bloemkoolsaus.
+30. Aspersiesaus.
+31. Eijersaus.
+32. Speksaus.
+33. Citroensaus.
+34. Pikante saus.
+35. Poivrade.
+36. Kerrysaus.
+37. Bourgognesaus.
+38. Bruine saus met wijn.
+39. Sauce aux fines herbes.
+
+Koude Sausen.
+
+40. Sauce à la diable.
+41. Remouladesaus.
+42. Mayonnaise.
+43. Haringsaus.
+44. Kruidenmosterd.
+45. Mieriksaus.
+46. Rammenassaus.
+47. Saus voor pekelvleesch.
+48. Kruidenboter.
+49. Goede saladesaus.
+
+Wijn-, melk- en vruchtensausen.
+
+50. Witte wijnsaus.
+51. Witte schuimsaus.
+52. Koude punchsaus.
+53. Rhumsaus.
+54. Roode wijnsaus.
+55. Roode wijnsaus met krenten.
+56. Roode schuimsaus.
+57. Rijnwijnsaus.
+58. Maderasaus.
+59. Champagnesaus.
+60. Vanillesaus.
+61. Chocoladesaus.
+62. Amandelsaus.
+63. Melksaus.
+64. Koude roomsaus.
+65. Warme roomsaus.
+66. Bessensaus.
+67. Frambozensaus.
+68. Schuimsaus van vruchtensap.
+69. Kersensaus.
+70. Saus van gedroogde pruimen.
+71. Appelsaus.
+72. Citroensaus.
+73. China'sappelsaus.
+74. Abrikozensaus.
+
+
+S. Taarten en andere gebakken.
+
+ 1. Algemeene regelen.
+ 2. Feuilletée- of bladerdeeg.
+ 3. Boterdeeg.
+ 4. Engelsch deeg.
+ 5. Taartenkorst voor den zomer.
+ 6. Roomdeeg.
+ 7. Weekdeeg.
+ 8. Gerezen gistdeeg.
+ 9. Bovenkorst voor vruchtenkoeken.
+10. Suikerglazuur.
+11. Het verwen van suikerglazuur.
+12. Strooisuiker om gebakken te versieren.
+13. Marsepein.
+14. Marseilliaansche taart.
+15. Engelsche taart.
+16. Bruidstaart.
+17. Weener taart.
+18. Gateau de Genève.
+19. Punchtaart.
+20. Beschuittaart.
+21. Opgerolde koek.
+22. Amandeltaart.
+23. China'sappeltaart.
+24. Aardappeltaart.
+25. Worteltaart.
+26. Zandkoek.
+27. Gevulde Zandtaart.
+28. Kruidkoek.
+29. Biscuit.
+30. Boheemsche biscuit.
+31. Chocoladekoek.
+32. Chocoladebiscuit.
+33. Krentenkoek.
+34. Rijsttaart.
+35. Amandel knapkoek.
+36. Kristalkoek.
+37. Kosterskoek.
+38. Karmeliterkoek.
+39. Anijskoek.
+40. Groote bitterkoek.
+41. Nogataart.
+42. Zwitsersche schuimtaart.
+43. Zwabische taart.
+44. Fransche taart.
+45. Wellingtonstaart.
+46. Mergtaart.
+47. Linzertaart.
+48. Spiegelkoek.
+49. Feuilleté met citroenvlade.
+50. Aardbeziëntaart met vanillevlade.
+51. Kruisbessentaart.
+52. Druiventaart.
+53. Aalbessentaart.
+54. Taart van bessen- of frambozenmoes.
+55. Kersentaart.
+56. Confituurtaart.
+57. Tourte d'amour.
+58. Citroentaart.
+59. Citroenkoek.
+60. Rijst-citroentaart.
+61. Citroen-appeltaart.
+62. China's appeltaart.
+63. Appeltaart.
+64. Versche Pruimentaart.
+65. Taart van gedroogde pruimen.
+66. Gerezen koek met pruimen.
+67. Blaauwbessentaart.
+68. Hamburger koek.
+69. Boterkoek.
+70. Norderneijer koek.
+71. Saksische spekkoek.
+72. Gekloofde koek.
+73. Kaaskoek.
+74. Silezisch brood.
+75. Duitsche wecke.
+76. Slakkenhuizen.
+77. Elberfelder kransen.
+78. Dikke koek.
+79. Rodon koek.
+80. Krentenkoek.
+81. Rolkoek.
+82. Gewone potkoek.
+
+Kleine gebakjes.
+
+83. Maarschalktaartjes.
+84. Vruchttaartjes.
+85. Kweetaartjes.
+86. Couverts met confituren.
+87. Appelplaatjes.
+88. Stuiters.
+89. Gerezen noten.
+90. Milaneesche boterhammen.
+91. Zwitsersch chocoladebrood.
+92. Kweebeuling.
+93. Speculatie.
+94. Anijsbeschuitjes.
+95. Frankforter tabletten.
+96. Suikerplaatjes.
+97. Chocoladeplaatjes.
+98. Kaneelsterren.
+99. Kaneelkrakelingen.
+100. Pyramiden.
+101. Weener duimpjes.
+102. Italiaansche koekjes.
+103. Hertshorens.
+104. Bassumer koeken.
+105. Citroenbogen.
+106. Gebrande Amandelen.
+107. Kruidamandelen.
+108. Pepermunt.
+109. Baisers.
+110. Baisers met gelei.
+111. Amandelkoekjes.
+112. Bitterkoekjes.
+113. Turons.
+114. Oranjenoten.
+115. Kruidnoten.
+116. Pepernoten.
+117. Bazelsche honigkoek.
+118. Bazeler lekkerlie.
+119. Neurenbergerkoek.
+120. Hijlikmaker.
+121. Moppen.
+122. Bentheimer moppen.
+123. Roomkoekjes.
+124. Roomkransjes.
+125. Theekoekjes.
+126. Kleine beschuitjes.
+127. Amandelkransjes.
+128. Eijerkransjes.
+129. Spritsen.
+130. Soezen.
+131. Zwaanhalzen.
+132. Oublie.
+133. Wafelen.
+134. Poffertjes.
+135. Boterbiesjes.
+136. Suikerkoekjes.
+137. Hernhuttertjes.
+138. Pompadours.
+139. Vanille krakelingen.
+140. Gemberkoekjes.
+141. Saucijzenbroodjes.
+142. Moscovisch gebak.
+143. Rommelkantjes.
+144. Spoedig en lekker.
+
+Boter- en oliegebakken.
+
+145. Berliner bollen.
+146. Boterspritsen.
+147. Sneeuwballen.
+148. Boterkransjes.
+149. Vlechten.
+150. Botergebladerte.
+151. Oliekoeken.
+152. Griesmeelschijven.
+153. Gebakken broodjes.
+154. Gevuld wittebrood.
+155. Appelbeignets.
+156. Amandelrolletjes.
+
+
+T. Broodbakken.
+
+ 1. Brood van ongebuilde tarwe.
+ 2. Kadetjes.
+ 3. Boterbroodjes.
+ 4. Roggebrood.
+ 5. Geldersch roggebrood.
+ 6. Om oudbakken brood als versch te maken.
+
+
+U. Het inmaken en droogen van verschillende vruchten en gewassen.
+
+ 1. Algemeene regelen.
+ 2. Het zwavelen van inmaakflesschen.
+ 3. Om suiker voor confituren te klaren.
+ 4. Om het versuikeren van ingemaakte vruchten te voorkomen.
+ 5. Macédoine van vruchten.
+ 6. Abrikozen in brandewijn.
+ 7. Perziken en Reine Claudes.
+ 8. Mirabellen in cognac.
+ 9. Kweeën in cognac.
+10. Morellen in brandewijn.
+11. Rijpe abrikozen in suiker.
+12. Abrikozenmarmelade.
+13. Perziken in suiker.
+14. Appelmarmelade.
+15. Marmelade van Reine Claudes.
+16. Rijpe Reine Claudes in suiker.
+17. Drooge suikervruchten.
+18. Pruimengelei.
+19. Pruimen in blikken bussen.
+20. Kwetsen in suiker.
+21. Pruimenmarmelade.
+22. Kersen in suiker.
+23. Compote voor Kersenkoeken.
+24. Morellensap.
+25. Kersenmarmelade.
+26. Goedkoop Kersenmoes.
+27. Vruchten in haar eigen damp.
+28. Vruchten in blikken bussen.
+29. Tomaten.
+30. Ingemaakte Kweeperen.
+31. Kweegelei.
+32. Ongekookte Kweegelei.
+33. Kweemarmelade.
+34. Kweebrood.
+35. China'sappelschillen in suiker.
+36. Geconfijte barbarissen.
+37. Barbarissensap.
+38. Peren in suiker.
+39. Roode peren.
+40. Ingemaakte walnoten.
+41. Rozenbottels in suiker.
+42. Marmelade van Rozenbottels.
+43. Ananas voor punch.
+44. Meloen in suiker.
+45. Kalebassen als gember.
+46. Gemêleerde marmelade.
+47. Sap van drie vruchten.
+48. Aardbeziën in suiker.
+49. Aardbeziegelei.
+50. Marmelade van Aardbeziën.
+51. Aardbeziestroop voor zieken.
+52. Moerbeziën en druiven.
+53. Mispelen.
+54. Wortelen in suiker.
+55. Blaauwbessen zonder suiker.
+56. Kruisbessen en kersen.
+57. Kruisbessen in water.
+58. Kruisbessen in suiker.
+59. Kruisbessenmarmelade.
+60. Aalbessen in suiker.
+61. Bessengelei.
+62. Frambozengelei.
+63. Bessensap.
+64. Gegist Bessensap.
+65. Gegist frambozensap.
+66. Moes van zwarte aalbessen.
+67. Zwarte bessengelei.
+68. Frambozenmoes.
+69. Frambozenmarmelade.
+70. Frambozensap.
+71. Frambozenazijn.
+72. Blaauwbessenmoes.
+73. Blaauwbessen met peren.
+74. Blaauwbessen met appelen.
+75. Blaauwbessensap.
+76. Blaauwbessen gelei.
+77. Appelgelei.
+78. Gelei van lijsterbessen.
+79. Gelei van Kersappeltjes.
+80. Geconfijte citroenen.
+81. Wijnperen in brandewijn.
+82. Rietperenmoes.
+83. Bramen.
+84. Conserf van vlier.
+85. Abrikozen in het zuur.
+86. Kwetsen in het zuur.
+87. Morellen in het zuur.
+88. Peren in het zuur.
+89. Rozenbottels in het zuur.
+90. Meloenschillen in het zuur.
+91. Kalebassen in het zuur.
+92. Blaauwbessen in het zuur.
+93. Kersappeltjes in het zuur.
+94. Zoetzure komkommers.
+95. Heele komkommers, à la Russe.
+96. Komkommers op gewone manier.
+97. Augurken.
+98. Gekookte augurken.
+99. Komkommers als O. I. mango.
+100. Mixed pickles in azijn.
+101. Oostindische kers.
+102. Maïs in azijn.
+103. Sint-Jans uijetjes.
+104. Chalotten.
+105. Bieten.
+106. Zoetzure peren.
+107. Ingemaakte champignons.
+108. Champignons in azijn.
+109. Aspergies in het zuur.
+110. Princessenboontjes in het zuur.
+111. Gedroogde champignons.
+112. Gedroogde peren.
+113. Gedroogde pruimen.
+114. Gedroogde appelen.
+115. Gedroogde blaauwbessen.
+116. Gedroogde kweeën.
+
+
+V. Het inmaken en droogen van groenten.
+
+ 1. Het inmaken van jonge groenten in blikken bussen.
+ 2. Het inmaken in kruiken.
+ 3. Doperwten in zout.
+ 4. Tuinboonen.
+ 5. Gedroogde jonge erwten.
+ 6. Aspergies in boter.
+ 7. Algemeene regelen bij het inmaken van herfstgroenten.
+ 8. Snijboonen raauw ingemaakt.
+ 9. Snijboonen afgekookt ingemaakt.
+10. Prinsessenboonen.
+11. Prinsessenboonen in azijn.
+12. Raapstelen.
+13. Zuurkool.
+14. Andijvie.
+15. Kropsalade.
+16. Postelein.
+17. Zuring.
+
+
+W. Dranken en likeuren.
+
+ 1. Het wasschen, branden, malen en zetten van koffij.
+ 2. Thee.
+ 3. Melkchocolade.
+ 4. Waterchocolade.
+ 5. Poederchocolade.
+ 6. Slemp.
+ 7. Kandeel.
+ 8. Punch impérial.
+ 9. Aardbeziepunch.
+10. Punch van arak.
+11. Punch van rhijnwijn.
+12. Mecklenburger punch.
+13. Eijerpunch.
+14. Warme wijn.
+15. Koude eijerwijn.
+16. Bisschop.
+17. Kardinaal van china'sappelen.
+18. Kardinaal van ananas.
+19. Aardbeziebowl.
+20. Parijzer kardinaalextract.
+21. Resedabowl.
+22. Kruidenwijn.
+23. Bessenwijn.
+24. Whip.
+25. Grog.
+26. Hoppel poppel.
+27. Schuimbier.
+28. Limonade.
+29. Orgeade.
+30. Gortwater voor zieken.
+31. Om wei voor zieken te maken.
+32. Broodwater voor zieken.
+33. Lait de poule, voor zieken.
+34. Appeldrank, voor zieken.
+35. IJslandsche mos voor zieken.
+36. Violenazijn voor zieken.
+
+
+Likeuren.
+
+37. Algemeene regelen voor het bereiden van likeuren.
+38. Nagellikeur.
+39. Kaneellikeur.
+40. Kruidenlikeur.
+41. Fransche notenlikeur.
+42. Aardbezielikeur.
+43. Curaçao.
+44. Eau de coins.
+45. Kersenlikeur.
+46. Frambozenlikeur.
+47. Likeur van zwarte bessen.
+48. Huile de citron.
+
+
+X. Het pekelen en rooken van vleesch, benevens het worstmaken.
+
+ 1. Algemeene regelen.
+ 2. Saucis de Boulogne.
+ 3. Kleine saucijsjes.
+ 4. Metworst.
+ 5. Pekelworst.
+ 6. Frankforter braadworst.
+ 7. Leverbeuling.
+ 8. Leverbeuling met meel.
+ 9. Mecklenburger worst.
+10. Bloedbeuling.
+11. Tongenworst.
+12. Hersenworst.
+13. Zwoordworst.
+14. Gortbeuling.
+15. Runderworst.
+16. Balkenbrij.
+17. Rolpens.
+18. Zwoordrolletje in gelei.
+19. Hoofdkaas.
+20. Varkensribbetjes in het zuur.
+21. Preskop.
+22. Preskop in gelei.
+23. Varkensragout.
+24. Ossenvleesch in het zuur.
+25. Het smelten van het vet.
+26. Het pekelen van rookspek.
+27. Om spek ongerookt te bewaren.
+28. Rookvleesch.
+29. Het pekelen van rundvleesch.
+30. Goede pekel voor vleesch en spek.
+31. Een enkel stuk pekelvleesch.
+32. Om pekelvleesch met houtskool te bewaren.
+33. Gerookte ganzen.
+
+
+IJ. Azijn.
+
+ 1. Vruchtenazijn.
+ 2. Suikerazijn.
+ 3. Azijn van Aalbessen.
+ 4. Om azijn te keuren.
+
+
+Z. Aanhangsel.
+
+ 1. Het dekken van de tafel.
+ 2. Het schikken van de tafel.
+ 3. Het bedienen van de tafel.
+ 4. Déjeuner à la fourchette.
+ 5. Collation.
+ 6. Souper.
+ 7. Gewoon déjeuner.
+ 8. Thé's.
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Keukenboek, by H. Davidis
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KEUKENBOEK ***
+
+***** This file should be named 37790-8.txt or 37790-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/7/7/9/37790/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.