diff options
Diffstat (limited to '37869-8.txt')
| -rw-r--r-- | 37869-8.txt | 16044 |
1 files changed, 16044 insertions, 0 deletions
diff --git a/37869-8.txt b/37869-8.txt new file mode 100644 index 0000000..f9cba16 --- /dev/null +++ b/37869-8.txt @@ -0,0 +1,16044 @@ +The Project Gutenberg EBook of De Ellendigen, by Victor Hugo + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Ellendigen + +Author: Victor Hugo + +Release Date: October 29, 2011 [EBook #37869] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. + + + + + + + + + DE ELLENDIGEN + + Naar het Fransch + Van + VICTOR HUGO. + + Opnieuw bewerkt. + + Vierde deel. + + + + Arnhem en Nijmegen, + Gebrs. E. & M. Cohen. + + + + + + + +BOEK I. + +EENIGE BLADZIJDEN GESCHIEDENIS. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +GOED GESNEDEN. + + +De jaren 1831 en 1832, welke onmiddellijk op de Juli omwenteling +volgen, zijn een der eigenaardigste en treffendste tijdperken uit de +geschiedenis. Deze beide jaren zijn als twee bergen te midden der +jaren, die hen voorafgaan en volgen. Zij hebben de revolutionnaire +grootheid. Men onderscheidt er afgronden. De maatschappelijke +massa's, de grondslagen zelve der beschaving, de hechte groep der +opeengestapelde en samenhangende belangen, de eeuwenoude omtrekken +der voormalige Fransche vorming verschijnen en verdwijnen er ieder +oogenblik te midden der onstuimige wolken van stelsels, hartstochten +en theorieën. Deze verschijningen en verdwijningen heeft men den +wederstand en de beweging genoemd. Bij tusschenpoozen ziet men er de +waarheid, dat licht der menschelijke ziel, in stralen. + +Dit merkwaardig tijdvak is tamelijk eng begrensd en begint zich reeds +allengs genoeg van ons te verwijderen, om thans de hoofdlijnen ervan +te kunnen erkennen. + +Wij willen beproeven ze aan te toonen. + +De restauratie was een tusschentijdvak, dat moeielijk te beschrijven +is, een tijdvak van afmatting, dof gerucht, gemor, slaap, rumoer, +welke niets anders beteekenen dan de komst eener groote natie aan +een rustpunt. Deze tijdvakken zijn buiten allen regel en bedriegen +de staatkundigen, die ze willen bewerken. Bij den aanvang vraagt de +natie slechts rust; men haakt slechts naar vrede; men heeft geen andere +eerzucht dan klein te zijn; 't geen wil zeggen rustig te blijven. Men +heeft, God dank, tot verzadigens toe, genoeg groote gebeurtenissen, +groote afwisselingen, groote avonturen, groote mannen gezien. Men zou +gaarne Cesar voor Prusias, en Napoleon voor den koning van Yvetot +geven: Quel bon petit roi c'était là! (welk een goed koninkje was +dat!) Men heeft sinds het aanbreken van den dag gegaan en is aan den +avond van een langen vermoeienden dag; den eersten tocht heeft men +met Mirabeau, den tweeden met Robespierre, den derden met Bonaparte +afgelegd; men is van vermoeidheid uitgeput. Ieder verlangt naar bed. + +De vermoeide opoffering, de oud geworden heldenmoed, de verzadigde +eerzucht, de bereikte fortuin--dat alles zoekt, eischt, smeekt, +verzoekt, wat?--een nachtverblijf. Zij hebben het. Zij nemen bezit +van den vrede, van de rust, van het gemak--zij zijn tevreden. Maar +tezelfdertijd doen zich feiten voor, maken zich bekend en kloppen +hunnerzijds aan de deur. Deze feiten zijn uit de revolutiën en de +oorlogen voortgekomen; zij bestaan, zij leven, zij hebben het recht +zich in de maatschappij te vestigen en vestigen er zich; meesttijds +zijn de feiten kwartiermakers en fouriers, die niets doen dan voor +de beginselen kwartieren gereed te maken. + +Nu verschijnt voor de politieke wijsgeeren het volgende: + +Terwijl de vermoeide menschen naar rust verlangen, eischen de +volbrachte feiten waarborgen. Voor de feiten zijn waarborgen hetzelfde +als rust voor de menschen. + +Die vroeg Engeland na den protector aan de Stuarts; die vroeg Frankrijk +den Bourbons na het Keizerrijk. + +Deze waarborgen zijn een noodzakelijkheid van den tijd; men moet ze +verleenen. De vorsten "oktrooieeren" ze, maar 't is werkelijk de drang +der omstandigheden die ze geeft. 't Is een diepe, nuttige waarheid, +waaraan de Stuarts in 1662 niet dachten, welke de Bourbons zelfs +in 1814 niet opmerkten. De voorbeschikte familie, die in Frankrijk +terugkwam, toen Napoleon viel, had de noodlottige onnoozelheid te +gelooven, dat zij gaf, en dat zij terug kon nemen wat zij gegeven had, +dat het huis van Bourbon het goddelijk recht bezat, dat Frankrijk +niets bezat, en dat het politieke recht, in de charte van Lodewijk +XVIII toegestaan, niets anders was dan een tak van het goddelijk recht, +door het huis Bourbon afgebroken en genadiglijk aan het volk gegeven, +tot den dag dat het den koning behagen mocht het terug te nemen. Het +huis van Bourbon had evenwel, al ware het alleen door den tegenzin, +waarmede het die gift deed, moeten gevoelen, dat ze niet van hen kwam. + +Het was nijdig op de negentiende eeuw. Bij iedere ontwikkeling der +natie betoonde het zich wrevelig; het "mokte," om een plat, maar waar +woord te gebruiken. Dit zag het volk. + +Het waande zich sterk, wijl het keizerrijk als een tooneelscherm bij +zijn komst was weggeschoven. Het merkte niet op, dat het op dezelfde +wijze aangebracht was. Het zag niet, dat het zelf ook in de hand was, +die Napoleon had weggenomen. + +Het meende wortelen te hebben, wijl het 't verledene was. Het bedroog +zich; het vormde een gedeelte van het verledene, maar geheel het +verledene was Frankrijk. De wortelen der Fransche maatschappij lagen +niet in de Bourbons, maar in de natie. Deze onzichtbare en krachtig +levende wortelen vormden niet het recht eener familie, maar de +geschiedenis van een volk. Zij lagen overal, behalve onder den troon. + +Het huis van Bourbon was voor Frankrijk de roemrijke en bloedige knoop +zijner geschiedenis, maar niet meer het hoofdelement van zijn lot +en de noodzakelijke grondslag zijner politiek. Men kon de Bourbons +missen; men had ze twee-en-twintig jaren gemist; de voortduring was +afgebroken geweest, maar zij begrepen het niet. Hoe hadden zij het +kunnen begrijpen, zij die zich verbeeldden, dat Lodewijk XVII op den 9 +Thermidor, en Lodewijk XVIII op den dag van Marengo regeerde? Nooit +waren, sedert het begin der geschiedenis, de vorsten zoo blind +geweest tegenover de feiten en ten opzichte van dat gedeelte van het +goddelijk gezag, 't welk de feiten bevatten en verkondigen. Nooit had +deze aanmatiging van beneden, welke men het recht der koningen noemt, +op zulk een wijze het recht van boven verloochend. + +Deze groote dwaling bracht deze familie er toe de hand aan de in 1814 +"geoktrooieerde" waarborgen, aan de concessiën zooals zij die noemde, +te slaan. 't Was treurig! Wat zij onze overweldigingen noemde, waren +onze rechten. + +Toen de restauratie meende, Bonaparte overwonnen te hebben en in het +land geworteld te zijn, dat wil zeggen: zich sterk en vast genoeg +achtte, nam zij, toen het oogenblik haar gunstig scheen, ijlings +een besluit en waagde een slag. Op zekeren ochtend richtte zij zich +op voor Frankrijks aangezicht, en haar stem verheffende, betwistte +zij den algemeenen en den persoonlijken rechtstitel, namelijk zij +betwistte der natie de souvereiniteit, den burger de vrijheid. Met +andere woorden: zij loochende datgene wat de natie tot natie en den +burger tot burger maakte. + +Dit is de grond dier beruchte staatsstukken, welke men de ordonnantiën +van Juli noemt. + +De restauratie viel. + +Zij viel met recht. Wij moeten echter zeggen, dat zij niet volstrekt +aan al de vormen van den vooruitgang vijandig was. Grootsche dingen +waren uitgevoerd aan haar zijde. + +Gedurende de restauratie had de natie zich gewoon gemaakt aan de +discussie in de rust, 't geen aan de republiek had ontbroken, en aan de +grootheid in den vrede, 't geen aan het Keizerrijk had ontbroken. Het +vrije, sterke Frankrijk was een bemoedigend schouwspel voor de andere +volken van Europa geweest. De revolutie had, onder Robespierre, het +kanon, onder Bonaparte, het woord gevoerd; onder Lodewijk XVIII en +Karel X kwam de beurt om het woord te hebben aan het verstand. De wind +hield op, de toorts gaf weder licht. Men zag op de heldere kruinen het +zuiver licht der geesten flikkeren. Een heerlijk, nuttig en bekoorlijk +schouwspel. Men zag gedurende vijftien jaren, in vollen vrede, in +volkomen openbaarheid deze groote beginselen werkzaam, die zoo oud +voor den denker, zoo nieuw voor den staatsman zijn: de gelijkheid +voor de wet, de vrijheid van geweten, de vrijheid van spreken, +de vrijheid der drukpers, de toegankelijkheid van alle bedieningen +voor alle bekwaamheden. Dit duurde tot in 1830. De Bourbons waren +een werktuig van beschaving, dat in de handen der voorzienigheid brak. + +De val der Bourbons was vol grootheid, niet van hun zijde, maar van +de zijde der natie. Zij verlieten den troon met ernst, maar zonder +waardigheid; hun nederdaling in den nacht was geen dier plechtige +verdwijningen, welke in de geschiedenis een sombere aandoening +achterlaten; 't was noch de spookachtige kalmte van Karel I, noch de +adelaarskreet van Napoleon. Zij gingen heen--dit was alles. Zij legden +de kroon neder, maar behielden geen glans er van. Zij waren niet laag, +maar evenmin verheven. Zij schoten eenigermate te kort aan de majesteit +van hun ongeluk. Op zijn weg naar Cherbourg liet Karel X van een ronde +tafel een vierkante zagen, en bekommerde zich meer om de bedreigde +etiquette dan om de instortende monarchie. Deze kleinheid bedroefde +de getrouwe lieden, die het persoonlijke der koninklijke familie +beminden, en de ernstige lieden, welke hun geslacht vereerden. Het +volk zelf was bewonderenswaardig. De natie, op een ochtend door +een soort van koninklijken opstand gewapenderhand aangevallen, +gevoelde zich zoo sterk, dat zij niet toornig was. Zij verdedigde, +bedwong zich, bracht de dingen weder op hun plaats; het gouvernement +in de wet, de Bourbons in ballingschap, en liet het daarbij. Zij nam +den ouden koning Karel X van onder den troonhemel, die Lodewijk XIV +had overschaduwd, en zette hem zacht op den grond neder. Zij raakte +slechts met droefheid en voorzichtig aan de koninklijke personen. 't +Was niet een man, 't waren niet eenige mannen, 't was Frankrijk, +geheel Frankrijk, het zegevierende en door zijn overwinning dronken +Frankrijk, dat zich scheen te herinneren en dat voor de oogen der +gansche wereld deze ernstige woorden van Guillaume du Vair na den +dag der barricades in practijk bracht: "'t Is gemakkelijk voor hen, +die gewoon zijn de gunst der grooten te genieten en als een vogel +van den eenen tak op den anderen te springen, van een bekrompen tot +een schitterend fortuin, zich hardvochtig tegen hun vorst en zijn +tegenspoed te toonen; maar voor mij zal het lot mijner koningen +eerwaardig zijn, en voornamelijk dat der bedroefden." + +De Bourbons namen eerbied, maar geen leedwezen mede. Zooals wij gezegd +hebben, was hun ongeluk grooter dan zij. Zij verdwenen aan den horizon. + +Dadelijk had de Juli-revolutie vrienden en vijanden in de geheele +wereld. De eenen ijlden met geestdrift en vreugd haar tegen, de anderen +wendden zich van haar, ieder naar zijn geaardheid. De vorsten van +Europa, de uilen bij dien dageraad, sloten aanvankelijk getroffen en +ontsteld de oogen, en openden ze niet weder dan om te dreigen. Een +ontzetting die begrijpelijk, een toorn die verschoonbaar is. Deze +zonderlinge revolutie was nauwelijks een schok geweest, zij had +zelfs het verwonnen koningschap de eer niet bewezen het als vijand +te behandelen en zijn bloed te storten. Voor de oogen der despotieke +gouvernementen, die er steeds belang bij hebben dat de vrijheid zich +zelve onteert, had de Juli-revolutie het ongelijk, vreeselijk te zijn +en toch zacht te blijven. Er werd overigens niets tegen haar beproefd +noch heimelijk bewerkt. Zij, die het meest ontevreden, vergramd en +beangst waren, begroetten haar. Hoe groot onze zelfzucht en onze wrok +zijn mogen, een geheimzinnige eerbied ontstaat uit de gebeurtenissen, +waarin men de medewerking van eene hoogere dan menschelijke macht +gevoelt. + +De Juli-revolutie is de triumf van het recht, dat het feit +nedervelt. Zij is iets schitterends! + +Het recht het feit nedervellende. Vandaar de glans der revolutie van +1830, vandaar ook haar zachtmoedigheid. Het triumfeerende recht heeft +geen behoefte om geweldig te zijn. + +Het recht is het juiste en ware. + +Het eigenaardige van het recht is, dat het eeuwig schoon en rein +blijft. Het feit, zelfs het schijnbaar noodzakelijkst, het door +den tijdgenoot volkomenst aangenomen feit is, zoo het slechts +als feit bestaat en te weinig of in 't geheel geen recht bevat, +onvermijdelijk bestemd om na verloop van tijd, leelijk, onrein, +misschien monsterachtig te worden. Zoo men met een oogopslag weten wil, +welken graad van leelijkheid het feit kan bereiken, wanneer men het +na verloop van eeuwen ziet, aanschouwe men Machiavelli. Machiavelli +is geen booze geest, geen demon, geen lage, ellendige schrijver; +hij is niets dan het feit. Niet alleen het Italiaansche feit, maar +het Europeesche; het feit der zestiende eeuw. Het schijnt leelijk, +en het is leelijk tegenover de zedelijke idée der negentiende eeuw. + +Deze strijd van het recht en het feit duurt sedert het ontstaan der +maatschappijen. Het werk der wijzen is aan den tweestrijd een einde te +maken, de zuivere idée met de menschelijke wezenlijkheid te verbinden, +op vreedzame wijze het recht in het feit en het feit in het recht op +te nemen. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +SLECHT GENAAID. + + +Maar het werk der wijzen is anders dan het werk der behendigen. + +De revolutie van 1830 was spoedig tot staan gekomen. + +Zoodra een revolutie gestrand is, bemachtigen zich de behendigen +het wrak. + +De behendigen hebben zich zelven, in onze eeuw, den naam van +staatslieden toegekend, zoodat de naam staatsman uiteindelijk +eenigermate een woord uit de dieventaal is geworden. Men vergete het +toch niet, dat, waar behendigheid is, ook noodzakelijk kleinheid moet +zijn. Behendigen wil dus zooveel zeggen als: middelmatigen. + +Even zoo is "staatsman" vaak gelijkbeteekenend met "verrader." + +Zoo men nu de behendigen gelooft, zijn de revolutiën, gelijk de +Juli-revolutie, doorgesneden slagaderen, die spoedig verbonden moeten +worden. Het te luid verkondigd recht schokt. Zoodra derhalve het recht +is erkend, moet de staat opnieuw gevestigd worden. Is de vrijheid +verzekerd, dan moet men aan het gezag denken. + +Hier scheiden de wijzen nog niet van de behendigen, maar beginnen te +wantrouwen. Het gezag, goed. Maar, vooreerst, wat is het gezag? ten +tweede, van waar komt het? + +De behendigen schijnen de gefluisterde tegenwerping niet te hooren +en gaan voort met hun arbeid. + +Volgens deze staatslieden, die zoo schrander zijn, aan voordeelige +hersenschimmen een masker van noodzakelijkheid te geven, is de eerste +behoefte van een volk na een revolutie, wanneer dit volk tot een +monarchaal werelddeel behoort, zich een dynastie te bezorgen. Op +deze wijze, zeggen zij, kan het rust na zijn omwenteling hebben; +dat wil zeggen, den tijd om zijn wonden te verbinden en zijn huis te +herstellen. De dynastie verbergt den steiger en bedekt het hospitaal. + +Maar het is niet altijd gemakkelijk, zich een dynastie te bezorgen. + +Ten strengste genomen is een geniaal man, ja zelfs de eerste de beste +gelukkige man voldoende om er een koning van te maken. In 't eerste +geval heeft men Bonaparte, in het tweede Iturbide. + +Maar de eerste de beste familie is niet voldoende om een dynastie te +zijn. Een geslacht moet noodzakelijk zekeren ouderdom hebben en de +rimpels der eeuwen kan men niet plotseling voortbrengen. + +Welke eigenschappen, altijd, wel te verstaan, uit het gezichtspunt der +"staatsmannen" gezien, en onder zeker voorbehoud, moet na een revolutie +een koning hebben, die er uit ontstaan is? Hij kan revolutionnair +zijn en 't is nuttig, dat hij het zij, namelijk dat hij persoonlijk +in de revolutie betrokken zij geweest, er de hand in gehad hebbe, +dat hij er zich door benadeeld of er roem mede behaald, dat hij er +de bijl van geraakt of den degen er voor gevoerd hebbe. + +Welke zijn de eigenschappen eener dynastie? Zij moet nationaal, dat is +uit de verte revolutionnair zijn, niet door volbrachte handelingen, +maar door aangenomen beginselen. Zij moet uit het verleden zijn +samengesteld, en historisch zijn, een toekomst hebben en sympathie +inboezemen. + +Dit alles verklaart, waarom de eerste revolutiën zich tevreden stellen +met een man te vinden, Cromwell of Napoleon; en waarom de tweede +volstrekt een familie willen vinden, het huis van Brunswijk of het +huis van Orleans. De koninklijke huizen gelijken naar die Indische +vijgeboomen, van welke iedere tak zich naar de aarde buigt, er wortelt +en een vijgeboom wordt. Iedere tak kan een dynastie worden. Alleen +op voorwaarde, dat hij zich tot het volk buigt. + +Dit is de theorie der behendigen. + +De groote kunst is alzoo: aan eenigen voorspoed den klank eener +gewichtige gebeurtenis te geven, opdat zij, die ervan genieten, er +ook voor beven; een gedanen stap met vrees te kruiden; de buiging van +den overgang te vernauwen om den vooruitgang te vertragen; dit werk te +verzwakken, de ruwheden der geestdrift aan te wijzen en weg te nemen; +de hoeken en nagels weg te snijden; den triumf in watten te leggen; +het recht in te bakeren; den reus, het volk, in flanel te wikkelen +en het schielijk te bed te brengen; aan deze overmatige gezondheid +een diëet voor te schrijven; Hercules als een herstelden zieke te +behandelen; de gebeurtenis in het hulpmiddel op te lossen; aan de, +naar het ideaal dorstende geesten een verkoelenden drank te reiken; +voorzorgen tegen al te grooten voortgang te nemen, de revolutie van +een lichtscherm te voorzien. + +1830 bracht deze theorie in practijk, welke door 1688 reeds op Engeland +was toegepast. + +1830 is een te halverwege tot staan gebrachte revolutie; half +vooruitgang, bijna recht. Maar de logica wil van "bijna" niets weten, +evenmin als de zon iets van de kaars weet. + +Wie houdt de revolutiën te halverwege staande? De burgerstand. + +Waarom? + +Wijl de burgerstand is: het eigenbelang, dat tot bevrediging is +gekomen. Gisteren was het de honger, heden is het de voldoening, +morgen zal het de verzadiging zijn. + +Het verschijnsel van 1814 na Napoleon herhaalde zich in 1830 na +Karel X. + +Men heeft ten onrechte van den burgerstand eene klasse willen maken. De +burgerstand is eenvoudig het bevredigde gedeelte des volks. De burger +is de man, die op 't oogenblik den tijd heeft te gaan zitten. Een +stoel is geen kaste. Maar door te spoedig te gaan zitten, kan men zelfs +den gang van het menschelijk geslacht tegenhouden. Dit is dikwerf de +misslag van den burgerstand geweest. + +Men is geen klasse, wijl men een misslag begaat. De zelfzucht is geen +afdeeling der menschelijke orde. + +Men moet overigens, zelfs jegens de zelfzucht, rechtvaardig zijn; de +toestand, waarnaar dit gedeelte der natie, 't welk men den burgerstand +noemt, na den schok van 1830 trachtte, was geen werkeloosheid, die zich +aan onverschilligheid en luiheid paart, en een weinig schande bevat; +'t was niet de slaap, die een vluchtige vergetelheid onderstelt, +vatbaar voor droomen; 't was een halt. + +Dit "halt" is een woord van een dubbele, schier tegenstrijdige +beteekenis: voor marcheerende troepen behoort het tot de beweging; +bij stilstand is het rust. + +Halt houden is de herstelling der krachten, 't is de gewapende en +waakzame rust, 't is het volbrachte feit, dat schildwachten uitzet en +op zijn hoede is. Halt houden veronderstelt het gevecht van gisteren +en het gevecht voor morgen. + +'t Is de tusschentijd van 1830 en van 1848. + +Wat wij hier gevecht noemen, kan ook vooruitgang worden genoemd. + +De burgerstand had dus evenzeer als de staatslieden een man noodig, +die dit woord "halt" uitdrukte. Een "Hoewel omdat." Een samengestelde +individualiteit, die revolutie en duurzaamheid beteekent, met andere +woorden: die het tegenwoordige, door de blijkbare overeenstemming +van het verledene en de toekomst, bevestigde. + +Die man was "gevonden." Hij heette Lodewijk Filips van Orleans. + +De 221 maakten Lodewijk Filips koning. Lafayette belastte zich met +de zalving. Hij noemde hem "de beste der republieken." Het stadhuis +van Parijs verving de Cathedraal van Reims. + +Deze vervanging door een halven troon, in de plaats van een geheelen, +was "het werk van 1830." + +Toen de behendigen gedaan hadden, kwam de groote feil hunner schepping +voor den dag. Dit alles was verricht buiten het volstrekte recht. Het +volstrekte recht riep: Ik protesteer! en toen trad het, 't geen nog +geduchter was, weder in de schaduw. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +LODEWIJK FILIPS. + + +Revolutiën hebben een vreeselijken arm en een gelukkige hand; zij slaan +duchtig en kiezen goed. Zelfs wanneer zij onvolledig, verbasterd, te +vroegtijdig en een jeugdige revolutie zijn, gelijk die van 1830, blijft +haar schier altijd nog genoeg providentieele helderziendheid over om +niet verkeerd te vallen. Haar verduistering is nooit een afstand. + +Beroemen wij ons echter niet te luid; ook de revolutiën bedriegen +zich en men heeft ernstige misvattingen gezien. + +Keeren wij tot 1830 terug. 1830 had in zijn afwijking geluk. Bij de +instelling, die, na de plotseling staande gehouden revolutie, orde +heette, was de koning beter dan het koningschap. Lodewijk Filips was +een zeldzaam man. + +Zoon van een vader, nopens wien de geschiedenis zekerlijk verzachtende +omstandigheden in aanmerking zal nemen, even achtenswaardig als zijn +vader laakbaar was geweest; in het bezit van alle persoonlijke, en +vele openbare deugden; zorgvuldig voor zijn gezondheid, zijn fortuin, +zijn persoon en zijn zaken; de waarde van een minuut, niet altijd +die van een jaar kennende; matig, opgeruimd, vreedzaam, geduldig; +een goed man en een goed vorst; die bij zijn vrouw sliep en in zijn +paleis lakeien had om zijn echtelijk bed aan de burgers te laten zien; +de praalvertooning van een geregeld huwelijksleven, te noodzakelijker +geworden na de zedelooze praalvertooningen van den ouderen tak; +bekend met al de talen van Europa, en wat zeldzamer is, met alle +talen van alle belangen, en die talen sprekende; een merkwaardig +vertegenwoordiger van den "middelstand", maar dien overtreffende en +in alle opzichten er boven verheven; in 't bezit van een uitstekenden +geest, echter het bloed waardeerende waarvan hij afstamde, en vooral +zich zelven wegens eigen geestkracht; bij de vraag nopens zijn +geslacht, zich uitsluitend Orleans en niet Bourbon noemende; zeer +prins van den bloede, zoolang hij slechts koninklijke hoogheid was, +maar een wezenlijk burger, zoodra hij majesteit was; in 't openbaar +wijdloopig, maar kort en bondig in vertrouwde kringen; gierig genoemd, +maar nooit bewezen; in den grond een dier spaarzamen, die uit lust +of plicht gemakkelijk verspillend worden; een geletterde, maar echter +weinig voor de letteren over hebbende; een edelman maar geen ridder; +eenvoudig, kalm en sterk; door zijn familie en zijn huis bemind; +een verleidelijk verhaler; een van hersenschimmen bevrijd staatsman; +inwendig koel; beheerscht door het onmiddellijk belang; immer zich naar +het naaste richtend; noch tot wraak noch tot dankbaarheid bekwaam; +onmeedoogend de uitstekenden tegen de middelmatigen bezigende; +behendig om door de parlementaire meerderheden die geheimzinnige +eenstemmigheden in 't ongelijk te stellen, welke onder de tronen +grollen; openhartig, soms onvoorzichtig in zijn openhartigheid, +maar bij deze onvoorzichtigheid wonderbaar behendig; vruchtbaar in +uitvluchten, gedaantewisselingen en maskers; Frankrijk voor Europa en +Europa voor Frankrijk bevreesd makende; onbetwistbaar zijn vaderland +beminnende, maar aan zijn familie de voorkeur gevende; meer waarde +hechtende aan heerschappij dan aan het gezag, en aan het gezag meer +dan de waardigheid; een neiging die noodlottig is, wanneer zij in +alles willende slagen, list te baat neemt en niet volstrekt afkeerig +van laagheid is, maar het voordeel heeft dat zij de politiek voor +geweldige schokken, den staat voor breuken en de maatschappij voor +noodlottige gebeurtenissen behoedt; stipt in kleinigheden, nauwkeurig, +waakzaam, oplettend, scherpzinnig, onvermoeibaar, die zich soms +tegensprak en logenstrafte, die stoutmoedig tegen Oostenrijk te +Ancona, hardnekkig tegen Engeland in Spanje was, die Antwerpen +bombardeerde en den missionaris Pritchard vergoeding gaf; die met +overtuiging de Marseillaise zong; onvatbaar voor neerslachtigheid, +vermoeienissen, voor den smaak voor het goede en het ideale, voor +edelmoedige vermetelheid, voor utopieën, hersenschimmen, toorn, +ijdelheid en vrees; die al de vormen van persoonlijke onversaagdheid +had; als generaal te Valmy, als soldaat te Jemmapes, achtmaal door +koningsmoord aangerand, en die telkens glimlachte; dapper als een +grenadier, moedig als een denker; geen andere bekommering hebbende +dan voor de gevaren eener Europeesche opschudding, en ongeschikt +voor groote politieke avonturen; immer gereed zijn leven te wagen, +nooit zijn werk; zijn wil onder den schijn van invloed vermommende, +ten einde eerder als een schrander man dan als koning gehoorzaamd +te worden; begaafd met opmerkzaamheid, maar niet met vooruitzicht; +weinig lettende op de geesten, maar van groote menschenkennis, dat +wil zeggen: hij moest zien, om te kunnen oordeelen; vlug van verstand +en scherpzinnig, met practische wijsheid, welbespraakt, en met een +wonderbaar geheugen; immer uit dat geheugen puttende, het eenige wat +hij met Cesar, Alexander en Napoleon gemeen had; hij kende de feiten, +de bijzonderheden, de datums, de eigennamen, maar was onbekend met +de neigingen, de hartstochten, de verschillende uitingen der menigte, +de inwendige strevingen, de geheime en verborgen opstanden der zielen, +met één woord: alles wat men de onzichtbare stroomingen der geesten +zou kunnen noemen; een man door de oppervlakte aangenomen, maar +weinig in overeenstemming met het onderste van Frankrijk; die zich +door slimheid uit de verlegenheid redde; die te veel regeerde en niet +genoeg heerschte; die zelf zijn eerste minister was; uitmuntend om +van de kleinheid der wezenlijkheden hindernissen voor het oneindige +der ideeën te vormen; die aan een wezenlijk scheppende bekwaamheid +van beschaving, orde en organisatie een zekeren geest van kibbelarij +en chicane paarde; stichter en procureur eener dynastie, die iets +van Karel den groote en iets van een advocaat had; in 't geheel een +verhevene, origineele gestalte, een vorst die zich gezag wist te +verschaffen in weerwil der kitteloorigheid van Frankrijk, en macht, +trots Europa's ijverzucht--Lodewijk Filips zal onder de uitstekende +mannen zijner eeuw worden gesteld en zou gerangschikt zijn onder de +doorluchtige heerschers der geschiedenis, zoo hij een weinig zin voor +den roem had gehad en evenzeer gevoel voor het grootsche als voor het +nuttige. Lodewijk Filips was schoon geweest, en was, oud geworden, +nog bevallig gebleven; hoewel niet altijd aangenaam bij de natie, +was hij het altijd bij de menigte; hij behaagde. Hij had de gaaf +te bekoren. Hem ontbrak majesteit; hij droeg geen kroon, hoewel hij +koning, geen wit haar, hoewel hij een grijsaard was. Zijn manieren +behoorden den ouden, zijn gewoonten den nieuwen tijd, een mengsel van +het adellijke en burgerlijke, dat aan 1830 paste; Lodewijk Filips +was de regeerende overgang; hij had de oude uitspraak en de oude +spelling behouden, welke hij ten dienste der nieuwe gedachten stelde; +hij beminde Polen en Hongarije, maar schreef als eertijds Polonois, +en zeide Hongrais. Hij droeg de uniform der nationale garde gelijk +Karel X, en het lint van het Legioen van Eer gelijk Napoleon. + +Hij ging weinig ter kerk, niet ter jacht, nooit naar de opera. Hij +was onomkoopbaar voor de kosters, jachtknechten en danseressen; dit +gaf hem populariteit bij den burgerstand. Hij had geen hofhouding. Hij +ging uit met zijn parapluie onder den arm, en deze parapluie heeft lang +tot zijn gloriekrans behoord. Hij was een weinig metselaar, een weinig +tuinier en een weinig arts; hij deed een aderlating aan een postillon, +die van het paard was gestort; hij ging evenmin uit zonder zijn lancet +als Hendrik III zonder zijn dolk. De koningsgezinden bespotten dezen +belachelijken koning, den eerste die bloed vergoot om te genezen. + +In de grieven der geschiedenis tegen Lodewijk Filips moet onderscheid +gemaakt worden; er is in beschuldiging van het koningschap, +beschuldiging van de regeering en beschuldiging van den koning; +drie kolommen, welke ieder een verschillende som geven. Op het +democratische recht beslag gelegd, de vooruitgang een tweede belang +geworden, de geweldige onderdrukking der straatprotesten, de militaire +terechtstelling der opstanden, het oproer door de wapens bedwongen, de +straat Transnonain, de zittingen van den krijgsraad, de overvleugeling +van het wezenlijke land door het wettige land, het gouvernement in +halve winst met driehonderd duizend bevoorrechten zijn de feiten +van het koningschap; België geweigerd, Algerië te streng veroverd, +en, evenals Indië door de Engelschen, met meer barbaarschheid dan +beschaving; de trouwbreuk jegens Abdel-Kader, Blaye, de koop van +het verraad tegen de hertogin van Berry; de aan Pritchard betaalde +vergoeding zijn de feiten der regeering; een politiek, die meer de +belangen der familie dan die der natie op 't oog had, is een feit +des konings. + +Zooals men ziet, wordt na deze afscheiding de schuld des konings +minder. + +Zijn grootste misslag is deze: Hij was te bescheiden in naam van +Frankrijk. + +Vanwaar komt deze misslag? + +Lodewijk Filips was als koning te veel vader; de opkweeking +eener familie, waarvan men een dynastie wil maken, is voor alle +omstandigheden beducht, moet door niets gehinderd worden. Vandaar die +buitensporige beschroomdheid, welke voor het volk onaangenaam was, +dat den 14 Juli in zijn burgerlijke overleveringen, en Austerlitz in +zijn militaire overleveringen heeft. + +Afgescheiden overigens van de openbare plichten, die het eerst moeten +vervuld worden, was deze innige liefde van Lodewijk Filips voor +zijn familie eene alleszins gewettigde. Deze huiselijke groep was +bewonderenswaardig. De deugden gingen er aan talenten gepaard. Eene +der dochters van Lodewijk Filips, Maria van Orleans, plaatste den naam +van haar geslacht onder de kunstenaars, zooals Karel van Orleans dien +onder de dichters had geplaatst. Zij had haar ziel in marmer gevormd, +'t geen zij Jeanne d'Arc noemde. Twee zonen van Lodewijk Filips hadden +Metternich dezen demagogischen lof ontrukt: "'t Zijn jongelieden, +zooals men ze zelden ziet, en prinsen, zooals men ze in 't geheel +niet ziet." + +Dit is, zonder iets te bewimpelen, maar ook zonder iets te verergeren, +de waarheid nopens Lodewijk Filips. + +'t Was in 1830 voor Lodewijk Filips het geluk dat hij prins Egalité +was, dat hij in zich de tegenspraak der restauratie en der revolutie +droeg, dat hij die verontrustende zijde van den revolutionnair had, +die bij den regeerder geruststellend wordt. Nooit paste een mensch +beter bij een gebeurtenis; de een ging in de andere over, en een +nieuwe menschwording ontstond. Lodewijk Filips is de menschwording +van 1830. Bovendien had hij in zijn voordeel deze groote aanbeveling +voor den troon; de verbanning. Hij was balling, zwervend en arm +geweest. Hij had van zijn arbeid geleefd. In Zwitserland had deze +deelgenoot aan de rijkste vorstelijke domeinen van Frankrijk een +oud paard verkocht, om in zijn onderhoud te voorzien. Te Reichenau +had hij lessen in de wiskunde gegeven, terwijl zijn zuster Adelaïde +borduurde en naaide. Deze herinneringen van een koning brachten den +burgerstand in verrukking. Met eigen handen had hij het laatste ijzeren +cachot van Mont-Saint-Michel afgebroken, dat door Lodewijk XI gebouwd, +door Lodewijk XV gebezigd werd. Hij was de krijgsmakker van Dumouriez, +de vriend van Lafayette; hij had tot de club der Jacobijnen behoord; +Mirabeau had hem op den schouder geklopt; Danton had tot hem gezegd: +jongeling! In 93, op vier-en-twintigjarigen leeftijd, had hij, +als mijnheer de Chartres, in een donkere loge der conventie, het +proces bijgewoond van Lodewijk XVI, zoo terecht "die arme tyran" +genoemd. De blinde helderziendheid der revolutie, het koningschap +in den koning en den koning met het koningschap verbrekende, zonder +bijna in de woeste verplettering der idée den mensch op te merken; de +ontzaggelijke storm der vergadering als gerechtshof, de openbare toorn +die ondervraagt, Capet die niet weet te antwoorden; de schrikbarende +verstomde waggeling van dit koninklijke hoofd onder dien noodlottigen +storm; de betrekkelijke onschuld van allen in dit schriktooneel, +zoowel van hen die veroordeelden als van hem die veroordeeld werd--dit +alles had hij gezien, hij had aller verbijstering aanschouwd; hij +had de eeuwen voor de balie der conventie zien verschijnen; achter +Lodewijk XVI, dezen ongelukkigen verantwoordelijken voorbijganger, +had hij in de duisternis de vreeselijke beschuldigde, de monarchie, +zien verrijzen; en in zijn ziel was de eerbiedige ontzetting voor de +ontzaggelijke gerechtigheid des volks, schier even onpersoonlijk als +die van God achtergebleven. + +Het spoor dat de revolutie in hem had achtergelaten was +wonderbaar. Zijn herinnering was als een levend indruksel van deze +groote jaren, minuut voor minuut. Op zekeren dag verbeterde hij, +in tegenwoordigheid van een getuige, aan wien wij onmogelijk kunnen +twijfelen, uit zijn geheugen de geheele letter A der alphabetische +lijst van de Constitueerende Vergadering. + +Lodewijk Filips was een koning in den vollen dag. Toen hij regeerde +was de pers vrij, het spreekgestoelte vrij, waren het geweten en +het woord vrij. De September-wetten spreken luide. Hoewel hij de +nadeelige kracht van het licht op de privilegiën kende, liet hij toch +zijn troon aan het licht blootgesteld. De geschiedenis zal hem deze +grootmoedigheid toerekenen. + +Thans is Lodewijk Filips, zooals alle historische mannen, die van +het tooneel zijn getreden, voor de balie van het menschelijk geweten +gevoerd. Zijn proces is nog slechts ter eerste instantie. + +Het uur, dat de geschiedenis met haar eerwaardige en vrije stem +spreekt, heeft voor hem nog niet geslagen, het oogenblik is nog niet +gekomen om over dien koning het eindvonnis uit te spreken: zelfs de +strenge en beroemde geschiedschrijver Louis Blanc heeft onlangs zijn +eerste vonnis verzacht; Lodewijk Filips werd gekozen door deze twee, +die men 221 en 1830 noemt, namelijk door een half parlement en een +halve revolutie; in allen geval, en uit het verheven gezichtspunt, +waarop de wijsbegeerte zich moet plaatsen, zouden wij hem hier niet +kunnen beoordeelen, zooals men hierboven heeft kunnen opmerken, dan +met zekere voorbehoudingen, in naam van het volstrekt democratisch +beginsel; voor het oog van het volstrekte, buiten deze twee rechten: +vooreerst de rechten van den mensch, en ten tweede het recht des volks, +is alles overweldiging; wat wij evenwel reeds nu, behoudens deze +voorbehoudingen, kunnen zeggen, is, dat over 't geheel en op welke +wijze men hem beschouwe, Lodewijk Filips, op zich zelven genomen en +uit het oogpunt van menschelijke goedheid, om ons van de uitdrukking +der oude geschiedenis te bedienen, een der beste vorsten zal blijven, +die op eenigen troon gezeteld hebben. + +Wat heeft hij tegen zich? Die troon. Neem het koningschap van +Lodewijk Filips af. De mensch blijft. De mensch is goed; dikwijls +goed tot bewonderens toe. Menigmaal kwam hij des avonds, te midden +der drukkendste zorgen, na een dag van strijd tegen de diplomatie +van geheel Europa, in zijn kamer, en wat deed hij daar, uitgeput +van vermoeidheid, en worstelend tegen den slaap? Hij nam een bundel +processtukken, en bracht den nacht door met de nalezing van een +crimineel rechtsgeding, meenende dat het iets beteekende Europa het +hoofd te bieden, maar dat het een gewichtiger zaak was, den beul een +mensch te ontrukken. Volhardend bestreed hij zijn zegelbewaarders; +voet voor voet betwistte hij den procureurs-generaal, deze "babbelaars +der wet" zooals hij ze noemde, het terrein der guillotine. Soms +bedekten stapels processtukken zijn tafel; hij onderzocht ze alle; +'t was hem onmogelijk deze rampzalige veroordeelde hoofden op te +geven. Op zekeren dag zeide hij tot denzelfden getuige, van wien +wij aanstonds spraken: "Dezen nacht heb ik er zeven gewonnen." In de +eerste jaren zijner regeering werd de doodstraf zoogoed als afgeschaft, +en het weder opgerichte schavot was een dwang den koning gedaan. De +gerechtsplaats La Gréve was met den ouderen tak der Bourbons verdwenen; +er werd een burgerlijke gerechtsplaats ingesteld onder den naam van +barrière St. Jacgues; de "practische mannen" gevoelden behoefte aan +een zoogenaamde wettige guillotine; dit was een der overwinningen +van Casimir Périer,--die de bekrompen zijden van den burgerstand +vertegenwoordigde--op Lodewijk Filips, die er de liberale zijden +van vertegenwoordigde. Lodewijk Filips had eigenhandig noten op +Beccaria's werk geschreven. Na het helsche werktuig van Fieschi, +riep hij uit: "Hoe jammer dat ik niet gekwetst ben! Ik had dan gratie +kunnen verleenen!" Toen hij een andermaal op den tegenstand zijner +ministers zinspeelde, schreef hij bij gelegenheid van een staatkundig +veroordeelde--een der edelste figuren van onzen tijd: "zijn genade +is verleend; er blijft mij slechts over ze te verwerven." Lodewijk +Filips was zachtmoedig als Lodewijk IX, en goed als Hendrik IV. + +En voor ons heeft in de geschiedenis, waar goedheid een zoo zeldzame +parel is, de goedheid schier den voorrang boven de grootheid. + +Daar Lodewijk Filips streng door de eenen, misschien hard door de +anderen is beoordeeld, is het zeer natuurlijk, dat een man, thans +zelf een schim, die dezen koning gekend heeft, voor hem tegenover +de geschiedenis kome getuigen; deze getuigenis, hoe zij zijn moge, +is blijkbaar en bovenal onbaatzuchtig; een grafschrift door een doode +geschreven is oprecht; een schim mag een andere schim troosten; het +deelgenootschap aan dezelfde duisternis geeft het recht tot lofspraak; +en 't is weinig te vreezen, dat men ooit van twee graftomben in +ballingschap zal zeggen: Deze heeft den ander gevleid. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +SCHEUREN IN DE FUNDAMENTEN. + + +Op het oogenblik dat het drama, 't welk wij verhalen, in de diepte +van een der treurige wolken zal dringen, welke het begin der regeering +van Lodewijk Filips bedekken, mocht er geen dubbelzinnigheid bestaan, +en 't was noodzakelijk, dat dit boek zich nopens dien koning uitsprak. + +Lodewijk Filips was zonder gewelddadigheid tot het koninklijk gezag +gekomen, zonder rechtstreeksche handeling zijnerzijds, door het feit +eener revolutionnaire omkeering, waaraan de hertog van Orleans geen +persoonlijk deel had genomen. Hij was prins geboren en meende een +gekozen koning te zijn. Hij had zich zelf dit mandaat niet gegeven, +het ook niet genomen; men had het hem aangeboden, en hij had het +aanvaard; overtuigd, onzes inziens ten onrechte, dat deze aanbieding +rechtmatig, en hij tot de aanneming verplicht was. Vandaar een bezit +te goeder trouw. Nu, wij zeggen met volle overtuiging, dat Lodewijk +Filips in het bezit te goeder trouw was, en dat de democratie, +in zijn aanval te goeder trouw zijnde, de verschrikking, die uit +de maatschappelijke worstelingen ontstaat, noch den koning noch de +democratie beschuldigt. De schok der beginselen gelijkt den schok +der elementen. De oceaan verdedigt het water, de orkaan verdedigt de +lucht; de koning verdedigt het koningschap, de democratie verdedigt +het volk; het betrekkelijke, namelijk de monarchie, biedt wederstand +aan het absolute, namelijk de republiek; de maatschappij bloedt +onder dit conflict, maar wat thans haar lijden is, zal later haar +heil zijn; in allen gevalle zijn zij die strijden niet te laken; +een van beide partijen bedriegt zich ontwijfelbaar; het recht staat +niet als de colossus van Rhodes tegelijk op twee oevers, met den +eenen voet in de republiek, met den anderen in het koningschap; het +is ondeelbaar en geheel aan één zijde; maar zij die zich bedriegen, +bedriegen zich te goeder trouw; een blinde is evenmin een misdadiger +als een Vendeër een bandiet. Schrijven wij alzoo slechts aan het +noodlot deze vreeselijke botsingen toe. Wat deze stormen zijn mogen, +de menschelijke verantwoordelijkheid heeft er geen deel aan. + +Voltooien wij dit overzicht. + +De regeering van 1830 had reeds dadelijk een moeielijk +bestaan. Gisteren geboren, moest zij reeds heden strijden. + +Nauwelijks ingesteld, voelde zij reeds overal flauwe rukken aan het +Juli-getimmerte, dat zoo versch gebouwd, nog zoo weinig hecht was. + +De tegenstand ontstond den volgenden dag; misschien was hij reeds +den vorigen dag ontstaan. + +Van maand tot maand breidde zich de vijandigheid uit en werd meer en +meer openlijk. + +De Juli-revolutie, die, zooals wij gezegd hebben, buiten Frankrijk +noode door de koningen ontvangen werd, was in Frankrijk op +verschillende wijze opgevat geworden. + +God geeft aan de menschen Zijn zichtbaren wil in de gebeurtenissen te +kennen; een duistere tekst in een geheimzinnige taal. Dadelijk maken +de menschen daarvan vertalingen, overijlde, onjuiste vertalingen, vol +fouten, leemten en tegenstrijdigheden. Zeer weinig geesten verstaan +de goddelijke taal. De schranderste, de bedaardste, de diepzinnigste +ontcijferen langzaam, en wanneer zij met hun tekst komen, is het werk +sinds lang verricht; er zijn dan reeds meer dan twintig vertalingen +aan de markt. Uit iedere vertaling ontstaat een partij en uit iedere +tegenstrijdigheid een factie; iedere partij meent uitsluitend den +waren tekst te hebben; iedere factie meent het licht te bezitten. + +Soms is het gezag zelf een factie. + +In revolutiën zijn zwemmers tegen den stroom, 't zijn de oude partijen. + +Aangezien de revolutiën uit het recht van den opstand ontstaan, +zoo meenen de oude partijen, die zich aan de erfelijkheid door de +gratie Gods houden, dat men tegen haar het recht van den opstand +heeft. 't Is een dwaling. Want in revolutiën is de opstandeling niet +het volk, maar de koning. Revolutie is juist het tegenovergestelde van +opstand. Iedere revolutie, een normale vervulling zijnde, bevat in zich +haar wettigheid, die soms door valsche revolutionnairen onteerd wordt, +doch die, hoewel bezoedeld, bestaan blijft, en hoewel zelfs bloedend +blijft leven. Revolutiën ontstaan niet uit een toeval, maar uit de +noodzakelijkheid. Een revolutie is een terugkeer uit het schijnbare +tot het wezenlijke. Zij is, wijl zij zijn moet. + +Desniettemin vielen de oude legitimistische partijen de revolutie +van 1830 aan met al het geweld, dat uit valsche redeneering kan +voortkomen. Dwalingen zijn uitmuntende kogels. Zij troffen haar +behendig, waar zij kwetsbaar was, bij gemis van kuras, daar haar logica +ontbrak; zij vielen deze revolutie in haar koningschap aan. Zij riepen +haar toe: Revolutie, waarom deze koning? De factiën zijn blinden, +die juist mikken. + +Ook de republikeinen slaakten dezen kreet. Maar deze kreet, van hen +komende, was logisch. Wat blindheid was bij de legitimisten, was +helderziendheid bij de democraten. 1830 had bij het volk bankroet +gemaakt. De verontwaardigde democratie verweet het haar. + +De instelling van Juli worstelde tusschen den aanval van het verledene +en den aanval der toekomst. Zij vertegenwoordigde het oogenblik, +eenerzijds in strijd met de monarchale eeuwen, anderzijds met het +eeuwige recht. + +Buitendien was zij voor buiten geen revolutie meer, toen zij monarchie +werd en 1830 was dus gedwongen Europa's stappen te volgen. Den vrede +te moeten behouden, dit vermeerderde de verwikkelingen. Een in twee +verschillende richtingen verlangde harmonie is vaak schadelijker dan +oorlog. Uit dezen doffen, steeds gebreidelden, maar steeds grommenden +strijd ontstond de gewapende vrede, dit kostbaar hulpmiddel der bij +zich zelve verdachte beschaving. Het Juli-koningschap steigerde, +niettegenstaande het dit droeg, in het gareel der Europeesche +kabinetten. Metternich had het gaarne bij de lange leidsels +genomen. In Frankrijk door den vooruitgang gedreven, dreef het de +achterblijvende monarchen in Europa. Op sleeptouw genomen, nam zij +anderen op sleeptouw. + +Binnenslands vermeerderden zich en hingen loodzwaar boven +de maatschappij de quaestiën betreffende het pauperismus, +het proletariaat, het werkloon, de opvoeding, het strafrecht, +de prostitutie, het lot der vrouw, den rijkdom, de armoede, de +voortbrenging, het verbruik, de verdeeling, den ruilhandel, het +muntwezen, het crediet, het recht van 't kapitaal, het recht van den +arbeid enz. + +Buiten de eigenlijk gezegde politieke partijen, ontstond een +andere beweging. Aan de democratische gisting paarde zich de +philosophische. De keur der bevolking gevoelde zich evenzeer gestoord +als de menigte; wel in een anderen zin, maar niet minder. + +De denkers peinsden, terwijl de grond, namelijk het volk, door +revolutionnaire stroomingen doorweekt, onder hen beefde met +ik weet niet welke stuipachtige schokken. Deze denkers, eenigen +afzonderlijk, anderen in gezinnen en schier in gemeenten vereenigd, +peilden vreedzaam maar diep de maatschappelijke vraagstukken. Zij +waren kalme mijnwerkers, die rustig hun loopgraven in de diepten van +een vulkaan voortzetten, nauwelijks gehinderd door doffe schokken en +den reeds eenigszins zichtbaren vuurgloed. + +Deze rust was niet het minst schoone schouwspel van dezen bewogen tijd. + +Deze mannen lieten aan de politieke partijen de quaestie der rechten +over, zij hielden zich alleen met die des geluks bezig. + +Wat zij uit de maatschappij wilden trekken, was het welzijn van +den mensch. + +Zij verhieven de stoffelijke, de industriëele, de handels-, de +landbouwquaestiën schier tot de waardigheid van eenen godsdienst. In +de beschaving, zooals zij een weinig door God, en heel veel door +den mensch gevormd is, vereenigen, vermengen en hechten zich de +belangen zoodanig aaneen, dat zij een wezenlijke harde rots vormen, +die naar dynamische wetten geduldig door de staathuishoudkundigen, +deze geologen der staatkunde, bestudeerd worden. + +Deze mannen, die zich onder verschillende benamingen groepeerden, +maar allen door den algemeenen naam van Socialisten kunnen worden +aangeduid, poogden deze rots te doorboren en er de levende wateren +van het menschelijk geluk uit te doen ontspringen. + +Van de quaestie van het schavot tot die des oorlogs omvatten hun +werkzaamheden alles. Bij het recht van den man, door de Fransche +revolutie verkondigd, voegden zij het recht der vrouw en het recht +van het kind. + +Men verwondere zich niet, dat wij, om verschillende redenen, hier +niet grondig uit het theoretisch oogpunt de quaestiën behandelen, +die door het Socialismus zijn opgeworpen. + +Al de problemen, welke de Socialisten zich voorstelden op te lossen, +de cosmogenische visioenen, de droomerijen en het mysticismus +uitgezonderd, kunnen tot twee hoofdproblemen gebracht worden. + +Eerste probleem: + +Voortbrenging van rijkdom. + +Tweede probleem: + +Dien te verdeelen. + +Het eerste probleem bevat de quaestie van den arbeid. + +Het tweede bevat de quaestie van het werkloon. + +Bij het eerste probleem betreft het de aanwending der krachten. + +Bij het tweede de verdeeling der genietingen. + +Door de goede aanwending der krachten ontstaat de openbare macht. + +Door de goede verdeeling der genietingen ontstaat het individueel +geluk. + +Door goede verdeeling moet niet verstaan worden een gelijke verdeeling, +maar eene billijke verdeeling. De eerste gelijkheid is de billijkheid. + +Uit de vereeniging dezer beide zaken, de openbare macht naar buiten, +het individueel geluk naar binnen, ontstaat de maatschappelijke +welvaart. + +Maatschappelijke welvaart beteekent de gelukkige mensch, de vrije +burger, de groote natie. + +Engeland lost het eerste dezer beide problemen op. Het schept +op bewonderenswaardige wijze den rijkdom, doch het verdeelt hem +slecht. Deze, slechts éénzijdige oplossing, voert noodlottiger wijs +tot deze twee uitersten: Overmatige weelde, ontzettende armoede. Voor +enkelen al de genietingen, voor de anderen, namelijk voor het +volk, alle ontberingen; want het voorrecht, de uitzondering, het +monopolie, de feodaliteit ontstaan uit den arbeid zelven. Een valsche, +gevaarlijke toestand, die de openbare macht op de privaatarmoede +bouwt en de grootheid van den staat in het lijden van het individu +doet wortelen. Een slecht samengestelde grootheid, waarin zich +alle stoffelijke elementen mengen, maar waarin geen enkel zedelijk +element komt. + +Het communisme en de Agrarische wet meenen het tweede probleem +te kunnen oplossen. Zij bedriegen zich. Hun verdeeling doodt de +voortbrenging. De gelijke verdeeling vernietigt den naijver. Bijgevolg +den arbeid. 't Is een verdeeling zooals de slachter verricht, +die doodt wat hij verdeelt. 't Is alzoo onmogelijk, zich met deze +vermeende oplossingen tevreden te stellen. Door den rijkdom te dooden, +verdeelt men hem niet. + +Om goed te worden opgelost moeten de beide problemen te zamen worden +opgelost. De beide oplossingen moeten vereenigd worden en slechts +één vormen. + +Zoo men slechts het eerste van beide problemen oplost, is men Venetië +of Engeland. Als Venetië zal men een kunstmatige macht hebben, of als +Engeland een stoffelijke macht; men zal de slechte rijke zijn. Men +sterft door geweld, zooals Venetië, of door een bankroet, zooals +Engeland zal vallen. En de wereld zal u laten sterven en vallen, +wijl de wereld alles laat sterven en vallen wat enkel zelfzucht is, +al wat niet voor het menschelijk geslacht een deugd of een idée +vertegenwoordigt. + +'t Spreekt vanzelf, dat wij hier door de woorden Venetië en Engeland +op geen volken, maar op maatschappelijke instellingen wijzen; de +oligarchieën over de natiën en niet de natiën zelven. De natiën +bezitten steeds onze achting en sympathie. Als volk zal Venetië +herboren worden; als aristocratie zal Engeland vallen; maar als natie +is het onsterfelijk. Nu gaan wij verder. + +Los beide problemen op, moedig den rijke aan, bescherm den arme, +vernietig de armoede, maak een einde aan de onrechtvaardige exploitatie +van den zwakke door den sterkere, breidel de onbillijke ijverzucht +van hem die op weg is, tegen hem die reeds is aangekomen; breng +het loon wiskunstig en broederlijk in verhouding met den arbeid; +verbind het kosteloos en verplichtend onderwijs met den wasdom van +het kind en maak van de wetenschap den grondslag der manbaarheid; +men ontwikkele het verstand, terwijl men de handen bezighoudt; men +zij tevens een machtig volk en een gezin van gelukkige menschen; +men democratizeere den eigendom niet door hem af te schaffen, maar +door hem algemeen te maken, opdat ieder burger zonder uitzondering +bezitter zij--wat gemakkelijker is dan men meent--met twee woorden; +men wete den rijkdom voort te brengen en dien te verdeelen, en hierdoor +zal men tevens de stoffelijke en de zedelijke grootheid hebben;--en +ge zult waardig zijn Frankrijk te heeten. + +Dat was, behalve eenige secten die op een dwaalspoor waren, hetgeen +het socialisme zeide, wat het in de feiten zocht, wat het in de +geesten prentte. + +Bewonderenswaardig pogen! heilig streven! + +Deze leerstelsels, deze theorieën, deze wederstand, de onverwachte +noodzakelijkheid voor den staatsman om met den philosoof in rekening +te treden; de schepping, uit verwarde en onduidelijk erkende +waarheden, van een nieuwe politiek, niet te veel in tweestrijd +met het revolutionnaire ideaal, een toestand waarin men Lafayette +moest gebruiken om Polignac te verdedigen; de overtuiging van den +vooruitgang onder den opstand, de kamers en de straat; het in evenwicht +houden der naijverigen in hun omgeving; zijn geloof in de revolutie; +een eventueele onderwerping bij de onduidelijke aanneming van een +bepaald oppergezag; zijn wil om aan zijn geslacht trouw te blijven; +zijn familiezucht; zijn oprechte eerbied voor het volk, zijn eigene +eerlijkheid, dit alles hield Lodewijk Filips op smartelijke wijze +bezig, en bij wijlen, hoe sterk en moedig hij was, bezwaarde en +bemoeielijkte het hem zoo, dat hij schier onder zijn koningschap +bezweek. + +Hij voelde onder zijn voeten een vreeselijke woeling, die eigenlijk +nog geen instorting was, want Frankrijk was krachtiger dan ooit. + +Donkere wolken stapelden zich aan den horizont opeen. Een zonderlinge +duisternis, die nader en nader kwam, spreidde zich allengs over de +menschen, over de dingen, over de ideeën; een duisternis die uit den +toorn en de stelsels ontstond. Al wat in overhaasting gesmoord was, +bewoog zich en geraakte in gisting. Soms hield het geweten van den +eerlijke den adem in, zoo ongezond was de lucht, waarin zich de +sophismen met de waarheden mengden. De gemoederen beefden in dien +maatschappelijken angst, als de bladeren bij de nadering van den +storm. De electrieke spanning was zoodanig, dat in zekere oogenblikken, +de eerste de beste, een onbekend licht gaf. Dan weder daalde de +schemering en duisternis. Bij tusschenpoozen kon men, naar het diep +en dof gerommel, de hoeveelheid bliksem berekenen die in de wolken was. + +Nauwelijks waren twintig maanden sedert de Juli-omwenteling verstreken, +of het jaar 1832 had zich met een dreigend aanzien geopend. De nood +van het volk, de broodelooze werklieden, de laatste prins van Condé +in de duisternis verdwenen; Brussel, dat de Nassaus verdreef gelijk +Parijs de Bourbons; België, dat zich aan een Fransch prins aanbood, en +aan een Engelsch prins gegeven werd; de Russische haat van Nikolaas; +achter ons twee zuidelijke demons, Ferdinand in Spanje, Miguel in +Portugal; de bevende bodem van Italië; Metternich, die de hand naar +Bologna uitsteekt; Frankrijk, dat Oostenrijk te Ancona trotseert: +in het noorden een akelig gerucht van hamerslagen, die Polen weder +in zijn doodkist spijkeren; in geheel Europa vergramde oogen, die +op Frankrijk loeren; Engeland, een verdacht bondgenoot, gereed om +omver te stooten, wat mocht hellen, en zich te werpen op hetgeen +vallen zou; het pairschap, dat zich achter Beccaria verschanst, +om aan de wet vier hoofden te weigeren: de leliën van het rijtuig +des konings geschrapt; het kruis van Notre Dame gerukt; Lafayette +klein geworden; Laffitte geruïneerd; Benjamin Constant arm gestorven; +Casimir Périer in de uitputting der macht overleden; de politieke en +de maatschappelijke krankheid, die zich tegelijkertijd in de twee +hoofdsteden van het rijk openbaren, in de stad der gedachte, en in +de stad van den arbeid; te Parijs de burgeroorlog; te Lyon de oorlog +der werklieden; in beide steden dezelfde vuurgloed; het purper eens +kraters op het voorhoofd des volks: het zuiden gefanatiseerd; het +westen in beroering; de hertogin van Berry in de Vendée; complotten, +samenzweringen, opstanden, de cholera voegden bij het somber rumoer +der denkbeelden het somber gewoel der gebeurtenissen. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +FEITEN WAARUIT DE GESCHIEDENIS VOORTKOMT, MAAR WELKE DE GESCHIEDENIS +NIET KENT. + + +Tegen het einde van April was alles verergerd. De gisting werd +koking. Sedert 1830 waren hier en daar kleine, afzonderlijke opstanden +ontstaan, die, spoedig onderdrukt, weder te voorschijn kwamen, een +teeken van een ver uitgebreiden onderaardschen brand. Er broeide iets +vreeselijks. Men zag, hoewel nog onduidelijk, de flauwe omtrekken +eener mogelijke revolutie. Frankrijk zag naar Parijs; Parijs zag naar +de voorstad St. Antoine. + +De voorstad St. Antoine, heimelijk gestookt, begon te koken. + +De kroegen in de straat Charonne waren, hoewel de verbinding dezer +beide uitdrukkingen moeielijk op kroegen toepasselijk schijnt, +ernstig en onstuimig. + +Er werd niets minder dan het voortbestaan van het gouvernement +besproken. Men discuteerde openlijk over "de vraag of men vechten +zou of rustig blijven." Er waren kamers achter de winkels, waar men +de werklieden deed zweren, dat zij bij den eersten alarmkreet op de +straat zouden zijn en "vechten zonder den vijand te tellen." Zoodra +deze verbintenis was aangegaan, zeide iemand, in een hoek der herberg +gezeten, met heldere stem: "Gij hoort het! gij hebt het gezworen!" Soms +ging men naar boven, in een gesloten kamer, en daar hadden schier +vrijmetselaars-tooneelen plaats. Men liet den ingewijde zweren "om +hem dienst te doen, alsmede aan de huisvaders." Zoo luidde de formule. + +Beneden in de gelagkamers las men oproerige brochures. "Zij sloegen het +gouvernement met geweerkolven," zegt een geheim rapport uit dien tijd. + +Men hoorde er woorden als deze: "Ik ken de namen der aanvoerders +niet. Wij zullen slechts twee uren te voren den dag kennen."--Een +arbeider zeide: "Wij zijn driehonderd, geven wij ieder tien +sous, dan hebben wij honderdvijftig francs om kogels en kruit te +maken."--Een ander zeide: "Ik eisch geen zes maanden, geen twee +maanden. Met vijf-en-twintig-duizend man kan men er zich tegenover +stellen."--Een ander zeide:--"Ik ga niet te bed, want ik maak 's +nachts patronen."--Nu en dan kwamen mannen fraai en "als heeren" +gekleed, "maakten bedenkingen" schenen te bevelen, gaven aan de +"aanzienlijksten" de hand en gingen weder heen. Zij bleven nooit +langer dan tien minuten. Men fluisterde elkander veelbeteekenende +woorden toe: "Het complot is rijp; de maat is vol." Allen die er +waren "gonsden dat na" om de uitdrukking van een der aanwezenden te +gebruiken. De opgewondenheid was zoodanig, dat een werkman eens in +een volle herberg riep: "Wij hebben geen wapens!"--Een zijner makkers +antwoordde: "De soldaten hebben er!" aldus, zonder er aan te denken, +Bonapartes proclamatie aan het leger van Italië parodieerende. "Hadden +zij iets geheimers," zegt een rapport, "dan deelden zij het elkander +niet mede." Men begrijpt niet wat zij nog te verbergen hadden, na +gezegd te hebben wat zij zeiden. + +Deze vergaderingen waren soms geregeld. In sommige waren niet +meer dan acht of tien personen te zamen en steeds dezelfde. In +andere mocht komen wie wilde, en de kamer was zoo vol dat men staan +moest. Eenigen gingen daarheen uit geestdrift en hartstocht; anderen, +wijl "'t hun weg was om naar den arbeid te gaan." Evenals tijdens de +revolutie waren in die herbergen patriottische vrouwen, die de nieuw +aankomenden omhelsden. + +Andere veelbeteekenende feiten traden te voorschijn. + +Iemand kwam in een herberg, dronk, ging heen en zeide: "kastelein, +wat ik schuldig ben zal de revolutie betalen." + +Bij een herbergier tegenover de straat de Charonne benoemde men +revolutionnaire agenten. De stembriefjes werden in petten verzameld. + +Werklieden kwamen bij een schermmeester te zamen, die in de straat de +Cotte assauts gaf. Er was een wapentrofee samengesteld, uit houten +sabels, wandelstokken, knuppels en fleuretten. Op zekeren dag brak +men de knoppen van de fleuretten. Een arbeider zeide: "Wij zijn +vijf-en-twintig man, maar men rekent mij niet mede, wijl men mij als +een machine beschouwt."--Deze machine was later Quénisset. + +De dingen, die werden voorbereid, verkregen allengs op zonderlinge +wijze een algemeene bekendheid. Een vrouw, die haar stoep veegde, zeide +tot een andere vrouw: "Sinds lang is men druk bezig met patronen te +maken."--Op de straat las men proclamatiën gericht aan de nationale +garden der departementen. Een dier proclamatiën was onderteekend: +"Burtot, wijnkooper." + +Voor de deur van een likeurstoker op de markt Lenoir klom op zekeren +dag een man met een ringbaard en met Italiaanschen tongval op een +straatpaal, en las met luide stem een zonderling geschrift, dat van +een onzichtbare macht afkomstig scheen. Groepen hadden zich om hem +geschaard en juichten hem toe. De zinsneden, welke op de menigte den +meesten indruk maakten, werden bewaard en opgeschreven.--"...Onze leer +wordt belemmerd, onze proclamatiën worden verscheurd, onze aanplakkers +worden bespied en in de gevangenis geworpen."--"De daling, die in de +katoen heeft plaats gehad, heeft verscheidenen van het justemilieu +tot ons bekeerd."--De toekomst der volken wordt in onze nederige +rangen bewerkt."--"... 't Is bepaald: Actie of reactie, revolutie +of tegenrevolutie. Want in onzen tijd gelooft men niet meer aan +werkeloosheid, noch aan bewegingloosheid. Voor het volk of tegen +het volk, dat is de vraag; er is geen andere weg!"--"Breekt ons, +zoodra gij ons niet meer geschikt acht, maar helpt ons tot zoolang +voorwaarts gaan." + +Dit alles gebeurde op klaar lichten dag. + +Andere, nog vermeteler feiten waren juist om hun vermetelheid bij +het volk verdacht. Den 4 April 1832 klom een voorbijganger op den +straatpaal aan den hoek der straat St. Marguérite en riep: "Ik behoor +tot Babeuf!" Maar onder Babeuf vermoedde het volk den politieprefekt +Gisquet. + +Onder andere zei deze voorbijganger: + +"Weg met den eigendom! De oppositie der linkerzijde is lafhartig +en verraderlijk. Wanneer zij gelijk wil hebben, predikt zij +de revolutie. Zij is democratisch om niet geslagen te worden, +en koningsgezind om niet te vechten. De republikeinen zijn +pluimdieren. Mistrouwt de republikeinen, burger-werklieden!" + +"Zwijg, burger-verklikker!" riep een werkman. + +Deze kreet maakte een einde aan de redevoering. + +Geheimzinnige voorvallen hadden plaats. + +Tegen den avond ontmoette een arbeider bij het kanaal "een goed +gekleed man," die hem zeide: "Waarheen, burger?"--"Ik heb de eer +niet u te kennen, mijnheer," antwoordde de werkman. "Maar ik ken +u." En de man voegde er bij:--"Vrees niet, ik ben de agent van het +comité. Men verdenkt u van niet trouw te zijn. Gij weet, dat zoo +ge iets openbaardet, men u in 't oog houdt."--Toen drukte hij den +werkman de hand en zeide heengaande: "Spoedig zien wij elkander weder." + +De spioneerende politie ving niet alleen in de herbergen, maar ook op +de straat de zonderlingste gesprekken op:--"Laat u spoedig aannemen," +zei een wever tot een schrijnwerker. + +"Waarom?" + +"Er zal geschoten moeten worden." + +Twee havelooze kerels wisselden met elkander deze merkwaardige woorden, +die veel van "Jacquerie" hadden: + +"Wie regeert ons?" + +"Mijnheer Filips." + +"Neen, 't is de burgerstand." + +Men geloove niet, dat wij het woord Jacquerie in een slechten zin +gebruiken. De "Jacques" waren de armen. De hongerigen hebben altijd +recht. + +Een andermaal hoorde men twee voorbijgangers tot elkander zeggen: +"Wij hebben een zeer goed plan van aanval." + +Van een vertrouwelijk gesprek tusschen vier mannen, die in een groeve +bij de barrière du Trone bijeengekropen zaten, verstond men slechts +het volgende: + +"Men zal al het mogelijke doen, opdat hij niet meer in Parijs wandele." + +Wie, hij? 't Was een duistere bedreiging. + +"De hoofdaanvoerders," zooals men in de voorstad zeide, hielden zich +ter zijde. Men geloofde, dat zij in een herberg bij St. Eustache +te zamen kwamen om te raadplegen. Een zekere Aug..., chef van +het hulpgenootschap der kleermakers in de straat Mondetour, werd +gehouden voor onderhandelaar tusschen de aanvoerders en de voorstad +St. Antoine. Niettemin heerschte steeds veel duisternis omtrent deze +aanvoerders, en niets kan de zonderlinge fierheid van dit antwoord +verzwakken, 't welk later door een beschuldigde voor het hof der +pairs gegeven werd: + +"Wie was uw chef?" + +"Ik kende er geen en wilde er geen erkennen." + +Meestal waren 't nog doorschijnende, bewimpelde, maar losse woorden; +soms slechts geruchten. Maar daarbij kwamen andere kenteekenen. + +Een timmerman, in de straat Rueilly bezig met het spijkeren van +planken voor een schutting van een huis dat in aanbouw was, vond +op het terrein een gedeelte van een verscheurden brief, waarop deze +regels nog leesbaar waren: + +"... Het comité moet maatregelen nemen ten einde de recruteering voor +de verschillende genootschappen in de sectiën te beletten..." + +En als postcriptum: + +"Wij hebben vernomen, dat in de straat Faubourg Poissonnière No. 5 +(bis) op de binnenplaats van dat huis bij een geweermaker vijf of +zes duizend geweren zijn. De sectie bezit geen wapens." + +Wat den timmerman ontstelde en hem bewoog het papier aan zijn buren +te toonen was, wijl hij eenige schreden verder er nog een opraapte, +dat ook gescheurd en van meer beteekenis was, en waarvan wij uit +hoofde van het historisch belang, het model hier mededeelen: + + + +---+---+---+---+--------------------------------------------+ + | Q | C | D | E | Leer deze lijst van buiten. Verscheur ze | + | | | | | vervolgens. De toegelaten personen zullen | + | | | | | hetzelfde doen, zoodra gij hun bevelen | + | | | | | overgegeven hebt. | + | | | | | | + | | | | | Heil en Broederschap, | + | | | | | | + | | | | | u og a' fe. L. | + +---+---+---+---+--------------------------------------------+ + + +De personen, die van dien vond wisten, vernamen eerst later, wat deze +vier hoofdletters beteekenden, namelijk: quinturions, centurions, +dicurions, éclaireurs; en de letters u og a' fe: den 15 April +1832. Onder iedere hoofdletter stonden namen met zeer karakteristieke +aanwijzingen, als deze: Q. Bannorel, 8 geweren, 83 patronen. Een +vertrouwd man.--C. Boubière, 1 pistool, 40 patronen.--E. Teissier, +1 sabel, 1 patroontasch, enz. + +Eindelijk vond deze timmerman, altijd op hetzelfde erf een derde +papier, waarop zeer leesbaar met potlood deze raadselachtige lijst +stond geschreven: + +Eenheid, Blanchard: arbre-sec. 6. + +Barra. Soize. Salie au Comte. + +Kosciusko. Aubrey le boucher? + +J. J. R. + +Caïus Graccheus. + +Recht van herziening. Dufond. Four. + +Val der Girondisten. Derbac. Maubueé. + +Washington. Pinson. 1 pist. 86 patr. + +Marseillaise. + +Souver. Van het volk. Michel. Quincampoix. Sabel. + +Hoche. + +Marceau. Platon. Arbre-Sec. + +Warschau. Tilly, uitroeper van den Populaire. + +De brave burger, in wiens handen deze lijst was geweest, kende de +beteekenis ervan. Het schijnt, dat 't een naamlijst was der sectiën +van het vierde arrondissement van 't genootschap der rechten van den +mensch, met de namen en woonplaatsen van de chefs dier sectiën. Thans, +nu al deze in de duisternis gebleven feiten tot de historie behooren, +mag men ze openbaren. Wij moeten er bijvoegen, dat de oprichting van +het genootschap der Rechten van den mensch na den vond van dit papier +schijnt te dagteekenen. Misschien was 't slechts een proeve. + +Na de geruchten, de gesprekken en de geschreven kenteekenen begonnen +zich stoffelijke feiten te vertoonen. + +Ten huize van een uitdrager werden in een ladetafel zeven vellen grijs +papier, in vieren gevouwen, gevonden en in beslag genomen; deze vellen +papier waren zes-en-twintig vierkante stukken van hetzelfde grijze +papier voor patronen bestemd, en een kaart waarop te lezen stond: + + +"Salpeter, 12 ons. +Zwavel, 2 ons. +Houtskool, 2 1/2 ons. +Water, 2 ons." + + +Het procesverbaal der inbeslagneming vermeldde, dat de ladetafel +sterk naar buskruit rook. + +Een metselaar, van zijn werk naar huis keerende, vergat op een +bank bij de brug van Austerlitz een pakje. Dat pakje werd naar +den wachtpost gebracht. Men opende het en vond er twee gedrukte +samenspraken in, onderteekend: Lahautière, en een liedje getiteld: +Ouvriers, associez-vous (werklieden, vereenigt u), en een blikken +doos vol patronen. + +Een werkman, die met een zijner kameraads dronk, liet dezen voelen +hoe warm hij was; de andere voelde een pistool onder zijn buis. + +In een grebbe op den boulevard, tusschen Père Lachaise en de barrière +du Trône, vonden kinderen, die op een eenzame plek speelden, onder +een hoop spaanders en afval, een zak, waarin een kogelvorm, een houten +hamer om patronen te maken, een bakje waarin eenig jachtkruit en een +ijzeren potje, dat sporen bevatte van gesmolten lood. + +Politieagenten, die onverhoeds te vijf uren 's ochtends het huis +van een zekeren Pardon binnendrongen, die later lid der sectie van +de barricade Merry was, en in den opstand van April 1834 sneuvelde, +vonden hem bij zijn bed bezig met patronen maken. + +Omstreeks het schoftuur der werklieden, werden twee mannen gezien, +die elkander, tusschen de barrière Picpus en de barrière Charenton +op een smal pad tusschen twee muren bij een herberg ontmoetten. De +een nam van onder zijn kiel een pistool, dat hij den ander gaf. Hij +bespeurde, dat het kruit door het zweet van zijn borst eenigszins +vochtig was geworden. Hij opende de pan van het pistool en voegde er +nieuw kruit bij. Daarop scheidden beide mannen. + +Een zekere Gallais, later in de gevechten van April in de straat +Beaubourg gedood, roemde er op, dat hij in zijn huis zevenhonderd +patronen en vier-en-twintig vuursteenen had. + +Op zekeren dag ontving de regeering het bericht, dat in de voorstad +wapens en tweehonderd duizend patronen waren uitgedeeld. In de volgende +week werden dertig duizend patronen uitgedeeld. 't Is opmerkelijk, +dat de politie er geen enkele van kon vatten. In een onderschepten +brief stond: "De dag is niet ver, dat in vier uren tachtig duizend +patriotten onder de wapens zullen zijn." + +Deze geheele gisting was openbaar, men zou kunnen zeggen rustig. De +dreigende opstand maakte tegenover het gouvernement met kalmte zijn +storm gereed. Niets zonderlings ontbrak aan deze nog onderaardsche +maar reeds zichtbare crisis. De burgers spraken rustig met de +werklieden over hetgeen werd voorbereid. Men vroeg: "Hoe gaat het +met den opstand?" op denzelfden toon als men zou gevraagd hebben: +"Hoe gaat het uw vrouw?" + +Een meubelmaker in de straat Moreau vroeg: "Nu, wanneer begint +de aanval?" + +Een winkelier zeide: + +"Ik weet, dat men spoedig zal aanvallen. Een maand geleden waart gij +vijftien duizend man, nu zijt gij vijf-en-twintig duizend." Hij bood +zijn geweer, en een buurman een pistooltje aan, dat hij voor zeven +francs wilde verkoopen. + +Intusschen won de revolutionnaire koorts veld. Geen punt van Parijs +noch van Frankrijk was er vrij van. Overal klopte de slagader. Evenals +die vliezen, welke uit sommige ontstekingen ontstaan en zich in het +menschelijk lichaam vormen, begon het net der geheime genootschappen +zich over het land uit te breiden. Uit het genootschap der Vrienden van +het volk, dat tevens openbaar en geheim was, ontstond het genootschap +der Rechten van den mensch, dat een zijner dagorders aldus dagteekende: +Pluviôse, an 40 de l'ère republicaine (regenmaand, het 40e jaar der +republiek), dat zelfs de vonnissen der gerechtshoven overleefde, +die zijn ontbinding uitspraken en niet aarzelde aan zijn sectiën de +volgende veelbeteekenenden namen te geven: + + + Pieken. + Alarmklok. + Alarmkanon. + Phrygische muts. + 21 Januari. + Geuzen. + Schooiers. + Voorwaarts. + Robespierre. + Waterpas. + Ça ira. + + +Het genootschap der Rechten van den mensch bracht het genootschap +van de Daad voort. Het waren de ongeduldigen, die zich los maakten +en vooruit ijlden. Andere genootschappen trachtten zich uit de groote +moedervereenigingen te recruteeren. + +De Parijsche genootschappen hadden hun vertakkingen in de voornaamste +steden. Lyon, Nantes, Rijssel en Marseille hadden hun genootschap +van de Rechten van den mensch, der vrije mannen enz. + +Te Parijs was de voorstad Saint-Marceau niet minder onrustig +dan de voorstad Saint-Antoine, en de scholen niet minder dan deze +voorsteden. Een koffiehuis in de straat Saint-Hyacinthe en de estaminet +der zeven biljarten in de straat Mathurins Saint-Jacques dienden den +studenten tot vereenigingsplaatsen. Het genootschap der vrienden van +het A. B. C., in verbinding met andere genootschappen, kwam, zooals +men gezien heeft, in het koffiehuis Musain te zamen. Ook, zooals +gezegd is, ontmoetten die jongelingen elkander in een restaurant +bij de straat Montédour, dat Corinthe heette. Deze samenkomsten +waren geheim. Andere waren zoo openbaar mogelijk, en hielden hun +bijeenkomsten op de openbare straat. + +Het leger was tegelijk met de bevolking ondermijnd, zooals later de +bewegingen te Belfort, te Luneville en te Epinal bewezen. In Bourgondië +en in de zuidelijke steden plantte men den vrijheidsboom. Namelijk +een mast met een roode muts op den top. + +Zoo was de toestand. + +De voorstad Saint-Antoine was inzonderheid het brandpunt van den +opstand. + +Deze oude voorstad, als een mierennest bevolkt, ijverig, moedig +en toornig als een bijenzwerm, trilde van verwachting en begeerte +naar een schok. Alles was er beweging, zonder dat daarom de arbeid +werd gestaakt. In deze voorstad is onder het dak der vlieringen +hartverscheurende ellende verborgen; maar tevens vindt men er zeldzame +schranderheid en vernuft. 't Is vooral bij gebrek en schranderheid +gevaarlijk, dat de uitersten elkander raken. + +De voorstad Saint-Antoine is een vergaarbak van volk. De +revolutionnaire schudding veroorzaakt er scheuren in, door welke de +volkssouvereiniteit heen vloeit. Deze souvereiniteit kan kwaad doen; +zij bedriegt zich gelijk ieder ander; maar zelfs in hare afdwalingen +blijft zij groot. + +In 93, al naar de zwevende idée goed of slecht was, al naar 't een +dag van fanatisme of van geestdrift was, trokken uit de voorstad +Saint-Antoine woeste horden, of heldenmoedige legioenen. + +Woeste. Verklaren wij dit woord. Wat wilden deze opgeruide menschen, +die in de eerste scheppingsdagen van den revolutionnairen chaos, in +lompen, brullend, wreed, met opgeheven knots, met gevelden piek tegen +het oude, overhoop geworpen Parijs stormden? Zij wilden het einde der +verdrukkingen, het einde der tyrannieën, het einde van het zwaard, +arbeid voor den man, onderwijs voor het kind, een stil maatschappelijk +leven voor de vrouw, de vrijheid, de gelijkheid, de broederschap, +brood voor allen, de idée voor allen, de wereld tot een paradijs +gemaakt, den vooruitgang; en deze heilige, edele, teedere zaak, den +vooruitgang, tot het uiterste gedreven, en zonder er zelf in betrokken +te zijn, eischten zij half naakt, met de knots in de vuist, brullend +en schuimbekkend. 't Waren wilden, ja; maar de wilden der beschaving. + +Zij proclameerden met woede het recht; zij wilden, ware het ook +door ontzetting en schrik, het menschelijk geslacht in het paradijs +drijven. Zij geleken barbaren, en waren redders. Zij eischten licht, +in het masker van den nacht. + +Tegenover deze wreede en schrikkelijke mannen, wij bekennen het, maar +wreed en schrikkelijk tot het goede, zijn andere mannen, glimlachende, +geborduurde, vergulde, met linten omhangen, gesternde mannen, met +zijden kousen, witte pluimen, gele handschoenen, gelakte laarzen, +die, op een met fluweel bekleede tafel geleund voor een marmeren +schoorsteen, zoetelijk aandringen op de handhaving en het behoud van +het verledene, van de Middeleeuwen, van het goddelijk recht, van de +dweepzucht, van de onwetendheid, van de slavernij, van de doodstraf, +van den oorlog; die heel beleefd en met zachte stem de sabel, den +brandstapel en het schavot verdedigen. Zoo wij gedwongen waren een +keus te doen tusschen de barbaren der beschaving en de beschaafden +der barbaarschheid, zouden wij de barbaren kiezen. + +Maar de hemel zij dank, er is een andere keus mogelijk. Er is geen +steile sprong noodig, zoomin naar voren als naar achteren. Noch +despotisme, noch schrikbewind. Wij willen den vooruitgang langs een +zachte helling. + +God zorgt hiervoor. De geheele politiek van God is de verzachting +der hellingen. + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +ENJOLRAS EN ZIJN LUITENANTS. + + +Omstreeks dien tijd hield Enjolras, in 't vooruitzicht van een +mogelijke gebeurtenis, een geheime monstering. + +Allen waren in het koffiehuis Musain vereenigd. + +Enjolras zeide, terwijl hij onder zijn woorden eenige half +raadselachtige, maar veelbeteekenende beeldspraak mengde: + +"'t Is noodzakelijk te weten, hoe ver men is en op wie men rekenen +kan. Zoo men strijders wil, moet men ze maken; moet men wapens +hebben. De voorbijgangers hebben altijd meer kans door hoornen te +worden gestooten, als er ossen op den weg zijn, dan wanneer er geen +zijn. Tellen wij dus eens de kudde. Hoe talrijk zijn wij? Dat werk +mag niet tot morgen worden uitgesteld. Revolutionnairen moeten altijd +haast hebben; de vooruitgang heeft geen tijd te verliezen. Hoeden wij +ons voor het onverwachte. Wij mogen ons niet laten overrompelen. Al +de naden, die wij gemaakt hebben, moeten onderzocht worden om te +zien of zij houden. Deze zaak moet vandaag afgedaan worden. Gij, +Courfeyrac, spreek met de polytechnici. 't Is vandaag hun uitgaansdag; +Woensdag. Gij, Feuilly, zult die der Glacière spreken, niet +waar? Combeferre heeft mij beloofd naar Picpus te zullen gaan. Daar is +een heerlijk gekrioel. Bahorel zal de Estrapade bezoeken. De metselaars +verflauwen, Prouvaire; ge moet ons tijding brengen uit de loge van de +straat Grenelle-Saint-Honoré. Joly zal naar de clinische school van +Dupuytren gaan en haar den pols voelen. Bossuet zal even naar het +paleis van justitie wandelen en met de jonge advocaten spreken. Ik +belast mij, naar de Cougourde te gaan." + +"Dus is alles geregeld," zei Courfeyrac. + +"Neen." + +"Wat is er nog?" + +"Iets zeer gewichtigs." + +"Wat?" vroeg Combeferre. + +"De barrière du Maine," antwoordde Enjolras. + +Enjolras bleef een oogenblik als in gedachten verdiept; toen hernam +hij: + +"Aan de barrière du Maine zijn steenhouwers, schilders, werklieden +der beeldhouwers-ateliers. Zij zijn vol geestdrift, maar aan een +spoedige verkoeling onderhevig. Ik weet niet wat zij sinds eenigen +tijd hebben. Zij denken aan iets anders. Zij verdooven, zij brengen +hun tijd met het dominospelen door. 't Is noodzakelijk, dat men hen +ga spreken en opwekken. Zij vereenigen zich bij Richefeu. Men kan +ze er tusschen twaalf en één ure 's middags vinden. Die asch moet +aangeblazen worden. Ik had hiervoor op dien verstrooiden Marius +gerekend, die overigens zeer goed is, maar hij komt niet meer. Ik +heb iemand noodig voor de barrière du Maine; maar heb niemand." + +"En ik ben er," zei Grantaire. + +"Gij?" + +"Ik." + +"Gij zoudt republikeinen willen leeren! gij, in naam der beginselen, +verkoelde harten verwarmen!" + +"Waarom niet?" + +"Zoudt gij tot iets deugen?" + +"Ik maak er eenigszins aanspraak op," zei Grantaire. + +"Gij gelooft aan niets." + +"Ik geloof aan u." + +"Wilt ge mij een dienst doen, Grantaire?" + +"Alles, uw laarzen poetsen." + +"Nu, bemoei u dan niet met onze zaken. Slaap uw absinth uit." + +"Ge zijt ondankbaar, Enjolras." + +"Zoudt gij de man zijn om naar de barrière du Maine te gaan? Zoudt +ge er toe in staat zijn?" + +"Ik ben in staat dien weg af te leggen; mijn schoenen zijn er ook +toe in staat." + +"Kent gij de vrienden die bij Richefeu komen?" + +"Niet veel. Wij zijn overigens zeer gemeenzaam met elkander." + +"Wat zult ge hun zeggen?" + +"Ik zal hen van Robespierre spreken, van Danton, van de beginselen." + +"Gij!" + +"Ik. Men laat mij geen gerechtigheid wedervaren. Als ik er mij toe zet, +ben ik vreeselijk. Ik heb Prudhomme gelezen; ik ken het Contrat Social, +ik ken de constitutie van het jaar II van buiten. "De vrijheid van den +burger eindigt, waar de vrijheid van een ander burger begint." Houdt +ge mij voor een botterik? In mijn lade heb ik een oude assignaat. Ik +weet van de rechten van den mensch, van de volkssouvereiniteit te +spreken. Zes uren lang kan ik, met dit horloge in de hand, over de +heerlijkste dingen redevoeren." + +"Wees ernstig," zei Enjolras. + +"Ik ben meer dan ernstig," antwoordde Grantaire. + +Enjolras dacht eenige oogenblikken en maakte een gebaar als iemand +die een besluit heeft genomen. + +"Grantaire," zeide hij ernstig, "ik zal u op de proef stellen. Ga +naar de barrière du Maine." + +Grantaire woonde in de nabijheid van het koffiehuis Musain. + +Hij ging; maar kwam vijf minuten later terug. Hij was even te huis +geweest om een vest à la Robespierre aan te doen. + +"Rood," zeide hij binnenkomende en Enjolras strak aanschouwende. + +En met forsche hand drukte hij het roode vest tegen zijn borst. + +Toen Enjolras naderde, fluisterde hij hem in: + +"Wees gerust." + +En zijn hoed op het hoofd drukkende verwijderde hij zich. + +Een kwartieruurs later was de achterkamer van het koffiehuis Musain +verlaten. Al de vrienden van het A. B. C. waren, ieder op zijn eigen +gelegenheid, naar hun werk gegaan. Enjolras, die voor zich de Cougourde +had behouden was de laatste die heenging. + +De leden van het genootschap der Cougourde van Aix, welke te Parijs +waren, vereenigden zich toen op de vlakte van Issy, in een der talrijke +verlaten steengroeven aan die zijde van Parijs. + +Terwijl Enjolras zich naar die vereenigingsplaats begaf, sloeg hij bij +zich zelven een blik op den toestand: Dat de gebeurtenissen ernstig +waren, was duidelijk. Wanneer de kenteekens eener maatschappelijke +ziekte zich openbaren, kan ze onverwacht uitbreken. Enjolras zag +een lichtschijn in de donkere wolken der toekomst. Wie weet? Het +oogenblik naderde misschien. Welk een fraai schouwspel, het volk +dat zijn recht herneemt! de revolutie die majestueus Frankrijk in +bezit neemt en tot de wereld zegt: het vervolg morgen! Enjolras was +tevreden. De oven werd heet. Hij had op dienzelfden tijd zijn vrienden +in Parijs verspreid. In zijn gedachte schiep hij door de wijsgeerige +welsprekendheid van Combeferre, de cosmopolitische geestdrift van +Feuilly, de wegsleependheid van Courfeyrac, de vroolijkheid van +Bahorel, de droefgeestigheid van Jean Prouvaire, de wetenschap van +Joly, de spotternijen van Bossuet, een soort van electrisch geknetter, +dat alom een weinig vuur vatte. Allen waren aan 't werk. De uitkomst +zou gewis aan de poging beantwoorden. 't Was goed. Dit deed hem aan +Grantaire denken.--De barrière du Maine, dacht hij, is niet ver uit +mijn weg. Zoo ik tot Richefeu ging, om te zien wat Grantaire doet, +en hoe ver hij is? + +De klok van Vaugirard sloeg één uur, toen Enjolras in de kroeg van +Richefeu aankwam. Hij opende de deur, trad binnen, kruiste de armen, +terwijl de deur tegen zijn schouder dicht viel, en sloeg een blik +door de kamer, die vol tafels, mannen en rook was. + +Een stem klonk in dien nevel en werd levendig door een andere stem +beantwoord. 't Was Grantaire, die met een ander aan een marmeren +tafeltje zat domino te spelen. + + + + + + + +BOEK II. + +EPONINE. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +HET VELD VAN DE LEEUWERIK. + + +Marius was getuige geweest der onverwachte ontknooping van de +hinderlaag, op welker spoor hij Javert had gebracht; doch nauwelijks +had Javert het oude huis verlaten en zijn gevangenen in drie rijtuigen +medegenomen, of Marius ging insgelijks uit het huis. Het was eerst +negen uren 's avonds. Marius ging naar Courfeyrac. Courfeyrac was +niet meer de bestendige bewoner van de latijnsche wijk; hij was, +"om staatkundige redenen", naar de straat la Verrerie verhuisd; +deze wijk behoorde onder degene, waar de opstand zich het meest had +gevestigd. Marius zeide tot Courfeyrac: Ik kom bij u slapen. Courfeyrac +haalde een matras uit zijn bed, dat er twee had, legde ze op den +grond en zeide: "Ziedaar." + +Den volgenden ochtend tegen zeven uren keerde Marius naar het oude +huis terug, betaalde de huur en wat hij aan vrouw Bougon schuldig was, +liet op een handkar zijn boeken, bed, tafel, commode en twee stoelen +laden, en ging heen zonder zijn adres achter te laten, zoodat, toen +Javert des morgens kwam, om Marius nopens de gebeurtenissen van den +vorigen avond te ondervragen, hij slechts vrouw Bougon vond, die hem +antwoordde: "Verhuisd!" + +Vrouw Bougon hield zich zelve overtuigd, dat Marius min of meer een +medeplichtige was van de dieven, die dien nacht gevangen waren. "Wie +zou dat gezegd hebben?" riep zij bij de portierster in de buurt, +"een jonge man, dien ge voor een meisje zoudt gehouden hebben." + +Marius had voor deze plotselinge verhuizing twee redenen gehad. De +eerste was zijn afkeer van dit huis, waarin hij van zoo dichtbij +de afzichtelijkste en wreedste ontwikkeling der maatschappelijke +afschuwelijkheid had gezien, iets afschuwelijker nog dan den slechten +rijke: den slechten arme. De tweede was, dat hij op geenerlei wijze in +'t proces wenschte gemengd te worden, 't geen waarschijnlijk volgen +zou, noch genoodzaakt zijn tegen Thénardier te getuigen. + +Javert meende dat de jongeling, wiens naam hij niet onthouden had, +bevreesd geweest en gevlucht was, of wellicht niet eens op 't oogenblik +der hinderlaag te huis was gekomen; hij deed evenwel eenige pogingen +om hem weder te vinden, die echter vruchteloos waren. + +Een maand verstreek, daarna een andere. Marius was nog altijd +bij Courfeyrac. Hij had van een jong advocaat, die gewoon was het +gerechtshof te bezoeken, vernomen, dat Thénardier in zijn gevangenis +buiten toegang was. Alle Maandagen liet Marius voor Thénardier aan +de griffie der gevangenis La Force vijf francs bezorgen. + +Toen Marius geen geld meer had, leende hij van Courfeyrac vijf +francs. Het was de eerste maal zijns levens dat hij geld ter leen +nam. Deze wekelijksche vijf francs waren een dubbel raadsel, voor +Courfeyrac, die ze gaf, en voor Thénardier, die ze ontving. "Tot +wien gaan ze?" dacht Courfeyrac. "Van wien komen ze?" vroeg zich +Thénardier af. + +Overigens was Marius bedroefd. Alles was wederom als in een +valluik voor hem verdwenen. Hij zag niets meer voor zich; zijn +leven was weder in die geheimzinnigheid gedompeld, waarin hij dolend +rondtastte. Een oogenblik had hij van zeer nabij in deze duisternis +het meisje herzien, dat hij beminde, den grijsaard, die haar vader +scheen, deze onbekende wezens, die zijn eenige belangstelling, +zijn eenige hoop in de wereld waren; en juist toen hij ze meende +te vatten, werden al deze schimmen als weggeblazen. Zelfs geen +enkele vonk van zekerheid en waarheid was uit dien vreeselijken +schok gesprongen. Geen gissing was mogelijk. Hij kende zelfs den +naam niet meer, dien hij gemeend had te kennen. 't Was stellig +niet Ursula. En Leeuwerik was een bijnaam. En wat van den grijsaard +te denken? Verborg hij zich werkelijk voor de politie. De werkman +met het witte haar, dien Marius in de nabijheid der Invaliden had +ontmoet, kwam hem weder voor den geest. 't Werd thans waarschijnlijk, +dat deze werkman en de heer Leblanc dezelfde waren. Hij vermomde zich +dus? Deze man had een heldhaftige en een dubbelzinnige zijde. Waarom +had hij niet om hulp geroepen? Waarom was hij gevlucht? Was hij de +vader van het meisje, ja of neen? was hij eindelijk inderdaad de +man, dien Thénardier had gemeend te herkennen? Had Thénardier zich +kunnen vergissen? Alles onoplosbare raadsels. Dit alles, evenwel, +ontnam niets aan de engelachtige bekoorlijkheid der jonge dame van +het Luxembourg. 't Was een pijnlijke toestand; Marius had liefde +in het hart en duisternis voor de oogen. Hij werd voortgedreven, +aangetrokken en kon zich niet bewegen. Alles was verdwenen, +behalve de liefde. Zelfs van de liefde had hij het instinct en de +plotselinge verlichting verloren. Gewoonlijk verlicht deze vlam, +die ons brandt, ook een weinig en werpt eenigen heilzamen glans naar +buiten. Marius hoorde zelfs niet meer de onduidelijke raadgevingen +van den hartstocht. Nooit dacht hij: zoo ik daar heen ging? Zoo ik +dit beproefde? Zij, die hij niet meer Ursula kon noemen, was bepaald +ergens; maar niets duidde Marius aan, in welke richting hij haar +moest zoeken. Zijn geheel leven was nu in twee woorden samengevat: +een volstrekte onzekerheid in een ondoordringbaren nevel. Haar weder +te zien was zijn voortdurende wensch; maar hij vleide er zich niet +meer mee. + +Tot overmaat van ramp, keerde de armoede terug. Dicht bij zich, +achter zich voelde hij haar killen adem. Bij al deze folteringen had +hij reeds sinds lang zijn arbeid gestaakt, en niets is gevaarlijker dan +de staking van den arbeid; de arbeid is een gewoonte die verdwijnt. Een +gemakkelijk te verlaten, maar moeielijk te hernemen gewoonte. + +Een weinig droomerij is goed, evenals een verdoovend geneesmiddel, +mits in matige hoeveelheid toegediend. Het verzacht de soms heftige +koorts van den werkenden geest en breidt er een zachten frisschen adem +over, die de scherpe kanten van de nuchtere gedachte verstompt en hier +en daar leemten en tusschenruimten aanvult en verbindt. Maar te veel +droomerij overstroomt en verdrinkt. Wee den werker door den geest, +die zich geheel uit de gedachte in den droom laat verzinken. Hij +meent, dat hij zich gemakkelijk weder opheffen zal, en acht het in +allen geval ook vrij onverschillig. Dwaling! + +De gedachte is de arbeid van het verstand, het droomen is er de +wellust van. Het droomen in de plaats der gedachte stellen, is vergif +met voedsel verwarren. + +Marius, men zal 't zich herinneren, was hiermede begonnen. Vervolgens +was de liefde gekomen en had hem eindelijk in hersenschimmen zonder +doel of grond gestort. Men gaat dan slechts uit om te droomen. 't +Is een gevaarlijke, stilstaande, peillooze kolk. En naarmate de +arbeid minderde, groeiden de behoeften. Dit is een wet. De mensch, in +droomenden toestand, is van nature zacht en verspillend; de ontspannen +geest kan het leven niet streng meer in teugel houden. In deze +leefwijze is het goede onder het kwade vermengd, want zoo weekheid +noodlottig is, edelmoedigheid is heilzaam en goed. Maar de arme, +die goed en edelmoedigheid is, zonder te werken, is verloren. Zijn +hulpbronnen verdrogen, en de nood rukt aan. 't Is een noodlottige +helling, waarop zoowel de eerlijksten en standvastigsten als de +zwaksten en de slechtsten worden medegesleept, en die op één dezer +twee afgronden uitloopt--den zelfmoord of de misdaad. + +Wie lang genoeg is uitgegaan om te denken en te droomen, gaat eindelijk +uit om zich te verdrinken. + +Overmatige droomerijen brengen Escousses en de Lebras voort. + +Met langzame schreden ging Marius langs deze helling, met de oogen +op haar gericht, die hij niet meer zag. Wat wij hier schrijven, +zal zonderling schijnen en is evenwel waar. De herinnering aan +een afwezende ontvlamt in de duisternis van het hart; hoe meer hij +verdwenen is, des te helderder schittert hij; de wanhopige, duistere +ziel ziet dat licht aan haar horizont, als een ster in den inwendigen +nacht. Zij was Marius' eenige gedachte. Hij dacht aan niets anders; +hij gevoelde onduidelijk dat zijn oude rok onmogelijk langer te dragen +was, en zijn nieuwe een oude rok werd; dat zijn hemden, zijn hoed, +en zijn laarzen versleten, dat ook zijn leven versleet, en hij dacht: +"Zoo ik haar slechts mocht wederzien vóór ik stierf!" + +Slechts een liefelijke gedachte bleef hem over, dat zij hem bemind had, +dat haar blik het hem had gezegd, dat zij zijn naam niet kende, maar +wel zijn hart, en dat zij hem misschien thans, in welk geheim oord +zij ook zijn mocht, nog beminde. Wie weet of zij niet evenzeer aan +hem dacht, als hij aan haar! Soms, in onbeschrijfelijke uren, zooals +ieder minnend hart er heeft, waarin hij slechts redenen van smart vond +en evenwel een onduidelijke rilling van vreugd gevoelde, zeide hij +bij zich zelven: "'t Zijn haar gedachten, die tot mij komen?"--Dan +voegde hij er bij: "Mijn gedachten komen misschien ook tot haar." + +Deze hersenschim, die hem een oogenblik later het hoofd deed schudden, +wierp toch eenige stralen, welke soms eenigermate naar hoop zweemden, +in zijn hart. Nu en dan, meestal in dat uur van den avond, dat de +mijmeraars het meest droefgeestig maakt, liet hij op het papier +de zuiverste, de onlichamelijkste, de ideaalste zijner droomerijen +vloeien, waarmede de liefde zijn hersens vulde. Dit noemde hij "aan +haar schrijven." + +Men geloove niet, dat zijn verstand geleden had. Integendeel. Hij +had wel de bekwaamheid verloren om te arbeiden en met vastheid naar +een bepaald doel te streven, doch hij zag helderder en juister dan +ooit. Marius zag in een rustig en wezenlijk, hoewel zonderling licht, +wat voor zijn oogen gebeurde, zelfs de onverschilligste feiten of +menschen; hij sprak over alles het juiste woord uit, met een soort van +eerlijke droefheid en oprechte onbaatzuchtigheid. Zijn oordeel, dat +zich schier van alle hoop had losgemaakt, hield zich hoog en krachtig. + +In deze gemoedsstemming ontglipte hem niets, niets misleidde hem en +hij ontdekte te allen tijde den grond des levens, der menschelijkheid +en van het noodlot. Hij is zelfs in angst en onspoed gelukkig, wien +God een ziel heeft geschonken, die de liefde en het ongeluk waardig +is! Wie de dingen dezer wereld en het hart der menschen niet in dit +dubbel licht gezien heeft, heeft niets waars gezien en weet niets. + +De ziel, die bemint en lijdt, is in een verheven toestand. + +Overigens volgden de dagen elkander op en niets nieuws deed zich +voor. Het scheen hem echter, alsof de donkere ruimte, welke hij +nog moest doorloopen, elk oogenblik korter werd. Hij meende reeds +duidelijk den kant van de grondelooze steilte te onderscheiden. + +"Hoe!" vroeg hij zich telkens, "zal ik haar vooraf niet wederzien?" + +Zoo men de straat St. Jacques is ingegaan, de barrière ter zijde laat +liggen en eenigen tijd links den ouden binnen-boulevard gevolgd heeft, +komt men in de straat la Santé, daarna bij de Glacière en even voor +het riviertje der Gobelins ziet men een soort van veld, dat binnen +den langen eentonigen ring der boulevards van Parijs de eenige plek +is waar Ruijsdael lust zou hebben gehad zich neer te zetten. + +Daar is dat onbeschrijfelijke, waaruit het bevallige zich ontwikkelt; +een groene weide, waarboven gespannen touwen, waarop het linnen in +den wind droogt; een oude warmoezierswoning uit den tijd van Lodewijk +XIII met zijn groot dak en grillige dakvensters, vervallen heiningen, +een weinig water tusschen populieren, vrouwen, gelach, stemmen; aan +den horizont het Pantheon, de boom der doofstommen, het Val-de-grace, +en op den achtergrond de statige vierkante torens van Notre-Dame. + +Dewijl deze plek werkelijk der moeite waard is gezien te worden, +komt er niemand. Nauwelijks om het kwartieruurs een kar of een voerman. + +Eenmaal voerden de eenzame wandelingen van Marius hem naar dit +oord, bij dat water. Op dien dag was er op dezen boulevard iets +zeldzaams, namelijk een voorbijganger. Marius, wien de schier woeste +bekoorlijkheid van deze plek trof, vroeg dien voorbijganger: "Hoe +heet dit oord?" + +De voorbijganger antwoordde: "Het Leeuweriksveld." + +En hij voegde er bij: "'t Is hier dat Ulback de herderin van Ivry +doodde." + +Maar na het woord "Leeuwerik" had Marius niets meer gehoord. In den +droomenden toestand kan een enkel woord een plotselinge verstijving +doen ontstaan. De geheele ziel dringt zich om één denkbeeld samen +en is voor geen ander begrip vatbaar. De "Leeuwerik" was de naam, +die in Marius' diepe droefgeestigheid den naam "Ursula" vervangen +had. "Zie," sprak hij, in die soort van de redelooze verbazing aan +deze geheimzinnige afgetrokkenheid eigen, "dit is haar veld. Hier +zal ik vernemen waar zij woont." + +'t Was ongerijmd, maar onweerstaanbaar. + +En dagelijks wandelde hij naar dit Leeuweriksveld. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +HET ONTSTAAN VAN DE KIEMEN DER MISDADEN IN DE GEVANGENISSEN. + + +De overwinning van Javert in het huis Gorbeau scheen volkomen te zijn +geweest, maar was het echter niet. + +Vooreerst, en dat was zijn grootste teleurstelling, had Javert den +gevangene niet gevangen genomen. De aangerande, die vlucht, is nog +meer verdacht dan de aanrander; en waarschijnlijk zou deze persoon, +die zulk een kostbare buit voor de bandieten was geweest, een niet +minder goede vangst voor de justitie geweest zijn. + +Voorts was ook Montparnasse aan Javert ontsnapt. Er moest een andere +gelegenheid worden afgewacht om op dien "Pronker der Hel" de hand te +leggen. Inderdaad, Montparnasse, die Eponine had ontmoet, terwijl ze +onder de boomen van den boulevard de wacht hield, had haar medegenomen, +om liever Nemorin met de dochter, dan Schinderhannes met den vader te +zijn. 't Was zijn geluk geweest; want hij was vrij. Javert had echter +Eponine doen vatten; een geringe troost voor hem. Eponine werd bij +Azelma in de gevangenis de Madelonnettes gezonden. + +Eindelijk was een der voornaamste gevangenen, Claquesous, op den weg +van het huis Gorbeau naar la Force, weg geraakt. Men wist niet hoe het +gebeurd was, de agenten en stadssergeanten "begrepen er niets van," hij +was in damp veranderd, uit de handboeien gegleden, door de reten van +het rijtuig heengeslopen; men wist niets anders te zeggen, dan dat, +toen men aan de gevangenis kwam, Claquesous verdwenen was. Daar school +iets van tooverij of politie onder. Was Claquesous in de duisternis +gesmolten als een sneeuwvlok in het water? Bestond er tusschen de +politieagenten en hem een heimelijke verstandhouding? Behoorde deze +man tot het dubbel raadsel der wanorde en orde? Was hij het middelpunt +tusschen de misdaad en de beteugeling? Had deze sfinx de voorpooten +in de misdaad, en de achterpooten in het openbaar gezag? Javert wilde +van al deze redeneeringen niets weten, en zou ze met afkeer verworpen +hebben; maar bij zijn sectie behoorden meer inspecteurs, die hoewel +zijn ondergeschikten, misschien beter dan hij in de geheimen der +prefectuur van politie waren ingewijd, en Claquesous was zulk een +schurk, dat hij een zeer goed handlanger der politie kon zijn. Den +nacht aldus tot hulpgenoot te hebben is uitmuntend voor de dieven, +maar wonderbaar voor de politie. Er zijn zulke schurken, wier mes +aan twee kanten snijdt. Hoe het zij, de verloren Claquesous was niet +weder te vinden. Javert scheen er meer vertoornd dan verwonderd over. + +Wat Marius betreft, "dat jong advocaatje, die waarschijnlijk bang was +geweest" en wiens naam Javert vergeten had, aan dezen lag Javert weinig +gelegen. Een advocaat is buitendien altijd licht te vinden. Maar was +hij wel advocaat? + +Het onderzoek was begonnen. + +De rechter van instructie had het raadzaam geoordeeld, een der mannen +van de bende Patron-Minette niet buiten toegang te stellen, hopende +dat hij iets verklappen zou. Deze man was Brujon, de langharige van +de straat Petit-Banquier. Men had hem in een ander deel der gevangenis +gebracht, waar de bewakers hem in het oog hielden. + +Deze naam, Brujon, behoort tot de herinneringen in de gevangenis +la Force. Op de leelijke binnenplaats van het zoogenaamde nieuwe +gebouw, welke het bestuur de plaats St. Bernard, maar de dieven den +Leeuwenkuil noemden, zag men op den vuilen muur die zich links tot +aan de daken verhief, bij een oude verroeste ijzeren deur, welke in +de oude kapel van het hertogelijk hôtel de la Force voerde, en welke +kapel thans als slaapzaal voor dieven dient, voor omstreeks twaalf +jaren een soort van bastille met een spijker in de steenen gekrabd +en daar onder deze naamteekening: + + + Brujon, 1811. + + +De Brujon van 1811 was de vader van den Brujon van 1832. + +Deze laatste, dien men bij de hinderlaag in het huis Gorbeau slechts +onduidelijk gezien heeft, was een zeer sluwe, behendige knaap, met +een bescheiden en weemoedig voorkomen. Om deze reden had de rechter +van instructie hem in de algemeene gevangenis doen brengen, in de +meening dat hij hier nuttiger zou zijn dan buiten toegang in zijn cel. + +De dieven staken hun bedrijf niet, omdat zij in de handen der justitie +zijn. Aan zulk een kleinigheid stoort men zich niet. Wegens een misdaad +in de gevangenis te zijn, belet niet een andere misdaad op touw te +zetten. 't Zijn schilders, die een schilderij op de tentoonstelling +hebben, en daarom niet te minder aan een nieuwe schilderij in hun +atelier werken. + +Brujon scheen door de gevangenis geheel ontsteld. Men zag hem soms +uren lang op de plaats bij het raampje der cantine staan, als een +zinnelooze de vuile prijslijst der waren beschouwende, die begon met: +knoflook 62 centimes, en eindigde met: sigaren vijf centimes. Of hij +bracht den tijd door met te rillen en te klappertanden, zeggende dat +hij de koorts had, en onderzoekende of een der acht-en-twintig bedden +der koortszaal onbezet was. + +Eensklaps vernam men omstreeks het midden der maand Februari 1832, +dat Brujon, die slaper, door de boodschappers van het gevangenhuis, +niet op zijn naam, maar op dien van drie zijner kameraads, drie +verschillende boodschappen had laten doen, welke hem gezamenlijk +vijftig sous hadden gekost, een buitengewone uitgave, welke de +opmerkzaamheid van den brigadier der gevangenis wekte. + +Men deed onderzoek en het tarief der boodschappen vergelijkende, +dat in de spreekkamer der gevangenen hing, bleek het, dat de vijftig +sous voor drie boodschappen waren geweest, een naar het Pantheon, +tien sous; een naar het Val de Grace, vijftien sous; en een naar de +barrière Grenelle, vijf-en-twintig sous. Deze laatste was de duurste +op het tarief. Nu bevonden zich juist bij het Pantheon, het Val de +Grace en de barrière Grenelle de woningen van deze drie zeer gevreesde +barrièreschooiers, Kruideniers, anders genoemd Bizarro, Glorieux, een +ontslagen galeiboef, en Barre-Carrosse, op welke door dit voorval de +blik der politie opnieuw getrokken werd. Men meende te weten, dat deze +drie mannen tot de bende van Patron-Minette behoorden, van welke men +twee aanvoerders, Babet en Gueulemer, gevat had. Men veronderstelde, +dat de boodschappen van Brujon, die niet aan de huizen, maar aan lieden +op de straat gericht waren, inlichtingen moesten bevat hebben wegens +een of ander beraamd misdrijf. Men had nog andere aanwijzingen. Men +vatte dus de drie schooiers, in de meening hierdoor Brujons plannen +verijdeld te hebben. + +Omstreeks een week na deze maatregelen zag een oppasser, die zijn ronde +deed en de benedenslaapzaal van het nieuwe gebouw inspecteerde, juist +toen hij het teeken wilde geven dat alles in orde was, door het spiegat +van de slaapzaal, Brujon op zijn bed zitten schrijven. De oppasser +trad binnen, men zette Brujon een maand in het cachot, maar men kon +niet vinden wat hij geschreven had. De politie vernam evenmin iets. + +Zeker is het, dat den volgenden dag "een postillon" van de plaats +Charlemagne over het vijf verdiepingen hooge gebouw, dat beide plaatsen +scheidde, in den Leeuwenkuil werd geworpen. + +De gevangenen noemen "postillon" een kunstig van brood gekneed +balletje, dat "naar Ierland" wordt gezonden, dat wil zeggen over +de daken eener gevangenis van de eene naar de andere plaats. Dat +balletje valt op de plaats. Die het opraapt, opent het en vindt er +een briefje voor een der gevangenen in. Is de vinder een gevangene, +dan bezorgt hij het briefje aan zijn bestemming; is 't een oppasser +of een stille verklikker onder de gevangenen, dan wordt het briefje +naar het bureau der gevangenis gebracht en aan de politie overgeleverd. + +Ditmaal kwam de postillon aan zijn adres, hoewel degeen voor wien +het briefje was bestemd, op dien oogenblik buiten toegang zat. De +geadresseerde was niemand minder dan Babet, een der vier aanvoerders +van Patron-Minette. + +De postillon bevatte een gerold papiertje, waarop slechts deze +twee regels: + +"Babet. Er is in de straat Plumet een zaak te doen. Een hek om +een tuin." + +Dit had Brujon des nachts geschreven. + +Ten spijt van alle onderzoekingen vond Babet middel het briefje uit la +Force naar Salpetrière, de vrouwengevangenis, tot een "goede vriendin" +die hier zat, te doen overgaan. Deze vrouw bezorgde op haar beurt +het briefje aan eene andere die ze kende, een zekere Magnon, die de +politie scherp in 't oog hield, maar nog niet gevat had. Deze Magnon, +wier naam de lezer reeds kent, had betrekkingen met de Thénardiers, +welke later zullen worden vermeld, en kon, door Eponine te bezoeken, +tot brug dienen, tusschen la Salpetrière en de Madelonnettes. + +'t Was juist op het oogenblik, dat de zusters Eponine en Azelma weer +op vrije voeten werden gesteld, daar bij 't onderzoek der zaak van +haar vader geen directe bewijzen tegen haar waren aan 't licht gekomen. + +Toen Eponine de Madelonnettes verliet, gaf haar Magnon, die haar aan +de deur wachtte, het briefje van Brujon aan Babet, haar bevelende de +zaak "op te nemen." + +Eponine ging naar de straat Plumet, vond het hek en den tuin, nam +het huis in oogenschouw, bespiedde, loerde, en bracht eenige dagen +later aan Magnon, die in de straat Cloche-Perce woonde, een beschuit, +welke Magnon aan de minnares van Babet in de Salpetrière bezorgde. Een +beschuit beteekent in de duistere beeldspraak der gevangenissen: +"niets te doen." + +Toen ongeveer een week later Babet en Brujon elkander in de gang +der gevangenis la Force ontmoetten, terwijl de een naar het verhoor +ging en de andere van daar terugkeerde, vroeg Brujon: "Nu, de straat +P?"--"Beschuit," antwoordde Babet. + +Alzoo ging deze kiem der misdaad te niet, welke door Brujon in la +Force was ontworpen. + +Deze mislukking had echter gevolgen, die geheel niet in Brujons +bedoelingen lagen. + +Men meent soms een draad te knoopen, en men maakt een anderen los. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +VADER MABEUF HEEFT EEN VERSCHIJNING. + + +Marius bezocht niemand meer; hij ontmoette echter nu en dan den +ouden Mabeuf. + +Terwijl Marius langzaam die donkere trap afging, welke men de trap +der holen zou kunnen noemen, en welke naar die oorden zonder licht +voert, waar men de gelukkigen boven zich hoort gaan, ging de heer +Mabeuf zijnerzijds insgelijks naar beneden. + +De "Flora van Cauteretz" werd volstrekt niet meer verkocht. De +proefnemingen met de indigo waren niet geslaagd in den kleinen tuin van +Austerlitz, die niet aan de zonzijde lag. Mabeuf kon er slechts eenige +zeldzame planten kweeken, die vochtigheid en schaduw behoeven. Evenwel +verloor hij den moed niet. In den Plantentuin had hij een hoekje gronds +verkregen, dat goed gelegen was, om er "te zijnen koste" proefnemingen +met de indigo te doen. Daarvoor had hij de koperplaten zijner Flora +naar den lombard gebracht. Hij had zijn ontbijt tot twee eieren +ingekrompen, en daarvan gaf hij er een aan zijn oude dienstmaagd, +welke hij sedert vijftien maanden geen loon had betaald. En dikwijls +was zijn ontbijt zijn eenige maaltijd. Hij lachte niet meer met dien +kinderlijken lach van vroeger, maar was somber geworden en ontving +geen bezoeken meer. 't Was goed, dat Marius er niet meer aan dacht tot +hem te gaan. Soms ontmoetten de grijsaard en de jongeling elkander op +den boulevard, wanneer de heer Mabeuf naar den Plantentuin ging. Zij +spraken niet, maar knikten elkander treurig toe. 't Is iets grievends, +dat er oogenblikken zijn, wanneer de armoede alle betrekkingen +oplost! Men was een paar vrienden, men wordt twee voorbijgangers. + +De boekhandelaar Royol was overleden. De heer Mabeuf kende nu nog +slechts zijn boeken, zijn tuin en zijn indigo; dit waren de drie +vormen, welke voor hem het geluk, het vermaak en de hoop hadden +aangenomen. + +Dit was hem voldoende om te leven. Hij dacht: "Zoodra ik mijn indigo +gemaakt heb, ben ik rijk, ik zal mijn koperplaten uit den lombard +halen, het debiet van mijn Flora door kwakzalverij, de turksche trom +en advertentiën in de couranten weder herstellen, en hier of daar een +exemplaar van L'art de Naviguer door Pierre de Medine, druk van 1559, +met houtsneden, zien op te sporen. Intusschen werkte hij den ganschen +dag aan zijn indigobed en des avonds kwam hij te huis om zijn tuin te +begieten en zijn boeken te lezen. De heer Mabeuf was op dat tijdstip +bijna tachtig jaar oud. + +Op zekeren avond had hij een zonderlinge verschijning. + +Hij was te huis gekomen, terwijl het nog helder licht was. Moeder +Plutarchus, die begon te sukkelen, was ongesteld en lag te bed. Hij +had met een bot, waaraan een weinig vleesch was, en een stuk brood, dat +hij op de keukentafel had gevonden, zijn maaltijd gedaan, en zich toen +op een liggenden straatpaal gezet, die in zijn tuin voor bank diende. + +Bij die bank stond, zooals gewoonlijk in oude tuinen met vruchtboomen, +een soort van groote kist, die onder tot konijnenhok, boven tot +bergplaats van vruchten diende. Er waren geen konijnen in het hok, +maar boven eenige appels; de rest van den wintervoorraad. + +De heer Mabeuf was, met behulp van zijn bril, twee boeken begonnen +te doorbladeren en te lezen, welke hem bevielen, en zelfs, iets +bijzonders op zijn ouderdom, zijn gedachten geheel boeiden. Zijn +natuurlijke beschroomdheid maakte hem eenigszins vatbaar voor +bijgeloovigheid. Het eene boek was de vermaarde verhandeling van +den president Delancre "over de onstandvastigheid der duivels", +het andere was de 4e uitgave van Mutor de la Rubaudière, "over de +duivels van Vauvert en de kabouters van de Bièvre." In dit laatste +oude boek stelde hij te meer belang, wijl zijn tuin vroeger door +kabouters bezocht was geweest. De avondschemering begon wat boven is +te verlichten en wat onder is te verdonkeren. Terwijl hij het boek +las, dat hij in de hand hield, zag vader Mabeuf er over heen naar +zijn planten, onder anderen naar een prachtigen rhododendron, die een +zijner vertroostingen was; er waren vier heete, winderige en zonnige +dagen zonder een droppel regen voorbijgegaan; de stengels bogen, de +knoppen hingen, de bladeren vielen; de geheele tuin moest begoten +worden; vooral stond de rhododendron heel treurig. Vader Mabeuf +behoorde tot hen, voor wie de planten zielen hebben. De grijsaard +had den geheelen dag aan zijn indigobed gewerkt, hij was uitgeput van +vermoeidheid, maar stond echter op, legde zijn boeken op de bank en +ging gebukt en met waggelenden tred naar den put; doch toen hij den +ketting had gegrepen, kon hij niet ver genoeg reiken om dien los te +haken. Toen keerde hij zich om en hief een treurigen blik ten hemel, +die zich met sterren vulde. + +De avond had die helderheid, welke over de smarten van den mensch een +soort van weemoedige en eeuwige vreugd uitbreidt. De nacht beloofde +even dor te zijn als de dag was geweest. + +Overal sterren! dacht de grijsaard; niet het kleinste wolkje! geen +droppel water! + +En zijn even opgericht hoofd zonk weder op zijn borst. + +Hij hief het weder op, aanschouwde nogmaals den hemel en prevelde: + +Een dropje dauw! een weinig erbarming! + +Hij poogde nogmaals den ketting los te maken, maar kon niet. + +Op dit oogenblik hoorde hij een stem zeggen: + +"Vader Mabeuf, wilt gij, dat ik uw tuin begiete?" + +Tezelfder tijd ontstond in de haag een gerucht als van een dier, dat +er doordrong, en hij zag uit de struweelen een groot, mager meisje +komen, dat eensklaps voor hem verscheen, en hem strak en stoutmoedig +aanzag. Zij had minder het voorkomen van een menschelijk wezen dan +van een gestalte, die uit de avondschemering was ontstaan. + +Alvorens vader Mabeuf, die licht schrikte, en zooals wij gezegd +hebben, spoedig bevreesd was, iets had kunnen antwoorden, had dit +wezen, welks bewegingen in de duisternis een zonderlinge levendigheid +hadden, den ketting losgemaakt, den emmer laten dalen en opgehaald, +en den gieter gevuld; en nu zag de goede oude man deze verschijning, +met bloote voeten en in een versleten rok, tusschen de bloembedden +loopen, en leven om zich heen verspreiden. Het geruisch van den gieter +op de bladeren vervulde de ziel van vader Mabeuf met verrukking. Hij +meende, dat de rhododendron nu gelukkig moest zijn. + +Toen de eerste emmer ledig was, putte het meisje een tweeden, en +daarna een derden. Zij begoot den geheelen tuin. + +Terwijl zij dus over de paden ging, waarop haar gestalte donker +uitkwam, en met haar knokige armen haar gescheurden halsdoek bewoog, +had zij wel iets van een vleermuis. + +Toen zij gedaan had, trad vader Mabeuf met tranen in de oogen naar +haar toe, legde zijn hand op haar hoofd en zeide: + +"God zal u zegenen; ge zijt een engel, wijl ge voor de bloemen zorgt." + +"Neen," antwoordde zij, "ik ben een duivel; maar 't scheelt mij niet." + +De oude man riep, zonder haar antwoord te wachten of te hooren: + +"Het spijt mij, dat ik zoo ongelukkig en zoo arm ben van niets voor +u te kunnen doen." + +"Gij kunt iets voor mij doen," zeide zij. + +"Wat dan?" + +"Mij zeggen, waar de heer Marius woont." + +De grijsaard begreep haar niet. + +"Welken mijnheer Marius?" + +Hij sloeg zijn oogen op en scheen iets te zoeken, dat verdwenen was. + +"Een jong mensch, die van tijd tot tijd hier komt." + +De heer Mabeuf had zijn geheugen onderzocht, en riep: + +"Ha, ja... ik weet wien ge bedoelt. Wacht even! mijnheer Marius... de +baron Marius Pontmercy, zeker! hij woont... of liever, hij woont niet +meer... ik weet niet." + +Dus sprekende had hij zich gebogen om een tak van den rhododendron +op te richten, en hernam: + +"Zie, nu herinner ik mij. Hij komt dikwijls op den boulevard en +gaat aan de zijde der Glacière, straat Croule Barbe, naar het +Leeuweriksveld. Ga daar heen; gij zult er hem gemakkelijk vinden." + +Toen de heer Mabeuf zich oprichtte, was er niemand meer; het meisje +was verdwenen. + +Hij was werkelijk een weinig angstig geweest. + +"Inderdaad," dacht hij, "zoo mijn tuin niet werkelijk begoten was, +zou ik denken, dat het een geest was geweest." + +Toen hij een uur later te bed lag, speelde 't hem weder door 't hoofd, +en toen hij insluimerde, in dat nevelig oogenblik dat de gedachte, +als de vogel uit de fabel, die in een visch verandert, om de zee over +te gaan, allengs den vorm des drooms aanneemt, om in den slaap over +te gaan, zeide hij bij zich zelven: + +"Inderdaad, het gelijkt wel naar 't geen la Rubaudière van de kabouters +verhaalt. Zou 't een kabouter geweest zijn?" + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +MARIUS HEEFT EENE VERSCHIJNING. + + +Eenige dagen na dit bezoek van een "geest" aan vader Mabeuf, had +Marius--'t was des Maandags, den dag dat Marius een vijffrancstuk van +Courfeyrac leende om 't aan Thénardier te geven,--des ochtends dat +vijffrancstuk in zijn zak gestoken, maar voor het naar de gevangenis +te brengen was hij een weinig gaan wandelen, in de hoop, dat hem +dit bij zijn terugkomst zou doen werken. Dit was trouwens altijd +hetzelfde. Zoodra hij was opgestaan, zette hij zich voor een boek en +een vel papier, om iets te vertalen; hij had destijds tot bezigheid +de vertaling in 't Fransch van een vermaarden Duitschen twist, den +strijd van Gans en Savigny; nu nam hij Gans, dan Savigny, las vier +regels, poogde er een te schrijven, kon niet, zag een star tusschen +zich en zijn papier, stond van zijn stoel op en zeide: "Ik wil eens +uitgaan. Dat zal mij op streek brengen." + +En hij ging naar het Leeuweriksveld. + +Daar zag hij meer dan ooit de ster, en minder dan ooit Savigny en Gans. + +Hij kwam weder te huis, beproefde zijn werk te hervatten, maar +'t gelukte hem niet; er was geen mogelijkheid een der gebroken +draden in zijn hersens weder aaneen te knoopen, en dan zeide hij: +"Morgen zal ik niet uitgaan. Het belet mij te arbeiden."--Maar hij +ging alle dagen uit. + +Hij woonde meer op het Leeuweriksveld dan in de kamer van +Courfeyrac. Zijn wezenlijk adres was dit: Boulevard de la Santé, +zevende boom, voorbij de straat Croulet-Barbe. + +Dien ochtend had hij dezen zevenden boom verlaten en zich aan den +kant der rivier der Gobelins nedergezet. De zon drong vroolijk door +de frisch ontloken en glanzende bladeren. + +Hij dacht aan "haar"; tot zijn denken een verwijt voor hem werd. Hij +dacht dan met smart aan zijn luiheid, aan de geestverlamming, welke +hem aangreep, en aan de duisternis, welke ieder oogenblik voor hem +dikker werd, zoodat hij zelfs de zon niet meer zag. + +Te midden van deze smartelijke denkbeelden, welke hem schier alle +geestkracht benamen, bereikten hem evenwel de indrukken van buiten. Hij +hoorde achter zich, op beide oevers der rivier, de waschvrouwen +der Gobelins haar linnen kloppen, en boven zijn hoofd de vogels +in de olmen kweelen en zingen. Aan den eenen kant het gerucht der +vrijheid, der gelukkige zorgeloosheid, van den gevleugelden lust; +aan den anderen kant het gerucht van den arbeid. Deze beide geluiden +brachten hem opnieuw aan 't mijmeren en bijna aan 't nadenken. + +Eensklaps, te midden van zijn weemoedige verrukking, hoorde hij een +bekende stem zeggen: + +"Zie, daar is hij!" + +Hij sloeg de oogen op, en herkende het ongelukkig meisje, dat op +zekeren morgen bij hem was gekomen, de oudste dochter der Thénardiers, +Eponine; hij wist thans hoe zij heette. Zonderling, zij was armer +en schooner geworden, zij had twee stappen gedaan, welke bij haar +niet meer mogelijk schenen. Zij was dubbel vooruitgegaan, naar het +licht en naar den nood. Zij was blootsvoets en in lompen, gelijk op +den dag toen zij zoo stoutmoedig zijn kamer was binnengegaan, maar +haar lompen waren twee maanden ouder, de scheuren waren grooter, de +vodden vuiler. 't Was dezelfde heesche stem, hetzelfde doffe, verweerde +voorhoofd; dezelfde vrije, wilde en dwalende blik. Maar op haar gezicht +lag meer dan vroeger dat onbeschrijfelijk schuwe en jammerlijke, +'t welk de doorgang tot de gevangenis aan de ellende geeft. + +Zij had stroo- en hooi-sprieten in 't haar, niet als Ophelia, door +Hamlets krankzinnigheid aangestoken, maar wijl zij op den zolder van +een stal geslapen had. + +In weerwil van dat alles was zij schoon. Welk een star zijt gij, +o jeugd! + +Ondertusschen stond zij voor Marius stil met een zweem van vreugde +op haar bleek gezicht en iets dat naar een glimlach geleek. + +Zij bleef eenige oogenblikken alsof zij niet kon spreken. + +"Ik heb u dan gevonden," zeide zij eindelijk. "Vader Mabeuf had gelijk, +'t was op dezen boulevard! Hoe heb ik u gezocht! Zoo ge het wist! Ik +ben veertien dagen in de gevangenis geweest. Maar zij hebben mij +losgelaten, wijl er niets tegen mij was, en ik bovendien de jaren +van onderscheid niet had; er ontbraken nog twee maanden aan. O! wat +heb ik gezocht, sedert zes weken. Ge woont dus niet meer ginds?" + +"Neen," zei Marius. + +"Ha ik begrijp; uithoofde van het gebeurde. Die dingen zijn +onaangenaam. Ge zijt verhuisd. Zie! waarom draagt ge zulke oude +hoeden? een jongeling als gij moet fraai gekleed zijn. Weet ge wel, +mijnheer Marius, dat vader Mabeuf u baron Marius noemt; ik weet niet +hoe meer. Niet waar, ge zijt immers geen baron? Barons zijn oud, +zij gaan naar het Luxembourg voor het kasteel, waar 't zonnig is, +en lezen de Gliobienne voor een sou. Eens ben ik met een brief bij +zulk een baron geweest. Hij was ouder dan honderd jaar. Maar zeg mij, +waar woont ge nu?" + +Marius antwoordde niet. + +"O," voer zij voort, "er is een scheur in uw overhemd. Ik zal 't voor +u naaien." + +Toen hernam zij met een uitdrukking die allengs treuriger werd: + +"'t Schijnt u geen genoegen te doen, dat ge mij ziet?" + +Marius zweeg, ook zij zweeg een oogenblik; vervolgens riep zij: + +"Zoo ik echter wilde, zou ik u wel dwingen verheugd te schijnen." + +"Wat?" vroeg Marius. "Wat wilt ge zeggen?" + +Zij beet zich op de lip en scheen te weifelen, als ter prooi aan een +inwendigen strijd. Eindelijk scheen zij een besluit te nemen. + +"Nu, zooveel te erger, 't doet er niet toe. Ge ziet er treurig uit, ik +wil dat ge tevreden zijt. Beloof mij slechts, dat ge zult lachen. Ik +wil u zien lachen en u hooren zeggen: Ha! dat is goed! Arme mijnheer +Marius; herinnert ge u, dat ge mij beloofd hebt mij alles te geven +wat ik wilde?" + +"Ja, maar spreek dan!" + +Zij zag Marius strak in de oogen en zeide: + +"Ik heb het adres!" + +Marius verbleekte. Al zijn bloed stroomde naar zijn hart terug. + +"Welk adres?" + +"Het adres, dat ge mij gevraagd hebt." + +En als zich geweld doende, voegde zij er bij: + +"Ge weet immers... het adres." + +"Ja," stamelde Marius. + +"Van de jonge dame." + +Zij zuchtte diep, bij 't uitspreken van dat woord. + +Marius sprong van den grond, waar hij zat, en greep driftig haar hand. + +"Ha! welaan, geleid mij! spreek! vraag mij al wat ge wilt! waar +is het?" + +"Kom mede," antwoordde zij. "Ik weet niet goed de straat en het +nommer. 't Is geheel aan den anderen kant; maar ik weet het huis en +zal er u brengen." + +Zij trok haar hand terug en hernam op een toon, die een toeschouwer +smartelijk bewogen zou hebben, maar die den verbijsterden en verrukten +Marius nauwelijks aandeed: + +"Ha! nu zijt gij tevreden!" + +Een wolk trok over Marius' voorhoofd. Hij greep Eponines arm, en zeide: + +"Zweer mij één ding." + +"Zweren?" hernam zij; "wat wil dat zeggen? Hé, wilt ge dat ik zwere?" + +Zij lachte. + +"Beloof mij, Eponine, zweer mij, dat ge dat adres niet aan uw vader +zult bekend maken." + +Verbaasd wendde zij zich tot hem, en riep: + +"Eponine! Hoe weet ge dat ik Eponine heet?" + +"Beloof mij wat ik u vraag!" + +Maar zij scheen hem niet te hooren. + +"'t Is heel lief, dat ge mij Eponine noemt!" + +Marius nam haar beide armen tegelijk. + +"In 's hemels naam, antwoord toch! let op 't geen ik u zeg, zweer +mij dat ge het bewuste adres niet aan uw vader zult zeggen." + +"Mijn vader?" zeide zij. "O, ja, mijn vader; wees gerust. Hij is +gevangen, buiten toegang. Wat kan mij mijn vader ook schelen." + +"Maar gij belooft het mij niet," riep Marius. + +"Laat mij toch los?" riep zij luid lachend; "hoe schudt ge mij! Ja, +ja, ik beloof het, ik zweer het; wat raakt het mij? ik zal 't adres +aan mijn vader niet zeggen. Nu, is 't zoo goed? is het?" + +"Noch aan iemand anders?" hernam Marius. + +"Aan niemand." + +"Geleid mij nu," zei Marius. + +"Aanstonds?" + +"Ja, aanstonds." + +"Kom!--O! hoe verheugd is hij nu!" zeide zij. + +Na eenige schreden hield zij stil. + +"Ge volgt mij al te dicht, mijnheer Marius. Laat mij vooruit gaan, +en volg mij, dat het niet in 't oog valt. Men mag niet zien, dat een +jongeling als gij gaat met een meisje als ik." + +Geen taal kan uitdrukken, wat in dit woord "meisje" lag, aldus door +dit kind uitgesproken. + +Zij deed een tiental schreden en bleef weder staan. Marius voegde zich +bij haar. Zijdelings, zonder zich tot hem te wenden, sprak zij tot hem: + +"A propos, ge weet dat ge mij iets beloofd hebt." + +Marius tastte in zijn zak. Hij bezat niets ter wereld dan de vijf +francs voor Thénardier bestemd. Hij nam ze en legde ze in Eponines +hand. + +Zij opende de vingers en liet het muntstuk ter aarde vallen, terwijl +ze hem met een somberen blik aanzag, en zeide: + +"Ik wil uw geld niet." + + + + + + + +BOEK III. + +HET HUIS IN DE STRAAT PLUMET. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +HET VERBORGEN HUIS. + + +Omstreeks het midden der vorige eeuw had een president van het +parlement te Parijs eene maîtresse, welke hij verborg; want in +dien tijd vertoonden de groote heeren hun maitressen, en de burgers +verborgen ze. Hij liet een huis bouwen in de voorstad Saint Germain, +in de eenzame straat Blomet, die thans straat Plumet genoemd wordt. + +Dit huis bestond uit een paviljoen van één verdieping; twee +benedenkamers, twee kamers op de eerste verdieping, onder een keuken, +boven een boudoir, onder het dak een zolder, voor het huis aan de +straat een tuin met hek. Deze tuin was ongeveer een morgen groot. Dat +was alles wat de voorbijgangers konden zien; maar achter het paviljoen +was een kleine plaats, en achter op die plaats een lage woning van +twee vertrekken met kelder, een soort van schuilplaats ingeval soms +een kind met de min moesten verborgen worden. Deze woning kwam van +achter met een verborgen deur uit in een lang, nauw, bestraat, krom, +open, aan beide zijden van hooge muren omgeven pad, dat met wonderbare +kunst tusschen de omheiningen der tuinen en bouwvelden, waarvan het al +de hoeken en krommingen volgde, verscholen en als verloren was, tot aan +een andere, eveneens geheime deur, ongeveer een half kwartier verder, +schier in een andere wijk, aan het eenzame einde der Babelstraat. + +Mijnheer de president ging daarbinnen, zoodat zelfs zij, die hem +bespied hadden, en gevolgd waren, door de opmerking dat hij alle +dagen heimelijk ergens heen ging, niet konden gissen, dat hij van +de Babelstraat naar de straat Blomet ging. Door den gelukkigen +aankoop van gronden had de schrandere magistraatspersoon op eigen +grond en bijgevolg zonder contrôle dien geheimen weg kunnen doen +aanleggen. Later had hij in kleine perceelen, voor tuinen en velden, de +gronden bezijden de gang verkocht, en de eigenaars dier gronden meenden +aan weerszijden een tusschenmuur te hebben en vermoedden volstrekt +niet het bestaan van een lang, bestraat pad, dat tusschen twee muren +kronkelend door hun moestuinen en boomgaarden liep. Alleen de vogels +zagen deze merkwaardigheid. 't Is mogelijk, dat de vinken en musschen +der vorige eeuw veel over mijnheer den president gepraat hebben. + +Dit paviljoen in den stijl van Mansard gebouwd en in den smaak van +Watteau gemeubeld, omgeven met een driedubbele haag bloemen, had iets +geheimzinnigs, coquets en plechtigs, zooals het aan een grilligheid +der liefde en van het rechterschap betaamt. + +Dat huis en deze gang, die thans verdwenen zijn, bestonden nog voor +omstreeks vijftien jaren. In '93 had een ketellapper het huisje +gekocht om het af te breken, maar wijl hij het niet kon betalen, +verklaarde de natie hem bankroet; zoodat het huis den ketellapper ten +onder bracht. Sedert bleef het huis onbewoond en verviel allengs, +zooals ieder verblijf, waaraan de tegenwoordigheid van den mensch +geen leven meer mededeelt. Het bleef gemeubeld met zijn oud huisraad, +en stond altijd te koop of te huur, en de tien of twaalf personen, die +jaarlijks de straat Plumet doorgaan, werden hiervan verwittigd door een +geel en onleesbaar bordje, dat sinds 1810 aan het tuinhek was gehecht. + +Deze zelfde voorbijgangers konden tegen het einde der restauratie zien, +dat het bordje verdwenen was en de vensterluiken der eerste verdieping +open waren. Het huis werd inderdaad bewoond. Voor de vensters hingen +ondergordijntjes, een bewijs dat er een vrouw in 't huis was. + +In de maand October 1829 had een vrij bejaard man het huis gehuurd, +in den staat zooals het was, daaronder begrepen het achterhuis en de +gang, die in de Babelstraat uitliep. Hij had de twee geheime deuren +van die gang doen herstellen. Zooals wij gezegd hebben, was het huis +nog genoegzaam gemeubeld met het oude huisraad van den president; +de nieuwe bewoner had eenige herstellingen verordend, hier en daar +bijgevoegd wat ontbrak, de plaats opnieuw doen bestraten, de vloeren +doen vernieuwen, aan de trap nieuwe treden doen maken en ruiten in +de ramen doen zetten, en eindelijk had hij met een jong meisje en +een oude dienstmaagd stil en onopgemerkt het huis betrokken, als +iemand die heimelijk binnensluipt. De buren babbelden er niet over, +wijl er geen buren waren. + +Deze weinig gerucht makende huurder was Jean Valjean het jonge meisje +was Cosette. De dienstbode was een vrouw, Toussaint geheeten, welke +Jean Valjean van het hospitaal en de armoede had gered, een oude, +stotterende boerin, welke drie hoedanigheden Jean Valjean er toe geleid +hadden haar bij zich te nemen. Hij had het huis gehuurd onder den naam +van Fauchelevent, rentenier. Met al hetgeen reeds vroeger verhaald is, +zal de lezer Jean Valjean gewis eerder herkend hebben dan Thénardier +zulks deed. + +Waarom had Jean Valjean het klooster van Klein-Picpus verlaten? Wat +was er gebeurd? + +"Er was niets gebeurd." + +Men weet, dat Jean Valjean in het klooster gelukkig was, zoo +gelukkig, dat zijn geweten zich eindelijk verontrustte. Hij zag +Cosette dagelijks, terwijl het vaderlijk gevoel meer en meer in hem +ontwaakte en zich ontwikkelde; hij nam het kind geheel in zijn hart op, +hij zeide bij zich zelven, dat het hem behoorde en niets het hem kon +ontrukken; dat dit altijd zoo zou blijven; dat zij zekerlijk non zou +worden, wijl zij hiertoe dagelijks zacht werd aangespoord; dat dus het +klooster zoowel voor hem als voor haar, voortaan de wereld zou zijn; +dat hij er oud en zij er groot zou worden; dat zij er oud worden en +hij er sterven zou; dat eindelijk, welk een zoet vooruitzicht! geen +scheiding meer mogelijk was. Doch bij de overweging van dit alles, +geraakte hij toch in verlegenheid. Hij onderzocht zich zelven. Hij +vroeg zich, of al dat geluk hem wel behoorde; of het niet uit het geluk +van een ander bestond, uit het geluk van het meisje, 't welk hij, oude +man, zich toegeëigend had en bij zich verborg; of dit geen diefstal +was? Hij zeide tot zich zelf, dat dit kind het recht had het leven +te kennen, vóór er afstand van te doen, dat, zoo hij haar vooraf, en +zonder haar te raadplegen, alle vreugde afsneed, onder het voorwendsel +haar voor alle verzoekingen te bewaren, en van haar onwetendheid en +afzondering gebruik maakte om een kunstmatige roeping in haar aan te +kweeken--hierdoor een menschelijke natuur geweld werd aangedaan en God +belogen. En wie weet of Cosette, dit eenmaal ontwarende en een non +tegen haar zin zijnde, hem ten slotte niet zou haten. Deze laatste, +schier zelfzuchtige en minder edelmoedige gedachte dan de andere, +was hem ondragelijk. Hij besloot het klooster te verlaten. + +Hij nam dat besluit en erkende met leedwezen, dat hij +moest. Tegenbedenkingen had hij niet. Een vijfjarig verblijf en +verdwijning tusschen deze vier muren hadden noodwendig alle redenen +van vrees vernietigd of verdreven. Gerust kon hij onder de menschen +wederkeeren. Hij was ouder geworden en alles was veranderd. Wie zou hem +nog herkennen? Zoo het ergste mocht gebeuren, was er slechts gevaar +voor hem zelven, en hij had het recht niet Cosette tot het klooster +te doemen, omdat hij tot het bagno veroordeeld was geweest. Wat is +overigens het gevaar tegenover den plicht? Eindelijk, niets belette +hem voorzichtig te zijn en voorzorgen te nemen. + +Cosette's opvoeding was overigens bijna voltooid. + +Toen hij zijn besluit genomen had, wachtte hij de gelegenheid af. Deze +bood zich spoedig aan. De oude Fauchelevent stierf. Jean Valjean +verzocht gehoor bij de hoogwaardige priorin en zeide haar, dat hem bij +den dood zijns broeders een kleine erfenis was toegevallen, welke hem +vergunde, voortaan stilletjes te kunnen leven, waarom hij den dienst +van het klooster ging verlaten en zijn dochter medenam; maar aangezien +het niet billijk zou zijn dat Cosette, nu ze haar gelofte niet deed, +kosteloos opgevoed was geworden, verzocht hij nederig de eerwaardige +priorin het klooster, ter vergoeding der vijf jaren die Cosette er in +had doorgebracht, een som van vijf duizend francs te mogen aanbieden. + +Alzoo verliet Jean Valjean het klooster der Eeuwige Aanbidding. Toen +hij het verliet, droeg hij zelf, zonder het aan een kruier te willen +toevertrouwen, het kleine valies, van 't welk hij steeds den sleutel +bij zich droeg. Dit valies wekte Cosette's nieuwsgierigheid, uithoofde +der kamferlucht die het verspreidde. + +Laat ons bij deze gelegenheid zeggen, dat dit valies hem voortaan niet +meer verliet. Het was altijd in zijn kamer. Het was het eerste en soms +het eenige voorwerp, dat hij bij zijn verhuizingen medenam. Cosette +lachte er om, en noemde dit valies, "de onafscheidbare," en zeide, +dat zij er jaloersch op was. + +Overigens verscheen Jean Valjean niet zonder bezorgdheid weder in de +vrije lucht. + +Hij vond het huis in de straat Plumet en trok zich hier terug. Van +nu af nam hij den naam van Ultime Fauchelevent aan. + +Tezelfder tijd huurde hij twee andere woningen in Parijs, om minder +de aandacht te trekken, dan wanneer hij altijd in dezelfde wijk +ware gebleven, om desnoods bij de minste ongerustheid zich te kunnen +verwijderen, en eindelijk om niet weer zonder toevlucht te zijn als +in den nacht toen hij zoo wonderdadig aan Javert ontsnapt was. 't +Waren uiterlijk twee zeer ellendige en armoedige woningen in twee +ver van elkander verwijderde wijken, de eene in de Westerstraat, +de andere in de straat van den gewapenden Man. + +Van tijd tot tijd ging hij met Cosette nu in deze, dan in gene woning +een maand of zes weken doorbrengen, zonder vrouw Toussaint mede te +nemen. Hij liet er zich door de portiers bedienen en gaf zich uit +voor een rentenier uit den omtrek, die een optrek in de stad moest +hebben. Deze zoo deugdzame man had drie woningen in Parijs om aan de +politie te ontkomen. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +JEAN VALJEAN NATIONALE GARDE. + + +Overigens woonde hij eigenlijk in de straat Plumet, waar hij op de +volgende wijs zijn leven had ingericht: + +Cosette bewoonde met de dienstbode het paviljoen, zij had de groote +slaapkamer met de geschilderde paneelen, het boudoir met de vergulde +lijsten, het salon van den president met tapijten en groote stoelen, +en den tuin. Jean Valjean had in Cosette's kamer een ledikant met +hemel van drieërlei kleur van oud damast doen plaatsen en den vloer +doen beleggen met een oud fraai Perzisch tapijt, dat in de straat +Figuier-Saint-Paul bij vrouw Gaucher was gekocht, en om het statige +van deze ouderwetsche pracht eenigszins te temperen, had hij er +allerlei bevallige en sierlijke kleine meubelstukken voor jonge dames +bijgevoegd, étagère, boekenkast met vergulde boeken, papeterieën, een +met paarlemoer ingelegd werktafeltje, een zilveren vergulde nécessaire, +en een toilet van Japansch porselein. Lange, driekleurige damasten +gordijnen met rooden grond als die van het ledikant hingen voor de +vensters van de eerste verdieping. Voor de vensters beneden hingen +geborduurde gordijnen. Den ganschen winter was het huisje van Cosette +van boven tot beneden verwarmd. Jean Valjean zelf bewoonde de soort +van portierswoning achter op de plaats, met een matras op een bed met +zeelen, een withouten tafel, twee matten stoelen, een aarden waterkan, +eenige boeken op een plank, zijn dierbaar valies in een hoek, maar +altijd zonder vuur. Hij at met Cosette, en had een zwart brood voor +zich op de tafel. Toen vrouw Toussaint bij hem in dienst kwam, had hij +haar gezegd: "De jongejuffrouw is de meesteres des huizes."--"En gij, +mijnheer?" had vrouw Toussaint verwonderd gevraagd. "Ik ben veel meer +dan de heer des huizes, ik ben de vader." + +Cosette had in het klooster de huishouding geleerd, en regelde de +uitgaven, die zeer matig waren. Alle dagen ging Jean Valjean met +Cosette aan den arm wandelen. Hij leidde haar naar het Luxembourg +in de minst bezochte laan, en alle Zondagen naar de mis, altijd in +St. Jacques du Haut-Pas, wijl deze kerk ver af was. Aangezien deze wijk +zeer arm is, gaf hij er veel aalmoezen, en de armen omringden hem in +de kerk, 't geen hem den brief van Thénardier had bezorgd: "Aan den +weldadigen Heer van de kerk van Saint-Jacques du Haut-Pas." Gaarne +ging hij met Cosette de behoeftigen en kranken bezoeken. Geen vreemde +had toegang in het huis der straat Plumet. Vrouw Toussaint bracht de +mondbehoeften, en Jean Valjean zelf ging het water aan een nabijgelegen +pomp op den boulevard halen. Het hout en de wijn werden bewaard in +een half onderaardsch hol, dicht bij de deur in de Babelstraat, dat +eertijds den heer president tot grot had gediend; want in dien tijd +was er geen liefde zonder grot. + +In de deur aan den kant der Babelstraat was een bus voor brieven +en dagbladen; maar de drie bewoners van het paviljoen der straat +Plumet ontvingen noch dagbladen noch brieven, zoodat deze bus, die +vroeger had gediend voor de ontvangst van minnebrieven en liefdezaken, +nu enkel de waarschuwingen van den ontvanger der belastingen en de +wachtbriefjes ontving. Want de rentenier Fauchelevent was nationale +garde; hij had aan de dichte maliën der volkstelling van 1831 niet +kunnen ontsnappen. Het onderzoek van het stedelijk bestuur, destijds +gedaan, had zich tot het klooster van Klein-Picpus uitgestrekt, waaruit +Jean Valjean, voor het oog der mairie, als uit een ondoordringbare +en heilige wolk, eerwaardig, en bijgevolg waardig om de wacht te +betrekken, gekomen was. Drie of viermaal 's jaars trok Jean Valjean +zijn uniform aan en betrok de wacht. Hij deed dit gaarne, want 't was +voor hem een volkomene vermomming, die hem onder de menschen mengde en +toch alleen liet. Jean Valjean had zijn zestigste jaar reeds bereikt, +welke ouderdom hem van den dienst vrijstelde; maar hij scheen niet +ouder dan vijftig; bovendien had hij volstrekt geen lust zich aan zijn +sergeant-majoor te onttrekken en met zijn kommandant den graaf de Lobau +te kibbelen; hij verborg zijn naam, zijn identiteit, zijn ouderdom; +hij verborg alles, en, zooals wij gezegd hebben, was hij een nationale +garde met goeden wil. Zijn eenige eerzucht bestond in op ieder te +gelijken, die zijn burgerplichten volbrengt. Het ideaal voor dezen +man was voor het innerlijke de engel, voor het uiterlijke de burger. + +Wij moeten hier evenwel op een bijzonderheid opmerkzaam maken: wanneer +Jean Valjean met Cosette uitging, kleedde hij zich, zooals wij gezien +hebben, en had eenigszins het voorkomen van een oud-officier. Wanneer +hij alleen uitging en dit was gewoonlijk 's avonds 't geval, droeg +hij steeds een buis en broek als een werkman, en een pet welker klep +zijn gezicht bedekte. Was dit voorzichtigheid, of nederigheid? Beide +tegelijk. Cosette was aan het raadselachtige zijns levens gewoon +en merkte nauwelijks de zonderlingheden van haar vader op. Vrouw +Toussaint vereerde Jean Valjean en vond alles goed wat hij deed.--Op +zekeren dag zeide de slager, die even Jean Valjean gezien had: +"'t Is een rare snaak." Zij antwoordde: "'t Is een heilige." + +Nooit gingen Jean Valjean, Cosette of vrouw Toussaint uit of in het +huis dan door de deur in de Babelstraat. Zonder hen door het tuinhek te +zien, zou 't bezwaarlijk te raden zijn geweest, dat zij in de straat +Plumet woonden. Dat hek bleef altijd gesloten. Jean Valjean had den +tuin woest laten liggen, ten einde de aandacht er niet op te vestigen. + +Hierin bedroog hij zich misschien. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +BLADEREN EN BLOESEMS. + + +Deze alzoo sedert een halve eeuw aan zich zelven overgelaten tuin +was inderdaad buitengewoon en fraai geworden. Veertig jaren geleden +bleven de voorbijgangers in de straat staan om hem te bezien, zonder +te vermoeden, welke geheimen achter zijn frisch, dicht struikgewas +scholen. Menig denker heeft destijds zekerlijk zijn oogen en zijn +gedachten tevens nieuwsgierig door de traliën van het gesloten, +waggelend hek gewrongen, dat zich tusschen twee met mos begroeide +pilaren bevond, met een kroonwerk van zonderlinge, onverklaarbare +arabesken. + +Men zag er een steenen bank in een hoek en een paar beelden, +tegen den muur eenig rottend latwerk; maar geen sporen van paden of +bedden; overal onkruid. De tuinier was heengegaan, maar de natuur was +teruggekeerd. Het onkruid tierde welig, een gelukkige omstandigheid +voor een arm hoekje grond. De hondsbloemen hielden er feest. Niets in +dezen tuin belemmerde het heilig streven van het geschapene naar leven; +er heerschte onweerhouden groeikracht. De boomen hadden zich naar +de struiken gebogen, de struiken waren tot de boomen opgestegen, de +plant had zich geslingerd, wat op de aarde kruipt had zich vereenigd +met 't geen zich in de lucht ontwikkelt; wat in den wind wuift, +had zich gebogen naar 't geen in het mos wemelt; stammen, takken, +vezelen, struiken, ranken, doornen hadden zich gemengd, verward, +dooreen gekronkeld; de groeikracht had hier in een klein en nauw +bestek, op een oppervlakte van driehonderd vierkante voeten, onder +het tevreden oog van den schepper de heilige verborgenheid van haar +broederschap, het zinnebeeld der menschelijke broederschap, gevierd +en voltrokken. Deze tuin was geen tuin meer, maar één colossaal +struikgewas, dat wil zeggen iets dat ondoordringbaar is als een woud, +bevolkt als een stad, trillend als een vogelnestje, somber als een +kerk, geurig als een bloemruiker, eenzaam als een graf, levendig als +een volksdrom. + +In de lente deelde dit groote bosschage, vrij achter zijn hek en +tusschen zijn vier muren, in den algemeenen arbeid der ontkieming en +van den liefdegloed, trilde het bij de opgaande zon schier als een +dier, dat den invloed der cosmische liefde in zijn aderen voelt zieden; +dan zijn weelderig groen haar in den wind schuddende, bestrooide het +de vochtige aarde, de half vergane beelden, de bouwvallige stoep van +het paviljoen en zelfs de keien der eenzame straat met bloemen en +sterren, met dauw en paarlen, met vruchtbaarheid, schoonheid, leven, +vreugd en geur. Des middags dartelden er duizenden witte vlinders, en +'t was een heerlijk schouwspel deze levende zomersneeuw in de schaduw +te zien dwarlen. Hier, in deze bekoorlijke duisternissen van het groen, +spraken een menigte ongekunstelde stemmen zachtkens tot de ziel, +en wat het gekweel had vergeten, voltooide het gegons. Des avonds +steeg een wasem van droomerij uit den tuin op en vervulde hem; een +lijkwade van nevel, een hemelsche, kalme droefgeestigheid overdekte +hem; de zoo bedwelmende geur der kamperfoelie en winde verbreidde +zich van alle zijden als een vluchtig, bedwelmend vergif; men hoorde +de laatste tonen der meerlen en vinken onder de twijgen wegsterven, +men gevoelde er die heilige vertrouwelijkheid van den vogel en den +boom; des daags verlevendigt het gevogelte de bladeren, des nachts +beschermen de bladeren het gevogelte. + +In den winter was het bosschage donker, vochtig, steil opgericht, +bibberend, en liet het een weinig het huis zien. Men zag dan in +plaats van bloemen in de twijgen en dauw op de bloemen, de lange +zilveren strepen der slakken op het kille dikke tapijt van dorre +bladeren; maar op allerlei wijzen, hoe men ze ook beschouwde, in alle +jaargetijden, in de lente, des winters, des zomers, in den herfst, +ademde deze kleine plek weemoed bespiegeling, eenzaamheid, vrijheid, +'s menschen afwezendheid, Gods tegenwoordigheid; en het oude verroeste +hek scheen te zeggen: deze tuin behoort mij. + +Niettegenstaande heel Parijs er omheen lag, de klassieke en prachtige +hôtels der straat Varennes er zich dicht bij bevonden, de dom +der Invaliden zeer dicht bij was, de kamers der gedeputeerden +niet ver waren; niettegenstaande de koetsen der Bourgogne- en +St. Dominique-straten statig in de nabuurschap rolden, de gele, +bruine, witte en roode omnibussen elkander op het nabijgelegen +plein kruisten--was en bleef de straat Plumet een woestenij; en +de dood der voormalige bezitters, een voorbijgegane omwenteling, +de verwoesting van vroegere rijkdommen, afwezendheid, vergetelheid, +veertigjarige verlatenheid en ledigheid waren voldoende geweest om in +dit bevoorrechte oord varens, scheerling, duizendblad, wild gras en +woekerplanten, hagedissen, kevers, alle soorten van insecten terug +te brengen; om uit de diepte der aarde een onbeschrijfelijk wilde +en woeste grootschheid tusschen deze vier muren te doen opstijgen, +en te bewerken, dat de natuur, die de kleingeestige inrichtingen van +den mensch verijdelt, en zich daar geheel uitstort, waar zij zich +uitstort, evenzeer in de mier als in den arend, zich in een kleinen +Parijschen tuin met even veel macht en majesteit ontwikkelde, als in +een maagdelijk woud der nieuwe wereld. + +Niets is werkelijk klein; wie zich aan de onderzoekingen der natuur +wijdt, weet dat. Hoewel de wijsbegeerte zich evenmin beroemen kan op +het aangeven der oorzaak als op de bepaling der werking, verzinkt +toch de aanschouwer in grondelooze verrukking bij deze werkingen +der natuurkrachten, die alle tot éénheid voeren. Alles werkt tot +het geheel. + +De algebra is van toepassing op de wolken; de straling der sterren +is ten voordeele der roos; geen denker zou durven zeggen, dat de geur +van den witten hagedoorn geheel zonder invloed op de sterren is. Wie +kan dus den loop van een stofdeeltje berekenen? Wat weten wij er +van, of de vorming van werelden niet door den val van zandkorrels +wordt veroorzaakt? Wie kent toch de wederzijdsche eb en vloed van +het oneindig kleine, den weerklank der oorzaken in de afgronden van +het bestaan, en de lawinen der eeuwigheid. Een mijtje is van gewicht; +het kleine is groot, het groote is klein; alles staat in noodzakelijk +evenwicht; welk een vreeselijk visioen voor den geest! + +Wezens en zaken zijn met elkander in wonderbare betrekking, in +het onmetelijk geheel hebben mijt en zon, heeft het een het ander +noodig. Het licht voert de aardsche geuren niet in het blauw des hemels +op, zonder te weten wat er meê te doen; de nacht deelt aan de slapende +bloemen het uitvloeisel der sterren mede. Al de vogels die vliegen +hebben den draad van het oneindige aan den poot. De ontkieming ligt +zoowel in het ontstaan van een luchtverschijnsel als in het pikken +der zwaluw, die het ei breekt, en zij bewerkt evenzeer de geboorte van +een aardworm als de verschijning van een Sokrates. Waar de telescoop +eindigt, begint de microscoop. Wie van de twee heeft het scherpste +gezicht. Men kieze. Een schimmelplekje is een melkweg van bloemen; +een nevelvlek een gewemel van sterren. 't Is dezelfde, maar nog meer +wonderbare overeenstemming der dingen van den geest met de werkingen +van de stof. De elementen en beginselen mengen, vereenigen, verbinden, +vermenigvuldigen zich de eene door de andere, zoodat zij tegelijk de +stoffelijke en de zedelijke wereld in het licht brengen. + +De oneindige cosmische wisselingen strekken zich over alles uit, +en vormen een ontzaggelijke machine, welker eerste beweegkracht een +mug en welker laatste rad de dierenriem is. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +VERANDERING VAN HET HEK. + + +Het scheen of deze tuin, eertijds geschapen om onzedelijke +verborgenheden te omsluieren, was herschapen en geschikt geworden +om kuische verborgenheden te beschermen. Er waren geen priëelen, +geen grasperken, geen hutjes, geen grotten meer; maar er was een +heerlijke duisternis, die als een sluier over alles hing. Paphos was +in Eden veranderd. Deze plek scheen door een of andere boetedoening +gereinigd. Deze bloementuin bood thans haar bloemen aan de ziel. Deze +sierlijke tuin, eertijds zeer onteerd, was weder rein en schuldeloos +geworden. Een president, geholpen door een tuinier, hadden hem voor de +zinnelijkheid gevormd, gesnoeid, gedraaid, opgeschikt en ingericht; +maar de natuur had hem teruggenomen, met schaduw gevuld en voor de +reine liefde bereid. + +In deze eenzaamheid was insgelijks een geheel gereed hart. De liefde +behoefde zich slechts te vertoonen; zij had er een tempel uit loof, +gras, mos, vogelengekweel en zachte duisternis; en een ziel uit +zachtheid, geloof, deugd, hoop, wenschen en illusiën gevormd. + +Cosette had, schier als kind, het klooster verlaten; zij was iets ouder +dan veertien jaar, in den zoogenoemden "ondankbaren leeftijd." Zooals +gezegd is, scheen zij, behalve de oogen, eer leelijk dan mooi. Zij +had wel is waar geen onaangename trekken, maar zij was houterig, +mager, verlegen en stoutmoedig tevens, kortom een groot "klein" meisje. + +Haar opvoeding was voltooid; men had haar namelijk den godsdienst, en +ook en bovenal uiterlijke vroomheid geleerd; voorts de "geschiedenis", +namelijk wat in 't klooster dus genoemd wordt, de aardrijkskunde, +de spraakkunst, de deelwoorden, de koningen van Frankrijk, een weinig +muziek, teekenen enz.; overigens kende zij niets, 't geen tevens een +bekoorlijkheid en een gevaar is. De ziel van een meisje mag niet in +de duisternis blijven; later ontstaan er als in een camera obscura +te plotselinge en te levendige lichtbeelden in. Zij moet zacht en +behoedzaam verlicht worden, meer door den weerschijn der werkelijkheid, +dan door haar rechtstreeksch en scherp licht. Door een heilzaam en +behagelijk halflicht wordt de kinderlijke angst verdreven en voor den +val behoed. Slechts het moederlijk instinct, deze wonderbare ingeving, +die de herinneringen der maagd met de ondervinding der vrouw vereenigt, +weet op welke wijs dit halflicht moet samengesteld zijn en aangebracht +worden. Niets kan dit instinct vervangen. Voor de vorming van een +jong meisje kunnen al de geestelijke zusters der wereld niet tegen +ééne moeder opwegen. + +Cosette had geen moeder gehad. Zij had slechts vele moeders gehad. + +Jean Valjean bezat wel alle teederheden en bezorgdheden tevens in zich, +maar hij was een oud man, die volstrekt niets wist. + +En hoeveel wetenschap is er niet noodig voor dat werk der opvoeding, +voor deze gewichtige zaak, als de voorbereiding eener vrouw tot het +leven, om tegen deze groote onwetendheid op te wegen, die de onschuld +wordt genoemd! + +Niets maakt een meisje vatbaarder voor hartstocht dan het klooster. Het +klooster richt de gedachte naar het onbekende. Het hart, tot zich zelf +verwezen, graaft en verdiept zich, wijl het zich niet kan uitstorten en +uitzetten. Vandaar al die visioenen, gissingen, veronderstellingen, +romantische beelden, gewenschte avonturen, luchtkasteelen in de +duisternis van den geest gebouwd, donkere, geheime verblijven, waar +de hartstochten dadelijk huisvesting vinden, zoodra het hek geopend +is en zij er binnen kunnen gaan. Het klooster is een beperking die, om +het menschelijk hart te kunnen betoomen, het geheele leven moet duren. + +Toen Cosette het klooster verliet, kon zij niets liefelijker en +gevaarlijker vinden dan het huis in de straat Plumet. 't Was de +voortzetting der eenzaamheid met het begin der vrijheid, een gesloten +tuin, maar een krachtige, weelderige en prikkelende natuur; overigens +dezelfde droomen als in het klooster, maar daarbij soms een blik op +jongelingen; een hek, maar aan de straat. + +Zij was echter, wij herhalen het, toen zij er kwam, een kind. Jean +Valjean gaf haar dien woesten tuin. Doe er mede wat ge wilt, sprak +hij.--Cosette vermaakte zich en zocht in het gebladerte en onder de +steenen diertjes; zij speelde er, tot de dag kwam dat zij er droomen +zou; zij beminde dien tuin om de insecten, welke zij onder haar +voeten in het gras vond, tot de dag kwam, dat zij hem zou beminnen +om de sterren, welke zij er door de takken heen boven zich zou zien. + +Overigens beminde zij haar vader, namelijk Jean Valjean, met haar +gansche ziel, met een naïeve kinderlijke liefde, die den goeden man een +gewenscht en aangenaam gezelschap voor haar maakte. Men herinnere zich, +dat de heer Madeleine veel las; Jean Valjean was hiermede voortgegaan +en dit had hem geleerd te spreken; hij bezat den verborgen schat en +de welsprekendheid van een bescheiden en gezond verstand, dat zich +zelf gevormd heeft. Hem was juist zooveel ruwheid overgebleven om +zijn goedheid daarmede te temperen; hij was ruw van geest en zacht +van hart. Wanneer zij in den tuin van het Luxembourg te zamen waren, +onderrichtte hij haar over alles wat hij gelezen, en ook wat hij +geleden had. Met verstrooiden blik luisterde Cosette naar hem. + +Deze eenvoudige man was voor den geest van Cosette evenzeer voldoende +als de verwilderde tuin voor haar oogen. Wanneer zij een geruime +poos vlinders had vervolgd, kwam zij buiten adem bij hem en zeide: +"O! wat heb ik geloopen!" Hij kuste haar teederlijk. + +Cosette vereerde den goeden man. Immer was zij hem op de hielen. Waar +zich Jean Valjean bevond, was het voor haar goed. Wijl Jean Valjean +noch in het paviljoen, noch in den tuin kwam, beviel het haar beter +op de geplaveide achterplaats, dan in den tuin vol bloemen, beter in +het kleine vertrek met matten stoelen, dan in het ruime salon met +tapijten belegd en met zachte armstoelen bezet. Jean Valjean zeide +haar soms, met een glimlach van geluk, omdat hij gestoord werd: +"Maar ga toch naar uw kamer. Laat mij een oogenblik alleen!" + +Zij beknorde hem dan zoo bekoorlijk en teeder, als slechts een dochter +tegen haar vader vermag. + +"Vader, ik word koud hier bij u; waarom legt ge hier geen kleed en +zet een kachel?" + +"Mijn lief kind, er zijn zooveel menschen die beter zijn dan ik, +en die zelfs geen dak boven hun hoofd hebben." + +"Waarom is er dan vuur en al het overige bij mij?" + +"Wijl ge een vrouw en een kind zijt." + +"Zoo! moeten de mannen dan koude lijden en slecht wonen?" + +"Sommige mannen." + +"Goed, ik zal hier zoo dikwijls komen, dat ge wel genoodzaakt zult +zijn te stoken." + +Zij zeide hem nog: + +"Vader, waarom eet ge zulk gemeen brood?" + +"Daarom, mijn dochter." + +"Nu, zoo gij het eet, zal ik het ook eten." + +En opdat Cosette geen zwart brood zou eten, at Jean Valjean wit brood. + +Cosette herinnerde zich slechts flauw haar kindsheid. Zij bad 's +morgens en 's avonds voor haar moeder, welke zij niet gekend had. De +Thénardiers waren als twee leelijke droombeelden in haar geheugen +gebleven. Zij herinnerde zich dat zij "eens in een nacht" water in een +bosch had gehaald. Zij meende, dat het zeer ver van Parijs was. Het +scheen haar alsof haar leven in een afgrond was begonnen, waaruit Jean +Valjean haar getrokken had. Haar kindsheid maakte op haar den indruk, +als van een tijd toen zij door niets dan duizendpooten, spinnen en +slangen omgeven was. Wanneer zij zich 's avonds, vóór zij insliep, +aan haar gedachten overgaf, verbeeldde zij zich, bij gemis van een +juist begrip hoe zij de dochter van Jean Valjean en hij haar vader +was, dat de ziel van haar moeder in dien goeden man was overgegaan +en alzoo nu bij haar woonde. + +Wanneer hij zat, legde zij haar wang tegen zijn wit haar en liet +zij er soms in stilte een traan op vallen, denkende: "deze man is +misschien mijn moeder." + +Cosette, hoewel 't zonderling klinken moge, had, in de diepe +onwetendheid van een meisje, dat in het klooster is opgevoed, en +wijl buitendien het moederschap voor de maagdelijkheid volkomen +onbegrijpelijk is, zich eindelijk verbeeld, dat zij misschien +geen moeder gehad had. Immers kende zij niet eens den naam dezer +moeder. Telkens wanneer zij er Jean Valjean naar vroeg, zweeg hij. Zoo +zij haar vraag herhaalde, antwoordde hij met een glimlach. Eenmaal +drong zij er op aan, en toen ging zijn glimlach in een traan over. + +Deze stilzwijgendheid van Valjean hulde Fantine in nacht. + +Was het voorzichtigheid? was het achting? was het uit vrees dien naam +aan de toevallen van een ander geheugen dan het zijne over te leveren? + +Zoolang Cosette klein was, had Jean Valjean haar gaarne van haar +moeder gesproken; toen zij jongedochter was geworden, werd hem dit +onmogelijk. 't Scheen hem, alsof hij niet meer durfde. Was het om +Cosette? Was het om Fantine? Hij gevoelde een soort van godsdienstige +huivering om deze schim in Cosette's gedachte te brengen en de doode +in hun beider lot in te voeren. Hoe heiliger voor hem deze schim +was, hoe meer hij haar scheen te vreezen. Hij dacht aan Fantine en +gevoelde zich tot stilzwijgen gedwongen. Onduidelijk zag hij in de +duisternis iets, dat naar een vinger op een mond geleek. Was deze +kuischheid, die in Fantine geweest en gedurende haar leven met geweld +uit haar gedreven was, dadelijk na haar dood tot haar wedergekeerd, +om, verontwaardigd, de rust dezer doode te beschermen en, schuw, +haar in 't graf te bewaken? Voelde Jean Valjean er onbewust den druk +van? Wij, die aan den dood gelooven, behooren niet tot hen, welke deze +geheimzinnige verklaring zouden verwerpen. 't Was hierom voor Valjean +onmogelijk, zelfs tegen Cosette, den naam Fantine uit te spreken. + +Op zekeren dag zeide Cosette tot hem: + +"Vader, van nacht heb ik mijn moeder in den droom gezien. Zij had twee +groote vleugels. In haar leven moet mijn moeder schier een heilige +zijn geweest!" + +"Door haar lijden," antwoordde Jean Valjean. + +Overigens was Jean Valjean gelukkig. + +Wanneer Cosette met hem uitging, leunde zij op zijn arm en was fier en +gelukkig uit de volheid van haar hart. Bij al deze teekenen van een +zoo uitsluitende en met hem alleen tevredene liefde, voelde Valjean +zijn ziel in zaligheid opgelost. + +De arme man trilde, overstroomd door hemelsche weelde; met verrukking +hield hij zich overtuigd, dat dit zijn geheele leven zou duren; hij +zeide in zich zelven, dat hij inderdaad niet genoeg geleden had, +om zulk een schitterend geluk te verdienen, en dankte God uit de +diepte zijner ziel, wijl Hij vergunde, dat hij, de ellendige, door +dit onschuldig wezen zoo bemind werd. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +DE ROOS BESPEURT DAT ZIJ EEN WAPEN IS. + + +Op zekeren dag zag Cosette toevallig in den spiegel en zeide: +"He!" Het kwam haar bijna voor, dat zij mooi was! Dit bracht haar +in een zonderlinge onrust. Tot hiertoe had zij aan haar gezicht niet +gedacht. Zij zag in den spiegel, maar nam zich niet op. Bovendien had +men haar dikwerf gezegd, dat zij leelijk was; Jean Valjean alleen +zeide zacht: "Wel neen, wel neen!" Hoe het zij, Cosette had altijd +gemeend, dat zij leelijk was, en was met de gemakkelijke berusting +der kindsheid in dat denkbeeld groot geworden. Maar zie, eensklaps +zeide haar de spiegel, evenals Jean Valjean: "Wel neen!" Zij sliep den +ganschen nacht niet.--Indien ik schoon ware! dacht zij; hoe aardig +zou het zijn als ik schoon ware!--En zij herinnerde zich die harer +kloostergezellinnen, die om haar schoonheid beroemd waren, en zij +zeide bij zich zelve: Hoe! zou ik op mejuffrouw die of die gelijken! + +Den volgenden dag beschouwde zij zich, maar niet toevallig, en zij +twijfelde.--"Waar waren mijn gedachten?" zeide zij; "neen, ik ben +leelijk!" 't Was alleen, omdat zij slecht geslapen had, omdat haar +oogen flauw waren en haar gezicht bleek was. Het geloof aan haar +schoonheid had haar den vorigen dag niet zoo buitengewoon verheugd, +maar nu was zij treurig, er niet meer aan te gelooven. Zij beschouwde +zich niet meer, en langer dan veertien dagen beproefde zij zich te +kappen met den rug naar den spiegel gekeerd. + +Des avonds na het middagmaal was zij gewoon in het salon te borduren, +of eenigen kloosterarbeid te verrichten, terwijl Jean Valjean bij haar +las. Eens sloeg zij de oogen van haar werk op, en was zeer verwonderd +over de ongeruste wijze, waarop haar vader haar aanschouwde. + +Een anderen keer meende zij op de straat iemand, die achter haar ging, +en dien zij niet zag, te hooren zeggen: Een schoone dame, maar slecht +gekleed. "O," dacht zij, "dat geldt mij niet. Ik ben leelijk, maar +goed gekleed."--Zij droeg toen haar pluchen hoed en merinossen kleed. + +Zekeren dag, eindelijk, was zij in den tuin en zij hoorde de oude +vrouw Toussaint zeggen: "Hebt gij wel opgemerkt, mijnheer, hoe +mooi de jongejuffrouw wordt?" Cosette hoorde niet wat haar vader +antwoordde; de woorden van vrouw Toussaint veroorzaakten haar een +soort van schok. Zij verliet den tuin, ging naar haar kamer, ijlde +voor den spiegel, zij had zich sedert drie maanden niet beschouwd, +en slaakte een kreet. Zij was over zich zelve verbijsterd. + +Zij was schoon en lief; zij kon zich niet beletten, de meening van +vrouw Toussaint en van haar spiegel te deelen. Haar vormen waren +weelderig, haar vel was blank, heur haar zacht en glanzend; een +onbekende gloed schitterde in haar blauwe oogen. Eensklaps, in een +minuut, als bij het ontstaan van een helder licht, was zij zich haar +schoonheid bewust geworden; anderen hadden 't immers reeds opgemerkt, +vrouw Toussaint zeide het; 't was blijkbaar dat de voorbijganger +van haar gesproken had, er was geen twijfel; nu keerde zij naar +den tuin terug, en waande zich een koningin; zij meende de vogels +te hooren zingen, hoewel het winter was; zij zag den hemel verguld, +de zon in het geboomte, bloemen aan de struiken, zij was opgetogen, +in een onuitsprekelijke verrukking. + +Jean Valjean gevoelde van zijn kant een innige, onbegrijpelijke +hartsbeklemming. + +Inderdaad, sedert eenigen tijd had hij met schrik de toenemende +schoonheid opgemerkt, die dagelijks schitterender op het zachte gelaat +van Cosette verscheen. Voor alle anderen een bekoorlijk morgenrood; +alleen voor hem een somber. + +Cosette was langen tijd schoon geweest, zonder het op te merken. Maar +reeds van den beginne af deed dit onverwachte licht, 't welk langzaam +opging en trapswijs de geheele gestalte van het meisje omhulde, de +sombere oogen van Jean Valjean pijnlijk aan. Hij gevoelde, dat het +een verandering zou zijn in een gelukkig leven, zoo gelukkig, dat hij +er niet aan durfde roeren, uit vrees er iets in te verstoren. Deze +man, die alle tegenspoeden had doorgestaan, die nog bloedde door +de verwondingen van zijn lot, die bijna slecht was geweest en +schier een heilige was geworden, die na de ketenen van het bagno te +hebben gesleept, nu de onzichtbare, maar zware keten der eindelooze +eerloosheid sleepte, deze man, dien de wet niet had losgelaten, en +die elk oogenblik weder gevat en uit de verborgenheid zijner deugd +in het helder licht der openbare schande kon worden gebracht, deze +man berustte in alles, verschoonde alles, vergaf alles, zegende alles, +wilde allen goed, en bad alleen van de Voorzienigheid, van de menschen, +van de wetten, van de maatschappij, van de natuur, van de wereld, +dit eenige: dat Cosette hem mocht beminnen. + +Dat Cosette hem bij voortduring mocht beminnen, dat God het hart van +dit kind niet belette tot hem te komen en bij hem te blijven. Door +Cosette bemind, gevoelde hij zich genezen, gerust, bevredigd, +gelukkig, beloond en bekroond. Door Cosette bemind, was hij zalig; +hij verlangde niets meer. Zoo men hem gevraagd had: Wilt gij iets +meer? zou hij geantwoord hebben: Neen. Zoo God hem gevraagd had: +Wilt gij den Hemel? zou hij geantwoord hebben: Ik zou er bij verliezen. + +Al wat dezen toestand kon aanraken, ware het slechts zeer licht +en oppervlakkig, deed hem beven, als ware het 't begin van iets +anders. Nooit had hij recht geweten wat de schoonheid eener vrouw was; +maar door instinct begreep hij, dat dit iets vreeselijks kon zijn. + +Deze schoonheid, die zich allengskens overweldigend en trotsch, +aan zijn zijde, onder zijn oogen ontwikkelde op het tevens argeloos +en belangrijk gelaat van het meisje, aanschouwde hij van uit zijn +leelijkheid, zijn ouderdom, zijn ellende, zijn verworpenheid, zijn +bedruktheid met ontzetting. Hij dacht: "Hoe schoon is zij! Wat zal +van mij worden!" + +Hierin bestond overigens het verschil tusschen zijn liefde en de +liefde eener moeder. Wat hij met angst zag, zou een moeder met vreugd +hebben gezien. + +De eerste verschijnselen vertoonden zich spoedig. + +Van den dag, dat zij bij zich zelve had gezegd: Inderdaad, ik ben +schoon! stelde Cosette meer belang in haar kleeding. Zij herinnerde +zich de woorden van den voorbijganger: Mooi, maar slecht gekleed--de +stem van een orakel, die langs haar gegaan en verdwenen was, na +in haar hart een der beide kiemen te hebben gelegd, die later het +geheele leven der vrouw zullen vervullen, de coquetterie. De liefde +is de andere kiem. + +Met het geloof aan haar schoonheid, ontwikkelde zich in haar +de gansche vrouwelijke ziel. Zij had een afkeer van het merinos +en schaamde zich over het pluche. Haar vader had haar nooit iets +geweigerd. Eensklaps was zij ingewijd in de geheimen van den hoed, +van het kleedje, van de mantille, van het laarsje, van de manchette, +van de stof die goed staat, van de kleur die past, deze wetenschap, +die van de Parijsche vrouw iets zoo bekoorlijks, zoo innemends, zoo +gevaarlijks maakt. Het woord femme capiteuse is voor de Parijsche vrouw +uitgevonden, 't beteekent, dat men eene vrouw niet kan aanschouwen +zonder als betooverd te worden. + +In minder dan een maand was de kleine Cosette in de onaanzienlijke +Babelstraat niet alleen een der schoonste vrouwen, en dat beteekent +iets, maar zij was een der best gekleede dames van Parijs, wat veel +meer wil zeggen. Zij zou gaarne den bewusten "voorbijganger" ontmoet +hebben, om te hooren wat hij nu zou zeggen. Zij was inderdaad in alle +opzichten bekoorlijk, en wist verwonderlijk een hoed van Gerard van +een hoed van Herbaut te onderscheiden. + +Angstig sloeg Jean Valjean deze verandering gade. Hij gevoelde, dat +hij zelf nooit anders dan zou kunnen kruipen, of ten hoogste gaan, +en zag dat Cosette vleugels kreeg. + +Overigens zou een vrouw reeds op 't eerste gezicht van Cosette's +kleeding gezien hebben, dat zij geen moeder had. Zekere kleine +voegzaamheden, zekere bijzondere aangenomen gebruiken waren door +Cosette niet in acht genomen. Een moeder, bij voorbeeld, zou haar +gezegd hebben, dat een jong meisje geen damast draagt. + +Den eersten keer toen Cosette in haar zwart damastzijden kleed en +mantilje, en haar witkrippen hoed uitging, nam zij, vroolijk, opgewekt, +blozend, fier en schitterend den arm van Jean Valjean.--"Vader," +vroeg zij, "hoe vindt ge mij nu?" Jean Valjean antwoordde, met een +stem, welke bitter was als die van een afgunstige: "Bekoorlijk."--Op +de wandeling was hij voorts als gewoonlijk. Te huis komende vroeg +hij Cosette: + +"Wilt ge uw kleed en hoed van vroeger niet meer dragen?" + +Dit had plaats in de kamer van Cosette. Cosette wendde zich naar de +kleerkast, waar haar kloosterkleeding nog hing. "Deze plunje!" zeide +zij. "Vader, wat zal ik daarmeê doen? O neen, die leelijke dingen +draag ik niet meer. Met dat ding op 't hoofd heb ik veel van een +oude schoonmaakster." + +Jean Valjean zuchtte diep. + +Van dien oogenblik af, merkte hij op, dat Cosette, die vroeger altijd +wilde te huis blijven, zeggende: Vader, ik vermaak mij hier beter +met u, nu steeds wenschte uit te gaan. Inderdaad, waartoe dient een +fraaie gestalte en een keurige kleeding, zoo men ze niet laat zien. + +Ook merkte hij op, dat Cosette niet meer dezelfde liefde voor de +achterplaats had. Nu was zij het liefst in den tuin en wandelde niet +zonder vermaak voor het hek. Schuw, zette Jean Valjean den voet niet +in den tuin, hij bleef op zijn achterplaats, als de hond. + +Nu Cosette wist dat zij schoon was, verloor zij het bekoorlijke dier +onwetendheid; een uitnemende bekoorlijkheid; want de schoonheid, door +argeloosheid opgeluisterd, is onbeschrijfelijk, en niets is heerlijker +dan een schitterende onschuld, die, zonder het te weten, in haar hand +den sleutel van een hemel heeft. Maar wat zij aan naïeve bevalligheid +verloor, won zij aan ernstige, peinzende bekoorlijkheid. Haar geheele +persoon, doordrongen door de vreugden der jeugd, der onschuld en der +schoonheid, ademde een betooverende zwaarmoedigheid. + +'t Was omstreeks dien tijd, dat Marius haar, na zes maanden, in het +Luxembourg wederzag. + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +DE VELDSLAG BEGINT. + + +Cosette was in haar duisternis, gelijk Marius in de zijne, +volkomen gereed om in gloed te geraken. Het lot bracht langzaam, +met zijn geheimzinnig, onfeilbaar geduld, deze twee wezens bijeen, +beiden vervuld en kwijnend van de verwoestende electriciteit van den +hartstocht, welke de liefde in zich droegen, zooals twee wolken den +bliksem dragen, en die elkander treffen en samensmelten zouden door +een blik, gelijk de wolken door een bliksemstraal. + +Men heeft in de liefderomans zooveel misbruik van den blik gemaakt, +dat hij eindelijk in minachting is gekomen. Nauwelijks durft men thans +meer zeggen, dat twee wezens alleen door den blik verliefd op elkaar +zijn geworden. 't Is toch aldus, dat men verliefd wordt en niets +anders. Het overige is slechts het overige, en komt later. Niets is +wezenlijker dan deze geweldige schokken, welke twee zielen elkander +bij de wisseling van dezen vonk geven. + +In het oogenblik, dat Cosette, zonder het te weten, dien blik schoot, +die Marius in verwarring bracht, vermoedde Marius niet, dat hij +insgelijks een blik schoot, die Cosette in verwarring bracht. Hij +veroorzaakte haar hetzelfde leed en hetzelfde goed. + +Sinds lang zag zij hem en sloeg hem gade, zooals meisjes zien en +gadeslaan, terwijl zij elders zien. Marius vond Cosette nog leelijk, +toen Cosette Marius reeds schoon vond. Maar dewijl hij niet op haar +lette, was de jongeling haar onverschillig. + +Zij kon evenwel niet beletten, bij zich zelve te zeggen, dat hij +fraai haar, fraaie oogen, fraaie tanden, een bekoorlijke stem had, +wanneer zij hem met zijn makkers hoorde spreken, dat hij, zoo +men aanmerkingen wilde maken, geen fraaie houding had, maar eene +eigenaardige bevalligheid, dat hij in 't geheel niet dom scheen, dat +zijn geheel voorkomen iets edels, zachts, eenvoudigs en fiers toonde, +en dat hij eindelijk wel arm maar goed scheen. + +Den dag toen hun oogen elkander ontmoetten en plotseling die +geheime en onuitsprekelijke dingen zeiden, welke de blik stamelt, +begreep Cosette aanvankelijk niets. Zij kwam peinzend te huis in de +Westerstraat, waar Jean Valjean, naar gewoonte, zijn zes weken had +doorgebracht. Toen zij den volgenden morgen ontwaakte, dacht zij aan +dien onbekenden jongeling, die zoo lang onverschillig en koel was +geweest, en nu op haar scheen te letten, en niets duidde aan, dat +deze opmerkzaamheid haar aangenaam was. Veeleer was zij eenigszins +wrevelig op dien schoonen onverschillige. Een zweem van vijandelijk +gevoel verhief zich in haar: 't scheen haar, en zij gevoelde er een +kinderlijke vreugde over, dat zij zich eindelijk zou kunnen wreken. + +Daar zij wist dat ze schoon was, had zij er een onduidelijk gevoel +van, dat zij een wapen had. De vrouwen spelen met haar schoonheid +als kinderen met hun mes. Zij kwetsen er zich zelven mede. + +Men herinnere zich Marius' aarzeling, zijn ontroering, zijn +angsten. Hij bleef op zijn bank en naderde niet. Dit was Cosette +onaangenaam. Op zekeren dag zeide zij tot Jean Valjean: Vader, laat ons +een weinig naar dien kant wandelen.--Ziende dat Marius niet tot haar +kwam, ging zij tot hem. In dergelijke gevallen gelijkt iedere vrouw +op Mahomed. Daarbij is, zonderlinger wijze, het eerste verschijnsel +van ware liefde bij den jongeling, beschroomdheid; bij een meisje, +stoutmoedigheid. Dit is verwonderlijk, en toch zeer eenvoudig. 't +Zijn twee seksen die elkander pogen te naderen, en die elkanders +hoedanigheden aannemen. + +Dien dag maakte het gezicht van Cosette Marius verbijsterd, het +gezicht van Marius deed Cosette huiveren. Marius verwijderde zich vol +vertrouwen, en Cosette onrustig. Van dien dag af beminden zij elkander. + +Het eerste wat Cosette gevoelde, was een onbestemde, diepe +droefgeestigheid. 't Kwam haar voor, als ware haar ziel, van den +eenen dag op den anderen, duisterder geworden. Zij herkende ze niet +meer. De blankheid der ziel van jonge meisjes, welke uit koelheid en +vroolijkheid bestaat, gelijkt de sneeuw. Zij smelt onder de liefde, +die haar zon is. + +Cosette wist niet wat liefde was. Nooit had zij dat woord in den +aardschen zin hooren uitspreken. In de wereldsche muziekwerken, +welke in het klooster kwamen, werd het woord amour (liefde) steeds +door tambour of pandour vervangen. Dit vormde raadsels, welke de +verbeelding der "grooten" in beweging bracht, als: "O, hoe liefelijk +is de trommel!" of "Medelijden is geen pandoer!" Maar Cosette had te +jong het klooster verlaten om zich veel met den "trommel" bemoeid +te hebben. Zij wist dus geen naam te geven aan 't geen zij thans +gevoelde. Is men er te minder ziek om, dewijl men den naam zijner +ziekte niet kent? + +Zij beminde te vuriger, wijl zij onwetend beminde. Zij wist niet of +het goed of slecht, nuttig of gevaarlijk, noodzakelijk of doodelijk, +eeuwig of vluchtig, geoorloofd of verboden was; zij beminde. Zij +zou zeer verwonderd zijn geweest, zoo men haar gezegd had: Slaapt +gij niet? dat is verboden! Eet gij niet? dit is verkeerd! Voelt +ge bedruktheid en hartkloppingen? dat mag niet wezen! Bloost en +verbleekt ge, wanneer iemand in het zwart gekleed aan het einde van +zekere groene laan verschijnt? dit is schandelijk! Zij zou dit niet +begrepen, en geantwoord hebben: Hoe kan ik schuldig zijn in iets, +waaraan ik niets doen kan en waarvan ik niets weet? + +De liefde, welke zich aanbood, was juist die, welke het best +overeenkwam met den toestand harer ziel. 't Was een soort van +vereering op een afstand, een stomme aanschouwing, de vergoding door +een onbekende. 't Was de verschijning der jeugd aan de jeugd, de +droom der nachten, roman geworden en droom gebleven, de gewenschte +verschijning eindelijk verwezenlijkt en vleesch geworden, doch +nog zonder naam, zonder feil, zonder vlek, zonder eischen, zonder +gebrek; met één woord, de verwijderde, ideaal gebleven minnaar, een +hersenschim met een vorm. Een nadere, tastbaarder ontmoeting zou in +dit eerste tijdperk Cosette hebben verschrikt, die nog ten halve in +de ruwe nevels des kloosters gedompeld was. Zij bezat al de vrees +der kinderen, met die der nonnen vermengd. De kloostergeest, die haar +gedurende vijf jaren doordrongen had, wasemde nog langzaam van haar +geheele persoonlijkheid uit en deed alles rondom haar beven. In dien +toestand was 't geen minnaar dien zij behoefde, niet eens een geliefde, +'t was een visioen. Zij begon Marius te vereeren als iets heerlijks, +lichtends, onbereikbaars. + +Wijl de uiterste onnoozelheid aan de uiterste coquetterie grenst, +glimlachte zij hem openhartig toe. + +Ongeduldig wachtte zij iederen dag het uur der wandeling, zij vond +er Marius, gevoelde zich onuitsprekelijk gelukkig, en meende oprecht +geheel haar gedachte uit te spreken, als zij tot Jean Valjean zeide: +"welk een bekoorlijke tuin is het Luxembourg!" + +Marius en Cosette stonden voor elkander in den nacht. Zij spraken, +groetten, kenden elkander niet. Zij zagen elkander slechts, en even +als de sterren aan den hemel, welke door millioenen mijlen gescheiden +zijn, leefden zij in elkanders beschouwing. + +Zoo werd Cosette allengskens een vrouw en ontwikkelde zich, schoon +en beminnend, met de bewustheid harer schoonheid, en de onbekendheid +harer liefde. Coquet was zij door haar onschuld. + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +TEGEN TREURIGHEID NOG GROOTER TREURIGHEID. + + +Iedere toestand heeft een bijzonder instinct. De oude, eeuwige +moeder natuur verwittigde Jean Valjean heimelijk van Marius' +tegenwoordigheid. Jean Valjean beefde in het diepst zijner +gedachte. Jean Valjean zag, wist niets, en beschouwde evenwel met +halsstarrige oplettendheid de duisternis waarin hij was, als gevoelde +hij aan de eene zijde iets dat werd opgebouwd, aan de andere iets +dat verging. Marius, insgelijks gewaarschuwd door diezelfde moeder +natuur, de strenge wet van den goeden God, deed alles wat hij kon om +zich aan den "vader" te onttrekken. + +'t Gebeurde evenwel, dat Jean Valjean hem soms zag. + +Marius' bewegingen waren volstrekt niet natuurlijk meer. Zijn +voorzichtigheid was loensch en zijn vermetelheid linksch. Hij naderde +niet meer zoo dicht als vroeger; hij zette zich in de verte neer +en bleef daar als in verrukking; hij had een boek en deed alsof hij +las. Waarom veinsde hij? Vroeger kwam hij in zijn ouden rok, nu droeg +hij dagelijks zijn nieuwen rok; 't was niet zeker of hij zich niet liet +friseeren; zijn oogen waren ook zoo wonderlijk; hij droeg handschoenen; +kortom, Jean Valjean haatte dien jongeling van ganscher harte. + +Cosette liet niets blijken. Zonder juist te weten, wat haar bewoog, +had zij echter het duidelijk bewustzijn, dat het iets was, en zij +het moest verbergen. + +In den smaak voor kleeding, welke bij Cosette ontstaan was, +en de gewoonte om nieuwe kleederen te dragen, die de onbekende +had aangenomen, was een zekere overeenkomst, die Jean Valjean +onaangenaam was. 't Was toevallig misschien, ongetwijfeld, zeker; +maar die toevalligheid kon gevaarlijk worden. + +Nooit sprak hij Cosette over dien vreemde. Op zekeren dag kon hij zich +echter niet bedwingen en met die onbestemde wanhoop, welke eensklaps de +ramp peilt, zeide hij haar: "Dit jonge mensch ziet er zeer pedant uit!" + +Een jaar vroeger, toen zij nog een klein onverschillig meisje was, +zou zij geantwoord hebben: "Nu, ik vind hem heel lief." Tien jaren +later, met de liefde van Marius in het hart, zou zij geantwoord hebben: +"Pedant en ondragelijk om te zien; ge hebt gelijk."--Op het oogenblik +des levens en des gevoels, waarin zij thans was, antwoordde zij enkel +met de grootste bedaardheid: "Dit jonge mensch!" + +Alsof zij hem voor het eerst van haar leven zag. + +"Hoe dom ben ik!" dacht Jean Valjean. "Zij had hem nog niet +opgemerkt. Nu vestig ik er haar aandacht op." + +O eenvoud des ouderdoms! o sluwheid der jeugd! + +Dit is wederom een wet dier jeugdige jaren van lijden en zorgen, van +dien levendigen strijd der eerste liefde tegen de eerste hindernissen, +dat het meisje zich in geen strik laat vangen, terwijl de jongeling in +alle strikken valt. Jean Valjean had tegen Marius een geheimen oorlog +begonnen, dien Marius in de verheven domheid van zijn hartstocht +en zijn leeftijd niet begreep. Jean Valjean legde hem een menigte +belemmeringen in den weg; hij veranderde het uur, verwisselde van +bank, vergat zijn zakdoek, kwam alleen in het Luxembourg; Marius liep +blindelings in al deze strikken; en op al de vraagteekens door Jean +Valjean op zijn weg geplant, antwoordde hij onnoozel: ja. Intusschen +bleef Cosette in haar schijnbare onverschilligheid en onverstoorbare +kalmte verschanst, zoodat Jean Valjean tot dit besluit kwam: Deze +knaap is dol verliefd op Cosette; maar Cosette weet nauwelijks, +dat hij bestaat. + +Desniettemin gevoelde hij in zijn hart een smartelijke +ongerustheid. Ieder oogenblik kon het uur slaan, dat Cosette +wederkeerig zou beminnen. Begint niet alles met onverschilligheid? + +Eenmaal beging Cosette een misslag, die hem deed ontstellen. Hij +stond op van de bank na drie uur gezeten te hebben, en toen zeide zij: +"Nu al!" + +Jean Valjean had zijn wandelingen naar het Luxembourg niet gestaakt, +wijl hij niets bijzonders wilde doen en bovenal vreesde Cosette's +aandacht te wekken; maar terwijl Cosette, in deze voor beide verliefden +zoo zoete uren, haar glimlach naar Marius wendde, die verrukt in deze +beschouwing verzonken was en thans in de wereld niets anders zag dan +een aangebeden schitterend gelaat, richtte Jean Valjean glinsterende +en vreeselijke oogen op Marius. Hij, die eindelijk gemeend had niet +meer in staat te zijn tot een kwaadwillig gevoel, geloofde, zoodra +hij Marius zag, weder woest en wreed te worden, en hij voelde tegen +dien jongeling die oude holen zijner ziel zich weder openen en woelen, +die vroeger zooveel woede bevat hadden. Het scheen hem schier, alsof +nieuwe, onbekende kraters in hem ontstonden. + +Hoe! hij was dáár, dat wezen! wat kwam hij er doen? Hij slingerde +rond, snuffelde, spiedde, maakte plannen! hij dacht: wel, waarom +niet? hij sloop om zijn, Valjean's, leven, om zijn geluk, ten einde +het te grijpen en weg te voeren. + +Jean Valjean voegde er bij: Ja, dat is het! Wat zoekt hij? een +avontuur? Wat wil hij? een minnarij? Een minnarij! en ik! Hoe! ik zal +eerst de ellendigste der menschen zijn geweest en dan de rampzaligste, +ik zal zestig jaren levens geknield hebben voortgesleept, alles +geleden hebben wat te lijden is, oud geworden zijn zonder jong te +zijn geweest, zonder familie, zonder verwanten, zonder vrouw, zonder +kinderen geleefd hebben, iets van mijn bloed op alle steenen, op +alle stammen, op alle palen, langs alle muren achtergelaten hebben; +ik zal zachtmoedig zijn geweest, hoewel men hard tegen mij was, en +goed, hoewel men slecht voor mij was; ik zal, in weerwil van alles, +eindelijk weer een eerlijk man zijn geworden, berouw hebben gehad +over het door mij bedreven kwaad, en het kwade hebben vergeven, +dat men mij gedaan heeft, en op het oogenblik, dat ik beloond word, +op het oogenblik, dat alles geëindigd is, en ik het doel bereik, +op het oogenblik, dat ik heb wat ik wil, wat ik goed en deugdelijk +betaald gewonnen heb, zal dat alles heengaan en verdwijnen; ik zal +Cosette verliezen, mijn leven, mijn vreugd, mijn ziel; wijl het een +jongen dwaas behaagde in het Luxembourg te wandelen! + +Toen vulden zich zijn oogen met een buitengewoon somber vuur. 't +Was niet meer een mensch, die een ander mensch; niet een vijand, +die een vijand aanschouwt; 't was een bloedhond, die een dief ziet. + +Men weet het overige. Marius bleef in zijn onzinnigheid. Zekeren +dag volgde hij Cosette in de Westerstraat. Een anderen dag sprak +hij met den portier. Zijnerzijds sprak de portier met Valjean, +zeggende: "Mijnheer, wie is toch die zonderlinge jongeling, die naar +u vraagt?" Den volgenden dag sloeg Jean Valjean op Marius dien blik, +welken Marius eindelijk opmerkte. Acht dagen later was Jean Valjean +verhuisd. Hij zwoer, dat hij geen voet meer in het Luxembourg, noch +in de Westerstraat zou zetten. Hij keerde terug naar de straat Plumet. + +Cosette klaagde niet, zeide niets, vroeg niet, zij trachtte de reden +hiervan niet te vernemen; zij was reeds in het tijdperk, wanneer men +vreest, doorvorscht te worden en zich te verraden. Jean Valjean had +niet de minste ondervinding van deze rampen, de eenige die bekoorlijk +zijn, en de eenige welke hij niet kende; dit maakte dat hij de ernstige +beteekenis van Cosette's stilzwijgendheid niet begreep. Alleen merkte +hij op, dat zij treurig was geworden, en hij werd bedroefd. 't Was +wederzijdsche onervarenheid, die met elkander in strijd was. + +Eenmaal deed hij een poging. Hij vroeg Cosette: + +"Wilt ge naar het Luxembourg gaan?" + +Een straal verhelderde Cosette's bleek gezicht. + +"Ja," antwoordde zij. + +Zij gingen er heen. Er waren drie maanden verstreken. Marius kwam er +niet meer. Marius was er niet. + +Den volgenden dag vroeg Jean Valjean weder aan Cosette: + +"Wilt gij naar het Luxembourg gaan?" + +Zij antwoordde treurig en zacht: + +"Neen." + +Deze treurigheid griefde Jean Valjean, en deze zachtheid vervulde +hem met smart. + +Wat ging er om in dit nog zoo jong en reeds zoo ondoordringbaar +gemoed? Wat was bezig er zich in te vormen? Wat gebeurde in de ziel +van Cosette? Soms bleef Jean Valjean, in plaats van te bed te gaan, +er naast zitten, met het hoofd in de hand en bracht den ganschen nacht +door met zich te vragen: waar denkt Cosette aan? en met aan de dingen +te denken, waaraan zij kon denken. + +O, welke smartelijke blikken wendde hij in die oogenblikken naar het +klooster, dit kuische, heilige verblijf der engelen, dien ongenaakbaren +ijsberg der deugd. Met welk een wanhopige verrukking aanschouwde hij +dien kloostertuin, vol onbekende bloemen en opgesloten maagden, waar +alle geuren en alle zielen regelrecht naar den hemel opstijgen. Hoe +aanbad hij dat voor altoos gesloten paradijs, waaruit hij vrijwillig +was heen gegaan, dat hij dwaselijk had verlaten. Hoe betreurde hij zijn +zelfverloochening en zijn dwaasheid, Cosette in de wereld te hebben +teruggebracht; arme held der opoffering, door zijn opoffering zelve +aangetast en verslagen! Hoe dikwerf zuchtte hij: "Wat heb ik gedaan?" + +Van dit alles merkte Cosette evenwel niets. Hij toonde haar noch +misnoegen noch norschheid; zijn gedrag was altijd even opgeruimd en +goedhartig. Jean Valjean was jegens haar teederder en vaderlijker +dan ooit. Zoo iets in hem minder vreugd had kunnen aanduiden, zou +het zijn meerdere zachtmoedigheid zijn geweest. + +Harerzijds kwijnde Cosette. Zij leed door de afwezigheid van Marius, +evenzeer als zij over zijn tegenwoordigheid, zonderlingerwijze, +en zonder er zich rekenschap van te kunnen geven, verheugd was +geweest. Toen Jean Valjean haar niet meer op de gewone wandelingen +geleidde, had het vrouwelijk instinct haar onduidelijk in het hart +gefluisterd, dat zij niet moest laten blijken in het Luxembourg +belang te stellen, en zoo zij er zich onverschillig voor betoonde, +haar vader er haar weder heen zou voeren. Maar dagen, weken en +maanden volgden elkander op. Jean Valjean had stilzwijgend Cosette's +stilzwijgende goedkeuring aangenomen. Zij betreurde het. Het was te +laat. Den dag, dat zij weder naar het Luxembourg ging, was Marius er +niet meer. Marius was dus verdwenen. 't Was uit. Wat te doen? Zou +zij hem ooit weder vinden? Zij voelde een beklemming des harten, +welke niets verruimde en die elken dag vermeerderde; zij wist niet +meer of het zomer dan wel winter was, of het regende dan, of de zon +scheen, of de vogels zongen of de dahlias of viooltjes bloeiden, of +de tuin van het Luxembourg bekoorlijker dan die der Tuilerieën was, +of het linnen, dat de waschvrouw te huis bracht, te veel of te weinig +gestijfd was, of vrouw Toussaint haar marktgang goed of slecht gedaan +had; en zij bleef neerslachtig, slechts aan één gedachte overgegeven, +met strakken blik, als wanneer men des nachts op de donkere, diepe +plaats staart, waar een verschijning is verdwenen. + +Overigens liet zij evenmin aan Jean Valjean iets anders zien dan haar +bleekheid. Zij toonde hem immer een vriendelijk gezicht. + +Maar deze bleekheid was meer dan voldoende om Jean Valjean bekommering +aan te jagen. Soms vroeg hij haar: + +"Wat deert u?" + +Zij antwoordde: + +"Mij deert niets." + +En na een poos, alsof zij opmerkte dat hij insgelijks treurig was, +hernam zij: + +"Deert u iets, vader?" + +"Mij? neen," zeide hij. + +Deze twee wezens, die elkander zoo uitsluitend, met zulk een innige +liefde bemind, en zoo lang met en door elkander geleefd hadden, leden +nu naast elkander, de een om den ander, zonder het elkander te zeggen, +zonder het elkander te wijten, en glimlachend. + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +DE GALEIKETEN. + + +De ongelukkigste van beiden was Jean Valjean. De jeugd heeft zelfs +in haar verdriet altijd nog een helderheid. + +In zekere oogenblikken leed Jean Valjean zóóveel, dat hij kinderachtig +werd. 't Is het eigenaardige der smart, dat zij de kinderlijke zijde +van den mensch weder te voorschijn roept. Hij gevoelde ontwijfelbaar, +dat Cosette hem ontging. Hij had willen strijden, haar tegenhouden, +haar door iets uiterlijks en schitterends willen begoochelen. Deze +gedachten, kinderachtig, zooals wij gezegd hebben, doch tevens +berekenend, gaven hem en wel door haar kinderachtigheid, een tamelijk +juist begrip omtrent den invloed van uiterlijke versieringen op de +verbeelding van jonge meisjes. Eens zag hij op de straat een generaal +in volle uniform te paard voorbij rijden, den graaf Coutard, kommandant +van Parijs. Hij benijdde dien vergulden man, en dacht: welk een geluk +zou 't zijn dien rok te dragen; Cosette zou verrukt zijn, als zij +hem zag; wanneer hij met Cosette aan den arm het hek der Tuilerieën +voorbijging, zou men het geweer voor hem presenteeren, en dit zou voor +Cosette voldoende zijn, en haar de gedachte van jongelieden afleiden. + +Een onverwachte schok paarde zich aan deze treurige gedachten. + +In hun afgezonderd leven, en sedert zij in de straat Plumet woonden, +hadden zij de gewoonte aangenomen, soms het genot te smaken van de +zon te zien opgaan, een zoete vreugd, die zoowel past voor hen die +het leven ingaan, als voor hen die het uittreden. + +Een wandeling in den vroegen morgen heeft voor dengeen, die de +eenzaamheid bemint, hetzelfde genot als eene avondwandeling, en de +vroolijkheid der natuur bovendien. De straten zijn eenzaam, maar de +vogels zingen. Cosette, zelve een vogel, stond gaarne 's morgens vroeg +op. Deze morgenwandelingen werden den vorigen avond besproken. Hij +stelde ze voor, zij nam ze aan. Ze werden als een complot beraamd; +men ging uit vóór 't nog geheel licht was, en dit was een van Cosettes +kleine genoegens. Deze onschuldige overdrijvingen behagen de jeugd. + +Jean Valjean ging bij voorkeur, zooals men weet, naar weinig bezochte +plaatsen, naar eenzame oorden, naar vergeten plekken. Destijds waren +in den omtrek van Parijs armoedige velden, die schier met de stad +verbonden waren, waar des zomers schraal koren groeide, en die in den +herfst na den oogst het aanzien hadden, niet van gemaaid, maar van +geplukt te zijn. Hierheen wendde zich Jean Valjean het liefst. Cosette +verveelde er zich niet. 't Was voor hem de eenzaamheid, voor haar +de vrijheid. Daar was zij weder een klein meisje; zij kon er loopen, +schier spelen; zij zette haar hoed af, beschouwde de vlinders op de +bloemen, maar ving ze niet; zachtmoedigheid en verteedering ontstaan +met de liefde, en de jongedochter, die een bevend en teeder ideaal +in zich draagt, heeft medelijden met den vleugel van een vlinder. Zij +vlocht een krans van klaprozen, welke zij op het hoofd zette, en deze +door de zon beschenen bloemen gaven aan haar frisch blozend gelaat +een kroon van gloeiende kolen. + +Zelfs toen hun leven treurig was geworden, behielden zij de gewoonte +dezer morgenwandelingen. + +Op een October-morgen, door den ongemeen fraaien herfst van 1831 +verlokt, waren zij uitgegaan en bevonden zich, toen 't licht werd, bij +de barrière du Maine. 't Was niet het morgenrood, 't was de dageraad; +een bekoorlijk, onbeschrijfelijk oogenblik: hier en daar nog eenige +sterren aan den bleeken hemel; de aarde geheel zwart; de hemel geheel +wit; een huivering door de grasscheuten; alom de geheimzinnige indruk +der schemering. Een leeuwerik, die zich tusschen de sterren scheen te +bevinden, zong uit de verbazende hoogte, en 't was alsof deze hymne +van het kleine tot het oneindige de onmetelijkheid bevredigde. In het +oosten kwam het Val-de-Grace, met zijn donkere massa, scherp uit den +helderen horizont te voorschijn; tintelend steeg Venus op achter dien +dom, en geleek een ziel die uit een donker gebouw ontvlucht. + +Alles was rustig en stil; niemand was op den weg; slechts op de +zijpaden onderscheidde men enkele werklieden, die naar hun arbeid +gingen. + +Jean Valjean had zich neergezet op eenig houtwerk, dat voor het hek +van een werf lag. Zijn blik was naar den weg gekeerd, en zijn rug +naar het licht; hij vergat de zon, die aan 't opgaan was; hij was in +een dier diepe mijmeringen verzonken, die den geheelen geest innemen, +en zelfs den blik boeien. Er zijn overdenkingen, welke den mensch als +tusschen vier muren sluiten. Wanneer men er zich in bevindt, wordt +er tijd vereischt om tot de aarde terug te keeren. Jean Valjean was +in een dier mijmeringen verzonken. Hij dacht aan Cosette, aan een +mogelijk geluk, zoo niets tusschen haar en hem kwam; aan dat licht, +waarmede zij zijn leven vervulde, een licht dat de adem zijner ziel +was. Hij was schier gelukkig in deze mijmering. Cosette stond naast +hem, en zag de wolken zich rozig kleuren. + +Eensklaps riep Cosette: "Vader, ginds schijnt iemand te naderen." + +Jean Valjean sloeg de oogen op. Cosette had gelijk. + +De weg die naar de oude barrière du Maine voert, is zooals men weet, +een verlenging der straat van Sèvres, en wordt rechthoekig door den +binnen-boulevard doorsneden. Op den hoek van den weg en den boulevard, +ter plaatse waar zij elkander kruisen, hoorde men een gerucht, dat +in dit uur moeielijk te verklaren was. Een verwarde, vormlooze massa +verscheen van den boulevard op den straatweg. + +Het werd grooter, 't scheen zich ordelijk te bewegen, doch hortend +en waggelend. 't Scheen een voertuig te zijn, doch men kon niet +onderscheiden, wat er op geladen was. Er waren paarden, wielen, +kreten, klappende zweepen. Allengs werden de omtrekken duidelijker, +hoewel nog in schemering gehuld. 't Was inderdaad een voertuig, dat +van den boulevard op den weg was gekomen en de barrière naderde, waar +Jean Valjean zat; een tweede, van 't zelfde voorkomen, volgde, toen een +derde, toen een vierde, zeven voertuigen kwamen achtereenvolgens om den +hoek te voorschijn; de koppen der paarden raakten het achterdeel der +vooruitrijdende wagens. Gestalten bewogen zich op de karren, men zag +in de schemering iets flikkeren als waren er bloote sabels, men hoorde +een gerammel als van ketens; het naderde, de stemmen werden luider; +'t was iets ontzettends, alsof het uit de spelonk der droomen kwam. + +Allengs werden de vormen duidelijker tusschen het geboomte, hoewel +ze nog bleek als schimmen bleven; de langzaam rijzende morgen wierp +een vaal schijnsel op dit tevens doodelijk en levend gekrioel, de +hoofden der gestalten werden doodshoofden. + +'t Waren zeven rijtuigen, die achter elkander over den weg reden. De +zes eerste waren van een zonderlingen bouw. 't Waren een soort van +ladders op twee wielen, welke ladders vooraan de boomen vormden. Iedere +wagen of liever ieder dezer ladders was met vier paarden achter +elkander bespannen. Op deze ladders werden zonderlinge menschentrossen +voortgesleept. In het halfduister zag men deze menschen niet, men +vermoedde ze. Daar waren er vier-en-twintig op ieder voertuig, twaalf +aan iedere zijde, met den rug tegen elkander, met het gezicht naar +den voorbijganger, met afhangende beenen; aldus togen die menschen +voort. Achter hun rug was iets dat klonk, een keten, en aan hun +hals iets dat glinsterde, een halsboei. Ieder had een afzonderlijken +halsboei, maar de keten was voor allen, zoodat deze vier-en-twintig +menschen, wanneer zij van het voertuig kwamen en voortgingen, door +een onverbiddelijke eenheid werden samengebonden, en over den grond, +met de keten als ruggegraat, ongeveer als een duizendpoot moesten +voortkruipen. Op ieder rijtuig stond vóór en ook achter een man, +van welke beiden ieder een der einden van den keten onder zijn +voeten had. De halsboeien waren vierkant. Het zevende voertuig was +een groote vrachtwagen zonder huif, met vier wielen en zes paarden, +waarop een hoop ijzeren ketels en pannen, fornuizen en ketens, +waartusschen eenige geknevelde menschen lagen uitgestrekt, die ziek +schenen. Deze geheel open wagen was voorzien van vervallen horden, +die tot de voormalige strafpleging schenen gediend te hebben. + +Deze voertuigen hielden het midden van den weg. Aan beide zijden +gingen, in een dubbele rij, wachten met eerlooze gezichten, en met +driekante hoeden op 't hoofd als de soldaten van het Directoire; +zij droegen gescheurde, smerige uniformrokken van invaliden en half +grijze en blauwe havelooze pantalons, wijders roode epauletten, +gele bandeliers, korte sabels, geweren en stokken; zij geleken +trosboeven. Deze sbirren schenen uit het uitvaagsel der bedelaars +te bestaan, met het gezag van den beul. Hij, die hun chef scheen, +hield een postzweep in de hand. + +Al deze, in de morgenschemering onduidelijke, bijzonderheden werden +meer en meer zichtbaar, naarmate de dag helderder werd. Vóór en achter +den wagentrein reden gendarmes te paard statig met de sabel in de hand. + +Deze trein was zoo lang, dat toen het eerste voertuig reeds bij de +barrière was, het laatste nauwelijks den boulevard verlaten had. + +Een menigte menschen, met die onbegrijpelijke snelheid te zamen +gekomen, als dit te Parijs immer geschiedt, verdrongen elkaar aan +beide zijden van den weg, om te zien. + +De mannen op de voertuigen lieten zich zwijgend hotsen. Zij waren +blond van de morgenkoude. Allen droegen linnen broeken en klompen aan +de bloote voeten. Het overige hunner kleeding was naar de luim der +armoede. Hun plunje was van de afschuwelijkste tegenstrijdigheid; +niets is treuriger dan een harlekijn in lompen. Gedeukte hoeden, +geteerde petten, vuile wollen mutsen, en naast de boezeroen den zwarten +rok met gaten in de ellebogen, verscheidenen droegen vrouwenhoeden; +anderen een mand op het hoofd; men zag harige borsten, en door de +scheuren der plunje onderscheidde men tatoueeringen; liefdetempels, +vlammende harten, cupido's. Ook kwaadzeer en boosaardige puisten. Twee +of drie hunner lieten, als op een stijgbeugel, hun voeten rusten op +een van stroo gedraaid touw, dat onder hen aan de dwarshouten van het +voertuig was gehecht. Een hunner had iets in de hand en bracht het aan +den mond, dat een zwarte steen geleek, waarop hij beet; 't was brood, +dat hij at. Aller oogen waren droog; dof of flikkerend van een heilloos +licht. De geleiders vloekten, de geboeiden spraken geen woord; nu en +dan hoorde men een stokslag op de ruggen of hoofden vallen; sommigen +dier lieden geeuwden; de lompen, die zij droegen, waren afzichtelijk; +de beenen hingen, de schouders schommelden, de hoofden stieten tegen +elkander, de ijzers rammelden, de oogen vlamden wild; de vuisten +balden zich of openden zich krachteloos als de handen van dooden; +achter den trein schreeuwde en lachte een troep kinderen. + +Deze rij voertuigen, wat ze ook ware, had een treurig aanzien. Morgen, +binnen een uur, kon het stortregenen, en weder en weder stortregenen, +zoodat de havelooze plunje doornat moest worden; en eenmaal nat zijnde, +konden deze lieden zich niet drogen, en ijskoud zich niet verwarmen; +hun door en door natte linnen broeken zouden aan hun huid kleven, +het water hun klompen vullen, de zweepslagen zouden het klappertanden +niet kunnen beletten, de keten zou steeds aan den hals geklemd zijn, +hun voeten zouden steeds hangen. 't Was onmogelijk, niet te sidderen +bij den aanblik dezer aldus geboeide menschen, die bewegingloos aan +de koude herfstvlagen, aan den regen, aan den noordenwind, aan al de +stormen der lucht, even als boomen en steenen, waren blootgesteld. + +De stokslagen spaarden zelfs de zieken niet, die met koorden gekneveld, +bewegingloos op het zevende voertuig lagen, en welke men daar als +met ellende gevulde zakken, scheen neergeworpen te hebben. + +Eensklaps kwam de zon te voorschijn; de krachtige morgenstraal schoot +uit en 't was, alsof hij al deze woeste hoofden deed gloeien; er brak +een brand van vreeselijk gelach, gevloek en gezang uit. Het breede +horizontale licht doorsneed de rij in tweeën, verlichtte de hoofden en +rompen, en liet de voeten en de wielen in de duisternis. De gedachten +verschenen op de gezichten; 't was een vreeselijk oogenblik: duivels +werden zichtbaar, wier maskers afgevallen waren, woeste zielen geheel +bloot. Hoewel verlicht was deze hoop duister. Sommigen, die op hun +wijze vroolijk waren, hadden in den mond penneschachten, waaruit zij +op de menigte, bij voorkeur op de vrouwen, ongedierte bliezen; het +morgenrood deed deze erbarmelijke gestalten in de donkere schaduwen +scherp uitkomen; geen dier wezens, dat niet door de ellende misvormd +was; 't was zoo afschuwelijk, dat het den glans der zon in bliksemvuur +scheen te veranderen. De mannen op het voertuig, dat den trein opende, +hadden een lied aangeheven en zongen met oorverdoovend geweld en woeste +vroolijkheid een destijds beroemd liedje van Desaugiers la Vestale; de +boomen trilden treurig; op de dwarswegen luisterden de burgers met dom +vermaak naar deze zedenlooze woorden, die door spoken gezongen werden. + +Allerlei ellende was in dezen trein als in een chaos gemengd; men +zag er den gezichtshoek van alle dieren, grijsaards en jongelingen, +kale hoofden, grijze baarden, de afschuwelijkste onbeschaamdheid, +tartende onderwerping, wilde opwellingen, bespottelijke houdingen, +hoofden als van meisjes met krullen langs de slapen, kinderlijke +gezichten en daarom te afschuwelijker, gezichten als doodshoofden +waaraan niets dan de dood ontbrak. Op het eerste rijtuig zag men een +neger, die misschien slaaf was geweest en de verschillende ketens +vergelijken kon. De vreeselijke gelijkheid der schande was over +deze hoofden gegaan; in die diepte van uiterste verlaging waren +allen gezonken, en de onwetendheid in wezenloosheid veranderd, was +de gelijke van de schranderheid, tot wanhoop gebracht. Er was geen +keuze mogelijk tusschen deze lieden, die voor den blik verschenen als +het uitgeworpene van het slijk. 't Was blijkbaar, dat de bestuurder +van dezen onreinen troep, ze niet in klassen verdeeld had. Zij waren +geboeid en gekoppeld, waarschijnlijk naar alphabetische volgorde, en +alzoo verward dooreen op deze voertuigen geladen. Maar alle groepen van +afschuwelijkheden vormen een geheel; iedere optelling van ongelukkigen +geeft een totaal; uit iedere keten kwam een gemeenschappelijke ziel te +voorschijn en ieder voertuig had zijn bijzondere physionomie. Naast +het voertuig dat zong, was er een dat brulde; een derde bedelde; men +zag er een dat knarsetandde; een ander dreigde de voorbijgangers; +een ander lasterde God; het laatste zweeg als het graf. Dante zou +gemeend hebben, de zeven kringen der hel in beweging te zien. Het was +de akelige tocht der veroordeelden naar de strafplaats, niet op den +vreeselijken, vlammenden wagen der Apokalypsis, maar, vreeselijker, +op de kar naar het galgenveld. + +Een der wachters, die een haak aan zijn stok had, maakte nu en dan een +beweging, alsof hij in dien menschelijken vuilnishoop roerde. Onder +de toeschouwers was eene oude vrouw, die een vijfjarig knaapje met den +vinger deze lieden aanwees en zeide: "Deugniet, neem daar een les aan." + +Toen het gezang en gevloek erger werden, klapte degene die de +kapitein van het escorte scheen met zijn zweep, en bij dit sein +viel een vreeselijke hagelbui van doffe, in den blinde toegebrachte +stokslagen op de zeven voertuigen; velen brulden en schuimbekten, +'t geen 't gejuich der toegesnelde straatjongens verdubbelde; een +zwerm vliegen op deze wonden. + +Het oog van Jean Valjean was schrikbarend geworden. Het was geen oog +meer, het was die glazige diepte, welke bij sommige ongelukkigen den +blik vervangt, die onbewust schijnt van de wezenlijkheid en waarin de +weerkaatsing der ontzetting vlamt. Hij zag geen voorwerp, hij was onder +den druk van een visioen. Hij wilde opstaan, vluchten, ontsnappen; maar +hij kon geen voet verzetten. Soms wordt men aangegrepen en vastgehouden +door de dingen welke men ziet. Hij was als vastgenageld, versteend, +wezenloos, en vroeg zich in een verwarden, onuitsprekelijken angst +af, wat deze spookachtige verschijning beteekende en waaruit deze hel +kwam, die hem vervolgde. Eensklaps sloeg hij de hand aan zijn hoofd, +de gewone beweging van hen in wie plotseling het geheugen wederkeert; +hij herinnerde zich, dat deze weg de gewone weg was, langs welken de +galeiboeven werden vervoerd, en men dezen omweg gewoonlijk maakte +om de ontmoetingen met het hof te vermijden, die op den weg van +Fontainebleau elk oogenblik mogelijk waren, en dat hij vijfendertig +jaren geleden deze zelfde barrière was doorgegaan. + +Cosette was, hoewel op andere wijze, niet minder ontsteld. Zij begreep +niet, de adem ontbrak haar; wat zij zag scheen haar onmogelijk, +eindelijk riep zij: + +"Vader, wat is er toch op deze wagens?" + +Jean Valjean antwoordde: + +"Tuchtelingen." + +"Waar gaan zij heen?" + +"Naar het bagno." + +Op dit oogenblik voegden zich juist bij de stokslagen, door honderden +handen ijverig toegedeeld, slagen met het plat der sabels, 't geen een +woedende bui van sabel- en stokslagen veroorzaakte; de tuchtelingen +bogen zich, een afschuwelijke gehoorzaamheid volgde op de straf en +allen zwegen met blikken als van geketende wolven. Cosette beefde +over al haar leden; zij hernam: "Vader, zijn deze wezens werkelijk +nog menschen?" + +"Somtijds," zei de ongelukkige. + +'t Was inderdaad de galeiboeven-keten, die vóór 't aanbreken van den +dag Bicêtre had verlaten en den weg van Mans insloeg, om Fontainebleau +te vermijden, waar zich toen 't hof bevond. Deze omweg verlengde de +schrikkelijke reis met drie of vier dagen, maar om de koninklijke +personen het gezicht van zulke folteringen te besparen, mocht men +haar wel verlengen. + +Jean Valjean kwam zeer neerslachtig te huis. Zulke ontmoetingen zijn +schokken; en de herinnering, welke zij achterlaten, heeft gelijkenis +met een aardbeving. + +Toen Jean Valjean met Cosette naar de Babelstraat wederkeerde, +merkte hij overigens niet op, dat zij hem meerdere vragen deed +aangaande hetgeen zij gezien hadden; misschien was hij te diep in +zijn verslagenheid verzonken om haar woorden te hooren en haar te +antwoorden. Maar des avonds, toen Cosette hem verliet om naar bed +te gaan, hoorde hij haar halfluid en als bij zich zelve zeggen: +"Mijn Hemel! mij dunkt, dat, zoo ik een dier menschen ontmoette, +ik zou sterven, enkel door hem van nabij te zien!" + +Gelukkig waren er toevallig, den dag na dit treurig voorval, bij +gelegenheid van ik weet niet welke officiëele plechtigheid, feesten +te Parijs, een revue op het Marsveld, wedstrijd op de Seine, spelen +in de Champs Elysées, vuurwerk aan den boog der Etoile, algemeene +illuminatie. Jean Valjean deed zich geweld aan, en geleidde haar +naar deze vermakelijkheden, om haar de herinnering aan den vorigen +dag te doen vergeten, en onder het vroolijk gewoel van geheel Parijs +het afschuwelijke uit te wisschen, dat haar was voorbijgegaan. De +revue, welke het feest kruidde, deed natuurlijk al de uniformen voor +den dag komen; Jean Valjean trok ook zijn uniform van nationale +garde aan, schier met het heimelijk gevoel van iemand, die zich +verbergt. Overigens scheen het doel dier wandeling bereikt: Cosette, +die het zich ten wet stelde steeds den zin haars vaders te doen en +voor wie overigens alle vertooningen nieuw waren, nam deze uitspanning +aan, met de ongedwongen en luchthartige vriendelijkheid der jeugd, +en betoonde zich in haar oordeel niet al te streng omtrent de vreugde +van hetgeen men een openbaar feest noemt; zoodat Jean Valjean mocht +gelooven, dat hij in zijn oogmerk geslaagd was en geen spoor meer +van de afschuwelijke verschijning bij haar achterbleef. + +Eenige dagen later, op een ochtend, dat de zon heerlijk scheen, en +beiden op de stoep van den tuin stonden--wederom een inbreuk op de +regels, welke Jean Valjean zich scheen opgelegd te hebben, en tegen de +gewoonte van Cosette, die de droefgeestigheid haar had doen aannemen, +die nl. van in haar kamer te blijven--Cosette, in ochtendgewaad, +in dat negligé van het vroege morgenuur, 't welk de jonge meisjes +zoo liefelijk omhult en een wolkje om een ster schijnt, nog blozend +van den gerusten slaap, vriendelijk aanschouwd door den verteederden +grijsaard, ontbladerde een madeliefje. Cosette kende het lieve spreukje +niet: "ik bemin u, een weinig, hartstochtelijk" enz.; wie zou 't haar +geleerd hebben? Zij speelde met het bloempje werktuiglijk, onschuldig, +zonder te beseffen, dat zij door een madeliefje te ontbladeren een +hart verscheurde. Zoo er een vierde gratie ware, de droefgeestigheid +genoemd, en deze glimlachte, zou zij 't beeld dezer gratie vertoond +hebben. Jean Valjean was verrukt, toen hij haar kleine vingers met +het bloempje zag spelen en vergat alles in den glans dien het meisje +omgaf. Een roodborstje tjilpte in het naaste bosschage. Witte wolkjes +dreven zoo vroolijk in de lucht, dat het scheen als waren zij zoo +even in vrijheid gesteld. Cosette ontbladerde steeds ijverig haar +bloempje; zij scheen aan iets te denken! 't moest iets aangenaams +zijn; eensklaps draaide zij langzaam het hoofd op de schouders om, +met de sierlijke bedaardheid van de zwaan en zeide tot Jean Valjean: +"Vader, wat is toch het bagno?" + + + + + + + +BOEK IV. + +HULP VAN BENEDEN KAN SOMS HULP VAN BOVEN ZIJN. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +UITWENDIGE VERWONDING, INWENDIGE GENEZING. + + +Trapswijze verduisterde zich alzoo hun leven. + +Hun bleef echter nog een afleiding over, die vroeger een geluk was +geweest, namelijk brood te brengen aan hen die hongerden, en kleederen +aan hen die koû leden. Bij dit bezoek der armen, waarbij Cosette +dikwerf Jean Valjean vergezelde, hervonden zij eenige overblijfselen +hunner vorige verrukking; vaak, wanneer het een goede dag was geweest, +wanneer veel nood gelenigd was, en vele kleine kinderen verkwikt en +verwarmd waren, was Cosette des avonds eenigszins vroolijk. 't Was +in dezen tijd, dat zij Jondrette in zijn armoedig verblijf bezochten. + +Den dag na dat bezoek verscheen Jean Valjean des morgens in +het paviljoen even bedaard als gewoonlijk, maar met een groote, +zeer ontstoken, boosaardige wonde aan den linkerarm, welke een +brandwonde scheen, en die hij zoo goed mogelijk verklaarde. Deze +wonde veroorzaakte, dat hij langer dan een maand de koorts had en +niet uitging. Hij wilde geen heelmeester. Toen Cosette hierop bij +hem aandrong, zeide hij: Roep den hondendokter. + +Cosette verbond hem 's morgens en 's avonds met zulk een hemelschen +glimlach en met zulk een engelachtige vreugde, hem nuttig te kunnen +zijn, dat Jean Valjean zijn vroeger geluk voelde terugkeeren en +zijn vrees en angst verdwijnen, en Cosette aanschouwende, zeide hij: +"O welk een gelukkige wond! Welk een goed kwaad!" + +Cosette had, bij de ongesteldheid van haar vader, het paviljoen +verlaten en weder liefde voor de kleine woning en de achterplaats +opgevat. Schier den ganschen dag bracht zij bij Jean Valjean +door, en las hem uit de boeken, welke hij verkoos. Meestal waren 't +reisbeschrijvingen. Jean Valjean was als herboren; zijn geluk herleefde +als met nieuwen glans; het Luxembourg, de onbekende jonge sluiper, +Cosette's verkoeling, al deze wolken zijner ziel verdwenen. Hij +zeide zelfs bij zich zelven: "Ik heb mij dit alles slechts verbeeld; +ik ben een oude dwaas." + +Zijn geluk was zoo groot, dat de schrikkelijke, onverwachte ontmoeting +der Thénardiers, in het verblijf van Jondrette, om zoo te zeggen, bij +hem was neergegleden. 't Was hem gelukt te ontsnappen; zijn spoor was +verloren, wat kon hem het overige schelen! hij dacht er slechts aan, +deze ellendigen te beklagen. Nu waren zij in de gevangenis en buiten +staat voortaan te schaden, dacht hij; maar welk een beklagenswaardige +familie in nood en ellende! + +Van de afschuwelijke verschijning aan de barrière du Maine had Cosette +niet meer gesproken. + +In 't klooster had zuster St. Mechtilde Cosette muziek geleerd. Cosette +had de stem van een nachtegaal, die eene ziel bezat, en soms zong +zij des avonds in het eenvoudig kamertje van den gekwetste treurige +liederen, die Jean Valjean opvroolijkten. + +De lente kwam, de tuin was in dat jaargetijde zoo heerlijk, dat Jean +Valjean tot Cosette zeide: "Gij komt bijna niet meer in den tuin; +ga er wandelen." + +"Zooals ge wilt, vader," zei Cosette. + +En om haar vader te gehoorzamen, hervatte zij de wandelingen in haar +tuin, meestal alleen, want, zooals gezegd is, kwam Jean Valjean, +waarschijnlijk uit vrees van door het hek gezien te worden, er +schier nooit. + +De wonde van Jean Valjean was een afleiding geweest. + +Toen Cosette zag, dat haar vader minder pijn had, dat hij genas en +gelukkig scheen, gevoelde zij zich zoo tevreden, dat zij 't zelfs +niet eens opmerkte, zoo zacht en natuurlijk was dit gekomen. 't Was +bovendien Maart, de dagen werden langer, de winter ging voorbij; de +winter neemt altijd iets van onze treurigheden mede; toen kwam April, +die morgenstond van den zomer, frisch als iedere dageraad, vroolijk als +de kindsheid; soms een weinig schreiend gelijk een pasgeboren kind, +dat zij ook is. De natuur heeft in die maand een bekoorlijk licht, +dat uit den hemel, uit de wolken, uit de boomen, uit de weiden, +uit de bloemen in het hart van den mensch overgaat. + +Cosette was nog te jong om door die vreugd van April, welke haar +geleek, niet doordrongen te worden. Ongemerkt en zonder dat zij er +aan dacht verdween de duisternis uit haar gemoed. In de lente is 't +licht in de treurige harten, evenals 't op den middag licht is in de +kelders. Cosette was zelfs niet zeer treurig meer. 't Was inderdaad +zoo, maar zij sloeg er geen acht op. Des morgens tegen tien uren, na +het ontbijt, wanneer 't haar gelukt was haar vader voor een kwartier +mede naar den tuin te troonen, en zij met hem op de stoep in de zon +wandelde, terwijl ze zijn gekwetsten arm in den haren hield, lette +zij er niet op, dat zij telkens lachte en gelukkig was. + +Jean Valjean was verrukt, haar weder blozend en opgeruimd te zien +worden. + +"O, welk een gelukkige wonde!" herhaalde hij zacht. + +En hij was den Thénardiers dankbaar. + +Toen zijn wonde genezen was, begon hij weder zijn eenzame wandelingen +in den schemeravond. + +Men zou zich vergissen, zoo men meende, dat men op deze wijze lang +alleen in de onbewoonde streken van Parijs kan wandelen, zonder eenig +avontuur te ontmoeten. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +'T IS VOOR MOEDER PLUTARCHUS NIET MOEIELIJK EEN VERSCHIJNSEL TE +VERKLAREN. + + +Op zekeren avond had de kleine Gavroche niet gegeten; hij herinnerde +zich, dat hij ook den vorigen middag niet had gegeten; dat werd +onaangenaam. Hij besloot een poging te doen om zich een avondmaal te +bezorgen. Hij ging dus voorbij la Salpetrière, naar eenzame plaatsen, +waar het best iets te vinden is; waar niemand is, vindt men iets. Hij +kwam aan eenige huizen, die hem het dorp Austerlitz schenen te zijn. + +Op een zijner vroegere tochten had hij hier een ouden tuin opgemerkt, +bewoond door een oud man en een oude vrouw, en in dien tuin een +tamelijk goeden appelboom. Naast dien appelboom stond een fruithok, +dat slecht gesloten was en waar gemakkelijk een appel was te kapen. Een +appel is een avondmaal, een appel is het leven. Wat Adam deed verloren +gaan, kon Gavroche redden. Langs den tuin liep een eenzame ongeplaveide +straat, tusschen struikgewas, in afwachting dat er huizen zouden komen; +een heg scheidde haar van den tuin. + +Gavroche ging naar dien tuin; hij vond de straat terug, herkende +den appelboom, en het fruithok daarnaast; onderzocht de heg, die +hij gemakkelijk kon overspringen. De avond daalde, geen kat was in +de straat, 't oogenblik was gunstig. Gavroche wilde juist over de heg +gaan, maar bleef plotseling staan. In den tuin werd gesproken. Gavroche +tuurde door de heg. + +Twee schreden van hem, aan gene zijde van de heg, juist ter plaatse +waar hij bij zijn overklimming zou terecht zijn gekomen, lag een +steen, die voor bank diende en waarop de oude huurder van den tuin +zat. Een oude vrouw stond voor hem. Deze bromde. Gavroche luisterde +nieuwsgierig. + +"Mijnheer Mabeuf!" zei de oude vrouw. + +"Mabeuf!" dacht Gavroche, "een grappige naam!" + +De aangesproken oude man verroerde zich niet. De oude vrouw herhaalde: + +"Mijnheer Mabeuf!" + +De grijsaard antwoordde eindelijk, zonder de oogen op te slaan: + +"Wat is er, moeder Plutarchus?" + +"Moeder Plutarchus!" dacht Gavroche, "weder een grappige naam." + +Moeder Plutarchus hernam, en de oude man was gedwongen in een gesprek +te treden: + +"De huisheer is ontevreden." + +"Waarom?" + +"Ge zijt hem drie kwartalen huur schuldig." + +"Na drie maanden zal ik hem vier kwartalen schuldig zijn." + +"Hij zegt dat hij u uit het huis zal laten zetten." + +"Ik zal gaan." + +"De groentevrouw wil betaald worden. Zij wil geen brandhout meer +geven. Wat zullen wij van den winter stoken? Wij zullen geen hout +hebben." + +"Wij hebben de zon." + +"De slachter wil niet meer borgen; hij wil geen vleesch meer leveren." + +"Dat komt heel goed. Mijn spijsvertering is slecht en het vleesch +voor mij te zwaar." + +"Wat zullen wij dan eten?" + +"Brood." + +"De bakker wil iets op rekening betaald hebben, en zegt: geen geld, +geen brood." + +"Goed." + +"Wat zullen wij dus eten?" + +"De appels van den appelboom." + +"Maar, mijnheer, men kan toch zonder geld niet leven." + +"Ik heb het niet." + +De oude vrouw verwijderde zich, de grijsaard bleef alleen. Hij gaf +zich aan zijn gedachten over. Ook Gavroche dacht. 't Was bijna donker. + +Het eerste resultaat van Gavroches overdenking was, dat hij, in plaats +van over de heg te klimmen, er zich tegen legde. Onder aan de heg +vormden de takken een kleine holte. + +Zie! dacht Gavroche, een volmaakte bedstede; en hij kroop er in. Hij +lag met den rug schier tegen de bank van mijnheer Mabeuf, en hoorde +den tachtigjarige ademen. + +In plaats van te eten, poogde hij nu te slapen. + +'t Was een hazenslaap, met één oog open. Sluimerende bleef Gavroche +opmerken. + +De heldere schemering van den hemel viel op de aarde, en de straat +vormde een vale streep tusschen twee donkere heggen. Eensklaps +verschenen in die schemerachtige streep twee donkere gestalten. De +eene ging vooruit, de andere volgde op eenigen afstand. + +"Daar komen er twee," bromde Gavroche. + +De eerste gestalte scheen een oud, gebogen, peinzend burgerman, meer +dan eenvoudig gekleed, die uithoofde van zijn ouderdom langzaam ging, +en een avondwandeling scheen te doen. + +De tweede gestalte was recht, stevig en slank. Zij regelde haar stap +naar dien van de eerste; maar in de vrijwillige langzaamheid van +haar gang erkende men lenigheid en vlugheid. Deze gestalte had, bij +iets schuws en verontrustends, de volkomene houding van 't geen men +destijds een elegant noemde; de hoed had een goeden vorm, de zwarte +jas was van nieuw-modischen snit, waarschijnlijk van goed laken, en +sloot net om het lijf. Het hoofd was met een zekere fiere bevalligheid +opgericht, en onder den hoed merkte men in het schemerlicht een bleek +jongelingsgelaat. Hij had een roos in den mond. Gavroche kende deze +tweede gestalte zeer goed; 't was Montparnasse. + +Van de andere had hij niets kunnen zeggen, dan dat 't een eenvoudig +oud man was. + +Gavroche legde zich dadelijk op de loer. De eene dezer twee wandelaars +had duidelijk bedoelingen jegens den anderen. Gavroche was goed +geplaatst om te zien wat er gebeuren zou. Zijn "bedstede" was zeer +van pas een schuilhoek geworden. + +Dat Montparnasse op zulk een uur, in zulk een streek, ter jacht ging, +was iets gevaarlijks. Gavroche voelde zijn straatjongenshart bewogen +van medelijden met den ouden man. Wat te doen? Zou hij tusschenbeide +treden? Zou de eene zwakke den anderen zwakke helpen! Montparnasse +zou er om lachen. Gavroche verheelde het zich niet, dat beiden, de +oude man en de knaap, voor den vreeselijken achttienjarigen bandiet +kinderspel waren. + +Terwijl Gavroche overlegde, had plotseling de aanval op een +afschuwelijke wijze plaats; een aanval van den tijger op het schaap, +een aanval der spin op de vlieg. Eensklaps wierp Montparnasse +de roos weg, sprong op den grijsaard toe, vatte hem in zijn das +en drukte hem met alle kracht. Gavroche had moeite een kreet te +bedwingen. Een oogenblik later lag een der mannen onder den anderen, +hijgend, reutelend, spartelend, terwijl een marmeren knie zijn borst +drukte. Maar 't was niet juist zooals Gavroche verwacht had; want op +den grond lag Montparnasse en op hem de oude man. Dat alles gebeurde +op slechts korten afstand van Gavroche. + +De oude man had den stoot ontvangen en dien teruggegeven, en wel zoo +geducht, dat in een oogenblik de aanvaller en de aangevallene van +rol veranderd waren. + +Dit is een dappere invalide, dacht Gavroche. + +En hij kon niet laten in de handen te klappen. Maar deze toejuiching +was nutteloos; zij bereikte het oor van geen der beide strijders, +die met elkander worstelend en wederzijds verdoofd, beiden hijgden +en zwoegden. + +Er ontstond een pauze. Montparnasse hield op zich te verweren, en +Gavroche vroeg bij zich zelven: "Is hij dood?" + +De oude man had geen woord gezegd, geen kreet geslaakt. Hij richtte +zich op, en Gavroche hoorde hem tot Montparnasse zeggen: + +"Sta op!" + +Montparnasse stond op, maar de oude man hield hem vast. Montparnasse +had de vernederende, maar woedende houding van een wolf, die door een +schaap was gebeten. Gavroche tuurde en luisterde, en deed moeite om +zijn gezicht door zijn gehoor te versterken. Hij had een ongelooflijken +schik. + +Hij werd beloond voor zijn beangste nieuwsgierigheid. Hij kon de +volgende samenspraak opvangen, welke in de duisternis iets sombers +had. De oude man vroeg, Montparnasse antwoordde: + +"Hoe oud zijt ge?" + +"Negentien jaar." + +"Gij zijt sterk en gezond. Waarom werkt ge niet?" + +"Dit verveelt mij." + +"Wat is uw beroep?" + +"Nietsdoener." + +"Spreek ernstig. Kan er iets voor u gedaan worden? Wat wilt ge zijn?" + +"Dief!" + +Er ontstond een pauze. De grijsaard scheen diep in gedachten. Hij +stond bewegingloos en hield Montparnasse steeds vast. Ieder oogenblik +deed de sterke, vlugge, jonge bandiet zijsprongen, als een in den +strik gevangen dier. Hij stiet, trok, beproefde den ouden man een +been te lichten en poogde te ontsnappen. De grijsaard scheen er geen +acht op te slaan en hield hem met ééne hand vast, met de onbezorgde +overtuiging van een overwegende kracht. + +De oude man bleef eenigen tijd in gedachten, en aanschouwde +Montparnasse met strakken blik; toen verhief hij zacht de stem in de +duisternis, waarin zij zich bevonden, en sprak de volgende plechtige +woorden, van welke Gavroche geen woord ontging: + +"Mijn zoon, gij treedt uit luiheid in het moeielijkste leven dat +bestaat. Ha! gij zegt een nietsdoener te zijn! bereid u liever tot +den arbeid. Hebt ge ooit dit vreeselijk werktuig gezien, dat men een +pletmolen noemt? Men moet er zich wel voor in acht nemen, 't is een +geniepig, wreed ding; zoo het slechts een punt van uw rok vat, gaat +ge er geheel in. Deze machine is de ledigheid. Keer terug, terwijl +het nog tijd is, en red u! 't Is anders te laat! spoedig zult ge door +het raderwerk gevat zijn. Zoo ge eenmaal gegrepen zijt, is er geen +hoop meer. Aan 't werk dus, luiaard, geen rust! De wreede hand van den +onverbiddelijksten arbeid tast naar u. Den kost te verdienen, een taak, +een plicht te vervullen, dit wilt ge niet; te zijn als de anderen, +verveelt u. Nu, ge zult anders zijn. De arbeid is wet; die hem afwijst +uit verveling, zal hem tot straf krijgen. Gij wilt geen arbeider zijn, +gij zult slaaf wezen. De arbeid laat u slechts aan de eene zijde los, +om u aan de andere te grijpen; gij wilt zijn vriend niet zijn, gij zult +zijn neger wezen. Ha! gij hebt de vermoeidheid van den eerlijken man +niet gewild; gij zult het zweet der verdoemden vinden. Waar anderen +zingen, zult gij reutelen. Gij zult in de verte, uit de laagte, de +andere menschen zien arbeiden; gij zult meenen, dat zij rusten. De +landbouwer, de maaier, de zeeman, de smid zullen voor u in 't licht +verschijnen van gelukkigen in 't paradijs. Welke helderheid omgeeft +het aanbeeld! Den ploeg besturen, de garven binden, is vreugde. Welk +een feest! de boot in den wind te doen schommelen! Gij, nietsdoener, +delf, sleep, stuw, wroet! Draag uw halster, gij zijt een lastdier +in het span der hel. Ha! het was uw plan niets te doen. Welnu, geen +week, geen dag, geen uur zal er voor u zijn, zonder dat uw hart +bezwaard is. Ge zult u slechts met angst kunnen bewegen. Iedere +minuut die voorbijgaat zal uw spieren doen kraken. Voor u zal 't +een rots zijn, wat voor anderen een veder is. Het eenvoudigste zal +moeielijk worden. Het leven zal u gedrochtelijk zijn. Gaan, komen, +ademen, dit alles zal u zwaar vallen. Uw longen zullen u als van lood +voorkomen. Of ge aan dezen of genen kant zult gaan, zal een gewichtig +vraagstuk voor u zijn. Ieder ander, die wil uitgaan, opent zijn deur en +hij is buiten. Zoo gij wilt uitgaan, moet gij uw muur doorbreken. Wat +doet ieder, die op de straat wil gaan? Hij gaat de trap af; gij zult +uw beddelakens scheuren, draad voor draad zult ge er een touw van +vlechten; dan zult ge u uit het venster aan dien draad boven een +afgrond hangen, en 't zal des nachts zijn, in storm, in regen, in +onweder; en zoo het touw te kort is, zal er slechts één middel zijn +om beneden te komen, u van een hoogte te laten vallen, in een diepte, +op iets dat onder is, onverschillig wat, op het onbekende. Of gij zult +door een schoorsteen moeten klimmen, op gevaar af van u te branden; +of gij zult door een riool kruipen, op gevaar af van te stikken. Ik +spreek niet van de gaten, welke moeten worden verborgen, van de +steenen welke losgebroken en twintigmaal daags weer op hun plaats +gesteld moeten worden, van den kalk die in den stroozak moet worden +verborgen. Daar is een slot; iedereen neemt daarvoor den sleutel, +door een smid gemaakt, dien hij bij zich draagt. Gij, zoo gij het wilt +openen, moet eerst een kunststuk vervaardigen; gij neemt een koperen +sousstuk, dat ge aan twee plaatjes snijdt; met welk werktuig? gij moet +het uitvinden. Dat is uw zaak. Dan holt ge deze twee plaatjes uit, +zorgende het uitwendige niet te beschadigen, en maakt om den rand een +schroefdraad, zoodat beide juist op elkander passen als een doosje +en deksel. Zoo nu het bovenste op het onderste is geschroefd, is er +niets van te ontdekken. Voor de bewakers, want ge zult bewaakt worden, +zal 't een stuiverstuk zijn; voor u zal 't een doosje wezen. Wat zult +ge in dit doosje leggen? Een stukje staal. De veer van een horloge, +welke gij getand hebt en die nu een zaagje zal zijn. Met dit kleine +zaagje, dat in een sousstuk is verborgen, zult gij den schoot van +het slot, den grendel, het hengsel van het hangslot, de tralies +van uw venster, den boei aan uw been moeten doorsnijden. Na dit +meesterstuk, dit wonder te hebben volbracht, na al deze mirakelen +van kunst, vaardigheid, behendigheid, geduld uitgevoerd te hebben, +wat zal uw loon zijn, zoo men komt te weten dat gij de bewerker er van +zijt? het cachot. Ziedaar uw toekomst! Welke afgronden zijn niet de +luiheid en de rust! Niets doen, weet ge wel, dat het een treurige keus +is? Werkeloos in de maatschappij leven, nutteloos zijn, is schadelijk +zijn! Dit voert regelrecht tot de diepste ellende. Wee hem, die een +parasiet wil zijn! hij wordt ongedierte. Ha! gij hebt geen lust om te +werken? Gij hebt slechts ééne gedachte: Goed te drinken, goed te eten, +goed te slapen! Gij zult water drinken, gij zult zwart brood eten, +gij zult op een plank slapen, met een ijzer aan uw leden geklonken, +waarvan gij 's nachts de kilheid op uw vleesch zult voelen! Gij zult +dat ijzer verbreken, ge zult vluchten. Goed. Op uw buik zult ge door +doornheggen kruipen, en als de dieren des wouds gras eten. Maar ge +zult weder gevat worden. Dan zult ge jaren in een onderaardschen +kelder doorbrengen, aan den muur geketend, tasten naar de kruik +om te drinken, in de duisternis op het afschuwelijk brood bijten, +dat geen hond zou willen, en boonen eten, welke voor u reeds door +de wormen zijn doorgeknaagd. Ge zult zijn als een duizendpoot in een +kelder. Heb medelijden met u zelven, rampzalig kind, nog zoo jong, dat +geen twintig jaren geleden nog een zuigeling waart, en waarschijnlijk +nog een moeder hebt. Ik zweer u, hoor mij aan. Gij wilt fijn, zwart +laken, verlakte laarzen dragen, gekapt en geparfumeerd zijn, de vrouwen +behagen, bekoorlijk zijn? Men zal u het hoofd kaal scheren; gij zult +een rood buis en klompen dragen. Gij begeert een ring aan den vinger, +gij zult een ring aan den hals hebben. En zoo ge een vrouw aanziet, +krijgt ge stokslagen. Gij zult op twintigjarigen leeftijd deze wereld +intreden en haar op vijftigjarigen verlaten. Ge zult er jong, blozend, +frisch, met schitterende oogen en al uw witte tanden binnen gaan, +en haar gebroken, gekromd, gerimpeld, tandeloos, afzichtelijk, met +wit haar verlaten. Ach, mijn arme jongen, ge volgt een verkeerden +weg, de lediggang geeft u slechten raad. De zwaarste arbeid is de +diefstal. Geloof mij, wijd u niet aan het moeielijk werk, een luiaard +te zijn. 't Is niet gemakkelijk, een schurk te worden. Veel lichter +is het, een eerlijk man te zijn. Ga nu en denk aan 't geen ik u gezegd +heb. Maar.... wat wildet gij van mij? Mijn beurs? Ziedaar!" + +En terwijl de oude man Montparnasse losliet, stelde hij hem zijn beurs +ter hand, welke Montparnasse even woog, waarna hij ze, met dezelfde +werktuiglijke behoedzaamheid, als had hij ze gestolen, zacht in den +achterzak van zijn jas liet glijden. + +Na dit gezegd en gedaan te hebben, keerde de oude man om en hervatte +bedaard zijn wandeling. + +"Malle vent!" mompelde Montparnasse. + +Wie was deze oude man? De lezer heeft het zekerlijk geraden. In +de grootste verbazing zag Montparnasse hem na, terwijl hij in de +avondschemering verdween. Dit nazien was hem noodlottig. + +Terwijl de grijsaard zich verwijderde, naderde Gavroche. + +Gavroche had zich door een schuinschen blik vergewist, dat de oude +Mabeuf, die misschien in slaap was gevallen, nog altijd op de bank +zat. Daarop was de straatjongen uit de heg gekomen en was in de +duisternis achter Montparnasse geslopen, die bewegingloos stond. Dus +naderde hij Montparnasse zonder gezien of gehoord te worden, stak +zacht zijn hand in den achterzak van de fijne zwartlakensche jas, +greep de beurs, trok de hand terug en kroop als een vluchtende adder +weder in de duisternis. Montparnasse, die geen reden had om op zijn +hoede te zijn en voor het eerst zijns levens nadacht, merkte hiervan +niets. Gavroche, ter plaatse teruggekeerd, waar de oude Mabeuf zat, +wierp de beurs over de heg en liep, zoo snel als hij loopen kon, weg. + +De beurs viel op den voet van vader Mabeuf. Deze schok wekte hem. Hij +bukte en raapte de beurs op. Hij begreep er niets van, en opende ze. 't +Was een beurs met twee vakken; in het eene vak was eenig klein geld, +in het andere zes gouden Napoleons. + +Verbaasd bracht Mabeuf dit aan zijn huishoudster. + +"'t Is uit den hemel gevallen," zei moeder Plutarchus. + + + + + + + +BOEK V. + +WELKS EINDE HET BEGIN NIET GELIJKT. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +DE EENZAAMHEID EN DE KAZERNE. + + +De smart van Cosette, vier of vijf maanden geleden zoo grievend en +levendig, begon, zelfs zonder dat zij het wist, te verzachten. De +natuur, de lente, de jeugd, de liefde voor haar vader, de vroolijkheid +der vogels en bloemen, dit alles deed allengs, dag aan dag, druppel +voor druppel, in de zoo maagdelijke, jeugdige ziel iets zijpelen, dat +veel van vergetelheid had. Werd er het vuur geheel in uitgedoofd? bleef +er enkel asch over? Genoeg is het, dat zij schier geen smart of gloed +meer gevoelde. + +Op zekeren dag dacht zij eensklaps aan Marius. Zie, zeide zij, ik +denk niet meer aan hem! In dezelfde week zag zij voorbij het tuinhek +een zeer fraaien officier der lansiers gaan, met een wespenlijf, +schitterende uniform, meisjeswangen, een sabel onder den arm, +glimmenden knevel, geverniste chapska. Hij had overigens blond haar, +blauwe, uitkomende oogen, een rond, ijdel, onbeschaamd en mooi gezicht; +in alles het tegendeel van Marius. Hij rookte een sigaar.--Cosette +meende, dat deze officier zekerlijk tot het regiment behoorde, dat +in de kazerne der Babelstraat lag. + +Den volgenden dag zag zij hem weder voorbijgaan. Zij merkte het uur op. + +Van dien tijd af--was het toeval?--zag zij hem schier iederen dag +voorbijgaan. + +De kameraden van den officier bespeurden, dat in dien slecht +onderhouden tuin, achter dat leelijke rococo-hek, een zeer mooi +meisje was, dat er zich schier altijd bevond, wanneer de fraaie +luitenant voorbijging, die den lezer niet onbekend is en Theodule +Gillenormand heette. + +"Zie," zeiden zij tot hem. "Dat meisje slaat een oog op u! Kijk toch." + +"Heb ik den tijd, op al de meisjes acht te geven, die het oog op mij +slaan?" antwoordde de lansier. + +'t Was in denzelfden tijd, dat Marius ernstig aan den dood dacht, en +zeide: Zoo ik haar slechts kon wederzien vóór te sterven! Zoo zijn +wensch verwezenlijkt ware geworden, zoo hij gezien had dat Cosette +haar blik op een lansier sloeg, zou hij geen woord hebben kunnen +spreken en van smart gestorven zijn. + +Wie droeg de schuld er van? Niemand. + +Marius behoorde tot die karakters, welke zich in het verdriet +verdiepen en er in blijven; Cosette behoorde tot degenen, die er zich +in dompelen, maar er uitkomen. + +Overigens was Cosette in dat gevaarlijk tijdperk der aan zich zelve +overgelaten vrouwelijke droomerijen, wanneer het hart van een jong +meisje op de ranken van den wijngaard gelijkt, welke zich, naar het +valt aan het kapiteel van een marmeren kolom of aan den deurpost van +een kroeg hechten. 't Is een snel, beslissend oogenblik, gevaarlijk +voor een weeze, zij moge arm of rijk zijn, want rijkdom belet geen +slechte keus; men sluit ongelukkige huwelijken in de hoogste kringen; +de ongelukkigste vereeniging is die van niet voor elkaar geschikte +zielen. Evenals meer dan één onbekend jonkman, zonder naam, zonder +geboorte, zonder fortuin, een marmeren kapiteel kan zijn, dat een +tempel van verhevene gevoelens en grootsche denkbeelden kan schragen, +evenzoo kan een man van de wereld, rijk en met zich zelven tevreden, +die glimmende laarzen en gladde woorden heeft, zoo men hem niet +uitwendig, maar inwendig beschouwt, dat wil zeggen hetgeen voor +de vrouw bestemd is, niets meer dan een gemeene paal kan zijn, een +voorwerp van de dierlijkste, geweldigste hartstochten, de deurpost +van een kroeg. + +Wat was in Cosettes ziel? Een tot rust gebrachte of ingeslapen +hartstocht, de liefde in vluchtigen toestand; iets dat helder, +glinsterend is, op zekere diepte troebel, lager somber. + +Dit beeld van den fraaien officier spiegelde zich af op +de oppervlakte. Was op den bodem--diep op den bodem--een +herinnering?--Misschien. Cosette wist het niet. + +Er had iets zonderlings plaats. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +VREES VAN COSETTE. + + +In de eerste helft van April ging Jean Valjean op reis. Men weet, dat +hij dit van tijd tot tijd, met zeer lange tusschenpoozen, deed. Hij +was dan ten hoogste twee of drie dagen afwezig. Waarheen hij ging wist +niemand, zelfs Cosette niet. Slechts eens had zij hem bij zijn vertrek +in een huurrijtuig tot aan den hoek van een blinde steeg begeleid, op +welken hoek zij gelezen had "Slop Planchette". Daar was hij uitgestegen +en de huurkoets had Cosette naar de Babelstraat teruggevoerd. 't Was +gewoonlijk, wanneer in de huishouding geld ontbrak dat Jean Valjean +deze korte reizen deed. + +Jean Valjean was dus afwezig. Hij had gezegd: "Binnen drie dagen zal +ik terug zijn." + +Des avonds was Cosette alleen in het salon. Om zich niet te vervelen +had zij zich aan haar piano gezet en met begeleiding hiervan het koor +gezongen van Euryanthe Chasseurs, égarés dans les bois! (Jagers, +in het bosch verdoold!), misschien het schoonste wat in de muziek +bestaat. Toen zij uitscheidde, bleef zij in gedachten verdiept. + +Eensklaps meende zij voetstappen in den tuin te hooren. + +'t Kon haar vader niet zijn, want hij was afwezig; ook niet vrouw +Toussaint; deze was te bed. 't Was tien uren 's avonds. + +Zij ging naar het vensterluik, dat gesloten was, en hield er haar +oor tegen. + +'t Kwam haar voor, dat het de tred van een man was, die zeer zacht +ging. + +IJlings ging zij naar boven, naar haar kamer, opende een kijkgaatje +in het vensterluik en zag in den tuin. 't Was volle maan. Men zag +even duidelijk als op den dag. + +Er was niemand. + +Zij opende het venster. In den tuin was het volkomen stil, en wat +men van de straat kon zien was even eenzaam als altijd. + +Cosette meende zich vergist te hebben. Zij had zich verbeeld gerucht +te hooren. 't Was een zinsbegoocheling, veroorzaakt door het somber, +wonderbaar koor van Weber, dat voor den geest duizelingwekkende +diepten ontsluit, dat voor den blik siddert als een huiverend woud, +en waarin men onder den schuwen voetstap der jagers, die men in de +avondschemering ziet, de dorre takken hoort kraken. + +Zij dacht er niet meer aan. + +Cosette, trouwens, was van aard niet vreesachtig. In haar aderen was +iets van het bloed der heidin en der avonturierster die blootsvoets +gaat. Men herinnere zich, dat zij meer leeuwerik dan duif was. In +den grond was zij moedig en stout. + +Den volgenden dag wandelde zij, niet zoo laat, tegen het vallen van +den avond, in den tuin. Bij de verwarde gedachten, die haar bezig +hielden, meende zij nu en dan wel een gerucht te hooren als dat van +den vorigen avond, als van iemand, die in de duisternis, niet ver +van haar, onder het geboomte ging, maar zij zeide bij zich zelve, +dat niets beter gelijkt naar voetstappen in het gras, dan de schuring +van twee takken die zich vanzelf bewegen, en zij lette er niet verder +op. Overigens zag zij niets. + +Zij verliet het bosschage, en moest een klein grasperk overgaan om +de stoep te bereiken. De maan, die achter haar was opgestegen, wierp, +toen Cosette uit het boschje kwam, op dat grasperk haar schaduw voor +haar uit. + +Cosette stond verschrikt stil. + +Naast de hare, teekende de maan duidelijk op het gras een andere +zonderlinge, schrikbarende en vreeselijke schaduw, een schaduw met +een ronden hoed. + +'t Was als de schaduw van een man, die aan den kant van het bosschage +eenige schreden achter Cosette stond. + +Een oogenblik kon zij noch spreken, noch schreeuwen, noch roepen, +noch zich verroeren, noch het hoofd wenden. + +Eindelijk verzamelde zij al haar moed en keerde stoutmoedig om. + +Er was niemand. + +Zij zag naar den grond. De schaduw was verdwenen. + +Zij trad weder in het bosschage, doorsnuffelde onversaagd alle hoeken, +ging tot aan het hek en vond niets. + +Zij voelde een ijzige huivering. Was 't nogmaals een +zinsbegoocheling? Hoe? twee dagen achtereen. Één zinsbegoocheling, +goed; maar twee zinsbegoochelingen? 't Was meest verontrustend dat +de schaduw zekerlijk geen spook was; spoken dragen gewoonlijk geen +ronde hoeden. + +Den volgenden dag kwam Jean Valjean terug. Cosette verhaalde hem wat +zij meende gehoord en gezien te hebben. Zij had verwacht gerustgesteld +te zullen worden, en dat haar vader de schouders zou ophalen en zeggen: +"Ge zijt een kleine zottin!" + +Maar Jean Valjean werd bekommerd. + +"'t Is misschien niets!" zeide hij. + +Onder een voorwendsel verliet hij haar en ging naar den tuin, en zij +merkte toen op, dat hij zeer nauwkeurig het hek onderzocht. + +Des nachts werd zij wakker; ditmaal was zij er zeker van; duidelijk +hoorde zij dicht bij de stoep onder haar raam voetstappen. Zij ijlde +naar het raam en opende het luikje in het blind. Er was inderdaad +iemand in den tuin, met een dikken stok in de hand. Juist toen zij +wilde schreeuwen, bescheen de maan het gezicht van den man. 't Was +haar vader. + +Zij legde zich weder te bed en zeide: "Hij is dus wel zeer ongerust!" + +Jean Valjean bezocht dien nacht en de twee volgende nachten den +tuin. Cosette zag hem door de opening van het luik. + +Den derden nacht nam de maan af en ging later op. Het kon één uur na +middernacht zijn geweest, toen zij een luiden lach hoorde en de stem +van haar vader, die haar riep: + +"Cosette!" + +Zij sprong uit het bed, schoot een kamerjapon aan en opende het +venster. + +Haar vader stond beneden op het grasperk. + +"Ik wek u om u gerust te stellen," zeide hij. "Ziedaar de schaduw +met den ronden hoed, die ge gezien hebt." + +En hij toonde haar op het grasperk een schaduw, door de maan geteekend, +en die tamelijk goed de gestalte geleek van een man met een ronden +hoed. 't Was de slagschaduw van een ijzeren schoorsteenpijp met een +kap, die zich op een naburig dak verhief. + +Cosette lachte hartelijk; al haar angstige vermoedens verdwenen, +en toen zij den volgenden dag met haar vader aan het ontbijt zat, +schertste zij over den spookachtigen tuin, die door schaduwen van +kachelpijpen onveilig werd gemaakt. + +Jean Valjean werd weder volkomen gerust; wat Cosette betreft, deze +dacht er weinig over na, of de kachelpijp wel juist in de richting +der schaduw was, welke zij gezien had of meende gezien te hebben, +en of de maan toen wel op dezelfde plaats aan den hemel stond. Zij +verwonderde zich niet over het zonderlinge van een kachelpijp, die +vreest op heeter daad betrapt te worden en verdwijnt wanneer men haar +schaduw opmerkt; immers de schaduw was verdwenen, toen Cosette was +omgekeerd, en Cosette had gemeend hier wel zeker van te zijn. Cosette +stelde zich volkomen gerust. De verklaring scheen haar duidelijk, +en dat er iemand kon zijn, die des avonds of des nachts in den tuin +kwam, hieraan dacht zij niet meer. + +Eenige dagen later echter deed zich een nieuw geval voor. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +OPMERKINGEN VAN VROUW TOUSSAINT. + + +Dicht bij het hek aan de straat stond in den tuin een steenen bank, +die voor het oog der nieuwsgierigen achter struikgewas verborgen +was, doch welke desnoods de arm van een voorbijganger door het hek +en het struikgewas heen had kunnen bereiken. Op een avond derzelfde +maand April was Jean Valjean uitgegaan; Cosette had zich, toen de +zon was ondergegaan, op deze bank neergezet. De wind ruischte door +het geboomte. Cosette mijmerde; een droefgeestigheid, zonder bepaalde +oorzaak, had haar allengs bevangen, die onverwinbare droefgeestigheid, +welke de avond veroorzaakt, en welke, wie weet? misschien uit de +verborgenheid van het op dat uur geopende graf komt. + +Misschien was Fantine in deze schaduw. + +Cosette stond op, wandelde langzaam door den tuin, over het met dauw +bevochtigd gras, en zeide in de soort van treurig somnambulisme, +waarin ze gedompeld was: + +"Wanneer men op dezen tijd in den tuin wandelt, heeft men waarlijk +wel klompen noodig. Men wordt er verkouden." + +Zij keerde naar de bank terug. + +Toen zij wilde gaan zitten, zag zij op de plaats, welke zij verlaten +had, een tamelijk grooten steen, die er stellig het oogenblik te +voren niet geweest was. + +Cosette beschouwde dien steen en vroeg bij zich zelve, wat hij +beteekenen moest. + +Eensklaps rees bij haar de gedachte op, dat deze steen niet vanzelf +op de bank was gekomen, dat iemand er hem had neergelegd, dat een arm +door het hek was gestoken; deze gedachte beangstigde haar. Ditmaal +was het wezenlijke angst; want de steen was er. Twijfel was niet +mogelijk. Zij raakte den steen niet aan, vluchtte zonder om te zien, +vlood het huis in en sloot dadelijk de glazen deur aan de stoep met +luik, grendel en keten. Toen vroeg zij aan vrouw Toussaint: + +"Is mijn vader te huis gekomen?" + +"Nog niet, mejuffrouw." + +(Wij hebben reeds gezegd, dat vrouw Toussaint stotterde. Men veroorlove +ons er niet op terug te komen. Het stuit ons de wanklanken van een +menschelijk spraakgebrek terug te geven). + +Jean Valjean, een denker en nachtelijk wandelaar, kwam vaak 's avonds +zeer laat te huis. + +"Vrouw Toussaint," hernam Cosette, "gij zorgt er immers wel voor, +des avonds de vensters aan de tuinzijde zorgvuldig te sluiten en er +behoorlijk de grendels en knippen voor te schuiven?" + +"O, wees gerust, mejuffrouw!" + +Vrouw Toussaint verzuimde dit niet, en Cosette wist het, evenwel kon +zij 't niet laten er bij te voegen: + +"Want het is hier in den omtrek zeer eenzaam." + +"Inderdaad," zei vrouw Toussaint, "'t is waar. Men zou vermoord zijn, +zonder hulp te hebben kunnen roepen! Daar komt bij, dat mijnheer niet +in het huis slaapt. Maar vrees niet, mejuffrouw, ik sluit de vensters +als een vesting. Vrouwen alleen! ik geloof wel, dat men dan een weinig +angstig mag zijn! Stel u eens voor, 's nachts mannen in uw kamer te +zien komen, die tot u zeggen: "Zwijg," en u den hals afsnijden. 't Is +niet om het sterven, men sterft, en daarmee afgedaan, men weet dat men +sterven moet, maar 't is een gruwel zich door zulke lieden aangeraakt +te voelen. En dan hun messen; ach God! zij moeten wel slecht snijden!" + +"Zwijg," zei Cosette. "Sluit alles goed." + +Cosette, verschrikt door het tooneel, 't welk vrouw Toussaint haar +voorstelde en misschien ook door de herinnering aan de verschijningen +der vorige week, durfde zelfs niet zeggen: "Ga den steen eens zien, +dien men op de bank heeft gelegd," uit vrees van de tuindeur te openen, +en de mannen te zien binnenkomen. Zij liet overal zorgvuldig de +deuren en vensters sluiten, het huis, van den kelder tot den zolder, +door vrouw Toussaint onderzoeken, sloot zich op in haar kamer, +grendelde haar deur, keek onder het bed, legde zich ter rust, maar +sliep slecht. Den ganschen nacht zag zij den steen, zoo groot als +een berg en vol akelige holen. + +Bij zonsopgang--het eigenaardige der opkomende zon is, dat zij ons +over al onze angsten van den nacht doet lachen, en dit lachen is +steeds in evenredigheid van de vrees, welke men gehad heeft--bij +zonsopgang dus beschouwde Cosette, toen zij ontwaakte, haar angst +als een benauwden droom, en zeide bij zich zelve: "Hoe kon ik toch +zoo beangst zijn? 't Is eveneens als met de voetstappen, welke ik +verleden week des nachts in den tuin meende te hooren! eveneens als +met de schaduw van de kachelpijp! Zou ik nu lafhartig worden?" De zon, +die door de reten der vensterluiken haar stralen schoot en de gordijnen +rosé kleurde, stelde haar zoozeer gerust, dat alles, zelfs de steen, +uit haar gedachte verdween. + +"Er was zeker evenmin een steen op de bank, als een man met een +ronden hoed in den tuin; ik heb van den steen gedroomd, zoowel als +van het overige." + +Zij kleedde zich, ging naar den tuin, liep naar de bank, en voelde +het klamme zweet. De steen lag er. + +Maar 't was slechts voor een oogenblik. Wat des nachts vrees is, +is des daags nieuwsgierigheid. + +"Welaan," zeide zij, "laat ons zien." + +Zij nam den tamelijk grooten steen op. Daar onder lag iets dat een +brief geleek. + +'t Was een omslag van wit papier. Cosette nam hem; er was geen adres +aan de eene, noch cachet aan de andere zijde. De omslag, hoewel open, +was echter niet ledig. Men zag er papieren in. + +Cosette tastte er in. 't Was nu geen vrees, geen nieuwsgierigheid meer, +maar een begin van angst. + +Cosette nam uit den omslag, wat er in lag, een klein katern papier, +waarvan iedere bladzijde genommerd was, en beschreven met eenige +regels fraai--zoo vond Cosette--fijn schrift. + +Cosette zocht een naam,--zij vond er geen; een handteekening, ook +deze niet. Aan wie was dit gericht? Waarschijnlijk aan haar, wijl +een hand het pakje op haar bank had gelegd. Van wien kwam het? Een +onweerstaanbare begoocheling overweldigde haar. Zij poogde haar oogen +van deze bladen, die in haar hand beefden af te wenden, zij zag naar +den hemel, naar de straat, naar de door de zon verlichte acacia's, +naar de boven een naburig dak vliegende duiven; maar haar blik viel +telkens weder op het geschrift, en zij zeide bij zich zelve, dat zij +moest weten, wat het bevatte. + +Zij las het volgende: + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +EEN HART ONDER EEN STEEN. + + +De liefde is de samentrekking der wereld in een eenig wezen; de +uitzetting van een eenig wezen tot God. + +De liefde is de engelengroet aan de starren. + +Hoe treurig is de ziel als zij treurig door de liefde is! + +Welk een ledigheid is de afwezigheid van het wezen, dat alleen +de wereld vervult. O, hoe waar is het, dat het beminde wezen God +wordt. Men zou kunnen meenen, dat God ijverzuchtig op haar zou zijn, +zoo de Vader van alles niet blijkbaar de schepping voor de ziel, +en de ziel voor de liefde had bestemd. + +Een glimlach, die men in de verte onder een wit krippen hoed met +lilabanden heeft gezien, is voldoende om de ziel het paleis der +droomen binnen te voeren. + +God is achter alles, maar alles verbergt God. De voorwerpen zijn +zwart, de schepselen ondoorschijnend. Wanneer men een wezen bemint, +maakt men het doorschijnend. + +Sommige gedachten zijn gebeden. Er zijn oogenblikken, dat de ziel +knielt, in welke houding het lichaam ook zij. + +De gelieven, die gescheiden zijn, vervullen de afwezigheid door +duizend hersenschimmen, die toch haar werkelijkheid hebben. Men belet +hen elkander te zien, zij kunnen elkander niet schrijven; maar zij +vinden een menigte geheime middelen om met elkander in aanraking te +zijn. Zij zenden elkander den zang der vogelen, den geur der bloemen, +het gelach der kinderen, het licht der zon, de zuchten van den wind, +de stralen der sterren, de geheele schepping. Waarom ook niet? Alle +werken Gods zijn bestemd om de liefde te dienen. De liefde is machtig +genoeg om de gansche natuur met haar boodschappen te belasten. + +O lente, ge zijt een brief, dien ik haar schrijf. + +De toekomst behoort veel meer aan het hart dan aan den geest. Beminnen +is het eenige, dat de eeuwigheid kan bezig houden en vullen. Het +oneindige behoeft het onuitputtelijke. + +De liefde is een gedeelte der ziel zelve. Zij is van dezelfde +natuur. Evenals de ziel, is zij een goddelijke vonk, onverderfelijk, +ondeelbaar, onvergankelijk. Zij is een onsterfelijke, oneindige +vuursprank in ons, die niets kan beperken, niets kan uitdooven. Men +voelt haar tot in 't merg van 't gebeente branden, men ziet haar +diep in den hemel stralen. + +O liefde! aanbidding! wellust van twee zielen, die elkander begrijpen, +van twee harten die zich tegen elkander uitwisselen, van twee blikken +die elkander doordringen! Gij zult tot mij komen, geluk! niet +waar? Wandelingen onder vier oogen in de eenzaamheid! zalige, +schitterende dagen! Soms droomde ik, dat nu en dan zich uren van het +leven der engelen losmaakten en nederdaalden in het lot der menschen. + +God kan niets voegen bij het geluk dergenen, die elkander beminnen, +dan het eeuwigdurendheid te geven. Na een leven van liefde, is +een eeuwigheid van liefde zekerlijk een vermeerdering; maar 't is, +zelfs voor God, onmogelijk de innige kracht der onuitsprekelijke +zaligheid, welke de liefde reeds in deze wereld aan de ziel geeft, +te verhoogen. God is de volheid des hemels; de liefde is de volheid +van den mensch. + +Men aanschouwt een star om twee redenen, wijl zij licht geeft en wijl +zij ondoorgrondelijk is. Men heeft in zijn nabijheid een liefelijker +licht en grooter verborgenheid, de vrouw. + +Wij allen, wie wij zijn mogen, hebben onze ademende wezens. Zoo +zij ons ontbreken, ontbreekt ons lucht, en wij stikken. Dan sterft +men. Door gebrek aan liefde te sterven is schrikkelijk. 't Is de +stikking der ziel! + +Zoodra de liefde twee wezens in een engelachtige en heilige eenheid +heeft samengesmolten en gemengd, is voor beiden het geheim des levens +gevonden; zij zijn dan slechts de twee eindpunten van hetzelfde lot; +slechts de twee vleugels van denzelfden geest. Leeft en zweeft! + +Zoo eenmaal een vrouw, die ons voorbijgaat, licht doet uitstralen, +zijn wij verloren, wij beminnen. Er blijft ons dan alleen dit over: zoo +sterk aan haar te denken, dat zij gedwongen wordt aan ons te denken. + +Wat de liefde begint, kan slechts door God voltooid worden. + +De ware liefde is troosteloos of verrukt over een verloren handschoen +of een gevonden zakdoek, en zij behoeft de eeuwigheid voor haar trouw +en hoop. Zij bestaat tegelijkertijd uit het oneindige groote en het +oneindige kleine. + +Wees zeilsteen, zoo ge steen, kruidje roer-mij-niet, zoo ge bloem, +liefde zoo ge mensch zijt. + +Niets bevredigt de liefde. Men is gelukkig en men wil het paradijs; +men heeft het paradijs en men wil den hemel. + +O, gij die bemint, dit alles ligt in de liefde. Weet het slechts te +vinden. De liefde bezit evenveel zelfgenot als de hemel, en bezit +boven den hemel den wellust. + +Komt zij nog in het Luxembourg?--Neen, mijnheer.--Zij komt in deze kerk +de mis hooren, niet waar?--Zij komt er niet meer.--Woont zij nog altijd +hier?--Zij is verhuisd. Waar woont zij nu?--Zij heeft het niet gezegd. + +Welk een treurigheid, niet te weten waar zijn ziel te vinden! + +De liefde heeft kinderachtigheden, de andere hartstochten hebben +kleinigheden. Schande over de hartstochten, die den mensch klein +maken! Eere die, welke van hem een kind maakt! + +'t Is zonderling, weet ge wat? Ik ben in de duisternis. Er is een +wezen, dat toen zij heenging, mijn hemel heeft medegenomen. + +O! naast elkander hand in hand in hetzelfde graf te liggen, en nu en +dan in de duisternis elkander zacht een vinger te streelen, zou voor +mijn eeuwigheid voldoende zijn. + +Gij die lijdt omdat gij bemint, bemin nog meer. Van liefde sterven +is er van leven. + +Bemin. Een schitterende hemelvaart is aan deze kruisiging verbonden. In +den doodsstrijd ligt verrukking. + +O vreugd der vogelen! Zij zingen, omdat zij een nest hebben. + +De liefde is een hemelsche inademing der paradijslucht. + +Diepe harten, wijze geesten, neemt het leven zooals God het geschapen +heeft; 't is een lange beproeving, een onbegrijpelijke voorbereiding +tot een onbekende bestemming. Deze bestemming, de ware, begint voor +den mensch bij de eerste trede in het graf. Dan verschijnt hem iets +en hij begint het bepaalde te onderscheiden. Overweeg dit woord: +het bepaalde. De levenden zien het oneindige, het onbepaalde; het +bepaalde vertoont zich slechts aan de dooden. Bemint en lijdt, hoopt +en aanschouwt inmiddels. Wee hem, die slechts lichamen, vormen, den +schijn heeft bemind! De dood zal hem alles ontnemen. Tracht zielen +te beminnen, ge zult ze wedervinden. + +Ik heb op de straat een zeer arm jongeling ontmoet, die beminde. Zijn +hoed was oud, zijn rok was versleten en met gaten aan de ellebogen, +het water drong door zijn schoenen en de sterren drongen in zijn ziel. + +Hoe groot is het bemind te worden! Maar grooter is het te beminnen. Het +hart wordt door de liefde met heldenmoed vervuld. Het bestaat dan +slechts uit reinheid, het steunt op niets dan op het verhevene en +groote. Een schandelijke gedachte kan er evenmin in ontkiemen als een +distel in een ijsschol. De hooge en heldere ziel, ontoegankelijk voor +de gemeene hartstochten en driften, en die de wolken en schaduwen +dezer wereld, de dwaasheden, logens, den haat, de ijdelheden en +ellenden beheerscht, bewoont het blauw des hemels en voelt de diepe +onderaardsche schokken van het lot slechts als de top der bergen de +aardbevingen voelt. + +Zoo er niemand was die beminde, zou de zon uitdooven. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +COSETTE NA DEN BRIEF. + + +Terwijl Cosette las, verzonk zij allengs in mijmering. Juist toen zij, +na den laatsten regel van het geschrift gelezen te hebben, haar oogen +opsloeg, ging de schoone officier--het was zijn uur--vol inbeelding +voorbij het hek. Cosette vond hem afschuwelijk. + +Zij beschouwde nogmaals het geschrift. Het was, naar Cosettes +meening, zeer fraai geschreven, door één zelfde hand, maar met +verschillenden inkt, nu zeer zwart, dan bleek, en bijgevolg op +onderscheidene dagen. 't Waren derhalve losse gedachten, invallen, +verzuchtingen, onregelmatig, ordeloos, zonder keus, zonder doel, +toevallig. Nooit had Cosette zoo iets gelezen. Dit geschrift, waarin +zij meer helderheid dan duisternis zag, maakte op haar den indruk van +een geopend heiligdom. Ieder dezer geheimzinnige regels schitterde +voor haar oogen en overstroomde haar hart met een zonderling licht. De +opvoeding, welke zij had ontvangen, had haar altijd van de ziel en +nimmer van de liefde gesproken, als sprak men van een brandend hout en +niet van de vlam. Dit manuscript van vijftien bladzijden openbaarde +haar plotseling en zacht de geheele liefde, de smart, de bestemming, +het leven, de eeuwigheid, het begin, het einde. 't Was als een hand +die haar eensklaps een bundel stralen had toegeworpen. Zij gevoelde +in deze weinige regels een hartstochtelijke, vurige, edelmoedige, +eerlijke natuur, een heiligen wil, een onmetelijke smart en een +onmetelijke hoop, een beklemd hart, een ontloken verrukking. Wat was +dit manuscript? Een brief. Een brief zonder adres, zonder naam, zonder +dagteekening, zonder handteekening, dringend en onbaatzuchtig, een uit +waarheden bestaand raadsel, een liefdeboodschap, geschikt om door een +engel gebracht, door een maagd gelezen te worden; een bovenaardsche +samenkomst, een minnebrief van een schim aan een schaduw. 't Was een +kalme en zwaarmoedige afwezige, die gereed scheen in den dood zijn +toevlucht te zoeken en aan de afwezige het geheim van het lot, den +sleutel des levens, de liefde zond. 't Was geschreven met den voet in +het graf, met den vinger in den hemel. Deze, een voor een op het papier +gevallen regels, waren wat men droppels der ziel zou kunnen noemen. + +Van wien konden nu deze bladzijden komen? Wie kon ze geschreven hebben? + +Cosette aarzelde geen minuut. Een eenig mensch. + +Hij! + +Het was weder licht in haar geest geworden: alles was weder te +voorschijn gekomen. Zij gevoelde een ongehoorde blijdschap, een +innigen angst. Hij was het, die haar schreef; hij, die hier was, hij, +die den arm door het hek had gestoken! Terwijl zij hem vergat, had +hij haar wedergevonden! Maar had zij hem vergeten? Neen! nooit! Zij +was als buiten zich zelve, dit slechts een oogenblik geloofd te +hebben. Zij had hem immer bemind, immer aangebeden. Het vuur was wel +bedekt geweest en had eenigen tijd gesmeuld, maar zij zag het wel, +'t was verder doorgedrongen en nu brak het opnieuw uit en zette haar +geheel in vlam. Dit geschrift was als een vonk, uit die andere ziel +in de hare gevallen. Zij voelde den brand weder uitbarsten. Ieder +woord van het manuscript drong in haar hart. "Ach ja," zeide zij, +"dat alles herken ik. Ik had dit alles reeds in zijn oogen gelezen." + +Toen zij het ten derdemale gelezen had, kwam de luitenant Theodule +terug voor het hek en liet zijn sporen op de straat klinken. Cosette +gevoelde zich gedwongen de oogen op te slaan. Zij vond hem laf, +dwaas, zot, dom, onbehagelijk, onbeschoft en zeer leelijk. De officier +meende tegen haar te moeten glimlachen. Zij keerde zich beschaamd en +verontwaardigd om. Zij had hem gaarne iets naar het hoofd geworpen. + +Zij vlood, trad het huis weder binnen en sloot zich in haar kamer om +het manuscript te herlezen, het van buiten te leeren en te denken. Toen +zij het goed gelezen had, kuste zij het en stak het in haar boezem. + +'t Was zoo, Cosette was weder in de diepte der seraphijnsche liefde +verzonken; het paradijs had zich weder geopend. + +Den geheelen dag was Cosette in een soort van verbijstering. Zij kon +nauwelijks denken, haar gedachten waren als een verward kluwen in +haar hersens; zij konde niets bepaalds voornemen, bevende hoopte zij; +wat? dit wist zij zelve niet. Zij durfde zich niets beloven, en wilde +zich niets weigeren. Zij verbleekte telkens en een rilling liep door +al haar leden. Bij wijlen was 't haar, alsof zij in de wereld der +hersenschimmen kwam, en zij vroeg zich: is dat alles de wezenlijke +waarheid? dan greep zij naar het geliefde papier onder haar kleed, +zij drukte het tegen haar hart, zij voelde er de kanten van op haar +vleesch, en zoo Jean Valjean haar in dien oogenblik gezien had, zou +hij gebeefd hebben voor deze schitterende, onbekende vreugd, die uit +haar oogen straalde. "Ach ja," dacht zij; "hij is het gewis! dit komt +van hem voor mij!" + +En zij zeide tot zich zelve, dat de tusschenkomst van engelen, een +hemelsch toeval, hem aan haar had wedergegeven. + +O, herscheppingen der liefde! o droomen! Dit hemelsch toeval, deze +tusschenkomst van engelen, was het broodkogeltje, dat een dief een +anderen dief, van de binnenplaats Charlemagne naar den Leeuwenkuil, +over het dak van de gevangenis la Force had toegeworpen. + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +DE OUDEN ZIJN BESTEMD OM OP DEN GESCHIKTEN TIJD UIT TE GAAN. + + +Toen het avond was ging Jean Valjean uit; Cosette kleedde zich. Zij +bracht haar kapsel in orde op de wijze, die haar het best stond, en +trok een kleed aan, dat van boven ruim uitgesneden was, waardoor de +hals tamelijk ver uitkwam, min of meer "indécent" zooals jonge meisjes +zouden zeggen. 't Was echter volstrekt niet indécent, maar veeleer +bevalliger dan anders. Zij kleedde zich zoo, zonder te weten waarom. + +Wilde zij uitgaan? neen. + +Verwachtte zij bezoek? neen. + +Bij de avondschemering ging zij naar den tuin. Vrouw Toussaint was +in de keuken bezig, die op de achterplaats uitzag. + +Cosette ging onder de takken, die ze nu en dan met de hand ter zijde +boog, wijl sommige zeer laag hingen. + +Aldus kwam zij aan de bank. + +De steen was er gebleven. + +Zij ging zitten en legde haar zachte, witte hand op dien steen, +als wilde zij hem streelen en bedanken. + +Eensklaps had zij dien onbeschrijfelijken indruk, welken men gevoelt, +zelfs zonder te zien, wanneer iemand achter ons staat. + +Zij wendde het hoofd en richtte zich op. + +Hij was het. + +Hij was blootshoofds. Hij scheen bleek en mager te zijn geworden. Men +kon nauwelijks zijn zwarte kleeding zien. De schemeravond verbleekte +zijn fraai hoofd en bedekte zijn oogen met duisternis. Hij had, +onder den sluier van onvergelijkbare zachtheid, iets van den dood en +van den nacht. Zijn gezicht was verlicht door het schijnsel van den +stervenden dag en door de gedachte eener ziel, die heengaat. + +Hij scheen nog wel geen schim, maar toch ook geen mensch meer te zijn. + +Zijn hoed was op eenigen afstand in de struiken geworpen. + +Cosette op 't punt van in onmacht te vallen, slaakte geen kreet. Zij +deinsde langzaam achteruit, want zij voelde zich aangetrokken. Hij +bewoog zich niet. Aan iets onbeschrijfelijks en treurigs, dat haar +omhulde, voelde zij den blik zijner oogen, dien zij niet zag. + +Achteruit wijkende, ontmoette Cosette een boom, waartegen zij +leunde. Zonder dien boom zou zij gevallen zijn. + +Toen hoorde zij zijn stem, die stem, welke zij nooit recht had gehoord +en die zich nauwelijks boven het bladerengeritsel verhief, lispelen: + +"Vergeving, ik ben het. Mijn hart is overkropt; ik kon niet langer +zoo leven, daarom ben ik gekomen. Hebt gij gelezen wat ik daar op +die bank gelegd had? Hebt ge geen flauwe herinnering aan mij? Heb +geen vrees. 't Is reeds lang geleden; herinnert gij u den dag, toen +ge mij gezien hebt? 't Was in den tuin van het Luxembourg, dicht bij +den Gladiator. En den dag toen ge mij voorbijgingt? 't Was de 16e Juni +en de 2e Juli. 't Zal spoedig een jaar zijn. Sinds lang heb ik u niet +weer gezien. Ik heb aan de stoelenzetster naar u gevraagd, maar deze +zeide, dat zij u niet meer zag. Ge woondet in de Westerstraat, op de +derde verdieping aan de straat, in een nieuw huis; ge ziet, dat ik het +weet. Ik volgde u. Wat zou ik doen? En toen zijt gij verdwenen. Eens +meende ik u te zien voorbijgaan, toen ik onder de bogen van het Odéon +de nieuwspapieren las. Ik volgde u. Maar neen. 't Was een dame die een +hoed droeg als de uwe. Des nachts kom ik hier. Vrees niet, niemand ziet +mij. Ik aanschouw van dichtbij uwe vensters. Ik ga zeer zacht, opdat ge +mij niet zoudt hooren, want ge zoudt misschien beangst zijn. Op zekeren +avond was ik achter u, gij keerdet om en ik vluchtte. Eens heb ik u +hooren zingen. Ik was gelukkig. Het hindert u immers niet, dat ik u +door de blinden hoor zingen? Dat kan u niet schelen, niet waar? Zie, +gij zijt mijn engel; vergun mij even hier te komen; ik geloof, dat +ik spoedig zal sterven. Zoo ge wist hoe ik u bemin! Vergeef mij, +ik spreek met u en weet niet wat ik zeg; ik maak u misschien boos; +zijt ge boos op mij?" + +"O mijn moeder!" zeide zij. + +En zij zonk ineen, alsof zij zou sterven. + +Hij vatte haar; zij viel, hij nam haar in zijn armen, omklemde haar +vast, zonder te weten wat hij deed. Zelf wankelend, ondersteunde hij +haar. 't Was hem, alsof zijn hoofd vol damp was, bliksems schoten door +zijn oogen; zijn gedachten verwarden; hij meende iets godsdienstigs +te verrichten en toch een ontheiliging te plegen. Overigens voelde +hij geen de minste onedele begeerte jegens deze bekoorlijke vrouw, +wier vormen hij aan zijn borst voelde. Hij was dronken van liefde. + +Zij nam een zijner handen en legde ze aan haar hart. Hij voelde er +het papier en stamelde: + +"Gij bemint mij dus?" + +Zij antwoordde met zulk een zachte stem, dat ze slechts een adem was, +die men nauwelijks hoorde: + +"Zwijg! gij weet het!" + +En zij verborg haar gloeiend hoofd aan de borst van den hooghartigen +en verbijsterden jongeling. + +Hij zonk op een bank neer, zij naast hem. Zij hadden geen woorden +meer. De starren begonnen te schijnen. Hoe kwam het, dat hun lippen +elkander ontmoetten? Hoe komt het, dat de vogel zingt, dat de sneeuw +smelt, dat de roos zich opent, dat Mei ontluikt, dat de morgenstond +de donkere boomen op den ruischenden top der heuvelen verlicht? + +Een kus, dit was alles. + +Beiden sidderden, en zij aanschouwden elkander in de schaduw met +vlammende oogen. + +Zij voelden noch den koelen nacht, noch den kouden steen, noch de +vochtige aarde, noch het natte gras; zij aanschouwden elkander, +en hun harten waren vol gedachten. Zonder bewustzijn hadden zij +elkanders hand gevat. + +Zij vroeg hem niet--zij dacht er zelfs niet aan--hoe hij binnengekomen +en in den tuin gedrongen was. 't Kwam haar zoo natuurlijk voor dat +hij er was. + +Nu en dan raakte Marius' knie de knie van Cosette aan, en beiden +beefden. + +Bij tusschenpoozen stamelde Cosette een woord. Haar ziel beefde op +haar lippen, als een dauwdrop op een bloem. + +Allengs spraken zij met elkander. De ontboezeming volgde op de stilte, +die de opgekroptheid is. De nacht was helder en prachtig boven hun +hoofden. Deze twee wezens, zoo rein als engelen, zeiden elkander alles, +hun droomen, hun zaligheden, hun verrukkingen, hun hersenschimmen, +hun twijfelingen; hoe zij elkander in de verte bemind hadden, hoe +zij elkander gewenscht hadden; hun wanhoop, toen zij elkander niet +meer zagen. + +Zij spraken met elkander in de volkomenste vertrouwelijkheid, +welke door niets kon vermeerderd worden, van het verborgenste en het +geheimzinnigste dat in hen was. Met een eerlijk geloof in hun illusiën, +verhaalden zij elkander al wat de liefde, de jeugd en het overschot +van kinderlijkheid, dat zij nog bezaten, hun in de gedachten gaf. + +Beider harten stortten zich in elkander uit, zoodat binnen een uur +de jongeling het hart van het meisje, het meisje het hart van den +jongeling bezat. Zij deelden elkander hun gedachten mede, bekoorden, +betooverden elkander. + +Toen zij eindigden, toen zij elkander alles hadden gezegd, liet zij +haar hoofd op zijn schouder rusten en vroeg hem: + +"Hoe heet gij?" + +"Ik heet Marius," zeide hij. "En gij?" + +"Ik heet Cosette." + + + + + + + +BOEK VI. + +DE KLEINE GAVROCHE. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +ONDEUGENDE STREEK VAN DEN WIND. + + +Terwijl sedert 1823, de kroeg te Montfermeil allengs verzonk, niet in +den afgrond van een bankroet, maar in het moeras van kleine schulden, +hadden de echtelieden Thénardier nog twee kinderen, beiden knaapjes, +gekregen; zoodat zij nu twee dochters en drie jongens hadden. Dit +was veel. + +Vrouw Thénardier had zich van de twee laatsten, toen zij nog zeer +jong en klein waren, op gelukkige wijze ontslagen. + +Ontslagen is het eigenlijke woord. Deze vrouw had nog slechts een +klein overblijfsel van natuur--een verschijnsel, waarvan trouwens meer +voorbeelden zijn. Evenals de maarschalksvrouw de Lamothe-Houdancourt, +was vrouw Thénardier slechts moeder voor haar dochters. Daar eindigde +haar moederschap. Haar haat tegen het menschelijk geslacht begon bij +haar zoons. Haar boosaardigheid tegen haar zoons had den hoogsten +top bereikt en voor hen had haar hart een ongenaakbare steilte. Men +heeft gezien, dat zij den oudsten haatte; zij verfoeide de beide +anderen. Waarom? Daarom. Het vreeselijkste aller motieven, en het +onwederlegbaarste aller antwoorden is: dáárom.--Ik heb geen troep +kinderen noodig, zei de moeder. + +Verklaren wij, hoe het den Thénardiers gelukt was, zich van hun twee +laatste kinderen te ontlasten en er zelfs voordeel van te trekken. + +De ongetrouwde Magnon, van wie reeds vroeger gesproken is, was +dezelfde, die van den ouden heer Gillenormand een geldelijke toelage +voor haar twee kinderen had weten te verkrijgen. Zij woonde op de +kade des Célestins, op den hoek der oude straat du Petit-Musc (Kleine +Muskusstraat), welke deed wat zij kon om aan haar slechten naam een +goeden reuk te geven. Men herinnere zich de groote kroep-epidemie, +welke vijf-en-dertig jaren geleden de wijken aan den oever der Seine +te Parijs teisterde, en waarvan de wetenschap gebruik maakte om op +groote schaal de inblazingen met aluin te beproeven, welke thans zoo +doelmatig door uitwendige inwrijving van jodium vervangen worden. In +deze epidemie verloor Magnon haar beide nog zeer jonge knaapjes, het +eene des morgens, het andere des avonds. 't Was een harde slag. Deze +kinderen waren voor hun moeder kostbaar, zij vertegenwoordigden +tachtig francs 's maands. Deze tachtig francs werden prompt uitbetaald +namens den heer Gillenormand, door zijn rentmeester, den heer Barge, +oud-deurwaarder in de straat du Roi de Sicile. + +Met de kinderen zou ook de rente begraven zijn. Maar Magnon zocht een +redmiddel. In deze geheimzinnige vrijmetselarij van het kwaad, waartoe +zij behoorde, weet men alles, bewaart men elkanders geheimen, en helpt +elkander. Magnon had twee kinderen noodig, vrouw Thénardier had er +twee, van hetzelfde geslacht, van denzelfden leeftijd. Voor de eene was +'t een goed redmiddel, voor de andere een goede plaatsing. De kleine +Thénardiers werden kleine Magnons. Vrouw Magnon verhuisde van de kade +des Celestins naar de straat Cloche Perce. Te Parijs wordt men, door de +verhuizing van de eene straat naar de andere, een geheel ander mensch. + +Aan den burgerlijken stand werd van niets bericht, hij vroeg dus +niets en de vervanging der kinderen ging op de eenvoudigste wijze in +haar werk. + +Maar Thénardier eischte voor deze kinderleening tien francs 's maands, +welke Magnon beloofde en ook betaalde. Het spreekt vanzelf, dat de +heer Gillenormand voortging met betalen. Iedere zes maanden ging hij +de kinderen eens zien. Hij merkte de verwisseling niet op, en Magnon +zeide: "Wat gelijken ze sprekend op u, mijnheer!" + +Thénardier, voor wien veranderingen gemakkelijk waren, maakte van +deze gelegenheid gebruik om Jondrette te worden. Zijn twee dochters en +Gavroche hadden nauwelijks den tijd gehad op te merken, dat zij twee +broertjes hadden. In een zekeren graad van armoede wordt men voor +alles onverschillig en men ziet wezens voor larven aan. De naaste +verwanten zijn als onduidelijke schaduwgestalten, die nauwelijks in +de nevelen des levens te onderscheiden zijn en zich gereedelijk met +het onzichtbare vermengen. + +Den avond van den dag, toen zij aan Magnon de twee kinderen had +afgeleverd, met den bepaalden wil er voor altijd van af te zien, had +vrouw Thénardier gewetensbezwaar gevoeld, of geveinsd te gevoelen. Zij +had tot haar man gezegd: "Maar 't is zijn kinderen te verlaten!" Op een +meesterachtigen en koelen toon brandde Thénardier dit bezwaar uit, door +te zeggen: "Jean Jacques Rousseau heeft niet minder gedaan!" Van het +gewetensbezwaar was de moeder nu tot ongerustheid overgegaan. "Maar +zoo de politie ons kwam lastig vallen? Spreek, Thénardier, is 't +geen wij gedaan hebben geoorloofd?"--Thénardier antwoordde: "Alles +is geoorloofd. Niemand zal er iets van vernemen. Bovendien heeft +er niemand eenig belang bij, nauwkeurig toe te zien bij kinderen, +die niets in de wereld bezitten." + +Magnon was eenigerwijs een elegante misdadigster. Zij kleedde zich naar +de mode, en deelde haar woning, die met een kale bluf gemeubeld was, +met een sluwe Engelsche dievegge, die française was geworden. Deze +Engelsche genaturaliseerde Parijsche vrouw, aanbevelenswaard wegens +zeer rijke betrekkingen, innig verbonden met de medailles der +bibliotheek en de diamanten van Mlle Mars, werd later berucht in +verscheidene processen. Men noemde haar mamselle Miss. + +De twee aan Magnon toegevallen kinderen hadden zich niet te +beklagen. Uit hoofde der tachtig francs werden zij ontzien, zooals +alles waarvan men voordeel heeft, niet slecht gekleed, niet slecht +gevoed, schier als jongeheeren, en beter door de valsche dan door de +ware moeder behandeld. Magnon speelde de dame en sprak de dieventaal +niet in hunne tegenwoordigheid. + +Zoo verstreken eenige jaren. Thénardier verwachtte er alles goeds +van. Op zekeren dag zeide hij tot Magnon, die hem de zesmaandelijksche +tien francs ter hand stelde: "De "vader" zal hun toch een opvoeding +moeten geven." + +Maar deze twee arme kinderen, tot hiertoe, zelfs door hun slecht +lot, vrij goed beschermd, werden plotseling in het leven geworpen en +gedwongen het te beginnen. + +Eene inhechtenisneming op groote schaal van booswichten als die +in Jondrettes verblijf, welke noodwendig navorschingen en verdere +gevangennemingen ten gevolge moest hebben, is een wezenlijke ramp +voor deze afschuwelijke geheime maatschappij die onder de openbare +maatschappij woont; zulk een avontuur sleept allerlei instortingen +in die donkere wereld mede. Het ongeluk van Thénardier veroorzaakte +Magnons ongeluk. + +Op zekeren dag, korten tijd nadat Magnon aan Eponine het briefje +betreffende de straat Plumet had overhandigd, werd onverhoeds +door de politie in de straat Cloche Perce huiszoeking gedaan; +Magnon werd gevat, insgelijks mamselle Miss, en al de bewoners van +het huis, die verdacht waren, vielen in het net. De twee knaapjes +speelden ondertusschen op een achterplaats en zagen niets van de +overrompeling. Toen zij weder naar binnen wilden gaan, vonden zij +de deur gesloten en het huis ledig. De schoenlapper uit een pothuis +aan de overzijde riep hen en gaf hun een papier dat "hun moeder" voor +hen had achtergelaten. Op dat papier stond het adres: Mijnheer Barge, +rentmeester in de straat du Roi de Sicile, No. 8. De schoenlapper zeide +tot hen: "Ge woont hier niet meer. Gaat daarheen. 't Is dichtbij. De +eerste straat links. Vraag met dit papier naar den weg." + +De kinderen gingen, terwijl het oudste het jongste leidde, met het +papier in de hand, dat hun gids moest zijn. 't Was koud, en zijn +verdoofde vingers konden het papier nauwelijks houden. Aan den hoek +der steeg Cloche Perce, ontrukte een windvlaag het hem, en wijl +'t donker werd, kon het knaapje het papier niet wedervinden. + +Op goed geluk af doolden zij nu door de straten. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +HOE DE KLEINE GAVROCHE ZICH NAPOLEON DEN GROOTE TEN NUTTE MAAKT. + + +Te Parijs heerschen in de lente meestal gure, scherpe noordenwinden, +die wel niemand doen bevriezen, maar toch vinnig koud zijn; deze +noordenwinden, die de schoonste dagen onaangenaam maken, doen +volkomen dezelfde uitwerking als de koude tochtwind, die door de +reten van een venster of van een slecht gesloten deur een warme +kamer binnendringt. Het schijnt, alsof de sombere winterdeur op +een reet is gebleven en de wind er door komt. In de lente van 1832, +op het tijdstip toen de eerste groote epidemie dezer eeuw in Europa +uitbrak, waren deze noordenwinden guurder en scherper dan ooit. Een +nog koudere deur dan die van den winter scheen open te zijn. 't Was +die van het graf. Men voelde in die noordenwinden den adem der cholera. + +Uit het weerkundig gezichtspunt gezien, hadden deze winden het +eigenaardige, dat zij van een zeer sterke electrische spanning +vergezeld waren. In dien tijd waren stormen met donder en bliksem +veelvuldig. + +Op zekeren avond, dat het op deze wijze scherp koud was, zoo zelfs +dat het scheen of Januari was wedergekeerd, en dat de menschen hun +overkleeren weer droegen, stond de kleine Gavroche, steeds vroolijk +onder zijn lompen, bibberend, als in verrukking, voor den winkel van +een kapper en barbier in den omtrek van l'Orme-Saint-Gervais. Hij +was versierd met een wollen sjaal, die hij op de eene of andere wijs +gekregen en als een cachenez omgeslagen had. De kleine Gavroche +scheen met diepe bewondering een dame van was te begluren, die in +een zeer laag uitgesneden kleed en met oranje bloemen gekapt, achter +het glasvenster draaide en tusschen twee lampen den voorbijgangers +haar glimlach toewierp, maar werkelijk beloerde hij den winkel +om te zien, of hij niet van de toonbank een stuk zeep kon kapen, +'t welk hij vervolgens voor een sou aan een barbier in de voorstad +zou verkoopen. Het gebeurde hem dikwijls, dat hij op deze wijze aan +een ontbijt kwam. Hij noemde dit werk, voor hetwelk hij een bijzonder +talent had "de barbiers scheren." + +Terwijl hij de dame bewonderde en het stuk zeep begluurde, bromde +hij binnensmonds: "Dinsdag--'t is immers geen Dinsdag.--Is het +Dinsdag?.. 't Is misschien Dinsdag.--Ja, 't is Dinsdag." + +Men is nooit te weten gekomen, waarop deze alleenspraak zinspeelde. + +Zoo deze woorden soms den laatsten keer aanduidden, dat hij gegeten +had, dan was dit drie dagen geleden, want het was nu Vrijdag. + +De barbier schoor iemand in zijn door een kachel verwarmden winkel, +en sloeg nu en dan een zijdelingschen blik op dien vijand, op dien +bibberenden, onbeschaamden straatjongen, die beide handen in zijn +zakken had, maar zeker iets anders in het oog. + +Terwijl nu Gavroche de wassen dame, de uitstalling en de Windsor-zeep +begluurde, draaiden twee knaapjes van ongelijke grootte, tamelijk +goed gekleed en veel kleiner dan hij, het eene schijnbaar zeven, +het andere vijf jaar oud, bedeesd de deurkruk om en traden den winkel +binnen om iets te vragen, misschien een aalmoes, en wel op zulk een +jammerenden toon dat het eer een smeeking dan een verzoek geleek. Zij +spraken beiden tegelijk, en hun woorden waren onverstaanbaar, wijl +het gesnik van den jongsten knaap zijn stem smoorde en de koude de +tanden van den oudsten deed klapperen. De barbier wendde zich om met +verstoord gezicht, en, zonder zijn scheermes neder te leggen, schoof +hij den oudsten met de linkerhand en den jongsten met de knie weder +op de straat en sloot zijn deur, zeggende: + +"Zij brengen voor niemendal de koude in huis!" + +De knaapjes gingen schreiend verder. Intusschen was een bui opgekomen; +'t begon te regenen. + +De kleine Gavroche liep hen na en vroeg hen: + +"Wat deert u, dreumesen?" + +"Wij weten niet, waar wij slapen zullen," antwoordde de oudste. + +"Is 't niets anders?" zei Gavroche. "Dat is zoo erg niet. Moet gij +daarom schreien? Ge zijt immers geen kanarievogeltjes?" + +Toen hernam hij, een gewichtige houding aannemende, doch op een toon +van teeder gezag en vriendelijke bescherming: + +"Komt mede, kleinen!" + +"Ja, mijnheer," antwoordde de oudste. + +Beide knaapjes volgden hem nu zoo eerbiedig, alsof zij een +aartsbisschop volgden. Zij weenden niet meer. + +Gavroche voerde hen door de straat St. Antoine naar den kant der +Bastille. + +Onder 't gaan sloeg Gavroche een vergramden blik op den barbierswinkel +terug, en mompelde: + +"Hij heeft geen gevoel, die schelvisch. 't Is een Engelschman." + +Een meisje, dat hen met hun drieën achter elkaar zag gaan, Gavroche +aan 't hoofd, begon luid te lachen. Dat gelach gaf weinig eerbied +voor de groep te kennen; en Gavroche zeide tot haar: + +"Dag, mamsel Omnibus." + +Een oogenblik later kwam de barbier hem weder in de gedachte, en hij +voegde er bij: + +"Ik vergiste mij in het beest; 't is geen schelvisch, maar een +slang. Kapper, ik zal u een ratel aan uw staart laten maken." + +De kapper had hem baldadig gemaakt. Over een goot springende, riep +hij tot een gebaarde portierster, die waardig was geweest Faust op +den Bloksberg te ontmoeten, en een bezem in de hand had: + +"Zoo madam, gaat gij op uw paard uit?" + +Daarop bespatte hij met slijk de glimmende laarzen van een +voorbijganger. + +"Kwâjongen!" riep de voorbijganger toornig. + +Gavroche stak zijn neus uit de sjaal en zeide: + +"Waarover klaagt mijnheer?" + +"Over u," was het antwoord. + +"Het bureau is gesloten," zei Gavroche. "Ik ontvang geen klachten +meer." + +Ondertusschen ging hij verder de straat op, en zag, onder een +koetspoort, als bevrozen, een dertien- of veertienjarige bedelares, +wier rokje zoo kort was, dat men haar knieën zag. Het meisje werd +er te groot voor. De groei speelt dergelijke streken. Het onderrokje +wordt kort, terwijl de naaktheid onzedelijk wordt. + +"Arm meisje," zei Gavroche; "'t heeft niet eens een broek. Hier, +neem dit." + +En den warmen wollen doek losmakende, dien hij om den hals had, +wierp hij dien op de magere blauwe schouders der bedelares, zoodat +de cache-nez weder een sjaal werd. + +Het meisje zag hem met verbazing aan en ontving zwijgend de +sjaal. Tot een zekeren graad van ellende gekomen, klaagt de arme in +zijn vertwijfeling niet meer over zijn nood, en dankt niet meer voor +het goede. + +Hierna liet Gavroche, kouder dan Sint-Marten, die ten minste de helft +van zijn mantel behield, een brrr! hooren. + +Na dit brrr! nam de regen toe en viel in stroomen neer. Zoo straft +een slechte hemel de goede daden. + +"Nu," riep Gavroche; "wat moet dit beteekenen? Het regent weder. Goede +God, als het zoo voortgaat, zeg ik mijn abonnement op." + +En hij ging verder. + +"Om 't even," hernam hij, een blik op de bedelares slaande, die zich +in de sjaal wikkelde; "zij heeft nu een goede pels." + +En naar de wolken ziende, riep hij: + +"Gesnapt!" + +De twee kinderen volgden hem op de hielen. + +Toen zij voorbij een dier getraliede vensters gingen, die een +bakkerswinkel aanduiden, want men legt het brood evenals het goud +achter ijzeren traliën, keerde Gavroche zich om en vroeg: + +"Wel, kabouters, hebt ge gegeten?" + +"Mijnheer," antwoordde de oudste, "wij hebben niet gegeten sinds +van morgen." + +"Gij hebt dus geen vader of moeder?" hernam Gavroche met majesteit. + +"Verschooning, mijnheer, wij hebben een papa en mama, maar weten niet, +waar zij zijn..." + +"Dit is vaak beter dan 't wel te weten," zei Gavroche, die een +denker was. + +"Wij zijn nu reeds twee uur op straat," hernam de oudste, "wij hebben +aan alle hoeken gezocht, maar niets kunnen vinden." + +"Ja, ja," zei Gavroche; "de honden verslinden alles." + +Na eenig zwijgen hernam hij: + +"Ha, gij hebt uw ouders verloren; gij weet niet waar zij zijn; dat mag +niet, jongens. 't Is dom, bejaarde lieden verloren te laten gaan. Maar +men moet zich overal weten uit te redden." + +Hij vroeg hun overigens niets. 't Was voor hem iets zeer eenvoudigs, +geen onderkomen te hebben! + +De oudste der twee knapen, die schier de onbezorgdheid der kindsheid +had teruggekregen, riep: + +"'t Is toch raar. Mama had ons beloofd, op Palmzondag gewijde palm +met ons te gaan halen." + +"Gekheid!" antwoordde Gavroche. + +"Mama," hernam de oudste, "is een dame, die met Mamselle Miss woont." + +"Falderala," hernam Gavroche. + +Intusschen was hij blijven staan en tastte en zocht sinds eenige +oogenblikken in alle zakken en gaten, die zijn plunje kon hebben. + +Eindelijk richtte hij het hoofd weder op, met een gebaar, dat slechts +tevredenheid wilde toonen, maar werkelijk triumfeerend was. + +"Weest gerust, mijn jongens. Ik heb hier iets, waarvoor wij alle drie +ons avondeten kunnen krijgen." + +En uit een zijner zakken haalde hij een sou. + +Zonder aan de twee kleinen den tijd te gunnen zich te verbazen, duwde +hij ze voor zich uit in den bakkerswinkel, en den sou op de toonbank +leggende, riep hij: + +"Hola, voor vijf centimes brood." + +De bakker nam een brood en een mes. + +"In drie stukken, baas," hernam Gavroche, en voegde er deftig bij: +"wij zijn met ons drieën." + +Toen hij nu zag, dat de bakker, na de drie klanten aanschouwd te +hebben, een zwart brood nam, stak hij zijn vinger diep in den neus +en snoof zoo sterk, alsof hij het snuifje van Frederik den Groote op +zijn duim had gehad, en snauwde den bakker met verontwaardiging toe: + +"Wat moet dat beduiden?" + +De bakker antwoordde: + +"Wel 't is brood, zeer goed brood van de tweede kwaliteit." + +"Ge wilt zeggen zwart brood," hernam Gavroche met rustige, koele +verachting. "Wit brood, baas! Ik trakteer!" + +De bakker glimlachte onwillekeurig, terwijl hij het wit brood sneed, +en zag hen met een medelijdenden blik aan, die Gavroche beleedigde. + +"Nu, bakker," zeide hij, "waarom kijkt ge ons zoo aan?" + +Op elkander gezet zouden zij nauwelijks een el groot zijn geweest. + +Toen het brood gesneden was, nam de bakker den sou en Gavroche zeide +tot de twee kinderen: + +"Pruimt nu." + +De knaapjes zagen hem verlegen aan. + +Gavroche glimlachte, "'t Is waar," zeide hij, "zij zijn nog te klein +om het te begrijpen." + +En hij hernam: "Eet." + +En hij reikte beiden een stuk brood. + +Meenende, dat de oudste eenige bijzondere aanmoediging behoefde +om zonder verlegenheid zijn honger te bevredigen, gaf hij hem het +grootste stuk, zeggende: "Ziedaar, stop dit in de maag." + +Van de twee overige stukken hield hij het kleinste voor zich. + +De arme kinderen hadden honger, Gavroche niet minder. Terwijl zij +smakelijk in het brood beten, bleven zij in den winkel van den bakker, +die, nu hij betaald was, hen weg wenschte. + +"Laat ons op de straat terugkeeren," zei Gavroche. + +Zij gingen voort in de richting der Bastille. + +Telkens wanneer zij voorbij helder verlichte winkels kwamen, stond +de kleinste stil om op een tinnen horloge, dat aan een touwtje om +zijn hals hing, te zien hoe laat het was. + +"Hij is nog heel kinderachtig," dacht Gavroche. + +En in gedachte mompelde hij: + +"Om 't even; zoo ik kleinen had, zou ik ze beter bewaren." + +Toen zij hun brood bijna op hadden, kwamen zij aan den hoek der zoo +treurige straat des Ballets, aan welker einde men de lage sombere +poort der gevangenis la Force ziet. + +"He! zijt gij 't, Gavroche?" zei iemand. + +"Hé, zijt gij 't, Montparnasse?" hernam Gavroche. + +'t Was iemand, die den straatjongen naderde, en die iemand was geen +ander dan Montparnasse, die hoewel vermomd, en met een blauwen bril +op, toch door Gavroche herkend werd. + +"Verduiveld!" riep Gavroche, "ge ziet er met uw bruine plunje en uw +blauwen bril uit als een dokter. Ge zijt knap, oude jongen." + +"Stil," zei Montparnasse, "niet zoo luid!" + +En haastig trok hij Gavroche uit het licht der winkels. + +De twee knaapjes volgden werktuiglijk, elkander bij de hand houdende. + +Toen zij onder den donkeren boog eener koetspoort, uit het gezicht +en den regen stonden, vroeg Montparnasse: + +"Weet ge waar ik heen ga?" + +"Naar de abdij van Monte à Regret" [1], zei Gavroche. + +"Spotvogel!" hernam Montparnasse. "Ik ga Babet opzoeken." + +"Zoo!" zei Gavroche, "heet zij Babet!" + +Montparnasse hernam zacht: + +"'t Is geen zij, maar een hij." + +"Ha, Babet!" + +"Ja, Babet." + +"Ik meende, dat hij gestrikt was." + +"Hij heeft den strik losgemaakt," antwoordde Montparnasse. + +En haastig verhaalde hij den straatjongen, dat Babet, dien zelfden dag +naar de conciergerie overgebracht zijnde, op den weg naar den rechter +van instructie ontvlucht was, door links in plaats van rechts te gaan. + +Gavroche bewonderde deze behendigheid. + +Montparnasse voegde er eenige bijzonderheden aangaande de vlucht van +Babet bij, en zeide: + +"O, dat is nog niet alles." + +Gavroche had, onder het luisteren, den wandelstok gevat, dien +Montparnasse in de hand hield; werktuiglijk had hij aan het boveneinde +getrokken, en een dolkkling was te voorschijn gekomen. + +"Ha!" zeide hij haastig, den dolk weder inschuivende, "ge hebt uw +gendarm, als een burger verkleed, medegebracht." + +Montparnasse knipoogde. + +"Drommels!" hernam Gavroche, "ge wilt dus met de politie vechten?" + +"Men kan niet weten," antwoordde Montparnasse op onverschilligen +toon. "'t Is altijd goed, een speld bij zich te hebben." + +Gavroche vroeg nu dringender: + +"Wat wilt ge dan toch van nacht uitvoeren?" + +Montparnasse hernam op ernstigen toon en met nadruk: + +"Zaken." + +Maar plotseling aan het gesprek een andere wending gevende zeide hij: + +"Apropos." + +"Wat?" + +"Iets dat mij dezer dagen gebeurd is. Verbeeld u; ik ontmoette een +burgerman, die mij een preek en een beurs present deed. Ik stak de +beurs in mijn zak; een oogenblik later tast ik in mijn zak; er was +niets meer in." + +"Dan de preek," zei Gavroche. + +"Maar waar gaat gij nu toch heen?" vroeg Montparnasse. + +Gavroche wees hem op de beide knaapjes, die hij in zijn hoede had +genomen, en zeide: + +"Ik ga deze kinderen te bed brengen." + +"Waar te bed?" + +"Bij mij." + +"Waar is 't--bij u?" + +"Bij mij." + +"Ge hebt dus een woning?" + +"Ja, ik woon." + +"En waar woont ge?" + +"In den Olifant," zei Gavroche. + +Montparnasse, die uit zijn aard niet licht verwonderd was, riep +echter onwillekeurig: + +"In den Olifant!" + +"Ja, ja, in den Olifant!" hernam Gavroche. "Wat zou dat?" + +Deze diepzinnige opmerking van den straatjongen bracht Montparnasse +weder tot bedaardheid en overleg. Hij scheen nopens Gavroches woning +een betere meening op te vatten. + +"Inderdaad," zeide hij, "de Olifant. Is 't er goed?" + +"Zeer goed," hernam Gavroche. "Op mijn woord, 't is er prettig. Men +heeft er ten minste geen tochtwinden, zooals onder de bruggen." + +"Hoe komt ge er?" + +"Ik kruip er in." + +"Is er dan een gat in?" vroeg Montparnasse. + +"Zekerlijk, maar ge moogt er niets van zeggen. 't Is tusschen de +voorpooten. De politie-verklikkers hebben 't nog niet gezien." + +"En ge klautert omhoog? Ha, nu begrijp ik." + +"In een oogwenk is 't gedaan; en niemand is er meer." + +Na een pauze, voegde Gavroche er bij: + +"Voor deze kleinen moet ik een ladder hebben." + +Montparnasse lachte, en vroeg: + +"Hoe drommel, komt ge aan die kleinen?" + +Gavroche antwoordde eenvoudig: + +"'t Zijn snaken, welke een kapper mij present heeft gedaan." + +Ondertusschen was Montparnasse ernstig geworden. + +"Ge hebt mij dus gemakkelijk herkend?" mompelde hij. + +Hij nam uit zijn zak twee kleine voorwerpen, die niets anders dan +twee met katoen omwonden penneschachten waren, van welke hij er een +in ieder neusgat stak. Dit gaf hem een geheel anderen neus. + +"Dat verandert u," zei Gavroche, "nu zijt ge veel minder leelijk; +zoo moest ge altijd zijn." + +Montparnasse was een mooie, knappe jongen, maar Gavroche was een +spotvogel. + +"Zonder gekscheren," vroeg Montparnasse, "hoe vindt ge mij?" + +Ook zijn stem was veranderd. In een oogenblik was Montparnasse +onkenbaar geworden. + +"O! nu kunt ge voor Polichinel spelen!" riep Gavroche. + +De beide knaapjes, die tot hiertoe niet geluisterd hadden, wijl zij +zelf bezig waren hun vingers in den neus te steken, traden op 't hooren +van dien naam dichter bij, en zagen Montparnasse met blijdschap en +verwondering aan. + +Ongelukkig was Montparnasse ongerust. + +Hij legde de hand op Gavroches schouder en zeide, op ieder woord +drukkende: + +"Luister, jongen, naar 't geen ik u zeg: zoo ik op de plaats was met +mijn dog, mijn dolk en mijn mes, en men gaf mij drie sousstukken, zou +ik niet weigeren er mede te werken, maar 't is heden geen vastenavond." + +Deze zonderlinge woorden brachten een zonderlinge uitwerking op +den straatjongen teweeg. Hij keerde zich haastig om, sloeg met +groote opmerkzaamheid zijn blik om zich en zag op korten afstand een +stadssergeant, met den rug naar hen gekeerd. Gavroche liet een kreet +ontsnappen, dien hij echter dadelijk onderdrukte, en Montparnasse de +hand schuddende, zeide hij: + +"Nu, ik ga met mijn kleinen naar den Olifant. Zoo ge mij des nachts +noodig mocht hebben, kunt ge mij er vinden. Ik logeer op de eerste +verdieping. Er is geen portier. Vraag maar naar mijnheer Gavroche." + +"Goed," zei Montparnasse. + +Zij scheidden, Montparnasse ging naar den kant van la Grève, Gavroche +naar dien der Bastille. + +De vijfjarige kleine, door zijn broertje voortgesleept, dat door +Gavroche werd getrokken, keerde herhaaldelijk het hoofd om, ten einde +Polichinel na te zien. + +De zonderlinge woorden, welke Montparnasse bij 't gezicht van den +stadssergeant tot Gavroche gezegd had, gaven in de dieventaal te +kennen: Pas op, wij kunnen niet vrij spreken. + +Vóór twintig jaar zag men nog in den zuidoostelijken hoek van +het Bastilleplein, nabij de vroegere gracht der staatsgevangenis, +een wonderlijk monument, 't welk bijna reeds uit het geheugen der +Parijzenaars is gewischt, en echter verdiende er eenig spoor achter +te laten, want het was eene gedachte van "het lid van het Instituut, +opperbevelhebber van het Egyptische leger." + +Wij noemen het "monument", hoewel het slechts een ruw ontwerp +was. Maar deze wonderbare schets, dit grootsche lijk van een gedachte +van Napoleon, 't welk twee of drie windvlagen achtereen opgenomen en +telkens verder van ons geworpen hadden, was historisch geworden en had +iets bepaalds aangenomen, 't geen met zijn voorkomen van voorloopigheid +in tegenstelling was. 't Was namelijk een veertig voet hooge olifant, +van hout en steen opgericht, op zijn rug een toren dragende, die +veel had van een huis, dat vroeger groen geschilderd, doch nu door +de lucht, den regen en den tijd zwart geworden was. In dien eenzamen +open hoek van het plein, vormden het breede hoofd van den kolos, +zijn groote rug, zijn snuit, zijn slagtanden, zijn toren, zijn vier +kolomachtige pooten des nachts een wonderbaar en vreeselijk beeld +tegen den gesternden hemel. Men wist niet, wat het beteekende. 't +Was een soort van zinnebeeld der volkskracht. 't Was iets sombers, +raadselachtigs en grootsch. Iets als een machtige zichtbare schim, +naast het onzichtbare spookbeeld der Bastille. + +Weinig vreemdelingen bezochten dit monument; geen voorbijganger sloeg +er een blik op. De olifant viel in puin; ieder seizoen nam kalk van +zijn zijden mede, 't geen leelijke wonden vormde. De stedelijke raad +had hem sedert 1814 vergeten. Hij stond daar in zijn hoek, treurig, +ziek, wankelend, omgeven door een verweerde afpaling, die telkens +door dronken koetsiers beschadigd werd; zijn buik was door bersten +gescheurd; een balk kwam uit zijn staart, hoog gras schoot tusschen +zijn pooten op; en daar de vlakte rondom hem sinds dertig jaren +hooger was geworden door die langzame en gestadige werking welke +ongevoelig den grond der groote steden doet rijzen, stond hij in een +kuil en scheen de aarde onder hem te zinken. Hij was vuil, veracht, +afzichtelijk en trotsch, leelijk voor het oog van den burger, treurig +voor het oog van den denker. Hij had iets van vuilnis, 't welk men +wil wegruimen; iets van een majesteit, welke men gaat onthoofden. + +Maar des nachts, zooals wij gezegd hebben, veranderde het gezicht. De +nacht is de geschiktste tijd om schaduwen te zien. Terstond bij de +avondschemering onderging de oude olifant een gedaanteverandering. In +de grootsche stilte der duisternis nam hij een rustige en vreeselijke +gestalte aan. Tot het verledene behoorende, behoorde hij tot den +nacht, en deze duisternis paste bij zijn grootheid. Dit ruwe, plompe, +zware, statige, schier wanstaltige, maar gewis ernstige en majestueuze, +monument is verdwenen, om in vrede de soort van reusachtige kachel met +haar pijp te laten heerschen, die de sombere vesting met negen torens +heeft vervangen, schier evenals de burgerstand de leenheerlijkheid +vervangt. 't Is zeer natuurlijk, dat een kachel het zinnebeeld van een +tijdvak zij, welks macht een ketel bevat. Dit tijdvak zal voorbijgaan, +het gaat reeds voorbij; men begint te begrijpen, dat, zoo in een ketel +kracht kan zijn, slechts in een brein macht kan wezen; met andere +woorden, wat de wereld drijft en voorttrekt zijn geen locomotieven, +'t zijn ideeën. Men spanne de locomotieven voor de denkbeelden, +'t zij zoo; maar men houde het paard niet voor den ruiter. + +Hoe het zij en om tot het plein der Bastille weder te keeren, +de bouwmeester van den olifant had van kalk iets groots gemaakt; +de bouwmeester van de kachelpijp is er in geslaagd, van brons iets +kleins te maken. + +Deze kachelpijp, welke men een fraaien naam gegeven en die men de +Juli-kolom heeft genoemd, dit mislukte monument van een mislukte +revolutie, was in 1832 nog in een groot houten hemd gehuld, en door +een planken schutting omgeven, die den olifant volkomen afsloot. + +'t Was naar dien hoek van het plein, die nauwelijks door 't licht van +een verwijderde lantaarn beschenen werd, dat de straatjongen de twee +"kleinen" voerde. + +Men veroorlove ons hier op te merken, dat wij zuivere waarheid +verhalen, en dat twintig jaren geleden, voor de correctioneele +rechtbank een knaap terechtstond, beschuldigd van vagebondage en het +inbreken in een openbaar monument, die slapende in den olifant der +Bastille was gevonden. + +Toen Gavroche nu den kolos was genaderd, begreep hij den indruk, +dien het oneindig groote op het oneindig kleine kon maken, en zeide: + +"Jongens, weest niet bang!" + +Toen sloop hij door een holligheid in de schutting van den olifant +en hielp de kinderen er door. De beide kinderen volgden, een weinig +angstig, doch zwijgend, Gavroche en vertrouwden zich aan deze kleine +voorzienigheid in lompen, die hun brood gegeven en een slaapplaats +beloofd had. Tegen de schutting lag een ladder, welke des daags door +de werklieden van de naaste werkplaats gebruikt werd. Gavroche lichtte +ze, met buitengewone krachtsinspanning op en zette ze tegen een der +voorpooten van den olifant. Bij de plek, waartegen het boveneinde der +ladder rustte, zag men in den buik van den kolos een donkere opening. + +Gavroche wees de ladder en de opening aan zijne kleine gasten, +en zeide: + +"Klimt nu op en gaat binnen." + +De beide knaapjes zagen elkander ontsteld aan. + +"Zijt ge bang, jongens?" riep Gavroche. + +En hij voegde er bij: "Ziet naar mij." + +Hij omklemde den ruwen poot van den olifant en in een oogenblik had +hij, zonder zich van de ladder te bedienen, de berst bereikt. Hij +ging er in, als een adder, die door een scheur kruipt: een oogenblik +daarna zagen de beide kinderen onduidelijk zijn bleek gezicht als +een vale gestalte voor de donkere opening verschijnen. + +"Nu," riep hij, "klimt op, jongens! ge zult zien hoe goed het hier +is!--Klim op," zeide hij tot den oudste; "ik zal u de hand geven." + +De knaapjes stieten elkander met den elleboog aan; de groote +straatjongen boezemde hun vrees, doch tevens gerustheid in, daarbij +regende het hard. De oudste waagde het. De jongste, die zijn broertje +naar boven zag klimmen, terwijl hij alleen tusschen de pooten van het +groote beest bleef staan, had wel willen schreien, maar durfde niet. + +Waggelend beklom de oudste de sporten van de ladder. Gavroche +moedigde hem aan, evenals een schermmeester zijn leerlingen of een +muilezeldrijver zijn dieren zou aansporen. + +"Wees niet bang." + +"Goed zoo!" + +"Ga voort." + +"Zet dáár den voet." + +"Hier met de hand." + +"Moedig." + +En toen hij in zijn bereik was, greep hij hem schielijk en krachtig +bij den arm en trok hem op, zeggende: "Ingeslokt!" + +De knaap was door de scheur. + +"Wacht mij nu," hernam Gavroche; "ga intusschen zitten." + +En uit de scheur verdwijnende, zooals hij er was binnengekomen, +liet hij zich met de vlugheid van een slingeraap langs den poot van +den olifant neer, kwam met de voeten op het gras terecht, vatte den +kleine van vijf jaar om het lijf, zette hem op 't midden der ladder, +klom achter hem naar boven en riep den oudste toe: + +"Ik zal hem duwen, trek gij hem." + +In een oogenblik was de kleine opgenomen, omhoog geduwd, getrokken, +geheschen en door de opening gestoken, zonder den tijd te hebben gehad, +er over na te denken. Gavroche, die na hem binnenkwam, schopte met zijn +hiel de ladder om, die op het gras viel, klapte in de handen en riep: + +"Wij zijn er, leve generaal Lafayette!" + +Na deze uitbarsting zeide hij: + +"Kinderen, nu zijt ge in mijn woning." + +Gavroche was werkelijk als te huis. + +O onverwachte nuttigheid van het nuttelooze! liefdadigheid der +groote dingen! goedheid der reuzen! Dit onverwachte monument, +dat een denkbeeld des keizers had bevat, was nu het nachtverblijf +van een straatjongen geworden. De kolos had den knaap ingenomen en +geherbergd. De burgers, die in hun Zondagsgewaad voorbij den olifant +der Bastille gingen, zeiden vaak, hem verachtelijk met hun groote +oogen metende: "Waartoe dient dit?"--Het diende om een klein wezen +zonder vader en moeder, zonder voedsel, zonder kleederen, zonder +woning tegen de koude, de vorst, den hagel, den regen te beschermen, +hem er voor te bewaren van in dit slijk te moeten slapen, dat koorts +geeft, of in de sneeuw te slapen, dat den dood geeft. Het diende +om den onschuldige op te nemen, dien de maatschappij verstiet. Het +diende om de misdaad van den staat te verminderen. 't Was een geopend +hol voor hem, wien alle deuren gesloten waren. Het scheen, alsof het +oude, wankele gevaarte, door ongedierte overweldigd, in vergetelheid +geraakt, met schimmel en vuil bedekt, als een reusachtige bedelaar +vruchteloos om een welwillenden blik te midden van het plein bedelende, +medelijden had gehad met dien anderen bedelaar, dien armen dwerg, +die barrevoets ging, geen dak boven zijn hoofd had, van koude in zijn +handen blies, gekleed was in lompen en zich voedde met hetgeen werd +weggeworpen. Daartoe diende de olifant der Bastille. Deze gedachte van +Napoleon door de menschen verworpen, was door God weder opgenomen. Wat +slechts beroemd zou zijn geweest, was verheven geworden. Om zijn +gedachte te verwezenlijken had de keizer porphyr, metaal, ijzer, goud, +marmer noodig gehad; voor God was het oude gevaarte van planken, +balken en kalk voldoende. De keizer had een genialen droom gehad; +hij had in dien reusachtigen, gewapenden wonderbaren olifant, die +zijn snuit ophief, zijn toren droeg en naar alle kanten frisch water +klaterend deed opspringen, het volk willen voorstellen; God had er +iets grootschers van gemaakt; hij huisvestte er een kind in. + +De opening waardoor Gavroche binnenging, was van buiten nauwelijks +zichtbaar, wijl zij zich, zooals gezegd is, onder den buik van den +olifant bevond, en zoo eng was, dat slechts katten en kinderen er +door konden kruipen. + +"Laten wij nu in de eerste plaats aan den portier zeggen, dat wij +niet te huis zijn," sprak Gavroche. + +En in de duisternis rondtastende, als iemand die zijn woning volkomen +kent, nam hij een plank en sloot er de opening mede. + +Toen tastte hij weder in de duisternis rond, en de kinderen hoorden +het gesis van den zwavelstok die in het phosphorusfleschje was +gestoken. Destijds bestonden de zoogenaamde lucifers nog niet; het +vuurtuig Fumade was toen het hoogste in dit vak. + +Een plotseling licht deed hen de oogen dichtknijpen; Gavroche had +een dier eindjes bindtouw, in teer gedoopt, ontstoken, welke men +"kelderrotten" noemt. De kelderrot, die meer rookte dan verlichtte, +maakte het inwendige van den olifant slechts onduidelijk zichtbaar. + +De twee logeergasten van Gavroche zagen om zich, en gevoelden iets, +dat iemand zou gevoelen, die in het groote Heidelbergsche vat was +opgesloten, of liever, wat Jonas moet gevoeld hebben in den buik van +den walvisch. Een reusachtig geraamte omgaf hen. Boven vormde een +lange bruine balk, waaruit op zekere afstanden zware, gebogen gebinten +kwamen, de ruggegraat met de ribben; gips-stalactieten hingen er in +als ingewanden, en van de eene naar de andere zijde vormden groote +spinnewebben de met stof vermengde middelriffen. Hier en daar zag +men in de hoeken groote, zwarte vlekken, die schenen te leven en zich +verschrikt en met snelle beweging verplaatsten. + +De brokken, die van den rug des olifants in den buik waren gevallen +hadden de holte ervan eenigszins met puin gevuld; zoodat men er als +op een vloer in gaan kon. + +De kleinste knaap stiet zijn broertje aan en zeide fluisterend: + +"'t Is hier donker." + +Dit woord ontlokte Gavroche een uitroep. De angstige houding der twee +kinderen maakte een opwekking noodzakelijk. + +"Wat zegt ge?" riep hij. "Zijt ge nog niet tevreden? Zoudt ge liever +in de Tuilerieën willen wezen? Zoudt ge domooren zijn? Spreekt! Ik +verwittig u, dat ik niet al te lankmoedig ben." + +Een weinig ruwheid is goed voor de angstigen. Het stelt hen gerust. De +beide kinderen drongen zich weder dichter bij Gavroche. + +Gavroche, vaderlijk bewogen door dit vertrouwen, ging nu van het +ernstige tot het teedere over en wendde zich tot den kleinste: + +"Domoor," zeide hij, aan deze uitdrukking een vriendelijken toon +gevende, "buiten is het donker. Buiten regent het, hier regent het +niet; buiten is 't koud, hier is geen zier wind; buiten is het druk +van menschen, hier is niemand; buiten is zelfs geen maan, en ik heb +hier mijn kaars; wat zegt ge?" + +De beide kinderen begonnen het verblijf met minder angst te beschouwen; +maar Gavroche liet hun niet lang den tijd tot overweging. + +"Haast u," zeide hij. + +En hij stiet hen naar hetgeen wij het achterste der kamer kunnen +noemen. + +Dààr was zijn bed. + +Gavroches bed was geheel in orde; het bestond namelijk uit een matras, +een deken en een bedstede met gordijnen. + +De matras was een stroomat, de deken een vrij groote, grove, grijze, +zeer warme en schier nieuwe wollen lap. De alkove bestond uit het +volgende: + +Drie genoegzaam lange stokken in het puin van den bodem, dat wil +zeggen, van den buik des olifants, gestoken; twee voor, één achter, +en aan de punten met een touw aaneen gehecht, vormden een soort van +piramide. Deze piramide was met vlechtwerk van koperdraad omgeven, +zijnde stukken van vogelkooien uit menagerieën. Een rij groote steenen +rondom dit toestel bevestigde het stijf in den bodem, zoodat er van +onder niets door kon. Gavroches bed bevond zich onder dat traliewerk +als in een kooi. Het geheel geleek de tent van den eskimo. + +Dit traliewerk verving de gordijnen. + +Gavroche schoof de steenen, die de stokken aan de voorzijde +vasthielden, een weinig ter zijde, en de beide einden van het toestel +verwijderden zich. + +"Nu op handen en voeten, kleinen!" zei Gavroche. + +Behoedzaam liet hij zijn logeergasten in de kooi gaan, toen kroop +hij er na hen in, bracht de steenen weder op hun plaats en sloot +de opening. + +Alle drie lagen op de mat. + +Geen hunner zou, hoe klein hij ook was, in deze alkove kunnen +staan. Gavroche had zijn kelderrot altijd in de hand. + +"Gaat nu recht liggen," sprak hij. "Ik zal het licht uitdoen." + +"Mijnheer," vroeg de oudste der twee broertjes aan Gavroche, op het +traliewerk wijzende, "wat is dat toch?" + +"Dit," zei Gavroche ernstig, "is voor de ratten. Ga nu recht liggen!" + +Hij meende evenwel ter onderrichting der jonge wezens er nog eenige +woorden te moeten bijvoegen en hernam: + +"'t Zijn dingen uit den plantentuin. 't Dient daar voor de wilde +dieren. Er is een pakhuis vol van. Men behoeft slechts over een muur +te klimmen, door een venster te klauteren en onder een deur heen te +kruipen. Dan heeft men zooveel men wil." + +Dus sprekende wikkelde hij den kleinste in een slip van de deken. + +"O dat is goed, dat is warm!" mompelde het kind. + +Gavroche sloeg een tevreden blik op de deken. + +"Die is ook uit den plantentuin," zeide hij. "Ik heb ze den apen +afgenomen." + +En den oudste de mat wijzende, waarop hij lag, en die zeer dik en +fraai bewerkt was, voegde hij er bij: + +"Dit behoorde aan de giraffe." + +Na een pauze hernam hij: + +"De dieren hadden dit alles. Ik heb 't hun ontnomen. Zij namen het +mij niet kwalijk. Ik zeide hun, dat 't voor den olifant was." + +Wederom zweeg hij een oogenblik en hernam toen: + +"Men klimt over den muur en lacht om de regeering." + +De beide kinderen aanschouwden met een schuwen en verbaasden eerbied +dat onversaagd en vernuftig wezen, dat een zwerver, een verlatene, +een zwakke was, evenals zij, maar dat iets bewonderenswaardigs en +almachtigs had, 't geen hun bovennatuurlijk scheen, en welks gezicht +de trekken van een ouden paljas met den hartelijksten, bekoorlijksten +glimlach in zich vereenigde. + +"Mijnheer, gij zijt dus niet bang voor de stadssergeanten?" vroeg de +oudste bedeesd. + +Gavroche antwoordde slechts: + +"Knaap, men zegt niet stadssergeanten, men zegt de politie." + +De kleinste zette wijde oogen op, maar zeide niets. Wijl hij op den +kant der mat lag en de oudste in het midden, stak Gavroche den rand +van de deken onder hem, zooals een moeder zou hebben gedaan, en legde +vodden onder het hoofdeinde der mat om den kleine tot oorkussen te +dienen. Toen wendde hij zich tot den oudste: + +"Nu, is 't hier niet goed?" + +"O ja," antwoordde de oudste, Gavroche met het gezicht van een geredden +engel aanziende. + +De beide arme kinderen, die doornat waren, begonnen weder warm +te worden. + +"Maar," hernam Gavroche, "waarom weendet gij dan?" + +En op den kleinste wijzende, voegde hij er bij: + +"Een dreumes als hij, daar spreek ik niet van, maar dat een groote +jongen als gij schreit, is dom; 't is als een kalf." + +"Ja, maar wij hadden in 't geheel geen woning meer, en wisten niet +waarheen te gaan; en daarbij vreesden wij des nachts zoo geheel alleen +te zijn." + +"Luister," hernam Gavroche, "ge moet nooit over iets schreien. Ik +zal voor u zorgen. Ge zult zien hoe wij ons zullen vermaken. Des +zomers gaan wij met Navet, een mijner kameraads, naar la Glacière, +daar baden wij ons en loopen geheel naakt langs de Austerlitzbrug; +dat maakt de waschvrouwen woedend; zij razen en tieren; 't is grappig +om te zien. Dan gaan wij het levend geraamte zien. Hij leeft. In +de Champs Elysées. Hij is mager als een hout, die snaak. Dan zal +ik u ook naar den schouwburg brengen, en u Frederik Lemaitre laten +zien. Ik heb kaartjes, ik ken de acteurs, ik heb zelf eens in een stuk +meêgespeeld. Wij waren klein als gij en liepen onder een laken, dat +moest de zee verbeelden. Ik zal u in mijn schouwburg doen aannemen. Wij +zullen de wilden gaan zien. 't Zijn geen wezenlijke wilden. Men kan de +plooien van hun bruin tricot zien, dat aan de ellebogen met wit garen +gestopt is. Daarna gaan wij naar de opera en treden er met de claqueurs +binnen. De claqueurs in de opera zijn zeer goed ingericht. Met de +claqueurs van de kleine schouwburgen zou ik niet willen gaan. Verbeeld +u, dat men in de opera voor het klappen twintig sous betaalt; maar dat +is dom. Vervolgens gaan wij naar het guillotineeren kijken. Ik zal u +den beul wijzen. Hij woont in de straat des Marais. Mijnheer Samson. Er +is een brievenbus in de deur. O, men vermaakt zich zoo heerlijk!" + +Op dit oogenblik viel een droppel teer op den vinger van Gavroche en +herinnerde hem aan de werkelijkheid des levens. + +"Drommels!" zeide hij; "de kaars brandt op. Wacht eens, meer dan een +sou in de maand kan ik niet voor mijn verlichting uitgeven. Wanneer +men te bed gaat, moet men slapen. Wij hebben geen tijd om romans van +mijnheer Paul de Kock te lezen. Daarbij kan het licht door de reten +onzer koetspoort dringen en zouden de dienders het kunnen zien." + +"En," merkte de oudste der kleinen bedeesd op, die alleen tot Gavroche +durfde spreken en hem antwoorden, "een vonk zou in het stroo kunnen +vallen; wij moeten zorgen, dat we het huis niet in brand steken." + +Het onweder werd heviger. Men hoorde, tusschen het rollen des donders, +den plasregen tegen den rug van den kolos kletteren. + +"Heerlijk!" zei Gravroche, "zoo hoor ik gaarne het water langs het +huis loopen. De winter is dom, hij verliest zijn waar, hij doet +vergeefsche moeite, hij kan ons niet nat maken, en dat maakt hem, +dien ouden waterman, boos." + +Deze toespeling op den donder, van welken Gavroche als philosoof der +negentiende eeuw al de gevolgen op zich nam, werd door een geweldigen +bliksemstraal gevolgd, die zoo schitterend was, dat ze den buik van +den olifant verlichtte. Bijna tegelijkertijd ratelde de donder en wel +op vreeselijke wijze. De twee kleinen slaakten een gil, en richtten +zich zoo schielijk op, dat het traliewerk bijna verschoven werd; maar +Gavroche zag hen onverschrokken aan, en maakte van den donderslag +gebruik om in een schaterend gelach uit te barsten. + +"Weest rustig, kinderen! Schudt het huis niet. 't Was een heerlijke +donderslag, zoo is 't goed. Die bliksem was geen voetzoeker. Bravo, +goede God! 't was bijna even mooi als op het tooneel." + +Daarop bracht hij het traliewerk weder in orde, legde de kinderen +zacht op de mat, drukte op hun knieën, om hen rechtuit te doen liggen, +en riep: + +"Nu de goede God zijn kaars ontsteekt, kan ik de mijne uitblazen. Nu +moet ge slapen, kindertjes. 't Is ongezond niet te slapen. Wikkelt +u goed in de deken. Nu blaas ik 't licht uit. Zijt ge klaar?" + +"Ja," fluisterde de oudste, "ik lig goed. 't Is mij of ik veêren +onder mijn hoofd heb." + +De beide kinderen drukten zich tegen elkander. Gavroche legde hen +verder op de mat terecht, trok de deken op tot hun ooren, en herhaalde: + +"Nu slapen!" + +Toen blies hij het eindje brandend touw uit. + +Nauwelijks was het licht uit, toen een zonderlinge beving het +traliewerk schudde, waaronder de drie knapen lagen. 't Was een +wrijving, welke een metaalklank veroorzaakte, alsof nagels en tanden +tegen het koperdraad krasten. Dit ging gepaard met een scherp gepiep. + +Het vijfjarig knaapje hoorde dat geraas boven zijn hoofd, en, van +angst verstijfd, stiet hij zijn oudste broertje met den elleboog, +maar deze sliep reeds, zooals Gavroche hem bevolen had. Toen waagde +het de kleine, die het van angst niet langer kon uitstaan, Gavroche +te roepen, maar zacht en met ingehouden adem: + +"Mijnheer?" + +"Nu?" vroeg Gavroche, die even de oogen gesloten had. + +"Wat is dat toch?" + +"'t Zijn ratten," antwoordde Gavroche. + +En hij legde zijn hoofd weder op de mat. + +De ratten, die bij duizenden in den romp van den olifant krioelden en +de levende zwarte vlekken waren, waarvan wij gesproken hebben, waren, +zoolang het licht brandde, op een eerbiedigen afstand gebleven, maar +zoodra het hol, 't welk als 't ware haar stad was, weder in duisternis +was gehuld, roken zij, 't geen in de sprookjes van Moeder de Gans +"versch vleesch" wordt genoemd, kwamen in drommen tegen Gavroches +tent stormen en knabbelden op het traliewerk, als wilden zij dit +nieuwe soort van muskietennest doorboren. + +De kleine kon ondertusschen niet slapen, en herhaalde: + +"Mijnheer!" + +"Nu?" zei Gavroche. + +"Wat zijn toch ratten?" + +"'t Zijn muizen." + +Deze verklaring stelde het kind een weinig gerust. Hij had wel eens +witte muizen gezien en was er niet bang voor geweest. Evenwel verhief +hij de stem weder en zeide: + +"Mijnheer!" + +"Nu?" hernam Gavroche. + +"Waarom hebt ge geen kat?'' + +"Ik heb er een gehad," antwoordde Gavroche, "ik heb er een meêgebracht, +maar zij hebben ze opgegeten." + +Deze tweede verklaring vernietigde de geruststelling der eerste, +en opnieuw begon de kleine te beven. De samenspraak tusschen hem en +Gavroche werd ten vierden male hervat: + +"Mijnheer!" + +"Nu?" + +"Wie is opgegeten?" + +"De kat." + +"Wie heeft de kat opgegeten?" + +"De ratten." + +"De muizen?" + +"Ja, de ratten." + +De kleine, ontzet voor muizen die katten opeten, hernam: "Mijnheer, +zouden deze muizen ons ook opeten?" + +"Zeker!" riep Gavroche. + +Nu was de angst van den kleine grenzenloos. Maar Gavroche voegde +er bij: + +"Wees niet bang! Zij kunnen niet bij ons komen. En daarbij ben ik er +immers. Ziedaar, neem mijn hand. Zwijg en slaap." + +Gavroche nam tegelijkertijd de hand van den kleine over diens +broertje heen. Het knaapje drukte die hand tegen zich en +voelde zich gerust. Moed en kracht bezitten een geheimzinnig +mededeelingsvermogen. Het was rondom hen weder stil geworden, het +gerucht der stemmen had de ratten verschrikt en verwijderd; zij +mochten na eenige minuten wederkomen en zich roeren, de drie knapen, +die gerust sliepen, hoorden niets meer. + +De uren van den nacht verstreken. Duisternis overdekte het groote +Bastilleplein; een koude wind, die zich aan den regen paarde, woei met +heftige vlagen; de patrouilles doorsnuffelden de deuren, de gangen, +de schuttingen, de donkere hoeken, om nachtelijke zwervers te zoeken, +maar gingen stil voorbij den olifant. Het monster stond bewegingloos, +met open oogen in de duisternis, en scheen tevreden over zijn goede +daad, die de drie arme slapende kinderen tegen het weer en de menschen +beschermde. + +Om te begrijpen wat volgt, herinnere men zich, dat in dien tijd het +wachthuis der Bastille aan het andere einde van het plein gelegen was, +en dat, hetgeen bij den olifant gebeurde, door de schildwacht noch +gehoord noch gezien kon worden. + +Een uur voor het aanbreken van den dag kwam een man uit de straat +St. Antoine loopen: ging over het plein langs de schutting der +Juli-kolom en kroop door het staketsel tot onder den buik van den +olifant. Zoo eenig licht dien man beschenen had, zou men gezien hebben, +dat hij den nacht in den regen had doorgebracht, dewijl hij door en +door nat was. + +Onder den olifant gekomen liet hij een zonderlingen kreet hooren, +die tot geen menschelijke taal behoort en die alleen een papegaai zou +kunnen voortbrengen. Hij herhaalde tweemalen dezen kreet, waarvan de +volgende spelling een flauw denkbeeld kan geven: + +"Kirikikioe!" + +Bij den tweeden kreet antwoordde, uit den buik van den olifant, +een heldere, vroolijke en jeugdige stem: + +"Ja!" + +Schier onmiddellijk verschoof de plank, welke de opening sloot en +liet een knaap door, die zich langs den poot van den olifant naar +beneden liet glijden en behendig naast den man terecht kwam. 't Was +Gavroche. De man was Montparnasse. + +De kreet Kirikikioe was zekerlijk, wat de knaap had bedoeld, toen +hij zei: "Vraag naar mijnheer Gavroche." + +Op 't hooren van dien kreet, was hij plotseling ontwaakt, uit zijn +"bedstede" gekropen, door het traliewerk een weinig weg te schuiven, +dat hij daarna weder zorgvuldig gesloten had; vervolgens had hij het +luik geopend en was naar beneden gegleden. + +De man en de knaap herkenden elkander zwijgend in den nacht; +Montparnasse zeide niets anders dan: + +"Wij hebben u noodig. Kom ons een handje helpen." + +De straatjongen vroeg geen nadere verklaring en zeide: + +"Hier ben ik!" + +Beiden begaven zich toen naar de straat St. Antoine, waaruit +Montparnasse was gekomen, zich haastig door de lange rij groentewagens +slingerende, die op dat uur naar de markt reden. + +De warmoeziers, die uithoofde van den plasregen tusschen salade +en groenten gehurkt, en half slapend tot aan de oogen in hun +voermansmantels gewikkeld waren, sloegen zelfs geen oog op deze +zonderlinge voorbijgangers. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +DE ONTVLUCHTING. + + +Denzelfden nacht had in de gevangenis La Force het volgende plaats: + +Er was tusschen Babet, Brujon, Gueulemer en Thénardier een plan ter +ontvluchting beraamd, hoewel Thénardier buiten allen toegang opgesloten +was. Babet had dienzelfden dag de zaak voor zijn rekening genomen, +zooals men uit het verhaal van Montparnasse aan Gavroche gezien heeft. + +Brujon, die een maand in een strafkamer had doorgebracht, had den tijd +gehad, ten eerste, er een touw te vlechten; ten tweede, er een plan +te ontwerpen. Eertijds bestonden deze treurige verblijven, waarin de +gevangenistucht den veroordeelde aan zich zelven overlaat, uit vier +steenen muren, een steenen gewelf, een steenen vloer, een brits, +een getralied lichtgat, een met ijzer beslagen deur; zij heetten +"cachotten"; maar het cachot werd te vreeselijk geacht; thans bestaat +het uit een ijzeren deur, een getralied lichtgat, een brits, een +steenen vloer, een steenen gewelf, vier steenen muren, en heet een +"strafkamer". Tegen den middag wordt het er een weinig licht. Het +verkeerde dezer kamers, die, gelijk men ziet, geen cachotten zijn, +is, dat men er wezens laat denken, die men moet laten werken. + +Brujon had dan ook gedacht, en was met een touw uit de strafkamer +gekomen. Wijl hij als zeer gevaarlijk op de plaats Charlemagne werd +geacht, plaatste men hem in het nieuwe gebouw. Het eerste dat hij +in het nieuwe gebouw vond was Gueulemer, het tweede een spijker; +Gueulemer--dat wil zeggen de misdaad; een spijker--dat wil zeggen +de vrijheid. + +Brujon, nopens wien men zich thans een nauwkeurig denkbeeld moet +vormen, was, onder een uiterlijk voorkomen van zwakheid en geveinsde +onverschilligheid, een geslepene, schrandere dief, met een vleienden +blik en wreeden glimlach. Zijn blik ontstond uit zijn wil, zijn +glimlach uit zijn aard. De eerste studiën zijner kunst hadden zich +naar de daken gericht, hij had groote vorderingen in de industrie +der looddieven gemaakt, die op behendige wijze de daken bestelen en +de goten ontkleeden. + +Wat het oogenblik voor een poging ter ontvluchting gunstig maakte, +was dat de leidekkers juist bezig waren met een gedeelte van het dak +te herstellen en van nieuwe leien te voorzien. De plaats Saint Bernard +was niet volkomen meer afgescheiden van de plaatsen Charlemagne en +Saint Louis. Er waren steigers en ladders boven; met andere woorden, +bruggen en trappen, die naar de vrijheid konden voeren. + +Het nieuwe gebouw, overal gescheurd en zeer vervallen, was het +zwakste gedeelte der gevangenis. De muren waren er zoodanig door het +salpeter ingevreten, dat men verplicht was geweest de zoldergewelven +der slaapzalen met hout te bekleeden, wijl er steenen uitvielen +op de gevangenen in hun bedden. Ondanks dezen vervallen toestand, +beging men den misslag de gevaarlijkste beschuldigden, of zooals men +in de gevangenistaal zegt, de "zwaarste zaken" in het nieuwe gebouw +op te sluiten. + +Het bevatte vier boven elkander liggende slaapzalen en een zolder, +dien men het Bel-Air noemde. Een breede schoorsteen, waarschijnlijk +afkomstig van de voormalige keuken der hertogen van la Force, liep +van beneden door de vier verdiepingen, scheidde de slaapkamers, waarin +hij als een platte pilaar stond, in tweeën en kwam op het dak uit. + +Gueulemer en Brujon waren in dezelfde slaapzaal. Men had ze uit +voorzichtigheid in de benedenverdieping geplaatst. Het hoofdeinde +hunner bedden raakte tegen den schoorsteen. + +Thénardier bevond zich juist boven hun hoofden, op den zolder, die +Bel-Air heette. + +De voorbijganger, die stil houdt in de straat Culture-Sainte-Catherine, +voorbij de kazerne der pompiers, voor de koetspoort van het badhuis, +ziet een binnenplein vol bloemen en heesters in bakken, en daarachter +een kleine rotonde met twee vleugels, vervroolijkt door groene +blinden--de landelijke droom van Jean Jacques. Geen tien jaren geleden +verhief zich achter en tegen die rotonde een zwarte, groote, leelijke, +naakte muur. 't Was de muur van den weg, die om de gevangenis van La +Force liep. + +Hoe hoog deze muur was, werd hij door een nog zwarter dak overtroffen, +dat men er overheen zag. Dat was het dak van het nieuwe gebouw. Men +merkte er vier met ijzeren tralies voorziene vensters in op; 't waren +de vensters van den zolder Bel-Air. Een schoorsteen rees op uit het +dak; het was de schoorsteen, die door de slaapkamers ging. + +Bel-Air, die zolder van het nieuwe gebouw, was een groote, +beschotene ruimte, met drievoudige traliën en met ijzer beslagen +deuren gesloten, die met groote spijkers als bezaaid waren. Zoo men +er aan het noordeinde binnentrad, had men links de vier dakvensters, +en rechts tegenover deze dakvensters vier tamelijk ruime, vierkante +hokken, door nauwe gangen van elkander gescheiden, wier muren tot +manshoogte uit metselwerk, doch daarboven tot aan het dak uit ijzeren +staven bestonden. + +Thénardier was sedert den nacht van den 3 Februari in een dier +hokken buiten toegang. Nooit heeft men kunnen ontdekken hoe, en door +welke verstandhouding, het hem gelukt was er zich te verschaffen +en te verbergen een flesch van dien wijn, zoo men zegt door Desrues +uitgevonden, die een verdoovingsmiddel bevat, en welken wijn de bende +der "in-slaap-makers" berucht heeft gemaakt. In vele gevangenissen +zijn verraderlijke beambten, half opzichters, half dieven die bij +ontvluchtingen de behulpzame hand leenen, aan de politie hun ontrouwe +diensten verkoopen en hun mes van weerszijden doen snijden. + +In dienzelfden nacht nu, dat Gavroche de beide zwervende kinderen had +opgenomen, stonden Brujon en Gueulemer, wetende dat Babet, dienzelfden +ochtend ontvlucht, hen met Montparnasse op de straat wachtte, stil +op, en boorden met den spijker, dien Brujon had gevonden, in den +schoorsteen, waartegen hun bedden stonden. Het puin viel op het +bed van Brujon, zoodat men er niets van merkte. Ook de windvlagen, +van donder verzeld, deden de deuren op haar hengsels krijschen en +maakten in de gevangenis een vreeselijk en heilzaam geraas. Die +gevangenen, welke wakker werden, hielden zich alsof zij sliepen +en lieten Gueulemer en Brujon hun gang gaan. Brujon was behendig, +Gueulemer was sterk. Voor dat eenig gerucht tot den bewaarder was +gekomen, die uit zijne getraliede cel, in de slaapzaal kon zien, was +de muur doorgebroken, de schoorsteen beklommen, het ijzeren hek, dat +van boven den schoorsteen sloot, verbroken en waren de twee geduchte +bandieten op het dak. De regen en wind namen toe, het dak was glad. + +"Welk een goede nacht voor de vlucht," zei Brujon. + +Een afgrond van zes voet breed en tachtig voet diep scheidde hen +van den ringmuur. In dien afgrond zagen zij in de duisternis het +geweer van den schildwacht glinsteren. Aan een stuk van de traliën +des schoorsteens, welke zij verbroken hadden, bonden zij het eind van +het touw, dat Brujon in zijn cachot gevlochten had, wierpen het andere +eind over den ringmuur, slingerden zich over de diepte, klemden zich +aan den rand van den muur, klommen er over, lieten zich de een na den +ander, langs het touw, op een dakje van het badhuis glijden, trokken +het touw tot zich, sprongen op de plaats van het badhuis, gingen ze +over, openden het raampje van den portier, waarbij de deurkoord hing, +trokken er aan, openden de koetspoort en bevonden zich op de straat. + +Geen drie kwartier uurs was verstreken, sinds zij in de duisternis +uit hun bed waren opgestaan met den spijker in de hand en hun plan +in het hoofd. + +Weinige oogenblikken later hadden zij Babet en Montparnasse gevonden, +die in de nabijheid rondslopen. + +Bij het naar zich toe trekken van het touw hadden zij het gebroken, en +een stuk ervan was aan den schoorsteen op het dak blijven zitten. Zij +hadden overigens geen andere averij, dan dat zij zich het vel bijna +geheel van de handen hadden geschaafd. + +Dien nacht was Thénardier, zonder dat men heeft kunnen ontdekken op +welke wijze, verwittigd, en sliep hij niet. + +Tegen één uur des nachts, terwijl het zeer donker was, zag hij op +het dak, in den regen en wind, voorbij het venster tegenover zijn hok +twee schaduwen gaan. De een bleef een oogenblik voor het dakvenster +staan. 't Was Brujon. Thénardier herkende hem en begreep. Dat was +hem voldoende. + +Thénardier, die wegens beschuldiging van nachtelijke, gewapende +hinderlaag in de gevangenis was, werd niet uit het oog +verloren. Een schildwacht, die om de twee uren werd afgelost, +wandelde met geladen geweer voor zijn hok. De zolder werd door een +lamp verlicht. De gevangene had aan de voeten een paar ketens van +vijftig pond. Dagelijks, te vier uren 's namiddags, trad een oppasser, +vergezeld van twee doggen--zooals destijds nog geschiedde--zijn hok +binnen, legde bij zijn bed een zwart brood van twee pond, een kruik +water en een bak met een tamelijk magere soep, waarin eenige boonen +dreven, onderzocht zijn ketens en klopte tegen de ijzeren tralies. Deze +man kwam met zijn doggen insgelijks tweemaal 's nachts. + +Thénardier had vergunning gekregen, een soort van ijzeren pen te +behouden, waarvan hij zich bediende om zijn brood in een scheur van +den muur te hechten, ten einde, zooals hij zeide, het voor de ratten +te behoeden. Aangezien Thénardier zoo streng bewaakt werd, had men er +geen bezwaar in gezien hem deze pen te laten. Later evenwel herinnerde +men zich, dat een bewaarder had gezegd: "Het ware beter geweest, +hem een houten pen te geven." + +Te twee uren loste men den schildwacht, een oud soldaat af, die door +een recruut vervangen werd. Eenige oogenblikken later, bracht de man +met de honden zijn bezoek, en ging weder heen, zonder iets anders te +hebben opgemerkt dan dat de recruut zeer jong en een boer scheen. Twee +uren later, toen men den recruut afloste, vond men hem slapend als +een blok bij het hok van Thénardier liggen. Maar Thénardier was er +niet meer. Zijn gebroken ketens lagen op den grond. In de zoldering +van zijn hok was een opening en daarboven een andere in het dak. Van +zijn brits was een plank afgebroken en ongetwijfeld medegenomen, want +men vond ze niet. Men vond ook in de cel een half ledige flesch, met +den bedwelmenden wijn, waarmede de soldaat in slaap was gemaakt. De +bajonnet van den soldaat was verdwenen. + +Toen dit ontdekt werd, waande men Thénardier buiten alle bereik. Hij +was werkelijk niet meer in het nieuwe gebouw, maar bevond zich evenwel +nog in groot gevaar. + +Toen Thénardier op het dak van het nieuwe gebouw kwam, had hij wel +het eind touw gevonden, dat aan de tralies boven aan den schoorsteen +hing, maar dat afgebroken eind was te kort, zoodat hij zich daarvan +niet had kunnen bedienen, zooals Brujon en Gueulemer, om over den +ringmuur te vluchten. + +Wanneer men uit de Balletstraat naar de straat Roi-de-Sicile gaat, +vindt men schier dadelijk rechts een morsige ruimte. In de vorige eeuw +stond er een huis, waarvan nog slechts de achtermuur, die tusschen de +naburige huizen tot de hoogte eener derde verdieping reikt, aanwezig +was. Deze bouwval is herkenbaar aan twee groote, vierkante vensters, +welke men er nog ziet; het middenste en dichtste bij den rechtergevel +is met een paar vermolmde planken afgesloten. Door deze vensters zag +men vroeger een hoogen donkeren muur, een gedeelte van den ringmuur +der gevangenis. + +De ruimte, welke het afgebroken huis op de straat heeft gelaten, +is half gevuld door een schutting van vermolmde planken, door vijf +steenen palen geschoord. Binnen deze omheining staat een kleine loods +tegen den overeind gebleven muur. In de schutting is een deur, die +eenige jaren geleden slechts met een klink gesloten was. + +'t Was even na drie uren in den morgen dat Thénardier op den top van +dien muur was gekomen. + +Hoe hij er op was gekomen, heeft men nooit kunnen verklaren of +begrijpen. De bliksemstralen hadden hem tegelijk moeten belemmeren en +helpen. Had hij zich van de ladders en steigers der leidekkers bediend +om van dak tot dak, van schutting tot schutting, van muur tot muur, +de gebouwen van de plaats Charlemagne, vervolgens de gebouwen van de +plaats Saint Louis, den ringmuur en den vervallen muur in de straat +Roi-de-Sicile te bereiken? Maar die weg werd door tusschenruimten +afgebroken, welke het overstijgen onmogelijk maakten. Had hij de plank +van zijn brits als een brug van het dak boven den zolder Bel-Air op +den ringmuur gelegd, en was hij, over den geheelen ringmuur kruipende, +aan het afgebroken huis gekomen? Maar de ringmuur vormde een ongelijke +en getande lijn, hij liep op en neer, aan de kazerne der pompiers +daalde hij en verhief zich bij het badhuis; hij werd door gebouwen +afgebroken, had dezelfde hoogte niet bij het hôtel Lamoignon als in +de straat Pavée; overal had hij scherpe hoeken, bovendien hadden +de schildwachten de donkere gestalte van den vluchteling moeten +zien;--zoodat thans nog de weg van Thénardier schier onverklaarbaar +is. Op deze beide wijzen was ontvluchten onmogelijk. Had Thénardier, +bezield door dien vreeselijken dorst naar vrijheid, welke afgronden +in greppels, ijzeren tralies in teenen horden, een gebrekkige in +een worstelaar, een jichtige in een vogel, domheid in instinct, +het instinct in schranderheid, de schranderheid in genie verandert, +een derde middel ontdekt en ten uitvoer gebracht? Men heeft het +nooit geweten. + +Men kan zich de wonderen der ontvluchting niet altijd verklaren. Hij +die ontsnapt, wij herhalen het, is op een bijzondere wijze bezield; +het geheimzinnig licht der vlucht heeft iets van de ster en den +bliksem; een poging naar bevrijding is niet minder wonderbaar dan +de wiekslag naar het verhevene; van een gevluchten dief zegt men: +Hoe heeft hij over dat dak kunnen klimmen? evenals men van Corneille +zegt: Waar heeft hij het qu'il mourût [2] vandaan gehaald? + +Hoe het zij, van zweet druipend, doornat van den regen, met gescheurde +kleederen, ontvelde handen, bloedende ellebogen, geschaafde knieën, +was Thénardier op den muur van den bouwval gekomen, en had er zich, +geheel uitgeput, in zijn geheele lengte op neergelegd. Een loodrechte +steilte van drie verdiepingen hoog scheidde hem van de straat. + +Het touw, dat hij had, was te kort. + +Hier wachtte hij, uitgeput, beroofd van al de hoop welke hij gehad +had, nog door den nacht bedekt, maar wetende dat de dag spoedig zou +aanbreken, sidderend bij 't denkbeeld van binnen weinige oogenblikken +de naburige klok van St. Paulus vier uren te zullen hooren slaan, het +uur dat men den schildwacht aflossen en men dien onder het doorgebroken +dak vinden zou, met ontzetting, bij het licht der lantaarns, in een +vreeselijke diepte, de natte donkere straat ziende, deze zoo gewenschte +en gevreesde straat, die of de dood of de vrijheid was. + +Hij vroeg zich af of zijn drie vluchtgenooten geslaagd waren, of +zij hem ter hulp zouden komen. Hij luisterde. Behalve een patrouille +was niemand, sinds hij hier was, over de straat gegaan. Schier al de +groenteboeren van Montreuil, Charonne, Vincennes en Bercy gaan door +de straat St. Antoine naar de markt. + +Het sloeg vier uren. Thénardier schrikte. Eenige oogenblikken +later ontstond in de gevangenis dat verwarde, ontstelde rumoer, +'t welk op een ontdekte vlucht volgt. Het gerucht der geopend en +gesloten wordende deuren, het krassen der hekken op hun hengsels, +de verwarring in de wacht, heesch geroep van gevangenbewaarders, het +stooten van geweerkolven op de steenen der binnenplaatsen, dat alles +hoorde hij. Lichten gingen heen en weer voorbij de tralievensters der +slaapzalen; een toorts zocht langs den gevel van het nieuwe gebouw; +de pompiers van de naaste kazerne waren geroepen. Hun helmen, welke +de toorts in den regen verlichtte, gingen heen en weder langs de +daken. Terzelfder tijd zag Thénardier naar den kant der Bastille den +gezichteinder allengs door een flauwen schijn verlicht. + +Hij lag op den rand van een muur van tien duim breed, onder een +plasregen uitgestrekt, tusschen twee afgronden rechts en links, zich +niet durvende bewegen, ter prooi aan de duizelingwekkende gedachte van +een mogelijken val of de vreeselijkheid eener zekere inhechtenisneming; +en deze gedachte ging als een slinger heen en weder: Dood zoo ik val, +gevangen zoo ik blijf. + +In dien angst zag hij eensklaps, terwijl de straat nog geheel donker +was, een man, van den kant der straat Pavée komende, langs den muur +sluipen, die bij de open plaats bleef stil staan, waarboven Thénardier +als in de lucht zweefde. Bij dezen man voegde zich een tweede, die met +dezelfde behoedzaamheid voortging, toen een derde, en eindelijk een +vierde. Toen deze mannen bijeen waren, lichtte een de klink der deur +van de schutting op en alle vier traden op de plaats waar de loods +stond. Zij bevonden zich juist onder Thénardier. Deze mannen hadden +blijkbaar deze omheinde ruimte gekozen, om met elkander te kunnen +spreken, zonder door de voorbijgangers noch door den schildwacht der +poort van la Force, die op eenige schreden van daar stond, gezien +te worden. Het moet worden opgemerkt, dat deze schildwacht door den +regen in zijn schilderhuis werd gehouden. Thénardier kon hun gezichten +niet onderscheiden, maar luisterde naar hun woorden, met de wanhopige +opmerkzaamheid van een ellendige die zich verloren acht. + +Thénardier zag iets voor zijn oogen opdagen, dat naar hoop geleek--deze +mannen spraken in de dieventaal. + +De eerste zeide zacht, maar duidelijk in die taal: + +"Laat ons gaan. Wat doen we hier?" + +De tweede antwoordde: + +"Het regent als om het helsche vuur uit te dooven. En daarbij zullen +de dienders voorbijkomen. Ginds staat een soldaat op schildwacht. Men +zal ons hier aanhouden." + +Deze dieventaal was voor Thénardier een lichtstraal. Aan de uitspraak +van een zeker woord herkende hij Brujon, den barrièreschooier, +aan de uitspraak van een ander, Babet, die onder allerlei beroepen +ook uitdrager in den Temple was geweest. De oude dieventaal van den +Temple verschilt van de verbasterde der boulevards, en Babet was de +eenige die ze zuiver sprak. Zonder het bewuste woord zou Thénardier +hem niet herkend hebben, want hij had zijn stem geheel veranderd. + +Intusschen was de derde persoon tusschenbeide gekomen en zeide: + +"Niets dringt ons nog; wachten wij hier even. Wie zegt dat hij ons +niet noodig heeft?" + +Aan deze woorden, in zuiver Fransch gesproken, herkende Thénardier +Montparnasse, die er zijn eer in stelde allerlei soort van dieventaal +te verstaan, maar ze niet te spreken. + +De vierde zweeg, maar zijn breede schouders verrieden hem. Thénardier +behoefde niet te twijfelen. 't Was Gueulemer. + +Brujon antwoordde schier driftig, doch altijd zacht: + +"Wat zegt ge? De herbergier zal niet hebben kunnen vluchten! Hij kent +het beroep niet! Men moet er verstand van hebben, om zijn hemd te +scheuren en zijn beddelaken aan reepen te snijden, ten einde er een +touw van te vlechten, gaten in de deuren te maken, valsche papieren, +valsche sleutels te fabriceeren, zijn ketens door te vijlen, het touw +uit te hangen, zich te verbergen en te vermommen. De oude zal er niet +toe in staat zijn geweest; hij kan niet werken." + +Babet voegde er bij, in de classieke dieventaal, welke Poulaillier +en Cartouche spraken, en die bij de nieuwere dieventaal van Brujon +is als de taal van Racine bij die van André Chenier vergeleken: + +"De herbergier zal op heeter daad betrapt zijn. Men moet slim +wezen. Hij is een leerling. Hij zal zich door een verklikker hebben +laten bedotten; misschien door een onnoozele, die voorgaf een +kameraad te zijn. Luistert! Hoort ge dat gerucht in de gevangenis, +Montparnasse? Ziet ge al die lichten? Hij is weder gevat. Nu, hij zal +er met twintig jaren af zijn. Ik ben niet bang, ik ben geen bloodaard, +'t is bekend, maar er is niets meer te doen, of anders zou men ons +wel eens kunnen pakken. Kom, maak u niet kwaad, ga met ons, laat ons +een flesch ouden wijn gaan drinken." + +"Men mag zijn vrienden niet in de verlegenheid laten," bromde +Montparnasse. + +"Ik zeg u, dat hij op dit oogenblik gevat is," hernam Brujon, +"de herbergier is geen oortje meer waard. Wij kunnen er niets tegen +doen. Laat ons gaan. Ik meen ieder oogenblik dat een diender mij bij +den kraag pakt." + +Montparnasse verzette zich nog slechts flauw. De vier mannen +hadden werkelijk met die trouw der bandieten, waarmede zij elkander +steeds bijstaan, den ganschen nacht om de gevangenis gezworven, hoe +gevaarlijk dit ook voor hen zijn mocht, in de hoop van Thénardier +op een of anderen muur te zien verschijnen. Maar de inderdaad zeer +gunstige nacht--een plasregen, die alle straten eenzaam maakte--de +koude welke zij leden, hun doornatte kleederen, hun met water gevulde +schoenen, het onrustbarend gerucht in de gevangenis, de verloopen +uren, de te ontmoeten patrouilles, de hoop die vervloog, de vrees die +terugkwam, dit alles drong hen tot den aftocht. Montparnasse zelf, +die misschien min of meer Thénardiers schoonzoon was, zwichtte. Nog +een oogenblik en zij waren vertrokken. Thénardier hijgde op zijn muur, +als de schipbreukeling op zijn vlot, die het bespeurde schip aan den +horizon ziet verdwijnen. + +Hij durfde hen niet roepen, want een kreet kon alles verraden; maar +hij had een denkbeeld, een laatste, een lichtstraal; hij haalde uit +zijn zak het eind touw van Brujon, dat hij van den schoorsteen van +het nieuwe gebouw had getrokken en wierp het in de omheinde ruimte. + +Dat touw viel aan hun voeten. + +"Een touw!" zei Babet. + +"Mijn touw!" zei Brujon. + +"De herbergier is daar," zei Montparnasse. + +Zij sloegen de oogen op. Thénardier stak het hoofd een weinig vooruit. + +"Schielijk!" zei Montparnasse, "hebt ge 't andere eind van het touw, +Brujon?" + +"Ja." + +"Knoop de beide einden aaneen, wij zullen hem het touw toewerpen; +hij zal het aan den muur vastmaken, en 't zal lang genoeg zijn om er +langs neer te dalen." + +Thénardier waagde het, zich te doen hooren en riep: + +"Ik ben verstijfd." + +"Wij zullen u verwarmen." + +"Ik kan mij niet verroeren." + +"Ge moet u laten afglijden; wij zullen u opvangen." + +"Mijn handen zijn verdoofd." + +"Maak het touw maar aan den muur vast." + +"Ik kan niet." + +"Een onzer moet naar boven klimmen," zei Montparnasse. + +"Drie verdiepingen," riep Brujon. + +Een oude schoorsteenpijp, die voor een kachel had gediend, welke +vroeger in de loods werd gestookt, liep langs den muur, schier tot de +plaats, waar men Thénardier zag. Deze, destijds zeer beschadigde en +gebersten pijp is sinds weggemaakt; men ziet er echter nog de sporen +van. Zij was tamelijk nauw. + +"Men kan daar doorklimmen," zei Montparnasse. + +"Door die pijp?" riep Babet. "Een man! niet mogelijk! wel een jongen." + +"Wij zouden een jongen moeten hebben," hernam Brujon. + +"Waar een kleinen jongen te vinden?" zei Gueulemer. + +"Wacht," zei Montparnasse. "Ik weet er een!" + +Hij opende zacht de deur der schutting, overtuigde zich dat niemand +op de straat was, ging voorzichtig naar buiten, sloot de deur achter +zich, en liep haastig naar den kant der Bastille. + +Er verstreken zeven of acht minuten, acht duizend eeuwen voor +Thénardier. Babet, Brujon en Gueulemer openden den mond niet; eindelijk +werd de deur weder geopend en Montparnasse verscheen buiten adem, +met Gavroche. De regen maakte dat de straat nog steeds geheel zonder +menschen was. + +De kleine Gavroche trad binnen de schutting en aanschouwde met rustigen +blik deze roovergestalten. Het water droop van zijn haar. Gueulemer +sprak tot hem: + +"Zijt ge een man, jongen?" + +Gavroche haalde de schouders op en antwoordde in de dieventaal: + +"Een jongen als ik is een man, en mannen als gij zijn jongens." + +"Wat heeft die jongen een grooten mond," riep Babet. + +"De Parijsche jongen is geen bloodaard," zei Brujon. + +"Wat wilt ge?" vroeg Gavroche. + +Montparnasse antwoordde: + +"In die pijp omhoog klauteren." + +"Met dit touw," zei Babet. + +"En het touw vastmaken," liet Brujon er op volgen. + +"Boven aan den muur," hernam Babet. + +"Aan den middenstijl van het venster," voegde Brujon er bij. + +"En dan?" zei Gavroche. + +"Dat is alles!" zei Gueulemer. + +De straatjongen bezag het touw, de pijp, den muur, de vensters, +en maakte met de lippen dat minachtend, onbeschrijfelijk geluid +'t welk beteekent: + +"Anders niet?" + +"Hierboven is een man, dien ge redden kunt," hernam Montparnasse. + +"Wilt ge?" hernam Brujon. + +De knaap maakte een gebaar alsof deze vraag hem ongehoord voorkwam, +en hij trok zijn schoenen uit. + +Gueulemer nam Gavroche bij den arm, zette hem op het dak der loods, +welks vermolmde planken onder het gewicht van den knaap bogen, en gaf +hem het touw, dat Brujon in de afwezigheid van Montparnasse aaneen +had geknoopt. De straatjongen naderde de pijp, waarin hij gemakkelijk +door een breede scheur dicht bij het dak komen kon. Juist toen hij +wilde opklauteren boog Thénardier, die redding en leven zag naderen, +zich over den muur. De eerste stralen van het daglicht beschenen +zijn met zweet bedekt gezicht, zijn bleeke kaken, zijn spitsen neus, +zijn grijzen, stekeligen baard, en Gavroche herkende hem: + +"Kijk!" zeide hij, "'t is vader... Nu, dat hindert niet." + +En het touw tusschen zijn tanden nemende, begon hij moedig op te +stijgen. + +Hij kwam boven, ging schrijlings op den muur zitten en bond stevig +het touw aan het bovenste dwarshout van het venster. + +Een oogenblik later was Thénardier op de straat. + +Zoodra hij de straatsteenen had bereikt en zich buiten gevaar gevoelde, +was hij niet meer vermoeid, koud noch bevend; het vreeselijke, waaraan +hij ontkomen was, verdween als rook; zijn geheele zeldzame, woeste +schranderheid ontwaakte weder, en vrij en onbelemmerd was hij opnieuw +gereed er gebruik van te maken. Het eerste wat deze man zeide was: + +"Wien zullen wij nu gaan eten?" + +'t Is onnoodig den zin van dit vreeselijk doorschijnend woord te +verklaren; 't welk tegelijkertijd moorden, doodslaan en rooven +beteekent. Eten beteekent hier eigenlijk verslinden. + +"Laten wij elkander goed verstaan," zei Brujon. "Nog een paar woorden +en dan scheiden wij. In de straat Plumet was een zaak te doen, die +goed scheen; een eenzame straat, een afgescheiden huis, een oud, +vergaan tuinhek, en vrouwen alleen." + +"Nu! waarom niet?" vroeg Thénardier. + +"Uw dochter Eponine heeft de zaak onderzocht," antwoordde Babet. + +"En zij heeft Magnon een beschuit gebracht," voegde Gueulemer er +bij. "Daar is niets te maken." + +"Het meisje is niet dom," zei Thénardier. "Wij moeten toch eens zien." + +"Ja, ja," zei Brujon, "wij moeten eens zien." + +Geen der mannen lette ondertusschen meer op Gavroche, die gedurende +dit gesprek zich op een der straatpalen tegen de schutting had gezet; +hij wachtte eenige oogenblikken, of zijn vader misschien bij hem zou +komen, daarop trok hij zijn schoenen weder aan en zeide: + +"'t Is gedaan? Hebt gij mij niet meer noodig, mannen? Nu zijt ge +geholpen. Ik ga, mijn kinderen moeten gewekt worden." + +En hij ging heen. + +Een voor een gingen de vijf mannen door de schutting naar buiten. + +Toen Gavroche om den hoek der straat des Ballets was, nam Babet +Thénardier ter zijde en vroeg: + +"Hebt ge den kleine gezien?" + +"Welken kleine?" + +"Den kleine, die op den muur is geklauterd en u het touw heeft +gebracht?" + +"Niet nauwkeurig." + +"Nu, ik weet niet zeker, maar ik geloof dat het uw zoon is." + +"Zoo!" zei Thénardier, "meent ge?" + + + + + + + +BOEK VII. + +DE DIEVENTAAL. + + + [Het 1e en 2e hoofdstuk van dit boek bevatten + wijsgeerig-philologische onderzoekingen en verklaringen over + den oorsprong en de wortels der Fransche zoogenaamde dieventaal + (argot), die, hoe belangrijk misschien ook voor de Fransche + taal- en zedenkunde, voor den Hollandschen lezer echter weinig + bekoorlijks zullen hebben, en die wij dus gerustelijk achterwege + meenen te mogen laten. Wie lust heeft hiervan eene studie te maken, + zal den Franschen tekst zelven moeten gebruiken.] + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +DE WEENENDE EN LACHENDE DIEVENTAAL. + + +Men heeft uit de beide voorafgaande hoofdstukken kunnen zien dat de +dieventaal, zoowel die van voor vierhonderd jaar als die van heden, +doordrongen is van een symbolischen geest, die aan alle woorden hetzij +een klagende of een dreigende uitdrukking geeft. + +De verschillende vormen, welke de gedachten in de dieventaal +aannamen, zelfs het gezang, de scherts en de bedreiging, hadden alle +dit onmachtig en bedrukt karakter. Al de gezangen, waarvan sommige +melodieën zijn bewaard, waren tot weenens toe deemoedig en treurig. De +pègre (dief) noemt zich steeds den armen pègre, en is altijd de haas, +die zich verbergt, de muis die vlucht, de vogel die wegvliegt. + +Nauwelijks durft hij iets eischen, hij zucht slechts.--Telkens wanneer +de ellendige den tijd heeft te denken, maakt hij zich klein tegenover +de wet en erbarmelijk tegenover de maatschappij; hij werpt zich in +'t stof, smeekt, roept het medelijden in; men gevoelt, dat hij zijn +onrecht beseft. + +Tegen het einde der vorige eeuw ontstond een verandering. De +gevangenisliederen, het dievengezang werden, om zoo te spreken, +onbeschaamd en vroolijk. In de meeste liederen van het bagno, der +galeien en gevangenissen vindt men deze duivelachtige, raadselachtige +vroolijkheid. + +Men zong een schertsend liedje bij het vermoorden van iemand in een +kelder of in een bosch. + +'t Is een ernstig verschijnsel, dat in de achttiende eeuw de oude +zwaarmoedigheid dier ellendige klassen verminderde. Zij begonnen te +lachen. Zij bespotten God en den koning. Zij noemen Lodewijk XV: +"markies de Pantin." Zij zijn bijna vroolijk. Iets lichtzinnigs +verschijnt bij deze ellendigen, als drukte hun het geweten volstrekt +niet. Deze erbarmelijke klassen hebben niet slechts de wanhopige +vermetelheid der daden, maar ook de onverschillige vermetelheid van den +geest. Het is een bewijs, dat zij het bewustzijn hunner misdadigheid +verloren, en een flauw gevoel hadden van den steun, dien zij bij de +denkers vonden. 't Is een kenteeken, dat de diefstal en roof zelfs +in de leerstellingen en sofismen indrongen, zoodra zij een weinig +van hun leelijkheid verloren, door daarvan veel aan de sofismen en +leerstellingen over te doen. 't Is eindelijk, zoo niet eenigerlei +afleiding komt, het kenteeken van een groote aanstaande ontwikkeling. + +Blijven wij hierbij een oogenblik stilstaan. Wie beschuldigen +wij? De achttiende eeuw? Haar wijsbegeerte? Neen gewis niet. Het +werk der achttiende eeuw is goed en gezond. De encyclopedisten, +de physiocraten, de wijsgeeren, de utopisten, met Diderot, Turgot, +Voltaire en Rousseau aan het hoofd, zijn vier gewijde legioenen. De +ontzaggelijke vooruitgang van de menschheid naar het licht is aan +hen te danken. Zij zijn de voorhoede van het menschelijk geslacht, +dat naar de vier hoofdpunten van den vooruitgang gaat, Diderot naar +het schoone, Turgot naar het nuttige, Voltaire naar het ware, Rousseau +naar het rechtvaardige. Maar naast en onder de wijsgeeren waren de +sofisten, giftige gewassen onder de heilzame kruiden, de scheerling in +het maagdelijk woud. Terwijl de beul op de groote trap van het paleis +van justitie de groote, vrijzinnige boeken der eeuw verbrandde, gaven +thans vergeten schrijvers, met koninklijke goedkeuring, zonderling +verwarring brengende geschriften uit, die gretig door de ellendigen +gelezen werden. Deze feiten bleven uiterlijk onopgemerkt, maar vaak is +een feit juist gevaarlijk door zijn onbekendheid. Van al de schrijvers, +die destijds op de verderfelijkste wijze de maatschappij ondermijnden, +is misschien Restif de la Bretonne de gevaarlijkste. + +Dit voor geheel Europa geëigend werk, bracht in Duitschland meer +verwarring teweeg dan ergens elders. Gedurende een zekeren tijd, door +Schiller in zijn vermaard drama de Roovers voorgesteld, verhieven +zich diefstal en roof als protest tegen den eigendom en den arbeid, +verbonden zich met zekere, schijnbaar ware maar werkelijk valsche +en ongerijmde gronddenkbeelden, hulden zich in deze denkbeelden en +verdwenen er eenigermate in, namen een abstracten naam aan en gingen +over tot een soort van theorie; verspreidden zich alzoo onder de +werkzame, lijdende en eerlijke klassen, zonder dat de onvoorzichtige +scheikundigen, die het drankje bereid hadden, er iets van begrepen, +zelfs zonder dat de menigte er iets van begreep, die het innam. Wanneer +een dergelijk feit ontstaat, is het altijd gewichtig. Het lijden +verwekt toorn, en terwijl de gelukkige klassen zich verblinden of +slapen, 't geen hetzelfde is als de oogen te sluiten, ontsteekt de haat +der ongelukkige klassen zijn toorts aan een of anderen verdrietigen +of boozen geest, die in een hoek droomt, en begint de maatschappij +te onderzoeken. Het onderzoek van den haat is iets vreeselijks. + +Daardoor, zoo het ongeluk van den tijd het wil, ontstaan die +schrikkelijke schokken, welke men eertijds "Jacqueries" noemde, +waarbij de zuiver politieke beroeringen kinderspel zijn, en die niet +meer de worsteling van den verdrukte tegen den verdrukker, maar de +opstand van de ziekte tegen de gezondheid is. Dan stort alles in. + +De Jacqueries zijn volksbevingen. + +Aan dit gevaar, 't welk Europa misschien tegen het einde der achttiende +eeuw bedreigde, maakte de Fransche revolutie, deze onmetelijke daad +van gerechtigheid, een einde. + +De Fransche revolutie, welke niets anders is dan het gewapende ideaal, +verhief zich, en met dezelfde snelle beweging sloot zij de deur van +het kwade en opende de deur van het goede. + +Zij ontwikkelde de quaestie, zij verkondigde luide de waarheid, +verdreef de smetstof, maakte de eeuw gezond, kroonde het volk. + +Men kan zeggen, dat zij den mensch ten tweeden male heeft geschapen, +door hem een tweede ziel, het recht, te geven. + +De negentiende eeuw erft en trekt voordeel van haar werk, en thans +is de maatschappelijke catastrophe, welke wij zoo aanstonds aanwezen, +eenvoudig, onmogelijk. Hij is blind die haar voorspelt, hij is dwaas +die haar vreest. De revolutie is de koepokstof tegen de Jacquerie. + +Door de revolutie zijn de maatschappelijke toestanden veranderd. De +feodale en monarchieke ziekten zitten niet meer in ons bloed. In onze +constitutie is geen middeleeuw meer. Wij zijn niet meer in den tijd, +toen schrikkelijke inwendige beroeringen ontstonden, toen men onder +zijn voeten een dof gerucht hoorde, toen zich op de oppervlakte der +beschaving onbekende molshoopen vormden, toen de grond zich opende, +toen de toppen der holen scheurden en men plotseling uit de aarde +vreeselijke hoofden zag opstijgen. + +De revolutionnaire zin is een zedelijke zin. Het ontwikkeld gevoel van +het recht ontwikkelt het gevoel van den plicht. De wet voor allen is +de vrijheid, die eindigt, waar de vrijheid van anderen begint, zooals +Robespierre zoo juist gezegd heeft. Sedert 89 zet zich het geheele +volk in het veredeld individu uit; geen arme of hij heeft zijn recht, +alzoo zijn licht; de nooddruftige gevoelt in zich de eerlijkheid van +Frankrijk, de waardigheid van burger is een inwendige wapenrusting; die +vrij is, is nauwgezet; die stemt, regeert. Vandaar de onmogelijkheid +van omkoopingen en de mislukking van onredelijke begeerten; +vandaar de edel neergeslagen oogen voor de verleiding. De revolutie +veredelt zoozeer, dat op een dag van bevrijding, als den 14 Juli, +den 10 Augustus, er geen gepeupel meer is. De eerste kreet van een +verlichte en veredelde menigte is: weg met de dieven! De vooruitgang +is steeds eerlijk; het edele en absolute stelen niet. Door wie werden +in 1848 de wagens geëscorteerd, welke de schatten der Tuilerieën +bevatten? Door de voddenrapers der voorstad St. Antoine. De lompen +bewaakten de schatten. De deugd deed deze haveloozen schitteren. In +deze wagens, in deze kwalijk gesloten, gedeeltelijk half open kisten, +bevond zich, tusschen honderden oogverblindende juweelen, de oude +kroon van Frankrijk geheel van diamanten, met den karbonkel van het +koningschap er op, de "regent", die dertig millioen waard was. Deze +mannen met bloote voeten bewaakten deze kroon. + +Er is alzoo geen "Jacquerie" meer; 't doet mij leed om de +behendigen. 't Is een verouderde vrees, die uitgewerkt heeft en +voortaan in de politiek niet meer gebruikt kan worden. + +De groote veer van het roode spook is gebroken. Iedereen weet het. Dat +denkbeeld beangstigt niet meer. De vogels worden gemeenzaam met den +vogelverschrikker, zij doen er hun behoefte op, en de menschen lachen +er om. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +DE TWEE PLICHTEN: WAKEN EN HOPEN. + + +Is hiermede nu alle maatschappelijk gevaar verdreven? Zeker neen. Geen +Jacquerie. De maatschappij kan te dien aanzien gerust zijn; het bloed +zal haar niet meer naar het hoofd stijgen; maar zij moet er op letten, +hoe zij ademt. Er is geen beroerte meer te vreezen, maar wel tering. De +maatschappelijke tering heet armoede. + +Men sterft evenzeer door langzame ondermijning als door een +plotselingen slag. + +Laat ons niet moede worden te herhalen, dat de hoogste broederplicht, +de hoogste politieke noodzakelijkheid, is, in de eerste plaats, +aan de menigte behoeftigen te denken, hen te verlichten, hun een +betere lucht, een betere opvoeding te geven, hen te beminnen, hun +horizon te verruimen, hen in allerlei richtingen te beschaven, hun het +voorbeeld van nijverheid, nooit dat van werkeloosheid te geven, den +last van enkelen te verlichten door de kennis van het algemeene doel +te vermeerderen, de armoede te beperken zonder den rijkdom te schaden, +een ruim veld voor de openbare en volksbedrijvigheid te openen; als +Briareus honderd handen te hebben om ze aan alle zijden den bedrukten +en zwakken toe te reiken; de algemeene kracht aan te wenden voor dien +grooten plicht, om werkplaatsen voor alle handen, scholen voor alle +bekwaamheden en geestvermogens te openen; het werkloon te verhoogen, +den arbeid te verlichten, ontvangsten en uitgaven in evenwicht te +houden, namelijk het genot in verhouding tot de inspanning en de +verzadiging in verhouding tot de behoefte te brengen, met één woord, +uit het maatschappelijk samenstel meer licht en welstand te doen +ontwikkelen, ten bate der lijdenden en der onwetenden. + +En, zeggen wij het, dit alles is slechts een begin. De wezenlijke +quaestie is deze: de arbeid kan geen wet zijn, zonder een recht +te wezen. + +'t Is hier de plaats niet, om hierover verder uit te weiden. + +Zoo de natuur voorzienigheid wordt geheeten, moet de maatschappij +voorzorg heeten. + +De verstandelijke en zedelijke wasdom is niet minder onmisbaar dan de +stoffelijke verbetering. Weten is een teerpenning, denken is de eerste +noodzakelijkheid, de waarheid is voedsel gelijk de tarwe. Een verstand, +dat zich van wetenschap en wijsheid onthoudt, vermagert. Beklagen wij, +zoowel de geesten als de magen, die zich niet voeden. Zoo er iets +treuriger is dan een lichaam dat verkwijnt uit gebrek aan voedsel, +is 't een ziel die ondergaat uit gebrek aan licht. + +De geheele vooruitgang streeft naar de zijde der oplossing. Eenmaal zal +men verstomd zijn. Zoodra het menschelijk geslacht zich verheft, zullen +de diepere lagen geheel natuurlijk uit den kring van den nood komen. De +ellende zal door een eenvoudige verheffing der oppervlakte verdwijnen. + +Men zou verkeerd doen aan deze gezegende oplossing te twijfelen. + +'t Is waar, het verledene is heden nog zeer sterk. Het herleeft. Deze +verlevendiging van een lijk is verwonderlijk. Het treedt voort en +nadert. Het schijnt overwinnaar; deze doode is een veroveraar. Het +komt met zijn legioenen, het bijgeloof, met zijn degen, het despotisme, +met zijn vaandel, de onwetendheid; sedert eenigen tijd heeft het tien +veldslagen gewonnen. Het nadert, het dreigt, het lacht, het staat voor +onze poorten. Maar laat ons niet wanhopen. Verkoopen wij het veld, +waar Hannibal legert. + +Wat hebben wij, die gelooven, te vreezen? + +De ideeën kunnen evenmin teruggaan als de rivieren. + +Dat zij, die deze toekomst niet willen, dit wel overwegen. Door +den vooruitgang af te wijzen, is 't niet de toekomst welke zij +veroordeelen, maar zich zelven. Zij geven zich een akelige ziekte, +zij enten zich het verledene in. Er is slechts één middel om het +morgen af te wijzen. Het is te sterven. + +En wat wij willen is geen dood,--dien des lichaams zoo laat mogelijk; +dien der ziel nimmer. + +Ja, het raadsel zal zijn woord zeggen, de Sphinx zal spreken, +het probleem zal opgelost worden. Ja, het volk, dat de achttiende +eeuw begonnen heeft te vormen, zal door de negentiende voltooid +worden. Hij is dwaas die er aan twijfelen zou. De toekomstige, de +naderende ontwikkeling van het algemeen welzijn is een onweerhoudbaar, +goddelijk verschijnsel. + +Verschillende krachtige beginselen besturen de menschelijke handelingen +en brengen ze allen in een zekeren tijd tot den logischen staat, dat +is in evenwicht, dat is tot rechtvaardigheid. Een uit hemel en aarde +samengestelde kracht ontstaat uit de menschheid en regeert haar; +wonderbare ontknoopingen zijn haar niet vreemder dan buitengewone +gebeurtenissen. Door de wetenschap geholpen, die van den mensch, +en door de gebeurtenis, die van elders komt, deinst zij niet terug +voor de tegenspraak, die in de problemen heerscht en welke voor het +gemeen onmogelijkheden schijnen. Deze kracht is niet minder bekwaam +om uit de samenvoeging der denkbeelden een oplossing te vinden, dan +een leer uit de samenvoeging der feiten, en van die geheimzinnige +macht van den vooruitgang mag men alles verwachten. + +Er is geen stilstand, geen weifeling, geen rustpunt in den grootschen +vooruitgang der geesten. De maatschappelijke wijsbegeerte is bij +uitnemendheid de wetenschap des vredes. Zij heeft ten doel, en +moet tot resultaat hebben, de oplossing van allen strijd door het +onderzoek van den tegenstand. Zij onderzoekt, vorscht, ontleedt, +en vervolgens hervormt zij. Zij handelt bij wijze van aftrekking, +en ontneemt aan alles de vijandigheid. + +Dat een maatschappij ondergaat in den storm, die tegen de menschen +losbreekt, is meermalen gezien, de geschiedenis is vol schipbreuken +van volken en rijken; eenmaal komt de onbekende orkaan, en voert +zeden, wetten, godsdiensten mede. De beschaving van Indië, Chaldea, +Perzië, Assyrië, Egypte is achtereenvolgens verdwenen. Waarom? wij +weten 't niet. Welke zijn de oorzaken dezer rampen? wij weten 't +niet. Waren deze maatschappijen te redden geweest? Droegen zij zelve +de schuld van haar ondergang? Hebben zij in een noodlottige ondeugd +volhard, die haar deed verloren gaan? Hoeveel zelfmoord ligt in den +vreeselijken dood van een natie en van een geslacht? Vragen zonder +antwoorden. Duisternis bedekt de vergane beschaafde maatschappijen. Zij +zijn verdwenen; meer is er niets van te zeggen, en met een gevoel +van ontzetting zien wij in die zee, welke het verleden wordt genoemd, +achter deze kolossale baren, de eeuwen, deze groote schepen: Babel, +Ninive, Tharsus, Thebe, Rome verzinken door den vreeselijken storm, +die uit de monden der duisternis komt. Maar is ginds duisternis, hier +is licht. Wij kennen de ziekten der oude maatschappijen niet, maar wij +kennen de kwalen der onze. Wij hebben het recht haar te verlichten; +wij aanschouwen haar schoonheden en ontdekken haar gebreken. Waar zij +lijdt onderzoeken wij haar; en zoodra haar kwaal bekend is, voert +de studie der oorzaak tot de ontdekking van het heelmiddel. Onze +beschaving, het werk van twintig eeuwen, is er tevens het monster en +het wonder van; zij verdient goed te worden. Zij zal het worden. Haar +stoffelijk te verlichten is veel, haar zedelijk te verlichten nog +meer. Al de werken der hedendaagsche maatschappelijke wijsbegeerte +moeten op dit doel uitloopen. Op den denker van den tegenwoordigen +tijd ligt een groote plicht; namelijk door "auscultatie" de beschaving +te onderzoeken, gelijk de arts de borst van den zieke onderzoekt. Wij +herhalen het, dit onderzoek bemoedigt, en met hierop aan te dringen, +willen wij deze bladzijden eindigen, het ernstig tusschenbedrijf van +een treurig drama. Onder de sterfelijkheid der maatschappij gevoelt +men de onvergankelijkheid van den mensch; om deze wonden, de kraters, +deze gezwellen, de zwavelbronnen, een vulkaan die zijn lava uitwerpt, +sterft de aarde niet. De ziekten van het volk dooden den mensch niet. + +Desniettemin schudt hij, die den maatschappelijken ziektetoestand +gadeslaat, somwijlen het hoofd. De sterksten, de teedersten, de +beredeneerdsten hebben hun oogenblikken van zwakheid. + +Zal die geschetste toekomst komen? Het schijnt bijna, dat men deze +vraag moet doen, wanneer men zooveel schrikkelijke schaduw ziet. 't +Is een somber gezicht, zelfzuchtigen en ellendigen tegenover elkander +te zien. Bij de zelfzuchtigen: vooroordeelen, de schaduwen eener +weelderige opvoeding, de door dronkenschap vermeerderde begeerlijkheid, +een verdoovende bedwelming door het geluk, de vrees voor lijden, +welke bij sommigen tot afkeer van de lijders gaat, een onbarmhartige +zelftevredenheid, het opgeblazen ik, dat de ziel afsluit. Bij de +ellendigen: de hebzucht, de afgunst, de vijandschap van anderen te zien +genieten, de ruwe handelingen van den diermensch ter bevrediging zijner +lusten, de harten vol nevels, treurigheid, behoefte, rampzaligheid, +de onreine, domme onwetendheid. + +Moet men bij voortduring de oogen ten hemel slaan? Is het lichtpunt, +dat men er onderscheidt, een derzulke die uitgaan? 't Is vreeselijk, +het ideaal alzoo in de diepte te zien verzinken, klein, nauwelijks +zichtbaar schitterend, maar omgeven door al die samengepakte, groote, +donkere, monsterachtige bedreigingen. En evenwel is het in geen +grooter gevaar dan een ster tusschen de wolken. + + + + + + + +BOEK VIII. + +VERRUKKING EN DROEFHEID. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +HELDERHEID. + + +De lezer zal begrepen hebben, dat Eponine, nadat zij door het hek de +bewoonster van het huis in de straat Plumet had herkend, waarheen zij +door Magnon was gezonden, de bandieten ervan afgehouden en Marius er +heen gevoerd had; dat Marius, na verscheidene dagen in verrukking voor +dat hek te hebben doorgebracht, aangetrokken door de kracht, welke +het ijzer naar den zeilsteen trekt en den minnaar naar de steenen +van het huis der geliefde, eindelijk Cosettes tuin was binnengegaan, +gelijk Romeo den tuin van Juliette. 't Was hem zelfs lichter geweest +dan Romeo; Romeo moest over een muur klimmen; Marius behoefde slechts +een der tralies van het oude hek weg te nemen, die waggelend in haar +verroeste holten stonden, gelijk de tanden van oude lieden. Marius +was tenger en gleed gemakkelijk door de opening. + +Wijl er nooit iemand op de straat was, en Marius bovendien alleen +des nachts den tuin binnendrong, liep hij geen gevaar gezien te worden. + +Sinds dit gezegend en heilig uur, toen een kus deze beide zielen +verloofde, kwam Marius er alle avonden. Zoo Cosette op dat oogenblik +haars levens een gewetenloos en lichtzinnig man had bemind, zou +zij verloren zijn geweest; want er zijn edelmoedige naturen die +zich geheel overgeven, en Cosette was zulk een natuur. Het behoort +tot de grootmoedigheid der vrouw, dat zij zwicht. Zoodra de liefde +haar hoogsten graad heeft bereikt, wordt haar maagdelijk gevoel +op zonderlinge wijze bedwelmd. Maar aan welke gevaren stelt ge +u bloot, edele zielen! Gij geeft dikwerf het hart, wij nemen het +lichaam. Uw hart blijft u over, en gij aanschouwt het bevend in de +duisternis. De liefde kent geen middelweg; òf zij richt ten verderf, +òf zij redt. In dit dilemma ligt het geheele menschelijke lot. Dit +dilemma, verderf of geluk, wordt door geen andere omstandigheden zoo +onverbiddelijk gesteld, als door de liefde. De liefde is het leven, +zoo zij niet de dood is. Een wieg of een doodkist. Hetzelfde gevoel +zegt ja! en neen! in het menschelijk hart. Van alle dingen, die God +heeft geschapen, ontwikkelt het menschelijk hart het meeste licht, +maar, helaas! ook de meeste duisternis. + +God wilde dat de liefde, welke Cosette vond, een reddende liefde was. + +Zoolang de maand Mei van het jaar 1832 duurde, bevonden zich +alle nachten in dien woesten tuin, in dit dagelijks geuriger en +dichter wordend struikgewas, twee wezens vol kuischheid en onschuld, +overstroomd van hemelsche zaligheid, meer engelen dan menschen, rein, +eerlijk, verrukt, schitterend voor elkander in de duisternis. Het +kwam Cosette voor, als had Marius een kroon, en het scheen Marius +alsof Cosette een stralenkrans had. Zij raakten, aanschouwden +elkaar, klemden zich tegen elkander en drukten elkaars handen, +maar er bleef een afstand, dien zij niet overschreden. Niet wijl zij +dien eerbiedigden; maar wijl zij hem niet kenden. Marius voelde een +hinderpaal: de reinheid van Cosette; en Cosette voelde een steun: de +edelheid van Marius. De eerste kus was ook de laatste geweest. Sedert +was Marius niet verder gegaan dan zacht met zijn lippen de hand, +het halsdoekje of een haarlok van Cosette aan te raken. Cosette was +voor hem een geur, geen vrouw. Hij ademde haar. Zij weigerde niets, +hij vroeg niets. Cosette was gelukkig en Marius was tevreden. Zij +leefden in dien verrukten toestand, welken men de begoocheling van +een ziel door een andere ziel zou kunnen noemen. 't Was de eerste +onbeschrijfelijke omhelzing van twee maagdelijke zielen in het +ideale. Twee zwanen, die elkander op de Jungfrau ontmoetten. + +Op dit uur der liefde, waarin de wellust volkomen zwijgt onder +het alvermogen der verrukking, zou Marius, de reine, engelachtige +Marius, eerder in staat zijn geweest bij een publieke vrouw te gaan +dan Cosettes kleed tot den enkel op te heffen. Eens, bij maanschijn, +bukte Cosette om iets van den grond op te rapen; het lijfje van haar +kleed opende zich daarbij een weinig en liet het onderste van haar +hals zien; toen wendde Marius de oogen af. + +Wat gebeurde er tusschen deze beide wezens? Niets. Zij beminden +elkander met heilige liefde. + +Wanneer zij des nachts in den tuin waren, scheen deze hun een levend +en heilig oord. Al de bloemen om hen heen openden zich en zonden +hun haar geuren; maar zij openden hun zielen en stortten ze in de +bloemen uit. De krachtige, weelderige plantengroei trilde vol sap en +dronkenschap in de omgeving dezer twee onschuldigen, die liefdewoorden +spraken, welke de boomen deden ritselen. + +Welke waren deze woorden? Niets dan ademtochten. Deze ademtochten +waren voldoende om de geheele natuur te treffen en te bewegen. 't Is +de toovermacht, welke moeielijk te begrijpen zou zijn, zoo men in +een boek dezen kout las, die bestemd is, om door den wind als damp +van tusschen de bladeren weggeblazen en verstrooid te worden. Ontneem +aan dit gefluister van twee gelieven deze welluidendheid, die uit de +ziel voortkomt en het als een lier accompagneert, en wat overblijft +is slechts een schaduw, en men zegt: O, is 't anders niet! Gewis, +kinderachtigheden, herhalingen, gelach om niets, nietigheden, +dwaasheden, maar ook al wat in de wereld het verhevenste en innigste +is, de eenige zaken die der moeite waard zijn gezegd en gehoord +te worden! + +De man, die zulke dwaasheden, zulke beuzelarijen nooit gehoord of +gesproken heeft, is een ongevoelige en een slecht mensch. + +Cosette zeide tot Marius: + +"Weet ge?..." + +(Niettegenstaande deze hemelsche maagdelijkheid, spraken zij op zeer +gemeenzamen toon met elkander, zonder dat een van beiden had kunnen +zeggen, hoe ze er toe gekomen waren.) + +"Weet ge? Ik heet Euphrasie." + +"Euphrasie? Neen, ge heet Cosette." + +"O, Cosette is een leelijke naam, dien men mij gegeven heeft toen ik +klein was. Maar mijn eigenlijke naam is Euphrasie. Houdt ge niet van +den naam Euphrasie?" + +"Ja... Maar Cosette is niet leelijk." + +"Vindt ge dien mooier dan Euphrasie?" + +"Nu... ja." + +"Dan vind ik hem ook mooier. 't Is waar, Cosette is lief. Noem mij +Cosette." + +En de glimlach, dien zij aan deze woorden paarde, maakte van deze +samenspraak een idylle, waardig voor een bosch in den hemel. + +Een anderen keer zag zij hem strak aan en riep: + +"Mijnheer, ge zijt schoon, ge zijt lief, ge hebt verstand, ge hebt +geest, ge zijt veel geleerder dan ik; maar ik durf u tarten wat +betreft dit woord: ik bemin u!" + +En Marius meende zich als in den hemel opgenomen en deze woorden door +een ster te hooren zingen. + +Of zij gaf hem, wanneer hij hoestte, een tikje en zeide: + +"Hoest niet, mijnheer. Ik wil niet, dat men bij mij zonder mijn verlof +hoest. 't Is zeer leelijk te hoesten en mij te verontrusten. Ik +wil dat ge heel gezond zijt, omdat ik in de eerste plaats, zoo gij +ongesteld waart, zeer ongelukkig zou zijn. Wat kan ik er aan doen?" + +En dit alles was louter goddelijk. + +Eens zeide Marius tot Cosette: + +"Denk eens, dat ik eenigen tijd geloofd heb, dat ge Ursula heette." + +Daarover lachten zij een ganschen avond. + +Bij een ander gesprek ontvielen hem eens toevallig de woorden: + +"O, op zekeren dag had ik in het Luxembourg grooten lust een invalide +den hals te breken." + +Maar daarbij liet hij het en sprak er niet verder over. Hij zou dan +Cosette iets van haar kouseband hebben moeten zeggen, en dat was hem +onmogelijk. Hij raakte daarmede iets onbekends aan, het stoffelijke, +waarvoor zijn onuitsprekelijke liefde met een soort van heiligen +eerbied terugweek. + +Marius stelde zich het leven met Cosette niet anders voor dan alle +avonden naar de straat Plumet te gaan, de oude ijzeren gewillige staaf +van het hek des presidents uit te lichten, naast elkander op de bank te +zitten, door het geboomte den sterren-helderen nacht te aanschouwen, +met de knieplooien van zijn broek het wijde kleed van Cosette aan te +raken, den nagel van haar duim te streelen, met haar dezelfde bloem +te ruiken, en zoo altijd en in 't oneindige. Middelerwijl dreven de +wolken boven hun hoofden. Iedere ademtocht van den wind voert meer +droomen van den mensch weg dan wolken van den hemel. + +Deze kuische, schier schuwe liefde was echter niet geheel zonder +galanterie. Haar, die men bemint, "complimenten te maken," is de eerste +wijze van liefkoozen, een eerste vermetelheid welke men waagt. Een +compliment is iets als een kus door een sluier heen. De wellust, +hoewel zich verbergend, laat er zich zacht in gevoelen. Het hart +deinst terug voor den wellust, om beter te beminnen. De liefkoozingen +van Marius, vervuld van hersenschimmen, waren, om zoo te spreken, +hemelsblauw. De vogels, wanneer zij omhoog nabij de engelen zweven, +moeten dergelijke woorden hooren. Daarbij mengde zich echter leven, +menschelijkheid, al het werkelijke waartoe Marius in staat was. 't Was +een lyrische ontboezeming, de liefelijke hyperbolen van duivengekir, +al de verfijningen der aanbidding tot een ruiker verzameld en een +fijnen hemelschen geur ontwikkelend, een onbeschrijfelijk gefluister +van het eene hart tot het andere. + +"O," lispelde Marius, "hoe schoon zijt gij! ik durf u niet +aanzien. Daarom aanschouw ik u. Ge zijt een gratie. Ik weet niet, +hoe 't mij is. De zoom van uw kleed, wanneer de punt van uw schoen er +uit komt, brengt mij in verwarring. En welk een betooverende glans, +wanneer uw gedachte zich voor mij opent. Gij spreekt wonderbaarlijk +verstandig. Soms komt het mij voor, dat ge een droom zijt. Spreek, +ik luister, ik bewonder u. O Cosette, hoe zonderling en bekoorlijk is +het! ik ben waarlijk zinneloos. Gij zijt aanbiddelijk, mejuffrouw. Ik +bestudeer uw voeten met den microscoop en uw ziel met den telescoop." + +Cosette antwoordde: + +"Ik bemin u reeds meer in den tijd, die sinds van ochtend verstreken +is." + +Vragen en antwoorden gingen in die samenspraak heen en weder, en kwamen +als vanzelf steeds op de liefde terecht, evenals de vlierpopjes steeds +op de voeten komen. + +De geheele persoon van Cosette was onbevangenheid, natuurlijkheid, +onschuld, doorzichtigheid, blankheid, oprechtheid en licht. Men had +van Cosette kunnen zeggen, dat zij helder was. Op ieder die haar zag +maakte zij den indruk van een Meischen morgenstond. In haar oogen +lag dauw. Cosette was een verlichamelijking van het morgenlicht in +den vorm eener vrouw. + +Het was natuurlijk, dat Marius haar beminde, haar aanbad. Inderdaad, +deze kortelings uit het klooster gekomene pensionnaire sprak met +uitnemende scherpzinnigheid en zei bij gelegenheid allerlei ware en +uitgezochte woorden. Haar kout was een wezenlijk onderhoud. Zij bedroog +zich in niets en had een juisten blik. De vrouw gevoelt en spreekt +met het fijne instinct van het hart, dat onfeilbaar is. Niemand weet +tegelijk zachte en ernstige zaken te zeggen zooals een vrouw dat +kan. Zachtheid en diepte is de vrouw; is de hemel. + +In die volkomen zaligheid kwamen hun telkens tranen in de oogen. Een +vertreden insect, een uit een nestje gevallen veder, een gebroken +tak wekte hun medelijden, en hun verrukking, met een zachte +droefgeestigheid gemengd, scheen zich gaarne in tranen lucht te +geven. Het verhevenste verschijnsel der liefde is een verteedering, +die soms schier ondragelijk is. + +En bij dat alles--al deze tegenstrijdigheden zijn het bliksemspel der +liefde--schertsten zij gaarne en met bekoorlijke vrijmoedigheid, en zoo +vertrouwelijk, dat het vaak scheen alsof zij twee knapen waren. Maar, +hoewel het van kuischheid dronken hart zich vergeet, de natuur is er +steeds en vergeet zich niet. Zij is er met haar tevens laag en verheven +doel; en hoe groot de onschuld der zielen zijn moge, men gevoelt in het +meest kuische vertrouwelijk bijeenzijn, het wonderbaar en geheimzinnig +onderscheid tusschen een paar gelieven en een paar vrienden. + +Zij aanbaden elkander. + +Het gestadige en onveranderlijke blijft. Men bemint, glimlacht, +schertst, raakt elkander even met de lippen aan, spreekt gemeenzaam, +en meent dat het eeuwig duren zal. Twee gelieven verbergen zich in +den avond, in de schemering, in het onzichtbare, met de vogels, met +de rozen; zij betooveren elkander in de schaduw met hun harten, welke +zij in hun oogen leggen; zij fluisteren en zuchten, en middelerwijl +wentelen de sterren rustig in het onmetelijke over hen heen. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +DE BEDWELMING VAN HET VOLMAAKTE GELUK. + + +Zoo leefden zij, zich zelven onbewust, in het geluk. Zij merkten +niets op van de cholera, die juist in deze maand Parijs teisterde. Zij +hadden elkander alles toevertrouwd wat zij konden, doch dit was niet +veel meer geweest dan hun namen. Marius had aan Cosette gezegd, dat +hij een wees was en Marius Pontmercy heette, dat hij advocaat was en +van het schrijven voor de drukpers leefde, dat zijn vader kolonel, +en een held, was geweest, en dat hij, Marius, in onmin leefde met +zijn grootvader, die rijk was. Hij had haar ook terloops te kennen +gegeven, dat hij baron was; maar dit had op Cosette niet den minsten +indruk gemaakt. Marius, een baron? Dat had zij niet begrepen. Zij +wist niet, wat dit woord beteekende. Marius was Marius. Van haar kant +had zij hem medegedeeld, dat zij in het klooster van Klein Picpus was +opgevoed, dat haar moeder overleden was, evenals de zijne, dat haar +vader Fauchelevent heette, dat hij zeer goed was, dat hij veel aan +de armen gaf, hoewel zelf arm zijnde, en hij zich van alles onthield, +ten einde haar niets te onthouden. + +'t Was zonderling, dat in de soort van symphonie, waarin Marius leefde, +sedert hij Cosette zag, het verledene, zelfs het jongst verledene, +zoo verward en verwijderd voor hem scheen, dat, wat Cosette hem +verhaalde, hem volkomen bevredigde. Hij dacht er zelfs niet aan, haar +van het nachtelijk avontuur in de woning van Thénardier te spreken, +van de branding met het gloeiend ijzer en van de vreemde houding +en zonderlinge vlucht haars vaders. Marius had dit alles voor het +oogenblik vergeten; hij wist zelfs 's avonds niet wat hij 's morgens +gedaan had, noch waar hij ontbeten, noch met wie hij gesproken had, +er klonken tonen in zijn oor, die hem voor alle andere gedachten doof +maakten; hij leefde slechts in de uren dat hij Cosette zag. Wijl +hij dan in den hemel was, vergat hij natuurlijk de aarde. Beide +torsten smachtend den onbeschrijfelijken last van den onstoffelijken +wellust. Zóó leven die slaapwandelaars, welke men verliefden noemt. + +Helaas! wie heeft niet al deze dingen ondervonden? Waarom komt er +een uur, dat men dezen hemel verlaat; en waarom duurt het leven dan +nog langer? + +Beminnen vervangt bijna het denken. De liefde is een vurige +vergetelheid van al het overige. Vraag dus geen logica van den +hartstocht. Er is evenmin een logische samenhang in het menschelijk +hart als er een volkomen geometrische figuur in den bouw van het heelal +bestaat. Voor Cosette en Marius bestond niets anders dan Marius en +Cosette. De wereld om hen was in een kuil verzonken. Zij leefden in +een gouden minuut. Niets was er vóór of achter hen. Nauwelijks dacht +Marius er aan, dat Cosette een vader had. De bedwelming had in zijn +hersens alles uitgewischt. Waarover spraken dan deze gelieven? Men +heeft het gezien, over bloemen, over zwaluwen, over de ondergaande zon, +over de opgaande maan, over dergelijke gewichtige dingen. Zij hadden +elkander alles gezegd, behalve alles. Het alles der minnenden is het +niets. Maar de vader, de wezenlijkheid, dat hol, die bandieten, dat +avontuur, wat zou dat alles? was het wel zeker dat deze nachtmerrie +bestaan had? Zij waren met hun beiden, zij beminden elkander, niets +was er meer noodig. Al het overige bestond niet. 't Is duidelijk, +dat deze verdwijning der hel achter ons, onafscheidelijk is van de +intrede in het paradijs. Heeft men duivelen gezien? zijn er die? heeft +men gebeefd? heeft men geleden? Men weet er niets meer van. Er ligt +een rozige wolk over. + +Alzoo leefden deze twee wezens in het zeer verhevene, met al de +onwaarschijnlijkheid, welke in de natuur is; noch in het toppunt, noch +in het voetpunt, tusschen den mensch en den seraf, boven het slijk, +onder den ether, in de wolken; nauwelijks vleesch en been, ziel en +verrukking van het hoofd tot de voeten, reeds te verhemeld om op +aarde te gaan, nog met te veel menschelijks beladen om in het azuur +te verdwijnen, zwevende als stofdeeltjes; schijnbaar buiten bereik, +onbezorgd om het gisteren, het heden en het morgen; in verrukking, +verbleekend, zwevend, soms vluchtig genoeg voor het oneindige; schier +gereed voor de eeuwige vlucht. + +Zij sliepen wakend in deze dommeling. O heerlijke sluimering van het +wezenlijke, geheel in het ideale! + +Hoe schoon Cosette ook was, sloot Marius soms de oogen voor haar. Met +gesloten oogen aanschouwt men de ziel het best. + +Marius en Cosette vroegen zich niet, waarheen dit hen voeren zou. Zij +achtten zich reeds aangekomen. 't Is een zonderlinge begeerte der +menschen, te willen, dat de liefde naar iets voeren zal. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +BEGIN DER SCHADUW. + + +Jean Valjean vermoedde zijnerzijds niets. + +Cosette, iets minder mijmerend dan Marius, was vroolijk, en dit was +voor Jean Valjeans geluk voldoende. De gedachten, welke Cosette bezig +hielden, haar liefdebekommeringen, de beeltenis van Marius welke haar +hart vervulde, ontnamen niets aan de onvergelijkbare reinheid van haar +schoon, kuisch en glimlachend voorhoofd. Zij was in die jaren dat de +maagd haar liefde draagt, gelijk de engel zijn lelie. Jean Valjean +was dus gerust. Trouwens, wanneer twee gelieven elkander verstaan, +gaat alles steeds goed, een derde persoon, die hun liefde zou kunnen +storen, wordt in de volkomenste blindheid gehouden door enkele, weinige +voorzorgen, die voor alle gelieven steeds dezelfde zijn. Ook maakte +Cosette Jean Valjean nimmer tegenwerpingen. Wilde hij wandelen? Goed, +vadertje. Wilde hij te huis blijven? Best. Wilde hij den avond bij +Cosette doorbrengen? Het verheugde haar. Wijl hij zich dan immer te +tien uren 's avonds verwijderde, kwam Marius niet dan na dit uur in +den tuin, wanneer hij, op de straat, Cosette de glazendeur hoorde +openen. Het spreekt vanzelf dat men des daags Marius nooit zag. Jean +Valjean dacht er zelfs niet meer aan, dat Marius bestond. Maar eens +op een morgen zeide hij tot Cosette: "Zie, ge zijt geheel wit op den +rug!" Den vorigen avond had Marius in zijn verrukking Cosette tegen +den muur gedrukt. + +Vrouw Toussaint, die gewoon was vroeg ter rust te gaan, dacht, zoodra +haar werk verricht was, aan niets dan om te slapen, en wist evenmin +iets als Jean Valjean. + +Nooit zette Marius den voet in het huis. Wanneer hij bij Cosette was, +verscholen beiden zich in een hoek bij de stoep, ten einde van de +straat noch gezien noch gehoord te worden, en daar zetten zij zich +neder. In plaats van te spreken stelden zij zich vaak tevreden met +elkander twintigmalen in de minuut de hand te drukken, terwijl ze naar +de takken der boomen zagen. Indien op zulk een oogenblik de bliksem +dertig voeten van hen gevallen ware, zouden zij het niet opgemerkt +hebben, zoozeer was de eene in de mijmering van den ander verzonken. + +Doorschijnende helderheid. Sneeuwwitte uren; schier alle gelijk! Zulk +een liefde is een mengsel van leliebladeren en duivenvederen. + +De geheele tuin lag tusschen hen en de straat. Telkens wanneer Marius +in- en uitging, zette hij zorgvuldig de tralie van het hek weder +terecht, zoodat niets merkbaar was. + +Gewoonlijk verwijderde hij zich tegen middernacht en keerde tot +Courfeyrac terug. Deze zeide tot Bahorel: + +"Kunt ge het gelooven? Marius komt tegenwoordig te een uur 's morgens +te huis." + +Bahorel antwoordde: + +"Wat zal ik zeggen! men kan de vromen nooit vertrouwen." + +Soms sloeg Courfeyrac de armen over de borst en zeide met een ernstig +gebaar tot Marius: + +"Gij wordt een losbol, jongmensch!" + +Courfeyrac, een practisch mensch, nam dien weerschijn van een +onzichtbaren hemel bij Marius niet in een goeden zin op; hij was +aan dergelijke hartstochten niet gewoon; hij werd er ongeduldig om +en vermaande Marius dikwijls tot het wezenlijke weder te keeren. Op +zekeren morgen hield hij deze toespraak tot hem: + +"Mijn waarde, 't schijnt mij alsof ge tegenwoordig in de maan zijt, +in het koninkrijk Droomen, provincie Hersenschimmen, hoofdstad +Zeepbel. Kom, biecht eens eerlijk op; hoe heet zij?" + +Maar niets was in staat Marius te "doen spreken." Hij had zich liever +de nagels laten ontscheuren dan een der drie geheiligde lettergrepen, +waaruit deze onuitwischbare naam Cosette bestond. De ware liefde +is lichtend als het morgenrood, en stil als het graf. Courfeyrac +vond Marius slechts hierin veranderd, dat hij een schitterende +stilzwijgendheid bezat. + +Gedurende deze liefelijke maand Mei leerden Marius en Cosette de +volgende onmetelijke zaligheden kennen: + +Te twisten en elkander mijnheer en mejuffrouw te noemen, alleenlijk +om een oogenblik later met te meer genot weder vertrouwelijk met +elkander te zijn; + +Lang en tot in de kleinste bijzonderheden over lieden te spreken, +waarin zij niet het minste belang ter wereld stelden; een bewijs te +meer dat in de bekoorlijke opera, welke men de liefde noemt, de tekst +bijna niets is; + +Voor Marius: Cosette over kleedertooi te hooren praten; + +Voor Cosette: Marius over politiek te hooren spreken; + +Knie tegen knie, de rijtuigen in de Babelstraat te hooren rollen; + +Dezelfde planeet in het uitspansel, of denzelfden glimworm in het +gras te aanschouwen; + +Samen te zwijgen; een nog grooter genoegen dan te praten; + +Enz., enz. + +Ondertusschen naderden verscheidene verwikkelingen. + +Op een avond begaf Marius zich naar de samenkomst langs den boulevard +des Invalides; als gewoonlijk ging hij met gebogen hoofd. Toen hij om +den hoek der straat Plumet ging, hoorde hij in zijn nabijheid zeggen: + +"Goeden avond, mijnheer Marius." + +Hij richtte het hoofd op en herkende Eponine. + +Dit maakte een zonderlingen indruk op hem. Hij had geen enkelen +keer meer aan dit meisje gedacht sedert den dag dat zij hem naar de +straat Plumet had gevoerd; hij had haar niet weder gezien en zij was +geheel uit zijn gedachte verdwenen. Hij had alle reden om dankbaar +jegens haar te zijn, hij had haar zijn tegenwoordig geluk te danken, +en evenwel hinderde 't hem haar te ontmoeten. + +Men dwaalt, wanneer men meent dat de liefde, zoo zij gelukkig en +zuiver is, den mensch tot een staat van volmaaktheid brengt; zij +brengt hem eenvoudig, zooals wij hebben aangetoond, tot een staat +van vergetelheid. In dien toestand vergeet de mensch slecht te zijn, +maar hij vergeet ook goed te zijn. De dankbaarheid, de plicht, de +wezenlijke en onaangename herinneringen verdwijnen. In ieder anderen +tijd zou Marius geheel anders voor Eponine zijn geweest. Geheel van +Cosette vervuld, had hij zich zelfs niet duidelijk rekenschap gegeven, +dat deze Eponine Thénardier heette, en zij een naam droeg, die in +het testament zijns vaders stond geschreven, een naam, voor welken +hij zich, eenige maanden vroeger, met zooveel vuur zou opgeofferd +hebben. Wij schetsen Marius gelijk hij was. Zelfs zijn vader verdween +een weinig uit zijn ziel voor den glans zijner liefde. + +Hij antwoordde eenigszins verlegen: + +"Ha, zijt gij 't Eponine?" + +"Hoe zijt gij zoo deftig jegens mij? Heb ik u iets misdaan?" + +"Neen," antwoordde hij. + +Hij had werkelijk niets tegen haar: integendeel. Maar hij gevoelde, +dat hij niet anders doen kon; nu hij zoo gemeenzaam met Cosette sprak, +kon hij dit onmogelijk met Eponine doen. + +Wijl hij zweeg, riep zij: + +"Zeg eens...." + +Toen zweeg zij. Het scheen, dat thans de woorden ontbraken aan dit +anders zoo onbeschroomde en stoutmoedige meisje. Zij wilde glimlachen, +maar kon niet. Zij hernam: + +"Nu?" + +Toen zweeg zij weder en hield haar oogen nedergeslagen. + +"Goeden avond, mijnheer Marius," zeide zij plotseling en ging heen. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +DE HOND. + + +Het was den volgenden dag de 3 Juni, de 3 Juni 1832, een merkwaardige +datum, uit hoofde der gewichtige gebeurtenissen, welke destijds boven +den horizont van Parijs hingen, in den vorm van met onweer bezwangerde +wolken. Marius ging dien dag tegen het vallen van den avond denzelfden +weg als den vorigen dag en met dezelfde verrukking in het hart, toen +hij tusschen de boomen van den boulevard Eponine zag naderen. Twee +dagen achtereen, dat was te veel. Hij keerde haastig om, verliet den +boulevard, sloeg een anderen weg in, en ging door de straat Monsieur +naar de straat Plumet. + +Eponine volgde hem tot aan de straat Plumet, iets dat zij nog niet +gedaan had. Zij had zich tot hiertoe tevreden gesteld met hem te zien, +wanneer hij over den boulevard ging, zonder dat zij trachtte hem te +ontmoeten. Alleen den vorigen dag had zij beproefd hem te spreken. + +Eponine volgde hem dus, zonder dat hij het vermoedde. Zij zag +hem de tralie van het hek uitnemen en weder inzetten en den tuin +binnensluipen. + +"Zie," zeide zij, "hij gaat het huis binnen!" + +Zij naderde het hek, bevoelde de tralies de een na de andere, en vond +spoedig die, welke Marius den toegang bezorgd had. + +Halfluid en met treurige stem prevelde zij: + +"Dat niet, Lizette!" + +Zij zette zich op het voetstuk van het hek, bezijden de tralie, als om +ze te bewaken. 't Was ter plaatse waar het hek tegen den naastgelegen +muur uitkwam, een donkere hoek waar Eponine geheel onzichtbaar was. Zij +bleef er langer dan een uur zonder zich te verroeren of gerucht te +maken, geheel in haar gedachten verdiept. + +Tegen tien uren 's avonds hoorde een der twee of drie personen, die +door de straat Plumet gingen, oude burgerluidjes, die zich verlaat +hadden en nu haastig door deze eenzame en slecht befaamde wijk naar +huis keerden, toen hij voorbij het hek ging en aan den hoek was +gekomen, door het hek en den muur gevormd, een doffe en dreigende +stem zeggen: + +"'t Zou mij niet verwonderen, zoo hij alle avonden komt!" + +De voorbijganger sloeg een blik om zich, zag niemand, waagde het +niet in den donkeren hoek te zien en was zeer ontrust. Hij verhaastte +zijn schreden. + +De man had gelijk zich te haasten, want weinige oogenblikken daarna, +slopen zes mannen, op eenigen afstand van elkander gaande, en welke +men voor een patrouille had kunnen houden, dicht langs de huizen, +in de straat Plumet. + +De eerste die aan het tuinhek kwam bleef staan en wachtte de anderen; +een oogenblik later waren alle zes vereenigd. + +Deze mannen begonnen zacht in de dieventaal te spreken. + +"'t Is hier," zei een hunner. + +"Is er een hond in den tuin?" vroeg een andere. + +"Ik weet niet. In alle gevalle heb ik een vleeschballetje bij mij, +dat wij hem zullen toewerpen." + +"Hebt ge mastik bij u om de vensterruiten stuk te breken." [3] + +"Ja." + +"Het hek is oud," zei een vijfde, die de stem van een buikspreker had. + +"Des te beter," hernam de tweede, die gesproken had; "het zal dan +niet onder de zaag krassen en niet moeilijk zijn door te snijden." + +De zesde, die nog niets gezegd had, onderzocht het hek, evenals Eponine +een uur vroeger had gedaan, betastte de eene tralie na de andere en +beproefde ze voorzichtig. Eindelijk kwam hij aan de tralie, welke +Marius losgewrongen had. Toen hij deze tralie greep, kwam eensklaps +een hand uit de schaduw en viel op zijn arm. Terzelfder tijd voelde +hij zich hevig tegen de borst geduwd en een schorre stem zeide hem, +zonder te schreeuwen: + +"Er is een hond." + +En hij zag een bleek meisje voor zich staan. + +De man gevoelde dien schrik, welken het onverwachte steeds +veroorzaakt. Hij richtte zich verwilderd op; niets is zoo afschuwelijk +als het gezicht van een wild dier, dat schrikt. Hij deinsde achteruit +en stamelde: + +"Wie is die deern?" + +"Uw dochter." + +'t Was inderdaad Eponine, die tot Thénardier sprak. + +Bij de verschijning van Eponine waren de vijf anderen, namelijk +Claquesous, Gueulemer, Babet, Montparnasse en Brujon zachtkens +genaderd, zonder overijling, zonder een woord te spreken, met de +heillooze behoedzaamheid, die dezen mannen van den nacht eigen is. + +Men kon in hun handen afschuwelijke werktuigen onderscheiden. Gueulemer +had een soort van kromme tang in de hand. + +"Wat doet ge hier? Wat wilt ge? Zijt ge dol?" riep Thénardier, zoo +luid als men, zacht sprekende, zeggen kan. "Waarom wilt ge ons in +ons werk hinderen?" + +Eponine lachte en viel hem om den hals: + +"Ik ben hier, vadertje, wijl ik er ben. Is het tegenwoordig niet +geoorloofd op de steenen te gaan zitten? Gij moest eigenlijk niet +hier zijn. Wat doet ge hier, wijl het een beschuit is? Ik had aan +Magnon gezegd, dat er niets te maken is. Maar geef mij nu een kus, +goed, lief vadertje. Hoe lang is 't wel geleden, dat ik u niet gezien +heb! Ge zijt er dus uit?" + +Thénardier poogde zich uit de armen van Eponine los te maken, +en bromde: + +"Goed, goed. Ge hebt mij gekust. Ja, ik ben er uit. Ik ben er niet +in. Maar ga nu." + +Eponine liet hem echter niet los en verdubbelde haar liefkoozingen. + +"Hoe hebt ge het toch aangelegd, vadertje? Ge moet wel heel slim +zijn geweest om er uit te komen. Vertel het mij. En moeder? Waar is +moeder? Geef mij toch eenig bericht van moeder." + +Thénardier antwoordde: + +"Zij is wel; ik weet niet; laat mij met rust; ik zeg u dat ge moet +heengaan." + +"Nu wil ik niet gaan," zei Eponine met het gebaar van een bedorven +kind; "ge zendt mij weg, hoewel 't vier maanden geleden is dat ik u +niet gezien heb en ik nauwelijks den tijd heb gehad u te kussen." + +"O, 't is waarachtig dom," zei Babet. + +"Haast u," zei Gueulemer, "de patrouille kan voorbij komen." + +De buikspreker neuriede: + + + "Wij hebben nu geen nieuwe jaar, + Om pa en ma te kussen." + + +Eponine wendde zich tot de vijf bandieten. + +"Zie, 't is mijnheer Brujon.--Goeden avond, mijnheer Babet.--Dag, +mijnheer Claquesous.--Herkent ge mij niet, mijnheer Gueulemer?--Hoe +gaat het, Montparnasse?" + +"Of men u herkent!" zei Thénardier. "Maar maak voort met uw goedendag, +goedenavond! laat ons met rust." + +"'t Is nu het uur der vossen en niet der kippen," zei Montparnasse. + +"Ge ziet wel, dat wij hier werken moeten," voegde Babet er bij. + +Eponine nam de hand van Montparnasse. + +Deze zeide: "Wees voorzichtig, ge zult u snijden, ik heb een open mes." + +"Mijn lieve Montparnasse," antwoordde Eponine heel zacht, "men moet +de menschen vertrouwen. Ik ben misschien toch wel de dochter van mijn +vader. Mijnheer Babet, mijnheer Gueulemer, men heeft mij gelast de +zaak te onderzoeken." + +'t Verdient opmerking, dat Eponine geen dieventaal sprak. Sinds zij +Marius kende, was haar deze leelijke taal onmogelijk geworden. + +Zij drukte in haar knokige, zwakke hand, als van een geraamte, de +grove ruwe vingers van Gueulemer en hernam: + +"Ge weet dat ik niet dwaas ben. Men gelooft mij gewoonlijk. Bij +gelegenheid heb ik u een dienst bewezen. Nu, ik heb onderzoek gedaan +en ge zoudt u nutteloos aan gevaar blootstellen, weet ge. Ik zweer u, +dat er in dit huis niets te maken is." + +"Er zijn alleen vrouwen in," zei Gueulemer. + +"Neen. De lieden zijn verhuisd." + +"De kaarsen ten minste niet!" zei Babet. + +En hij wees Eponine door de toppen der boomen heen een licht, dat zich +voor het zoldervenster van het huis bewoog. 't Was vrouw Toussaint, +die op was gebleven om linnen te drogen te hangen. + +Eponine deed een laatste poging. + +"Nu," zeide zij, "'t zijn zeer arme lieden en 't is een krot, waarin +geen cent te vinden is." + +"Loop naar den duivel!" riep Thénardier. "Zoodra wij het huis van +den kelder tot den zolder doorzocht hebben, zullen wij u zeggen wat +er in is, en of het francs, sous of centimes zijn." + +En hij duwde haar weg, om voort te gaan. + +"Mijn goede, lieve vriend Montparnasse," zei Eponine, "gij, die een +goede jongen zijt, ik bid u, ga niet binnen." + +"Wees voorzichtig, ge zult u snijden!" antwoordde Montparnasse. + +Thénardier hernam op dien beslissenden, hem eigenaardigen toon: + +"Maak dat ge weg komt, meisje, en laat de lieden hun zaken verrichten." + +Eponine liet de hand van Montparnasse los, welke zij weder gevat had, +en zeide: + +"Ge wilt dan dit huis binnengaan?" + +"Even!" zei de buikspreker met een grijnslach. + +Toen plaatste zij zich met den rug tegen het hek, bood het hoofd aan +zes gewapende bandieten, aan wie de nacht wezenlijke duivelsgezichten +gaf, en zeide met vaste, doch zachte stem: + +"En ik zal 't niet toestaan." + +Zij bleven versteld staan. De buikspreker echter lachte voort. Zij +hernam: + +"Luistert, vrienden! Dat is het niet. Nu spreek ik. Vooreerst, +zoo ge den tuin binnengaat, zoo ge dit hek aanraakt, schreeuw ik, +klop aan de deuren, wek de menschen, ik laat u alle zes vatten en +roep de stadssergeanten." + +"Zij zou het wezenlijk doen," zei Thénardier zacht tot Brujon en +den buikspreker. + +Zij richtte het hoofd op en voegde er bij: + +"Met mijn vader te beginnen!" + +Thénardier naderde. + +"Niet zoo dicht bij mij, goede man!" zeide zij. + +Hij trad achteruit, binnensmonds brommende: "Maar hoe heb ik 't met +haar?" en hij liet er op volgen: + +"Teef." + +Zij lachte op vreeselijke wijze: + +"Zeg wat ge wilt, maar ge komt niet binnen. Ik ben geen jong +van een hond, maar van een wolf. Ge zijt met u zessen, 't is mij +onverschillig! Ge zijt mannen; nu, ik ben een vrouw. Ge kunt mij +geen vrees aanjagen, weet ge. Ik zeg u, dat ge dit huis niet zult +binnengaan, omdat ik dit niet verkies. Zoo ge nader komt, blaf +ik. Ik heb 't u gezegd, dat ik de hond ben. Ik lach u uit. Gaat +weg, ge verveelt mij. Gaat waarheen ge wilt, maar komt niet hier, +ik verbied het u. Ge hebt messen, ik heb mijn klomp, 't is mij om +'t even; nadert dus, als ge durft!" + +Zij trad vreeselijk tartend op de bandieten toe, en hernam lachend: +"Voor den drommel, ik ben niet bang. Des zomers kan ik honger, des +winters kou lijden. Die domme kerels zijn koddig; te gelooven, dat +zij een meisje bang kunnen maken. Waarvoor zou ik bang zijn? Wijl ge +lafhartige minnaressen hebt, die zich onder het bed verbergen, zoodra +ge de stem verheft; is 't zoo niet? Ik ben voor niets bevreesd!" Zij +sloeg een vasten blik op Thénardier en voegde er bij: "Zelfs niet +voor u, vader." + +Toen hernam zij, haar bloedige spookachtige oogen over de bandieten +latende gaan: + +"Wat geef ik er om, of men mij morgen in de straat Plumet opraapt, +door den dolk van mijn vader vermoord, of dat men mij binnen een +jaar in de netten van Saint Cloud of bij het Zwaneneiland tusschen +oud verrot hout en verdronken honden vindt!" + +Zij was gedrongen op te houden, daar zij door een drogen hoest werd +overvallen, die haar adem reutelend uit haar enge, zwakke borst +deed hijgen. + +Zij hernam: + +"Ik behoef slechts te schreeuwen en men ijlt toe. Gij zijt met uw +zessen; ik ben alleen." + +Thénardier wilde haar naderen. + +"Nader niet!" riep zij. + +Hij stond stil en zeide op zachten toon: + +"Nu, ik zal niet naderen; maar spreek zoo luid niet, mijn kind. Ge +wilt ons dus beletten te werken? Wij moeten toch iets verdienen om +van te leven. Ge hebt dus geen vriendschap meer voor uw vader?" + +"Ge verveelt mij," zei Eponine. + +"Wij moeten toch leven, eten..." + +"Krepeer!" + +Dit gezegd hebbende, zette zij zich op het voetstuk van het hek +en neuriede: + + + Mon bras si dodu, + Ma jambe bien faite, + Et le temps perdu. + + +Zij liet haar elleboog op de knie en haar kin op haar hand rusten, +terwijl zij onachtzaam met haar been schommelde. Door haar gescheurd +kleed kon men haar magere schouderbladen zien. De naaste straatlantaarn +bescheen haar gezicht en gestalte. Men kon niets stoutmoedigers en +zonderlingers aanschouwen. + +De zes moordenaars, verwonderd en wrevelig, dat zij door een meisje +werden tegengehouden, traden in de schaduw achter de lantaarn en +raadpleegden, terwijl zij vernederd en verwoed de schouders ophaalden. + +Zij beschouwde hen met een kalmen, woesten blik. + +"Zij moet een of andere reden hebben," zei Babet. "Zou zij +verliefd zijn op den hond? 't Is toch jammer, dat wij de zaak moeten +opgeven. Twee vrouwen, een oude kerel, die op een achterplaats woont; +er zijn fraaie gordijnen voor de vensters. De oude is gewis een +jood. Ik geloof, dat 't een goede zaak was." + +"Nu, gaat dan binnen," riep Montparnasse; "doet de zaak; ik zal hier +bij het meisje blijven, en zoo zij durft..." + +Hij liet in het licht der lantaarn zijn mes glinsteren, dat hij open +in zijn mouw had. + +Thénardier zeide niets en scheen tot alles bereid. + +Brujon, die min of meer voor orakel diende, en, zooals men weet, de +zaak aan de hand had gedaan, had nog niet gesproken. Hij scheen in +gedachten verdiept. Men wist, dat hij voor niets terugdeinsde en eens, +alleen voor de bluf, een politiepost beroofd had. Bovendien maakte +hij verzen en liedjes, 't geen hem een hoog aanzien gaf. + +Babet vroeg hem: + +"Zegt gij niets, Brujon?" + +Brujon zweeg nog een oogenblik, toen schudde hij het hoofd op +verschillende wijzen en besloot eindelijk te spreken. + +"Luistert," zeide hij, "ik heb van morgen twee vechtende musschen +ontmoet; van avond ben ik een twistende vrouw tegen gekomen. Dat +alles is kwaad. Laat ons heengaan." + +Zij gingen. + +Voortgaande mompelde Montparnasse: + +"Om 't even; zoo men gewild hadde, zou ik gaarne mijn mes hebben +gebruikt." + +Babet antwoordde: + +"Ik niet. Ik dood geen vrouw!" + +Op den hoek van de straat hielden zij stil en wisselden deze +raadselachtige woorden: + +"Waar zullen wij van nacht slapen?" + +"Onder Pantin." (Parijs.) + +"Hebt gij den sleutel van het hek bij u, Thénardier?" + +"Zeker." + +Eponine, die hen niet uit het oog verloor, zag hen den weg inslaan, +dien zij gekomen waren. Zij stond op en sloop hen langs de muren en +de huizen na, en volgde hen tot op den boulevard. Daar scheidden zij +en zij zag de zes mannen in de duisternis verdwijnen en er zich als +in oplossen. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +DES NACHTS. + + +Toen de bandieten zich verwijderd hadden, keerde in de straat Plumet +alles weder tot nachtelijke stilte terug. + +Wat in die straat gebeurd was, zou in een bosch geen verwondering +hebben gebaard. In bosschen en kreupelhout vormen de ruw ineen +gekronkelde takken een somber gewelf boven het hooge gras; het wilde +gewemel ziet daar de plotselinge verschijningen van het onzichtbare; +wat beneden den mensch is, onderscheidt er door den nevel heen wat +boven den mensch is; en wat ons levend onbekend is, mengt er zich in +den nacht. De woeste wilde natuur schrikt bij de nadering van iets, +waarin zij het bovennatuurlijke meent te voelen. De krachten der +duisternis kennen elkander en hebben onderling een geheimzinnig +evenwicht. Tanden en klauwen vreezen het onvatbare. De van bloed +dronken dierlijkheid, de verslindende vraatzucht loerend op haar +prooi, de met nagels en muilen gewapende neigingen, wier oorsprong +en doel de buik is, begluren en ruiken angstig de ongevoelige +spookgedaante onder het lijkkleed, en meenen dat zij een doodelijk +en vreeselijk leven heeft. Deze woestheden, welke slechts stof zijn, +vreezen onduidelijk in de dichte duisternis met een onbekend wezen in +aanraking te komen. Een zwarte gestalte, die den doortocht verspert, +houdt plotseling het wilde dier tegen. Wat van het kerkhof komt +verbijstert en beangst wat uit het hol komt; het wreede vreest het +akelige; de wolven deinzen achteruit voor een aardmannetje! + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +MARIUS KEERT IN ZOOVERRE TOT DE WERKELIJKHEID TERUG, DAT HIJ AAN +COSETTE ZIJN ADRES GEEFT. + + +Terwijl deze soort van hond met menschelijk gezicht voor het hek +de wacht hield en de zes bandieten voor een meisje terugtrokken, +was Marius bij Cosette. + +Nooit was de hemel meer gesternd en schooner geweest, nooit hadden +de boomen zoo geritseld, de planten zoo gegeurd, nooit waren de +vogels met zoeter geruisch in het loof ingeslapen, nooit was de +harmonie der natuur beter met de inwendige muziek der liefde in +overeenstemming geweest; nooit had zich Marius opgetogener, verrukter, +gelukkiger gevoeld. Maar hij had Cosette treurig gevonden. Cosette +had geschreid. Zij had roode oogen. + +'t Was de eerste wolk van dien bekoorlijken droom. + +Het eerste woord van Marius was geweest: + +"Wat deert u?" + +En zij had geantwoord: + +"Luister." + +Toen had zij zich op de bank bij de stoep gezet en terwijl hij bevend +aan haar zijde plaats nam, vervolgde zij: + +"Mijn vader heeft mij van morgen gezegd, dat ik mij gereed moest +houden, dat hij zaken had en wij misschien zouden vertrekken." + +Marius beefde van het hoofd tot de voeten. + +Wanneer men aan het einde des levens is, heet sterven vertrekken; +wanneer men aan het begin ervan is, heet vertrekken sterven. + +Sedert zes weken nam Marius allengs, trapswijze, iederen dag meer en +meer bezit van Cosette. Een ideaal, maar volkomen bezit. Zooals wij +reeds hebben verklaard, heeft in de eerste liefde de ziel veel meer +deel dan het lichaam; later neemt het lichaam meer deel dan de ziel; +somtijds blijft de ziel geheel vreemd; de Faublas en Prudhommes +zeggen: omdat er geen ziel is; maar gelukkig is deze spotternij +een lastering. Marius dus bezat Cosette, zooals geesten bezitten; +maar hij omhulde haar met zijn geheele ziel en was ijverzuchtig +met ongelooflijke overtuiging. Hij bezat haar glimlach, haar adem, +haar geur, de diepe schittering harer blauwe oogen, de zachtheid van +haar huid, wanneer hij haar hand raakte, het bekoorlijk teeken aan +haar hals, al haar gedachten. Zij hadden beloofd niet te slapen, +zonder aan elkaar te denken; en zij hadden woord gehouden. Hij +bezat dus alle droomen van Cosette. Hij aanschouwde haar steeds +en raakte soms met zijn adem het korte haar, dat zij in den nek +had, en verklaarde dat er geen dier haartjes was, 't welk hem niet +behoorde. Hij aanschouwde en aanbad wat zij droeg, haar strikken, haar +handschoenen, haar manchetten, haar laarsjes, als heilige voorwerpen +waarvan hij de meester was. Hij meende, dat hij de heer was dier fraaie +schildpadden kammen, welke zij in 't haar had, en zelfs zeide hij bij +zich zelven--als een gesmoorde en zachte stameling van den wellust die +zich openbaarde--dat er geen koordje van haar kleed, geen maas harer +kousen, geen plooi van haar corset was, dat hem niet behoorde. Naast +Cosette gevoelde hij zich bij zijn goed, bij zijn eigendom, bij zijn +despoot en bij zijn slaaf. Het scheen hem, dat hun zielen zoodanig +vermengd waren, dat het onmogelijk zou geweest zijn ze nauwkeurig +te scheiden, zoo ieder de zijne had willen terugnemen.--Dit is de +mijne.--Neen, 't is de mijne.--Ik verzeker u dat ge u, bedriegt. Ik +ben 't.--Wat ge als u zelven beschouwt ben ik.--Marius was iets dat +tot Cosette, en Cosette iets dat tot Marius behoorde. Marius voelde +Cosette in zich leven. Cosette te hebben, te bezitten, was voor hem +hetzelfde als te ademen. 't Was te midden van dit geloof, van deze +bedwelming, van dit maagdelijk, ongehoord, volstrekt bezit, van deze +souvereiniteit, dat deze woorden: "Wij gaan misschien vertrekken," +eensklaps nedervielen, en de ruwe stem der werkelijkheid hem toeriep: +Cosette behoort u niet! + +Marius ontwaakte. Sedert zes weken leefde Marius, zooals wij gezegd +hebben, buiten het leven; dit woord: vertrekken! deed er hem ruw +in terugkeeren. + +Hij vond geen woorden. Cosette gevoelde slechts, dat zijn hand zeer +koud was. Zij zeide van haar kant tot hem: + +"Wat deert u?" + +Hij antwoordde zoo zacht, dat Cosette hem nauwelijks hoorde: + +"Ik begrijp niet, wat gij gezegd hebt." + +Zij hernam: + +"Hedenmorgen zeide mij mijn vader, dat ik al mijn goed in orde moest +brengen en mij gereed houden; dat hij mij zijn linnengoed zou geven om +het in een koffer te pakken; dat hij verplicht was een reis te doen; +dat wij zouden vertrekken; dat er een groote koffer voor mij en een +kleine voor hem moest zijn; dat dit alles in een week gereed moest +wezen, en wij misschien naar Engeland zouden gaan." + +"Maar dit is verschrikkelijk!" riep Marius. + +'t Is zeker, dat op dit oogenblik, in de schatting van Marius, geen +misbruik van gezag, geen gewelddadigheid, geen schandelijkheid der +grootste dwingelanden, geen daad van Busiris, van Tiberius of van +Hendrik VIII, in wreedheid en willekeur, gelijk stond met die van +den heer Fauchelevent, welke zijn dochter mede naar Engeland nam, +omdat hij er zaken had. + +Met flauwe stem vroeg hij: + +"En wanneer zult ge vertrekken?" + +"Hij heeft niet gezegd wanneer!" + +"En wanneer zult ge terugkomen?" + +"Hij heeft niet gezegd wanneer." + +Marius stond op en zeide koel: + +"Zult ge gaan, Cosette?" + +Cosette sloeg haar schoone oogen vol droefheid op hem en antwoordde +als in verwarring: + +"Waarheen?" + +"Naar Engeland? zult ge gaan?" + +"Wat zal ik doen?" zeide zij de handen wringende. + +"Ge zult dus gaan?" + +"Zoo mijn vader gaat." + +"Ge zult dus gaan?" + +Cosette nam de hand van Marius en drukte die zonder te antwoorden. + +"'t Is goed," zei Marius. "Ik zal dan ergens anders gaan." + +Cosette voelde den zin van dit woord, meer nog dan zij het begreep. Zij +verbleekte zoodanig, dat haar gelaat in de duisternis wit werd. Zij +stamelde: + +"Wat bedoelt ge?" + +Marius staarde haar aan en toen langzaam zijn oogen ten hemel +richtende, antwoordde hij: + +"Niets." + +Toen hij de oogen weder nedersloeg, zag hij Cosette tot hem +glimlachen. De glimlach van een vrouw, die men bemint, heeft een glans, +welken men des nachts ziet. + +"Hoe dom zijn wij! Marius, daar valt mij iets in." + +"Wat?" + +"Ga ook op reis, zooals wij op reis gaan! ik zal u zeggen waarheen! Kom +bij mij, waar ik ook wezen mag!" + +Nu was Marius als geheel uit den droom ontwaakt. Hij was tot de +werkelijkheid teruggekeerd. Hij zeide tot Cosette: + +"Met u reizen! zijt ge dwaas! Daartoe is geld noodig en dit heb +ik niet. Naar Engeland gaan? Maar ik ben, ik weet niet juist, aan +Courfeyrac, een mijner vrienden dien gij niet kent, reeds meer dan +tien louis schuldig. Ik heb een ouden hoed, die geen drie francs +waard is, ik heb een rok waaraan van voren de knoopen ontbreken; +mijn overhemd is versleten, mijn ellebogen steken door de mouwen, +mijn laarzen zijn lek; sedert zes weken denk ik hier niet meer aan, +en ik heb 't u niet gezegd. Ik ben een arme drommel, Cosette. Gij +ziet mij slechts des nachts, en schenkt mij uw liefde; maar zoo ge +mij des daags zaagt, zoudt ge mij een aalmoes geven. Naar Engeland +reizen! Ik bezit zoo veel niet, om een pas te betalen." + +Hij wierp zich tegen een boom en stond zoo met beide armen boven zijn +hoofd, met het voorhoofd tegen den stam, terwijl hij noch het hout +voelde dat zijn vel schramde, noch de koorts welke in zijn hersenen +klopte, bewegingloos, op 't punt neêr te zinken, als het beeld der +wanhoop! + +In deze houding bleef hij een geruime poos. Eeuwig zou men in zulk +een afgrond kunnen blijven. + +Eindelijk keerde hij zich om. Hij hoorde achter zich een zacht, +gesmoord en treurig gerucht. + +'t Was Cosette, die snikte. + +Zij weende langer dan twee uren, nabij Marius die peinsde. + +Hij naderde haar, viel op zijn knieën en zich langzaam buigende, nam +hij de punt van haar voet die van onder haar kleed kwam en kuste ze. + +Zwijgend liet zij hem begaan. Er zijn oogenblikken, dat de vrouw, +als een sombere en berustende godin, de hulde der liefde aanneemt. + +"Ween niet," zeide hij. + +Zij lispelde: + +"Omdat ik misschien moet vertrekken, en gij mij niet volgen kunt!" + +Hij hernam: + +"Bemint ge mij?" + +Zij antwoordde hem snikkend, dat hemelsche woord, 't welk nooit +bekoorlijker dan in tranen is: + +"Ik aanbid u!" + +Hij hernam met een stem, die een onuitsprekelijke liefkoozing was: + +"Ween niet. Zeg, wilt ge uit liefde voor mij niet meer weenen?" + +"Bemint gij mij?" vroeg zij. + +Hij nam haar hand: + +"Cosette, nooit heb ik mijn woord van eer aan iemand gegeven, wijl +mijn woord van eer mij heilig is. Ik gevoel, dat mijn vader aan mijn +zijde is. Nu, ik geef u mijn heiligst woord van eer, dat, zoo gij +heen gaat, ik sterven zal." + +In den klank, waarmede hij deze woorden sprak, lag zulk een plechtige +en kalme weemoed, dat Cosette ervan beefde. Zij gevoelde de kilheid +van een treurige waarheid, die voorbijgaat. Van ontroering hield zij +op met weenen. + +"Luister nu," zeide hij, "verwacht mij morgen niet." + +"Waarom?" + +"Verwacht mij eerst overmorgen." + +"O, waarom?" + +"Ge zult zien." + +"Een dag zonder u te zien, dat is onmogelijk." + +"Offeren wij een dag op, om misschien het geheele leven te hebben." + +En Marius voegde er halfluid bij, en als tot zich zelven sprekend: + +"'t Is iemand, die niets in zijn gewoonten verandert, en die nooit +iemand bij zich laat dan 's avonds." + +"Van wien spreekt gij?" vroeg Cosette. + +"Ik? ik heb niets gezegd." + +"Wat hoopt ge dan?" + +"Wacht tot overmorgen." + +"Ge wilt het?" + +"Ja, Cosette." + +Zij nam zijn hoofd in haar beide handen, hief zich op de teenen om +hem te bereiken, in haar hoop in zijn oogen te lezen. + +Marius hernam: + +"Gij zult mijn adres moeten weten; er kon iets gebeuren; men weet +niet wat; ik woon bij dien vriend, Courfeyrac geheeten, in de straat +de la Verrerie No. 16." + +Hij tastte in zijn zak, nam er een pennemes uit, en schreef daarmede +op de kalk van den muur: 16. straat de la Verrerie. + +Intusschen had zich Cosette weder hersteld, door hem in de oogen +te zien. + +"Zeg mij, waaraan gij denkt, Marius; gij denkt ergens aan; zeg het +mij. Och, zeg het mij, opdat ik gerust kunne slapen." + +"Wat ik denk, luister: dat het onmogelijk is dat God ons zou willen +scheiden. Verwacht mij overmorgen." + +"Wat zal ik tot zoolang doen?" zei Cosette. "Gij zijt buiten; ge komt +en gaat waarheen ge wilt. Hoe gelukkig zijn de mannen! Ik zal geheel +alleen zijn. Ach, hoe treurig zal ik wezen! Wat wilt gij morgenavond +doen? zeg het mij." + +"Ik zal iets beproeven." + +"Dan zal ik bidden en intusschen aan u denken, opdat ge moogt +slagen. Ik vraag u nu niets meer; omdat ge 't niet wilt. Ge zijt +mijn meester. Ik zal morgen den avond doorbrengen met de Euryanthe te +zingen, die gij zoo mooi vindt en waarnaar ge eens op een avond onder +mijn vensters geluisterd hebt. Maar overmorgen komt ge vroeg. Ik zal +u 's avonds precies te negen uren wachten; dat zeg ik u. Mijn Hemel, +hoe treurig, dat de dagen zoo lang zijn. Gij hoort het, met klokslag +van negen zal ik in den tuin zijn." + +"Ik ook." + +Zonder elkander iets te zeggen, door dezelfde gedachten bezield, +medegesleept door die electrieke stroomingen, welke twee gelieven +in gestadige gemeenschap houden, beiden, zelfs in hun smart, door +zaligheid bedwelmd, zonken zij in elkanders armen, zonder op te merken +dat hun lippen zich vereenigd hadden, terwijl hun opgeheven oogen, +in tranen van verrukking zwemmend, de sterren aanschouwden. + +Toen Marius heenging was de straat eenzaam. 't Was op het oogenblik +dat Eponine de bandieten tot op den boulevard volgde. + +Terwijl Marius peinzend met het hoofd tegen den boom leunde, was een +gedachte in zijn geest ontstaan; een gedachte, helaas, welke hij zelf +dwaas en onmogelijk achtte. Hij had een besluit genomen. + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +HET JONGE EN HET OUDE HART TEGENOVER ELKANDER. + + +De heer Gillenormand was te dezen tijde ruim een-en-negentig jaar +oud. Hij woonde nog altijd met mejuffrouw Gillenormand in de straat des +Filles du Calvaire No. 6, in het oude huis, dat hem toebehoorde. Hij +was, zooals men zich herinnert, een dier ouden uit den voortijd, +die den dood staande verwachten, dien de ouderdom wel drukt, maar +niet kromt, en welken zelfs het verdriet niet buigt. + +Sedert eenigen tijd zeide evenwel zijn dochter: mijn vader neemt +af. Hij gaf zijn dienstmeiden geen oorvegen meer; sloeg niet meer +met zijn stok zoo forsch tegen de leuning van de trap, wanneer +Basque draalde de deur voor hem te openen. De Juli-omwenteling +had hem nauwelijks vertoornd gedurende zes maanden. Schier met +kalmte had hij in den Moniteur deze woorden gelezen Humblot-Conté, +pair van Frankrijk. Werkelijk was de grijsaard door droefheid +verslagen. Hij zwichtte niet, gaf zich niet over; dit lag evenmin in +zijn lichamelijken als in zijn zedelijken aard; maar inwendig voelde +hij zich verzwakken. Sedert vier jaren wachtte hij met vasten voet +Marius, stellig overtuigd dat deze kleine deugniet den een of anderen +dag weder bij hem zou aanschellen. Nu was hij in treurige oogenblikken +soms zoover gekomen van tot zichzelven te zeggen: "Zoo Marius zich nog +lang laat wachten, dan...." 't Was niet de gedachte aan den dood, die +hem ondragelijk was, maar wel die, dat hij Marius misschien niet zou +wederzien. Marius niet weder te zien, dit was tot hiertoe volstrekt +niet in zijn gedachte gekomen; maar nu begon dit denkbeeld allengs +in zijn geest op te rijzen en deed hem verstijven. De afwezigheid, +zooals altijd bij natuurlijke en ware gevoelens het geval is, had +zijn liefde als grootvader voor het ondankbaar kind, dat zich van +hem verwijderd had, slechts doen toenemen. In Decembernachten, bij +tien graden koude, denkt men het meest aan de zon. 't Was Gillenormand +volstrektelijk onmogelijk, of hij achtte zulks althans, als grootvader +zijn kleinzoon één stap te gemoet te gaan;--"Ik zou liever sterven," +zeide hij. Hij had zich niets te beschuldigen, meende hij; hij dacht +echter aan Marius met innige teederheid en met de stille wanhoop van +een eenvoudig oud man, die den dood nadert. + +Hij begon zijn tanden te verliezen, 't geen zijn droefheid +vermeerderde. Gillenormand had, zonder het zichzelven nochtans te +bekennen, want hij zou er woedend en beschaamd over zijn geweest, +nooit van eene minnares zooveel gehouden als hij van Marius hield. Hij +had in zijn kamer, naast zijn bed, als iets dat hij het eerst wenschte +te zien wanneer hij ontwaakte, een oud portret zijner andere dochter, +de overledene mevrouw Pontmercy, doen plaatsen, een portret, dat haar +op achttienjarigen leeftijd voorstelde. Zijn oog was hier bestendig +op gericht. Eens zeide hij, terwijl hij het aanschouwde: + +"Ik vind er veel gelijkenis in." + +"Met mijn zuster?" hernam juffrouw Gillenormand. "O, gewis!" + +De grijsaard voegde er bij: + +"En met hem ook." + +Eenmaal, toen hij met de knieën over elkander en schier met gesloten +oogen in een zwaarmoedige houding zat, waagde zijn dochter te zeggen: + +"Vader, zijt ge nog altijd op hem verstoord?...." + +Zij zweeg, daar ze niet verder durfde gaan. + +"Op wien?" vroeg hij. + +"Op den armen Marius?" + +Hij hief zijn oud hoofd op, legde zijn magere, gerimpelde hand op de +tafel en riep op zijn verbitterdsten, scherpsten toon: + +"Den armen Marius, zegt gij! Hij is een schoft, een deugniet, een +ijdele, ondankbare knaap, zonder hart, zonder ziel, een hoogmoedig, +slecht mensch!" + +En hij wendde het hoofd om, opdat zijn dochter den traan niet in zijn +oog zou zien. + +Drie dagen later verbrak hij een stilzwijgen, 't welk reeds vier uren +geduurd had, om tot zijn dochter kortaf te zeggen: + +"Ik had mejuffrouw Gillenormand verzocht, mij nooit van hem te +spreken." + +Tante Gillenormand zag van verdere pogingen af en maakte deze +schrandere opmerking: "Vader heeft nooit veel van mijn zuster gehouden +sedert haar dommen streek. Het is duidelijk, dat hij Marius haat." + +"Sedert haar dommen streek" beteekende: sedert zij met den kolonel +was gehuwd. + +Overigens, zooals men heeft kunnen gissen, was mejuffrouw Gillenormand +in haar pogingen niet geslaagd om haar gunsteling, den officier +der lansiers, in Marius' plaats te dringen. Theodule had als +plaatsvervanger geen geluk gehad. Gillenormand had hem niet willen +aannemen. De ledigheid des harten wordt niet door een plaatsvervanger +gevuld. Theodule, van zijn kant, hoewel hij op een erfenis aasde, kon +zich niet dwingen om den ouden man te behagen. De oude man verveelde +den lansier en de lansier hinderde den ouden man. De luitenant +Theodule was ongetwijfeld vroolijk, maar babbelachtig; lichtzinnig, +maar gemeen; een vermaakzoeker, maar in slecht gezelschap; hij had +minnaressen, 't is waar, en sprak er veel van, dit is ook waar; maar +hij sprak er kwaad van. Al zijn hoedanigheden hadden een gebrek. Het +walgde mijnheer Gillenormand, hem zijn liefdeavonturen te hooren +verhalen, welke hij in den omtrek zijner kazerne in de Babelstraat +had. En daarbij kwam de luitenant Gillenormand soms in uniform +met de driekleurige kokarde. Dit was genoeg om hem ondragelijk te +maken. Eindelijk had vader Gillenormand tot zijn dochter gezegd: +"Ik heb genoeg van Theodule. Ik heb weinig op met krijgslieden in +vredestijd. Laat hem bij u komen, als ge wilt. Ik weet niet of ik +nog niet meer houd van hen, die werkelijk de sabel gebruiken, dan +van hen die er alleen mee sleepen. Het gekletter der zwaarden in den +slag is in allen geval minder nietig, dan het gerammel der scheeden +op de straatsteenen. En dan een houding aan te nemen als een held en +zich te rijgen als een meisje, een corset onder een harnas te dragen, +dat is dubbel bespottelijk. Wanneer men een degelijk man is, onthoudt +men zich evenzeer van pocherij als van verwijfdheid. Noch bramarbas, +noch flauwhartige. Behoud uw Theodule voor u zelve." + +Zijn dochter mocht al zeggen: "'t Is toch uw achterneef," 't bleek +echter dat mijnheer Gillenormand, schoon van top tot teen grootvader, +evenwel volstrekt geen oudoom was. + +Trouwens, wijl hij zijn verstand gebruikte en vergelijkingen maakte, +had Theodule tot niets anders gediend dan om hem Marius te meer te +doen betreuren. + +Op een avond, 't was den 4 Juni, ('t geen evenwel niet belette, +dat vader Gillenormand een goed vuur in den haard brandde), had hij +zijn dochter heengezonden, die in het belendend vertrek naaide. Hij +was alleen in zijn kamer met de herderstafereelen, zijn voeten op +de haardijzers latende rusten, ten halve ingesloten door zijn groot +coromandelsch tochtscherm van negen bladen, met de ellebogen op de +tafel, waarop twee waskaarsen onder een groen lichtscherm brandden, +verzonken in zijn warm bekleeden armstoel en met een boek in de hand, +schoon hij niet las. Hij was, naar zijn gewoonte, als incroyable +gekleed en geleek op een oud portret van Garat. Men zou hem in die +kleeding op de straat met de vingers hebben nagewezen, maar zijn +dochter hulde hem, wanneer hij uitging, in een ruimen gewatteerden +overjas, waaronder zijne overige kleeding verborgen was. Hij droeg +te huis nooit een kamerjapon, behalve wanneer hij opstond of te bed +ging.--Dat geeft een oud voorkomen, zeide hij. + +Vader Gillenormand dacht aan Marius met liefde en bitterheid, en, +als gewoonlijk, had de bitterheid de overhand. Zijn gekwetste liefde +eindigde steeds in heftigheid en verontwaardiging. Hij was thans tot +dat punt gekomen, wanneer men een besluit tracht te nemen en alles +aanneemt om het te vernietigen. Hij begon in te zien, dat er nu geen +reden meer was, waarom Marius zou terugkomen; dat zoo hij had willen +terugkeeren, hij dit reeds gedaan zou hebben; dat hij van die hoop +moest afzien. Hij poogde zich met het denkbeeld gemeenzaam te maken, +dat het gedaan was, en hij zou sterven zonder dien "mijnheer" weder +te zien. Maar geheel zijn natuur verzette er zich tegen; zijn oude +bloedverwantschap kon er zich niet in schikken. "Hoe 't zij!" herhaalde +hij steeds in zijn droefheid, "hij zal niet wederkomen!" Zijn kaal +hoofd was op zijn borst gezonken, en hij staarde strak in de asch +van den haard, met een droevigen, vergramden blik. + +In het diepst zijner overdenkingen trad zijn oude knecht Basque +binnen, zeggende: + +"Mijnheer, daar is mijnheer Marius om u te spreken!" + +De grijsaard richtte zich schielijk op, bleek en als een lijk, dat +zich door een galvanischen schok opheft. Al zijn bloed was naar zijn +hart teruggestroomd. Hij stamelde: + +"Welke mijnheer Marius?" + +"Ik weet niet," antwoordde Basque, verschrikt en in verwarring gebracht +door de houding zijns meesters. "Ik heb hem niet gezien. Nicolette +heeft mij gezegd: Daar is een jong mensch, zeg, dat het mijnheer +Marius is." + +Vader Gillenormand stamelde zacht: + +"Laat hem binnenkomen." + +Hij bleef in dezelfde houding, met waggelend hoofd en op de deur +gerichten blik. De deur werd weder geopend. Een jonge man trad +binnen. 't Was Marius. + +Marius bleef aan de deur staan, als wachtte hij, dat men hem zou +zeggen binnen te komen. + +Zijn schier armoedige kleeding was niet te zien in de duisternis, +welke het lichtscherm veroorzaakte. Men onderscheidde slechts zijn +rustig, ernstig, maar zonderling treurig gezicht. + +Vader Gillenormand, als door verbazing en blijdschap verstomd, +zag eenige oogenblikken niets dan een helderheid als die eener +verschijning. Hij was op 't punt in onmacht te vallen; hij zag Marius +als door een schittering heen. Ja, hij was het, 't was wel degelijk +Marius! + +Eindelijk! na vier jaren! Hij greep hem, om zoo te spreken, geheel +en al met een oogopslag. Hij vond hem schoon, edel, voornaam, groot +geworden, een volwassen man, met een goede houding en innemend +voorkomen. Hij had veel lust om zijn armen uit te breiden, hem tot +zich te roepen, hem te omhelzen. Zijn hart smolt van verrukking; +vriendelijke woorden deden het zwellen en overstroomden zijn boezem; +eindelijk gaf zich zijn geheele liefde lucht en bereikte zijn lippen, +maar door de tegenstrijdigheid, die den grond zijner natuur was, +kwam er een ruwheid uit. + +Norsch zeide hij: + +"Wat komt ge hier doen?" + +Marius antwoordde verlegen: + +"Mijnheer...." + +De heer Gillenormand had gewenscht, dat Marius zich in zijn armen had +geworpen. Hij was ontevreden, zoowel op Marius als op zich zelven. Hij +gevoelde dat hij barsch, en dat Marius koel was. 't Was voor den goeden +man een onverdragelijke, tergende foltering, zich inwendig zoo teeder +en weemoedig te gevoelen en uiterlijk slechts ruw te kunnen zijn. De +bitterheid keerde in hem terug. Op barschen toon viel hij Marius in +de rede: + +"Waarom komt ge dan?" + +Dit "dan" beteekende: Zoo ge mij niet omhelst. Marius aanschouwde zijn +grootvader, wiens gezicht de bleekheid als van marmer deed schijnen. + +"Mijnheer!"... + +De grijsaard hernam op strengen toon: + +"Komt ge mij vergeving vragen? Hebt ge uw ongelijk erkend?" + +Hij meende Marius hiermede op den weg te brengen, en dat "het kind" +zou zwichten. Marius beefde: 't was de verloochening zijns vaders, +welke men hem vroeg; hij sloeg de oogen neder en antwoordde: + +"Neen, mijnheer." + +"Wat wilt ge dan van mij?" riep de grijsaard, onstuimig, met vlijmende +smart en vol toorn. + +Marius vouwde de handen samen, naderde een schrede en zeide met zwakke, +bevende stem: + +"Heb medelijden met mij, mijnheer." + +Dit woord verteederde den heer Gillenormand, of liever gezegd, zou +hem verteederd hebben; maar het kwam te laat. De grootvader stond op +en steunde met beide handen op zijn stok; zijn lippen waren bleek, +zijn hoofd waggelde, maar zijn hooge gestalte beheerschte den gebogen +Marius. + +"Medelijden met u, mijnheer? 't Is de jongeling die medelijden vraagt +van den een-en-negentigjarigen grijsaard! Gij treedt het leven in, +ik ga er uit; gij gaat naar den schouwburg, naar het bal, naar het +koffiehuis, naar 't biljart; gij hebt geest, behaagt de vrouwen, ge +zijt een fraai jongeling; en ik hurk midden in den zomer bij het vuur; +gij bezit al de wezenlijke schatten die er zijn; ik heb al de armoede +der grijsheid; gebreken, verlatenheid! Gij hebt al uw twee-en-dertig +tanden, een goede maag, een levendig oog, kracht, eetlust, gezondheid, +vroolijkheid, weelderig zwart haar; ik heb zelfs geen wit haar meer; +ik heb mijn tanden verloren; ik verlies mijn beenen, ik verlies mijn +geheugen; er zijn drie straten, welke ik telkens met elkaar verwar: +de straat Charlot, de straat du Chaume en de straat St. Claude; zoo ver +ben ik gekomen; gij hebt voor u de gansche zonnige toekomst; ik begin +bijna niets meer te zien, zoo diep ben ik den nacht reeds ingegaan; +gij zijt verliefd, dat spreekt vanzelf; ik word door niemand ter wereld +bemind, en gij vraagt mij medelijden. Drommels, dit heeft Molière +nog vergeten. Indien ge zoo in het paleis van justitie schertst, +mijnheeren advocaten, dan maak ik u mijn hartelijk compliment, ge +zijt waarlijk koddig." + +En de een-en-negentigjarige hernam met vergramde, ernstige stem: + +"Maar, wat wilt ge van mij?" + +"Mijnheer," zei Marius, "ik weet, dat mijn tegenwoordigheid u mishaagt, +maar ik kom slechts om u iets te vragen, en dan zal ik dadelijk +weder heengaan." + +Dit was de vertaling dezer teedere woorden, welke hij in den grond +van zijn hart had: "Maar vraag mij toch vergeving! Werp u toch aan +mijn hals!" Mijnheer Gillenormand gevoelde, dat Marius hem in weinige +oogenblikken zou verlaten, dat zijn slechte ontvangst hem kwetste, +dat zijn hardheid hem wegjoeg; dit alles zeide hij tot zich zelf en +zijn smart vermeerderde er door, en wijl zijn smart dadelijk tot toorn +overging, vermeerderde ook zijn norschheid. Hij wilde dat Marius hem +begreep, en Marius begreep hem niet, 't geen den ouden man woedend +maakte. Hij hernam: + +"Hoe! ge hebt mij beleedigd, mij, uw grootvader, ge hebt mijn huis +verlaten, om, ik weet niet waarheen te gaan; ge hebt uw tante wanhopig +gemaakt, ge zijt als een jongeheer gaan leven, dit is gemakkelijker, +dat spreekt, om den fat te kunnen spelen, naar believen te huis te +komen, u te vermaken ge hebt mij geen teeken van leven gegeven; ge +hebt schulden gemaakt, zonder mij zelfs te verzoeken ze te betalen; +ge gaat glazen inslaan en straatrumoer maken, en na verloop van vier +jaren komt ge bij mij en gij hebt mij verder niets te zeggen." + +Deze geweldige wijze om den kleinzoon tot teederheid te bewegen bracht +bij Marius niets dan stilzwijgen voort. Mijnheer Gillenormand kruiste +de armen op de borst, 't geen bij hem een bijzonder gebiedend gebaar +was, en zeide bitter tot Marius: + +"Maken wij er een einde aan. Ge zegt, dat ge mij iets komt vragen, +nu, wat? wat is het? spreek." + +"Mijnheer," zei Marius met den blik van iemand, die voelt dat hij in +een afgrond zal storten; "ik kom uw toestemming vragen om te trouwen." + +Mijnheer Gillenormand schelde. Basque verscheen in de deur. + +"Laat mijn dochter hier komen." + +Een seconde later werd de deur weder geopend, mejuffrouw Gillenormand +trad niet binnen, maar vertoonde zich; Marius stond sprakeloos, +met hangende armen en het gezicht van een misdadiger; mijnheer +Gillenormand ging heen en weder door de kamer. Hij wendde zich tot +zijn dochter en zeide: + +"Niets. 't Is mijnheer Marius. Zeg hem goedendag. Mijnheer wil +trouwen. Dat is 't. Nu kunt ge heengaan." + +De korte, ruwe toon van den grijsaard verried een buitengewone +opkropping van toorn. De tante aanschouwde Marius met verschrikten +blik, scheen hem nauwelijks te herkennen, liet geen gebaar noch woord +ontsnappen, en verdween na de woorden van haar vader sneller dan een +stroohalm voor den wind. + +Ondertusschen was vader Gillenormand weder tegen den schoorsteen +gaan leunen. + +"Trouwen! op een-en-twintigjarigen leeftijd! Hebt ge dit in orde +gebracht? Ge behoeft nog slechts mijn toestemming! een formaliteit! Zet +u, mijnheer. Nu, ge hebt een revolutie ondergaan sedert ik de eer +heb gehad u te zien. De Jakobijnen zegevierden. Gij hebt tevreden +moeten zijn. Zijt ge geen republikein sedert gij baron zijt? Ge kunt +dit met elkaar vereenigen. De republiek geeft een bijsmaak aan 't +baronschap. Zijt ge een gedecoreerde van Juli? hebt ge ook een handje +aan de inneming van het Louvre geholpen, mijnheer? Hier dichtbij, +in de straat Saint Antoine, tegenover de straat des Nonaindières, +is een kogel in den muur der derde verdieping van een huis gemetseld +met dit opschrift: 28 Juli 1830. Ga dat zien. Het staat goed. O, +uw vrienden doen fraaie dingen! Apropos, maken zij geen fontein op +de plaats van het monument van den hertog van Berry? Gij wilt dus +trouwen? met wie? mag men zonder onbescheidenheid vragen met wie?" + +Hij zweeg, maar voor dat Marius den tijd had te antwoorden, voegde +hij er heftig bij: + +"Ha, zoo! gij hebt dus een bestaan? gij hebt fortuin gemaakt? hoeveel +verdient ge met uw advocaatschap?" + +"Niets," zei Marius met eene soort van vastheid en schier ruwe +beradenheid. + +"Niets? hebt ge dan, om te leven, niets meer dan de twaalfhonderd +francs, welke ik u geef?" + +Marius antwoordde niet. Mijnheer Gillenormand hernam: + +"Dan begrijp ik; het meisje is rijk?" + +"Evenals ik." + +"Hoe! geen vermogen?" + +"Neen." + +"Uitzichten?" + +"Ik geloof niet." + +"Alzoo naakt en bloot! en wie is de vader?" + +"Ik weet niet." + +"Hoe heet zij?" + +"Mejuffrouw Fauchelevent." + +"Fauche-wat?" + +"Fauchelevent." + +"Pstt," deed de grijsaard. + +"Mijnheer!" riep Marius. + +Mijnheer Gillenormand viel hem in de rede, op een toon als iemand, +die bij zich zelven spreekt: + +"Fraai! een-en-twintig jaar, geen bestaan, twaalfhonderd francs 's +jaars, mevrouw de barones Pontmercy zal voor twee sous peterselie +bij de groenvrouw gaan koopen." + +"Mijnheer," hernam Marius in de vervoering der laatste hoop die +vervloog, "ik bid u, ik bezweer u, om 's hemels wil, met gevouwen +handen, mijnheer, ik kniel voor u, veroorloof mij met haar te trouwen!" + +De grijsaard barstte in een scherp, akelig gelach uit, terwijl hij +tevens kuchte en sprak: + +"Ha! ha! ha! ge hebt gedacht: kom, ik ga dien ouden pruik, dien mallen +vent eens opzoeken. 't Is jammer, dat ik geen vijf-en-twintig jaar oud +ben! ik zou hem een duchtige acte van eerbied voorleggen! Ik kon hem +missen! Om 't even, ik zal hem zeggen: Oude suffer, gij zijt verrukt +van blijdschap mij te zien; ik heb lust om te trouwen, ik heb lust +met mejuffrouw onbekend te trouwen, dochter van mijnheer onbekend; +ik heb geen schoenen aan de voeten, zij heeft geen hemd aan 't lijf; +dat past goed bij elkaâr; ik heb plan mijn loopbaan, mijn toekomst, +mijn jeugd, mijn leven in 't water te werpen; ik heb lust mij hals +over kop in de armoede te storten; dat is zoo mijn idee, gij moet +er in bewilligen; en de oude zal bewilligen. Goed, mijn jongen, ga +uw gang, hang u een steen om den hals, trouw met uw Pousselevent, +met uw Coupelevent... Nooit, mijnheer, nooit!" + +"Grootvader!" + +"Nooit!" + +De toon, waarop dat "nooit" werd uitgesproken, ontnam Marius alle +hoop. Met langzame schreden, met gebogen hoofd, wankelend, meer +iemand gelijkende die sterft dan die heengaat, ging hij door de +kamer. Mijnheer Gillenormand volgde hem met de oogen, en toen de +deur geopend werd en Marius wilde heengaan, deed hij vier schreden +met de verjaarde levendigheid van driftige en verwende grijsaards, +greep Marius bij den kraag, voerde hem met kracht weder in de kamer, +wierp hem op een stoel en zeide: + +"Verhaal mij!" + +'t Was het enkele woord "grootvader", aan Marius ontsnapt, dat deze +omkeering voortbracht. + +Marius zag hem met verbazing aan. Het bewegelijk gezicht van den heer +Gillenormand drukte alleen nog een ruwe en onuitsprekelijke goedheid +uit; de oude man was door den grootvader vervangen. + +"Komaan, spreek, verhaal mij uw liefdehistorie, zeg mij +alles. Drommels, hoe dom zijn toch de jongelieden!" + +"Grootvader...," hernam Marius. + +Het geheele gelaat des grijsaards straalde van een onbeschrijfelijken +glans. + +"Ja, zoo is 't goed, noem mij grootvader en gij zult zien." + +In deze ruwheid lag nu iets goedhartigs, zoo zachts, zoo openhartigs, +zoo vaderlijks, dat Marius in dezen plotselingen overgang van +moedeloosheid tot hoop, er als door bedwelmd en verward werd. Hij +zat aan de tafel, het licht der waskaarsen toonde den slechten staat +zijner kleeding, welke de heer Gillenormand met verbazing beschouwde. + +"Nu, lieve grootvader...," zei Marius. + +"Ge hebt dan waarlijk geen geld?" viel mijnheer Gillenormand hem in +de rede. "Ge zijt gekleed als een dief." + +Hij schommelde in een lade en nam er een beurs uit, welke hij op de +tafel legde. + +"Ziedaar honderd louisd'ors, koop u een hoed." + +"Grootvader," hernam Marius, "lieve grootvader, zoo ge wist hoe ik +haar bemin! Ge kunt het u niet verbeelden; 't was in het Luxembourg +dat ik haar den eersten keer zag; zij kwam er; in den beginne lette ik +niet veel op haar; maar toen, ik weet zelf niet hoe het kwam, werd ik +verliefd op haar. O! hoe ongelukkig heeft mij dat gemaakt! Eindelijk +spreek ik haar alle dagen in haar tuin; haar vader weet het niet; +verbeeld u; zij gaan vertrekken; 't is in den tuin dat wij elkander +spreken, des avonds; haar vader wil haar naar Engeland medenemen; +toen zeide ik bij mij zelven: ik ga mijn grootvader bezoeken en hem +de zaak verhalen. Ik zou krankzinnig worden, sterven, ziek worden, +in 't water springen. Ik moet haar volstrekt trouwen, want ik zou +krankzinnig worden. Ziedaar de geheele waarheid. Ik geloof niet, +dat ik iets vergeten heb. Zij woont in een tuin met een hek, in de +straat Plumet. 't Is aan de zijde der Invaliden." + +Met een glans op het gelaat had vader Gillenormand zich naast Marius +gezet. Terwijl hij luisterde en den klank zijner stem hem verrukte, nam +hij tevens een lang snuifje. Bij het woord "straat Plumet" hield hij +op met snuiven en liet het overige van de snuif op de knieën vallen. + +"Straat Plumet! ge zegt straat Plumet? Wacht even! Is er niet een +kazerne in de nabijheid?--Ja, ja, zoo is het. Uw neef Theodule heeft +er mij van gesproken. De lansier, de officier.--Een meisje, mijn goede +vriend, een meisje. Inderdaad, straat Plumet. Voorheen noemde men ze de +straat Blomet... Nu herinner ik mij. Ik heb van het meisje van het hek +in de straat Plumet hooren spreken. In een tuin. Een Pamela. Ge hebt +geen slechten smaak. Men zegt, dat zij zeer lief is. Onder ons gezegd, +geloof ik dat deze zotskap van een lansier haar een weinig het hof +heeft gemaakt. Ik weet niet hoe ver 't gegaan is. Nu, dat doet er niet +toe. Men moet hem niet gelooven. Hij is een bluffer. Ik vind het zeer +goed, Marius, dat een jongeling als gij verliefd is. Het behoort tot +uw leeftijd. Ik heb liever dat ge verliefd dan een Jakobijn zijt. Ik +heb liever, dat ge op een meisje, op twintig meisjes verliefd zijt, +dan op mijnheer de Robespierre. Ik, wat mij betreft, ik laat mij de +gerechtigheid wedervaren, dat ik van alle sansculottes (zonderbroeken) +slechts de vrouwen heb bemind. Verduiveld, mooie meisjes zijn mooie +meisjes, daartegen is niets te zeggen. En het meisje! zij ontvangt +u heimelijk zonder dat papa er iets van weet.--'t Is volkomen in den +regel. Ook ik heb zulke geschiedenissen gehoord; meer dan eene. Weet +ge wat men doet; men neemt de zaak zoo nauw niet; men werpt zich niet +met geweld in het treurspel; men gaat niet zoo spoedig een huwelijk +voor mijnheer den maire met zijn sjerp sluiten. Men moet doodeenvoudig +schrander zijn. Gezond verstand hebben. Doet wat ge wilt, stervelingen, +maar trouwt niet. Men zoekt den grootvader op, die in den grond een +goed man is, en altijd wel een rol louisd'or in een oude latafel heeft, +men zegt: grootvader, hier ben ik, en de grootvader zegt: dat is zeer +natuurlijk. De jeugd moet uitrazen en de ouderdom afschuiven. Ik +ben jong geweest, gij zult oud worden. Luister, mijn jongen, gij +zult hetzelfde aan uw kleinzoon zeggen. Ziedaar hebt ge tweehonderd +pistolen. Vermaak u! 't Is het beste wat men doen kan! Zoo moet de zaak +behandeld worden. Men trouwt niet; dat belet echter niets. Begrepen?" + +Marius, die als versteend en niet in staat was een woord uit te +brengen, schudde het hoofd ontkennend. + +De oude man lachte luid, knipoogde, klopte hem op de knie, lonkte +hem op geheimzinnige wijze toe en zeide hem, teederlijk de schouders +ophalende: + +"Domoor, neem ze tot uw matres." + +Marius verbleekte. Hij had niets begrepen van al 't geen zijn +grootvader gezegd had. Het geteut over de straat Blomet, Pamela, +kazerne, lansier, was als beelden uit een tooverlantaarn voorbij +Marius heengegaan. Dat alles kon geen betrekking hebben op Cosette, +die een lelie was. De oude man raaskalde. Maar dat geraaskal was +uitgeloopen op een woord, 't welk Marius begrepen had, 't welk een +doodelijke beleediging voor Cosette was. Het woord "neem ze tot uw +matres" drong in het hart des jongelings als een degenkling. + +Hij stond op, nam zijn hoed, die op den grond lag, en ging met vasten, +beraden tred naar de deur. Daar keerde hij zich om, boog diep voor +zijn grootvader, richtte het hoofd weder op en zeide: + +"Vijf jaren geleden hoondet gij mijn vader; heden beleedigt gij mijn +vrouw. Ik vraag u niets meer, mijnheer, vaarwel!" + +Vader Gillenormand opende onthutst den mond, stak de armen uit, +poogde zich op te richten, maar eer hij een woord had kunnen spreken, +was de deur weder gesloten en Marius verdwenen. + +De grijsaard was eenige oogenblikken bewegingloos en als verpletterd, +zonder te kunnen spreken noch ademen, alsof een gesloten vuist hem +de keel dichtkneep. Eindelijk stond hij met geweld van zijn stoel op, +ijlde naar de deur, zoo snel zijn een-en-negentig jaren hem vergunden, +opende ze en riep: + +"Help! help!" + +Zijn dochter kwam te voorschijn, vervolgens ook de dienstboden. Met +erbarmelijk gereutel hernam hij: + +"Loopt hem na! Vat hem! Wat heb ik hem gedaan? hij is zinneloos! hij +gaat heen! Ach, mijn God, mijn God! ditmaal zal hij niet wederkeeren." + +Hij ging naar het raam, dat op de straat uitkwam, opende het met zijn +bevende handen, boog zich ten halven lijve er uit, terwijl Basque en +Nicolette hem van achter vasthielden, en riep: + +"Marius! Marius! Marius! Marius!" + +Maar Marius kon hem niet meer hooren, en ging juist den hoek der +straat St. Louis om. + +De een-en-negentigjarige sloeg twee of drie keeren met een angstige +uitdrukking de handen aan zijn hoofd, trad waggelend terug en zonk op +een stoel, zonder polsslag, zonder stem, zonder tranen, als wezenloos +het hoofd schuddende en de lippen bewegende, terwijl in zijn oogen en +in zijn hart slechts iets dieps en treurigs was, dat den nacht geleek. + + + + + + + +BOEK IX. + +WAARHEEN GAAN ZIJ? + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +JEAN VALJEAN. + + +Dienzelfden dag, tegen vier uren des namiddags, zat Jean Valjean alleen +op den kant van een der eenzaamste hoogten van het Marsveld. Hetzij +voorzichtigheid, hetzij de wensch om zich aan zijn gedachten over te +geven, of eenvoudig ten gevolge van een dier onmerkbare veranderingen, +welke allengs in de gewoonten van iedereen ontstaan, ging hij thans +zeer zelden met Cosette uit. Hij droeg een arbeidersbuis, en een +grove linnen broek; terwijl een pet met breeden klep zijn gezicht +bedekte. Hij was nu gerust en gelukkig ten aanzien van Cosette, en +'t geen hem eenigen tijd beangstigd en verontrust had, was verdwenen; +maar sedert een paar weken waren bekommeringen van een anderen aard +bij hem ontstaan. Op zekeren dag, dat hij langs den boulevard wandelde, +had hij Thénardier gezien. In zijn verkleeding, had Thénardier hem niet +herkend; maar sedert had Jean Valjean hem herhaaldelijk wedergezien, +en hij had thans de zekerheid, dat Thénardier in de wijk rondsloop. Dit +was voldoende geweest om hem een groot besluit te doen nemen. Met +Thénardier waren alle gevaren voor hem aanwezig. Parijs was buitendien +niet rustig; de politieke beroeringen waren voor ieder een bezwaar, +die iets van zijn leven te verbergen had, wijl de politie zeer wakker +en nauwlettend was geworden, en zij, bij 't opsporen van een Pépin +of Morey, zeer licht iemand als Jean Valjean kon ontdekken. Jean +Valjean had besloten Parijs, ja zelfs Frankrijk, te verlaten en naar +Engeland over te steken. Cosette had hij ervan verwittigd. Binnen acht +dagen wilde hij vertrekken. Hij zat op eene hoogte van het Marsveld, +terwijl allerlei gedachten bij hem opkwamen, Thénardier, de politie, +de reis, en de moeielijkheid zich een pas te bezorgen. + +Ten aanzien van al deze punten was hij zeer bekommerd. + +Eindelijk had een onverklaarbaar feit, dat hem had getroffen en hem nog +geheel vervulde, zijn waakzaamheid vermeerderd. Toen hij des morgens +van dien dag alleen in het huis op was en in den tuin wandelde, vóór +dat de blinden van Cosettes kamer geopend waren, had hij plotseling +op den muur deze woorden gevonden, die zoo 't scheen met een spijker +gekrabd waren: + +16. Straat de la Verrerie. + +'t Was nog geheel versch, de insnijding op de oude, zwarte kalk +was zuiver wit, en een struik brandnetels aan den voet des muurs +was met witte kalkstof bepoederd. 't Was waarschijnlijk des nachts +geschreven. Wat beteekende het? een adres? een teeken voor anderen? een +waarschuwing voor hem? In allen geval was het duidelijk, dat de tuin +betreden was en vreemden er binnengedrongen waren. Hij herinnerde zich +de zonderlinge omstandigheden, welke het huis reeds vroeger verontrust +hadden. Zijn geest hield zich met dit alles bezig en bouwde er allerlei +gissingen op. Hij hoedde zich Cosette van het geschrevene op den muur +te spreken, uit vrees van haar te beangstigen. + +Terwijl hij zich aan zijn gedachten overgaf, zag hij aan een schaduw, +welke de zon wierp, dat iemand op den top der hoogte, waarop hij zat, +dicht achter hem stond. Hij wilde het hoofd omwenden, toen een in +vieren gevouwen papier op zijn knieën viel, als had een hand boven +zijn hoofd het laten vallen. Hij nam het papier, opende het en las +er dit, met potlood en met groote letters geschreven woord op: + +"VERHUIS." + +Jean Valjean richtte zich haastig op, maar er was niemand meer achter +hem; hij zag rondom zich en bespeurde een wezen iets grooter dan +een kind, kleiner dan een man, in een grijzen kiel en stofkleurige +manchestersche broek, dat zoo hard het kon wegliep, en zich in de +gracht van het Marsveld liet glijden. + +Jean Valjean ging onverwijld, in diepe gedachten, naar huis. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +MARIUS. + + +Marius had troosteloos den heer Gillenormand verlaten. Hij was met +zeer geringe hoop tot hem gegaan; in een onmetelijke wanhoop keerde +hij terug. + +Overigens, en zij die de beginselen van het menschelijk hart hebben +gadegeslagen, zullen het begrijpen, de lansier, de officier, +de modegek, neef Theodule, had volstrekt geen schaduw in zijn +gemoed achtergelaten. Niet de minste. De dramatische dichter zou +schijnbaar eenige verwikkeling kunnen verwachten, ten gevolge van dit +onverhoedsche onderhoud tusschen den grootvader en den kleinzoon. Maar +wat het drama er bij won zou de waarheid verliezen. Marius was in dien +leeftijd, wanneer men aan niets kwaads gelooft; later komt de tijd +dat men alles gelooft. Achterdocht en wantrouwen zijn niet anders dan +rimpels. De jeugd heeft er geen. Wat Othello in beroering brengt, +glijdt af op Candide, Cosette te wantrouwen! Er zijn een aantal +misdaden, waartoe Marius veel eerder zou in staat zijn. + +Hij begon door de straten te loopen, 't geen het hulpmiddel der +lijdenden is. Hij dacht aan niets, zoover hij zich herinneren +kon. Te twee uren in den nacht kwam hij bij Courfeyrac te huis en +wierp zich gekleed op zijn matras. 't Was helder licht, toen hij in +slaap viel, in dien vreeselijken zwaren slaap, welke de gedachten +in de hersenen dooreen doet woelen. Toen hij ontwaakte, zag hij in +de kamer Courfeyrac, Enjolras, Feuilly en Combeferre, allen met den +hoed op het hoofd, en zeer druk, gereed staande om uit te gaan. + +Courfeyrac vroeg hem: + +"Gaat ge mede naar de begrafenis van generaal Lamarque?" + +Het scheen hem, alsof Courfeyrac Chineesch sprak. + +Hij ging eenigen tijd na hen uit. Hij stak de pistolen in zijn zak, +welke Javert hem bij gelegenheid van het avontuur op den 3den Februari +had toevertrouwd en die in zijn bezit waren gebleven. Deze pistolen +waren nog geladen. 't Is moeilijk te zeggen, welke sombere gedachten +zijn geest vervulden, toen hij ze medenam. + +Den geheelen dag zwierf hij rond zonder te weten waar; het regende nu +en dan, zonder dat hij het bespeurde; hij kocht tot zijn middagmaal +een broodje van een sou bij een bakker, stak het in den zak en vergat +het. Het schijnt dat hij een bad in de Seine nam, zonder er zich +bewust van te zijn. Er zijn oogenblikken, dat men een gloeienden oven +in het hoofd heeft. Marius was in een dier oogenblikken. Hij hoopte +niets meer, hij vreesde niets meer; zoover was hij sinds den vorigen +avond gekomen. Met koortsig ongeduld wachtte hij den avond; slechts +één duidelijk denkbeeld had hij, namelijk: dat hij te negen uren +Cosette zou zien. Dit laatste geluk was thans zijn geheele toekomst; +daarachter duisternis. Terwijl hij langs de eenzaamste boulevards +ging, meende hij van tijd tot tijd een zonderling gerucht in Parijs te +hooren. En uit zijn droomerijen ontwakende, vroeg hij bij zich zelven: +"Wordt er gevochten?" + +Bij het vallen van den avond, met klokslag van negen uren was hij, +zooals hij aan Cosette had beloofd, in de straat Plumet. Toen hij het +hek naderde, vergat hij alles. Sinds acht-en-veertig uren had hij +Cosette niet gezien; nu zou hij haar wederzien; voor deze gedachte +verdwenen alle andere, en hij voelde niets dan een onbeschrijfelijke, +innige vreugd. Die minuten, waarin men eeuwen doorleeft, bezitten +steeds dit verhevene en merkwaardige, dat zij, wanneer zij aanwezig +zijn, ons hart geheel vervullen. + +Marius nam de tralie uit het hek en spoedde in den tuin. Cosette was +niet op de plaats, waar zij hem gewoonlijk wachtte. Hij ging door het +struikgewas naar den hoek bij de stoep.--Daar wacht zij mij, zeide +hij.--Cosette was er niet. Hij sloeg de oogen omhoog, en zag dat de +blinden van het huis gesloten waren. Toen ging hij den tuin rond, +niemand was er. Daarop keerde hij naar het huis terug, en van liefde +waanzinnig en dronken, ontsteld, buiten zich zelven van smart en +ongerustheid, klopte hij, als iemand die op een onverwacht oogenblik +te huis komt, tegen de vensters. Hij klopte, klopte nogmaals, op het +gevaar af het venster te zien openen en het verstoord gezicht van den +vader te zien verschijnen, hem vragende: Wat wilt ge? Dit beteekende +niets bij hetgeen hij vermoedde. Toen hij geklopt had, verhief hij +de stem en riep Cosette. "Cosette!" riep hij. "Cosette!" herhaalde +hij gebiedend Men antwoordde niet. 't Was gedaan! Er was niemand in +den tuin; niemand in het huis. + +Marius vestigde zijn wanhopigen blik op dit treurig huis, dat even +donker, even stil en ledig als een graf was. Hij zag de steenen +bank waarop hij zooveel zalige oogenblikken naast Cosette had +doorgebracht. Toen zette hij zich op de treden van het bordes, het +hart vol teederheid en beradenheid; hij zegende zijn liefde in den +grond zijns harten en zeide bij zich zelven, dat, nu Cosette was +vertrokken, hem niets overbleef dan te sterven. + +Eensklaps hoorde hij een stem, die van de straat scheen te komen en +door het geboomte heen klonk: + +"Mijnheer Marius!" + +Hij richtte zich op. + +"Wat is dat?" zei hij. + +"Mijnheer Marius, zijt ge hier?" + +"Ja." + +"Mijnheer Marius," hernam de stem, "uw vrienden wachten u aan de +barricade der straat de la Chanvrerie." + +Deze stem was hem niet geheel onbekend. Zij geleek de heesche, schorre +stem van Eponine. Marius ijlde naar het hek, nam de losse tralie weg, +stak zijn hoofd er door, en zag iemand, die hem een jongeling scheen, +in de schemering ijlings wegloopen. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +DE HEER MABEUF. + + +De beurs van Jean Valjean was voor den heer Mabeuf nutteloos. Deze had +in zijn eerbiedwaardige kinderlijke nauwgezetheid het geschenk der +sterren niet aangenomen; hij had niet willen gelooven, dat een ster +tot louisd'or kon gemunt worden. Hij had niet kunnen gissen, dat, +wat uit den hemel viel, van Gavroche kwam. Hij had de beurs aan den +politiecommissaris der wijk gebracht, als een verloren voorwerp, dat +door den vinder ter beschikking des navragers was gesteld. De beurs +was inderdaad verloren. Het spreekt vanzelf, dat niemand ze opvroeg, +en zij den heer Mabeuf niet het minste voordeel gaf. + +Overigens zonk de heer Mabeuf steeds dieper. + +De proefnemingen met de indigo waren evenmin in den plantentuin als in +zijn tuin van Austerlitz gelukt. Van het vorige jaar was hij aan zijn +huishoudster nog het loon schuldig; nu, zooals men gezien heeft, was +hij den huiseigenaar huur schuldig. Na verloop van dertien maanden had +de lombard de koperen platen zijner Flora verkocht. Een koperslager had +er braadpannen van gemaakt. Toen deze koperen platen verdwenen waren, +en hij de defecte exemplaren, welke hij van zijn Flora nog bezat, +niet eens kon completeeren, had hij aan een koopman in oude boeken, +platen en tekst voor een bagatel verkocht. Niets was hem meer van het +werk zijns ganschen levens overgebleven. Hij begon het geld zijner +exemplaren te verteren. Toen hij zag, dat dit geringe hulpmiddel ten +einde liep, gaf hij zijn tuin op en liet hem braak liggen. Vooraf, zeer +lang vooraf, had hij reeds afgezien van de twee eieren en het stukje +rundvleesch, dat hij nu en dan at. Zijn middagmaal bestond uit brood +en aardappelen. Hij had zijn laatste huisraad verkocht, vervolgens al +wat hij kon missen van zijn beddegoed, zijn kleederen en dekens; toen +zijn herbarium en platen; maar hij bezat nog zijn kostbaarste boeken, +waarbij hoogst zeldzame, onder andere les Quadrins historiques de la +Bible, editie van 1560, la Concordance des Bibles van Pierre de Besse; +les Marguerites de la Marguerite van Jean de la Haye, opgedragen aan +de koningin van Navarra, het boek getiteld de la Charge et dignité de +l'ambassadeur, door Villiers Hotman; een Florilegium rabbinicum van +1664; een Tibullus van 1567, met deze prachtige inscriptie, Venetiis, +in aedibus Manutianis; eindelijk een Diogenes Laërtius, in 1644 te +Lyon gedrukt, en waarin zich de vermaarde varianten bevonden van +het manuscript 411, dertiende eeuw, van het vatikaan, en die der +twee manuscripten van Venetië, 393 en 394, die met zooveel vrucht +door Henri Estienne geraadpleegd zijn, en al de plaatsen in Dorisch +dialect, welke zich slechts in het vermaarde manuscript der twaalfde +eeuw in de bibliotheek van Napels bevonden. De heer Mabeuf stookte in +'t geheel geen vuur meer in zijn kamer en ging als het donker werd +naar bed, om geen licht te branden. Het scheen dat hij geen buren +meer had; men vermeed hem, wanneer hij uitging; hij merkte dit. Een +moeder is gevoelig voor de armoede van haar kind, een meisje voor die +van een jongeling, maar niemand is gevoelig voor de armoede van een +grijsaard. Voor dezen nood is men het koelst van alles. Mabeuf had +echter niet geheel en al zijn kinderlijke opgeruimdheid verloren. Zijn +oog werd eenigszins levendig, wanneer het zich op zijn boeken richtte, +en hij glimlachte bij 't zien van zijn Diogenes Laërtius, dat een +eenig exemplaar was. Zijn glazenkast was het eenig meubelstuk, dat +hij buiten het onmisbare gehouden had. + +Op zekeren dag zei moeder Plutarchus tot hem: + +"Ik heb geen geld om voor het middageten te zorgen." + +Dit middageten bestond uit een broodje en vier of vijf aardappelen. + +"Koop op crediet!" zei Mabeuf. + +"Ge weet immers dat men mij niet meer borgen wil." + +Mijnheer Mabeuf opende zijn bibliotheek, monsterde lang een voor een +al zijn boeken, gelijk een vader, die verplicht is een zijner kinderen +op te offeren, ze zou aanschouwen, alvorens een keus te doen; greep +er toen haastig een, nam het onder den arm en ging uit. Twee uren +later kwam hij te huis zonder iets onder den arm, legde dertig sous +op de tafel en zeide: + +"Maak nu het middagmaal klaar." + +Van dien oogenblik zag moeder Plutarchus een donkere schaduw over +het anders zoo heldere gelaat des grijsaards, welke schaduw niet +meer verdween. + +Den eenen dag na den anderen moest hij zulks herhalen. De heer +Mabeuf ging uit met een boek en kwam te huis met een geldstuk. Wijl +de kooplieden in oude boeken opmerkten, dat hij gedwongen was te +verkoopen, kochten zij van hem voor twintig sous, waarvoor hij soms +aan dezelfde boekverkoopers twintig francs had betaald. Boek voor +boek verdween de geheele bibliotheek. Nu en dan zeide hij. "Ik ben +toch tachtig jaar oud," als had hij een stille hoop van aan het einde +zijner dagen te komen, vóór hij aan het einde zijner boeken kwam. Zijn +treurigheid nam steeds toe. Eenmaal had hij echter een vreugd. Hij +ging met een Robert Estienne uit, dien hij op de kade Malaquais +voor vijf-en-dertig sous verkocht, en kwam met een Aldus te huis, +dien hij in de straat des Grès voor veertig sous had gekocht. "Ik ben +vijf sous schuldig," zeide hij schitterend van blijdschap tot moeder +Plutarchus. Dien dag at hij niet. + +Hij was lid der Tuinbouw-maatschappij. Men kende er zijn armoede. De +president dier maatschappij kwam hem eens bezoeken, beloofde met +den minister van landbouw en handel over hem te zullen spreken, en +deed dit.--"Maar, mijn Hemel!" riep de minister. "Een oude geleerde, +een botanicus, een mensch die niemand kwaad doet! Er moet iets voor +hem gedaan worden!" Den volgenden dag ontving mijnheer Mabeuf een +uitnoodiging om bij den minister te dineeren. Hij liet van blijdschap +bevende den brief aan moeder Plutarchus zien! "Wij zijn gered!" zeide +hij. Op den bepaalden dag begaf hij zich tot den minister. Hij merkte +op, dat zijn gekreukte das, zijn ruime ouderwetsche rok en zijn met +eiwit gesmeerde schoenen de deurwachters verwonderden. Niemand sprak +hem toe, zelfs niet de minister. Tegen tien uren 's avonds, terwijl +hij nog altijd een woord verwachtte, hoorde hij de echtgenoot van +den minister, een schoone coquette dame, welke hij niet had durven +naderen, vragen: "Wie is toch die oude heer?" Hij ging te middernacht, +onder een hevigen stortregen naar huis. Hij had een Elzevier verkocht, +om het huurrijtuig te betalen, dat hem naar het diner bracht. + +Alle avonden vóór hij naar bed ging was hij gewoon, eenige bladzijden +in zijn Diogenes Laërtius te lezen. Hij verstond genoeg Grieksch om +de bijzondere schoonheden van den tekst te genieten. Hij had thans +geen andere vreugde meer. Er verstreken eenige weken. Onverwacht +werd moeder Plutarchus ziek. Er is iets nog treuriger dan geen geld +te hebben om bij den bakker brood te koopen, en dat is: geen geld te +hebben om bij den apotheker geneesmiddelen te koopen. Zekeren avond +had de dokter een zeer duur drankje voorgeschreven. Bovendien werd +de ziekte erger en er was een waakster noodig. Mijnheer Mabeuf opende +zijn boekenkast, er was niets meer. Het laatste boek was verdwenen. Hem +bleef niets meer over dan Diogenes Laërtius. + +Hij nam het hoogst zeldzame exemplaar onder den arm en ging uit; +'t was de 4 Juni 1832; hij begaf zich tot den opvolger van Royol hij +de poort St. Jacques, en kwam terug met honderd francs. Hij zette den +stapel vijffrancstukken op het nachttafeltje der oude dienstbode en +ging naar zijn kamer zonder een woord te zeggen. + +Den volgenden morgen ging hij reeds zeer vroeg op den steen in +zijn tuin zitten, en over de heg kon men hem den geheelen morgen +bewegingloos, met gebogen hoofd, en met flauwen blik op zijn verwelkte +bloembedden zien staren. Het regende nu en dan; de grijsaard scheen +het niet te merken. Des namiddags ontstond in Parijs een buitengewoon +gerucht. Het schenen geweerschoten en het rumoer van een menigte +menschen. + +De oude Mabeuf hief het hoofd op. Hij zag een tuinman, die voorbijging, +en vroeg hem: + +"Wat is dat?" + +De tuinman antwoordde, met de spade op den schouder en op rustigen +toon: + +"Een oproer." + +"Wat? een oproer?" + +"Ja; men vecht." + +"Waarom vecht men?" + +"Ja, dat weet ik niet," zei de tuinman. + +"Naar welken kant?" vroeg Mabeuf. + +"Naar den kant van het Arsenaal." + +Mabeuf ging in huis, nam zijn hoed, zocht werktuiglijk een boek om +het onder den arm te nemen, vond er geen en zeide: + +"O, 't is waar!" en ging verstrooid uit. + + + + + + + +BOEK X. + +DE VIJFDE JUNI 1832. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +HET OPPERVLAKKIGE DER QUAESTIE. + + +Waaruit bestaat een oproer? Uit niets en uit alles. Uit een allengs +ontwikkelde electriciteit, uit een plotseling uitslaande vlam, +uit een zwevende kracht, uit een voorbijgaanden adem. Deze adem +ontmoet hoofden die spreken, hersens die peinzen, zielen die lijden, +hartstochten die branden, ellendigen die brullen, en hij voert ze mede. + +Waarheen? + +Naar het toeval. Door den Staat, door de wetten, door den voorspoed +en de onbeschaamdheid van anderen heen. + +De elementen van den opstand zijn een getergde overtuiging, +een verbitterde geestdrift, een opgewekte verontwaardiging, een +onderdrukte krijgszucht, geprikkelde jeugdige heldenmoed, edelmoedige +verblindheid, nieuwsgierigheid, lust naar verandering, zucht naar het +onverwachte, het gevoel waarmede men het aankondigingsbiljet van een +nieuw tooneelstuk leest en men op het tooneel het gefluit van den +machinist hoort; een onbepaalde haat, wraakzucht, teleurstelling, +iedere ijdelheid welke gelooft, dat het lot haar te kort doet; de +nood, de utopieën, de met steilten omgeven eerzucht, ieder die van +een instorting een uitkomst verwacht; eindelijk, in de diepste laagte, +het turfmoeras, dat vuur vat. Kortom het grootste en het kleinste; die +wezens, welke buiten alles omzwerven en steeds een gelegenheid wachten; +landloopers, vagebonden, lieden die den nacht, zonder ander dak dan de +koude wolken des hemels, in een huizenwoestijn doorbrengen, zij die +dagelijks hun brood aan het toeval en niet aan den arbeid vragen, +de onbekenden der ellende en van het niet, die lieden met bloote +armen en voeten, deze allen zijn de bestanddeelen van het oproer. + +Wie in de ziel een heimelijken wrok wegens een of ander feit van den +staat, van het leven of van het lot draagt, is rijp voor het oproer +en voelt zich, zoodra het verschijnt, huiveren en door de werveling +opgenomen. + +Het oproer is een soort van wervelwind in den maatschappelijken +dampkring, die plotseling bij een zekere weersgesteldheid ontstaat +en in zijn draaiingen stijgt, vliegt, dondert, wegrukt, vernietigt, +verplettert, omverwerpt, ontwortelt, en zoowel het groote als het +kleine, den krachtigen als den zwakken mensch, den boomstam als de +stroohalm medevoert. + +Wee, zoowel hem, dien het medevoert, als dien het treft! Het +verbrijzelt den een tegen den ander. + +Aan hen, welke het grijpt deelt het een onbekende, buitengewone +macht mede. Het vervult den eerste den beste met de kracht der +gebeurtenissen; het maakt van alles zijn wapenen. Het maakt van een +straatsteen een kogel, en van een lastdrager een generaal. + +Volgens sommige orakels der sluwe politiek, is, uit het oogpunt van +het gezag, een weinig oproer wenschelijk. 't Is het stelsel, dat het +oproer de gouvernementen bevestigt, welke het niet omverwerpt. Het +beproeft het leger; het vereenigt de burgerij; het sterkt de spieren +der politie; het toont de kracht van het maatschappelijk gebouw aan. 't +Is een soort van gymnastiek, schier een gezondheidsmiddel. Het gezag +is gezonder na een oproer, evenals de mensch na een aderlating. + +Dertig jaren geleden werd het oproer uit nog andere gezichtspunten +beschouwd. + +Voor alle zaken is een theorie, die zich zelve "gezond verstand" +noemt; 't is Philintus tegen Alcestus; een bemiddeling tusschen het +ware en het valsche; een verklaring, vermaning, een eenigszins op +hoogen toon verleende verzachting, die, wijl zij met berisping en +verontschuldiging is vermengd, wijsheid meent te zijn, en niets +dan pedanterie is. Daaruit is een geheele politieke school, het +juiste-midden (juste-milieu) genoemd, ontstaan. Tusschen het koude +en het heete water is het de partij van het lauwe water. Deze school +veroordeelt, met haar geheel oppervlakkige, valsche diepte, zonder +dat zij tot de oorzaken opklimt, van de hoogte eener halve wetenschap, +de straatberoeringen. + +Volgens deze school, "ontnamen de oproeren, die met het feit van +1830 gepaard gingen, aan deze groote gebeurtenis een gedeelte harer +zuiverheid. De Juli-revolutie was een volks-rukwind geweest, waarop +eensklaps een blauwe hemel was gevolgd. De oproeren veroorzaakten +weder een bewolkten hemel. Zij deden deze aanvankelijk zoo eensgezinde +revolutie in twist ontaarden. Zoowel in de Juli-omwenteling, als +bij elken vooruitgang door schokken teweeggebracht, waren verborgen +breuken; het oproer maakte ze merkbaar. Men kon zeggen: O, dit is +gebroken. Na de Juli-revolutie gevoelde men niets dan de bevrijding; +na de oproeren gevoelde men de rampen der gebeurtenis. + +"Ieder oproer sluit de winkels, drukt de fondsen, beangstigt de Beurs, +schorst den handel, belemmert de zaken, veroorzaakt bankroeten; er is +gebrek aan geld, de welgestelden zijn ongerust, het openbaar crediet +is geschokt, de nijverheid ontsteld, de kapitalen verwijderen zich, +het werk vermindert, overal heerscht vrees; in alle steden voelt men +den invloed. Hieruit ontstaan instortingen en afgronden. Men heeft +berekend, dat de eerste dag van een oproer Frankrijk twintig millioen, +de tweede veertig, de derde zestig millioen francs kost. Een oproer +van drie dagen kost honderd twintig millioen, dat wil zeggen, alleen +de geldelijke uitkomst in 't oog houdende, staat gelijk met een ramp, +een schipbreuk of een verloren zeeslag, welke een vloot van zestig +linieschepen zou vernietigen. + +"Uit een geschiedkundig oogpunt hadden de oproeren gewis hun schoone +zijde; de straatoorlog is niet minder grootsch en pathetisch +dan de oorlog in de bosschen; deze heeft de ziel der wouden, +gene het hart der steden, de eene heeft Jean Chouan, de andere +Jeanne. De oproeren doen in rooden, maar prachtigen glans al de +zonderlingste eigenaardigheden van het Parijsche karakter uitkomen; +de edelmoedigheid, de opoffering, de woeste vreugd; de studenten, die +de vereeniging van moed en verstand toonen; de onwrikbare nationale +garde; de bivakken van winkeliers, de forten van straatjongens, de +verachting van den dood der voorbijgangers. Scholen en legioenen, +die tegen elkander stieten. Tusschen de strijders was overigens +geen ander verschil dan dat des ouderdoms; 't is hetzelfde ras, +'t zijn dezelfde stoïcijnsche mannen, die op twintigjarigen leeftijd +voor hun ideeën, op veertigjarigen voor hun gezinnen sterven. Het +leger, dat in burgeroorlogen altijd een treurige rol speelt, stelde +de voorzichtigheid tegenover de vermetelheid. De oproeren, die de +onversaagdheid van het volk bewezen, oefenden tevens den moed der +burgers. + +"Het zij zoo. Maar is dat alles het vergoten bloed waard? En reken +bij het vergoten bloed ook de verduisterde toekomst, den bedreigden +vooruitgang, de ongerustheid der besten, de wanhoop der eerlijke +liberalen, het vreemde absolutisme, verheugd over deze door de +revolutie zich zelve toegebrachte wonden, de verwonnelingen van +1830, die prachend zeggen: Wij hadden het wel gezegd! Voeg hierbij: +Parijs misschien vergroot, maar Frankrijk stellig verkleind. Voeg +hierbij, want wij moeten alles zeggen, de moorden, welke te dikwerf de +overwinning der orde, wreed geworden, op de tot waanzin overgeslagen +vrijheid onteerden. Kortom, de oproeren zijn verderfelijk geweest." + +Zoo spreekt de halve wijsheid, waarmede de burgerij, dit halve volk, +zich zoo gaarne tevreden stelt. + +Wij, onzerzijds, verwerpen dit te ruim, en bijgevolg te gemakkelijk, +woord: oproeren. Wij maken onderscheid tusschen volksbeweging en +volksbeweging. Wij vragen niet, of een oproer evenveel kost als +een veldslag. Vooreerst, waartoe een veldslag? Hier werpt zich de +oorlogsquaestie op. Is de oorlog een mindere geesel dan het oproer +een ramp is? En zijn alle oproeren rampen? Mocht nu de 14 Juli honderd +twintig millioen kosten; de bevestiging van Filips V in Spanje kostte +Frankrijk twee milliards. Zelfs voor denzelfden prijs, zouden wij +den 14 Juli verkiezen. Wij stellen overigens deze cijfers ter zijde, +die redenen schijnen en slechts woorden zijn. Wij beschouwen een +oproer, wanneer het er is, op zich zelf. In alles wat de doctrinaire +tegenwerping hierboven zegt, wordt slechts van het gevolg gesproken; +wij zoeken de oorzaak. + +Wij verklaren ons nader. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +DE GROND DER QUAESTIE. + + +Er is oproer en opstand; beide zijn toorn; het een heeft ongelijk, +de andere heeft gelijk. In democratische staten, de eenige die op +recht zijn gegrond, gebeurt het soms dat de fractie overheerscht; +dan verheft zich het geheel, en de noodzakelijke terugvorderingen +zijner rechten kan zoover gaan, dat het de wapens grijpt. In alle +quaestiën, die op de souvereiniteit van allen betrekking hebben, +is de oorlog van allen tegen de fractiën opstand, de aanval der +fractie tegen het geheel is oproer; al naar gelang de Tuilerieën den +koning of de conventie bevatten, worden zij terecht of ten onrechte +aangevallen. Hetzelfde kanon, dat tegen het volk wordt gericht, heeft +den 10 Augustus ongelijk en den 14 Vendemiaire gelijk. De schijn +is gelijk, maar de grond verschillend; de Zwitsers verdedigden het +valsche, Bonaparte verdedigde het ware. Wat het algemeen stemrecht +voor de ware vrijheid en souvereiniteit heeft gedaan, kan niet door +de staat weer vernietigd worden. Het is hetzelfde in de zaken van +zuivere beschaving; het instinct der massa's, gisteren helderziend, +kan morgen duister zijn. Dezelfde woede is wettig tegen Terray en +bespottelijk tegen Turgot. De vernietiging der machines, de plundering +der pakhuizen, de vernieling der spoorwegen, de verwoesting der dokken, +de verkeerdheden der menigte, de onbillijke wederstand van het volk +tegen den vooruitgang, Ramus door de studenten vermoord, Rousseau met +steenen uit Zwitserland verdreven, dat is oproer. Israël tegen Mozes, +Athene tegen Phocion, Rome tegen Scipio, is oproer; Parijs tegen de +Bastille is opstand. De soldaten tegen Alexander, de matrozen tegen +Christoforus Columbus is insgelijks oproer; een verachtelijk oproer; +waarom? Omdat Alexander voor Azië met den degen deed, wat Columbus voor +Amerika met het kompas deed; beiden, Alexander en Columbus, vonden een +wereld. Deze geschenken eener wereld aan de beschaving zijn zulk een +vermeerdering van licht, dat elke weerstand een misdaad is. Soms is +het volk zich zelf ontrouw. De menigte is jegens het volk verraderlijk. + +Het gerucht van het in beweging zijnde recht is merkbaar en komt +niet altijd voort uit de beving der in beroering zijnde massa's; +er is dwaze woede, er zijn gebarsten klokken; alle stormklokken +hebben geen zuiveren klank. De slingering der hartstochten en der +onwetendheid is anders dan de beweging van den vooruitgang. Sta op, +ja, maar om grooter te worden. Wijs mij waarheen ge gaat. Er is geen +andere opstand dan een voorwaartsche. Iedere andere verheffing is +slecht; ieder achterwaartsch geweld is oproer; de achteruitgang is +een daad van 't geweld tegen het menschelijk geslacht. De opstand is +een verwoede vlaag der waarheid; de straatsteenen, welke de opstand +slingert, doen een vonk van recht ontspringen. Deze steenen laten +aan het oproer slechts slijk over. Danton tegen Lodewijk XVI is de +opstand; Hébert tegen Danton is 't oproer. + +Vandaar, dat opstand in sommige gevallen, gelijk Lafayette heeft +gezegd, de heiligste plicht kan wezen, en het oproer daarentegen de +noodlottigste van alle aanvallen. + +Er is ook eenig onderscheid in de kracht des vuurs; de opstand is +vaak een lavastroom, het oproer een stroobrand. + +Soms, zooals wij gezegd hebben, ligt het oproer in het gezag. Polignac +is een oproerling; Camille Desmoulins is een regeerder. + +Vaak is opstand een verrijzenis. + +Dewijl de beslissing van alles door het algemeen stemrecht een geheel +nieuw feit is, en de geheele geschiedenis vóór dit feit, sinds vier +eeuwen, vol is van verkracht recht en volkslijden, zoo brengt ieder +tijdvak der geschiedenis met zich het protest, waartoe het in staat is. + +De despoten zijn niet zonder invloed op de denkers. Een geketend woord +is een verschrikkelijk woord. De schrijver verdubbelt, verdrievoudigt +de kracht van zijn stijl, wanneer een heerscher het volk het +stilzwijgen oplegt. Deze stilte veroorzaakt een geheimzinnige stof, +die in de gedachte zijpelt en er tot metaal stolt. + +In de meeste gevallen ontstaat het oproer uit een stoffelijk +feit; de opstand is immer een zedelijk verschijnsel. Het oproer +is Mazaniëllo; de opstand is Spartacus. De opstand gaat van den +geest uit, het oproer van de maag. In gevallen van hongersnood +heeft het oproer een waar, pathetisch en juist uitgangspunt. Het +blijft evenwel oproer. Waarom? Wijl het in den grond recht, maar +in den vorm ongelijk heeft. Wreed, hoewel in zijn recht, geweldig, +hoewel sterk, treft het in het wild; het gaat verpletterend voort +als de blinde olifant, het heeft achter zich lijken van grijsaards, +vrouwen en kinderen; heeft zonder reden het bloed van schuldeloozen +en onnoozelen vergoten. Het volk te voeden is een goed doel; het te +vermoorden is een slecht middel. + +Alle gewapende protesten, zelfs de meest wettige, zelfs de 10 Augustus, +zelfs de 14 Juli, beginnen met dezelfde beroering. Alvorens het recht +zich afscheidt, is er rumoer en schuim. Aanvankelijk is de opstand +oproer, evenals de rivier een stortvloed is. Gewoonlijk loopt zij uit +in dezen oceaan: de Revolutie. Evenwel,--van die hooge bergen gekomen, +welke den zedelijken horizont begrenzen, de gerechtigheid, de wijsheid, +de reden, het recht--en van de zuiverste sneeuw van het ideale gevormd, +gaat de opstand, na een langen val van de eene op de andere rots, na +door 't licht des hemels bestraald te zijn en zich in zijn majestueuze +vaart met honderd beken te hebben verbreed, soms eensklaps in een +drassigen bodem verloren, gelijk de Rijn in een moeras. + +Dit alles behoort tot het verledene, de toekomst is anders! + +Het algemeen stemrecht heeft dit merkwaardige, dat het het oproer in +zijn beginsel oplost, en, den opstand wettigende, hem echter het wapen +ontzegt. De verdwijning der oorlogen, zoowel van den straatoorlog als +van dien der grenzen, is de onvermijdelijke vooruitgang. Hoe ook het +heden zij, de vrede zal dagen. + +Overigens kent de eigenlijke burger het juiste verschil tusschen +opstand en oproer bijna niet. Voor hem is alles wederstand, niets +dan muiterij, verzet van den hond tegen den meester, een poging om +te bijten, die met de keten en het hok moet worden gestraft,--geblaf, +gejank, tot eindelijk, de kop van den hond eensklaps groot geworden, +het gelaat van den leeuw vertoont. + +Dan roept de burgerman: Leve het volk! + +Na deze verklaring vragen wij, wat voor de geschiedenis de beweging +van Juli 1832 is? Is zij een oproer? is zij een opstand? + +'t Is een opstand. + +'t Kan ons gebeuren, dat wij bij deze voorstelling van een geweldige +gebeurtenis soms oproer zeggen; maar dan is het eeniglijk om de +oppervlakkige feiten een naam te geven, doch steeds met inachtneming +van het verschil tusschen den vorm, oproer, en den grond, opstand. + +Deze beweging in 1832 heeft in haar snelle uitbarsting en treurige +versmoring, zooveel grootheid, dat zelfs zij, die er slechts een +oproer in zien, er niet zondere eerbied van spreken. Voor dezen is +'t als een overschot van 1830. De geschokte gemoederen komen niet +in één dag tot rust, zeggen zij. Een revolutie wordt niet in eens +afgesneden. Zij heeft noodzakelijkerwijs immer eenige golvingen, +alvorens in den staat van rust te komen, evenals een berg, die in +een vlakte afloopt. Er zijn geen Alpen zonder Jura, geen Pyreneeën +zonder Asturiën. + +Deze treffende crisis der hedendaagsche geschiedenis, welke het +geheugen der Parijzenaars het "tijdvak der oproeren" noemt, is +ontwijfelbaar een karakteristiek uur onder de onstuimige uren dezer +eeuw. Nog een laatste woord, vóór tot het verhaal over te gaan. + +De feiten, welke wij zullen verhalen, behooren tot die dramatische +levendige werkelijkheid, welke de geschiedschrijver wegens tijdgebrek +en plaatsruimte veronachtzaamt. Maar hier, wij drukken er op, hier +ligt juist het leven, de aderslag, de beweging des menschen. De +kleine bijzonderheden, wij meenen het gezegd te hebben, zijn, om +zoo te spreken, het loof der groote gebeurtenissen en verdwijnen in +het verre verschiet der geschiedenis. Het zoogenaamde "tijdvak der +oproeren" vloeit over van dergelijke bijzonderheden. De gerechtelijke +onderzoekingen hebben, om andere redenen dan de geschiedenis, niet +alles geopenbaard, noch misschien alles nagevorscht. Wij zullen dus, +bij de bekende en geopenbaarde bijzonderheden, zaken aan het licht +brengen, welke men niet geweten heeft; feiten, waarover de vergetelheid +van de eenen, de dood van anderen is gegaan. De meeste acteurs dezer +reusachtige tooneelen zijn verdwenen; reeds den volgenden dag zwegen +zij; maar wat wij zullen verhalen, hiervan kunnen wij zeggen, dat +wij het gezien hebben. Wij zullen eenige namen veranderen, want de +geschiedenis verhaalt, en verraadt niet; maar wij zullen ware zaken +schilderen. De aard van het werk, dat wij schrijven, verhindert, +dat wij meer dan één zijde én één episode aan 't licht brengen, +die zeker de minst bekende zijn der dagen van den 5 en 6 Juni 1832; +maar wij zullen trachten, dat de lezer onder den donkeren sluier, +dien wij zullen opheffen, de wezenlijke gestalte onderscheidt van +deze ontzaggelijke openbare gebeurtenis. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +EEN BEGRAFENIS: KANS TOT WEDERGEBOORTE. + + +In de lente van 1832, hoewel de cholera sedert drie maanden de +gemoederen bekoeld en over de opgewondenheid een sombere kalmte gegoten +had, was Parijs sinds lang tot een beroering voorbereid. Zooals +wij gezegd hebben, gelijkt de groote stad een kanonstuk; wanneer +het geladen is, is een vallende vonk genoegzaam om het te doen +losbranden. In Juni 1832 was deze vonk de dood van generaal Lamarque. + +Lamarque was een man van roem en daad. Hij had achtereenvolgens, +onder het Keizerrijk en onder de Restauratie, de beide soorten van +moed gehad, die voor deze twee tijdvakken noodig waren, den moed op +het slagveld en den moed op de tribune. Hij was even welsprekend als +hij dapper was geweest; men voelde een zwaard in zijn woorden. Evenals +Foy, zijn voorganger, hield hij, na het commandement hoog in eere te +hebben gehouden, de vrijheid hoog in eere. Hij zat tusschen de linker- +en de uiterste linkerzijde; het volk beminde hem, wijl hij de kansen +der toekomst aannam, en de menigte beminde hem, wijl hij den Keizer +trouw gediend had. Hij was, met de graven Gérard en Drouet, een der +maarschalken in petto van Napoleon. De tractaten van 1815 griefden +hem als een persoonlijke beleediging. Hij haatte Wellington met een +innigen haat, welken de menigte behaagde; en sinds zeventien jaren, +nauwelijks op de tusschenkomende gebeurtenissen lettende, had hij +met majesteit zijn droefheid over Waterloo behouden. Zieltogend, +in zijn laatste uur, had hij aan zijn borst een degen gedrukt, dien +de officieren der Honderd dagen hem hadden aangeboden. Napoleon had +stervende het woord leger uitgesproken, Lamarque het woord vaderland. + +Zijn dood, dien men voorzag, vreesde het volk als een verlies, en de +regeering als een gelegenheid. Deze dood was een rouw. Gelijk alles +wat bitter is, kan de rouw in oproer veranderen. Dit gebeurde. + +Den avond voor den 5{den} Juli en des morgens van dien dag, welke +voor de begrafenis van generaal Lamarque was bestemd, nam de voorstad +St. Antoine, waarlangs de lijkstoet zou gaan, een vreeselijk voorkomen +aan. Dit woelig net van straten vulde zich met rumoer. Men wapende er +zich zoogoed men kon. Schrijnwerkers namen de vensterluiken hunner +werkplaatsen "om er de deuren mede open te breken." Van allerlei +werktuigen werden dolken gemaakt. Een man, koortsig van ongeduld om +aan te vallen, sliep sedert drie dagen geheel gekleed. Een timmerman, +Lombier genoemd, ontmoette een kameraad die hem vroeg: "Waar gaat ge +heen?"--"Ik heb geen wapen."--"En dan?"--"Ik ga naar de werkplaats +mijn passer halen."--"Wat wilt ge er mede doen?"--"Ik weet niet," +zei Lombier. Een zekere Jacqueline sprak al de werklieden, welke +hij ontmoette, aan, onthaalde hen op wijn en vroeg hun of zij werk +hadden. Op hun ontkennend antwoord zond hij ze naar zekeren Filspierre, +tusschen de barrière Montreuil en die van Charonne, waar, zooals hij +zeide, zij werk zouden vinden.--Zij vonden bij Filspierre patronen +en wapens. Sommige bekende aanvoerders, "verrichtten den postdienst," +dat wil zeggen, dat zij bij dezen en genen gingen om hun lieden bijeen +te brengen. Bij Barthélemy, aan de barrière du Trône, bij Capel, +in den Kleinen Hoed, vroegen de drinkers elkander op ernstigen toon: +"Waar hebt ge uw pistool?"--"Onder mijn kiel. En gij?"--"Onder mijn +hemd." In de straat Traversière, voor de werkplaats van Roland en op +de plaats van het "Verbrande Huis" voor de werkplaats van Bernier, +stonden fluisterende groepen. Als de vurigste onderscheidde zich +zekere Mavot, die nooit langer dan een week in één werkplaats bleef; +de meesters zonden hem weg, "wijl men dagelijks met hem twisten +moest." Mavot werd den volgenden dag op de barricade der straat +Menilmontant gedood. Pretot, die ook in den strijd moest sneuvelen, +antwoordde op de vraag: "Wat is uw doel?"--"De opstand." Werklieden, +om den hoek der straat Bercy samengeschoold, wachtten een zekeren +Lemarin, die een revolutionnair agent voor de voorstad St. Marceau +was. Schier in 't openbaar werden de wachtwoorden gewisseld. + +Den 5 Juni alzoo, op een dag afgewisseld door regen en zonneschijn, +bewoog zich de lijkstoet van generaal Lamarque door Parijs met +officiëelen militairen praal, die door voorzorgsmaatregelen eenigszins +versterkt was. Twee bataljons, met zwart bekleede trommels, bedekte +geweren, tienduizend nationale garden, met de sabel op zijde, de +batterijen der nationale garde begeleidden de doodkist. De lijkkoets +werd door jongelieden getrokken. Onmiddellijk daarop volgden de +officieren der invaliden, met lauriertakken in de hand. Achter hen +kwam een ontelbare woelige, zonderlinge menigte: de leden van het +genootschap "De vrienden des volks", de rechtsgeleerde school, de +geneeskundige school, de uitgewekenen van alle natiën, Spaansche, +Italiaansche, Duitsche, Poolsche vlaggen, horizontale driekleurige +vlaggen, alle mogelijke banieren, kinderen met groene takken, +steenhouwers en timmerlieden, die op dit oogenblik hun werk gestaakt +hadden; boekdrukkers, kenbaar aan hun papieren mutsen, twee aan twee, +drie aan drie gaande, kreten aanheffende, schier allen met stokken +zwaaiende, sommigen met sabels, zonder orde, en echter als met één +ziel, vormden zij hier een hoop, ginds een colonne. Pelotons kozen +zich aanvoerders; een man gewapend met een paar pistolen, die volkomen +zichtbaar waren, scheen over anderen de revue te houden, wier gelederen +voor hem achteruittraden. Op de zijpaden der boulevards, op de takken +der boomen, op de balkons, aan de vensters, op de daken wemelde het van +hoofden van mannen, vrouwen, kinderen, wier oogen vol angst waren. Een +gewapende menigte ging voorbij; een verschrikte menigte zag toe. + +Zijnerzijds hield het gouvernement een wakend oog. Het zag toe, met de +hand aan den degen. Men kon op het plein van Lodewijk XV vier escadrons +karabiniers zien, die, met volle patroontasschen, met geladen geweer +en karabijn, te paard en met trompetters aan 't hoofd, gereed stonden +om op te rukken; in de latijnsche wijk en bij den plantentuin stond +de stedelijke garde van de eene straat naar de andere geschaard; aan +de wijnmarkt een escadron dragonders, aan la Grève de helft van het +12e regiment lichte infanterie, de andere helft op het bastilleplein, +het 6e regiment dragonders bij de Célestijnen, de binnenplaats van +het Louvre vol artillerie. De overige troepen waren in de kazernen +geconsigneerd, ongerekend de regimenten in den omtrek van Parijs. Het +bevreesd gouvernement hield over de dreigende menigte tachtig duizend +soldaten in de stad en dertig duizend in haar omgeving. + +Verschillende geruchten liepen in den lijkstoet. Men sprak van +legitimistische woelingen; van den hertog van Reichstad, op wien +God het stempel des doods drukte op hetzelfde uur, dat de menigte +hem als keizer aanwees. Een onbekend gebleven persoon verkondigde, +dat op een bepaald oogenblik twee omgekochte meesterknechts de +deuren van een wapenfabriek voor het volk zouden openen. Wat men +op de ontbloote voorhoofden der meeste aanwezenden zag, was een met +droefheid gemengde geestdrift. Ook zag men hier en daar tusschen deze, +door zoovele geweldige, maar edele aandoeningen bewogen menigte, +wezenlijke galgengezichten en eerloos geboefte, dat zeide: "laat ons +plunderen!" Sommige bewegingen beroeren den bodem der moerassen en +doen in het water het slijk opborrelen. Een verschijnsel, dat aan een +"goed ingerichte politie" niet vreemd is. + +De lijkkoets bewoog zich met koortsachtige langzaamheid van het +sterfhuis langs de boulevards naar het bastilleplein. Nu en dan +regende het, maar de regen hinderde de menigte niet. Verscheiden +tusschentooneelen kenmerkten den weg, dien de lijkkoets volgde: de +doodkist werd om de Vendômezuil gevoerd; de hertog Fitz James, dien +men met den hoed op het hoofd op een balkon zag, werd met steenen +geworpen; de Gallische haan werd van een volksvaandel gerukt en in +het slijk geworpen; een stadssergeant werd aan de poort St. Martin +door een degen gekwetst; een officier van het 12e regiment lichte +infanterie zeide luid: Ik ben republikein! toen de polytechnische +school, trots het verbod, verscheen, werd zij met den kreet van: +leve de polytechnische school! leve de republiek! ontvangen. Op +het bastilleplein vereenigden zich de lange rijen vreeselijke +nieuwsgierigen, die uit de voorstad St. Antoine kwamen, met den stoet, +en een soort van vreeselijke levendigheid begon de menigte te bewegen. + +Men hoorde een man tot een anderen zeggen: "Ziet ge hem wel met zijn +roode muts? hij zal zeggen, wanneer geschoten moet worden." Het +schijnt, dat deze man met de roode muts later dezelfde rol in een +ander oproer, dat van Quénisset, vervulde. + +De lijkstoet ging over het bastilleplein langs het kanaal, +vervolgens over de kleine brug en bereikte de esplanade der brug van +Austerlitz. Daar hield hij stil. Op dit oogenblik zou deze menigte, +uit de lucht gezien, het aanzien van een staartster hebben vertoond, +wier hoofd op de esplanade was, terwijl haar staart zich over de kade +Bourdon uitspreidde, het bastilleplein bedekte en over den boulevard +tot aan de poort St. Martin liep. Er vormde zich een kring om de +lijkkoets. De ontzaggelijke menigte zweeg. Lafayette sprak en zeide +Lamarque vaarwel. 't Was een treffend, verheven oogenblik; aller +hoofden ontblootten zich, aller harten klopten. Eensklaps verscheen +een in 't zwart gekleed man te paard in 't midden van de groep, +met een rood vaandel, anderen zeggen met een piek waarop een roode +muts. Lafayette wendde het hoofd om. Excelmans verliet den stoet. + +Dit roode vaandel deed een storm ontstaan en verdween er in. Van +den boulevard Bourdon tot aan de brug van Austerlitz verhief zich +een geschreeuw, dat als een deining de menigte deed golven. Twee +ontzettende kreten gingen op: "Lamarque naar het Pantheon!"--"Lafayette +naar het stadhuis!" Onder de toejuichingen der menigte, trokken +jongelieden de lijkkoets met Lamarque over de brug van Austerlitz, +en de huurkoets waarin zich Lafayette bevond over de kade Morland. + +In de menigte, die Lafayette toejuichte en omgaf, merkte men op en wees +men elkander aan een Duitscher, Ludwig Snyder genoemd, die, sedert +als honderdjarige gestorven, ook den oorlog van 1776 had medegemaakt +en te Trenton onder Washington en aan de Brandywine onder Lafayette +gestreden had. + +Inmiddels zette zich op den linkeroever de stedelijke cavalerie in +beweging en versperde de brug: op den rechteroever kwamen de dragonders +van de Celestijnen en posteerden zich langs de kade Morland. Het volk +dat Lafayette voorttrok bespeurde hen plotseling aan den hoek der kade +en riep: "de dragonders!" De dragonders naderden stapvoets, stil, met +de pistolen in de holsters, de sabels in de scheeden, de karabijnen +in de draagriemen, met een uitdrukking van sombere verwachting. + +Op tweehonderd schreden van de kleine brug hielden zij stil. + +Het rijtuig, waarin Lafayette zat, reed tot hen; zij openden de +gelederen, lieten het doorgaan en sloten er zich weder achter. In +hetzelfde oogenblik ontmoetten de dragonders en de menigte elkander. + +Verschrikt vluchtten de vrouwen. + +Wat gebeurde in deze noodlottige minuut? niemand zou het kunnen +zeggen. 't Is het duister oogenblik, op 't welk zich twee wolken +vermengen. Eenigen verhalen, dat van den kant van het arsenaal het +sein tot den aanval werd gehoord, anderen dat aan een dragonder door +een knaap een dolksteek werd toegebracht. Waar is het, dat plotseling +drie geweerschoten knalden; het eerste doodde den escadrons-kommandant +Cholet, het tweede een doove oude vrouw, die in de straat Contrescarpe +haar venster sloot; het derde trof de epaulet van een officier; +een vrouw riep: "Men begint te vroeg!" en plotseling zag men aan de +overzijde der kade Morland een escadron dragonders, dat in de kazerne +was gebleven, in galop, met bloote sabels in de straat Bassompierre +en op den boulevard Bourdon verschijnen en alles voor zich wegvegen. + +Nu was het beslist, de storm breekt los, het regent steenen, het +geweervuur knalt, velen springen van den waterkant en gaan over den +kleinen arm der Seine, die thans gedempt is; de werven van het eiland +Louvriers, die uitgestrekte citadel, zijn vol strijders; men rukt palen +uit den grond, men lost pistoolschoten, een barricade verheft zich, +de achteruit gedrongen jongelingen gaan in stormpas met de lijkkoets +over de brug van Austerlitz en werpen zich op de municipale garde; +de karabiniers ijlen toe; de dragonders sabelen alles neder; in alle +richtingen verspreidt zich de menigte: een oorlogskreet vliegt naar +de vier hoeken van Parijs; men roept: "Te wapen!" men loopt, stormt, +vlucht, biedt wederstand. De toorn sleept den opstand mede, gelijk +de wind het vuur. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +DE GISTINGEN VAN EERTIJDS. + + +Niets is verwonderlijker dan het eerste gewemel van een oproer. Alles +barst overal tegelijkertijd los. Was het voorzien? Ja. Was het +voorbereid? Neen. Van waar komt het? Uit de straatsteenen. Waaruit +valt het? Uit de wolken. Hier heeft de opstand het karakter van een +komplot; daar schijnt hij plotseling te ontstaan. De eerste de beste +bemachtigt zich van een stroom der menigte en voert haar waar hij +wil. Een schrikbarend begin, waaronder zich een soort van vreeselijke +vroolijkheid mengt. 't Is vooreerst geschreeuw; men sluit de winkels, +de uitstallingen der kooplieden verdwijnen; dan vallen enkele schoten; +de menschen vluchten; geweerkolven donderen tegen de deuren; men +hoort de dienstmeiden op de plaatsen der huizen meesmuilend zeggen: +"er is wat gaande." + +Er was geen kwartieruurs verstreken toen op twintig verschillende +punten van Parijs, schier tegelijkertijd, het volgende gebeurde: + +In de straat St. Croix de la Bretonnerie gingen omstreeks twintig +jongelieden met baarden en lang haar in een estaminet en verlieten +het een oogenblik later met een horizontale driekleurige vlag met +floers bedekt. Aan hun spits gingen drie gewapende mannen, de eene +met een sabel, de andere met een geweer, de derde met een piek. + +In de straat des Nonaindières bood een goed gekleed zwaarlijvig burger, +met heldere stem, kaal hoofd, hoog voorhoofd, zwarten baard en een +stijven knevel, openlijk den voorbijgangers patronen aan. + +In de straat St. Pierre Montmartre droegen mannen met bloote armen een +zwart vaandel, waarop deze woorden in witte letters te lezen stonden: +"De republiek of de dood." In de straat des Jeuneurs, in de straat +du Cadran, in de straat Montorgueil, in de straat Mandor verschenen +groepen die vaandels zwaaiden, waarop men in gouden letters het woord +"sectie" met een nummer zag. Een dier vaandels was rood en blauw met +een nauwelijks zichtbare witte streep er tusschen. + +Men plunderde op den boulevard St. Martin een wapenfabriek en drie +geweerwinkels; een in de straat Beaubourg, een andere in de straat +Michel-le-Comté, en de derde in de Tempelstraat. In weinige minuten +grepen de dreigende handen der menigte tweehonderd dertig geweren, +schier alle met twee loopen, vier-en-zestig sabels, drie-en-tachtig +pistolen. Ten einde zooveel lieden mogelijk te wapenen nam de een +het geweer, de ander de bajonnet. + +Tegenover de Grèvekade gingen met geweren gewapende jongelieden +de huizen binnen om te schieten. Een hunner had een oud musket +met raderslot. Zij schelden, traden binnen en begonnen patronen +te maken. Een der vrouwen, die deze huizen bewoonden, verhaalde: +"ik wist niet wat patronen waren; mijn man heeft het mij gezegd." + +Een samenscholing brak in de straat des Vieilles-Haudriettes een +curiositeiten-winkel binnen en nam er yatagans en Turksche wapens weg. + +Het lijk van een doodgeschoten metselaar lag in de Paarlstraat. Op +den rechter- en den linkeroever, op de kaden, op de boulevards, in +de latijnsche wijk, in de wijk des Halles lazen hijgende menschen, +werklieden, studenten, sectiemannen proclamatiën en riepen: "Te +wapen!" Zij verbrijzelden de straatlantaarns, spanden de paarden van +de rijtuigen, namen de steenen uit de straat, braken de deuren der +huizen open, rukten de boomen uit, doorzochten de kelders, rolden +tonnen, stapelden keien, steenen, huisraad, planken opeen en maakten +barricaden. + +Men dwong de burgers, daarbij behulpzaam te zijn. Men trad bij de +vrouwen binnen, deed hen de sabel en het geweer van de afwezige +echtgenooten geven en schreef met krijt op de deur: "de wapens zijn +afgegeven." Sommigen onderteekenden met hun namen het bewijs der +ontvangst van sabel en geweer en zeiden: "laat ze morgen aan de mairie +halen." Men ontwapende op de straten de afzonderlijke schildwachten en +de nationale garden, die zich naar hun posten begaven. Men ontrukte +den officieren hun epauletten. In de straat St. Nikolaas vluchtte +met veel moeite een officier der nationale garde, die door een met +stokken en fleuretten gewapenden troep vervolgd werd, in een huis, +'t welk hij niet dan 's nachts en vermomd kon verlaten. + +In de wijk St. Jacques verlieten de studenten met geheele scharen +hun woningen en gingen naar het koffiehuis "Van den vooruitgang" in +de straat St. Hyacinthe, of naar het koffiehuis der "Zeven biljarts" +in de straat des Mathurins. Daar stonden voor de deuren jongelieden +op straatpalen en deelden wapens uit. Men plunderde de werkplaats +in de straat Transnonain, om barricaden te maken. Op een eenig punt, +aan den hoek der straten St. Avoye en Simon le Franc, verzetten zich +de bewoners en vernielden de barricade. Op een eenig punt weken +de opstandelingen; zij verlieten een in de Tempelstraat begonnen +barricade, na op een detachement nationale garde geschoten te hebben, +en vluchtten door de straat de la Corderie. Het detachement nam van +de barricade een rood vaandel, een bundel patronen en driehonderd +pistoolkogels. De nationale garden verscheurden het vaandel en staken +de lappen ervan op hun bajonetten. + +Alles wat wij hier langzaam en achtereenvolgens verhalen gebeurde +tegelijkertijd, op alle punten der stad, te midden van een ontzettend +rumoer, gelijk een aantal bliksems uit een enkelen donderslag schieten. + +In minder dan een uur verrezen alleen in de wijk des Halles +zeven-en-twintig barricaden. In het midden stond het beruchte huis +No. 50, de vesting van Jeanne en haar honderd en zes gezellen, +dat aan de eene zijde door een barricade, bij St. Merry, en aan de +andere door een barricade bij de straat Maubuée geflankeerd, drie +straten beheerschte. Twee rechthoekige barricaden strekten de eene +van de straat Montorgueuil tot aan de Grande Truanderie, de andere +van de straat Geoffroy-Langevin naar de straat St. Avoye. Zonder +daarbij talrijke barricaden in twintig andere wijken van Parijs te +rekenen, in het Marais, op den berg St. Geneviève; een in de straat +Menilmontant, waar men een koetspoort uit haar hengsels gerukt zag; +een andere barricade bij de kleine brug van het Hotel Dieu, bestaande +uit een omgeworpen rijtuig, op driehonderd schreden afstands van de +prefectuur van politie. + +Aan de barricade der straat des Menetriers deelde een goed gekleed +man geld uit aan de werklieden. Aan de barricade der straat Grénetat +verscheen een ruiter en stelde dengeen, die 't hoofd der barricade +scheen, een rol met geld ter hand.--"Ziedaar," zeide hij, "om de +onkosten, den wijn en zoo voorts te betalen." Een blond jongeling, +zonder das, bracht van de eene naar de andere barricade het +wachtwoord. Een ander met bloote sabel en politiemuts op het hoofd, +plaatste de schildwachten. Achter de barricaden waren de herbergen +en de portiersloges in wachthuizen veranderd. Overigens nam het +oproer de schranderste militaire tactiek in acht. De enge, ongelijke, +kronkelige, hoekige en draaiende straten, waren bewonderenswaardig goed +gekozen; bovenal in den omtrek des Halles, die een doolhof van straten +vormt. Men zeide, dat het genootschap der vrienden van het volk de +directie van den opstand in de wijk St. Avoye had genomen. Een in de +straat Ponceau gedood man, dien men doorzocht, had een plattegrond van +Parijs bij zich. 't Scheen een onbekende, in de lucht zwevende vlaag, +die tot oproer aanzette. De opstand had plotseling met de eene hand +de barricaden opgeworpen en met de andere schier tegelijkertijd al +de posten van het garnizoen aangegrepen. In minder dan drie uren, +en als een loopend vuur, hadden de opstandelingen den rechteroever, +het arsenaal, de mairie, het Koningsplein, het geheele Marais, +de wapenfabriek van Popincourt, de Galiote, het Waterkasteel, al +de straten in den omtrek des Halles overrompeld en bezet; en op +den linkeroever de kazerne der veteranen, St. Pelagie, het plein +Maubert, het kruithuis der twee molens, al de barrières. Te vijf uren +'s avonds waren zij meester van het bastilleplein, de Lingerie, de +Blanc-Manteaux; hun voorposten raakten het plein des Victoires en +bedreigden de Bank, de kazerne der Petit-Pères, het postkantoor. Het +derde gedeelte van Parijs behoorde aan den opstand. + +Op alle punten was de strijd met reuzenkracht begonnen; +en de ontwapeningen, de huiszoekingen, de overrompeling der +zwaardvegerswinkels hadden tengevolge, dat de met steenen begonnen +strijd met geweerschoten werd voortgezet. + +Tegen zes uren 's avonds werd de passage van den Zalm het tooneel +van den veldslag. Aan de eene zijde stond de opstand, aan de andere +stonden de troepen. Men schoot op elkander van het eene naar het andere +hek. Een toeschouwer, een denker, de schrijver van dit werk, die den +vulkaan van nabij was gaan bezichtigen, bevond zich in dezen doorgang +tusschen twee vuren. Om zich tegen de kogels te beschermen had hij +niets dan de vooruitstekende halve kolommen, die de winkels scheiden; +in dien gevaarlijken toestand bevond hij zich gedurende een half uur. + +Ondertusschen werd de generale marsch door de straten geslagen; +de nationale garden kleedden en wapenden zich haastig; de legioenen +trokken uit de mairieën, de regimenten uit de kazernen. Tegenover de +passage van het Anker, ontving een tamboer een dolksteek. Een ander +werd in de Zwanenstraat door omstreeks dertig jongelieden aangevallen, +die zijn trommel vernielden en hem zijn sabel ontnamen. Een ander werd +in de straat Grenier St. Lazare gedood. In de straat Michel-le-Comte +sneuvelden drie officieren na elkander. Verscheidene municipale garden, +in de Lombardstraat gekwetst, trokken achteruit. + +Voor de Cour Batave vond een detachement nationale garden een rood +vaandel met dit opschrift: "Republikeinsche revolutie No. 127." Was +het inderdaad een revolutie? + +De opstand had van het midden van Parijs een soort van reusachtige, +kronkelige en onuitkoombare citadel gemaakt. + +Dáár was het brandpunt, dáár lag duidelijk de quaestie. Al het overige +waren slechts schermutselingen. 't Geen bewees, dat daar alles zou +beslist worden, het was dat men er nog niet vocht. + +In eenige regimenten waren de soldaten weifelend, 't geen de +schrikkelijke onzekerheid der crisis vermeerderde. Zij herinnerden +zich het volksgejuich dat in Juli 1831 aan het 53e linie-regiment +was te beurt gevallen, dat zich onzijdig had gehouden. + +Twee moedige en in de groote oorlogen beproefde mannen, de +maarschalk Lobau en generaal Bugeaud, voerden 't bevel, Bugeaud +onder Lobau. Ontzaggelijke patrouilles, bestaande uit bataljons +linietroepen, ingesloten tusschen geheele compagnieën nationale +garden en voorafgegaan door een commissaris van politie met zijn +sjerp, gingen de oproerige straten verkennen. Hunnerzijds plaatsten +de opstandelingen schildwachten aan de hoeken der straten en zonden +stoutmoedig patrouilles uit de barricaden. Men hield elkander van +wederzijden in het oog. Het gouvernement, met een leger in de hand, +aarzelde; de nacht begon te dalen en men hoorde de stormklok van +Saint-Merry. De toenmalige minister van oorlog, maarschalk Soult, +die Austerlitz had gezien, zag de zaak met een bedenkelijk oog aan. + +Zulke oude zeelieden, die aan geregelde manoeuvres gewoon zijn, en geen +ander middel en gids kennen dan de tactiek, dit kompas der veldslagen, +zijn geheel vervaard en in de war tegenover die ontzettende golving, +welke men den volkstroom noemt. Met den wind der revolutiën is niet +te zeilen. + +In overijling en wanorde ijlden de nationale garden der voorsteden +toe. Een bataljon van het 12e regiment lichte infanterie kwam met den +stormpas van St. Denis, het 14e linieregiment kwam van Courbevoie; de +batterijen der militaire school hadden bij het Carrousel post gevat; +van Vincennes kwam geschut. + +In de Tuilerieën werd het eenzaam. Lodewijk Filips bevond zich volkomen +kalm en gerust. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +EIGENAARDIGHEID VAN PARIJS. + + +Sedert twee jaren had Parijs, zooals gezegd is, meer dan een +opstand beleefd. Buiten de in opstand zijnde wijken, is gewoonlijk +niets zoo zonderling kalm als het aanzien van Parijs gedurende een +oproer. Parijs gewent zich spoedig aan alles,--'t is slechts een +oproer,--en Parijs heeft zoovele zaken, dat het zich door geen +kleinigheid laat storen. Slechts dergelijke reusachtige steden +kunnen zulke schouwspelen opleveren. Slechts zulke ontzaggelijke +ruimten kunnen tevens den burgeroorlog en een onbegrijpelijke rust +bevatten. Gewoonlijk, wanneer de opstand begint, wanneer men de trom, +het appel, den alarmslag hoort, zegt de winkelier eenvoudig: + +"Er schijnt rumoer in de straat St. Martin te zijn." + +Of: + +"In de voorstad Saint-Antoine." + +Hij voegt er soms onverschillig bij: + +"Of ergens elders." + +Later, wanneer men het knetterend en beangstigend geknal der +geweerschoten en het pelotonsvuur hoort, zegt de winkelier: + +"Ha! 't neemt toe! Waarlijk, 't neemt toe!" + +Een oogenblik later, wanneer het oproer nadert en zich uitbreidt, +sluit hij haastig zijn winkel, en trekt zijn uniform aan, dat wil +zeggen, hij brengt zijn waren in veiligheid en waagt zijn leven. + +Men schiet op elkander op een plein, in een straat, in een steeg, +men neemt, verliest en herneemt barricaden; het bloed stroomt, het +schroot vernielt de gevels der huizen, de kogels dooden de menschen +in hun bed, lijken bedekken den grond. Eenige straten verder hoort +men in de koffiehuizen de biljartballen tegen elkander stooten. + +De schouwburgen openen hun deuren en spelen vaudevilles; de +nieuwsgierigen praten en schertsen op weinig schreden afstand van +deze in vollen oorlog zijnde straten. De huurrijtuigen rollen; men +gaat ten maaltijd; soms zelfs in de wijk waar gevochten wordt. In +1831 werd het vuren gestaakt, om een bruiloftspartij door te laten. + +Bij den opstand van den 12 Mei 1839 reed een kleine, oude, gebrekkige +man met een handkar, waarop een driekleurige lap wapperde, en waarin +flesschen met een of anderen drank waren, in de straat St. Martin van +de barricade naar de troepen en van de troepen naar de barricade, en +bood onpartijdig--nu aan het gouvernement, dan aan de anarchie--zijn +drank. + +Niets is zonderlinger; en dit is het eigenaardige der oproeren in +Parijs, 't welk in geen andere hoofdstad gevonden wordt. Daartoe zijn +twee dingen noodig: de grootheid van Parijs en zijn vroolijkheid. Het +moet de stad van Voltaire en van Napoleon zijn. + +Ditmaal echter, bij den opstand van den 5 Juni 1832, voelde de groote +stad iets, dat misschien sterker was dan zij. Zij was angstig. Men zag +overal in de verwijderdste en minst bedreigde wijken op klaarlichten +dag de deuren, vensters en luiken gesloten. De moedigen wapenden, +de bloodaards verscholen zich. De onverschillige, bedrijvige +voorbijganger verdween. Vele straten waren zoo eenzaam als te vier +uren in den morgen. Men verspreidde onrustbarende bijzonderheden en +verschrikkelijke berichten.--Dat zij meester van de Bank waren;--dat +er, alleen in de kerk van het klooster Saint-Merry, zeshonderd man +verschanst waren;--dat men op de linietroepen niet kon rekenen;--dat +Armand Carrel maarschalk Clausel had bezocht en dat de maarschalk tot +hem gezegd had: "Zorg eerst een regiment te hebben;"--dat Lafayette +ziek was; maar hun evenwel had gezegd: "Ik ben de uwe. Ik zal u overal +volgen, waar plaats voor een stoel is;"--dat men op zijn hoede moest +zijn; dat er lieden zouden wezen die des nachts de afgelegen huizen in +de eenzame hoeken van Parijs zouden plunderen; dat in de straat Aubry +le Boucher een batterij stond;--dat Lobau en Bugeaud samen overlegden, +en dat te middernacht of uiterlijk met het aanbreken van den dag +vier colonnes tegelijkertijd tegen het centrum van het oproer zouden +oprukken;--dat de troepen misschien Parijs zouden ontruimen en naar +het Marsveld terugtrekken;--dat men niet wist wat zou gebeuren, maar +dat het ditmaal ernst was.--Men onderhield zich over de aarzeling van +maarschalk Soult.--Waarom viel hij niet dadelijk aan?--'t Is stellig, +dat hij de zaak ernstig inzag. De oude leeuw scheen in deze schaduw +een onbekend monster te erkennen. + +De avond kwam; de schouwburgen bleven gesloten; verbitterd doorkruisten +patrouilles de stad; men onderzocht de voorbijgangers; men hield de +verdachten aan. Te negen uren waren meer dan achthonderd personen in +hechtenis genomen; de prefectuur van politie, de conciergerie, la Force +waren propvol. In de conciergerie was de lange onderaardsche gang, +die men de straat van Parijs noemt, met bossen stroo belegd, waar de +gevangenen opgehoopt lagen, welke de man van Lyon, Lagrange, moedig +toesprak. Dat stroo, door al deze mannen bewogen, maakte het geruisch +als van een plasregen. Elders lagen de gevangenen op de binnenplaatsen +onder den blooten hemel, naast en schier op elkander. Alom heerschten +angst en schrik, iets dat aan Parijs niet gewoon was. + +Men verschanste zich in de huizen; de vrouwen en moeders waren +ongerust; men hoorde niet anders dan: "Ach, mijn God, hij is +nog niet te huis!" Slechts in de verte hoorde men nu en dan een +rijtuig rollen. Men luisterde aan de deuren naar het rumoer, het +geschreeuw, het geraas; doffe, onduidelijke geruchten, waarvan men +zeide: dat is cavalerie, of: dat is 't gerommel der kruitwagens, +naar het trompetgeschal, het tromgeroffel, de geweerschoten en +vooral naar de sombere stormklok van Saint-Merry. Men wachtte het +eerste kanonschot af. Mannen verschenen om de hoeken der straten en +verdwenen weder, roepende: Gaat naar binnen. En men haastte zich de +deuren te grendelen. Men zeide: Hoe zal het eindigen? Van oogenblik +tot oogenblik en naar gelang de nacht daalde, scheen Parijs zich +akeliger te kleuren met de vreeselijke vlammen van het oproer. + + + + + + + +BOEK XI. + +HET STOFDEELTJE VERBROEDERT ZICH MET DEN ORKAAN. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +EENIGE OPHELDERINGEN NOPENS DEN OORSPRONG VAN GAVROCHES +POËZIE.--INVLOED VAN EEN LID DER ACADEMIE OP DEZE POËZIE. + + +Juist toen de opstand, door den samenstoot van het volk en der +troepen voor het Arsenaal, een voor- en achterwaartsche beweging in de +menigte veroorzaakte, welke de lijkstaatsie volgde, en zich over de +geheele lengte van den boulevard aan den stoet mededeelde, ontstond +een vreeselijk gedrang. De dichte massa waggelde, de rijen braken, +allen liepen, ijlden voort, vluchtten, eenigen den aanvalskreet +aanheffende, anderen bleek van schrik. De groote stroom dien de +boulevards overdekte, verdeelde zich in een oogwenk, vloeide rechts +en links en verspreidde zich in stortvloeden over tweehonderd straten, +met het gedruisch eener geopende sluis. Een havelooze knaap, die van de +straat Menilmontant kwam, met een bloeienden tak in de hand, welken hij +op de hoogten van Belleville had gesneden, zag op de uitstalling van +een uitdraagster een oud ruiterspistool. Hij wierp den tak weg en riep: + +"Moeder, hoe heet ge, ik neem dat ding van u ter leen." + +En hij liep weg met het pistool. + +Twee minuten later ontmoette een troep angstige burgers, die door +de straten Amelot en Basse vluchtten, den knaap, terwijl hij zijn +pistool zwaaide en zong: + + + La nuit on ne voit rien, + Le jour on voit très bien, + D'un écrit apocryphe + Le bourgeois s' ébouriffe, + Pratiquez la vertu, + Tutu chapeau pointu! [4] + + +'t Was Gavroche, die ten oorlog toog. + +Op den boulevard zag hij, dat het pistool zonder haan was. + +Van wien was het couplet, waarnaar hij marcheerde; en van wie waren +de liedjes, welke hij, bij gelegenheid, zoo gaarne zong? Wij weten +het niet. Wie weet? Misschien van hem zelven. Gavroche was trouwens +bekend met al wat door het volk gezongen werd, en daarbij mengde +hij zijn eigen gekweel. Hij maakte een potpourri der stemmen van +de natuur en die van Parijs. Hij vermengde den vogelenzang met het +gezang der werklieden. Hij kende kladschilders, een ras dat het +zijne nabij komt. Hij was, zoo 't schijnt, drie maanden als jongen +op een drukkerij geweest. Eens had hij een boodschap voor mijnheer +Baour-Lormian gedaan, een der leden van de academie. Gavroche was +een geletterde straatjongen. + +Gavroche vermoedde overigens niet dat hij, in den leelijken +regenachtigen nacht, toen hij twee kinderen in zijn Olifant herbergde, +voor zijn eigen broeders den dienst der Voorzienigheid had verricht. De +avond van dien nacht was voor zijn broeders, de morgen voor zijn vader +geweest. Toen hij bij het aanbreken van den dag de Balletstraat had +verlaten was hij haastig naar den Olifant wedergekeerd, had er met +zorg en moeite de twee kinderen uitgehaald, met hen het hoe dan ook +verkregen ontbijt gedeeld, en was toen heengegaan, hen aan die goede +moeder de straat toevertrouwende, welke hem, om zoo te spreken, had +opgevoed. Toen hij hen verliet, had hij hen voor den avond op dezelfde +plaats bescheiden, en hun tot afscheid deze toespraak gehouden: +"Ik poets de plaat, of anders gezegd, ik verdwijn, of, zooals men +aan 't hof zegt, ik verwijder mij. Nu, kinderen, zoo ge papa en mama +niet wedervindt, komt dan van avond weer hier. Ik zal u voedsel en +nachtkwartier geven." De twee kinderen, die òf door een stadssergeant +aangehouden en opgebracht, òf door een of ander koordedanser gestolen, +òf eenvoudig in den grooten Parijschen doolhof verloren geraakt waren, +kwamen niet terug. Dergelijke verloren wezens zijn niet zeldzaam +in de tegenwoordige maatschappelijke wereld. Kortom, Gavroche had +ze niet wedergezien. Sedert dien nacht waren tien of twaalf weken +verstreken. Vaak had hij zijn hoofd gekrabd en gezegd: Waar drommel +zijn mijn beide kinderen? + +Ondertusschen had hij, met zijn pistool in de hand, de Koolbrug +bereikt. Hij merkte op, dat in die straat nog slechts één winkel open +was, en, 't geen merkwaardig was, wel die van een pasteibakker. 't +Was een heerlijke gelegenheid om, vóór in het onbekende te gaan, nog +een appeltaartje te eten. Gavroche bleef staan, betastte zijn zijden, +zocht in zijn zakken, keerde ze om, vond er niets, geen enkelen sou +en riep: Help! help! + +'t Valt hard zulk gebak te moeten missen. + +Desniettemin zette Gavroche zijn weg voort. + +Twee minuten later was hij in de straat St. Louis. Toen hij de straat +van het koninklijk park doorging, voelde hij behoefte zich voor het +onbereikbare appelgebak schadeloos te stellen, en gaf zich aan het +onbeschrijfelijk genot over, op klaarlichten dag de schouwburgbiljetten +af te scheuren. + +Iets verder, toen hij een groep welgedane personen zag voorbijgaan, +die hem als huiseigenaars voorkwamen, haalde hij de schouders op en +spuwde hun dezen mondvol philosophische gal toe: + +"Hoe vet zijn die renteniers! Zij mesten zich vet en zwelgen en +brassen. Vraag eens wat zij met hun geld doen. Zij weten het niet. Zij +eten, zooveel hun buik verdragen kan." + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +GAVROCHE OP MARSCH. + + +Het zwaaien met een pistool zonder haan midden op de straat is zulk +een openbare zaak, dat Gavroche bij iederen stap zijn vurigen moed +vermeerderd voelde. Hij riep, tusschen de brokken der Marseillaise, +welke hij zong: + +"Alles gaat goed. Ik heb pijn aan mijn linkervoet, ik heb het +pootje, maar ik ben tevreden, burgers. De burgers moeten zich +maar goed houden, ik zal hun verboden liedjes voorneuriën. Wat zijn +stille verklikkers? 't Zijn honden! Voor den drommel! Eerbied voor de +honden! Maar ik zou liever een haan aan mijn pistool hebben. Ik kom van +den boulevard, vrienden, daar wordt het warm, het kookt en ziedt er. 't +Is tijd om den pot te schuimen, er komen blaasjes op. Voorwaarts, +mannen, dat het onreine bloed over de straten stroome! Ik geef mijn +leven voor het vaderland; ik zal mijn geliefde niet wederzien, neen, +nooit, 't is gedaan! Maar om 't even: leve de vreugd! Vechten wij, +voor den drommel! ik ben het despotisme moede." + +Juist stortte het paard van een nationalen gardist; Gavroche legde +terstond zijn pistool op de straat, hielp den man en vervolgens ook +het paard weer op de been. Daarna nam hij zijn pistool weder en zette +zijn weg voort. + +In de straat Thorigny was alles stil en rustig. Deze kalmte van het +Marais, maakte eene zonderlinge tegenstelling met het geweldig rumoer +in den omtrek. Vier oude vrouwen praatten met elkander op de stoep van +een huis. Schotland heeft tooverkollen, maar Parijs heeft nog meer +babbelaarsters; en het "gij zult koning zijn," zou even vreeselijk +klinken, als het Bonaparte op het plein Baudoyer wierd toegeroepen, +als het Macbeth klonk op de heide van Armuyr. 't Zou bijna hetzelfde +gekras zijn. + +De oude vrouwen in de straat Thorigny spraken slechts over haar +zaken. 't Waren drie portiersters en een voddenraapster met haar +draagkorf en haak. + +Zij schenen de vier hoeken van den ouderdom te vormen, namelijk: +het verval, de gebrekkigheid, de afgeleefdheid en de treurigheid. + +De voddenraapster was deemoedig. In deze nijvere wereld groet de +voddenraapster, de portierster beschermt. 't Hangt van haar af, of +de hoop drek, dien zij aan den paal gooit, vet of mager is. In den +bezem kan goedheid zijn. + +Deze voddenraapster was dankbaar; zij glimlachte--welk een +glimlach!--tot de drie portiersters. Zij spraken onder elkander +het volgende: + +"Zeg! is uw kat nog altijd even ondeugend?" + +"Mijn Hemel! gij weet immers, dat de katten de natuurlijke vijandinnen +der honden zijn. 't Zijn de honden, die klagen." + +"Ook de menschen." + +"De kattenvlooien gaan toch niet op de menschen over." + +"Dat zegt niets; maar de honden, deze zijn gevaarlijk. Ik herinner +mij een jaar, toen er zooveel honden waren, dat men verplicht was, +'t in de krant te zetten. 't Was in den tijd toen in de Tuilerieën +groote schapen waren, die het rijtuigje van den koning van Rome +trokken. Herinnert ge u den koning van Rome?" + +"Ik, ik hield meer van den hertog van Bordeaux." + +"Ik, ik heb Lodewijk XVII gekend. Ik houd meer van Lodewijk XVII." + +"Was het vleesch maar niet zoo duur, vrouw Patagon." + +"Och, spreek er mij niet van; 't is afschuwelijk met de +vleeschhouwers. Afschuwelijk! afschuwelijk! Men krijgt verdriet in +zijn leven." + +"Ja," viel de voddenraapster hier in; "de handel gaat niet meer. De +vuilnishoopen zijn ellendig. Men werpt niets meer weg. Men gebruikt +alles." + +"Er zijn menschen, die armer zijn dan gij, vrouw Vargoulème." + +"Ja, dat is zeker," antwoordde de voddenraapster ootmoedig; "ik heb +ten minste een beroep." + +Er ontstond een pauze, en de voddenraapster, aan de zucht tot +uitstallen voldoende, welke de grondneiging van den mensch is, voegde +er bij: + +"Des ochtends te huis komende, pak ik mijn korf uit, en sorteer, dan +komen hoopen in mijn kamer. Ik leg de lappen in een mand, de spaanders +in een bak, het lijnwaad in een kast, de wol in mijn ladetafel, het +oud papier in een hoek bij het venster, de eetbare dingen in mijn +pot, de glasscherven op den schoorsteen, de sloffen achter de deur, +en de beenderen onder mijn bed." + +Gavroche stond achter haar, en luisterde. + +"Wat hebt gij over politiek te spreken oudjes?" zei hij. + +Een hagelbui van scheldwoorden was het antwoord. + +"Ziedaar weder een dier schurken." + +"Wat heeft hij toch in zijn vuist? Een pistool?" + +"Zie eens aan, dien kwâjongen!" + +"'t Heeft geen rust, vóór het 't gouvernement heeft omvergeworpen." + +Gavroche, zich niet verwaardigende te antwoorden, wipte met den duim +zijn neus op en opende wijd de hand. + +De voddenraapster schreeuwde: + +"Gemeene barrevoeter!" + +Vrouw Patagon sloeg jammerend de handen samen. + +"'t Is stellig, dat er ongelukken gebeuren. De jongen, hiernaast, +met zijn bakkebaard, dien ik alle morgen met een meisje aan den arm +zag uitgaan, zag ik heden met een geweer onder den arm uitgaan. Madame +Bacheux zegt, dat er verleden week een revolutie te... te... te... waar +de kalven zijn... te Pontoise is geweest. En ziet ge dien leelijken +straatjongen met zijn pistool! Het schijnt, dat de Celestijnen vol +kanonnen zijn. Wat zal het gouvernement met zulke deugnieten uitvoeren, +die niet weten wat te verzinnen om de wereld in oproer te brengen, +wanneer men, na al de ongelukken, die men beleefd heeft, een weinig +tot rust kwam; goede God, die arme koningin, welke ik op een kar +heb zien voorbijrijden. En dat alles zal de snuif nog weer duurder +maken. 't Is een schandelijkheid! Maar zekerlijk zal ik gaan om u te +zien guillotineeren, booswicht!" + +"Oudje," zei Gavroche, "gij spreekt door den neus. Snuit uw +voorgebergte." + +En hij ging verder. + +Toen hij in de straat Pavée was, kwam de voddenraapster hem weer in +de gedachte en hij hield deze alleenspraak: + +"Gij hebt ongelijk de revolutionnairen te beschimpen, moeder +mesthoopwroetster. Dit pistool is in uw belang. Het dient om u beter +dingen in uw korf te bezorgen." + +Eensklaps hoorde hij gerucht achter zich: 't was de portierster Patagon +die hem gevolgd was, en hem in de verte de vuist toestak, schreeuwende: + +"Bastaard, die ge zijt!" + +"Goed!" zei Gavroche, "ik ben er en dat is genoeg." + +Even daarna ging hij voorbij het hôtel Lamoignon. Daar riep hij: + +"Voorwaarts! naar 't gevecht!" + +Een soort van zwaarmoedigheid overviel hem. Met verwijtenden blik +aanschouwde hij zijn pistool, welk gezicht hem scheen te verteederen: + +"Ik ga," zeide hij, "maar gij kunt, helaas, niet overgaan." + +Een hond kan de gedachte aan een haan afleiden. Een zeer magere hond +liep voorbij, en Gavroche had medelijden met het dier. + +"Arme scherminkel," zeide hij; "gij hebt zeker een ton doorgeslikt, +daar men al de hoepels door uw vel zien kan." + +Daarop ging hij naar l'Orme Saint-Gervais. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +BILLIJKE VERONTWAARDIGING VAN EEN KAPPER EN BARBIER. + + +De deftige barbier, die de twee kinderen had weggejaagd, voor +welke Gavroche den vaderlijken buik van den olifant had geopend, +was op dit oogenblik in zijn winkel bezig met een ouden soldaat +met het kruis van het legioen van eer te scheren. Men praatte. De +pruikenmaker had natuurlijk den veteraan over het oproer gesproken, +vervolgens over generaal Lamarque, en van Lamarque was men op den +keizer gekomen. Daardoor ontstond een gesprek tusschen een barbier en +een soldaat, 't welk Prudhomme, ware hij er bij tegenwoordig geweest, +met arabesken versierd en getiteld zou hebben: "Samenspraak tusschen +het scheermes en de sabel." + +"Mijnheer," vroeg de barbier, "hoe zat de keizer te paard?" + +"Slecht. Hij wist niet van vallen. Daarom viel hij ook nooit." + +"Had hij fraaie paarden? hij moet fraaie paarden gehad hebben?" + +"Den dag dat hij mij het kruis gaf, heb ik zijn paard opgemerkt. 't +Was een geheel witte merrie. Zij had de ooren wijd van elkander, +den rug ingevallen, een fijnen kop met een zwarte bles, langen hals, +forsch gespierde knieën, uitstekende ribben, breede schoften. Iets +hooger dan vijftien palmen." + +"Een fraai paard," zei de barbier. + +"'t Was het paard zijner majesteit." + +De barbier begreep, dat na dit woord eene pauze behoorde, hij gedroeg +zich hiernaar en hernam vervolgens: + +"De keizer is slechts eenmaal gekwetst geweest, niet waar, mijnheer?" + +De oude soldaat antwoordde, op den bedaarden en stelligen toon van +iemand, die er bij is geweest: + +"Aan den hiel. Te Regensburg. Nooit heb ik hem zoo net gekleed gezien +als dien dag. Hij was als door een ring gehaald." + +"En gij, mijnheer de veteraan, ge zijt zeker meermalen gewond?" + +"Ik," zei de soldaat, "o, niet erg. Te Marengo ontving ik +twee sabelhouwen in den nek, te Austerlitz een kogel in den +rechterarm, een anderen in de linkerheup te Jena, te Friedland +een bajonnetsteek--hier;--aan de Moskowa zes of zeven lanssteken, +'t doet er niet toe, te Lutzen heeft een springende bom mij een +vinger stuk geslagen... Te Waterloo kreeg ik een kartetskogel in +'t been. Anders niet." + +"'t Is schoon," riep de barbier op Pindarischen toon uit, "op +het slagveld te sneven! Op mijn woord van eer, ik zou liever een +kanonskogel in het lijf krijgen, dan langzaam op een bed te sterven, +door pillen en drankjes, pleisters, klisteeren en ik weet niet wat." + +"Gij hebt wel gelijk!" zei de soldaat. + +Hij had dit nauwelijks gezegd toen een plotseling gerucht in den +winkel ontstond. Een glasruit van het winkelvenster werd met geweld +stukgeslagen. + +De barbier werd zoo bleek als de dood. + +"Mijn God! daar is er een!" riep hij. + +"Wat?" + +"Een kanonskogel." + +"Hier is hij," zei de soldaat. + +En hij raapte iets op, dat over den grond rolde. 't Was een keisteen. + +De barbier ijlde naar 't gebroken glas en zag Gavroche, die zoo +hard hij kon naar de St. Jansmarkt liep. Toen Gavroche, wien de +beide kinderen nog op 't hart lagen, den barbierswinkel voorbijkwam, +had hij den lust niet kunnen weerstaan hem eens goedendag te zeggen, +en had een steen tegen zijn raam geworpen. + +"Ziet ge!" brulde de barbier, die nu van wit blauw was geworden; +"dat is kwaad doen om kwaad te doen. Wat heb ik dien jongen gedaan?" + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +DE KNAAP VERWONDERT ZICH OVER DEN GRIJSAARD. + + +Ondertusschen had Gavroche, op de St. Jansmarkt, waar de wachtpost +reeds ontwapend was, zich aangesloten bij een bende, aangevoerd door +Enjolras, Courfeyrac, Combeferre en Feuilly. Zij waren genoegzaam +gewapend. Bahorel en Jean Prouvaire hadden hen wedergevonden en +vermeerderden de groep. Enjolras had een jachtgeweer met dubbelen +loop. Combeferre het geweer van een nationale garde, waarop het nommer +van het legioen, en in zijn gordel twee pistolen, welke men onder zijn +open jas kon zien, Jean Prouvaire een oud cavaleriemusket, Bahorel +een karabijn; Courfeyrac zwaaide een blooten stokdegen. Feuilly ging +vooraan met een sabel in de hand, en riep: "Leve Polen!" + +Zij kwamen van de kade Morland, zonder das, zonder hoed, buiten adem, +doornat van den regen, met bliksemende oogen. Gavroche naderde hen +bedaard. + +"Waar gaan wij heen?" vroeg hij. + +"Ga maar mede," zei Courfeyrac. + +Achter Feuilly ging, of liever, sprong Bahorel, als een visch in het +water des oproers. Hij droeg een rood vest en sprak woorden die alles +vernielden. Zijn vest verschrikte een voorbijganger, die ontsteld riep: + +"Daar zijn de rooden!" + +"Het roode, de rooden!" hernam Bahorel. "Een grappige vrees, burger. Ik +ben niet bang voor een klaproos, en roodkapje boezemt mij volstrekt +geen vrees in. Geloof mij, burger, laten wij de vrees voor het roode +aan het hoornvee over." + +Aan den hoek van een muur viel hem het onschuldigste plakkaat ter +wereld in het oog, een verlof om eieren te mogen eten, een mandement +van den aartsbisschop van Parijs aan zijn "kudde." + +Bahorel riep: + +"Kudde; een beleefde manier om ossen te zeggen." + +Hij scheurde het plakkaat van den muur. Hierdoor won hij het hart +van Gavroche. Van dit oogenblik af begon Gavroche belang in Bahorel +te stellen. + +"Bahorel," merkte Enjolras op, "gij hebt ongelijk. Ge hadt dit +mandement stil moeten laten zitten, wij hebben er niets meê te maken, +ge verspilt nutteloos uw toorn. Behoud uw voorraad. Men vuurt niet +buiten de gelederen, evenmin met de ziel als met het geweer." + +"Ieder zijn zin, Enjolras," antwoordde Bahorel. "Dit bisschoppelijke +proza stuit mij; ik wil eieren eten zonder dat men 't mij vergunt. Ge +maakt u zoo licht kwaad; ik vermaak er mij mee. Bovendien verlies +ik er niets bij; het zet mij in vuur; en zoo ik dit plakkaat heb +afgescheurd, was het om mijn eetlust op te wekken." + +Thans herkende Bahorel aan een venster een jongen man met zwarten +baard, die hem zag voorbij gaan, waarschijnlijk een vriend van 't A +B C. Hij riep hem toe: + +"Haastig, patronen! para bellum." + +"'t Is waar, een schoon man," zei Gavroche, die nu Latijn verstond. + +Een woelige troep vergezelde hen: studenten, kunstenaars, jongelieden +die tot het geheim genootschap "de Kalebas" van Aix behoorden, +werklieden, lastdragers, gewapend met knuppels en bajonnetten, +sommigen, als Combeferre, met pistolen in hun broekzakken. Een man, +die reeds zeer oud scheen, ging ook in dien troep. Hij had geen wapen, +en repte zich om niet achter te blijven, hoewel hij een peinzend +voorkomen had. Gavroche zag hem: + +"Wie is hij?" vroeg hij aan Courfeyrac. + +"Een oud man." + +'t Was de heer Mabeuf. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +DE GRIJSAARD. + + +Verhalen wij wat gebeurd was. + +Enjolras en zijn vrienden waren op den boulevard Bourdon bij de +magazijnen, op het oogenblik dat de dragonders een aanval hadden +gedaan. Enjolras, Courfeyrac en Combeferre behoorden tot degenen, +die door de Bassompiere-straat waren gegaan, roepende: Naar de +barricaden! In de straat Lesdiguières hadden zij een ouden man +ontmoet, die voortging. 't Had hun aandacht getrokken dat deze goede +man waggelde, alsof hij dronken was. Bovendien hield hij zijn hoed +in de hand, hoewel 't den geheelen morgen geregend had en 't zelfs +op dit oogenblik nog vrij sterk regende. Courfeyrac had den ouden +Mabeuf herkend. Hij kende hem, doordien hij Marius dikwijls tot +aan zijn woning had vergezeld. Met de vreedzame en hoogst ingetogen +levenswijs van den ouden boekenliefhebber bekend, en verbaasd hem te +midden van het oproer, op twee schreden afstands van de aanvallen der +cavalerie, schier te midden van 't geweervuur te vinden, blootshoofds +in den regen wandelend tusschen de kogels, was hij naar hem toegegaan, +en de vijf-en-twintigjarige oproerling en de tachtigjarige grijsaard +hadden deze samenspraak gehouden: + +"Mijnheer Mabeuf, ga naar huis." + +"Waarom?" + +"Er zal gevochten worden." + +"Goed." + +"Er zullen sabelhouwen, geweerschoten vallen, mijnheer Mabeuf." + +"Goed." + +"Kanonschoten." + +"Goed. Waar gaat gijlieden heen?" + +"Wij gaan het gouvernement omverwerpen." + +"Goed." + +Toen was hij hen gevolgd, en sinds dien oogenblik had hij geen woord +meer gezegd. Eensklaps was zijn tred vast geworden; werklieden hadden +hem den arm aangeboden, maar met een vriendelijken hoofdknik had hij +bedankt. Hij drong naar voren, schier tot het eerste gelid der colonne, +met de beweging van iemand die gaat en 't gelaat van iemand die slaapt. + +"Die oude man is verwoed!" mompelden de studenten. + +In den troep liep het gerucht dat hij een oud lid der conventie, +een voormalig koningsmoorder was. + +De troep was de straat de la Verrerie ingeslagen. + +De kleine Gavroche stapte vooraan en zong luidkeels, zoodat hij een +soort van trompetter voorstelde. Hij zong: + + + Voici la lune qui paraît, + Quand irons-nous dans la forêt? + Demandait Charlot à Charlotte. + Tou tou tou + Pour Chatou. + Je n'ai qu'un Dieu, qu'un roi, qu'un liard et qu'une botte. + + Pour avoir bu de grand matin + La rosée à même le thym, + Deux moineaux étaient en ribotte. + Zi zi zi + Pour Passy. + Je n'ai qu'un Dieu, qu'un roi, qu'un liard et qu'une botte. + + Et ces deux pauvres petits loups + Comme deux grives étaient soûls; + Un tigre en riait dans sa grotte. + Don don don + Pour Meudon. + Je n'ai qu'un Dieu, qu'un roi, qu'un liard et qu'une botte. + + L'un jurait et l'autre sacrait. + Quand irons-nous dans la forêt? + Demandait Charlot à Charlotte. + Tin tin tin + Pour Pantin. + Je n'ai qu'un Dieu, qu'un roi, qu'un liard et qu'une botte [5]. + + +Zij begaven zich naar Saint-Merry. + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +RECRUTEN. + + +De troep vermeerderde elk oogenblik. In de straat des Billettes +voegde zich een man er bij, van rijzige gestalte, reeds grijzend, +wiens ruw en stoutmoedig voorkomen Courfeyrac, Enjolras en Combeferre +in 't oog vielen, doch dien geen hunner kende. Gavroche, die onder +'t marcheeren druk in de weer was met zingen, fluiten, neuriën en +met den knop van zijn pistool tegen de vensterluiken te kloppen, +sloeg op dezen man geen acht. + +In de straat la Verrerie gingen zij voorbij Courfeyracs woning. + +"Dat komt goed uit," zei Courfeyrac, "ik heb mijn beurs vergeten en +mijn hoed verloren." Hij verliet den troep en vloog de trap op. Hij +nam een ouden hoed en zijn beurs. Tevens nam hij een vierkanten +koffer ter grootte van een valies, die onder zijn vuil linnen was +verborgen. Toen hij de trap weder afging, riep de portierster: + +"Mijnheer de Courfeyrac!" + +"Hoe heet ge, portierster?" hernam Courfeyrac. + +De portierster antwoordde met verbazing: + +"Gij weet immers wel, dat ik vrouw Veuvain heet." + +"Nu, zoo ge mij weder mijnheer de Courfeyrac noemt, zal ik u mevrouw +de Veuvain noemen. Spreek nu, wat hebt ge mij te zeggen?" + +"Er is iemand om u te spreken." + +"Wie?" + +"Ik weet niet." + +"Waar?" + +"In mijn loge." + +"Duivels!" zei Courfeyrac. + +"Hij wacht reeds langer dan een uur op uw thuiskomst!" hernam de +portierster. + +Tezelfder tijd kwam een, naar het scheen, jong werkmaatje, mager, +bleek, klein, 't gezicht vol zomersproeten, met een gescheurden kiel +en gelapte manchestersche broek, en die meer het voorkomen had van +een verkleed meisje dan een jongen te zijn, uit de loge, en zeide tot +Courfeyrac, met een stem die in geenen deele een vrouwenstem geleek: + +"Kan ik mijnheer Marius spreken?" + +"Hij is niet te huis." + +"Komt hij van avond te huis?" + +"Ik weet niet." + +En Courfeyrac liet er op volgen: "Wat mij betreft, ik kom niet +te huis." + +Het jonge mensch zag hem strak aan, en vroeg: + +"Waarom niet?" + +"Wel, daarom." + +"Waar gaat gij dan heen?" + +"Wat kan u dat schelen!" + +"Zal ik uw koffer dragen?" + +"Ik ga naar de barricaden." + +"Mag ik met u gaan?" + +"Zoo ge wilt!" antwoordde Courfeyrac. "De straat is vrij, de weg is +voor ieder." + +Hij ging haastig voort, om zich bij zijn vrienden te voegen. Toen +hij zich weder bij hen bevond, gaf hij aan een hunner den koffer te +dragen. Eerst een kwartieruurs later merkte hij op, dat het jonge +mensch hen inderdaad gevolgd was. + +Een volkshoop gaat niet altijd waarheen hij wil. Wij hebben gezegd, +dat een windvlaag hem medevoert. Zij gingen voorbij Saint-Merry en +bevonden zich, zonder eigenlijk te weten hoe, in de straat Saint-Denis. + + + + + + + +BOEK XII. + +CORINTHE. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +GESCHIEDENIS VAN CORINTHE SINDS ZIJN STICHTING. + + +De Parijzenaars, die thans, van den kant des Halles de straat +Rambuteau ingaan, zien rechts, tegenover de straat Mondétour, een +mandemakerswinkel, die als uithangbord een mand heeft in den vorm +van Keizer Napoleon den Groote, met dit opschrift: + + + NAPOLEON GEHEEL VAN TEEN GEMAAKT. + + +Zij vermoeden niet, welke vreeselijke tooneelen op deze plek, +nauwelijks dertig jaar geleden, zijn voorgevallen. + +Hier waren de straat de la Chanvrerie, en de vermaarde herberg +Corinthe. + +Men herinnere zich, wat aangaande de te dezer plaatse opgerichte +barricade is gezegd, die trouwens door de barricade van Saint-Merry +in de schaduw werd gesteld. Op deze beruchte barricade der straat +de la Chanvrerie, die thans in diepe duisternis is gedompeld, willen +wij een weinig licht werpen. + +Men vergunne ons, tot juister begrip van 't verhaal, hetzelfde +eenvoudig middel aan te wenden, dat wij ten aanzien van Waterloo +hebben gebezigd. + +Wie zich op vrij nauwkeurige wijze het blok huizen wil voorstellen, +'t welk in dien tijd bij de punt van St. Eustachius, aan den +noordoostelijken hoek des Halles van Parijs was gelegen, waar +thans de straat Rambuteau uitkomt, behoeft zich slechts een N te +verbeelden, welker top de straat St. Denis en basis des Halles raakt, +en wier rechtstaande beenen de straten de Grande Truanderie en de la +Chanvrerie, en dwarsstreep de straat der Petite-Truanderie zijn. De +oude straat Mondétour doorsneed deze drie beenen in allerlei bochten; +zoodat de doolhof dezer vier straten zeven huizeneilandjes vormde, +die zonderling gebouwd, van verschillende grootte en als bij toeval +daar geplaatst, nauwelijks door enge stegen gescheiden waren. + +De huizen waren zoo bouwvallig, dat ze gedeeltelijk gestut waren door +balken, die van het eene naar het andere huis liepen. De straat was +eng en de goot breed; men ging er steeds op vochtige steenen langs +kelderachtige winkels, langs groote vuilnishoopen, en gangen met zware, +eeuwenoude hekken. De straat Rambuteau heeft dit alles weggevaagd. + +Kwam men uit de straat St. Denis in de straat de la Chanvrerie, +dan zag men haar allengs enger worden, als ware men in een langen +trechter. Aan het einde der straat zag men den doorgang aan de zijde +des Halles versperd door een rij hooge huizen, en men zou gemeend +hebben in een slop te zijn, zoo men niet rechts en links twee donkere +gleuven gezien had, door welke men verder kon gaan. 't Was de straat +Mondétour, die zich aan de eene zijde met de Predikerstraat, aan de +andere met de Zwanenstraat en de kleine Truanderie vereenigde. Aan het +einde van dit soort van slop, aan den hoek der rechter insnijding, +zag men een minder hoog huis dan de overige, dat een soort van +voorgebergte in de straat vormde. + +In dat huis van slechts twee verdiepingen bestond sedert driehonderd +jaren een vermaarde, veel bezochte herberg. In deze herberg heerschte +immer een luidruchtige vroolijkheid en wel op dezelfde plek, welke +de oude Theophilus in deze twee verzen aanduidt: + + + Là branle le squelette horrible + D'un pauvre amant qui se pendit [6]. + + +De stand was goed; de herberg ging van vader op zoon over. + +In de vorige eeuw had de verdienstelijke Natoire, een der phantastische +schilders, die door de tegenwoordige stijve school veracht zijn, zich +in deze herberg vaak bedronken en uit dankbaarheid een tros krenten +(druiven van Corinthe) op 't venster geschilderd. Uit blijdschap had +de herbergier zijn uithangbord veranderd, en boven den druiventros +in vergulde letters doen zetten: "In de druif van Corinthe." Vandaar +de naam Corinthe. + +Een benedenvertrek met buffet, een kamer op de eerste verdieping +met een biljart, waarheen een wenteltrap leidde, wijn op de tafels, +berookte muren, kaarslicht op klaarlichten dag, zóó was de herberg. Een +trap met valluik in het benedenvertrek voerde naar den kelder. Op de +tweede verdieping huisde de familie Hucheloup. De trap, waarlangs men +naar deze verdieping ging, was veeleer een ladder dan een trap, die een +blinde deur had in de groote kamer op de eerste verdieping. Onder het +dak waren twee zolderkamertjes voor de dienstmeiden. Het benedenhuis +bevatte de keuken en de gelagkamer. + +De oude Hucheloup was misschien voor chemist in de wieg gelegd, +maar zeker is 't, dat hij kok werd; men dronk niet alleen in zijn +herberg, men at er ook. Hucheloup had iets keurigs uitgevonden, 't +geen men slechts bij hem at; 't waren gelardeerde karpers, welke hij +karpers in het vet noemde (carpes au gras). Men at ze bij het licht +van een vetkaars of van een lamp uit den tijd van Lodewijk XVI, op +tafels met gewast linnen bekleed, in plaats van tafellaken. Men kwam +hier van verre en wijd. Op zekeren morgen had Hucheloup bedacht de +voorbijgangers met zijn "specialiteit" bekend te maken, een penseel +in een pot schoensmeer gedoopt en, vermits hij een even eigenaardige +spelling als kookkunst had, op den muur van zijn huis dit merkwaardig +opschrift geschilderd: + + + CARPES HO GRAS. + + +Des winters hadden regen- en sneeuwbuien de S aan het einde van +het eerste woord en de G, waarmede het derde begon, uitgewischt, +zoodat overbleef: + + + CARPE HO RAS. + + +Alzoo was door tijd en regen een eenvoudige gaarkoks-aankondiging +een diepzinnige raadgeving, en Hucheloup, die het Fransch niet kende, +een latinist geworden [7]. + +Van dat alles bestaat tegenwoordig niets meer. De doolhof was reeds in +1847 verruimd en is waarschijnlijk op dit oogenblik geheel verdwenen. + +Zooals gezegd is, was Corinthe een der vereenigingsplaatsen van +Courfeyrac en zijn vrienden. Grantaire had Corinthe ontdekt. Uit hoofde +van het Carpe Horas was hij er 't eerst binnengegaan, en om de Carpes +au Gras was hij er meermalen teruggekeerd. Men at, dronk en tierde +er; men betaalde er weinig, betaalde slecht, soms in 't geheel niet, +en was er altijd welkom. + +Hucheloup was een gaarkok met knevel; een kluchtige +verscheidenheid. Hij zag er altijd stuursch uit; 't was alsof hij zijn +klanten in ontzag wilde houden, hij gromde tegen de lieden die bij hem +kwamen, en scheen eerder geneigd twist met hen te zoeken dan hun soep +op te disschen. Evenwel was men, wij herhalen het, altijd welkom. Deze +grilligheid had hem zelfs vele klanten bezorgd, vooral jongelieden +die zich met zijn knorrigheid vermaakten. Hij was schermmeester +geweest. Soms lachte hij eensklaps luidkeels. Een ruwe stem is vaak +het teeken van een goed hart; inderdaad was hij een komieke kerel met +een somber gezicht. Niets was hem liever dan de lieden schrik aan te +jagen, evenals snuifdoozen in den vorm van een pistool doen. + +Moeder Hucheloup, zijn vrouw, was een zeer leelijk, gebaard wezen. + +Omstreeks 1830 stierf Hucheloup. Met hem verdween het geheim der +"karpers in het vet". Zijn ontroostbare weduwe zette de herberg +voort. Maar de gaarkeuken ontaarde en werd slecht, de wijn, die altijd +slecht was geweest, werd afschuwelijk. Courfeyrac en zijn vrienden +kwamen echter nog altijd in Corinthe--uit medelijden, zei Bossuet. + +De weduwe Hucheloup was kortademig en wanstaltig, zij sprak gaarne +van haar landelijke herinneringen, waaraan haar tongval steeds eenige +bekoorlijkheid verleende. + +Het vertrek op de eerste verdieping, waar de "restauratie" werd +gehouden, was ruim en langwerpig, vol banken, krukjes, stoelen, +tafeltjes en een oud waggelend biljart. Men kwam er langs de +wenteltrap, die in den hoek van het vertrek tegen een vierkante +opening als die van een scheepsluik uitkwam. + +Deze kamer, die slechts door een enkel smal venster licht kreeg en +waar dus altijd eene lamp brandde, had een gemeen voorkomen. Al de +meubels van vier pooten schenen er slechts drie te hebben. De gewitte +muren hadden geene andere versiering dan dit vierregelig vers ter +eere van vrouw Hucheloup: + + + Elle étonne à dix pas, elle épouvante à deux. + Une verrue habite en son nez hasardeux; + On tremble à chaque instant qu'elle ne vous la mouche, + Et qu'un beau jour son nez ne tombe dans sa bouche. [8] + + +Dit was met houtskool op den muur geschreven. + +Madame Hucheloup ging van 's morgens tot 's avonds in de volmaaktste +kalmte voorbij dit vierregelig vers. Twee dienstmaagden, Matelotte +en Gibelotte genoemd, die nooit andere namen schenen gehad te hebben, +hielpen madame Hucheloup op de tafeltjes de kruiken met blauwen wijn en +de spijzen te plaatsen, welke den hongerigen in grof aardewerk werden +voorgezet. Matelotte was dik, rond, ros en had een gillende stem, +zij was de sultane favorite van wijlen Hucheloup geweest en leelijker +dan een mythologisch monster; evenwel, dewijl de dienstmaagd altijd +achter de meesteres moet blijven, was zij minder leelijk dan madame +Hucheloup. Gibelotte was lang, tenger, smachtend, bleek, met blauwe +kringen om de oogen, en half neergeslagen oogleden, immer bedrukt en +afgemat, iets als een chronische vermoeidheid; zij was het eerste +bij de hand, de laatste te bed, bediende iedereen, zelfs de andere +dienstmaagd, stil en zacht, glimlachende onder haar vermoeidheid met +een dommelig lachje. + +Er was een spiegel boven de toonbank. + +Voor dat men de "zaal" der restauratie binnentrad, las men dit vers, +hetwelk Courfeyrac met krijt op de deur geschreven had: + + + Régale si tu peux et mange si tu l'oses! [9] + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +VOORLOOPIGE VROOLIJKHEID. + + +Men weet dat Laigle de Meaux veeleer bij Joly dan elders te huis +was. Hij had een woning, zooals de vogel een tak heeft. De twee +vrienden woonden, aten, sliepen samen. Alles hadden zij in gemeenschap, +zelfs een weinig Musichetta. Den 5 Juni gingen zij 's morgens naar +Corinthe ontbijten. Joly had een zware verkoudheid, welke Laigle +met hem begon te deelen. De rok van Laigle was kaal, maar Joly was +goed gekleed. + +'t Was omstreeks negen uren 's morgens, toen zij de deur van Corinthe +openden. + +Zij gingen naar de eerste verdieping. + +Matelotte en Gibelotte ontvingen hen. + +"Oesters, kaas en ham," zei Laigle. + +Zij gingen aan een tafeltje zitten. + +De herberg was ledig, er was niemand dan zij. + +Gibelotte, die Joly en Laigle kende, zette een flesch wijn op de tafel. + +Terwijl zij met de eerste oesters bezig waren, verscheen een hoofd +boven het trapluik, en een stem zeide: + +"Ik kwam voorbij en rook op de straat een heerlijken geur van Briekaas, +en daarom kom ik." + +'t Was Grantaire. + +Grantaire nam een tabouret en zette zich. + +Toen Gibelotte Grantaire zag, zette zij nog twee flesschen wijn op +de tafel. + +Dit maakte te zamen drie. + +"Wilt gij dan twee flesschen ledigen?" vroeg Laigle aan Grantaire. + +Grantaire antwoordde: "Allen zijn schrander, gij alleen zijt +onnoozel. Nooit hebben twee flesschen een man verschrikt." + +De anderen waren begonnen met eten. Grantaire begon met +drinken. Spoedig was een halve flesch geledigd. + +"Hebt ge een gat in de maag?" vroeg Laigle. + +"Gij hebt er ten minste een aan den elleboog," zei Grantaire. + +En na zijn glas geledigd te hebben, voegde hij er bij: + +"Nu, arend der lijkredenen, uw rok wordt oud." + +"Het doet mij genoegen," hernam Laigle. "Daarvan komt het, dat mijn rok +en ik zoo goed voor elkaar passen. Hij heeft al mijn kanten en vormen +aangenomen, hij hindert mij nergens en heeft zich zelfs naar mijn +wanstaltigheden gevoegd; hij is zeer beleefd voor al mijn bewegingen; +ik voel niet anders van hem dan dat hij mij warm houdt. Oude kleederen +zijn hetzelfde als oude vrienden.--Apropos, Grantaire, komt ge van +den boulevard?" + +"Neen." + +"Wij, Joly en ik, hebben het hoofd van den lijkstoet gezien." + +"'t Was een heerlijk schouwspel," zei Joly. + +"Hoe stil is 't in deze straat!" riep Laigle. "Wie zou zeggen, dat +Parijs het onderst boven ligt? Men ziet duidelijk, dat hier eertijds +alles klooster was! Du Breuil en Sauval en de abbé Leboeuf geven er de +lijst van. Overal in den omtrek waren er, het wemelde van geschoeiden +en ongeschoeiden, van geschorenen en gebaarden, van grijzen, zwarten, +witten, van Franciscanen, Minderbroeders, Capucijnen, Karmelieten, +kleine Augustijners, groote Augustijners, oude Augustijners... Het +krioelde." + +"Spreken wij niet van monniken," viel Grantaire hem in de rede; +"men voelt lust zich te krabben."--Daarop riep hij uit: "Ha, welk +een leelijke oester; ik word er akelig van. De oesters zijn bedorven, +de dienstmeiden zijn leelijk. Ik haat het menschelijk geslacht. Zoo +aanstonds ging ik in de straat Richelieu voorbij de groote openbare +bibliotheek. De hoop oesterschelpen, welken men een bibliotheek +noemt, maakt mij afkeerig van het denken. Hoeveel papier! hoeveel +inkt! hoeveel gekrabbel! Hoeveel heeft men al geschreven! Welk domoor +heeft toch gezegd, dat de mensch een ongevederd tweevoetig dier is? En +toen ontmoette ik een meisje dat ik kende, schoon als de lente en +waardig Flora te heeten; zij was verrukt, verheugd, gelukkig als in +den hemel, de rampzalige, wijl gisteren een schrikkelijk leelijke, +pokdalige bankier zich verwaardigd heeft haar aan te nemen. Ach, de +vrouw loert evenzeer op den ouden rijkaard als op den jongen pronker; +de katten maken zoowel jacht op de muizen als op de vogels. Geen +twee maanden geleden was dit juffertje nog zeer deugdzaam op haar +vlieringkamertje, zij maakte koperen vetergaten in corsetten; hoe +heet dat ook? Zij naaide, had een matras tot bed, woonde met een +bloempot en was tevreden. Nu is zij bankierster. Deze herschepping +is van nacht volbracht. Ik heb dit slachtoffer dezen morgen ontmoet; +ze was heel vroolijk. 't Is jammer, dat het meisje heden even mooi +was als gisteren. Men kan 't haar niet aanzien, dat zij een bankier +behoort. De rozen hebben dit boven of beneden de vrouwen, dat men op de +rozen de sporen zien kan, welke de rupsen op haar achterlaten. Ach! er +is op aarde geen zedelijkheid: ik neem de myrth, het symbool der +liefde, den laurier, het symbool des oorlogs, den olijftak, dat malle +symbool des vredes, den appelboom, die met zijn pippeling Adam tot +den val bracht, en den vijgeboom, den grootvader der onderrokken, +tot getuigen. En het recht, vraagt ge naar het recht? O! in de wereld +heerscht slechts het geweld. Hoeveel roofdieren, hoeveel arenden zijn +er! Er gaat mij een huivering van door de leden!" + +Hij reikte Joly zijn glas, die het vulde; hij dronk, en zonder +zich zelfs door dit glas wijn in zijn rede te laten afbreken, ging +hij voort: + +"Brennus, die Rome neemt, is een arend; de bankier, die de grisette +neemt, is een arend. Hier is evenmin schaamte als daar. Wij gelooven +dus aan niets: dit ééne slechts is waar: het drinken. Welke uwe +meening zijn moge, om 't even of gij met het kanton Uri voor den +mageren haan of met het kanton Glaris voor den vetten haan zijt, +drink. Ge spreekt mij van den boulevard, van den lijkstoet, en zoo +voorts. Welzoo, er zal dus weder een revolutie zijn? Deze behoefte +aan hulpmiddelen verwondert mij vanwege den goeden God. Hij moet elk +oogenblik weder het raderwerk der gebeurtenissen smeren. Het haakt, +het loopt niet. Spoedig een revolutie! De goede God heeft immer +zwarte handen van dat vuile wagensmeer. In zijn plaats zou ik de +zaak eenvoudiger behandelen en niet telkens mijn machine opwinden; +ik zou regelrecht het menschdom bestieren, en de mazen doorbreien, +zonder den draad te breken; ik zou geen buitengewone hulpmiddelen +aanwenden. Wat gijlieden den vooruitgang noemt, beweegt zich door twee +drijfveeren, de menschen en de gebeurtenissen. Maar, 't is treurig, +telkens zijn buitengewone tusschenkomsten noodig. Zoowel voor de +gebeurtenissen als voor de menschen is het gewone niet voldoende; +de menschen hebben genieën, de gebeurtenissen revolutiën noodig. De +groote toevalligheden zijn wet; de orde der dingen kan ze niet missen; +en bij de verschijning der kometen, zou men haast gelooven, dat de +hemel zelf buitengewone acteurs noodig heeft. Onverwachts, zonder +dat men het vermoedt, plakt God een luchtverschijnsel aan den zolder +van het firmament; er komt hier of daar een wonderbare ster met een +ontzaggelijken staart te voorschijn, en dan sterft Cesar. Brutus geeft +hem een dolksteek en God een komeetslag. Ha! ziedaar een noorderlicht, +een revolutie, een groot man, 93 in kapitale letters, Napoleon als +schildwacht, de komeet van 1811 boven op het affiche. O, welk een fraai +blauw aankondigingsbiljet vol met plotselinge vonken gesternd! Bom, +bom! Buitengewone voorstelling. Slaat op de oogen, gapers! Alles +loopt in 't wild; de ster zoowel als het drama. Goede God! 't is te +veel en niet genoeg. Deze buitengewone hulpmiddelen schijnen heerlijk +en zijn armzalig. Mijn vrienden, de Voorzienigheid moet reeds tot +hulpmiddelen haar toevlucht nemen. Wat bewijst een revolutie? Dat +God ten einde raad is. Hij doet een staatsgreep, wijl de draad van +het tegenwoordige en toekomstige afgebroken is en wijl hij, God, de +beide einden niet heeft kunnen samenknoopen. Dit trouwens bevestigt +mij in mijn gissingen nopens den toestand van Jehova's vermogen; +ziet men boven en onder zooveel misnoegdheid, zooveel ongerijmdheid, +laagheid, gemeenheid en nood in den hemel en op aarde, van den vogel +af, die geen graankorreltje heeft, tot mij, die geen honderd duizend +francs rente bezit, ziet men het menschelijk lot, dat zeer versleten, +zelfs het koninklijk lot, dat armzalig is, getuige den gehangen +prins van Condé; ziet men den winter, die niets anders is dan een +scheur in het Zenith, door welke de wind blaast, ziet men zoovele +lompen zelfs in het geheel nieuwe ochtendpurper op de heuveltoppen; +ziet men de dauwdroppels, die valsche paarlen; ziet men den rijp, +dat valsche edelgesteente; ziet men de gescheurde menschheid en de +gelapte gebeurtenissen en zooveel vlekken in de zon en zooveel gaten +in de maan, overal zooveel ellende, dan veronderstel ik, dat God niet +rijk is. 't Is waar, hij maakt vertoon, maar ik zie er armoede in. Hij +geeft een revolutie, gelijk een koopman wiens geldkist ledig is een +bal geeft. Men moet de goden niet naar den schijn beoordeelen. Onder +het verguldsel des hemels onderken ik een arm heelal. De schepping +maakt bankroet. Daarom ben ik ontevreden. Zie, 't is heden de 5 +Juni en schier nacht; sinds van ochtend wacht ik of het licht wordt; +'t wordt niet licht en ik wed dat het den geheelen dag niet licht zal +worden. 't Is de achteloosheid van een slecht bezoldigd bediende. Ja, +alles is slecht geregeld, niets past op elkander, deze oude wereld is +geheel uit de naden; ik ga over tot de oppositie. Alles gaat verkeerd; +het heelal is kibbelend. 't Is als met de kinderen; zij die ze willen, +hebben ze niet; zij die ze niet begeeren, krijgen ze. Kortom: ik ben +kwaad. Bovendien verdriet mij het gezicht van den arend van Meaux, +dien kaalkop. De gedachte, dat ik van denzelfden ouderdom ben als +die bloote knie! Overigens critiseer ik, maar beleedig niet. Het +heelal is wat het is. Ik spreek zonder kwade bedoelingen en om mijn +geweten te bevredigen. Ontvang, eeuwige vader, de verzekering mijner +bijzondere hoogachting. O, bij alle heiligen van den Olymp en bij +alle goden van het Paradijs, ik was niet geschapen om Parijzenaar te +zijn, dat wil zeggen, om eeuwig als een bal tusschen twee raketten +van den groep der straatslijpers naar den groep der rumoermakers te +worden geworpen. Ik was geboren om Turk te zijn, om den geheelen +dag oostersche schoonen die weelderige Egyptische dansen te zien +uitvoeren, welke veel van de droomen eens kuischen mans hebben; of +een boer van Beauce, of een Venetiaansch edelman, omgeven van een +aantal edele jonkvrouwen, of een Duitsch vorstje, die de helft van +een infanterist aan den Duitschen bond levert en zijn ledigen tijd +verdrijft met zijn sokken op zijn heg, dat wil zeggen op zijn grenzen, +te laten drogen. Dat was de bestemming waarvoor ik geboren ben. Ja, +ik heb Turk gezegd en ik blijf er bij. Ik begrijp niet, waarom men +gewoonlijk aan het woord Turk een slechten zin geeft; Mahomet heeft +veel goeds; alle achting voor den uitvinder der serails met houri's +en der paradijzen met odalisken! Hoonen wij het Mahomedisme niet, +den eenigen godsdienst, die met een kippenhok prijkt! Ik houd het +overigens met het drinken. De wereld is een groote malligheid. Naar +'t schijnt gaan al die ezels vechten, laten zich klappen geven, +midden in den zomer, in de maand Juni, zich doodslaan, terwijl zij +met een meisje aan den arm op het veld de liefelijke geuren van het +gemaaide hooi konden gaan inademen! Waarachtig, men doet al te veel +dwaasheden. Een oude gebroken lantaarn, welke ik zoo even bij een +uitdrager zag, brengt mij op een denkbeeld: Het zou tijd zijn het +menschelijk geslacht te verlichten. Ja, nu word ik weer treurig. Dat +komt ervan, als men zich aan een oester en een revolutie verslikt. Ik +word weder akelig. O! die leelijke oude wereld! Men werkt er zich lam, +men verlaagt er zich, men prostitueert er zich, men doodt er zich, +en men maakt er zich aan gewoon!" + +Na deze vlaag van welsprekendheid kreeg Grantaire een welverdiende +vlaag van hoest. + +"Van revolutie gesproken," zei Joly, "het schijnt bepaald, dat Marius +verliefd is." + +"Weet men op wie?" vroeg Laigle. + +"Neen." + +"Niet?" + +"Neen, zeg ik." + +"Marius verliefd!" riep Grantaire. "Ik zie het van hier. Marius is +een nevel en hij zal een damp hebben ontmoet. Marius behoort tot +het dichterlijk geslacht. Wie dichter zegt, zegt dwaas. Thymbraeus +Apollo. 't Moet een raar paartje zijn, Marius met zijn Marie, of zijn +Maria, of zijn Mariëtte, of zijn Marion. Ik kan 't mij verbeelden +wat het is. Een verrukking, waarin men het kussen vergeet. Kuisch +op de aarde, maar verbonden voor de eeuwigheid. 't Zijn zielen met +zintuigen. Zij slapen samen in de sterren." + +Grantaire begon zijn tweede flesch en zou misschien een tweede +redevoering hebben begonnen, toen een nieuw wezen uit het vierkante +luik kwam oprijzen. 't Was een kleine havelooze knaap, van ongeveer +tien jaren, met spits gezicht, levendige oogen, ontzaggelijk veel +haar op het hoofd, doornat van den regen en een vergenoegd voorkomen. + +De knaap ging zonder aarzeling, hoewel hij geen van de drie kende, +op den Arend van Meaux toe en vroeg: + +"Zijt gij mijnheer Bossuet?" + +"'t Is mijn bijnaam," antwoordde Laigle. "Wat wilt ge?" + +"Een groote blonde heeft mij op den boulevard gezegd: Kent ge moeder +Hucheloup? Ik antwoordde: ja, in de straat Chanvrerie, de weduwe van +den oude. Toen zeide hij tot mij: Ga er heen. Gij zult er mijnheer +Bossuet vinden en hem van mijnentwege A B C zeggen.--'t Is een grap, +die men u speelt, niet waar? Hij heeft mij tien sous gegeven." + +"Joly, leen mij tien sous," zei Laigle, en zich tot Grantaire wendende: +"Leen mij tien sous, Grantaire." + +Dit maakte twintig sous, welke Laigle aan den knaap gaf. + +"Ik dank u, mijnheer," zei het jongetje. + +"Hoe heet ge?" vroeg Laigle. + +"Navet, de vriend van Gavroche." + +"Blijf bij ons," zei Laigle. + +"Ontbijt met ons," zei Grantaire. + +De knaap antwoordde: + +"Ik kan niet; ik behoor bij den optocht; ik moet schreeuwen: weg +met Polignac!" + +En strijkvoetend, 't geen de eerbiedigste groet is, ging hij heen. + +Toen de knaap weg was, zeide Grantaire: "Dit is een echte straatjongen +van Parijs!" + +Intusschen peinsde Laigle; hij zeide halfluid: + +"A B C beteekent: Begrafenis van Lamarque." + +"De groote blonde," merkte Grantaire op, "is Enjolras, die u laat +waarschuwen." + +"Willen wij gaan?" vroeg Bossuet. + +"Het regent," zei Joly. "Ik heb gezworen in 't vuur te gaan, maar +niet in 't water. Ik wil niet verkouden worden." + +"Ik blijf hier," zei Grantaire. "Ik houd meer van een ontbijt dan +van een lijkkoets." + +"Dus: wij blijven," hernam Laigle. "Nu, dan gedronken. Men kan +overigens aan de begrafenis ontbreken, zonder aan het oproer te +ontbreken." + +"O! bij het oproer doe ik mee," riep Joly. + +Laigle wreef zich de handen: + +"Men zal dan nu de revolutie van 1830 gaan verbeteren. Inderdaad zij +drukt en knelt het volk." + +"Uw revolutie is mij schier onverschillig," zei Grantaire. "Ik haat +dit gouvernement niet. 't Is de kroon door de slaapmuts getemperd. 't +Is een schepter, die in een parapluie uitloopt. Inderdaad, thans nu ik +er aan denk, en bij de tegenwoordige weersgesteldheid, zou Lodewijk +Filips zijn koningschap tot tweeërlei einden kunnen gebruiken; het +schepter-eind tegen het volk houden, en het parapluie-eind tegen den +hemel openen." + +De kamer was donker, en de zwaar betrokken lucht vermeerderde nog de +donkerheid. Er was niemand in de herberg noch op de straat, iedereen +was "naar de gebeurtenissen gaan kijken." + +"Is het middag of middernacht?" riep Bossuet. "Men ziet geen hand +voor de oogen. Licht, Gibelotte!" + +Grantaire was treurig en dronk. + +"Enjolras veracht mij," bromde hij. "Enjolras heeft gedacht: Joly +is ziek, Grantaire is dronken. Hij heeft Navet dus tot Bossuet +gezonden. Zoo hij mij was komen halen, zou ik hem gevolgd zijn. Nu, +des te erger voor Enjolras; ik zal niet naar zijn begrafenis gaan." + +Ten gevolge van dit besluit, verlieten Bossuet, Joly en Grantaire +de herberg niet. Tegen twee uren des namiddags was de tafel, waaraan +zij zaten, vol ledige flesschen. Er brandden twee kaarsen, een op een +geheel groenkoperen blaker, de andere in den hals van een gebarsten +karaf. Grantaire had Joly en Bossuet tot drinken verleid, daarentegen +hadden Joly en Bossuet Grantaire weder tot vroolijkheid gebracht. + +Sedert den middag was Grantaire reeds over den wijn, een kleine bron +van droomerijen. De wijn brengt bij ernstige drinkers slechts een +gevoel van achting voort. In de dronkenschap ligt de zwarte en de witte +tooverkunst. Grantaire was een wonderbaar droomdrinker. De duisternis +van een geduchte dronkenschap, die zich voor hem opende, trok hem aan, +in plaats van hem tegen te houden. Hij had van de flesschen afgezien +en was tot het slokje overgegaan. Het slokje is de afgrond. Daar +hij noch opium, noch haschich bij de hand had, en zijn hersens met +schemering wilde vullen, had hij zijn toevlucht genomen tot dat +vreeselijk mengsel van brandewijn, stout (Engelsch bier) en bitter, +'t welk zulk een vreeselijke slaapzucht veroorzaakt. Van deze drie +dampen, bier, brandewijn en bitter, is het lood der ziel gemaakt. 't +Zijn drie duisternissen, waarin de hemelsche kapel verdrinkt, en er +ontstaan dan, uit een damp, die zich in den vorm van vleermuizenvlerken +samentrekt, drie sprakelooze furiën, de nachtmerrie, de nacht en de +dood, die boven de slapende Psyché fladderen. + +Grantaire was nog niet in dien somberen toestand geraakt; verre van +daar. Hij was wonderbaarlijk vroolijk, en Bossuet en Joly bleven hem +niets schuldig. Zij klonken. Grantaire paarde aan de zonderlinge +uitdrukking van woorden en denkbeelden de wonderlijkste gebaren; +vol waardigheid liet hij zijn linkerhand op zijn knie rusten, zijn +arm vormde een rechthoek, zijn das was los, en met een vol glas in +zijn rechterhand schrijlings op een bankje zittende, sprak hij tot +Matelotte, de dikke dienstmeid, deze plechtige woorden: + +"Dat men de poorten van het paleis opene! dat iedereen lid der Fransche +academie zij en het recht hebbe madame Hucheloup te kussen! laat +ons drinken." + +En zich tot madame Hucheloup wendende, voegde hij er bij: + +"Antieke, door het gebruik gewijde vrouw, nader, opdat ik u +aanschouwe!" + +Joly riep: + +"Matelotte en Gibelotte, geeft Grantaire niet meer te drinken. Hij +verteert schrikkelijk veel geld. Sedert van morgen heeft hij reeds aan +allerlei uitspattingen twee francs vijf-en-negentig centimes verspild." + +Grantaire hernam: + +"Wie heeft zonder mijn verlof de sterren afgerukt om ze als kaarsen +op de tafel te zetten?" + +Bossuet, hoewel zeer dronken, had zijn bedaardheid behouden. + +Hij zat op den rand van het open venster, liet zijn rug nat regenen +en zag zijn beide vrienden aan. + +Eensklaps hoorde hij achter zich rumoer, haastige voetstappen en +de kreten "te wapen!" Hij wendde het hoofd om en zag in de straat +St. Denis, aan het einde der straat Chanvrerie, Enjolras met een +karabijn, Gavroche met zijn pistool, Feuilly met zijn sabel, Courfeyrac +met zijn degen, Jean Prouvaire met zijn musket, Combeferre met zijn +geweer, Bahorel met zijn snaphaan voorbijgaan, benevens de geheele +gewapende onstuimige hoop die hen volgde. + +De straat de la Chanvrerie was niet langer dan een karabijn +droeg. Bossuet bracht zijn beide handen als een spreektrompet voor +den mond en riep: + +"Courfeyrac! Courfeyrac! hohee!" + +Courfeyrac hoorde dien roep, bespeurde Bossuet, deed eenige schreden in +de straat Chanvrerie, roepende: "wat wilt ge?" dat gekruist werd met: +"waar gaat ge heen?" + +"Een barricade maken," antwoordde Courfeyrac. + +"Nu! hier is een goede plaats! maak ze hier." + +"Inderdaad, Arend," zei Courfeyrac. + +En op een teeken van Courfeyrac stormde de troep de straat Chanvrerie +in. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +DE NACHT DAALT OP GRANTAIRE. + + +De plaats was inderdaad uitmuntend voor een barricade geschikt, +aangezien de straat aan den ingang wijd, aan 't einde nauw was, en als +een blinde steeg op Corinthe toeliep. De straat Mondétour was rechts +en links gemakkelijk te versperren, en geen aanval was mogelijk dan +van de straat Saint-Denis; namelijk in het front en ongedekt. + +De dronken Bossuet had waarlijk den veldheersblik van den nuchteren +Hannibal gehad. + +Toen de troep aanstormde, kwam de geheele straat in verschrikking. Geen +voorbijganger, die zich niet uit de voeten had gemaakt. In een +oogwenk waren links en rechts winkels, uitstallingen, deuren, vensters, +zonneschermen, blinden en vensterluiken van allen aard, van beneden tot +aan de daken gesloten. Een bevreesde oude vrouw had voor haar venster +aan twee droogstokken een matras gebonden, om de geweerkogels af te +weren. Alleen de herberg was open gebleven, en wel om de goede reden, +dat de troep er was binnengedrongen. + +"Ach, mijn God, mijn God!" zuchtte madame Hucheloup. + +Bossuet was naar beneden Courfeyrac tegemoet gegaan. + +Joly, die zich aan het venster had geplaatst, riep: + +"Courfeyrac, gij hadt een parapluie moeten nemen. Ge zult verkouden +worden." + +Middelerwijl waren in weinige minuten twintig ijzeren spijlen +van de tralievensters der herberg gerukt, en tien ellen der straat +opgebroken. Gavroche en Bahorel hadden in 't voorbijgaan de kar van een +kalkbrander, Anceau geheeten, omvergeworpen. Op deze kar lagen drie +tonnen met kalk, welke zij onder hoopen straatkeien hadden begraven; +Enjolras had het kelderluik opgelicht, en al de ledige fusten van +madame Hucheloup waren naast de tonnen met kalk gelegd; Feuilly had +met zijn vingers, gewoon de fijne waaiers te schilderen, de tonnen en +de kar met zware brokken steen vastgezet, die eensklaps, men weet niet +van waar, te voorschijn waren gekomen. Schoorbalken waren van den gevel +van een naburig huis genomen en op de fusten gelegd. Toen Bossuet en +Courfeyrac zich omkeerden, was de helft der straat reeds versperd, +met een wal van meer dan manshoogte. Niets kan beter door de hand +des volks gebouwd worden dan 't geen door afbreken wordt vervaardigd. + +Matelotte en Gibelotte hadden zich bij de werklieden gevoegd. Gibelotte +ging beladen met puin en gruis heen en weer. In haar vermoeidheid hielp +zij aan de barricade. Zij bediende de barricade van steen, zooals zij +de drinkers van wijn zou hebben bediend, steeds met slaperig gezicht. + +Een omnibus met twee witte paarden reed aan 't einde der straat +voorbij. + +Bossuet sprong over de steenen, liep, hield den koetsier staande, +deed de personen uit het rijtuig gaan, gaf de hand aan de "dames," +zond den koetsier weg, en keerde met het rijtuig terug, de paarden +bij den toom leidende. + +"Omnibussen mogen niet voorbij Corinthe," zeide hij. "Non licet +omnibus adire Corynthum." + +Een oogenblik later gingen de ontspannen paarden op het toeval af +door de straat Mondétour, en de op zijde liggende omnibus voltooide +de versperring der straat. + +Madame Hucheloup was in de grootste ontsteltenis naar de eerste +verdieping gevlucht. + +Zij staarde met strakken blik rond, zonder te zien, en schreeuwde +zacht. Haar verschrikte kreten durfden haar keel niet verlaten. + +"'t Is het einde der wereld," stamelde zij. + +Joly drukte een kus op den dikken, rooden, gerimpelden hals van +madame Hucheloup, en zeide tot Grantaire: "Mijn vriend, ik heb den +hals eener vrouw altijd als iets bij uitnemendheid teers beschouwd." + +Intusschen had Grantaire een steeds hoogere gedachtenvlucht +genomen. Matelotte was naar de eerste verdieping teruggekeerd, +Grantaire hield haar middel omvat en lachte luidkeels aan het venster. + +"Matelotte is leelijk!" riep hij, "Matelotte is het leelijkste wat +men droomen kan. Matelotte is een fabelachtig gedrocht. Ik zal u het +geheim harer geboorte zeggen: Een gothische Pygmalion, die figuren +voor dakgoten van cathedralen maakte, werd op een ochtend op een +der leelijkste ervan verliefd. Hij bad de liefde haar te bezielen, +en zoo ontstond Matelotte. Kijkt, burgers, zij heeft bloedrood haar, +als de minnares van Titiaan, en ze is een goede meid. Ik verzeker +u, dat zij goed zal vechten. In ieder goed meisje zit een held. En +moeder Hucheloup, o die is een oude dappere. Ziet, welk een baard +zij heeft; zij heeft hem van haar man geërfd. Ja, zij is een huzaar +en zal ook vechten. Twee zooals zij jagen de geheele voorstad op +de vlucht. Kameraden, wij zullen het gouvernement omverwerpen, +zoo waar als er vijftien middelzuren zijn tusschen het margarische +en mierenzuur; overigens is het mij volkomen onverschillig. Mijne +heeren, mijn vader heeft mij immer gehaat, wijl ik de wiskunde niet +kon leeren. Ik begrijp niets dan de liefde en de vrijheid. Ik ben +Grantaire, de goede jongen. Wijl ik nooit geld heb gehad, heb ik er +mij niet aan gewoon gemaakt; zoodat het mij bijgevolg nooit ontbroken +heeft. Zoo ik rijk ware geweest, zouden er geen armen meer zijn! Men +zou 't gezien hebben! O, zoo goede harten volle beurzen hadden, +hoe goed zou alles gaan. Verbeeld u Jezus Christus zoo rijk als +Rothschild! Hoeveel goed zou hij doen! Kus mij, Matelotte! Ge zijt +liefderijk en bedeesd; ge hebt koontjes die den zusterkus wachten en +lippen die den liefdekus willen." + +"Zwijg, vat!" riep Courfeyrac. + +Grantaire antwoordde: + +"Ik ben meester in de minnekunst." + +Enjolras, die op de barricade stond met het geweer in de hand, richtte +zijn schoon, ernstig gezicht op. Enjolras had, zooals men weet, +iets van den Spartaan en den Puritein. Hij zou met Leonidas in de +Thermopylen gesneuveld zijn, en met Cromwell Drogheda verbrand hebben. + +"Grantaire!" riep hij, "ga uw roes ergens elders uitslapen. 't Is +hier de plaats der geestvervoering, niet der dronkenschap. Onteer de +barricade niet." + +Dit toornig woord maakte op Grantaire een zonderlingen indruk. + +'t Was alsof hem een glas koud water in 't gezicht was geworpen. Hij +scheen plotseling nuchter te zijn geworden. Hij zette zich met de +ellebogen op een tafeltje, bij het venster, aanschouwde Enjolras met +onuitsprekelijke zachtheid en zeide: + +"Laat mij hier slapen." + +"Slaap elders!" riep Enjolras. + +Maar Grantaire steeds zijn doffe, teedere oogen op hem gericht +houdende, antwoordde: + +"Laat mij hier slapen--tot ik sterve." + +Enjolras beschouwde hem met verachtenden blik: + +"Grantaire, ge zijt onbekwaam te gelooven, te denken, te willen, +te leven en te sterven." + +Grantaire antwoordde met ernstige stem: + +"Ge zult zien." + +Hij stamelde nog eenige onverstaanbare woorden, toen zonk zijn hoofd +zwaar op de tafel, en, zooals gewoonlijk het gevolg is in het tweede +tijdperk der dronkenschap, waarin Enjolras hem ruw en plotseling +gestort had, sliep hij een oogenblik later in. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +POGINGEN VAN TROOST OP DE WEDUWE HUCHELOUP. + + +Bahorel, wegens de barricade in verrukking, riep: + +"Nu ligt de straat bloot, dat staat haar goed!" + +Terwijl Courfeyrac bezig was met een weinig de herberg af te breken, +poogde hij de weduwe herbergierster te troosten. + +"Beklaagdet ge u niet onlangs, moeder Hucheloup, toen men procesverbaal +tegen u opmaakte, wijl Gibelotte uit het venster een bedkleedje +had uitgeschud?" + +"Ja, mijn goede mijnheer Courfeyrac. Ach, goede God, wilt ge mij +ook deze tafel op dat leelijke ding zetten? Niet alleen wegens het +bedkleedje, maar ook wegens een bloempot, die uit het dakvenster op de +straat viel, heeft het gouvernement mij met honderd francs beboet. Is +'t geen schandelijkheid?" + +"Nu, moeder Hucheloup, wij zullen u wreken." + +Moeder Hucheloup scheen niet goed te begrijpen, wat zij bij deze wijze +van schadevergoeding winnen zou. Zij was tevreden, op de wijze dier +Arabische vrouw, welke van haar man een klap hebbende ontvangen, +zich bij haar vader beklaagde, wraak eischte en zeide: "Vader, ge +zijt mijn man een beleediging voor zijn beleediging schuldig." De +vader vroeg: "Op welke wang hebt ge den klap ontvangen?"--"Op de +linkerwang." De vader gaf haar een slag op de rechterwang zeggende: +"Nu zijt ge voldaan. Ga uw man zeggen, dat hij mijn dochter een klap +heeft gegeven, maar dat ik zijn vrouw terug heb geslagen." + +De regen had opgehouden. Er was versterking aangekomen. Werklieden +hadden onder hun kielen een tonnetje buskruit, een mand met +flesschen vitriool, twee of drie flambouwen en een menigte lampions, +de overblijfsels van het feest des Konings, gebracht, welk feest +onlangs, namelijk den 1sten Mei, gevierd was. Men zeide, dat deze +amunitie vanwege een kruidenier uit de voorstad St. Antoine, genaamd +Pepin, kwam. Men verbrak de eenige lantaarn in de straat Chanvrerie, +de daarop volgende lantaarn in de straat St. Dénis en al de lantaarns +in de omliggende straten: Mondétour, du Cygne, des Prêcheurs, en der +groote en kleine Truanderie. + +Enjolras, Combeferre en Courfeyrac bestuurden alles. Nu werden twee +barricaden tegelijkertijd opgeworpen, die beide tegen het huis +Corinthe steunden en een rechthoek vormden; de grootste sloot de +straat Chanvrerie, de andere de straat Mondétour aan de zijde van de +Zwanestraat. Deze laatste, zeer smalle barricade was slechts uit tonnen +en straatsteenen samengesteld. Er waren omstreeks vijftig werklieden; +waarbij een dertigtal met geweren gewapend; want onderweg hadden zij +al wat een zwaardvegerswinkel bevatte, geleend. + +Men kan zich niets grilliger en bonter voorstellen dan dezen troep. De +een droeg een buis, een sabel en twee ruiterpistolen; een ander +was in hemdsmouwen en had een ronden hoed op en een kruithoorn op +zijde; een derde was met negen vel grauw papier geharnast en met een +zadelmakersels gewapend. Een schreeuwde: "Verdelgen wij allen en sneven +wij op de punt onzer bajonnetten!" deze had geen bajonnet. Een ander +droeg over zijn jas den koppel en de patroontasch van een nationale +garde, op het foudraal van welke patroontasch in roode wol dit +opschrift stond: "Openbare orde." Er waren veel geweren met de nummers +der legioenen, weinig hoeden, geen dassen, veel naakte armen, eenige +pieken, lieden van allerlei ouderdom, allerlei gezichten; bleeke, +kleine jongelingen, bronskleurige kaaiwerkers. Allen haastten zich; +en terwijl men elkander hielp, sprak men van de mogelijke kansen; +dat men tegen drie uren 's morgens hulp zou hebben, dat men van een +regiment zeker was; dat geheel Parijs in opstand zou komen. Vreeselijke +gesprekken, waaronder zich een soort van hartelijke vroolijkheid +mengde. Men zou gezegd hebben, dat het broeders waren; maar zij kenden +zelfs elkanders namen niet. De groote gevaren hebben dit schoone, +dat zij de broederschap van onbekenden in het licht stellen. + +In de keuken was een vuur ontstoken, en men goot in een vorm kogels +van tinnen potten, lepels, vorken en van al het tinwerk, dat in de +herberg voorhanden was. Onder dit alles dronk men. De knalhoedjes en +kogels lagen op de tafels tusschen de wijnglazen. In de biljartkamer +waren vrouw Hucheloup, Matelotte en Gibelotte, ieder op verschillende +wijze door den schrik bevangen, de eene versuft, de andere hijgend, +de derde levendig, bezig oud linnen te scheuren en pluksel te maken, +hierbij geholpen door drie opstandelingen, harige, gebaarde snaken, +die met naaistershanden het linnen plozen en de vrouwen deden beven. + +De man met de rijzige gestalte, dien Courfeyrac, Combeferre en +Enjolras hadden opgemerkt, juist toen hij zich aan den hoek der +Billettes bij den hoop voegde, werkte aan de kleine barricade en +maakte er zich nuttig. Gavroche werkte aan de groote. De knaap, die +Courfeyrac in diens woning gewacht en naar mijnheer Marius gevraagd +had, was omstreeks het oogenblik verdwenen, toen men den omnibus +omver had geworpen. + +Gavroche, die geheel opgewekt en verheugd was, liep heen en weder, +naar boven, naar beneden, juichte en zong. Hij scheen er te zijn +om allen aan te moedigen. Had hij een prikkel? ja, gewis, zijn +blijdschap. Men zag, men hoorde Gavroche immer. Hij vervulde de lucht +en was overal tegelijk. Stilstand was voor hem onmogelijk. De groote +barricade voelde hem op haar rug. Hij plaagde de gapers, spoorde de +luiaards aan, wekte de vermoeiden op, maakte de denkers levendig, +vervroolijkte dezen, bracht genen tot adem, anderen in toorn, allen +in beweging; hier spotte hij met een student, daar tergde hij een +werkman; vloog, stond stil, ijlde door het gewoel en den arbeid, +sprong van het een op het ander, floot, gonsde en plaagde allen; +hij was de vlieg van de revolutionnaire koets. + +De eeuwigdurende beweging was in zijn kleine armen en het eeuwigdurend +geschreeuw in zijn kleine longen. + +"Moedig! nog meer keien! nog meer tonnen! nog meer voorwerpen! +waar zijn ze? Hier met een mand gruis om deze opening te dichten. Ze +is klein, uw barricade. Ze moet hooger zijn. Legt en werpt er alles op, +steekt er alles in. Breekt het huis af. Ha! zie hier een glazen deur!" + +Dit deed de werklieden uitroepen: + +"Een glazen deur! wat zullen wij met een glazen deur uitvoeren, knaap?" + +"Een glazen deur is uitmuntend voor een barricade. Het belet wel niet +dat men ze aanvalt, maar hindert om ze te nemen. Zijt ge dan nooit +over een muur, waarop glasscherven lagen, geklauterd, om appels te +kapen. Een glazen deur snijdt de likdoorns der nationale garde af, +wanneer zij de barricade wil beklimmen. Verduiveld! het glas is +verraderlijk. Uw verbeelding, kameraads! is niet zeer sterk; ge +begrijpt niets." + +Overigens was hij verwoed op zijn pistool zonder haan. Hij ging van den +een tot den ander en eischte een geweer: "Ik wil een geweer!" riep hij, +"waarom geeft men mij geen geweer?" + +"Gij een geweer!" zei Combeferre. + +"Waarom niet?" hernam Gavroche; "ik had er een in 1830, toen men met +Karel X plukhaarde!" + +Enjolras haalde de schouders op en zeide: + +"Wanneer de mannen er allen hebben, zal men ze aan de kinderen geven." + +Gavroche wendde zich fier om en antwoordde: + +"Zoo ge vóór mij sneuvelt, neem ik het uwe." + +"Straatjongen!" zei Enjolras. + +"Melkmuil!" zei Gavroche. + +Een pronker, die, naar hier verdwaald, aan het einde der straat +slenterde, gaf een afleiding. + +Gavroche riep hem toe: + +"Voeg u bij ons, jongmensch. Nu! wilt ge dan niets voor het oude +vaderland doen?" + +De pronker maakte zich schielijk uit de voeten. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +DE TOEBEREIDSELEN. + + +De dagbladen van dien tijd, welke zeiden, dat de barricade der +straat Chanvrerie, "dit schier oninneembare gewrocht," zooals zij +'t noemden, tot aan de eerste verdieping van een huis reikte, hebben +zich vergist. Zij was werkelijk niet hooger dan zes of zeven voet. Zij +was zoodanig opgeworpen, dat de strijders of er achter verdwijnen, of +de versperring beheerschen konden, en zelfs er den top van bestijgen, +langs vier rijen straatsteenen, die van binnen als een trap opeen +waren gestapeld. Van buiten had het front der barricade, welke, uit +stapels straatsteenen en tonnen samengesteld, door balken en planken +verbonden was, die in de wielen der kar van Anceau en den omvergeworpen +omnibus waren gestoken, een steil, ontoegankelijk voorkomen. + +Een opening, genoegzaam om één persoon door te laten, was tusschen +den muur der huizen en het einde der barricade gelaten, waardoor +men er kon in- en uitgaan. De boom van den omnibus was met touwen +overeind gebonden, en een roode vlag, daaraan vastgehecht, wapperde +boven de barricade. + +De kleine barricade Mondétour, die achter de herberg was verborgen, +viel niet in 't gezicht. Deze beide vereenigde barricaden vormden +een wezenlijke redoute. Enjolras en Courfeyrac hadden het onnoodig +geoordeeld het ander gedeelte der straat Mondétour te barricadeeren, +dat in de straat des Prêcheurs op de Halles uitloopt, vermoedelijk om +zoo mogelijk een gemeenschap met buiten te behouden, en weinig beducht +van in de gevaarlijke en moeielijke steeg des Prêcheurs aangevallen +te worden. + +Uitgezonderd dezen opengebleven uitgang, benevens de enge snijding +in de straat Chanvrerie, vertoonde het inwendige der barricade, +waarin de herberg uitliep, een aan alle zijden gesloten onregelmatig +vierkant. Tusschen de groote versperring en de hooge huizen, die den +achtergrond der straat vormden, was een ruimte van omstreeks twintig +schreden, zoodat de barricade gezegd kon worden tegen deze huizen te +leunen, die alle bewoond, doch van onder tot boven gesloten waren. + +Dit geheele werk werd zonder eenige belemmering in minder dan een uur +voltooid, en zonder dat deze handvol stoutmoedige mannen een berenmuts +of bajonnet zagen te voorschijn komen. De weinige burgers, welke zich +op dit tijdstip van het oproer nog in de straat St. Denis waagden, +sloegen een blik in de straat Chanvrerie, bespeurden de barricade en +versnelden hun schreden. + +Toen de twee barricaden voltooid waren en de vlag er van woei, droeg +men een tafel uit de herberg, en Courfeyrac klom op die tafel. Enjolras +bracht het vierkante koffertje en Courfeyrac opende het. Dat koffertje +was vol patronen. Toen men de patronen zag, doorliep een rilling +zelfs de moedigsten, en er ontstond een oogenblik stilte. + +Glimlachend deelde Courfeyrac ze uit. + +Ieder ontving dertig patronen. Velen hadden buskruit en maakten er nog +meer patronen van, met de kogels, die men goot. Het vaatje buskruit +stond ter zijde op een andere tafel bij de deur, en men hield dit +in voorraad. + +De alarmtrom, die door geheel Parijs werd geslagen, hield niet op, +doch eindelijk werd dit voor hen een eentonig geluid, waarop zij geen +acht meer sloegen. Nu eens verwijderde het zich, dan kwam het weer +nader, met sombere afwisseling van toon. + +Men laadde de karabijnen en geweren zonder overijling en met ernstige +plechtigheid. Enjolras plaatste drie schildwachten buiten de barricade, +een in de straat Chanvrerie, de tweede in de Predikerstraat, de derde +aan den hoek der kleine Truanderie. + +Toen nu de barricades gereed, de posten aangewezen, de geweren +geladen, de schildwachten uitgezet waren, wachtten zij gewapend, +stoutmoedig, gerust, alleen in deze vreeselijke straten, waar niemand +meer kwam, omgeven door deze doodsche, als uitgestorven huizen, +waarin geen menschelijk leven vernomen werd, gehuld in de toenemende +avondschaduwen, te midden van deze duisternis en stilte, waarin men +iets onheilspellends en schrikbarends voelde naderen. + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +IN AFWACHTING. + + +Wat deden zij in deze uren van afwachting? + +Wij moeten het zeggen, wijl het tot de geschiedenis behoort. + +Terwijl de mannen patronen en de vrouwen pluksel maakten, terwijl +een groote ketel vol gesmolten tin en lood, bestemd om er kogels van +te gieten, op een gloeiend komfoor rookte, terwijl de schildwachten +met het geweer in den arm op de barricade stonden, terwijl Enjolras, +dien niets kon afleiden, het oog op de schildwachten hield, gingen +Combeferre, Courfeyrac, Jean Prouvaire, Feuilly, Bossuet, Joly, +Bahorel en eenige anderen tot elkander en vereenigden zich, als in de +zorgelooste dagen van hun studententijd, en in den hoek van deze in +een kazemat veranderde herberg, op een paar schreden van de redoute, +welke zij hadden opgericht, terwijl hun geladen geweren tegen den +rug van hun stoel stonden, begonnen deze zoo schoone jongelingen, +zoo nabij hun laatsten oogenblik misschien, liefdesgedichten te +reciteeren, als deze: + + + Vous rappelez-vous notre douce vie + Lorsque nous étions si jeunes tous deux, + Et que nous n'avions au coeur d'autre envie + Que d'être bien mis et d'être amoureux! + + Lorsqu'en ajoutant votre âge à mon âge, + Nous ne comptions pas à deux quarante ans, + Et que, dans notre humble et petit ménage, + Tout, même l'hiver, nous était printemps! + + Beaux jours! Manuel était fier et sage, + Paris s'asseyait à de saints banquets, + Foy lançait la foudre, et votre corsage + Avait une épingle où je me piquais. + + Tout vous contemplait. Avocat sans causes. + Quand je vous menais au Prado dîner, + Vous étiez jolie au point que les roses + Me faisaient l'effet de se retourner. + + Je les entendais dire: est-elle belle! + Comme elle sent bon! quels cheveux à flots + Sous son mantelet elle cache une aile; + Son bonnet charmant est à peine éclos. + + J'errais avec toi, pressant ton bras souple. + Les passants croyaient que l'amour charmé + Avait marié, dans notre heureux couple. + Le doux mois d'avril au beau mois de mai. + + Nous vivions cachés, contents, porte close, + Dévorant l'amour, bon fruit défendu; + Ma bouche n'avait pas dit une chose + Que déjà ton coeur avait répondu. + + La Sorbonne était l'endroit bucolique + Où je t'adorais du soir au matin. + C'est ainsi qu'une âme amoureuse applique + La carte du Tendre au pays Latin. + + O place Maubert! O place Dauphine! + Quand, dans le taudis frais et printanier, + Tu tirais ton bas sur ta jambe fine, + Je voyais un astre au fond du grenier. + + J'ai fort lu Platon, mais rien ne m'en reste + Mieux que Malebranche et que Lamennais + Tu me démontrais la bonté céleste + Avec une fleur que tu me donnais. + + Je t'obéissais, tu m'étais soumise. + O grenier doré! te lacer! te voir + Aller et venir dès l'aube en chemise, + Mirant ton front jeune à ton vieux miroir! + + Et qui donc pourrait perdre la mémoire + De ces temps d'aurore et de firmament, + De rubans, de fleurs, de gaze et de moire, + Où l'amour bégaie un argot charmant! + + Nos jardins étaient un pot de tulipe; + Tu masquais la vitre avec un jupon; + Je prenais le bol de terre de pipe, + Et je te donnais la tasse en japon. + + Et ces grands malheurs qui nous faisaient rire + Ton manchon brûlé, ton boa perdu! + Et ce cher portrait du divin Shakespeare + Qu'un soir pour souper nous avons vendu. + + J'étais mendiant, et toi charitable. + Je baisais au vol tes bras frais et ronds. + Dante in-folio nous servait de table + Pour manger gaîment un cent de marrons. + + La première fois qu'en mon joyeux bouge, + Je pris un baiser à ta lèvre en feu, + Quand tu t'en alias décoiffée et rouge, + Je restai tout pâle et je crus en Dieu! + + Te rappelles-tu nos bonheurs sans nombre, + Et tous ces fichus changés en chiffons! + Oh! que de soupirs, de nos coeurs pleins d'ombre, + Se sont envolés dans les cieux profonds! [10] + + +Het uur, de plaats, deze herinneringen der jeugd, eenige sterren +die aan den hemel begonnen te fonkelen, de doodsche stilte op de +eenzame straten, de nabijheid van het onvermijdelijke avontuur, dat +zich voorbereidde, dit alles gaf een opwekkende bekoorlijkheid aan +deze halfluid in de avondschemering gefluisterde verzen door Jean +Prouvaire, die, zooals gezegd is, een teeder dichter was. + +Men had intusschen in de kleine barricade een lampion ontstoken, +en in de groote een dier dikke wasflambouwen, zooals men ze op +vastenavond voor de rijtuigen ontmoet, welke met gemaskerden beladen +naar de Courtille gaan. Men weet, dat deze flambouwen uit de voorstad +St. Antoine kwamen. + +Deze toorts stond in een soort van kooi, van straatsteenen gemaakt, +die aan drie zijden gesloten was, om ze tegen den wind te beschutten, +en ze was zoodanig geplaatst, dat al haar licht op de vlag viel, +terwijl de straat en de barricade in de duisternis bleven, zoodat men +niets zag dan de roode vlag, die als door een groote dievenlantaarn +verlicht scheen. + +Dat licht gaf aan de roode vlag een onbeschrijfelijk vreeselijken +purpergloed. + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +DE MAN, DIEN MEN IN DE BILLETTES-STRAAT HAD ONTMOET. + + +De nacht was nu gedaald, maar niets kwam. Men hoorde slechts verwarde +geluiden, en nu en dan eenig geweergeknetter, dat echter niet aanhield +en op verren afstand was. + +Dit lang toeven was een bewijs dat het gouvernement den tijd gebruikte +om zijn krachten te verzamelen. Deze vijftig mannen wachtten er +zestig-duizend af. + +Enjolras was door dat ongeduld bevangen, 't welk sterke zielen +aangrijpt voor den aanvang van gewichtige gebeurtenissen. Hij +begaf zich tot Gavroche, die bezig was in het benedenvertrek +patronen te maken, bij het flauwe licht van twee kaarsen, die hij +voorzichtigheidshalve op de toonbank had gezet, dewijl het buskruit +op de tafels lag. De twee kaarsen wierpen niet den minsten schijn +naar buiten. Bovendien hadden de opstandelingen gezorgd geen licht +op de bovenverdiepingen te ontsteken. + +Gavroche had op dit oogenblik zijn gedachten op iets anders dan wel +op zijn patronen gevestigd. + +De man van de straat des Billettes was binnengekomen en had zich aan +het minst verlichte tafeltje geplaatst. Er was hem een munitie-geweer +van groot model uitgereikt, dat hij tusschen de knieën hield. Gavroche, +die tot hiertoe aan honderd "aangename" dingen had gedacht, had den +man niet eens gadegeslagen. + +Toen hij binnenkwam, volgde Gavroche hem werktuiglijk met de oogen +en bewonderde zijn geweer; toen hij was gaan zitten, sprong de +straatjongen eensklaps overeind. Zij, die tot dat oogenblik den +man hadden bespied, zouden ontdekt hebben, dat hij met bijzondere +opmerkzaamheid alles in de barricade en in den troep muitelingen had +opgenomen; sedert hij echter 't vertrek was binnengetreden, had hij +zich aan een soort van stille overpeinzing overgegeven en scheen +niets te zien van 't geen gebeurde. De straatjongen naderde dien +mijmerenden persoon en draaide op de teenen om hem heen, evenals men +om iemand gaat, dien men vreest te wekken. Tegelijkertijd vertoonden +zich op zijn kinderlijk gelaat, dat zoo onbeschaamd en zoo ernstig +tevens, zoo lichtzinnig en zoo diep, zoo vroolijk en zoo treurig +was, achtereenvolgens al de trekken, die uitdrukken: "Haha!--niet +mogelijk!--ik ben blind!--ik droom!--zou hij het zijn?--neen, hij +is 't niet!--maar toch!--maar neen!" enz. enz. Gavroche wipte op +zijn teenen, balde zijn handen in zijn zakken, bewoog den hals als +een vogel, en stak de onderlip vooruit. Hij was verbaasd, onzeker, +twijfelend, overtuigd, begoocheld. Hij had het voorkomen van den chef +der gesnedenen op de slavenmarkt, die onder een tal logge vrouwen een +Venus ontdekt, of van een kunstkenner, die onder een hoop kladwerk een +Raphaël vindt. Alles was in hem werkzaam, het instinct, dat opspoort, +en het verstand, dat verbindt. Het was duidelijk, dat Gavroche iets +op zijn hart had. + +'t Was te midden dezer bezigheid, dat Enjolras hem naderde. + +"Gij zijt klein," zei Enjolras. "Men zal u niet zien. Ga uit de +barricade, sluip langs de huizen: neem de straten een weinig op en +kom mij zeggen wat er geschiedt." + +Gavroche hief zich op de teenen. + +"Ha! de kleinen zijn dan toch tot iets goed! 't Is zeer gelukkig. Ik +ga! Vertrouw intusschen de kleinen en wantrouw de grooten...." + +Hij richtte het hoofd op en voegde er op gesmoorden toon bij, terwijl +hij op den man der Billettes-straat wees: + +"Ziet ge dien groote?" + +"Nu?" + +"'t Is een stille verklikker." + +"Zijt ge er zeker van?" + +"Nog geen veertien dagen geleden, trok hij mij bij het oor van de +kornis der Koningsbrug, waar ik een luchtje schepte." + +Enjolras verwijderde zich haastig van den straatjongen en fluisterde +zeer zacht een dichtbij staanden werkman van de Wijnhaven eenige +woorden toe. De werkman verliet het vertrek, en kwam zeer spoedig +weder binnen, vergezeld van drie anderen. De vier mannen, sjouwers met +breede schouders, plaatsten zich, zonder iets te doen dat de aandacht +van den man der Billettes-straat kon trekken, achter de tafel waaraan +hij zat. Zij waren blijkbaar gereed zich op hem te werpen. + +Toen naderde Enjolras den man en vroeg hem: + +"Wie zijt gij?" + +Bij deze plotselinge vraag, richtte de man zich verschrikt op. Hij +boorde zijn blik tot in het diepst van Enjolras' eerlijk oog en +scheen er zijn gedachte in uit te vorschen. Met een glimlach, die de +verachtelijkste, krachtigste en stoutmoedigste uitdrukking der wereld +had, antwoordde hij met trotschen ernst: + +"Ik zie wat het is... Nu, ja!" + +"Gij zijt een spion?" + +"Ik ben agent van het gezag." + +"Hoe heet gij?" + +"Javert." + +Enjolras gaf dezen vier mannen een teeken. In een oogwenk, vóór dat +Javert den tijd had zich om te keeren, werd hij bij den kraag gevat, +op den grond geworpen, gekneveld en onderzocht. + +Men vond bij hem een klein rond kaartje, tusschen twee glazen gevat, +waarop aan de eene zijde het wapen van Frankrijk met dit opschrift: +"Toezicht en waakzaamheid" (surveillance et vigilance) en aan de +andere zijde deze woorden: "Javert, inspecteur van politie, oud +twee-en-vijftig jaar;" met de handteekening van den toenmaligen +prefect van politie Gisquet. + +Bovendien had hij zijn horloge en zijn beurs, welke eenige goudstukken +bevatte. Men liet hem horloge en beurs. In het horlogezakje voelde +men en nam er een briefje in een omslag uit, dat Enjolras opende +en waarop hij deze regels las, die eigenhandig door den prefect van +politie geschreven waren: + +"De inspecteur van politie Javert zal, zoodra hij zijn staatkundigen +last vervuld heeft, zich door een bijzonder toezicht overtuigen of +het waar is, dat kwaadwilligen op den rechteroever der Seine bij de +Jenabrug iets uitvoeren." + +Na het onderzoek liet men Javert weder opstaan, bond hem met de +armen op den rug in het midden van het benedenvertrek aan een kolom, +die vroeger haar naam aan de herberg had gegeven. + +Gavroche, die het gansche tooneel bijgewoond en met stillen hoofdknik +alles goedgekeurd had, naderde Javert en zeide hem: + +"Zoo heeft de muis de kat gegrepen." + +Dit alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat het gedaan was eer +men er buiten de herberg iets van gemerkt had. Javert had geen kreet +gelaten. Toen men Javert aan de kolom zag gebonden, kwamen Courfeyrac, +Bossuet, Joly, Combeferre en de mannen, die zich tusschen de barricaden +bevonden, toeloopen. + +Javert, die zoodanig met touwen aan den paal was gebonden, dat hij +zich niet verroeren kon, richtte het hoofd op, met de deemoedige +gerustheid van iemand, die nooit gelogen heeft. + +"'t Is een spion," zei Enjolras. + +En zich tot Javert wendende: + +"Gij zult doodgeschoten worden, twee minuten voor de barricade +ingenomen wordt." + +Javert antwoordde op zijn meest barschen toon: + +"Waarom niet dadelijk?" + +"Wij moeten zuinig zijn met het kruit." + +"Maak er dan met een mes een einde aan." + +"Spion," zei de schoone Enjolras, "wij zijn rechters en geen +moordenaars." + +Toen riep hij Gavroche... + +"Gij, ga aan uw werk! Doe wat ik u gezegd heb." + +"Ik ga," riep Gavroche. + +En op het punt van heen te gaan, zeide hij: + +"Apropos, geef mij zijn geweer! Ik laat u den muzikant, maar geef +mij de klarinet." + +De straatjongen sloeg als militair aan en ijlde vroolijk door de +snijding der groote barricade. + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +VERSCHEIDENE VRAAGTEEKENS BETREFFENDE EEN ZEKEREN LE CABUC, DIE +MISSCHIEN NIET LE CABUC HEETTE. + + +De treurige schildering, welke wij ondernomen hebben, zou niet +volledig zijn en den lezer niet in de juiste en ware omtrekken deze +grootsche oogenblikken van maatschappelijk zieltogen en revolutionnaire +worsteling vertoonen, waar stuiptrekking aan kracht is gepaard, zoo wij +in deze schets een voorval oversloegen, vol epische afgrijselijkheid +en woestheid, dat schier onmiddellijk na Gavroches vertrek plaats had. + +Zooals men weet vormen de samenscholingen een soort van sneeuwbal, +die in haar voortrollen hoopen onrustige mannen medesleept. Deze +vragen elkander niet van waar zij komen. Onder de voorbijgangers, +die zich gevoegd hadden bij den troep welken Enjolras, Combeferre +en Courfeyrac aanvoerden, was iemand in 't buis van een sjouwer, +dat aan de ellebogen versleten was, die allerlei gebaren maakte, +vloekte en het voorkomen van een woesten dronkaard had. Deze man, +Le Cabuc genoemd, of bijgenaamd, overigens geheel onbekend aan hen +die beweerden hem te kennen, zeer dronken of veinzende het te zijn, +had zich met anderen aan een tafel geplaatst, welke zij buiten de +herberg hadden gehaald. Terwijl deze Cabuc de bij hem zittenden tot +drinken aanspoorde, scheen hij nauwkeurig het groote huis achter de +barricade te beschouwen, welks vijf verdiepingen de geheele straat +tegenover de straat Saint Denis bestreken. Eensklaps riep hij: + +"Luistert, kameraads, uit dat huis moeten wij schieten! Zoo wij aan +deze vensters zijn, zal geen duivel zich in de straat wagen!" + +"Ja, maar het huis is gesloten," zei een der drinkers. + +"Laat ons aankloppen." + +"Men zal niet openen." + +"Breken wij de deur open." + +Le Cabuc liep naar de deur, die van een zwaren klopper was voorzien +en klopte. De deur ging niet open. Hij klopt nogmaals. Niemand +antwoordt. Een derde klop. Dezelfde stilte. + +"Is hier iemand?" roept Le Cabuc. + +Niets verroerde zich. + +Toen greep hij een geweer en begon met den kolf tegen de deur te +stooten. 't Was een oude, lage, nauwe, sterke, eikenhouten gangdeur, +die van binnen met ijzer was beslagen, een ware vestingpoort. De +kolfslagen deden het huis dreunen, maar schokten de deur niet. + +'t Scheen echter dat de bewoners ongerust werden, want eindelijk +zag men een klein vierkant venster op de derde verdieping verlicht +en opengaan, en aan dat venster een brandende kaars en het ontsteld +gezicht van een man met grijs haar verschijnen, zijnde de portier. + +De man, die tegen de deur klopte, hield op. + +"Mijnheeren," vroeg de portier, "wat begeert gij?" + +"Open," zei Le Cabuc. + +"Dat kan niet, mijnheeren." + +"Open, open!" + +"Onmogelijk, mijnheeren!" + +Le Cabuc nam zijn geweer en legde op den portier aan, maar wijl hij +beneden en 't zeer donker was, zag de portier hem niet. + +"Wilt ge openen, ja of neen?" + +"Neen, mijnheeren!" + +"Ge zegt neen?" + +"Ik zeg neen, goede...." + +De portier kon niets meer zeggen. Het geweer was afgeschoten; de kogel +was onder de kin ingegaan en in den nek uitgekomen, na den halsader +doorsneden te hebben. Zonder een kreet te slaken zonk de grijsaard +ineen. De kaars viel en ging uit, en toen zag men niets meer dan een +bewegingloos hoofd op den rand van het venster en een weinig lichten +rook, die naar het dak opsteeg. + +"Zoo!" zei Le Cabuc, den kolf van zijn geweer weder op de straatsteenen +latende vallen. + +Hij had dit nauwelijks gezegd, toen hij een hand voelde, die zwaar +als de klauw eens arends op zijn schouder viel, en een stem hoorde, +die zeide: + +"Kniel." + +De moordenaar wendde zich om en zag het bleeke, koele gelaat van +Enjolras. Deze hield een pistool in de hand. + +Op het geweerschot was hij toegeschoten. + +Hij had met de linkerhand den kraag, den kiel, het hemd en den +draagband van Le Cabuc gegrepen. + +"Kniel!" herhaalde hij. + +En met een onweerstaanbare beweging boog de zwakke twintigjarige +jongeling als een riet den forschen vierkanten werkman, en deed hem +in het slijk knielen. Le Cabuc poogde zich te verzetten, maar 't was, +als ware hij door een bovenmenschelijke hand aangegrepen. + +Bleek, met blooten hals, verward haar, had Enjolras op dit oogenblik, +met zijn vrouwelijk gelaat, iets van de Themis der Ouden. Zijn +opgezette neusvleugels, zijn nedergeslagen oogen gaven aan zijn +streng grieksch gelaat die vertoornde en verheven uitdrukking, welke, +volgens de zienswijze der oude wereld, aan de gerechtigheid betaamt. + +De geheele barricade was toegesneld, en allen hadden zich op een +afstand in een kring geschaard, beseffende dat 't onmogelijk was, +een woord te zeggen bij 't geen zij zien zouden. + +Le Cabuc, verwonnen en geen poging tot verzet meer beproevende, beefde +over al zijn leden. Enjolras liet hem los en zag op zijn horloge. + +"Keer in tot u zelven," zeide hij. "Bid of denk. Gij hebt nog een +minuut." + +"Genade!" stamelde de moordenaar, toen boog hij het hoofd en mompelde +eenige onverstaanbare vloeken. + +Enjolras wendde den blik niet van zijn horloge; hij liet de minuut +voorbijgaan, en stak toen het horloge weder in zijn zak. Daarop nam +hij Le Cabuc, die jammerend op de knieën gezonken was, bij de haren +en drukte hem den loop van zijn pistool tegen het oor. Velen dezer +onverschrokken mannen, die zoo gerust tot de vreeselijkste onderneming +waren toegetreden, wendden het hoofd om. + +Men hoorde het schot; de moordenaar viel met het hoofd voorover op +de straat. Enjolras richtte het hoofd op, en van de gerechtigheid +zijner daad overtuigd, sloeg hij een strengen blik om zich. + +Toen stiet hij het lijk met den voet en zeide: + +"Werpt dat buiten." + +Drie mannen hieven het lichaam van den ellendeling op, dat nog de +laatste stuiptrekkingen van het scheidend leven vertoonde, en wierpen +het over de kleine barricade in de straat Mondétour. + +Enjolras stond in gedachten verdiept. Wie weet welk een grootsche +duisternis zich langzaam over zijn vreeselijke rust spreidde. Eensklaps +verhief hij de stem. Allen zwegen. + +"Burgers," zei Enjolras, "wat die man heeft gedaan, is vreeselijk; en +wat ik heb gedaan, is afschuwelijk. Hij heeft gemoord, en daarom heb +ik hem gedood. Ik moest het doen, want de opstand moet zijn krijgstucht +hebben. Hier is moord een nog grooter misdaad dan elders; de revolutie +richt haar blik op ons, wij zijn de priesters der republiek, wij zijn +de offers van den plicht en onze strijd mag door geen misdaad bezoedeld +worden. Ik heb dus dezen man gevonnist en ter dood veroordeeld. Wat mij +aangaat, ik was genoodzaakt te doen wat ik gedaan heb, hoezeer ik het +verafschuwde; ik heb mijzelven dus ook gericht en gij zult aanstonds +zien waartoe ik mij heb veroordeeld." Allen, die hem hoorden, beefden. + +"Wij zullen uw lot deelen," riep Combeferre. + +"Goed," hernam Enjolras. "Nog één woord. Door dezen man te dooden, +gehoorzaamde ik aan de noodzakelijkheid; maar de noodzakelijkheid is +een monster der oude wereld; de noodzakelijkheid heet Noodlot. De wet +van den vooruitgang nu, is dat de monsters voor de Engelen verdwijnen, +en het Noodlot voor de Broederschap wijke. 't Is een slecht oogenblik +om het woord liefde uit te spreken. Om 't even, ik noem en verheerlijk +het. Liefde, ge zijt de toekomst. Dood, ik bedien mij van u, maar +haat u. Burgers, in de toekomst zullen noch donderslagen, noch wreede +onwetendheid, noch bloedige wedervergelding zijn. Wanneer er geen Satan +meer is, zal er geen Michaël meer zijn. In de toekomst zal niemand een +ander meer dooden, de aarde zal gelukkig zijn, het menschelijk geslacht +zal beminnen. De dag zal komen, burgers, dat alles eensgezindheid, +harmonie, vreugd en leven zal zijn, hij zal komen, en om hem te doen +komen, willen wij sterven." + +Enjolras zweeg, zijn teedere lippen sloten zich; eenigen tijd bleef +hij bewegingloos als marmer op de plek staan, waar hij bloed had +vergoten. Zijn strak oog maakte, dat men slechts fluisterend om +hem sprak. + +Zwijgend drukten Jean Prouvaire en Combeferre elkander de hand en +dicht bij elkander in den hoek der barricade staande, aanschouwden +zij met bewondering, waaraan zich medelijden paarde, den ernstigen +jongeling, die beul en priester, en even als het kristal, licht maar +tevens rots was. + +Laat ons hier terstond zeggen, dat later, na het gevecht, toen de +lijken naar de Morgue gebracht en onderzocht werden, bij Le Cabuc +een kaart van politieagent werd gevonden. De schrijver van dit boek +heeft in 1848 het bijzonder rapport te dezer zake aan den prefect +van politie van 1832 in handen gehad. + +Laat er ons bijvoegen, dat, zoo men de vreemde, maar waarschijnlijk +gegronde geruchten gelooven mag, Le Cabuc Claquesous was. Zeker is +het, dat na den dood van Le Cabuc nimmer meer van Claquesous gehoord +werd. Claquesous heeft geen spoor van zijn verdwijning achtergelaten; +het schijnt, dat hij tot het onzichtbare is teruggekeerd. Zijn leven +was duisternis, zijn einde nacht. + +Geheel de troep opstandelingen was nog onder den indruk van dit zoo +spoedig gevoerd en zoo haastig geëindigd proces, toen Courfeyrac in +de barricade den kleinen jongen wederzag, die hem dien morgen naar +Marius had gevraagd. + +Deze jongen, met dit stoutmoedig, onbezorgd voorkomen, had zich bij +het vallen van den avond weder bij de opstandelingen gevoegd. + + + + + + + +BOEK XIII. + +MARIUS TREEDT IN DE SCHADUW. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +VAN DE STRAAT PLUMET NAAR DE WIJK ST. DENIS. + + +De stem, die in de schemering Marius naar de barricade der straat +Chanvrerie had geroepen, had op hem den indruk der stem van het +noodlot gemaakt. Hij wilde sterven, de gelegenheid bood er zich +toe aan; hij klopte aan de deur van het graf, een hand reikte hem +in de schaduw den sleutel. Die sombere openingen, welke zich in de +duisternis aan de wanhoop vertoonen, zijn verleidelijk. Marius nam +de staaf uit het hek, welke hem zoo dikwerf doorgang had verleend, +ging uit den tuin en zeide: "Welaan!" + +Zinneloos van smart, niets bepaalds en zekers meer in zijn hersenen +voelende, niet in staat voortaan iets meer van het lot te verwachten, +na deze twee, in de dronkenschap der jeugd en der liefde doorgebrachte +maanden, tegelijk door al de droomen der wanhoop overweldigd, had +hij nog slechts één wensch: er spoedig een einde aan te maken. + +Haastig ging hij voort; toevallig was hij gewapend, daar hij de +pistolen van Javert bij zich had. + +De jongeling, dien hij meende gezien te hebben, was op de straat uit +zijn oogen verdwenen. + +Marius, die de straat Plumet langs den boulevard had verlaten, ging +over de Esplanade, de brug der Invaliden, de Champs-Elysées, het plein +Lodewijk XV, tot hij de straat Rivoli bereikte. De magazijnen waren +er open; het gas brandde onder de bogen: de vrouwen deden inkoopen +in de winkels, men at ijs in het café Laiter, en pasteitjes bij den +Engelschen pasteibakker. Echter reden eenige postrijtuigen in galop +van het hôtel des Princes en het hôtel Meurice. + +Marius ging door de passage Delorme naar de straat St. Honoré. De +winkels waren daar gesloten, de bewoners spraken voor hun op een kier +staande deuren, de voorbijgangers gingen heen en weder, de lantaarns +brandden, en van de eerste verdieping af waren al de ramen als +gewoonlijk verlicht. Op het plein van het Palais-Royal stond cavalerie. + +Marius ging door de straat St. Honoré. Naar gelang hij zich van het +Palais-Royal verwijderde, waren er minder verlichte vensters: de +winkels waren geheel gesloten, niemand stond aan de deur te praten, +de straat werd somberder, maar tegelijkertijd nam de menigte toe. De +voorbijgangers waren nu dichte drommen geworden. Men zag niemand in +die menigte spreken, en evenwel ging er een dof, zwaar gegons uit op. + +Naar den kant der fontein de l'Arbre-Sec waren "samenscholingen," +beweginglooze, sombere groepen, die tusschen de heen en weergaanden +als steenen in een stroomend water stonden. + +Aan den ingang der straat des Prouvaires ging de menigte niet meer +voort. Zij vormde hier een tegenstand biedende, aaneen geslotene, +saamgedrongene, schier ondoordringbare massa van lieden, die zacht met +elkander spraken. Er waren schier geen zwarte kleeren noch ronde hoeden +bij. 't Waren kielen, buizen, petten, bloote hoofden met verwilderd +haar. Deze massa golfde verward in den nachtelijken nevel. Haar +gefluister had een heeschen, trillenden klank. Hoewel niemand ging, +hoorde men voetgetrappel in het slijk. Aan gene zijde dezer dichte +menigte, in de straat du Roule, in de straat des Prouvaires, en in de +verlenging der straat St. Honoré, was geen enkel venster verlicht. Men +zag in het verschiet dezer straten de rijen afzonderlijke, steeds +kleiner wordende lantaarns. De lantaarns van dien tijd geleken groote +roode, aan touwen hangende sterren, die op de straat een schaduw als +van een groote spin wierpen. Deze straten waren niet eenzaam. Men +onderscheidde er bundels tegen elkander gezette geweren, bajonetten, +die zich bewogen, en bivouakeerende troepen. Geen nieuwsgierige +overschreed deze grens. Daar hield het verkeer op. Daar eindigde de +menigte en begon het leger. + +Marius had den wil van iemand, die geen hoop meer heeft. Men had +hem geroepen; hij moest gaan. Het gelukte hem door de menigte te +dringen, en door de bivouakeerende troepen te sluipen; hij ontging +de patrouilles en vermeed de schildwachten. Langs een omweg bereikte +hij de straat Béthisy en ging naar den kant der Halles. Aan den hoek +der straat des Bourdonnais waren geen lantaarns meer. + +Na de streek der volks en die der troepen te zijn voorbijgekomen, +bevond hij zich in iets vreeselijks. Geen voorbijganger, geen soldaat, +geen licht meer; niemand! De eenzaamheid, de stilte, de nacht; een +onbeschrijfelijke huivering overviel hem. Wanneer hij een straat +inging, was 't hem, alsof hij in een kelder kwam. + +Hij ging steeds verder. + +Hij deed eenige schreden. Iemand ijlde hem voorbij. Was 't een man? een +vrouw? waren het meer personen? Hij zou het niet kunnen zeggen. 't +Was voorbijgegaan en verdwenen. + +Langs allerlei omwegen kwam hij in een steeg, welke hij voor de straat +de la Poterie hield; omstreeks het midden dier steeg stiet hij tegen +een hindernis. Hij stak de handen uit. 't Was een omvergeworpen +kar; zijn voet voelde waterplassen, diepten, losse en opgehoopte +straatsteenen. 't Was een begonnen, maar verlaten barricade. Hij klom +over de steenen en kwam aan de andere zijde der versperring. Hij +ging dicht langs de straatpalen en nam de huizen tot richting. Op +eenigen afstand voorbij de barricade meende hij iets wits voor zich +te zien. Hij naderde en 't nam een vorm aan. 't Waren twee witte +paarden, de paarden van den omnibus, welke Bossuet des morgens had +uitgespannen en die den geheelen dag van de eene in de andere straat +hadden rondgezworven, en eindelijk hier waren blijven staan met het +uitgeput geduld der dieren, die evenmin de handelingen van den mensch +begrijpen als de mensch de handelingen der Voorzienigheid begrijpt. + +Marius ging de paarden voorbij. Toen hij aan een straat kwam, welke hem +de straat du Contrat Social scheen te zijn, floot een geweerkogel, +in de duisternis in 't wild geschoten, dicht langs hem heen, en +doorboorde boven zijn hoofd een scheerbekken, dat aan de deur van +een barbierswinkel hing. In 1846 kon men nog in de straat du Contrat +Social aan den hoek des Halles dat doorgeschoten scheerbekken zien. + +Dat geweerschot was nog leven. Van dien oogenblik ontmoette hij +niets meer. + +Deze geheele streek scheen een afdaling langs donkere trappen. + +Marius ging niettemin steeds voort. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +PARIJS UIT DE UILENVLUCHT GEZIEN. + + +Een wezen, dat op dit oogenblik boven Parijs had gezweefd, met de +vlerken van een vleermuis of de vleugels van een uil, zou een somber +tafereel onder zijn oogen hebben gehad. + +Deze gansche oude wijk des Halles, die als een stad in een stad is, +doorsneden van de straten St. Denis en St. Martin, waarin zich duizend +stegen kruisen en waarvan de opstandelingen hun vesting en wapenplaats +hadden gemaakt, verscheen hem als een ontzaggelijk groote donkere +kuil in het midden van Parijs gegraven. Daar verzonk de blik in +een afgrond. Wijl de straatlantaarns er stukgeslagen en de vensters +gesloten waren, was er alle licht, alle leven, elk gerucht, iedere +beweging geweken. De onzichtbare politie van het oproer, namelijk +de nacht, waakte alom en handhaafde de orde. Het kleine getal in +groote duisternis te hullen, iederen strijder te verdubbelen, door de +kansen welke deze duisternis bevat, dit is de noodzakelijke tactiek +van den opstand. Bij 't vallen van den avond had ieder venster, waar +licht werd ontstoken, een kogel ontvangen. Het licht werd uitgedaan, +soms was de bewoner gedood. Niets bewoog zich dan ook meer. In de +huizen was niets dan schrik, rouw, angst; in de straten een soort van +heilige ontzetting. Men zag er zelfs niet de lange rijen vensters en +verdiepingen, de kanten der schoorsteenen en daken, het onduidelijk +schijnsel op de slijkerige, natte straatsteenen. + +Het oog, dat uit de hoogte in die donkere massa had geschouwd zou +misschien hier en daar op zekere afstanden, onduidelijke lichten +hebben gezien, die zonderlinge, afgebroken lijnen deden uitkomen, +omtrekken van vreemdsoortige bouwstukken, en als in bouwvallen heen +en weder gaande lichten: daar waren de barricaden. + +Het overige was een nevelachtig duister, zwaarmoedig, akelig meer, +waarboven de sombere, beweginglooze gestalten van den toren St. Jacques +en de kerk St. Merry en twee of drie dier groote monumenten zich +verhieven, waarvan de mensch reuzen en de nacht schimmen maakt. + +In den omtrek van dezen eenzamen en onrustbarenden doolhof, in de +wijken waar het Parijsche verkeer niet opgehouden had en nog enkele +schaarsche straatlantaarns brandden, had de beschouwer uit de lucht +den metaalglans der sabels en bajonetten, het dof gerol der artillerie +en het stil gewemel der bataljons, dat met de minuut toenam, kunnen +opmerken; een ontzaggelijke gordel, die zich langzaam om het oproer +klemde en sloot. + +De omsingelde wijk was niets meer dan een soort van vreeselijke +spelonk; alles scheen er onbewegelijk of in slaap, en zooals men gezien +heeft, heerschte in iedere straat, welke men bereiken kon, slechts +duisternis; een beangstigende duisternis, vol hinderlagen, onbekende en +schrikkelijke dingen, waar men slechts met angst kon binnendringen en +toeven, waar zij, die binnengingen, beefden voor hen die hen wachtten, +en dezen voor hen die komen zouden; onzichtbare strijders achter elken +hoek der straat verschanst; hinderlagen van het graf in de duisternis +des nachts verborgen. Geen ander licht was nu meer te verwachten dan +de bliksem der geweren, geen andere ontmoeting dan de ruwe plotselinge +verschijning van den dood. Waar? Hoe? Wanneer? Men wist het niet, maar +'t was stellig en onvermijdelijk. Daar, op deze voor de worsteling +aangeduide plek, zouden het gouvernement en de opstand, de nationale +garde en de volksgenootschappen, de burgerij en het oproer in de +duisternis rondwarend elkander ontmoeten. Voor de eenen zoowel als +voor de anderen bestond dezelfde noodzakelijkheid. Voortaan was +geen andere uitkomst mogelijk dan te overwinnen of te sneven. 't +Was zulk een uiterste toestand, zulk een machtige duisternis, dat de +beschroomdsten door moed werden bezield en de vermetelsten met schrik. + +Overigens was van weerszijden de woede, de verbittering, de +stoutmoedigheid dezelfde. Voor de eenen was vooruitgaan sneven, en +niemand dacht er aan terugwijken; voor de anderen was standhouden +sneven, en niemand dacht aan vluchten. + +Noodzakelijk moest den volgenden dag alles geëindigd zijn, moest de +triumf aan deze of aan gene zijde, moest de opstand een revolutie of +een oproer zijn. Dit begreep het gouvernement zoowel als de partijen; +de geringste burger gevoelde het. Hierdoor ontstond een angstgevoel, +'t welk zich bij de ondoordringbare duisternis dezer wijk mengde, +waar alles beslist zou worden; vandaar een vermeerdering van angst +rondom deze stilte, waaruit een ontknooping zou ontstaan. Men +hoorde er slechts één geluid, hartverscheurend als een doodsgalm, +dreigend als een vervloeking,--de alarmklok van Saint-Merry. Niets +was ijzingwekkender dan de klank van dit woest, wanhopig gelui, +dat in de duisternis jammerde. + +Zooals vaak gebeurt, scheen de natuur samen te werken met hetgeen +de menschen wilden doen. Niets stoorde de heillooze harmonie van +het geheel. De sterren waren verdwenen; zware wolken bedekten den +geheelen horizont met haar treurige plooien. Een donkere hemel lag +op de doodsche straten, alsof een onmetelijk lijklaken over dit +onmetelijk graf was gespreid. + +Terwijl een nog geheel politiek gevecht op deze zelfde plek werd +voorbereid, die reeds zoovele revolutionnaire gebeurtenissen had +gezien, terwijl de jongelingschap, de geheime genootschappen, +de scholen, in naam der beginselen, en de middelklasse, in naam +der stoffelijke belangen, naderden om elkander aan te vallen, +te omstrengelen en neder te werpen; terwijl ieder het laatste en +beslissende uur der crisis verhaastte en riep, zoowel binnen als buiten +deze noodlottige wijk, in het diepst der onpeilbare holen van dit oude, +ellendige Parijs, 't welk verdwijnt onder den glans van het gelukkige +weelderige Parijs, hoorde men dof de sombere stem des volks brommen. + +Een vreeselijke, heilige stem, gevormd uit het gebrul van het dier en +het woord Gods, die de zwakken verschrikt en de wijzen waarschuwt, +die tegelijkertijd van onder komt als de stem van den leeuw, en van +boven als de stem des donders. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +DE UITERSTE RAND. + + +Marius was aan de Halles gekomen. + +Daar was alles nog stiller, donkerder en onbewegelijker dan in de +naburige straten. 't Was alsof de ijskoude rust van het graf uit de +aarde was gekomen en zich onder den hemel had verspreid. + +Evenwel scheen een roode gloed op den zwarten grond van de hooge daken +der huizen, die aan de zijde van St. Eustache de straat Chanvrerie +sloten; 't was de weerschijn der toorts, die in de barricade van +Corinthe brandde. Marius had zich naar dien rooden gloed gericht, +die hem naar de Perenmarkt had gevoerd, waar hij den donkeren ingang +der Predikerstraat bespeurde. Hij ging er in. De schildwacht der +opstandelingen, die aan het andere einde stond, zag hem niet. Hij +voelde zich in de nabijheid van hetgeen hij kwam zoeken en ging op +de teenen voorwaarts. Dra bereikte hij den elleboog van het kortste +gedeelte der straat Mondétour, zooals men zich herinnert, de eenige +uitgang, dien Enjolras naar buiten behouden had. Om den hoek van het +laatste huis, links, stak hij het hoofd vooruit en schouwde in dat +gedeelte der straat Mondétour. + +Even voorbij den donkeren hoek der steeg en der straat Chanvrerie, +die een breede schaduw wierp, waarin hij zelf verscholen was, zag hij +op de straat een lichtschijnsel, op weinig afstand van de herberg, +en daarachter een lampion, die in een soort van ruwen muur flikkerde, +en gehurkte mannen met geweren op hun knieën. Dat alles was op tien +ellen afstands van hem. + +'t Was het binnenste der barricade. + +De huizen ter rechterzijde der steeg verborgen hem het overige der +herberg, de groote barricade en de vlag. + +Marius had nog slechts één schrede te doen. + +Toen zette de ongelukkige jongeling zich op een straatpaal, sloeg de +armen over elkander en dacht aan zijn vader. + +Hij dacht aan den heldhaftigen kolonel Pontmercy, die zulk een fier +soldaat was geweest, die onder de Republiek Frankrijks grenzen +bewaakt, en onder den Keizer de grenzen van Azië betreden had; +die Genua, Alexandrië, Milaan, Turijn, Madrid, Weenen, Dresden, +Berlijn, Moskou had gezien; die op al de zegerijke slagvelden van +Europa droppels van hetzelfde bloed had gestort, dat hij, Marius, +in zijn aderen had; die vóór den tijd grijs was geworden in de +krijgstucht en het bevelhebberschap; die met vastgegespten gordel, +afhangende epauletten, door kruitdamp zwart geworden kokarde, door den +helm gerimpeld voorhoofd, in de barak, in het kamp, op het bivouak, +in de hospitalen geleefd had, en na verloop van twintig jaren uit de +groote oorlogen terug was gekeerd met naden in de wang, glimlachende +oogen, eenvoudig, rustig, bewonderenswaardig, rein als een kind, +die alles voor, en niets tegen Frankrijk had gedaan. + +Hij zeide bij zich zelven, dat thans ook zijn dag was gekomen, zijn +uur eindelijk had geslagen, dat ook hij, na zijn vader, dapper, +onversaagd, stoutmoedig zou zijn, de kogels te gemoet gaan, de +bajonetten zijn borst tegenhouden, zijn bloed vergieten, den vijand, +den dood zoeken, op zijn beurt strijden, en het slagveld betreden, +en dat het slagveld, 't welk hij ging betreden, de straat, en dat de +strijd, dien hij aanging, de burgeroorlog was! + +Hij zag den burgeroorlog als een gapenden afgrond voor zich en hij +zou er zich instorten. + +Toen overviel hem een huivering. + +Hij dacht aan den degen zijns vaders, dien zijn grootvader aan een +uitdrager verkocht en dien Marius zoo smartelijk betreurd had. Hij +zeide tot zich, dat deze dappere, onbezoedelde degen wel had gedaan +hem te ontkomen en vertoornd in de duisternis te verzinken; dat +die degen verstandig was geweest door aldus te ontvluchten, en de +toekomst voorzien had; dat hij een voorgevoel had gehad van het +oproer, den oorlog der goten, der straatsteenen, het schieten door +keldergaten, de aanvallen van achter; dat, van Marengo en Friedland +gekomen, hij niet naar de straat de la Chanvrerie wilde gaan; dat, na +'t geen hij met den vader had gedaan, hij dezen oorlog met den zoon +niet wilde doen. Hij zeide tot zich, dat, zoo deze degen hier was, +zoo hij hem aan de sponde zijns stervenden vaders ontvangen had en +hij hem voor dit nachtelijk gevecht tegen Franschen in een blinde +steeg had durven vatten, hij hem zekerlijk de handen branden en als +het zwaard des engels voor hem vlammen zou. Hij zeide tot zich, dat +hij zich gelukkig mocht achten, dat hij dien degen niet had, dat dit +goed, billijk was; dat zijn grootvader de werkelijke bewaarder van den +roem zijns vaders was geweest, en het beter was, dat de degen van den +kolonel in 't openbaar geveild, aan een uitdrager verkocht, onder het +oud roest geworpen was, dan dat hij heden het vaderland deed bloeden. + +Toen weende hij bitterlijk. + +'t Was afschuwelijk. Maar wat zou hij doen? Zonder Cosette leven kon +hij niet. Wijl zij vertrokken was, moest hij immers sterven! Had hij +haar zijn woord van eer niet gegeven, dat hij sterven zou? Zij was +vertrokken, terwijl zij dit wist; zij vond het dus goed, dat Marius +stierf. 't Was overigens duidelijk, dat zij hem niet meer beminde, +wijl zij vertrokken was zonder hem te berichten, zonder een woord, +zonder een brief, hoewel zij zijn verblijf wist! Waarom en waarvoor zou +hij thans nog leven? En daarbij, kon hij terugkeeren, na hier gekomen +te zijn? Nu het gevaar genaderd was, zou hij het nu ontvluchten? na de +barricade te hebben gezien, zich uit de voeten maken, bevend wegloopen +en zeggen: "Waarlijk, ik heb er genoeg van; ik heb gezien en dat is +genoeg; 't is de burgeroorlog, ik ga heen." Hij zou zijn vrienden +verlaten, die hem wachtten; die hem misschien noodig hadden; die een +handvol tegen een leger waren. Hij zou tegelijkertijd een verrader +aan de liefde en aan de vriendschap zijn! Zijn lafhartigheid onder +het voorwendsel van vaderlandsliefde verbergen! Dat was onmogelijk, +en zoo de schim van zijn vader daar in die duisternis was en hem +zag terugdeinzen, zou hij hem met het plat zijns degens slaan en hem +toeroepen: "Voorwaarts, lafaard!" + +Ter prooi aan den stroom zijner gedachten boog hij het hoofd. + +Eensklaps richtte hij het op. In zijn geest was een schitterende +helderheid ontstaan. 't Is aan de nabijheid van het graf eigen, dat +zij de gedachten verruimt. Bij de nadering van het graf ziet men +helderder. De handeling, waartoe hij misschien gereed was over te +gaan, verscheen hem niet meer erbarmelijk, maar grootsch. Plotseling, +door eene geheime werking der ziel, herschiep zich de straatoorlog +voor het oog van zijn geest. Al de levendige vraagteekens zijner +mijmering kwamen in menigte terug, doch zonder hem in verwarring te +brengen. Hij liet er geen enkele onbeantwoord. + +Laat ons bedenken, waarom zou zijn vader zich vertoornen? Zijn +er geen gevallen, dat de opstand zich tot de waardigheid van den +plicht verheft? Welke vernedering was er voor den zoon van kolonel +Pontmercy in het gevecht dat beginnen zou? 't Is niet meer Montmirail +of Champaubert; 't is iets anders. 't Geldt niet een gewijd gebied, +maar een heilige idée. Het vaderland treurt; 't zij zoo; maar de +menschheid juicht. Is het overigens wel waar, dat het vaderland +treurt? Frankrijk bloeit, maar de vrijheid glimlacht; en tegenover +den glimlach der vrijheid vergeet Frankrijk zijn wonde. En zoo men +de zaak uit een hooger gezichtspunt beschouwt, wat is er dan van een +burgeroorlog te zeggen? + +Burgeroorlog? Wat bedoelt men? Is er een buitenlandsche oorlog? Is +niet elke oorlog tusschen menschen een oorlog tusschen broeders? 't +Is alleen het doel, dat den oorlog een naam geeft. Er is geen +buitenlandsche of burger-oorlog; er is alleen een onrechtvaardige +en rechtvaardige oorlog. Tot den dag wanneer het groote menschelijke +verdrag zal zijn gesloten, kan de oorlog noodzakelijk zijn, althans +die, welke ontstaat door de zich haastende toekomst tegen het +terugwijkende verleden. Wat heeft men dien oorlog te verwijten? De +oorlog wordt dan eerst schande, de degen dan eerst dolk, wanneer +hij het recht, den vooruitgang, de rede, de beschaving, de waarheid +vermoordt. Dan is hij, 't zij buitenlandsche of burger-oorlog, +onrechtvaardig en heet misdaad. Met welk recht zou, behalve om deze +heilige zaak, de rechtvaardigheid, de eene vorm van den oorlog den +anderen verachten? met welk recht zou de degen van Washington de +piek van Camille Desmoulins verachten? Wie is de grootste, Leonidas +tegen den vreemde, of Timoleon tegen den dwingeland? De een is +de verdediger, de ander de bevrijder. Zal men, zonder naar het +doel te vragen, iederen binnenlandschen strijd veroordeelen? Men +veroordeele dan Brutus, Marcellus, Arnold van Blankenheim, +Coligny. Guerilla-oorlog? straatoorlog? Waarom niet? 't Was de oorlog +van Ambiorix, van Artevelde, van Marnix, van Pelagius. Maar Ambiorix +streed tegen Rome, Artevelde tegen Frankrijk, Marnix tegen Spanje, +Pelagius tegen de Mooren; allen tegen den vreemdeling. Welnu, de +monarchie is vreemdeling, de verdrukking is vreemdeling; de "gratie +Gods" is vreemdeling. Het despotisme overweldigt de zedelijke grenzen, +gelijk de vijandelijke inval de geographische grenzen overweldigt. Den +dwingeland of den Engelschman wegjagen, is, in beide gevallen, zijn +grond hernemen. Er komt een uur, waarin protesteeren niet meer baat; +na de rede, moeten daden volgen; de levende kracht voltooit wat de +idée ontworpen heeft; de geketende Prometheus begint, Aristogiton +voltooit; de encyclopedie verlicht de geesten, de 10 Augustus +electriseert ze. Na Eschylus, Thrasybules; na Diderot, Danton. De +massa's nemen gaarne een meester aan, haar eigen wicht drukt haar. De +menigte vereenigt zich lichtelijk tot een gehoorzaam geheel. Men moet +de menschen aansporen, aandrijven, ruw voortstuwen, door de weldaad +zelve hunner bevrijding, hun oogen door de waarheid zeer doen, hun +het licht met geduchte handen toewerpen. Zij moeten tot hun eigen +belang eenigszins door een bliksemstraal opgewekt worden, de schok +maakt hen wakker. Vandaar de noodzakelijkheid der stormklokken en der +oorlogen. De groote strijders moeten opstaan, de natiën door moedige +daden verlichten en deze jammerende menschheid wakkerschudden, welke de +"gratie Gods", het geweld, het fanatisme, het onverantwoordelijk gezag +en de absolute majesteit met schaduw bedekken; een domme troep, die +in zijn halve blindheid den flauwen glans dezer donkere overwinningen +van den nacht bewondert. Weg met den dwingeland! Maar hoe? Van wien +spreekt ge? Noemt ge Lodewijk Filips een dwingeland? Neen; evenmin +als Lodewijk XVI. Zij zijn beiden, wat de geschiedenis gewoonlijk +goede koningen noemt. Maar de beginselen laten zich niet kneeden, de +logica van het ware is rechtlijnig, het eigenaardige der waarheid is, +dat haar toegevendheid ontbreekt; dus geen concessiën; alle overmacht +op den mensch moet tegengegaan worden; in Lodewijk XVI heerscht de +"gratie Gods"; in Lodewijk Filips iets er van, wijl hij "Bourbon" is, +beiden vertegenwoordigen in zekere mate de verbeurdverklaring van het +recht, en ten einde de algemeene overheersching tegen te gaan, moeten +zij bestreden worden; het moet, Frankrijk is altijd de eerste die +begint. Wanneer in Frankrijk de meester valt, valt hij overal. Kortom, +welke zaak is rechtvaardiger en bijgevolg welke oorlog grootscher +dan de maatschappelijke waarheid te herstellen, haar troon aan de +vrijheid, het volk aan het volk, de souvereiniteit aan den mensch +weder te geven, op Frankrijks hoofd het purper terug te brengen, +de rede en de gerechtigheid in haar volle recht te herstellen, alle +kiemen van vijandschap te verstikken, door ieder het zijne te geven, +den hinderpaal weg te nemen, welke het koningschap de algemeene +eendracht in den weg stelt, het recht voor het menschelijk geslacht +gelijk te maken? Zulke oorlogen stichten den vrede. Een ontzaggelijke +vesting van vooroordeelden, voorrechten, bijgeloovigheden, logens, +knevelarijen, misbruiken, gewelddadigheden, ongerechtigheden en +duisternis staat nog in de wereld, met haar torens van haat. Zij +moet vernietigd worden. Dit monsterachtig gewrocht moet ingenomen +en gesloopt worden. De overwinning van Austerlitz is roemrijk, de +inneming der Bastille is verheven. + +Wie heeft niet bij zich zelven opgemerkt, dat de ziel--en dit +is het wonderbare harer eenheid met veelzijdigheid verbonden--de +zonderlinge eigenschap bezit in de uiterste omstandigheden schier +koel te redeneeren; en vaak gebeurt het, dat droevige hartstocht en +diepe wanhoop, zelfs in hun somberste vlagen, over vreemde onderwerpen +peinzen en bijzondere vraagstukken overwegen. De logica mengt zich met +de stuiptrekking, en de draad der redeneering zweeft zonder te breken +in den woesten storm der gedachten. Zoodanig was de gemoedsgesteldheid +van Marius. + +Terwijl hij ternedergedrukt, maar vastberaden, en evenwel aarzelend, +bevend voor hetgeen hij doen wilde, zich aan deze gedachten overgaf, +dwaalde zijn blik in de barricade. De opstandelingen spraken er +halfluid, zonder zich te bewegen, en men gevoelde er die zekere +stilte, welke den laatsten vorm der verwachting kenmerkt. Boven +hen onderscheidde Marius, aan het venster eener derde verdieping, +een toeschouwer of getuige, die hem bijzonder oplettend voorkwam. 't +Was de door Le Cabuc doodgeschoten portier. Onduidelijk zag men van +beneden dit hoofd, door het licht der tusschen de steenen staande +toorts. Niets vreemder, bij dit sombere, flikkerende licht, dan dit +bleek, bewegingloos, verbaasd gelaat, met opstaand haar, open, strakke +oogen en gapenden mond, dat zich in eene nieuwsgierige houding naar de +straat boog. 't Scheen, alsof degeen die dood was, hen aanschouwde, +die sterven zouden. Een lange bloedstreep, die uit het hoofd was +gekomen, liep uit het venster tot aan de hoogte der eerste verdieping, +waar zij ophield. + + + + + + + +BOEK XIV. + +DE GROOTHEID DER WANHOOP. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +DE VLAG: EERSTE BEDRIJF. + + +Er kwam nog niets. Op Saint-Merry had het tien uren geslagen. Enjolras +en Combeferre hadden zich met de karabijn in de hand bij den ingang +der groote barricade geplaatst. Zij spraken niet met elkander, maar +luisterden en poogden het flauwste en verste gerucht van voetstappen +te hooren. + +Eensklaps verhief zich te midden van deze akelige stilte een heldere, +jonge, vroolijke stem, die uit de straat St. Denis scheen te komen, +en zong op de wijs van het oud volkslied: Au clair de la lune, het +volgende gerijmsel, dat met een soort hanengekraai eindigde: + + + Mon nez est en larmes, + Mon ami Bugeaud, + Prêt' moi tes gendarmes + Pour leur dire un mot. + En capote bleue, + La poule au shako, + Voici la banlieue! + Co-cocorico! [11] + + +Zij drukten elkander de hand. + +"'t Is Gavroche," zei Enjolras. + +"Hij waarschuwt ons," zei Combeferre. + +Een snelle loop stoorde de stilte op de eenzame straat; men zag +een wezen, nog vlugger dan een clown over den omnibus klauteren, +en Gavroche sprong buiten adem in de barricade, zeggende: + +"Mijn geweer! Zij komen!" + +Een electrieke rilling doorliep de gansche barricade, en men hoorde +de beweging der handen die naar de geweren grepen. + +"Wilt ge mijn karabijn?" vroeg Enjolras aan den straatjongen. + +"Ik wil het groote geweer," antwoordde Gavroche. + +En hij nam het geweer van Javert. + +Twee schildwachten waren teruggetrokken en bijna tegelijkertijd +met Gavroche in de barricade gekomen. 't Waren de schildwachten +van het einde der straat en der kleine Truanderie. De schildwacht +in de Predikerstraat was op zijn post gebleven, 't geen aanduidde, +dat niets van de zijde der bruggen en der Hallen kwam. + +De straat Chanvrerie, waarvan nauwelijks eenige straatsteenen bij +het schijnsel van het licht, dat de vlag bescheen, zichtbaar waren, +vertoonde aan de opstandelingen het gezicht van een lang, open, +in rook staand poortgewelf. + +Ieder had zijn post voor den strijd ingenomen. + +Drie-en-veertig opstandelingen, waarbij Enjolras, Combeferre, +Courfeyrac, Bossuet, Joly, Bahorel en Gavroche, lagen geknield in +de groote barricade, zoodat hun hoofden, met de kruin er van gelijk +waren, terwijl zij hun geweren, als in schietgaten, op de steenen +lieten rusten, en aldus oplettend, zwijgend wachtten, gereed om te +vuren. Zes hadden zich, onder het commando van Feuilly, met aangelegd +geweer voor de vensters der twee verdiepingen van Corinthe geplaatst. + +Zoo verstreken nog eenige oogenblikken; toen werd duidelijk in de +richting van Saint-Leu het gerucht van afgemeten, zware, talrijke +voetstappen gehoord. Dit aanvankelijk flauw, toen duidelijk, vervolgens +luid en dreunend gerucht naderde langzaam, onafgebroken, rustig en +vreeselijk. Men hoorde niets anders. 't Was de stilte en het gerucht +tevens van het standbeeld des commandeurs in Don Juan; maar die +steenentred had iets onbeschrijfelijks, ontzettends en verscheidens, +dat terzelfder tijd het denkbeeld van een menigte en het denkbeeld +van een spookbeeld deed ontstaan. Men meende het schrikbarende beeld +"Legioen" te hooren gaan. Deze tred naderde; het naderde dichter, en +bleef staan. Het was alsof men aan het einde der straat den adem van +vele menschen hoorde. Men zag evenwel niets, maar merkte, geheel op +den achtergrond, in de dikke duisternis, een aantal metalen draden, +fijn als naalden en schier onzichtbaar, zich bewegen, gelijkende aan +die onbeschrijfelijke stralen, welke men vóór het insluimeren onder +de gesloten oogleden in de eerste nevelen van den slaap ziet. 't +Waren de bajonnetten en geweerloopen, flauw verlicht door den verren +weerschijn der toorts. + +Wederom ontstond een pauze, als wachtte men van weerszijden. Eensklaps +riep uit deze duisternis een stem, die te akeliger klonk, wijl men +niemand zag, en 't dus was, alsof de duisternis zelve sprak: + +"Werda?" + +Terzelfdertijd hoorde men het gekletter der geweren, die werden +aangelegd. + +Enjolras antwoordde met luide en fiere stem: + +"Fransche revolutie!" + +"Vuur!" zei de stem. + +Een weerlicht kleurde al de gevels der straat rood, als ware een oven +plotseling geopend en weder gesloten. + +Een schrikkelijk geknal klonk tegen de barricade. De roode vlag +viel. De kogelregen was zoo geweldig en dicht geweest, dat hij +den vlaggestok, dat is de punt van den boom van den omnibus, had +omgeworpen. Kogels, welke van de huizen waren teruggekaatst, sprongen +in de barricade en kwetsten verscheidene mannen. + +De indruk van dit eerste geweervuur was verstijvend. De aanval was +ruw, en geschikt om de moedigsten te doen nadenken. 't Was duidelijk, +dat men ten minste met een geheel regiment te doen had. + +"Makkers!" riep Courfeyrac, "laat ons geen kruit verliezen. Wachten +wij met vuren tot zij in het bereik zijn." + +"Maar laat ons voor alles de vlag weder oprichten," zei Enjolras. + +Hij raapte de vlag op, die juist voor zijn voeten was gevallen. + +Men hoorde het klinken der laadstokken in de geweren buiten de +barricade; de soldaten laadden weder. + +Enjolras hernam: + +"Wie heeft hier moed? Wie wil de vlag weder op de barricade planten?" + +Niemand antwoordde. Op de barricade te klimmen, op het oogenblik, dat +men er ongetwijfeld weder op aanlegde, dit was evengoed als in den +dood gaan. De moedigste aarzelt, zich er toe te veroordeelen. Zelfs +Enjolras sidderde. Hij hernam: + +"Biedt niemand zich aan?" + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +DE VLAG: TWEEDE BEDRIJF. + + +Sedert men te Corinthe aangekomen en begonnen was de barricade op te +richten, had men weinig meer op den ouden Mabeuf gelet. De heer Mabeuf +had evenwel den troep niet verlaten. Hij was het benedenvertrek der +herberg binnengegaan en had zich naast de toonbank neergezet. Daar zat +hij, om zoo te spreken, als vernietigd. Hij scheen niet meer te zien, +noch te denken. Courfeyrac en anderen hadden hem twee of driemaal +aangesproken, hem voor het gevaar gewaarschuwd en vermaand zich te +verwijderen, zonder dat hij hen scheen te hooren. Wanneer men niet tot +hem sprak, bewogen zich zijn lippen alsof hij iemand antwoordde, maar +richtte men het woord tot hem, dan werden zijn lippen bewegingloos +en zijn oogen hadden niets levendigs meer. Eenige uren voor dat de +barricade werd aangevallen, had hij een houding aangenomen, welke +hij niet meer had verlaten; hij zat met beide handen op zijn knieën, +met voorover gebogen hoofd, als schouwde hij in een afgrond. Niets +had hem uit deze houding kunnen trekken; het scheen alsof zijn +geest elders dan in de barricade was. Toen ieder zijn post voor het +gevecht had ingenomen, was niemand in het benedenvertrek der herberg +gebleven, dan Javert, die aan den paal was gebonden, een opstandeling, +die met bloote sabel Javert bewaakte, en Mabeuf. Toen de aanval +plaats had en het geweervuur knalde, had de schok zijn lichaam als +'t ware wakkergeschud. Haastig had hij zich opgericht, was het +vertrek binnengegaan en juist toen Enjolras zijn vraag herhaalde: +"Biedt niemand zich aan?" zag men den grijsaard op den drempel der +herberg verschijnen. + +Zijn verschijning veroorzaakte in de groepen eene opschudding. Een +kreet ging op: + +"'t Is de stemmer! 't is het conventielid! 't is de volksrepresentant!" + +Waarschijnlijk hoorde hij niet. + +Hij trad regelrecht naar Enjolras; de opstandelingen verwijderden zich +van hem met godsdienstige vrees; hij ontrukte de vlag aan Enjolras, +die als versteend achteruit trad, en toen, zonder dat iemand hem +durfde tegenhouden, of helpen, beklom deze tachtigjarige grijsaard, +met waggelend hoofd en vasten voet, langzaam de in de barricade van +straatsteenen gemaakte trap. 't Was zoo ontzettend en zoo grootsch, +dat allen om hem heen riepen: "Hoeden af!" Iedere trede, welke hij +opging, was vreeselijk; zijn grijs haar, zijn ingevallen gezicht, +zijn groot, kaal, gerimpeld hoofd, zijn holle oogen, zijn verbaasde, +open mond, zijn oude arm, die de roode banier ophief, traden uit +de schaduw en schenen grooter te worden in het bloedroode licht der +toorts; men waande het spooksel van 't jaar 93 uit de aarde te zien +verrijzen, met de vlag van het schrikbewind, in de hand. Toen hij +op de laatste trede was, toen deze bevende vreeselijke schim op dit +getimmerte van afbraak stond, tegenover twaalfhonderd onzichtbare +geweren, in 't aangezicht van den dood en als ware hij sterker dan +deze, had de geheele barricade in de duisternis een bovennatuurlijk +en colossaal voorkomen. + +Er ontstond een stilte, zooals die alleen bij wonderwerken heerscht. + +Te midden van deze stilte zwaaide de grijsaard de roode vlag en riep: + +"Leve de revolutie! leve de republiek! broederschap! gelijkheid! en +de dood!" + +Men hoorde buiten de barricade een zacht, vluchtig geprevel, als dat +eens priesters, die haastig een gebed spreekt. 't Was waarschijnlijk +de commissaris van politie, die aan 't andere einde der straat de +wettelijke sommatiën deed. + +Toen riep dezelfde luide stem, die werda! geroepen had: + +"Verwijdert u!" + +Bleek, verwilderd, met oogen die door de akelige vlammen van den +waanzin verlicht werden, hief de heer Mabeuf de vlag boven zijn hoofd +en herhaalde: + +"Leve de republiek!" + +"Vuur!" riep de stem. + +Een tweede salvo, een schrootvuur gelijkende, werd tegen de barricade +gelost. + +De grijsaard zonk op de knieën, liet de vlag los en viel als een +plank achterover op de straat, zoo lang hij was, met uitgebreide armen. + +Stroomen bloeds kwamen onder hem te voorschijn. Zijn grijs, bleek en +treurig hoofd scheen den hemel te aanschouwen. + +Een dier verheven aandoeningen van den mensch, die hem zelfs doen +vergeten zich te verdedigen, beving de opstandelingen en zij naderden +het lijk met eerbiedige ontzetting. + +"Wat mannen waren die koningsmoorders!" zei Enjolras. + +Courfeyrac fluisterde Enjolras in 't oor: + +"Ik zeg 't alleen aan u; ik wil de opgetogenheid niet verzwakken; maar +hij was niets minder dan een koningsmoorder. Ik heb hem gekend. Hij +heette vader Mabeuf. Ik weet niet, hoe 't heden met hem was. Hij was +altijd een eenvoudige sukkel. Bezie zijn hoofd eens." + +"Het hoofd van een ouden sukkel en het hart van Brutus," antwoordde +Enjolras. + +Met verheffing van stem vervolgde hij: + +"Burgers! Dit is een voorbeeld, 't welk de ouden den jongeren +geven. Wij aarzelden, hij kwam! wij deinsden terug, hij trad +vooruit! Ziedaar wat zij, die van ouderdom beven, leeren aan hen die +van angst beven! Deze oude man stierf met roem voor het vaderland. Hij +heeft een lang leven en een verheven dood gehad. Beschermen wij thans +het lijk, en dat ieder onzer dien dooden grijsaard verdedige, zooals +hij zijn levenden vader zou verdedigen, en dat zijn tegenwoordigheid +in ons midden, de barricade onoverwinbaar make!" + +Een dof, maar krachtig gemurmel van toestemming beantwoordde deze +toespraak. + +Enjolras bukte, lichtte het hoofd van den grijsaard op en kuste zijn +voorhoofd, toen zijn armen uitbreidende en den doode met die teedere +bezorgdheid behandelende, als vreesde hij hem zeer te doen, trok hij +hem zijn rok uit, wees allen op de bloedende openingen en zeide: + +"Dit is thans onze vlag!" + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +GAVROCHE HAD BETER GEDAAN DE KARABIJN VAN ENJOLRAS TE NEMEN. + + +Men wierp op den heer Mabeuf een langen zwarten omslagdoek van de +weduwe Hucheloup. Zes mannen maakten van hun geweren een draagbaar, +waarop het lijk werd gelegd, en men droeg het met ontbloote hoofden, +plechtig, langzaam naar de groote tafel in het benedenvertrek. + +Deze mannen, geheel vervuld met de ernstige en heilige zaak, welke +zij verrichtten, dachten niet meer aan den gevaarlijken toestand, +waarin zij zich bevonden. + +Toen het lijk dicht voorbij den onbewegelijken Javert ging, zeide +Enjolras tot den spion: + +"Gij, zoo aanstonds!" + +Ondertusschen meende de kleine Gavroche, de eenige die zijn post +niet had verlaten en op verkenning gebleven was, mannen zachtkens de +barricade te zien naderen. Eensklaps riep hij: + +"Weest op uw hoede!" + +Courfeyrac, Enjolras, Jean Prouvaire, Combeferre, Joly, Bahorel, +Bossuet--allen verlieten haastig de herberg. Er was schier geen tijd +meer. Men zag een glinsterenden, dichten hoop bajonnetten boven +de barricade golven. Municipale garden van hooge gestalte drongen +voorwaarts, eenigen klommen over den omnibus, anderen gingen door de +opening, den straatjongen voor zich uitdrijvende, die achteruit ging, +maar niet vluchtte. + +Het was een kritiek oogenblik. 't Was die eerste vreeselijke minuut +der overstrooming, wanneer de rivier tot aan den top des oevers stijgt +en door de scheuren van den dijk begint te kwellen. Nog een seconde +en de barricade was genomen geweest. + +Bahorel wierp zich op den eersten municipalen garde, die binnentrad, +en doodde hem met een karabijnschot; een tweede garde doorstak +Bahorel met zijn bajonnet. Een andere had Courfeyrac reeds op den +grond geworpen, die hulp riep. De grootste van allen, een soort van +reus, liep met gevelde bajonnet op Gavroche toe. De straatjongen nam +het groote geweer van Javert in zijne kleine armen, legde moedig +op den reus aan en drukte af. Geen schot! Javert had zijn geweer +niet geladen. De municipale garde lachte luidkeels en stak met zijn +bajonnet naar den knaap. + +Doch vóór de bajonnet Gavroche kon raken, ontviel het geweer aan de +handen van den soldaat; een kogel had den municipalen garde midden +tegen 't voorhoofd getroffen en hij zonk achterover. Een tweede kogel +trof den anderen garde, die Courfeyrac had aangevallen, in de borst +en wierp hem neer. + +'t Was Marius, die zooeven in de barricade was gekomen. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +HET VAATJE BUSKRUIT. + + +Besluiteloos en huiverend had Marius, in den hoek der straat Mondétour +verscholen, het begin van het gevecht aanschouwd. Lang kon hij echter +aan die geheimzinnige, machtige aandrift geen weerstand bieden, welke +een roepstem uit den afgrond kan worden genoemd. Tegenover het dreigend +gevaar, tegenover den dood van den heer Mabeuf, dit somber raadsel, +tegenover den gesneuvelden Bahorel, terwijl Courfeyrac om hulp riep, +tegenover den bedreigden knaap, en zijn vrienden, welke hij of te +hulp komen of wreken moest, was alle weifeling verdwenen, en met zijn +twee pistolen in de hand had hij zich in het gewoel gestort. Met het +eerste schot had hij Gavroche gered, met het tweede Courfeyrac bevrijd. + +Onder het geweervuur en de kreten der gekwetste garden hadden de +aanvallers de verschansing beklommen, waarop men nu te halver lijve +een menigte municipale garden, soldaten en nationale garden uit de +voorsteden met het geweer in de hand zag. Zij bedekten reeds meer +dan twee derden der versperring, maar sprongen niet in de ruimte, +alsof zij weifelden en een hinderlaag vreesden. Zij schouwden in +de donkere barricade, zooals men in een leeuwenhol ziet. Het licht +der toorts bescheen slechts de bajonnetten, de berenmutsen, en het +bovenste der ontstelde en vertoornde gezichten. + +Marius was nu ongewapend, want hij had zijn pistolen weggeworpen; maar +hij had het vaatje kruit in het benedenvertrek bij de deur opgemerkt. + +Toen hij zich half omwendde en naar dien kant zag, legde een soldaat op +hem aan. Maar terzelfdertijd greep iemand den geweerloop en hield er de +hand voor. 't Was de jonge werkman met manchestersche broek, die was +komen toeloopen. Het schot ging af, doorboorde de hand en misschien +ook den werkman, want hij viel, maar de kogel trof Marius niet. Dit +alles gebeurde te midden van den rook en was slechts onduidelijk +zichtbaar. Hij had echter verward den tegen hem gerichten geweerloop +en de hand, die er zich vóór hield, gezien, en het schot gehoord. Maar +in dergelijke oogenblikken vliegt en snelt hetgeen men ziet voorbij, +zonder dat men zich aan iets kan hechten. Men voelt zich in nog +diepere duisternis voortgestuwd, en alles is nevel. + +De opstandelingen, verrast maar niet verschrikt, hadden zich +weder vereenigd. Enjolras had geroepen: "Wacht! schiet niet in +'t wild!" Inderdaad, in de eerste verwarring hadden zij elkander +kunnen raken. De meesten waren naar het venster van de eerste +verdieping en naar de zoldervensters gegaan, van waar zij de aanvallers +beheerschten. De moedigsten hadden zich met Enjolras, Courfeyrac, Jean +Prouvaire en Combeferre tegen de huizen op den achtergrond geplaatst, +zonder eenige bedekking en tegenover de gelederen der soldaten en +der garden, die op de barricade stonden. + +Dit alles gebeurde zonder overijling, met die zonderlinge, dreigende +kalmte, welke het gevecht voorafgaat. Aan weerszijden legde men op +elkander aan; men was zoo dicht bijeen, dat men elkander verstaan +kon. Toen men op 't oogenblik was, dat de vonk zou ontspringen, +stak een officier met dikke epauletten den degen op en zeide: + +"Velt 't geweer!" + +"Vuur!" commandeerde Enjolras. + +Aan weerszijden knalden de geweerschoten tegelijkertijd en alles +verdween in den rook. + +'t Was een scherpe en verstikkende rook, waarin, met zwak, dof gekerm, +stervenden en gekwetsten zich voortsleepten. + +Toen de rook verdween, zag men aan beide zijden de strijders, die, +hoewel gedund, echter steeds op dezelfde plaats, weder in stilte hun +geweren laadden. + +Eensklaps hoorde men een donderende stem, die riep: + +"Verwijdert u, of ik laat de barricade in de lucht springen!" + +Allen keerden zich naar den kant van waar de stem kwam. + +Marius was de benedenkamer binnengegaan, had het kruitvaatje genomen en +van den rook en den donkeren nevel gebruik gemaakt, die de verschanste +ruimte vulde, om langs de barricade tot aan de opgestapelde steenen te +sluipen, waar tusschen de toorts stond. De toorts weg te rukken, het +vaatje kruit er neder te leggen, den stapel steenen er op te storten, +zoodat er aanstonds de bodem uitviel, dit alles was voor Marius het +werk van een oogenblik geweest. Nu aanschouwden hem met ontzetting +allen, nationale garden, municipale garden, officieren, soldaten, +die aan gene zijde der barricade saamgedrongen stonden, met den voet +op de keien, de toorts in de hand, zijn fier gelaat verlicht door een +vreeselijk besluit en de vlam der toorts naar dien schrikbarenden +steenhoop gewend, waartusschen men het gebroken kruitvaatje zag, +terwijl hij den ontzettenden kreet slaakte: + +"Verwijdert u, of ik laat de barricade in de lucht springen!" + +Marius op deze barricade, na den tachtigjarigen grijsaard, was het +visioen der jonge revolutie, na de verschijning der oude. + +"De barricade laten springen!" zei een sergeant, "dan springt gij +mede!" + +"Dat weet ik!" antwoordde Marius. + +En hij hield de toorts dicht bij het kruitvaatje. Maar reeds was +niemand meer op de versperring. De aanvallers drongen verschrikt en +verward, met achterlating van hun dooden en gekwetsten, naar het +einde der straat en verdwenen er wederom in de duisternis. 't Was +een algemeene vlucht. + +De barricade was bevrijd. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +EINDE VAN JEAN PROUVAIRES GEDICHT. + + +Allen omringden Marius. Courfeyrac viel hem om den hals. + +"Gij hier!" + +"Welk een geluk!" zei Combeferre. + +"Gij zijt juist van pas gekomen!" zei Bossuet. + +"Zonder u was ik doodgeschoten!" hernam Courfeyrac. + +"Zonder u was ik doodgestoken!" zei Gavroche. + +Marius vroeg: + +"Waar is de aanvoerder?" + +"Dat zijt gij," zei Enjolras. + +'t Had Marius den geheelen dag in het hoofd gegloeid; nu was 't +een storm. 't Scheen hem, dat deze storm buiten hem woedde en hem +medesleepte. 't Scheen hem, alsof hij reeds op een verren afstand +van het leven was. Zijn beide van liefde en van vreugd schitterende +maanden liepen eensklaps op dien vreeselijken afgrond uit: Cosette, +voor hem verloren, deze barricade, de heer Mabeuf, zich voor de +republiek latende dooden, hij zelf aanvoerder van opstandelingen, +dat alles kwam hem een monsterachtigen droom voor. Hij moest al zijn +geestkracht inspannen, om zich te herinneren, dat al wat hem omgaf, +werkelijk bestond. Marius had nog te kort geleefd, om te weten, dat +niets meer nabij is dan het onmogelijke, en men steeds het onverwachte +moet verwachten. Hij was bij zijn eigen drama tegenwoordig, als bij +een tooneelstuk dat men niet begrijpt. + +In dezen nevel, die zijn geest omhulde, herkende hij Javert niet, die +aan den paal gebonden, gedurende den aanval zijn hoofd niet had bewogen +en rondom zich de revolutie zag woelen met de onderwerping van een +martelaar en de majesteit van een rechter. Marius zag hem zelfs niet. + +Inmiddels naderden de aanvallers niet meer; men hoorde ze aan het einde +der straat heen en weder gaan, maar zij waagden er zich niet in, hetzij +dat zij bevelen wachtten, of dat zij versterking afwachtten, vóór +zij een nieuwen aanval tegen deze onneembare sterkte beproefden. De +opstandelingen hadden schildwachten geplaatst, en eenigen, die +studenten in de geneeskunde waren, waren bezig de gekwetsten te +verbinden. + +Men had de tafels uit de herberg geworpen, behalve twee, die voor +het pluksel en de patronen waren bestemd, en de tafel waarop de +oude Mabeuf lag; men had ze voor de barricade gebruikt en ze in het +benedenvertrek vervangen door de matrassen der weduwe Hucheloup en +der dienstmeiden. Op deze matrassen had men de gekwetsten gelegd. Wat +van de drie arme wezens geworden was, die Corinthe bewoonden, wist men +niet. Eindelijk vond men ze in den kelder verborgen--als advocaten, +zei Bossuet. En hij voegde er bij: "Foei! vrouwen!" + +De vreugd over de bevrijding der barricade werd op smartelijke wijze +gestoord. + +Men hield appèl. Een der opstandelingen ontbrak. En wie? een der +meest geliefden, een der dappersten, Jean Prouvaire. Men zocht hem +onder de gekwetsten; hij was er niet; men zocht hem onder de dooden; +hij was er niet. + +Hij was stellig gevangengenomen. + +Combeferre zeide tot Enjolras: + +"Zij hebben onzen vriend; wij hebben hun spion. Hecht ge aan den dood +van den verklikker?" + +"Ja," antwoordde Enjolras, "maar minder dan aan het leven van Jean +Prouvaire." + +Dit gebeurde in de benedenkamer bij den paal van Javert. + +"Welaan," hernam Combeferre, "ik zal mijn zakdoek aan mijn stok binden +en als parlementair hun de uitwisseling van beide mannen voorstellen." + +"Luister!" zei Enjolras, zijn hand op den arm van Combeferre leggende. + +Aan het einde der straat klonk een onheilspellend wapengekletter. + +Men hoorde een mannelijke stem roepen: + +"Leve Frankrijk! leve de toekomst!" + +Men herkende de stem van Prouvaire. + +Een plotseling weerlicht trof het oog en geweren knetterden. + +Het werd weder stil. + +"Zij hebben hem gedood!" riep Combeferre. + +Enjolras zag Javert aan en zeide tot hem: + +"Uw vrienden hebben u doodgeschoten." + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +HET ZIELTOGEN DES DOODS NA HET ZIELTOGEN DES LEVENS. + + +'t Is een eigenaardigheid van deze soort van oorlog, dat de barricaden +schier altijd van voren worden aangevallen en over 't algemeen de +aanvallers zich onthouden de stelling om te gaan, hetzij omdat zij +hinderlagen duchten of omdat zij vreezen zich in kromme straten +te wagen. De aandacht der opstandelingen was dus uitsluitend op de +groote barricade gericht, die blijkbaar het steeds bedreigde punt was +en waar onfeilbaar de strijd weder moest beginnen. Maar Marius dacht +evenwel aan de kleine barricade en ging er heen. Zij was verlaten en +slechts bewaakt door de kleine lampion, die tusschen de straatsteenen +flikkerde. In de steeg Mondétour en in de vertakkingen der kleine +Truanderie en de Zwanestraat was 't overigens volkomen stil. + +Toen Marius, na gedaan onderzoek, zich verwijderde, hoorde hij in de +duisternis flauw zijn naam uitspreken: + +"Mijnheer Marius!" + +Hij ontroerde, want hij herkende de stem, die hem twee uren te voren +door het hek in de straat Plumet geroepen had. + +Maar nu scheen deze stem nog slechts een ademtocht te zijn. + +Hij sloeg een blik om zich, doch zag niemand. + +Marius meende zich bedrogen te hebben, en dat 't een zinsbedrog was, +'t geen zijn geest bij de buitengewone omstandigheden voegde, welke +zich om hem verdrongen. Hij deed een schrede, om uit den afgelegen +hoek te komen, waar de barricade was. + +"Mijnheer Marius!" herhaalde de stem. + +Nu kon hij niet langer twijfelen, hij had duidelijk gehoord: hij +schouwde opnieuw rond, doch zag niets. + +"Aan uw voeten," zei de stem. + +Hij bukte en zag in de schaduw een gestalte, welke over de +straatsteenen naar hem toe kroop. 't Was deze gestalte, die tot hem +gesproken had. + +Het licht der lampion deed een kiel, een gescheurde grof manchestersche +broek, bloote voeten en iets dat naar een bloedvlek geleek, +onderscheiden. Marius zag een bleek hoofd, dat zich oprichtte en tot +hem sprak: + +"Herkent ge mij niet?" + +"Neen." + +"Eponine." + +Marius boog zich haastig. 't Was inderdaad het ongelukkig meisje, +in manskleederen. + +"Waarom zijt ge hier? Wat doet ge daar?" + +"Ik sterf," zeide zij. + +Er zijn woorden en omstandigheden, welke de diepste mijmering wakker +schudden. Marius riep als opspringend: + +"Ge zijt gewond! Wacht, ik zal u in huis dragen! Men zal u +verbinden! Is 't ernstig? hoe zal ik u nemen, om u niet zeer te +doen? Waar hebt ge pijn? Hulp! Mijn God! Maar waarom zijt ge hier +gekomen?" + +En hij poogde zijn arm onder haar te schuiven om haar op te +tillen. Terwijl hij haar ophief, ontmoette hij haar hand. + +Zij slaakte een flauwen kreet. + +"Heb ik u zeer gedaan?" vroeg Marius. + +"Een weinig." + +"Maar ik heb slechts uw hand geraakt." + +Zij hief de hand op voor Marius' oogen, en Marius zag in 't midden +dezer hand een zwarte opening. + +"Wat deert u aan de hand?" vroeg hij. + +"Zij is doorboord." + +"Doorboord?" + +"Ja." + +"Waarmede?" + +"Met een kogel." + +"Hoe?" + +"Hebt ge een geweer gezien, dat op u was aangelegd?" + +"Ja, en een hand, die er zich tegen hield." + +"'t Was de mijne." + +Marius rilde. + +"Welke dwaasheid. Arm meisje! Maar des te beter; wanneer 't zoo is, +zal 't geen gevaar hebben; laat mij u op een bed dragen! Men zal u +verbinden; men sterft niet van een doorschoten hand." + +Zij fluisterde: + +"De kogel heeft de hand doorboord, maar is door den rug uitgekomen. 't +Is onnoodig mij van hier te verwijderen. Ik zal u zeggen, hoe gij +mij, beter dan een wondheeler, verbinden kunt. Zet u naast mij op +dezen steen." + +Hij gehoorzaamde; zij legde het hoofd op de knieën van Marius, en +zonder hem te aanschouwen, zeide zij: + +"O, hoe goed! hoe wèl ben ik nu! Zie, nu lijd ik niet meer." + +Zij zweeg een oogenblik, toen draaide zij met moeite haar gezicht om +en zag Marius aan. + +"Weet ge, mijnheer Marius? Het griefde mij, dat ge dien tuin +binnengingt; 't was dwaas, want ik had u immers het huis gewezen, +en buitendien moest ik toch weten, dat een jongeling als gij..." + +Zij zweeg, en van de treurige gedachten, die waarschijnlijk haar geest +vervulden, tot iets anders overgaande, vroeg zij met een smartelijken +glimlach: + +"Gij vindt mij leelijk, niet waar?" + +Zij vervolgde: + +"Weet ge, ge zijt verloren! Niemand zal thans de barricade kunnen +verlaten. Ik ben 't, die u hier heb gevoerd. Ge zult sterven; ik reken +er zeker op. Evenwel bracht ik, toen ik zag dat men op u aanlegde, +mijn hand voor den loop van het geweer. 't Is waar! maar ik wilde +vóór u sterven. Toen ik den kogel ontving, sleepte ik mij hier heen; +men heeft mij niet gezien, men heeft mij niet opgepakt. Ik wachtte u, +en dacht: Hij zal dus niet komen? O! zoo ge 't wist; ik beet in mijn +kiel, zoo'n pijn had ik. Op 't oogenblik ben ik wèl. Herinnert ge u den +dag, toen ik uw kamer binnentrad, toen ik mij in uw spiegel spiegelde, +en den dag toen ik u op den boulevard ontmoette. Hoe zongen de vogels +toen! 't Is nog niet lang geleden. Gij gaaft mij vijf francs en ik +zeide tot u: Ik wil uw geld niet. Hebt ge ten minste het geldstuk +opgeraapt? Ge zijt niet rijk. Ik dacht er niet aan, u te zeggen het +weer op te rapen. De zon scheen, en 't was niet koud. Herinnert ge u, +mijnheer Marius? O! ik ben gelukkig! Iedereen moet sterven!" + +Zij had een verwilderd, ernstig en smartelijk voorkomen. Haar +gescheurde kiel liet haar naakte borst zien. Zij hield, terwijl ze +sprak, haar doorschoten hand tegen haar borst gedrukt, waar een andere +opening was, en waaruit nu en dan een stroom bloed vloeide als wijn +uit een open spongat. + +Marius beschouwde het ongelukkig schepsel met innig medelijden. + +"O!" riep zij eensklaps uit, "nu komt het weder. Ik stik." + +Zij greep haar kiel en beet er in; haar beenen verstijfden op de +straatsteenen. + +Juist klonk de jonge hanenstem van den kleinen Gavroche in de +barricade. De knaap was op een tafel geklommen om zijn geweer te +laden en zong vroolijk het toen in de mode zijnde liedje: + + + En voyant Lafayette, + Le gendarme répête: + Sauvons nous! sauvons nous! sauvons nous! [12] + + +Eponine richtte zich op, luisterde, en prevelde: + +"Hij is 't." + +Zij wendde zich tot Marius: + +"Mijn broeder is daar. Hij mag mij niet zien. Hij zou mij beknorren." + +"Uw broeder?" vroeg Marius, die in het bitterste en smartelijkste +van zijn hart aan de plichten dacht, welke zijn vader hem jegens het +gezin Thénardier had opgedragen; "wie is uw broeder?" + +"Die kleine jongen." + +"Die zingt?" + +"Ja." + +Marius keerde zich om. + +"Ach, ga niet heen," zeide zij; "'t zal nu niet lang meer duren." + +Zij had zich bijna ten halve opgericht, maar haar stem was zeer +zwak en werd door den hik afgebroken. Bij tusschenpoozen rochelde +zij. Zij bracht haar gezicht zoo dicht zij kon bij dat van Marius, +en zeide met zonderlinge uitdrukking: + +"Luister, ik wil u in niets misleiden. Ik heb een brief voor u in mijn +zak. Sedert gisteren. Men had mij gezegd hem op de post te brengen. Ik +heb hem gehouden. Ik wilde niet, dat ge hem kreegt. Maar ge zult +zeker kwaad op mij zijn, wanneer wij elkander straks wederzien. Men +ziet elkander immers weder, niet waar? neem uw brief." + +Zij greep krampachtig met haar doorboorde hand de hand van Marius, +maar zij scheen geen pijn meer te gevoelen. Zij bracht de hand van +Marius in den zak van haar kiel. Marius voelde er inderdaad een papier. + +"Neem," zeide zij. + +Marius nam den brief. + +Zij gaf een teeken van tevredenheid en toestemming. + +"Beloof mij nu, voor mijn moeite..." + +Zij hield op. + +"Wat?" vroeg Marius. + +"Beloof mij!" + +"Ik beloof u." + +"Beloof, dat ge mij een kus op 't voorhoofd zult geven, wanneer ik +dood ben.--Ik zal het voelen." + +Zij liet haar hoofd weder op Marius' knieën zinken en haar oogen +sloten zich. Hij meende, dat haar arme ziel ontvloden was. Eponine +bleef bewegingloos; eensklaps, juist toen Marius geloofde dat zij den +eeuwigen slaap was ingegaan, opende zij langzaam haar oogen, waarin +de sombere donkerheid des doods scheen, en zij zeide met een stem, +wier zachtheid reeds uit een andere wereld scheen te komen: + +"En hoor, mijnheer Marius, ik geloof, dat ik een weinig op u verliefd +was." + +Zij poogde nog te glimlachen, en stierf. + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +GAVROCHE, EEN DIEPZINNIG BEREKENAAR DER AFSTANDEN. + + +Marius hield zijn woord. Hij drukte een kus op het bleeke voorhoofd, +dat met een koud zweet was bepareld. 't Was geen ontrouw jegens +Cosette; 't was het ernstig en teeder afscheid van een ongelukkige +ziel. + +Niet zonder eene heimelijke siddering had hij den brief genomen, +dien Eponine hem gegeven had. Hij had terstond iets gewichtigs +vermoed. Hij was ongeduldig om hem te lezen. Zoo is het menschelijk +hart; nauwelijks had het ongelukkig meisje de oogen gesloten, of +Marius dacht er aan den brief te openen. Hij liet haar zacht op de +aarde glijden en verwijderde zich. Iets zeide hem, dat hij dien brief +niet in de tegenwoordigheid van dat lijk mocht lezen. + +Hij trad naar een kaars in het beneden vertrek. 't Was een met de +netheid der vrouwen toegevouwen en verzegeld briefje. Het adres was +van een vrouwenhand en luidde: + +"Aan mijnheer, den heer Marius Pontmercy, ten huize van den heer +Courfeyrac, straat Verrerie, No. 16." + +Hij brak het briefje open en las: + +"Mijn zeer geliefde! Mijn vader wil, helaas! dat wij terstond +vertrekken. Van avond zullen wij in rue de l'Homme-Armé No. 7 +zijn. Binnen acht dagen zijn wij te Londen.--Cosette, 4 Juni." + +Zoo onschuldig was deze liefde, dat Marius zelfs Cosettes handschrift +niet kende. + +Wat gebeurd was, kan in weinige woorden verhaald worden. Eponine had +alles gedaan. Na den avond van den 3 Juni had zij een tweevoudige +gedachte: de plannen van haar vader en de bandieten op het huis in de +straat Plumet te verijdelen, en Marius van Cosette te scheiden. Zij had +haar lompen verruild met die van den eersten den besten jongen snaak, +die er vermaak in vond zich als vrouw te kleeden, terwijl Eponine +zich als man verkleedde. Zij was het, die op het Marsveld aan Jean +Valjean deze uitdrukkelijke waarschuwing had gegeven: "verhuis." Jean +Valjean was inderdaad naar huis gekeerd en had aan Cosette gezegd: +"Wij vertrekken van avond en gaan met vrouw Toussaint naar de rue de +l'Homme-Armé. In de volgende week zullen wij te Londen zijn." Door dien +onverwachten slag verpletterd had Cosette haastig aan Marius een paar +regels geschreven. Maar hoe ze op de post te bezorgen. Zij ging niet +alleen uit, en vrouw Toussaint zou, verwonderd over zulk een boodschap, +stellig den brief aan mijnheer Fauchelevent hebben vertoond. In deze +verlegenheid had Cosette door het hek heen Eponine gezien, die in +manskleederen om den tuin zwierf. Cosette had "dien jongen werkman" +geroepen, hem vijf francs en den brief gegeven, zeggende: "breng +dien brief dadelijk aan het adres." Eponine had den brief in haar +zak gestoken. Den volgenden dag, den 5 Juni, was zij naar Courfeyrac +gegaan, en had naar Marius gevraagd, niet om hem dezen brief ter hand +te stellen, maar om iets te doen, 't welk ieder jaloersch en beminnend +hart zal begrijpen, om "te zien." Daar had zij Marius, of ten minste +Courfeyrac, gewacht--altijd om te zien.--Toen Courfeyrac haar had +gezegd: wij gaan naar de barricade, was haar een denkbeeld in 't hoofd +gekomen: zich aan dien dood over te geven, zooals zij zich aan ieder +anderen dood zou hebben overgegeven, en er Marius in te storten. Zij +was Courfeyrac gevolgd, zij had kennis genomen van de plaats waar de +barricade werd opgericht; en, overtuigd, dat Marius, die geen bericht +had ontvangen en wiens brief zij had onderschept, tegen den avond +zich naar de gewone vereenigingsplaats van elken avond zou begeven, +was zij naar de straat Plumet gegaan, had er Marius gewacht en hem +in naam zijner vrienden de oproeping gedaan, die, zoo zij meende, +hem naar de barricade moest voeren. Zij rekende op de wanhoop van +Marius, wanneer hij Cosette niet vond; zij bedroog zich niet. Toen +was zij naar de straat Chanvrerie wedergekeerd. Men heeft gezien, +wat zij er deed. Zij was gestorven met die treurige blijdschap der +jaloersche harten, welke het beminde wezen in hun dood medesleepen, +en die zeggen: niemand zal hem hebben! + +Marius bedekte Cosettes brief met kussen. Zij beminde hem dus! Een +oogenblik dacht hij, dat hij nu niet meer moest sterven. Maar toen +zeide hij tot zich zelven: "Zij vertrekt. Haar vader voert haar mede +naar Engeland, en mijn grootvader weigert mij te laten trouwen. Niets +is in het ongelukkige lot veranderd." Peinzers als Marius hebben +zulke vlagen van diepe zwaarmoedigheid, waaruit wanhopige besluiten +ontstaan. De last des levens wordt ondragelijk; de dood maakt er +een spoedig einde aan. Toen dacht hij, dat hij twee plichten had +te vervullen: Cosette van zijn dood kennis geven en haar een laatst +vaarwel zenden, en den armen knaap, Eponines broeder en Thénardiers +zoon, uit het dreigende gevaar, dat naderde, redden. + +Hij had een portefeuille bij zich; dezelfde welke het boekje had bevat, +waarin hij zooveel liefdesgedachten voor Cosette geschreven had. Hij +scheurde er een blaadje uit en schreef met potlood deze weinige regels: + +"Ons huwelijk was onmogelijk. Ik heb mijn grootvader verzocht, hij +heeft geweigerd; ik ben zonder fortuin, gij insgelijks. Ik ijlde +tot u, maar vond u niet meer; gij weet welk woord ik u gegeven heb, +ik houd het. Ik sterf. Ik bemin u. Wanneer gij dit leest, zal mijn +ziel bij u zijn en tot u lachen." + +Niets hebbende om den brief te verzegelen, vouwde hij hem slechts in +vieren en schreef er dit adres op: + +"Aan mejuffrouw Cosette Fauchelevent, ten huize van den heer +Fauchelevent, rue de l'Homme-Armé No. 7." + +Na den brief dichtgevouwen te hebben, bleef hij een oogenblik in +gedachten, nam weder zijn portefeuille, opende ze en schreef met +hetzelfde potlood op de eerste bladzijde deze vier regels: + +"Ik heet Marius Pontmercy. Men brenge mijn lijk bij mijn grootvader, +den heer Gillenormand, straat Filles-du-Calvaire, No. 6, au Marais." + +Hij stak de portefeuille weder in zijn rokzak, en riep Gavroche. Op +de stem van Marius ijlde de straatjongen bereidvaardig en vroolijk toe. + +"Wilt ge iets voor mij doen?" + +"Alles," zei Gavroche. "Mijn lieve Hemel, zonder u was ik om zeep +geweest." + +"Ge ziet dezen brief?" + +"Ja." + +"Neem hem. Verlaat dadelijk de barricade (Gavroche begon, verontrust, +zich achter 't oor te krabben) en bezorg hem morgenochtend aan 't +adres, aan mejuffrouw Cosette, ten huize van den heer Fauchelevent, +rue de l'Homme-Armé No 7." + +De moedige knaap hernam: + +"Heel gaarne! Maar men zal intusschen de barricade innemen, en ik +zal er niet bij zijn." + +"De barricade zal volgens alle waarschijnlijkheid niet eerder dan +met het aanbreken van den dag aangevallen en niet voor morgen-middag +ingenomen worden." + +Inderdaad lieten de aanvallers de barricaden nog altijd met rust. 't +Was een dier pauzen, die in nachtelijke gevechten niet zeldzaam zijn, +en die steeds door te geweldiger aanvallen gevolgd worden. + +"Zoo ik uw brief nu morgenochtend bracht?" zei Gavroche. + +"Dan zal het te laat zijn. Vermoedelijk zal de barricade belegerd en +zullen alle straten bewaakt worden, zoodat gij niet meer weg zoudt +kunnen komen. Ga dadelijk." + +Gavroche wist niets hierop te antwoorden; hij bleef, besluiteloos en +treurig zijn oor krabbende, staan. Eensklaps nam hij met een zijner +eigenaardige bewegingen, den brief. + +"'t Is goed," zeide hij. + +Toen liep hij ijlings door de straat Mondétour. + +Een gedachte, die bij Gavroche was ontstaan, maar welke hij verzweeg, +uit vrees dat Marius er tegenwerping op zou maken, bracht hem tot +een besluit. Deze gedachte was: + +"'t Is nauwelijks middernacht; de rue de l'Homme-Armé is niet ver, +ik ga dadelijk den brief bezorgen en zal bijtijds terug zijn." + + + + + + + +BOEK XV. + +DE RUE DE L'HOMME-ARMÉ. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +DRINKER, BABBELAAR. [13] + + +Wat beteekent de onrust eener stad in vergelijking met het oproer der +ziel? De mensch is een nog ondoorgrondelijker diepte dan het volk. Jean +Valjean was op dit oogenblik ter prooi aan een vreeselijken inwendigen +storm. Al de afgronden hadden zich opnieuw in hem geopend. Ook +hij sidderde, evenals Parijs, op den drempel van een vreeselijke en +duistere revolutie. Eenige uren waren daartoe voldoende geweest. Zijn +lot en zijn geweten waren plotseling in schaduwen gehuld. Van hem +kon men evenzeer als van Parijs zeggen: de twee beginselen staan +tegenover elkander. De witte engel en de zwarte engel waren op 't +punt elkander op de brug boven den afgrond aan te grijpen. Wie van +beiden zal den andere er in storten? Wie zal overwinnen? + +Den avond voor den 5den Juni was Jean Valjean, vergezeld van Cosette +en van vrouw Toussaint, een woning in de rue de l'Homme Armé gaan +betrekken. Daar wachtte hem een voorval. + +Cosette had niet zonder een poging tot wederstand de straat Plumet +verlaten. Voor het eerst, sedert zij met elkander leefden, was de wil +van Cosette met dien van Jean Valjean in tegenspraak, en waren beiden, +zoo niet in botsing, ten minste in wrijving met elkander geweest. Aan +de eene zijde had zich tegenwerping, aan de andere onwrikbaarheid +bevonden. De plotselinge raad: "Verhuis", Jean Valjean zoo ruw door +een onbekende toegeworpen, had hem zoodanig verontrust, dat hij +gebiedend was geworden. Hij meende, dat hij ontdekt en vervolgd werd, +en Cosette had moeten zwichten. + +Beiden waren in de rue de l'Homme Armé aangekomen, zonder den mond +te openen of elkander een woord te zeggen, en ieder aan zijn eigen +gedachten overgegeven; Jean Valjean zoo ongerust, dat hij Cosettes +treurigheid niet zag, Cosette zoo treurig, dat zij Jean Valjeans +ongerustheid niet zag. + +Jean Valjean had vrouw Toussaint medegenomen, 't geen hij nooit bij +zijne vorige afwezigheden gedaan had. Hij vermoedde, dat hij misschien +niet meer naar de straat Plumet zou wederkeeren, en kon evenmin vrouw +Toussaint er achterlaten als haar zijn geheim zeggen. Bovendien hield +hij haar voor trouw en eerlijk. Het verraad van den dienstbode jegens +den meester begint met de nieuwsgierigheid. En vrouw Toussaint, als +ware zij voorbestemd om Jean Valjeans dienstmeid te zijn, was niet +nieuwsgierig. Zij zeide, met haar hakkelende tong en boersche taal: +"Zoo ben ik, ik doe mijn werk; het overige gaat mij niet aan." + +Bij het verlaten der straat Plumet, dat schier een vlucht was geweest, +had Jean Valjean niets medegenomen dan het kleine welriekend valies, +'t welk Cosette met den naam van "onafscheidelijke" had gedoopt. Volle +koffers hadden kruiers vereischt en kruiers zijn getuigen. Men had +een huurrijtuig voor de deur in de Babelstraat doen komen en daarmede +was men vertrokken. + +Met veel moeite had vrouw Toussaint verlof verkregen om eenig lijnwaad, +kleederen en lijfsbehoeften in te pakken, Cosette had niets dan haar +schrijfgereedschap en schrijfportefeuille medegenomen. + +Ten einde de eenzaamheid en het duistere dezer verdwijning te +vermeerderen, had Valjean het zoo geschikt, dat hij niet eerder dan +tegen het vallen van den avond het huis der straat Plumet verliet, +'t geen aan Cosette den tijd had gelaten Marius een briefje te +schrijven. Eerst toen het geheel donker was, kwam men in de rue +de l'Homme-Armé. + +Zwijgend was men te bed gegaan. + +De woning in de rue de l'Homme-Armé was op een achterplaats gelegen, op +de tweede verdieping, en bestond uit twee slaapkamers, een eetkamer, +en daarnaast een keuken met opkamertje, waar een bed stond, dat +vrouw Toussaint ten deel viel. De eetkamer was tevens de voorkamer +en scheidde de twee slaapvertrekken. De woning was van het noodige +huisraad voorzien. + +Men stelt zich schier even onverstandig weder gerust als men zich +verontrust: zóó is de menschelijke natuur. Nauwelijks was Jean +Valjean in de rue de l'Homme-Armé, of zijn angst verminderde en +verdween allengskens geheel. Er zijn plaatsen van rust, die om zoo +te spreken onwillekeurig op den geest werken. Een afgelegen straat +heeft gewoonlijk vreedzame bewoners. Jean Valjean ondervond als 't +ware de aanstekelijke kalmte dezer steeg van het oude Parijs, welke +zoo nauw is, dat ze voor de rijtuigen met een boom is afgesloten, +die doof en stom te midden der woelige stad, duister op den middag en, +om zoo te spreken, onvatbaar is voor aandoeningen, tusschen haar twee +rijen hooge honderdjarige huizen, die zwijgen als grijsaards. In deze +straat heerscht een terughoudende vergetelheid. Jean Valjean ademde +er gerust. Hoe zou men hem daar vinden? + +Zijn eerste zorg was zijn "onafscheidelijke" nabij zich te nemen. + +Hij sliep gerust. De nacht brengt raad; men kan er bijvoegen: de +nacht brengt kalmte. Den volgenden ochtend ontwaakte hij schier +vroolijk. Hij vond de eetzaal fraai, die leelijk was en gemeubeld +met een oude ronde tafel, een laag buffet, waar boven een spiegel, +een vermolmden armstoel en eenige stoelen, waarop vrouw Toussaint +haar pakken had gelegd. In een dier pakken zag men door een opening +Jean Valjeans uniform van nationale garde. + +Cosette had zich door vrouw Toussaint een kom bouillon in haar kamer +laten brengen, en kwam eerst des avonds te voorschijn. + +Tegen vijf ure had vrouw Toussaint, die, zeer druk met deze kleine +verhuizing, heen en weder liep, in de eetkamer een koud hoen +opgezet. Uit liefde voor haar vader, hield Cosette hem aan tafel +gezelschap. + +Daarna had zij echter, onder voorwendsel van hevige hoofdpijn, Jean +Valjean goedennacht gezegd en zich naar haar slaapkamer begeven. Jean +Valjean had met smaak een hoenderboutje genuttigd en werd allengs +geruster, zoo zelfs, dat hij nu, behagelijk met de ellebogen op de +tafel geleund, zich geheel veilig achtte. + +Terwijl hij dit sober maal deed, had hij twee of driemalen vrouw +Toussaint stamelend hooren zeggen: "Mijnheer, er is wat te doen, +men vecht in Parijs." Maar in zijn overleggingen verdiept, had hij +er geen acht op geslagen. Om de waarheid te zeggen, had hij 't niet +recht verstaan. + +Hij stond op en wandelde heen en weder van het raam naar de deur, +en van de deur naar 't raam, hoe langer hoe meer gerustgesteld. + +Met zijn kalmte keerde ook Cosette, zijn eenige zorg, in zijn +gedachten terug. Niet dat deze hoofdpijn, deze zenuwachtigheid, +een meisjesgril, een voorbijgaande wolk, hem ontstelde; dit alles +zou immers binnen een paar dagen over zijn; maar hij dacht aan de +toekomst, en als gewoonlijk, dacht hij er met genoegen aan. Alles wel +overwogen, zag hij geen verhindering, dat zijn gelukkig leven opnieuw +zou beginnen. In sommige uren schijnt alles onmogelijk, in andere +alles gemakkelijk; Jean Valjean was in een dier gunstige uren. Zij +komen gewoonlijk na de kwade, gelijk de dag na den nacht, ten gevolge +dier wet van opvolging en tegenstelling, welke in den aard der natuur +ligt en die de oppervlakkigen eenvoudig afwisseling noemen. In de +vreedzame straat, waar hij de wijk nam, maakte Jean Valjean zich van +alles los wat hem sedert eenigen tijd bekommerd had. Juist wijl hij +veel duisters had gezien, begon hij nu eenig licht te bespeuren. Zoo, +zonder verwikkeling of ongeval, de straat Plumet te hebben verlaten, +dit was reeds een heelen stap verder. 't Zou misschien verstandig +zijn, het land te verlaten, al ware het maar voor eenige maanden, en +naar Londen te gaan. Nu, men zou gaan. Wat deed het er toe, of hij +in Frankrijk of in Engeland was, mits hij slechts Cosette bij zich +had? Cosette was zijn natie. Cosette was voldoende voor zijn geluk; +het denkbeeld, dat hij voor Cosettes geluk niet genoegzaam was, welk +denkbeeld hem vroeger koortsen en slapelooze nachten had bezorgd, kwam +zelfs niet in hem op. Hij was in de vergetelheid van al zijn verledene +smarten en zag alles rooskleurig. Wijl Cosette bij hem was, scheen +zij hem te behooren; een optische misleiding, welke iedereen gevoeld +heeft. Hij overlegde bij zich zelven, met de grootste gemakkelijkheid, +zijn reis naar Engeland met Cosette, en zag zijn geluk in 't verschiet +zijner droomen weder opgebouwd, om 't even waar. + +Terwijl hij langzaam heen en weder door de kamer wandelde, viel zijn +blik plotseling op iets zonderlings. + +Vóór hem zag en las hij in den vooroverhangenden spiegel boven het +buffet duidelijk de volgende regels: + +"Mijn zeer geliefde! Mijn vader wil, helaas! dat wij terstond +vertrekken. Van avond zullen wij in de rue de l'Homme-Armé No. 7 +zijn. Binnen acht dagen zijn wij te Londen.--Cosette, 4 Juni." + +Jean Valjean bleef verbaasd staan. + +Cosette had, bij haar aankomst, haar schrijfportefeuille op het +buffet voor den spiegel gelegd, en, geheel met haar smartelijken +angst vervuld, die er laten liggen zonder zelfs op te merken dat ze +open was, en wel juist ter plaatse waar zij op de door haar geschreven +regels had gedrukt, om ze te drogen, en welke zich op het vloeipapier +hadden afgedrukt. + +De spiegel weerkaatste het geschrevene. + +Het gevolg hiervan was, wat men in de meetkunst een gelijkvormige +figuur noemt; het op het vloeipapier omgekeerde schrift vertoonde zich +recht in den spiegel, zoodat Jean Valjean nu den brief voor zich zag, +welken Cosette den vorigen dag aan Marius had geschreven. + +'t Was zeer eenvoudig en toch verpletterend. + +Jean Valjean trad naar den spiegel. Hij herlas de vijf regels, +maar kon ze niet gelooven. Zij kwamen hem voor als vertoonden zij +zich in een bliksemstraal. 't Was een gezichtsbegoocheling. 't Was +onmogelijk. 't Kon niet zijn. + +Allengs werd zijn begrip helderder; hij beschouwde Cosettes +schrijfportefeuille, en de werkelijkheid vertoonde zich voor hem. Hij +nam de portefeuille en zeide: 't Komt hiervan. Koortsachtig beschouwde +hij de op het vloeipapier gedrukte regels, de omgekeerde letters +vormden een verward gekrabbel, 't geen hij niet kon ontcijferen. Toen +dacht hij: Maar dit beteekent niets, daar staat niets geschreven. En +onuitsprekelijk verlicht ademde hij ruimer. Wie heeft niet in +vreeselijke oogenblikken zulk een domme vreugd gehad? De ziel geeft +zich niet aan wanhoop over, zonder alle illusiën uitgeput te hebben. + +Hij hield de schrijfportefeuille in de hand en beschouwde ze, +dwaselijk verblijd, bijna lachende om het gezichtsbedrog, dat hem +misleid had. Eensklaps viel zijn blik weder op den spiegel en hij +zag opnieuw de verschijning. Met onverbiddelijke juistheid teekenden +er zich de vijf regels op af. 't Was nu geen zinsbegoocheling; de +terugkomst eener verschijning is een wezenlijkheid; 't was duidelijk, +dat het omgekeerde schrift in den spiegel nu recht stond. Hij begreep. + +Jean Valjean waggelde, liet de schrijfportefeuille ontglippen en +zonk op den ouden armstoel naast het buffet, met neergezonken hoofd, +strak, verwilderd oog. Hij zeide bij zich zelven, dat het duidelijk +was, dat het licht der wereld voor altijd verduisterd was, en dat +Cosette dit aan iemand geschreven had. Toen hoorde hij zijn ziel, +weder woest geworden, in de duisternis een gesmoord gebrul slaken. Ga +den leeuw den hond ontnemen, dien hij in zijn hok heeft. + +'t Was een zonderlinge en treurige omstandigheid; Marius had op +dit oogenblik den brief van Cosette nog niet; het toeval had hem +verraderlijk aan Jean Valjean gebracht, vóór hem aan Marius ter hand +te stellen. + +Tot hiertoe was Jean Valjean door geen beproevingen overwonnen. Hij +was aan vreeselijke verzoekingen blootgesteld geweest; geen slagen +van den tegenspoed waren hem gespaard; de wreedheid van het lot, +gewapend met al den haat en al de verachting der maatschappij, had hem +tot doel gekozen en aangegrepen. Voor niets was hij teruggedeinsd, +voor niets was hij gezwicht. Toen hij moest, had hij zich aan alle +uitersten onderworpen; hij had zijn herkregen onschendbaarheid als +mensch opgeofferd, zijn vrijheid overgeleverd, zijn hoofd gewaagd, +alles verloren, alles geleden, en was onbaatzuchtig en stoïcijnsch +gebleven, zelfs in zóóverre, dat men soms zou gedacht hebben, +dat hij zich zelven geheel vergat, gelijk een martelaar. Zijn door +alle mogelijke aanvallen van den tegenspoed verstaald gemoed scheen +onverwinnelijk. Maar wie zijn binnenste had gezien, zou hebben moeten +bekennen, dat het thans zwak was. + +Immers van al de folteringen, waarmede het lot hem zoolang vervolgd +had, was deze de schrikkelijkste. Nimmer had hem zulk een klauw +gegrepen. Al zijn geheime gevoelens waren in oproer. Al zijn zenuwen +waren pijnlijk aangedaan. Helaas, de grootste beproeving, of liever +de eenige beproeving, is het verlies van het beminde voorwerp. + +De arme oude Jean Valjean beminde Cosette zekerlijk niet anders +dan als een vader; maar in dit vaderlijk gevoel, gelijk wij bereids +hebben doen opmerken, had zijn ongehuwd leven alle soorten van liefde +gebracht: hij beminde Cosette als zijn dochter, als zijn moeder, als +zijn zuster; en wijl hij nooit een minnares of echtgenoot gehad had, +en de natuur een schuldeischer is die geen protest wil, had zich ook +dit gevoel, het onuitroeibaarste van alle, gevoegd bij de andere, +flauw, rein door de reinheid der verblinding, onbewust van zich +zelve hemelsch, engelachtig, goddelijk; minder als gevoel dan als +instinct, minder als instinct dan als een onmerkbare en onzichtbare, +maar wezenlijke bekoorlijkheid; en de eigenlijke liefde, was in zijn +overgroote teederheid voor Cosette als de goudader in de donkere en +nog niet ontgonnen mijn. + +Men herinnere zich den toestand van Valjeans hart, welken wij bereids +aangewezen hebben. Geen huwelijk was tusschen hen mogelijk, zelfs niet +dat der zielen, en echter was het stellig dat beider lot verbonden +was. Uitgezonderd Cosette, namelijk een kind, had Jean Valjean zijn +geheele leven lang niets gekend, dat men beminnen kan. De elkander +opvolgende hartstocht en liefde hadden bij hem niet dat afwisselend +groen-lichtgroen op donkergroen voortgebracht, 't welk men op de +bladeren ziet, die den winter doorstaan, en op de menschen, die over +de vijftig jaren komen. Kortom, deze inwendige samensmelting, dat +geheel, waarvan de uitkomst een verhevene deugd was, had eindelijk +van Jean Valjean een vader voor Cosette gemaakt. Een zonderlinge +vader, samengesteld uit grootvader, zoon, broeder en echtgenoot, +die in Jean Valjean woonden; een vader, waarin zelfs een moeder was; +een vader die Cosette beminde en aanbad, en voor wien het kind licht, +woonplaats, familie, vaderland en hemel was. + +Toen hij nu zag, dat dit bepaald voorbij was, dat zij hem ontsnapte, +dat zij uit zijn handen glipte, dat zij water, nevel was, toen hij +voor zijn oogen deze verpletterende waarheid zag: Een ander is het +doel van haar hart, een ander is de wensch haars levens; zij heeft een +minnaar; ik ben slechts de vader; ik besta niet meer;--toen hij niet +langer kon twijfelen en tot zich zelven zeide: Zij verwijdert zich van +mij!--overtrof de smart, welke hij gevoelde, alle voorstelling. Alles +te hebben gedaan, wat hij had gedaan, om op dit punt te komen! en +om inderdaad niets te zijn. Toen, zooals wij gezegd hebben, huiverde +hij van weerzin van het hoofd tot de voeten. Hij gevoelde tot in de +wortels van zijn haar zijn zelfzucht ontwaken, en het ik brulde in +den afgrond van dezen man. + +Er zijn inwendige instortingen. Een wanhopige zekerheid dringt niet +bij den mensch binnen zonder zekere diepe elementen te verwijderen +en te verbreken, welke soms de mensch zelf zijn. Wanneer de smart tot +dien graad is gekomen, nemen al de krachten van het zelfbewustzijn de +vlucht. 't Is een noodlottige crisis. Weinigen onzer komen er ongedeerd +en trouw aan den plicht uit te voorschijn. Zoodra de grens van het +lijden overschreden is, wankelt zelfs de onwrikbaarste deugd. Jean +Valjean nam de schrijfportefeuille en overtuigde zich nogmaals; hij +bleef met strakken blik als versteend over deze onloochenbare regels +gebogen; er pakte zich in zijn binnenste zulk een machtige wolk te +zamen, dat men zou gemeend hebben, dat dit geheel inwendig bestaan +zou verpletterd worden. + +Hij onderzocht deze openbaring, door 't vergrootglas zijner gepeinzen, +met eene schijnbare kalmte, die vreeselijk was, want het is inderdaad +verschrikkelijk, wanneer de kalmte van den mensch de koelheid van +een standbeeld bereikt. + +Hij mat den schrikbarenden stap, dien zijn lot had gedaan zonder +dat hij het vermoedde; hij herinnerde zich zijn vrees van den vorigen +zomer, welke hij zoo dwaselijk verdreven had; hij ontdekte den afgrond; +'t was altijd dezelfde, maar nu bevond zich Jean Valjean niet meer +op den rand er van, maar op den bodem. + +'t Was een vreemde en smartelijke zaak; hij was gevallen zonder 't +bemerkt te hebben. Al het licht zijns levens was verdwenen, hoewel +hij gemeend had steeds de zon te zien. + +Zijn instinct aarzelde niet. Hij bracht sommige omstandigheden, sommige +daden, het blozen en verbleeken van Cosette in sommige gevallen, +met elkander in verband, en zeide bij zich zelven: "Hij is 't." De +scherpzinnigheid der wanhoop is een soort van geheimzinnige boog, +die nooit zijn doel mist. Terstond bij zijn eerste gissing trof hij +Marius. Hij kende den naam niet, maar vond dadelijk den man. Hij +zag duidelijk op den bodem zijner onverbiddelijke herinnering, +den onbekenden zwerver van het Luxembourg, dien ellendigen jager +op minnarijen, dien romantischen lediglooper, dien dwaas, dien +laaghartige, want 't is een laaghartigheid meisjes toe te lonken, +terwijl haar vader, die haar bemint, naast haar zit. + +Na zich volkomen overtuigd te hebben, dat de jongeling hier in 't spel +was en alles van hem was gekomen, sloeg Jean Valjean,--de herboren +man, de man die zooveel aan zijn ziel gewerkt had, de man die zooveel +pogingen had gedaan, zijn leven, zijn ellende en rampen in liefde op +te lossen, een blik in zich zelven en zag een spook--den haat. + +De grootste smarten bevatten afmatting en moedeloosheid. De mensch, +bij wien zij binnentrekken, voelt, dat hem iets verlaat. In de jeugd +is haar bezoek treurig, later is het heilloos. Helaas! wanneer het +bloed warm, het haar zwart is, wanneer het hoofd recht op het lichaam +staat, gelijk de vlam op de kaars, wanneer de rol van het lot nog +bijna geheel vol is, wanneer het hart, vervuld met eene gelukkige +liefde, nog met volle kracht klopt, wanneer men nog den tijd voor zich +heeft om te kunnen herstellen; wanneer men al de vrouwen, de lonken, +de toekomst en den horizont nog voor zich heeft; wanneer het leven +zijn volkomen kracht heeft,--indien de wanhoop alsdan vreeselijk is, +wat moet zij dan in de grijsheid zijn, wanneer de versnellende jaren +meer en meer verzwakken, in den schemeravond des levens, wanneer men +de starren van het graf begint te zien. + +Terwijl hij aldus peinsde, trad vrouw Toussaint binnen. Jean Valjean +stond op en vroeg haar: + +"Naar welken kant is het? Weet ge het?" + +Verbaasd, wist vrouw Toussaint niets te antwoorden, dan: + +"Wat belieft u?" + +Jean Valjean hernam: + +"Hebt ge mij aanstonds niet gezegd, dat men vocht?" + +"Ach ja, mijnheer," antwoordde vrouw Toussaint. "'t Is naar den kant +van Saint-Merry." + +Uit het diepst van onzen geest komt soms, zelfs zonder dat wij het +weten, een werktuiglijke beweging. 't Was waarschijnlijk onder den +indruk van zulk een beweging, waarvan hij zich nauwelijks bewust was, +dat Jean Valjean vijf minuten later zich op de straat bevond. + +Hij zat blootshoofds op den straatpaal voor de deur van zijn huis en +scheen te luisteren. + +'t Was geheel donker geworden. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +DE STRAATJONGEN EEN VIJAND VAN LICHTEN. + + +Hoe lang bleef hij in die houding? Welke was de eb en vloed zijner +treurige gedachten? richtte hij zich weder op? bleef hij gebogen? was +hij als gebroken onder zijn zwaarmoedigheid? kon hij zich nog +oprichten en in zijn geweten op iets dat vast was steunen? Hij zou +het waarschijnlijk zelf niet hebben kunnen zeggen. + +De straat was eenzaam. Eenige angstige personen, die haastig naar huis +gingen, zagen hem nauwelijks. Ieder voor zich zelven, in tijden van +gevaar. De lantaarnopsteker kwam als gewoonlijk de lantaarn aansteken, +die vlak tegenover het huis No. 7 stond, en ging heen. Jean Valjean +zou voor dengene, die hem aldus in die schaduw had gezien, geen +levend mensch hebben geleken. Hij zat op den straatpaal voor zijn +deur, bewegingloos als een klomp ijs. De wanhoop verstijft. Men +hoorde de stormklok en onduidelijke woeste geruchten. Te midden van +dat somber gelui, vermengd met het oproer, sloeg het op St. Paul elf +uren, plechtig, zonder overhaasting; want de stormklok is de mensch; +het uur is God. De voortgang van den tijd maakte geen indruk op +Jean Valjean; hij bewoog zich niet. Intusschen ontstond omstreeks +dit oogenblik in de richting der Hallen een geweldig geschiet; het +werd door een tweede nog geweldiger gevolgd; 't was waarschijnlijk de +aanval tegen de barricade in de straat Chanvrerie, welke wij gezien +hebben, dat door Marius werd afgeslagen. Bij deze dubbele losbranding, +wier geweld door de stilte des nachts scheen versterkt, ontroerde Jean +Valjean; hij richtte zich op, naar de zijde van waar het gerucht kwam, +en zonk toen weder op den straatpaal, sloeg de armen over elkander, +en langzaam zonk zijn hoofd weder op zijn borst. + +Hij hervatte zijn somber gesprek met zich zelven. + +Eensklaps sloeg hij de oogen op; men ging in de straat, hij hoorde +voetstappen nabij zich, en bij het licht der straatlantaarn, naar +den kant der straat, die bij het Archief uitloopt, zag hij een bleek, +jeugdig en opgewekt gelaat. + +Gavroche was in de rue de l'Homme-Armé gekomen. + +Hij zag naar boven en scheen iets te zoeken. Hij zag zeer duidelijk +Jean Valjean, maar lette niet op hem. + +Na omhoog te hebben gezien, keek Gavroche nu naar beneden; hij ging +op de teenen staan en betastte de deuren en vensters der huizen; zij +waren alle gesloten en gegrendeld. Na vijf of zes derwijze versperde +huizen onderzocht te hebben, haalde de straatjongen de schouders op en +mompelde bij zich zelven: Verduiveld! Toen keek hij weder omhoog. Jean +Valjean, die een oogenblik te voren, in de gemoedsstemming, waarin +hij was, niemand toegesproken of geantwoord zou hebben, gevoelde zich +onwederstaanbaar gedrongen een woord tot dezen knaap te richten. + +"Kleine," zeide hij, "wat wilt ge?" + +"Ik heb honger," antwoordde Gavroche onbewimpeld. En hij voegde er bij: +"Kleine!? Gij zijt zelf klein." + +Jean Valjean tastte in zijn zak en haalde er een vijffrancstuk uit. + +Maar Gavroche, een soort van kwikstaart, die schielijk van de eene +tot de andere beweging overging, had een steen opgeraapt. Hij had de +lantaarn in 't oog gekregen. + +"Zoo!" zeide hij, "hebt ge hier uw lantaarns nog. Dat is niet zooals +'t behoort, vrienden! 't Is wanorde. Zij moeten stuk." + +Hij wierp den steen in de lantaarn, waarvan het glas met zulk een +gerinkel viel, dat de achter hun gordijnen verscholen bewoners van +het tegenoverstaande huis uitriepen: + +"'t Is weer als in drie-en-negentig!" + +De lantaarn schommelde hevig, het licht ging uit, en in de straat +werd het plotseling donker. + +"Zoo is 't goed, oude straat," zei Gavroche, "zet uw slaapmuts op." + +Toen zich tot Jean Valjean wendende: + +"Hoe heet dit groote gebouw aan het einde der straat? 't Is het +Archief, niet waar? Die dikke kolommen moeten even omver gehaald en +daarvan een fraaie barricade gemaakt worden." + +Jean Valjean naderde Gavroche, en zeide halfluid en als bij zich +zelven: + +"De arme jongen, hij heeft honger." + +En hij stopte hem het vijffrancstuk in de hand. + +Gavroche richtte het hoofd op, verwonderd over de grootte van het +geldstuk; hij bezag het in de duisternis, en de blankheid ervan bracht +hem in verrukking. Hij kende de vijffrancstukken van hooren zeggen; +hij had er een gunstig idée van; 't verheugde hem er persoonlijk +kennis mede te maken. + +"Laat ons het beest eens goed bekijken!" zeide hij. + +Hij beschouwde het eenige oogenblikken met verrukking; doch zich +vervolgens weder tot Jean Valjean wendende, gaf hij hem het geldstuk +terug en zeide majestueus: + +"Burger, ik werp liever lantaarns in. Neem uw wild beest terug. Ik +laat mij niet omkoopen. Het heeft vijf klauwen, maar 't zal mij +niet pakken." + +"Hebt ge een moeder?" vroeg Jean Valjean. + +Gavroche antwoordde: + +"Misschien beter dan gij." + +"Welnu," hernam Jean Valjean, "behoud dit geld dan voor uw moeder." + +Gavroche voelde zich bewogen. Hij had bovendien opgemerkt, dat de man +die tot hem sprak geen hoed op had, en dit boezemde hem vertrouwen in. + +"Waarlijk," zeide hij, "is 't niet om mij af te houden van de lantaarns +stuk te slaan?" + +"Sla alles stuk wat ge wilt." + +"Ge zijt een braaf man," zei Gavroche. + +En hij stak het vijffrancstuk in een zijner zakken. + +Met toenemend vertrouwen voegde hij er bij: + +"Woont ge in deze straat?" + +"Ja, waarom?" + +"Zoudt ge mij No. 7 kunnen wijzen?" + +"Wat wilt ge in No. 7?" + +De knaap zweeg, vreezende te veel gezegd te hebben; hij streek haastig +met zijn vingers door zijn haar en antwoordde niets dan: + +"Ha! Zoo!" + +Een denkbeeld schoot Jean Valjean door den geest. De angst geeft soms +licht. Hij zeide tot den knaap: + +"Brengt gij mij den brief, dien ik wacht?" + +"Gij?" zei Gavroche. "Ge zijt geen vrouw." + +"De brief is voor mejuffer Cosette, niet waar?" + +"Cosette?" mompelde Gavroche; "ja, ik geloof dat het die rare naam is." + +"Nu!" hernam Jean Valjean, "ik moet haar dien brief +overhandigen. Geef." + +"In dat geval moet ge ook weten, dat ik van de barricade gezonden ben?" + +"Ongetwijfeld," zei Jean Valjean. + +Gavroche stak zijn hand in een anderen zijner zakken en haalde er +een in vieren gevouwen papier uit. + +Toen op militaire wijze aanslaande, zeide hij: + +"Eerbied voor de dépêche. Zij komt van de voorloopige regeering." + +"Geef," zei Jean Valjean. + +Gavroche hield het papier boven zijn hoofd. + +"Verbeeld u niet, dat het een minnebriefje is. Het is wel voor een +vrouw, maar eigenlijk voor het volk. Wij vechten tegen de mannen, +maar eerbiedigen het schoone geslacht. Wij zijn niet als in de groote +wereld, waar lions aan chameaux minnebriefjes zenden." + +"Geef." + +"Inderdaad," hernam Gavroche, "ge schijnt mij een braaf man te zijn." + +"Geef spoedig!" + +"Ziedaar." + +En hij gaf Jean Valjean het papier. + +"Haast u nu, mijnheer Coos, wijl juffer Cosette wacht." + +Gavroche scheen zelf schik te hebben over deze woordspeling. + +Jean Valjean hernam: + +"Moet het antwoord naar Saint-Merry worden gebracht?" + +"Ge zoudt daarmede een dommen streek begaan. Deze brief komt van de +barricade in de straat Chanvrerie, en daarheen keer ik terug. Goeden +avond, burger." + +Dit gezegd hebbende verwijderde zich Gavroche, of liever vloog naar de +plaats, van waar hij gekomen was; met de snelheid van een ontsnapten +vogel. Hij verdween in de duisternis, alsof hij er een gat in boorde, +regelrecht als een kanonskogel. De rue de l'Homme Armé werd weder +stil en eenzaam; in een oogwenk was deze wonderbare knaap, die in zich +iets van de schaduw en van den droom had, tusschen de in de duisternis +bedolven huizen als een damp verdwenen; en men zou dit geloofd hebben, +zoo niet weinige minuten na zijn verdwijning het gekletter van een +stuk geslagen vensterruit en het heerlijk gerinkel van een ingeworpen +straatlantaarn opnieuw de angstige bewoners eensklaps en ruw gewekt +had. 't Was Gavroche, die door de straat du Chaume ging. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +TERWIJL COSETTE EN VROUW TOUSSAINT SLAPEN. + + +Jean Valjean ging weder in huis met den brief van Marius. Tastend +klom hij de trap op, verheugd over de duisternis, als de uil die +zijn prooi wegvoert, opende en sloot weder zacht de deur, luisterde +of hij eenig gerucht hoorde, overtuigde zich dat, naar allen schijn, +Cosette en vrouw Toussaint sliepen, wilde een zwaveltje aansteken, +dat hem echter eenige keeren door het beven zijner hand mislukte, +want 't was hem alsof hij een diefstal pleegde. Eindelijk was de kaars +ontstoken; hij zette zich aan de tafel, vouwde het papier open en las. + +Bij geweldige aandoeningen leest men niet, men knijpt, men verwoest als +'t ware het papier, dat men in de hand heeft als een offer, men kreukt +het, men drukt er vertoornd of verblijd zijn nagels in, men vliegt +naar het einde, springt het begin over, de aandacht is koortsachtig, +zij begrijpt slechts de hoofdzaak; onnauwkeurig, het wezenlijke; zij +hecht zich slechts aan één punt, en al het overige verdwijnt. In het +briefje van Marius aan Cosette, zag Jean Valjean slechts deze woorden: + +"... Ik sterf. Wanneer gij dit leest, zal mijn ziel bij u zijn." + +Door deze twee regels werd hij als verblind, hij was een oogenblik +als verplet door den omkeer van aandoeningen, welke in hem ontstond, +als duizelend van verbazing aanschouwde hij het briefje van Marius; +de dood van het gehate wezen, dit schitterend uitzicht, vertoonde +zich voor zijn oogen. + +Heimelijk slaakte hij een afschuwelijken vreugdekreet. 't Was +dus gedaan. De ontknooping was spoediger gekomen dan hij had +durven hopen. Het wezen, dat zijn lot hinderde, verdween, uit +zich zelf, vrijelijk, ongedwongen, zonder dat hij, Jean Valjean, +er iets toe gedaan had; zonder dat het zijn schuld was, ging deze +man sterven. Misschien was hij reeds dood.--Hier begon de koorts te +berekenen. Neen, hij is nog niet dood. De brief is blijkbaar geschreven +om door Cosette eerst den volgenden morgen gelezen te worden; na de +beide losbrandingen, welke men tusschen elf uren en middernacht gehoord +had, was er niets voorgevallen; de barricade zal niet ernstig worden +aangevallen dan met het aanbreken van den dag; maar om 't even, nu +"deze man" aan den krijg heeft deelgenomen, is hij verloren; hij is +door het raderwerk gevat.--Jean Valjean gevoelde zich bevrijd. Nu +zou hij wederom alleen met Cosette zijn. De mededinging hield op; +het verledene nam weder een aanvang. Hij behoefde het briefje slechts +te behouden. Cosette zou nooit weten wat van "dien man" geworden +was. Hij behoefde de dingen slechts hun loop te laten. Deze man +kon niet ontsnappen. Zoo hij nog niet dood is, zal hij toch stellig +sterven. Welk een geluk! + +Na dit alles binnensmonds gezegd te hebben werd hij somber. Vervolgens +ging hij naar beneden en wekte den portier. + +Een uur later ging Jean Valjean in de uniform van nationale garde +en gewapend uit. De portier had in de buurt gemakkelijk gevonden, +wat aan de uitrusting ontbrak. Hij had een geladen geweer en een +volle patroontasch. Hij begaf zich naar den kant des Halles. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +OVERDREVEN IJVER VAN GAVROCHE. + + +Inmiddels had Gavroche een avontuur gehad. + +Nadat hij de straatlantaarn in de rue du Chaume zooveel hij kon +verbrijzeld had, kwam hij in de rue des Vieilles-Haudriettes, en er +geen "kat of muis" ziende, vond hij de gelegenheid gunstig om het +geheele liedje dat hij kende, te zingen. + +Zijn gang, in plaats van zich door 't gezang te vertragen, werd er +eer te sneller door. En nu strooide hij als 't ware langs de slapende +of verschrikte huizen deze vurige verzen uit: + + + L'oiseau médit dans les charmilles, + Et prétend qu'hier Atala + Avec un russe s'en alla. + + Où vont les belles filles, + Lon la. + + Mon ami pierrot, tu babilles, + Parce que l'autre jour Mila + Cogna sa vitre, et m'appela. + + Où vont les belles filles, + Lon la. + + Les drôlesses sont fort gentilles; + Leur poison qui m'ensorcela + Griserait monsieur Orfila. + + Où vont les belles filles, + Lon la. + + J'aime l'amour et ses bisbilles, + J'aime Agnès, j'aime Paméla, + Lise en m'allumant se brûla. + + Où vont les belles filles, + Lon la. + + Jadis, quand je vis les mantilles + De Suzette et de Zéila, + Mon âme à leurs plis se mêla. + + Où vont les belles filles, + Lon la. + + Amour, quand, dans l'ombre où tu brilles, + Tu coiffes de roses Lola, + Je me damnerais pour cela. + + Où vont les belles filles, + Lon la. + + Jeanne, à ton miroir tu t'habilles! + Mon coeur un beau jour s'envola; + Je crois que c'est Jeanne qui l'a. + + Où vont les belles filles, + Lon la. + + Le soir, en sortant des quadrilles, + Je montre aux étoiles Stella + Et je leur dis: regardez-la. + + Où vont les belles filles, + Lon la. [14]. + + +Aan het gezang paarde Gavroche een levendig gebarenspel. Het gebaar +is de versterking der woorden. Zijn gezicht, een onuitputtelijke +verzameling van maskers, maakte grilliger en phantastischer grimassen +dan een lap linnen met gaten die in den wind fladdert. Wijl 't +ongelukkig donker en hij alleen was, werd dit noch gezien noch was +het zichtbaar. Er gaan veel schatten verloren. + +Eensklaps bleef hij staan. + +"Laat ons de romance afbreken," zeide hij. + +Zijn kattenoog had onder een koetspoort iets gezien, dat men in de +schilderkunst een geheel noemt, dat wil zeggen, een wezen en een +voorwerp; het voorwerp was een handkar, het wezen een Auvergner, +die er op sliep. + +De boomen der kar rustten op de straat, het hoofd van den Auvergner +lag op den hellenden bodem der kar, en zijn voeten raakten de +straatsteenen. + +Gavroche herkende dadelijk, met zijn ondervinding van de wereldsche +dingen, een dronkaard. + +'t Was een of ander kruier van den hoek, die te veel gedronken had +en te lang sliep. + +"Daartoe dienen nu de zomernachten," dacht Gavroche. "De Auvergner +slaapt op zijn kar. Men neemt de kar voor de republiek, en laat den +Auvergner aan de monarchie." + +Zijn geest werd door deze heldere ingeving verlicht: + +"Deze kar zou zeer goed voor onze barricade gebezigd kunnen worden." + +De Auvergner snorkte. + +Zacht trok Gavroche de kar achteruit en den Auvergner vooruit, namelijk +bij de voeten en na een minuut lag de onverstoorbare Auvergner plat +op de straat. + +De kar was nu ledig. + +Gavroche, die gewoon was op alle wijzen aan het onverwachte het hoofd +te bieden, had steeds allerlei dingen bij zich. Hij grabbelde in een +zijner zakken en haalde er een stukje papier en een eindje rood potlood +uit, dat hij van dezen of genen timmerman had gekaapt. Hij schreef: + + + "Fransche Republiek." + + +"Uw kar in ontvangst genomen." + +Hij onderteekende: "Gavroche." + +Toen dit verricht was, schoof hij het papiertje in den zak van het +manchestersche vest van den steeds ronkenden Auvergner, pakte de +boomen met beide handen en joeg in vollen galop met triompheerend +geraas de kar naar den kant des Halles. + +'t Was gevaarlijk. Bij de koninklijke drukkerij stond een +wachtpost. Gavroche dacht er niet aan. De post was bezet door nationale +garden der voorstad. De wacht werd opmerkzaam, en de hoofden richtten +zich op. Twee achter elkander verbrijzelde straatlantaarns, het +luidkeels gezongen lied, dit was te veel voor de beschroomde bewoners +dezer straten, die slapen willen voor dat de zon ondergaat, en die +zoo vroeg den domper op hun kaars zetten. Sedert een uur maakte de +straatjongen in deze vreedzame wijk het geraas van een vlieg in een +flesch. De sergeant der voorstad luisterde, en wachtte. Hij was een +voorzichtig man. + +Het geraas van het verward gerol der kar deed de maat van lijdzame +afwachting overloopen en de sergeant besluiten een verkenning te +beproeven. + +"'t Is een geheele bende," zeide hij; "laat ons voorzichtig te +werk gaan." + +'t Was duidelijk, dat de hydra der regeeringloosheid uit haar hol +was gekomen en in de wijk woedde. + +De sergeant waagde zich met zachten tred buiten den wachtpost. + +Eensklaps bevond zich Gavroche, juist toen hij met zijn kar den hoek +der straat Vieilles-Haudriettes om kwam hollen, tegenover een uniform, +een schako, een pluim en een geweer. + +Ten tweeden male bleef hij stilstaan. + +"Ha!" zeide hij, "is het dat?--Goedendag, openbare orde." + +Gavroches verbazing was gewoonlijk van korten duur en verdween spoedig. + +"Waar wilt ge heen, deugniet?" vroeg de sergeant. + +"Burger," zei Gavroche, "ik heb u niet gescholden, waarom beleedigt +ge mij?" + +"Waar gaat ge heen, snaak?" + +"Mijnheer, ge waart misschien gisteren een verstandig man, maar heden +schijnt ge het verstand afgelegd te hebben." + +"Ik vraag u, waar ge heen gaat, schobbejak?" + +Gavroche antwoordde: + +"Ge spreekt zeer lief. Waarachtig, men zou 't van uw ouderdom niet +verwachten. Gij moest ieder haartje van uw hoofd voor honderd francs +verkoopen, dat zou u vijfhonderd francs opbrengen." + +"Waar gaat ge heen? waar gaat ge heen? bandiet?" + +Gavroche hernam: + +"Dat zijn leelijke woorden. Zoodra men u weder laat zingen, moet men +u beter den mond afvegen." + +De sergeant velde de bajonnet. + +"Wilt ge mij eindelijk zeggen, waar ge heen gaat, ellendeling?" + +"Generaal," zei Gavroche, "ik ga den dokter halen voor mijn vrouw +die bevallen moet." + +"In 't geweer!" schreeuwde de sergeant. + +Zich door datgene te redden, wat ons in de val heeft gebracht, is +het meesterstuk van schrandere mannen; Gavroche mat met een blik den +geheelen toestand. 't Was de kar, die hem in gevaar had gebracht, +de kar moest hem nu helpen. + +Juist toen de sergeant op Gavroche aanstormde, rolde de kar, nu een +werptuig geworden en met alle kracht voortgejaagd, met geweld tegen +den buik van den sergeant, die achterover in de goot viel, terwijl +zijn geweer in de lucht afging. + +Op het geroep van den sergeant stormden de manschappen uit de wacht; +het geloste schot gaf aanleiding tot een algemeene losbranding op +goed geluk af, waarna men weder de geweren laadde en opnieuw begon. + +Dit schieten in den blinde duurde een goed kwartier en doodde eenige +vensterruiten. + +Intusschen hield Gavroche, die in allerijl weggeloopen was, vijf of +zes straten verder stil en zette zich buiten adem op den straatpaal +aan den hoek der straat des Enfants-rouges. + +Hij luisterde. + +Na eenige oogenblikken in den adem schietens, wendde hij zich naar +den kant waar nog als razend geschoten werd, bracht zijn linkerhand +ter hoogte van zijn neus, en stak ze driemalen vooruit, terwijl hij +met de rechterhand tegen zijn achterhoofd sloeg, een krachtig gebaar, +waarin de Parijsche straatjongen de geheele Fransche ironie vereenigt, +en dat stellig van goede uitwerking is, wijl het reeds een halve eeuw +bestaan heeft. + +Maar deze aardigheid werd door een bittere gedachte gestoord. "Ja," +zeide hij, "ik heb hier wel ongemakkelijk schik, maar ik raak van mijn +weg en zal een geduchten omweg moeten maken. Als ik nu maar bijtijds +aan de barricade ben." + +Toen trok hij verder en onder 't loopen zeide hij: "Wacht! hoe ver +was ik ook met het liedje gekomen?" + +Hij begon weder zijn lied te zingen, terwijl hij snel door de straten +liep, en zong in de duisternis: + + + Mais il reste encore des bastilles, + Et je vais mettre le holà + Dans l'ordre public que voilà. + + Où vont les belles filles, + Lon la. + + Quelqu'un veut-il jouer aux quilles? + Tout le vieux monde s'écroula. + Quand la grosse boule roula. + + Où vont les belles filles, + Lon la. + + Vieux bon peuple, à coups de béquilles, + Cassons ce Louvre où s'étala + La monarchie en falbala. + + Où vont les belles filles, + Lon la. + + Nous en avons forcé les grilles, + Le roi Charles Dix, ce jour-là + Tenait mal et se décolla. + + Où vont les belles filles, + Lon la. [15] + + +Het in 't geweer komen van den wachtpost was niet zonder gevolg. De +kar werd veroverd, de dronkaard gevangengenomen. De eene werd in een +bergplaats gebracht, de andere later als medeplichtige aan den opstand +een weinig door den krijgsraad vervolgd. Het openbaar ministerie van +dien tijd gaf bij deze gelegenheid een bewijs van zijn onvermoeibaren +ijver ter verdediging der maatschappij. + +Het avontuur van Gavroche, dat als overlevering in de wijk van den +Tempel bewaard is gebleven, is een der vreeselijkste herinneringen van +de oude burgers van het Marais, en draagt in hun geheugen den titel +van: "Nachtelijke aanval tegen den post der koninklijke drukkerij." + + + + EINDE VAN HET VIERDE DEEL. + + + + + + +INHOUD. + + +Boek I. + +Eenige bladzijden geschiedenis. + + Bladz. + I. Goed gesneden 7 + II. Slecht genaaid 12 + III. Lodewijk Filips 15 + IV. Scheuren in de fundamenten 22 + V. Feiten, waaruit de geschiedenis voortkomt, maar welke de + geschiedenis niet kent 29 + VI. Enjolras en zijn luitenants 38 + + +Boek II. + +Eponine. + + I. Het veld van de Leeuwerik 45 + II. Het ontstaan van de kiemen der misdaden in de + gevangenissen 50 + III. Vader Mabeuf heeft een verschijning 54 + IV. Marius heeft een verschijning 58 + + +Boek III. + +Het huis in de straat Plumet. + + I. Het verborgen huis 65 + II. Jean Valjean nationale garde 69 + III. Bladeren en bloesems 71 + IV. Verandering van het hek 74 + V. De roos bespeurt dat zij een wapen is 79 + VI. De veldslag begint 83 + VII. Tegen treurigheid nog grooter treurigheid 86 + VIII. De galeiketen 90 + + +Boek IV. + +Hulp van beneden kan soms hulp van boven zijn. + + I. Uitwendige verwonding, inwendige genezing 101 + II. 't Is voor moeder Plutarchus niet moeielijk een + verschijnsel te verklaren 103 + + +Boek V. + +Welks einde het begin niet gelijkt. + + I. De eenzaamheid en de kazerne 113 + II. Vrees van Cosette 115 + III. Opmerkingen van vrouw Toussaint 118 + IV. Een hart onder een steen 120 + V. Cosette na den brief 125 + VI. De ouden zijn bestemd om ten geschikten tijde uit te gaan 127 + + +Boek VI. + +De kleine Gavroche. + + I. Ondeugende streek van den wind 133 + II. Hoe de kleine Gavroche zich Napoleon den Groote ten + nutte maakt 136 + III. De ontvluchting 155 + + +Boek VII. + +De dieventaal. + + III. De weenende en de lachende dieventaal 170 + IV. De twee plichten: waken en hopen 173 + + +Boek VIII. + +Verrukking en droefheid. + + I. Helderheid 181 + II. De bedwelming van het volmaakte geluk 186 + III. Begin der schaduw 188 + IV. De hond 191 + V. Des nachts 198 + VI. Marius keert in zooverre tot de werkelijkheid terug, + dat hij aan Cosette zijn adres geeft 198 + VII. Het jonge en het oude hart tegenover elkander 204 + + +Boek IX. + +Waarheen gaan zij? + + I. Jean Valjean 219 + II. Marius 220 + III. De heer Mabeuf 223 + + +Boek X. + +De vijfde Juni 1832. + + I. Het oppervlakkige der quaestie 229 + II. De grond der quaestie 232 + III. Een begrafenis: kans tot wedergeboorte 236 + IV. De gistingen van eertijds 241 + V. Eigenaardigheid van Parijs 245 + + +Boek XI. + +Het stofdeeltje verbroedert zich met den orkaan. + + I. Eenige ophelderingen nopens den oorsprong van Gavroches + poëzie.--Invloed van een lid der academie op deze poëzie 251 + II. Gavroche op marsch 253 + III. Billijke verontwaardiging van een kapper en een barbier 256 + IV. De knaap verwondert zich over den grijsaard 258 + V. De grijsaard 259 + VI. Recruten 261 + + +Boek XII. + +Corinthe. + + I. Geschiedenis van Corinthe sinds zijn stichting 265 + II. Voorloopige vroolijkheid 269 + III. De nacht daalt op Grantaire 277 + IV. Pogingen van troost op de weduwe Hucheloup 280 + V. De toebereidselen 283 + VI. In afwachting 285 + VII. De man, dien men in de Billettes-straat had ontmoet 288 + VIII. Verscheidene vraagteekens betreffende een zekeren + le Cabuc, die misschien niet le Cabuc heette 292 + + +Boek XIII. + +Marius treedt in de schaduw. + + I. Van de straat Plumet naar de wijk St. Denis 299 + II. Parijs uit de uilenvlucht gezien 301 + III. De uiterste rand 304 + + +Boek XIV. + +De grootheid der wanhoop. + + I. De vlag: eerste bedrijf 313 + II. De vlag: tweede bedrijf 316 + III. Gavroche had beter gedaan de karabijn van Enjolras + te nemen 318 + IV. Het vaatje buskruit 319 + V. Einde van Jean Prouvaires gedicht 322 + VI. Het zieltogen des doods na het zieltogen des levens 323 + VII. Gavroche, een diepzinnig berekenaar der afstanden 328 + + +Boek XV. + +De Rue de l'Homme Armé. + + I. Drinker, babbelaar 335 + II. De straatjongen een vijand van lichten 343 + III. Terwijl Cosette en vrouw Toussaint slapen 346 + IV. Overdreven ijver van Gavroche 348 + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Monte à Regret (met tegenzin beklommen) het schavot. + +[2] Beroemd woord in les Horaces. + +[3] Een laag mastik op een vensterruit gelegd, houdt de stukken glas +tegen en verhindert het gerucht. + +[4] Des nachts kan men niets zien.--Des daags ziet men zeer goed.--De +burger is vol angst voor apocrief geschrift. Houdt u altijd goed, +al is 't ook dat ge pijn in 't lijf krijgt! + +[5] Uitgezonderd den laatsten regel: "Ik heb slechts een God, een +koning, een oortje en een laars," is er eigenlijk in het geheele +liedje volstrekt geen zin. + +[6] Daar schommelt het afgrijselijk rif + Eens minnaars die er zich verhing. + +[7] Carpe horas beteekent: maak u den tijd ten nutte. + +[8] In de verte verbaast zij, dichtbij verschrikt zij. Op haar neus +zit een stoutmoedige wrat. Men beeft ieder oogenblik, dat zij hem +zal afsnuiten en haar neus op een mooien dag in haar mond zal vallen. + +[9] Onthaal u zoo ge kunt en eet zoo gij het waagt. + +[10] Herinnert ge u ons bekoorlijk leven, toen wij, beiden nog jong, +niets anders begeerden dan fraai gekleed te zijn en te beminnen. Toen +wij geen veertig jaren telden wanneer wij ons beider leeftijd +samenvoegden; terwijl in onze kleine, stille huishouding alles, +zelfs de winter, lente voor ons was. + +Schoone dagen! Manuel was fier en wijs; Parijs vierde heilige +feestmalen, Foy schoot bliksems, en aan uw keurs was een speld, +waaraan ik mij prikte. + +Allen aanschouwden u. Ik was een advocaat zonder zaken, toen ik u naar +het Prado ten eten voerde. Gij waart zoo schoon, dat het mij scheen, +alsof de rozen zich omkeerden om u te zien. + +Ik hoorde ze zeggen: hoe schoon is zij! Welk een liefelijke geur! Welk +golvend haar! Zij verbergt onder haar mantilje een vleugel; haar +bekoorlijk mutsje is nauwelijks ontsloten. + +Ik doolde met u, en drukte uw malschen arm. De wandelaars geloofden, +dat de verrukte liefde in ons gelukkig paar de zachte maand April +met de schoone Meimaand had gehuwd. + +Wij leefden verscholen, tevreden, met gesloten deur en smaakten de +liefde, de heerlijke verbodene vrucht. Mijn mond zeide niets of uw +hart had het reeds beantwoord. + +De Sorbonne was het landelijke oord, waar ik u van 's morgens tot 's +avonds aanbad. Alzoo past een minnend hart de kaart van het teedere +op de latijnsche wijk toe. + +O plein Maubert! O plein Dauphine! Wanneer ge in het frissche +lentekamertje de kous aan uw fijn been deedt, zag ik een ster op +den bodem. + +Ik heb Plato gelezen, maar niets er van onthouden. Gij beweest +mij beter dan Malebranche en Lamennais de goedheid des hemels +door een bloem, welke gij mij gaaft. Ik gehoorzaamde u, ge waart +mij onderworpen. O lief vlieringkamertje! Uw corset te rijgen, u +'s morgens vroeg in uw hemd te zien heen en wedergaan, uw jeugdig +hoofd in uw ouden spiegel weerkaatsend! + +Wie zou dien tijd van morgenrood, linten, bloemen, gaas en moiré +kunnen vergeten, toen de liefde haar bekoorlijke, geheimzinnige +taal fluisterde! + +Onze tuin was een tulpenpot; uw onderrok diende tot gordijn voor het +venster, ik nam de aarden kom en gaf u den japanschen kop. + +En de groote rampen, waarom wij lachten! Uw mouw brandde, ge verloort +uw boa! En wij verkochten het fraai portret van Shakespeare, om er +'s avonds voor te kunnen eten. Ik was een bedelaar en gij waart +milddadig. In de vlucht kuste ik uw schoone, ronde armen. Dante +in-folio diende ons tot tafel, om er kastanjes aan te eten. + +Toen ik in mijn vroolijk verblijf voor het eerst uw gloeiende lippen +kuste en gij met verward haar en blozend heengingt, bleef ik verbleekt +staan, en geloofde aan God. + +Herinnert ge u ons onmetelijk geluk en al uw gehavende halsdoekjes. O, +hoeveel zuchten zijn uit onze volle harten ten hemel gestegen. + +[11] Mijn neus druipt; mijn vriend Bugeaud, leen mij uw gendarmes, +ik heb hun iets te zeggen: In blauwe kapotjas, met de kip op de shako, +ziedaar de voorstad! Kukeleku! + +[12] Zoodra de gendarm Lafayette ziet, roept hij: Vluchten wij, +vluchten wij! + +[13] Buvard, Bavard, in 't oorspronkelijke; het eerste beteekent +een schrijfportefeuille met vloeipapier dat dient om het geschrevene +te drogen. + +[14] De vogel lastert in den boom en beweert dat Atala gisteren met +een Rus is voortgegaan.--Waarheen gaan de schoone meisjes, la la! + +Mijn vriend Pierrot, gij babbelt, omdat Mila laatst aan haar venster +klopte en mij riep.--Waarheen enz. + +Die meisjes zijn zeer bekoorlijk. Haar vergift, waarmede zij mij +betooverden, zou zelfs mijnheer Orfila dronken maken. Waarheen enz. + +Ik houd van de liefde en haar gekweel, ik bemin Agnes, ik bemin Pamela, +Lize brandde zich zelve door mij in vlam te zetten.--Waarheen enz. + +Eertijds toen ik de mantilles van Suzette en Zeila zag, verschool +zich mijn hart in haar plooien.--Waarheen enz. + +Liefde, wanneer gij, in de schaduw schitterend, Lola met rozen +omkranst, zou ik er mijn ziel voor willen geven.--Waarheen enz. + +Jeanne, ge kleedt u voor uw spiegel! Mijn ziel ontvlood op zekeren dag; +ik geloof dat Jeanne ze heeft.--Waarheen enz. + +Des avonds wanneer ik van het bal kom, wijs ik Stella aan de sterren +en zeg: aanschouwt haar.--Waarheen enz. + +[15] Er zijn nog altijd bastilles, maar ik zal de openbare orde +terecht brengen.--Waarheen enz. + +Wil iemand kegelen gaan? De oude wereld stortte in toen de groote +kogel rolde.--Waarheen enz. + +Oud, goed volk, laat ons met krukken het Louvre inslaan, waar de +monarchie in falbala prijkt.--Waarheen enz. + +Wij hebben de hekken opengebroken, dien dag hield koning Karel X zich +slecht en ging heen.--Waarheen enz. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De Ellendigen, by Victor Hugo + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN *** + +***** This file should be named 37869-8.txt or 37869-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/7/8/6/37869/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
